y;j^i*«K-
|
^—PP^PWP^SS-^T-T^--
|
, y^^^rrrmr-rw >..»(pW+.J|,, &
|
|||||
HIEROGLYPHI CA
MERKBEELDEN
DER OUDE VOLKEREN:
NAME NTL YK
EGYPTENAREN, CHALDEEUWEN, FENICIERS*
JODEN, GRIEKEN, ROMEYNEN, enz. Nevens een omftandig Bericht van het
VE R VA L en voortkruypende FERBASTERING godsdi'ens. ten
Door verfcheyde Eeuwen; en eyndelyk de
HERVOR MING,
Tot op deze Tyden toe vervolgt.
In LXIII. HOOFDSTUKKEN, en zoo veele Kopere
PRINTBLAADEN,
Befchreven en Verbeeld door
Mh ROMEYN DE HOOGHE,
Rechtsgeleerde, en Commijfaris van zyne Koninglyke Majefteyt,
WILLIAM DE DERDE. |
||||||
Overzien en Befchaaft
ARN, HENR, WESTERHOVIUS
V, D. M, CTMN. GOUD* RECTOR.
|
||||||
BEN HOO& GEieOREN HEE1.
GEAAF Elf BAAMBEIR MEEK.
V A N « E N T O T C
WAS SEIAAI, : t
HEEK. VAN OBDAMfH£NSBB.O£K , 2UYDWTK, KERNHEM ,
VE.YHEEB.VAN EAG-E ,
IIB1E1 VAN BE OKDILE ,VAN s! JAN VAN JERUSALEM, BESCHREEVEN IN BE OK.BKE VAN BE JRIBBERSCHAP ViNHOIJAND, WEGENS BE ZELVE GECOMMITTEEKD TEK. VERGABEEIN&E VAN HAAEHOO&MO&ENHEBENBE HEERE STAATEN GENERAAL DER VEREENI&BE NEBERLANBEN, EERSTEN CURATOR VA1 HAiREU EBELE GSOOTMOGENHEDEN ' UNIYERSITEIT TE EETBEN; enz.enz.eiix, WORMM BE2E MEJRKBEEEBEH VAN
m! EOMEYH BE HOOGIE '
EJERMEM&LYK OPGEltAGENBOOl 2YNEK. HOOG EBEiLHEYBS
ZEER UEBE11GEK BIENAAR
ARK. HEN1. yW%t&T'BTBL&OVTU& . |
||||||
VOORREDE
VAN
ARN. HENR. WESTERHOVIUS
OVER DE UYTGAVE DER
HIEROGLYPHICA
En zeldzaam en doorwrocht Werk word alhier
den Weetgierigen Nederlandfchen LeZer aan- gebodcn. Wy zullen van de vermaardheyd dcs Autheurs opzectelyk niet /preeken. Hec is be- kend, dat de Heere Mr. Romeyn de Hooghe niet alleen geweeft is CommiiTaris en Directeur der Bergwer- ken en Revenuen in het Graaffchap Lingen, daar toe van we- gen zyne Groot-Brittannifche Majefteyt,Koning WILLIAM de Derde,in 't jaano^.aangeftelt; voorts door de Ed. Achtb. Regeering der Stad Haarlem aangeftelt tot CommiiTaris van dejuftitie, en Regent van Godshuyzen, enz. zynde daar- enboven uyt aanmerkinge zyner zonderlinge hoedanigheden door zyne Poolfche Majefteyt, Johannes de Derde, in 't Jaar * 1^75.
|
|||||
i
|
|||||
VOORREDE.
1675. Geadelt; en waar van wy beyde de authentyke ope
Privilegie-Brieven der Koningen gezien hebben; maar ook, dat hy in fchrandere vindingen nauwelyks zyn weer^a ge- had heefc. Hoe keurlyk een Plaat-Eczer hy geweeft zy, we- ten de Liefhebbers van die uytmuntende Kunft beter , dan wy het zouden konnen verklaren. Trouwens zulks blykt niet alieen uyt zyn Spiegel van Stoat der Nederlanden, maar ook uyt verfcheyde andere Gedenkftukken, van welke de Kenners met den eerften opflag van t Oog aanftonts konnen oordee- len, dat het Konft-Stukken van Romeyn de Hooghe zyn. JVIaar in het byzonder munt het tegenwoordicr Werk zoo in veelvuldige Wetenfchap, als Zinryke Verbeeldingen uyt. En het was niet te begrypen, hoe een eenig Man zulk een uytgeftrekte kennis in Oudheden van die natuur konde bezitten, ten ware het uyt zyn eyge getuygenilTe bleek, dat hy verfcheyde Landen, voornamentlyk Italie, Spanje, enz, bezogt, en aldaar die zeldzame Stukken vergadert hadde. Om niet te fpreeken van 's Mans ongemeenen yver in het nafpooren en opdelven van diergelyke Beeldfprakige Geleert- heyd, die ons van de gryze oudheyd in deze en gene over- blyfzelen is nagelaten. Hier by kwam de gemeenzame om- megang, die de Heer Romeyn de Hooghe had met aller- ley Aanziennelyke en Geleerde Mannen; by voorbeeld, met verfcheyde Regenten, zoo van Amfterdam, Haarlem, als elders, en anderen van den eerften rang; met Heeren Pro- feiToren, Predikanten, en verders Kenners en Liefhebbers van Oudheden en andere Wetenfchappen, Bezitters van Ra- riteyt-Kamers en Kunft-Cabinetten. Het welk den Geleerden Autheur tot deze zeldzame Verzameling ook niet weynig geholpen heeft. Het is wel waar, dat anderen ook iets omtrent deze Stof-
fc
|
||||
V O O R R E D E.
fe hebben ondernomen. Dus hecft men van eenen zooge-
naamden Horns Apollo de Hieroglyphk'a, of Beeldfpraken der oude Egyptenaren, een Volk by de Oudheyd wegens hunne uytmuntende Wysheyd vermaard; van anderen lets anders; maar niemand heeft onzes wetens dit onderwerp met die uytgeftrektheyd onder handen genomen, of uytge- wrocht. Behalven dat het Werk meeft al de verfcheide Gods- dienften en byzondere Volkeren, in de oude Gedenkfchrif- ten beroemt, betreft, en tot een algemeen gebruyk in dc Nederlandfche Tale opgeftelt is. Twee Amftcrdamfche Vrienden, my in het laatft voorle-
de Jaar 1734. bezoekende, booden my het eyge Handfchrift van den Heere Romeyn de Hooghe aan , met verzoek , ik wilde het zelve met alle mogelyke oplettendheyd door- bladeren, en ter Drukpers bevorderen. Jk liet my overte- den; hoewel men my betuygde, dat het Werk ten zelven cynde zedert eenige Jaren reets in verfcheyde handen was ge- weeft, zonder dat men nochtans het gewenfchte oogmerk had konnen bereyken. Nauwelyks had ik het onder handen genomen, of ik ont-
dekte een veeivuldige belezentheyd, gepaart met een behoor- lyke Taalkunde , en fchrander oordeel. In het byzonder fchepte ik genoegen in de deftige bewoordingen, zoo dik- wils de Geieerde Autheur gelegenheyd ontmoet, om van de Mozaifche Schriften, of andere Goddelyke Waarheden, door welke het Gelove der Ghriflenen geftaaft word, te fpreken. En men zal hem in zaken, rakende dat onderwerp, menig- maal niet als een gemeen Chriften, maar als een Hoogleeraar in de Godgeleerdheyd fprekende ontmoeten. Hoewel ik niet tegenftaande dit alles zoo nu en dan noot-
zakelyk heb geoordeelt, de Woorden des Geleerden Schry- * z vers
|
||||
VOORREDE.
vers of nader op te helderen, of te befchaven, daar ik zulks
meende te behooren; voornamentlyk omtrent de omftandig- heden van zaken en Oudheden, rakende deze of gene Merk- beelden, gelykdeHeerRoMEYN de Hooghe dezelvenoemt; die ook mogelyk, indien hem de Heere God het Leven lan- ger had gefpaart, de laatfte hand aan zyn Opftel en Plaat- verbeeldingen zou gelegt hebben. Vindt men zyn Schryf- flyl zoo hier en daar wat fchamper, het is meeft al, om de botte Bygelovigheden, en Dwingelandy, die men in de RoomfcheKerk ziet heerfchen, ten toon te ftellen. Meer hebben wy den Lezer van dit voortreffelyk Werk,
bekwaam, om Geleerden en Ongeleerden te vermaken, niet te berichten ; maar vleyen ons, dat het met geen minder graagte by het Gemeen zal ontfangen en gelczen worden > als wy het met genoegen doorbladert en befchaaft hebben. Qgttda den 20. Febr. 173 f,
|
|||||||
By gelegenheyd, dat her Werk elders gedrukt, en maareens, zonder
Revifie, van my gecorrigeert is, zal mogelyk eene en andere drukfeyle zyn ingefloopen? die de Goedwillige Lezer vriendelyk verzocht word, te wil- Ien over het hoofd zien. De groflte, die ik by het herlezen, en opmaken tan het Regifter heb ontdekt, ftaat bladz. m. lin. 2. alwaat Triformis in plaats van Trifornus moet gelezen worden. |
|||||||
u\
|
|||||||
H. Bos i^w.c . J.Houbraken d'culnj. Z7JJ .
|
|||||
MR. ROMEYN DE HOOGHE,
|
|||||||
A A N DEN
|
|||||||
L E E Z E R.
|
|||||||
Waarde Ampt-en Landgenoten.
!M U niet kng met deze Voorreede, in 't Portaal van
myn Werk, up te houden, zal ik niet eens fpree- ken van 't nut, 't geen in de Merkbeelden, zoo voor de Ouden, als voor ons, bevat is j want dat zal zig in 't Werk zelf genoeg openbaren- alleenlyk zal ik maar zeggen, dat dezelve door veelen, by gebrek van ge- noegzame kennis, flegt uytgevoert is, die Tyden, Zaken, Ge- vallen, enz. zoo door een hafpelen dat een verftandig oordeel , zulks nootwendig moet veragten -r want zy en merken niet, dat by 't eene Volk zoo eene Zaak, Dier, Kruyd, of beweeging aange- nomen is, voor het Merkbeeld van zulken handel, het welk by anderen geenzins gebruykelyk is. En dit is eene van de reedcnen, waarom ik dit Werk heb ondernomen , op dat een Reedenaar, Dichter, Konftenaar, en andere, zoo veel het doenlyk was, zou- de houden eene nette overeenftemming van alle de By-florTen, doe^ ningen en leydinge , zoo als dezelve in elk Land, in eene en de- zelve Eeuw gebruykt zyn; om niet te vervalien tot mjsflagen van zoo voortreffelyke Meefters, die dat niet waarnemende, wel aan hunne Beelden behoorlyke driften en zekere omtrek hebben gege.- ven •, r maar ondertuflchen, Meders, Joden, Grieken, Romey- nen en Duytfchen, in zeer onderfcheyden Eeuwen door een gemen- geld. Neem eens tot Voorbeeld eene Prent van de Slag van ifra&l tegen den Amalehten , door een berugt Man nagelaten. In deze worden de Joden, die geen Paardevolk hadden , als wel opgezeete * 3 Rity-
|
|||||||
fo
|
|||||
A A N DIN lUZER,
Ruytery verbeeld , meefl met Roomfche Ruftingen en Geweer -,
daar nogtans in de Wet zelve was verboden', dat men zyne Paarden niet mogt laten vermenigvuldingen; en Jozua moeft der Overwon- nen Vyanden Paarden verminken, 't welk ook zoo is gebleven tot Salomons tyd, die ze in Egypten opkogt. Gelyk een ander groot Man de Romeynen onder Severus, als of 't Numiden of Libyers waren, zonder Toomen doet Ryden. En een derde zyne Griek- fche en Macedooniiche Ruyters heeft nagelaten, met Zadels en Stc- gelreepen, die men in geene Hiftorien vind, als by Zonaras eerfl, in 't voorval, dat Confians zynen Broeder Conjtantyn uyt de Zaai en van 't Paard fmyt. Grover ziet men op de Kachel-yzers der Duytfchen Gefchut en Mufquetten in 't Beleg van Betulia j en dier- gelyke wanorder elders. Daarom behooren zig de Konitenaars, en zelf alle Stelders, Schryvers y enz. wel te beneerftigen, om bo- ven alle die overeenkomit van Tyd en Plaats te doen zien. Deeze nabootzing van de eerfte zoort , die van het inwendige tot het uyt- wendige gaat, is Omtrek, platte Grond, Zydtrek ofProfll, met of zonder Verwen, Halfrond, Beeldhouwery. Maar gelyk de ee- ne Menfch die nabootzings-kragt minder doordringend, duurzaam, en klaar heeft, als de ander, (zoo als wy buyten de Konft zelfs in Vertellingen zien, want een en dezelve handel word van den eerie zoo leevend verhaalt, en zoo afgefchildert en gebootft, dat wy daar van bewoogen, zulks zelrs fchynen te zien en te voelen, tot uytperflmg van Tranen en andere Hertstochten toe ; daar den anderen Dichtende, Redenvoerende, Schilderende, of Beeld/hyden- de, zoo kout nabootft, bet geen hy wil verbeelden., dat het ons het minfte niet en beweegt;) dus ziet men ook van deze Hiero* glypben cnige wonderbaarlyke gedacht, tot de grond in de Natuur nagefpoort, en zoo leevend geraakt, dat wy aanmerkende he^r nage- bootfte, aanftonds vormen in ons begrip, 't geen zy hebben willen affchilderen. Ja met zommigen handelen wy, als Tacitus en an- dere fyne Staatkundigen met de woorden en gedagten der Grooten, welkers Beelden zy ons aftchilderen, dat wy meer daar in zien, om. ons
|
|||||
A* A N D E N L E E 2 E R.
bhs eyge Verftand te doen praalen, als zy ooyt dachten. Zoo
twyffel ik niet, ofonze opdelvers der Obeli/ken, Pyramiden en Biero- ghph-wulven hebben het zelve gedaan. Maar meer ongemak leyd 'er in der Ouden nabootzing , om
dat wy niet klaar genoeg van hunne Tyden, en 'c geen in dezelve gebruykelyk was, onderregt zyn •, en 't aldergrootfte kwaad is in de Hovaardy der Ouden ; welker Wyfgeeren , berucht voor Philofbo- phen, Priefters en Propheten, ja voor half Goddelyk, van 't geen zy widen, zoo veel (lank maakten, als of het voor geene andere Menfehen doenlyk was, den weg tot hun weeten in te ilaan. Zoo ziet men, dat het met onzc Lccrmeefters gaat,die of door botheyd, of Hovaardy , of Schacherziekte , van hunne Wetenfchappen en kunften wondere geheymen maken , en groote Boeken fchryven y om dat zy zelf zouden fehynen een wonderbaarlyk weeten te bezit- ten, daar ze eenvondig willende of konnende leeren op een Blad of in weynige Aanwyzingen en Voorbeelden , den Leerling met hen zouden konnen evenaren. Dewyl nu een iegelyk wel wil veele zaaken Verbeeld zien door
Beelden, of Merk-teekeningen, en zulks den Konflenaars zelden toevalt wel te konnen uytvoeren; om dat zy meerendeels, 't zy Schilders, Plaatfhyders, of Beeldhouwers , van geringe Ouders, tot het nazoeken der Gronden, waar van dezelve in de Oudheyd gehaalt zyn, niet konnen doordringen; zoo heb ik myne gedagten, gewend, om dezelve zoo veel in my was , de helpende hand te bieden. Men moet om die van de Oudheyd te kennen , Taalkun- dig zyn, Leezing der oude Schryvers hebben, Penningen, Boeken en Teekeningen by een zamelen, en dan daar van doorvoed, vin- dingryk en vruchtbaar zyn van verfcheyden invallen en gedachten op elk Voorwerp. Men moet de gedachten konnen tot Beelteniffen breiv gen, en Teekenen de al te ver gezogte vreemdigheyd der oude Baby- lonifche, Indifche en Egyptifche Beelden. Anderen kan men naar onze, en andere Landswyze verfchaven; Griekfche, Romeynfche, en andere Europeers Beelden naar hun Land-aard , en de nu bekende Waar- heyd
|
||||
AAN DEN LEEZER:
heyd en toeftand verfchikken; of men mifHoet, met onverftanelyke
wysheydop te difTchen. Gelyk de School-Redenaars, die, om te toonen, hoe groote Letterkennis zy bezitten, hoe zeer zy de Ouden doorbladert hebben, eene zoo oude deftigheyd in hare Redenvoe- ring mengen , dat ze heerlyke Tuyteryen voor Dooven opfhyden, zonder eenige voldoening aan 't rechte Oogwit, het welk altyd is, en moet zyn, den Toehoorder te doen weeten, 't geen uwe ge- dachten zyn. Wie zou nu droomen alle de Goddelyke hoedanig- heden in een Pluym te zien, of Zon- en Maans-krachten, loop en veranderingen in een Drek-Vlieg der Cophten? wie zou de Ganges, den Donau, Rhyn of Seyne nu wcl verbeelden, volgens de manier der Griekfche of Roomiche Medailles ? als zyne mening was , den Leezer of Ziender te doen klaar bemerken, de kracht , loop en geweld van die Rivieren, die nu van andere Volkeren en Machten bevaren worden, en van hare oude Zeeboezems , Invloeden, en daar aan gebouwde Steeden en Slooten ganfch verandert zyn I Om die euvel te gemoet te koomen, heb ik dit Werk te mcer no-
dig geacht, om dat die Lief hebbers niet anders zig zelven behielpen, als met Prenten , die zy weynig verflonden, van Vinding-ryke Meefters der voorlede Tyd \ en dan veeltyds met goede wil verkeert werkten ; of om dat zy in Cafar <l Ripa, Pierius of diergelyke groote Mannen wat vindende, zonder onderlcheyd der tegenwoor- dige Tyd, derzelver verbeeldingen aanhingen; ook de namenmaar nazoekendej zonder ziften van de ganfeh ver/cheyden zaaken op eene en dezelve Naam , het een voor het ander uytkipten. Gelyk de Gerechtigheyd van eenen Voril;, met die van eenen Chriften , en deeze met die van eenen Koopman, zonder verfchil te toonen, door eene geblinde Vrouw, met het Zwaard in de eene, en de Weegfchaal in de andere Hand; de Hemelfche en Vorftelyke Ge- nade aan welverdienden of Doodfchuldigen op eene trant te ver- beelden, is geenzins voldoende aan de meening van die haar te werk heeft verzogt. Om zulken te voldoen, heb ik dit Werk begonnen. Zonder beezigheyd te zyn kan in my niet vallen, om |
||||
AAN DEN LEEZER.
dat ik my in de flender der vervalle Landsgenooten niet wil, nog kan
geeven, die veele tot leedige vadzigheyd gewend, buy ten flecht of kwaad fpreeken, of wel heele Dagen fly ten in CofFy- en "Wyn- huyzen, met de daar in eyge Raadzelen over het Nieuws, of mor- ren op de Regeering, en den ftaat van anderen te maaken hun vermaak vinden. In drie Deelen heb ik het begreepen. Het Eerfte, om van de Merkbeelden der Ouden, zoo eenvoudi-
ge als zamengeftelde, tot die der meer bekende Griekfche en Ro- meynfche, en alzoo op onze tyd paffende, over te gaan, en tot al net Metaphyiifche,• of Boven-Natuurk undige, het weik zy in den Hemel, Lucht, Aarde , en Helle verdicht, tot Goden en Godinnen gemaakt, van den Onnozelen voor Goddelyk doen ee- ren, en in Tempelen aangebeeden hebben, Het Tweede Deel, om alle Ryk en en Staaten der oude en te-
genwoordige Tyden te vertoonen naar den trant der Ouden, en op de tegenwoordige belt gefchoent, met diergelyke Merkbeelden te doen zien; en elk in zynen ftand, Steeden, Rivieren , Bergen, en andere aanmerkelyke zaaken, als Ryksvergaderingen, Staats- of Stads-Ampten, en diergelyke; met eene verbeelding der Konften, Zeldzaamheeden, Wapenen, Overwinningen en Neerlagen, Volk- plantingen, als anders, daar in en >bygevoegt. Het Derde Deel, alle de Aandoeningen des Gemoeds, alle Drif-
ten, en Tegenfpoeden, die ons dryven in het Geeftelyken Wereld- lyk, en al wat de Zeede-kunde tot Voorwerpen heeft, zoo wel als de Godsdienft en Godvruchtigheyd te doen zien, gelyk in de twee andere Deelen, met Beelden. Maar in het behandelen van het Eerfte Deel heeft de zaak zelve
my gedwongen, daar in te mengen het overgaan van de eene Gods- dienft tot de andere • en dat niet wel voorby kunnende , heb ik ook goed gedacht, in het Werk der Merkbeelden, de Gefchiede- niflen der onder of boven rakende Godsdienften, met hunne ja- ren aan te merken, en den Leezer tot aan onzen Tyd te brengen; gelyk ik ook in het Tweede Deel meene te doen met de Hiftorien ** der
|
||||
AAN DEN L E E Z E L
der Vorften en Ryken, tot op den huydigen dag toe. En miflchiert
zal op die nieuwe wyze van ichryven de luft der Jeugd aangeprik- kelt worden, om tuflchen de vermakelyke nadenkingen der vreem- digheden, de zaken van Godsdienft, zoo wel als de BefHeringeii van andere en hunne eyge Landen te leeren. Welke te zaamen myn oogmerk is te doen zien Befchreeven en
Geprent, om den Liefhebberen van veele moeyten af te houden. Dog als deeze enkele doorgegaan zyn, zal ik ook (gunt my God het Leven) tot allerley zoorten en zaaken doordringen, en pogen te voldoen. Eerftelyk in die, welke de Goden der Volkeren betrefTen,, na der zelver verfeheyden Tyden, om Dichters, Schilders, Beeld- houwers en andere Liefhebbers te doen werken , met die voldoe- ning, dat zy onder de Duytfche geene Indifche, onder Egyptifche geene Scythifche, Saxifche, Batavifche of Britfche mengen^ nogde eene duyzend Jaren in de anderen verwarren •, ten eynde men in die Verbeeldingen houdede Heylige Regel, dat alles met zynTyd^ ' Plaats x en verdere Omftandigheden over een koome.. |
|||||
VER-
|
|||||
'■ '■■■.-... ...■■■■■■'" "■:■••-- ■■■■■ ■ ....■
|
||||||||
VERKLARING
|
||||||||
V A N D E
|
||||||||
TYTELPRENT.
|
||||||||
DE nieuwsgierigheyd in de Eerfle Menfchen deed hen vallen, om nog
meer te willen wetcn, als 't geen den eerften Menfch toegefchreven word,en zelfs Geeftenen BovennatuurlykeBewegingentefcegrypen. Denut- te en nodige kennis der zelve is van Gods Genade onmiddelyk ingevloeyd, in zyne Uytverkore Vaten, Sethi Enoch en anderen. Door deze geleyd, hebben zy ook gelukkiglyk de Verborgentheden door 't Geheel-Al ver- fpreyd, konnen navorfchen, en voor hunne Nakomelingen den weg ba- nen, tot uytvindingen der Konften en Gereedfchappen, onderfcheyding der Aardftoffen, krachten van Vuur, Water en Luchtj en zulks wetende, hebben zy 't by Monde overgezegt, of by Merkbeelden verftanelyk nagela- ten. Der Joden oudfte en befte Schryvers verzekeren, dat de Naalden van
Seth, of Noach, uyt de Zondvloed overgefchoten, nog te zien waren» met de daar op onzekere Beelden, op de wegdaar £^«^bazuynde, tot byeenroeping en Wapenkreet aan den Ifra'eliten-} na dat hy Eglon doorge- ftookcn had, zynde de Gefnede Beelden genaamt, in het Boek der Richte- ren, III. 2 6. met eene waarfchynlykheyt van gebakke Steen, en (gelyk 'er nu nog zulke by den Lief hebbers der Oudheyd overfchieten) daar in 5 wan- neer de Leem of Pot-aarde zacht was, ingedouwt. Jofephus zegt van Seth, dat hy deugdelyk, en by Adam wel opgevoed,
ook zulke Kinderen naliet, aan welker geeft en werkzaamheyd men de Sterrekunde verplicht is. De vreeze, van dat deze wetenfchap zoude ver- loren gaan, deed hen twee Pilaren bouwenj de eene van gebakken, de an- dere van gehouwen Steen -t om, of 'er eene Watervloed die van Brikfteen verdelgde, de andere van gehouwe Steen zoude overblyven; en hy voegt hier by: haar voor zien lukte. Men verzekert ook nog, dat de Steene Pilaar in Syrie te zien is. Op deze wyze hebben de fchrandere Indianen, de Seres, deChaldeen
Arabiers en Egyptenaars ook gewerkt 5 't zy dat zy uyt deze Beginflelen hun verftand hcht gaven, of door hun eyge fnelheyd de geheymen der Na- ture doordrongen. De middelen en aanwafch dezer Leermanieren zyn van veele zeer verlchiHender wyze behandelt. Maardemeeften hebben hunne ken- ** 2 nis
|
||||||||
VERKLARING
nis misbruykt •, om zig zclven daar van te konnen bevoordelen, met ftaatr
en gemak. En ziende den aanwafch van de vcrwondering en achting des Volks, begrepen zy> dat men dit Weten fpaarzaam moeft overhandrey- ken, de klaare Waarheden bezwalken, en eyndelyk in vercierde grillen be- zwachtelen. De befte en zuyverfte gedachten en ondervindingen lieten zy in holen, of onderaardfche wulften, in de Boogen metzelen y zynde op Lecm ingegriffyt en gebakken. Deze Merjg£ti, Hieroglyph en van de Grie- ken genaamt, als H. Merkbeelden, zyn het, dewelke ik op myne manier behandele -, volgende of afftappende van dezelve, na de beter bekende ont- dekkingen in de Natuur, met verwerping der diep gedroomde en belache- lyke fpitsvinnigheden, van die Ouden in ongeachte onderwerpen, zoo zy waanden, gevonden. De Tyteiplaat toont dit, met byeen te vergaaren, in Serapis Ondertempel, die de overgefchote Merkwuften langft heeft be- waart, allc de Medewerkers in deze dicpe Geheymfconftenary. A. De eerfte , die zig opdoet , is een bejaard Leerling , met een
Kransje van Yzerkruyd, tot een teeken van een volkome overgave van zig zelven aan zyne Meefters, om zyn Hoofd -y fluytende zyn Mond, als een Harpocrates, met eene Vinger; als een die Jaren lang onder die Leeraars,, niet als met zwygen, hooren, denken en fchryven moeft doorbrengen. Een Arabifch Boek van op een genaaydc Biblis, of Parkement-bladeren, vol IVkrkbeelden en Konft-trekken, legt aan zyne zyde * terwyl hy op de Griek- iche en Romeynfche wyze een TaFeltje van Wafch voor zig heeft,om daar in met zyn Stift te grimen dat gene, het welk hy van hen leert. JD. Tegen dezen over ftaat de befte Leermeefter, verbeeldende de Stook-
konfi der Ertzen, Aardftoffen en Kruyden. Die Baas ftaat met eene Gla- ze Kolf gedekt, met een veracht kleed aan, by eene Smeltkroes, waar in hy zyne ondervindingen t'clkens waagt, om te doorgronden ieders aarda om door 't Vuur de Zwavel, het Kwik, en het Zout te fcheyden j het welk door de Zonneftralen zamengeftremt was. De vlam voed zig met de Zwavel en Balzemachtigheyd , door Salpetcr verbeeld, die het eenigfte Zout is, het welk brand De Rook daar uyt ryzende, is van flymiger en kouder aard, als Kwik,dat wechvliegt van 't Vxnxt^mzaxAsSat Armaniacy wel gefublimeert,, maar niet verbrana kan worden. Die tweevluggezelfftan- digheden van Lucht en Water alzoo gefcheyden zynde,blyftde vafteAfch„ als gemeen Zout, zoo als men door Loog daar uyt kan trekken, of door heet Water j zyne verw behoudende, mits dat het Vat wel gelloten blyft. Zoo houd hy dan niets over op de grond, als dood laf Zoutaard, Kali by den Egyptenaars en Arabi'ers genaamt, het welk door geweld van nieuw Vuur tot Glas-aarde word. Zyne Potten, Wortels, Steenen en Gereed- fchappen betuygen de noefte drift en geftadige werkzaamheyd, door welke |
||||
VAN D E TYTEL-PRENT.
hj leert kennen 't geen voor de reft verborgen is j want niemand kan het
zamengeftelde beter kennen, als die 't fcheyden kan. Maar die by uytftek kennende wil hy verheerlyken , en trekt daarom in zyne Spil de Zon, de Maan , en wat *er meer hoog aanzienelyk onder de zichtbare heer- lykbeden bralt. Hy geeft hare namen aan zyne zakeiij en fchikt zyne Hoofdftoffen tot Goden,. naar de namen van elk Land. >-*• Maar Urania, de heldachtigfte der Zanggodinnen, ftaptin, daar
de Natuurkunde ftil houd. Deze verciert de eerrte Vorften van elk Ryk tot Perzonen in de Hemel-tekenen inwonende, en ftreelt door Wonder- digt de Ooren der Heerfchenden, met op haar te doen afdalen de Godde- lykheden door Menfchemakery. Zy is gehelmt, en daar op met Thaeb.us Lauweren geciert. Eene Ster, die zy, is 'er eene nieuwe ontdekt,. de o- vergeplaatfte Ziel van der Voriten naafte Bloed noemty tintek op haar Helm. Zy houd de Klaroen van Oorlogsroem in hare Hand, daar mede zy de Werel'dfche GefchiedeniiTen tot Reuzen en verflage Wanfchepzels, ja de veranderingen der Stook-konft, tot Meduza's, Gor gones en andere halve Godheden vervormt. Zy vocrt de Schacht in de Rechterhand, om de ruymte van haren Geeft in zamenflanfTmg van buyten met binnenland- fche V oorvallen te doen verwonderen. Hercules Knods, die zy by halve dozynen in verfcheyden Landftreeken doet arbeyden, Aarde, Zee en He! openen, en alle Monfters Knotten, legt voor haar. D. Zy heeft te baat de Beeldhouwery, die hare vinding voor de Vor-
ften met ruyk-beelden uyt Ivoor en Marmer doed brallen, en in Tempelen opftellen, tot ColoJJen of overgroote Beelden gicten, en met Goddelyke Eer aanbidden. •tL* Ter zyden achter deze zietmen de JVyfgeerte tot vorming der Zee-
den, die, wyl het Menfchdom ongaarn beftraft en berifpt word, door H. Merkbeelden het zelve Menfchdom zyne gebrcken doed kennen, Deze heeft eene Chimera op haar Hoofd, met een Leeuwen-kop, Geyten-lichaam; Draken-ftaart en Vlerkenj leerende de gramfchaps-drift der Jeugd, de wif- pelturige wuftheyd van 't Jongmanfchap, en de verhitte onderneming der Mannen, met hunne gevaarlyke beweging. Door zulke en fynder vindingen leert zy hen de waarheyd hunner Gebreeken, en wyft hen aan, met hare Staf, de weg om hunne eyge driften te bematigen. Deze Merkbeelden zyn 'er ook niet weynige nagelaten, tot een nog durend dagelyks nur. Van die Zbort zyn vol de Dichten der H. Propheten, en de Gelykeniflen van on^ zen Zaligmaker, en zyner Leerlingen. P. Daar tegen (hat de Fabel, niet minder onder de Merkbeelden wer~
** 3 ke-
|
||||
VERKLARING
kelyk. Zy hceft altyd eene zwarte Mom voor, fprekende van Gefchiede-
niiten tuflchen Onredelyke Dieren, derzelver Kedenering en Onderhoudj en heeft daarom nooyt ichyn van Waarheyd. De Vos en Kraan, malkan- der wel groetende, draagt zy op hare Handen. Hare HerfTenen zyn ge- dekt met eene Muts, daar allerley Dieren op geborduurt zyn. Dewylze altyd wat ongehoorts en nieuws opdoet, is zy jong achter de Mom, en met gretigheyd ontfangen. Zy kan ook op de gemoederen fterk werken, want zy kan hare gedachten zelfs den Kinderen indrukken, die ter beteu- geling van hun zelven die vermakelyke Spookjens aangeleert hebbende, o- vergehaalt konnen worden tot affchrik voor het Booze}, door de vertoonin- gen van de Hel, en de daar in zynde Gedrochten. G.
Die Schrikdichtery komt als een Oud Spook met de driehoofdige
Helhond op zyn Kop, met de blazendc Slangen voor eene Pruyk daar om. Zyn verzengd zwart Aangezicht word verlicnt door zyne vlamraende Oo- gen, brandende Baard, en uytgebraakt Vuur. Eene yzerverwige bebloe- de Drakenhuyd dekt zyne verdere grouwzaamheyd. Deze heeft mede zyn aandeel in de Merkbeelden -y want men vond daar door Ikkers , Gee- ften, Nachtmerrien, en Spooken, waar door veele gemoederen het Kwaad lieten uyt vrees, \ geen de Edelmoedige deden uyt de Voorbeelden van Hercules, The feus ^ Minos en andere Helden, door den Dichters, als aanzienelyke Leden van den Godsdienft , zonder ware grond \erdicht -, maar betoverende de Braven, als zy zulken in Pleyfter of Metaal verbeeld, als Goddelyk zagen eeren. Kortom de Ouden ftelden vaft, dat de meefle Verftanden tot begrip der Wyfgeerte niet te brengen en waren, en vyzel- den daarom tot Vergoding toe hunne verdichtingen op, om door 't Loon, of de Straf te lokken ofte verbazen die gene, welker beftier zy onderna- men. H.
Chaldeeuwen, Tofcanen, Grieken en Romeynen komen uyt deze
Merkbeelden afleeren, en ontleenen hunne Staatkunde, Wysheyd en Gods- dienft , veranderende de namen naar hunne Prinfen. 1- In deze Tempel ftaan de Pilaren van aantekeningen op 't hoogfte
Waterc het waffen en vallen van deNyl, dewelkegeen gering deelin dc Hicroglyphen bevat heeft. Om dat het welvaren der Egyptenaars daar van afhing, eene gift van de Nyl genoemt, en de Nyl Egyptus zelfj in Ju- nius beginnende, (door veele Regenen *) tot diep in Julius waflendc. Die Rivier uyt de twee Meyren van 't Ryk Gayanne in Abyffini'e fpruyten- de, ileept veel Salpeter mede in zyn afroliend Slibj niet als andere vloe- den,
* In de Maahbergen.
|
||||
■„_.___...■......_. :.::.-*'■■.........—■>■:■■■
|
|||||||||||||
VAN D E T Y T E L-P RENT.
den, zichtbaar in den aanwafch , maar even zacht omtrent Cirene om
hoog, als om laag onder Cairo vlietende. Deze Tempel van Serdpis flond op een Eyland tegen over Oud Cairo, Michias dfMaatlandgenaamt.Hier nu is eene Mof kee, met eene vierkante Put in zyn Voorhof, agtien elbo- gen diep. Hier in loopt eene Waterleyding, waar in eenige Pylaren, met wulften overdekt, ftaan.Dagelyks van den 13. Juny komen hier de daar o- ver geftelde Egyptenaars, die door Jongens doen afkondigen , hoe veel Duym de Vloed is gewaflen. By aldien hy tot 1 f. Elbogen opzweld, voor- fpelden zy een vruchtbaar Jaar -y tot 18. dan loopen 'er veele Haven onder tot bederf> maar blyvende onder de 11. of 10. groote Hongersnood. XL. Dagen duurt het wafien, en even zoo veele het afnemen der Wateren. De- ze kennis heeft oudtyds aan de Merkbeelden der Godsdienft klem gege- ven,die 00k overvloeyen op de 0&//J&<?«,o£Gedenkzuylenj gelyk men op de Medic afche Naald in dezen zin ziet. De zeegeningen der Goddelyke OJiris moet men door Offerhanden en zamenhechting der Geeften bezor- Pen, op dat men de weldaden van de Nyl zoude erlangen. Dus wierd het
riefterfchap ingevoert, maar als eene Konft, om gelyk aan zyns gelyk uyt te deelen, van de hoogfte tot do middelftc, en van die tot de onderfte doorgaande j lichamelyke aan lichamelyke uytdelende, en aan ieder God^ heyd, 't geen aan dezelve het meeft eygen was.. |
|||||||||||||
K.
|
|||||||||||||
En wierd alzo de Goden-dienfl ingevoert, die hier niet eenvoudig
|
|||||||||||||
ftaat, (want zoo begeerden zy dezelve met) maar met Myter, Kap ea
Cazuynel t omhangen met alle Plechtigheyds-Kleederen. Zy verwekten freeze in het Volk door de kennis der Eclipfen, Komeeten enz. Pleng- en Brand-offerende op de opgetooyde Altaren, op veelvoudige wyzen* be- ftaande uyt eene overeenbrenging van alles totelkander, om de Wereld- fche zaken door te dringen, en den Geeftea als te noaddwangen., en. door die den Goden te behagen. ■L*» Dog nutter bleef de Wet hier door in kraeht, die door Natuurlyke
Gelykeniflen en Merkbeelden *t Graauw intoomde, en tot Reden bragt. Die ftaat in de Rok van eenen Areopagyt,. als Reenter, wyzende de rech- te weg ter Deugden, houdende de Tythagorifche Letter Y, het onder- fcheyd van de Heyrbaan der gebreken tegen 't naauwe Pad van de Deugd, in zyne Hand, met de Koopere Tafelen, waar op hy zyne Wetten laat fnyden met Merkbeelden > en de Voorbeelden alzoo vertoont, als nevens hem blykt aan den Keuken-hond^ en Jacht-hond; de eerfte aan de Keu- ken, en de andere ter Jacht gewoon^ die met den Haas, den anderen met het gefnoept Gebraad in de Bek, om de kraeht der Opvoeding te bewyzen. ■"*• Door de Wulf-grot heen, ziet men de Vleyery der Sterrekykers,
wel-
|
|||||||||||||
......— ■■ - ■ ■-- ■ ....... ...........-.......
|
|||||||||||||
VERKLARING VAN DE TYTEL-PRENT.
welker kennis de eerfte van de Merkbeelden-makers is geweeft. Deze zweert
ten gcvalle der Dwingelanden, dat hy de Zielen hunner Voorzaten, in de fchoonfte Hemelsteekenen verandert, heeft gefchoten aan den Hemel, en dat 't Geflacht-regifter van zoo veele Goden aan den Vorft behoort. N.
Die, als ter cDwingelandy toegemft, met eene Aziatifche Rok5
Hermclyne Mantel en Tulband , de door hem in brand geftooken Wereld
in de hand houd, met de Zabel op zyde, gefcherpt op de Halzen der ge-
ner, die tegen zyne Oppermacht en verdichte vergoding kikken. Zulke
Wereldplagen zyn die heerlyke Dwaalfterren, en andere geworden, voor
welken men Altaren, Priefters en Nonnen zonder getal heeft: geordent,die
men te Romen, alwaar men de Stapel van *c Godendom maakte, alle in 't
'Pantheon, aller Goden Tempel, nu St. Maria in Rotundo, heeft inge-
ftoten, de welke, nevens de Grafnaalden in Egypten, verder in Africa,
en elders zyn gebouwt. Alle vol zulke Merkbeelden , welke buy ten de
Sterre-Natuur-en Stookkunde, ook de Daden en Gefchiedeniflen afmaal-
den. Van zulke zyn de beruchtfte Semiramis, en het 'Duyvebeeld, Be-
Ins, Taut, en die hier in Serapis Tempel ftaan, en naderhand befchreven
zullen worden. Serapis of IJis Tempel is meeft een en dezelve j gelykmen
de uytgegeven ruymte te Romen aan die Godendienft, Ifaum, en Sera-
p<eum zonder onderfcheyd noemde > alwaar met groote zorg en eerbied Ifts
onder de gedaante van eene jonge Koe wierd aangebeden j Apis by ande-
ren genaamt, en verfchillende tienmaal, naar der Landfchappen onder-
fcheydene Talen. *T maakzel was, als men buyten de Hoofdkcrk van
The bats, daar na in die van Memphis navolgde, een Koper gegootenStier,
met Hoornen byna tot een rond aan een gekromt. Op zyn Rug was een
Gulden dek-kleed , met eenen daar op gewerkten Kalkoenfchen Haan,
houdende zyne Veeren uytgefpreyd; waar van de Befchryving zal volgen.
o. OJiris, ook Serapis, de Man van IJis, met een Haviks-kop, en
daar op eene Priefterlyke Kerk-of Choormuts, mede hier na te befchry- ven, en * • Amun, of by den Arabieren Ammon, of Hammon ,mtt zyn Rams-
hoofdj welke alle, gelyk veele andere, eyndelyk op Zon of Maan uytko- men. |
|||||
DE
|
|||||
M
|
|||||||||||
!f*>=>
|
|||||||||||
n>:etjr<r- i7S+-
|
|||||||||||
n^riotJ *-
|
|||||||||||
D E
HIEROGLYPHEN
OF
MERKBEELDEN
DER
O U D E N.
|
|||||||||||
EERSTE HOOFDSTUK.
Uytlegging van de Trent-en Merkbeelden der Egyptenaaren. Wat
deceive zyn-, haar O or [prong en Vvortgang. Et heeft my goed gedagt, eerdat ik in't algemeen de Hiero*
glypben^ Beeld-fpraaken, der Ouden zou behandelen, eene opening van dezelve te doen : welke, om datze by uytne- mentheid in en om Egyptenland, in haare bloeyenfte kracht zyn geweeft, tot eene Konil boven alle anderen zyn opge- heven j en gonaamt A AKS
|
|||||||||||
t De Hieroglyphen of Merkbeelden..
ARS HIEROGLYPHICA
*De Konft om Beeld-fpraaken te maaken : en
S C I E N T I A HIEROGLYPHICA.
<De Wetenfchap om dezelve te verftaan.
Deze Wetenfchap is zoo groot,. en van zoonryme uytgeftrektheit, als *tt
eene te vinden is. Want alles wat in alle taalen en zaaken met woorden word verbeeld, bevat dezelve: en als zy zamengefteltword van veele Merk- beelden op malkanderen paflende ,. is ait zoo onbepaalt, als aller menfchen vernuft. Als dewelke alles wat die by een gefchakelt heeft, tot een deel, ofte geheel van eene reeden gevoeglyk vertoont. Nooyt ophoudende van uyt- gerekt te konnen worden, wyl de Analogies of overeenkomft van de tong, met de herfTenen moet gaan. Nu kan men niet fpreeken, of men heeft eerft het Merkbeeld klaar. En zoo veel overtreft die konft en wetenfchap hetfpree- ken en hooren; als de oogen meer treffen als de ooren, en't gezigt boven 't gehoor gaat; De zin des Maakers van het Merkbeeld,. is even dezelve als de zin des Spreekers. Te oordeelen uyt het werk ,. even als uyt de woorden. Waarom ook de Konftenaar feherp moet letten,dathy net volaoe aan de hoe- danigheden van dat gene,. het welk hy wil vertoonen. Het zy zulks of en- kel, of zamengeftelt zy, het moet zyne overeenkomft in alien deelen vinden y en het zelve word ook vereyft in de wetenfchap der Merkbeelden. De edelfte manier van verbeelden gaat voor,. maar egter dat gene, het welk op het krachdgfte den Befchouwer overhaalt, om in te dringen in het diepftebegrip van het vertoonde, gaat boven at Om dat het even veel. is, door welke weg de leerling zynen meefter verftaat,ofdeBefchouwer het verbeeldebevat Maar in die overee'nkomft blyft de kracht van 't werk hangeiij om het oog- merk en het doelwit y het welk men beteekenen wil, wel te recht in het gemoed van den Befchouwer te doen plaats nemen. Het welk gelukkiglyk fefcnied, als men alles heeft aangeraakt, het welk uyt de vergelyking van het
eteekende met het teeken was te haalen.. Gelyk de Schilders, die in het afmalen, Contrefeyteny zelfs de minfte trek niet verzuymen, den Befchou- wer overhaalen , ten getuygen van de krachtigfte gelykenis van hun, naar het leven , gefchildert konftftuk. By aldien dit in de konft der Merkbeelden is waargenoomen , als dan heeft ook de wetenfchap nodig zoo net by haar zelve te vormen de overeenkomft van de Linien en bywerken van't Merk- beeld, met het Onder-of Voorwerp Niets verzuymende, hoe gering, van het vertoonde, zoo verre als het met de welvoegentheyd, betamelykheyd en cieraad van het onderwerp over een komt. Gelyk een Timmerman, of Metzelaar,niet een ftreepje or lyntje van den Bouwmeefter verachtelyk voor- fcygpat, maar ftiptelyk opvolgty zoo doet de Befchouwer, om het gebouw in zync
|
||||
mm
|
||||||||
IP
|
||||||||
fyl ■*?**■* **■
|
||||||||
:*&^m^: •
|
||||||||
OORSPRONG DER ZELVE. I. HoOFDSTUK. J
zyne zinnen tot begrip te voltrekken, het geen hy in de fchets ontworpen
had gezien. VERKLARING VAN DE PRENT, verbeeldende
A. ^nzThebaifche Frouw,vo\f poezel, en om den overvloed van hare
gelukkige drachten, met eene fchoone en voile boezem. Zy draagt eene Egyptifche fchynhoed,of vrouwe turband,op haar hoofd,om de Geheymen, ende de eygenfchappen der zaaken in die overfchaduwde fomberheyd, beter te doorgronden, wyl zy is de konft om door Merkbeelden te fpreeken. Zy is naar de wyze der Thebaifche Vrouwen gekleed, alwaar de gaauwfte der Merkbeeld-Konftenaars byzonderlyk uytftaken} hoewel die Konft alom genoegzaam was verfpreyd, was dezelve echter aldaar ten top gevyzelt. Zy ziet, fchoon zoo zeer overfchaduwt, echter met klaare oogen, doorftraalende tot al het merg der zaaken. Want als zy al het Beeldfprakelyk wel en om- zichtig heeft doorgezien, moet zy echter daar na nog dieper in het Geefte- lyke doordringenj het welk wel in de gedachten kanvallen,maar geenzinsin de zinnen zig ook verbeelden. Om haare Gedachten wel by een te houden % ziet men hare ooren bewaart door een Koorkleed, op dat hare aandagt niet en zou afgetrokken worden. Een Sphinx, welk ondier gezegt word ftaad- zelen uyt te geeven, ziet men op den Turbant, doende daar door zien, dat zy niet plat voor alle groove kykers werkt, maar voor de groote verftan- den zooklaar is, als raadzels voor de geringen. Zy grift hare merken achter in eenen geplyfterden fteen , van eene
Hecate, te Barcelonie gevonden, eertyds op de naam van de Godheyd Befa, in Abydo^ buyten Thebai's, gevierd, alwaar zy dier landen Godfpraak was -y en naar oogenfchyn, door Priefters van I/is eertyds daar van daan ge- bragt. Daar fchryft de Konft door Merkbeelden, 't geen Hecate en haare dienft betreft. Voor haar leggen de gereedfehappen van Graafyzers, Hamers, Troffel,fchilder-enbootzeer-tuyg,omin de Qnaeraardfche wanden tekletzen, en de Grotten, onderaardfche Teiiipelboogen, en andere koele of heylige Plaat* zen, die de fchoole der Merkbeelden wierden, uyt te graveeren-, of in ftee- nen in te bikken. De Lamp, getuyge van haare naarftige oeffening by nacht^ zoo wel als by dag, ftaat 'er by ^ en de Schryf-ley insgelyks, op welke zy de eerfte fchriften van haar denken heeft gelettert. Zy voert in de andere hand eene Staf, als van eenen wegwyzer tot Deugd, Godsdienft, en Wysheyd, Zy heeft in hare fchoot eene lange reex Pergamentbladeren, aan-een-ge- naayd en ingerold , gelyk de Boeken der Ouden. Deeze Pergamen- ten , om datze Rietbladen uyt den Nyl zyn, en in haar geweft voor papier gebruykelyk , heeft zy vol gefchreeven met haare aanmerkingen enbeelden. Deeze Konft is nog geftreng, nog droefweezig , want haar werk is wel diep van gedagten , maar echter, om klaarheyd en deugd A * te
|
||||||
M, De Hieroglyphen of Merkbeelden.
te baaren, laatze niet na te gelyk zeer behaaglyk te ftaan. Op hare lange
kleederen-, en om zig op tecieren, heeftze de Pommetteny met allerley en- kelde Merk-beelden getooyt. ^« Zy heeft eenen van hare oudfte Konftenaars,het zy Toth, Hermes,
of Manethon , uyt Porphyrfteen gehouwen voor haar leggen, met eene graaf of fchup , om uyt de grond te delven, 't geen de oorlog, puyn of ftof van de tyd daar in had gedompelt: Zulks legt voor hare voeten, dewelke zy bloot heeft, om dat zy door het opfchorten der rokken, te beter door de Zand-zee van de eene Pir amide of Naaldzuil tot de andere zoude kon- nen wandelen, en aldus van alles haar voordeel en leering trekken. Men ziet'ereen geheugnisvat der Phoeniciers vol Penningen, vangoud, zilver en kooper opgedolven, om de Merkbeelden der oude Ee.uwen daar uyt op te zamelen. D. De Weetenfchap der Merkbeelden, of Hieroglyphen^ is vertoont door
eenen Geheympriefter en Schriftgeleerden in die Konfl. Hy is als een Hooge- Priefter van Thebaisgekleed, want die Maan,en Naaldswyze opklimmende ftift uyt de Hoornen, zyn de hoogfle cieraaden.voor de Zon en Maan, on- der wclke benaming zy die ook wilden neemen. Hy zit agter de Konfl, als dagelyks zynde een fcherp Onderzoeker van de Rykdommen der Natuur, waar van de Merkbeeld-kunft voortgaat in het uitdenken. Hoewel hy over veele jaaren ingewyd, en zelf Priefter is, houd hy nogtans metzyne vinge- ren de manier van de Mond te fluyten, gelyk yder eene veeljarige ftilzwy- fendheyd eerft moeft ondergaan. Alzo toondenze opmerkende te zyn op de
ieerlingen, en zelf ook anderen leerende door het fluiten van hun lieder Mond aldus den aangenoomen Leerlingen de vereifchte fHlzwygentheyd aan 6e beveeleni De Konfl moeft als oneyndig weezen } (want de ganfche Natuur, het
Geheel-Al, was, en is nog, haar Voorwerp:) waaromze als eene ryke, weK varende Moeder, en zoogvrouw verbeeld is, uyt alles hetbeftevoedzeltrek- kende en overgeevende aan haar Krooft, om ar te zuygen. En dk verbeeld -f by datPuykbeeld, van allerley Hieroglyphe Beelden, gewis het voortrefFe- Jykfte en voornaamfte. Het is dat Hoofdbeeld welk men voor de Kabinetr pop, en Boekzaal der N atuurgeheymen mag fchatten > DE DIANA VAN E P H E Z E N
•C" Deeze als een zommierbeeld der gefchapene dingen, is van derThe-
baiters vinding, en of daar in Thebais,. of in Memphis gemaakt. Ik noemze by dien bekenden naam, als de beruchtfte in de Gefchiedcnis-Boeken, Too- neelfpeel'en, Beelden en Penningen niet alleen, maar ook by uytnement- jfoeyd in het Nieuwe Te [lament. Men ziet, dat zy in de Handelingen der Agoftelen XIX, als de Befchuts-Godes. van Ephezey en de Brood winder der werkr
|
||||
OokSPRdNG DER ZELVE. I HOOFD'STUK. 5
werkliedenwas-,dat deezevreezende de krachten indruk van hareGodheyd,
door de prediking der Kruysgezanten te zullen gekrenkt worden, oproer maakten, en de Apoftelen in het uyterfte lyfgevaar brachten. Dit beeld in Egypte I/is, hier Artemis, elders Opis genoemt, draagt gene naamen dan de allerhoogft geachtfte, welke de grootheydvan hareGoddelykemachr uyt:- rekken en verbreyden, gelyk de naam van Opts doet zien -, om datze alles wat tor behoef der ftervelingen nodig was,onder de mombeeldery, met welke zy getooyt was, deed opkomen, voor der Bedevaarders oogen. Groot is de "Diana der Efezeren! fchreeuwde van haar de oproerige "Demetrius. Zy was deVeelborftige, om datze uyt dit overvloedig opboeyzel toonde, datze was de Voedfter der leevenden. Welker ftand door de uytwaafleming der Aarde,ende de beweging der Lucht moet beftaan. De Beeldfprakige Konft, ontziet zig niet die Diana, met den toeftel der Egyptifche Ijts op te cieren. Veele zulken zyn 'er geweeftj maar even als deMarit-Beelden nu-, onder- fcheyden volgens de zoorten van heul of heyl, welk dit of dat Beeld toegeey- gent wierd, of naar de Steeden en Plaatzen, waarze aangebeeden wierdem Gelyk Nwftra Signer a d'Atocha> of de Buen Tuerto, La Saint e Marie de bon port, en zoo als onze Lieve Vrouw van Aken y Scherpenheuvel, Kevelaar, of andere plaatzen: de Thebaijche y de Memphitifohey dcT^a- rifche, en zoo voort. Deeze is opgefehikt naar de wyze der Pharifche, en de uytlegging derzek
ve wydluftig naar de ftof is, als volgtuyt de Merkbeelden. Haar Hoofd, is jeugdig en van bloeyende kracht, met eene vriendelyke
Mond en Oogen, gedekt meteenryk, glinfterend, wederzyds afhangend Kerkdekzel, met zeer fyne zilvere ftippen, als of het met fterren bezaayt was. Waar op eene Bloementuyl van de langftleevende bloemen, als de Chry" fanthemum, de immortelles en diergelyke •, om dat de bovenfehorfle der aar- de altyd met de eene, of de andere bloemen haar tapyt borduurt. Uyt wel- ke Krans eene Burgt opryft, met Tinnen of Burgtoorentjes -, om de hooge rotzen, en de daar opgebouwde fterktens enpaleyzen te verbeelden. In de- ze Burgt legt een fcherpgehoornde Maan, om de onderfte deelen der lugt, het eigen der maanligten, te vertoonen. Uyt, en boven deeze Maan, fpruy- ten twee Gierenveeren, welke als twee phiymen opfteeken^ de wiflelvallige verandering, en de verderflykheyd der ondermaanfche, en moogelyk boven- maanfche ftoffen verbeeldende. Want de veeren van de Gieren zyn be- trekkdyk op deezer vogelen aard, en inborft, welke is zeer oud te worden, en zig te voeden door het verderf van andere dieren, vogelen, krengen, en diergelyke zonder onderfcheyd, door eene geftadige onverzadelykheyd alles verllmdende. TufTchen en boven verheft zig de Drekvlieg, aan welk flegt, enfehie*
veracht fchepzelken, de Egyptenaaren de gelykenis en't Merkbeeld van de Godfrey d gavenj om zeekere gelykenifle in oogen, hoorentjes en andere A. 3 kleir
|
||||
6 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
Jdeinigheden, waar van hier na breeder. Dit is 'er evenwel van te zeggen,
dat de Egyptenaars eene lompe misgreep in deeze verbeelding hebben, om dat de hoogfte waarde van eene Godheyd, door zulk een veracht zinbeeld zeer verkort word* moetende geftadig gelet worden, dat de geachtfte zaaken door diergelyke teekenen doorgaans by hen verbeeld worden. DeHoornen vande Maan zyn zoo fcherp, als ons de verlichte puntdeelen
en de Boog voorkoomen , op de derde en vierde dag van haar eerfte jQuar- tier -, om voorts de reft van zyn rond naar de zyde der Aarde te vullen, vol- gens den gewoonen loop. Om dat de nacht, de koelheyd, duyfterheyd, en 't befchynend ligt, deeze 'Diana toege - eygent was, heeft het beeld de Koorfaly-plooyen zoo digt op de oogen zitten, welke zoo veele ribbetjes of ploojen draagt, als de Maan dagen in haren loop heeft. De koelte, zoo aangenaam in de heete landen, Akijfynie of Egypten, heeft de Goddelyk- heyd aan die Godheyd Ifis hoog opgevoert* want haare inwoonders en kon- den buyten den wasdom, niets behaaglyker begeeren, als dat algemeen goed, die koelte in de nacht, met eene zoo behaaglyke klaarheyd. Het aange- jnaame der wasdom blykt aan de Rooze-Krans, welke Bloemen te gelyk zeer verkoelen, en van de aangenaamfte kouleur en reuk zyn. Deze praalen on- derdeToorenkrans vanC>^7<?, welke zy met die naam,of met Syria, of an- dere, als de Moeder de Aarde, of de Groote Moeder eerden. Want gelyk door de Maan, zoo fteldenze ook uyt de Aarde de voortzetting der fchep- zelen. Rhea, welke aangebeeden wierd voor het middelpunt der Aarde, is de eerfte, welke de Burg of Toorenkroon droeg. Alles pafte dit Beeld, en zy is voor alles aangenoomen. De naamen zyn fchier zonder tal of eynde by de Dichters en Godezangers >, waar van in de voortgang van dit werk ge- noegzaam zal gefprooken worden. Allerley b^vaardcn, beloften, en ofter- handen wierden aan Haar toegevoegt. En men kan met zeggen , dat men Volkeren kent, welke niet onder deeze of die naam Haar hebben aangeroepen, ten minften g;e-eerd. Hetwelk ookmyreeden gegeven heeft,dit Beeld by voor- uytneminge liever -, als eenig ander, te gebruyken als het Voorwerp der Merkbeeldens-konft, wyl dit vande zaamengeftelde Hieroglyphen het aan- merkelykfte is. Om in dat eene te verbeelden alle de byzonderheeden, die in een ganfche winkel van die natuur paflen > zonder dat 'er egter iets bykomt van Eleufintfehe Myfierien ,of Verborgendhedcn, die vry groove en ontuchtige behandelingen hadden, welke hen verplichtten omdeGeheymen van dien Godsdienft met dat woord van Myfteria te onderfcheyden, zyndc een woord, van het mond-fluyten afgeleyd. ** Haar Hals draagt eene Kroplap van Eykelen of Aakers, de eerfte koft en
voedzel-fpys der menfehen, eer men van dat alles de kennis had, het welk het koorn ver-eyfcht, eer dat het tot meel word. De fterkte van dat voed- zel, te gelyk met de zoberheyd, word hier door aanbevoolen, en aan Haar gegeven als eene over winning of zeegepraalj om dat men deeze Ifis of Ce~ resi
|
||||
-^M
|
||||||
■,-/:■
|
||||||
wra»s
|
||||||
OORSPRONG DEK ZELVE. I. HOOFDSTUK. J
res de eeregaf in de geheugeniflcn , van de manieren van het zaayen,
maayen, dorflchen, wannen en maalen van het koorn gevonden te hebben. Zedert welken tyd men deeze akers de zak gaf. Om hetgemak dan, datze den menfchen met de graanen had aangebragt,
draagtze, tot zeegenpraal, de verworpen Akers. De menigte van hare Borften, en de uytpuylende zogrykheyd van haare
Tepels is de krachtigfte verbeelding van de voedende en onderhoudende kracht -r die zy aan de fchepzelen toebrengt, dan eens als de Maan, dan eens als de Aarde ge-eerd. En men namze wel drievoudig, om dat 'er niet zou ontbreeken aan Haare onderwerping y want men voegde by de Lucht, de Aarde, en by die beyde, den Afgrond. De driehoofdige Hecate floot dan alle de hoedanigheeden in. 'T fchynt my egter toe Maar te zyn, dat de Hcydcimn zoo verward daar
niet mede zyn te werk gegaanj maar wel, dat door dagelyks onderzoek van de Natuur, dan eens iemand van hunlieder Wysgeeren of Priefters heeft ftaande gehouden, dat alleszynen invloed uythet onderaardfche kreeg, en dat die zwavel-deelen het waare zout waaren, door wiens fnelle punten de levendige geeften in de planten,, ja in allerley zaad werkzaam wierden; en datde zulken, aangezien de vrye, en van zelf rypende rykdom der on- der-aarde, deeze voor uytwerkende oorzaak van het leeven maakten -y en naar hunlieder landfchap of luft daneen naam aan zulke eene Groote Moeder gaven. Dat wederom anderen, ziende de vrugtbaarheyd der bovenfehorile , en
hoe oneyndig die vol is van allerley leevendige Planten , Dieren, Zappen, enz, deeze voor de andere hebben geftelt. Cybele is in het Babylonifch warmroerende Heerinne te zeggen. Dat zy daar van Cybele de Aarde ge- noemt hebben, o£VeJlaT om datze door haar eygen gewigt ftaat. Dat'er wederom eene zoort geweefl isr welke den invloed der Lucht, de meede- werking der Hemelteekenen, en haare gynftige zamenfterring tot het bezielen nodig oordeelden. En die blyven by Ijis, 'Diana of diergelyke Naamen. Za- men maar bezig om te verbeelden eene invloeyende Magt, tot teeling, voort- zetting en onderhouding •, als het queekzog van het Heel-al. Dat 'er Landfchappen om zulke Leer verfchilden, blykt by de opfchud-
dingy die van de Voorftanders van het Water tegen het Vuur is verwekt •, het welk ons hier na in de hand zal komen. Ter zyde, langs beide de ar- men, siet men de Leeuwen, welke anders voor Cybeles of l^ejia's waagen gaanj deKoningen der dieren, welke de macht van T>iana over BoiTchen, Rotzen, Woeftenyen en Hoolen bewyzenv aan dewelke zy, uit kracht van het meefterfchap over de boffchen, deze Godinne toekomende, huldiging en onderwerping bewyzen, De Kroplapwas van onderen geborduurt met de twaalfTeekenen der Zon-
nekring, om de Tyden wel te leeren onderfcheyden r welke men in allerley planting, queeking en teeling moet waarneemen^ Het
|
||||
S De Hieroglyphen or Merkbeexden.
HetLyf is gellooten in Vier Deelen, op het welk men Geftaltens van ver-
fcheyde zoorten ziet Maar agter zoo wel als voor is een Vak opengebleevcn. Let eens op de naaukeurigheyd van Hunlieder waarneeming. De vier Vak- ken flelden zy,volgens hare platte Wereld-befchryving, voor twee Warme en twee Koele Deelen j maar de twee, welke open gebleven zyn, voor het on- bewoonde Deel, om de al te ftrenge Koude, en het onbewoonbaare tegen- deel, om de al te vinnige Hitte. Zynde onder de zona torrida, en frigt da j welk Klimaat by hun tyd ook nog wel onbewoond kan zyn geweeft j hoe- wel Chuzeftan in Africa digt kruypt onder de Line a s_/Equino£lialis9 en van de oudft bekenden in de Heylige Schriften is, met de naam van Cufcb, zynde een gemeene naam voor de ryken en landen van Ethtopiey Sufiane, en Arabic. De Hoogte der Vakken hieldenze met een doorgaand ftuk van meffing of
geel-koper doorgeboort, om een Afpunt van het Zuyden, boven^ en een Afpunt van het Noorden,onder te vinden,in welke aanmerking haare Wys- geeren, by uytftek , boven de Jooden , en eerfte Chriftenen wel hebben geoordeeld, en cms in verwondering gelaaten, hoe zy zonder de fcheepvaart door de Line a <^Mquino5iialis ^ die , nog gene vier Eeuwen geleeden, nooyt was gedaan, die kennis haddenj moogelyk iets uyt het onderwys der Scythen, welke al berugte Wyzen hebben uytgelevert-, van 't Noorden j en door Braminen van 't Zuyden, onderrigt zynde, is hare Wiskunfl enHe- melmeting op fterke gifling gegrond geweeft. De Menfchen,OiTen, Schelphoorens en Byen, zyn de cierzels van het
bovenfte deel j en zoo toonde die Eerfte Trans de zulken , dewelke de bovenkorft van de Aarde bewoonen, beploegen, vercieren, en vermaaken. In de Tweede zag men Voflen, Mollen, Wortelen, en Viflchen; als te zaa- men dieper in de Aarde neftelende, wroetende, doorfchietende, en fwem- mende. In de Derde Draaken, Griffioenen, Zalamanders, en Chima^ren, als onbekende, ja verdichte dieren, bequaam om te vertoonen de opklim- mende Jcracht, de fwavelachtige voortzetting door dePypjes in deGronden. Eyndclyk beftond de Onderfte Trans in onbekende Gedrogten, om den A£- grond rondom het Middelpunt te verbeelden. Dit Kafwerk van zoo veele Vakkenisonder aan met Cirkelbanden, als hoepen, omleyd en ingevat j Zynde vier in getal, en van fynder omtrek, eenige min, andere meer,om de verbeelde Boogen der omgevatte Aarde en 't Heel-Al te fluyten j in welker vewnenig- vuldiging de Ouden niet luy waaren , makende t'elkens op het ontdekken van eenige gang van nieuwe Sterren, een nieuwenCirkel, den voorigen om- fluytendc. Ook iluyten zy alle die Hoepen en Ronden in een gelyk vierkanr Steun-
blok , wel willende ons te kennen geven , dat de Hoofd-Stofren, hoe zeer dezelve ook gemengelt worden, nooyt zoo kunnen in een gefmolten wor- den, of zy redden zig wederomj ieder Hoofd-ftof-deel, Vuur, Lugt, Aarde en
|
||||
OORSPRONG DER. ZELVE. I. HOOFDSTUK. 9
en Water, tot zyne zoort, die als Hoekfteenen, van gelykmatigen even-
irand het werk der Schepping ftaande houden. De Voeten van de Godin zyn bloot, zonder leedere Brooskens of Laars-
kensj alleen met tengere Koordekens, houdende de Slitters onder de Voe- ten vafti om te bewyzen, dat de Goddelyke gunft bereydwillig is, om op de beeden der Smeekelingen te letteiij welker laage ftand door de Zoolen, en hare gebeeden, door de Koordekens vertoont worden -, vaft houdende aan de Voeten, welke de onderwerping der Smeekende, gelyk men in alle Hijiorien vind, beft beteekenen kan. De Kreeft, boven uyt de Kroplap aan den hals van de Godinne kruy-
pende, en van agteren ook op het ruggeftuk gehouwen, is in zyne eygen- lthappen de Maan veel gelyk -, zynde koud , vochtig , waterig, fterk tot voortteeling, meer by nacht, als by dag kruypendej en zoo verlieftop "Dia- w^'jFakkeiofnagebootftMaan-Ligtj dat menze by nacht door Fakkel-Licht beft vangenkan. Want na dat licht toezettende, vat menze ('t geen eene vermakelyke Viflchery is) met een Schepnetje van onderen op. Ook is het Hemels-Teeken van Cancer of de Kreeft, de intr<Se en poort der Menfchen inhetleeven, gelyk Capricornus, of Steenbock, van de Goden^ volgens de praat der oude Geheimzoekers. Behalven dat de Kreeft, als een Schal- byter, hoornen draagt, en met zyne voortangen de waflende Maan na- bootft > na welkers volheyd hy beter in fmaak bevalt. By zommige Schry- vers fchynt het waar te zyn, dat hy zyne oude huyd zou afleggen als eene Nieuwe Maanj maar zulks is vals, en men kan zyne Huyd by de Jaaren afligten. Haare Handen zyn, de eene open, als eenMerkteeken van der Godinne
wyd-uytgeftrekte macht, en milde uytdeeling-, de andere fchynt als ontfan- gendej zoo datze by verderf van 't een, het ander doet gebooren worden. Ken donkere Steen is de ruft van dit werk, om de ondoorgrondelykheyd der wonderen van de Godin, en 't onvermoogen van ons menfchelyk ver- ftand in de ontdekking van de beginflelen te bewyzen. Zie daar Leezer een Proefftuk van de Beeldfpraak-Konft, waar in de
Beeld-Konft heeft in een getrokken 't Geheel-Al, en waar aan de Egypte- naars en andere Volkeren zoo vele en verfcheyde Naamen gegeven hebben- het Scheppende en het Gefchaapene, de Onderhouder met het Onderhou- dene,als in een vermengende; naar het getuigenifTe van Hermes, Orpheus, Seneca, en anderen, onder welken egter de befte zoo verlicht fchynen, dat zy ftellen : Dat, de naam van de Natuur te gebruyken, tot afbeelding van het Heel-Al, met zynen Schepper en Onderhouder, is Gods eer te bezwal- ken, met eene veranderde Naam j daar zy dat Woord neemen en willen voor God en de Goddelyke reeden in dejWereld of't Geheel-Al, ingelyfd- dog buyten die beftaande, Eeuwig en Oneyndig. De Harpocratijche Priefter (reets boven onder de Letter D eniezints
B h be-
|
||||
10 De Hieroglyphen op Merkbeelden.
befchreeven) heeft hier zyne plaats voor de ftilfwygende Leergierigheyd.
Hy draagt voor op zyne Myter den Inwyband, met dc Voorletter van het Thebaifch tot het Griekfch overgebrachte woord, van Harpocrates, en in de Nekband de Blaaderen van Moerbezien, eene vrucht zig. laat, maar fris opdoende, van groote fmaak in de heete Landen om zyne koelte, met wel- ke zy de vrucht der verftanden, die zig laat, maar niet, dan wel doorkneed en ryp, vertoonen; en welke bladeren tot voedzel der Zy-Wormen, die zoo grooten winft aan die Landen aanbrengen,. en voorraad genoeg is, om te toonen , wat nut zulke verftanden aan hunne volkeren baaren, Op den Myter-Top, draagt hy als boven het Maanteeken, en het opgaande Vuur punt der Zon, aan welke twee Goden, byna alle de naamen van de Go- den en Godinnen zyn gegeven} om datze zoo zigtbaarlyk zig deeden voe- len, zien, en achten,door Vocht, Warmte en allerley Lucht-bewerking tot den Wasdom, behalven de Winden en andere Lucht-en Water-veranderin- gen, die van hen afhangen, en zulks der Menfehen grootfte Weldoenders of ftrengfte Strafters. F • In het verfchiet doet zig hier op een Grafnaald, op dewelke de daa-
den, en lof der Koningen, door Beelden zyn vertoont, welke zoort van uytdrukking, wat groover duydelykheyd heeft gehad, en ook vereifcht,om dat dezelve het oog van Kleinen en Grooten, Vreemden en Inlanders vol- doen moeft, ftaande in het openbaar ten toon, tot Praal der Koningen, welker Lyken daar in geilooten waren. ^J' Deze fteungrond, waar op men een School of Oeffenpoort ziet, in
dewelke Artzen, Wiskonftenaars, Sterrekykers, en diergelyke Liefhebbers by een kwamen, draagt eene derde zoort van Hieroglyphen jzynde van uyt- ftrekking zeer groot, meeft uit enkele kringen, lynen, fchuynze en dwarze ftreepen beftaande, als i. der Dwaalfterren , Saturnus , Jupiter, Marsr Venus enz. 2. der Bergwerken, als Salpeter-> Vitriool-, Zwavely en zoo meer anderen in de Stookkunft bekend, 3. of Letters voor Merkbeelden als A en n, dat is, Begin en Einde, voor God-r | zynde de twee eerfte Griekfche Letteren van XPI2TOS, voor Chriflus} SC. voor Senatus confultum-, I..U.D. voor Juris Utriufque 'Doffor.GQSS. voor Confutes , Burgermeefters •, SPQ^voor Senatus 'Popu/usque -, dat is, de Raad en 't Volk : en diergelyken. 4. of meer zamengevlochte Letters , gelyk wy de Cyfters noemen, waar in de Voor-Letteren van naam en toenaam met order gevlochten ons doen zien den Heer ofVrouw, op welker Zegels dezelve zyn. 5. van Wapens, en haare Couteurea Waar in de barren, Chevrons, ChiquetSy en andere Herautery of Blazoenkonfi, ons toonen de Vorflen,. Ryken, of Geflagten, welke beteekent wierden. Waar toe ook behoort de Artzeeringe voor Couleuren, als geftipt voor Goud , recht opgaande ftree- pen voor rood, enz. 6, de-Merken. in. Land-en Zeekaarten y nare Hoofd- fteeden,
|
||||
OORSPRONG DER ZELVE. I. HoOFDSTUK- II
fteeden, Ryx-fteeden, Abdyen , en anders j of wel Ondieptens, Havens,
Plaatzen, Blinde Klippen, en andere. 7. De Letters van Hebreen, Grieken en Romeynen, die getailen in de
Jaaren uytwyzen. Daar zyn nog meer andere zoorten, verfcheyden naar de zeeden van dc
verfcheyde Landen} gelyk het bekendmaaken van Liefde, Minnenyd, Koel- heyd, Haat, Vrees of andere driften, door Bloemen, enkel ofzamenge- zcty zoo als men in 't Serrail of Vrouwentimmer van den Sophy, en Sul- tan gewoon is. Door 't fpeelen met de Vingeren, gelyk de verliefde Ita- liaanen ipreeken. Eyndelyk fchiet hier over eene zotte Merkbeelden-Konft, by onze Boe-
ren en geringe Borgers, gelyk elders niet onaangenaam : met de welken men Spreekwoorden, Uythangborden , en andere vercierd of uytdrukr. Zynde genoomen uyt gelykluydende woorden , die gantfch wat anders be* teekenen : als by voorbeeld onder den Franfchen om te zeggen, dat elk zy- ne beurt in de iortuyn heeft, een A in een O, aldus ®5 willende zeggen, Chacun a fon tour : of een Eyndvogel in een Poort, om de kragt van het Geld te verklaaren, met het byfchrirt, Mon oie en Torte, Voor, La force de la Monnoye Emporte tout. En by onze Nederlanders, twee Molten zagende op eene ftrenggaren; om te zeggen, Wy zagen gaaren. De Ronde Bol van de Aardkloot by een Endtvogel, voor het Eynd van de Wereld. En diergelyke grillen meer > maar die meerendeels als de Franfche turlupi- na dest malle kuuren,belacchelykzyn, en walgen. De Letters zyn van Merk- beelden 00k gemaakt, «n wy zienze wederom tot Merkbeelden keeren. Neemt eens voor de WI. ik neem die twee Letters van des Grooten Koning Williams naam tot voorbeeld. Men maakte de vier Ryks-Staven onder twee aan twee aan malkander voor de Scepters van vier Ryken * een Scepter met een Roos voor Eneeland; met eene Diftelbloem voor Schotland* met eene Harp voor Yerland > en eene Lely voor Vrankryk. De tweede Letter is ge- maakt tot een Choorligter met een ontfteeke Ligt, en diergelyke anderen. De Tempelen waren ceenzins alleen de Hieroglypifche Schoolen, maar
byzonderlyk als in de Plaatdruk is aangeweezen, het werk der Naalden, welke onderfcheydelykfte naam Obeltfcus , en de bekendfte Tyr amide is-, hoewel 'er 00k veele Hoofden van vervaarlyke grootte, en Hoofden met halve Lyven nog te zien zyn, in de welke van binnen een wonderlyke groo- te ruymte was, tot die Hieroglyphifche uytdrukzels, ruyme Wanden en Muuren verfchaffende. De uyterlyke geftalte der Naalden was van vier ge- lyke hoeken, boven fcherp tot niet loopende, of om met de Egyptenaars te ipreeken, in de Lugt tot de Zon opklimmendej welke de vier Deelen der Wereld beftraalt. De Zon, by henlieden onder de naam van Bayet geeerd, is met dat woord 00k prachtig naar waarheyd afgemaald •, want die tweeWoorden zyn te zeggen de Oppergeeft der Sterre-Wereld. Als'er B 2 duuren
|
||||
II Dn HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
duuren tyd, om de droogte of andere voorteekenen te vreezen was; namen
het de Priefters (gelyk over al) op 't verwaarloozen van den Godsdienft} en preekten dan , dat men die Godheyd Bayet, of de Voorzitter der We- reld Bufiris en veeloogde Jupiter, of de magt der Waterlanden Strap is, moeft verzoenen : tot welke zy dan Middelaars waren. Deeze Godver- zoening was zoo duyfter verbeeld, en zoo geheym gehouden, dat de vlug- fte der Griekfthe verftanden zelfs getuygden, na het toeluyfteren en Leere van veele Jaaren •, dat zy zich zelven niet toevertrouden, na die lange oef- fening, de zaaken in de grond, als die Meefter Priefter, te verftaan. Maar zoo duyfter by den Europeen te beteekenen, en zoo veele omweegen, te moeten na gaan,. zou uytlacchens waardig worden, wyl deeze volkeren, by- zonder in at Nederlanden, geerne eene zaak verbeeld zien, op het ftuk aan ; ten minften zoo klaar, dat het den braaven Kyker zoo wel veritaan- baar worde, als het aan den Maaker is. Men vind 'er by den Arabier Gelaldin, in zyn boek, de JVysheyds Stee-
nen van Met&raim^ en by Kircherus, en anderen, al vry te ver gezog- ten, dewelke ftukken en brokkenvan Steenen ingegriffyd, met de Heylige Taal hebben gemeen gemaaktj maar meer van de Hoftaal buyten op de Obeliskm. Van welke zig Grieken en Romeynen, en Wy ons ook nu be- dienen* daar dog de Heylige Taalr al by de eerfte Keyzers, zoo te zoek was, dat men geene bekwaame Meefters en vond, om eenige van zulke Obelijken, tot Roomen te maaken. Men ziet, hoe wy die gebruyken in deze Geweften; even als de fnedige
Koks de Speceryen in de Zauflen, om aan dezelve de hooge fmaak te ge- ven. Want men moet die fchoone deelen gebruyken, maar niet van allerley zoort zoo veel in onze Cieraaden en Beelden mengen, dat het doorfteekt. De Provincien , der Romeynen geweld onderworpen, hebben uyt klein Azi'e en Griekenland, wonderlyke fraye Beelden en Penningen ter eere der Keyzers gemaakt, in de welke zy de grootfte Merkbeelden zoo verftandig in hare Beelden, hebben gevoegt, dat de Aanfchouwer twyfelt, waar over hy zig eerlt of meeft zal verwonderen, of over de juyfte welgevormtheyd der Beelden j en de grootsheyd van haare naakten, of over de verftandige byhangzelen der Hieroglyphij'che Merkteekens. De laatfte roeren de Ziel, en \ herinneren der groote hoedanigheeden van de Perzoonen die ons voor oogen geftelt worden, terwyl de eerfte de Oogen verrukken, met de juyft gevormde omtrek der Leeden, en cierlykheyd dergewaaden. Zy bezorg- den in de zelve de klaarheyd zoo wel als de fchoonheyd, door de meeft bekende Hieroglyphen^ als de Schaal voor de Gerechtigheyd • de Talm- tak voor de Vreede; de Slang in 't rond met zyn ftaart m de bek voor de Eeuwigheyd -, en diergelyke uyt de Heylige Hoftaal; Wy volgen hun lieder voetftappen na, en neemen ook liefft de alderbe-
kendften : hoewel'er alle dagen nieuwe gebooren worden, Als
|
||||
OORSPRONG DER ZELVE. I. HoOFDSTUK. IJ
Als van Landen, een dobble Arend voor het Duytfche Ryk> een Leeuw
met Zwaard en Bundel Pylen voor de Vereenigde Nederlanden. Van Machten, als eene Driedubbelde Kroon voor de Kerkelyke Staats-
Macht; eene Lely op eene Ryksftaf voor Vrankryk $ met eene Roos daar ©p voor Engeland; de twee Ankers voor de Admiraliteyt. Van Gilden en Broederfchappen, eene Schietipoel voor 't Wevers Gilde-,
eene Schaar voor de Kleermakers j een Doodshoofd voor de Chirurgie. 'T Merk van Jezus, Maria, en anderen voor die Heyligen en groote
Perzoonen j van 1HS. voor de Maatfchappy der Vaders Jezuiten. Kortom, het is eene zee* breedeenuytgerekte omtrek, dewelke alles be-
vat. Menvoldoet het oogwit, als men de hoedanigheden, docningen en lydingen, ftanden en tyden der zaken met bevalligheyd en betamelykheyd tot eene beknopte gedaante kan brengem Om een nogwezentlyk ftaaltje van de Tyramiden, (wyl'er zoo vaak
van gerept word) te geeven, welke nog vry gaaf en fchier geheel in weezerv is, cEent deeze korte verklaaring van myn Neef Romeyn de Hooghe in zyne Reyze aan- en nageteekent. Omtrent zeven Hollandfche Mylen vanAlcairo vind men nog flaan eene
byna geheel gave Naaldzuil, of Tyramide, waar van de geftalte en maat van die geene is opgegeven, welke daar op en in geweeft zyn. De cPyra- mide was gemerkt van onderen tot boven metSchreeven als Trappen. Naar boven allengs van vier gelyke kanten tot niet loopende, elke Schreef of Schreede, was wat meer als drie antique Palmen •, de Bafis of het Voetftuk, was van twee honderd en zeventig Patten, recht gelyk vierkant, al te za- men van harde natuurlyke fteen gemaakt. Men kan daar van buyten op- klimmen, maar niet gemakkelyk, want daar en is niet wel zoo veel ruymte, dat men daar den voet op zetten kan. Het getal der Stukken en 1 rappen van de Ba/ts tot de Scima, of het hoogfte, is twee honderd tien. Zy zyn alle van eender hoogte y zoo dat de hoogte van de geheele Majfa zoo veel houd, als de Bafis of het Voetftuk. Deze had gewiflelyk gedient tot eene Koninklyke begraafplaats; want men vondze alom van binnen met allerley Hieroglyphen van de daaden der Vorften -, binnen in was een zeer groote fteen, in't midden vol Merkbeelden, waar op nog brokken zyn van een ftee- ne Lykkift. Om hier inte gaan, was aan de Ooft-zyde een opgang van fteen. Omtrent het middel is nog een ingang, maar vaft geilooten, £ar is aan't Ooften een fchoon Pleyn, het welk van ouds daar ichynt geweeft te zyn j breed agttien treeden. ' Niet verre daar van daan vind men een Hoofd, waar in men aan de weg
kan ingaan, zonder Armen tot onder de Borften; het aangezigt van een Steen, is lang tien treeden,. Maar binnen in't Boven -Lyf is dat alscene Kapel geweeft, met onderaardfche gangen, en vol Hieroglyphen : waar tullchen in om hoogklimmende veele gebrookene Egyptifche Letters fraan. B 3 TWEE-
|
||||
§m
|
|||||||||||||||||
^zW//iil
|
|||||||||||||||||
"
|
|||||||||||||||||
\ ,
|
|||||||||||||||||
urn
|
|||||||||||||||||
&*«*%
|
|||||||||||||||||
4%
|
|||||||||||||||||
^jz&k:~^f-. l ^M
|
|||||||||||||||||
VoORTGANG DER ZELVE. IL HOOFDSTUK. 1^
|
|||||
TWEEDE HOOFDSTUK.
Rakende de Naam en Eerfte Gang van de Hieroglyphic* of Be eld-
fpraak-Konft in het gemeen,
HEt woord Hieroglyphifchy Beeldfprakelyk,. is uyt het Griekfch, tot
het Latyn, Franfch, en Italiaanfch, gelyk 00k in 't Hoog-en NeSr- duytfch, en alle anderen Europeefche Talen overgegaan 5 en zamengeftelt van il& heylig , en T\fouv etzen of infchrabben. Zynde in de alleroud^ fte tyden daar toe gebakken Steen (gelyk de Heylige en andere Scnnrten getuygen) meer als andere, die diep uyt de Bergen en Kuylen te graven waren, gebruykt. Wanneer deezeSteenen eerft van Leem, Mergel ot Fotaard gevormd waaren, ondergingen dezelve zeer ligtelyk het infchrabben van zul- ke ftreepen en trekken, als de Konft goed vond te maken, byzonder op de Grafnaaldeny Tempels of Kapellen > welke alle nu noch fchynen als be- kladde Gewelven overfmeerd te zyn. Binnen dezelve droogde het langzaam, en gaf tyd aan de Geeften , om hare gedagten uyt te werken. Ook waren die Merkbeelden niet onderworpen de ongemakken vandeLucht, alsReegen en Wind, zoo datze, hoe zagt en ondiep ingeetft, lange Eeuwen konden beftaan en volduuren; en daar op liet elk een groot Man, als Leeraar van zyn Landaard zyne gedagten zien. Van deze zoort, waren de eerfte de Egyptifche, Phocnicifche, en Chal-
deeuwfche Schriften} en het Werk van dien aard wierd genaamt IegoyAu^ix.^, voor den Priefteren.
Het tweede zoort was, om dezen de hand te bieden, en die Konft aan
anderen te leeren, genaamt iggoyget/^cmjtoy, voor de Priefters en Leerlingen;
Hpt derde zoort was
KugioAoyixo*, Heeren Taal, in dewelke menPlakkaten uytgaf, Gefchiede-
uiflen rtaliet, en aan der Koningen en Vorften Hoven fprak. Het vierde was
EViF&Aoyga<J>utoirr Brieven of Handel-Taal,zynde voor het volk endever-
rigring der Koopmanfchap. De twee eerften zyn meer als de anderen ons voorwerp, om dat de ande-
ren tot Letters en Woof den naar ieders Landskeur zyn gebrachty of fchoon de eene Landftreek veel van de andere heeft ontleent y en wel meeft van de Egyptenaren, Phoeniders en Chaldeeuwen ontfangen. Hoewel veele brave Mannen gevreeft hebben de Heylige Schrift te kort te doen, als zy uyt ach- ting voor dezelve, niet en maakten, dat de Hebreeuwfche den voorrang behield. Luft die iemand,, hy ftel het,, of verwerp het,, naar zynwelgeyal- |
|||||
\6 De Hieroglyphen of Merkbeeldem.
len. Anderen hebben den rang wel aan Scythifche, Slavonifche, Gothifchc
en Duytfche Letteren willen geven •, makende een zoet fpel voor den Geeft, en veel omhalens zonder nut. De Heylige Bladeren egter bly vende het Rigtfnoer der Chriftenen h zoo
verpligt ons het Geloof, dat men eene taal aan de eerfte Wereldlingen toe- fchryve, en dat dezelve van Adam byna geheel is gekomen. Maakende denzelven den benaamer van alle Dieren, Viilchen, Boomen, Planten en wat 'er in *t geheel aan en om den Omtrek van Eden was: hy noemdefe, elk naar haren aard. Maar hoe zeer dit moet doorgaan, zoo blyven die men- fchen, welke of geen, of minder achting voor Mozes hebben, denken, ja ftaande houdenj dat de taal alleen is nodig en onvermydelyk in der menfchen gezelfchappen, en dat Adam zonder gezelfchap, de benaming aan niemand mededeelde. Want zonder andere meerder menfchen, maken wy niet al- leen geene Taal, maar wy vergeeten zelf de Moeder-Taal, en verleerenhet fpreken -, waar van wy de beginzelen en proeven zien , in de menfchen die lang omzwerven, in Slaverny, vlynen, of Steenkuylen gehouden worden -y wel- ke nunne Moeder-Taal glad quyt raken> zelfs ookdebekwaamheydvanfpree- ken. Dus hebben onze maats gevonden, eenen Claas Jansz, JVel te tureen, op JedzOy by Japan-, welke nog verftond, nog fprak in vele maanden, en het fpreken weer langzaam door het gehoor aanleerde. Diergelyk is ook bevonden aan eenen Jacob Tietersz,; die, wanneer hy door den tyd we- derom de fpraak meefter was, vertelde by de Dertig Jaar op een afgelege Rots in de Orcades, door Schipbreuk gebergt te zyn;en dat hy alleen daar in allerlei elenden dien tyd doorgebragt hebbende > Taal en alles door den tyd was quyt geraakt. De Menfchen hebben moeten begmnen van wyzen en gebaarden, zo als
de Eerfte Ontdekkers der Vreemde Landen en Eylanden gedaanhebben,om van die inwoonders verftaan te worden ■, den klank nabootzende van de Die- ren , dewelke zy begeerden, als boe, voor Often en Koeyen; bla, bee, voor Schaapen, koekeloela, voor Hoendersj in den Mond te wyzen voor hon- ger; en diergelyke meer. Zoo heeft men aan oude Vondelingen gezien, welke dertig jaaren oud
op Eylanden onder de Wilde Beeften wierden gevonden , gelyk Beaulteu, in de Befchryving der Antilles bewyft gefchied te zyn. De alleenlopende hebben maar ongevormde geluiden. Aan de Cabo de bona Efperanza, ziet men onder de Landzaten, die weynig byeen fchoolen, datze naauwlyks ee- ne Taal hebben. Maar als de Menfchen tot bywoning of inwoning by elkanderen verftaan,
dan heeft men aan die ongevormde klanken nietgenoeg-, het behoef is te groot, en dwingt hen op Konftmiddelen te denken. In al de Zamenipraak gaat teekenen voor fpreeken. Niemand kan iets vertellen ? zonder te vooren eene bevatting van eene Schildery van de vertelling te vormen. Zulke Schil- de-
|
||||
gp^5*^^
|
|||||||||||||
«
|
|||||||||||||
?zm
|
|||||||||||||
jjt^'^2/' ■ '^Si^^'i^^^'f'■
|
|||||||||||||
« ' • ISfc
|
|||||||||||||
VOORTGANG DER ZELVE. II. HOOFDSTUK. 17
dery van den Spreeker, gevat en geuyt zynde, zoo tekent de Aanhoorder wederom eene Schildery van het aangehoorde in zyne Herilenen,en bybey- de, zoo den Spreeker, als den Hoorder, gaat de Teekening of Schildery voor het fpreeken en het hooren. In ons zit dan eene kragt van nabootzen of teekenen, op twee manie-
ren-, (1) een Verbedding van het inwendige naar het uytwendige, door welke wy aan anderen verbeelden de omtrekken van het geen wy van binnen in onze Herllenen hebben befpiegelt; (2) de Verbeelding van het uytwendige tot het inwendige j door een begrip van de Zaken, die wy indrukken in onzen Geeft, uyt den klank vormende de Schildery van het vertelde •, en zoo elk- anderen verftaande. Het welk zoo verre gaat, dat als wy malkanderen met Teekeninge op Tafereelen fpreeken, gelyk als men in der Priefters en Hee- ren-Taal met Beeldem doet, dan raaken wy verder den Befchouwer. Want den omtrck makende van eenen Caffer of Moor, terwyl wy de trekken zien van een Lammeren Bol, met platte Neus, groove omgekrulde Lippen, hoo- geKoonen, donkere neerdrukkende Winkbraauwenj dan, zegik,heeftde Befchouwer niet alleen eene verbeelding van eene Menfchelykegeftalte,maar te gelyk den indruk van de zwarte verw of kleur, dewelke op een Mooren- huyd legt. J a zelf ontdekt men zoo de driften van de ziel des geenen, welke verbeeld is, in de omtrekken van Oogen, Mond, Neus en Spieren der Wangen en Keel. Want de Befchouwer ziet klaar de beweging van eenen vroolyken Lacher, van eenen grimrnigVertoorenden, van eenen Vlyer, van eenen Verbaazden, van eenen Gepynigden, van eenen Dreigenden, en van andere lydingen van ons gemoed -t zoo dat het Beeld door zyn om- trek, dadelyk gelyk als vertelt, Liefde, Vreeze, Hope, enHaat, zelffnel- der, als door de Taal. Waar uyt men dan ziet de waardigheid, en achting, welke de Merk-
beeldkonft, 't zy in Priefter-of Heeren-taal verdientj en te gelyk klaar be- vat, dat in alle Menfchen een ingedrukte kracht is, van te konnen Teeke- nen, maar zeer volmaakt in den een, middelbaar in. den anderen, en zeer onvolmaakt in den meeften. De Menfchen, met die nabootzende hoedanigheyd zynde begaafd, wa-
ren van ouds, even als nu; zommigen beter, anderen flechter, eenigen ge- matigt, anderen vinnig van Hertstogten •, een deel hovaardig, fier en ftoutj een deel loos, yverig en fyn-, yders gang ftrekkende naar de overhellingen van zyne Natuur, inborft, ofopvoeding. De Boozen en Stouten gebruykten hunne fterkte en krachten om ande-
ren te overheeren j de Loozen om onder bedekte fchyn van gelykheyd, bo- ven anderen uyt te fteken. Door booze of looze middelen, haar oogwit bereikende, ondernaamen zy veele dingen uyt te voeren -, om hare Macht wyder uyt te ftrekken, maakten zy op dien voet eene Oppermacht of Ryk. VVeike daaden zy door de vleyery der bevreefde onderworpelingen, voor C Deug-
|
||||
i8 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
Deugden deeden doorgaan •, dan vatteden enigen op de booze uytvoeringen
ran nunne Ouderen, met pracht en praal na te laaten voor Pronkitukken van Eer ; ja eenigen maakten die voor zich zelven, vreezende dat de Na- koomeling hen mogt vergeeten. Aldus Tkwam de Heeren-Taal zig voor te doen, mogelyk met Huyden,
Hoorens, Koppen en Vlerken van Beeften en Scherpvogels, zoo zy daar tegen hare eerfte Heldenftukken toonden, mogelyk met Koppen en Beende- ren van Menfchen die zy omgebragt hadden, op Struyken van Boomen of ander Hout,of fcherpte van Rotzen -T te mets ook met de Waapenen en Ge- waaden der vermoorde Lyken. Maar naderhand r met hoogtens van Steen, als Naalden of Roogen,en in de zelve gekratft of gehouwen zulke Beelden, als tot de vertelling der daaden, welke zy wilden vereeuwigen, de bequaam- fte waren. Dewyl de andere Gedachtenis-teekens van Huyden en Waape- nen te vroeg vergingen, gebruykten zy Schorflen, gebakken of harde Stee- nen en andere Bergftoffen. De grootheyd en dwingelandy overgaande van de Vaders tot de Zoonen en Naneeveny zoobedagten de Vleyers,den Eer- ften en Oudften te vergoodeny aan welken zy de aanmerkelykfte teekenen van Zonr Maan, en Sterren gaven, en ook eensn Gewyden Dienft, zelfs Offerhanden toe-eygenende •, om welke des te fterker en duurzamer te ma- ken , de Priefter-Taal gebooren wierd Van de welke zig ook bedienden de Deugdelyken en Vroomen> welke door Gods Geeft geleyd zynde, der Vroomen klein getal voor de Zondvloed de Deugd en Godvruchtigheid leeraarden-, en nodig vonden, die groote gunften van God ontffangen, niet te doen vergeeten-, en daarom gezegt of gelooft worden , op zeekere Stee- nen, Merkbeelden gemaakt te hebben, van het geene, het welk zy wiften gefchied te zyn, orte behooren. Gelyk als men van den Voorvader Setb verhaald by meer als een der Joodfche Rabbynen, en Jozephus zelfs in zy- ne Joodfche Gefchiedenis-Boeken heeft nagelaten. Op dien voet hebben ook daar na de Chaldeen, Egyptenaars en Phoeniciers voortgezet die Hterogly- fhica of Beeldfpraak-Konft, welke der Priefteren Taal was. Men vind van. dezelve onderfcheydentlyk veele naamen,. Alsr
Hieroglyphicay welke wy zuflen houdien onder de benaming van, Beeldr
fpraak-Konft. Sapientia Memphiticay Memphifche Wysheyd.
Schema Hermeneuticon, Uytleggende Gedaante.- Nota Mifraic<e> Mefraifche Tekenem Symbola <^/Egyptiacar Egyptifche Zinnebeelden. Emblemata Thebaica y Thebaifche Zinfpreuken. Allegoria Chaldaic4y Chaldeeuw£che Zinfpreukea |
||||
VOORTGANG DER ZELVE. II. Ho OFDSTUK. 19
Myfteria lnfculpta<> Ingegraveerde Verborgendheden.
Imagines Thebaica, Thebaifche Beelteniflea
7ypi Thoenicici, Fenicifche Voorbeelden.
Icones Abfconfa Sapientia, Beelden vanVerborge Wysheyd, en meer
zoort van naamen > meeft daar op uytkoomende op't geen wy noemen Merk~ beeld, en wy erkennen dat woord voor een naam der uytdrukzels van de Egyptifche Wysheyd. De Heyiige Schriften zyn vol van dat zoort, maar Gedichten en Gezan-
gen meeft > gelyk Job overvloeyt van Chaldeeuwfche j het Hoogelied Salo- mons van Egyptifche Spreek-trant. De Tfalmen trekken veel of naar het Egyptifche of Phcenicifche. Al het Prophetifche is op die Merkbeelden zin- fpeelende. En het was nodig, dat groote Verftanden zig ganfch aan dit na- fpoorenovergaven; zy zouden ons veele twyfielachtige duyfterheden ophel- deren. Want alle die gelykeniflen en de kragt van dien ftyl, is, om veel grooter gewoel te baaren in onze Herflenen, door korte beknopte en kleine tekenbeelden: gevende minder te zien, om meerder te zeggen, nochtans Beeld- fprakelyk. Maar het is te vreezen, dat de befte Verftanden naauwlyks regt zullen
doordringen tot het zuiver verftaan van de Merkbeelden der Ouden, om dat veele Dieren, Vogels, Planten en Werktuygen niet onderfcheiden genoeg voorkoomen, zynde vooreerft, door de Tyd uytgegeeten •, en daar na, om dat ons nu veele Werktuygen van die vroeger tyden onbekend zyn-, en veele Vogels en Dieren by die Ouden dieper en nader in hare eygenfehap- pen zyn bekend geweeft, mogelyk te veel, mogelyk boven bun aard, als nu aan ons. Ook kunnenHanden, Vingers, Handel, of ftand van Ligchaam, doen-
maals by den Ouden anders zyn gebruykt geweeft , als nu by ons. Neemt eens om te Zweeren, ziet men by den Aartsvader Abraham, dat hy zynen Knegt doet in zyne zyde vatten, en zo Zweeren-,by andere Volkeren deed men het met heilige zaken aan te raken -, by ons met de Twee voorfte Vin- gers op te fteeken -, by Saracenen en Muhammedanen met Een of Twee Vingeren op den Alcoran te leggen; zo als men al vroeg in de Chriftenkerk het Kruys of het Euangelium aanraakte. En gelyk den Eed zoo verfchilt, zoo konnen ook andere dingen veel verfchillen. Deeze zwaarigheyd noch- tans raakt meer zulke behandelaars van Godgeleerdheyd, of doorkneede Letterkunde, als Konftenaaren. Dien 't nuluft, van de nalatenfchap der Egyptenaars, Chaldeen, Pheniciers, Grieken en Romeinen te erven, neeme het nodige, nutte en behaaglyke : om op Pronkpenningen, of andere Ge- denktekenen, beknopt in een of weinige Beelden groote zaaken te doen be- grypen; en om hare bywerken op te fchikken met die Merkbeelden, 't zy in Gebouwen, Kleedingen of Cieraden. Zoo dat alle deeze te zaamen werken, om den Befchouwer krachtig te verrukken en over te halen> niet C 2 al-
|
||||
**-^
|
|||
2o De Hieroglyphen of Merkbeelden.
allecn tot het enkel vertoog van Perzoonen of Gefchiedeniflen -, maar tot hct
Merg van alle het heerlyke en nutte, dat uyt die te halen is, alzoo door te gaan, en dubbeld te voldoen met het innerlyke der hoedanigheden, niet minder als het uyterlyke der omtrekken te vertoonen. In dewelke te verkie- zen en te gebruyken myns oordeels waar te neemen is: Eerftelyk: dat de Merkteken pailen aan het beteekende in waarde en be-
tamelykheyd. Ten Tweeden; dat dezelve zoo klaar en niet van al te diepe nazoeking
zyn. Ten Derden, zodanig (als't kan zyn) dat dezelve op't beteekende alleen
ten minften by uytftekendheyd paflen. Ten Vierden, dat men met alle omzichtigheyd onderfcheyde de Tyden,
Landen en Zeeden der Volkeren, om niet by Cimbren of Duytfchen te voe- fen,'tgeen by Indianen, Babyloniers, Egyptenaars, Arabiers en zulkeYol-
eren maar bekend was>. of by deze 't geen in 't Noorden alleen te vin- den is. Ten Vyfden, dat alle de Merkbeelden, *t zy in waapen of gebouw, cie-
raden, werktuygen, weefzel, borduring, of diergelyk behangfel, met malk- anderen werken, en het eene het andere niet om ver werpt; maar dat alle de gedagten ingefpannen blyven, om in alles alle de Merkbeelden te doen op een middelpunt, of in een wit fchieten. Ten Zesden, dat men Heylige zaken nooyt en vermenge met Poetifche,
of Fabelachtige -, of Satyrifche en gekfcheerende met ernftige. Want anders word 'er nooyt eenige overeenkomft van een werk gebooren, devvyl het een het ander verdelgt en omver floot. Om welke misflagen te klaarder te doen onderkennen3 zal'tmiflchienniet
ondienftig zyn, dezelve door voorbeelden voor te ftellen. Een Drekvlieg (als gezegt is) voor eene Opperfte Godheyd, of een
Varken voor een diep Onderzoeker, en Overdenker der Geheymen. Beyde eg- ter, hoewel kwalyk ,. by den Egyptenaaren gebruykt: want de ongeacht- heyd en vuyligheyd deezer Merken ftoot tegen de achting der Godheyd, en de waarde van een braaf Onderzoek. De. Draay-Kringen om een Pylaar, of Snoerkens om den hals van een
Chameleon, om de verbeelde loop van Dwaalfterren of anderen aan den Hemel te vertoonen. Want de Pylaar van vafte Stof fluyt niet op de Lugt, wiens veel verbeelde Hoepen en Cirkels met de Lynen der Bouwkonft geen- zins over-een-koomen. Aan geenen Vorft of groot Man een Merkbeeld te geeven, van Leven,
Eeten, Spreken, Slaapen, of Gaan,} want zulke hoecfanighedenofhebbe- lykheden zyn anderen,ja alien Menfchen en Dieren gemeen. Niet te geeven Wapenruftingen der Rome men aan Cimbren , Beelden-
yanJiunne Goden aan Duytfchen -3 Taarde-Folk of Ruytery aan Jooden, voor den
|
||||
VOORTGANG OER ZELVE. II. HOOFDSTUK. It
den tyd van Salomon \ Toomen en Zadels aan de oude Gneken en Latyneip.
Kanon aan de Voorvaders. Want op die wyze heeft zig menig braaf Mee- Iter vergreepen, gelyk Tempeeft in den Slag van Amalek tegen I frail in de Woeftyne; alwaar men RomeynfchPaarde-volk tegen malkander ziet, als in denVeldflag vanTharfalientuffchenCtefarenTompe/us. Daar eenWet was onder den Jooden-, dat men zyne Paarden niet mogt laaten vermenigvuldi- gen, en zy in den Voetknegt hunne fterkte ftelden, als Roomen in hare Le- gioenen Soldaten. Behalven datze in de Woeftyne gebrek aan- Voeragie zou- den gehad hebben, en men zelfs der overwonncnCanadnitenPaarden moeft verminken. Zoo dat Salomon dezelve eerft. in Egypten fchynt opgekogt te hebben. Wanneer het Joodfche Ryk zoo ver was uytgebreyd, dat het tot aan Terzie raakte, had het ook Ruytery van nooden, om het wyd-en vlak Land; zoo als men,in. de tochten van Trajaan en andere ziet. Men ziet ook zoo van Vazari^ waarlyk anders een groot Konftenaar,
dat hy de Roomfche Ridderfchap, ia een Zeegepraal, doet ryden zonder 7 oomen , als ofze Numiden ,. of Lybiers waren. De Macedonifche en Grtekfche Ruyters met Zadelen zyn door een ander nagelaaten; daar men in geene Hiftorien vind van zulken zoort met Stegelreepen., Buykriemen enz. als eerfi by Zonaras , in het voorval, daar Conftans zynen Broeder Conjlantyn uyt de Zaal frnyt. Gefchut en Mufquetten ontzien de Duytfche Meefters niet by Judith, in de belegering van Bethulie, in te flanflen. Dus verbeeldde iemand het Vuur in Egypten met een Turf. En andere.
wanvoegzels van diergelyken aard. Maar dit gebrek, even zeer in Reedenaars, Pleiters, en alle Schryvers
te berifpen, is genoeg hier mede aangetoont. Dat men alle Grootfche en Heerlyke Merkbeelden by groote Mannen of
Vrouwen en hare gev alien doe by-een-vloeyen •, mydende dat het eene Merkbeeld niet en kruypt, daar het ander heerlyk verheeven is j neemt by Ryxftaven, Kroonen, Zeegepraal-Takken, Leeuwen, Arenden, Paarden, en andere geachte Dieren en Vogels te voegenj zulks houd.een over-eenkoo- mende trant; maar daar by Ezels , Zwynen , Mollen, Vleermuyzen te plaatzen, is de deftigheyd van het een, door de flegtheyd van het ander overhoop werpen. Zoo moogen wel Blixemen, Centaur en , Bellerophons en diergelyke verzierde Zaken of Dieren daar by te pas komen, opSchilderr of Harnafichen, maar geene Haazen, Paddeny Meerkatten, Ravens, of Ratten. Zoo moet men ook ieder Godheyd 't hare geeven r en nier doen als ze-
ker Meefter van onzen tyd, die de Bandon Royaaly of het T>iadema, Ko- ninglyk Hoofdfierfel Jupiter eygen, aan Mercurius Voorhoofd had gege- venj en Spaanfche Stoelen aan de Tafel van. Lucullus,. in de plaats van Ruftbedden had gezet. Ghamieau, anders Meefter genoeg, zettede de Wolvin van Roomen op
C 3 eeni
|
||||
XL De Hieroglyphen of Merkbeelden.
een Legioen-Standaard met Romulus en Remus, onder deTrojanen van
<^/£neas, als men nog van geen Roomen en droomde, by Carthago. Heydenfche Goden inJoodfcheCieraadentekleeden, gelyk Frrf»jF/0r//b.
heeft nagelaaten, daar de een van den anderen zulk een walg had, en geen Jood Beelden mogt maaken nog dulden, is belachelyk, uytgezondert claar men den verachten ftaat der verflaafde Jooden, onder den Romeynen doet zien, die hen dit dwongen te lyden. Een Speenverken of Haas onder de geregten van Salomons Tafel, voor dat hy de Heydenfche Vrouwen aan- hing •, Het Kruys te toonen op de weegen, als Jofeph de vlucht met Maria neemt na?r Egypt en -, of de twee fleenen Tafelen van Mozes in de Zaal van Nimrod, zulks als van Bauwer was gedaan. Alle deeze zaken ftryden met malkander. Lycaon in eenen Wolf v Jupiter in eene Goude Reegen j by deftige ware Gefchiedeniflen. De Fabelen zyn ook al zoo naauw, als de Metamorphofis, (Gedaante-Verwifleling) te wagten en te ziften $ maar nade- maal die byna alien volkeren en tyden zyn gemeen geweeft, konnen de voortreffelykfte by Vorften, of in Hunlieder Gebouwen, of op derzelver Huys- cieraaden gebruykt worden. Cherubynen in der Dichteren Goden-Zaal te brengen, is zoo zot, als
'Pan en Fannus in 't openen van eene Hemelfche Gloor voor Jooden en Chriftenen. Zulke wanorder verderft al den indruk , die enig Tafereel, Beeldwerk, of reeden kan maken> en toont dat dc Maker, nog leezing heeft, nog oordeel. Tyd, plaats, en alle hoedanigheden moet men zig be- neerftigen wel te verbinden. Maar hoe veel de eene wyken moet voor den anderen, in die waarneeming en uytvoering, weeten en zien wy in alle Konft-en Praal-Werken; want hoewel hetTeekenen, en het nabootzen van het Geteekende inwendig door de Taal ieder gemeen is, zoo blykt, dat die kracht wonder doordringend, zig zelve gelyk en voortrefrelyk in den een; en zeer laf en koud is, in den anderen. In de vertellinge zelf worden wy zulks gewaar, want een en dezelfde handel word van deeze zoo levend verhaald, en zoo klaar met woorden nagebootft en afgeteekent,dat wy daar van zoo bewoogen of gekittelt worden, als of wy 't zelf zagen, Ja de een, Geeftig en Natuurlyk voordoende een geval, by ons voor valfch bekend, als lphigenia's dood, peril ons de traanen uyt de oogen, daar geene een waarachtige elende, van eenen der Heylige voorvaders uytleggende, zoo flegt op ons werkt, dat wy, hoewel van de waarheyd overtuygt, geen fmert daar van gevoelen. En gelyk zulks in 't hooren gebeurt door 't fpreeken of vertellen, zoo wer-
ken de Beeldfpraken op het zien, door de kennisindezelvegebruyktjwant eenige, ja veele zyn zo wonderlyk wel gedagt, zoo tot in de grond van de Natuur nagefpoort, en zoo leevend opgedaan, dat de Toeziender, aan- merkende het nagebootfte, aanftonts vormt in zyn begrip, alle de hoeda- nigheeden, met alle het doen en lyden zamengevloeyd, welke de Beeld- ipraakmaaker heeft willen affchilderen. Ja |
||||
VOORTGANG DER ZELVE. II. HoOFDSTUK. 2J
Ta met zommigen handelen de Toezienders , als Tacitus, Hoofd en an-
dere Staatkundige Hiftorifchryvers, met de woorden en zelf de gedagtcn der Grooten, welker Verftand en Tongen, tot overfyne overleggingen en gefleepe Redenering , zoo breed voor den Leezer worden opgedifcht, dat dezelve nog meer zondigt, in het al te groote denkbeeld van der Doorluch- tige Mannen verftand, als de Schryver -y ziende en na-oogende nog al die- per, de een zo wel als de ander, verborge fcherpzinnigheyd,in de daaden, gebaarden en woorden, als de grooten immer dachten. Het is met deze Beeldfpraken der Ouden, mynsbedunkens, dikmaal mede zoo gefteltj dat wy in dezelve al dieper polfen, en vaak meer zien,als 'er de Stigters, Via* ders en Maakers in voor gehad hebben. Elk om zyn eygen fchranderheydte doen praalen, ziet 'er al wat meerder in, gelyk zommige dartele verftanden met uytlegging van deze en gene Voorzeggingen, zoo Heylige als anderen, waardoor wel ligt gebeurt, dat men zoo fynfpint, dat de draad van waar- heyd breekt. Alle de Opdelvers en Verklaarders der Beeldfpraken, op of in Gedenkzui-
len en Gramaalden, of Zinnebeeldige Wanden, Verwulfzels, of Beelden hebben 't zelve gedaan. Maar nog is deze vlyt om veel te viflchen iryt Prophetien of Merkbeel-
den, van meerder nut-, als dat men niet fchrander genoeg word om 'er naar vereyfch door te zien■> dewyl daar door 't geheel nut van dezelve wel kan verlooren worden > en dat te ligter, omdat wy nu, niet wel klaar genoeg van de tyden verligt zyn, of oordeelen konnen, wanneer zy deze of die ou~ de geheugtekens van Gramaalden, of Tempelen en Schoolen hebben gp- bouwt, en in die Tyden mistaftende, miflen wy menigmaalinde Landftree- ken, waar uyt zy gehaalt of overgebragt zyn: en onderzoeken daar doordc zuyvere beteekening van veele merken, zeer wankelend. Het gemeen ge- brek, 't welk wy thans veelzins in Meefters en Leeraars ontdekken, zal ook in hunne Priefters en Hoofdleeraars geweeft zyn-j van grooter klank van ha- re vlugheyd ,bekwaamheyd en geeft onder hunne Leerlingen en andere Men- fchen te aoen verluiden, als zy waarlyk waardig, waren. Want deze Priefters en Hoofdleeraars r welke boven de naamen van groo-
te Wysgeeren, Natuurkenners, Priefters en Voorzeggers, naamen kregen ^y het volk, van byna Goddelykej gelyk men van tier me. s, (zoo 'er een geweeft is) Trifmegiftus maakte-, waren gewoon, ja bykans gedwongen zoo veel ftanks te maaken, van haar weeten; als of dat voor andere Menfchen ondoenlyk was te evenaaren5 en aldus in plaats, van den weg tot de kennis hunner Beeldfpraken te verlichten,luftte het hen dezelveonverftaanbaarder te makea Wy zien zulks in de Meefters der Konften en Taalen dagelyks v welke,
deels door botheyd, deels door Hovaardy en fchraapluft, van hare weten- fchapjens en konftgreepjens breed opfnyden, groote Boeken befchryven, en zon-
|
||||
Z4 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
zonderlinge geheymen maken, daar een openhertig klaar en bereydwillig
verftand zynen Leerling met geringe tyd en moeyte kan doorhelpen, een- voudig en zakelyk hun willende leeren, en houden buyten het Doolhof van zoo veele zamengefmeede Termen, en Konftwoorden. Ik zal hier van al- leen bybrengen het Etzen , zynde Plaatfnyden door behulp van Sterkwater. Boffe tot "Parrs, en anderen nieer, hebben 'er geheele Boeken van in druk gebragt, en alle, die daar na wilden te werk gaan, Tyd en koften verdub- bcld, daar al dat van de Etskonft te zeggen en te onderregten is, op een blad Papier ligt en klaar kan voorgeftelt worden: maar als zy het ligt maak- ten, zoudenze zelfs niets groots fchynen te bezitten, nog lang leergeld van hunne Leerlingen trekken. Wy moeten dan openhertig willen overftorten in anderen, het geen wy
van den Ouden begreepen hebben, en ook daar in matelyk wys zyn. Nog te weinig, nog te veel dervende, van hen of oris zelven te veroordeelen. Want wy nu miflen in de kennis van veele zaken, die de Ouden hebben ge- had in Wiskonftige en andere werken, zo wel als in het weetenj van de welke de fchaduwen in de Boeken overgebleven zyn, en niet de zaken, wel- ke de Oorlogen vernietigt hebben. Byzonderlyk van deeze Beeldfpraken, op de welke ook de Haat der Joodfehe., Chnftelyke en Mahoraetaanfche ■Godsdienft, meer als op andere zaken gewoed heeft, wyl dezelve in de Tempelen en hare onderaardfche verwulfzels meeft gegraveert ftonden ,fen de gronden ook der Natuurkunde, en daar uyt gevloeyde Godsdienft, in de zelve bleven ilaan, zelfs na het uytroeyen derPriefteren van het Heyden- dom. Behalven dat zoo miften de Ouden veele zaken, welke in tegendeel deze
Eeuwen bezitten, en dagelyks vermenigvuldigen, tot onze Beeldfpraken dienftig, om flerk te vertoonen, welke, of uyt de Scheepvaart, of uyt de Stookkunft, of uyt de Vergroot-glaazen gehaalt worden. Van alle wel Ice wy nu veel ligter kennis en mededeeling krygen door het gemak, het welk Eu- ropa heeh van de Druk-en-Plaatfny-Konlren. De Koopmanfchap, een mannelyke Handel om voordeel, geeft ook eene
ruyme baan, om uyt alle de Geweften malkander te kunnen fchryven en mededeelen het geen in onze Konft-Cabinetten, zoo behaaglyk en gemak- kelyk te zien is, namentlyk de vreemtfte Diertjes, Vogelkens, Bloemen, Zaaden, Gewaflen, Bergwerken en andere ftotfen, alle tot onze Beeldfpra- ken dienftig. Want, zoo grouwelyke overftroomingen en verwoeftingen ziet de Wereld nu zelden, welke de Ouden beproefden. De manier van oorloogen, welke men leeft van Jozua en 'David, van den cPerzen, Mee- den, Macedonters, Rome men, Got hen en Wandalen, zyn bequaam ge- weeft, alles te verdelgen -y \ Zwaard fpaarde Hechts voor 't Vuur, en 't Slot was wegvoering in Slaverny, met beplundering en Hooping vanal, watheer- Jyk of Iterk was. Daar
|
||||
VOORTGANG DER ZELVE. IL HoOFDSTUK. 1$
Daar men nu, ter zyde zettende de Spaanfche wreedheyd in de JVeft-ln-
dien^ de Vorften ziet oorloogen, om de Landen en Ingezeetenen niet te verdelgen , maar in hun Gebied in te trekken, en tot hunne eygene onder- daanen met welvaaren te maken } bewarende meeft de frayigheden der Oud- heyd en alle cieraaden > of men moeft de Taltz en de verwoefting daar in door den Franfchen begaan, ook uytzonderen. Vind men zich dan verleegen by te veel duyfterheyd, tot ons voorwerp,
als wy vvat door Beeldfpraken op te fchikken hebben van de Ouden j zoo ftaat ons open, het Nieuwe en tegenwoordige aan te nemen, en te gebruy- ken, ten minften met zoo veel nut, als van de Ouden, om dat de Nieuwe Gereedfchappen, nieuw bekende Kruyden, Vogelen, enz. nuinharehoe- danigheeden aan ons klaarder zyn, als die der Ouden} alles maar wel be- fchaaftzynde, naar de eygenfchap en waarde van ons voorneemen. Van welk alle duyfterheyd moet v'erre zyn, en de trant genoomen, overeenkomende met het Land, waar in het voorgenoomene moet gezien worden •, want wy beminnen in Eur op a de klaarheyd, in zaaken, fchriften en Beelden;en be- geeren dat een of meer Merkbeelden hoe enkelof zamengeftelt, zoo klaar zyn, dat dezelve worden als een Uythangbord, waar door de kyker in zig zelven fchildert de ganfche winkel van 't geen wy verbeelden willen. Men heeft dit vertoog uytgebeeld als volgt :
■"• Daar ryzen op in 't verfchiet, twee Pilaren van gebakke fteenen, in
welker rondom uytgekletfte leem, in Merkbeelden door den Aartsvader Seth gegrift of geetft zyn geweeft de gevallen van Hem, zynen Vader, Moeder en Breeders >y en, naar oogenfchyn, om dat aan Seth als den oudften der Zoonen van Adam, na 't verval van Cain,en de moord van Abel, de Stam- regering, en Priefterfchap toekwam, zoo zal die Godvruchtige Leeraar op dezelve ook gelaten hebben voor den Nakomeling, gronden en regelen van eene zeekere Godsdienft > om dat hy het verval van goede zeeden en waare kennis zag, om welke hy te meer zal geyvert hebben. Hy kan daar op ver- toont hebben een Rond van ftraalen en fterren, voor het eeuwig Weezen, boven aanj waar van de reft afdaalt. Eene woefte Klomp daar onder, in welk Vuur, Lucht, Aardbrokken en Golven door eenhafpelen> met eene Waterkim, waar over dat Goddelyk Straalrond, als een Geeft zweeft. De fcheyding der Hoofdftoffen makende redding in de Chaos. De Boomen, Planten, Dieren, Vogelen en VnTchen daar onder in de Lucht , Aarde en Water j een Lufthof} een Menfchelyke gedaante als Man en Vrouw -, een ge- fcheyde gedaante van Man en Vrouw 5 twee Boomen in den Lufthof, omde eene een Slang geftingert met eene behaaglyke vrucht in den bek} de Vrouw aan den Man die meededeelende, en zelfs eetende ; de Man en Vrouw zig zelven nu kennende, en dekkendej een Blixemende Lucht of ander Merk- D beeld
|
||||
%6 DE HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
beeld voor de uytdryving en Toorn Gods -, De Rampzaligen troofteloos met
vellen bekleed, op eene kaale grond -, enz. De verdere beloften, en geval- !en. By deze twee Fylaren predikt Seth, uytleggende den Vroomen, hun vervallen ftaat,ende de hope van hunne herftelling. By deze zal mogelyk ook Enoch en Noach gepredikt hebben, wiens Kift-ark of Schip, op de toppen van Ararat word gezien. ■D. De Tyr amide alhier vertoont is meer als half overfchaduwt, om de
duyfterheyd der vertoonde zaken tebewyzen^en hoe dezelve,om verlicht te worden, nodig hebben, opheldering van leering en uydegging , door fpre- ken of fchryven -y beftaande booven in een Rond vol golven, waar in een Ibis, ofroerdomp, verdrinkt, de Ark daar by dobberende, voor de eerfte Wereld, waar in het geweld en de boosheyd, door de Zundvloed word ge- ftraft. Hen recht opgaande lyn met de letter Y naderhand de 'Pythagori- fche genaamtjhetMerkbeeld van de Deugd van Noath,ende de tweederley gangen van zyne kinderen, ter deugden en gebreeken -, eene Kreeft voor 't verargeren der volgende, eene Papegaay, om door minnelyke welfpreekent- heyd deze te recht te brengen. Eene Kraan met eene keyzelfteen. in de Jclaauw, voor de wakende zorg der geener, dewelken voor hoofden der me- nigte geacht wierden; een wegwyzers Staf, met twee Slangen wederzyds > voor het recht beftier en de boozewichten, die zulks van alle zyden trachten te onderkruypen v een Oliphant voor fterkte by verftand, voor die, welke zig meefter maakten-, een Plat-rond van veelvoudige hoekpunten , voor de eerit verbonden Geweldenaars om te heerfchen, en elk voor hun deel uyt te ftecken -, en daar na een Diamant van vier hoeken in een hoog punt aange- fleepen, voor de Oppermacht van Nimrod, die aan alien zyden wyd en breed heerfchtte, en onwrikbaar oppermeefter bleef3 en dan zyne Tooren- bouw te Babel. ^-J' Een Oppervorfl: als Nimrod word hier verbeeld met de kroon der
Chaldeen, Meden, Parthen enz. gelyk men op de Medaillen ziet,op zyn Hoofd -, en de Koninglyke Harmelynen Mantel aan met hondert Oogen op zyn Armdekzel of Mouw van die Hand, waar in hy zyn Ryx-ftaf voertj welke van Yzer is met pinnen van een Egel boven aan , zich rollende in 't goed van anderen, en de befte Vruchten wechfleepende. Hy heeft by hem de Hooffche Vlyery, door eenen flaaffchen Aziaan vertoont, met de kop van een JufFers Hondeken op zyne fchouders -, zyn kleed is gevoert met Vol- fevellen •, hy kapt in de fteenen of graaft: 'cr in, en maalt daar op de Tee- kening van dien Tooren van Babel, en wil de Zon, wiens beeld hy boven (voor des Konings verbeelding) ingezet heeft, aanbiddelyk maken. Hy bekratft de reft met ftryden en overwinningen over zyne tegenftreeversi en is alzoo bezig met de Heeren-taaL |
|||||
D. Maar
|
|||||
.
|
|||||
VOORTGANG DER ZELVE. II. HoOFDSTUK. V]
D. Maar de Koninglyke Dwingeland, vergood zynde tot de Zon, eifch-
te wat meer. Daar ziet men een der Magen of Chaldeeuwfche Wysheyd- Priefters, zitten als knielende, uyt eene uyterlyke Godsdienftige gril. Deze is met veele Hoofddekzels gekapt, willende zyn doelwit,dat is, verborgent- heyd vertoonen -, waar van hier na zal gezegt worden. Om wat meer als anderen uyt te fteeken, laat hy zyn baard ruyg en ruym genoeg uytgroeyen j hy is met een Kerkkleed overdekt, en fchryft of graveert de Eygenichappen der Zon, Maan, Sterren en Machten der Lucht, met zulke merken, als hy tot zyne verborgentheden , als uytlegger van nooden en nut oordeelt, en maakt alzoo de Priefter-taal. E. Het Vuur, een aanmerkelyke Godheyd geworden, brand op zynen
fteeds geftookten Altaar. De Plengoffer-Leepel van het Water , niet min- der Goddelyk geacht, legt naaft hem. t1- Maar de Moeder van deze Merkbeelden in de Priefter-taal, is de
Wysgeerte of Thilofophie. Eene Maagd, naar haren vollen wasdom trek- kende, eenvoudig maar betameiyk gekleed,met fhellewiekenaanhaar Herf- fenvat, welke zy vlug van beweging houd, door het fnedig denken -} zy fluyt de vloeyentheyd van haar boven en onderkleed, met eenen hechten middel- band, brengende vafte en gegronde ftelling van reeden , tot begrip der za- ken, welke in 't wild en breede veld der Natuur zich opdoen. Met de eene Hand heeftze de bezigheyd van Merkbeelden te fchetzen,zo lang tot zydie welpaffende heeft gevonden, aan de eygenfchappen, welke zy heeft te ver- toonen. Daarom ziet men, datze een Grift gebruykt met een Sponsje aan 't booveneynd, om het ontworpene fteeds weer uyt te wiirchen,alsdefchets niet en voldoet aan hare gedachten. Met de andere Hand wyit zy den Leer- lingen na den recht opvliegcnden Arend, het Merkbeeld der fnelle en God- delyke befpiegelingen. Zy lleekt haar Hoofd in de Hemelsloop, van de welke zy eerft de kennis najaagt, eer zy die van de Aarde doorzoekt, met de gefchaapene zaken zelfs van 't Hooglte naar beneden daalende. Zy vind daar wcegcn , Hemeldrayen, elk met zyne verfcheyde bewegingen. Zy waakt zonder ruft, tot deze opmerkingen, by nacht en by dag in 't Veld, en op de Bergen, by de Indianen, Arabieren en ^Ethiopers, om net waar te neemen de Zon, de Maan, en andere Planeten. Zy ftaat op den Aard- kloot,in het onderfte der Lucht onderzoekende, wat dampen van beneeden naar booven ftygen, en welk een geweld van booven naar beneeden gedre- ven wordj eerft, nevens 't ruwe graauw, voor Natuurlyke zaken beeven- de, en van alles, wat zy niet gewoon waren, ontzet. Zy was dan eerft voor Staart-fterren, Baard-fterren, vliegende Draaken, (zoo als men noemt de lchielyk beweegende en aangefteeken vuurige deelenj Maan-en Zonne- tanmgen, ot Ecltpz-en-, en diergelyke groote veranderingen, als Weerlich- D 2 ten.
|
|||||
z8 De Hieroglyphen of Mhrkbeelden.
ten, Blixem, Donder, uytbarftende Zwaveldampcn, uytbarfting en inkol-
king van Bergen en Poelen, en meer zulke rampen. Maar derzelver kwaa- den onderzoekende vind zy veele niets gevaarlyks in zig te hebben , en an- dere onvermydelyk te zyn. Zy ziet de Staart-fterren, welker naam Comee- ten , by zeer groote Schryvers doorgaans wat vervaarlyks dreygt, en van welke veele Hiftoriefchryvers vertellen, datze als uytdrukkelyke voor- booden waren der elenden, welke het een of het ander Ryk over kwamen, voor gemeene Lichten aan, en verneemt datze by de Noordpool zeer ge- meen zyn , en gene voorzegging medebrengen. Zy kent den Donder voor een geluyt der barftende Wolken, en niet anders. Zy fchrikt min voor de Blixem, om datze zulke ongevallen niet kan ontvluchten. De Eclipfen van Zon en Maan leert zy wiskunftig■, en is daarom voor haar zelven geruft. Maar dit ontdekt hebbende trekt zy daar haar voordeeluyt, en gebruykt haar weeten tot nut, en byzonder tot inteugeling der ruwe gemoederen. Na- gefpoort hebbende, hoe de Dampen door de hitte der Aarde worden getrok- ken, en met byzondere fcheiding, deels tot dikke Aarde en waterige Wol- ken opklauteren , in een geklontert door de vette en Zwavelachtige deelen, dan van de Zon aangefteeken, naar beneeden gedrukt doorbarften, Blixem, Regen, Wind, en anders uy tie veren j zwygt zy die eerfte oorzaaken, en laatze niet, als in de omtrekbeelden der Priefterlyke Taal, koomen; maar hangtze het graauw niet aan de neus -y het welk indien het alles onderfchey- dentlyk wife, niet en zou vreeze genoeg overhouden, om in order gehou- den te worden. Maar in tegendeel vermeerdert zy dien fchrik, door allerley natuurlyke kwaade gevallcn, bovennatuurlyk uyt te fchreeuwen , en ver- digt daar toe Goden in den Hernel, op de Aarde, Wateren en Afgrondenj aan deze voegt zy toe felder driften, als de menfchelyke, en houdt de ver- woeiling door Blixemen, Wolkbreuken, en diergelyke kwaaden, als gering- fte ftaaltjes van hare Grimmigheeden, Watervloeden, Droogtens, Vuur- braaken der Bergen van Neptuun, of Pluto, en de anderen van Jupiter, of andere Goden Naamen, naar de verfcheydenheyd der Landen afleydende. Deze kwaaden, den Goden toegevoegt zynde, als wreekers van de Zon- den, weerhielden gewiflelyk vele booswichten. En al (loot het tegen eenige Redenering, die voor bloote waarheyd ftryd, en allerley bygeloof wil wech hebben; zoo is het ftaatkundig goed, het by-en overgeloof te vermenigvul- digen. Zoo hebben de fchranderfte altyd gevoelt; en hier van daan fproot de achting voor de Priefters. Want als die vreeze de Goden in Hand hield, deeden zy dezelve aanmerken als Middelaars en Maakelaars, door minder geeften, tuffchen de Zondaars en de vergrimde Goden, en kregen zoo al de eerbied van andere Menfchen, nevens de macht, ende het vette der Aarde. G. Dc eerfte van die, (zoo verre als het nazien der Hiftorienoplevert,)
zyn
|
||||
Jill
|
|||||||||||
v.
|
|||||||||||
as
|
|||||||||||
VOORTGANG DER ZELVE. II HoOFD^TUK. 1$
zyn de Wyzen der Seres, of Chineezen, of Indianen geweeft, Quant i-
cong, Zamolxis, Alpetragi, Confucius in China, Ardeneph, Amunx in Indoftan, en meerder zulke Vorften, door de kennis der Merkbeelden, wel- ke zy afleerden van ouderen, nalieten aananderen, tot Heerfchappy zelf doorgedrongen. Wy neemen hier een grof en gemeen Merkbeeld,als het openbaarfte voor
alien, dat is de Stier, of Os, wiens hoofd eerft by de Zon geleeken door de hoornen en het lyf voor de Aarde genoomen wierd ; dewylze met Oflen ploegden, en wiens vier Voeten zy by de hoeken der vierWindenvergelee- ken; hoewel ik zulk een Merkbeeld zoo by het hayr getrokken nooyt zou hebben durven maken -, uytgezondert voor den Landbouw. Ook namze Jo- feph, voor de vruchtbaarheyd, vet zynde, en mager voor den duuren tyd» Zoo is dan, om de Egyptenaars op te volgen H. De Stier Amunx of de Os Apis hier vertoont met zyne dagelykfche
nieuwe Krans, voor God gehouden, en orakel gevende met voer uyt ie- mands Hand te neemen, ofte weygeren. Zoo weygerde Apis van Germa- nkus Hand het voer, tot voorzeg van zyn Dood. Voor deeze Godvruch- tige Merkbeelden beteekenende te gelyk eene verdichte Godheyd met de ge~ lykenis naar de Zon en Maan door zyne Hoornen, en te gelyk de Offerhan- de, welker getaalen en manieren op allerley wyze meerder en breeder uyt- deyden; zoo dat men offers van hondert te gelyk, als Hecatombes^enmeer- der heeft gemaakt,van veele zoorten door elkander, als Suovetaurilia-, van Kinderen, als aan den Moloch -t en van Menfchen, als aan Mars en ande- ren, of Gevangenen, of daar toe gefchikten en gemeften. En zulke Offer- handen zyn in de Merkbeelden by uytnementheyd veele, met de reedenen waarom zulke Goden of Godinnen liever door zulke Dieren, Vogelen, of Menfchen gepaayt wierden> welke Reukwerken deze meeralsdiebemindeiij van welke order en behandeling die Priefters angftelyk wierden aangefproo- ken. Men vraagde hen raad, om de Goden te ftillen, of op zyn hand te krygen j en zy maakten Merkbeelden van Middelaar-Geeften, 'Damones, Nympben en diergelyke. En wyl men den Priefter geloofde met deezen te kunnen handelen, kreegen zy wat zy begeerdenj maar zy kreegen 't niet als door fchrandere Loosheyd, en diepe Geleerdheyd. Waarom die kennis uytwerpt 1« <De -vadzige Luyheyd, welke zy in hunne Merkbeelden aldus ver-
toonden: Een jonge laffe ongehavende Gaper > met de Rechterhand in de boezem en de linker onder zyn leunende dompige Kop } wiens Ezels-Oo- ren de Botheyd, uyt zyne Luyheyd gebooren, doet zien. Hy is bykans naakt, want Luyheyd maakt Armoede; en zit op eene Mifthoop, met een gelloote Boek, waar op een Hommei legt, die geen Honig nog Wafch en P 3 maakt j
|
||||
jo De Hieroglyphen of Merkbeelden.
maakt > daarom dc Bedelkorf aan zyne zyde lege met de Lazarusklap van
deezen tyd daar by gedaan. K. <De Beeftachtigheyd) of Brutaliteyt, door Nebucadnexar uytge-
becld, die beefiachtig genoeg van Hovaardy, en moetwillige Dwingelandy, nog word befchreeven, zelfs van de Kroon vervallen , en met den Beeften in 't Veld gegraaft en gefchaft te hebben. L*« Een Duffe, Kleynmoedige, en by helder licht Luye Ransuy/, waar
in leven nog luft en is, voor den fmaakeloozen verachter van alle kennis en fVetenfchap, zit by hem neergedooken > wiens botheyd zoogroot is,dat hy, zo dra hy zig by andere Vogelen laat zien, van ieder uytgejouwt en verbeeten word, gelyk de zuffe botterikken onder de Menfchen. Het voed- zel der Merkbeelden is voor zoodanigen niet, maar Onkruyd op het Veld, Paddeftoelen, Maankoppen, en zulken opfchot van kwaaden aard. M.
Eyndelyk ziet men daar ook by eene T>ulle Woe ft e Koppigheydy
vol haaftige en verbolge driften •> zoo als de onleerzaame verftanden meeft bevallen, welke men bezwaarlyk kan befchaven. Deze Dolkop is door Cam vcrbeeld, die met opgefparde blikken zyn galachtig weezen met opftaande Hayren te gelyk dragende, in zyne Hand een Kakebeen houd, als zyn eer- fte Moordgeweer, fchendende met de andere de Eeuwigheyd, van de wel- ke hy in zynen Vader was afgedaaltj dien hy nogkende, nog als Wreeker vreelde. Zulken tragt de Merkbeeldkunft wel in te drukkeneene vreezevoor het tegenwoordige en toekoomende, dog niet te werven tot hare Leerlin- gen. *t Is haar genoeg, de Luyheyd door haar voorbeeld te befchaamen, de Beefligheyd te overtuygen, en de Koppigheyd te doen vreezen en fchrik- ken. |
|||||
DER-
|
|||||
Op-en Doorgang der zelve. III. Hoofdstuk. 31
|
|||||
DERDE HOOFDSTUK.
Van de Op-en ^Doorgang der Merkbeelden.
GOd heeft gewilt, dat de Dwaasheyd tot Wysheyd der Wereld zou op-
klimmen, en de Wereldfche Wysheyd door de eenvoudige Waarheyd wederom tot Dwaasheyd gemaakt worden. Van allekleine, ongeachte, en flech- te Merkbeelden,gelykmenaan Amunx of Apis ziet, welke de Egyptenaars eyndelyk in den Zonnenhoep voor een der twaalf Teekenen ftelden, klom de Konft hooger op ■, met het gemeene lot van veele Konften, welke als de jonge Beyren van eene rouwe lompe klomp tot eene behoorlyke geftalte ge- likt worden. Ja dezelve wierd zoo groot, dat men de braaffte van andere Volkeren, volmondig hoort getuygen, dat zy al het weezen van die Merk- beelden uyt die Schoolen hebben gehaalt. Men zoude de werken der grootfte Mannen,onbe{cheenen van het God-
delyke Genade-Licht, konnen waan en ydelheyd noemen: maar daar zyn meer als een of twee Wysheeden j ten minften vier: 1. De Goddelyke, Oneyndige, en Onbegrypelyke j en de Menfchelyke,
zynde driederley: 2. Vreeze Gods, en *t wandelen in zyne Wegen.
3. Zich ftaatkundig en onbefprooken te gedraagen.
4. De Natuurlyke zaaken tot Gods eer te doorgronden.
De kennille Gods ende der Godvruchtigheyd vloeyt af van Openbarmg,
als ingeftort door Gods Geefl. Vleefch en Bloed openbaart die kennifle of rechte Wysheyd niet, die zaligmakende is door het Geloove. Staatkundi- ge en Zeeden-Wysheyd hebben de Heydenen niet minder als wy bezeetenj en de Natuurlyke zaken (hoewel niet tot Gods eer) wel willen doorgron- den. De eerfte der Menfchelyke Wysheyd verheerlykt de tweede, en de twee-
de verbeetert de derde. Tot de kennifle van de Goddelyke Wysheyd is de weg voor eenigen gebaant geweeft, als Heylige Keurlingen van God zelvea Enoch wandelde met God> Mozes zag God van achteren> Eli as wierd tot hem overgevoert. De Heydenen waren na'all aan God van achteren te zien j dat is hem te
kennen uyt zyne werken. De kennifle der Heyligen, God te zien van Aan- gezichte tot Aangezichte, was ondoenlyk voor de Heydenen -y gelyk ons zwak oog door het te groote licht van de Zonnebol overftraalt, ja zelf van de Maan in de Kykbuyzen overftelpt word; en beter langs de buytenranden ontdekt, als in het Ligchaam, waar langs men ook de Maan maar netheeft konnen teekenenj om dat haar vollen ommekrits te vollen licht geeft Al- zoo
|
|||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
tl De Hieroglyphs** of Merkbeelden.
zoo overftelpte het al te groote Licht Gods de Heydenen, de oneyndigc
wonderen van vooren willende inzien, tot het welk Gods Genadelicht den Menfchen alleen bekwaamt. Zy lieten echter, daar van ontfteeken, niet na groote Mannen te zyn. Van welker uytfteekend verftand te kennen, ook zelfs Job, Abraham, Moze$> ja Chrijlus zelve niet vreemd zyn geweeft. De een by den Chaldeen,en ook de ander by dezelve, zoo wel als de derde by den Fgyptenaars hebben kennis genoomen; en onze Zaligmaker heeft van alien, te weeten Chaldeen, Magen,Egyptifche Priefters, Phoeniciers en Syriers gelykeniflen ontleent. Azof, Salomon en de Propheeten zyn hun- lieder trant gevolgt. Het welk te zien is uyt de Merkbeelden, van hunne ge- lykenifTen. Zulks bemint Afia en Africa. Van diergelyke weetenfchap ma- Ken wy nu vry grooter praal, in het toepaflen van den Tabernakel en Tem- £el, in derzelver Maakzel, Sieraden en Huysraaden vinden wy eene over- eenftemming, tot verzeekering van onze aangenoome waarheyd dienende. De Aziatifche Wysheyd, heeft dan eens knikken, wenken en gebaarden,
dan eens ftilzwygentheyd tot Wysheyd gebruykt, (want zoo fprak het Ora- kel van A mm on) en die kleine bewegingen zelfs het Antwoort der Wyzen genaamt; eene fpreuk of gereedfchap fprak voor een zeedeles, voor een antwoord aan gezanten van Vorften en verder, als T>iony(ius te Korinthe by den Grieken, tot antwoort aan eenen dreigenden Dwingeland; de Maan- koppen geknot voor een Staatkundige raad aan Tarquyn, tot het dempen der groote Hoofden. Het voorbeeld van een Jacht-en Keukenhond tegen hare gewoonte tot keuken en jacht gebruykt, als Lycurgus de kracht der opvoeding boven de Natuur wilde aantoonen. Hoewel ons gedeelte van Eur op a dat minder bemint, zookoomenons
nog al vele diergelyke Merkbeelden onder onze Duytfche Oudheden voor, van de Schoolen der cDruiden. Anders ftonden onze Voorouderen meer daar na, om een naam door Jlryden dan door weeten te behaalen. Het was by den Alouden Volkeren zoo geheel anders gelegen j de Ryxbeheer- fching viel, zelfs in "Darius tyd, aan de Zeven Magi , Wysheyds-oeffe- naars, van dewelken hy een was. Aan Jozeph, om 't uytleggen der Merk- beelden van 'Pharao's Droom, die te vooren de Zon en Maan, en de Schooven in 't Veld, als Merkbeelden van zyne aanjiaande Hoogheyd^ al had aangemerkt. Zy zullen die mogelyk wel ook niet eerfl ontworpen heb- ben , want het fchynt my niet ongevoegelyk te gelooven, 't geen eenige Rabbynen hebben vaftgeftelt, dat Adam de grootfte Natuurkenner in den ftaat der Volmaaktheyd geweeft zynde, daar van denkbeelden genoeg heeft overgehad, om daar van genoegdoenende Merkbeelden te vormen,en dezelve na te laaten, 't zy op Boomen insefneeden, 't zy in fteenen gegra- veert, van welke veele uyt de Natuur in de Bergen zoo zacht zyn, dat men in en op dezelve alles kan ingriifien, wat men tot Beelden of Letters van nooden heeft j welke Steenen daar na mede in de lucht, nevens het daar op |
||||
Op-e<n Doorgang der zelve. III. Hoofdstuk. tf
gekratfte Yzer hard wierden. Zoo wel zal Adam het Gefchiedenis-Verhaal
van de Schepping, als van zynen Val en verhuyzen uyt het fchoone Land booven B of or a, bewatert met zoo veele Stroomen, in de woefte, fteen- achtige of dorre zandige hoeken; zyne rampen van Cain en Abel, en ande- re gevallen daar op hebben nagelaaten, als de gronden van dekenniffe Gods, zyne vernedering, zyne beloofde redding door het Zaad der Vrouwe, en de Dienft Gods, beftaande in zyne Genade te fmeeken, en zyn H. Naam groot te maken> en zulks van Seth gevolgt zyn, van de welken wy vytjo- zephus aangeraakt hebben. Waar op Noach, onze tweede Vader, ook niet kan onachtzaam zyn geweeft, welke Scheep sboww, en Timmerteekening verftaande, en der Beeften en Vogelen aard in zyne Ark naauwkeurig kon- nende befchouwen, zeer fyne Merkbeelden zal hebben konnen voortbren- gen j om het wonderlyk voorval van zyn Huysgezin, nevens de nodige le- ringen tot Godsdienft, deoudeverdronke Wereld, zyn dobberen op de Wa- teren, zyn ruften op Ararat, het Genade-Verbond door het Teken van de Regenboog, herplanting van het gefchondene en verflenfte , en andere zaken aan zyne Nakoomelingennate laten. Want indien zulks niet op dior- gelyke wyze was voor den Volkeren by Merkbeelden ftaan gebleeven -, waar van daan zou die groote en algemeene overeenftemming der Volkeren koo- men, welke overal, ja zelfs in America, van eene fchrikkelyke overftroo- ming of Zondvloed, melden ? De eene Natie fpreekt van T>eucalions Vloed, de andere van Ogyges, of Inachusj uytgezondert de Arcadi'ers, die zich zelven vleyden, overgefchooten te zyn, en ouder van oorfprong -As Jupi- ter. Men ziet by Lucianus , 't geen zedert van een deel bereifde Schry- vers bewaarheyd is, dat men in de Heylige Stad aan de Libanon, by By- ble een Tempel had gefticht over het gat, in het welke, als in eene drai- jende Afgronds-kuyl, ingezwolgen wierdt het water van de Zundvloed,om zamen te loopenom en in den Afgrond. Naar welken Tempel Ciltcie, Afi- fyri'e, Babel en Thaenicie, veele Bedevaarden deeden en prachtige gaaven bragten. Door deeze Merkbeelden, van den eerften en tweeden V ader der Menfchen, kan die Konft voortgegaan zyn tot anderen^ want Jehudy heb- bende Eglon in de Buyk gefteeken en g^dood, week naar de zynen langs den weg der Gefnedene Beelden. Richt. III. 26. Daar zegt de Heylige Text wel zoo zeer ingefneeden beelden op fleenen als iets anders. Deze zullen mede al van veele oudheyd zyn geweeft, en ontwyffelbaar Merkbeel- den. De groote fteene Beelden van Canopus en Memnon, zoo verre als *er de brokken van Cambyfes verwoefting overig zyn, bewyzen, dat zy van buyten met die Merkbeelden zyn opgeichikt geweeft. De Copten, naaft aan Thebais wonende, verftaan dezelve wel, en zyn nog hedendaags, gelyk de Reyzigers getuygen, daar op hunne Huyzen en Kerkwanden meede bezig, want het voordeel en het vermaak derzelver was te groot, om die Konft niet voort te zetten. E De
|
||||
J4- De Hieroglyphen of Merkbeelden.
De Heylige Aartsvaders wilden naar Gods begeerte den Godsdienft bo
ven al geftelt hebben: de andere zagen wel, dat die rouwe menigte zonder die niet en was te beftieren: zy zagen den Godsdienft aan voor het Bolwerk der Regering, en de Beukelaar van Staat. Lycurgus, Numa 'Pompilius, en anderen hebben zulks geleert, volgende der Ouden voorgaan , uyt de Merkbeelden. Mazes heeft onder de Gods-Regering, over de Twaalf Stam- men groot bewind aangaande de Plechtigheeden in den Godsdienft moeten maken. De Heydenen, volgende de wyze van doen van deezen grooten Wetgeever, hebben het hunne befchikt, met fchrandere vonden, en door verdichte konftgreepen, vervullende 't geen zy te kort fchooten aan de God- delyke Wonderdaden en zyne Heylige Beveelen. Elk van hen verzierde eene heele of halve Godheyd, om klem aan zync
inftelling te geven; zy bedienden zich van Donder, Blixem, Hemels-teeke- nen en andere veranderingen, ofkorter, oflanger, te voorzien. Om dit nu wel te verrichten, moeft des Wetgevers verftand te vooren wel gellee*- pen zyn, waar toe de Merkbeeldkonft den weg opende. Want zy van Eeuw tot Eeuw voortgaande, uyt waare en uyt valfche gronden voortzettende j deden zy den Leerling de verborgentheeden der Natuur, Hemelsloop, Wereld- bouw, Bergwerk en alles napolfen; en op het werk van anderen voortgaan- de, brachten zy Merkbeelden van verwondering voor den dag: endoorzul- ke klaare kennis van zaken onderleyd, fcheenen zy meer als Menfchen } want de Hoofdoeffening was de Hemelsloop; en daar van hadden zy moge- lyk wel zoo goede kennis als wy^ het Land en Geweft daar toe helpende, door de fyne en meeft onbezwalkte Lucht, wiens koelheyd 's nachts te lieh- ter in de hitte, den Menfchen lokte tot opzitten , waaken en waarneemen der Sterren^ zy blonken door die weetenfchap wonderlyk uyt, deeden zich zelden zien, zoo om hunne bezigheyd, als loosheyd-, van hunlieder wee- tenfchap trokken zy al het voordeel, het welk daar uyt te halen was> wan- neerze de Zon-en Maan-taningen net te vooren wiften , hielden de anderen hen byna voor Goden. Men weet uyt de Heylige Schriften, dat men Men- fchen voor Goden nam, als aan Paulus en anderen voor hem. Zy lieten zig alle grootheyd en heerlyke naamen aanleunen, en hadden hunne Leer- lingen gereed, die ook wel opfneeden. Door deze loosheden maakten zy van het bewind der Hemelsteekenen, Perzoonen, en om den Heerfchers dienft te doen, vleyden zy de Dwingelanden, met de naamenhunner Voor- zaaten, aan de Zon, de Maan, or andere Sterren en Hemelsteekenen te geeven; ja zelfs wyft de H. Bybel, en de Roomfche Gedenkboeken, datze de Levenden daar voor durfden doen eeren en aanbidden. Zoo vind men Jer, die by den Roomfchen Keyzer be-edigden, datze de Ziel van deezen of geenen, in eene Sterre hadden zien veranderen. Zoo zwoer een Pluym- ftryker, dat het Hayr van Berenice tot een gefternte ten Hemel was opge- voert. Van dit vergooden trokken zy en de Uwingelanden voordeel, de ee- ne |
||||
Op-en Doorgang der zelve. III. Hoofdstuk. 35
ne Hand wiefch de andere. Ja zy maakten zig zoo nodig, datze meede
heerfchten j want zy boogden met die gene, welken zy vergood hadden,ge- meenfchap te houden* om kwanswyze door 's Hemels wil geftyft, Idem aan de wetten te geven. Met die Konftenary praalden de Wetgeevers, en de macht viel in handen van die , dewclke van 't volk zoo groot aangezien wierden, dat de veranderingen aan den Hemel ontftonden, als zy fpraken ; onder welker dreygen de Menfchen bevreeft bukten , groote en gaauwe fchelmen waren deze Heydenfche Priefters: maar aan welken men nog dank moet weeten, om datze den Godsdienft deden gebooren worden, met eeuwige ftraffen of beloningen, en daar door, ("ondanks de valsheyd) veele ftoute, woefte, en gevaarlyke moorden, vergifgevingen en andere ejrouwe- len ongedaan bleeven, met verloop van tyd, naar ieders landswyze or behoef vermenigvuidigt, bloeyendc en verheerlykt, gefladig door de Merkbeelden van de Voorzaaten geftyft, gelyk de Merkbeeldkonf t door hen vergroot en prachtiger wierdt, en by de Beeldfpraak-kunft zig ook voegde de Theo- techne, of Godmakery-kunft. Het gezag der groote wyd en zyd heerfchende Dwingelanden, wiefch
niet op, of het deed ook, naar evengelykheyd het Priefterdom opklimmen. Derhalven fprooten en verfpreydden zich wyder uyt de beftieringen tot het Priefterdom, hunlieder werk, Tempelen, offeren en voordeelen, waar van zy de Godfpraaken zelden afzonderden, en vermeefterden dus alles -, de Vor- ften waren het met hen eens, en zoo hadden zy 't vet van kleinen en groo- ten -, want het was zoo gevaarlyk die horflelen te tergen , als het onder de Roomfche Chriftenen is gebleeken in den Ban gedaan te worden. Menig Vorft heeft de Tempel-Paapen tegen wil en dank moeten achten } en mifte hy, zy brachten hem om land en goed. Eyndelyk wierdt de Priefter-taal en Merkbeeld-Konft meefter > want zy
bedacht, gelyk alle Ketels door den tyd zwart worden, ontallyke fchelm- fche greepen, onderaardfche toegangen, bewegingen, ja klank en Ipraakin Beelden, waar van hier na meer, om de gemeente en buytenlandfche Raad- vragers de beurs te leegen, doende de Beelden knikken of kopfchudden, naar de groot-of kleynheyd der medegebrachte gefchenken. Deze kraam is als vertoond in Merkbeelden , welke ik zelf uyt Steenen, overgebleve brokken van Gewulfzels en Naaldzuilen, of van andere van dit middel ge- dient, geteekent hebbe. Uytlegging van de Tlaat tot het Derde Hoofdftuk.
*
•**• Het onderzoek en de Opheldering der Natuurkunde is door een
Oud Manverbeeld, met een Chaldeeuwfche Baard-, want de Chaldeeuw- fche Magi moeten niet zonder reeden onder de eerfte Merkbeeld-Uytvin- E 2 ders
|
||||
%6 De Hieroglyphen of Mekkbeelden.
ders en Maakers vaftgeftelt worden, nademaal aldaar het aldereerft de zetel
van Heerfchappy en de eerfte Oppermacht is geweeft -, blykende daar uyt, om dat die Vorften en zig zelven en de hunne te doen aanbidden, zeer genegen zyn geweeft; ziende dat hunne wyze Natuurkenners, tot zulke eer waren opgeklommen, als gezegt is, enz. Het woord van Magus betekent by den Babykmiers Onderzoeker-, gelyk Chaldaus nog by Cicero voor een Voor- zegger in gebruyk was door Merkbeelden. Als 00k Magus en Magia voor eenen Tovenaar, en Toverkunft. Enboven al,om dat detweede Wereldzig ne£rzette, tot dezelve van een fcheydde, en verftoort wierd door de ver- werringe der Taalen. Hetwelk, als het zoo geftelt word, de noodzakelyk- heyd der Merkbeelden aanftonds deed gebooren worden ; want de Taalen, of de gemeene fpraak ophoudende, zoo konden de Menfchen aanftonts zoo niet van malkanderen afloopen. Schiften en fcheyden kon 00k zonder taal niet zyn. Die ontfchietende moeft men malkanderen door TeekenenenBeel- den verftaan. En zoo ontftond door die nood aldaar, 't geen in de nieu- we ontdekkingen gefchied, namentlyk door Merkbeelden malkanderen zyn zin en meening te kennen te geven. Deze Chaldeer dan zit met eene Mee- fterlyke Tabbaard en een Priefterlyk Hoofddekzel, op een Leeraarftoel, met zyne Leerlingen aan zyne Voeten, houdende in de eene Hand eenwerkvan veele kringen,in welker midden een beweegpunt is, datze alle doet draayen, met Vleugels daar aan van een Arend^ bewyzende, dat dit middelpunt zig tot verdere uytzetting oneyndig beweegt, ente gelyk, neemende die Vleu- gelen voor het doordringen van des onderzoekers verftand, toonthetook aan, dat fnelle fchranderheyd kan doordringen tot in de uyterfte uytlpan- ning, welke zoo verre niet kan gaan, of het verftand kan zich een grooter omtrek verbeelden; zoo dat het denkbeeld, ten minften altyd met het ont- dekte zig kan evenaaren. Hy houd in zyne andere Hand eene Sterre> zyn- de zyne dagelykfche oefFening, derzelver loop en beweging ftip gade te ilaan. Zyn Arm ruft op een Neph, of eerfte Vuurziel by de Chaldeenj by de Copten en Egyptenaaren met Nephta gevolgt, met eene Bolophaar Hoofd,en Lauwerbladen van overwinning wederzydsuytfpmytende,beteke- nende door de Bol de Wereld, door haar Balzem en Zwavel bewaart; en de zee- gepraal van 't Vuur, welk alles zyne klaarheyd gelyk maakt en opmag. Van de Grieken is deze lfis Hylaea toegenaamt. De Ster van den Priefter ftaat in de Maan, en die op het hoofd van eene Havik met een zwart Hals- kleed, en een Tanter-s-vel op een Leeuwenlyf, om zoo te doen zien, lob Col, of *t Hecl-Al, als: Door de Sterre,het vaft blaauw gewelf derSterrehemel, Caelum empyreum.
Door de Maan, den Hemel •, waar in der Dwaalfterren plaatzen.
Door den Havik, om zyn hoogenrechtopvliegen,defynebooven-Lucht,
Door het donker Halslcleed, de onderfte Lucht, waar in Mift, Dauw,
Reegen, Wind, Donder en Blixem enz. werken. Door
|
||||
Mm
|
|||||||||||
v .'I
|
|||||||||||
**■
|
|||||||||||
mwt
|
|||||||||||
<m
|
|||||||||||
"MM)
|
|||||||||||
Op-enDoorgang der zelve. III. Hoofdstuk. 37
Door hetPanters-vel, het fchoone borduurzel van de boovenfte fchorffe
der Aarde.
Door den Leeuw de Aarde zelve, als uytgewerkt door de Hoofdgeeft,
die eerft weezende als een ftil middelpunt, van alles zig heeft uytgerold in alle die andere geeften en bewaard door Neph, die deganfcheKlootophaar Hoofd draagr. De uytlegging hier van is op het Voetftuk van den Leeuw. Des ouden ChaldeeuwFchen Leermeefters rechter-of onderwyzende Arm,
fteunt op J3. Eene Kuyfche Stilfwygendheyd^ Harpocrates genaamt, een Beeldje
doorgaans jongv want het verbeeld het zwygen der Leerlingen, die zeven en meer Jaaren , (welkin Griekenland door 'Pythagoras wierdt nagevolgt) moeften zwygen, hooren en leeren} en zoo wierdenze tot ftiUe bedenkin- gen gewoon gemaakt. Ook wierd het voedzel hen zoo fchraal toe-gedeelt, datze nooyt wierden bezwalkt door de dampen van gulzigheyd in fpyze of drank j zonder wyn of vleefch, om te kuyfcher en zuyverder te leeven, en daar door den Gooden welkoomer te zyn, by 't volk onderfcheyden te wor- den, en fnelder te denken. Het verwonderde eenen Indiaanfchen Vorft niet, dat iemand deezer Wyzen zoo zeeker van de Hemelen fprak, kennis hebbende van zyn ingetooge leven * weshalven hy dus uytborft.: „ Ik ver- „ wondere my niet, dat zulk een veel van de Hemelen weet, die zoo veel „ lucht in de maag houd". Zoo hielden zy hunne Leerlingen tot alles be- kwaam, welke mamer de Braminen nog onderhouden, en voortzetten in de jonge Facquiers in Indoftan. Het welk ook al van eenige Ordens on- der de Chriftenen gevolgt is, en daar uyt zyn hardvochtigheyd, onbe- weeglykheyd, en andere martelftuypen gevolgt. Men heeft iets diergelyks by den Spartanen door wetten vaft geftelt, en geformeerde ftrenge Mannen aldus uytgelevert. Deze Leermeefters, door de voorkennis dan der Zon-en Maan-taningen,
welke zeekere en klaare beurten, door hare Merkbeelden wierden geleerd, waren door deze en de aankleevende Wetenfchappen reets zeer gevreeft en geacht. Want hoe weynig deze zaken aan het volk bekend waren, blykt aan den Keyzer Claudius, die in de VIII. Eeuw na Romens oorfprong, en alzoo wel twee duyzend Jaren na de elders begonne Merkbeelden, het Ryk aanvaardde, daags voor eeneZon-£f/ij#/fr,en vreefdde, wyl dat wedr aan- ftaande was, voor oproerj waarom hy alom liet afkondigen, en de reeden daar by fchryven van die verandering aan de Zon en Maan, welke aan hem door Egyptenaars opgegeven wierd Maar den indruk die het volk ontfing tot achting van die, welke zulks vooraf zeyden , en de oorzaaken verzwee^ gen, zag men te gelyk^ zoo dat den Prielteren van zelf in de hand kwam, Urakelen te durven opftellen, 't welk allerley fchatten in hunlieder fchoot bracht, en hen de noodzakelykften maakte in de kuyperyen der Grooten. E 3 De-
|
||||
i
|
|||||||||||||
-■'■
|
|||||||||||||
hum; iiimiii/miniiJiiiiijiiiiiMi
|
|||||||||||||
;A
|
|||||||||||||
>4\S&d
|
|||||||||||||
%L
|
|||||||||||||
....._.. ™v^.-,,.^|^LJ...^fJ.- -
|
|||||
j8 DE HiEROGLYPHEN OF MerKBEELDEN.
Deze alle te vertoonen, is van een al te wyde uytgeftrektheyd, om de oneindi-
ge verandering die ieder Godipraak had; deze met wenken en knikken, die met fpreeken, dichten, fchryven, met het lot, met klank, eenigen vaft-ftaande als Memnon, Belus, Canopus, andere verwandelende of om- gedragen als Apollo, Ifis, enz. enigen met byflapen, met dolmaking, flaap en andere middelenj welke te veel zyn om hier te vermelden en te verkla- ren. Maar om den Lief hebberen eenigzins in de Merkbeelden derzelve te hel-
pen, zal ik eene Tlaat van de meelt bekende ook in dit Werk voegen. v^« Hier ziet men eenen Priefter , die met een Choorkleed, waar op het
rond van de Zon op de Borftlap ftaat met twee trekkenengekronkeldeSlan- gen, gelyk men van Bels Priefters, en die van Memnon vindt, welke men als de oudft bekende voor een Merkbeeld neemt. Hy draagt de Wichel-ftaf in de linke hand, en dreigt het volk met de rechte, veinzende tekunnendoor- fnuffelen en weeten des Godheyds voorbefchik, en ^het geen verder ging, als het voorzeggen der gevallen, ook de middelen te weeten, hoe men de aanftaande rampen zou afwenden. Zulks door den Leerlingen flout uyt- febazuynt, door den fchyn van hunlieder Heylige wandel geftaaft, en door
et aanzien by den Grooten, hunlieder meedeftanders in top'gevoert,bracht den Merkbeeld-geleerden tot Papen, Godfpreekers, Heylvragers, Hemel- Raden en Propheeten. Maar ziet eens, Leezer, den aanwafch en zamenftelling der Merkbeel-
den uyt de vergelyking der eerfte eenvoudige ftreepen, tegen de vreemde by een gefchikte Beelden daarna. D Zeeker fruk harde Steen, van eenige vierkanten met Letters, naar
het Chinees trekkende, maar onbekende Taal, bewaard by Soderini ,tetP/- za, bewyft die eenvoudigheyd, maar geenzins bottigheyd der Seres, In- diancn, Chaldeen, of wie daar van Maakers zyn geweefr. In het midden booven aan is een merk der Zonne, met de Maan, de Wereld en vyf an- dere voor Dwaalfterren daar random, het Beweeg-punt van alle, zynde on- deylbaar in het middelpunt en het krachtig weezen, waar uyt dit alles is voortgevloeyt. Dan volgen drie malkander influytende half-ronden met een uytvlammend middelpunt, welk over een komt met de Chineefche Tunx, of bewaarlter der Aarde. De hoogfte, middelfte en laagfte Lucht, met Re- gen, Dauw, Blixem enz. werkende op de platte lyn der Aarde -, want meeft al de Ouden geloofden, dat de bewoonbare boovenkorft der Wereld plat was. De daar onder golvende lynen, beteekenen de Wateren; het diep Kruysgewerkte Vierkant verbeeldde den Afgrond, en de Vlammen, daar on- der te zien, en boven uytkoomende de binnekrachten van 't Zwavel-vuur, het welk door de Aarde verfpreyd is, en op meer als eene plaats uytberft; als
|
|||||
OP-EnDoORGANGDER ZELVE. HI. HOOFDSTUK. J$
als Stromboli, Mongibello^ of <iy£tna, Vefuvius, de Berg op Ternate,
Hekla en anderen. Deze zoo enkele trekken zyn nog meeft in gebruyk gebleeven, by den
Braminen en 2ant iv en, of Jentiven-, de Indiaanfche Moorpriefters; nu ziet men, van dat geweft, daar de Braminen nog zyn, tot Copht, aan A- hyjjinie, waar in Babel, Syrie, Talefiina^ Arable en Egypte met Thce- nici'e geflooten worden , argedaalt alle de Godsdienften; ja buyten alle de Heydenfche Godsdienften, de joodfche, Chriftelyke , Mahometaanfche met veele byzoorten, van elke, als fetal* want dat deel van Afie en Afri- ca levert eene flaafTche, botte, lichtgeloovige en onftantvaftige meenigte uyt, en daar en tegen de zeldzaamfte en uytgekipte verftanden, van voor- treffelyke hoedanigheden, om Godsdienften en Heerfchappyen te vormen, Wetten te maaken, en Geheymen te bewaren.Tot welke hoedanigheden de Europeers niet licht doordringen, zynde geenzins zoo fcherpzinnige den- kersi maar groote Werkbaazen en Soldaaten. Waarom ook zeer licht open ftonden voor nieuwe Leeringen, gelyk zy den zeegen ontfingen van vroeg het Zaligmakend Licht van Chriftus aan te neemem Waar van daar na het Priefterdom een groot beflag heeft gemaakt, naar het model der Heyden- fche en Joodfche Opperpriefters: want daar toe zyn de Italianen en Grie- ken wel gefchikt, om op de ontworpen fchetzen van anderen, grootfcher voort te gaan. De invloed van de Lucht, op de bovengenoemde deelen van A lie en A-
frica, is fyn en beji getempert, tuflchen de verzengde deelen onder de L/- nie <iyEquino£liaal, of Evenaar, en de grover Lucht van Tartaric, Scy- thie, Germanie, en de reft naar het Noordenj fchier in 5t midden van Ooft en Weft. De Cimbren, Celten, Geten en Scythen, hadden zoo veel met de verbeelding of vermenigvuldiging der Goden niet op. Voor veele dee- zer Volkeren zyn de Goden ganlch onbekend of duyfter gebleven , of ver- dicht, en ons door Griekfche Schryvers en anderen in de hand gedouwt -y die echter van veelen der T>ruiden geweert, of zonderTempelsen Boflchen en Moeraflen gehouden wierden* want zulke, die wy in eenige plaatzen vinden, zyn alle Uytlandfche, door Romeynen hier gebracht. Al wat we- derzyds boven de 60. en onder de 10. Graden loopt, is te koud, om fnel- ien invloed , ofte verzengt, tot welgezette ftellingen. Bekwamer is het Noorden tot fterkte van het lyf,en het verzengde onder de Linie is ook tot werken vry fterk gemaakt j maar beyde zwakker voor klaare begrippen, en van doorftraalende geeften minder voorzien. Waarom de Ouden bovengenoemt, Cancer en Capricomus, (Velker Tro-
f'tci zy beyden, na de Line a ^yEquino£l talis, voor onbewoonbaar hidden} by de flaauwe, matte, en laffe onwetenheyd hebben gefchikt, gelyk men dezelve in hare Merkbeelden met een Caffers-Mooren-omtrek zien kan Wat tuiicnen deeze tien en zestig Graaden begreepen is, voelt beter tempering. |
||||
40 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
Deze vyftig getemperde graaden zyn van de volgende uytwerking op de
verftanden: die van tien graden tot vyf en dertig zyn van buyten warmer, en van binnen flaauwer; bekwaani tot eenzaam doordenken, met een ma- tig Thlegma en Melancholi. Welke tempering tot voorbedachte wyze of raadilagen, tot ftille bedenkingen en looze uytvoeringen bekwaam maakt. Wetten vormen en Heerfchappyen beftieren, (pitsvinnige doorgronding der zaken opleeveren. De andere vyf en twintig graden, van vyf en dertig tot zeftig, hebben de Lucht van buyten kduder, het lyf van binnen heeter, zetten fterker de ligchaamen uyt, als de geeften j beminnen gezelfchappen, zoeken verhittende dranken, en naar de grofheyd hunner ligchaamen en geeften werkende, zoo zynze tot groote werken, rechten, en alle de laft en onbedachtheyd van den oorlog bereyd. Van welke zeftig graaden op- klimmende naar den Noordpool, als meer en meer die ongetempertheyd aangroeytj en nog al fterker ligchamen, maar flechter geeften, en groote vruchtbaarheyd opkoomen $ tot wel gebieden en wel gehoorzamen niet zeer bekwaam, maar hartnekkig op de ingenoome waan, en gezet op vryheyd $ welke eertyds zoo groot was, dat men in alle die Geweften geen Koningen en vond als met de Naam. De beften der Roomfche Gefchiedenis-Schry- vers en Dichters hebben zulks al overlang nagelaten, Afi'e flaaffch noe- mende, en zeggende van deze Geweften, dat derzelver vryheyd een goed was, waar van de waarde by hen onbekend was. De Noordfche zyn grof en trouw; de Zuydelyke zyn loos en kwaadwillig -y by de Noordfche zyn groove mifdaaden en ongeveynfde Deugden, lang overleyde looze veynze- ryen, fyne onderneemingen, vinnige uytvoeringen. Hebbende groote hoe- danigheeden in weeten, Deugden en gebreeken. Het Zuydelyker deel is vol geloof en bygeloof. Ganlch anders was het in *t Nooraen. 't Zuyden grimmelde van prachtige Tempelen, Godfpraaken, en alle guyteryen die daar aan vaft waren; zoo dat men nergens zoo hoog-geachte Priefters en Papen vond. Naar welk model zich anderen in Europa naderhand wel ge- fehikt hebben. Het ontzag der Priefteren klom by de Azianen zoo hoog, dat zy het volk deeden gelooven, dat zy op Geeften, ja Goden machthad- den, om dezelve te bezweeren 5 dat zy ipraken, met Neph, Tunx, Hecate en anderen, dat hunlieder Toverdichten de Maan deden afdaalen} zy had- den daar toe Meziten, of mindere Godekens, welke zy dwongen de groo- ter Goden, zoo lang te vryen of te kwellen, tot dat die zelf tot hun dienft gereed waren. *i« Deze Goden-bezweering, die men anders met eene oude Kol, in de
Hand houdende een oud Chara&erboek, en eene kromme Staf van Taxis met Maanbollen aan 't eynde bewonden, prevelende zou vertoonen, is naar het onderwerp verbeeld, door eenen ouden tierenden en raazenden Paap, welke met eene Egyptifche Ratel of Sijirum in de Hand, bezweerende ee- nen |
||||
Op-enDoorgang der zelve. III.Hoofdstuk. 4.1
ncn der Meziten, die voor hem geknield zitj houdende een Beeld van O-
Jiris in eene kas, tuflchen zyne Handen, zoo als dezelve by de Ouden tot Merkbeeld is nagelaaten. Dit minder-of Maakelaar-Godeken, Mezite^ met een Egyptifch Kapzel of Choorkleed gedekt, draagt niet anders dan een Halseieraad, waar aan een merk hangt van die grooter Godheyd , wiens A- gent of Zaakbezorger hy is j anders niet als met een opgefchort Roksken bedekt, om met die naaktheyd en het knielen, beter te fchynen een ootmoe- dig verzoekte doenaan deHooger Godheyd. Van dezen hebben deGrieken gemaakt hunne cD<emones> Heroes, Nympha, ^Dryades, Najades, Fu- r/en, en anderenj welken zy, op de grondleggingen der Egyptenaaren, in loosheyd voortgaande , en niet min in vleyery, der Goden kinderen noem- den, gebruykende de oudfte Vorften, op de wyze der Egyptenaren, voor Opper-Goden, en hunlieder nazaaten voor die onderhoorige Godheden. Dit gefchiedde als de Heydenen jets baden om te verkrygen. Maar was het, om gedreygde of tegenwoordige rampen af te keeren, dan bezwoeren de Priefters van Hecate, Troferpine, of wel van Tluto, oi'Typhon, hunlie- der minder Goden. Zodanig een Beeld heeft men by Rozes gevonden, zyn- de voor de cDuyvel-bezweering in eenige Merkwulven ter neer geftelt. ■T • Een rookende en bezweerende Paap, verbaaft zyne Leerlingen, Smee-
kers en Raadvragers, door de kwaadaartige dampen en voorbereyde inge- noome dranken , in de Herllenen beroert * door zyne gebaarden -, en on- verftaanbare woordenj voor het Beeld van eene Hecate. Zy zit op hare hurken naar de Indoflanfche manierj is met geflooten Oogen, om datze niemand aan en zietj met een Rouwdekzel of tip op het Voorhoofd, om datze over Dooden, en derzelver Geeften heerfcht -, met een beafcht kleed over 't Hoofd van de verbrande Lykenj maarechter met eene Pluym, die ze den Goden opzetten ■, byzonderlyk den veranderden. Nu was deze by enige Driehoofdig, dan voor de eene, dan voor de andere Godheyd die- nende. Zy is zonder Hayr, om dat 'er geene onzuyverheyd aan zou gezien worden; zy fluyt kruyswys haren Boezem met hare Handen, om dat nie- mand de eygenfehappen der onderaardfche deelen en afgronden heeft kon- nen ontdekken •, maar zy heeft het Hoofd van Cybele met hare Burgkroon op en voor haar Buyk, bewyzende dat zy alles doet opkoomen op de Aar- de} dat de verderving aan haar frond, om 'er de Herlchepping door te be- zorgenj en het Leven van het een,door de Dood van het ander,te veroor- zaken; waaromze eene groote Vlieg in de fchoot heeft, in dewelke die verandering geftadig gaat, van eyeren tot Wormen, van die tot Popskens en zoo tot Vliegen, zulks als in de Zy wormen aan een iegelyk bekend is. Op dit voorfchoot van de Vlieg ftaan twee lynen als ftaven of fcepters, om deze order eeuwig te hbuden, in elk Dier of Beeftje, Boom of Bloem' en zulks naar zyn zoort. F G. On-
|
|||||
-
|
|||||
ai De Hieroglyphen of Merkbeelden.
G. Onder de Babylonieren, endaar omtrent,\vas de gevoelige en zicht-
baare Wereld zeer hoog ge-eerd > zyne verbeelding of Merkbeeld zoo als het door den Heer Thius uytdeoverblyfzelenvan^P^ry^(?//.fisovergebracht. Dit was Hor of Horus, waar van de Grieken den naam hebbenovergenoo- nien, die de Latynen door Terminus hebben vertaalt. Deze, om de vafte Sterre-hemel te verbeelden, eene vafte band om zynHoofdhoudende,praal- de met hoornen der Zon en een Paradysvogel daar boven op, welke, zon- der Voeten geloofd, het Merkbeeld van eeuwigduurende werkelykheyd en bcweging is: met een Tempelierskleed of Sterren-rok bedekt, de Godheyd en Hcerlykheyd voordragende, maar alleen een Borftftuk zonder Handen of Voeten, dienende om ons te verbeelden, dat de uytvoeringen van de Godheyd in 't Geheel-Al, niet door zichtbaare, maar verborge krachten doorging. Deze Godheyd by de Egyptenaaren Amuny dat is, Heer der Waarheyd
en Wysheyd, genaamt, bleef voorts in een hoog opgemetzelt Steenwerk} waar in men vierkanten zag, naar de Winden of hoeken der Wereld ge- fticht; in welker vlaktens vier ronde gaaten waren, met vlammen van bin- nen gecierd, dienende om ons voor te dragen de inwendige Hitte, door welke alles zyn leven en groey ontfangt. De booglynen vertoonen het Wa- ter of den Afgrond, het welk en haar en zelf der Heylige Blaaderen gevoe- len is. Zy geloofden, dat 'er kracht van Water na den Afgrondgedrongen was, en dat 'er ook naar boven opgeperft waren , die zy de Fonteynen des Hemels noemden. Tunx, komt ook met die zelve kracht in der Ouden fchat van Merkbeel-
den voor den dag. Maar ik geloove, dat Hor, Amun, Tunx, Hemphta, Emeph, Ofir is, Jupiter, en alle meerder namen meeft een Opperft Weezen alleenlyk beteekenen; Schepper zomtyds alleen, zomtyds Schepper met het Gefchapene, of ook wel Schepper en Onderhouder, met het Gefchapene en Ondcrhoudene in *t Heel-Alj en de Kunft-Denkbeelden,daar in bedacht te zamen} als t^yEquator, Zodiac, enz. dog dat de veranderinge tot alle die zoo verfcheyden talen, of verfcheyden inzittende hoedanigheeden, of eygenfchappen door" de Prieilers aan die Goden of Godinnen zyn bygezet. Want zoo wy eens zien, hoe veel Europa verfchilt: Iddio, 'Dios, ^Dieu9 God> en meer in andere Talen: en wederom in de toegevoegde eygenfchappen, Je- Jbova uyt het Hebreeuwfchj Adonaiy of deHeerei 11Signor, Notre Sei- gneur $ cDe Heylige cDrie'eenheyd j Qnze Vader, en ontallyke andere namen, als, Schepper, Heer der Heyrfcharen, God des Vredes, enz. Op die manier acht ik ook al veele van die namen, niet zoo veel verfcheyden Goden, of de zonderlinge eygenfchappen en uytvloeyende krachten van 't zelve oneyndige Weezen te beteekenen. Neemt eens, in deze Plaat alleen ziet men van zulke Godheyd zes of meer zeer verfcheyden Merkbeelden, "". maar
|
||||
Op-en Doorgang der. zelve. III.'Hooedstuk. 4J
maar die alle door verfcheyden Beelden fchier toteenlopen.Zelfsdatkleynt-
je in de kasj het welk gehouden word voor de onder-God, of het Make- laar Godeken, met de naam van Mezite, in Egypte, by den Grieken AicfyoieaiA, by den Tofcanen eertyds Averrunca, is Oftris en Tunx ge- noemt in de Letters, die 'er achter op ftaan^ gelyk men te Mirandolazkzf en een byna diergelyk in de Hoven van Farneze. Deze Tunx, om tot de bezweering eens weder te keeren, in het Duyvel bezweeren voor eene kwa- de Godheyd aan te nemen, draagt nochtans de Merkbeelden (zie Letter E} van 't Geheel-Al. De Havikspluymen ziet men uyt zyn Tulband wederzyds opklimmen, met de Bol van 't Heel-Al in 't midden, als de Zon en Maan- verbeelders. De Hoornen heeft het Beeldeken aan zyn Hoofd met eene Ryx- ftaf in de eene Hand, over alles gebiedende.,maarhoudendede Rechterhand geflooten, om te doen zien, dat zyne werken niet zyn om na te fpooren, en dat men zyne werken, raad, en befluyt niet voor uyt kan zien. Onder eyndigt dit Beeldeken als een Terminus , om dat hy meefter van den tyd, en zelf zonder den tyd is ; van onbedenkelyk begin en onmogelyk eynde, Maar men ziet de vinnige Bezweerder dreygen of llaan-, zoo verre was de ■ zer boeven uytfpoorige laatdunkentheyd, gegrond alleen op de botheyd der bevreefde menigte, die hen veel te hoog achtte -, zoo datze zeffs de Godekens wel dorften flaan, en de Beelden mishandelen, zig veynzende, als of zyin hunne gebeeden van der Godheyds weegen, die men nodig had, gewaar- fchouwt wierden, dat het Makelaar-Godeken niet genoeg de zaak der be- kommerde Smeekelingen aandrong en doorzette. Ik weet uyt den mond van Spaanfche Reyzigers na de Weft-Indien, dat St. AntonisBedd, op die tocht fteeds heen en we£r varende, ook wel zweepflagen ontfing, als weer en wind zeeker Admirant te dwars viel. De Priefter, die de Mezite, zoo wel als Tunx voor een fteene Beeld
kent, wierdt ondertullchen door die verwatenheyd boven Goddelyk gehou- den; en alle gifren vloeyden hem toe, daar den Spaanfchen Admirant,over zoo eene verbolgentheyd tegen zynen Heyligen Leidsman, wel ten uyterfte kwalyk had kunnen varen, zoo niet uyt botheyd, ten. minfte uyt Staatkun- de. Gelyk Appius Tulcher voer in den eerften Punifchen oorlog, die de Hoenders der Wigchelaars liet in Zee fmyten, als hy zag, datze niet en pik- ten in 't Offerkooren, zeggende: JVUlenze niet eeten, zoo mogenze drin- ken. De Raad, ten minftende aahzienlykfte, en de vyftien mannen, op- zienders der Wichelary en Heylige zaken, wiften wel, dat de Hoenders gene Godheyd in zig hadden, en dat men het Kooren-pikken kon maken, of door konftenary doen miflen. Maar zy wilden en wiften zig ook al tot nut van die ftreeken te bedienen, om diefchoften, die daar van leefden, de hand met boven 't hoofd te houden. Door zoo eene ftoutheyd maakten de Priefters van Hecate, of IJis, zig zelven boven alle anderen meefters-, want'zy dwongen door hen de afgeftorve zielen, pynigden de levenden, ja F 2 dreyg-
|
||||
44 E>E HlEROGLYPHEN OF MeRKBEELDEN.
dreygden de Goden, welke ook by Hecate en Styx zwoeren, weshalven
zy ze erkenden boven zig zelven, zoo als uyt Homerus en anderen blykt. De Priefters beloofden, en leverden deze Zeegen en Ruft naar evenmaat
der vette offers , van dewelke zy met alle hunlieder medeftanders wel fmul- den. Maar eerft poogden zy eenen grooren naam re verkrygen, door hun- lieder ingetogenheyd en fpaarzaam leven. Zoo te leven wierden zy gedwon- gen, eer dat zy ingewyd wierden , en ingewyd zynde lukte het elk niet in 't Heylige vet tot den elleboog te zoppen. Zy hieldendebotftenvoorChoor- ezels, de koppigften en fwaarbloedigften, tot hartnekkige grillenbekwaam, om martelftuypen, ter eeren hunner Goden enGodinnenteondergaan. Men ziet 'er nu nog onder den Fackzers, die een Arm latenverdroogen, met die om hoog te houden, op een en dezelfde plaats blyven ftaan of leggen, zig zelven fnyden en kerven, en diergelyke dolheeden uy tvoeren. Door zulke kregen zy by 't botte volk naam en achting van Heyligen. Waar by Marte- laarfchappen en andere zoort van Tydingen, uyt vreemde en onbekende Landen gebragt, en welke loop kreegen door hunne medeftanders, al mede holpenj gelyk nu nog by anderen. Zy toonden ook op fteenen, buyten voor 't volk, gaarne "• Deze gemaakte Zoberheyd; waar van den Zaligen Heer Uytenbo-
gaard, eene Figuur van Spekfteen had, op welke men in Benjaanfche kle~ ding eenen Paap zag; zitten, (Fitzmagars Beeld) met een kleyn ftuksken van eene Palmbezie in de Rechterhand, fcheppende met zyne nolle Linker- hand Water uyt de Ganges, Eene Offer-tafel ftaat aan zyne zyde, en een biddend Offeraar, die hy om eenige vruchten verhoort en zeegenL Zoodi nige Voorfchriften en verdichte Wonderftukken waren het riuysraad der Portalen en Ingangen in hunlieder Tempelen. Van waar de Smeekelingeii omgeleyd wierden, zomtyds gefleept, zomtyds getrokken, daar men hen begeerde te hebben,en daar damp, gerommel,fchielyke lichten, voedzel en flaap al te zamen hunlieder vrees en bygeloof verdubbelden •> welk nog beft was te veynzen, want zag men eenig verftandmetvoor-oordeelvan'tbedrog te fchrander, dan brak men hen goedkoop den halsj enfchond zyn naam en faam, als of hy door den God gedood, geftikt, vernield, of dathy ver~ zonken was. 1- De bekommerden wilden *er wezen, en kwamen 'er wel met voile han-
den; elk naar zyne gelegentheyd; want anders was het offer niet aange- naam, of de Godheyd had kwaade luymen, en de voorteekens waren on- gelukkig. Deze Godfpraakvragery is door eenen bekommerden Krygsman, eenen Syrier, verbeeld, hy legt zyne Zabel af, eer hy knielt om in te gaan> kruypt fangs de Heylige Drempels, in zyne onderkleeren, om tot badinr- gen„
|
||||
OP-bnDoorgang der zelve. IILHoofdstuk 4.5
gen, ftovingen en andere bedomping voorbereyd te zyn> de Schenkagien
heeft hy al overgegeven, en vouwt nu Godsdienftig zyne leege Handen tc zamen, zoo blyvende tot dat hy in-en opgehaalt word. Maar doordien hy in eene geftadige vreeze is, zit 'er een bang Konyn boven op zyn Lyf •, ter- wyl hy prevelt de Gebeedekens, welke op den God, dien hy komt aan te bidden, zyn gepaft. Op zyn Hoofd flaat de Onruft, geftadig zyne Herfle- nen ontroerende. De offering kan men, naar gelegentheyd der Landen, Perzoonen enTy-
den, wonderlyk grootfch en heerlyk verbeelden-, maar ik wil liever aan der Egyptenaren voorbeeld blyven,enbefchouwen, wat zy hebben nagelatentot een krachtk Merkbeeld der Offerhanden. Waar toe men eerftelyk moet wee- ten, dat elke Godheyd zig niet tot alles uytJtrekte, maar de eene voor Ver- ftand, Kennis en Wysheyd, de andere voor Rykdom, Macht en Ontzag -, deze voor Vruchtbaarheyd, die voor Gezondheyd> eene voor Vreede, en wederomeen ander voor Oorlogj voor Kinderen, voor Liefde enz. En aan elk deezer Goden moeft zodanige offerhanden toegebracht worden, als tot het begeerde, en aan deszelfs Godheyd naaft kwam. De offerhanden der Hieromyjien, Heylige Geheymkenners, of Merkbeeld-Priefters, gefchied- den in de Kapellekens boven de grotte in de gedekte opene Tempelen.. Zul- ke Kapellen en Altaaren waren alle nog maar onderaardfche , (fan wel bo- ven de grond, om door donkerheyd bekommerde Godvruchtiee vreeze den Offeraar in te boezemen, maar ook niet minder, om in die duyfterheyd te konftiger en zekerder der Papen kunften te kunnen uytfpeelen, 't zy met te doen hooren, of fchielyk zien van iets, 't welk zy uytvoerden, verdichten- de het van dien God te gefchieden, of met de lekkerfte bouten en brokken van't geofferde wech te knappen, of om met malkanderen, op rekening van die Godheyd, wel te Hempen, gelyk van de Be Is Priefters bekend is. Im- mers duyfterheyd en laagte kwam hare guychelary te pas, en men ziet nu nog in Egypte, in rt Land rondom Babel, te Epheze, Roome en elders, hoe lage Kapellen in de Tempelen, van nog veel lager Wulfkelders, My- nen, en uytgebikte Galderyen (die men nog kan injazommigendoorgaan) verzien waren. In welke ook al veele Byeenkomften, Nachtmaal-bedienin- gen, Predikingen, Doopingen en andere zaken door de eerfte Chriftenen gefchieddenj dewelke de vervallen Goden-Tempels, en de onder-uytgebik^ te of gebouwde verwulfwerken zy tot hunlieder berging, fchuylhoek en dienit namen. Want de Godfpraaken, de Goden, en de Tempelen, bleven niet altyd
m eene en dezelve hooge achting-, nu had de een, dan de ander de boven- rang, de loop en aanzien. Dark ^.ond men uyt Griekenland of Romen, om Belust Amnion, Ifis, of anderen te gaan raadvragen en offeren^ en daar na zonden Bahloniers, Ar abler en, Syri'ers en Egypt enaars, na Ephe- &et T)elphost eDodonei en elders. De Vorften brachten zommigen uyt, F 3> an-
|
|||||
•
|
|||||
4<£ De HmROGtYPHEN of Merkbeelden.
anderen in de achting. De fchranderheyd van een of twee looze opper-Prie-
fters maakte dan hier, dan elders, door nieuwe vonden en greepengrooten opgang. De misflagen van anderen deden wederom 't vooroordeel en't geloof van hunlieder Godheyds-Macht vergaan. Die in kracht waren, maakten in de muuren van de OfTerkapelleninwit-
te zachte fteenen, gelyk 'er veele brokken overfchieten, de gebeeden aan hare Godheyd door Merkbeelden, vanverfcheyden zoorten, maar alle zoo gefchikt, als de Priefters zulks verftonden die Godheyd naaft te komen, en zoo moeften ook de Orterhanden zyn. De Dieren, Vogelen en Vruehten moeften met die Godheyd en 5t begeerde net over een komen, of zy wier- den door deJPriefters van de hand geweezen en afgekeurt. Zy waren tweederley: of behagende door overeenkomft met de Godheyd,
om op te offeren * of ze waren behagende aan de 'Priefters en hunlieder aanhang, als, alle lekkere Beeften en Vogels, Schaapen, Gey ten, Kalve- ren, Often, Hoenders, Kalkoenen, Duyven> ook Vruehten van overeen- komende krachten. Welk voorrecht, om te onderfcheyden of kennen de Priefters voor zig zelven behielden; want dat was een Hoofdpuntvoor hun- lieder achting, dat zy zulken God of Goden kenden , dat zy van jongs af hem of haar toegewyd, of hare Lievelingen waren} dat zy zulks die Goden wiften af te vragen, of door zig zelven > of door de Meziten of Makelaar- Goden: en eyndelyk, dat zy door bezweeringen, woorden, Merkbeelden en fchriften, over deze Meziten bevel en gebied konden oefFenen, en die dwingen hunlieder begeerten by dezen of genen God of Godin uyt te voe- ren. Waar toe dan de Arme menigte de lieffte en laatfte Stuyver byzette, en de Ryken vry machtige gefchenken toebrachten. Doch om dat deze lief- felyke fmeekingen, zoo wel als de grouwelyke bezweeringen\ op de muu- ren in Merkbeelden waren rondom die offer ftooven j zoo koomen ons, zommige der Merkbeelden zoo flecht voor. Want men ziet op dezelve dikmaals drie-ja viermaal het zelve Beeldeken, dezelve geftaltens en trek- ken. Maar deze brokken fteen zyn dan gewiflelyk zulke, welke tot de ge- beeden of bezweeringen dienden. Om in de Merkbeelden de Natuurte on- derfcheyden, die te kennen, en anderen te leeren, vindmen geene zulke gelykgaande of ftaande merken, zoo veele van eene zoort. Tot deze ken- nis en dienft waren vyfderley zoort van menfehen in gebruyk, als: 1. De Meefters of oude Rabbynen, Magi en Myjtte, en Hieromyfta.
2. De Priefters, Sacerdotes, Sacrificu/i, Inc ant at ores, Offeraars.
3. De Ingewyden, die hunlieder Jaren van ftilzwygen te leeren door wa-
ren. 4. De Offerdienaars, die nog in hunlieder inwyings Jaaren waren.
f. De Dichters en Schryvers, Merkbeeldmaakers en Houwers. De Magi) Rabbynen en Hieromyjia, enz. eene zaakbeteekend door ver-
fcheyden namen in onderfcheyden Taalen, bedachten de dingen, kenden en
|
||||
Op-en Doorgang der zelve. IILHoofdstuk. 47
en onderzochten de Natuur, en bewimpelden die kennis, zoo datze daar
Godheeden van verdichtten. De Priefters en Bezweerders namen acht op den uyterlyken dienft, en
leerden malkanderen op allerley wyze, affchouwelyke gebaarden, verdrayin- gen van leeden, grouwelyke fchreeuw-geluyden, gedommel en gebrom ma- ken, of 00k lieflyken lieflokkend praaten, keuzelen en zingen,na dathun- lieder voordeel-winkel zulks vereyfchte. De Ingewyden fpeelden de geheyme konften, lazendediepfte wetenfchap-
pen, en de naamen van hunlieder Geeften en Machten * verkooren de Choorkleeden, Hoofd-dekzels en Cieraaden , welke de Priefters op zulken dag, tyd of zaak aangenaam, en over een komende met der Goden wit, moeften aandoen. De Offerdienaars wiefchen den Smeekelingen en Aanbidders in de Heyli-
ge Vyvers, fchikten de Offerhanden, en oienden van de uytgepikte keur op, en aan der Priefters Tafel, ontfingen de Tafereelen der Kaadvragers, kondigden de Offerhanden af, en zongen de gedane wonderwerken door Land en Steeden-, paftende voorts op net onderhoud der Dieren of.Bee- ften, die de Priefters, elk naar hare zoort, hadden te kweeken•, delaatfte zoort, zoo zy uytftaaken in vinding en bekwaamheyd, wierd gebruykt van de eerfte zoort en deelgenooten der fynfte geheymen j dog waren zy maar van gemeen verftand, bleevenze alleenlyk om te werken of te dichten, naar het voorbeeld der fchranderen. Alles wierdt overal in donkere, onderaard- fche en duyftere fchuyllioeken verrichtj waar van mennogoverigvindplaat- zen, waar de Altaaren, op welken de Goden ftonden, en andere,op wel- ken de giften geoffert wierden, gezien worden. De Goden, 't zy groote, mindere of kleine, wierden van gedaante zoo-
danig verwiflelt, dat men aan eene Menfchelyke gedaante, een Offen-Hon- den-of Haviks-kop gaf, Tulbanden van wonderlyk ophulzel opzette, en die metvleugels, klaauwen, veleborften, beeften, lyven,"enandersvervreemd- de. Wonderlyk in uyterlyke geftalte, maar vies en miflyk. Dog indien men oplet, en der Meefters of Magi gedachtennagaat, ieaer cieraad, ftreep, lyn, of koord, beduyd iets grootsin zaken van Hemel, Aarde, Zee enAf- grond. Welke wederom zoo veel genoegen in de befpiegelingenmaken, ads zy behaeen wechneemen aan het gezicht. DeGr/V^w, groote Teekenaars, BeeldhouwersenSchilders,wenddende
oogen van grooten en kleynen af van die affchouwelyke Beelden, en lieten ons na, voor Jupiter, Venus, Hercules en andere opperfte Godheeden, of halve Goden, zeer uytfteekende en volmaakte Mannen en Vrouwen. De Italianeni krygende zoo een wydgebiedend Ryk, voerden de heerlykften na Romen, maar volgden in hunlieder Beelden de Grieken, zomtyds dul- dende, zomtyds verbiedende de Egyptifche en Babylonifche. Ja Chriftenen 3ynde maakten zy, gelyk zy nog doen, van de Godheyd, de H, Drie-ee- nig-
|
||||
48 DE HlEROCLYPHEN OF MnRKBEELDEN.
nigheyd, de Heylige Vrouwen en Mannen fchoone Beelden, en gaven den
Engelen of fchoone Jongelingen, of fchoone Jongens gedaantens, aJleen dat- ze dezelven vleugelen aandeden, om de fnefle beweging der Geeften te ver- beelden door het vliegen. Deze lief hebbers verkooren deze tot Engelen, om datze aan de grouwelyke onnatuurlyke liefde vaft waren, en in devervloek- te Hofwelluften van enige Keyzers, die zoorten uytgepikt zagen. En zeekerlyk hebben de Grieken den beften weg ingeflagen; want de
vertoning van die verborgentheeden, welke zy met een Havikskop, Rams- hoornen, of Drekvlieg verbeelden, kan men op eene behaaglyker manier vertoonen -, maar zy en zochten juyft de dadelyke klaarheyd niet. Want de verborgene vreemdigheyd bracht de gemeente in meer verbaazende verwon- dering, en alles watze minft verftonden, achtenze meeft, als zy enigzins zoo iets meenden van nooden te hebben j en byzonder in het Godsdienftige. Maar wy zullen rakende het verbergen en deszelfs voordeelen hier na wel meer zeggen , en keeren tot JV» T)e Offering of Offerhanden der Merkbeelden. Hier ziet men dan
uyt de Konft-kamer van Laurentius Aumflyn, bewaarder der Oudheden van zyn Heyligheyd, een Beeld, het welk doed zien eenen Offerdienaarin zyn gewaad; geenen Priefter, gelyk Kire her us meentj wyl dit Beeld aan naakt, hayr en aangezicht niet boven de twintig Jaaren kan haalen, en in alle de Godsdienften, 't zy in die van Apis> in het HyUum, Ifieum, of Serapaum ingefchreeven, waren zy (om zoo te fpreeken) zeven Jaaren jon- gens, en zeeven Jaaren gezellen,ende rechte inwyding gefchieddenietvoor dat men dien loop van Jaaren had voldaan, indien men anders den Opper- priefter en zynen Hoogen Raad van Schriftgeleerden wel beviel. De inwy- ding gefchiedde wel omtrent de twintig Jaaren, maar de inzegening,oftoe- eygening van de Perzoon aan de Godheyd, niet voor dedertigJaaren, wan- neer zy proef hidden van digt te zyn, en den Eed der Verborgentheyd af- leyden; op de welke ftreng gelet wierd. Men ziet uyt Tetronius en ande- ren, dat die iets uytblaterden van de geheymen van den Godsdienft,gevaar liepen van den hals. Nu wift de Grieklcheen Roomfche Regering wel, dat de Sacra Eleufinia en andere fchandelyke Geheymen , meer het werk van Bordeelen als dat van Tempel-Dienaren vertoonden, waarom zy de- zelve niet alleen voor Guyten en fchendige Hoeren hidden, die dezelve Kerkgeheymen onder den gemeenen man brachten, maar ftraftenze 00k ftrengelyk, en dit houdende tegen Waarheyd en Deugd mifdeedenzy wel tegen de Redelykheyd, maar met tegen de Reeden van Staat} want door de kennis van de nietigheyd der zaken, welke, verborgen zynde, groot tc boek ftonden, verging des volks vrees, en daar uyt kwam de verachting derGoden, waar uyt Meyn-edigheyd inbrak, Vergifgeving, Land-dievery en alle boosheyd, die de kwaaden ter fluyk doen konden} volgens de klach- te van Tacitus. Dc. |
||||
Op-enDoorgangder.zelve.IIL Hoofdstuk. 49
Deze knaap is dan een Offerdienaar, met een Hoofdcieraad, welke om
I/is en Ofiris in 't gevley te koomen , (want alles moeft op allerley wyze in woorden, toeftel en cieraad, eygen zyn aan die Goden, voor welken de Offer- handen waren) een top voerde met een dunne zyde Koord in 't Hayr ge- houden, op welke twee blaaden van Lothus, of Waterpompel vaft zyn, in eene knoop vattende eenige Haviks-veeren,door welke Havik O/irts word verbeeld. Boven uyt den top komt eene ronde Bol, welke vertoont den Goddelyken invloed van Ofiris en I/is naar beneeden, en het wederopklim- men derzelver ingevloeyde krachten naar om hoog door dezelve Lot bus- blaaden , waarom zig de bovenfte naar om laag, en de onderfte naar om hoog wenden. Om deze verborge Wysheyd van 't werk der Zon en Maan eenvoudiger te zeggen: die Z^fe-bladeren, dewelke opgaan, vertoonen dat de geeften en dampen uyt de Aarde opftygen, en dewelke naar om hooggaan, dat de ftraalen van Zon en Maan nevens de Regen en andcre Luchtsbeweging op de Aarde daalen. De Jongman is naakt, om dat hy zou bewyzen, dat hem in deze Geeftelyke bezigheeden zynde, gene Wereldfche zaken aan en hangen, als alleen de eerbied voor de Goden} om welke reden hy zyne fchaamte alleen bedekt heeft met een ligt Broeks- ken van Biezen, gelyk de Maagden van Biezen een gevlochte ftreng of gor- del onder om , en voor haar lyf droegen, om de Koelheyd tot verbeelding der Kuyfchheyd of Maagdelykheyd gebruykt Hy ftaat op een Rond uyt een ander verheven, dekkende het derde met den toeftel van zyn offer, en toond zoo, dat het hoogfte Rond de Godheyd toebehoort , wien het Of- fer eygen is; dat het tweede voor de Dienaaren der Godheyd is, die zig van het laatfte Rond (het gemeen) moeten afzonderen, en dienenj zoo dat zy zig uyt het Aardfche verhefFen, om den Goddelyken Dienft waar te neemen. Hy heeft aan zyde koorden hangen, Bloemen en Blaaden van Nympha»t
of Pompel-bladen, Lothus en Perzea om de Huyshouding van OJirisen I/ist of Zon en Maan in de groeyzaame Natuur te doen begrypen. Van vooren ziet men jonee Kalkoenen hangen, de Zon en Maan toege-eygent; en we- derzyds ViiTchen opgehangen, als de vyandelyke booze dampen van lyphon vervloekende, waar van zy altyd de VifTchen het Merkbeeld makcn, gelyk- zc dan ook in den Zodiac derzelver teeken, voor de rouwfte, koudfle en kwaadfte maand doen fpeelen. Op deze voor gerechte en gedckte Altaar houd hy het Tafereel, het welk deOfferaar, Smeekeling of Raadvrager ingegeven heeft van de beloften der gaaven, die hy zal ofteren, om 'tzelve den Goden, of den God of Godin voor te dragen -} welke dan door de Prie- fters nagezien, en van deMeefters gewikt wierd, of het te fchraal was, dan of het beftaan kon-, en daar na diendeomTegen-Boek te houden van het geen ten offer gebracht wierd. Maar in alle deze verklaring der Merkbeelden ziet men wel, dat men
G naar
|
||||
50 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
naar het voorfchrift van Jamblichus moet doen * die zegt: „ In de ge-
„ fneeden Geheymbeelden moetmen nog de woorden of het uyterlyke aan- „ zien, maar den zin aanmerken." J-'* Hier op volgt nog een uytvoerig Merkbeeld, Mophta: zynde een
Vrouwenbeeld, om de vruchtbaarheyd en overvloed der Natuur door en in het Geheel-Al. Zy is boven op haar Hoofd gedekt met eenen jongen Kal- koenfchen Haan, welke men Meleagerfche noemt, en *Pharo.r-vogel, de- wyl deze zeer fchoone en veelverwige flikkerende verwen in zyne wel wis- kunftig geftikte ftaart, hals en lyfheeft, verbeelden zy daar door den He- mel -, de doek en tip van 1/ts dekt haar Hoofd en beyde zyden, en haar Voorhoofdj zy zelfs was tintelende, als of ze de Zon vertoonde, met vee- le kringen om den Hals, als de bewegingen der andere Planeeten. Qp ha- re Boezem hangt een T met kleyne Juweelen geciert, bewyzende den in- vloed der Goddelyke wil en zeegen in de voortkweking der gefchapen za- ken j waarom dit merk tuflchen de borften inhangt. Inde Rechterhand houd- ze eene Kloot, vertonende, dat *er geen begin nog eynd aan de gefehape- ne dingen is-, maar datze alle hare groote zoort bewaren, en maar vergaan voor zig zelven,elk in 't byzonder. Deze hoewel op Mophta's naam bekend, is nochtans, gelyk men ziet, zonder Leeuwen-huyd of Ligchaam, waar van de naam achter op de fteen is te zien in Coptifche taal by den Heer J abac tot Tarys, aan my vertoont, alwaar de uytlegging van die naam bleek,, een zamengeftelt woord te zyn van Mo> Water, znptha, fyne Geeft. Dit Beeld heeft eene Maagd met deMaan, Haviksveeren en Hoornen
aan't Hoofd, dragende vyf Borften, gezeten als op haar ontzag fteunende, met twee anderen, de reenter met vuurltraalen en de andere met Schel- pen in de handen, voor Water en Vuur ■> van achtercn met een kleed gedekt} Coptifche Letters, waar onder de Oudheyd zoo veel mee- fter was geweeft, dat 5er in 5t Jaar 1668. geen Geleerde te Parys meefters af konden worden. Maar ik geloofde, dat de Coptifche Papen dit Moph- ta daar op gezet hadden, en dat het Amun, de Alderopperfle Godheyd vertoondej of op die, of op eene andere naam. De Voetenwaren gezwach- telt in een ruymen Rok, om te bewyzen, hoe verborgen de eerfle oorzaa- ken, de beginzelen en wortels der meefte dingen waren. Zyn fnelle Godde- lyke invloed is met de fnelle Slang in verfcheyden bochten,zonder Handen, voeten of Vleugels gedraayt, gelyk de Goddelyke invloed uyt hare eyge zelfftandigheyd werkt enbewaart, de Kloot der Wereld, om welke Opper- machtige Heerfchappy te toonen haar 00k de groote Ryxftaf van 't Heel-Al m de Hand. part. De drie Beelden zoo veel kleynder op dit Beeld zittende gifte ik dat de
Meziteri) of Onder-Goden van het Groot, Oneyndig uyt-en invloejend Weezctt zyn: want onder op de fteen ziet men een voorftel van ofFerhande aan
|
||||
Op-enDoorgangderzelve. III.Hoofdstuk. $t
aan de Middelaar-Godinnen toege-eygent; beftaande in eene Korf met Me-
loenen of Pompelmoezen $ een VVierooksvat of Teftj twee fchooven Koo- reus, en twee Kannen Oly, of Oly en Wyn, welke door hem, die dit Beeld heeft doen maaken, dagelyks, maandelyks, of jaarlyks aan de Prie- fters van die Godheyd zyn tot inkoomen geftelt geweeft. Door zulke giften wierden de Middelary-Goden tot het beweegen der Opper-Goden gebracht, zynde alle als de bedienden van Hemphta •, welke over de gefchapene We- reld als opzienders by hen geftelt zyn, van dewelke zy enige hadden, als Nephte, Hecate, en Ameris>, voor de voornaamften, en anderen veel meer onder hen. Maar, zal iemand denken, wat ftraf konden zy Priefters den Goden drey gen? Van deze dreygementen zyn 'er verfcheyden, dieons belagchelyk fchynen te zyn. Ten zy gy Godheyd, dit doet, of ook an- ders, zoo gy dit of dat niet en doet, zoo zal ik de Hemelen fcheurenj de verborgentheden van Ifis openen, of gemeen en wereldkundig maken, het geen in de Afgronden is opgeflooten j of ik zal het Schip Bavis, by den Egyptenaars zoo genoemt, en in den Sterren-Hemel geplaatft, (van de Gric- ken tot Argos Schip herdoopt) doen ftuyten in zyne vaart; of ik zal de lee- den van Ofir is tot buy t aan Typhon geeven -, en andere zottigheeden meer. Dog zulks wierdt niet als met het gevaarlykfte gebulder uytgedondert; ge- lyk men by Grieken en Latynen vind, dat de booze Geeften uytgedreven wierden met yllelyke bezwenngs-dichten, en eene Egyptifche Item na te bootzen. Daar toe, fchotels met ingefneeden Merkbeelden , en diergelyke gedreeven van kooper tegen een rinkelende, waar van 5er een van Ophiti- Jche fteen te zien is, met Havikken, Ronden, Sphyngen en anders be- werkt, aan Ofiris, Mophta en Tot fprekende. Om de nutte Warmte, raa- tige Vochtigheyd, en de op-en toefluyting van pafte word gebeeden van. den Heyligen Sluyswachter, Tot of Mercurius. Maar, zal de Leezer denken, ik vind meer hier van de Goden en der-
zelver dienft in Egypten, als men in 't algemeen verhandelen van Beeiden had te verwachten; daar op moet ik den zelven te gemoed voeren, dat die Magi en Priefters, de kennis van Hieroglyph en, of Heylige Merkbeelden, op te ftellen, die te maken en te doen maken, dezelve te verftaanen aan an- deren uyt te leggen-, dit alles te zaamen was hunlieder Godsdienft, uyt de Natuurkunde. Men kan dit niet van malkanderen fcheydenj want zy ver- toonden gene Denkbeelden van hun innerlyk begrip, nog van de fchikking en ordre der zamenhangende en malkander bewerkende Natuurj nog van den Menfch, of den ftaat, zonder die te willen vertoonen aan anderen, en dat te doen, al te plat,(indien 'er al woorden toe waren) was niet genoeg, om tot fchrik of trooft der menigte te dienen. En voor al zouden zy met cue groove opene onderwyzing noyt opgeklommen zyn tot zulken grootmaking van zig zelven j ja zelfs, zy zouden zoo verreniet ingedrongen hebben in G 2 de
|
||||
51 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
de kennis van de Geheymen der Natuur. Maar nu de een ziende de begin-
zelen van den anderen} en die zoo verborgen en bezwachtelt, zagen een deel van hunne gedachten in die Merkbeelden, en bedachten wederom an- dere meerdere uitvindingen daar by j waar uyt te mets een fterke Waarheyd en Wysheyd zou gevloeyt zyn, was het Waare Licht daar by geko- men. |
|||||
VIER-
|
|||||
VandeGoddelHuysh. enRaadbesl.IV.Hoofdstuk. 53
|
|||||||||||
VIERDE HOOFDSTUK.
Van de Goddelyke Huyshoudinge en het Raadhjlujt.
|
|||||||||||
D
|
E Magi, Egyptifche Hierophanten, en andere Priefters, en Meefters
der Me'rkbeelden, hebben begrepen, dat de wclftand van hunlieder |
||||||||||
Vaderland de hoogfte Wet was* dat die welftand zonder order van beftie-
ring of Regeering tot zyn grootfte fteunzel door den Godsdienft moeftge- holpen zyn Die Godsdienft lukte zoo niet by hen, als by den Jooden of Chriftenen, alwaar ze aangenoomen is, als van God zelf aangekondigt,be* werktin de Herten, en uyt de Beloften, met daar op gevolgde Vervullinge, door eene Goddelyke Menfchheyd, in 't Geloof opgevoert tot de Hoogile Gelukzaligheyd.
Van de zotheyd aangedaan zynde, die aan zoo veele Volkeren gemecn
is te weeten, zoo groot gevoelen te hebben van zyn eygen Land,dat men he't zelve voor de geheele Wereld noemt of neemt , hebben zy Chaldaea of Egypte Voor de geheele Wereld aangezien, ten minften dc reft niet veel geacht. .
De Jooden fpreeken zoo dikwils van hunlieder Kanaan, de Gneken van
hunlieder Hellas, de Latynen van't Roomfche Ryk, de Spanjaarden van hunne Monarchy. Waarom men in de Egyptifche Merkbeelden alledegebcc- den ziet gefchikt naar het welvaaren van dat Mizraim, het welk zig van den oorfprong des Njls, tot de Levant uytftrekt met zyne aanpaalcnde Landen, zoo naa het Roode Meyr of Riet-en Schelfzee, als naa Paap Jans Land en Libyen. Hetgeenik nut en nodig achtvooraf te latengaan, omdat men het anders dwaas zou vinden,zoo men debyzondere aanmerkingen op hunlieder Vaderland,voor 't Geheel-Al zou willen trekken. Gelyk wy vinden van den Grieken, datze den Olymp, den Tarnas, en andere, maargemee- ne Bergen, voor den Hemel, de woonplaats der Zanggodinnen, en ande- re plaatzen voor diergelyke opgevyzelde grillen wilden doen doorgaan. De andere voornoemde Volkeren hebben het zelve gebrek op andere manieren. De Hemelsloop is door vlyery aan den Vorften, van alle Hanzen voorzien. Buziris, IJis, Aft arte, en andere zyn voor Zon en Maan, en andere tee- kens aangebeeden by de Egyptenaren. Ops, Vefta, Saturnus, Jupiter, en andere Koningenenhare WyvenvoorOpper-Goden}>7«//*j Cafar, Au- guftus,cn meer Keyzers voor Nieuwe Sterren. Deze misflag kruypt door de vlyery der Hoflyke guyten en Dickers in, en klimt, met aangewende 11a- verny fleets hooger, gelyk wy nu in Vrankryk zien. Hunne Vorften te gebruyken voor Goden, hunne Nyl voor eene Godheyd, dat moet men den Egyptenaren en Grieken, zoo wel als Babyloniers, ten kwaadftcn niet duy- G 3 den |
|
|||||||||||
54- De Hieroglyphen of Merkbeelden.
denj want de Vorften maakten de Priefters, en de Priefters de Vorften
grootj zoo dat het onvermydelyk was, daar op uyt te koomen, datzydoor de Priefters vergood wierden. Maar ook door te veel zulke kunften moeft vervult worden.de Voorzegging van Hermes Trismegiftus, wien de voortzetting en order der Geheym-Prieftery en Merkbeeld-Konft nagegeven word; hoewel ve ele twyffelen, of 'er dezelve wel ooyt geweeft is. O Egypten! Egypten! daar zullen in later tyden niet overfchieten als ver-
dichte fprookjens van uwe Godsdienften, en die zullen aan uwe Nazaaten ongelooffelyk zyn* want die innerlyke kenniffe, zoo wel Natuurlyke als Hiftorifche, gingweeh, en de vieze grillige Beelden bleeven, welkeruyt- legging nog making, niemand in der eerfte Keyzers tyden machtig was. De al te groote veelheyd van Godekens moeft ook door zig zelfs vervallen, en zy maakten dat echter tot een grondflag. Men ziet in Plutarchus van "Py- thagoras , dat hy zig van ieder deed verwonderen, die Priefters navolgende, met het bezwachtelen van zyn weeten en reedenen der Natuurkunde. Waarom ook alle die Godsdienften ingeftelt, Steeden of Wetten gemaakt hebben, dat duyftere zoort van Raadzels hebben gebruykt. De reeden van de vermenigvuldiging der Merkbeelden, de vermeerde-
ring der Goden, de groote uytbreydmg en zwaren omflag van het Priefter- dom , en 't verval van de Merkbeelden-Konft moeten wy nu door- zien. De macht der Babylonifche Vorften blykt zelfs uyt de H. Bybel zeer
groot te zyn geweeft, en niet minder uyt de Heydenfche Hiftorien. Want Nimrod zoo machtig zynde, dat hy kon Oppermeefterlyk gebieden, zoo zvvaare werken, als de Tooren en Veften van Babel, en andere Steeden bouwen, eer de verwerring der Taalen was, heeft naar oogenfchynzyne vertrouwelingen, zyn Krygsvolk of Wachten en Hofhouding, met alles, waar van zyne dwingelandy mede wel voer, by zig gehouden; en kon die by hem bleeven te ftouter beheerfchen, en die by deelen van hem afgefchey- den, naaft en zwak waren, dwingen j waar van de zoo wyd uytgeftrekte een- hoofdige Oppermacht is gekoomen. Deze heeft Merkbeelden door zyne Priefters ingevoert -, want zy aanftonts
Beelden maakten van de Zon, van de Maan, van Belus, van Semiramis Duyve, en andere zaken, uyt de natuurlyke gefchaape en zienlyke Schep- zels genoomen, en met de naamen der Oppervorften en Vorftinnen benoemt. Ja dit ging zoo gemeen door, dat zelfs het Zaad der Gelovigen, als men aari Laban ziet, Teraphim, Huysgoden, of Makelaar-Goden-Beelden, hield; van welke Rachel, zoo lang aan Jacob getrouwt, nog groote voordeelen waande te konnen trekken, dezelve haar V ader ontftal, en door een loogen behield, zonder dat men leeft, datze Jacob verwierp of wedcr- gaf. Egypten, indien het niet vroeger eene groote en eenhoofdigebeheerfching
is
|
||||
Van deGoddel.Huysh.enRaadbesl. IV. Hoofdstuk. 55
is geweeft, heeft ten minften iemand voor Koning erkend, die al ftreng;
gebood , en in den naam van Tharao, welken zy aannaamen met de Heerfchappy, bewees een rang van Koningen, lang den anderen gevolgt te hebben, als Jofeph daar in wierdt verheerlykt enz. De macht van *Pharao, opgewaflen tot eene ganfche volflage alleenheerfching, ("zynde de Landen, het Vee en de Menfchen aan den Koning onderworpen geworden, en ey- gen, ora de honger,) hoe groot te vooren, had ook uytgezet de macht van het Priefterdom. En hoe groothunlieder overvloed was, blykt daar uyt, dat zy alle hunne Landen, Eygendommen en Perzoonen vry hielden, en zoo mecfters bleeven van hunne bezittingen,als de Koning over het overige meefterwas. Welk van deze beyde groote Koningryken aangemerkt zynde, te meer is verfterkt, door het groot beflag, het welk Mozes voor den Levy ten belaft- te uyt de Hooge waardigheyd van het Opperpriefterdom j want Heli en Samuel waren te gelyk opper-Rechters. Zoo groot was het by den Ro*- meynen, dat het Cafar en veele andere Keyzers aan zig behielden. En zoo groot is het Opperpriefterdom nu van Romen, dat men den Paus voor den machtigften der Prinflen van Italie kent j welke grootheyd nog mogelyk van eertyds den Hoogepriefter in Egypte niet en overtreft. Van Hermes vindmen, dat die naam van Buytenlanders gegeven is, aan
eenen, Adris genaamt, met den eertytel van aen'DrzemaalGroot en cPro- pheeti ^Priejler en Thilofooph, en mogelyk nog een tweede,y^*W.r, (want die naam van alle de groote Wyzen in Egypten gevoert wierd) ten tyden van Arab am. Deze was Propheet, Koning en Philofooph. Deze hebben Pylaaren opgerecht, en op dezelve Kenmerken, Metaalfcheyding, Hemcl- meting en Genecskunft met Landbouw betreffende, na de Merkbeelden van Adris, de eerfte en tweede, gehouwen. Maar de alderuytftekendfte Gehey- men der Godlieyd, in zyne Hieroglyphifche Letteren, welke de Merkbeel- den zyn, heeft hy wel uytvoerig bedacht, en doen opmaken in de verbor- gen Wulven en Wanden, welke onder in de beneden Tempelen gehouden wierden, afgefcheyden van de oogen des volks. Van deze ipreekt Salomon> dat die Wysheyd tracht te bekoomen, zal hooren naa de uytleggingen der Wyzen en hunlieder raadzelen. Zyn en zyner Navolgers doen is aldus nagelaaten.
Hy leerde het Geheel-Al befpiegelen, door Merkbeelden van vrecmde
geftalten, welke niemand zonder grooten yver en fchranderheyd kon be- grypen. De manier van dit fchryven wierd door de Grieken,. de Heylige 'Dialeff, of Schryfftyl genaamt j en. Voorbeelden. De Babyloniers en E- g^^enaars zyn met eene ongelooflyke fcherpzinnigheyd en verftand door- gedrongen, om de weezens der Wereld te bevatten, en. verre het edelftc, her
|
||||
$6 DE HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
het welk is het Eerfte en Eeuwig Wcezen der Boven-Wereld > het welk door
zyn invloed en uytrolling alle de wezentlyke dingen, die in onze zinnen konnen vallen, doet bezielt zyn, groeyen, bloeycn, voortzetten en veran- deren. Zy fcheenen niet genoeg te konnen verftaan uyt de mond-leering j maar dachtcn zoo diep en zoo wel aan een gefchakelt, dat zy tot hunne gedachten gene woorden en hadden, waarom zy verkoozen der Heylige Merkbeelden-Schrift, en zulks deeden zy in alle Weetenfchappen en Kun- ften; van de welke de Merkbeelden-Konft Moeder en Voedfter was. Deze plaatften zy in de Onder-Tempelen, als of de Wanden bladeren
van Boeken waren, doende zulke fteenen, door het wonderlyk zamenftel van hunne Beelden, voor geheele Kunftboeken der Ziele doorgaan. Want de vreemdigheyt verrukte die genen , welke die zagen} die nochtans voor ingenoomen waren van hare voortreflfelykheyd, en die de geftalte, den ftand, de byvoegzels en cieraaden naoogden, vonden eene verrukking in zig zel- ven, welke meer begreep, als de Meefter hen mondeling had kunnen zeg- gen: want in deze hunne fchoone Merkbeelden vond men de krachten, zoo wel als het weezen, om op het gemoed te werken, van dat Onftof- felyk Verftand, die Eeuwige Wysheyd, de Reeden en het Woord, het welk alles heeft gefchaapen en doen zyn, en ieder deeltjen voorzien met meer als onnafpoorlyke hoedanigheeden, om zig zelven te behouden en voort te zetten. „ Maar Ach! (zeyd 'er Ariftoteles van) hadden zulke „ Mannen ook nagelaaten, hoe men die wonderlyke verborgenfte krachten „ van dit Oneyndig Weezen naaft uytvloeyende, kon naderen, om die „ Oneyndige ons eygen te maken. Alzo zou de Hoogheyd van dit Myfte- „ rie (zoo noemt hy hunlieder wetenfehap) van verborgentheyd nooyt ge- „ noeg volpreezen worden". Maar wy weeten, dat zulks den Heydenfche Wyzen onmoogelyk was,
welker doorgronding wy aandachtelyk in, en doorzien konnen, en door de genadige Openbaanng van Gods Geeft ophelderen en in het net ftellen, om dezelve in eene matige Wysheyd, in het Gelove, te eeren, te vreezen, en aan te bidden. Men kan echter wel denken, dat alles wat 'er voorwak- kere Mannen , uyt het licht der Natuure te haalen was, door hen voldaan isj want de Konlt en de Merkbeelden maalden af en dachten uyt, zoo won- der diep den zamenhang der zaken; dat de Romeynen nog Grieken in de alderbloeyenfte ftaat des Roomfchen Ryks onder Auguftus, geene Mannen uytleverden, die de Geheyme Wetenfchappen, nog zelfs hunlieder Priefte- ren, konden ontdekken, volgens de verzeekering daar van door THinius, dewelke zegt, dat Cornelius Tacitus ook onder de afgezonde Romeynen is geweeft, om die Geheymen te gaan onderzoeken, welke door Camayfes eerlt overhoop zyn geWorpen,gedrukt door Alexander en zyneNazaaten, en om reedenen van itaat by het Romeynfch Priefterdom door Tompeji&ot Cafar voort uytgeroeyt. De Romeynen, niet vindende aldaar hunne vol- |
||||
VandeGoddel.Hwysh. enRaadbesl.IV. Hoofdstuk. 57
doening, en die vruchtelooze tocht, om wakkere Mannen in Egypte te
vinden, machtig of verftandig tot de uytlegging der Merkbeelden, of tot bedenking van nieuwe •, deden in die tyd naar oogenfchyn het zelve, het welk twee of drie der laatfte Eeuwen gezien hebben •, dat is, als zy Obelif- ken, Pyramiden of Beelden vonden, waar in door den tyd, ofeenigge- val, zommige Merkbeelden waren uytgegaan, flanften de Beeldhouwers, zonder eenige reeden of kennis, in de uytgeileeten of bedorven plaatzen-, daar wederom in Merkbeelden, van anderen ontleent, en overgenoomen, welke nu in dezelve veroudert zynde, eene fchrikkelyke en verwarde duyfterheyd moeten geven. Gelyk, of iemand niet konnende lezen, in een brief drie of vier plaatzen, die uytgewifcht waren, met regcls uyt anderc vreemde brieven, vulde. Het begrip der Natuurkunde geenzins van buyten te haalen, moeft dan
door Denkbeelden bevat worden, en dwong de verftanden uyt de werken der Natuur tot de Scheppende, als de eerfte oorzaak, op te klimmen j waar- in zy al een zeer fchoone gang maakten, gelyk uyt hunne Merkbeelden te zien is j maar echter niet op het rechte pad kwaamen , dewyl de inftorting van Gods Geeft, en het Zaligmakend Geloof hen was ontbreekende. Waarom ik daar van het begin meen te moeten maken, om naar der Jo-
den en Chriftenen ftelling, uyt Gods H. Woord, eene Goddelyke Huys- houding te vertoonen. Dog, eer ik daar toe treede, zal ik nog iets van de orde der behandelingen, gehouden by de Meefters en Priefters der Heyden- fche Verborgentheden,doen voorgaan. De Egyptenaaren, volgende den aart van 't Heel-Al , en 't werk van al-
le de Goden, hebben van de kennifle, die zoo verborgen in de zaaken zitten, Beelden gemaakt, gelyk de Natuur in de verborgen reeden en inde uyterlyke gedaantens vertoont, en de Goden de waarheyd der Denkbeelden door openbaare gedaantens uytleggen, Als zy nu meen den, dat de wee- zens boven hen zig vcrheugaen in de gelykenis der dingen onder hen j en zy zelve wenfehten van alle de gunften der Goden gevoelen te ontfangen, zoo offerden en maakten zy alles volgens hunlieder befte begrip en vermoo- gen, overeenkomende met die Goden. Zy hadden hier eene reeden voor, daar in beftaande •, dat het" gehele opftel van die overgroote omflag der Wereld, zonder die lull der Goden had moeten achter blyven, dewyl der Goden geluk daar door nietkon vergroot worden, als zynde zonder veran- dering in volmaaktheyd •, en het hen nochtans geluft had,dit Geheel-Al te vormen, dat te bewaaken en te bewaarenj waar van zy niets trokken, als het geen aan henlieden gelykvormig geoffert, gemaakt en gezegt wierd. Ge- lyk zy in alle hunne verborgen Merkbeelden zulke overeenkomende hoeda- nigheeden maken en leeren. Zy laten de woorden achter, en doen ons den zin ontfangen. Gelyk als zy leem of een aarde klomp toonen in hunne Merkbeelden } zoo mag men die neemen voor de flof van levenbarende H kracht
1
|
||||
58 DE HlEROGEYPHEN OF MERKBEELDEN.
kracht, in de zaaken als eene grondflag gezet, en voornaame oorzaak der
voortzetting. Dewyl een Opper-God, ondeylbaar, ongemaakt, geheel uyt zig zelven, of in zig zelven, onftoffelyk boven alle ftoffen is, zoo hebben zy die uytgebeelt, zitcende op eene Lothus of Meerbladen ftruyk, om te beteekenen, dac die God boven al het leem of ftof is, als eene macht, die door zynen geeft daar in heerfcht. De Blaaden, de geflooten Blom en Appel van de Lothus, zyn alle rond, betekenende de random door wer- kende kracht van] zyn zin in het Gefchapene over al dezelve zynde. God beftaat, boven deze doening, uyt en in zig zelven, Heyligen eerbiedig- lyk te vreezen, en in zig zelven beruftende. Waarom zy denzelven God verbeelden als Stuurman van een Schip, om te doen zien, dat hy is de Be- heerfcher der Wereld; want al is de Stuurman van het Roer en Schip afge- fcheyden, echter in een zeer licht oogenblik, beweegt en ftiert hy dit Schip naar zyn wil, en zoo als hy het Roer heeft vaftgeftelt. Maar dit Weezen met vreeze aanbiddende, neemen zy den opperften Middelaar, de Zon, van welke alle Hemels-teekenen, met debeweging van't Heel-Al worden bezielt, en wiens krachten over al invloeyen. Deze doenze door den Ha- vik verbeelden, en zetten daar andere groote Merkbeelden by * en neemen veelvoudige machten, naar de verfcheydenheyd der uyt te voeren zaaken daar by, om, door die menigte der Goden, eenen God in te voeren, en om te toonen, door al de by een gehaalde krachten, dat *er eene Gods kracht overal by is. 7ac daar een verhaal van hun Heydenfch Denkbeeld, verre opgehaalt uyt
het Natuurlyk Licht. En dit zal ons in de Merkbeelden zoo voorkoomen. Maar wy zullen echter een begin maken met onze Goddelyke Huyshou-
ding.. GODDELYKE HUYSHOUDING
Is een Kunftwoord, door het welk de Chriftenen beteekenen, hun eer-
fte Denkbeeld voor de Schepping; en hoe de Godheyd voor alle Eeuwen de Wereld zag in zyn binnenfte, regelde de paalen en 't lot van alles, en ftelde vaft alle de gebeurde en geopenbaarde voorvallen , van zyne Uytver- koore Kerk, met de Zeegepraal van haren Bruydegom, zynen Zoon, zelfs God, met alle de Wpnderen en Genade, die door den Heyligen Geeft, meede zelfs God, in en op die gelukzalige Geeften geopenbaart en bewerkr zyn. Van welk alles men beeter denken als fpreeken kan; zoo men het Ryk Gods in zyne Ziel gevoelt. De geopenbaarde Waarheeden van de Oneyndige Godheyd, naar ons
krank bezef, zullende voorftellen door Merkbeelden-, die alle zyn van eene zodanige hooge verhevendheyd, dat men bevinden zal, in iets van dezelve te verbeelden^het eenvoudigfte het befte te zyn. Vuurigte bidden ojn de Za- lig.
|
||||
Van de Goddel. Huysh. enRa adbesl. IV. Hoofdstuk. 59
ligmaakende kennis, met een reyn Hert daar op te denken, zuynig en met
diepe eerbied daar van te fpreeken, is nader als met opgefmukte Reeden- voering, Denkbeelden tot angels te zaajen in flechte verftanden. Hoe zulk vertoog praalryker word opgevyzelt, hoe grover het neerploft. Zonder Denkbeelden daar van kan men geen Merkbeelden maken, zonder Merk- beelden blyftmen aan anderen onverftaanbaar -, en wederom, met Beelden te vormen , raakt men hoe langs hoe meer van 't Weezen Gods af} de diepte der Verborgentheyd word vermeerdert doorzulken,welkenbegrypen willen 't geen begreepen konnende worden, zou ophouden te zyn het geen het is. -"• Men ziet hier twee Gordynen opgefchooven •, door twee Seraphims>
welke doen zien een ontoegankelyk Licht, in wiens ronde (van Gods ey- gen Zelfftandigheyd) tintelt boven de fnelfte punt van eene Diamant, het Eeuwig alziende en beftierende Oog, het welk van alle, en voor alle Eeu- wigheeden is geweeft, eene Driehoeks-ftraal uyt-en invloed van God den Vader, God den Zoon, en God den Heyligen Geeft. Zynde omzet met de pronknaam, welke God voor zig had uytverkoren •, gewoonlyk geleezen JEHOV A, na het voleynden van het werk der Schepping •, door welk woord, gelyk door J AH, benaamt word de Zelfftandige, Zelrweezende, en van zig zelven zynde voor alle Eeuwen. Gelyk God, aan Mozes, zynen Ge- zant,tot de Kinderen Ifraels, beval te zeggen: IK ZAL ZYN heeftmytot u gezonden. Deze Letters van nir? vervullen het rond , het welk de Driehoek, zynde de Goddelyke Raad, met dewelke de Wereldfchepping, zyn Val, Redding, en de Eeuwige Gelukzaligheyd der Uytverkoorenen, voor den Tyd is bellooten, die iss zal zyn en blyven voor en na alle Tyden. "Waarom het ftaat voor eenen iJ* Terminus of Tydpaal, op welke leggen de ftaalenHamer en diaman-
te Spykers, welke onder aan heeft opgeflooten de Tyd, zynde een Oudgrys Mansbeeld met eene vleugel van een Vledermuys voor de Nacht, en eene van eenen Arend voor den Dag •, de aanftaande kringen der Eeuwen, voor de Eerfte en voor deTweede Wereld,zyn otn zyn lyf gellooten als Slangen, welke hare ftaarten ftyf in haren bekhouden, terwyl de ZeyfTen van den Ouden Gryzaard, buyten weerwerk blyft •, want de Tyd kan niet voortvlie- gen, zonder getallen, en ze kan in de Eeuwigheyd niet reekenen. De Zeyf- fen kan ook niets uytvoeren, wyl de bedervihg, verandering en uytfpruy- ting buyten den Tyd niet envalt. De teere Wolkdeeltjens, die men om en by de Letters in de glans der Goddelyke Driehoek ziet, zyn onzichtbaa- re menigte van Chooren, Engelen, en Aarts-Engelen, in dit Goddelyk Weezen, als zyn Heyr, bloeyende in't juychen van haar eeuwig Hallelujah. H 2 Dit
|
||||
6o De Hieroglyphen of Merkbeelden.
Dit word wederom alles met nieuwe Heerlykheden en praal van Sterren tot
drie, vier, en meer Hemelen uytgeftrekt. v.^ In deze zietmen de Goddelyke Wysheyd, welke was met God en
by God, zelfs voor dat 'er iets was. Deze is zonder Degen of Zwaard, zonder Wapenrufting of Schermkleed, en echter fterker als alles. De Zon, Maan, Sterren, Donder, Blixem, Aarde, Zee en Afgrond, met alle hare Heyren moeten zich gereed houden, om geduurig God te looven en voor de zyne te ftrydeny want zy was voor alle begin, en heerfcht na alle Eeu- wen. Eene Duyve, net Merkbeeld van den Heyligen Geeft, fpreyd hare Heerlykheyd over den ftaalen Helm, welke de uytvoering der wysheyd , volgens de Eeuwige Voorbcfchikking ftaaft. Een driedubbeld Kleed bedekt hare Leedemaaten: een Spierwit Onderkleed van eeuwige Zuyverheyd, Vree- de en Genade -, een Middelkleed van Hemelsblaauw, voor de Onderhou- ding, Trooft en Verkwikking, voor Gods Schepzelen en den Uytverkoore- nen 5 en een lchoon Purperrood van Heerlykheyd , macht en ontzachelyk- heyd.In de Rechterhand zietmen het Lam Gods met de Wysheyd des H'eeren, doorZevenZegelen gellooten,.maardoor het zelve aan den Menfch geopen- baart, ftaande aan de Rechterhand Gods; en in de andere Hand ziet men eene Ryxflaf, op welke het Geheel-Al, doordeZonnevan Gods Gerechtigheyden Wysheyd beftraalt, is praalende met een Kriftalyne Sehfld, op het welk men de Kop van Medufa fchynt te zien, zynde hier dat zelve met, maar eene verbeelding van een Vrouwenkop, zoo als men de Slang neemt tot verbeelder van den Verzoeker, om den Boom der Kennifle des Goeds en Kwaads. Waarom de Duyvel, om te lichter te verleyden, met eene Vrou- we Trony, en de Loosheyd met een Slangenlyf is vertoontj gewiflelyk ook naar den ilyl der Merkbeelden. Zoodanig is hier op dit flikkerend en tinte- lend fchild, waar door de Goddelykheyd overal kan doorftraalen, bewerkt en geftelt tot zeegepraal der Goddelyke,Wysheyd, hetHoofd van hetHeyr, dat tegen die Wysheyd aangefpannen is geweeft, en ter Eeuwiger Afgrond gedoemt, en daar na op de verleyding der eerfte Menfchen, heeft toege- legt, en is door de Goddelyke Wysheyd,.Menfch zynde geworden, en, zoo belooftjvoor de tweede maal overwonnen, ftrekkende met die Kop en de Siangen voor eene dobbele zeegepraal om ook te verbryzelen die gene, de welke tegen deze Wysheyd opftaan. Zy was voor alle Eeuwen, en ftaat daarom op eene vierkante Hoekfteen, op, de welke twee kan ten met de Slan- gen-kring, toonen dat ze in den Tyd zyn, en twee anderen vlak en eflfen blyvende, welke zyn vier: i. De Tyd van de Wet en onder de Wet.,
2. De fland voor de Tyden.
3. De Tyd der Menfch wordings
4. De ftand na de Tyden.
Het
|
||||
i
|
|||||
Van de Goddel. Huysh. en Raadbesl. IV. Hoofdstuk. 61
Het Aangezicht der Goddelyke Wysheyd buy ten den Tyd blyft onveran-
derlyk, en daarom jong en zedig fchoon. D. Daartegen over ziet men de Goddelyke Wil, heerlyk fchoon en blin-
kende van Aaneezicht, met Lauw'ren van overwinning op haar Hooid. Deze is met Vleugelen van fnelle beweging, en uytvoering voorzien, fchryvende met de Rechterhand deNaamen van zyne te vooren Verordinecr- de Oytverkoorenen onder de bhnkende Sterren- met welk heerlyk cieraad de Ouderlingen praalen om den Throon Gods dezelve ter eeuwiger Heer- hrkheyd inwydencte. Men ziet haar in de andere Hand voeren een Zee- Jen-Fandaarl, op de welke Gods eygen Tegenwoordi|heyd tuflchen de Cherubim op de Arke des Verbonds geftelt, en boven dezelve de in een eeflagen Handen, van Chriftus met zyne Bruyd. De verwe van haar Kleed I vuurL rood, alles verteerende, wat zig tegen die Wil durft aankanten, maar de Voeteii zvn bedekt, om dat memand van te vooren kan begrypen, de Weegen,door welke de Wille Gods begint.en voortgaat tot haar eynde. Men ziet een opengerold Boek, naar de Joodfche Wetboeken gevormt, in het welk men ziet voor de Hebreen een H, Aleph en n, Thau en/roof de aangewonne en tot den Heyland toegebrachte Heydenen op de Griekfche manier net zclve met een A, Alpha, en D.,, Omega ■ welke Aleph en Thau ge- lykde Alpha en Omega, bewyzen dat God, gelyk zyn Wil, is het begin en eynde van alles. Het Tedeftal, of Voetftuk, waar op de Wil ftaat, moet even eens zyn, als dat van de Wysheyd. E. Het behaaede aan het Goddelyk Raadbefluytte zeggen: Laaf ons
Menfchen maken En volgens het Eeuwig befluyt, voerde God zyn Be- fluyt uyt, en fchiep den Menfch naar zyn Evenbeeld, blazende van zyn Eeuwige Adem, als een deeltje Goddelyks van reeden en begrip in zyn Schepfel, van dat Leem of Aarde gemaakt, welk woord de ftofr, zoo even aaneeroert, ook beteekent by dc Latynen Materia. Men ziet den Man eefenapen Wen, met behaaglyke verwondenng aanziende zyne Vrouw, let bekoorlykle Schepzel boven alle andere m de uyterlyke gedaante. Beyde dankenze aanbiddende hunnen Schepper, die als eenbegin van dat beneerfchend geilacht over den Aardbodem met den Ryxftaf over haar on- der en tulTchen zyne Armen leggen, als dcszelfs beheerfcher onder God, van welken Tydde Theocratie (Gods-regeermg) begint, beyde befti aalt door een Goddelyk weeten in eenen ftaat van eenvoudigheyd } waarom men op leders Borft de Gerechtigheyd des Heeren,als een Zon,ziet uytbhnken. Maar ver- vallende helaas 1 door de ongehoorzaamheyd op de verleyding van F. De Slant in Edens Lufthof, welke Slang de vrucht van den verbo-
den Boom in den bek houd> door welke te eeten, tverderf en de Dood H i «
|
|||||
6i De Hieroglyphen of Merkbeelden.
de Goddelyke bouw der Menfchen inkroop. Welke zoo wel als de Zonde,
waar van zy het loon waren, door eenen Menfch in de Wereld kwam, o- vergaande van dien Eerften Aartsvader tot alle Menfchen, zyne afzetzels. "Welk kwaad van Adam gevolgt, en voor begreepen voor zyne Nazaten, hem had overftelptj aangezien hy en Eva, in een flag, buy ten alle praal, gemak en weelde uytgeworpen wierdea, zoo verre van dezen Goddelyken Planthof, tot in een Land, het welk vervloekt was, en kennis kreegen van hunlieder flechten ftaat, ten zy hen tot trooft wasgekoomen ^J« Een Trooft-Engel , die als een Cherub de zwarte gordynen van
Gods afzyn opfchoof, laatende zien den Leeuw uyt Juda, die de Slang zyn kop vermorzelt. Deze Engel is zelfs eenigzins overfchaduwt, en vry gedekt met donkere veelverwige floffe, om de twyfFelachtige duyfterheyd der Voorzeggingen te vertoonen, met eene Harp op de zyde, van den Ko- ninglyken Propheet 1)avid, uytfteeken} welke hier zoo word verbeeld, maar anders wel rykelyker ons zal voorkoomcn, daar de Prophetie zelf behan- delt word. t)e heerlykfte der Vervullingen, wyl alle de voorgaande belof- ten aan 't Volk Gods, meer aardfch en ligchamelyk zyn, dan geeftelyk, en meer ten aanzien van hare Voorbeelding waardig zyn, als tegen het verderf- felyk bezit. H.
Dat was de Verkondiging van het H. Euangelium, het welk is het
Nieuwfte Verbond, verre boven de Regenboog, die men ziet, de Wolk-en Vuur-Colom en alle andere wonderteekenen uytiteekende. Deze Engel, Gabriel, vrolyk en met eene witte Lelytak van blyde boodfchap in zyne Rechterhand, ipreyd zyne andere Hand uyt om de grootheyd van hetRyk van den MeiTias te voorzeggen. De Sterre, zoo wel als de Engele-fchaare waren de Wegwyzers, de eene der onnozele en geringe Herders, en de andere van Wyzen en Vorften. Deze Engel fchuyft verder de gordyne der duyfterheyd wech, en brengt voor, de zamenftel eertyds voorzien van de Vier Euangeliften, Matt hens, Marcus, Lucas, Johannes■, door den En- gel, den Leeuw, den Os, en den Arend, welke alle met overeenflemmen- de waarheyd, het Heyl van Gods Volk door Chrtfius Menfch wording, Lyden en Opftanding befchreeven hebben nagelaten. Dit is in de ftraalen van glans, die voor God hecn gaande koolen vuurs
ontfteeken, uyt de duyfterniile, die God rondom hem heeft gezet als Ten- ten , en uyt ae donkerheyd, die onder zyne Voeten is. De Engel van de verkondiging des Euangeliums is nog eenigzins gedekt met een doorfchy- nend kleed > om dat 'er nog al deelen tot Koning Jezus Ryk behoorende, onvervult en twyffelachtig overblyven. !• Het Lam Gods, dat de zonden der Wereld is wechnecmende,komc
tuf.
|
||||
Van de Goddel. Huysh. enRa adbesl. IV. Hoofdstuk. 6$
tuflchen Eva en Adam in, om dat Chriftus Jezus was het Zaad der Vrou-
we het welk de kop van de Slange zou vermorflelen, hoe zeer hy dat Zaa'd in de verzenen zocht te byten, Daarom draagt het Onnozel Lam zyne zeegenpraalende Standaard, waar in op eene Purpere grond, zynde zyn Dierbaar Bloed, de Guide naamvan Chriftus, indevoorfte Letteren, als die by den Grieken zyn uytgedrukt, brallen, zynde X en P met een Merk- beeld van het Kruys, aan het welk hy lydende heeft overwonnen. Dit Lam is de wereld tot Gelukzaligheyd en Heyl verfcheenen, na dat veele Jaaren door het Volk Gods waren doorgebracht, onder denlaft van de Wet, waar van een Hoofddeel ftaat in twee Tafelen van Mozes, en onder de gebooden van Aangezicht tot Aangezicht, van God aan zyne Lievelingen geopen- baart en bevoolen, zoo voor als na de Zundvloed. Tuflchen deze tyden hebben alle Aarts-en Voorvaders dca Zaligmaker verwachtjtelkens meenen- de dat dan deze, dan gene, de Sehilo wezen zoude> maar buy ten de door Gods Geeft aangedaane Heyligen* verwachtte niemand zulken Verlofler uyt eene nederige en geringe Dochter, aan een gering Man ondertrouwt. J a Maria zelve, toen haar de Geeft Gods oveiTchaduwde, enlang daar na, bleef twyfFelachtig, beviarende alles wat haar geopenbaart, gezegt wierd, en voorkwam, in haar herte. En zoo verre had de Geeft Gods nochtans alles voorzegt, tot de plaats,. ftaat, en ftonde, waar op de Godheyd de Menfchelyke Natuur aannam,, de Wet vervulde, en die in hem en door hem wech nam, met die gene, dewelke de macht der Wet hadde. Welk Lam zoo Wonderbaarlyk Heerlyk zal verfchynen , ingaande in zyn Eeuwi- ge Heerlykheyd, na zyn gehouden Rechtdag en Oordeel, als hy nederig is ingekoomen in de Wereld om te lyden.. K. Het Volk had wel, om hare dwalingen, veel geleeden, maar het
was tufFchen beyden ook Wonderlyk, Verfchrikkelyk, Machtig, Prachtig, en Ontzachelyk geweeft. Zy hadden nog geheugenis van hare Wonderen door de Roode 2Se onder Mozes-yvzii de Schrik dleze alom brachten onder Jozua , van de Macht onder 'David, van de Pracht onder Salomon, en van de Ontzachelykheyd onder de andere Vorften. En konden zig niet verbeelden, dat hunliecler Verlofler in zulke Nederigheyd zou koomen. 'De Vaders voor en onder de Wet ziet men vertoont onder de beeltenis van ee- ne fterke Vrouw,die een gebrooke Hert vanberouw over hare overtredingen in de Linkerhand houd, en in de Rechter een brandend Hert tot God, ge- lyk de Heylige Aartsvaders hebben gehad^ deze beyde ftrektze om lioogtot de Godheyd, die haar Prophetifch verfchynt, als een God en een Drie-ee- nig God, wiens ftraalen zy mag befpiegelen. Zy is met Yzerverwige Klee- deren behangen, die grot zyn, en haren vervallen ftaat vertoonen , met bloote Beenen, als die door de Woeftyne en naar Babel heeft moetengaan. Het jok, voor het verfchynen van haren beloofden VerloiTer,: lege nog wel op*
|
||||
(?4 DE HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
op hare fchouderen, maar 't is gebrooken. Men ziet op haar Voorhoofd de
Myter van het Pijieflerdom, het welk met grooten omflag in den Taberna- kel, en met ongemeene Heerlykheyd in den Tempel bezig was. Haar iok is echter zwaar geweeft, zynde gekeetend aan een Wafch-vat, en aan een Wierook-vat, om te bewyzen, hoe veele badingen, zuyveringen en waf- fchingen, en ook hoe veele Reukoffers zy uythouden moeft. Het Priefter- lyk Keelmes lcgt 'er by, tot een vertoog van die zwaare ofFeren van zo vee- le zoorten, tot dewelke zy- verbonden was, nu met het eene offer van ha- ren Zaligmaker eens vooral voldaan. Deze Godsdienft, door de Geboden des Eeuwigen Wetgevers heerlyk geworden, verwacht echter met uytge- ftrekte Armen den Verlofler van het jok der Wet, wienze ziet met de oogen des Geloofs. ■L" T>e Maagd, de Boven-Natuurlyke Godsdienft, is een Nieuw Schep-
zel, het welk toont, dat het Ryke Gods fleets begintin onze Zielen* en is hier by verbeeld, terwyl zy de onverdiende Genade gevoelt van hare Voor- beroeping, en Voor-uytkiezing ter Eeuwige Gelukzaligheyd. Waarom zy eene tintelende Kroon van flikkerende fterren om haar Hoofd heeft. Zy is anders eenvoudig gekapt, haatende de wufte pracht. Zy draagt hare Oo- ren bloot, wylze haar geloof uyt hetgehoor heeft, en opwaartsin de aan- merkingen der Oneyndige Goddelyke Genade opgetoogen, toont zy, dat- ze haar van al het Aardfche verh'eft door Vleugclen , welke zy aan hare Schouders draagt. Zy heeft het merk van Chriftus in hare Hand bidden- de om de geduurige byftand van haren Zaligmaker. Men ziet op hareSchou- deren geeneLeeuwen of Dolphynen, om te Land of te Water verfchrikkelyk te zyn, maar vrolyke en juychende Engelen-Hoofden , die met dobbele VIerken wederzyds zig dekken , tegen den aanval van den briefchende Leeuw, die rondom haar gaat. Haar Borflftuk is dat van een ftandvaftig Geloof en Gerechtigheyd, de Lendenen omgord hebbende met Waarheyd de Voeten gefchoeyt met bereydwilligheyd van het Euangelium des Vredes' met het Zwaard des Geeftes, het welk is Gods Woord. Zoo heeft zy de geheele Wapenruflinge Gods. Anders is zy niet rykelyk gekleed, om dat de Erfgenamen des Koningryks uyt den minderen voor God zyn uytverkoo- ren, echter zynze lang en wit, reyn gewaflchen zynde in de Bloedftroo- men van haren Verloffer, dewelke hy belooft heeft den geenen, die hem lief hebben. Ook wilze niet ryk zyn, want zy acht maar te hebben, 't geen- ze nuttelyk heeft wechgefchonken aan de behoeftige Broeders en Zufters voor welken zy nog uytftort een rykelyke Hoorn van Overvloed, van Geld' Kleederen, Koft en Drank, Rantzoenen voor Gevangens, Troofl, Waa- ken, Bidden, Byftand en verkwikking der Zieken j men ziet de rykelyke Aalmoeflen en verbrooken Boejens,met de Beekers voor Drank,en de Wa* terglaazen voor Geneesdranken, de Granen voor Brood, enStofvoorKlee- de-
|
||||
VANDIlGoDDEL.HuYSH.ENRAADBnSL.IV.HoOFDSTUK. 6$
derert als de Merkbeelden zyn. HaarRechter arm fteunt op de Hope, die
niet en befchaamt, welke door een Plegt-Anker is aangeweezen, het ge- woon teeken van de Hope} welke gehecht is aan het Kruys. van Chriftus, in wiens Lyden en Verdienften hare Gelukzaligheyd beftaat, niet in hare Werken, uyt welke zy nochtans onvermoeyt haar Geloof doet zien. Dit Goddelyk Raadbefluyt, dit Goddelyk Huysgezin en deze Huyshou-
ding, welke voor alle Eeuwen hebben beftaan, moetmen zoo het mogelyk is, fpaaren ente eerbiedig ontzien, om 'er Beelden van te maken} maarzoo men de To'etifche of Dichtkundige ftyl der Propheten in Merkbeelden wil volgen, zoo is 'er al groot beflag van te maken; hoewel van de Eeuwighe- den voor de Schepping niet wel iets kan uytgevonden worden, waar in ee- ne Godebetaamelyke, en wel over een koomende beeltenis gezien word. Want wy hebben de ftofFelyke en verbeeldelyke dingen niet, voor dat by ons de gefchapene Wereld is begreepen. Zon, Maan, Sterren, Straalen, Donder, Blixem, Afgrond, de Menfch, de Dieren en Vogelen, behooren alle tot de gefchaapene Wereld: en de Geeftelyke Machten, zyn volgens de H. Schrift de Engelen, Aarts-Engelen, Cherubim, Seraphin, Cnooren, Hemelfche Heyrfchaaren. Maar diergelyke, als ^Damones en Heroes, Nymphay ^Dii Averrunci, enz. zyn voor een groot gedeelte fpmyten van dweeperyen, droomen of bedriegeryen der Cabbaliften. |
|||||||
i
|
|||||||
VYF-
|
|||||||
VAN DE VoOBLBESCH. EN HET NoODL. V. HOOFDSTUK. 6j
VYFDE HOOFDSTUK.
Van de Vaorbefchikking en het Hoodlet.
DE Merkbeelden-Konft en Weetenfchap is in hare doorfimflfeling ea
eerfte onderzoek gegrond op het doordringen van het Meniche- lyk verftand, tot de oorzaaken en beginzelen van alles, wat in't Geheel-Al voor oogen komt, en de zaamenfchakeling, die het zelve tuitchen de zaa- ken en oorzaaken maken kan. Zy is ten aanzien van haar aldereerfte werk Thyfifch, of Natuurkun-
dig, waar van de luft omze te kennen Thilojophie, of Wysbegeerte is ge- naamt. Voortgaande en kennende, word deze Konft aangelegt, ora het volk
tot nut en dienft te zyn> het welk uyt die kennis kan vloeyen, in Land- bouw, Aankweeking van gemak en voordeel aanbrengende Beeften, Voge- len, Viflehen enz. In het cieren en behaaglyk maken, door Bloemen, Hoven, Hofbouw,
Scheepsbouw, en -t heftier der zelven; zynde alzoo Oeconomifch , ten dienfte en tot vermaak der Huyshoudingen. Maar dan hooger treedende word de Merkbeelden-Konft en hare Weten-
fchap, Staatkundig, dienende tot fterkte, verzeekering, en voorzorg der behoeften, welke tot onderhoud des volks van nooden zynj ja zy kan een onaf hankelyke macht uyt hare waarneemingen doen opkoomen. Gelyk tot voorbeeld dient, ePharaoi welke door Jozeph^ die de Dorre Jaaren, uyt de Merkbeelden , des Drooms voorzien hadde , wierd een ongebonden Heerfcher, en eygenaar der ligchaamen zyner onderdanen, en derzelver be- zittingen in Egypte -, welke al het hunne, nevens zig zelven aan Tharao overgaven. Of tot affchrik der boozen,oproerigen en wederlpannigen, die van Germanicusy en anderen te vooren, door Eclipfen, Zon-of Maan-ta- ningen, of andere Natuurlyke Wiskunftige veranderingen tot hun plichtge* bracht zyn. En zoo voorts. Waar door die Kunftenaars en "Weeters in aanzien aangroeyden, en met
machtige aanfpannende, Ugt de grootfte wierdenj want het verftand en de macht, kan ligt de menigte en 'tonverftand, zonder raad en oordeel, over- meefteren, De menigte was zoo hot niet, datze ganfch nietbegreepj wantopiets
dat niets en begrypt, kan ook het verftand en de fchranderheyd niet veel werken. Neen maar men begreep, dat de Zon, de Maan, en Sterren, dienft deeden, door haren getemperden invloedj en men zagverzengen, yerfchrooken en verdori;en, 5t geen van al te vinnige Zon geraakt wierd. I 2 Men
|
||||
6% De Hieroglyphen of Merkbeelden.
Men zag verflenflen 't geen te veel nat ontfing ; het wel en kwalyk vaaren,
door de Winden -, het nict of fchaadelyk opzwellen door Stroomen of Zee- golven, en de daar uyt volgende Overvloed of Honger. Zoo leerde de Buyk het Hoofd buygen. Wyl nu de menigte dit kieyn ge-
tal fchrandere en doorgedronge geeften zag zonder te miflen den Hemels- loop voorzeggen, en wonderlyke eygenfchappen van Kruyden, Beeften en anders weeten, en eene Taal gebruyken van Merkbeelden, waar in ze zoodiep zagen , als in eenen Slypfreen, or volgens ons zeggen, als een Os in den Bybel $ zoo gaven zy zig zelven over, tot een gehoor dat onderdanig was, Welk met de Natuurlyke luft der Menfchen, om boven anderen uyt te ftee- ken , bewerkte voornamentlyk de geduurige aanwafch van doordringend weeten; en om dat uyt te voeren, was een geduurige werkzaame oeffening en inlpanning van noodenj welke de meefters kreegen, en zelfs geftadig nog grooter deeden worden. Want de eerften en beruchtiten, leefden in eene voorbeeldelyke tucht,
omtrent het onthoudenvan de byflaaps-vermaakelykheden, ende, de daar by uytfchietende dertelheeden, van veel en fterk eeten, van fterke Wynen, en veel drinken •, ja zy maakten die onthoudingen tot eene Wet', voor den in te wyen Leerlingen, om dat zy 't bekwaam breyn inhenliedenzoudenvermeer- deren. Zout, Vleefch, Wyn , ja zelfs het Water van de Nyl,als tevoed- zaam, weygerden zy, niet als Indifche Kers, Nafturtium, of Helleborus nuttigende. Zulke ftrengheyd, die door de gewoonte niet laftig was, moo- gelyk 00k in de fchriften, en 't loftuyten der Leerlingen, wel wat breeder, als naar waarheyd, uytgemeeten, kon niet nalaaten de achting in het volk te doen fteygeren. Want zoo als ons van de Babyloniers, Meeden en Per- zen blykt, zynze vry groove Zuypers geweeft.En dewyl hunlieder Vorften zoo flempten, heeft het Volk, elk naar vermoogen 00k zoo gedaan, de Feniciers door de Koophandel van over Zee tot weelde gedient, zullen als de Egyptenaars, tot alle welluften zyn gereed geweeft. Ons blykt de dertel- heyd der Volkeren om en in Paleftina} weynig verbetert door Gods Wetten. Gelyk 00k wy, en 00k andere Europeers, zeeker door het Zaligmaakend Geloof, wel in weeten, gaauwer, maar tegen de oude gebreeken, weynig vroomer geworden zyn. Door dit aanzien van ftrenge tucht en eerbaar leeven, gevoegt by het
groote weeten, het welk zy dagelyks door gewoonte van haar diep denken vermeerderden, en die Merkbeelden, die zy dagelykich fynder maakten, kwam de Weetenfchap niet alleen GodsdienfHg, maar zelfs Theologifch, of God-kundig te woi*den. Maar *t en Hep 00k zoo hoog niet, of het Heylig bedrog fpeelde zyn Rol, op eene manier, die by na aller Menfchen Denkbeelden heeft ingenoomen. Om hunne Godsdienftigheyd tot welftand der Volkbeheerfching te doen
dieneny vondmen krachten in den Hemel,. om de Deugden hier naamaals te loo-
|
||||
Van de Voorbesch. en hlt Noodl. V. Hoofdstuk 69
loonen, met die, welke voorbeeldelyk wel deeden, tevergooden; waar
tegen van den Afgrond wierd uytgevonden een getal Godheeden, dat aller- ley kwaadhier kon toevoegen, en den booswichten, na de Dood, verduy- velen. De zeegen op de onderneemingen, of de ramp op de uytkomft, wierd
van deze Opper-of Onder-Goden bewerkt. Die onzekerheyd is in den Men- fchen een alderonverdragelykfte zaak. Wyl dan elk om het yverigfte daar op uyt was, om den uytilag van zyne voorneemens te voorenteweeten,ge- lyk men aan Jrf#/zieti wierden de Godfpraaken uytgevonden, met duyzend looze ftreeken. Moogelyk om dat de Heydenen, eene zoo groote en eene zoo verwon-
derlyke Godfpraak zagen onder den Joodeiij het beweegen, of ftaan, van het Volk Gods by dag of by nacht, door de Wolk-of Vuur-Kolom,en het Raadvragen aan den Urim en Thummim. Mogelyk hebben die gaauwers onder de Heydenen al vroeger Godfpraaken werkftellig gemaakt, waar van hier na breeder. Het Loon van de Deugd, en de Straf van de Godloosheyd, en deVree-
ze die daar uyt ontftor|d, en door de Priefters wierdt vermeerderd, maak- ten de Vette Offers, van dewelke de Priefters ryk en weelderig wierden. De Vorften zagen zulks aan, en wierden zelfs na hunlieder dood Goden j
gelyk zy aan hunlieder Vaders en Voorvaders deeden offeren en raadvrageny dus deeden hunne Zoons aan Hen. J a men wachte niet tot de Dood. Be- lus, Memnon, en anderen viel dit al by hun leeven te beurt •, en de Raad van Romen was al in den beginne zoo llaaffch, datze de naam Julius ga- ven aan de Maand, op welke Cafar was gebooren 5 hem God en Jupiter noemende, hem ter eere een Tempel ftichtende, en Marcus Antonius tot zynen Priefter verkiezende. Waar toe mogelyk hielp, dat de Oppermacht over de Krygslegioenen in derzelver hand was, door dewelke het Opperprie- (terdom bedient wierd. Want Cafar was Eeuwigduurend Vry-opper-gezach- voerder, en Opperpriefter, 'Dictator 'Perpetuus, en Pont if ex Maximus. De Raadvragers, de vertwyffelden, en bevreefden, antwoord van den
Priefters ontfaneende, zouden, als de antwoorden met de zaken niet over een kwamen, den ontzagchelyken ftaat der Priefters over hoop geworpen hebben j maar om zig zelven tegen zulke ftormen te beveyligen, vonden zj het Noodlot uyt. De Merkbeelden der inwoonders van Afiaen Africa, der Babyloniers of E-
gyptenaars zyn hier in zoo zonderling breed niet bekend, als dat men vind, eene blang met de ftaart in de Bek, welk een keeten tuftchen de ftaart en de Bek Hoot, gevat van Ofir is en Typhon-y boven de Slang ftond een ftip met eenige ftraa- len voor Ichton -, of het eerfte Denkbeeld van het Goddelyk Opperfte Wee- zen. Het geen by die Volkeren dus wierd uytgelegt. - Dat de Eeuwige. Godheyd, of Ichton, de ftotte van alles, in verwarring I 2 hou-
|
||||
JO DE HlfcROGLYPHEN OF MeHKBEELDEN.
houdende, en doorftraalende npehtans ajjes door zyne Qeeften, moeft ojp
zyn wil baaren, hec wejk was, zyne oneyndige kracht uytrolien, en dpen 4oor alle de verwarde ftpffe heen boren-, en oat Ichton, van net fcheppen van hec Heel-Al, eerft eene fchets ontwierp, die van hem koomende, niet anders en kon zyn als Goed > dewyl dit alles in die Ichton was bevat ge- weeft, die zelfs goed was, Want hy was en moeft JEeuwig zyft. Zoodanig zag Ichton het ook alles aa», 4at is, tm aanzien van hem goed. Wanacer hy dat goed gezien had, volgde het ppmaaken van die fchets * want veran- dering en kon 'er met vsi valien, dewyl ichton, de eerfte oprzaak, goed was, en geene andere, of tegenftrydige buyten hem kon zyn. De fchets wierd aldus het Voorbefchjkte of de Vpprbefchikking -t want het werken, en het bewerkte was in Ichton het zejve, bleef met hem, en was in hem. Waarom dan in de fchets gene verandering vallende, ook noodzaakelykhet uytgewerkte zoo mpeft volgen. Waar door alle gefchaapen dingen, ja Gol- den en Menfchen hun Npodlpt kreegen. Het welk zy pefehreevenj een on* vermydelyk goed of kwaad, daar toe zy de middelen eerft volgens 'tge- ,zicht der fchets aangelegt hadden, die het pntfingen. Zoo dan is Ichton dat ondeylbaar ftip, voor Opper-Gpd met zyne ftraa-
len getoont van en aan wien de Eeuwigheyd komt, in welkers tydbepalin- gcn het goed en kwaad Lot, geluk of ongeluk-, van ieder door de goede of kwade Godheeden wierd uytgedeeld. Zynde OJtris of Typhon. Welke beyde Goden, aan de Landen, Steeden, Vorften, ja byzondere
Menfchen, voorbefteede, Befcherm-of Beftook-Engelen•> goede of kwade 1)amones, welweetende machten, welke uytvoerden 't geen die Ofir is of Typhon, tot voldoening van het Noodlot, op ieders Voorbefchik hadden vaft en onwrikbaar geftelt, naar de eerfte fchets van Ichton. Dit is het geen ik van de Egyptenaaren en Babyloniers heb kunnen ont-
dekken. Maar de Grieken hebben eene geheel andere kraam daar van op- geftelt, welke ik hier heb vertoont. Edog daar by is eene Babylonifche, het Noodlot vertoonende, fn welke
voor moet gaan. Dit Noodlot by den Rpmeynen overcebracht, en boven alles geacht, wierd by henlieden genaamt Fatum -, Uytipraak, Vonnis, of Arrejt des Goddelyken pnveranderlyken Raads. De Babylonifche was ver- beeld aldus: *x. Een zeer Oud Man. Want de Tyden, 't Noodlot en de Schepping
zyn even oud, Broeders genpemt, met de Eeuwigheyd hare oudfte Zufter* te zaamen kinderen van Ichton, welke aan Tfal, of de Harmonie, de over al over een komende Heerlykheyd, getrouwt was* de Dochter zynde der Duyfternis. Die Oude Man heen: tweederley Vleugels aan zyn Hoofd, de eene als een wiek van eene Duyve, alles goeds, en de andere, als eene vlerk van een Vleermys, alle kwaad belovende -, zonder Ooren> want het Nppdlot |
||||
Van de Voorbesch. en het Noodl. V. Hoofdstuk 71
is onvermydelyk j en 't Voorbefchikte Lot ftelden zy vaft niet te konnen
door beeden of offers verzet warden. Deze zyn omringt door de Eeuwig- heyd, de Slange uyt zig zelve eert Rond uytmakende door 't vatten van zyn ftaart met de Bek > aan deze , wylze gezegt word jaarlykfch hare huyd tuf- fchen de reeten van eene Steenrots af tehaalen,en met ecne nieuwe verfTche te praalen , is als een vervolg van jaaren zonder tal tot Merkbeeld nagelaa- ten. En dewyl dit Noodlot voor alle Eeuwen is vaftgeftelt, zoo gaf men dat Merkbeeld aan den Quden Man tot eene Kroon of Halskraag, van de- welke twee Keetens afdaalen, de rechter vergulden blinkende, de linker yzer en verroeft j de goede en kwaade gevallen voorfpellende. Deze hou- den vaft aan eene Gordiaanfche Knoop, maar die van niemand los gemaakt of in ftukken kan gekapt worden. Aan dezelve zyn vaft eenige banden, welker zommige hoog, andere laag, andere middelbaar,of naar omlaagloo- pen. In deze legt de tVereldkioot, onderworpen het trekken der ketenen. Hy houd in zyne Hand de flaale Hamer en 'Diamante Spykers-, voor hem gefineed door bevel van Erebus en de Nacht: welke Erebus my fchynt (hoewel hy anders voor eene Helfche Vloed gaat) dezelve te zyn als *£><?- tnagorgon, de eerfte der Goden, in't midden der Aarde wonende, ganfch bleek, en omwonden in eene zeer dikke damp, ruyg uytgeflaagen, en als wollig, gelyk de opgeflooten dingen in vochtige plaatzen worden. Maar zy zyn gefmeed van ftoffen, bereyd door Uranus en Cofmus , de Hemelen ert de wereld. Een wonderlyke vinding zeeker! want na dat zy de verborgent- heyd der weegen en gangen van de voorbefehikking heeft getoont, zoo be- wyft dezelve Oudheyd, dat die door den Hem el geftelt is, en van de We- reld word uytgevoert, door God voorzien en vaftgeftelt, door den Menfch bewerkt, op ondoorgrondelyke Reedenen, by den Menfchen niet na te faan, maar danks of ondanks te volgen. Hy draagt voor Schootsvel de
jeytenhuyd of 'Diphthera van Jupiter, waar op de Monfter-rol der Ster* velingen ftaat* op welke hy de Wereldkloot behandelt. Zyn Voet zet ny op eene vierkante fteen, by den Babylonieren voor Ve~
nus aangebeeden, als een vaften hoekfteen, welkealom dezelve is, om dat de overeenkomft tuflchen de deelen altyd zig zelve gelyk blyft. Want de bederving van 't een, maakt de geboorte van *t ander, en niets en kan 'er verhuyzen uyt zyne zoort, nog de Hoofdftof, waar in het t'huys hoort. Maar gelyk deze vierkante fteen Venus ende voortzetting vertoont, legt daar en tegendeZeyffen aan de linker Voet,om de bederving te beteekenen. Want net voorichikte Noodlot is in het verhoogen en verlaagen van al- les gelegenj hoewel het eygentlyker op Landen en Menfchen word ge- bruykt. B. Hier to yen moeten wy eens in deweegfchaalzettendeEeuwige Voor-
zieaigheyd onder de Chrijftenen aangenooraen, is beeltenis vertoont. Het is een
|
||||
jz De Hieroglyphen of Merkbeelden.
een welgemaakt Schepzel, welke de Eeuwigheyd heeft als een G or del, naar
den H. Text, om een half zuyver en fpierwit Kleed, welk zy aangegord heeft, en op kan fchorten, t'elkens om toe te treeden tot de middelen, wel- ke voor de eynden en oogmerken dienftig zyn. Het Hoofd van dit Schep- zel , Man en Vrouw fchynende, is de Zonne gelyk, zoo aftintelende met zyne ftraalen, dat zelf de fcherpfte Oogen daar in verbyflerd zig luyken moeten, en bidden 't aan zonder door of in te zien. Gelyk waarlykde God- delyke Voorzienigheyd zoo weynig voor den Menfchen doorzichtig is, dat de Heyligften uyroepen: O diepte der Wysheyd en der Kennis! ondoor- grondelyk zyn uwe Weegen! Nocntans breekt tufTchen die ftraalen door, een Weezen van zoo aange-
naame,als verfchrikkelykeMajefteyt, wyl men heteeneOogvollieffelykeGe- nade-winken ziet, na den Verkoorenen, en het onderfteeken van uytiparke- lende Vuurvlammen dreygt den Verworpelingen. En zoo gelyk het linker Oog fel is, is ook de andere helft van het Kleed zwart en doodelyk. Men ziet een wyd uytgeftrekte Arm, uytreyken aan Gods Lievelingen. Eene Stcrrekroon der verheerlyking, ter Eeuwiger Zaligheyd, ter reenter, maar ter linker zyde ziet men een vlammend Zwaard, gelyk onze eerfte Voorva- der en Moeder uyt het Paradys dreef. Maar onder den Arm houd het Beeld der Voorzienigheyd het Boek des Eeuwigen Levens en der Eeuwige Straf- fen, het welk een verzegelt Noodlot-boek is •, zynde voor den Menfchen verborgen gehouden, de Raad van God j en zyn eygen Belluyt. Men ziet de IVonden van den Zaligmaaker op de Handen en Voeten,
indien zulks by Roomfchgezinden moet verbeelt worden ■, om dat de Vyf Wonden, aan den Heyligen Fr ami feus als pand van zyne Gelukzaligheyd gegeven zyn. Maar indien voor anderen, zoo zynze als de eenige Verdienften op wel-
ke de Uytverkooren moogen tellen. Ter linkerzyde ftaat een Vattzx Eeren, met rype T)ruyven, het Zinnebeeld der Goede Werken daar in, en Abra- hams Offerhande, als Gchoorzaamheyd en Geloof, daar boven op uytge- houwen. De linker Voet verbryzelt een Vat ter Oneeren , leggende op verachte Stoppelen, verzegelt zynde, aan de Rechterhand meteeni'^^^, en aan de linkerzyde met een Bok, zoo als van het Laatfte Oordeel de uyt- voering des Noodlots, volgens de Voorzienigheyd, gefchreeven is. Nu is ons overig het Griekfche uyt te leggen -7 alwaar men ziet de drie
*Parc<e of Schikgodinnen j waar van de jongfte v^« Clot ho, met beyde hare Handen de Diamante Spit houd, dewelke
van boven tot beneeden, over de wyde Wereld heerfcht. Op het Rokken, het welk van Vlas by een gebundelt is, om den ingang van het Menfchelyk keven te beduyden, en het begin der gevallen, welke ieder der Stervelin- gen moet ondergaanj met de Ster re van de Dageraad op haar Hoofd > met |
||||
Van de Voorbesch. en het Noodl. V. Hoofdstuk. 75
witte Narciflen, om de vrolykheyd en ligte ontfluyting van deze Bloem,
Los en weelig Hoofdhayr krult om haar Hoofd, en zwaytover hare Schou- deren, De Boezem is open en malfch. Het Kleed van Appelbloezem kleur met geopende knien, als van Lucina, die de Geboorte bevordert. Zy heeft eene water-kom in hare Schoot, op welke men het getal van IX ziet, zyn- de de getal-maand der voile dracht. In dit water doopt zy het Vlas, als zy begint te fpinnen. De Atheners maakten van deze jongfte der Schikgo- dinnen, Venus. De naam van deze eerfte is een opgeftelt Spinrok te zeg- gen. D. De tweede, Lachefis, de voortgang van het fpinnen zelf beteeke-
nende, is eene Vrouw, heeft eene Kroon op haar Hoofd, en om haren bloeyenden ftaat te bewyzen, een Purperverwig Kleed aan, van heerlyke ftand in 't leeven. Zy gaat yverig voort met fpinnen, en twernende geerne haar draad, omze fterker te maken. Zy zit op een Gulden Zetel, maar zwak van ftel, om de flikkerende broosheyd.van den Menfchelyken ftaat te doen zienj alwaar ter zyde een Vuur ontfteeken is, nabootzende die Stoel, op welke een zomber Vorft zynen gunfteling zette met een fcherp Zwaard aan een Paarde-hayr boven zyn Hoofd. &• De derde, Atropos^ Zonder Keer, genaamt, is een Oud Wyf,met
een Zweetdoek om haar Hoofd, als die veeg is, met de Vleugels van eene Gier, aan hare magere Schouders j wyl de Dood en 't Verderf over al te vroegkomt. Haar naam is by veelen Libitina^ zynde eene andere Venus; aan welker Tempel dikmaal de Kleederen en Praal der Overleedenen wier- den opgeoffert; om de brooze lichtvergankelykheyd van der Menfchen ftaat en leven te brengen voor der Aanfchouwers oogen, tot vermaning. Haar Kleed is als een Doodkleed van wit Linnen, laatende dorre Borften zien> om te toonen, dat 'er voedzel nog voortzetting meer dienft of vermaak kan doen. Deze knipt met haar Schaar de draad van het Leven af. £• Die Diamanten Spil gaat van de. eene Pool tot de andere, wordende
gedraayt door Jupiter, en gehouden door het Noodlot^ G.
Zynde een Tweehoofdig Beeld, het eene van een ftraf, hovaardig
Opzicht, naar de Goddelyke Zetel van Jupiter de Oogen verheffende, gelyk de opgeklommen Dwingelanden. Deze zwaayt in zyn Rechterhand een Ryxftaf, gekleed met een Koninglyke Mantel. De andere met een Rampzalig laag weezen -, dor van honger en kommer, heeft niet aan zyne linkerzyde, als een gelapt Kleed, van allerley vodden en todden, met de Bedelkorf aan zyn uytgeteerden Arm. Maar onder aan ftaan die twee Hoof- den op een Voet in een Graf > wyl de Dood aan bey den gelyk is, en maar K dat
|
||||
74 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
dat onderfcheyd vind, dac die het ongaarnft wil uyt het leven fcheyden,
die 'er 't meeft van gezondheyd, welvaart en aanzien in bezit. In of aan het Graf leggen twee Doodshoofden , uyt 'Diogenes antwoord
genoomen > welke Philoiooph van Alexander den Grooten gevraagt, wat hy op het Kerkhof deed, met de Scherminkelen en Doodshoofden?, ten ant- woord gaf, dat hy onder die zocht, het Hoofd van Thilippus, den Vader van Alexander, en yt Hoofd van zynen Knecht-y maar dat hy geen onder- fcheyd en vond tuflchen het Doodshoofd van dien grooten Vorft, en van den Knecht van eenen kaalen Philofboph. Met de Rechterhand heerfcht dit Beeld over de Wereld met fluweele
Koorden, terwyl de linkerzyde vail: is aan eene Yzere Keeten. Aan dezc trekt het Fatum, of Noodlot, heen en weer, dan met de Yzere, dan met fluweele Koorden aanhaalende een iegelyk der Sterfelyken, die zyn rol fpeelt en zyn deel krygt. Maar beyde deze hoofden waarfchouwen een ieder niet opgeblaazen in *t goed, nog vertwyfelt in 't kwaad Geluk te weezen, maar te volgen zonder morren, werwaarts de Noodloten henlieden heen en weer trekken. Want zy hebben een Allerhoogfte Oppermacht tot Hoofd, aan. welken de Grieken een Tempel hadden gefticht met naamen van Jupiter Meragetes, of Leydsman en beftierder der Parken. Die by anderen Jupiter Nemius, de Vergelder, wierd genoemt, om dat
veele onder de Heydenen , van het Voorbefchikkings Noodlot zoo ftraf niet en wilden gelooven en ftaande hidden, dat die zig bitter infehonk, bit- ter dronkj of dat het gedreygde kwaad, was af te keeren door bidden, en dan noemdenze dezen Jupiter lxi<ri©«, den Patroon der ootmoedige Ver- zoekers. Die Jupiter was dan de beftierder, en zyn wil was Heimarmena, of Nood-
lot j de drie Parken waren de voortzetfters, der vonniflen des Eeuwigen Raads; en wierden daarom genaamt Canceliers der Goden, opfchryvende de Vonniflen van der Goden Rechtbank y om die op haar tyd uyt te voe- ren. Zy worden ook gevonden aldus : Een fchoon Jongeling met Vleugels, hebbende achter zig Vuurvlammen met de Letters boven zyn Hoofd Lache- Jis y aan de eene zyde Bloemen, Boomen en cenen grazigen grond hebben- de, tegen de andere zyde, die dor en fteenachtig is. Onder zyn Arm legt een Doodshoofd, hebbende een Schinkel in de Mondj waar by zit Clothoy zig met beyde Handen de Oogen fluytende. Zoo zegt Appianus die gezien te hebben. En zy zyn in Stiermark op eene Loode Plaat gefheeden A° 15-00. waar Clot ho de blindheyd der Menfchenin'tweetenvanhaar Noodlot toont, en de blindheyd der Jeugdj Lachefis de fchoonheyd, de drift, opwalmen- de haaftigheyd, en wifpeltuurigheyd der befte Jaaren; en met het Doodshoofd Atropos der Menfchen eynde, aan welken niets zekerder is,als eenmaal te fterveu. Hamerus maakt 'er drie Zufters van, welke 't Hoofd en Yleugels met het
aJU
|
||||
Van de Voorbesch. en hetNoodl. V.Hoofdstuk. 75
alderwitile Meel beftrooyt hebben -t Catullus maaktze oud, en de Hoofden
gebonden, met linnen breede Hayrfnoerbanden. Zy zyn de Dochters van de Noodzakelykheyd, en aan deze word de be-
deeling door de Moeder aldus gedaan: zy geeft Lachefis het voorleedene, Clot ho het tegenwoordige, en Atropos het aanftaande te befchikken. Welk zy doen als zingende Sireenen } waar meede de Ydelheyd der Menfchelyke giflingen en de verkeerde hoope, met welke zy zig vleyen enkittelen,word te kennen gegeven. Om dat de tyd der Menfchen zoo vol bhnde flagen is, en 't eynde zoo
onzeeker, zoo worden zy de Dochters van Erebus, de duyfterfte plaatsvan de Wereld of de Afgrond, en van de Nacht genaamt. Zy wierden gehouden "Pluto ten dienft te ftaan, en van zyn Huysgezin
te zyn, om dat hare macht maar was overde Wereldfche Zaaken,en Tlu- to voor de Aarde genoomen wierd. Zy worden ook gezegt voortgekoomen te zyn uyt Uranus, den Hemel, en Chaos j dewyl aanftonts in 't begin, als de rouwe en verwarde Klomp was gereddert, gebooren wierd een ftaat van zaaken. Welke alle hebben drie bewegingen, een Begin, waar meede zy aanvangen, een Middel van voortgang en aanwafch, en een Eynde, waar toe zy zyn gefchikt. H. De Jupiter Meragetes houd de Eeuwigheyd, dewelke hem om-
ringt, wederzyds vaft, al drayendede Diamante Spil of Weefboom, door we. Ike zoo onverwachte, als groote veranderingen in de Wereld koomen. Wyl zyn Goddelyke bezigheyd is den kleynen groot, en den grootenkleyn te maken, om verre en aan alien kanten|naa tefpooren aller boozenraadflaa- gen, en die te gelyk volgens zyn Noodlots-rol te ftraffen, heeft hy den A- rend met zyn Blixemfchichten by hem, verdelgende de verwatenen, en ver- nederendede Hovaardigen. Welke Arend, zoo hy de Blixemen uytfchiet, zoo zyn de rampen door de vlucht niet te ontgaan. In het Veld doodde hy ^^Efchylus door de val van eene Schildpad. Immers 't Lot is onvermyde- lyk. Om deze 'Parea te beletten, datze de Wereld niet ontvolken en verwoe-
flen, hebben eenigen haar werk zoodanig geftelt, datze aan de een het Ge- booren worden, aan de andere het Leven, en aan de derde maar de Dood toe-eygenen. 1- Zoo vliegt de begeerte van voortteeling toe,en ontfteektin Menfchen,
Dieren, Boomen, Planten, en alles het Vuur van luft om zig zelven voort te zetten. Men heeft dezelve altyd jong vertoont, om de zappigheyd, den groey en dertelheyd van die drift en derzelver werking te doen zien» |
|||||||
K. Ach-
|
|||||||
K 2
|
|||||||
j6 De Hieroglyphen of Mekkbeelden„
i^» Achter deze ziet men den Albeheerfclier, welke met veele
ftraalronden zyn Throon ontoegankelyk houd. Van zyn Aange- zicht gaan uyt ontelbaare Engelen, welker Heyrfchaaren zyne beveelen, als Machten, uytvoeren. Waar van ons Denkbeeld zeer verward blyft. Men heeftgroote Verftanden gevonden, die anders voor eerlyke Mannen geacht waren, welke niet ontzagen zoo ftoutelyk van die Machten en Heyrfchaa- ren te fchryven, als of zy van een Land fchreeven, door haar bereyfl, en als of zy des zelfs Provincien en Vorften optelden. Andere hebben de won- derbaarlyke Denkbeelden, van welke de Cabbaliften vol ftaaken, verworpen, en durven zeggen, datze niet en waren, als verdichtzels van wufte herlle- nen vol dwepery. Andere kendenze voor vercierde wezentlykheeden, maar begreependat dezelve haar in hare Rekening te pas kwaamen, om hunaan- zien te vergrooten■* want zy geftelt zynde, als Machten om de Goddelyke Gebooden uyt te voeren, en zynde van lyf nog ftof,en daar door in ftaat, om overal door te dringen en alles te hooren,zien,overbrengen,en ftraffen,, moeften nootwendig in de gemeente eene groote vrees maken, om haar te beletten, de verborge Zonden te doen. En zeeker, die met zulke Machten gemeenzaam kon omgaan, haar fpreeken, fmeeken, beweegen of beletten, moeft al wonderbaarlyk aan die, welke zulks van haar geloofden,voorkoo- men. De Heyligc Schriften verzeekeren ons, datze'er zyn, en maken 'er Heyrfchaaren van •> welker daaden aan verfcheyden Legers getoont zyn* maar zy zeggen ons niet, watze zyn. Menheeft door latengaan, fchoone, jon- ge, welgelchapen Ligchaamen met Vleugelsj maar de fchranderheyd des Meeilers moet blyken in de aangevoegde Vleugelen, cieraaden, en toeftel, neygende naar het werk, het welk zy te verrichten hebben. Men ziet 'er hier van den Throon uytgaan met Fhiolen van Gramfchap, van Lely-Palm- en Granaat-takken, met Blixem-fchichten, met Boogen en Pylen, van Peft en Doodelyke Ziektensj met Bus en Verkwikdoozen, om te geneezen> met Maalftokken, Weegfchaalen, Zwaarden, Pennen, Schryf-en Bouwtuyg, Koft en Drank, en oneyndige anderen. Ook koomenze als Reyzigers, als Boodens, als Reysgezellen, en Gaftenj maar. 't behaaglykfle met Zang-of Speeltuygen •, immers akelig of behagelyk. Zy zyn de uytvoerders, als bo^ ven., van Gods voorbeiloten Wil. Het nut is groot voor den welftand der menigte, dat zy alle groote en
ontzachelyke Denkbeelden van zulke Hemellingen hebben. De Vroomen hebben daar van veel troofty en de Godloozen veel fchrik. Hoewel het tot oneyndige bedriegeryen de deur heeft geopend. Het welk niet kon miflen •,, want de Priefters lag 'er niet aan,te betwiften,of ze 'er waren of niet, wylze niemand kon op doen koomen, zoo 't onderaardfche waren,en zoo weynig doen daalen,als zy Hemelfche Wooningen verlaaten moeften. Zoo kan men Hchtelyk denken, als de Cabbaliften. zulke by 't gros ople-
ver--
|
||||||
■ ■ ■ ■ ■ ■'■■■'
|
||||||||
Van de Voorbesch. en het Noodl.V.Hoofdstuk. 77
verden, en zoo veele hoedanigheeden en krachten aan dezelve toefchreeven,
datze zulks deeden otn liaar eygen welvaren en belang. Waar door dan y naar den aard der Volkeren, eenige toezienlyke, anderen tot onzienlyke T met Menfchelyke, Dierlyke, Vogelen en andere Beeften gelyke zamenftel- linge opgebracht, wonderlyke lieflokkende en aanminnelyke^ of grouwelyk affchuwlyke Schrik-dieren vertoonende > waar in de Merkbeeld-Konfl cie baas was. Die met Schilderen en Steenhouwen , in alle Metaalen werken, als anders door Babel, Syrie, Arable, Egypten, Griekenland en't Room- fche gebied alles vervulde, door welke behaaglyke pracht zy wel haaf t uytftaken boven de Godvruchtigen, die in enkele befpiegelingen God zoekende, in de vernedering van zig zelven, den rechten weg, en Godsdienft naar Gods Wilen Woord, hielden. Zy vergaten zelf hare eyge begreepe Godheyd j en namen daar voor hare eyge
houtte fteene, en gegoote Beelden, door hen zelfs gemaakt, voor waare Goden aanyScheppers zynde van hunnen Schepper,hulp biddende van dien zy tot diegeftalte geholpen hadden. De Man twyffelde 06 hy van een ftuk houts een Zitbank of Thuyn-God zou maken-, zo viel de keur, om 'er een God van te maken, dien hy aanbad. Micha's Moeder had wat Geld ver- eadert, haar Zoon vergoot net tot een Ephod, hy nam 'er eenen Lantloper CLe-vp echter) toe tot Priefterj die will van Wet Gods nog Godsdienft, alleen was hy op de befte brokken geftelt, en ging met de Volkplanting, van Dan, die het Beeld heymelyk wechnamen, op goedavontuur met den Zoldaten, verkiezende liever hunlieder Priefter, als Micha's Huyspaap te zyn. De Ifraeliten plunderden zig zelven van Goud en Zilver,. gooten daar een Apis of Kalf van, en baaden *t aan. Deze voorbeeldenen de ftraffen daar op gevolgt zyn oneyndig in de H. Bybelbladerea |
||||||||
ZES-
|
||||||||
KJ
|
||||||||
■ ■ ■
|
||||||||||||
qverdeScheydingvan deChaos, enz. VI.Hoofdstuk 79
|
||||||||||||
ZESDE HOOFDSTUK.
1)e Scheyding van de Chaos, of War-klomp.
|
||||||||||||
H'
|
t Noodlot voor de Menfchcn verzonnen hebbende, bonden zy ook
zelfs hunne Goden aan zulken Voorbefchik •, Jupiter zelf aan Styx |
|||||||||||
en Acheron. En men dreygde die Opper-Godheyd in de Werken der Poe-
ten dat indien hy deze of andere zaken met en begeerde, dat de Breede Raad der Twaalf Groote Goden, alles wederom in de Warklomp zou bren- Sen Want het eerfte werk, van de Voorbefchikking geftelt zynde, moeft net voortgaan der Schepping, en de voorziene gevallen noodzakelyk volgen, Men moeft al de ftoffelykheeden uyt malkanderenfcheyden, en in dezel-
ve hare Noodzakelykheyd doen werken, uyt welke dan de eerftelingen der Vier HoofdftofFen, of Elementen wierden. Maar het geende Heydenen van zodanige Warklomp verdichten, is klaarblykelyk zoo uyt Nafo, als an- deren te zien, dat grootendeels genoomen is uyt deHeylige Bladeren en andere Hebreeuwfche en Fenicifche Gedenkfchriften j waar van die Dich- ter en moogelyk voor hem zoo veele anderen wel meer hebben kunnen leezen als wy nu> wyl 'er zeekerlyk eenige Boeken verlooren zyn, volgens de fchyn daar van in den Bybel, alwaar op verfcheyden plaatzen word ge- zegt dat deze en gene zaken, van welke in de H. Gefchiedenis wordt gc- wag gemaakt, breeder in zulke of andere Boeken, met alle hare omftandig- heeden te vinden zyn. Mozes raakt min of meer als de Heydenfche Dich- ters het werk van de redding der in een verwarde ftoffen aan y want de rouwe ineenhanging van al den Hoop in eene woefte ongevormde Klomp, is het zelve als de T>uyjiermjfe was op den Afgrond, welke fchynt in het Begin, tot de fcheyding der zwaare ftoffe van de lichtente zyn voorgegaan, want in den Beginne fchiep God Hemel en Aarde s de Aarde was woejt en le~ dk, en de Geeft Gods zweefde op de Wateren Het verhaal van Mozes is hier ganfchelyk voldoendej want met dat woord
van Begin fnyd men af alle zotte vragen en twyffeling van die dolle, welke het Begin van hen, van hunne Voorzaaten, en die van anderen wel erken- nen maar in zig zelven zoo eene oneyndigheyd van den Menfchelyken ftand zoeken te brengen, en diergelyke in andere vergankelyke dingen door te dringen* by voorbeeld het Ey van 't Hoen, ceuwig optellende, en de Blocm uyt het Zaad, gelyk het Zaad uyt de Bloem door eene eeuwige rang '°Hoewel men Heydenen vind, die Mozes wel durven aanwryven, dat hy
wel veel zegt, maar weynig bewyft, of reedenkavelt > zoo vindmen echter het oordeel der grootfte Mannen van hem wonderlyk, Longmusm zyne |
||||||||||||
- ■ - ■■ ■ ■ ■......■■■■■..■
|
|||||
So De Hieroglyphem of Merkbeeldem.
Verhandeling van het Hooge en Verrukkende in eene Reeden, zegt: „ De
„ Joodfche Wetgeever toont het hoogfte recht in zyn begin der Scheppin- „ als hy zegt van God. cDaar zy Licht. En daar wierd Licht.
De woorden van woeft en ledig> nevens de 'Duyjlernis op den Afgrondy
drukken uyt, de uyterfte rouwe verwartheyd, ongellalte van weezen, onge- vormdheyd, en ledige onbruyk der door een zwermende deelen. Dat m*~ zes niet gaat philozopheeren van de wyze der fchiftingen of de uytvloejing van die ftoftelykheeden uyt het onftoffelyke en Eeuwige,was,om dat hy een Propheet zynde, niet meerder ons had te verkondigen, voor de Eer van God, wyl zyn werk meer op de Heerlykheyd van Gods Kerk, Gods Volk, en Gods Huyshouding ziet, als op het optoojen van het tooneel derSchep- pinge, het welk veef eer de dartele onderzoekers en nazifters verbaaft of verbaftert, dan wel gefticht zou hebben. De Ledigheyd van de Aarde zegt genoeg, dat 'er niets en was, als eene in een hangende groove ftoflfe. De '■JDuyjternis van den Afgrond bewyft het ondoorgrondelyke , en onmooge- lyke, dat 'er in onze Denkbeelden overfchiet, en in 't uytdrukken j welke Afgrond en Water de Aarde bedompte als een Kleed, op welke en in wel- ke de Geeft Gods beweging maakte, om te fchiften en uyt een te redden deze ruwe onbefchaafde KlompftofFen. Het zweeven van Gods Geeft op de Water en) is met het zelve woord in 't Hebreuwfch nagelaaten, waar mede men uytdrukt het overfpreyden der Vleugelen , in de Vogelen over de eye- ren omze uyt te broeyen. Welk gewiflelyk zamen voor 't aangaan van het werk der onderfcheyden-
de Schepping genoeg zegt. En was 'er in Gods Kerkftichting meer ver-eyfcht, het was door Mozes volftrekter en uytvoeriger nagelaaten. Wanthy was een Man Gods> zyne inblazing was van God> zyn wee-
ten was van God, en door Gods Geelt wierd zyne Pen beftiert. Maar hy toont, dat hy op eene Godebetamelyke Voetinftaptinzyngroo-
te Werk, zeggende: In den beginne fchiep God Heme I en Aarde. Want daar de Heydenen van de Gefchape zaken, ja zelf maar de zienlyke, of zinlyke, die in 't begrip derzelve vallen kunnen, alleen God opftelden; zoo is Mozes ver voor uyt, die (gelyk ons op veele andere plaatzen in Gods Woord voorkomt) de Godheyd voor alle Eeuwigheeden zynde, de Wereld uyt niet doed fcheppen, alleen het woord Begin gebruykende, het welk, zoo lang als zulks aan God niet en luftte, geen bekend woord kon zyn-, want in de Godheyd was geen Begin. Zoo dat Begin zelf te kennen geeft het opkoomen der vergankelyke ftoften, en daar uyt de Schepzelen •, van de welke der Heydenen Goden beginnen. Hoewel 'er nog glinfteringen van het Waare Licht in hunlieder donkerheeden zig opdoen 3 nademaal zy ftel- len een Weezen, aan het welk hunlieder Zon, Hemel, en andere Goden het zyn, en den invloed van hare krachten fchuldig waren. Welk Weezen zy
|
|||||
OverdeScheyding van de Chaos,enz. VI. Hoofdstuk. 8r
zy zeer verfcheydc namen geven , naar welker beteekenis wy waarlyk maar
raaden-, 't zy Tunx, Ichton> Tur, Amun, of anderen* om dat hunnc eerfte fchriften verlooren zyn, of om dat de Merkbeelden op en in de wan- den, verbryzeld en verbrooken zyn in de Oorloogen van Cambyfes, Tto- /omeus, Cleopatra, of door den Romeynen, Mammelukken, Saracenen Mufulmans, Turken of anderen. Daar in tegendeel de Heylige Schriften, ten minften die God voor zyne
Kerk nodig acht, de Eeuwen verduuren, ondanks de zwaare gevallen,van flaverny, vervoering, en ballingfchap van Gods Volk, zynde,de Heylige Boekenonder Ezra weder in ordre gebracht,hoewel metvcele Chaldeeuw- fche Letteren daar in gemengtj welke wel zodanig van den beginne konnen geweeft zyn, dewyl Abraham van daar herkomftig was. Waar na dezelve met Klinkpunten zyn opgeheldert, en later in Kapittelen en Vaarzendoor- fneden5 en zoo den laatere Eeuwen medegedeelt. Abraham kon- by overlevering van Mond tot Mond, levendig verflag der
gebeurde zaken hebben, of dat weeten uyt Merkbeelden, indien het l^hry- ven niet al van den eerften Vader Adam is afgekoomen •, want dat de Let- ters van Ibis, Slangen of andere Dieren genoomen zyn van Egyptenaars en Feniciers, dringt niet genoeg om vaft te ftellen, ciat alle andere Volke- ren geene Letters en hadden. Het verfchil der Chineefche, Gottifche en Arabifche Letteren van de Fenicifche is groot; maar de Grieken, aapen der Egyptenaars, en mogelyk Volkplantingen van dezelve zynde, hebben die Volkeren of zig zelven, de eere aangematigt van die vinding, die bewee- zen is, zoo wel voor den afzynden en den handel, als de Merkbeelden voor den Filofophen en Priefters, aan alien eygen te moeten zyn j elk naar zynen trant. De nood en 't nut van't fchryven was te groot, de Letters kon men niet lang miflen. Ook flerven 'er zoorten van Letters, en andere worden gebooren. Want de Dwingelanden, die met geweld van Wapenen Koningryken en Volkeren te onderbrengen, wiflchen geerne uyt de geheu- genis der Volkeren, die overwonnen zyn, de Hiftorien van derzelver Vor- lten, Daaden, Vryheeden en Krachten. Nademaal die alle enkel maar o- verblyven, als toortzen, om de onderleggende hun moed weder te ontftee- ken} alwaarom zy invoeren nieuwe Wetten, nieuwe Taalen, nieuwe Let- ters en Schriften > en meeftendeels ook nieuwe Godsdienften. De Taalen zyn of der Geletterden, of der Heerfchenden. De Heerfchen-
de hebben den Geletterden overmeeftertj de Heerfchende zyn de Taalen der Volkeren, welke nu in bloeyenden ftand zyn, als Turken, Duytfchen Italiaanen, Spanjaarden, Engelfchen, Franfchen^ Neerlanders, enz. die hebben wechgeholpen, de Hebreeuwfche, Arabifche, Griekfche en Latyn- fche. Welke vier echter gepolyft en zuyver onder de Geletterden in ftand blyven. Om dat de Hebreeuwfche de Grondtaal van de Bybel is.
L Om
|
||||
gi De Hieroglyphen of Merkbeelben.
Om dat de Arabifche die van den Alcoran is.
Om dat de Griekfche de Grondtext van 't Nieuwe Teftament is, en van
zeer Geleerde en geeftige Verftanden, zelfs onder Romeynen, als Lucia- nus en anderen is gebruykt. Om dat de Latynfche de tale is in de Rechten, en onder de Roomfch-
gezinden in het Kerkelyke. Zulke groote voordeelen bewaren die, anders zoudenze , als de oude Cimbrifche , Gotthifche, Celtifche, Gaulifche, Britfche, en zoort-gelyke al uyt de Wereld raaken. Op dezelve wyze heeft het zig ook met den Letter en toegedragen. Dc
Hebreeuwfche, Arabifche, Griekfche en Latynfche zyninftaat, maar de Latynfche alleen in de Capitaalenj die men op de Infcriptien der Oudens vind: want de andere is verandert, tot de Letters der Spaanfchen en Fran- fchen. De Spaanfche Monarchie, en hare macht in de Nederlanden, heerc onze Nederduytfche Letteren de krak gegeven -y de Italiaanfche is door de Koopmanfchap meefter gewordenj en de Franfche Brief-en Druk-letter, die by ons te veel aangenomen is , zal nog het overige der onze hoe langer hoe meer wech helpen. Abraham, of Cadmus , of iemand diergelyk voor den Vinder der Letters te zetten, komt my niet reedelyk voor ^ want hunlieder macht was te kleyn, om hare vinding anderen op te dringen, Men heeft vroeg onder de by een wonende Menfchen kunnen uytvorflchen, welke ge~ luyden zy konden vormen, naar de veranderde zetting, van tong, tanden en lippen •, en die klanken onderfcheydentlyk vindende, gavenze de eerfte klanken, aan de noodzakelykfte dingen> ofplaatzen,dieinalleTaalenmeeft woorden van eene Lettergreep uytmaken , en wy IVortels der Talen noe- men. Want of men Radamanth onder de Aflyriers y Lumis onder de Chaldeen, Hermes, Orpheus of Cadmus, wil vinder derzelver maken, zoo. blyvendogdie meningen enkele Raadzels. Waarom zouden de eerfte Vaders,, die zoo veele Jaaren bereykteri, en zoo naa aan het eerfte Schepzel waren, en van de ingeblaazen Goddelyke adem meer geeft en verftand bezaaten als wy nu, die allerley Speeltuyg, Toonen en Snaaren vonden, niet alzoo wel Letters uytgevonden hebben, dewylzehet Ipreeken onder malkanderen niet konden miflen ? Daar wy dagelykfch zien, wat Letters 'er gebooren worden voor de Chymie, of Stook-konftenaars, voor de Verraad-brouwers, voor den Verliefden, voor Kooplieden. Wy kennen het fchryven met Charakters 5 wy zien de Taal der Italiaanfche Minnaars met hare Handen en Vingers, ja wy vormen nog jongens zynde, nieuwe Letters by handgreepen, Vingers en andere feeden. Kan de dertelheyd zoo veel doen, zoo kan de nood en 't welvaren beter vinden. Waarom my de Merkbeelden, Spraaken, en Let- ters,. met de gezelfchappen der Menfchen fchynen opgekoomen te zyn. Maar deze uytweydmg moet wederkeeren tot het Hoofdftuk, hetwelk de
Chaos en zyne Scheyding door Merkbeelden laat zien, |
|||||
A. De
|
|||||
Over de Scheyding van de Chaos,™*, VI. Hoofdstuk. 83
A» De Klomp, zoo verward als hy was, wierd echter dan geftelt, en
van het wanzyn der zaaken een Merkbeeld gevormd, datOy den Heydenen voor de eerfte Godiieyd doorgaat,dewelke vanhetoneyndige Weezen (waar van eenige gedachten haddenj ofTunx of let? ton-, voortgezet wierd. Ocze word T>emogorgon genaamt,eene affchuwelyke bleeke en bemorfte Gedaon- te, door dikke nevel bezet en vol dampen, met Hoofd, HandenenKnyen in een gekrompen, kruyslings de Beenen onder 't Lyf houdende. Ruyg be* zet met zuike bemorfchte morffigheyd, als men op de Vaten of goederen vind, die uytgeflagen zyn, om dat die te lang op bedompte of vochtige plaatzen hebben gelegen. Deze TDemogorgon, of Volks Ikker, was omzet met eene Eeuwigheyd, zynde eene Slang met de ftaart in zyn Bek.- Zyne woonfteede is in het midaelpunt der Aarae. Maar dewyl deze Eeuwigheyd ons hier voorkomt, zoo moet ik zeggen dat de Heydenen al vry zorgvuldig waren in het ondericheyd te maken van eene Eeuwigheyd, die God eygen was, namentlyk den God, dien zy voor het oneyncfig Wezen eerden, van dewelkende anderen hunftand en invloedontfingen. Want zulk een Eeuwig vertoonden zy niet dan door een Rond, zonder eynd of begin, van vuuri- ge ftraalen, die uyt een middelpunt fehooten; welke Eeuwigheyd uyt zig zelve uytfehitterende, en zonder verandering blyvende, invloed gaf, door het Geheel-Al, aan den Goden in de Hemelen, en aan alle de Schepzelen der Wereld. Maar deze Tdemogorgon fluytenze in eene Eeuwigheyd, die wy om te onderfcheyden, Altydduurendheyd kunnen noemen; en verbeel- den dezelve door eene rondgebooge Slang. Want alhoewel de Slang met de Staart in de Bek fchynt geen eynd over te laten, zoo heeft hy echter hoofd en ftaart, begin en eynde, hy is wonderlyk in zyne geweldige kron- kelingjen, zig zelven zonder Voeten of Vleugelen bewegende. Ook legt hy of wringt hy zyne oude huyd (zoo men zegtj jaarlykfch af, en praalt met eene nieuwe-, maar hy fterft evenwel. Waarom zydezelangduurendheyd tot Altydduurendheyd gebruykten. Maar de naam van Eeuwigheyd, dieze aan zulke Beelden gaven, ftelden echter, datze van iets grooters begin en in- vloed haddenj want haar tyd, hoedanig vermeerdert begreepen, lietaltyd aan den Denker de vryheyd, om 'er wat meerder tyd by te denken, en dat begreepenze daarom niet genoegte voldoen voor het Eeuwig eerfte Weezen, het welk boven de oneyndigheyd des Tyds is. Waarom zy rondom dezelve, gelyk gezegt is, een Rond met een Stip toonden. In een Slangenrond was tDemogorgon geflooten, want men ftelde hem van een ander en eerfte We- zen afgedaalt te zyn; ja als in een Kerker geflooten, en met Vuur, Licht, Steenen, Dampen, Water, Aardkluyten, Zaadftorfen, Zwavelrook,Berg- erts, Rots, Grot, en allerley mengelmoes bezet. 13. Naaft deezen vind men Eneph , voor den mfteift God der Egypre-
L 2 naars,
|
||||
84 E>E HlEROGLYPHBN OF MeKKBEELDEN,
mars, en den Schepper der anderen, dog de Spruyt van Ichton, zonder Moeder. Deze is zeer oud verbeeld, om te zyn voor anderen , hy is gedekt met eene eenvoudige Tulband, waar op dat Rond met ftraalen, van welke hy zyne afkomft heeft, zou uytdrukken. Op deze ftaat eene Pluym , het klaarfte Merkbeeld van Godheyd by de Egyptenaaren, om datze van Vo- gels koomen, die van boven uyt de Lucht op andere nederdaalen en weer opvliegen, gelyk de Godheyd in de Schepzelen vloeyt, en we£r tot zig zel- ven keertj 00k om de lichte beweging,die zy den Goden om derzelver on- ftoffelykheyd, toepafTen. Uyt zyn Mond gaat een Ey, tot bewys, dat met zyn Wil alles is, en met zyn Woord alles gefchapen word. Eene groote Mantel van blaauwe Sterrekens overdekt een ruym Kleed van vuurigeverwe, de Lucht en het ontoegankelyk Vuur beteekenende. Zyne Rechterhand zwaayt een Guide Staf met een Rond daar op, om te vertoonen, dat hy het Al beftiert, houdende in de andere Hand een Gordel, veel verwen en vor- men door malkanderen dragende, op eene donkere grond. Deze ftaat met zyne Voeten in Rotzkluyten en Watergolven, het overfchot van de verwar- de Chaos, welke hy geduurig opreddert. Men vind hem 00k met een band om het Lyf van den Zodiac of Zonnenhoep. ^« Daar na ziet men Saturnus, draagende eene zeer opgetooyde Muts,
welke aan hem vereert is van Aflarte^ zyne Vrouw en Zufter,.met Vleugels en vier Oogen gegarneert of opgetooyt j van welken twee waaken, terwyl de twee andere by beurten ruiten, om vlug alzoo te bewaaken het beftier der Schepzelen, t)e Vleugelen zyn de eene donker, voor het verftand en het denken; de andere licht en vrolyk, voor de zinnen. Deze ftaat ooknog ten deele in de verwarde Klomp -y maar heeft vier Vleugels, de eene van Vliezen, om de dun wordings de andere van vuurige roode Paradysvogels- veeren, om nooyt ruft te willen, maar zyne inwendige hitte te doen door- gaan j de derde van eenen Kalkoenfchen Haan, om de fchoone verande- ringen, die men op dien Vogel ziet, de vierde van ve£ren van Endvogels, om te bewyzen, dat zyne werklykheeden zelfonder water, en tot in de Poelen en gronden gaan. Hy dekt zyn Buyk, Borft, en Teel-leden, met een geborduurden Man-
tel , dien hy vaft houd, op welken de meefte geftalteniffen der zaaken ftaan j. maar in zyne Linkerhand houd hy eene kromme Zikkel of Zeyflen, met welke hy het geen wel en lang geftaan heeft, wech fnoeyt, en afthyt. Zoo doende blyken de Grootheyd en de Rykdom van 't Heel-Al. De duyftere en fchier niet na te oogene gangen der voortzetting en vermeerdering der Ugchaamen, en te gelyk derzelver onophaudelyke verandering en verder- ving, om tot hare eerfte beginflelen wee^r om-en in te keeren. De Scheydtng uyt de War klomp of Chaos, is 00k door Tan, welke hier
bynadezelve is, als Jupiter Lkeus, gelaaten als een Merkbeeld aldus : D, Tan
|
||||
/
|
|||||
OverdeScheydingvan de Chaos,enz*'VI. Hoofdstuk. g^
D. Pan met eene roode Huyd, beteekent het Vuur, over al 't Geheel-
Al iniluytende. Zyne twee gerimpelde Hoornen zyn voor de Zon en Maan; zyne Borftelhayren zyn derouwe Bergen; zyn ruyg Onderlyf en Boksvoe- ten, de ruygte der vellendragende Dieren, met hare hayren en wolle vach- ten; als meede de groene ruygte van Gras en Kruyden, Planten en Boo- men. In zyne eene Hand houd hy een Ruyspyp met zeven fluytjens, ver- toonende de Harmonie, overeenftemming der Zeeven Planeeten , zyndc verbonden in *t midden door eene band, welke de lynaanwyft,onderdewel- ke Nacht en Dag even lang is. Zyn Harderftaf is rond gekromt, den ommeloop van het Jaar aanwyzen-
de. Hy is gemaakt van een Rotting-riet van twaalf leeden, en verdeelt als de Twaalf Maanden. De Panthershuyd, met zoo veel cierlyke ronde vlek- ken, heeft hy voor het bewys der Sterren, Hy zit mede op eenige klompen Aarde, tuflchen dewelke men zelve Zwavel ziet branden, en Wateren val- len, voor de zolferachtige vochtigheyd en hitte, die in de afgronden der Aarde geflooten is, en de voedende waaflemen naar boven dringt. Hy ruft tegeneene Bolj op de welke men ziet een Dolphyn, voor 't Water, eene Mol voor de Aarde, een Zalamander of Draak voor t Vuur, en een Valk voor de Lucht; uyt malkanderen, en uyt die grove klompen gered, op wel- ke hy zit, als hebbende nu de Hoofdftoffen gezuyvert en geplaatft, die te vooren als een mengelmoes door den anderen hafpelden. En aan deze ga- ven zy den naam van Pan, of het Geheel-Al. Men vind eene Schildpad, in die oude Griekfche Merkbeelden by dezen God; dog dat isalleen, om dat daar veele Schildpadden in 't Bofcn en geweft van zyne Tempel gevon- den worden, zeer bekwaam tot Lieren om fnaren in te fpannen, die eel weergalmen; welke de inwoonders niet durven opneemen, nog dooden,om dat zy die aan Pan geheyligt houden. Op deze Bokslyvige geftalte van on- deren maakten de Heydenen alle hunne Faunen^ Sylvanen<> en Satyrs, met ftaarten en fplitkooten. Welke zoort van kleyne ftaarten aan fterkgehayrde Menfchen nu en dan 'gevonden worden. Maar de Boksvoeten, Knyen, en andere deelen geenzins; immers by onze geloofverdienende Reysbefchry- vers zynze onbekend. Het bovenfte deel van Pan, van Menfchelyke ge- ftalte zyndejtegen't onderfte van eenBeeft,bewyft de.Hemelfchebeftiering, over het Vleefchelyke en Wereldfche, dewelke zy Intelligentia Pura>zuy- ver verftand, in tegenftelling van het andere. Corpora , Brutalitas, lichamen, beeftachtigheyt noemen. ii. De Feniciers hadden eenen Bufiris, of Jupiter met veele , of
Argus Oogen. Deze heeft voor de Zon zyn Rechteroog open; en voor de Maan zyn Linkeroog toe. ZynHoofd draagt eene Kroon, het praalteeken van Oppermacht. Hy is over zyn ganfche Bovenlyf, geheel voor, achter L 3 e»
|
|||||
86 De Hieroglyphen of Merkbeelden,
en aan alien zyden met Oogenvoorzieniwaarom men hem ook Jupiter Argus
heeft genaamt* met eene Staf met een Rond, als Tan, in de Hand, voor dezelve beteekening; houdende met zyne Rechterhand zyn Kleed vaft, fchoon groen van verwe met allerley behagelyke Bloemen geborduurt, en van binnen met allerley gefteenten bezet, op eene donkere grond •, beduy- dende het eerfte de aangenaame bovenfchors van de Aarde , de Mynen ea Bergwerken. Hy ftaat in eene Schelp, om de vochtigheyd en ziltigheydf als de meefte oorzaken van den wafdom, voor onze oogen te ftellen. Men ziet aan alle kanten van deze Schelp Vuurvlammen en heete dampen opklim- menj zynde het opdringend Vuur, het welk aan alle deze andere oorzaa* ken van wafdom klem en doorzetting geeft. f • De Egyptenaars namen Tunx voor de reddering der Chads , vertoo-
nende eenen Man, zittende op zyne hurken, zoo dat zyne Borft en HooFd neygen naar zyne gebooge Knyen •> van achteren en over zyn Buyk gedekt door eene Mantel, van veelderley verwen door een geweeven. Op zyne Nek ruft eene vergulde Kloot, gevat in de loop der lynen, hoepen, en boogen, die de Sterrekykers en Hemelmeeters tot hunne Denkbeelden neb- ben uytgevonden. Deze draagt de Wereld, niet als een Atlas, maar houd beyde zyne Handen in zyne zyden, om te vafter te bewaren, *t geen hy onder zyn Kleed heeft. G. De Chaldeen, die laater Menfchen-beelden voor Goden namen, als
de Egyptenaars , want men ziet van hen eene vierkante Steen voor Venus* eene ronde voor Belt of de Zon, enz. hebben voor de betekening van de verwarring aller ftoften, in een duyfter gat van eene Rots uytgebikt eene ongelyke Driehoek; en die niet gantfch uytgekapt, maar onder op zyne ruft laten leggen; waar door zy de zware oploffing voor hen, hoe zigde Klomp heeft doen brengen tot die volmaakte fchikking, te kennen gaven. En wyl- ze de Steen vail lieten, beteekende zy daar door, dat 'er nog veel in de Afgronden van die Klomp verward was gebleeven. H. By den Palmyrenen is gevonden eene vlakke zwarte Steen, waar op
vier Kinders waren in een hoi, het welk van binnen dieper liet zien eene voile ruftige Vrouw, met een open Hoorn in haren Schoot, en de Armen en Beenen van een gefpreyd, met een Gier by haar, en een Oud Man blaa- zende een vlamme Vuurs uyt zyn Mond. Halfslyfs zonder Handen. De Oude Man, zonder Handen, en het Onderlyf inde Aarde, is het bewys der duyftere beginzelen voor de gefchape dingen, uyt den Afgrond, en dat daar in nog veel is ingebleeven, dat nog door arbeyd daar uyt gehaalt word. Hy blaaft eene vlamme Vuurs uyt zyne Mond; waar meede hy de Natuur fchynt te bezielen} en heeft Armen nog Handen, wyl de ftofFen, door een on-
|
||||
OVER.DE ScHEYDTNGVANt>ECHAOS,eft*. VI. HOOFDSTUK. %J
oneyndig en niet ftoffelyk wezen , zonder hulp of byftand. uyt hem zyn
voortgevloeyd en bezielt. De poezele vette Vrauw is detMoeder Na- tuur, om te ontfangen en te baaren gereed, met eene Overvloeds Hoorn in haar Schoot, uyt welke zy alles oplevert. Maar eene Gier verzeld haar, die greetig alles, ja zyn eygen Jongen, verflind-, bewyzende, dat alles, wat zy voortbrengt, verderrfelyk is. De vier Kinderen, welke voor aan de Steen te zien zyn, zyn de Hoofdftoffenj waarom het eerfte met Hoofdhayr van vlammende Vuur voorzien is, voor het Vuur , het tweede met eene Veder op zyn Hoofd, voor de Lucht-y het derde met Bloemkens tuflchen de Hayren, voor de Aarde 7 en het laatjie, met een Hoofd zonder Hayr, maar met fchubben over zyn lyf, voor het Water* •*• Maar de allergrilligfte van allenis by den Grieken nagelaaten, zynde eene
dikke zwaare Wolk, waar in eene Guide Keeten vaft is, aan haar bovenfte eyn- de, met vuurige vlammen eyndigende > daar aan 'Juno hangende met de Hancfen en Armen op de Rug gebonden, met veete banden tot negen in 't getal, zynde de getallen der Hemelen, welke van haar tot die veelheyd uyt zeeven op- gekfommen waren y want men vind, dat hunlieder AJiranomi, of Hemel-en Sterrefchieters, als ze wederom eenige nieuwe Sterren of beweging ontdek- teny dan daar voor weer eene nieuwe KriflallyneHemelverdichttenjwaarom zy deze banden als van gegote Kriftalle Koralen namen, Deze Juno had aan hare twee Voeten hangen twee Aambeelden, waar meede zy het He- mels Vuur, en de dikke Wolkenftof verbeeldden. Zy had de Guide Kee- ten om haar Hals, om den Goddelyken invloed op de Lucht te bewyzen, die van hooger nederdaalt. Zy is gekroont, als de Godinne Regeerfter, en om daar door te betekenen, dat zonder luft geen ding leeftof vergroot. Maar door de twee Aambeelden, aan beyde hare Voeten vaft, zyn te ver- ftaan geeeven de twee zwaare HoofdftofFen, Aarde en Water y op welke en in welke, het ingevloeyde Vuur ontfangen en bewerkt word. i^» In de Heylige Schriften van het Oud en Nieuw Verbond, komt
ons, uyt verfcheyden Texten te vooren een te zamen geftelt Merkbeeld, van Aangezicht blinkende als de Zonne. Zyne RechterhandhoudhetTrooftboek van Gods Verbond j en zyne Linker, dat fcherp tweefnydend Zwaard, het welk uyt zyneOogen or Mondis gegaan> van *t Hoofd totdeBorftdoor Wolken bedekt, in welke alle de Heerlykheyd der Hemelfche Genade, on- der Prophetifche Spreekwyzen, Merkbeelden, en Schaduwen is benevelt ge- weeft, en in de eene bevat, en van de andere verkondigt word. Een paar hechte Pylaaren, nu van Kooper, dan van gebakken Steen, dan wederom van prachtiger metaal, welke de Beenen des Beelds nabootzen, betoonen den welftand en het verval van Gods Kerk, in dewelke God zig zelvcn wezentlyk, of oogenfehynlyk heeft doen zien^ en haar ftaat weder herftek, |
||||
88 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
als die te zeer verviel, om dat alles, op de Aarde, en in de Wateren naar
den Wille Gods moet luyfteren, van Wien alle de wafdom en reddering der Zielen en Lichamen moet verwacht worden. Ook kan hier het Boek het WOORD beteekenen, dat, als de IVysheydGods, alles heeft meede gefchaapen j de Zonne voor God den Vader, met de Wolken, in de wel- ke zyn Geeft zweefde op de Wateren. De andere Hand kan ook wel een Scepter of Beftier-ftaf voeren , en aangemerkt worden als de Geeft Gods, welke als een Goddelyke Adem alles beheerfcht, en het levenen wafdom geeft. De twee Pylaaren voor de Twee Werelden, de eene voor, en de andere na den Zundvloed. L** De Rouwe Klomp, die in de duyfterheyd des Afgronds, en neerge-
zonke Aarde, tuilchen de Wateren en Luchtlag, zynde gefcheyden* zoo- danig, dat 'er eenige Wateren om hoog,en eenige om laag geichikt wier- den* zoo zag de Godheyd, de Heerlykheyd der opgekoome Aarde,en zyn Geeft zweefde op de Wateren, gevende het Goddelyk invloeyend Vuur in de Lucht, offyne Waterdeelen, en fluytende een deel van het zelve Vuur in den Afgrond, om van onderen op in de Aarde, en Wateren te werken. Dit Zweeven is, als gezegt is, het woord van broeyen, gelyk de Vogels doen, als zy door hare warmte en Vuur overdekken de jongen, dieze uyt de Eyeren moeten kippen. Deze Geeft Gods is door eene ovaal-ronde flik- kerende ftraal gemerkteekend, als zynde (met eerbiedigheyd gefprooken) het Ey, waar uyt Alles moeft voortgebroeyt worden. Eene *Duyve ziet men in 't Goddelyk tintelend Vuur, welke voor den Geeft Gods, door God zelven, verkooren is, als blykt by den Doop van Onzen Zaligmaaker. Deze welbeminde, vruchtbaare en minnelyke Vogel, is het Merkbeeld van veele goede en Heerlyke zaaken, als by den Chaldeen voor Venus, en by den Arabiers voor de T>eugd, by de Babyloniers, aan het Beeld van Semi- ramis, voor een gewenfchte boode der geredderde en herftelde Wereld, by den Jooden, en in 't algemeen voor de Vruchtbaarheyd -, ja zelfs by de dar- tele Venus voor hare Wagen, als een Merkbeeld van kriele drift, tot de voortteling, en verder tot meer zaaken. De Jooden, onderwezen van die geene, die van de Egyptifche Wysheyd
in den bloeyenften ftaat van dat Ryk hadden doorzien, vielen ook tot een diep zoeken. De Feniciers waren hunne naafte buuren -, Syrie en Arabie raakten hunne grenzenj welke alle diepdenkers uytleverden. Zy dan heb- bende of geene, of weynig bekende Hooge Schoolen, hidden ook by dee- ze of die van hunne geachtfte Rabbynen, of Cohens hunne leerplaats> ge- lyk Twins aan de Voeten van Gamaliel. Deze Rabbynen of Meefters, wa- ren de fynfte Wereldkundigen of Natuurkenners met. Waar toe veel hielp, cerftelyk dat de Jooden, by den Heydenen, zynde de reft der Wereld, walgelyk waren, om het alderaanmerkelykfte verfchilpunt, namentlyk de Gods-
|
||||
OverdeScheyding van deChaos,enz. VI.Hoofdstuk. 89
Godsdienft, waar door zy alle de Merkbeelden moeften tegen gaan: zynde
aan henlieden fcherpelyk verbooden, gelykeniflen te maken > en de Merk- beeldkonft behelfde niet, dan gelykeniflen. Ten tweeden, om dat zy den Egyptenaars beftoolen hadden, wanneer zy ter fluyk uyt hun Ryk floopen ■, want de Heydenen hadden gene kennis van de Gebooden, die God aan Mozes had gegeven. Ten derden, om datze voor de tyd van Salomon geene Seheepvaart hadden, door dewelke veele Natuurkunde word gehaalt. Ten vyfden, om datze de Volkeren uytgemoord hadden, welke door hen- lieden waren overwonnen geweeft. Ten zefden, om dat zy veele Dieren en Vogels, als onreyne, niet en dorften behandelen. Van ontleding, Ana- tomie, en meer diergelyke zaken, kondenze, uyt vrees van onreyn te wor- den, geen fcherp oordeel, zonder ervarentheyd, hebben. Deze dingen te zaamen beletten wel in hen de Merkbeeldkonft -, maar echter waren de drif- ten der verftanden van dien Landaard, met den anderen gemeen, te zeer op eene leeft gefchoeyt, om 00k niet wat, in de plaats der Hteroglyphen of Merkbeelden te hebben. Zy hadden dan eene Cabbala, en door die Cabbaliftifche Wysheyd, eene andere zoort van fpel voor den Geeft, waar van hier na zal gefproken worden. Deze weetenfchap beftond in een geheym te verdichten, in Letteren van
dezelve ieder der eerfte woorden makende van een Boek of Hoofdituk, wonderlyke overeenkomften te vinden, en daar uyt te lokken de gebeeden, aanroeping en bezweering van veelderley zoort van Engelen , en Machten, Genees-woorden , en Schiklot daar in te vinden,Tydreekening daar uyt te haalenj en meer dweepery, waar in men veel verftand kon hebben, om minder wys te weezen. Het was evenwel een bygelovig Volk, en hoe veele de plechtigheeden der Wet waren, beftaande in onthouding of waarneming der offerhanden, reyniging en andere laften, nog moeft 'er al wat uyt der Men- fchen kraam by koomen. M. Zoo hebben zy het woord Bertfchith, of In den beginne, op zeer
veele wyzen gerabraakt. Niet genoeg zynde, dat zy dat Boek, het welk wy, naar de Griekfche vertaling, Gene/is noemen, Berefchith tot Tytel geven -, geenzins, maar ieder Letter moet daar in hare wonderen doen, welke, tot ons oogwit niet en zynde Merkbeeldig, 00k niet verder dienen, dan dat- men voor Jooden, of Beeldhaters, de Schepping uyt de Chaos, zou kun- nen verbeelden met Elohim^ den Naam Gods in 't begin der Schepping, of Jehovah de Naam na de Schepping in een glansryk rond, naar alle kan- ten uytftralende en Berefchith daar by voegen -, en daar in zodanige Let- ters , als de zaak eyfcht, waar toe die verbeelding word gebruykt •, of met de Hebreeuwfche Wortelwoorden, daar in Hu, voor de Nacht, Eh/eh, den Hemel, Efch, LuchtenVuur: want dan ziet men de Chaos, deRed- dering en Schepping uyt die naamen, en Elohim voor drie Goddelyke Per- M zoo-
|
||||
go De Hieroglyphen of Merkbeelden*
zoonen, zyndcin getal vanveelej. q£ Jehovah, die is, enzynzal, voor
de Schepping en Onderhouding. Men heeft uyt die Letters van Berefchith willen vinden, de geheymen van de Goddelyke verdeeling over het werk der Scheppinge. En dewyl alle redelyke verftanden bedwelmt door de o- verwonderlyke Wysheyd tot in de fchier ondeylbaare Dierkens, die men voor de oogen zonder vergrootglazen niet eens en droomt tezyn,blykende, inde welke j hoe kleyn, echter alle deelen, als in een Olyphant of Memch zitten, en werken, wel zien, dat 'er een zoo onbegrypelyk oneyndig. wys Bouwmee- fter, Godgenaamt, de werken moetgewild hebben, en door een onnaden- kelyk verftand voorzien en uytgevoert; zoo hebben zy echter zig, zelven in de befpiegeling der uytwerkzelen, de oorzaak , namendyk God, van achte- ren ziende, ingelaaten. Zy hebben dan durven meynen, dat die zelve Wyf- heyd, een gelyke taak voor dagwerk heeft genoomen. De Schepper fcheyd- de de Wateren, en deed de Aarde opkoomen, op den derden Dag, en de vlakke boven-konfl: der Aarde, wierd en doenraaals, en daar na, alleenaan- geraaktj want al wat binnen de Aarde is, nog de rondte der Aarde, van alle kanten naar zyn middelpunt trekkende, en van alle zyden metdeLucht gelyk geperft, en rnoogelyk niet min, als de Dwaalfterren bewoogen j dit alles is niet aangeraakr, want gelyk gezegt is,diefoitsvindigeonderrechting was den Philofophen ten dienfte, en niet voor de Kerke Gods nodig. VifTchen en Vogelen, nevens Bloemen, Boomen en de Menfch raaken
alle die bovenfchors der Aarde, en de Wateren yen in tegendeel is het werk der Hemelen, waar in de Zon alleen zes en zeftig maal grooter als de Aardkloot gereekent word, maar 't werk van eenen Dag, Behalven zoo vee- Je oneyndige ontelbaarheeden van Sterrcn, en de Wiilften, waar in zeftaaft en zig beweegen. Maar die zaaken waren het oogwit, zoo het fchynt, der Godheyd by Mozes niet, die van God onderweezen , hoedanig hy de wonderen der opfchikking uyt de rouwe ftoffe tot zoo veele HeerlyKheyd op 3t alderbeknoptft had voor te dragen, de zaaken, Gods Kerk betreffende,, meer als de anderen heeft aangeraakt. |
|||||
ZE«
|
|||||
Van de Hemelsloop. VIL Hoofdstuk. 91
ZEVENDEHOOFDSTUK.
Van de Hemelsloop.
DE Indianen, met welke merendcels gelyk loopen de Chinee'zen, Cor-
cianen en Japanders , hebben een Denkbeeld tot geftaltegebrachtvan dezen aard -f om het Weezen der" gefchape zaken, met hunlieder Schepper en Onderhouder te vertoonen. Zy zetten op vyf, zes of meer Bron-of Wel- gaten, waar uyt het onderaardfche Water komt bruyfifchen , en wederom ingellorpt word, eene ■". Schild-padde. Dit Water-en Land-dier houden zy voor het be-
kwaamfte, om de Wereld, zo die by hen was begrepen, te vergelyken. Dat zetten zy dan op die grove Mengel-rots. Zy houden de gebochelde Rug met zyne fchoon gefchakeerde verdelingen voor dehalfrondebewoonde Boog met de onderfcheyden Koningryken. En niet wetende van Tegen-voeters of Antipoden, ftelden zy de onderfte zyde van de Buyk-fchelp, met de Dichteren, te zyn een weg voor de Zon, om in Zee, of Thetis fchoot} gedompelt zynde, door te hollen, en wederom aan den boog op te gaan. Dit Dier behaagde hen te meer, om dat het in zig zelven zyne voort- broeijing met oneyndige Eyeren befloot, Zee en Land kon bereyzen, en over al in zig zelven t'huys was, weerloos, en echter over al veylig in zig zelven ingekrompen zynde. Op deze Schild-padde was een Boom, die door zyn eygen af-hangende takken wederom in de grond rakende fleets vereeu- wigt word met nieuwe Boomen van deze zelve zoort, om te bewyzen -t dat op die bewoonbare boog alles had ontfangen een zyn zelfs voortzettende en zoort-bewarende kracht. Om deze Boom was geilingert eene Slang, met de Staart in haren Bek, den voortgang der Tyden willende aftekenen; en aan de zelve een Leeuw, een Hond, en een Wolf, de Tegenwoordige, Toeko- mende, en Voorledene Tyden beduydende; in dewelke alles nog op een en dezelve trek fchynt voort te gaan.Boven op den Boom ziteene Godheyd, van zeer verfcheyde namen, naar de Tyden en Volkeren verdraayt, waar van de meeft bekende is: •D. Tuitekong. Deze naam van Tent of Tuit, is zoo gemeen voor
God geweeft, dat men by den Sarm at en ,en uyt hen gefprote Volkeren, by Tuytjchen, daar na vernoemt, of TDuytfchen, Egyptenaaren en Chaldeeu- wen dezelve heeft, en is daar van Theus, Zeus, "t>eus, met verandering van taal, T>ios, *Dieu , en diergelyke waarfchynlyk herkomftig j zyn- de zoo veel, als over al wyd en zyd beheerfcher. Deze als een oud Ko- M 2 ning
|
|||||
»
|
|||||
.
|
||||||
9& De Hieroglyphen of Merkbeelden.
ning heeft de Handen en Voeten kruyswyze ledig zittende geflooten, ge-
noeg doende , dat hy zyne oopene Oogen op de ingefchapene en voortzet- tende krachten is houdende, om alles in ftaat te bewaren. Hy is omzet met blinkende Sterren, en die geflooten in eene ronde Bol met fchitterftraalen omzet. Deze latere Eeuw zoude, door de Schipvaart in veele deelen te recht ge-
holpen boven de Ouden, een zekerder Beeltenis kunnen opleveren van't Heel- Al, welk ik hier dan nevens zet. ^« De vafte en ronde Kloot, of Sphara van de Wereld, verdeelt zyn-
de in twee Deelen -, Hemelfch, en Hoofdftofrelyk, heeft hier het eene deel in de Rechterhand, zynde het Klootjen van Water en Aarde , hangende in de Lucht, en omzet met Vuur. Het Hemels-deel, bevangende het Hoofd- ftoffelyke in zyne holligheyd, is als eene Vrouw afgebeeld, die doorluchtig blinkende onveranderlyk voorkomt. Men ziet die fchoonheyd pralen met acht Hemelen, zoodanig dat altyd de grootfte den anderen influyt, en kloots- vvyze begrypt. Men teltze van onderen op, naar datze ons Klootjen naaft komen^ en alzoo voor de eerfte de aldermeeft veranderlyke, de Maan} die onder de Voeten van deze fchoonheyd komt, van het Weften naar het Oo- ften haren loop in 2 8.dagen en 8. uuren volbrengende. De tweede,dievan Mercurius -, op de onder-keurs geftikt. De derde, Venus, hangende aan de middel-Ondergordel. De vierde, de Zon, op de Navel zyn middelpunt hebbende. Welke drie alle Jaren haren ommeloop afleggen. De Heupgordel is van Mars, in twee Jaren omgaande. In de Borft op 't Hert is Jupiter > die 12. Jaren bezig is met zynen loop af te doen. En Saturnus, dieom den Hals hangt eene Snoer van dertig Peerlen, zo veele Jaren als 'er verlopen tot zyn ommegang. De achtfte is van hare flonkerende Oogen en de Ster- ren , die als tintelende Karkanten in haar Vlamvuurig Hayr eene Kroon maken, en den zeetel der vafte Sterren. Alle] deze acht Hemelen worden te gelyk omgevoert door de negende , de eerfte beweegdraay of 'Prirnum Mo- bile , in 24. uuren op de Poolen, om de Allen der Wereld, veroorzakende op ons gezicht Dag en Nacht, op-en ondergang der Hemellichten, enz. De Zodiac ^ Noorden en Zuyden dalende en klimmende, is de fchoone vin- dinge om de vafte Sterren, welke de Zon in zyn loop doorgaat,en hier het rad, het welk die Hemelfche Schoonheyd rondom haar lluyt, met een Noorder-en Zuyder-punt fnydt door 't geheel -y zoo datze aan 't Hoofd en de Voeten zienlyk is, doorfnydende ook zoo 't Middelpunt van 't Wereld- klootjen, het welk, hoe kleyn het ten aanzien der Draayhemelenis, nog 5-4*00. mylen ronds uytlevert. Zoo gaat de Zonneweg of Ecliptic a, in die twaalf gelyke deelen voornoemt, altyd voort, zonder ooyt daar uyt te wy- fcen.. D. In
|
||||||
*
|
||||||
■*7Wp«.' ,..'■->
|
|||||||
Van de Hemelsloop. VII. Hoofdstuk. 95
D. In 't midden der Hemelen, voor al even ver van beyde de Poolen, is
by Denkbeeld gevormt een groote Hoepel, deylende de groote Kloot, even als de Wereldkloot, in twee even gelyke deelen. Deze word de Lin'te E~ quinoffiaal genaamt, en vertoont door eene fterke jonge Meyd, met een Lammeren Hayrbol, hebbende de juyfte helft donker, en de andere helft licht. Even als de Man, die van Ttolomaus den Zoon van Lagus, in E- gypten wierd gebracht, in het Schouwperk-, net halfwit, half zwart geko- leurd. Haaromtrek is Hoogkakig, Platneuzig, met dikke Lippen, en zoo als die van St. Thomas, Molucques en andere, die zonder eenige breedte recht onder de Linie wonen, alwaar Zon, Maan en Sterren effen i2.uuren boven, en 12. uuren onder den Gezicht-eynder zyn. De Zon ziet men aan haar Hoofd raken tweemaal, eens in den Dag-en Nachts-Evenaar van de Lente, en wederom in die van den Herfftjde Zuyder Pool boven eyndigen- de met.......de Noorder met de Spitsbergen aan den Beer, op wiens
Kop de Noordfter tintelt. Zy toont de kracht van haar nut en gebruyk in
de Scheepvaard, met de Scheepskroon, en den Tegenvoeter of Antipode van haar afhangende; gelyk zy toont, hoe verre men Noord-of Zuydwaard van haar op 't Aardryk afdwaalt. Men zietze in de Rechterhand praalenmet de uytrekening der Tyden en Uuren, zoo by Dag, als by Nacht, die op de manier der Italianen en andere Volkeren, 24. op hare kring ftaan; nevens de cDedinatien (afwykingen) der Zonne en der Sterren j en andere nuttig- heden meer. •E" De Meridiaan, of Middaglyn,is eene groote rondte, gaande door
beyde de Poolen van de Wereld, door het Zenith, oft punt des Hemels recht bovenonsHoofd,kruyswyze door deo<£'^«/»(?^W>(Nachrevening) en Zuyden en Noorden door den Gezicht-eynder of Horizon, wiens lyn men op Zee met haar middellyf gelyk ziet, het halfrond van een fcheyden- de. Zy is als een Nymphje op de riek van Teneriffa leggende, die het be- ginzel der lengte maakt, pahende van dien Piek de Landen van 't Weften naar 't Oooften, tot 360. Graden toe. Zy wyfl dit werkmet de Graden, dieze op haar Middagcirkel maakt, door hare Paller. Met hare Linkerhand wyft zy de Zon aan, die in yt Zuyden van hare boog komende, de Middag maakt. Alle Hemelsteekenen zyn daar komende op haar hoogfte van den Gezicht-eynder verhevenj zoo dat zy daar door gaande, weeY beginnente dalen. Indien dit de moeyte waard was, en dikmaals te pas kwam ora te vertoonen, zou men den toeftel van dit Meridiaan-Bcdd breed konnen uyt- rekken. t1. De Zon als Apollo op zyne Dichtkundige Wagen fraande, ziet zy-
ne Paarden flilgehouden, aan de eene zyde, door de Kruyskiing der Zon- M 3 ne-
|
|||||||
„^.^W^v, ~~ -<"-* - - • • ""
|
|||||||
■
|
|||||||
94 DE HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
neftilftanden, zynde; een Beeld met een dubbeld Hoofd; het eene lieffelyk
en Geelhaayrig, de Zomer-Zonneftand, het andere met grys Haayrj oud en koud, die van de Winter voordragende. Aan de andere zyde is zyn Me- demakker te zien, die met een Zandlooper in zyne Hand, met twee gely- ke VIeugelen, een van de Vleermuys voor de Nacht, en eenvandenArend voor den Dag, de Kruyskring verbeeld van de Nachteveningen zoo in den Herfft, als in de Lente. Deze Kruyskringen gaan kruyswyze door beyde de Poolen der Wereld. Wanneer de Zon deze Kruyskringen roert in zyne Jaarlykfche loop door de Tekenkring, maakt hy van vJ. De Ram, de Stier, en Tweelingen; de Lente; met de
Bloempaander te onderfcheyden ; met H. De Kreeft, de Leeuw, en de Maagd, den Zomer; gelyk
de Maagd daar toe als een Korengodin word uytgeteekent; met A. De Schaal, het Schorpioen, en D*ScHUTTER,deHerfftjdoor
de Druyven beduyd j en eyndelyk door i^« Den Bok, den Waterman, en Visschen, den Winter; die
by zyn Vuur met dorre Boomen zuft. Van dezen Bok en Kreeft word de Zon te rug gejaagt in zynen loop,op
\ verfte van de Nachtevcning zynde, om door den Bok naa 't Zuyden, en door de Kreeft naa 't Ooften wederom naar de Nachtevening te keeren. Van alle deze Verbeeldingen zullen wy breder handelenter plaatze, alwaar
dezaken van de Zeevaartaangeraaktmoetenworden. Wyzoudenook deze zo ver niet geraakt hebben,indien zy niet enwarenalleenKonftgedachten,voor welke wy zeer verplicht zyn aan de Oude Wyzen, die door middel van de- ze vindingen ons eenen wonderlyken weg tot de Idaarheyd en 't behoef der Zeevaart aangetoont,en grooten dienltgedaan hebben. |
|||||||
ACHT-
|
|||||||
Van de Beweging der Planeten. VIII. Hoofdstuk. 95
|
||||||
ACHTSTE HOODSTUK.
Van de Beweging der Tlaneten. Ar\E Zon, die met aller Goden en Godinnen Eertytels en Na-
• I 3 men heeft gepraalt, is door de allereerft bekende Volkeren, by den Braminen> Chaldeeuwen^ en hunne Nabuuren wonderlyk uytge- trompet. Die uyt de achting deir Brachmannen, blykt uyt derzelver Mor- gen-Gebed, aldus luydende: „ Het Opperfte Weezen wil u, alderfchoon- „ fte Hemelglans, ongefchend bewaren} gy zyt groot en niachtig door uw „ eygen licht, voortkweeker van alle gelukken > die een zoo fchoon, en zoo mild „ weldoender zynde, tintelend opgaat door middel van uwe lichtgevende „ ftraalen, die gy uytfchiet over al deze Wereldy gy zyt die fchoonc Zon, „ die door uw blinken,. door de kracht van uwen geeft, en door uwe le~ „ vendigmakende macht beftiert en befchermt dit Groot Al, Gy Vuurbaak „ des Hemels, licht van alle zaken, oorzaak van al wat ergens voorkomt > „ die door de maeht aan u van de Opperfte Macht gefchonken, de gan- „ fche Natuur verplicht, die door een onvermoeyde loop ontdekt en beziet „ dagelykfch de vier deelen van 't Heel-Al. Gy ontleent uw licht, en uwe „ fchoonheyd onmiddelyk van *t aanzicht der Godheyd y en deelt aan de Maan „ mildelykuyt (zondertuflchenfcherm)een affchynend leven, en 't gebmyk „ van niet mifiende klaarheyd > aanftekende door 't licht van uwe onuyt- „ bluflchelyke Toorts alle de andere Hemelfche Ronden. Zie ons nu heden w aan met een Goedertieren Oog, en licht ons Hert op, door uwe door- „ luchte fchoonheyd, en verklaart ons verftand, tot de beipiegeling van „ dat andere Grootfte onbevattelyk Weezen, dat niet en valt mons, als „ alleen door de diepfte en gezuyvertfte gedachten". De beeltenis deszelfs is my afgeteekent, door den Hr. Ludolf gezonden, die dezelvcfchreef van St. Jan de Area, of Ttolemais te hebben. Men ziet op eene Steen,twee voet groot, een Jongmans Beeld, met gekrulde, maar wyd gefpreydeHay- ren, wyzende met zyne Rechterhand op de uuren van den 1yd, die ik in Roomfche Letters heb verandert, endievolgens zyn E&fchryven, oude E- thiopifche Merkletters waren,. maar veeie uytgegaan. Men had de helft derzelver zwart ingeleyd -, de wederhelft was van wit Marnier. Het Beeld zelf was van Granito rojfo Manner, meeft rondom Thebais alleen te viiv den. Het houd in zyne Linkerhand eene Bol ran roode Vuurfteen, of ^Pyrites, waar uyt aan alle kanten vlammea fchieten. Het ftaat vaft op de Noorder Pool* |
||||||
Bv Die
|
||||||
g6 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
B. Die met een Oud verkleumt Man is verbeeld, uyt wiens Haayren en
Baard Yflel, Hagel en Sneeuwvlokken vliegen. Hy legt zeer flaperig in een gekrompen op den Grooten Beer,die de Pool-fter bewaart,opeeneSneeuw- berg.
^-J* Even zoo als de Zon de Uuren van den Tyd aanwyft, zoo wyft: dc
Tyd wederom de Zon aan j want de beweegingen van de Zon en de Tyd gaan altoos te zamen, en gelykelyk voortj zynde de eene de Maat van de andere; want door den Tyd word de plaats van de Zon bekend gemaakt, en wederom door de Zonneplaats word de Tyd geopenbaart, door welke Zonneplaats of Tyd (die ligt in 's Hemels Fleyn gevonden worden) de loop, draay en ftand der Teekenen, Dwaalfterren en andere bekend zyn. Die Oude Gryzaard is met een Arendsvleugel en Nachtuylsvlerk onderfchey- den} de eene gekoleurd, en de andere zwartj maar even groot, om dat hy door 't ganfche Jaar even veel Nacht als Dag loopt. Gelyk men 's Win- ters aan 't Noorden geen Dag ziet, zoo heeft men daarZomersgeene Nacht -, en volgens het leggen der Landen, hoe langer Dagen, hoe langer Nach- tenj en wederom,hoe korter Dagen in deZomer, hoe korter Nachten in de Winter, even groot tegen elkander, daar de Evennachtslyn overloopt. Voorts draagt hy niet als zyn Zeyflen, door welke hy licht onderfcheyden word, met eene Hoep van 24. Uuren, deels zwarte, deels witte om zyn waar tegen de Zon heeft de Hoep der 12. Tekenen, over zoo veele Maanden gezet. Deze beyde dan, de Zon en de Tyd, ziet men verheven op de Steen met de vier hoeken > waar van 't Noorden is onder de Zon leg- gende, en onder zyne Voeten gedrukt, by na zonder licht of warmte te kry- gen. A-^» Het Ooft zietmen als een braaf Jongman, ftyf doorkoelende met
een doorzettend geblaas uyt zyne kaken, dragende de Morgenfter op zyn Voorhoofd. Zyne gezwinde Arendsvleugelen zyn met Paauweftaarts Oo- gen opgetooyt, om de behaaglyke befcheydenheyd der fchoone verwen des opgaanden dageraats te verbeelden. Zyn Hayr blinkt van den Dauw. Ver- der als tot de Keel was dit niet uytgedrukt. •t^- Boven de Zon zag men de Zuyder Pool of het Zuyden, met eene
bolle roode Trony zachtelyk aafemende. Tuflchen zyne koelte rollen zach- telyk uyt zyne roode Lippen en Rooze Kaken, allerley uytgepikte Bloemen, met hare lpruytjes, takjes en bladeren. De laffe warmte der Middagzon ontzenuwt hem zoo zeer, dat men twyffelt, of hy Man of Wyf is-, want uyt meer als twee Borften ziet men de laauwe Reegen neerdruppelen. Het Kleed, dat door zyne waaflemniet bewogen word, is geel geverwt, door 't zen-
|
||||
Van de Beweging der Planeten. VIII. Hooedstuk. 97
*t zengen van de hitte. Hy zweeft zonder beweeging op twee Vleugelen
van een Ojevaar. * • Daar tegen dondert het Weften op, met ftyve Borftelhayren, die te
bergen ftaan. Een uytgeplukte Baard van rood, zwart, en grys gemen- gelt, fteekt onder aan zyne Kin, als de pennen van een Egel. De Ooren ftaan ftyl op* en zyne graauwe Oogen onder bonte Winkbraauwen, drey- en de verwoefting over al. De Kaken proeften eene ongeftuyme Wolk- raak uyt onder zyn geblaas, en verdikken en verdubbelen geftadig. Zyne Drakenvlerken flaan en klappen alles omver. Zyne Harpyenklaauwen en Slangenftaart fchenden , fcheuren, knotten, en verdelgen alles. Eene ge- broke Maft of Ree, met een ftuk van een gefcheurt Zeyl, is zyne buyt, na dat hy *t overfchot der kielen in de grond geboort heeft. De grond van de Steen was ingegrift en befneeden met byna alle de Tee-
kenen der Dwaalfterren en Ligchaamen des Hemels. Men zag daar de kleyn- der Beerin, Thxnice, na Thales den Fenicier genaamt. Aan de andere zyde de groote Slangdraak, om de Hefperifche Appelen door Hercules ge- dood. Thilomelus, van \ ploegen Bootes genaamt, met zyne twee Hon- dekens aan zyn Lyzeel, ftaat daar by j om dat men in 't eerft de groote Beerins-Sterren, de Wagen , en twee Dier-Sterren de Often noemde, die- ze trokken, en door hem gedreeven wierden. De Kroon van Ariadne zag men daar by. Voorts Hercules boven den Slangendraak,dien hy nog, neer- geflagen hebbende, dreygt met zyne Knods te morflelen ■> vananderenTfo- feus, Tamjris en Orpheus genaamt, om debyftaande Lier of Harpe^deze drie als Zangkenners en Speelmeefters eygen. Daar onder ziet men deZwaan vliegende, Cepheus, een Ethioper Konings Zoon met zyne Ryxftaf. Caffio- paa in hare Ruftftoel, als Vader en Moeder van Andromeda, die haren verlofler Terfeus aankleeft, zagmen fhikswyze achter de Zon, met den Voerman Heniochus, met de Geytkens, Voedfters van Jupyn, op zyne Rug, achter den Tyd. Aan de andere zyde zag men wederom Ophiuchus, den Slangenwringer, of Thorbas van den Feniciers genaamt, en van de Rhodiers tot een Geluk op de Reys gevierd, met eene Pyl van A polio, on- der den Arend van Jupiter. Den 'Dolphyn van Neptunus of Arion zag men tuflchen deze en den Tegafus in, die zyn Lyf en Vleugelen achter de Zon verfchuylde, en liet den Driehoek van Nyls Eyland zien, 'Delta ge- naamt. Hier omher lopen de Ram, de Stier, de Tweelingen> de Kreefty de Leeuw, de Maagd, 't Schorpioen, de Schutter, de Steenbok^ de Wa- terman , en de Vijfchen> als i2.afzonderlyke Tekenen des Hemels, aan ee- ne hoep, den Zodiac (Tekenkring,) makende, om 't lyf van de Zon > boven wiens Hoofd, over den Evenaar, het Zeegedrocht, dat Andromeda zou verfcheuren, of de Walvis, eene groote plaats beflaat. De Rivier de Nyl, met Canopus een Nyls Eyland, zagmen daar van naa 't Zuyd-Ooften op- N vloeyen,
|
|||||
1
|
|||||
98 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
vloeyen. Dc Haas, voor OW<w.r Hondenjacht vluchtende, was naauwlyks
achter de Zon te merken. Gelyk Per feus met zyn Schild achter de Tyd •> met Sir ion of de grooter Hond, en de kleynder Procyon genaamt, zamen de Jacht van Orion uytmakende. Het Schip Argos zagmen daar op geheel. Hct Altaar, de Zuyder Kroon, en de groote Water Jiang, met de Rave en de Goude Kop, verbergen haar^ gelyk de Slangenwringer en de fchoone Antinous met Berenices Hayrlokken ftonden onder 't Weften -, waar boven men den Centaurus zag, toeleggende met zyne Pyl. Het Kruysmerk der Egyptenaars, de Wolf', en de "Paradysvogel omringden den Centaurus -y waar by men zag den Indiaan, de Paauw, en Thenix brandende, met ee- ne Vliegende Kraan, en de Vogel van Pegu, Toucan genaamd. Orion zelf zagmen met Schild en Knods, met zyn Sir ion voor hem, net verbeeld. De minder Waterflang Hydrus was onder 't Zuyden, met de Zeezwaluw , de T)oradovis, het 'Duyfken en de Chamaleon rondom het Schip Argo. De zeven groote Sterren zag men zonder order (immers naar myn begrip) over de gantfche Steen verfpreyd. De eerfte was Satumus, de tweede Jupiter,. de derde Mars, devierde Venus, de vyfde de Wereld, de zefdedeMaan, en de laatfte Mercurius, of Stilbon. Dan konmen merken, dat tuilchen veele dezer Teekenen inviel de AJe/kweg,lopende tegenftrydig met den Evenaar, van de Malt van het Schip Argos af, metkleyne Zaadfterretjes,als ftippen gevuld, achter de Walvis, Orion, en meer Teekenen tot aan Caffiopeia toe; maar was meefl door her Ligchaam van de Zon gedekt. Deze 12. Teekenen zyn in veele Ryken niet minder als de Dwaalfterren
en de Zon aangebeden. 't Is te denken, dat de waarneming van deHemels- loop door alle Volkeren is gefchied, maar de befte door de Ethiopers, om de bekwaamheyd der Landen, die zy bewoonden, hebbende altyd fchoon weder, en geene verandering van Hemel, en door de Indianen, die buy- ten de Reegcnmaanden 't zelve gemak hebben. Deze Konft is, zoo als de meefte zaken, van 't begin onbefchaaft geweeft; want men by Get en en Scjh then geene andere kennis vond, als van Zon en Maan, de Avond-enMor- genfter. De Arcadi'ers rekenden zig zelven ouder als de Maan. De Hot- tentots en Topiniambous houden geen leeven nog beweging in eenig licht> maar dat alleen de ftof van de Zon (hunlieder grooten Kapiteyn) ieder dag Vergaat, en verftrooyt in zoo veele Flikkerlichten, als 'er Sterren zyn, die wederom 's morgens moeten dienen tot voedzel van eene Nieuwe Zon of Kapiteyn; zynde altyd Vorften van 't Heel-Al van eenen Dag, en te voo- rcn derzelver Helden geweeft, welker Vrouwen door de Maan verbeeld, die verftroojing van harer Mannenglans nog zoo veel, als 't kan zyn, beletten. Maar de tyd om te zaayen, planten en voortkweeken wel waar te neemen, voordeel gevende, dvvong de Landluyden en Harders, zoo als de eerfte Menfchen waren, op de Hemelteekenen te letten; waar van eenige later, andere vroeger ziende, en datze niet gelyk op en onder gingen, vondenzy rondom
|
||||
Van de Beweging der Planeten. VIII. Hoofdstuk. 99
rondom haar, op de zelve hoogte, als haar Oog, eene Kim (die zy met
hooger klimmen verder uytgeftrekt zagen) en opkoomen boven die Kim nieuh we Sterren; die men t'elkens dezelve vindende, begon te kennenj en daar tegen andere, diebewoogen wierden, fnelder of langzamer uyt hare plaats, hoe veel dagen de Maan klimmende moeft vol worden, en hoe veel dalen- de fcheen te verdwynen3 en in eene nieuwe te veranderen. Zy zagen ook, dat de Zon op dezelve tyd wederom dezelve keer fcheen te doen, dat van hem andere 't licht ontleenden j door welke aangeteekende Sterren hy fcheen te lopen, en wilden, deze kennis te mets aangroeyende, aan andere over- laten. Ook leerden zy van Reyzigers, byzonderals zy waagdenlangsvreem- de Stranden te varen , dat men daar ook zulke waarnemingen had, en dat men eenige Sterren by die zag, die onder de kim by hen bleven. Van deze begonnen zy eenige Leerlingen te onderwyzen. Daar toe moeft zekere wy- ze, verdeeiing en onderfcheydelyke benaming zyn, die de meefte waarne- mers, uyt hovaardy naar zig zelven, of doode Vorften noemden -, zommi- gen enkeld lieten, en andere zamen ftelden. Die enkele, meer fchynende te tintelen en te beweegen, wierden achtbaarder, ja men begon de huys- houding der anderen van derzelver beftier af hankelyk te maken. Men vand voor dezelve Characters of Merken, die mifTchien by eenige beeter zyn ge- weeft, nuj zoo als zy aangenoomen zyn, in gebruyk blyven. Zy vormden dan eene Sphaera^ of Rond van alle deelen gelyk fchynende. Hier van de maat uytdenkende vonden zy een Middelpunt. Zy vormden door dit Rond en 't Middelpunt eene doorgaande Asy in het Zuyden en Noorden uyteyn- digende -3 en de verbeelde Eynden noemden zy Toolen. Hoewel zy de Zuy- der niet zagen, fchikten zy nochtans van die met de Noorder eene eeven groote maate.Dieverdeelden buyten den Zodiac (Tegenkring,) in twee Cir- culenof Kringen,en vwzcTropici (Zonnekringen,)met de Kvenaarslyn. De Tegenkring fneed door den Evenaar, en raakte eenigzins den Winter-en Zomerbandj zoo dat de Zon, door die Teekens,en nooyt daar buyten loo- pende, noodzakelyk de Vier Tyden des Jaars moeft maken. Zulke en meerder verftandiger verdeelingen maakten zy tot groot nut der leerlingen. Maar wie aan deze zamen gezette Sterren dufdanige vreemde maakzels heeft toegedacht, beken ik niet te weeten. Nu zyn dezelve op dien trant alom bekent, en onze Liefhebbers en Stuurlieden, zoo wel als anderen, daar van gedient, die grillige Wanfchepzels gewoon. En te vergeefs zoude iemand eene nieuwe gril willen invoeren. Ook zoude het maar verwiflelen zyn van Naamen, zonder nut tot de zaken. Om 'er nut in te brengen, zoude zulks van eene gehele verandering moeten komen, en dezelve zodanig, dat men de zoo verre van een geleegene Sterren, zonder teekening of omtrek, ons daar toe nodigende, niet tot een ligchaam bracht. Nu is dit Hemelspkyn eene groote Winkel van Merkbeelden, maar zonder de Ziel der andere Hie- roglyphen -, want die toonen de ingefchape Eygenfchappen der beteekende N 2 za-
|
||||
IOO De Hieroglyphen of Merkbeeldek.
zaken, door Beelden, enkel of zamen geftelt, van Lynen, Dieren, Plan-
ten, Vogelen, Viflchen, en alles wat in de Natuur valt* ja vercierden eene ©nnatuurlyke zamenvoeging, als zy maar fterk door die gelykheden, het Denkbeeld der Leerlingen en Aanfchouwers kon beweegen. Maar wat gely- kenis hebben doch deze Beelteniflen van de Hemelskloot met de fchikking der Sterren, die hoi over bol op die ligchamen geplakt zyn? En watindruk geeft het den Leerling, eenPaard-menibh {Centaurus,) Phoenix of 'Draak,. gedrochten die buy ten de natuur zyn, daar onder te vinden ? hebben die Sterren lets byzonders, waar in zy met hare Eygenfchappen of Werkingen overeen- komen, met de Natuuren dezer verzieringen ? Geenzins! Niet te min zou ik voor 't naaft denken, dat de Ferfte Makers van die Geheugkonft der Ster- ren hunne Merken niet zoo gehcel buyten en tegen Recden. hebben voort- gebraeht> maar dat de Grieken, ftoute Beuzelkraamers, de reets te veel ver- borge maakzels nog oneyndig gerabraakt, en, met. hunne Verdichtzelen op- gevult hebben. Om 'er wat van te zeggen.DeOudfte&maaktenvandeDwaal- iter, die 30. Jaren tot zynen loop van noodenheeft, fc,deoudfteGodheyd, de Tyd, door den Egyptenaars met eene Zeyflen verbeeld, zynde derecht- meergaande ftreep de Stok ,. en het kromme Mes ter zyden daar aan, de Snoeyzikkel oft Zeyflenyzer, Dk Merk van henlieden ontleent, is overge- bracht tot Saturnus^ eertyds zoo een opgeworpen Koning^ endeoudfteder Vorften, hebbende de Volks Regeering onderdrukt (gelyk men inde*5W#r- nale Speelfeeften nog alle Slaven en het Graauw tot geheugenis, vry zuypen en dobbelen ziet) die van Jicht afgemartelt, zyn Ryk aan zynen Zoony«- piter over gaf. Nu vond de Griek, om de laauwer beweging van die Ster, gelykheyd in 't Voeteuvel van de eerfte Vorften > en de ommekreyts van die Ster verder zynde afgelegen, als andere, den naam van de Oudfte en Eer- fte. Maar hoedanig zyn Ryk is geweeft, of waar, is onzeker. Hy word de Koude Satumus, maar Jupiter de Blinkende genaamt. De tweede der Dwaal- ilerren hebben zy een Ploegyzer gemaakt, %, ter eere van die hen eerftdit gereedfchap uytvond, zynde Amun of Hammon, naderhand by de Grieken Jupiter, die ook aan 't Roode Meyr een Tempel van die zaamgevoegde naamen Jupiter Hammon in achting gehouden hebben, De derde van die Sterren hebben zy Taut,. eene Scythifche of Tartarifche naam, en van den Indianen hen ontleent, geheeten. En wyl hy eengrooten floutZoldaat was, O7 zyn Schild en Worpfpies tot Teeken van die Ster gezet, die onder de Dwaalfterren de vuurigfte tintelt > waar voor de Thraciers en Grieken Mars genoomen hebben. De Zon>. die zy door allerley namen hebben geviert, hebben zy 't belt verbeeld, zynde een. Rondmet ftippen,, en een in 't Midr delpunt. •:•'.- De matelyke Ster, die zelden gezien word,.om dat meeft by de Zon is, noemdenzy daar na Adris^en deFeniciers Hermes > gelyk de Grier ken en Romeynen Mercurius. Maar dewyl zy deze Ster zoo gering, en 200 dicht by de Zon> hunne grootite Gooheyd, zagen, en dat deze dik- maals,
|
||||
Van de Bewegikg dek Vlanetek* VIII. HoOfdstuic. ior
maals fchuyl bleef, zoo gaven de Egyptenaars daar aan twee Slangen op ee-
ne Stok in een geflingert, Q zoo als men Mercurius in de Hand geeft, en zyne Staf noemt, en dat op een Kruys, het welk by den Egyptenaaren vaft beteekent de uytftorting van Gods Zin, en zyne Beweeging in 't voortzet- ten van alle dingen. Dit Merk dan is, om dat hy Bode van de Zon en an- dere Goden is, en om dat hy die inftorting in de Sehepzels uytbrengt, al- zoo aan die Ster gegeeven, met de naam van Mercurius y de Vlugge. De Sterre, die in 't aanzien de grootfte en klaarfte des Hemels is,voor de Zon gaande, de Morgenfterre ,en na de Zon volgende, de Avondfterre genaamt, is met een Rond verbeeld, waar onder een Kruys, aldus %, wiens dwars- flreep buy ten 't Rond of Zonne uytkomt, beteekenende zyn loopen voor de Zon, als Lucifer, of als Hefperus na de Zon, en de neergaande Lyn,aan de Zon vaft, de aankleevinge van die Ster aan de Zon, met haar invloed op alles door de T , door den Grieken Hera, en nu de fchoone blinkende Venus genaamt. Eene Vorftin mogelyk van Cyprus -T maar zedert men Ce- fars gellacht van haar herkomftig maakte, by den Romeynen, met allerley Eerbied aangebeeden. De Maan is by hare geftalte, zoo als zy in 't eerfte verfchynt, met een halfrond, ongevult, met fcherpe punten op hoornen; <[ Jfis, Luna en cDiana de bleeke genaamt. De JVereLd met een © Rond* waar in een minder Rond, aet in 't midden ftaaty verbeeldende den Aard- kloot met den omloop der Kriftalle Hemelen,nu de Zonnekring of Zodiac Zyne 12. Teekenen zyn verbeeld: Aries, van wien zy begint, wanneerde Zon zyn Jaarloop heeft voleynd, V met een Hoofd van een Ram, met twee Hoornen, even als de Egyptenaars, Amun, of Hammon hebben getoont, (Africaan die veel Vee hoedde, en door wien Vader Bacchus leger Water kreeg,) makende het eerfte Teeken der vuurige Triangels Driehoeken, en verbee'ldende den Ingang des Leevens door dezelve. De tweede is dat Tee- ken, in welk de Zon komt. De Maand daar aan(gelyk men op die 12. Ver~ deelingen, en deze Teekenen daar op ftaande, het geheele Jaar heeft afge- deeld) word gezien met dit Merk tf,een OflTenkop (de eerfte der Luchts Driehoek) eenigzins toonende, en door de Egyptenaaren aan Apis geey- gent, dien zy onder de gedaante van een Stier (die Eur op a overvoerde) on- derhielden en aanbaden. De derde is het Teeken geenzins gelykende naar Tweelingen, maar wel naar eene Egge, waar mede zy de Landen in Indie omwierpenj zyne Sterren worden yyf Hyades genaamt, na deRegenmaan- den % maar door den Grieken in Cajior znTollux hervormt,enbyden. Latvnen Gemini, (de Tweelingen) genoemt. Want zoo wild heeft men met die Teekeningen dezer 12. geleefd,. datze Tireftas, in zoo veele Mannen; en Vrouwen van zyne jeugd verbeeldde, en diergelyke andere. Dog zy be- hielden om de Sterrekunde aan anderen te leeren, de Oude Merken,gelylc: wy nu nog doen. De vierde is van Twee Overvloeds Hoornen geweeft,. zoo verbeeld S,de eene ontfangende, en de andere uytgeevende, om dat N 3 de
|
||||
ioz De Hieroglyphen of Merkbeelden.
de Ethiopiers in die Maand hunne Vruchten inzamelden, en wederotn in
meuwe Landen zaayden; wegens de hitte door andere Volkeren, en Laty- nen Cancer, (de Kreeft) genaamt,door Hercules vertreeden,en van Juno in den Zodiac^ (Tegenkring,) geplaatft, met eenige Sterren, de Ezeltjens in de Kop verciert. Met het vyrde Hemelteeken begint de Nyl te zwellen; vvaarom't gevormt is naar eene Leeuwenkop en een Nylvat daar onder, aldus, ^,de Leeuwenkop voor de Wakkerheyd en 't Opmcrken,en dePotvoorde Nyl. Dit hebben de Grieken door de Leeuw, de eerfte overwinning van Hercules, verbeeld, en op zyn ftaart Berenices Haayr, uyt J. Sterren ge- plaatft , door Conon, de Sterrekyker $ wyl hare verloofde Haayren uyt Venus Tempel geftoolen waren, en die Sterren nog zonder naam gingen, in den Hemel getoont, naar de gewoone vleyery der Wiskundigen, aan den Vor- ften. De zefde is door den Egyptenaars gemaakt op die wyze, als zy ver- beeldden de Fonteyn van Hecate, of de Uytvloed der Zalpeterwateren $ wyl in die Maand de grootfte aanperillng der Wateren de Afvloed eyfchte, m.. Maar de Grieken, Euhadnes, Azatus en anderen maken hier van eene Maagd, de Dochter van Afcraus en Aurora, de Gerechtigheyd, met een duyfrer Hoofd. De Romeynen maakten daar van de Fortuyn of Ceres, om den Oogft. De zevende is een Jok op eene vlakke grondlyn , om dat met Jok-oflen de vlak geftroomde Landen wederom begonnen geploegt te wor- den, na het zakken van de Nyl. Dit is door Indianen en Chaldeen met eene Weegfchaal verbeeld, om dat de Zon van 't Eynde van Virgo naar den •Eww^rtrekkende, de Dag en Nacht gelyk maakt. Het maakzelisvande- zen aard, tm Libra genaamt. De achtfte is van twee Paalfteenen, oft Ter- mini zamen geftelt, en daar achter op een ligchaam van een Schorpioen, wiens ftaart opfteekt (Orion droomen zy, van dit Schorpioen geftooken te zyn, om dat als Schorpio opgaat, gaat Orion onder) aldus, fit, om dat zy dan alles wat oneffen was, van flib, flyk en fteenen, onder hunne mach- ten opgereddert hadden, tot zulken hoogte, als buyten Theb<e en Mifra ftonden, met Paalfteenen daar toe in de gronden gezet, als Maatzuylenj met de Schorpioen, welke by de Ethiopiers en Egyptenaars, eene langzame Overwinning beteekent, het zy die alleen, of met de Crocodil word te ge- lyk vertoont. Van anderen is die naam van Schorpioen aan dat Teeken ge- geven, om dat de Hitte Peft en heete Koortzen doende opkoomen, met het vergiftig fteeken van de Schorpioen over een kwam. De negende is als eene 'Pyl verbeeld * om dat in die Maand by den Indianen, Arabi'ers en meer anderen, de voortgang van die heete Ziektens en Peft duurde, die van alle fchielyk verderf het Merkbeeld is, zoo by den Jooden als Egyptenaaren. Eenige hebben dezelve Typhon, anderen Apollo, anderen Hercules genaamt. *T maakzel is 4->,als van eene Boogfchutters Pyl; voor Crotus den Centau- rus uytgebeeld, met Paardefchenkels, Satyrftaart en Pyl van Jupiter begif- tigt, om dat hy inSnelheyd, Wakkerheyd en Kunft uytmuntte. Voor zyne |
||||
Van de Beweging der Planeten. VIII. Hoofdstuk. ioj
Voeten heeft hy veele Stcrrekens, als een Kroon, met welke hy dertelt. An-
deren eyndelyk, volgens de Teekening, de T of Tau-letter, voor bewaring des Hemels, en de ryl daar aan gehecht, om de Vyanden te dooden. Na dien de tiende daar op volgende, aldus gemerkt y-£ eene omgekeerde A of Agathodamon, tot weldoen naar de Aarde gekeert , met eene Afplc of Slang daar aan, het eerfte tot aanroeping en vertooning van de hulp van O- Jiris -, het tweede om de dood van Canopus door de Slangen , die door zyn bepolderen van de Nylmonden fterk vermenigvuldigt zynde , hy met eene meenigte Ibis Vogelen had gewroken, en de eerfte Letter van haar hem ter eeren wierd Ibis bukkende gelyk gemaakt j eygentlyk dan eene aanroeping van 0fir is tegen A/pis, wylze dan in 't rypen van haar Zomerkoorn kwa- men. By de Grieken <iy£gipan den Steenbok, die als de Geyt, welke Ju- piters Voedfter was, hem even aangenaam onder de Teekens raakte, Ca- pricornus nubekent. De elfde heeft het oude Egyptifch Merk van Waters, door den Indianen by de Ganges eerft geftelt, van de Egyptenaaren voor zyne Overftroomende Vloeden -r by de Egyptenaaren voor Typhon, de Grie- ken Ganymedes, en de Latynen Aquarius, de Waterman genomen. De laatfte of twaalfde, is, om dat de Zon dan in Bithyni'e en Meden, en daar rondom 5t minfte fchynt, mede aan zulken zoort, als Typhon o& Aver ruin, eene Kwaade Godheyd geeygent, en door twee Viflchen met de Rugge te- gen malkanderen aldus verbeeld )(, om de Feeften, die zy ter eere van Ve- nus hielden door de Viflchen (waar in zy en Cupido taq hervormden} te Heyligen} die ook daarom geenerlei Viflchen aten: maar by de Egyptenaa- ren voor kwaad weer vertoont, als hulp van Typhon tegen de Goede Goden, |
|||||||
NE-
|
|||||||
Van Hemel en Aarde. IX. Hoofdstuk. io£
|
|||||
NEGENDE HOOFDSTUK.
Van Hemel en Aarde.
* TT\E Groote Moeder Vesta by den Romeynen, by den Cop*
•**• I 3 ten Ophta genoemt, is by die Volkeren omtrent Thebais y van welke Landftreek Copt a de Hoofdftad was, zoo gevormt ons nagelaa- fen > dat hare verbeeldinge de ganfche grond en bewaring der ftoften ver- toont, zoo wel als derzelver voortzetting. Zy is van een vaft, volwaflen, dog echter fchoon en jong wezen. Op haar Hoofd draagtze, het geen al- omme aan haar Beeld gemeen is, eene Toorenkroon, om de Sterktens en Gebouwen, die de Aarde fchynt te torflen. Haar Hoofdhayr is Ros-blond, en Goud gelyk, als de Zonneglans. Zy laat de warme vochtigheyd uyteen blaauw Watervat ne£rftorten , welke door hare middelgordel van Vuurftra- len gematigt word, hebbende alzoo op haar Middellyf de Linea ^yEquino- iiialis de Middellyn, -en boven op hare Boezem den Steenboks Zonnekeer- kring. Onder aan haar Bovenrok de Kreeft Zonnekeerkring. Haar Linker- hand houd een Overvloedshoorn vol Boomvrachten, zittende in een rypen Oogft met het Snymes gereed, en hebbende allerley Aardvruchten, Wyn- gaarden,en zoo voorts,aan de andere zyde. Men ziet haar in 't midden van een Zeefchelpj om dat de Aarde alom van de Zee bevat is, en het zout tot de voortteeling niet weynig aandryft. Deze Schelp word omilooten met zoo veele veranderingen, als de Maanonderworpen is, die eyndelyk van de drie Kringteekenen , op die ordre , welke na die Manen geregelt is , ingeflo- ten word. De macht en fterkte van de Aarde word alom van die Godin verbeeld door de Leeuwen* te meer, wyl de Aarde dan, wanneer de Zon in de Leeuw komt, op haar vruchtbaarfte in die Landftreeken is. Deze Beel- tenis der Godin Ophta met hare Leeuwen wierden als in de Wolken hangen- de of dryvende vertoont; om dat zy widen, dat Ophta d£Veftay die de naam heeft van door hare eyge macht te ftaan, in de Lucht zigzelven houd dragende. In den Voorhot van deze Ophta, overgebracht tot de Tyriers, zag men Vier Deelen van de Wereldj dog anders als de onzen, want zy gaven twee hoofden aan Afie\ houdende het Wetter voor het eene, en het Oofter voor het andere Deel-, voorts Eur op a en Africa. Ook heeft de Aar- de eene Sleutel in hare Schoot, om dat zy jaarlykfch toegeflooten word met de Herfft, en geopent met de Lente. -D. Dit dobbeld deel van AJie wierd dan by hen vertoont door een Hoofd,
wys *en deftig van aanzien, zulks als ePerfii?, S/rie, Indie, en 't Ryk der Seres of Chmeezen paftes het andere ftout en grof, om aan Georgiers, O Na-
|
|||||
106 De Hieroglyphen of Merkbeeldekt.
Natoli'erSy Tart hen, Scjthen, Tartar en, en verdere woefte Volkeren te
pafien. Het een is met bont, het ander licht gekleed -, om dat eenige deelen zoo dicht aan den Evenaar leggen, ja daar onder, anderenaa 't Noorder Afpunt toe zakken.Haar Hoofd is met eenTulbandenParthifcheKroonop- gehult, waarop de halve Maan de anderwerping; aan Mahomeths Leer be- wyft, die ganfch Ape in heeftj \ een en t ander in die Landen 't hoofd- dekzel zynde. De eene helft fchynt voor de Sabel, de andere voor de Kerk ("waar van zy yt Wierookvat draagt) geneegen -r gelyk zy te gelyk met dit H. Vat laat zien hare Rykdom van Balzemen,ReukwerkenenGeneeskruy- <ien, van welke zy overvloeyt. Zy draagt op hare zyde eenige Tafelenvan de Heelkonften of Wettcn; om dat zy tot Wetgeven, Volken te beheer- fchen, Heelkonft en allerley diepe Denkersuytvoeringen deftig cnbekwaam. is. Zy heeft aan hare Reenter zyde ^' Eitropa , naar de gefchaakte Dochter van Cecrops vernoemt, het
kleynfte, maar nu het waardfte Gedeelte der Wereld, met eene Vederbos op haar Helm,de Koenheyd en Strydbaarheyd voor ieders Vryheyd metde Praalkroon toonende. Een Lauwrenkrans voor hare Konften, Werkzaam- heyd en Krygshandel draagtze in de Linkerhandj terwyl de Rechter een Schip doet zien, waar mede zy overgevoert is na Creta of Candie-, en den Stier, die haar over Zee voerde •■> waar van men Jupiter de eer geeft. Of mogelyk is de naam van het Schip zoo geweeft. Zy draagt den naam van. CHRISTUS, wiens Zaligmakende Leer zy omhelfl: heeft, in den Boezem. Den Deegen op hare zyde, dk haar by de afgelegenfte- Volkerenr by haar ontdekt, doet ontzien^ met den Tabbaart echter ook gedekt, omde School- en Pleytgeleerdheyd te doen aanmerken, waar van zy te wel bedeelt is. Dog van deze en anderen zalmen hier na breder handelen. D. Afrika ftaat hier verbeeld, als het flechtfte deel, datzy bezit^na-
mentlyk het Land der Zwarten, Kaffers, Negers, Negriten, en diergelyke genoemt, alleen om dat deverdeling der Werelddeelen door Sem, Jap het en Cham (Velykmen hier hare Oudheyd nog naaft blyftj meer dit onder- fcheyd eyfent y eeven als 't vervoeren van Europa. Deze is van weezen en verw de andere ganfch ongelyk, maar draagt de flaverny in haar mottig Aan- gezicht, waar van de platte Neus jirytpuylende Kaken en Voorhoofd, om- gekrulde Lippen, en zwarte Lammerenbol de Merken zyn* maar van den Vloek van Roach, om Chams onbefchaamdheyd een wonder overblyfzel de zwarte Huyd, die haar zoo blank, als anderen geboren, den achtften dag aan de fchamelheyd begint,tot zy in 't kort de ganfche Huydoverloopt. Een weynig Katoen dekt eenige 't Onderlyf. Veele zyn geheel naakt. Ja Hottentots, en veel naa de Kaap de Goede Hoop,zynbynadenBeeften ge- lyk 5 zonder zamenwouingj Beeften en Menfchen verflindende, EenTy- ger-
|
||||
Van Hemel en Amide. IX. Hoofdstuk. 107
gerhuyd dekt hunne Schouders, en eenige Strandhorens doorbooren hunne
Oorlellen. Zy komt ons voor zonder eygen Godsdienft. Maar by aldien men hare fchoonfte deelen wil befchouwen, en Egypt ens Wysheyd, Taleftinays Zegeningen, en Abyjfina's Rykdommen aanmerkt, dan vindmen de Moo- ren de grootfte en oudfte Wysgeeren, de Arablers de befte Hemelkundi- gen, en de fchranderheyd aan denNyl gebooren^ waarom zy dan ook met eene Naaldzuyl op haar Hoofd de andere braveert. •t^* America , naauwelyks by de oudheyd by fchemering door zom-
migen gezien, beurt haar verflaafde Hoofd even uyt de duyfterheyd op, en flikkert met haar Goud-en Zilver-kroon tuilchen de keurlyke Veeren fterk in de oogen der andere deelen. Men vind in alle deze deelen eenige fpruyten, uyt het zaad der Egypti-
fche Godsdienft, welkers Opperfte Geeftbeeld Hemphta, Bajeth, Bufi- ris, Ofiris en Ifis wierd genaamt, met lofle mengeling-, mogelyk naar 't verfchiet der Taalen en Tongen,het breed uytgeftrekte Ryk van Egypte(na Chams zoon Mizraim genaamt) verandert, of naar de verfcheyde bevat- tingen van de werkingen van eenen Albewegenden Geeft. Het geen veel harden onder de Geleerden maakt, maar van geringe dienft is. Immers in dit Werk heb ik 't nagevorft, om de Schilders, Beeldhouwers , Dichters en anderen te dienen, als men uyt de eerfte Oudheden, Tharao's en anderer Oppervorften, hare Voorvallen en Gefchiedeniflen wil voordra- gen, endaar nevens de byzonderheden van hetzelvedoenkennen,alsMerk- tekenen der uytgevoerde Wonderen in 't Heel-Al. Welk een voor een, of meer by een, tot andere zaken konnen overgebracht worden. F' De Tunx of Verftandige Geeft. Deze Opperfte Geeft zat op eene
Throon, van de H. Geheymweters of Hieromyflen, genaamt de Toott der Goden.Y\y is aan zyn boventrans met Vlammen getooyt, het fynfte Vuur, waar uyt alles is, als 't bovenfte erkennende. Daar onder een Bol met Vler- ken •, de beweging van de Lucht daar onder. De Pilaaren, die den. Throon onderftutten, zyn met Sterren verciertj en alzoo de drie uytvloeyende, be- werkende, en ontfangende krachten toonende (met het woord $VAO,dat Liefde en Vereeniging betekent) door welke de Natuur haars gelyken voort- zet. Hier in zit het Beeld, als eene Vrouw gekleed, van de Boezem toe de Voeten met een veelverwig Kleed getooyt, om de bevallige geftaltenis- veranderingen der Wereld op hate bovenfchorfle te doenzien, met eene fter- ke Boezem. Haar Aangezicht is fchoon, heerfchachtig, en aanzienlyk ge- dekt, met een Patrysvogel, vliegende of willende vliegen. Deze betekent om zyne fchoon gefpikkelde Huyd met een Hemelsblaauwegronddeheerlykheyd van 't vafte Sterrengewelf. Boven op zyn Rug ftaat eene Korf,om devrucht- baarheyd, die uyt deszelfs welgefteltheyd vToeyt, te betoogen. Waar uyt O 2 ' twee
|
||||
io8 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
twee Perzikbladen aan hare takjes uytfpruyten > door welke zy verironden
de netre order en Wysheyd in 5t Geheel-Al pralende. De Hoornen hier op volgende zyn die van Ifis, die Osvormig zynde, daarom genoemt word Bn- morpha. 't Bovenfte is eene Tor in een blinkend Rond heerfchende', door welke Zon verftaan word* zoo geacht, dat het de doodftraf na zig ileep- te, dit Schepzeltje te vertreeden, in 't welk zy vonden alle de gelyke- nis van de Zon en de Maan, om veele kwalyk gegronde redenenj (/want hoewel de ervarendheyd bewyft, dat het minite en meefte Dier, en Ondier, uyt zyns gelyken by een of meer veranderingen voortkomt.) Zy waanden , dat dit Diertje Oilenmift vindende, daar van bolletjes maakt, rond de Wereld gelyk; en die gemaakt hebbende, met gedurige rollingen voortftoot, en zelfs naar den Hemel ziende, dus zyn Jong maakt. Dat het ook 2 8. dagen, den tyd der Maane, tot zyne voortzetting bezig is. Alle de Tor- ren zyn zonder Wyfjens te zyn gehouden. Zy zyn driezoortig, Kattige, Ob- lige en Eenhoornige. Alle drie OJiris eygen, naar de verfcheyden werkin- gen. Dit Beeld zit, om zyne groote heerlykheyd te vertoonen,, wyzende zyne beveelen met de Hand, en houdende een Staf van het Waterkruyd Lot hits, welke als de Zonnebloem, den Zonneloop Nacht en Dag opge- volgt in de andere Hand, op eene Stoel, waar op een Hond gehouwen isj om dat Ifis, of de Osvormige Sot his y heerlykft flraalt in het Hemelteeken van den Hond. Van voren is eene fchikking van in-en uytvloeyende Zon- ne-naalden. Zoo vindmen hier onder Havikken, Sphinxen, Leeuwen met Vrouwehoofden, Ronde Omrrekken met Coptifche Letteren -, waar van *er zulke en andere by Liefhebbers te vinden zyn, welker leezingen merendeels uytkomen op aanroepingen van OJiris, van Mophta, Toth, Tunx , Ifis, Anubts, CanopuSj of anderen, welke driemaal aangeroepen word, met fchrikkelyk gebaar, gemurmel en draayingen, tot Gebedem of Dreygingen, in Nood en Twyftel, in Honger of Ongelegentheyd. Waar by veele Lie- deren, Ofterhanden, Omgangen, als andere grillen zamen liepen, meeft met der Tyd op fchachery en bedrog der Priefteren uydopendej zonder datech- ter de eerfle beginzelen kwaad of valfch waren. vJ» Apis word van de Femders, als Juvencus en Juvenca , met een
Os getoont, op wiens veelverwig Kleed een Patrysvogel op de Rug vloog, voor de Maan-keer. H. Canopus, van een Stiermans naam onrieent, met een Hondekop,
door den Grieken zoo getytelt, dog naderhand met een groot Watervatom t Lyf> voor X Water,. (by den Copten Thta) blaauw van verwe. ■*• Mendes, de Zonnevalk, aangebeden by den Morenlanders, om't
engemak j dat zy vande overgroote ea fmachtende hitte der Zonne leeden,, toe-
|
||||
Van Hemel en Aarde. IX, Hoofdstuk. roc?
toegemaakt en verbrand, heeft een Havikskop en Hoornen van Zon en Maan
K. Chenosiris, de H. Gans, met een kromgebekte Ganzenkop, die
een BnTchops Hoofdkleed tot cieraad op de Kop draagt , voor de wakkere waarneming der Godsdienftige Plechtigheden, J-'- Amun, de Oppergod, die met zyn Vuurige Kracht alles bezieltjtot
Jupiter Hammon verandert, met de beyde Ramshoornen, de krachtennaar \ Ooften en Weflen uytgefpreyd, vereert met het eerfte Teeken der Teken- kring, houdende in zyne Hand eene Bol, waar uyt Vuur ftraalt, voor het Eerfte Bewegend Wezen. Aruerin, by anderen genaamt, of Ichton voor alle de Goden gaande, voor het eerfte Model of Voorbeeld der Schepping. Het woord 4>VAO of Liefde, (Vaar van de Egyptenaars bykans alles ma-
ken, $ voor de Wereld of Spfara, de V opening van 't geheel om teontfan- gen, A uytvloeying der Zonnekrachten, O tot bewaring van't geheel) wierd in de fchoot van de Chaos gelegt, die voor Jupiter en Saturnus was, zyn- de Unio Tartium, feu Sympathia. Haar Middelaarfter, of Voorfpraak by haar was Tmen of Onvermoeyden Arbeyd, de eerfte der Egyptifche Mify- thren. T>e Namen van de Groote Moeder der Goden vstn >
Berecynthia,
Bona Dea. CVBELE.
DlNDYMENE, Faunia.
GrANDjEVA,
Id^ea.
Maja. Ops , en meer andere. Zoo gaf men aan de Zon alle namen der ancfere Goden.
Want denHeydenen kwam ditgrootfte gefchape Licht voor,alsvoldoen~
de voor alles. En wyl hen niet gegunt wierd den Onbegrypelyken God door een ingeftort Geloor aan te nemen, zoo raakte deze hunne uyterlyke zinnerk meeft, en bewegende dus hun verftand, gaven zy (*t geen zy meenden te zien, ja in zig zelven te voelen) aan de Zon alle de eer van 't wezen, en worden der andere Schepzelen. Merkende, dat de Maan van hem haar glans ontleende, ftelden zy vaft, dat zoo veel van de Maan beftiert worden- de, en dit Licht van de Zon afhankelyk zynde, alles aan de Zon alleen was te geveny Amman, Apis, Saturnus, Jupiter, Serapis, Tha'eton, MythriS) Belus, Apollo3 van Ly biers, van den Copten* Ar abler s, Afi 0 * £-
|
||||
no De Hieroclyphen oe Merkbeelden.
Jyriers, Egyptenaaren, Lyciers, Babyloni'ers en Grieken vernoemt, en
meteenoneyndigmengelmoes van andere namen in alle Tempelenover algc- eert; behalven by de Numiden, Garamanten, Ethiopers, AbyJJinen en eeni- ge Indianen, zoo van Ooft-als Weft-Indie, dieofeen Beeltenis tot Afch brandden, en in hunne Rivieren wierpen; of eenen God der Regenmaan- den, des Nyls, Ganges, of Euphrates $ of de Beelden van eenige Winden alle Jaren deden vernielen, het Zonnenbeeld met verfchrikkelyke bezwee- ringen tegen zyn wederkeerende hitte vervloekende. By den Hottentots aan de Kaap de Goede Hoop hebben zy eenenRegengod, nu JanKapiteyn,tc vooren Ruo by hen geheeten. Deze eerenzyalshetblixemt,hemtoeeygenen- de de kracht van met Donderklooten te fchieten op de Zon* en achtenook de Blixemen als zoo veele afgefmeeten Brandpylen van de Zon>waar tegen de Grieken van de Zon Hercules maakten, naar de geftalten van Baalfa- rnen der Tyriers, of warme Hemelgodj ftelden Herakles, Vadervan 80. Kinderen in eene Nachtj weshalven men de Eerftelingen aller Vruchten en Beeften aan de Zon,als Hercules of Herakles offerde, en uytvondin dien Zonnennaam van Herakles die Letteren , welke naar de Cyperfche Letter- tal-rekening uytmaakten 365-, zoo veele als de Zon dagen uytlevert in eea Jaar. |
|||||
TIEN.
|
|||||
Berste Vervolg van Hemel en Aarde. X, Hoofdst. hi
|
|||||
TIENDE HOOFDST UK.
Eerfte Vervolg van Hemel en Aarde.
TSis, 'Diana, Luna, en meer namen betekenen dezelve>alsHeca-
A. J[ u, Troferpina, Trifornus ,. Trivia enz. Zy word zelfs ook *Driehoofdig genaamt,om datze als Luna in den Hemel, op de Wereld o- ver Boflfchen en Jachten als *Diana, over de Hel als Hecate geloofd wierd te heerfchen. Zy draagt by den Chalde'en en Sabe'en een Zonneglans van Regenboogs-verwen om haar Hoofd, ontlenende van dien haar licht, met geftadige ongeftadigheyd, duyfter, fcherp, half en half licht, afnemende en groeyende. Haar Hoornen op 't Hoofd betekenen hare veranderingen en hare Macht, gelyk Hoorn en Hoornen over al voor macht genomen worden. De Hondsooren zyn van de Jachthonden hare wakkerheyd, en de opgeftoo- ken Ooren altyd een merk van vlugge Waarheyd, Want wat is 'er wakker- der in onraad , wat trouwer, wat manvafter , ja kwaadwrekender, als een Hond ? Ook zyn de Hondsooren vmAnubis, die by de Eleufini'ers wonende haar onderwees in 't vervalder WaterennaardeHemelstekenen,en byzonder naar de Maan, die by de Eleujiniers 28. Elbogen,de dagen van elke Maan by Xoinfes, zoo veel als de Maandagen, telkens afen aangroeyt; 14. by Memphis de dagen der Voile Maan. Waar op ook de Hoornen, dikmaals voor Vloeden genomen, konnen gepaft worden. Eene Diamant ftaat in haar Kap, om haar alleen flikkerende luyfter by nacht te verbeelden. De plooyen van die Kap, met hoornswyze trekken ter zvden, zynde ver- fcheyden van vervven, zyn de zeven krachten, diedeze Godheyd doet zien in de Luchten, in de Eb en Vloed,. in de Vrouwen, in de Beeften, in de Vruchten,. VuTchen en Bergwerken. B« Apis, zodanig als hy bewaard wierd om goede of kwade uytkomft
der zaaken te vertogen. Goede, als 'er een Gras of Voeder in zyne Muyl fteektj Kwade ,rals de Muyl zoo geiloten blyft. Want zoo plegen de Orake- len by Apis verftaan te worden. Cv# Dit is Is is by de Feniciers, en Tari'ers > waar vande Grieken 't
hare ontleent, en als \ hare tot den Romeynen hebben overgebracht. Eer- ftelyk genomen voor het Verftand, Geeft en Weten. Waarom zy Typhon, haar tegenparty, voor de Hovaardy en Onverftand,als harenvyandDraaks en Paviljons wyze verdoemden. Haar Myter of Muts toont een invallende ftraal tuflchen twee Naalden, en heeft Haviksve£ren, Zonsteekenen -3 om dat die Vogel fcherper ziet, reenter en gezwinder op en neer vliegt,al§ andcre. Dc-
|
|||||
in De Hieroglyphen of Merkbeelden.
Deze Pennen ftaan in 't midden van een Rond, wyl de Zon tot in *t hert
der Aarde invloeyt. Daar onder ftaat de Maan, gelyk zy donker zynde doet. Waar na vblgen de Torenkroon met prachtige Juwelen, betekenende het gene op de fchors der Wereld, en in haar boezem is. Een Hertenhuyd cnde de Pylkoker hangen om haar Lyf en Schouder van de Jacht, waar toe de nootzakelyke vlugheyd met de Vleugelen praalt; dog meeft, om dat de Maan haren loop gaauwer als eenige der Planeten afdoet. Haar Linker arm houd een Slang omgekrult, een teeken van heyl en gezondheyd. Een Offer- ichoteltjen houd ze in de hand , om datze den Godsdienft eerft ingevoert heeftjom de Mooren te temmen, en te doen bezadigen. 't Roer heeftze by haar, om dat de Grieken wilden, dat Io voor I/is was aangebeden, en zy de Scheepvaart bezegent j gelyk men haar de Kielen heeft opgeoffert. Ceres Fruythoorn en Koornayren heeftze in hare Rechterhand -y want met hare zorg over de Nyl doetze Egypte Europa's Koornfchuur zyn •, waarom zy den Ratel van hare Offerpapen in de Hand houd. Dog om dat zy 't Men- fchelyk geflacht doet voortplanten, ziet men een Kinds-en Manshoofd inde- zelve Hoorn •, welk men ook van Ofiris en Typhon meent. De kleding is op zyn Tyrifch,, maar de Voeten gedekt, om dat niemand de geheymen en beginzelen der Goddelykheden moet navorfchen. D. Venus, door zoo veele bynamen, als'er Landen zyn, geviert en
bekent, pleeg by den Ethiopiers en Arabieren op de naam van Aft Arte en 'Direah, met Mars, gemeene Tempelen, en die verguld te hebben. Zy is te gelyk met die andere Planeet geeert, om dat *er geen lieffelyker tyd, nog fchoonder weer is, als wanneer die Planeten vereenigt zyn. Hare Latynfche naam Mentis komt van Venire^ om dat alles door haar voortkomt. Men heeft haar met den bynaam Calva geeert, om dat de Roomfche JufFerfchap hare Hoofdhayren tot touwen aan 't gefchut deden fnyden en dienen, als 't Ca- pitool door de Galliers belegert was; Libitinay om te bewyzen, datalwat geboren is, fterffelyk is; Genitrix, aan welke Auguftus, met een Comeet daar by, Julius Cefars Beeld toeheyligde. Zy is op het Eyland Cyprus geacht geweeft, als daar geboren, en tot Schutsvrouw door de Sidoni'ers aangenomen, in deze geftalte, gelyk zy nog van Koper te zien is j hebben- deeene Sluyer om 't Lyf geflingert, waar op veel trckfkens te zien zyn,als ©f het Camelot was. Hare Haayrlokken,die fchoon en rykelykzyn, zietmen met veele Peerelfnoertjes gevat, en haar Hulfel is als eene Moederpeerel met flikkerende takken, als ftraalen, geeyndigt achter aan de kruyn, als een Oefter. Zy heeft een Wereldkloot in de Rechterhand, waar uyt Vuur en vlam fpruyt, om de brandende begeerte, die zy den Schepzelen inboezemt, te gelyk ook de Guide Twift-appel gelykende, die zy van "P^r/'jontfing.Zy ftaat op eene zeer dartele manier verbeeld, haar Schoentje los makende, om gereder tot de omhelzingen te zyn. Zy heeft wederzyds Duyven, geyl goed,
|
||||
Eerste Vervolg van Hhmel en Aar.de. X Hoofdst. n$
goed-, hoewel zy ook Mufchjensop veele plaatzen by haar heeft, wegens
derzelver grooter geylheydj en daar zy tot kuyfche vlarnmendient,Zwanen. ■t-" Naaft aan hare zyde zyn twee Liefdens of Kupido's, die deze bey-
de betekeniflen hebben, en totbeyde konnen gebruykt worden. De eerfleis eene Hemelfche, en aldus houdende in de Hand eene Globe of Bolvan 't Heel-Al, zynde die verflandige kracht, die in alle Geeiten is, om zamente doen loopen, elk tot byeenfchikking, uytfpruyting en A^oortzetting van zyns gelyke Ligchamen. De tweede is de gemeene Venus, de Dochter van Ju- piter en ^Dione -, de voortteling en zyne dartele vermaaken in de Ligchamen zelve, en 't geen daar vanafkomt, als fchoonheyd, bevalligheyd, en zoo voort. Of wel de eene Kupido, houdende de Bol voor eene Spiegel, als den Vrouwcn eygen; de andere met zyne Boog en Pyl voor de Mannen. Immers zy zyn dobbeld in getal, gclyk \vy veel van eene dobbele Venus we- ten en zien * hier eene Eerlyke en Gerege/de ,tegen eene Affchouwelyke en Onwettige -, eene Vrolyke en Minnelyke, tegen eene Bedroefde en Minne- nydige -, eene, die 't leven geeft, en eene Libitina, de 'Dodelyke. Ondcr deze twee Kupido's zietmen alles onderworpen, en zulks verbeeld door de Merken der Goden. Daar zyn de Kopere Klinktrommelen of Ratels van Cybele en Bacchus, de Dolphynen van Neptunus, de Pylkoker van Apol- lo, de Knods van Hercules, het Schild van Mars, de Vork van 'Pluto, de Ruyfchpyp van Tan, de Slang van <^/Efculapius, de Hamer van Vul- canus > om te bewyzen, dat de Liefde over alles heerfchr. -T- Is de kracht van het Water, verbeeld by een andere zoort van Ca-
nopus, die van den Stuurman van 'tSchip Ofir is (Volgens der Grieken verhaal^) tot een God geheyligt, en daar voor aangebeden wierd. Eene flikkeren- de Ster, op eene der Kiemen van 't Schip Argo, welke tuilchen Orion en de kleync honderd, als een gelternte van veelc tintelt, na I/is en Ofiris met de grootile eer aangebeden. By zyne Tempel wierd altyd eene Hooge School voor de Natuurkenners gefticht en gehouden. Zyn teer en fchraal Lyf is met een flangswyze Watervat omvangen, waar in een van zyne Priefters kleyne gaatjens had geboort, met Wafch gedekt, en die, als 't Vuur met den Prieilers van het Vuur ('t geen zy met veele vergode namen eerdenj daar rondom en onder flooktcn, en 't Vuur verwon, imolt, en doorftralende met het Water, dat rondom Canopus Lyf ingegoten was, het Vuur uytdoof- de. Zegepralende over het Vuur wierd hy zedert in zulken Vat over al van andere Goden onderfcheyden, zoo als men hem ziet op zeer vele plaatzen van Egypte, Syrie, en by de Heydenfche Braminen op Goude Penningenj in Indojlan, met de Merken der meefte Metalen, naarde wyze der Chal- deeuwen, rondom zyn Lyf, op welke zyne Waterftralenbraveren.Dekeer- |
||||
114. De Hieroglyphen of Merkbeelden.
zyde van die Penningen is vol Egypcifche Merklctters, die deze Hiftorien ^
(en meerj van hem (Canopus) te verftaan geven. G. ^Esculapius, eerft Apius genaamt, dog na 't genezen van den
Tyran van Epidaurus Afclen, in deszelfs naam alzoo verandert. Hy word op veele plaatzen met veele bekende by werken in Beeld en Prent vertoont-, maar deze is my zoo uyt Adely eene plaats aan de Rietzee of het Roode Meyr, mede gebracht vertoont. Hy is Oud, maar geenzins zoo lang van Baard, als in andere zyne Beelteniflen. Eene groote van Goud, door "Phi- lippus, Koning van Macedonia gerooft, bewyft door hare zwaarte hare grootheyd, zynde 15. Ponden Gouds geweeft. Eene groote Slang omringt zyn Lyf, om de gezondheyd te verzeekeren, waar.van hy als God geeert vvierd. De Grieken geven hem deze Slang, om dat hy Glaucus, denZoon van Minos, had genezen, door een Kruyd van eene Slang aan hem gewe- zen; wanneer hy 't Wyfje van die Slang gedood had. In de Rechterhand houd hy een Schaal, waar in hy zyne Dranken den zieken aanbied. Een Arend is aan zyne eene zyde, om zynelange levenstyd, en om veele voor- beelden, in welke door Arenden verloft zyn Menfchen, die zoo op 't punt van gedood te worden ftonden -y als Helena, Valeria, Luparia, Tilgamusy en anderen. Zoo dat hier de Arend is het Merk, van Menfchen uyt doods- gevaren te redden -r gelyk zy 00k gebruykt word voor het Merk van geluk- kig voorfpel in Krygsondernemingen -, als by Cyrus, en anderen voorzien is. De Kop van een Ram legt aan zyne Voeten, onder de Egyptifche Go- den , voor 't Beeld der Bewarende Natuur gebruykt, en aan Jupiter Amun of Hammon^cn andere eygenjmet welk voor Ammon bydciPaleJlyneni E- gyptenaars , en Arabieren, de groetenis op de Straten in 't ontmoeten we- derzyds gefchiedde; zeggende Ammon, gelyk zy welvaren en gezondheyd wenfchen. Ook wierd by die Volkeren Ramsvleefch voor de gezondheyd het befte gehouden; en boven al is het teeken van de Ram, met het opko- men der Lente onder de Hemelsteekenen, hetaldergezondfte, 5t begin zyn- de van de warmte en nieuwe Zonnenloop. Zyne Staf is deels om het doo- den A«an het Serpent^ maar meer om te toonen, dat zyne Geneeskonft was een ftut of fteunzel voor de zwakheyd van het Leven j mogelyk ook, om dat hy veele Ryken doorreyft heeft, om zyne kennis te leeren en te oefFe- nen, gelyk eene geknopte Staf het Merk is van Bedevaarden en verre Rey~ zen. H. Hercules,is bynainalle Steden en Ryken vergood en geviert, is
een Bentnaam der- fterke en floute Oorlogshelden geworden. Van Theben , Tyrus, Hellas en andere Ryken zyn zulke Tyteldragers voortgekomen, gelyk by de Hebreen Samfons, Oude Duytfchen Heimans, Hertmans, Ir- mens5 en diergelykej en by latere tyden Roe lands en zulke namen van op- |
||||
EHUSTE VeRVOLG VAN HnMEL EN A ARDE. X. HoOFDST. 115
geblaze en trotfche roern. Deze is niet gedekt met eene Leeuwenhuyd, nog
met de Hoorn van Achelous, nog met de Pylaren,nog met Draken ofHel- honden, die de Heydenen uyt zaamgefmede Gefchiedenis-verhalen, moge- lyk meefl uyt de Heylige Gedenkfchriften, hcbben opgeveyzelt. Maar toont met zyne eene Hand wel te bewaren zyne Mannelyklieyd , houdende zyne Mond gefloten ; en aldus deze beyde gevaarlyke delen intomende, houdhy zyne Knods op zyne Schouders, om daar mede de aanvallen van buyten wel te konnen wederftaan, en af te keren ■, wanneer hy van zyne eyge driften meefter is. Want de Tong, de Keel j en de Schaamte wel beheer- fchende, is men gemakkelyk veylig. ■*• Onder de Volkeren van Ethiopi'e en Lybi'e is een Harpocrates voor
God geacht, tot de Grieken en Romeynen overgebracht. Zodanige lieb ik 'er twee5 een van Venus, Libyca^ die, gelyk deze God, eene gekreefde Morenbol lieeft. Een ander heb ik van oud Metaal gezien, met fchoon Hayr. Op zyn Hoofd heeft hy het hoofd van eene Mannelyklieyd, om te bewyzen, dat het niemand en voegt van de geheyme vermaken te klappen. Hoewel het 00k fchynt een gefplete Kokertje te zyn, waar in der jonge Prie- fters Schaamteleden gefloten wierden. Boven op zyn Hoofd ftaande en in de Herflenen ingegriffyt, ten eynde dat op 't eerfte gezicht van dit Beeld der Stilzwygentheyd , ieder leeren zoude nooyt het minfte te ontdekken van de geheymen der Godsdienften, Orakelen,of Konftenaryen; maar00k, om dat niemand den oorfprong der Vergoode , en hoe men van Menfchen Godheden gemaakt heeft, zoude, of nagaan, of nagegaan hebbende, door \ verkondigen, de aandacht en de onderwerping van degemeentcontruften of wechnemen, tot nadeel der vette Papen. Hy wierdt gehoudcn na Ofiris dood geboren te zyn van I/is en Helitomerus, zwak en onfterk van zyne Teclleden. Als God van de Stilzwygendheyd, bedwingt hy zyne Lippen met zyne Vinger -, fteunende met zyne andere Hand op een onvruchtbare Boom, en bcwyzende, dat zulke die niet en konnen zwygen, hooren, en leeren, tot geene goede zaken konnen vruchtbaar zyn. Drie zoorten van zielen by den Ouden zyn in Kopere of andere Metalen
uyt Natolie of kleyn A fie tot ons overgebracht, en naderhand by eenige Grieken, ja Oudvadiers, in fchrift opgevolgt-y alle met Vleugelen. ^« De eene komt my voor met vier Vleugelen,en Vogelpoten,en Staart,
met een Kinderen Aangezicht, op een Appel ftaande; als eene Ziel, in de macht fchynende van te konnen zondigen en vallen ;het Menfchelyke, het Hemelfche, en het Dierlyke te zamen omdragende; het Merk van de Ziel van den Menfchen na den Val, den eeritcn Menfch die op den Appel van Verlokking is gevallen. !->• De tweede zoort is zonder Dierlvkheyd, met de Oogen en fnakken-
P 2 de
|
||||
lid De Hieroglyphen of Merkbeelden.
de Mond naar den Hemel, waar van die Engel afgevlogen fchynt^ met
vruchtbare Borften, om wel te doen en te ftichten; en de Staart van eene Paradysvogel, om niet op het Aardfche te ruften: waarom ook dezelve nog Poten nog Klaauwen heeft. M. De derde zoort is een vervalle Ziel, welke als eene Sphinx gemaakt
fchynt, hebbende een Dekhulzel op haar kaal Hoofd; want de Zon van Wysheyd, in de blonde Hayrlokken zomtyds vertoont, mift hy, en duykt onder de fchynheylige Kap der opgefmukte Godsdienft, waar van het ge- plooyde Schouderdekzel het Merk is^ met verkeerde Vleugelen, en het Lyf van een Aap. De naam van Sphinx is genomen naade taal van Thebais ,van dwingen en binden, tot dit zoort van vervalle Zielen behorende. 'T is een Dier eygentlyk als onze groote Meerkatten, diemen Salvagas, of wilde Menfchen noemt, de Menichen in Prammen, Aangezicht, over eynd gaan, en gedeylde Handen en Voeten gelyk-, boos, geyl en vuyl, ruyg over al, behalven daar de fchaamte gedekt moet zyn. Van dit Dier afftappende , heeft men de Spinxen op veelderley manieren afgemaalt; half Leeuw j half Draak, half Hond, half Menfch, en diergelyk^ dog elk tot een Merk van byzondere boosheden of gebreken. Dat zy alle de twee eerfte Vleugelen hebben, is volgens de Leer van Z'ore'after, die, gelyk 'Plato na hem, ge- voelde, dat de Ziel, als de Vleugelen haar kracht verloren hadden, in de bereyde ftof van een Kind neerdaalde •, maar wanneer die Vleugelen genoeg- zaam gegroeyt waren, weer na den Hemel vlogen. Deze Godgeheyligde Ziel heeft: twee Vleugelen, eene van Liefde tot God, en eene van lliefde tot den Naaftcn, met welke zy waarlyk ten Hemel kan opvliegen. |
|||||
ELF-
|
|||||
.
|
|||||||||||
II. Vervolg van Hemelen Aarde. XL Hoofdstuk. 117
|
|||||||||||
E L F D E HOODSTUK.
Tweede Vervolg van Hemel en Aarde. WAnneer de Aarde zig begon te verheffen uyt de Wateren, Slyk, Rot-
zen, en Afgrondj moeft zulks eene andereverbeeldingvereyfchen. De Chaldeeuwen dan namen A. Ser, by den Egyptenaars Ofiris genaamt, met drieHoofden, eenen
Leeuw voor de Tegenwoordige, eenen Hond voor de Toekomende, en ee- nen Wolf voor de Voorleden Tyd. Op deze Hoofden is eene Maat-Em- f»er, om te toonen dat het befturen van Tyd, en alles in Evenmaat te hou- den, tuflchen de gefchapene ftoffen beftaat. By de Koppen hangen neer de bindzeltjes van Ser apis blinkende, om den fchyn der Zonne, Maan en Sterren met hare invloeyingen op de Schepzelen te toonen. Eene rondc Cir- kel maakt de Borft en Buyk, iluytende in een alle de Edele Deelen der Zee en Aarde. Hondert Handen heeft zy aan beyde zyden, deels zwarte, deels witte, verdervende 't een, om 't ander te doen voortkomen. XJ. Uranus by den Grieken, Heromafes by den Perzen en Aflyriers,.
met drie Oogen, om de Hemelfche, Wereldfche, en Onderaardfche din- gen te bezorgen, heeft zyn Hoofdhayr rood als vlammende, en drie Oogen,. om het eene tot geftadig Scheppen, 't andere tot Onderhoud, en 't derde tot Verandering van het een uyt het ander te doen waaken. In zyne Hand is eene Staf, waar op* een Oog met Pluymen van allerley verwen daar om in \ rond, de Zon en zyn fchoon fchynzel verbeeldende, die over de meefte zaaken fchynt Goddelyk te heerfchen. Hier van ontleent Ofiris den naam, Os, in 't Egyptifch veel, en lri het Oogy betekenende. Eene Harp met zeven fnaaren, de Hemelfche Planeet-fchik vertonende, die te zamen met gelyke werken op de Schepzelen doelen. Hy drukt de fynfte Zaaden van alles, wat op de Wereld zal vermenigvuldigen, uyt zyn Vuyft, als val- lend vocht, in de open Hand van de Groote Moeder, de Aarde, zyne Vrouw. Voorts dekt hy zyn Onder/yf, om de laagfte deelen van de Lucht te verbeelden,en te verbergen 't ongelyk,dat hy van Satumus ,zyncnZoon, heeft geleden. Een groot Ey ftaat aan zyne zyde, waar in Horus, of Ho- romazus zyn Zoon vier en twinfig Goden had gefloten. De reeden, waarom de Hemel by zoo verfcheyden namen betekent Fader des Tyds, is klaar, nadien zyne draayingen ons dienen tot een maat en paal der Tyden. Dit Ey is half licht, half duyfter, elke zyde in twaalf deelen verdeelt, als zoo vee- te uuren, over welke deze Godheden fchikking hebben. Dit groot Eywkvd P 3 on-
|
|||||||||||
—i----------------------------.
|
|||||||||||
—* '».
|
|||||||||||
Ii8 De Hieroglyphen of Mekkbeeldek
onder opgeflagen door de Kinderen van Arimanius, onder 't fpelen. Dezc
is by den Afjyri'ers het Voorbefchik, volgens 'tzamengeftelt woort inhunne taal. En alzoo zyn de wiflelvallen in alle de Wereldfche zaken en Perzonen ingebroken. Deze Horus vult alzoo de Hand van ^« Vefta, zyne Vrouw, die met veele namen, dan Berecynthia, dan
Cybele, dan Ops enz. genaamt word* welke zy met de andere fchyntom te deelen aan hare voortzetzelen. Zy is Oud, als Moeder vertoont met ee- ne Toorenkroon op 't Hoofd, gelyk de Rotzen meeft met Burgten en Slo- ten voorzien zyn. Hare Hoofdhayren vallen kronkelende langs hare bree- de Boezem, en vallen tuflchen de Borjlen , door welker drietal zy haar o- vervloed verbeelt, als tuffchen de Heuvelen en Dalen de Beeken. Uyt haar Schoot komt eene Overvloedshoorn, waar uyt men allerley Eyeren in vocht leggende ziet rollen , zommige doorfchynende -, als die der ongeboore Kin- deren y andere met fterke Doppen rondom eene groote Bol , in vier deelen gefcheyden; waar op de Bloemen, 't Koorn, de ^Druyf^ en 't 'Done bout; de Lente, Zomer, Herfft en Winter, welke door Menfchen, Dieren, Planten enz. verciert en behandelt worden. Zyn Zoon D. Sa turnus, oud en grys van Hayr en Baard, zyne eyge Kinderen
vretende, ftaat naaft zyne Ouders. Hy fmoort zyn voorfpruytend Hayr met een ruyge 'Deeken van vergetelheyt, en doet echter alles door zig zel- ven, alsdeTyd, op-en ondergaan. Hy heeft de afgefnede Manlykheyt van zynen Vader Uranus, die in Zee geworpen tot de Moeder der Begeerteop- wiefch, om te bewyzen, dat de wafchdom van den Hemel komt door den Tyd, die met Zout of Zalpeter die wafchdrift aanzet, en alles doet in ftaat komen. Deze Saturnus heeft zyne Bee?ien gebonden aan malkander door eene zachte 'Draad, om de zamenvoeging der zaken op haar tyd en voort- gang te bewyzen. ii« Jupiter, Juno, Neptunus, en Pluto-, 't Vuur, de Lucht,
Water, en Afgrond zyn by hare Moeder de Aarde, voor 't verflinden van haren Vader Saturuus, gelloken, en dryven den Vader uyt zyn Ryk, om te toonen, dat 'er na de Scheppingstyd zulke macht in de hoofdftoffen was gebleven, om zig zelven te kunnen vereeuwigen.yupiter door zyne blixem} Juno door haar Sterrekroon •, Neptunus door zyne cDr'tetand^e\\ TLutodoor zyn Helfche Krauwel. Hier zynze nu alleen ingebracht, om met order in te breeken in het verbeelden der gefchape zaken van den beginne> waar toe dan ook £• Janus dient, met twee Hoof den-y 't een jong, en 't ander oud, tot
den Tegenwoordigen en Voorleeden Tyd j en dezelve met vier Hoofden van Jaa-
|
||||
■ ■ - . ■ ■ ■.■-■■■■
|
||||||
II. Vervolg van Hemel en Aarde. XL Hoofdstuk. 119
Jaaren verfchillende, als Jongeling, Man, Oud-Man, en Beftevaar, tot de
Vier Tyden van het Jaar, verbeeldende. Deze bergde Saturnus, de'fyd, als hy voor zyne Kinderen vluchtte mltalie-, en bleef geeert, als die de Ty- den onderfcheydde, en de Vreede befehikt had. Waar van daan men zynen Tempel nog fluyt na den Oorlog. Hy heeft eene Sleutel en Staf by hem, met eenopgaande en dalende Zon, ora 'tzelve te verbeelden, en CCCaan zyn Rechter, LXV in de Linkerhand; zynde het getal derdagendesjaarsj, waar van men de fchikking aan hem is verfchuldigt geweeft. G. Adadgartin, by de Chaldeeuwen aangebeden voor de fcheppen-
de en gefchape Natuur, had op haar Hoofd eene Zon, waar van de ftraa- len ne£rdaalden; het Hoofd halfwegen met Hayren, zelfsover'tAangezicht bedekt, betekenende licht en duyfternis, en hoe deWereld opgeheldert is uyt het akelige des Afgronds. fVolken om hoog uytwaaflemende, en dalen- de , druktze met de Rechter hand uyt. In- deze zietmen Vogels vliegen. De Linker hand houd een Watervat, befproeyende de Aarde. Haar Boven- kleed is van Bladeren geftikt, en 't Onderkleed met Bloemen, zoo als de Heefters en Boomen hooger, en de Bloemen met het Gras lager op de grond der Aarde zyn. Eene Gordel van Sterren omvat haar middel. De eene Voet is bloot, de fchepping van den Man, en de andere gekleed, die van de Vrouw betekenende. De Buyk is met groote en kleyndere Viffchen beftikt- Aan hare zyde leggen een Ey en eene Baarmoeder^ hoedanig allerley voort- zettinge gefchied, door eene van beyde. De Rondekrans der zeven Plane- ten , de zes dagen en den Ruftdag vertonende, in welke de Wereld is ge- lehapen. Deze Adadgartin fchynt naar het Eerfte Hoofdfluk des Bybels net opgevolgt te zyn. Veele der Arabiers en Sabe'en hebben die in tween gedeelt. Adad voor de Zon en Schepper, met ftraalen neerwaarts aangebe- den, wierd op eenen Leeuw; en Adadgartin voor de Aarde, met ftraalen naar boven klimmende, de Handen met Graan en Vruchten aan Adad of- ferende, was Mannelykj en de Sous of Natuurswerking, Vrouwelyk ver- beeld. H. De Godhiid zegenende zyn Werk, waar toe zes dagen genoemt
zyn, Ruft hier boven het Hof van Eden. In zyn ongenaakbare glanlch ziet- men N en D de eerfte en laatfte Letteren der Hebreen, om te bewyzen, dat de Ware God onverbeeldelyk is, het Begin en het Eynde van alles, waar in alles is, beweegt, en blyft. Welk dan alzoo, door den Heydenen na- gebootft, in zyne uytwerkingen vertoont is. |
||||||
TWAALF-
|
||||||
Van de Loop van Hemel en Aarpe.XILHoofdstuk. hi
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Vayi de Loop van Hemel en Aarde. .
DE uytmuntendfte verftanden onder alle Volkeren, zoo als men in
de voorgaande Tafereelen heeft gezien, hebben hunne aanmerkingen op den Hemelsloop nu en dan, dog op verfcheydemanieren,gemaakt j de ledigheyd de Sterrekunde voorthelpende in de befte Landen, waar men de koelheyd van de Nacht,en meer als het ftekelig daglicht zoekt,en daarmen om'tzeldenRegenen de Lucht fleets tot diergelyke waarnemingen bekwaam heeft. Men heeft *er van die veele gevonden,die onze Aardkloot maakten de Moeder van de meefte Hemellichten , uyt vleyery met der Vorften of Vor- ftinnen namen herdoopt, en tot Goden gemaakt. De beften der Ouden wa- ren van gevoelen, dat de Aardkloot vaft ftond. Eenigen, ja zelfs de hoog- fte getuygeniilen, hebben die op de Wateren, en daar onder brandende Af- gronden vaftgeftelt. 'T was ook zulk een wonder niet, dat deze Eygenlief- de zoo dacht, en het zoo gedachte geerne aannam j want zoo wierd de Menfch de Bruyd, daar 't al om danfte. A» Dit oiid geftel van de Aarde is verbeeld door eeneOude Moeder,
die hare voortzettende vruchtbaarheyd met veele Borjlen, dieze drukt, laat zien, houdende de Kroon van Cybele^ van Hoornen en Muuren op haar Kruynj de gebloemde Rok over hare Dyen, als Merken van het tapyt,dat de bhovenfte grond der Aarde ons geeft, van Vruchten, Bloemen en Byge- waflen. De Beenen zyn met Donkere Stofbeklced, Steen, Yzer-ofMe- taalverwig; gelyk de dieper opgedolve Aarde laat zien, waarom eene Zoom gaat van Camelot, de Meyrgolven nabootzendej waar op de Aarde gegrond fcheen j en daar onder de Zwavelvlammen, die in de onderaardiche Af- gronden werken, en haar zomtyds met zoo afgryflelyke uytbarftingen of in- kolkingen doen zien. Alomme is deze Oude Moeder met Ringen,Hoepen, Banden en Gordels omfloten, nadien de Ouden onophoudelyk de Aarde en *t Heel-Al met allerley Kringen belaftten, klinkende de ganfche Natuur in oneyndige banden, van welke zy eenigen in hare verbeeldingenmaalden, tot een middel van eemak , om onderfcheydentlyk hunne Leerlingen de weten- fchap in te drukken, eene afhankelyke overeenkomft tegen de Sterrekunde, om rechtdraats van alle de afgeleegenfte Hemelkringen door te gaan op 't Middelpunt der Aarde. En boven deze alle heeftze drie, vier en meer Krin- gen boven haar Hoofd, van Kriftalle Hemelen, van de welke de Jbeweegin- gen het licht van het onzienlyk Uytfpanzel doordrong, aan de Hemelsteke- nen en de Aarde. Welke Kriftalle Hemelen altyd nieuw en hoger uytge- ■ * Q^ dacht
|
||||
Ill DE HlEROGLYPHEN OF MEHKBEELBEN.
daeht wierden, als men hoger ontdekkingen in den Hemelsloop kwam te doen. J3. Hierom had men de naafte Kring van de Aardkloot aan de Maan
gegeven, die men zoo weynig droomde vlekken te hebben, of bewoonbaar te zyn, datmen 'er 1)iana , als pralende met hare Kuysheyd en Koelheyd, van maakte , die met haar golvend Hayr en blinkende Zilvere Hoornen om 'tHoofd, hare verandering, fchymTel en watermacht laat zien,metde^P>'/- koker, van ouds hare Jachtziekte eygen, vol Schichten op hare Rug. Zy rept zig om in 28. dagen den Aardkloot om te wandelen. ^' Beneden haar plaatfte men Mercttrius met zyne teekenen van Slan-
genftaf en gevlerkte Hoed, wel te ©nderfcheyden, aflopende zynen weg in 88. dagen. Deze, vry kort by de werken, wierd daarom voor den Bode der Goden gehouden. Daar na Venus, de Dertele, die in 225". dagen omloopt -, van dewelke
zy eene gebrookene en hippelende beweeging in hare Kring geloofden, als de Moeder der Verliefde lnvloeyingen. D. Boven deze zetten zy de Zon, die alles van des Aardkloots dampen
voor zyn onderhoud optrok, en in een vol Jaar omgaande, veelnodig had, voor de vlugge Kleppers en vliegende Wagen, die hem 365-. dagen voer- den; maar 00k wederom gaf de arlftralende krachten en fyne Geewen , die door Venus heen dringende al het leven der Aarde maakten. ti" Daar na Mars> in 687. dagen zynen loop eyndigende. Men onder-
fdbeyd dien Qoriogsgod gemakkelyk aan zyn Hamas, Helmet en bebloed Lemmer. Dan Jupiter, die hier buy ten is gebleeven, om de kjeynce van hetTafe-
reel, in 22. roaanden volbrengende zyn gang. v« En eyndelyk den Ouden Vader der Goden, Saturnus,die 3 f 3.maan-
den van noden heeft, om zyn logge treeden weer te brengen aan den Voordrempel, daar ze eerft uyttraden. Deze hielden alle onzeekere gangen, beweegende tuflchen de onbeweege-
lyke vafte Sterren. Dit was zoo algemeen geleerd en aangenomen, dat men het Kerkfehendery achtte, daar tegen te fpreeken. De H. Bladeren fehynen zig te voegen by dat gevoden. De Aards-en Oudvaders beweerden dat. Tot dat de Duytfche Copernicus, geleyd en geholpen door de Ervarendheyd, Scheepvaard, Kykbuyzen, als anders, dk Rinkelwerk overhoop wierp. En zedert is het gevoefen van den zelven zoo onwrikbaarfterkge warden, datmen mx d$n Tegenipreekers van Copermats wel zou mishandelen, ziende dat, wan.
|
||||
Van de Loot* van Hemel en Aarde.XII. Hoofdstuk. nj
wanneer de Zon blyft het middelpunt der Dwaalfterren en der Aarde, dan
maar nodig is een omloop van pooo. mylen alle 24,. uurenjdaar andersveel grooter bollen der Dwaalfterren 300. maal 10. maal 10000. zoudenmoeten aflopen in de zelve tyd. Zoo dat eene vafte Ster in de laatfte of grootfte draay zou aflopen op een dag 300. Millioenen Mylen, en alzoo in een mi- nuut verder als van de Noorder tot de Zuyderpool. Tycho Brahe,nog zwee- tende voor de oude gedaehten, maakte de Aarde echter vaft,deed de Zon draayen, en rondom die alle de andere Dwaalfterren, gevoelende dat zyn zelven tydig by anderen verbrodde. vJ. Maar de klaarder Eeuw, van fchoone ervaringen en werktuygen be-
diend, heeft de Zon geftelt als het Middelpunt van 't Geheel-Al. Hy flik- kert nog watj naar *P hoe bus wyze uytgedoft, met zyn zevenfharige Harp, Hy ontfangt met de eene Hand de aandringende waaflem van zoo veeleon- eyndige Bollen, als 'er van hem uytvloeyen tot de oneyndigheyd toe, en geeft met de andere Hand uyt de vuurige Leevensftraalen voor het Uytfpan lei. Van wegen de fehitterende aftintelingen , met welke zyne afftralingen blaken, heeft men moeyte, om zyn Ligchaam te onderfcheyden. Zoo ie- mand uyt overgelove hier kwaadaardig wilde denken, als of de Wereld uyt het Middelpunt te lichten, eene Doodzonde tegen de H. Waarheyd was> en of men bewoonlyk oordeelende eenige Sterren, die ons voorkomen, ge- lyk wy aan haar ingezeetenen } dan niet zoude overhoop werpen de gron- den van Erfzonden, en de Zaligmaking, ten minften, dat men bezielde Schepzelen zou hebben, die daar van niet aangedaan warenj zoo moetmen zig maar verbeelden, dat 'er geene noodzakelykheyd en is, die ons doet Menfchen ftellen ons gelyk in die andere nieuwgenoemde Werelden j en dat het den roem en eer van 't Oneyndig Weezen vergroot, en niet verkleynt, zoo ieder Wereld of bewogen Rond zyne onderfcheyde Schepzelen en ge- ftalten had. Of dat nu lichtelyk kan zyn, daar toe behoeft men maar te zien, hoe licht het valt aan onze vindingen in Dicht-Schiider-en andere Konften vreemde maakzels te vercieren -% en dan zal men van 't Oneyndig Weezen wel wat anders denken. Ook zoude iemand konnen morr en tegen 't ftellen van de Zon voor 't Middelpunt van 't Heel-Al •, want die is later, als veele Aard-en Waterdeelen, in den Bybel gemeld, voortgekomen; maar 't licht van dezelve was al door 't Geheel-Al verfpreyd te vooren, eer de Schepper fprak: Haar zy Licht, en daar was Licht\ zoo dat 'er maar nodig was de fchikking van alle die Lichten, om malkanderen, nog de Aar- de in haar draayen en keeren niet te beletten, van op zyn tyd wendendemet dat deel van de Zon, gelyk ook van de Maan by overfchyning, beftraalt te worden. Edog wy zullen ons in het onderzoek, veel min in het befliflen dezer Filofophifche gefchillen, niet inlaten, en liever by de Goddelyke O- penbaring blyven. CL2 H. Mer.
|
||||
IZ4- De Hieroglyphen of Merkbeelden.
H. Mercurius is de eerfle en dichtfte by de Zon.
1. Venus volgt hem, en na deze
K. De Aarde. Die Oude Moeder ryd op eene ftaak van de Noorder
tot de Zuyder Pool, met veele Konfthoepen om haar Lyf, die de brave ver- ftanden tot welvaart der Zeevarenden, en om onderfcheydentlyk verftaan te kunnen worden, gevonden hebben , als de Linea z_/Equino£ttalis, Tro- picus Cancri, Capricorni enz.Zy draayt nu met grootevlythaareygen Bol, terwylze in den grooten omloop niet minder word bewogen. J-** By de Oude Moeder, de Aarde, houd zig in eene onderfcheyden
draay onaffcheydelyk de Maan, die met haar Nachtfakkel en Maanhooren- kens pronkt. Hare wederzydfche lichten helpen malkander. Dit licht ziet- men hier en daar verbeeld door kleyne Kinder en, die met blinkende Bolle- kens fpeelen, die licht zynde op de geflotener deelen, weerftuyten, als de Balonballen. De Maan en de Aarde zyn beyde van gelyke ligchamen, fchy- nende de een op de andere, daar 't op een van beyde dag maakt j want de lichten van beyde moeten weer afftuy ten, wyl beyder ligchamen vaft zyn. Daar in tegendeel doorfchynende ligchamen de lichtftralen door en ten uyt- eynde laten wech loopen. Van de verafgeleegenheyd komt die blaauwzilve- re koleur, gelyk men aan de Ttek van Terneuf, aan de Alpen en Appen* »jw.r-gebergtens ver afftaande verneemt,. iVl. Mars houd zyne kring daar naaft aan.
N. Maar daar aan volgt Jupiter, die nog vier andere Dwaalfterrekens
om hare zwakheyd in zyne draay ingewikkelt by hem heeft. Deze vier, ge- lyk Jupiter zelf, en de ligchamen van 't Hemelweezen al mede, moeten draayen in 't groot, al behoud Jupiter in zig eene kracht van draayen op zig zelven. O.
Waar na men eyndelyk ziet Satumus, die vyf andere Dwaalfterren
als Lyftrauwanten rohdom hem in zyne groote draay mede llingert. Deze al- le zyn te onderfcheyden, gelyk men der vafteSterren veele heett onderfchey- den , die echter by de 50. Millioenen Mylen van de Aarde afftaan, en niet laten zeer levendig te tintelen -, mogelyk malkander befchynende, en met ha- re groote ligchamen zynde 't geen wy of andere Dwaaliterren zyn. Deze al- le worden in eene oneyndigheyd uytgeftrekt van grootte, elk in 't byzonder boven Menichelyke Denkbeelden ■> draayende en beweegende alle met een, en ieder nog met zyn eygen Ringloop. P. Hct
|
||||
■■'■'■".' " ' ' ..... " ■ ■■■
|
|||||||||||
■., ■
|
|||||||||||
Van de Loop van Hemel en Aarde. XII. Hoofdstuk. 115
■t • Het Geheel-Al is zoo byna verbeeld by den Stammers, daar van men
Indifche Teekeningen ziet, waar van eene zeer vreemd my eerft voorkwam uyt de handen van D. Swammerdam Zalr. in zyns Vaders Rariteytkamer zynde. Dit Beeld had twee Hoofden, als van Janus; het eene zeer oud als alle voorleeden Eeuwen afgeleeft hebbende; het andere jeugdig, voor den tegenwoordigen tyd. Dit Beeld had zeer veele ftralende Bollen, by en om zig. Het had 'er een van Mars met kleyne Bellekens, als een Halscieraad op de Borft hangen. Het had de eene Borft opgemaakt met Venus, dean- dere praalde met Mercurtus. Deszelfs Rechterhand hield Saturnus, die rondom met f. of 6. andere kleynder omflingerd was. In de Linkerhand hield het de Wereld met de Maan in eene en dezelve hoepek De ftoel van dat Beeld was aan alle kanten bezet met vergulde Bollen, vol t'mtelendeftra- len, op een vloeyende Camelotte grond, die rondom elk Bollekenindeftraa- len invallende, fcheen te vloeyen met eene flaauwe blaauwe verwe. De Wee- ding was dun doorfchynende, en van Indifch blaauw Gaas geplooyt. Maar het Hoot de Beenen in de overal rykelyk overhangende Rokken, die vol boorden en zoomen, met Straalbollen geborduurt, alles bedekten. Deze ftof was zwart, en fcheen de oneyndigheyd en duyftere twyfFeling, om zyneon- eyndigheyd naa te fpooren, te toonen. Van achteren was dit Beeld al vol grooter en kleynder blinkende Bollen, maar van de Nek naar beneden, liep 'er af eene ftreep by uytnementheyd vol kleyne Sterren-bollekens, die wy voor de Melkweg namen. Deze Bollen en Bollekens waren van 6. of 7. verfcheyden groottens, en de grootfte alle met zaamgeftelde Letters ingegrif- fyt, die veel overeenkomft hadden met de Hieroglyph'en, zynde Kruysjens Pyramidalen, Halfronden, Dwarslynen door Driehoeken, en diergelyker. Tuflchen de Bollen en de ftraalen, in zaten verdrukt minder glansrondiens van welke cenige geperft leeken, om ter zyde, of van onderen, of van bo- ven uyt te leeveren, de Staart-of Baard-Sterren mogelyk willende beteeke- nen. Maar aan de Buyk zat eene hoogte, als eene fteyle rood goude Rots waar in en waar uyt Goude Steenen, Straalen en Stoffen borrelden (als uyt en in eene Smeltkroes) van Baar-goud, fchuymende in zyne bovenkom en uytwerpende door de gaten rondom zyn navel. Hier tuflchen, te weeten onder, boven, en ter zyde deze Goude Kroesberg, zagmen uytwaaflemen fyne ftreepen Lucht, die ik voor de Scheemerlichten van 's Morgens tct 's Avonds nam. Dit Beeld zat in een Rond, waar op zeer groot waren teziende n.Tee-
kenen van de Zonnekringj maar op eene andere order, als wy die gewoon zyn te zien. En vier vergulde Driehoeken floten deze Tekenkringshoep aan een. Dit gevaart zamen had geftaan op vier Olifanten, 't geen ik in meer Indoftanfche Tekeningen heb gevonden, om 't Geheel-Al,zomtyds de We- reld alleen, te ondeiiteunen, als de Beweeger, die zywel een Eeuwigen CI 3 Gceft
|
|||||||||||
.
|
|||||||||||
-;.
|
|||||||||||
il6 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
Geeft noemen, maar echter een Menfchen geftalte geven. Wy vonden Sa-
turnus zeer bleek daar in afgemaald -, Jupiter zeer helder} Mars rooder en meer bloedverwig •> Venus zeer licht en met veele witte ftipkens j Mercurius was de kleynfte en duyfterfte. Ik heb met alle deze ftellingen niet langer durven zyn ; anders heugt my
nog gezien te hebben by den E. Heer Thefaurier Burg Zslr. gedachtenis
eenen Atlas , die met Hercules ftond om te klutzen aan de Wereld, waaf
van Copernicus had gebrooken de Hoepen en Ringen, alwaar Tycho Brake
van achteren de rug onder de Bol der Aarde zette, en Ttolomaus fchreeu-
wende zochtte ftutten de ronde Klomp, om te beletten,dat dezelve niet in
duygen en viel. Terwyl verbrak Copernicus veele ronde Kriftallyne Bollen,
die zig om den Bol geflooten hadden} en hy trapte de lichtjens uyt, die in
die Kriftallyne glazen flikkerden. Gajfendus kwam toefchieten, en haalde fterk
aan om den Bol van den Bergtop af te ftooten, om van den ^//^Jafgerolt,
in eene geduurige beweeging te vallen} van den E. Hr. van Zelem en de
Oxfortfche Maatfchappy gereed gcmaakt. Behalven veele hedendaagfche
Sterrekykers en Maanfnuftelaars, die met namen onderfcheyden plukhaar-
den, om 't ftaan of beweegen der Aarde.
Tot de andere Sterren over te gaan, om *er de reeden van te vinden, is
eene onmogelykheyd, want daar is geene reeden, waarom iemand kan zoo by een flanflen eene geftalte, nu van weynig Sterren ineengrooter,danvan veele Sterren in een kleynder omtrek, gelykmen in de Warvis, het Schip, de Rivier zoo weynig ziet, en zoo veel op 't Vliegjen } en waarom Sterren op Sterren, Teekenen op Teekenen geplaatft, als de Geytkens op den Rug van Auriga, en de Zeezwaluw op 't Schip Argos. Geringe reeden zou men *cr af kunnen geven. Maar al kon men nutter en netter uytvinden (dat niet bezwaarlyk zoude zyn om te doen) zoo is *t nochtans beter dezekraam,nu overal aangenomen, zoo te laten blyven. |
|||||||
■
|
|||||||
I
DER- |
|||||||
--------------------------------------------------------------------_ ———..... - ■■
|
|||||||||||||||||
■
|
|||||||||||||||||
Van de Mensch-Schepping. XIII. Hoofdstuk. ny
|
|||||||||||||||||
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Vm de Menfch'Schepping. |
|||||||||||||||||
DE Aarde, met
en den Heme! |
alles wat dezclvc bevoordeelen kon , gefchaapen ,
met alle zyne wonderbaarlyke Lichten, gefchikt |
||||||||||||||||
zynde, tot veriichting van de Aarde, immers voor* zoo verreals veeleder
tegenwoordige Eeuwen willen, (want daar ontbreeken *er geen, diede Aar- de zoo wel tot een Licht maken voor de Dwaalfterren, gelyk zy zyn voor haar) en tot onderhoud der Boomen, Planten, Dicren, vogelen, Viflfchen ^n Kruypende, of beyder zoorten, voor de Aarde en de Waterentezamen geplaatft wezende, fcheen 'er een al te heerlyken Koningryk te zyn, om daar in niet een Opperheerfcher te hebben, die in zyn Beeld het Goddelyke ver- toonde, ea als een kleyne Wereld zelfs was. Dit was by de Heyclenfche Goden zoo niet gemeent, zoo 't fchyntjwant
de Schepping van den eerften Menfch en vindmen niet by de Heydenen, van de Goden gedaan> alhoewel by haar zefcer ftond bekent, dztSatumus, Ju- piter , en andere tot Goden gemaakr, Menfchen geweeft waren. Maar zy hebben met de manier van de Menfch te docn maken, door iemanddiemen opdacht, de vlyery in *t hoogfte toppunt willen opvyzelen, als of die Go- den afcyd geweeft waren, en uyt haar zelven, of yan twee op een onbegry- pelyjce manier waren voortgebracht. Zy bedachten 'Prometheus, Vpordacht, of wyze bedenking voor uyt.
Maar hoe zy, tot die tyd van zyn Menfchen maken,hare voortzettingheb- ben gehad, kan men niet bevroeden, nadien de breede Kaad der Goden al fterk beroert was, over \ Vuur, dat Trometheus nam van den Hemel, om den Menfch alzoo als Goddclyk te bezielen. Waarom de zaak zelfs my dringt, eer ik de Menfchelyke geboorte neder-
ftel, der Goden Schepping te behandelen. Welke zoo ganfchelyk by alle groote Volkeren verfcheyden zynde , zonder nut voor de Merkbeelden- Konft niet en zal uytgenaalt worden van Volk tot Volk-, maar wy zullen die neemen, welke de Grieken meeft hebben in de Wereld ingeftooten, ver- anderende de namen en Merkbeelden van de Vorften en Vorftinnen der Afiaten en Africanen, in de haren -t welke ook het fpel gewonnen hebben, en byna overal doorgedrongen zyn. Want de Romeynen leerden by haar de Natuurkennis, Wetenfchappen en Konften, en namen ook met een ha- re Goden over-, hoewel zy nog van de Druiden, Magen, en Egyptenaars iets daar by hielden. Want zy lieten lang ieder zyn Godnaar zyn zin hebben, en meenencle, dat ze zoo der Volkeren machten geluk in haar gewefcl hadden. Als
|
|||||||||||||||||
.
|
|||||||||
IZ8 DE HlEHOGLYPHEN OV MeRKBEHLDEN.
Als zy hare Goden namen, zoo plantten zy in hare Steeden, ten minften
in haar Pantheon, alle de Goden, die zy kreegen. Zy niet van Gods Geeft geleyd, en echter buyten de noodzakelykheyd
der Godsdienft in het beftier der Volkeren, zoo waardig achtende de Gods- dienft, dat zy even zoo veel door die, als door de reeden, de Menfchen onderfcheyden konden van de Beeften, hebben vaftgeftelt, dat in der Men- fchen gemoederen en Zielen lloeg een zeeker Goddelyk licht, dat in de- zelve verwekte een begeerte tot het goede, op het welke zy dan toeleyden, om te genieten tot haar welzyn -y dat haar ook heeft bewogen, tc verdichten het werk van Prometheus, welke met Hemelfch Vuur den eer- ften Menfch bezielende, liet na een onophoudelyke trek in des Menfchen Ziel , om zig te keeren na dat groote , waar uyt zyn Vuur afgedaalt was* gelyk alles wederom keert tot zyn begin; gelyk zy, aan dit ingebooren} ingeblazen of ingefchapen deeltjen van een Goddelyke adem, toefchry- ven, de Natuurlyke eerfte drift en handel, in de fchielyke overvallen, van onze oogen en handen na om hoog te heffen, en diergelyk de handen za- men te leggen, en hoog te fteeken, om dank te bewyzenj wantdanken, om hulp aanroepen, zyn Godsdienftige werken, tot dewelke zy ook zon- der die glinftering van kennis niet zouden gedreeven zyn. Zig nu te wenden tot de waare kennifle Gods, de Heyligfte Drieee-
nigheyd, kan van het Vleefch en Bloedniet geleerd worden-, zoo hebben zy dan, als gezegt is, zig naar de dingen, die voor henlieden goed en kwaadwaren, en het onderwerp van hare zinnen konden worden, geleerd * en die zelve, daar na tot vry Menfchelyke vervormt> want den Schepper niet kennende, moeften zy op de Schepzelen, (en verder kondenze met) als overeenkomende met hare Menfchelykheyd begrypen. Zoo waren het dan Menfch-Goden of Vergode Menfchen} en de blindheyd met de guytery op- wafferide, vervielenze tot Beeften,Planten, Slangenen Wormenj jatotStee- nen, Boomen, Bergen en diergelyke zaken. Het begin makenze van Uranus, den Hemel,met Chaos, de grove Aard-
ftoffe. Deze kregen eene Dochter, OjW, hulpe of behoefte zeggen;eneenen Zoon, Saturnus, of de Tyd, die met zyn Zeyifen ontmande zynen eygen Vader, welk eerfte gereedfchap hy in de Zee wierp-, uyt wiens kracht met fchuym der bewegende baaren Penus gebooren wierd. Dit was Philofophee- ren en 't wierd Goden maken. Titan was de tweede zoon van Uranus , dewelke trouwde met Vefta, de Dochter van Berecynthia, of van Vrouw Natuur, die de Zufter was van Uranus. Deze kregen Cybele. Haar bey den te gevalle, namentlyk zyne Vrouw en Dochter, frond hy zyn Vaders Ryk af dat anders om Saturnus fchennis op hem moeft komen. Cybele trouw- de' aan Saturnus > en moeft alle hare mannelyke Kinderen Satumus te verftin- den seven j maar van Jupiter en Juno te gelyk bevallen zynde, bergde zy Jupiter, entoondealleenlvk,7*»tf. En even zookreeg zy Neptunus en 'Pluto-, °P"
|
|||||||||
_________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________. ■ -—---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------"
|
|||||||||
^^____________________-
|
|||||||||
____________________________^™_—
|
|||||||||
Van de Mensch-Schepping. XIII. Hoofdstuk. 129
opleverende in de plaats van haar Krooft, groote Steenen, die door Satur-
nus wierden verflonden. Titan beoorloogde daar op Saturnus , wyl tegen 't verdrag Saturnus mannelyke Kinderen gebooren, en overgefchooten wa- ren Hy yoerd daarom Kryg met do Titans; zyne Kinderen, zoo fel en wel, dat hy, Saturnus overwonnen hebbende, hem met Cybele eevangen zette. Jupiter verloft zynen Vader ■, maar deze gewaarfchouwt door het Nood- lot, dat hy zyn Ryk door eenen zyner Kinderen kwyd zou raken, leydde Jupiter lagenj waar van deze, ontkomen zynde, wraak nam, met zyn Vader den Hemel, zyn Ryk, uyt te fmyten. Janus ontfing hem voor yluchtig in ltali'e, om zyne fchrandere voorzichtigheyd ver^ood. Jupiter zyn Vader kwyt zynde, gaf de Wateren aan zynen Broeder Ne-
ptunus, de Hel aan Tluto,en Het zyne Moeder Cybele de Aarde,onderzyn beftier houden. Als *er nu zoo veele Goden waren, hidden die meeft Zwa- gerfchap en boelfchap onder malkanderen, als onder Menfchen, en bouw- den de Wereld fterk aan; onder welke de Titans ofReuzendoo'rCV^op- geruyt, Juptter kwamen beftooken , Typhaus , Enceladus, Briar eus Egeon en diergelyke, ftapelden Rotzen op een, om zoo den Hemel te be- klimmen en in te nemenj maar Jupiter verdelgdeze en wierp een derzel- ver onder de ^Etna en andere vuurbrakende Bergen. Terwyl de Goden zoo alle met zig zelven genoeg te doen hadden, en al eens na Egypten en'ver- der waren weggevlucht, kwam Trometheus in der Goden Raadkamer en knapte uyt derzelver geheymfte Kabinet, het bezielend Hemels Vuur' het welk hy op de Aarde overbragt. Jupiter gaf zig voorts aan de welluftmet Ganymedes, Danae, Semele y en andere over, en kreeg zelf Minerva uyt zyne HerflTenen, bergde Bacchus in zyne Dyen, en verlofte daar van ?«- no het Vulcaan toeftellen, die uyt den Hemel gefchopt zyne SmifTe opftel- de in Lemnos en Lypare. Juno, haren Man niet toegevendc,kreeg in- door het aanraken van eene Bloem, haar door Flora aangewezen. 16 en La- tona waren daar na de minnekozery van Jupiter. Latona op het driftig Delos vaftgezeeten baarde Apollo en Diana, op eene Palmboom. Apollo kreeg tot zyn Zoon o^Efculapius, die van Jupiter, om dat hy Hippolytus w£er deed leven, met den Blixem getroffen wierd. Apollo beminde Daphne, en Hyacinthus moeft balling uyt den Hemel
met Neptunus, de koft by Laomedon zoeken, om Jupyns toorn te ontwy- ken. Waar na hy herfteld wierd, en den Zonnenloop waarnam als vooren Menheeft 'er wel een ander ook toegeftelt, Hyperion, een Nazoonvan7V- tan, Tha'eton, Tajipha'e, Rodia, t^Etha, en andere meer. Diana zv- neZufter, Lucina, Cynthia, Delia, Thoebe, IJis en Hecate eenaamt wierd op Endymion verlieft. ' Ceres was de Dochtcr van Uranus en Tenie. Zypopte met Jupiter en
kreeg Troferpina, die haar ontvoert wierd door Tluto, welke zyne Mai- tres Koningin van de Hel maakte. R v<-
|
||||
ijO De Hieroglyphen of Merkbeelden.
Venus op eene zonderlinge manier in de Wereld uyt het Pekelfchuym en
Jupyns Zaad gebracht, was eerder eene Dochter van Dione en Jupiter. Hymen was haar Zoon > en'dc Charites ( Bevalligheden,) hare Dochters; <Priapus, en de twee Cupido's waren mede haar Krooft. Zy trouwde met Vulcaan, om te eerlyker Hoer van Mars te zyn. Neptunus was Saturnus Zoon, Broeder van Jupiter, getrouwt aan Amphitrite. Hy ftelde by haar veele Tritons toe, en teelde de Harpy en of RoofVogels, in Echtbreuk met de Aarde. Oceanus was zyn Zoon, die Thetis trouwde, en Nereus met 'Doris ter Wereld bracht. Glaucus was haar Zoon , Ino en Melicerta hare Dochters, wiens Kind Leucotho'e of de Dageraad was. Vefta van Cybele met Uranus geteelt, wierd voor de Aarde geeerd, en
wylze voor de Kuyfchheyd, hare Veftaalen of Prieftereflenlietinwyen,heeft ze zig eerlyk gehouden. Mars nu was de Zoon van Juno, zander Man, uyt het aanraken van
zekere Bloem, die door de Godin Flora aan Juno gewezen wierd Hy was Boel van Venus, en popte met verfcheyde andere. Minder Goden zyn 'er by uytftek veele, maar deze alleraanmerkelykften
kan men hier niet voorby gaan, om dat, gelyk 'er in de eerfte Sphara of Bolrondte van den Hemel zyn twaalf Dieren of Teekenen, van de Teken- kring, zoo moeten 'er even zoo veele Opper-Goden zyn, welke ieder voor zig zelvenhebbeneene Eeuwige Ziel, en eene bezielende krachtindie twaalf Dieren der eerfte Bolrondte, om van die in alhet gefchapene af tedalen. Zck danig dat de roering, voortzetting, vermeerdenng, en behouding van al- les beftaat door deze twaalf Goden > aan welker byeenkomft het beftier vm het Heel-Al was gegeven van het Noodlot* A. En den breeden Raad der Goden is genaamt geworden y
Zynde zes Mannelyken:
Jupiter, Neptunus, Apollo, Mars, Mercuriust Vuhanusy En zes Vrouwelyke:
Juno, Vejla, Venus, T alias, 'Diana, Ceres.. 7js[ wierden "Dii Confentes, of te gelyk op zig zelven beftaande Goden
genaamt. Zoo dra 'er iets van hoog belang was, riep Jupiter dezen breden Raad by een, ja hy en mogt geen Blixemfchichten tot verdelging uytzen- dcn, or zulks moeft by dien Raad verftaan zyn. Jupiter, Al zynde, en Voorzienigheyd, Natuur en Wereld"genoemt.
.Men maakt zyn Merkbeeld met twee Hoornen, en groote Vleugels, om zy- ne
|
|||||||||
__________ ______„________________________^:--------------------------------------—___________________________________________________
|
|||||||||
Van de Mensch-Schepping. XIII. Hoofdstuk. iji
ne uytfpanning en beftier van het Ooften tot het Weftentetoonenj met den
Arend, om dat hy alles overwint; met twee Vaten by hem, om goed en kwaad uytte deelen. Ook draagt hy wel een Weegfchaalin de Hand, om het doen der Menfchen te wikken, en 't goed en kwaad te beloonen •, met een Ryxftaf, als Opperheer; met een Sterrenhoep, ende een Ey in de Mond, waar uyt Vuur fpringt, als Schepper van de Aarde, en bezielder door het Vuur. Daar van is een fchoon af beeldzel by den Feniciers geweeft. Hef Hoofd droeg eene blinkende Kroon, tintelende met vlammeftraalen. Om zy- ne fchouders hangt een blinkend dekzel door T alias geweeven, vol Stcrren en op eene blaauwe voering, houdende twee Ballen in zyne Hand> eene van Goud,en eene van Loot -, en in de Linkerhand eene Lier, met negen Snaa- ren j zyne Clavieren zyn blinkende Smaragden. Hy zit op eene Deken van Paauwenveeren, met de Voeten op eene Drietandj zomty ds zonder Ooren, om zyn heerfchend beftier te toonen > zomtyds met vier Ooren, om dat hy alles hoortj ook met drie Oogen, om dat hy alles ziet, enfteets waakt -, met dezelve ook zyn beftier over den Hemel, de Wereld, en de Hel, als Op- perheerfcher bewyzende. Hy zit op de Lothus, om dat hy zuyver zonder deel of 't geheel te zyn, meer is als het Geheel-Alj welkezorg hem maar van buyten aankomt,met de Blixemen inbeyde deHanden,omover denEed te ftaan,diemendedeopdeKlooten van een geoffert Varken, welke dan in Zee, of't Water geworpen wierden, en niet gegeten, om goed en kwaad te vergelden j met eene Ryxftaf in de Hand, waar op voor den Weldoen- ders een Oyevaarshoofd ftaat, met de Poot vanccn Hippopotamus,of Nyl- paard, onder aan, het welk zoo Godloos is, dat het zyn Vaar doodt, en MoeY zoent. Zyne naamen zyn naar de Landen of zaaken: Jupiter Sta- tor, de Staver, met eene Piek en Blixenij Ultor, de Wreeker, bis twee, ter drie, en meermalen. Confervator, Cujlos , Bewaardcr •, Optimus Maximus , de befte en grootfte; Horcius, bewaarder der Eeden; Vejo- •vis , als men hem bad, dat hy niet wilde befchadigen. Men heeft hem met het Hoofd van een Sperwer in Memphis meeft vertoont. Aan alle deze zoo onderfcheyden Merkbeelden moet zig de Dichter of
Schilder verbinden-, maar zulk tuyg by Jupiter vertoonen, als het onder- werp vereyfcht, waar in hy Jupiter wil invoeren. Gelyk hy van den Lydiers met de Byl der Amazoonen en de naam van Labradeus geviert wierd. Van zyn Geytevel of 'Diphthera, de rol van ieders Noodlot, is te vooren aange- roert. Jupiter Olympius met Arend en Blixemen by de Grieken is de ge- meenfte trant; als een hoogen Eykenboom by den Celten, als een drajende Piramide, of als eene Navel, en met een Schaapenhuyd in Arable. Te Ro- me droegen de Stedevoogden zorg, dat Jovis Hoofd met Meny rood geverft wierd, en ook zoo in Ethiopie. Juno, dochter van Saturnusy Vrouw en Zufter van Jupiter. Als T>ea
Syria zit ze op twee Leeuwen, met eene Ryxftaf in de eene, en eene Weef- R 2 fpoel
|
|||||
•
|
|||||
IJ1 DE HlEKOGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
fpoel in de andere Hand, met eene Piek Cdie de Ouden voor Ryxftaf droe-
gen) om datze Opperheerfchappyyoerfter was, met een blaauw Kleed met Sterren, als de Godinne des Luchtsj met Paauwen by haar} ook wel Ha- vikken en Sperwers -, Godin der Koningryken en Rykdommen, met Kroo- nen en een Overvloedshoorn. De Halvemaankens van Juno of IJts by den Romeynen op de Schoenen, en de Sperwersveeren in Egypte op de Tulband, waren de Merktekenen van den Adel. Met Iris of de Regenboog hare Ka- merdienarefle en Bodinne by haar.Zy heeft by haar (als het zoo tepaskomt) Regen, Wind, Mift, Sneeuw, Hagel enz. Zulks naar onderfte Rok veel- verwigis. Zy heeft, als de Lucht regerende, in de eene Hand eene Blixem, in de andere eene Trompet, voor de Donderj op hare Kroon ftaan deUu- ren en Bevalligheden; eene Koekoek hadze op haar Staf, om dat haar Ju- piter onder fchyn van die Vogel had bekropen> als Godin der Huwelyken, doodde men voor haar (de Granaat van eenigheyd in de Hand hebbende) eene Kat, om te doen zien, dat alle vinnigheydl en bitterheyd buy ten den gehuwden ftaat moeft blyven, met de woorden: Wecft gy my Cajusyikz,al u Caja zyn. De Vrouw met de naam van Tanaquil^ welke aan Tarqui~ nius Tr'tfcus was getrouwt. Men noemdeze ook Virginenfis, met de bieze banden der Maagdom, by hettrouwen, met de Armen en Knyen geiloo- ten of oopen, na datze voortzetten of het baaren beletten wii. Neptunus met eene Lootsmanstrony, gryzeHayren, eenZeegroen Kleed
met Zeefchelpen tot een Kroon boven de Hayren ■, met eene Drietand in zy- ne Hand, ook wel met een Scheepftuur of Roer; met eene Cammelotte waayende Sluyerj met Zeepaarden of Dolphynen voor eene Wagen met Scheepraders j achter en voor met groote Schelpen. Hy was mede een Zoon van Satuwus, en Broeder van Jupiter. Hy kan metfelle Tritons bruyif- fchende, en toetende op Kinkhoorens in ongeftuyme Golven zitten, met Hayen, Zeehonden, buytelende Tonynen, en Meeuwen voor de ontroer- de Zee, of met Ysvogels op hare Neften dryvende , met Caftor en Tollux in de Lucht, met Amp hi trite by hem in de Schelpkoets , fpeelende op ee- ne Schildpads-Lier, met dartelende Steuren, Bruynviirchen,Salmen m'De- rados of Zeebraaflems, zynde Viflchen, die by fchoon wedr gezienwerden omtrent zyne Najaden, of Waternirafen, Vefta, is met veele naamen, dan Saturnus Dochter, dan zyne Vrouw,
met een dikke Buyk en voile Borften, om datze altyd baard, voor de Aar- de, met de naam van de Groote Moeder gee'erd, met eene Burgkroon op haar Hoofd, met eene Ryxftaf in de Hand , en Leeuwen voor hare Wa- gen, om de Rykdom en Machtder Aarde te vertoonen. Opt% of behoef en hulp is ook haar naam. Zy heeft een Sleutel in de Hand, des Winters de Aarde toefluytende, en die openmakende in de Lente. Berecynthia naar een Berg, en Frigie naar Griekenland genaamt, met eene Pynboom by haar, om dat hare beminde At his da,ar in is verandert. Hare Priefters waren Ge- lub-
|
||||||
•
|
||||||
•
|
||||||
Van de Mensch-Schepping. XIII. Hoofdstuk. 133
lubden, dat met eenefcherpe Steen moeft gefchieden, gelykzyzulks^£/>
had doen lyden , om zyne minnary met de Dochter van de Stroomgod Se- garis. Zy wierd om de vaftigheyd des Aardryks Vefta genaamt, en aange- beeden, alseene Steene Cubus, of Vierkant, met Koeyen voor eene Wa- gen met Laken bedekt. Tot Merkbeeld van een verwaten Kind,dat tot inkeerkomt,enzyneOu-
ders eert> dient iemand verbeeld, die een kleyn rond langwerpig Steentjen van den Berg Sipilus (een Berg in Frigie) in Fefta's Tempel oftert. Rhea was ookhaarnaam, met Trommels, Cymbalen, Fakkels en veel
gedruys geeert. Zy was een Rond by de oudfte Volkeren van Steen -y om dat 'er ook toen al waren, die de Aarde Rond oordeelden. Daar fehynen twee Vefta's aangebeeden voor de Aarde, de Vrouw van Saturnus, en de ande- re voor het Vuur, als zyne en hare Dochter, om dat de levendmakende warmte door al het ingewand der Aarde dringt. Vefta's Tempel te Ro- me was ook rond, waar op Vefta als eene Maagd met Jupiter een Kind zynde, dat zy gebergt had, op den Arm, heerlykalsopeenTorentjepraal- de. Het Eeuwig Vuur wierd van hare Priefterefien of Veftaalfche Nonnen bewaard. Zonder haar Vuur en aanroeping vooraf gefchiedde nimmer ee- nige Offerhande. Apollo, waar van en van wien dat men de Schepping heeft begreepen,
zoo is die allerligtft gevallen op de Zon, en de groove ftoffem Die God- heyd overal te zien, is ook algemeen geweeft. Thoebus^ TitanySol en zoo veele Afiatifche naamen zyn alle dezelve, de Zoon van Latona, de Broc- der van T>iana, altyd jong, gelyk Bacchus. Hy is in 't midden der Negen Zanggodinnenj en zoo algemeen in 't midden, dat men hem noemthet Hert van den Hemel. Met Pylen in de eene, en de Bevalligheden in de an- dere Hand? wyl door te veel Hitte, Peft, heete Koortzen en anderekwaa- len komen, en van de gematigde warmte , alle vermaak en welftand. Met een Wolf by hem, om dat die alles, ak de Zon, verteert en opmagj ook was zyne Moeder Latona in eene Wolvin verandertj ook eene Rave, ora 1 voorzeggen van 't goed w^er, of een Haan krajende als een bode den Dag aankondigendej eene Sperwer, byzonder in Egypte, om de fnelheyd van zyn gezicht j dezelve vertoonen hem in een Schip, door eene Crocodil ge- torft j met het Schip waar in Apollo is de beweging vertoonende van het vocht in de reeling der dingen, en door de Crocodil hetzoete Water,door de Zon luchtig gemaakt en gezuyvertj in het Schip zyn alle de andere Go- den rondom de Zon. Die God is gekroont met Lauw'ren -, en de Vader of Befcherm-God der Geneeskonft. De Egyptenaars maalden hem af met eene Ryxftaf, waar op een Oog, wyl zy hem het Oog van ;7»/>/^r noemen, een Vyfhoek met het woord der Latynen Salus, Hey\, by den Romeynen. By den Feniciers gaf men voor, dat een zwarte Steen uytden Hemel gedaalt was, rond en puntig uytlopende, voor de ware gelykenis der Zon, sender R 3 Menfch,
|
||||||
134. De Hieroglyphen of Merkbeelden,
Menfchenkunft, en zoo ook by den Megarenzen eene hooge ronde Naald j
in Perfie, was de Zon een beeld, met een Leeuwenhoofd in een donker Hoi trekkende, een Bui en eene Koe, by den Hoornen, om dat de Zon in het Taanronds-Teeken den Leeuw zynde, dan de meefte kracht heeft om op de Aarde te werken. De Eclipfis of Zonnezwyming is door het Hoi betekent. In Egypte noemde men deeze Apis. Maar dat moeft een Varre zyn van ee- ne Koe, die voor de eerfte reys kalfde, en dan verdichtten zy, dat de Hay- ren van zyne Huyd zwart waren, om dat de Zonneglans die verzengde. Immers hy moeft zwart zyn met eene wittekolaan'tvoorhooft, en eene plek op de Schoften, als oft een Arend was; die wierd dan vergood. Zyn eeten of kieskaauwen maakte de Godfpraakj hoewel een Roomfch Keyzer zeyde-, om Goden te zien gekomen te zyny niet om Ojffen-, en Cambyfes dien Os- god iii ftukken hieuw, zeggende tegen den Priefters: O Gekken, zyn de Goden van Vleefch en Bloed, die gewond en gedood worden? Zulk eenen God pafl U-, my foptmen met zulke grillen niet; en lieteen deel der Prie- fters dood fmyten, om hunnen God gezelfchap te houden. Zoo hieldenze ook Serapis ■, maar in alle de Tempelen Harpocrates, God der Stilzwygend- heyd, dat een van beyde was Menfch of Beeft geweeft. Zoo trok Cteome- nes groot Geld van den Egyptifche Priefters, om af te laten kopen eene aangeftelde Jacht tfegen de Crocodillen, die zy voor Goden eerden. Apollo is ook de Herder geheeten, om dat de Zon alles voed, en om
dat hy de Beeften balling zynde gehoed had. Zyne Drievoet en Godfpraak, en de overwinning van het 'Vythifch Ondier , geeft hem ook de naam van 'Pvthius, Hy heeft vier Vaten of Vazen by hem: i. Van VJammen van Vulcaan, voor 't Hemelfch Vuur, genaamt het
Hoofd van Vulcaan. 2. Van blinkend Zilver, voor 't fchoon weer, en genaamt de Lach van
Jupiter. 3. Van dompig zwaar loot, voor Nevel, Mift, Koude en Hagel, ge-
naamt de T)ood van Saturnus. 4. Van allerley Zaaden, die op de Aarde door de Lucht verfpreyd en
gekweekt worden, genaamt de Pop van Juno. Venus, de Godin der Liefde,uyt Zeefchuym gebooren, verwekt door het
affnyden der Mannelyke Teelleeden, het zy van Cceluf of van Saturnus, in Zee geworpen, en daarom by deGrieken Aphrodite ,dat is, Schuym-Godin genaamt >, andere noemen haar eene Dochter van Jupiter en *Dione. De Ouden tellen 'er vier, en noemen de eerfte eene Dochter van Ccelus, Huys- vrouw van Saturnus, by wien zy zeven Dochters, Tytanides genaamt, gebaart heeft. De tweede, gebooren uyt Zeefchuym, en Moeder van Kupi- do. De derde eene Dochter van cDione, die met Vulcanus trouwde, en met Mars boeleerde. De vierde van Tyrus genaamt Afiarte,die met Adonis trouwde. De eerfte en laatfte zyn waarfchynlyk de Aflyrifche, die Urania of
|
||||
Van de Mensch-Schepping. XIII. Hoofdstuk. 135
of Cceleftis, dat is Hemelfche, genaamt wierd, en welker Godsdienft uyt
Aflyrie of Babylon in Syrie gekoomen is, alwaarze Aftarte genaamt is. De- ze Urania of Aftarte was te Afcalon in Fenicie, daar Herodotus gewagvan maakt De Arabieren en Perzen eerden ze insgelyks. De tweede en derde Venus zyn die van Griekenland, welker Godsdienft in het byzonder op het Eyland Cyprus was, alwaarze in de Stad Paphos een prachtigen Tempel had. Men oordeelt, datze uyt Fenicie derwaarts gekoomen is>'t geen aan- kyding tot die Fabel,alsof zy uytZeefchuym geboorenwas,gegeeven heeft. Haar zyn ter eere veele prachtige Tempelen opgerecht, als te Lacedemon onder de naam van de Gewapende Venus-, te Rome onder die van$3e Kaa- le Venus, ter oorzake van de Vrouwelyke Dapperheyd, wanneer door de Galien de Stad was ingenoomen, en de jonge Manfchap op het Capitool belegert, geen gereedfehap had tot tegenweer, de Jufferfchap haar eygen Hoofdhayr aanbood,om daar van Kabels en Touwen te drajen ter vervaardiging van Stormgereedfchap, om den Vyand af te weeren. Eneas, die zig haar Zoon noemde, bouwde haar ter eeren eenen prachtigen Tempel op den Berg Eryx in Sicilie -y enz. ook Beelden. Al ten tyde van Romulus wierd haar Beeld opgerecht onder de naam van de Strydbaare, ter plaatze alwaar de Vreede tuflchen Romulus en den Sabynfchen Tatius getroffen, en daar na beveftigt wierd By gelegentheyd dat de RoomfcheJufFerfchapeenevreem- de Schurftheyd overkwam, waar door na een zware Ziekte al het Hoofd- hayr uytviel, en zy eene gelofte aan de Godinne Venus deede, en daar op aanftonts haar Hayr wederom zou uytgewafTchen en gegroeyt zyn, wierd haar ter gedachtenis haar Beeld opgerecht, hebbende een Kam ter vercie- ring van het Hoofdhayr in de Hand } ook fleldenze haar Gebaardy om in dat zelve Beeld de Merktekenen der beyde Sexen te vertoonen, als hebbende in de voorteekenen dier twee verfcheyde zoorten het hoogftebewind. Waarom ook dit Beeld vertoont wierd gezien met het Bovenlyf een Man en Onder- lyf eene Vrouw. Welk Beeld de aloude TDuytfchen aan de Maan gaven, die ook met Venus dezelve is. Men heeft haar veele naamen gegeeven, te lang om ons daar meede, en de reeden van dien, op te houden > te meer alzoo wyhier voor reets eene befchryving van haar gegeven hebben,en hiernanog wel iets van die Godin zal volgen. Mars, gebooren van Juno, of ontfangen door eene Bloem, welke Flora de
Bloem-Godin, aan haar had vereerd, of door het flaan van haar Teellid,met hare Hand. Immers de God en Goden van den Oorlog, als onmenfehelyk zynde, kwamen by den Heydenen voort de eene zonder Moeder, Minervay en de andere zonder Vader, Mars. Hy heeft tot zyne Vrouw niemandzee- ker gehad, hoe wel men hem aan Orge te Nicopolis uytgehuwelykt ziet, met de Razernyen tot zyne Kinderen. De Vreeze en de Moord trekken zyne Wagen or woefte Paarden, waar by voor Stalknechten loopen , de Aanval, de 1)olkeyd9 de Hardnekkigheyd en Wreedheyd, Zyne Kar is aan
|
|||||
•
|
|||||
•
|
|||||
i$6 De Hieroglyphen op Merkbeelden.
aan de Widen met Zeyflens beflagen. De Faam vliegt voor uytmethonderd
Oogen •, en heeft witte Vleugelen aan, met een Klaroen van Zilver j maar achter de Wagen volgt een andere Faam, verminkt, met zwarte Vlerken-, op eene roeftige Hoorn toetende, de eene van de goede, en de andere van de kwaade tyding. Mars heeft een fchrikkelyk gelaat, ftyf en zwaar van Hayr en Baard, met de Borft open, om datny de gevaaren niet enwilont- zien. Een enkel Zwaard is by den Thracen en Scythen voor Mars aange- beeden. By den Arabiers cerde men voor Mars eenen vierkanten Steen, vier voet hoog, en twee breed; op een fteungrond van Goud. Een Hond, een fVolfi eene Gier en eene Exter, zyn de beeften die hem verzellen, om de gretigheyd en hardheyd van bek. Te Pampremo, in Egypten, vierde men dien God met een dol Stokkengevecht van vreemdelingen van buyten tegen die van binnen indringende, om telkens eenen nieuwen vergulden Mars in te dringenjom te toonen,dat de Vorften en Veldoverftens van heteenOor- log liever in het ander ftappen, dan het Oorlogdoor eene lange Vreede tc eyndigen. Minerva van Jupiter, als gezegt is, in de Wereld gebracht, is de Go-
din der Wysheyd, maar te gelyk des Oorlogs. Zy is altyd Maagd, om dat het Heydendom meende, dat de Wysheyd zuyver moeft zyn van alle vlek- ken en aanhang der Wereldfche zaaken of gebreeken> en om dat de Ge- leerdheyd, welke men ook Minerva deed erkennen, voor hare Godheyd beft zonder belemmering van Vrouw en Kinderen was -f maar boven al, om dat het Oorlog beft aan den ongetrouwden fchynt te paflen. Men offerde haardaarom, of een wit Lammeken onnozel en zuyver, of een ongetemde enjonge witte Stier, of een wit Kalf, metvergulde Hoornen,maargefnee- flen. Als 'et nu zoo veele offers befchreven worden, moet men die uyt de anderen kiezen, welke op de ftof, waar in men zulke Godheyd gebruykt, beft paft. Zy twiftte met Neptunus over Athenen} om dat die ftad kon twyftelen op zoo fmalle tong Lands geleegen, ofze meer de Zee, dan het Land eygen was. Men zette Minerva op en in de Stadspoorten, Mars en Bellona buyten> zoo dat Minerva de verweerende oorlog fchynt,en de an- dere de aanvallende of befchadigende te zyn. Zy temde 'Pegafus allereerft, en gaf dat gevleugelt Paard aan Bellerophon, en hielp ^Prometheus in den aanllag van het Hemelfch Vuur, den Goden, voor de Menfchen te ont- voeren. Zy ontfing alle drie of vyf Jaaren, en in alle hooge nood een ko- ftelyk Teplunty of Keurslyfjen, daar zommigen een Manteltje van maken, wit, met guide bolletjes geborduurt. Op haarSchildheeftze Medufa's Hoofd, welke van Neptuyn in Minerva's Tempel gezoent, van haar in een grou- welyk Ondier wierd verandert, door 'Perfeus gedood, en aan den Goden vereert. Men deed voor haar eene Goude Lampe vol Oly geftadig branden, om dat zy de Olyf geplant, often minften de Oly te perflen geleerthad. Zy dient voor het wys beleyd der Oorlogshoofden > dog als men naar Bello- na |
|||||
Van de Mensch-Schepptng. XIII. Hoofdstuk. 157
na noemt, dient zy tot vertoog der ftoute moed en daaden. In haar Tempel
te Romen was een Oorlogspilaar, waar by een der (Burgermeefteren) Confutes ging, den Tempel van Janus opgedaan zynde, en wierp eene Lans naar dien kant, waar dat Volk woonde, 't geen zy wilden beftryden. Tritonfa was 00k haar naam, om dat de Menfchen drie voordeelen van haar af ba- den, het tegenwoordige wel te beraaden, uyt het voorgegane wel te oordee- len, en voor het aanftaande wyflelyk te zorgen. Eene Uyl is by haar, maar wel flecht uytgepikt van den Grieken, welke die Vogel van den Egyptenaars overnaamen, zonder genoegzame aanmerking. Die zombre, zufre Vogel, afkeerig van het licht, is alleen, om dat hy by nacht zyn fnoeperywerk fchynt te doen, van henlieden gekooren als het Merkbeeld der diepe nacht- braakende oeffening. Zy is ook genoomen, om te beteekenen het zwaar veynzen der geweldige en eenhoonJigeheerfching, tegen welke deverftan- dige en braaven moeten opwaken. Ook is zy het Merkbeeld van bygeloof en uyterlyke fchyn van Heyligheyd. Zy gaatook door voor gemunt Geld, het yerderrfelyk middel tot veele kwaden. De groote Griekfche Redenaar T>emoJlhenes, uyt de Gevangenis komen-
de , belachte de Godin der Wysheyd, de Patronefle van Atheenen, zeg- gende, dat zy Befchermgodin drie kwaade Beeften voor haren eerlyken aan- hang had verkoorenj den Uyl, de Slang, en het Volk. Op de Atheenfche Munt was geftempelt Noctua Lauriotica, de Nachtuyl wees op Athee- nen voor Minerva, en Laurinica was de naam van haar Zilvermyn. De Wraak en Weerwraak word ons ook door dien Vogel afgebeelt, wanneerde Feniciers, een Kraay en een Uyl tegen malkanderen zetteden. Dewyl by dag, als de Uyl het licht niet kan lyden, door de Kraay de eyeren worden uyt het neft gerooftj en den Uyl by nacht, als de Kraay niet kan zien, we- derom het Krajeneft befteelt. Het licht, by die Vogel zoo gehaat, dat hy Kaarflen en Lampen by nacht met zyne Vlerken uytflaat, is by de befte meefrrelTe der Merkbeelden, de Heylige Schrift, altyd genoomen voor de kennis en vermeerdering der kennis, uyt welke het verfrand m oct gevormt worden. Op den fchoonen dag niet te doen is Uylen, maar geen Wyzen hare gewoonte. Ook gelden zy naar hare zuffe en zombere dof heyd, wyl die Vogel de fpot is van alle anderen. Een Haan, die by 't krieken van den Dag anderen tot het werk kraayt, de Zon waarneemt voor zyn op- gang , voor zyn huysgezin zorgt en vecht, is waardiger zulke eene Godin, als een Uyl > en de Bey zou ook 'nog meer recht tot die eer hebben. De Havik, of Valk, zou by haar voor de geregelde Krygstucht-Godin beter paflenj hy paft net op het bevel, als men hem te rug fchelt, gaat vlug los op de order, weet wel zyne gangen door de Lucht te nemen, om met een zeekeren aanval te ftorten op zyne prooy -t en is te vreeden met dat befchey- den deel, dat hy voor zyn loon ontfangt. Of eenige andere Vogel voor zul- ke byzondere Godheyd. S Mer-
|
||||
138 De Hieroglyphs^ of Merkbeelden.
Mercurius was mede een zoon van Jupiter, gewonnen by Maja,die de
Dochter van den gfooten Hemeltorflcher Atlas was. Zy kreeg dien loozen khaap op den Berg Cy Menus in Arcadie. Hy is vlug, jong, fnel van ge- laat, een fnapper en fyn in de treeken} met een looze opgefchorte Neus, en de Winkbraauwen in een geloopen, hebbende zyn Voorhoofd Bergach- tig, als een Spion, en bedrieger. Zyn Griekfch Hoedeken heeft twee Vleu- gels aan, en zulke twee doet hy 00k aan zyne Brooskens van Goud, om de Goddelyke boodfchappentevlugger te verrichten. Mercurius isby den Heyde- nen het Woord, het welk Uytlegger van der Goden en Menfchen gedachten be* tekent. Zyne fnelhcyt word door die Vleugelen te kennen gegeven. Alom bereyfd zynde, was hy 00k de Tolk der Goden j hy wees de weegen aan, en ontfing de Ziele der ftervenden, omze ter Helle te voeren, of ten Hemel te plaatzen $ en deze God moeft eerft verbreeken de banden, waar mede de Ziel aan het Lyf is verknocht, door eene Goddelyke kracht.Ook vervoerd hy de Zielen, zoo Ze in andere Ligchamen weer zullen inwoonen,met zyn ftaf uytdeHel* le weer opvoerende, na datzevande Vergetelheyd of Letheftrootn gedronken hebben, en ten eynde van haar taak or tyd zyn. Zyne Staf voor de Wei- fprekendheyd is in Gezantfehappen, Redenvoeringen, Vreedc en Oorlo* gen aanzegging het Merkbeeld, met twee Vleugels en twee gekronkelde Slangen. Hy was vinder der Worftelkonft, opperbaas der Bouwkonft, en verfchafte veele fchoone uytvindingen aan 'Dxdalus. Hy kreeg by Venus eenen Zoon Hermaphrdditus, die tot een Lyf zamenfmolt met de verliefdc Nymphe Salmacis. Mercurius was de boode der Goden tot Zeegen, maar Iris tot Vloek, als Peft, Hongersnood of Qorlog. Eygentlyk is hy alzoo de boode der Goden te verftaan, dat men zyn naam heeft gegeven aan dc beweging der Menfchelyke Zielen •, welke van de Opperfte Godhcyd inge* blazen altyd heeft behouden de vonken van het Goddelyk Vuur > en weet de Wille Gods. Zyne Staf was eertyds zonder Slangen, maar is verguld geworden om datze Rykdom en Geluk aanbrengt.De Slangen welfel op mal- kanderen gebeeten, bevreedigden onderling fpoedig, het welk den Egyptenaars aanleyding gaf om een Mannetie en Wyfjes Slang omde Bagette, or Staf te flingeren voor Huwelyken en andere Eendracht. Van dien Caducous of Slangen- ftaf, dus genaamt van het Griekfch K^woeiov, zyn de Gezanten Cadueeatores ge- rtaamt. Eenige hebben die Godheyd, zyne blonde gekrulde Hayren met Guide Veeren befteeken,als of het Vleugels waren. Zyne Dochter was de Amazone £.#- ft a de Worftelkonft. Theut, by den ouden Duytfchen voor den Oppergod aange- beeden, was zyn eerfte naam in Egypten ,en te Tanape was Hermes Tempel op dien naam. Men zette hem fchoon als een borftftuk op eene groote vierkan- te Steen, als iemand die de Deugd volgende, zig van deFortuyn heeft vry- gemaakt -, en op zulke een vierkante Steen ftaat hy niet als een God der Loogenaars en Dieven, maar als een Man van Waarheyd, die altyd en o- veraf zig zelven gelyk is. Aan de Hooge Schoolen hebben de Ouden zyn beeld
|
||||
Van de Mensch-Schepping. XIII. Hoofdstuk- 139
beeld op eene Steen alzoo geftelt. Men ofFerde hem alzoo de Tong, en ee-
ne Beurs, als opper-Koopman •, de Haan ftaat meeft by hem. De oude Cel- ten maakten 'er een fterk beeld af, met veele Koorden tufTchen den Tanden aan de Tong vaft, met dewelke hy naar zig trok die zynetoehoorders waren, gekleed met de Huyd van eenen Leeuw, tot grooter Merkteken van fterkte. Diana, de Dochter van Jupiter, en Zufter van Apollo by Latona ge- teelt, \so&L<T>habe, Cinthia, 'Delia, Hecate, Troferpina enz.genaamt* en men kan van haar zeggen, dat zy de Maan zynde, alle naamen zig zel- ve toepaft, en allegeheymen der Merkbeelden, van de Hoogfte Macht,zoo wel by den Egyptenaars, Babyloniers, Grieken, Romeynen, en andere Volkeren. Zelfs is zy in de iiyterfte eerbied by den Weit-lndianengeweeft. Vafcus di Gam a heeft zig van de Eclipfis of taning van de Maan, konftig en verftandig bedient, als zyne Vloot van honger zou vergaan hebben, op de Amerikaanfche Kuftcn. Hy deed de bevreefde Landzaten, uyt vreeze van hare verdichte gramfchap, alles opfchieten, voorraad inovervloed, en Mondkoft op *t Strand brengen. Van deze Godin is veel gezegt, en zalnog vcel gezegt worden-, de Jacht en Nacht, is haar als cDiana, de Hel als tProferpina eygen. Zy ontleent van haren Broeder het licht, waar raede zy flonkert aan het blaauw gewelfj en is zeer voor de Kuyfchheyd, gelyk zy aan Attaon betoonde, dienze zynen Honden ten prooy liet, hoewelze nog wel wat minnekozery met Endymion kon infchikken. Zy neemt het ampt van de VoorftanderelTe der Vroedvrouwen waar, als Lucina. De Tauren enThraciers,aan de Zwarte Zee,of Tmtus Euxinus,ofFerden aan haarde Vreemdeltngen, die zig op de Stranden uyt Schipbreuken redderen.Veelen hebben haar wel onderfcheyden van Troferpina, makende dezelve eene Dochter van Jupiter en Ceres, die op den Berg z_/Etna Bloemen pluk- kende, van "Pluto wierd gefchaakt, en van Ceres door de ganfche Wereld gezoeht; waar door zy alom het Koorn in de plaats van Akers den Men- fchen leerde zaajen, maajen, bewaaren, maalen en gebruyken. Die van de Maan of 'Dianacene bewoonde Wereld maakten, gaven haarde Maankop- pen m xle Hand, rond met Kanteelen als van eene Burgkroon voorzien, en van binnen met oneyndig Heulzaad, gelyk een Stadsvolk. Men offerde haar eene H-ecatombe, van honderd Offerdieren, of was het Keyzerlyk, van zoo veele Leeuwen of ArendenZy droeg in Arcadie eene ontfteeke fakkel, om het licht, dat ze ontfangt en uytgeeft, en de aangename klaarheyt by nacht voor den Reyzigers. In Achaje was haar Beeld van hout, buy ten het Hoofd, Handen en Voeten. Die delen bleven naakt, en de houten gedekt met fyn linnen. Hare Kar word van een zwart en wit Paard getrokken , om dat zy ieder maand half gezien word-, ook wel van Muylezels, om dat zy gene kracht om licht voort te zetten uyt haar zelve heeft. Elders had- ze Vare Koeyen in haar gefpan. In 't gemeen komtze braafvoor den dag, liebbende een Hertenhuyd ora- S 2 flin-
|
||||
140 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
flingert. Eene fchoone Boog met een koftelyke Kooker vol vlugge Pyleri.
A an haar Tempel op den Berg Aventyn in Rome, hing men de vergulde Hoorens op van de geofferde Stieren, of Herten. Vulcanus, het grof Vuur> aan wien de Werkftukken te danken zyn, als
Minerva voor 'c V uur van Geeft, waar van de kracht van vinding, oordeel en uytvoering der Herflenen komt. Hy is voor de Smitsbaas der Goden be- kendi heeft zyne Winkels en Werkplaatzen, buy ten de gloeyende Smifle der jEtna , voor hem en zyne Cyclopen, op verlcheyden Eylanden. Hy is mank gebleeven door de fchop van Jupiter, die zulk eenen lelyken Zoon niet geern erkende, en hem den Hemel uytbonfde. Set on , koning in E- gypte, door Vulcaan in zyne droom vande Oorlogszegen verzekert zynde, zag door eene menigte Ratten , de peezen der Boogen en 't l&er der Schil- den van den Arabiers opgeknabbelt, en maakte dien God daar voor een Tempel, waar in hy op eene vierkante Steen ftond gekroont, houdende in zyne Hand eene Rat, met een Vermaanfchrift daar by, vandezeninhoud: Wie op my ziet, zy Godvruchtig. De Honden zyn te Mongibello in Sici- lie\ en 00k te Rome in zyn Tempel gehouden geweell. Men brandde tot offer voor hem de Wapenen van de Vyanden. Euander offerde de ge- wonne Wapens onder rrenefte. Alles verflondmen door den brand voor Vulcaan wat *er in de andere Offers overfchootjen men noemde dit Offer ePrdterrv'ia. Dewyl allerley voortteeling zonder hetteniet en kan gefchieden, heeft men aan Vulcanus het Vuur, aan Venus de Teelluft gehuwd. Ceres, doorgaans de naam van Graan-Godin dragende. Zynde, volgens
Varro^ de naam Ceres zoo veel als Geres, van het Latynfch woord gerere, dat draagen betekentj of van het oude Cereo, ik fcheppe, wordende zy voor de Moeder en Voedervrouw der Landvruchten gehouden.. Zy was de Dochter van Saturnus- en Ops, in eene zodanige fchoonheyd
opwaffende , dat zy den Goden zelf tot liefde bekoorde. En men geeft haarnaa, datze van Jupiter en Neptunus, hare voile Breeders, is bekroo- pen ■, waar door zy by den eerften T'r0/erpina, by den anderen een Taardy anderen zeggen eene 'Dochter, overwon. Men kend haar toe de uytvinding der Landbouw, en dat zy den Menfchen in de kunft van allerley Graange- was en Veldvruchten, uytgezondert de Boomen, heeft onderweezen, in dezelve te zaayen en te planten > helpende de inwoonderen, onder welken zy verkeerde, aan de kennifie om Brood uyt Graan te bakken, hebbende voorheen niet dan Akers tot hun voedzel. want daar de Landen voorheen ongehavent en onbebouwt lagen, vol Doornen, Diftelen en fchadelyk, On- kruyd, kwam Ceres, welke men met rede gelyk ftelt met I/is, der Egypte- naren beruchte Koningin, door het invoeren van den akkerbouw de We- reld een geheel ander aanzien te geven, Deze Godin word afgebeelt, over- fchoon van gedaante ,nietanders te kennen gevende, dan de cierlyke Schoon- heyd der Aarde, waar van zy ten Zinnebeeld ftrekt. Eene Schoonbeyd^ wel-
|
||||
Van de Mensch-Schepping. XIII. Hoofdstuk. 141
welke het Aardryk vertoont in oogverrukkende Landsdouwen, Plantgewaf*
fen, Boomen, Bloemen, Aardvruchten, en eene aangename fchakeering van lommerryk groen en veelerley koleuren. Goudgeel Hayr hebbende is ten bewys, dat dezelve koleur de Koorenayren vertoonen, als zy ryp ge- worden, door eene ruyfehende Wind bewoogen, voor het oog der Aan- fchouweren als eene golvende Zee van goudgeele baaren zig opdoen. Hare Borften zietmen van Melk opgezwollen, waar van zy den naam van Mam- mo/a, de Welgeborfte Ceres, heeft verkreegen, tot een bewys van hare vruchtbaarheyd en alles voedende kracht, als eene goedertiere Moeder aan altes wafdom gevende, voedende, opkweekendeenonderhoudende;daarom de Alkoefierende en Zegenende Godin, by den Latynen Alma Ceres, een woord van zonderlinge kracht, genaamt. In de Hand draagt zy eene bran- dende Fakkel, met die beduyding, dat dezelve mogelyk betrekkelyk is op de Maan, wier vochtige invloed de vruchten niet min doed groeyen, dan de verwarmende ftraalen der Zonne; dragende daarom den naam van Libv- rai gelyk de Zon dien van Liber, Mildadig. Hoewel de Fabeldichters zeggen, dat dit haar angftig zoeken na hare Dochter fProferj>inai door Tluto gefchaakt, te kennen geeft, zynde door Klaudiaan in zyne Maagde- fchaaktng aardig uytgebreyd. Het bos Maankoppen eyndfelyk, draagt zy ter gedachtenis van den dienft,
dienze van dit gewas, ter flillinge van hare droef heyd, had genooten, haar door Jupiter het Zaad daar van gegeven zynde, als zy wegens rouw, ora 't miflen harer Dochter, dag nog nacht kon rufteni we^ Zaad van Slaapbol- len haar hebbende in flaap gebracht, vond zy zig, ontwaakt zynde, wel een weynig verkwikt, dog niet zoo zeer, dat zy het berooven van haar gc- liefde Kind vergat. Eyndelyk in hare omdooling van deNimf Cyane, die de fehaking had gezien, vernam, wat hare Dochter was overgekomen. Anderen paflen de Maankoppen met Oudaan veel eer toe op de vrucht-
baarheyd, zynde Ceres daar van het groot Zinnebeeld} om dat mengelooft, dat het Zaad van dit gewas het meeft van alle vermenigvuldigt. Waar door men ziet, hoe veele overeenkomft Ceres met Tellus, de Aarde, heeft, als van welke de laatfte de plaats ter zaaying en planting, de eerftgenoemde de vruchtbaarmakende kracht verbeeld. De Offerfeefien, deze Godinne toegewyd,waren menigvuldig, naar ver-
fcheydenheyt van Tyden en Tlaatzen -, de voornaamfte waren: De Eleuzynfche Feeften, zoo genaamt naar het Stedeke ofVlek Eleujts,,
naar het welk zy zelve de Eleuzynfche Ceres is toegenaamt geweelt , het welk was gelegen in het Atheenfch Gebied, alwaar zy wel het meeft gc- viert wierden. Deze waren tweederley, de Groote Fee/fen, die aanCVr^j-, de Kleyne, die Proferpina toegeheyligt waren. Die zig als Inwydelingen in de eerftgenoemde lieten aannemen, waren verplicht de Klederen, dieze op S 3 dien
|
||||
14X De Hieroglyphen of Merkbeelden.
dien tyd aanhadden, niet eer af te leggen, voordatze, door langduurig
draagen aan 't Lyf verfleeten, en van zeff afvielen. De Groote wierden in Oogftmaand, de Mindere in Slachtmaand geviert. De Priefters derlaatftge- noemde droegen den naam van Myfia, der andere Epopta. In beyde die Nachtfeeften wierd een wonderlyk en dicp fii/zwygen waargenoomen, zoo dat het eene Doodzonde was iets,van 't geen *er omging,byOngewydente vermelden. Hier van daan wierden dezelve My fieri a , dat is, Verborgendheden, genaamt. Men had de gewoonte in dezelve met brandende Fakkels in dc Hand heen en weer te loopen, roepende om de gedachtenis van hetzoeken der Godinne na hare Dochter te vernieuwen, Tangs alle kruyswegen met eene groote ftemme, Perfephone, of Preferpina! en alles met een naar gehuyl vervullende j byna op die wyze, als in de Nachtfeeften van Hecate y of de Maan gefchiedde. Atbe?ie had daarenboven nog aanmerkelyke feeftdagen dezer Godinne ter
eere * Thefmophoria genaamt, zoo men zegt door Triptolemus ingeftelt, by Latynen Vigili<e Ceteris', of Nachtdienften van Ceres genaamt. Dit Feeft vierdde men drie dagen,van den veertienden van Wynmaand
beginnende, in welken tyd de Inwyding gefchiedde door kuyflche en fta- telyke Vrouwen, gelyk mede door Maagden, dewelke voornemens waren ongehuwt te blyven. Ten dim eynde wierd voor deze Hoogtyd een Vaften uytgerocpen, en men bediende zig in de Plengofferen niet van de minfte droppel Wyns. Waar van het Spreekwoord ontftond met Ceres ter bruyloft te gaan, by den Ouden gebruykt, als 'er by geval in een gaftmaal de Wyn ontbrak. Doorgaans offerde men deze Godin eene Zeuge , om dat dit Beeft, door zyn omwroeten den Landvruchten fchade doed} gelyk mede aan haar Kranjfen van Koornaajren wierden opgedragen. Insgelyks hieldmen, Ceres ter eere,zekere Feeften Ambarvaliagenaamt,
ingeftelt tot zuyverofTering der Akkerlanden, en om derzelver vruchtbaar- heyd te verwerven. Deze droegen die benaming, om dat het Offerbeeft met zekere plechtigheyt van het Landvolk, rondom de Akkers wierd heen geleydj gelyk het Feeft, op welke men net Slachtdier4 ten offer gefchikt, rondom de Stad leydde, daarom den naam van Ambmb'mm, of Stads&ny- vering droeg. De Landlieden namentlyk plechtig by een, waren gewoon, het zy eene jongdragende Zeuge, het zy eene jonge Ktre, wanneer het Graan zyn wafdom en rypheyd hadde, tot driewerr rondom de Koornvelden en Akkers, die vruchtbaar waren, te ley den j terwyl de gantfche fleep, diede- zen omgang vergezelfchapte, de Velden aan alle kanten door een fchate- rend gejuych , vrolyk handgeklap en boerfche ronde-en rey-danileryen dee- den wagen en wydluftig wedergalmen. Middelerwyl zong 'er een uyt den Hoop, hebbende eene Krans van Eykebladeren om het Hoofd geilingert, Ceres ter eere eenen Lofzang} tot dat men eyndelyk,, na het aanbieden van fVyn
|
||||
Van de Mensch-Schepping. XIII. Hoofdstuk. 14.J
Wyn-mede met Melk gemengt ', voor het inzamelen der Landvruchten, ecnc
Zeuge, als gczegt is, aan deze Godinne opofferde. Deeze breede Raad der Goden befchreeven zynde , laat ons nu weder-
keeren tot ons voorgenoomen ontwerp de Menfch-Schepping. Zy vonden dan de Dieren armelyk wurmende in hare hoofdftoffen, en gaven daarom bevel aan 'Prometheus en Epimetheus ,elk volgens zyn zoort te voorzien. Epimetheus nam op zig de uytdeeling, terwyl 'Prometheus radenzoude. Hy voorzag dan met liftigheyd, fterkte, rafchheyd en ftoutheyd, Nagelen, Klaauwen, Tanden, Vinnen, Vlerken, en zoo voort, elk Schepzel na zyn behoef •, en fchikte niet minder de meefte op met Schubben, Hayren, V£eren, Vlerken, ate anders. JD. De Menfch naakt, weerloos, als een lompe Vleesklomp, ter naau-
wernoot geftaltig, fchoot rer over. De Dag, door 't Noodlot gefchikt, was *er, en de Menfch moeft in 't licht komcn. Weshalven Prometheus den Menfch met alle zyne ledematen wiskunftig gevormt heeft, met onbegrype- lyke gereedfchappen van binnen, zoo van Beenen, Peezen, Aderen, als groter en minder vertrekken, tot Bloed, Zap, Gal, Melk, Zaad, enan- der noodzakelyk voedzel dienende. Dit zoo aan 't werken gebracht, en van den Planten konnende leven en 00k eenige beweging maken, als de Beeften, ontftal hy uyt de Winkel van Vulcaan en Minerva het Godde- lyk Vuur, dat hy hem inblies. Dus kreeg dan de Menfch in zyn boezem en breyn dit Vuur geplant j dat in alle de Bloedbolletjes zig zette tot eene Ziel, die Wil, Geheugen, en Gordeel droeg.Dan nog voorts blies hyhem aan met Goddelyker Adem, om iets over te houden na zyn Dood. Dit den Menfch medegedeelt zynde maakte de Goden jaloers y waarom zy op't al- lereelfte en fchoonfte opfchikten V-'* Pandora, en deden Vulcaan fmeden eene Goude Kop , prachtig
getooyt, waar in zy alle de zorgen en driften plaatften, door wetken het verftand word aangevochten. Deze fchoone Bevalligheyd daalt neder met haar Juweel. Epimetheus opent het met haar tegen 't verbod. 'T fprong niet op, of de kwade rampen en kwalen vlogen 'er uyt, en namen alle der Menfchen boezemen in. De Hoop alleen bleef aan het dekzel vaft. D. Ep 1 metheus , het Zinnebeeld van den bedorven Menfch, die houd
dan het dekzel met de Hoop daar aan vaft , maar word aanftonts gedreven van de Onruft. Dat Vuur van Prometheus in zyn bloed geplaatft, draayt zyne Herffenen om, door allerlej ydele overleggingen. Hy geeft de hand met aan de fchoone Pandora, of hy betaalt duur 't vermaak van hare bezit- tingi Hy kan zig van de Aarde Hemelwaarts niet verheffen. Een zware Steen, aan zyn Voet gekluyftert, houd hem laag. Het J ok op zyne Schou- ders
|
||||
144- ^E HiEROGLYPHEN OE MERKBEELDEN.
ders gedrukt van zyne driften word hem meefter; en 't Goddelyk Vuur, in hem geplaatft, wordgedooft, onder den Afch van aUerley wufte Ydelheden. Zoo boot ft de Hey den het Heylige nal ti" De Schepping van de Wereld volbracht zynde, word de Menfch van
GOD gemaakt, Man en Vrouw* de een uyt de Aarde gevormt, en dean- dere uyt zyne Ribbe. Welk vormzel uyt de Aarde Prometheus (bootzerenr de) uyt Leem eerit opbracht, en zig als Menfchenmaker heeft doen eeren. Jr. Tuflchen die beyden door Goddelyken Raad van God,hetWoord,
cnde H. Geeft gemaakt ,naauwelyks minder als deEngelen,leefthy als Huys- meefter van de Aarde, Heerfcher over de Beeftcn, in groote ftaat vanGe- lukzalighey t, tot dat de Verleyder, nydig over zyne Zegeningen hem door zyne 'Pandora aan Eva de Vrucht van een Boom aanbied. Deze door zy- ne beet vergiftigt, betoverde het Oog en bedorf Ziel en Lyf. Hetonder- fcheyd van Goea en Kwaad maakte allerley driften > de Hovaardy ora God te gelyken, allerley ftouteoverleggingen. vJ* Zoo treed hy bedorven en vervallen onder de eene Voet het Merk
van Zaligheyt, en onder de andere dat van de Eeuwigheyt. Zy ontfangen danbeydePyn, Arbeyd, en den Dood, tot loon van hunneongehoorzaam- heyd. De lor van Prometheus Menfchen-bezieling duurde lang. Men bouw- de hem Altaren en Tempelen, rondom welke de Mannen te Voet of te Paard liepen, en malkander inhalende, overgaven aangeftoken Fakkelsj welke plechtelykheyd ook voor Minerva en Pulcaan gefchiedde, om dat het Goddelyk Vuur, van Prometheusuyt hare Winkel geftoolen was}bewy- zende, dat de een van den anderen het leven ontfangt, en dat ook de Kon- ilen vanden een tot den anderen overgaan. H. De drie Zielen door dat Vuur ingeftort, by de Egyptenaars, Joden
en Grieken eveneens begrepen, zyn met de G or gone s drie Zufters j Medufa, Steno, Euriale, Dochters van Phorcus (de Gorgones zyn ook genomen zoo vertoont, als de ftof, de Zingefchape-Vorm, en de Geefl -, Materia , Forma, Spiritus.~) De gerimpelde oude Meduja is de fterfFelyke met den Beeften gemeen. Deze is zonder Vleugels, zonder Handen, met een Oog, dat alles ontdekte,'t geen zy malkanderen leenden,om den Goddelyken In- vloed en Uytwerking te verbeelden. Zeker Beeft in Libye heeft die naam van Gorgone geliad , waar door Marius Zoldaten in den oorlog tegen Ju- gurtha, door 't zien alleenlyk fheuvelden. De Huyd van dit Gedrocht te Rome gebragt, was zoo veelverwig, dat niemand kon zeggen, van welk Beeft die overgewonnen was. Anderen menen, dat Medufa van woefte Woud-
|
||||
Van de Mensch.Schepping. XlN. Hoofdstuk. 14.5
Woudvrouwen, of Meerkatten, aan 't Moerafch 7V//<w/>gekomen,denin-
woonderen veel fchade aandeed, en van Per feus gedood wierd. Nephes ondcr de Hebreen, Nef'm 't Chaldeeuwfch, levende ? beteke-
nende St hem? met Bloemen op het Kleed geciert, is i?#<z/&;GeeitenVer- nuft. De derde, Eur tale? is de Onfterffelyke Ziel, Neffamach. Die heeft als
Stheno voortipruytende takken voor Vingers, Vleugels van Draken, om haar Vuur en kracht ; om op te klimmen en in te dringen in Goddelyke befpie- gelingen. Zy hebben alle Slangenhayr, om de bedorventheyd, die zy za- men ontfangen, meer tot kwaad, als goed genegen, te toonen; waar toe 00k hare Wildverkenstanden dienen, namentlyk de weerbarftigheyd tegen 1« 'De Goddelyke Trekking? welke met een Goude Keeten, boven aan
met eene Sterre aan den Hemel vaft, tot op de Aarde hangende, bctekent is} door welke de afhankelykheyd der Aarde, en hare Schepzelen, byzon- der der Menfchen,klaar bekent gemaakt word. Jupiter? deze Ster in de Hand houdende, en daar aan eene Wereldkloot hangende, is van de God- delyke Oppermacht over de Wereld een krachtig Zinnebeeld. Origenes en meer der eerfte welgeachte Voorvechters van 't Chriftendom
hebben de Gefchiedenis van Adam? 't Paradys, de Appel en Eva? en de Duyvel geheel maar Hieroglyphifch? ennietals waarlyke gebeurdegefchiedc- niilen aaneemerkt. Doch wy door de Genade van 't Goddelyk Woord ver- licht zynaej blykt ons GOD als de Schepper van Adam naar zyn Even- beeld, en daar na Eva uyt zyne Ribbe, die in eene Volmaakte ftaat zyn- de in't Hof van Eden ? door den Duyvel aangeprikkelt van eene Verbode en alleen uytgezonderde Boom wilde eeten; hunlieder en der Nakomelingen onvolmaakten, bedorven, en rampzaligen ftaat makende, door hare Onge- hoorzaamheyd, en in ons over doende gaan ik weet niet wat dolle prikkel, die de verboden dingen, anders aan ons onverfchillende, dan aantrekkelyk maakt, als dezelve verboden zyn. J^« Deze Val van Adam is door eene Boom verbeeld, waarom de Duy-
vel als eene Slang? met eene Appel? vyge? of andere Vrucht in de Bek, de Vrouw en Man vervoert. Maar achter aan zietmen een woeften Bertr en onvruchtbare Landftreek, waar in zy uyt die weelde verftoten, in alle elenden zig moeften behelpen. De vinding der Heydenfche Dichters is omtrent deze ftof zeer zinryk en
overfraay, bewyzende onze driften, om alles te weten en te beproeven} den aanblik der Wereldfche lokaazenjons onbedacht hollen naardegevaren} den rampzaligen ftaat der van achteren ziende dwazenj de veelheyd der elenden in de Wereld, en meer andere zeer leerzame zaken. 'Prometheus en zyn Vuur is voor Wysheyd en Reden. Epimetheus voor
T al
|
||||
I46 DE HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
al te late onbedachtzaamheyd met naberouw , en al zyne driften nagelaten:
pandora voor de flikkerfchone fchyn der Eeren, Rykdommen, en Wel- luften > welker ydele bezorgingen de ganfche Wereld overftroomt hebben. Veel Gelukzaliger was 't gewis, Qx. zy Heydenfch, of naar de H.Schrif-
ten gevat) indien men met eene Heylige Onnozelheyd minder wift, en be- ter deed. Gelyk men nog van zulke Eenvoudige Vroomheyd meer Voet- ftappen by de ilechte Huysluyden hier of elders zoude vinden, als in de fynft- ©vergehaalde Geeften der Hoven en Hooge Schoolen. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
.■ ... 1.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
..
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
—""^WWHMIIPBHHHHPW!
|
||||||||||||||
Van Gods Volk. XIV. Hoofdstuk. 147
|
||||||||||||||
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
|
||||||||||||||
Van Gods Volk.
|
||||||||||||||
.
VAn allc dc Volkeren, dewelke op hare Oudheyd roemen, fchynt het
Joodfche wel hct voornaamfte te zyn, dog met dien naam in 't begin onbekent, en, in de Eerfte Wereld, Kinderen, Gemeente, of Kerke Gods gebynaamt. A'
• Van Adam den Eerften zietmen den Godsdienft in drie deelen, Prediken, Bidden, OfFeren* zoo dat de Kerk voor de Zondvloed in en door den zelven kan verbeelt worden. Men ziec dien Eerften Vader met Vellen van God bekleed, na dat hy zoo Rampzalig zyne naaktheyd had leeren kennen, de Oogen opheffende naar den Hemel, predikende met de Rechterhand de Volmaaktheyd van zynen Schepper, zoo als hy dien in den ftaat van zyne Onnozelheyd had aangebeden. Met dezelve gebaarden opent hy zyne Zuchtende Mond,om te bidden denzelven Schepper om zyn Zee- gen en zyn beloofde Zaad. Hy offert Koeken op zyne Houtmyt, en Vruch « ten, als Tienden aan den zelven, als den milden Schenker van vroegen en fpaden Reegen en Zonnefchyn op zynen arbeyd in de vervloekte Aarde, die hy met zyne Graaf bearbeyden moeft. De andere Hand ftelt eenen na- volger van hem, den oudften van zyne Zoonen j hem de handen opleggen- de, om weder na hem (wyl hy nu wift, dat hy fterven moeft) te Prediken, Bidden en OrTeren > want zulks was den anderen niet toegelaten. Zodanig zietmen, dat Kain en Abel zelf niet en offerden, maar alleen hunlieder Or- ferhanden brachten. Deze Godsdienftplicht en Orden is derhalven van den beginne geweeftj en was 'er een boofwicht, als Kain, of diergelyke, die wierd uyt de Gemeente geworpen,gelyk als hy gezegt word te hebben moe- ten vluchten voor 't Aangezichte des Heeren. Zulks is van de Eerfte Wereld door Noach, en zynevroome Nakome-
lingen, zoo opgevolgt, by overdracht van den oudften aan, tot op dien, die hem het naaft volgdej mogelyk met Schriften, oogfchynelyk zonder Boeken, maar echter niet zonder Merken, Beeldtekenen of andere nalaten- fchap t gelyk men van deBouwnaalden of Pyiaren van Seth zegt, (als gemeld is,) dewelke 't geen voor, en in zyn tyd gebeurt, bekent en ftichtelyk was,na den Zondvloed zelf den Nakomelingen heeft doen erven. -t>- De Kerk na de Zondvloed hield dezelve drie deelen -, de Offerplaat-
zen hoog verkiezende, op Bergen en Heuvelen, of die, door Steenen ma- kende tot hoogtens; waar van het woord Altaar zynnaam heeft, vanyf/- T 2 tust
|
||||||||||||||
...... . .... . . . . . . .
|
|||||
148 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
tus y hoogj gelyk Tempelen van Contemplatie of diep denken en befpiege-
Hng. Zulks hebben 00k veele Heydenen nagevolgt, waarom zoo menigmaal de Hoogtens, en hare Boflchen zyn afgeworpen en gekapt van die Helden, die de Ware Kerk herftelden. Deze Kerk word verbeelt door Abraham t die 't Befnymes in de Rechterhand heeft, en in zyn Linker de Wyn, het Water en Zand, om de wond te reynigen en te heelen -, en om de belofte van de grootheyt van zyn Zaad te verbeelden, met de afgefiiede Voorhuyd van Izaak op een Schoteltje in zyne andere Hand. Het Kind word gehou- den op de Schoot van dennaaftbeftaandenvriend,enflaauwwordende,word het met Wyn of Water, uyt den Mond des Befnyders toegefpat, om te verkwik- ken; in een Linne Luyer, waar op Sterren geftikt zyn, den zeegen van zy- ne aanltaande vermenigvuldiging verbeeldende, die de Sterren aan den He- me! gelyk zyn. Een Calebas, Pelgrims-eii Hardersftaf leggen aan Abrahams zyde -, om te vertoonen, dat hy uyt Babel naar Canaan, met zegeningen tot heerlykheyd van eene Vorftelyke Macht, in Veeen Knechten was toe- genomen. Zyn Geloof is verbeeld met het OfFervuur, tot flachting van zyn eenig Kind bereyd-, maar door eenen Engel geftuyt, die voor den Zoon ee- nen Ram uyt de Doornhage deed her voortipringen. Op den zelven voet ging de Godsdienft voort in 't Volk van Ifrael,als 't onder de Hebreendoor Abraham was onderwezen, en wierd v^« De Kerk onder de Wet krachtig.Die is verbeeld door haren Wetgever
Mozes, die met zyn Voet vertreed het Jok van Pharao. De Hoed van Vry- heyd dekt zyn Hoofd, om dat hy dit volk uyt de harde flaverny der Steen- bakkeryen, door de Rietzee in de Woeftyne door veele Wonderwerken vry uytvoerde. Gods eyge beftier was des Volks Oppermacht, wien het lulte zichtbaar in zyne Heyligheydshut te woonen •, waarom men zynen Aller- heyligften Naam, in een Eeuwige Rondenglans voor 't Hoofd van den Wet- gever ziet, die de aftintelende glorie van die Goddelykheyd, in zyne twee- zydsblinkende Hayren en Aangezicht, zoo krachtig droeg, dat het Volk die flikkerende glanfch niet kon doorftaan. De krachtdadige Handhaving des Volks, door God, ziet men in de Wolk-kolom by den Dag, en de Vuur-kolom by de Nacht, voor haar Heyr henen gaande. Op de Borft van Mozes zietmen Aarons BorftlapsGefteentens, XII. in-'cgetal, welke,zoo wel als de Wolk, het Goddelyk geftraal uyt de Arke des Verbonds, dien- de voor een Orake/, of Godlpraak aan het Volk, de Urim en Thummirn fenaamt} aan welker onderfcheyden ftralen men raad vroeg wegens de uyt-
omft der aanftaande tochten of gevaaren. In zyne Hand houd hy den Staf, met welke hy \ Water uyt de Rots voor 't verfmachte volk ontclekte. De Hand ruft op twee Steene Tafelen, waar in God zelf zyne X. Hoofdwet- ten had ingegraveert. Op den Berg Sinai ftaat hy, op wiens top, en in wiens fcheuren en kloven hy Gods Heerlykheyd had aanfchouwtj en van waar
|
|||||
Van Gods Volk. XIV. Hoofdstuk. 149
waar hy afbracht alle de Plichtpleegingen, Wetten enTekeningenvoorden
Godsdienft, den Tabernakel, en de H. Werktuygen-, alle vol Voorbeelden op den aanftaanden Heyland , wiens Opperprieiterfchap en Offerhanden 00kdoor zyn\, Aarons,Muts,Roken toeftel in zyne Linkerhand is verbeeltj in welke men een Tafereel ziet van de Legermeting der Xlf. Stammen rondom de plaatzen der H. Tente, en der Tente der Kerkdienaren en haren Leger- voogdj zoo als die in de Woeftyne legerden, tot dat de Wolk-kolom be- woog, en zy optrokken. Zyn Rechterzyde fluyt Jozua, door den Wetge- ver met oplegging der handen aangeftelt tot Hoofd van de Schaaren. Die Oorlogsman des Heeren draagt een Schild aan den Arm, waar op de Leeuw van 'yW^zeegenpraalt, en laat zyne Zeegenpiek drillen op't Beloofde Land, over de Jordaan. Daar op zietmen de Burgkroon van Jericho, met omge- ftorte Torens en Muuren, de Zegenlauwer over Canaan, en de verdeeling van 't gewonnen Land in XII. deelen, voor die XII. Stammen. De Zon aan die overwinnende Lans gehecht,toont de Hand GODS in die overwinningen, wanneer hy de Zon deed ltaan te Gibeon, ende de Mane in't Dal A]don, om te breder over den Vyanden te zeegenpraalen. AandeLinkerzyde van Moz.es ziet mendenftaatvan de Kerk onder denRechteren,meteen Rleed van fchaamtc bedekt, om de overtredinge desVolks,en de llofheyd der Kerkendienaaren. De Linkerhand draagt de Boeyensder Volkeren,diehetoudIfraelonderdruk- ten, en verkeerdelyk onder hen waren geduld> welker Afgodery zy na-hoe- reerden; ofFerende hunne Kinderen, en zig zelven aan verfcheyden grou- welen op. Dog nademaal God, t'elkens zyns Verbonds gedachtig,haar \ve- derom genadig wierd, draagt hy het Ezels Kinnebakken van Sarnfon, den Naeel j die J ah el door den Kop van S if era floeg-, en de gebrooken Poteen met hetVuur van Gideon, als de Merk-en Geheugtekenen van de overwin- ningen, op die Overheerfchers behaalt, in zyne Rechterhand. D. De Kerk onder den Koningen is vertoont door 'David, den Koning-
lyken Propheet, die in de plaats van Saul is gezalft. Deze Held Gods heert m de Reehterhand het Zwaard van Goliath, en zyne afgekapte Kop, waar in de Slingerfteen is te zien, door welke hy der Philiftynen hovaardy, over- moed en dwingelandy ter nederplofte. Hy draagt de Kroon, op de Ammo* nit en behaalt, van 't vaftgeftelde Ryk op zyn Hoofd, en zyne Koninglyke Mantel is verbonden met zes Steenen op de eene flip, en zes op de andere, bewyzende, dat hy over de XII. Stammen geheel Koning isgeweeft, en zulk een Ryk aan zynen. Zoon Salomon heeftnagelaten. Gelyk hy in de ande- re Handhoud de Tzere Egge,&c over de Ligchamen der Ammonitenhzzfa eegaan, wanneer die Koning het ongelyk, zynen Gezanten aangedaan, moeft wreeken. De Harp, op welke hy zyne krachtige Voorzeggingen op onzen Zaligmaker heeft gezongen, hangt op zyne Schouderen. Hy word opgevolgt van den Wyzen Salomon, die den Rykdom uytTollenenKoop- T 3, man,
|
||||
■ "'"
|
|||||
150 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
manfchappen, en 't Goud van Ophir in den Arm heeft * en den Tempel,
het grootfte Model, en de klaarfte Spiegel van onzen Heyland, door hem aan God gewyd, met onbefchryffelyke Macht, Rang, en Order van Prie- fters, Zangers, en Bediendenj met ongelooflyke pracht van Goude, Zil- vere en Metale Vaten. Dit wonderbaarlyk gevaarte, met zyne Pylaren, Heylige der Heyligen, Voorhoven en Muuren, zietmen achter hem brallen. Ji« De Verdeelde Kerk onder Rehabeam word door dienvervallenD win-
geland vertoont, met de gefcheurde Mantel, waar van X. Lappen zyn af- gefcheurt, de X. Stammen betekenende, door welke de kracht van Gods Volk gebroken wierd. Na hem volgen veele Dwaaze en Rampzalige Ko- ningen, die 't lot van wechvoeren en ilaverny, over de X. en overige twee Stammen, na hunne Afgodery nafleepten, met de verwoefting en brand van dien Tempel, eens en tweemalen. £• De Prophetien, de Goede en Kwade Zienders vertonende, die
tot trooft, of verleydinge des Volks dienden. De goede Propheten worden hier Gemerkbeeld door eenen Man Gods, die zyn Achtbaar enKaalHoofd met de eene Hand vafthoud, en met oopene Oogen op de Godftraal en In- fpraak fteroogt, de Eer van Gods naam, en de werkmg van den Oneyn- digen God in zyn Hert dragende, by Aanfpraak, Infpraak, Droomen of Gezichten werkende. Zyn Kleed is van Kemelshayr of andere vellen, met eene Ledere band om zyne middel, barvoets, ongeacht, dwaas ja dulfchy- nende, en om zyne rechtfehapene en hardvochtige vryborftigheyt,daarvoor uytgefchreeuwt, vervolgt, ja gedood. Hy heeft den Mantel van Eliasi uyt de Lucht op hem toegeworpen , door dewelke Eiis^a verzekert wierd van de kracht om de Wonderwerken te konnen uytvoeren,gelyk hy op zoo vee- le Plaatzen en gclegentheden gedaan heeft. Zyne andere Hand houd ee- ne Staf, als die van Mozes, welke dan, wanneer de guychelende Egypti- fche Wyzen, of Valfche Propheten alles nabootzen, hare Staven deed ver- llinden door zyne, in Draaken of Slangen verandert zynde. Uyt den He- mel komt die Goddelyke Straal, by welke men ziet de geoogde Raderen, en de VierhootHige Cherub van Jefaias. *• De Valsche Prophetie is met de halve Maans EgyjMiifche en
naderhand Roomfche Opperpriefters Muts gemerkt. Eene Kopere Hoorn is voor zyn woefte Kop gebonden. Hy fnyt, vilt en kerft zyne Huyd, als de Baals-Priefters, by veele voorvallen deedm, tot fchimp van hunne Af- goden, en verdelging van zig zelven en hunlieder Tempelen. Zyn en Anu- bisy Hammon, 'Dercete en andere Afgoden, houd hy in zyn Linkerarm. Zyne Staf is (gelyk dadelyk is gczegt) verllonden van die, welke Mozes toebehoort. » H. De
|
|||||
Van Gods V o l k. XIV. Hoofdstuk. 151
H. De Wonderberg van Sinai met zyne ontoegankelyke top,in wcl-
ker kloven God gezien is geweeft, waar op de Blixeraen en Donderen klet- ften en weergalmden, van onderen afgepaalt, om dezelve voor de Onhey- lige Gemeente vry te houden t aan wiens eene zyde 't Verbond aan de her- ftefde • Wereld, de Regenboog, te zien is} gelykaan de andere zyde, de latere tyd en voortgang van dezelve Kerk, byzonder gedrukt, maar oak by- zonder gezeegent. •*•• Zynde de Verlofte Kerk, welke na *t hardebollen tegen veele Heyde-
nen, en't onderdrukken der Romeynen zonder Scepter of beftier in de Hand, can dat de Schilo gekomen is, eene Joodfche Weduwe zynde, vertoont word. Zy braveert met de Wereld voor de Zondvloed,en dienade Zond>- vloed, voor haar. Hare Kerkplechtigheden , Feeftdagen en Offerhanden houden op, gelyk men 't hooge Altaar, en de Loverhutten achter hare rug- ge ziet, en de Blaashoorn op hare zyde, om dat de andere heerlyke plech- tigheden door de Ware Offerhanden wechgenomen, zynde die, welke van God Menfch geworden, en van de Maagd Maria gebooren,geleedenheeft, wanneer dat Lam, dat de zondender Wereld wechneemt, nederdaaldeuyt den Throon der Eeuwigheyd, van denH. Geeft ontfangen, gepredikt uyt den Hemel, en op de Aarde verheerlykt is. Zy offert door dit Lam, de Paafchkoeken verwerpende. Zy bazuynt op deze Verzoening uyt den Hoorn der Ware en Groote Sabbath j vervult ziende de kracht van alle de Voorzeg- gingen in Jezus Chrijius. K. Waar tegen de Verblinde Kerk in het Leven des Zaligmakers zoo
Godvergeten worftelde. Die word verbeeltdoor de Gezindheden, welke de Kabbaliitifche en andere Uytleggingen, nevens de H. Bladeren en de Wctf boogden te verftaanj beftaande uyt Prielters, Leviten, Schrift-en Wetge- leerden. Deeerfte van hen is een Nazareeuw, (een naam van 't afzonder en genomen,)die ongefchoren blyvende, voor Sterkendrank, Dooden en Be- fmetting zig moeft wachten.De cPkarzzeeuw (of Onttrokkene) is aan zyne Muts en opgeblaze kleeding fcn gebaarden te kennen. Het woord, //. uyt- legger der Wet, ftaat op de Tulband. De Tafeltjens, waar op de geftreng- fte Wetten zyn gefchreven, fteeken in zyne Boezem; en de Pailementen waren van Doornen op hunlieder Rokken. Zy wierden Uytwaffchers ge- naamt, om dat zy zig geftadig afwiefTchen en reynigden. De Ejfe'en , (van *t heelen en geneezen Artzen genaamtj met een Urhiaal verbeelt, op de onfeylbaarheyt van 't Noodlot gezet, ofterende nooyt iets levendigs, in *z wit gekleed, hebbende alle hunne goederen gemecn. Zy mydden zig meeft van 't Huwelyk, levende byna alleen van Zout en Brood. De Sadduce'en (of Qerechtveerdigden) geloofden de Dood van de Ziel met die van 't Lig-
|
||||||||||||
**r-~-* - -_.._.. -......__^_^----------
|
||||||||||||
I5Z De HlEROGLYPHEN OF MeRKBEELDEN.
Ligchaam, zondcr Opffanding; verwierpen de Cabbala, den Talmud en
Prophet en, en alle geheymkunae uyt Propheten en Rabbynen> maar hidden de Vyf Boeken van Mozes in waarde. Waarom deze de Eeuwigheyd, eene Slang met de Staart in den Bek, in twee ftukken gebroken, in de Hand houd. De Re c habit en (dus van Rechab, hunnen Vader en Voorbeeld, ge- naamt) zaayden nog bouwden niet,en leefden in Tenten als Vreemdelingen. Behalven deze waren de Samaritanen byna van gevoelen,als de Sadduceen, verdoemende de andere Joden,die haarinsgelyks verbanden enverdoemden. De Berg Gazarim was hunlieder Bedeplaat^gelyky^Tws^/m was de plaats van Gebeeden voor de andere Joden. Buyten deze waren nog veele Hut- en Tempeldienaars, die Tienden, Aalmoellen en andere H. Gelden ophaal- den, Ger/bniten, Cohathiten, Meraritenen anderenj en ook veele, die de Wetten, de Hiftorien, de Byfchriften en Prophetien bewaardenj meer- der alle voor uyterlyke praal en dienft, dan tot ware kennis dienende, en |
||||
Van Cains Zaad. XV. Hoofdstuk. 153
|
||||||
VYFTIENDE HOOFDSTUK.
Van Cains Zaad,
HEt Zaad van Cain, de booze driften der Menfchen betekenende, week
af van de Heylige Menigte, voerde eene ontzachelyke heerfchappy in, bouwde Steden, vochten floeg. De fterkerdenzwakkecen overvalleflde, bracht in eene al te hooge achting voor den geftorvenen, diemachtgebruykt en nagelaten hadden. A. Deze zit op eene fcherpe Rotztop, achter welke den Doornbofcli ha-
re vlammen uytwerpt, om de Cederen van den Libanon te verteeren. Vor- ftelyk van de Voorften, Koninglyk van het Konnen genaamt. De geftalte is Mannelyk, (hoewel in Vrouwen raeer heerfchzucht valt) om dat de ge- weldige overheerfching eerft van de fterkte is gebooren. De baard en *t we- zen is Babylonifch, alwaar de eerfte Monarchie heeft begonnen j (hoewel men in Jaar-Gefchiedeniflen der Seres of Chineezen van veele Eeuwenvoor de Schepping wil beuzelen.) Zyn Hoofd is met eene Koninglyke Perelband omvat. Zyne Mantel yzerverwig met Juweclen beftikt, als eene Krygsrok, dekt zyn rufting, die van Leer en fchelpen, ('t eerfte zoort van Harnaflchen by die Volkeren) zamen gevoegt is. Zyne Rechterhand houd eene Zabel om zyn krom geweld te verbeelden. Zyne Linker houd eene Zilvere Staf, waar op een Ramshoofd, de Zon, en zyne wederzydfche ftraalenoverbey- de zyden der Wereld, door de Hoornen vertonende. Van binnen is hymet eene Luypaardshuyd gevoeyert, de looze en bloedige ftreeken van dien Ge- weldenaar verbeeldende. Under zyne Laarzen verbryzelt hy eene Evenmaat of Tar allele zynde een hater van al wat hem gelyk mogt worden. ZyneMe- de gezellinne is het *5. Bygeloof, als eene gemaskerde zeedige Vrouw, die 't Hoofd laat
hangen als eene bieze, met Koorhulfel geciert, en vol rook en damp uyt haar ongefloten Bekkeneel van Gefpenften, Spooken, en allerley Gedroch- ten. tfiar Rechterhand draagt eene Spiegel, waar van de lyft van Maan- koppen is eemaakt. In dezelve zietmen eenen verzierden DrieKoppigen Hel- hond in Helfche Vlam ftaande. Zy voert de gloeyende Krauwel van Tlu- to m de andere Hand, om ieder in den gloet des Afgronds te trekken.Haar Oppperkleed is van Schapenvacht, maar 't Lyf is van eenen grypenden Wolf. Voor deze Gedrochten leggen de bevreefde Volkeren biddende, en aanbiddendc met Goddelyke Eer 't Geweld en het Bygeloof. |
||||||
V C. Den
|
||||||
154- D£ HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDE N.
V-j. Den Haas by haar vluchtcnde. De
xJ* Sabeer, met uytgeftrekte j de
Jtlit Persiaan, met gekruyfte Armen > de
f. India an, met gevlochte Handen^ de Domme Onwetenheyd met
het Offer- G. Varken verbeeld,(en van deChaldeenzelf aangebeden,omdatzy-
ne duyftere oogen, altydgedekt, 't Zinnebeeld der verborge en ondoorgron- delyke Heyligdommen) grunnikt rondom deze Onwetenden, zigaltydwen- dende tot zyn drek, al is *t fchoon gefpoelt, en met den OfFerdoek gehey- hgt. Daar tegen blyft H. De ZurvERE Geest, met de Morgenfterre op haar Hoofd, in de
befpiegelingen Gods vaft ftaan, op eene vierkante Hoekfteen* Zy houd in hare Rechterhand die Spiegel, waar in zy Gods Naam, met H. Straalen fchitterende als cen Brandglas, op haar Boezem doet wederom ftraalen, ge- lyk cene Zonne der Gerechtigheyd. Zy is lieffelyk, fterk, en naakt, als de Waarheyd, welke zy beleyd-, houdende in hare Rechterhand eene zach- te Toom, voor de Goede Imborft, vertoont door een fchoon 1. Paard, dat wel heeft eene fierheyd in de Natuur, maar gedw£ege-
maakt word , om zig naar alle bewegingen van den teugel te wenden en te keeren. i^» De Valsche Waan, met Borftelige Hayren, en opgefparde Oo-
gen gierende tegen haar aan, met de *-*• Schynhetligheit, als een Oud Wyf, onder een Cazuyfel pre-
velende, met de Huys-en Haart-Godekens in hare magere Armen vertoont, zamen in de Duyfternifle, zonder van die ftraalende Spiegel verlicht tewor- den. Maar ter zyden af ziet men de Godvruchtige Ziel, vertoont by den E-
gyptenaars als M. E em Man, naakt, fterk, recht op zyn Beenen ftaande op eene
vafte Rots, met de Hand gebaar makende, als of hy gereedftond,omgoed en kwaad even-gelykmoedig van God te willen ontfangen, wyl hy de Linker en Reenter beyde open houdj waar voor komt de ware en valfche drift door N. Cain
|
|||||
|
|||||
Van Cains Z a a d. XV. Hoofdstuk. i$$
N. Cain en Habel te kennen gegeven, welke beyde offerende onge-
lyk lot trokken, hunne innerlyke gefralte waardig. Zoo ziet men de rook van zyne Veldvruchten en Koeken neerilaan, en die van de Geytjens van Habel opklimmen. Wy hebben dit volgens het algemeen'gevoelen der Oud- heyt verbeeld. Hoewel eygentlyk Cains offer nooyt Vuur gevat heeft, nog eenige rook daar van is opgegaan. Want hetteken, waarbyde offeraar kende, dat zyn offer den Heere behaagde, was, dat 'er Vuuruyt den He- mel viel,ende het in brand ftak.Gelyk uyt de offerhanden vanElia en de Baals-priefterenblykt.DezeOffermachtenrredikingkan men in ddamalken wel ar bed den, wyl het om veele gevolgen gelootlyk is, dat dat heymelyk Priefterfchap den oudften en waardigflen eygen bleef. Zoo ziet men den ftillen Geeft, onttrokken van de Wereld,in 't befchouwen van God in hem zelven, en in zig zelven, door vA Enoch, die op de hooge ontoegankelyke Bergen het afftraalend
Eeuwig Wezen voor zyn geftadig Voorwerp, Luft en Leydsman aanbid; de booze lof heyd van de woefte menigte mydende •, dewyl hy in de zelve geen vrucht kon doen tot boete en kennis -y nadien de Kinderen van Cain afgedaalt, van alle dartelheyt overvloeyden, God vergaten, zynen dienft verachtende, zyne eere aan Hemel-en Aard-Schepzels gaven, met Steeden en Sterktens te bouwen geweldenary inbrachten , en alle Vroomen zoo folterden, dat 'er nietmeer als een Huysgezin van Noach overfchoot, die ftaag voor doven predikte, en dreygende befpot wierd. |
|||||||
V 7
|
|||||||
ZES<
|
|||||||
___----------------------------------__-----^-----------_
|
||||||||
"
|
||||||||
.
|
||||||||
_ ____________,-----------^rr ■'
|
||||||
Van de Vier Eeuwen. XVI. Hoofdstuk. 157
|
||||||
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Van de Vier Eeuwen.
DE Heydenen, het verval van 't Menfchdom ziende, in het welk zy
eene Ziel ftelden, van GOD ingeblazen, dat zy het deeltje van de Goddelyke Wind, of Lucht (T>ivin<e particula aura) noemden, konden dan by zig zelven, nog by anderen goed maken, dat die Ziel, die 't Lig- chaam levendig maakte, en zoo ook behield,die de deelenvan'tLigchaam, met vyf van de Ziel afhankelyke zinnen doordrong,en die Geheugen, Oor- deel, Verftand en Wil daar door op de Wereld deedblinken, van zoover- argerden ftaat en hoedanigheyd kon zyn, als zy die in zig zelven voelden, en in anderen zagen $ waarom zy naftamerende het Goddelyk Woqrd, een vervolg van Gefchiedeniflen, op vier onderfcheydene Eeuwen pafTende,op- maakten. x\. De Gulde Eeuw noemen zy het Ryk van Saturnus, een Tyran,
mogclyk van 't logenachtig Creta of Capdie. Dien verdichten zy Zoon van Uranus en Vefta^ Hemel en Aarde, of van den Oceaan en Thetys. Kinde- ren van de eerfte , de Tyd betekenende, moet hy den Hemelsloop wel tot Vader krygen, zonder welke nog Dagen nog Jaren gerekent konnen wor- den j om dat de Tyd niet meer als eens is in elken oogenblik zonder weder- keer. Daarom verdichten 'er de Griekfche 'Poeten by, dat hy zynen Vader ontmande, ontlenende de vinding van den Egyptenaren, en brengende hun Koningenin 't fpel>voor de reft veranderde namen, naar het zelve fpeeltoo- neel. Onder deze zyn Ryksbeftier dan heeft gebloeyt hunlieder Guide Eeuw, verbeelt door eene jeuedige Maagd. Rozen zonder Doornen houd zy in hare eene Hand, plukkende met de andere de Eykeltjens, die met klaar Water de onnozele eerfte Eeuw voor Godenfpys en Drank diende j zynde de Ziel vergenoegt en in den volmaakten ftaat, om zonder driften haren Schepper en Meeltet te erkennen, en te befpiegelen zyne oneyndige Groot- heyt en Goedheyt. Deze onnozelheyt is met het Schaap by haar verbeeld, en de getrouwe aanhang aan God haren Schepper en Meefter, door het Hondje in hare Armen. De kuyfche Deugd en zamenleving door de zoet- trekkebekkende Tortelduyf jens. Eene Boom met zyn wydbloejend Loof is haar Engelbed, en hare fchaduwe haar Huys en vertrek. Een fyn Gras- jen met allerley Bloemkens doorweven is haar Ledikant en Tapyt. In een warm getempert Land dus zagtkens levende, word zy lieflyk verkoelt door een zuyvere Zuyde-Wind, die alle geurige Bloemen uytademt. Alleen blyft V 3 in
|
||||||
158 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
in haar (hoewelze met gelokc Oogen is verbeeld, ora niet te veel te zien en
te beseren) de Nieuwsgierigheyt, met 't Hert uytgebeeld, het welk voor haar Teyd, die haar 00k tot alle ongelukken uytftiet, verre buyten haarvol- maakt leven, en eenvoudig genoegen. Waar op dan volgde 't verval van die Goude Eeuw, tot de Zilvere, O. De Zilvere Eeuw was begonnen met de Regeering van Jupiter,
die zynen Vader Saturnus uyt Candle naar Italie deed vluchten. Hoewel hy nu daar word gezegt, het Zaayen, Maayen, Planten en Meften der Lan- den denrouwen inwoondersgeleerttehebben> en hoewel deze moeyelyke koft- zoeking totde Zilvere Eeuw behoort, zoo hebbendeDichtersdaarnochtaiv zoo naauw niet op gezien. Van dit Meften ziet men nu nog een Beeld in Romen, Saturnus Sterculio, van Stercus, drek, den toenaam dragende. Deze Eeuw is door een Landvrouwtjen uytgebeeld , die ongetooyt haar Hoofdhayr draagt, enonbefmukt hare Wangen, van poeyer, krullen,vals- rood-en-wit onkundig. Zy heeft haar Kind, met nood en fmert gebaart, in hare Armen, zoo als de H. SCHRIFT, Eva befchryvende, den Hey- denen fchynt een Model van't verval gegeven te hebben. Een Geytevel of Schapenvacht dekt hare Schaamte,die zy, helaas! heeft leeren kennen. Een Kalabas met Water of BoomtyfFer., van Palmenof diergelyk zoort gevult, draagt zy aan hare zyde, leunende van den arbeyd der Landbouw tegen ha- re Stier, die zy onder 't jok heeft gebragt, om den ploeg door de Aarde te trekken, die nevens haar, om hare ongehoorzame nieuwsgierigheyt wason« dankbaar, hard, en onvruchtbaar gewordenj ten waarze door 't Zweet, het welk men op hare Wangen ziet glimmen, met de Graaf,en 't Houweel gekeert, en bearbeyd word. Zoo heeft zy 00k eene Zikkel, om te Maayen in de Rechterhand, en te fhoeyen de Vruchtboomen en Granen. Zy heeft by haar ftaan eene Byekorf, zynde het Merkbeeld van noefte en arbeydzame byeenwoning •, want zy is met vry, gelyk de Guide Eeuw, van de Wilde I)ieren, over welke de onnozelheyd, als eene oppermacht van God ontfan- gen hebbende, geftelt was te heerfchen. O neen! zy is van die tot eene vyandin verklaart, en ten prooy van Leeuwen, Tygers, Beeren, Wolven, overgegeven. Ten anderen zoo moet zy dan wykerf naar de kloven der Rotzen, zig zelve ontoegankelyke Woningen maken, met buurten by een wonen, en nog omheynt zyn tegen haren Even-Menfch -, waar uyt dan vloeyde i-*. De Kopere Eeuw; door een Oud loos Man verbeelt, met de
Wolfshuyd van Lycaonbehangen, om zyne greetigheyd, wanneer die, Ju- piter na zyne dood in Candie, OJiris in Egypte, en elders Belus vergood, en om den nayolger in 't Ryk te behagen, met Goddelyke eer aangebeden wierd.
|
||||
Van de Vier Eeuwen. XVI. Hoofdstuk. 159
wierd. Waar uyt dan volgde, by die Wereldfche, ook te gelyk de Gcefte-
lyke Macht> en alzoo vormde men de overheering van de fterkften. Die de anderen kon befchermen, of verdrukken, die voerde van trap tot trap, vol- gens de natuurlyke Eygenbaat, zyn oppermacht hoger op, belloot debyeen- woonders in Muuren, won andere Landen door naarftigheyd van zyne On- derworpelingen aan. Van die ontfing hy den Eernaam van Vorfi en Voor- Jie, Leydfman of Her tog, en eyndelyk Koning, verwerpende denbundel Pylen, die aan de zyde n£ergefmeten leggen, als de Macht des Volks, die hem gekoren hadden. De Kroon dekt zyne Kruyn, en weegt over van de zwaarte der Sikkelen Gouds* Veynzen en Ontveynzen is zyn dagelyks le- ven$ om alles nate fpieden, te wreeken, en te dempenj houdendedaartoe *t bloote Lemmer in de Hand, met de Wereldbol, die hem nog niet ge- noeg is $ volgens zyn nooyt verzade Hert. Het Momaangezicht van opge- zocnte namen, om de menigte te mompen, om zyn Hals houdende,als die Heylige en Wereldfche vonden en liften, voor voorzichtige kunde ■> bedrie- gery, voor fynheyd van verftand> en 't inflokken van goederen der Nabu- ren, voor de heerlyke naam van Altyd Vermeerderaar des Rfks laat door- gaan. Eene opgezette Muyzeval toont de gereedheyd van die Eeuw, om anderen hunne goederen , en Vryheyd, met het leven te beroven. Meni- gen Rol van Wetten laat de bedorventheyd dagelyks voor den dag komen, oin de hongerige Rechtsgeleerden, en den zwerm van hunne Bylopers, Pleytbezorgers, Openbare Beamptfchryvers, Boedelredders, en anderen, om de goederen der Weduwen en Weezen in te flokken; door Droften, Ja- germeellers , Schouten en Rakkers de vrye gebruyken om te Viflchen, Ja- gen, en van God en de Natuur meer geguno^ algemeene Voorrechten, den geringen te ontnemen > dezelve te vangen, te pynigen, en te martelen, zoo zy hunlieder koppige willekeuren te buyten gaan. Onder zyne Voeten waft het boofte Kruyd, dat 'er in de Wereld is, en voo: Vergift opkomt, zynde tweederley, Menm en Tuum, het Myne en het Uwey want om \ hebben en 't houden zyn de Oneenigheden, Gevechten, en Oorlogen. Uyt welke Goudgierigheyd, de ftoute Scheepvaart is gekomen, waar van
wy niet genoeg de groote Heldachtigheyd, en 't Voordeel konnen roemen, ISIochtans moetmen te gelyk het Menfchelyk Geflacht belclagen, dat eenige groote Rykaarts de arme Kaliflen deden wagen, op die ongetrouwe Hoora- ftof, het Water, hunne Ligchamen, die van tyd tot tyd vermeteler gewor- den, eyndelyk de ganfche Wereld hebben omgozeyla, om 't Goud Weft- Indi'e hebben uytgemoord,en om andere Koftelykheden Oojt-Indie ontruft. Om deze Scheepvaart te vertonen heeft hy de Voorlteven van eene Room- iche Vyfriemer by hem, op welke zoo veele Helden gewaagt, zoo veele Dooden in Zeeflagen gehaalt zyn, eyndelyk een middel geworden, om de grond van de Zee met meer Rykdommen, Schatten, en Lyken te beladen, |
||||
\60 t)E HlEROGLYPHEN OP MEKKBEELDEN.
als de Aarde zelf, ongeacht verlies by den geldgierigen Koopman, die zoo
vecter wordende door zyne Rykdom, de Rykskas der Vorften niet minder ftyfde, waarom tot bewaring der zelve, Sterktens, Burgten, SlootenenSte- den moeften gebouwt, enmetTinnen, Kanteelen, Rondeelen, Toorens, Bolwerken, en Dwingers daar aan of in gefterkt worden $ door welke dan de Eenhoofdige Regeering veylig geftelt, en ontzachelyk geworden zynde, in 't Wereldlyke en Geeftelyke, zoo baldadigen Bloeddorft, en Siavernyin- voerde, dat daar uyt mogt gefmeed worden D. De Yzere Eeuw, zynde door een grof, verwaten, wreed, en
onverzoenelyk Man vertoont, merendeels Oproeren, uytbarftende Vloek- verwandfchap, en onmenfchelyke Woeftheyd verbeeldende. Zyne groove Knevels, knerflende Tanden, en vlammende Oogen beloven alle onwetti- ge boofdaden. Zyne wreevelige Kop is gedekt met eene Schelp van eene Vifch Nautilus, die op zyn eygen zelfs wil, en gril in onweer zyn Vlies opfteekt, om in 't fchuym der baaren te zeylen, daar de ongeftuyme Win- den hem voerenj gelyk het graauw,in 't uytberftenvanhuntelangverwach- te geduld, die taaye leyding met eene opborrelende Razerny ruylt, alles verdelgende en verwoeftende, zonder onderfcheyd of achterdocht. Zyne Rechter arm zwaayt de kromme Zabel der Ongerechtigheyd , om Kin- deren , Vrouwen, oud of jong, Geeftelyk of Wereldlyk, in ftukken te houwen ; die 00k gemoord onder zyne Voeten leggen. Hy fleurt het Choorkleed bebloed, in de andere Hand, treedt Gehoorzaamheyd, als een Jok, en de Geeftelyke Hardersftaf, als eene hatelykfte laft onder zyne Voeten. Zyne Laarilen zyn Sarmatifch, of Tartarifch, onder de blocddorftige Roofvolkeren de argften , en hare verwe, door het ver- goten bloed, bemorft en onkennelyk. Hy draagt eene Tygershuyd voor Veldteeken , en heeft eene Moorddolk op de Rug, om dat *er niemand voor hem zoude veylig zynj met eene Yergifbus van vooren afhangen, op dat hem niemand en ontkome, heymelyke Lagen by Kracht en Ge- weld , Gifmenging by 't Bloedbad mengende, ophitzende Vaders tegen de Zoonen, en Kinderen tegen de Ouders. Deze groote Gewelde- naar de T&ere Eeuw , is van den beginne Stedehouder des Duyvels ge- wceft , die Vyand van het Menfchelyk Geflacht verklaart was -y 00k is hy, tot dezen dag toe niet uyt zyn Kyk geftooten, en 't laat zig niet aanzien, dat 'er eerlang eene Betere Eeuw voor deze Tzere ftaat op te dagen, want dagelyks is deze zyne Konft grooter geworden, om Men- fchenmoord uyt te voeren, en zoo hecrlyk verdoopt, datmen by uytne- mendheyd die Groote Mannen noemt, die de gereedfte Moord-en Brandgereedfchappen uytvinden. By andere gelegentheyd hope ik daar van de Vinders, en byzonderheden te toonen, van tyd tot tyd, en van alle Volkeren tot de onze toe. Een
|
|||||||||
-■-—■ — -
|
|||||||||||||
Van de Vieb. Eeuwen, XVI. Hoofdstuk- 161
Een Slangenhuyd heeft hy onder zyn Pantzier, om zyn Oude Vaders
Geflacht met te ontmunten. Die Oude Slang kan ledig blyven zitten, wyl 'er genoeg onder de Menfchen zyn , die van de Krygsoeffening hun Levens-Ambachc maken , en die zonder onderzoek van Kecht, ot Onrecht, of Reeden, dezelve aankleven, welke hunne Moordbranderyen, Menfchenmoorden, en Verwoeftingen hcc rykelykfte beloonen, |
|||||||||||||
ZEVEN-
|
|||||||||||||
^.
|
|||||||||||||
Hi_______ ____ -------L- -______
|
|||||||||||||
.
|
||||||
"™*~T" ' ---------
|
||||||
_'. „ .
|
||||||
Van de Zondvloetx XVII. Hoofdstuk. i6$
|
|||||
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Fan de Zondvloed.
*
BY de Chriftenen kentmen ook vier Eeuwen, den ftaat van Volmaakt-
heyd, die feylenkon, de bedorven Menfchenaard, de Wedergeboor- te, en de Eeuwige Gelukzahgfreyd door de Verdienften van Chriftus, uyt Gods Genade. A» De eerfte Volmaakte zietmen hier niet, maar wel die zelve fchoone
Nafluur met tranen van Naberouw , hebbende hare wenende Oogen na ha- ren Herneliehen en Aardfchen Vader gewent. Zy was uyt eene Aarde Kluyt gevormt in *t Mannelyke, en uyt eene Mannelyke Ribbe in 't Vrou- welyke Geflacht ; door dien God, die bey den zynen Geeft hen inge- blazen} en hen over zyn werk van ZesDagen Meefterfchap gegeven blad- der latende in der Menfchen imborft de Zonne van zyne Gerechtigheydy waar van ook in de Kinderen Gods een heerlyk overfchot is gebleven, God kemaende, beminnende,en vrezende•, vol hoope van 't Zaad,dat die Slang, die haar in de Verfenen byt, den Kop zal vertrederu Zy heeft het Kleed van Schaapsvellen, om hare, nu ontdekte, Schaamte te bedekken, over 't Lyf hangen, ter gedachtenis van hare botte Ongehoorzaamheyd tegen Gods Gebod, in't opvolgen van deverleydinge der Oude Slange, die onder ha- re Voecen door de hoope van Gods Genade word getreeden, welke Gena- de haar van oiii hoog uyt de Wolken beftraalt. Maar de Schop, het ge- reedfchap, waar toe haar Man is gedoemt, om in 't zweet zyns aanfehyns de Aarde, om zynent willevervloekt, te bereyden, de Overtuygende Ke- den van de Strafte Gods, legt voor haar-, de verbode Appel, indien niet fteeds voor haar, en in haar Oog, ten minften wroegende in haar Hert. Tot zwaarder bezoekmg zietze den eerften Doodflag in Den Boozen Cain, haren Eerftgeboren Zoon, voor haar, die
den Boomtak, Kakebecn of ander Moordtuyg in de eene Hand heeft, en uyt de andere , vluchtende voor het Aangezicht van den Wrekenden God, laat hy vallen zyne Hardersknods* om voor den Landbouw zig eene Op- permacht door geweldenary aan te ftellen, Stedeo te bouwen, en uyt dezelve met zyn booze Nakrooft de Kinderen Gods te plagen. Een Stierenvel dekt zyne Huyd. Hy balkt en loeyt van doodfehrik, overal Veldvluchtig, en bang voor de verdiende wraak van zyne Broedermoord. Zyn Offervuur, met de neerflaande rook, ftaat aan zyne zyde. I .
X 2 C. Aan
|
|||||
1^4 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
V;. A an de andere zyde ziet zy eenen woeften Lantech met zyne wulp-
fche boelen, die als een Struykrover wel een Man ora zyne buyle verfloeg, en meteene Tygershuyd gekieed} alles onveylig maakte. Die heeft in zyne eene Hand een Zwaard, door Tubal Kains knapen gefmeed, en in de an- dere eene Bruylofts groote Beker, om'tzuypen, koppelen, fmerotzen der Boozen te verbeelden, aan dewelken de Goede Vrouw, die de Kinderen Gods vertoont, te vergeefs predikt. Nochtans is hare Predikftoel zwaar dreygende den Zondvloed, die rampzalige verdelging en vernietiging, die aanftaande was: -LJ' Zynde een Schip, dat op zyne hellingen ftaat, endagvoordagvoort-
gaat opgemaakt te worden door Noach, die alleen met zyn Huysgezin daar in, op eene wonderbaarlyke manier, bewaard wierd,en voorbehoudenvoor de Nieuwe Wereld. Met eene zeer byzondere en verwonderlyke fekening en fchikking maakte die groote Baas, in zoo een wel gedekt en gefloten Schip, genoegzame vertrekken, om in te neemen van Reyne Dieren zeven, en Onreyne twee, Mannekens en Wyfjens, die met diergelyke Vogelen en kruypende Ondieren daar in konden gehouden, bezorgt en gevoed worden. Dit Cains gebroed zag Olifanten, Leeuwen, Beeren, Tygers en Wolven, met Schapen, Koeyen, Verkens, Herten en andere weerlooze, vreedzaam by een fchuilen. Zy zien d'Arend met de Duyf, de Sperwer met de Hoen- ders, zonder verflindens luft van den een, of fchrik van den anderen, za- men in de groote Kooy vergaaren. Zy zien dit wonderwerk, en zoo veele onbekende Vogelen en Beeften zig fpoeden om in te gaan* echterblyvende zelve zoo verargert, zoo verhard en verftokt, dat zy van kwaad tot erger uytberften •, tot dat met eene barft die Zondvloed de Wateren des Hemels mogelyk van boven de vafte Sterren heen, en het Water des Afgronds,met al hare losgefprongen Aderen en Bronnen, opvliegt, en alles door eene Re- gen van veertig dagen en nachten (eene tyd , waar op zommigen wat be- denken, om dat Mozes, Etias en Chriftusook veertig dagen gevaft heb- ben,) overftroomt was. Voor niet wyken Menfchen en Beeften naar de Heuvelen. Vergeefs vluchten zy naar de Bergen, en klauteren op de fteyl- fte Steenrotzen. De hoogfte Sneeuwtoppen halen de kruyn onder. Voge- len en Dieren, met Vrouwen en Kinderen vallen uyt de hoogfte Dennebo- men. De Wateren fnellen, tot vyftien ellenhoger als de hoogfte Bergen, volgens de Hebreeuwfche Maat, die zoo bleven ifo. dagen, metwelke4o. Regendagen, en 40. afnemende, met den tyd van 't zuyveren der Aarde, wel 2 ^o. moeft uytmaken, blyvende die Arke tot een voorteeken van onzen Zaligmaker en zyne Gemeente op de toppen van den Berg Ararat ftaan. Om nu te verbeelden den Zeegen van Gods Genade voor de benaauwde
Vroomen, is de Arke op de Wateren vlottende een fchoon Merkbeeld van de
|
|||||
•
|
|||||
Van dh Zondvloed. XVII. Hoofdstuk. 165
de Onzekerheyd van Gods Tyd in 't redden j de Rave of weer ingenome
*Duyf van de Tyd van hare Herftelling > de Duyve met het Olyftaksken in de Bek, welk voor de Vreede met God zoo wel als met Menfchen word gebruykt. Van deze fchrikkelyke, welverdiende en gedreygde ftraflfen hebben alle
Volkeren eenig overfchot en geheugen. Alleen de Chineezen en Indoftan- fche Gebeurtenis-verhalen hebben eene Tydrekening, in welke zy droomen van eene Overloop in die Landftreeken, en elders van eene Scythifche, en dan wederom van eene Cimberfche Vloed. Hoewel zeer Geleerde Mannen hier in hebben konnen toeftemmen,zoo blyft het redelyk, het tegendeel vaftte ftellen, om het eetuygenis zelfs van Mozes, die by gewoone overgaaf uyt de oudfte der geflachten van Abraham kon heugen, en wel onfeylbaar, al- dus uyt den Mond van Noach, en die van Metbufaltmten die van Adam, *t geen voor de Zundvloed was gefchied. Sem kreeg zynen Zoon Arphaxad na de Zondvloed 2. Jaren.
Arphaxad, Selah, in zyn Jaar van 3 f.
Selah 30.
Heber « 34.
Peleg 30.
Rehu 32.
Serug 30.
Nahor 2 p.
Terah wierd oud 205-.
Zoo dat Abraham 427. Jaar na de Zondvloed uyt Taddan AramnnKa-
naan optrekkende, uyt den Mond van Terah kon weten, wyl hy maar 2. Jaren na de dood van Noach wierd geboren. Dus is dan onwederfpreke- lyk, dat zulke verhalinge van Mond tot Mond , en zoo 00k aan Mozes o- vergekomen zyn, die char by door Goddelyke ingeeving onderfteund, on- feylbare waarneyd heeft konnen nalaten. Dit is, het geen de Dichtkonft, by manier van Godvruchtige Vertelling,
daar van heeft zamengefmeed, door den vluggen geeft van Ovidius Najo, uyt Griekfche, en die na veel verfmeedens uyt Phocnicifche GodsdienfKge Schriften, voor *t Heydendom, het welk zulks van den Babyloniers, on- der welken Abraham en Terah woonden, afgeleent, en zy van den Gelo- vigen gehoort hadden. rL« Hy verbeeld de Verdorventheyd der Menfchen door een fVo/f, in de
welke Jupiter den Tyran van Arkadie, Lycaon, wiens naam by den Grie- ken Wolfaard betekent, had hervormt, 6m dat hy hem te gaft hebbende ontfangen, by nacht meende te vermoorden} voegende by die ftraf't ver- X 3 woe-
|
||||
\66 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
woeften en verbranden van des Moorders Huys en Hof * *t welk gelproten
is uyt eene Oude Gefchiedenis der Pelafgen,een deel van 't Arcadiich Volk, welker Koning , van den Epiroten eenen fchoonen Gezant ontfangen heb- bende, den zelven ophield, en opgeeyfcht zynde doodde, en van zyne le- den te eeten gaf aan den wedereyfchenden gezanten, van welken Lyfamas, om zyne braafheyd en fterkte J or is gebynaamt, den Tyran verwon, en uyt zyn Land naar de Boflchen deed vluchfen , die met roof en moord zig daar moeft bly ven onderhouden. ■t* • Voorts met de algemeene Moord en Roofziekte, door eenen bloed-
dorftige Rover, die met de eene Hand een afgekapt Hoofd , en met de an- dere eene Steekbyl voert, den Dolk op den Rug houdende, metdul enver- waten gezicht, vuurige Hayren,en dreygende Mond. vJ« Maar bo ven al met de Reuzenftryd, die door de Dichters wordver-
zierd, met de namen van die boze Tyraanen, die hare Volkerenmetwreed geweld regeerden. Hoewel men geen meer kwaad behoefde te doen, om door de Griekfche Fabelen gelaftert te worden, als hunlieder Vyandtezyn> want alsdan maakten zy de fchrikkelykfte en fchandelykfte hervorming met opgeftapelde verzierde Gefchiedeniflen aanftonts tot fchimp en laftervandie Vorften-, gelyk men in Eur op a daar mede niet vry van is. Deze Reuzen, met Monfterskoppen, Slangenbeenen en ongemeene Ligchamen, ftapelden den J^efuviusy Gibelloy Stromli of ayEtna en andere Bergen op malkan- der ('t geen den bouw van Babels Toreneenigzinsverbootft) om d&tiOlymp^ dat Bergjen in Morea> waar van de Grieken,om dat het in haar Land lag, en zy niet veele Bergen zagen, als de Tiek van Canarze, of byna diergely- ken, den Hcmel maakten, te beftormen, alwaar zy de Goden op de vnjcht brachtenj die eyndelyk met nieuwe moed hun Erfdeel weder invielen, de Reuzen deden buygen , en door Jupyns nieuw Blixemen overhoop fmytenj ploffende zommigen der Gedrochten in Zee , andere op deze of geene Ey- landen, alwaar hun Jupiter de brandende Bergen op't- Hert zette, datze kwakten, en onder die laften fmoorden van de 2waveldamp en Rook. Deze grillige en tot der Heydenfche Goden kleynacbjdng verdichte gefchiedenis heeft een oproer van eenige Grooten tegen Jupiters Ryk totgrondflag, en is met Natuurkundige ftof naderhand vermengt, nadien de onderaardfche Zwavel-en Sulferdampen in de Landen van Sicilie.,. //<?//>', ^Dalmati'e en. elders, met vervaarlyk gedruys, dikmaal de Aarde doen beven, en dan. met Vuurbraken, Uytbarften, fmytende Klompen, brandende Steenen tot zeer hoog in de Lucht, die zy met afchvlam en vonken bezwalken, om hoog, gelyk zy om laag de Steden en Landen, rondom gelegen, bedekken en begraven. Zoo heeft men deze verhole Winden, met hare uytgeworpe brandende Bergftukken voor Reuzen vervormt, die den Hemel met Vuur- en
|
|||||||||
........
|
|||||||||
*
Van de Zondvloed, XVII. Hoofdstuk. \6j
en Zwaveltoortzen in den brand ftakenj en wyl zulks zelden eyndigt, als
met Donder en Blixem van boven, daar by den uyrilag van Jupyns Blixem- zegen verzonnen. H. Voorts zetten zy voor de onredderlyke Boosheyd de 'Deugd met
verloren Hoofdhayr als eene Slavin met geplukte Kleeren; en hare gebro ke Pylaar alleen voor overfchot in de Handen opeeneSteenklipinZeejende andere Deugden Hemdwaartsgekeert, van waar zy afgedaalt waren,metde !• Gerechtigheyd alleen wat zichtbaar zonder Hoofd in den Zonnen-
riem tuflchen de Weegfchaal en den Leeuw, Wyvende de Hoop verplet onder de Steenklip, die de Heydenen anders nog by Epimetheus, en de vlucht der befte Godinnen, plegen over te laten blyven. Alles zoo in de Wereld 't onderfte boven gekeert zynde door der Menfchen boosheyd, zoo dat Jupiter zelf zoo kwalyk voer, en niemand als de Goede 'Deucalion en *Pyrrha overfchooten, Eenvoudige en alleen Godvruchtig levende Menfchen, de Zoon van 'Prometheus en Clymene , en de Dochter van Epimetheus en 'Pandora, die te Athenen eene Kerk ftichtten , en van Theffalie de Rege- ring aannam. Deze voor Noach nemende, noemen zy hem eenen Voor- zegger door *t Sterrekyken van de Zondvloed, om dat hy zyne Onderzaten in eene groote Watervloed op de Parnas had vergadert, en behouden. De- ze 'Deucalion en Pyrrha veranderde die rouwe Boeren in Godsdienftige Menfchen, waarom zy van Steenen Menfchen worden gezegt gemaakt te hebben. K Wegens het verdrinken der Aarde door de Fonteynen en Sluyzen
van boven, maken zy Iris met haar veelverwig Kleed, en cierlyke groote Vleueelen, van eene Weft-Indifche Rave, die een Vat met Sterren in hare Handen heeft, uyt welker Middelpunten eene geftadige Reegen nedervalt, met eene Wolkbraak achter haar,clie nederploftende alles verplet, verdrinkt en verfmoort, met eene flaauwe Regenboog, waar op zy zit, tuflchen de ftortregens naauwlyks te zien. Hoofen, die des Afgronds Wateren opha- len, om te grover de plaflen te maken, zyn onder haar Ly£ i-<« Maar tot de Wateren des Afgronds doen zy denblaauwgroeneniV^-
tunits opkomen, met zyne Zeepaarden, houdende met zyne uytgeftrekte Hand zyne drillende Drietand, die de Golven beroert,en omflortende alle zyne Waterfchelpen, die met de flag van zyne Wagenraderen,klappenvan Watermolens zynde, de Baren doen naar den Hemel fleygeren, en zyne Vloeden doen zwellen -, zendende zyne Tritons met hunne Kinkhorens, daarze klaterende ftortvlagen uytblazen, alom of aan alle demindere Zeego- den,
-THD
|
||||
ltf8 DE HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
den, om zamen met eene Vloed op te zetten, en over de Rotzen te bruyf-
fchen. Die van Arkadie alleen ftelden vaft, dat zy ouder van afkomft dan de
Maan zynde, in hare Geilachtrekeningen van dien Vloed waren vry geble- ven j maar die onder de Heydenen van beter verftand waren, als deze gra- vers, die na de Bceoten voor de onbekwaamfte geacht wierden,hebbendoor een fchoonder lichc nog wel voorzegt, dat die Wereid vergaan zynde met Water, de tweede met Vuur zoude vernietigt worden. De Grieken doen 'Deucalion met zyne Vrouw in eene Arke gaan, en twee aan twee allerley Dieren daar in by hem, zonder hem of haar leet te doen. Maar die van IJeliopolis hielden ftaande, dat in haar Land een Kolk was gefpleten, dat daar in alle de Wateren liepen, dat T>eucalion over deze eene Tempel ter eere van Juno, de Lucht, die nu droog bleef en ophelderde, ftichtte, al- waar tweemaal 's Jaars uyt de Zee Water in dien Tempel wierd gebracht; waar toe niet alleen de rriefters, maar ook de ganfche Landftreek vaardig is. Dit gieten zy in die fpleet of kolk, die 't verzwelgt, ter gedachtenis van de Watervloed. |
||||||
• . ' ■ : _. ..'■..- .: ■ - . y ■'
■
- * f f . *, _. ?■'■* . r - - . ■ '
- .
* - - •
■ ■ -
|
||||||
ACHT-
|
||||||
f
|
|||||||
VAN DE VoOHVADERS, enz. XVIII. HOOFDSTUK. 1^9
AGTTIENDE HOOFDSTUK.
Van de Vborvaders voor en na de Zondvloed,
A A Dam, van een fterk, fchoon, wel naar alien Evenmaat ge-
• XjL fchifo Hgchaam > fterk, blond en kort gekrult Hayr, met eene uytlopende Baardj houdende eene Slang met de Staart in de Bek gekromt, voor het Eeuwig Leven , in de Rechterhand * en beklaaglyk, wyzende met de Linker het Doodshoofd aanrakende* tot bewys, dat de Dood door hem, als de Eerfte Menfch, zondigende, doorgegaan is tot alle Vleefch. Hy heeft zyne Naaktheyd, dien hy begon te merken, met Vygen-of ande- re bladen gedekt. Zyn Aangezicht is treurig, zynen Val beklagende. J3» Eva, dartel,fchoon en vrolyk, met lange afchkleurige Hoofdhayren*
fchoone (als Venus by Homerus) blaauwe Oogen,om harelichtgelovigheyd te raken} de Mond minnelyk vleyendej met twee Vleugels aanhaarHoora. De eene, van eene Vledermuys, betekent het verderf, dat door haar, als de algemeene Moeder, met alle Rampzaligheyd ingebroken is op alle Menfchen} de andere, die van eene Arend, de heerlyke zeegen over de verderffelykheyd door haar Zaad vertoonende. Zy draagt den Appel van fchennis der Goddelyke Gehoorzaamheyd in hare Hand. Zoo zy de ande- re liet zien, zoo zou die de werktuygen van hare en haar 's Mans elende toonen} hoe zy uyt het Lufthof verdreven, wroeten moeften in de Aarde, die om hare Zonden vervloekt was. Zy vertreed de Slang, haar Verleyder, den Kop, en die tracht haar in de Verflenen te by ten. Men.ziet haar bey- d' zitten op eene kale grond, eer zy de Vellen-kleederen van God onthn- gen. Haar Zoon Vj« Kain vlucht achter hen weg, woeft van gelaat, breed van Kaken,
vlammend gekrult Hayr, met Giere Cogen. Hy draagt onder zyn Armde Spa, om 't Land tebouwen-, met een Luypaardshuyd omhangen5 dragen- de vol fchrik eene Knods, met welke hy zynen Broeder had ter n£er gefla- gen. *J» Abel. Men ziet dien met een Lammerenvel om 't Lyf (van zyne
Onnozelheyd en Veehoeden 't Merk dragendej dood leggen aan zyn OiFerj wicns vlam,tot nyd van den anderen, van den Heere wierd aangezien. Hy heeft de Schaapherderftaf nog beftorven in zyne hand. De vluchtige Kain heeft een Staketzel op *t hoord, de Muur der eerfte Steeden, van welke hy Stichterfchynt, om over de andere te heerfchen. |
|||||||
' •
|
|||||||
BJu-
|
|||||||
170 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
hj. Jubal, de Naneef van. hem, is onderfcheyden door de leggende
Harp, op welke men hem ziet fpeelen. r. En Tubalkain door zyn Ambeeld en Koperfmeeden.
G.
Maar Lantech ,hunnen Vader ,lhorkt op zyne fterkte en zyner Zoo-
nen Konft, en opftekende zyn Mes toonc den Buydel, dien hy als Straat- rover van anderen kon nemen. H. Seth (die *t verlies van Adams huysgezin boette, en nevens zy-
nen Zoon Enos de Vroomen vergaderde, en hen den Naam desHEEREN leerde aan te roepen) befchaafde de Zeeden, en was mogelyk Eeuwenvoor Adris, Schryver en Maker der Merkbeelden. Men ziet hem bezie aan de Pylaren na den Zondvloed Qvergefchoten,waar in hy graaft de Merkbeelde- kens, door welken hy de vvonderen der Schepping, den Rampzaligen Val, en 't Noolot der Vroome Vaders van den beginne vertoont.. *« Zyn Naneef Enoch, op die goede gronden voortgaande* wandelde
met God, en was niet meer-, overgezet in Jt Eeuwis Leven. Men ziet hem boven in de Lucht opgevoert, tot bewys, dat hy net Ryke Gods in zyne Ziel levendig gevoelde. Onder alien deze zitten Adam en Eva, tot bewys van hare heerichappy, gelyk men het zitten overal in de. H. Taal daar voor aanneemt-, want dat was de Vorm van 't Naturelyk heftier, dat de oudfte van de Stam de afzetzels regeerde -, tot dat Rains boosheyd en Lamechsgc- weldenary de Veftingen en Wapenen invoerden, Jv« Noach, de tweede Vader der SterfFelyken,. heeft een Aardkloot
met Golven bedekt in zyne Schoot, en daar op zyn Schip of Ark, waar in de Dieren en Vogelen met zyn Huysgezin bewaartblevenuytde Zondvloed, wanneer dezelve alles overftolpten. De Wyngaard door hem geplant, is om zyn grys Hoofd, het welk door den Heydenen met twee Aangezich- ten is verbeeld, om de Eerfte en Tweede Wercld, die hy zag.OmtHoofd tintelt eene Regenboog, het Verbondsteeken tuifchen God en de Aarde, Daar by zietmen dien Ouden Herftelvader met een Kleed gedekt}door»5V«» «n Japhet over zyne Naaktheyd geleyd* i-^» Men ziet Sem verbeeld als Kanaanyt of Medi'err in 't Hoofddekzel
en gewaadv met den Staf van Siloy zynde eene Scepter, waar op een God- delyke glans flonkerftraalt, in zyne Hand} om dat uyt zyn Zaadde Meffias $n Gods Volk zouden voortkomen, ■M« Japheth als een Rus of Scythymet een bonte Muts enRok, welke
de HooFdftam wierd der Europeefche Volkeren. Welke Japheth de Tente van Sem in zyne Handen heeft, om daar in te wonen, zynde de Gelukza- lige Voorzegging van de Beroeping der Heydenen, de Nakomelingcn van 3&~
|
|||||
\
|
|||||
VANDE VOORVADERS, enz. XVIII. HOOFDSTUK. 171
Japheth, dewelke de Prediking van 't Zaligmakend Woord zouden aanne-
men, en tot de Gemeente van Gods Kerk gebracht worden j welke andeip aan Seth nader eygen fcheen. N De derde Broeder Cham draagt reets de fchandvlek in zyne zwartc
verwe,van zyne flaverny, volgens zynsVadersVloek,in de Trony en zwar- te Lammerenool, met geele Oogblikken, ingevalle wvde Neuze, uytgezet- te Kaken, en omgekrulde Lippen* alle, gelyk zyn Lyf, van den achtften dag af met zwartc verwe overdekt. Welke vuyle verwe daar aan der Mooren Ligchaam begint, waar aan hy zyne Zonde beging, te weten aan de Scha- melheyd. Het Jok van zyne Dienftbaarheyd drukt gedurig de fchouderen van zyn Zaad, zoo Natuurlyk verflaafd, dat zy hunlieder Mishandelaars zelfs, meer als den Goeden, beminnen. De dolle Jager voor den Heere Nimrod, die de Opperheerfchappy
van Babel oprechtte, zyner Voorvaders boosheyd tot Vorftelykheyd deed opfteygcren, en de eerfte Alleenheerfchappy-ftichter fchynt geweeft te zyn, zict men te Paard,met deParthifche Kroon, enkromme Zabel. x. Maar Abraham,dieuyt die geweldenaryder Chaldeeuwen wegtrok
met zynen Vader Terahy komt ons meed in \ oog,als de Vader der Gelo- vigen, als de Grondtak van 't Volk Gods met alle de uytfpruytende Volke- ren. Hy heert eene Eeuwigheyd, de Hoepelflang, met de groote Naam Gods daar in fchitterende, en de Goddelyke Hand in de zyne geflooten, tot verzegeling van het Verbond, het welk: de Heere met hem heeftopge- recht, als hy hem van Abram tot Abraham eenen Vader van meenige vol- keren maakte. In zyne andere Hand houd hy een Schotelken meteenfcherp Steentje, om de Befnydenis der Voorhuyd volgens de inftelling Gods tefta- ven, tot een onderfcheyd van de Ligchamen der Kinderen, die uyt zynen Zaade voortfproten, om dezelve van den Heydenen te onderkennen. Q_Voor
dien hoogft Eerwaardigen Vader word men gewaar zyn Na-
tuurlyken ZoonlsMAEL, die een Vader van XII. Vorften wierd,enmetde
Befnydenis veel Zeegen deelachtig. Hy is als een Arabier en een Boogfchut- ter in de Woeftyne toegetakelt. R. Achter Abraham volgt zyn Zoon Izaak. Deze draagt het Oner-
vuur nog in zyne Handen, het welk dienen zoude, had het God niet voor- zien, om zig zelven tot een Slachtoner te maken op een der Bergen van Mo- ria j op dewelke naderhand de Tempel van Salomon is gebouwt. Hy ziet om naar zynen Zoon Jacob^ voorby kykendeden EerftgeboorenderTweelin- gen, b. Esau, die als een Ratsbutis Prins, met Partylopers Arabie arftroop-
te. Zyne vlugge Javelot toont zyn ftrydbaren jaagzieken imborft. Hy ont- Y 2 fangt
|
||||
iyi De Hieroglyphen of Merkbeelden.
fangt van zynen Broeder Jacob het Kommeken rood Moes, voor het welk
hy aamechtig en mat, van de Jacht t'huys gekomen, zyn Recht van Eerft- geboorte verkoopt, aan zyn jonger Broeder. Hoewel naar wareReden, die laatft geboren wierd, eerft ontfangen was. 1 • Deze Jacob heeft ruyge Handfchoenen aan,door welkenhydoorzy-
ne Moeder geholpen, Efau verbeeldde, en deszelfs Zeegen wechhaalde. In de Hand heeft hy een gefnede gevlamt Stoksken, door het welk in de Goo- ten te leggen, hy 't meerder deel van Labans Lammeren deed vlekken heb- ben en lprenkelen, tot vergrooting van zyn loon. Eene vinding, loos en voortreffelyk, en by Rofchtuyfchers, Veehoeders, en Liefhebbers van Vo- gelkwekery in gebruyk. Hy heeft de Ladder van zyne Droom in Haran voor zig ftaan, welke van den Hemel afdaalde tot aan denSteen,welkenhy voor een Hoofdpylaar had gekoren. V • Na dien gezegden Vader zietmen de machtigeJosEPH in hetVbrfte-
lyk Ryksgewaad ftaan, die een Droombeeld in de Linkerhand houd, gelyk de Koninglyke Ryxftafin de andere, met welke hy van Tharao begenadigt was, wannneer hy voordeel makende van de Koeyendroom, de Dorre en Vruchtbare Jaren voorzeyde , de omleggende Volkeren den Koning onder- wierp, en den Koning in zyn Ryk opperhoofdig maakte. Hy draagt, afe een Kancelier, des Konings Ring, met den Tytel voor op zyne Tulband van Uytlegger der Verhorgentheyd. De Broeders van Jofeph, en zyne twee Zoonen Ephraim en Manaje, zietmen achter dien hoogopgeklommen Ryx- vorft, in hare Stam-banieren, tot zoo veele Volkeren voorbefchikt, verfchy- nen, welke aldus door Merkbeeldige Teekenen, als de Wapenen inde Va- nen, onderfcheyden zyn. Ruben, eenefhelle Waterval. Dan, eene gekronkelde Slang.
Simeon, eeneZabel. Gad, een Held; aanvallende eene Bende. Levi, de Verbondkifr. Asser, een Lekkernybrood.
Juda ,een Leeuw op de fprong. Naphthali , eene losloopende Hinde.
Zebulon jeenZeehaven-Toren.EpHRAiMjeene vruchtbare Tak, over een (Mimr lopende, by eene Fonteyne.
IssASCHAR,eenlaftdragendeEzel. Manasse , eene ge(panne Boog. Benjamin, eene jonge Wolf.
W. Ter zyde van deze Vaders en Princen der XII. Stammen,, en het
Priefterdom der Joden, komt de groote Wetgever Mozes, die met zyne blinkende Hayrhoornen, Wegwyzerftaf, en de Steene Tafelen toont, wie hy is, namentlyk naar der Heydenen getuygenis zelve de groote Wetgever der Joden, die als een Prins in't Hof van Memphis opgevoed,denverdruk- ten
|
||||
Van de Voorvaders, enz. XVIIL Hoofdstuk. iyj
ten Ifraeliten by een vergaderde, dat ruwe graauw door zeden befchaaft,
door Gods Hand met zyne Staf leyde uyt Gofen doordeRietzeeende Woe- ftyne tot aan dejordane. Hy voert eene Staf, die wonderen werkte, on- navolgelyke ftaaltjens voor de Magen, of Wyzen des Lands. Die Staf, wanneer die in eene Slang veranderde, en de Wiskonftenaars dit fcheenen naa te bootzen, verflond derzelver Staf-Slangen, De Tafelen, die men hem ziet voeren, zyn mogelyk 't werk der Engelen, en 't graveerzel van Gods Onbegrypelyke Hand. Hy is onderfteunt door den Hoogenpriefter x. Aaron, die met zyn Wierookvat, Reukoffer, Slachtmes, het
BrandofFer, en andere waarnam en beftierde. Zyne Staf bloeyt en draagt Amandelen. Zyne Armen zyn in die van Mozes gefloten, om de nuttige en nodige band der Staat-en Kerk-regeering te toonen. * • Aan hunlieder zyde ftaat de brave en wakkere Veldheer Josua , die
in eene Ren van overwinning ganfch Kanaan genoegzaam onderbragt. Zy- ne Lans dringt door tot in der Philiftynen, Amoriten, Jebufiten en Amale- kiten Hoven en Burgten, die hy uytgeroeyt en verdelgt heeft. Op 't win- ken van zyne Hand zietmen de Zon nil ftaan. *-*' Achter dien grooten Oppergezaghebber komt Eh-tjd, die met zyn
Tweefnydend Zwaard Eglon, der Moabiten Opperhoofd, doodde. Die blaaft op zyne Bazuyne ganfch Ifrael ter Wapen, by de gefneede Beelden of overgebleve Beeldfteenen van Sent. &• Na dezen ter zyde van den grooten Wetgever braveert Gideon met
zyne gebrookene Vuurfleflen en Heyrtrompet, die zoo veel Moord onder Gods Vyanden bracht, en zoo veele Moabiten door onderlinge wonden van kant hielp. De Vrouwen, die ook deel namen in 't heftier, gelyk zy ook den zeegen kreegen van te Propheteren, toonen hier haar opperfte Richte- refle over Ifrael, t>. De verftandige Debora, de Vrouw van Lappidoth, welkc onder de
Palmboom te recht zat en huys hield. C. Zy heeft by haar die ftoute en looze Jael , die Si/era vermoeyt,
en zig in hare Tent menende te bergen voor Barak, met eene grooteTent- fpyker door de Kop floeg. Zy heeft de Nagel, als het zeegenvierend werk- tuyg, in haar eene, en de Dryfhamer in de andere Hand. Men ziet in de Hand van 'Debora zoo wel de Dichtrol, waar op hare Lofzang (taat ter Ee- ren Gods, en Jael als de Rechtfta£ d,
• Zy zyn hooger opgeklommen en heerlykerr als de onmenfchelyke Ar bimelech, die voor zyne Voeten heeft de afgekapte Hoof den vanLXXIJ. Broeders a maar ook den Steen door eene Vrouw gelineeten op zyn Kop. Y 5 e. Of
|
||||
174 DE HtEROGLYPHEN OE MfcRtfBEELDEN.
& Of als de groote SiMsoN,die Jt Kakebeen toont ,waar m£e hyzoovee-
le Philiftynen heeft dood geflagen, en dc Poorten van Gaza op zyne Schou- ders torft. Hy is kennelyk door zyn lang Hayr, en heeft voor hem heenlo- pen de Vollen, die hy, met de Staarten zamengebonden, en daar in bran- dende Fakkelen, het Graan der Vyanden deed in den brand fteeken, !• Ganfch op den top zietmen denTydderVeranderine inhetBeftiervan
het Joodfche Volk,hetwelk niet te vreedenmetdeGoddetykeBeheerfching, en hare gekooren Reenters, om eenen Koning zuchtte, en eene Eenhoofcu- ge Regering begeerde. Samuel haar Rechter, Propheet en Opperpriefter, zietmen kennelyk boven de anderen, door zyne Hoogepriefters Muts, zyn Borftftuk, van zoo veelc Steenen tot de Ur'tm en Thummim9met deHoorn in de eene Hand, om tot Koning te konnen zalven, wien Gods Regering had verkoren. Zyne andere Hand voert zyn Zwaard, welk hy al ridder- lyk moet hebben weten te zwaayen> want hy was 'er voor berucht, als de gevange Koning tot hem zeyde, zoo als de Man is> zoo is zyne krachty die liever ruyterlyk, als 't niet was te ontgaan, was doorgezabelt, als ge- martelt. Hy toont Gods Zegen ftaande aan de opgerechte Steen, Eben Ha'ezer (tot hier toe heeft ons de Heere geholpen) geftelt door hem tot een Gedenkteken der herftelde Vryheyd en *t afgeworpen Jok; wantzywa- renzoo zeer verflaaft, dat ze zelte Schoppen nog Vorken mogten fmeden, ik laat ftaan Wapenenj en Jonathan alleen had eene rafting, nevens zyn Schildknaap. g- De lange Saul, der Joden eerfte Koning, ftaat aan zyne zyde, door
zyne afval, op Gods bevel, gedompelt in eene n£erlaag, en door zyne ey- gen hand doorgrieft. De Worpfpies, die hy op 1)avid gefcherpt had, is vaft aan zyne Draagband. Hy veynfde zyne dulle buyen, om 'David, van wiens opgang hy te nayverig was, aan de wand te Ipitten, terwyl hy voor hem de Pfalters op de Harp floeg. -h* Die ftoute Vorft (David) draagt op het Zwaard van Goliath de$-
zclfs groote Kop , dien hy aan 't Voorhoofd gebryzelt had door eene wiflc fteenworp, ploffende dus een groot verwaten Ondfier in 't midden van zyne Godslafteririgen te gronde. Zyne gekroonde Tulband, met Amaleks Goud en zyne Harp, zyn krachtige Merktekenen van dien grooten Man, dewelkc van Schaapherder tot Koning, van de Herdersftok tot de Ryxftaf, van de Hut tot de Vorftelyke Zeeteloverftapte. *
1« Aan zyne zyde ftaat de vroeg Wyze Salomon, met de Platte-grond
des Tempels, dien hy zoo overprachtig opgebouwt heeft. Deze draagt on- der zynen Arm 't Model of Bewerp van een bezeyld Schip, zynde de eerfte by ons bekent, die fchyntin de Riet-of Roode zee uytgevaren tezyn naar de
|
||||
Van de Voorvaders, enz. XVIII. Hoofdstuk:. 175
de Goudkuft van Ofbir, wiens Schepen zulke verjaarde Tochten deden.
Hy is zelf ook prachtig uytgedoft, hebbende den omflag van Hofttoetwon- deriyk net en prachtig gereeelt, tot verval van zig zelven. Echter door te veel loftuytingen van zyne Hofpoppen, die zyne groote Wysheyd haaft m zotterny tot Afgodery deden ontaarden. ■K. Naauwelyks zietmeniets van zynen ZoonREHABEAM, als de afge-
fcheurde Slip van zyne Mantel,te jongentrotfchomgehangen,dewelkedoor Vleyers opgeftookt, die groote Ryxftoel weder in ftukken fmeet. !• Daar achter zietmen de H. Stad en Tempel om de overtreedingen
der verdere Vorften in vlam ftaan. I!*. En den H. Ei,iAs,die zoo veele boete met wonderwerkenvoorniet
predikte, zietmen met eene vuurige Wagen uyt de oogen der Menfchen wechvoeren, zynde by Enoch, boven aangeroert, en door Gods genadige Hand, yoor de kwaadfte Tyden, uyt de ondankbare Menfchen wechgerukt tot de Heerlykheyd. |
|||||||
NE--
|
|||||||
. .... . .... ... _.-
|
—.----------____. _
|
||||
VANHETVOLKENKONINGSBESTIER.enz.XlX. HoOFDST. 177
|
|||||
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
Van het Volk, en Konlngs Beftier over Gods Volk.
MAar in het geheel geraakc hebbende cler Joden Voorvadercn, moet ik
nog eens te rug gaan tot het Beftier der Aardsvaderen over Gods ^en nogeerder. A. Voor deze Tyd heeft men verbeeld twee Hoofden} een Oudmans
Aangezicht, omziende naar de Eerfte Wereld, die Noach beleeft hadjende Twede Wereld zag, met eene Vrouws-Trony. Beyde die Hoofden zyn gedekt door de Arke van Noach, uyt welke Gods Kerk, in dit Lichterlchip zyn Huysgezin zynde, tot de geredderde Aarde overging. Zy draagt nog het Merkbeeld van de voorgaande, namentlyk de Zon van Gods Genade, op den Boezem, met dit onderfcheyd, dat de voorfte de Naam Gods in de Zonne- ftraal, met de tweeletterenll draagt, en deze tweehoofdige de Naam Gods mrPjietteren die by uytftekendheyd niet eer in de H. Bladeren ontmoet en worden, als met de uyttocht uyt Mizraim of Egyptenland van Pharao. Zy heeft eene Gordel om de Middel,als reyzende door de Zandzee en Woeftynen, en daarom 00k Blootsvoets, zoo als zy't Paafchfeeft moeften vieren. Eene ongehevelde Taafchkoek in de Rechterhand, gelyk zy met de Linker vaft- houd het Dwarshout, voor de Metale Slang in de Woeftyne opgerecht, tot behoudenis van het Volk, door de Slangenbeeten vergiftigt, en kwynen- de} een heerlyk Merk-en Voorbeeld van den Zaligmaker, en zyne Dood voor de Uytverkorenen. De Leeuw van Juda bruit aan haar zyde. Men ziet voor haar leggen de Staf van Mozes, hervormt in eene Slang, die der Wyzen Slangen doodde, en eene kruyk met Manna aan haar zyde fraan, met de Voet in een Wafchvat, om de plechtigheden van de zuyvering te verbeelden. Zy doet de Aarde opfplyten, de Zee, als eene borftwering, tegen hare Vervolgers pal ftaan, de Jordane opitoppen om in het aan hen beloofde Land over te trekken. B. De Overwinning der beftierde Richteren van Gods Volk is verbeeld
door eenen wakkeren Oorlogsheld, met de zegepralende Helm gedekt, bla- zende op de Bazuynen, die de Muuren van Jericho deden vallen. De Zon doet hy op zyn wenk ftil ftaan in 't Dal Giboa.De lafelen van Gods Wet, gelyk dezelve op Sinai van God waren ingegrirt, houd hy yaft, en den Borftlap des Hogepriefterfchaps voor zyn Borftharnas. Men ziet hem eene Standaard houden van de afzetzelen Jacobs. Alle de Wapenen der Xlf. Stammen zvn in zyn zegevierend Vaandeli terwyl op zyne eene zydehangt Z het
|
|||||
178 De Hieroclyphen of Merkbeelden.
het Zwaard van Jehudi en in zyne Hand praalt het Ezels Kakebeen van
Samzon, met welke zoo veele Philiftynen gedood wierden. Voor zyne Voe- cen legt het Hoofd van Sifera, door J del, de Manmoedige Heldinne, met een Tentfpyker tot in 't Bekkeneel geklopt,nevens de Glaze Vleilen vanGV- deoriy met hare brandende Olyvlammen, door welke hy het Heyr der Mi- dianiten verfloeg. Maar och armen! als de Paauwen, op die glanfryke zee- geveeten groots en hovaardig geworden , is dat Volk den Heyaenfchen Afgoden nagegaan, heeft dien God, die het uyt het huys der Slaverny ver- Iofte, en die aan het zelve het Guide Kalf, zoo veel valfch Offer, Muyte- ry en Afgodery had vergeven, godlooflelyk vergeten. Waarom hy het t'el- kens in de hand harer Vyanden overgaf, van welken het eyndelyk, Gods Beftier en 't recht van den Opperpriefter moede zynde, door hunnen Koning Saul begon vry te raken. Rampzalig Volk, dat ondanks van God eenen Koning begeerde, waar van hen de wanorde zoo net door Samuely oorzegt wierd! Zy meenden eehter, dat de Opperpriefter, om zyn eygen belang, hunlieder begeerte tegenfprak, en zagen, dat de Kinderen der Opperprie- iters meeft Guyten, en derzelvers bedienden Schacheraars waren. Zy zagen de flikkering van de Kroon in allc de andere Volkeren, en achtten deze verkie- zing voor hare veyligheyd tegens Gods Zaad,enhaarbefte.Die geeftaanhen eenen Koning in zynetoorn. Saul gaat met verfcheyde geluk,maar 'Davids Slinger, die de Legerheld aan zyn Arm heeft, trofin 't ontzachelyk Reu- zenhoofd zoo wel den moed van alle Philiftynen, dat hy zig daar door den weg tot de Kroon, en zyn Volk tot allerley overwinningenbaandeiom den heerlyken ftaat, tot denwelken hybovenzyne Broederen uytgekoren en gezalft was, met glans te aanvaarden. Lang, zworf hy vluchtehng, om Sauls nyd en ftaatkundige vreeze; tot dat deze in eene veldflag verwonnen, zig zelven doodde, en 'David den zetel van 't Ryk open liet, de welke met alle minnelyke geeftigheyd, brave ftoutmoedigheyd, en grootmoedige acht- baarheyd van God begiftigt, van der jeugd aan, in 't hoeden van zyns Va- ders Vee, al Beeren en Leeuwen te keer ging, Goliath den Reus (waar van de Joden eene zotte hoogte droomen van 57. voeten) den Kop brak door een flingerworp, en Koning zynde, de Vorften random doodde of cyns- baar maakte, en dus de overwinning aan Gods Volk toe-eygende. V-a Van dezen zietmen de ZeyflTens en Raderen, Wagens, Zabels en
andere Krygstuygen, leggen voor de voetbank van zyns ZoonsThroon, met de Eggcn en Tandploegen , die deze Koning liet lleepen over de Lig- chamen der Gevangene Amalekiten en Amrnoniten, welker Konings Kroon een Talent Gauds zwaar, en ryk bejuweeld, hy naliet aan zynen Zoon Sa- lomon , die men hier zkt voor het Merkbeeld der Koninglyke praal by uyt- ftekboven alle Volkeren, met dien rykdom ap zyne Tulband pronken> zy- aen Vader in pracht van Hofftoec en Bouwen zoo verre voorby gsftapt,, als hy
|
||||||
...II . .p^i^ppmilLUl'i
|
|||||
VAN HET V0LKENK0NINGsBESTIER,enz. XIX. HOOFDST. 179
hy achtcr gebleven is in vafte aankleving van dien God, van wien hy den
Rykdom met eene Wysheyd ontfangen had. De Vader heeft ons gelaten zyne, waarlyk boven den ftyl van alleNatien, wonderbaariyke Klacht-en Lofzangen, met onfeylbare voorzeggingen van Chrijius en zyne Kerk. Dc Zoon een wonder lienokkend Hoogelied , niet minder den ftaat der toeko- mende Bruyd van Chrijius uytgalmende. Maar zyne latere Jaren bleven helaas! fchendig bezoetelt met het na-hoereren der Afgoden-, zyne Bywy- ven navolgende. D. Salomon zelf zit hier op zyne praalryke Ryxzetel, met zes Goude
Leeuwen wederzyds ontzachelyk verciert. De namen der Trappen zyn op elk in't Hebreeuws gezet. Zyne Koninglyke Mantel kan niet prachtig ge- noeg geborduurt zyn met de Merken der XII. Gellachten,onder hem,buy-, ten de fchattinge, bloeyende. De XII. Leeuwen bootften de XII. Engelen na, waar van de Cabbala zoo veel wonders verdicht heeft, die zy zamen zeggen dezes Konings Befcherm-Engelen te zyn geweeft, om dat hy niet uyt ffof&.. feba, maar uyt eene Nymphe, dat is Lucht-Godin, ter Wereld was gebracht. Hare fabelen en grillen zyn te dol, om 'er meer van te zeggen. Die Vorft heeft op zyne Borft den Kaad Gods , door de Uritn en Tummim verbeeld, aan hein gedurig inboezemende, 't geen voor de onvergelykelyke Tempel- bouw te doen rtond* tot welker beftiering hy met de Rechterhand zwaayt eene Ryxftaf, op wiens Puntjuweel de afftralende Goddelykheyd ruft, over de geboeyde Heydenfche Naburen, die wederzyds aan zyne Throongeboeyt leggen. Met de andere houd hy een Schip, zoo als hy uyt Arabie, de Riet- zee, Perlifche Golf, of Levant, heeft doen varen, om de koftelykheden tot deze onderneming aan te brengen. •t^» Hy koos den Berg Moria buyten Jerufalem, en Sion tot de hoog
aanzienlyke plaats, op welke de Tempel, als het prachtig Huysterinwoo- ning van Ifraels Bond-God zoude dienen, en koppelde daar door de Stad 'Davids aan de andere, welker gapende openingen 00k kort volbouwt wier- den. Die Bergfchynt my toe ,gelyk de Heydelberglche Prachthoven, of Vtrfail* les, of als de hangende Babylonifche Tuynen, daar toe afgegraven enbekwaam gemaakt te zyn-, om by zulke afgravingen van onderen ophetoogmetmeer- der en meerder praal naar 't H. der Heyligen te ley den, te weten naar de Stad. Zoo datmen zyne ganfche vierkante omgang veel lager voor het voor- hof der Heydenen maakte, en dan eens zoo hoog opgaande, in de lynen van het zelve Voorhof, het Voorhof der Joden, en wederom zoo veel ho- ger de vertrekken voor het Tempelwerk, Friefteren en derzelver Offerplaat- zen, en eyndelyk achter aan in de vierde trans het H. der Heyligen, zoda- nig datmen van voren, van de Tempelftraat uyt de Stad in 't Ooften, te gelykmeteen opklimmend gezicht, alle de heerlykheyd te zamen ontdekte. Z 2 Met
|
|||||
180 De Hieroglyphen of Mehkbeelden,.
Met drie trappen, Oofter, Zuyder en Noorder trappen van zeven bordefi
fen of tuflehenruftingen, elk voorzien , kon men in dit werk opgaan. Zoo dat deze H. Berg des Heeren , niet oneffen van verre op zyne zyde gezien zynde, volgens net getuygenis der Hevdenen zelf, de Leeuw wierd ge- noemc, nadien alzoo het eerfte Voorhor de Grond, het tweede de Pooten, het derde werk de Manen vooruytfteekende, en om de Nek. de& Leeuwsge- hangen, en 't H. der Heyligen de Kop verbeeldde, durende de derde ho- gertrans voor 't Achterlyf, en aflopende met de Staart naar den Olyfberg, daar men op den Verzoendag de Roode Koe offerde,en tot welke men door eene wandeldreef van Boomen ging; van waar de Offerbeeften en de OiFe- raars der Vogelen inklauterden. 'David had met zware Oorlogen, iooooov Talenten Gouds, ioooooo. Talenten Zilvers, voorts Koper en Yzer,boven getal of wicht, byeen gehaalt> 't ontwerp van God noodzakelyk dan ook ©ntfangenj maar de uytvoeringop zynen Zoon verfchoven. God boven al- les zynde, wilde ook der Drekgoden Tempelen niet gelyken. Heerlyk waren die van Oftris, Hammon^ der Guide Duyve of Semiramis-, kaftelyk die van Belus, Aft art e ^ en andere, maar geenzins by deze,. nog in beftek en omzwaay, nog in pracht te vergelyken. 'T was Gods Huys, en aJles was daar rondom Heylig. God woonde daar in zyne Verbondskift, fprak daar tulTchen de Cherubim in. Denkt eens naar *t beflag van dien bouw. Vyf honderd duyzend Man heeft daar aan onledig geweeft, buy ten den Opzien- ders 3600, Bazen 33.00. De Libanon leverde zyne Cederen* Oph>ir zyn Goud j Arable zyne Steenen. De hoogte van buyten was in de Steekftylen , van 60. ellen boven, en ifo. ellen om laag voorzien, tegen't uytkalven der Bergftofv en elke vierkanse lyn boven in 600. ellen -y tot de omgaande Galleryen 143 f. Marmere Kolommen, en in dit getal in de tweede trans verdubbclt, en meer om de op malkander ftaande Galderyen, afgetrokken de verkleyning; aan de Voorraad en Woonhuyzen 2246. Venders, de on- derfte tot de Kelderlichten voorby gaande.. 4400000. Goude, 1340000. Zilvere Vaten maakten het praehtig Huysraad van den Tempel. De Kope- ren Zee, Koperen Altaar, en Kopere Pylaren, met de Wafchvaten en har re Voetftallen, fooo. Talenten. De Wyn, Oly, Brood en Dagloonen zyn onnoemelyk,. 4000. Wagenpaarden, 12000. Rypaarden, 1400. Wagens, en 144000. Knechten. tict onderhoud was groot tot deze Tempel > want het beliep, hoewel onzeker naar tyd en Jaren,. 22000. Talenten, van 't Hoofdgeld van elken Jood, tot de ieheuring toe; en met een was het eene fake Burgt en Befchermflot voor den. Vorit, Hoogenpriefter,enzyneOn- derhorigen j. gelyk men. ziet, dat die Plaats nog lange heeft doorgeftaan de aanvallen der Vyanden. Maar boven al was het, buyten den dwang en verbintenis der Godsdienft,, een fchoon en ftaatkundig middel, om altyd Meefter van al het Volk te blyven > wylmen, die maar eenige oproer zogt te verwekken, aanftonts by de Kop. kon vatten, niet konnende miflen eens 's Jaapsu
|
||||
VANHETVoLKENKONINGSBESTIER.ena.XIX. HOOFDST. igl
's Taars op te komen. 'I welk ook Jeroboam, opgeworpen tegen Rib**
L2m rtJden eaf om in Ifrael kwanswyze ook te fhchten lets, dat voor gSSS&MdSjU om zig Van * Hoofdgeld en anderelaften Sontflaan na datze den Nazaat van S^mm de al te drukkendenoodvan SSTvSyhto vergeefs hadden voorgelegt, gelyk Saneballat een.op den Bere G*r/*i*! by •&»*«'* bouwde, Afc»<#, zynen aangehuwden Zoon Hoogenpriefter makende. Ik fta verbaaft en verwondert, net Tem- pdSm nade&e, waar van daaaSW al het Goud en Ziiver haaide, Ev de Landen door hem vermeeftert •, want de Joden zelve hadden mets, Keen zy van den anderen met Ooriogpn .kregen. Zelfs in al deStammen was I'naauwlyk* voor Jonathan en zyne Schildknaap (Davids Vnend en Tvdgenoot,) Wapenrufting genoegdamen leedonder hengeene Srneden, en dieTorften van Kanaan beoorloogden fleets malkander > behalven dat Chal- deeuwen, Perzianen of Syriers van de eene zyde, Egyptenaars van de an- dere zydc en de Arabiers tot aan de Jordaan haar vaak afliepen. Nochtans isTr zoo i-oten overeenkomft tmTchen den omflag van de Qfferaars, t gan- frheVolk deZaneers, Speelders, en alles het een met net ander, dat het mv dwtgt, van afles zooV geloven als of ik het Foot gevaarte met ai Ze onmcchelyke heerlykheyd, de drokte van 't Pnefterdom, >t gent en den toevoer van zoo veele Beeften, met de OrTervuuren voor my zag Hoe zeer nu by de andere Stammen de achtmg der Samantaanfche Tem-
pel wTerdopgevyzelt, zoo bleef dog inderdaad de Heyligheyd alleen in die ?an SalomonFte>m^lem> want de Bag, nog de Steenen, nog de kofte- Tyke Tranffen, nog de prachtige Galderyen, nog zelfs het H der Heyhgea maakte door zig zelven eenige Heyligheyd maar de heerlyldheyd der God- delyke inwoonmg alleen, by den Joden Schechma genaamt. De Heyligheyd zoovandenTempeUals Stad,daalde en vloeyde alleen daar van a^zoocU ^TaUeen van [oden en Heydenen overbleef eene eenige H Wooning, al- waar Gods Heerfching en Tegenwoordigheyd , als het Middelpunt van al e Gelukzalkheyd van de Stammen, te vinden was. Zoo als in den Tabema- VA in de Woeftyne, en door de Tyden der Rechteren, Sauls en Davids > uTandere byzondere Gebouwen, wanneer die Huyzen geheyligt wierden dooTde Arke des Verbonds ,. welke Heyhg was door de Alderheyligfte in- ^EeTfldervoortrerTelykft Merkbeeld van den Meflias ziet men gepaftuyt
deezen Tempel voor zyne Uytverkoore Kerk , wanneer in 't Nieuwe Ver- bond de Gelovigen genoemt worden Meede-Burgers der He)dtgen , en. Huyseenooten Ga^, gebouwt op den erond der-Apoftcleaen Propheten,, welker Hoekfteen Chriltus is, op welke het geheel gebouw bekwamelyk ge- voeS zyndc, opwaft tot een H. Tempel in den Hcere-, op welke zy ook lebouwt woJden zamen tot een Woonfteede Gods in den Geeft Hoewei lu deeze zoo R Tempel,, door de. Syriers is verwoefl,. door Zerubbabel |
|||||
Z i fa-
|
|||||
i8i De Hieroglyphen of Merkbeelden.
herbouwt, door Antiochus Epiphanes we£r eefchonden, door Her odes
daar tegen verbetert, zoo fchynt ze niec van de eerfte vorm afgeweeken te zyn. Ook kon ze met; want wie zou *t geluft hebben, die zoo zwareDrom- mers en Ringmuurfteenen, zoo onbeweeglyk zwaar in den omloop,uyt ha- re plaatzen te wrikken ? Waar van voor den overwinnaar zoo veel wechdra- gelyke buyt te haalen was, en de opftal in brand geftooken wierd. Zoo dat daar na geene andere van plaats of grootte, maar wel van opbouw min kof- telyk, volgens de bewaarde beftekken gemaakt zyn; en de Text, dat de tweede Tempel zoude heerlyker zyn, ah deeer^e, zlkcn waarmaakt,dat de eerfte met al zyn praal en pracht, flechter was dan God zelf, inzyneMen- fchelyke Tempel op Aarde inwonende, tot zyn Lyden, OpftandingenHe- melvaart, gelykmen (het Lam Gods in zyne Hemelfche Eerftaat brallende) geen Tempel in de Openbaring van Joannes en ziet; zynde 't geentendee- fe was, te niet gedaan, als 't volmaakter gekoomenis. De gaauwe Godsge- leerden van Geeftigheyd tot Overgeloof vallende , maken van elke kleynig- heyd, 't zy van Bouw, 5t zy van Huysraadj byna Cabbaliftifchegedachren, overeenkomften en toepaflingen. Maar 't Verftand wil dartelen, de Leer- ling verder als den Meefter uytzetten j en als 't eene Mode word in zeekere ftorTen te fchryven, zoo vind elke nieuw Bedenker akyd zynen Aanhangerj wordende ondertuflchen veele Geeften meer doornieuwsgierigheyd, ipits- vindigheyd, en Menfchelyke Wysheyd, als van Godvruchtigen yver geleyd. De Bouwkonft te befchryven is een onzeker droomwerk, wyl de Maaten, de Kunftwoorden en Spreekwyzen der Bouwkonft ons in 't Hebreeuwfch twyffelachtig blyven; en die Tempel ouder is geweeft,als die gene, welke van Griekfche, Toskaanfche of Roomfche in Schnft of naar 't Leeven geteekent voorkomen. Zoo dat men deeze dingen niet wel kan tegenfpreken} nament- lyk, dat de Godheyd, het Model ingeevende aan T>avid en Salomon, bo- ven onze Denkbeelden en alle modulering der Bouw-ordens heeft gegaan} en dan ten tweeden, dat de eerfte Tempel is verdelgt door Volkeren, die ons niet hebben nagelaten de Bouwkonft van dien eerften Tempel; en dat de opftal van Zerubbabel niet konnende evenaaren de pracht van Salomon, zoo groflyk maar 't Ligchaam zal gevolg hebben in zyne Vorm, zonder zoo net op die Maaten te doen paflen. Ten derden, de Joden waren zoo van de andere Volkeren gehaat, dat niet licht iemand het Model van hare Tem- pel en hare modulering zoude volgen in hunlieder Afgoden-Tempelen. Ah 'er dan wydluftige Boekmakers opkomen, die door Bouwmeefters geholpen, zoo zeker beloven voor oogen te ftellen dien Tempel, als of zy Salomons Tee- kening den Menfchen voorleyden; dan gebeurt *er niet anders, als dat zoo een Opperbouwmeefter zyn trant en gewoone maat door laat gaan in dien Tempel te vertonen, makende Salomon en Gods Geeft verflaaft aan de or- dens zoo veel later van opkomft, en nog later van goedgekeurde vaftftel- ling; hoewel ik 't niet ongeern zie, dat daar in, en in andere dingen zoo heer-
|
||||
VANHnTV0LKENK0NINGSBESTIER,enz.XIX.H00FDST. l8j
heerlvk word gewoeld; want met hare goede meening en wil yverig wer-
kende, doen zy veele zaken opkomen, die zeker zyn, en anders zouden fmooren.Die zelve machtige Koning bouwde aan dien Tempel vail zyn Hot en Paleys, dog men vind in,nogom J'erufalem fchier geen overfchotals van eeneVyver&*/0W0«jeneenigegrondmetopftaande Ronden van des Komngs Lufthuys naar den kant van den Libanon. De reft zal oogenfehynlyk zoo in der Vefpajtaneny als Hadrianus tyd,en de Turkfche en Chnftenen Oor- loeen, doorKrygswerken, zyngevult, overdekt, en onderleggen. Aan Pen- nineen te geloven, is een gereed middel,om bedrogen te worden. Joodiche Schrvvers 7weynige brave Mannen uytgezondert) verdienen geen geloor, om hunlieder grollen en opfnyden. Anderen willen ons door Pennmgen wat wys maken. Zoo blyft ons niets over, als de H. Schnft die ons.en haar zelve genoeg is. Immers al die Machten, Schatten en Heerlykheden zvn , vokens de Voorzeggingen, verandert in Afch-en Puynhopen, en daaronderdeRegering des Joodfchen Volks begraven, die voor alle ande- re in dien Tempel de wezentlykheyd Gods by zig haddenygelyk ze te vo- ren in de Wetgevingontfingen, F. In de Tente der Zamenkomft, en op den Berg Stnat, alwaar de
Godheyd onmiddelyk zyne Geboden en Inftellingen gaf aan hunlieder groo- ten Leydsman,den Propheet Mozes -, voorgaande by Nachtin G. Eene Vuur-kolom, de Goddelyke Machtverbeeldende-,
H. En by Dag in eene Wolk-kolom: ftaande als 't Leger zou blyven
leggen> bewegende als 'toptrekken moeft, enzoo vertoonende de Godde- lyke zorg voor den zynen. |
|||||||
TWIN-
|
|||||||
___--------------------
|
|||||||||||||||
-
|
|||||||||||||||
)
|
|||||||||||||||
___________
|
|||||||||||||||
_......._____
|
|||||||||||||||
_.._.
|
|||||||||||||||
r--------- -------------------
|
|||||||
VAN DE VoORZEGGINGienz. XX. HoOFDSTUK. 185
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Voorzegging^ en Vervulling der Tyden. 31" N de zamenwoning van eenigzins gepolyfte Menfchen zyn geene Ongo-
diften. Die zamenwoning heeft overal, hoe weynig zy doorfteekt, Gods- ienft. Elk klimt eyndelyk op tot een Eeuwig Wezen, waar in, en door welk, Alles is. Aan dat Weezen, geeven wy (ora dat wy in alle uytdrak- zels der Toepaflingen op God ons gering uytdrukken, en niet, dan door zaken of Denkbeelden, ons Menfchen gelyk) Reeden en Wysheyd, die voor alle begin by God was. Dezen luftten het te fcheppen; en de Wil by de Uytvoering maakte het Lot der Kerke Gods. Want alle weg was tegen- woordig,en alle Tyd een oogenblik,onwrikbaar na datze gezien wasjmaar, tot trooft der Women , op eene wonderbaarlyke wyze, zoo verre 't dient, geopenbaart. Dit Lot, or Voorbefchik, zietmen in dit Tafereel, A. Alwaar, *t geen na de Zondvloed gefchied is, en van denVal Adams
af voorzegt was, by een gefchikt is, dienende als een beflag der Goddely- ke Huyshouding in der Menfchen zaken. De Vrouw, welke voor den Ge- nius , of Befcherm-Geefl des Volks Gods ten praal zit, heeft eene Babylo- nifche Reys-of Zonnehoed op, als opgetrokken uyt Tar an in Ur der Cnal- deen. De Voorhoofd-Priefterband en Hoofddoek, die haar Hals en Nek bedekt,vertoonendenGodsdienfty^rd£/w#.r, Izaaks en Jacobs. Xll.Paar- len aan hare Halsfnoer zyn de zegeningen der XII. Stammen. In hare Lin- kerhand heeftze het Schoteltje en Steene Mes tot de Befnydenis ■, houdende, wanneer de Wetgrooter uytbreyding nam, het Reukoffervat met de Rech- terhand, en *t Wafchvat aan de andere zyde. De wonderlyke Overtocht over de Jordane bewyft ze met de XII. Steenen in hare Borftlap, op de wel- ke, onder de naam van Urim en Thummim Godlpraak gevraagt wierd aan- gaande de aanftaande gevallen van 't Volk Gods. In haar Schoot legt de Legermeting, dewelke op de Heyen, en in de Woeftyne van Arabie,door Mozes, hunlieder Wetgever en Leydsman gehouden wierd, om den Gods- dienft in 't midden der XII. Geflachten net gefchakeert te houden binnen de tranffen der Heyligfte Hut. Haar Kleed word onder aan Koninglyk; en is geborduurt met Palmboomen en Granaatappelen, gelyk Salomons Ont- werp-Schets meeft in zyne behangzels en Beeldhouweryen daar op gelopen heeft, met prachtigejuweelen omzet. Hare Voeten zyn dartel, metTyri- fche purpere Laarsjes aan, hare welluft en trippelend daniren by den Afgoden doende zien in haar verval. De Staf van Aaron legt tegen de grond, en draagt geen Amandelen meer, als eertyds in't H. der Heyligen. De Pot A a met
|
|||||||
l8tf DE HlEROGLYPHEN Of MeRKBEELPEH.
met Manna is omgeftort. Mozes Stafrerbryzelt Het Juweelkoffeitjen met
de Goude Muyzen en Speenen voor de Arke des Verbonds gefchonken, is geplundert. De Aflyrier heeft die Tempelpracht, en de geheugenis der Goddelyke Wonderdaden, de Sreene Tafelen door de Goddelyke Hand gegraveert, der Joden Wet inhoud, ja den Tempel zelfs verdelgt* en met dat Vuur de Zonden van het weeripannig Volk en hunner bedorven Konin- gen voor Gods Oogen gezuyvert. B.
• De Goddelyke Oorlogsman (Davidivzn derjeugdaantegendewreed* fte Dieren, daar na over den Philiftynfchen Reus en andere hebbende ge- zeegenpraalt, zit op haar zydej ftellende de lieffelyke Toonen van zync Harp op zyne Pfalmen , die waarlyk zyn eene Lufthof der Zielen, en een juweelkas van den ganfehen Bybel, der Wet en des Euangeliums. Hy laat doorklinken den CXden Pfalm, waar in Chriftus tot het Geeftelyk Koning- ryk zyner Gemeente, en zyn Eeuwig Priefterdom, en Zeegen oyer alks word opgezongen. Men ziet hem als een Propheet heerlyk bezig in die Heylftoffen, en 't voor uyt bazuynen van Gods fchikking over zyne Uyt- verkoorne Kerk •„ ruftende van zyne ftryden -> met zyne wis-treffende Slinger, waar mede hy Goliath n£erplofte, voor zyne Voeten, als het begin van de openbare Heldendaden en de Goude Kroon van Amalek, die hem in zyne Gezanten befchimpte j als de praal van zynen Koningryken Stand > vol Zee- gen , Rykdom en Macht. ^J* Daar tuflchen den Vorft en de Schuts-Geeft van Gods Volk , mag
men zien eenen der Seraphynen, wyzende aan Ezechiel de nette Hemef maat der Tempelbouw, gelyk dezelve te vooren aan 'David aangeweezen, en Salomon door den Geeft Gods voorgetekent was, vol van alle Beeldipra* kelyke betekeningen, en nu dagelyks heerlyker en klaarder, door het op- helderen van een Getuygenis uyt de H. Bladeren, door de gelykluydende overeenkomit met andereny in welken, zoo de C*eeften al mogten wat te ruymfchoots dartelen, nochtans zonder nut niet te vinden zal zyn, zoo die Ver> ftanden tot doel houden de vergrooting der Eere Gods, en 't geftadig op- ^rellen en uytvloeyen van zyne Genade op zyn Uytverkoorenen, D. Daar achter zietmen de H. Hut of Tabernakel,. door Mozes ge-
fchikt en uytgevoert, met zyn binnenfte Tente, of *t H. der Heyligen, in welke die groote Heyrvoogd en Wetgever niet heeft vergeetendeEgypti- fche Beeldfpraken in de welke ik gelooven durf, dat hy diep was ingedron* gen, dog houdende dezelve meeft buy ten Beelden, uytgezondert in de Che- rubs, welke ook van ouds in der Egyptenaars kraam gebruykt wierden, en van Apis, een Kalf of Os, eenigzins afvloeyden. Men ziet uyt de GloC- fen der Rabbyoen,uyt J&fefhus Hijlorie der Joden ,en anderen, hoe veele
aan-
|
||||
I
|
||||||
Van de Voorzegging,^. XX. HoorDSTUK. 187
aanmerkingen in't werken, de vormen, en verwen der plaatzen en gereed-
fchappen, daar aan gebruykelyk, waargenomen zyn. Door de blaauwe ver- we Genade-, de witte Zuyverheydj de purpere Oppermacht-, de zwartc Rouwj de Appelbloeflem Neederigheyd -y Cederenhout Menfchelykheyd; Goud Godheyd in de Ark zonder verderf. Jofephus maakt eene Beeldfpraak van den Tabernakel, als een Merkbeeld van 't Heel-Al met zynen Schep- per, en zegt, dat de middelfte aan den Opperpriefter alleen, en niemand anders vry was. Zy is als den Hemel door God bewoond. De andere ver- toonen de Zee en 't Land, tot welke de toegang den Priefteren alleen vry ftaat. Voorts fcheyd hy 'er af, kreupel genoeg, om dat 'er op de heerlyk- heyd van die plaats oneyndig te vinden is. De Dekzels bootften ook dp Lucht, 't Sterrenwelf en den Hemel na, met hare Dekzels van Purper, He- melsblaauw en Scharlaken koleur, en die te zamen door een blaauwachtig Kemelshayrig Dekkleed, tegen de ongemakken des Luchts. Alle dePoften, Pylers en Steunpalen waren met Goud overdekt, of verguld* maar alle we- derom niet zonder nadruk van Beeldfpraak, alom vercierd met allerley Bloe- men en Vruchten, aardige trekken en teekening zonder oogwit, als dePer- (iaanfche of Turkfche Tapyten, maar boven alvry van Beeltenillen der Men- fchen of Beeften. De wonderlyke Godsregering doet hier boven zig zelve op by Dag als eene Wolke, by Nacht als een Vuurkolom; bewegende als de Stammen moeften van Legerplaatzenveranderen,of tegenhunne Vyanden optrekken, anders ruftende op de H. Tent, in dewelke de byna zichtbare tegenwoordigheyd Gods op de Verbondskift, tuflchen de Cherubs, uyttintelde. Die tyd bewyft, volgens de H. Hiftorien, een wonderlyk weelige voort- •gang in *t Zaad Abrahams, en een ganfeh vry beftier, niet als van Gods Wenk af hankelyk. Dezelve doet ook zien de ftraf der Twyffelaars en Ny- digen over den Stadhouder Mozes> den Opperpriefter Aaron, en den Al- gemeenen Veldheer Jozua j die al dat fpreeken met God belachten, en on- der 't Volk zaayden, dat alle die Konftenaryen verdicht wierden, om de Oppermacht van Mazes, die zig als Meefter droeg, te fteevigen. Hier kan men 't afpalen van Sinai voor die gebruyken, die te naauw fnuffelen, na der Oppermachten wandel-, de Donderen, Blixemen op dien Berg, voor de kracht in 't af kondigen der Goddelyke Geboden •, de twee Tafelen voor de Joodfche Wet, ja voor de Wet der Natuur en Redelykheytj in dewel- ke ik den Lief hebber moet in gedachten brengen, dat Jofephus hem waar- fchuwt, en zegt, hoeze gemaakt waren, te weten: twee Steene Tafelen, elk van Vyf Geboden, maar zegt hy, ieder Steen was in twee deelen ge- fcheyden, inhoudende ieder twee Geboden en een half. De menigte der Beeldfpraken is te groot, om in't beflag en den toeftel der H. Hut te val- len, welker behandeling zoo uytgeftrekt was, dat men alles daar voorbeel- delyk deed, 't geen in den Hemel gefchiedde. En zulks word nu vry wel uytgearbeyd •, want het waar en betamelyk blyft, dat ook nu den Geloovi- Aa 2 gen
|
||||||
•
|
||||||
.-,„,,,,, - - -
|
|||||||
■— 'T^.-*"*
|
|||||||
l88 T>E HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
gen openftaat, van de fchaduwen van Mozes (Velker Lichaam in Chriftus
gevonden word} de voorbeduyding en zamenhang te onderzoeken, en als door eene Goude Sleutel der Apoftelen geholpen, nu ook door te fnuftelen de minfte en donkerfte hoekjens j om de Schildery van Chriftus uyt alle dc roevloeyende Schetzen en Omtrekken te fchoonder op te maken, tegen E- rafmianen, Socinianeny Grotianen, enz. En zulks is en blyft de plicht van die hedendaagfche Mannen, gedreeven door den Geeft, gelyk zulks eertydts deeden, welke door Gods Geeft gedreeven wierden. Maar alle die Schetzen (die ik achte veel eer te mogen tot de geringfte kleynigheden doordringen, als iets zonder toepaffing ongeraakt latenj zyn te veel, om in ons Werk te vallen. En het is te gelooven, dat metzulken Werk,uyt de ou- de Aziatifche of Egyptifche Zeeden, Schriften, Merkbeelden, Woorden en Letters, gezuyyert van der Rabbynen Dweeperyen en Oudvaders Droo- men, nu reets eenig braaf Man bezig is. li* Der Chaldee'n Heerfchappy is door het Getulband Vrouwtje betee-
kent. F* Even als de breed uytgeftrekte Ryken der Egyptenaren door het
Beeld van Ofiris, zoo als het zelve uyt de Fuynhoopen van deszelfs Tem- pel by het 'Pantheon te Rome, verminkt en in ftukken is gevonden, van zwarte Steen. Want ^Plutarchus zegt, dat de Egyptenaars meenden, dat Ofiris was zwart geweeft. Nu meen ik, dat het in der Barbarinen Hof is te zien. Deze Ofiris of Serapis, welke wel een fchynt, heeft deZon verbeeld, en daarom de Kop van eene Valk , om de fcherpheyd van 't ge- zicht, en de fhelheyd der Vleugelen. Ook heeft het Beeld eene Ronde Hoep, het Zonneteeken, in de Linkerhand, en de Letter des Leevens dc T, waar van de Roomfchgezinden een Kruys maken, daar onder G. Een vuurige'Draak aan eeneLans gehangen, beteekent de Macedo-
nifche of Griekfche Overftrooming over de Aziatifche Ryken, en't Lot van Kanaan en Gods Valk, in de Slaverny, en in de opkruypende Vry- heyd vertoonende. JtX Maar naaft aan de Kanaanitifche Vrouw zit de Tfwingetandy der
Momeynen, die de Macedoniers, Grieken, Syriers, Perzen en Meden zoo wel als Egyptenaars en Joden heeft ondergebragt. Deze Zeegepralende Geweldenaarfter heeft op haar belauwerden Helm deroode en zwarte Room- fche Vederbos, tot halfweegen liaar breede R\ig afrollende. De Raadsheer- lyke Mantel dekt de eene helft, de andere is met het Schild van Verfeus, waar op de Gorgonifche Slangekop ftaat, verzeekert in hare Keyzeriyke Monarchic, tot Steenen zelf den tegenftrevers veranderende. Zy zit op ee- ne |
|||||||
Van de Voorzegging, en*. XX. Hoopdstuk. 189
ne Legerftoel, om datze ganfchelyk beftond uyt een Krygsmans beftier,
geftadig zonder paal de Landen, waar Goud te halert was, aanranfifende. Hare gevreefde Deegen dreygt alles aan alien. Hare Algemeene Afgoden- dienft (waar van men de Vogels of Hoenderkooy, een proef van 't Byge- loof, ziet) aan hare zyde leed alle Godsdienften, ja zelfs de onbefchaamt fte, ontuchtigfte, en vreemdfte* maar woede echter dikmaals tegen den Chriftelyken. Wy zien, dat der Joden felheyd, der Heydenfche rriefters vreeze, der Keyzers vermoeden en achterdocht, en der Chriftenen onder- linge hafpeling hier en daar een Bloedbad gemaakc heeft, dan van veele, dan van byzondere Bloedgetuygen. De Staatkunde en draay van 't Room- fche Ryk maakt Konftantyn, anders een flecht Chriften, tot een heerlyk Voorftander. De heerfchzucht van den Roomfchen Biffchop klautert al- lengskens boven den Conftantinopolitaan en Alexandryn, of Antiocheen-, maar maakt zoo juyft niet eenen Antichrift, op zulken bepaalden tyd, als wel zeker gaauw Schryver wii aandringen-, even of zulken Gedrocht in een Ey gezeeten had, en dan net gekipt was. By voortgang van tyd onder Pans Bonifacius den IILfpringen eenige Vorften en Ryken uyt den Kerker van die Kerkflaverny. Deze verandering, meer of min Vryheyd uytleverende, moet nog hardebollen met de Kerkheerfchappy van Romen, en zyne Kna- pen. Maar of de Lotgevallen der Chriftelyke Kerk juyft in zeven zoo ge- naamde Terioderiy of Tydkringen moeten verdeek worden, het welk ver- fcheyde braave Godgeleerden reets Eeuwen voor den grooten Coccejus heb- ben beweert, maar anderen tegengefproken, zullen, nog konnen wy nice bepalen. !• Men ziet daar by , voor die veranderde Heydenfche Tyden , het
^Pantheon, thans 'Delia Maria Rotonda te Romen, aan alien den Hey- denfehen Goden en Godinnen toeeewyd (en nu aan de Maagd Maria jmec de tytel van de Moeder Gods) die van de Roomfche Heerfchende Kerk geen gering Voorbeeld is, welke in die Moederftad der Ouden, eertyds Gewapende, nu Gefchoorene Heerfchappy, alle kwaden berokkent voor de afgeftapte en Hervormde Geloofsgenoten. Die Stad met hare zeven Bergen en zoo veele andere byeen vloeyende hoedanigheden , om te paflen op een Geeftelyk Babel, grimmelt van vreemde en verachte Luyaarden, welke als Hoofden der wufte Beedelordens,in allerley ongefchikte Kleeding achter Straaten lopen, of murmelende, ofzingende, of prevelende, onver- ftaanlyk , of gebrooken naar de fynfte maatflag der Zangkonft, Latynfche en Griekfche Mengelmoes-, met zulke hondfche mottigheyd, met zulke vuylbaards flordigheyd, berookt, getaant, ftaalgraauw, zwart, grys enatv ders gekoleurt, datmen onder de vogelen niet yeel meer verfcheydenlieyd van Ve£ren ziet, als onder henlieden-, en zoo fcherp gezet op de kleynig- heden van haar Varkenachtig gewaad, dat men een Order om wat hooger Aa 5 of
|
||||
190 De Hieroglyphen of Merkbeelden;
of lager, ruymer of naauwer Kap, in vyf of zes verfcheyden gefchourt ziet.
Want zoo naauw als het die, van de Wereld afgeftorve, aankomt op 't Hoofd, Dekzel, Baard en Kruyn, raakt het henlieden 00k aan de Vbeten, yt zy datze met Trippen, Houtsblokken of Sloffen door 't Land loopen. Zoo deze Beedelmonniken daar balken,niet minder pralen de Ernftachtige, in 't wit en zwart, die zoo veel onruft en gevaar brouwen, in alle Huyzcn en Hoven meefter worden, Leydslieden van de geweetens der groote Hee- ren en Vrouwen, Bezitters en Infchrokkers van al het Vette der Aarde, Woekeraars op de Zielen, Makelaars van 't Vagevuur, die ieverig 't Geloof voortplanten by de Volkeren, die Goud bezitten, en 't verderf zyn der Vorften, welker ooren zy vol blaazenj ongeruft in de ruft, dulin dekalm- te. Of wend men 't oog naar St, Angelo, daar vindmen de Woonplaats van den Slaaf aller Slaaven, die boven alle Koningen en Machten zig heeft verheeven , en de Kroonen denzelven affchopt, dien hyze doet op- zetten. Zoo een weerlooze Oude Suffert beheerfcht de helderfte , fierfte en ftoutfte Vorften, dien hy heeft dronken gemaakt door zyne Toverbeker. Zoo veele gepurperde Princen zyn de Raden , Byzitters en Bedienden van deze opgellotene vernuftige Majefteyt \ die ieder met Vorftelyke treyn de Straten en Hoven vullen, en alom in alle Koningryken hunnen invloed be- houden, om de Bruyd van CHRISTUS hare Ruft en Vreede te ftooren. Daar ontbreeken haar niet als Stroppen, Bylen en Mutzaarden. Men hoort 'er niet als van Doemen, Verketteren en Veroordeelen. Zoo is het hand- werk lang geweeftj maar 't Bloed der Heyligen roept al achter het Altaar: Tot hoe lang, Heere? en de bepaalde tyd vandeondergangvanditontzache- Jyk Wanfchepzel fchynt te naderen. &• De Bruyd is by Nacht gevlucht, van de Wachten mishandelt, heen
en wedr gezolt, komt uyt de Woeftyne in haar Moeders Huys, aiwaarze van haren Bruydegom verkwikt word. ■L- De Bruyd zal echter eyndelyk de Verongelykers en Mishandelaars
te boven komen, en van hare Wyngaarden en Granaten met haren Bruy- degom proeven, en langs de Zilvere Beeken opklimmen in zyne Paleyzen j verbeelt met de Eeuwiedurende Glorie der inwonende Godheyd, over het Nieuwe Jeruzalem. Welke Stad en Tempel is een krachtig Merkbeeld van Chriftus Zeegepralende Kerk ■> gelyk dezelve met naam zelfs in de H. Bladeren word ingevoert. En zoo zyn 00k ontelbaar de byzonderheden der Gereedfchappen, der Werktuygen, Cieraden, Zang-en Speelwerken, Of- ferplaatzen, en de nodige omflag der zelvenj gelyk de Wafchbaden,Reuk- Offer , Brand-en Plengoffers de Priefters zelven, derzelver Kleedingen , Plechtigheden en Order, in dewelke, gelyk in duyzend kleynigheden (zelfs al
|
||||||
Van de Voorzegging, m XX. Hoofdstuk. 191
a warendie Haken, Ringetjens, Snoeren, Gordynen, TWn, end**
gelyke) met zoo licht za? genuft worden, met te veel "dP^"™*, foeLrii, als met deze of geene te yerwaatlozen en <^"""J* <*£ ™ overeenftemmende Vootzegpunt, in Chnftus of zyn Ketk vetvult, otnog te verwachten, vtuchteloos en ongeraakt vootby te gaan. |
|||||
EEN
|
|||||
I
|
jjiiu.mi.iPF^jjpiiippippiw^ ......--------------
|
|||||||
*mmmmmmmm.
|
||||||||
iMfa**,^-i-■■--• - • ■_________ _________
|
||||||||
Van het Lyden van Gods Volk. XXI. Hoofdstuk- 19}
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK,
Van het Lyden van Gods Volk. DE dwalingen der Bygelovigen wieflchen van Jaar tot Jaar aan. De o«
vergift der zelver voor de Zondvloed, aan Cham mogelyk gefchied, is de oorzaak geweeft, dat het Godendom, zoo in Egypten, als 't verdere Africa, Chams Nazaten onderhorig, aangroeyde. De Arabiers hebben Babel, ende Landen van Uz, Mefopotamie enz. bevattende, daar van o- vervloedig medegedeelt. Mogelyk heeft Syri'e en Fenicie ook van de zelven het overgenomen. Maar terwyl de Befchryvinge der Oudheden eer van den Grieken, als van die Volkeren is aangenomen, zullen ook veele van hunne Goden door de Grieken verfmeed zyn, die, zoo wel als de Feniciers, Coc- lofyriers en Paleftynen tot de Dichtkonft genegen en bekwaam, alle kennis van waarheyd bezwachtelt hebben met nieuwgevonde Verdichtzelen •, de Hiftorien onder Natuurkunde, en die beyde onder den Godsdienft raengen- de. Het was tot zulken ontzag uytgeborften, zodanige Godsdienftigheden in
vaften ftand te houden, dat 'er de Wyzen zwygende, de Loozen en Groo- ten zig zelven bevoordelende, weynig overfchot der H. Mannen, en Gods Volk t'elkens uyt der Afgoden Slaverny gerukt, t'elkens weder daar in ver- viel, ja zoo, dat Lev it en en Triefiers zelfs naauwlyks bezef van de Kennife Gods hadden, en van de Plechtigheden dagelyks meer vervalfch- ten. De ftraffen van overheert, ja tot verdelging overhoop gefmeten te wor- den, beterden de booze Zeeden en Herten weynig, tot dat het Opperprie- fterfchap in zynen glanfch herftelt, en wederora verheerlykt wierd. Deze Regeringftand, en Godsdienftpraal is hier vertoont door eene
■A. Opperpiuesterlyke Myter, of Tulband, voorzien met ee-
ne Goude Juweelplaat,waar op de HEYLIGHEYD DES HEEREN waste leezen. De verbeelding is een bejaard Man, om dat die Jaaren de Acht- baarheyd van't Ampt vermeerderen,fprekende met de tegenwoordige God- heyd, die zyne Straalen op zyne Borftlap fchiet, dienende het Volk en den Vorften tot eene Godfpraak-, wanneer die Goddelyke Vuurftralen tuflchen de Steenen der Twaalf Geflachten fchitterden. Met de Rechterhand houd hy den Hoorn der Geheyligde Oly, om de Koningen te zalven > welk voor- deel bezittende , 't Opperpriefterfchap zeer geduchte achtbaarheyd gaf, konnende kroonen, dien zy tot het Ryk zalfden, en van de Ryxzetel hel- pen die, tegen welken zy bevel kregen. De andere houd eene Wy-kwaft, om *t Bloecf der Offerhanden te fprengen, daarze *t met de vingers niet aan- Bb wrce-
|
||||
194 E*E HlERO'GLYPHEN OF MeRKBEELDEN.
wreeven, en beteekent hunlieder Verzoening voor *t Volk door Slachtoffer, gelyk zyn Wierookvat door ReukofFer. De Goddelyke Tcgenwoordigheyd -, tuflchen de Cherubim op de Verbondkift fchynende, en tufTchen de Wol- ken doorftralende, gaf den Zegen en Straf,op de uytkomft der voornemens, in Oorlog en Vreede. By deze H. Verbondkift ftaat de Opperpriefter> als bewaarder en oplluyter van de H. Overblyfzelen en Merktekenen van de uytgedeelde Zegeningen Gods, als zegelen van zyn menigmaal herfteld Ver- bond met zyn volk. JD. De Afgod Dagon, der Philiftynen Oppergodj half Vifch, half
Menfch, tot de Voeten en Staart in ftukken gevallen, legt met fchande op zyn aangezicht, niet konnende ftaan tegen den Waaren God, wiens Ver- bondkift, in *t flaanvan He li, door Gods Vyanden genomen was.Zyvoel- den de Peft, booze Zweeren,en Ambeyen, nevens de verwoefting van hun- ne Graanvelden, en Akkersj waarom zy blyde waren met groote plechtig- heyd dit Heyligdom den Joden te rug, met Straflehat, weder toe te zenden. Twee Goude JuweelkofFersi het eene met Goude Speenen, het andere met Goude Muyzen voorzien, tot zoen van hunlieder verwatenheyd, dat zy hunne Handen aan 't Waare Heyligdom hadden durven flaan. Achter dezen Volmaakten Opperpriefterftand, kan men yt groot Altaar,
*t groot beflag van \ Offerwerk, *t Heylige der Heyligen, met al deszelfs Huysraden, ja feyfcht het de rykelykheyd, en 1yd het de plaats) de gan- fche Tempel, of de binnentrans, en al *t beflag van de H. Zang-en Speel- konft toonen. De Heerlykheyd van 't Koningryk des Volks Gods duurde niet lang na
Salomon, die 't verre, ja tot verbaaftheyd der Naburen, gebragt had. Die Drukftand, onder meeft Godloze Koningen van gefpleten Machtenbelang, is verbeeld door >^« Een jonger Hoofdj kaal gefchooren, als dat van eenen Slaaf,
zonder Ooren, om dat het naar geen Vermaningen van Gods Propheten heeft willen horen, met uytgeftooke Oogen, zoo om de blindheyd in Gods Wetten en Godsdienft, als in hunlieder wandel te toonen -, behalven de fmaad, van dat den Koningen de Oogen uytgeftoken wierden door hunne overwinnende Vyanden, die den Vorft met Koopere Ketens beladenenge- kluyftert, in boeygaten wierpen^ als detwee vervoeringen, eerft van deX. Stammen, daar na van de twee overige, om zyn hals gehangen. Verkens- vleefch (den Jood een grouwel,) word hy gedwongen te eeten. De overge- fchote Rollen der H. Schriften leggen gefchonden op zyne Schoot. De be- dellappen zyn aan de eene zyde van tien, aan de andere zyde van twee ftuk- ken. De eerfte vervoert zonder wederkomft, de tweede in de GevangeniJP- fen van Babylon. Zyne boeyens zyn vaft geklqnken aan eene D. As-
|
||||
Van het Lyden van Gods Volk. XXLHoofdstuk. 195
*
• Assyrischb Zuil, op welke in Chaldeeuwfche Letteren den her-
bouw in een Plakkaat te zien is-, waar op het onderfte va$ een beeld van Bel ftaat, den Koning, hunnen overwinnaar, na volgende, in aangezicht en kleding, in 't groot. De herftelling uyt die rampen is verbeeld door ili« Een Man, meeft naar de Babylonifche en Syrifche wyze Gebaard,
wiens Hoofdhayr, als vlammende van oproerig vuur, overeynd ftaat. Hy heeft twee Hertshoornen op zyn Hoofd, eenfdeels om daar door den Ko- ning-en Priefterftand te verbeelden; maar meerder om het wifTellot van hun- lieder ftaat te doen zien-y want de Hoornenvoor machttenemen,isaandeH. Schrift, en alle die Volkeren rondom Kanaan eygen. Nu valt het gewicht of de Hoornen van den Herten dikmaals af, ja eenitfe alle jaren, en waf- fen 00k wederom fchielyk aan. Waarom zy voor die veranderingopzyn Hoofd ftaan. Een Wolfshuyd dekt de helft der Geeftelyke cieraden, om de wreedheyd, die den een tegen den anderen heeft, te doen zien. De Rech- terhand houd eene Troftel, de Linker een Zwaard, om dat de Joden alzoo fewapent den Tempel herbouwden. Eene open Beurs hangt onder zyn
'antzier, dewyl eyndelyk door omkoping de Overpriefters of Koninglyke of Viervorften plaats kregen. De tyd der Afmoneen of Machabeen is onder deze Zabel^ het Harnas,cn de Legerlaarjfen mede begrepen> maar detyd van Herodes door de Goude Roomfche Adelaar, die in een Oproer onder de voet gehaalt en vertreden wierd, tekennen gegeven. Een Hond, diede Staart tuflfchen de beenen bergt, ftaat achter nem, aanwyzende de rechte natuur der Oproermakers, die blaffen en tieren geweldig, maar vluchten nog meer in de gevaren; als den flechten rekels eygen is. Hier achter is de Ver- woefting van den eerften Tempel uytgebeeld, alwaar men nog ziet de ■F• Twee Koopere Pilaren, Jachin en Boaz} in 't Voorhof der
Priefteren door Salomon opgerecht, met de Metale Zee, en 't hoog Altaar verbryzelt, en vervoert op de Kemelen van Nebuzaradan. Het laatfte ver- fchiet is het Tempeldom, ten minften deszelfs hooge binnentrans, in voile vlammen ftaande-, waar achter men (naar gelegenheyd des tyds, die op za- ken paft of Eeuwen, in welke men iets moet vertonen) ook wel de Verwoe- fting van Ezras, of tweeden Tempel, door Titus den Veldheer der Ro- meynen zou konnen voegen •, wanneer die Koopere Titaaren, en eenige zwa- re Cieraden niet konnen bygefchikt worden. In dien Tempel kan men ook dufdanige vernietiging van de praal van Gods Volk,door eenegebrokeRyx- ftaf van Juda, gebroken Tafelen der Wet, met de geroofde Tempel-Cie- raden, en anderzins, naar gelegenheyd doen zien. Maar laat ons eens zien de Goden der meefte Volkeren, welke de Joden
nu en dan (de Heydenen niet geheel uytgeroeyt, of Gebuuren zynde) na Bb 2 hoe-
|
||||
xmmmmmm
|
|||||||||||||||
rr-. ,
|
|||||||||||||||
196 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
hoereerden-, waar door zy hunne ftraffen wel verdienden. Van welke dc
Hemelsloop en Sterren de meefte hebben uytgelevert, zynde zienlyk in de oogen fpelende, en die door haar invloed veel tot Storm, Goed Weder, Regen, Warmte, en Koude toebrengen, en alzoo voor haar aanbiddelyk wierden. |
|||||||||||||||
■ -
■ |
|||||||||||||||
TWEE
|
|||||||||||||||
Van de Afgdodery-Smeding. XXII. Hoofdstuk. 1^7
|
|||||
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Afgodery-Smeding.
DE Sterrekunde by Chaldeeuwen, Afrikanen, Egyptenaars, Arabfers,
Syriers en Indianen fterk waargenomen, deed henlieden de Hemels- bewegingen onderfcheyden, eenige in haar zelven, andere in 't geheelHe- melsheyr. Van 't Ooften naa 't Weften zagen zy de Zon, andere Zweef- Sterren in andere Dwaalloop. T goed en kwaad , dat door zulke bewegin- gen veroorzaakt wierd, leerde de ervarendheyd. Van deze was de meeft zienlyke de Zon, die zy met zoo veele namen voor God eerdenyals 'er Ta~ len waren, of Vorften, welken zy wilden vergoden. Van deze maakten zy te mets een zamengeftelt Hof, ak een Tantheon, Aller Goden Tempel,of Hoi van Ezechiel. De oudfte dezer zamengeftclde is de gedaante van A. Ad ad, betekende dit Vrouw-Mansbeeld, van den Afrikanen tot E-
gyptenaars en Ailyriers overgebracht en berucht. Zy heeft ora de Middel den Evenaarlyn, de Kreeftband om den hals , en die van den Bok om de dyen, met het Zuyder Afpunt uyt haar hoofd, met uytgefpreyd Hayr, in eene ronde kring, verbeeld voor de Zon, met de Maanhorens op't Voor- hoofd j houdende het teeken van Satttrnus, de hoogfte Srer , in eene opgeheven Hand. Dat van Jupiter beheerfcht de Boezemj Venus de Buyk j Mercurius in de Rechterhand •, en Mars aan de Voeten. Deze za- menftelling is dan het Zinnebeeld der Planeten en hare werking. Hare ra- derfpaaken zyn twyffelachtig om de dwaling der Planeten te toonen. Zy word door de Lucht getrokken van twee Gieren, dewelke die opwaaflemen- de Lucht deelen en door haar draayen als Vuur gelyk maken en verteeren. Het Water of XJ« Thetys verwellekomt haar geftadig, die Wolken, welke het Beeld
tot een Pad dienen, aanvoerende door de dampen van het vocht, het welk zy uyt hare Waterkruyk doet vlieten. Van zulken Voerman hebben de Grie- ken gemaakt v>« Bellerophon, of Trochilus, den Zoon van Callithee , wiens
Paard Tegafus gezegt word voor de Wagen van Aurora te gaan, en die Dwaalfterren, welke des Nachts alle fuytgenomen de 2k»n)gezien worden, te voeren. De Zon heeft by zig, om zyne uytmuntendfte heerlykheyd, on- eyndige namen en verbeddrngen gehad. De oudfte is die der Chaldeeuwen Ur, waar naa -L/. Jupiter. Hammon gebootft is. Deze zit met Ramshoornen aan
Bb i zyn
|
|||||
I98 Dn HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
zyn Hoofd,om deftraalen aan beydc dc zyden van den Aardkloottevertoo-
nen * verbeeld als een Oud Man, die twee hoep-ronden in zyne Handen houd, tuflchen welke eene gekronkelde Slang zit, met het hoofd van eene Sperwer. Deeene hoep betekent den Hemel, de andere de Aarde.De Slang is de bezielings-geeft van die beyde, en 't hoofd van de Sperwer is 'er by, om dat dezelve fteyl in de hoogte kan opvliegen. Deze Ur was rood van Hoofd, blaauw van Lyf, met eene huyd gedekt van verfcheyde vlekken. Daar by hidden die van ApolUnopolis een Beeld &• Up all a , blinkend wit, om te toonen, dat het Beeld, 't geen nog
Man nog Vrouw was, van zig zelven geen glans nog licht had, maar van de Zon ontleende, waarom zy 't hoofd en den hals van eene Sperwer op dit Lyf zetten; wyl de Sperwer aan de Zon toegeheyligt was. Daar tegen vier- den zy wederom de zelve Maan op de naam van
FJ
• Isis, met Oflenhoornenop't Hoofd gedekt, het ganfche Lichaam donker bruyn geverwt, om de Nacht, waar in zy te zien is, tevertonen. De Egyptenaars mogten aan deze nooyt Koeyen, maar alleen OfIen ofFe- ren, of Kalveren, om dat zy voor lb genomen wierd, die van Jupiter in eene Koe was verandert. G. Beladad, by den Sabeen was in diepe Spelonken aangebeden,zo-
danig, datmen boven aan zag een Driehoek-fchynilel op eene Wereldkloot, welke op eene Sterre van zeven punren gezet was, betekenende de Opper- fte Godheyd of Schepper, de gefchape Natuur en de Schikking , die ge- durig alles in order houd, der zeven Planeet-Goden. Maar de warre Go- denraad, gefproten uyt den Hemelloop, en naderhand benaamt van Vor- ften, die geregeert hadden, en hunne navolgers of aanhang, was in den Zonneriem, en in de huyzen, die zy aan de rlaneten gaf, te vinden. Zy hadden den Zonneriem of H. Zodiac gemaakt in twaalf deelen, en aan dezelve namenengeftal-
tens uytgedeelt, om de verflanden gemakkelyker te leeren, eenigzins aan die hoeken eygen, welke zulke uytwerkingen deden voelen aan den Men- fchen, wanneer de Zon door die tekening ging, gelyk Aquarius den Wa- terman, en 'Pifces de VifTchen, om dat die hunne Regenmaandenmaakten, en andere, om de hitte, die hen verzengde, met de naam van Kreeft -3 Dag en Nacht even lang met de Weegfchaal. |
||||||||
>
|
||||||||
1- Saturnus was liefft gehuysvefl: in den Steenbok, of Waterman.
K. Jupiter, aanelke zyde van die, in den Schutter, en Viflcher.
• Mars, in deRam, en Schorpioen.
- *" M. Ve-
|
||||||||
- - -" "" "
|
|||||||||
Van de Afgodery Smeding. XXII. Hoofdstuk. 199
M. Venus, in die van de Stier en de Weegfchaal.
N- Apollo , in de Leeuw. • Luna , in de Kreeft. i« Mercurius, in Virgo ofGemini.
Hier mede ftemden overeen de Cabbaliften, zynde zodanige Godgeleer-
den, die uyt Letteren, Getallen, zamenvoegingen der Sterren, en andere geheyme Heyligdommen zochten, veele Wonderen droomden, Bergen be- bofden te verzetten, maar fyn en heylig beuzelden. Deze maken zevea zulkeEngelenj Qj_by Saturnus Chapziel, met eene Kloot vol Watergaten, die door
zyne koelheyds kracht alles doet zyn, en tot wafdom lopen j aan welke men zyne Gebeden moet uytftorten op den zevenden dag. R. By Venus, Nanael, die een Hoorn van Overvloed uytftort over
alles, aan te roepen den zefden dag. S. By Jupiter, Zadchiel. Deze houd een Oppermachts Zwaard en
Schaal van Gerechtigheyd in zyne Handen> word aangeroepen den vyfden dag, welk tal en punt in 't midden van vier anderen makende, aan de Ge- rechtigheyd eygen fchynt. 1 • By Mercurius, Michael j de gewapende Kracht des Hemels, die,
als Mercurius, de Zielen ter Hellen en daar uytvoert, aan wien men bid- den moet den vierden dag. V. By Mars, Zamaelj die met een Snoeymes affnyt, wat de God-
heyd vernietigen wil, en de vlefTchen van zyne toorn uytgiet} aan te roepen op den derden dag, w. By Luna, Gabriel-7 voorzien met een vlammend Zwaard in de
Linker , maar een Palmtak in de Rechterhand j den tweeden dag aan te bidden. By Apollo Raphael, die met eene buflel drooge Takskens in de
eene Hand, en eene Lelytak in de andere, allerley geneezing aanbrengt. Deze moeften zy den eerften dag aanroepen, de Heydenen henlieden hier voorgaande, of zy 't Heydendom na-apende. x • Eene andere Hemelwagen is by den Arameanen, diepgeleerde Na-
tuurkenners, gevormt, en by den ouden Tofcanen ook geacht, en op oude Steenen aldaar gevonden, by die van Ezechiel naaft komende. Aande Rechterhand Gods Michael,van wien alle de Goedertierenheden afVloeyen, ma-
|
|||||||||
_____^_.....—__
|
|||||||||
Zoo De Hieroglyphen of Merkb^elden;
inakende de Hoofdfter boven in rang aan de Wagen. Gabriel voor hem
aan dezelve Reenter zvde,die kracht van hervormen in zig heck. Raphael, die genezing voor alle kwalen draagt. Nuri'el, die den Afgrond doet zyne warme dampen openen * en eyndelyk tot cieraad aan den Diflelboom Uriel, die de warmte van de Zon door alles deed heenftralen, en 't Vuur boven de Wolken beftiert. Om welke Engelen en Krachten met de Wagen te gelyk wel in haar geheugen te onthouden, hebben zy eene zamengeftelde naam fevonden: URGAMAN, de U. van Uriel, R. Raphael, G. Gabriel,
1 Michael, en N. Nuri'el-, verdelende voorts den loop dezer Sterrennaar alle zyden > zoo dat die Wagen uyt en in malkander gezet word, telkens als 'er groote bewegingen in de Werelddoor die Krachten uytgevoertzullen worden. Nu kan men van ieder dezer Engelen, of Planeten zig bedienen j of van
meerder te gelyk > naar *t vereyfeh der zaken of Gefchiedeniflen, in welke |
|||||||||||||||||||
.
|
|||||||||||||||||||
zy tot eenige uytvoering alleen, of meerder vereyfcht worden.
|
|||||||||||||||||||
.
|
|||||||||||||||||||
DRIE
|
|||||||||||||||||||
•
|
|||||||||||||||||||
Van de Voortgang dek Afgodem. XXIII. Hoofdst. 201
|
|||||
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Voortgang der Afgoden.
TErwyl de Waare Godsdienft aldus van haar begin aF met verfcheyde
zware verdrukkingen worftelde , ftak de Valfche Godsdienft aan alle zyden der Wereld, ja in *t midden van Gods Volk het hoofd op. Enoch predikte, en hield byna niemand als zyn Huysgezin aan de ware kennis en Dienft Gods. De dienft was in Ave I met Slachtoffer van Beeften, in Cain met Vruchten, Koeken, en Veldvruchten begonnen, en aanftonts al ver- vreemd van de zuyvere aanbidding van God, in de befpiegeling van zyne Oneyndige Goedheden, of liever orterde Abel in de hope van haaft teont- fangen den Troofter en Heyland,die uyt het Zaad der Vrouwe belooftwas, om dat de Aarde onhandelbaar zwaren arbeyd eyfchte, en hare Vrouwen nog een zwaarder in 't baren doorftonden. De Godlozen dan talryker als de Vromen wordende, verviel men ganfch tot driederley manier van Afgo- dery •, of God niet te erkennen, of anderen voor God aan te bidden, of God op eene verkeerde wyze te dienen. Dus heeftmen hier vertoont den eer- ften Afgodendienft, verbeeld door eenen A* Ongeschoren Paap, die de Wyn aan den Arm houd in zyne
Fles, om zyne geconfyte Koeken onder 't plengen van dien te offeren aan Lileth Jahouk) by den Sabe'en de verdichte voorvrouw van Adam, die door zeer vele namen vervalfcht, naderhand voor Venus zelve is genomen. By den Chaldeen Melitha, Nachtvrouw, of Bytebaauw is zy geacht geweeft, en word nu nog aan haar in de Kraamkamer der Jodinnen wat geofFert of belooft, op 't vermeerderen hunner Geflachten gezetj en achtende deze de Vrouwen te beletten, heeft de vrees zulken Spook gedroomt 5 mogelyk uyt het ontftelde Vrouwenbreyn, dat zwanger zynde Gedrochten in Dromen zag. Hy houd in zyne Hand eene Wichelftaf, om wat goeds te beloven, met onbekende preveling aan Kains Nazaten, die aan des Vaders vreze nog deel hadden. Beelden had de Konft nog niet, maar by verbeelding in 't hoofd, zoo dat zy deHemelstekenenhoog achtende, •D* Zeven St eenen voor de zeven verhuyzende Sterren eerden, en
Mercurius onder den naam van Her, als een groot en machtig Man, maar boven al Sterrekundig ('t geen de Menfch tot Vorften opvoerde, als Za- molxis by den Geeten, Jojeph door Dromen uyt te leggen by Pharao) met een grooten hoop Steenen op de rey, en als in't verband op een gehoopt. i
Cc C. Ve.
|
|||||
------ ' . 'l!!H! l> '»■*■'!' " "'." ..... .........
|
||||||||
zoi De Hieroglyphem of Merkbeelden.
^« Venus, ook Theus> Ares ofMars', by den Arabiers Nafeva, met
eene vierkante Steen.
D>
. De Zon, met eene Naaldswyze of fpitze Steen, Aligabalus, ver- toontj en ii* De We r eld, met een Rond. Deze zyn naar elks Lands Zeden
gee'ert, in 't eerft Eenvoudig, als de aanbreekende Dageraad, door den r. Indiaan, doordanflenj door den
G. Afrikaan, de opgaande Zon, door fchieten van Pylen, die hy
achter in de kruyntop in 't rond verbonden had, als of hy Zonneftralen om zyn Hoofd deed fchitteren. H. De hoogtens op Bergtoppen en Rotzen wierden tot die Aanroep-
plaatzen verkoren, als den Hemelnaderj enhooge Boomen, byzonderEy- ken, (gelyk ook by den Grieken en Romeynen nog laat gebleven} voor Heylig gehouden. Te mets kwam 'er wat kunft en pracht by. Zoo hadden de Perzianen,
al lang voor Zoroaftres, de Wereld verbeeld als 1- Een Eyrond, gemaakt door Oromajdes ganders Ofiris goed, 7/r
pho kwaad, ook Wilda en Suwaha by Mahomet^) met alle zegeningen ge« vult, dog Arimanes zyn Vyand (beyde over *t bewind der Werela gezet Zynde) brak in dit Eyrond een gat, en zond daar in Slangen, vergiftige dampen, en kwade geeften, het goede alzoo door het kwaae beroerende, en onder een mengende. De Chaldeeuwen maakten iv. Eene Kreeft, met een Menfchenhoofd, en een gefternte op zyn
Hoofd, hem beheerfchende, en houdende tuflchen de Schaaren eene trek van ronden in een, den voortgang der Jaren verbeeldende. 1~j- Of een Rond met twee Vlerken in gedurige beweging, eneenekron-
kelende Slang daar door heen, als de Geley-of Bewaar-Geefh Zy vervielen van tyd tot tyd al verder -, want zy ftelden Vierdagen en
Dertelheden in, ter eere van dit of dat Hemelsteken, of daar in opgevoer- den en veranderden Vbrft, of Koning, tot de groffte fchandelykheden toe j gelyk in Babel de M. Vrouwen en Maagden, met het Hoofd gedekt, aan de weg zaten,
ruykende Zemelkoeken in de Hand hebbende, en onder aan 't Lyf verbon- den met een Netje van Bies gevlochten, als een Schermband, op Tityraof Heratees OfFertyd, by andere Melecheth, of, Koningin des Hemels, ge- naamtj niet als tot Hoerejacht. Deze wierden alzoo door de voorbygaande Vreem-
|
||||||||
. .
|
||||||||
IUPPP!----------------------- .....
|
|||||
Van de Voortgang der Afgoden. XXIII. Hoofdst. 20$
Vreemdelingen aangeranft, en willens gefchonden, juychendeoverdefchen-
ttis, als over eene roemwaardige daad, tegen zulke, die nevens haar zaten. N • Ja zy kwamen tot grouwelyke wreedheyd. Om de kwade of ver-
grimde Goden ter neer te zetten, neep of wrong men een jong Kind den Hals af, leggende onder 't afgenepen Hoofd een rolletje met Krabbelingen, door welke de God bevredigt wierd, die vcrtoornt was.Zodanig een Hoofd wierd dan gebalzemt op eene Steen gezet, en in zware voorvallen alzoo raad gevraagt. Zulk raad geven gaf winft den Gierigaarts, en aanzienden Machtigen •, veroorzakende eene toeleg in die zig tot Priefters van deze of geene Godheyd opwierpen. Om de manieren grilliger en ruymer van omflag te maken, zoo vorm-
den de Fehici'ers Leem, en daar op Slangen, Schorpioenen, en ander kwaadflag van Dieren of Vogels, daar door andere van diergelyke kwade beeten als verloflende. Of zy veynfden Krokodillen, Koper-Kapel-Slan- gen, of andere te bezweren , welke guychelary door onze Landsluyden op Java en 'Pegu genoeg ontdekt is. Anderen by de Seres, Kolchersi en Karamani'ers maakten Guide Bolletjens met krabbelfchrift ingegriffyt, dieze in eene OiTenleer omflingerden, en dan met Goddelyke eerbied nazageii en telden, om 'er uytkomften van zaken uyt te voorzeggen. •T. By den Meden, Perzen en andere namen de Vorften Pylen of deden
dezelve ae Priefters nemen. Op deze wierden namen gefchreven. Gefcho- ten zynde, zagenze, welke flits en van wat naam de naafte getrofFen, of verfte gevlogen had; waar van 't overblyfzel in Jonathan en Elifa eenig- zins blykt. Voortgaande kwamenze tot Natuurkundige verbeeldingen, en zoo vindmen de befte der gemanierde Volkeren, onder den Egyptenaars vi^CNEPH j de Schepper van 't Heel-Al, met alles wat tot het weezen
der zaken toebrengt by hemj als een Oud Man, gekroont met Hoornen, eene Bol in de eene, een achtfnaarig Speeltuyg in & andere Hand houden- de, als zoo veele Hemelfchikkingen en draayen om die Kloot. Voor hem ftaan de vier Element en of HoofdftofFen. De eerfte een Vat van hard Yzer, volvlammen, 't Hoofd van Ur> of Vulkaan genaamt-, het andere van Zil- ver, en vol Sterren en waaflem als Lucht, den Lach van Bel of Jupiter ge- zegt-, de derde van koud Loot, en vol logge Aardfneeuw en Ys, deDood van Melech of Saturnus voor naam dragende •, de vierde van Glas blinken- de, ftortendedoor zyne Watergaten allerley Zaaden op de Aarde, met de bynaam van het Popjen van T>arcet dijuno. R. Daar tegen IJis, van ouds by den Arabiers Bragba, en elders Caba-
ra, met de Hoornen der Mane op't Hoofd-, fluytende met hare Handen den ryken Boezem, waar in zy alle Schepzelen van Lucht, Aarde en Zee Cc 2 houd ,
|
|||||
^
|
|||||||||||
»«W»^^PIB
|
|||||||||||
104 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
houd, als in een onderdeel van elkanderen> terwyl zy ftond op ecne Rotz-
hoek, waar op men zag eene ronde Bol in twee Bollen of Kringen geflo- ten, de Wereld, en de Wateren boven de vafte Sterren opgefloten in de eene Kring, en in de andere Kring de Sleutel der Planeten, die door haren invloed het binnenfte beftieren} en daar buyten om oneyndige ftippen, die met ondeelbare kleyne tuflchen in gewerkt, de gereede ftoffelykheyd tot za- menloop van zaken in de Wereld invoeren. |
|||||||||||
VIER
|
|||||||||||
.^——-«__..__._______-_____
|
|||||||||||
„.._,_^___________
|
|||||||||||
Van de Fen. en Grieksche Goden. XXIV. Hoofdst. 205
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Fenicifche en Griekfche Goden.
DE Grieken door den Egyptenaars overmeeftert, handel dryvende met
den Feniciers, en oorlogende onder, met of tegen den Perzen,haal- derzelver Godheden, Beefden en Dienften met een over, maar zy ver- ftonden niet genoeg het fyne der Merkbeelden m de kleyne cieradenen cSel der Egfptifche Goden zittende, of zy haddenmeervermaakmfchoo- ne Menfchenbeelden te zien, dan Oflen Bokken, Slangen en Wanfchep- zels zoo als de noodzakelykheyt de gehele Natuur-en Hemelkunde uyt te drukken, den Egyptenaars had gedwongen te verkiezen. De namen voorby gSapt zynde, lopen zy evenwel, voor het meefte gedeelte op een uyt, en & is gelooffelyk ,datze die alleen door vleyery aan hunnen Komngen eerft ecgeven hebben by gelykenis, maar dat de nazaten de vergeleken Godhe- len uvt Hovaardy In Staatkunde, voor zig zelven of hunnen Voorzaten hebben doen vaft ftellen, en de Merken van hunne Godheden aan hunne eveen bedden in de Handen, op de Hoofden, of aan de Voeten gegeven., 5Cfi derzelve waren de hoogftgeachte, Jupiter, Saturnus, Apollo Mars, Tallas, Venus, <Diana, Juno, Mnerva,Ceres,Mercurms en Vulcanus. Het Altaar derzelver flak uyt met de ontzachelyke naamen der XII. Goden. Hoewel bv veelen Neptunus, Bacchus, Amphitrite, <ProJerpina,Tluto, Hercules] Cajlor en Tollux even hoog geacht wierden. Het geen in eenige der zelver het aanmerkelykfte voor de Beeldfprakcn is uytgevonden, heb ik hier alstotmynoogwitdienende, aangeraakt; dewyl deenkele Beelden der Goden overvloedig door anderen zyn naargelaten in Steen , Munt, Schildery en Papier. A. Men ziet hier dan Saturnus, debekende Tyd verbeeldende, als de
eerfte Uranus, den Hemel, en Vejla de A arde worden verdicht zyne Ouders te zyn, dewyl zonder die twee gene Tyd kan bedacht worden. AaneeziendevoorleedeTydnooytwederkeert, is deze aan t Achterhoofd kaal Dewvl *er voor de Tyd niets kan worden bedacht gefchied te zyn, heeft deze Oude gene Ooren, om dat hem gene GefchiedenifTen konnen vertelt worden. In de eene Hand met een afgefleeten Laken bedekt, houd hv zvne eyge Vruchten, om die heymelyk te verflinden, gelyk de Tyd, zomderdatmen'tmerkt, alles flyt en wechneemt Zyne Rechterhand voert de Zevflen,"met welke hy verdicht word zyns Vaders Mannelykheyd afge- maavt te hebben, van welks geftrooyde Zaad eenige Venus uyt de Zee vooit doen komen. De ronde Bol is het bewys van zyne Oppermacht over de Cc 3 We-
|
||||
106 DC HlEROGLYPHEtf OF MERKBEELDEN.
Wereld, door verloop der Eeuwen glad geileeten, verbeeld door eene Slang,
die zyn Staart in den Bek heeft, maar die XII. Zodiacs-teekenen op zyne Schubben draagt, heeft hy op zyne Knie leggen; zitrende op debearbeyde grond, welke ny den Italianen eerfl: heeft aangewezen, en om welke Land- bouwkonft hy ook by den Grieken vergood is. Daar nevens hem zietmen leggen Eykelen, Wortelen, Raapen en andere Vruchten, met de welke zyne Goude Eeuw, onnozel en deegelyk Zig vernoegde. DevierHoofd- ftofTen zyn de vier Vleugelen, de roode voor 't Vuur, de witte voor de Lneht. Deze zyn vliegende. De blaauwe en zwarte zyn aan zyn Lyf als geftreeken, vertoonende het Water en de Aarde. Een Zeeman, op eene Kinkhoren blazende, zietmen tuflchen zyne Beenen een Schip houden,met welk hy uyt Creta vluchttenaar Latium, zynde naar zyn verfchuylen dos genaamt. Gelykerwyze Saturnus in de aloude Hebreeuwfche tale ook van fchuylen, of verborgen zyn, genaamt is. Waar van onder anderen de weer- galooze Samuel Bochart kan nagezien worden. De Dichters vercieren, dat hy door zyne Kinderen van de Schikgodinnen gewaarfchuwt, uyt zyn Ryk te zullen geftoten worden, al zyn Manlyk-Oyr opvratj maar Jupiter door Ops of Rhea verftooken zynde, volbracht het Noodlot, en wierp zynen Vader uyt het Ryk. Waarom de Dichters zyn Ryk Griekenland, meer naar *t Ooften en hooger leggende, voor den Hemel, enlta/ie lager en naar 't Weften, voor de Aarde genomen hebben. Dewyl de Dwaalfter, naar hem genaamt, van eene dertigjarige beweeggrond is, heeft Tlato deze Sa- turnus genomen voor het zuyver verftand, het welk alleen in 't befpiegelen der Goddelyke zaken bezig is 5 en dit gafden grond tot het verdichtzel der Goude Eeuw, om dat zulke Menfchen alle Aardfche pracht, ftaat en lek- kerny verachten, op dat zy zig zelven tot dezefchoone overdcnking meer bekwaam zouden maken. De Triton, by hem blazende,is Jt Merkbeeld der Gefchiedeniflen, die over Landen en Zeen het verrkhtc doen klinkenj en wyl die niet als door en met de Tyd konnen beginnen, is de Triton zoo by Saturnus gevoegt. i3» De Groote Moeder, by oneyndige namen bekent, Ops, Rhea, Vefta,
Cybele enz. beteekenende de Aarde, is met eene Burgkroon van vericheyde Toorens geciert; om dat de Steeden en Slooten alle op de hoogtens pleegen gefticht te worden, en alzoo de Bergen voor 't hoofd der Aarde nemende, wierd de Toorenkroon haar Hoofdpraal.Haar deftig Aangezicht is bejaard, om den ouderdom der Aarde te verbeelden, van welk men eene witteSluyer ziet afhangen, de Sneeuwtoppen der hooge Bergen nabootzende. Zy dekt hare zware Boezem en Rug met eene ryke Mantel, waar op allerley Bloe- men, Kruyden en Planten zyn geborduurt> zoo als de Aarde haar eyge Ta- pyt opleevert. Om haar MiddeT heeft zy eene Gordel van Juweelen, wel- ke uyt de diepe Mynen der Aarde gehaalt worden. Tuflchen hare Beenen heeft
|
||||
Van de Fen, en Grieksche Gopen. XXIV, Hoofi>st. xay
heeft zy eene Vuurpot, door welke zy aanzet de vruchtbare dampen,
die naar boven ftygen. Zy zit & eene Schelpkar, van alle kanten door verr fcheyden Zeen omcingelt zynde, en gelyk gedragen. Met hare eene Hand zwaayt zy eene Ryxftaf, van boven met Yzer, voorts met Staal, Koper, ZUvcren Goud^ waar van de onderite Bol isomleyd * welke Ertzen alleuyt de ingewanden der Aarde worden gehaalt, door welke de Rykdommen en Macbten aangroeyen , zoo van Schatten, als van Wapenen. In de andere houd zy eene Sleutel, om des Winters aues toe-, en in de Lente alles op te fluyten. Hare Wagen, die vier Raderen heeft van de Vier Getyden, word getrokken van twee fiere Leeuwen,om het zuyver Vuur te vertoonen, dat de Lucht dwingt de Aarde rondom op te houqen, die van de kracht, die zy heeft, om uyt zig zelyen te beftaan, Veftt is, gelyk Cybeleby an- deren liever Qybebe genaamt, vanCafrvs, of vierkante Steen, om dezelve reeden dikmaals genaamt word. Als zulk een zwarte Steen is zy in Thrygia geeert, en alzoo in de Almo , een dun Armtjevan dcTyber, teScheep opgehaalt, en in Romen aangebeeden. vj« Jupiter, door 't Heydendom voor't waare Weezen, en de Op-
pervoogd der Goden aangebeeden, is van zyne helpende Vaderlykheyd zoo genaamt by den Romeynen, als van zyn weldoen by den Grieken. De E- gyptenaars gaven hem eene Pluym op 't Hoofd, Merkbeeld der Ondoor- grondelykheyd van \ Oneyndig Weezen. De Grieken kroonen zyn Hoofd, of met eene Punt-of Straalkroon, of met eene Koninglyke Hoofdband om 't Hoofd gebonden, als een Merkbeeld van zyne Heerlchappy over 't Heel- Al. Eene ronde Bol van Cirkelen of Hoepen is onder zyne Vbeten,om te vertoonen, dat hy dat Heel-Al heeft gefchapen met eene kracht van in zig zelve te konnen dnuren en voortgaan •■, met drie Oogen by den Argiven ver- beeld, om met het eene oog den Hemel, met het andere de Aarde, en met het derde de Hel te doorzien en te beheerfchen. De Candiotten of Creten- fen maakten hem zonder Ooren, om zyne onbeweeelyke grootheyd van Reeden en Regeering tegen de Aardfche broosheyd te toonen. Eenige Grie- ken gaven hem eene Goude Weegfchaal in de Handen, om de evenmaat der gefchape eygenfchappen te houden in Hemel en Aarde. Om zyne Arm ziet men de Vachthangen van een Steenbok, welk hy fcbud als 't zal Rege- nen, om dat de Zon in Capricornus komende veel Regen geeft-, en om dat men Jupyn door de Geyt Aix gekweekt verdichtte j op welke huyd Jupi- ter ieders Rol en Lot aangeteefent hield, welke daarom T)iphthera is ge- naamt. In zyne Rechterhand houd hy by den Carters eene byl, door Her- cules van Mippolyta, de Amazone, tot buyt gemaakt, en door Gyges aan Jupiter vereert. Alshy zyn Hoofd fchudde, fpreydde hy Ambro/tay welke over de Wereld den levenden invloed der Hemelfche krachtenveroorzaakte. 'Phidias maakte zyn Beeld, hoewel van Elpenbeen, zoo groat, dat de Tern-
|
||||
Zo8 De Hieroglyph en of Merkbeelden?
Tempel het Bceld nict vatten kon, om de onbegrypelyke grootheyd dcr
Godheyd te doen zien. Hy zit op eene Plant, <iie Lotus genaamt is, om te bewyzen, dat goed en kwaad van 't Oneyndig Weezen arhangt. Zoo la- gen in zyne Schoor, de eene van Goud, en de andere van Loot* het een tot het begiftigen in groote Zegeningen ■, en het ander tot het onthouden van welvaren dienende, en daar van het Merkbeeld zynde-, met denBlixem in zyne Linkerhand, om den boofwichten te ftraffen. Eene Lier met negen Snaaren, en blinkende Efmerauden in 't hoofdftuk, om de negen bewegin- gen der Sterren in den Hemel te doen zien. De Arend is zyne Vogel en Blixemdrager, om het uytfteeken der Godheyd, en de verheventheyd van die boven de Menfchen te toonen> wyl die Vogel zyn Neft op de Bergen maakt, het hoogfte en fnelfte kan vliegen, en de andere Voeelen in fterkte verre te boven gaat. Zyne Rok is van Goud Laken, met blaauwe zyde en Zilvere Sterren gevoert. L'. Juno, de Lucht, zyne Zufter en Vrouw zynde, ftaat aan zyne zy-
de , met een preuts Aangezicht, gekroont als Vorftin der Goden. Op de XXIV. tippen van hare Kroon itaan XXIV. Uurendoor de Zonneloop, aan beyde de deelen der Hemelkringen gebooren. Hare blankc Armen, van welke de lof by den Grieken by uytftek was, zyn met Banden en Ringen van allerley blinkende Steenen neerlyk vercierd, om 't flikkeren der Lucht en al het tintelen der Hemelfchaaren te verbeelden. Zy heeft eene Staf in hare Hand, waar op een Koekoek ftaat, een Vogeltje, waar in zig Jupi- ter-, om zyne Liefde tot haar, hervormde. Het Merkbeeld wil zeggen, dat Jupiter het eerfle Vuur vertonende van een frerk gekoleurd Aangezicht on- veranderlyk, op de Lucht Juno, (die wel fchoon, maar zeer veranderlyk van verwen isy) werkende, hare kracht en Zaad in eens anders neftleggen, namentlyk in de Aarde, om uyt tebroeyen, het voorbefchikte cieraad der Wereld, gelyk deze Vogel met zyne Eyeren doet. Haar Hoofdhayr dekt ze met eene blinkende Sluyer, van allerley Gefteente flikkerende, en heeft het met allerley glafgelyke Flonkerloovers bezaayt. Haar onderfte Kleed is zwart, de Nacht verbeeldende, met witte Sterren, byzonder in de Schoot, alwaar men de Melkvveg ziet. Eene Trommel heeftze op hare zyde j om 't gekrak en 't balderen der Donderilagen te verbeelden, en eene Granaatap- pel in de Hand, de Rykdom, de Eenigheyd en de Huwelyken, welke haar onderworpen zyn, beduydende. T>utria, de Bloem Ridderfpoor, haar aan- gewezen door Flora, draagt zy op hare Boezem, om dat zy door die be- vucht wierd, zonder van eenen Man aangeraakt te worden, en Mars den Krygsgod baarde, om zig zelve (wyl JupiterBaccbusuytzyncdye,enTa/- las uyt zyn breyn had, de Vrouwelyke Kunne voorby gaandej, met eene diergelyke dracht zonder Man, te wreeken-, verbeeldende, dat die Kruyd, welk de Herflenen tot oplopentheyd vergiftigt, en de heete invloed van vuu- ri-
|
||||
Van de Fen. en Grieksche Goden. XXIV.Hoofdst. 209
rige Lucht, der Soldaten bitter gemoed aankweekt,en dat de Oorlogen door
zulke verhitte en ontroerde Menfchen gefmeed en gevoert worden. DePaau- wen haar gefpan makende, zyn aan haar zyde, verbeeldende de praal der Hemellichten, in de menigte van Argus Oogen, die in derzelver Staart- veeren flonkeren. Eene Hoorn van fchatten overvloeyende legt aan hare Voeten. Achter op haar Ryxzetel ftaan de drie Bevalligheden -t wyl al het mooy, zonder klare Lucht, min bevallig en aangenaam is. ■tL« Merkuur, de Welfprekenheyd, Gezwindheyd, Handel en Arg-
heyd uytleverende, ftaat mede voor aan in de Eleuiiniiche Spelonk, geko- ren om deze Goden der Grieken te plaatzen. Men ziet hem jong, om dat die Jaren wakkerder, vlugger, en ihapzieker zyn, met boodfchappen ge- dient j zoo wel als Iris, die met zoo veele verwen zig zelve laat zien, dat 'er niet zekers is, gelyk de praatjens en overdracht derklapperyen.Hy voert al lopende in zyne Hand eene Guide Staf voor Rykdom, eene bloeyende' van Olyf voor Vreede, eene verroefte voor Oorlog. Met eene Zilvere wekt hy de Schimmen op. Twee Slangen, de Merkbeelden van Wakkerheyd, Vuur en Verftand, flingeren rondom zyne Staf, der gezanten nodige fnel- heyd vereyfchende, en door eene gelykenis van twee bytende Slangen, door die Staf van Merkuur bevreedigt, vertoonende de kracht der Welfprekent- heyd in de Gezantfchappen, om Vreede te bevorderen. Met deze Staf be- werkt hy ook de overzieling, of Zielverhuyzing. Door deze Staf breekthy den band van 't Lyf met de Ziel. In zyne Recnterhand draagt hy de Beurs, de zenuw der Koophandel. Zyne overend ftaande Guide Veeren in zyne Hayren, en Guide Vlerken toonen zyne overwind, door fchoon fprekenen liegen, waar van hy de baas is, byeen gehaalt-, want die Pluymen en Vee- ren zoo verguld, toonen de rechte Natuur der konftige Vleyery en wufte Beloften. Hy draagt aan zyne zyde de Lier van eene Schildpad, door hem gefnaart, en wylhy Zang-Worftel-Wis-en Schryfkonft heeft opgevoert, gaf men eene yierkante Steen tot zyner eer, de naam van zyne Goddelykheyd. Men ziet die onder hem ftaan, en Steenhopen der Reyzigers aan zyne Voe- ten, dat Wellprekentheyd en Koopmanfchap zig van alle ftoffen bedient. Zyn Hoofd of Staf is 't Merkbeeld van het fpreeken , het welk de gedach- ten der Menfchen uytlegt. Hy heeft om te worftelen 't Lyf naakt en be- fmeert met oly. Zyn kort Manteltjen dient hem om zyne Diefftallen te fluy- ken. De Hoed van Vryheyd heeft hy op 't Hoofd, om dat geene Welfpre- kentheyd zonder Vryheyd iets kan uytrechten. De Haan, om vroeg en laat by der hand te zyn, is zyne eygen Vogel, den dag,en meerderboodfchap- pende. ■T. Achter in zietmen hem met drie, ja vier Hoofden, op eene wegwy-
zenden Steen ftaan, met een Geytjen op de Nek, om dat de Tanagreenin Btcotie meenden door Merkuur , met een Geytjen op de Nek in hare Stad ■Pd ge-
|
||||
HO De Hieroglyphen op Merkbeelden.
gekomen, verloft geweeft te zyn vanecne zware Peft. Op die Merkfteea
ziet men zyne Star, met een oog van een Sperwer daar op, om zyn fcherp zien te verbeelden} met eene Lauwerier aan de eene, en eene Taxis- tak aan de andere zyde, overwinft of neerlaag betekenende^waar onder ee- ne Schildpad en Scborpioen ftaan, nu net ryp beraden, dan het driftig uyt- voeren aantoonende. G. De Slaap fluymert daar voor met haar Hoofd onder een zwart
Kleed. Met Slaapbollen of Maankoppen is hare Slaapmuts bchangen. Zy heeft twee Kinderen, die door de Slaap zoo wel, als door *t zuygen gevoed worden. Haar Kleed is met Sterren van de Nacht gedekr.. Zy heeft eene korte Vlerk voor een Middagflaapje, en eene lange Vleermuyzenvkrk voor de Nachtilaap, aan hare Schouder. Zy draagt. Vleugelen , om dat zy zoo fchielyk den Menfchen overvalt. In hare eene Hand draagt zy eene klaarc Hoorn vol opklimmende dampen voor de goede Droomenj. in de andere een Olifantstand, als een Hoorn, daar niet door te zien is. Uyt beyde fchenkt zy de Ruft , die de Armen beter als de Machtigen ontfangen. Hare Nachtrok is zoo lang, dat zy hare Voeten dekt, die zy niet nodig heeft. Hare Ruftbank is door de Maan geciert, met lncubi en Succubi, onder-of opleggende Nachtmerrien, Geeften van waterachtige dampen,die eenige op de Rug leggende 't gevoelen en 't werktuyg der zenuwen in de Nek wech nemen. Op de Ruftbank ftaat eene Kop met Opium , Mithri* daaty en ander Slaapkruyd Onder dezelvekomen zes Godekens of Ikkert- jesy Morpheus, die een Menfchen-gedaante heeft, Fobetor, die Beeften of Vogels vertoonty'PhantafuSydie Mengelftof doet droomen.De drie anderen zyn Propheten, die. waarfchouwen de gevallen, die gebeuren zullen, de vyfde Iheotius, die van God ingeftort word, enThanatus, die de Vee- gen naar de Dood leyd. Eene Olmboom, die fteeds onvruchtbaar is, over- ichaduwt hare Legerfteede. H. Minerva, de Godin van Wysheyd, Vernuft enSchranderheyd,.
is van God eerft ingeftort, eyfcht een £choon gpftelvan Breyn, en wyl zy gewapent voor den dag kwam uyt J up iters Herflenen, gedurige oerTening.. Haar Hoofd is met eene fchoone Helm gedektrwaar op de Sphinx zittende doet zien, dat zy hare zinnen ftaag infpant, om twyffelachtige en onzeke- re verborgentheden te doorgronden. Zy heeft op haar Kriftalie Schild, de Gar gone) het Hoofd van Medufar om te be wyzen, dat de ftielheydvaneerk wakker Man zyne Vyanden verbaaft, en als tot Steen maakt. Haar Borft- harnas it de zjMriiyOxk. het Borftwapen van Jupiter en Apollo, waar op het Hoofd vauMedu/a rondom met fteekende Slangen)door welkezydraagt eene Borft, die pal ftaat tegen den aanval der Tegenfprekers. Eene Fakkel heeft 2y ja hare Hand, onx die op den Vyand in te werpen>, want zulks was
|
||||
Van m Fen.ek Gribkschb Gootn. XXIV. Hootost. hi
was bet teekcn van aanvallen, eer men de Trornpet ftak of Trom roerde.
7v drik met hare Lans, om te bewyzen, dat moed en verftand denHelden hJeft ™d^nde een WapentuyS, om van naby te treffen en bv dc Grtver^Helden eezet, tot heugteefen van hare dapperheyd. Ook droe- ^nTvorften eTrtfds de Piek, e*n niet den Ryxftaf ofScepter. *T woord Lancie van denouden Spanjaarden oorfpronkelyk, is, naar het getuygenis vln d hova^dig en ftrySbair Volk, d(stafder Koningen On<fer om de- zeWe flin^ert de^SIang, om dat Voorzichtigheyd de hoofddeugd des Krygs U K<Jt HachtuyLVogel van denken en zwygen, waakt aanhareRecb- TCrzvde, en is haar eygerf, wyl zy de Kaauw om zynklappen zwart ge- maakt en verworpen Kelft, volge™ Ovidius tot bewys dat net geheym is de eerAe en laatte deugd in den oorte A\ e deze Goden vermeerderden denaandacht der Eleufmifche Grotten. Een vlek bv Athenen gaf den naam *m de Grot Ceres en Troferpina waren de Godinnen, daar dezelve aaci ShevliKt was. Twee ronde Steenen ingeholt bewaarden de geheymen en S van dien Dienft, die opeenomen zynde, las de eene Priefier de Ver- Waatheden voor de *wee Heraciklooten-, de andere droeg Ceres Hoofd oVlen Dekfteen gehouwen, als eene Mom voor zyn Gezidit, en joeg met Svd eefcfareeuw Iken nieuwsgierigen wech, met een bundeltje Stroo van de Sftlingen des Oqgfts. Vm hier, 'van her Onheyltgel (by den Ro- mcvnen ?<Procul hinc, procul efte, fro/am!) nep hy aan vier hoeken, om te beletten, dat zy zagen, dat 'er niet en was,of,dat flimmer is,twee- derlev TeeUeden. Voorts liepen zy door de Spelonk met ontfteeke Fakke s, flikkerend'Zwavelvuur, wefice de Onderaardfche hitte verbeeldde, die alks dwingt uyt te fpruyten} waarom zy aan de Stromli, JTefimw en Montegi- bello ookdiergelyke Ceres met Vulkanus eerden. De Maagden droegen veele Beelden. De ommegang was aldus: De Opperpricfter, of Hterophan- fe droeg Jupiter} de oudfte Maagd Juno, voorts Titan of de groote Zon, <Diana?Merkuur> deTrompetter Venus en andere. I. Maar de jongfte droegen met Bloemen en Koorn-aayren om 't Hoofd
en Toortzen in deHand, gefloten Korfjensj en die warden met wondene aandacht overgegeven-, en gekomen zynde in de Opperpnefters Handen, ontfloten, en hidden niet als een Mannelyk en Vrouwelyk Teellid,de oor- forone der Menfchelykheydj na welke aandachtelyk gefloten zynde, alle feshevd en ongebondenheyd den dienft vervrolykte. Met zoo diepen indruk van achting hieldmen dit geheym, dat verfcheyden, door inbeelding ver- voert van angft lUden, als zy dachten om 'er iets van openbaar te maken. Al deze kraam dan merkte alleen aflerJey yoorcteeling, K. Dewyi het Vocrit by \ Vuur nodig was, droegen eeaige Maagden
Kruvken met Water, terwyl andere dit Vuur onderhieRlenihet welk uytge-
3 Dd 2 gaan
|
|||||||
__ _ - —
|
|||||||
I
|
|||||
212 DE HlEROGLYPHEN OF MeRKB'EELjDEN.
gaan zynde door de ftaale Spiegels moeft weder aangeftooken worden,die dc
Zonneftraalen op Zwavelflyk ontftak. Om de werking van dat Vuurte doen zien, is de Fabel verdicht, van dat Tluto Troferpina fchaakte, zynde't Zaad van Koorn in de donkere Aarde gefmeeten, en door die hitte uytzet- ce, met verdubbeling van X. uyt I.. m-j> Deze Traferpina ftond met eene Slang, waar in zig Jupiter veran-
dert had, aan de Mond en onder aan haar Lyf, wanneer hy haar, zoo wel als te vooren Ceres, befliepj en deZoon, die'er van kwam, legtalseen Metale Stier achter haar. Zy houd eene Gans in de eene Hand, en eene Bondel of Koornfchoof in den Arm. M. Ceres ftond daar met een Paardshoofd, houdende eene Duyf op
de eene, eene Dolfyn in de andere Handj Slangen en wilde Beeften aan hare Voeten. N. Triptolemus, die hare Wagen voerde, om door deWereldha-
re Dochter te zoeken. Een Ploegyzer volgt zyne Wagen, die van Slangen getrokken word. De Schop oFGraaf, om de Aarde te roeren, heefthy op zyn Nek. Achter hem ftond een kleyne Satumus met een Bbterbloem in de Hand, als de Latynfche Sterculio, die voor eenen Satumus, die *C Meften der Landen geleert heeft} o. Eene Koopere Koe ftond tufTchen Troferpina en Triptolemus, de
Vruchtbaarheyd vertoonende,, die tuflchen *t bearbeyden, bemeften en be- zaayen uytfpruyt. a • Venus Basilissa, met eene Kroon op *t Hooofd,en eene Staf,
waar op de Navel ftond, door welke alles word gevoed en aangekweekt. Zy heeft eene Slang, die by de' Egyptenaars voor bereyder der Vruchtbaarheyd wierd gerekent, om dat zy overal inkruypt, aan hare Voeten. Op hare Hand houd zy eenen Genius, den ingeboren aard van Menfchen* en als haar Leyd-of Straf-Engel, die om dat de Heydenen droomden vandemacht der Sterren op den Menfchen, eene Sterre op zyn Hoofd draagt,jong zyn- de, om dat die ingeboren aard al van der jeugd aan blykt. Alle deze Go- den waren zoo gefchikt, dat zy op 't voortteelen van al wat leeft, maar by- zonder van Graanen en Menfchen, betrekkelyk waren. ulkaan, flhrdig gedekt, met Nyptang en Hamer in deHanden,
*t Vuur zoo wel als Vefta verbeeldende, maar *t Yverkvuur meeft,zit by de- ze Venus ^ die zyn Wyf wierd verdicht te zynjontfing eerft de gereedfchap- pct\ der Boeren, die daar kwanswyze,waren zy goed en glad,genoeg wier- den
|
|||||
Van de Fen. en Grieksche Goden. XXIV. Hoofdst. 2ij
den gezeegent. Daar voor kwamen de Eerftelingen van alle Landvruchten
in voor de Papen. De tienden van hunlieder inkomften volgden na de Pla- tonifche Rekening •> en heeft de voet tot diergelyke onder de Chriftenenge- geven. Dat Ceres van Neptuun in eene Hengft, zy in eene Merry her- fchept zynde, hier ftond, verbeeld dat de Landenvan Water ondergelo- pen, en dan bearbeyd met Ploegen het ingefmeeten Koorn met voordeel ontfangt en weer uytlevert. De Priefters hidden kwanswyze wondere ge- heymen in alien dezen Dienft. Zy dienden Ceres als eene Razerny, om de verkrachting, dieze geleeden had. Deze dreygde Bruydegoms en Bruyds, nieuwe Akkers, nieuwe ingeftooke Beeften en alles, om van alles to trek- ken, waar van wel nader zal blyken, by de Beeldfpraken van Liefde,. Hu- welyken* en zoo voort. |
|||||||
Dd ; TYF
|
|||||||
- ..-----------
|
|||
Van i>e Grieksche Goden.XXV.Hoofdstuk 215
|
|||||
VYF EN TWINTIGSTE HOOFDS^TUK.
Van de Griekfche Goden. .. "TV15 Di a na van Ephezen , dewelke de Egyptenaars nietgehad
A. | M hebben, draagt iets, ten eenemaal war vreemds, buyten de andere Griekfche Godheden. Egypte verachtte de manieren van uyterlyke Geleerdheyd. Hare HierophantenTbefchaduwden de eygenfchappen der za- ken met Merken, en brachten de verbeeldingen der zaken tot Goden. Van zulke Merkbeelden was deze 'Diana opgepropt. Behalven de Muntuag van veele Penningen is zy nog te Romen en elders te zien. Een vreemd maak- zel, maar riekende naar de Pythagorifchemening, datzy de Maan gelyk deze Wereld beplant en bewoont achteden. Hare namen zyn veele geweeftr gelyk van meer Goden en Godinnen, het welk veele verwarring aan ons in *t lezen geeft. Die van den oproerigen 'Demetrius is dezelve, waarvanhier de Merkbeelden volgen. Zy draagt eene dubbelde Muurkroon als de ThrygifcheCjbete ydeVruch-
ten en Often van de Eleufinifche Ceres v de Herten en Rozen. van de Sici- liaanfche Diana, willende eene algemeene Godheyd van de Natuuropleve- ren. Van zwarte Steen zyn 't Hoofd, Handen en Voeten gemaakt Onder die Muurkroon geeie Kamillebloemen en Rozen,en de Narciftebloemmaak- ten hare Krans. Zy heeft eene Dekiluyer van de Nacht, van 1 Hoofd af naar de Middcl uytgefpreyd.De vier Hertskoppen daar in zyn de vierveran- deringen van de Maan, die in x8. dagen fheL hare loop afdoet,en viermaai verandert, Nieuwe en Voile Maan, en tweemaal Kwartiermaans. De Leeu- wen omringen haar,om te toonen,dat 'er geene zoafcherpe of akelige aard is, die Ceres niet kan overwinnen en vruchtbaar maken door de Zon en Maan. De Kreeft aapt de Mansvorm na, dragende de Hoornen alsJ/is. En wyl de Egyptenaars Cancer de Poort des Levens noernden voor den Menfchen, is zy met twee Overwinnings-beeldekens op den Boezem gelegc met Palmen, volgensder Babyloniers meening, de Boom des Levens. Ha- re Kraag is van Appelen en Maankoppen, de Nacht en Vocht verbeeldeiw de, in een gebonden, met Akers daar aan, de Koft der Goude Eeuw, ea eerfte Tyd vertonende. Zy heeft zoo veele Borften, datzy daar van den naam van de Veelmammige, (by de Latynen Multimammia,) heeft gedra- gen, om dat alle vruchtbaarheyd van haar komt, ende Aarde de gemeene: Moeder en Voedfter is van alles. De Sphinx en fluyten hare zyde van Vrou- wen-hoofden en Leeuwenrlichamen , om dat in Leo en Virgo de Nyl over- vtoeyende Egypte vruchtbaar maakte. De vuurige krachten der Zon worder* door de Draken vertoont % die ook Caret Wagen voorttrekkeiv De Jacht em
|
|||||
li6 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
en 't welvaren der Boflchen word door de Herten gezien, die men eerft
moet om verre kappen, vooral eer men vruchtbaar Land maakc, als de Of- fen verbeelden, om de Landbouw zoo hoog geacht,dat men als Doodftager ftrafte, die eenen Os doodde. Tot dezelve vruchtbare overvloed zietmen de Beyen, en om des Natuurs onvermoeyde werkelykheyd, met Banden gebonden, op de manier der begravenen* om dat dezelve Natuur wederom alles ontfangt, dat zy uytgegeven heeft. In hare Handen heeft zy de Graaf- gereedfchappen, en Herten, als boven. De Voeten zyn bloot, tot een tee- ken van de Natuurs blootheyd, zoo zy niet en word bewerkt. D. Sirena , by den Ithacoyfen voor de Hemelbeweging. Eenfpringend
Vrouwebeeld, met Vleugels aan de Voeten, om de fnelle bewegingj eene dubbele hoepel om 't Hoofd, en in hare Handen,de eene van de Xil.Zon- newegs teekenen, de andere van de Zeven Planeten. Haar Hoofdhayr is rood, overeynd, en als vlammen Vuurs. Hare Sluyer is van allerley verwi- ge zyde, de Lucht en Wind nabootzende. De Bol onder aan hare Voe- ten is vol gaten, daar Water uytbarft voor den Regen,met eene Egyptifche Ratel daar op, tot navolging van \ gekraak des Donders. Zy ftaat op ee- ne Wolkpilaar of gedraayde, waar op zy de Eclipfenen Cometen aante- kcnde. v. Atys, of de Godheyd der Bloemen, die door afzetting, en niet
Zaaden in de Wereld kwamen, was een fchoone Jongeling,die zig met de Dochter van Sagaris de Rivier vermengde tegen zyne beloofde Kuysheyd. Hier om verjaagt, meed hy zyn Teellid af, en wierd verandert in een Pyn- of Denneboom, 't Merkbeeld der woefte Landen. Atys wierd op andere plaatzen voor een zwarte Steen aangebeden. Hy heeft zyn afgelheden ge- reedfchap in de hand. D Agdiste was een Wanfchepzel, dat uyt Jupiters geftrooyde Zaad
voortkwam, zoo als hy meende eene fchoone te knappen. 'T was zoo wel Man als Vrouwj het had lang Hoofdhayr, Borften en Baard, Vrouwen Mans geftalte, voor die Bomen, die Zaad dragen, en niet dragen, te ge- lyk. De Knods van Herkules en 't Spinrokken had het in de eene en de andere Hand, als mede eene Duyve en Arendsvleugel. Zodanig Man-Wyf was ook Hermathene en Lotta, Mercurius Dochters, tot Worftelen en andere oeffeningen aangebeden. *!• De Eclipjis of Maan-en Zonne-taning wierd met veel gehuyl geviert.
Door een Muyl en Os in een Hoi, waar van de Os als Hammon, deZon, en de Muyl de Maan vertoonde. Zy zetten anders eene Luifus-Aecn, met Pylen van 'Diana en Apollo befchooten, voor Zon-cn Maan-bezwymingen, mee-
|
||||
Vah de Grieksche Godek.XXV.Hoofdstuk. 117
j j- P.fl- <-n oneeleeentheden daar uyt waren te wachten, byzon-
meenende ^^S^SfrlW de Priefters gezet was, dacde Maantuf- F. De Nvmphe Aim uyt Arcadie wierd aangebeden in Arcadiidsdt
xr ja y™Zl?rdie hct Vel van o*£/V», de Geyt, die Juptter Voedfter van 7^^.™^ „ yWeen Kind zynde, daar m, met opkweekte op haar Arm> »•««> e" ^ hare J en Bloemkorf in eeneSparreboom op t Hoofd eene K ^y ^ haar School Deze^M* gen gemaakt, aldus: De wddeSpar-
ruw Land gelukkigeL^Xhen die '£ in Set eerft bedekten; de golvende
reboom deed zien de B°«chen are t^n _» . Boomen; Hayren bet ^Xmefvan^d N™phe den Zegen vafdei^Hemel; dc
£*/;«t jong• in_de Armen van.ae£7»P^ d ^ door hare Hoornen Geyt c^p*-den W f^^^^Landbouw, de Fakkelon-
de Bloemen V™to^J*^ Grond de Klok defterke bewegm- feS^tofcZ^Weo. aismededeDonderftagen, drezyon-
derhevig waren. G. pre van.Ach*^^
^SSS£ - dePS CV« ^ing -h^opdoen^derNtaj
Te^f h^^^eSfh^^^an alles, gelyk le Vrucht
Teellidi net eerite DeccKcnci fcheopen zonder Armen of Han- 17 ffl £&£*S^ericf zvn WU aUeen alles doet
JfchieSn Vo«s on/de onveranderlyke vaftheya te toonen, was de reft cene vierkante Steen.
H. Tn PeloDonnenis.tuflchen Starte en thebe, was een Beeldvany«-
^HtltTZrbfdc Verbonden der Gemeene Beften van die Land- ^.Jwhe7woren™rden, zoo genaamt van zamenvloey.ng van Wyngaard- ^nkenhout ZvnHoo dwas met Olyven geciert, met een Granaatappel, •r MerkSd der in een geflote Machten, om den Hals, zonder Armen, nm «ene onder^mingen te maken; met twee in een genagen Handen on- derfal" en daafbove^ om zoo veele ronde Hoepen met deXll.Tekenen, als zy Jaren lang verbonden. . I. De Meearenzen eerdeneene ronde Steen.puntigeyndigende,voor de
Zon (Van £ Feniciers ontleent) en hadden dezelve op een vlak Veld oi ~ Weyde gezet, daar de Armen geftadig door den Rykenonderhou- Hi v
|
||||
———,.......,. . ■• »■»'!> ■ iii,LjM«(^i9mMiPP^J!!ii;l!W!:j|Wi^ipwi^jiHi«WMNii.miw.
|
|||||||||
zi8 Dn HriRo,GLY;pH£>r gb Merkbteel&ei^
den wierden, daar metbeddctc Hoofiien,jen onbekende1 AangeziehtentMit-
fangende hare gaven, (gelyk by de Ethiopiers) waarom zy die de Tafelvan de Zon noemden, en lieten 't voor een Merkbeeld der Tafelen van eerlyke Ryken, die den Armcn onderhouden. !*• By den Epidauren waren twee Molenfteenen,. door Ceres Hoofd:
gedekt, voor 'talgemeen welvaren aangebeden, als Beelden van <Da mi a en Aupefiar hunlieder Bewaargoden, om den uytvoer vaahunlieder Korente tonen. L*» Grane, de Beminde van J amis ? Zufter en Vrouw v3XiSaturm$\
fdie *er al veele moet gehad hebben,_) wierd by den Argiven geeert, en in Argos aangebeden, op de wyze der Egyptenaren, om fan invloed en oor*~ fprong der zaken van 't Heel-Al te doen aanmerken.. Zy was alle Jarenweer even jong, en daarom wierd het hout van haar Beeid, Cederen zynde,. jaarlyKfch met nieuwe glinfterende verwen overfchildert. Hare Lokken wa-» ren goudgeel. Zy had opene groene Dadelbladen om den Hals, en ver- welkte Beukenbladen op de Borft hangen^ De Amandelbloeflem, deeerder vroege Lente, is tuflchen bey den, en de Moerbezien van den HerflVhangen op hare Rug. Zy droeg zorge voor de jonge Kinderen.y waarom zy Sleu- tels aan hare hand draagt , en ieders Levenstyd openende, en in de hand eene witte Doornetak, met welke zy de Spoken van de Wiegen derffcinde* ren afweert. Men ontfing van hare Priefterellen Lilium Convallium ,Lelierr der Dalen , om aan der Kinderen hoofden te binden tegen de PeiHruypen; en Schrikkingen. Zy maakten het Beeid van M. Janus in hare Armen, en die met vier Hoofdeny een, teer jong,,
met Bloemen, voor de Lente^ een, wat ouder, met Koornaayren, voor de Zomerj een, met Druyven ,bejaard, voor den Herfft; delaatfte oud> met eene Beerenmuts, die des Winters meeft flaapt. Deze vier ftaan op eene Steen van gelykc vierhoeken, de gelyke verdeehngen des Jaars volgende. N. Hebe, de Bloem der jeugd by die van Tenedos, wierd geeert in de
geftalte van een zeer vrolyk jong Maagdeken, met eene zingende Krekel op 't Hoofd, in hare Crocusbloemen, die het eerft van alle bloemen opko- men, zittende. Zy heeft de Bandjes om haar aankomende Maagdom te fluyten in hare Hand y de Wynkan. van Godendrank in de anderejdeels om dar zy de fchenkfter der Goden isj deels om dat de Wyn hare jeugd en vreugd niet tegenftrydig is. Haar Onderlyf is van eene huppelende Geyt, om dat de jeugd altyd dartelt en ipringt. Goder dc Attifche Beelden vindmen *er vier, die Kinderen zyn van Ju-
piter, by Toma verwekt^ on* dat zy meenden, dat de Zegen des Hemels by Arbeydzaamheyd-gevocgc j oorzaait wierd-van dcze hoedanigheden. Q. Eerit
|
|||||||||
♦
|
|||||||||
ftr-ti- -.rt.j'-ti/■-■■---........— ^-^.........--- '■----------. — i—i-mr fiVJMfcl
|
|||||||||
m*
|
|||||||||||
Van fe Grieksche Goden.XXV.Hoofdstuk. 219
Ecrft maakten zy het Beeld van Geheugen^ het welk op zyn Hoofd
droeg de Huyd van een Olifantshoofd, om dat dit Dier zeer fterk van ge- iieugen is, en byzonder het goed doen. Die jonge Vryfter knypt aan haar Oor, zoo ak men deeetuygen pleeg te doen, om te oorkonden, 't geen zy hoorden en.zagen. Zy heeft een open Boek op de Schoot, otn 't gelezene wel te QntiiouSn. Zy fchryft op twee Tafeltjens met eene Griffiejop eenc Staale de weldaden., die zy ©ntfangt •, en op eene Loode de verongelykin- ,gen. .De zwarte Hond van Ulyfles, i die zyne Meefter zoo lang kende, legr. aan hare zyde. Duyven, Vifchangels, Dobbelfteenen, en al zulk Herfle- -nen*belet treedt zy onder de Voeten, op welk dejeugd fteroogende onbc- Jcwaam blyft, om eene Schatkamer van Talen en Wetenfchappen te maken, * • Ten tweeden het Beeld van de Zangkunfl wat ouder, zingende met
ios Hayr, maar cierelyke Tuyten, tegen eene Nachtegaal, die zig op haar jHoofd laat hooren. Zy heeft Vleugels als van den Hemel gedaalt, met Ster- ren op haar Kleed, welker zoetluydentheyt 't welzyn der Wereld maakt. Zy heeft eene Weegfchaal der Klinkmaten in hare Reenter, en eene be- fch reve Maatflag in de Linkerhand. Eene zoetzingende Zwaan ftaat aan hare zyde, vj^ Ten derden een fterk Man tot Werfleling en Krygsoejfening. Deze
heeft eene Byekorf, 't voorbeeld van noeftige iever op zyn Hoofd •, eene Schyf om te werpen, eene Knods om te vechten, en Pylen om te fchieten by hem ■K>« Ten vierden de Overdenking, een bejaart Man, die op een geflo-
te Boek der Natuurkiinde en Wysgeerte leunt, met zyn Arm onder zyn Hoofd, dat kaal is, om de droogte zyner Herflenen te doen zien. Hy houd zyne eene Hand voor zyn Voorhoofd met geflooten Oogen, om niet door het zien der voorwerpen aangedaan of afgetrokken te worden van zyne o- verdenkingen. Onder zyn Boek van de Wysgeerte legt eene Bol, waar op allerley Wiskunftige Figuren, Rondenen Streepen zyn gehouwen. De zwarte Steen van Mars, die by den Cretenfen en Cypriotten wierd
aangebeden, en door de Priefters geftadig omgerolt, toonde deverwoefting der Wereld door dien Oorlogsgod, en dat 'er Vruchten, Lover nog Gras en waflen, waar de Oorlog zyne Toneelen opent. O. Het Beeld van Saturnus, uyt Egypte naar Rhodus gebracht,en daar
ook aangebeden, beftont uyt eene Kop en Hals van een Oud Man op eene ronde begraafde Steene Bol gehecht, met twee Vleugels aan het Hoofd-, de eene voor den invloed van den Hemel in ons verftand j en de andere voor 't Ee 2 Men-
|
|||||||||||
----------- --- - __ . _ „_. .^1^.!-
|
|||||||||||
~" '--------------
|
|||||||||
'
|
|||||||||
izo De Hieroglyphen of Merkbeeleten.
Menfchelyk verftand, zelve op de wereld werkende met vier Oogen. Van
Aft arte , de Vrouw en Zufter van Saturnus^ aan hem vereert, door welke twee achterfte hy al het voorby gegane nog als tegenwoordig zag, om tot den dienft der nu tegenvroordige zaken, die hy met de twee voorfte Oogen waarnam, te gebruyken, en alzoo zyn Rechtvaardig beftier over de Wereld te houden. Hy heeft eene Steen als een Ey in de Mond, om daar mede t opvreeten van zyne Kinderen (want zy verdichten, dat hy zoo door Ops bedrogen wierd, nemende eene Steen voor Jupiter') te verbeelden, zoo als de Tyd is gewoon te doen, die alles verflind, en een Ey loflende,uytwelk alles word gevormt, het welk de Redelyke en andere Dieren voorkomt. De vier Getyden van het Jaar (waar van boven onderJVT)zynbydeZ^0*
di'ers gee'ert in de gedaante van eene vierkante Steen, waar door zydevafte en altyd even eens wederkerende kracht der Natuur verbeelden, en daar bo- ven op vier Hoofden aan eene en dezelve Hals $ Flora voorde Lente; Ce» res voor de Zomerj Bacchus voor de Herfftj en Saturnus, die alles we- derom verflind, wat vergadert was, in de drie andere Getyden, voor de Winter. |
|||||||||
ZES
|
|||||||||
i*^*-*~_..___________i...... _________..... ■ i - ■■■41il-iMilYlTr*--:>''-:.....■■■■ -
|
|||||||||
|
|||||||||||||||
.
|
|||||||||||||||
Van de Grieksche en Roomsche Goden. XXVI, H. zzr
|
|||||||||||||||
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Griekfche en Roomfche Goden.
|
|||||||||||||||
A0
|
Liefde verbeeld door Venus als hare Moeder,. is by den Grie-
ken verdicht te zyn, eene Geboorte uyt het Teellid van Ura- |
||||||||||||||
nus doorzynen Zoon Saturnus met eene Zeyflenflag afgemaayt, die 't
in Zee deed vallen, alwaar het door rt bewegen der zoute baaren fchuym, en voorts Venus wierd> waar van zy de naam vm Aphrodite heeft. Ande- ren noemen haar <Dione, en Jupiters Krooft. Alle Volkcrcn hebben haar aaneebeden onder verfcheyden namen en geftalten, naar de krachten, die zv van de Liefde gevoelden. T verdichtzel fchynt te zeggen, dathet Vuur, in alles ora te minnen van den Hemel ingeftort, door de zoute deeltjes gaan- de gemaakt, om de voorwerpen, die menbegeert, word aangedreven, en daar uyt de voortzetting van die vlam met zamenfmelting van 't begfeerende en*t beeeerde fpruyt-, welke alles kweekt en de zoorten bevvaart. Zy word verbeeld door het tchoonfte Vrouwenbeeld, minnelyk lonkende> lachende, en lieflokkende, op eene Wagen met vier Raders, de vier Getyden van 't Taar verbeeldende-, waar van de Saffraan om hare vrolykmakende kracht €Te Lente • de Roos met Doornen, de kitteling der driften; de lieve tegen- worfteting, en'tverkwikken, de Zomer verbeeeld > de Druyf de verkwik- kinz en verhitting, voor de Herfft-, en de Olyf het meuw voedzel en ver- fterkine voor de Winter toont op de Wagenaflen. Haar Hoofd is met al- lerleyMeybloemenbekranft, om dat die tyd Vogelen, Dieren, Menfchen, Velden en Boomen jeugdig maakt. Zy laat hare fchoone lokken over de devnende Borften golven, de beroering die zy maakt en van binnen gevoelt, aantonende. Hare Kechterhand praalt met de Guide Twiftappel ,gewonnen uvt het vonnis van Tarts tot haar voordeel, boven Juno en T alias geftre- ken- om te doen zien,hoe veel de Liefde boven Machten Wetenfchapheen bralt Dezelve Guide Appel vertoont ook de fchoonheyd van 's Werelds Rond door den invloed van Venus opgetooyt, die de verborge krachten van Hemelkring tot Hemelkring nedervloeyende , in Venus Hemelkring voortgegaan, die luft en kracht tot teelen geeft,die zy door eene Zee-oefter m deandere Hand vertoont, welke zig zelve opent, om de ziltige zappen te ontfangen, als de Natuur in alles doet, byzonder in de zamenkoppehn- cen van Venus. Al te naakt wil zy niet zyn, wetende, dat geziene Kaart Siet wel en fpeelt* zy nodigt en noopt de driften, met watte rug te hou- den, dat gene, het welk zy gaarne geeft. Voor haar zit B. Pitho, de wetbehagelyke Praat, die jong lachende en fpeelendeop
Ee 3 cc-
|
|||||||||||||||
-
73J, Dfc HlER-OGtYPHEN OV MerKBEELDEN.
cenc Harp, hare Minnedichtjes, Liefdezangen en Genegentheden uytboe-
zemt> en twee Duyfjes trekkebekkende, zitten voor haar, om de vriendc- !yke brand en band der Herten in onnozelheyd te toonen. Voor op den Zeegewagen ftaan twee Hoornen van Overvloed, van Ceres en Bacchus y zonder welke dit Wagentje niet op een Zandpad gaat, v* De kuyfche Zwaanen trekken nu haar voort op eene weg met Roo-
zen beftrooytj de naare Minnenyd trekt fterker al het gefpan. Zy moet in *t fpel of 't Vuur verflaauwt. Zy heeft de fcherpe Doornen om haar geele ingevalle Kop. De Hayren ftaan als vlammen overend. De Onruft draayt geftadig hare Herfienen. *T is eene uytgeteerde Vrouw (Kunne) waar in de Minnenyd grouwelyk heerfchr. Haar eygen Hert eetende, om deinbeel- ding van eens anders voordeelen. Nachtvlerken maken hare gangen en ver- Ipiedingen veylig. Zy ontfteekt in haar eygen afgeteerde Boezem *t vergif van allerley Slangen. Zy heeft een Ponjaart op hare Rug , en eene Dieve- flons op hare zyde hangen, gereed zelfe tot moorden by aldien zy wat ont- dekt. Haar Kleed is met Lynx-oogen bezet. Zy vliegt op de Drakenftaar- ten voort3 en doet niet anders, als de luft van anderen te vergrooten. Want al verwart en brabbelt zy de Snoeren, daar de kriele Muflchen aan zyn ge- bonden,als voorlopers van Venus., zy belet echter dezelve niet voort te vHe- gen. Een mager Hondevel, 't jaloerfte Beeft, datmenkend, fleept haar na, over 't flym van hare vergiftige Staarten. U* Terwyl Cupido, Venus Zoon, aan de eene zyde vliegt,om de Wa-
gen recht te houden. Die begeerte in onze Boezem woelende is verbeeld als een fterk jong Guytje , ros van verw en Hayr, om zyn vuurige drift te laten merken. Hy heeft een Blixem in de Hand, zynde voorzien van eene vlam van de Blixem, die 't Hert en Nieren treft, terwyl Huyd en Gewaad vry blyft} met fchoone Vleugels aan zyne Schouders, om de fnelheyd van zyn aangeftooke Vuur te verbeelden, en te doen zien, dat hy van denHe- mel afdaalt, die zyne fchikking in de Liefde byzonder doet aanmerken. De Pylkoker draagt hy op zyne zyde, om te wiflelen Kunft omKunft, aanval- fcn, wyken, kwetzen, heelen, zuchten, envreugdmet •&• Anterote, een bevallig Meysje, *t Zuftertje van Cupido, zonder
welk het bloetje niet kon groeyen. *T*is* wederliefde, die de begeerte, haar Broeder,konftig toelonkt, dan met zedigheyt, achtbaarheyt, dan mettoorn aanlokken mengende, flaande als de wederhelft vliegt, dwars nu en dan te- gen den man, zoekende 't geen zy veynft te willen. verliezen,tranen, zuch- ten, lacchen door een mengende, vergiftig en vergeven.Zy draagt de Boog, en heeft mede Vleugels, maar wat kleynder als Cupido, Haar Beeldje ftaat in de fchaduw, om dat alle konftenaryen meerlukken, als zy meeft verbor- gen worden. Een Haasje, ?t geylfte der Dieren, loopt langs de Wagen, • - my-
i
|
||||||
Van de Grieksche en Roomsghe Goden. XXVI. H. zij
mydende alleen bet Watertje* daar Venus Erycinatn Cupido Lethus, ha-
re Minnetoortzen in hcbbefi uytgeblufcht. By Tatrtf in Achaje had men aan een Riviercje de kracht, om Liefde te vergeten, toegefchreven, daar Venus die naam van kreeg, zoo wel als Cupido van \ vergeten. By zulke ongelukkige Liefde word Ate de Rampzaligheyd verbeeld, zynde eenzwait Godinnetje, tredende de Herten te berften, zonder OogenT zonder Qo-^ ren, met omgekeerde Toortzen gedompt, en de Hoop geboeyt, achcer aart flepende^ r*» Maar gelukkig bcvallende,. word zy aangefproken van Hymenausy
eertyds een Griekfch Jongman als Thalajio, beyde gebruykt voor 't HtiWe- Fyks geluk. Deze twee, als die alleen worden gezet zonder Wagen, als dan verbeeld men die met eene Palmtak, daar zy om ftoeyen en met Roozert werpen. Hoe dikmaals 't Hiiwelyk 1- Graf der Liefde is, zoo is zulks niet aan die fehoone band T f bekwaam om alle verwarring uyt het Menfchdom te" weeren) maar aan de kwade gronden, waar op zy zamengetrokken is, te wyten. Deze is een fchoon Jongman met een Jok in de eene,, en de Hu- welyksfakkel met allerley Bloemen omflingert, in de andere Hand.Hy heeft zyn Voct op een Schildpad, om dat hy niet los of fchielyk wil toelopen, maar met bedachte raad y maar byzonderlyk, om datde Schildpad der Vrou- wen hoedanigheden bezit, weynig of geene Tong te hebben, t'huys te bly- ven, niet dartelyk te jagen naar defmart-vermaken van 'tbyflapen,doorhet welk de Schildpad gevaar leyd in de koppeling, omgeleyd zynde, en. ten. prooy aan andere Dieren gelatenjdoordien zy zig.zelve bezwaarlyk kan om- keeren. Mbrphur noemde men Venus Altaaren Hoi by Elis, ahvaar zy„ om 't Huwdyk te verbeelden, met boeyen aan de Voeten geeert wierd. Op andere plaatzen praalde zy daar tegen met de naam van Nicophora, Weg* draagfter der overwinningen. Byzonder was zy by den Romeynen in hooge achtmg , als Vbortkweekfter van alle die uyt Eneas geiprootcn waren, en daarom pronken veele Penningen met hare Godheyd.1 G. De Hemehche Cupido was by die van Megara een fehoone fterke
Jongen, met een vlammende Toorts, en een brandend Hert in de Handen | bewyzende, dat het Vuur van begeren in groote en welgefchikte dingen of zaken van den Hemel in ons vloeyt, door den He [per us of Lucifer^ de A- vond-of Morgenfter, en ons dryrt om der Goden fchikking,en wat zy ons> heerlyks voorhouden ,te begeerenjte gelyk de wil en 't werken van die Go-4 din afhankelyk makende, en vliegende naar de voorwerpen metOogen,die op der Goden fchikking, wil, en wenken blyven fteroogen (de Qratien^ Myrthen, Kranflen en andere behaaglykheden, met fpelende,lagchendeen dertelende Kindertjens, kan men daar by voegen) en zette dezelve in Tern- pe, Paphos, Cyprus, Amathus, Cythera of andere alderbehagelykfte Qor- deny maa* myden zig voor den Libanon, daarze geeerd wierden metzuch- ten>
|
||||
IP Bf -' •
|
|||||
ZZ4 De Hieroglyphen of Merkbeelden,
ten, weencn en fchreeuwen, om den Dood van haren liefften Adonis fzyn*
de als gezwachtelt in Rouwkleeren van *t Hooid tot de Voeten. Hareeerftc vertoning was op eene Steen in Arabi'e', en daar na Egypte aangebeeden te zyn, die als eene gevlochte Byekorf was gemaakt, de voortplanting, zoet- heyd en angel van de Liefde wel doende zien, 't geen ande*en voor eene Navel aangezien hebben, daar Beynot in de oude Arabifche Taal eene Bye- korf beduydde. Eene vierkante Steen had men ook daar voorin Fenicievan eene T ir amide ^ fteekende in een Rond van de Maan, om den invloedvan de Zon en Maan op de Schepzelen in *t koppelen te vertoonen. Van deze Vrouw Venus, die 't woelwater van de Wereldis, ftaptmen, om'ervry van te zyn, niet naa de Beek Selinus in Natolu•', waar in men zig bevryd- de van het Liefdevuur door 't baden, maar naar Silenus, of Bacchus. Van twee Moeders Bimater (by de Grie-
ken Aifufltip) genaamt, is Dronkenfchap of Drinkluft. Deze word verbeeld als oud, als jong; als Man, als Kind} eyndelyk in alien ftand, en met al- lerley Beeften, met namen oneyndig, naar de grillen, die hy werkt in de Menfchen. Hy ryd op eenen fczel, zyn OfFerdier, leunendeop de Tria- pus, een baftaart van Venus ,en op eene Druyvekorf, waar aan een Bok zig zat eet-, paffig, vet, als eenBakbeeft zuyzebollendej met een onbefchaamt volgezopen Lyf. De Klim-op, die altyd groen blyft, en zyne valfchejeugd verbeeld, omilingert zyne Kop, waar op men Hoorens, om de beeftach- tigheyd en akelige dwarfpaling te toonen, zkt uytbotten. 1« Eene razende Bacchante of Menade, als eene dronke Tobbe, fchreeuwt
hem na E-vo'e, Evan, Euhae-, de tytel die Jupyn hem gaf, als hy op de Reuzen word verdicht aangevallen te zyn, als een Leeuw, dat echterin Dronkaarts niet kan vallen. Zy heeft een Ooft-Indifch-Riet met Wyngaard- rank omilingert in hare Handen, flingerende met Tygersvellen, om detocht naar Indie te gedenken; 't geen nu nog veele Bacchanten na moetenvolgen. Hy wierd door Nymphen opgevoed, om te doen zien, dat het nut is,dat- nien Wyn met Water mengt. K. Conn is, de God der Gaftmalen. Deze heeft de Toomvanden
Ezel aan zyne kale beurs gebonden, uytgezopen van die, welke hem kaal zynde, eerlt yerachten. Onder zyne Armen houd hy een zilvere Schotel, en daar in een welgeftorTeerde Venaifon of Paftey van Wildbraad, om zyne gaften aan de wartel van het flempen te krygen. Hy heeft een Koks Mes, en een Braders, of Tafeldienders Ammelaken voor zyn buyk, en douwt al dommelyk voort met zyne Lancie in de Hand, die hy op Bacchus Graf zal ftellen, gelyk men alle Helden pleeg te doen. Zoo komt hy door zyn goed, door Tafelichuymers omringt, en Thyaden, Bajjariden^ en andere dolle "Wyven, die, met Fakkels in dc Hand, Tygers-en Panthersvellen om'de Huyd,
|
|||||
Van de Grieksche en Roomsche Goden. XXVI. H. 215
Huyd, met hangend Hayr, Kannen en Glazen tcgen een klinken, dampen-
de, tierende en bonflende, op Schutten, Zolders en Vloeren, tot dat zy de eene dolheyd aan de andere kleevende, eer-en fchaamteloos Lyf en Ziel overgeven. ■L'* Waar van een Voorbeeld is de Ontmaagding, (anders in Succoth
Benoth met aan ftukken getrokken Biesbandjes verbeeld) by welke, eene Dronke Vrouw een open deur word. Is hier met een Triaap verbeeld, eene Steen zonder Armen,en van Steen,om te toonen, dat der Menaden toome- looze geylheyd van zelfs zig zelve wil verkrachten -, een jong Meysje dan door, de vuyle drift aangezet, zynde de Satyr die haar opbeurt met de vVyn- kan in de Hand. Zy klautert om dien Steenen Triapus Hals, likkende en kuflende het Stokbeeld met Tong en Lippen om haar jonge Lyf te doen en- teren, door een gefmeerd end van een Steene Teellid. M. Een ander Zwaddergat, turende en zwierende, gaat als een voor-
ftander van Bacchus, gevolgt van Wynkuypdragers, Wynperflers, Biervlie- gen en Tabakdampers, met Ranken en Klimop om de Kop. Die is Ho- moritus genaamt, een God by den 'Phrygi'ers van de gelagen. Zyn naam is Zamendr inker. Hy voert een Thyrfus of Wyngaardilok, waar aan twee Handen met voile Berkemeyers gehecht zyn , boven op den top met eene Exter getooyt, om het fnateren en raaskallen der Zuypers te doen zien. N. Van deeze ftapt men tot een heerlyker Wanfchepzel •, Mars den
Krygsgod. Die dolleRazerny der Grooten, word verdicht,uyt eene Bloem van Juno gefproten te zyn, om haar te wreeken van Jupiters hoon. Hy heeft, met fchoone namen van Vryheyd, Glorie en Godsdienft bedekt,den Overmoed, ziedende in de Grooten, om grooter te worden, en anderen te overheeren. In 't Harnas ftaande op een Wagen, als de oude Helden altyd waren gewoon, heeft hy in zyne Rechterhand den Deegen, in zyne Linker de Worpipies, rydende over 1000. Lyken, om hoger uytte kyken naa Nieu- we Koningryken. Strydbare Paarden, die Vuur al fchuymbekkende uytbla- zen, voeren hem uyt Thracie naar vette en laflfe Volkeren. Zyne zeegepraa- len zyn op de Wagen gehouwen. De Krygsroem van zyne daden met Lauwerieren gekroont, vliegt
voor uyt, op de Krygsclaroen zyne daden uytblazende, hoewel zy niet ze- ker in haren gang is,en licht de overwinnaars kan verlaten,gelyk zy demee- ften oude Vorften verlaten heeft. Een ryke oogft van Vanen, Standaarden, Helmen, Schilden, Pieken, Boogen, Pylkokers en ander Wapentuyg is tot een zeegepraal opgehoopt, by de welke |
||||||||
p.
|
||||||||
Eene Lans in de grond is geveft, waar op Krygsbeloning der Helde-
Ff ftuk.
|
||||||||
Il6 De Hieroclyphen of Merkbeelden.
ftukkenhangt. Eyken-enLauwerkramTen, Toomen, Steeeelreeoen A™
ringen, Paalkroonen, Muurkroonen, Scheepskroonen, klimmenKI JSK&l" m °°**der Zoldaten flikkerende>derkrer oSJS.5
A TT^Z^t^V* b£ (W3nt deze ^ee zy« de Zuyfen van den
ftaat ^ Vorften.) Deze Krygsftraf heeft een Draak op den zwwen^elm met een Bloedroode Rok aan, hebbende de Bundelbyl derOpp^Koo? den m de eene en eene afeekapte Kop van eenen Lafhartkm inTandel re Hand. Zy kan, zoa de ftraf over veelen gaat, met't &tal van X ™^ de Borft geteekent zyn, merkende de2W J^'ofHlftrffovCT dentil den Man, gely: men van Severus over de Keyz^rlyke w££tw 1°?,? „ Chr'fte°en' ^Jhebaanfche genaLnt, en*^ dm gS oX^^^^ eni L^yl^^^^
ten zyn van D.eren geweeft, die zy gevelt hadden. Zy roont bovm od^
Lans de beloomng om welke de motdigften ate doen, «ndede E^W Naam ni de Gefch.edemflen verbeeld door eene Slang, by Ze StaaSe Bek houdende eene Laauwenertak. En dewyl zaken uyt»WaT^ aan zyne Borgers gevangen Vyanden te toonen, der Helden Hemefn/aak?, S henheden aan Juptters Zetel doet opklimmen, zoo zietmen de Gevan^ens geboeyt onder den Wapenroof neerieggea ^vaugcns vuCirl00* <fezen//f,f .fkaaea verwoeft Land, brandende Steeden en-
Vldcken, waar in de fchnk en verwarnng voorvluchtig getoont worden. J • Deze is met een Haas op 't Hoofd en
V. Door eene Slang met veele Hoofden afgebeeld. De eroote Oml™.
van hy de Vinder en Verbeteraar is geweeft^ ende Boog enPvIkok^ «^
welk hy bapWhOndkt het Landverderf heeft gelatft f^»£? Hy ftaat op den Berg y^^, aan de Bron ^«/>^, by in^Celtff W waar op dc £**** met zyne vlugg/vierken geftX^rzyne hoefilagen de Spnngbron doet: ontlpringen, die de Brooders ter DichSs maakt, en tot onder in 't breedc afloopt. Deze verbeelding toontdievreem! de verrukfang, die in den Dichters. valtr, en haar, als Propheten boven\ Gemeen, doet zaken door eene betoverende draay voorzeggen, met inval- *
|
|||
VAK DE GMEKSCHB EN ROOMSCHE GODEN. XXVI. H. 1VJ
i-« ™«,<n™rlvkhunne eedachten verrykcn, de Natuurlykfte werkingender SLSSS^KSr Konftwobrk zoo affchilderen, dat zy &n Le- ^minder als alle andere vermoeyen. Die vervoenng, eene ingeboore, en geneo^rTCi^ j door de Luchc en degeheeic wXSfe^ zieng Van dlt Water worden die luchtige hrf
fcnen to: eeneeeeiLe zomberheyd gebracht, die de enkeie waarheden be- zwachtet omgdie fchoonder voor ons op te doen Zy worden door dien Ifnoberwt en verhit, en draven door op zulken ftouten Ros, tot zy me!:£f*^Hemelval van fchoone gedaehten alles wonderbaarlyk vertogen, en *t merg van onze Zielen kittelen. X. Tierus van Macedonie heeft zyn gevolg van drie tot negen Mufm
rZ^eodkinen) gemaakt, waar van hy Vader van negen Ttertdes genoemt (^anggoainnen; s Jnthoudende, welke in Exters vcrandert, van de pSni ^f^m^rden om' de flechte Rymers en Raaskallers af
fe SIX die ondiks de Zanggodinnen willen fnateren, tuffehen de zoetzingende Zwaanen mengen. Y. De negen Zanggodinnen zyn : Clio voor de Gefchiedboeken of
Uidorim, nfeeft naaS, met twee Hoofden een fchoon jong Hoofd vS( vooren, maar een'oude gryns van achteren, de tegenwoordige irvoorleede Tyd rakende > met een Boek , waar in zy fchryft en FWr by haar/ Melpomene, de Treurtoneel-Dichtfter, met eene Vor- mSap, RyxftafinieHand, op een Doodshoofd gezet grootfche t^-ant in foraak en weezen houdende,met hooge LaarfTen wSophocles^Tha-
1^»W fratzisin*FlaatcnsHar' meteen Zo*f ofMifrotjem
deHand, licht gekleed, en bloodsvoets, Euterpe, voor Blaaswerktuygen,
foeelende op eene Dwersfluyt-, Terpfichore, met zware Muzvkftukken voor LofzaneenenLierdichten, behangen-, Erato, vrolyk met de Lier en Ruys- «vo voor Landbouwers en Herders Deuntjes > CW//*/*, met een Stormhoed bepluvrnt op haar Hoofd, trots gezicht, ftoute ftand,en eenzwaarGedicht en Maat in de eene, de Pen in de andere Hand, Voor de Heldendichten-, Urania met eene Sterrekroon om haar Hoofd, eene Hemelskloot onder de Hand eene Graatboog met de andere Hand gereed houdende, is geplaatft vnor alle de werktuygen en kennifle van den Hemelloop. ^^^//»»/^ voorde Welfprekenskonft, is met Handen en 't Gezicht bezig om dezelve naar ha- re woorden te voegen. Zy te zamen zyn beezig de vrolykfte nuttigheden fan den Menfchen op te dnTchen, hebbende geene grooter Vyanden, als de onkundigen, die uyt fpyt, dat zy door die fconftenaars worden voorby ge- ftreeft, de Konften verkleynen en derzelver Oeffenaars lafteren. Z. Maar die en zodanigen, welke onbekwaam zynde van zig zelven
|
||||
71PHB
|
|||||||||||||||||
■
|
|||||||||||||||||
iz8 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
blaaskaken, zyn door Marfyas verbeeld. Die Satyr befchimpte Apollo,;
en waagde zyne Boerefchalmey tegen de Goddelyke Harp j dog leed deftraf van zyne vermetelheyd, aan eene Boom geknevelt, en levendigvandieGod gevilt, met de Boeren Pypen boven zyn Hoofdj zeggende,dat de Gekken dan eerft kaal en gevild *er af komen, als zy zig tegen de gaauwen in dc mat begeven. |
|||||||||||||||||
.
|
|||||||||||||||||
ZE~
|
|||||||||||||||||
. _.....__ __________________i____________.
|
|||||||||||||||||
_____
|
|||||||||||||||||
_._
|
|||||||||||||||||
Van de S-tkaf-G'oden. XxVlI. Hoofdstuk. n?
-. .. S
ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
|
|||||||||||
Van de Straf-Goden,
|
|||||||||||
WY hebben met voordacht nagelaten, onder verfcheyden verniflen deir
Grieken te vallen, wyl 'er veele al te onbefchoft voorkomen, by- zonder de Venus 'Pandemia, die van Solon zelf was ingevoert, zynde de Befchermmoeder en Oppergildmeefterefle der Hoeren, van het byeengefchraapc Hoerenloon met eene heerlyke Tempet vereert, waar in dezelve aangebeden wierd, met de alderyuylfte Hoereftukken,geveylde Maagdommen en andere ofFerhanderu Welke zoo grooten aanzien had onder de Grieken, dat de Corinthi'ers (wanneer de Perzen hun Vaderland in wanhoop brachten door de zware Heyrlegers, met welke zy den Griek overvielen) de laft, om de Godin Venus tot hun Lands welvarente bidden, aan de Hoeren gaven, die de offerhanden uyt hunne Lyfswinften groot en heerlyk maakten. Nog ook de Venus van Abyda, door eene Hoer hare Vryheyd weder gekregen heb- bende, die Celfus zig niet ontziet by Judith te vergelyken. Nog & Cypri- fche eerfte Hoerenmoeder Venus , die om het heerlyk ambacht van Jt hoer- dom vergood wierd, hebbende die Vrouwen en Dochters geleert, fchatten te vergaderen van de fchandelyke winften, die zy trokken uyt de gemeen- making hunner Ligcbamen aan het gemeen •, zullende dit in andere Deelen (zoo ik door Gods Genade in 't leeven blyve) vertoonen. Nu overgaande tot den Romeynen, luft my niet den Leezer voor te dragen die afgewerkte ftof der overal getoonde Goden, in Steene Beelden of Penningen uytvoerig te zien, en door wakkere bazen in Prent nagelaten, maar de byzondere uyz derzelver groote zwerm voor den dag te halen. • Hier ziet men dan den Jupiter Horcius r als de Straffer en Wreeker
der Meyneedigen. Hy is bekroont als een Oppergod, die zig zelven aan den Eea by Styx verbonden ftipt houden moeft, om dat zy geloofden, dat het Noodlot de Godheyd, en de Godheyd het Noodlot verplichtte. Deze Jupiter Horcius houd zyne Blixem met twee Handen gereed, aan dewelke hy vaft houd den Eed, als den band der Wereld. Dien Eed wierd afge- leyd op de Teelballen van een Verkeny(by den Grieken) welk een Manne- ken was, en die dan het overfchot of verbranden, of in Zee wierpen. Maar by den Romeynen in de Verbonden alleen met gefloote twee Vingers der Rechterhand op eene geflachte Zogj biddende plechtig, dat Godzoomogt ftraffen den Vreedefehender, als deze Zog met een Keyfteen van den C)f- ferpriefter voor den Kop geflagen. wierd. Met eene andere naam is ookde^- ze by hen voor Tluto den Straffer, otSumanus geeert, om door de Hel- F f 3 fche
|
|||||||||||
____
|
|||||||||||
■"
|
|||||||
www------
|
|||||||
ijo De Hieroglyphen op Merkbeelde*.
fche Godheden dc fchrik in den Verbondfluytcrs te drukken, voor de Hd-
fche ftraffenj vaftltellende, dat *er geen beareyging te groot kon zyn tegen die boofwichten, welke de Eeden durven misbruyken. &• Vzjovis is ook in zulke Eedzweeringen aangeroepen, als een Jupi-
ter > die van 't beftier der Hemelfche, Aardfche, en Helfche zaken onge- moeyt bleef •, waarom zy hem als een Jongen vercoonden* dog metdeHqor- nen der Egyptifche Hammon aan zyn Hoofd, beduydende, oat een fchelm- ftuk nooyt oud word ,maar op de Wereld vroeg of laat zyn ioon krygt, zoo wel als het jong en nieuw blyft in 't here van den kwaaddoender, wiea net als een Beul pynigt en wroegt> waarom zy aan dezen jongen Jupiter in dc Linkerhand gaven een Hert met eene Worm daar in knagende, met een Weegfchaaltje om zyne Gordel; daar intcgendeel in zyne Reenter een Slin* gerfchic^t van Blixem gevoert wierdj om overal den boofwichttevervolgen, als een verterend Vuur, dat Kleederen en huyd vry en ongefchonden door- dringt, maar 't hert en ingewanden brand en zengt. De Huyd en de Vacht van die Geyt, welkers Prammen hy gezogen heeft, en op welke aangete- kent worden alle de verborgenfte Miftfaden, z elf der Menfchen, <Dhpbth*+ ra genaamt, als een BoeK, dat by die Godheyd gehouden word, om zyn Hals tegen den boozen* en in hunne Boezem, als het geweeten, befchuldi- gerblyvende, tegen de uytvoerders der heymelyke fchclmftukken. Dezelvc Geyt legt aan zyne Voeten, dragende twee hoornen, welker eene afgeftoo- ten, door de Nymphen Meliffa^ Amalthe^ Hega v\ He lice, met Bfoe- men opgeciert, voor den Hoorn van Overvloed word gebruykt j eene eer, die men naderhand aan den Oflenhoorn van Achelous, door Hercules afge- wrongen, heeft gegeven. Degrond9 waar op deze Vacht word gelegt, is die, welke men verbeeld onder het geweten, zynde aan de eenezyde vol Bloemen, en aan de andere zyde vol Doornen. Dewyl nieniand zig kan bergen voor zig zelven, houd hy dit Hert in zyne Hand. v^« Dezelve Godheyd over de Eeden wierd boven alle namen by den
Romeynen T>eus Ftdius genaamt, welkers geftakenis nog tot Romen op eene Steen gezien word, vertoont aldus: De Lifcfde en overeenkomft der Menfchen met malkander als een lieflyk gevleugelt Kind, ftaat in *t midden van de Eer en Waarheyd, koppelende dezelve vaft aan een. De een is uyt- gebeeld als een Roomfch Borgermeefter in zyne Kaadsheerlyke Tabbaard-, dewyl de Grooten, aan welken *t beftier is toe vertrouwt, boven allesbehoren te zyn gebonden aan haar Woord en Eed, zynde de Beelden Gods,endes gantfehen Volks. Hy geeft zyne Rechterhand aan de Waarheyd, en vat met de Linkerhand de Eendenen van dezelve > eene manier van Eedzweeren der Ouden, gelyk men van Abraham en zynen Knecht in de H. Schriften leeft Gen, XXIV. 2, Deze Waarheyd is in *t wit gekfced, met eene Lau- we-
|
|||||||
Van de Straf-Goden. XXVII. Hoofdstuk i$r
werierkrans om haar Hoofd, om dat 'er niets fterker is als de Waarheyd.
By welke zweerende, verzweegen zy de ftraffen, tot welke zy zig zelveii doemden, die latende aan de Hand Gods, en zeydcn 'er alleen by, Me 'Deus Fid tits, (by yerkorting ,-JMedius fidius, in plaats van, Me'Dius Filius, verftaa daar onder, it a atnet, of wel, perdat. Dat is, zoo waarachtig be* minne my, of zoo ftrafFe my de Goddelyke Zoon, dat is, Heracles of Hercules ,de Zoon van den Oppergod Jupiter. Waarom ze ook wel Me her* cules in plaats van Medius Fidius zeyden,) dat my de God van Trouw en Waarheyd mag............... D. Voor de Wakkerheyd hadden dezelve Romeynen eene Goude Cans,
die zy op een Buffet of Draagtafel by de Zeegepralen deden omvoeren, ter gedachtenis der Ganzen, welke de Wachters op deden ftaan tegen de Gal- fen, wanncer deze het Capitool beklomraen. Deze wierd ook by 't invoereik der Opperbevelhebbers in *t Legcr gebracht. ii« En dan daar teeen voor Kryrsverzuym: een Hond aan eene V lierboom
opgehangen, tot herinnering der Honden, die niet en baften op \ gerucht der zelve befpringers-, om de Zoldaten tedoendenkenaandeverachteDood, die zy te verwachten hadden, byaldien zy by nacht of dag hunne fchild- wachtsuur verzuymden * ten welkeneyndezyookvanwachttotwachtrondom de Legerhoeken elkander wakker hidden, met roepenj gelyk ik de wak- kerheyd der Schildwachten daarom heb afgefchildert gezien door een Ro- meynichZoldaat, die met eene Piek in de Hand, wel gewapent ilaat, roe- pende tegen zyn Wachthuys, waar aan eene Hond zoo was gehangen, en eene Gans kwakkende boven op de Nok van 't Wachthuys. v« De Fortuyn van *t Ryk, van Goud gegoten, was mede eerfl op die
Capitolium bewaart (hoewel zy naderhand in de Staats-vergaderplaats, en cyndelyk in der Keyzeren Bedkamer bewaart wierd,) aangebeden. Een fchoon jong Maagdenbeeld, met de Hoofdhayren voor aan 5t Voorhoofd afwaayende, om tetoonen, dat haar geluk uyt hetwaarnemendergelegent- heden fproot, met twee Vleugels aan de Scnouderen, om de fhelle voort- gang van 't geluk des Roomfchen Volks te verbeelden. De drie Borften merkten aan de mededeeling van dat geluk aan't Volk. Uyt eene groote Hoorn ftort zy den Toe-en Overvioed der Vruchten en Granen, het ware geluk des Volks. Zy houd in de Hand eene Ryxappel, zynde de Wereld* waar op de overwinning ftaat Een ander Goud Beeldje, met de Zegepra- tende Lauwerkrans in de eene Hand, en een Trompet in de andere Hand , waar by aan eene koorde hangt het Schermfchild van Romen, het Ancile, naar het welk Koning Numa elf andere gelykvormige liet fmeeden •, om dat by Diefital of andere ongevaUen dit Schild gemift wordende % Jt Volk niec en
|
||||
Ip. De HlEHOGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
en zoude aan hare welftand wanhopen, door't miflen van een Schild, waar
van het, als van den Hemel gevallen zynde, hun geluk afhankelyk te zyn geloofde. Waarom ook tot meerder verzekertheyt van't gemeen de twaalf rriefters, of zoo genaamde Satis, jaarlykfch op een zekeren plechtigen dag al juychende en huppelende door de Stad Rome liepen. Allerley Wapenen der ftrydbaarfte Volkeren, als der TarthenicDacen en T>uytfchen, leggen met gewonne Kroonen en Tulbanden onder dit Schild. vJ« Deze Zegepralen wierden te vooren aan dien Herkulesovergebracht
uyt het Land der Ktrufcen of Tofcanen, dieopdeOnenmarktwasgeplaatft. Deze had zyne gewoone Leeuwenhuydop'tHoofd; en de Lerneefche Draak, wiens afgeknotte Strotten, zonder Hoofden 't dempen van datOngedierten de Koninglyke Oppermacht vertoont. Van Titus Tatius wierd het daarom aldaar opgerecht. Men zag hem die Knods van 01yvenhout,om dekracht by zoete welfprekentheyd te voegen, op de Schouder dragen, met welk hy de overwinningen behaalt heeft, die op de Leeuwenhuyd verbeeld ftonden; zynde i. De Nemeefche Leeuw, waar van hy de Huyd draagt, onkwets- baar voor Schichten, en door Manskracht alleen verworgt in eene Spelonk. 2. De Hydra legt onder zyne Arm. 3. *T Wilde Zwyn van Erymanthus in Arcadie. 4. De Hinde van Menalus met Metale Voeten en Goude Hoor- nen. f. De Schendvogels van 't Meyr Stymphalus. 6. De Atnazonen en hare Koningin Hippolita. 7. Augia's Ofteftal. 8. De vlambrakende Stier van Neptunits, p. T>iomedes en Bufiris, de Menfchenflachters. 10. Ge- ryon met drie Lyven} deszelfs Hand en T)raak. 11. De Hefperifche Ap- pelen. 12. Atlas onderfchraging. L$« De Helhond Cerberus. 14. Cacus, de Aventynfche Bergverwoelter. if. "Prometheus verlofling. 16. Eutheus verftikking. 17. Calpe en Abyle van een gefcheyden met zyne Pilaren. 18. Lycus, de Moorder vznCreon-^ Achelous met zyn Hooren. 19. En eynde- lyk Neffus de Centaurus, T)eianira fchakende. 20. Zyne Vervorming en zyne Hemelvaart. Alle daden van meer dan een wakker Held , tegen verfcheyden Vorften, Roovers en Landen, met vreemde Merkbeelden,zoo vertoont in vreemde geftaltens. H. Het Geluk met haar Wiflelval, degroote gemoederen niet kreuken-
de., is voor Cyprus verbeeld door eene fterke geblinde Vrou\v,met de voor- uyt dartelende Hoofdhayren van de waargenome kans of gelegentheyd; het Scheermes van't berouw in hare Hand dragende, voor die dezelve verzuy- men * met Slaapbollen en Barnetels voor den Luyen en Gekken in dezelve Hand, in dewelke zy de Schatten en Heerlykheden met hare Overvloeds- hoorn uytdeek aan den gelukkigen en gaauwers. De Hoorn is vlug met A- renden en Vleermuyzen-vleugels, als onzeker, en niet lang blyvende in de- zelve ftand, yoorzien. Zy leuntop de Aardkloot, op welke Bol zy anders |
|||||||
ftaat,
|
|||||||
Van de Straf-Goden. XXVII. Hoofdstuk zjj
ftaat, rollende met eene zekere en gewifle onzekerheyd. Hare voorafwaayen-
de Lokken zyn vaftgebonden, om en aan de Spil van 't voorbefchikt Nood- lot, wiens onder-en-boveneynd vande Aarde tot deHemelen doordringt. 1« Deze lofle blinde Woelwater word geboeytdoordeEdelmoedigeMan-
nelyke Wyfheyd,die boven haar zegenpraalt, en als een fterk Manmeteei* Eykenloofs Kroon geciert zyne ftandvaftigheyd verbeelt, hebbende een Helm op 't Hoofd, om zyne ftille herflenen veylig te bewaren, waar op een ftille Nachtvogel zit, tot waken en denken een nut Merkbeeld, en daarom T at- las Vogel, die zonder gerucht te leven, in zig zelven, te arbeyden op zig zelven, voor 't befte keurt, al word hy door 't gejilp van zoo veele prach- tig gepluymde Vogels in 'tlichtkomendebegekt.ZynBorftftukisdeo^/'x, *t Wapenftuk met Medufa's hoofd gedekt, met welk hy onkwetsbaar zyn tegenparty verfteent, dragende in zyne Hand eene Voetmaat, zyn eygen net afmetende, en zyne krachten wel wikkende, terwyl hy het los gevaiaan de Pilaar van zyne Deugd vaftgeketent houd. K • Nemefis of Adraftia, in 't i^#ir/w^/teRornen opgerecht ,verbeeld
de ftraf der genen, welke van't geval geholpen, te overmoedig, hovaar- dig en wreed worden, na 't uytwerpen der Tarquynen, door 't vrye Room- fche Volk opgerecht. Deze ftreng van opzicht heeft op haar Hoofd eene Zon, om dat dezelve de minfte Spinnowebben en ftotjens zoo wel als de groote Ligchamen ontdekt. Zy is wat gewapent, en voorts getabbaard, Bewyzende, dat men de Dwingelandy eerft door dapperheyd ondergebracht zynde moet veranderen, niet in een beroert wild wanbeftier, maar in een welberade Regel over 't Volk ^ waar toe zy in de eene Hand eene Toom draagtj in de andere het Zwaard en de Schaal van de Goddelyke Recht- vaardigheydj en Jupiters <Diphthara^ waar op der grooten en kleynen Rol geteekent ftaat, om den Arm-, met Vleugels, om dat zy den boozen als een valftrik uytden Hemel fchielyk op den hals ftort,hoewel zy op eene Schildpad ftaat met Voeten van Loot, bewyzende, dat zy langzaam toetreed, maar 't uytftellen der ftraf door 't verzwaren verdubbelt. I-'- For tuna Augufla^ of 't Keyzerlyk geluk, op 't Capitool en elders
opgerecht, is met Vleugelen voorzien, om de gezwindheyd van hareZege* nen te verbeelden •, met eene Lans in de eene, en den Overvloed in de an- dere Hand j en eene Sleutel op hare zyde, om alles te overwinnen, alles ge- lukkig te maken, en alles te bewaren, met den Arend op den Hoofdftan- daard der Romeynen, van Goud of Zilver pronkende, boven de vierkante Opperveldheers Vlag, waar in zy eerft de Wolvin, een Paard,of een pur- pere Draak deed brallen. Deze Vogel is by veele gelegentheden van Cyrus, Cafar en anderen, by toeval, met voordeel voor uyt vliegende gc- G g zien,
|
||||
2^4 £*E HlER-OGLYPHEN OF MERKBHELDEN.
zien, en alzoo daarom, en om zyn hoog vliegen en fterkte bovcn andere voor een gelukkig voorteken geacht, maar ook dikmaals uyt loosheyd, door den Oppergezaghebbers opgefchoten, om den Zoldaat moediger en ftouter te maken, op de hoop van de wide Zeegen. Het Tedeftal of Voetltuk* waar op zy ftond (gelyk op de PenningenJ droeg 's Keyzers Beeltenis. Vesta, door eene ronde Steen verbeeld , uyt Phrygie naar Romen
gevoert, en uyt Almone^ een kleyn Armpjen van de Tyber,tot Romen ge- bracht, op eene Pilaar gezet, en met Eeuwig Vuur gedient, was met eene Ringftreek over midden, als Merkbeeld der twee halve Ronden der We- reld. De bovenzyde van ingekapte fcherpe hoekjens zoo wel als de onder- zyde, naar hunne mening de heete en koude Wereldftreeken onbewoonlyk vertonendej om die reeden met zoo veel zucht tot Romen begeert, orndat zy der Groote Moeders Beeld bezittende, en meer alsandere vierendc, zig *t gebied over 't Heel-Al der Wereld daar door beloofden. N. Mars, de Wreeker, de Overwinnaar, de Bewaarder, zo wd als
Jupiter, by haar eetytelt, was verbeeld door hun Krygsbewind, en daarom als een Roomfch Zoldaat gewapent, met den Blixem van Jupiter', als uyt- voerende de wil des Oppergods, voorzien, boven eene Vuurige Draak, ver- eonende hun Hoofd, den Opperbevelhebber, voor wien Vuur, Bundcl- pylen, den Arend en purpere Draak gedragen wierden. De Overwimting is op zyn Schild en Staal gedreven, op Claroen en Trompet, den Vyanden fchrik, den Romeynen moed inblazende. Zy heeft de Eeawigheyd met veele ftraalen aftintelende rondom haar, tmTchen welken men fteeds denieu- we winften des verder uy tgeftrekten Ryks deed fhyden, met de namen der overwonne Koningryken. De korte riek, waar mede zy licijt de gebor- duurde Borftftukken der Ga/len, de bonte Rokken der 'Pdrtfyen, en de bloote Borften der Duytfchen doorboorden, voerdt zy in hare vuyft, en de overwinnende dagge, het kort Zydgeweer, door welke zy fteeds braken de kracht der Vyandelyke Benden. De Adelaar met zyne klaauwen op de Wereldbol zittende, vliegt aan hare Rechterzydc vJ. Zy hebben ook <iyEfculapius geeert voor de Heelkonft (hoewel zy
de Artzen als Peften van 't Gemeenebelt, dikmaals uytboenden) of Gezond- heyd. Deze met Lauwerieren van Apollo, zynen verdichten Vader, om de kale Kop, heeft in zyne Rechterhand een risglas of Urinaaly ftaande op eene Slang, van ouds net Merkbeeld van de Geneeskunde (mpgelyk de Ou- de Slang, dien Vyandvan tMenfchelyk Geflacht>of liever de KopereSlang, van Mozes in de Woeftyne opgerecht,en genezende door het aanfchouwen de Kinderen Ifraels, die van de Slangen geheten waren,) wiens Staart rolt in de byeengeraapte Penningen, door de vrees der lafFen voor de Dood van den Ryken gepluggert j die uyt eene StofTcheyders Pot vloeyen. Een fachthond, waar
|
|||||
s
|
|||||
Van de Straf-Goden. XXVII. Hoofdstuk. 135
waar van hy opgevoed is van ouds, aan zyne zyde, mcrkt haar vlicgen van
Huys tot Huys, om 't bejag van hare winft, verfcheurende zonder befchut- ter die, waar op zy jacht maken. In zyne Linker houd hy eene kwaflige Stok, om de zwaarheyd van hare Kunft, maar meeft om de onvruchtbare duyfterheyd van haar weeten, welke duyfterheyd door de groote Baard, uytheemfche Geboorte, Wanfchepzels-geftalte, en onleesbare Raadzels groot aanzien pleeg te hebben. Eene Vyfhoek van gelyke deelen, 't Merk derge- zondheyd, by den Feniciers, ftaat op zyne Stok, als of die giflers de ge- zondheyd, die zy fteeds verzwakken, op haar duym deden draayen. Jl. De Diana, op de Aventynfche Berg aangebeden, droeg Hoornen
van de Nieuwverhchte Maan op haar Hoora, de Jachtkoker op de Rug, de Worpfpies in de Hand, om dat de Nacht tot lagen, netten en verfpie- den der Beeften cygen is. Zy voert eene ontfteeke Toortsin de Hand, als "Wegwyfter der Reyzigers, en eene Goude Sleutel op hare zyde, als T>iana Lucina-T bewyzenae, dat zy de Baarmoeder opent, en 't eerfte licht aan den geboorenen fchenkt. Dog wyl *t baaren met fcherpe pyn is, heeft men de fnelheyd van dat gevoelen, welk het fnerken der vlam veroorzaakt,inde Levenstoorts getoont. Paarden of witte Herten voerden hare Wagen. Zy wierd Trivia, Triceps en Trigemina genaamt, om datmen haar op eene vierkante Steen verbeeldde, met een Paardekop, om de fnelheyd van de Maansloop, met die van een wild Zwyn, om de Jacht i en van eenen Hond, om dat zy als Hecate ook over de Hel geftelt wierd. vi^Men heeft haar ook met den hals en kop van een Sperwer, een Vo-
gel om de fchitterftraalen uyt zyn oog aan de Zoneygen, vertoont, als ontfangende van dezelve haar licht; met vier Borften, als aankweekftervan alle vruchtbaarheyd } houdende de Bol der Wereld, waar van zy zomtyds in de Eclipfen befchaduwt word , tuflchen haar en de Zon inkomende, in hare eene Hand, met eene Drietand van Neptunus in de andere, als Moe- der van de Eb en Vloed, Stormen en Kalmten ter Zee. Haar Kleed van Lapis Lafy/i, vol Sterren, fluyt hare Lendenen. Zy hadden in 't Roomfche Gebied oneyndigcr Goden, om dat zy alle
die der verwonnen Volkeren ook in haar Xv. Pantheon overbrachten, welk men hier achter gebouwt ziet> dog
onder hunnen eygen Goden rekenden zy meede Orcus voor de Hel,*5>*T<r«- lio voor Saturnus, den Landmefter, Ca/ror, Tollutc, Be liana, voorts Fan- nus ^ Garment a > Tales voor den Landbouw en Beeftenweyding, Vertum- nus, Heppa Ncenia, Venus Virginenfis, UpiaeDomiducaCumina,Termi- nus, Tartunda Egeria, Toft-en Antevorta enz. hier na zullende te pafle komen, behalven hunne Hclden, Heldinnen, en Keyzeren. Gg 2 AGT
|
||||
-^-V.:;-.-P.W-»'»«^ I I
|
||||||||
' ■■•—"^ w-------'------T--------
|
||||||||
.....
|
||||||||
-■---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------__^--------------------------------------------------------. ■
|
|||||||
Van de Goede en Kwaade Goden.XXVIII. H00FDST.137
|
|||||||
d---------
|
|||||||
AGT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
r "a **
■
Van de Goede en Kwaade Goden.
■ ■
DE meefte onder de Heydenen, jazelfseenigederzoogenaamdeChrifte-
nen, hebben gemeent,dat het Eeuwig Weezen, het welk zy ftelden voor hunnen Schepper en Onderhouder, was Oneyndig goed, en dat daar niets uyt konnenae voortvloeyen als zegen, noodzakelyk een ander Wezen of beginzel moeft zyn, het welk zulken goed belette, ofkwadenop haar uytftortte. OJtris was by den Egyptenaren de Goede, Typhon de Kwaade,' by denlndianenin Calecouth, was Tomer ani> de Goede God, onverbeeldelyk, maar • Herimis, de Kwaade, een Gedrocht met veele Armen,Hoornen,
Klaauwen en Staarten , in eene vorm van allerley vaifche en ongelyke Ly- nen, rondom met Vuurftralen vertoont, en op allerley manieren verzoent. •t>- Joosje Tidebaic, by den Japanders en Coreanen, ook by eenige
Chineezen voor den boozen God,dien zy aanbidden moeten,by den Mext- canen het zelve; by den Ouden Saxen Finnus, de Goede God zonder Beeld, en S'tba zyne Vrouw, maar de Duyvel, als V>*« Een Draak, die ook by'Sclav'onen, *Dacen en Ungaren met dc
namen Lafcedi, Vatablon en 1)e£ is aangebeden. D. Abaddon, met *t Slangenhooft, Vlerken en Slangenftaarten voor
Voeten, gelyk Afmode} zyn by den Joden zelf gevreeft en aangebeden, oin yan haar geen kwaad te lyden. ■E>» Den Verleyder in *t Hof van Eden hebben zy met een Vrouwen A an-
gezicht en Slangenlyf verbeeld. De Ouden hebben aan veele zulke Gedrochten geoffert onder de Aarde,
als aan Berg-geeften, Lemures> Lares, Lerunda, enz. welke hier na ge- toont zullen worden. Hoewel in myn Vaderland zommige dartele verftan- den grof fpotten met allerley Geeften, ja zelfs de Duyvelen uyt deH.Schrif- ten wel zouden willen weeren , zoo acht ik echter met van alle , maar van zulken,die iets betekenen, wat na te laten aan den Liefhebbers, om die te gebruyken in Landen of by Menfchen, daar 't onbezonnen Redeneeren wat min, en't Gelooven wat meer in zwang gaat. De Spooken zyn oneyndig in geftalte te vormen,. maar komen meeft uyt
. Gg 3 op
|
|||||||
z^8 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
op goede, of kwaade, gedienftige, of gebiedende,»waarfchuwende, of
volgende. Goede zyn, als een Kwelduyvel van Mafcon j Fluyters, Praters, Guychelaars, die ook meeft tamme ^/^/ftr-beeften, Koppen of Lyvenheb- ben, en eeven zoo veel grond, als de Kwade zyn Feen> of oude Vrouwe- lyk gekleede Gefpenflen, die klappen uytdeelen, goed fchenden, en de Huyzen ontruften, de oudfte Mocfens zig aanpafien,en watvierigerOogen^ klaauwige Vingers, grys of pekzwart Hayr toevoegen, met wat Rook, of Vuurvlammen rondom haar. Zulke bewarenSpelonken, diepe KcldeffceiL Hoolen, eelyk hier een **• Oud Schatbewaar-der. is, die dagelyks zyne Goude Angelotten
komt tellen. Hy heeft een wit Doodkleed aan; de Helm van Tfatff, die onzichtbaar maakt, met eene Krans van zwart Ebben dm *t Hoofii, grys en zwaar van Baard, houdende in de eene Hand eene Sleutel, in de ande- re eene Wichelftok van een Wyneaard gefheden , met eene yzere Geldkift voor hem, en een Schop of Graaf van de Gouddorftige Vrekken, die zul- ke Geeften in hare verbeeldingen zien, of van looze bedriegers daar toege- bracht worden, om alles overnoop te werken, op hoop van de gedroomde fchatten. , G. Eene bozer zoort met vuurige Oogen, en vlambrakende Muyl, met
Klaauwen en Haaken verfchrikkelyk, afgryflelyk om zyne Hoornen en Baard, ja Staart, houd wacht aan de Ryxifchatten, blaaft en bluft de Fakkcfs en Lichten uyt, flaat en doodt den onderzoekers.
....-■'■
H. Eene yverige zoort zyn de Bergmannekens, die in de Mynen zoo
naarftig zyn, en zoo in de bocht fpringen , als 't werk braaf aangaat. De- ze zyn van Pisdiefjes of Dwergjes groote, anderhalf-voets VentjeSjde voor- boden van groote drokte vergezelt. *s Nachts werken zy in de Winkels, werpen al hct Werktuyg overhoop, maar voeren niets uyt * om dat zy in de herflenen van de driftigen meer zitten, als in hare handen. 1- Achter deze zietmen een Sabot der hoopen, met een zamenvloedvan
oude, llechte, zufFe en kwaadaardige Wyven, die befmeert met Zwymel- zalf, leggen fehuymende -, terwyl zy meenen, dat zy wonderen verrichten. Wakker geworden zweren zy, dat zy op Galgevelden en Kerkhoven, met anderen rondom de zwarte Bokgedanft,heerlykgefmult,en heerlyk geeert zyn geweeft. Van zulke zoort zyn zeer geeftige grillen van onbollige gee- ften nagelaten. Van grooter zoort zynde is &■• De witte Vrouw; welke der Vorften Dood voorzegtin de Ho~
ven van Brandenburg, Beycren en anderen,en gezegt word in een wit Wedu- wen
|
|||||
v-
|
|||||
Van de Gqede en KwaadeGoden. XXVIII. Hoofdst. 139
wen Kked, grooter als 't gemeene zoort van Menfchen, met een Doods-
hooft (zoo'men zegt) in. de eene, en een Uurglasindc andere Handtc verfchynen. L. Larunda , de Moeder der Harpyen, met Slangen om *t Hoofd,
zuyeende het bloed der tedere Kinderen uyc, met Gierenklaauwen,en Dra- kenftaart, gevleugelt als een Draak, is van dezelve zoort. DeOudenen zelfs hedendaagfehen hebben de Kinderen-kwaalen van uytteerende ziekten aan Spooken ofDuyvelsmoeren aangewreeven. M. De Harp yen en de Striges, een kleynder zoort van die Grouw-
vogcls, en voor de dagelykfche zorgen verbeeld, zyn zwaare mymeringen, uyt diepe zorgen, wraak-of eerzuchten geboren, en daarom door den Dich- ters verciert, als Gedrochten, die den Difch der Helden beplunderen enbe- vuylen. Die van laffe waterachtige vrees en febrik geboren zyn, zyn Har- tye»,Week,met Waterflangen om \ Hoofd, blaauwe flaauweOogen,han- gende Etterborflen, en Staarten van Slekken. N. Die toorn, wraak en zulke driften hebben te verbeelden , neemen
zulke Harpyen, zynde van roode vuurige Aangezichten en Oogen, met vier Vleugels vanDraken, en Staarten in drien geklooft als Pylen. Onder of bo- venleggende Geeften zyn uyt onmatige driften van wulpsheyd geboren, en worden als Saters vertoont, maar de O. l<iachtmerrie zit op de Nek van eenen Slaper,met een Nachtuylen-
kop, om dat zy in droefgeeftige zware herflenen meeft valt. Vleermuyzen- vlerken heeft zy, om dat zy by Nacht de zwaarmoedige Menfchen meeft drukt, en'oen Cham<elt<ms Ligchaam, om dat zy zulke zoort van benaauwt- heden aanbrengt, als de overvloedder taaje kwaade Vochten opgeven inde bedwelmde herflenen van den Slaper. Maar wyl de Zenuwen en Peezen van 't Lyf in de Nek meeft te zamen ftooten, zit zy daar op en weegt, en drukt met fchrikkelyke benauwtheden die logge Zieken. x. De Aardbeving in een Hoi by Baja geviert, is een grof Wange-
drocht met rood borftelig Hayr, uyt zyne Bek Zwaveldampen brakende. Flodderende Vlerken hangen aan zyne Schouderen. Hy breekt den Aard- kloot in ftukken tuflchen zyne verwoeftende Vuyften -, is onder als eene Slang, om uyt de diepe Holen van de Aarde op te klimmen. Hy zit in een don- ker Hoi. CJ^Scylla is eene fchoone Maagd, maar onder aan de Buyk met felle
Hondenbewaflen, welke de Maften, Zeylen, en Scheepsplankenverfcheu- |
||||||
ren.
|
||||||
'-
|
||||||
--------1--------------------— -
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
14.0 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
ren, terwyl zy het Schcepsroer aan ftukken knapt. Hare Honden zyn de
betekening van 't gedruys der Golven > en de zachte kalmte op haar zorgc- lyk rif het fchoon en lief Bovenlyf. •K. Charybdis is onder eeneWaterflang,boveneenezingendeVrouw,
tot dat zy hare Tanden en Klaauwen in den armen d^renkelingenfchipbreu- kigen flaat, wanneer zy hem in haar Draaykuylen heeft neergetrokken. &• Syrtes is eene Lybifche fchoone Maagd, van Hoofd, HalsenBoe-
zem mals en aanlokkelyk, maar met Klaauwen en Nagels gereed omte ver- delgen den Varenden man. Zy is fchoon van aanzien, om dat hare Strand- duynen lieflyk voor 't oog zyn, maar die op de Droogte verzeylen, finoo- ren in de barning> ofteLandaangedreven, worden zy door de booze Strand- lieden, of door Schrikdieren geaoodt. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
r
_■•...
\
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
" t
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
. .. ... .
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
...
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
•
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
NE*
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
" " . ■ "»
|
|||||
Van de Kwaade Goden. XXIX. Hoofdstuk. x^t
NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Kwaade Goden.
ZOdanige twee Beginzelen, namentlyk een van alle Goed, en een van
alle Kwaad, zyn alle Volkeren meeft gemeen geweeft. By den Egyp- tenaaren was Typho niet alleen, maar ook Jiff it, welke, wanneer Ofiris om de Zonden der Menfchen niet luftte te waaken, tot voortzetting van het Heyl der Stervelingen, alles wat 'er goeds voor den Menfchen te ver- wachten ftond, het onderfte boven keerde en verwoeftte. - x\. Y)zze Afpis of Adder > had een Havikshoofd * maar Gierevleugelen.
De opgezette Borft was fchubbig-, een blaauwe adder vergirVerwe liep over het kronkelend Lyf tot den ftaart toe. Dit Schrikdier verbeeldde de ftreng- heyd van des Hemels Recht tegen de Zondaaren en Boofwichten, met op- hooping van alle rampen op de Wereld, door welke Hongersnood , Peft, Oorl log en Tweedracht opkomen. ij» Die van Indvftan hebben voor dien boozen God een zeer afgryzelyk
Beeld, Otau, gelyk buyten Matura is te zien. Dit heeft de Kop van eene Mol, de blindheyd, by tegenftelling van *t licht van Ofiris $ te kennen ge- vende, door deTand van een wild Zwyn, wederzyds met veele Armen, en die met allerley Geweer om te befchadigen gewapent, Hamers, Kritzen, Zeepmeflen, Vuurflingers en Pieken. A an den Hals hangt hem de Staart- flerre flikkerende op een geblaauwt Borftftuk , waar onder veele wreede Beeftenkoppen volgen, van Tygers, Leeuwen, Muylpaarden en diergely- ke. Hier onder hangt een Wapenrok , waar uyt twee groote Oliphants- voeten Happen, door welke zy begrepen, dat de ftraffen van den Hemel wel langzaam entraag, maar zeker komen. ^* Die van Bifnagar, Merjinga, *Decan, en andere Ryken, hebben groo-
te Gedrochten, zwart, vuyl en ongezien, welke door duyzende Menfchen te gelyk van den eenen Tempel naar den anderen getrokken worden. Het affchouwelykfte is het Gedrocht Zamelnk-, met een blaauw wel gehoornt Hoofd, vol fneden en kerven, met Tygersklaauwen, gereed om alles van een te ryten > het welk naar alien fchyn de Zamolxis der Scythen zal zyn. Dit heeft achter aan zyn Rug Indifche oude Letters, behelzende deHoofd- wetten voor den Menfchen. In zyn Buyk is een gefpikkeld Gedrocht, met eene wydgapende Bek, als eene Slang eyndigende, die zoo veele Oogen **II heeft,
|
|||||
X4Z D-E HlEROGLYPHEN OF MeRKBEELDEN.
heeft, als 'er Vlekken op zyn«r met welkea deze DuyvelhetdoenderBozenr
en hare kwade gedachten befpiet. D. Typho, die ook wel een Nachtuylskop heeft, fen by den Grieken
Onkunde, en daar tegen Ifis Kennis is te zeggen) heeft op zyne vergrim- de Wolfskop eene Wereldkloot, door welke eene Slang loopt, wiens Kop afgetrokken is, bewyzende het ophouden van de Levende kracht Gods in de fAardfche deelen. Eene Pluym fteekt 'er op, om de onnafpeurlykheyd van zyn Wezen, als met God gelyk, te bevatten. Hy houd de Lot bus of "Waterlelien verflenft in zyne Klaauwen, en draagt eene vlammende Pook in de Linkerhand. Een geplooyt Choorkleed dekt hem t Lyf,waar op onder aan de zoom de Viflchen geborduurt zyny om datdeZon in de Viflchen zynde, by henlieden de Peitmaand word genoemt, en om dat de Viflchen het Teellid van Ofir is, in de Zee gefmeten zynde -y opfnapten, en alzoo d* voortpkntende kracht van de Zon verdelgdea. Eene Havik aan een Leeu- wenlyf word onder zyne Voet vertreden, en alzo de invloeyende Zonne- kracht, Hemphta gedemptj ftaande op de drooge Nylgaten, waar onder een Krocodil zig vertoont. Hy houd voor hem ftaande &• Een Beeldeken van een Ongelukkig Jaar, als een Jongsken, wiens
Hoofdhayr brand, houdende eene Staf, waar op een Hoord van eene Hop- pe otUpupa ftaat, in wiens Kamzeven veelverwige Ve£rendeverfcheydeiK heyd van Vimr, Aarde, Water, Lueht, Dieren, Planten cnMynwerkcn vertonen. De Regelmaat in zyne Hand is vergeefs, terwylhy onder 7/- fhons macht was. Dedrie Gezufters, Eumenides^de Furien, of Razernyen,genaamt,zm
medc van dien aard, aan welke men zwanger Vee flacntte om hen te be* vredigen. Haar Tempel was in Achaje in een duyfter Hol$ alwaar men- verdichtte, dat Orefies zyne zinnen had verloreiu £» De jongfle is met een Kattevel gedekt, hebbende haar fchoon blond
Hayr achter aan in Slangen ontaard, en brandftokende met hare vlammen- de FakkdL G. De tweede ouder met blaauwe vuurige Slangen om haar Kop flinge-
rende, zwaayt een Zwaveltcorts met de eene, en ftrooyt Slangen metde an- dere Hand in de Boezemen der gener, dewelke zy aanfteekt. H. De derde oud, Waauw, en mager, heeft hare hangende Slangen.
voi mottig ftrhuym in de eene, en eene groote Stok in de andere Hand. Lea zwart vuyl Kleed met eene Slangengordelhangtongefchiktom haar verfchron- kdki Lyf Zy verbeelden de vinnige driften, die den Menfchen ontroeren >. de
|
||||
Van de Kwaade Goden. XXIX. Hoofdstuk. 14.3
de eerfte van dolle Liefde % de tweede van Wraak} de derde van Geld en
Eerzuchr, Deze Helfche Razernyen onthouden haar in de Helfche Poel van Stjx, in welke vier Vloeden te zamen ftroomen, eene warme, eene bran- dende, eene vergiftige, eene koude -, willende daar medc te kennen geven de zoorten van Ingeboore Bloedaart, deBloedryke van de Korfelige, Kout- vochtige, of Zwartgallige. Men zoude hier nog kunnen byvoegen een vierde Razerny, die Krank-
zinnige Dolheid, verbeeld met ftyve Oogen in 't Hoofd, die altyd op de zelve zaak zien j voorts Naakt, Vuurigrood, met uytgetrokke Hayren ea krom gewaflen Nagels* als ook een Zinnebeeld van een kwaad Geweeten, met eene ftrenge Geeflfel in de Hand, het Harfienberoerend Kruyd ^Dotrua om haar Hoora hebbende, is Mannelyk, fterk en krachtiger als de andere* zoekt te vergeefs een Nap uyt de Vergetelheyds Stroom Lethe in te nemen > nooyt flapende, te vergeefs met Harpen ofSpeeltuygen geftilt, gelyk inZaul i. Sam. XVI Ju Achter de Razernyen in de Thlegeton, Cocytus, Acharon en Lethe
of Vergetelbeek, vaart Charon, oud, vervaarlyk, wreed, met donker- graauwe Oogen, rood, met eene lange Koperverwige ongehavende Baard en Hoofdhayr, hebbende zyne flordige Rok flordig geknoopt omgeflagen, om met zyne platte Riem zyne oude Boot of Schuyt volladen met Zielen, van de Strand der Wereld aan den Helfchen Oever over te zetten. Door deze verftonden de Wyzen de Levenftyd aldus: Charon was de Zoon van Herebus (de Verborge Raad der Godheyd) en van de Nacht, die beyden ook de Ouders waren van de l?arcae of Schikgodeflen, om dat eer dat de Tyd *er was , geen Licht kon zyn, en hy daarom in *t donker moeft geteelt zyn. Geboren zynde wierd hy door de Goden in de Hel ne£r gezonden; de Wereld verftaande, die ten aanzien van de Goden hunlieder Hel of Af- grond is. Hy voert de Zielen van den eenen naar den anderen Oever j om dat wy gebooren zynde beginnen voort te gaan na dc Dood. De Rivier of Vloed van Acheron is de Verbeelding der klenden, die wy in't Leven door- ftappen. Hy is oud, maar fterk en fors, om dat de Tyd door later en ou- der te worden geenzins hare kracht verlieft, maarwel hare flagen en arbeid in vergetelheyd ziet brengenj waarom haar ganfehewerk in de Rivier Lethe of Vergetelheyd te doen is. Hy is flordig en mottig gekleed, ongehavend van Hoofd en Kin, om datwy in der Tyd zynde weynig bezorgen dezaken', die uyt der Tyd zynde ( namentlyk de Hemelfche) ons zullen treffen. Iv. De Stygische Macht, by de welke de Goden zweeren, is eene
oude Schrinkelbeenige gedaante, zoo mager als de Dood, die de Bol van't Geluk in hare linker hand heett, en de Aardkloot beftraalt en onbeftraalt voor haar, allcs wetende,zelfe het verborgenfte dat'erin omgaat.Zy zweert Hh 2 met
|
||||
244 ^E HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
met dc Rechterhand, hebbende de Eeuwigheid om haar Doodshoofd. De-
ze zit tunc hen de ruichte van dc Vloed Styx in, en wierd zoo uytgehouwen of gefchildert in de Vierfchaar derouden geplaatft, om Rechcers en Schul- digen te doen denken aan de ftraf der Goden, zoo de een tegen zyn Ge- wifle fttaft of ontflaat, of de ander het H.Recht bedriegtj want naaft haa* volgt i-j« Fur-Ina, de Mo&rder Helfche Razernyen. Zy heeft eene Krans
van witte Narciflen, en eene witte band om haar hoofd,in een diep hoi zit- tende aan de Styx , Rouw en Droefheyd betekenende , die om de Hel loopt. De andere Helfche Vloeden hebben ook de namen van Knagen, Kermen, Zuchten, Onruft, en zulke kwaden , die de Gedoemden altyd in hunne Boezera voeden. Zy was uyt het Eyland CaJJiJleris, met groene Slangen in plaats van hayren aan het hoofd, eene fyne Moordnaald in de eene hand, en eene Pektoorts in de Vuyit $ over 't ganfche Lyf met Bloed beverwt, met Adderflangen om haar Lyf omgord. Zy heeft Etterige Borften, met eene gedurig invreetende Ranker om haar hert. De verllapte Buyk hangt haar laag als de Waterzuchtigeru Voor Reenen heeft zy twee Slangen of Crocodils ftaarten. Wie in haar hoi raakt, vreet zyn eygen hart op, en eyndigt in Razerny met Dolheyd, oi; Teering, zyn Leven. Zy word ge- houden als de overtuyging in ~*t gemoed der gedane fchelmftukken.. M:
* Op den Oever van deze Styx, ter zyde van't hoi van Furina, vooc welke te Romen eene dikke Doom en Dennebos was toegeheyligt, ziet men eerft een grouwelyk Schrikdier Chimarea, Vuurbrakende uyt zyn Leeuwen Muyl. Draakenvlerken maken het Schrikdier yflelyker, dat een Geytenbuyk heeft in 't midden , en Draken-achtergat. Dit is naar eenen Berg in Lycie ge- vormt, en zamen geflanft, die Vuur bovenuyt fpouwde^ lager wreede Leeu- wen voedde; onder Schapen en Geyten, welke Harders, Rovers en Moor- denaars waren, van Bellerophon overwonnen y en ik weet niet waarom aan de zyde der Hel geplaatft:.. Daar na volgt: ,_ _ JN. Cerberus, deHelhond, niet bailende als tegen de Zielen, die te
rug willen, of in de Tooren der Goden fterven. Dit Gedrocht is met drie Koppen en Keelen, doende weergalmen zyn grouwelyk blaffen, met Vuu- rige Oogen, vergift fchuym uyt de Keelen ipuytende,. wrens vervaarlyke Klaauwen zelfs de Dapperften vreezen. Zyn Lyf eindigt achter in de Kop van eene Waterflang, zoo dat hy (gelyk de Dood fchier aan alien fchynt} van alien zyden gevaarelyk is. Zyn Makker is een Gedrocht van de zelve aard, knagende net Vleelch der Levenden van haar Gebeente, Eurinomus genoemd , afchkleurig onder aan, zwart boven aan, grinllende met zync SAachtanden ,, met een Giexevel, en drie Gierekoppen, die alles verflinden, uyt
|
||||
Van de Kwaade Goden. XXIX. Hoofdstuk. 24.5
uyt zyne Borft opryzende. Dezc laatfte verfcheurt 1 geen Cerberus heeft
zonder baflen laten voorby gaan. Dus toonden de Heidenen , dat de ge- breken onsminnelyk kittelende, in- en wech fleepten, tot dat deDoodaan- kwam, die ons dan voor oogen flelde de nietigheid der vermaken, zoo wel alsde fchande en ftraf derzelve, Armoede voor den Erven en Kinderen, gefchonde Eer en Faam, en de Vervloeking van de overbly venden. o. Tuflchen beyde zwerven Gedrochten van Beeften en Menfchen te
zamen geftelt, die, onder de fchaduwen der Zielen zynde , niet nalaten de Levendente verfchrikken, Mania genaamt by den Ouden, by ons By- tebouwen. Gorgones, Singes, Harpy en hebben wy gehad, Empufa, eene vreem-
deVrouw of Feexmaakzel methangende rrammenen Buyk, van onderen ten deele koper, ten deele Drekvoeten tonende , veranderende in alle ee- daantens. Kinderenfchrik, Hecalaa, 'Dice/on en andere by de Ouden;. Onofceli ook genaamt, wanneer zy Ezels-fchenkels onder Menfchen Licha- mendroegen. Gatti, Momom, Satyr en, Silenen, Telchinnen zyn Apen of Meerkatten,daar naaft, maar verfchrikkelyker gemaakt, met Vleugels en Staarten. Telchinnen zyn Kabouters, Bergduyvels enz. die de Berggravers onder in de Mynen overftelpenv 1 . Sphynxen (van de welke zoo wel, als van den Satyren, meer elders
gezegt moet worden) zyn Wandieren met Vrouwe Aangezichten en Boe- zems, voorts Arenden en Leeuwen aan Vleugels, Lyf en Voeten- te ken- nengevende, dat het Menfchelyk verftand, Goddelyk verlicht, tot wreed- heyd en booshyd licht uytbarft. Sphynxen of Sphyngen zyn van voren Juf- fers met Tulbanden en Hoofdfleppen gedekt. Zy hebben veelvoudige iiyt- teggingen} waar van meer nier na. Zulk eene ziet men buyten Cairo nu nog by de Piramiden, uyt eene levende Steen gehakt. Dcze plee? ook tot Godfpraak gebruyktte worden, zynde daartoe uytgeholt,om 'tH Be- drog tebevorderen, 140. treden lang, en van den Buyk tot het top van 's Hoofds-Tulband, 154. hoog; door den Inwoonderen met Goddelyke eey aangebeden. Zulke gevaarrens rechtten zy ook op als Naalden, welker geftalre
wat heerlyks belloot, zynde van een ondeelbaar punt (waar in zy tot den. Hemel opklimmende eyndigen) na vier deelen ontallyke mindere iytlopen de^ dienende eemge tot kennifle der Natuur,en Godgeleerdheyd derEevD* tenaren> andere tot Grafiteeden der Vorften, &JT -R. Maar 't grootfte gevaarte fbhynt Semir amis y onder de eerften der
Babyloniersi die naargelaten heeft derzelver geftalte tot vergoding. Zy was Hh. 2 & i
* ge-
|
||||
Z4-6 Db Hieroglyphen of Merkbeelden.
fekapt en volgcns de Kunft gefneden, tor groote van 17, Stadien of 1.
taliaanfche Mylen. o« Per Wenden, Sax en en ScUvonen God was tweederley: cene Mans
geftalte wit, met een veelplooyig Kleed aan, houdende een Harp met acht Snaaren ora den Hals, betekenende de acht Hemelen en derzelver overeen- komende zamenbeweging-, door dezen wierd God Jutrebok geheeten, wiens Voeten zy nooyt vertoonden, hem voor Oneyndig aan haar begripdaardoor verbeeldende, met eene Zweep in de Hand, om alles voort te dryven, en eene Kop met Water in de andere, om te toonen, dat de Aarde en *t Wa- ter aan deze voortdryving moeft gehoorzaam zyn , en haar invloed ontfan- gende. Of was het zelve Beeld zwartj zoo maakten zy daar van den Straf- God Scharmefak, die by de Nacht regeerdej gelyk de andere by Dag-, zynde een en dezelve God, by verandering van verwe verfchillende. Dan gaven zy hem des Nachts Sterrekens aan de Zweep, en Vuur in zyne Aaf - de Kop. Deze bragt hen alle rampen en ongelukken aan. Dushebben wygezien de Afgodenen Afgodinnen vanBabyloni'ers9Ethio-
fiers, Egyptenaars, Grieken, Romeynen en Barbaren,die met GodsKin- deren te gelyk opgewailen, met den Joden te gelyk aangewaflen deganfehc Wereld overftroomden; zoo dat hunne Onderworpelingen, de Afgodendie- naars, t'elkens Gods Kerk onder den Joden verflaafaen, verdrukten, en byna verdelgden, ja eyndelyk den Ryxftaf en alle Opperrechterfchap bena- men, wanneer de SILO gekomen wasj zoo dat 'er de H. Stad, de Tcm- pel, en 't ganfche Land Kanaan (dat weelig Land van Gods Belofte) ver- woeft, verbrand en ontvolkt wierd. Welke Rechtvaardigfte ftraffen, door zoo veele Propheten, en onzen Zaligmaker zelfs voorzegt, van Gods Hand lange verdient waren, niet alleen doox hare Godloosheden in de welluften en Afgoderyen, maar 00k met het dooden van zoo veele Godgeheyligde Mannen, en het kniycigen van den Heyland Je&us C/&r//?«j,,behalven net verachten van Gods H. Woord en zyne Wecten, het verdraayen van den H. Zaligmakenden en zuyveren zin der H. Bladeren door hunlieder Cath- baliften, Talmudiften, Sadduceen en andere Kettery-zaayers. ■
.._......
|
||||||
-
DER-
|
||||||
Van het Goddelyk Woord. XXX. Hoofdstltk. 14,7
|
|||||
DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Van het Goddelyk JVoord. TErwyl het Heydendom alzoo fchcmerende taft naar den waaren ft and,
en oorfprong van 't Geheel Al, zoo daait de Goddelyke Genade op zyne Keurlingen, en deelt aan de zelve mede het Lichc van zyn Zaligma* kend WOORD y zoo in zyn Oud, als Nieuw Verbond j welk verbeeld is, A- Door een fchoon, deftig, en onveranderlyk Aangexicht, meer En-
gel als Menfch gelykende y van wiens Hooft alomme de ftraalen affchitterert van dc Goddelykheyt, waar van het is afgedaalt. Eene gefplete Tongt als eene Vuurvlam bezet het Voorhooft, in alle Talen en by alle Volkeren nu al verftaanbaar. Uyt zyne Mond gaat eene krachtr, als van een twce- foydend fcherp Zwaard, tot het mere der gebeente , ja deZielen doorfny- dende. Onder de Reenter arm houd deze Hemelboode de eerfte Wereld door de Zondvloed overftroomt, en de tweede, in het verwarde Huyfge* zin van Noach op dc foitzen van Ararat , in dc Arke geborgen , en zoa toort gezet. Een duyfter kleed van onwil en onwetendheyt word van die Bol gehgt door den H. GEEST, dewelke in 't midden der Boezem van de H. Bladeren woont, door eene Duyve, zoo als dezelve heeft gelieven af te dalen, vertoont. Die Rechtcrhand is met een ruyge KemeJrok aangedaan, de dragt der Zienders en Propheten. Koninglyk, Priefterlyk,en Vorftelyk Purper en Goud draagt het overige Kteed, om te bewyzen, dat zyn Vol* magt-fchriften door zulke Perzonagien overgelevert zyn* waar toe ook , in de zelve Hand, eene Staf van eenen Legerhoofd, eene met het Oog daaf op van eenen Koning, eene met eene Uytgeftrekte Hand van eenen Over- winnaar en Landveroveraar gczwaayt worden. De Harp hangt op den rug,, om de Lof- Klaag- en andere H. Liederen te fpeelen, die in de H. Blaoc- ren van't Oude Verbond te^vinden zyn. De Rcchter voet treed, door *t Verbond der Belofte na den Val, dc oude Slang ter neer: terwyl de andere Vpet op 't Nieuwe Verbond van Voldoening vaft ftaande , den Kop ver* mbrzelt van dien ouden Vyand, die zyn lokaas, de verboden Vrucht, nog in dc Bek heeft. Die Hand voert eene Leelytak van zyne blyde Boodfchap des Menfchwerdenden Heylands -, omhelft het Kruys, waar aan JESUS NA- ZARENUS is geftorven, en voor haare verdoemenis voldaan heeft j die als een Zegenvierend Lam, onder zyne Kruysvaan de Zonde^ Dood en Bel overwind. Hier tegen ftaan random op allerley Vyanden, van de welke de Zwaarfte
is, die, wdkc zigmet dezelve Heyligheyt en Volmaeht optooiende, a Cab-
|
|||||
—
|
||||||
248 De Hieroglyphen of Merkbeelden
B. Cabbala , of Aantekening genoemt word* zynde dc onbefchrcvc
Wet, die alleen bezig is met allerley verborgentheden, uyt Letters, zamen- zetting , in-en-verplaatzing. Zy draagt een oud wezen, ten minften zoo oud gehouden zynde als de Bybel > ja ouder, otn datze door Engelen te vo- ren geopenbaart is. Een zwaar Floers bedekt haar aangezicht, om de ver- borgentheden, die ze nafpeurt, te verbeelden. Op haar Voorhooftflep ziet men Berefchith,h&i eerfte Woord des Hebreeuwfchen Bybels,alseen Model van duyzend diergelyke, geftikt. In haare Rechterhand houd ze een Sleu- tel om zegeningen, vervloekingen, geneefmiddelen, bezweringen en dier- gelyke , uyt de verborge woorden en Letterftellingen op te doen. Op hare Borft draagt zy een Cherubshoofd, met een Schild en Staf, voor haar Ge- ky en Schermengel. Zodanig als Raziel, van Adam-, Jophiel van Semj Tzathi'el van Abraham, Mitrathon van Mazes, en Michael van David eeweeft zyn, na haar dryven. Zy is omgord met allerly Krabbelkara&ers, en heeft drie waflche Tafereeltjens, van die Eernamen, die ze draagt, om haar te doen onderfcheyden. De eerfte is Gematria , Lettertelkonft j de tweede Notarica, om van elken letter een woord te maaken j de derde Me- tatheca, of Woordenverplaatzing. Maar 't Momaangezicht van bedriegery dekt zig onder alle deze grillen en ftuypen j zynde, ^elyk in de meefte an- dere Godsdienften, diergelyke winkels opgedaan. Zy treed op een Been (kreupel zynde en hinkende, meer als ten halven) op de Rolle van de H. Schriften. Hare Sluyer is geborduurt met allerley vreemde gefchikte Letters, om hare fnorkeryen kwanzuys uyt te voeren. Zy ftaat op eene Voetftal van rook en ydele windbellen, waar tuflchen eene droevige Nachtuyl zig laat zien • om te verbeelden, dat deze dweperyen uytwerkzels van zwaarmoedi- ge Gekken en blinde Botterikken zyn, uyt den Afgrond met die rook opge- klommen, om 't ware Licht te verdoven. C« De tweede vyand is't Heidendom, met de Kap van denOpperpaap
gedekt, die fteelfwyze dit H. Hemellicht door de Vingeren natuurt, om 'er watglimp van te ontleenen, waar mede hy zyne Poppenkraam vanAmmon, Anubis, <Pan ytn zulken voor Goden oplchikt. D- De derde is Vyand, nog Vriend, van dit Goddelyk Licht j maar
verbeeld de beeftige onmenfchelykheyd, die in kloven der Rotzen, holen en Wouden verfchuylt, ongezellig, den wilden Beeften gelyk, de Ingefcha- pe reden dempt en niet en kent, vretende zynen Evenmenfeh en alle on- guure fpyze,als Hottentotten,Tapuyers enz. E- De Dichtkowst is *er dan Vriend, dan Vyand van. Die zitover-
fchaduwt van dat Hemelfch Licht, met de Lauwerierkroon om \ Hoofd,en eene
|
||||||
Van het Goddelyk Woord. XXX. Hoofdstuk. Z49
eene Dieveflonsjen in de eene Hand; het ontleende tfraaltjen van de klaarc
Waarheyd. Met deze laat zy ons zien hare Hervormingen volgens de H. GefchiedenifTen gefchetft-, eene Aap gelyk zynde,die in hare Schoot zit,op Apollo's Liere tinkende, om de nagevolgde ontleening met aard en bc- haaglykheyd te bemantclen. ■T- Een gevarelyk Vriend van den zelven Fakkeldraager Gods is het
Licht der Natuur, vertoont door een oud Wysgeer, die zyneooren bemomt houdende voor de waare Woorden, allerley Boeken doorihuffelt, en begra- ven zynde in zyne diepe bedenkirtgen, door een Vergrootglas alle de ge- heimen van de Gefchape Wereld tracht te doorgronden j dan hier of elders inbrekende* waant hy de keeten der verborge haat, of overeenkomft der onder-en bovenaardfene met de Hemelfche dingen vaft te hebben. Dan dryft hy weSr fpoorloos met een verwilderd verftand in den Doolhof vaninvallen- de omwegen. Nu is hy Slaaf van een geval, dan Meefter van alles. Dan mengelt hy Schepper en Schepzel onder een. Dan maakt hy veele, dan geen Beginzel. Gedrevendoor voordeel, roem, of koppigheyt ftuyt hy t'elkens. Maar te waanwys, of hovaardig can zyne zwakheyd te bekennen, kweekt hy een overmaat van dwalingen, door vreemde Konftwoorden, op de on- begrypelyke Oneyndigheyt te laden. Dit fchoone Licht van dien Hemelbode fteekt echter door, en het ver-
dryft de dik bezwalkte Lucht van dampen der Onwetenheyd , of Verftokt- heyd, onder wiens duyfterheyd nog gantfche Landftreeken zuffen} in welke te veel te ontblooten, en ontvangen der waarheyd, aan de vaftgegronde Vetpot derTempelheeren, Beeld-en Orakel-Papen, te veel fchade zoudoen. Zy lachen de een ora den anderen in de vuyft, maar houden echter za- men de winkel op. vJ* Een Twyffelachtig Vriend van dit zelve Licht zit daar opee-
ne Rotz alleen, die lang gedacht, onderzocht en geleerd hebbende, niets zekers van alles en maakt •, veel min aanneemt. Deze rondom de waanen, opgevatte dwalingen, uytfporigekoppigheden, en verleydelyke waarfchyne- lykheden zuchtende, gaat leedig zitten, en befluytende met zyne Handen zyne Knien, blyft in zig zelven met eene dolle verzekertheyt, van aan alles te moeten twyfelen. ■n. De reft der dwaalingen loopt elk zyns weegs, maar gaan te zamen
verloren. Zy zyn vertoont met Ezels-ooren, en Slakken tot Onderlyven, op welke een weynig Zout van Goddelyke Waarheyd en Reden geftrooit zyn- de, zy aanftonts krimpen en wech (melten. De Dwalingzoekers zyn onder dezelve. Zy durven dol denken , ftout
** hun-
|
||||
|
|||||||||||||
150 De Hieroglyphen oe Merkbeelden.
hunlicder waan zaayen, en zyn verbcdd met Skngen en Bafiliskens-ticha-
men, ondernemen tegen alles lozer, en ftouter als de Kinderen Gods, tot datze op de fpitze van haar lieder boosheyd geklommen zynde, van boven nederploffen in de Puttea des Afgronds, uytwiens dampen zygevormtwor- den, |
|||||||||||||
EEN
|
|||||||||||||
Van de Joodsche Stand, enz. XXXI. Hoofdstuk. Z51
|
|||||
EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Joodfthe Stand by Chriftus Tyden.
GElyk de Cabbala de H. Schrift ondcrmynt heefc, zoo heeft daar te-
gendc A« Mazora dczclve krachtiglyk onderfteunt. Deze is uytgebeeld als
cen ftatigoud Man,met eenen Babylonifchen Tulband op zyn Hoofd,zyn- de in \ Chaldeeuwfch nagelaten, en voor het overige op zyn Perziaanfch en Medifch gekleedj om dat deze Mazer a voor het meefte word gezegt, door het Beleyd, Geleerdheyd, en Wysheyd van Ezra, Vorft ofLeyds- man der Gevange Joden, gemaakt te zyn, welke ontflagendoor'Darius, weder naar hun Land togen en aldaar den Tempel, en door Nehemias de Muuren en Poorten van jeruzalem herbouwden. Met Onderkleed en Kous- broek is Samaritaanfch, of Tiberiaanfch, om dat zedert veel door den Sama- ritaneri, volgens hunne oudfte bewaarde Affchriften omtrent de afdeelingen, ja zelfs regelen en woorden bewcrkt is, en het Sanhedrin laatftclyk nogwat bloeyde in Tiberias, aan 't Meyr Genezareth. Dewyl deze Mazora by ve- le der Rabbynen, veel ouderja tot Mazora is aangewaflcn van tydtottyd. Deze deftige Vorft, of Voorzitter heeft zyn Onderrok met allerley Merken der zeven Punten, Koningen door hen genaamt, bezaayt. Zoo zietmen deCholem, Schurek, Chirek, ePatachi Zegol, Kamets en Zere door ten gemengelt. Keri, hetgelczen, en Ketibh, het gefchreven, maaktdeon- derfte en bovenfte zoom van zyn Kleed; zynde de Kanttekeningen,enuyt- breyding der Grondredcn. Eene Sleutel Jegt *er in zyne Schoot van de H. Rol!enkas, die twee en twintig in getal bewaart wierden: vyf Rollen voor de Vyf Bocken van Mozes: Eene voor Jozua, Rechters en Ruth: Twee Boeken Samuels j zoo veele der Koningen, en Gefchiedboeken , Ezra, Nehemias■> Efiber > eene: Ezaias, eene} Jeremias, eene* Ezechi'el, eene} 'Daniel, eenej De XII. Kleyne'Propheten, eene Rol} Job, eene R0I5 DeTfalnten, tweej DeSpreuken, de Trediker^t Hooglied, zamen eene. De Mazora, waar van de Opftelders Mazoreten genaamt worden, droeg zorg, dat in den Tempel het oudfte der Affchriften bleefj dat *er veele geftadig nagefchreven, door hen overzien, en gedurig geveylt wier- den j om 't ruwe, dat door den Bladfchryvcrs licht in Kwam, af te nemen. Ook hield de Mazora, om zeker op de nette bewaring te blyvenj gelykdit Beeld daar toe zyne Srift of Schryfpenne in de Rechterhand houd van de menigte reyzen, op welke grondwoorden, gelykluvdentheden, als anders, voor kwamen, dewyl deze ook den Bybeltext verdeelt hebben in Veerzen, 11 ] en
|
|||||
%$l De Hieroglyphen of Merkbeelden.
en Hoofdftukken j hoewel een gelcerd Man die ftoutheyd later met veel meer
vryheyd, gebruykt heeft. Zoo legt *er een oude Bybelrol naaft hem, zoo als ik in Duy tichland heb ontmoet, met verfcheyden Vogels en Beeften in de Texten onderfcheyden. Met de andere Hand houd hy de Uytfpraak, en Regel op de naam Jehovah, Jaoy of anders, te voren gelezen. Voor hem ftaat de Boekzaal der groote Mannen, die hy wikt en weegt, met ee- ne Schaal, in welke het enkel Woord Gods, door Adonai^ opweegt eene Menfchegeftalte, met het zelve Woord boven aan verguldj zynde het Go<& delyk en Menfchelyk Schrift, en Apocryph genaamt, tegen een gewogen. Deze zorgvuldige Bybelfchaver, hoewel hy onzeker in tyd is, zoo heeft hy echter het Merkteken by zig van Ezra en Nehemia's wederkomft en wen- king. Want men ziet. by zyne H. bezigheyd een Schilden Zwaard met de Troffel in een leggen,.om dat te dier tyd, 't herbouwen der H. Stad en Tempel gewapent moeft gefchieden, ora zig zelven, onder het werk, te ber fchermen tegen de aanvallen van hunne openbare en bedekte Vyanden. 15 • De Talmud is mede door een oud Aangezicht verbeeldj met de
Muts, Hoofddekzel, en Weeding der Rabbynen} voorts naar de wyze der Paleitynen. Zyne plicht is altyd in drie zoorten verdeelt: het eene de Wet- ten , het andere de Rechten, het derde de Zeeden befchavende. Veele, en zeer Ouden, zoo wel.als Nieuwen, hebbendie Meefterlyke naam aarageno- men. Nu hebben. zy hare waardigheyds, erkentenis uyt de Hooge School van 'Damafcus „ waarom hy ook zulk eene Muts op heeft.. In zyne Boe- zem heeft hy drie Paleftynfche Boeken:. de Mijchna, of inblazing der En-r gelen: Mi/chnajothy de overlevering by Monde, van de afgeleefden tot den Nazaat: en Gemaroth ,de uytlegging der twee eerften. Deze SufFert heeft een kwalyk geverwde Bril op zyne Schikbrief,om te bewyzen, wat grollen,.. beuzelingen en Leugenvonden door die Talmudiften uytgebroeyt zyn>. waan onder ook zeer gevaarlyke, om oproer te doen ontftaan., door de t'elkens opgezette menigce, met de hoop van nieuwe MeJJiaffen > gelyk wy Jer nog. eenen Sabethai Sevi y in onze Levenstyd, gekent hebben, opgevyzelt tot eene beruchte naam, door Rabbi Ben Baruch: om in het Turkfche Gekken- huys te woonen. De Talmud hebben zy tweederley, d^Jeruzalemfchey of Babylomfche; om dat eenige Rabbynen ook in de Slaverny zeer ieverig gewerkt hebben. De Rechter arm fteunt op een Tafereel, alwaar. men de. Aartsvadercn ziet, overgevende met hare levendige.Prediking.de Wonderen Gods, aan hen bewezen: 't geen nu nog op dezelve wyze by Afrikanen en, Amenkanen gebruykelyk. is; alwaar een oudfte, 't geen hem nagelaten is, verrykt, m«t. het geen hem gebeurt is, dat nalaat aan zyn Zoons Neven en. Naneven. ,^
v>»- 'T geen deze Rabbynen zoo uytgevoert hadden>wierd van het San*
hedriiu
|
||||
■-—■-■ -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------■--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------...... --------------------------------------------------------------------------------------------____,________________:_______________ ......
|
|||||||||||
Van de Joodsche Stand, cn2. XXXI. Hoofdstuk. 25?
hedrin verworpen of goedgekeurt. Deze word vertoont als een Opperprie-
Iter, om dat 'er die een lid af was, hoewel (zoo 't fchynt) niet altyd voor- zittend Hoofd. Deze Hoogepnefter heeft eene kruyk by zig ftaan van aar- t vv?rwdke de Ceedden wicrden gelegt, voor elke Stam zes, en alzoo JLXXII. te zamen, voor die, dewelke ftonden naa de Eer, om Leeden van het Sanbedrin teworden, uyt welke de Hoogepnefter trekkende, zulken waar V/eel opgefchreven was, verwierp, en de andere, als Verkoornen aan- nam. Onder op de Schouderfieraden was gefneden, als hy een Rechter kleed aangordde, Wysheyd en Verftandjen op vier Lederen, naa 't Borft- itukgaande, Kloekmoedigheyd, Godvreezendheyd . Waarheyd en Haat tegen de Giengheyd. Twee zitten aan zyne zyde. •^ De een Voder van den^Raadgenoemt, die, wanneer Hy alleen cfe
zyne vergaderde, omtrent de Hi Tempel, Godfdienft, Wet en Schriftrn bezig was; welk Hoogft-Eerwaardis Gezelfchap dan met een Griekfch woord Synagoge genaamt wierd. Deze A§ BETH 6lN is zoo gekleed Ss de Mufn omtrent by de Turkey over anderen geftelt als AmYxU in alle zaa ken^sHeerenvZoodatmen hem ziet houden m de Rechterhand eene Dnnkfchaal tot den Yverdrank tegen de Vrouwen gebruykt , in de befehul digingen van haarheder Mans, en Plengoffers , £ Mefen en Slachtkokt aan <Te Gordel, voor de Zoenofferhanden, >t Wierookvat, voor de Reuk offers, voorts de Bybelrol, voor *t Preeken en Leezen} want zv moefte" Vorften dei Stammen, Priefters of Leviten zyn, om in die AmnLT . men. la de andere Hand houd hy een Meiftaf, "<£ de Ti3e„ V% Svnfche ot Turkfche Cadys. Hy droeg zorge voor alles war ^ ~ i P j
tfonir^s betrof, als Zebldja ^Y^^^l^J^t *£» df> eene 2&ckel van de Munt om den Hals, een Kisjen K^Gnf deren, en de Rechten en Tolgelden in zyne Schoot- drL^enl ? Reehterhand eene Weegfchaalfin de and! .J^^^bc^S0" dat hy de Oppermogendheyd m 't ftraffen waarneemt. °cwyzen r ■ 1 De>°dfch€,Beul > den Romeinfchen eevenarende, met de Leeren
riemen, Geeffelroeden en Byl, ftaat achter hem. Zy zyn belt vmnn^ tende in de Stadspoorten, alwaar dikmaals Recht fffZeS1 ^ zyn. Ja AkMm ging >er ook zitten, om elk kort tfnTlpe^I^fc gevoegde Machtigen Raad Sanhedrin is zelfs in ftaat gebleven indll Y T vexanlenngen der Joodfchc Wdyaart, « heeft nog Rto SSS^' |
|||||||||||
Ji £
|
|||||||||||
dec
|
|||||||||||
254 ^E HlEROGLYPHEN OF MERKB'EEXDEN:
der de OvcrheerlchendeVolkerenicndietotT&eriasfchyntdelaatfteftandgc- houden te hebben. Of men moeft de kleyne Rechtbankjes en Kerkverzor- gerfchappcn, die te mets maar uyt tien , zes, ja drie Mannen beftonden , met de groote willen vermengen, dat niet en behoort. G. Eyndelyk is al de kracht, gTans, jahope van ditUytvcrkoorenVolk,
na zoo veele rampen en herfteliingen, gekomen tot eene wyduytverfpreydc hope •, hier vertoont in 't laatfte verfchiet, door eenen mageren, veegen , huylenden , klaagenden en jammerenden Balling •, op eene bol zonder ruft gezetj krabbelende zyne Wangen} en uytplukkende zyn Hoofd-en Baard- naayr} met eeri Slaafe Jok om den Hals, dat nergens Heerfchappy voert, als in de gedroomde Sabbathsrivier van Menajfe ben Ifrael, met de Rook van de verwoefte Stad, en verbrandeTempel achter hem, door Hadrianus tot de srond toe otngekeert. Hoewel ik niet en zie, dat zy zoo veel als ande- rc Volkeren zy verdelgt, waar van 'er oneindige Land, Naam en alleskwyt zyn, en in der Schryvers Boeken alleen maar Teven j daar deze alles vervul- len, van zwaare Schatten Meefters zyn, en in Europa zoo wel, als in A- zie en elders veele macht bezitten, en aan veele Hooven boven den Chrifte- nen of Turken zyn ingedrongen. Maar hun beklagelyk lot had byna geen weerga by eenige Volkeren, zynde by duyzenden gefmoort, verbrand, van honeer verfmacht, voor de wilde Beeften geworpcn , van de Vogelen op den Velden gegeeten, naauwelyks weerdig geacht, voor Slaven verkocht te worden , in de Dierparken verllonden, tot eene fchimp en fpotnaam van eenen Joodfchen Balling. Zodanige Rampen zyn al verfcheydenmalen dit Volk overgekomen, zommige Stammen ondanks al haar Fabelachtig Geflachtre- gifterganfch vervoert, en uyt de bekende Wereld gefleept. Zommigen met walg der Volkeren omzwervende, eyndelyk vernietigt, hebben het gewaan- de ovcrfchot niet nagelaten, als een hardnekkige verftoktheyd tegen de ken- nis van Chriftus, om wiens Kruyciging zy de rampen geleden hebben. |
|||||
TWEE
|
|||||
Van Christus in t Vleisch. XXXII. Hoofdstuk. 255
|
|||||||
+ *
|
|||||||
TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Van Chrijius in t Vleefcb. AT\& Kerke Gods, dus zorcvuldig onder zoo veefe Goddeloozw
• 1^/ Vorflen , Vyanden en Ondermynders bewaard , word hier voorgedragen, als zyne aanftaande Bruyd, die 't nu gelukc in "tVleefchden- HEY LAND te aanfehouwen, die door zoo veele God fpraken, door zoo veele H. Aards-Vaders en Zienders te vooren was belooft. T is Gods Ge~ meente in Chriftus levende. Zy heeft hangende Hayriokken, als de Bruy- den voorheen gewoon waren voor haar Trouwdag te dragen. Zy is meeft naakt en ontdaan van hare plechtelyke Tempelgewaden,om een beterKleed van haren Bruydegom te ontfangen> hebbende te gelyk haar meeft ontbloot, en ftaande met het eene Been in dejordaan, om den Doop teontfaneen* klimmende met het andere op na den Heere. Zy heeft het Gelove in de Ziel, met welke zy den Drinkbeker van het H. Avondmaal uyt zyne eyge Hand ontfangt. De Hope houd op met de Vervulling,maar de Liefdehedt- ze by zig, met de Kinderen, die ook hare Wedergeboorte verbeelden aan welke zy in Godvruchtige Eenvoudigheyd gelyk word. •D. De Hevi^and, Onze Zaligmaker,de Zoone Gods, in het Vreefch
tot ons nedergedaalt, reykt haar toe den Beker tot geheugen van *r geen hy voor haar lyden zal > om die met hem te drinken, en mede Decl- genoote van zyn Lyden tezyn. Eene GoddelykeZonnenglanfchftraaltrondotn van zyn Hooft af, om zyne God en Menfchelykheyd te zamen in een Per zoontetonen. Hy wyft zyne Bruyd naar zynen Hcraelfchen Vader, waar van hy nedergedaalt js, en van welken die wondertfem de Lucht en Aarde rondom de Jordaan deed wederklinken: <Deze is myn relief de Zoon ' wan- neer de H. Geeft als eene Duyve op hem nederdaalde. Hy vertreed der Sadduceen en Pharizeen Addcrengebroedzels, gevolgt en omringt van de Wonderen, die Wereldruchtig van hem wierden uytgebazuynt. De Laxsa- tusklappen der Mclaatfchen, de Nappen der Kwynenden, de Krukken der Kreupelen en de Stelten der Verminkten leggen voor hem. Van achteren kuftmen zyne Kok, van welke kraehtcn uytgingen om te genezen Dooden leggen voor zyne Voeten, om door zyne woorden of aanraaken wederoocc- wekt te warden. Bezetenen getuygen van hem, Verdorden, Blinden en anderen, door hem genezen, fchreeuwen zyne Zegen en R Naam uyt. C. De Kerke Gods, zeegevierende in het Lyden van haren Zali^
maker, is hier verbeeld, omhelzende zyn Kruys, als haar Nieuw Altaa?, |
|||||||
ge-
|
|||||||
X5# DE HlEHOGLYPHEN O* MnRKBEELDEN.
geheyligt door het Offer, haren Meffias ter navolging, Gelykze zyne *D0#r-
nekroon op't Hoofd heeft. Een nieuw wit Kleed, in het Bloed van CHEUSTUS reyn gewaflchen, dekt hare Lendenen. Zoo we£rloos, en tot Lyden be- reyd, zietmen over de ganfche Wereld, hare Schatten, en Ydelheden pra- len. De Dood wykt verbaaft voor haar, om datze het Lyden van haren Verlofler tot een Vrybrief heeft, en al de macht van dezeVyandingebracht is tot een hulpmiddel voor hare rampen en vervolgingen , zynde geworden een doorgang tot een Eeuwig Gelukzalig Leven. Zyn Zeyflen,en Prikkel, zyn ween, de Poorten der Helle, die haar meenden te overweldigen, leg- gen voor haar verbroken en ne£rgebonft, door Dien, Wien de macht over alles, als Schepper, toekwam. ■*-'• Een oud fel Grysaard pruttelt tegen haar te vergeefs. Hymoet
zyne Hand op zyne Mond leggen, en de macht van zyne wet zienverbro- ken door het Lyden op Golgotha. -Hi* De Kerke Gods, door haars Verloflers heerelyke Opvaart ten He-
me!, ganfehelyk verzekert van den H. Geeft tezullenontfangen, is als de derde Kerk verbeeld. Een Hemelbode neemt door het Euangelium de ge- tuygenifle van de inkomft van Gods Zoon in de Wereld, zyne Menfchwor- ding, Geboorte, Wafdom, Voorcgang, Leeven, Leer en Lyden. Het duy- fter dekzel van hare Oogen ontfteekt in haar een Hemel-Vuur, door ee- ne kool van Gods H. Altaar ; en wyft haar aan door den Hoorn van Over- vloed, dien zy in den Arm houd,dat de Vblheyd des Tyds is gekomen. Eene Zon in voile kracht bewyft,dat het Groote Licht aan alien Volkeren der Wereld is opgegaan. Zy heeft in de eerie hand deMeetftok van Ezechi'elsTempel^ het Voorbeeld van den Me£las, zoo wel als van zyne Kerk,en eene geflote Rol der Prophetien, als nu vervult zynde, daar onder. Met de andere Hand houd zy een Tafereel van de Wee ken T) ante Is, door Nieuwe, Halve en Voi- le Maanen verbeeld, met de hare op elke toepaflelyk, met zyne Voorzeggingen op de WortdJeJ/e, op die bloeyende Scheut, die uyt de dorre oude gekapte Wortel fpruyt, herftellende't Menfchdom door eenen Heyland , van de rampzalige kwaden, waar in het door des eerften Vaders Val gedompelt lag. Zy is bevryd van het Jok der Wet. Zy is verloft van de laft der plechtig- heden, van zoo veele Reinigingen, Reukwerken, Beeft-en Vogel-Zoen-en Dankoffer. Door 't Bloed des Lams is zy van 't flachten en verbranden van 200 veele Kalveren, Geiten, Oflen en Koeyen ontheft. Het Bekken, 'tWie- rookvat, *t Befnymes, leggen voor hare voeten. Men zietze treeden door £• Eene Poort, op welker Voorgevel de Arke van Noach ftaat, het
. Eraalbeeld der bewaarde Kerke Gods. Met de Hoornen van ingekome Vol-
heyd enOlie des Koningryks en Priefterdoms, (waar aan zy deel heeft}
van
|
||||
Van Christus in t Vleesch. XXXII. Hoofdstuk. 157
van harcn Gezalfden, haren Chriftus. Over en weerzyn tegen malkandc-
ren op die Poort, uytgehouwen, *t geen de H. Bladeren vermonden. De Metaale Slang in de Woeftyne opgericht, en gezet tot Heyl en Ge-
nezinge van *t arme Volk, dat doodelyk verbetenen vergift was, door dc Slangcn in de Zandzee. Daar tegen over de God-en MenfchelykeMiddelaar, aan \ Kruyshout op Golgotha gehecht, tot redding van zyne Kerk , zyn Volk, zyneBruyd, uyt den doem der eeuwige rampzaligheyd, aan welkc zy fchulaig verklaart is. De uytwerping van Jonas uyt den Walvifch op het Strand. Daar tegen
over de Overwinninge des Doods en der Helle, door onzen Zaligmakec behaalt, in zyne Glooriryke Opftanding uyt het Graf, en uyt den Doo- den. De Hogepriefter, eenmaal des Jaars in 't Heylige der Heyligen ingaan-
de, en dat bdprengende met het Zoenoffer-Bloed. Daar tegen over Jezus Chriftus, van den Olyfberg ten Hemel varendej na zyne eenmaal Genoeg- doenende OfFerhande van zig zelven, voor zynen Uytverkorenen, om de welken hy opklimt tot zynen en hunnen Vader, om henlieden zyn eeuwig Koningryk mede tc delen. |
||||||
Kk DRIF,
|
||||||
•
|
||||||
-------------------™-----..
|
.■*■ ui ■lJinHp||pVp««pp||W|p|||
|
|||||||||
■ '
|
||||||||||
;
|
||||||||||
, . __-»um—_. .______
|
||||||||||
Van de Eerste Kerk. aaXIII. Hoofdstuk. 159
|
|||||
■ * , 1
DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
. .• . ■
Van de Eerjie Kirk.
.
• TTVEGemeente van CHRISTUSzyneUytverkore Kerk,
A. I y Praalt hier boven dc Wereld, die zy zig onderwerpt, mee de alferaanminnelykfte, en voordeeligfte Overheer&hing, haar brengende tot de befpiegeling, kennis en erkentenis van haren eigen Schepper en Behouder, op zufice wyze, als haar God wil gekent, gedient en aange- beden zyn. Die Wereld is in twaalf deelen afgedcelt, aan hare ziene* lyke doenmaals bekende halve Kloot, om door hare twaalf Kruysgezan- ten onderwezen te worden. Tot welken einde zy op haar Voorhooft heeft tintelende een Vuurftraal, als van eene gefpleete Tonge , gelyk 'er meer van den Hemel afdalen in de Blixemftralen, die uyt eene Donde- rendc Wolk vallende, de Zaal der Vergadering om *t Pinxterfeeft aan den Tempel naar het gevoelen van velen vervulde, makende in elken Gezant des Heeren een Hemelvuur en Godfpraak, in zulken Taal, als hy Voor zyne Toehoorders van noden had* die van alle vergelege Oorden het Paafchfeeft zynde komen houden, ook dikmaals tot (fie tyd bleven, om het Feeft van Twim te vieren. Zoo hoorden hen die Volkeren in hare eigen Taal, elk aanlpreken. Dog anderen verklaaren die plaats uyt de Handefingen liever van Vuurige Tongcn der Apoftelen, naar het voor- beeld van de Tong van den Profeet Jefaias. Wy willen ons in dat ge- fchil der Godgeleerden en Taalkundigen niet inlaten. Zy trekt ook aan- ftonts een zwaar getal uyt alien tot de Schaapftal des Heeren , waarom men uyt haar Mond ziet gaan de LiefTelyke Ketendraden , door welke zy Aziarten, Afrikanen, European wech fleept; gelyk men aan eenen Me- der, Moor, en Romein kan zien. Men ziet haar met veelerley Kl^eren Van verfcheyden Landaard aangedaan , om dat zy hen door de Ta- ten gelykte. In hare Boezem is eene zuyvre Zon van kennis der H. Drieeenigheyd opgegaan. Zy houd in hare eene Hand een Schelp, om re Doopen , die haar aannemen, en neemt wech de armoede van hare Gemeents-genoten, betekent door de Bedelkorf, die ze aan haar Arm heeft-, waar tegen zy een Overvloedshoorn met Geld der Machtigen om den Arm draagt, tegen een ander met Vruchten en Kooren, voor den Behoeftigen, om uyt te deelen met zodanige eerlyke gemeenfehap, dat de Logenaar Ananias en zyn Wyf Sappkira 't fluyken in de mededee- hng met dtDood bekogten.DeKreupelen, Melaatfchen,en anderen, door henlieden genezen, bazuynen hunliecler Lof uyt-, terwylzc met de Slinket- hand, als Zegevierende, beroemt haar zelve, van de eer, die ze heeft, Kk 2 Striemen
|
|||||
(raw'^w^-L. ' ' -v
|
||||||||||
160 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
Stricmen van de Zweepen en Roeden de Boeyens en Kerensit c onr-
fangen voorden H. Naam van haren HEILAND. Dit voordeel en die voormang van Gods Kerk kon niet beftaan, zonder de zwaarfte nyd der ToodfcheSTempelregerin5, van welke de vette voordeelen altertey weelde en eebreken in de Prielers hadden gebracht. Me de nieuwe Godsdienften Mgehaarvan de Ouden. De grootfchheyd en overvloed der Oude. zoo Hooge- * Overpriefters, leed gevaar by de Predilang en Beftrarnng der Apoftlkn. Zy zagen ook en wiften, wat'er metXhnfhas, GotfsZoon gebeurt was, van zyne Opftanding , en verdere Wonderen. Zy moeftea iln met alle felheyd tegen henlieden infpannen , Vorften en Bevelhebbers o™; o^tc7«ur en te Zwaard de m Gelovigen te verdelgen. Dit |
||||||||||
deed dan
|
||||||||||
B- ^Christen Marten a arschap ontftaanjhet welk verbeeld word
door eene Vrouw, die hare Ziel oplevert aan God, die haar geroepenheeft tot zyn doorgebroken Licht. Alle de Moordtuygen ziet men opiiaar hagc- len Het K?uys omhelft zy, en de Zweepen ,. met welke de Gekruylten vooraf mishandelt wierden. Met de Tuyten en de Strop is zy^aan^het Dwershout gehecht. De Roomfche Byl in haar Nek de Dolk in de Borft, met Pylen, Azegajen, Harpoenen enz. afgetapt het Bloed, voor God zoo dierbaar Uvt dezen Boezera, en uyc hare doorgezaagde Zyde vloeyt dat Bloed, welk het Zaad van Gods Kerk doet opwaflen-, alhier verbeeld door Herten met Vleugelen tot God Hemelwaarts opvhegende. Met de fcherpe Nagelberden, de Houtftapels , en Mutzaarden, vlammende achter haar y met de Molenfteenen gekluyftert aan de Voeten, laat zy met na God te danken, die haar de Sterrenkroon der Eeuwigheyd fchenkt.,hebbende aan hare Voeten leggen de Steenen, met welke haar Godzalige Voorganger Stephanus ter Dood gebracht is. De Tygershuyd om haar Rugge gehan- gen, betekentdeBeeftehuyden, in de welke de Chriftenen genaayt, en verfcheurt wierden. Alle deze toeftel wierd als een Schrikftandaart f m Azie door den Keyzer Galerius opgerechtj hoewel echter het ware Geloof op den Rotzfteen Chrijtus vaft gezeten, daar tegen, als de Palmboom, of deEvk tegen de onweeren, fterker Wortelen fchoot. Ondanks het aan- blazen van den rooden Draak, met zyne tien Hoornen, gaat zy voort van kracht tot kracht, opgetrokken hebbende het eerfte Zegel des Boeks der God-geheymen. Ja zy voert met eene kracht, die Jupiter en Mercunus te bovengaat, voor welke hare Gezanten tegen dank aangebeden worderiy die dzhiana van Ephezer Ms, znBaal-Zebub doen verarmen, verach- ten en zwygen. Maar terwyl de Goddelyke Zegen zoo heerlyk vervult zy* fte Genadebeloften, blaaft echter die Draak onvermoeytj en vervvekt een. Ywk van tweedxacht onder de Leeraars.. |
||||||||||
C. Dfe
|
||||||||||
..........,.-,.. . _____________________--------------.....—
|
||||||||||
■— pwsjpwj^^Mi-■--
|
|||||||||
Van de EersteKerk. XXXIII. Hoofdstltk. iSi
C». De Kerkelyke Tweedragt vandientyd word hier dan ver-
toont. Een WanfcHepzel, met meer als een Hoofd, zonder ooren , heb- bcnde de ftyle Hayren eindigende in Paauweveeren van hovaardy, die Moe- der van de twiften, en byzonder van de Kerkgefchillen is. Men ziet 'er onder anderen aan een oude Joodjof heymefyk wroetende ,. om de opko- mende Chriftenheyd te ondergraven * of nog eenigzins van't ware Vuur aan- geraakt, en echter doordronken van de oude Gal,, en aan'tgiften door den ouden zuurdeeflem, by vooroordeel, niet alleen in twyffelachtige, maar zelfs al in helfchynende Licnten, aanmerkefyk. Die konden nice uyttrekken die hoogopgevyzelde Plechtelykheden. Haar flak nog in de Oogen die Tern- pel, dat Huys Gods, alwaar de Godheyd by na zienelyk fcheen te wonen, daar zyne Godfpraak door de Urim en Thummim ingewonnen wierd , daar de Tafelen bewaard wierden, door zyne eige Hand gegraveertj en daar zoo veel overfchot van Wonderdaden ter geheugenis praalde. De Vromen daa zelf waren nog zoo Wereldfch met het oud geraakt,dat zedeWet, nog der Geboden, nog der Plechtelykheden niet zoo voldaan rekenden , of hen bleven nog veele angels over, waarom zy hare onthoudineen, reynigingen en diergelyke hoog bleven achten •, ja *Paulus zelf nog de Befnyding oef- fende aan Timotheus. Die Joodfche Chriften dan houd het Schooteltje met de Fleskens, en het fteene Befnymes in zyne Hand, niet wetende, dat de Volheyd der Heydenen ftond in te komen , voor den Joden , die hare Erffenis verftoten hadden^ al geftadig buy ten den Heyland in zyne eige werken voldoening zoekende. Hy waft zig nog, van alle onreynigheyd, niet in 't Bloed van den Zaligmaker, maar in de fiekkens , Wafchvaten en Fonteynen des Tempels. Een ander jong en teer Chriftgelovige isy die een vierdedeel maakt, Vroom , het Woord en den Geeft gehoorzaam,. los en ontbonden van de windzelen en vodden der Talmudifche Leeraars, de eeni- ge proefhoudende tegen alles, Chriftus, zynLeven, Leer, enEuangelien, als eenToetzfteen,waar aan de reft flaauw envalfch fchynt, endenglanfch verlieft van 1 fyne Goud, waar voor de Genade gekocht word Een archer _____-/I____»______i. :- j____1__r~>_______^_ ___«__ ° -r, .* _ o
|
|||||||||
Griekfche, en andere twiftredenen j. de Vromen afleydende,. en door de
Schynleeren verftrikkende. Zulke en andere uyt Wereldfche inzichten de nieuwe Leer aanhangende^bedorven de waare Kerkmeerderj alsdcBloed- hondfche Straftoonelen, en hare Vertoningen, hier en elders, of door Ge- richts order behandelt, of door 't Graauw uytgevoert. En daarom is hier by gevoegt eene uytgekipte Koekoek. Deze Vogel legt zyne Eyeren meeft altyd in andere Neften, en Uefft in die der Rietvinken , een teer nederig zoetzingend Vogelken* Maar het loon van't uytbroeyen is, dat de gekip- Kk. 3; te
|
|||||||||
i
|
|||||||||
_______M
|
|||||||||
—
|
||||||||||||||||
i6z De Hieroglyphem of Merkbeelden.
teboofaardigc (dieftyf op zynoude Slang is) de Rietvink doodpikt, en
moord, gelyk zulke ingeflope Leerfchenders ook eedaan hebben. Om dat 'er zodanige booze Dry vers invielen, die koppig, en onverzette-
lyk, hunne nieuwigheden den waaren Gelovigen opdrongen, de Kerken in Khiftinge, en de Gemeynte in fnippering brachten, zoo onttrokken zig vee« le de openbare Gemeente. In plaats van hartig en Godvruchtig den Goe- den tot Voorbeeld te ftrekken, en tot overtuyging aan den zwakken of kwa- den te dienen, weeken zy, om de Kerktwiften , of* om de Vervolgingen der Joden of Heydenen, naar de Woeftynen, de ontoegankelykfte Bergen, en Boffchen, aldaar beginnende de Woeftynery, of'tLevender Eremyten, bemantelende hunne lafte vlucht uyt h'et Strydperk, met Efias, Johannes % ia Chriftus zelven. Zulken D. Woestynery of HeremytsleveV, is door een uytgemergeld,
fomber, kwalykgedaan, oud Man verbeelt, die ongehavend van Baard, in verachte Gewaden, met Keetenen, met Yzeren, en ongehoorde Marteling zyn Lichaam kwelt, met eene Geeflelzweep in de eene, en een Steen in de andere Hand, om zyne tranen een fterker nadiruk by te zetten * een Boek voor hem, met wat Aardvruchten, en een Calebas met Water, onder eene Palmieten of Biezenhut, op een fteilen Berg zamen gevlochten. Voor hem zietmen de droevige en eenzame Roerdomp, die in de omgekeerde Puyn- hopen, Grotten en Holen liever zyn hees geluyd uytgiert als in de fchoone BofTchen of Valleyen. De ware Schildery van zulke eenzame Vluchtelin- gen, die den tyte! van Man Gods echter over al dragen, en zig laten aan- leunen. Dog mogelyk zal 'er ook onder veelen, wel nier en daar, een waar- lyk welmenende zyn, die om zyn Vleefch te tuchtigen, en de Wereld te ontwennen, de menigte fchuwt. Maar indien 'er zig eenige de Prediking, en de laft van Chriftus Oogft onttrokken, |
||||||||||||||||
■
|
||||||||||||||||
XL. De Apostelenj en die, aan welken zy de Handen opleyden,
brachten de krachten en 't Licht des Zaligmakende Geloofs in Chriftus ha- renHeer, dien zy hadden zien Lydeii, Verreezen, en Opgevaren, tot den Heydenen over j Wonderen fpreekende eri doende tot verrukking en overwinft van nieuwe Geloovigen, zoo wel als tot ontvlammen der heete crimmigheden, beyde der Heydenen en joden; waarvan menhier het voor- beeld heeft genomen, van Taulus en Barnabas^ door den Heydenen voor Jupiter en Mercurius geeert, en aanfionds daar op gefteenigt.
...•.■
|
||||||||||||||||
VIER
|
||||||||||||||||
.
|
||||||||||||||||
■■■.■^■^^.i^.
|
||||||||||||||||
—————————--------------
|
|||||||||||||||||
Van pe Hejdens^he Godspraaken. XXXIV. H. i$;
m
•■ ^ . ' \ -.. ■ LI . IfJ
VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
^z» <& Heydenfche Godfpraaken.
DVs lydende en ftrydende groeyde de zeegen in deze aangewonnen
Chriftenen. De Deugd in Eenvoudigen, maar de waare kennifle van Chrtftus, en dien gekruyft, doorbrekende, overwon allengskens deachting der Goden op zoo vele praal gegrond, door zoo veel bedrog ftaandegehou- denj dewyl de Vorften en Pnefters, de een den anderen de hand boden, zamen hun belang vonden, en de fchrandere Ontdekkers dempten. Dc Rykdom fmoorde in de Tempelen, het Vet der Aarde in der Papen Buy- ken. *T gemeen wift niet als de uytwendige laft van hun Godsdienft. *r Jodendom pnder geraakr, ja tot in 't uyterfte bederf geploft, als de Tempel en Jeruzalem verdelgt waren, wierd onder Hadrianus, den Romfchen Keyzer, eyndelyk ganfch vernietigt en verftrooyt, balling uyt zyn eygen Vaderland , en nog vaak uyt andere Ryken , waar in zy gekropen waren. Op dien naam leed ook het Chriftendom al dikmaals, van den Heydenen weynig onderfcheyden, om dat zy beyde uyt Taleftina herkomftig geacht wierden. De val der Joden deed den overmoed der Heydenfche Papen zwellen, zoo dat zy fcheenen niet als malkanderen om de vetfte brok- feen tpt Vyanden te hebben ■> waar door de Godfpraken van de eene plaats die van de andere buy ten ftaat ftelden, de Wonderwerken ontze- nuwden , de Konftenaryen ten toon ftelden , en eyndelyk dezelve Vor- ften , die hen geholpen hadden , in 't Oog liepen > die van de fynfte Verftanden , klaarder met een onderrecht, niet ongaarn het fnuyken der al te groote Tempeliers macht begunftigden, den Chriftenen minder ver- volgden, ja ook zelfs hunnc Vervolgers overhoop wierpen j die door Gods H. Woord der Wysgeeren Scherpzinnigheyd, gelyk door haren Godvruchtigen wandel der Smulpapen Schynheyligheyd , als mede door ware Wonderen hare valfche genezingen, en eyndelyk door vervulde Voorzeggingen der Godfpraken , Logens of Twyffelingen te boven kwa- men. Van deze Papenkunft, door Eenvoudige Chriftenen den Duyvel toegefchreven, was de Hoofdneering te 'Delphos, in Apollo's zoo wyd- beruchte Tempel; die door Xerxes ,de oude Galten,Nero enConftantyn berooft of verwoeft zynde, door Juliaan herftelt, en na zyne Dood ganfch is vernietigt. Orakelen kan men beft naar de verfcheydenheyd van Tyden en Landen vertoonen door de Beelden der Goden kwanswv- ze antwoord gevende, of door den Friefters en Prieftereflen, Kollen enk |
|||||||||||||||||
■
|
|||||||||||||||||
A. Het
|
|||||||||||||||||
1^4 DE HlEROGLYPHEN OF MERKBEEtDEN.
A« Het Orakel van den Delphifchen Apollo is klaar tc kenncn uyt eene
cpythifche Maagd, die op de H. Drieftal zit, en de waaflem van de God- heyd van onderen ontfangt. Lauwertakken neeft zy om haar. Hoofd, met een Phoceifche Myter getooyt* 't Hayr van voren opgebonden, naar achte- ren los hangende. Zy fchuymbekt van 't knaauwen der Lauwerierbladen, en SctlU of Zeepkruyd, als eene uytzinnige, fcheurende de Lauwertelgen van haar Hoofd af, terwyl zy de gecyfchte antwoorden uytbabbelt, ondor het dreunen der Trompetten van onderen uyt de Choorkelders, rondom bezwalkt met welriekende dampen, en bezet met Lauweriertakken, om der Vragers Oog en Oor te mifleyden. De Caftalifche Fonteyn, waar van zy de Wateren lept, die haar de Geeftberoering aanbrengen, zietmen voor haar, en achter haar den Vertolker, Propheet, ofPoeet, die't gevraagde in gerymt of rymeloos Raadzei beantwoord, en wel verzegelt den Vrager overgeeft. Tot eene Godfpraak der Thebanen dient Trophonius , voor Lesbos
Orpheus, voor Cidlie Mop fits, voor de Aphacon Venus, elders Memnons Beeld, de Sphinx, enz. die den Leezer en Liefhebber, zoo wel als my, zouden afmatten, indien ik die alle wilde voorftellen; dog om ecnige zoorten, van anderen uytgezondert, te toonen, dient deze B'
• Orakelpaap \ die balkende een onbekende Woordenmaat in zyne Rechterhand heeft-, een Honingkoek, die men, om de Herflenenteontftel- len, te proeven, in de Handen der Vragers aan Trophonius gaf, eer men hen door de naauwe gaten naar om laag in de Grot trok. Zyne ongeha- vende Baard en Hayr, bebloede en befmeurde Kap, dropen van Stieren- bloed en OfFervet. In zyne Gordel en Borftgat fteeken Cedulen en Brief- jens vol Hanepooten,of Brabbelzin, waar aan zyne Slachtkoker hangt, uyt welke hy 't Snymes getrokken heeft, om de Borft van 't Schaap op te ry- ten, waar uyt hy de Ingewanden haalt, die naauw bekeken, door meer of minder gaaf aangewaflen, of met Etterbuylen befmet,van de aanftaandege- vallen, het oordeel door den OfFerpaap deeden vellenj in welke zy, gelyk in alle voorzeggingen, met alle ftreeken omgingen. Die groote en fchrik- kelyke voorfpellingen ontkenden zy niet aan hen zelven geweygert te zyn, maar ftonden dk den ftomme Beeften toej diets makende aan hunlieder raadvragers, dat de Goden hare befluyten in hare Huyfraden en eygendom de Slachtofters lieten inyloejen, en door hare toegevvyde Heylige vermon- denj welke uytfpraak ook meeft gezegeld wierd overgegeveni om dat zy dezelve naar 't belang der Vorften, voor welke zy gewonnen waren, zou- den konnen draayen, zoo gefchiedde deze Ingewand-wichelary meeft afge- zondert van '£ Oog der Gemeente. Op zyne Buyk hangt eene Tas, waar in hy witte en zwarte Steentjes of andere Looten draagt, by veele voor God- fpraak gebruykt. Zyne Mantel vol Schimmen en akele geftaltens, vertoont eene
|
||||
Van de Heydensche Godspraaken. XXXIV. H. 165
eene anderc zoort van ondervragen over 't toekomende, waar in die Zien-
ders of Toonders op hare gewyde Mantel, als met Toverlantarens door 't opkomen van flechter of beter Beeldekens deden hunlieder aanftaande Lot zien. Hier onder zietmen die zoo beruchte Boeken der Sibylleny van wel- ker wezen niets zekers is -, ik zwyge van de inftorting des H. Gcettydiczoo veel netter (gaf men maar 't Oor aandeBygeloven)alsdeGoddelykeSchrift zelve, alle omftandigheden van onzes Heylands Geboorte, Leven, Dood, Opftanding en Genade vooraf gedicht hadden. Romen het Bygeloof voor- bedachtelyk vermeerderende, had buyten die Boeken mcer zulke Pylen op hare Koker, hier een Beeldeken van de Fortuyn, daar 'tgevalle Schild, waar na men elf diergelyke deed namaken > elders andere Heyligdom- men, waar over zy, gelyk over den Vogelfchouw,groote Mannen ftelden, die van 't fynfte bewuft,tegen elkander in de vuyft lachten. Die Vbgels zyn de Heylig opgekweekte Hoenders, die men ziet onder de Sibyllynfche Boe- ken , in haar Godgewyde Kouw. Schrikkelyke ne&rlagen waren 'er te vree- zen, zoo zy haar Graan niet gretig op en pikten. Dit was den wyzen Man - nen befpottelvk, zelfs aldermeeft die 'er een ampt van hooge eer, als Op- zienders, in bediendenj zoo dat Cato in dit ampt gezet zynde, uytborft, dat hy niet en wift, hoe een Vogelfchouwer,zynen Amptgenootontmoeten- de,zig van lachen konde onthouden. WelkezoogenaamdeSibyllynfcheGod- foraken door zekere Griekfche Kerkvaders onder den name van een Tid Fraus, of, Heylig bedrog, fchynen opgeftelt tezyn^omdusdenHeydenen dies te gereder tot het Chriftenaom over te halcn. In de zwaarfte gevallen nochtans bedienden zig die wakkere Voflen, om 't gemeen te ployen, naar hun nut of nood. Eene kring zietmen onder om zyn Voeten, met allerley buytenlandfche Griltrekken onderfcheyden, waar op Orakel wierd gegeven, volgens 't vallen der Takjens daar op gcworpen by den T>acen; of met ver- fcheyde Pylen in eene Wywaters-pot (geteekent, DE GODHEYD WIL of, DE GODHEYD WiL NIET, blyvende de derde onbefchrevenj) waar na zig de Arabiers, tot beginnen, tot afftaan, of tot twyrfelachtige ftil- ftant overgaven j eeven gelyk de Alanen, een Volk van het oude Scytie, zig met Berken of Fyken Rys, gefneden naar zekere maten, op een H. Doek behielpen. Die misflagen zyn fchier vergevelyk, om de groote drift, die de Hertert der Menfchen overheerfcht in de onzekerheden, die hunlieder hoop en vreeze prikkelen. Maar de Scythen^ Get en, Tartaren, T)uytfchen en Britten fpatteden
tot grove onmenfchelykheyduyt, waar van zommigen, om Godlpraak we- gens hunne W apenen te hebben, Gevangenen, ja Bloedvrienden, ctet ik zwy- ge van Kinderen, vermoordden, om uyt die lillendelngewandenenheetuyt- gutzend Bloed, dc aanftaande uytflag te onderzoeken. Zoo ziet men hier eene v^- Scythifche dulle Triefteres (die met gefpreyde Hayren,alsbezeten,
|
|||||
nert
|
|||||
i66 De Hieroclyprem of Merkbeelden.
tiert met hare breede koopere Gezondheyd om 't Lyf, waar mede zy haar
bloedig Hembd toefluy t) het lange Moordmes, dat in 't Hcrt van eenen ge- flachten Gevangen heeft geftooken , aan Lajcedim^ of Vatablon haren Krygsgod opheffen. De ^Dru'iden, der Gallen en Celt en deden de Rampza- ligen over zulken Beeld hcen bukken, en onthalfden haar SlachtofFer eerft, wanneer zy daar na de Ingewanden aan H. Vrouwen , hier en daar op on- toegankelyke Slooten, of Toorens wonende, te doorfnuffelen gaven. Claudius Civilis bragt den Buyt, door zyne Batavieren op de Romeynfche be- zetting van Zanten behaalt, dien hy door zyn Zoontje met Pylen hadlaten doorichieten, aan zyne Mocye Vetleda tot Keulen-y om van haar 't gevolg te verftaan van zyne ondernome Zegentochten voor de Vryheyd. En zoo fchynt hy, of zy, geveynft tc hebben Godfpraak te ontfangen. D. *
• De ^Dodoonfche Eykeboom, boven in welke het Beeld van Jupiter
ftond, het wclk naderhand tuflchen twee Pilaaren wierd geplaatft, was met
Koopere Drievoet-potten omhangen, welke door eene Roede van het Beeld
gehouwen, geflagen op malkander we£rklonken •> waar by Vrouwen zig op-
hielden, die uyt dit geluyd (als of 't door Jujpyns infpraak was) den Raad-
rragers Wysheyd verfchaften.
E"
• De Eeyptifche Apis zictmen achtcr dierinkinkendeMoordpriefterin, die twee Staldeuren had. Zoo hy in de eene ging, was *er niet dan Voor-
fpoed te wachten > maar indien hy naar de andere afdroop, nict dan Ramp
aanftaande. Zyn Voeder nam hy uyt de Hand der Raadvragers. Deze Os
wierd door Cambyfes tot fchimp der Egyptenaren geflacht. Eene andere
diergelyke door Ochus, die *er eene maaltyd van toercchtte; dus weynig
was het bygeloof den Grooten in den weg, als 't hen in hunlieder belaifc*
gen anders maar dienftig was,
F'
• Achter aan zietmen de Roomfche Rcnbaan, daar aflerley ruygte van Droom-uytleggers, 7/fr-dragers, Pypers van de Groote Moeder, Comageen- fche Wichelaars, en Sterrckykers, die den onnozelen Gekken fopteny te vinden waaren.
*
G. Achter deze zit een Bedrieger van latere tyd, die den Bybel durfc
ontdekken met eene drajende SleuteU om verloren goed te vinden, Dieven te ontdekken, en zoo voort. By heeft eene Watertobbe by zig, waar in een ander opfnyder draayt, om geluk daar uyt te ramen. Die kunft om uyt Water te voorzeggen, heeft Dooderrwaarzeggery, Handkykery en al zulkc guychelary, om goeder geluk te zeggen, by zig. De eene doed kwanswyze Doden opkomen, bezweert Geeften tot zyn dienft, laat Vryers en Vryfters zien. Zulke Guyten zyn 't zcker, die gantfche Steeden op hare koker heb- ben, |
||||
Van de Heydensche Godspraaken. XXXIV. H. \6-j
ben, alles door hare Medeftaaders doorfnuflfelen, en de arme D waazen, hef
kunftig afgevraagde daar na weder beantwoordeni Peften ran *t Land, meeft Beedelaars of Dkven, die hoe dikmaals verbannen uyt de Sceeden, echter weer infloopen, afiengskens weer geloof of naairt door nieuwe knecpen kre- genj tot dat dcze Landlopende Boeven het ergens we£r verpeuterden, als de groote Orakelpapen (die onvoorzichtig of ongelukkig in't ramen, van die Machten, die zy meenden en hoopten boven te zullen leggen} door zufke Vorften, die hen niet nodig hadden, of gevaarlyk achtten,met hunneTem- pelen verboden of verdelgt wierden j zoo dat de Aardfche Goden deze gc- waande Hemel-Goden dwongen te zwygen. H. A an eene Gedenkzuyl der Egyptenaars ftaat een uytlegger van "ZV
tofyris Almanak, die (gelyk men in Vrankryk Nojlradamus, in Italie" Ma- ginOy of andere Voorzeggers) by AJiaten, Grieken en Romeynen gebruykt wierd. Ontallyke van deze guyteryen zyn door de nieuwe Neringzoekers ontdekt, die den bloeyenden 't voordeel afzagenj tot dat zy merendeels in de ontdekte onderaardfche Holen, uytgeholde Beelden, en andere middelen tot hare konftenaryen dienende, ten toon geftelt, uytgefpogen en veracht wierden. Zoo evenwel, dat men eer zeggen kan, dat de middelen,manie- ren en namen verandert zyn, als de zotheyd wech genomen, van onzekere en aanftaande zaken te willen weten* waar toe de Menfchen metde valfche glimp der Sterrekykers byzonder gemakkelyk vervoert worden,welke by den Ro- meynen als Wiskundigen {Mathetnatici) dikmaals zyn uytgebannen, en by den Gneken zoo veracht geweeft, datmen hen deed betalen het Blakennomion, of Gekkengeld. Deze zyn *t, die uyt de oogenblikken der geboorte met navorfching van den zamenloop der Dwaalfterren op het zelve oogenblik, flip den Le- vensloop der Vorften en gemeenen durven voorzeggen * die over den Duu- ren Tyd, Hongersnood, Watervloeden, en andere Rampen de Sterren doen heerfchenj daar nochtans de H. Schrift bewyft, dat Aarde, Water en Aard- vruchten, al voor de Sterren gefchapen waren. Niets is en blyft onzeker- der, als de loop der Sterren, die door de Fabelen en Dichtkonft vergood zyn; waar van de Dichters voor loon van de vergoode Sterren niets hebben getrokken, als den Bedelzakj en daar tegen de Sterrekykers de Tafelen en Schatten der zotte Princen, die hoe zeer de Sterrezifters ondermalkanderen verfcheelen, oriwis, en tegenftrydig zyn* nochtans willen zyonshaarkonft- kneepen voor onfeylbaar in de Hand douwen. Op by toeval gelukte praat, of door hare verdichte voorzeggingsvervullingen, vinden die Guy ten altyd Gekken * edog die maar de moeyte neemt aan te tekenen op 't voorzeggen, hoe ganfehelyk dat byna altyd mift} en navorft oft voorzegde niet ftoute- lyk gelogen word, na dat de gevallen gebeurt zyn, zonder dat men te voren diergelyk gedroomt had, die zal de ydelheyd van deze Bedriegers en Bednegfters licht aan de Wereld toonen, De Sterren zyn ontelbaarj hare LI 2 uyt
|
||||
zt58 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
uytwerking onbckend. De invlocd van die op de Wercld, zoo die daar i*,
zou hondcrden Mcnichcn gdyk raken, en allc die op ccn ihp van zulke z»- roenvocgaag warcn eeborcn, ccn lot opekkcn,duyzcnd Kontngcn, duyzend Hangcbalten re getyk in de Wcrekl gcbracht worden. Zy zeggen ftoutelyk, dat ccn wys Vcrrtand de Scerrcn rcgeert » dog die regcertdc Scenen zoo vcyiug, als de Sccrrcn hero, God beftiert Scerrcn, Mcnichcn en Gcvalkn» aJfecn voigens zyncn Ecuwigen Raad. |
|||||||||
VYF
|
|||||||||
Van de Vreede van Gods Kerx. XXXV.Hoofdst. 1^9
VYF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
V** de Vrttdt van Gods Kerk„ |
||||||||||
A\y
|
Vrkdb tan Gods Kerk ,(het Lkflfdykfte boven aflesj
hct ware St/em, word vcrbceld als ccnc zccr bcminnclvkc, |
|||||||||
aangeninc\ en fchoone Bruyd als haar bctaamt, om die ran Chnftus te
wezeni heert hangende Hayrlokken met cenc Mytertip, als de Palcrtynfchc Bonds en ecn Kransjc om *t Hoofd , van de*e Laaggeftamdc Myrthus- boom paflende op haarc Ncdcrighcyt. In hare fchoone Boczem blaakt GodsR A coring, door zync Aanbiddclykc Naam vertoont. Haar lang wit Kleed, in 't Bloed van harcn Bruydcgom gewaflchen , overdekt haar ic«ndiK Lyf 'bf heeft ccnc Olyftak van Vrccdc, de gifte dcr Duyvc aan dc Gctnccnre Gods in dc Arke, in hare Rcchterhand, met wdkc zy dc Chri- ftclvkc Vryheyd vergunt aan hare Lccdemaatcn, dk zy als hare Zuftcr onr- fanac Hare Linkcrhand laat zien dc KcnniiTc Gods, uyt hct Handfchrift van dc Jlpb* en Omtt*\ van dc H. Drkccnhcit in ccnc Lcvcndc God- hcytv van dc Zegcnpralcndc Naam van Chriftus enz, om daar toe tc trek- ken dk van haar afdwakn, en tcgen haar aanfpanncn. Ecnc Diamante Knoop van order en ccnighcyt fluyt haar Middcl, en Bruyds Tabbaard. Aan dczc houd zy vaft hare B» Vlvgge «h Wbakelyk* Zuster , die zc zondcr fchcuring
rocftaat dc Vryheyd, om dc H. Verborgcnhcden te doorzocken, in de Goddclykc Schriften zoo rykdyk bevac Die Zuftcr dcr Waarhcyds ophd- denne is gcrecd, om zoo zv ergens tc vry afltapt, en gcvarcJyk mogt wan- dekn degcbochte Leidftat verbroken aan hare Vocten tc kggen, en vaft te houden die eendrachre vnicht, dk Granaat Appcl, in dc wdkc zoo vee- k unakdyke en heylzamc kerntjes in cenc fchorflc gefloten blyvcn. Haar Klecd heeft cenigc zwkr naar den tram dcr Gccftryke bezigheden , ondcr half defog Gctabbaard, half tot Reyzcn, ja tot Strydcn (is *t nood) opge- fchort. t« daarom zyn ook hare Becncn metBrooskcns en Laarsjcns voor- zicn. Zy houd ondcr bare Rechtcr arm ecn Oud en Nkuw Teftamcntj dc Bneven Gods tot ons, het Richtfnocr dcr Zccdcn en Kennis, hct Vcrbond dcr Wcrkcn en Gcnadc , met Goudc Schakckn aan ecn gcketent. On* wtlkc klaarder tot malkander tc brengen , zy voor zig heeft leggen cenc Schat van Oudheyds Penningcn, waar van cenigc aan ecngchegt het vervolg dcr Koningen vertoont, door bare Paflcr net in zync Tydcn argemeteny tot uvdcgging dcrH. Verborgcntbcdcn > zettende voor haar hctgrootc LichrT op zync recbtc Kanddaar, en lcvcrt alzoo uyt die mildc Oogft , die dea LI * Hecrc
|
||||||||||
Ijo De Hieroglyphen op Merkbeeldin.
Heere inkomt, door de Graanhoorn betekent* terwylze metde aadereVoet
vertreed het opgeworpen Mecfterfchap, dat in. andere Gezindheden zoo fd haar moet en wil intomen, door eene driedubbelde Kroon verbeeld. Met mens ontzachelyke Opperheerfchappy de Tegen-chrift, of V-1' Antichrist, is opgeklautert op de zelve Rotz , op de welke de
Heyland zyne Kerk heeft wfllen veftigen. Dit Schrikdier is van lariger hand bezig geweeft, te weten deze Kerkdwingelandy, zondcr dat het zelve hier genomen word voor het Beeft der Openbaring. Het Merkteken nogtans ftaat op dit loode VoOrhooft getekent, welke met opgcrezeHayrenenEzels- ooren, om voor de kennis ontoegankelyk te zyn, zyn fchraal Grimbakhuys opent, om Vervloekingen tegen de aangroeyende waarheyd uyt te braaken. Half is't gedekt met grootfche Kerkgewaden, half met het fyne Manteltje, Schapenwol van buyten, Wolfsvacht van binnen dragende. Met eene mee- fters Plak dreygt hy de zulke, die zyn ATTOS E$A, (hy heeft hetgezeed} tegen kikt. Zyne Linker hand voert den Kerkban, die Blixem-fleutel, door welke de Goddelooften den Vromen uyt hare Kerk in alle ellenden gewor- pen hebben. De Ponjaart onder zyne Kleeren is op de moord van zyne Tegenfprekers gewet; ende kromme Zabel, met de ontftooken Mutzaar- den, vervolgen hen te Vuur en te Zwaard; dit Gedrocht tot aan zyne Pyl- Slangenftaarten, met welke hy naar de Vreede der Chriftelyke Kerk fteekt, op dat hy tegelyk inbooren, en alles vergiftigenkan, te baat nemende dc Valfche Prophetie, die verbeeld word door D. Eenen Boozen Krankhoofdigen, die met eenekopereHoorn,
voor zyn Voorhoofd, den Koning van I frail kwam vleycn, met de valfche beloften van te zullen overwinnen, en floeg den Man Gods met Vuyften. De Meflen der Baalspriefters, waar mede zy hun Huyd te vcrgeefs kerf- den, tegen 't Hemelvuur van Eltas, ziet men in zyne bebloede Handen. E'1 ri !orj ■>:
• De Schoften der groote Godinne Moeder, met hareEgyptifcheRatels
langs 't Land lopende, gelyk de Valfche Prophetie, trommelt ze opThebai- fche Tymbalen, of Ketels, gedekt met de Voflenhuyd, om de gedurige bedriegeryen en diefftallen op de botte Eenvoudigheyd. Zy konnen met wederftaan de Waarheyd, die uyt de Aarde fpruyt, en fchrikken voor dc ftemme desDonders der Prediking, welke verbeeld is door een r. Bezadigt manhaftig wezen, die van Chriftus in zyne Boezem vol,
zyn H. Woord over de ganfche Wereld Uytbazuynt, waarom dan een Spretk- trompet in zyne Hand gevoert word, over de gantfche Wereld klinkende. Maar dewyl de Geeft des Heeren, als eene gefplete Tong van Vuur, op zyn Voorhoofd tintclt, draagt hy eenePapegay op zyne Hand, om tc gelyk eene
|
||||
Van de Vreede van Gods JCerk. XXXV. Hoofdst. 271
eene lieffelyke weUprekenthcyd by de kracht te voegen, welke hem, omgordl
en Reysvaardig, by alle Volkeren verwelkomt, en ingang geeft. Naaft hem ftaat G. De Zedigwyze HeyHchrift, de Pen voerende voor de Waarheyd,
tegen de Geweldenaars en Ketters. 'T Vernuft, door de Vleugelen aan zyn Hoofd kennelyk, en in zyn fchrander wezen te ziens ontdekt de looze on- dergravingen, de feherpzinnige lettertwiften, en valfche verdrayingen der H. Letteren, en doet dezelve befchaamt te rug keeren. Maar aldernaaft aan de opheldering der Waarheyd ziet men geplaatft dezamenfchakelingder waare Prophetien , uyt de Schatryke gronden des H. Woords geopenbaart. Een Otjd Wys Mant verfleten en grys geworden in de Grond-
texten, verbeeld ons dit. Hy heeft in zyae Recnterhand de opgebroke Ze- gelen, vooreendeel, ziende het Lam Gods op zyne Troonzetel, met de Cherubim, Ouderlingen enz. daar om gebogen. Zyne Linkerhand , ru- ftende op de Gezichten van 'Daniel en andere Propheten, houd eene Ver- rekyker gereed, om die te gebruyken, naar de kracht, die uyt den ver- fcheyden zin der Texten kan voortvloeyen y dan verder, dan nader, dan vergrotende, dan verminderende, met de Vervullinge en Beloften naar ver- eifch der Waarheyd. Op den top van *• Des Heeren Berg, ziet men de aangename Loverhut, vanPalm-
Teeren, Olyf^Myrth-en Beekwillige Takken zamen gevlogten ,en behagelyk, om in die Lommer aan te zitten aan 't Bruylofdslam, dat men daar op de Tafel ziet geflacht en toebereyd. Hier ftraalt de Zonne der Gerechtigheyd C gelyk de Waarheyd de zelve gekuft heeft} op veele plaatzen zachtkens door, tot dat de Bruyd zonder fchemeren in dat Eeuwige Licht,. by zoo veele duyzenden Heyrfcharen der Engelen, haar HALLELU-JAH kan voe- fen. Tot welk zy hare zucht geftadig toont,enwaaromzy in de voortop van
are Loverhut eene Zonnebloem doet pronken , die altyd na dat Goddelyk Lkht gekeert is. Van hier ziet men ■&•• Dien Hemelschen Ruyter, Uytdravende op een wit Paard,
en gereed, om met zyne Boog tefthieten, aan wien een Krans van Zeege- praal word op 't Hoofd gezet, die als 't waare Voorbeeld van Chriftus waare Kerk in de eerfte voortplanting, de dikke en duyftere Dampen en Wolken der Heydenfche onwetenheid, en Joodfche verftoktheyd verdunt, verklaart, ofverdryftj. niet zonder zyn Boog af te fchieten, en te Donderen en te Blixemen tegen de Hoogtens, Bo&hen, Grotten en HoJen der Verleyders der Wercldj welke met hare Tempelen, Beelden en Afgodenden Aanbid- ders zelven (na dat ze '% mompen en fchendig bedrog ontdekt zagen) tot walg, fpot en rook ftrekten} doende alzoo de ware Dageraad opgaan,. waiir tan de Gelovigen de Middagzon genieten.. ZES-
|
||||
■WIUKHIJ": ~
|
|||||||||||||
'
|
|||||||||||||
' '..
|
|||||||||||||
7 ■.. ' ' ' ■
|
|||||||||||||
- . -■
|
|||||||||||||
■
|
|||||||||||||
.........____
|
|||||||||||||
Van het Vastgesteld Geloof. XXXVI. Hoofdst. vj$
|
|||||
ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Van het Vaftgejteld Geloof.
DE Eenvoudigheyd van Chriftus Gemeente in den Doop , en het H.
Avondmaal, verging haaft, door de verleydende pracht van 't Jo-, dendom$ weynig Prophetifch begreepen, maar door zyne befchreve Praal een prikkel voor zoodanigen, die de ware Deur niet zynde ingegaan, we- gens grootheyd van Geboorte, de glanfch van aan hen opgedragen Ampten in Tempelen of Hoven, of de gewoonte van Hieroglyphtjche en Merkbeel- dige vertoningen (over al inte vinden) daar toe gebracht zyn, om Zalven, Balzcmen en Olien, Onder-en Opperklecren , Kroonen en Staven , met honderd nieuwe plechtigheden uyt te vinden -y die ( fchoon dezelve den be- ften en Vroomften mishaagden ) van de Oppermacht als aanzienelyk , en van den Pauzelyken Stoel, als voordeelig ingedrongen wierden. De kracht der Predikers in bekende Taal ging verloren, Eene Lofzang, eene Zeegen , een Gebed door Gods Geeft gedreven deed Wonderen , maar die verander- de in verweende Konft van Zingen, zoo gebroken, dat 'er zelf een Taal- kundige niet van begreep. Zulken toeftel van fmeeren, befproeyen, wry- ven en begieten maakt nergens Kreupelen gaande, nog Dooden levendig. Zulke Dichtkundige meer dan Prophetifche Gebeeden, met Schellen, Bel- len, Klokken, Kaarften, Reukwerken, Bloemfeftoenen,en zoo voort,be- krachtigt, waren krachteloos in nood, onverftanelyk en zonder Hertenroe- ring; trekkende den Huychelaars, om hare voordeelen, wat harde zuchten, gemaakte tranen, en Kamerfpeelders gebaarden uyt. Dit verval onverdra- gelyk aan eenige wakkere Mannen zynde, zoo fchreven zy tegen die mi£- bruyken j maar die Schriften wierden, om datze de nu aangewende voor- deelen te na kwamen, zus en zoo gedraayt, tot dat men uyt het een of't ander kon uytfhufFelen, welk onregelmatig was. Daar op wierden de Lafte- ringen voor deRedeneringen, het Doemen voor hetOnderzoeken gebruykt; de namen van Nicolaiten, Sabellianen, Ebioniten en flimmer Schendnamen, Godfchendery, To very, Duyveljacht, en zoo 'er iets ergers was, den wel- menenden aangewreeven. Ban, Ballingfchap, Boeyens en Moord, door Heydenen, Joden of't Graauw, waren de eerfte der Leerftukken voor die Dwingelanden, om de warelyk of valfchelyk dwalenden te beteren, en te onderwyzen; die zomtyds ook te heet gebakert, met de zelfde el die ver- volgens weder toematen. Zoo in de Kennifle Gods en de H. Getuygeniflen haayrklovende, wierd alom de vinnigheyd grooter, de ergernis tegen Joden en Heydenen zwaarder. De eene fpitfvinnigheyd lokre de andere uyt, tot Kettery toe. Om dit te ftuyten, kwaamen in der zamenkomende Billchop- Mm pen
|
|||||
Z74 E*E HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
pen Kerkvergaderingen, die op veele Plaatzen zyn gehouden, onder de Vervol- ging} daar na onder Konftantyn den Grooten, in groot getal metTwift, Ge- vechtenMoordery, drie Jaren te Niceen gehouden wierden.Daar ging door het Algemeyn Chriftelyk Geloofs Formulier, het welk men Athanajius toe- fchryft •, zynde ook lang twyffelachtig gebleven in zyne meefte deelen j van elk verfmeed volgens zyn Meefterfchap of drift. Maar deze Kerkvergade- ring, en derzelver vaftgeftelde Geloofs Belydenis, of Chriftelyk Merkteken was van een treurigen uytflag. De Keyzer verbrak in het kort al het vaft- geftelde. Athanajius zelf wierd verjaagt, de Arrianen weer ingeroepenj. zoo dat de veroordeelde niet van zyn wangeloof afftond, nog den Rechtgelovigen iets toeftond. Zyne ftreng vaft houdea, en daar toe zyne Schepzelen bekuypen, was 't voorbereydzei meenigmaal van zulke Kerkver- gaderingen , en verwydering en bitterheyd de vrucht. Dog om de Partycn te dempen,. niet om Jer wyzer of beter te maken, gavenze klem aan haar Leer-opftel of Symbolumy door 's Keyzers Maeht. Die fmeet ten Landen uyt, die doenmaals zyne Geeftelyken niet wilden lyden, als of ze by Hey- denen beter geloof zouden leren. Hare Boeken wierden verbrand y niet in der minne wederlegt, en die op Lyfftraf verboden te lezen , en wie haar voorfprak, gebeult. ■"•• Dit Veldteeken des Geloofs, der Chriftenheyd, van zyne uytfpo-
righeyt gezuyvert, en by den meeften Chriftenen aan de H. Getuygeniflen gelykvormig, in XII. deelen begrepen, is hier dan vertoont, als eene vol- wafle fchoone Vrouw, die hare Zuygelingen uyt hare Borften voed met on- vervalfchte Melk. Zy heeft een Kleed over hare Oogen, om dat het Ge- loof is van dingen, die men niet en ziet. Maar dewyl het uyt het Gehoor door werking des H. Geeftes woid geboorenrziet men hare Ooren open, en gereed voor den indruk der Leeraren. De Biflchoppelyke Myter, om Atha- nafius Naam, voert ze op 't Hooft, met eene Lauwerkroon bekranft, om de overwinning der Rechtgelovigen. Zy heeft een Paafchlammeken om den Hals, zoo als den Ouden,, welke aangenomen wierden, op die Bely- denis wierd omgehangen^ van de H. WaskaarfTen van Paafchen gemaakt. Haar Hert brand in haren Boezem, geh/k de Difcipelen op den weg naar Emaus gevoelden, in de beroering tot het Geloof, eer de Oogen opgingen. Zy draagt een Schild aan haar Arm, alwaar de Gekruyfte Heyland op te zien is, door wien te kennen zy pal ftaat tegen alle aanvallen. van Kettery en Verleyding. Hareandere Hand voert een fcherp tw<e't[hy dend ZwaardVan't Woord Gods, het welk aan beyde zyden fnyd tot het Merg en Ingewan- den. In hare Linkerhand draagt zy de H. Waartekenen, het Brood en de Beker des H. Avondmaals , tot welker Gemeenfchap niemand zonder de Belydenis van dit Sytnbolum toegelaten wierd. Met hare Voeten vertreed zy de Voflen, die krabbekaaan hare Beenen, en kaabbelea aaa hare Rok- kenj.
|
||||
Vat* het Vasxgesteld Geloof. XXXVI. Hoofdst. 17*
ken) Adderen en Slangen, die haar trachten te vergiftigen j terwyl zy een
Borftharnas aan heeft, waar van Chriftus Naam de Riemband is. Dog om zoo niet hare Wapenrufting, Zwaard en Schild te gebruyken, als de boven- genoemde Dryvers, zoo heeft ze lange witte Klederen aan, als de tekenen des Goddeiyken Heyls, en de Merken van zachtzinnige Raad, tot verbe- tering en te rechtbrenging der verdwaalden. ■D- De XIL Artykelen van dit Symbolum, zyn vercoont als eene Naald
of Obelifk, beftaande in drie deelen. De Bafis of Grondftal is de eerfte God den Fader en onze Schepping vertonende, alwaar de Ontzachelyke ey- ge Naam des Grooten Gods praalt, als de Geeft op de Grond en Wateren zweevende, en daar boven een glanfchryk ftraalrond, alles in zig bevatten- de, en in hem bewegende, beftaande in een rond van vafte en dwalende Hemelstekenen, Zon, Maan, en 't ganfche Heyr der verfchynende He- melj waar binnen in de Aard en Zee der Wereldrond houdende gezien word, met het Alziende Oog in 't Middelpunt, 't geen dit Al, uyt Niet gefcha- pen, onderhouden beheerfcht. Het tweede toont onze verlofllnge, met de Merken van Jezus Chriftus, God zelf, en zyn Eeniggeboren Zoon die door het Merk van de Maagd Maria, welker'Maagdengordel om de Naam flineert, Ontfangen van den H. Geeft, doorde Duyfverbeeld en uyt haar Geboren is. Zyn Lyden blykt uyt het Kruys op den Berg van Cal- varie. Die twee Latynfche Letters P.P. vertoonen Tontius Titatus, on- der wiens Romeinfche Macht de Heyland Gekruyft is-, waar boven de Ge- ftorven Heyland, naar der Joden wyze gezwachtelt, word gezien, om te toonen, dat hy Begraven is. Het Vuur daar boven verbeek zyn Nederda- len ter Hellen} waar boven de drie Zonnen bewyzen, dat hy ten derden Dage is Opgeftaan} waar na men opklimmende ziet tv/ee Voetftappen van dien zelven Heyland op den Olyfberg (zoo als men zegt) ingedrukt, van waar hy Opgevaren is ten Hemel, alwaar hy zit ter Rechterhand zyns Va- ders, op eene Regenboog, en in Heerlykheyd op de Wereld, om te oor- deelen, die daar onder ftaan, Levenden en Dooden,%door een Doodshoofd en een Levend Hoofd verbeeld. Het derde deel toont onze Heiligmaking door den H. Geeft, die 't Vuur der Genade, wanneer die Troofter gezon- den wierd, als eene gefpleete Tong op 't Hooft heeft, door welke zyneH. Gaven op zyne Uytverkorenen, naar Chriftus beloften, nederdaalden. Hier boven ziet men eene openftaande Kerk met eene Ghriften Wereld, de al- gemeene Chriftelyke Kerk verbeeldende, waar in de Geeftelyke Gaven des Vuurs opklimmen. Deze Naald,of Piramide,fluyt met eene Granaatappel de Gemeenfchap derHeyligen beduydende, waar op een Lam is, deZonden der Wereld weehnemende, door de Vergevinge derZonden} en daar ach- ter ziet men uytfpruyten de Korenayren, die als dood in de Aarde fchynen- de te leggen, zoo Heerlyk .weder opftaan, door de Opftanding der Doo- Mm i den>
|
||||
Z-j6 DH HlEROGLYPHEN OF MeRKBEELDEN.
den, en eyndelyk de Slang met de Staart in de Bek, voor de Eeuwigheyd,.
die van binnen beftraalt is door het Eeuwig Leven. v-». Dir Geloof vertreedt behalven de Voflenen Slangen het Joden-
dom, verbeeld door eenen verduyfterden Slaaf, oud en om zyne verftokt- heyd zonder Ooren, die met de geplunderde Ephod zyn laatfte verval doed zien j Balling, met de BedelkorfTen die nog Bodemloos, aan den Arm. De Cabbala en 't Wetboek tracht hy nog tegen dit Geloof te verweeren, hebbende by hem het Schild van Juliaan den afgevallen Keyzer, die 't Jo- dendom nog fterk de hand bood , tegen de indringende Chriftgelovigen. Zyne magere Beenen zyn met Slaaffche Ketenen door den Keyzer Adrianus, hunnen laatften Roomichen verdelger, beladen. D. Het Heydendom, met zyn gryze Wyfgeeren Kop en EzeFsooren,
fchynt onder het zelve Chriftelyk Geloof nog met zyne Hand te Redenka- velen van eenige Keyzers (welker Schilden by haar leggen) nog gehand- haaft j • gelyk men nog ziet aan zyn Orakelrok, die nog al wat Ipookte in Jovianus, Valens en anderer Keyzers tyden. ■tL» Deze Geloofs-moeder, en harePraalnaald wordonderfteuntdoor
de Algemeene Kerkvergaderingen, vertoont door een Ernfthaftig, dog drif- tig Man. ZyneTabbaardisop zyn Roomfch en met Biflchops Myters gebor- duurt. Het geopende Woord Gods, met zyne ontflooten Zeegelen heeft hy in de Hand, geleezen en nagezien by het Licht der zevenftangige Kan^- delaar, voor de zeven Griekfche Hoofdkerken lichtende, dewyl alfe Chri- ftelyke Gemeentens daar toe de haren afzonden. De Rechterhand zwaayt cene Blixem met veele Vlerken voorzien, die niet fpaarzaam wierd geflin- gert met de Pylen van vervloeking, overgeving aan den Duyvel, en uytge- pikte Schendnamen. Onder zyne Voet tracht hy de onruft te verpletteren y diehelaas! (gelyk in de Wereldlyke beroertenj als Partyfchap een naam heeft gekregen, langer duurt en te fterker opgroeyt. Vier van zulke Hoofdvergaderingen zyn meeft in achting gebleven (" hoe-
wel 'er oneindige gehouden zyn van min en meer aanzien) by de Room- fche Leeraars. r« Onder de eerfte is dat van Niceen^ daar de Arriaanfche Kettery ge-
doemt is; wien men befchuldigt te leeren de ongelykheyd der H. Drieeenig- heyd, en ontkennende Gods Zoon mede zelfftandig te zyn met God den Vader. Die fcherpe Ouderling, de Party van den Alexandrynfchen Bif- fchop, te groot van aanhang, om overdwarft te worden, en niet te wree- ken, is hier vertoont volgens zyne Landaard, die een Fakkel in de Hand houd, om gekwelt zynde te kwellenj. de Brandftichting in de Kerken tegen hem
|
||||
Vanhet Vastgesteld- Geloof. XXXVI. Hoofdst. 277
hem ziende, wederom van zyne zyde niet minder Vuur vatte, Partyfchap-
pen kweekende en ftyvende. A an dezelve Hand hangt de Zaligmaker Jezus Chriftus Menfchelyk; als of de Zoone Gods was buyten de H. Drieeenig- heyd, die als eene verminkte en ongelyke Driehoek, in de Slinkerhand van Arrim word vertoonc. G. Het tweede, dat van Conftantinopolen, alwaar Macedonius wierd
gedoemt, en de Macedoniaanfche Kettery, welke ftaande hield, dat deH. Geeft geen God was. Dezen Ketter ziet men die zelve glansryke Driee'e- nigheyd, mede ongelyk en vcrminkt in de eene Hand houden; terwyl hy met de andere dte Duyve met Hemelfche ftraalen omzet afweert, en buyten den Driehoek houdt. H» Het derde van Efhezen, tegen de Nefloriaanfche Kettery. Refto-
r'tuS) die Hoofdketter, wierd daar gedoemt, om dat hy twee Perzonen in Chriftus ftaande hield. Derhalven ziet men hem houden des Heylands Beeld in een dubbete geftalte y als twee Perzoonen* waar tegen het Concilie vertoonde, dat 'er maar een Perzoon van Chriftus bleef in de twee Natuuren. 1; Het vierde, dat van Chalcedon, alwaar het Eutfchiaanfche Ketter -
dom wierd verweezen, bewerende, dat het Woord Gods en het Vleefch eene Natuurwaren. Want deze Eutyches hield ftaande, dat de HeereChriftu; zoo van eene Maagd was Gebooren, dat in de zelve de zelfftandigheyd w van Goddelyke en Menfchelyke Natuur. Deze Abt geblixemt, blixemt derom tegen alle de anderen te zamen, zonder liefde en zachtzinnighe om die te beteren,. die miften. Deze vier Algemeene Kerkvergaderiigen wierden zoo hoog geacht> dat 'er een Groot Man van zeyde, dat hy/even eens aannam, eerde en achte die vier Kerkvergaderingen als de vier/Kuan- gelienj en Keyzer Juftiniaan de zelve vier Kerkvergaderings-Reeg^en met de H. Schriften alle gelykftelde,, en door onverbreekelyke WettenDekrach- tigde. Deze en ontallyke anderen, die Verkettert wierden, hoewel veele uyt
nyd over hunne Gaven en Deugden, veele om het vryborftig fpreeken tegen de grootsheyd der Biflchoppen, maar de meeften om net tegenftaan der Op- perkerken-Heerfchappyj maakten veele verbittering onder den Chriftenen tegen malkandery ieder trachtende den WereWlyken Arm aan zyne zyde te krygen, die 'er zig ook in veele gelegendheden van bediende, en niet min- derergernis aan den Onchriftenen gaf} terwyl elk zyne Leere met Reden- ryke -Scherpzinnigheyd en Schynwaarheyd wift te bekleeden, ■i>- Zoo dat de Satan los gelaten fcheen, en zig voor alleHey gewaande
Waarheyd en Kettery vertoonde, als een Engel des Licnt^ die met eene Mm 1 fchoane
-
■
|
||||
Z7% De Hteroglyphen of Merkbeelden.
*choone mom zyn vergiftig ipeekzel en gepylde Tong dckkcndc , tclkctis
niet naliet, zynen vuylen en gcvaarlyken Staart te laten zien. l-> De Twtfelmoedige Onzekerheyd zit op eene beweegende
Kloot met eene gedraayde ftaf in hare Hand, van veelebochten, bekommert om den rechten weg te vinden, gekleed als eene Weduwe , die altyd be- naauwt zoekt,en nimmer weet, gedreeven van de Wind, die gemaaktword van
-
iM. De Geestelyke Uytzuypery, die met lange Rouw Kleede-
ren en ongehavent weezen, de goede Vrouw wat zwaareScherpzinnigheden <Iuyfter uytlegt, alles aanraad wech te geeven, om dat hy de gelegentheyd zoude hebben van 't befte voor hem te knappen > fterk zuchtende , maar fterker flempende. Een groot zwaar beflagen Kerkboek, waar uyt hy als een Hemels Licht fchynt mede te deelen, aan die hem voor een lekkerbek houden, dekt de Wynvlefch en gefpekte Buydel, die hy op zync Zyde draagt, Menziet • N. De Scherpe F*nheyd„ een Tartuf, die veracht gekleed, het
enge Pad ten Hemel hoe langs hoe meer naauwer en fmalder maakt, aflpit-
tende de Vrye Grond van God gelaten, met eene blinkende Schup, terwyl
hy zelf in 't heymelyk ruymfchoots op de breede Weg weelig graaft , van
\e gifte der genen, die door hem mifleyd wordcn.Dog zyn Weggaat niet door
t>t het Nieuwe Jeruzalem, en ftort zynen geveynfHen Wegwyzer in een
di*per duyfternis, als die, uyt welke hy is voortgekomen.
|
||||||||||
ZE-
|
||||||||||
»
|
||||||||||
Van de Waarheyd en hare Vyanden. XXXVII. H. 279
|
|||||||||
ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
Van de Waarheyd en hare Vyanden^ A Y\^ ^eimifl^ Gods,. Theologie te noemen, is eene waarheyd ir*
"• \J onze Zielen, Herten en GewhTens fprekende. Zy word ge- boren, als de Menfch zig zelven geftorven is. Zy word fterk, als de Men- (chelykheyd zwak word. Den Kinderen gelyk zynde, ftaat de Hemel voor haar oopen. Zy is verbeeld als eene vafte welgemaakte Maagd. Eerft moet zy van binnenaangedaan worden,en het moet God welgevallen, zyne Eeu- wig Uytverkorenen te trekken door zyne inblazing, rot kennis van zyn Wa- re Lichtj waarom men zyn H. Naam en Driehoekftraal in hare Boezem ziet blaaken. Hoewel zy hoogopgewonden haar Geeft vind boven alle de Hemelen,, en met Taulus den Throon Gods gezien hebbende, niet en mag nog kan vertellen; zoo is zy nochtans ontvlamt door den H. Geeft die als eene vlamme Vuurs op haar Hoofd komt ruften> dog als eene gefpleete Tone haar doed uytademen de Geheymen Gods, en doed haar fpreeken tot een iegelyk. Zy ziet in dien Volmaakten ftaat God van Aangezicht tot Aanee- zicht, en word als ingelyft in 't Goddelyk Weezen. Deze-kennifte Gods is, om zyn groot en vol Licht, de Middags Kennis genaamt. Zy draagt de Vleugelen der Seraphim, en dekt haar met die van de Cherubim Konft- woorden, verbeeldende de verftandige affchynzels van Gods Heerlykheyd in zyne dienft. Voorts heeft zy eene Morgen-kennis in hare Rechterhand, zynde verbeeld met een Drieemge Godftraal, waar in 't Geheel-Al befpie- gelt word in God -t en de Avond-kennis in de Linkerband, ahvaar zy God ziet in 't Geheel-Al. Op deze twee manieren zag Mazes de Heerlykheyd Gods van achteren, doorgrondende de grootheyd vanzynen Almachtigen God, in zyne Schepping en Schikking, en alzoo 'tGeheel AlinzynenGod En wederom aanziende de Behouding, Werking, van die Almoeende en Onevndige £oedheyd, zag hv God m zyne Schepzelen, waar van hy vol zynde, de H Merkbeelden door >t ganfche beflag van zyne Beveelen liet zien, in den Tabernakel en alle die gereedfchappentotdenuyterlyken Gods- dienft bereydi die wederom alle op den Mejfias en de Volheyd der Tyden flaan, met eene zamenhang, die niet en kanmhTen, als ten aanzien van onze zwakheyd, onbekwaam zynde, zoo ver met woorden of verbeeldingen elk deel van de ontdekte Heerlykheyd en Eeuwigheyd te evenaren Aan hare Rechter arm hangt het Nieuw Verbond, met het Lam over de Wercld zegepralende, m het Boek, waar van hy de Zeegels heeft verbroken ver- toont. Aan de Linkerhand het Oud Verbondy Gods Werk en zyn Volks beftier, met zyne ontzachelyke Naam te kennen gevende. Zy treed als bo |
|||||||||
ver*.
|
|||||||||
i
|
|||||
180 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
ven op de Doodsbeenderen, om dat de Menfch verftorven moet zyn, om
deze vereeniging Gods en zyne waare kennis te krygen. Rondom haar zyn verfcheydenvertooningen van de vierde flag van Gods kennis, dewelke de Hacht-kennis word genaamt, als door vertooning van Beelden of andere Gezichten, verfchyning in Uritn en Thummim of andere Straalenbuyten die van de Gefteenten des Ephods invloed in Opperpriefterlyke Kleeden of Plaatzen, Droomen, en andere infpraaken, die 00k in Godloozen, als Bi~ team, Kajaphas en anderen zyn gevallen. ■£*• Hier tegen ftellen zig van ouds her de afzetzels der Oude Slang ,wiens
lokaas, nieuwsgierigheyd en hovaardv, in 't Paradys den grondflag tot zy- ne bedriegeryen heeft gelegc. Die heeft veele Gedrochten uytgebroeyt, waar van de eerfte is de Reeden der Wysgeeren. Deze Oude Bedrieger heeft in zyne eene Hand een Voetangel, met welke te zetten onder zyne Bloemen, en Slaapbol Roozen, hy de jonge Geeften vat en verminkt. Waar op ftou- cer zynde geworden, hy voortgaat en gebruykt zyne Bendfchaar, het werk- tuyg der oude Romeynen, welk over een Katrol neergelaten, een halve Schaar opvatte, en door de Lucht, over de Muuren in de Veften neerftort- te. Zoo gaat hy van grond, met zyne Redenkavelingen, het Oneyndig Weezen door dek-lagen onderkruypende, om zorgelooze gaauwerts te maaken, die de Eeuwigheyd aan hare Zielen, met de Straffen en Belooningen hier namaals, vernietigen of belachelyk maken. Waarom hy neder legt geflagen van het Graf, waar in hy de Eeuwigheyd zelf opfluyt. De Paauweve6ren dekken zyn moedigen Kop. Zyne fnelle Tong, die 't Oordeel voorbyloopt, is als eene giftige Pyl. Draakenvlerken draagt hy aan zyne Schouderen. Hy foint als de Spinnekoppen gedurig Webben en Netten voor de kleyne Gee- ften en ormozele Verltanden. Van boven als een oud, wys en bedaagt Man, om door zyne gemaakte deftigheyd ieder naar zig te lokken, en in zyne Schoolleflen te Ueepeiii om die daar na met zyne vergiftige Slangenftaarten te omflingeren, te bedremmelen en te vernietigen. ^« De Twiftredenkaveling is ruym zoo grooten Vyand van ditH. Licht
der Kennifle Gods. Gelooft de Reeden der W yfgeerte niets van de Eeuwig- heyd} deze gelooft 'er veele, terwyl zy aan alles twyffelt. Haar Hoofd is met de kap der Hooge Schoolen,maar onder een kwaade Planeet,deMaan, beftiert, die hare eygen veranderingen in de Herflenen van dezen Wyffelaar indrukt. De Moolenwielen draayen hem met alle Winden het lone breyn om. Alles hoort hy met drift van nieuwsgierigheyd, maar bly ft blind in alles, nooyt iets rechtfchapen ziende, nog met de Oogen van zyn Lichaam, nog met die van zyne Ziel. De Eeuwigheyd wil hy dan in zig zelven, en in de voortzetting van alle Schepzelen, met Overzieling en Verhuyzingvan het een ftervend, in het ander leevend-, waarom men hem opgeblazen ziet van
|
|||||
Van de Waarheyd en hare Vyanden. XXXVII. H. i%t
van eene Vrouw, die met Eeuwigheden in beyde Handen, hec ondereynd
met een ommekring Slangswyze draagt, bezet met Sterren, die by haar elk hare Eeuwigheyd hebben.Met deze en diergelyke nieuwevonden,enfcherp zinnige Droomen, maakt hy zig een naam,en treed op ftelten, (zyne School- twiften en argliftigheeden) buy ten de gemeene weg, en fteekt zyn winderig Hoofd boven andere Menfchcn op. Dog onder eyndigende in een onreyn Drekgoden Lyf, ftaat hy met zyn Splittekoten onzeker ■, en wyl hy treed van deze Wereld op veele andere, die hy zig heeft verbeeld, van Zon , Maan, Dwaalfterren, en andere, alle te zamen rollende en bollende door malkander. Hy is gekloutert op eene Spits, waar van hy in den Afgrond ftort van alle rampzalige dwalingen en elenden, hebbende niet gedaan, als op de Wcreldfche Wysheyd fteunende, die eene Vyand in van God is, alle ware Licht te benevelenj niets waar nog goed keurende, als het geen hy met zy- ne Redekavelingen Wiskunftig kan maken, door welke hy verdraayt het verftand van zig zelven en ran-anderen. D. Ziet hier den waaren Vyand van de Kennifle Gods, zynde het
Geheym der Geheymen ^ of de Alderheyligfte Heelkonft, met een Cabba- liftifche Eernaam getytelt. Deze is verbeeld als een Oud Man, vol Miften Nevel in de Herilenen. De Popjcns van duyzend Grilbeelden, Spookjcns, Geeften, Ikkers en ander uytbraakzel van bedorven Breynvaten, rinkinken in zyne Kop. Eene Ster, (zynde die, welke juyft op 't oogenblik vanzy- ne geboorte heerfchte) ftaat aan zyn Voorhoofd, draayende van Apoplexie. Een geel droeve verwe, uyt zyne zwart bloedtemperinggefprooten,dektzyn grys Aangezicht. Hy heeft twee Nachtvogels-vlerken, die hem flodderen aan zyne Ooren, tot Merktekenen van zyne zwaarmoedige afzonderingvan andere Menfchen. De Ster van Jupiter klimraende, word van zynen Sa- turnus gedrukt, en maakt hem zoo wys, dat hy nooyt en lacht. Hy heeft zyn Mond met eene vafte band gefloten, om 'tgrootite der geheymen nooyt te ontdekken; vreezende voor den Beul-Eneel, die den Hals omdraayt aan die, welke de Wyfgeerige Geheymen ontdekken aan de Wereld. Hy on- derzoekt uyt Arabiers, Mooren, Duytfchen en Indianen, z\sThebith,Za- cuth, AverroeSy Theophrajtus, 'Pdrace/fus, Riet, en anderen. Hy is al boven de negende Sphara of Hemelhoep, dwalende in een Linker of Rech- ter-Hemel, met Epicyc/en, Beefdraayen, Terug-zweeringen, Toe-en Af- zettingen der Sterren en hare weegen. ZyneygenaanhemSpiRiTusFAMiLiARis, of dienendeGeeft,fchiettoe
op't aanroepen vandiehoog geduchte Naam AGLA.Is een der Sattaints yde verftandige Geeftboden, tufichen den Menfch en Engel in, wat minder als Engel, wat fynder als Menfchcn, van den Grieken 'Daimones geheeten, van Joden en Grieken even gelukkig gedroomt. Eene zoort van Lucht-In- woonders, niet bekent, als in de Godskunde der Hebreen of Cabbala, die Nn ge-
|
||||
281 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
geloofden, dat zy in dc Teraphim zaten, en dat deze Beelden alleen voor
't uyterlyk dienden •, maar dat de daar in wonende wcezens waren zulke fy- ne Schepzels van Lucht, als Huys-en Haart-Goden,.of Geley-Engelen, »S«- daitn genaamt. Want anders meenden de Joden onlydelyk te moeten zyn,, in Jacobs oCDavids Huyshouding Beelden te dulden. JABAMIAH, het tweede Geheym-woord, dient hem tot onderhoud van alles* wat by begeert tot zyn behoefte. Zyn Familiar ey of eygen Geeft,houd hem de Handvaft, om te leeren de aldergrootfte Naam der Verborgenfte Geheymen, NEH- MAH MIHAH;en mengelende dezelve met deuytverkore Naam van ELI A- HEL,. bevryd zy zig van de Machten der Duyfterniflen, die tegensdie Fa- tniliare Geeften in de Lucht ftryden. In zyne Schoot legt de Keur der fy- ne HoofdftofFelyke Geeftenj een Salamander, de fynfte geeft in 't Vuur woonende ■, een Sylphis, die van de fynfte Lucht zamen geftelt, daar in woont; een Nymphe, of Watergeeft, in de Wateren vloeyende} een Gno- me , of Aardgeeft,uyt de fynfte Aard-deelen beftaande, en daar ingehuys- veft. Hy haat de vermenging met Vrouwen, en huwt in zyn gekwetfte ver- beelding zig zelven aan een Salamander, Sylphis, Nymph, of Gnome-, om als de oude Helden , uyt zulke koppeling Kinderen van byna God- delyke Allooy op te leeveren, als Numa Tompiltus , Zamolxis, en in latere tyden Ratmondyn van Lnjignan , Merlin, en zulken meer. En alzoo deze gedroomde Amazonen, van Vuur, Lucht, Water of Aarde bekwaam te maken, tot overgang in de Onfterffelykheyd, aan den Men- fchen, na de Dood, belooft. Dewyl deze oude Gek, zonder eenigegrond,. uyt gemaakte Geheymen, gedroomde Poppen, en opgeftapelde grillen be- ftaat, is hy verbeeld zander Voetenj gedekt met een Werpnet, voorzien van Bellen, in de plaats van Looden; altyd nog nieuwe Kapftokken vin- dende, die van die Fabeldromen ingenomen op 't geheym, in handel met zulke Geeften, en waankrachten, verzot worden. Om welke te beter in de val te krygen, (want bedrog is de Moeder en Grootmoeder van deze Stuypen) zit hy op eene ingebeelde Hemelskloot, met Driehoeken, Vyf- hoeken, en allerlcy gebrooken Strecpen doorwrocht,, uytvindende de Huy- zen en Gezichten der Planeten,. om zulke of andere Wonderhelden te moe- ten uytleveren, als zy gelukkig zamenloopen in zyn Geboortepunt. Want dat eerft opgevat zynde door een Gek, volgt licht de reft,welke meeft uyt- komen op Beurzefnyden,waartoedatARCANUMMysTER.ioRUMdeGoud- flokkery (eene valfche, maar Vrye Konft, zonder ftraf, om dat 'er zoovee- le Grooten mede behebt zyn) dat Mysterium Iniquitatis, zeer dien- rtig is. Den Deegen van Theophraftus Taracelfus van den Hogenheym heeft hy in zyne Hand, en daar op, de Knop. De Knop (zeg ik) waar in dit Hey- ligfte Poeyer bewaard was> onderhet Heylwoord LAPIS PHILOSOPHI- CUS, dat is, Thilofophifehe St een, leyd op de Smeltkroes, waar in de Stoffen zyn, die't Goud moeftert uytleevereni. maar die altyd te fterk of te |
||||
VAtf DE WAARHEYD EK HARE VYANDEN. XXXVII. H. l$$
flap geftookt, niet anders doet,als van goed Goud geen Goud maken, ver
becld met de Muntflag, die uyt de geborfte Teft rolt. De Vyzel > Stamper, Glazen en Helmen leggen gebroken op de grond, met geen overfchot, als Armocde, Wanhoop en Dolheyd, behalven eenige ontdekte Wateren of Stoffen, die deze verderffelyke Konft (in de plaats van het t'elkens mislukte Goud) heeft opgedifcht, naauwelyks nut genoeg,om de verongelukte Mee- fters buyten den Beyaart en Bedelzak te houden; vol rook van hoop, tot dc laatfte fnikj wanneerze zien,dat alle hunne koften en moeyten is gebruykt, om te ervaren, dat die Konft gedroomt,onmogelyk en verderffelykis.Maar altyd vind een Gek nog grooter Gek, die't gelooft, en de beloften zyn te groot, om niet te moefen bedrogen worden, namentlyk Goud maken, Jeugd be- waren, Ouderdom in Jonkheyd veranderen; onwederftaanlyke aanlokzelen, en alle even onbekent, op de naam van 't Opperfte Geheym boven alle Ge- heymen} en in der daad een Geheym van niet, en dat nooyt ict geweeft is. ■ti» Eyndelyk komt hier aanvliegen een Verdoemelyke ende Rampzalig-
fte Vyandin van de Kennifle Gods, zynde de 1>uyveljagery. Zy heeft hare affchuwelyke Kop vol van Storm en Onwe£r, 't geen zy meent, dat zy zelf maken kan. Eene Staart-fter, voorbode der Ongelukken by den Bygelovi- gen, brand in haar Bekkeneel. Dit bot Ondier is, om zyn grof onverftand, met Ezelsooren voorzien. De vuyle ongehavende Meerenvlechten ftaan haar te berge. Zy befmeert haar flaap van 't Hoofd met vreemde Zalfdozen, en beftrykt het Lyf met Slangen-en Vledermuyzen-fmout. Zy draagt in ha- re Rechterhand een Brief van haar Verbond met den Duyvel (zoo zy waanr) gefloten, en door beyde met Bloed bezegelt. Maar wyl zulke Ver- bonden nooyt gevonden zyn, als in de verziering der Tempeliers, om van den Duyvel, zaken en handelingen te fmeeden, die zoo onwaar als onmogelyk zyn, ziet men 'er nog Letters nog woorden op. Zy liegt van haar Sabot a , zynde een Nachtdis der ravottende Hexen, alwaarze den Duyvel huldigen, hem als een zwarte Bok eer bewyzende, 't gat kuflen, heerlyke Feeften houden, op Galgevelden, opeenStok,in zynBokskopgcftooken,deLucht door rennen, Hexboter van achter uyt laten vliegen, betooverde Spelden en Naalden zaayen, om andere ook te Verduyvelen, Weer-maken, Wind- braaken, Donder-en Blixemvuuren fpouwen, zyn hare Nachtwerken; ter- wyl de arme Sloofjens tegen de grond blyven lpartelen en fchuymbekken. Deze Verdoemeling, boven alles te beklagen, fteekt zoo diepin die opge- vatte waan en bedorve verbeelding, dat ze zelf, in die Landen, daar de Gierigheyd en Domheyd branden en moorden der Tovenaars gewoon is, aan de Brandpalengeboeyt, vaft gelooft en belyd gedaan te hebben,'t geen zy nooyt heeft konnen doen} verandert te zyn in Kollen, Katten en We^r- wolven; met de Duyvel Vleefchelyke gemeenfehap gehouden, en Spooken en Geeften door hare bezweeringen gedwongen te hebben. Zy vervat veele Nn 2 dee-
|
||||
284 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
deelen, van welke eenige minder, andere meerder Duyvelsbcjach lyken. Ne-
cromantte, of Zwarte Ronft, Geotie ^Geejidwang ^laneetlee zing, Hand- en Gezichtkunde, Gifgeving, Minnedrank, Beeldfteeking, Waterdraay, Vuur-Vogel-cn. Ingewand-befchouwing -, waar by komen Orakelen, Pytha- gorifche Lotery, Koot-en Dobbelfteens-krachten, nafpooring van Dichten, en uytgepikte Rymdeelen,tot voorzegging •, en alle zulke dweepery,bedrie- gery, en Duyvelary-, die van de Vrees geboren, van de Spinrok gekweekt, van Guy ten geoeffent, en van Gekken betaalt worden jwaar van zig beruch- te Mannen vervoert van 't Vooroordeel, verrukt van deOnkunde,gedwon- ten uyt fchaamte der geoeffende Zothedcn,niet ontzien hebbentefchryven,
onften en wetten makende van hare onbefchaamde onwetenheyd} dieze met valfche Hiftorien glimp gegeven hebben,en om den Buydel tehandha- ven. f» De verfchyning Gods in Droomen is hier boven aangewezen, door
cen Man op zyn Bed ruflende, en in zyne Droomen die Heerlykheden Gods befchouwendc, gelyk Mozes, dient tot verbeclding van Gods verfchyning in weezen en aftintelende ftraalen van zyne Genade, door den glanfch, dje in de Urim en Thummim des Opperpriefters ftaat. |
||||||||||||
;
|
||||||||||||
AGT
|
||||||||||||
■
|
||||||||||||
Van het Verval van de Waarheyd. XX XVIII. H. zg^
|
|||||
AGT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Van het Verval van de Waarheyd.
DOor zulkc kwadc en Verketterde Geeften, ingcbroken in Gods Kerk,
was de maat der zondigende Chriftenen, tegen zig zelven , tegen God, de Waarheyd, en hare Gemeente balfturig geworden zynde, tot over- lopens vol geworden. A* De ftaat van zulke zondigende Kerk is daarom hier verbeeld door ee-
ne Vrouw, welker Hoeren Aangezicht vertoont, dat zy verleyd zynde, niet zoekt, dan te verIeyden.Op haar Hoofd en zit niet meer devlamme Vuurs als eene gefpleete Tonge, om andere Volkeren elk in hare eyge Taal aan te lprceken, maar die vliegt van haar wech. In tegendeel fpreekt zy haar ey- gen Volk aan in eenonbekendeTaal. Zy prevelt School-latyn in hare Gebeden, en zingt Monniken-latyn in hare Homilien, Litanien, en andere Hymnen, door Muzykdraien voor het Verftand verdraayt. Haar Hoofddekzel is Vio- let 5 haar Kleed Turper. Eene Mytcr blinkt op haar Voorhoofd, met Peer- len omzet. En om al haar tooyfel in een Merk te verbeelden, hecft zeeene Paauweftaart voor de praal van hare hovaardy achter op ftaan. Haar Voor- hoofd is Gebrandmerkt met het teeken van het Beeft, zynde geen blinkend Rond van de Eeuwigheyd, geene ftralende Driehoek der H. Drieeenigheyd, Seen naam van Jehova Zebaoth, Emanuel of Chriftus •, maar een donker
Lond van ydele Duyfternis. De koftelyke Peerlen ftrooyt ze voor de Var- kens, en laat het H. Boek met gefloote Zegels vallen uyt haren Schoot, om 'er in te laden Papen - Mutzen, Biflchops - Myters, Kardinaals-Hoedcn en Pauze-Kroonen, met de Sleutels van de Eeuwige Kerker en Hemel voor die haar tegenfpreekt, hebbende Medufa's Slangenkop op den Boezem, om te dempen of onbewegelyk te maken hare ployende Vyanden. Zy grypt met de Linkerhand na de Kwakkelen, daar ze zig aan te berften eet, en vergeet, }*a vertrapt het Manna van den Hemel met de zelve Voet, waar mede zy
tet Licht, op zyne Kandelaar gezet zynde, omver fchopt en uytdooft; ter- wyl zy naar den Roem, Rykdom en Macht hakende, diep in de Wereld, hoe broos en van Glas zy dezelve ziet, met de andere Voet is getreeden. X>. De uytvinding der Kcrkpraal is hier uytgebccld door een wuft en los
Vrouwtje, die de Kop te vol heeft, om niet te laten uytbobbelen hare mey- ningen, uyt de zinryke Herflenpan. Zy heeft het Gceftelyke willen Licha- melyk toonen. Zy heeft Aangezichten van den Zaligraaker, der H. Maagd, en andere Heyligen uytgevondeni voorts Seraphim, Cherubim, Thrown Nn 3 cn
|
|||||
1%6 Dn HlEROGLYPHEN OF MeRKBEELDEN.'
en Engelen, Duyvels-fpooken, enalle deHelfche Benden verdicht, maak-
zel, geftalte, Vleugels, Lichamen, Staarten, Klaauwen, Hoornen en alle de reft gegeven. 'T is de vinding van haar Breyn te danken, dat het oor- deel der Menfchen uyt horen, zien, en opvoeding zoo bedorven is, dat ze 't Geeftelyke in hare befpiegelingen niet kan doen vatten. Zy draagt de Vleugels van de zinryke zotheyd aan haar Hoofd. Den overvloed van ha- re Gedachten, die de eene uyt de andere geboren worden, toontze met ha* re veelvoudige Borften. De Staf, waar op de Hand ftaat,met hetOog daar in, beteekent de Bou\v-Beeldhouw-en Schilderkonft, door de zelve Vleuge- len van 't Verftand verzelt, dat de Hand het oude Sternpelmerk der Fabry-, ken en het oog doet yveren. Deze heeft de Viflchers Netten der Kruysge- zanten in Opperfte Pnerter-rokken en Mutzen hervormt. Zy zit met de Voe- ten in der Zwynen drek, aHes met het Wereldfche flyk bevuylende, terwyl- ze de ontwerpen hervoort brengt van prachtige Tempelen, van Jerufalenij Ephefe, of Memphis ontleent, en voor der Chriftenen eenvoudige byeen- komfte, dagelyks Gewaad en Huysraad, opgevoert. *->• Hare Voorftanders zwegen uyt vrees, of om 't voordeel der Amp-
ten , en zyn hier verbeeld door eenen gemuylbanden Rekel, die niet en byt, nog en blaft tegen den inbreuk der Wolven, die aanvailende deze verftom- men, als laffe Leeraars. D. De omheynde fcheering en welbevlochte Kooy, desHeeren Schaap-
ftal bevrydende, ziet hare Deur zonder Wachters, en de greetige Geeftely- ke verfcheurende de onnozele Kudde, welker Herder Chriftus met zyn Le- ven pleeg te befchermen; zoo dat 'er niet een van dien, welken zyn Vader hem had gegeven, wech gerukt wierd^ daar deze Huurlingen gevlugt zyn, en den Herders Staf hebben in de loop gelaten. In deze Kooy ziet men de Kettery grazen, die als de Peft in't duyfter word gezegt voort te vliegen. K Deze Ketterpeft is met Ezels-ooren van verkeerd en botcordeelvoor-
zien> heeft de Hayren fteyl over eynd ftaande van Koppigheytj draagt als
de ware Peft Vergiftftarren in 't Hoofd, om de droomen der Sterrekykers te
evenaren, die Jupiter met Mars, de Chaldeeuwfchemet de Zon, deEgyp-
tifche met Saturnus, de Joodfche met Venus, deTurkfche met de Maan,
gekoppelt ( zynde de Ketterfche Godsdienften) in de Wereld doen komen.
Uytzynoopen Bek fpat een verderffelyk Vuur, omialles inlichterlaayebrand
te zetten. Zyne Toorts fteekt de Hooven en Kerken aan. Dit fchrompeli-
ge Gedrocht teert alles,en zig zelven uyt,gelyk men aan zyn hangendePok-
borften kan zien. De Vleermuyze-vlerken flodderen aan zyne Armen, om
zyne duyftere blinde domheyd, en zyn plonderen by nacht te vertoonen.
■
F. De
|
||||
Van het Verval van de Waarheyd. XXXVIII. H. iSy
r« De Vervolging daartegen komt als eene dolle enwoefteKopmeteene
Pylkoker op dc Rug, om datze befchreven word, als de Pyl, die by dag vliegt, met het Snoeymes in de Hand, afkappende deTakken van desHee- ren Wyngaard, hebbende voor zyne Voeten den Beyr, die in de Boflchen en op de Heyden woed, zoo als de Vervolging in de H. Bladeren voorge- ftelt word. Die Vervolging heeft niet fterk de zondigende Kerk te trekken of tefleuren. Zy valt van zelfs, daar ze getrokken word, en plooyt naar t Heydenfche, Joodfche en Duyvelfche, 'tgeen haar eygenis, vry gemakke- lyk,zoo dat men 'er geen Vervolging op heeft te doen, G Nog minder fchrik heeft zy voor dcGeeftelyke Opgeblazendheyd. Die
vctte Meftpaap blaaft zig zelven de ooren vol, en wil op zyn Hooft alleen al de Heydenfche en Joodfche, ja alle de Vorftelyke Praal, Kroonen, en Eernamen laden. Eene blinde Mol in het Aardfche wroetende, hegt zyne Goude Mantel aan een. Hier mede brallende, deelt hy den Hernel om dreygtde Helfche pynen, verkooptde Goddelyke Genade, geeftenfehenkt alles wech, 't geen hynog heeft nog krygen kan. Dit is hy, die de Byl legt aan de Wortel van de zelve Boom, waar van de vervolging de Takkeir afkapt. H. Zyn Vosje ontwortelt defrHeerenWyngaard in de grond, endoet
alle de Vruchten verdorren, bedriegendc de hoop van zynen Planter, Be* vochtiger en Zegenaar. !■• Dit is de booze Geeft, die fit kwaade Zaad, en 'tverderfFelykonkruyd
zaayt op den Akker, door des Heeren Arbeyders bereyd> terwyl zy liggen en flapen, om het goede, bewerkt door de Knegten van den Heere, in zy- nen Dienft uytgeftooten, te verftikken. Zulke bywerken, als hier zyn by een gevoegt, en meerdcr kan men by een fchikken, in de verbeeldingen van eene Afvalhge Kerk, alwaar deWereld zwaarder weegt, als de Hemel, en de pracht van het brooze tegenwoordige het zuyver Goed van de Eeuwig- heyd uyt de Oogen en herten dryft. Van diergelyke zyn de Verbeeldingen der Goederen, die zulke Kerk verlooren heeft, gelyk men hier ziet. * \ *£? V!ft Be^ouwen °P God> d°or eene Talmboom vertoont, welke
door de Winden gebeukt te rechter opfchiet, en na 'tgeweld van 't flinee- ren door de Luchtperffingen, fterker zyne Wortelen fpreyd en in de erond vaftmaakt. ° _
J-«» Op deze ruffe de eerfte, Eenvoudige Kerke Gods, die door zynen
Geeft beta* door zyne Hand geleyd, en door zynVuucaangeftoken,het Kruys
|
||||
288 De Hieroglyphs** of Merkbeeli>en.
Kruys hares Zaligmakers op haar derfde laden, en het zelve, als haar Voor-
beeld, houdcn, om doorgeduld, niet door geweld •, door lydcn, niet door fhydeiii door wel fterven, niet door laf levenj de Kerke Gods op te bou- wen. De Zon van de waare Kennifle blinkt in haren Boezem, die zy heeft verkregen door de H. Verborgentheden, die in deH.BIaderen zigvoordoen, door de gebrooke Zegelen, welke het Lam Gods had opgemaakt. Zy is eenvoudig gekleed, en heeft nietsby haar, als het heerlyk Voorgaan van hareLeeraars, Opzienders, Propheten en Kruysgezanten, welke voor hare Kweekelingen niet ontzagen hun Bloed te ftorten, gelyk de Pellikaan in zy- ne Borft pikkende, en door zyn Bloed zyne Kiekens genezende van debeqt der Slangen, die in zyn neft gekropen waren; gelyk de Kettcrs en Vervol- gers in de Vergaderplaatzen der Heyligen. In de andere Hand houdze eene Weegfchaal, met gelyke Schalen hangende, om te doen zien, hoe zorgvui- dig zy alle Grootmeefterfchap, en dwang van hooge Rang in hareBroeder- fchappen heeft gemyd , verfoeyt, en tegen gegaan. Zy is met Vleugelen voorzien, om te bewyzen, dat hare bewegingen naa haren Godopklimmen, en zyn Ryk zoeken. Zy wykt evenwel van die afvallige Kerk ganfch af, en tracht zig zelve uyt de Wereld, Dwalingen, Vervolgingen en Lokaazen tc redden, ziende de kracht van Wonderwerken, de Lydzaamhcyd, Waar- heyd en Rechtvaardigheyd. M. T>eze Kracht van Wonderwerken is verbeeld door eene Maagd,
die een gekrookt Riet in de eene Hand houd, en in de andere de Merkte- kenen draagt van de Kreupelen, Lammen, Melaatfchen, enZieken, die ze genezen heeft; zynde Krukken, Stelten, Lazarusklappen, Ziekbakjens en diergelyke, door den Geeft Gods, wiens kracht in hare Boezem werkt, als een Troofter van haren Zaligmakenden Chriftus, belooft tot hare Verfter- king en Opbouw. Zy zou niet kwalyk (leed het de plaats) met kleyne En- gelen omzet zyn, als krachten, die, van haar uytgaan, en den Naam van Chriftus uyt de Mond doen hooren, zynde die H. Naam, in en door de welke zy zoo veele Wondertekenen heeft verricht, dat zelfs Godloozen zig met dien Wondernaam behelpende, hier en elders, ook vreemde voordeelen verkreegen, en naboorften de ware werkingen van Gods Kracht en Geeft. T zyn deze Goddelyke hoedanigheden geweeft, door de welke van tyd tot tyd, de Kerke Gods heeft gebloeyt, en die meeft Hemelwaarts zyn gevlogen, om de ondankbaarheyd der afvallige Kerk. De Godvruchtigheyd, de Een- youdigheyd, en deware Kennis, welke de Kracht Gods deden op de We- reld nedrdalen, en dekwaaden van zyne Uytverkorenen afweeren. De Vervolgingen van ouds zyn van geen langen duur geweeft.Ifra'elleed
aoo. Jaren in Egypre. De Canaaniten drukten Gods Volki gelyk de Moa- biten ontrent 20. Jaren. De Philiftynen kwelden dat Volk 40. jaren. AflTur en Babel boeyde net, en hielde het Balling 300. Jaren. Antiochus Epipha- nes,
|
||||
Van het Verval van de Waarheyd. XXXVIII. H. 289
nes, en de Romeynen zecr lang de flechte overblyfzels. De Chriftenen le-
den tot Conftantyns tyd toe, min of meer, na de ongelukken der tyden,en grootmaking der Schryvers, die tc mets meer praal maakten van 'tgrootma- ken der Martelaryen, als ftichting door goede Eenigheyd en Leeven. Mu- hammet heeft over de iooo. Jaren eenige Chriftenen gedrukt, en de reftge- dreygtj maar de groottte Vervolging zit in haar zelvcn, tegen haar zelven. Openbaare Vyandenkomt deKerk, of doorGeduld, of door Heerlyk fter- ven te boven, maar de woede der Ketteryen, die als de Pert by nachtover - al inkruypt, duurt en word grooter. N. Tot trooft evenwel zien wy de Wonderen Gods in de gedcmpte Af-
goderye, door <Dagoni 't Vrouw-Vis-Beeld der Philiftynen, het welk op 't ftellen der Arke van Gods Genadc-Verbond, door de Philiftynen genomen, en Zegepralend omgevoert, in ftukken viel, en voor een gedeelte vermor- zeldej en daar na de redelyke vrees, die in die Afgodiften viel, van door Muyzen en Speenen geplaagt, de ware God ter eercn, zyne Bondkiftmoe- ften terug zenden, met Goude Muyzen en Speenen totboetevan hunneop- geblaze mifgreep. o. Even zoo is tot heul der Onderdrukten door de Dwingelandy der
Vervolgers de Prophetifche gelykenis, van het groote Kolojjus Wonderbeeld van Nabuchodonofor, het welk, van hoe koftelyke, fterke, en hardgeklon- kc ftoffen gemaakt, neder moeft ploften, alleen door 't aanrollen van een ftuk Steen van des Heeren Berg. Dit broksken zonder Haken, Houwelen, Bylen of Handen los gemaakt, rolt van boven van Gods Heylberg naar be- neden, tegen dc Voeten van dit groote Wanftal. 'T is geen raak, of al de- ze verfchrikkelyke toeftel kraakt, barft en legt te morflelen. De woede der Bloedhonden, die de Zielen willen mennen naar hunne Fluweele of Yzere Toomen, tot aanbidding of erkentem's van iets, hoe Groot, hoe Heerlyk, hoe Machtig het ook zy, voor God of Goddelyk, is eeven zoo gevaren. De Mutzaarden, de Zabels, de Bylen, de Boeyens zyn tegen hareTempe- len, Landvoogden, Beulen-en Ketter-Meefters gebeezigt, en belonen altyd het lot der Bels-Priefters, en Elias Wederpartycn aan hare wreedheyt. |
|||||||
Oo
|
|||||||
NE-
|
|||||||
Van het Verval tot Kettery. XXXIX. Hoofdst. 291
|
|||||
NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Van het Verval tot Kettery. WAnneer de groote Verftanden dwang konnen gebruyken, docn zy
in getal en geweld, aanzienelyker, ten minften vreeflelyker, veele zwakke Verftanden zwichten, en zuchten, twyffelen en vreezen, en kennen den lompen Eezel niet, die deLeeuwenhuyd omhangen heeft,niet deHuyd van den Leeuw van Juda, maar van dien , de welke over al rondom gaac, brullende, en zoekende den Vroracn te verflinden. A. Zulk een verzufc gemoed is in malkander geplooyt, neergebukt en
krabt zyn Kop, van heymelyk ongenoegen} terwyl hem net jok te zwaarop de Slaarfche Nek legt, en de Toom in zyn Mond hem doed zwygen, zoo verbluft blyvende zitten, te bang om iets edelmoedigs met zeggen of ichry- ven te wagen (eeven als de Hond, die voor de Eegelpennen vreezende, zulken Ondier zyns Hecren Tuyn laat omwroeten, ten argften jankcnde, maar meeft wechlopende, en in zyn neft zig verfchuylende) te vreden, dat hy, als de Ezel van Bileam, het Hemellicht en den Engel ontdekt, eer de Priefter, Ziender of Profeet hem gewaar wierd. JJ* Eene andere zoort derft ten minften eens twyffelen aande grillen, die
men de Wereld in zulke Yzere Tyden op de mouw fpelt. Die twyfelmoedig- heyd of Wyfelary, gefprotenuyt Schemerlicht,heeft door denken,Ieezen of hooren plaats in de Herflenen gevat. Dit gebrek word verbeeld door een Jeugdig Man, wiens wild Hayr met allerley Wind naar allekanten waayt. De Weer- haan ftaat in zyne Herflenen geveft, die gedreven worden, dan naardegoe- de zyde, met eene Duyvewiek, aan de rechterzyde van zyn Hoofd , dan met eene Vleermuyzenvlerk aan de linker zyde, nu totGeeftelyk bezef, dan tot duyftere blindheyd en onverftand. Hy fronft zyne Oogen te zamen, om zyn denken te doen aanmerken. Twyffelende aan 't ware en befte ftuyt hy zyne Mond met zyne Vingeren, leunende op een Boek van hem doorlezen. Hy houd op zyne Hand een Chameleon, dien hy te veel navolgt, ontfan- fende zulken indruk van Verwen, als 'er rondom hem aangefmeert worden.
ly droomt iets, hy fmeed iets uyt allerley Leeringen en Godfdienften, maar vind nergens, dat proef houd. Zyne gefcheurde Deeken,waar mede hy om- hangen is, en die hem zwaar nalleept, is met allerley lappen bezet. Men ziet 'er de Wereldkloot voor de Heydenfche Godfdienft opgenaayt > de Wet van Mozes voor dejoodfchej de Naam van Chriftus voor de Chriftelyke} dc Halve Maan voor de Mahumetaanfche} de Sleutels van St. Pieter voor de O01 Room-
|
|||||
191 DE HrEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
Roomfche > de Gans voor de Gevoelcns der zoogenaamde Huffiten enz.
de Zwaan yoor de Luterfchej de M. voor de Chiliajlen of Duyzendjarige- Rykdryvers. Hy bukt naar de laft van zulken Nafleep, en vlot vaft barre- voets in eene Schelp,in hope, van op'teerfte vafte Land opgezette worden. Erbarmelyke en beangfte ftaat, zoo zy niet doordringt, en 't befte keurt! *•> Deze twyffelmoedige Wyffelary word voortgekweekt van driftigc
nieuwsgierigheyd; verbeeld door eenejonge Vryfter, wier Hayrenook wild-
wajig zwaajcn aan haar lofle Hoofd. Zy draagt een Onruft op hare Herf-
fcnpan; en voek de Hoornen van een Hert,een van de nieuwsgierigfte Die-
ren,uyt hare Kruyn waflen. De Wieken, waarop zy dryft, zyn vleugels
van Capellekens, van allerley verwen, plakjens, en vlekjens. Welke Bloe-
deloze Ondiertjens op allerley Bloemen vliegen, wiewauwende van 't een op
't ander. Hare Schoot was zoo vol Boeken en Schriften , dat 'er 't grootfte
deel uytvalt. Zy heeft hare Ooren open, en 00k haar Rok met Ooren be-
zaayt, om dat zehare nieuwsgierigheyd over al wil voldoen. Kikvorfchen
ziet men tuflchen de zelve Geborduurt, een Ratelend gefchreeuw der Poe-
len makende, die ze, hoe vuyl die Moddergrondcn zyn, voor haar Muzyk
aanhoort, en gelykvormig word; zynde dit Ondier voor'c Merkbeeld der
zotte nieuwsgierigheyd by den Egyptenaren altyd gehouden. Zy reykt en
rekt zoo hoog als haar doenlyk is met hare zwakke Handen, trachtende de
Eeuwigheyd, en 't geen aan dezelve vaft is, te grypen, ente begrypen.Zoo
heygende van verkeerde vlyt en drift, ftapt ze met hare eeneVoet een Berg
op, om te doen zien, dat ze altyd hooger wil opklimmen. Een nut gebrek,
als 't door eenen Wyzer geleyd word;
D. Die naaft haar zit, zynde een matig en recht onderzoek. Deze net-
te en eenvoudig gekleede Vrouw , heeft een welgemaakt ftil Aangezicht, fterrende op de Waarheyd, naar welk zy met H. zuchten haakt. Zy heeft voor haar open leggen het Goddelyk Verbond, waar van zy de klaarheyd mag doorzien> dewyl men de Zegelen,met dewelke deze Gods LaatfteWil gefloten was, door het Lam verbroken ziet. Daar vind zy haren Schepper en Heyland, de Alpha en Omega, 't Begin en 'tEynde van alles, waaruyt, waar in, en waar door alles bewogen word. De Pythagorifche Letter Y ftaat op hare Boezem, alles keurende naar de fmalfte en rechte weg. Zy houd in de Rechterhand eene Toetzfteen, waar aan zy den Trouwnng van den Heyland met zyne Bruyd, de waare Kerk, kan toetzen, dewyl ieder fchreeuwt, die ware Bruyd aan te kleeven. Zulken Toets doet ze nochtans met zedige gehoorzaamheyd aan de Goddelyke en Menfchelyke Onderwy- zingcn, met het zachte Jok van Chriftus blyde. Weshalven zy eene Spie- gel by zig heeft, waar in zy den Drieeenigen God kan befchouwen }'en waar- om eene Slang kronkelt van Voorzichtigheyd , gelyk 'er een Duyfje vol een- voudig- |
||||
Van het Verval tot Kettery. XXXIX.Hoofdst. 295
voudigheyd op de H. Bladeren zit. Zy is niet te fchielyk nog driftig, zulks
vertoonende door de Schildpad onder den Arm, die langzaam, maar zeker, wandelc over de Boeken der Oudvaderen, der Kerken - Leeraaren , Richt- fnoeren der Kerkelyke en Algemeene Vergaderingen der Godzalige Man- nen, gekleed met lange witte Klederen, in welke zy de Wereld overmee- ftert hebbende, draagc als Zcgepralende in hare Schoot. •EL- Die Goddelyke Waarheyd, waar op zy hare Oogen houd geveft,
komt van den Hemel gedaalt, alseene Goddelyke Gave, Schoon, Natuur- lyk, Naakt, zonder tooyzel, dringende door de zaamengetrokke Wol- ken der dikke duyfterniflen. Zy draagc de Straalkrans van de Godheyd, Drieeenig blinkende om haar Hoofd, en heeft eene Spiegel in hare Hand, in welke zy gedurig zien kan , of de gelykeniflen van haar, wel haar zelven gelykvormig blyven. De omtrekken moeten zoo net zyn } haar Sneeuwblank en Roozemengel moet zoo juyft zyn , dat 'er het geringfte niet aan en faalt, of zy ziet aanftonts, waar des Menfchen Hand en Vin- ding uytgefpat, en van haar Hemelfch Schoon op te volgen gemift heeft. Zy moedigt met de andere Hand hare matig'wys zynde Onderzoekfter aan , om onbefchroomt hare Schoonheden te Verkondigen, en verzekert haar door de Palmveer, van de Vreede met God, tegen de dagen der be- zoekingen, als de Wereldfche Machtcn haar beoorlogen. ■T* Zy word haaft ontdekt, en met Juychinge verwellekomt, door dc
Verborge Kerke Gods, welke hare drift tot hare nadere kennis doet zien, door hare uytgeftrekte Armen. Verbeeld door een oud Man, als E/ias, of diergelyken uyt de Zienders der Joden in de Tyden Jezebels , die zig de Dwingelandy heeft onttrokken, in de Rotzen onthouden, ende Knien voor den Baal niet gebogen heeft, gelyk 'er de Heere nog zevenduyzend (i Koning. XIX. 18.) zulken voor hem uytbewaart hadde, zooweekenook de verftrooydeRecht- zinnigen in de Boflchen en Holen,op de Steenrotzen,en Sneeuw-toppen,wanneer ze het geweld der Heydenfche, Joodfche, Roomfche of Turkfche Vervolgingen ontvheden konden. Hy heeft een Hert by hem , het welk gejaagt zynde door de Honden.of gelyk in Perzie, door Tygers, fnakt naar het Water uyt de Rotzen wellende, om te bewyzen zyne Dorft als 'David naar de Waar- heyd, en 't byzyn Gods. Boven zyn Hoofd ziet men een Duyfje kirrende in de klooven der Steenrotzen. Van die ftille in God gerufte uytgeweeke Denkers, buyten der Wereld roemen glans in 't verborgen kweelende, be- waart het H. Woord, gelyk het Vuur van Gods Altaar in de Slykput van Nehemias, onderhouden door de Vruchten van den waren Boom des Le- vens, maar niet van den Boom der Kenniiledes Goeds en des Kwaads, het Beeld der Wereldfche kenniflen, van welke zy Ballingen waren; alleen diep ingaande in zig zelven, vry en ontbonden van de duyfterniflen des Vkefchs, Oo 1 die
|
||||
Z94- ^E HlE'ROGLTPHEN OP MeRKBEELDEN;
die in zulke donkerc Holen het klaar Licht geftadig hebben voor zig gehad* en zoo krachtig daar door geleert, dat de Baalspriefters door hen overwon- nen, de Redenaars befchaamt, en de Letterhelden verflagen zyn geworden* als de Griekfche en Egyptifche Wyfgeeren voor St. Antonis, eene macht van gaauwe Ketters voor /<<7»//'»/«.r,eengemeynBorger in't ConcilievzxiNiceeni van welke de overwonne Ketter getuygde, dat hy den Biflchoppen wel had konnen antwoorden, door woorden tegen woorden, maar dat deze, door den waren Geeft fpreekende s niet was te wederftaan. vJ» Zulke zyn de Kerkpesten, die met fchoone fchyn van opge-
dfmokte Vrouwetronien , Slangenftaarten, en Sprinkhanen Lichaamen, be- driegen, verderven, en verflinden al het goede. Deze ziet men uyt de Put des Helfchen Afgronds opdonderen, met ganfche zwermen den Akker des Heeren verwoefrende. Die Helfche Vlammen van de Zulferpoel, met hare uytgebraakte dikke dampen, konnen den Hemel zoo niet bezwalken, of de •fterke Waarheyd weet dag te maaken, dwers door hare dompige nevelen, «en doet verbaaft zig wech pakken H. De Schoolhaazery der hoog Getytelde en Gekapte Leeraarsder
onnutte Wetenfehappen. Die kreupele Mankebeen, heeft zyne Blinddoek half van 't eene Oog afgefchoven, om de flikkerende ameringen van's Waar- heyds Licht eeven na te oogen. Voor de reft te verlieft op zyne verblind- heyd, om met Arendsoogen, dat Licht tot in de Zonne der Waarheyd na te fporen. Hy draagt op zyn Gehaayrkloofde Dwerlbreyn een Schoolbert- je, waar op men dwers gefchreven ziet ERGO,makende Sluytredens op Bar- bara, Celarent, enz ( en och of zy dat alle deden.'zoo zou men hun School- feraas niet horen; dan zouden zy hunne uytheemfche Lettergrepen en hard- orflige woorden verbergen, te rug houden en zwygen.) Hy is uyt de Sor- bonne van Parys gekroopen, lopende van de eene Hooge School na de an- dcre, met zyne Spitszinnige bepalingen, verdelingen, uytzonderingen, en duyzend andere, fporeloos aan een gefmeede Kunftwoorden, als de Rotten- en Muyzeval Verkopers, open zettende hunne looze Vallen en Strikgarens, om de Zielen te knappen,derzelverHerfTenenenGemoederenverlydendemet onbekende Woorden en Grillen. Dog dragende groot geduld voor de H. Stoel; en voor zig zelven, Mutzen van Doctoren, Profeflbren, Prelaten, en anderen. De Ezelsooren van Midas, om de Goudzucht verkeerd, wen- Cchende, flovende en fnuftelende, verklikken zyn grof Verftand, in alle zy- ne fyne vonden, die hy met luyden Monde ftaande houd, met fchreeuwen •en ftampen, niet met waarheyd of reden. Onbefchaamt zyn , is zyne ey- fenfehapi waarom hy een lood Voorhoofd draagt by een yzer Hart. Zyn
oute Been en de Weg vol onvruchtbare Diftelen, op de welke hy gaat, tooncn de ware wil om Ketterfch onverftaad te zaayen j gelyk zyne Draaken- vlcugc-
|
||||
Van het Verval tot Kettery. XXXIX. Hoofdst. 195
Vleugelen, zyne felheyt tegen den Tegenftanders van zyn lafterlyk onwetend
weeten. Hy vlucht echter, maar weet niet, waar zig te bergen , wyl de Fioolen van Gramfchap uyt den Hemel geftore worden op die heerfchende Hoere, *• Die Koninginne der Verborgentheden van de Ongerechtigheid', met
wclke de Koningen der Wereld gehoereert hebben, en uyt welker Hensbee-- ker zy zig vol gezopen hebben; die nog voor een weynig tyds zitten blyft op haar Zevenhoofdig Beeft, en hare zeven Bergen -, ziende met doodelyken* angft den glanfch van der Waarheids ftraalen in de Oogen van die Machten; aanblikken, met de welkc zy pleeg te boeleeren. |
|||||
VEER.
|
|||||
---
|
|||||||
.
|
|||||||
Van het Kerkbestiir. XL. Hoofdstuk. 297
|
|||||
VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Van het Kerkbejller.
DE Eenvoudige Hertcn, onder Syriers, Arabiers, Egyptenaars en E-
thiopiers, miflende vaak onder de Vervolgers de onderfteunende trooft van 't H. Woord,door de Martelary van hunne Predikers,en blyde bood- fchap Verkondigers, waren te zeer gewoon, wat Beeldelyks te zien. In 't Heydendom vloeyden de Beelden over, en was de Wysheydin Beeldfpra- ken te kennen te hoog geacht > ja zelfs die der Heydenfche Wyzen was te nabuurig en gemeen in, en met de H. Schriften en Gelykeniflen} om zon- der iets diergelyks hunne Zielentekunnenkweeken. Eenigebegonnendanmet een goed inzicht die gemoederenoptebeurenmetSchilders-en Beeldhouwers Poppenkraam. De diehft hier van wierd van eenigen voorgertaan, van ande- ren ernftig beftreeden, om dat die Boeken der Lceken, te licht eenverkeer- den indruk in de Herflenen maakten,en 't Oneyndige met het Eyndige ver- warden. A •
•"• Van deze is 'er een voor handen, welke te St. Thome of Melipour
gevonden is, (zoo men zegt, ) en aldaar aangebeden,om den Beeldenkracht
te geven, als een overblyfzel van den Apoitel Thomas. Dit heb ik aange- zien als een Beeld der Eerfte Kerk, mits datmen die vcrbeelding fchikke. Men ziet 'er dan een opgefchikt Kruys met zeven opgaande Takken, op de zeven vcrvulde of aankomende Tyden paflende. Op het derde dezer is een Rond, vertonende de Vervulling der Wet,door 't opkomen van Joan- nes Doop, die Chriitus in de Jordane by zig heeft. DcH. Geeft, als ee- ne omftralende Duyve, daalt op den Heyland uyt den Hemel neder, be- tuygende, dat hy Gods Geliefde Zoon was. Het Bloed van dit Dwarshout afvlietende , vergaart onder, als in eene Zee van Genade, door de vier Rivieren van 't Hof van Eden, naar alle Deelen der Wereld uytvloeyende, 'Pi/on, Gihon, Hiddekel en Euphrates, na dit Bloed, als 't Water der verkoeling, tegen 'c Vuur des Satans, om deZonden, verlangende Her- ten, de Merkbedden in de Ffalmen en vecle andere Texten, van den Ge- lovigen, die op Gods Zegeningen wachten. Dit Dier, vry bot, cenvoudig en nieuwsgierig, is ab een Zinnebeeld der Gemeente niet oneygen bevat, gedurig gejaagt, de Prooy en 't Banket der Grooten; wiens gewicht of Hoornen, afgeftoten ofafgezaagt, tegengift aan de Lichamen verfchaft te- gen de Slangebeeten. Hier onder zietmen onzen Zaligmaker ten Hemel op- genomen, en daarom met Cherubinen Vleugelen gedekt, dog heerfchende, en defwegens met een fcherpfnydend Zwaard, zyn H. Woord in de Hand. Pp Ach-
|
|||||
298 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
Achter den zelven ziet men een Palmboom van Vreede en Standvaftigheyd,
en daar in den Haan van <Petrus, om de boete en het waar berouw te doen aankondigen aan ieder, en hen te herinneren, hoe zwaar het dien H. Man was, zynen driemaal verlochenden Heer met tranen we£r te winnen. Onder aan ftaan random deze Chriftus twaalf Schaapen, de twaalf Kruyfgezanten verbeeldende, die na t afwezen van hunnen Herder meeft ter Slachtbank geleyd zyn, om haar bloed in 't levendigmakend Bloed des Heeren te ver- eenigen. Achter aan ziet men eene Stad of Vlek vertoont, waar uyt eeni- ge Haofden van H. Mannen, mogelyk Martelaren, uytkyken. •£*• Maar buyten den inbreuk der Beelden, daar lang om met de Pen en
Degen gevochten is, leed de Kerk in veele andere zakcn^ niet zoo zeer in grove Ketterftelling, want die dwalingen ginemeninde Algemene Kerk- vergaderingen tegen, maar in de tooying, opnulling, byhangflelen, nieu- wigheden van plechtigheden,pracht en oppermacht. Want metdiegrootfch- heden waren de meefte Kerkelyken gedienL Zoo ziet men hier den Doop van eenen Nieuweling, die niet, als de Hofmeefter van de Moorfche Ko- aingin Candace, eenvoudig gelovende, gedoopt, en zoo Chriftus ingelyft wierd> maar die, ofnaakt, of wat ontkleed, onder den ApoftelentenDoop kwamen, wierden in het eerfte verval Mannen en Vrouwenmoedernaakt, met een gcring tufTchenfchot van Planken, in de Jordaan, Tyber, of ande- re Rivieren gedoopt; tot dat men het Doopwater eerft ging heyligen; en de Leerling van buyten kon het Gelooftn Onze Vader. Drie Maanden bleef die in de proef. Hy moeft dien tyd geftadig op de Kerkdagen tegenwoor- dig zyn, maar op het H. Avondmaal, de Kerk uyt. Hy moeft een nieu- we naam ontfangen, den Duyvel verzaken,met de Wafchkaarsin dehand, een Manteltjen omhangen , en driemaal luydkeels belydenis doen. De Bif- fchop, die hem doopen moet, draagt 00k een Compas om den hals, om. zynen Dopeling in 't bidden net naar 't Ooften te draayen , als in 't uytban- nen des Duyvels , die hier met een Gedrocht uyt de Mond vertoont is; na 't Weften zyne Neulgaten met Spog, en zyne Uoren doen openen; om die tot het gehoor van Gods Woord te klaarder te hebben. Tot teeken des H. Geefts, wryft en zalft hem de Doper metOly, en bekruyft den Leerling-,. om hem vry te houden voor den aanval der Booze Geeften. Men wreef hem Zout in de Mond, om gezoute Redenen te leeren> om den Doop be- delen, tegen de grond leggende, lang boete doen, van Huwelyksplichten zuyver blyven. Dan wierd hem het Hoofd gezalft, de Voeten gewaflchen, na den Doop een Schoen aangedaan in deze plechtigheyd ; om de vernede- ring des Vleefchs uyt die geflagen zoolen te leeren ; lang te proef ftaan van openbaar onderzoek y in de Kerk heerlyk opgctooyt aan den Biflchop opge- offert worden de witte nieuwe Linn^". Kle^ren y na de zalving ontfangen ■, daar na de nieuwe plicht van verfterking ondergaan, den Dienft hooren, me-
|
||||
Van het Kerkbestier. XL. Hoofdstuk. 299
mededeelende aan het Offer* en eyndelyk als een nieuwgeboore Melk en Ho-
ning , of Melk en Wyn drinken. De meefte toeftel van alle die Zalfpotten, Scho- teltjes, Kannetjes, en Balzemdozen, ziet men hier voor den Dopeling,dic nu mede den Beker en 't Offer der Gemeenfchap in deHandhoudt,enniets nodiger heeft, als dien wel te beloonen, die hem heeft Gekerjlent (dat \sy door den Doop tot een Chriften gemaakt,) en de Kerk te bedenken, waar ia, of waar voor hetgefchied is. Daar toe wierdde Gedoopte dan als een Broeder ingehuld, door eene maaltyd naar zyn vermogen. En die wierd jaarlykfch tot geheugenis hervat. {-*• Den jonge Gaften wierd het Hayr afgefneden, en eene Kruyn ge-
fchoren, als Erven of Mede-erven der H. Staat, Kleerojjors. Die moeften met Olie ingewyd worden, eer zy tot de aanftaande gaven toegangdoorja- renkregen; van Wysheyd, als Biffchoppen; van Wetenfchap,alsrriefterS} van GeToof, als Diakenen j van Werken, als Onderdiakenen j van Genezing, als Duyvel-uyt-zweerders •, van Vertolkers, als Acoluthen-, van Stem, als Zan- gers j van onderfcheyd der Geeften, als Deurwaarders. Zulk een Novitiaat of Nieuwlingfchap is in zulken gefchooren en in 't wit geftooken knaap te verbeelden, die met geheyligt Licht in de Hand, het Kransje aangeeft om den gedoopten Chriften te kroonen. Zoo kan men den ftaat van Diaconef- fen, Prieftereflen en Biffchoppinnen, by den Ouden ingevoert, ook al ver- tonen; door Weduwlyke zedige Aangezichten, maar met wat kleynder Merken op 't Hoofd. D. Gelyk men die van den Biffchop hier nevens zet, in 't aannemen,
opmaken, en Doopen des Leerlings. De Biflchoppelyke of Opzienders ftaat wierd van drie andere ten minften gekoren. De Myter van Egypte herkom- ftig, en Borftlap van den Joden, eierden zyn Hoofd en Borft. 'T kleyn Roksken of Ephod moeft om den Hals. Het T>almatifch Half kleed van Purper droeg de Diaken, die naderhand in Kardinaals naam verandert is. De Alba of't groot wit Hembdj de Gordel, om hare Kuysheyt te verzeke- ren} de Manipulus of Handdoek, om de zuyvering van Neus, Oogen en Zweet; de Stola of Halsdoek, als het Jok van Chnftus} die twee hangen- de enden, voor 't bidden in den Geeft; en met de Mond, Cafula, of Ca~ fuyffel met twee enden j 't een voor de Liefde tot God, 't ander voor die van zynen Naaften; het Kruysjc om den Hals, voor Chriftus te kennen,en dien gekruyft } Muylen , om de fterkte der Beenen in de Geeftelyke laft •, de Handfchoenen tot een teeken, dat hunne Aalmoeffen en Armen-dienften feheym en gedekt moeften zynj de Myter als de Helm om te ftryden met
et Kruys gemerkt, in 't Geeftelyke> voorts eene Ring, als uyt gekoren Konings Geflacht, in't Priefterfchap zynde, en als 'tMerkbeeldderTrouw aan hunne Orden en Ampt> de Staf als Herders van hurme Kudde. De Pp 2 Bif-
|
||||
/
|
|||||
JOO DE HiEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
BuTchops Oppermantel moeft, eerze hem gezonden wierd, eene Nacht ge-
legen hebben op den Altaar van Tetrus en Taulm. Hier op moeteen rood zyden Kruys op de witte Zilver of zyde ftof brallen. Alle deze deelen zou- den van my niet onaangeraakt zyn, ten ware zy alle voor Beeldfprakelyke, zoo als boven verklaart is, konden gebruykt worden. Men kan 'er ook eerte Kap, en Waayer, om de Muggen uyt den H. Beker te houden, by voegen, van Paauwenftaarten, of Paknve6ren gemaakty Schellekens, KloK- jens, opgetooyt met Juweelen en verfcheyde verwen, zonder welke Hiero- nymus zegt, dat de Biflchop geen Biflchop was. Deze Biflchop geeft aan zyn Dopeling twaalf Penningskens, om te toonen, dat de Geeftelyke *t Geld niet en namen, maar verachten} of als aanrits-penningen, onder 'c Chriften Veldteeken. Zy wierden gezalft en beftreken met Olie en Balzem, als 't Merkbeeld van Worftelaars in 't Strydperk, behalven dat zulks Prie- fters en Koningen eygen was. -fcj* Zoo veel toeftel en Poppery kwam, onder fchyn van H. betekening,
in de Kerkorde inbreken, die van te vooren als eerfte Algemeene Chriftely- ke Apoftolifche Kerk was gebouwt op die Apoftelen en Euangeliften, die men ziet ftaan als zoo veele Pilaren, onder het ware 'Pantheon der Chriften- heyd, waar van Jezus Chriflus is de Hoekfteen, in welke de H. Geeftbe- ftraalt al het binnenwerkj in wiens midden ftaat het Licht op zyne Kande- kar, met zeven Sterren der Griekfche Kerken omringt> random de welke lagen de ontzegelde Boeken des Ouden en Nieuwen Verbonds, die helaas! door de Hovaardy, Partyfchap en Kettery zoo ver vervielen, dat vyf Vyan- den haar verdelgt zouden hebben, ten ware een beter Lieht was doordene- velen henen gebroken. ■£ • De eerfte, die de ftrydende Kerk uyt hare plaats rukt en helpt fleu-
ren, is Theofophiftery of fpitsvinnige Schoolkennifle Gods. Hier word den Gelovigen, als Kinderen Gods, hunnes Vaders uyterfte wil, en 't goed, dat hy hen maakt, ontnomen en verduyftert. Deze word vertoont met Kap, Tabbaart, Ring en toeftel van Magijter Artium, Baccaiaureus, Trofef- for of 'Doffor-, die een Boek van Scotus, Lanfrancus, Lombardus, Tho- mas Aquinas, of diergelyken voor hem heeft> met zyne Vingeren tonende zyne Twifhedenen, Syllogifmen, en Sophifteryen. Deze voegt by de H. Schriften Spreuken der Oudvaders, 'Decreten der Pauzen, ja Ariftoteles, die wel bearbeyd wierden -, terwyl men Taulus, Tetrus, de Euangeltften en Tropheten achter de bank wierp. Zoo dat de Bybel aan groote Theolo* gia TioEloren zelven onbekent was. G. De twecde de H. Brigitta> uytwelker Herflepan veele Schaduw-
poppen fpringeit, in hare dromen, als H. Verlichcingcn uytgebroeyt. ZuL- ke
|
|||||
VanhetKcrkbestier. XL. Hoofdstuk. 301
ke en diergelyke Mannelyke en Vrouwelyke Droomheyligen, maakten de
zekerheyd der Gevoelens,door de uytfpraak van hare verhchte Geeftdryve- ry- waar uyt Geeften, Spooken, Zielwandehngen en hare plaatzen, als Va- gevuur, Kinderboot, Voorburg der Hellen, enz. hare klem kregen.. H. Dederde, de Traditien of Overleveringen, door den Roomfchen
Sleutelvoerder beveftigt, die de Kerken-waarheyd , uyt hare Apoftohfche Terapel eerukr, metde Hayren langs de Trappen fleurt. Vergeefs tracht zy haar te houden aan haren Hoekfteen Jezus. Zyn H. Woord word de Uytlegging der Schrift-betwifters onderworpen 4 en moet zoo zyn , als de 1>ecreten willen. >
I« De vierde is de Marktkraam der Guide Legenden, van den Grooter*
Chrifloffel, dcbekeerde VifTchen, en Zwaluwen van Francifcus, deChri- ftelyke Ezels van cDominicus, de Cellen in de grond van de Zee van Cle- mens Graf, de Vliegende Ruytcr St. J or is, en duyzend diergelykenj die nu daar, alwaar de Hervormde doorgebroken zyn, door dezelve Roomfche opgekogt, en uyt fchaamte nu verdraayt worden, als of ze niet voor ge- beurde zaken, maar H. Merkbeelden waren by een geftelt, tot ftichting. Waar van ik den geeft van Surius den anderen niet onaardig geacht heb in 'r nalezen, door welke zommige Deelen Hiftorteel, andere Beeldfprakelyk op- gedifcht worden; hoewel echter elke Order niet nalaat zulke Mirakelen, Martelaryen en gezochte Heyligen Praal in hare Winkel te mengen, waar van ook weinige betere Godsdienften geheel vry blyven. K. Het Euangelie van den H. Geeft, door den Abt Joachim en zync
Medegenoten zamen geflanft, uyt grillige verdichte Verfchyningen, Droo- men, en Gezichten, welke Ao. 1290. na ecne grouwelyke uydegginge van eene Text uyt de Openbaringe van Johannes, moeft beginnen met even zoo- veele vernietiging van het Nieuw Verbond en Euangelium van Chriftus, als. het Oude Verbond van God den Vader, als Wetgever van zyn Volk, was vernietigt in alle laften en Plechtelykheden van de Wet, zoo der Priefteren,. als des Volks; Prediken van Gods H. Woord even wech gedaan, als de Reuk-Pleng-en Brandoffers, en daar voor alleen op en ingevoerd eene za- mengefmede dromery,van eenige zwaar bedorve, andereGodfchendige loo- ze Herflenen-, elk zig om 't hoogft verheerlykende, met dePronknamen van alderley Heyligen, byzonderlyk des H. Geejles, en de Maagd Maria-, die alle een fpoor hidden om veylig aanhang te krygen, ter grootmaking van den Opperften BifTchop, die nu met den naam van 'Pans, Gods Steede- houder, en hoger Eertytels pralende, alle Kerkbeftierders van alle kanten van hem afhankelyk had gemaakt, en deze Godvergetcn Geeftdryvers in hunne bedriegeryen koefterde, honderd jaren lang, met wechdoening van, Pp 3 al«
|
||||
joi De Hieroglyphen of Merkbeelde^.
alle de H. Schriftcn, en omkering van alle Goddelyke Leer} tot dat eynde-
lyk de Set-bonne, en de befte Kerken van Duytfchland en Spanje dezen Af- gronds Peft wech namen, kwanswys niet in weerwil van den H. Stoel. JL-" Door zulke middelen nochtans raakte de eenvoudigheyd der eerfte
Chriftenen wech, de Griekfche Kerken wierden opgetooyt en Prachtigj en de Roomfche,die alle de andere kielhaalde of overlchaduwde, verre vanat- Jfe ootmoet. Die trotfche Gebouwen moeften al veel uytftaan. Zy moeften naa 't Ooften geftelt, ende als een Kruys gebouwt zyn* aan een Heylig, wiens naam zy moeften dragen, opgeoffert wezen •, vol Capellen en Altaren zyn -, veele Beelden en Schilderyen dragen; XII. Lichten moeften 'er voor de XII. Apoftelen in branden. De Priefter moeft 'er van't Ooften naar de de linker, en van 't Weften naar de Rechterhand een A. B. C. in fchryven op de Vloerfteenenj om te toonen, dat de beginflelen der Wetten, Ken- niflen en Heyligdommen daar wierden gelecrt. Dan moeft de Priefter met Water, daar Zout en Afch in gemengt was, van binnen deMuuren befproeyen; beteke- nende met Water het Volk, met Zout het Verftand en Wysheyd, met Afch Chri- ftus Lydcn. Hier op moeft het Kruys op vier hoeken van't Altaar gemaakt zyn, met des Priefters Vingers, in dit Water met zout en afch gedoopt. Dan moeft met Linnen't Altaar afgewifcht worden, verbeeldende, dat, gelyk 't Linnen uyt de Aarde van Vlas gewonnen, tot zulke witheyd was geklom- men, dus ook Chriftus Vleefchuyt de Aarde en door het Lyden verheer- lyktenOpgevarenis.OmdatdeZielen der Martelaren onder 't Altaar zouden huyzen, moeten die op overgebleve ftukken van Heylige of Martelaren Licha- men , Kruyflen of andere Overblyfzels gebouwt zyn. Voorts moet de Al- taar-fteen Gezalft worden aan vier hoeken. Zoo door de H. Dienften klaar gemaakt, kan 'er nooit iets van tot Werelds gebruyk worden, nog van het daar aan Geoffert Huysraadj en op dien Grondflag, noyt iets van de Goe- deren aan de Kerken of Kloofters gefchonken, tot Burger-Vorftof Staats- beftier aangetaft worden. Door zulke gronden in alle Ryken te doen opvat- ten en doorzetten, groeyde de Kerk en 't Oppermeefterfchap van Romea zoo geweldig,dat de Conftantinopolitaanfche, Antiocheenfehe, Alexandryn- fche (ik laat ftaan mindere) mettertyd onder raakten, en alles van alk hoe- ken in den Schoot van Romen zakte-, dat alzoo zonder Bloedftorten der Wereld-fchatten we^r kreeg, die het tegen de wakkere Volkeren vechtende had verlooren; met eene Fluwelen Toom regerende, door hare Zendelin- gen, 't geen ze door hare Ridderfehap uyt hare Heerfchappy had verlooren. |
|||||
EEN
|
|||||
VAN DEN OORSPROHG EN VoORTGANG, era. XLI. H. J0|
|
|||||
EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Van den Ooorfprong en Voortgang der Ordens m it Roomfche Kerk. DE Vervolgingen (hoewel zy zoo vecle, nog zoo zwaar niet geweeft
zyn, als men in de Martelboeken uytbazuynt,) brachten eenigeftille i zwakke Menfchen tot het ontwykenderSteeden enbewoonbare Plaatzen. Byzonderlyk wanneer de eene Chriften den anderen moordde en verdelg- de, om de geringfte omftandigheyd in uyterlyken dienft, Hoogtyd-rekening, of ongewoone Kunftwoorden in de Geloofskunde. Ik gelove, dat de Room- fche Kegering om de verfcheydenheyd in den Godsdienft niemand zou ge- dood hebben, mits dat hy niet te ftout yverde, om hunne nu ingevoerde Dienften, en Geheymeniilen, die zy in hare Staatkunde nut vonden, te openbaren, ontzenuwen, en befpotten. Maar 't is gelooflyk, dat de Joden haar vervolgden met alle bitterheyd, en de Romeynen wederom de joden » om hunlieder geftadige oproeren, tuflchen Joden en Chriftenen geen on- derfcheyd wetende -t maar met de naam van Galileers den een den anderen zonder onderfcheydmerkendej tot dat de Joden hier of daar in de Hoven indringende, Heydenfche Vorften , Landvoogden en Priefters innamen •, en onder de Schendnamenvandealderongehoordfte welluften of zamenzweerin- gen, de Chriftenen verdacht, gehaat en vyand maakten. Wanneer nu de Zoldaat, of eygentlyk de zoo genaamde Cohortes 'Pratoritme, dat is, Key- zerlyke Lyfbenden, waar by de hedendaagfche JanitzareninTurkye gevoeg- kk vergeleken worden, de Macht van 't Ryk in hunne handen kreegen, en de Keyzers aan en afzctteden, wierden die opgeworpe Monarchen in gefta- dige vrees gehouden, tegen alle zamenrottingen; en dewyl de Chriftenen meeft by nacht op heymelyke plaatzen vergaderden , viel de argwaan der Landvoogden en Droflaarden op hen aan; en begon oak zoo de woede. Daar by kwam, dat de Vettc Papen der Afgoden den aanwas ziende, en nu en dan Voorbeelden van hunne Geeftelyke ftandvaftigheyd doorbreeken- de, bang wierden voor hunnen Vetpot; en Branden, Moorden , Plunde- ringen den Chriftenen aanwreeven-, Aardbevingen, diereTyd en Peft, door hunne Goden afgezonden te zyn riepen, om dat men deze Ongodiiten en Tovenaars niet en dempte. Al 'twelk lichtkonvallenin Vorften,aan 't byge- loof van Tovery hangende, alles vreezende en wanende, dat Bezweeringen, Waffche Beeldekens, vreemde Krabbeltrekken enz. hun Leeven en. Kroo- nen konden belagen en overhoopwerpen. Deze dan maakten 'teenige Chrifte- nen te bang, zoo dat ze hunne veyligheyd zochten in de Rotzen, Boflchen en Steenkloven. Eerfte Uytvinders te maken van zulken Vryheyd, is be- lachelyk, wyl 't met dcnMerdchgeboren is, zig, zelven te redden»en in vee- |
|||||
£04 D£ HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
le niet en viel de ydele Glorizucht, van een Naam te winnen door eene Dood, door Stytkoppigheyd verhaaft; byzonder zoo de Eere Gods daar door niet en wierd bevordert, nog het voordeel en Stichting van zyne Uyt- verkorenen. El/as, Johannes, Chriftus, en zyne Navolgers hebben zig zelven onttrokken, langer of korter tyd, de grimmigheyd Her booze Groo- ten. Zulks is gedurig gefchied, dan van dezen, dan van genen. *P'aulas van Theben, Ephraim den Syrier , Antonius , Macarius , en meer an- deren buyten Antonius Leerlingen, vertrokken alzoo na den Berg Car- met, Libanon, en Taurus-, of in Boffchen, Grotten^ Eilanden, en ande- re Hoolen, om Schuylplaatzen voor zig te vinden. A. Antonius bracht dit Woeftyniers-of Eremyts-leeven^tot inftclling,
en bedwong het aan Wetten} en zoo wierd dit Kluyzenaars Leeven tot eene Orden. Men ziet ze hier achter verbeeld door hen zelven, op ontoegan- kelyke Rotzenen in Hoolen, armelyk, maar vergenoegtj uyt,maar boven de Wereld, Levende. Zoo was een Palmboom aan "Pau/us genoeg , om 'er Voedzel, Hut en Scherm onder te vinden> en anderen een Hoi, waar in zy zig zelven kluyfterden ( want dit H. Leeven had ook zyne Stuypen _) en door de Eenzaamheyd en 't llechte Voedzel, borrelde in eenige Zwaarbloe- digen, of de Gal te verbrand hebbende, een waan van Duyvels enSpooken te zien, en over derzelver Verlchyningen, Kwelling , Aanfpraak en Ver- zoekingen teklagen, ja te Schryven. Veele van deze Alleen-leevers en Woe- ftyniers wierden van Tachomius op 't Eyland Tabenna, drie in eene Cel by een vergadert; aangroeyende tot 24, zynde het getal der Griekfche Letteren. Bajilius, wykende voor de kwelling van Eufebius , vergader- de deze in Kloofters, enichreefhen voor de Regelen van dit Kloofter- leeven, dat eerft mede bracht, ten minften de fchyn van groote Deugden en aanmerkelyke bezigheden, die men op de Voorgrond ziet. Jj« De eerfte is het Bidden, verbeeld door eene Vrouw, die vieriger Bid-
den konnende als een Man , met de Oogen Hemelwaarts opgeilagen, met de Mond zuchtende, en bekreete Wangen, Boetvaardiglyk hare zon- den aan God belyd. Zy toont haar Hert in den Boezem brandende naar de Genade van haren Zaligmaker. Dewyl de manier van Bidden met voort- gang des Tyds ook Gereedfchappen en Plechtelykheyd opgeleyd wierd, been: ze een Rozekransje of Paternofter in de zaamgevouwen Hajiden, en een Gebeedebock voor haar leggende, op een Doodshoofd met done Schenkelen; om de geduurige onzekerheyd van den Jongften Tyd , en de zekerheyd des Doods haar voor Oogen te houden. Voorts is zy naauwelyks wcl gedekt, om de ydelheyd der Hoffelyke Modem niet aan te hangen. C. Daar
|
||||
VANDENOoRSPRONGENVoORTGANG.en*. XLI. H. $0*
C. Daar aan volgt het Innerlyk Bedenken of Meditatie Fen oud en
droog Man> -met een kaal Hoofd, sulks als de Gezichcoordeete be- kwaamft tot Medtteeren oordeelen. Hy houd zynej Hand aan zyn Voor- hoofd v heeft de Oogen neergeflagen, om door de Wereldfche Voorwerpea met beroert te worden. EengeAoten Boek legt voor hem nevens andere, die hy doorbladert heeft. Zyn EUeboog ruft op eene LefTenaar, hebbendc by hem Pen en Inkt, om zyne Bedenkingen aan te tekenen-, waar by eenc Lamp ftaat, om te toonen , dat het diep denken des Nachts met meet vrucht, als des Daags gefchied. D. De derde is het Leezen: Een jong fcherp Verftand, met eeneMuts
van Baccalaureus of andere op zyn Hoofd. Hy houd een Boek met dc eene, en doorbladert het met de andere Hand. Een Kraayende Haant het Beeld van vroeg opftaan voor den Leerhngen, ftaat aan zyne Voeten -, om te doen zien, dat de Morgenftond eene Vnendin is van dc beylytigen- de nafpooring der Geleerdheyds Minnaars, ongeacht in zyne Klecding, en zonder Kouflen of Schoenen aan, als vroeg, vol luft om te leeren, opgeftaan. E. Hier by ftaat het Waken, met eene fnelle Trony en wakkere Oo-
gen} uyt den flaap gewekt, door het Schellen van het Kloksken , dat bove'n haar Hoofd hangt. Zy is opgeftaan, om haar te Tuchtigen , en heeft de Boetgeeflel in hare Hand , en de Kraanvogel met een Steen in de Klaauw , om daar door vry te blyven van diepe flaap , welkc die Vogel in 't Water ontvallende, niet toe en laat fterk te fluyme- ren. |
||||||
^« Daar voor zit de Vlugheyd van wel te Schryven. Zy heeft de
V.leugelen van 't Verftand aan haar Hoofd. Zy draagt een Kruys , dat zien doet hare ingellotenheyd in de eene of de andere Orden. Hare Rechterhand fchryft het Opgedachte, Uytgevondene, en Bearbeyde , in een Boek tot nut van anderen, en Stigting der Gelovigen. Zy draagt in hare Linkerhand het Geheel Al, door den Hemel en Aardkloot vertoontj en daar boven op het Schetsbeeld van zynen Schepper, met Gods Naam in de Schepping en den Driehoek, God den Vader, God den Zoon, en God den H. GeeftaanwyzendCj in welker beyde befpiegeling zy haar dagelyks opfcherpt. G.
Aan de andere zyde ftaat de Vrymoedige Belydenis \ Eenc wak-
kere Machabeifche Moeder, die door haar fier Gelaat en <foen de onver- C^q fchrok-
|
||||||
%o6 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
fchrokken Heldenmocd vertoont, welke in haar Boezem woont, fchoon
zy haar Hoofd met de 'Doorenkroon, haar Hals met een Slaafs J ok, en haar teder Lyf met Ketens beladen vind. Zy toont met de Linkerhand . die Kluyjiers, uytlachende hare Geweldenaars en Tyrannen ; en fchoon zy in Beeftenhuyden genaayt is, om de wilde Dieren in de Schouwplaat- zen voorgeworpen te warden (gelyk veeler Eerfter Chriftenen lot wierd) zoo laat ze niet na te doen zien, aan haren Beuls de Manmoedigheyd, die zy van den H. Geeft ontfangen heeft ■, met het voorbeeld van Sca- *vola den Romeyn pralende, die zyne Hand, in welke hy den Dolk voer- de , welke zyn Vyand gemift had te dooden, in *t Vuur af brand. Deze met Kranken en Stervenden te dienen , en andere Deugden blonken uyt in die eenzame Cellebroers en Zufters, tot verbaaftheyd en overtuyging van hare Wederpartyen, zoo wel als der Joden en Heydenen. Maar hoe fchendig een verval in deze welmeenende Ordenskwam, leeren ons de be- fte Mannen van de zelve Eeuw, by na in welke zy begonnen. De Hemel blonk zoo fchoon niet door de verfcheyden Chooren van Sterren, als de Woeftynen van Egypte met de Heerlyke Zamenwoningen van hare Mon- niken. Maar de Eernamen, vreemde Gewaden, afgezonderde Spyzen, en de Verdienften uyt dezelve te halen, verdelgden haaft het goed voor- neemen der Eenvoudigen. Kloolrers ontelbaar , groote inkomften en uy- terlyke fchyn kwamen voor de Armoede , Nederigheyd en Zoberheyd. De Befchryving van 't verfchil is te groot en wydJoopigj voor 't Geefte- lyk Voedzel, alle welluft -y voor de Geeftelyke Befpiegelingen, Getier, Schooltwift, beuzelingen. Monniken met de naam, de Heerlyke bent- namen van Bafilius, van Benediffus , Bernardus , Auguftinus , Fran- cifcus; onderfcheyden in Kappen, Rokken, Gordels, Schoenen ; Bede- lende, Prevelendej Mannen en Vrouwen , van allerley verwen en Maf- caraden, brillen Eur op a, zetten uyt in Afia, heerfchen in America-, za- jnen bekwame Welpen, om te werken voor den Roomfchen Stoel. H. Daar zit de H. Kerk boven op eene Rotz of *Petra*, ontzachelyk
door hare Pauilelyke Kroon; kniel en buyg Eerbiedig; om 't Ciborie
van Goud en Gefteente, waar in zy het Eerwaardigfte bewaart, dat van
Broodftof, Vleefch en Bloed geworden is;dreygende met de andere Hand,
waar in zy de Sleutel van Goud en Zilver draagt y met het Kruys op de
Borftlap getekent; houdende in hare Schoot de Wereld, door hare Zende-
lingen en Zielkopers bekeert en gekerftent-, vertreedende den Draak , dien
ouden Vyand, onder hare Voeten, door Mirakelen , Engelen, en Hey-
ligen geholpen ; gelyk zy hier Michael op hare zyde heeft, die met
, Chriftus Merk op zyn Rondas, de Speer door den Draakenkop jaagt. Zy
" • zit boven de Maan, haar zelven zonder verandering berumende, en boven
afles verhenende.
h Drie-
|
||||
Van den Oorsprong en Voortgang; enz.XLI.H. 307
r
I. Driederley zoorten van Maagden fluyten haar de eene zyde. Hct
cerfte zoort Nonnen-Leeven, van Nonnus eenen Egyptenaar > dat belofte doed zonder hertredj Gefchoren, Gekapt en Gerokt naar de Order, van welke zy den naam draagt. Zy roept van de Geeftelyke Vreede in hare Ziel waarom zy de Palmveer zwaayt, van de Tucht en Boetvaardigheyd j en waarom zy de Geeflel op hare Zyde draagt, vertrappende de Wereld, die in zyn Gekskap onder hare naakte Voet legt. Barrevoets klautert zy de Tetra op, om de H. Kerk te dienen. K. Het Stift-Jufferschap, 't Leeven der Edele Maagden, is of
onder belofte voor altyd, of met vryheyd van te mogen Trouwen. De- ze Choorjufer heeft een net Kopje, Kraagje en Manteltjen aan, naar den trant van hare Orden : maar de helft van 't Hoofd is 's morgens Geeftelyk, 's middags Hoflyk en Werelds, opgezetmet Pracht, en Huw- baar. De' Rechterzyde fluyt de Borft, de linker laat de Tepels zien. De Rechter hand heeft het Gebeedenboek , de linker den Overvloed. De Rechter arm tot de Hand geparft in de naauwe Kerkmouwen, de linker bloot met alle {lingers van Cameryksdoeken, Armbanden en Handciera- den. De Rechterzyde draaet het Rozenhoedeken op de Kerkrok, de Linker vloeyt over van Gouden Zyde gefpin, meteenfleep van Ellen lang. De Regtervoet draagt de Pantoffel, de linker eene modifche Juffers Schoen. L« Het derde zoort is Begynen , onder eene belofte , maar niet ge-
floten door de Steden en op 't platte Land verfpreyd, Heerooms en Ker- kendienft waarnemende. M. De alderachterfte zyn Kweezels, Vrywilligc Zuyverheyd belo-
vende, en onder deeze of geene Orden , zoo lang 't haar Iuft, verbly- vende. Deze H. Choor-fterren brengen veel Licht, maar niet minder Erfgeld
aan de Kerken en Kloofters. Van de andere zyde, omringen en Be- fchermen deze Rotz die Heylig genaamde Religieufen, van welke men zoo wel als der Vrouwen Orders , nader eene nette Befchryving en Ver- beelding zal doen zien. Deels Bedel, deels Preek-en afgeflooten Orders. N. Van dezen voert de Vlag die der 'Dominikanen , door eenen <Do-
tninicus, die by den Biflchop van Ofimo tegen den Waldenzen zig onthield, ingeftelt. Zyn Kruys in de Hand en Predikboek in den Arm houdende, preekte hy en zyne Navolgers, de Predkheeren, zoo vierig tegen den Albi- genzen» die meeft van de Gevoelens der Hugenotten in Vrankryk waren, Qj\ > dat
|
||||
jo8 De Hieroglyphen of Merkbeeldek
dat men by Thouloufe, in het cDauj>hine , Seventies , en de Dalen ran
'Piemont, na veel vechtens, over de ioooo. der zelver ombracht; en zyn van dezen het overfchot geweeken in de Valleyen en Rotzen by Saluce in het Vivaretsy Tireneen en andere Bergen, alwaar zy nu zelf zig nog ee- nigzins befchermen tegen yt geweld des Franfchen Konings. Deze Tocht was de H. Kruysvaart op den Vaudoifen genoemt; welke naam lang met die van Tovenaars is gemengelt geweeft. Boven die Geordende Monni- ken en Preekheeren, brak eyndelyk door O. De Societeyt van Jezus, van Ignatius de Lojola, Bifcayer
van Geboorte; die, miifende zyn oogwit in den Obrlog, en gekwetft, de- ze Maatfchappy aanrechtte, die ik naderhand omftandiger zal verbeeldem Deze Maatfchappy, met vierkante Mutzen , Buret as , en Solanus , of zwarte Rokken ge'dekt, met Zydelint-Gordels of Sot anas gefloten , toont de Bekeerde IVereld op zyn Rechterhand, voerende het Geeftelyk Zwaard met de linker, vlammende om de geknotte Koppen der Ketterye teverfchro- ken. Dit Cedrocht, dat met Adam geftreeden, met Kain geheerfcht had, en in de eerfte Wereld verdronken fcheen, is weder met Cham uyt de Ark gekropen; en heeft, van de oude Slang ecn Afzetzel zynde, de Kerke Gods altyd beftormt. Deze is op de Aarde vervloekt, een ander daar in ver- zwolgen, eenderde by zyn valfch Offervuur verflonden, elders verftirooyt, verdelgt en uytgeroeyt. P« Maar dit laatfte Kind tegen de Roomfche Kerk opffeygerende langs
dezelve Petra, draagt den hatelyken Naam van Afzetzel der oude Slang. En zulke Gedrochten zyn 'er ook onder die Verketterden veele geweeft, die van alle Waarheyd wykende, zie zelven Zaligmakers, Zooncn Gods , en- anders genoemt hebben,>. die ondet den dekmantel van de Roomfche over- maat en overmoed te willen tegengaan, hetarme Volk deden oproerig wor- den, tot haar eige Grootmaking, fmoorende zelf in de rampen, waarin zy de a'nderen getrokken hadden, Deze Kettery heeft in de eene Hand eene Fakkel" Vuur en Vlam van Oproer ftiehtende tot verderf van't Gemeen en haar ze'lve.' Dit Gedrochtis meeftnaakt, omdatzyne Dekmantel afgeno- men is-, heeft veele Hoofden, die als aan een Hydra, voor een,dat geknot word, aanwanen. Alle zynze met giftige Slangen in plaats van HooftJhayr, bezet' die tegen de Rotz, tegen de Roomfche Kerk, maarmeeft tegen de Ordens in^enomen zynde, haar Vuur en Gif uytfpouwen. Een Boek ondcr den Arm &>udende y wyl de Drukkery uytgevonden zynde, ieder zynedwa- lingen en dweeperyen Wereldkundig kon maken. Onder aan ziet men, terwyl hy van de Rotz om laae tuymelt, de Drakenftaarten, met welke hy zpo gevaarlyk opklauterde. Maar echter wierd met de vergiftigende Kette- ryen te dempen, uyt dit, eerft goed oogwit, een ruym zoo verderffelyk ■ kwaadi
|
||||
Van de Oorsprong en Vo©rtgang, enz. XLT. H. J09
kwaad eebroevt; zyndc de grimmelende overmaat der ledige Meftpapen en
Klooftefno2 die niecs leden, als alle ^etende en wakkereGeeften aan- ftonts uvt te kryten voor Kettersy >t Graauw tegen haar op te ruyen , de Gerichten en Vierfcharen te fpannen-, Vier, Stroppen, Bylen, en allerhan- de te vooren ongehoorde, zoorten van Moorderyen op deze en zelts on- aozele^. onkundige Menfchen te doen woedem |
|||||||||
CU J
|
TWEF,
|
||||||||
f. .'TfJ
|
||||||
*
|
||||||
Van der Kerken Tweedracht. XLII. Hoofdst. gw
|
|||||
TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Van der Kerken Tweedracht. f""\E Kerken Tweedracht , is hier verbeeld door TweeRam-
A. _J men, welke op malkandcr ftooten. Deze als reyne uytgepik-
tc Dieren , zynde den Heere op de Offerplaatzen zeer gemeen geweeft, en in veele gevallen der Wet geboden, maar in de wonderlyke bewaring van Izaak tegen zyns bereydwilligen Vaders Offermes , byna Goddelyk her- voort geftouwt, om het gebrekkelyk Offer van Abraham te voldoen. Be- halven zeer veele Gelykeniflen in het Oud en Nieuw Verbondjzoo datmen de Kerke daar bygeftadig heeftvergeleeken.Maar hetpaftbeft een Ram voor cene Kerk, waar in een Hoofd buycen Chriftus is ingedrongen, het welk zig zelven met vinnigheyd boven anderen wil verhefFen. Zodanig was de crbarmelyke ftaat der Chriftenen Leeraars al vroegj en houd zelden op in 't kleyn of groot, zoo te zyn. B. De Ram aan de Rechter zyde , is de Eerfte Chrifien Kerk in Pale-
ftina, en onderfcheyden van de andere door de fynheyd van zyne Wol en Aziatifche Sleepftaart, die by uytnementheyd in die Landen dik, vet en groot is. Zoo dat in verfcheyde lage Landen, waarvette Beemden zyn, die zoo zwaar uytwaiTen, datze op Rolwagentjens nafleepende 'c Lyf vol- gen. Dezc Kerk van de Roqmfc$e onderhorig gemaakt, bewyft hare on- macht tegen den aanftoot van de andere, neerneygende voor haar gewelt. V->» De Roomsche Kerk , die in den beginne zoo waardig een Offer
in des Heeren Oog was, met zoo veel goede reuk opging ten Hemel, is door den Italiaanfchen Ram vertoont, grof van hangende wol, trots en fier, fterker als de andere, gelyk die Ram ook de anderen overhoop werpt y en byzonder den derden, die onder leyd, zynde D. De Grieksche Kerk, waar van de opgeklomme Trimaat tot
Conftantinopokn, meeft voor de Roomfche te vreezen was, om dathy aan t Hof des Keyzers zynde, te veel bewind kon in handen hebben, waarom hyook, alsvoorrang, en voortgang hebbende, de Bel of het Schelleken om zyn Hals heeft, als de belhamel, welken de Kudde pleeg na te volgen. De- ze moeft noodzakelyk, gelyk de eerfte, van de andere verfchillen, en of onder- Sebracht worden, of onder brengen. Want de ingebrachte zwaare nieuwig- eden, byzonder van Beeldemaken, waarom, zoo veel Bloeds geftort is,en |
|||||
£12 De Hieroglyphen oe Merkbeelden,
andere uytgevonde nieuwigheden, braken al de Broederlykheyd enovcrecn-
komft, de een den anderen verbannende. Beelden te maken is by Joden, by Chineezen, en Pcrzianen , ook in
't begin door Numa 'Pompilius by den Romeynen verboden: maar door de Egyptenaars tot oneyndigheyd uytgevonden, en zomtyds op veele wy- ze, zomtyds op grillige manieren vermenigvuldigt-, en deze hebben deandere Volkeren, ja zelfs de Chriftenen verlokt. Hoewel zelfs groote Rabbynen geftelt hebben, dat mien geenen Afgod kon maken, dewyl 'er naar God (het On- eyndig Weezen zynde) geene gelykenis kan gemaakt worden. Zoo iemand (dorften zy ftellen) geen God daar in kan verbeelden, kan ook daar in nie- mand zondigen; ja zelf diete eeren door Liefde of Vrees, acht nogdeTal- mudifche 'Periocha geene zwaare fchuld> zoo ook in der Afgoden Offer- koft nog plaatsendeel te hebben. By den Romeynen is t naderhandzoozeer doorgebroken, datze alle Goden van alle Volkeren, hare Beelden en Tempelen in Romen heyligden; en Chriftenen geworden zynde, van tyd tot tyd oneyn- digmaakten, beginnende van Chrtftus, Maria,en den Apoftelen, voegende daar by die van Engelen en Martelaren , welker getal met verdichtzelen by duyzenden dagelyks vergroot wierd, en nog al aanwafcht. Deze wanorder word nochtans van den Kerkenbedienden om de voordeelen geleeden, en herdoopt met de nutte naam, van te zyn Boeken der Heyligen voor'/ Ge- meene (^olk, om door 't gezicht derzelver aangeftooken te worden met eenc vierige luft om hen na te volgen. Het Beeld Gods is zyne ons nagelaten H. Schrift, die getuygt van hem. Horen de Heyligen iets, zoo konnen- ze over al horen,alsonlichamelyk zynde-,en zyn daarom de Beelden,om 'er aan te verzoeken 't geen wy nodig hebben, en hare overgebleve Stukjens, Beentjens of Brokjens, met hare koftelyke toeftellen overtollig, en gevaar- lyk. Dog die dingen zyn zoo eene profytelyke Kraam en Winkel, dat zy niet ligtelyk wechgenomen zullen worden. • Dit Beeldmaken is hier door de H. Maagd, op de Maan ftaande,
en haar Kind Jezus, de Wereld in zyne Hand dragende, vertoont, als een der eerfte Hoofdftoffen. Anders is de Becldmakery door allerley Engelen te vertonen •, mits dat 'er een Beeldhouwer of Schilder aan werkende by ge- zien word.De ydelheyd der Heydenfche Beelden is beft te vertonen door een Beeld, half een Blok, half 'Priapus zynde, om den twyffelenden Konftenaar van Juvenaal te doen zien; of wel uyt de Klagende rropheten, een Boom -y de helft tot een Beeld door een Hey den gemaakt en aangebeden, terwyl dc andere helft geklooft word, en daar van Vuur geftookt Jez. XLIV. if, 16, 17. Tot deze te eeren is bedacht driederley Beeldendienft: f Latria, of Aanbidders-dkrA, diezc willen van de Beelden afzondc-
rcn, maar aan Chriftus als Kindeken, als Leerende,Gekruyft,Opgcvaren, of
|
||||||
Van der. Kerken Tweedracht. XLII. Hoofdst. m
of anders geven. Hier ziet men 'er voor verbeeld een angftig Zondaar met
afgefcheurde Kleederen, de Oogen geveft naar den Hemel of Chriftus Beeld, flaande met eene Steen in de Hand zyne benaauwde Borft. G. De Hyperdulia,ofvtygemaakte Slaven-dienft,ora hoogziende,ftrekt
de Armen voor uyt, leyd op gebogen Knien-,en zulke paftaandeH. Maagd en Chriftus Stamhuys en Gezin. En dan H. De T>ulia, zynde een Knechtelyk Ontzag, met gevouwe Handen, ne-
derig zyn Gebed ftortende voor 't gemeene zoort der Heyligen. !• Daar tegen over ftaat de Beeldenbreuk afgefchildert, door Mazes,
volgens Goddelyken wil, hetgemaakte Guide Kalf verbryzelende. Zoo kan ook de Bel, zynde een Zonnebeeld, gebroken, daar voor dienen; en dc voor-over-gevallen "Dagon, die in ftukken legt, zynde een half Vifch, half Vrouw-menfch, daar voor genomen zyn, als door Goddelyke Macht de Beelden verbryzelt worden. JV. De Beeidftormery met een Heylig, of naar vereyfch des tyds een Hey-
denfchen Afgod, die in ftukken geflagen, van zyne Zuyl metTouwen en Haaken omver gehaalt word; waar by op de grond verbryzelde ftukken van Beelden moeten leggen, die veracht, befpogen, bepift en vertrapt worden. De Ceremonien, of Kerkplechtigheden,hielpen ookzeer veel tot defcheu-
rmgen der Kerken;want by eenigen was te veel Joodfch, by anderen te veel Heydenfch Zuurdeeflem overigj en by den Beften eene meening, dat de Godheyd maar genoegen vmd, in gedient te zyn in Geeft en Waarheyd door Jezus Chriftus. Waarom zy begreepen, dat de Plechtelykheden, 'c uyterlyke en lichamelyke betreffende, tegen de eenvoudige Leer der Zalig- heyd aanliep, die de Her ten en Nieren doorgrondende, niets aangenamers heeft, als de Navolging van Chriftus, en 't overgeeven Geloof in zyne ver- dienften■, dat zyn Dienft in Bidden, Danken en Denken, Liefde en Vree- de beftaatj dat de Ceremonien, naar Mozes leeft gefchoeyt, en niet minder prachtig, als dejoodfche, te Romen geworden,van de dweeperye der Ge- zichten, Verfchyningen, en daar op gegronde Pauflelyke Willekeuren da- gelyks vergroot, haar laftig waren, en in ieder Land met eygenj maar dat de rechte Bronaders waren de Geeftelyke macht en dartelheyd, plukkende alle de Volkeren kaal, om den Geeftelyken Stoel te verryken. Al ftak in die prachtige en koftelyke Plechtpleging geen Ketterye, zoo bracht ze dog de fcheuring in *t Lichaam der Chriften Kerken; gelyk de nette dag van Paa- fchen, gezuurt of ongezuurt Brood in de Offerdienft, de twee Specien en Doopvormen, de zaken Sacrament eel, of niet tenoemen, en meerdierge- lyke. Maar als eenmaal dit tot eene wet van 't PaiuTelyk Hof was gewor- |
||||
214. De Hieroglyphen of Merkbeelden.
den, de Wereld mocht fcheuren of ftaandeblyven, dan moeft 'er het mede
door. •L*' Hier ziet men daarom eene verbeelding van die Geeflelyke JVinkel':
verbeeld door eenen gefchooren Geeftelyken, die verfcheyden Kappen aan- heeft, om 't Vet, dat hem van alle kanten inkomt, met eenedriedubbelde Kin, en bewyzende, dat hem dit aanbevolen is, namentlyk de H. dingen te zingen, en wel uytdrukkelyk aan 't gemeen Volk verboden; hoewel ik 'er wel Gelubden en Hoeren in gezien heb, die op groote Jaargelden zongen j zingende Kyrie Eleyfons, Lithanien en Lofzangen der Heyligen. Een ge- zegent Snoer hangt om zyn Hals, van Steentjens, Beentjens, Stukjens en Brokjens der Lichamen, Werktuygen, of Plaatzen der Heyligen; een Agnus 'Dei, gewyde Medalj:es, en allerley Penningen hangen 'er by. Eene zwaa- re Wafchkaars van eenige Ponden houd hy in zyne Hand. Het Mtsboek hangt aan zyne Gordel, met eenige Boetkoorden, H. Rozenhoedekens, Paternofters en andere Overblyfzels •, prullen, uyt vreemde Ommegangen verdient, door Tauzen of Biftchoppen gezeegent, aan deze ofgeeneH. Beelden gewreeven met hare KruylTen; zyn zyne vrywaringen tegen de ver- zoekingen der Booze Geeften. Prenten en Schilderytjens deelt hy om aan de arme Ooft-en Weft-Indifche Zielen, om met haar door dezelve den He- mcl te ruylen tegen Goud en Zilver. De Rechterhand houd eene Wykwaft; de Linker een Wierookvat, om de Kerken en Huyzen te zuyveren van Gee- ften. Hy treed op de Blaaspypen van een Orgel, 't geen zyn Choorzang moet Idem geven. De Kerkewying, Mis-en Kerkcieraden, zyne gezegen- de Koeken, en andere heerlyke uytvindingen kan men hier 00k by doen, naar vereyfch der Ordonnantien. Zyne Pelgrimagien zyn aangeraakt door 't Merkbeeld van een, zynde een Pelgrimftaf van St. Jacob te Compoftella, waar aan zulken St. Jacobs-Schelp hangt, als men op de Mantelkens en Hoeden met Bedelftaven gekruyft van die H. Bedelaars ziet dragen. Zoda- nige zyn 'er, en oneyndige anderen, die ter eeren Gods en der H. Maagd worden geboden tot boeten, of vrywillig opgenomen, door de herftelden uyt Ziekten of zwaare Zonden. Maar boven al draagt hy om een Ryken geeftelyken Standaart, die fteunt op eene gedoopte Klok, die in de Chri- ltenheyd ingelyft word, als de aandryffter tot Godvruchtige Kerk-en Huys- oeffeningen, die Met ten, Vigilien, de Mis, het Lof, en alles aanzegt,ja die 't onderfcheyd der Canonyke en andere Uuren toont,denDoodentrooft met zyn Luyen, en (naar eenige geloven) met Verdienften, God, de H. Maagd, den Engelen en Heyligen looft, Aan de Linker zyde ftaat eene Kort, die bedelende omgedragen word,om gevult te worden,vanZwakken voor Gezonden, van Armen voor Ryken; maar zy is daar tegen weer ge- vult met zegeningen, en beloften na 't Leeven. Waar toe de Bedelkraam al groote kracht byzetj die men hier, alsgezegtis, aan eene Standaart ziet pra-
|
||||
Van der Kerken Tweedracht. XLII. Hoofdst. 315
pralen. In 't midden ziet men de H. Veronica's-doek, waar op 't lydende
Aangezicht des Zaligmakers is gedrukt;goed voor alle Hoofdpynen en Won- den; de H. Roozekrans en 'Doomekroon, voor verborgen Zweeren en Hel- lene Pynen; de Moeder Gods, voor de benaauwde Vrouwen5 de 'Drie Ko- ningen voor Reyzigers; St. Jan voor de Vallende Ziekten; St. Magdale- na voor de Hoeren; St. Antoni tegen de Brand; Job tegen de Verlamming; Lazarus tegen de Pokken> St. Rochtis tegen de Pert; St. Huybert tegen de dolle Honden; St. dpollonia voor pyn in de Tanden; St.tFalburgavoor Bezetenen> St. Geertruyd voor Rotten en Muyzen; St. Martyn voor de "Waardenj St. Urfel voor de Maagdeii; St. T>impna voor Zotten en Zot- tinnen; St. Tvo tegen kwade Proceflen; en oneyndige andere; van wclke nu nog zommigen Gecanonizeert worden , andere weer worden uytgewifl in de Mtjfalta, die jaarlykfch om die verandering moeten herdrukt worden} zoo dat elke Stad, elk Gild, elke Buurt, en elk Menfch naar zyn naam een Heylig heeft. De Biechtelingen, nieuwe Chriftenen, Kinderen, Mannen en Vrouwen zelfs betalen deze Parkement-en Papierwinkel zeer duur. Maar van alle deze Printwerken, wint het dat Prentjen van onze Lieve Vrouw tc Kevelaar, dat te Antwerpen 2. Duyten koftende nieuw, nu oud en be- fmeurt, in eene kas geeert word, die 10000. Ryxdaalders waardig is. Om 'er af te fcheyden (zoo 'er een eynd aan is) ziet men achter dit Ceremonie- Beeld, een zwaar Houten Kruys, dat men van honderden langs Straat ziet fleepen. M. Hier achter ftaat de Vaften, eene magere blceke Vrouw, dog ge-
meen, (want de machtigen gaan licht vry,) die op haar Voorhoofd is gete- kent met een AfTchenkruys, 't welk zy op Woenfdag ontfangt, na datze heeft opgehouden te rinkelroojen en fmerotzen op Vailenavond; waar van zy de afgegeeten Bouten en uytgezopen Bouteljes nevens haar heeft ftaan. De Rommelpot legt op de grond, en de Mafcarades en zotte kuuren hou- den op, gelyk men de Mom en 't Marotken ziet neerleggen.Zy heeft XL. Dagen, haar ouderdom betekenende, in den boord van hare Borftrok; in de Hand eene Schotel met Vifch;en een Calebas met Water aan hareGor- del, wclke gedekt is, maar cierlyk en vrolyk van ftof, om de vrolykheden van den graaf van half-Vaften, den L<etare, en de Goude Roos , die de Paus op dien tyd de Gemeente doed ruyken, om haar te verkwikken, die- ze 00k in de Rechterhand draagt, met de Palmveer van Palmzondag, ge- zeegent voor 'tgantfche Jaar tegen Blixem en Donder , en een Paffieboekje van de Goede Vrydag, als mede eyndelyk de omgeftooten Kandelaar, en uytgefnote Wafchkaars van de duyftere Metten, als 'er ecrft drie KaarflTen wor- den uytgedaan, voor de drie Deelen van de Wereld, op welke duyfternis was met Chnftus Dood-, en 15-. andere, 3. voor de drie Maria's, en 12. voor de Apoftelen. In 't verbeelden van deze Vaften, kan men zig regule- Rr 2 ren
|
||||
%i6 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
ren naar de Landen, alwaar de Vaften moet om te pryzen of te beftryden
uytgebeeld worden. N. Hier achter komt het Vagevuur, met de Zielen,dic laaffenis voe^
len, of'er uytgehaalt worden, voor deZielmiflen en andere dienften, met de Boot der Ongedoopte Kinder en, en zyn Caraveel of oude Vifchboot, waar de oude Eeuwsvaders nog in zwerven. De Aflaten,, hier toe verleent, konnen door gezegelde Brieven in Munniken of andere Geeftelyke Handen vertoont worden, dieze voor goede Beurzen wiflelen, en den buyt derhan- deling naar Romen brengen, die hier na onder Jubilees of Verjaartydennog verbeeld zullen worden. Door alle deze laften, veel zwaarder dan de Wet derjoodfche Kerkzer
den, voor 't Volk, en buytenlandfche Geeftelyken, fcheurden zig de mee- fle Azianen, Grieken, en Duytfchen van de Roomfche Kerk af; tot dat eenige op 't laatfl. haren Godsdienft Hervormden, en eyndelyk zig dit Jok van Romen onttrokken, dat daarom niet verviel, maar eyndelyk eeneflxaf- fe Alleen-heerfchende Oppermacht aan zig trok. |
|||||
DRIE
|
|||||
V.ANDENlNDRANG TOT DE OPPERMACHT, enz. XLIILH.JIjT
DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK,
Van den Indrang tot Oppermacbt der Roomfche Stoel.
A TPVE Wereldlyke Oppermacht des Roomfchen Stoels, die hier
"• L/ worc* verbeeld in verfcheyden tyden, toonc eerft de Grootc Constantyn, die de Stegelreep van het Paard van Sylvefter houdt, en den zelven met eene Keyzerlyke Kroon vereerd (hoewel de befte Schryvers meenen, dat die Kroon van den Keyzer Anaftafius^ aan der Franken Ko- ning Clouts, Chriften geworden, vereerd is, en dat die van Clouts aan den Paus Hormifda, tot teeken van zyne onderwerping gefchonken, en door dien Paus gedragen is,) van Innocentius den III. aldiis uytgebazuynt: Tot teeken van 't Opperfte Gebied, draagt de Paus dedriedobb'leKroon, Reg- num genaamt, tot teeken van zyn PriefterfchapdeMyter. Die Kroon draagt hy niet overal nog altyd, om dat zyne Priefterlyke Macht ver boven zyne Keyzerlyke is uytgeftrekt, eerder in tyd en waardiger v want zyn Prieiter- fchap is voor zyn Keyzerryk gegaan. Die Conftantyn draagt in zyne ande- re Hand de Lans, waar aan het Labarumy of Opper-veldheers Vaan aan- hangt, in dewelke het teeken (onder welkers verfchyning hy zegepraalde, zoo men zegt) te zien is. Deze fchonk eenige Landen „ rondom Romen gc- legen, aan den Stoel. D. De tweede is Aripert, Koning der Longobarden. Die maakte
van dien hooggezienen Opziender der Zielen een Wereldfch Prins, en fchonk de Cottifche Alpes van de Turynfche, en Medullifehe Bergen af tot Genua, en alle de Liguftifche Stranden. Deze Vorft levert cene Kaart o- ver van de Wereldlyke Macht, over zoo veele deelen van Italie, aan den Paus gefchonken. En dit wierd nog van den Paus Innocentius den III. inde Itahaanfchetad/*?*£///?,.datis, A<7/genoemt;maar het welk de Kerk veel korens aanbragt. Waar by kwam ,dat zig Rome de macht des Keyzers Lea onttrok, om Gregorius te handhaven tegen Tatriciusy des Keyzers Stad- houder-, waar door Romen en 't Romeynfche Hertogdom van den Griek- fchen Keyzer aan den Paus kwam. d. Phocas , als gezegt is,met de Moordpriem,bebloed van den Keyzec
Mauritius en de zyne, door hem gevelt, zend eene prachtige Mantel aan den zelven, en verzekert zyne heerlykheden. V)' Zoo krygt diePauflelyke Wereldmacht, door een bejaard Man ver-
toont, eene Scepter in de Hand, maar zodanig eene, als paft voor eenen Rr 3 Gee-
|
||||
gi8 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
Geeftelyken, die (hoewel Chriftus Ryk van de Wereld niet en was) de
gantfche Wereld zig willen onderwerpen. Onder heeft ze de Voet van een Schaap, de Onnozelheyd vermomt van haar zelven voordragende, zoowel als hunner Onderzaten dwaasheyd vertonende; waar boven op eene Kop van eene Roerdomp ftaat, die Verwoefting, Ongetemtheyd, en allerley Dwingelandy betekenr. De reft is eene Yzere Staf, om de onmatige wreed- heyd van zulken Heerfchappy, (hoe glad van buyten gefchuurt) te doen voelen. Men ziet zulken Opperbaas ftaan voor eene Stoel, op welke men de Wereld ziet, in 't Net van 'Petrus, wiens Sleutels overal dreygen, hou- dende met 72. Purpere Koordenvan zoo veele Kardinalen, (van Car do een Snoer, of liever een Harreel of Duym, waar op eene Deur draayt, genaamt) onder zyn Gebied.Tot zodanig eene machc zyn deze opgefteygert van enkelc Diakenen, van welke eerft maar, als't Wereldfch begon te \vorden,zeven waren. 'pan/us dreygt even zoo veel met zyn Zwaard. Maar zy dreygen meeftdie verdwaafde Vorrten, die zoo veel wech gaven aan den Geeftelyken Staat (die nooyt kon fterven, en nimmer wederom gaf) tot dat zy zelfs bedelaars van dezen wierden. Eene Purpere en Hermelyne Muts ftaat op dit geduchte. Hoofd. Eene Keyzerlyke Vhocdifche Mantel; die trotfchblaakt van Goud, Zilver en Juweelcn, met een Hermelyne Hals-en Schouderdekzel. De Mantel word aan een gehaakt door eene Goude Duyve, het Merk van Babel, en Verbeelding van Semiramis, in de plaatze van die, welke den H. Geeft verbeeld. Hy heeft in zyne Hand de Keyzerlyke Kroon, die men op He- raclius Hoofd ziet, van twee Tranflen, welke hy zet op het gebogen Hoofd van Karel den Grooten, terwyl zyne Keyzerlyke Kroon van drie Tranflen nevens hem ftaat, om hem op te zetten, zoo dra hy totPaus verkoren is. Zodanige Macht en Kroon is doenmaals meeftmetloosheyd nagejaagt, wan- neer de Ryxfloel van Rome naar Conftantinopelen wierd verplaatrt; want was daar de Keyzerlyke gebleven, zoo zoude die de Pauflelyke wel onder- gehouden hebben. Daar na is door het verval der Azianen en Grieken, en eyndelyk het vleycn aan dcFranflchen, aan de Pauzelyke Wereldmacht,door 't bezweeren van het Breviarium, wederom tot vergelding klem gegeven; waar tegen de H. Stoel wederom de Biflchops-mantel lien vry hield, tegen welk vry-geld zy by Koopmanfchap Jzavgc\d ,s4tmates genaamt, opbrach- ten. ■E" Door zulke middelen,en die welke onder de Pauflelyke Krygfmacht
zullen verbeeld worden, wierden de Vorften uytgemergelt en onaerdrukt, het welk vertoont is door het veroudert Af beeldzel (naar oogenfchyn der Egyptenaren en van gantfch andere beduyding) van eene Kcrkuyl , die 't Kruys op de Kop draagt. Van welke zommige groote voorbetekening van Chriftus hebben durven maken -, die hier voor verkeerde Geeftelyke On- derwerping plaats heeft. F. Daar
|
||||
Van denIndrang tot de OppERMACHT,enz.XLIII.H. 319
F. Daar boven by de Regnum-Kroon ftaat de OfFerbeker , met welke
op de Verkiezingdag van den Paus Dienft gedaan is, in welke de Naam- rolletjes der Cardinalen vergadeit worden, en met het Kruys zeer plechte- lyk, als de H. Vader uytryft, voor af moeten gaan. ^J* DePlak, verbeeldende de Regeering en Verbetering, word hem,
nevens de Sleutels, overgegeven. H. Die zyn Macht 00k zoo wel gebruykt, dat men hem ziet ftaan, met
de Rechtervoet op den Nek van den Keyzer Frederik Barbarojfa, die zig tegen de grond gebogen neder lege, met deze Vonnisfpraak by dien hoon gevoegt, Over Slangen en Bafilisken zult gy wandelen , zoo als dat in dc groote Vergaderzaal der Edelen te Venetien, gefchildert en nagelaten is> om dat die Keyzer zyn Naam had voor den Naam van Adriaan den IV. gezet, en de Stegelreep aan des Pauzen Paard had geweygert vaft te hou- den. ■»• Met de Slinkervoet, waar van de Pantoffel door den Keyzer Henrik
gekuft word, fchopt Calejlyn de Kroonvanhem en zyner Keyzerins Hoofd; doorgedrongen hebbende, dat Koning of Keyzer zulks niet en is, voor dat hy van den Paus gezalft is; met byvoeginge, dat deze de Ryken overzet, aan wien 't hem goeddunkt; dat aan" hem de Macht van God is gcge- ven, om te verwoeften en uyt te trekken. Aldus gaf Tetra of Chriftus de Kroon aan Tetrus, en Tetrus, of de Paus , zyn Nazaat, aan den Keyzer Rudolf, (zoo Gregorius VII. fchreef,) wanneer hy Henrik , na den twee- den Ban had doen verraden, en Rudolf, Hertog van Bourgondie , tot Keyzer kroonde. Die, gelyk Keyzer Lot harms eerft als zyn Leen- man, aan den Paus den Eed afleyde. Welke trotfche Pauflelyke Spreuke in dit Gedenkvaarsje bewaart is: Tetra dedit Tetro, Tetrus diadem a Rudolpho.
Dus raakten te gelyk, zoo men achter ziet, de Bizantynfche en Alexan-
drynfihe Kerken onder zyne Voeten. Zyne Blixem ilaat hunlieder glans- toppen van boven neer. JV. Zoo dat hy van alle de Cardinaals Hoeden en BifTchops Myters,
nevens alle de Abdven en andere zoo van Geeftelyke als Wereldfche Mach- ten meefter geworden zynde,die alle aan zyne Voeten zyn. Hy Word 00k by het aantreden van deze Monarchic met een andere naam genaamr. |
|||||
L. Men
|
|||||
320 DE HlEROGLtPHEN OF MERKBEELDEN.
L» Men levert hem eene Beurs over, vol Muskus, om Chriftus goede
reuk voor God te brengen,en daar in XII. Zegelftempels der XII. Apoffelen, welker Macht hy nu alleen bezit. Maar om iets nederigs daar onder tc mengen, M. Ziet men de DR.EKSTOEL,opwelke,nadathyaangebedenwas, door
alle, die deze eere waardig waren, aan hem vertoont wierd, om op te zit- ten, met deze Spreuk door eenen der Cardinalen uytgeroepen, Oprechten- de den Artnen uyt het Jiof, en den Scbamelen uyt den drek, om met den Vorften te zitten, en de Zetel der hoogfte Eer te erlangen. Deze Stoel is nog te zien in 't Kloofter aan 't Lateraanfche Paleys. Dog voor deze T>rek- jloel heeft men naderhand ingevoert, drie Bufleltjes, Hooy en Strooy, die in de brand worden geftoken. N. Op de grond ziet men geftrooyt leggen die Zilvere Penningcn, die
de Kamerbewaarder hem overgeeft, na dat hy de alleraanzienelykfte Gee- ftelyke en Koninglyke Gezanten de Genade gedaan heeft, van haar eene kus toe te laten. o. Ook zyne H. Kelk, waar in een Goud Rietjen is gezet, om de Of-
ferwyn zuyver daar uyt te zuygen; gelyk 'er nog eene diergelyke van min- dere ftof te Bolfwaart te zien is; om te doen zien, dat hy zoo Geheyligt, Gezalft en Vergood, te Hemelfch is, om iets te leppen uyt eene Kelk, in welke wat van de gemeene Wereld was overgebleven. t« Hier nevens ziet men der Joden Wetboek, het welk, nadat'er
driemaal Geld geftrooyt is, aan den Tooren van St. Stephanus en St. Pe- trus word overgegeven. En na dat dezeH. Vader door alle nieuwe Eerpoor- ten is voortgereden, die voor hem tot zyner Eere overkonftig en prachtig elk om 't zeerft geftelt worden j alwaar alomme nieuwe Geeltelyke en We- reldlyke de Lucht fcheuren met fchreeuwen en uytgalmen van den nieuwen H. Naam. Zyne Kleeding word ook aanftonts, als hy gekoren is, veran- dert; want zoo dra als hy door de Venfters met zynen nieuwen Naam is aan 't Volk verkondigt, zoo moet hy van Klederen veranderen; een fpier- witten Rok van Chriftus aantrekken, en daar over eenen anderen van wit Sa- tyn met een Purper Kruys voor op de Borft, en achter op de Rug. Dan word door den Dienftboden der Kardinalen zyn Celleken geplundert,en de Klederen , met het Goed en Geld dat daar in is. Maar ter zelver tyd word ook dikmaals zyn Paleys en Huys in de Stadgeplundert. Zoo dat hy, zoo geplundert zynde, en 't Geld, dat men hier op de grond ziet leggen, onder het Graauw, geftrooyt hebbende,komt zeggen door de Venfter, Goud nog
|
||||
VANDENlNDRANG TOT DE OPPERMACHT,en*.XLIII. H. 3ZI
nog Zilver en heb ik niet. Ook word hy tot deze nieuwe Bedieningcn al* leen gevordertj. v^_Want op den Zondag van L<etarey om de drocvigc Gemecntc indc
Vaften ergens mede te vervrolyken, zoo toont hy aan het Volk eeneGoudc Roos, om door dien reuk veriterkt te worden, om haar te verzaden uyt dc Borften van zyne Vertroofting ■> om de drie Zelfftandigheden van Chriftus, zyn Godheyd, Lyf en Ziel te verbeelden, door het Goud, de Muskus, en de Balzem. De Steel van deze Roos verbeelt zyne Hcyligheyd. R» En alzoo ook zegenthy, volgens oude gewoonte, opKersnacht den
H. Deegen, dien hy den Koningen toezend. Deze moet op de Kersnacht fezegent,en in zyne fcheede geftoken worden $om dat op die Nacht, door
Chriftus Geboorte, 't geweld des Duyvels is verbroken, alzoo ook met dien Deegen, door die Vorften gevocrt, het geweld des Duyvels, in Heyde- nen en Turken, ja alle Ketteren werkende, mag verdelgt worden ■, door den Deegen ('t geen zeldzaam voor eenen Geeftelyken is) als het ware Beeldmerk van de Pauflelyke Macht. Zyne Tytelen zyn ook machtig ver- heven boven alle Koningen en Keyzers, de Gelukzalige , de Geheyhgde , de Heyligfte, de Eeuwig Zalige, 't Hoofd der Kerke, en zodanige, wclke Waarlyk,Wezentlyk, Natuurlyk, en Bovennatuurlyk aan het Hoofd Jezus Chriftus, den Zoone Gods, den Koning der Engelen en Menfchen, eygen 2yn. Vader der Vaderen , Algcmene Vader, Opperfte Algemene Ho- jgepricfter, de Heyligfte en Alderhoogfte Vader der Vaderen, den Engelen ge- lyk, de GelukzaLigfte en Apoftolifche Tapa, Aardsharder der Kerke, het Goddelykfte Hoofd van alien Hoofden. Maar alle deze opgeblaze en boven- menfchelykeEernamen, maaktdie Deurwaarder des Hemels goed , door den NederigenTytelvan Servus Servorum T>ei. dat is: KNECHT, DER KNECHTEN GODS. ^» Maar de Prachtigc Cavalcade , alshyuytryd, ziet men op denSteen
gehouwen, by *t Vatikaan en 't Kafteel St. Angeloy by dewelke geene Hof- ftoet der Vorften kan halen. |
|||||
Ss VIER
|
|||||
--------
|
||||
,:'vl
|
||||
Van de Ontchristende Kerk. XLIV. Hoofdstuk. 323
|
|||||
VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Ontchrijiende Kerk.
SY cegenftelling van dezc Vorftelyke Pracht en Stoet, ziet men de op-
bouwinge en oedieninge des Lichaams van Jefus Chriftus alhier in twee sn vertoont, den Dienft voor eene tyd, en den Opbouw voor altyd. A. Het Apostel-Ampt ftaat hier als eenoud, deftig, nederig en
minnelyk Man, lerende met de opgeheeve Hand, en leggende de andereop *t Hoord van zulken,zyns gelyken, als hem bekwaam fchynen om de Scha- pen te hoeden. ■D* Het EtTANSELisrscHAP, door eene Vuurige Vlam op het Hoofd,
de vcrvulde Prophetien onder den Arm, met een vrolyk Wezen, verkondi- gende het ingekomen Heyl. Deze twee zyn voor eene tyd geweeft, en van God gedreven, en uytgeftoten in zynen Oogft. G.
Het Quderling-of Opzienderfchap, met de H. Waartekencn vaR
den H. Doop en 't Avondmaal in zyne, Handen. ■*-'• Het Diakenschap, met twee Hoornen van Overvloed} De eene
om te ontfangen van de Barmhertigen j de andere om uyt te deelen aan de Behoeftigen. Deze waren voor altyd in de vrye Kerlce Gods gedurendc Ampten der Geeftelyken, ofzulken, die door deugd enweten totde dieti- ften zigzelven hoopt te bekwamen. Hy fteekt zyne Hand om hoog, hetwelfc een Merkbecld maakt der toeftemmende Gemeente in de Verkiezing der Dienaren. Alle zynzy eeven hoog hier geftelt, door Klederen nog Ciera- den onderfcheyden. a^- Hier achter ziet men eene Kerkelyke Vcrgadering, alle de Kerken-
dtenaren met gelyke Macht en Rang zittende, alwaardeH. Jacobus't Voor- zittersampt met opftaan, en met de eene Hand als fprekende, en met de an- dere fhlzwygen verzoekende, bedient. Voor den zelven leggen de Brievea der afgelege Gemeyntens. Rond is deze Kerk, en alzoo derzelver plaatzen eeven hoog in achting. Zie daar de eenvoudigheyd van de eerfte Hoofdver- gadenng, die binncn Jeruzalem by een was} Biflehoppen , Ouderlingen en alle gelyk zynde. Daar by ftaat de Zon verbeeld , voor God en zyne Kerk, van welke veele ftraalen komen5 gelyk van aard, en te zamenmaar een Lkht, en door een verichc. Chriftu&, dc Harder ia de Gevel vertoont, Ss 2 geeft
|
|||||
^24 B£ HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
geeft 00k aan zyne Leden Tetrus, <Paulusi Jacobus, en anderen, 00k den gocden Opzienders, 't geen hy was, namentlyk Harders te zyn. F. Maar de Hoogmoed inbrekende, zag men in groote Steden, of Hof-
plaatzen den naam van Biflchop (en die klom op tot alle grootfche NamenJ Aartsbiflchop, enz. Hier ziet men dan een Metropolitaanfchap of Tri- maatfchap met zyne Aartsvaders Muts. Deze zalft anderen tot Opperbi£ fchoppen, en andere uytftekende Amptcn. Hct Griekfche Kruys voert hy in zyne Linkerhand, en in de rechter zyne Zalfhoorn, omhangenmet eene Rok van den eenen of anderen Vbrft of Vorftin, aan welker belangen zt gewigt aangebragt hebben. Dus bleven te Romen, Antiochie, Conftanti- nopelen, Alexandrie, Jerufalem, en elders, Geeftelyke Bazen > waar van eenige door Nederigheyd en Armoede boven hare Namen Heerlyk, wierden door andere verfoeyelyke Meefterfchapzoekers licht vcrdrukt •, tot dat de Keyzers voordeel zagen met by de Chriftenparty zig te voegen, waar van Conftantyn zeer groot voordeel, en meer lof, als hy verdiende, heefrge- trokken. vJ» Hy moeft, om tegen de Barbaren aan alle zyden zeker en pal tc
ftaan, 't Ryk verdeelen; waar van men hier eene V erbeelding ziet. Die Ryksverdeeling is eene ronde platte Schyf, door een Kruys in vier delen ge- lyk gefcheyden} want rond was de Wereld nog niet bekend. Ja Augujtyn liet om die meening een wakker Man verbranden. Op deze Schyf ftaat een Kruys, om te doen zien, dat die vier Deelen meeft Gekriftent waren. In- wendig ziet men den Roomfchen Adelaar met twee Hoofden, het Oofter- en Wefter-Ryk betekenende -, met wyd uytgeftrekte Vlerken, om onder zy- ne Slagwieken de Landwinften te dekken, met happige Bekken, en klaau- wendePooten, om te beroven en te vermeefteren, van 't orerige, waar dc kans fchoon ftond. Deze verdeling wierd van vier Opperhoofden, fPra- fecli cPr<etorio^ beheerfcht en befchermt. Straks aapte ditde Geeftelyke hoog- moed na, en ftelde, kwanswys om Ordens wil, vier Kerkregeringen, T>ioeceJes of Aaardsftiftengenaamt, en over elk een Metropolitaan. Die kregen den naam van Tatriarchen, AartsbhTchoppn, en Hoofden der Landfchappen. De deugd enkennis moeft ruymbaan maken voor de Vaorzittende Uytnement- heyd, en Dwingelandfche voorrechten. De Roomfche, en Conftantinopo- litaanfche of Byzantynfche , ftaken malkander om 't zeerft na de Kroon. De Byzantynfche Gregorius fchreef met zuchten, lafter, en Vervloekingen, tegen die 'Prtmaatfchappen-, terwyl hy dat Yan Romen van Conftantyn, met alle huychelarye, en vleyerye afprachte, om te zyn Algemeen Biflchop: zoo als Joannes de Byzantynfche eerft dien Tytel geoppert had, en door Leo de Roomfche, mede gevoert was, hoewel als Antiehriftifch verdoemt. Dog t vervalder Oofterfche Ryken, om welk hct Roomfche Pauflchap in dc
|
||||||
Van de Ontchristende Kerk. XLIV. Hoofdstuk. 315
de vuyft lachte, deed alle de Bisdommen onder het Roomfchc buygen.
H. Die Geeftelyke Monarchie is als eene trotfche Vrouw, gezeten op
de Rotz of ePetray op welke Tetrus zig geveft had. Die Tetra, in de mee- ning des Heylands voor zig zelven, de ware Rotzfteen,genomen, is dever- heve Zetel van deze Bazin. De Stoel, daar op gegrond, heeft Taulus en 'PetruSy om 't Zwaard by de Sleutels te voegen, tot Hoofdcieraden, en ein- digt in eene Obelifque, vol duyftere Figuren, om dat zy alleen alles uytlegt en ontknoopt. De Raad en 't Volk van Rome , verkoos dezen eertyds (waarom hun Schild in 't Rugftuk praalt met de Letters S. P. Q^R. be- tekenende SENATUS POPULUSQUE ROMANUS, dat is: de Raad en het Volk van Rome^) tot die Waardigheyd , en de Keyzer, of zyne Landvoogden, keurden die Gekorene voor goed, na dat het hen geviel. Eene driedubbelde Kroon cierd haar Hoofd, om te laten zien, dat niemand hare Waardigheyd gelyk is. Haare Geeftelyke Kfeding is met eene prachtige Mantel overdekt, op welke de XII. Apoftelen verbeeld zyn, wel- kcr kracht, weten , enwerken, zy alleen gelyk is-, houdende die Mantel aan een gehecht met een Juweel, waar op jejus te zien is, van wien zy, felyk Tetrus, Stadhouderefle is. Op hare Borft hangt een Goud Kruys,
et welk zy befchermt. Op hare Knien ziet men drie deelen van de We- reld, Europa, Afia, Africa (want America was onbekent) voor deHer- vorming. Op deze drie deelen doet zy Gehoorzamen en voor Goddelyk aannemen hare T>ecreien en eDecretalen. Deze Monarchale Macht toont zy door hare Kerkftaf, waar op zy den H. Geeft als eene Duyve heeft zit- ten, die Kracht van den H. Geeft alleen bezittende. In de andere Hand houd zy de twee Sleutelen van St. Vieter, eene Gou.de, om alles te verge- ven, en eene Zilvere, om in den Ban te doen, en uyt den Hemel te fluy- tenj maar de Derde, die daar by hangt, is de Macht, die deze Heylig- heyd heeft, om de Keyzer-en Koningryken over te zetten van 't eene Volk of Vorft op den anderen. Hare Ryxftoel is overdekt met Purper, hebben- de de Cardinaals-Hoeden aan de eene, en deBiflchoppelyke Myters aan de andere zyde, om te bewyzen, dat al het bewind der Kerken van haar afvloeyt. A. Derhalven treed zy ook, door die gewoonte van te Gehoorzamen,
de opkomende Kettery met de Voet, welke met de Adderen-en Slangen en Drakenvleugels, maar ook zulke zware en weerbare Ketteryen, die fterk ingebroken zyn. Deze legt mede onder hare Voeten, hebbende veele Voor- ftanders, die uyt de HerlFenen der Verketterden, als zoo veele blangetjens, vergif tegen haar aanblazen. Met de Ezels-ooren van botte Boosheyd hard- nekkig blyvende, moet dit Gedrocht echter op den Mond kloppen, en de uytfpraak van hare Heylighevd voor Godfpraak opvolgen. Heerlyk gevon- den voor Ecnhoofdige Heertchappy, om onder den hoop order te houden I Ss 3 K. Maar
|
||||
p.6 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
&- Maar zy treedt ook op het Hert der vermaorde Belyders. Dat ver-
druktc Bloedgetuygenis lege gemuylband, naakt, gerecd voor, Mutzaarden, Zwaarden en Bylen, met een Slot aan de Mond. Wee het zelve, by al- dien het kikt! Zy reykt hare eene Arm om hulp tegen deze Geeftelykc dwang te vergeefs, terwyl de andcre gekluyftert met de Aarts-kettery gelyk gehandelt word. Vergeeffch toont zy het Woord Gods met zeven Zegelen nu geopent, dat haar Richtfnoer behoorde te zyn. Zy moet de Verborgentheyd der Ongerechtigbeyd onderhorig zyn, of't uyterfte lyden. ■L** Tot bewys van deze Geeftetyke Heerfchappy heb ik gevonden twee
verbeeldingen der Oudheyd, die te Romen ftaanj in welker eene onzeZa- ligmaker JESUS CHRIST US is te zien. Die Heyland is gezeten op eene Wolkftoel, hebbende in zyne eene Hand de twee Sleutels, die aan Tetrus wierden overhandigt, om voor hem, en in zyne plaats, den Hemel te fluy- ten of te openen. Tetrus ziet men bedanken voor die gift, en daar ne- vens op zyne Knien leggende, zynen Meefter aanhidden. En tegen hem over, aan dezelve Voetf>ank ter Rechterzyde, den Keyzer Confiantmusy die allereerft onder de Keyzeren Chriftus heeft erkent, die met eene zege- pralende Rok en gekroonde Helm zyne Standaard ontfangt van zynen Vec- lofler Jefus Chriftus, die dezelve hem overgevende zeegent, om door den Gekruyften te overwinnen. Zes Roozen zyn in dit Vaandel gezet, als zoo veele Aards-ftiften, als 'er onder zyne befcherming waren, als de Room- fche, aan welke van den Keyzer Juftiniaan \ Primaatfchap is vcr- gunt, de Conftantinopolitaanfche, en Tanai'tifche. Op de fpitze van dien Standaard ziet men het Kruys boven eene halve Maan , 't welk daar geen- zins het aanftaande Turkfche Ryk, maar in 't algemeen den Afgodendienft der Heydenen moet verbeeldenj die T>iana van Epheze, of eenige andere Egyptiiche Goden of Afgodinnen , die in oneyndig getal de Maan verbeel- den of gedragen hebben. Weslialven de Chriftenen, deZonne, die men hier om 't Hoofd van Chriftus zkt, als het waxe Lkht toe Beeld4>raak na- men ■, en Ueten voor het Heydendom de Maan , die nooyt ftandvaftig nog van eenderley gedaante is , en haar licht van de Zon ontleent, het Beeld van de Nacht en der Duyfterniflen zynde, gelyk de Zon van de Morgen- ftond en helderen Dag. M. De tweede verbeelding gaat voort, en vertoont Petrus , den Stede-
houder van Chriftus, die, op eene vergulde Stoelzittende, aan Paus Leo den III. den Mantel op zyne herftellinge geeft. Deze St. Tieter heeft in zyne Schoot leggen drie Sleutels, eene van den Hemel, eene van deAarde, en eene van de Hel. Om te vertoonen, dat deze Vetrus voor eerften Roomfchcn BifTchop fcheep komt, ziet men hem eeven eens,als Paus Leoy gckleed, de Stole met het Kruys getekent om deh hals, en de H. Gordel1 aan
|
||||
Van de Ontchsjstende Kerk XLIV. Hoofdstuk- 317
aan. De PaufTelyTce Mantel geeft die Apoftel aan zynen Nazaat Leo. Die
houd zyn Halsdoek over de Handen, om dat hy uyt zyne Stoel gezet, nu de Mantel en derzelver toebehoren eerft weer in ordre zal aandoen. Karel den Grooten ziet men met eene nieuwe Kroon opgeklooft, en de Wereld daar in op zyn Hoofd, erkennende zynen Paus voor Hoofd van alle Geefte- lyken; gelyk hem de Paus, tot erkentenis, voor 't Hoofd van alle de We- rcldlyken Kroonde.Dien Keyzerlyken Eernaam van den Grieken overbren- fende tot de Franken , die toen de Gallen overheerfchten , en Gallie
rrankryk vernoemden, naa deze en de Overrhynfche Landen,die metdien Eernaam, van Onoverwonne, en Vrye of Franken bralden.Deze krygt eenc Zon van den Paus en zes Roozen in zyne Banier, zynde het Metropoli- taanfehap of Aartsvaderfchap, der Duyriche en Franfche Kerk, voor de Antiocheenfche en Tana'itifche verwiflelt. By dit laatfte ftaat: DE GELUKZALIGE PETRUS SCHENKT HET LEEVEN AAN
LEO, DEN VADER DER VADEREN> EN GEEFT OVER WIN- NING AAN DEN KON1NG KAREL: Dus ftaat dan hier de Geeftelyke Oppermacht door Conftantyn vry ge-
maakt van de goedkeuring van den Keyzer of zyne Overften, en door ''Pho- cas erkent voor het Algemeen Hoofd over alle de anderenyom Cyriacus den Conftantinopolitaanfchen te kwellen, die tegen Thocas, als Moordenaar van Mauritius, en zyn Huysgezin, was ingefpannenj door den Franken om llderik af te zetten, en Karel Koning te maken, aan den zelven opge- dragen de macht, om eenen tot hunnen Koning te verklaren; yt geen Zacha- rias aan Tepyn deedy en Leo de weldaad van Karel heugende, met een, om den Romeynen de Voet op deNek te zetten, nam 't Keyzerryk af van Corn's ftam uyt den Grieken, en zettedeKcyzerlykeKroon op Karel,den Zoon van Tepyn, uyt den Franken v hem aandoende die Keyzerlyke Man- tel en Goude Kroon, daar toe vervaardigt, die Karel hier op 't Hoofd draagt} zalvende met H. Olie Karel tot Roomfch Keyzer, en zynen Zoon tot Koning van Italie. En wierd alzoo, alle Geeftelyke vryheyd vermeeftert zynde, deze Geeftelyke Monarchic tot de hoogte opgevyzelt, dat zy dezen Eed den Keyzeren ardwong. „ In den Name van Chriftus beloove ik voor God en den H. Apoftel
„ 'Petrus, dat ik zal zyn een Voorftander van de H. Roomfche Kerke, in „ alle hare VOORDEELEN, zoo veel als ik gefterkt door Gods hulp, zal „ konnen doen". Daar was deonfeylbaarheyd van deze Geeftelyke Monarchic op dc zekere trap, om Godfpraak te worden, en te blyven. Dufdaniger wyzc wiefch de eene Hand de andere, om beyde fchoon te wordea |
|||||
VYF
|
|||||
w ' mmnwy
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
t
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
' • t '-
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
* ■ - T
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
> t
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
»
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
.^iMt^iCk
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Van de Afgescheurde Kerken. XLV. Hoofdstuk. 319
|
|||||
VYF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Afgefcheurde Kerken.
DE Kerken dan fcheurden zig zelve , of wierden gefcheurt door dc
Roomfche,om zoo veele redenen, als voorgegaanzyn* behalven dat het gemakkelyk valt in veele Hoofden der Geeftelyken, ('t zy ze dat zyn door onderfcheyden Rang, of om hare Verdienften, of door hare loosheydj dat ze willen eerft over den haren, en dan over anderen de Vlag voeren. Van deze Scheuringen zyn de Oudfte, deCopten, ceno Naam van Land-
zatenin Egypte, Egopthi eerft, daar na Cophti genoemt. *T zyn Jakor bit en, die van daar over gantfch Abyifinie doorzaavt, ftreng houden tegen den Abyflynfchen Godsdienft en Maatfchappy der jezuiten. A. Deze Cophtifche Godsdienft is met een Kruysmyter op denTulband
gedekt, zynde door een Mand verbeeld, om dat dezelve in alle de Oofter- fche Landen, van de Levant af, tot Indien toe, en de Punt of'tHooftvan de Goede Hoop, alle Vrouwen uyt alle Kerkendienften houd. Zyn Voor- fte Rechter vinger maakt hetKruys op zyne Borft, met roode verw , 'tgeen ze alle Morgen weer vernieuwen. De Hoogepriefter van dien Godsdienft zit hier dan, afhankelyk zynde van den Patriarch van Alexandrye, te Cay- ro wonende. Hy heeft een gloeyend Yzer met de Geheyligde Vuurteft by zig, met welke hy een Kind, zynde 4,0. dagen oud, eerft in een Zilver Wafch- vat gedoopt, op 't Voorhoofd inbrant, zynde het teken van het Kruysj in de plaats van de Befnydenis, die zy nog zeer laat by den Doop gehouden hebben. By dezen Hoogepriefter word altyd de Naam van Ignatius, op zyn Vloertapyt geweeven, vertoonti onder welk men de Beelden, die zy verwerpen, nevensde Pauflelyke Kroon, wiens Oppermacht zy niet erken- nen, ziet verworpen leggen. De Beeker en 't Ongeheveld Brood, als de Paaskoeken der Joden, ziet men voor zyne Voeten, dewyl zy den Dienft doen onder twee verfcheyde gedaanten , of ftoffen , namentlyk Brood en Wyn met Water gemengt. Achter ziet men eene Schildery (want Gefchil- derde Beelden en H. Gefchiedeniilen hebben zy over al) van Jacob den Sy- rier. wiens Gedachtenis by henlieden is geheyligt. Dit zyn Tafereel hangt aan een Kruys, zoo als zy daar gebruyken, van Ebbenhout, met een kleyn Gefchildert Figuurtie daar op. ■t>« Hier tegen over ftaat de Godsdienft der Armeniers, met eene Pa-
triarchs Muts, en Perziaans Kleed, onder wiens Gebied hy woont, met een Kruys met Doornen en ftraalen op den Borftlap} houdende in zyne Hand de Tt Kop
|
|||||
tfO E>E HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
Kop van het H. Avondmaal, allcen met Wyn, zonder eenig Water, en
Ongeheveld Brood, daar in by vierkante brokskens gefoeden , welk den Communiceerenden met eene Lepel door den Hoofddiaken word aangedient. Welke Lepel men daarom in de Vergulde Kop ziet ftaan. Zy geven dit Brood en Wyn aan den Eerftgcdoopten Kinderen, zoo ras, als zy Gedoopt zyn* welke Doop in een prachtig Steene Watervat gefchied, maar de Ge- vader moet Borg ftellen voor de opvoeding van dat Kind in haar Geloof. Deze Patriarch kan mede dragen, of wel den Godsdienft op eenediergelykc manier voorgeftelt, kan by hen hebben de verbeeldingen vz&Eutyches, van wien zy meeft Navolgers en Voorftanders zyn* Men ziet hem zonder Mif- faal ox Brevier , vry van allerleyfnftellingen, van H. Dagen, buyten Paa- fchen, Pinxteren, en Kersmis. Zy gebruyken Kruyflen, en zelfskoftelyke, maar geen Chriftus Beeld daar op gehecht. Te Carramit alieen ziet men haarlieder Hoofdvaan, zynde St. Georgius y dien zyalle voor eenen Lands- heylig houden, en van den welken door eene zeldzame Konftenary van Ge- zichtkunde, op meer als eene plaats, de Figuur en geftalte, tegen de Muu- ren in de Kerk getoont word;, namentlyk door die manier, door welke wy de Later na M^if^(deToverlantarens) gebruyken by den Avond, en door die van een Camera Obfcura (een duyftere Kamer) by den Dag: door de Gemeente voor eene Goddelyke verfchyning geeert. v><. Paap Jans Geloof-, of de Godsdienft der Abyflynen, is wcl van
veele Seften; maar de Hoofdkerk word verbeeld door eenen Abuma, of Voorhoofd des Volks,die gedekt is door eene Puntmuts van GoudePlaten, eyndigende in een Kruys, meteenzwart-vaalAangezicht, en eenAbyflynfch zwart Kruys, als eene BhTchoppelyke Herdersftaf eyndigende , met Goud beflagen, aan eene langc ftok, als eene Lans, omzet met drie Papen, naar hunne wyze sefchooren. De drie roode Kruyflen zyn met platte roode ron- den boven elk voorzien. Deze Papen zyn *er oneyndig veele, om dat ze vry van Schattingen zyn, maar hebben anders Kerk-nog Preekgelden, nog: Tienden, maar winnen met werken de koft -t waarom men de Hand ziet eene Ryszikkel houden, met de Schoven op de grand, door zynen arbeyd gekomen.. Zy zyn zamen in een rond Waterbad ftaande, om dat ze alle Jaren in de eene of andere Waterkom van 2. tot 6. Voet diep hunne Doop vernieuwen. De Abuma heeft aan zyne Rechterhand zyne Trouwring, om dat aldaar gene Geeftelyken mogen ongetrouwt zyn. Zyn Bovenkleed is van wit fyn T>imith of Catoengemaakt, als de Cardinaal-mantelkens, met knopen. Een groot Dwerskruys houden zy op hunne Klederen vaft genaayt, ter geheugen van eenen Negus of Oppervorft Jedji> die in de eerfte aanne- ming van't Chriftendom aan zulken Kruys is gemartelt. Voorts draagt hy het Boek, in het welk de verboden Beeften^ vogelen en Viflchen zyn op- getekent, en de tyden, op welke zulks wederom, toegelaten is, van voren |
||||
Van de Afgescheuude Kerken. XLV. Hoofdstuk. tft
hansen- hebbendc voorts vecl met den Joden gemecn, gelyk ze ook daar
bevde de Kunnen Befnyden* naar de maniercn der Oude Ethiopen oiAra- biers van Ifma'el herkomftig. Waarom de Abuma een Staale Lancet in de Hand heeft, daar aan dragende een vierkant Tafereel der drie Konin- een • op welken dag zy zeggen, dat Chriftus door Joannes in de Jorxiaan zoude Gedoopt zyn. Zy en verwerpen niemand uyt hunne Gemeenfchap, noe dienvolgens uyt den Hemel , als Moordenaars. Waar toe de Abuma deGoude Hemelfleutel op zyne zyde draagt. Dog om de uytzondering te vertoonen hangt die Sleutel boven een Gezabelt Doodshoofd, aan zyne zy- de te zien.Haar H. Avondmaal word by Avond bedient met Brood, als der Toden, Ongeheveld, en de Diaken deelt de vierkante ftukskens, met eene Lepel vol Wyn, uyt de Beeker aan den H. Difchgenoten om. Op datTa- felkleed zyn gefchildert de Beelden van eDiofcurusi Nicodemusy Jacobus en diergelyke Eutychianen, waar van zy 't gevoelen meeft navolgen. De Papen moeteneerft Monniken zyn, naaft aan St. Antonis-kked eene Kap dragende, moetende voor hunne Borft, tot boven de Knien, dragen eene breede zoomboord, waar op de onreyne Beeften en Vogels ftaan, die aan hen ten eenemaal zyn verboden. Zulke verbeelding ziet men aan de eene ter Linkerhand ftaande. Op alle hunne Kruyflen ziet men de platte rondte voorgemeld, die zy daar op moeten dragen, als het Wapen van deni\T^«x oFOppcrften Keyzer en Heer, die dit donkere rond met een diep gat in 'c midden heeft van de Oudheyd der Egyptifche Beeldfpraken-, een bewyszyn- de van de Godheyd, die zonder eynde, en ondoorgrondelyk is, door'tgat in 't middel verbeeldi dewyl alle de Geeftelyke Ampten vandien Keyzer af- hangen, uytgezondert het Oppcrfte Ampt of Patriarchaat van den Abuma, die altyd (zoo men hier ziet) drie zulke Kruyflen rondom hem laat dragen, maar het Wapen van den Negus niet op zyn Kruys en wii dulden. Het Vormflel, Heylig Olyzel of andere Sacramenten by hen zynde verworpen, zoo is die verwerping hier verbeeld door eene H. Oliedoos, tegen de grond geworpen. U. De Maronytische Secte of Godsdienft, is verbeeld door eenen
Overpriefter en zyne Vrouw; om dat by hen alle Kerkelyke Ampten door de Vrouwen, zoo wel over de Vrouwen, als door de Mans over de Man- nen worden bedient. Hunlieder Naam en Klecding volgt na den H. Maron. Zy onthouden zig op de Bergen van Libanon} en eenige van hunlieder Zen- delingen in de naafte Steden, Smirna, Aleppo, Tripoli di Soria, en ook op Cyprus. Die Overpriefter draagt altyd den naam van Tetrusy en wil den naam van Tatriarch van Antiochie dragen. Dikmaals waszy aandeRoom- fche Kerk gehecht, maar t' elkens weder verkomen, en tot naar oud gevoe- len weder gekeert. Zy bedienen 't H. Avondmaal onder twee gedaanten, Tan Broodkoeken en Wyn, met kleyne kopjens omgedeelt, wclke men de- Tt 2 zen
|
||||
231 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
zen Tetrus ziet in zyne Handen houden. Zy Kruyflen zig zelven zeer dik-
roaals *s daags, maar altyd met de Armen over malkander, gelyk men den Paap hier ziet verbeeld. Zy zyn armelyk gekleed, en blootsvoets. De Vrou- wen Doopen, Wyen,en Leeren mede* warom men deze Priefterin ziet met de Biflchops Herderftaf* de Doopfchelp, en de Wykwifpel in hare Handen. Hare Kinderen, van acht Jaar af, komen tot het Diakonaaten bedienende Tafel met Brood en Wyn. Zy zyn Monotheliten^ ontkennende (als de meefte Grieken) een dubbele Wil,en twee verfcheyde. werkingen daar van in Chriftus-, loochenende voorts, dat de H. Geeft van den Zoone Gods uyt- gaat. Zy geloven ook, dat alle de Zielen gelyk zyn gefehapen voor hare Lichamen, voor het begin der Wereld. Waarom alhier dat Geloofspunt is uytgebeeld door eene ronde Bol, vol Hoofdj.es met kleine Gevleugelde On- derlyfjes rondom de Bol des Aardkloots, die men in \ midden van'tgroote Rond ziet. De gantfche Chriftenheyd van Azie is meeft Neftoriaanfch, Monothelith of Eutychiaanfch *y het welk meeft door Cofrq'es;, den Koning der Perzen, is uytgevoert, deze Scheuringen de Hand boven 't Hoofdhoti- dende, ora zig te wreeken over den Roomfchen Stoel, en de Keyzers, die te Konftantinopolen het Hof hidden a. en ved met Roomfchen overeenftem- den* JlL. Ik hebonder myne Handen eene nageteekende Capel der Ethiopiers,
(die, als gezegt is, zeer. veele verfcheide zoorten vanChriftenenuytleveren} welke op eene Communic-Tafel, daar eengrootKruys met veele andere by Kruyflfen in zyne hoeken geciert, op gewerkt ftaat, laat zien eene Genade Korf, waar op ftaan twee Koppen. De eene met een Taksken, Verguld, en alsbloeyende, enVruchten dragende van Granaten, fchynt te zyn de Hieroglyphe of het H. Merkteken van het Gezegende Brood , in de Ge- meenfchap van hunne Geloofsgenoten uytgedeelt, met Vruehten van Broe- derlyke eenigheyd. Maar aan de andere zyde eene Kop van de H. Wyny en daar uyt een Taksken met veele Heybladen druypende. Uyt welk blykt, dat zy die gemeenfchap hebben om door Chriftus Bloed gezuyvert te worden, en daar door befproeyt, te konnen wederftaan, javerjagen, de booze Gee- ften, met welker vreeze zy alle behebt zyn. Uyt het midden van deze Ge- nade-korf gaat een Kruys op,in welkers midden eene Ronde Godheyd, in *t midden doorboord, is vaft gehecht. Twee Ethiopifche Priefters leggen op eene Knie gereed, om de bediening van Brood en Wyn van die Genade- Tafel te ontfangen, en uyt te deelen. Dit Capelletje is gedekt aan devoor- en achtergevd met eene Granaat Appel, om de byeenkomft van de Gemeen- te aan te wyzen* en ftaan alle op vier of meerder Pilaren, van Palmen en Dadelboomen, om de Vreede enVruchtbaarheyd van dieKerke endewerk- Zaamheyd ten goede te vertonen. Tot alle deze Kerken hebben zy houtc geleende Trappen, om 'er in tc klimmen, op de H, JDagen, en op der Jo- den
|
||||||
Van de Afgescheurde Kerken. XLV. Hoofdstuk. 333
den Sabbath, dien zy zoo wel, als den Zondag vieren. Wanneer de Dien-
ften daar in worden gedaan, lege alle de reft der menichte daar buy ten om, op haar Aangezicht. r. De groote Kerken der Chriftenen zyn door de Turken en Mahome-
tanen meeft verwoeft* gelykze hier zodanig in *t verfchiet getekent zyn j eerft door de onderlinge Partyfchappen hare machten tegen een flytende, en daar na kraeteloos blyvende tegen den overval der Mufulmannen, Sara- eenen, en Turken. |
|||||||||
Tt 3
|
|||||||||
ZES
|
|||||||||
,
^
|
|||||||||
Van de Mahomethaansche Beginsselen. XLVI. F£$]5
|
|||||
ZES EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Mahomethaanfche Beginjfelen.
OM *t oogwit van *t Roomfche Oppermeefterfchap voorr re zettcn, in
't onderdrukken dcr Alexandryiuche, Antiocheenfche en Conftanti- tinopolitaanfche Patriarchen of Primaten, diende fterk de Mahometaanfche Kettery. Deze is van Muhamed, of ^Defiderius, de begeerde, by een ge- flanft. Die Hoofdketter was een Kameeldryver voor zekere Koopmans We- duwe, dikmaals van Mekka naa Babylon en andere Steeden reyzende, arg, en loos, met vallende-ziekte geplaagt, maar niet te min onvermoeyt, ftout, onbefchaamt, diep-denkend, en vry wild van Herflenen. Nadedood vanzy- nen Heer getrouwt aan die Weduwe, was hy vry machtig van Geld, wierd; cerft bekent onder des Keyzers Heraclius Regeering A°. 622. Deze, de rechteen welverdiende geeifel der Onchriftelyke Chriftenen, vond den Gods- dienft en kennis tot oneyndige fnipperingen toe verdeeld, en zigzelven onder de Koreyfchitifche Arabiers, een woeft, ongeleerden ongepolyft Volk, ee~ nigzins nog lfmaeliten , maar met zoo veele Heydenfche en Chriftenen dwalingen vermengelt, dat ieder groot Rot, (want zy leefden, gelyk nil nog eenigzins, by Rotten of Stamrnen) aanbad en eerde naar zyne drift, 't geen hem *t nutfte en gemakkelykfte £cheen. -A. Deze Godsdienft, getekent fier, wreed en op zyn Zoldaats, met ee-
ne groene Tulband op het Hoofd, waar op men ziet het oude Wapen der Arabieren, eene gehoornde Maan* welke 00k 'Diana, Opts, Ifis en dier- gelyke betekenende namen eygen is geweeft. Men ziet de Maan 00k op zyne Tulband, en de Zon boven Venus Steen op yt Schild van den Sarazyn > om dat by denSarazynen, gelyk by Muhamet,de Zon geboden is te eeren, als hy opgaat, en de Maan op hare eerfte verfchynen. Zyne gantfche Kleeding is 00k groen, welke verwe alleen Muhamets Nakomelingen mogen dragen. T geweld van Wapenen heeft die Leering voortgezet, waarom zy den Za~ bel voert, tegen het Geloof der Chriftenen, tot die ondergebracntzynder onder het geweld der Mahometanen, een zwarey verachte en diere Vry* heyd genieten. De Kop is gefchooren en kaal, maar Handen en Aange- zicht ichoon gewailchen, om de veelvoudige waflchingen, door hem voor- cefchreven. Het Kleed is gevoert met eene Tygershuyd -> om datze Bloed- ftorting in alle voorvallen voor hare grootmaking altyd gereed heeft. Hy heeft: in de Linkerhand een uytgerukte Wyngaard, om dat den Mahometa- nen niets fcherper als Wyn drinken verboden is* en het Steene Mes, om Kinderen te belnyden in naar achtfte Jaar r welk Mes als eene Schaar in tweerv
|
|||||
....... Ti-.r;, _ _
|
|||||||
%$6 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
tween voor open gaat. Het Kind worden de Handen gebonden, en na de
Befnydenis los gemaakt, en moet dan zeggen: "Daar is yen God, en Mu- hamet z,yn Vropheet. Maar in den Arm heeft hy eene naakte en dartelc Vrouw, waar van hy 't overvloedig genot hier toelaat, en daar na in zyn Paradys oneyndig belooft. Zy heeft Klapbeentjes of Kaftanjetten in de Hand, danfiende, huppelende en zingende •, want by de veelheyd van zoo fchoone Vrouwen, zullen ook Muzyk, Speeltuyg, Vruchten, Paleyzen, en alle weelden, als lichamentlyk, vereeuwigt blyven. In zyne Borft is het Boek Mufaph, met flaaffche dienft en eere onder hen gebruykt en aangebe- den. De Klok by hem verboden, legt onder de verwoefte Chriften Muur- brokken zonder Kleepel. •D* Eene Zarazynfche, half Neftoriaanfche en Heydenfche Afgodiftery
treedt hem voor, die onder de Califs in ioo. Jaar 't meefte Azie overman- de. Deze heeft een Tartarifche Stormhoed op, met eene Paardeftaart daar af vliegende, om dat zy, van dien hoek herkomftig, die Kleeding en Wa- pens droeg, alom de Chriften Hoofden op zyne Piek plantende, en over de rermoorde Geeftelykheyds Lyken trappelende, die by duyzenden omkwa- men. Zyne Schild vertoont zyne oude Afgodery * de ronde Steen van Frio of Venus, en een ronde Bol van de Zon. Deze Hep maar door de grootfte Landfchappen van Azie, om dezelve te overwinnen * drong door in Spanjen en verder , dog wierd weer fchielykdoor den Turken, die Muhameds dwe- peryen aannamen, ondergebracht. Zoo dat dit Volk, het welk eerft diende voor Heraclius tegen den Perzen, in 9t kort zelf ieder te zwaar viel. De Oom van Muhameds Vrouw, Bubequar^ en zyne Z wagers, Ofman en O- tnar, namen na zyne Dood, elk eenen Opperpriefter of Eubocar,en Veld- heerfchap over een deel van zyne overwonne volkeren aan* na dat hydoor den zynen na vcele elenden, vluchten, ballingfchappen enneerlagen,erkent was voor Gods Afgezant, Priefter, en die Troofter ofGeeft, die belooft wasj en geftorven te Med'tnath al Nabi, dat is, de Stad van den Profeet, dus naar hem genaamt^ alwaar hy onder zyn Ziekbed-kamer begraven legt, en met groote aandacht door alle Pelgrims, by Karavanen] bezogt word. Zyne overblyfzels van Kle£ren, Wapentuyg, Boeken, en anders zyn by den Mahometanen, 't zy in Indien, Arabien, Afrika en elders voor Goddelyk bewaart, geeert. Zoo zietmen buyten Mecca in Arabie witte Rietbladeren van zyn Handboeksken^ te Gaul niet ver van Bengale, eene Steen inde grootfte waarde eehouden, waar in men twee Voetplantenzietgedrukt, zyn- de zyne laatfte Voetftappen, eer hy naar den Hemel wierd opgehaalt-, ook de Zweep van zyn Kemeldryven in Mecca, die aan de Kopere Gordel hangt, van die wreede Godsdienft, die gene Barmhertigheyd jegens Vyan- den gebied te gebruyken. Zyn Schoonzoon Halj, aan wien de tweeDoch- 4. . ters
-
|
|||||||
— -
|
|||||||
Vande Mahomethaansche Beginsselen. XLVI. H. fft
ters van Muhamed zyn naargelaten, nevens zyn Cor an > of A/ Cor an > word
verbeeld door t*« Den Perziaanschen Godsdienst. Deze is verwyft, met ecnc
groene Tulband en purpere Myter daar in, gelyk de Muftad ^Dini^ der Perzianen Mufti, gekleedgaat* die ook het Geeftelyke alleen regeert, zon- der dat zig de Sophi, of Keyzer daar in fteekt. Deze fchryft geftadig nieu- we uy tleggingen op den Alkoran,die, wylze voor Goddelyk gehouden word, aan \ Oor van dien Godsdienft eene Duyf heeft getoont, van eenigen zoo gelooft, dat deze, gewoon onder den Tulband van Muhamet aas te vin- den, geftadig aan zyn Oor vloog, om hem den Wille Gods te verkondi- gen. Maar van alle Eeuwen heeft men de Duyven in Babel, Paleftina, en elders voor Gode-Vogels ja Goddelyke gehouden 5 en is daarom zulks wat ruymer verciert. Hy heeft een rond Zonnekleed om de Linker Arm , met welk men hem driemaal daags ziet Bidden > waar tegen den Turken ditvyf- maal geboden word. De verfchillen van hunne Godsdienften vermenigyul- digen dagelykfch, en zyn nu meer als 80. onderfcheyden bekent D. Achter dezen zietmen het Mengelmoes van het Turkfch of Muha-
medaafch Geloof, alwaar Jan van Antiochi'e', een Aniaan, Sergius de Munnik, een Neftoriaan^ Bairo> een Jacobit, nevens Thineas en Ab~ dias Joden, de Metgezellen van Muhamed,by malkander zitten, om dien rook van Muhameds gedachten te veften, te fchaven, en zodanig te kleyn- zen, dat 'er eene rommelzoo uyt elk Heydenfch, Joodfch en Chriftenfch gevoelen in een vloeyde-, maar overal opgevult met weelde naar de Wereld, zoo dat deze Godsdienft (of zy fchoon Chriftus niet verlochent} eerder Ret- tery, van Mariicheen en Nejlorianen, met alle gevoelige en vleefchelyke vermaken, die de Hoofdketter in 't Paradys belooft, eerder de Menfcnen kan trekken als de ware Chriftelyke, die Geeftelyk zynde, Geeftelykbe- grepen moet worden, en minder op Vleefch en Bloed kan werken. Zy zit- ten, om dien Coran zamen te ftellen, aan de Voet van eene Naaldzuyl, waar van het bovenfte deel is vertoont door eene Arabifche Slang, die met Vleugels als een Koning der Slangen of Bafiliskvoorzien, zig over het Kruys* Chriftus Leer eygen., verheft, en de Tafelen van Moz.es, de Joodfchc Leer, verdrukt* met zulk fchielyk een geweld, dat die Kettery eer gevlo- gen, als gevochten fchynt te hebben. De Rhinoceros, het gedugtfte en grimmigfte Dier van Azie, volgt daar onder, om de macht en kracht van die Gruwel-leer te doen zien-, van welk Dier de H. Letteren fpreeken, als van een ontembaar , en geweldig Beeft, aan alle kanten op zyne Huyd ge- wapent, tegen wien de Chriften Wereld wel mag bidden : Bewaaar ons9 O God! Wiens fterkte zig kan vergelyken met het Dier, het welk den Hoorn op de Neus draagtj die den Oliphant van Indofian ,het Paard van Terzie^ Vv de
|
|||||||
*
|
|||||||
..... .
|
|||||||
3$ De Hieroglyphen of Merkbeelden,
de Hyrcanifche Tyger, en de Afrikaanfche Lceuw te fterk is, Hier onder
volgt een Chameleon, welk Marokkynfch Dier allerley verwen deromftaan- de voorwerpen in zyne waterige Huyd aanneemt, gelyk Muhamed in zyne Leer heeft gedaan, wanneer zoo een Neftoriaan ^Jacobyt en Jood (die men ajs een Cerberus met drie Koppen ook wel kan verbeelden) zaten, om voor dezen Helfchen Propheet zyne Leer te fmeeden. Hier na volgt een Aap y het Beeld der Befnydeniflej wyl dit Dier zonder Voorhuyd gelooft word te zyn, zig zelven zeer behaagt, en zelfs op Vrouwen zeer verhit \s-y ook onx zyne onbefchaamde boosheyd, die in zulken Ketter te verwonderen is, dat hy knecht, en fchoft, ongelettert en met Vallende-ziekte geplaagt, zig voor Gods Gezant op derfde werpen, zyne Vallende-ziekte (als nog gelyk Dol- heyd en diergelyke vervoerde kwalen, by den Turken geacht voor Hemel- fche verrukking) voor onderhoud met Engelcn* en zamenfpraak met God uytgeven. Hier by ftaat eene Katy een Beeft den Tyger en Luypaard ge- lyk, zelf zonder veel hert, maar op roof en fnoepea, Muyzen en Rotten vaardig, zeer geyl, en de Oogen tintelende, maar grooter en kleynder na *t waflen en afgaan der Maan*. die gezegt word, volgens de Maan hare Jon- gen te werpen, eerft een, dan twee, voorts tot zeven toe, dragende alzoo in haar leven 28. Katten^ gelyk de Maan dagen. Het piflen en afgaan der Katten, die zulks met zorgvuldigheyt dekken^ gelyk den Joden buytcn 't Leger was geboden, en de Mahometanen doen. Voorts is Jer eene mol by, om dat gene Godsdienft meer blind is in de kenniffe der Goddelyke Waar- heyd, en Geeftelyke zaken als dezen, Het laatfte is een Kamee/, een Dier fbber in koft en drank, befcheyden en niet ontrouw* gelyk men zeker van den Turken ook niet anders kan zeggen > woord houdende beter als de Chriftenen, arbeydzaam ennaarftig,den Landeneygen, waar deze Ketterye begonncn en voortgekweekt is. Van dit Dier maakt Muhamed byzonder veele gclykenifien in zyne Schriften, die zoo weynig onvervalfcht tot onsge- komen zyn, dat ik van zyne eyge meeningen niet geloof iets zekers te kon- ncn nazeggen. Die Ketter leerde dan, dat Chriftus was 9t Woord Gods, en zyn Geeft, maar gefchapen 5 een Dienaar Gods, van Maria geboren door 't inkomen van *t Woord en den Geeft ih Maria , die Chriftus hadde geteelt> als een Propheet Gods > van den Joden in fchaduw ge- kruyft, niet geftorven, maar van God bemind, en ten Hemel gehaalt. Zy duldcn gene Twiftredeneering over den Cor an of Vhilofophie , als der Zeeden Konften^ ftellende, dat een ieder, die wel leeft, in alle Gods- dienften kan Zalig worden. Voorts dat de Godlozen maar eene tyd langhier na zullen lyden. Zoo makenze den Vroomen geruft , en trekken den Godlozen, die nergens zoo weynig gedreygt worden. Gehoorzaamheyd aan Overheyd, Ouders en Meefters leeren zy ernftig, zynde minder als wy , fnapziek en flempende. Zy ftellen vaft ieders laatfte tyd , de ma- nzeren en middelen onvermydelyk> ma* na de veelheyd der Wondenin ha-
|
|||||
1
|
|||||
-
|
|||||||||
Van de Mahomet^aansche Beginsselen.XLVI.H. $39
hare Oorlogen de Gelukzaligheyd der Zielen in weelde. Zy leggeri al-
les aan, om anderen tot hunnen Godsdienft tc dwingen, of te lokken > Slaven zynde, maar gunnen den Chriftenen, on der hen handelende, al- le vryheyd , behalven in hunne Mofquees , of Tempelen te gaan , of van hun Wetboek en Godfdienft te redenkavelen ; Want wic Griek, of anders gezint, in hare Kerk komt, of eene Turkin beilaapt, moet of hunne Leer aannecmen, of fterven. Elf hondcrd Jaar heeff deze Kette- rye nict alleen geftaan, maar loopt nog dagclyks fterk voort in de In- dien $ wint 00k (hoewel die Macht by onze Leevenstyd gefnuykt is) in Europa veele Plaatzen , dewyl de Afgezonderden van de Roomfche , *t zy Hervormde, 't zy Griekfche, gemakkelyker en vryer onder den Ma- hometanen, als onder den Roomfchen meenen te leven. Tegen dit ge- weld was Heraclius te onzorgvuldig, die der Sarazynen voortgang had konnen ftuyten, en den overmoed des Roomfchen Stoels matigen > welke dit kwaad eerft met gocde Oogen aanzag , terwyl het bckroop, of lie- ver overftroomde zyne Tegenftreevers $ maar overgeftooken in Spanjc met hare Vloten, en door de Genuee&en geholpen, over de cPropontis , en te Water en te Land verfchrikkelyk geworden zynde, deed het dc zelve Stoel omzien 5 die daarom hier tegen de H. Tochten uytvond > welke wegens het Teeken van het Kruys, Kruysvaarten wierden ge- naamt * en van welke wy hier na eenige der voornaamfte Ridderfchap- pen zullen verbeelden. W aarlyk eene zeer heerfchkundige Vond, en zeer nut voor *t Oppermeeftcrfchap van *t Geeftelyk Hoofd in de Roomfche Kerk. Eenige Tochten zyn wel vroeg by Kapers en Partylopers, als hal- ve Pelgrims, ondernomen* maar eerft recht aangegaan omtrent 400. Ja- ren na Muhameds opkomft. Deze wierden geaoopt met de voortreffe- lykfte naam van het H. Krygsvolk , en hunne Tochten wierden de H. Kryg genaamt. Zy wierden ingewyd met veele Plechtigheden, op die heerlyke naam , en men beloofde aan hen vollen Aflaat, of deed hen dit onderneemen 5 als eene boete wegens zekere begane Zonden of On- gehoorzaamheyd •, niet zoo zeer tegen de Kerk , als wel tegen de Ker- kelyken. Van deze Tochten matigde zig dan de Paus de macht en fchik- king aan, en nam de Geheyligden en Ingewyden onder zyne Befchcr- ming 5 zoo dat niemand zulken , die om die H. Redenen van Huys ge- trokken waren, om Schuld, Mifdaden, of Pleydoyen in hunne Rechten of Goederen kon ontruften. Waar uyt volede, dat de kracht het ver- zoeken en toevoegen der Aflatcn , Vryheden , Vryhoudingen, Lofma- kingen van Rechteren en Rechtbanken, eens zoo fterk indrong. Daar toe had 00k de Paus zyne Afgezanten aan de Vorften gezonden , om de Aalmoeflen ten H. Oorlog gefchikt, door laatfte willen gemaakt, en het vergaderde Geld tot de Oorlogskoften te- innen , meer ten voordeel van den Paus> als der Ingewyden tot de Kruystochten, die te mets 00k Vv 2 Vor-
|
|||||||||
1
|
|||||||||
____ . Ji—■
|
|||||||||
J4-0 De Hieroglypren of Merkbeeldek.
Vorftcn zelfs dwongen naar 't Beloofdc Land, en daar na, als de Tocfv-
ten meeft met fchade, ja fchande afliepen, en *t Beloofde Land en Voor- Eylanden, door Mahumedanen waren gedwongen, als dan tegen Kettersy Stadingers , Pruyflen, Ruflen en anderen gevoerc wierden > van welker. geplunderde goederen deze Afgezanten van den Paus ook de verdeeling aan hen zelven namen , en den Paus meefter maakten. Van zulke Rid- ders zyn de cerfte gewecft , die van St. Jan den Dooper , die van den Caliph van Egypte de vryheyd verkregenoni voor de H. Maagd een Kloo* fter tc bouwen -, na dezen kwamen de Hofpttaalhouders , die metter tyd Wapens droegen , na dat Godefroy de Bouillon Jeruzalem we£r gewon- nen had , en zy machtig geworden waren, om de Pellegrinis te belcher-- men. &• Men ziet hier ccn algemeen Beeld voor de Kruysvaart- Ridders^
aklus vertoont: Een dapper Oorlogsman klimc uyt de Voorfteeven van zyn? Overtocht-Schip , op de Muurbrokken van St. Jan de Acra , Joppe of ^Damiate , en tracht zyne Oorlogs-Standaard te planten op de Muuren der Ongeloovigen. In dit Vaantje zietmen 't Kruys van Rhodus •> na^ derhand dat van Malta geworden. Zyn Schild houd, als een recht Schema Schild des Geloofs, eenen Gekruylten Chriftus , wiens Geboorte-plaats, Lyd-en Graf-ftede hy innemen of befchermen moet. Binnenin het Schild houd zyne Hand een Jeruzalem ,. het Merk der Pelgrims naar 't H. Land, en aan zyne Rechterhand zietmen ingebrand het Jeruzalems Kruys van *t H. Graf, 9t geen die Braven gewoonlyk , nevens veele Wonden, en gebrooke Lichamen t'huys brachten. Zyn Hoofd is in eene yzere Huyf, of Cafquet geflctenj gelyk dc verandering van tyd,\de nood der Oorlogen cegen den Zabelflag geleert had ; gelyk men ook\ op den Muhametaan ziet de Yzere Armlap, zedert gevoert. Het Yzer, waar in deLans.vaft lag te Paarde gevoert, toont zyne dienft te Paard, en Ridderichap, ge- lyk mede zyn gantfeh Harnas en Spooren. Hy heeft van vooren het Kruys van de Ridder-order van D.uytfehland, van Lubekkers, en Bremer Schip- pers, in de Hofpitalen , en Pelgrims begonnen , en tot zoo heerlyken Planfch en, geducht getal uytgegroeyt. Zyn Cafquet is met fyne Leere
luymen gedekt. Deze Lichamen zoo zwaar gewapent en gedekt zyn- de , hebben de Voet gegeven tot de Wapenen desEdeldoms, die elk op zyn Schild moeft doen praalen, am in zyne Heldendaden bekent te wor- den. Hy treed op de betwifte Muuren. Op het Gallioen ftaat de Duyt-> fche Adelaar y onder zyne Klaauwen.de. Afrikaanfche Slang houdende. r« Voor aan de Buyk-delling ziet men eene Zage, uytgevonden door
4e dappere Haarlemmers>. in 9t overweldigen van Damiaten gebruykt, waac me-
|
||||
Vande MahomethaanscheBeginsselen. XLVT.H. 341
mede zy de Keetens van die Haven aan ftukken zeylden, (hoewel eeni-
gen dit nydiglyk trachten te verwerpen) en hun Wapen voor loon de- zer Manhaftigheyd kreegen. Ook is dit door de Hollanders naderhand in Chat tarns en Vigos Havens eveneens uytgevoert,cn daarom tegemafc- kelyker te gelooven, |
|||||||
Vv 3
|
|||||||
r~j *-*
|
|||||||
■ ■ ■■
|
||||||||||
* . .
|
||||||||||
Van de MahomethaanscheGodsdienst. XLVIL H. j^j
|
|||||||
-----------------------——^
|
|||||||
ZEVEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Mahomethaanfche Godsdienfl.
; -
- TP\Eze kan men Beeldfprakelyk vertoonen , gelyk andere Gods-
A* JL^ dienften, uyt de byzonderheden, door welke die Godsdienfl van de andere word onderfcheyden. Wyl dezelve tegenwoordig haar Hoofd- Tempel van St. Sophiazedert het Jaar \^%xotStamboloiC&nftantinopolen heeft, is zy naar dat Gewaad f wat verfchillende tuflchen *t Griekfche en Natoli- fche, toegeruft. Op haar Hoofd zietmen eene'Maan, welkerminfte deel als van de Zon verlicht is. De Maan van ouds by Babyloniers, Syriers en Egypte- naars, door veele Namen Goddelyk geeerd, heeft Mahomet tot ;dit teeken mogelyk aangenomen, om te behaagelyker die drie Vblkeren, en ookdeA- rabiers voor te komen 5 onder dewelke de Maandienft als van Overoud, nog vry Overgelooviger word gevierty en nog zyn daar (naar Berkmans onder- richt, die aan de Zeekuften van Bazora af tot in de Schelfzee of \ Roode- meyr, veel heeft konnen aanteekeneny) veele Steenen, waar op deHoofden en Lichamen uytgefchrapt, maar de Manen met de uyterfle zorg bewaart zyn. In Syrie onder de Overblyfzels van Palmyra , heeft men behalven de Opfchriften van de Maan, als eene Mannelyke Godheydy ook ftukken vanBeelden, hoewel gefehonden, ontdekt, die de Maan op 't Hoofd, in de Hand, of op eene Staf hadden* maar byzonderlyk de Opfchriften van Griekfche Letteren, by een Beeld, het welk de Maandraagt op zyneSchou- deren, Jarich Boel, in half Hebreeufche, half Syrifche Taal, J ARI BO- LUS van den Grieken nagevolgt en onderrekent. Deze word by de oude Latynen 'Deus Lunus genaamt. By de Arabiers de beruchce God Hacharr die Mahometh zelfs moeft dulden. Ook roept men in Conftantinopeleh op de Minarets, of Torens, Alia He char. Hier uyt, en diergelyke ter Maan dienende overblyfzelen, ziet men Mahomets beleyd, die 't Merk der Maan daarom tot Hoofdbannier nam. De gantfche Wereld ftaat op haar Hoofd, wyl die Godsdienfl aan zyne Navolgers de winfl van al, wat onder de Maan is, toezegt. Het Aangezicht is ftout, hovaardig en dartel, met eene Afchverwige Sluyer om den Hals, gelyk zy in hare Treurdagen en Boetfeeften over Hoofden en Tulbanden daar mede zyn gedekt * ook om dat de Vrouwen fleets met eene Sluyer of Kleed bedekt gaan. Zy heeft in hare Rechterhand den Zabel, welke haar Wetgever in de plaats van Won- derteekenen heeft gebruykt.Want zy ftaan toe,dat Mozes,die n^Adam^cn Noachydic de gantfche Wereld in't Water des Doods heeft gereynigt, een groot Propheet was > dat hem de Mirakelen ter Hand gegeven wierden, om op zachter wyze, als Koachr de Menfchen te trekkeny dat zulks niet vol uyt gelukt
|
|||||||
.
|
|||||||
244 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
gclukt zynde, 'David met Dicht en Snarenfpel, Salomon met Heerlykheyd
de Wereld had getrokken 5 maar alles vruchteloos zynde, was Chriftus ge- zonden, om Boete en Neederigheyd te Prediken, en met zyn Voorbeeld dat te beveftigen. Het welk de Wereld ook niet verbeterende, zoo was eyndelyk Mahometti afgefchikt, om in haar Bloed uyt -te wiflchen de God- looshedenj en deze Propheet had daarom zyne Wonderen maar met het Zwaard te toonen, gelyk de Mufti, tweemaalj's Jaars Preekende, dat op zyne Stoel ter rechterzydc, en den Cor an ter linkerzyde nederlegt. Deze Sedte door eene Vrouw vertoont, heb ik om de weelde en dartelheyd der Turken konnen infchikken, nadien ze niet als welluft en vermaak belooftj anders zoude ik meenen, dat ze altyd Mannelyk behoort vcrbeeld te we- zen, om dat de Befhydenis, immers de Joodfche en de Turkfche, buy- ten de Vrouwelyke Kunne is, en niet als by den Mooren aan Vrouwen gebruykt word , met het affnyden van een deel der Nymfha. Ook om dat haar Eedzweering by den Baard, van haar Godsdienftig word gehou- den* en eyndelyk om dat de Voortplanting door 'tgeweld van hetZwaard, betcr den Mans als Vrouwen paft. Men ziet vyf ftreepen over den Boezem op denRok Geborduurt, van de vyf Hoofd-Artykelen , die een Turk zig dagelyks moet herinneren: i. Aile de Artykelen van het Mahometaanfch Geloof voor tc ftaan.
2. De Ramazan, of Vaften, van een Maandte houdea
3. De gedurige Waflchingen.
4. Op de Minarets te roepen, en ter Mosquec op zyn tyd te gaan.
f. De Zeket ontrent Aalmoeflen te vervullen, en (kan *t zyn) naar
Mecha te gaan, Onder den Arm houd zy twee Boeken, Koran het gefchreven, en Son-
nach het gefproken van Mahomet. Haar middelband is van Cor ash, het Geflacht der Arabieren, waar van zy is gefprooten. In de Linkerhand houd zy de Straf en 'c Loon na de Dood. Uyt de mond van den Overvloeds- hoorn ziet men haar Paradys, eene verbeelde plaats van alle Welluften, die Vleefchelyk naar die Landftreeken konnen bedacht worden, nevens het Zalig Gezicht van God. Alle verkoelende Vruchten en Confituren, Vyvers en Fonteynen, Kiosken of overdekte Berceau's van fchaduwend groen Zyn daar, welke Vruchten van de fchoonfte Jongens, in welke de verdoemdc drift der Aziaten verhit word , gedragen, en van jonge fchoone Maagden aangebeeden worden; want de Vrouwen ftellen zy buyten het Paradys % maar te gelyk plaatzen zy daar in ook veele Beeften, het Schaap van Abram^ het Kalf van Mazes, de Mier van Salomon, de Papegaay van de Konin- gin van Seba, d^ Ezcl van Efdras, de Walvis van Jonas, de Hond der Zeven Slapers , en de Hemel van Mahometh. Deze dingen ichynen ons gekker, als zy zyn , want men kan lichtelyk denken , dat zy deze Beeften by die Heyligen^als zoo veele Beeldfpraken laren diencn. Onder aan
|
||||||
Van de Mahomethaansche Godsdienst. XLVII.H. 345
aan eyndigtdc punt van denHoorn in hct onuytbluffchelyk Vuur,'t welk op
*t eyndigen der Wereld door cenen Engel zal uytgeftort worden , door welk alles zal vergaan, en daar na ook deze EngeL Dan zal God eenc Reegcn van Barmhertigheyd veercig dagen lang geven , door welke alles verkwikt, met een nieuw leeven jop zal ftaan , doende de Vroomen als Sterren blinken, maar de Bozen door den Engel Michael gewogen , en elk der Vromen tot zynen Propheet geleyd worden. Want zy gelooven dat men in elk Geloove kan Zalig worden, en dat men moet Geoordeelt zyn door Mozes, Men ziet haar vertreeden -D* HctHeidenfch Triejlerdom, welk een onder aan om verre geworpcn
nederlegt, zoo Gemytert, als dat meermaals in dit werk voorkomt, met de omvergeworpe tiempta Zajetb , Bel of ^Dagon $ of Griekfche en Romeynfche Goden , in den Arm. De Joodfche Opperpriefter houden- de de Tafelen der Wet Mozes in zyne Arm, is door zyn Hoofdcieraad wei te onderfcheyden. De Roomfche Godsdienft in Monnikskleeding. Zy treed met yzere zoolen deze drie op de Lichamen, en laat by haar Onderkleed zien, dat zy wrced is, en wraakgierig zonder maat, aan haar Tygers of Luypaards Huyd, waar van zy 5t Hert draagt. v> Achter haar ftaat een Wafchvat, het welk hare, zoo meenigvuldige
Reynigingen bewyft,dat alle Wetgevers in de warme Landen nevenshet Be- ihyden om de gezondheyd hebben ingevoert j uytgezondert de Chriftely- ke, die de Reyniging van de Ziel nodiger oordeelde. D. Men ziet achter haar den witten Ezel Alborac, gebonden aan eene
Rots, die van eenen Engel gevoert, en over Jerusalem na Mecqua te rug gekomen is , in weynig oogenblikken van eene Nacht den Hoofdbedrieger Mahomet had opgevoert, en te rug uyt zeven Hemelen: De eerfle van zuyver Zilver, de welke van Sterren, met Engelen bezet, was bezaayt, om *er de Duyvels uyt te houden, ontmoetende Adam, en een Haan , wiens Hoofd tot den tweeden Hemel doorftak: De twecde van Goud, met Roach: De derde van koftelyke Gefteentens, met de DoodrDe vierde met Joftph> den Zoon van Jacob) daar de Hemel was van Efmerauden: gelyk de vyfde was van Diamanten , met Mozes: de zefde van Karbonkelen met St. Joan den Dooper5 en eyndelyk de zevende Hemel, vol van eenHemels Licht, met onzen Hecre Jezus Chriftus> aan wien zig Mahomet aanbe- veeld, en van daar tot den Throon Gods. En langs alle de Trappen vond Mahomet alle de H. Voorvaders. li' By deze ziet men drie hoedanigheden , om te dienen voor Beeld-
fpraaken van dc Huychefory *, de eerfte vertoont door eenen van den "Der- Xx vis 9
|
||||
34# E>E HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
vis, de Gecftelyken, die met breedrandige Hoeden met Bellekens gedekt
in cenige Caravanen gaan, en in Natolien of Turkeftan, veel hier en elders in Hutten of aan de Mosquees woonen. Deze zien by na aandagtig in ha- re Handen, op welkers Leeden zy verdeelt hebben gebeeden tot God en Mahometh, zoo als wy doen in de Memoriekonft op de Handen. Bloot- voets bidden zy altyd, waarom men ook ziet, dat ze op de Hielen zitten> zynde naar de wyze van Azie de nedcrigfte ftand. De Schoenen en Muy- len ftaan ook altyd aan de Deuren der Mofquees. Deze zyn bekwameMeric- beelden voor de grillen der Prevelaars, die men onder de Pylaar-byters ont- moct. Het tweede zoort is tegen de vreemde gebaarden en Misbaarmakers, zynde een Iman of Prediker der Turken, die de Voorreden van den Alcoran > als een Gebed uyt fchreeuwt, zoo luyd als hy fchreeuwen kan; leggende beyde zyne vlakke Handen tegen zyn Hoofd aan, en heffcnde zyn Gezicht ten Hemel, douwt hy zyne Duymen in beyde zyn Ooren , en fchreeuwt zoo luydkeels de woorden van de Fat ha uyt, als 't hem doenlyk is. De derde zoort is de Beeldfpraak der hovaardige Vernederaars; want deze valt t'elkens plotzelyk voor over, met het Hoofd tegen de Aarde, dan murme- lende, dan fchreeuwende, nuzingende, dan zuchtende, maar noit harder, als wanneer hy 't in 't aanzien der Machtigen doet. £*• De Griekfche Kerk, nu van alle glans berooft, draagt een Wedu-
wen Kap, met het gewoone Hoofdcieraaa der Griekinnen in de ArchipeL Zy ziet ne£rflachtig na de Patriarchate Myter, die ze met fo. of 60000. Ryksdaalders van den Sultan moet kopen, waarom zy de voile Beurs voor den Vizier by de Patriarchs Muts in den Arm heeft. Zelfs dragende den Tytel Tanhagioftata, of Alderheyligfte, houd ze nog den ouden haat tegen den Paus, wiens Driekroonde Hoofdtrans zy verfchopt. Zy fleept over hare Kleederen een Caloyers of Monniken Mantel, fchraal in Gewaad. Met het Kruys dwers over den Boezem, heeft ze eene gebrade Vifch voor hare Koft in eene Schotel, zonder Olie of Wyn. Zy is Weduwe, om dat eenige ha- rer Priefteren, niet anderen, eens, maar niet meer mogen Trouwen. De zts Boeken van hare Dienft, of Breviarium , der Vaften, der Gebeeden y der Lofzangen, der Paafch-en Pinxterdienft, der MaandoefTeningen, Uur- gebeeden , en Plechtigheden in de Kerk. Deze Boeken kan ze zelve naau- welyks leezen , tot zulke domheyd is haar Priefterdom vervallwi. Men ziet op hare zyde eene lange imalle Plank, Sjman divion^ op welke zy fiaat, om hare Tochoorders by een te vergaderen, met eene Kleepel, die ze voor haar draagt. Zy haat fel de Roomfche Mis, welker Ciforiey zoo 9t op haar Altaar geweeft is,i by haar geacht word zoo kwaad,dat zy het gantfche Al- taar daarommoeten gaan waflihen, houdende het Ongedeeflemde Brood of Oblie voor een grouwel, en onreyn. Alle Witte Donderdagen word de Paus enl*uynfche Kerk van haar verbannen en gedoemt, en zy deelt, zelft aan |
|||||
■ ■■ '":.-.-
|
|||||
Van de Mahomethaansche Godsdienst. XLVII.H. 34.7
den Kinderen, Brood en Wyn van de H. Tafel toe. Zy vertreede op 't
Paafchfeeft eenige Doovekoolen, zoo als hier onder de eene Voet leggen, en zulks tot verfoeijing van het Vagevuur> gelyk ze de gewerktc of gehou- we Beelden niet en dult, en daarom cen gebroken naaft haar ftaat-, maar Schilderyen kan zy infehikken. Haar Almanak, die ze alle in den Borftrok dragen, begint van Chriftus Geboorte, ofdoodvan Alexander den Groo- ten, 310. voor Chriftus, en die der Turken 622. Mahomets Vlucht, of de Hegira na Chriftus. Van deze Griekfche Weduwe Kerk zyn oneyndig veele Scheuringen gefprooten, meeft door de hovaardy der groote Bifichop- pen, of die naa zulk een Ampr ftonden, en onder den Heydencn machtig waren door giften, anderen te bonzen en zig zelven in de Zeetel te zetten* gelyk nu nog in het Ampt van Patriarch gefchied* maar aldermeeft, om dat net Volk van jizie9 *PaleJHndy Thantcte^ Egypte en de Griekfche Eylan- den, te veel ingezult was door de Mannelyke Redenering der Heydenfche Philofophen, om zig te willen vernederen tot de overgaaf aan \ Geloof, door welk zy met den Eenvoudigen maar konden gelyk ftaan. Onder dit grootgetal, die Scheuringmakers of Ketters, of Verketterden zyn genaamt geweeft, die in die Eeuwen, gelyk in deze, met de Vryheyd van de nodi- ge waarheyd te zeggen, en de plicht der al teDertelende of Hoogmoedigen te toonen, dien kwadennaam wech droegen. Der zodaniger gedachtenis, hunlieder Verdienften , en Lot is by my hoog geacht, veel waardig, en 't ongelyk, dat ze geleden hebben,beklaagt,maarik moet hier omgoederede- nen ter neder ftellen de Merkbeelden van zulken Verketterden. G. Men ziet dan een Blinden met eene gryzc Baard, om daar doorzec-
kere Achtbaarheyd voor zyne vindingen en lagen te vergrooten. Blind is hy aan de Oogen van zyn Lichaam, om de Blindheyd van zyne Ziel en hare fedachten te toonen. Voor zyn Voorhoofd draagt hy een kooperen Hoorn.
let witte Dekkleed, met welke hy zyne zwarte vuyligheden dekt, is door de tyd afgefcheurt en verilentert. Men ziet aan de wyduytgefpreyde Paau- wenftaart de fchandelyke hovaardy, van deze Scheurzieke, die boven alien wil uytmunten. De nikkerige valfche Oogen van Argus brallcn daar in, en geven fchyn van vele doordringende klaarheyd. Maar als men toeziet, zyn 't Ve£ren van eene hovaardige Vogel, die niet veel weer bieden en kan, en zeer lelyk gaert Hy heeft in zyne Rechterhand het Beeld eener Duyve , welke hy rondom haar Hoofd met flikkcrende ftraaltjens heeft bezet > en doet zynen Aanhangers geloven, dat dit de H. Geeft is, van dewelken hy de inblazing en het aandryven heeft ontfangen. Zulk bedrog is van Maho- meth, van Cer<enus9 en, zoo men wil, van *David Jorijfen eertyds ge- pleegt, of daar op met geleerde, of met door konft gemaakteDuyven; want dat moet, hoe deKraam behandelt zal worden, voor af gaan, dat eenige knaphandigheyd, nieuwe vinding of vreemde Dieren, of Vogelen in het Xx % fpcl
|
||||
348 De Hteroglyphen of Merkbeelden.
fpel der Verleyders te pas komen -, gelyk men van Lnciaan ziet beveftigt,
met de welgeleerde Slang van den valfchen Apollo-y en onze Ooftindievaar- ders in Indie leeren van de Konftgreepen der Bezweerders > of in Weft-In- die van den Duyvel-aanbidders. In zyne Linkerhand heeft hy een fcherp Mes, met welkhy een Mantel of Rok in ftukken heeft gefneden, zoo als men in de bedreyging aan Rehabearn leeft van de Koningryken, welke van hem afgefcbeurt zouden worsen. Eene brandende Fakkel, waar mede hy het Vuur van Twift heeft geftookt, werpt hy van hem af, nu 't Land in voile Brand van Tweedragt is> want gene Vreede zoekende, maar vrcezen- de, wil hy echter geen naam minder lyden, als te zyn geweeft de Stooke- brand der zweevende en aangroeyende Verfchillen. Allerley geleegenthe- den vat hy by 't hayr, maar byzonder de kwade tyden, als de geeften der Menfchen ontroert zyn. ZulkTroebel water maaktzyne Vificherygoed.Zwaa- reNe£rlagen> duure Tyden, fchielyke Ovcrftroomingen, zyn deVoedzelen voor zyne wrevelziekte. Hy waayt met alle Winden. Als 'er maar Wind is,fpant hy zyne Zeylen uyt.Ook ziet men de Molen-wieken met hare As in zyn Bekkeneel draayen. Hy heeft een Bandelier van Momgreynzen om zyn Lyf hangen. Zachte, eele, verfchrikkelyke, fchoone, afgryzelyke Enge- len-en Duyvels Mombakkuflen draagt hy voor zyne onbefchaamde Berderen- kop. Zyn Kleed van buyten zoo wit, zoo zacht,zoo fyn, van Lammeren Wol en Dons in een gcweeven , is van binnen hardbarftig, vol Kennip- zeyldoek, en vuyleLappen. Maar hoe zorgvuldig hy 'er zig mede dekt, zyn naakte Gat word ondekt, en zyne onbefchaamde Schamelheyd blootten toon geftelt. Men ziet alleen nog aan zyne eene Dye een overfchot van ee- ne Zwitzerfche Broek paflen, de welke gantfch doorhakkelt, en van veeler- -ley rommelzoo van Verwcn zaamen geflanft is. Zyne Beenen zyn beyde llerk geweeft, maar nu laat hy maar het linker zien, dat gaaf is5 en ver- bergt het ftinkende Etterbeen, dat hy moet nafleepen. Aan zyne Zyde ziet men eene Staartfterremet hare dreygende nafleep, dieeertydszoo veelkwaad voorzeyde, en hem mede in zyne Winkel te pas komtj want Hemelsteeke- nen, Zon-en Maantaning, vliegend Vuur 3 ontfteeke vette Lichtjens, en al zulke Wonderkraam der Meteooren of Onderluchts ontftelteniflen, byzon- der Donder en Blixem, isjuyft dat den Verleyderen dient, die niets wen- fchen, dan onftelde Gemoederen, om daar op te werken. Ook beduyden by de H. Bladeren merendeels de vallende, of nu ne&rgevallenSterren, niets meerder als de Hoofden der Ketteryen en de Scheuringmakers, wyl zemeeft voor af al tot hooge glans opgevoert,en in voile luyfter aan 't blaauw Gewelf geplaatft zyn geweeft-, tintelende genoeg, konden zy vergenoegt worden. Zoo weet men 't vallen van Lucifer, de Morgenfter en andere, als 9t vallen der Sterren in de Puttcn. H. Men ziet de Vetley ding op de zelve barre Rotzfteen 5 want waar zul-
ke |
|||||||
k**U - . * ..■..-■,":■..■■ ■ .,.».', ■■^jtssi#*&i£:.,..>
|
|||||||
Vande MahomethaanscheGodsdienst. XLVII. H. 34.9
ke Boofwichten, als Scheurziekte, en Verleyding hareplaatzen hebben ge-
nomen, daar groeyt Lover nog Gras. Dit boos Wanichepzel heeft eene Gefchore Kruyn, en berderen Bakhuys, ftouc en onbefchaamt, gelyk ook onbefchoft. Zyn hardbarftig Weezen en pluymftrykende FlikflooyersOogen toonen den boozen aard van dien Guytzak. Zyne Tong heeft een Guide Keeten gehecht aan den armen Gek, dien hy zoekt te knappen. Zyne Man- tel is genomen van de Kapftok van Ignatius Lojola, waar van hy ook de Kraag draagt, met een final KwakersKraagjen om den Hals -y maar een groot Gebeedenboek in de Hand, met nieuwe Hebreeuwfche Namen aan de God- heyd, en van zyn eygen Formulier. Zonder echter daar achter te vergeeten eene Fles met de fynfte Wyn Lachryrn* Chrifti genaamt, of diergelyke. Hy heeft zyn Rokje met een Tenitentie-Toww omgord, daar hy zigzefven me£ tuchtigt, als hy gluypende iemand in 't oog krygt. Eene Ratel, om alien te ontruften, hangt op zyne Zyde. Zyne Broek is darteler , als die van eenen Edelknaap. Met zyne Hand trekkende den Botterik, houd hy een groot Portugees Taternvjler ,waar aan Reliquien van HeyligenenDoodt- hoofjens hangen. Maar hoe fyn deze Tartuf anderen voor gaat , om de Voet onder de Tafel, en de Hand in de Beurs te krygen, zoo is hy zonder grand, en daarom zonder Voeten, op houte Stelten verbeeld, waar mede hy valt in de Kuylen , die voor hem door zyncn valfchen Leydsman ge- graven zyn. 1- De Oude Slange, welke van den Beginne der Menfchen Vyand,
op deflelfs Ziel en Lyf geloert heeft, en geftadig briefchende random den Vroomen zwerft, om scv op toe te fchieten, en ze te verflinden. Die booze is om eene der Steenen geflingert by de openftaan- de Kuylen, en draagt by het kronkelende Schubbenlyf met vcrgifte ko- leuren, een lief-lokkend Hoeren-Aangezicht. Lachende en lonkende Ieyd dit fchoone Aanfchyn toe op 't verderf, en draagt in hare Mond den vcr- lokkenden fchoonen Appel, door welker fchoongevernifte fchorfle de Snoe- pers in't Hof van Eden verleyd wierden, om 'er af te proeven, en wierden deelachtig aan de Gif beet, daar in van den Verleyder gelaten, met de doo- delyke nafmaak der finerten. Deeze zyn de Merkbeelden der Verleydinge. J^-» Maar der Mijleyders Spooreloosheyd \$ verbeeld door een Hoofd, in
twyffel, of 't meer van een Schaap,dan van eenen Ezel is. Immers is een Schaap nog wel zoo onbezuyft, volgende een anders voorgang zonder be- raad of bezef, ja zelfs zonder tyd. Eene Narrekap hangt af van zyn Nek; waarom de Ketenkoord gaat van de Mond des Verleyders. In zyne eene Hand heeft hy een Kinder Molentje, het wel k hy volgt, en zelfs op alle beweegingen laat draayen. Altyd is hy bang en beteutert, en heeft daarom hct vreezachtige Konyn onder zyn Arm. Zyne Kruk , waar op hy het ; i Xx 3 half |
|||||
. a . . ■ ■■.. t-.^iXOu': ■ Bt 1 *
|
|||||
350 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
half kreupcl Lyf deed fteunen, heeft: hy zelfe van hem wechgeworpen, taften-
de naar de onbekende weg op des Loozen Verleyders aanbod * welke, zoo
wel als hyy beyden in den kuyl vallen. Zyne opgedane Beurs laatkwiftig- lyk de Penningen vallen, die de Verleyder beloofde te gebruyken, tot dienlt. der waare,en hem beft bekende Armen. Men ziethem naauwelyksin deOn- derkle£ren, terwyl de Verleyder dobbel gedekt, mars op mars heeft. a -L" Zoo als deze voor de fpooreloosheyd der Misfleydingen is aan te mer-
ken, zietmen het Al te laat Berouw der zelven, in de verbelding van on- ze eerfte Voorouderen, wanneerze naakt en beichaamt gedreeven wordea, door den Straf-Engel uyt het Hof van-de Gelukzalige Eenvoudigheyd , het Hof van Eden. De flaande Hand des Engels, die haar een opgeheeven vlammend Zwaard laat zien, dvfingt hen Voeten te maken, en uyt het Pa- radys te wyken, zonder hoop van 'er ooytwe&r inte komen,om de Aarde, welke om hunlieder wille was vervloekt, onvruchtbaar, woeft en dor, te moeten bearbeyden, om *t zober Koftje te fchrapen, in 't Zweet van haar Aanfchyn, Zy wringen hunne Handen, klagen, kryteri, fchreeuwen. Al het gejammer is voor den Tegenwoordigen Tyd vergeefs. Zy kennen hun- ne naaktheyd, en zien hun behoef. Zy zyn met Bladen gedekt, en ver- kleumt, verhongert en verkout, buy ten nun welvaaren genneeten, zoode Goddclyke Goedheyd hen met geene Vellen voorzag.De hoop op den Ver- lofler, die hen in de Ooren gekictelt heeft, is yt eenigfte Plecht-anker, maar hun kwaad is te grooter, om dat de Verleyder, de Oude Looze Slang, ook uyt dat Hof, en alle byzyn Gods verbannen, met hen op de ongelukkigc Wereld blyft, daar mede zy nu eene Eeuwige vyandfehap hebben, die ook nimmer ophoud hen te belagen, even als alle de Verleyders, als zy de On- noozelen geloert, derzelver welvaren ingeflokt, derzelver zeeden bedorven, en derzelver Herflenen (zoo weynig als zy hadden) vergiftiet hebben > dc- welke alsdan wel, zoo de Oogen oopen gaan, gehaat en affenouwelyk zyn, maar laten niet na onbefchaamtclyk op nieuwe manicren dezelve geitadig te ontruften, tot dat zy ze gantfeh ten verderve fleepen. |
||||||||||||||||||
.;;.
|
||||||||||||||||||
' V
|
||||||||||||||||||
-
|
||||||||||||||||||
1
|
||||||||||||||||||
AGT
|
||||||||||||||||||
.
|
||||||||||||||||||
______
|
||||||||||||||||||
Van de Kruysvaarders, en*. XLVIII Hoofdst. 351
|
||||||
AGT EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Kruysvaarders en andere Ordens. TEgen hetgroot geweld dcr Ongclovige Zarazynen en Mahutnedanert,
( hoewel \ oogwit der Roomfche Oppermogentheyd tegcn de Griek- fche en andere Primaten daar door wierd opgevoerd) verzon de Room- fche Stoel de Kruysvaarten> in dewelke de Vorften meer uy t Godsdienftig- heyd, dan Staatkunde vielen. Zy ftclden daar toe verfcheyden Ridderfchap- pen in, welke van den H. Stoel wierden goedgekeurt, verheerlykt en aan- femoedigt door Voordeelen in en naar de Wereld. Drie zeer Chriftelykc
^ernamen waren daar van de grondflag: Armoede y NederigeGehoorzaam- heyt, en Kuysheyt. A. De eerfte daar van is de Armoede ^ niet de behoefrige Luyaardy der
Bedelbrokkcn, nog'tgebrck der Rampzaligen, maar de gewillige afftap van de Wereldfche pracht en fchrapery. Deze Armoede dan is verbeeld door eene fterke niet uytgemergelde Dogter, (wyl ze ongetrouwt moetzyn om in de Order te raken} die arbeyd zoekt met grof voedzel. Zy heeft ongetooyt Hayr, waar tuflchen men de ongelukkige Doornen, en dorre Ha- ver, de Ezelskoft, ziet gemengelt, dragende eene Korf met Aardvruchten, Wortelcn, Rapen enz. met eene ledere Gordel om 't Lyf. De Borilen fterk en droog, houdende in de Rechterhand een gefcheurt Te[lament, om dat ze nooit laatftc Willen van Goederen mag maken -> als| mede een Over- vloedshoorn van Geeftelyke gaven, door de beftraalde Duyf vertoont. Haar Kleed is eene Ezelshuyd, niet om de Luyheyd, maar om de gehoorzaame flovery te doen zien> welke door de blinkende Graaf word te kennen gege- ven. De Wereld houd ze, die verachtendeen verwerpende, in de Linker- hand. Houte Trippci?, of Holblokken draagt ze aan de Voeten, met wel- ke zy de Schatten vertreed, die uyt eene Overvloedshoorn vloeyen , aan wiens eynde eene Slang fluyt, die in der Armoede Schootsvel en Roksken byt. ■t>. Nederige Gehoorzaamheyd is de tweede Deugd van die Ridders,
welke nederbuygende hunne zachte onderwerping toont. Deze heeft de Ooren gereed om te hooren, en de Mond met eene band gefnoert, om ner- gens tegen te ftribbelen. Hare Hals is met een Juk beladen, op welke men VOLUNTAS, dat is, deWIL, ziet jomte doen merken, dat de grootfteRid- dcrs eene gewillige Gehoorzaamheyd beloven. Ten bewyze van welke zacht- moedigheyt, zy een Lammeken, of Agnus <Dei om hare Hals draagt. In hare
|
||||||
.
|
||||||
351 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
hare Hand draagt zy eene Bal, dewelke, even gelyk de nederige Gehoor-
zaamheyd, zig zelve hoger ten Hemel opheft, na dat ze fterker tegen de grond word geworpen. In de Linkerhand draagt ze eene Spiegel, om zig zelve te kennen. Zy treed Kroonen en Veldheersftaven, met derzelverZe- gepralende Lauwerkroonen onder de Voeten, waar aan zy de Vleugels draagt, om de veerdieheyd van hare Gehoorzaamheyd te doen zienj die ook zeker grooter is in de Edelmoedigen, die hunne beloofde plicht voor oogen heb- bende, gewillig en gaarne gehoorzamen aan hunlieder Overftens, daar de Boerfche onderwerping tegen dank, even zoo kwalyk gehoorzaamt, als dwingelandig gebied. V^« De Kuvsheyd is de derde. Deze heeft een Dekkleed op haar
Hoofd, waar onder haar zedig Aangezicht met neergeflage Oogen half be- fchaduwt voorkomt. Hare Hand fluyt hare Mond, om dat de Mond met eene, en de Kuyfheyd met de andere Hand bewarende zy veyliger door de Wereld gaat. Op haren geflooten Boezem ziet men een Hermelyn, een Beeftje,het welk eerder fterft,dan het zig door vuyligheydzoubefmetten.Zy voert eene Scepter, waar op eene reyne 1 ortelduyf zit, in de Hand^ met een Uurgebedenboek by haar. Aan hareZyde hangt eene Tuchtgeeflel, om haar Vleefch te tuchtigen, en eene Weeffpoel, om de werkelykheyd tetoo- nen van Ulyfles Huysvrouw. Voorts is zy omhangen en bekleed met fpicr- witte Kleederen, vertredende, alsofzy voortging , de Boog en Pylkoker der geyle Liefde, en dooft de Toorts van 't Huwelyk. Zy ftaan alle drieop eene kale grond, om de geringheyt te beter te doen zien. Deze drie Chri- ftelyke deugden zyn de Hoofdvoorfchriften des Kruyfvarenden Edeldoms; van welke de ecrfte in rang fchynt D. Der Joanniter Order, of Ridderfchap van St. Jan denTioo*
per, die van den Caliph van Egypte ontfingen de vryheydom binnen Jeru- salem een Kloorter, de Maagd Maria ter eere, te bouwen^ alwaar ze een Gafthuys en Beyert by timmerden, nevens een Vrouwekloofter, waar van de eerfte Abdis was, de H. dgnes. Deze Gafthuys-Ridders wierden onder de hand machtiger, en hunne Order door den Paus Honorius den II. be- veftigt. Die Order is verbeeld door eenen Ridder, Spaans van omtrek en Baard, om dat haar Grootmeefter een Spanjaardis, en die Order, na yt verlies van \ Beloofde Land, en daar na van Rhodus, te Miff* in Savoje neftelende, van 't Eyland Maltha Leenhecren wierden, eene gift van de Ko- ningen van Spanje, en Sicilie, aanwienzy, voor Hulding, Jaarlyks eene Sperwer moeten zenden. Zync Helm is van een Nautulus , yt Visfchelp- ken, waar van yt zeylen is geleert. Op zyn Schild is'tKruys van de Or- der, Wit , maar by zommigen in Vreede Zwart gedragen, en Rood in den Oorlog. De Degen houd hy op zyne zyde, te Water en te Land in Toch- tcn
|
||||
"
|
|||||||
VAN DE KRUYSVAARDERS, enz.XLVIII.HoOFDST. £5j
ten gebruykt, die ze Carouanen noemen. Van wegens hun begin ziet men
op de Rechterhand eene overdekte Schotel, op wiens Damafte Tafelkleed St. Jan de <Doper is te zien, met Urinalen, Fleflen, en ander Ziekgereed- fchapgedektj om te vertonen, dat hunlieder eerfte aanftel is geweeft om Zieken te helpen, Pelgrims te herbergen, en dezelve te befchermen. En de tweede van deze Ridderfchappen is die van de TempeIters, op order van zyne Heyligheyd uyt de Wereld geroeyt, die te zwaarwarengeworden, om zonder nyd van anderen ftaan te blyven. • De derde is de Duytfche Ridder Order der Marianen genaamt. Dc
Pelgrims van Holfteyn onder Graaf Adolf * meteenige van Lubek en Bre- men , bouwden ecrft eene Kapel voor de H.Maagd. Voor Ttolemais wierd ze door den Koning van Jerusalem opgerecht, door den Paus Caleftinus beveftigt, met het Kruys tot een Merk. Door den Keyzer Hendrtk den zefden wierdze met het Adelaars Wapen op het Kruys verheerlykt, door de Koningen van Spanje en Vrankryk met nog een Kruys onder het eerfte, en de Lelien aan het einde. Wefhalven deze Ridder-Order uytgebeeld word door een Duytfch Aangezicht in eene yzere Huyf, of Helmet, opgefcho- ven, op wiens toppunt het Cyffer van de H. Maagd MARIA is te zien,als een Maria's Order. Hier uyt fpruyt een bos Rygers en Paradysvogels Ve£- ren, om te doen zien hunlieder Tochten en Overwinningen tegen de Tur* ken, Ruflen en Heydenen in Lyfland en Pruyflen. Zyn Schild is voorzien met het Kruys der Duytfche Order, waar op men de byzonderheden voor- genoemt ziet brallen. Zyn witte Mantel en Ridderkleed is van Zeyldoek met zulken Kruys geciert, om dat de eerfte Opvolgers en Aanftellers van die Order, van de Zeylen hunner Scheepen Tenten en Gafthuyzen voor den Zieken fpanden, in *t Veld voor St. Jan de Acra of Ttolomais, door de Chriftenen belegert zynde. Zyn Duytfche Zwaard draagt hy bloot en ge- reed, om den Paleftynfchen Pellegrim, die Jeruzalems Veeren draagt, en de H. Mantel, nevens eene Kalabas met gezegend Water, en de Order van 't H. Graf aan den Arm, te befchermen tegen den aanloop der Rafbu- ten, Saracenen, en Turken, het welk zy zamen met zoo groote edelmoe- digheyd deden, in yt eerft, als daar na hunlieder Oorlogen tegen Stadigers, Cafluben, Pomerenfken, Ruflen en Finnen, alwaar ze 80000. fterk, vee- le flagen gegeven en ontfangen hebben-, tot dat ze , door grootheyd van Naam en Macht benyd, door eenigen verraden wierden, en naaerhand door de Hervorming hunne klem verloren, nalatende veele heerlyke Ve- ftingen in de Oofterfche Landen. r« Die van Calatrava wierd door Alphonfus , Koning van Spanje,
te Toledo opgerecht. Die Order was van den Ciftercienzen , dragende eenzwart Spaanfch Kleed met een rood Kruys, en eenige in een gedraay- Yy de
|
|||||||
£54 £*E HlEROGLYPHEN OF MeRKBEELDEN.
de ronde als roode Spykers van zyde •, gelyk die van Alcantara, van
grocnc Verwe, hen volgen, ingeftek tegen de Saracenen, welke de Tempe-
Iters deden plooyen, verplichtende deze Ridderfchap tot verweering van het
Tempeliers Kloofter. Zyne Spaanfche Hoed en Golila met de opgezette
knevels dienen om te toonen, dat die brave Order door de Spanjaardcn is
opgerecht.
vJ« Daar naaft aan ziet men die van St. Jacob te Compoftellay waar van
de Order den naam draagt, of Ridders van de Spat ha, of Deegen. Deze met Spaanfche Hayren achter de Ooren,. en 't Purpere Kruys op dc Borfl, draagt St. Jacobs Schelpen met gekruyfte Deegens op de goude Hoed en Schouder Cieraden. Zy zyn zoo hoog geacht, dat men den Grootmeefter van die Order den rang naaft den Koning geeft. Veele diergelyke borrel- den elders op, naar de namen van verfcheyden Heyligen, als St. J oris in Engeland, St.Andries in Schotland, St.Michielm Vrankryk, St. Marcus te Venetien, van de H. ©«//in Caftilie, St. Mauritius in Savoje, St.Ste* phanus in Tofcane. Alle welke ik alhier niet aan en raak, om datze Wc- reldlyke Ridders waren, of niet verplicht waren aan den Roomfchen Stoel, van welke nog zyn deze navolgende geweeft: jO» De Ridderfchap van de Genets door Koning Karel Martel inge-
ftek, tegen Abdiramo, die overwonnen zynde veele zulke Dieren, Civet- Katten gelyk, in 't Leger der Saracenen vond. In zyn Vaandel ziet men de roode Roozen met drie dubbelde Keetenen van Goud aan een gehegt, waar onder aan zulken Genet hangt. i» Naaft deze ryd de Ridderfchap van de *S/<r,(door Robbert y Koning
ran Vrankryk, ingeftek) dezelve over \ Harnas draagende, gelyk de Order hier aan den Standaard draagt een wit Damaft Vaandel met eene blinkende Ster- re, ter eere der H. Maagd, welke zy de St err e vande Zee noemden, met vyf fcherpe punten. &• Daar onder ziet men die van de Annunciada, of de Boodfchap aan
Maria, zynde van vier Letters, ter eere des Hertogen van Savoje. Voeren- de deze vier Letters, F. E.R.T. waar van de zin is: Fortitudo Ejus Rho- dum Tenuit. Dat is: Zyne Heldendeugd heeft Rhodus behoudenu *-*• Hier boven volgt 'er een, die de Ridder-Order van V Schip in zyne
Scheepsvlag doet zien, zynde door den Koning van Vrankryk, Lodewyk den Heyligen, ingeftek, om d^n Franfchen Add aan te moedigen tot de Kruysvaart tegen de Turken of Saracenen op zyne Zeetochten. Men ziet in die Vlag de halve Matien dubbeld aan Ketens gehegt met Ringen, de Zandbanken van
|
||||
VAN DE KRUYSVAARDERS, enz. XLVIII. HOOFDST. 15$
van Lybie, en andcrc kwade Kuften, hooger en lager als *D ami ate te ver-
beeldenj onder welkc Keeten een Schip hangt, tot Mcrk van hunne Hel- dendaden ter Zee, M. Voor dit Schip met Franfche Ridders zict men de Order der Vrie-
xen en Batavieren, dragende den Tytel van de Koninglyke Kroon. Dezc Kroon, van Goud geborduurt, praalt op de Borft van eenen Ridder tc Paard, waar in van ouds de Batavieren uytftaken, gelykmen in Tacitus en anderen vind. Deze Ridderfchap wierd ingeftelt door Charlemagne, om te beloonen hunlieder Heldendaden, wanneer ze hem te hulp kwamen te- gen de oadcSaxeny die van 9t Heydendom deels door geweld, deels door Vreede getrokken wierden. Alle deze braven, gelyk die van den Ttraak^ ingeftelt op de doeming ten Vuure vznJanHus enHieronymusvanTraagy door den Keyzer Sigifmond, en diergelyke Orders, dienden tot voorftand van der Chriftenen Godfdienft, tegen Heydenen, Turken, en Verketter- denj tot dat de mildheyd der Vroomen zoo grof ging, dat ze de armoedc van 't Gemeen nafleepte, en te mets meer vervielen, na dat ze zoo veelvan hunne Vyanden verdelgt, en zigzelven verarmt hadden. Uytgezondert ec- nige weynige, wier Commanderyen overkoftelyk zyn. Maar door deze zware Voordelen dwingt de H. Stoel den Adel tot haar dienft. N. DeHeylige Yver, is hier de aandryffter der Ridderen, afge-
maalt door eene fterke vlugge Maagd, die het witte Strydkleed der Chriften- heyd, getekentmet het Pauflelyk Kruys, over haar Lyf heeft. De reft is naakt, om dat die Ridders uyt hunne Vaderlyke Goederen ftappen. Zy heeft Vleugelen van Arenden aan hare Armen, om hooge Rotzen, wydc Meyren, en groote Zcen over te vliegen. Maar dewyl hunne drift is voor den Godfdienft, zoo ziet men haar eene opgeftooke Kerk-lamp in de Linker- hand houden, te gelyk der Ridderen ChoordienftenLees-en Beedeplichten^voor oogen ftellende. Maar in hare Rechter ziet men de Piek van 'Phineas, dien Joodfchen Yveraar, die eenen zyner Broederen met eene Moabitifche Hoe- re gekoppelc ziende, beiden doorftak, en dede fneuvelen. Welke aangena- me wraak Gods Toorn ftilde tegen zyn Volk. Wakkere Helden, dap-pere Mannen,en Ridderlyke Uytvoeringen, wa-
ren ze niet ondermync, belaagt, ja tegengegaan geweeft van die, welke ze eerft ingewyd en aangehitft had. |
|||||
Yy 2 NE-
|
|||||
. ■ -. ■ ■ . ■ .■ ... ■"■!■■ ■ ..•■■■ ■.-..:■■ .-::,,
|
||||
I . ______ ..
|
||||
Van de Macht des Roomschen Stoel. XLIX. H. 357
|
||||||
NEGENEN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
|
||||||
Van de Macht des Roomfchen StoeL
DE heerlykheyd en macht van den Roomfchen Stoel, nu door zoovce-
le Keyzerlyke giften , Vorftelyke laatfte willen, onderwerpingen en manfchap-zweeringen, gefteygert tot een top boven alle Wereldfche Mach- tenj met zoo veele Ridderfchappen, als Voorvechters * met zoo veele ge- kapte Orders, als Zoldaten*met zoo veele Voorfpraken, Redenaars,Schry- vers en Jeugdmcefters, alsjezuiten, Oratores, Dominicanen en andere uyt- lcveren* zoo fcheen *er niet te ontbreeken, als een groot Rechtboek, om tegen dat van den Keyzer Juftiniaan te monfteren. Dit wierd byeen ge- fchikt door Gratianus en verfcheyde anderen vermeerdert enmeerbekrach- tigt door nieuwe Concilien en Pauzen, A* Dit dan zoo fterk en Geeftelyk Recht, is uytgebeeld met een Kruys
in 't midden van eene Koninglyke Kroon en Biflchoppelyke Myterpralende, zittende voor eene Congregatie van den Paus en Carainalen, van vooren als eene vreedzame en vriendelyke Vrouw, zonder Ooren, van achteren als een Doodshoofd, onder de minnelyke aanfpraken en onderzoeken doodelyk voor de Te^enfpartelaars. De Rechterhandhoudeene Weegfchaal der Recht- vaardigheyd, maar op welke zyde zy overhangt, is zy fchrikkelyk , de- wyl in de eene hangt hetjok van Slaverny, en inde andere het Vuur der Eeuwigheyd. Die Rechter arm fteunt op een groot Boek van Canones ,zyn- de de Stokregels uyt de Kerkvergaderingen enOudvaders opgeftelt, en'^Df- cretalia^ or byeen vergaderde Pauflelyke Hofkeuren en hare gevolgen* ha- re Linkerhand zwaayt een Geeftelyk vlammend Zwaard, waar mede Adam uyt het Lufthof gedreven wierd, en daar in de Hemel-Sleutels, waar vande knop is ten verderve, zynde een Doodshoofd. Zy heeft het Kleed aan van eenen Officiaal, die onder den Biflchoppen, de Vragen, Onderzoeken, en Vonniflen uytvoert, ruftende op een Crocodils Hoofd, welker Dieren Na- tuur is (zoo men zegt) tranen te ftorten, na \ klaauwen van zyn prooy, als of hy barmhertig jegens het gejaagde was. &• Hier onder zietmen de Geeftelyke Tienden , overal door de Kruys-
vaarten en andere H. Oorlogen ingedrongen. Deze heefc eene Biflchoppe- lyke lage Myter met een Kruys als een X. of 10. getekent.. Een Bedelmon- nikskap dekt zyne Rug, van welke die voordeelen veel zyn ingeileept. Om naauw toe te zien, heeft hy een Brilop, met een open Mond gapende na meer, en eene Pen achter 9t Oor, van eenen Pauflelyken Oppcrgerecht-fchry- Yy3v ver,
|
||||||
■I II ■'■.
|
|||||||||||
258 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
vcr, om alles fcherp, en als na Rechtcn waar te nemcn. Over zyrie Schou-
ders gaat eene Band van deZonnenloop of Z^/^r,(TekenkrinsJomopaI- le Maanden na te zien, welke Tienden vervallen zyn. Zyne Kechterhand houd die Staf der Leviten, met welke zy de voorbygaande Kalveren, Gey- ten en Schapen merkten voor hare Tienden. In zyne Linkerhand houd hy de Duym in de Voorvinger geflooten , zynde het Merk van 10. by den E- gyptenaren, en in die Hand eene Romeynfche Voetmaat,om op elk Huvs, Hbf en Bunder-lands naauw toe te zien, dat het Geeftelyk Recht genefcha- de lyde. Het Geeftelyk Recht, dat de Engelen gebied,de Hel zyne prooy onthaalt, het Vagevuur leegt, is Moeder van deze Tienden, zeggende uyt- drukkelyk in de Bulk van Paus Clemens voorde Zielen der Pelgrimsna Ro- men gaande, en zoo ftervende, om de Tienden en inkomen te meerder te doen opgroeyen: „ Wy willen in geenderhande manieren , dat deze Ziel „ zal gevoelen eenige de minfte pynen van het Vagevuur ^ en vry-gevende aan „ alle de Ridders op de Kruysvaarten om 3. of 4. Zielen, die \ haarbe- „ lieft, uyt het Vagevuur te loflen" Door welke Hemelfche beloften, licht het Aardfche moeft wyken. Waar uyt dan de aanwafch der Tienden fter- ker dagelykfch voortzette. Die Ttecima leggen op zyne Schoot, met het Merk der Ouden voor de Tienden gebruykelyk, van vier Eenen meteen dwarsftreep daar boven. Hy zit met zyne Slippen op verfcheyden Schooven Graan, Vlas, Hennip en diergelyke* en heeft Hoenders en Duyven Tien- den daar by leggen. {-*• Tegen de Tienden over, komt die heerlyke Fonds der H. Aflaten,
verbeeld door eenen Dominikaner Monnik, welke voor zyn Borft draagt eengroot Plakkaat met zyne H. Kroon en Sleutcls boven gewapent, zodanig als men ziet de Brieven van Aflaat aan de Kcrken, waar ondermen 't Zegel van den Paus ziet hangen* in de Rechterhand houd hy eeneSchotel, waar in de Aflaat-gelden,en die derZielmiflenvergadertworden,waarophyverze- kert,dat, zoo dra de Penning klinkt in hetBekken,op 't zelfdeoogenblikdc Ziel, voor welke geoffert is, ten Vagevuur uyt, entenHemelinvaartjwaar toe hy in de Linkerhand houd eene Sleutel van zyne Heyligheyd ontleent, met welke hy den Hemel opent, en te gelyk vertoont de Sleutel van de H. Poort. Op welke tyd het Jubilee zeer fchoone Aflaten en ruymte maakt, gelyk met nieuwe Kerken in te wyen, nieuwe Heyligen te Caneni&eeren j waarom 00k achter den Aflaat een nieuw Tafereel van eenen nieuw aange- 'fteldcn Heylig te zien is. Op zyne eene zyde hangt een Re/iqute-Kzsjc, mede tot die Winkel van Gelukzaligheyd nodig. Hy zit op eene Tronc of Offerkift, gelyk men in alle Kerken ziet ftaan, met Opfchriften van He- melbeloften voor den gevers, waar op leggen uytgezopen Wynfleflen voor de Dronkaarts •, Zabels en bebloede Moordftiletten voor de Doodflagers en Moordenaarsj Sftroppen voor die zig zelven uyt de Wereld hebben gehol- pen,
|
|||||||||||
-
|
|||||||||||
Van de Macht des Roomschen Stoel. XLIX. H. J59
pen, lofgemaakte Rietbanries, naar de gewoonte der Hoeren by Succoth
Benoth, en andere Venus-Tempels gebruykdyk, door welke men de Ont- maagdrng verbeeld. Deze en zwaarder Zonden worden zeer wel gedckt,ge- zuyvert en uy tgewift, door de Geldzakken en de voile Beurzen, die daar boven op leggen, en gewiflig aan den Aflaatverkoper opgedrongen worden. Op deze Offerktft zietmen den Driehoofdigen Janus, eene Kindere Trony, een Jongmans Aangezicht, en *t Hoofd van eenen Ouden Gryzaart, om dezelve te vertonen de Tegenwoordige, Aanftaande en Voorleede Tyd> gelyk de Aflaathandelaars in Europa wel plegen Aflaat te geven voor deGe- dane, Gefchiedende en Toekomende Zonden. Hy zee zyne Voet op de Keel van Cerberus, den Helhond,met zyne drie Koppen, en heeft hem aan de Keeten als Hercules r die dit Gedrocht hebbende onder de Knie, Vry- heyd gaf aan de Helfche Zielen, uyt het akelig Schimmenryk te ontfnap- pen. Onder aan dtTrenc of Offerkift, ftaar een Bekken met Yzopwater, van welk Kruyd men ook een Kransjen om *t Hoofd van de Aflaat zou kun- nen flingeren, met eene kwifpel in het zelve Bekken, om daar mede de mildelyk gevende Zondaars te befproeyen en te reynigen> gelyk deze Yzop daar toe in de H. Bladeren dikmaals, tot zulke atwaflching der Zonden voorkomt. De geredde Ziel breekt op *t openen van zyne Sleutel door de Wolken, uyt de rook en vlam des Vagevuurs, geholpen door eenen Engel, die hem de Hand leent, om de donkere Wolken van de Ongenade Gods, door den Aftaat open gemaakt, door te breeken, D. Naaft het Geeftelyk Recht, zietmen eene zeer zwaarhoofxiige dog
behulpzame Vrouw ftaan, die de vrygaaf van Huwelyken of Difpenfatte vertoont. Deze is met eene Geeftelyke Myter en afhangende Prieftereflen- kap getooyt •, hoiidende in hare Rechterhand een Pafler, met welken zy heeft afgemeeten, hoe verre de twee Huwelykshanden, die in een geilagen zyn, malkander in Bloedvriendfchap beftonden, houdende in hare andere Hand eene Geheyligde Trouwringy door welke zy haar belooft de vokrekkingder Huwelyken, al fchynt de Natuur van dezelve af te keeren, en het Bloed die te weygerea Zy heeft twee Herten aan eene Band om haar Hals han- gen, na *t belang der Koningryken gekoppelt tegen de Goddelyke Wetten* boven welke zy als Opperfte Richterefle de Schikbrief heeft, de Scapulaire (Schoudermanteltje,) dat de Priefter is gewoon over de Armen der nieuw Ge- trouwden te kruyflen, heeft zy lang hangende om haar Hals, omden zel- ven te trekken naar 9t behoef der Grooten. Zy heeft voor haar een Tafe- recl van Huwelyks Liefde, op het welk zy heeft een Huwelyks-Godjc of Cupid o, die een liefFelyk Jong endje van eene Boom heeft, om het zelve te doen inenten in eene andere jonge Boom, am alzoo te zamen op te waflen. Ja hy heeft Boompjen en end van de zelfdc zoort, van welke hy een gekop- pelt Lichaam maakt, bclovende met de konftige Tuynluyden, dat een end |
||||
MWWWB
|
||||||||||||||||||
■
|
||||||||||||||||||
■
|
||||||||||||||||||
■
|
||||||||||||||||||
%6o De Hieroglyphen of M.erkbeeldenJ
van de zelfde zoort en geflacht, fteeds beter en fchoonder Vruchten dragen
zal. Dit middcl heeft de H. Stoel zeer looflelyk en wyflelyk uytgevonden, om dus meefter te zyn van de Kroonen, dewyl de Verbonden van Huwely- ken dikmaals zyn de middelen, om Oorlogen te eyndigen, ofzulkeVor- ftendommen door zulk Trouwen in een te imelten, en door dat middel de Kroonen te groot te maken tegen de Roomfchen Macht. Want de Gefchie- deniflen bewyzen ons klaarlyk, dat toen Vrankryk in meer als een Ryk, en veele Vrye Vorften verdeelt was, en wanneer Spanje, nog zoo veele on- derfcheyden Koningen telde, ende Ryken van Nape Is, Sicili'e, Sardinie en 9t Mtlanees aan die Kroon gehecht waren , 't geen meeft door Huwely- ken is veroorzaakt, de Macht van den H. Stoel veel geduchter, en zyne Blixemen veel verfchrikkelyker waren. Nu wierden de Trappen van Bloed- verwantfehap door \ Geeftelyk Recht en zync uytpluyzende Voorvechters dagelyks naauwer en naauwer gemaakt, om de Grooten te kwellen, en de Penningen der Minderen te krygen. £*• Indien de Vryverklaringen en toeftemming op de Huwelyken en Bloed-
verwandfehappen veel voordeel aan de Geeftelyke Stoel brachten met minne- lyke zaken j geen minder aanwafch van ontzag kreeg zy door de Geloofs- dwang, of Onderzoek, Inquifitie genaamt, van de Order der Preekheeren ingevoert. Een grouwel van verwoefting draagt dit Gedrocht herom. Het heeft eene Papenmuts op de Kop, die van giftige Slangen grimmelt. Zyne Tygermuyl is met eene zachte Vrouwe-Mom bedekt. Zyn groot, fterk,maar dor Lyf vertoont de kracht en 't geweld van dit verilindend Ondier, dat zulken zachten Momaanzicht laat blikken aan den Rampzaligen, die onder die Moordbrandfters klaauwen vallen, om de lieve Naam van Katner van Genade, die onder deze Menfchen-moordery nog diegoede naam voert, te verbeelden. De Fakkel van Menfchenvet in voile vlam zwaaytze omha- ren Kop, en ftaat gereed,om dezelve in de Houtftapels te fteeken, waar in zy de Lichamen van hare Poemelingen tot Afch verteert. Door welke Chrifte- lyke vertoningen, zy hare goede Catholyken vervrolykt. De Duyvels My- ter, die den Gevangenen, na datze Jaren lang in Onderaardfche Gatenge- kwynt hebben, op 't Hoofdgezet word,en daar nevens de roefte Keetens, met welke zy de gemaakte Ketters boeytj de geharpuyfte Rokken flingeren om haar Arm 5 de Tyeerhuyd dekt haar onbeibhaamtheyd^ eyndigenae het akelig lyf met Draakeftaarten, van welke zy de Linker Knie zet op de Boe- ken Mozesy op de Mahomethaanfche Tulband, en de Ketterftaf tegen de Joden, Mooren, en Dwaal-Roomfchen woedende. De Houtmyt, en 't grouwelyk OfFervuur tot de Menfchenbrand, zyn tot het Schouwlpel ge- reed, terwyl de uytgemergelde Gevangen met de yzere Keeten om den Hals, na *t Moordvuur word eefleurt. Die heeft de Mond open, om datde ingewronge Ballen in zyne Kaken hem beletten het klagen en het fluyten van
|
||||||||||||||||||
-
|
||||||||||||||||||
__ i —-—
|
||||||||||||||||||
Van de Macht des Roomschen Stoel. XLIX. H. 3^1
van zyne Tanden en Lippcn. Die Ondier overvalt de ongelukkigcn mec
eene ftille Trom. Men fleeptze weclji, zonder dac iemand weet waar, en de Geloofsgevangen, waarom} dien niets te laft geleyd word, maar zig zelven moet befchuldigen -> \ geen ze eyndelyk moeten uytvinden , om ten minften eenige fchynftof aan die Rechtbank te geven. Om de minfte mifgreep in "t Geloof is branden hun voorland. Met fpreeken, onderwyzen, nog redenvoeren is hier niet te doen-, men zegt hen, datze met Rechters, niet met Leeraars te doen hebben. De eerfte Vraag is, of de Gevangen ge- looft in de Roomfche Kerk? zoo neen, branden-, zoo ja, dan neemt men de 'Decreeteri) en vaftgeftelde wetten van de Stoel, niet de H.Schrift. Zoo dat Paus Clemens het Geloofsonderzoek-ampt zelf aan Ongeletterden heeft gegeven, die door hun Bloeddorft volmaakten dat aan hunne Wet- ten te kort fchoot. lets tegen de Rechten , voordeelen , en inkomften des Stoels te uyten , is branden •> maar kan men door Vrienden den Goudhonger van deze Slachtbank ftillen, zoo gaanze met eene afzwee- ring, ecn Schandkleed en andere grillen uyt hunne Kerkers* anders ziet menze in eene Stoel met Keetens geboeyt, met Duyvels befchildert, eneen St. Andries-kruys van roode Lappen over Borft en Rug. Hier rondom word dat Vuur door de yverigfte Geloovigen aangefteeken, met H. Zeegepraalen- de Trommen en Trompetten, word de Lucht tot we£rgalmen gevult 5 de Rampzalige gebraden, tot dat de Knien zyn verbrand* danftooten de Rak- kcrs van de Qienade-Kamer de Romp voor over in 't Vuur j de Afch word in de Lucht geworpen met Vervloeking van de Ziel, en tot geheugen van die Goddelyke Menfchen-moord, word de naam van den verbranden Ket- teronder een gefchildert Figuurtjemet Duyvels omzet, in de Glazen, of in het Wulfr der Kerken gefchildert, met den Dag en 't Jaar, in de welke hy verbrand is. De Goederen, waarom het te doen is, zyn voor de H. Kamer. Dufdanig heeftmen met Tovery> Kettery en Weerwolvery, hier en elders duyzenden omgebracht. £ • Achter aan zietmen de beloofde Verlolfing uythet Vagevuur, verbeeld
door eenen Engcl, die de Sterrekroon van Gelukzaligheyd aan de gezuy- verde Ziel zal ichenken, en hem de Hand leent, om van dat fchromelyk Vagevuur lynrecht ten Hemel in te brengen. Waar van eenige onbefchaam- de fchreeuwers zig durfden vermeten, kennis en wifle naricht te hebben ontfangen. En zoo gaven de Nazaten hun befte goed wech, om hunner Voorzaten vrygeprevelde Ziel uyt het Vuur te redden, en door de Poorten des Hemels te dringen. -•.
Zz VYF-
|
||||
•
|
||||||||||||||
I
|
||||||||||||||
■
|
||||||||||||||
,
|
||||||||||||||
•
|
||||||||||||||
Van de Concilien en Traditien. L. Hoofdstuk. 36J
|
|||||
VYFTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Concilieny en Tr adit ten. BEhalven de buyteniporigheden van Joden en Heydenen hcrkomftig, of
van beyde zamen gefmeed, zoo is daar nog ingebroken, en zeer acht- baargeworden, de nagelaten Uytbreyding, die de H. Schriftuur vermeer- dert en verbetert heeft, bekend onder den naam van Tr adit ten ^ dat is, Overlcveringen. Het H, Woord Gods, alleen uyt de Waarheyd afgedaaidj en daarom ook alleen de Sleutel van alle Waarheyd, blyft pal ftaan, als eenc onbewegelyke Rots. Zy word niet geleerd, door de hooge Schoolgeleer- den, by Mond, maar door den H. Geeft in ons Hert. Zy bralt zuyver, boven alle de verdrayingen der gaauwe Dryvers. Niemands Uytleggingen verbinden eenen andcren tot een onfeylbaar Geloof. Hoe zeer zulks door veelen is gedreven, nog redelykcr is *t zelve van wakkere Verftanden tegen- gelproken, DeGrootheyd, de Hoogachting, Macht en Rykdom, van de Chriften Kerk, te veel verfchillende van de zachtmoedige Nederigheyd, en behulpzame Armoede, in Chriftus gezien, en in zynen Leerlingen door don H. Geeft ingegriffiet, zogt naar middelen, om haren glanfch te verdedigen. Dewyl Geeft en Letterzin, in de H. Verbonden Gods alom voorkomen,
bedienden zig de zoekers van dit nieuwe Gereetfchap, van 't gevaar , dat in *t Leezen ftak, fchreeuwende, *De Letter "Doady maar de Geeft maakt Levendigl Het Boek is in de Openbaringen, gelyk in Ezechiel, van buyten en van binnen aan te merken. De Inhoud is voor weynigen te door- gronden. De Oogen van alien konnen zulken Licht niet verdragen. Wyl het de Godipraak is des H. Geeftcs, moeten 'er Uytleggers voor Raadvra- gers zyn. Elke Lettergreep , en ftip, draagt diepe Schatten. Op deze wyze heert zig de bovendryvende menigte der BifTchopsverga-
deringen eene Wetgemaakt, door welke zy Heerlyker konden worden,als Gods Geeft zelve > dewyl zy den zelven,aan henlieden, als Rechters onder- worpen heeft. En daar en boven om dit Rechterfchap klem tegeven, hebben ze 'er by gefmeed, de Infpraak, Verlichting en Openbaring, die zy zig ver- maten zelrs onmiddelyk van den Hemel te ontfangen. Op die grond fteu- nende, dat het onbillyk was, dat hare, of de nu nog tegenwoordige Kerk, in voile Genade bloeyende, niet zoude rykelyk zoo veel van God ontfan- gen , dan in de eerfte tyden. A. Deze Opgeblazen Oude Kerkheld, zitin de Stoel vanM>-
zes, die onder aa*i is uytgehouwen. Zyn nooyt genoeg gevoede Lyf, (want alle dagen neemt hy nog waar zyn Recnt,om dikker en grooter te worden, Zz i dage-
|
|||||
.
|
|||||||||||
3^4 Pe Hieroglyphen of Merkbeelden.
dagelyks de Overleveringen vermeerderendei) is prachtig gedekt, met eene
Biifchoppelyke Mantel, waar op veele Buytenregelmatige Schryvers , ver- worpen Euangeliften, Oudvaders,Pauzen, en Conciltr-Schryvers uytgedrukt zyn> houdende in zyne eene Hand een Hert, in welke de Infpraak des Ke- rnels gefchiedde j en in de andere eene Weegfchaal, waar in 't gefchrevea Woord op eene Rol van boven met de Duyve, als van den H. Gceft uytge- vloeyd, gecierd, gewogen word, tegen een Oor, het welk de overgaveder aangeblazen Heyligen heeft ingenomen. De Roomfche Kerk fchuylt met de Pauflelyke Waardigheyd pralende, onder zyne Mantel ftaande, door dat middel vaft, tegen alle Redenen , ja zelrs tegen de Goddelyke Waar- heyd, welker uytlegging aan dezen ouden Kerkheld is voorbehouden, met dezfe macht, dat zoo ras iemand tegen zyne Willekeuren aangaat, of in, of buy ten, of boven Gods Schriften x dezelve hier en hier namaals Verbaa- nen is. 15. Deze Oude geefr en ontfangt ontzag, aan, en van de Vergadering
der Roomfche Biflchoppen, die met zyn Heyligheyd Concilie genaamt word Deze gefchoore Oppermogendheyd heeft zig gedekt met de Pauflelyke Drie- kroonj want dien allcen, en geenen Vorften, komt de macht toe, Conci- lien te beroepen. Een Cardinaals Mantelyiiy Biflchops Maatel, en verdere Hooggeeftelyke toeftel, dekt het Lyf. In de Rechterhand houd hy eene Hoed van Vryheyd, hebbende die fchoone Eernaam altyd bewaard , al verbrandde men die genen, die op zulke Kerkvergadering, by diere Eeden van Paus en Keyzer, gekomen waren> 'top en toedoen, aanneemen of Verbannen ter Zaligheyd, is in zyne macht 5 en daarom hangen de twee St. Tieters S lent els aan zyne Zyde, met Diamante onverbreekelyke Ketens aangegord. De twyfelingen in Geloofszaken zyn afgedaan, door eene Ge- niyterde Sphinx verbeeld zynde , wanneer zoo een Concilie uytfpreektj waarom die Sphinx aan eene yzere band legt > die vaft is aan de Chriften Kerk, der drie deelen* Europa, Afiay Ajrika^ waar van Romen'tHoofd is, en de Paus het middelpunty waar na toe, uyt alle hoeken van *t Rond de lynen vergaderen, en met Kinderlyke Gehoorzaamheyd in een Ioopen. Die twyfelingen moet de Sphinx fcheuren en afzweeren, of den Ban en 'c Vuur ondergaan, (gelyk men zulken Schrift gefcheurt in hare Klaauwen ziet.) als Ketter, en Kettery-zaayfter. Gelyk hy daarom de gebrokene Weg- wyzers Stokken, en de Hydra met vele nieuwe uytwaflende Koppen onder de Voeten trapt. v^» De Macht van zulke Vergadering, enhaarHoofd, beffaat uyt groo-
ter en minder Boodenen Gezanten. Dit hooge en hoog Eerwaardig Ampt is door een Cardipaals Hoed en zyn Purper gedekt, dragende het Pauffelyk driedubbeld Kruys, als hy met een Gezamfchap van de Rechter zyde, g |
|||||||||||
zon<
|
en
|
||||||||||
.
|
|||||||||||
Van de Concilien en Traditien. L. Hoofdstuk. i$f
zonden word aan Keyzer of Koningen, minder of meerder naarde zaken,
die te verrichten zyn. Zoo nochtans, dat meeftendeel die Gezant of Bood- fchapper, 't zy ze Cardinaals, Biflihoppen, of Bedienden van de Gerfka- mer of Geloofs-kweking te Roomea zyn, van die kracht worden gehouden, dat ze alles als Paus zelve afdoea De aanzienelykfte zyn Trimaten en Hoofdftaatsdienaars der Ryken, die alles 't onderfte boven wenden, voor hun eygen welvaard en de Grootheyd des Roomfchen Stoels. Het geen men by hem ziet ftaan, is eene Fonte, of Doopvat, waar op men. de zen- ding door Chriftus Voorbeeld ziet nagebootft: het in of uyt den Ban docn - met de Sleutels en Blixem, Koningen Kroonen, Zalven, Aflaten geven en' Vrylaten der Huwelyken, Gewyde Roozen ea Deegens, aan den Helden voor den H. Stoel te zenden, en Gewyde Kuflens, tot het Bevruchten der Vorftinnen. De Pauflelyke Zeegels hangen aan zyne Geloofsbrieven. Zyn Mantelyn is 'er ook me£ zaamgehegt, de kracht van zynen Heer en Zender dragende,. in 't af en aanzetten der Priefters en anderen 5 in 't ontfangen der Schatten voor den Paus, over al invoerende eene Oppermacht, in de Op- permacht der Vorften en Staten> metgroot gevaar der Vrye Regeeringen* en Heerfchende Vorften*. • Het minder zoort is van Simonie of Verkoop der Geeftelyke Ga*
ven door Bedelpapen, Preekhecren of Jezuiten, die Winkelsdoen van Pen- ningen, Aflaatbrieven, Reliquiekasjens, Beeldjens, Prentjens, Doekjens, p Gaarne Draden, uyt denHemel gedaalt, of op andere wonderlyke ma- nieren in de Wereld gebragt, Rozckranflcn, H. Gordelsen Klederea Zul- ken Geeftelyken Raapzak ziet men hier Eerwaardig door zyne Gefchoore Kruyn, en Baard, Smulpaap in zyne driedubble Kin, hangende Wangen en puylende Oogen. Deze heeft eene Lazarusklap in de Hand, ende Eeuwigheyd met den Hemel daar in, op zyne Duym. Hy Verkooptals Jan Tetzel, voor de Hervorming, de Aflaten, voor de Zonden, op Jaren en Dagen voor uyt. De Linkerhand fchraapt van Ryk en Arm 't laatfte Geld byeen, voor Kerkenbouw, Turkfchen Oorlog, of andere gezochte reede- nen. Allerley zonden ftaan by hem, elk op hare Tax-, een Boekje van Cynzen, Tienden, en andere lnkomen is in zyne zwaargeladea Buydel waar van hy wel gemeft r * •Cj- Den H. Vader zoo vet en aanzienelyk, maar de Koningryken zoo
kaal maakt, dat men achter hem den Paus ziet op eene prachtige Telle ryderv terwyl de Koningen hem moeten leyden by de Toomen of Stegelreepen. Deze onbillyke handelingen, die veelgedaan hebben tot het overhoopwer-
pendergrootftedeelenvan£«r^, gelyk Rufland, Zweeden, Denemar- ken, half Duytfchland, Engeland, Schotland, en Ierland, de meefte Ne- derlanden, half Zwitzerland, en zoo veer van Vrankryk, wierdea voorge- Zz 3 (bun
|
||||
;'-'■-. " ■ ■ ■ " " ■ ■ ■
|
||||||
%66 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
itaan door den Ge6ftelyken ftand, die van Order tot Order te verbeelden
nu nog myne meening niet en is. Die Geeftelyke, hooger of lager, ftand, is in vyf z<k>rten te deelen; eene van den Paus, het Opperhoofd, tot Car- dinalen, Aardsbiflchoppen, en Biflchoppen^ Abten, Generaals van Or- dens, Priooren, Gardiaans, Leeraars, Papert en Monniken* by verfchy- den tyden uytgebroeyt. - De Vervolging met het ware Licht in Chriftus te gelyk beginnende , kruyfte eyndelyk ^den Zaligmaker, betwifte zyne Op- itanding, fteenigde Stephanas, en vervolgde de reft, De zwaare wocde drong eenige naar Holen en Woeftynen, naar 9t voorbeeld van zo veeie Jo- den, Propheten, zoo wel als anderen, tegen *t Martelvuur der Heydenen. Moz.es na Midian, Elias op de Rotzen, Johannes en Chriftus in de Woeftyne geweeken, hadden dien weg geopent. Het Vuur van Goddely- ken yver geleydde anderen met vreugde tot het Zwaarxi, Kruys, of Vuur j om Chriftus, door hen beleden en gepredikt, met hun Bloed te beveftigen. Maar eenigen, tot die Kroon nietgeroepen, en oordeelende, dat men wel mogte ontgaan de wreedheyd der Qngelovigen > weeken naar onbewoonde plaatzen* daar vervielen zy gewillig eerft, te mets ondanks, tot eenzaam- heyd en armoede, die beyden bedorven in eenigen % Bloed , en alzoo de Geeften, te ftip ftarrende op den ingang tot de Gelukzalige Eeuwigheyd, wierden eenige vervoert tot ongefchikte drift, tegen de Menfchelykheyd en zig zelven, de Gezelfchappen ontfluypende, en hun Lighaam op de Pynbank verfcheydener wyze fchendende, zoekende in *t Lyr, *t geen ze in den Geeft moeften vinden. Van wfelke eefczinnige kwalykgevoede alleen- woning, de bedorve Herflenen vervielen tot zoo veele Dromen, Gezichten, en Verfchyningen, als 'er by meenigte van Spookjens, Duyvels, enTover- gezichten vertelt, van diergelyken aangenomen zyn , welker hard leven, aanzien in anderen makende, dat licht gekx>f baarde, dat men die uytwerk- zels van bedorve Herflenen, voor ware gefchiedeniilenaannamjen wanneer het tot ftaven der voordeelen in deKeirk tepaskwam,metalgemeengoedkeu- ten bewaarheede, beveftigde, enheyligde-, voorts dezelve afmalende, zoo zeldzame Duyvels en Geeften in gebruyk bragt, by St. Antmtsen anderen, zoo vele vreemde Wanfchepzels van Gehoornde, Gevlericte, en Geftaarte Gedrochten in de Kerkboekcn en Schilderyen plakte, ab 'br vreemde gril- len den Schilders invielen. Dit was dan .het zoo geroemde eenzaam leeven. Dit zoort van Woeftyniers, Eenlevers, Gemeenlevers, of Heremyten^ Mon- niken, Klooftergezellen, zette zig in Abyflinie,Egypte,op de Libanons en Carmelsbergen, of andere Hoolen, waar van zy Tr&glodyten genaamt wier* den, neder. Vrouwen, zoo wel als Mannen, hingen hier aan, de Ryk* ften wierden gevergt om hunlieder middelen > de verwanhoopten liepen 'er na toe uyt weerzin tegen den Menfchen, die hen gelukkiger gekent hadden * de Luyaarts om *t vuyge Bedelgemak, en de loozen, otn van die alle teaa- zea Immers de rechte oogwitten, om opgdtogen in God met Hemelfche be- ipie-
|
||||||
__...._
|
||||||
Van deConcilien en Tradition. L« Hoofdstuk. $$j
jfbiegelingen, zig zelf re overwinnen, de Wereld te ontkomen, en zig Go-
de toe te Heyligcn, (zoo dat nog a! te zamen de onnutte eenzaamheyd lean rechtveerdigen ) waren *er dun te vinden > gelyk men uyt de Brjeven van veelewakkereMannenvandie tyden,alsvan 'Paulas den Thebaner vaa Egypte, St. Antoniy Hilarion* en meer anderen ziet. By den Ouden was cen Gebouw, Hec atopy Ion genaamt, van ioo. Pylaren> waar mede 't q«- derfteimt was y draagende een £waar Paleys daar op. £. Zoo veele Ordens, onderfchragen ten minften het Roomfche Kerk-
geweld. Het tweede zoort dan van deze Byckorf is de zwerm van de KJoofterwe-
fpen, van allerhande Verwen, Baarden, en Kruynen, den Honing en het Wafch der Borgers en Boeren verteerende. Het derde de Geeftelyke Adel, Commandeurs, Ridders en diergelykeil*
Het vierde gehalveert zoort* Voormiddag Geeftelyk, Namiddag WV
reldlyk. Het vyfde ganfeh in de Wereld, nuar Klopbroers, Familiaren van d?
Inquifitie, Broederfchappen der H. Maagd, aer Jszuiten enz. Deze allc hebben echter eenige onderfchikking , Uvijren, Getydenr Ge-
zangen en Oeflfeningen. De zeven Kerkordens Ouren na des Koninglykeji Propheet Davids zeggen, die dat getal juyft noemty zeggende: dat hy %t- ytnmaal God Lot en Wank gezegt heeft over de Oordeelen van %yne Rechtveerdigheyd. 's Avpnds dan begint de Kerkdienfty en word de VES- PERTINE of 't Avond-Gebed genaamtj om dat Chriftus doenm^ate y% Paafchlam at, de Voeten wafshte, en 'f H. Avondm<*4 inftelde ? verbeeld door het Paafchlam in de SchoteL Het Middernachts-Uur toont Chriftus over de Beeke Kidron gaande? om te Bidden in zynen zwaraj ftryd* Dc Morgenftonds-Uur, Cajaphas Chriftus vragende e# dpemendej fen em Uure(naar de Palcftynfche Rekening) ziet men de Geeflejpaal5de Rpeden,. Rietftafyen Doornekroon* ten drie Uuren, Barrafras boven Cbriftws ge* ftelt, en vrygelaten^ten zes Uuren ChriftusKrujrsdragendey ten nej^nuW ren Geftorven, Opgeftaan, en 't Ryk des Duyvels omver geworpenj tege& de Avond-Uur van 't Kruys afgehaalt> de Morgen Uur, met de Haan van <Petrus. De Gezangen hier na; gelyk van de Lichten en Klokken , die Gewyd
moeten zyn. Nu deze zyn naar die der Joden en Heydenen geftneed. De eerfte Chriftenen klopten op hout, om dat hen zulks meer yt Lyden van Chriftus inboezemde> en dit is zelfs nog om zyne Oudheyd in Rome geble- ven, lang na de Vervolging,en niet by gebrek van Macht, van Metaal ge- goten zynde 5 wierd de eerfte groote Klok van Paus Jan XIII. voor St. Late- ransKerk, Gedoopt, Jan genaamt, en Gezegentmet allePlechtelykheyd. En deze Plichten wierden de KJok aanbevolen, God te JLoven, 't Yolk by cexx
|
||||
%6% De Hieroglyphen of MerkbeeldenJ
eente roepen, den Geeftelyken te waarfchuwen, den Doden te beklagen,
den Duyvel te verjagen, ende H. Dagen te ecren. De Klokken moeten de Kokordens-Uuren net waarnemen, als mcde de Engelen Groetenis aan Maria y op deze moet gezet worden,fFeeft Gegroet Maria, of 7 Woord is Vleefch geworden, om daar mede de booze Geeftente verjagen. ZooHeer- lyke dingen verrichtende , is nict zonder reden zoo memgen Twiftgefchil ontftaan, wie zulke mindere of meerdere Klokken in getaloFgrootheydmogt hebben* enluyen, ofniet .. * . De Dienft in de Kerken, tot Groeten en Buygen, Knielen en Aan-
bidden, is driederley> en daarom met drie Hoofden verbeeld, waar van de cene LATRIA, of meerals Slaaffche Buyging en Knieling, wil, Aanbid- dende als Goddelyk, alles wat God, den Zaligmaker en H. Geeft raakt. Deze draagt daarom voor zyne Borft onder zyn opgeflagen Gezicht ten He- mcl, de VERONICA, of Zweetdoek, waar op des Heylands eygen Aan- gezicht is afgedrukt, met Omtrek, Hayren, Doornekroon, en Verwen. De tweede HYPERDULIA, wat minder, dog ver boven Heyligen Eer, die daar naaft aan volgde, houdende de H. Maagd in zyne Armen. De derde DULIA, meer als Burgerlyke, en minder als by na Goddelyke eer, voor den Heyligen. Zoo als in't Mifboek geordineert word, welk hy op zyne Zyde draagt, nevens 5t Taternq/ler. Hy zit geknielt met een Standaart in de Hand, waar op de Heyligen, die gangbaar gehouden worden , en in hunlieder Guide Z,^«</^«gedruktzyn,ftaan. Hoe vreemder, voor de reft, hoe krachtiger> want dat het Volk minlr begrypt, achthet zelvehet alderhoogft. Chriflofel door de Zee, St. J oris met den Draak, St. Hubert met het Hert, St. Urfeimet nooo. Maagden, St.Tatricius in zyn Vagevuur,en alle die Heerlyke gefcheften uyt de Guide Legenden. Die van ae Wyzere Eeuw zyn door den Roomfchen, van anderen hier over befpot, fyn en verftanaig verdraayt, en tot Hieroglyphen of Merkbeelden gemaaktj gelyk ze mogelyk eerft zoo zyn nagelaten, en door te veel aandacht en verkeerde yver , opgevyzelt^, tot zodanige miflelyke Gefchiedeniflen voor de onnozele Vrouwen. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
EEN
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Van denKerkekBan.LT. Hoofostuk. 369
EEN EN VYFTIGSTE HOOFDSTUK.
Van den Kerken Ban.
* T~WOdanige Kerkelyken Ban is onder den Heydencn, maar byzon-
A. f^ der onder den Joden gebruykt geweeftj dog niet lichtveerdig- Jyk, nog zodanig , dat zy hunnen Gelootsgenoten en mede befnedenen gantfchelyk affneden het middel, om in hun Geloof te blyven, of dwon- gen by den Heydenen te wonen, en tot Afgodendienft te vervallen. Der Joden Ban dan is vierderley geweeft.De eertte was de afzonderinge van lemand, die uyt drie Legers, het Leger Gods,het Leger der Leviten,en het Leger der Stammen gebannen was. Zodanige aanzeg wierd door den Op- perften Priefter ter plaatze gedaan, alwaar *t kwaad voorviel, voor cenen tyd •, en daarom zietmen deze afzondering met zulken gewaad pronken. Dc Kechterhand wyft met den Vinger om hoog, verbeeldende den misflag te- gen God begaan te zyn. In de ligtfte Ban moeft een bezoedelde vier ellen lengte van anderen ar bJyven j waarom hy eene zoo langen Maatftok in de Linkerhand draagt, wyzende op dc Kaart vanlfraels Legerplaats, alwaar de drie Legers te vinden zyn, en ook den omkreyts der Woeftyne buyten de griften der Beeken , alwaar dc Melaatfchen zig moeften behelpen. Dc twcede was tot ter Dood toe by ftyfzinnige vol herding in *t booze, op dc zelvc afeondering. De dcrde, met uytgedane Lamplichten in de Rechter- hand, betekent de Verbanning met Steeniging; waarom ook het Doods- hoofd onder des Priefters Voet legt. De vierae was ter Dood , met uyt- fchrabben des Naams , en niet befhyden der Kinderen. Voorts alle VIoc- ken op 't Land, en in de Stad. Maar hoewel zomtyds God den Gelo- vigen zelf voor eene tyd onder den Heydenen deed wonen •, zoo heeft *t nochtans dezelve Godheyd goed gedacht, zyne Straffen niet tot de Zielen der zwakke Mifdadigers uyt te ftrekken > maar die te bewaren voor de gcvaren des Heydendoms. •D- De Roomsche Bant word vertoont door het Beeld van dcrt A-
poftel Tetrusy die de twee Slcutelen, van den Hcmel te fluyten en tc openen, in zyne Rechterhand houd, en in de Linker de Wereld heeft, die met zyn Kruys en Band aan die Sleutels is geketent-, welke te Bin- den en te Ontbinden, het werk van den Paus, en by afdaling der Prie- fteren, en byna aller Papen is. Aan dczes Apoftels Graf zit V-^. De Pausselyke Vloekban , uytgebecld door Theodtrus den
Paus in \ Jaar 648. tcgen "Pyrrhus^ Patriaj-h der Monothclyten. Uyt den Aaa Mond
|
|||||
.
|
|||||
2J0 DE HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
Mond van den Paus gaat eene Blixemftraal, met allerley Vloeken gemengt;
zodanig eene , als hy fchreef tegen dezen zynen Vyand op net Graf van St. Tieter, met fnkt5 in de welke hy het Bloed van Chriftus uyt den OfFerkelk had gemengt-, gelyk ook tegen Thafius^ die zigin de Kerk van Conftantinopelen had ingedrongen. Deze Blixemftraal gaat door de Sleutels van St. Tieter, door hem gevoerd, en fmyt Keyzcrs Kroonen, Vorftelyke Mutzen, en andere Waardigheden overhoop. De Boeken, te- gen zyne Heyligheyd gefchreven, doet deze Blixem branden, en werpt alles uyt de Pi Kerk 3 die hy door zyne Pauflelyke Rok en ontzach dekt. D Naar de maat der begane misflagen moeten deze verbanningenzwaar-
der verbeeld worden. Maar alle de zware konnen door den verbannen Bok, Az>az>el^ die in de Woeftyne gejaagt wierd, verftaan worden. Zodanig zou men ook eene geflachte Zog konnen doen zien voor eene Verbanning, welke de Romeynen namen tot een Voorbeeld van de ftraf der Goden , op de Verbondbreekers. JtU Hier zictmen een Model van den Kerkenban der oude Griekenen
Azianen. Men vertoont dezelve door eene ne£rflachtige Zondareile, in flordige Klederen, met Aflche gedekt, door den Priefter ophaarHoofdge- ftrooyt. Zy fnyt hare fchoone Lokken af, door de welke zy de Pollen verlokt heertj en bekrabt de Wangen en Lippen , op de welke de Lief- hebbers plegen te aazen. Zy is blootvoets , houdende eene Geeflel-ftaf, om haar zelve te tuchtigen , in de Hand, Belydenis doende van hare Misflagen openbaarlyk voor de ganfche Gemeente, aan den Huylhoekj alwaar de Priefter (haar opentlyk hebbende doen zeggen , als op een Kerk-toneel, buy ten de Kerken-deur, alle en ieder Zonae in het byzon- der) over haar leeft de zeven Boet-Pfalmen j tredende met zyne Voct een Hert, van Steen gemaakt. Deze (door haar zelve overtuygde) Zondaref- fe > moeft blyven buy ten den Offer-dienft, het Park der Gelovigen, en zelfs buy ten de Dopelingen, ja Leerlingcnj van verre maar naauwelyks mogende zien den Dienft tot hare weder-vereeniging toe. Voor die Kerk- deuren ftond afgefchildert de Naam der Verbanne, met eenige Duyvelt- jens rondom deszelfs Naam, fpouwende, krauwende en bytende op dien Naam ^ gelyk nog gefchied in de Roorafche Kerk-portaalen. Zoo iemand in den Ban is gedaan , zoo word zyn Naam met allerley Gefpenfen, en Duyvels omfchildert, die op de Letteren Vuurbraken van alle kancen, tot dat zy zig beter getoont hebbende , door Vaften, Traanen, Omme- gangen , Kerk-bezoekingen, en Aalmoeflen , behalven het Prieftergeld, genadelyk wederom op eene Paaffchen in-en te mets aangenomen wor- den. Deze dpenbare manier, van zyne Zonden voor 't ganfche Volkte be-
|
|||||
.
|
|||||
VandenKerkenBan.LI. Hoofdstuk. ^71
belyden, is naderhand door Neffarius verandert, (die kwanswys om dc
ergernis der Heydenen en Nieuwbekeerden te minderen) beter vond de by- zondcre Oorbiegt aan een alleen* met trappen geklommen tot de Priefterly- ke Oorbiegt. £*• Zodanige Boetvaardigheyd der uytgeworpenen is hier verbeeld door
een geplukt, haveloos en berooyt Jongman, die als de Verlore Zoon, in die engte gebracht is, dat hy alles opgeteert en verkwift hebbende, met de Verkens, die hy, hoedde, moet Draf eeten aan eene Trog in de Hey. Zulke Boetvaardigheyd heeft eene Spiegel in de Hand, om zigzelvete kennen, en daar uyt te merken het verval van zynen ftant> gelyk de Ver- lore Zoon deed, na zyn verkwifte Hoeren-geld. Even als de Zondaar zy- ne eyge grouwelen zig voor oogen ftellende, zyn verval uyt de Godde- lyke Genade kan zien, in de Spiegel der Wedergeboorte en Trekking des H. Geeftes, uyt welke hy tot de vuylnis der Zonden (in welkc hy zig ge- wentelt had J zig heeft gefmeten. Men ziet by die Boetvaardigheyd den Haan, die driemaal voor Tetrus krayende, hem zyne Verloochening herin- nerde, en tot bitter weenen en berouw bragt. Men ziet in zyne Borft een gebroken Hert, zoo als God van den Boetvaardigen eyfcht, in de plaats van Oflenbloed en Rammenvet Aan zyne zyde zietmen de fcherven van eene Schotel leggen, in welke nog Brood nog Vleefch is, nevens eene ledi- ge Beker, om zyn Vaften, en de tuchtiging van zyn Vleefch (dat door zyne dartelheyd zyn val heeft verhaaft, ) door zyne prikkelen te laten zien. VJ« Hier achter volgt een fchoon Jongman, die ons dient om het ware
berouw te doen kennen. Hy is jong en fchoon vertoont, met een fris Lyf, als een nieuw Menfch. Hy dankt God met Lofzangen, over zyne weder-gevonde Genade, tcrwyl de H. Geefl: aan hem den waren Hemel- weg wyft, om hem te doen inwohen in yt Ryk Gods in zyne Ziele. Een nieuw Hert en nieuwen Geeft leeft in zynen Boezem. Hy heeft afge- leyd zyne oude vodden van allerley begeerlykheden , en zyn nieuw wit Kleed aangedaan, ftaandemetde Voet in een Wafch-bekken, omtedoen zien , dat zyne Voeten gewalFchen zyn. Welke reyniging het voorbeeld der Zielzuyvering was, en van Chriftus ook voor 't uyterlyke zoo ge- bruykt word, met eene zamen-fchakeling van de vergifFenis der Zonden. In de Rechterhand ziet men zyne Vreae met God , door de Palmve6r, die hy draagt * gelyk ook de weder ingeroepenen plegen op de Hoogtyd alzoo in de Gemeenre te verfchynen, houdende in zyne Arm eene Bye- korf, het Merkteken der gedurige naarftigheyd van Goede Werken in de Gemeente. Dog zoo iemand de Relaffen of ten tweedemaal vervalle- ncn, en hunlieder berouw moet laten zien, zoo kan men de Boetvaardig- Aaa 2 v heyd
|
||||
r)tt De Hieroglyphen of Merkbeelden.
hcyd op de grond kruypende, vcrmagert, gegeeflelt, en met Steenen op
de Borft flaande doen zien, met een Varken of Hond ter zyden, die gewaflchen zynde wederkeert tot zynen drek , of gefpouwt hebbende tot zyn uytbraakzel. Buy ten deze Boetvaardigheden Ichieten 'er over twee of meer andere zoorten, van welke men in de Huychelarye en Schyn- deugd zal aanroeren , die (God betert!) meer als het ware Berouw tc vinden is. De hardnekkige vermetelheyd der Zondaren ,, kan men hier wel behandelen -, maar deze zal ook hare plaats wel vinden. Zy kan ftaan met eene opgeheve Hand tegen God , met de Ark van Noach achter haar, en de beginfielen der Zondvloed, of de Toren van Babel, die ver- donderd word -, of in andere Heydenfche gevallen , Niabe of diergely- ken. H. Maar de eerfte, hier overfchietende, is de oveFtuyging van het ge*
moed door Ka'in te zien, die na zyne Broedermoord,waar vanhy 'c Werk- tuyg in de Hand heeft, in plaats van Gods Aanfchyn te zoeken , om door allerley tranen , zuchten, Hertenberouw, en Zielverfinelting, daar zyne genezing te vinden , waar ze alleen te vinden was, verkcerdelyk den over al by zynden tracht te ontvlieden, niet willende, die wree- kende Hand, die hy vreefde, tot Heelfter hebben. Zoo vlucht hyinde woefte Rotzen, en ichrikt voor zyn eygen Schim. Dc laatfte Ban is die van de Apoftelen, die iemand,naa denLichamea
den Satan overgeven, op dat de Ziel behouden blyve. *• Uytgezondert in den Hoofdboofwigt Judas, een voorbeeld van wan-
hoop en overgave aan den Duyvel. Deze heeft hier zig zelven opgeknoopt en verwurgt aan eene dorre Boom, het ongerechtig Bloedgeld van zyn Ver- raad wech geworpen hebbende, als de nypende getuygen van zynen ver- raden en verkochten Meefter, Gods Zoon. De Darmen ftorten uyt zy- ne Buyk , gelyk zyne ingetrokke Beenen, verkrompe Handen* en ake- hge Kop vertonen , meer Duyvei als Menfch. Hy heeft het ware teken van eenen verfoeyelyken Boofwicht, van andere Menfchen gehaat, een Nachtuyl by zig -, die 't lichc hatende, zwaarmoedig blaaft en zuft, en van alle andere Vogels gepikt en geplukt word, zoo dra zy hem gewaar worden. Men zou dien zelven Judas ook konnen verbeelden , zig uyt wanho-
pe van den Tempelberg nederftortende y om dat Petrus Hand. I. 18. duy- delyk van hem getuygt, dat hy voorwaarts overgevallen zynde is mid- den opgehorften , ende alle zyne Ingewanden zyn uytgeftort. Welke woorden met het gemeen gevoelen , dat zig die Verrader zou hebben yerhangen , niet wel fchynen overeen te komen. De Geleerden, welke die vmt over vallen van Judas ftaande houden, verklaren het Griek* 1 fche |
||||
VandenKerkenBan.LL Hoofdstuk. J7|
fche woord k^y^alo by Matth. XXVII. f. door Hy heeft zig zelven
verdaan. Het welk eene algemeene uytdrukking van zyn rampzalig eyn- de is j en door <Petrus in de boven aangehaakle plaars nader verklaart wordt. Dog wy hebben liever in onzc verbeelding hcc algemeen gevoc- len wiilen volgca |
|||||||||
Aaa 3
|
|||||||||
TWEE
|
|||||||||
■
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
■
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
- - ........' t < '• ■ ■ J ■'■'■':'■■: '
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
!
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
*:. 3 ■ ■* '
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
-
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
'
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
■
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Van de Zev.en Sacramenten. LIL Hoofdstuk. 375
|
|||||||
TWEE EN VYFTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Zeven Sacramenten,
DE vermeerdering der Chriftenen, bracht Macht en Overvloed voor dc
Geeftelyken, en daar door wierd de Roomfche Stoel geftyft, wyl de kleyne Kerkendienaars, aan hunlieder mecrderen, en deze aan den Paus, van de byeenvergaderde zommen, hec aanzienelykfte deel moeften toezen- den* om daar door nog grooter Ampten te beklimmen. De Canones, lie- creten, en Regelen van dat Hof leerden, dat alle de Sloten, Burgten, Ste- den en Ryken waren de Erfgoederen van den Heere Jezus Chrijius. En Chriltus Friefterdom by den Paus, als Hoofd der Kerke, zynde, zoo be- hoordc alles aan hem toe •, want de Grondfteen van de Kerke was de Paus, die daar toe verftond, dat de Biflchoppen niet en waren de Dienaars, maar de Hoofden van de Kerk, en dat de Kerkelyke Goederen, niet alleen wa- ren de Leere des H. Euangeliums, 't H. Vuur van 5t Geloof,de Verachting van de Wereld, maar dat die niet min beftonden in de Pachten, Renten, Tienden, OfFerhanden, Zilver, Goud , en Juwelen. Waarom die Bif— fchoppen dan ook van het Prediken afftapten, en maar tot eenige weynige groote zaken zig zelven verledigden, by voorbeeld, Kerken Inwyen, fclok- ken Doopen, Vormflel geven, 't Heyligen der Altaren, Zegenen der Man- tels, Kleeden, Beelden, en Schilderyen^ of die uytftaken in Verftand, aan de Hoven der Koningen meefter fpeelen, de Koninginnen Weduwen op- wachten, en innemen \ de Vorftendommen onder een verwarren, tegen een doen kanten, Hemel en Aarde bewegen om al het Wereldlyke onder de Macht van Romen te doen bukkenj ja eyndelyk zelfs Vorften en Keurvor- ften des Ryks wierden, om de H. Stoel en zig zelven beter te dienen. Hier van kwamen al die gezochte Kerkdienften •> de Sacramenten wierden van twee tot meerder, en eyndelyk tot Zeven gemaakt. Waar by nog veele de Zalving der Koningen voor 't achtfte houden * en eyndelyk vele Sacramente- le dienften en zaaken, als Wywater, Zegenbrood en diergelyke aanhechten. Sacrament is een woordvan denZoldaten ontlcent, dat den Inrol-eed bete- kent s in 't Kerkelyke een zichtbaar Teeken van een Onzichtbaar Genaden- Verbond*, by veelen niet alleen betekenende , maar ook Heyligmakende, als de oorzaak, en het Merk der Genade aangenomen. A- -
• Het eerfte is de Doop , die hier bedient en verbeek word door een Kind, eeven geboren, waar op in of boven het Doopvat door den BifTchop Water gefproeyt word (dat men by verloop van tyd, van koftelyke Stee- nen, Metaal, j a Zilver maakte.) Het Doopbekken ftond eertyds buyten de
|
|||||||
,
|
|||||||
■
|
|||||||
$j6 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
dc Kerk, om te bewyzendat door den Doop de Menfchen eerft, en niet
eerder tot de Kerk behoorden. Op dit Doop vat ziet men den H. Joannes % Jezus Dopende, Zeebladeren en Riet op de Voet, en daar op verbeeld Chriftus uyt zyn Graf opftaandc. Die Doopkuyp moeft op eene hooge voet ftaan, in een holrond, waar in men moeft neertreden, om te voldoen de gelykenis, als of men met Chriftus in den Doopbegraven was, en daar uyt opftond. Dit Doopwatcr word cerft Geheyligt. De Gevader ne£rgetreden houd het Kind op dat Doopvat. Deze moet niet de Vader zyn, om te be- tekenen, dat geenzins deze Geeftelyke Geboorte met de Vleefchelyke is te vermengen. Dan ontfangt het Kind zyn Naam, onder de Naam van GOD, DEN VADER, ZOON, EN H. GEEST. Het Teekenen en Zalven op 't Voorhooft, beteekent den byftand des H. Geeftes, in den ftryd, te- §en de Vyanden, den Duyvel enz. en het teeken des Kruyfles, tot verbeel*
ing van het Kruys, het welk zy draagen zullen, Dan worden Neus en Oorgaten door 's Pricfters Vingeren met fpog geraaktj 't Zout word in dc Mond geftreeken, om te betekenen, dat de Wysheyd fmaak by hen moet vinden. Deze Doop, gelyk voor is getoont, wierd in de eerfte tyden, on- verfchillig in Rivieren, Meyren, Vyvers en elders gedaan, daar ze tot Ja- ren gekomen zynde, naakt, zomtyds eens, zomtyds meermaal zig zelven Indompelden. Ja Vrouwen tuflchende Mannen in, om te betekenen door haarlieder naaktheyd dat ook Chriftus naakt geleeden had. Hier op volgt D* Het Vormzel, als een Sacrament of Teeken van hope, het welk
in de Nek gefchied en op andere plaatzen. Men ziet hier een Vormeling Gcdoopt op de Knien leggen, dien de Duyve, als de H. Geeft alzoo door de Zalving ingewreven word. DezeZalving vlak na den Doop, betekent, dat de Gedoopte door *t Vormzel, deel heeft in 't Koningryk van Chriftus. Zoo dit aan Kinderen gedaan word, zoo moeten de Gevader of Peeters ant- woorden$ maar zoo 't aan Bejaarden Onderwyzelingen gedaan word, zoo moeten zy zelfs antwoorden, met Wafchkaarflen, om haar nieuw Licht tc doen fchynen, in de Hand, Belydenis doende van haar Geloof. Voor al- le deze Zalvingen, moet de Huyd en 't Hoofd met fchoone witte Doeken, die men 'er by ziet leggen, wel fchoon gewreven worden , op dat deze H. Zalving niet op Onreynen mogt vallen. Op de Voorgrond ziet men de ver- jaarde of verouderdc Zalf verbranden, terwyl de nieuwe in de Vies ftaat. De Beurs om daar voor te betalen, en de Aalmoeflen te vertoonen , legt voor zyne Knien. Maar om deze Geeftelyke Zalving wel te doen geheu- gen, ziet men den Biflchop aan de Gevormde Dochter (die een Agnus *L)e? van Paafch-Waskaarflen om den Hals moeft hebben) eene zachteKin- nebakflag geven, om ook met een de verachting, den Heere Chriftus aan- gedaan, te verbeeldea Om
|
|||||
•
|
|||||
Van de Zeven Sacramenten. LI I, Hoofdstuk $jj
Om dat die geene, die ten Stryde gaan, Voedzel van noden hebben, ziet
men hier C.
. De Mis, welke van veele zoorten is-, en in welke de Roomfche Kerk wil, dat Chriftus Vleefch en Bloed aan den Strydenden Chriften
word omgedeelt, verbeeld door eenen Priefter, die op zyn naar den Hemel gekeert Hoofdheeft het teeken der Gezondheyd, de Vyfhoek der Medicy- nenj maar met deze f. Letters, H. E. E. C. M. HOC ENIM EST COR- PUS MEUMj Want dit is myn Lichaam. Voorts fchynt hy Geeftelyk te werken meteenHemelftraalop zyne Borft, waar op hy ilaat,houdendetege- lyk als in de Hand een Lichaam van Chriftus, Jt welk van de Zelfftandig- heyd van Brood tot Vleefch en Bloed, als eenLichaamptjegedurigvergroo- tende met het Mifbrood, of de Ouwel van OfFerhande daar boven op gete- kent, metdevyfWonden, en alzoo de TRANSSUBSTANTIATIEver- tonende. (Daar is nog eene CONSUBSTANTIATIE uytgevonden, om ditHer-
vormt Heyligdom in zyne eer te bewaren,ofbygevaldenOfferendePriefter, Dronken, Godslafterlyk, of anders onordentelyk, het Goddelyke fcheen te ontheyligen, of zoo de Ontfanger ook diergelyk was in de Miscommume.) En om eene zonderlinge kracht van deze Mifdienft te meer te toonen,
reykt hy zyne Hand aan eenen Gepynigden in 't Vagevuur, dien hy met Zielmiflen meent te redden uyt de fmercen, die eenige nu volgens hun ge- voelen, al lyden* waar van ook zoo uytftekende voordelen opoverfchieten, dat men de Offerkaflen met Goud en Juweelen, zoo wel als de Beekers, Kandelaars, Kleederen, Schoteltjes, en Schellen ziet flikkeren. De Ciborie of Offerkas is hier met het Kruys getopt, door Cherubynen gedekt, door de vier Evangeliften onderfteunt, met geftadig licht van Wafchkaarflen be- fcheenen, en met Bloemfeftoenen, Schildery, en Beeldhouwkonft verheer- lyktj op eene Tafel van veele prachtige Dekkleeden, metalle Buygingenen Bewegingen, Gezangen en Reukwerken tot den Hemel toe Vergood. Maar wyl het dikmaals gebeurt, dat de Krygsman te kort fchiet, of ge-
wond word \ zoo is het aanklagen en vernederen over de zonden f de won- den des ftrydenden Chriftens) hier op volgende^ het welk eertyds voor de ganfche Vergadering gefchieddej de Zondaar openbaar voor de Gemeente belydende. Maar door Neffarius te Conftantinopelen is eerft ingevoertvoor de Boetvaardigheyd, D. De Oorbiegt. De Boetvaardigheyd heeft de Geeflel, om zig zel-
vc te Tuchtigen, in de Hand. Zy verbergt haar Aangezicht uyt fchaamte, en om te Biechten, houdende de Beurs open tot eene Aalmoes en betaling van den Biechtvaderj die de Oorbiecht horende, in eene Biechtftoel zit, als een oud Man met een Patersmuts op 't Hoofd, een Neusdoek voor de Bbb v Oo-
|
||||||||
-
........
|
||||||||
...
|
|||||||||
■
|
|||||||||
378 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
Oogen houdende, en daar medc zig zelven dekkende voor de Traliefchuyf.
Zyn Oor ziet men open, om te hooren ^ maar de Mond met een floe toe- fefloten, om te zwygen. Om het welk kragtiger te betekenen hy in zyne
land houd eene Endvogel, wiens toegenepe Gorgel en Hals, het kwakken en gerucht maken belet. Zyn ABSULVO , Ik vergeeve het u, ftaat voor in de Gevel van de Biechtftoel> voor welke alle Purpere Tabbaarden, alle Krygsgeweeren, Schoonheden, en Kroonen moeten knielen. De Pric- fter maakt los de Knopen, die zelfs door Engelen niet te ontbinden zyn, veerdiger als de Macedonifche Zabel de Gordtaanjche Knoop in ftukken hieuw. Met zulken nadrukkelyken Eertytel, dat gelyk te voren God, door een woord het Worden, zoo maakt een Abfolvo los , alle Netten over de Ziel, alwaren ze met Hemelfche boejens vaft gekluyftert. Maar dewyl *er geen zwaarder ftryd en ontftaat, als dan, wanneer men
van de Doodziekte afgemat, moet uyt dit Leeven verhuyzen, komt defter- vende te hulp, *i- Het Laatste Olyzel, verbeeld door eene zieke Vrouw, die in
de Armen van de Dood, door een wcrkelyk Geraamte uytgebeeld, eeknc- velt is, God belydende, en in zynen H. Naam zweerende, aan welke de Oogen, Ooren, Neus, Mond, Handen, Voeten,en anderedeelen,door, en in welke zy gezondigt heeft,door den Priefter gezalft worden, het Scho- teltjen in de Hand houdende, en hebbende aan zyne Voeten een Wywater- vat en Wykwaft, om door 't befproejen van dat gezegende Water ae Duy- velen, op des zieken Ziel loerende, te verjagen. r. Deze ftrydende Chriftenen moeten met goede fchikking beftiert wor-
den, waar toe dan het Sackament van Order is gevonden, gegrond op de Zending van de Apoftelen door de overgave van den H. Geeft, uyt den Mond des Zaligmakersj verbeeld door't zienelyk Hoofd, den Paus, uyt- blazende uyt zynen Mond den H. Geeft op zyne Geordenden. Zyn Kleed draagt daarom de beftraalde Duyve voor op, die een Cardinaalshoed in zy- ne Schoot heeft, met de Rechterhand aan den BifTchop, de H. Schrift en de nagelate Traditien of Overleveringen voorhoud, met de Linker de Op- legging der Handen vertoont. Zoo ftaat onder den Paus een Cardinaal en Biflchop. Aan de purpere Hoed en Mantel by de Drie-kruys-ftang merkt- men den Cardinaal Aan de Hoed, Staf, Mantel en Boek den BifTchop. Onder die volgen in rang de Diaken, met deSchotel en Beker, tot dtn Dienft kennelyk. Onder die de Onderdiaken, met de leege Beeker, Hand- en Uytwifchdoek. Onder die de Acoluthus^ of Lichtopfteker, die eene Waskaars, de Opfteeker en de leege Wynkan van den Aartsdiaken ont- fangt, De Exorcijt, of 'Duyvelbander, heeft: een Bezweeringboek in de Linker> en vlammend Zwaard in de andere Hand, waar boven een Duy- \ vels |
|||||||||
.... _ _. -■ ■
|
|||||||||
■
|
|||||||||
Van de Zeven Sacramenten. LII. Hooofdstuk. 379
vcls Figuurtje, als wechgejaagt, te zien is. De Leezer ontfangt de Schrift
om te leezen van den Biilchop. De Deurwachter ontfangt, op 't verzoek van den Opperdiaken, de Sleutels. DeZanger, of Pfalmiil het Litanie-oi ander H. Muzykboek, zonder kennis van den Biflchop, alleen van den Opperdiaken. En by deze trappen gaan de mindere Kerkbedienden af van de hoogfte
trappen, op welker top zyne Heyligheyt zelf zit. Van dezen moeten dic9 dewelke na den Onderdiaken volgen, het H. Altaar niet raaken. Uyt goe- de en eenvoudige meeningen komen hier by Diaconeflen , QueftoreJJen of Geldgaderfters in de Kerken, Vercierfters, en Opfchikfters der Heyligenefli Altaren, Reukwerk-OfFeraars, met een oneyndig getal der goede Brengers van Wafchkaarflen, koftelyke Lampen en andere prachtj * die waarlyk ma- ken, dat in de Roomfche Landen, de Kerken en Kloofters overheerlyk, maar de Borgers Huyzen, en Boere Hutten, flegt en arm zyn> daar in te- gendeel onder den Hervormden, de Kooplieden, Borgers, en BoerenHuy- zen j van Rykdommen en Huysraden overvloejen, en dc Kerken maar ma- telyk, of flegt zyn. Waar van men een ding kan voor oogen houden, na- mentlyk de uytrekening der Kerken en Kapellen in Vrankryk, redelyknaauw gereekent, verflinden ioooooo. Guldens aan Wafchkaarflen in een Jaar. Om nu het nut en nodig te kennen, behoeft men maar na te zien , hoe menig hondert ponden van die verkogt worden, en tot ander gebruyk wech raaken j gelyk ik ze by menigte heb zien verkopen. ' Door alle deze nieuwe vonden, is der Chriftenen Godsdienft, die in CV-
remonien> als de Mozaifche Wet had op den Joden geladen, veel meer als de Joodfche zelver beladen, gebonden, en belemmert. Zynde de Room- fche Chriftenen meer gedwongen te leeven naar de Regeling der Canons,of Pauflelyke en Kerkelyke Befluyten, als naar de Geboden van het eenvoudig Nieuw Verbond van Chriftus. G. Het zevende en laatfte Sacrament is het Huwelyk , hier ver-
beeld door een jong Man, die in de Linkerhand zyne Trouwring heeft, en zyne Rechter fluyt in die van zyneLieffte Bruyd j dit onderling Verbond be- zeegelend met een Kuyfche en H. Kus, van Verbintenis in Trouw enDeugd tot de Dood van een van beyden. Men ziettufTchen hen beyde den inkomende Priefter, die zyne Kruys-
ftoole legt als met een Kruys over den armen van hun beyden. Voor hare Voeten moetleggen een gebroken Glas, zoo wel als by den Joden eertyds, nu 00k by veele Chriftenen in Griekenland, by den Maroniten en Cophten in gebruykj om te vertoonen, dat zoo weynig, als dat door den Priefter aan ftukken gefmeeten Glas kan geheelt worden,zoo weynig ook dicHuwelyks- band kan worden verbroken. Bbb 1 DRIE
|
||||
_. ■- . - ■ - '
|
|||||||
.■:■'.;""
|
|||||
Van de Roomsche Verkeerde Yver. LIII. H. i$t
DRIE EN VYFTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Roomfchen Verkeerde Tver. DE onverftandigc Yvcr om God te diencn heeft allc deze H. Kerkbe-
zoekingcn, Bedevaarten, H. Dagen, en andere Vindingen ingeftelt, en dagelykfch vermeerdert, door de Beveelen en Befluyten der H. Vaders, de Pauzen> die voornamentlyk acht gaven, op den aanwafch van hunlieder aanzien, vermogen, enRykdomj daar nochtans de willekeurcn van Gods- dienft, volgens Gods bevelen, en niet naar eygen goeddunken, nog naar de Overleveringen van Menfchen, uyt de Goddelyke Waarheden y ons na- gelaten, moeten gehaalt worden. Deze dienften noemtmen zomtyds O- vertoUigey andere Verdienftige werken voor andercn > van de welke de handel niet onvoordelig en is. *T wech gcven van goederen, 't Vaften, Geeflelen, H. Tochten, zig tc ontmannen, om kuyfchte leven, is op ce- nige plaatzen verdienftelyk, op andere geboden. A. De Groote Vasten> die onder de Plichtwerken is, en zonder
Zonde niet naeelatenmag worden j hoewelmenindemeefte Plaatzen, met de vryheyd van Vleefch eeten handel dryft, waar van ik de Vrybrief jens, voor een of twee Kroonen> in Vrankryk, Italie en Duytfchland betaalt heb. De- ze is als een ftcrk Man verbeeld, die echter rank is, om dat Kinderen, Vrouwen, Ouden en Zieken vrygelaten worden, met befcheydentheyd. Hy is gedekt met eene Kemelshayre Huyd, hebbende zyn begin van Aartsya- ders, Elias, Joannes, ja Chriftus in de afgezonderde Plaatzen -y waarom deze in eens Zienders Kemelshayre Kleed gezien word. Op zyn veracht Hoofddekzel ftaan vier X. zynde 't getal van 40. Dagen, die na veel Kerk- gefchil, dus en zoo de Tydenen Dagen gefchift zynde, vaft gefteltzynge- bleven. Zyne Mond is hem toegebonden met eene Koopere Band, waar op Zilvere Sterren ftaan, op donkerblaauwegrondj om tebetekenen, dat de Vaften zoo pleeg gehouden te worden, datze geene Tafel voor 't op- gaan der Sterren dekten. Met zyne Rechterhand verwerpt hy de uytfpo- rigfte dolheyd der Vaftenavond-vreugd, het Momaanzicht, en de Narren- kap, en treed in zyne plicht op den Afchdag, waar van hy het Afchkruys voor zyn Voorhoofd draagd, ongehavend van Hayr en Baard. Zyne Mid- delgordel heeft Bellen aan, om de gril van den Graafvan half Vaften te vertonen-, maar daar aan hangt 00k een Kloksken der Getyden, en eene Geeflel van Boete. Hy heeft eene Palmve&r in de Hand van Latare> van Palmzondagj draagt een zwaar Kruys Vrydag en Zaturdag in de Goedc iWeek, en houd eene Schuyf-lantaarn aan eene Koord, van de donkere Bbb 3 Met-
|
|||||
381 De Hieroglyphen of Merkbeelden-
Mctten. Hy treed eyndigende met Chriftus uyt het Graf, om zyn Paafch-
kleed aan te doen, en luftig en ruftig zyne fchade te verhalen, aandeHam- men, Lamsbouten, en Wynglazen, die 200 lang aan kant moeften. ■D. Van de Overtolligc Werkcn,qn derzelver loon,den dienft vanande*
ren, zelfs afgeftorvenen, zietmen hier de milde Hand voor de Kerk, eenc Vrouw als eene Koningin opgezet, met eene Vorftelykc Kroon op haar Hoofd, om dat die veel gevenzal, veel hebben moec * dewyl tot deze Deugd het Weduwe Otferpenningsken weynig klinkt. Zy draagt eene rykelykc Mantel, en voile Borften, aan ecn welgevocd vet Lyf, houdende in de ee- ne Hand eene Goude Schaal, met wdk dejuffcrtjes (by den Franfchen Gue* teufes bedelaarftertjes, genaamt,) omgaan om de ryke Aalmoeflen te vcrza- melen, en in de andere eene Laatfte Wil, Tefiament, of Codicil, haar af- gepracht voor Kloofters en Kerken, om zoo heerlyke Giftbrieven, Renten by de Engelen te vinden, maarniet als eene DONATIO INTER VIVOS, (Gift onder den Levenden,) ncen3 dat is den Rechten eygen, daar fchen- ken Leevende* daar hier in tegendcel de Kerkelyke bedacht hebben eene DONATIO INTER MORTUOS, (Gifte onder den <Dooden) want de- ze Vrouw fchenkt, als zy Dood zal zyn, hare goederen aan Dooden, om zoo veele Zielmiflen voor den afgeftorvenen te doen * daar de Levende Offe- raars niet kwalyk by en varen. Deze Schenkbrieven leggen op eene Tronk, of Kerkkift, en men ziet daar by ftaan een Hoorn van Overvloed, waar uyt de Tienden van Koorn, Pachthoven, Wynbergen, en andere vafte goede- ren fpruyten. Voorts hceftze eene welgelade Buydel op hare Buyk hangen, om gereed Geld, en Juweelen rykelyk uyt te deelen, aan die ernftiee Pre- velaars, die haar voor en op 't fterven bang maken, de Zonden uytpluyzen- de, om te fterker afgang van de BULLA SACRA te krygen. Zy beloven daar voor de Gebeden-kracht, C;. Eene naare bleeke KLOP-zusTER,die met een Choordekzel o-
verhangen, hare Handen zamen gekoppelt houd, het Hoofd op zyde laat
hangen, hard zucht, onbekende murmelingen rabbcld,en deOogengantfeh verdraayt houd. Zy houd een groot Kruys in de Armen , en 't Anker van de vertrooftende Hope toonende aan den Geever, eet zy menigtc Pater- nofters op. Voor haar legt D. De Waak-plicht, die Monnikskap, dragende de Schellen, en
latende de Klokken klinken van den Avond tot den Morgen, verfchcyden Uuren op den Dag. De Lamp, by de welke hy in zyn Cellcken moct Ge- tyden lezen, ftaat voor zyne Voeten. Achter deze word |
|||||||||||
E.
|
|||||||||||
Zielmis gedaan, volgcns de Jeruzalemfche Liturgie , dcwclke ,
gc-
|
|||||||||||
-
|
1
|
||||||||||
Van de Roomsche Verkeerde Yver. LIIL H. %$£
gclyk de Roomfche, en eene Ethiopifche, en Armcnifche alle, de dienften
voor den Dooden aanbevelen. *T geen niet is te verwonderen, dewyl zulks den Dood&i geen kwaad, en den Levenden Offeraars veel goed kan doen. De Zielmis is dan door den Dienft beft vertoont, met al zyn Kerkelyk toe- ftel, en Priefterlyke Gewaden. REQUIEM. (Ruft) en REFRIGERiUM (Verkoeling.) wenfcht haar de Offerpriefter, die niet eenmaal 'sJaarSjtnaar aagelykfch die Offerhande op zyn Altaar doet -, voor de welke Chriftus een- maal voldaan had, aan ft Kruys zig zelven ofFerendc. Dufdanige vreemde toeftel, met de intr£e, KYR1E ELEYSON, GLORIA IN EXCELSIS, veelerley Gebeden, Lezers, Zangers, en andere plichten, ftuypen, buy- gen, opheffen, neSrzetten, prevelen, Misbrood in de Wyn, Kus des Vrc- des, AGNUS DEI, makingen van eene EUCHARIST1E, mening, ze- gening, en wechzctting, onderzangen tegenzang, fchellen en bellen, wie- rooken en wyen, worden tot dezen Dienft vereyfcht> daar nochtans het Voorbeeld en Model zoo eenvoudig is geweeft, als men nog in het alder- oudftc Marmer te Romen kan zien, en zoo my verzekert is, op meerPlaat- 2cn, in More a en Egypt e^ gelyk hier na gevolgt is. £• DesHeeren Avondmaal, gehouden in eene Opperzaleymet ee-
ne Tafel in Jt vierkant gedekt, zodanig,dat in de Middelfchotel deHanden der Eetenden konden te zamen komen -, met vier Ruft-of Aanleg-Beddekens, mar de Romeynfche manier. Want 'Pompejus , Talefttna overmeeftert hebbende, heeft die gewoontens, danks of ondanks, doen aannemen. De Heyland Jezus Chrijtus legt op de achtbaarfte en voorfte zyde, met zynen cerften Lieveling Joannes naaft hem $ voorts aan alien zyden, des Heeren Leerlingen. Het Wafchvat, in welk de Zaligmaker hunlieder Voeten had gewaffchen, de Droogdoek, en, wylze blootvoets aan Tafel zaten,dePan- tofFels of Schoenen, leggen daar by. Zy zyn alle met een Diskleed omhan- gen. De Lamp zietmen boven de Tafel branden, en dat is al de toeftel > veel verfchillenae van alle de omftandigheden, die naderhand ingevoert zyn. Wanneer de Zielen (van nicmand genoeg begrepen) aan 't Voordeel, en
Staatkunde van *t Priefterampt, zelf der Heydencn, onderworpen wierden, veranderden dezelve in fchaduwen-of Poppen-maakzels. Plaatzelykheyd moetende hebben, vond men ook, datze plaats van noden hadden. De Schoolgeleerdheyd, en de naamzucht van wat nieuws bedacht te hebben 9 fchafte wat nieuws van tyd tot tyd, door welke de H. Winkel vergroot wierd, en de Heyligen haar wafch kregen. Die plaatzen waren door den Dichters lang ontworpen, en echter in zulk eene ruymte niet in 'tOud Ver- bond bekent, dat *er eene aanzienelyke, ja groter menigte Sadduceen was, die de Onfterffelykheyd der Zielen loochende, als der Pharizeen, dieze vaft- ftelden. De Chriftenen hebben daar van meerder licht ontfangen , maar ook ontwyfelbaar veel op rekening van Duyveleu, Engelen, Geeften en
|
||||
""--- -;V"^""1- ■-*•- ■-.-..- vj^r
|
|||||
3S4 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
en Zielen gezet. De gaauwfte Mannen, die gene Monnikentaal en fpra-
ken, ontzagen zig lang tegen dien loop te verzetten. Maar die Geeften,
door de fnelfte Grieken en Romeynen wel ontdekt, en befchimpt, in de
God-en DuyveMpraken ten toon te zettenj die hebben maar eeven zoo ge-
hardebold, met hare Eeuwen, als men nu zoude doen met de onze. De
goede Roomfchen hebben zoo net de Geeftlanden ontdekt, of zy 3er Kaar-
ten van hadden, en in dat onbewoont Geweft veelderley verblyven, van
minder of meerder uytgeftrektheyd gevonden. Eerftelyk het diepfte der
Hel, aan 't Middelpunt der Wereld, de Strafzetel der Opperfte geboeyde
Duyvelen, en Hoofd-zondaarsj de Hel voor den Duyvelen en Dood-zon-
daars j een Meergloed brandende met Ecuwig Vuur en Zwavel 5 de tweede
Dood zonder fterven; onuytbluflchelyke Vlam van de Eeuwige Rampzalig-
heyd. Voorts de Boot der H. Vaderen, leeg gemaakt Vrydag en Zatur-
dag, wanneer Chriftus na zyn fterven terHelle daaldej het Bootje der On-
gedoopte Kinderenj het Voorburg der Hellej yt groot Vagevuur* en t.*Pa~
tricius Vagevuur. De Hel te verbeelden is aan de vinding vry. De Hey-
denen hebben hunne Hel * de Chrifteneri en Turken elk de hare. Hier heb
ik maar getoont, *t geene men den Lichtgelovigen voorprate, door.
zulke onbefchaamde Monden , die ftoutelyk zeyden daar in geweeft te
zyn.
G. Men ziet hier dan een Oud Zondaar, met de Hoofdhayren vol
vlammen j wanhopig en in de uyterfte pynen vertoont in de Helfche vlam- men, met de Oude Slang zelfs in de vlam, zonder fchrooken of verbran- den. Die heeft de Erfzonde, den Appel der verleyding in de Bek , met minder Slangen, die hem 't Hert knagen, om *t Lyf geflingert. Dit Hert brand met oneyndig Vuur. De laagte der donkere Rots verbeeld de diepte des Afgronds, waar in hy verzonken legt. H. Hier boven ziet men 't Vagevuur, uytgebeeld door eene zwaar ly-
dende Vrouw, als eene Ziel, daarechter de verlo fling voor open ftaat. Zy moet een zwaarder Vuur, als hier op de Wereld is, doorftaan. Maar de- ze Ziel in 't Vagevuur ziet beklagelyk om naar de Verdienften, die voor haar gedaan worden, de Miflen, Gebeden, en Aalmoeflen* zoo in den Aflaat- gever Aanzienlykheyd, in de oorzaak Godvruchtigheyd, en in de verwer- ver Liefde genoeg is. Zy heeft eene Smeltkroes , waar in het Goud gelou- tert word, in hare eene Hand, om te bewyzen, dat haar dit Vuur tot eene zuyvering ftrekt> op eene Roofter of gloeyende Traliebrug zittende, daar de Helfche Vuurftralen door fpelen. Zy fteekc erbarmelyk, naa hulp, verkoe- ling en ruft fnakkende, hare Hand om hoog, die geklonken is aan eene zware Keten, vaftgehouclen door den Ouden Draak,die de Ziel in zyn ge- weld
|
|||||
Van de Roomsche Verkeerde Yver. LIII. H. 385
weld wil houden, ftrydende otn dezelve, als om het Lyf van Mazes, tc~
gen den Aarts-Engel Michael te betwiften, en daar tegen te ftryden. !• Deze ftryd is de verbeelding van de Vagevuurs-tyd, tuflchen het fter-
ven> lyden, en verloft te worden. Men ziethier dien Engel, met zeveto flikkerende Sterren op zyn Helm, metVleugelen van een der Cherubim. Op zyn Schild ziet mende Goude Naam van CHRISTUS, (die alleen door zyn Lyden de Zielen bevryd, en overwinnende , den Ouden Draak gekluyftert heeft,) affchitterendc op het Kriftal, beerlyk pralen. Zyne Lans doorboort den Ouden Draak zyne alverflindende Strot, en doet hem vergeefs de Ziel- boeyen in zyne opgefparde Muyl vatten. Om dat evenwel de zuchtendc Zielen hare trooft zouden verkrygen, zoo is 'er, tot dienftengeryf dergoe- de Priefteren, eenenetteLyft opgemaakt, van die Heyligen, welker Voor- fpraak en Middeiaarfchap men in den Hemel gebruyken moet. Deze vind- men in het Breviariumy of beknopte Kerkdienftboek verbeeld, door K. Een Kind van een Jaar, om dat de Breviarien alle Jaren vernieuwt
worden. Dit Jongsken braveert metde Pauftelyke Kroon, hebbende in zy- ne eene Hand Tegenzangen, Canonique Uuren, vergaderde Beeden, Ca- pitulen, Lofzangen, Antwoorden, Te 'Deum Laudamus^ en andere in- ftellingen. Waarom eene Harp en Snarenfpel onder de Bullen en Verze- kerfchriften da: Trotonotariffen (Opper-gerechts-fchryvers des Pauflelyken Stoels,) leggen, die 't Leven der Martelaars of nieuwe Heyligen bondig maken. Met de andere Hand zet deze Engel-jongen de Eeuwigheyd om het Borftftuk van eenen Gecanonizeerden Heylig , en fchenkt hem een fchynflel, wat minder als de hoofdftraal van Chriftus, om zyne Geheyligde Kruyn. *-*• Ter zyden van hem af zietmen de Vergoding der Heydenfche Key-
zers, zoo als die op veele Penningen der Romeynen te zien is j alwaar op eene hooge Stapel of Houtmyt, veele Zolderingen allengs Grafnaaldig op- klimmende, des overleden Keyzers Voorzaten, Bloedvrienden en Daden vertoont wierden. Daar boven 't Lyk, dat met alle de praal verbrand moeft worden, en alom met allerley welriekende Kruyden en koftelyke Praalvaten de Lucht vervulde $ en eyndelyk 't hoogfte verdek, waar uyt men een A- rend liet vliegen, die de rook en vlammen mydende, en los gelaten, naar zyne aangeboore gewoonte recht om hoog vloog, om de Ziel van den doo- den Held na Jupiter op te voeren, en als een Gefternte te doen tintelen aan 't blaauw Gewelf> wanneer men zeer licht > hier of elders in die ontel- baarheyd, eene nieuwe Ster vond, die met des Helds naam onderfcheyden, Zeegenen en Wonderen beloofde. Dus zietmen het vergoden of de Cenfe- cratie der H. Mannen door 't Breviarium. Maar wel ongelukkige Gedach- Ccc ten.
|
|||||
-
|
|||||
"
|
||||||||||||
2%6 DE HlEROGLYPBEN OF *MERKBEE LDEN.
ten, in welke zoo cen Heylig gemaakt word, om de overmatige koften, die
dit verheyligen na zig flcepc, tot laft der nagcbleve Vrienden. M. Den Triumph der Heyligen zietmen hier boven verbeeld , naar ecn
Steenwerk in cene Kerk door my nagetekent, alwaar het Lam Gods ftond op eene vafte Steenrots van zyne Kerk. Voor dit Lam ftond een Beker, waar in hec Bloed uyt de Borft des Lams vloot* en zoo gutfte het Bloeduyt vier Voeten , met vier Stroomen tot eene Beek , om die Rots , waar van voort affchictende eene Vloed, in welke de nieuwe Heyligen haar lange witte Klederen wieflchen} in welk Lams Bloed fneeuw-wit geworden zyn- de, dienenze die Heyligen tot haar Bruylofcs-kleed by het Lam, om by het zelve te zitten op de verheeve Stoelen, die men voor den Ouderlingen om de Goddelyke Throon heeft gezet, om waar te nemen de zake der Vager vuurs Zielen; voor welke hunlieder tuflchenfpraak (op de Titul van Suffra- gium) tot voorfpraak gebruykt word, tot haar verlolling uyt de pynen der vlammenj waar van uytgefloten bleven, die in Doodzonde ftorven, en wil- lens de laatfte dienften verzuymden, of onder den verfchrikkelyken Ban la- gen. |
||||||||||||
VIER
|
||||||||||||
.
|
||||||||||||
___
|
||||||||||||
Vande H. by den Roomschen Vehbeeld. LIV. H. 387
|
||||||||||
VIEREN VYFTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Heyligen by den Roomfchen Verbeeld.
DE zwakheyd der Menfchen, die veel weten, is te groot, om dat Zj
alles hare bevatting willen onderwerpen j die van flegten is grover, van geen begrip te konnen maken, als met ftoffelyke Beelden. *T is waar, dat de Alderwyften in 't fprceken en hooren moeten Beelden vormen , en bezwaarlyk ganfch buy ten eenige Lichamelyke verbeelding konnen blyven* waar van zig de Wetgevers en Priefters der Heydenen hebben bedient; maar nicts meer tegen het Oneyndig, Onbegrypelyk , en Eeuwig Wezen Gods ftrydende. Zoo ziet men ook gene gereder flraf, als die over Gods Volk om de Afgodery en haar Beeldendienftj en daar tegen geen gereeder afval, als tot Beelden en Afgoden. Azie en Africa, als ook America, ontdekt wordende, zyn gereder, tot Beelden geweeft als Europa-y immers vanDuyt- fchen, Cimbren en Celten, met hare Spruyten zegcmen, dat ze gene Go- den in Beelden nog Tempelen geeerd hebben. Mozes was naauwlyks op Sinai) of Aaron maakte Apis na, en goot het Guide Kalf. De Menfchcn moeten wel opfchranderen, eerze van die mifbruyken geheel vry zyn. Daar is ook een maat in alles j men kan ( hoewel 't gevaarlyk is ) de gedachtenis van Ouders of Vorften door Beelden ftyven; maar ziet hoe de Pluymftry- kery die durft Vergoden. Gaat Azie, Griekenland en Rome voorby, en ziet Vrankryk by onze tyd aan. Op eronden, dus zoo gevonden, heeft dc Roomfche Kerk de Beelden doorgedrongen, Eeuwen dus, Eeuwen zoo, de Beelden bleeven Meefter. Die wierden eerbiedig, maar dun eerft ge- bruykt j met verloop van tyd is daar in gevallen de Vercierkonft, die heeft met Maalders en Dichters Vryheyd alles beftaan> en men heeft de Beeld- fpraakkonft niet minder daar in hare rol laten fpeelen. A A. Maar zoo men konftig dacht den H. Chriftoffel te zetten tot cenc
Chriften Spiegel, en verdichte om de kracht, die *t Vleefch heeft bovenden Geeft, eenen Reus voor \ Vleefch, die dient zyne booze luften. Chriftof- fel, deze en die gedient hebbende, dient den Duyvel, het Vleefch word fetuchtigt, beter geleerd en op de rechte Weg gebracht-, een Kluyzenaar rengt door zyn Licht Chriftoffel tot Jezus5 *t Vleefch moet veele zwarig- heden doorftaan, hy moet door de hooge Vloeden ftappen , de Chriftus- dragt valt hem zwaar, de Vervolging en andere Verzoekingen moeten het beterend Vleefch lyden, en zoo voort. Daar gaat het geheel van Chriftof- y^/welj maar de botte Leeken, en de luye Papen \vorden,of zyn zoogrof, dat zy meenen, dat het Beeldfprakelyke wezentlyk, en naar de Letter waar Ccc % is*
|
||||||||||
_______........__ .....
|
.
|
...
|
||||||||
$$8 De Hieroglyphen of Merkbeelueit.
is. Men maakt de groffte Eykenboom tot Beelden van Chriftofel^ die ik
ran 32. Ellen hoogte heb gezien v die moet met een groote uyt de grond gehaalde Boom, voor Pols of Wandelftok tot over de Khiea door de Zee5, daar by moet die Reus kikhalzen, onder de laft van een Kindjen op zyne Schouders, zittende met ftraalen om zyn Hoofd, en eene Kloot in zyne Hand, daar eenKruys op ftaat, enz. Die Beeltenis is in 9t Gemoed vanOu- den gedrukt, en gaat over tot de Kinderen, die zweeren 'er by, dat 'er een H.Manisgeweeft,een zoo groote Reus> en die wierd door Chriftuszelfsbe- keerdi dien roepen zy aan, als zeop de Zeebaren gevaar lopen. En zoo als in dit geval, is 't in meeft alien. De Kerken dragen Sehatten,. van Goud, Zilver en Konft, en die Eerbied van zoo mild te ichenken is niet zonder *t Voordeel der Tempeliers-, de beft opgefchikte Winkel heeft altyd meeft de befteNering. Al te grof hakt men daarin, als men *t Goddelyk Wezen tot Beelden brengt. Ik heb gezien een Beeld te Stina, met een Blaauw Klced gedekt, het welk drie Hoofden had, een oud Man, met een lange Gryze Baard voor God den Vader r ecns.Mans jaren dragende, en naar den trant van de gelykenis, die zy GodsZoon geven, een met een Vuurig Aangezicht, en cenc Duyf op 't Voorhoofd, voor den H. Geeft. Zulke grove Beeldfpraken zyn van deze plaats niet; maar ik moet evenwel aan die Beeldenftof. 'T geen men over al ziet, zal min ftootea. Het eerfte dan is een dubbeld He- breeuwfch Jod (") welke men uytfpreekt ADONAI, Onze Heere. Zullc een Naam ontmoet men in de H. Text,, en.men vind Penningen, alwaardie Letters met glans rondom, of met eene Cirkel rondom te zien zyn. Dan vind men *er vanSCHADDAI,j4/voedendofA/genofgJzaamy met eene Zon. rondom, en meerder met JEHOVAH, zoo men 't nu metpuntenleeft; het welk die Naam is > dewelke by Eedcn , Verbonden en Smeekingen wierd gebruykt. Deze drie by een met eene Driehoekftraal is te gebruyken voor 't H. Wczen der Godheyd in zyne drie Perzoncn, voor den Vader enzynea Zoon, met den H. Geeft, fpreckende, D. Op de Roomfche wyze ziet men God den Vader als eenen Paus ge*
kroont, met eene lange Gryze Baard, een-Opperpriefters Rok aan-, hou- dende de Linkerhand op een Wereld en Hemelskloot, en de Rechcer uyt- geftrekt, als Gebieder over 'tGeheel, met Zonneftsaalen om zyn Hoo/d,. en een Geborduurt werk van alles wat men op Ifis Beeld kon toonenj het welk zyne Onderrok is, zyne Voeten dekkende, om dat men aan de God- heyd geen eynde en kent. Jk vinde onder de Oudfte Italiaanfche Prenten^ een Vuur voor God, volgens den Text, dat Gods Stemme uyt het Vuur gehoort, maar gene gelykenis gezien is. Ik heb 'er 00k van oude Neer- landfche gevonden, gemaakt wanneer de Rhetoryken enSchilders al naarde Mutzaard rooken, daar voor de Godheyd eene brandende Haags, eene Wolk* eene Zoenkift> of twee Cherubynen verbeeld warea CDe
|
||||
G
|
||||||||
Vande H. bydenRoomschen Verbeeld. LIV. H. jSjfr
v>« De Zoone Gods ftaat ter Rechterhand, naakt, gekwetft in zyne
Zyde, en aan Handcn en Voeten, met eene Purpere Role omhangen, met de gewoone Baard en Hoofdhayren, de Doornekroon op 't Hoofd, en een Kruysftandaart, als de Cardinalen gebruyken in de eene Hand, metde Vaarr der Grieken-Chr. Vonnisuytfprekende met zyne andere Hand. De H.Geeft, als eene Duyve, is tuflchen beyden als van hen afvloejende>merzyn byzon> der fehynflel omzet. D. Bovcn en onder aan- de Gtansryke Driehoek zyn de vierEvangelifterr
verbeeld; Mattheus met eenen Engel, zynde, gelyk van langerhand byden Mcnfchen is aangenomen, een Gevleugefde Jongeling, of zyn Hoofd met: de dobbele Vleugefen van een Cherub % Marcus met eenen Gevleugeldeir Leeuw, als in de Woeftyne heerfchende; Lucas met eenen Os, of Oflen- hoofd Gcvleugeldi en Johannes met een Arend. Deze zyn de Dieren, die in de Prophetifche Schriften meer gezien worden. Deze Getuygen van her Vleefch geworden Woord* en zien de ontoegankelyke Throon Gods,, wel- ke in den ftraalryken glans van de Driceenigheyd geftelt word •&• Die ontoegankelyke Heerlykheyd word omvat door Choren van Aards-
engelen, Raphael, Gabriel, en andere genoemden of gevonden Opper-* werkmeefters der Goddelyke Genade of ftraf, en konnen alle verbeeld wor- den (om dat wy Menfchen zyn, en onze eigenliefde-wil, datwy nietfehoon- der keuren, als ons zelven in den beften ftand_) door Jongelingen, fthooir van Aangezicht en Maakzel j wit gekleed , en blauvve dunne Sluyers of we£rfchyn kleur by hare fchoone Vleugelen. Men heeft die Zelfltandighc- den,om dat ze vaak werkendeen fpreekende in den Bybel voorkomen, Man- nelyk, en om hare behaagelykheyd uyt de vohnaaktheyd afdalende, fchoon* gemaakt, met Vleugelen om hare gezwindheyd. Buyten de welke rondom verfcheyden Ronden van andere Seraphim, Cherubim, en Engelen Hoof- den met Vleugelen tuflchen Wolken en Vuurftraalen uytkomen. t1 • Het naaft aan de Goddelyke Driehoek komen van dc Rechterzyde de
Bloedvrienden naar den Vleefche van Chriftus, en zyne Moeder iVlaria. Deze met Glans omftraalt, ja tintelende Zonneglans, heeft zeven Deegens, als onze Lieve Vrouwe der zeven Wonden, van hare gelede fmerten , in de Boezem fteeken. Zy heeft eene Sterrekrans, als Koninginne der Heme- Jen, als IJis by de Egyptenaren, met de Maan onder de Voeten * voorts an- dere Praal, volgens de werking, die ze by den Roomfchen.doenmoet, want by anderen gelt zy niet hoger dan de Begenadigde Maagd, welke van der? H. Geeft overfchaduwt, Gods Zoon in 't Vleefch ontnng. By haar ftaac Magdakm met een Speceryvat, Martha met een Wiel, jofeph met Tim* Ccc j.v mcjs^
|
||||||||
' ■ ■- ■ . —
|
||||||||
__
|
||||||||
3pO DE HlEROGLYPHEN OF MeRKBEELDEN.
mermans Gereetfchap , Johannes de Dooper met zyn Hayrc-Klecd , en
Schelp om te Doopen, Zachariasy Elizabet en andere met die Merken, welke hen het beft ondcrfcheyden. Lazarus bewonden, als een die by den Kanaaniten in *t Graf word gelegt* wyl hy daar uyt is opgewekt j <n dc verdere Bloedvrienden naar den Vleefche van Jofeph. Welke met zyn Ge- reetfchap in eene Mand, aan eene Zaagc gedragen , voert de drie Konin- gen of Wyzen uyt het Ooften, met hunlieder Giften ten Offer totChriftus. Jofeph van Arimathea met zyn Grafflot, Simon van Cyrene CHRISTUS Kruysdragende, zyn alle de naaften. Gelyk men de Apoftelen en Kruys- verkondigers aan de Linkerzyde ziet. Alwaar de cerfte Bloedgetuyge Ste- phanus met de Steenen, waar mede hy dood gefteenigt is, toonende, en aanziende den Verlofler, op welke hy zig verzekerde. Deze worden ver- der met ronden flaauwgeel en roodachtige koleurende, om hunne Hoofden verbeeld. Want de Beeldfpraak der Roomfche Kerk onderfcheyd vry net alle de rang der Heyligen. De H. "Tetrus met de Sleutels, Taulus met het Zwaard, Andreas met een Dwarskruys, Thomas met een Indiaanlche Pyl, Judas met een Volders Stok, en Simon met eene Spies, nevens anderen, welke pronken moeten met de Werktuygen, door welke zy gedood zyn, of cenig ander onderfcheyd, 't welk hen in de Guide Legende word toege- eigent, als Bylen, Houte Hamers, Zakken of ander Tuyg, als een Vel van eenen Gevilden met het Vilmes, en zoo voorts. v*' Na hen ziet men Tolycarpus , T>iony/ius, Nicodemus-y verder af,
de latere Martelaren, voorHeylige vcrklaarde Hemellingen, maar van de rechter zyde komen als Zeegepralende , Laurentius met zyne Roofter, Bartholomew met zyn GcviTde Huyd, zonder Hoofd , Sebajiianus met zyne Pylen aan een Boom gehecht, T>idymus aan eene Kaak, en Aquilius op een Rad; tegen welke over men ziet Francijcus, *Dominicus9 Ignatius, Theatinus, en alle de Hoofden en Inftellers der H. Ordens, met hareKap- pen, Kovels, of Kapoetzen en Kapoetzinnen > Gordels, Touwen en Ban- den, Schoenen en Sloffen, of Blootsvoets, zoo Gefchooren en net, of On- gefchooren en ruyg, als hare Order draagt. Deze van halve Legers Heyli- gen van hare Ordens gevolgt, zyn onder de Roomfchen wel bekent, gelyk Jacob met zyne Schelpen , Ferdinandus, of Maria d'Atocha , die men voor dc Beeldfpraak der Spanjaarden kan neemen. St Michael\ Louys^ of Genoveva voor de Franfchen j St. J oris of Karel den Grooten voor de Duytfchenj St. Andreas voor de Bourgonjons, Tetrus cnTaulusvoor Ro- men y Marcus voor Venetien. Buyten dezen gaan de Voorvechters van den Throon, de Engel Michael
met de (van Lucifer gehaalde) Morgenfter op zyne Stormhoed, hetKruys op zyn Kriftalle Schild, en de Lans in de Hand, doorfteekende den Eertsvyand Gods. Die Campioen isvechtengewoon>enheeftomM?;s^Lyfalgeftreeden#* Dog
|
||||
VandeH. bydenRoomschen Verbeeld. LIV. H. 391
Dog indien hy in eenc andere Stoflfe, als ftryd tegen de Zondcn, of den
Duyvel, moet gebruykt worden, ('twelk in alle gelegentheden moet ge- lchieden) zoo moet de Verbeelder waarnemen, hoe men zig van dien H. wil bedienen* want ik heb den Engel Michael gezien met eene Schaalinde Hand, eene Ster voor 't Voorhooki; en ecu Vaandel in de Hand, in Odi- lions Vagevuur aan den Berg ^Ethna in Sicilie, de Zielmiflen wegende te- gen de zonden -y zoo ziet men hem hier dan ook ter rechter zyde afdalende -, wat lager als de ftrenge Strafengelen, die de Phiolen van Gods gramfchap uytftorten, deDonderen Blixem voeren, de Vuurige Zwaarden dragen, of dePylen fchieten, die in 't verborgen woeden, reft of Neerlaag der Eerftgeboornen, en Verdelede Leeeers en Steeden uytvoeren, of Pek en Zwavel doen Regenen. In net midden zyn de Engelen van Genade, Trooft en blyde Boodfchap, met de Aangezichten, Verw der Kleederen en Werk- tuygen naar vereifch der zaken. Maar, yt geen de Roomfche Kerk byzon- ders heeft, is boven random, als of het de Ouderlingen van de Openbaring waren* zittende op Prachtige Pauflelyke Stoelen, en in hare Wereldfche Praalgewaden met Sterren boven hare Hoofden. H. En worden door een tweede Cirkel omringt van Geheyligde Cardi-
nalen, zhBorromei, Aquaviva en diergelyken -y waar na wederom minder Kerkvoogden, Biflchoppen, Abten en zoo voortsj tot dat ze inftraalen alle in een fmelten. Een ding heeft my evenwel als te vreemd gedacht, datik te Milanen en te Bolonie zag -y dat men ook in den Hemel plaatfteverfchey- de H. Overblyfzels, als het Verhoogen des Kruys, de H. Spykers, deLan- cie van Longinus^ de Doornekroon en andere Werktuygen van Chriftus Ly- den. ■!■• Buyten het Naam of Merk der Maatfehappy van den Jezuiten, het
Teeken van Chriftus by Conftantyn den Grooten, de Doek van Veronica met het Aangezicht van Chriftus befchildert, de welke van eenige Engelen gchouden wierd, en van andere aangebeeden, als men te Romen doet, wan- neer de Doek vertoont word. Ik heb daar ook in den Hemel gezien (gelyk tot Akeri) eenige Engelen, torflende de Naaykamer van de Maagd Maria, die nu tot Loretto geveft is> de Kruysvinding en Verheffing, niet als Re- liquien tot trooft der Leevenden, maar als noodzakelyk Cieraadin 'tNieuw Jeruzalem> omde Kamers der Heyligen op te fchikken; de H. Paafch- kaars, als of die de Beeldfpraak der zuyvering in den Heyligen toonde, word roede in zoo eenen Roomfchen Hemel geplaatft, gelyk net Kabinetvan Lo- retto voor de Vervolging der goede Roomfche Geloofsgenoren, welke voor den Vyanden vluchtig, in de Kloven der Rotzen, en over Berg en Dal moeten vluchten. En zoo dragen ook de Engelen 't H. Olyzel tot een Merk der Heyligmaking. Maar boven al ftaat men verzet, daar by te zien eene |
||||
%pi De Hieroglyphen of Merkbeelden.
Ciboriey met een Ouwel der Mifle, glinfterende van allerley rechtc en krin-
kelende ftraalen, door den Engelen- knielende met alle eerbied gevoerd, daar Chriftus met zyn Verheerlykt Lichaam zel'f by Gefchildert itaat, en voor de Gelukzalige Zielen gene Miflen te doen vallen. Even zoo weynig befcheyd hebben ^Paternofiers, Rozekranflen enz. Deze zyn de Vergode meerder en minder Heyligen der Hoogfte en lager Hemelen. Op de Aarde ziet men 'er ook, verfcheyden in Zee en Rivieren, ja rot in den Afgrond. Deze zyn meefte en minder zoort, als de voornoemde^ en zyn de Beeld- (praken van Handwerken en Konften, gelyk de andere zyn Ryken, Stee- den, Ordens, Deugden, en welvarende voorfpoed. K. In de Hel ziet men voor Beeldfpraak der Standvaftigheyd tegen de
verzoekinee des Duyvels in Spooken en Gefpenften, den Woeftynier An* tonius, die al de Duyvelen doet fchrikken voor zyn Kruys en Fakkel, in 't Vagevuur T'atrictus, tot trooft der Zielen in 't Vagevuur, indeBcrgHecta op Yfland, of Tarmel in Ierland. Die hy met zyn Kruys aanraakt, wyfthy de weg uyt dat Strafhok regelrecht naar den Hemel. Aan de Poort van 't zelve Vagevuur, dat in den Fefuvius, Stromboli^ of ^yEthna in Sicilie open gaat, ftaat Otitis met eene Wichelroede en Snarenlpel, met welkezy aanroert en verheugt die verloft zyn. L*« Maar zoo de Oude Draak van de Keeten los kan, en zig waagt om
den Vroomen op de Wereld te beftooken, dan ziet men de Beeldfpraak van de kracht der Heyligen en Gebeeden tegen den Duyvel. M. En eene Maagd daar by, om te toonen, dat de Draak het op den
Zuyverftcn en Vroomlten gemunt heefh
N. Maar dat men met het teeken des Kruys, op den Ridder Jvriszyn
Schikibrallende, den Duyvel wel kan vermeefteren isbyhaarwaarj dieheeft Vleugelen, om te toonen, dathy uyt den Hemelgevallen is, van Vleermuyzen, als Prince der Duyfternis, met Gieren Bek en Klaauwen, om zyn gretig in- flokken der Zielen te doen zien, en een Slangenlyf, als zynde de oude Verleyder uyt het Paradys. St. Joris fteekt en doorfteekt het Gedrocht met zyne Lans, en is op een vlug Paard gezeten, om de fooedige hulp der Heyligen in dien Stryd te verzeekeren met overwinning. Deze is ook het Merkbeeld van Genua. vA Den H. Hubert ziet men op zyne Knien , als een vroom Lotterin-
ger> met alle ftukken gewapend, het Kruys aanbidden* het welk tuflchen het gcwicht of de Hoornen van een Hert verfchynt. Deze is zoo wel als Eujtachius het Beeldfprakclyke der Edele Jagers* gelyk Tvo9 Urbams en |
|||||
/
|
|||||
—_----- - -
|
||||||
Van de H. by den Rooimschen Verbeeld. LIV. H. 39$
Willebrord met hare Vaten en Fleflen voor de trouwhertige Drinkelingen,
zoo wel als de milde St. Mart"en, die voor den Lofkoppen, die haar Goed verkwiften, maar anderen ten beften geven, als cen Ridder te Paard ryd, en aan eenen Bedelaar eene Lap fchenkt van zyne Reysmantel, die hy met zyne Dagge doorgefneeden heeft. Deze is het Beeldfprakelyke van Utrecht, als Lambert van Luyk, Bavo van Haarlem enz. K De H.Tfionys, die zyn Hoofd van dePlaats,naa hem vernoemt,tot
Parys in een Schotel droeg, is de Bewaar-Engel van Parys, maar oru dat dc Stad groot is, heeft hy Marcellus en Genoveva te baat. v^^Zoo is Nicolaas de Biflchop over Amfterdam, en daar ran de Beeld-
fpraak geweeft, met zyne drie Kinderen in dc Wafchkuyp, eer de oude Hulk, of de drie Kruyflen met Keyzer Maximiliaans Kroon gangbaar wa- ren. Hy dient voor Beeldfpraak der goede Ouders en Vrienden , die hare fchamele Magen de Hand bieden. ■K. Bonifacius met zyne Doopfchelp is van OveryfTel en Drent, Le~
burinus van Deventer. b« Gelyk Ambroftus met zyne Staf en Zweep van Milaan de Schutsheer,
en Beeldfpraak is. 1. Den Blinden Longinus ziet men te Paard, (hy befchermt de Rid-
ders en kalen Adel,) nog tuurendena de zyde des Zaligmakers, waar inhy met zyne Speer heeft geftooken. v. De H. Aarnoud met eene witte Meelzak vol Wind, is het Beeld-
fprakelyke der Molenaars^ Severyn met de Schietfpoel der Weevers j Crifpyn en Crifpiniaan der Schoenmakers -, St. Lucas der Schilders -y Goedman voor de Snyders, en Goar met eenen zwarten Duyvel met gloeyende Oogen, op zyn Hoofd, en een Pot in de Hand, voor de Portebakkers. Dus zyn *er 00k voor de Tochten en Reyzen: St. Jan voor *t Eerlyke Aflcheya, op Duytfch St. Jans Valeyd^ de T>rie Koningen voor Veyligheyd der Koop- manfehap tegen Rovers en Partylopers> St. Antoni voor de Tochten der Gallioenen naar de Weftindien 5 Xaverius naar Japan > en Olaus naar de Sond-, Odolphus naar de Noordkaap> St. Tieter op de Viflchery. Maar men moet die Heyligen opfchikken volgens hun werk, en St. Tieter moet danniet met Sleutels, maar met Viffchen vertoont worden.
■
w. De Keyzcrs en Koningen, die Schatten genoeg hebben, om Geheyligt
te worden, en die onder den Roomfche Chriftenen den Hemel zoo na by zyn, als Ddd Cafar,
|
||||||
***■ ~r— _.______________---------------------------------------------------
|
||||||
3P4 ^E HlEROGLYPHEN OF MeRKBEELDBN*
Cafar en Auguftus ondcr den Romeynen y Satnrnus en Jupiter onder den
Grieken*, Belusy Ofir is en anderen by andere Volkeren, hebben een groot deel in de Paleyzen van den Roomichen Olympus-Berg. Men ziet daar Konftantyn met zyne Zeegenvlag en't Kruysteeken^ EN TOTT£2i NIKH. dat is: Hier in is de Overwinning y als den Befchermer en Sraver des wa- ren Geloofs uytdraven. En men zou hem voor den Befchermer der nieu- we Chriftenheyd neemende, welmoeten zwygen, dat hy nooit Gedooptis geweeft, of jonge Kinderen heeft gedood, ora door derzelver verfchBloed, zyne Melaatsheyd te geneezen. Irene de Keyzeriny voor de Hieroglyphe der befchermde Beeldendienfts met een Beeld in den Armr en de Oogen, die zy haren Man uytkrabde, om alleen te Heerfchen, in hare Hand. Swen- tiboly die al zyn Ryk en Goed wechfchonk,. en kaal fturf , voor een Merk- beeld der Aldcrhcerlykfte Milde Gevers aan den Geeftelyken. Ferdinand met de Eerwaardigfte Ciborie in de Hand> welke hy als de laatfte Koning van Spanje in de Slyk te Voet gaande, met de Nederigfte Eerbied droeg* voor de ware Nederigheyt,hetOnderwerp der Godvruchtigen^in denDienft van Jt Venerabile. St. Vi6lory komt voor deLooyers, en voor de Verdree- ve Vorften op, en Rudolphus voor ware gebooge Herten voor zyne Hey- ligheyd j de groote Margaret a, Norpurg en Gode/a, al zyn *t vorftinnen geweeft» zoo verftaan zy 3t Vro£moerfchap grondig, en wordendaar voor verbeeld -, maar Tetronella komt *er by met een Vhes van een Eytje in hare Hand, voor die met eene Helm gebooren zyn, en eeftadig kwaad konnen zien. De Vrolykfte is Vitus met een Harlequins Kleed , de Heylig der Danflers, die op Vaftenavond* tuflchen twee Capucynen voor MaJquern, ten Hemel indrong, X. Daar komrde Edele Geertruydy?X§ eene Chanonefle van Nivelley
sevens Urjulay met elfduyzend Maagden onder hare Rok en Sleep, met Cla- ra y Catharina, Barbera, Agnes en andere, met Toorens, Raden, Mo lenfteenen, en ander Marteltuyg in de Handen. Elk van dezen heeft zyn. werk even als Galius voor de Ganzen> Loy voor de Paarden^ Hubert voor de Honden, Rocchus voor de Dolle Hondeaen Peftkolen, en Antony voot de Verkens, Job en Lazarus voor de Spaanfche Pokken, St. Louys, die zynen Mifgqd den Zondaar tot pand van zyn Rantzoen Iietr voor de H.en miflukte Kruyfvaarden. Dan ziet men in de Zee den grooten Ckriftoffely boven aangeroert, ea
voor die in Zee verdrinken, die H. Jezuitea, die men tot Antwenpen in de Intreede der Spreekkamer van de Maatfchappy gefchildert ziety welke door den Hollanders de Voeten gefpoelt, onder de Golven op de grond van de Zee zoo lang Huys, hielden, en wierden alle dagen door \ Water heen van de Engelen gedientj nevens zoo oneyndigen reeks uyt de Martelaars Boe- ken> van de. zelve zoort, als de \ Y.Berg-
|
||||
Van de H. by den Roomschen Verbeeld. LIV. H. jpj
f'
X. Bergheyligen-, de Woefteynheyligen , en zulke vreemde Grot-en.
Rotzbewoonders, dat men, zoo zy geene Heyligen waren, hen voor Land- fchuymers, of Bofchrovers zoude moeten neemen, Daar leyd een St, Hieronymus met een Leeuw, dfptr met een Beer ,
Vitalius met eene Slang, Laventius met een Woud-Eezel , gelyk Elias met zyne Raven. Deze zyn 't, die den Heyligen hare Koft befcharen , en \oor de Beeldfpraak dienen van de zorg, die den Hemel draagt voor den Vroomen, om, als zy zelfs niet en zorgen, voor hen den Overvloed te doengereed maken, gelyk by denjoden zulks door de Kruyk met Manna verbeeld word. Tatdus, de eerfte der bekende Alleenwoonders, en Woeftyniers, zit in
een Hoi, met de Bybel alleen , voorzien van eene Palmboom, die hem Koft, Drank, Dekzel, Hue en Brand gaf, voor de Genoegzaamheyd van eenen Godvruchtigen. Dan komt 'er een JValtprang uyt Bohemen, die van den Vorftelyken ftaat afgeftapt, in 't Gebergte met Keetens omgord, als Nebucadnessar Kruyd en Gras knaauwde. Dan zit *er eene fchoone Boet- vaardiee met een Doodshoofd, huylende, met langHayr, in een hoek, aan eene Watervalj voor'tberouw over de ydelheyd. Dan een ander voor de tuchtiging van zig zelven, met eene Steen op zyn Hert kloppende> of naakt zyne dertele Huyd van de kreevel geneezende in de Sneeuw. En eindelyk, op dat *er niets zoude gebrekkelyk blyven, zoo heeft men dikke Dampen in *t Hoofd, St. Otilia en Valentyn voor de ontroerde Herflenen geftelt, ge- lyk de zeeven Heilige 'Droomers^ die in een Grot zoo veleEeuwenfliepen, voor de goede Droomen en de gerufle Slaap. Deze Heyligen alle zien in de Spiegel van de Drieeenigheyd, al het geen
beneeden van hunlieder Aanbidders word begeert. Dit is het middel, dat daar toe gevonden is, om dat men den Heyligen niet meer kon toefchry- ven,dan Mozes en Elias, die van den Leevenden niet weeten. Dczc H.of Drieeenigheyds-Spiegel dient voor een Beeldfpraak, als men den Menfch voor„ Smeekeling of Bidder aan eenen Heyligen, tot het geen Gebeeden word, toegeeygent vertoont, om het verzochte door die Driehoeks-Spiegel , aan den Heylig, en door hem aan de Maagd Maria, of de GodheydOnmidde- lyk voorgedragen te worden. |
|||||||||
VYF
|
|||||||||
Ddd i
|
|||||||||
i
|
|||||||||||
, I \
|
|||||||||||
- ■"■'■"-■- -■'-.....■■■■-•- .-.■-^-..J-J-^.^.i^^^>j^j,»>.^^.-., ............j^atacgfcj,-,...^.
|
|||||||||||
__. ___ ...
|
|||||||||||
Van de Roomsche Feestdagen. LV. Hoofdst. 397
|
|||||||||||
VYFEN VYFTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Roomfche Feeftdagen.
|
|||||||||||
B
|
Y zoo veele Heyligen, Dienften., Getyden, en Aflaten^ komt hier de
grootfte der Aftaten, het |
||||||||||
A* Jubel-jaar. Eene vrolyke, huppelende Maagd,de nieuwe Lentc
der nieuwe Eeuw aantonende. Zy draagt op haar Hoofd eene Muts van Vry- heyd, zynde van ouds al by den Joden van vyftig, totvyftigJarengewoony aan alien verflaafden Vryheyd te fchenken. Om dat zy eene voile Eeuw fluyt, ea eene nieuwe opent, heeftze eene Slang met zyne Staart in deBek om bare Muts als eene Koordband, waar op de C van honderd Jaren voL7 van Goud flikkert. Zy blaaft op een Hoorn, volgens 't bevel van Mosses > op den tienden Dag van de zevende Maandy en klinkt om, vergiffenis voor alien fchuldenaars , dat ieder in zyne bezitting wederkeert. Waarom zy de Goude L. van vyftig Jaren in\hare Schoot heeft, uyt welke zy mildelyk uytftort allerley verbinteniflen, ekSchuldbrieven op die tyd verbroken, de Granen met hare Velden, de Wyrtjjaarden met hare Heuvelen, de Vruch- ten met hare Hoven en Boomgaarden^ttortze met dezelve rykelykheyd uyt. Eene Band fluyt hare Middel, en onderfteunt hare drie toevallende Borften, op welke band men als op de zoom vaa hare Rok, vyf en twintig Jaren ziet gemerkt. Zy vertreed met de eene Voet het Slaaffche Jok der Gedwon- gen Schuld-flavenj en met de andere,, eene Geeflelroede, een Schellekeny ende een Pelgrims-ftaf, om de achtergehoude Zonden, Doodzondigen (want die pleegen Schellen te dragen , en de Roomfche zeegenpraalders wierd daarom, tot matiging van hunne hoogmoed, een Schelleken en Geeflel aan 't Oor gehouden) alle en alom kwyt te fchelden, behalven beloften van Gods- dienft en Kuysheyd* ende Telgrimagien of Bedevaarden, die men belooft had, na Romen> Jeruzalemy of Gallki'e. De Rechterhand flaat driemaal op de Jubelpoort, voor Europay Afia> en Afrika. Drie Sleutels draagt zy 00k daarom op hare zyde, van den Hemel, van de Aarde, en van 't Va- gevuur. Boven die Poort ftaat het Lam, dat de Zonden der Wet eld week neemt, De Wywater-kwaft draagtze op hare zyde, aan dezelve Riem, om datze alle Zonden der toegevloeyde Boetelingen wechneemt. Op deze Hooft-poort flaat de Pausj en op de vier andere, flaan zyne Afgezanten, Hier naaft aan zit eene aandachtige Kerkvrouw, van den Joden herkomftig>: deze is 13. Quatertemper, of Viertydig genaamt. Zy wierd de Vaftendag,
Ddd 3 ^ der
|
|||||||||||
"
|
||||||||
■
|
||||||||
I98 DE HlEROGLYPHEN OF MfiRKBEELDEN.
der vierde, vyfde, zevende entiendc Maand gezegt, en wylze met vreug-
de wierd belaft te houden, heeftze Fluyten, Pfalters en Harpen by haar ieggen, met eene Vreugdebom op haar Schoot. De eerfte wierd om de ge- broke Tafelen van Mozes geviert* de twede om de verwoefting van Staden Tempel, door den Chaldefin, en daar na nog erger door den Romeynen^ de derde, om het dooden van Godolias, en He Joden en ChaldeSn, die met hem waren^ de laatfte, om dat de Koning van Babel zyne Heyr* krachten toen vergaderde, om Jerusalem aan te tatten. Hier na fchyntgo* richt de aandacht van deze Vaftendaagstyden * zynde eene in de Lente, ee- ne in de Zomer, eene in de Herflt, en eene in de Winter* waaromze van Bloemen, Koorn-aayren, Druyven en Pynappels, een Cieraad-kruys over dat Kleed draagt, daar de Joodfchc Gefchiedeniflen op te zien warcn. ^>* De Zondag, zynde voor den Chriftenen, zeer byzonder en tot
hare Ruft-of H. Dag, voor de Zaturdae (der Joden Sabbath) ineevoert, Deze Dag zit, om gemakkelyk hare ruft te toonen, met de Hanaen over malkanderen, opgefchikt met de Kerkfluyer, omdendienft, dienzy,naar de mening der meeften, als dan Gode, by uytnementheyt waarneemt. Zy heeft de Zon op haar Hoofd, waar van ze de naam en de uytftekentheyd draagt. De Schouder-cieraden aan haar Kerk-kleed zyn met Engelen-hoof- den verheerlykt, gelyk haar Borft-ftuk, om dat de Engelen gelooft worden op dien Dag gefchapen te zyn* gelykze 00k aan hare zydehoud eene Kruy- ke met Manna , dewyl op dien Dag dat Hemelfch Brood den Joden wierd gefchonken. Maar boven al is zy heerlyk om de Verryzenis van onzcn Za- ligmaker, wiens Beeltenis, uyt zyn Grafopftaande, zy in eene Prent ver- toont, en tot hare Trooft befpiegelt. Deze word het He eft der Fee/ten, of Taafchen ge-eertytelt. Naaft haar aan zit D. De Kersdag, Chriftus Eernaam dragende. Deze Godsverfchy-
ningdag is die, op de welke het Licht by ons is komeninwoonenj waarom-
ze eene Hemelglans om haar Hoofd draagt. By vele voor 't begin van 't Jaar der Chriftenen zynde geviert, draagtze het Merk des Jaarsom den boord van haar Borftkleed. Zy houd in hare Hand de Kop der Wyzen, met Reukwerk? maar met drie ronde Misbrooden omzet,om dat op Kersdagak leen, de Priefters drie Miflen mogen en moeten doen. In de andere Hand doetze zien de Sterre, die met Chriftus Geboorte naar Bethlehem fcheen$ en eene Lantaren, om by Nacht na te volgen de Herders, aan welken de Engelen dit geluk verkondigt hadden. Zy wiegt het Eerftgeboren Kinde- ken Jezus, dat op die Nacht in de Kribbe wierd gebakert, en in geringe Windzelen gewonden door zyne Moeder Maria, het Vleefch aangenomen hebbende, en niet daar in verandert zynde, de Godheyd behoudende, en ons in de Menfchheyd gelyk geworden zynde. Zy is gepeerelt en getooyt, om
|
||||||||
'
|
||||||||
_______..
|
||||||||
Van de RoomscHe Feestdagen. LV. Hoofdst. 399
cm dat de Ouden op dien Dag met nieuwe Klederen verfcheenen, als of
zy den Ouden Menfch alzoo afgeleyd hadden. Aan hare zyde ftaat £• De Epiphania ofT»EOPMANiA,de God-Vcrfchyndag indeWol-
key op welken de waarlyk Menfch geworden Heyland, op zeer krachtige maniercn zig vertoonde God ce zyn. De gewoonte der Ouden navolgen- de draagt zy eene geheyligde Toorts, met welke de eerfte Chriftenen, die verlichtmg en yt verfchynen nabootften. De H. Geeft daalt af op dien Dag, als eene Duyve, verzelt met fchitterende Hemelfchaaren, en eene Stemme Gods, verklarende, dat7ezus> die op dien Dag wierd gedoopt,. was zyn Welbeminde Zoon. De ^ilvere Drinkfchaal in hare Hand bewyft het Won- derwerk van de Bruyloft te Cana in Galile'en, alwaar zyne Godheyd uyt- blonk, met Wyn van Water te makes. De Rechterhand laat zien de Scho- tel met twee Vifkens, die gedient hadden tot het fpyzen van zoo veclcduy- zend Menfchen, houdende in eene Mand voor haar ftaan devyf Garden Brooden. Met drie zulke byzondere Wonderwerken, elk even fterk eene Godheyds kracht bewyzende, pronkt deze Dag, om de Eernaam, als bovenr waardig te zyn. Zy is van de Chriftenen te Romen eerft geviert, om de Heydenfche Feeften wegens yt aangaan der alleenheerfchende Keyzerftand van Auguftus, met driedubbelde zeegenpraal aanmerkelyk , uyt den weg te fchuyven. Het Fceft van £• De Boodschap aan Maria, de aanftaande Moeder van Je&us-r
certyds den 18. 'December, te Carthago in Spanje geviert, veri'chikt op' den if. Maart, door eene wonderlyke verfchyning (een fchoon middel, om twift ne£r te leggen) van den Paus, dog den zelven 18. December ver- naamt, met de naam vande Verwachting Maria. Deze Dag wierd door de Maan hare ronde Loophoepel vertoont, waar in de H. Drie-eenheyd, met de Vleefch wording des Heeren te zien is. Zy draagt eene Graatboog in de zelve Hand, om met tellen der negen Maanden en de nette Zonnetyd, in zulken Won- derwerks-begin niet te miilen. Ook heeft zy Alexandrynfche Kleeding aan5, die deze Tydrekening en die van de Paafichen netft wiften uyt te reekenen. De Lelytak, die men den boodfehappenden Engel in de Hand geeft, draagt zy in hare Hand, En. om datze even na de Zonnekeer komt, heeftze haar. Onderkleed met allerley Bloemkens van de nieuwe Lente geborduurt. G. De Dag by de Roomfche Kcrk gcecrt met de naam van het Alder-
heyligfte Sacrament, is door Urbanus den VU. ingeftelt, en van hem met een Eerlied en wydluftige Redenering verheerlykt, en ioo. Jaren daar na in Tavie, eerft met den Ommegang of Omdragt uytftekende geworden. Deze pratte en prachtig opgetooyde Vrouw, draagt deSacraments-kas, met den tytel vxnjezus Chrijius Lichaam,voor haar,daar in geflotcn. De Bit v fchop--
|
||||
400 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
fchoppen, of Roomfche Hoofdleviten plegen naaft aan de Koecste gaan,
en de Slippen te houden, van het koftelyk Goud Laken, waar op deze&a- craments-kzs ftond $ maar na verloop van tyden is verftaan, dat dezelve te Voet, nevens het Volk zou gaan. Hecrlyk,maar ook pots-cierlyk isdezejuf- fer en hare prachtige Kas verzeld. Ik hebze in de Nederlanden met allerley Kermis-vertoningen, van 01ifanten,Reuzen en andere grillen zien omgaan> eninSpanje zeer aanzienlyke Mannen eezien,die het voor wat Heyligs hid- den, zelf te mogen Mommery, Guycheldanfen., Koordefprongen, voor, ach- ter, en op de zyde van dat omgedrage Heyligdom doen. Voor haar ftaat eene prachtige opgeflage Tent, met allerley Tapyten en Zilverwerk, behal- vcn de koftelykheyd van Kruyflen, Beelden, Kerk-en Huysgereetfchappen, De Huyzen en Straten, waar door zyotngaat,zyn met allerley Bloemfeftoenen en Kranflen behangen, en de Straten met Takken en Groente beftrooyt. H. Boven komt aantreden eene klagende Vrouw, met eene langeRouw-
fali omhangen. Deze draagt eene Doornekroon, als die van het Martelaar- ichapi zy heeft de Naamtrek, of het CyfFer van de Maagd Maria, op hare Bom* zy heeft de zeven Degens in hare Boezem fteeken, als de Zeven Ween, de Moeder onzes Heylands overgekomen, wie zy ter eere is aangc- ftelt, nevens alle de HeyJige Martelaars of Martelareflen. Welke elk op Ka- ren Heylieen-of Inwy-dag wel bedacht, waar op deze dog alle te gelyk ge- viert women, waar toe Paus Bonifactus de IV. Infteller van dien Marten en Allerheyligen-dag, den Tempel tot Romen, Pantheon, (alien den Go- den ter eeren gebouwt, en aan Jupiter, bygenaamt de Wreeker, tofegeey- gend, voorts Auguflus Zeegenpraal over M. Antonius en Cleopatra , in den Slag by AElium overwonnen, vereeuwigende} van den Keyzer Phocas verworven heeft j welke Tempel , yt Verval en de Oudheyd ontrukt, heer- lyk weer op zyn top opfteekt, en hier van op deze Feeftdaggedragenword. !• Hier na volgt 'er eene onder de laft bezwykende, die den Feeftdag
van de Vinding en Verheffing van het H. Kruys vertoont. Zy heeft een Lauwerkrans ora haar Hoofd, als oorzaak van de overwinning van den Key- zer Heraclius, die op den Perzen los gaande, heerelyke zeegens op hun- lieder Hoofd behaaltj van Siroi ontnemende het ware Hout des Kruyces, het welk Co/roes^ de Vader van Siroi, in't overweldigen van Jeruzalem had wechgevoert. Zy is zonder eenig cieraad, buyten de Lauwerkroon; want de Keyzer had op zyne fchouderen, afgeleyd hebbende zyne Eer-en Amptkleeren, dit Hout blootsvoets op den Berg van Calvarie plechtig ge- dragen, tot welkers geheugen, deze H. Kruys-Verheffing-dag is ingeftelt. Alle de H. Dagen konnen zoo verbeeld worden, vertoonende de byzon-
*Ierheden, door welke zy van andere worden onderfcheyden> gelyk &.5P/V- ter
|
|||||||||
___,———-—^
|
|||||||||
Van de Roomsche Feestdagen. LV. Hoofdst. 401
ter inbanden, door Eudoxia, de Vrouw van Keyzer Heracliusy met de
Boeyens en Merktekenen van dien Apoftel. De Afchdag> de WitteTDonderdag, de GW* Vrydag, en daaraanvoU
gende Zaturdag, met de Gefchiedeniffen, die op *t Avondmaal des Hee- ren, en zyn Lyden, en op de 'Donkere -M^r^w paflen. Zulke dagen van^P^- rafceve, moeten zonder Beeker, of Offerhande zyn, de Hel beftormen, de Zielen uyt het Voorburg loflen, fleepend Geweer dragen, in Rouw ge- kleed zyn, uytgedompte Kaarflen, gebonde Klokken, en diergelyke eygen- fchappen dragen. A tier Kinderen-dag, kan met gefpreyd en geflcurd Hayr, een Kind in
de Armen betreuren, door eene Dagge,of Moordpriem van kant geholpen, en een andere Zuygcling verplettert voor hare Voeten zien, als eene jfo* din, d£ Galileefche Vrouw gekleed. Onze Lieve Vrouwen Ftfitatie, kan de Letters B. V.M dat is, Beat a
Virgo Maria, op de Borft dragen, en de Eenigheyd der Kerken door een Granaat-appel verbeelden. St. Francijcus Tortiuncula den 2. Auguftus, kan met zyn Ly f envy f
Wonden worden verbeeld. Het Feeft de H. *Drie-eenheyd', met het Merk der zelve, zeer aandach-
tig biddende, in de laatfte trap van Knieldienft, Hyper dulia. De Feeftdag der Transfiguratie , of overftapping van de eene tot de an-
dere gedaante van Chriftus, kan als eene Hungarifche Kruysheldin ver- beeld worden , om dat ze van Paus Calixtus den III. is ingefteld, we- gens de heerlyke Overwinning op Mahomet behaalt, in 9t verweren van Alba Regalis ofGriekfch Weyflenburg, door Hunniades met een onver- gelykelykedapperheyd,en met een ne£rlaag van 40000. Turken verdedigt. Zy kan dan de Merktekenen van die Krygseer voor den Godsdienft, by de vertoning des Zaligmakers by haar hebben. En zoo zyn meer dagen or ty- den, van Heyligen, Patronen, of Befchermers van Steden en Landen tc verbeelden. J^-« Maar van alle deze Feeftdagen, zou *er een boven alle het win-
nen , zynde de Vierdag van *Duyzend Jaar , welke eenige meenen in voile heerlykheyd te zullen overbrengen, wanneer zy met Chriftus hunnen Koning zullen in \ Verhcerlykte Vleefch over de nieuwe Wereld heerfchen. Deze heerfchende Vrouw, heeft een blinkend Aangezicht, en is gekroont met eene fchitterende Kroon van allerley Gefteente$ zy zit in lange witte Klederen, met de Ryxltaf van duyzend Jaar, dooi een M. verbeeld, in ha- re Hand 5 aan de Ryx-zetel van het Lam Gods, haren Bruydegom en Eeu- wigen Koning, en heeft achter haar de Zeetels der blinkende Ouderlingen, als zoo veeleRechtersder Volkeren, verre boven alle de Bergen, en het Dal Jofaphats. Eec De-
|
|||||
<
|
|||||
401 De Hieroglyphen of Merkbeelpen.
Deze Wcreld-fmakende en nochtans Gccftclyke grootsheyd , is van
dezelven aard als de zwakheyd , die den Leerlingen van Jexus aan- hing, wanneer zy zyn Ryk , *t geen hy zegt, met van deze Wereld te zyn , elk met den voorrang begeerden by te wonen, en daar van Dctl- genoten te worden. |
|||||
ZES
|
|||||
Vande AankomendeHervorming.LVI. Hoofdst. 403
|
||||||
ZES EN VYFTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Aankotnrnde Hervorming.
a P\E HdERE van Babel j zietmen hier in *t midden van dc Ker-
«• .1 3 ke Gods, zittende op de grootfte der Offerplaatzen, als eene Keyzerinne , die Dronken is van 't Bloed der Martelaren , en geftadig grooter en laftiger voor den Vorften geworden zynde5 die met haar geboe- feert hebben > en wreeder tegen de opklarende Waarheyd-beleyders. De Kop draagt deze Jezabel in hare Hand, waar uyt zy den Grooten der Aarde doed drinken, en dronken zynde, tegen de Belyders der Waar hey d (de Chriftenen genaamt) woeden. De Wereld heeft zy in haar geweld, en prachtige Dartelfchoot. Dit Gedrocht zit op het Beeft met zeven Hoofden, en tien Hoornen 5 waar van de Prophetien en Openbaringen vol zyn. De geftalte van dien is te net in de H. Letteren nagelaten, om *er de Liefheb- bers door te vermoeyen. Op de Ofterplaats in 't midden van de Kerk ziet- men het valfche Offervuur der Kinderen Aarons^ die van Godsuytdrukkelyke wil afftappende, hun eygen Hoofd volgden door valfch Vuur te brengen op het Altaar met valfch-gefmeede Order en Manieren, en van den Hemel dc Rechtvaardige wraak voelden, wordende door Blixemvuur verteert. De redenen vanzulken Oppermacht in de Kerk,is vandenZuurdeeflemder Heydenen en Joden, hunner Opperpriefteren al te Werelds uytgewafle grootheyd, eerft gefproten, en de Onwetenheyd, ja Verduyftering vanalle ware kennis, tot de Heydenfche Staatkunde te brengen , die de H. Ampten en Geheymen, aan den Grootften en Achtbaarften te bewaren gevende,(hoewel de Schran- derftedaarmede lachten,)ziende,datze ecngroat Niet te bewaren hadden, Nochtans eyfchte *t welzyn van de Regeringen, de waan onder 't Volk te vergrooten, de plechtigheden van Bygeloof te vermeerderen, en dus hun ey- gen Ontzag en Beurs te vergrooten -, waar toe zy dan de grondbeginflelen van hunnen Godendienft onnafpeurlyk deden worden, en hidden -9 zonder tc duldcn, dat iemand daar over predikte,'t geen men vande Heydenen niet en vind, en van de Joden zelfs weynig. J a zy doodden die genen, die clezen Pot met Rozen, door foreken of fchryven re na kwamen> hetwelke onder den naam vanDwalers,of Ketters,met verfchrikkelyke Bloed-dorft nagevolgt is. Dital- les is in \ Beeft met zyne Zeven Hoornen, en daar op rydende Hoere des Verderfs, verbeeld. * Maar deze ftraf verdienden, eerftelyk de walg van hetwaare Woord,
verbeeld dooreenmurmurerende Joody die op het valfch Offer-Altaar leuner- de , de Pot met Hemelfch Manna om verre ftoot, en daar van walgcnde, Eee 2 grypt
|
||||||
.
|
||||||
404 DE HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
grypt naar dc Kwakkelen , een Vleefch, dat hy met de Dood bekoopt. ^» Ten tweeden, brak van ter zyden in, de opgezette Wil, tegen
God en zyn H. Woord, de Verachting van den Bybel^ zynde cenfp%eji Man, met eene Kooperen Hoorn voor de Kop, van den Valfchen Pro- pheet, in Achabs tyd,die den Toom van onderwerping in zyne Hand heeft, uyt de Mond in ftukken getrokken, met eene gebrooke Harders of Biflchops- ftaf5 vertredende de Wet, en *t Oud, zoo wel als 't BoekderZeegelenvan *t Nieuw Verbond. D.
Ten derden, de Kerktwift*, een Lichaam fterk en grof, met een
groot Net, om elk over \ Hoofd te halen; drie Koppen draagt dezerazen- de op zyn Lyf, van malkander afzwajende. In de eene Hand draagt hyeen Water vat, in de andere eene Vuurpot^ welke te gelyk tegen malkander uyt- ftortenhaar geweld, alles in brand fteekende, of overftroomende. -tL* Ten vierden, de *D waling, die als Landlopende Telgrim looptmet
eene Wandelftok^ ftommelende, en tikkende na de rechte weg, met eene Blindlap voor zyne Oogen, op eene Stelt, door eene Hond getrokken, hob- belende van de eene Trap op de andere,tot hy tuymelende den Halsbreekt. r. Ten vyfden de Wyfeling, op de Stoel door een Treek-Monnik ver-
toont, die voor hem eene Kreeft heeft,die geftadig fcheef en kwalyk gaat, in zyne eene Hand eene Bo/> die geftadig roert, ennooytvaft legt>in de an- dere heeft hy eene Chameleon, aannemende de koleuren der veranderingen in wetten en tyden, die hem voorkomenj en dragende op zyn wifpelturig Breyn de Maan, zynde met zyne Maanzieke Herflenen gedurig ongeftadig. Terwyl deze op de Kanilel ftaat, tracht 'er vT« Ten zefden, met alle drift en konftenary, een ander Geeftelyke
Amptgierigheyd tegen op te klauteren, onvermoeyd, en onverzadigt. Die ge- brek is met een Monnikskapy en Rok gedekt, met zyne Hayren Gordel, en bloote Voeten, een ftrikt, fcherp, en matig leven, voor de Oogen der Wereld omher voerende, maar ondertuflchen Abts-mutzen, BifTchops-my- ters, en Cardinaals-hocden, op malkander ftapelende, ja tot de Pauflelyke Opper-eer klimmende. Al die hooge ftands eerdoed hem de Herflenen dwar- relen, en ergens ftuytende, tiert, raaft, en blaaft hy, tegen de bezitters, tot dat hy Landen en Steeden overhoop werpt, en vaak zyn loon, van de Wereld, met Kerkef, Strop, of Vuur ontfangt. En ach! of dezekwadein- breukmakende Beftormers en Warvogels eens ophieldenj en aan de Ram- pen door zulken gemaakt, en gevoelt, een nut voorbeeld namen, en Vre- de, Ruft, en waare Kennis te beminnen, en ter Eere Gods voort te kwee- ken
|
||||
___.
|
|||||
Van de AankomendeHervorming.LVLHoofdst. 4.05
ken vaft ftelden ! Maar, by deze vervalle Kerkzeeden, het alzoo bewerkt
zynde Oppermeefterfchap , valfche Leer, Oproer, en Onkunde, ftuytte nochtans niet de Goddelyke Genade , die tuflchen die Nachtder YzereEeuw, aanblikken liet de glinfterende Vonken, en Straalcjens van zyn Lief en Waa- kend Oog op zyn H. Verbond, en Goddelyken Eed, voor 9t EeuwigPrie- fterfchap van Melch'tzedek^ want zyn nog flaauw Licht in den kleynen, wierd op denKandelaar gezet. H. Alhier verbeeld, door den Ziender Bileam, op zynen Ezel flaande;
waar in men als in eene krachtigfte verbeelding ziet, een Propheet door Ko- ningen aangebeden, en door hare Rykdommen en Gefchenken bedorvenen omgekocht, die heen gaat om 't Volk Gods te Vloeken. Deze Ezelinne, 9t verachtfte Dier, het Model der Lydzaamheyd, (en zoo menTrappenvan verftandelyk zoort den Beeften toefchryft) de botfte der Viervoetigen , tot Slaaffchen arbeyd gefchikt, met Armoede, Honger en Slagen gedrukt,ziet den Engel Gods op den Weg verfchynen, die geenzins flonkerde in de Oo- gen des Valfchen Meefters. Dit ongeachte Dier ziet den Engel Gods op den Weg verfchynen, die geenzins flonkert in de Oogen des valfchen Meefters. Het ziet den Uytwerker van Gods Wil, die Iff ails goede wil bewerken,en debe- loofde Zegeningen van Canaan opdoen, en zet zig fchrap, om den Meefter uyt den Weg te doen ftaan, en te wyken voor den Hemelbode. Maar de opgeblazen Baas , zonder uyt te zien, houd zelfs niet op van flaan, als hy al 't Wonderwerk hoort, de Spraak, en Vraag van een Onredelyk Dier* den Engel, Gods werkende Hand, ziet hy tegen dank eyndelyk mede, en moet zyn opgebla- zen overmoed laten zinken, en tegen wil en dank van zyne Godlooze voor- nemens Zegenen, die, welke hy meende te Vloeken, en het Heyl van Gods Volk, voorzien, voorzeggen, en ftaande houden, eeven als in de duyftere tyden het licht onderkleyne Dal-lieden, Bergwerkers, Herders, en Bofch- hakkers, in Savoje, Bohemen^ de Alpen^ "Fireneen, en elders begonnen heeft, die deerlyk gefmeten, mishandelt, gevangen, gemoord en gebrand zyn geweeft, om dat het Licht des Heeren, in de Wyngaarden en Bergen toegefchenen had, tot dat de groote Leeraars zelf ophielden van flaan, en zelf leerden, de vervolgingen en drcygementen der Vorften, en medeftan- ders van Babel verfmadende. 1- Zoo vond men de vrymoedige Mannen, opftaande uyt den drek der
Wanftaltige, dog uyterlyk Zeegevierende Kerk. Die vrymoedige Bloedge- tuygenis zietmen hier op de voorgrond, als een fterk en welgevoeden Held ^ door den arbeyd. Deze van ftrenge Spieren en Zenuwen, met woeft, we- lig ongehavend Hoofdhayr, is door 't uytzuypen der Geeftelyken, zoo ver- re tot ongeduld en wanhoop gebracht, dat hy tot Goddelyk en Menfchelyk tegengif moet overvallen. Hy zoekt dan, en vind> hy klopt, en hem word opengedaan * hier en daar ziet, en hoort hy, dat'er een Verbond Gods Eee 3 is,
|
|||||
405 DE HIER6GLYPHEN OF M.ERKBEELDEN.
is, een laatfte Wil, van God door Kynen Geliefden Zoon vervult, door den H. Geeft verkondigt en verbreyd. Dit ziet hy in Handen te krygen, en le- zende in de Vreeze Gods, zyn H. Nalatenfchap * ziet hy met grimmigheyd, de verwatene Loskoppigheyd der lichtmiflende Monniken* hy fluyt zyne Buydel, voor de fchrik van 9t Vagevuur* hy fpouwt uyt de dolle Logen- taal van Reyzen en Tochten in Vatricius Vagevuurj van zoo veele zwe- vende Geeften van zyne verftorve Vriendcn* van zoo veele Spooken, Ik- kers, en Duyvels, die uyt de Hel, uyt het Voorburg, en uyt de Booten der Ongedoopten, kwamen verhalen de naare toeftand der Lyken. Daarom heeft hy in de eene Hand een Monniken-kop met de gefchoore Kruyn,ont- dekkende hun vuyl bejach, en grobbelende in de geheymen van de Paufle- lyke Driekroon, ziet hy den grouwel van dien Kerkelyken Dwingeland in* wendigj en fchoon hy onnozel als een Schaap, wiens Vacht hy om *t Lyf draagt, zig heeft laten fcheeren en villen, zoo word echter zyn te lang ge- perft geduld, uyt bittere armoede tot een opftand gedrongen -y gelyk zyne blindheyd moeft uytberften tot uytkreet der Waarheyd. Dit doet hem de Kruyflen, en Vanen, Bullen, Klokken, Bellen en Schellen,ook Aflaten, Kappen en Kovels, Gordels, Rozekranflen, en al dien Voddewinkel ver- achten, de Mis in Vleefch-vervorming vervloeken, de Beelden,Kloofters, Kerken en Kapellen beftormen, iloopen, en verwoeften* want zoo gaatde werking van al te taay lydcn, als 't uytbarft* hy rukt van leer , en vind Wapens door zyne woeae; t'effens ontgolden dit de Papen en Landshee- ren in Zevenbergen en Albanie, alwaar van eenige Grieken, betere Leere gezaayt wasjen voortzettendeinBohemen^mZwitzerland,en de befneeuw- de toppen van de Alpeny Appennynen en andere Gebergtens. Maarteflaauw was *t Licht, te woeft de toeleg, en zeker ganfch verwerpelyk, ja te be- fchuldigen en te doemen. Hier op volgt de aanval op de Eerft-Gelovigen. Straks zietmen de Houtmyten, de Brandpalen, en allerley Foltering en Beuldery op de been. De Dominikaner Monnik, de Trom en Trompetder Kruysvaart tegen den Albigoyzen^ met veertig duyzend ingetekende Kruys- zoldateiii pretfelt hem met het Kruys de laatfte trooft in 't Oor, barftende van blydfchap in de moord. K. Daar achter ftaat den Graaf Raymond van Montfoprt, die brand en
Moord ten Neulgaten uytblies. Die voert op zyne Speer de gefpeete Hoof- den der uytgemoorde Ketters. Maar of zy daar tegcn Huguesy in Bohe- men tegen Ziska, en over al tegen alle Belyders woeden , nog ziet men uyt den Afch van die belauwerde Doodshoofden den Afchverfpreyden, uyt welke zoo veele Fenixen opryzen * yt Zaad der Gelovigen uyt het Bloed der Martelaren. De Lift en Meyneed mengen zig onder de Moord en 't Geweld. Men
lokt de Belyders en Predikers onder allerley mom van beloften in 't Net der Ver-
|
||||
Van de Aankomende Hervorming. LVI.Hoofdst. 407
Verdelging,of met valfche betigting aan yt Verderf. Savanarola,Jan Hus9
Hieronymus van Traag, en zoo veele anderen, worden verbrand> dog dc i->- Gans van Hus, hoe fchor haar heefch geluyt ging, was de voorbo-
de der fchelle-zang, van Luthers Zwaan* Deze verbeelding fchynt my niet oneygen voor de Eerfte Hervorming des Paufdoms. Die Gans van Jan Hus, van de Houtftapels van dien Bloedgetuygen afgevlogen, heeft zekerder voortekens verfchaft, als de Arenden uyt de Lykvlammen des Keyzers, van hare krankzinnige Vergooding. AVl. De vergeeffcheTegenftand der Hervorming, zietmen in den Suyze-
bollendenvettenMeftpaapv die met Ezels-ooren aan 'tHoofd,te grof en bot gemaakt is,omwel te hooren. Uyt zyne gefchooreKruyn ryft eenePaauwe- itaart,die volflikkerende valfche Oogenis,en zig uytftrekt opde lange Pen- nen van de wydgrenzende Kerkenmachc. Hy laatzyne Solfer-toortsvallen ,ge- fchikt om de Marcelvieren (de Brandhouten) te ontvlammen. De dulheyt groey t in zynen Waterzuchtigen GierigenBuyk, ziende dat hy niet houden kan zy- nen vetten buydel,die van de Aflaat der onbegane Zondenvolgeproptis.Hy fchreeuwt en buldert tegen de Waarheyd, die doorbreekt tot zyn eygen fmaat> en hoewel ze hem nodigt haar te omhelzen, hy fluyt Jer de Ooren en Oogen voor> hy ziet datze van den Hemel afdaalt, maar in zyne Aard- fche wulpsheyd begraven, en gedompelt in zyne welluften, fchrikthy die te ontfangen. JN. De Engel voor het Nieuw ontftooke Licht, toont met zyne jonk-
heyd, de nieuwe oorfprong uyt de fchrikkelyke Duyflerniflen opgeheldert. En dit verbeeldende, draagt hy by't ichoon jong Lyf de Vleugelen, waar mede hy bewyft van den Hemel door Goddelyke Genade afgedaalt te zyn, hy draagt tuflchen zyne Vingers de Balzem Gileads*, en die van den jongen Tobias, waar mede de Schellen van de Oogen van den blinden Tobias afvielen. De moetwillige Moimik fluyt daar tegen zyne fchemerende Oogen, en hy kan, in de zeerheyd van die flechte Ledematen, niet velen het Licht op zyne rechte Kandelaar, dat de wakkere Mannen niet onder de Koornmaatzetten, maar voor de Voeten des Heeren, gelyk de Zeven Kandelaren der Zeven Gemeenten, in de Openbaringe van Joannes. |
||||||
ZF
|
||||||
-
|
||||||
.....■ *f|p...... .....
|
|||||||||
■ ...
|
|||||||||
■■ "'■ -—- ■■ " " ......
|
|||||||||
■
|
|||||||||
____I
|
|||||||||
" ••■
|
|||||||||||
'
|
|||||||||||
Van deWaare Leer. XLVII. Hoofdstuk. 409
|
|||||||||||
ZEVEN EN VYFTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Waare Leer, OP het doorglinfteren van deze Goddelyke Waarheyd , word na het
twyfelen, en onderzoeken, eene rechtfchapener , en Edelmocdigcr Vryheyd geboren, van Prediking des Woords Gods > en hier de eerfle vry- borftige Leere. Die is verbeelt door een A. Wakker Man, in zyne fterkfte jaaren* boven op zyn Hooft is
eene Vuurige Vlamme, als eene Gefpleete Tongy van den Hemel als op het Pinxterfeeft nedergedaalt > hy heeft een ftoutmoedig Aangezichc, dragende in zyne Rechterhand een Staf van Mercurius, met de Slangen daar om ge« kronkelt, daar boven aan de Vleugelen van eenen Cherub te zien zyn, om te toonen, dat zyne kracht van welfprekenheyd alleen van den Invloed der Hemelfche krachten afvloeyt, met een Hoed van Vryheyd boven op de Staf, bewyzende dat hy niet verplaatft wil blyven, onder den Ban, or de Plak van Garden der Schoolmeefters, maar als een Vrygemaakte des Heeren, belyd hy zynen Heyland onder den Menfchen, om van hem beleeden te zyn by zynen Mede-Eeuwigen Vader. In de andere Hand houd hy eene •Band met Doppen, om de Paarden mede te blinden , in 't omlopen der Rofmolen. Die heeft hy geligt van een groot Volk, het welkby hetPaard word vergeleken, tot allerley Hand te mifleyden, door verloop van tyd, en zamengeftnede Konftenaryen der Tempeldienaars. Maar echter niet onbe- kwaam om betere en grootere dingen te doen, als blind , op de Zweep der Priefters om te lopen, om hare Molen te doen gaan, en 9t vcttc der Aarde voor hen te bereyden. Hy heeft de meefte vodden, waar mede men hem had omhangen, afgefmeten, en maar behouden een licht zuyver Kleed van Gods Heyligheyd j hy ftaat met beyde zyne Voeten vaft op,jainden Hoek- fteen Chriftus, welke onverwrikbaar legt op de Zwaarden, Ketens, By- len, Mutzaarden, Stroppen, en andere Beulwerktuygen der Vervolgers. A>« Maar zoo gewenfcht gaat dit Prediken niet voort, of hetmaaktgaan-
de den dommen yver van *t WOESTE GRAAUW, het welk onbezuyft- heyd by zyne onkunde voegende, en heugende defmertetyke afperfling, dc fyne om de Tuynleyding, en 't grove Meefterfchap der Geeftelyken, in de plaats, van zig met dankbaarheyd aan God voor 't beter Licht, en Gebe - den tot verftcrkiitg over te geven, zyne woefte Inborft op de onverdienden yyt ftort. Men ziet dezen dommen yver met een wreed ongehavend Boeren Gezicht, op de dolle Kop eene. Beerenhuyd dragen, wiens Klaauwen langs Fff zyne
|
|||||||||||
|
|||||||||||
' ~"^-r ■ ■' '■
|
|||||
410 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
«yne Schouderen en Armen zwayen •> hy vertreed den Toom der Gehoor-
zaamheyd aan zyue Oppermachten 3 lydende gene breydel aan zyne woefte driften. De geplukte Buydel op zyne Zyde, ftcekt zyn dolle Vuur aan; tegen de weerlooze Onnozelheyd -, hy grypt de arme Nonnen aan, zyne Dolk, op Moord gewet, heeft hy gereea, om ze in de Boezem der On- fchuldige te ftooten, die de Beelden der Heyligen voor zyne wanhoopzoekt te bewaren, ziende de aangeftoke buflels Stroo, om Kerken en Kloofters in Brand te fteeken, en de Bylen en Haaken, omallcsom te houwen, ge- reed leggen. ^» De Goddelyke Genadefchrikt voorzulkenHervormerydie fchoon-
fte Maagd, daalt ne£r, met een alleraanminnelykft Aangezicht, de Geeft Gods, als een Sneeuw-witte Duyve, van Gods Throon nedervliegende, ze- gend het ware Water des Levens, dat zy in hare Goude Kop draagt, om alien, die na haare Geeftelyke Gaven dorften, telaven> zy breekt doorde Rook en 't Stof der in den Afch gelegde Kloofters en Kerken, en draagt in hare Rechterhand eene Olyftak, om door Vreedenlievend onderricht, envrucht- bare ftichting, den Verdwaalden den rechten weg te leeren, die God wil datzy zullen gaan. De Engelen-Vleugels , die zy aan -hare Schouderen draagt, zyn de Merktekenen van de krachten, welke moeten komen, om in ons beyde het Willen en het JVerkenxs bewerken. Die Geeft Gods is om- ringt met eene Zonneglanfch van Heerlykheyd, zodanig, als zy de Recht- vaardigen en Gelovigen doet blinken, hier tot Voorbeeld aan hare Mede- broeders, en hier na tot Heerlykheyt, als blinkende Sterrea, in der Eeu- wigheyd, voor alle de Hemelfche Schaaren*. D. Door deze beyden is dan de weg gebaant voor de Hervorming. Die
Edelmoedige Vrouw, vind de groote Pracht der Roomfche Mogendheyd, de Pilaren, van dien H. Throonftoel bouwvallig , of omgeftort 5 te ftout was het werk gedreven, en te hoog opgevyzelt, door vericheyden Domme- kragten, om ftevig te kunnen blyven^ tegen den aanblik zelf van klaarder Licht, van betere Zeden, en Geeftelyke Nederigheyd, volgens de vertreede plicht, van Ootmoed, en Z^chtmoedigheyd. De Wereldlyke Machten hadden <^ie geduchte Overmogendheydte zwaar
op hunlieder halzen, om ze niet af te willen fchiKlden. De gelegendheyd wierd geboren, uyt het fchacheren y en den overmoed der Geeftefyken, die eerft biddende, dan bedelende, voorts troggelende, maar eyndelyk dwingende, al het vtttc der Wereld naar zig namen, zynde het attyd- dur^nde middel tot de nederwerpiag der al te groote Geeftelyke Macht. Deze Heldinne d$n, onderneemt de gebreken, in de Kerk ingebroken,
daar van over Europa uytgeborften, te verbetereiv Zy heeft alle de Oogen* van Argus nevens hare eyge Arends-Oogen inhaar Hoofd, om op het naauw-
|
|||||
"
|
|||||
Van de Waare Leer. LVII. Hoofdstuk. 411
mauwfte door te zien, 'alle de Tyden, die verlopen zyn, en 'tverloop, dat
in die Tyden ingebroken was. Haar Herte, waar m de Kennifle Gods ontbrand , Vlamt in hare zuyvere Boezem, om de Waarheyd voorc te plan- ten > waar toe zy vruchtbaar is in yverige werkingj dragende meer als twee Borften, door welke zy verbeeld den overvloed der Werkers, dewelke van tyd tot tyd meerder en onvertzaagder opftonden, om haar twee Zuygelin- gen aan, en op te kweeken, Zy heeft de Qnkruyden beginnen te fchoffe- kn, en heeft de Hark in den Arm, om het afgeftooken by een te gade- ren, en uyt te dragen. De fynder kwaade zaaden, heeft zy in deZeeve ge- legt, om dezelve te ziften, en alles onderzocht hebbende net goede tc be- waren. Zy heeft een Kleed aan, waar op Zonnen geweeven zyn, om door die klaare ftraalen de Spinnewebben te konnen onderfcheyden , en al het Verderffelyk Ongedierte in haar Kleed op te zamelen, en uyt te dragen. Zy ftaat en treed vaft op de Verwoefte Grondmuuren der vervalle Kerke, die zy den Heere wederom hoopt op te Bouwen. Ter linker zyde van deze Manmoedige Vrouw legt de -t" Overhoopvallende Kerkenmagt. Deze heeft haar zoolang
bearbeyd, en zoo lang beftreden dagelykfch Offer der Mifle van Meelbloe- me, tot eene ronde Godheyd verandert, door eene verwonderlyke Vleefch- wording van haren Gekruyften Zaligmaker in de Kelk, uyt dewelke wat Water en Wyn ( niemand als den Offerpriefter toegefchonken ) gedronken is, als haar Veldteeken in de eene Hand* de ronde Bol der Betoverde We- reld, waar op de Mammon gedrukt is, in de andere. Zy heeft geftruykeltj zy is gevallen , en te gelyk zyn veele van hare dertele en grootfche Hoofd- en Lytcierflelen afgerukt* de Cardinaals Kruyflen, de Biflchoppelyke Sta- ven, deDrickroon, en hare Blixemende Sleutels, hebben haar geweld, en de Wereld den fchrik voor dezelve, verloren. De fcherpe punten, geflin- gert over de Alpen, zyn de klem en nadruk kwyt; de Hoorn, van zoo veel Geld en Schatten, legt uy tgeftort > en dient nu meer, om *t overfchot te klutzen, en het groote gevaar te fhitten, als om ooit weder tot zyne ver- Ioore pracht en kracht op te klimmen, hoe zeer daar toeLoosheydenBoos- heyd van de nieuwe ftreeken zwanger gaan. Derft zy echter de Goden niet ondernemen te buygen, zoo beweegt zy £• Den Acheron, de Helfche kracht van Vervolging, beftaande in
drie middelen: eerft de Gewetensdwang en haar Geloofs-onderzoek, ondcr den naam van Inquifitie bekend, die zonder redenering de Gevangenen ten Vuure doemtj ten tweeden de Zendelingen, van zoo vele Ordens, bene- vens de Maatfchappy van Lo/o/a, zoo vele hondetd duyzend fterk, alomme alles doorwroetende j ten der'den, de Princen van een deel van Europa, die, of uyt blindheyd, of uyt belang voor die Stoel, daar zy op zat, Ver- Fff 2 woe-
|
|||||
JLll DE HlEKOGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
woeftingen, Kruysvaarten en Oorlogen, zondcr Genade, ondernemen* otn
hare Grondwetten tot haar beftaan, te Trenten bezwooren, te handhaven. Deze drie middelen zyn verbeeld door een Cerberus metdrie Koppen, wet- ke dat Heerlyke Hof der DuyfternifTen bewaart* wiens Oogen vol Gal, Bek- ken vol Tanden, en gapende Keelen niet uyt en braaken, dan Vuur en Vlammen, uyt dien l'oel en Put des Afgronds, alwaar zy t' Huys hooren. Maar *t blazen, Vuur fpouwen, Zwavel braken, en al die opgefparde
Muylen, wederhouden niet de onverfchrikte voortgang der opgehelderde Waarheyd, verbeeld door G. Eenen Herkules^ met de Huyd van den Helfchen Briefchenden
Leeuw gedekt, die hy neervelt, en vermeeftert. Zyne Knods is van het kwaftig hout, van hare Schoolgeleertheden gemaakt> en dient tot Knotting van hare eige Koppen. Deze Held verdunt, verftrooyt, en verdryftdeop- vliegende Vuuren, uyt de Helfche Vervolgingen opgeklommen tegen den Geeft Gods, die de Goddelyke Genade, en de Hervorming, en de H. WaareChristelykheyd verzelt en by blyft. Deze Zoetaardige
Vrecdclievende, en Vriendelyke Maagd,is de Waarheyd naaft gelyk$zyis medenaakt, entoont over al, den zuyveren ftaat van de Wedergeboorte. Haar fchoon Voorhoofd is getekent met de Naame Gods, naar wien zy hare Oogen opftaat, in zyne befpiegeling bezig zynde. 'Zy Zegepraalt, volgens alle de beloften, eyndelyk over hare Vervolgers. Ter eenre zyde ziet men eene Hand, van eenen der Seraphinen, die haar hctRechter Oor doorboort, als de ware en vafte Dienftbode van God 5 ter andere zyde, ziet men eenen diergelyken, die met eene Vuurige Kool van Gods Altaar, hare Tong aanraakt, om vrymoedig zyn Woord voor te dragen. Hare onbefpro- ke Wandcl blykc op hare Boczem, alwaar men het Hermelyntje ziet, het welk liever fterft, dan dat het zig bevlekt. Zy draagt volgens den laatften der Propheten, Maleachi, in de Rechterhand het rechte SpysofTeraanGod, zynde een gebroken Hert, waar van de reuk opgaat, in de Naame Gods, op een Altaartje, en in de {linker een Wierookvat, met welriekend Reuk- werk*, dat opgaat tot in den Naam van harenZaligmaker* met een Compas ruflchen bey den, om te verbeelden, dat dit Reuk-en Spysoffer opgaat van den opgang tot den ondergang, zoo als door de Goddelyke Genade deze Voor- zeggingen vervult worden, endagelykfch het waare Licht doorbreekt, zelfs totaelndtanen, en Garamanten, Kannibalen^ Tapuyers en Hottentots. Zy volvoert het voorzeyde door den Koninglyken Propheet'D^wW, en treed met de Voet op de groote Altaarplaatzen , waar op men ziet leggen, de Gey ten, Bokken, Stieren en ander Slachtoffer, waar van deOfferrook even als die van Katn, niet opgaat naar den Hemel, maar nedergeflagen word > dewyl de Heere niet en begeert het Offer van Stieren, Bokken en Geyten, Scha-
■. |
||||
■
Van de Waare Leer. LVII. Hoofdstuk. 4.1^
Schapen en Lammeren, raaar de Herten der Offeraars* willende , dat dc
Deurcn des Tempels gefloten worden, op dat die Priefters, die de Wacht daar in hadden, zouden zien, dat *er een beter Offer door den waren Met fias eensGeflacht was, door wiens Bloed, alle Zondenkonnen uytgewifcht worden, en die maar eens Geoffert kan worden 5 niet alle Dagen, als de overhoopvallende Kerkemacht de arme Zielen heeft opgedrongen. |
|||||||
Fff 3
|
|||||||
AGT
|
|||||||
. • ■■ ~-:~- ...-.r
|
||||||||||||||||||
.
|
||||||||||||||||||
■•
|
||||||||||||||||||
•
|
||||||||||||||||||
.
|
||||||||||||||||||
Van de Zeviin Perioden. LVIII. HoofdstuK. 4.15
AGT EN VYFTIGSTE HOOFDSTUK.
Fan de Zeven 'Perioden* DE Godgeleerjden van dezen TYDVhebben nevens deccrftcHervor-
mers, en zelfs eenige groote Mannen, van verfcheyden Eeuwen, en Ge- voelens, niet als eene nieuwigheyt, maar als een opgenelderde Waarheyd, uytden zamenhang van Gods Oud Verbond met zyn Nieuw , vaftgeftelt, eene verfcheydenheyd van de Kcrke Gods, in hare leydingen, en werkin- gen tot hare Verheerlyking y dicnftig voor den Leergierigen en Trooftzoe-- kenden. Deze verfcheyden Standen zyn door den meeften gebragt en gehouden
op het Zeven-getal, dat by veele Menfchen,byzonder van Heydenen en Jo- den voor byzonder, uytgemonftert is,, en in veele Gereedfchappea, Wet- ten , en Plechtigheden, t'elkens ons voorkomc. Hoewel 'er geene groter gril kan zyn, als de telling der Menfcheny in-
zaken het Oneyndig Wezen en zyn Beftier, of Huyshouding rakende, voor eene regelmaat te ftellen-, want nog Maat, nog Tyd, in *t Oneyndige vale* zoo moet nochtans Rang, en Getal, ten opzichte van dea Menfchen ge- bruykt worden, om niet alles te doen blyven in eene verwarringtuflchen den Leerder en Hoorder. Zelfs'tH. Woord, voor onze zwakheyd,danftamerende>, heeft zig daar van bedienty van de Schepping reets dit Zevental gebruykt, en in de Openbaringe van Joannes, met zoo veele Zegelen, Kerken, Ba- zuynen, en Phiolen bekrachtigtj zynde dan in 't begin, en het eynde, in, t H. Woord uytgekipt, volgens onze tellingen j zoo is hier dit Zevental, in Zeven Tyden, of Perioden voorgeftelt. Als zeven Godfpraken, van 'c Noodlot der Goddelyke Bruydj waar van de Propheten , als Vooruyt- zienders van Gods gehengeniflen, tot zyne Eere,. de Infpraak ontfongen„ de Gezichten zagen, en die verklaart nalietea «• De eerfte is de Predikinge-, eene fterke Vrymoedige Maagd, heb~
bende op haar Voorhoofd de gefpleete Tong, welke op ieder Kruysgezant Gods, op *t Pinxterfeeft binnen Jerusalem kwam flikkeren. Want van die 3rd ftort de Heyland tot zynen en onzen Hemelfchen Vader Opgevaren r
en H. Geeft, (door hem ons belooft,) op zyne Leerlingen neder-r het begin van de eerfte Periodey of Tydbeftek. Zy heeft gekruyft hayr, by na als de (choone■ Zwart in van Salomon*, die
ccrft zynen Hovelingen ten fpot fcheen y uyt hare Iviond, die allerley Talen fpreekt, gaat het tweefnydende Zwaard van Gods H. Woord, den gekruy- ften Zoone Gods Predikende, met de eene zyde van het Lemmer der Jo- dea
|
|||||
.
|
|||||
.... . - . ...
|
||||||||||||||||||
Pf!''1-!'*"'
|
■w^r--
|
|||||||||||||||||
..... ,.. .
|
||||||||||||||||||
... ......
|
||||||||||||||||||
41^ De Hieroglyphen of Merkbeelden.
cien Herten doorfnydende, en met de andere der Heydenen Merg doorgrieveir
de. Zy begint het Ryk van Chriftus, dat van deze Wereld niet en was> in de Zielen van zyne Uytverkorenen, waarom zy de Ryxftaf met zyne Naamletters in hare Hand voerd j hare Klederen zyn opgegord, om de We- reld door te gaan leeren, zonder Pracht, zonder Merk van Meefterfchap, of iets van de Aardfche Grootsheyd, vaft voortgaande opdeSteenrotzeChri* ftusy tot dat de nieuwe Leer, in Chriftus vervolgt, in haar, onder *t fma- lenderjoden, en *t ergeren derHeydenen, als de jonge Wyngaard, al- om hare Lootcn uytfpreydde*, en kan fchynen te beginnenmet het Tinxter- feeft> zynde omtrent vierendertig Jaaren na de Menfchwording, vandenZoo- ne Gods. Zy draagt op haar Schild den Ruyter op een Wit Paard, met eene Goude Kroon op \ Hoofd, en den Boog in zyne Hand, om de Tylen uyt zyne GoddelykeXoker, aan alien kanten verre uyt te fchieten. Op hare Rug hangt een Spreektrompet, om van verre gehoort te worden. Deze Ze- ven zyn wel elk onderfcheyden, maar nochtans t'elkens met haren Naaften inlopende, en iets gemeens hebbende> en alzoo is naaft aan haar eene ande- re Maagd, de tweede, zynde iJ- De Vervolginge. Dezeiswat grover,klagende wegensdeMartelkroon
van Doornen op haar Hoofd. De Hoofdhayren, waar mede zy gefleurt word, zyn los en verfpreyd. Zy heeft moeten uytftaan de fchrikkelyke Ra- zerny der HeydenfcheLandvoogden, en Keyzers ( hoewel ik moet belyden, dat ik de Hiftorifchryvers van achting naziende, zoo vele Martelarfchappen niet en vinde) en 00k veele Moorden, dewelke de eerfte Chriftenen, door de Vergaderingen by nacht zyn overgekomen, wyl de meefte Keyzers, Va- dermoorders zynde, voor de zamenzweeringen van anderen vreefden, en der Chriftenen byeenkomften als zoo vele te zamenlpanningen tegen henlie- den aanzagen 5 behalven dat 00k het ware Wit van 't Lyden , en de ware Kennis by veelen gefaalt heeftj en koppige of hovaardige driften, eeniger zuyvere Kroonen wel fchynen bezoedelt te hebben. Zy heeft hare fterke Staf in *t midden van hare Vyanden gefchikt in Zion. Zy laat zien den Aarts-Engel Michael,en den grooten Stryd, dieindenHemel wierdgevoert tegen den Draak, op haar Borftftuk gedreven; waar op men den Befchuldi- ger, die de Broeders dag en nacht aanklaagde om 's Lams Bloedwille,ziet verwonnen. Zy heeft de Lendenen met Waarheyd en Gerechtigheyd om- gordj het Schild van 't Geloof, en den Helm van Zaligheyd, ftaan tegen den Kerkerfteen, waar aan zy gekluyftert is 3 het Zwaarddes Geeftes, de ken- nis des Gekruyften Chriftus, draagtze op zyde, hebbende de Foe ten Gejchoeyt met de bereydwtlligheyt van het Euangelium des Vredes, tegen 't geweld, dat op een Paard, door 't Martelbloed rood geworden zit, met een groot Zwaard in de Handen, om hare ruft en vreede van 't Aardryk te nemen. Zy heeft eenen Brandenden Berg in de Handen 5 Nero of andere Keyzers meer
|
||||||||||||||||||
.—
|
||||||||||||||||||
Van de Zeven Perioden. LVIII. Hoofdstuk. 417
nicer betekendcv die zoo veel Scheepen in de Zee geworpen zynde doet
verga^n, welke zoo veele reets aanwaflende Kerken doet verftooren, ver- itroojen en omkomen. Ook toont zy den Brand des Tempds, en des Bergs Zion, die in der Vefpafianen tyd Verbrand en omgekeerd is, met de Moord van zoo veele Joden en Galileersof Chriftenen, die van den Heydenen meeft voor eene zoort gerekent wierden, dat het getal alle Geloof te boven gaaf. Hare Bazuyn is een Golftrompet met welke men de Stormen aanvoerde. V>« aan de anderc zydeachter deeerftc, volgt de derde^ zynde de Wt*
reldfche Ferhooging-y tiamentlyk de tyd, in de welke Konftantyn^ koewel zelf een flecht Chriften, en Ongedoopt, nogtans de Vervolgers vervolgt, der Chriftenen byeenkomften in de Tempelen der Heydenen, van den Af- goden gezuyvert, invoertj en de openbaare Belydeniflen der Waarheyd al- omme doetontfangen, binnen en buy ten de palen des Roomfchen Ryks, gelyk by den Vorften der Saractnen en Homeriten, Borgogjom , Ieren % Tatters, Ruff en > Artnenen> Bohemersy Iberen* Swaben^ Vifigotten, en anderen. Zy heeftdaarom het teeken, waar in gezegt word, de Zegenpraal van Konftantyn den Grooten bewerkt te zyn, op hare Borft. Zy fteekt d<5 Bazuyn van Overwinnine, uyt den Drakenkopblazende-, wyl de booze Gee- ften, de Heydenfche Pnefters zelfs begonnen uyt loosheyd te helpen totde- ze grootmakinge, veynzende, dat hunne Afgodfpraken ophielden, om met meer glimp tot der Chriftenen Godsdienft over te gaan, die zy wel haaft, zoo wel als de Monniken en Biflchoppen, bedorven, doende veel Tarwe en Gerft om eene ^Penning veyl zyn. Hoewel de waare Geloovigen, (de fVyn en Olie') nochtans gefpaart wierden, van den Ruyter die 't verderfin- voerde op zyn zwart Paard, en die de Weegfchaal in de Hand droeg, om de Ware van de Lichtgelovigen te icheyden. De Sterre van Alzem, die de goede Fonteynen tot Alzem verkeerden en bedorf, brand op haar Voor* hoofd, waar door vele Menfchen Geeftelyk ftorven, die verleyd wierden y of doorluye eenzaamheyd onnut, van grillen en eigenzinnige Leer vervoert bleven. Dit was het Water, dat de Draak, diensliop onder hare Voeten ftaat, uytgidpte, tegen de Vrouw , die een Mannelyken Zoon gebaart had, en was geweeken in de Woeftynen. Daar zeker de rechte Leer in de tyden van Vervolging, eerft door 'Paulus van Theben, Antonius en anderen wel beleeft, en met achting uyt den drom en drang der Ketters en Bloedzoekers wierd voortgezet. Zy is fterk rood, als de Baarmoeder des Dageraads , en gekoleurt als met den Dauw der Jeugd. De Aarde was die Vrouw behulp- zaam, en verflond de Rivieren, die op de Vrouw uytgefpogen waren. Zoo trachtede de Duyvel, ziende dat hy de Kerke Gods met kon* dempen, de- zelve met zyn uytfpouwflel der Dwalingen te verdelgen> gevaarelyker^ on* dat deze Pylen heymelyker gefchoten wierden, en 't Martelaarfchap den Menfchen wakkerder, maar de Dwalingen veyliger, en laffcr maakten. 4 Ggg D. Aan
|
|||||
-
|
|||||
418 De Hiehoglyphen of Merkbeelden.
D. Aan de zyde der Martelary ftaat de vierde; hot Geeftelyke Babel y
van den Keyzer 1? hoc as en anderen beginnende. Want dewy! de Opper- macht in de Kerk maar een kon hebben, (en GodbetertI) veele na trach- ten, gelyk Gregorius die't eerft Vervloekte met groote drift, maar metveel groterinnam^ zoo- hebben al voor dien tyd, veele over eenige Kerken ge- heerft, de Opzienders over de Leeraars, de Biflchoppen over deze, Me- tropolitanen, Patriarchen, eneyndelyk,. over alien een Opperfte Biflchop> of liever Naam boven alle Namen, Ampt boven alle Ampten. Dewyl echter in Arabic Mahometh der Chriftenen Godfdienft over hoop wierp, en *t Ooften door zyne Nazaten onderbracht* die't nog onderhouden, 't zy van. Aly*> alsde Perzen, ofOfman , als de Turken, of Abubekar y als de Afri- canen opvolgersj zoo is ait Gedrocht vanonderen als cenTardel,. met Bee- ren Voeten, gefchakeert door veele Verwen, om dat die Mahometaanfche zamenftelling opdonderende, in een drabbig, Water van Ketteryen, en on- vaft Chriftendom, van Joodfch,Heydenfch, Chriftens eeneyge zamenfmel- ting had by een gefmeed, om alle vlotte Geeften in zyne Netten te wikke- len , en door wereldfche Lokaazen te verleyden. Die kreeg de Macht van den T>raak y zyne Stoel Jeruzalem en Babel in zyn geweld. Jr% flaat op het Zand der Zee, by Mecca of Medinat al Nabi (de Stadt van den Profeet,) aan de Perzifche Golf. Hy klaauwt met zyne rooten op de Wereld, waar in men de Dood ziet ryden op een vaal Paard, met deHellc achter zig. Deze vermoordde, de Hel flokte in ,die hy fpaarde > 't vaal Paard van kwynende verw, zonder verwbetekent die doodelyke toeftand der ware Kerk, waar in zig een MenCch boven God had verheven, Nochtans bleef ook de Belofte aan Chrijlus gezworen,^ zyt Triefterin der Eeuwigheid y na de Order van Melchiz,edek. Willende* en Gcbiedende y niet Lerende nog Leydende, boven de Kerken, boven de Kroonen, als God zig dragen- de, en met een driedubbelde Kroon pralende, van Hemel, Aard, en Hel> fluytende en openende, den Hemel en het Vagevuur -y fchoppende enveften- de de Ryxftaven en Kroonen. Zyn Misgeboorte draagt hy in de Hand. De Goude Staf van Thoc as Purper fchikt de reft van dezen Zoon des Ver- derfs op. Zyne Trompet is eene Wraakhoorn van Solphervuur , als die door Totila den Goth wierd aangeblazen, als hy alles ineenBloedbadwilde zetten. &• Daar op volgt een fchoon fier Jongeling, met Gods ware Drie-
eenigheyds Kennis Verlicht, uytde ware Fonteyn; deze is de HERVOR- MINGj niet wanneer hier of daar een Godgeeygend Licht de moed had om uyt te flikkeren Voor de Waarheyd op deHoutftapels der Bloedhonden, maar als de Hervorming Landen en Volkeren raakte omtrent de Eeuw tuf- fchen twaalf en dejtien honderd^wanneer de Albigenzen^ Myfters, Bohe- men
|
||||
Van de Zeven Perioden. LVIII. Hoofdstuk. 419
men en Ruften, zig ftelden nevens veele in Schotland en elders, tegen de
Vleefchwording van \ OfFermeel, tegen den Opperftoel van Vetrus Navol- gers , de Aflaten, Beelden en andere ingebroken vindingen voor dc Groot- hcyd van den Antichrift. Die Jongeline trekt den Degen uyt, om Chriftus te doen zien, zittende ter Rechterhand zyns Vaders, om in den Dag van zynen Toorn den Koningen,die met het Merk des Beeftes getekent waren , te verbreeken, Hy draagt op zyne Rug de Schuyftrompet, om te klinken, als men moet opzitten, gelyk men Jehud op de hooge Bergen hoorde fchel uytblazen, op Ifraell Dc Zwaan van LUTHER klapt met hare Vleisge- kn, hebbenae het Cibotie om ver geworpen, en Zegepralende op dien Al- taar, waar onder de Zielen dergener zuchten, die om 5t Geloof aan Gods Woord gedood waren* roepende om wraak. Hygieteene Beeker uyt op de Ryxzeetel van het Beeft* en zyn Ryk word duyfter, de Sprinkhanen % de Monniken, Ordens enjezuiten, komen uyt de Put des Afgronds, om al- les met Schorpioenen-ftaarten te vergiftigen. Zy hebben Vrouwen-Hayr, Leeuwen Bekken,en zyn uyterlyk fmeekende, innerlyk fteekende, toelachen- de en verdelgende. £ Hier na volgt de zefde, zynde de vafte Stand', en klaarder Licht
der Hervorming. De tegenwoordige en ons de naafte Tyd, die, met En- gelen Vleugelen aangedaan, door zonderlinge Genade een onverdiende Vey- ligheyd bezit, na zoo veele heylloze uytmoordende Verwoeftingen vanLan- den en Volkeren. Die fterke Jongeling blaaft op eene groote Spreektrompet het Woord Gods uyt tot aan de Garamanten > Ooft en Weft Indianen, ftort de Toornbeker uyt op den Eufraat^z&l Turken en Heydenenbekecreny zoo dc Zendelingen 't rechtc oogwit van des Heeren Oogft, waar in zy uytgefto- ten worden, zonder Werelds belang alleen voor hebben, dat God geve .' Lange witte Klederen zyn aan zyn Lichaam $ en hy is opgeklommen op de fcherpe Rotzen, brekende het Hoofd des Verderfs in veele Landen -, ver- vullende de Ryken met Lyken •> oeftenende Gods Oordeel onder de Volke- ren. Maar hy moet op zyn weg drinken van de ftortende Waterval, die fterk geworden is, uyt de koude Sneeuwtoppen, gefmolten door de warme ftraalen van Gods ware Woord. Dagelykfch moet hy kampen,dan met ou- de, dan wederom met nieuwe Beeften* want de Verleyder, verkleed als een Engel des Lichts, levert dagelykfch veele Menfchelyke Vindingen op, tot nieuwe Beftormers van het Ryk Gods, onder allerley fchyn. G. De zevende is de Volkomentheyd van Chriftus Kerk; zynde eenezuy-
vere Maagd als de Bruyd van Chriftus, met de Zonne der Gerechtigheyd in ha- ren Boezem,met de ware Bruyloftsklederen aangedaan. Deze heft vrymoe- dig, en met verzekert gelaat haar Hoofd op, na dat zelangs haren weg uyt de ftroomende en neerltortende Wateren heeft gedronken. Zy is Gode in- Ggg z gelyft,
|
|||||||||||
-—~-*- -... ... • * ... __
|
_. _________
|
||||||||||
.
|
|||||||||||
■ L"mppw!-i!:'"■'. ■' '"^msnmw"^'"
|
||||||||
410 De Hieroglyphen of Merkbeeldept.
gelyft, vol van overvloejende Waarheden y want de Fonteyne, uyt Gods
Tempelj is met hare Wateren tot boven hare Lendenen aangewaffen. Zy
is vol van Yver, Geeft, Waarheyd en Kennis* zy heeft de Sleutel "Davids
in de eene Hand, en beproeft Goud in d& andere. Allerley fehaduwen en
dekzelen zyn door den H. Geeft y als eene Duyve op haar dalende, wech
genomen. De laft der Wet voelt zy nietr aangedaan van eene Alderheylig-
ite wil, en gezuyvert door het Earn. Daarom ziet men de Wet met defi-
zelfs Schaduwkleed van hare Schouderen, wechgerukt Het Qude Tefta-r
nient, cn't Nieuwe,. en alle de Zeegelen zyn vervult. HareTrompetten zyn
de Bazuynen. der Ryen van de Hoord-en Aarts-Engelen. Hare blinkende wit*
te Klederen, ter Bruyloft van 't Lam toegeruft, dekken nog ten dele haar
Lyf, dat zigopbeurt, om in de Gclukzalige Eeuwigheyd der Volmaakthe-
den in te gaan. Zy en voert geene Ryxftaf van duyzend Jaaren, als dc
Wereldiche en Vleefchelyke Kerkhoofden al dikmaals gedroomt hebben. Ds
Ruft in 9t genot van Goa, die onuytfprekelyke Vreugae en Vreede in Chri-
J}usy met (Jhrijtus, en van Chrijlus y door den H. Geeft, is haar Koning-
ryk, dat ze zocht, en nu heeft gevonden. Alle tegenfparteling van DuyveL,
Dood, en Hel, Vleefch, Wereld, en wat *er in ons en buy ten ons den
Vromen en Uytverkorenen befttyd, is met den ouden Draak, tot in alle
Eeuwigheden, in de Eeuwige Poel gedempt en gedoemt. De Puynhopen
van't Werelds en Geeftelyk Babel zyn onder haar, en zy Zegepraalt over
alles; terwyl het Lam op den Throon zit, en als een Leeuw de krachten
heeft getoont, in \ breeken en uytvoereader Zegelen, op.den Regenboog
hetVerbond, met de vier Dieren, de Evangelien met de honderd vieren*
veertig duyzend Getekenden,. van alle Eeuwigheden Verkoren met de Ou*
derlingen, en>alk de Bloedgetuygen, die om 't Lam geleden en geftreeden.
hebben*.
|
||||||||
NE
|
||||||||
Van ete Hervorming. LIX. Hootdstuk 421
|
||||||
NEGEN EN VYFTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Hervorming. ALhoewel door de tyd te verwachten zoudc zyn ccnc meerderc kfaar>
heyd in de Waarhedeiv, en groote* lufty om Eernamen in de Gods- iftente verdienenyzoo wel als van Meefter in het befchaven der Zeedeny zoo heeft men dog meerendeels het tegendeel bevonden ,en naar 't gemeen Spreekwoord, de Potten zwarter, na datze langer te Vuur haddfen gegaam De hoogfte Eer, tot Goddelyk opgevyzelt by den Heydenen, in de Perzo- nen van hunne hoogfte Prieftersr geftadig door loftuytingen en onderwer- pingen te vergroren, is 't werk der minderen geweeftj en zoobyonder- fchikking heeft ieder kleynder maar tot den aanwas van zyn meerder Hoofd* gearbeya, om door tyd of kunft, daar toe opgeklautcrt,die bewerkte Voor- rechten, Winften en Machten zelve te genieten. De loop der Godgeleer- de Oeffeningen, Infpraak, Gezichtcn, Openbaringen r en allerley geveynf- de Vervoeringen en Verrukkingen, liepen ilechcs op dat wit aan. Ook wa£< dit zoo een algemeen werk der Schoolen en Kloofters, dat men op de ware kennis der Goddelyke zaken niet,dan met gevaar, dorft doelen. Alle darr byna vereezelt, verworf de Paus de grootfte Oppermachtj zynde blindeling gehoorzaamt.Voorts waren.de voortreffelykfte goederen voor deCardinalen, het overige der inkomens aan Biflchoppen-, de rykfte Chynfen, Landpach- oen en 1 ienden aan Abdyen en Prebenden. Waar uyt zulkei* aanzien en weelde volgde, dat alle de adelykfte Geflachten, om yt eerft fnelden, aan 't Hof te Romen zig aangenaam te maken , meer als aan dat van hunlieder. Oppervorften, en te mets zig ganfch der Vorften gehoorzaamheyd onttrok- ken. De noodzakelykheyd van deze glanfch hadden.de Chriftenen geleerd> Myt het vcrval van der Heydenen Opperpriefterfchap. Dat ftond nog in kracht ten tyde van Theodojius^ die alle de Renten, Inkomens, Hofftoetr Pracht en Aanzien te gelyk wech nam* Zy zagen daar uyty hoe 't botte Volk de glimp in de Oogen flikkert, wat Goddelyks het zig verbeeld, van* deGoude, Zilvere, en Purperc Rokken, van de getorfte weelde, onder Vorftelyke uytfpanzelen, van de Paleyzcn, en Heerlykheyd der Tempelen, Offerhanden en Huyfradea, en vyzelden zamen dat gevaarte van Opper- macht op. ,
De Keyzers-waagden met fchaars geluk hier zig tegen aan te kanten,
waarom ze niet ongaarne zagen, de Geleertheyd door de Drukkonft herle- vende, de vryheyd der wakkere Verftanden opbetrelen* en boven alle de {toute Pennen, aanvalknde het fmeerotzen der Papen, Waar onder de on- Ggg 3 verge-
|
||||||
.
|
||||||
...
|
|||||||
4.11 DE HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
vcrgelykelvke MARTINUS LUTHERUS, de voortreffelykfte Heyrvoer-
der is gebleven. • De Geeftelyke weelige 'Dommekragt >\$ hier ne£rgeftampt,zy is door
Ezelsooren aan haar Gefchoorcn Kruyn onderfcheyden •> houdende in de Handen, en flingerende alom de Vrybrieven der Ariaten, en Oftroyen der H. Overblyfzelen* dieKasjensvanSteentjensenBeentjens,zyndeeenefteeds invloeyende Schat. Hare dikverzope Oogen zyn maar bekwaam, die ziene- lyke Heyligdomraen, als hare Kraam te behandelen en uyt te venten. In plaats van het ware Heyligdom, de Waartekenen van Chriftus Vleefch en Bloed, welkers gebruyk in de Zielen der ware Gelovigen, als zoo veele Tern- pelen, Gode geheyligt word, waar door wy over al Chrifius tegenwoordig hebbende, alzoo de zekerfte en onfeylbaarfte Overblyfzelen van de zekerfte Heyligdommen, in plaats van de verdichte, op veele Plaatzen gelyk uytge- bromde Overfchotten der Heyligen en Martelaars, diezy doed aanbidden, verongelykende de Eere Gods. Die Lofpredikingen, waren hare inftromen- de Vetpotten* bouwende Heerlyke Graven ter eeren der Martelaars, terwyl zy nieuwe Martelaars maakten. Hier van daan vloeyden die koftelyke A /- ba's, Kazuyffels en andere Sacrifty-Schatten j van welke zy hier berooft legt, uytgeplukt en ontbloot is. Haar Misbrood, nu door de bekende een- voudigheyd der Kerke van Chriftus, in verachting gekomen, legt als eene Afgodifche Poppekraam met haar overhoop geworpen. De Kruyflen en Vanen worden van de Kinderen door de flyk gefleept. De Zilvere Mira- kelen, Handen , Vbeten, Billen en Borften* voor Kermisvoddengefloopt, verfmolten en vernietigt j de Myters, Kroonen, en andere Praal, leggen verbryaelt onder haar gemefte Lyf, waar van de Buyk, om de onverzade- lyke hebluft is gezwollen, als die der Waterzfcchtigen, deeds hakende naar meerder Vocht. Van onderen laat ze zien een gulzige Verkenspoot, en eene geyle Boksvoet, nypende nog, tuflchen die Klaauwen, de Stokbeurs der uytgezope Gemecnte *, die dul geworden , waar en valfch naauwelyks onderfcheydende, echter al te onbefcheyden, Kloofterbrand, Beeldftormen, NoimenfchendingcnPapenmoord, onder een gemengekheeft, alles op de naam en drift van Hervorming. 15. Uwe Zwaan, O Aldermanmoedigfle en Heldachtigfte LUTHER
geutert Zegenpralende, over die luye Uytzuypers van 't onnozele Volk. De Moordbranding der Belyders is om ver gefchopt, en den Afch heeft ftuy- vendc, met de ne£rgeflage Rook en Vonken, deze Stookers, als voor den Gloeyenden Oven van i**7verftikt, javerflonden-, uwe Prediking en Schrif- ten vatten Vuur -9 zy raken de Herten, en doorfnyden 't Merg der Vorften en hunner Volkeren. Dit groote Licht ging op, als 't Morgenrood, op de Voor-
|
|||||||
>
|
||||||
Van de Hervorming. LIX* Hoofdstuk. 4.2J
Voorfchriften der Gebrande Martelaars, fcheen haaft over al, en ondektc
in zyne kracht zynde, als een Middagzon, al de dikkc gemaakte duyfter niflen, tot de minfte vezelen toe. ^ ^/* Dit fchoone Licht ziet men voor de Openbate Verkondiging van
LUTHER opgaan. Die Maagd ftout van opflag, zingende zyne Lofzan- gen, draagt nogde Myter en Kerkgewaad> wyl de zelve nog ffiflchoppen en veele Cieraden heeft overgehouden. Maar men ziet op de Myter eenen Haan; welk wakker Dier over 'Duytfchland en verder uytkraayt, dat de *Dag des Heeren isgekomen. Zy is bekleed met eene Hoogleeraars Rok, om de Heerlyke Hooge Scholen, die zy opgeftelt heeft. Geweld lydende, heeft ze ook van haar gebeten, en trekt den Degen van tegenweer uyt de Scheede, met welke zy befchermt de Belydenis van- Augsburg. Men ziet op hare Zyde een Snoeymes en eene Wan, ftrengelyk de kwaade Ranken fiioeyende uyt des Heeren Wyngaard, en't Onkruyd op de grond werpen- de. Een Borftftuk van 't waare Geloof ftrekt haar, om op te bouwen die ware Eernaald, waar van de Grondfteen de Algenoegzame Jehova is, die haar in veele Koningryken tot aan de NoordpooL heeft doen doorbreken. Op deze ziet men dicn Godvruchtigen Vorft van Saxtn r die aan den Key- zer Karel het Religions Verbond op den Ryxdag over gaf, en zoo veel Ballingfchap en Gevangenis geleden heeft. Wakkere Koningen en Stryd- bare Volkeren heeft zy hare Waarheden doen omhelzen, die de zelve zyn welke meer als eens, in andere Eeuwen, Romen, en al zyne Ryken hebben ondergebragtyen nog genoegzaam bloeyen,am 'er'tzelve van te verwachten. Hoewel de Waarheyd beter door andere Wapenen wil Zegevieren, zoo fchynt hetnochtans niet ganfchelyk tegen de Wil van Chriftus, zig zelven te befchermen,. en uyt te voeren zyne Openbaringen, die de booze Mach- ten, en 't Gedrocht, dat haar verbind,. in't verderf wil ploften, om de Aarde te zuyveren. D. Het Oordeelen, voor die onbedacht zyn, is zwaar> en daarom by
vele gemakkelyker, anderen tegeloven, als zelf naauw te onderzoeken. Ook iyd de meerder zelden geern het oordeel van zynen minderen, en vermoed lichtelyk, dat het onderzoek en oordeel van zynen minderen, tot nadeelen inbreuk, van zyne achting zal zamen werken. Waarom de fVyfmaking en aanrading veel op de Herten werkt. In alle tyden is deze Konft om de Zielen te leyden tot het oogwit der groote Voorgangers gebruykt. Zy is naar de verfcheydenheyt van den Rader, valfch, veraicht en loos gegrond, of door Gods Geeft geleyd, van een H. werking op de Gemoederen. Hier is dezelve afgemaalt, door een bedaagt en deftig Man^ want de Jaren en fryze Hayren, nemen de jonge Verftanden licht in. Aan zyne Tong heeft
y vede Guide Koorden, aan welke hy gevangen houd de toeftemming van zyac
|
||||||
-
|
||||||
4&4 E*E HlEROGLYPHEN OF MEMCREELDEN.
zyne Toehoorders, die hem volgen. Hy hecft zyn Hoofd in de Wolkcn,
om dat hy wil fchynen, zyne Openbaringen rechtdraats uyt den Hemel te ontfangen. Hier van toont hy ftoutelyk Affchriften en Taferelcnj naboot- zende de Goddelyke Openbaringen aan Mozes gefchiedt* maar heeft in dc andere Hand, de Mom, door welke hy fchendig de Volkeren durft mifley- den. Hy draagt zig Goddelyk^en zyneMedeftanders helpenhem die Godde- lyke zamenfpraken uytblateren. Hy heeft aan zyne Zyde eene Kat, het Merkbeeld van Opmerking^ een Aap, hec voorbeeld van opgefmokte na- bootzing j en eenen Hond, het teeken van onderworpen Leerzucht. Een Berg ziet men achter hem, om dat die afgclegenheyd van *t Oog, het be- drog dientte fteunen, als in Mahometh> Lycurgus, en Numa 'Pornpilius. Zodanig moet hy de zyne maken, om zyne ondernemingen te doen geluk- ken. Uytgepikte Heyligen, die zoo van God getrokken, ingeboezemt, en geleyd worden -7 Peften van de Wereld, die *t valfchelyk durven verdichten. Deze Heylloze Veriyders ontbraken *er in die Hervorm-tyd niet> want de vlottende gemoederen waren tot allerley indruk bekwaam. &• Men ziet *er van de Geeftelyke Guyttry^ verbeeld door eenen loozen
Schynheyligen, die zyne bedriegery met de Muyzeval op zyn kaale Kopdoet zien^ waar by een Stal-licht, ot dwaal-licht gezien word, het welk een wei- nig tyds flikkerende den Reyziger voorlicht, tot het hem in 't Water of Moeras doet omkomen. Hy heeft een Staartfter in de Hand, zig fterk be- dienende, van Luchttekenen en Verfchynflelen. Zyne oneeachte Kleding, doet hem fchynen een verachter te wezen van het Wereldfche. Een Brief vol H. Vermaningen in zyn Borftftuk j zyn opperfte Vacht is een Schaaps- vel, dekkende zyne grypende Wolfshuyd. Zoo klaauwt hy in de Beurs der Weduwen, die altyd vrezen, fleets zoeken, en weynig weten, Eene zo- danige £• Wysneuzige *Pilaarbytfter heeft hy onder de kluyven. Daar op
legt hy een Jok, zoo zwaar van Bygeloor en Plechtelykheden, dat ze daar onder zucht. Zy is op groote Rozekransjes of Paternofters prevelende, of geftadig nieuwe Lichten van haren Zielvoogd in groote Kerkboeken naoo- gende. Zy houd in hare eene Hand, de Bril, door welker valfche Glazen zy leert zien. Zy ontveynft hare Geeftelyke Hovaardigheyd, door de mot- rige onachtzaamheyd op haar Lyf en Goed, het welk zy ruym opfchaft aan dien Zielentroofter., die anderen Vaften, en Ingetogendheydinblaaft, om aan 't Vet en het lekker zig te gulziger ce ver-aazen. De befte Wyn , de lekkerfle Spyze, eene gevulde Beurs is ten beften voor dien H. Viesmuyl, die haar van 't Hemelfche Brood zoo ryklyk doet proeven. Zulke Boofwichteh zyn *er in dien tyd geweeft, zy zyn 'er nog, en zul-
len *er altyd zyu •, die echter de Hervorming gevarelyke fchade toebragten* gelyk ze nu nog veele Plaatzcn ontruften. Maar |
|||||
.-
|
|||||
Van de Hervorming. LIX. Hoofdstuk. 4.2.5
Maar een grouwelyker Dier klom op uyt den Slyk, om in den Afgrond
ingezwolgen te wordenj het is G. De Zonde tegen den H. GEEST. Of ze verdientdien Grouwel-naam;
enisverbeelddooreenenvermetelenBoofwigt,die door 't ware Licht geraakt, dac boofaardig en beterwetende uytdompt, en zig zelven tot God, of Gods Zoon, durft verheffen, en doen Aanbidden; naakt verbeeld, maar vol Pok- ken, om dat 'er niets goeds in nog aan en is> en men zulken heeft gevon- den, die zig, als ljraels Koning, dceden eeren, in eene onbefchofte naakt- heyd voor de Rampzalige Gemeente voor den dag gefprongen j maar met een Zwaard op zyde, om bloeddorftig, Vrouwen zelfs , te onthalzenj dragende des Heeren Ryxftaf, en Zegelring van Chriftus. De Kop en *c Gelaat is verwanhoopt j de piepende Slangen in plaats van Hoofdhaayr, fpouwen hem deeds nieuw gif in 't verwate Breyn. Eene bezwymende Zon- ne zietmendaar achter uytgerezen, om dat men, als zulke Lafter-gruwelin groote Verftanden gevallen is, hare afichouwelyke gebreeken dan afgryflely- ker ziet, tegen den glans van hare Gaven, met welke zy te voren anderen de Oogen dede fchemeren. De Hand is opgeheven, als den Oorlog drey- gende tegen den H. Geeft. Een Helfch Vuur> en knagende Worm, in de Borft, ende Baft van Judas om zyn Hals, vertoonen yt loon, dat hy zig bereyd. Zulke gevleefde Duyvels vonden nog hier en daar, in die onge- ftuymige tyd, die ze met zig in \ verderf fleepten. H. De Geeftelyke Razerny^ in de arme Herten door die Voorgangers
in yt Herdopen, door Nederland en Weftphalen met veele Zendelingen gaande gemaakt, ziet men hier naakt lopen, Bekeering en Boete fchreeu- wende. Zy draagt mede een Koningins Hoofdzierzel, draagende eene He- melbol met fprankelende Vuurftraalen in hare eene Hand, als of zy den He- mel en alles gebood -y eene Oproerfakkel in hare andere Hand fteekt on- dertuflchen, waar zy heen zwerft, de Landen aan^ de Toom vanGehoor- zaamheyd, en de Bieze-banden van Eerbaarheyd, beyde gebrooken, laat zy vallen, en doet niet als gifcige Ketterflangen uyt het Wonderboek voort- kweeken, vanharen Goddelyken Koning enPropheet, die in de Tralie- kouw van den Munfterfchen Dom hangt. Zoo zeer waren de Gemoederen en Verftanden buyten kennis en oordeel
gebracht, dat ze, aan alles twyfelende, alles aanhingen. . |
|||||||
V
Hhh ZES-
|
|||||||
i
|
|||||||
.....--------------------------------------------------------------------------------------------------------------— ■
|
|||||||
. . . .
|
|||||||
. ._.__.....
|
|||||||
.
|
|||||||
Van de Afvallige Hervorming. LX. Hoofdst.
|
||||||||
4*7
|
||||||||
ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Afvallige Hervorming.
DE Verrukkinge des Geefies is eene Zieleftand, waar in de Menfch
gebracht word, of door eene uytmuntende Genade van God, die in zulke Ziel zyne Genade openbaart, Gezichten doedzien,aanftaandeHeer~ lykheden, or StrafFen, van zynen Eeuwieen Raad, voor de Vervulde Tyd ontdekti of door eene overmaat van Waken, Ziektens, al te fterke Beipie- geling, Liefde, Haat, Vrees, Hope, of ander lyden, die kwalyk gefteldc Herflenen doet draaijeh 5 ofeengeorek, Vallende-ziekte, Moeder-euvel of diergelyk door loosheyt, en boosheyd opgekweektj of eyndelyk alleen door Kruyden en Dampen liftiglyk, ten boozen eynde veroorzaakt, zulks alsmen in Priefters en Maagden der Godfpraken zag. De Verrukkinge door Gods Genade is hier verbeeld door A. Een Oud en Deftig Man, als een Ziender gekleed, met den
invloedvan Gods Genaden-beeld in zyn Breyn geraaktj met blinde Oogen, van de glanfch der Verfchyning, als ^Paulus verblind •, met zyn Hert in zyne zamengevlochten biddende Handen, als ganfchelyk buyten zig zelven. Zy- ne gedachten zyn Hemelwaarts gevlogen met de Vleugelkens, die men aan zyn Hoofd ziet. Hy is als een opgevoerde door Cherubyne Vleugelen op- geheven tot in den Derden Hemel,welkers glinfterende Sterren-hoepenhem omringt hebben. Een Azuur-kleed, met dezelve Sterren-glanfch heeft het Men- fchelyke van hem gedektj en zoo als hervormt, datnaauwlykszyne Beenen de Wereld raken, die onder hem is. De looze Verrukkingen, als in de Tythonejje, of van de Vallende-ziekte, als in Mahomet, konnen lichtnaar hare zoorten vertoont worden. Van diergelyke bedienden zig veele nieuwe Volk-beroerders> en van diergelyke aard zyn doenmaals veele der Herdo- pers, alle fchennis en welluft-trekken op V erfchyningen, en Hemel-order ichuyvende. x5. Vrouwen en Mans, onder de Dompelary, roemden van
God tot de eerfte Onnozelheyd geroepen te zyn. Onder dezen heyllozen dekmantel fpeelden moedernaakt, jongen en ouden, zig inwelluftendage- lyks badende, en dompelende, eerft in de zuyverfte Beeken,en voorts daar op in de vuylfte gemeenfchap van Zonden, en Ongeregeltheden. Die naak- te eenvoudigheyd draagt op de Lendenen de kriele MufTchen,vanbovenge- wone dertelheyd, en die bloote onnozelheyd aar, zyne zyd$, een hitzigen 9 Hhh i Wa- |
||||||||
■ --■■-■---
|
||||||||
4*8 Be Hieroglyphen of Merkbeelden.
Waterhond, geern in 'c Water ploffende, om de tamfte Watervogels te
knappen. V^« De Schikkelyker Dry vers van die Onnozelheyds-doop war en die der
cDoopsgezintheyd', afzetzels van Menno Simons van Witmarfum^ ongeacht en nederig in gewaad, met een groote lompe Hoed van Vryheyd gedekt> waar op men van voren ziet de Zonnebloem, het Merkbeeld der Geefte- lykeVervoering. Zyn Hoofd hangt als eene Bieze, met ne^rgeflage Oogen* naauwelyks Linnen omHals of Handen. Zyne Mantel is van ontallyke zeer verfcheyde Lappen aan een genaayt, om de fplitzing,die t'elkens hare Ver- gaderingen fcheurt, te doen zien. Hy dekt zyn Hert met zyne Hand, be- vvyzende zyn achterhouden, en geveynfde ftreeken in doen en fpreeken.Hy verwerpt Gebeeden, Pfalm-en Formulier-boek naar invallende drift > alles behandelende op de naam van Geeflelyke Vryheyd. Hy ftaat by yt buygend Lis en Riet der Dompelary, dat wel zyne nederigheyd vertoont, maarechter niet ontvlied het Spreekwoord : Het is het Riet leed^ dat de Eykenboom hoog ftaat. Dit merkt men ook aan den afkeer van yt Jok der Oppermach- ten, en den Oorlogs-degen, die beyde leggen onder de twee op malkander fluytende Molenfteenen, het Merkbeeld der onderlinge Broederlyke behulp- zaamheyd en werkzaamheyd > welke twee Deugden men in de Doopfgezin- den wel mag loven en navolgen. Aan zyne andere zyde zietmen eene Bye- korf, haar aanwafch en werkluft beyde vertonende, met een Koren-zak, van de Ouden voor de Volks-Regering afgemaaltj aaneezien het Volkmeer om yt onderhoud, als om de Heerfchpraal, meer om den Buyk, als om de Eerdenktj zy,zynde Kooplieden, Borgers of Boeren, vergaderen/tgeen Vorften, Edelen en Zoldaten verkwiften* te vreden met haar ftaat, tot het derde of vierde Lit, wanneerze door *t Geld opgeblazen , medenaar yt Stadhuys ruyken. In zyne Linkerhand houd hy twee dingen vaft, eene Mom,om fyn te fchynen, en zyne Beurs,van bey den onaffcheydelykjeene klappende Exter, vol wufte praat, zit op zyne Hand, met welke hy de Waterfchelp des Doops verwerpt, voor dejarenvan Manlyk onderfcheyd in *t GelooE D. Tegen de Doopsgezindheyd over ftaat de Kwakery, vertoont als
een Wyf, door eene Tuymel-geeft gedreven,die op eene Ton geklommen, die leeg is, en daarom fterker bromt, wech fmyt, Biflchoppelyk, Leeraars, en alderley Kerkgezag en Onderwys. Zoo als men by die Sleutel^ Her- der-ftaf, fVegwyzers-ftok, en Gebeeden-rboek ziet -y zy vertrapt het Kerk- boek dtr Liturgie. Op de Ton ziet men eene Alpifche Muys of Murmel- dier, om haar prevelen re vertonen, Een zuffe Nacht-uyl is de zwaarmoe- digfte geeft, die har^ hovaardige Borft doed zwellea Gm dczc hovaardig- |
||||
Van de Afvallige Hervorming. LX. Hoofdst. 4^
heyd te voldoen, maaktze Conftient $e-wcrk te groeten of Eernamen te g©~
ven aan Perzonen, die dezelve Amptshalven verdienen. &• Tuflchen die beyde komt een gedrocht op uyt de Put des Afgronds,-
de Socinianery van Latins Socinus , uyt allerley oude Ketters by een ge- fmeed. Dit Ondier heeft een lieffelyke doortrapte Hoeren-trony, konftig vleyende,, en de Herten innemende, met op een geftapelde KunftenTwift- reeden. Het wild gefpreyd Hoofdhayr laat de wufte opgefmokte Reeden- kaveiing onderfcheyden * dieze fchoolswyze voordraagt, en aan een fcha- kelt, om 't Geloof en de H. Text en te verdraaven. De VleugelenvanSprink- hanen wapperen aan hare Schouders,het Goede van des Heeren Oogft ver~ bytende. In de plaats van Armen klimt zy op, uyt de Slykpoel, met Vof- fe-klaauwen, zynde by uytftek van die Voflen, die de befte en edelfte Loo- ten van Gods Wyngaart af knabbelen en overhoop werpen. De Buyk is gc- zwollenvan Vergif, en eyndigt onder inde gevaarlyke Staart van een Schor- pioen. De achting, die zy voor de Oude Ketteryen heeft, blykt aan de Geheugpenningen van Arrius en Telagius^ dieze wederom uyt de grond van de Hel en vergetenheyd opgevoert, doet herleven, eaze polyft, om dezel- ve nog fchoonder glimp voor hare verleyding te geven. Hare looze en ver- wate Foot flaat zy in de Alderheyligfte Drie-eenheyd, verfcheurende de Waarheyd en *t Goddelyk Weezen, nu van Gods Zoon, dan van den H. Geeft, ja zelfs van God den Vader. Hy is tuflchen de cDoopfgezindheyd en Kwakery opgedondert, welker fnelfte verftanden, een praal maken van die Godfchendige Ketternaam> omdathet al zulken Verftanden van Vleefch en Bloed onfmakelyk voorkomt, *t geen zy aan.hare Redeneering en be- vatting niet onderwerpen konnen. Elendige waanwyzen, die God en zyn H. Woord zig zelven willen onderwerpen, als of zy zelfs de Schcpper, .eu, niet de Schepzels, waren. •F- Gp eene verheve plaats ziet men heerlyk bezig de Janfeniftery ,
zoo genaamt door departyen naar den Welgeleerden en HoogwaardigenHr. Janfeniusy Biflchop van Iperen, die na de Hervorming van Luther, Cal- vin , en andere wakkere Voorftanders der Waarheyd, gene kleyne fchaaf op *t oneften Hout vande Roomfche Stoel heeft gelegt. Deze is verbeeld als eene fchoone welgevoede Maagd, byna als de naakte Waarheyd, uyt^ gezondert datze in een dun overgefchoten Kleedje nog behield de kleynig- heden van Reukoffer, Wierookvat, Heylig Overblyfzd-Kasje,H.O!idoos, gezegende Beeldekens, en ander PopperHuyfraad, omze te verwerpen als Erffenis van 7t Heyden-of Jodendom -y gelyk zy de T>ecreteny T>ecretaleny Mijjalen, Breviarien, en Indulgent^-Brieven onder de eene Voet treed > vaft ftaande met de andere op eene zekere vierkante Steen der on-r •wrikbare Waarheyd , die ons van Gods milde Genade is toegedeelt, Hhh 3 zulks
|
||||
4^0 De Hieroglyphen of Mehkbeelden.
zulks tonende door dc Lcvende Bronader, die men uyt haar Middelpunt
ziet opfpringen, en hare Voetftappen befproeien. Die Goddelyke Waarheyd doed zy vryborftig een ieder kennen en onderkennen, door de niet alleen toegelate, maar zelfs gebode Onderzoeking, Leezing en OefFening in de H. Bladen. Niet bekreunt over de Wederparcyders Schriften, nog Schimp- fchriften, laatze ieder vry te zien en te weeten, het weeten van anderen. In hare zuyvere Boezem zietmen haar Hert door Gods Genade getrokken, en geleyd tot den Wtl ten Goede, de Gehoorzaamheyd en JVerkzaamheyd naar Gods Geboden. Uyt haar Hoofd zietmen opklimmen een zuyver en H. Vuur van Gods Eeuwige l^ooruytziende Roeping. De Eeuwigheyd orn- ringt deze Goddelyke Leyding, en fchikt haar om der Vorften en der Vol- keren Herten, tot haar tyd toe ongevoelig, te raken. Die grootfte dezer Perzonaadjen zouden ook al orergekomen zyn om die vryer gevoelens in te neemen, en door hare achtbaarheden te ftaven, zoo de voornaamften uyt Staatkunde, dan Romens gepurperd Hof, dan der Lojoliften of Jezuiten looze vinnigheyd niet te zeer hadden willen en moeten ontzien. Deze brave Maagd ondanks hun dreygen, bannen, en blixemen, laat niet na, onver- moeyd te wrikken aan de omverhellendeEernaaldvanPauflelykeKerkmachk Zy gebruykt eene goede Staale Hark, om 't overfchot, dat het Snoeymes, de Zeef en Wan der andere Hervormers ontgaan is, op te halen en wechtc helpen. G. Daar tegen zet zig fchrap de Maatfchappy der Jezuiten. Deze
heeft een Staale Schild aan den Arm, om als een Beukelaar hun H. Merk IHS, tegen die aanvallen der Waarheyd te laten dienen. Hunlieder fyne Mantel dekt de reft der gevaarlyke Borlt en Ingewanden, die gedriehoekte Mutshoop voert in haar telle Hand drie Scepters, van zoo veele en meerder Vorften, als zy overmant heeft5 dreygende te Vuur en te Zwaard, die aan deze Waarheyd het Oor leenen. Zy zyn waarlyk te meer te dempen, hoe zy meer te vreezen zyn. Van veertig duyzend in 't Jaar KJfOjWaren zyuyt- geftoelt en aangewallchen tot tachtig duyzend in den tyd, dat de Staatkundige Hr. 'Puffendorf zyne lnleydinge tot de Hijlorie van Europa uytgaf. Nu mogen zy negentig duyzend halen. Wyze Vorften, diezc ontwortelen* gelukkige Gemeenebeften, daar men hun de Voet lichtjen de aldergelukza- ligfte, daar men ze noyt kende! Hier by vliegen toe Pre£kheeren, Bedel- monniken, en al de gefchoorcn Orderkruynen, om die Eernaald voor hare val te ftutten. Men ziet daar op de 2. of 3. Sleutels van Hemel, Hel en Aarde, met de Pauflelyke Driekroon, omgekeert, om de fchatten van ha- re onderworpelingen uyt ryke Overvloeds-hoornen te ontfangen> zoo vloeyt <daar in 't Geld, van meer als een deel van de Wereld, maar ondertuflchen dat deeze Waarheyd onverfchrikt bezig blyft, overfchaduwt zy het Vati- caan en St. Tieter te Romen, met hoop van verder Zeegen. H. Ach-
|
||||||
Van e>e Afvallige Hervorming. LX. HoofdsIt. q.p
H. Achter deze wakkere Maagd zietmen in \ donker een Bybel-moot*
der vcrtoont, zynde de affchouwelyke fpitsvinnigheyd der Traadamyten^
uyt dc Graven van ecnige oude Ketters gekropen > naakt vertoont, om dat de Uytgever van dat heylloos Ketter-boek zig zelven heeft moeten bloot ftellen, gedwongen tegen zig zelven te fchryven, t geen hy tot boete, zoo loos en booflyk heeft gedaan, dat men kan zien, dat zyne hardnekkigheyd, door de zwakke tegenwerping, de fcherpe vindingen van zyne Godslafter- lyke Stellingen heeft bevoordeelt. Hy fpouwt Vuur en Afch uyt tegen den Hemel, die op zyn onbefchaamt Aanzicht neervalt, duykende onder zyne nieuwe Wereldkloot, waar in hy Menfchen ftelt voor onzen eerften Vader Adam j waarom men op die Bol Mannen en Vrouwen op de Voorgrond ziet3 en Adam en Eva by den Boom van Eden in *t verfchiet* als na zy- ne gedroomde Menfchen gevolgt. In zyne Borft zietmen veele Slangen, m zyn Hert uytgebroeyt, die zig zelf in veele verkeerde Gaauwers hebben o- vergefchoten. Hy houd in zyne eene Hand een Nety gelykde Scherm- vechters hyde Romeynen gebruykten, om hunnen Tegenftanders daar in te vatten, te bedrempelen en af te maken. Zynde zyne Redeneringen zoofcherp en fyn gevonden, datze als een Net, den eenvoudigen over 't Hoofd ge- haalt, zouden vangen* in de andere Hand voerthy een tweefnydend Mes, en een Kerk-Tapyt, daar door aan ftukken gefneden, waar op de Zonen Maan in Gzboa, of op het Uurwerk van Hiskias, ftaande of te rug gaan- de afgemaalt, de Zondvloed, de Arke van Noach in de ftaande golven van 't Roode Meyr, en andere Wonderwerken van Gods Hand verbeeld, te fchande gemaakt worden > en aan zyne Natuurlyke vindingen gebonden. Eene vuyle Rot, het Merkbeeld van Lafter, knabbelt nog aan de randen van 't zclveTapyt, om op die Kerkfchendige Voet, de Wonderdaden van onzen Zaligmaker in 't Nieuw Verbond, mede te ontzenuwen, en de Men- fchen te verleyden tot de Kettery der Naturaliften, welke alles uyt zig zel- ven gevloeyt, door zig zelven onderhouden, in zig zelven vergaande ftel- len , zonder God, zyn Oneyndig Beftier, Eeuwigen Raad , Genadigc Schepping, Vaderlyke Onderhouding, Wonderbaarlykfte Verlolling en Za- Iigmaking te bedenken, of te geloven, Voor zyne Voeten legt eene gebro- ke Pafler, bewyzende,dat hy Waarheyd en Reden heeft gebroken, en God openbare vyandfehap durft aandoen. Zulke openbare Godslafteraars zyn, en willen zyn buyten Gods Kerk. Maar tot fluyting der Merkbeelden, die de Kettery oft Bygeloof verdienen, ziet men hier T
A« De Geeffelyke Scheuring het Hek fluyten, onder welke zy alle'tHuys
horen. Zy is als eene fyne Vrouw, maar die een blinddoek vvoor hare Oo- gendraagt, verbeeldj wyl zy niet aanziet, alszigzelve, en inkykt in hare eyge goede Werken, als zoo veele opgehoopte V crdienften, door welke zy Reyn,
|
||||
_ -.
|
||||||||||||||||
....
*
|
||||||||||||||||
De Hieroglyphen of Merkbeelden.
|
||||||||||||||||
45*
|
||||||||||||||||
Reyn, enGoddelyk is geworden,om zigzelve met anderen in eenVerbond
te houden. Die Geeftelyke Hovaardigheyd blykt aan de Paauwenftaart , die hare Zottebol dekt. Zy draagt in de Rechterhand eene Narcisbloemt het Merkbeeld van de verongelukte NaraJ/us, die op zynBeeltenis verlicft, in 't Spiegelwater omkwam* door de Dichters dus verzonnen, om zulkc Eygenliefdige Zottei? en Zottinnen af te fchilderen. Het Hert van deze ey- genwyze en gevernifte Kerkvyandin is noyc te zien j maar niemand onder- zoekt het nog minder, als zy zelve. Zy hangt 'er een Mombakkus voor, fchrikkende voor den Modderpoel, die zy 'er in zou vinden. Met hare af- wyzende Hand, uyt Gods Kerk ftappende, toont zy hare Scheuring. Had zy Macht, men zou haar niet horen fchreeuwen, als, Reyn af! willendedat het Zaad der Rechtvaardigen ( waar van zy de eerfte wil zyn) de Wereld moet bezitten. Zy fpreekt met groote opgeftapelde woorden zonder kennis van zaken. Zy heeft nieuw Licht, nieuwe Waarheden, nieuwe Gronden. Ver- baftaarde en vreemde klap, is 't Cieraad daar mede zy hare hoog opgezwol- le nieten omzwachtelt> dubbeld Heerlyk , zoo zy wat Griekfche of boven I' al Hebreeuwfche woorden kan napraten^ byzonder in de fpoorelooze Re- denvoeringen en Gebeeden, met een fchendig misbruyk der Heyligfte Na-
men voor God uytgehouden, van Jehova Zebabth> Go'el en diergelyke.
Waarom zy ook pronkt met eene Rol van Hebreeuwfche woorden, voor
eene Les door haren Zielzorger voorgefchreven. Zy heeft voor haar eene
Kreeft* gedurig, naar zyn Voorbeeld, fcheef gaande, zwart gekoleurd, en
hardbaftig van Huyd, om indruk van goed Onderwys in te neemenj maar
boven al fel gereed,ommec de getande Schaaren te nypen, die,zybeetkrygt.
De Lafter fpreekt van ieder kwalyk door hare Mond. Honden, Verkens,
Wolven, ja DuyvelsKinderen, zyn de Leden van die Vergaderinge, van
welke zy haariieeft afgefcheurt $ de Herders en Leeraars, Jbluweele Proef-
tongen, weelige Meftbuyken, Hooffche Pluymftrykers, ftomme Wachters,
Pharizeen, en arger,maar boven al onwetendei want zy alleen weet alles,
en nog veel meer. Zwarte en witte verw in Kleeding, is alleen de koleur
by haar in H. achting, gelyk by den Roomfchen vier, rood, blaauw, wit
engeel. Het zwart wyit uyt haar Verfterving, en het wit hare Reynig-
heyd. Hals, Boezem en Armen zyn dicht geiloten, niet om dat die fyne
Zufter aan de Broederkens haar Geboel mifgunt, maar om de Welluft te
noopen met wat minder zien^, en wat moeyelyker aankomen. Voor de reft
fchikt zy in, dat ons Heers Lammerkens (gelyk zy zegt) mede fpeelea
Zynde by ervarentheyd gebleeken, dat veele zulke afgezonderde, zoo Mans
alsVrouwen, tot hare Scheuring verleyd hebben, Ryke, Edele; en Aan-
zienlyke Partyen, om door derzelver Trouw, laatfte Willen, of Giften
aan den Armen, Ryk te worden. Eene Tatty $ zit 'er daarom aan hare
zyde, zonder gerucht, een van de geylfte en dcrtelfte Vogels. De Heb-
t*0* Onkuysheyty eA Meefterfchap, zyn dan de Geeftelyke krachten, die
dc
|
||||||||||||||||
. ,'■
|
||||||||||||||||
.
|
||||||||||||||||
Van de Afvallige Hervorming. LX. Hoofdst. 4.53
de Scheuring; van Gods Kerk makenj alwaar nochtans altyd het Licht op
zynrechte Kandelaar fchynt, en de Deur open is, om, zoo zc mochten in- keer krygen, hen als Boetelingcn te ontfangen, als nieuwe Kinderen tekoe- fteren, en als verlore Schapen, met dobbele Blydfchapin desHeerenKudde aan tc nemen. Hoewel van Gekken grooter verwachting is , als van den Wyzen in hare eyge Oogen> en 't Zout fmakeloos geworden zynde, hare redding zelden gezien word; blyvende zulke Bekeering meeftindeMond, en afgeperft door de nood. ■■*■• Wonderlyk wel zyn alle deze Rettery en te vergelyken by de af-
gryzelyke Brandende Bergen^ die van binnen met volheyd van de opvlie- gende Zolpher Dampen, wel over een komen met de Helfche Gloed, die van binnen de Herten der Hoofdketters opftookt, die opbruyfchende klieft en fplyt, de ftille Bodem, die duyzend Kuddens van ftille Lammeren gaf te Grafen. De Voorbode van de yzelyke barft is een geftadig gedruys, en Aardbeving, gelyk der Ketteryen net mompelen, heymelyk aanblazen, en zamenrotting, die Landen en Steden ontftelt. Het opbarften, de openbarc Scheuring, het Vuurbraken tegen den Hemel, de logenachtige Godslafte- ring, de bez walking en duyfterheyd, het verduyfteren van Gods ware Licht, de Steenen en Gloeyende ruyn, hunne dulgemaakte Zendelingen enMartc- laars, het Godloos verterend Vuur over al ftrooyendcj de Afch neferval- lende en Landen en Stecdcn dempende en overftolpende j de grouwzamc Bloedftortingen, welke die Wrevelzuchtige en Scheurzieke Boolwichten na zig fleepen j waar van het eynde blyft, eene Poel van ftinkend Zwavelwa- ter, in de plaats van *t Vruchtbaar Groen, dat men op die toppen zagvooc het jammerlyk eynde, waar in die grouwelyke Ondieren fmooren, |
||||||||
Iii EEN
|
||||||||
-
|
||||||||
.
|
||||||||
-
|
||||||||
■ ■ ■
|
•■■.r ■ ■ ■ ■■■
|
||||||||
......
|
|||||||||
,_____________________________-_______—_______________________________________________i-----------------------—■---------------»—-------------■-- —..........
|
|||||||||
. _.__________™__________i ifr^""
|
|||||||||
VandeGereformeerdeGodsdienst. LXI.Hoofdst. 4^5
EEN EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
Van de Gereformeerde Godsdienft. DE HERVORMING aan veek kantcn in Eur op a haren gang gaandc,
wierd zomtyds wederom wel zoo uytfpoorig, datze zetf Hervorming nodig had) doendc hicr te veeluyt onbefcheydeniever, elders te weynig uyc believing. Weshalven de «• Hervormde Godsdienst ("nog by uytftek met die naam
onderfcheyden) haar Hoofd opftak, om de bediening des Evangeliums te doen volgens de eerfte Eenvoudigheyds Inftellingen, en gebruyk der Kerk in Chrtflusy en door hem'begonnen. Deze treed met een nederig opflag her voort als een Onbevlekte Maagd , zonder Myter , Kerk- rok, Borftcieraad, als de Doorne-kroon van 9t Martelaarfchap om haar ongehuld Hoofd > en de Zonne van Gods Gerechtigheyd in ha- re Boezem. Men ziet aan 't openen van hare Mond, dat zy de Prediking van Gods Woord oeffent} aan den Beeker en 't Brood on- der den Arm, datze fret H. Nachtmaal, volgens de Inftelling van Chriflus opvolgtj aan het Wafchvat voorhare Voeten, datzydenDoop waarneemt. De Geeftelyke Vryheyd zonder overheerfching in 't gemoed, zietmen aan de Hoed in hare Schoot, vertredende de Pauflelyke Oppermachts-kroon, en de Kruyflen van zyne Gezanten, als den waren T)raaky die de Waar- heyd verduyftert, verdraayt en verdelgt. Zy is met opene Ooren, om door- boort te zyn, als des Heeren Dienftmaagd, en gefchoeyt om te konnen ftry- den tegen hare Vyanden. Men ziet haar de Hand uytfteeken naar de hel- pendc Hand Gods, uyt klare en overtuygende kennis van harezwakheyd, clende en blindheyd, niet als tot Kwaad genegen uyt haar bedorve Natuur door de Erfzonde j ten zy beydc het Willen en Wcrken van den Hemel be- ftiert worde. Zoo leyd haar de Goddelyke Hand, en bekroont haar met de Zegenkroon van Eeuwige Gelukzaligheyd, in welke men ziet de Roe- ping door Gods Mond verbeeld voor alle Eeuwigheden, in eene Hemel- itraal, met de Eeuwigheyd door de Kronkel- Slang verbeeld. D» Achter haar volgt het Predik-ampt, verbeeld door eendeftig Man,
vryborftig verkondigende het Waare Woord > houdende zyne Handen ge- recd, om dezelve op te leggen aan anderePredikers, zyns gelyken. In zyne Hand is het Merkbeeld der fValdenzeny zynde het Licht op zyne rechte. Kandelaar, en eene Staf, om deRechte en Ware Weg der Zaligheydtewy- zen. Hy heeft den Houtmyt der Vervolgers voor -ryne Voeten, om die on- verfchrikt tcr gptuygeniflc van Chriftus op te treden j geruft onder hetKruys lii 2 te
|
|||||
...
|
|||||
ifi6 DE HlEROGLYPHEN OF MeRKBEELDEN.
te Prediken, en nict ongenegen, om in Ooft-cn Weft-Indien aan te kwee-
ken de Vruchten van des Heeren Oogft, waar in hy uytgeftoten is, tot wel- ker aanmoedigingde lofFelyke Maatfchappy zelfs ook beloningen uytdeeld > op den naam van T)ifcipel-geLd. C-u Het Ouderlin&schap, met eene cemeene Eernaam, als \ *Pre-
dik-atnpt, vernocmt, namentlyk Biflchop of Toeziender* is hier vertoont: als eene ftatige Oude Vrouw, met de Borft vol des H. Geeftes. Zy houd nederig gekleed eene Weegfchaal der Zeeden in-hare eene Hand, op welke zy crnftig moet acht flaan, maar vooral deftigvoorgaanjvryvanPartyfchap^ Ler en Geldgierigheyd -, in de andere Hand houd zy de Staaten Bybelyzoo als die Jaarlyks nagczien word, door zoo veele wakkere Mannen getrouwe- lyk overgezet, en met Kant-tekeningen geleerdelyk verklaart. De Sleutels der Kerken-tucbt heeft zy met de andere Kerken-dienaars te zamen in hare macht, om de ergerlyke Godloozen buyten de Gemeenfchap der Kerk te fluyten, en wederom de rerbeterdeBoetelingenteontfangeninharenSchootj hoewel zulks om de inbrekende zwakheyd en PartyfchapopeenigePlaatzen, niet zonder wil der Rcgering mag gefchieden. •L'* De derde vertoont ons het Ampt van Armbedienderschaf, of
Diaconaatv mede met gelyke of gemengelde namen, in de eerfte Kerk, met de twee voorgaande$ zoo dat in die Kerk zoo weynig Meefterfchap ge* oeftent mag women, als van de Priefters over de Propheten, of van de A- poftelen over de Zeventig Zendelingen,ofvan Tetrus ofTaulus over hun- ne Medebroederen. Deze houd mede haar Oog op de Tucht, dog meeft der Arm en, welken zybedient;voor welken zy met de eene Hand deAalmoef- kn ontfangt, en met de andere uytdeelt. Aan deze drie is aanbevolen, eer- fte lyk , het Waare Woord te Prediken, den Doop en het H. Avondmaal te bedienenj ten tweeden, de Kerktucht te behandelen, Zieken te trooften, Weduwen en Weezen te onderfteunen •> ten der den, te bedienen de Vrede- cn Liefde-Tafelen, (in de Eerfte Kerke Agap£ genaamt.) In. alle de Verga- deringen zietmen die Order door de Apoftelen gehouden te zyn, om dat gene Schapen zonder Herders wel konnen geweyd worden. Alle deze drie zyn bedaagd verbeelt, om dat de jonge Rerk-dienaren te vol wild-vuur, drift en onbefcheyd zynde, te licht ergerlyk leven, en twiften in den Ker- kenraad latenzien. Alle deze drie moeten, nog konnen, zonder geroepen te zyn, niet geacht worden te zyn. Uzza zou hier achter vertoont zyn, had het de plaats toegelaten, die on geroepen de Ark aantaftende, dood ge- llagen wierd-, en U&zia Melaatfch geworden,, om 't aanraken der zelve. Cbrijius zelffpreekt ook niet van zyne Leer, maar van den Genen,diehem gezonden heeft Doghqt heeft, mynsoordeels, geen onderzoek vannoden, of onze Roeping zomwylen door dea H. Geeft3of door de vleyende verbeel- ding
|
||||
" " "■''■" " '^■pwiipiWPH^y^**^' ■ ' . » mm n -" ■ **> l *■ **
|
|||||
Van de Gereformeerde Godsdienst. LXI. Hoofdst. 4^7
ding van ons grootgevoelen, of ft gcen fehrikkelyker is, door Geld, Gunft
of Ruyperyen gedaan is. ■&• Achter deze zietmen de Afgeworpe Beelden> met de verftrooydc
Afgodery, daar omtrent ingekropen of ingedrongen > het verval van zoove- le Capellen, van byeen gefmeede Wonderwerken groot en tet;gewor- den, door de tyd en opmerking der Hervormden buyten klern geraakc, ja zelfs den Verftandigften Roomfchgezinden ten fpot geworden > welke in- dienze nu nog vliegcnde Vaandels van Proceffien ontfangen, meer onnoze- le arme Menichen tellen , als ze van den- ouden Overvloed voeden; konnen. Het le£gftaande Kloofter achter haar, heeft ook zyn bewys van de ganfefr hodige Hervorming, over deze byeen-gefchoolde luye Buyk-priefters en dcr- tele Prieftereflen, welke wanorden alle Maatregel en Tucht over't Hoofd gewaflen, nog Taal, nog Kennis, nog Oeffening ter Hand hield, als de vercierde vertellingen van Columbanus uyt het Vagevuur, nevens anderewe- dergekomen, Bekeeringen van Viflchen, Ezels en wilde Dieren j voorts op- gehoopte Spookfnap van verfcheydfen Goede en Kwaade Geeften, Gedoem- de en Zalige Zielen , verfchyningen van Duyvels, Gefpenften en Spooken % en dat zoo grof, datmen die Boek-kraam nu wel uyt de Wereld wenfeht. De Ledig-gang van haar zelfs kweekte ook zulke Bedel-brokken aan^ zoo datmen tot een voorbeeld nemende *t Kloofter van Egmond by ons > van de reft der nodige Hervorming kan oordeelen. Het meefte van Hoord-HoU land lag onbebouwt, door de laffe ledig-gang der Aalmoeffeniers, die van dat Kloofter aafden, en de Staat en had zoo ras die goederen niet tot nut- ter gebruyken gekeert , of deze Luyaarts , miflende de Brokken van 't Kloofter, wierden gedwongen de Handen tot Koftwinning te gebruyken, waar door zy metter tyd tot ware neerftigheyd raakten, en dat Landftbap* van alles deden overvloeyen en wclvaren. De Hervorming veel wechgenomen hebbende, en byna het overtollige
door Menfchelyke inzettingen opgedrongen, bleef niet vry, in dezen ftaat,. van fchuddingen, door de fyne konftenaryen der Vyanden, en Partyfchap. In *t beftier van *t Gemenebeft, lufttc het zommige heete Geeften te darte- len met nieuwe opgedolve Godgeleerde Raadzelwerken. Jacob Arminiu? maakte vyf Schiftpunten openbaarj Epifcapius polyfttc 't Werk > en ande- ren vermeerderden de Verfchillen tot Bloed-baden toe in veele Steeden,en tegen een misbruykt Meefterfchap van de hoogfte Ampten, van hetopge- ftelde Gemeenebeft der Vrye Nederlanden, die hier Kluyftering, daar Ont- halzing, elders Zamenzweeringen der voorriaamften moeften zien , eer dat het Onwe£r kalmdfe. Daar toe dan nodig geoordeelt wierd eene Vergade- ling der Verftandigften uyt de Hervormde Ryken en Staaten. t*» Deze wierd genaamt Kerkenraad der Volkeren^ of SYNODE NA~
lii 3 TIO
|
|||||
4$8 De Hieroglyphen ot Merkbeelden*
TIONAAL j verbceld doorcene zecr Achtbarc en wyze Godsgeleerde Vrouw.
Indeplaats van My ter, dewyl zcover niemand wildeheerfchen, zietmenhct Wapen van 'Dordrecht > Hollands Voorzittende Stad, welkc tot zulke Al- deraanzienelykfte Vergadering de plaats verfchaftc Zy wiktenwecgtnaauw- keurig tuflchen de Wflle Gods en do- Menfchcn Verdichtzdcn, hebbende eene Driehoek met Gods ecrlle Naam tegen ecn Menfchen Hert aan hare Weegfchaalj de Granaat Appel, het Mcrkbeeld van Broederlyke eenig- heyd, hangt haar> als een Juweel om den Hals. Zy heeft de Hebreeuwfche Grond-text, met der Apoftelen en Oudvaders Affchriften in hare Schoot> met twee Aanzichten op eenenHals daar by, om deHemelfche en Aardfche zaken beyde wel tot God en ons te brengen^ voorts eene Zecf, om 'tGoed van't Kwaad wel te fchcyden, in hare Hand, ziftende het Kaf uyt het Koornj en een Rad by haar, tot een Merkbeeld, dat hare beezigheyd en voorwerp was Godsgeleerdheyd, welke op her krachtigfte van den Oudcn door een Rad is vertoont, het welk geftadig opklimt, en maar met het al- dergeringfte deel aan de Aarde raakt, om door zyne onreynheyd en flyk niet beklontert en onthuft te worden. In hare Schoot legt de Staale Hamer en dc Diamante Spykers der Goddelyke Verkiezing en Vborbefchikking, Ze- fevierende over den Twiftelingen. Hare Voet ftaat vaft op eene vierkante
rierhoekfteen, zynde onveranderlyk vaftgeftelt, en onwrikbaar tcgen de wilde opborrelende en al te weelige Geeften, die zy ook Be-eedigt in hun Beroep. By haar ftaat eene Wereldkloot, om te bewyzen, dat ze is eene Vergadering van alle Volkeren, welke derwaarts hare wakkerfte Mannen zonden. G. Hoewel Chriftus Kerk een Geeftelyk Ryk, en niet van dceze We-
reld is, zoo heeft nochtans de Wysheyd der Heerfchende Staatkunde nut
geoordeelt aan zig te houden, de opmerking op de Befluyten en onderne- mingen van het Kerkgebied, om (gelyk Salomon, Jofaphat, Hiskia en Jofia> zelfs de Priefters afzerteden, als men aan Abjathar en anderen heeft gezien) ook in de Vorm en Perzaonen, na dat de omftandigheden ennood des tyds zulks vorderden, te voorzien, te veranderen, ja zelrs de Stoorders van de Kerkenruft te ftraften. Deze Macht word genoemt Commissarjs- schap PoLiTYCq^en is verbceld als de hoogfte Macht. Derhalven men haar ziet pronken met de Kroon van de Graaffelykheyd, met *s Lands Zwaard van Recht, ftavende de vaftgeftelde en ontfange Order des Geeftelyken ftaats. Hare Raadsheerlyke Purpere Tabbaard, is aan ieder Schouder ge- ciert met het Wapen van Holland ter Rcchtcr, en Weftvriefland ter flinker zyde. Men ziet in hare Handen eene Harp van Apollo, om daar mede te be- wyzen, dat het hun Ed.Mog. werkis5 goede Harmonie of overeenftemming te houden, en door hun gezach in der minne by te doen leggen de opko- mfcnde oneffenheden. Hebbende de valfche Wegwyzers Suf, die Slangs- wyze
|
||||
VAN DEGEREFORMEERDEGoDSDrENST.LXLHOOFDST. 4^
wyze gebochelt is, gebroken door hare Hand* gelyk men 00k ten zelven eynde ziet het Dieve Slonsjen met zyn vals licht onder de Voet, otn hey- melyk tebetrappen, voor de looze inkruypende Ketteryen, welker opko- mend Zaad zy door hare Wysheyd verftikt. Zoo vry nochtans blyft de Her- vormde Kerk van grof Meeflerfchap, Opperpriefters of Paus*macht; want anders zou 'Decreet Symdaal, of 'Pontificaal maar in naam verfchillen* of9t laat een ruyin OefFenperk voor de brave Verftanden -, gelyk God zdf in zyn Woord aan ons voorgaat, latende naauw de overeenftemmende ge- tuygenillen van de noodzakdyke Kenniile Gods, Chriftus Menfchwording, Lyden, Opftanding, H. Geeft, Heerlykheyd axz. en wederom daar tegen eene Onuytputtelyke Zee van wonderlyke Verborgentheden , waar uyt dat- gelyks nieuwe Waarheden, Zatnenhangen, Aaneen-keteningen en Toepaf- SjQgenopweUen, in welke de wakkere Geeften hunne Oeffeningen konncn vinden. H. Twee Zufters zyn beyde hier by gevoegt , waar van de drift de
eene riaar den grooten GISBERTUS VOET1US, dien zeer Gdeerden Heer, genoemt heeft. Dezse is verbeeld door een bieek en diep Aangezicht, ne&geflagen zeex zeedige Qtogen, n*et een zwarte Kerkfali over haar Hoofd gedekt, houdende eenkirrend Duyfje in haren Boezem, van den Reynen Geeft, -die tot God zucht. Zy torft de Pylaar der Deugd langs een naauw Voedpad, houdende eeneTeugel in de Hand tegen alle prikkelingen des Vkefches -9 het Wetboek by haar houdende, en zyne Geboden fcherp op- volgende, merde Lof, dat zy deZeeden krachtig leert* en brengt op des Heeren Wegen, waar van zy 4e Wqgwyzers Stat in de Hand houd, I-
• Eeneheldene Sdiooaheyd 00k van Partylingen, naar de naam vandicn diep Geieerdenen Godgeleerohey<fc-Rundigen JOAN N ES COCCEJUS. De-
zc meeropgefchikt, hoewel nietbuyten de zeedighcyd van haren Kerkendienft, praakomnaar Hoofd met zeven Gknshoepen, zynde de Verdeelingca, welke zy voor gemak, in <le H. Beezigheden heeft gevonden, ora lichter het geheugen in zyne zwakheyd te gemoet te komen> en wyl de H. Bhde- ren met oat getal, in zoo vele opelkanderflaande Merkbeeldenfpeeka-, won- der aan dit gecal hare Zulter te verbdnden v alleen om dat zy raeent, dit ge* voeglyker voor hane klaarheyd te dirocn. Zy heeft eene proef van hare (Jd> fening in hare Handen, toonende de aaneenfchakeling van des Ooden Vea> bonds VoonbeeWen, metde Vervullingen in het Nienwe. Zy ketent .daia de opgerechfie Kopere Slang der Woeftyne aan 't Kruyshout des Heylands, en fnt dezelve kracbtesi vp alle gelyk paflende Voorbeelden op *t Lydcn^ en
Heerlykheyd van haren Za&^naker. Zy betaft^P haar Hoofd <e*>ne Pailer, het Merkbedd der Thmrit^ »ofBc4pdegelende Godgeieerthey(k-kunde,Jboewd[ men die hare Zuiter, nog haar de Oetfeaende niet kanontneemen, Zy is in dc navor-
|
|||||
.
|
|||||
440 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
navorfchingen der Merk-en-Voorbeelden van fDaniely Ezechicly en andcrc
hare Prophetifche Schrikdieren geftadig beezig, houdende voor haar open het Boek der Openbaringen, wiens zeven Zeegelen opgebrooken zyn > niet verzuymende alle Oudheden te doorfnuffelen. Waarom ze een Vac der Ou- den, vol Penningen en andere Merkbeeldingenby haar heeft, mztSyrifchey Chaldeeuwfche, Egyptijche en Griekfche Oudheden, dicnende tot ophel- dering der Waarheden, ons in de Goddelyke Gefchiedeniflen nagelaten. Maar boven al gaatze Graazen in de Velden van Canaan, in de Woeftyne rond- om Sinai; zwcrven, en zig verluftigen in den Tempelbouw, vindende da- gelyks nieuwer gedachten uyt de Verbonds-Tent in de Woeftyne, en uyt de overeenftemmende Bouwcieraden, van Salomon en Ezecfoiel9 uytleeveren- de eene ruftige Befpiegeling der Verborge Wonderen. En zoo Pfalm zingen- de,en Propheterendevoldoet zyharen Godvruchtigen loop,beyde vrerkende tot het Gelukzalig opbouwen van *t Ryke Gods, in hare en andere Zielen. Men vind klachten by de eerfte Hervormers derVervalle Kerk, wegensdc overftappingen van eenige haarder Helpers, uyt de eenvoudige Verkondi- ging van het Woord Gods,'tot de opgevyzclde Griekfche en Latynfche Wyf- heyd> ja zoo verre, dat *er waren, die de H. Schrift by na onder de zelve achteden, ja zig niet ontzagen den Kern der zelve uyt de Heydenfche nala- tenfehap te halen. Dit ontydig gebruykt deed een groot kwaad* wyl reets alle Waarheyd en Reeden, door Sophijtery, en Schoolhazery was verbannen. Om welke meer tegen te gaan, men ook in een kwaad viel van Boerfche uytberfting, Schimp en Schendwoorden van *t Graauw, en ander onwaardig Mengelmoes onder Gods H, Woorden. Dus waren, gelyk meeft gebeurt, de groove Geeften, de Overftens van het Krygsvolk en *t Graauw, met die grove al te vcrftanelyke driftige en woefte uytvaringen in hun fchik >maarde aangeleydeOeffening, het ryk geheugen, de fchoonc Plaatzen van zoo vele Griekfche, Latynfche, Arabifche en Hebreeuwfche Bloemen in zommige loffelyk overvloeyende. Deze meenden, dat hun Licht, fynder dan van anderen,ookbehoordeandercn te overftralen. Ook had men terftondzigaan het ware eenvoudige Voedzel uyt Gods Woord zat gegeeten, en de Kief- heyd deed den Nieuwelingen zelfs denken om die uytgepikte Keurftofjens, als Peerlkens op de Eenvoudige Chriften Sluyer te Borduuren. Daar medfe Singen de fnelle Pennen en welfpreekende Tongen in haren Bouw, en wierd
et ware fyne Goud, zoo met dit Klatergoud overdekt, datmen Schors voor Kern nam, en Bladen voor Vrucht plukte. Deze overmoed der Gee- ften kan niet miften, als ze buy ten 't matelyke wys willen zyn, te dwaalen. Ook muyten de weelige Verftanden ligtelyk tegen het gewoone. Het is haar te gering en laftig, met anderen te gelyk een recht padtehoudenjhierklau- teren zy op Heuveltjens, daar wippen ze over Kuylen, en wat vooruytloo- pende, verhovaardigen ze zig tegen de Eenvoudigen, tot zy hier or daar ftruykelen, of in A%ronden ftorten. Haar eygenBet-weeten is niet in ha- re |
||||
Van de GereformeerdeGodsdienst.LXI.Hoofdst^i
re Kamers, niet in de Hooge Scholen te houden* haar weeten is met, zoq
zj niet anderen doen zien, dat ze Bet-weeten. Schryven, Drukken, Kerk en Staat ontftellen is dc Vrucht * vandenzulkenkomt een kleyn hayrklovend Verfchil. De navolgende Leerling maakt het met'ertydtot eenHoofd-onder- fcheyd. En dus verfchilt men onderlingals twee dwers van malkanderleggende Lynen, zonder herftellingof lading van de fcheur. Zulks wech te neemen is Pauk felyk en word Gemoeds-dwang> maar wyflelyk, zig die goede Kerk en Staat- ordere te onderwerpen, een nut Zaad, waar uyt de Verftanden malkan- deren oeffenen y en tot meerder vlyt in *t befte aanprikkelen. Zodanige Zufter voegt aan de zyde van deze ingetooge Zeedige en Godvreezsnde Maagd. |
||||||
Kkk TWEE
|
||||||
.
|
||||||
------v— ....... '+ ' _
|
|||||||||||
J
|
|||||||||||
$ ^
|
|||||||||||
•
|
|||||||||||
^j^afo^aj.,^ . .
|
|||||||||||
Van Versch, Gew. en den Waaren Hemel. LXII. H. 44.3
|
||||||
TWEE EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
■
Van Verfcheyde Gewaande en den Waaren Hemel.
DE Menfchelyke zwakheyd komt nergens overtuygcnder voor den Dag,
als in de verfcheydendheden der Godsdienften. Zomryds dr^aft zy zoo hoog, dat zy vaft-ftelc, dat de Hemelkringen, dat Az*ure Gewelf me§ zoo veele tintelende Fakkels, en wat 'er in Zee en Land is, en in de ryke Ingewanden van de Natuur word befloten,om haar,en wel om haar alleen, gefchapen is. En zoo opgeblazenvormt de Menfchookzyn Loon,voor zyne Hicht, zoo hoog, dat hy den Goden ten minften gelyk wil zyn j en droomt daarom van wonderbaariyke Gelukzaligheden* die ieder naar zyn'Land- fchap, genegenheyd en kennis, verdicht heeft, en zynde van den meeften by uytftckentheyd Hemel genaamt, als 'tnaaft aan de Uytfpanningen, die de Herflenen zig verbeeld hebben voor de plaats van hare Goddelyke woonfte- de en Throon. By Merkbeelden moeten zy ons Hemel en Hel zoo af- fchilderenj want als 'erde geheyligde Mannen zelfs al ondernamen van te ipreeken, fchotenze te kort in de Uytdrukzelen * en floten met te zeggen; i)at zulks noyt Oog gezien^noyt Oorgehoort had^ nog immer in V herte des Menfchen was opgeklommen. De Godheyd, wiens Order onverander- lyk wel werktj heeft gewilt, dat zyn Schepzel Reeden had, en daarom Wil zou gebruyken, om die ten beften te bcftieren. Derhalven is in alle Volkeren ingeftort eene Vrees, voor *t geen die Wil kwaad doed, en eene Hope voor \ geen zy goed doed. Die beloning Wereldfch te hebben, was te kleyn om groote Deugden te baren, of groote Schelmftukken te weerhou- den j wyl 'er ook zommige dineen moeten geacht worden, onnalpoorelyk voor 't Recht, als Meyn-eed, V ergif-geving, en diergelyke. Daarom oor- deelde het vernuft dienftiger de Strafte, gelyk ook de Beloning te vereeuwi- gen. Het Zaligmakend Woord, aan den Uytverkorenen alleen, tot Bal- zem geworden, isdenjoden, Heydenen enTurken voorby gegaan; maar heeft echter, buyten Sadduceen en Samaritanen, Hemel en Hel ingedrukt. Welker verfcheydenheden hier met Merkbeelden voorgeftelt zyn. A. Men ziet hier eeneHoNDSCHEONGEACHTE Sr,ORDiGHEYD,Iecg en
laf, luyerende voor de Ton van 'Diogenes. De Kop is breed, met bor- ftelig Hayr en Baard, gereed om op elk zyne Gal uyt te braken. Een Steen- dog) elk met blaffen en byten aanranflende, ftaat by hem. Zyne Stok^ zyn- de al zyn Huyfraad, houd hy in zyne grove Hand; houdende uyt verach- ting van al wat Mode is, een oud Nety uyt hovaardy, om zyne Huyd. Die Net ftinktvan vuyligheyt, en zondcr verfchoningiOnualle welgedane Men- Kkk 2 fchen
|
||||||
.-
|
||||||
'
|
|||||
444 DE- HlEROGLYPHEN OF M ERKBEELDEN.
fchen in 't Aanzicht te fpouwen. Dit is dezen hare uyterfte Gelukzalig- heyd, dieze zomtyds duurkopen, maar meerendeels, wel zachtelyk mati- gen, met onder de Hand, als "Diogenes, een Fles van de befte- Wyn, met Balzemdoos, Hoere-fchildery, in hare Vaten of Cellen te hebben. Curiuf- fen te zyn veynzende, maar Bacchus Feeften houdende. •£>• DegefchikteraartiseenHEMELDEREpiKiriu$TEN,beftaandeopge*-
ruftheyd en eene verzekerde kennis van 't Heel-Al begrepen> zodanig, dat alles uyt zyne gewifle oorzaak bewerkt opftaat, word, en is, ja ook de Menfch zelve* dat 'er eene order uyt de lage Zwavel-hitte des Afgronds opklimt, door hare dampen en uytwaafleming, de Sterren, Zon en Maan zelfs voedende, die wederom tot onderhoud om laag hare Ievendmakende ftraalen doen uytvloeyenj dat zulks eens voor al is eene Goddelyke Order- en dat de Godheyd nu ftil ruft, gelyk hy zelfs mede doed', in de gevallen ongekreukt, houdende de Boom van *t Noodlot, het welk de Onderaard- fche en Boven-Hemelfche krachten zelve verbind. In zyne Hand heeft hy daarom den Blixem van Jupyn aan *t Lot geketent; en in zyne Schoot ge- ruft, de Staalen Hamer van Jt Voorbefchik met zyne Diamante Spykers. Ziende de Wereld, die hy in zyne Hand heeft, in zyn binnenfte,, en ftel- lende de uytdeling des geluks buyten zyn bereyk , vind hy zynen Hemel in die gerufte overgave van zig zelven aan de zaken. Zyn Hert is met Vleu- gelen vry vliegende in zyne Boezem, en Hemelwaarts geftelt. Hy bedient zig van de goede kanflen, houd zig ftil by den kwaden, bedient wel de Amptcn en Poften hem toevertrouwt, verderft het Mengelmoes van de We- reld niet, latende Slempen, Schacheren, Eygenbaat, en domme Waanwys- heyd haren gang gaan, ziende door de Vingeren 't geen Ooghiyken velen kan. Eene Flcs en Schraap-yzer in de Schoot, toont zynen ne£rgaanden imborft,. 't een voor de Maaltyden, 't andervoorde Bad.ftoven. Hylegt op een Tafelbed, met een Myrthe-kransje om 't Hoofd 5 houdende zig zel- yen wel gekleed, hoffelyk, en believend; onbekommert wat hier,ja zelfs, wat hier na gebeuren zal. In die gerufte ftilte heeft hy zynen Heme/. v->u Der. Stoyken Hemel, is eene onbeweeglykheyd in Manmoedi-
ge hardvochtigheyd, van Kinds-been af aangezet, en door de oeffening en gewoonte ftreng ongevoelig geworden, voelt naauwlyks Pynen, Ziekten, Hitte, of Koude> houd zyn gemoed te Edel, als dat het in zyne Zielzou- de gevoelen de pyne van 't. Lichaam^ verbytende zyne fmerten, verachten- de Kroonen en Ryxftaven, Rykdommen en Schatten,die hy onder de Voe- tca treed ^ beminnende den arbeyd, voerende eene Koopere Schyf in zyne Hand van 't Worftel-park, met Hercules Knods, verbeeldende alle fier en Heldenwerk, met de Kranflen van de Olymptfche Speelen om zyn Hoofd y ea de Leeuwenhuyd om zyne Hals, torilende de zware Pylaar van de 1 Deugd.,
|
|||||
Van Versch. Gew. en den Vaaren Hemel. LXII. H.44.5
Deugd. Heerlyke Hemel I was yt fpel ernftj maar van dat zoort, gelyk
vandeandere, zien \vy onder de Papen, Ordens, Se£tariflen en dierge- lyken zeer veele, die zoo fchynen, en zoo leeren , maar wcl anders leven. L/« Hier volgtDEHEMELDERHEYRvooGDEN, diealsBloedhondendc
Wereld overftromende met hunne dulle Krygers,die eer ftellenindieverdel- ging en verwoefting van Landen en Steeden. Daar ftaat de bloe- dige Eer , met Goude Lauwrieren, en golvende Vcderboflen op den Helm, in haren Hemel> zynde opgerechte Zegeftanders van hare Overwin- ningen, met Burg-en Scheeps-kroonen verrykt* Cafats beeltenis, tot dank, van dat hy \ Gemeene Beft overweldigt, de Vryheyd verkracht, en zoo veel Bloed van groote Borgers vergoten heeft. Eenc Sterre, waar in de Vleyers hem noemden verandert te zyn, op de Borft, praalt hem inde Oo- cen j en den Arend houd hy op zyne \Y ereld-kloot gereed, om uyt zyne Houtmyt op te vliegen, en hem te vergoden, dat is, zyn Hemel in TWen- ten y Schriften en Beelden te leeven. xi» EenALDERSTAATKUNDiGSTEHEMEL,isdieder7^^y>rx,C^w/^-
7n*,enmeerWefl>Indifchen,diehunlieder Hemel ftellen,in het Lyden door hunne Vyanden>hoe zy van dezdvenfeldergehaktengekorven worden, hoe zy met meer gloor en pracht wederopftaaninde andere Wereld,zyndehaar Hemel. Zy lpuwen alle ongelyken, zelf verdicht,tegenhareVyanden uyt, om hen te verbitteren, en tot wreedheyt te prikkelen •> fchreeuwende, dat zy hunlieder Vaders gevreten, Zufters gefchonden, en Kinders verfcheurt hebben, om door Vuur en Kap-meffen, gevik en gerooft te fneuvelen> ten cynde zy dan als Incos, Inguasy ofForjten* we£r mogen opftaan. Deze Hemel maakt hen ftout> }a happig op die Rampen, die anders yflclyk te vrezen zouden zyn. ■T. Hier naaftby ziet men den Hemel der Dichters, die de befte Reys-
befchryvers van dat Land zyn, genoemt de Eliszeefche Velden, eenenaam van het Ontbinden van alles genomen 5 alwaar men naar 5t Leven, heerlyk en dertei vermaak geniet, van iehoone Landen, Fonteynen, Waterftroo- men, lieffelyke Heuvelen, en vermakelyke Dalen, iehoone Vruchten, lieve Schepzelen van allerley aard, zingende, fpringende, tierelierende, huppe- lcnde,en fpringende om zyne Ooren,los en onbekommert vaneenigezorgen, vJ« Dichthier by is de Olymp+berg^ die Hemel, daar deGoden op banket-
teerden.Hadden zy de Tic vanC^T^wgekentjZyhadden'erweleenHemel van drie verdiepingen van gemaakt. Hier rondom zwexycndeTythagorifche Zielen in haar vervorming, overzieling-of verandertyd. Die hadden haar Hemel in eene gelukkige verandering, verdieat volgens hun dporgebracht leven, niet by zekere overvorming, als Popken, Wurmken, Oylen Ey, gelyk men inde Bloedelooze Diertjens vind. |
||||||||
Kkk 5 H, Ter
|
||||||||
De Hieroglyphen of Merkbeelden.
|
||||||||
44-<*
|
||||||||
H. Ter zyden af, komt Hercules opklimmen inder Helden-Hemel,
met zyne Leeuwenhuyd en Knods. Afgeleyd hebbende zyne zwaare werken, en te gelykzyne fterffelykheyd,neemthyzitplaats onder de Goden.Deze eer kwam zelden iemand toe, maar na de Hel, alszomtyds Thefeus, o_s£acus, Rhadamantus, enz. Echter kwam nu en dan een Boeltje van Jupyn ofec- nen anderen God,nog.tot eene plaats op de Hemels-kloot.De Beer enande- re zyn 'er zoo gekomen, en die wat hoger geachtwarcn,indenTekenkring. 1* Die van Canada hebben opdieLeeft gefchoeyt,en haren Hem el ge~
maakt in eeneinwoningin de Sterren. Hoezy heerlykerin Veldfla- gen waren, hoe zy tintelender Sterren wierden aan eene andere Kim. K DeTuRKSCHE enPersiaansche Hemel is,naarMahomets Alco-
ran, eene zamenvloeying van alle weelden en welluften, fchoone Vrouwen, Kinr deren, Paarden, Tafel en Bed, pracht en praal van Juwelen, en al wat voortreffelyk, uytftekend, en bekoorlyk is, metzommigedingenvanvrecm- de Beeldfpraaken by ons (mogelyk ook by Mahomet^) onbekend, van Ke- rnels , fcherpe Bruggen, Engelen-vlerken, en anders. •L*- Dan komt ons voordeHemel der Waare GELoviGEN,zyndedc
Overgang en Ruft van de Zielen der Uytverkorenen, in de Eeuwige Geluk-
zaligheyd, verbeeld door eene zuyvere Maagd met lange witte Klederen aan, gewaflchen van alle hare fmetten en vlekken, in het Bloed van haren Hcyland, VerloiTer en Bruydegom. Zy heeft haar Reyn Hert, en hare Reyne Handen uytgereykt naar het Lam Gods, tot wien alle hare luft, ruft, zyn en welzyn is geftiert. Zy heeft zig ontdaan van alle Lichtgelovig- heyd, die dweeperyen van allerlcy geftaltens, vanEngelen, Aards-Engelen, Chooren 5 als mede de Bouwkonftige grillen in zoo veele Hemelen $ wel we- tende, dat Geeftelyk en alleen genadert word tot den Geeft der Geeften, dat alle geftaltens, vorm en maakzel voor \ Oneyndig niets is, denkt ze aan gene andere Stad, als het M. NieuwJerusalemj maar niet om daar Peerle-ftraaten, Diamante-
poorten of Wereldfche praal te vinden* en te vreeden zyndemet het geopenbaar- de ,*t geen zy in eenen nederigen geeft heeft nagefpoort, met gedurige Vreezc Gods, en verlangen na hare ontbinding, word zy nu ontfangen, en met eene Sterre-kroon verheerlykt. Dog wyl men de wonderbare heerlykheyd van zulke verandering niet kan begrypen, nog uytdrukken, is haar Hoofd in de Wolken ingedrukt. De Tyden zyn vcrvult -y de Vervolgingen en de Stry- den, die zy te lyden, of te vreezen had, zyn af; de Zeven Zegelen zyn door 't Lam gebrooken , dat nu zyne Zegepraal in de Eeuwen der Eeuwen zal houden, met die Gelukzalige Bruyd, zyne Kerk, zyne Beminde, zya Oog-appel, van God zynen Vader aan hem voor alle Eeuwighedengefchon- ken. Zy heeft haar ook vry gemaakt van alle Aardfche, Wereldfche en Vleefchelyke Befpiegeling, haar Oog of He/t konnende verleyden$ gelyk |
||||||||
ceiu-
|
||||||||
^ imi upwmpppiiiI . \ i„.,i iinip
|
|||||||||
\** -T "*"*' *"'
|
|||||||||
Van Versch.Gew. en den WaarenHemel.LXIIL H. 447
ccnigen van hare naafte Vrienden , die eene 'Duyzendjarige Regering in 't
Hoofd houden, Die Steen des aanftoots heeft 'er menig doen vallen. De Lcerlingen van Chriftus hadden altyd eene Wereldfche Heerfchappy in 't Hoofdi de Joden zagen gencn Meflias in Chriftus, om dat 'ergeeneKrygs- macht j glanfch, nog praal by was* de eerfte Apoftelen zyn niet alle van die drift vry geweefti maar m de tyd der Hervorming heett men fchrikke- lyke werken van deze heerfchzucht gezien, dan van Naakt-lopcrs, dan van Wederdopers en Zendelingen van den Munfterfchen Zabaoth •> en in Enge- land, de moorddadigfte overvallen, van zulke Geeftdryvers, die'tRykvan Chriftus hier wilden beginnen, maar in 't Bloed van al wat hen voorkwam, gevaarlyke Duyvels engene Menfchen waren j dewelke,zoo hun bedorven Breyn iets ontworpen heeft, zulks voorGodsOpenbaringen, den Eenvoudigen op- dringen, tot hunlieder dullc ondernemingen aanzetten, en in't verderf plom- pen. AIs door eene Storm-wind, zyn dwaze Herten verleyd geworden. Aan
alle kanten heeft men zulken , onder onze Hollanders J an van Ley den,^D a- *vid Jorifz: en diergelyken zoo wel gevonden, als onder den Weftfalin- gers, Krechting, Knipper dolling, en meer andercn. Zy erkennen de Eeu- wigheyt en alles Geeftelyk, maar evenwel legt hen die Regeer-ftuyp in de Herflcnen, dieze wel laten zien, zoo zy in hare Gczintheden gehoort wor- den. N.
Een ander Hetnel is *er nog onder de Ware Gelovigen •, zynde de
Hemel op Aarde, of'tRykeGods in de Ziele. Dit is eene gefteltenis in 'tgemoed, bewerkt door de Redenen, gegrond in de H. Schriften, die eerftelyk vaft weet, dat God Onveranderlyk zyn Eeuwig Raadsbefluyt uytvoert -7 zy weet de aldernaauwfte kennis tot de uyterfte kleynigheden, als de haayrkens van der Menfchen Hoofd, de prys der Muflchen, en dierge- lyk. De Zegeningen voor af befloten worden uytgevoert, door 't zamen-lo- pen zelf der geringfte Waterbellen, Schynflels, Oogenblikken en Vezelsj de ftrafFen voor zyne Rechtvaardigheyd, door Vorfchen, Muyzen, Mot, Afch en Stof. Dit zoo gezien zynde in de H. Gefchiedeniflen, en 't voor- gczegde door der Propheten, Apoftelen en des Heylands Mond, te mets vervult wordende, met onverzette zamenhang der Toepaflingen, maakt in *t Hert der Uytverkorenen zulken Hemel, die is verbeeld als een lachend en vrolyk Man, met open Armen ontvangende zyn Lot van God. Is dit tot een Doom voor *t Vleefch, *t is zyn Hemel, door Gods Tuchtiginggezuy- vert te worden 5 is het tot vermaak van hem, hy ncemt het tot zyn Heme!, als eene voorfmaak van Gods Genade * hy zit ontkluyftert van de ftraffe der Wet, zyn kwytfchelding-fchrift draagt hy over al mede, zynde Chriftus Kruys, die alles voor hem heeft voldaan, en daarom hem hier reets den Hemel fchenkt in zyne Ziel, wachtende tot dat de Volbeyd van zyne Ecu- wigheyd
|
|||||||||
448 De Hieroglyphen of Merkbeelden.
wigheyd verfchynt-, als hy klaarder zynen God zal kennen, en die Waar-
heden begrypen, welke de Uytverkore Vaten Gods hebben geklaagt nog niet te veritaan, en welke den fVaren Heme/ maken, met God, in God , en by God Eeuwig te zyn. De Wereld ver onder hem, en zoo veel als verfmaad, raakt hem niet anders als tot zyne Herbergftoel, waar van hy gerced is op te fhan,op *t oogenblik, als hem de Godheyd opeyfcht, om in zyn ware Vaderland te komen. Hy kreunt zig nog de Rampzaligheden des zelfs, om ze als een Heraclitus te befchreyen , nog de Zottigheden , om ze geftadig met eenen cDemocritus uyt te lachen. O. Eyndelyk komt het Duyzendjarig Rvk. Die Steen des aanftoots
en ftruykeling voor zoo veelen , alwaar de Vrome Mannen, zelfs 00k de Welgeleerden, meynden met Chriftus te zullen Heerfchen, alles Oordeelen en Bettieren, in eene nieuwe Wereld, duyzend Jaren lang > waarom hier Jezus Chriftus in het Vleefch word vertoont met zyn Zwaard tot Ryx- ftaf, en zyn Kroon van Doornen nevens zyn Zeegenftandaard, over Gogy Magogs den Antichrift, den Ouden Draak, enz. De Wereld-Bol met M. van duyzend Jaren is onder zyne Hand j ende een Ouderling, om met hem te Heerfchen, zit op eenen Richterftoel aan zyne Zyde. |
||||
• TOEPASSING. LXIIf. HOOFDSTUK. 449
|
||||||
DRIE EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK,
ToepaJJing.
VErhandek hebbende de Merkbeelden, of Hieroglyphen dcr OudcHey-
denen, nevens eenige der Joden, en Roomfchen, met een verloop van de Godsdienften, in de voortgang van verfcheyden Eeuwen, totopde- ze tyd toe, zoo vinde ik niet ondienftig, deTegenftelling van de uytgedien- de, zoo wel als valfche Godsdienften, tegen de ware Zaligmakenae Leere, tn daar op volgende Eeuwige Gelukzaligheyt, getoetft voor te ftellen, om dit Werk te fluytea **• Men zietdan hier de drie Ordens der zoogenaamde Magi $ eerfi
de waarneming der Hemelstekenen en Lichten , verbeeld door eenen zyEthiopier, dewelke van Chants Nazaten zynde,van 't wareLichtvreemd gebleven, de werkende Lichten, door 't Oneyndig Weezen gefchapen, en uyt zyn Eeuwig Licht voortgevloeyt, in haren loop waarneemt. Hy fpoort met zyne Blikkc Verrekykers-buys naar de Dwaalfterren, om grover tedwa- len, en die voor den Goddelyken Raad den Menfchen aan te pryzen, met haarlieder Mecfter de Zon, en Meefterefle de Maan. Hy draagt op zyne Kruyfbol den Arend, die om zyn hoog vliegen en ftreng Oog gezegt word in de Zon te konnen zien. HetKattoene Kleed, dat zyne gefchrookre Huyd dekt, is befchildert vol Sterren, en Tekenen. Hy meet met eene Pafler in de andere Hand, de negen bewegende Hemelen van Azarcheles, met dc drilling, dwarslopen, en tegenlopen van Hipparchus, en Thebit^ enzoekc vaft te ftellen eene twede beweging* en de negende op neegen en veertig Jaren, en eencderdc in deachtftc; dcBeeving gcnocmt, op zeven duyzend Jaren eens. Hy hafpelt, na de verfcheydenheyt der Waarncmers in zyne Vergode Sterren, wie hy hooger of lager zal plaatzen, wat hy van de tien- deBeweging zal zeggen, die met zyne Bollen hollebollig rollende, alle vier en twintig Uuren, van en tot zyne Punt loopt. Hy verfchuyft dan die Pla-* neten dikmaals in zyne twyffeling; ondertuflchen zyne Pergament-bladen vol krabbelende met lynen en trekken. Aan zyne Zyde ftaat dat wonder- werk van den Geeft, eene uytvinding zeer na-apende Gods zichcbaar Heel- Al, van Konftwerk in een Glas gellotenj zoo als men eertyds zegt van Aiotnap, maar zekerder van 'Drebbel van Alkmaar kan zeggen, die zulken Werk aan Jacobus, KoningvanGrootBritcanje, toezond$ dat zelfsSneeuw, Regen, en Wind in zyn Glaze Bol maakte. Wonderlyknochtanszyn wyaan die^Ethiopiers, Chaldeen, Egyptenaars en Grieken vcrpligt, dat zy deSter- re-kundezoo verre bewrocht, nageipoort, en nagelaten hebben, dat men op L11 haar
|
||||||
.
|
||||||
45o De Hieroglyphen of Merkbeelden.
haar fpoor dc dwalingen verbeterende, tot vry fchoone kennis fchynt opge-
klommen te zyn. Onze dank verpligt ons hare Arabifche of andere Konft- woorden te houdeny hare Merkjens om de lichtheyd te bewaren, en hare Beelden in de Sterren als een Geheugenis-Kunftmiddel niet te veranderen. Want als wy nu van de Beer in y het Hayr van Berenice > Orion, de Wat- <visy en andere bekende Beelteniflen afftapten, of Zenith, Zodiac en dier- gelyk in \ Duyts overbrachten, vcrwarden \vy lichter onze en andere Ver- ftanden, als dat \vy die verlichten zouden. uriederley zyn de hoedanighe- den van die Merkbeeld-Lerende Mannen, Thilofophen, 'Propheten txi€Pr&- fters te zyn. Het tweede deei ftaat hier aan dc voorgrond^ zynde J3. Tie Heydenfche Trophetiey een Beeld met twee Staatige Hoofden,
beyde bedekt, met dc Hoofdfluyer van Ifis -> met het eene Hoofd fcherp let- tende op de verleeden Gefchiedeniflen, die onder haar bewaart wierden, om van dezelve een gelyken uytflag in nieuwe voorvallen te voorzeggen > het andere om angften konftiguyt den Bevreefden te haleny de ftant der zaken die hen dringen, tot den Ziender of Propheet toevlucht te nemen. Hy fchreeuwt tot hen uyt zware dreygementen, of vleytze met groote gelukken, die hen van de gelukkige Sterrenzameling zyn te verwachten, voorzienmet eeneKopere Hoorn voor zyn Voorhoofd, als men by Achat?inGods Woord vind. De iEgyptifcheOrakelvragery kan men door den zelven wel vertoo- nen. Dcze Propheet laat zien aan zynen Raadvragers een TafereeU waar op zyne Godheids Seris Zon, en Ifis Maankracht is, verkeert met eene Kloot boven in dePootjens van eene Ti^door welke een Afpicflang kruypt, de Hemelvuuren en Krachten beftierende, om in de Kloot der Aarde , in, de onderflePootjens gehouden,in te vloeycn* waar tegeneenCynocephalusy den eerften Bediendender twee geroemde Godhedenmet twee Siangen , yoor uytgedeelde Levenskrachten, in zyne Klaauwen houd, dreygende met vin- nig gebaar van boven allerley Rampen, ten zy ze afgewend worden, door de Mizithray of Middelende Godheyd, den Agathodtfmon> diehy achter yt Eerfte Tafereel tot trooft houd. Hy is met eene Voflenhuyd omhangen* latende zyne blaauwe Zakken, als of ze hem niet, maar zyne Middelende Goden raakten, open ftaan, om te ontfangen de Schatten en Giften> v^« Der Beangfte Vragers. Die als eene botte Vrouwr met Ezels-
ooren aan haar Hoofd> de vrees laat zien, die haar jaagt naar die Papen* trooft, door *t Konyn> yt welk zy in den Arm houd. D. De Verwondering, DochtervanOnwetenheyd,die zoo bevreeft
by haar ftaat, is nooit vreemd van nieuwsgierigheydy waarom mendeHoor- nen van eene jonge Ree, op haar Hoofd ziet, en een Mol in de Boezem. Met hare Handen ftaat ze een gat in den Hemel> van \ geen zy hoort, en. droomt
|
|||||
i
|
|||||
TOEPASSING. LXIH. HoOFDSTUK. 451
droomt te zien. Waarom zy haar gedekt vind met cen zwart Nachtklced.
Aan de andere zyde van de Raadvragery ziet men ii» *T Overgeloof, hare Moeder5 met gevouwe Handen biddende,
dat de Priefter vcx>r haar wil Bidden en Offeren. Een Choorkleed dekt haar Lyf en Hoofd. En dit was alles, wat het verblinde Volk onder den Heydenfche Goden had. Maar had het God geluft in Voorcyden, gelyk *t zyne Genade geluften zal, volgens de Genadige Voorzeggingen, der Hey- denen en Joden volheyd in zyn Oogft te trekken, zoo zoude die Natuur- kundige Hemelkyker zien, dat zyne Godheyd de Zon, met zoo oneyndig vele namen, en uyt zyne hoedanigheyd vloeyende, zoo verfcheyden Go- den, alszyneMaan, niet minder naamryk, beyde de Verderving onder- worpen waren, en dat de Eeuwige God, de Zon als een zwart Hayrekleed, zyne Kracht en Straalen zoude ontnemen, en de Maan donker Bloedrood doen worden; dat diefchone Goden, de Dwaalfterren, die zoo veler Go- den Perzonagien hebben gefpeelt, dan waarlyk dwalen mocften, vallende uyt hare loop naar beneden, en dat die Hemel, waar in hy zoo veele Go- den Paleyzen, en zy zoo veelekrachtige Byeenkomften hidden, of zy alles naar haren loop deaen loopen, in malkander als een Boek zamen geroltjen de Aarde of Niet, of Nieuw zoude worden. De derde, £• Het Heydensch Priesterdgm, van veele zoorten, of Dieren
en Vogels , of Menfchcn-flachters, of Eygenzelfs moorders. Men ziet daar op de Offerfteenen, op eene hoogte neergeftapeltj alle Indtfche^ Ethiopia fche, Arab'tfche, en Magifche Merkbeelden■> cen rond ingefloten in een grooter, voor Hemel en Aarde. Een Straal Vuur, met een Water- en Aard- bol in zyn Middelpunt, voor de Zonneloop en Kracht, om op de Wereld* een donkre Bol voor de helft der Wereld, en de Maan , met de Nacht; dan een Rond met een Kruys den Hemel en zyne Verdelingen , van Ooft, Zuyd, Weft en Noord tonende* een Rond met een Golftrek onder zig5om 't vlotten der Aarde in de Wateren en zoo voort, te toonen. Op deze Of- ferfteenen leggen Stieren, Geyten, Schapen en Lammeren te branden. Daar by ftaat een Opperpriefterfchap in zyn gewaad, als by de Romeynen> een Scythifche Paap, of een der Druyden, Vyanden flachtende > een Arabi- fche, den Moloch haar Kind te verbranden overreykende. Ter rechter zyde G. Een Bels Priester , uyt de Chaldean, zyn Lyf over al door-
fnydende, enkervende, en een ische Gallus, of jonge Paap, zig zelven Lubbende. Die
zouden, tot den waaren God bekeerdt zyndczulke ontmenfehte mishande- Lll 2 lingen
|
|||||
**
|
|||||
■
|
||||||
45* DE HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEk.
lingen niet voor ons Geheugen hebben nagelaterij maar in 't eens Geflachte
Ofter van den eenigen Heyland, alle Vergiffenis gezocht en gevonden heb- ben. De Propheten en Zienders onder hen, zouden voor den Vertoorenden God , geene Middelaars te kennen, te eeloven , en te aanbidden , alle gramfchap Gods hebben geftilt; en deze orie zouden dc Volkeren, met een lieffelyk en licht jok, heel anders, als hare gril en gebaarde-volle Dienft- baarheyd, doen overftappen uyt cen zaeht leven, tot het Eeuwig Geluk- zalig Leven. De Jood zal in de Heerlyke Zegepraal vanGhriftus, met zyne Kerk,
zien, hoe verftokte blindheyd hem heeft verhard, om niet uyt de A» Arke Noe , en Regenboog , de Opgerechte Slang , de Arke des
Verbonds, en zoo vele betekenende krachten in de Tente der Zamenkom- fte, den MeJJias op zyne tyd te vinden , de Gloorftralen van Gods inwo- ning in de Verbondkift, van zynen Voorgang by Nacht in eene Vuur-, by Daag in eene Wolk-kolbm ^ Gods Tempel > en andere grootheden hebben hem mifleyd, en de Nederigheyd van datonnozele Paafch-Lams-OfFer doen verachten, vervolgen en Kruiffigen. Maar gy Heydenen, Joode^ By-of-Overgelovige, aan welken Naam, of
aan welken Godsdienft gy verflaaft blyft, ziet hier voor uw Oog, by te* genftelling, de Chriftelyke Merkbeelden, en derzelver Goddelyke Vervul- ftngen, tegen uwe Wereldwyze Droojmen. Veftigt derhalven dan eerftelyk uvv Oog op- "• De Ware CHR.ist^NHEVD , eene fterke Maagd, naakt en los
^gemaakt, van alle uyterlyke /chyn of Praal , dragende bereydwillig haar Kruys, en opvolgende het fpoor van haren Heyland. Zy heeft de Linker- hand vaft aan een Plechtanker van de Hoop, die niet en bedriegt* L'* Den ouden Mensch,Eene Satyrinne, met een Paauweftaart
op haar trotfche Kop. Zy is aan de Wereld, waar op zy zoo geruft met de verbode Paradys-appel inde Bek fteunde, en aan den Duyvel, die omte toonen, dat hy de oude Bedrieger is, met Ketenen vaft geklonken. Haar Bovenlyf vertoonteene welgemefte poezeleVoedfter van haar eygen Vleefch, om het Onderlyt, dat van eene heete Geyt is, in zyne geylheyd te dienen. Onder haar legt eene Toorts, om alles in een brand vantweelpalt te zetten* Zy legt by eene afgekapte Boom, met de Byl daar by, om dat ze geene goede Vruchten eri droeg. Na deze lydende Maagd doet zig zcer behaaglyk op, opkomende uyt
de Woeftynp, als eene Reukpilaar, uytwaaflemende Mjrrhe, JVierook, en berookt met allerley Toeder des Kruydemers> M.De
|
||||||
\
|
||||||
TOEPASSTNG. LXIII. HOOFDSTUK. fyjf
. - ■ »
-M. De Gelukzalige Ziel, door God getrokken, die in *t Lir
chaam nog gekerkert > hare Ontbinding te gemoet ziet, haren Bruyde-
gom, met haar beproeft Gaud, gekleed met lange witte Klederen^ ge- wajfchen in Chrtftm Bided, met de aangefteke Olie in hare Lamp, re- gen gaande. Zy ziet *er uyt als de 'Dageraad, fchoon als de Maany z>uy- %>er als de Zon , die beyden aan , en om haar Hoofd flikkeren. Zy is fchrikkelyk voor den Duyvel en \ Vleefch , door de Banier van den Zeegenpralende Chriftus , welken zy in de Linkerhand houd. Zy ver- treed het Verderf^ dat op den Mrddag Verwoeft , het welk voor hare Voeten ne£rgeworpen legt, met zyn Seiflen in de Hand, vry zynde van de Openbare Vervolging. De cPyl die des *Daags vliegt, kan haar niet treffen , zynde de verlokkende Begeerlykheyd , tot net A as der Zon- den. Zy vreeft niet de fchrik des Nachts, met Vleermuys-Vlerken, en ©ntftelde Oogen , fchreeuwende Mond , en uytgefpreyde Armen zwart geverwt. Als de bevreefde Heydenen, Joden, en Roomfchen, die zoo vele Spooken , Ikkers, en Sehrikgeeften by een gedroomt hebben , en voor haar eygen Droomen lillen. Nog beangftigt voor de ¥eftilentie9 die in de donkerheyd grafleert. Deze is een vuyle magere Moordsfiguur, met een Lichaam vol booze Zweeren, hangende Prammen, Slangenhaayr, van die vergiftige Gedrochten, uyt hare verderffelyke Klaauwen, het fe- nyn over al ftrooyende. Zy blaaft een dodelyk Vuur uyt hare bkeks .xv a kc n. Deze Ketteryen verbeeldende, kan die Lieffelyke Maagd niet vergiftenj
zy is te zeker op haars Bruydegoms ware Woord. N. Naaft haar is de Wereldlyke Dood , die met de Palmveer vaa
Overwinnig in Vreede me't God haren Rechter opftaat > om welk te toonen, uyt dit, voor andere x akelig en verfchrikkelyk Geraamte, uyt zyne Ooggaten doet zien nieuwuytgefproote Koornaayren , die nooy£ heerlyk zouden bloeyen , nog de inlaag van het Zaad zoo dobbet verryken konnen , ten waare het eerft in de Aarde verging , cut fcheen. te fterven , hetekenende te gelyk de Opftanding ter Zalig- heyd. 0\
• Alwaar de Zuyvere Ziel, door Engelen gedragen, van de we-^ derlevendmakende Kracht Gods, den H. Geeft, en den Zoone Gods, het Lam , als haren Bruydegom , in de Onverderffelykheyd en Eeu- wige Gelukzaligheyd word overgehaalt. Die Verheerlykte Ziel gaat in de Tempelen Gods , en ziet de Arke zyns Verbonds in »yne Tempel j Lll 3 eir
|
||||
454 ®E HlEROGLYPHEN OF MERKBEELDEN.
€n alzoo gaat zy in , in des Algenoegzamen , Eeuwig Verhecrlyktcn
Gods Genade , alwaar zy dcel ontfangt aan hct Ryke zyns x . Zoons , dien zy ziet zittcn op eenc witte Wolk , hebbende op
zyn Hoofd een Goude Kroon, en in zyne Hand cene fcherpe Schicht, zodanig als men van alien den Griekfchen en Roomfchen Vorften ziet, die gecne Scepters, maar halve Piekfchichcen in de Hand voerden5 om dat het de tyd is van zyn Oordeel, als *t Onkruyd in boosheyd, en 't goede Zaad in Gerechtigheyd yolwaflen zyn 5 dan zal zy hooren , dat de Ryken des Werelds des Heeren en zyns Gezalfden zyn geworden* waar over hy in Eeuwigheyd zal Regeeren, Zy zal zien de vierentwintig Ouderlingen op hare Stoelen voor God zittende 5 hoe zy neervallcn op hunne Aangezichten , God dankende» dat hy loon geefc aan zyne Die- naars de Propheten, de Heyligen , en Godvreezenden ; die Zegenvie- rende ingaan tot de Heyrfcharen der Seraphim en Cherubim, met de vier Dieren van de vier Euangeliften , voor zynen Throon. Throo- nen en Machren , die alle Gods Eeuwigen Lof zingen , en zamen de Hemelen vervullen met de wederklanken van hunlieder Eeuwig HALLE- LUJAH. v^Dat Ryke Gods is hier verbeeld, boven den Regenboog, door
eene Slang, die hare Staart in den Bek heeft , voor deflelfs Oneyndig- heyd. Door eene Driehoekftraal der Heyligfte Drie-eenighcyd, door ee- ne Vierhoekftraal daar binnen, van de aan alle zvden uytgeftrekte glanfch en Eere Gods * en eenc ronde Straal in *t Middelpunt, in de welke al- les in een woont, in dcri geenen, die is.9 dieivas, en die komen &al, JEHOVA , die Adonai, in den Heere der Heerlykheden, die zyne God- delyke eerfte Naam in zig heeft gefloten 5 te zamen eertyds in een on- toegankelyk Vuur , maar als dan in guide Hemelftralen tintelende 5 de Aleph en Thau van het Oude Verbond, en de Alpha en Omega van *t Nieuwe betekenen, dat die God alleen is 't BeginfTel zonder Begin van al- les, en het Eynde zonder Eynde. Vyf Heerlykheden dragen deze Eeuwigheyd van Gods altyd-duurend
Rykj de eerfte is de Eeuwige Vreede Gods, met hare Talmveer 5 de tweede de Eeuwige Aanbidding Gods , met hare Geveuwe Handen-, de derde de Eeuwige Grootmaking van Gods H. Naam, met Opgeheven Hoof. den fteeds uytroepende Gods Grootheyd * de vierde het Eeuwig Lofzin- gen, met de Harp ; de vyfde de Eeuwige Algenoegzaamheyd in God , met den Overvloeds Hooms en de Ruft van den Arbeyd der Heyligen, met eenen Engel, van wien men de Handen en het we£rwerk niet en ziet.
Dit
|
||||
TOEPASSING. LXIII. HOOFDSTUK. 455
Dit Heerlyk Ryk heeft allc Genade, Zegen, en Hemelpraal ter Rech-
ter, en het uytftorten dcr Thiolen van Gods Grimmigheyd ter andere zy- dej daar men't wechrollen derHemelen, verduyfteren van Zon, verver- wen van de Maan , 't vallen der Sterren , Donders , Blixemen , en Ha- gelen ziet j ftraffende, als men van Mebucadnezar leeft » de Gewelde- naars, in KERK en WERELDMACHT; en al den BOOZEN, met «ene Helle> die verbittertis, in de ontmoeting van hare komft. E Y N D E.
|
||||
REGISTER
DER
HOOFDSTUKKEN en BEELDEN
IndeHIEROGLYPHICA vervat, I. HOOFDSTUK.
Oorfprong en Voortgang der Merkbeelden.' Pag; i?
A li^n Thebatfche Vrouw, als een Zin- F. De Wjsgeerte of Philofiphie, als de Moe-
j\rf nebeeld der Merkbeelden. der der Merkbeelden, of Priefter-taal. B- Een geplyfterde Steen van een Hecate, G. De Oude Wyzen in de Merkbeeld-
waar in zy hare Beelden grift. kennis, Seres of Chinex.cn y enz. C. De oudfte Konftenaar, loth, Hermes, H. De Stier Amunx of Apis, de God der
of Manethon. Egyptenaren, een Zinnebeeld van He-
D. De wetenfchap der Merkbeelden door mel en Aarde.
een Gehejmpriefter of Schriftgeleerdc ver- I. De Fadz,ige Lnjhejd in Merkbeelden
toont. vertoont. E. De Diana van Epheztn, als een Som- K. De Beejiachtigheyd vm.Ncbmadnez,arxiyK.-
mier-beeld der gefchape dingen. gebeeld.
F. Een Graf-naald, waar op de daden der L. Een Luye Ransuyl , verbeeldende den
Koningen door Beelden vertoont wor- fmakeloozen Verachter van Kennis en
den. Wetenfchap.
G. Een School-oi Oeffen-poort derGeleerden. M. De Dulle Woefie Koppigheyd, door Cain
|
|||||||||||
verbeeld.
IK. HOOFDSTUK.
|
|||||||||||
II. HOOFDSTUK,
|
|||||||||||
De Naam en Eerfte gang der Hieroglyphica
in *t gemeen. pag. 15. Van de Op-en Doorgang der Merkbeel-
den. pag. j 1. A. De twee filar en van Seth; waar op de
GefchiedenifTen der Vaderen. A. Het onderz.oe&n opheldering derNatuur-
B. Een Pyramide vol Merkbeelden, nevens kunde, door een Oud Man verbeeld.
derzelver betekeniffe. B. De Kujfche StiUwygentheyd, genaamt
C. Een Opper-Vorft , als Nimrod , met Harpocrates.
zyne hooflche, maar flaaffche Vlyers. C. Een Priefter, in zyn Godsdienft ver-
D* Een Chaldecmvfche Wjshejds -priefter , toont.
vergodende de Vorften. D. Eenvoudigheyt der eerfte Merkbeelden
E. Het Fuur, eene Godheyd, brand op uyt zeker ftnkjtarde fleen met charatlers
den Altaar. Daar nevens een Godde- vertoont.
lyke Pkngoffer-lepeL
Mmm E. De
|
|||||||||||
R E G I S T E R.
E. De Goden-iezm/eering vertoofit door efcn
raaz,ende Paap. V. HO OFDSTUK.
F. De DHjvel-bezjwemng door jfttttifjende
een^vmoont. .... Van- de Voorbefchikking , en het Nood-
G* Jftr of /foj-w vertoont door de zicht- ,lAtl & * w ,
bare W<*eW. *** pag' "*
H. De aemaakte Zoberhejd door een Beeld- A tjfl#1 »> . r , -,. . ,
je van een 2ty«»/a& f»» vettoont. A* IJ? /^ ff **»"* volSens de
I. De ^S^& door «h bekom- * J****1 v€rbe,Jd'
K. De OfdLukn der Mer^etUe*,. ver- ~ vS°°5 S i T TuT"1^-
toont door een QfirtZSr, n ^ldefrfte d? dne Schikgodinnen..
L. Het Merkbeeld, Jtf«*M genaamt, ver- ?' ^f',™^
toont de Vmchtbaarheyl eh overvloed f vS**?' cfc
der Natuur door en in 't Geheel-AU P* De DMmmtt *»'' ^Am^t door >
tit tiAAr^cftTD- ®" ^et Nwillot i 4oor een tweehoofdifc.
IV. HOOFD5TUK. g^ vertoont.
t .. ^ n , , „ , .. . , H. Jupiter Mermetes^ houdende de Eeu*
von de Goddelyke Huyshouding en Kaad- wigheyd.
befluyt. pag. 53. J? De Begeerte van Voort-ntling in Men-
fchen, Dieren enz.
A. Eeuwig Alziend en Beftierend Oog* K, De Albeheerfiher met 2yn ontoeganke-
omzet met Gods H. Naam j£HO- lyke Throon.
VA, door twee Seraphim geopenbaart. B. De Terminus of Tydpaal,met zyn ftaa- VI. HOOfDS TUX.-
len Harner en Diamante Spykers.
tX De Eeuwige Coddeljks t^W, ft«k De Scheydi vfln d ch ofWar_.
zonder eygentlyke Wapenen. J « kIon~, >
D. De (feAty*? »W vertoont in hare fnel- ^' paB- 79-
E. D?X)t%H verbeeld. A' ***** > Scheyder van de War-
R ^eSderer^^ *" ™ ^ B' *5T«* Godheyd der Egyptena- |
||||||||||
ren,
|
||||||||||
G. De Trooft-Emrel) vertonende den Ztt«w •* c—. t- •- . , ,
ujt den St J van Judo-. C. Saurnu, , m zyne hoedanigheden en
H. D7. fengel Gabriel, verkondigende het n ^achten omtrent het Heel-Al verbeeld.
E 7j. ° D. Pa», een Merkbeeld van het Vitur.
I. »» J^*fc*, de Zonden der Wereld E> D* Fenicifs ****• met 2yne ■*3P^
K. ^M», wr *» ^ *■»&. R r***' bv "» ^yi«a«ren voor de
L. Een Mugd, verbeeldende de feww r £ftK* T* •«TBBn'
A&rt«r/»& G«fafi«rf.. G* ^er C^^11^6" f«««» door een *«r-
'^ ' kante jteen verbeeld.
M. De vier Hoofdjioffen by de Palmerynen
verbeeld.
I.. Der Grieken y««?, verbeeldende Hemel en. Aarde*
K. Een
|
||||||||||
■-' ■ "':-■-" !>' :
|
||||||
REGISTER.
K. Hen Merkbeeld der If. Schrifm\ endes- zachtelyk aaflemende,ookallerley Bloe-^
zelfs verfcheyde betekeniflen, men eaz. ftrooijende, vesbeekL
L. Gods Geefl zjweevende op de Watertn in F« Een Trony met borflelige Haayren^pro€~
Merkbeeld vertoont. ftwde Rao-ken > enz. een, Merkbeeld va»
M. Het woord BERESCHITH door der het ffijhn.
Joden Cabbala verklaart. IX. HOOFPSTUK.
VII. HGOFDSTUK* Van Hemel ea Aarde. pag. iQf *
Van de Het&els-loop. fag. $u
A. De Gronden Bewaring der Stoffe door da
A. Een Scbildpadde by de Chineezen een Groote Moeder Fefla vertoont.
Merkbeeld van de Wereld. B. Een dubbeld Hoofd, het eene wys en de£
B. Tuytck$ng> een oude Afgod, Voortzet- tig van aanzien , het a«der ftout en
ter en Behooder van 't Heel-AU g^of, een Merkbeeld van het dubbeld
C. De Sfbatrti der Wereld, als Hemelfcli ~dfie\
en Hoofdftoffelyk verbeeld. C. Enropa in hare voornaamfte l>odanighe-
D. Het Merkbeeld van de Linie Equim- den vertoont.
HiaaL D. Ben xwart Aangez,icht> het Merkbeeld
E. De Middaglyn , of Meridiaan9 door van .Africa.
een Nymphje op de Piek van Tenerijfa E. America beurt haar Hoofd uyt de duy-
verbeeld. fterheyd op, en flikkert met hare Goudr F. Apollo y een Merkbeeld van de Zon. m ZUver-kroon.
G. DeRam, Stier, en Tweelingm% Merk- F. De bevallige Geftaltenis-veranderingen der
beelden van de Lente. Wereld, enz. door Tmxy of Verfiand*-
H. De Kreefty Leemv» en Maagd, vei^ ge Geefl verbeeld.
beelden den-Z<ww. G» De Os Apisy vertoont de Maan~k£W*
I. De Scbaaly Scorpioen en Schmrer, Merk- H. Canvjmj met zyn Hondskop,een Merk-
beelden van de Jfcrffi. becld van 't Water.
K. De ZW^ Waterman, en HJfchmy Merk- I. Mexdes, by de Moorenlanders aangebe-
beelden van de Winter* den, als een Merkbeeld der /&>/*. K. Ckenejtris, de H. Gans , verbeeld de
VIII. HOOFDSTUK. Godsdienflige Pkchtigheden. L* -^*#w* vertoont het Eerjie bewegend Wb~
Van de Beweging der Planeeten. pag. pj. xtf*" A. De J2*#, door een Jongmans Beeld ver- x- HOOFDSTUK.
toont.
B. Een oud verhknmt Man, een Merkbeeld Eerfte vervolg van Heme! en Aarde. pag. 11 u
der Noorder-pod.
C. De Tjdy door een Oud Gryz^ard ver- A. jGr, Pi***, enz. het Merkbeeld der
beeld. Maan.
D. Een Jongman met een doorzettend ge- B. Apis vertoont de goed* of k&ade uyt-
blaas uyt zyne Kaaken, enz. verbeeld komften der ^akfn.
het Ooft. C. Ifisy by de Feniciers enz. verbeeld.
E. De Znyder-pool, door een bolle Trony,
Mmm a D. /^,
|
||||||
.
|
||||||
R E G I S T E R.
D. Pirns, onder de Planeeten geeert, hare
verfcheyde Namen en betekenifTen. xil. HOOFDSTUK.
E. Twee Cupidos, een MerkbeeId van za-
menloop, byeen-fchikking, uytfpruy- Van de Loop vanHemelen Aarde. pag. i«;
ting en voortzetting* F. Een anderzoortvan Gowpi vabedd de A< £en 0^ ^^ ^ MerkbeeId der
kracbt van 't Water. ^^ *
G. ^fmlapm de God der Gmesfymk. R De ^j en ^ praneet aan de Aaf_
H. Hercules, als een drtften~temmer ver- , , * _.
in ' J de, door Diana vertoont.
Trr # .« 1L it i c.-ii. C Naaft deze word Mcrcurius en f?»w
I- Harpocrates, een MerkbeeId der Sttmiy* -v i nv'' ^v • rr- / D. De Z<w, boven deze.
; o' ?" ^^ i™ /% ' AVr E- Daar ■* AAr/ en Jupiter.
de Ouden uyt Natohe of kleyn-Afie p £ ^ w^'de oude Vader der
overgebracht. fc^;
vr TT^^riNr-TTTMr G. De J2«w, volgens de klaarder Eeuwv
XL HOOFDSTUK.. het Middelpunt van *t Geheel-Al.
H. Mcrcurius, de eerfte en dichtfte by de
Tweede Vervolg van Hemel en Aarde. p; 117. zoru
I. Hem volgt ^iw*/.
A. De Driehoofdige Ser, der Egyptenaren K. Op deze volgt de Aarde, als een O^fc
©5w, een MerkbeeId der Tegemvoor- Moeder verbeeld.
«f« , Toekomende, en Voorledc 7yd. L. De Maan, zig by haar ophoudende.
B. Uranus, met drie Oogen, verbeeld de M. Mars h&ft zyne Kring daar naaft aan.'
Hemelfche , Wereldfche , en Onderaard- N. Daar aan volgt Jupiter.
fche dingen. O. Eyndelyk volgt Saturnus, met zyne vyf
C. /^4, de Huysvrouw van- Uranus, een Dwaalfterren , als Lyftrawanter> om-
MerkbeeId der ^4arde. ringt.
D. Saturnus9 Zoon van Uranus en /*tyfc, P. Het Geheel-Al■*, volgens de verbeelding
een MerkbeeId" van den 7jw/. der Inwoonderen van Siam , als eerr
E. Jupiter , Juno , Neptunus en Ptoo , Beeld met twee Hoofden, gelyk dat
Merkbeelden van Vuur, Lucht, Jfkw van Janus ^ namentlyk een Oud voor
en Afgrond, den Voorleden, ende een Jeugdig, voor-
R De Tweehoofdige Janus verbeeld een 7*- den Tegenwoordigen Tyd.
gemvoordigen en Faorleden 7yd3 vciVier- hoofdige , dsjongeling, Man, Oud XIII. HOOFDSTUK.
Man, en Befievaar, de wr 7jw/f» z/**» betjaar. Van de Menfch-Schepping.. pag. 117.
C. Adadgartin, als een Godin by de Chal- rr 5 r s '
d^Gn voor dcScbeppende en Gefehape A De ^^ ^ ^ xn 0 ^^
Natuur aangebeden. verbeeld
H' DS °!Sfi ^aWerk ZegWCa*, « B ^ a]s Menfch-vormer by de
onverbeeldelyk, Heydenen aangemerkt. y
C. Pandora, een MerkbeeId*van de Vfcrley-
ding. D* £/#-
|
||||
RE G I S T E R.
IX Ephnetheusy het Zinnebeeld van den Be- B. C. D. E. F. G. Het Bygeloof 3 ver-
dorven Menfch. beeld door eene Gemaskerde Zeedige E. Adam en Eva-- als eerfl: gefchapen ver- . Frouw, by haar hebbende een vluch-
toont. tende Haas; een Sabeer met uytgeftrekz
F. Jehova, de Schep-per van het Eerfte paar te; een Perz,iaan met Gekruyfle Armen ;
Menfchen. een Indiaan met gevlochte Handeny en
G. De /^/ verbeeld. de Domme Onwetenheyt met het €^r-
H» De Brie Zielen , door het Goddelyk Farken. Vuur van Prometheus ingeftort, nevens H. I, K. L. De Zuyvere Geefl , voor de
hare betekenifle. Waarhejd; en nevens haar het Paard,
I. De Goddeljhe Trekking in Zinnebeeld ver- voor de goede smborjl; de ValfiheWaan
toont. en Schynheyligheyt, tegen haar.
K. De Boom der Kennijfe da Goeds ende des M. De Godvruchtige Ziele, naakt, fterk ]
Kwaads, hoe by zommige Chriftenen, enz. om Goed en Kwaad even gelyk- en by de Heydenen begrepen. moedig van God te ontfangen.
N. Cain en Habel, twee Merkbeelden der
XIV. . H O O F I>S T U K. vdfihe en goede drift. O. De Stille Geefl, der Wereld onttrok-
VanGodsVolk. pag. 147. ken> Godbefchouwende als zynVcor- werp , Lint, en Leydsman, door He~
A. Adam verbeeld de Kerk voor den Zond- mch verbedd'
vloed.
B. Abraham , een Merkbeeld' der Kerk na. XVI. HOOFDSTUK.
den ZondvloecF.
C. Motes, een Zinnebeeld der Kerk onder de Van de Vier Eeuwen. pag. 157,
Wet.
D. David vertoont de Kerk onder de Ko- A. De Guide Eeuw> zynde het RykjuanSa-
ningen. tnrnus; door een Jeugdige Maagd ver-
E. Rehab earn % een Zinnebeeld der Ferdeelde beekL
Ktrk* ^' -^en Eandvrouwtje, een Zinnebeeld der
F. Een Man Gods met den Mantel van Elias> Zilvere Eeww , van Jupiter begon*
een Merkbeeld der Goede Propheten. nen.
G. De Vdlfihe Propheten door een Heydenfih C. Een Oud loos Man , met de Wolfshuyd
Priefler vertoont. ■*"*» Lycaon omhangeny het Merkbeeld
H. De Wonderberg van Sinai vertoont. der Kopere Eemv.
I. Een Joodfche Weduwe het Merkbeeld der D- De Tcere Eeuw, door een grofy verwa*
Ferlofle Kerkz ten* wreed en onverz.oenelyk^ Man ver-
K. De Seften der Naz>ireen, PharUeeuwen>-, toont..
Effein en Sadduceen zyn Merkbeelden
der ferblinde Kerk. XVII. HOOFDSTUL
■
XV. HOOFDSTU&. Van de Zondvloed. pag. 1 tf 3
Van Cains Zaad. pag. 157.. A. De Natuur des Menfchen in haar Nabe-
rawv verbeeld.
A* De eerfte Monarchic door een W^hlmfch B. Cam, de Eerftgeboore Zoon , als Broe- Forft verbeekL dermoordcr vertoontv |
|||||
- - ______________ ..A.
|
|||||
s t e r.
L. Sam , met den Staf van SchiU v»"
beeld. M» Japketh, met de Tente van Sent m zyw
ne Handen, een Merkbeeld van de Roe- ping der Heydenen. N. Cham, Noachs derde Zoon, draagt alls
tekenen van zyn Vaders Vloek. O. Nimrody de geweldige Jager voor God,
het Merkbeeld der Opperheerfchappy en Dwingelandj. P. Abraham, de Grondtak van Gods Volk
vertoont. Q^ JJmael, Abrahams Natuurlyke Zooni
en Vader van XII. Vorften , als een Arabifih Boogfchutter verbeeld. R. Iz>aak^y Abrahams Wettige Zoon, draagt
het Offer-vtwr na een der Bergen van Aforia. S. Ez,ah , als een Arabifih PartyJoapar ver-
beeld. T. Jacob, met ruyge Handfihoenen , waar
door hy den Zegen van 2yn Vader Izaak wech haalde, enz. met de Lad- der van zyn Droom in Haran voor zig ftaande. V. Jofhphy in Vorftelyk Gewaad, houden-
de een Droombeeld in de linker, end* ccn Ryxfiaf in de Rechterhand. W. Mox^es, de Wccgcvcr , met zyne blin*-
kende Haayr - Hoornen, Wegwywr-Stafy en Stetne Tafelcn* X. Aaron, met zyn Wterookgaty Reukofer,
en Slachtnus. Zyn Staf bloeyt , en draagt Amandelen. Zyne Armcu zyn in die van Mozes geflooten. Y. De Veldheer Jofaa, met zyne Lans van
Overwinning, doet de Zon ftil ftaan. Z. Ehud verflaat Eglan der Moabiten Ko-
ning ; en blaaft op zyn Baz,uyn ganfeh Ifrael ter Wapen. Hier nevens worden vertoont:
a. Gideon*
b. Debora.
c. Jac'L
d. Abintelech.
C* Simfin* f. S*-
|
|||||||
R E G I
C Lantech y een Voorteeld van Struykrovery
en Wnlpsheyd. D. Noachs Arke , vlottende op de Wate-
ren , een Merkbeeld der onz,ekerheyt
van Gods Tyd in 't redden; gelyk de Ravt, of wederingenome Dnyve van den Tyd der Hcrflelling. E. De Ferdorvenheyt der Menfchen door een
Wolf verbeeld.
F. Een Bloeddorftige Rover , het Merkbeeld
van algemeene Roof en Moordz,iektt.
G. De Wederjpannigheyt der Stervelingen
door den Renz,en-Jfryd verbeeld. 13. De Deugd op een Steenklip in Zeegezeten,
een Merkbeeld der Onredelyke Boos-
heyd.
I. De Gerechtigheyd, de laatfte der Deugden op Aarde gebleven.
K. Iris, zittende op een Regenboog, na het verdrinken der Aarde.
L. Neptunusy met zyne Zeepaardeny Drie- randy en Tritons vertoont.
XVIII. HOOFDSTUK.
Van de Voorvaders, voor en na de Zond-
vloed pag. 169 A. Adam, zynen Val beklagende , ver-
toont.
B. Eva9 met de Slang, haar Verleider, on-
der hare voeten.
C. Cain 9 vluchtende met zyne Moord-
Knodsy ende ten Spa 9 om het Land te
bouwen. D. Abel, dood leggende by zyne Offer-
hande.
E. F. G. Jubal, Tubalcain , en Lantech ,
Nakomelingen van Cain.
H. Setb, derde Zoon van Adam, als eerfte
Vinder der Merkbeelden, met zyne Pi- laren vertoont. I, Henoch , met God wandelende , word
wechgenomen. K. Noach y als tweede Vader der Stervelin-
gen vertoont. |
|||||||
•
|
|||||||
S T E R.
D. Daar achter word vertoont de Hut of
Tabernakel, door Mozes gefchikt en
uytgevoert. E. Der Chaldeeuwen Heerfihappy is door een
Cetulband Fromvtje verbeeld.
F. Een Beeld van Ofiris, betekent de Heer~
Jchappy der Egyptenaren.
G. De Macedonifihe overftrooming van Az,ie
enz. door een Vuarige Draak^verbeeld.
H. Een Zegepralende Geweldenaarfler ver- beeld de Dwingelandy der Romemen. I. Het Heydenfch Pantheon 9 thans in den Tempel Delia Maria Rotonda te Rome
verandert.
K. De Bruyd by Nacht gevlucht., en mis- handelt, word van haren Bruydegom
verkwikt.
L. De Zegepralende Air^door het Niemx Jerusalem verbeeld.
XXI. HOOFDSTUK.
Van het Lyden van Gods Volk. pag. 195.
A. DE HEYLIGHEYD DES HEE-
REN voor de Opperpriejlerlyke Tulband
te lezen, een Zinnebeeld der H. God*- fprake onder Ifrael. B. Der Philiftynen Oppergod L>*goH vex*
beeld.
C.~ De twee Wechvoeringen van Gods Volk, verbeeld door een kaal gefchooren Hoofd, zonder Oortn9 met uytgeftooke Vogen enz; D. De Hefbottwing van Stad en Tempel
door een Plakkaat op ^XiAffyrifcheZuyi
verbeeld. E. Een Man , met twee Hertshoornen op
zyn hoofd, enz. verbeeld de Herftel*
ling van Staat en Kerk. F. De twee Koopere Pilaren , Jacbin en
Boa*, enz. verbryzelt en vexvoert.
|
|||||||
R £ G X
t. Samuel.
g. &•*/.
h. David.
i. Salomon.
k. Rehabeam.
I. 5/*rf en TemptL
m. JE/fttf,
XIX. HOOFDSTUK.
Van het Volk , en Konings Beftier over
Gods Volk. pag.- 177. A. Twee Hoofden , een OndeMans 9 en
Vromve Trony , verbeeldende de tfer-
7?^ en tweede Wereld, voor en in de tyden van Noach. B. Een Qoriogs-Held verbeeld de Overwin*
ning der Richteren van Gods Volk.
C. Merktekenen van Davids Overwinnin-
gen.
D. Salomon op zyne Praalryke Ryxzetel.
E. De 7empel~Berg van Jeruzalem vertoont,
en vergeleken.
F. De Berg Sinai^ verkozen tot de Wetge-
ving.
G. Eene Fuur - Colom , vert>eel<kn<ie de
GoJMirks -wW*j cer befcherming van Ifrael. . H. Eene Witk? Colom , vertoonende door
haar ftaan en optrekken de Goddelykfi Zorge voor zyn Volk. XX. HOOFDSTUK
Van de Voorzeggmg en Vervulling der
Tyden. pag. 185, A. De Befcberm-Engcl des Volks Gods,
door een Vroi&v verbeeld.
B. David , de lieffelyke Harpzanger, zit
op deszelfs zyde.
C Tuffchen beyden ziet men een der Sera* phynen , wyzende aan Ezechiel de nette Hemcl-maat van den Tempelrbomv* \ |
|||||||
xxir.
|
|||||||
REGISTER.
|
|||||||
B. Zeven Stccnen voor zeveft Vcrhufzcnde
Sterren verbeeld en aangebeden.
C. Venus , met een vierkantet Steen ver-
beeld,
D. IHZon, met ttnjpkite Stecn*]
E. De Wereldy met een iS/wrf.
F. Een Indiaan, door Danjfen.
G. Een Africaan, door het fchieten van
Pjlen.
H. Hoogtens tot Aanroep - plaatzen verko- ren,
I. Zoroaflres, verbeeldende de Wereld door een Eyrond.
K. Een Kreeft met een Menfchen-Hoofd i verbeeld by den Chaldeeuwenden^rr-
gang der Jaren.
L. De Bewaar-Gceft verbeeld door een Rond met twee Vlerhen.
M. Babjlonifche Vrouwen en Maagdeny tot . ' Hoerejacht aan den weg zittende.
N. Afgoden door een Geworgt Kind ver- , zoent.. . .
O- Verfcheyde zoorten van Wtchelarj by Fcniciersy Chinez,cny Colchers en Card-
maniers.
P. Bcfchreve Pjlen der Meden en Perzen ^ enz.
Q. Cnepby by de Egyptenaren de Schepper van *t Heel-Al.
R. JJ/s, met de Hoornen der Maan op haar Hoofd, een Egyptifch Merkbeeld van
Lncht, Aarde, en Zee.
XXIV. HOOFDSTUK.
Van de Fenicifche en Griekfche Go-
den, pag. 20J." A. Saturnus , Zoon van Uranus en Vefiay
een Merkbeeld der lyd.
B. Cybelc, met hare Burg-Kroon, onder ver-
fcheyde namen voor de <jrwr Moeder
bekend, een Zinnebeeld der Aarde. C. Jupiter > de Oppervoogd der Goden,
verbeeld en befchreven.
D. >
|
|||||||
XXII. HOOFDSTUK.
Van de Afgodery-Smeeding. pag, 197.
A. DcZofty de Oorfprong der Afgodery,
door vele zamenftelzels vertoont en
aangebeden, komt eerft onder den na- me van Adad voor. B. Thetis, een Zinnebeeld van het Water.
C. Belterophon, de Voerman der Wolken.
D. Jupiter Hammon, met zyne Ramshoor-
nen, vertoont de Zonne-ftraalen aan
beyde zyden van den Aardkloot. E. Upalla, blinkend wit, verbeeld de Moan.
F. JJtSj met O]fe-hooraen> een ander Zin-
nebeeld der Moan.
G. Beladady by den Sahec'n aangebeden, als
hun opperfte Godheyd.
H. DeZodiacns, of Teken-kring verbeeld. I. Saturnus. K, Jupiter. L. Mars. M. Venus. N, ApolU. O. L$ma. P. Mercurius. Zamen in hunne Tekenen van den Dierkring verbeeld.
Q. Chappie!> de eerfte der zeven Cabbalifti- fche Engelen, by Saturnus.
R, Nanaelj by Verms. S. Zadehiel, by Jupiter. T. Michael', by Mercurius. V. Zamaely by Mars. W. Gabriel, by L##<*. X. Raphael, by Apollo. ,Y. Een ander Hemel-wagen , by de v#v*- meanen verbeeld.
XXIII. HOOFDSTUK.
Van de Voortgang del* Afgoden. pag. loll
A. Een Ongefchoorcn Paap, brengt een Of-
ferhande aan Lileth Jahouk^* gewaande Voorvrouw van Adam. |
|||||||
REGISTER.
D. Juno, deszelfs Zufter en Huysvrouw, K. Twee Moolen-fteenen, door Ceres Hotfd
voor de Lucht verbeeld. gedekt, voor 't Jllgemten Weivaren aan-
E. Mercurius , een Merkbeeld der Welfpre* gebeden.
kendheyd, Koophandel, en -drgliftig- L. Grane, de Beminde vixvjanus, Zufter en
heyd, Vrouw van Saturnus, verbeeld. F. Dezelve Mercurius, anders verbeeld. M. Janus in hare Armen , hebbende vier
G. De Stoop, verbeeldende een Zwart-Kleed* Hoof den , naar de vier dee/en des
enz. Jaars.
H* Minerva, de Godin derWysheyd, en N. Hebe, de Bloem der Jeugd , ver-
haar Dienft. toont.
I. Plechtigheyd der Jonge Maagdcn omtrent O. Het Geheugen, als een jonge Vryffler ver-
Minerva, beeld.
K. OorfprongderFabel van Proferpina, door P* Het Beeld der Zangkunfi vertoont.
Pluto gefchaakt. Q. Worfteling en Krygsoejfening, verbeeld door
L. Proferpina verbeeld. een fterk Man.
M. Ceres i verbeeld met een Paardshoofd* R. De Overdenking als een bejaard Man
enz. voorgeftelt.
N» Triptolemus, voerende de Wagen van S. Het Beeld Wan Saturnus , uyt Egypten
Ow. na Rhodus gebracht.
O. Een Kopere Koe, tufTchen Proferpina en Triptolemus, verbeeld de Vruchtbaar- XXVI. HOOFDSTUK.
heyd.
P. De Gekroonde Venus Bafilifa verbeeld. Van de Griekfche en Romeynfche Go-
Q. Fulcanus, met tQyptang en Hamer , zit <jeru pap. 22r.
naaft haar.
A. De Liefde, Dochter van ^?#/w, ver-
XXV. HOOFDSTUK. beeld. B. Pit ho, fpeelende op een Harp , zit met
Van de Griekfche Goden. pag. 21 j. haar trekkebekkende Duyfjes voor haar. C. De kuyfche Zwaanen trek ken haar voort
A. Diana van Ephe&en met alle hare Merk- op een weg met Roozen beftrooit ;
beeldige BetekeniiTen. maar zy zelve word verbeeld als een
B. Sirena, als een fpringend Vrouwenbeeld, uytgeteerde Frouw , waar in de Minne-
met Vleugels aan de Voeten, een Merk- nyd heerfcht.
beeld van de HemeUbewcging* £>. Gmpnit vlicgc aim dc eene zyde, om de
C. Jtys, de Godheyd der Bloemen, ver- Wagen recht te houden.
beeld. E. jfntertfe , het Zusje van Cupido, ver-
D. Agetifte, een Man-Wyf. beeld.
E. De Eclipfa vertoont. F. Hymenms en Thalafio , beyde gebruykt
F. jijoja, de Voedfter van Jupiter, ver- voor *t Huwelyks geluk.
beeld. G. Cupido der Megaren^en verbeeld.
G. Een Gehoornt Hoofd van Jupiter, de twee H. Silenus, rydende op zynen ExA , een
Half-ronden <&r/^rfWonderzyneMacht Merkbeeld der Dronkenfchap.
betoonende. I. TLzn Bacchante, dezen Silenus nafchreeu-
H. Jupiter Homoreus verbeeld. wende.
T. TLznronde, puntig eyndigende Steen, Merk- K. Connis, de God der Gaftmaalen.
beeld van de Zon. L, De Ontmaagding met Priapus verbeeld.
Nnn M. H*-
|
||||||
REGISTER.
M. HomoritHs, een God der Drinkgck- H. Htt GeUik^ met deszelfs Wijfelvallighejd:
gen. verbeeld.
N. Mmr, de Krygs-God. I* £>e Mannehke VPysheyd over de WifTel-
O. De Gelaauwrierde Krjgs~reem vlicgt valligheyd Zegepralende. trompettende vooruyt. K. Nemefis, een Merkbeeld van de Strafder
P. Een Lam in de grond geveft, vertoont wreede Qverwinnaren* allerley Zegetekenen. I- Fortuna Augufflar of Keyzerlyk Geluk.
Q^ De Krygs-ftraf verbeeld door een Draak^ verbeeld. op een z>warten Helm. enz. M. Vefla, verbeeld door een Ronde Steen*
R. Een Jrend tuiTchen roode Pluymen op N. Mars, blaaft den Vyanden fchrik , dei*
den Helm , enz. een Zinnebeeld der Romeynen moed in.
Krygsbeloning. O. v>£fculapius met zyn Urinaalenz. eer*
S. Tekenen der Verwoefting y door Jtftrt; Merkbeeld der Gezsndheyd of fltak aangerecht. £?«/?•
T. De Haas een Merkbeeld van Schrile. p- D**»* met hare Tberufting vertoont.
V. Een Feelhoofdige Slang verbeeld dePlejers Q. Dezelve met een Hals en Kef van em
der Oorlogshoofden. Sperwer vertoont.
W. Apollo y het Hoofd der vleyende Dich- R- Pantheon > Aller Goden Tempel binnen
ters. Rome vertoont.,
X. Pierusy Vader der negen Zang-Godin--
nen. XXVIII. HOOFDSTUK.
Y. Deze Negen Zang-Godinnen verbeeld.
Z. Marjyasy het Merkbeeld van enbekwam* Van de Goede en Kwaade Goden- pag. 2 J7-
Dicnters.
A. Hermm■ , der Indianen Kwade God-
XXVII. HOOFDSTUK. Wier Goede God Tome^ani onver- beeldelyk is.
Van de Stra£Goden.. pag. 2z$. B. Joosje Tidebaic, een booze God der Jo-* panders enz.
A. Jupiter Horcimy de Wreeker der Meyn- G. Een Draa^ Merkbeeld van de Dujvet,
eedieen. ky de oude Slavonen enz.
B. Vejovis , met Hammons - Hoornen , een D. Abaddon , by de Joden zelfs y als een
Merkbeeld,betekenende, dateen Schelm- Kwaade Godhejd gevreeft en aangebe-
ftuk nook oud wordt. den.
C. Deus Fidim^ de Romeynfche Oodheyd E- E>c frertejder in Edens Hof r met een
itr Eedfweeringen. Vrouwen Aangezicht en SlangenlyF
D. De Gam , een Merkbeeld der Wak&r* verbeeld.
|
||||||||||||
F. Een Oud Schatbewaarder in een wit
|
||||||||||||
heyd.
|
||||||||||||
E. Een Hond, aan een Vlierboom opge- Doodkleed vertoont.
hangen, een Merkbeeld van Krjgsver* G- Een Wachthouder der Schatten. yffelyk
wynt. verbeeld. F. De Fortujn van 't Rnmfche Eyk. ver- H. Een Bergmannetje verbeeld.
toont. k ^en ^*fc* > met een menigte Kollem
G. Hercules, aan wien voorhenen de Zg*- K. De #?/w fnwav, in zommige Duytfche
*?*&» der Romeynen wierden overge- Hoven der Vorften dood voorzeg* Wit gwde^ L.. !<*-
|
||||||||||||
s t e r.
Q. Diergelyke Gevaarten wierden als iVW-
den opgerecht.
R. Het grootfte gevaarte is dat van Semira- mis.
S< Jnttreboki en Schermbok , twee Godhe- den der Oude Wendeny Saxc* en #4-
vonen*
XXX, HOOFDSTUK-
Van het Goddelyk Woord. pag. 147.'
A. Een fchoon Aangez>icht , meer Engel,
als Menfch, het Merkbeeld van dit H.
Woord. B. De Joodfche Cabbala verbeeld.
C. Het Heydendom , als de tweede Vyand
van het GoddelykJVoord vertoont*
D. De Beeftige Onmenfihelyhheyt der Hot ten-
totten enz. verbeeld.
E. De Dichtkottjl, dan Vriend, dan Vyand
van het H. Woord.
F. Het Licht der NatBur, verbeeld als een
gevaarlyk Vriend van het Goddelyk
Licht. G. Een Twyfelachtig Friend van dit zelve
Licht verbeeld.
H. Een meenigte van Thvdingen, met £-cr/r- oeretty enz. vertoont. XXXI. HOOFDSTUK*
Van de Joodfche Stand by Chriftus Ty-
<kn- pag. 151. A. De Mafora onderfteunt de H. Schrif-
ten.
B. De Talmud j als de Wetten^ Rechten en
Zeden befchavende, verbeeld.
C. Het Sanhedrin door een Offer - Priefler
vertoont.
D. De Ab Beth Din , dat is, Voder van den
Road, verbeeld.
E. De Najiy zorgende voor de zaken des
Konings.
Nnn % V. De
|
|||||
R E G I
L. LdrHxdd, Moeder der Harpyen', ver-
beeld.
M. De Harfyen , Merkbeelden der zware Mymeringcn. enz.
N. Ook van Toorn, Wraal^> en diergelykc driften.
0. De Naehtmerrie, verbeeld als zittende
op de Nekjvan een Slafer.
P. De Aardbeving^ door een naare gedaante verbeeld.
Q. Scylla vertoont door ztnSchoonc Maagd* R. Chary bdis9 onder een Waterflangy boven een Zingende Froww*
S, Syrtis als een Libyfche Maagd verbeeld. XXIX. HOOFDSTUK.
Van de Kwaade Goden. pag. 241*
A. A/hit, by de Egyptenaren een kwaad
BeginzxU
B. Otauy een kwade Godheyd by de In-
woonderen van Indojian.
C. Zamelouk^ een affchouwelyk Gedrocht
van andere Indiaanfche Ryken.
D. Tjfho ,met een Wereldkloot op zyn Wolfs-
kof, by de Egyptenaren aangebeden.
E. Een Jongsken, het Merkbeeld van een
Ongelu%ig Jaar.
F. G. H. DeDrie Furien, ofHelfcheRa-
zernyen, elk op een byzondere wyze
verbeeld. 1. De Bootfman der Hel, Charon, ver-
toont.
K. Een oude en magcre Gedaante • het
Merkbeeld van de Stjgifibe Macht* L. Farina , de Moer der Helfche Furien,
verbeeld. M. Het Schrikdier Chimara op den oever
van de Styx vertoont. N. De Driehoofdige Helhond Cerberus ver-
beeld. O. Der Ouden ManU^ by ons Bytebowwen
genaamt. P. Sfhynxtn verbeeld als Wandieren', met
Vrouwe Aangezichten, Arends-Vleur gelen, Leeuwen-LyFenVoeteru |
|||||
REGISTER.
F. De Jtodfike Beul, met Leer-rUmen , F. De Roomfthe Renbaan.
Geejfel-roeden, en Byl. G. De Bedriegeryen van later tyden ver-
G. Hopelooz,e fiaat der Joden. beeld.
H. Een Uytlegger van Petojyris Almanak^
XXXII. HOOFDSTUK.
XXXV. HOOFDSTUK.
Van Chriftus in 't Vleefch. pag. 255. Van de Vrede van Gods Kerk. pag. 269.
A. De Kerke Gods als een Bruyd van haren
Heyland verbeeld. A* De Vrede der Kerk^ door een fchoone
B. De Heyland aan zyne Bruyd een Beker Bruyd verbeeld.
toereykende. B. De Fryheyd^ Zufter der Vrede, onder-
C. De Zcgevierende Kerke Gods verbeeld. zoekfter der Goddelyke Schriften.
D. Een Gryz,aard met de Hand op den C. Yflelyke gedaante van den Antichrifl
Mond, verbeeld het verbreken der Wet. ' vertoont.
E. T>e derde Kerls^m de Opvaart van Chri- D. Valfcbe Profetie door een Kranhhoofdige
flus ten Hemel verbeeld. verbeeld.
F. Eene Boon , hebbende de Arke van E. Een Priefler der Godinne Moeder een an*-
Noach op haar Voorgevel > een Merk- der Zinnebeeld.
teken der Bewaarde Kerk^ F. Een Verkondiger van het Euangeliurrr,
met een Spreektrompet in de Hand.
XXXIII. HOOFDSTUK. G. De Zedigvjyz,e Heylfchrift, de Pen voe-
rende voor de Waarheyd, tegen Gewcl-
Van de Eerfte Kerk.' pag. 2jp. „ denaars en Ketters. H. Een Oud wys Man, grys geworden in
A. De Zevepralendc Gemeente van Chrifim T * Ormitoxto.
verbeeld Loverhut op des Heeren Berg ver-
B. Het Martelaarfchap der Chrifhenen. „ t^00"^ in
C. De Kerkeljke Tweedracbt door een Wan- K' ** «*"•*«» **!*«, °P zyn W«
jchep^el vertoont.
D. Woefiynery of Heremyts-leven door een
uytgemergeld Oud Man vertoont. XXXVI. HOOFDSTUK.
E. Paulus en Barnabas , voorbeelden der
jfyoftelcn , brengende het Euangelium Van het Vaftgefteld Geloof. pag. 275.
tot de Heydeneru A. Het VHd-teken des Geloofs der Chriften-
XXXIV. HOOFDSTUK. heyd.
B. De XII. Geloofs-Jrtykelen, als een Naald
Van de Heydenfche Godfpraken. pag. 265. ^ yertoont:. 7 r r 5 5 C. Het Jodendom door het Chriften Geloof
A. Het Orakel van den Delphtfthen jipollc* ^ TT ,, ,' , , , ^, .n
B. Een Orakel-Paap verbeeld! D« He$ «7^» onder de Chnftenen nog
C Een Scythifche dalle PrielterelTe redenkavelende. D! De Dkoonfihe Eiheboom. E' De <*&¥• Geloofs-Moeder door Al-
E. De Egypnfche >#». Semeene ***&&**»*" onderfteunt.
r * J-/e
|
|||||
^__:____....._., _
|
|||||
ijljil»i.ij|I.|li|l|ipiifll... jiil.i nww^WH
|
||||||||||||||||||||||||
■
|
||||||||||||||||||||||||
. R E G I
F. De Kerkvergadering van Niceen, doemen-
de de Ariaanfihe Kettery,
G. Macedonius , door de Kerkvergadering
van Conftantinopelen gedoemt.
H. Het Concilieyan Epbez.cn tegen de Ne-
ftoriaanfihe Kettery, I. Het Eutych'taanfch Ketterdom door het
Concilie van Chalcedon veroordeelt. K. De Satan, als een Engel des Lichts ver-
beeld. L. De Twyjfelmoedige Onz,ekerheyd vertoont.
M. De Geeftelyke Uytz.uypery verbeeld.
N. Een Tartuf verbeeld de Scherpe Fyn-
heyd. XXXVII. HOOFDSTUK.
Van de Waarheyd en hare Vyanden.
pag. 27p.
A. Een vafle welgemaakte Maagd, het
Merkbeeld der Codgeleerdheyd.
B. De Afz.etz.els der Oude Slang kanten zig
hier tegen aan.
C. De Twiftredenkaveling een Vyandin van
het Licht der Goddelyke kennis.
D. Het zcogenaamde Geheym der Geheymen,
als de ware Vyand der kennifTe Gods ,
verbeeld. E. De Duyvel-jagery , eene verdoemelyke
Vyandin der Goddelyke kennis.
F. De Ferfchyning Gods in Droomen ver-
beeld.
XXXVIIL HOOFDSTUK.
Van het Verval der Waarheyd. pag. 285.
A. Een Frouw met een Hoeren-Aangez,icht,
het Merkbeeld der Verleyding.
B. De Kerkpraal door een Wuft Frotnvtje
verbeeld.
C„ Laffe Leeraars onder het Zinnebeeld van een gemuylbanden Rekel vertoont.
D. De Schaaps-kooy van Chriftus zonder Wachters*
|
||||||||||||||||||||||||
; t e r.
De Kettery met Ez,els~ooren verbeeld.
De Fervolging der Kerl^ in Merkbeeld vertoont. De Zondigende Kerk fchrikt niet voor
de Geeftelyke Opgeblaz>enheyd. Het fchadelyk^ Fbsjey ontwortelende- des Heeren Wyngaard, De Booz.e Geefl zaayt *S Nachts Onkrttyd in des Heeren Akker.
Een Palm-boom, het Merkbeeld van. een vaft betrotnven op God, Op deze raft de Eenvomvdige Kerk* ■ Een Maagd met een gekrookt Riet in de eene, en de Merktekenen van Kreu- pelen , Melaatfihen enz. in de andere Hand, is een Merkbeeld van de kracht der Wonderwerken, . Dagon by de Arke van Gods Genade- Verbond in ftukken gebroken , een Merkbeeld der Goddelyke Wonderen, , Het Wbnderbeeld van Nebucadnez,ar ver- brooken, een ander Merkbeeld. XXXIX. HOOFDSTUK.
|
||||||||||||||||||||||||
H
|
||||||||||||||||||||||||
K.
L.
M
|
||||||||||||||||||||||||
N
|
||||||||||||||||||||||||
O
|
||||||||||||||||||||||||
Van het Verval tot Kettery. pag. 29r.
A. Een verz,uft en Jlaaffch Gemocd verbeeld.
B. Een Jongman > met een Wcerbaan in zy-
ne nerflenen, enz. een Merkbeeld vm
Twyffeling- C. De driftige Niemvsgierigheyd, door een
jonge Fryfter verbeeld.
D. Eene eenvottdiggekkede Frouw, het Merk-
beeld van een matig en recht Onder-
Zsoek. E. De Goddelyke Waarheyd door een JSTacht^
beeld vertoont.
F. De Verborge Kerkt Gods verwellekomt de
Waarheyd,
G. De Kerk^peften, met fchoone Vromven-
tronien, Sprinkhanen Lichamen verbeeld.
H. De Schoolhaz.ery der Leeraren van On- nutte Wetenfchappen verbeeld.
I- De Koninginne %van de Ferborgentheden der Qngerechtigheyd vertoont.
|
||||||||||||||||||||||||
■
|
||||||||||||||||||||||||
Nnn 5
|
||||||||||||||||||||||||
XL.
|
||||||||||||||||||||||||
S T E R.
G. Emytkkert Mtclh+eifth* M*br% het
Merkbeeld der Vrymoedige Behdenis.
H. De Kerl^, zktende op eenRotz, met de Paujfelyke Muts vertoont
|
||||||||||||||||||||||||||||||
K E G I
|
||||||||||||||||||||||||||||||
XL. HOOOFDSTUK.
|
||||||||||||||||||||||||||||||
Van het Kerk-Beftier.
|
||||||||||||||||||||||||||||||
pag. 297
|
||||||||||||||||||||||||||||||
I. Het Nomen-leven.
|
i
|
|||||||||||||||||||||||||||||
K. Het Stift-Juferfchap.
|
verbeeld.
|
|||||||||||||||||||||||||||||
A. Het Oudfle Stnk, als een Betid der Eerfle
Kerk^ aangemerkt. C. Het Kruyn-fcheercn ingevoert.
D. De Bijfchoppelyke Staat verbeeld.
E. De Apoftolifche Kerk_> hebbende Jezmt
Chriftus tot haren Hoekfleen.
F. De Theofophiflery y of fpitsvindige School-
kennis Gods, een heymelyke Vyandin
der Strydende Kerk* G. De H, Bright* broeyt vele Herjfen-pop-
fen uyt.
H. De Traditien of Overleveringen der Roomfche-Kerk^ verbeeld.
I, De Guide Legenden van den Grooten ChrifloffeL
K. Het zoogenaamde Euangelie van den H. Geeft , door den Abt Joachim en ande-
ren zamengeflanft.
L. Oorfprong van de Toewying der Chrijien Kerken.
XLI. HOOFDSTUK.
|
||||||||||||||||||||||||||||||
L. Het Leven der Begynen,
|
||||||||||||||||||||||||||||||
M. De Ku>eez,cls.
N. De ■ Dommtcancn , vlagge-voerders der Ordens.
O. De Societejt der JexMtten vertoont. P. Andere Oproermakers, als een yfelykjGe* drocht vertoont.
XLIL HOOFDSTUK.
Van de Tweedracht der Kerken, pag. 311.
A. Twee Rammen, op elkander ftootende»
een Merkbeeld der Kerkelyke Twee*
dracht. B. De Eerfle Chriften Kerk in Paleflina ver-
beeld.
C. De Roomfche Kerk. 1
D. THOrdfcbe ^}vertoont'
E. De H. Maagd met haar Kindeken Jefm^
de eerfte ftoffe der Beeldmakery in de
Kerk. F. Latria. 1 , • „ ,,
dne zoorten van Beelden-
dienft.
|
||||||||||||||||||||||||||||||
yan de Oorfprong en Voortgang der Or-
|
||||||||||||||||||||||||||||||
dens in de Roomfche Kerk. pag. 503. H. Dulia. J
|
||||||||||||||||||||||||||||||
I. M9z.es , verbryzelende het Guide Kalf,
een Merkbeeld der Beeldftormery. K. De Beeldftormery vertoont-
L. De Sante-Kraat** of Geeflelyke Winkd der
Roomfche Kerk , door een gefchgo- re Geeflelyke verbeeld. M. Een magere bleehe Vrouw, het Merk-
beeld der Vaflen. N. Het Vagevnur met zyne Zielen ver-
toont. |
||||||||||||||||||||||||||||||
A. j4ntonius> infteller der Woeflyniers.
B. Het Bidden, door een Vrouw verbeeld.
C. Een Oud en droog Man, het Merkbeeld
van Meditatie.
D. Een Jongman met een Boel^ in de eene
Hand , en het doorbladerende met de
andere Hand , een Zinnebeeld van het Lez,en. E. Het Waken verbeeld door een Jhelle Tro-
nie en wakkere Oogen, opgewekt door
het fchellen van het Kloksken , boven haar Hoofd. F. De vlughejt van Wei te fihrjven ver-
beeld.
|
||||||||||||||||||||||||||||||
XLiir.
|
||||||||||||||||||||||||||||||
.
|
||||||||
REGISTER.
|
||||||||
XLHT. HOOFDSTUK. XLIV. HOOFDSTUK.
Van den Indrang tot Oppermacht der Van de Ontchriftende Kerk. pag. 313^
Roomfche Stoel. pag« jzr* A. Een Ond, dtftig en ntdtrig Man , het
A. De Sttgtlrttp van het Panjfelyk, Paard Merkbeeld van het Apoftel-Ampt.
door aen Ktjz.tr vaftgehouaen. B. Het Evangeliftfihap door een Fuarige
B. Ariptrt , Koning der Longobarden y Flam verbeeld.
maakt den Roomfihen Bijfchof tot een C. Het Ouderling- of Opz,ienderfihap ver-
Wereldfch Trim. beeld. C. Phocasy Moordenaar van Key2er Mau- D, Het Diakenfihap met twee Hoorntn van
ruins, verzekert de Panjfelykc Htcrlyk? Ovtrvlotd verbeeld.
htderu E. De H. Jacobus■-, Voorzitter van een Ktr-
D. De Paufftljkt Wertldmacht , door een fr
Btjaard Man vertoont r met een Sctpttr F. Het Metropolitaanfchap of Primaatfchap r
in de Hand, met zyne Aartsvaders Aims vertoont. E. Een veroudert Afbeeldzel van een Ker-k^ G. De Ryksverdeeling door een ronde enplat-
Uyl ,. een Merkbeeld der Pmjfelyke tt Schyf verbeeld.
Krygsmacht- H. De Geeflelyke Monarchic t als een trot-
F. Kroon, Offerbeker^ enKruys> by dePaus- j5?fo Vromv verbeeld.
felyke uytgang gedragen. I. Zy treedt de ophomendc Kttttrytn met de
C De Plakj) een Merkbeeld der Rtgtring Voet. en Vtrbettring\ nevens de Sltuttls aan K- Zy treedt 00k op het Htrt derFirmoor-
den Paus overgegeven. at Btiydtrs*
H. De Pans met de Rechter Voet op den L. De Zaligmaker op een Wolk^Stotl ver-
i\&^_ i;4« Keyz>er Fredericus Barbarojfa beeld.
verbeeld. M. Petrus , zittende op een Ftrguldt
I. Met de {linker Voet , v/aarvan de />*»- £«*/* toffil door Kcyztr Htnrih^gekuft word,
fchopt Cr/r^*«tf de Kroon van zyn XLV# HOOFDSTUK.
en zyne Keyzerins Hoofd.
K. Cardials Hoeden mjfchops Mjtm enz. Van de Afgefcheurde Kerken>.
aan de Paufelyke Vbtttn. & r b * *
L. De Bcurs enz. aan den Paus overgele-
vert- A. De Coptifihe Godsditnfl met een Kruys-
M. De Pauflelyke 2>«yWf/ verbeeld. Myter op een 7W£W gedekt. N. Dt Zilvcrc Pcnningcn aan den Paus over- B' Dis Godsditnfl der Armeniers , met een
gegeven. Patriarchs Mms en Pertiaanfch Kletd
O. De /f. ifr/^voorde Offerwyn vertoont. verbeeld.
P. De Plechtigheden omtrent het Joodfcho C* **f J*™ Geloof, ofde Godsditnfl der
Wetboek., enz. £##*» verbeeld.
Q. De GoudtRoos, op Zondag van Lrf^r* D- De Maromtifcht Sttle of Godsdienfl,
door den Paus vertoont. verbeeld door een Ovtrpriefler en zyne
R. De H. Degen op Kersnacht gezegent. Fmhw*-
S. De Pauflelyke Cavalcade, als hy uyt
ryd.- E» Een
|
||||||||
R E G I
E. Hen sALthiopifihe Capel, waar in op een
Commune - Tafel word vertoont een
groot Kruys , ende een Genade - Korfy enz. F, De Ferwoefiing der Chrlflen Kerken door
den Turk verbeeld.
XLVL HOOFDSTUK.
Van de Mahomethaanfche Beginzelen.
Pag- 3 5 5*
A- Een Afuhammedaan in zyne woede ver-
beeld. B. De Zarazynjche, half Neftoriaanfche en
half Heydenfche Afgodiftery vertoont.
C. De Perz^iaanfcbe Godsdienft.
D. Het Muhammedaanfche Geloof.
E. De Kruysvaart-Ridders verbeeld.
F. Het overweldigen van Damiate door de
Haarlemmers vertoont*
|
R.
|
||||||||||||||
XLVIII. HOOFDSTUK.
Van de Kruysvaarders en andere Ordens.
pag. 351.
A. De Armocde door een fterke, niet uyt-
gemergelde Dochter, verbeeld.
B. De Nederige Gehoorz,aamheyd vertoont.
C. De Kujshejd verbeeld.
D. De Johanniter-Order.
E. De Duytfche Ridder-Order.
F. DeCV/ hrcienz>er Order van Calatrava.
G. De Order van St. Jacob te Compoftella.
H. De Ridderfchap van de Genet* I. De Ridderfihap van de Ster.
K. De Ridder-Order van de Annonciada. L. De Ridder-Order van 't Schip. M. De Order der Frieze* en Batavieren. N. De Hejlige Tver, als aandryffter der Bidders, verbeeld. |
|||||||||||||||
XLVII. HOOFDSTUK.
|
XLIX. HOOFDSTUK.
|
||||||||||||||
Van den Mahomethaanfchen Godsdienft.
Pag- 343-
A. Een Beeldfprakige verbeelding van Maho-
meths Godsdienft.
B. Het Heydenfch Priefterdom verbeeld.
C Een Wafihvat , het Merkbeeld van
lichamelyke Reyniging.
T>. Alborac, Mahomeths Ezel, vertoont. E. De Huychelary y Beeldfprakelyk vnorge-
ftelt.
F. Een Wedmve, het Merkbeeld der Griekz
fche Kerk.
G. De Griekfihe Kerkfcheuring door een
Blinden verbeeld.
H. De Ferleyding op een Rotzfieen zonder lover of gras voorgeftelt.
I. De Oude Slange, een Merkbeeld der Fer- leyding.
K. Der Mijleyders fpooreloosheyd verbeeld. L. Adam en Eva uyt Edens Hof gejaagt, een Merkbeeld van een al te laat Nabe-
romv*
|
Van de Macht des Roomfchen Stoels.
P3g- 357-
A. Een Kruys , in 't midden van een Ko-
ninglyke Kroony en Biffchoppelyke Myter,
het Merkbeeld van het Geeftelyk^Recht. B. De Geeftelyke Tienden verbeeld.
C. T>e Aflaaten door een Dominicaner Mon-
nik^ verbeeld.
D. De DifpevpttiPj of Toelating van Hu-
welyken, door een sjwaarhoofdige, maar
behulp^ame Frottu? vertoont. E. Een Gedrocbt, hebbende een Papen-muts
op de Kop , die van giftige Slangen
grimmelt, het Merkbeeld der Inqniji- tie. F. De FerloJJlng uyt het Fagevuwr , door een
Engel verbeeld.
|
||||||||||||||
L. HOOFD-
|
|||||||||||||||
R E G I
L. HOOFDSTUK.
■
yan de Concilien en Traditien. pag. jtfj.
A. Een Opgeblazsn oud Kerkjpeld in Mqkm
Stoel zittende verbeeld. B. De Pans in vjn Ge^ag vertoont.
C. De Toeftcl van een Cardinaal.
D. Simonity of Verkooping der Geeftelyke
gaven, vertoont.
E. De Pans te Paard rjdende word van J&-
ningen geleyd.
F. Een Lyft van Kloofter-Ordtns.
G. De Kerkdienft met drie Hoofdtn verbeeld.
LI. HOOFDSTUK.
Van deft Kerken-Ban. pag. 369.
A. Een Merkbeeld van der Jooden Kerke-
lyken Ban.
B. Het Beeld van Pttrns vertoont den Room-
fchen Ban. C. De Paujfelyfy Floek^ban door Paus 7A«-
dorm voorgeftelt.
D. De Bok M*ut9 een Merkbeeld van
Ferbanning.
E. De neerflachtige Zondarejfe y het Merk-
beeld der oude Grieken en Az*ianen.
F. De Boetvaardighejd als een beroojt Jong*
man verbeeld.
G. Een Lofaingend frifch Jongman het
Merkbeeld van een opregt Berotew.
H. De Wdnhopige Kain y voor God vliedende. I. Judas, rampzaliger als een voorwerpvan den jdpofttl'Ban* LII. HOOFDSTUK.
Van de Zeven Sacrarnenten. pag. 375.
A. De Doop.
B. Het Formal.
C. T>tMs.
|
S T E R.
E. Het laatfie OIjzaL
F. De Order.
G. HstHttweljk.
LIII. HOOFDSTUK.
Van den Roomfchen Verkeerden Yver.'
pag. jSr.
A. De Groote Fa/fen, onder de eerfte plicht-
werken. B. Eene Frouw, als eene Koningin opgezet»
een Merkbeeld der Overtollige Werken. C. Een naare bleeke Klop-Znjler.
D. De Waakrplicht verbeeld.
E. De ZieUmis volgerrs de Jcrwtalemjctm
Litnrgie gedaan. F. Het Eerfte Avondmaal verbeeld.
G. Een Oud Zondaar in de Helfihe Flam
vertoont. H. Het Fagevuur verbeeld..
I. De Strjd tujfchen Michael tn den Ouden
Draak*
K. Een Jarig Kind het Merkbeeld van het Breviarinm.
L. De Fergoding der Hejdenfche Kcyzcren.. enz.
M. De Zegepraal der Hejligen verbeeld. LIV. HOOFDSTUK.
Van de Heyligen by den Roomfchen ver-
beeld. pag. 387. A. St. Chriflofel , als een Chriften-Spiegel
vertoont. B. God de Fader by den Roomfchen als een
gekroonde Pans verbeeld. C. GoddeZoon, en//". Geeft verbeeld.
D. De Fier Evangeliften verbeeld.
E. Aarts-Engelen > Seraphim, Cherubim, enz.
F. De Moeder-Maagd Maria y neveas an-
dere Bloedvrienden van den Zaligmaker na den Vleefche vertoont. Gr PoljcarpnSy ~Dionjfiusy Nicodtmm, ne^
Ooo verw |
||||||
Dfc, De Oorbiechu
|
|||||||
^* ***' " * " ■-■--■"v* ■■•: ;.■■»-..,..
|
||||||||||||||||||||||||||||
■■ ;■ ! :■■ , -.
|
||||||||||||||||||||||||||||
s T e r.
H. Eene Klagendc Fromu, het Merkbeeld
der Smerten van Maria.
I. De Ferheffng van het H. Kruys vertoont. K. De Fierdag van duyz*end Jaar door een Praalryke ffrouw verbeeld.
LVI. HOOFDSTUK.
Van de AankoinendeHervorming. pag. 504.
A. De Hoere van Babel in *t midden van de
Kerke Gods vertoont.
B. Een Murmurerende Joed, een Merkbeeld
van den Walg van net Ware Woord. ♦ -
C. Een JVoefl Many het Merkbeeld van <fc
opgezette Wil tegen God en zyn Woord.
D« De Kerk^Twifl verbeeld. E. Een Pelgrim , het Merkbeeld der Dwa-
ling. -
F. De Wyfeling door een Preek^Monnil^vCT'
beeld.
G. De Amptgierigheyd in een M*nniks~kAf
vertoont.
H. Bileam met zyn Ez,el vertoont. I, Frymoedige Mannen in de Wanftaltigt Ker!^ opftaande.
K. De Moorddadige Graaf Raymond van Montfoort verbeeld.
L. De Gans van Hhs voorboode van La- thers Zwaan. M. Een zuyzebollende vette Mejt-paap ,het Merkbeeld van den vergeeffihen tegen-
Jiand der Hervorming.
N. Een Engel verbeeld net nieuw ontfiook(* Licht der tiervorming.
LVIf. HOOFDSTUK.
|
||||||||||||||||||||||||||||
G I
en Inflclkrt
|
||||||||||||||||||||||||||||
vens eenige Martelaren,
|
||||||||||||||||||||||||||||
van Ordens. enz.
H. Borromei, Aquaviva, en. andere zoge- naamde Heylige Cardinalen.
I. Het Merk van de Maatfchappy der Je- z,uitcny en Doekjvan Veronica enz. ver-
toont.
K. Amonim , de Woeftynier , doed de Duyvelen in de Hel fchrikken.
L. De Kracht der Heyligen en Gebeeden tegen den Duyvel in Beeldfpraak.
M. Eene Zujvere Maagd ^ een voorwerp van den Ouaen Draak.
N. St. Joris in zyn ftryd en overwintiing verbeeld.
O. St. Hubert aanbid het Krnysf tuffchen de Hoornen van een Hert. enz.
P. St, Dionys , dragende zyn Hoofd in ten Schootel.
Q. St. Nicolaas met zyne dm Kinderen in de Wajchkuyp.
R. Bonifacius met zyne Doopfchelp. S. Ambrofius met zyn Stafen Zweep. T. De Blinde Longinm met zyne Specrt te Paard zittende.
V. St. Aarnoudy de Molenaars Patroon. W. Konfflantyn met zyne Zeege-vlag. X. St. Gtertruydy nevens Urjula met hare elf duy^end Maagden onder hare Rok-
ken, enz.
Y. Allerley Berg-Heyligen, Grot-en Rotz- bewoonders.
LV. HOOFDSTUK.
Van de Roomfche Feeftdagen. pag. 398.
A. Eene vrolyh^huppeUnde Maagd, Merk-
beeld van het Jubel^aar.
B. Eene Aandachtige Kerkyrouw, het Merk-
beeld van Quatertemper.
C. De Zondag in Merkbeeld vertoont.
D. De Kersdag verbeeld.
E. Het Feeft van Eprphania verbeeld.
F. De Boodfihap aan Maria.
G. St. Sacraments-dag.
|
||||||||||||||||||||||||||||
Van de Ware Leere.
|
||||||||||||||||||||||||||||
pag. 40$.
|
||||||||||||||||||||||||||||
A. De Goddelyke Waarheyd verbeeld.
B. Het Woefle Graatew gaande gemaakt*
C. Een fchoont Maagd het j Merkbeeld der
Goddelyk* Genade.
D. De Weg tot de Hervorming gebaant.'
E.1 Die
|
||||||||||||||||||||||||||||
—
|
||||||||||||||||||||||||||||
..,-:'£" '.*;^fK'\^-> "■"**■
|
||||||||||||||||
I
|
||||||||||||||||
R
|
||||||||||||||||
R-
|
||||||||||||||||
E. Die overhoop gevalle Kerl^macht vertoont.
F. De Helfihe kracht der Pervolging door
drie middelen verbeeld.
C# De Vbortgang der opgehelderde Waarheyd door Hercules verbeeld.
H. Een Vricndeljkt Maagd het Merkbeeld der Ware Chriftelykbeyd.
LVni. HOOFDSTUK.
■,,-■'■
Van de Zeven Perioden. pag. 417.
A. Een fterke vrymoedige Maagd, met
een gefpleete Tong op het Voorhoofd, een Merkbeeld der Prediking. p. De Vcrvolging door een Maagd met sen
Martclkyoon van Doornen verbeeld. C. De Wereldfihe verhoging der Kerke ver-
toont.
D. Het GeeftelykJBabel) beginnende van den
Keyzer Phocas enz.
E. Een fchoon fier Jongeling , het Merk-
beeld der Hervorming.
F. De Fafte Stand, en klaarder Lkht der
Hervorming vertoont.
. ■ ■
LIX. HOOFDSTUK. Van de Hervorming. pag. 411.
A. De Geefieljhi weelige Dommekracht met
Eztls-ooren verbeeld.
B. Luthers Zwaan vertoont*
C. Het Licht voor de openbare verkondiging
van Luther opgaande, door een Maagd
verbeeld. D. Een bedaagt en deftig Man, het Merk-
beeld van Aanrading*
E. Een Schynheylige, het Merkbeeld der
Geefielyke guytery.
F. Een Wjsncuz,ige Pilaarbytfler vertoont.
G. De Zonde tegen den H. Geeft*
H. De Geefielyke Ra&erny. |
||||||||||||||||
LX. HOOOFDSTUK.
Van de Afvallige Hervorming. pag. 417,
A» De Vtrruk^ing door Gods Genade door
een Oud en deftig Man verbeeld. B. Naakte Mannen en Vrouwen onder ,<fc
Dompelary vertoont.
C. De Doopsgez,inden, afzetzels van Men*
no Simons.
D. Een#5/V door eenTuymelgecftgedreven,
het Merkbeeld van Kwakery.
E. De Socinianery uyt allerley oude Kettcrf
zamen gefmeed.
F. De Janfenifiery verbeeld.
G. De Maatfihappy der yexMtten tet zig
fchrap tegen de Janfcniften.
H. De Bybelmoordery der Pr*~Adamiten ver-
toont. I. Eene fine Vromv het Merkbeeld der Gee*
flelyke Scheming. K. Brandende Bergen als een Merkbeeld der
Ketteryen vertoont. LXI. HOOFDSTUK.
Van den Gereformeerden Godsdienfh
PaS- 4fJ*
A. Een Onbevle^te Maagd9 het Merkbeeld
van den Hervormden Godsdienfl.
B. Het Predik^ampt door een deftig Man
verbeeld.
C. Het Onderlin?fcbap.l , ,,
r» u^tv 1 Ar+ r verbeeld.
D. Het Diakenfchap. j
E. De Afgeivorpe Beeldm enz.
F. Het Sjnode Nationaal van Dordrecht.
G. De Wereldlyke Macht, onder den name
van Commiffarisfihap Polityk^ verbeeld.
H. I« Gisbertus Vbet'ms, en Johannes Coccc* jus> als twee Zufters vertoont. |
||||||||||||||||
Ooo z
|
||||||||||||||||
LXII.
|
||||||||||||||||
J^L^^J^-l. _^li*A~*~*—**
|
||||||||||||||||
■
|
■
|
|||||||||||||||||||||||
■ • ■ : '
|
||||||||||||||||||||||||
S T E R.
LXIII. HOOFDSTUK.
|
||||||||||||||||||||||||
R E
|
||||||||||||||||||||||||
LXIL HOOFDSTUK.
wVaft Vcrfchcyde Gewaande, en den Waren
Hemel. pag. 443. A. Eene Hondfihe ongeachte Shrdigbeyd ver-
beeld.
B. De Hcmel der Epikuriften.
C. Der Stojken HemeL
IX De Hemel der Heyrvoogden*
E. lien Alderftaatkundigfte Hemtli
F. De Hemel der Dichters.
C. De Olympus-berg, Hemel der Heyden-
fche Goden. Rondom deze zwerven de Pjthagorijche Zielen. H. Hercules klimt in den Htldtn-Hcmel.
J* De Hemel van die van Canada.
K. De Turkfihe en Per^ianfche Hemel,
L. De Hemel der Ware Gelovigen*
M. Het Nieuw Jerusalem*
N. De Hemel op Aarde', of 't tyfc Cods in
de Ziele. O. Het DHjx*ndJ4rig Rjk*
|
||||||||||||||||||||||||
Toepaffing.
|
||||||||||||||||||||||||
pag. 44^
|
||||||||||||||||||||||||
A. Drk Ordens der zoogenaamde .//*W.
B. Een Tweehoofdig Beeld vertoont de Hey*
denfche Prophetie.
C. Een bone Vrouw met E&eh-ooren, het
Merkbeeld der Beangfle Fragers.
D. De Verwondering y Dochter der Onwc^
tenheyd, vertoont.
E. Het Overgeloofy hare Moeder, verbeeld.
F. Het Heydenfih Priefterdom verbeeld.
G. Een dels Priefter.
H. Een Sytijche G'alius, of gelubde Paap."
I. De Ari^e van Noacb, Regenboog9 opge- rechte Slang enz. brengen den Jood niet
tot het Geloof.
K. Een Sterke Maagd\ het Merkbeeld der Ware Cbrtjienkeyd*
L. De Oude Menfeh. M. De Geluk^alige Zieh* N. De Wereldfihe Dood. O. De Znyvere Ziele in de Gelukzaligheydt overgehaalt.
P. Cods Zoon Ztittende op een Witte Woi% Q. Het Kfc Gods bovm urn Regcnbocg vcr- beeli.
|
||||||||||||||||||||||||
Y N D
|
||||||||||||||||||||||||
>
|
||||||||||||||||||||||||
.
|
||||||||||||||||||||||||
_-_*—*_._____
|
||||||||||||||||||||||||