-ocr page 1-

TIJDSCHRIFT
VOOR

DIERGENEESKUNDE

Journal of the Royal Netherlands Veterinary Association
Deel 126, aflevering 1,1 januari 2001

UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT

3223 565 1

Uit de Hoofdredactie

Overzichtsartikelen

Het belang van de verschillende varkensziekten in Nederland; J.M. Smits en J. W.M. Merks

Referaten
Boekbespreking

Berichten en verslagen

Workshop Immunosuppressie in vleeskuikens; L. van Veen to

Verandering spreekuur Ethologie 11

Cie Bevordering Diergeneeskundig en Vergelijkend Ziektekundig Onderzoek n

Uitreiking van de Merial Award voor parasitologie 11

Prof. dr. Johan M.V.M. Mouwen ontvangt Schornagel Medaille 12

Nieuwe tiitgave Koninklijke Vermande. Overzicht Diergeneesmiddelen 2000/2 12

Stichting P. Zwart Fonds; E. Gruys 13
FIDIN Repertorium Diergeneesmiddelen 2000/2001. Onmisbare informatiebron voor practici

en andere geïnteresseerden 13

Congressen en Cursussen

Chateau Vétérinaire viert eerste lustrum 14

QualiPefC Klinische Training 15

AO-Vet. Osteosynthese Basiscursus 2001 in Ciessen 15

Aesculaap organiseert congresreis 26^ WSAVA-congres Vancouver 8-11 augustus 2001 15

Symposium DSK \'Vaccinatie, het einde?\' 15

Ingezonden

Immunocastratie een stap verder in de \'verdinglijking\' van het varken; L.J.E. Rutgers i6

Enkele praktische opmerkingen bij de Rubriek Vraag en Antwoord over KI bij de hond;

G.J. Bisperink y

Wetenschap

Actua

Lactolyte

® Eerste hulp bij
kalverdiarree!

lactolyte

40x90 g
Virbac

wirfroai

Lactolyte orale rehydratietherapie met Lactosérum

• Snel herstel van de waterhuishouding én bestrijding van
metabole accidose • Betere energievoorziening waardoor
minder gewichtsverlies • Goede acceptatie en probleemloze
overgang naar de melk
 (Be)proef het verschil!

Virbac Nederland bv Postbus 313, 3770 AH Barneveld

Telefoon (0342) 427 127 Fax (0342) 490 164

yirbac

-ocr page 2-

Hoofdredactie

Dr. W. Edel (voorzitter)

Dr. E.A. ter Laak (penningmeester)

Drs. H.A. Beijer

Dr. M.F. de Jong

Dr. Tj. Joma

Dr. R. Kuiper

Dr. P.A.M. Overgaauw

Drs. J.T. Siebinga

Dr. R.J. Slappendel

Dr. J.H. Vos

Wetenschappelijke redactie

Prof. dr. A. Bameveld (Utrecht)

Drs. A.E.J.M. van den Bogaard Jr. (Maastricht)

Dr. F.H.M. Borgsteede (Lelystad)

Prof. dr. H.J. Breukink (Utrecht)

Prof. dr. P. De Backer (Gent, België)

Dr. J. Goudswaard (Middelburg)

Prof dr. L.J. Hellebrekers (Utrecht)

Dr. Th.S.G.A.M. van den Ingh (Utrecht)

Prof. dr. A.Th. van \'t Klooster (Utrecht)

Prof. dr. F. van Knapen (Utrecht)

Prof. dr. A. de Kruif (Gent, België)

Dr. J.T. Lumeij (Utrecht)

Prof dr. A.S.J.P.A.M. van Miert (Utrecht)

Prof dr. J.P.T.M. Noordhuizen (Utrecht)

Prof. dr. J.Th. van Oirschot (Lelystad)

Prof dr. J. de Schepper (Gent, België)

Dr. J.M.A. Snijders (Utrecht)

Dr. E. Teske (Utrecht)

Mw. dr. A.J. Venker-van Haagen (Utrecht)

Prof dr. J.H.M. Verheijden (Utrecht)

Dr. Th. Wensing (Utrecht)

Bureauredactie

Mw. A.M. Tummers
Mw. S.H. Umans-Ubbink

Bureau

Julianalaan 8-10, Postbus 14031, 3508 SB Utrecht
Tel. 030-25 10 111/fax 030-25 19 847.
E-mail: tijdschrift@knmvd.nl.

Abonnementsprijs

Het Tijdschrift voor Diergeneeskunde is het vereni-
gingstijdschrift van de Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde.
De abonnementsprijs voor dierenartsen niet-leden van
de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor
Diergeneeskunde en voor niet-dierenartsen wordt vast-
gesteld door het Hoofdbestuur.

Postgiro/bank

Postbank 511606 ten name van de KNMvD,
Julianalaan 8-10, Utrecht. ABN/AMRO N.V., Postbus
30, 3500 AA Utrecht, nr. 55 50 48 861 en C en E bank
N.V., Postbus 85100, 3508 AC Utrecht, nr. 69 93 61
443.

Druk

Drukkerij G. van Dijk B.V., Breukelen (tel. 0346-
261304, fax 0346-264565).

KNMvD

Hoofdbestuur

Secretariaat
Stafmedewerkers

Administrateur

Vacaturebank

Webmaster

Referaten

Studentenreferaten
PAOD

Doorlopende agenda

Drs. T. de Ruijter, voorzitter

Drs. S.R. Heslinga, vice-voorzitter

Drs. J. Borgmeier, lid

Mw. drs. E.N.M. Harwig-Dings. lid

Drs. G. Huijser van Reenen, penningmeester

Drs. J. Togtema, lid

Mw. drs. W.J. Wijne- Raemakers, lid

Dr. Tj. Joma, algemeen secretaris

Mw. drs. S.A.M. Deleu
Mr. A.P. Hilhorst

Mw. drs. M.C. van Oostrum-Schuurman Hess
Drs. J.L.M. Vaarten

2000 Hoogtepunten

De Voorjaarsdagen: elk jaar weer een groot feest; J.E. Gajentaan

21
22
23

KNMvD

Maatschappijnieuws

Gelukkig Nieuwjaar; T. üv Ruijter
Practitioners bij de RVV; Tj. Jorna

Aanpassing adviessalarissen voor dierenartsen-medewerkers per 1 januari 2001;
M.C.
van Oostrum-Schuurman He.is

Aanpassing Rechtspositieregeling voor Dierenartsassistenten per 1 januari 2001;
M.C. van Oostrum-Schuurman Hess

KNMvD: Verbieden hondenrassen lost agressiviteit niet op; S. Deleu

Overlijden Theo Bosman

Rectificatie Ingrepenbesluit

De erkenningsregelingen in de praktijk

Actuele ontwikkelingen

VDA Utrecht stopt

Nu te koop: KNMvD-stropdassen

Indexcijfers en aanpassing BTW

Personalia

24

24

25

26
27

27

28
29

31

31

32
32

32
35

H.S. de Vries

R.P. van Ringelestijn

Mw. drs. C.M. van Kalles

Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde,
Julianalaan 8-10, Utrecht

Postbus 14031,3508 SB Utrecht. Telefoon: 030 - 25 IO 111. Fax 030-2511787

Advertenties

Commerciële advertenties: Bureau Weijer B.V., Veen-
dam (tel. 0598-623065, fax 0598-613827).
Personeelsadvertenties: bureauredactie.

Contents

Review

The importance of different pig diseases in the Netherlands; J.M. Smits. andJ. W.M. Merks 2

All rights reserved

Verklaring:

Richtlijnen voor auteurs (Vancouver Style) zijn op aanvraag verkrijgbaar (zie ook Tijdschr Diergeneeskd 1992;
117:31 -4). De Redactie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade welke - direct of indirect - het gevolg mocht
zijn van gebleken onjuistheden in de inhoud van de in dit tijdschrift opgenomen artikelen waarbij de auteur is vermeld
of in de inhoud van de in dit tijdschrift geplaatste advertenties.

Advertenties kunnen zonder opgaaf van redenen door de Redactie worden geweigerd of ingetrokken.

Niets uit dit tijdschrift mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, microfilm of op

welke andere wijze ook, zonder schriftelijke toestemming van de Redactie.

(Papers appearing in this journal are listed in Current Contents /Agricultural Biology and Environmental Science /
Index-Medicus. Index Veterinarius / yeterinary Bulletin. Biological Abstracts. Cambridge Scientific Abstracts).

-ocr page 3-

Rundveecrisis?!

Het editorial gaat nogmaals over BSE, want per vandaag, 1 januari 2001, gaan op Europees niveau twee ingrijpende maatre-
gelen in werking met betrekking tot BSE.

Op 4 december heeft de Landbouwministerraad van de EU besloten dat dier- en beendermeel gedurende de eerste helft van
2001 niet meer verwerkt mogen worden in voer voor alle soorten vee. Nederland heeft dit verbod al op 15 december 2000 laten
ingaan. Het was in Nederland al sinds 1989 verboden om meel van herkauwers door het rundervoer te mengen en sinds 1994
om elk soort diermeel in rundervoer te verwerken: dit verbod blijft uiteraard ook na half2001 van kracht.

Op 4 december heeft de Landbouwministerraad na een aantal tussenvoorstellen en -besluiten van diverse partijen tevens be-
sloten om alle geslachte runderen ouder dan 30 maanden te vernietigen, tenzij er een BSE-test is verricht. Het gaat in
Nederland om circa 700.000 runderen per jaar ofwel ruim 2500per dag. In korte tijd is de termijn waarop de maatregel zou in-
gaan vervroegd van 1 juli 2001 naar 1 januari. Met name RVV en ID-Lelystad moesten alle zeilen bijzetten om de uitvoering
van deze maatregel te organiseren, terwijl de consequenties voor de slachthuizen eveneens aanzienlijk zijn. Deze maatregel is
mogelijk geworden omdat er nu (drie) snelle tests voor de diagnostiek van BSE bestaan die binnen 24 uur een uitslag geven.
Voor de tests is een stukje van de hersenstam nodig; er zijn nog geen diagnostische tests voor het levende rund beschikbaar.

De organisatie van het BSE-onderzoek heeft nogal wat voeten in de aarde: de uitvoering van de monsterneming en de logistiek
van het onderzoeksmateriaal en de logistiek van karkassen, organen en slachtafval op de circa 95 slachthuizen. Identificatie en
tracering van de runderen en runderdelen spelen een cruciale rol. Slachtafval zoals het maagdarmkanaal, wordt waarschijn-
lijk verplicht bestemd tot specifiek risicomateriaal en moet dus verbrand worden.

Uiteraard zijn er bij de evenwichtigheid van de maatregelen kanttekeningen te plaatsen. Zo is opgemerkt dat met de toename
van BSE in FrankTijk de mens meer had moeten vrezen voor Franse worst (waarin mogelijk materiaal is verwerkt dat in te-
gemtelling tot vlees infectieus is gebleken in dierexperimenten) dan voor Engelse biefstuk Evenzo is gekscherend gesteld dat
met de maatregel dat landbouwhuisdieren geen vlees\' meer mogen eten. het dier beter beschermd is dan de mens. Daar kun-
nen we als dierenarts blij mee zijn, maar het plaatst wel vraagtekens bij de maatregelen die uit oogpunt van de volksgezond-
heid genomen zijn. Maar al is het verhand tussen BSE en de nieuwe variant van de ziekte van Creutzveldt-Jacob bij de mens,
die door BSE van de runderen veroorzaakt zou zijn, nog met veel vraagtekens omgeven, het is belangrijk dat deze ziekte bij het
rundvee afdoende bestreden wordt.

Het doel van de huidige maatregelen is om BSE versneld uit de rundveepopulatie te laten verdwijnen. Dat moet mogelijk zijn,
als spontane gevallen van BSE niet bestaan. Wij komen in ieder geval de verspreidingsgraad van BSE in de rundveepopulatie
van Nederland en de andere EU-lidstaten te weten.

De eerstkomende maanden zullen spannend worden: hoeveel gevallen zullen ontdekt worden? Het is illustratief dat het eerste
BSE-geval van Duitsland eind november door middel van een snelle test is gevonden!

De negatieve gevolgen van het verplicht testen zijn te vrezen. Is er voldoende verwerkings- en verbrandingscapaciteit voor de
slachtafvallen die tot \'specifiek risicomateriaal\' zijn bestempeld? Kan de sector de BSE-maatregelen overleven inclusief de
kostenverhoging van het veevoer? Is het op alle slachthuizen mogelijk de vertraging van minstens één dag in de logistiek op te
vangen? Zal ondanks de betere garanties de vleesconsumptie (weer eens) dalen (in Frankrijk tot 40% van het gebruikelijke ni-
veau), vooral omdat een deel van de kosten van de BSE-maatregelen ook direct door de consument betaald moet worden ? Hoe
zal het de exportmogelijkheden voor Nederlands vlees vergaan?
Met name de rundveesector krijgt het zwaar te verduren.

Na deze sombere overwegingen wens ik u namens de gehele redactie van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde een
Voorspoedig Nieuwjaar.

Ed ter Laak

-ocr page 4-

Het belang van de verschillende varkensziekten in
Nederland

SAMENVATTING

In het kader van het project \'Schone varkensstromen\'
uitgevoerd door het IPG, Institute for Pig Genetics BV,
is er in 1998 een uitgebreide inventarisatie gemaakt van
het belang van de verschillende ziekten voor de Neder-
landse varkenshouderij. De ziekten zijn door een des-
kundigenpanel beoordeeld naar hun belang voor de
volksgezondheid, de bedrijfseconomie, de varkenssector
en de export. Daarnaast zijn de huidige mogelijkheden
voor diagnostiek voor de kiemen op een rijtje gezet en is
het doel ten aanzien van bestrijding voor de komende ja-
ren gesteld (vrijwaring of beheersing). Voor wat betreft
het belang voor de Nederlandse varkenshouderij zijn de
ziekten in drie categorieën ingedeeld (Tabel 2).
Voor vrijwaring in Nederland komen in principe in aan-
merking: Salmonella (alleen specifieke stammen; in het
geheel streven naar Salmonella-arm),
Pasteurella multo-
cida
DNT-l- (snuffelziekte oiVXR), Actinobacillus pleuro-
pneumoniae
(eenzijdige longontsteking), Haematopinus
suis
(luis), Sarcoptes scabei fvar. suis) (schurft) en de
\'veewetziekten\' (vrij houden).

SUMMARY

The importance of different pig diseases in the Netherlands

A.? pari of the project \'Clean pigs\', IPG Institute for Pig Genetics B V made
an inventory of the impact of different disea.ies on the Dutch pig industry.
An expert panel a.?ses.sed the importance of the different diseases with re-
gard to public health, farm economy, the pig sector and export sales. The
possibilities for the diagnosis of the different pathogens were listed and the
goal for the next years, was .set. Diseases were classified into three cate-
gories, according to their importance for the Dutch pig industry (Table 2).
The diseases that can be eradicated are Salmonella (only specific strains),
Pasteurella multocida DNT PAR), Actinobacillus pleuropneumoniae,
Haematopinus suis
(lice) and Sarcoptes scabei (var. suisj (mange).
National introduction of list A en most list B diseases of the OIE classifica-
tion must be prevented.

INLEIDING

Door veranderende vragen vanuit de markt (1,5), de var-
kenshouders en zeker niet op de laatste plaats vanuit de Ne-
derlandse varkensfokkerij-organisaties, is het initiatief ge-
nomen tot het project \'Schone varkensstromen\'.
Het doel van het project is het vergelijken en evalueren van
methodes van dierverplaatsingen in de varkensproductieke-
ten en met name voor fokvarkens. Via introductie van
nieuwe bedrijfssystemen moet de gezondheidsstatus van de
Nederlandse varkensstapel geoptimaliseerd worden met het

I IPG, Institute for Pig Genetics BV. Correspondentie met: Han Smits, IPG, Institute for
Pig Genetics B V., Schoenaker 6, Postbus 43, 6640 AA Beuningen. Tel. 024 - 6779999.
e-mail: Han_Smils@ipg.nl.

Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 2-8

oog op een marktgerichte sector. Daarbij staan behoud van
genetische kwaliteit en verbetering van de gezondheidssta-
tus voorop.

Het project is opgedeeld in drie fasen:

I. Inventarisatie. In deze fase is er een uitgebreid onder-
zoek gedaan naar het belang van de verschillende var-
kensziekten binnen de Nederlandse varkenshouderij.

In aanvulling daarop heeft er een inventarisatie plaatsge-
vonden van de bedrijfssystemen die er op de wereld toe-
gepast worden en zijn hun mogelijkheden bekeken ten
aanzien van de verbetering van de varkensgezondheid.
Als laatste is er in deze fase een inventarisatie uitge-
voerd van de risicofactoren inzake insleep en versprei-
ding van de diverse kiemen op een bedrijf.

II. Evaluatie van ingebrachte structuurvarianten. De in fase
I vergaarde informatie is in fase II gecombineerd en en-
kele van de voor de Nederlandse varkenshouderijsituatie
beste alternatieve bedrijfssystemen zijn geselecteerd.

III.Toetsing, implementatie en evaluatie. Van de lijst van al-
tematieven uit fase II is de meest perspectiefrijke uitge-
kozen en deze wordt in 2000 getoetst.

Het project wordt uitgevoerd door IPG (Institute for Pig
Genetics BV) in opdracht van de varkensfokkerij-organisa-
ties TOPIGS en Dumeco Breeding. De financiering komt
van het DiB (Diergezondheid in Beweging; LNV en PVE)
en de fokkerij-organisaties.

Een groep van deskundigen begeleidt \'Schone varkensstro-
men\'. Deze groep bestaat uit: prof dr. ir. E.W. Brascamp
(Leerstoelgroep Fokkerij en Genetica WU), dr. ir, K.
Frankena (Leerstoelengroep Dierhouderij WU), prof dr.
J.H.M. Verheijden (Hoofdafdeling Gezondheidszorg
Landbouwhuisdieren FdD), dr. P.C. Vesseur (PV), dr. L.
Vellenga (PVE), drs. J.P.H. Oskam (Dumeco Breeding),
drs. G.J. van Groenland (TOPIGS), ir. E. Knol (IPG) en dr.
ir. J.W.M. Merks (IPG).

In dit en volgende artikelen in het Tijdschrift wordt verslag
gedaan van de resultaten van het project.

MATERIAAL EN METHODEN

Voor het onderzoek is een lijst gemaakt van nagenoeg alle
in Nederland mogelijk voorkomende infectieuze varkens-
ziekten.

De lijst is naar een brede vertegenwoordiging van varkens-
deskundigen gestuurd, allen betrokken bij de sector; in het
beleid, het onderzoek en in de praktijk. Eenieder heeft de
kiemen beoordeeld naar hun mogelijk belang voor de volks-
gezondheid, de bedrijfseconomie, de varkenssector en de
export. Met nagenoeg iedereen die een lijst heeft terugge-
stuurd is een gesprek geweest voor nadere toelichting van
de antwoorden.

Om een goed oordeel te kunnen geven over de haalbaarheid
van beheersing of vrijwaring moeten naast de belangen van
de ziekten de diagnostische (on)mogelijkheden voor wat be-
treft de sensitiviteit, specificiteit en inzetbaarheid van de

-ocr page 5-

Tabel 1. Mate van schade, mogelijkheid van diagnostieken bestrijding voor de diverse varkensziekten in Nederiand.

Ziekte

Schade

Diagnostiek

Bestrijding

naam ziekteveroorzaker

volks- bedrijfs- sector export
gezond- econo-
heid mische

agensdetectie Serologie

vrijwaring beheer-
sing

geboortediarree E. coli ( K88ab, ac

enad = F4,K99 = F5,
F4].987P = F6),vnl.
08,0138,0139 en
0141;K88ac

**

-I- -H-

-BO typering ELISA (pas laat
-ELISA mogelijk, 2 wkn
na infectie;
vaccinatie geeft
positieve reactie
van test bij zeu-
gen en hun
biggen

-F

(selectie recep-
torafwezigheid
F4enF18)

oedeemziekte co//(vnl.: 0139:
(natte coli) K.82en0141:
K.85ab,ac (K88
(=F4)enFI8))

-H-l- -H-l-

-BO typering
-ELISA

-F

(selectie recep-
torafwezigheid
F4enFI8)

speendiarree E. coli (vnl.: K88
(droge coli) (=F4)(OI49:K9,
08:K87)F18
(0141:K85ab,ac))

-H- -H-F

BO -F typering

-F

(selectie recep-
torafwezigheid
F4enF18)

Porcine Intestinal Lawsonia
Adenomatosis intracellularis
(PIA)

* *

(ziekte (bij (in toe-
van High wegla- komst
Health be- ten addi- moge-
drijven) tieven: lijk -i-)
)

-niet te kweken wel beschreven;
-histologie nog niet
zilverkleuring inzetbaar
-PCR

-F

dysenterie Brachyspira
(Serpulina)
hyodysenteriae

-I- -H-
(mogelijk (bij
veel sub- wegla-
klinische ten addi-
schade tieven:
)

-BO wel beschreven;
-IFT (veel vals- niet inzetbaar
positieven t.g.v. (veel vals-positie-
S. innocens ven t.g.v. S. inno-
en S. pilosicoli) eens en S. pilo-
sicoli)

)

3.,4.

(SPF)

clostridium Clostridium per-
fringens
type C

-H -I-

-BO F typering
-PCR

-F

salmonella Salmonella spp.

-H- -)- -F -f

(op kor-
te tennijn
aanvul-
ende

eisen mo-
gelijk)

BO type- ELISA
ring (op koppelniveau
serogroep B, C
enD)

-F

3.,4(MMEW
SEW) voor
specifieke
stammen

corona-virus- TGE/PED/
diarree Coronavirus

-l-H- -F -H-

(discri-
mineren
de test
TOE/
PRCV)

-ELISA ELISA

-IFT

-(SNT\'s

deels kruis-

reactie

met

PRCV)

-F

PRCV Porcine Res-
piratory Corona
Virus

(mogelijk (discri-
trigger mineren-
voor andere de test
ziekten) t.o.v.

TOE

ELISA ELISA
(nu wel
van TGE
te onder-
scheiden
met mono-
clonalen

wense-
lijk

virus?

-ocr page 6-

Ziekte

Schade

Diagnostiek

Bestrijding

naam ziekteveroorzaker

volks- bedrijfs- sector export
gezond- econo-
heid mische

agensdetectie Serologie

vrijwaring beheer-
sing

snuffel, met name DNT -
Progressieve
Pasteurella
Atrofische muitocida
Rhinitis (PAR)

-BO -ELISA
-ELISA -SNT(ami-
-PCR toxine)

(aanwezig, maar
niet relevant,
dragers reageren
niet, gevacci-
neerden wel)

1 -H

3.,4.

(piglet

snatching)

eenzijdige Actinobacillus
longontsteking pleuropneumoniae

-H- -H-

-B0 typering -ELISA
-PCR (toxinen) (niet species
omvattend;
achteraf ge-
daan om
toxine aan
te tonen)
-CBR

-ME (types 2,
3 en 9)

-1-
3.,4.

(MMEW
met SEW)

longontsteking. Mycoplasma

biggengriep, hyopneumoniae

besmettelijk

hoesten,

enzoötische

pneumonie

-l~l- -H- -(-
(bij weg-
laten ad-
ditieven:
)

-BO ELISA

-PCR (in

ontwikkeling)

-IFT

(coupes)

griep, influenza-
influenza virustypen

H1N1,H3N2

-I-I- -t-l-* -H-

(varken
reservoir;
risico-
varianten)

-isolatie -HART
-IFT -ELISA
(coupes)

-1-

tuberculose Mycobacterium
avium

-H- -f -1- -1-

-BO
-sectie

abortus blauw PRRS.

Lelystadvirus

-H- -H-* -H-
(als
ende-
misch)

-ELISA ELISA
-isolatie

*

vlekziekte Erysipelothrix
rhusiopathiae

-H- ** -1- -

BO CBR (waarde
beperkt t.g.v.
vacc.; bij gevacc.
dieren toch vaak
kiem in tonsillen
gevonden)

4

parvo Porciene
Parvovirus

**

-I- -H- -

-IFT (coupes) ELISA
-isolatie

leptospirose alle zijn L. interro-
gans
serotypen en
serovariëteiten
vnl. L
pomona, L. bratislava,
L. tarassovi, L. ictero-
haemorrhagiae
ook
beschreven:
L. cani-
cola, L. grippoty-
phosa, L. ballum,
L. sejroe, L. bataviae,
L. australis
seroty-
pen
(L lora, L muen-
chen en L. bratislava)

?*

(risico
alterna-
tieve
houderij-
systemen)

-BO (onvol- -MAT
doende sen- -ELISA (wel
sitiviteit) beschreven:
-kweek met proef- voor beperkt
dieren aantal sero-
typen)

-1-

-ocr page 7-

|i|l|)J,|.LU!,,U.pi,l! . mm

Wetenschap

IP

Ziekte

Schade

Diagnostiek

Bestrijding

naam ziekteveroorzaker

volks- bedrijfs- sector export
gezond- econo-
heid mische

agensdetectie serologic

vrijwaring beheer-
sing

smeerwrang/ Staphylococcus
smeerpokken hyicus

BO

streptococcen Streptococcus suis

-H- -l-H- -!-

(Streptococcus

suis

type 2)

-BO typering
-PCR (in
ontwikkel-
ing; type 1,
2 en 9 patho-
geniteits-
marker van 2 =
Extracellular
Factor (EF))

onvoldoende
van bekend 3.
3.

ziekte van Haemophilus
Giässer parasuis

- -

(als en-
demisch;
ziekte
van High
Health be-
drijven)

BO

luis Haematopimis
suis

-

klinisch


1.

schurft Sarcoptes scahei
(var. suis)

-H-

klinisch ELISA (in

ontwikkeling;
nog onvoldoen-
de gevalideerd)


1.

maagdarm- (- Strongyloides
wonnen ransomi =
aaltjes worm

- Ascaris suum =
spoelworm

- Hyostrongylus
ruhidus -
rode maag-
worm

- Trichuris suis =
zweepworm

- Metastrongylus spp.
= longworm

- Oesophagostomum
spp. = knobbelworm)

) -F
(risico
alternatie-
ve houderij-
systemen)

-microsco-
pisch op
eieren in
sectie

-mest slachthuis-
controle
(voor A.fcaris
suum)

onvoldoende
van bekend

coccidiose Eimeria spp.

Isospora suis

^ *

(risico
alternatie-
ve houderij-
systemen)

-microsco-
pisch op
oöcysten
-histologisch
(merozoïeten)

Veewetziekten

mond- en Mond- en Klauwzeer-
klauwzeer virus

-H- -H-

-ELISA -SNT
-isolatie -ELISA


3.

klassieke Klassieke
varkenspest varkenspest-
virus

-m- -H-i-

-IFT -ELISA
-isolatie -SNT
-ELISA


3.

-ocr page 8-

Ziekte

Schade

Diagnostiek

Bestrijding

naam

ziekteveroorzaker

volks-
gezond-
heid

bedrijfs- sector
econo-
mische

export

agensdetectie

serologie

vrijwaring beheer-
sing

Afrikaanse
varkenspest

Afrikaanse

varkenspest-

virus

-isolatie
-IFT

ELISA
(niet routine-
matig;
geen neutra-
liserende anti-
stoffen gemaakt
door dieren)

-1-
3.

richinellose

Trichinella
spiralis

-H-

-1-

microsco-
pisch

ELISA
(niet EG
goedgekeurd)


3.

brueella

Brueella suis

-l-H- -H

-I-

BO

-SAT (kruis-
reactie met
Yersinia)
-CBR(kruis-
reactie met
Yersinia)


3.

ziekte van

Teschen

(Talfan)

Porcine
enteroviridae
Serotype 1

-m- - -H-

-isolatie
-IFT (coupes)

ELISA (niet
routinematig)

-1-
3.

vesiculaire
varkensziekte /
blaasjesziekte

SVD-virus

-H- -H- -l-H-

ELISA

-ELISA
-SNT


3.

z.v. Aujeszky

Aujeszkyvims

-isolatie
-IFT (coupes)

-ELISA (gE)
-SNT

4-
2.

Toelichting tabel l:

De resultaten van deze lijst berusten op al of niet met harde gegevens gefundeerde in-
schattingen van deskundigen, verkregen door een breed gehouden interview. Dit is ge-
volgd door bespreking van deze resultaten in drie kleine \'deskundigenpanels\' voor wat
betreft schade en diagnostiek

De lijst van varkensziekten is in groepen ingedeeld, aan de hand van de symptomen die
hel meest op de voorgrond treden van de betreffende ziekte/kiem (te weten: spijsverte-
rings-, respiratoire, fertiliteits-, huid-, systemische en parasitaire ziekten). Als laatste zijn
de veewetziekten vermeld.

Lij.st van varkensziekten voor gemiddelde, conventionele Nederlandse varkensbedrijven
ingedeeld naar:

Ziekte: (populaire) naam. ziekteveroorzaker

Schade voor: volksgezondheid, bedrijfseconomie, sector en export (- = geen schade, =
zeer geringe schade. = geringe schade. = ernstige .schade)
Diagnostische (on)mogelijkheden: agensdetectie en serologie (- = geen testen aanwezig)
Beoogde bestrijding: vrijwaring of beheersing ( = mogelijkheid voor bestrijding aan-
wezig, - methoden zijn (nog) niet aanwezig, onvoldoende gevalideerd of niet voldoende
betrouwbaar voor bestrijding)

Als vrijwaring mogelijk is dan ingedeeld naar niveau van methodes, te weten:

1. = medicatie

2. = \'test and removal\'

3. = vrijmaken door \'depop./repop.\' uit ander, vrij bedrijf

4. = vrijmaken door \'depop./repop.\' gebruik makend van dieren uit eigen bedrijf: dit kan
ook weer op verschillende niveau \'s plaatsvinden: in volgorde van zekerheid (en kosten):
embryotransplantatie - keizersnede (SPF) - piglet snatching - Medicated Early Weaning
(MEW) samen met Segregated Early Weaning (SEW) - Modified Medicated Early
Weaning (MMEW): de minimaal volgens de literatuur benodigde methode wordt bij de
vrijwaringsziekten vermeld.

Een aantal ziekteven\\\'ekkers zijn bewust uit de lijst gelaten om het niet nóg lastiger lees-
baar te maken. Deze zijn in drie groepen gedeeld.

a) Zoönosegroep:

groep van ziektekiemen bij het varken waarvan nog te weinig bekend is bij het varken
om een gefundeerd antwoord te kunnen geven, deze ziekten behoeven nog aanvullend
onderzoek en kennis. De kiemen hebben een (mogelijk) belang voor de volksgezond-
heid

- Campylobacter coli ^«Campylobacter jejuni (Campylobacter)

- Y ersi ni a entcrocol i t i ca (yersinia)

- Listeria monocytogenesis (listeria)

- Toxoplasma gondii (toxoplasma)

b) Pathogenen waar de incidentie te weinig van bekend is bij het varken in Nederland om
een redelijke inschatting te kunnen maken:

- Clostridium perfringens/y/7é\'/4 (clostridium)

- Porciene enteroviridae .serotypen 3&8 (SMEDl)

- Cryptosporidiën

- Epcrythrozoön suis (eperythrozoönose)

- Haemagglutinerend Encefalomyelitis Virus (VW ziekte. Vomiting en Wasting dise-
ase. braakziekte)

- Rotavirus-diarree

c) \' Veewetziekten\' waar de pathogenen in Nederland niet van voorkomen bij het varken
en waar\\\'oor. voor wat betreft het varken, geen specifieke voorzorgen genomen wor-
den:

- Rabiësvirus (rabiës, hondsdolheid)

- Bacillus anthracis

- Mycobacterium tuberculos/.v (tuberculose)

Gebruikte afkortingen:

BO = bacteriologisch onderzoek

MA T = micro-agglutinatietest

IFT = immunofluorescentietest

SAT = serumagglutinatietest

PCR = polymerase chain reaction

SNT = serum-neutralisatietest

CBR - complement bindingsreactie

HART = hem-agglutinatie-remmingtest

ELISA = enzym-linked-immuno-sorbent-assay

AG IDT - agar-gel-immuno-diffusie-test

MET = mercapto-ethanol-test

BAT = buis-agglutinatie-test

Verklaring van de tekens:

~ nog té weinig van bekend om een gefundeerde inschatting te kunnen maken
= onder de aanname dat er gevaccineerd wordt en een normale hygiënische be-
drijfsvoering plaatsvindt.

-ocr page 9-

Salmonella (alleen specifieke stammen; in het geheel streven naar
Salmonella-arm)

Pasteurella multocida DNT (snuffel of AR)
Actinobacillus pleuropneumoniae (eenzijdige longontsteking)
Haematopinus suis (luis)
Sarcoptes scabei (Var. suis) (schurft)
\'veewetziekten\' (vrij houden)

testen bekend zijn. Dit is in kaart gebracht met de medewer-
king van deskundigen van het ID-Lelystad en de Gezond-
heidsdienst voor Dieren (GD). Binnen drie deskundigenpa-
nels is vervolgens de lijst met het belang van de
varkensziekten en diagnostische (on)mogelijkheden ge-
waardeerd, gevalideerd en aangevuld met mogelijkheden
ter bestrijding van de ziekte ofhet agens.
Het eerste deskundigenpanel voor waardering en validering
van de antwoorden en mogelijkheden ter bestrijding bestond
uit prof dr. J.H.M. Verheijden (Hoofdafdeling Gezond-
heidszorg Landbouwhuisdieren FdD), dr. P.C. Vesseur (PV),
drs. G.J. van Groenland (TOPIGS), dr. ir. K. Frankena
(Leerstoelengroep Dierhouderij WU) en dr. W.A. Hunneman
(GD). Een tweede panel betreffende dit onderwerp is ge-
vormd met de economen dr. ir. R.B.D. Huime
(Leerstoelgroep Agrarische Bedrijfseconomie WU) en dr. ir.
G.B.C. Backus (LEI).

Een derde deskundigenpanel is bijeengekomen voor de
(on)mogelijkheden van de detectie van de ziekte of het
agens. Is de ziekte of de kiem vast te stellen en wat is de
waarde van de te gebruiken diagnostische methode? Dit pa-
nel bestond uit prof dr. J.H.M. Verheijden (Hoofdafdeling
Gezondheidszorg Landbouwhuisdieren FdD), dr. F.G. van
Zijderveld (Afdeling Bacteriologie ID-Lelystad), prof dr.
J.T. van Oirschot (Afdeling Virologie ID-Lelystad) en dr.
W.A. Hunneman (GD).

RESULTATEN

In één totaaloverzicht zijn de belangen voor volksgezond-
heid, bedrijfseconomie, varkenssector en export per ziekte
op een rijtje gezet, evenals de huidige diagnostische
(on)mogelijkheden en de inschatting voor mogelijkheden
voor bestrijding (Tabel 1).

Uit dit totaaloverzicht zijn de belangrijkste ziekten geselec-
teerd en in categorieën gegroepeerd die het belang weer-
geven van de kiem voor de varkenshouderij in Nederland
(Tabel 2).

Deze lijst is geen vast gegeven en in de tijd aan veranderingen
onderhevig (8). De prioriteiten veranderen in de loop van de
jaren mede als gevolg van de in te zetten diagnostische testen.

(inter)nationale regelgeving, ziekte-uitbraken, het ontstaan
van virulentere stammen van ziektekiemen, etcetera.
In tabel 3 staan de kiemen vermeld waarvoor de deskundigen
verwachten dat we in Nederland een conventioneel varkens-
bedrijf met een normale hygiëne en pakket aan preventieve
maatregelen op afzienbare termijn van kunnen vrijwaren.
Voor individuele bedrijven is meer te bereiken (zoals bij-
voorbeeld voor
Lawsonia intracellularis (PIA) en Brachy-
spira (Serpulina) hyodysenteriae
(dysenterie, vibrio)), maar
dit moet per geval worden bekeken.

DISCUSSIE

Bij het onderzoek naar ziekten en de belangen daarvan,
komt steeds naar voren dat er een beperkte kennis (3) is van
epidemiologische en economische achtergronden. Ten aan-
zien van het eerste punt betreft het met name de risicofacto-
ren voor insleep en verspreiding op een bedrijf verbonden
aan de diverse ziektekiemen (meer hierover in een volgend
artikel). En ten aanzien van het tweede punt, het geheel van
directe en indirecte kosten verbonden aan een infectie. De
economische studies gedaan naar de consequenties van
ziekten, lichten er meestal maar een klein onderdeel van de
hele problematiek uit. De werkelijke complexiteit van de
economische consequenties van ziekten worden wel goed
aangegeven door Dijkhuizen (4) en Meuwissen (6).
Er wordt op het moment veel onderzoek gedaan om deze
nog missende informatie te vergaren. Tot die tijd berust de
meeste informatie op deskundigeninterviews en (meestal
retrospectieve) veldstudies.

Met de huidige intensivering, de veranderende marktvraag,
de internationalisering, kennis en mogelijkheden op ziekte-
kundig gebied, krijgt vrijwaring meer en meer de voorkeur.
Toch zullen de meeste varkensziekten in Nederland ook in
de toekomst onder beheersing blijven vallen. Maar de ge-
zondheid van de varkens kan wel verbeterd worden
(2,9,10). Meer en meer wordt bekend van de epidemiologie
van de kiemen en dit vormt de basis van het gericht beheer-
sen van de ziekten en hun gevolgen. Daarnaast kan er voor
enkele ziekten, ook onder Nederlandse omstandigheden
voor een conventioneel bedrijf, een vrijwaring plaatsvin-
den: Salmonella (alleen specifieke stammen; in het geheel
streven naar Salmonella-arm),
Pasteurella multocida
DNT (snuffelziekte of PAR), Actinobacillus pleuropneu-
moniae
(eenzijdige longontsteking), Haematopinus suis
(luis), Sarcoptes scabei (\'var. suis) (schurft) en de \'veewet-
ziekten\' (vrij houden). Voor specifieke bedrijven kan meer
gehaald worden, afhankelijk van de situatie waarin ze ver-
keren, maar dit moet per bedrijf bekeken worden.
Een hoge gezondheidstatus is geen utopie in Nederland,
mits dit sectorbreed gedragen en eventueel streeksgewijs
aangepakt wordt. Daarbij moet de keuze van de kiemen die

Tabel 2. Indeling van de belangrijkste Nederlandse varkensziekten.

Categorie I.

dierziekten met een landelijk georganiseerde
bestrijding (voorheen veewetziekten)

Categorie 2.

de varkensziekten met zeer grote schade voor
de varkenshouderij

Categorie 3.

de varkensziekten met aanzienlijke schade
voor de varkenshouderij

MKZ, KVP, AVP, Trichinella spiralis,
Brucella suis.
Talfan (Teschen), SVD,
Aujeszky, rabiës (hondsdolheid^.
Bacillus
anthracis
(miltvuur) en Mycobacterium tuber-
culosis
(tbc)

E. coli (oedeemziekte en speendiarree),
Streptococcus suis. Salmonella, Pasteurella
multocida
DNT-F (snuffel of PAR), influenza
(griep) en PRRS (abortus blauw)

E. coli (geboortediarree), Lawsonia intracellu-
laris
(PIA), Brachyspira (Serpulina) hyody-
senteriae
(dysenterie, vibrio), Actinobacillus
pleuropneumoniae
(eenzijdige longontste-
king) en
Mycoplasma hyopneumoniae (enzoö-
tische pneumonie)

Tabel 3. Onder strikte voorwaarden is er op conventionele bedrijven op termijn on-
der Nederlandse omstandigheden vrijwaring mogelijk van de volgende kiemen/
ziekten.

-ocr page 10-

bestreden gaan worden weloverwogen plaatsvinden. In een
aantal gevallen zal het verhogen van de gezondheidsstatus
leiden tot een duidelijke productieverhoging en een onkos-
tenverlaging, wat de investering zal doen renderen. In an-
dere gevallen zal het toch aanleiding geven tot een verho-
ging van de productiekosten. Dan moet de gehele sector en
de consument bereid zijn de meerprijs te dragen.
Er is meer mogelijk dan vaak gedacht wordt binnen de
Nederlandse varkenshouderij. Dit is een goed moment om
ermee aan de gang te gaan. Mede door de publieke opinie en
de tegenslagen van de laatste jaren is er veel aandacht be-
steed aan de dingen die niet optimaal zijn. Het imago van de
varkenshouderij kwam dit zeker niet ten goede, terwijl er
juist zoveel dingen zijn die wél goed zijn. Het is heel be-
langrijk om juist dit naar buiten te brengen. Het verbeteren
van het imago begint tussen de oren.
(Het volledige rapport is bij IPG op te vragen als IPG-rap-
port98-9).

LITERATUURLIJST

L Anonymus. Streefbeeld varkens. Projectgroep Diergezondheid in
Beweging, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Taakdocument, 1995; 5 pp.

2. Anonymus. Op weg naar vrijwaring van specifieke infectieziekten in de
varkenshouderij. NRLO-rapport nr. 95/4, rapport van de NRLO-
Taakgroep \'Vrijwaring van specifieke ziektekiemen in de
Varkenshouderij\' 1995.

3. Dial GD, Wiseman BS, Davies PR, Marsh WE, Molitor TW, Morrison
RB, and Thawley DG. Strategies employed in the USA for improving
the health of swine. Pig News and Information 1992; 13 (3): 111 -23.

4. Dijkhuizen AA. Diergezondheidszorg in economisch perspectief, kern
van de economische invalshoek. PHLO-cursus Vakgroep Agrarische
Bedrijfseconomie, Landbouw Universiteit Wageningen, 1998.

5. Julicher CHM, Klink EGM van. Peuter G de, Schumer DL en
Versteijken GHJM. De toekomst van de diergezondheid: wie zal het
een zorg zijn. Projectgroep Diergezondheid in Beweging, Ministerie
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 1993; 29 pp.

6. Meuwissen MPM, Horst HS, Huirne RBM en Dijkhuizen AA. Schade
verzekerd!?. Een haalbaarheidsstudie naar risico-kwantificering en
verzekering van veewetziekten. Landbouw Universiteit Wageningen,
Vakgroep Agrarische Bedrijfseconomie, ISBN 90-6754-480-9, 1997;
164 pp.

7. Smits JM. Belang varkensziekten in Nederland \'Schone varkensstro-
men\' IPG-verslag98-9, 1998; 40 pp.

8. Swinkels JWGM en Vesseur PC. Programmagroep Integrale Structuur
voor Vrijwaring van infectieziekten bij varkens (ISV-varken).
ProefverslagP 1.128, 1995; 36 pp.

9. Vrey P de. SPF dierhouderij. Productveiligheid, kwaliteit en afzet van
roodvlees en pluimveevlees. Verslagen van de conctactdag \'Naar den
Vleze\', Dienst Landbouwkundig Onderzoek, Ede, 1990; 5-11.

10. Wilt JG de (ed). Naar een gezonde veehouderij in 2015. NRLO-rapport
nr. 97/30, 1997; 132 pp.

Zoönosen

Enterale pathogenen van de kat als zoönose

Hill SL et al. J Am Vet Med Assoc 2000; 216: 687-92.

Om de prevalentie van enterale pathogenen bij de kat met ri-
sico voor de mens vast te stellen, werden in Colarado, USA,
serum- en faecesmonsters onderzocht van 87 katten met
diarree, 106 katten zonder diarree en 12 katten waarvan de
consistentie van de faeces onbekend was. De dieren waren
afkomstig van particulieren of uit een asiel en werden ver-
deeld over het jaar aangeboden. Bij het serumonderzoek
werd tevens gekeken of de aanwezigheid van een FeLV- of
FlV-infectie invloed zou hebben op de aanwezigheid van en-
terale pathogenen.

Bij gemiddeld 13% van de dieren werden potentiële oorza-
ken van zoönosen in de faeces aangetroffen, bestaande uit

Cryptosporidium parvum (5,4%), Toxocara cati (3,9%),
Giardia spp. (2,4%), Salmonella enterica serotype
Typhimurium en
Campylobacter jejuni. Deze laatste elk 1%.
Hoewel de verschillen niet significant waren, werden deze
pathogenen vaker gevonden bij asieldieren (18.2%) dan bij
huiskatten (10,1%). De faeces ELlSA-test voor C.
parvum
bleek veel nauwkeuriger dan het microscopisch aantonen
van oöcysten. Hoewel er geen oöcysten in de faeces werden
gevonden, was gemiddeld 24% van de katten seropositief
voor
Toxoplasma gondii.

Gemiddeld bleek 3,9% van de katten met FeLV en 4,4% met
FIV besmet. Beide infecties werden vaker bij asieldieren
aangetroffen. Er was geen verband met de aanwezigheid van
enterale pathogenen. Door de kleine aantallen per groep kon
geen relatie tussen pathogenen en het hebben van diarree
worden aangetoond, hoewel deze vaker aanwezig lijkt te zijn
bij C.
parvum en Giardia infecties. Zoals de laatste tijd vaker
in soortgelijke artikelen uit de USA, wordt ook hier weer
door de auteurs gewezen op de mogelijke risico\'s voor eige-
naren met verminderde weerstand.

Dr. P.A.M. Overgaauw

-ocr page 11-

Deze derde druk Gezond pluimvee, geschreven door dr. A.
Voeten (ISBN 90-6255-894-1, Uitgeverij Terra, Wamsveld),
is een prettig in de hand liggend boek dat voor een breed pu-
bliek is geschreven met veel achtergrond- en praktische infor-
matie over pluimveeziekten, de behandeling en preventie
daarvan. Het is daarom vooral geschikt voor de professionele
pluimveehouder, de sportfokker en de pluimveevoorlichter.
Vanwege de brede aanpak, de inhoud en de fotografische
aanvulling op de beschrijving van de meest voorkomende
aandoeningen bij pluimvee, kan het boek ook een bijdrage le-
veren als algemeen naslagwerk voor dierenartsen en studen-
ten diergeneeskunde.

Na het openslaan van de harde kaft volgt een pagina met titel,
auteur- en boekgegevens, daama komt het voorwoord met aan-
sluitend de inhoudsopgave bestaande uit vier hoofdsecties.
Van deze secties gaat het eerste deel over de grondbeginselen
van gezondheid en ziekte bij de kip. Hier worden een aantal al-
gemene basisthema\'s besproken zoals anatomie en fysiologie,
ziekteleer, micro-organismen en de bestrijding ervan. Deel
twee behandeld de bijzondere ziekteleer, dat wil zeggen de ei-
genlijke ziektebeelden bij pluimvee. Opeenvolgend worden
besproken: ziekten van het maagdarmkanaal, het ademhalings-
apparaat, locomotiestoomissen, algemene stoornissen, produc-
tiestoomissen, ziekten met nieuwvormingen,
Salmonellose, vi-
taminegebreken, vergiftigingen en zoönosen. Tevens wordt
hier aandacht besteed aan problemen bij jonge kuikens, diverse
oorzaken voor onrust in de kippenstal en ziek pluimvee in het
algemeen. Het derde deel heeft betrekking op het onderwerp
hygiëne. Er worden niet alleen de verschillende ontsmettings-
middelen besproken, maar ook de basisbeginselen van goede
hygiëne in het kader van insleep en ziektepreventie, dit alles in
relatie tot de bouwkundige aspecten van pluimveebedrijven.
Een hoofdstuk met veel praktische en waardevolle informatie.
Het vierde en laatste deel bespreekt het optreden en de preven-
tie van besmettelijke ziekten. Hieronder een beschrijving van
de praktische epidemiologie, waarbij aan de hand van concrete
voorbeelden de verspreiding van kiemen met praktische conse-
quenties voor de preventie wordt besproken. Dit wordt gevolgd
door het thema immunologie, waarin basale kennis over de
serodiagnostiek aan de orde komt. Als laatste volgt een prakti-
sche beschrijving over entstoffen en de toediening ervan. Het
boek wordt afgesloten met een register.

De auteur heeft gekozen voor de indeling van pluimveeziek-
ten naar orgaansystemen, hetgeen voor de doelgroep een
goede keuze lijkt. Een apart hoofdstuk over salmonellae

Gezond Pluimvee

wijkt hier echter vanaf

Aan het boek hebben onder andere diverse (academische)
clinici en pluimveespecialisten een bijdrage geleverd, waar-
bij vooral gelet is op de toegankelijkheid en moeilijke vak-
termen steeds worden vermeden. Hoewel het hierdoor mo-
gelijk wordt een breed lezerspubliek te bereiken, zal de stijl
door de dierenarts en de diergeneeskundige student als zeer
eenvoudig worden ervaren. Een tweede gevolg is dat met het
oog op het bredere lezerspubliek een stuk diepgang en nauw-
keurigheid ontbreekt dat de professionele pluimveedieren-
arts zal opvallen. Echter, als men de doelgroep waar het voor
geschreven is, zoals op de titelpagina vermeld staat (\'hand-
boek voor de beroepspluimveehouder en sportfokker\'), voor
ogen neemt, kan het werk als zeer geslaagd beoordeeld wor-
den. Het boek kan dus ondanks deze deels onvermijdelijke
tekortkomingen een goede aanvulling vormen voor de stan-
daard praktijkbibliotheek.

dr. W.J.M. Landman

Gezond
pluimvee

-ocr page 12-

Workshop Immunosuppressie in vleeskuikens

Bericktenenverslagefi

De workshop concentreerde zich vooral
op de effecten van gumboro ziekte
(IBD) en Chicken anemia virus (CAV).
Er werd niet ingegaan op leucose, om-
dat de problemen ten gevolge van deze
ziekte op de achtergrond zijn geraakt.
Immunosuppressie is moeilijk te her-
kennen als ziektebeeld en de diagnos-
tiek naar de onderliggende aandoening
is lastig. Jack Rosenberger van de
Universiteit van Delaware, gaf een uit-
gebreid overzicht over de kenmerken
van immunosuppressie (tabel 1), za-
ken die met immunosuppressie ver-
ward kunnen worden en factoren die
het immuunsysteem aantasten.

Vooral lymfodepletie is een specifieke
indicatie voor immunosuppressie. Veel-
al betreft dit een vroege destmctie van
de bursa, atrofie van de thymus en vindt
er een gegeneraliseerde lymfodepletie
plaats. Ten gevolge hiervan zullen min-
der specifieke symptomen als het niet
reageren of juist te heftig reageren op
vaccinatie, hogere incidentie van ziek-
ten en slechtere productiegegevens op-
treden. Maar het beeld mag niet verward
worden met bijvoorbeeld \'nieuwe\' ziek-
ten, onjuist of ineffectief gebruik van
vaccins en resistentie-ontwikkeling van
bacteriën tegen antibiotica. Naast infec-
tieuze oorzaken kunnen natuurlijk ook
omgevingsfactoren zoals temperatuur,
voeding en stress een rol spelen bij de
aantasting van het immuunapparaat.

Op 19 september 2000 werd in Baltimore, USA, een workshop gehouden over
immunosuppressie in vleeskuikens. In de USA is het IBD-virus één van de be-
langrijkste veroorzakers van immunosuppressie. Van de Amerikaanse
Gumboro-isolaten zijn 85% pathogene variantstammen. Deze stammen ver-
oorzaken vooral immunosuppressie bij het jonge kuiken. Sommige van deze
varianten breken door een hogere maternale immuniteit dan de klassieke
stammen, tegen andere varianten is met de huidige vaccins geen immuniteit
op te wekken en gebruikt men autogene geïnactiveerde vaccins in de moeder-
dieren.

Indicaties voor immunosuppressie in vleeskuikens

algemeen

verhoogde uitval en slechte productie-index

lagere dan verwachte serologische respons na vaccinatie

sterkere vaccinatiereacties

slechte respons op medicatie

hogere incidentie van ademhalingsziekten

grotere incidentie van "ongewone\' ziekten.

- gangreneuze dermatitis

- inclusion body hepatitis

- aplastische anemie

speciflek

vroege (< 2 weken leeftijd) destructie van de bursa

thymusatrofie in jonge groeiende dieren

slechte respons op vaccinaties

gegeneraliseerde depletie van lymfocyten

IBD

Jack Rosenberger ging in op het ver-
schil tussen de symptomen veroor-
zaakt door de klassieke stammen en
die veroorzaakt door de varianten. De
klinische vorm van IBD wordt veroor-
zaakt door het klassieke type virus en
uit zich in de bekende voorbijgaande
mortaliteit gedurende vijf tot zeven da-
gen. Hierbij wordt op sectie een ver-
grote, oedemateuze, danwel hemorra-
gische bursa gezien. Het subklinische
type veroorzaakt immunosuppressie in
kuikens jonger dan twee weken leef-
tijd. Dit is de meest belangrijke vorm
in Amerika.

Door Linda van Veen

Ruud Hein, Intervet inc., vertelde dat
het aantal varianten en ontypeerbare
stammen sterk aan het toenemen is. In
1998 was 10% van de veldisolaten van
het klassieke type terwijl dat een jaar
later minder dan 5% is. Het aantal onty-
peerbare stammen nam toe van 1%
naar 20%. Daryl Jackwood van de
Ohio State University en Chinta
Lamichane van Symbiotics bespraken
ieder hun ervaringen met het typeren
van stammen door middel van mono-
clonale antistoffen, ELISA en PCR.
Jack Rosenberger heeft een aantal ex-
perimenten gedaan waarbij het effect
van een IBD-infectie op de eerste le-
vensdag werd bepaald ten opzichte van
NCD-, IB- en ILT-vaccinatie. In alle
gevallen leidde de IBD-infectie op
jonge leeftijd tot een verlaagde respons
op de vaccinatie en het persisteren van
IB- en NCD-virus in de trachea gedu-
rende enkele weken na vaccinatie.
Ter preventie van immunosuppressie
ten gevolge van een vroege infectie
met IBD, wordt veel aandacht besteed
aan de vaccinatie van de moederdie-
ren. Ten eerste moet de titer hoog ge-
noeg zijn, omdat sommige varianten
door een hogere titer kunnen breken,
maar ook de duur van de immuniteit is
belangrijk. Daamaast gaf Rosenberger
het belang aan van het opwekken van
kwalitatief goede antistoffen. Hiermee
werd bedoeld dat het vaccin moet be-
schermen tegen de juiste antigenen. In
Amerika wordt naast de vaccins met
klassieke stammen ook gebruik ge-
maakt van autogene vaccins die va-
rianten bevatten. Dit zijn geïnacti-
veerde vaccins om de moederdieren te
immuniseren.

CAV

Sandra Cloud, van de Universiteit van
Delaware en Jack Rosenberger spra-
ken kort over CAV. CA V-infecties lei-
den tot lymfodepletie, veranderingen
in de secretie van lymfokines zoals, in-
terferon en interIeukine-2, verminder-
de repons op respiratoire vaccins en
een verhoogde gevoeligheid voor bac-
teriële infecties. In het geval van een
gecombineerde CAV/IBDV-infectie
kunnen oudere dieren (> twee weken
leeftijd) toch nog gevoelig zijn voor
CAV. Daamaast is minder CAV nodig
om de dieren ziek te kunnen maken en

-ocr page 13-

kunnen beide virussen pathogener
worden.

Cangreneuze dermatitis

Chuck Hoface van het Poultry Disease
Resaerch Centre gaf aan dat het aantal
gevallen van gangreneuze dermatitis
sterk is toegenomen. Deze ontsteking
van de huid wordt veroorzaakt door
clostridium en/of Staphylococcus au-
reus. Deze aandoening lijkt frequenter
voor te komen in immunosuppressieve
koppels. Een laag percentage eiwitten
en vitamine E/selenium in de voeding
zou ook een rol kunnen spelen in de
ontwikkeling van dit ziektebeeld.
Daamaast zijn seizoensinvloeden (re-
genseizoen), managementfactoren, ras
en geslacht ook belangrijk.
Om succesvol de strijd aan te gaan te-
gen immunosuppressie concludeerde
Jack Rosenberger dat als eerste een ac-
curate diagnose moet worden gesteld.
Daamaast moeten alle bekende immu-
nosuppressieve agentia worden be-
heerst. En van groot belang is natuur-
lijk goed management.

Verandering spreel<uur
Ethologie

Na vele jaren van uitstekend werk
op het gebied van de veterinaire ge-
dragskunde, heeft dr. Bart W. Knol
de klinische ethologie overgedra-
gen aan dr. Matthijs B.H. Schilder.
De gedragspoli op vrijdagmorgen
zal vanaf nu onder de verantwoor-
delijkheid van dr. Schilder vallen,
evenals de telefonische spreekuren.
De telefonische spreekuren zijn
elke maandag-, dinsdag- en donder-
dagmiddag van 12.30 tot 13.00 uur
op telefoonnummer 030 - 2534784.
Wij bedanken dr. Knol allerharte-
lijkst voor zijn inzet en activiteit op
het gebied van de klinische etholo-
gie gedurende de afgelopen 20 jaar.

Cie Bevordering Diergeneeskundig en Vergelijkend
Ziektekundig Onderzoek

De Commissie Bevordering Diergeneeskundig en Vergelijkend Ziektekundig
Onderzoek deelt hierbij mede, dat in totaal ± ƒ 15.000,- beschikbaar gesteld kan
worden ter ondersteuning van onderzoek dat dient te liggen op de gebieden van de
diergeneeskunde, dan wel van de vergelijkende ziektekunde. Overeenkomstig de
doelstellingen worden de gelden uitsluitend ter beschikking gesteld van het onder-
zoek zelf en niet voor publicatie van resultaten, reiskosten of andere bijkomende
kosten. Zij die hiervoor in aanmerking wensen te komen, worden uitgenodigd zich
vóór 1 maart 2001 schriftelijk aan te melden bij de secretaris van de Cie BDVZO.
Hierbij dient opgave te worden gedaan van de vraagstelling, de aard van het te ver-
richten onderzoek, of de op de aanvraag betrekking hebbende onderdelen en dient
tevens een beknopt werkschema alsmede een begroting te worden overiegd.

Namens de Cie BDVZO
De voorzitter, drs. T. de Ruijter
De secretaris, prof. dr. P. Zwart
Burg. v.d. Weijerstraat 16
3981 EK BUNNIK

Uitreiking van de Merial Award voor parasitologie

Dr. Jaap van Hellemond, veterinair
parasitoloog van de Afdeling Bio-
chemie aan de Faculteit der Dier-
geneeskunde in Utrecht, heeft de
Merial Award 2000 voor parasitolo-
gie gekregen. Aan de prijs is een oor-
konde en een bedrag van ƒ 5000,-
verbonden.

\'Parasitaire infecties vormen over de
gehele wereld een groeiende bedrei-
ging voor de gezondheid van mens en
dier. Door een gebrek aan effectieve
bestrijdingsmiddelen en de snelle toe-
name van resistente parasieten is er
dringend behoefte aan nieuwe medica-
menten\'. Dit zei prof dr. A.G.M.
Tielens, voorzitter van de Nederiandse
Vereniging voor Parasitologie, toen hij
de prijswinnaar roemde om zijn inno-
vatieve onderzoek dat zeer fundamen-
teel van karakter is, maar wel uitge-
voerd wordt met het oog op latere mo-
gelijke toepassingsmogelijkheden. Ge-
bmikmakend van zowel modeme bio-
chemische als moleculair-biologische

-ocr page 14-

technieken heeft Van Hellemond een
aantal belangrijke ontdekkingen ge-
daan, die hebben geleid tot een ver-
hoogd inzicht in een aantal processen
die uniek zijn voor parasieten, en die
tevens kunnen helpen bij de ontwikke-
ling van nieuwe medicamenten.

De Merial Award, die afwisselend
naar een medisch of veterinair parasi-
toloog gaat, wordt jaarlijks toegekend
aan een gepromoveerd onderzoeker uit
de Benelux die belangwekkend en in-
novatief werk heeft verricht. De prijs is
dit jaar voor de vijfde maal uitgereikt.

Prof. dr. Johan M.V.M. Mouwen ontvangt Schornagel Medaille

De Schomagel Medaille vormt een on-
derdeel van het Jubileumfonds van de
Faculteit der Diergeneeskunde dat
wordt beheerd door het hoogleraren-
collectief van deze faculteit. Voor-
zitter is mevrouw prof dr. M.E.
Everts. Doel van dit fonds is het stimu-
leren van veterinair en zoötechnisch
wetenschappelijk onderzoek en onder-
zoek naar de reductie van proefdierge-
bruik.

Eén van de wegen die het fonds ter be-
schikking staat om het gestelde doel te
realiseren is het uitreiken van de

Prof. dr. Johan M.V.M. Mouwen mocht tijdens de recente bijeenkomst van de
European Society of Veterinary Pathology (ESVP) de prestigieuze Schornagel
Medaille ontvangen uit handen van mevrouw prof. dr. M.E. Everts

Schornagel Medaille aan een persoon
die zich op dit gebied bijzonder ver-
dienstelijk heeft gemaakt.

\'Bouw en functie\'

Prof dr. Johan M.V.M. Mouwen is de
persoon bij uitstek om de Schomagel
Medaille te ontvangen, aldus Everts.
Al in zijn eerste officiële lezing als
hoogleraar pathologie benadrukte hij
het belang van de relatie tussen bouw
en functie van de diverse orgaansyste-
men. Dit was niet alleen van belang
voor het vakgebied pathologie, maar
werd de basis voor het \'geïntegreerd
denken\', zoals de studenten wordt aan-
geleerd aan de Faculteit der Dierge-
neeskunde te Utrecht. Verder heeft
Mouwen niet-aflatend het belang van
academische vorming verdedigd.
Naast wetenschapper en \'manager\' was
Mouwen gedurende zijn professionele
carrière ook een getalenteerd pedagoog.
Het is dankzij deze bijzondere eigen-
schap dat vele studenten zich hebben la-
ten enthousiasmeren voor het vak pa-
thologie en begrip hebben gekregen van
de relatie tussen bouw en functie.
Daardoor werd \'bouw en functie\' - de
meesten zullen zich deze uitdrukking
wel herinneren - het eerste interdiscipli-
naire onderwijstraject aan de Faculteit
der Diergeneeskunde.

Nieuwe uitgave Koninklijke Vermande:

Overzicht Diergeneesmiddelen 2000/2

Alhoewel in de Diergeneesmiddelenwet voorzien is in een Register van geregistreerde diergeneesmiddelen, bleek in de
praktijk een grote behoefte te bestaan aan gebundelde informatie met betrekking tot geregistreerde diergeneesmidde-
len. Het is de bedoeling dat met deze uitgave hieraan tegemoet gekomen wordt.

Inhoud Overzicht Diergeneesmiddelen 2000/2

In dit boek is een overzicht opgenomen van alle geregistreerde diergeneesmiddelen en werkzame stoffen bijgewerkt tot 1 okto-
ber 2000. Het bestaat uit twee delen:

• Het middelenoverzicht waarin gegevens van geregistreerde diergeneesmiddelen, alfabetisch op middelnaam; in dit over-
zicht worden de belangrijkste kenmerken van de middelen

genoemd: werkzame substanties, indicatie en wachtter-
mijn.

• Vier indexen die als hulpmiddel dienen bij het toegankelijk
maken van de gegevens uit het middelenoverzicht; de vier
indexen zijn gerangschikt op registratienummer, op regi-
stratiehouder, naar werkzame substantie en naar gemedici-
neerd voer.

De gegevens

Titel; Overzicht Diergeneesmiddelen, bijgewerkt tot
1 oktober 2000

Auteur: Bureau Registratie Diergeneesmiddelen
Bestelcode: ISBN 90 5458 936 1
Prijs: ƒ89,-
Omvang: 330 pagina\'s

Verkrijgbaar: Servicecentrum Uitgevers Koninklijke
Vermande (tel. 070-23 77 77) ofvia de boekhandel.

Daamaast wordt een overzicht gegeven van de sinds de vo-
rige editie toegevoegde en afgevoerde registraties.

Het overzicht wordt twee keer per jaar samengesteld door het
Bureau Registratie Diergeneesmiddelen.

-ocr page 15-

Stichting P. Zwart
Fonds

De \'Stichting P. Zwart Fonds\', geves-
tigd te Utrecht en opgericht ter bevorde-
ring van onderzoek op het gebied van
de Ziektekunde van Bijzondere Dieren
en Proefdieren, maakt bekend subsidie
te kunnen verlenen aan projecten.
Thans is een bedrag van circa ƒ 9000,-
te besteden.

Subsidievragenden wordt aanbevolen
vóór 15 januari 2001 te reflecteren door
inzending in drievoud van een onder-
bouwde aanvraag. Onder de bovenge-
noemde doelstellingen van de stichting
worden begrepen: onderzoek met be-
trekking tot a) spontane ziekten van bij-
zondere dieren en proefdieren, b) opti-
malisering van proefdiergebruik, c)
diergeneeskundige aspecten van het
behoud van diersoorten, en voorts al
hetgeen met deze punten rechtstreeks
of zijdelings verband houdt of daartoe
bevorderlijk kan zijn in de ruimste zin
des woords.

Eerder is subsidie verleend aan dr.
l.W.J. Debyser voor onderzoek naar
sterfte van jonge primaten in dierentui-
nen, waarvan het resultaat is verwerkt in
haar proefschrift, aan dr. W.J.M. Land-
man te Deventer voor onderzoek naar
gewrichtsamyloïdose bij vogels hetgeen
is vastgelegd in zijn proefschrift, en aan
drs. H. van Bolhuis voor parasitologisch
onderzoek bij enkele apensoorten te
Sumatra. Een afronding van dit apenon-
derzoek, dat in samenwerking met etho-
logen van de Utrechtse Universiteit
werd uitgevoerd en waarvoor ook uit
andere fondsen subsidie werd verkre-
gen, vindt plaats waardoor de resultaten
binnenkort beschikbaar zijn.
De stichting heeft een beperkt budget,
terwijl de doelstellingen zeer velen ter
harte gaan. U wordt dan ook zeer
warm aanbevolen de stichting te steu-
nen als donateur of erflater. Donaties,
schenkingen, erfstellingen en legaten
ten behoeve van de Stichting P. Zwart
Fonds kunt u doen toekomen aan de
Crediet en Effecten bank. Postbus
85100, 3508 AC Utrecht. Het reke-
ningnummer van het fonds bij deze
bank is 69.93.45.448, het gironummer
van de bank is 75651.

Prof. dr. E Gruys,
secretaris van de stichting

Ondanks de enorme omvang van het
aantal beschrijvingen van verschil-
lende diergeneesmiddelen is het Re-
pertorium een handzaam en overzich-
telijk naslagwerk geworden. Het
Repertorium is verdeeld in 16 hoofd-
stukken die elk een belangrijke hoofd-
groep (ATC-groep) representeren, zo-
als onder meer het zenuwstelsel, hart,
circulatie en bloed, tractus digestivus
en diagnostica. Bij ieder diergenees-
middel worden famiaceutische vorm,
samenstelling, doeldier(en), indica-
ties, toediening/dosering, contra-in-
dicaties, bijwerkingen, waarschuwin-
gen, bewaarcondities/houdbaarheid,
verpakking en registratienummer/ka-
nalisatiestatus - kortom alle voor de
practicus relevante infomiatie over
een bepaald diergeneesmiddel - duide-
lijk beschreven.

Het Repertorium in boekvorm

De hoofdstukindeling van het Reper-
torium in boekvorm is veranderd ten
opzichte van voorgaande edities. Al-
lereerst staan binnen de hoofdgroepen
alle merknamen van diergeneesmidde-
len op alfabet. Achter in het boek vindt
u bovendien een aantal registers, waar-
mee u kunt zoeken op werkzame stof
met de daarbij behorende merknamen,
of op productnaam en de daarbij ho-
rende werkzame stoffen. Daamaast
bevat het Repertorium een register van
fabrikanten/leveranciers en de door
hen verhandelde middelen.

Het Repertorium op cd-rom

Automatisering is onvermijdelijk en de
pc doet dan ook zijn werk in veel prak-
tijken. Voor de FIDIN was dat reden
om het Repertorium dit keer ook uit te
geven op cd-rom. Het Repertorium op
cd-rom wordt tezamen met het Reper-
torium in boekvorm geleverd. In prin-
cipe is de informatie die op de cd-rom
staat dezelfde als de informatie die te
vinden is in het Repertorium in boek-
vorm. Echter, het zoeken naar een be-
paald diergeneesmiddel zal in de prak-
tijk vaak sneller gaan met behulp van de
\'zoeker\'. Het Repertorium op cd-rom
biedt u de mogelijkheid te zoeken op:
diergeneeskundig middel, werkzame
stoffen, doeldiercodering en hiërarchie,
ATC-codering en indicatiecodering.

De \'zoeker\'

Om de infomiatie op de cd-rom snel en
eenvoudig oproepbaar te maken is een
\'zoeker\' ontwikkeld. De \'zoeker\' is in
feite een \'search-engine\' zoals deze
veelal wordt toegepast op intemet. Dit
betekent dat u zoektermen kunt invoe-
ren als: \'kalf and enteritis\'. U kunt dus
zoeken op doeldier en indicatie tege-
lijk. Het woord \'and\' (en) betekent dat
de \'zoeker\' zoekt naar een omschrij-
ving in de database waarin zowel het
woord kalf als het woord enteritis
voorkomt. U kunt ook gebmik maken
van de defmieerder \'or\' (of). De \'zoe-
ker\' zal alle omschrijvingen geven
waarin óf het woord \'kalf, óf het
woord \'enteritis\' voorkomt. Voorts zit
in de zoeker een functionaliteit die
\'thesaurus\' (thes.dat) heet. Dankzij
deze functie kunt u de \'zoeker\' uitbrei-
den met uw eigen synoniemen, waar-
door een andere schrijfwijze van bij-
voorbeeld cephalexine ook wordt
gevonden door de \'zoeker\' als u vraagt
te zoeken naar cefalexine. Een andere
manier om spellingkwesties te omzei-
len is gebraik te maken van de \'sub-
string matching\' functie. U kunt daar-
mee zoeken op delen van het woord,
bijvoorbeeld: \'amox\', waarbij u het
probleem \'amoxi\' of \'amoxy\' kunt

FIDIN Repertorium Diergeneesmiddelen 2000/2001

Onmisbare informatiebron voor practici
en andere geïnteresseerden

Begin dit jaar is het FIDIN Repertorium Diergeneesmiddelen 2000/2001 ver-
schenen. Deze achtste editie is geheel herzien en voorzien van een nieuwe, be-
ter gestructureerde en overzichtelijke hoofdstukindeling. De ruim twintig le-
den van de FIDIN (vereniging van Fabrikanten en Importeurs van
Diergeneesmiddelen In Nederland) hebben zich zeer ingespannen een volle-
dig en kwalitatief hoogstaand naslagwerk te maken voor dierenartsen en an-
dere geïnteresseerden. Naast het Repertorium in boekvorm is gezocht naar
een nieuwe en de meest efficiënte manier van zoeken in de ruim 1.300 dierge-
neesmiddelen die worden beschreven. Het resultaat is een primeur: het
FIDIN Repertorium Diergeneesmiddelen op cd-rom!

-ocr page 16-

omzeilen. Tenslotte biedt de \'zoeker\'
de mogelijkheid alleen te zoeken in
een bepaalde ATC-groep. De hoofd-
groepen zijn dezelfde als in het
Repertorium in boekvorm.

Helpdesk

De \'zoeker\', die het mogelijk maakt
informatie op meerdere manieren uit
de database te voorschijn te halen, is
een afgeleide vorm van de \'search-
engines\' van intemet. Daarom is het
noodzakelijk dat de pc waarop het
Repertorium op cd-rom wordt ge-
bruikt, beschikt over de juiste software
die moet corresponderen met het sys-
teem van de pc zelf Alle benodigde
software is op de cd-rom aanwezig.
Maar in de praktijk blijkt dat de instal-
latie van het Repertorium op cd-rom -
mede door de verschillende software
aanwezig op de cd-rom - niet ahijd
vlekkeloos verloopt. De FlDIN-leden
zijn van mening dat het Repertorium
door iedere practicus of andere geïnte-
resseerde moet kunnen worden ge-
bruikt. Daarom is een helpdesk in het
leven geroepen, ledereen die het

FIDIN Repertorium Diergeneesmid-
delen 2000/2001 heeft aangeschaft,
kan gebruik maken van de service van
de helpdesk. Daar kunt u met alle vra-
gen rond de installatie van het Re-
pertorium op cd-rom terecht. De help-
desk is op werkdagen bereikbaar onder
telefoonnummer; 072 - 528 02 22.

Onmisbaar

Het FIDIN Repertorium Diergenees-
middelen 2000/2001 is een volledige en
snel toegankelijke bron van informatie.

Repertorium nu voor gereduceerde prijs

Heeft u nog niet ervaren hoe praktisch het FIDIN Repertorium is? Of heeft u
op de praktijk al wel een exemplaar liggen, maar zou het niet handig zijn over
nog een exemplaar te beschikken? Bijvoorbeeld om het boek in de auto te heb-
ben en de cd-rom op uw computer thuis te installeren?

U kunt boek en cd-rom nu voor een gereduceerde prijs bestellen door het be-
drag van ƒ 75,- inclusief BTW en verzendkosten rechtstreeks over te maken
op girorekening 2031 116 ten name van FIDIN REPERTORIUM DIERGE-
NEESMIDDELEN, Ermelo. Zodra het bedrag is ontvangen, heeft u het
Repertorium binnen enkele dagen in huis.

De FIDIN-leden zijn gezamenlijk ver-
antwoordelijk voor een aanzienlijk deel
van de totale markt van productie en
distributie van diergeneesmiddelen in
Nederland. Hiermee is de achtste editie
van het FIDIN Repertorium Dier-
geneesmiddelen 2000/ 2001 in boek-
vorm tezamen met het FIDfN
Repertorium Diergeneesmiddelen op
cd-rom een onmisbare informatiebron
geworden, bestemd voor alle practici en
andere geïnteresseerden.

Chateau Vétérinaire viert eerste lustrum

Congressen en cursyssen

25januari 2001: dierenartsassistenten
26dl2yjanuari 200T. dierenartsen

Chateau Vétérinaire viert dit jaar
haar eerste lustrum. Ter gelegen-
heid hiervan vindt voorafgaand aan
het \'traditionele\' dierenartsencon-
gres een nascholingsdag voor die-
renartsassistenten plaats. Uiteraard
is er ook dit jaar weer de tweedaagse
nascholing voor gezelschapsdieren-
practici. De locatie: vanzelfspre-
kend Het Kasteel van Rhoon. Deze
unieke gelegenheid staat borg voor
een sfeervolle ambiance en de no-
dige gastronomische hoogtepunten.

25 januari 2001

Op de dierenartsassistentendag is er

aandacht voor ziekten van het konijn,
de puppy-party, post-operatieve zorg,
tandproblemen, gedragstherapie en de
inteme communicatie in een dierenart-
senpraktijk.

Speciaal voor dit laatste onderwerp is
een Amerikaanse deskundige aange-
trokken: mevrouw K. Gavzer, educa-
tion manager bij de lAMS University.

26 el 2y januari

Ook voor de dierenartsen voor elk wat
wils op het congres: gebits- en
mondproblemen bij de kat, de
zin en onzin van bloedtrans-
fusie, hormoongebonden
kaalheid, innovatie en
organisatie van de prak-
tijk (door mevrouw
Gavner), de röntgeno-
logische benadering
van de buik, het konijn
(in vervolg op de lezing
van vorig jaar; door me-
vrouw S. Redrobe) en de ca-
via, en tenslotte de mogelijkhe-
den van preventieve gezondheids-
programma\'s. Congresvoorzitter is
Hans van Herpen, specialist chirurgie
van gezelschapsdieren te Oisterwijk.

Voor meer informatie en inschrijvings-
formulieren: Chateau Vétérinaire,
Hooftlanden 14, 4251 BE Werkendam,
fax 0183-504944 en e-mail strik-
ker@worldonline. nl.

Chateau

Seminars & Congressen

Vétérinaire

over Diergeneeskunde

-ocr page 17-

QualiPet-C Klinische
Training

De Groep Homoeopathisch-wer-
kende Dierenartsen (GHwD) van de
KNMvD organiseert in samenwer-
king met QualiPet-C Products &
Education BV op donderdag 1 fe-
bruari 2001 van 16.00 tot 22.00 uur
in het zalencentrum Galg & Waard
te Utrecht de jaarlijkse Klinische
Training.

Ir. Bart Rossel, voedingsdeskundige,
houdt een lezing over de biochemie van
gewrichtsproblemen. Vervolgens ver-
telt drs. Atjo Westerhuis, homeopa-
thisch-werkend dierenarts, over gyne-
acologie en homeopathie bij de hond,
waarbij de organotrope en typotrope
behandelingsmogelijkheden aan de
orde komen.

Na een eenvoudig buffet is het de beurt
aan Michael Ponting (BVSc MRCVS
NDA MRAC) met een lezing over
\'Priobiotics in horses\'. Daama verzorgt
Atjo Westerhuis opnieuw een lezing,
dit maal over IBS en ICC (hond en kat).
Ook ir. Bart Rossel verzorgt een tweede
lezing, nu over huid- en voedingssup-
plementen. Atjo Westerhuis sluit de
avond af met een lezing over agressie
(hond/kat).

Aan deze Klinische Training zijn geen
kosten verbonden. Het maximaal aantal
deelnemers is 50; de volgorde van bin-
nenkomst bepaalt de inschrijving.

Informatie/aanmelding: QualiPet-C
Products & Education BV, Postbus 17,
6866 ZG Heelsum, telefoon: 0317 -
350365, fax: 031 7- 350787, e-mail:
info@qualipetc. com.

Van 16 tot en met 18 februari 2001
wordt onder leiding van prof dr. Klaus
Bonath weer een Duitstalige basiscur-
sus osteosynthese-technieken gezel-
schapsdieren gehouden aan de Uni-
versiteit van Glessen. In deze drie-
daagse cursus worden een grote reeks
voordrachten aangevuld met uitge-
breide praktische oefeningen aan
kunststofbotten.

Voor een programma en meer infor-
matie kunt u zich wenden tot:
Informationsbüro der AO in Glessen,
Abteilung für Allgemeine und Experi-

Na de geslaagde reizen naar de
WSAVA-congressen in Wenen, Ro-
me, Durban, Jeruzalem en Buenos
Aires is Aesculaap van plan weer een
congresreis te organiseren naar het 26^
congres van de World Small Animal
Veterinary Association.
De plaats van samenkomst van veteri-
nairen uit de hele wereld is ditmaal
Vancouver in het westen van Canada
van 8 tot en met 11 augustus 2001.

Parallel aan dit congres organiseert de
Canadian Veterinary Medical Asso-
ciation een driedaags programma voor
paarden- en grote huisdieren-practici.

Na het congres ligt het in de bedoeling
een post congrestour te houden van
circa één week.

De gedachten gaan uit naar onder an-
mentelle Chirurgie der Chirurgische
Veterinärklinik, c/o Walter Gilbert.
Frankfurterstrasse 108 D-35392 GIES-
SEN. Telefoon: 0049-641 99 38562,
fax:0049-641 9938519.
E-mail: walter.gilbert@vetmed.uni-gies
sen.de.

AO-Vet. Osteosynthese Basiscursus 2001 in Ciessen

Internet: http://www. uni-giessen. de/~
gil071 /osteosynthesebasiskurs.htm.
U kunt ook telefonische inlichtingen
verkrijgen bij de AO-Vet. Commis-
sioner voor Nederland: Prof. F.J.
Meutstege te Bilthoven (030-2201621)
of via e-mail het programma opvra-
gen: meutß@knoware.nl.

Aesculaap organiseert congresreis 26® WSAVA-
congres Vancouver 8-n augustus 2001

dere een spectaculaire treinreis met de
wereldberoemde Rocky Mountaneer
of een Alaska Cruise naar beroemde
plaatsen uit de tijd van de Alaska
Goldrush aan het eind van de negen-
tiende eeuw.

Geïnteresseerde congresgangers die
met Aesculaap de \'stoute\' reisschoe-
nen willen gaan aantrekken, worden
verzocht contact op te nemen. Binnen-
kort zal u dan het preliminary program
van het WSAVA-congres met een
reisvoorstel voor de post congrestour
worden toegezonden.

Voor nadere inlichtingen:
Aesculaap bv
Dhr. Frans Sluyters
Tel: 0411 675915
e-mail: aesculaaphv(^wxs.nl

Symposium DSK

\'Vaccinatie, het einde?\'

Met het thema \'Vaccinatie, het einde?\' organiseert de Symposiumcommissie
van de Diergeneeskundige Studenten Kring op woensdag 17 januari 2001
haar jaarlijkse symposium.

belang in de landbouwhuisdierensec-
tor en voor de dierenarts. Ook in de ge-
zelschapsdierensector wordt vaak rou-
tinematig gevaccineerd. De jaarlijkse

Vaccinatie is een belangrijk onderdeel
in de preventie van infectieziekten.
Vaccinaties worden zeer veelvuldig
uitgevoerd en zijn hiermee van groot
enting met een cocktail-vaccin is hele-
maal ingeburgerd. Dit vaccineren ge-
beurt op het huidige moment vaak on-
der het mom van \'Baadt het niet, dan
schaadt het niet.\'

-ocr page 18-

Actua

De laatste tijd komt er meer discussie
op gang met betrekking tot deze jaar-
lijkse entingen bij gezelschapsdieren,
ook het non-vaccinatiebeleid van de
Europese Unie heeft hierop grote in-
vloed.

Er wordt meer gedacht aan een \'tail-
ored\' (op maat gemaakte) vaccinatie.
Hierbij speelt de dierenarts de centrale
rol. Van groot belang is dan de kennis
van de dierenarts op het vlak van infec-
tieziekten (epidemiologie). Daamaast
is kennis van de immunologische ei-
genschappen van de vaccins noodzake-
lijk en dan met name met betrekking tot
de duur van de immuniteit en de veilig-
heid van het vaccin (bijwerkingen).
Ook vragen als \'Moet elk onderdeel
van het cocktail-vaccin elk jaar her-
haald worden?\', \'Tot welke leeftijd is
het dier vatbaar?\', \'Wegen de voorde-
len van de vaccinatie op tegen de ge-
maakte kosten en bijwerkingen?\' zijn
vragen die pas beantwoord kunnen
worden als er een ter dege basiskennis
van infectieziekten en vaccins is.
Deze vragen, maar ook de toekomst
van vaccinatie (vooral een politieke
keuze?), zullen op het symposium aan
de orde komen. Met sprekers als dr.
H.F. Egberink, dr. V.P.M.G. Rutten,
dr. E.O. Rijke en dr. P.A.M. Over-
gaauw zal het symposium allerlei as-
pecten van de vaccinatie de revue laten
passeren.

Tevens zal prof dr. A.D.M.E. Oster-
haus een uitstapje maken naar de hu-
mane sector en vertellen over de pro-
blemen die spelen bij het ontwikkelen
van vaccin (in dit de geval) tegen HIV.
De hele dag zal onder leiding staan van
prof dr. B.A.M. van der Zeijst.

Kaartverkoop aan de deur (op=op) en
tot 10 januari 2001 te bestellen bij
Merel Jansen (030-2762075 of 06-
29261642).

Immunocastratie een stap verder in de Verdinglijking\' van het varken

@

De oud-voorzitter van de Commissie
Ethiek van de KNMvD, collega J.M.
Wijsmuller, heeft naar aanleiding van
een bezoek aan het ID-Lelystad en het
standpunt van de KNMvD over de cas-
tratie van varkens, verwoord in de nota
\'Castratie van varkens: doen of laten?\'
(TvD van 1 oktober 1999, pagina 584-
586) en de commentaren daarop ge-
meend zijn aanvankelijk afwijzend
standpunt over de immunocastratie
van het varken te moeten heroverwe-
gen (TvD van 15 november 2000, pa-
gina 685). Wijsmuller komt tot de slot-
som dat hij het immunologisch castreren
van varkens in principe aanvaardbaar
vindt. Voorts heeft hij beargumenteerd
waarom immunocastratie de voorkeur
verdient boven de gebruikelijke chi-
mrgische castratie. Zijn betoog heeft
mij ertoe gebracht enig weerwoord te
geven.

Blijkbaar is Wijsmuller onder de in-
druk van het positieve verhaal van het
ID-Lelystad over de immunocastratie.
Het ID-Lelystad, dat onderzoek doet
naar het immunologisch castreren van
varkens, vindt immunocastratie een
goed alternatief voor het chirargisch
castreren (zie onder andere TvD van
15 november 1999, pagina 693).
Wijsmuller deelt deze opvatting. Hij
komt tot deze conclusie op grond van
zijn veronderstelling dat immunocas-
tratie uit een oogpunt van gezondheid
en welzijn beter is dan chimrgische
castratie. Ik kan het daarmee eens zijn,
hoewel ik voorzichtig moet zijn omdat
er nog maar weinig bekend is over de
effecten van immunocastratie op de
gezondheid en het welzijn.
Daamaast verwijst Wijsmuller naar de
integriteit van het dier, maar daarover
is hij onhelder. Hoewel Wijsmuller
volmondig erkent dat castratie een
aantasting van de integriteit is, blijkt
uit zijn betoog dat hij integriteitsaan-
tasting op één lijn stelt met aantasting
van de gezondheid en het welzijn. Zo
brengt hij integriteit in verband met
gevoelens van dieren: \'Dat dieren zich
bewust zouden herinneren hoe hun ge-
voelens vóór de castratie waren, acht
ik onwaarschijnlijk\'. Het is een on-
juiste voorstelling van zaken als inte-
griteitsaantasting wordt beoordeeld
aan de hand van de effecten op de ge-
zondheid en het welzijn van het dier.
Om te beoordelen of een aantasting
van het welzijn al dan niet moreel aan-
vaardbaar is, hebben wij het integri-
teitsbegrip niet nodig. Daar hebben wij
het morele principe van \'geen schade
toebrengen\' voor. Bij integriteit gaat
het om meer.

Ingezonden

De term integriteit van het dier ver-
wijst naar een morele norm van respect
voor het leven van dieren. Het is een
criterium dat gestalte geeft aan respect
voor dieren
voorbij de zorg voor hun
gezondheid en welzijn. Het morele
principe van respect voor de integriteit
drukt een verplichting uit dat mensen
dieren \'biologisch intact\' laten, met
andere woorden, dat mensen rekening
houden met het \'varken-zijn\' van een
varken, het \'koe-zijn\' van een koe en
het \'hond-zijn\' van een hond. Respect
voor de integriteit moet worden be-
schouwd als een aanvulling op wel-
zijnsoverwegingen. Dit betekent dat
beoordeling van een aantasting van de
integriteit in principe plaatsvindt, los
van de eventuele nadelige gevolgen
voor de gezondheid en het welzijn van
het dier. Integriteitsaantasting is dus
niet hetzelfde als benadeling van de
gezondheid en het welzijn.
In de zin van \'biologische intactheid\'
is er bij chirurgische castratie sprake
van een aantasting van de integriteit.
Door het dier chirurgisch te castreren
nemen we iets van het dier weg dat ei-
gen is aan het dier. Hetzelfde geldt
voor immunocastratie. Immunocastra-
tie bemst op de werking van antistof-
fen tegen het Gonadotrophine Re-
leasing Hormoon (GnRH). Wanneer
dit hormoon door antistoffen wordt ge-
neutraliseerd - bijvoorbeeld door mid-
del van een \'GnRH-vaccin\' - worden
de ontwikkeling en het functioneren
van de testes en daarmee het ontstaan
van berengeur onderdrukt. Met immu-
nocastratie wordt ingegrepen in het
soorteigen biologisch systeem en dus
in het \'varken-zijn\' van het varken.
In het licht van respect voor de integri-
teit van het dier kan immunocastratie
worden gezien als een volgende stap in
de \'verdinglijking\' van het dier. Uit
maatschappelijke discussies over bij-

-ocr page 19-

voorbeeld de intensieve veehouderij en
biotechnologie bij dieren blijkt dat er
een groeiende weerstand is tegen een
verdergaande reductie van dier tot ding,
niet alleen uit een oogpunt van welzijn
van dieren, maar ook uit respect voor de
integriteit van het dier. Deze weerstand
tegen verdergaande \'verdinglijking\' is
een mogelijke verklaring voor de waar-
schijnlijk lage publieksacceptatie van
immunocastratie. Hoewel hiernaar nog
geen empirisch sociologisch onderzoek
is gedaan, is men in de varkenssector
bevreesd dat immunocastratie het
imago van varkensvlees negatief zal
beïnvloeden vanwege de associatie met
\'hormoonvlees\' en een \'onnatuurlijke
productiewijze\'. Immunocastratie is
niet verenigbaar met het beeld van een
\'natuurlijke\' productiewijze.

Wijsmuller verwacht dat consumenten
weinig problemen met immunocastra-
tie zullen hebben als zij goed worden
geïnformeerd. Hij baseert dit op de
veronderstelling dat er geen restpro-
ducten van immunocastratie in het
vlees zullen voorkomen en dat de ge-
zondheid en het welzijn niet worden
benadeeld. Dit zijn belangrijke argu-
menten, maar niet de enige die tellen.
Zoals hierboven uiteengezet zullen
ook argumenten die kunnen worden
ontleend aan het principe van respect
voor de integriteit van het dier in de af-
weging moeten worden betrokken. Dit
betekent geenszins dat helemaal niet
meer mag worden ingegrepen in het le-
ven van dieren. Evenals dit het geval is
bij de morele beoordeling van het wel-
zijn van dieren, gaat het er om dat re-
spect voor de integriteit wordt afgewo-
gen tegen de redelijkheid van het doel
van de chimrgische en immunologi-
sche castratie. Op basis van respect
voor de integriteit van het dier en het
bestaan van altematieven om beren-
geur te voorkomen, is de KNMvD tot
het weloverwogen oordeel gekomen
dat immunocastratie dient te worden
afgewezen (TvD 15 januari 2000, pa-
gina 68). Aan het ontwikkelen en ope-
rationaliseren van alternatieven om
berengeur te voorkomen hangt een
prijskaartje, zoals Wijsmuller terecht
stelt. Een samenleving die de gezond-
heid, het welzijn en de integriteit van
het dier hoog in het vaandel heeft staan
moet bereid zijn deze prijs te betalen.

m

L.J.E. Rutgers

I

m

Enkele praktische opmerkingen bij de Rubriek Vraag en Antwoord over KI bij de hond

Zelf doe ik al bijna 25 jaar redelijk veel

KI bij honden, met vers sperma.

De resultaten zijn goed, ook grote nes-
ten.

De kunst is mij geleerd door dr. J.

Hendrikse van Verloskunde.

• Laat de teef en reu op een mstig mo-
ment naar de praktijk komen, liefst
niet als de eigenaren al een halve dag
of soms nog langer bezig geweest
zijn om het alsnog op een natuurlijke
wijze voor elkaar te krijgen. Er
wordt dan in paniek gebeld met de
vraag kan er nog een KI gebeuren.
Heel vaak als ze dan komen heeft de
reu zijn kmit al verschoten. Beter is
dan de volgende dag te beginnen.

• Vergewis je van het juiste dektijd-
stip. Altijd eerst klinisch onderzoe-
ken;

• uitvloeiing: moet helder zijn (bijna
geen bloed);

• zwelling vulva: moet over het hoog-
tepunt heen zijn;

• sta-reflex: moet voor de reu aanwe-
zig zijn, daamaast is een proge-
steron-bepaling RIA verre te verkie-
zen boven Elisa (test-kits Elisa geven
vaak een te vroeg dektijdstip aan).

warmd is en één druppel sperma op
een voorwerpglaasje plaatsen voor
controle.

• Daama de kleine of middelgrote
hond op tafel zetten, een grote hond
laat men op de grond staan. Eigenaar
hond bij de kop laten vasthouden en
hond laten toespreken. Een helper
beurt de hond van achteren op, met
handen in de liezen, zodat de hond in
een hoek van SOT komt te staan.
Let wel, beslist geen arm onder de
buik van de hond om haar op te beu-
ren, dit maakt dat de cervix omhoog
wordt gedrukt, waardoor het inge-
brachte sperma weer terugloopt.
Ook bij het van tafel beuren, nooit
arm onder de buik.

• Nu sperma opzuigen in voorver-
warmde 10 of 20cc wegwerpspuit
met Buster-inseminatie-pipet voor
honden. Het sperma zo craniaal mo-
gelijk inbrengen in de vagina. Nog
een halve spuit lucht naspuiten.

• Hier direct opvolgend manueel (met
plastic handschoen) de koppeling
minimaal tien minuten nabootsen.
Tijdens de \'koppeling\' de hond lang-
zaam van achteren laten zakken.

• Als laatste de eigenaar nog een
kwartiertje met de teef laten lopen.

Zorgen dat ze niet plast. (Dus voor
de dekking goed uitlaten.)

• Dit hele ritueel eventueel na 48 uur
herhalen. In principe doe ik altijd
tweemaal KI.

• Het manueel nabootsen van de kop-
peling welke ik in het artikel mis en
andere collega\'s vaak niet \'willen
doen\', is erg belangrijk voor het sla-
gen van de dekking. Het geeft een be-
paalde ritmische samentrekking van
de spieren van het geslachtsapparaat,
waardoor het sperma op de juiste
plaats in de eileider komt.

Dit als praktische aanvulling op het ar-
tikel van collega drs. J.T. Bosje.

G.J. Bisperink,
praktiserend dierenarts
te Hoogeveen

-ocr page 20-

Own

iUn,

VWäjj

no

Ol<n
HO

«ln

... «Jüt,;««- ass

\'«cm. ^

-ocr page 21-

PRRS

rvet
PRR5

itc

an

aanP®"

eer.

ifitr
in

«ieuwc

Groot nieu;^

nam

ccin

va

S

cher
PrRS

Een

kte-

bes

szie

kafi

de

De

nu

.d3<

gebase ^^^^

te"\'

ia"

vJ\'

Ten

bou»«

hc"

va"

taenoorloi\' ,, de f Hon^"\'"!

de

dJ"

Samenstelling: Porcilis» PRRS bevat per dosis van 2ml. (I.M.) minimaal IO TCID;„ PRRS virus, stam DV. Doeldier: Varkens van 6.9 weken leeftijd. Indicatie(s): Actieve Immunisatie van klinisch gezonde varkens in een door PRRS
• geïnfecteerde omgeving, ter reductie van de infectie veroorzaakt door Europese stammen van het PRRS virus. Contra-indicaties: Niet gebruiken in fok- en vermeerderingsdieren. Bijwerkingen: Geringe klinische verschijnselen
worden soms waargenomen na vaccinatie. Na intramusculaire injectie kan een voorbijgaande verhoging van de lichaamstemperatuur optreden. Wachttijd: O dagen. Overige informatie: Zie bijsluiter REC NL 09815 UDD.

-ocr page 22-

De Voorjaarsdagen: elk jaar weer een groot feest

Zo werd in april 1968 de eerste \'Voor-
jaarsdag\' gehouden. Deze vond plaats in
het lange pijpenla-achtige zaaltje in het
toenmalige hotel Des Pays-Bas aan het
Janskerkhof De start was dramatisch:
het projectiescherm was zo groot dat het
onder het plafond klem kwam te zitten
en de voorzitter van de Groep had zich
verslapen: hij verscheen een halve mi-
nuut voor de aanvang van de bijeen-
komst. Maar daama veriiep alles prima
en de ongeveer vijfenzestig aanwezigen
betoonden zich na afloop zeer tevreden.
Halverwege was er een gemeenschap-
pelijke koffietafel - gezien de hoge kos-
ten ad ƒ 15,- niet door iedereen in dank
aanvaard - en er was ook al het begin
van een commerciële tentoonstelling:
op twee tafeltjes, bedekt met een don-
kergroen kleed, lagen wat instmmenten
en verbandmiddelen. De deelnemers
ontvingen echte proceedings, dit vooral
op sterke aandrang van college Verwer.

\'Voorjaarsdag\'

De naam \'Vooijaarsdag\' was door het
Groepsbestuur gekozen omdat men toen
al dacht aan een \'Najaarsdag\'; deze zou
echter pas veel later worden gereali-
seerd. Bij de keuze van de naam werd
meteen ook al rekening gehouden met
de mogelijkheid van een tweedaags ge-
beuren: \'Vooijaarsdagen\'. Dat deze
\'Vooqaarsdagen\' een dergelijk grote
vlucht zouden nemen en dat de
\'Voorjaarsdagen\' - ondanks de voor
buitenlanders onbegrijpelijke en vaak
onuitspreekbare naam - een begrip zou-
den gaan worden, kon het
Groepsbestuur van 1968 echter nauwe-
lijks voorzien.

Tot 1968 bestonden de bijeenkomsten van de Groep Geneeskunde van het
Kleine Huisdier slechts in één vorm, zo viel ook in het artikel van dr. Peter
Poll te lezen: een vergadering in de demonstratiezaal van de Kliniek aan de
Alexander Numankade. Deze vergadering bestond uit een huishoudelijk en
een wetenschappelijk gedeelte. Door de toename van de maatschappelijke
problemen waarmee de Groep werd geconfronteerd, kwam het wetenschap-
pelijke gedeelte steeds meer in de knel, terwijl er juist in het vakgebied genees-
kunde van het kleine huisdier - zo heette dat toen nog - enorme vernieuwin-
gen en verbeteringen plaatsvonden. Vooral op instigatie van schrijver dezes
ontstond in het bestuur van de Groep zo het plan om in navolging van de
Engelse en Duitse collega (schrijver dezes ging als student met zijn vader al
naar het BSAVA Congress in 1949) eens een vergadering van een gehele dag
te beleggen waarin het huishoudelijk gedeelte tot een minimum beperkt zou
blijven, en waarin het accent zo geheel op de vorderingen in het vakgebied ge-
legd kon worden. Er moest wél een huishoudelijk gedeelte zijn, anders kon de
bijeenkomst niet genummerd worden.

Naar de RAI

In het voorjaar van 1969 werd wederom
in hotel Des Pays-Bas een dagpro-
gramma gepresenteerd, maar in 1970
werd het menens: een tweedaags inter-
nationaal congres met simultaanver-
taling in het Engels, Duits (en later
Frans) in het RAI-congrescentmm in
Amsterdam. De keuze viel op Amster-
dam vanwege de voortreffelijke facili-
teiten in de RAI, de aantrekkelijkheid
van Amsterdam als congresstad, de
goede bereikbaarheid voor buitenlandse
collegae en de centrale ligging tussen
buurianden met gelijkgerichte interes-
ses, en natuurlijk ook omdat de voorzit-
ter van de Commissie \'Voorjaarsdagen\'
daar toevallig woonde!
Een zeer gevarieerd programma met
voordrachten door gerenommeerde bui-
tenlandse en binnenlandse sprekers en
\'vrije mededelingen\' uit onze faculteit
en de industrie, trok zo\'n 175 dierenart-
sen aan. De formule bleek een succes:
sedertdien zijn de \'Vooijaarsdagen\' een
bijna niet meer weg te denken jaariijks
evenement. Tevens zijn daarmee de
\'Vooijaarsdagen\' het oudste intematio-
nale congres in de RAI, dat zonder on-
derbrekingen is gehouden.

Door prof. dr. J.E. Gajentaan

Reservefonds

De financiering van een in die dagen zo
grootschalig evenement was een opera-
tie apart. Schrijver dezes (toen voorzit-
ter van de Commissie \'Voorjaars-
dagen\') ging op bezoek bij de heer
Hofhuis, voorzitter van de FIDIN, en
wist te regelen dat door een viertal
FIDfN-leden een reservefonds van
ƒ 4000,- werd bijeengebracht om het
congres vóór te financieren en om even-
tuele tekorten op te kunnen vangen. Het
is gelukkig nooit nodig geweest dit be-
drag aan te spreken, het moet dus nog er-
gens in de balans van de \'Voorjaarsda-
gen\' temg te vinden zijn.

IJzersterke formule

Al spoedig groeiden de \'Voorjaars-
dagen\' uit tot een driedaags congres
waar de deelnemers tussen verschil-
lende programma-onderdelen konden/
moesten kiezen. Ook werd telkens een
\'wet-lab\' georganiseerd, meestal in de
Universiteitskliniek in Utrecht. Dat de
formule van de \'Voorjaarsdagen\' goed
was, bleek wel toen de Franse collegae
het concept tot in de details kopieerden;
daar doen ze overigens helemaal niet ge-
heimzinnig over. Tot op heden is de pro-
grammastmctuur van het jaarcongres
van de CNVSPA precies zoals die van
de \'Voorjaarsdagen\'.

Prinses Beatrix

Een hoogtepunt was natuurlijk het we-
reldcongres van de World Small Animal
Veterinary Association (WSAVA) dat
in april 1977 samen met de \'Voor-
jaarsdagen\' werd gehouden in Amster-
dam. De formule van de \'Voorjaars-
dagen\' werd gehandhaafd, maar het
congres duurde deze keer vier in plaats
van drie dagen. Bijna 800 dierenartsen
uit de gehele wereld stroomden toe, in
die dagen een ongekend aantal. De ope-
ningsceremonie van het congres werd
bijgewoond door (toen nog) prinses
Beatrix, een door de Congrescommissie
en het Groepsbesmur hooggewaar-
deerde erkenning. Vele veterinaire co-
ryfeeën kwamen naar Nederland om het
woord te voeren, er was een indmkwek-

-ocr page 23-

kende tentoonstelling van geneesmid-
del* en instrumentenfirma\'s, kortom de
droom van 1968 werd nu realiteit. De
penningmeester van de Groep, tevens
penningmeester van de \'Voorjaars-
dagen\' had veel slapeloze nachten, maar
aan het eind kwam alles gelukkig goed:
het wereldcongres kon worden afgeslo-
ten met een batig saldo van ƒ 26,02!

Wereldtop

Door de jaren heen is het de Commissie
\'Voorjaarsdagen\' telkens weer gelukt
de top in de wereld van de geneeskunde
van gezelschapsdieren naar Amster-
dam te brengen. Onder voorzitterschap
van achtereenvolgens Jan Gajentaan,
Peter Poll, Pieter Goedhart, Frans ter
Beek, Herman Hazewinkel en Hein
Meyer, kreeg de Nederlandse dieren-
arts de gelegenheid topcollegae als Bob
Kirk, Steve Ettinger, Keith Bamett,
Saki Paatsama, Max Appel, Danny
Scott en Carl Osborne \'live\' te zien en
te beluisteren. Maar ook de \'lagere
sprekersregionen\' werden niet ver-
smaad. Vele Utrechtse stafleden heb-
ben hun eerste voordracht voor een
groot publiek op de \'Voorjaarsdagen\'
afgestoken en al vele jaren wordt door
Waltham de schrijver (m/v) van het
beste studentenreferaat voor het hou-
den van een voordracht op de \'Voor-
jaarsdagen\' gesponsord. Ook vakge-
bieden die aan de grenzen van de
geneeskunde van gezelschapsdieren
staan zijn door de Commissie \'Voor-
jaarsdagen\' altijd nadrukkelijk in het
programma betrokken. Zo hebben
sprekers uit vakgebieden als virologie,
pathologie, radiologie, farmacologie
en apotheek, ethologie en praktijkma-
nagement steeds weer zeer gewaar-
deerde bijdragen geleverd.

Professioneler

In de tachtiger jaren werden de \'Voor-
jaarsdagen\' veel professioneler. In
plaats van echtgenotes van de leden van
de commissie \'Voorjaarsdagen\' - de
commissie bestond uitsluitend uit man-
nen - kwamen nu echte baliemedewerk-
ster in de inschrijving, en keurig zwart-
gepakte ouderejaars studenten contro-
leerden of iedereen wel een badge
droeg, en dus betaald had. Dit is tot op
de dag van vandaag de gewoonte.
De belangstelling van de industrie - die
een tijd lang sterk tanend was - werd
door het stijgend aantal Nederiandse
practici en paraveterinairen die de
\'Vooijaarsdagen\' bezochten, meer dan
hersteld. Zelfs op de laatste dag van het
congres - de zondag - blijven tegen-
woordig de meeste stands overeind, een
twintig jaar geleden volkomen onbe-
spreekbare gedachte.

DANS

In 1978 werd voor het eerst een neven-
congres voor dierenartsassistentes en re-
ceptionistes georganiseerd: de DANS
(DierenartsAssistenten NaScholing).
Naast het aanbieden van nascholing wa-
ren de achteriiggende doelstellingen dat
de assistentes maar eens moesten weten
wat hun baas, c.q. bazin, in Amsterdam
deed, het contact met de industrie te ver-
beteren, maar vooral een stukje erken-
ning van de dierenartsassistente. De
Commissie \'Vooijaarsdagen\' heeft lang
geaarzeld om dit organiseren; er waren
commissieleden die voorspelden dat er
geen vijfentwintig op zouden komen da-
gen. De realiteit was totaal anders: de
eerste keer kwamen er tweehonderd
deelnemers, waardoor de zaal meteen
helemaal vol zat. Sindsdien ging het
crescendo: in 1999 meer dan 1250
DANS-dames (én enkele heren). Het
programma is inmiddels uitgebreid tot
twee dagen. Het is zeker dat mede door
het succes van het DANS-programma,
thans de tentoonstelling tot ongekende
grootte is uitgegroeid.
Zo lijken de drie doelen die het
Groepsbestuur met het opzetten van de
\'Voorjaarsdagen\' 1968 voor ogen had,
in ruim dertig jaar voortreffelijk gereali-
seerd:

1. hoogwaardige vakmatige nascholing

2. contact mét, en informatie vanuit de
industrie en

3. gezellige, sociale contacten met col-
legae.

Toxicologie

Common causes of poisoning in small
animals.

Campbell A. In Practice 1999; 27:244-9.

Gegevens over vergiftigingsgevallen bij
gezelschapsdieren die ter kennis kwa-
men van het Veterinary Poisons Infor-
mation Centrum in Engeland, worden
geanalyseerd aan de hand van onderzoe-
ken in de jaren 1993-1998. Ingegaan

Wereldcongres 2000

In april 2000 verzorgden de \'Voor-
jaarsdagen\' onder voorzitterschap van
Hein Meyer in Amsterdam het Wereld-
congres van de WSAVA en het
Jaarcongres van de Federation of Euro-
pean Companion Animal Veterinary
Associations (FECAVA). Dat werd een
\'knaller\': meer dan 2500 collegae, ruim
1300 assistentes en bijna duizend deel-
nemers die de tentoonstelling beman-
den.

De uitstraling van dit wereldcongres dat
meer buitenlandse gezelschapsdieren-
practici trok dan bijvoorbeeld de we-
reldcongressen Birmingham en Lon-
den, was er één van professionaliteit en
gezelligheid. De huidige Vooijaars-
dagencommissie heeft bijvoorbeeld een
marketingbureau in de arm genomen
om een contemporain en efficiënt PR-
en marketingbeleid op te stellen. Maar
ondanks de grote schaal van het congres
dit jaar, is de oer-Hollandse sfeer en
gastvrijheid dezelfde gebleven. On-
danks het tragische verlies van de zeer
dierbare vriendin en collega Michèle
Kruip, vlak voor het wereldcongres, is
de commissie erin geslaagd om veteri-
nair Nederland weer eens zeer promi-
nent op de kaart te zetten!
In deze tijden is het vrijwel uniek te noe-
men dat een groepje enthousiastelingen
pro deo, naast hun gewone baan, een
dergelijk project volbrengt. Maar wat al-
tijd in de commissie heeft gegolden en
hopelijk nog tijden zo zal blijven: de
vriendschap en het gemeenschappelijke
doel maken elke \'Vooijaarsdagen\' weer
tot een groot feest!

wordt op de frequentie van voorkomen,
de klinische verschijnselen, de behande-
ling en de prognose. Tabellen verduide-
lijken de tekst. Hoog genoteerd staan
vergiftigingen als ontstekingsremmers
(Ibuprofen en andere NSAID\'s), pijnstil-
lers (paracetamol), middelen ter bestrij-
ding van kleine knaagdieren (anticoagu-
lantia), van slakken (metaldehyde) en
van onkruid (paraquat). Het eten van
chocolade (theobromine) en van synthe-
tische vitaminepreparaten (calcipotriol)
door honden kan ziekte veroorzaken.
Gesteld wordt dat het aantal vergifti-
gingsgevallen dat bekend wordt slechts
een fractie is van hetgeen werkelijk
voorkomt.

Dr. J.P. W.M. Akkermans

-ocr page 24-

Infectieziekten

Orf (contagious pustular dermatitis)
in farmworkers: prevalence and risk
factors in three areas of England

Paiba GA et al. Vet Ree 1999; 145: j-n.

Orf, in Nederland meestal ecthyma ge-
noemd, is een huidziekte die frequent
bij schapen maar ook wel bij geiten
voorkomt en die vooral de huid
rondom de bek aantast (zere bekjes-
ziekte).

De infectie kan ook op de mens over-
gaan en geeft dan een eruptie van
knobbeltjes, blaasjes en acné op hand
en arm en incidenteel op de lippen en
op het mondslijmvlies.
De verwekker behoort tot de paravac-
ciniavirussen.

Het doel van het beschreven onder-
zoek was het voorkomen van orf bij
schapenhouders en -verzorgers na te
gaan en de resultaten te relateren aan
een aantal parameters zoals de fre-
quentie van de contacten met schapen,
herdershonden, ratten, nageboortes,
abortusgevallen en dergelijke.
De bedrijven die in drie graafschappen
lagen, werden bezocht door een enquê-
teur die een jaar later het bezoek her-
haalde. Bij een aantal personen werd
bloed verzameld voor onderzoek op
antilichamen.

De resultaten werden statistisch be-
werkt. Van de 606 ondervraagden gaf
23 procent aan ooit ecthyma te hebben
gehad, vier procent had antilichamen
tegen de verwekker en in het onder-
zochte jaar had bijna drie procent de
besmetting opgelopen. Sommigen
hadden meerdere malen aan deze aan-
doening geleden.

Er bleek een duidelijke relatie te be-
staan tussen last hebben van ecthyma
en bedrijfsgrootte, het aantal contacten
met schapen en het aantal contacten
met herdershonden. Er bestonden ook
streekverschillen.

Antilichamen konden niet bij alle aan
ecthyma lijdende personen worden ge-
vonden. Voorts waren anderen serolo-
gisch positief, die klinisch nooit aan
deze huidziekte hadden geleden. Af-
weerstoffen werden aangetoond met
behulp van een virusblokkeringstest in
celkweken, gevolgd door immuno-
fluorescentie.

Dr. J.P. W.M. Akkermans

Zoönosen

De immuunrespons van SPF-katten
tegen Bartonella henselae (experi-
mentele) infecties

L. CuptiH, L. Salter, Cing-Chmg Wu, LT.
Clickman, Tsang-Long Lin, D.F. Welch,
J. Tobolsk/Crippen en H. HogenEsch. Vet
Imm Immunopath
7999; 71; 233-43.

Bartonella henselae is sinds een aantal
jaren bekend als de verwekker van kat-
tenkrabziekte bij de mens. Daarnaast
zijn casussen bij de mens beschreven
van endocarditis, bacillaire angioma-
tose, telkens terugkerende koortspe-
rioden, etcetera, alle veroorzaakt door
deze bacterie.

B. henselae kan onder andere uit het
bloed van katten worden geïsoleerd,
zonder dat de dieren ziekteverschijnse-
len vertonen. De route waarop katten
elkaar besmetten is niet duidelijk;
waarschijnlijk niet door bijten, vechten

E.M. Heidens; SR 955/99:56 pp.

In het eerste deel worden gegevens
vermeld die verkregen werden bij een
literatuurstudie over BVD en die be-
trekking hadden op de etiologie, de
Pa-
thogenese, de klinische verschijnse-
len, de diagnostiek, de vaccinatie en de
economische schade. In het tweede
deel volgt een analyse van economi-
sche gevolgen van een herinfectie van
het BVD-virus op een vrij bedrijf
Hiervoor werd als model het bestaande
bedrijf\'De Tolakker\' van de Faculteit
der Diergeneeskunde gebruikt.
Hierbij werd uitgegaan van de vol-
gende aannames:

• Het houden van de dieren in twee
groepen te weten jong en oud.

• BVD-vrije status (noch virus, noch
antilichamen).

• Herinfectie geschiedt door geboorte
van een BVD-virus dragend kalf

of krabben, mogelijk wel via vlooien.
Doel van het onderzoek van de auteurs
was om na te gaan of experimentele
orale of intradermale besmetting van
jonge SPF-katten tot een langer du-
rende bacteriaemie zou leiden. Hier-
voor werden vier nestjes op genoemde
wijzen in de eerste levensweek geïn-
fecteerd. Duidelijke klinische sympto-
men deden zich niet voor. Alle dieren
werden gedurende 10-16 weken bacte-
riaemisch. De oraal geïnfecteerde die-
ren ontwikkelden geen IgG-antistoffen
tegen B. henselae, doch de intrader-
maal geïnfecteerde dieren wel. Onaf-
hankelijk hiervan werden alle dieren
negatief in het bloed ten aanzien van
B. henselae.

Een interessant resultaat is wel dat
jonge katten oraal geïnfecteerd kunnen
raken; dus mogelijk ook door het op-
likken van besmette vlooien dan wel
het opeten van besmette knaagdieren.

Dr. J. Goudswaard

BVD en de te verwachten economische schade bij
herinfectie van een BVDV-vrij bedrijf

• De melkproductie bedraagt 8000 kg
per lactatie.

• De melkprijs is 13 cent hoger door
de ecologische bedrijfsvoering.

• Alle kalveren worden besmet wan-
neer het dragerdier wordt toege-
voegd.

• De infectie wordt binnen twee jaar
tot staan gebracht.

Berekend werden de schades die het
gevolg zouden kunnen zijn van:

• Medicijnkosten en dierenartsbe-
zoek.

• Sterfte.

• Melkproductiedaling.

• Abortus of geboorte weinig levens-
krachtig kalf

• Lagere melkprijs.

• Minder waarde bij verkoop.

Berekend werd dat het verlies voor dit
bedrijf onder de geschetste omstandig-
heden voor het eerste jaar zouden be-
dragen ƒ 450,- en voor het tweedejaar
ƒ 4.888,-. In totaal is dit ƒ 5.238,-. Per
lacterend rund (op moment onderzoek
waren er 55) komt dit neer op een be-
drag van ƒ 50,- per jaar.

-ocr page 25-

W.J. Entjes en G.A. Goud. SR 804/^8:
24 PP-

Ethoxyquin is een synthetisch anti-
ox idans dat als voederadditief ge-
bruikt wordt om ranzigheid van vet-
ten tegen te gaan. Toepassing in voe-
dingsmiddelen voor de mens is ver-
boden. Ook tegen het gebruik ervan
in diervoeders bestaan bedenkingen.
Het zou problemen geven ten aanzien
van de conditie, de huid en de gravi-
diteit.

Schrijvers deden een literatuurstudie
naar gegevens over de uitscheiding en
over de toxiciteit van genoemd prepa-
raat en van mogelijke metabolieten.
Geconcludeerd wordt dat de uitschei-
ding bijna 100% is en voorts dat er
geen verband bestaat tussen bovenver-
melde klachten en het gebmik van dit
anti-oxidans.

Bij experimenteel onderzoek werden
ratten en beagles gebmikt. Een moge-
lijke toxiciteit bij andere diersoorten of
rassen wordt niet uitgesloten. Verder
onderzoek is noodzakelijk mede ge-
zien het feit dat een langdurige dose-
ring van ethoxyquin in een concentra-
tie weinig hoger dan de wettelijk
toegestane, aanleiding gaf tot abnor-
male leverpigmentatie.

Vacatures op het internet

Ethoxyquin in honden-en kattenvoeders

Wist u al dat wij uw personeelsadverten-
ties ook op de website van de KNMvD
kunnen zetten? Deze service is gratis en
alleen mogelijk als u een vacature in het
Tijdschrift voor Diergeneeskunde
plaatst. Met het verschijnen van de des-
betreffende aflevering verschijnt uw ad-
vertentie gelijktijdig op het internet en
blijft daar ongeveer twee weken staan.
Als u van deze dienst gebruik wilt ma-
ken, dit graag even aangeven bij uw ad-
vertentie-opgave.

Extra cursussen ■ extra cursussen

\'Vogelgeneeskunde in de praktijk\'
Deell

De papegaai/parkiet als huisdier/huis-
genoot bij de dierenarts
01/109 donderdag 25 januari 2001,
Hotel Van der Valk, Zwolle.
01/110 donderdag 8 februari 2001,
Hotel Gorinchem.

Beide cursussen duren van 09.00 tot
16.00 uur.

Vanuit de alledaagse praktijk komen
verschillende facetten van de vogelge-
neeskunde aan de orde:

• Wat maakt vogelgeneeskunde zo
bijzonder, interessant en aantrekke-
lijk?

• Wat heeft de praktiserende dieren-
arts te bieden aan de vogeleigenaar?

• De anamnese en \'de benadering\' van
de vogeleigenaar.

• Het hanteren van de vogel is een be-
langrijk onderdeel van de vogelge-
neeskunde omdat vogeleigenaren \'de
kennis\' van de dierenarts voor een
deel aflezen aan de manier waarop
deze de vogel pakt en manipuleert.

• Het klinisch onderzoek.

• Mogelijkheden van vervolgonder-
zoek.

• Overzicht van belangrijke proble-
men bij papegaaien en parkieten.

• Het gedrag en de opvoeding van pa-
pegaai/parkiet.

• Behandelingsmogelijkheden.

Aan de hand van cases zullen praktijk-
voorbeelden aan de orde komen.
Cursusleider: drs. J. Hooimeijer, prac-
ticus vogelgeneeskunde. Prijs: ƒ600,-.

Cardiotherapeutica gezelschapsdieren

01/108 woensdag 17 januari 2001;
13.00 - 17.30 uur, conferentie-oord
\'De Wageningse Berg\' te Wagenin-
gen.

Eerst worden kort de drie belangrijkste
cardiopathieën besproken bij de hond
en kat, waarbij ingegaan wordt op de
vraag: \'waarom ontstaat het hartfa-
len?\' Vervolgens worden de belang-
rijkste cardiotherapeutica besproken
(digoxine, diuretrica, ace-remmers,
beta-blokkers, calcium-antagonisten
en enkele zeer specifieke middelen).
Nadien worden verschillende patiën-
ten besproken waarbij gekeken wordt
hoe men een dergelijke patiënt het best
kan behandelen. Steeds wordt ook
weer ingegaan op de te verwachten
complicaties en de \'hoe nu verder\'-
vraag. Centraal staan dus alle cardio-
therapeutica en hoe men deze in een
gezelschapsdierenpraktijk kan inzet-
ten.

De cursussen Vogelgeneeskunde in de praktijk, deel I (De papegaai/parkiet als
huisdier/huisgenoot bij de dierenarts) en
Cardiotherapeutica Gezelschapsdieren
zijn beiden in het najaar van 2000 georganiseerd. De belangstelling voor de cur-
sussen is zo groot dat deze opnieuw in het programma zijn opgenomen.
Nadat de belangstellenden op de wachtlijst zijn aangeschreven, zijn er nog
een beperkt aantal plaatsen over. Belangstelling? Neem contact op met PAO-
Diergeneeskunde. Onderstaand vindt u de praktische informatie.

Cursusleider: drs. P.J.J. Mandigers,
Specialist Inteme Geneeskunde van
Gezelschapsdieren,Veterinair Specia-
listisch Centrum \'De Wagenrenk.
Prijs: ƒ245,-.

PAO-Diergeneeskunde: Telefoon 030-
2517374, Fax: 030 - 2516490, E-mail:
paod@pobox. uu.nl

-ocr page 26-

Gelukkig Nieuwjaar

aatschappijnieuws

Geachte leden.

Het jaar 2000 was om meer redenen memorabel voor de
KNMvD. Het was bovendien mijn eerste volle vereni-
gingsjaar als uw voorzitter. Ik heb u aanvankelijk ge-
vraagd om WO dagen \'inwerktijd\'; inmiddels mag u van
mij verwachten dat ik op stoom ben. Het is me dan ook
een eer en een genoegen om wederom een nieuwjaars-
groet te brengen in uw Tijdschrift.

Het afgelopen jaar heeft in het teken gestaan van twee
belangrijke ontwikkelingen binnen uw beroepsvereni-
ging: het op gang komen van de discussie over onze inte-
griteit en de kanteling van de verenigingsstructuur.
Verder heeft u uw mening mogen geven over de commu-
nicatie binnen de vereniging KNMvD - waarbij u heej\'t
aangegeven dat u vindt dat het contact tussen bestuur en
leden voor verbetering vatbaar is - en over de externe
profilering van de beroepsgroep. Ook dit kan beter, zo
heeft u te kennen gegeven.

Bij een terugblik horen goede voornemens voor het vol-
gend jaar. Het Hoofdbestuur heeft - om aan uw wensen
tegemoet te komen - een beleidsvisie geformuleerd,
waarvan een eerste concept in de ledenvergadering aan
de orde is geweest. Eind dit jaar wordt de beleidsvisie
gepresenteerd in het Algemeen Bestuur en ven\'olgens
breed onder uw aandacht gebracht.
Verder wordt jlink geïnvesteerd in een nieuw relatiebe-
heersysteem dat aan de modernste eisen voldoet, zodat
onze goede voornemens voor 2001 met betrekking tot
communicatie met de leden werkelijkheid kunnen wor-
den.

Bovendien wordt begin 2001 een extern onderzoek ge-
daan naar de waardering van uw lidmaatschap.
Hierover hoort u nog meer; ik vraag niettemin alvast uw
medewerking aan deze belangrijke peiling van uw wen-
sen op het gebied van beleid en dienstverlening.

De integriteitsdiscussie is vanzelfsprekend nog lang niet
ten einde. Groepen en Afdelingen hebben voortvarend
de dilemma \'s geïnventariseerd waar u in uw beroepsuit-
oefening mee wordt geconfronteerd. Ik heb u al verschil-
lende malen beloojd dat u hierover meer hoort van het
Hoofdbestuur. Erkenning en bespreekbaar maken van
de dilemma \'s: dat zijn onze voornemens met betrekking
tot integriteit. Ook met derden zijn wij hierover in ge-
sprek. Zo is er niet alleen een constructieve dialoog op
gang gekomen met het landbouwbedrijfsleven, maar ook
met onze collega\'s in het veld. Overigens wil ik bena-
drukken dat deze discussie niet alleen de (landbouwhids-
dieren)practici aangaat: iedere dierenarts heeft belang
bij professionele ethiek en integriteit.

De kanteling van de verenigingsstructuur is in volle gang.
Het Hoofdbestuur heeft inmiddels een werkgroep gefor-
meerd die de gevolgen en risico \'s van de nieuw aan te
brengen verhoudingen zorgvuldig in kaart gaan brengen.
Natuurlijk kunnen wij niet over één nacht ijs gaan. Toch
is de algemene visie hierop positief. Het doel van deze
exercitie is immers het vergroten van uw betrokkenheid
met een betere professionele ontplooiing van de dieren-
arts in het vooruitzicht!

En ook over externe profilering is het laatste woord nog
niet gezegd. Zoals u wel merkt is er veel gaande binnen
de beroepsgroep. Daarnaast is de publieke aandacht
voor veterinaire aangelegenheden de afgelopen periode
enorm toegenomen. Het Hoofdbestuur is van mening dat
zoveel mogelijk op een positieve manier moet worden
gecommuniceerd met de samenleving. In de nieuwe mis-
sie is dit belang ook als zodanig geformuleerd. U mag er
derhalve van uitgaan dat wij de profdering van de die-
renarts op professionele wijze verder ter hand zullen ne-
men en hier de gepaste aandacht aan zullen schenken.
Ook hier geldt: u hoort nog van ons, wellicht via onver-
wachte kanalen...

Tot slot een gelukkig nieuwjaar gewenst. Met vele posi-
tieve ontwikkelingen voor de dierenarts, maar vooral
voor u persoonlijk. Want dat is waar onze vereniging op
drijft: op het totaal aan persoonlijke belangen en in-
spanningen van leden van de KNMvD. Ik wil u daarom
tot slot hartelijk bedanken voor uw inzet in het afgelopen
jaar. Ik hoop dat het Hoofdbestuur ook het volgend jaar
op uw betrokkenheid mag rekenen.

Ton de Ruijter
Voorzitter KNMvD

Practitioners bij de RVV

Op 7 december 2000 heeft de KNMvD
een bijeenkomst met de plaatsvervan-
gende inspecteurs belegd. Aan de orde
kwamen arbeidsvoorwaarden, honora-
ria en contracten. De RW heeft in een
brief de plaatsvervangende inspecteurs
op de hoogte gesteld van hun rechtsposi-
tie en de toekomstmogelijkheden.
Wat betreft de raamovereenkomst is
met de RVV vastgesteld dat de zelfstan-
digheidsverklaring niet van toepassing
is en derhalve niet gevraagd wordt. De
beroepsaansprakelijkheidsverzekering
in artikel 9 weergegeven, stuitte op pro-
blemen bij de verzekeringsmaatschap-
pijen. De RVV heeft daarop besloten dat
artikel 9 in zijn geheel uit de raamover-
eenkomst wordt gehaald.

Dr. Tj. Jorna,
Algemeen secretaris

-ocr page 27-

Salarissen dierenartsen \'nieuwe stijl\'

Sinds 1 januari 1996 adviseert de
KNMvD gebmik te maken van het
nieuwe salariëringsysteem, dat uitgaat
van een basis salarisschaal voor een ge-
middeld 40-urige werkweek. Daarbij
komen dan bedragen voor de weekend-
en avond/nachtdiensten. Nadere infor-
matie over het salariëringsysteem wordt
gegeven in de KNMvD-publicatie \'Het
in dienst nemen van personeel (1999)\';
begin 2001 zal een nieuwe uitgave van
deze publicatie verschijnen. Voor de
goede orde wordt opgemerkt dat het
\'oude\' salariëringssysteem niet langer
geadviseerd wordt door de KNMvD.

Per 1 januari 2001 verdwijnt de overhe-
velingstoeslagi

Op I januari 2001 verdwijnt de overhe-
velingstoeslag. Vanaf dat moment zal
de toeslag worden verwerkt in de bruto
salarissen en sociale uitkeringen. Dit
wordt de bruteringsoperatie genoemd.
De overhevelingstoeslag is een over-
blijfsel van de belastingoperatie-Oort in
1990. Enkele sociale premies die voor-
heen werden betaald door de werkgever
kwamen vanaf dat moment voor reke-
ning van de werknemer. Om te voorko-
men dat werknemers er in salaris op
achteruit zouden gaan, moest de werk-
gever op zijn beurt overhevelingstoe-
slag betalen aan de werknemer. De
overhevelingstoeslag is destijds inge-

1 Informatie over het verdwijnen van de overhe-
velingstoeslag vindt u in de folder \'De overhe-
velingstoeslag verdwijnt; de gevolgen voor
werkgevers en werknemers\' van het Mini-
sterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De folder is te bestellen via de informatietele-
foon van het Ministerie: 0800-9051.

2 Dat wil zeggen dat op dit bedrag de gebruike-
lijke salarisberekening moet worden toegepast
(inhouding premies en belastingen en bereke-
ning vakantietoeslag, etcetera).

voerd als tijdelijke maatregel. De oor-
spronkelijke functie van de overheve-
lingstoeslag is inmiddels vervaagd.
Velen herkennen de oorsprong niet
meer, waardoor het loonstrookje on-
doorzichtig wordt. Daarom wordt per 1
januari 2001 de toeslag verwerkt in de
bmto salarissen en uitkeringen.
Het verdwijnen van de overhevelings-
toeslag kan grote gevolgen hebben voor
werkgevers en werknemers. Werk-
nemers zouden een lager nettoloon krij-
gen en werkgevers zouden beduidend
minder loon hoeven te betalen. Om dat
te voorkomen wordt het loon gebru-
teerd: het bmtoloon stijgt met een be-
paald percentage, zodat het wegvallen
van de overhevelingstoeslag wordt ge-
compenseerd. Deze verhoging bedraagt
1,9% met een maximum van ƒ 1.745,-.
in de onderstaande salarisadviezen is
de correctie voor het wegvallen van
de overhevelingstoeslag reeds ver-
werkt, met uitzondering van de ad-
vies honoraria voor waarnemers met
een zelfstandigheidsverklaring; zij
zijn immers niet in loondienst en heb-
ben dus niets te maken met een over-
hevelingstoeslag.

Het is gebruikelijli dat per 1 januari de adviessalarissen voor dierenartsen-
medewerkers worden aangepast. Het Hoofdbestuur adviseert de salarissen
aan te passen met 3,46%, liet indexcijfer van de salarisontwikkeling in het
particulier bedrijf (periode september 1999 - september 2000).
Op het moment dat dit artikel werd geschreven, was nog geen duidelijkheid
over eventuele aanpassing van de vergoeding voor zakelijk gereden kilome-
ters per 1 januari 2001. Wijzigingen zullen zo snel mogelijk bekend worden
gemaakt via het Tijdschrift voor Diergeneeskunde.

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat het uiteraard iedere dierenarts vrij
staat van deze adviezen af te wijken en naar eigen inzicht een salaris of hono-
rarium te bepalen.

Aanpassing adviessalarissen voor dierenartsen-medewerkers
pen januari 2001

Basis salaristabel 40 uur per week -
geen avond/nacht- of weekenddien-
sten
(bruto bedragen per maand)

0 dienstjaren

ƒ4.280,-

1

ƒ4.804,-

2

ƒ5.065,-

3

ƒ5.327,-

4

ƒ5.589,-

5

ƒ5.851,-

6

ƒ6.112,-

7

ƒ6.374,-

8

ƒ6.636,-

9

ƒ6.899,-

10

ƒ7.162,-

De adviezen voor de vergoedingen voor
avond/nachtdienst en weekenddienst
luiden: bij vervanging van
één dieren-
arts:
ƒ 47,- voor de avond/nachtdienst
en ƒ 350,- voor de weekenddienst;
bij vervanging van
twee of drie die-
renartsen:
respectievelijk ƒ 69,- en
ƒ524,-;

bij vervanging van vier of meer die-
renartsen:
respectievelijk ƒ 94,- en
ƒ699,-.

Honoraria voor dierenartsen-waarne-
mers in loondienst (zonder zelfstan-
digheidsverklaring)

De geadviseerde honoraria voor een die-
renarts-waarnemer in loondienst (zon-
der zelfstandigheidsverklaring) zijn als
volgt;

voor een pas afgestudeerde dierenarts
ƒ 198,- bruto werknemer^ per dag
(= per uur ƒ 24,75);

• voor een dierenarts met circa één jaar
relevante ervaring ƒ 222,- bruto werk-
nemer per dag (= per uur ƒ 27,75);

• voor een dierenarts met circa twee
jaar relevante ervaring ƒ 248,- bruto
werknemer per dag (= per uur ƒ 31,-).

Voor een zelfstandige waarneming door
een dierenarts met langdurige ervaring
bedraagt het advies ƒ 287,- bruto werk-
nemer per dag (= per uur ƒ 35,87).

De geadviseerde vergoeding voor een
avond/nachtdienst bedraagt:
bij waarneming voor
één dierenarts ƒ47,-

bij waarneming voor twee
of drie dierenartsen ƒ 69,-

bij waarneming voor vier
of meer dierenartsen ƒ 94,-.

Een avond/nachtdienst gaat in na het
avondspreekuur en duurt tot de vol-
gende ochtend aanvang nieuwe werk-
dag.

De geadviseerde vergoeding voor een
weekenddienst bedraagt:
bij waameming voor
één dierenarts ƒ 350,-

bij waameming voor twee
of drie dierenartsen ƒ 524,-

bij waameming voor vier
of meer dierenartsen ƒ 699,-.

Een weekenddienst duurt in principe
van vrijdagavond na het avondspreek-
uur tot maandagochtend aanvang
nieuwe werkdag.

-ocr page 28-

Honoraria voor dierenartsen - w/aar-
nemers met een zelfstandigheidsver-
klaring

De geadviseerde honoraria voor een die-
renarts-waarnemer, werkzaam met een
zelfstandigheidsverklaring (geen loon-
dienst) luiden als volgt:

• voor een pas afgestudeerde dierenarts
ƒ 257,- bruto per dag ( = per uur
ƒ32,13);

• voor een dierenarts met circa één jaar
relevante ervaring ƒ 288,- bruto per
dag ( = per uur ƒ 36,-);

• voor een dierenarts met circa twee
jaar relevante ervaring ƒ 315,- bmto
per dag (= per uur ƒ 39,38).

Voor een zelfstandige waameming door
een dierenarts met langdurige ervaring
bedraagt het advies ƒ 348,- bruto per dag
( = per uur ƒ 43,50).

De geadviseerde vergoeding voor een

avond/nachtdienst bedraagt:

bij waameming voor

één dierenarts ƒ 60,-

bij waameming voor twee

of drie dierenartsen ƒ 89,-

bij waameming voor vier

of meer dierenartsen ƒ121,-.

Een avond/nachtdienst gaat in nä het
avondspreekuur en duurt tot de volgen-
de ochtend aanvang nieuwe werkdag.
De geadviseerde vergoeding voor een
weekenddienst bedraagt:
bij waameming voor
één dierenarts ƒ 479,-

bij waameming voor twee
of drie dierenartsen ƒ 702,-

bij waameming voor vier
of meer dierenartsen ƒ 926,-.

Een weekenddienst duurt in principe
van vrijdagavond nä het avondspreek-
uur tot maandagochtend aanvang nieu-
we werkdag.

Reiskostenforfait 2CX)i

Het is gebmikelijk dat de werkgever aan
een werknemer een reiskostenvergoe-
ding verstrekt voor de kosten van het
woon-werkverkeer. De werkelijke kos-
ten voor het woon-werkverkeer per
openbaar vervoer mogen door de werk-
gever volledig worden vergoed.
Wanneer de werknemer met eigen ver-
voer reist, dan gelden maximaal vrij te
vergoeden bedragen per maand\\ afhan-
kelijk van de reisafstand:

maximum vrijge-
stelde vergoeding
per maand

0-10 km ----------

11-15 km ƒ143,25

16-20 km ƒ200,50

21 km of meer ƒ286,50

Verwacht wordt dat de vergoeding voor
zakelijk gereden kilometers ƒ 0,60 per
km blijft.

enkele reisafstand
woon-werkverkeer

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat
bovenstaand alleen de belangrijkste ad-
viezen worden gegeven betreffende sala-
riëring en honoraria. Nadere informatie
over onder andere arbeidsvoorwaarden
wordt gegeven in de publicatie \'Het in
dienst nemen van personeel\', die begin
2001 zal verschijnen.

Mevr. drs. M.C. van Oostrum-
Sehuurman Hess,
stafmedewerker KNMvD

3 N.B.: de genoemde bedragen kunnen nog ver-
anderen na parlementaire behandeling.

Aanpassing Rechtspositieregeling voor Dierenartsassistenten
pen januari 2001

Per 1 januari 2001 dienen de salarissen voor dierenartsassistenten conform de
Rechtspositieregeling voor Dierenartsassistenten te worden verhoogd met
3,46%. Dit is het indexcijfer van de salarisontwikkeling in het particulier be-
drijf (periode september 1999 - 1 september 2000).
In onderstaande bedragen
is de correctie voor het wegvallen van de overhevelingstoeslag reeds verwerkt
(voor informatie: zie artikel hierboven).

De bmto bedragen per maand luiden
derhalve als volgt:

bruto bedragen per maand luiden als
volgt:
en Vedias, de Vereniging voor Dieren-
artsassistenten, zijn in een afrondende
fase. Verwacht mag worden dat de
nieuwe versie van de Rechtspositiere-
geling, de Rechtspositieregeling voor
Dierenartsassistenten 2001, op korte ter-
mijn beschikbaar komt; deze zal dan
rechtstreeks worden toegestuurd aan al-
le practici-leden van de KNMvD.

1 e dienstjaar

ƒ1.968,-

2e dienstjaar

ƒ2.259,-

3e dienstjaar

ƒ2.549,-

4e dienstjaar

ƒ2.838,-

5 e dienstjaar

ƒ2.976,-

6e dienstjaar

ƒ3.111,-

7e dienstjaar

ƒ3.250,-

8e dienstjaar

ƒ3.388,-

9e dienstjaar

ƒ3.526,-

10e dienstjaar

ƒ3.662,-

1 le dienstjaar

ƒ3.804,-

12e en volgende dienstjaar

ƒ3.939,-.

Het wettelijk minimum(ieugd)loon is
per 1 januari 2001 ook gewijzigd. De

15 jaar

ƒ763,20

16jaar

ƒ877,70

17jaar

ƒ1.004,90

18 jaar

ƒ1.157,60

19jaar

ƒ 1.335,70

20jaar

ƒ1.564,60

21 jaar

ƒ1.844,50

22 jaar

ƒ2.162,50

23 jaar en ouder

ƒ2.544,10

Verder zijn er op dit moment nog geen
wijzigingen te melden ten aanzien van
de overige bepalingen van de Rechtspo-
sitieregeling voor Dierenartsassistenten.
De onderhandelingen tussen KNMvD

Rechtspositieregeling verplicht voor
practici-leden van de KNMvD

Het Hoofdbestuur brengt voor de goede
orde nogmaals bij u in herinnering dat
de leden op de Algemene Vergadering
van 3 oktober 1998 hebben ingestemd
met de instelling van de Rechtspositie-
regeling voor Dierenartsassistenten. Dat
betekent dat de Rechtspositieregeling
van toepassing is op alle bestaande en
nieuw te sluiten arbeidsovereenkomsten
tussen dierenartsen - leden van de
KNMvD en dierenartsassistenten. De
dierenarts is ook verplicht de dierenarts-
assistente een exemplaar van de Rechts-

-ocr page 29-

positieregeling te overhandigen. Daar-
toe kunt u het toegestuurde exemplaar
van de Rechtspositieregeling kopiëren
of extra exemplaren van de Rechtsposi-
tieregeling a ƒ 5,- bestellen bij het secre-
tariaat van de KNMvD middels het
bekende bestelformulier. Het Hoofd-
bestuur van de KNMvD en het bestuur
van Vedias hebben de indmk dat de
Rechtspositieregeling nog niet in alle
praktijken van dierenartsen-leden wordt
toegepast. Het Hoofdbestuur roept de
dierenartsen-leden dringend op de bepa-
lingen van de Rechtspositieregeling toe
te passen. Het Hoofdbestuur zou het be-
treuren wanneer een dierenartsassistent
toepassing van de Rechtspositieregeling
zou moeten afdwingen door het indie-
nen van een klacht bij de Geschil-
lencommissie.

Mevr. drs. M.C. van Oostrum-
\' Schuurman Hess,

stafmedewerker KNMvD.

KNMvD: Verbieden hondenrassen lost agressiviteit niet op

Het voornemen van de minister heeft
betrekking op de volgende rassen: de
American StaffordshireTerriër, de Do-
go Argentine, de Fila Brasileiro en de
Mastino Napoletano. De Rottweiler
wordt een tweede kans geboden. Alvo-
rens het voortbestaan van dit ras te ver-
bieden, geeft de minister de rasvereni-
ging nog één kans een preventieproject
op te zetten dat verdere problemen af-
doende voorkomt.

Onbegrijpelijk!

Voorzitter van de Groep Geneeskunde
Gezelschapsdieren, Leen den Otter,
vindt het onbegrijpelijk dat de minister
zich niets aantrekt van de adviezen van
het Platform Preventie Hondenbeten:
\'De minister heeft het platform in 1999
nota bene zeifin het leven geroepen!\'
Den Otter is het in grote lijnen eens
met de voorstellen van het platform dat
de problemen met agressieve honden
vooral via opleiding en voorlichting
van de eigenaren wil oplossen. Louter
en alleen het behoren tot een bepaald
ras, zo vindt het platform, mag nooit
een reden zijn voor het verwijderen -
ofwel: totaal onschadelijk maken - van
een individu. Dit betreft immers een
ernstige integriteitsaantasting, die
moet worden afgewogen tegen het be-
lang van deze aantasting voor de sa-
menleving. En aangezien het platform
het voornemen beschouwt als een heil-
loze weg om het gewenste doel te be-
reiken, is deze aantasting onverant-
woord.

De minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, mr. L.J. Brinkhorst,
kondigt forse maatregelen aan om agressieve honden aan te pakken: hij heeft
zich voorgenomen - in navolging van de pitbull-regeling - vier rassen te ver-
bieden. De KNMvD is het oneens met deze maatregel en heeft via het
Platform
Preventie Hondenbeten
(de Dierenbescherming, Dibevo, de Hondenbescher-
ming, de Federatie Hondensport Nederland, de KNMvD, het Platform Ver-
antwoord Huisdierenbezit en de Raad van Beheer op Kynologisch gebied)
haar ontstemming laten blijken.

Alhoewel de dierenartsen met de minister van mening zijn dat het hier gaat
om een ernstig maatschappelijk probleem, zijn zij van mening dat het middel
\'uitroeiing van vier rassen\' niet leidt tot het gewenste doel en dus een onaan-
vaardbare aantasting van de integriteit van deze honden met zich brengt.

Door Sophie Deleu

Geschokt vernamen wij dat Theo Bosman op 5 december 2000 onverwacht is

overleden.

Theo is sinds 1996 een gewaardeerd bestuurslid geweest van de Stichting
Pensioenfonds voor Dierenartsen. Wij wensen zijn vrouw en kinderen veel
sterkte bij het verwerken van het verlies van Theo.

Het bestuur en adviseurs van
de Stichting Pensioenfonds voor Dierenartsen

De mening van het Platform Preventie
Hondenbeten is neergelegd in de nota
\'Sociale honden bijten niet\'.

Werkelijke probleem

Niettemin is ook de KNMvD van me-
ning dat het hier gaat om een emstig
maatschappelijk probleem. Er moet
niet te lang worden getalmd met krach-
tige maatregelen, want het aantal bij-
tincidenten is weliswaar gedaald van
ongeveer vijftigduizend naar dertig-
duizend per jaar, maar ieder geval is er
één te veel. Niet zozeer de honden ech-
ter, als wel de eigenaren die honden
houden om hun agressiviteit, vormen
het werkelijke probleem. Uitroeien
van een paar rassen lost dit probleem
niet op. Bovendien worden de meeste
van deze incidenten niet veroorzaakt
door genoemde rassen.
Er zal dus hoe dan ook gezocht moeten
worden naar manieren om eigenaren te
beïnvloeden. Zo zouden er bijvoor-
beeld eisen kunnen worden gesteld aan
het houden van dieren. Tevens zou er
een goed controlesysteem moeten ko-
men. Hierin spelen verplichte identifi-
catie en registratie (I&R) van gezel-
schapsdieren een belangrijke rol, zo
hebben de KNMvD en de gehele sec-
tor al vele malen verkondigd. \'De
overheid zou hierin een cruciale rol
kunnen spelen, maar schuift deze ver-
antwoordelijkheid onterecht van zich
af, aldus Den Otter. \'Verder zou ik
nogmaals de instelling van een veteri-
nair meldpunt willen bepleiten. Eerst
inventariseren hoe groot het probleem
is, dan effectieve, gerichte maatrege-
len nemen.\'

Het persbericht van het Platform Ver-
antwoord Huisdierenbezit heeft ruime
aandacht gekregen in de media. Het is
na te lezen op de website van de
KNMvD: www.knmvd.nl. Klik op Ac-
tueel en dan op Nieuws.

-ocr page 30-

De tabel waarin het Ingrepenbesluit kort
weergegeven staat in het Tijdschrift
voor Diergeneeskunde van 1 december
2000, bevat een wezenlijke fout. De in-
grepen die genoemd staan bij de dier-
soort paard (het couperen van de staart;
blisteren; zenuwsnede; het nicteren van
de staart; comage-operatie; kribbebijter-
of luchtzuigeroperatie) horen thuis in
het rijtje
\'Verboden, indien er geen

Rectificatie Ingrepenbesluit

sprake is van diergeneeskundige nood-
zaak
\' en niet in het rijtje \'Toegelaten tot
uiterlijk 1 september 2001\'.
Daarom hieronder nogmaals de hele ta-
bel.

Toegelaten tot

uiterlijk 1 september 2001

Diersoort Toegelaten

Verboden, indien er geen sprake
is van diergeneeskundige nood-
zaak

Toegelaten tot I september
2001 in geval van her-/ver-
bouw of tot 1 september 2011
zonder her-/verbouw

aanbrengen oormerk ter bestrij- • ter voorkoming van melkzuigen
ding van vliegen, tenzij reeds I&R- aanbrengen van een gladde
merk in dat oor is aangebracht roestvrijstalen neusring

bij runderen

onthoomen

het met het oog op de veiligheid
van mens of dier aanbrengen van
een gladde roestvrijstalen neus-
ring bij mannelijke runderen
bestemd voor de fokkerij
verwijderen van bijspenen

slijmvliesresectie (ter verhin-
dering van melkzuigen)
• tongpuntamputatie (ter verhin-
dering van melkzuigen)
\' verkorten staart
\' zoekstieroperatie

Rund

Varken • het met het oog op de veiligheid • aanbrengen gladde roestvrijsta-

van mens of dier aanbrengen van len neusring bij varkens die in
een gladde roestvrijstalen neusring de buitenlucht op zachte gron-
bij mannelijke varkens bestemd den worden gehouden
voorde fokkerij;

• het verwijderen van een deel van
de staart bij biggen tot de leeftijd
van vier dagen, indien blijkt dat
zich op het bedrijf staartverwon-
dingen voordoen wanneer de in-
greep niet is toegepast;

• het knippen van de tanden van big-
gen tot de leeftijd van zeven dagen
indien blijkt dat de uiers van dc zeu-
gen of de oren of staarten van an-
dere varkens worden verwond wan-
neer de ingreep niet is toegepast.

zoekramoperatie
verwijderen stinkklieren bij
bokken

• couperen van de staart

• blisteren

\' zenuwsnede
\' nicteren van de staart

• comage-operatie

• kribbebijter-of luchtzuiger
operatie

Paard

Hond/kat • verwijderen bijklauwtjes bij hon- • verwijderen van een deel van
den tot de leeftijd van vier dagen de staart bij honden tot de leef-
tijd van zeven dagen

veranderen van de stembanden
(devocaliseren);

\' anaalzakextirpatie;

\' couperen van oren bij honden;

• amputeren van het ongepigmen-
teerde derde ooglid bij honden;

\' verwijderen van huiddelen bij
honden;

• amputeren van nagels bij katten;

• corrigeren van een knikstaart bij
katten

-ocr page 31-

Toegelaten tot

uiterlijk I september 2001

Diersoort Toegelaten

Nadrukkelijk
niet toegelaten

Toegelaten ! september 2001
in geval van her-/verbouw of
tot 1 september 2011 zonder
her-/verbouw

Vogels • leewieken van vogels, indien de
vogels in een niet gesloten ruimte
worden gehouden.

■ leewieken van vogels, indien de \'
vogels in een grote groep
in een gesloten ruimte loslopend
op de grond worden gehouden ■
• verwijderen van een deel van de
binnenste of achterste tenen bij
mannelijke kippen en manne-
lijk kalkoenen bestemd voor de
fokkerij;
\' verwijderen van sporen bij man-
nelijke kippen bestemd voor de
fokkerij;
\' verkorten van de boven- en onder
snavel van kippen en kalkoenen;
\' verwijderen van kammen bij

mannelijke kippen;
\' verwijderen van neuslellen bij
kalkoenen.

uitvoeren patachyectomie, tenec-1
tomie/tenotomie of neurecto-
mie ter verhindering van vliegen
veranderen van de stembanden
verkorten boven- en onder-
snavel kippen en kalkoenen,
voor eenden geldt echter een
termijn van IO jaar bij
volledige roostervloeren
verwijderen kammen met
mannelijke kippen
verwijderen neuslellen bij
kalkoenen

aanbrengen neuskapje bij
fazanten

De erkenningsregelingen in de praktijk

Voor de verdere invulling, het beheer
en de uitvoering van de Erkennings-
regeling Dierenartsen is het Coördi-
natiecentrum Erkende Dierenartsen
(CED) opgericht. Het bestuur van dit
orgaan voert een overkoepelende be-
heerstaak uit, voor alle diersoorterken-
ningen. De zogeheten technische com-
missies behartigen diersoortspecifieke
kwesties.

In het CED zitten naast vertegenwoor-
digers uit de diersoortgroepen van de
KNMvD, ook mensen van externe be-
langengroepen. Te weten een bestuurs-
lid van de Land- en Tuinbouworgani-
satie LTO, een beleidsmedewerker van
het ministerie van LNV, een directielid
van de Gezondheidsdienst voor Dieren
en een vertegenwoordiger van de Fa-
culteit der Diergeneeskunde.

Samengevat bestaan de taken van het
CED uit de volgende thema\'s:

• registratie erkenningen (register, ont-
heffingsregels)

• instroom nieuwe erkende dierenartsen

• kwaliteitsbewaking (permanente edu-
catie, inteme en externe controle)

• kwaliteitsverbetering (inpassing Kwa-
liteitsrichtlijn Dierenartsen Praktijken
(KRD), integratie veterinair netwerk
van toezicht (artikel 14 RL97/12 EU),
vertaling \'marktvraag\' in kwaliteiten
van erkende dierenartsen)

Integriteit, kwaliteit, objectiviteit en herkenbaarheid. De erkenningsregeling
dierenartsen is in minder dan drie jaar uitgegroeid van een idee tot een ambi-
tieus project. Voor een deel verkeert dit project nog in de opstartfase, terwijl
andere delen reeds in de beheersfase zijn aangeland. Een overzicht van de
huidige en toekomstige stand van zaken op het gebied van de erkende dieren-
artsen.

• public relations/communicatie (in-
teme en externe informatie-over-
dracht)

Op dit moment bevinden de erken-
ningsregelingen zich nog voor een
deel in de ontwikkelingsfase. Maar er
wordt hard gewerkt en gaandeweg zul-
len de diverse onderdelen duidelijker
vorm en inhoud krijgen, zoals bijvoor-
beeld de integratie van het veterinair
netwerk van toezicht. Belangrijk doel
van dit netwerk is een continue moni-
toring van de veestapel zodat er een
continu beeld is van de gezondheids-
status van de Nederiandse veestapel.
De gegevens afkomstig van de moni-
toring zullen onder andere worden ge-
bruikt voor de door internationale han-
delspartners aan de Nederiandse
overheid gevraagde garantieverstrek-
king.

Partijen in de veterinaire markt hebben
het vaste voornemen om met ingang
van 2002 voorwaarden te stellen met
betrekking tot de erkenningsregelin-
gen. Specifieke diensten zullen dan al-
leen door, of onder verantwoording
van erkende dierenartsen kunnen wor-
den verricht. In de toekomst zal elke
veehouderij een vaste één-op-één-rela-
tie met een dierenarts moeten hebben.
Deze dierenarts die het bedrijf kent, zal
dan de veterinaire toestand van het be-
drijf monitoren. Alle practici in de
landbouwhuisdierensector dienen zich
hiervan bewust te zijn.

De KNMvD vervult een belangrijke
rol in de effectuering van de erken-

-ocr page 32-

ningsregelingen. Stafmedewerker drs.
Jan Vaarten treedt op als secretaris van
het CED. Voor ondersteunende admi-
nistratieve en organisatorische werk-
zaamheden is Astrid de Boer in dienst
getreden van de KNMvD.

Registratie erkenningen
Het CED registreert en erkent dierenart-
sen aan de hand van de eisen die gelden
voor deze erkenning. Daarvoor onder-
houdt het een register, dat uiteindelijk
openbaar en voor iedereen inzichtelijk
moet zijn.

In dit kader is het CED ook druk doende
met het vaststellen van objectieve crite-
ria en procedures voor het verkrijgen
van ontheffingen. Het moet klip en klaar
zijn waarom de ene dierenarts wel er-
kend wordt via een ontheffingscriterium
en de andere niet. Overigens moet daar-
bij worden opgemerkt dat het CED met
het verienen van dergelijke ontheffin-
gen zeer terughoudend zal zijn. Zij wil
voorkomen dat de Erkenning wordt uit-
gehold. De Erkenning staat voor een be-
paalde inhoud, daar mag niet gemakke-
lijk aan getornd worden. In omstan-
digheden waarin het behalen van een er-
kenning niet mogelijk is, kan de ook af-
nemer vrijstelling verlenen.

Contacturen

Een onderwerp waar langdurig over is
gesproken, is het aantal uren dat de
Erkende Dierenarts per maand in het ge-
kozen deel van de diergeneeskunde
werkt. Het CED-bestuur heeft daarover
het volgende besloten:

Drfmitie contactuur:

de tijd die de dierenarts in het geko-
zen deelgebied de diergeneeskunde
uitoefent, dat wil zeggen beroeps-
matig actief is. De activiteiten be-
staan uit:

• het onderzoek aan en de behan-
deling van de aan zijn, in zijn hoe-
danigheid van dierenarts, zorg
toevertrouwde dieren.

. de inspectie, analyse en evaluatie
van de veterinair relevante om-
standigheden.

KNMvD

• het zakelijk overleg met de houder
van het dier/de dieren.

Onderzoek aan en behandeling van die-
ren heeft niet uitsluitend betrekking op
zieke dieren. Monitoring van gezonde
dieren en preventieve behandelingen
van dieren zijn tevens onderdeel van
deze werkzaamheden.

Met de inspectie, analyse en evaluatie
van de veterinair relevante omstandig-
heden wordt bedoeld: de bestudering en
beoordeling van de omstandigheden
waaronder en de wijze waarop de dieren
worden gehouden. Deze activiteiten be-
horen tot de uitoefening van de dierge-
neeskunde. Bij het zakelijk overieg met
de houder van het dier/de dieren gaat het
om het uitwisselen van de veterinair re-
levante informatie (anamnese, afstem-
ming van de advisering, evaluatie eer-
dere behandelingen en adviezen, etce-
tera). Voorbereiding van de werkzaam-
heden, de follow-up en analyse van de
gevonden problemen, de beroepsmatige
contacten met derden ten behoeve van
de advisering, de verslaglegging en/of
de daaruit voortvloeiende analyses be-
horen eveneens tot de werkzaamheden
van de dierenarts. Maar omdat deze
werkzaamheden moeilijk kunnen wor-
den ingekaderd, koos het bestuur van
het CED voor het buiten beschouwing
laten van deze uren. Deze uren worden

Ingeschreven
voor cursussen

Basiscursus
Erifend

niet meegerekend bij het vaststellen van
de te behalen aantallen uren.

Instroom nieuwe erkende dierenartsen
Het intreedtraject van een erkenning via
het volgen van de basiscursus, is inmid-
dels door vele collega\'s afgelegd. In de
toekomst zullen cféze basiscursussen
daarom nog slechts op beperkte schaal
worden verzorgd. Op termijn zullen de
accenten van de basiscursus veranderen
omdat de instroom voomamelijk zal be-
staan uit jonge, recent-afgestudeerde
dierenartsen. Het CED voert regelmatig
overieg met de Faculteit der Dierge-
neeskunde over de afstemming tussen de
erkenningsregelingen en het curriculum.
De wijzigingen in het curriculum vinden
hun weerslag in de voorwaarden voor
het behalen van een erkenning. Door
verdergaande differentiatie in de studie-
paden zal de aanstaande dierenarts in het
onderdeel van zijn of haar keuze theore-
tisch meer onderiegd zijn. Het opdoen
van praktijkervaring blijft evenwel een

Erkend

■ Basiscursus

gevolgd
□ Ingeschreven

ve?

rundvee varken paard pluimvee

-ocr page 33-

Doelstelling

Inrichten organisatie CED
Afronden projecten ERD en EVD
Uitvoering projecten EPID en EPaD
Voorbereiding Permanente Educatie
Afstemming Curriculum FD
Afstemming marktvraag ED
Voorbereiding project ECDD
Opstarten toetsing (externe audit)
Implementatie nieuwe KRD
Afstemming met EG/97/12

voor de erkenning niet te missen onder-
deel. Verder wordt er gekeken naar mo-
gelijkheden c.q. beperkingen voor men-
sen die van keuze willen veranderen.
Van smdenten die bijvoorbeeld hun hele
studietraject zoveel mogelijk op kleine
huisdieren hebben afgestemd, zal een
aanzienlijk nascholing worden gevergd
indien zij een erkenning in de landbouw-
huisdierensector zouden willen verkrij-
gen.

Kwaliteitsbewaking

De grootste uitdaging van het CED ligt
zonder twijfel op het gebied van kwali-
teit. Een erkenning dient immers syno-
niem te zijn met kwaliteit, integriteit en
onafhankelijkheid. Uiteindelijk moet
elke erkende dierenarts deze kenmer-
ken als imago hebben en dat ook kun-
nen waarmaken. Op dit moment wordt
veel energie gestopt in de praktische in-
voering van het scholingsplan perma-
nente educatie (zie kader). Ook hierbij
kost de opstartfase veel tijd, terwijl het
onderhoud minder energie vergen zal.
Borging van kwaliteit vereist inteme en
externe controle, inclusief sancties. In
de doelstelling van de erkenningsrege-
ling dierenartsen staat dat een externe
controle moet plaatsvinden door een
door de Raad voor Accreditatie erkende
inspectie-instelling. Vanaf 2001 zal
deze controle plaatsvinden.

Kwaliteitsverbetering
Uiteindelijk moeten de erkenningsrege-
lingen dynamisch reageren op maat-
schappelijke en politieke ontwikkelin-
gen. Het CED zal deze ontwikkelingen
volgen en vertalen in een profielschets
van een erkende dierenarts. Door mid-
del van verplichte educatieve trajecten
kunnen nieuwe kwaliteiten aan reeds er-
kende dierenartsen worden toegevoegd.
Maar het huidige werk bestaat nog voor
een groot deel in het invullen en vorm-
geven van de bouwplannen voor de er-
kenningen. Bijvoorbeeld het inpassen
van de Kwaliteitsrichtlijn Dierenartsen-
praktijken (KRD) in de erkenningsrege-
lingen. Zo zal een erkende dierenarts in
de toekomst vanuit een gecertificeerde
praktijk werken. Erkenningsregelingen,
praktijkcertificering en GVP-codes vor-
men gezamenlijk een totaal kwa-
liteitsysteem. Goed beschouwd kunnen
ze eigenlijk niet zonder elkaar.
De kwaliteiten \'integriteit\' en \'objecti-
viteit\' dienen als basis voor het opzetten
van een veterinair netwerk van toezicht.
Erkende dierenartsen zullen invulling
geven aan de EU richtlijn 97/12, vol-
gens welke de overheid bepaalde con-
trolerende taken door practici mag laten
uitvoeren. De overheid heeft aangege-
ven deze taak inderdaad bij erkende
dierenartsen te willen neerleggen. Over
de praktische uitvoering zijn betrokken
partijen in overleg.

Strategische doelstellingen CED

Een schematische weergave van hoe de strategische doelstellingen er in de komende vijfjaar in grote lijnen uitzien.

2CX>0 2001 2002 2OO3 2OO4 200$

(ERD = Erkende Rundveedierenarts, EVD = Erkende Varkensdierenarts,
EPID = Erkende Pluimveedierenarts, EPaD = Erkende Paardendierenarts)

Public relations/communicatie
De erkende dierenartsen dienen een ge-
kende, herkenbare eenheid te zijn, die
kan worden aangesproken. De overheid,
de Gezondheidsdienst voor Dieren en
bijvoorbeeld \'de paardeneigenaren\'
moeten de erkende collega\'s zien als een
logisch aanspreekpunt. Om dit doel te
realiseren zijn ondenneer een goede pu-
blic relations en communicatie nodig.
De maatschappelijke positionering van
de erkende dierenartsen vomit hiervan
een belangrijk aandachtspunt. Het CED
verspreidt met dit doel een nieuwsbrief
over de erkenningsregeling dierenart-
sen. En ook het feit dat er mensen uit ex-
terne organisaties in het bestuur zitten,
draagt bij aan het verwezenlijken van
deze doelstelling.

VDA Utrecht stopt

Een aantal jaren geleden is het initiatief
genomen om een VDA regio Utrecht op
te richten. Deze afdeling organiseerde in
de regio Utrecht bijeenkomsten voor
vrouwelijke dierenartsen. Doel was een
informeel samenkomen met daamaast
meestal een lezing over uiteenlopen-
de onderwerpen. De afdeling VDA
Utrecht heeft besloten te stoppen. Na
het opheffen van de landelijke commis-
sie VDA van de KNMvD afgelopen jaar
is Utrecht nog de enige actieve afdeling.
Bovendien wordt de afdeling gecon-
fronteerd met afnemende belangstelling
voor de activiteiten. De afdeling zal het
resterende kassaldo doneren aan de
DOG (Diergeneeskundig Onderzoek
Gezelschapsdieren).

Anne-Marie Broker
Jooske Uzer
Contactpersonen, VDA afdeling
Utrecht

Actuele ontwikkelingen

Naar aanleiding van acmele ontwikke-
lingen - geïnitieerd door een eenzijdige
actie van Alpuro BV - zal de geplande
bijeenkomst van de nog-op- te-richten
werkgroep geneeskunde van het vlees-
kalf geen doorgang kunnen vinden.

Het bestuur van de werkgroep
geneeskunde van het vleeskalfin
oprichting

-ocr page 34-

De stropdassen zijn stijlvol blauw en
vervaardigd van zuiver zijde. Ze zijn
verpakt in een aantrekkelijke cadeau-
verpakking, waardoor ze ook een aar-
dig relatiegeschenk vormen. Het
beeldmerk van de KNMvD is subtiel
ingeweven.

Feminiene tegenhanger

Kortom: de nieuwe strop is een echte
\'must\' voor de verzamelaar, een leuk
cadeau voor de veterinair en/of haar
verwanten. Hier expres \'haar\', want
een altematief voor de vrouwelijke le-
den van de KNMvD is nog niet voor-
handen. Alhoewel dit een punt van
heftige discussie is, heeft het Secre-
tariaat van de KNMvD nog geen femi-
niene tegenhanger van de stropdas in
productie durven nemen, mede gezien
de financiële consequenties. Graag
roepen wij iedereen op, hiervoor sug-
gesties te doen. De beste - en dit houdt
ook in: realistische - suggestie zal wor-
den uitgevoerd en beloond met het
prototype.

Nu te koop: KNMvD-stropdassen

Eindelijk: er zijn weer KNMvD-stropdassen! Tijdens het Jaarcongres 2000
zijn de nieuwe dassen geïntroduceerd. Toen nog voor de aantrekkelijke aan-
biedingsprijs van ƒ 75,-, thans verkrijgbaar voor de kostprijs van ƒ 85,- (in-
clusief BTW en verzending).

Synoniem

Bij een zoektocht naar een synoniem van het woord stropdas stuitten wij op de
termen \'zelfbinder\' en \'plastron\'. Dit laatste woord kan onder andere ook be-
tekenen: \'los bovenstuk van een damesbadpak\' en \'buikschild van een schild-
pad\' en komt - hoewel interessant - vanwege mogelijke onduidelijkheid en
dubbelzinnigheid niet in aanmerking voor gebruik in deze aanprijzende tekst.
Zelfbinder leek ons nog meer verwarring zaaien. Wij wilden u deze temien
echter niet onthouden.

De redactie

Voor bestelling van één of meer
stropdassen kunt u zich wenden tot
het secretariaat van de KNMvD, fax
030-25IJ787 of e-mail: bestellin-
gen@knmvd.nl. De stropdas wordt
tevens opgenomen op het bestelfor-
mulier en is dan ook te bestellen via
de internetpagina www.knmvd.nl.
Suggesties voor de feminiene va-
riant kunnen worden ingediend bij
mevrouw Sophie Deleu, stafmede-
werker publiciteit, onder andere
per e-mail: s.deleu@knmvd.nl.

Deadline*)

maandag 15-01-2001
maandag 29-01-2001
maandag 12-02-2001
maandag 26-02-2001

Indexcijfers en aanpassing BTW

leder jaar vindt bepaling van de indexcijfers van de inflatie en van de loonstijging
plaats. In het verleden werden deze gegevens gebruikt voor het aanpassen van de
Publicatie voor de Consultatieve Praktijk. Nu deze publicatie niet meer wordt uit-
gegeven, informeren wij u hierover, zodat u deze gegevens eventueel kunt gebmi-
ken voor het vaststellen van uw tarieven.

De loonstijging over de periode september 1999 tot september 2000 is gemiddeld
3,46% geweest. De inflatie is in dezelfde periode 2,93% geweest.
Volledigheidshalve maken wij u erop attent dat met ingang van I januari 2001 het
hoge BTW-percentage wijzigt: dit wordt 19% (was 17,5%).

Uiterste inleverdata voor kopij

Aflevering:

01-02-2001
15-02-2001
01-03-2001
15-03-2001

Voor 10.00 uur \'s morgens.

O

Voor het lidmaatschap van de Koninklijke
Nederlandse Maatschappij voor Diergenees-
kunde hebben de volgende collegae zich aan-
gemeld:

Agricola, Mevr. A.D.; 2000; 6021 JX Budcl;
Grensweg 38.

Alink, Mevr. F.M.; 2000; B95 6HS Aston
Cantlow Warwickshire (Verenigd Koninkrijk);
April Rise, Bearley Road.
Arens, M.; 2000; 1111 EZ Diemen; Prinses
Beatrixlaan 49.

Neefs, Mevr.!.; 2000; 4836 BE Breda; Heistraal
6.

Neuteboom, R.O.; 2000; 3522 RR Utrecht;
Alblasstraat 12 bis.

Os, Mevr. J. van; 2000; 3551 AV Utrecht;
Leliestraat 50 bis.

Opperheim, Mevr. M.R.T.; 2000; 3572 XN
Utrecht; M.A. de Ruyterstraat 16.
Ploeg, Mevr. T.M. van der; 2000; 3581 EM
Utrecht; Mgr. van de Weteringstraat 118.
Schillemans, B.; 2000; 3532 EB Utrecht;
Queridostraat 17.

Als kandidaatlid van de Koninklijke
Nederlandse Maatschappij voor Diergenees-
kunde heeft het Hoofdbestuur aangenomen:

Boerboom, Mevr. S.M.
Burgt, M.P. van der
Esch, Mevr. P.P.A.M.
Hofma, J.

Personalia

-ocr page 35-

Leijdekkers, F.B.
Vries, Mevr. A. de

Overlijdensberichten:

Op 4 oktober 2000 J. Hendrikse te Kockengen.
Op 7 oktober 2000 J.M. de Jong te Dronten.
I. Titus te Indonesië.

Voor het dierenartsenexamen van 31 oktober
2000 zijn geslaagd:

Ahne, Mevr. I.M.T.
Hermans, Mevr. J.T.
Karsemeijer, Mevr. M.A.
Priester, Mevr. D.
Rossing, Mevr. A.M.

Voor het dierenartsenexamen van 30 novem-
ber 2000 zijn geslaagd:

Berg, Mevr. M. van den
Bieleveld. Mevr. M.l.
Bokelaar, Mevr. E.
Hoogendoom, Mevr. B.C.
Loon, J.P.A.M. van
Naan, Mevr. E.C.
Renes, Mevr. S.
Riet, Mevr. S.M. van \'t
Schlotter, Mevr. Y.M.
Veek, Mevr. Y.J.M. van der
Wardt. S.T. van der
Wit. Mevr. M.C.L. de

Mutaties:

*Ahne, Mevr. I.M.T.; 2000; 3532 EB
Utrecht; Queridostraat 17; tel. privé: 030-
2941242; wnd.d.

*Alink. Mevr. F.M.; 2000; April Rise,
Bearley Road, Aston Cantlow, WARWICKS-
HIRE, B95 6HS; Verenigd Koninkrijk; tel.
privé: 00-44-1789488514; E-mail privé:
francesalinkfa hotmail.com; d.

Augustijn, Mevr. M.; 1997; 4811 TC Breda;
Nieuwe Haagdijk 27 A; tel. privé: 076-5212322;
E-mail privé: m_augustijnCahotmail.com; p.,
medew. bij J.P.J. van Ierland, H.M.M. Luije-
rink, A. Maas, J. J.G.M. Oomen, M.E.W.M. Pel-
lenaars en C.J.C Vincenten; tel. prakt.: 076-
5722999; fax prakt.: 076-5729631.

Boer. B.J.: 1990; 4441 SB Ovezande;
Plataanweg 19;
tel. privé: 0113-316003; fax
privé: 0113-316598; E-mail privé: h.boer@het-
netnl; p., geass. met A.C. Mosselman en W.L.
Verboon; tel. prakt.: 0113-381233; tel. dep.:
0113-313050.

»Boswinkel, M.; 2000; 3572 RV Utrecht;
Goedestraat 48; tel. privé: 030-2718080; E-mail
privé: mboswinkel@hotmail.com; p., medew.
bij J. van Ierland, H.M.M. Luijerink, A. Maas,
J.J.G.M. Oomen, M.E.W.M. Pellenaars en C.
J.C. Vincenten; tel. prakt.: 076-5722999.

*Berg, .Mevr. M. van den; 2000; 9285
NH Buitenpost; Stationsstraat SA; tel. privé:
0511-544133; wnd.d.

*Bokelaar, Mevr. E.; 2000; 3523 AL
Utrecht; Tolsteegplantsoen 37 II; tel. privé:
030-2544498; wnd.d.

»Bieleveld, Mevr. M.I.; 2000; 9251 LX
Bergum; Tussendijken 32; tel. privé: 0511-
462004; wnd.d.

Bruijn- van der Jeucht, Mevr. A.J.R. de;
Gent 1995; 3941 BR Doorn; Oude Rijks-
straatweg 6 A; tel. privé: 0343-414013; E-
mail privé: ajr.vander.jeucht@12move.nl;
p.,
medew. bij A.G.P. Derksen; tel. prakt.: 0343-
414582; fax prakt.: 0343-414914; E-mail
prakt.: mail@dierenkliniek.nu.

Driehuis- van Haselen; Mevr. Th.J.; 1971;
4384 NG Vlissingen; Gerbrandystraat 151; tel.
privé: 0118-471717; E-mail privé: palespsy-
che@hotmail.com;
r.d.

Heitkamp, Mevr. A.; Gent 1998; 8431 EH
Oosterwolde (F); Snellingerdijk 11; tel. privé:
0516-515278;
p., medew. bij J.F.A. Heitkamp;
tel prakt.: 053-5721735; fax prakt.: 053-
5741963; E-mail prakt.: dap.heitkamp@world-
online.nl.

»Hermans, Mevr. J.T.; 2000; 3572 EE
Utrecht; Obrechtstraat 14 bis; teL privé: 030-
2715895; E-mail privé: janny_hermans@hot-
mail.com; wnd.d.

Hes van, G.; 1999; 5268 BB Helvoirt;
Helvoirtsestraat 10; tel. privé: 0411-642398;
fax privé: 020-8830061; E-mail privé:
gjalt@brooklyn.nl; p., medew. bij C.M.J.M.
Boink, F.L.P.C. Donders, A.H.M. van Dore-
malen, J.H.M. Maas en M.G. van der Weele;
tel prakt.: 013-5283535; fax prakt.: 013-
5219315.

*Hoogendoorn, Mevr. B.C.; 2000; 3816
ST Amersfoort; Leonorehof 16; tel. privé:
033-4752386; E-mail privé: bchoogen-
doorn@hotmail.com; wnd.d.

Jen Hong Li, J.W.G.; ! 993; 7973 KJ Darp;
Veldweg 24; tel. privé: 0521-342498; E-mail
privé: jeroen.helga@freeler.nl;
p., geass. met
R.E. Eikelboom, G.J. Eringa, B. Gerritsen,
H.A.E. Nij Bijvank en A.M.A. Otter; tel.
prakt.: 0521-514848; fax prakt.: 0521-
341366.

*Karsemeijer, Mevr. M.A.; 2000; 3582
CT Utrecht; Krommerijn 63; tel. privé: 030-
2513688; E-mail privé: mirandakarseme@-
hotmail.com; wnd.d.

*Kik, Mevr. M.J.L.; 1986; 3436 HZ
Nieuwegein; Melissegaarde 16; tel. privé: 030-
6303665; p.. Dierenarts voor Reptielen; tel.
prakt.: 030-6303663; fax prakt.: 030-6303664;
E-mail prakt.: vetrepkik@yahoo.com; wet. me-
dew. bij U.U., FD, HA Pathologie, afd. Ziekte-
kunde bijz. dieren; tel. bur.: 030-2534741; fax
bur.: 030-2533131;
E-mail bur.: m.kik.@-
vet.uu.nl.

Kramer. ProfDr. M.F.; 1954; U-1960;
3731 EP De Bilt; Park Arcnberg 85; tel. privé:
030-2201554:
fax privé: 030-2202212; em. hlr.
en oud-decaan U.U., Fac. Geneeskunde;
R.N.L.

Kuijk, H.A.; 1985; 7091 HT Dinxperlo;
Terborgseweg 98;
tel. privé: 0315-655278; fax
privé: 0315-655280:
E-mail privé: hkuijk@-
planet.nl; d. bij Intervet Nederland B.V.; tel.
bur.: 0485-587674; fax bur.: 0485-587653; E-
mail bur.: henk.kuijk@intervet.com.

*Loon, J.P.A.M. van; 2000; 3981 HA
Bunnik; Achterdijk 3; tel. privé: 030-6563092;
wnd.d.

*Marcon, M.G.A.; 2000; 5025 DZ Til-
burg; Conradhof 45; tel. privé: 013-5451303;

wnd.d.

*Naan, Mevr. E.; 2000; 5268 BB Hel-
voirt; Helvoirtsestraat 10; tel. privé: 0411-
642398/06-25547376; E-mail privé: naanec-
@ hotmalLcom; wnd.d.

Oomkes, Mevr. C.; 1999; 9722 JD
Groningen; Troelstralaan 39; tel. privé: 050-
5252793; p., medew. bij B.B.A. Lichtenbelt en
J.S.H. Peutz; tel. prakt.: 050-5252697; fax
prakt.: 050-5259409; E-mail prakt.: dgc.pa-
terswoldseweg@worldonline.nl.

Pijls, J.L.A.; 1987; 3240 AB Middel-
harnis; p/a Postbus 62;
E-mail privé: han-
spijls@wish.net;
p., D.K. Goeree-Overflakkee;
tel. prakt.: 0187-482897; fax prakt.: 0187-
489495; E-mail prakt.:dierenkUniek.go@tref.
nl.

»Priester, Mevr. D.; 2000; 7103 JH
Winterswijk; Den Uyllaan 2; tel. privé: 0543-
530935; wnd.d.

»Remmen, M.T.; 2000; 3581 JN Utrecht;
Oudwijkerveldstraat 72; tel. privé: 030-
2545530; E-mail privé: tieshl@yahoo.com;
p.,
medew. bij E.J.W. de Boer en J.G. van
Spanje; tel. prakt.: 030-2517517; fax prakt.:
030-2516932.

»Renes, Mevr. S.; 2000; nadere gegevens
onbekend.

»Riet, S.M. van \'t; 2000; 5871 CE
Broekhuizenvorst; Blitterswijckseweg 20; tel.
privé: 077-4632592; E-mail privé: suzanne_-
vantriet@yahoo.com; wnd.d.

»Rossing, Mevr. A.M.; 2000; 3581 JX
Utrecht; Van der Duijnstraat 4; tel. privé:
030-2514981; E-mail privé: annematieros-
sing@hotmail.com; wnd.d.

Schaap, J.M.L.; Gent-1999; 2018 ANT-
WERPEN; België; Justitiestraat 47; tel. privé:
00-32-32381727;
E-mail privé: jmschaap@-
hotmail.com; p., medew. bij C. Casman; teL
prakt.: 00-32-36360583.

»Schlotter, Mevr. Y.M.; 2000; 3532 HS
Utrecht; Vleutenseweg 284; wnd.d.

«Schouten, Mevr. R.; 2000; 3515 EW
Utrecht; Veenhof 1;
tel. privé: 030-2720955; E-
mail privé: renata@$chouten.demon.nl;
wnd.d.

Sprock, Mevr. M.E.; 1999; 7951 CH
Staphorst; Gemeenteweg 139; tel. privé:
0522-468494; p., medew. bij H.W. Bosch,
M.O. Molenaar, H.J. Roze en J.A. van Twil-
lert; tel prakt.: 0522-462929; E-mail prakt.:
dacstaphorst@wxs.nl.

*Steverink, Dr. P.J.G.M.; 1990; U-1996;
1271 AZ Huizen; Lindenlaan 107; tel. privé:
035-5259844;
Onderzoeksleider Endemische
Dierziekten; tel. bur.: 0320-238692; fax bur.:
0320-238668; E-mail bur.: p.j.g.m.stever-
ink@id.wag-ur.nL

»Veek, Mevr. Y.J.M. van der; 2000;
3561 ES Utrecht; Anna van Burendreef 68;
tel. privé: 030-2624299/06-26642764; E-mail
privé: yvon_v@hotmail.com; wnd.d.

»Wardt, S.T. van der; 2000; 3525 GC
Utrecht; Bazuinhof 36; tel. privé: 030-
2800977; E-mail privé: tarzanned@hot-
mail.com; w nd.d.

Westerlaan, L.J.; Gent- 1997; 8431 EH
Oosterwolde (F); Snellingerdijk 11; tel. privé:
0561-515278; p., medew. bij S.D. Feitsma, H.
Jorritsma, J.W.E. Peters, P.H.H. van Poecke
en P. Siderius; tel. prakt.: 0516-512742; fax
prakt.: 0516-513295; E-mail prakt.: da-
coostw@hetnet.nl.

Wilps, Mevr. D.J.; 1999; 5421 ZA
Gemert; Pandelaarse Kampen 19; tel. privé:
06-51494872;
E-mail privé: r_wilps@hot-
mail.com;
p., medew. bij D.A.H. Brus, L.B.H.
ten Hove, J.W.M. Miltenburg, P.J.A.M.
Pulskens, C.J.M. Schouten en J.A.C. van
Vuren; tel prakt.: 0413-211350; fax prakt.:
0413-211495; E-mail prakt.:dierenarts.erp-
@worldonline.nL

»Wit, Mevr. M.C.L. de; 2000; 3581 XH
Utrecht; Beukstraat 56; teL privé: 030-
25442015; wnd.d.

Jubilea 2001

25 jaar (1976)

K. Vellinga, Heerenveen, 23 januari, aanwezig
Th. A.M. Witjes, Bergen (L), 23 januari, aanwe-
zig

G.J. Bisperink, Hoogeveen, 23 januari, afwezig
G.F.S. Hegge, Harlingen, 23 januari, aanwezig
Prof Dr. H.A.W. Hazewinkel, Utrecht, 23 janu-
ari, afwezig

B.S. Wichers, Dedemsvaart, 23 januari, aanwe-
zig

-ocr page 36-

Dr.E. Lambooij, Lelystad, onbekend, afwezig
H.J. van de Kamp, Maasland, 20 februari, afwe-
zig

J.J. Oostveen, Silvolde, 20 februari, afwezig
Dr. G. Benedietus, Joure, 20 februari, aanwezig
W.J.H. Oskam, Beusiebem, 20 februari, afwezig

E.E. Steenhuis Geertsema, Wilnis, 20 februari,
afwezig

A.W.A.J. Vermeulen, Winterswijk, 20 februari,
afwezig

H.J.B. du Pon, Werkhoven, 26 februari, afwezig

B.H.J. Vulink, Nijverdal, 5 maart, afwezig

D.J. Megchelenbrink, Brammen, 5 maart, afwe-
zig

A.J.A. Lobstein, Uitwellingerga, 5 maart, afwe-
zig

A.Th. M. Wilderbeek, Wiesbaden(Duitsland),
26 maart, afwezig

R.J.M. Scheifes, Lemerlerveld, 26 maart, aan-
wezig

Mevr. Drs. G.H. Smit, Almere, 26 maart, onbe-
kend

H.J.F. Rouwette, Oostrum (L), 7 april, afwezig
H. Vaarkamp, Vessem, 9 april, afwezig
R. van der Linde, Nistelrode, 9 april, onbekend
Dr. R.H. Dwinger, Amsterdam, 9 april, aanwe-
zig

Dr. A.P.M.G. Bertens, Amhem, 9 april, afwezig
G. Meijer, Vorstenbosch, 9 april, aanwezig
P.W.L. Verweij, Gorinchem, 9 april, afwezig
R.J. Vooren, Nieuwegein, 14 mei, aanwezig
A.M. Verhaegh, Soerendonk, 14 mei, afwezig

G. Jeurink, Elim, 14 mei, aanwezig

F. Santen, Badhoevedorp, 14 mei, aanwezig

H.R. Moek, Zuidwolde (D), juni, afwezig

G.R. Boone, Kasterlee, (België), 27 juni, afwe-
zig

Mevr. Drs. J.W. Tinholt-van der Meer, 2 juli, af-
wezig

G.J. van Riemsdijk, Huissen, 2 juli, afwezig
Mevr. Drs. J.M. Benedictus-van Jaarsveld, 2
juli, afwezig

A.K. van derPaauw, Smalle Ee, 2 juli, afwezig
P.H.M. Vermeulen, Louvigne du Desert (Frank-
rijk), 2 juli, afwezig

A.J.G. Lautenschutz, Ruurio, 2 juli, afwezig
R. Peteroff Emmen, 3 juli, afwezig
Dr. H.J.A. Egberts, Mook, 7 juli, afwezig
W. Meijer, IJhorst 10 september aanwezig
A.J.J. Hulshof, Bosch en Duin, 10 september, af-
wezig

C.H.L. Klaassen, Leiden, 10 september, afwezig
Mevr. Drs. A.W. van Luik-Grevelink, Sassen-
heim, 10 september, aanwezig
M. Groenveld, Warfhuizen, 10 september, afwe-
zig

W.W.A.M. Kruysen, Ziewent, 10 september, af-
wezig

E.J. Wijers, Olst, 6 oktober, afwezig

G.M. Zimmer, Nuenen, 22 oktober, afwezig
Dr. H.A. Solleveld, Glenmoore (USA), 22 okto-
ber afwezig

K.J. Broekhuizen, Leerdam, 22 oktober, afwe-
zig

J.C.van den Wijngaard, Gemonde, 19 november
afwezig

R.A.M.M. ter Schure, Spierdijk, 19 november
afwezig

H.F. de Vries, Eibergen, 10 december, aanwezig
T. Nell, Milsbeek, 12? december, afwezig

30 jaar (1971)

J. Niehof, Giekerk, 11 januari, afwezig
E.P.C.M. van Riel, Oisterwijk, 15 januari, afwe-
zig

H.A.R. Kok, Nunspeet, 15 januari, afwezig
J.W.M. van Hulzen, Mantgum, 12 februari, af-
wezig

J. Hagendijk , Blokzijl, 1 maart, aanwezig
W.J.J. van den Berg, Ens, 3 maart, afwezig
Dr. M.F. de Jong,Dalfsen, 5 maart, afwezig
J. Th. Goverts, Vinkeveen, 2 april, afwezig
H. Moser, Oss, april, aanwezig
W. Schuurman, Lichtenvoorde, 2 april, aanwe-
zig

Prof Dr. G.C. van der Weijden, \'t Goy, 2 april,
afwezig

K. van Muiswinkel, Emmeloord, 2 april, aanwe-
zig

N.H. Lieben. Utrecht, 2 april, afwezig
P.J. van der Werf, Bathmen, 2 april, afwezig
J. Braaraskamp, Amersfoort, 29 april, afwezig
H. Buunk, Twello, 29 april, afwezig
T. de Ruijter, Mook 29 april, afwezig
C. Willenborg, Cuijk, 29 april, aanwezig
M.J.A. Nuyens, Gemert, 28 mei, onbekend
N.J.G.J. van der Wielen. Bakel, 28 mei, afwezig
L.E. Tjebbes, Middelhamis, 1 juni, afwezig
J.P. van Amerongen, Nijmegen, 2 juli, afwezig
Prof Dr. A. de Kraif, Gent-Afsnee(België), sep-
tember onbekend, aanwezig
A. Fikse, Vroomshoop, 1 september, afwezig
J.J.J. van de Mortel, Oudewater, 3 september, af-
wezig

J.L. Krom, Meppel, 3 september, afwezig
H.Th.J. Rosendal, Stad-Delden, 3 september,
aanwezig

H.W. Hamster, Garderen, 3 september, aanwe-
zig

L. Jobse, Oostkapelle, 15 september, afwezig
J.A. Streumer, Vorden, 17 september, afwezig
N. Ypenburg, Eindhoven, 17 september, aanwe-
zig

E.P. Snuif, Zaandam, 17 september, afwezig
J.L.M. Regouin, Achel ( België), 17 september,
aanwezig

P.G. de Lint, Altea,Alicante(Spanje), 8 oktober,
aanwezig

Prof Dr. P.W.J. Peters, Utrecht, 8 oktober, af-
wezig

Mevr. Drs. Th.J. Driehuis-Van Haseler, Vlissin-
gen, 8 oktober, afwe7:ig
G.J. Molenkamp, Heeze, 15 oktober, afwezig
Mevr. Drs. ll.M. Prause-Verweij, Soesterberg,
23 oktober, afwezig

Mevr. Drs. A.M. Van Muiswinkel-Bracht, Em-
meloord, november onbekend, aanwezig
Mevr. Drs. L.J.M. Esscnberg, Hengelo (O), 12
november, aanwezig

P.G.M. Rambags, Rosmalen, 12 november, af-
wezig

A.C.A. van Exsel, Esch, 12 november, afwezig
M. Ter Veer, Norg, 18? november, aanwezig
G. van den Bosch, Uddel, 2 december, afwezig
P.C.J. Hopmans, Eibergen, 3 december, aanwe-
zig

Dr. J.C. Meyer, Zeist, 3 december, afwezig
A. Fledderus, Voorthuizen, 14 december, afwe-
zig

Mevr. Drs. M.A. Immink-Vaandrager, \'s-Graven-
hage, 24 december, afwezig
P. Van Houwelingen, Leiden, 24 december, af-
wezig

G. J. Bosma, Zuidhom, 24 december, afwezig
J.J.G. Rosegaar, Zeeland (NB), 24 december, af-
wezig

E. Kamps, Drachten, 24 december, afwezig
Dr. H.W. Merkens, Zeist, 24 december, aanwe-
zig

J.J. Fransen, Eindhoven, 24 december, afwezig
J. Binnema, Hellendoom, 24 decemt>er, aanwezig

35 jaar (1966)

A.A.P.A. Zeeuwen, Boxtel, 11 januari, afwezig
Dr. M.A. Attia, Evreux (Frankrijk), 15 januari,
aanwezig

P.J. De Dreu, Heiloo, 11 febraari, afwezig
J. Oosterbaan, Garderen, 11 febraari, aanwezig
M.P. Kwakemaak, Dokkum, 11 maart, afwezig
J.G.A. Slaats, Neer, 7 april, aanwezig
Dj.P. Teenstra, Rotterdam, 19 april, afwezig
Mevr. Drs. W.G. Roelofsen, Gouda, 11 mei, af-
wezig

L. Dijkhuis, Zweeloo, 13 mei, afwezig

G. Jeurink, Elim, 14 mei, aanwezig

F.J.J. Cremers, Boxmeer, 8 juli, afwezig
A.Pluimers, Lichtenvoorde, 11 oktober, afwezig
J.A. Smak, Bleskensgraaf 11 oktober, afwezig
W.G. de Ruijter, Monnickendam, 4 november,
aanwezig

W.J. van Baaien, Loenen a/d Vecht, 6 novem-
ber, afwezig

Dr. W.A. Hunneman, Esch,l 1 november, afwe-
zig

Dr. L.H.H.M. Lendfers, Weert, 22 december, af-
wezig

H.L.C. Logtenberg, Dalfsen, 23 december, aan-
wezig

40 jaar (1961)

J.J. de Groot, Zoetermeer, 21 januari, afwezig
H.P. Kingma, Hellendoom, 15 februari, afwezig
A.M. Tromp, Beer-Tuvia (Israël) 24 febraari, af-
wezig

P.J. Mangnus, Steenbergen, 8 maart, afwezig
M.van den Berg, Ommen, 8 maart, afwezig
D.J.A. de Groot, Markelo, 23 maart, afwezig
Prof Dr. J.M.V.M. Mouwen, Bilthoven, 20
april, afwezig

T. Nauta, Woudenberg, 20 april, afwezig

T. Quartel, Zeist, 2 mei, aanwezig

J. van Dobbenburgh, Houten, 10 mei, afwezig

Dr. A.F.A. Brands, Cuijk, 16juni, afwezig

Dr. C.D.W. König, Doesburg, 21 juni, afwezig

Mevr. K.J.M. Stróbl, Geldrop, juli, afwezig

J. van Es, Welsum, 7 juli, afwezig

Mevr. Drs. L.A. van Voorden, Laren, (NH), 7

juli, afwezig

G.H. van der Wal, De Wijk, 7 juli, afwezig

H.J.A.J. Heuthorst, Rotterdam, 11 juli, afwezig
H. de Vries, Hellendoom, 22 september, afwe-
zig

L. van der Zee, Workum, 25 oktober, afwezig
R. Falkena, Beetsterzwaag, 25 oktober, onbe-
kend

H. Verkerk, Veenendaal, 25 oktober, afwezig
K. Betten, Heerenveen, 25 oktober, afwezig
J.J. van Zutven, Oss, 25 oktober, afwezig
Prof Dr. H.J. Breukink, Utrecht, 26 oktober,
aanwezig

S. Jaarsma, Zwolle, 26 oktober, afwezig

G.J.J. Snelder, Siran (Frankrijk), 15 november,
afwezig

Dr. J.M. van Leeuwen, Lelystad, 27 november,
afwezig

C.J. Cysouw, Philippine, 27 november, afwezig
J.P. van der Laan, Steenwijk, 29 november, af-
wezig

P. Ambagtsheer, Zwolle, 15 december, aanwe-
zig

H.H.F.M. van de Vijver, IJzendijke, 20 decem-
ber, afwezig

Prof Dr. W. Hartman, Uffelte, 20 december,
aanwezig

P.R. Tulner, Broek (F), 23 december, afwezig
45 jaar (1956)

G. Blok, Emmeloord, 2 febraari, afwezig
W. van Sijpveld, Kesteren, 1 maart, afwezig
J. Wijsmuller, Rosmalen, 1 maart, afwezig
K.G. Van Dijk, Zandvoort, 27 maart, afwezig
Dr. W.T. Traijen, Boxtel, 30 maart, afwezig
C.L. van Limborgh, Baam, 28 april, afwezig
S. Spaargaren, Loosdrecht, 31 mei, aanwezig

-ocr page 37-

Dr. C. Folkers, Hilversum, 11 juni, aanwezig
H.M. Jansen, Waardenburg, 30 juni, afwezig
G. Schoenmaker, Gouda, 30 juni, afwezig
R. A. Oosterwoud, Staphorst, 11 juli, afwezig
Prof. Dr. A.W.Kersjes, Zeist, 11 juli, afwezig
Dr. E.J. Van der Kuip, Utrecht, 11 juli, aanwezig
Prof. Dr. J.G. van Logtestijn, Driebergen, 11
juli, afwezig

Prof. Dr. J.F. Frik, Wapenveld, 17 september,
aanwezig

C. Schalk, Klundert, 5 oktober, afwezig
Prof. Dr. A. Brand, Giethoorn, 5 oktober, aan-
wezig

Me\\ r. Drs. W.C. Spits-Eshuis, Zutphen, 5 okto-
ber, afwezig

G. de Boer, Giekerk, 19 oktober, afwezig
J.M. Schuld, Tilburg, 19 oktober, afwezig
J.W. Kloosterboer, Apeldoom, 19 oktober, af-
wezig

H. Brouwer. Emmelooord, 25 oktober, afwezig
A.C. Bestebroer, Giethoorn, 31 oktober, afwezig
Dr. 1. Nathans, Amstelveen, 16 november, aan-
wezig

A.G.J. Ruijs, Bilzen (België), 16 november, af-
wezig

A. Jongbloed, Drachten, 19 december, afwezig
50 jaar (1951)

Prof Dr.Dr. h.c. E.H. Kampelmacher,
Bilthoven, 21 januari, afwezig
Prof. Dr. van Bekkum, Lelystad, 14 februari, af-
wezig

P.J.D. van Egmond, Heino, 10 mei, afwezig

G. Siebinga, Beesterzwaag, 10 mei, afwezig

L. Nauta, Drogeham, 10 mei, afwezig

Dr. J.V. Frejlach, Hoofddorp, 12 juni, aanwezig

J.G.J. ter Haar, Haaksbergen, 5 juli, afwezig

J.G. Kemma, Heeten, 6 juli, aanwezig

Dr. F. W van der Kreek,\' s-Gravenhage, 13 juli,

afwezig

G. Diekenhof, Epse, 21 september, afwezig
J.W. Baretta, Wijk bij Duurstede, 13 oktober,
afwezig

J.S van der Kamp, Haren (Gr), 13 oktober, aan-
wezig

C. de Gier, Broek in Waterland. 13 oktober, af-
wezig

Dr. K.H. Hermans, Arnhem, 13 oktober, afwe-
zig

I.C. Klok, Rockanje, 9 november, onbekend

H.C.C.M. Meens, Meijel, 14 november, aanwe-
zig

W. H. Kapsenberg, Sluis, 23 november, afwezig
Prof Dr.Dr. h.c. de Bois, Bilthoven, december
onbekend, afwezig

D. Louwes, Leens, 21 december, afwezig

F. Broersma, Metslawier, 21 december, afwezig
H.J.L. Boonen, Egchel, 21 december, aanwezig

55 jaar (1946)

D.J.W, ten Hoopen, Balkbrug, 29 juli, afwezig
R.J. Huizinga, Zuidwolde (D), 29 juli, afwezig

E.J.S. Bron, Oudemirdum, 6 september, afwezig
Dr. D.M. Zuidam, Wassenaar, 13 september, af-
wezig

Dr. D. Talsma, Tietjerk, 24 oktober, afwezig
6ojaar(\'i94i)

A. Boogaerdt, Lekkerkerk, 5 mei, afwezig
Mevr. Drs. S.M. Krediet-Endert, Zeist, 8 juli, af-
wezig

G.J.A. Scholten, Bakel, 8 juli, afwezig
L.C. Baas, Dalen, 24 januari, afwezig

65 jaar (1936)

J.M. van de Bom, Zutphen, onbekend, afwezig

Doorlopende agefida

Congressen & Symposia
januari

17 Symposium der DSK \'Vaccinatie, het
einde?\', Androclusgebouw collegezaal
101, FdD, aanvang 9.00 uur. Kaarten tot 10
januari 2001 te bestellen bij Merel Jansen,
tel.: 030-2762075 of 06-29261642.
21—25 Intemational Sheep Veterinary

Congress, Stellenbosch, South Africa. You
are invited to submit the proposals for pa-
pers, videos and posters on all topics related
to sheep health and production. Your inten-
tion to participate must be made known to
the Scientific Programme committee as
soon as possible by informing them by fax
or e-mail of the topic of your presentation:

Maliesingel 34
3581 BJ Utrecht
Tel. (030) 244 87 74
Fax (030) 241 66 33
E-mail: info@dixenco.nl
vvww.dixenco.nl

Reservations hotline: fax: 27 11 7927522,
e-inail: reshot@yebo.co.za. Scientific Pro-
gramme committee: (Chairman: Ken Pet-
tey), fax: 27 12 5298315, e-mail: kpettey
@op.up.ac.za.

Februari

16—17 Lustrum Groep Geneeskunde van
het Paard, congrescentrum \'Hart van
Holland\' in Nijkerk. Secretariaat: dr.
Brigitte P.M. Cornelissen, Prieelvogelweg
28, 1349 CJ Almere, tel.: 036-5309769,
ABN-AMRO Hattem 53.69.14699.

Maart

7—10 Intemational Congress of the

European Committee of the Association of
Avian Veterinarians (EAAV) in collabora-
tion with the German Veterinary Society
(DVG) and in conjunction with the 4\'"
Intemational Scientific Meeting of the
European College of Avian Medicine and
Surgery (ECAMS), Munich, Germany.

16—17 Symposium Groep Paard. (PAO-D
cursus 01/501.)

ieder z\'n vak!

Het raadplegen van adviseurs is goed...
Maar voor de financiële zaken van uw
(toekomstige) praktijk heeft u een
specialist nodig!

Dix&Co is deskundig op financieel,
fiscaal en juridisch gebied m.b.t. praktijk-
financiering, associaties, verzekeringen,
hypotheken en pensioenen.

Landelijke dienstverlening bij praktijk-
overdracht, bij associatie en assistentie.
Belt u even voor een afspraak of een
brochure.

Dix €0

-ocr page 38-

20—22 Voorjaarsdagencongres, RAI, Am-
sterdam.

28—30 Congres Society for Veterinary Epi-
demiology and Preventive Medicine
(SVEPM), Golden Tulip Conference Hotel
de Leeuwenhorst, Noordwijkerhout. Nadere
informatie is te krijgen op de website van de
SVEPM: www.vie.gla.ac.uk/svepm of bij
het algemene contactadres voor het congres:
Dr. Lisette Graat, Departement Dierweten-
schappen, Kwantitatieve Veterinaire Epi-
demiologie, Postbus 338, 6700 AH
Wageningen, e-mail: Lisette.Graat(a^GenR.
VH.WAU.NL of bij ondergetekende:
E.G.M.van.Klink@ECLNV.AGRO.NL.

Mei

23—26 40*\'\' International Symposium on
Diseases of Zoo and Wild Animals,
Rotterdam. Topics: 1) Diseases of marine
animals, 2) Diseases of Asian animals, 3)
Immunoprophylaxis.

)uli

4—7 X International Symposium of Veterinary
Laboratory Diagnosticians and OIE
Seminor on Biotechnology, Salsomaggiore
- Parma, Italy. Information: Organising
Secretariat, New Team, Via C. Ghiretti, 2,
43100 Parma (Italy), tel.: 39-0521-
293913, fax: 39-0521-294036, e-mail:
newteam.parma(giol.it

September

27—29 I?\'\'\' Annual Congress in Veterinary
Dermatology of the European Society of
Veterinary Dermatology, Copenhagen, Den-
mark. Further information: F. Kristensen,
Dept. of Clinical Smdies, Royal Veterinary
and Agricultural University, Dyrlagvej 16,
1870 Frederiksberg, Denmark. Fax: 45-
35282929, e-mail: fk(@kvl.dk, www.con-
gress-vetderm.com

Oktober

5 Jaarcongres KNMvD, Papendal, Amhem.

December

14 Jubileum 25-jarig bestaan Groep
Geneeskunde van het Rund.

Vergaderingen & Bijeenkomsten

Maart

24 Werkvergadering Gezelschapdieren Regio
Zuid. Golden Tulip Hotel, Weert. 10.00-
16.00 uur.

Mei

23 Veterinair Golfkampioenschap 2001.

juni

13 AUV Algemene Ledenvergadering.

20 AUV fietsdag.

Oktober

4 Sportdag KNMvD, Papendal, Amhem.

6 Algemene Ledenvergadering KNMvD,
Papendal, Amhem.

Cursussen

januari

9, lOenll PAO-D cursus 01/504: Erkende
Paardendierenarts.

IO Klinische Avond voor Dierenartsen, Motel
Eindhoven. Meer informatie: Virbac

p

KNMvD

Nederland BV, tel.: 0342-427127.

12 PUOD(België)-cursus 14: Het gebruik van
echografie in de voortplanting bij het rund.

12 Start cursus \' Probleemgedrag bij Honden",
Van Hall Instituut, mw. F. Takarbessy of
G. Luurs, Postbus 1754, 8901 CB
Leeuwarden, tel: 058-2846160, fax: 058-
2846199.

16 Nascholingsdag voor dierenartsassisten-
ten, Holiday Inn te Eindhoven. Meer infor-
matie:Virbac Nederland B.V., tel. 0342-
427127.

18 PAO-D cursus 01/101: Intemistische cases
GD.

18,24 en 24 PAO-D cursus 01/505: Erkende
Paardendierenarts.

20—21 Tweedaagse managementcursus voor
ondememende dierenartsen en praktijkma-
nagers, hotel-restaurant Oud London te
Zeist. Prijs: ƒ 1050,- excl. BTW en over-
nachting. Meer informatie: Veterinair
Organisatiebureau Animaux, Pascale
Fuchs, tel.:035-6239479.

23 PUOD (België)-cursus 17: Erfelijke aan-
doeningen bij het paard.

26 PAO-D cursus 01/301: PMWS/Circovims.

30 PAO-D cursus OI /102: Voeding in therapie
GD. Tevens 6 februari.

Februari

1 Nascholingsdag voor dierenartsassisten-
ten, Mercure Hotel Amsterdam a/d Amstel.

7
7

14

15

15

16

Meer informatie:Virbac Nederland B.V.,
tel. 0342-427127.

Klinische Training verzorgd door Groep
Homoeopathisch-werkende dierenartsen
en QualiPet-C Products & Education BV,
zalencentmm Galg & Waard te Utrecht.
Informatie/aanmelding: QualiPet-C

Products & Education BV, Postbus 17,
6866 ZG Heelsum, tel.: 0317-350365, fax:
0317-350787,e-mail: info{§qualipet.com.
PUOD (België)-cursus 18: Practicum ra-
diodiagnose.

PAO-D cursus 01/102: Voeding in therapie
GD.

Dertiende post-HBO Eijkman-cursus
\'Microbiologie van Levensmiddelen en
Drinkwater\' aan de Internationale
Agrarische Hogeschool Larenstein te
Velp. Tevens op 21-28 maart en 23 mei
2001. Cursuskosten ƒ 4250,- Inlichtingen:
prof. dr. W. van Dokkum, tel.: 030-
6992860. fax: 030-6992861, e-mail:
w.dokkum(SJwxs.nl of mevr. prof. C.B.
Stmijk, tel/fax: 010-5914881.
PAO-D cursus 01/302: PMWS/Circovims.
PUOD (België)-cursus 19: Algemene
anesthesie bij het paard.
PAO-D cursus 01/303: PMWS/Circovirus.
PAO-D Workshop Verbanden.
PAO-D Workshop Puncties/Anesthesie.
PUOD (België)-cursus 20: Practicum
echografie.

U HEEFT
AL JAREN
GELIJK

• Incontinentie

• Astma bronchiale

Bewezen effectief bij de behandeling
van incontinente honden m/v.

ACE Veterinary Products BV - Postbus 1262 - 3890 BB Zeewolde

-ocr page 39-

16—18 Duitstalige basiscursus osteosynthese-
technieken gezelschapsdieren. Universiteit
van Glessen. Informationsbüro der AO in
Glessen, Abteilung fur Allgemeine und
Experimentelle Chirurgie der Chirurgische
Veterinärklinik, c/o Walter Gilbert. Frank-
furterstrasse 108, D-35392 Glessen. Tel.:
49-6419938562, fax: 49-6419938519, e-
mail: walter.gilbert@vetmed.uni-giessen.
de, intemet: www.uni-giessen.de/- gil071/
osteosynthesebasiskurs.htm. Of via de
AO-Vet. Commissioner voor Nederland:
Prof. F.J. Meutstege te Bilthoven (030-
2201621), e-mail: meutQ® knoware.nl.

23 PUOD (België)-cursus 21: Practicum ge-
leidingsanesthesie en gewrichtspuncties.

Maart

1 Nascholingsdag voor dierenartsassisten-
ten, Mercure Hotel Heerenveen. Meer in-
formatie:Virbac Nederland B.V., tel. 0342-
427127.

9 PUOD (België)-cursus 21: Practicum
anesthesie.

15 Nascholingsdag voor dierenartsassisten-
ten, Restaurant Lommerrijk in Rotterdam.
Meer informatie:Virbac Nederland B.V.,
tel. 0342-427127.

16 PUOD (België)-cursus 22: Practicum tand-
verzorging.

20 Klinische Avond voor Dierenartsen, AC
restaurant De Meem. Meer informatie:
Virbac Nederiand BV, tel.: 0342-427127.

30—31 Blok 1 - Cursus Persoonlijke Ont-
wikkeling, samen met uw levenspartner.
Opgave: e-mail congres@vvaa.nl of bel
030-2474328.

April

10

10

Nascholingsdag voor dierenartsassisten-
ten, Mercure Hotel Bunnik. Meer informa-
tie:Virbac Nederland B.V., tel. 0342-
427127.

Cursus \'Marketing in de landbouwhuisdie-
renpraktijk\' te Utrecht. Kosten: VVAA-le-
den: ƒ 375,-, niet-leden ƒ 425,-, studenten:

ƒ 295,-. Aanmelden via e-mail: con-
gres(gvvaa.nl of bel 030-2474328.

20—21 Blok 2 - Cursus Persoonlijke Ont-
wikkeling, samen met uw levenspartner.
Opgave: e-mail congres@vvaa.nl of bei
030-2474328.

Oktober

31 Cursus \'Marketing in de gezelschapsdie-
renpraktijk\' te Utrecht. Kosten: ƒ 375,-
voor VVAA-leden en ƒ 425,- voor niet-le-
den, studenten betalen ƒ 295,-. Aanmelden
via e-mail: congres@vvaa.nl of bel
030-2474328.

November

9—10 Blok 1 - Cursus Persoonlijke Ont-
wikkeling, samen met uw levenspartner.
Opgave: e-mail congres(gvvaa.nl of bel
030-2474328.

30—1 dec. Blok 2 - Cursus Persoonlijke Ontwik-
keling, samen met uw levenspartner. Op-
gave: e-mail congres@vvaa.nl of bel

Stichting Silverlinde zoekt voor de vierdejaarsstudenten van haar HBO-opleiding Veterinaire Natuurgeneeskunde in Breda een

docent Medisch (m/v)

voor het vak pathologie.

Het gaat om 6o lesuren per jaar; de lesdag is zaterdag.
Uitbreiding van lesuren op andere lesdagen is mogelijk.

Voor nadere inlichtingen kunt u contact opnemen met de coördinator van de opleiding mevrouwt Cremers, Silverlinde in Breda, te-
lefoon: 076-5424688; e-mail: margriet@silverlinde.com.

Dierenartsenpraktijk Oost-Drenthe is een 13-mans praktijk, waarbij gewerkt wordt vanuit een moderne, goed geoutilleerde kliniek
en meerdere dependances. Op het gebied van de gezelschapsdieren zoeken wij twee

enthousiaste collega\'s m/v

De eerste vacature betreft een (parttime) functie voor eerstelijns activiteiten op een dependance. Daarnaast staat een vacature
open vooreen kliniekdierenarts met interesse voor tweedelijns diergeneeskunde. Voor beide functies geldt een uitstekende avond-
en weekenddienstregeling.

Schriftelijke reacties, voorzien van curriculum vitae, richten aan: Dierenartsenpraktijk Oost-Drenthe, Hoofdweg 26a, 7877 TC Klijndijk,
ter attentie van drs. C.j. Bouwhuis.

Dierenartsenpraktijk Helmond, gemengde praktijk in Oost-Brabant, zoekt op korte termijn:

Dierenarts (m/v)

Wij vragen:

enthousiasme, interesse in landbouwhuisdieren.
Wij bieden:

veel uitdaging, goede toekomstmogelijkheden.
Afspraken/regelingen volgens KNMvD-richtlijnen.

Schriftelijk solliciteren binnen 14 dagen: DAP Helmond, Cerwenseweg 68, 5708 EL Helmond. Eventuele aanvullende informatie
binnen kantooruren 0492 - 533808.

-ocr page 40-

Dierenartsenpraktijk Noord-West Groningen in Winsum is een ge-
mengde praktijk waar zes dierenartsen en vier assistenten werk-
zaam zijn. Wegens toename en intensivering van de werkzaamhe-
den in de gezelschapsdieren zijn wij op zoek naar een

enthousiaste gezelschaps-
dierenarts (m/v)

Wij vragen:

• difFerentiatie gezelschapsdieren

• bereidheid om zich te verdiepen in de orthopedie

• positief commerciële instelling

• flexibiliteit

• inzet

• de overtuiging om in een groep te willen werken

• deelname in de dienstregeling voor de gezelschapsdieren

• affiniteit met het noorden van het land

Wij bieden;

• een parttime functie voor zeven dagdelen (op langere termijn
wordt gestreefd naar een volledige functie)

• een groeiende gezelschapsdierenpraktijk, gelegen in een lande-
lijke omgeving

. goede secundaire arbeidsvoorwaarden

• salariëring volgens KNMvD-norm

• uitstekende ontplooiingsmogelijkheden

Bij gebleken geschiktheid gaat onze voorkeur naar een associatie uit.
U kunt uw sollicitatie binnen 14 dagen sturen naar:
Dierenartsenpraktijk Noord-West Groningen, Lombok 27, 9951 SC
Winsum, ter attentie van W.J.L. Lusink.

Bs

Dierenartsenpraktijk
Deurne

Dierenartsenpraktijk Deurne, een gemengde praktijk
waarin momenteel tien dierenartsen werkzaam zijn, zoekt
op korte termijn ter versterking van het team varkensdie-
renartsen, een

erkende varkensdierenarts m/v

Wij vragen:

• ruime ervaring en interesse in de varkenssector

• bekend zijn met analyseprogramma\'s en deze zelf uit
kunnen voeren

• deelname dienstenregeling

• sterke persoonlijkheid met gevoel voor humor

• visie, in die zin dat u in staat bent een wezenlijke bijdrage
te leveren aan de verdere ontwikkeling van onze praktijk.

Wij bieden:

• enthousiaste collega\'s, die de begrippen service en kwali-
teit hoog in het vaandel hebben

. een prettige werksfeer.

Graag zien wij een schriftelijke sollicitatie voorzien van een
cv gericht aan: DAP Deurne, Postbus 264, 5750 AG te
Deurne, ter attentie van P. Slotboom.

De functie

Omvat een volledige weektaak. U gaat het
ondenwijs verzorgen ten behoeve van de
veehouderij en wordt ingezet voor consultancy-
taken via het transferpunt Agrotransfer

Het functieprofiel

De nieuwe collegae, die wij zoeken, beschikken
over een universitair werk- en denkniveau, zijn
breed inzetbaar als veehouderijdocenten en zijn
bereid om, indien nodig, in het eerste jaar een
didactische scholing te volgen. En/aring in het
bedrijfsleven of in een onderzoeksinstituut strekt
tot aanbeveling.

Naast onderwijs en consultancy in de brede
veehouderij, bent u bereid u nader te
specialiseren in één of meerdere van de
volgende vakgebieden:

- de varkenshouderij (o.a. het primaire
productieproces, de keten, de sector, ICT,
kwaliteitszorgsystemen)

- veehouderij en milieu

- veehouderij en plattelandsontwikkeling.

De Chrlstellike Agrarische Hogeschool Is gevestigd in de "landbouw provincie" Flevoland. Vanuit de opleidingen PlaHelandsvernieuwIng, Dier- en
Veehouderij, Tuinbouw en Akkerbouw en Bedrijfskunde en Agribusiness lelden we onze 800 studenten op voor agrarisch ondernemerschap,
voorlichting, handel, diergezondheidszorg, logistiek, techniek en management. Een kwart van onze studenten woont op de campus. Aan de CAH zijn een
groot gemengd landbouwbedrijf, een kleinveebedrijf en een agrarisch bedrijvencentrum verbonden. Agrolransfer verzorgt de kennistransfer van de
hogeschool aan het bedrijfsleven. De CAH neemt deel In het Agrarisch Kennis Centrum Flevoland (AKCj, dal rondom de hogeschool wordt
uitgebouwd.

Binnen de vakgroep Veehouderij van onze hogeschool zijn twee vacatures ontstaan. In verband hiermee zijn wij op zoek naar
enthousiaste kandidaten voor de functie van:

Eén van de nieuwe collegae zal als adviserend
docent betrokken worden bij het Coöperatief
Veredelings- en Demonstratiebedrijf, waar var-
kens, pluimvee en schapen worden gehouden
en waan/an het management in handen is van
studenten.

Wij bieden

Dynamische functies in een organisatie volop In
beweging. U krijgt de mogelijkheid uw eigen
ideeën in te brengen. Aan de functies is een
salarisperspectief gekoppeld van maximaal
schaal 11 (Kadertjesluit). De inpassing geschiedt
op basis van uw leeftijd, opleiding en opgedane
weri<ervaring. De secundaire artieidsvoonwaar-
den zijn zonder meer goed te noemen.

Informatie

leder die bij ons wert<t, onderschrijft het
christelijke karakter van de hogeschool. Bij de
selectieprocedure worden uw toekomstige
naaste collegae en een delegatie van de
studenten betrokken. Voor informatie over deze
functies kunt U contact opnemen met de heer

DOCENT VEEHOUDERIJ

drs. H. Corfen, vakgroepmanager Veehouderij,
te bereiken onder nummer (0321)386100
(hogeschool) of (321)382944 (privé).

Interesse?

Herkent U zich in deze functies en bent U een
vrouw of man, die tussen de mensen staat?
Schrijft U dan binnen 2 weken na het
verschijnen van deze advertentie, een korte brief
vergezeld van uw CV aan de heer A. J. Kok,
hoofd van de Algemene Dienst van de CAH, de
Drieslag 1,8251 JZ Dronten.
E-mailen mag uiteraard ook: het adres is
bun@cah.nl

In vert]and met de vakantieperiode zal de
selectieprocedure in de loop van januari worden
gestart

Acquisitie naar aanleiding van deze
advertentie stellen wij niet op prijs._

^^^DRONTEN

CHmSTELIJKE AGRARISCHE HOGESCHOOL

De Drieslag 1, 8251 JZ Dronten
Telefoon (0321) 386100

■iviriiiiii\'i-inittaiM

-ocr page 41-

Eurovet Animal Health B.V. in Bladel (N.Br.), on-
derdeel van de dierenartsencoöperatie AUV, ontwik-
kelt, produceert en verkoopt generieke veterinaire
geneesmiddelen. De exportafdeling, bestaande uit
een team van 7 medewerkers, verzorgt de export van
een breed pakket aan kwaliteitsproducten naar
Europa, Afrika, Midden-Oosten, Azië, Latijns-
Amerika en Amerika.

Voor onze exportafdeling komen wij graag in contact met kandidaten (m/v) voor de functie van

Technical Service Manager Export

die de veterinair technische ondersteuning
verzorgt voor onze internationale expansie

De functie:

Na een inwerkperiode wordt u verantwoordelijk voor de technische ondersteuning van de exportafdeling en onze distri-
buteurs wereldwijd.

U levert een bijdrage aan het beleid t.a.v. het productassortiment en de positionering van de producten. U ontwikkelt sa-
men met de productmanager technisch- en promotiemateriaal ter ondersteuning van de producten naar de distributeurs.
U beantwoordt technische vragen en geeft trainingen en lezingen in de diverse landen, waardoor u regelmatig op reis
bent.

Ook verzorgt u de afliandeling van technische klachten en claims conform de geldende procedures.
U rapporteert aan de Manager Export.

Uw profiel:

U heeft een voltooide opleiding als dierenarts en u heeft minimaal 3 jaar ervaring in een landbouwhuisdierenpraktijk.
U kenmerkt zich door uw klantgerichtheid, uw ondernemersgeest en u bent een teamspeler.

Communicatief bent u vaardig en overtuigend. U heeft affiniteit met verschillende culturen en markten en beheerst de
moderne talen.

De uitdaging:

Eurovet Animal Health B.V. biedt u een uitdagende intemationale functie binnen een flexibel werkklimaat, waardoor u
daadwerkelijk kunt bijdragen aan het resultaat van de ondememing en onze expansieplannen binnen en buiten Europa. U
gaat werken binnen een jong en deels nog op te bouwen team, wat mimte geeft voor eigen inbreng en initiatief Eurovet
is een ambitieuze en groeiende ondememing, hetgeen perspectieven biedt voor de toekomst.
Het arbeidsvoorwaardenpakket is zonder meer concurrerend.

Herkent u zich in deze technical service manager functie?

Stuur uw reactie met C.V. naar:

Eurovet Animal Health, t.a.v. mevr. J.M. Canters, hoofd personeelszaken
p/a Postbus 94,5430 AB Cuijk

Voor meer informatie over de functie:

dhr. J.J. Korevaar, Directeur Sales & Marketing, tel. 0497 - 38 86 88

-ocr page 42-

Enzymatische
buwtabletten

V k

A

M

"\'»\'»f if.naH««.

I iMdpiv«

fttoóct/ipiuipoti
PankdonfirlpoSpipnu

-ocr page 43-

Universiteit Utrecht

aflevering
2

issni 0040-7453

Tijdschri
Diergeneeskun

Wetenschap ,

Biologische varkenshouderij: Hoe staat het met de
parasitaire infecties?

Actua

Georganiseerde IBR-bestrijding opgeschort
BSE-testen in Nederland

KNMvD

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor
Diergeneeskunde

KNMvD

KNMvD beëindigt samenwerkingsovereenkomst
met SENA

Toch oprichting Werkgroep Geneeskunde
Vleeskalveren

-ocr page 44-

IMuHor

^^ FLORFENICO L ;

TSIBS

Al I

■ HÜ KsH IK« I

\'V

w

30B mg/ml

IJÜuHAr

300*1110/1111 \'
I In}8ctl8vloelstof

IFInadyne^^

Momm 50 mftfnv ,

g Sawnnj-Ptoufll-
I ArttiaiHsallti

Samenstelling: Florfenicol 300 mg/ml. Doeldieren: Niet-lacterend
rundvee.
Indicaties: Behandeling van aandoeningen van de lucht-
wegen veroorzaakt door Pasteurella haemolytica, Pasteurella multo-
cida en Haemophilus somnus.
Dosering: Een dosis van 20 mg/kg
lichaamsgewicht (1 ml per 15 kg) wordt Intramusculair (in de nek-
spieren) tweemaal toegediend met een tussenperiode van 48 uur,
met gebruik van een naald met een diameter van 1,65 mm (16G).
Contra-indicaties: Niet toedienen bij volwassen fokstieren.
Bijwerkingen: Een verminderde voedselopname kan optreden
gedurende de behandeling. De behandelde dieren krijgen hun eet-
lust vlug en volledig terug na stopzetting van de behandeling.
Wachttijden: Slachten: rund 55 dagen. Melk: niet toegestaan voor
gebruik bij lacterende melkkoeien.
Houdbaarheid: Zie vervaldatum

op de verpakking vermeld. Verpakking: Flacon 50 ml, _

100 ml en 250ml. Registratienummer / kanalisatie- BB^S Sch6ring"Pl0Ugh
status:
REG NL 7993 UDA. Verdere informatie is op k/^ Animal Health
aanvraag verkrijgbaar.

Samenstelling: Flunixine 50 mg/ml, als flunixine meglumine.
Doeldieren: Runderen en paarden. Indicaties: Ontstekingsremming
zonder immunosuppressie: bestrijding van koorts bij (broncho-)
pneumonieën, met name in het acute stadium, bestrijding van pijn
ontsteking / weefselreactie, bij aandoeningen van het bewe-
gingsapparaat, met name in het acute tot sub-chronische stadium,
koliek.
Dosering: Runderen: 1 - 2 mg per kg lichaamsgewicht (1 - 2
per 50 kg), IV, gedurende maximaal 3 dagen. Paarden: 1 mg per
kg lichaamsgewicht (1 ml per 50 kg), IV gedurende maximaal 5
dagen.
Contra-indicaties: Nierfunctiestoornissen. Bijwerkingen:
Kans op bloedingen, maag- en darmirritatie en beschadiging,
gulcera, bloedbeeldafwijkingen, papilnecrose van de nier.
Opmerkingen: Bij infectieuze processen dient zo mogelijk tevens
causale therapie te worden ingesteld. Bij koliek dient men
bedacht te zijn op de maskering van koliekverschijnselen. Met name
bij processen die gepaard gaan met vochtveriies (zoals koliek) dient
men de vochtbalans nauwkeurig in de gaten te houden.

Wachttijden: Slachten: rund 7 dagen, paard 28 dagen.
Melk 2 dagen.
Houdbaarheid: Zie vervaldatum op de
verpakking vermeld.
Verpakking: Flacon 50 ml, 100 ml.
Registratienummer / kanalisatiestatus: REG NL 1726
UDD. Verdere informatie is op aanvraag verkrijgbaar

-ocr page 45-

TIjDSCHRIFT
VOOR

DIERGENEESKUNDE

38

Journal of the Royal Netherlands Veterinary Association
Dee! 126, aflevering 2,15 januari 2001

Uit de Hoofdredactie

Overzichtsartikelen

Biologische varlcenshouderij: Hoe staat het met de parasitaire infecties?; F.H.M. Borgsteede en
A. W. Jongbloed 39

Wetenschap

Boekbespreking
Referaten

42

43

Vraag en antwoord

Protocol post partum koeien; S. Loejfler

Berichten en verslagen

Georganiseerde IBR-bestrijding opgeschort
BSE-testen in Nederland;
B. Uriings en A. Bianchi
Effect van ruwvoer op welzijn varkens nog niet eenduidig
Dossier BSE op internet

Nummer 3, december 2000 Dierenpraktijken. Kleurrijk eindejaarsnummer vol bijzondere
dieren

Schotse Hooglanders sieren winternummer. Alweer een lustrum voor Veehouder en
Dierenarts!

Ingezonden

Dodelijke injcctievloeistoffen;M//.//. Steenaert

Nieuw(s) van de Industrie

2000 Hoogtepunten

Kunstmatige inseminatie; J.A.H. van Lieshout

PAOD

Studentenreferaten

Actua

44

45

46
50
50

54

55

50
50, 56

51

56

57

Lactolyte

Lactolyte orale rehydratietherapie met Lactosérum

• Snel herstel van de waterhuishouding én bestrijding van
metabole accidose • Betere energievoorziening waardoor
minder gewichtsverlies • Goede acceptatie en probleemloze
overgang naar de melk
 (Be)proef het verschil!

Virbac Nederland bv Postbus 313, 3770 AH Barneveld

Telefoon (0342) 427 127 Fax (0342) 490 164

® Eerste hulp bij
kalverdiarree!

a

l^ju
aaüis"

. virbac

renorowUt\'t vny diiA^

-ocr page 46-

Hoofdredactie

Dr. W. Edel (voorzitter)

Dr. E.A. ter Laak (penningmeester)

Drs. H.A. Beijer

Dr. M.F. de Jong

Dr. Tj. Joma

Dr. R. Kuiper

Dr. P.A.M. Overgaauw

Drs. J.T. Siebinga

Dr. R.J. Slappendel

Dr. J.H. Vos

Wetenschappelijke redactie

Prof. dr. A. Bameveld (Utrecht)

Dr. A.E.J.M. van den Bogaard Jr. (Maastricht)

Dr. F.H.M. Borgsteede (Lelystad)

Prof. dr. H.J. Breukink (Utrecht)

Prof. dr. P. De Backer (Gent, België)

Dr. J. Goudswaard (Middelburg)

Prof dr. L.J. Hellebrekers (Utrecht)

Dr. Th.S.G.A.M. van den Ingh (Utrecht)

Prof dr. A.Th. van \'t Klooster (Utrecht)

Prof dr. F. van Knapen (Utrecht)

Prof dr. A. de Kruif (Gent, België)

Dr. J.T. Lumeij (Utrecht)

Prof dr. A.S.J.P.A.M. van Miert (Utrecht)

Prof. dr. J.P.T.M. Noordhuizen (Utrecht)

Prof dr. J.Th. van Oirschot (Lelystad)

Prof dr. J. de Schepper (Gent, België)

Dr. J.M.A. Snijders (Utrecht)

Dr. E. Teske (Utrecht)

Mw. dr. A.J. Venker-van Haagen (Utrecht)

Prof dr. J.H.M. Verheijden (Utrecht)

Dr. Th. Wensing (Utrecht)

KNMvD

Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde.
Julianalaan 8 - 10, Utrecht

Postbus 14031,3508 SB Utrecht. Telefoon: 030-25 10 111. Fax 030-2511787

Secretariaat
Stafmedewerkers

Hoofdbestuur

Drs. T. de Ruijter, voorzitter

Drs. S.R. Heslinga, vice-voorzitter

Drs. J. Borgmeier, lid

Mw. drs. E.N.M. Harwig-Dings, lid

Drs. G. Huijser van Reenen, penningmeester

Drs. J. Togtema, lid

Mw. drs. W.J. Wijne- Raemakers, lid

Dr. Tj. Joma, algemeen secretaris

Mw. drs. S.A.M. Deleu

Mw. drs. M.C. van Oostmm-Schuurman Hess

Drs. J.L.M. Vaarten

Administrateur

Vacaturebank

Webmaster

H.S. de Vries

R.P. van Ringelestijn

Mw. drs. C.M. van Kalles

Bureauredactie

Mw. A.M. Tummers
Mw. S.H. Umans-Ubbink

Bureau

Julianalaan 8-10, Postbus 14031, 3508 SB Utrecht
Tel. 030- 25 10 111/fax 030-25 19 847.
E-mail: tijdschrift@knmvd.nl.

Abon nementsprljs

Het Tijdschrift voor Diergeneeskunde is het vereni-
gingstijdschrift van de Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde.
De abonnementsprijs voor dierenartsen niet-leden van
de Koninklijke Ncdcrland.sc Maatschappij voor
Diergeneeskunde en voor niet-dierenartsen wordt vast-
gesteld door het Hoofdbestuur.

Postgiro/bank

Postbank 511606 ten name van de KNMvD.
Julianalaan 8-10. Utrecht. ABN/AMRO N.V., Postbus
30, 3500 AA Utrecht, nr. 55 50 48 861 en C en E bank
N.V., Postbus 85100. 3508 AC Utrecht, nr. 69 93 61
443.

KNMvD

Maatschappijnieuws

KNMvD beëindigt samenwerkingsovereenkomst met SENA
Toch oprichting Werkgroep Geneeskunde Vleeskalveren
Verse Brabantse Nieuwen!!!

Personalia

Doorlopende agenda

Contents

Review

/lew

Organic pig farming: what about parasitic infections?; F.H.M. Borgsteede, and A. W. Jongbloed

39

6o
6o

60

61
63

Druk

Drukkerij G. van Dijk B.V., Breukelen (tel. 0346-
261304, fax 0346-264565).

Advertenties

Commerciële advertenties; Bureau Weijer B.V., Veen-
dam (tel. 0598-623065. fax 0598-613827).
Personeelsadvertenties: bureauredactie.

All rights reserved

Verklaring:

Richtlijnen voor auteurs (Vancouver Style) zijn op aanvraag verkrijgbaar (zie ook Tijdschr Diergeneeskd 1992;
117:31-4). De Redactie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade welke - direct of indirect - het gevolg mocht
zijn van gebleken onjuistheden in de inhoud van de in dit tijdschrifi opgenomen artikelen waarbij de auteur is vermeld
of in de inhoud van de in dit tijdschrift geplaatste adverienties.

Advertenties kunnen zonder opgaaf van redenen door de Redactie worden geweigerd of ingetrokken.

Niets uit dit tijdschrift mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, microfilm of op

welke andere wijze ook, zonder schriftelijke toestemming van de Redactie.

(Papers appearing in this journal are lisled in Current Contents /Agricultural Biology and Environmental Science /
Index-Medicus, Index Veterinarius / Veterinary Bulletin, Biological Abstracts, Cambridge Scientific Abstracts).

-ocr page 47-

Behandeling van mastitis tijdens lactatie

Breed spectrum voor gram positieve
mastitis verwekkers
Optimale hygiëne door individueel
verpakte tepelontsmettingsdoekjes
KKM kwaliteit

Handige en stevige verpakkingen
Zowel 3 als 20 injectoren per doos

curaclox, hét standaard mastitis-

preparaat voor elk melkveebedrijf

CURACLOX MASTmSINJECTOR - Diergeneesmiddel - REG NL 8843 - UDA

Samenstelling: 1 injector bevat: cloxacilline (als natrium) 200 mg, ampicilline (als natrium) 75 mg, zalfbasis ad 5 g.
Indicatie: lacterende koe: Klinische mastitis veroorzaakt door Streptococcen, stafylococcen en Corynebacterium pyogenes.
Wachttijd: minimaal in acht te nemen wachttijd: vlees: 28 dagen, melk: 120 uur of 10 melkmalen.

-ocr page 48-

0

Diermeel en BSE

Hel moge voldoende bekend zijn dat het optreden van Boviene Spongieuze Encephalopathie, de juiste Nederlandse benaming,
ofwel Bovine Spongiform Encephalopathy, de Engelse benaming, (BSE) bij runderen te wijten is aan het ven\'oederen van met
BSE-materiaal besmet voer. Dus voer met besmet diermeel, dus diermeel geheel of gedeeltelijk afkomstig van herkauwers.

Toen door de intensivering in Frankrijk van het BSE-onderzoek veel meer BSE-gevallen werden geconstateerd onder Franse
runderen dan in de daaraan voora fgaande periode en bovendien in Duitsland het eerste BSE-geval bij een in Duitsland gebo-
ren en opgegroeid rund werd gevonden, sloeg de vlam in de pan en brak er paniek uit onder de politici.

Het resultaat van het Brusselse overleg is bekend. Vanaf 1 januari 2001 dienen alle geslachte runderen ouder dan 30 maanden
op BSE te worden onderzocht of anders te worden opgekocht en vernietigd. Bovendien is er een tijdelijk verbod op alle dier- en
beendermeel in alle veevoer ingesteld. Dat laatste in Nederland reeds per 15 december 2000.

Het EU-verbod met betrekking tot dier- en beendermeel wordt een irrationele maatregel genoemd, maar is dat wel zo voor alle
lidstaten van de EU? Voor Nederland wellicht wel waar het de eigen productie ervan betreft omdat het een goed destructiesys-
teem heeft, waarbij de considerans van de Destructiewet luidt: het door verwerking tot nuttige producten onschadelijk maken
van ondeugdelijk materiaal van dierlijke herkomst. Echter Nederland voert ook diermeel en dergelijke van andere landen in.
Het importverbod uit Engeland gold slechts van 1990-1994. Hiermee zij niet gesuggereerd dat in Nederland diermeel wordt
verwerkt in voer voor herkauwers, dat is geenszins het geval en zeker niet na het ingestelde verbod daartoe en bovendien was
voordien toepas.sing al niet gebruikelijk. In den beginne werd echter onvoldoende aandacht besteed aan het zogenaamd cariy-
over ofverslepingseffect.

Absolute zekerheid dat geen diermeel in voer voor herkauwers terechtkomt heeft men pas als in de productielijn voor her-
kauwvoeder nooit en te nimmer diermeel wordt aangewend. Een gebod voor het hebben van totaal van elkaar gescheiden pro-
ductielijnen is echter pas in maart 1999 in Nederland van kracht geworden. Aanvankelijk werden hierop voor vier
Nederlandse bedrijven - alleen voor voerafzet in het buitenland - ontheffingen verleend, doch die bedrijven hebben van de ont-
heffing nooit gebruik gemaakt en inmiddels zijn deze ontheffingen na het BSE-geval te Eibergen weer ingetrokken.

Het is te hopen dat de Europese Commissie snel naar Nederland komt voor een controle in deze om voor Nederland het verbod
voor diermeel voor niet-herkauwers ten snelste geheel op te heffen. Gedifferentieerde aanpak naar lidstaten van de EU is toch
wel op zijn plaats en kan de Europese gedachte slechts ten goede komen.

Het is zeer verheugend te constateren dat ID-Lelystad (Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid te Lelystad) in samen-
werking met de R VV (Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees) op zo \'n korte termijn na de in Brussel genomen besluiten
van de Europese ministers van Landbouw hebben kunnen voorkomen dat in Nederland de na 1 januari 2001 ter slachting aan-
geboden runderen ouder dan 30 maanden massaal hadden moeten worden vernietigd. Dit was mogelijk omdat men heeft kun-
nen organiseren dat met behulp van een snelle BSE-test vanaf 1 januari 2001 al deze runderen op BSE-prionen konden worden
onderzocht. Hulde voor deze inzet en organisatie! De opkoopregeling is in Nederland dus ook niet van toepassing. Een be-
schrijving van deze snelle prionics-test met fotorapportage vindt u in deze aflevering.

Op het moment van verschijnen van deze aflevering is deze test al 14 dagen lang toegepast. Het is niet onmogelijk dat er bij een
aantal dieren, zonder dat daarbij klinische verschijnselen konden worden waargenomen, nu reeds BSE-prionen zijn of in de
toekomst zullen worden aangetoond. Adequate afhandeling zoals toegepast bij de tot nu toe (eind december 2000) in
Nederland bekende zeven BSE-gevallen zal ongetwijfeld plaatsvinden en dat moge tot voldoening stemmen, hoe naar dat ook
voor de betrokken rundveehouderijbedrijven en de gehele rundveesector moge zijn.

Dr. W. Edel.
Voorzitter Hoofdredactie

UitdeHoofdredade

-ocr page 49-

Biologische varkenshouderij: Hoe staat het met de
parasitaire infecties?

Tijdschr Diergeneeskd 200i: 126:39-42

F.H.M. Borgsteede^z en A.W. Jongbloed^

OverzichtsaÉelefi

SAMENVATTING

In dit artikel wordt op basis van literatuur aandacht be-
steed aan de parasitaire problemen die zich kunnen voor-
doen in de biologische varkenshouderij. Het buiten hou-
den van varkens vergroot in aanzienlijke mate de kansen
voor diverse parasietensoorten om hun cyclus te voltooien.
Bovendien zouden zoönosen
(Toxoplasma, Ascaris) een rol
van betekenis kunnen gaan spelen. Parasietensoorten die
in belangrijkheid kunnen gaan toenemen, worden bespro-
ken, terwijl tevens - indien voorhanden - controlemaatre-
gelen worden aangegeven.

SUMMARY

Organic pig farming: what about parasitic infections?

The parasUological problems that may arise in organic pig farming are dis-
cussed. The rearing of pigs outdoors increases substantially the chances
that several parasite species will complete their life cycle. Moreover, zoo-
noses may play an important role. Parasite species that may cause problems
are discussed, as are control measures, when possible.

INLEIDING

De biologische varkenshouderij mag zich verheugen in een
toenemende belangstelling. Terwijl in 1999 circa 19.000
Nederlandse biologische vleesvarkens werden geslacht,
wordt ernaar gestreefd dit aantal uit te breiden naar circa
470.000 varkens in 2005 (1). Vele instellingen waaronder
LTO-Nederland, enkele banken, milieuorganisaties, het be-
drijfsleven en de sector zelf, hebben op iniatief van Platform
Biologica en de Stichting Natuur en Milieu de handen ineen
geslagen en in 1999 een convenant \'Opschaling Biologische
Varkenshouderij\' gesloten. Er is een project Ketenmanage-
ment Biologisch Varkensvlees gestart en men heeft een
Ketenmanager benoemd.

Deze ontwikkelingen hebben er mede toe geleid dat door
iniddel van een \'biologische brainstormdag\', gehouden op
28 april 2000 op het Praktijkcentrum Raalte, een inventarisa-
tie is gemaakt van waar de belangrijkste onderzoeksvragen
voor de biologische varkenshouderij liggen (2).
Uit deze discussie kwamen in het aandachtsveld \'Gezond-
heid\' de parasitaire problemen die te verwachten zijn bij de
biologische varkenshouderij met hoge prioriteit naar voren.
De biologische varkenshouderij in Nederland is gebonden
aan een aantal regels. Binnen de Europese Unie zijn per 24
augustus 2000 regels in een verordening vastgelegd. Met be-
trekking tot de parasietenbestrijding zijn de volgende punten
van belang:

-31.320238050. E-mail: f.h.m.

\' ID-Lelystad. Postbus 65. 8200 A B Lelystad.
■ Corresponding author: tel: 3L320.238086. fax:
borgsteede@id. wag-ur. nl

• Geen preventieve behandelingen (met uitzondering van
wettelijke verplichtingen en natuurgeneesmiddelen). Ge-
neesmiddelen worden alleen op voorschrift van een die-
renarts toegediend.

• Bij curatieve behandelingen met niet-biologische midde-
len verdubbelen de wachttijden voor middelen die reeds
een wachttijd hebben en geldt een wachttijd van 48 uur na
toepassing van middelen zonder wachttijd.

Parasitaire infecties kunnen grote invloed uitoefenen op de
gezondheid van varkens en een negatieve bijdrage leveren
aan het welzijn. Bij ernstige infecties kan groeivertraging
optreden, organen kunnen worden afgekeurd en abortus is
mogelijk. Sommige parasitaire infecties kunnen belangrijk
zijn als zoönose.

Het doel van dit artikel is een bespreking van de parasitaire
problematiek die mogelijk kan optreden in de biologische
houderij. Eerst wordt echter een kort resumé gegeven van de
parasitaire problemen in de huidige, intensieve varkenshou-
derij.

PARASITAIRE PROBLEMEN IN DE HUIDIGE INTENSIEVE
VARKENSHOUDER!]

Parasitaire problemen die tot economische schade leiden zijn
beperkt wat betreft het aantal van belang zijnde parasieten-
soorten. Twee soorten spelen hierbij de voornaamste rol; de
varkensspoelworm
Ascaris suum en de schurftmijt Sarcoptes
scabiei.
Alle andere parasieten die bij het varken in ons land
worden aangetroffen, kunnen als minder belangrijk worden
beschouwd.

Op de meeste intensieve varkensbedrijven wordt preventief
tegen de bovengenoemde parasieten behandeld, vaak door
toevoeging van een antiparasiticum aan het voer. Vooral de
komst van de macrocyclische lactonen (ivermectine en ver-
wante verbindingen) heeft een goede preventie en bestrij-
ding mogelijk gemaakt. Deze macrocyclische lactonen wer-
ken tegen zowel endo- als ectoparasieten. Toepassing van
deze middelen vormt mede de basis van de schurftbestrijding
die moet leiden tot een \'schurft-vrij\' certificering van var-
kensbedrijven (9).

Ondanks ons ruime arsenaal van antiparasitaire middelen
zien wij toch op basis van de gegevens van het Centraal
Bureau Diensten aan Slachtdieren (CBS) in de negentiger ja-
ren een stijging van de afkeuringspercentages van varkensle-
vers (Figuur 1). De hiermee gemoeide schade bedraagt meer
dan 10 miljoen gulden (3). Volgens het CBS hangt deze stij-
ging samen met het toenemende aantal afgekeurde levers
met \'milk spots\' - de verbindweefselde getuigen van een
passage van spoelwormlarven - bij geslachte scharrelvar-
kens (3). Over een mogelijke toename van schurftmijtinfec-
ties bij deze categorie dieren zijn geen cijfers bekend, maar
de totale schade aan varkenshuiden voor de leerindustrie be-
draagt naar schatting ook enkele miljoenen (Hendrikx, per-
soonlijke mededeling).

-ocr page 50-

TE VERWACHTEN PARASITAIRE INFECTIES BIJ BIOLO-
GISCH GEHOUDEN VARKENS
Algemeen

In vergelijking met de intensieve liouderij iieeft de biologi-
sche houderij een aantal \'parasitaire\' obstakels te overwin-
nen. Van de biologisch gehouden varkens brengen onder an-
dere dragende en guste zeugen een deel van hun leven buiten
de stallen door. Stallen zijn goed te reinigen, de buitenwereld
echter niet. Daar staat tegenover dat bij biologisch gehouden
varkens vanwege de weidegang de contactkansen tussen de
dieren onderling kleiner zijn dan in de intensieve houderij
met groepshuisvesting en zijn er dus geringere kansen op
overdracht van infecties zoals schurft en varkensluis.
Individuele inspectie van dieren is - zeker als ze in de wei lopen
- lastiger. In de wei hebben de dieren een geringere kans om in
contact te komen met hun eigen uitwerpselen in vergelijking
met een huisvesting binnen op een strooisellaag. Vele parasie-
tensoorten gebruiken de mest als transportmiddel om eieren of
cysten van binnen het dier naar buiten te brengen. Soorten die
gebruik maken van een tussengastheer zijn in de intensieve
houderij kansloos, maar buiten is het voltooien van dergelijke
cycli (bijvoorbeeld via regenwormen) wel mogelijk.

Protozoen

Het is te verwachten dat infecties met Toxoplasma gondii gaan
toenemen. In de intensieve houderij was er de afgelopen decen-
nia een gestage daling van het besmettingspercentage van
vleesvarkens en uitsluitend binnen gehouden fokzeugen. De
laatst bekende cijfers stammen uit 1995 en geven een seropre-
valentie van 1,8% bij vleesvarkens en 30,9% bij zeugen tegen-
over respectievelijk 86% en 54% in 1969 (12). Het buiten hou-
den van varkens vergroot de kansen op orale opname van door
katten uitgescheiden oöcysten. Ook de leeftijd van het varken
speelt een rol: hoe ouder de dieren hoe meer kans op infectie.
Een eenmaal geïnfecteerd varken blijft levenslang besmette-
lijk. Toxoplasmose is een zoönose die de meeste mensen met
een goed functionerend immuunsysteem geen last zal bezor-
gen. Risicogroepen zijn zwangere vrouwen (gevaar voor de
foetus) die voor het eerst met de parasiet in contact komen en
personen met een verminderde afweer.
Een soortgelijk verhaal als voor
Toxoplasma gaat op voor
Sarcocystis. Infecties met Sarcocystis bij onze intensief gehou-
den varkens zijn vrijwel afwezig. In ons land komen vermoe-
delijk twee soorten voor:
S. miescheriana met onder andere de
hond als eindgastheer en
S. suihominis met de mens als eind-
gastheer. Over de prevalentie van deze soorten in ons land zijn
geen exacte cijfers voorhanden, maar de schatting is laag. Veel
problemen bij het varken veroorzaken deze parasieten niet,
maar bij de mens kan
Sarcocystis wel ziekteverschijnselen (één
è twee dagen diarree, malaisegevoel) teweegbrengen.
Andere protozoaire parasietensoorten die mogelijk een rol
kunnen gaan spelen als zoönosen zijn
Cryptosporidium spp. en
Giardia intestinalis. Ook voor Cryptosporidium geldt dat een
infectie met de parasiet als regel bij het varken geen noemens-
waardige symptomen veroorzaakt. Mensen met een vermin-
derde afweer vormen dé risicogroep bij uitstek (berucht bij
Hl V-besmette personen).

Over Giardia bij het varken - zeker in relatie tot de biologische
houderij - is weinig bekend. Wel vonden Ey
et al. (1997) dat
het genotype dat bij varkens voorkomt niet te onderscheiden
was van het type dat bij de mens wordt gevonden. Mogelijk is
de mens dus gevoelig voor
Giardia afkomstig van het varken.
Tot slot kunnen bij het varken ook de \'gewone\', aan de cocci-
diën van pluimvee verwante soorten voorkomen:
Eimeria spp.

en Isospora suis. Uit onderzoek in ons land (5) is gebleken dat
de prevalentie van
Eimeria spp. laag is (3 van de 25 onder-
zochte bedrijven), maar van
I. suis veel hoger (17 van de 25).
Bij zeer jonge biggen kan met name /.
suis pathogene effecten
geven, maar als regel verlopen de infecties subklinisch. Het is
te verwachten dat in de biologische houderij
I. suis en mis-
schien de
Eimeria-soorXQn vroeg of laat op alle bedrijven zullen
voorkomen, maar dat een natuurlijke immuniteit zal worden
opgebouwd zonder klinische problemen. Overigens zijn deze
soorten voor de mens ongevaarlijk.

Trematoden

In de intensieve varkenshouderij komen geen trematoden bij het
varken voor. Deze situatie is ook te verwachten in de biologi-
sche houderij. Een uitzondering zou de aanwezigheid van de ge-
wone leverbot
(Fasciola hepatica) kunnen zijn. Het varken be-
hoort tot de grote reeks zoogdieren waarin de leverbot zich kan
vestigen. Slechts op bedrijven waar men varkens zou houden op
percelen waarop zich een leverbotinfectie bevindt die via een
cyclus bij mnd of schaap kan rondkomen, zou theoretisch een
besmetting kunnen plaatsvinden. Een eigen cyclus van lever-
botslak en geïnfecteerd varken lijkt uiterst onwaarschijnlijk.

Cestoden

Lintworminfecties (Cysticercose veroorzaakt door Cysticercus
cellulosae,
de larvale vorm van Taenia solium) bij varkens ko-
men in ons land niet voor. In Europa zijn er slechts enkele ende-
mische haarden in Zuid- en Zuidoost-Europa. In andere delen
van de wereld (Azië: onder andere China en Midden-Amerika)
komt
T. solium veel voor. Het is in principe mogelijk dat perso-
nen met een in die streken opgelopen
T. solium -infectie in ons
land komen en hier lintwormeieren verspreiden. Mogelijk zou-
den deze eieren bijvoorbeeld door verspreiding via oppervlak-
tewater ook terecht kunnen komen bij varkens die buiten wor-
den gehouden. Maar zelfs in dat theoretische geval zal het
aantal cysticerci per varken zeer gering zijn. Zo\'n infectie
wordt op het slachthuis vermoedelijk niet geconstateerd, want
er is geen routinecontrole van varkens op
Cysticercose, zoals
dat wel voor geslachte mnderen het geval is.
Het grote gevaar van een infectie met
T. solium bij de mens is
dat de mens niet alleen als eindgastheer kan optreden - hetgeen
meestal weinig klachten geeft en met een simpele praziquantel-
behandeling kan worden beëindigd - maar dat hij ook als tus-
sengastheer kan fungeren, wanneer hij infectieuze eieren naar
binnen krijgt. De zich uit de eieren ontwikkelende cysticerci
kunnen zich ook in de hersenen vestigen wat leidt tot een zeer

Figuur 1. Afkeuringspercentages van varkenslevers in de periode 1974-
1998 (bron: Centraal Bureau Diensten aan Slachtdieren, Utrecht)

llllmmrimïmill

14 -I

12
10
8 -
6 -
4 -
2 -

O -.........

afkeuringspercentage

74 77 80 83 86 89 92 95 98
jaar

-ocr page 51-

gevaarlijke aandoening (neurocysticercose).
Andere lintwormsoorten die bij het varken als larvaal stadium
kunnen voorkomen zijn de bij de hond voorkomende
Taenia
hydatigena
(met als larvale vorm Cysticercus tenuicollis in de
lever) en
Echinococcus granulosus (met als larvale vorm hyda-
tide-cysten voornamelijk in de lever, maar ook in organen als
milt, nieren en hart).
T. hydatigena komt zelden voor en speelt
geen pathogene rol van betekenis bij het varken. De prevalentie
zou door het buiten houden hoger kunnen worden als besmette
honden feces deponeren op percelen waar varkens worden ge-
houden.

Nematoden

Zoals reeds vermeld, is in de intensieve varkenshouderij A.
suum
het enige serieuze wormprobleem. Andere wormsoorten
zijn minder frequent voorkomend en veroorzaken geen zicht-
bare economische schade.

Bij varkens die buiten worden gehouden kunnen we ons een
parasietenfauna voorstellen zoals die \'vroeger\' was, dus met
soorten als de maagworm
Hyostrongyhis ruhidus, de darm-
worm
Strongyloides ransomi en de colon/coecumwormen van
het geslacht
Oesophagostomum en Trichuris suis. Ook kan
men denken aan de bij het wilde zwijn voorkomende longwor-
men
(Metastrongylus spp.), spimriden in de maag en haakwor-
men in de dami. Tenslotte is er nog
Trichinella spiralis. Op ba-
sis van het slachthuisonderzoek van de afgelopen tien jaar
kunnen we Nederland gemst als
T. spiralis-vn] beschouwen.
De recente vondst van
T. britovi bij vossen in ons land heeft
vermoedelijk geen gevolgen voorde varkenshouderij (11). Het
lijkt onwaarschijnlijk dat
Trichinella zich in de biologische
varkenshouderij gaat \'vestigen\'.

Bij buiten gehouden varkens zal het percentage dieren dat met
Ascaris is besmet hoog zijn. De hygiënische maatregelen die in
de intensieve houderij kunnen worden toegepast (all in - all out
met grondig reinigen van de lege ruimtes in combinatie met re-
gelmatige ontworming) zijn slechts deels toepasbaar. In drijf-
mest kan weliswaar geen ontwikkeling tot infectieuze larve bin-
nen het ei plaatsvinden, maar de overievingskansen van
ongeëmbryoneerde eieren in drijfmest zijn groot. Buiten in de
grond zijn zowel de ontwikkelings- als de overlevingskansen
nog groter (6). Dit betekent een zeer grote infectiekans voor var-
kens die voor het eerst naar buiten gaan. Als gevolg hiervan zal
een hoog percentage van de levers worden afgekeurd. Ook zal
er enige groeivertraging optreden, maar de meeste dieren zullen
snel een natuuriijke immuniteit ontwikkelen. Naast de voortdu-
rende besmettingsbron van de eieren in het land, kunnen ook re-
genwormen en mestkevers larven van
Ascaris bevatten. Bij
Ascaris komt - in tegenstelling tot sommige andere spoelworm-
soorten - geen intra-uteriene of galaktogene transmissie voor.
Het is aannemelijk dat na verloop van tijd soorten als
H. ruhi-
dus, Oesophagostomum
spp. en T. suis algemeen gaan voorko-
men op biologische bedrijven. Klinisch effect is vooral te ver-
wachten bij jonge dieren, alhoewel in de literatuur beschreven
wordt dat zeugen (\'thin sow
Syndrome\') de hoogste wormaan-
tallen hebben (8). Bij een \'normaal\' verloop van de infecties
zou in het eerste seizoen dat de dieren buiten doorbrengen vol-
doende immuniteit opgebouwd moeten worden.
Wat betreft
Strongyloides, longwormen, spiruriden en haak-
wormen zijn niet veel problemen te verwachten.
Strongyloides
werd in een in 1989 uitgevoerde survey op 25 bedrijven met
113 tomen niet gevonden (5). Longwormen, spiruriden en
haakwormen komen in ons land frequent voor bij wilde zwij-
nen (7). Op een biologisch bedrijf grenzend aan een gebied
waar wilde zwijnen voorkomen, is overdracht mogelijk.

Artropoden

Twee arthropodensoorten zijn van belang bij het varken: de
bloedzuigende luis
Haematopinus suis en de schurftmijt
Sarcoptes scabiei.

Wat H. suis betreft zijn in de biologische houderij geen extra
problemen te verwachten. Ernstige luisinfecties komen slechts
voor onder slechte huisvestingsomstandigheden, bij slecht ge-
voede dieren en bij dieren met verminderde algemene weer-
stand. Luisinfecties beïnvloeden evenals ernstige schurftinfec-
ties in hoge mate de kwaliteit van de huid voor de leerbe-
reiding.

Schurftmijten veroorzaken jeuk. Jeuk leidt tot onrust en ver-
minderde voeropname. Het voortdurend schuren kan ook
schade aan de hokken veroorzaken, terwijl secundaire infec-
ties kunnen onstaan ten gevolge van huidbeschadigingen.
Een eenmaal aanwezige schurftinfectie hoeft bij goede huis-
vesting en verzorging van de dieren niet tot klinische symp-
tomen te leiden. Infecties van geringe omvang geven geen
aantoonbare economische schade. Schurftinfecties blijven
echter een bron van voortdurende aandacht, ook binnen de
biologische houderij.
Sarcoptes bij varkens wordt niet als
een zoönose beschouwd, omdat de schurftmijten van het var-
ken zich niet in de huid van de mens kunnen handhaven en
vermenigvuldigen (10).

WELKE MAATREGELEN ZIJN MOGELIJK OM INFECTIES
TE VOORKOMEN OF BINNEN AANVAARDBARE PERKEN
TE HOUDEN?

Evenals in de intensieve houderij is hygiëne van het groot-
ste belang. Het is echter duidelijk dat in de intensieve hou-
derij hygiënische maatregelen stringenter kunnen worden
toegepast dan in een houderij systeem waarbij dieren tevens
in de wei worden gehouden. Eieren van parasieten als
Ascaris en Trichuris zijn berucht om hun lange overle-
vingsduur onder natuurlijke omstandigheden. Weiden
waarop eierenbevattende feces zijn gedeponeerd, blijven
jarenlang besmet. Onderzoek naar voor de biologische var-
kenshouderij geschikte managementmaatregelen ter pre-
ventie van parasitaire besmettingen is dan ook zeer aanbe-
velenswaardig.

Wil men beginnen met het biologisch houden van varkens,
dan is het van het grootste belang dat men met
zo schoon
mogelijke
(= parasietvrije/parasietarme) dieren en percelen
start. Men kan bijvoorbeeld beginnen bij aanvoereisen, bij-
voorbeeld varkens van bedrijven met een \'schurftvrij\'-certi-
ficaat en van bedrijven waar geen spoelworm voorkomt.
Echter, indien een bepaalde infectie bij de dieren ontbreekt,
is het niet gezegd dat deze infectie niet kan gaan optreden in
de toekomst.
Quarantainemaatregelen voor op het bedrijf
nieuwe dieren zijn een vereiste om insleep te voorkomen,
maar zelfs dan heeft men geen 100% zekerheid. Externe fac-
toren die men niet in de hand heeft (insleep via vogels bij-
voorbeeld), kunnen daarbij een rol spelen. Ook parasieten
hebben na introductie een periode van populatieopbouw no-
dig. De snelheid waarmee dit kan gebeuren verschilt van
soort tot soort. Voor spoelwormen kan de aanwezigheid van
enkele wormen al snel leiden tot complete besmetting van
het bedrijf uitgaande van de enorm hoge eiproductie per
vrouwelijke worm. Voor soorten als
Trichuris met een la-
gere eiproductie zal dit minder snel gaan. Naast hygiëne is
goede voeding uiterst belangrijk. Immers, een goed gevoerd
dier zal eerder de negatieve effecten van een parasitaire in-
fectie kunnen weerstaan en een goede immuniteit opbouwen
tegen de diverse parasietensoorten wanneer het zich infec-

-ocr page 52-

teert. Ook is het raadzaam om meerdere percelen ter be-
schikking te hebben. Evenals in de rundveehouderij is dan -
althans tegen sommige wormen zoals
Oesophagostonmm
spp. - een beweidingsschema voor preventie van infecties
mogelijk. Voor
Ascaris lijkt dit echter zeer lastig zo niet on-
mogelijk gezien de lange overlevingsduur (tot vijfjaar) van
de eieren.

Indien toch curatief ingrijpen noodzakelijk is, verdienen be-
handelingen met macrocyclische lactonen (ivermectine, do-
ramectine) als injectie de voorkeur. Dergelijke behandelin-
gen zijn zeer effectief tegen nematoden en bestrijden tevens
schurftmijten, al is voor afdoende bestrijding één behande-
ling vaak onvoldoende.

Controle van parasitaire infecties om economische schade
op een aanvaardbaar laag niveau te houden, vergt in de biolo-
gische houderij meer inspanning dan in de intensieve houde-
rij, maar is zeker goed mogelijk. Er is evenwel nog veel on-
derzoek nodig. We dienen op basis van bedrijfsonderzoek de
belangrijkste parasietensoorten te benoemen. Niet alleen,
zoals reeds eerder gezegd, is onderzoek naar weidetechni-
sche managementmaatregelen nodig, maar ook het testen
van fytopreparaten, homeopathische middelen en andere
binnen de regelgeving geaccepteerde methoden van preven-
tie en controle.

DANKBETUIGING

De auteurs willen ir. Maurits Steverinlc, l<etenmanager van het Project
Ketenmanagement Biologische Varkenshouderij van Platform Biologica.
hartelijk dankzeggen voor het kritisch doornemen van het manuscript.

LITERATUUR

1. Anonymus. Keteninfo biologisch varkensvlees. Keteninfo maart
2000: I.

2. Anonymus. Verslag van BIOLOGISCHE BRAINSTORMDAG 28
april 2000. Praktijkonderzoek Varkenshouderij Rosmalen en Louis
Bolk Instituut Driebergen.

3. Centraal Bureau Diensten aan Slachtdieren. Utrecht. Jaarcijfers 1974-
1999.

4. Ey PL, Mansouri M, Kulda J, Nohynkova E, Monis PT. Andrews RH,
and Mayrhofer G. Genetic analysis of
Giardia from hoofed farm ani-
mals reveals artiodactyl-specific and potentially zoonotic genotypes. J
Eukaryotic Microbiol 1997; 44: 626-35.

5. Eysker M, Boerdam GA, Hollanders W, and Verheijden JHM. The
prevalence of
Isospora suis and Strongyloides ransomi in suckling
piglets in the Netherlands. Vet Quart 1994; 16: 203-5.

6. Gaasenbeek CPH, and Borgsteede FHM. Studies on the survival of
Ascaris suum eggs under laboratory and simulated field conditions.
Vet Parasitol 1998;75:227-34.

7. Jansen Jr J. De betekenis van de nematodeninfecties bij het wilde
zwijn
(Sus scrofa L.) in verschillende Nederlandse revieren. Tijdschr
Diergeneeskd 1966; 91: 1466-8.

8. Kendall SB, and Small AJ. Hyoslrongylus rubidus in sows at pasture.
Vet Rec 1974; 95:388-90.

9. Rambags PGM. Mange in pigs. Abstr. Cost Action 833,30 Sept - 2 Oct
2000; Cluj-Napoca, Roumania.

10. Sokolova TV, and Lange AB. Host-parasite specificity of the itch mi-
tes
Sarcoptes scahiei (Acariformes: Sarcoptidae) of man and animals.
Parazitologiya 1992: 26: 97-104.

11. Van der Giessen JWB, Rombout Y, Franchimont HJ, Rosa G la, and
Pozio E.
Trichinella hritovi in foxes in the Netherlands. J Parasitol
1998:84: 1065-8.

12. Van Knapen F, Kremers AFT, Franchimont JH, and Narucka U.
Prevalence of antibodies to
Toxoplasma gondii in cattle and swine in
the Netherlands: towards an integrated control of livestock production.
Vet Quart 1995; 17:87-91.

Boeli/d-roiiibespretóng

^Multimedia Physiologie\'

Cd-rotT) Multimedia Physiologie, G. Hascke und M. Diener.

Opzet van programma weinig aantrekkelijk, omdat het vooral bestaat uit een soort van verklarend woordenboek.
Ondanks de inhoudsopgave verliest men bij het lezen van de teksten al snel het overzicht, omdat er maar kleine stuk-
jes per (beeld)pagina worden gegeven zonder indicaties naar voorafgaande of volgende onderwerpen. Het tekstdeel
is zo een onafzienbare brij van aaneengeregen verklaringen van termen geworden. De lay-out is ouderwets en niet be-
paald fraai. Er is geen gebruik gemaakt van slimme verwijsmethoden zoals we die nu van het internet kennen (hyper-
links). Alle tekst is in het Duits. De teksten zijn erg kort en geven nauwelijks een uitleg. Daar waar de uitleg verdui-
delijkt zou kunnen worden door middel van animaties of videofragmenten, ontbreekt een verwijzing naar het bestaan
van deze beelden of fragmenten. In een aantal gevallen zijn humane fysiologische onderwerpen belicht, die nauwe-
lijks in de diergeneeskunde voorkomen, zoals het maken van een spirogram en het indirect meten van de bloeddruk.
De videofragmenten zijn aardig, maar niet allen even adequaat. Zo is er een minuut lang een geit in een stal te zien
zonder verder uitleg waarom of waarop men moet letten. Misschien bedoelt voor stedelijke veterinaire studenten. De
animaties zijn houterig, zelden verhelderend en weinig uniform in hun lay-out en bediening.

Prof. dr. M.E. Everts

-ocr page 53-

Microbiologie

Het voorkomen van antistoffen tegen het toxisch shock
syndroom toxine van
Staphylococcus Aureus in het bloed
van melkkoeien

Hayakawa Y, Akagi M etal. Vet Microb 2000; 72; 321-7.

Infecties met Staphylococcus aureus kunnen bij de mens
soms tot de dood leiden vanwege de productie van het toxic
shock syndrome toxine 1 (TSST-1) doorde staphylococ. De
eerste meldingen hierover dateren uit 1980 bij jonge vrou-
wen tijdens de menstruatie (\'tamponziekte\'). Later werden
vergelijkbare gevallen gemeld na onder andere operaties aan
het neustussenschot. Therapie met alleen antibiotica is niet
voldoende; men dient ook intraveneus gammaglobuline te
geven, omdat bij een aantal patiënten was waargenomen, dat
ze geen antistoffen tegen het toxine in het bloed hebben.

De auteurs van dit artikel bepaalden bij kalveren (tot zes
maanden) en lacterende koeien met behulp van een ELISA
in het bloed antistoffen tegen het TSST-1. Het bleek dat kal-
veren - met uitzondering van passief verkregen antistoffen in
de eerste maanden - geen antistoffen hadden, doch 75% van
de lacterende koeien wel. De
Staphylococcus aureus, die dit
toxine vormt, komt dus ook bij runderen voor, doch niet kon
worden vastgesteld dat deze staphylococ een rol speelt bij
het ontstaan van mastitis.

J. Goudswaard

Infectieziekten

Bovine abortion associated with Neospora caninum in
northern Spain.

Gonzales L, et al. Vet Ree 1999; 144:145-50.

De resultaten van een onderzoek uitgevoerd in 1996 en 1997
naar het voorkomen van
Neospora can/num-infecties bij ge-
aborteerde en doodgeboren kalveren worden besproken.
Er werd gebruik gemaakt van histologisch en immunohisto-
chemisch onderzoek van de hersenen en van het aantonen
van specifieke IgG- en IgM- antilichamen in het bloed of in
het buikvocht van de vrucht. In enkele gevallen werden ook
sera van de moederkoeien afgenomen voor het bepalen van
afweerstoffen tegen deze parasiet. Bij 40 tot 60% van de on-
derzochte vruchten werden aanwijzigingen verkregen voor
het bestaan van deze infectie. In de hersenen van de meeste
kalveren werden microgliahaardjes vastgesteld. In een min-
derheid van de gevallen kon de parasiet met behulp van im-
munohistochemische technieken worden aangetoond. Anti-
lichamen zowel IgG als IgM waren aantoonbaar bij de wat
oudere dieren. Vrijwel alle moederdieren hadden eveneens
afweerstoffen.

Vastgesteld werd dat bij de late abortusgevallen soms histo-
logische laesies ontbraken, terwijl wel afweerstoffen voor-
kwamen in het foetale serum.

Gediscussieerd wordt over de interpretatie van de titer-
hoogte. De besmetting is vrij algemeen in Spanje en het zou
de belangrijkste abortusoorzaak zijn.
Gesteld wordt dat de hond als tussengastheer fungeert.

J.P. W.M. Akkerrt^ans

Gezelschapsdieren

A study of pseudopregnancy in the bitch and the effect of
cabergoline therapy.

Hamey MJA, Dole MJ, Lindley S, and Waterston MM. Vet Rec
1999:144:433-6.

Schijndrachtigheid zou het gevolg zijn van een te hoge con-
centratie aan prolactine in het bloedplasma en/of een ver-
hoogde gevoeligheid voor de invloed van dit hormoon op di-
verse organen zoals het melkklierweefsel, bepaalde centra in
de hersenen, etcetera. Anderen menen dat er sprake is van een
verstoring van het hormonale evenwicht tussen enerzijds prol-
actine en serotonine en anderzijds progesteron en dopamine.
Klinisch ziet men zwelling van het melkklierweefsel, lactatie
en het maken van een nest. Ook vaginale uitvloeiingen worden
gezien. Vaak is er ook sprake van een verhoogde agressiviteit.
Therapeutisch wordt een scala aan medicijnen gebruikt,
vooral combinaties van oestrogenen en androgenen. Aan-
bevolen wordt ook antiprolactinepreparaten waaronder ca-
bergoline. Dit preparaat, geleverd door Boehringer Ingel-
heim, stimuleert de afgifte van dopamine. Het werd in een
experiment aan 32 teven gegeven in hoeveelheden van 5 mi-
crogram per kilogram lichaamsgewicht en wel over het
voedsel gedurende vijf dagen. Deze dieren waren één tot vijf
maanden tevoren gesteriliseerd en vertoonden op het mo-
ment van behandeling het boven beschreven fenomeen.
Er werden bloedmonsters verzameld net voor, net na en ze-
ven dagen na behandeling voor het bepalen van het prolacti-
negehalte. Bij vier honden moest de behandeling worden ge-
staakt als gevolg van bijwerkingen.

Bij 80% van de gemedicineerde teven gaf cabergoline een
klinische verbetering. Ook het prolactinegehalte in het
plasma daalde tot normale hoogte.

Ten aanzien van sterilisatie wordt opgemerkt dat dit moet
geschieden voor de eerste oestrus. Deze handeling uitvoeren
twee tot drie maanden na de loopsheid wordt ontraden; het
verhoogt de kans op het ontstaan van schijndrachtigheid.

J.P. W.M. Akker mans

-ocr page 54-

Vraag:

A. In hoeverre is de toediening van oes-
trogenen bij deze indicatie zinvol? Bestaat
er géén gevaar voor het ontwikkelen van
COF?

Antwoord:

De eerste belangrijke vraag is \'wat is de
diagnose?\' Een dierenarts bewijst zijn
toegevoegde waarde juist door een
goede diagnostiek en het instellen van
een daarop gebaseerd gerichte behan-
deling. Indien de dierenarts protocol-
laire behandelingen voor koeien zonder
diagnose voorstelt, dan zegt hij indirect
tegen de veehouder dat een goede diag-
nose niet belangrijk is. Hiermee vervalt
de toegevoegde waarde voor zijn dien-
sten. Een veehouder of een paraveteri-
nair kan een duidelijk protocol volgen
zonder practicus. Het is juist de meer-
waarde van de practicus dat hij/zij een
correcte diagnose kan stellen, kennis
heeft van de juiste behandeling en het
probleem in het kader van andere be-
drijfsproblemen kan plaatsen.

Het protocol is bedoeld als behandeling
van een acute endometritis die zich me-
rendeels ontwikkeh als gevolg van een
retentio secundarium. Een goede vuist-
regel is om een niet zieke koe alleen in-
trauterine met antibiotica te behande-
len (6). Zeker na een retentio secun-
darium wordt het verloop van de endo-
metritis hierdoor weinig beïnvloed (het
afstotingsproces gaat door, maar het
stinkt wat minder), en wordt de koe
vervolgens een \'witvuiler\'.
Een zieke koe daarentegen, wordt te-
vens parenteraal met antibiotica behan-
deld (7,8). Een baarmoederontsteking
is in sommige landen een indicatie
voor het gebruik van oestrogenen (4,1),
hoewel deze behandeling zelden toege-
past wordt door rundveespecialisten in
West-Europa en is door de Faculteit in
Nederland nooit geadviseerd (medede-
ling, A. de Kruif, België). Enkele rede-
nen om oestrogene preparaten bij acute
endometritis niet te gebruiken en zeker
niet voor een dergelijke protocol zijn:

1. Oestrogeen verbetert de doorbloe-
ding van de baarmoeder (extra ri-
sico van resorptie van toxinen).

2. Oestrogeen bevordert de contrac-
ties in de richting van de eileiders.
Dit komt goed van pas na een inse-
minatie, maar in het geval van een
pyogene inhoud niet. Gebruik van
oestrogenen bij endometritis wordt
in verband gebracht met een ver-
hoogd incidentie van ontstoken en
verstopte eileiders (mededeling, M.
Drost, USA)

3. Burton (3) toonde aan dat ECP geen
versterking van oxytocine op ute-
rine contracties geeft.

4. De enige in Nederland geregistreerde
oestrogeen is een UDD-middel (oes-
tradiol benzoaat), dat een wachttijd
voor de melk van zes melkmalen
heeft (Fidin Repertorium, 2000).

5. Het toedienen van hormonen als
\'standaardtherapie\' zou het imago
van de sector beschadigen.

De kans op het veroorzaken van cysten
door een éénmalig toediening van oes-
trogenen in een lage dosering is klein.
NB! Dieren met acute endometritis
hebben een verhoogd risico op cysten
door de aanwezigheid van circulerende
toxinen, verhoogd spiegels van circule-
rende Cortisol en een secundaire sle-
pende melkziekte (2).

Protocol post partum koeien

Dr. Lynn Upham van Tulare California propageert een protocol voor post
partum koeien (5-15 dagen na afkalven) op mega melkveebedrijven. Hij
noemt het \'catching problem cows early\'. De protocol bestaat uit het toedie-
nen (door het technische personeel op het melkveebedrijf) van ECP (een oes-
trogeen preparaat), gevolgd door herhaalde doseringen (lx per dag) van
oxytocine en een éénmalige intraveneuze toediening van dextrose aan alle
koeien met koorts op 5-15 dagen post partum. Naar aanleiding van een artikel
in Hoard\'s Dairyman (de Amerikaanse equivalent van Veeteelt) hierover,
vroeg een Nederlandse veehouder aan zijn dierenarts of een dergelijke proto-
col op zijn bedrijf niet zou passen? De practicus stelde de volgende vragen
aan het Tijdschrift voor. Wij vonden collega Scott Loeffler van de Gezond-
heidsdienst voor Dieren bereid om hierop te antwoorden.

Vraag:

B. Heefi het op drie achtereenvolgende
dagen injecteren van 40 IE Oxytocine
zin en moeten wij dat vaker propage-
ren?

Antwoord:

Er is geen eensgezindheid over het nut
hiervan, maar het lijkt niet zinvol om
te propageren. Er zijn oxytocine recep-
toren in de baarmoeder van de koe. Het
aantal en de gevoeligheid van recepto-
ren in de baarmoeder gaat stijgen net
voor het afkalven met aanmaak van
oestrogeen vanuit de placenta (10,5).
Na het afkalven kan het toedienen van
oxytocine gedurende een korte periode
van drie tot zeven dagen voor een ver-
hoogde afgifte van PGE-2 en PGF2-
alfa vanuit de baarmoeder zorgen, hoe-
wel dit effect geleidelijk gaat afnemen.
Omdat de halfwaardetijd (tijd waarin
de serumconcentratie met 50% gere-
duceerd wordt na injectie) van oxyto-
cine erg kort is, is het effect van korte
duur. In hoeverre extra oxytocine een
significante effect op het zelfreiniging
van de baarmoeder heeft, is onduide-
lijk. De eerste 14 dagen na afkalven
zijn fysiologisch al hoge concentraties
prostaglandine aanwezig. Tussen de
tien en 40 dagen komt de luteale activi-
teit op gang. Op dat moment zal het
circulerend progesteron de oxytocine-
receptoren volledig blokkeren. Bij
normaal gezonde dieren is er overi-
gens ook geen reden om een gunstig
effect te verwachten. Onderzoek van
Stewart
et al. (9) bij normale dieren
toonde geen verbetering in de involu-
tie van de baarmoeder aan bij een vier
maal-daagse behandeling met oxyto-
cine gedurende de periode van nul tot
vier weken na afkalven.

Vraag:

C. Heefi de (o.h.a. snelle) i.v.-toediening
van dextrose (glucose) zin? Wordt deze
stof op deze manier ten volle benut door
het lichaam? En, indien u dit zinvol
acht, waarom wordt bij deze toch niet te
verwaarlozen groep hoogproductieve
dieren met startproblemen, de glucose-
infuusvloeistof (i.v.) dan nog als UDD
gekwalificeerd?

Ca-Mg infuus vloeistoffen zijn mijns in-
ziens niet minder gevaarlijk en zijn in
sommige gevallen wel UDA.

-ocr page 55-

Antwoord:

Een behandeling van slepende mellc-
ziekte met een intraveneuze toediening
van glucosevloeistof is een algemeen
geaccepteerde behandeling in de dier-
geneeskunde en heeft wel degelijk een
positief ondersteunend effect voor het
dier. Of dit voldoende is om de hypo-
glycemische koe te laten opknappen en
op zijn verwachte productieniveau te-
mg te laten keren, is afhankelijk van de
graad, de duur en de oorzaak van de sle-
pende melkziekte (primair of secun-
dair). In antwoord op uw vraag over de
kwalificatie UDA of UDD, kunt u zich
dan het beste wenden tot de verant-
woordelijke ambtenaren. Nogmaals,
belangrijk is de toegevoegde waarde
van de dierenarts om de juiste oorzaak
van het probleem te vinden. Ligt het
probleem in de voeding tijdens de
droogstand, de overgangsperiode, etce-
tera?

Concluderend, het vroeg opsporen van
probleemkoeien is op zichzelf aan te
prijzen/aan te bevelen, mits een juiste
diagnose gesteld wordt. De voorge-
stelde protocollaire behandeling door
veehouders is niet in het belang van de
veehouders, de melkveesector of de
practicus. Het zou bovendien niet eens
in Nederland toegestaan zijn (UDD-
preparaten). Mijns inziens is er veel
meer te halen uit een vroege diagnos-
tiek van verdachte koeien door de die-
renarts. De veehouder kan een lijst van
te onderzoeken koeien opstellen aan de
hand van melkvet/eiwit-ratio\'s, eetge-
drag, lichaamstemperatuur of andere
symptomen. Veehouders in Nederland
hebben in de regel een dier die \'het niet
doet\' veel sneller in de gaten dan hun
Amerikaanse collega\'s op megabedrij-
ven. En, in tegenstelling tot de VS,
woont zijn dierenarts \'om de hoek\'.

Referenties

1. Alexander F. Veterinary Pharmacology, 2
Ed. 1969. E&S Livingstone Ltd, Edin-
burgh, UK.

2. Andersson L, Gustafsson AH. and Ema-
nuelson U. Effect of hyperketonaemia and
feeding on fertility in dairy cows.
Theriogenology 1991: 36; 521 -36.

3. Burton MJ, Dziuk HE, Fahning ML, and
Zemjanis R. Effects of oestradiol cypio-
nate on spontaneous and oxytocin-stimula-
ted postpartum myometrial activity in the
cow. Brit Vet J 1990; 146; 309-15.

4. Carson RL, Wolfe DF, Klesius PH, Kemp-
painen RJ, and Scanlan CM. 1988. The ef-
fects of ovarian hormones and ACTH on
uterine defense to Corynebacterium pyo-
genes in cows. Theriogenology 30; 91 -7.

5. Gajewski Z, Thun R, Faundez R, and
Boryczko Z. Uterine motility in the cow
during puerperium. Reprod Domestic
Anim 1999; 34; 185-91.

6. Kruif A de. Endometritis post partum bij
het rund. Tijdschr Diergeneeskd 1990;
115;51-61.

7. Opsomer G, Beekman D, Scheirlynck Y,
Hoflack G, and Kruif A de. Endometritis
bij het rund; een blijvend dilemma voor de
practicus. Vlaams Dierg Tijdschrift 68;
120-30.

8. Smith 81. Donovan GA, Risco C, Littell R,
Young C. Stanker LH, and Elliott J.
Comparison of various antibiotic treatments
for cows diagnosed with toxic puerperal
metritis. J Dairy Science 1998; 81; 1555-62.

9. Stewart RE, and Stevenson JS. Hormonal,
estraal, ovulatory and milk traits in post-
partum dairy cows following multiple
daily injections of oxytocin. J Anim Sei
1987; 65; 1585-94.

10. Vecchio RP, Chase CC, Bastidas P, and
Randel RD. Oxytocin-induced changes in
plasma 13,14 dihydro-I5-keto-prostag-
landin F2alpha concentrations on days 10,
20 and 30 postpartum in the bovine. J
Animal Science 1990; 68; 4261 -6.

Georganiseerde IBR-bestrijding opgeschort

De Stuurgroep IBR-bestrijding heefl af-
gelopen zomer een plan opgesteld voor
de herstart van de collectieve IBR-be-
strijding. Dit plan is vervolgens in het
najaar tijdens mim 40 speciale bijeen-
komsten gepresenteerd aan alle mnd-
veehouders. Van de aanwezige, bij LTO
aangesloten, mndveehouders, ging 61%
akkoord met het voorstel. Dit is min-
der dan de door LTO vereiste, en door
de Stuurgroep overgenomen, tweederde
meerderheid. De Stuurgroep respecteert
de uitslag van de stemming en komt tot
de volgende conlusies:

1. De doelstelling dat Nederland IBR-
vrij moet worden blijft van kracht.

2. De georganiseerde bestrijding zal
voor onbepaalde tijd moeten wor-
den opgeschort.

3. Het gebruik van niet-markervaccins
mag niet worden toegestaan.

De Productschappen Vee, Vlees en Zuivel hebben op advies van de Commissie
Diergezondheid en Kwaliteit (DKR) en de Stuurgroep IBR-bestrijding beslo-
ten de georganiseerde IBR-bestrijding voorlopig op te schorten. Dit besluit is
half december 2000 genomen en vloeit voort uit de constatering begin 1999 dat
het IBR-vaccin besmet was geweest met BVD-virus. De problemen die naar
aanleiding hiervan zijn ontstaan, zijn tot op heden niet naar genoegen opgelost.

4. De IBR-vrij-certificering moet
worden gestimuleerd.

Temgkijkend op de gebeurtenissen con-
stateert de Stuurgroep dat met name het
ontbreken van zicht op schadevergoe-
ding, maar ook het gebrek aan vertrou-
wen in het IBR-vaccin, aan de uitkomst
van de stemming ten grondslag heeft ge-
legen.

Ondanks het uitblijven van de herstart
van de georganiseerde bestrijding zijn
in 2000 mim 1600 mndveebedrijven
vrij-gecertificeerd voor IBR. Dit brengt
het aantal gecertificeerde bedrijven op
bijna 16.000. De Stuurgroep verwacht
dan ook dat een grote groep veehouders
vrijwillig IBR blijven bestrijden.

-ocr page 56-

aiW«

Actua

BSE-testen in Nederland

Met ingang van 1 januari 2001 is het ID-Lelystad gestart met het testen van
slachtrunderen van 30 maanden en ouder op BSE, alvorens ze in de voedselke-
ten terechtkomen. Dit is het gevolg van besluitvorming van de Europese minis-
ters van Landbouw in december 2000. Zo\'n snelle test is slechts aanwijzende
diagnostiek. Bij een positieve bevinding in de snelle test is het noodzakelijk dat
door middel van histologisch onderzoek de waarschijnlijkheidsdiagnose wordt
bevestigd. Dit histologisch onderzoek duurt zeven tot tien dagen.

komen. De monsters (hersenmateri-
aal), zoals die worden afgeleverd bij
het ID-Lelystad, zijn gecodeerd. Uit-
sluitend de RVV kan de uitslag van de

Met een snelle BSE-test is het moge-
lijk om een besmetting van runderen
met prionen op te sporen tot vier ä zes
maanden voor het optreden van klini-
sche symptomen. In deze runderen is
de concentratie van prionen, en daar-
mee de kans op besmetting, het hoog-
ste. Hoewel deze BSE-test niet alle be-
smette runderen kan opsporen, worden
wel de runderen die de voornaamste
besmettingsbron vormen, uit het hu-
mane en dierlijke consumptiecircuit
verwijderd. Bovendien blijft het nood-
zakelijk om alle SRM (specifiek risico
materiaal) van runderen van alle leef-
tijden uit het diervoeder en humane
voedselcircuit te weren. Actieve sur-
veillance met behulp van snelle testen
in Zwitserland en Frankrijk heeft aan-
getoond dat er meer positieve gevallen
van BSE aan het licht komen. Niet al-
leen worden er meer positieve geval-
len aangetoond door de test, maar ook
door het vergroten van de aandacht
van de dierenartsen en veehouders in
het veld worden er meer klinische ge-
vallen aangemeld.

Geen opkoopregeling

Nederland is vanaf 1 januari alle ter
slachting aangeboden runderen ouder
dan 30 maanden gaan testen. Dit bete-
kent dat de opkoopregeling voor run-
deren niet van toepassing is in
Nederland. Hiermee wordt voorkomen
dat gezonde runderen moeten worden
vernietigd. Ook in Denemarken wor-
den alle runderen ouder dan 30 maan-
den vanaf 1 januari getest, zodat ook
daar de opkoopregeling niet wordt uit-
gevoerd. In de meeste andere EU-lan-
den (uitgezonderd Oostenrijk, Finland
en Zweden) is de opkoopregeling wel
van toepassing en zullen vele runderen
van 30 maanden en ouder worden af-
gemaakt en vemietigd.
In bijgaande fotorapportage wordt de
prionics-test zoals die door het ID-
Lelystad wordt uitgevoerd, afgebeeld.
Het ID-Lelystad heeft met de RVV af-
spraken gemaakt omtrent de snelheid
waarmee de testuitslagen beschikbaar

monsters koppelen aan de slachterij en
aan het geslachte rund.
De RVV is verantwoordelijk voor de
monstemame, de logistiek van de
monsters en de uitslagverwerking. Het
ID-Lelystad is verantwoordelijk voor
de uitvoering van de snelle diagnosti-
sche test en eventuele bevestigingsdia-
gnostiek. Het ministerie van Land-
bouw, Natuurbeheer en Visserij heeft
op haar internetsite de meest gestelde
vragen en bijbehorende antwoorden
over BSE vermeld: www.minlnv.nl/
bse.

Bert Uriings en André Bianchi,
ID-Lelystad

Uit het monster (de hersenstam) wordt een stukje weefsel gesneden.

-ocr page 57-

De bovenstaande vloeistof van het homogenaat (papje) wordt overgebracht in
buisjes die gerangschikt zijn in een microtiterformat.

-ocr page 58-

De gel ondergaat een electroforesebehandeling, waarbij de aanwezige eiwitten op
grootte worden gescheiden.

I

O I

((f)«!*\' «ki«\'
l\'iiiüiï\'IlWiW

-ocr page 59-

De blotting wordt ingezet. Hierbij worden de gescheiden eiwitten overgebracht op
een membraan.

Het blottingspapier wordt ingepakt in plastic ter voorbereiding op het belichtings-
proces.

Het geblotte materiaal ondergaat diverse incubatiestappen (onder andere incuba-
tie met antilichamen die specifiek zijn voor prioneiwitten).

De röntgenfilm wordt geanalyseerd. De dikke zwarte band op de film geeft een po-
sitief BSE-geval weer.
 Foto\'s: ID-Lelystad.

-ocr page 60-

Effect van ruwvoer op welzijn varkens nog niet eenduidig

Het ministerie van Landbouw, Natuur-
beheer en Visserij (LNV) heeft in het
Varkensbesluit van 1997 bepaald dat
dragende zeugen met \'enig ruwvoer\' ge-
voerd moeten worden. Doel van dit ver-
zorgingsvoorschrift is om het welzijn
van varkens te verbeteren. In de praktijk
bestaat echter geen duidelijkheid over de
eisen waaraan ruwvoer moet voldoen,
over de hoeveelheid die moet worden
verstrekt en over het optimale moment
van verstrekking. Daarom is door ID-
Lelystad en het Praktijkonderzoek
Veehouderij een door het ministerie van
LNV gefinancierd onderzoeksproject
gestart, dat moest leiden tot een prakti-
sche invulling van het verzorgingsvoor-
schrift: wat zijn de beste beoordelings-
criteria voor ruwvoer, welk soort ruw-
voer moet worden gebruikt en in welke
hoeveelheid, en op welke manier moet
het worden verstrekt. De resultaten to-
nen aan dat het opnemen van extra ruw-
voer in het rantsoen in enkele gevallen
wel, maar in andere gevallen niet tot een
beter welzijn leidt. Vervolgonderzoek
zal meer duidelijkheid moeten opleveren
over de achtergronden van deze wisse-
lende resultaten.

Het voeren van varkens met extra ruwvoer leidt niet in elke situatie tot een be-
ter welzijn van varkens. Dat is de conclusie van gezamenlijk onderzoek van
het ID-Lelystad en het Praktijkonderzoek Veehouderij in Rosmalen.

Dossier BSE
op intemet

Op de publiekssite veevleesei.nl van
de Productschappen Vee, Vlees en
Eieren is informatie te vinden over
BSE en de ziekte van Creutzfeldt-
Jacob. \'Het dossier BSE\' staat in de
rubriek \'vraag en antwoord\'.

Na de herintroductie van Eukanuba
Dog, introduceert The lams Company
het nieuwe Eukanuba Cat assortiment.
De producten uit dit assortiment be-
staan allen uit hoogwaardige voeding
en zijn afgestemd op de verschillende
levensfasen en levenswijzen van indi-
viduele katten.

Er zijn vier nieuwe gezondheidsbevor-
derende systemen aan de producten
toegevoegd, zoals antioxidanten, een
gewrichtsonderhoudssysteem, een ge-
wichtsreguleringspakket en een com-
binatie van koolhydraten om de bloed-
suikerspiegel na een maaltijd te regu-
leren.

Meer informatie hij Holland Dier-
voeders hv, Customer service, tele-
foon: 030 - 2479664.

Nieuw assortiment Eukanuba Cat

Q

Ingezonden

Dodelijl<e injectievloei-
stoffen

Geachte redactie,

Voor wat het ethische aspect van een
euthanasie betreft, ben ik erg gelukkig
met het bestaan van dodelijke injectie-
vloeistoffen. Het toepassen van een
dodelijke injectie lijkt mij ethisch
meer verantwoord dan het \'via het
schotgat in de schedel een dunne elas-
tische staaf tot in het verlengde merg
schuiven\'. Als er nog iemand is die
hierover twijfeh, kunnen we beide mo-
gelijkheden voorleggen aan de paar-
deneigenaar in \'het geschetste geval\'.

M.H.H. Steenaert

Albiotic® Formula van Phannacia &
Upjohn is onlangs in Nederland toege-
laten voor behandeling van mastitis bij
rundvee. De combinatie van de anti-
biotica lincomycine en neomycine in
de mastitisinjector zorgt voor een
goede werking tegen de belangrijkste
mastitispathogenen, waaronder
Strep-
tococcus agalactiae, S. dysgalactiae,
S. uberis
en Escherichia coli. Ook de
moeilijk te bestrijden mastitisveroor-
zaker
Staphylococcus aureus wordt
door het middel aangepakt.

Albiotic® Formula moet drie keer
worden toegediend met een interval
van 12 uur. De wachttijd voor de melk
bedraagt 96 uur. De mastitisinjector
kan tot één dag voor de slacht worden
toegediend.

Nieuwe Mastitisinjector Albiotic Formula

-ocr page 61-

De geschiedenis zegt dat het omstreeks
1400 een Arabisch opperhoofd gelukt is
om sperma van een waardevolle hengst,
toebehorende aan een vijandige stam,
met behulp van een prop katoen zich toe
te eigenen en hiermee een hengstige
merrie van zijn stam te bevmchten,
door dit met zaad doordrenkte katoen in
de schede van die merrie te deponeren.
De meeste geschriften komen van Rus-
sische zijde, waar Ivanov zeer veel
baanbrekend werk heeft verricht en de
pionier van de kunstmatige insemina-
tie-methode genoemd mag worden. Het
lukte hem in 1899 met spermatozoïden,
gesuspendeerd in een kunstmatig mi-
lieu, zonder secreet van accessoire ge-
slachtsorganen en ingebracht in de va-
gina van vrouwelijke dieren, normale
gezonde jongen te verwekken. Het zaad
hiervoor verkreeg hij uit testis, epidydi-
mus en vas deferens.

Nederland

In Nederland begonnen in de dertiger
jaren enkele dierenartsen de kunstma-
tige inseminatie bij runderen toe te
passen. Siebenga heeft in 1936 in
Friesland 273 dieren geïnsemineerd.
In 1937 is reeds sperma per vliegtuig
naar Engeland gebracht. In Engeland
werd met dit zaad een koe met succes
geïnsemineerd. Zo werd in 1938 in
Cambridge het eerste intemationale
kalf geboren.

In 1938 werd in het plaatsje Tolbert in
de provincie Groningen de eerste KI-
vereniging opgericht, voomamelijk met
het doel de verbetering van het kleine
boerenbedrijf te bevorderen door goede
stieren te gebruiken. In 1942 begon
men ook in de omgeving van Almelo.
In deze streken met overwegend kleine
bedrijven en veel gemeenschappelijke
stierhouderijen ondervond de veehou-
derij, ten gevolge van de oorlogsom-
standigheden, zeer veel schade van de
infectieuze dekinfecties, met name tri-
chiomonas. Men hoopte deze dekinfec-
ties met behulp van kunstmatige inse-
minatie te kunnen bestrijden. In het
noorden van het land, in de zandstreken
van de provincies Groningen en Fries-
land werden tijdens de Tweede Wereld-
oorlog nog enkele verenigingen op-
gericht. De eerste Kl-verenigingen had-
den over het algemeen goede bevruch-
tingsresultaten. De geïnsemineerde die-
ren werden vlot drachtig. Door gebrek
aan middelen was het echter niet moge-
lijk om tijdens de oorlogsjaren de KI uit
te breiden. Na de oorlog heeft de KI
zich snel ontwikkeld, mede als gevolg
van buitenlandse, financiële steun. Uit
de tegenwaarde van reliefgoederen uit
Ierland werd ƒ 400.000,- beschikbaar
gesteld voor het herstel van de veesta-
pel. Deze gelden uit het zogenaamde
lerlandfonds werden voomamelijk aan-
gewend voor steun bij de aankoop van
goede stieren, die voor KI zouden wor-
den gebruikt. Door deze ontwikkeling
werd de KI gestimuleerd en met deze
uitbreiding deed zich de behoefte voor
aan een betere huisvesting van de stie-
ren, het Kl-station. Naast deze lerland-
gelden werd uit de Marshall-gelden een
bedrag van ƒ 292.000,- beschikbaar ge-
steld voor de bevordering van een
goede huisvesting voor de Kl-stieren.

J.A.H. van Lieshout

Fokverenigingen

Men kende in ons land, in tegenstelling
tot de meest andere landen, vooral in de
streken met de kleine bedrijven, veel
zogenaamde fokverenigingen. Deze
verenigingen van veehouders hielden
zich behalve met melkproductiecon-
trole en registratie van de veestapel, ook
bezig met het aankopen en beschikbaar
stellen van goede fokstieren. De dek-
gelden waren vrij laag, mits men er
voor zorgde dat deze stieren ieder een
flink aantal koeien dekten. Eén stier
moest vaak dienst doen voor 50 of meer
koeien per jaar, terwijl de stieren zo mo-
gelijk lang werden aangehouden. Deze
vorm van stierhouderij had één groot
nadeel: het verspreiden en in stand hou-
den van dekinfecties. In vele stierhou-
derijen waren de bevruchtingsresulta-
ten dan ook slecht. Men beschouwt de
KI als het aangewezen middel om uit de
moeilijkheden te komen. Hieraan heeft
de KI in Nederland in de eerste jaren de
snelle uitbreiding te danken. Zo werden
er in 1946 zo\'n 10.000 inseminaties
verricht. In 1949 was dit toegenomen
tot 24.000 en weer drie jaren later in
1952 tot 68.000 inseminaties.
De leden van de fokverenigingen en de
stierhouderijen waren in het algemeen
de veehouders met veel interesse voor
veeverbetering. Dit was een goed be-
gin voor de Kl-verenigingen, want
men was ervan verzekerd, dat de aan-
koop van stieren in goede handen was,
dat de geïnsemineerde dieren aange-
sloten waren bij de productiecontrole
en dat de kalveren van de Kl-stieren
werden geregistreerd. Op deze wijze
was de KI ook foktechnisch gezien
geen sprong in het duister.

Kunstmatige inseminatie

De kunstmatige inseminatie (KI) is in ons land voor het eerst toegepast in 1936
met als voornaamste doel het bestrijden van besmettelijke dekinfecties.
Geleidelijk ging men ontdekken dat deze techniek ook belangrijk was voor de
fokkerij. Momenteel wordt het algemeen toegepast als foktechnisch instrument
in de veeverbetering. Hoewel de besmettelijke dekinfecties zijn verdwenen, mag
niet uit het oog worden verloren dat nog steeds infecties met sperma kunnen
worden overgebracht. In Europees verband zijn daarom richtlijnen opgesteld
om verspreiding van ziekten te voorkomen. De dierenartsen hebben een belang-
rijke rol gespeeld in de technische ontwikkeling van de kunstmatige inseminatie
en aanvankelijk ook bij de foktechnische vooruitgang van het Nederlandse
rundvee.

Overheidsbemoeiingen

Reeds tijdens de bezettingsjaren werd
ingezien dat de KI bij een onjuiste toe-
passing de veehouderij grote schade
zou kunnen berokkenen, terwijl een
verantwoorde toepassing ervan een in-
tensieve ziektebestrijding en een ver-
antwoorde veeverbetering mogelijk
zou maken. De toepassing van KI werd
afhankelijk gesteld van een vergunning
van het ministerie van Landbouw. Er
kwam een Centrale Commissie van
Toezicht en bovendien Provinciale
Commissies van Toezicht. De toepas-
sing van KI werd verboden, tenzij er
een ontheffing was van overheidswege
en alleen verenigingen kregen toestem-
ming om KI uit te voeren. Particuliere
personen kregen geen toestemming om
sperma te verkopen of inseminaties uit
te voeren. Het technisch toezicht op de
KI werd opgedragen aan de Gezond-
heidsdienst voor Dieren, die het dage-
lijks toezicht weer uitbesteedde aan de
plaatselijke praktiserende dierenarts.

-ocr page 62-

Het was de taak van de toezichthou-
dende dierenartsen om de kwaliteit
van het gebruikte zaad te controleren
en ervoor te zorgen, dat de werkzaam-
heden op technisch en hygiënisch ver-
antwoorde wijze werden verricht.
In de loop der tijd hebben de grotere
verenigingen eigen dierenartsen in
dienst genomen, meestal als directeur.
Bekende namen in deze zijn: Spruyt,
Hoiting, Van Dieten, Strikwerda,
Goossens, Willems, Uwland, Kruize
en Van Lieshout.

In de Centrale Commissies van Toe-
zicht op de KI hebben de dierenartsen
prof. dr. Th. Stegenga en drs. A. Rut-
gers baanbrekend werk verricht.
Dierenartsen hebben een belangrijke
rol gespeeld bij de ontwikkeling van
de KI bij alle diersoorten en gedurende
de eerste tien ä twintig jaren ook in de
foktechnische programma\'s. Dit ligt
voor de hand omdat de ziektebestrij-
ding de directe aanleiding was om met
kunstmatige inseminatie te beginnen.
Nadat de infectieuze geslachtsziekten
waren uitgeroeid is de KI een volledig
foktechnisch instmment geworden in
de veeverbetering. De rol van de die-
renarts is daarbij beperkt tot de techni-
sche aspecten van de kunstmatige in-
seminatie, zoals de gezondheidscon-
trole van de dieren, spermawinning,
spermaconservering, vruchtbaarheids-
controle en research. Vanaf 1980 zijn
daar de ontwikkeling en de uitvoering
van de embryotransplantatie, de ovum
piek up en de in vitrb fertilisatietech-
nieken bijgekomen.

Ontwikkeling

In het jaarverslag 1972 van de Centrale
Commissie van Toezicht op de KI ver-
meldt Van Leeuwen dat het 25 mil-
joenste rund, 36 jaar na het begin, is
geïnsemineerd. Verder schrijft hij:
\'Zag Siebenga in KI vooral mogelijk-
heden voor het kleine bedrijf, de prak-
tijk heeft geleerd, dat KI voor elke be-
drijfsgrootte interessante mogelijkhe-
den kon bieden.\' Van de dierenartsen-
praktijk is de KI al snel overgegaan
naar de min of meer coöperatieve ver-
enigingen die in het hele land ontston-
den tot een aantal van 160 in 1951.
Sinds dat jaar is het aantal geleidelijk
verminderd, in de tachtiger jaren zelfs
vrij sterk en momenteel is er nog
slechts één coöperatieve landelijk ope-
rerende vereniging \'De Koninklijke
Coöperatieve Rundveeverbeteringsor-
ganisatie CR Delta\'. Op het eind van
de tachtiger jaren en begin negentiger
jaren zijn er ook een drietal kleine par-
ticuliere Kl-verenigingen opgericht en
momenteel zijn er in totaal drie Kl-or-
ganisaties in ons land.
De verenigingsgrootte is al jarenlang
onderwerp van discussie. In het jaar-
verslag KI 1946 stond: Het FRS (Fries
Rundvee Stamboek) is voorlopig al-
leen geneigd om de door KI verwekte
kalveren te erkennen, als er op elk sta-
tion slechts met één stier wordt ge-
werkt. Vandaag de dag kijken wij
vreemd tegen een dergelijk standpunt
aan, maar het FRS was bevreesd dat
het sperma van verschillende stieren te
gemakkelijk bij vergissing verwisseld
kon worden. Jepma (1957) schreef; \'In
de loop der jaren is er een groei ge-
weest in de richting van grotere vereni-
gingen van ongeveer acht naar 15.000
koeien\'. En Rijsenbeek (1960): \'Aan-
nemende dat een Kl-vereniging met
tien a 12.000 koeien voldoende groot
is...\' Het knelpuntenrapport (1966):
\'Een vergroting tot eenheden van meer
dan ± 30.000 koeien per ras is ge-
wenst\'. Het tweede knelpuntenrapport
(1968) schrijft: \'Foktechnisch en KI-
technisch en ook uit een oogpunt van
doelmatige bedrijfsvoering bieden KI-
eenheden van 100.000 of meer koeien
zeer aantrekkelijke mogelijkheden\'.
De cijfers uit de knelpuntenrapporten
liepen in die tijd op de praktijk vooruit,
maar zijn nu allang achterhaald. Het
huidige aantal eerste inseminaties op
jaarbasis voor CR Delta is meer dan
anderhalf miljoen.

Over de uitvoerders schreef Stegenga
(1960): \'In 1946 bestond het hele per-
soneel van de vereniging veelal uit één
inseminator, die als vervoermiddel
over een fiets beschikte\'. Hiermee is
trouwens nog een opmerkelijk punt
aangeduid: niet meer de dierenarts in-
semineerde, zoals ten tijde van Sie-
benga, maar een speciaal opgeleide,
zogenaamde lekenkracht. Dit ging vol-
gens Hemmink (1967) niet zomaar:
\'We kregen eerst nog last met de over-
heid. Een niet-veearts mocht niet inse-
mineren. Dit werd echter spoedig
overwonnen...\' Voor sommige aan-
staande inseminatoren ging de wereld
open, ze moesten met de trein naar
Utrecht, waar professor Van der Kaay
hen opleidde tot inseminator, ze had-
den nog nooit in de trein gezeten.
De rol van de dierenarts verviel niet,
maar veranderde in een meer leidende
en begeleidende. De fiets werd gelei-
delijk vervangen door de motor (mo-
torbullen) en auto\'s. Jepma (1957)
merkte over de personeelsbezetting
op: \'Ook hebben de meeste verenigin-
gen een hoofdinseminator in dienst,
die de dagelijkse leiding bij de uitvoe-
ring heeft, er is een stierenverzorger,
die ook meestal op het Kl-station over-
nachtte en er zijn veelal aparte hulp-
krachten voor de administratie\'. Een
zeker uitsplitsing van taken dus. Deze
ontwikkeling is nog versterkt door de
komst van het diepvriessperma, waar-
door ook het laboratorium meer gespe-
cialiseerde krachten nodig had. De in-
seminator werd geleidelijk wat minder
het manusje van alles, die in de stille
tijd de administratie bijwerkte en het
Kl-station opschilderde.
Aanvankelijk kostte het moeite om de
verschillende technische handelingen
onder de knie te krijgen. Hemming
(1967) over de vreugde van de dieren-
arts toen het voor de eerste maal gelukt
was om in Almelo sperma te vangen:
\'Hij nam het bierglas wat op het eind
van de kunstschede zat en waar het
sperma in werd opgevangen in ont-
vangst en zei toen: \'Dit is het begin,
waar zal het einde wezen?\' En over de
tweede keer: \'We hebben wel een uur
geknoeid om sperma te verkrijgen\'.
Al gauw werd ontdekt dat met een ge-
paste verdunner (fosfaat-eidooier) het
sperma langer houdbaar gemaakt kon
worden. Dat was van belang omdat de
stieren dan niet zo vaak hoefden te
springen. Bovendien werd vervoer
over langere afstanden mogelijk.

Insemineren

Bij het insemineren werd aanvankelijk
de vaginale methode toegepast, men
gebruikte hiervoor een snoekbekspe-
culum en als lichtbron een voorhoofd-
lamp. Met een spuitje werd het spenna
in een eboniet pipet gezogen en na het
inbrengen tegen de cervix leeggedrukt.
Later werd het speculum met de licht-
bron gecombineerd. Na 1945 werd het
sperma verpakt in buisjes van I cm^
(crapules). Deze glazen buisjes wer-
den in een metalen instrument gelegd
en via een stang leeggedmkt. Daarna
kwamen de glazen pipetten in zwang.
Na de komst van het plastic werd daar-
mee de glazen pipet vervangen. Nadat
de rietjes hun intrede deden kwam de
zogenaamde pistolet, die heden ten da-
gen nog wordt gebruikt. Dit is een me-
talen buis waar het rietje wordt inge-
schoven en met een metalen stangetje
wordt het rietje leeggedrukt. Het spe-
culum van de eerste jaren voor de vag-
inale inseminaties is al snel verlaten en
het insemineren onder rectale begelei-
ding werd geïntroduceerd.

-ocr page 63-

Diepvriessperma

Poige, Smith en Parkes (1949) ontdek-
ten dat spermiën konden worden inge-
vroren en ontdooid zonder aanzienlijk
verlies aan beweeglijkheid, indien gly-
cerine aan de verdunner werd toege-
voegd. Deze ontdekking heeft een
enorme impact gehad voor de KI en de
fokkerij. Het heeft tot het einde van de
vijftiger jaren geduurd aleer er een
bmikbare methode was ontwikkeld
om het gebruik van diepvriessperma
op grote schaal te gaan toepassen.
Aanvankelijk werd voor het invriezen
en bewaren van sperma een koudma-
kend mengsel van alcohol 96% en vast
koolzuur (droogijs) met een constante
temperatuur van
-72°C gebruikt. Later
gevolgd door vloeibare lucht met een
temperatuur van -160°C, geproduceerd
door een \'omgekeerde\' Stiding-motor,
die door Philips was ontwikkeld en
weer later door vloeibare stikstof met
een temperatuur van -196\'\'C.
Op het vijfde Internationale Congres
voor Voortplanting en KI bij Dieren in
Trente (1964) rapporteerden Japanse
onderzoekers een invriesmethode die
de naam \'tabletmethode\' zou gaan
krijgen. Druppels laagverdund sperma
werden aangebracht in putjes die men
had gemaakt in een blok droogijs
-79°C. Men verkreeg dan tabletten, die
een aanmerkelijke besparing aan op-
slagmimte opleverde. Door de uitste-
kende identificatiemogelijkheid van
de rietjes die door een Franse firma in
de handel werden gebracht, is de me-
thode van invriezen in vloeibaar stik-
stof algemeen gebruikt gaan worden.
De voordelen van het toepassen en ge-
bruik van diepvriessperma waren zeer
evident: de eenvoudige toepassing, de
logistiek, de hygiëne, de import en ex-
portmogelijkheden en uiteraard de
conservering van grote voorraden. Ten
tijde van de invoering van het zoge-
naamde proef-, wacht- en fokstiersys-
teem en het groter worden van de KI-
verenigingen zijn zeer grote hoeveel-
heden sperma ingevroren. Met name in
de wachtperiode van de stieren zijn
vaak wel 40 tot 60.000 doses sperma
per stier ingevroren en de stieren
daama geslacht. Door de groter en in-
tensiever wordende fokprogramma\'s
werd het aantal fokstieren relatief erg
klein en werd 90 tot 95% van de inge-
vroren voorraden sperma weer vernie-
tigd. De vraag naar de topfokstieren
werd zo groot, dat ook een sperma-
voorraad van 60.000 doses veel te
klein bleek te zijn.

Jaar

Aantal leden

Aantal
verenigingen

Aantal eerste
inseminaties

% drachtig

%KI

1946

± 4000

42

±10000

1.2

1950

50392

151

410254

50,1

24.1

1955

101454

149

871865

60,0

52,7

1960

112569

131

1144834

61,9

61,5

Non return

1965

100814

123

1235266

66,8

62,9

1970

79680

79

1322629

68,8

61,7

1980

50790

48

1199844

70,7

71,9

1985

46868

31

2167601

72,2

81,9

1990

42652

12

1912865

69,9

85,6

1995

38829

14

1753797

67,4

N.B.

1999

36605

3

1609251

68,8

N.B.

Het beleid is in de tachtiger en negenti-
ger jaren gewijzigd. In de wachtpe-
riode werden van de stieren hooguit
3000 doses sperma in voorraad aange-
legd en de stieren werden in leven ge-
laten. Zodra een stier fokstier werd en
de vraag naar sperma groter was dan
de productiecapaciteit, werd overge-
gaan tot gebruik van vers sperma. Een
ejaculaat kon veel verder verdund
worden en door het toepassen van be-
paalde technieken kon het sperma drie
dagen \'vers\' gebruikt worden. De dis-
tributie van dit sperma naar alle delen
van het land werd aanvankelijk gedaan
middels een helikopter en later taxi\'s.
Het aantal inseminaties per stier is
daardoor sterk toegenomen, zo zijn
van de wereldberoemde Nederlandse
fokstier \'Sunny Boy\' meer dan twee
miljoen inseminaties verricht.

Doe het zelf-KI (DHZ)

Het insemineren van runderen was in
eerste instantie voorbehouden aan die-
renartsen. Later mochten ook niet-die-
renartsen, na een gedegen opleiding en
in het bezit van een diploma, onder lei-
ding en verantwoordelijkheid van een
dierenarts, het kunstje uitvoeren. Toen
de bedrijven groter werden, kwam de
vraag vanuit het bedrijfsleven om zelf
hun runderen te mogen insemineren.
Zo werd in 1972 onder stringente
voorwaarden aan een veehouder toe-
stemming verleend op zijn bedrijf zelf
de inseminaties toe te passen. Toch
heeft het tot midden van de tachtiger
jaren geduurd alvorens de DHZ enige
vorm van toepassing kreeg. Daama is
het aantal DHZ-inseminaties geleide-
lijk toegenomen van 26.612 (1,4%) in
1984 tot 299.320 (18,6%) in 1999. De
sterke toename van de laatste jaren
komt voort uit het feit dat veehouders
hun bedrijf, om hygiënische redenen,
zo veel mogelijk gesloten willen hou-
den voor bezoekers, dus ook voor de
inseminator.

Embryotransplantatie

Nadat in 1974 het eerste kalf middels
embryotransplantatie op de Faculteit
der Diergeneeskunde is geboren, is
deze techniek geleidelijk aan verder
toegepast, aanvankelijk in enkele die-
renartsenpraktijken en later in georga-
niseerd verband door de Kl-verenigin-
gen. Zo werd in 1981 de coöperatieve
vereniging ETH (Embryo Transplan-
tatie en Handelsovereenkomsten) op-
gericht, met het doel het uitvoeren van
embryotransplantaties en de handel in
sperma en embryo\'s. In het eerste jaar
van haar bestaan zijn 110 donors ge-
spoeld en in 1985 is dit aantal toegeno-
men tot 1015. In 1993 is door de afde-
ling Research & Development van
Holland Genetics gestart met het pro-
ject OPU/IVF (Ovum Pick Up/In Vitro
Fertilisatie).

Huisvesting stieren

In de beginjaren van de KI werden de
stieren gehouden in stierhouderijen,
bedrijven waar ook vrouwelijke runde-
ren stonden. Later kwamen er kleine
stations waar alleen stieren gehouden
werden. Ze hadden ook de mogelijk-
heid van weidegang. In de tachtiger ja-
ren, toen de Kl-verenigingen steeds
groter werden, was weidegang niet
meer mogelijk en werden aparte stallen
gebouwd voor opfokstieren, wachtstie-
ren en productiestieren. Onder invloed
van de Europese regelgeving zijn daar
in de negentiger jaren quarantainestal-
len bijgekomen, waarbij bovendien
strenge hygiënische eisen worden ge-
steld, om insleep van ziekten die met
het sperma kunnen worden overge-
bracht, te voorkomen.

Overzicht

In de tabel is een overzicht gegeven

-ocr page 64-

van de ontwikkeling van het aantal le-
den, aantal verenigingen, aantallen
eerste inseminaties, het percentage
drachtigheid en de non retumcijfers na
eerste inseminatie en tenslotte het per-
centage van de runderen in Nederland
dat geïnsemineerd wordt.
De getallen spreken voor zich.

Literatuur

1. Diergeneeskundig Memorandum. Derde
jaargang 1956. No. 6.

2. Het Beleid in de Runder-KI. Discussienota
van een werkgroep van de Directie Vee-
houderij en Zuivel van het Ministerie van
Landbouw en Visserij. 1974.

3. Jaarverslag K.I. 1972 van de Centrale
Commissie van Toezicht op de k.i. bij dieren
in Nederland van het Landbouwschap.

4. Jaarverslagen K.L 1946, 1950, 1955, 1960,
1065, 1970, 1980,1985.

5. Jaarstatistieken van het Koninklijk Neder-
lands Rundvee Syndicaat. 1990, 1995 en
1998.

6. Knelpunten in de K.I. bij rundvee. Rapport
1966.

7. Kanttekeningen bij de ontwikkelingen in de

10.

11.

12.

rundvee-k.i.. Tweede knelpuntenrapport.
1968.

De Kunstmatige Inseminatie in 1949.
Centrale Commissie van Toezicht op de uit-
voering van de kunstmatige inseminatie in
Nederland.

K.I. in Nederland. Ministerie van Land-
bouw, Visserij en Voedselvoorziening.
Fonds Nederlandse Veefokkerij, \'s-Graven-
hage. 1954.

Siebenga, J. Kunstmatige Inseminatie bij
Runderen, proefschrift (handelsuitgave), on-
gedateerd.

Stegenga, Th. De organisatie van de k.i. in
Nederland 1946-1961, Jaarverslag k.i. 1960.
Strikwerda R. Persoonlijke ervaringen rond
en met het invriezen van stierensperma,
1949-1984. Argos nr. 22 (2000).

Nummer 3, december 2000 Dierenpraktijken

Kleurrijk eindejaarsnummer
vol bijzondere dieren

Berichten en verslagen

Het meest recente nummer van Dierenpraktijken - met op de cover een impo-
sant tijgerhoofd - behandelt veel bijzondere dieren, zoals de opvang van ka-
tachtigen in het Friese Nijeberkoop en het otterpark Aquacultura te
Leeuwarden, maar ook hele \'gewone\' onderwerpen. Als je de geboorte van
puppies tenminste \'gewoon\' wilt noemen, want dit is toch elke keer weer een
wonder. De redactie is er wederom in geslaagd een kleurrijk en boeiend num-
mer van te maken, een prachtig relatiegeschenk voor de trouwe cliënt van de
dierenartsenpraktijk.

Het hoofdartikel gaat over de dieren
van de kerststal en de rol van Fran-
ciscus van Assisi. Een interessant ver-
haal over de os en de ezel, maar ook
over de schapen - dit schijnen vet-
staartschapen geweest te zijn - en over
kamelen. Wist u dat de ezel \'de heide-
nen\' oftewel de niet-joden symboli-
seert, die vanzelfsprekend welkom
waren in de stal te Bethlehem? En bij
de Eskimo\'s wordt de kerststal be-
zocht door de poolvos en de zeehond.
De kribbe wordt er uit ijs gehakt.

Verder in nummer 3 van Dieren-
praktijken een uitgebreid beeld van de
Stichting Pantera, die katachtige roof-
dieren opvangt, met als nevendoelstel-
lingen onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek. Initiatiefnemer is Arno van
der Valk.

De geboorte van puppies is de titel van
een omvangrijk en zeer informatief ar-
tikel over het fokken van een nestje.

Voor veel eigenaren een spannende en
vertederende aangelegenheid. Maar er
is ook kennis nodig om deze bijzon-
dere gebeurtenis te begeleiden. Deze
kennis overdragen is de ultieme doel-
stelling van Dierenpraktijken - hét
blad over de gezondheid van uw huis-
dier - en dit artikel dient dit doel uitste-
kend.

In vraag en antM\'oord deze keer aan-
dacht voor \'de meest geschikte leeftijd
voor de sterilisatie van onze poes\' en
\'het opeten van ontlasting van andere
honden\'. Het
verhandtrommeltJehevaX
een geval van strychninevergiftiging
en van het geriatrisch syndroom. In de
rasrubriek wordt de Maine Coon - een
halflanghaarkat - behandeld en in
Bij-
zondere dieren
otterpark Aquacultura
en de terugkeer van de otter in Ne-
derland.

In Het specialisme van is Margreet
Vroom - dermatologe - aan het woord.
Met vanzelfsprekend veel wetenswaar-
digheden over de honden- en katten-
huid en de verschillen hiertussen. In
Uit de praktijk van treffen we Bob
Carrière aan van Dierenkliniek Erme-
lo, die veel botbreuken behandelt.
Een
verhalenwedstrijd in het vorige
nummer heeft een leuk verhaal opgele-
verd van Lisanne Heeringa (10 jaar)
voor de
kinderpagina Puppyprak-
tijken. Tot slot een
boekbespreking en
Nieuws van de Industrie.

Dierenpraktijken is een kwartaaluit-
gave voor de wachtkamer van de die-
renarts voor gezelschapsdieren. Ook
is het voor diereigenaren mogelijk een
postabonnement te nemen. Het blad
wordt uitgegeven door Maasland
Uitgeverij (tel. 0412-628218 ofinfo@
maasland.com), in samenwerking met
de Groep Geneeskunde Gezelschaps-
dieren.

-ocr page 65-

m

l

m

Serie De Paardenmond - deel I

Een goed gebit: belangrijker dan u

denkt

Een goed gebit is voor een paard be-
langrijker dan u denkt. De vertering en
benutting van voedsel zijn ervan af-
hankelijk, dus ook het welbevinden en
de prestaties van het paard. Een paard
met gebitsproblemen kan onmisken-
bare signalen afgeven dat het zich niet
lekker voelt. Een goede reden om een
paar artikelen te wijden aan de paar-
denmond. In deze aflevering het eerste
artikel.

Melkveehouder en Dierenarts wisse-
len steeds meer elektronisch gegevens
uit

In deze aflevering aandacht voor een
modeme aanpak van de bedrijfsadvi-
sering, namelijk met behulp van de
computer. Steeds vaker wisselen vee-
houder en dierenarts bedrijfsgegevens
uit, met grote mogelijkheden voor de
analyse van bedrijfsgegevens, voor en
na het daadwerkelijke bedrijfsbezoek.
Alhoewel de computer nooit het \'tus-
sen de koeien werken\' zal kunnen ver-
vangen, mogen we de mogelijkheden
van digitale uitwisseling van gegevens
niet laten liggen.

Oorzaak vruchtbaarheidsproblemen
onbekend?

Echografie biedt uitkomst!

Al twintig jaar gebruiken we de twee-
dimensionale echografie
(\'scannen\')
om drachtigheid vast te stellen bij paar-
den en sinds korter ook bij andere die-
ren, zoals het varken. Ongeveer tien
jaar beoordelen we bij het varken ook
de eierstokken met deze techniek. In dit
artikel beschrijft de auteur de mogelijk-
heden van het \'scannen\' van de eier-
stokken bij zeugen. Zo kunnen er op

VEEHOUDER

MAR\'

ziekte veroorzaakt. De ziekte wordt
heel typerend \'zere bekjes\' genoemd,
want dat is precies het belangrijkste
verschijnsel: pijnlijke lippen en mond.
Behalve bij schaap en geit is de ziekte
ook beschreven bij kamelen, drome-
darissen en mensen. \'Zere bekjes\' is
dus ook een zogenaamde
zoönose, een
ziekte die kan overgaan van dieren op
mensen.

En vanzelfsprekend ontbreken in dit
nummer niet de seizoensgebonden be-
drijfsadviezen (rund, varken, paard,
kleine herkauwer en pluimvee). Daar-
naast is er een bespreking van het boek
\'Veulens krijgen\' van dierenarts Joop
Loomans.

eenvoudige wijze oor-
zaken van voortplan-
tingsproblemen mee
worden opgespoord.

Met tabel: oorzaken
van productiestoor-
nissen bij legpluim-
vee

Minder eieren, wat
nu?

Veel aandoeningen bij leggend pluim-
vee veroorzaken productieproblemen:
dieren die ziek zijn, produceren niet
optimaal. En er zijn ook ziektekiemen
die het legapparaat rechtstreeks aan-
tasten, zoals het EDS- en het IB-virus
en de
Mycoplasma gallisepticum-hac-
terie. In dit artikel ligt de nadruk op in-
fectieuze oorzaken van productie-
stoornissen bij leghennen en vermeer-
deringsdieren.

Ecthymavirus boosdoener \'zere bekjes\'

Schotse Hooglanders sieren winternummer

Alweer een lustrum voor
Veehouder en Dierenarts!

Time flies when you \'re having fun - Veehouder en Dierenarts
is alweer aan het derde lustrum toe. Voorzitter van de redac-
tiecommissie Rob Back wijdt zijn editorial aan de integrale en
integere zorg voor mens en dier die door Veehouder en
Dierenarts wordt uitgedragen. Waar blijft de tijd? vraagt de
redactiecommissie zich na vijftien jaar af. Kennelijk straalt
het blad het plezier en de bezieling uit waarmee het wordt sa-
mengesteld, want Veehouder en Dierenarts heeft zijn plaats
de afgelopen jaren meer dan waargemaakt. Een greep uit de
inhoud van het sfeervolle winternummer.

Ecthyma, of ecthyma contagiosum, is
een virusaandoening bij schaap en
geit, die vooral bij jonge lammeren

Het kwartaalblad Veehouder en Dierenarts wordt al vijftien jaar
ter beschikking gesteld door dierenartsen aan hun cliënten, via
de balie, per post, ofwel persoonlijk overhandigd. Veehouder en
Dierenarts kost f
12,50, exclusief BTW en een bijdrage in de ver-
zendkosten per abonnement per jaar. Het blad wordt uitgegeven
door de KNMvD. Voor meer informatie: telefoon 030-2510111 of
e-mail veeh.en.dierenarts@knmvd.nl

-ocr page 66-

ua

Royal Canin introduceert voeding voor kittens

Binnen iiet VetCat-programma intro-
duceert Royal Canin een voeding voor
kittens met de naam \'Growth\'. Deze
voeding houdt rekening met de verte-
ringscapaciteit van een kitten. Daarom
bevat het een verlaagd zetmeelgehalte,
FOS (Fructo-Oligo-Sacchariden) voor
een stabiele darmflora en zeoliet voor
een stevige ontlasting. Growth ver-
zuurt de urine niet en staat daardoor de
mineralisatie van het skelet niet in de

Fiber Formula
Cat Treats

Verantwoord \'extraatje\' bij dieet-
behandeling

Als aanvulling op de reeds op de
markt zijnde Fiber Formula dog
biscuits en de Fiber Fonnula
Lamb and Rice dog biscuits van
de firma Stewart uit de Verenigde
Staten, introduceert Vetin-Aaco-
farma nu Fiber Formula Cat Treats
voor de kat. De brokjes kunnen
zowel bij gezonde katten als bij
katten die op dieet staan veilig
■worden gegeven, dus zonder dat
de positieve werking van het dieet
wordt beïnvloed. Cat Treats zijn
arm aan zout, vet en calorieën en
rijk aan voedingsvezels. Ze zijn
zeer smakelijk: zelfs de meest
kieskeurige kat is er gek op.
Twaalf zakjes zijn verpakt in een
handige displaydoos. Een over-
doos met zes displays kunt u be-
stellen bij Vetin-Aacofarma in
Boxtel, evenals de Fiber Formula
dog biscuits and Fiber Formula
Lamb and Rice dog biscuits.

weg. Het heeft een geschikte omega 3-
6 vetzuurverhouding en het heeft een
gunstige invloed op de huid en vacht.

Voeding voor gesteriliseerde en ge-
castreerde katten

Tevens introduceert Royal Canin een
voeding voor gesteriliseerde en gecas-
treerde katten binnen het nieuwe Vet-
Cat-assortiment. Aangezien in Neder-
land ongeveer 95% van de katten
gesteriliseerd of gecastreerd is, is het
handig om in de voeding rekening te
houden met de voedingsbehoeften en
eetgewoonten van deze katten.
Er zijn drie producten voor verschil-
lende leeftijden: Young Adult voor

PMWS/Wegkwijnziekte en circovirus
varken

Utrecht, 7 februari 2001

Tilburg, 14 februari 2001

Beide cursussen van 13.30-17.00 uur.

In overleg met prof dr. M. Pensaert,
RUG, wordt dit onderwerp een jaar
uitgesteld. Na het voorjaarssympo-
sium (Efteling) en het overzicht van
dr. Paul Steverink, ID-Lelystad, tij-
dens de Post-IPVS-meeting van de
Groep Geneeskunde van het Varken,
zijn er na aanleiding van het onder-
zoekproject op de faculteit in Gent nog
geen nieuwe wetenschappelijke resul-
taten. Inmiddels is ook bij het ID-
Lelystad onderzoek gestart.
Als alternatieve invulling voor deze
middagen bieden wij u in samenwer-
king met PUO-D Gent een \'Belgische
Studienamiddag Varken\' aan op de-
zelfde data, locaties en tijd.
PAO-D wil de samenwerking met
België nog verder intensiveren. Ook
op het gebied varken vindt daar reeds
jaren goed onderzoek plaats.

Onderwerpen

Dr. Kristien van Reeth, lab. Virologie
FD Gent: \'Varkensinfluenzavaccins:
de betekenis van antigene variatie\'.

katten van één tot en met vijf jaar.
Mature Adult voor katten van zes tot
en met negen jaar en Senior voor kat-
ten van tien jaar en ouder.
Gesteriliseerde en gecastreerde katten
hebben vaak last van overgewicht. Met
het Body Fat Control System, be-
staande uit een combinatie van vezels,
L-camitine en een verlaagd energiege-
halte, kan overgewicht beperkt wor-
den. Ook is in de producten rekening
gehouden met de kans op het krijgen
van blaasgruis (struvietstenen of cal-
cium-oxalaatstenen).

Meer informatie: Royal Canin Neder-
land B. V., telefoon: 0413 - 318400.

Het betreft eigen onderzoek: is er anti-
gene drift en/of shift?
Dr. Frank Koene, Centmm Onderzoek
in Diergeneeskunde en Agrochemie
(CODA) te Ukkel: \'Pathogenese stu-
dies met een Belgisch encephalomyo-
carditisvirus-isolaat\'. EMCV, wordt
het een Europees vims? In Grieken-
land en België veroorzaker van acute
biggensterfte en reproductiestoornis-
sen. In de UK geen klinische ziekte,
wel antilichamen. Eigen onderzoek.
Dr. Dominiek Maes, Vakgroep Voort-
planting en Verloskunde, FD Gent:
\'Ervaringen in de USA, veterinaire be-
nadering varkensbedrijven\'. Na zijn pro-
motie (Mycoplasma) een jaar Amerika,
wat kunnen wij ervan opsteken?
Vervolgens twee referaten door prac-
tici, in het kader van hun twee jaar du-
rende opleiding tot \'Vakdierenarts
Varken\'. Alain Kanora: \'Mycotoxi-
nen: een onderschat probleem bij var-
kens?\' en Kamiel Warants: \'Str.suis
type 2: \'n overzicht\'.

Prijs blijft ƒ 110,-.

Nieuwe cursisten nodigen we van
harte uit in te schrijven.
Mocht u al ingeschreven hebben voor
de oorspronkelijke cursus, maar wil-
len afzien van het nieuwe programma,
graag tijdig een berichtje aan het
PAO-secretariaat. Reeds betaald cur-
susgeld zal dan worden gerestitueerd.

-ocr page 67-

Bacteriële endometritiden komen bij
paarden veel voor.

Een lokale behandeling is de aangewe-
zen therapeutische weg. De cervix is
echter niet altijd passabel. Ook bij
baarmoederontstekingen die gepaard
gaan met veel necrose, bereiken intra-
uterien ingebrachte antibiotica niet al-
tijd het endometrium.
Van trimethoprim/sulfapreparaten en
van penicillines worden na parenterale
toediening bij endometritiden goede
resultaten vermeld. De literatuur is niet
duidelijk wat betreft het gebruik van
de cephalosporines. Zo heeft men cef-
tiofur (een derde generatie Cephalo-
sporine) na intramusculaire injectie
niet in de baarmoeder kunnen aanto-
nen. In de praktijk waren de resultaten
echter goed. Schrijver diende vier
paarden intramusculair ceftiofur toe in
een concentratie van 2 mg per kg li-
chaamsgewicht. Met behulp van een
PHLC-methode werd dit antibioticum
in uterus-biopten bepaald. De conclu-
sie wordt getrokken dat dit medica-
ment gebruikt kan worden indien
sprake is van infecties met
E. coli en/of
Str. zoöepidemicus en indien intra-ute-
riene toediening niet mogelijk is.

De mogelijkheid van ceftiofur als parenterale therapie bij endometritis
van het paard

Baylisascaris procyinis, een nieuw zoönoseprobleem in Nederland

M. Dijkstra en B.C.M. Pino; SR 8i5\\gc):

42 pp-

Er is een literatuuronderzoek verricht
naar de betekenis van deze spoelworm
bij wasberen en naar een mogelijk voor-
komen van deze parasiet bij in dieren-
tuinen en bij particulieren verblijvende
dieren. De wasbeer hoort oorspronke-
lijk thuis in Noord-Amerika. Sinds de
jaren dertig van deze eeuw is er een in
het wild levende populatie in Duitsland
en in Zwitserland. Ook in Nederland
worden regelmatig exemplaren gezien,
onder andere in Limburg.
Larven van genoemde parasiet kunnen
ook andere diersoorten besmetten zo-
als kleine knaagdieren, eekhooms, vo-
gels en ook de mens. Er ontstaan ziek-
tebeelden die samengevat kunnen
worden onder het begrip \'larva mi-
grans\' en meer specifiek in de visce-
rale en in de oculaire vorm. Ook de
longen kunnen worden aangetast.
Ingegaan wordt op de levenscyclus, de
diagnostiek, de therapie en de profy-
laxe. Schrijvers hebben een onderzoek
uitgevoerd naar het voorkomen van
deze worm bij in gevangenschap ge-
houden wasberen in Nederland. Het
resultaat was negatief Voorzichtig-
heid blijft geboden.

De invloed van ammoniak en van stof op de afweer van het
respiratie-apparaat van het varken

W. Moleman; SR 8T6\\gg: 36 pp.

Er wordt op basis van een literatuuron-
derzoek eerst ingegaan op het afweer-
mechanisme van het respiratie-appa-
raat. Dit beschikt over de volgende
mogelijkheden: motorische reflexen,
microciliën, mucusslijm, broncho-al-
veolaire vloeistof met hierin anti-oxy-
danten, enzymen, complement, IgA-
antilichamen en voorts het cellulaire
afweersysteem bestaande uit granylo-
cyten, marcophagen en lymfocyten.
Het cellulaire afweermechanisme wordt
uitvoerig besproken. Een hoge concen-
tratie ammoniak heeft een negatief ef-
fect op de groei van het varken. De
meeste onderzoekers menen ook dat het
aanleiding geeft tot een verhoogde fre-
quentie van hoesten en niezen en van
slijmvliesaandoeningen van ogen en
neus.

Voorts tast het de mechanische afweer
aan door een verhoogde productie van
slijm en het verloren gaan van de tril-
haren in de luchtwegen.
Teveel ammoniak in de stal heeft ook
invloed op de cellulaire afweer in de
longen en veroorzaakt een verminde-
ring van de lokale en van de algemene
weerstand. De invloed van stof is min-
der duidelijk. Bekend is dat het als dra-
ger fungeert van bacteriën, virussen en
schimmels. Resultaten van onderzoek
tussen de hoeveelheid stof in relatie
met een verminderde groei of met
ademhalingsproblemen spreken elkaar
tegen.

-ocr page 68-

C.J.E. Timmermans; SR 8T/\\Qg: 39 pp

Actua

I i

Escherichia coli als diarree-veroorzaker bij honden, katten, geiten,
paarden, konijnen & vogels

Op basis van een literatuuronderzoei^
wordt informatie verstrekt over de pa-
thogene betekenis van
E. coli voor bo-
vengenoemde dierspecies. Bij de land-
bouwhuisdieren als varken, rund en
schaap komen zogenaamde enteropa-
thogene stammen voor als ziektever-
wekker. Deze stammen zijn in het be-
zit van genen die coderen voor be-
paalde eigenschappen als de productie
van toxinen, het zich kunnen hechten
aan de mucosa waardoor kolonisatie
ontstaat en het kunnen penetreren door
het darmslijmvlies. Vaak behoren deze
stammen tot bepaalde serotypen. Men
heeft aanwijzingen dat bepaalde
E.
coli \'s
die bovengenoemde eigenschap-
pen hebben ook problemen kunnen ge-
ven bij honden, geiten en paarden. Bij
katten is een en ander discutabel.
E.
co//-aandoeningen zijn wel van bete-
kenis bij konijnen. Bij deze diersoort
geven bepaalde typen ziekte bij jonge
dieren en andere meer bij oudere. Bij
pluimvee (kip) is colibacillose vaak
het gevolg van het verblijf in stoffige
ruimten of van immunosuppressie
door entingen. Ingegaan wordt bij alle
genoemde diersoorten op ziektever-
schijnselen, therapie en profylaxe.
Geconcludeerd wordt dat er nog veel
onduidelijkheden zijn en dat verder
onderzoek noodzakelijk is.

D. Winl<ei; SR 82y\\gg: 28pp.

Chlamydia-infecties bij het rund

Schrijfster heeft de recent verschenen li-
teratuur bestudeerd wat betieft de fre-
quentie van voorkomen van Chlamydia
species bij randeren en de relade van dit
micro-organisme met ziekteverschijn-
selen als abortus, fertiliteitsstoomissen,
longaandoeningen, etcetera. Men on-
derscheidt binnen het geslacht
Chlamydia vier species, waarvan
Chi.
psittaci
en Chi. percorum bij landbouw-
huisdieren voorkomen. Er zouden ver-
scheidene pathotypen zijn. Ingegaan
wordt op de diagnostiek. Het verloop
van een chlamydia-infectie is vaak a-
symptomatisch en kan met klinisch
en/of macroscopisch post mortem-on-
derzoek alleen niet worden vastgesteld.

Het aantonen van het micro-organisme
of van de antigenen kan geschieden met
behulp van bacteriologisch (eikweek,
celkweek, PCR, Elisa) onderzoek. Ook
kunnen antilichamen worden aange-
toond met behulp van een complement-
bindingsreactie of met een Elisa.
Chlamydia-infecties komen ubiquitair
voor. Op grote rundveebedrijven ont-
staan vaak problemen. Het is een facto-
renziekte. Gewezen wordt op infectier-
isico\'s voor de mens. Uitgebreid
onderzoek naar de pathogene betekenis
van chlamydia-infecties (ook in
Nederland) is noodzakelijk.

Diergeneeskundige problemen op scharrelvarkenbedrijven: een impressie

M.C. Bruntenl.l. Poeze. SR847\\gg:i5pp.

Vijf bedrijven met scharrelvarkens
(meer dan 100 dieren) werden in de pe-
riode oktober 1996 - april 1997 driemaal
bezocht met als doel de vraag uit de prak-
tijk te verifiëren of er een relatie bestaat
tussen klinische problemen (hoesten.

niezen, diarree en andere) en het milieu
(bezettingsgraad, temperatuur, tempera-
tuurschommelingen, relatieve lucht-
vochtigheid en dergelijke). Ook werden
slachtgegevens bij het onderzoek be-
trokken. Geconcludeerd werd dat het
niet mogelijk was ziekteverschijnselen
te koppelen aan klimatologische om-
standigheden. Het percentage dieren met
afwijkingen aan de borstvliezen, longen
en levers lag op scharrel varkensbedrij-
ven hoger dan op de modeme. Het per-
centage AA-dieren en de algemene be-
oordeling \'gezond\' was op de scharrel-
varkensbedrijven ongunstiger. Ingegaan
wordt op maatregelen ter verbetering.
Gewezen wordt op de noodzaak van be-
handeling tegen spoelwormen.

R. van Motten. SR 848\\gg: 58pp.

Chronisch hoestende paarden

Op basis van literatuuronderzoek is ge-
tracht inzicht te krijgen in de etiologie,
de
Pathogenese, de klinische verschijn-
selen en de pathologie van het chro-
nisch hoesten bij paarden. In analogie
met de humane ziektekunde wordt
thans de term COPD gebruikt als af-
korting van chronic obstructive pulmo-
nary disease. Over het ziektebeeld bij
paarden bestaat tussen diverse onder-
zoekers nogal verschil van mening. Dit
is het gevolg van het feit dat in de dier-
geneeskunde algemeen aanvaarde de-
finities en diagnostische richtlijnen
ontbreken. Zo worden voor vergelijk-

-ocr page 69-

bare ziektebeelden verschillende na-
men gebruikt en voorts wordt niet
nauwkeurig aangegeven waarop deze
naamgeving berust. Gesteld wordt dat
astma, emfyseem en chronische bron-
chitis bij COPD kunnen worden onder-
gebracht. Het voorkomen van astma bij
paarden is door Nederlandse dierenart-
sen lang ontkend, ondermeer wegens
het ontbreken van goede diagnostische
tests. Aan 100 humane longspecialis-
ten (hiervan hebben er 48 gereageerd)
werd een enquête gestuurd met het ver-
zoek aan de hand van twee beschreven
ziektegevallen bij paarden met longaf-
wijkingen een diagnose te stellen en
deze te motiveren. Schrijver conclu-
deerde op basis van de verkregen infor-
matie dat astma klinisch kan worden
\'losgemaakt\' van het verzamelbegrip
COPD.

Een beschrijving van vijf huisvestingssystemen voor drachtige
zeugen in het kader van een welzijnsonderzoek

I. P\'mckers en M. Steffensen; SR S3S)\\99\'
40 PP-

Op basis van een literatuuronderzoek
werden de volgende huisvestingsyste-
men beoordeeld:

1. het biofixsysteem (groephuisvesting
voor 6-10 zeugen in twee comparti-
menten);

2. voerligboxensyteem (10-14 zeugen
per groep met uitloop);

3. voerstation (13-26 zeugen per groep,
individuele voedering met elektroni-
sche herkenning);

4. het stolbasysteem met een aantal va-
rianten (3-6 zeugen per groep met
biggen en een beperkte uitloop).

Beoordeling door schrijfsters geschied-
de volgens een Duitse methode ge-
naamd \'Tiergerechtsindex\'.
Hierbij wordt gekeken naar bewegings-
mogelijkheden, voer- en drinkgelegen-
heden, sociaal contact, mstplaats, com-
fort, exploratie, defaeceren en urineren,
hygiëne en verzorging. De kwaliteit
wordt uitgedrukt in een puntenschaal.
Het Stolba-systeem kreeg de beste be-
oordeling en het aanbindsysteem de
minste. Gesteld werd dat welzijn een
moeilijk te omschrijven begrip is en
voorts dat een aantal punten bij de be-
oordeling niet meegenomen zijn zoals
rangordegevechten, stress bij vastzet-
ten, ventilatie, etcetera.

A.M.H. Kramer. SR 849199:14pp.

Na een bespreking van de literatuur wat
betreft de parasiet, de ziekteverschijnse-
len bij hond (zenuwaandoeningen) en
rund (abortus), de afwijkingen gevon-
den bij sectie en bij histologisch onder-
zoek, de diagnostiek en de therapie,
wordt verslag gedaan over de resultaten
van een eigen onderzoek over de fre-
quentie van voorkomen van antilicha-
men bij honden.

Deze afweerstoffen werden bepaald met
behulp van een Elisa.
Het bleek dat procentueel meer antili-
chamen tegen neospora caninum voor-
kwamen bij honden gehouden op boer-
derijen, dan bij honden gehouden in de
stad. Ook waren meer honden van vee-
houders positief wanneer op hun bedrijf
een \'abortusstorm\' was voorgekomen,
vergeleken met dieren van boerderijen
waar dit niet was voorgekomen.
Het percentage positieve honden nam
toe met de leeftijd. Ook bleken meer te-
ven dan reuen besmet. In de discussie
wordt gesteld dat verder onderzoek
noodzakelijk is onder meer naar de bete-
kenis van de hond als besmettingsbron
voor het rund, naar onderlinge besmet-
tingen van honden en naar een exacte,
serologische interpretatie.

Neospora caninum bij de hond

F. Blaauw. SR 862\\gg: 43 pp.

Retrospectieve evaluatie van dystocia bij de merrie

Na een overzicht van de literatuur over
dystocia worden 100 gevallen van par-
tusproblemen bij de merrie geanaly-
seerd. De betreffende dieren werden in
de periode 1993-1997 aangeboden aan
de Afdeling Voortplanting van de
Vakgroep Bedrijfsdiergeneeskunde te
Utrecht. De verslaglegging was helaas
niet in alle gevallen compleet. Ingegaan
wordt op de problematiek in relatie tot
leeftijd, ras, pariteit, drachtigheidsduur
en verloop van voorgaande drachten.
De behandeling bestond uit óf repositie
en extractie óf foetotomie óf sectio.
De resultaten hiervan worden bespro-
ken aan de hand van de waargenomen
afwijkingen, de toestand van de vmcht
(levend, dood, anatomisch afwijkend)
en van de merrie (werkzaamheid utems.

abnormaliteiten in de geboorteweg).
Ingegaan wordt op het optreden en het
verloop van complicaties zoals retentio
secundinarum en traumatische of chi-
mrgische verwondingen. In totaal ble-
ven slechts 13 veulens in leven terwijl
zes merries stierven of moesten worden
geëuthanaseerd. Gesteld wordt dat het
aantal gevallen dat bestudeerd werd te
gering was om betrouwbare conclusies
te trekken. Opgemerkt wordt dat voor
het verrichten van een foetotomie meer
expertise noodzakelijk is dan voor een
sectio.

-ocr page 70-

KN MvD beëindigt samenwerkingsovereenkomst met SENA

De KNMvD beëindigt met ingang van 2001 de samenwerkingsovereenkomst met
de SENA. Deze overeenkomst hield in dat de KNMvD voor de SENA ieder jaar
een inventarisatie maakte van dierenartsenpraktijken die muziek in hun wacht-
ruimte draaiden. In ruil voor deze inventarisatie kreeg de KNMvD een korting
van tien procent. Gezien het geringe aantal praktijken dat daadwerkelijk muziek
ten gehore brengt aan hun cliënten en de geringe kwantumkorting van 250 gul-
den van de SENA, heeft de KNMvD besloten te stoppen met deze service.

kelijk muziek ten gehore brengen in hun
wachtkamers.

Controle

Vanaf2001 zal de SENA de praktijken
zelfstandig gaan benaderen, om te in-
ventariseren of er muziek gedraaid
wordt. Het is dus mogelijk dat u be-
zoek krijgt van een controleur.

De zogenaamde SENA-rechten wor-
den geheven voor het draaien van mu-
ziek in een wachtmimte. De KNMvD
is in 1995 met de SENA overeengeko-
men dat zij zou inventariseren welke
dierenartsenpraktijken in hun wacht-
ruimte muziek draaiden. De KNMvD
kreeg dan een totaalnota met een kor-
ting van tien procent, als dank voor de
inventarisatie. Deze nota werd dan, in-
clusief korting, aan de betreffende
praktijken doorbelast. Op grond van
een kosten-batenanalyse is echter geble-
ken dat de kosten van zo\'n inventarisatie
vele malen hoger liggen dan de kwan-
tumkorting. Het inventariseren kost on-
geveer 4000 gulden, terwijl de korting
neerkomt op 250 gulden. Deze geringe
korting heeft mede te maken met het feit
dat er maar weinig praktijken daadwer-

Let op: met ingang van 2001 zal
niet alleen een vergoeding wor-
den geheven over het draaien van
muziek in de wachtruimte, maar
ook in de behandelkamer.

Sjoerdde Vries,
Administrateur KNMvD

Verse Brabantse
Nieuwen!!!

Dit goede initiatief van de Afdeling
Noord-Brabant van de KNMvD
krijgt een vervolg, en wel op
vrij-
dag 26 januari 2001.
Vanaf 20.00 uur is eenieder, afge-
studeerd in 1995 en later, wonend
in Noord-Brabant van harte wel-
kom op deze \'weeksluitingsborrel
op locatie\'.

Voorafgaand aan de discussie en
borrel zullen enkele collegae, werk-
zaam in verschillende sectoren, hun
visie op actuele veterinaire zaken
geven.

De locatie voor dit intercollegiaal
overleg is het Best Western hotel
\'De Dmiventros\', gelegen aan de
afrit Berkel-Enschot van de A65
(Den Bosch-Tilburg).

Ruil je avonddienst en tot de 26®\'®!
Collegiale groet.

Marleen Oomen
Margot Labherté
Maico Boumans
Paul vanHooydonk

Toch oprichting Werkgroep Geneeskunde Vleeskalveren

Nieuwe datum: 1 februari 2001

Zoals eerder gemeld in dit tijdschrift hebben een aantal dierenartsen werkzaam in
de vleeskalverhouderij het initiatief opgevat een zelfstandige Werkgroep
Geneeskunde Vleeskalveren op te richten. Door verschillende oorzaken kon de
reeds geplande datum van deze oprichting echter geen doorgang vinden, zoals
vermeld is in het Tijdschrift van 1 januari 2001. Daarom is uitgeweken naar een
nieuwe datum:
donderdag 1 februari 2001

Belangstellende dierenartsen worden van harte uitgenodigd deze oprichting bij te
wonen en zich aan te sluiten bij de werkgroep. U wordt hiervoor verwacht om
14.00 uur in zaal 337 van het Androclusgebouw aan de Yalelaan te Utrecht
(Hoofdgebouw Diergeneeskunde).

Agenda oprichtingsvergadering

1. Opening

2. Mededelingen

3. Dr. Th. Wensing (RUU-fac. Diergeneeskunde): Relatie dierenarts en vleeskal-
verhouderij

4. De Erkende Vleeskalverendierenarts?

5. Doelstellingen Werkgroep Geneeskunde Vleeskalveren

6. Actuele situatie

7. Verkiezing bestuur werkgroep

8. Rondvraag

9. Sluiting

Voor punt 7 van de agenda kan men zich schriftelijk kandidaat stellen tot voor
aanvang van de vergadering bij de secretaris van het oprichtingsbestuur: Eric van
der Velden, Plevierdonk 22, 5467 CT Veghel, of per e-mail: eric.vandervelden(§
wxs.nl.

-ocr page 71-

Voor het lidmaatschap van de Koninklijke Ne-
derlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde
hebben de volgende collegae zich aangemeld:

Ahne, Mevr. I.M.T.; 2000; 3532 EB Utrecht;
Queridostraat 17.

Beek, Mevr. A.W.M.J.C. van; 2000; 6132 GP
Sittard, Bellstraat 23.

Bosch, G.; 2000; 3522 GH Utrecht;
Reitdiepstraat 20.

Karsemeijer, Mevr. M.A.; 2000; 3582 CT
Utrecht; Krommerijn 63.
Keg, Dr. P.R.; 1976; U-1996; 3732 CC De Bilt;
Troelstraweg 97.

Knaap. Mevr. C.C.; 2401 PK Alphen a/d Rijn;
Zadelmaker 138.

Laarhoven, P.C.J. van; 2000; 5171 VL
Kaatsheuvel; Erasstraat 91.
Offereins, Mevr. N.; 2000; 1079 VM
Amsterdam; Waverstraat 26 III.
Pulskens, R.C.W.M.; Gent- 2000; 2411 KJ
Bodegraven; Bourgondischelaan 9.
Veenstra, Mevr. R.; 2000; 3812 XR Amersfoort;
Ranonkelstraat 40.

Velden. Mevr. D.F.E.. van der; 3582 CN
Utrecht; Minhof43.

Als lid van de Koninklijke Nederlandse Maat-
schappij voor Diergeneeskunde heeft het Hoofd-
bestuur aangenomen:

Bameveld. M.H. van; 2000; 3582 TL Utrecht;
Lod. Napoleonplantsoen 85
I.
Doest, Mevr. O.E.A.; 1999; 3515 GS Utrecht;
Lauwerecht 52.

Gebben, A.J.; 2000; 9285 NX Buitenpost;
Stationsstraat 8A.

Gisbers- Jenniskens. Mevr. P.R.W.; 2000; 6828
SK Amhem: Stadhoudersstraat 221.
Hüficen, R.M.H.N.; Gent- 2000; 5552 KR
Valkenswaard; Htg. Johannastraat 5.
Huijben, Mevr. J.H.J.; 1999; 7447 XN
Hcllendoom; Koetshui.sstraat 19.
Kempkes, Mevr. J.; Gent- 1991; 3317 JG
Dordrecht; S.M. Hugo van Gijn weg 151.
Kikkers. B.H.; 2000; 8081 XD EIburg;
Vrijheidsstraat 17.

Kogelenberg-Gerritsen, Mevr. A.H.; 2000; 6921
XW Duiven; Pr. Bemhardstraat 38.
Mulders, H.A.N.; Gent- 2000; 4876 BS Etten-
Leur; Tamboerijn 40.

Op den Kamp. Mevr. V.A.J.; 2000; 5988 AM

Helden; Haammaekerstraat 16.

Otten, Mevr. J.A.M.; 2000; D-48712 Gescher

(Duitsland); Katharinenstrasse 1.

Peterson, Mevr. K.; 2000; 3573 AT Utrecht;

Aartsbisschop Romerostraat 621.

Rol, Mevr. E.M.; 2000; 3562 GD Utrecht;

Scharlakendreef 154.

Stoop, Mevr. E.S.; Gent- 2000; B-9080
Beerveld (België); Heistraat 72.
Urbanik, Mevr. F.Y.; 2000; 2771 GM Boskoop;
Houtsingel 20.

Vlugt-Meijer, Mevr. R.H. van der; 1999; 3956
TP Leersum; De Oude Kolk 14.
Waelen, Mevr. S.E.H.M.; 2000; 3543 BD
Utrecht; Enghlaan 17.

Winter. Mevr. A. de; 2000; 3737 RA Groene-
kan; Kastanjelaan 1.

Als kandidaatlid van de Koninklijke Neder-
landse Maatschappij voor Diergeneeskunde
heeft het Hoofdbestuur aangenomen:

Prüst, H.G.; 3583 RN Utrecht; Vossegatselaan
17 bis.

Spijker, Mevr. S.H.J.; 1211 CP Hilversum;
Kerkstraat 60.

Jubilea:

11 januari, A.A.P.A. Zeeuwen, Boxtel, 35 jaar,
afwezig.

11 januari, J. Niehof, Giekerk. 30 jaar, afwezig.
15 januari, Dr. M.A. Attia, Evreux (Frankrijk),
35 jaar, aanwezig.

15 januari, E.P.C.M. van Riel, Oisterwijk, 30
jaar, afwezig.

15 januari, H.A.R. Kok, Nunspeet, 30 jaar afwe-
zig.

21 januari, J.J. de Groot, Zoetermeer, 40 jaar, af-
wezig.

21 januari. Prof. Dr.Dr. h.c. E.H. Kampei
macher, Bilthoven, 50 jaar, afwezig.
23 januari K. Vellinga, Heerenveen, 25 jaar
aanwezig.

23 januari Th. A.M. Witjes, Bergen (L), 25 jaar
aanwezig.

23 januari G.J. Bisperink, Hoogeveen, 25 jaar
afwezig.

23 januari, G.F.S. Hegge, Harlingen, 25 jaar
aanwezig.

23 januari. Prof Dr. H.A.W. Hazewinkel
Utrecht, 25 jaar, afwezig.

23 januari B.S. Wichers, Dedemsvaart, 25 jaar,
aanwezig.

24 januari, L.C. Baas, Dalen, 60 jaar, afwezig.
Overleden:

Op 5 december 2000 Th.M. Bosman te
Amersfoort.

Mutaties:

*Arens, M.; 2000; 1111 EZ Diemen;
Prinses Beatrixlaan 49; tel. privé: 020-
6998807/06-15052990; E-mail privé: m.m.@
wanadoo.nl;
p., geass. met G.J. Keuris en
Th.P.M. van Noort; tel. prakt.: 072-5123119;
B.B.A. (Nijenrode 1989).

»Balhuizen, Mevr. A.D.; 1992; p., geass.
met P.M.M. Waenink; tel. prakt: 070-3908908;
fax prakt.: 070-4140594.

Bameveld, M.H. van; 2000; 3582 TL
Utrecht; Lod. Napoleonplantsoen 85
I; tel. privé:
030-6361316; E-mail privé: marivanb@hot-
mail.com; p., medew. bij G.M.A. van Helden;
tel. prakt.: 0525-685182.
(toev. als lid).

Bergh, Mevr. D.H.M. van den; 1993; 9164
KL Buren (F); Hoofdweg 3; teL privé: 0519-
542376;
E-mail privé; dymphie@hetnet.nl;

U HEEFT
AL JAREN
GELIJK

• Incontinentie

• Astma bronchiale

Bewezen effectief bij de behandeling
van incontinente honden m/v.

ACE Veterinary Products BV - Postbus 1262 - 3890 BB Zeewolde

-ocr page 72-

zelfs, wnd.d.; tel. prakt.: 06-25262620.

Boer. P.A. de; 1988; 9471 EK Zuidlaren;
Telefoonstraat 13 B; tel. privé: 050-4028095;
p., medew. bij E.A.J. Schuitemaker; tel.
prakt.: 050-4095762.

*Boxel, E.D.H.M. van; 2000; 3513 CT
Utrecht; Kruisweg 24 bis
A; tel. privé: 030-
2321481; E-mail privé: eboxel@hotmail.com;
p., medew. bij R.G.A. Bos; tel. prakt.: 053-
4345777.

Dam, R.H. van; 1973; 3768 GW Soest;
Hildebrandlaan 2 D; tel. privé: 035-6037273;
fax privé: 035-6037274; E-mail privé: rh.van-
dam@worldonline.nl; dir. Pepscan Systems BV;
tel. bur.: 0320-237200; fax bur.: 0320-238120.

Doest, Mevr. O.E.A.; 1999; 3515 GS
Utrecht; Lauwerecht 52; tel. privé: 030-
2724979; E-mail privé: odette_doest@yahoo.
com; wnd.d.
(toev. als lid).

Edel, M.J.; 1996; 3523 ER Utrecht;
Aquamarijnlaan 264; tel. privé: 030-2817097;
fax privé: 030-2817097; E-mail privé: me-
del@xs4all.nl;
p., medew. bij J.C. Roest; tel.
prakt.: 070-3870893; fax prakt.: 070-
3872734; wnd.d.

Gebben, A.J.; 2000; 9285 NX Buitenpost;
Stationsstraat 8A; p., medew. bij J.A. Glas; tel.
prakt.: 0521-591378
(toev. als lid).

Gisbers- Jenniskens, Mevr. P.R.W.; 2000;
6828 SK Amhem; Stadhoudersstraat 221; tel.
privé: 026-3512615; E-mail privé: gisberra@
iquip.nl; wnd.d.
(toev. als lid).

♦Frantzen, Mevr. M.W.A.; 1997; 6373 GH
Landgraaf; p/a Oude Heide 31; tel. privé:
045-5315500; p.; tel. prakt.: 06-29214795.

Harten, P. van; 1973; Monte da Sapatoa,
Freixo, 7170 REDONDO; Portugal; tel.
privé: 00-351-963274446; E-mail privé:
p_vanhartcn(fl hotmail.com; d.

Heijden, G.T.; 1980; 7132 DD Lichten-
voorde; Patrijsstraat 35; tel. privé: 0544-373915;
E-mail privé: ter.heijden(â hetnet.nl; p., me-
dew. bij P.N. Beenen, N.S.J. Hoogland, J. de
Jong, M. Meijer, H.P.A. van der Meulen,
L.M. Mol-van Beijnum. P.J.M Stroomer en
G.C. van \\ ugt; tel. prakt.: 0314-324631; fax
prakt.: 0314-365837; tel. dep.: 0314-663000.

»Hoogendoom, Mevr. B.C.; 2000; 3816
ST Amersfoort; Leonorehof 16; tel. privé: 033-
4752386; E-mail privé: bchoogendoom@hot-
mail.com; wnd.d.

Hüfken. R.M.H.N.; Gent- 2000; 5552 KR
Valkenswaard; Htg. Johannastraat 5; tel. privé:
040-2018789; E-mail privé: hufken@open.net
(toev. als lid).

Huijben, Mevr. J.H.J.; 1999; 7447 XN
Hellendoom; Koetshuisstraat 19; tel. privé:
0548-656818; p., medew. bij A.G.M. Extercatte;
tel. prakt.: 0523-657025
(toev. als lid).

Kempkes, Mevr. J.; Gent- 1991; 3317 JG
Dordrecht; S.M. Hugo van Gijnweg 151; tel.
privé: 078-6173259; p., medew. bij G. van den
Brink, J.L.H. Hopmans en H.T.M. van der
Linden; tel. prakt.: 078-6138444 (toev.
als lid).

Kikkers, B.H.; 2000; 8081 XD Elburg;
Vrijheidsstraat 17; tel. privé: 0525-661940; E-
mail privé: harcokikkers@hotmail.com; p., me-
dew. bij G.M.A. van Helden; tel. prakt.: 0525-
685182
(toev. als lid).

Kogelenberg-Gerritsen, A.H.; 2000; 6921
XW Duiven; Prins Bernhardstraat 38; tel. privé:
0316-263509/06-51341276; fax privé: 0316-
263509; E-mail privé: gerritsene@hotmail.com;
wnd.d.(toev.
als lid).

»Kraijer, M.; 2000; 3583 JT Utrecht; J.W.
Frisostraat 20; tel. privé: 030-2523488;
fax
privé: 030-2523488;
E-mail privé: tjulan@hot-
mail.com;
p., medew. bij S. Stibbe; tel prakt.:

071-5218393; fax prakt.: 071-5235576.

»Moors, Mevr. I.M.M.; 2000; 3523 XV
Utrecht; Oud Wulvenlaan 53; tel. privé: 030-
2871255:
E-mail privé: irene_moors@hot-
mail.com; wnd.d.

Mulders, H.A.N.; Gent- 2000; 4876 BS
Etten-Leur; Tamboerijn 40; tel. privé: 076-
5040122; E-mail privé: mulders@worldon-
line.nl; wnd.d.
(toev. als lid).

Noort, Mevr. A.A. van den; 1993; 3822
CG Amersfoort; Bombardonstraat 31 ; tel. privé:
033-4571449:
marketing/sales manager In-
struvet; tel bur.: 0343-455400; fax bur.: 0343-
455422; E-mail bur.: inkoop(a instruvet.nl.

Op den Kamp, Mevr. V.A.J.; 2000; 5988
AM Helden; Haammaekerstraat 16.; tel. privé:
077-3073577; p., medew. bij G.H.M. Stassen-
Pouwels en P.F.S. Stassen; tel. prakt.: 077-
3516231
(toev. als lid).

Otten, Mevr. J.A.M.; 2000; D-48712
Gescher (Duitsland); Katharinenstrasse 1; E-
mail privé: judithotten@hotmail.com; p., me-
dew. bij Beeke & Beeke; tel. prakt.: 00-49-2542-
98882 (toev.
als lid).

Peterson, Mevr. K.; 2000; 3573 AT Utrecht;

Maliesingel 34
5581 BJ Utrecht
Tel. (030) 244 87 74
Fax (030) 241 66 33
E-mail: info@dixenco.nl
www.dixenco.nl

Aartsbisschop Romerostraat 621 ; tel. privé: 030-
2724430; fax privé: 030-2129992; E-mail privé:
kariarme@blackhorse.demon.nl: wnd.d.
(toev.
als lid).

Pieters-Fitters, I.A.M.A.; 1993; 6088 EV
Roggel; Reppelstraat 24; tel. privé: 0475-
493607;
E-mail privé: ipietersfa wishmail.net;
p., D.K. Meijel; tel. prakt.: 077-4660381; fax
prakt.: 077-4660382.

Potjer, A.; 1979; 3512 ED Utrecht; Lange
Jufferstraat 20; tel. privé: 06-51825294; wnd.d.;
(b.g.g.: tel.: 040-2831397).

Rol. Mevr. E.M.; 2000; 3562 GD Utrecht;
Scharlakendreef 154; tel. privé: 030-2627979;
p., medew. bij A.L. Berkhout-Jorksveld: tel.
prakt.: 0344-612976
(toev. als lid).

Schaub, M.P.; 1973; 7694 AE
Kloosterhaar; Dorpsstraat 84; tel. privé:
0523-240693; fax privé: 0523-240627; E-mail
privé: schaub@wxs.nl; k.d. R.V.V. kring
Noord; tel. bur.: 0528-225255.

Stoop, Mevr. E.S.; Gent- 2000; Heistraat 72;
B-9080 Beerveld (België); tel. privé: 00-32-478-
621595; wnd.d. (toev.
als lid).

Urbanik, Mevr. F.Y.; 2000; 2771 GM

Dix & Co

voor een deskundige diagnose

Vindt u financieringen en verzekeringen
ondoorzichtig? Neemt u dan eens contact
op met Dix & Co voor een deskundige
diagnose die uitmondt in heldere adviezen.

Kies een adviseur die uw totale financiële
bescherming verzorgt en die daardoor
uw persoonlijke situatie op belangrijke
momenten scherp in beeld brengt.

Landelijke dienstverlening bij praktijk-
overdracht, bij associatie en assistentie.
Belt u even voor een afspraak of een
brochure.

Dix €o

-ocr page 73-

Boskoop; Houtsingel 20; tel. privé; 0172-
216213; E-mail privé; hans.broeksteeg@wol-
mail.nl; p. medew. bij A.A.P. Groenewegen en
J.G.T. Krijnen; tel. prakt.; 079-3610707 (toev.
als lid).

Verstappen- van de Wobeien, Mevr.
B.C.M.; 1995; 5056 TK Berkel-Enschot; Guido
Gezellelaan 39; tel. privé; 013-5332290;
p., me-
dew. bij W
.S.J. Rasenberg; tel. prakt.: 013-
5400215; fax prakt.: 013-5400216; E-mail
prakt.: rashoorn(ä wxs.nl.

Vlugt-Meijer, Mevr. R.H. van der; 1999;
3956 TP Leersum; De Oude Kolk 14; tel. privé:
0343-453114; a.i.o.. wet. medew. U.U., F.D.,
afd. Diagnostische Beeldvorming; E-mail bur.:
r.vandervlugt@vet.uu.nl
(toev. als lid).

Waelen, Mevr. S.E.H.M.; 2000; 3543 BD
Utrecht; Enghlaan 17; tel. privé; 030-6776561;
E-mail privé: sehmwaelen(ghotmail.com; wnd.
d. (toev.
als lid).

*Wagenaar, Dr. J.A.; 1987; U- 1994; 3572
JK Utrecht;
F.C. Dondersstraat 44; tel. privé;
030-2367466; wet. medew. ID-DLO (ma-do);
tel. bur.: 0320-238157; fax bur.: 0320-238153;
medew. U.U., F.D., HA Infectieziekten &
Immunologie, afd. Vet. Microbiologisch
Diagnostisch Centrum (vr); tel. bur.; 030-
2531242; fax bur.: 030-2533199.

Winter. Mevr. A. de; 2000; 3737 RA
Groenekan; Kastanjelaan 1; tel. privé: 0346-
210772: wnd.d.
(toev. als lid).

Rectificaties

*Ditshuizen, Mevr. E.J. van; 2000; 7954
GN Rouveen; Oude Rijksweg 625 B; tel. privé:
0522-292202; E-mail privé: lvditshuizen(ghot-
iTiail.com; p., medew. bij D.A.C. Staphorst; tel.
prakt.: 0522-462929/
0522-463437; E-mail
prakt.; dacstaphorst(gwxs.nl.

Congressen & Symposia

januari

17 Symposium der DSK \'Vaccinatie, het
einde?\', Androclusgebouw collegezaal
101, FdD, aanvang 9.00 uur. Kaarten tot 10
januari 2001 te bestellen bij Merel Jansen,
tel.: 030-2762075 of06-29261642.

21—25 5\'h International Sheep Veterinary
Congress, Stellenbosch. South Africa. You
are invited to submit the proposals for pa-
pers, videos and posters on all topics rela-
ted to sheep health and production. Your
intention to participate must be made
known to the Scientific Programme com-
mittee as soon as possible by informing
them by fax or e-mail of the topic of your
presentation; Reservations hotline: fax:
27 11 7927522, e-mail: reshot(gyebo.co.
za. Scientific Programme committee:
(Chairman: Ken Pettey), fax;
21 12
5298315. e-mail; kpettey(§op.up.ac.za.

Februari

15—17 Lustrum Groep Geneeskunde van het
Paard, congrescentrum \'Hart van Holland"
in Nijkerk. Secretariaat: dr. Brigitte P.M.

Cornelissen, Prieelvogelweg 28, 1349 CJ
Almere, tel.: 036-5309769, ABN-AMRO
Hattem 53.69.14699.

Maart

7 -10 ó*\'\' Intemational Congress of the
European Committee of the Association of
Avian Veterinarians (EAAV) in collabora-
tion with the German Veterinary Society
(DVG) and in conjunction with the 4*"
Intemational Scientific Meeting of the
European College of Avian Medicine and
Surgery (ECAMS), Munich. Germany.

20—22 Voorjaarsdagencongres, RAI, Am-
sterdam.

28—30 Congres Society for Veterinary Epi-
demiology and Preventive Medicine
(SVEPM), Golden Tulip Conference Hotel
de Leeuwenhorst, Noordwijkerhout. Nadere
informatie is te krijgen op de website van de
SVEPM: www.vie.gla.ac.uk/svepm of bij
het algemene contactadres voor het congres;
Dr. Lisette Graat, Departement Dierweten-
schappen. Kwantitatieve Veterinaire Epi-
demiologie, Postbus 338, 6700 AH Wa-
geningen, e-mail: Lisette.GraatfeGenR.
VH.WAU.NL of bij ondergetekende:
E.G.M.van.Klink(@ECLNV.AGRO.NL.

Mei

23—26 40\'*^ Intemational Symposium on
Diseases of Zoo and Wild Animals,
Rotterdam. Topics: 1) Diseases of marine
animals, 2) Disca.ses of Asian animals, 3)
Immunoprophylaxis.

juli

4 - .7X International Symposium ofVeterinary

Laboratory Diagnosticians and OIE
Seminor on Biotechnology, Salsomaggiore
- Parma. Italy. Information: Organising
Secretariat. New Team. Via C. Ghiretti, 2,
43100 Parma (Italy), tel.: -H39-0521-
293913. fax: 39-0521-294036, e-mail:
ncwtcam.parma@iol.it

September

13— 15 Intemational Conference on Human-
Animal Interactions. Rio dc Janeiro. \'People
and Aniinals: a global perspective for the
21®\' Century\'. Conference Secretariat: AF-
IRAC, 32, me dc Trévise, 75009 Paris,
France, tel.; 33-1-56031200, fax: 33-1-
56031360, e-mail: rio2001@i-et-e.fr, inter-
net: www.iahaio.org of www.afirac.org.

27—29 Annual Congress in Veterinary

Dermatology of the European Society of
Veterinary Dermatology, Copenhagen,
Denmark. Further information: F. Kristen-
sen. Dept. of Clinical Studies. Royal Ve-
terinary and Agricultural University. Dyr-
lagvej 16, 1870 Frederiksberg, Denmark.
Fax: 45-35282929. e-mail: n<@kvl.dk.
www.congress-vetderm.com

Oktober

5 Jaarcongres KNMvD. Papendal. Amhem.

December

14 Jubileum 25-jarig bestaan Groep Genees-
kunde van het Rund.

Vergaderingen & Bijeenkomsten

Januari

26 Bijeenkomst Brabantse Nieuwe. Best
Western hotel \'De Druiventros", gelegen

aan de afrit Berkel-Enschot. van de A65
(Den Bosch-Tilburg), aanvang 20.00 uur.

Februari

1 Oprichtingsvergadering Werkgroep Ge-
neeskunde Vleeskalveren, 14.00 uur,
Androclusgebouw FdD, zaal 337.
Secretaris oprichtingsbestuur; Eric van der
Velden, Plevierdonk 22, 5467 CT Veghel,
e-mail: eric.vandervelden@wxs.nl

Maart

24 Werkvergadering Gezelschapdieren Regio
Zuid. Golden Tulip Hotel, Weert. 10.00-
16.00 uur.

Cursussen

januari

16 Nascholingsdag voor dierenartsassisten-
ten, Holiday Inn te Eindhoven. Meer infor-
matie:Virbac Nederiand B.V., tel. 0342-
427127.

18 PAO-D cursus 01/101: Internistische cases
GD.

18, 24 en 24 PAO-D cursus 01/505: Erkende
Paardendierenarts.

20—21 Tweedaagse managementcursus voor
ondernemende dierenartsen en praktijkma-
nagers, hotel-restaurant Oud London te
Zeist. Prijs: ƒ 1050,- excl. BTW en over-
nachting. Meer infonnatie: Veterinair
Organisatiebureau Animaux. Pascale
Fuchs, tel.: 035-6239479.

23 PUOD (Bclgië)-cursus 17; Erfelijke aan-
doeningen bij het paard.

23 PUOD (België)-cursus 38: Endoscopic bij
bijzondere dieren en anesthesie bij vogels.

24 PUOD (België)-cursus 39: Prakti.sche oe-
feningen in de endoscopie bij vogels.

26 PAO-D cursus 01/301: PMWS/Circoviras.

30 PAO-D cursus 01 /102: Voeding in therapie
Gl). Tevens 6 februari.

Februari

1 Nascholingsdag voor dicrenartsassisten-
ten, Mercure 1 lotel Amsterdam a/d Amstel.
Meer informatie:Virbac Nederland B.V.,
tel. 0342-427127.

1 Klinische Training verzorgd door Groep
Homoeopathisch-wcrkcndc dierenartsen en
QualiPet-C Products & Education BV, za-
lenccntmm Galg & Waard "te Utrecht.
Informatie/aanmelding; QualiPet-C Pro-
ducts & Education BV. Postbus 17, 6866
ZG Heelsum, tel.: 0317-350365, fax: 0317-
350787, e-mail; info@qualipetc.coiTi.

2 PUOD (België)-cursus 18: Practicum ra-
diodiagnose.

3 PUOD (België)-cursus 28: Ga.stro-entero-
logie.

6 PAO-D cursusOl/102: Voeding in therapie
GD.

7 Dertiende post-HBO Eijkman-cursus \'Mi-
crobiologie van Levensmiddelen en Drink-
water\' aan de Internationale Agrarische
Hogeschool Larenslein te Velp. Tevens op
21-28 maart en 23 mei 2001. Cursuskosten
ƒ 4250,- Inlichtingen; prof dr. W. van
Dokkum, tel.: 030-6992860. fax: 030-
6992861, e-mail: w.dokkum@wxs.nl of
mevr. prof C.B. Stmijk, tel/fax; 010-
5914881.

7 PAO-D cursus 01/302; PMWS/Circovims.

7 PUOD (België)-cursus 19: Algemene
anesthesie bij het paard.

14 PAO-D cursus 01/303: PMWS/Circovirus.

-ocr page 74-

Uiterste inleverdata voor kopij

Aflevering:

Deadline*)

15-02-2001

maandag

29-01-2001

01-03-2001

maandag

12-02-2001

15-03-2001

maandag

26-02-2001

01-04-2001

maandag

12-03-2001

*

0 Voor 10.00 uur \'s morgens.

Dierenkliniek Hellevoetsluis, een goed geoutilleerde gezelschaps-
dierenkliniek, zoekt een

enthousiaste dierenarts
(m/v) (fulltime)

Ons team, bestaande uit twee dierenartsen en drie paraveterinai-
ren, werkt zowel op eerste- als tweedelijns niveau.
We zoeken een communicatieve, ambitieuze collega met goede so-
ciale vaardigheden, die bereid is te verhuizen na gebleken geschikt-
heid.

Wij bieden een goede werkplek, in een prettige omgeving, met uit-
stekende toekomstmogelijkheden.

Schriftelijke sollicitaties kunt u richten aan: Dierenkliniek
Hellevoetsluis, Duindoornstraat 2a, 3222 XE Hellevoetsluis.

Dierenkliniek

\'t Ossehoofd

Dierenkliniek \'t Ossehoofd is een goed geoutilleerde kliniek voor
gezelschapsdieren in Heerhugowaard. Er wordt continu gewerkt
aan kwaliteitsverbetering en organisatie. Het huidige team bestaat
uit drie dierenartsen, vier assistenten en één kwaliteitsfunctionaris.

In verband met uitbreiding zoeken wij een

vierde ambitieuze dierenarts m/v

Van de kandidaat verwachten wij:

• een flexibele en teamgerichte werkhouding

• ambitie op diergeneeskundig terrein

• goede communicatieve eigenschappen als basisvaardigheid

Wij bieden:

. een fulltime functie in een team waarbinnen een plezierige werk-
sfeer bestaat

• mogelijkheden tot interne specialisatie

• salaris en arbeidsvoorwaarden volgens KNMvD-normen

Wij verwachten dat de vierde dierenarts zich nabij zijn/haar werk-
plek vestigt.

Voor inlichtingen en/of schriftelijke sollicitatie binnen 14 dagen na
het verschijnen van dit Tijdschrift:

Sollicitatiecommissie Dierenkliniek \'t Ossehoofd, mevrouw C.A.
Laan, Berckheidelaan 8,1701 VC Heerhugowaard, telefoon: 072 •
5744959.

Medici zoals dierenartsen, tandartsen.medisch specialisten en
andere vrije beroepers kunnen al 25 jaar lang rekenen op
deskundig advies van Raadgevers Medische Beroepen.
De Raadgevers begeleiden u onder andere bij overdracht van

de praktijk en bij associaties.

Ook de afhandeling van de bijbehorende contracten wordt u
uit handen genomen. Raadgevers Medische Beroepen is een
adviesbureau met uitgebreide expertise op het gebied van
financieel advies aan beoefenaars van (.para)medische
beroepen. De breedte van die expertse is uniek en beslaat
advies ten aanzien van alle financiële aspecten die zich
van start tot pensionering in uw medische carrière

kunnen voordoen.

Dorpsstraat 118
3732 HL De Bilt
Postbus 36
3730 AA De Bilt

Tel 030 220 41 14
Fax 030 220 27 95
E-mail: raadgeverseatriserv.nl

U weet zich bij de Raadgevers verzekerd van maatadvies op het
gebied van financiële planning, verzekeringen, financieringen,
hypotheken en pensioenen. Ook de keuzes en mogelijke
problemen rondom het einde van uw studie hebben de speciale

aandacht van de Raadgevers.

Raadgevers
Medische Beroepen

De Raadgevers volgen u in de verschillende fasen van uw loop-
baan en bieden begeleiding en advies op de lange termijn.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met
adviseurs Philip Jaspers en/of Wouter van der Meer.

-ocr page 75-

Kliniek voor Gezelschapsdieren te Amersfoort zoekt

een enthousiaste collega m/v

Ben jij klant- en diervriendelijk en kun je binnen een team van vijf dierenartsen en meerdere assistentes functioneren?
Gezocht wordt naar een fulltimer, eventuele specialisatie strekt tot aanbeveling.

Schriftelijke reacties binnen 14 dagen na het verschijnen van dit blad aan: Dierenkliniek Ringweg-Kapelweg, Ringweg Kruiskamp 68, 3814TE
Amersfoort, ter attentie van C. van Bokhorst.

Kleine huisdierenpraktijk Oost-Souburg zoekt per 15 februari 2001 een

dierenarts (m/v, 50% op jaarbasis)

met differentiatie gezelschapsdieren, bij voorkeur met enige ervaring.

Schriftelijke sollicitaties aan: E.F.M. van den Akker, Kanaalstraat 5,4388 BJ, Oost-Souburg.

Dierenartsenpraktijk Purmerend, een groeiende gemengde praktijk, zonder intensieve veehouderij, met vijf dierenartsen, is ter versterking
van het team op zoek naar een

enthousiaste dierenarts m/v

Gevraagd: inzet, flexibiliteit, zelfstandigheid, sociale vaardigheden en diergeneeskundige kennis. Bereidheid in de nabije omgeving te komen
wonen. Brede inzetbaarheid met de nadruk op de kleine huisdierensector. Bereidheid tot volledige participatie in de dienstregeling van de ge-
mengde praktijk.

Ceboden: een fulltime baan met goede toekomstmogelijkheden in een gloednieuwe kliniek met twee dependances. Salariëring en secundaire
arbeidsvoorwaarden volgens KNMvD-normen.

Schriftelijke sollicitaties voorzien van c.v. graag binnen 14 dagen na het verschijnen van dit Tijdschrift richten aan: Dierenartsenpraktijk
Purmerend, Purmersteenweg 13c, 1441 DK Purmerend.

Kliniek voor Gezelschapsdieren \'Kerkewijk\' is een goed uitgeruste, servicegerichte gezelschapsdierenpraktijk. Wij streven naar goede zorg
voor dier en eigenaar. Wegens vertrek van een collega hebben wij een vacature voor een

dierenarts m/v met differentiatie gezelschapsdieren

Wij zoeken een flexibele, enthousiaste collega met goede sociale vaardigheden en teamgeest. Met deze collega willen wij de differentiatie op
deelgebieden verder uitbouwen.

Wij verwachten van onze nieuwe collega dat hij/zij meedraait in de diensten en in Veenendaal komt wonen. Salariëring en arbeidsvoorwaar-
den volgens KNMvD-normen.

Uw schriftelijke sollicitatie voorzien van cv kunt u richten aan: Kliniek voor Gezelschapsdieren Kerkewijk, Kerkewijk 104, 3904 JG Veenendaal.

Dierenkliniek Wehl is een vijfmanspraktijk in een gebied met veel mogelijkheden.
Wegens vertrek van een jonge collega zoeken wij een:

dierenarts (m/v)

Gevraagd:

• allround ervaring

• zelfstandig dienst kunnen doen in alle diersoorten

• interesse vooral rundvee, gezelschapsdieren en paarden

Brieven gaarne via fax naar Dierenkliniek Wehl: 0314-683911, postadres: Postbus 40, 7030 AA Wehl.

Dierenartsenpraktijk Moergestel, een gemengde praktijk waar momenteel zes dierenartsen werken, zoekt voor de periode van 1 april tot 1 ok-
tober 2001 een

dierenarts (m/v, fulltime/parttime)

Eisen: interesse en liefst enige ervaring in de landbouwhuisdieren- en paardenpraktijk; bereidheid deel te nemen aan agrarische dienstregeling.
Taken: consultatieve landbouwhuisdieren- en paardenpraktijk.

Aanbod: mogelijkheid om in genoemde richtingen (meer) en/aring op te doen, eventueel kans op langer dienstverband; salaris en arbeids-
voorwaarden volgens KNMvD-normen.

Uw sollicitatie met cv kunt u richten aan: Dierenartsenpraktijk Moergestel, Heuvelstraat 2a, 5066 PC Moergestel.
Voor toelichting op deze vacature kunt u bellen naar drs. Joh.A.M. van Cils, 013 - 5131465.

-ocr page 76-

Het hele jaar door geen vlooien?
Start nü met PROGRAM® Injectie voor katten!

4
f

Vlooieneitjes en -larven houden van warmte. Nu de
verwarming in de huizen aanstaat, kunnen ze prima
overwinteren. De kans op een vlooienplaag bij katten
blijft hierdoor bestaan.

Daarom is het nu een uitstekend moment om met
PROGRAM Injectie te starten. Voorkomen is altijd
beter dan bestrijden op het moment dat er vlooien zijn.

PROGRAM Injectie voor katten doodt met één dosis
alle eitjes voordat ze de kans krijgen om uit te komen.
U dient de injectie toe.

Eén injectie is voldoende voor zes maanden!
bescherming. Een eenvoudige, snelle methode met
een duurzame werking, die makkelijk is voor katten
én hun eigenaren.

PROGRAM\' Maakt vlooien het leven onmogelijk.

PROGRAM* 40 mg (lufenuron), Reg. NL 9489- UDAyPROGRAM 80 mg (lufenuron), Rcg. NL 9498- UDA. Indicatie; suspensie voor injectie voor het bestrijden van vlooien. Doeldier: kat. Dosering: 10 ni|
lufenuron per kg lichaamsgewicht bij subcutane toediening. Contra-indicaties: niet bij honden gebruiken. Het excipients Polyvinylpyrrolidone (Povidon) is een substantie die bij honden een krachtige vrijgav
van histamine veroorzaakt. Dientengevolge kan cen ernstige reactie optreden bij honden; deze reactie wordt niet bij katten waargenomen. Bijwerkingen; het product wordt door alle katten zeer goed verdrage
maar kan pijn bij injectie veroorzaken. Het kan een voorbijgaande milde en niet pijnlijke reactie op de plaats van injectie vertonen. Een enkele keer kan er

lethargie (sloomheid) optreden gedurende een paar uren na injectie. Dit verschijnsel verdwijnt echter spoedig. ® Geregistreerd handelsmerk van Novartis Ltd., >[

Bazel, Zwitserland. Verdere informatie zie bijsluiter of beschikbaar bij Novartis Consumer Health B.V., Animal Health Sector, Korte Hei 1-3,4714 RD Sprundel. www.novarris.com C> N O VARl 1

-ocr page 77-

EUKANUBA VETERINARY DIETS

Even betrokken bij bet welzijn van dieren als u.

Je ziet aan zijn vacht dat hij lekker in zijn vel zit.

Ontstekingen worden niet alleen veroorzaakt door bel overgevoelig zijn voor bepaalde voedingsstoffen,
maar ook door vlooienbeten, atople en andere niet aan voedsel gerelateerde overgevoeligheden. Om de
\'behandeling van buidaandoenlngen en/of jeuk als gevolg van één van de eerder genoemde oorzaken te ondersteunen,
kunt u Eukanuba Dermatosis FP Response Formula gebruiken. Eukanuba Dermatosis FP Response Formula beval eiwitten
en koolhydraten afkomstig van meerval en baring om de kans op voedseilntolerantie bij honden te verminderen.
Tegelijkertijd vermindert een optimale 0mega-6:0mega-3 vetzuurverboudlng de kans op ontstekingen.
Hierdoor wordt de buid- en vachtconditie zichtbaar verbeterd. In feite zorgt Eukanuba Veterinary
Diets Dermatosis FP Response Formula voor het hele dier Net als u.

.. ...... ..

"\' w \' r ■ V \' \' X . .

. ■ \' > ■ " \'/i ,V ■ ■" " ^

Voor technische informatie over Eukanuba Veftèrinarji (jiets kunt u contact opnemen met de Importeur Holland-Diervoeders BV (030-2479664).
N ; Als u een besteMii^Wilf iMaatSen, kunt ü bellen mét Aesculaap BV (0411-677500). \'

-ocr page 78-

van honden en katten ouder
dan 3 jaar kampt met (ernstige)
tandsteenvorming...

85

ANIMAL H EALTH

.... gelukkig
is er nu een
oplossing
voor het
probleem!

NIEUWE PRODUCTLIJN VOOR GEBITSVERZORGING

Regelmatige gebitsverzorging is van
groot belang om parodontale aan-
doeningen te voorkomen. De nieuwe
Virbac
onderhoudsproducten zijn
gebaseerd op het C.E.T. Dual Enzyme
System, dat de zuurproductie en
groei van bacteriën in de mondholte
remt. Maar ook voor de
reiniging van
het gebit zijn er producten beschik-
baar. Deze bevatten 0,12% chloor-
hexidine, een zeer effectief wapen in
de strijd tegen tandsteen.

=-31

-ocr page 79-

issn 0040-7453

r

1 FEBRUARI
2001

deel
126

aflevering

3

, Un>nxfsiteit Utrecint

Bibiic

Tijdschri
Dierceneeskun

Wetenschap

Streptococcus gallolyticus-inkcües bij de postduif,
een literatuuroverziciit

Actua

BSE-testen op 17.000 runderen negatief
Stand van zaken I&R paard

Over paspoorten, logboeken en deelname aan wed-
strijden

Brooke Hospital for Animals Lahore, Pakistan

KNMvD

Formularia op het internet

Marketing geen vies woord: iedereen doet het!

KNMvD

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor
Diergeneeskunde

-ocr page 80-

Streptococcus suis?

Behandeling met Suramox 5% Premix kost slechts ƒ 0,81* per big.

De effectiviteit van amoxicilline

Amoxicilline wordt als eerste keus geadviseerd bij orale
behandeling van infecties met
Streptococcus suis.
Amoxicilline is stabiel in aanwezigheid van maagzuur
en heeft daardoor een hoge biologische
beschikbaarheid. De snelle resorptie resulteert in hoge
bloed- en weefselspiegels. S.
suis heeft de hoogste
gevoeligheid voor amoxicilline.

Kosten in guldens
per big

"Bij een 14-daagse behandeling.

Suramox

5% Premix!

De effectiviteit van amoxicilline,
de zekerheid van een premix!

De kracht van Suramox 5% Premix

lager ziektepercentage
lagere biggensterfte
lagere voederconversie
hogere groei
lage behandelingskosten

ƒ0,87

Suramox 5%
Premix

Streptococcus
suis

virbac Nederland bv

Postbus 313, 3770 AH Bameveld
Telefoon (0342) 427 127 Fax (0342) 490 164
. yvbac

Vrffv- dUAjA/]^

SAMENSTELLING: Amonicilline 5"«i. INDICATIES: Behandeling wn aandoeningen veroouaakt door Slreptococcus suis. DOELDIEREN: Gespeende big. IKB-WACHTTIID: Vlees: 6 dagen. DIERGENEESMIDDEL: REC NL 8543 UDA.

-ocr page 81-

TljDSCHRIFT
VOOR

DIERGENEESKUNDE

65

Journal of the Royal Netherlands Veterinary Association
Deel 126 aflevering 3:1 februari 2001

Uit de Hoofdredactie

Overzichtsartikelen

Wetenschap

Streptococcus gallolylicus-\'mfecties bij de postduif, een literatuuroverzicht; F. van der Toorn
en J.T. Lumeij
 66

71

Boekbespreking

Mededelingen ID-Lelystad

BSE-testen op 17.000 runderen negatief; S. Urlings

Berichten en verslagen

Rectificatie \'virtuele vergissing\'

Stand van zaken l&R paard; Over paspoorten, logboeken en deelname aan wedstrijden;
E. van Leeuwen

Hechtmateriaal gevraagd voor Stichting Greyhounds in Nood; J. Beertsen

Vraag en Antwoord \'Folliculaire conjunctivitis\' afkomstig van Leo Pharmaceutical Products

Brooke Hospital for Animals: een bezoek aan een kliniek in Lahore, Pakistan; L. van Veen

Actua

72

72

73

73

74
83

Ingezonden

(Immimo)Castratie en besluitvorming; \'Verdinglijking\' versus vermenselijking; J.M Wijsmuller jA,
Verdinglijking; R. Strikwerda 75

76

86
86

2000 Hoogtepunten

Ontwikkelingen bij de farmaceutische industrie; F. W. Orthel

Congressen en cursussen

De Vooijaarsdagagenda
Nieuw(s) van de Industrie

Gentamicine
Antiflogistisch
Anticollagenase
activiteit

formulering op basis
van hydrogel

TIACIL OOGDRUPPELS
BIJ OOGINFECTIES

®

yitbac

quality by research

-ocr page 82-

Hoofdredactie

Dr. W. Edel (voorzitter)

Dr. E.A. ter Laak (petiningmeester)

Drs. H.A. Beijer

Dr. M.F. de Jong

Dr. Tj. Joma

Dr. R. Kuiper

Dr. P.A.M. Overgaauw

Drs. J.T. Siebinga

Dr. R.J. Slappendel

Dr. J.H. Vos

Wetenschappelijke redactie

Prof. dr. A. Barneveld (Utrecht)

Dr. A.E.J.M. van den Bogaard Jr. (Maastricht)

Dr. F.H.M. Borgsteede (Lelystad)

Prof. dr H.J. Breukink (Utrecht)

Prof dr. P. De Backer (Gent, België)

Dr. J. Goudswaard (Middelburg)

Prof dr. L.J. Hellebrekers (Utrecht)

Dr. Th.S.G.A.M. van den Ingh (Utrecht)

Prof dr. A.Th. van \'t Klooster (Utrecht)

Prof dr. F. van Knapen (Utrecht)

Prof dr. A. de Kruif (Gent, België)

Dr. J.T. Lumeij (Utrecht)

Prof dr. A.S.J.P.A.M. van Miert (Utrecht)

Prof dr. J.P.T.M. Noordhuizen (Utrecht)

Prof dr. J.Th. van Oirschot (Lelystad)

Prof dr. J. de Schepper (Gent, België)

Dr. J.M.A. Snijders (Utrecht)

Dr. E. Teske (Utrecht)

Mw. dr. A.J. Venker-van Haagen (Utrecht)

Prof dr. J.H.M. Verheijden (Utrecht)

Dr. Th. Wensing (Utrecht)

Bureauredactie

Mw. A.M. Tummers
Mw. S.H. Umans-Ubbink

Bureau

Julianalaan 8-10. Postbus 14031,3508 SB Utrecht
TeL 030-25 10 111/fax 030-25 19 847.
E-mail: tijdschrifi@knmvd.nl.

Abonnementsprijs

Het Tijdschrift voor Diergeneeskunde is het vereni-
gingstijdschrift van de Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde.
De abonnementsprijs voor dierenartsen niet-leden van
de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor
Diergeneeskunde en voor niet-dierenartsen wordt vast-
gesteld door het Hoofdbestuur.

KNMvD

Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde,
Julianalaan 8 - 10. Utrecht

Postbus 14031,3508 SB Utrecht. Telefoon: 030 - 25 10 111. Fax 030-2511787

Secretariaat
Stafmedewerkers

Hoofdbestuur

Drs. T. de Ruijter, voorzitter

Drs. S.R. Heslinga, vice-voorzkter • ■ ■

Drs. J. Borgmeier, lid

Mw. drs. E.N.M. Harwig-Dings, lid

Drs. G. Huijser van Reenen. penningmeester

Drs. J. Togtema, lid

Mw. drs. W.J. Wijne- Raemakers, lid

Dr. Tj. Joma, algemeen secretaris

Mw. drs. S.A.M. Deleu

Mw. drs. M.C. van Oostrum-Schuurman Hess

Drs. J.L.M. Vaarten

Administrateur

Vacaturebank

Webmaster

H.S. de Vries

R.P. van Ringelestijn

Mw. drs. C.M. van Kalles

87

90

91
93
93

93
95

KNMvD

In Memoriam

R. van Ewijk; J. van Erp

Maatschappijnieuws

Fonnularia op het internet

Marketing geen vies woord: iedereen doet het!; S. Deleu
Tweede bijeenkomst Overijssels Nieuw(s); N. Laterveer
\'Gezelschapsdicrenartsen kiezen voor permanente educatie\'
Werkvergadering Gezelschapsdieren Regio Zuid
Diergeneeskundig Jaarboek 2001

Personalia

Doorlopende agenda

Postgiro/bank

Postbank 511606 ten name van de KNMvD,
Julianalaan 8-10, Utrecht. ABN/AMRO N.V.. Postbus
30, 3500 AA Utrecht, nr. 55 50 48 861 en C en E bank
N.V., Postbus 85100. 3508 AC Utrecht, nr. 69 93 61
443.

Contents

Review

Streptococcus gallolyticus infections in racing pigeons, a review; F. van der Toorn, and
J. T. Lumeij

66

Druk

Drukkerij G. van Dijk B.V., Breukelen (tel. 0346-
261304, fax 0346-264565).

Advertenties

Commerciële advertenties: Bureau Weijer B.V., Veen-
dam (tel. 0598-623065, fax 0598-613827).
Personeelsadvertenties: bureauredactie.

All rights reserved

Verklaring:

Richtlijnen voor auteurs (Vancouver Style) zijn op aanvraag verkrijgbaar (zie ook Tijdschr Diergeneeskd 1992;
117:31-4). De Redactie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade welke - direct of indirect - het gevolg mocht
zijn van gebleken onjuistheden in de inhoud van de in dit tijdschrifi opgenomen artikelen waarbij de auteur is vermeld
of in de inhoud van de in dit tijdschrift geplaatste advertenties.

Advertenties kunnen zonder opgaaf van redenen door de Redactie worden geweigerd of ingetrokken.

Niets uit dit tijdschrift mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, microfilm of op

welke andere wijze ook, zonder schriftelijke toestemming van de Redactie.

(Papers appearing in this journal are listed in Current Contents /Agricultural Biology and Environmental Science /
Index-Medicus. Index Veterinarius / Veterinary Bulletin, Biological Abstracts, Cambridge Scientific Abstracts).

-ocr page 83-

Vit een enquête onder 20 jonge dierenartsen in loondienst (zie: Tweede bijeenkomst Overijssels Nieuw(s) in deze
editie) bleek 50% tevreden met hun arbeidsvoorwaarden, \'hoewel die niet beter zijn dan die van een bollenpeller\'!
Een restantje \'Vlimmenromantiek\'? Het was toch Vlimmen, die bij nacht en ontij voor vervoer werd gecharterd
omdat de dierenarts goedkoper was dan een taxi? Het is plezierig te constateren dat veel jonge dierenartsen zo-
veel genoegen aan hun werk beleven, dat ze een slechte beloning op de koop toe nemen. Je kunt echter ook stellen
dat inmiddels 50% van deze dierenartsen niet langer tevreden is met de huidige, relatief schamele KNMvD-con-
forme arbeidsvoorwaarden! Zo bekeken ligt hier een duidelijke taak voor de beroepsgroep, hoe de conjunctuur
zich ook moge ontwikkelen.

Dat romantiek en zakelijkheid plaats- en tijdgebonden zijn dringt zich op bij vergelijking van de reportage van
Linda van Veen met de notities van Sophie Deleu. De eerste beschrijft hoe de Brooke Hospitals in een aantal voor-
malige Engelse koloniën werden gesticht. Een ouderwets staaltje typisch Engelse dierenliefde. VerM\'aarloosde
paarden opkopen, oplappen en een mooie oude dag bezorgen, hoewel de bevolking in die landen er zelf meestal
niet veel beter aan toe was. Het is verrassend dat de stichting middels haar zorg om de paarden nu ook juist bij-
draagt aan de ontwikkeling van de bevolking.

Eveneens lezens- en behartenswaardig maar aanzienlijk minder romantisch is het artikel van Sophie Deleu over
moderne praktijkvoering. Het woord \'dier\' is hierin alleen nog te vinden in het woord \'dierenarts\', dat weer me-
rendeels is vervangen door \'ondernemer\'. Deleu stelt terecht dat iedere ondernemer aan \'marketing\' moet doen.
\'Marketing\', - de markt opgaan, handelen - dreigt naar mijn mening echter steeds meer trekjes te vertonen van je-
zelf\' verkopen in plaats van je artikel verkopen. Nu de code voor de dierenarts dat niet meer verhindert, kunnen
practici tegen elkaar opbieden met steeds grotere reclameborden en met steeds meer advertenties en andersoor-
tige presentaties. Zelfs als ze hun doelstellingen netjes op een rijtje hebben gezet, dreigen ze daardoor teveel ener-
gie in bijzaken te steken. In het artikel wordt er echter aan herinnerd dat ook vanzelj\'sprekende zaken een instru-
ment van marketing kunnen zijn, zoals een goede parkeerruimte, accurate afsprakenregeling, een vriendelijke
receptie, nette witte jassen, schone wacht- en spreekkamers en een begripvolle houding jegens de cliënt. Voorheen
noemden we dat gewoon \'good veterinary practice\' (om maar eens andere goede Nederlandse terminologie te ge-
bruiken). Vooral daarop wordt een dierenarts afgerekend. Wat de cliënt echter werkelijk interesseert, is of zijn dier
de best mogelijke behandeling krijgt. Vakkundigheid zou dus bij marketing het eerste aandachtspunt moeten zijn.
Momenteel komt dat echter nauwelijks aan de orde. Probleem is, dat juist vakbekwaamheid voor de meeste cliën-
ten moeilijk is te beoordelen. Het is daarom toe te juichen dat het bestuur van de Groep Geneeskunde voor
Gezelschapsdieren, in navolging van de landbouwhuisdierenartsen, heeft besloten een systeem op te zetten voor
een goede permanente educatie met in het achterhoofd uitbreiding tot een erkenningsregeling. Over hoe die laat-
ste in elkaar moet steken dient tevoren inderdaad goed te worden nagedacht. Ik denk dat daarbij de leidende ge-
dachte moet zijn: hoe stringenter en herkenbaarder, hoe doeltreffender Naarmate de cliënt beter overtuigd kan
worden van het vakmanschap van de dierenarts en de wetenschappelijke kwaliteit van de behandeling, zal hij daar
meer voor over hebben. Ook voor het aanzien van de beroepsgroep is het belangrijk dat die overtuiging op juiste
feiten is gebaseerd, met andere woorden: dat kwaliteit herkenbaar is. Conform de vrije markt, blijft het dan aan de
consument hoeveel hij wil uitgeven voor \'bla-bla\' dan wel voor een degelijke behandeling van zijn huisdier
Tenslotte de \'verdinglijking\'. De verontwaardiging van collega Strikwerda lijkt me wat overdreven. Aantasting van
de integriteit van het dier? Begint dat niet bij de haarspeldjes in de kuif van een poedeltje en eindigt het niet ergens
bij productie van die fabriekjes die we koeien noemen en die zich de ganse dag het lebmaag-lazerus moeten vreten
om hun 50 kg uier wijdbeens over de grasmat voort te zeulen ? Welnee, de KNMvD doet gewoon aan marketing, ook
in uw belang! Die hormonen kun je wel bij een beer inspuiten, maar bij de consument praatje ze er niet meer uit.

Dr R.J Slappendel

-ocr page 84-

Streptococcus go/Zo/yt/cws-infecties bij de postduif,
een literatuuroverzicht

Tijdschr Diergeneeskd 2001: •i26;66-7i

F. van derToorn^ en J.T. Lumeij^

SAMENVATTING

Streptococcus gallolyticus, voorheen bekend als Strepto-
coccus bovis,
is sinds 1988 bekend als veroorzaker van S.
gallolyticus-septikemie
bij de duif. De belangrijkste klini-
sche symptomen zijn acute sterfte bij duiven van alle leef-
tijden, onmogelijkheid tot vliegen, kreupelheid, gewichts-
verlies en het produceren van slijmerige groene feces. Bij
postmortaal onderzoek is de aanwezigheid van goed om-
schreven gebieden van necrose in de m. pectoralis patho-
gnomonisch voor de ziekte. Andere typische laesies zijn te-
nosynovitis van de m. supracoracoideus, en artritis van de
knie, de hak en het schoudergewricht. Daarnaast kan me-
ningitis en endocarditis worden gezien.
Van januari 1990 tot november 1992 werd
S. gallolyticus-
septikemie vastgesteld bij 10% van de postmortaal onder-
zochte duiven aan de Faculteit Diergeneeskunde te Gent.
Daar de bacterie ook aanwezig was in het maagdarmka-
naal van bijna 40% van gezonde duiven wordt
S. gallolyti-
cus
beschouwd als facultatief pathogeen.
Binnen de 5. ga
//o/vftcMS-stammen worden verschillende
biotypen, serotypen en cultuur-supernatant-fenotypen on-
derkend. Supernatant-fenotypen zijn geïdentificeerd op
basis van de aanwezigheid of afwezigheid van extracel-
lulaire proteïne A, in combinatie met een T j, T2 of T3 pro-
teïnetriplet.
S. gallolyticus-stammen die in het bezit zijn van
het A-proteïne zijn hoogvirulent. Stammen die alleen T3 of
T2 bezitten zijn respectievelijk gematigd virulenten laagvi-
rulent. Uitsluitend hoogvirulente en enkele gematigd viru-
lente stammen dragen fimbrae. Mogelijke virulentiefacto-
ren zijn intracellulaire overleving in macrofagen, adhesie
en toxineproductie. Duiven die eerder zijn besmet met
S.
gallolyticus-serotype
1 of 2, vertonen bij latere infectie met
S. gallolyticus-serotype 1 een lagere morbiditeit. Dit biedt
perspectieven voor het ontwikkelen van een vaccin. Bij de
therapie van
S. gallolyticus-septikemK kan met name am-
picilline worden gebruikt. Bij de bestrijding van de ziekte
dient tevens aandacht te worden besteed aan de hygiëne,
zoals het plaatsen van duiven op roostervloeren en het ver-
minderen van de bevolkingsdichtheid in het duivenhok.

SUMMARY

Streptococcus gallolyticus infections in racing pigeons, a
review

S. gallolyticus, formerly known as S. bovis is known since
1988 as a facultative pathogen of racing pigeons. Important

\' Afdeling Vogels en Bijzondere Dieren. Hoofdafdeling Geneeskunde van Gezel-
schapsdieren, Faculteit der Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht, Yalelaan 8,
3584 CM Utrecht.

clinical signs include acute mortality, inability to fly,
lameness, weight loss and slimy green diarrhea. A patho-
gnomic sign at post mortem examination is the presence of
well circumscribed areas of necrosis in the pectoral muscle.
Furthermore tenosynovitis of the supracoracoid muscle and
arthritis of the knee, shoulder and hock can be observed. In
one study
S. gallolyticus septicaemia was diagnosed in 10%
of necropsied pigeons. Since
S. gallolyticus was also iso-
latedfrom nearly 40% of clinical healthy pigeons it is regar-
ded as a facultative pathogen.

Various biotypes, serotypes and culture supernatant pheno-
types can be distinguished. Supernatant phenotypes are
identified on the basis of the presence of either a Tj, T2 or T^
protein triplet and the presence or absence of an extracellu-
lar A protein.
S. gallolyticus strains with A protein are
highly virulent, while strains with only T^ or T2 protein are
of moderately or low virulence respectively. Fimbriae are
only seen in highly virulent and some of the moderately viru-
lent strains. Possible virulence factors include survival in
macrophages, adhesion to cells and toxin production.
Infection with serotype 1 and 2 induces some degree of pro-
tection against re-infection with serotype 1, which offers
perspectives for the development of a vaccine.
Experimentally ampicillin, doxycyclin and erythromycin
have shown therapeutic effects. For the treatment of clinical
cases the use of ampicillin is advocated, together with
hygienic measures, such as the use of grid floors and avoi-
ding overcrowding.

INLEIDING

Streptococcosis is een septikemische ziekte bij duiven, die
voor het eerst werd beschreven in België (2,7,14). Een an-
dere naam is
S. gallolyticus-sepükem\'ie. In België wordt de
ziekte ook spier- en vleugelziekte genoemd. Deze ziekte
wordt veroorzaakt door
Streptococcus gallolyticus. Belang-
rijke symptomen zijn plotselinge sterfte bij duiven van alle
leeftijden, onmogelijkheid tot vliegen, kreupelheid, ge-
wichtsverlies en het produceren van slijmerige groene feces
(2,8,14). Sinds enige jaren is de ziekte ook in Nederland be-
kend (16). Doel van dit artikel is om de Nederlandse practi-
cus een overzicht te geven.

ETIOLOGIE

De verwekker van streptococcosis is S. gallolyticus, vroeger
S. bovis geheten (15,17). S. gallolyticus is een gram-posi-
tieve
COC, die behoort tot de Lancefield-D-groep. In cultuur
kan de bacterie zowel solitair, in paren als in korte ketens ge-
groepeerd voorkomen.
S. gallolyticus is ongepigmenteerd en
onbeweeglijk. Enkele stammen zijn alfa-hemolytisch (17).
De benaming
gallolyticus ontleent zich aan de eigenschap
van de bacterie om galzuur te decarboxyleren. De stammen
die galzuur kunnen decarboxyleren behoren tot een enkele
homologe DNA-groep, waardoor deze zich onderscheiden
van
S. bovis (17). Deze voormalige S. èov/s-stammen wer-

-ocr page 85-

den herbenoemd tot een nieuwe species: S. gallolyticus. Tot
deze groep behoren stammen die bij mensen endocarditis
veroorzaken en stammen die bij de duif septikemie tot ge-
volg hebben (15). De in de darmflora van de mens voorlco-
mende
S. gallolyticus is van een ander biotype dan de S. gal-
lolyticus
die bij duiven septikemie kan veroorzaken (15,17).

Uit het maagdarmkanaal van gezonde duiven kunnen alle ty-
pen, van hoogvirulent tot laagvimlent, van
S. gallolyticus
van de duif worden geïsoleerd. Onder invloed van nog onbe-
kende factoren kan 5.
gallolyticus bij duiven septikemie ver-
oorzaken met als gevolg acute sterfte of aantasting van de or-
ganen.
S. gallolyticus is dus een facultatief pathogeen
organisme (4,8).

Bij de mens werd een verband gezien tussen septikemie ver-
oorzaakt door
S. gallolyticus (in het bijzonder endocarditis)
en gastro-intestinale ziekten (voomamelijk neoplasieën van
het colon) (18). Daarentegen werd bij duiven, die aan
S. gal-
/o/v/iCM5-septikemie waren doodgegaan, weinig intestinale
laesies geobserveerd (2,14). Bij duiven die geïnfecteerd wa-
ren met Salmonella of Adenovirus, die de darmmucosa be-
schadigen, werd geen toegenomen prevalentie van 5.
gallo-
/v//cj«-septikemie waargenomen (8). Daarom wordt gedacht
dat beschadigingen aan de darmmucosa waarschijnlijk niet
van belang zijn bij de etiologie van
S. ga//o/v?/cj«-septike-
mie bij duiven.

Slanetz and Bartley agar (Oxoïd, Basingstoke, Engeland) is
een geschikt medium voor selectieve isolatie van
S. galloly-
ticus
van duiven uit monsters van de krop, de cloaca en de in-
wendige organen mits het medium voldoende is verwarmd
(ongeveer drie minuten, tot het medium roze is gekleurd).
Een verrijkte bouillon kan worden gebruikt om
S. gallolyti-
cus
uit fecesmonsters te isoleren. Deze bouillon bevat 5 g
zetmeel, 2 g raffmose, 3,2 g dinatrium-hydrogeen-fosfaat,
0,4 g natriumazide en 18 mg fenolrood in 1 liter gedistilleerd
water, en wordt twee minuten gekookt. De bouillon staat de
selectieve groei van
S. gallolyticus van duiven toe en remt de
vermeerdering van contaminanten (8). Monsters genomen
uit necrosegebieden kunnen worden geënt op Slanetz and
Bartley agar, Brillant Green Agar (Lab. M., Bury, Engeland)
en Columbia agar (Gibco, Paisley, Schotland) met 5% mn-
derbloed (8). Optimale groei wordt gezien bij een tempera-
tuur van 42°C. Toevoegen van 5% CO2 verbetert de groei
(15). 5.
gallolyticus is in staat om galzuur te decarboxyleren
en is in staat om tannine te hydrolyseren (15). Net als alle an-
dere
Streptokokken vormt S. gallolyticus geen katalase.

S. gallolyticus geïsoleerd uit duiven wordt ingedeeld in vijf
serotypen, vijf biotypen, twee sub-biotypen en zes supema-
tant-fenotypen (4,19). De indeling van de vijf serotypen is
gebaseerd op de wijze van agglutineren met hyperimmuun
konijnenserum. Biotypen en subbiotypen worden vastge-
steld door verschillende biochemische eigenschappen (4).
Supematant-fenotypen zijn geïdentificeerd op basis van de
aanwezigheid of afwezigheid van een 185 kDa A-proteïne in
het cultuur-supematant, in combinatie met een T|, T2 of T3
proteïne-triplet (19).

Ieder type S. gallolyticus kan onderdeel zijn van de intesti-
nale flora bij duiven. Serotypen 1 en 2 blijken de meest voor-
komende serotypen te zijn bij de duif Serotype 4 is buitenge-
woon zeldzaam bij duiven en vermoedelijk een toevallige
bevinding (19).

De classificatie van stammen, die is gebaseerd op serotype,
vertoont een correlatie met de vimlentie. Serotype 1, 2 en 5
stammen worden beschouwd als hoogvimlent, terwijl de
meerderheid van serotype 3-stammen daarentegen worden
beschouwd als laagvimlent (9).

De correlatie tussen supematant-fenotypen en de vimlentie
is echter veel duidelijker (20). Met experimentele intrave-
neuze infecties werd aangetoond dat stammen met A-i-Tj,
A T2, A-1
-T3 en A-T| supematant-fenotypen hoogvimlent
waren voor duiven, met een morbiditeit van 70-100%.
Stammen met het A
-T3 supematant-fenotype waren gema-
tigd vimlent. De stammen die behoren tot het A-T2 supema-
tant-fenotype waren laagvimlent voor duiven. De morbidi-
teit in deze groepen was respectievelijk 37% en 5% (20). Het
is niet duidelijk of de A-proteïnes en de Tj - en Tj-tripletten
moeten worden beschouwd als vimlentiefactoren of als mar-
kers van de vimlentie (20).

Bij alle onderzochte S. ga/Zo/j/fCM^-stammen bij de duif
werd een kapsel vastgesteld. Van andere
Streptokokken is
bekend dat dit als een belangrijke factor voor vimlentie
wordt beschouwd (21). Stammen behorende tot de hoog en
gematigd vimlente supematant-fenotypen van
S. gallolyti-
cus,
waren bedekt door een uniforme en continue laag van
kapselmateriaal met een dichte granulatie. Bij de niet vim-
lente A-T2 supematant-fenotype was het kapsel onregelma-
tig en het had een minder dichte granulatie.

Fimbriae komen het meest voor bij gram-negatieve bacte-
riën, maar zijn ook beschreven bij sommige kokken-soorten
zoals S.
salivarius, Enterococcus faecalis, S. sanguis en S.
suis
(21). Bij S. gallolyticus van de duif en bij alle andere
Streptokokken is de rol van fimbriae niet bekend.
Hoogvirulente stammen hadden allen fimbriae. Bij de laag-
vimlente A-T2-stammen ontbraken fimbriae. Bij de gema-
tigd vimlente A
-Tß-stammen zijn fimbriae alleen gezien bij
één of twee stammen.

Dit wijst er mogelijk op dat het kapsel en/of fimbriae betrok-
ken zijn bij de vimlentie van 5.
gallolyticus bij de duif (21).

EPIDEMIOLOGIE

Het bestaan van septikemie bij duiven veroorzaakt door
Streptokokken, werd reeds lang vermoed doch bijzonderhe-
den hieromtrent waren zelfs in gespecialiseerde handboeken
niet temg te vinden. Devriese
et al. (14) noemen enkel een
publicatie van Madej (1961) waarin uitbraken in vijf kleine
duivenhokken zijn beschreven. Het is echter niet duidelijk
welke streptokokkensoort hierbij betrokken was.

Op dat moment werd 5. gallolyticus-septikemie bij duiven
nog als een ongewone bevinding gezien omdat
gallolyti-
cus
zelden voorkwam bij vogels. De bacterie was nooit ge-
vonden in de feces van in het wild levende vogels of in de
caeca van kippen en kalkoenen. Wel werd
S. gallolyticus als
belangrijke component van de darmflora van vele zoogdie-
ren, voomamelijk boerderijdieren, gezien en soms bij men-
sen. 5.
gallolyticus kan septikemische ziekte en endocarditis
bij mens en herkauwer veroorzaken (13).

Middels een systematische en gedetailleerde studie naar oor-
zaken van septikemie bij de duif in 1988, aan de afdeling
pluimveepathologie van de Faculteit Diergeneeskunde te

-ocr page 86-

Gent, werd gevonden dat S. gallolyticus een bijna net zo be-
langrijke veroorzaker is van septikemie bij duiven als
Salmonella (14). De ziekte werd vastgesteld bij ongeveer
10% van de duiven die in 1990-1992 voor postmortaal on-
derzoek werden aangeboden aan de afdeling pluimveeziek-
ten van de Faculteit Diergeneeskunde te Gent (2).

In een studie verricht bij 810 postduiven uit België van 14
verschillende duivenhokken en van 122 postduiven uit Bel-
gië, die voor routinecontrole kwamen, werd
S. gallolyticus
geïsoleerd uit het darmkanaal van bijna 40% van de duiven
van alle leeftijden. Deze duiven vertoonden geen sympto-
men. Deze grote mate van verspreiding van de bacterie onder
de Belgische duivenpopulatie werd ook aangetoond door
middel van serologisch onderzoek. Bovendien werd de bac-
terie gevonden in 80% van fecesmonsters die werden verza-
meld uit 82 verschillende duivenhokken van 40 duivenmel-
kers. Omdat
S. gallolyticus wijdverspreid en vaak a-
symptomatisch voorkomt in de duivenpopulatie, werd ge-
concludeerd dat de bacterie een normale darmbewoner kan
zijn bij duiven (8).

Door De Herdt et al. (8) werd geopperd dat er mogelijk een
verband bestaat tussen het voorkomen van
S. gallolyticus-
septikemie en de hygiënische condities en de bevolkings-
dichtheid in de duivenhokken.

De prevalentie van S. ga//o/v?/CM5-septikemie is significant
hoger in de maanden januari tot en met augustus, dan in de
resterende periode van het jaar. Dit kan komen doordat het
wedstrijdseizoen in september is afgelopen, wat samen gaat
met een lagere bevolkingsdichtheid van duiven. In december
begint het broedseizoen waardoor de bevolkingsdichtheid
toeneemt en de hygiënische omstandigheden verslechteren
(8). Hormonen spelen mogelijk ook een rol, aangezien bij
een uitbraak in december 1991 alle 25 duivinnen ziek wer-
den en slechts één van de 25 doffers (7).

PATHOGENESE

De Pathogenese van deze ziekte is niet opgehelderd. Tot nu
toe is zelfs de natuurlijke infectieroute niet bekend.
Herhaaldelijke orale inname van de
S. ga//o/v//a«-bacterie
door contact met fecaal materiaal bevordert mogelijk de
handhaving van de bacterie in het darmkanaal van de duif
(8). Bij een onderzoek met orale besmetting nestelde 5.
gal-
lolyticus
zich in de farynx. Dit werd ook gezien bij natuur-
lijke besmetting. De dieren werden echter niet ziek (14).

Mogelijk speelt intracellulaire overleving en vermeerdering
van
S. gallolyticus een belangrijke rol in de Pathogenese.
Met microscopisch onderzoek werd aangetoond dat hoogvi-
rulente
S. gallolyticus-sXammen zich actief delen in milt-
macrofagen van experimenteel besmette duiven. Duiven die
besmet waren met een laagvirulent S.
gallolyticus vertoon-
den incidenteel intracellulaire
S. gallolyticus-haciexiën. Bij
in v;7ro-onderzoek werd aangetoond dat de virulente S. gal-
lolyticus
eerst in aantal afnam in de macrofaag. Na ongeveer
drie uur werd een logaritmische vermeerdering van de over-
gebleven intracellulaire bacteriën gezien (11).
Bij elektronenmicroscopisch onderzoek werd waargenomen
dat de overlevende bacteriën niet omgeven waren door een
fagosomaal membraan, doch vrij lagen in het cytoplasma.
Mogelijk zijn de bacteriën ontsnapt aan de fagosoom voor-
dat ze zijn blootgesteld aan de lysosomale inhoud. Daardoor
zijn ze vermoedelijk in staat tot intracellulaire vermeerde-
ring in de macrofaag. Na ongeveer zeven uur gingen alle
macrofagen dood. Een mogelijke verklaring hiervoor kan
zijn dat intracellulaire vermeerdering van
S. gallolyticus re-
sulteert in het vrijkomen van een toxische substantie voor
macrofagen. De laagvirulente
S. gallolyticus lieten geen ver-
meerdering zien. Ook werd er geen aantasting van macrofa-
gen gezien (11).

Van verschillende pathogene Streptokokken is bekend dat ad-
hesie aan Fibronectine\'eii/of collageen éeri ról speelt iri dé
Pa-
thogenese van ziekten. De meerderheid van de onderzochte
S. gallolyticus-sXammen kon zich binden aan fibronectine en
collageen type IV. Dit komt overeen met de histologische be-
vinding, dat bacteriën duidelijk langs het sarcolemma van de
myofibrillen lagen die hyaline-degeneratie vertoonden.
Spiercellen worden omgeven door een collageen type IV be-
vattend sarcolemma. Het was opvallend dat geen van de ge-
teste
S. ga//o(v//cM5-stammen zich bonden aan collageen type
1. Immers, tenosynovitis is een veel voorkomend symptoom
bij
S. ga//o/v//CM5-septikemie en collageentype 1 is een be-
langrijk onderdeel van pezen. Vanrobaeys
et al. (22) wijzen
op de mogelijkheid dat niet de adhesie aan collageen type 1,
maar de binding aan cellulair fibronectine een rol speelt in de
Pathogenese van peeslaesies bij S. ga/Zo/yZ/cM^-septikemie.
Zij baseren dit op onderzoek van Banes
et al. (1) die fibronec-
tine op de buitenkant van intacte pezen van vogels zouden
hebben waargenomen. Mogelijk kan worden geconcludeerd
dat niet de adhesie aan collageen type 1 maar de binding aan
cellulair fibronectine betrokken is in de
Pathogenese van
peeslaesies bij
S. gfl//o/v»\'cw5-septikemie. De binding aan ex-
tracellulaire matrixproteïne heeft geen verband met de viru-
lentie van de
S. gallolyticus-stam (22).

SYMPTOMEN

Bij de symptomen is weinig leeftijdsonderscheid waargeno-
men (2).

Duiven met S. gallolyticus-scptikemie vertonen acute tot hy-
peracute sterfte bij alle leeftijden en een groenachtige, slij-
merig schuimende feces. Daarnaast kan niet meer kunnen
vliegen, polyurie/polydipsie, lusteloosheid, reutelen, ge-
zwollen abdomen, kreupelheid en door de poten zakken wor-
den waargenomen (8,14). Er kunnen palpabele necroseplek-
ken aanwezig zijn op de borst. Omvangrijke weefselnecrose
gaat bij de met 5.
gallolyticus besmette duiven normaliter ge-
paard met gewichtsverlies, slechte algehele conditie en een
hoge mortaliteit (3).

PATHOLOGIE

Bij postmortaal onderzoek bleek onmiskenbaar het septike-
mische karakter van de ziekte. Vooral de parenchymateuze
organen waren aangetast. Bij 35% van de experimenteel in-
traveneus geïnfecteerde duiven werd coagulatie-necrose ge-
constateerd in de m. pectoralis, lever, hart of nieren (3).
Borstspiemecrose is pathognomonisch voor de ziekte. Dit
werd alleen gezien bij duiven van één jaar en ouder.
Opvallend hierbij was dat de spieren, die de ergste laesies
(necrose) vertoonden of bacteriologisch zeer
S. gallolyticus-
positief waren, afkomstig waren van duiven met jongen van
10-20 dagen oud (3).

Andere typische laesies zijn artritis van de knie en sprongge-
wricht (hak). Ook kenmerkend is tenosynovitis van de pees
van de m. supracoracoideus, al dan niet tezamen met fibrine-
vorming in de canalis triosseus, en artritis van het schouder-

-ocr page 87-

gewricht. Deze laesies zijn vermoedelijk verantwoordelijk
voor het laten hangen van de vleugels door de duif en het on-
vermogen om te vliegen (3,9).

Productieve pericarditis en polyserositis werden alleen ge-
vonden bij duiven van minder dan één maand oud (2).
Meningitis en encefalitis in het cerebrum en het cerebellum
werd ook gemeld (3).

Bij duiven die werden besmet met S. gallolyticus serotype 1-
en 2-stammen werd vaak bacteriële embolic in capillairen
gezien. Toxines zijn mogelijk een oorzaak voor waargeno-
men coagulatie-necrose, terwijl anoxemie minder waar-
schijnlijk wordt geacht omdat serotype 3 ook wel necrose
veroorzaakt doch geen embolic (9).

Opmerkelijk was ook dat de aangetaste duiven veelal nog in
een goede tot overmatige voedingstoestand verkeerden en de
krop meestal gevuld of overvuld was. Vaak hadden duiven
wel een opvallend slijmerige darminhoud (2).

Door het kunnen aantonen van talrijke kokken in de paren-
chymateuze organen werd het septikemische karakter van de
aandoening bevestigd. Vaak was sprake van infiltratie met
heterofielen (soms massaal) en enkele lymfocyten. Even-
eens werden macrofagen waargenomen, al dan niet met ge-
fagocyteerde kiemen. Op afdrukpreparaten van spieren wa-
ren de massale kokkeninfiltraties zeer opvallend. Ook
kenmerkend was interstitieel oedeem in spierweefsel en het
voorkomen van talrijke heterofielen in de capillairen. Een
splenitis, al dan niet met necrose of hyperplasie, werd even-
eens beschreven (2). Daamaast werd leverdegeneratie en in-
terstitiële nefrids met tubulaire necrose gezien (9). Op cou-
pes van jejunum en ileum was fusie van de darmvilli en
diapedese van ontstekingscellen te zien (2).

In organen van met serotype 1- of 2-stammen intraveneus
besmette duiven waren omvangrijke gebieden van coagula-
tie-necrose aanwezig. Deze gebieden werden omgeven door
een relatief dunne laag van ontstekingscellen. Bij met sero-
type 3-stam intraveneus besmette duiven waren de necrose-
gebieden duidelijk kleiner qua omvang en vertoonden de
duiven geen klinische symptomen. Deze gebieden werden
meestal omgeven door een relatief dikke laag van ontste-
kingscellen (9). Een mogelijke verklaring voor het verschil in
weefselnecrose zou een verschil in toxine kunnen zijn die door
de verschillende serotypen l,2of3 wordt geproduceerd (9).

DIAGNOSTIEK

Tot nu toe kan een definitieve diagnose S. ga//o/v//cw.5-septi-
kemie alleen worden gesteld door middel van het isoleren
van de bacterie uit typische laesies of organen (8).

DIFFERENTIAAL DIAGNOSE

Wegens de aspecifieke symptomen is een gallolyticus-
septikemie klinisch moeilijk te diagnosticeren. Acute of hy-
peracute sterfte en verlamming met artritis worden traditio-
neel in verband gebracht met salmonellosis, terwijl de
groene slijmerige fecaliën en diarree meer lijken op hexami-
tiasis of adenovirusinfectie (2).

De meeste salmonellosisgevallen verlopen chronisch en
gaan gepaard met sterke vermagering. De zeldzame spierlet-
sels die bij salmonellosis bij duiven worden gezien zijn klei-
ner, muhipel en meer chronisch van aard. Salmonellosis leidt
vaak tot slechte kweekresultaten. Daamaast leidt chronische
salmonellosis vaak tot unilaterale artritis van het elleboogge-
wricht, die ook resulteert in het laten hangen van een vleugel.
Hoewel
S. gallolyticus septikemie kan resulteren in artritis in
het schoudergewricht, is nimmer gezien dat dit resulteert in
artritis van het ellebooggewricht (7).

Intoxicaties en adenovimsinfecties geven typisch acute
sterfte. Klassieke adenovimsinfecties zijn uitgesproken sei-
zoensgebonden, zodat ook deze factor nuttig kan zijn in de
differentiaal diagnose (2). Braken is bij 5.
gallolyticus niet
waargenomen; het is echter wel een typisch symptoom van
adenovimsinfectie.

Paramyxovims 1 geeft polyurie/polydipsie en verlammingen
van poten en/of vleugels, maar zelden of nooit sterfte (2).

THERAPIE

Ampicilline, doxycycline en erytromycine, toegevoegd in
respectievelijk dosering van 2 g/1, 500 mg/1 en 1 g/1, kunnen
de morbiditeit bij intraveneus geïnfecteerde duiven sterk on-
derdrukken (5). Terwijl in een onbehandelde controlegroep
de morbiditeit bij kunstmatige infectie 90% bedroeg was
deze bij met ampicilline, doxycycline en erythromycine be-
handelde duiven respectievelijk 20, 30 en 20%. Toediening
van enrofloxacine en trimethoprim had geen gunstige in-
vloed op het verloop van de
S. ga//o/v//cM5-septikemie. De
morbiditeit lag in dit geval op respectievelijk 70 en 90%.
Verschillen in de uitkomst na behandeling van met
S. gallo-
lyticus
intraveneus geïnfecteerde duiven met ampicilline,
doxycycline en erytromycine waren niet significant (5).

Deze antibiotica werden toegevoegd aan het drinkwater
vanaf 48 uur voor de experimentele besmetting tot 72 uur na
de experimentele besmetting. Er werden bij deze doseringen
geen problemen gezien met de acceptatie van het drinkwater.
De gemiddelde dagelijkse opname was voor ampicilline 174
mg/kg, erythromycine 71 mg/kg en doxycycline 40 mg/kg.

Met doxycycline werd onderzoek gedaan waarbij de duiven
48 uur na de intraveneuze infectie werden behandeld. Op 48
uur na de intraveneuze infectie kregen de duiven 25 mg
doxycycline in de krop toegediend. Vanaf dat moment werd
vijf dagen lang een dosering van 500 mg/1 toegevoegd aan
het drinkwater (10). De morbiditeit bleek te liggen tussen 20-
30%. In de controlegroep lag de morbiditeit op 90%. Ten
aanzien van doxycycline kan dan ook worden gesteld dat de
toediening daarvan na infectie een positief resultaat oplevert.

In de praktijk heeft toediening van ampicilline de voorkeur.
Van enige resistentie tegen penicillinen is bij 5.
gallolyticus
(vooralsnog) niets gebleken. Ten opzichte van doxycycline
blijkt een behoorlijke resistentie (42%) op te treden. Verder
is de meerderheid van de geteste stammen (94%) gevoelig
voor erythromycine (5).

In vitro werd aangetoond dat de vele lactobacillen met ver-
kregen resistentie tegen macroliden en lincosamide in de
krop van duiven in staat waren de macroliden, erytromycine
en spiramycine te inactiveren (5).

Mogelijk heeft deze inactivering een nadelig effect op de
orale biologische beschikbaarheid van macroliden antibio-
tica bij duiven die macroliden inactiverende lactobacillen
dragen in hun kropfiora (5).

-ocr page 88-

Of toediening van antibiotica, al dan niet in combinatie hy-
giënische maatregelen, volledige uitroeiing van de besmet-
ting tot gevolg heeft, kan worden betwijfeld. In de praktijk
werd vaak een snelle terugkeer van de uitscheiding van
S.
gallolyticus
geconstateerd, nadat een succesvolle behande-
ling met antibiotica was gestaakt (5).

IMMUNITEIT

Met behulp van indirecte ELISA werd in België bij circa
40% van 225 klinisch gezonde postduiven antilichamen voor
S. gallolyticus serotype 1 gevonden. Mogelijk werd de aan-
wezigheid van antilichamen tegen
S. gallolyticus onder-
schat, omdat ter detectie slechts gebruik werd gemaakt van
één serotype van
S. gallolyticus.

De bij dit onderzoek betrokken duiven vertoonden geen
symptomen van
S. ga//o/y?/cw5-septikemie. Het vermoeden
bestaat dat duiven bij afwezigheid van klinische symptomen
in het plasma antilichamen opbouwen (6).

De aanwezigheid of afwezigheid van (middels ELISA te de-
tecteren) circulerende antilichamen correleert niet noodza-
kelijkerwijs met de bescherming tegen of bevattelijkheid
voor de ziekte. Antilichamen die met hehulp van de indirecte
ELISA werden waargenomen, waren vermoedelijk gericht
tegen andere antigenen dan die belangrijk zijn voor de be-
scherming tegen
S. gö/Zo/v^/cw^-septikemie (10).

Experimentele intraveneuze infectie met serotype I of sero-
type 2, die behoren tot het A Tj supematant-fenotype, re-
sulteerde wel in bescherming tegen hernieuwde infectie met
serotype 1. Bij experimenten met besmetting met serotype 2
of serotype 3 bouwden de duiven in het plasma een hoge an-
tilichaamtiter op tegen homologe serotypes, en weinig tot
geen titer tegen het heterologe serotype 1(10).

De morbiditeit bij duiven die intraveneus werden besmet met
S. gallolyticus serotype 1 was laag bij duiven die voordien
intraveneus waren besmet met
S. gallolyticus serotype I - of
2-stammen. De morbiditeit lag hoog bij de duiven die eerst
waren besmet met
S. gallolyticus serotype 3 stam (10).

Deze resultaten bieden perspectief voor vaccinatie tegen S.
gallolyticus-s&pixksmK
bij duiven.

Er dient dan wel rekening te worden gehouden met het feit
dat de experimentele besmetting een immuniteit induceert
die is gerelateerd aan intraveneuze besmetting, doch dat
zulks mogelijk niet bruikbaar is bij vaccinatie langs een meer
acceptabele route (10).

PREVENTIE

Er zijn twee experimentele vaccins ontwikkeld en onder-
zocht op effectiviteit tegen
S. ga//o/v/(\'cu5-septikemie bij
duiven. Beide vaccins bevatten door middel van formalde-
hyde geïnactiveerde
S. gallolyticus serotype 1-bacteriën en
een minerale-olie-adjuvans. Aan één van beide vaccins werd
supernatant (A Tj) van een
S. gallolyticus bouilloncultuur
toegevoegd (12). In het experiment werd gebmik gemaakt
van vier groepen van tien duiven. Twee groepen werden één-
maal subcutaan gevaccineerd met één van beide vaccins. Bij
de andere groepen werd vaccinatie met één der vaccins twee-
maal subcutaan uitgevoerd met een tussenpoos van vier we-
ken. Vier weken na de laatste vaccinatie werden de duiven
intraveneus besmet met
S. gallolyticus serotype I. Er werden
geen significante verschillen geconstateerd in de morbiditeit
tussen de groepen die met de verschillende vaccins werden
toegediend. In de groepen die eenmaal werden gevaccineerd
lag de morbiditeit op 50-70%. Bij de groepen die tweemaal
werden gevaccineerd was de morbiditeit 10 tot 30%. De con-
trolegroep had een morbiditeit van 80%. Het lijkt er dan ook
sterk op dat kan worden geconcludeerd dat dubbele vaccina-
tie kan resulteren in enige klinische bescherming tegen 5.
ga//o/v//cM5-septikemie bij de duif (12).

Hygiëne en bevolkingsdichtheid mogen niet uit het oog wor-
den verloren. Gebleken is dat de prevalentie van
S. gallolyti-
cus
bij duiven die worden gehuisvest op roostervloeren be-
hoorlijk lager ligt dan bij duiven die op een gesloten bodem
worden gehuisvest (8).

REFERENTIES

1. Banes AJ, Link GW, Bevin AG, Peterson HD, Gillespie Y, Bynum D.
Watts S, and Dalmers L. Tendon synovial cells secrete fibronectin
in
vivo
and in vitro. J Orthop Res 1988; 6: 73-82.

2. De Herdt P, Devriese LA, Uyttebroek E, Ducatelle R, and Haesebrouck
F.
Streptococcus bovis infecties bij duiven. Vlaams diergeneeskd
Tijdschr 1991; 60: 51-4.

3. De Herdt P, Desmidt M, Haesebrouck F, Ducatelle R, and Devriese LA.
Experimental
Streptococcus bovis infections in pigeons. Avian Dis
1992; 36:916-25.

4. De Herdt P, Haesebrouck F, Devriese LA, and Ducatelle R.
Biochemical and antigenic properties of
Streptococcus bovis isolated
from pigeons. J Clin Microbiol 1992; 30: 2432-4.

5. De Herdt P. Devriese LA, Groote B de, Ducatelle R, and Haesebrouck
F. Antibiotic treatment of
Streptococcus bovis infections in pigeons.
Avian Pathol 1993; 22:605-15.

6. De Herdt P. Haesebrouck F, Devriese LA. and Ducatelle R. Prevalence
of antibodies to
Streptococcus bovis serotype 1 in racing pigeons. J Vet
Med B 1993; 40:494-500.

7. De Herdt P, Ducatelle R, Haesebrouck F, Devriese LA, Groote B de,
and Rods S. An unusual outbreak of
Streptococcus bovis septicaemia
in racing pigeons. Vet Rcc 1994; 134: 42-3.

8. De Herdt P, Haesebrouck F, Devriese LA, and Ducatelle R. Prevalence
of
Streptococcus bovis in racing pigeons. Vet Quart 1994; 16:71-4.

9. Dc Herdt P, Haesebrouck F, Groote B de, Ducatelle R, and Devriese
LA.
Streptococcus bovis infections in pigeons: vimlence of different
serotypes. Vet Microbiol 1994; 41:321-32.

10. De Herdt P. Haesebrouck F, Ducatelle R, Groote B de, and Devriese
LA. Immunity in pigeons against homologous and heterologous seroty-
pes of
Streptococcus bovis after infection. Vet Microbiol 1994; 42:
111-9.

11. De Herdt P. Haesebrouck F, Charlier G, Ducatelle R, Devriese LA. and
Vandenbossche G. Intracellular survival and multiplication of virulent
and less virulent strains of
S. bovis in pigeon macrophages. Vet
Microbiol 1995; 45: 157-69.

12. De Herdt P, Vanrobaeys M, Devriese LA, Ducatelle R, and Haese-
brouck F. Efficacy of inactivated whole-cell vaccines against strepto-
coccosis in pigeons. Avian Pathol 1999; 28: 355-61.

13. Devriese LA, Gevaert D, and Ceyssens K. Characteristics of
Slreptococcus bovis associated with pigeons. Avian Pathology 1990;
19: 425-8.

14. Devriese LA, Uyttebroek E, Groote B de, Vandekerckhove P. and
Ceyssens K .
Streptococcus bovis infections in pigeons. Avian Pathol
1990; 19: 429-34.

15. Devriese LA, Vandamme P, Pot B, Vanrobaeys M, Kersters K. and
Haesebrouck F. Differentiation between
S. gallolyticus strains of hu-
man clinical and veterinary origins and
S. bovis strains from the intes-
tinal tracts of ruminants. J Clin Microbiol 1998: 36: 3520-3.

16. Dorrestein GM, Buitelaar M, and Hage M van der. S. bovis, a report on
the isolation from avian and exotic animals. Proceedings X. Tagung der
Fachgruppe Geflügelkrankheiten, München 7.-8. März 1996: 107-11.

17. Osawa R, FujisawaT, and Sly LL S. gallolyticus sp. nov.; gallate degra-
ding organisms formerly assigned to
S. bovis. Syst Appl Microbiol
1995; 18:74-8.

18. Reynolds JG, Silva E, and McCormack WM. Association of
Slreptococcus bovis bacteraemia with bowel disease. J Clin Microbiol
1983; 17:69-7.

19. Vanrobaeys M, De Herdt P. Haesebrouck F, Ducatelle R. and Devriese

-ocr page 89-

LA. Secreted antigens as virulence associated markers in Streptococcus

strains from pigeons. Vet Microbiol 1996;53:339-48.
Vanrobaeys, M. De Herdt P. Ducatelle R, Creten W, and Haesebrouck
F. Extracellular proteins and vimlence in
Streptococcus bovis isolates
from pigeons. Vet Microbiol 1997; 54: 59-66.

Vanrobaeys M. De Herdt P. Charlier G, Ducatelle R, and Haesebrouck

20.

22.

21.

F. Ultrastmcture of surface components of Streptococcus gallolyticus
strains of differing virulence isolated from pigeons. Microbiology 1999
febr; 145 (Pt2): 335-42.

Vanrobaeys M, Haesebrouck F, Ducatelle R, and De Herdt P. Adhes-
ion of
Streptococcus gallolyticus strains to extracellular matrix pro-
teins. Vet Microbiol 2000; 74: 273-80.

Livestock, ethics and quality of life

edited by John Hodges and In K Han, 269 pagina\'s.

In dit boek worden dierwetenschappelijke, ethische en kwa-
liteit van leven-vraagstukken samengebracht. Het boek is
geschreven door een groot aantal internationale experts.
De ontwikkelingen in de dierlijke productie die leiden tot
ethische en kwaliteit van leven-vraagstukken kunnen in drie
categorieën worden gegroepeerd: I) biologische ontwikke-
lingen (inclusief biotechnologie), 2) consequenties van in-
tensieve veehouderij systemen en 3) globalisering en vrije
handel in voedsel.

In het eerste hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de per-
ceptie van de burger van biotechnologische ontwikkelingen.
De verantwoordelijkheden van de dierwetenschappers wor-
den beschreven. In een ander hoofdstuk wordt aandacht be-
steed aan de wensen die burgers hebben ten aanzien van
voedsel. De burger wil goedkoop voedsel en een ruim aan-
bod, maar daamaast hebben de burgers meer wensen. De
burger maakt zich steeds meer zorgen over de verborgen
kosten van voedselproductie, de invloed op het milieu, het
verstoren van plattelandsgemeenschappen, het verlies van
onafhankelijkheid van de producenten, de invloed van multi-
nationals en de gevaren voor mens en dier van de toegeno-
men intensivering van de productie. Afhankelijk van het be-
steedbaar inkomen en de levensstandaard van de burgers,
zullen de wensen en de eisen ten aanzien van dierlijke pro-
ductie wijzigen. In een aantal hoofdstukken worden de ont-
wikkelingen in de biotechnologie, dierethiek en in het die-
renwelzijn besproken. Waarbij punten als het belang van
voldoende biodiversiteit aan de orde komen. In hoofdstuk 7
en 8 worden de effecten van de intensivering van de land-
bouw en het vrijhandelsverkeer belicht vanuit ethische en
culturele verschillen tussen westerse en niet-westerse sa-
menlevingen. De verwachting is dat de wereldvraag naar
dierlijke producten in de komende 40 jaar zal verdrievoudi-
gen. De gevolgen van de implementatie van modeme (bio-
technologische) landbouwtechnieken, veelal ontwikkeld in
de westerse wereld, in ontwikkelingsgebieden, worden be-
schreven aan de hand van de productie van sojabonen en
maïs in verschillende regio\'s in de wereld. In een drietal
hoofdstukken worden de ontwikkelingen in de dierhouderij,
de ethiek en de kwaliteit van leven in Azië, Latijns-Amerika
en Afrika belicht. Wetenschappers uit die betreffende we-
relddelen hebben de hoofdstukken geschreven. In een aantal
grafieken wordt de behoefte aan dierlijke producten en aan
graanproducten gepresenteerd. De grote diversiteit in de ver-
schillende regio\'s wordt benadmkt. Als conclusie wordt ge-
steld dat wil men het welzijn van de mens verbeteren, dan
moet men zich realiseren dat dit welzijn een complex geheel
is waarin allerlei interactieve componenten zoals economie,
sociologie, politiek, moraal, wetenschap en spirituele aspec-
ten een rol spelen. Wetenschappelijk werk in de dierhouderij
levert pas een echte bijdrage aan het welzijn van de mens
wanneer de wetenschappers en de politiek zich bewust zijn
van deze aspecten.

Tot slot: dit boek is interessant voor al diegenen die op eni-
gerlei wijze betrokken zijn bij productiedieren, doordat het
aanzet tot nadenken over de bredere plaats die productiedie-
ren in westerse en niet-westerse samenlevingen inneemt.

prof. dr. E.N. Noordhuizen-Stassen

-ocr page 90-

Eind 2000 werd nog een BSE-besmet
rund geconstateerd, het derde geval
van BSE in 2000. Dit was voor
Nederland het eerste rund dat werd op-
gespoord met behulp van de snelle
BSE-test. Het rund werd bemonsterd
bij de destructor waar het onderdeel
was van de steekproef van de dode run-
deren. De monstemame bij de destmc-
tor vindt plaats door de Keuringsdienst
van Waren. In 2001 is de steekproef bij
de destmctor uitgebreid tot een volume
van ongeveer V3 van de dode runderen
van 30 maanden en ouder.

Aanscherpen regels

Een andere maatregel die is genomen
in het kader van het verbeteren van de
opsporing van besmette dieren, is het
aanscherpen van de regels omtrent de
Identificatie en Registratie van runde-
ren (I&R-regeling). De afgelopen we-
ken hebben de AID en de RVV veel
meer bevoegdheden gekregen in het
kader van de controle van de I&R-re-
geling. Ook voor de afvoer van kada-
vers naar de destmctor geldt dat de
I&R van de mnderen in orde moet zijn.
Door al deze maatregelen moeten we
binnen enkele maanden in staat zijn
om een goed inzicht te krijgen in de
werkelijke BSE-situatie in Nederland.

Geografische risico-inschatting zeer
voorzichtig

In andere EU-landen, zoals Duitsland,
Italië en Spanje, zijn in de afgelopen
weken meerdere BSE-gevallen aan het
licht gekomen, ondanks de beweringen
van de genoemde landen zelf dat ze
BSE-vrij waren. In het kader van de be-
oordeling van geografische risico\'s van
BSE in de verschillende EU-lidstaten
en een aantal andere landen in Brussel,
werden deze landen ingedeeld in de-
zelfde risicocategorie als Nederland
(Categorie 3: landen met een lage BSE-
prevalentie en landen zonder gerappor-
teerde BSE, waar hoogstwaarschijnlijk
BSE laag prevalent aanwezig is). Deze
beoordeling, die plaats heeft gevonden
gedurende 1999 en de eerste helft van
2000, heeft duidelijk gemaakt dat een
groot aantal beheersingsmaatregelen
ten aanzien van BSE in vele EU landen
niet waren ingevoerd, of niet voldoende
werden nageleefd. In het kader van de
beoordeling van deze BSE-risico\'s heb-
ben we als wetenschappers ook in hoge
mate rekening gehouden met de mate
waarin kon worden aangetoond dat de
vastgestelde regels werden nageleefd
(\'compliance\'). Dit tot grote ergernis
van de veterinaire autoriteiten van een
groot aantal landen. Achteraf bezien
moeten we constateren dat de geografi-
sche risico-inschatting van de verschil-
lende landen toch een zeer voorzichtige
inschatting is geweest. Een conclusie
die we na een paar weken testen van een

BSE-testen op 17.000 runderen
negatief

Ruim 17.000 runderen zijn in Nederland getest op BSE van 1 tot 15 januari
2001. Deze slachtrunderen van 30 maanden en ouder waren allen negatief in
de snelle BSE-test. Dit betekent dat deze runderen niet besmet waren met
hogé aantallen prionen. Het testen in Lelystad is gedurende de tweede week
soepel verlopen, vrijwel alle binnengekomen monsters bij ID hadden binnen
24 uur een uitslag. Nederland is daardoor het enige land in de EU dat in staat
is gebleken om vanaf 2 januari 2001 het slachten van oude runderen vrijwel
ongestoord te laten voortgaan. De slachterijen, de RVV en ID-Lelystad heb-
ben gedurende de afgelopen twee weken laten zien dat ze door een goede sa-
menwerking in staat zijn om deze moeilijke klus uit te voeren.

Rectificatie \'virtuele vergissing\'

Door een \'virtuele vergissing\' - namelijk door het toenemend e-mailverkeer tussen inzenders van kopij onderiing en met de re-
dactie - is bij het artikel \'Pluimveediergeneeskunde\' in de mbriek 2000 Hoogtepunten (Tijdschrift voor Diergeneeskunde, 2000;
125 (24): 763-4) onterecht dr. A.C. Voeten als auteur opgenomen. De werkelijke auteur van dit artikel is
J.C.M. van Dijck.

ID-Lelystad website
in de lucht

Sinds 10 januari 2001 heeft ID-
Lelystad een BSE-website in de lucht:
www.id.wageningen-ur.nl/bse
In deze website wordt zeer uitge-
breide achtergroridinformatie ver-
meld over Transmissible Spongiform
Encephalopathies (TSE\'s), waaronder
BSE. De volgende informatie is onder
andere te vinden:

• wat is BSE, wat zijn vergelijkbare
ziekten en wat zijn de risico\'s er-
van;

• informatie over de risico\'s in an-
dere landen;

• achtergrondinformatie over de tot
nu toe gevonden BSE-gevallen in
Nederland;

. binnenkort: schattingen over het
aantal BSE-gevallen in 2001;

• de bestrijding van BSE in Neder-
land;

• hoe wordt getest bij ID-Lelystad;

• testresultaten over de afgelopen
periode;

• BSE- en scrapie-onderzoek bij ID-
Lelystad;

• links naar onder andere weten-
schappelijke achtergrondartikelen.

beperkt aantal runderen in Europa al
kunnen trekken! De grootste manco\'s
in de verschillende landen waren: 1. het
niet goed op orde hebben van een dia-
gnostisch systeem, waardoor klinisch
verdachte mnderen kunnen worden op-
gespoord; 2. diagnostische procedures
in de laboratoria die niet geheel voldoen
aan de normen; 3. onvoldoende verwij-
dering van SRM-materiaal (specifiek-
risico-materiaal, zoals hersenen, mgge-
merg en ogen), en 4. destmctieproces-
sen die niet voldoen aan de EU-stan-
daard van 133 gedurende 20 minu-
ten, ondanks dat deze norm al vanaf
1990 in de Europese richtlijn staat.

ID-Lelystad,
Bert Urlings

-ocr page 91-

Bericliten en verslagen

Al sinds 1 januari 1998 moeten paar-
den die geregistreerd zijn bij een er-
kend stamboek een paspoort hebben.
Het gaat in de nieuwe regeling om de
veulens die na deze datum geboren
zijn. Sommige stamboeken zijn al be-
gonnen met het (verplicht) chippen
van de nieuwgeboren veulens (Fjor-
den, Friezen, Hackneys en minipaar-
den). Van een stamboekpaard ouder
dan drie jaar, kan bij het betreffende
stamboek een paspoort worden aange-
vraagd. Dit paspoort moet officieel
zijn goedgekeurd door de Europese
Unie (EU) en is bij de meeste stamboe-
ken op te vragen met behulp van een
speciaal formulier voor de dierenarts.
Verder moet een bepaald bedrag wor-
den overgemaakt en moet het originele
stamboekpapier worden meegezonden
dat de eigenaar reeds in zijn of haar be-
zit heeft.

Chip en paspoort bij wedstrijden

De Nederlandse Hippische Sportbond
(NHS) heeft per 1 januari 2001 een
chip verplicht gesteld voor deelnemers
aan wedstrijden, alsmede een bijbeho-
rend paspoort. De chip kan worden in-
gebracht door een dierenarts of een
speciaal daarvoor opgeleide paspoort-
consulent. Het nummer van de chip
(barcode) wordt vermeld op het pas-
poort dat bij de NHS verkregen kan
worden. Heeft het paard al een pas-
poort - omdat het tot een stamboek be-
hoort - dan is dit voldoende. Het barco-
denummer van de chip kan in het
paspoort worden opgenomen, na te-
rugsturen van het paspoort dat de eige-
naar reeds in bezit heeft. De NHS or-
ganiseert ook speciale chipbijeenkom-
sten (data en locaties in het blad Paard
& Sport). Verder dienen deelnemers
aan wedstrijden een startkaart van de
KNFte hebben.

Logboek voor slachtdieren

Per 1 januari 2001 moeten ook alle dier-
geneesmiddelen die aan een paard wor-
den toegediend, in een logboek worden
vermeld. Dit geldt alleen voor poten-
tiële slachtdieren. De eigenaar mag
weliswaar zelf kiezen of zijn of haar
paard slachtdier zal worden of tot ge-
zelschapsdier zal worden bestempeld.
Maar de keuze voor gezelschapsdier
geldt voor de rest van het paardenle-
ven, ongeacht ofhet dier nog van eige-
naar verandert. Enkele logboekbladen
zijn opgenomen in de meest recente
versie van het paspoort. Heeft u echter
nog een oudere versie van het pas-
poort, dan zijn er nog geen logboekbla-
den ingevoegd.

\'Overige paarden\'

Paarden die niet tot een stamboek ho-
ren en niet aan wedstrijden deelnemen,
worden voorlopig niet verplicht geï-
dentificeerd en geregistreerd, leder
paard kan vanzelfsprekend na het in-
brengen van de chip worden geregi-
streerd bij de Nederlandse Databank
voor Gezelschapsdieren (NDG). Dat is
toch nuttig in geval van diefstal. Re-
gistratieformulieren van de NDG zijn
verkrijgbaar bij de KNMvD en moeten
worden ingevuld door de dierenarts en
ondertekend door dierenarts en eige-
naar. Verder komt het paspoort ook
voor \'overige paarden\' weer in beeld,
indien medicijnen worden toegediend
en het dier is bestempeld als slachtdier.

Stand van zaken l&,R paard

Over paspoorten, logboeken en
deelname aan wedstrijden

Er i$ per 1 januari 2001 het een en ander veranderd inzake de identificatie en
registratie van paarden. Een chip en een officieel paspoort zijn verplicht ge-
steld voor paarden die aan wedstrijden deelnemen. Verder zal een eigenaar
de keuze moeten maken of zijn paard als slachtdier of als gezelschapsdier
moet worden aangemerkt. Van een zogenaamd slachtdier moet het medicijn-
gebruik in een logboek worden bijgehouden. Voortaan zijn daartoe \'logboek-
bladen\' opgenomen in het paardenpaspoort.

Door Ellen van Leeuwen

Hechtmateriaal gevraagd
voor Stichting Greyhounds
in Nood

Stichting Greyhounds in Nood Neder-
land (GINN) probeert Greyhounds en
Galgo\'s (Spaanse windhond) met na-
me in Spanje te helpen om uit hun er-
barmelijke positie te komen. De
Grey\'s worden daar gebruikt voor het
rennen en zitten in donkere, te kleine
hokjes, ze mogen alleen naar buiten
om te rennen. De Galgo\'s worden
meestal gebruikt voor de jacht. Dit is al
erg, maar als ze niet goed meer preste-
ren en aan het eind van het jachtsei-
zoen worden de meest gruwelijke mis-
daden begaan.

De honden die goed hebben gepres-
teerd worden aan een hoge boom op-
gehangen en zijn gelijk dood, maar de-
genen die slecht hebben gepresteerd
worden gemarteld. Bijvoorbeeld, wel
opgehangen, maar met hun achterpo-
ten op de grond, zodat zolang ze niet
uitgeput zijn zich nog wel in leven
kunnen houden, maar zodra ze uitge-
put raken het touw verder om hun nek
insnoert. Of ze worden in een waterput
gegooid, of er wordt accuzuur over hen
heen gegooid.

Steriliseren/castreren
Eén van de activiteiten van GINN is
het sturen van hechtmateriaal naar
Spanje, waar vrijwilligers de honden
die ze kunnen redden steriliseren, dan
wel castreren om te voorkomen dat er
met de honden gefokt wordt en dat hun
pups zo eenzelfde lot ondergaan. De
stichting roept dan ook iedereen die
hechtmateriaal gebruikt op om restjes
die anders toch worden weggegooid
voor dit doel ter beschikking te stellen.

Voor meer informatie kan contact
worden opgenomen met GINN, web-
site:
http//get.to/gin.
Alle restjes hechtmateriaal kunnen op-
gestuurd worden, liefst in de alcohol
en van goede kwaliteit naar: GINN,
Secretariaat, Maalbroek 116, 6042
KN Roermond.

Janneke Beertsen

-ocr page 92-

De Vraag en Antwoord over \'Folli-
culaire conjunctivitis\', die gepubli-
ceerd is in het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde van 15 december 2000

(Tijdschr Diergeneeskd 2000; 125:
752) is niet helemaal correct.
In het begeleidende stukje staat name-
lijk dat de gestelde vragen afkomstig
zouden zijn uit de praktijk, terwijl de
vragen afkomstig zijn van Leo
Pharmaceutical Products.
Het juist stukje is als volgt.

.............

Actua

Vraag en Antwoord \'Folliculaire conjunctivitis\' afkomstig van Leo Pharmaceutical Products

Naar aanleiding van vragen van practici op het gebied van de oogheelkunde, die zijn binnengekomen bij Led
Pharmaceutical Products bv, was dr. F.C. Stades (Hoofdafdeling Geneeskunde van Gezelschapsdieren, discipline oog-
heelkunde) bereid om voor de lezers een antwoord te formuleren.

(Immuno)Castratie en besluitvorming

\'Verdinglijking\' versus vermenselijking

dat \'respect voor de integriteit\' van die-
ren, een absolute norm is.
Het gaat erom, dat respect voor de inte-
griteit wordt afgewogen tegen de rede-
lijkheid van het doel van het diergebruik
door de mens. De Commissie Ethiek (9)
heeft onderstreept dat het dier zeker niet
uitsluitend als een instrumentele waarde
gehanteerd mag worden. Zoals mensen
in de goede zin van het woord gebruik
maken van eikaars capaciteiten, hetgeen
bij dienstverlenende beroepen zeker het
geval mag zijn mits dit eerlijk en res-
pectvol geschiedt (denk hierbij aan de
problematiek bij de samenwerking die-
renarts met bepaalde veehouders), zo
benutten ook mensen dieren, zowel de

Ingezonden

Collega L.J.E. Rutgers heeft het woord:
\'Verdinglijking\' in zijn ingezonden
brief geïntroduceerd, een woord dat
noch in de \'Dikke van Dale\', noch in het
\'Groene boekje\', noch in \'Verschue-
ren\'s Groot encyclopedisch Woorden-
boek\' voorkomt. Een nieuw woord in
verband met reflecties over castratie,
een eeuwenoud gebeuren. De os in de
Kerststal en de ets van de castreur uit
Cries of London (circa 1700) (8) getui-
gen van deze ouderdom, die overigens
nog veel verder teruggaat dan deze
voorbeelden aangeven. Met immuno-
castratie wordt géén nieuw menselijk in-
grijpen toegepast zoals dat bijvoorbeeld
het geval is met hormoontoedieningen
als BST, maar een bestaande methode
zowel ten aanzien van gezondheid, wel-
zijn als integriteit, verbeterd. Wat
Rutgers meent over mijn interpretatie
van het begrip integriteit is zijn lezing;
op allerlei manieren heb ik van eén an-
dere zienswijze getuigd (zie onder an-
dere 2,7 en 9). Wel heb ik in mijn schrij-
ven (8) willen beklemtonen dat de
begrippen gezondheid en welzijn voor-
alsnog praktischer hanteerbaar zijn dan
het, inderdaad verder reikende, begrip
integriteit. In het artikel: Welzijn-
Intrinsieke Waarde-Integriteit (2) heb-
ben Grommers, Rutgers en ondergete-
kende naar voren gebracht dat het van
belang is het misverstand weg te nemen.

zogenaamde nutsdieren als de gezel-
schapsdieren (10). Indien dit op een
menswaardige manier met respect voor
de eigenwaarde van het dier geschiedt,
is hier niets mis mee.
Rutgers (6) stelt dat met immunocastra-
tie in het \'varken-zijn\' wordt ingegre-
pen. In zoverre dit betreft het biologi-
sche systeem van de diersoort varken,
kan ik het met hem eens zijn; maar in dit
opzicht is onze hele fokkerij met keuzes
en uitsluiting van dieren voor de teelt
een ingreep in het biologische systeem.
Als je echter verder nagaat of castraten
zich nog als dieren met specifiek voor
die diersoort kenmerkende eigenschap-
pen gedragen, dan kan ik hem herinne-
ren aan de min als dressuurpaard. Ook
onze gecastreerde kater met zijn sterke
jachtinstinct getuigt, met zijn vele ge-
vangen muizen en helaas soms vogel-
tjes, en door zijn andere typische katten-
eigenschappen als het krabben aan
meubels etcetera, van zijn onuitwisbare

-ocr page 93-

ictua

kattennatuur.

Om meerdere redenen (10) hoort etho-
logie in het curriculum van de opleiding
tot dierenarts thuis.

De besluitvorming binnen de KNMvD
verdient, zeker in een periode van her-
bezinning op haar structuur (5), alle aan-
dacht.

Ook in verband met het te voeren beleid
inzake voedselproductie (7), wat uiter-
aard een economische aangelegenlieid
is, is het van belang dat men: a) weet
welke waarden in het spel zijn; b) een
juiste afweging maakt van de diverse
waarden op de toekomstgericht en in in-
ternationaal verband; c) een breed ge-
dragen visie heeft.

De specialisatie en het naar voren ko-
men van de groepen binnen de structuur
van de KNMvD, naast het verlies aan
generalisten (zie samenspel 10), kan
met zich meebrengen dat die breed ge-
dragen visie op de tocht komt.
Anonymus (1) erkent dat het uitbannen
van castreren bij biggen niet van van-
daag op morgen gerealiseerd kan wor-
den. Toch blijft het mij verbazen dat de
KNMvD (3), mede op basis van dat arti-
kel, een zo\'n ingrijpend besluit neemt.
Meloen, Urlings en Verheijden betogen
(in 4) dat het ondanks het te waarderen
ideaal van niet-castreren, realistisch is
om minstens voorlopig een betere, min-
der aantastende dan de gepraktiseerde,
castratievorm te benutten. Zelf denk ik,
zie argumentatie in mijn eerdere schrij-
ven (8), dat immunocastratie in ons hou-
derijsysteem voordelen biedt.
Men zal bij een zodanig verstrekkende
besluitvorming (3) andere partijen zoals
de veehouders moeten horen, terwijl bo-
vendien het al of niet castreren van big-
gen niet zomaar uit het totale castratie-
fenomeen gehaald kan worden. Het zou
zeer vreemd zijn als binnen de Europese
eenwording vlees van borgen, afkom-
stig uit andere landen, met een goedko-
per prijskaartje op de grootwinkelschap-
pen zou prijken.

Om een brede visie binnen de KNMvD
te bevorderen lijkt het me goed dat voor-
stellen van de Commissie Ethiek recht-
streeks in het Tijdschrift voor Dierge-
neeskunde geplaatst worden.
Met de foto\'s wil ik illustreren dat het
samenspel van mens en dier ook met
castraten mogelijk is.
Met twee benen op de grond een ideaal
na blijven streven is niet eenvoudig. Het
leven is complex, maar juist daarom zo
verwonderlijk en uitdagend.

JosM. Wijsmuller

Literatuur

1. Anonymus. Castratie van varltens: doen of la-
ten? Tijdschr Diergeneeslcd 1999; 124: 584-6.

2. Grommers FJ, Rutgers LJE en Wijsmuller JM.
Welzijn-Intrinsieke Waarde-Integriteit. Tijd-
schr Diergeneeskd 1995; 120:490-4.

3. Joma Tj. Afwijzing immunocastratie biggen.
Tijdschr Diergeneesk 2000; 125:68.

4. Meloen RH. Uriings HAP en Verheijden
JHM. Immunocastratie als altematief voor
chirurgisch castreren. Tijdschr Diergeneeskd
1999; 124:693.

5. Ruijter T de. Gelukkig nieuwjaar. Tijdschr
Diergeneeskd 2001; 126:24.

6. Rutgers LJE. Immunocastratie een stap verder
in de \'Verdinglijking\' van het varken. Tijdschr
Diergeneeskd 2001; 126: 16-7.

7. Wijsmuller JM. Draagvlak voor het Welzijn
van dieren. Tijdschr Diergeneeskd 1994; 119:
678-9.

8. Wijsmuller JM. Immunocastratie? Tijdschr
Diergeneeskd 2000; 125:685.

9. Wijsmuller JM. Mededelingen Commissie
Ethiek. Tijdschr Diergeneeskd 1994; 119:
382.

10. Wijsmuller JM. Samenspel. Tijdschr Dierge-
neesk 1995; 120: 372-3.

Verdinglijking

In één van zijn kolderieke \'Adriaan
en Olivier\' boeken laat Leonhard
Huizinga iemand kijken \'met de
treurige ogen van een os, die temg-
denkt aan gelukkiger dagen, toen
hij nog geen os was\'.
Daar kim je dan even om grinniken.
Minder te lachen valt er wanneer,
zoals collega L.J.E. Rutgers in zijn
ontboezeming
Immunocastratie een
stap verder in de \'verdinglijking\'
van het varken
in het laatstversche-
nen Tijdschrift (1-1 -2001) aanhaalt,
iemand uit onze kring de gedachte
achter de bovenstaande gekheid
kennelijk serieus genoeg heeft ge-
nomen om zich te verdiepen in de
vraag of dieren zich bewust zouden
herinneren hoe hun gevoelens (!!)
vóór de castratie waren. Want dat is
pure waanzin, nog afgezien van de
vraag hoe een als jonge big gecas-
treerde beer zich seksuele gevoe-
lens zou moeten herinneren die
nooit kunnen hebben bestaan.
Wat maakt men zich overigens
dmk om de \'integriteit\' van
slacht-
dieren,
welker besteinming het is,
doodgemaakt en vakkundig ge-
sloopt te worden, waama hun on-
derdelen als koopwaar in de winkel
komen te hangen of te liggen. Het
van de agrarische productie ver-
vreemde \'publiek\' associeert die
koopwaar nauwelijks nog met ooit
geleefd hebbende beesten. (In dit
verband: men spreekt ook niet van
\'met hormonen behandelde dieren\',
maar van \'met hormonen behan-
deld vlees\' of liever nog \'hormo-
nenvlees\'.) Dat lekkers in de win-
kel is de ultieme \'verdinglijking\',
waarbij het wegnemen of buiten
werking stellen van de gonaden in
het niet valt!

Laten wij alsjeblieft onze veteri-
naire nuchterheid bewaren en niet
in ouwejongejufferssentimentali-
teit vervallen!

Met vriendelijke groeten,
R. Strikwerda

-ocr page 94-

.âÛULm

Ontwikkelingen bij de farmaceutische industrie

F.W.OrtheP

De farmaceutische industrie maakt al lang een gestage ontwikkeling door.
Farmaceutische producten vergen een lange ontwikkelingstijd. Soms is een
bepaalde doorbraak nodig om goéd vérder te kunnen gaan. De ontwikkeling
is nog steeds in volle gang.

De voortgang van de farmaceutische industrie laat zich schetsen vanuit ver-
schillende gezichtspunten. Van buiten kijken we aan tegen de farmaceutische
bedrijven en het uiterlijk van de producten. Binnen de bedrijven en op de ach-
tergrond is er de groei van wetenschappelijke kennis, inzichten en methoden.
Daarmee hangt samen wanneer een bepaalde soort producten op de markt ge-
bracht kon worden.

Bedrijven: de wereldleiders

Meer dan ooit tevoren vinden er thans
grote wijzigingen plaats in de samen-
stelling van de bedrijven. Allerlei van-
ouds bekende namen verdwijnen of ver-
anderen, in het algemeen zonder dat hun
activiteiten verdwijnen. Dit laat zich de-
monstreren met tabel 1. Hierin staat de
huidige top tien wat betreft wereldwijd
marktaandeel zoals die te vinden was in
het Robeco Advies Nieuws in het maga-
zine SAFE van september 2000. Aan
die lijst is toegevoegd het jaar van ont-
staan van de oudste component-firma en
de laatste stap waarmee het bedrijf evo-
lueerde. Deze tien bedrijven hebben dus
bijna de helft van de markt. De meeste
zien er wel bekend uit, zij het dat som-

mige zich met niet minder dan met drie
namen laten aanduiden. Dan hebben
Aventis en Novartis het interessanter
aangepakt door hun nieuwe groep een
nieuwe naam te geven. De helft deed
een grote stap in de afgelopen twee jaar.
Bij American Home Products is te zien
dat het niet alleen gaat om groter wor-
den, maar ook om het bereiken van een
optimale structuur. De oudste oorsprong
is de Engel Apotheke in Darmstadt uit
1668, die voerde tot Merck, nog steeds
in Darmstadt, maar overvleugeld door
de Amerikaanse afsplitsing MSD.
Het is interessant te zien hoe gecom-
pliceerd de ontwikkeling tot zo\'n groot
geheel kon verlopen. Daartoe geef ik
in tabel 2 de geschiedenis van Aventis.
Bayer en BASF zijn vermeld vanwege
hun samengaan met Höchst in het
nazi-afhankelijke IG Farben, na de
oorlog weer opgesplitst hetgeen zes è
zeven jaar kostte.

Tabel i. Wereldwijd top 10 Farmacie.

Firma

% Marlet-
aandeel

Oudste oorsprong

Laatste ontwikkelingsstap

Glaxo SmithKline

7,3

1830: Smith

2000: SmithKline Beecham

Glaxo Wellcome

PfizerAVaraer

6,0

1849:Pfizer

2000: Pfizer Warner Lambert

Lambert

Merclc

4,3

1668: Engel Apoth.

1953: Merck USA Sharp &

Dohme

AstraZeneea

4,2

1913:Astra

1999: Astra Zeneca (=deel ICI)

Aventis

4,2

1863: Meister, Lucius&Co

1999: lifesciences Rhône-Poulenc

Hoechst

Novartis

4,2

1758:Geigy

1996: CibaGeigy Sandoz

Bristol-Myers Squibb

3,9

1856: Squibb

1989: Bristol-Myers Squibb

Johnson&Jolinson

3,6

<1900:Johnson

1999: Centocor (monoclonale

antilichamen)

American Home

3,1

l860Whitehall-Robins

2000: Cyanamid Agricultural naar

Products

BASF

Roclie

3,1

1896: Hoffman-LaRoche

1990: Genentech, 1994: -^Syntex

43,9

\' Voorheen medewerker Intervet, Boxmeer.

Bedrijven: de jongsten

Het is algemeen bekend dat de opkomst
van genetic engineering met DN A-re-
combinatie aanleiding was tot het op-
richten van gespecialiseerde bedrijven
en bedrijQes, waarvan sommige tot de
farmaceutische sector gerekend kunnen
worden. Eén van de oudste is het in
1976 opgerichte
Genentech. Het produ-
ceerde als eerste een menselijk eiwit
(somatostatine,) in een micro-organis-
me, E. coli. Centocorbegon niet veel la-
ter, in 1979. Het brengt producten op
basis van monoclonale antilichamen.
Zoals boven getoond zijn Genentech en
Centocor nu in bezit van respectievelijk
Roche en Johnson&Johnson.
Celera
Genomics
is opgericht in 1998 om in-
formatie over genomen te verkrijgen en
op de markt te brengen, die het begrij-
pen van biologische processen kan ver-
snellen. De naam is dan ook afgeleid
van het Latijnse celer = snel. Het bedrijf
beconcurreerde het Human Genome
Project, waarover Celera en HGP laatst
gezamenlijk de eerste resultaten meld-
den, waarbij Celera de sequenties dus
niet alleen maar voor zichzelf houdt.
Bionieuws van 28 oktober zegt dat
Celera eerder die maand bekend heeft
gemaakt dat zij 95% van de basenvolg-
orde van de muis kennen. Men kijkt
meteen naar een stuk of drie muizen-
stammen. Het gaat inderdaad snel.

Nederlandse bedrijven

Na dit intemationale overzicht is een
blik op de historie van enkele farma-
ceutische industrieën van eigen bodem
op zijn plaats, te beginnen met
Gist-
Brocades
in tabel 3.

Organon is opgericht in 1923 om de
mogelijkheden van orgaanafval uit
Van Zwanenberg\'s Slachterijen en
Fabrieken NV te Oss voor de bereiding
van geneesmiddelen te benutten. Nog
in 1923 kon de bereiding van insuline
uit pancreasweefsel aanvangen.
Insuline werd gevolgd door andere
hormonen en vitamines. Geleidelijk
werd het productenspectmm aanzien-
lijk verbreed tot gynaecologie (de pil),
psychiatrie, cardiovasculair en immu-
nologie (1973: lancering EIA=
ELISA=enzyme [linked] immuno
[sorbent] assay). Over de entrée tot het

-ocr page 95-

Tabel 2. Geschiedenis van Aventis.

1994

1897

Institut Biologique
Mérieux
Laboratoria
med. Anal.,
en productie

1952

MKZ-vaccin
van Charles
Mérieux
redt 6 miljoen
dieren

1968

Rhône-Poulenc

eigenaar
51% van
Mérieux

1985

Samengaan
van Institut
Mérieux en
Institut Pasteur
Production

1989

Stichting van
Pasteur Mérieux
Serums &
Vaccins

1989

Pasteur Mérieux
verwerft Lab.
Connaught

Pasteur Mérieux
Connaught
100% van
Rhône-Poulenc

Institut Pasteur.

Institut Pasteur Production

1999

Aventis=
Combinatie
life-sciences
van Rhône-
Poulenc en
Hoechst

1978

Connaught filiaal in USA

1914

Toronto: Laboratoires Connaught

1863

Meister, Lucius
& Co. gesticht
in
Höchst am
Main

Kleurstoffen

1883

ook genees-
middelen:
Antipyrine

±1922
Höchst
gaat insuline
produceren

1916
kartel
van

Höchst,

Bayer,

AGFA,

BASF

en nog vier

1925

kartel wordt
IG Farben
1945

ontbonden

1951

Heroprichting

Hoechst

AG

1995

koopt USA
farm firma
Marion Merrell

1999
Hoechst
Animal
Health naar
Intervet

1995

Behringwerke
in Hoechst
Marion Roussel

1863

Friedrich Bayer
& Co. gesticht:
Kleurstoffen

1899
Aspirine

1939

Domagk

Sulfonamiden

1951

Heroprichting
Bayer

1987

antibioticum
Ciprobay

Activiteiten in

gezondheid, plantenbescherming,
diergezondheid, kunststoffen,
chemie

1865

Badische Anilin & Soda-Fabrik gesticht
Kleurstoffen
(BASF)

1952

Heroprichting
BASF

Activiteiten in chemicaliën, plastics, olie, vezels, verven,
gezondheid & voeding o.a. Knoll geneesmiddelen

gebied psychiatrie bestaat een aardige
anekdote: een nieuwe stof was toe aan
klinische proeven op een heel ander
gebied, het viel de onderzoekers op dat
de proefpersonen zo goed gehumeurd
waren, bij nader onderzoek bleek dat
men een uitstekend antidepressivum in
handen had.

Kon. Zwanenberg-Organon (KZO) ging
in 1967 samen met Kon. Zout-Ketjen tot
Kon. Zout-Organon (opnieuw KZO) en
dat KZO twee jaar later met de
Algemene Kunstzijde Unie tot Akzo en
Akzo op zijn beurt in 1994 met het
Zweedse Nobel tot Akzo Nobel. Hierin
is Organon één van de business units met
een hoge graad van zelfstandigheid.
Duphar kwam voort uit onderzoek
voor de ontwikkeling van een ultra-
violet (UV) lamp door Philips in Eind-
hoven. Er werd een methode uitge-
werkt om met behulp van UV-licht
vitamine D te produceren uit ergoste-
rol. Met de chocoladefabrikant Van
Houten werd in 1930 de NV Philips-
van Houten Pharmaceutische Produc-
tenmaatschappij te Weesp opgericht.
Men produceerde Dohyfral, een vita-
mine D-tablet met een laagje choco-
lade. Door tegenvallende resultaten
stapte Van Houten er in 1935 uit. Phi-
lips ging door en vond een veterinaire
toepassing voor het synthetische vita-
mine D. Na de Tweede Wereldoorlog
werd het bedrijf hoofd-industriegroep
met als taakstelling \'bevordering van
de gezondheid van mens, dier en
plant\'. De naam Philips-Duphar is van
1958. Er kwam afzet van veterinaire
vaccins naar Japan tot stand. In 1967
werd de structuur gewijzigd in 1)
Farma, 2) Fyto, 3) Biochemie en 4)
Veterinair, met influenzavaccin voor
het paard (ook voor de mens), vaccins
voor pluimvee, honden en katten, vita-
mines en plantbeschermingsmidde-
len.

De Amerikaanse tak Philips-Roxane
ging naar Boehringer Ingelheim. Dup-
har ging in 1980 naar Solvay, waar het
nu Solvay Pharmaceuticals BV heet.
Solvay verkocht Duphar\'s Animal
Health aan Fort Dodge van American
Home Products in 1997.
Pharming werd gesticht in 1988 als
Genfarm, onderdeel van het Ameri-
kaanse GenPharm Intemational. In
1995 werd het zelfstandig en kreeg het
de naam Pharming. Dit is het voor-
beeld van een biotech bedrijf van eigen
bodem. Het is gespecialiseerd in trans-
gene dieren, die de gewenste stof in
hun melk uitscheiden. Zij verkregen in
1990 de stier Herman, die het gen voor
menselijk lactoferrine kon overdragen
op zijn nageslacht, dat op haar beurt
dat eiwit in de melk had. Later meer
hierover.

Veterinaire bedrijven

Na deze opsomming van farmaceuti-
sche bedrijven, die soms ook veteri-
naire activiteiten ontplooien, is het in-
teressant aandacht te besteden aan
bedrijven die zich specifiek toeleggen
op de veterinaire markt.
In 1997 hebben Merck and Co. en
Aventis hun animal health-operaties
samengevoegd tot het zelfstandige be-
drijf
Merial, waarvan beide stichters ei-
genaars zijn. Het bedrijf houdt zich be-
zig met diergeneesmiddelen en vaccins.
Het is bovenal interessant dat juist in
ons eigen land betrekkelijk lang gele-
den twee firma\'s als echt veterinair ge-
richt bedrijf zijn opgericht. Met de ge-
schiedenis van deze twee bedrijven wil
ik dit overzicht afsluiten.
In 1933 richtte Dr. de Zeeuw in De Bilt
een laboratorium op dat einde jaren der-
tig de bekende naam
Laboratoria Dr. de
Zeeuw
kreeg. Het deed aanvankelijk
vooral diagnostiek. Er werd Salmonella
pullorum-antigeen gemaakt waarmee
De Zeeuw rondreisde om pullorum-on-
derzoek te doen voor de veevoederin-
dustrieën. Er werden ontsmettingsmid-
delen en chemothera-peutica verkocht,
na de oorlog sulfonamiden. Er kwamen
een filiaal in België en enkele deelne-
mingen. In 1934 was al gedroogde ent-
stof tegen pokken op de markt gebracht.
Vanaf 1958 begon de succesvolle intro-

-ocr page 96-

ductie van allerlei pluimvee-vaccins. In
1969 trok De Zeeuw zich terug uit het
bedrijf, dat werd overgenomen door
Gist-Brocades met behoud van zijn
naam. Alle veterinaire verkoop van Gist-
Brocades gebeurde verder door Ver-
koopmaatschappij De Zeeuw, later
Mycofarm genoemd. De introductie van
vaccins ging voort, niet alleen voor
pluimvee maar ook voor varkens. In
1989 stootte Gist-Brocades de veteri-
naire activiteiten af, die werden voort-
gezet door Intervet. Mycofarm en de
productiefaciliteiten in De Bilt functio-
neren nog steeds.

In 1949 kocht Hendrix\' Pluimvee- en
Veevoederfabriek in Boxmeer het
farmaceutische bedrijlje Nobilis Han-
delsonderneming en werd zo \'Fabri-
kant-Groothandelaar\' van farmaceuti-
sche artikelen. Hendrix wilde gaan
voorzien in het gebrek aan geneesmid-
delen ter voorkoming en behandeling
van pluimveeziekten. Richter\'s vaccin
tegen pokken-difterie van het nieuwe
Laboratoria Nobilis leidde een lange
reeks pluimveevaccins in, pas veel la-
ter gevolgd door vaccins voor kleine
huisdieren, varkens en mnderen. Ter-
wille van de continuïteit bracht Hen-
drix Nobilis in 1961 onder bij Kon.
Zwanenberg-Organon, dat daaraan in
1964 de handelsfirma Verapharm toe-
voegde. Als basis voor de intematio-
nale doelstellingen kreeg Nobilis in
1969 de naam
Intervet International.
De hormonen van Organon en de mas-
titisproducten van Verapharm waren
een goede aanvulling bij de vaccins
van Nobilis. In 1971 werd het Engelse
Poultry Biologicals verworven dat een
zeer bmikbaar Marek-vaccin had ont-
wikkeld. Tegen 1980 bracht Intercon-
tinental Biologies een entrée naar de
USA. De veterinaire activiteiten van
Gist-Brocades werden overgenomen
in 1989. In 1999 volgde de veterinaire
afdeling van Hoechst.

Tabel 3. Geschiedenis van Gist-Brocades.

1869

Kon. Ned. Gist- en

Spiritusfabriek

Bakkersgist

1897-1926

uitbreidingen

±1945

antibioticaproductie,
farmaceutische
specialité\'s en
veterinaire prep.

1967

Gist-Brocades

1969

Brocacef: Farmaceutische
groothandel van GB en
A\'dam Chemie Farmacie

1989

Brocacef 100% van
ACF; ACF heet
thans Brocacef

1969

Lab. Dr. de Zeeuw naar Gist

1989

Vet. activiteiten
. naar Intervet.......

• <1800......

Apotheek
W. Brocades
in Meppel

1927 ......

Kon. Pharm. Fabr. v/h
Brocades Stheeman &
Pharmacia

1998

Gist-Brocades naar DSM

Kon. Pharmaceutische
Handelsvereeniging

1902

Staatsmijnen

1965-1973:
Einde kolenmijnen

Vanaf 1970
Ontw. chemie

DSM

i) De NRC van 26 september 2000 meldt dal het Duitse Phoenix Pharmahandel & Co Brocacef overneemt.

Presentatie van producten

Vroeger waren er weinig of geen voor-
schriften voor de presentatie van een
product. In het Roche Magazine vond
ik het voorbeeld van het opium alka-
loïden-preparaat Pantopon. Het werd
op de markt gebracht in 1909. De
vloeistof voor injectie bevindt zich in
mooi dichtgesmolten ampullen. Op
ampul en doosje is te lezen dat er I.I
ccm=cm^ in een ampul zit en dat 1 ccm
0.02 g Pantopon bevat. Ik denk dat te-
genwoordig veelal zal worden afge-
vuld in flesjes, ook voor afvullingen
van de orde van I ml, omdat flesjes ge-
makkelijker te reinigen en te sluiten
zijn dan ampullen. Ongetwijfeld is am-
pullen toesmelten tegenwoordig ook
geautomatiseerd, dus als de keuze voor
een ampul belangrijk is zal die keuze
gemaakt worden.

Het uiterlijk van de verpakking wordt
verder bepaald door het etiket. Dat is
tegenwoordig heel wat gecompliceer-
der dan in 1909. Om standaardisering
te bereiken op de Europese markt zegt
de EU precies wat erop moet staan, na-
der ingevuld door een voorschrift van
de EMEA, het European Agency for
the Evaluation of Medicinal Products,
kort weergegeven in tabel 4. Op am-
pullen kan volstaan worden met de *
gemerkte gegevens, de rest moet wel
op het doosje staan. Vanzelfsprekend
is ook nauwkeurig voorgeschreven
wat er in de bijsluiter moet staan.

Ontwikkeling van kennis

Een blik op de gegevens over de histo-
rie van grote bedrijven geeft een indmk
van de ontwikkeling van de mogelijk-
heden om een bepaalde soort producten
te maken. Ik had naast tabel 2 de be-
schikking over vergelijkbare overzich-
ten van de andere negen groten.
Waar de oorsprongsfirma niet meteen
farmaceutisch georiënteerd was, hield
die zich vaak eerst bezig met kleurstof-
fen (ICI = Imperial Chemical Indus-
tries; Meister, Lucius &Co; Geigy).
Höchst en Sandoz produceerden beiden
al eind negentiende eeuw het koorts-
remmend middel antipyrine, en Bayer
aspirine. Roche en Organon begonnen
met extracten uit planten of dierlijke or-
ganen. Tegen het einde van de Tweede

Tabel 4. Inhoud EU.etil<et

Naam *

Gehahe aan actieve stof(fen) per dosis*
Farmaceutische vorm

Verpakkingsgrootte (doses per verpakking)
Diersoort waarvoor bestemd
Indicatie(s)

Manier en weg(en) * van toediening
Wachttijd (indien bestemd voor voedsel
voor de mens)

Waarschuwingen en voorzorgen

Einde bewaarbaarheid *

Voorzorgen bij verwijderen ongebruikt

product en restanten

\'Alleen voor gebruik bij dieren:\' *

\'Houd buiten bereik van kinderen\'

Naam en adres van verkoper en fabrikant

Toelatingsnummer

Batchnummer *

-ocr page 97-

Wereldoorlog hadden vier firma\'s mas-
saproductie van penicilline (Pfizer, ICI,
Bristol-Myers, Squibb). Meerdere fir-
ma\'s kochten zich recent in op het ge-
bied van biotechnologie of zorgden zelf
voor ontwikkeling in die richting.

Planten

Al vele eeuwen gebmikt de mensheid
planten om de gezondheid of het welbe-
vinden te bevorderen of te herwinnen.
Er zijn Egyptische recepten gevonden
van 3,5 millennia geleden. Die kennis
wordt interessant voor de ontwikkeling
van modeme geneesmiddelen als men
de actieve stof van zo\'n plant weet te
vinden. Uit het kruidenboek van
Schwitter en Furlenmeier doe ik een
kleine greep voor enkele voorbeelden.
Valeriana officinalis, de ook in Neder-
land voorkomende Echte Valeriaan
met zijn rose bloemschermen. Het
Se-
dativum Valdispert bestaat uit het ge-
droogde wortelextract. De sedatieve
werking berust op de aanwezigheid
van twee isomeren van valeriaanzuur.
Colchicum autumnale, de zeer giftige
Herfsttijloos, een Liliacea met een
knol, bloeit in de herfst met crocusach-
tige bloemen en draagt blad en vrucht
in het voorjaar. De plant werd toe-
gepast tegen jicht in de 16^ eeuw. Het
Colchicum-alkaloïde is colchicine.
Het is ontdekt in de plant in 1819, maar
in 1949 was de structuur nog niet op-
gehelderd. Die is dan ook merkwaar-
dig, want de stof heeft een koolstofrin-
genstelsel met een zesring en twee
zevenringen. Karlson
et al. schrijven
de werking van Colchicum op jicht toe
aan blokkering door het colchicine van
de vorming van de microtubuli in de
fagocyten, die dan de urinezuurkristal-
len niet fagocyteren. Colchicine staat
al lang bekend als mitose-remmer. Het
kan mutaties en polyploïdie veroorza-
ken en wordt toegepast in de celbiolo-
gie.

Rhamnus frangula: het Sporkehout.
De werking van rhamnus-bast als la-
xeermiddel werd al in 1305 beschre-
ven. De actieve stoffen chrysofaan-
zuur, frangula-emodine en het glyco-
side daarvan zijn nauw verwante an-
trachinonen.

Atropa bella-donna: Wolfskers, uit de
Nachtschadefamilie. De naam bella-
donna volgt uit de toepassing van het
sap van de bes van deze zeer giftige
plant om de ogen te verfraaien door
verwijding van de pupil. Het alkaloïde
atropine werd in 1831 voor het eerst uit
de wortel van deze plant geïsoleerd.
Het is een ester van tropine en troop-
zuur. De achtergrond van de pupilver-
wijding is de activiteit van atropine als
acetylcholinesterase-remmer. Het ver-
stoort dus de cyclus van de neurotrans-
mitter acetylcholine en heeft dan ook
nog veel meer neurologische effecten.

Werkzame stoffen

De gegeven voorbeelden laten zien hoe
er sinds mensenheugenis gebmik is ge-
maakt van de werkzaamheid van aller-
lei planten. De nieuwsgierigheid die
ook ons eigen is, heeft al vroeg geleid
tot de ontdekking van die werkingen,
waarschijnlijk af en toe met het verlies
van de nieuwsgierige als gevolg. Ver-
volgens zijn er aftreksels van die plan-
ten gevonden die de werking bezaten.
Later was de beurt aan de scheikundi-
gen die daamit gezuiverde stoffen met
die werking konden bereiden en, op ba-
sis van wat al bekend was, de chemi-
sche structuren hebben bepaald. Mijn
\'Organic Chemistry\' van Karrer van
1950 staat vol met stmctuurbewijzen
van natuurstoffen.

De farmaceutische industrie kan in elke
fase van dit proces met een product ko-
men. De homeopathische geneesmid-
delen worden nog altijd bij voorkeur uit
plantenmateriaal bereid. Voor de berei-
ding van de overige geneesmiddelen
wordt in de eerste plaats naar chemi-
sche synthese gegrepen. Daarbij is de
syntheseroute toegespitst op specifici-
teit - zo veel mogelijk van de gewenste
stof en zo weinig mogelijk van andere
stoffen - en op kwantiteit.
De mogelijkheid hiertoe is ook ver-
worven door noeste arbeid. Ureum,
ontdekt in urine in 1773, werd in 1828
gesynthetiseerd door Wöhler. Samen
met de in 1824 door hem gerealiseerde
synthese van oxaalzuur was dit de eer-
ste \'kunstmatige\' vorming van een stof
die normaal gevormd wordt door le-
vende organismen. Men meende wel
dat de \'levenskracht\' nodig is voor de
vorming van stoffen van het levende
organisme. Deze syntheses begonnen
dat te ontzenuwen. Een ingezonden
stuk in het Chemisch2Weekblad van
21 oktober wijst er echter op dat de
toen onbekende bijdrage van de enzy-
matische katalyse in de vorming van
die stoffen thans gezien kan worden
als de levenskracht.
Geleidelijk werden voor vrijwel alle
stoffen syntheseroutes gevonden. Voor
de organisch chemicus is de stmctuur
van een stof definitief bewezen door
middel van de synthese uit de afzon-
derlijke elementen, in de praktijk uit
volledig bekende stoffen. Daartoe
moet men echter eerst een goede hypo-
these voor die stmctuur hebben. Men
kan beginnen met het bepalen van de
empirische formule, die zegt hoeveel
atomen van de verschillende elementen
er per molecuul aanwezig zijn, bijvoor-
beeld C22H25NO5 voor colchicine.
Hierboven noemde ik al stmctuurbe-
wijzen. Die bemsten op het onderwer-
pen van de te onderzoeken stof aan be-
paalde reacties waarvan het effect op
andere stoffen goed bekend is. De
stmctuur van de gevormde producten
wordt bepaald. Dat geeft samen met de
empirische formule informatie over de
stmctuur van de te onderzoeken stof

Zuiverheid

Een vereiste daarbij is wel dat de te on-
derzoeken stof zo zuiver mogelijk is.
Van oudsher geeft de bepaling van
kook- of smeltpunt een maatstaf voor
de zuiverheid. Tegenwoordig staan
daamaast technieken ter beschikking
waarmee de zuiverheid veel gemakke-
lijker aangetoond kan worden. Daarbij
denk ik vooral aan verschillende vor-
men van chromatografie.
Bij de chromatografie neemt men een
dragermateriaal, brengt het te onder-
zoeken monster op aan het ene uit-
einde en laat dan een oplosmiddel door
of langs de drager stromen. Elke stof
loopt mee met een karakteristieke
snelheid. Als de bestanddelen uit het
monster verschillende kleuren hebben
is onmiddellijk zichtbaar waar zij zich
bevinden. Daaraan ontleent de chro-
matografie haar naam. Anders is een
andere detectiemethode nodig. Als op
slechts één plaats stof wordt aangetrof-
fen, neemt men aan dat het een zuiver
monster betreft. In de keuze van dra-
gers en oplosmiddelen heeft een hele
evolutie plaatsgevonden.
Later kwam de gaschromatografie op
waarbij een gasmengsel de rol van op-
losmiddel vervult en speciale capillaire
kolommetjes tot superieure scheidin-
gen leiden. De uit de kolom tredende
componenten worden gedetecteerd om
de scheiding vast te stellen.
Een bijzonder succes was de invoering
van de HPLC = high performance li-
quid chromatography. Hiermee kun-
nen zeer kleine monsters (minder dan
I mg) zeer snel (enkele minuten) heel
goed gescheiden worden. Deze tech-
niek wordt ook veel gebmikt voor
kwantitatieve bepaling van gehaltes
actieve stof in geneesmiddelen. Daar-
bij wordt dan tevens informatie ver-
kregen over de mate van afwezigheid
van ongewenste stoffen.

-ocr page 98-

Als de onderzochte stof niet voldoende
zuiver blijkt moet die (verder) gezui-
verd worden. Dit zal vaak gebeuren met
behulp van klassieke methodes waar-
over ik nu niet zal uitweiden. Wel wil ik
wijzen op de preparatieve chromatogra-
fische methoden. Daarbij wordt het-
zelfde gedaan als reeds beschreven,
maar op grotere schaal. De uit de kolom
stromende vloeistof wordt verzameld in
fracties en men gaat na in welke frac-
tie(s) de zuivere stof zit.

Structuur

Na deze beschouwing over de chroma-
tografie kom ik terug bij de vaststelling
van de structuur van een stof die men op
grond van activiteitsonderzoek graag
wil synthetiseren. In plaats van de klas-
sieke, bestaan daarvoor allerlei nieu-
were methoden. De absorptie van licht
van een bepaalde golflengte zegt iets
over de aanwezigheid van een structuur-
element in het molecuul. Die absorptie
wordt gemeten met een spectrofotome-
ter. Spectrofotometers voor het zicht-
bare, het ultraviolette of het infrarode
gebied worden onderscheiden, omdat
elk gebied specifieke eisen stelt aan de
apparatuur. Deze volgorde is de histori-
sche en hangt samen met de moeilijk-
heid van de ontwikkeling van de appara-
tuur. Infraroodspectra bevatten relatief
veel informatie over de structuur.
Ook kan men een massaspectrum ma-
ken. Dat laat zien welke massa frag-
menten van de te onderzoeken stof
hebben. Dat zegt op zijn beurt iets over
de structuur van die stof
Tot de nieuwste technieken behoort de
nucleaire magnetische resonantie
(NMR) spectroscopie. Het benodigde
instrument bevat een flinke tot zware
magneet. De bevindingen zeggen iets
over de posities van de waterstofato-
men in de te onderzoeken stof Dit gaat
nauwkeuriger naarmate het inagneet-
veld sterker is, waarvoor een zwaarder
magneet nodig is. Dat het hier geen al-
ledaagse instrumenten betreft moge
blijken uit een column in het Che-
misch2Weekblad van 21 oktober. In
Leiden werd met veel ceremonieel
vertoon de nieuwe ultra-hoog-veld
\'wide bore\' NMR spectrometer in ge-
bruik genomen, prijs 5 miljoen Euro.
Samen met de empirische formule le-
veren dergelijke bevindingen een hy-
pothese voor de structuur.

Syntheses: organische chemie

Organische syntheses zijn al geruime
tijd goed bekend. De vernieuwing zit
hier in het geleidelijk beter slagen in de
synthese van stoffen met grotere en
meer gecompliceerde moleculen, in
het vinden van meer efficiënte routes
met minder stappen en de toepassing
van methoden die subtieler met de
stoffen omgaan. De opschaling van
een in het laboratorium geslaagde syn-
these tot fabrieksschaal vergt ook weer
onderzoek waarvoor veelal een flexi-
bele proeffabriek aanwezig is.
Voor de industriële synthese van
Ste-
roidhormonen of van kunstmatige Ste-
roidhormonen was het belangrijk om in
plaats van cholesterol of galzuur uit
dieriijk materiaal uit te gaan van het
diosgenine. Het wordt verkregen uit het
glycoside dioscine, dat gunstig gewon-
nen wordt uit de wortelstokken van
Mexicaanse soorten van het plantenge-
slacht Dioscorea. Hier ligt trouwens de
oorsprong van het bedrijf Syntex en ook
van het bedrijf Diosynth, dat tegen-
woordig de Akzo-Nobel business unit
voor grondstoffen voor geneesmidde-
len is. In sommige stappen van de syn-
these van
Steroidhormonen worden
schimmels gebruikt, die enzymen be-
zitten die de gewenste wijziging van het
Steroid efficiënt realiseren.
Een hoofdstuk apart is de synthese van
peptiden. Er zijn diverse peptide-hor-
monen. Vaak is het interessant om die
te kunnen synthetiseren in plaats van te
extraheren uit dierlijk materiaal. Het
gaat dus om kortere of langere ketens
van aminozuren, verbonden door de
peptidebinding. Ook hier is het nodig
om eerst de structuur te kennen voordat
aan een gerichte synthese begonnen kan
worden. Om de keten te synthetiseren
helpt het niet om alle benodigde amino-
zuren bijeen te voegen, want dan pakt
elke - NH2 de eerste - COQH die hij te-
genkomt. Als we drie verschillende
aminozuren bij elkaar gooien zal er een
mengsel ontstaan van alle negen denk-
bare dipeptiden, zes denkbare tripepti-
den en ook nog wat hogere peptiden.
Daarom wordt de chemische synthese
verricht onder afscherming van reac-
tieve groepen. Elke afscherming is een
aparte stap in de synthese. Men laat al-
leen die groepen vrij die men wil laten
koppelen. Van het product worden die
beschermende groepen die men kwijt
moet verwijderd, voor elke soort groep
weer een stap. Tussendoor kunnen nog
zuiveringen of concentraties nodig zijn.
Zo worden de nonapeptiden oxytocine
en
Vasopressine gesynthetiseerd. Door
kleine variaties aan te brengen in de sa-
menstelling van het synthetische
Vaso-
pressine, konden aanzienlijke verho-
gingen worden bereikt van de vaso-
constrictorische ten opzichte van de an-
tidiuretische activiteit. Het peptide dat
bestaat uit de eerste 24 aminozuren van
de 39 die samen ACTH vormen, bezit
de volle ACTH-activiteit. Het wordt
ook zo gesynthetiseerd. Er zijn 80 stap-
pen nodig. Het is duidelijk dat heel veel
ervaring moest worden opgebouwd
voordat deze syntheses industriëel mo-
gelijk werden.

Op het gebied van de antibiotica zijn
weer andere geschiedenissen te vertel-
len, die ik hier achterwege laat. Ik ver-
meld hier alleen dat meestal wordt uit-
gegaan van een schimmelcultuur in
fermentoren van duizenden liters in-
houd.

Het is allang gebruik om grote aantallen
verbindingen te synthetiseren in kleine
hoeveelheden en die te screenen op bio-
logische activiteiten. Dit neemt steeds
groter vormen aan. In 1987 werd het
Nederlandse SPECS and BIOSPECS
opgericht. Het onderhoudt een wereld-
wijd netwerk van wel 20.000 weten-
schappers van wie het verzamelingen
verbindingen verwerft. Daaruit kiest het
op verzoek of op eigen initiatief de mo-
leculen met de beste verwachting als ge-
neesmiddel voor massa-screening. In-
middels hebben zij zo\'n 2.2 miljoen
chemische verbindingen verwerkt, meer
dan een miljoen geleverd, waarvan er
200.000 op voorraad staan (Chemisch2-
Weekblad 18 november).

Syntheses: recombinant DNA

Interessant zijn de ontwikkelingen van
de synthese van het polypeptide insu-
line. Kort na de ontdekking door Ban-
ting en Best in 1921 kwam het insuline
als orgaanextract op de markt. Het ge-
bruik van varkens- en runderinsuline is
zeer praktisch. Bij het varken is slechts
één aminozuur anders dan bij de mens
en bij het rund zijn het er slechts drie. De
acht aminozuren die zorgen voor het
hechten aan de insuline-receptor op de
voor insuline gevoelige lichaamscellen
zijn gelijk in alledrie soorten. In de ß-
cellen van de eilandjes van Langerhans
wordt van het insuline-gen het bood-
schapper-RNA gevormd waarmee het
proinsuline opgebouwd wordt. Dit is
een eiwitje van 82 aminozuren. Hierin
zijn de A-keten (21) en de B-keten (30)
van insuline aanwezig, verbonden door
een tussenstuk van 31 aminozuren. De
cel knipt dat er tussenuit en de - SH-
groepen van de zes cystines verenigen
zich tot drie - S-S-bruggen die de twee
ketens verbinden en in de A-keten nog
een ring aanleggen. In 1954 vond
Sanger de structuur en in 1963 slaagde

-ocr page 99-

men in de synthese door middel van
koppeling van aminozuren. Uit de ei-
landjes van Langerhans van de mens is
het boodschapper-RNA voor pro-insu-
line geïsoleerd. Daarvan werd overeen-
komstig DNA gemaakt, dat in een ge-
schikte stam van Escherichia coli werd
gebracht. Die gemodificeerde E. coli
kan pro-insuline maken. Men kan ook
twee gemodificeerde E. coli\'s maken,
één voor de A-keten en één voor de B-
keten. Nu moet er in het eerste geval nog
geknipt worden en moeten in beide ge-
vallen de -S-S-bmggen ontstaan. Ik heb
niet uitgezocht hoe dit precies gedaan
wordt, want het gaat er hier om te laten
zien hoe het gelukt is om een vrijwel on-
beperkte bron van synthetisch humaan
insuline te verwerven, die de zwakke
punten van dierlijke organen als grond-
stof vermijdt. Het is overigens gebleken
dat alleriei mensen, die dagelijks insu-
line nodig hebben, problemen kregen
toen ze van varkens- of mnderinsuline
moesten overschakelen op recombinant
humaan insuline. Op het internet zijn
hun klachten en acties te vinden.
Voor het FSH, Follikel Stimulerend
Hormoon is een dergelijke geschiede-
nis te vertellen met een nieuw hoogte-
punt. De gebruikelijke bron was urine
van vrouwen na de menopauze. Hieruit
verkreeg men HMG, humaan meno-
pausaal gonadotrofine. Het bevat zo-
wel FSH als LH, luteïniserend hor-
moon. FSH is een glycoproteïne, dat
wil zeggen dat aan het polypeptide sui-
kergroepen hangen. De hoeveelheid en
soorten suikers zijn verschillend: er
zijn wel twintig van deze \'isovormen\'.
Inmiddels is ook het gen voor FSH ge-
vonden en beschikbaar voor modifica-
tie van een geschikte soort productie-
cellen. Nu is het vormen van de
suikergroepen aan een glycoproteïne
bepaald door de aanwezigheid van een
specifieke groep enzymen. De te kie-
zen cellen moeten dus beschikken over
zo\'n groep enzymen. Het tegenwoor-
dig verkrijgbare Puregon® wordt ge-
vormd in door recombinant DNA-ge-
modificeerde celcultures. Hier geldt
ook weer: als ze eenmaal zijn verkre-
gen kan men er eindeloos veel kweken
van maken, ook op industriële schaal.
Het Puregon bevat niet de kleine hoe-
veelheden LH of urine-eiwitten, die in
het FSH uit HMG aanwezig zijn.
In het overzicht van bedrijven noemde
ik Pharming. Dit bedrijf bereidt mense-
lijk lactoferrine in transgene runderen,
nakomelingen van de bekende stier
Herman, die de actieve stof in hun melk
uitscheiden. Het bereidt ook het enzym
a-glucosidase met behulp van trans-
gene konijnen. Dat is een geneesmid-
del tegen de ziekte van Pompe, een er-
felijke lysosomale stapelingsziekte. De
joint venture van Pharming en Gen-
zyme bezit door aankoop een werk-
wijze waarbij het enzym gevormd
wordt in genetisch gemodificeerde
CHO-cellen, ovariumcellen van de
Chinese hamster. Het Bionieuws van
26 augustus meldt dat de FDA, de
Federal Drug Administration (USA) al
markttoelatingsdossiers heeft voor
deze werkwijze, terwijl de werkwijze
met de konijnen voor de FDA nieuw is.
Daarom stopt Pharming met de konij-
nen. De productie in de CHO-cellen is
uitbesteed aan een niet genoemd be-
drijf Pharming blijft het eindproduct
maken, waarmee onderzoekers van de
Erasmus-universiteit vier patiëntjes in
leven hebben kunnen houden die an-
ders al zouden zijn ovededen. Dit past
in de opvattingen van velen over het
gebruik van proefdieren.

Immunologische preparaten, de rol
van de industrie

Hieronder vallen niet alleen vaccins,
maar ook antistofpreparaten voor pas-
sieve vaccinatie of voor diagnostiek en
kant-en-klare tests voor diagnostiek.
Ik zal mij bij het aangeven van ontwik-
kelingen grotendeels beperken tot de
veterinaire vaccins.
De rol van de farmaceutische industrie
bestond eerst uit massaproductie van
bacteriën of virussen, die veelal door
een van de instituten voor hygiëne of
voor gezondheid van dieren waren ge-
vonden als zijnde geschikt als vaccin.
In de geschiedenissen van de grote be-
drijven vond ik een paar voorbeelden.
Toen Wyeth in 1931 bij American
Home Products (AHP) kwam, was het
pokkenvaccin een van de grote pro-
ducten. Het mond-en klauwzeervaccin
van Charles Mérieux beschermde in
1952 miljoenen dieren. Lederle, via
American Cyanamid ook bij AHP ge-
komen, had oraal poliovaccin in zijn
pakket. Inmiddels zijn ook allerlei vac-
cins ontwikkeld door de industrie.
Daarvan is het MKZ-vaccin van Mé-
rieux een voorbeeld.
Ik zal mij nu beperken tot aspecten van
ontwikkelingen binnen de industrie, al
hadden die soms tevens buiten de in-
dustrie plaats.

Zaaimateriaal

Om constante kwaliteit eindproduct te
krijgen wordt bij de vaccinproductie
gebruik gemaakt van zaaimateriaal.

Deze werkwijze was al voor het be-
kend worden van de bouw en de dupli-
catie van het erfelijk materiaal in
zwang. Immers, het inzicht over het
bestaan van mutatie was al veel eerder
verkregen.

Wij ontvingen eens een virus-vaccin-
stam waarmee wij bij ons eigen werk-
zaamheidsonderzoek teleurstel lende
resultaten kregen. Bij navraag bleek
dat men voor elke nieuwe productie
was uitgegaan van de voorgaande
charge. Gelukkig konden wij toen nog
een monster van de oorspronkelijke
vaccinstam opsporen, waarmee wel
goede bescherming werd verkregen.
De EU stelt duidelijke eisen voor de
toepassing van zaaimateriaal.

Levend of geïnactiveerd vaccin

Toen Jenner zijn vaccinaties met le-
vend koepokkenvirus begon in 1796,
was nog helemaal niets bekend over
het pokkenvirus. Jenner had waarge-
nomen dat de melksters minder vaak
de pokken kregen dan anderen en dat
de koeien soms op pokken gelijkende
laesies hadden. Dit principe is later
meer toegepast. Het Marekvaccin van
Rispens
et al. is een virusisolaat uit een
koppel kippen die niet ziek waren.
De zekerheid dat het vaccin geen
ziekte zal veroorzaken, leidt echter
vaak tot een voorkeur voor geïnacti-
veerde vaccins. Met inactiveren wordt
bedoeld dat door een bepaalde behan-
deling het vennogen tot vermenigvul-
diging wordt uitgeschakeld zonder dat
daarbij de immunogene eigenschap-
pen verloren gaan.

Voor de bescherming tegen enkele
bacteriële toxines (difterie, tetanus)
wordt gebruik gemaakt van onschade-
lijk gemaakt toxine, toxoïd genoemd,
dat op één lijn te stellen is met de geïn-
activeerde vaccins.

Voor de inactivering zijn vooral che-
mische toevoegingen in gebruik, bij-
voorbeeld formaldehyde, B-propiolac-
ton of ethyleenimine. Het aardige van
het tweede middel is dat het in waterig
milieu geleidelijk door hydrolyse to-
taal wordt omgezet in een geheel on-
schadelijke stof Dit gaat zo langzaam
dat de inactivering met gemak vol-
tooid wordt en snel genoeg dat het ge-
reed vaccin er vrij van is.
Het geïnactiveerde vaccin moet altijd
worden ingespoten om binnen bereik
van het immuunsysteem te kunnen ko-
men. Ook moet het gehalte aan geïnac-
tiveerd antigeen per dosis hoog zijn om
voldoende immunogene werking te
krijgen. De juiste weg van toediening

-ocr page 100-

van een levend vaccin iiangt af van de
aard van liet agens. Sommige Icunnen
het best worden ingespoten, zelfs als de
natuurlijke besmetting oraal of respira-
toir is voor de meeste wordt een route
gekozen die overeenkomt met de na-
tuurlijke besmettingsweg of daar dicht
bij komt. Zo zal het vaccin een milde
nabootsing van de ziekte beginnen
waardoor de immuniteit niet alleen sys-\'
temisch zal zijn, maar ook lokaal. Dit
blokkeert of remt de ziekteverwekker
meestal het best. Bovendien gaat het le-
vende vaccin zich na toediening ver-
menigvuldigen waardoor de effectieve
dosis veel hoger is dan de toegediende.
Het is soms moeilijk of zelfs niet altijd
mogelijk om een goed levend vaccin te
maken. Het vermogen tot vermenig-
vuldigen brengt meestal een zekere
restpathogeniteit met zich mee.

Adjuvans

Ondanks zijn hogere antigeengehalte is
de immunogeniteit van geïnactiveerd
vaccin vaak teleurstellend. Met behulp
van adjuvans (=helpend) wordt dat op-
gekrikt. Oorspronkelijk werd vaak alu-
minium hydroxydegel of aluminium-
fosfaatgel toegevoegd waaraan anti-
geen dan adsorbeert. Bekend is ook
Freund\'s adjuvans, vloeibare paraffine
met een emulgator. Het wordt \'com-
pleet\' genoemd als er M. tuberculosis-
cellen bijgedaan zijn. Antigeen in water
en Freund\'s worden samen geëmul-
geerd. De M. tuberculosis wordt in de
industriële vaccins niet (meer) toege-
past. Het is mogelijk gebleken om de
samenstelling van de emulsie te opti-
maliseren. Ook zijn adjuverende emul-
sies gevonden die weinig of zelfs geen
paraffine bevatten, waardoor de lokale
entreactie minder wordt.

Zuiverheid: afwezigheid van veront-
reiniging

Het ligt helemaal voor de hand om een
zuivere kweek te wensen als antigeen
voor een vaccin, maar het is niet zo
eenvoudig om dat te realiseren als de
mogelijke verontreinigingen niet be-
kend zijn. In de bacteriologie zijn de
problemen in het algemeen niet zo
groot, omdat op geschikte voedingsbo-
dems afwijkende kolonies goed zijn op
te merken. Als er afwijkende kolonies
zijn kan gemakkelijk verder gewerkt
worden met de goede kolonies.
Bij de substraten voor virusproductie
wil dat nog al eens moeilijker zijn.
Door de laboratoriumwerker kunnen
celcultures besmet raken met bij de
mens voorkomende mycoplasma\'s zo-
als M. hominis of M. orale. Enkele de-
cennia geleden moesten diverse onder-
zoeken over het gedrag van vimssen in
celcultures worden herhaald, omdat
die kweken met Mycoplasma besmet
bleken. Dat was moeilijk te constate-
ren doordat de cellen geen opvallende
afwijkingen vertoonden dientenge-
volge. Het betrouwbaar aantonen van
mycoplasma\'s vereist voor elk mon-
ster een gecompliceerd en tijdverslin-
dend kweekschema.
Dat geldt ook voor de kippeneieren,
die voor allerlei virusproducties nog
altijd de voorkeur verdienen. Bij kip-
pen kunnen hele series micro-organis-
men voorkomen. Een aantal daarvan
geven zulke duidelijke symptomen en
gaan zo snel door het koppel dat die
niet gauw een probleem voor de eieren
geven: soms een aantal dagen niet ge-
bmiken. Geniepig zijn de agentia die
zich langzaam verspreiden en dus vaak
niet bij alle dieren tegelijk aanwezig
zijn. Helemaal moeilijk is het om een
koppel vrij te houden van organismen
die via het ei kunnen worden overge-
dragen op de nakomelingen en die dus
ook het uit de eieren te verkrijgen pro-
duct zullen besmetten. Hier komen we
weer de mycoplasma\'s tegen. Die ver-
oorzaken Chronic Respiratory Disease
en de bestrijding was belangrijk voor
economische pluimveehouderij. Om
de overdracht via het ei te voorkomen,
werden op grote schaal broedeieren
gedompeld in een oplossing van tylo-
sine als gedemonstreerd door Voeten.
Dit kan ook de manier zijn om een my-
coplasma-vrije koppel te verkrijgen
voor de productie van mycoplasma-
vrije levende vimsvaccins. De con-
trole op afwezigheid wordt eenvoudig
verricht door met behulp van commer-
ciëel precipiterend mycoplasma-anti-
geen de afwezigheid van antistoffen in
de dieren aan te tonen. Dit werd gere-
aliseerd in de zestiger jaren.
Maar dat was nauwelijks klaar of ieder-
een wierp zich op het zorgen voor af-
wezigheid van aviair leukosevims in de
kippeneieren voor vaccinproductie.
Dat vims wordt ook via het ei op de na-
komelingen overgedragen. Bovendien
komt een kopie van het vims-RNA in
het genoom van de cel waar het vims
was binnengedrongen. Bij gelegenheid
treedt nieuw vims uit die cel om elders
in het besmette dier verder te gaan. Na
overdracht op het kuiken kan een blij-
vende viraemie in een immuuntolerant
dier ontstaan. Zo kunnen er in de prak-
tijk dieren worden aangetroffen 1) zon-
der viremie zonder antistoffen, 2) zon-
der viremie met antistoffen, 3) met vi-
remie zonder antistoffen en 4) met vire-
mie en met antistoffen. Als ziektever-
wekker kan het aviair leukosevims
verschillende soorten tumoren en an-
dere storingen veroorzaken. De eigen-
schap om te blijven zitten in besmette
koppels en telkens op te duiken bij de
nakomelingen, was aanleiding om het
aviair leukosevims zoveel mogelijk te
weren. Het moest dus ook uit de vac-
cins worden uitgebannen, waarin het
toen inderdaad als verontreiniging kon
worden aangetoond. Voor leukose-
vrije eieren moest gezocht worden naar
dieren waarin noch vims noch antistof
aantoonbaar waren en waarvan ook de
nakomelingen vrij bleven. Het kostte
veel werk, maar met de bestaande tech-
niek voor kippenhokken met absoluut
gefilterde lucht onder overdmk in het
hok, met goede procedures voor het in-
brengen van materialen en voeder en
met verkleedprocedures voor perso-
neel, was het gemakkelijk het leukose-
vims buiten te houden. Sinds deze actie
worden zulke kippen aangeduid als
SPF-dieren, specific pathogen free.
Om alle pluimveevaccins leukose-vrij
te maken, moesten op elk zaaimateriaal
scheidingen worden toegepast. Men
koos een eigenschap waarin het vaccin-
vims verschih van het leukosevims. Zo
is het trilziektevims bestand tegen
schudden met ether, maar het leuko-
sevims niet, en zo bereikt men met
pseudovogelpestvims titers die ten-
minste 10.000 keer hoger kunnen zijn
dan die van het leukosevims. Daarom
passeerde men het zaaimateriaal van
pseudovogelpestvaccin in hoge ver-
dunning en raakte aldus het leukosevi-
ms kwijt.

Nadien zijn er meer vimssen ontdekt
bij kippen en dus is de lijst die specifi-
ceert wat SPF moet betekenen geleide-
lijk verder uitgebreid en hij zal onge-
twijfeld nog meer uitgebreid worden.
Het uitsluiten van later ontdekte vims-
sen heeft minder moeite gekost dan de
leukose-operatie.

Zuiverheid: homogeniteit

Omdat er een kleine kans bestaat op
foutjes bij elke afzonderlijke duplica-
tie, is geen enkel preparaat van een mi-
cro-organisme met zekerheid 100%
homogeen. Om die 100% beter te be-
naderen kan men klonering toepassen.
In de bacteriologie is dat al lang een
vaste gewoonte. Na een uitstrijk op een
agar ontstaan vele kolonies. Als de ko-
lonies niet allemaal dezelfde eigen-
schappen hebben, kiest men een kolo-

-ocr page 101-

nie met de gewenste eigenschappen,
strijkt die op zijn beurt uit en bekijkt de
kolonies die daaruit ontstaan. Als die
wel voldoende gelijk zijn, gaat men er-
van uit dat in die kloon de gewenste
homogeniteit is bereikt.
Voor de productie van vaccinvirus is
het benaderen van 100% homogeniteit
natuurlijk net zo zinvol. Dit kan gere-
aliseerd worden met de plaquemethode
van Dulbecco uit 1952. Het is mogelijk
om het stukje agar op te pikken waar de
gekozen plaque zich bevindt. Het
daarin aanwezige virus kan uitverme-
nigvuldigd worden om er praktisch
mee te kunnen werken. De plaquevor-
ming kan daarmee worden herhaald
om aan te tonen of de plaques inder-
daad voldoende homogeen zijn. Het is
tegenwoordig vaste gewoonte om een
nieuw virusvaccin op deze wijze te klo-
neren alvorens Master Seed aan te leg-
gen, waarmee dan de nodige proeven
worden gedaan om het te karakterise-
ren en om de afwezigheid van veront-
reinigingen of schadelijkheid voor het
dier en de aanwezigheid van de be-
doelde werkzaamheid aan te tonen.

Vaccinvirus maken

Door het maken van passages in labo-
ratoriumsubstraten (eieren, celcultu-
res) of in een alternatieve diersoort zijn
goed geattenueerde vaccinstammen
verkregen, soms door vele tientallen
passages. Ook is wel mutatie door be-
handeling met mutagene chemicaliën
geprobeerd. Dit is niet veel geworden
door snelle terugval naar virulentie.
Anders wordt het wanneer men inzicht
heeft in de factoren die de virulentie
van het wilde vims bepalen. Met be-
hulp van recombinant-DNA-technie-
ken kan dan soms een vimlentiefactor
uitgeschakeld worden. Een goed voor-
beeld is het levende Aujeszky-vaccin-
vims, dat bemst op deleties in de genen
voor thymidine-kinase en glycopro-
teïne E (Moormann
et ai). De afwezig-
heid van het glycoproteïne E (vroeger
I
genoemd) in het vaccin maakt het mo-
gelijk om ook van gevaccineerde var-
kens vast te stellen of zij met wild vims
besmet zijn geraakt of niet.
Een andere nieuwe manier van maken
is het invoeren van het gen van een im-
munogeen eiwit van het ene vims in
het genoom van een ander virus, bij-
voorbeeld E2 van varkenspestvirus in
Aujeszky vaccin met deleties in gD en
gE (Peeters
et al.). Ook kippenpokken-
vaccinvirus kan zo als vector dienen
(Boyle en Couper). Zo kan men twee
vaccinaties ineens realiseren.

Vaccin van fragmenten van virus of
bacterie

Al gemime tijd worden influenzavac-
cins gemaakt op basis van hemaggluti-
nine-neuraminidase geïsoleerd uit in
eieren gekweekt influenzavirus. De
keuze van de typen die in het vaccin
voor de mens aanwezig moeten zijn,
wordt elk jaar gemaakt op grond van
de wereldwijde epidemiologische ge-
gevens. Ook wordt wel het gen van een
vimseiwit geplaatst in een bacterie, in
gist of in een insectenvirus dat ge-
schikt is om zich in een insectencelcul-
tuur te vermenigvuldigen. Het kweken
van de drager levert flinke hoeveelhe-
den van het gewenste eiwit op, die ge-
zuiverd en tot een geschikt injectiepre-
paraat geformuleerd moeten worden.
Het eerste recombinant DNA-vaccin
voor dieren was een E. coli-vaccin
voor varkens dat alleen enkele hech-
tingsfactoren en een toxine van de bac-
terie bevatte, die voortgebracht wer-
den door E. coli-stammen die van de
respectieve genen waren voorzien.
Van bacteriën zijn wel extracten van
één of enkele van de immunogene be-
standdelen toegepast in een vaccin.
Dat kan bijvoorbeeld kapsel
-polys-
accharide zijn van bacteriën met een
kapsel, bijvoorbeeld Str. pneumoniae,
in februari 2000 keurde de FDA een
vaccin goed dat van zeven Str. pneu-
moniae-stammen
Polysaccharide be-
vat, gekoppeld aan het eiwit CRN 197,
een niet-toxische mutant van difterie-
toxine. Dit adjuvans maakte de
polys-
achariden, die alleen ongeschikt waren
voor jonge kinderen, wel geschikt voor
hen als primaire enting met
opbouw
van immunologisch geheugen. Ook in
het kinkhoestvaccin kunnen de afge-
dode bacteriën nu worden vervangen
door celvrij antigeen.

Toediening

In veel gevallen kan levend vaccin
oraal, oculair, intranasaal of respiratoir
(via een aerosol) worden toegediend,
maar er zijn ook levende vaccins die
toch beter per injectie, intramusculair of
subcutaan gegeven kunnen worden.
Voor vaccin tegen pokken, een typisch
huidvirus, is een krasje in de huid het
best, bij kippen met de prik door het
vleugelvlies. Voor de subcutane toedie-
ning is een interessant altematief ont-
wikkeld in de transcutane injectie. Door
de in te spuiten vloeistof onder hoge
dmk te laten spuiten uit een injector
zonder naald, dringt het levende vaccin
voldoende tot de intracutane cellen
door om een goede respons te kunnen
krijgen. Omdat die injector de huid niet
of slechts oppervlakkig raakt, is de
transmissie van micro-organismen uit
de ene persoon (of dier) op een ander
uitgesloten. Op een dergelijke manier
kan ook een vaccin dat uitsluitend uit
DNA bestaat worden toegediend. Bij
gewoon inspuiten zou het meeste DNA
door DNAse worden uitgeschakeld. Bij
de juiste toediening komt het DNA me-
teen binnen in gevoelige cellen waar het
bijvoorbeeld influenzavims-antigeen
genereert. Dat blijkt aldus immunogeen
te kunnen zijn.

Er staat ons nog van alles te wachten.
Nature Biotechnology bevat zeer re-
cente resultaten met het gen van een he-
patitis B oppervlakte-antigeen, dat in
een aardappelplant is geplaatst. Muizen
die van de aardappels aten kregen een
zwakke immuunrespons en bezaten im-
munologisch geheugen.

Confectionering

De eindstap van de industriële produc-
tie is altijd het verpakken in een ge-
schikte vorm. Het steriel afvullen is
geen sinecure. Tegenwoordig gebeurt
dat onder steriele lucht. Deze komt uit
absoluutfilters die zo fijn zijn dat de in
normale lucht zwevende micro-orga-
nismen er niet doorheen komen. De fil-
ters vangen meer dan 99.997% van
deeltjes met een doorsnede van 0.3 |.im.
Er wordt voor gezorgd dat na het filter
de lucht zonder wervels stroomt (lami-
naire stroming). De kwaliteit van het
systeem behoort geregeld te worden
gecontroleerd door een petrischaal met
bacteriologische voedingsbodem enige
tijd geopend te laten staan. De uiteinde-
lijke steriliteitscontrole blijft, want die
moet ook laten zien of er soms iets is
misgegaan vóór het afvullen.
In de zestiger jaren werd nog wel ge-
vriesdroogd in ampullen. Na een voor-
droging volgde de nadroging. Als die
voltooid was werden de ampullen één
voor één afgesmolten. Het vriesdrogen
gebeurt nu in grote, geautomatiseerde
apparatuur met vaste droogprogram-
ma\'s, die eindigen met sluiten onder
vacuüm.

Kwaliteitscontrole

De modeme ontwikkelingen in het con-
trolelaboratorium zijn legio maar tre-
den minder naar voren als principieel
aspect van vernieuwing. De ontwikke-
lingen op het gebied van analytische in-
strumenten, al enigszins geschetst bij de
ontwikkelingen op het terrein van de
geneesmiddelen, vonden natuurlijk hun
plaats in de controlelaboratoria.

-ocr page 102-

De bepaling van antistoftiters gebeurt
veelvuldig in microtiter-systemen,
waarbij veel stappen geautomatiseerd
zijn en de resterende handmatige stap-
pen met zeer praktische hulpmiddelen
worden verricht.

Informatisering

Bij de farmaceutische industrie is de in-
formatisering belangrijk om alle pro-
ductie en controles in de hand te kun-
nen houden en de gegevens daarvan
behoorlijk vast te kunnen leggen. Ook
zijn relatief uitgebreide documenten
nodig voor registratie. Dit gaat zover
dat soms reeds tijdens de ontwikkeling
van een product aan de opbouw van het
registratiedossier wordt gewerkt. Het
komt voor dat die opbouw gebeurt in
overleg met de beoordelende autoritei-
ten. Tenslotte krijgen die dan het dos-
sier in de vorm van een database, soms
met computer en al. De vereiste origi-
nele patiëntendocumentatie wordt in
gescande vorm bijgevoegd. Die data-
base krijgt een doeltreffend zoeksys-
teem mee. Het is mij niet bekend dat
deze laatste ontwikkeling zich ook al
bij diergeneesmiddelen voordoet.

Literatuur

• Informatie over de iiistorie van bedrijven;
Internet sites en mededelingen van J.
Domhof, Ch. Kölkers en R. Lucardie.

• Diverse gegevens: Intemet sites.

• Boyle DB, and Couper BEH. Construction of
■ recombinant fowlpox viruses as vectors for

poultry vaccines. Virus Research 1988; 10:
343-56.

• Calnek BW, Bames HJ. Beard CW, Reid
WM, and Yoder Jr HW, editors. Diseases of
poultry, 9"\' ed. Wolfe Puhl., 1991.

• DavisDD, Dulbecco R, Eisen HN, Ginsberg
HS, and Wood WB. Microbiology. Harper&
Row, New York, 1967.

• Day Jr RA, and Underwood AL. Quantitative
analysis, 6\'h ed., Prentice-Hall, 1991.

• Grote Winkler Prins, Elsevier, 7e druk, 1977.

• Heimans E, Heinsius HW, and Thijsse JP.
Geïllustreerde flora van Nederland. W.
Versluys, Amsterdam, 1948.

• Karlson P, Gerok W, and Groß W. Patho-
biochemie. G. Thieme, Stuttgart, 1978.

• Karrer P. Organic chemistry. 4\'" English ed.,
1950.

• Moonmann RJ, Rover T de, Briaire J, Peeters
BP, Gielkens AL, and Oirschot JT van. Inacti-
vation of the
thymidinekinase gene of a gl de-
letion mutant of
Pseudorabies virus generates
a safe but still
highly immunogenic vaccine
strain. Journal of General Virology 1990;71:
1591-5.

Murphy FA. Gibbs EPJ, Horzinek MC and
Studdert MJ. Veterinary virology, 3™ ed.
Acad. Press, 1999.

Peeters B, Bienkowska-Szewczyk K, Hulst
M, Gielkens A, and Kimman T. Biologically
safe, non
-transmissible Pseudorabies virus
vector- vaccine- protects pigs- against, both
Aujeszky\'s disease and classical swine fever.
Journal of General Virology 1997;78: 3311-5.
Roche Magazine,
special ed.. No. 53, January
1996. 1896-1996. Highlights in the
history of
an
intemational Basel company.
Schwitter N, and Furlenmeier M. Kraft der
Heilpflanzen. 1978. Vertaling: De wonder-
lijke wereld der
geneeskruiden. Reitsma-
Bakker S. Uitg. C. de Vries-Brouwers, Ant-
werpen, 1978.

Tausk M. Pharmacologic van de hormonen.
3de druk. Agon Elsevier, 1973.
Tausk M. Organon, de geschiedenis van een
bijzondere Nederlandse ondememing. Dek-
ker & Van der Vegt. Nijmegen, 1978.
Voeten AC. De behandeling van broedeieren
volgens de \'direct-drukvcrschil-methode\' in
een oplossing van tylosinetartraat ter voorko-
ming van een besmetting met Mycoplasma
gallisepticum bij kuikens. Proefschrift, 1965.

Brooke Hospital for Animals: een bezoek aan een
kliniek in Lahore, Pakistan

Binnen de wit geschilderde muren heerst een serene rust. De 28 paarden en
ezeltjes krijgen eten, verpleging en de tijd om aan te sterken. De behandelin-
gen zijn gratis en onder geen beding wordt een dier uit de kliniek ontslagen
voordat het volledig in staat is om weer aan de slag te gaan. Welkom in een van
de veldklinieken van het Brooke Hospital for Animals in Pakistan.

Cavaleriepaarden

Dorothy Brooke was hevig geschokt,
toen zij in 1930 in Cairo arriveerde, bij

DoorL. van Veen

het zien van de nog in leven zijnde
Engelse cavaleriepaarden die moesten
werken in de straten van deze stad. Zij
zamelde geld in en kocht vijfduizend
paarden \'terug\'. De meeste van deze
paarden waren ouder dan twintig jaar,
meer dood dan levend, en moesten
worden geëuthanaseerd. Toen ze de
hopeloze leefomstandigheden ont-
dekte waarin de inheemse werkpaar-
den en -ezels verkeerden, besloot ze
een veterinaire kliniek te openen waar
de zieke en verzwakte dieren gratis
konden worden behandeld.

Geld toe

Het Brooke Hospital for Animals heeft
klinieken in Egypte, India, Jordanië en
Pakistan. De dieren worden vrijwillig
door de eigenaar gebracht en gratis be-
handeld, tenzij de eigenaar voldoende
draagkrachtig is. Aan de armste eige-
naren wordt zelfs een vergoeding ge-
geven voor de tijd dat zij hun kostwin-
naar moeten missen. Indien een dier
geëuthanaseerd moet worden ontvangt

-ocr page 103-

de eigenaar ooic een vergoeding. Een
dier wordt pas ontslagen wanneer het
volledig in staat is om weer aan het
werk te gaan. Alle dieren krijgen bij
vertrek nieuw hoefbeslag en slecht
passend tuig wordt hersteld of vervan-
gen. Indien drachtige merries voor de
bevalling in de kliniek zijn opgeno-
men, blijven merrie en veulen nog vier
weken na de geboorte in de kliniek.

Voorlichting

Eén van de belangrijkste aspecten van
het werk van de Brooke Hospital for
Animals is de voorlichting aan eigena-
ren en hoefsmeden. De landelijke or-
ganisaties beschikken over voorlich-
tingsvideo\'s, aangepast aan de lokale
omstandigheden, over verzorging,
tuig, tanden, voeding, hittestress en
hoefverzorging. Voor de scholing van
hoefsmeden worden Engelse collegae
uitgenodigd om hen te trainen in de
schoen passend te maken aan de hoef,
in plaats van andersom. Naast voor-
lichting en behandeling wordt ook veel
aandacht besteed aan het creëren van
drink- en schaduwplaatsen voor dieren
die anders uren achtereen in de volle
zon moeten werken.

Zeventienduizend behandelingen per
maand

De organisatie in Pakistan wordt door
het leger gerund. De stichting is in vijf
steden actief, de totale staf in Pakistan
bestaat uit 268 medewerkers. Lahore
bezit twee veldklinieken en negen mo-
biele teams, leder mobiel team bestaat
uit één dierenarts en twee assistenten
die iedere ochtend op een vaste plaats
staan. Per dag wordt een mobiel team
door 50 tot 100 patiënten bezocht. Per
maand worden er dan ook tussen de
13.000 en 17.000 dieren behandeld in
Lahore.

De mobiele teams staan iedere dag op
dezelfde locatie. Met tafels wordt een
behandelruimte gecreëerd, waarop al-
les schoon en ordelijk klaar ligt. Het
instrumentarium wordt gekookt voor
kleine chirurgische ingrepen. Met geld
van de stichting worden op de lokale
markt medicijnen gekocht. Er wordt
gekozen voor middelen van goede
kwaliteit en effectiviteit zoals furazo-
lidon en ivermectine. Instrumenten
voor bijvoorbeeld tandverzorging ko-
men uit Engeland. De raspen worden
nagemaakt door Pakistaanse smeden
om de kosten te drukken.

Sterk vermagerd

De klinieken bieden ieder plaats aan
dertig dieren, gemiddeld verblijven de
ezeltjes en paarden vier weken op de
kliniek. Voordat een dier wordt opge-
nomen, wordt het eerst door één van de
dierenartsen klinisch onderzocht. Bij
opname wordt een patiëntendossier ge-
maakt en wordt het dier gevaccineerd
tegen tetanus, welke overigens wordt
herhaald bij ontslag waarna de eigenaar
het advies krijgt ieder jaar terug te ko-
men voor vaccinatie. De meeste patiën-
ten worden opgenomen vanwege won-
den, kreupelheden en sterke
vermagering. Bij binnenkomst wordt
de conditie van de dieren gescoord.
Meestal is de conditie erg mager tot ma-
ger en mogen de dieren pas naar huis als
ze redelijk tot goed bespierd zijn.

Geen vliegen

Bij het dier hangt een krijtbord waarop
de datum van opname, de naam van de
eigenaar en de diagnose vermeld wor-
den. Er vindt iedere dag een lichame-
lijk onderzoek plaats waarna de thera-
pie indien nodig wordt aangepast. Alle
bevindingen en behandelingen worden
in het dossier vermeld. Er wordt ge-
voerd naar behoefte en de dieren die
willen liggen staat stro ter beschik-
king. Centraal is een kleine wei aanwe-
zig voor paarden die beweging nodig
hebben. Opvallend was het geringe
aantal vliegen. Mest wordt direct op-
geruimd en na drogen verbrand. De
rook verdrijft de vliegen.
Wanneer de eigenaar het paard weer
op mag halen wordt hem uitgelegd hoe
het dier te verzorgen en te voeren. Hij
krijgt een grooming kit mee met onder
andere borstels en een hoevenkrabber
en zelfs een consultkaartje waarop de
volgende afspraken genoteerd kunnen
worden.

Heel verzorgd

Het was een bijzonder bezoek, het ge-
heel ziet er heel verzorgd uit en het is
duidelijk dat er serieus gewerkt wordt.
Steeds meer eigenaren weten de weg
naar de kliniek en mobiele teams te
vinden. Geleidelijk aan beginnen zij te
beseffen dat het in hun eigen belang is
de adviezen van het Brooke Hospital
for Animals over verzorging op te vol-
gen en met regelmaat om hulp vragen.
Langzamerhand voltrekt zich een
mentaliteitsverandering en ontstaat er
een gevoel van dierbewustzijn.

Voor verdere informatie kunt u zich richten tot:
Brooke Hospitalfor Animals Nederland
Postbus 1408
3500 BK Utrecht
telefoon: ojo - 2412400

Fax: 030 - 2442008
E-mail: info@brooke.nl
Website: u/u^u^. brooke. nl

-ocr page 104-

De Voorjaarsdagenagenda

Wie en wat in 2001

joorjaars

I International Veierinary Congre» CÏ ^ ^^ ft

Congressen en cursussen

Highlights in het wetenschappelijk
programma zijn onder andere:

Dermatologie

Zo zijn de lezingen van dr. Alhaidari
(F)
gebaseerd op aangeboren keratini-
satiestoomissen bij de hond en kat. De
meest voorkomende aandoeningen ko-
men aan bod. Plus de mogelijkheden tot
behandeling.

Vrijdag 20 april 13.30-17.00 uur.

Volgt u liever een Nederlandstalige le-
zing, dan is de behandeling van de der-
matologische casuïstieken door
dr.
Vroom (NL)
een aanrader. Voor ie-
dere patiënt wordt interactief een op-
lossing bedacht.

Zondag 22 april 13.30-16.15 uur.
Pijnbestrijding

Deze tak in de diergeneeskunde is
enorm in ontwikkeling. Dit is dé gele-
genheid om de mening van
dr.
MacMurphy
uit de Verenigde Staten,
in zowel lezingen als het bespreken
van casuistieken, te horen.
Zaterdag 21 april 13.30-17.30 uur en
Zondag 22 april 13.30-16.30 uur.

Het jaarlijks gehouden Voorjaarsdagencongres is hét gezelschapsdiereneve-
nement van het jaar. Een wetenschappelijk programma met acht simultane
sessies, de beste internationale sprekers, de laatste wetenschappelijke ontwik-
kelingen, de meest praktische onderwerpen en de gezelligste commerciële ten-
toonstelling. Het ongedwongen Voorjaarsdagen-principe geeft genoeg rede-
nen om naar Amsterdam te komen.

Oncologie

Dit vak is continu in beweging. Wat is
nieuw en welke behandelingen zijn in-
middels mogelijk? En wat zijn de mo-
gelijkheden bij katten met een mastcel-
tumor. De lezingen van
dr. Bergman
(USA)
geven antwoord op deze vra-
gen.

Vrijdag 20 april 9.00-12.00 uur.

Maligne lymfomen, fibrosarcomen en
tumoren aan de kop en hals bij de kat;
gelukkig is er steeds meer mogelijk op
dit gebied. Paraneoplastische syndro-
men kunnen gemakkelijk over het
hoofd gezien worden,
dr. Bergman
geeft een overzicht.
Vrijdag 20 april 13.30-17.15 uur en
zondag 13.30-16.30 uur
staat een in-
teractieve bespreking van oncologi-
sche casuïstieken op het programma.

De fret

De fret heeft dit jaar een speciale plaats
in het programma. Het is geen hond en
het is geen kat. Deze diersoort heeft
letterlijk en figuurlijk een eigen aan-
pak nodig. Vele onderwerpen worden
besproken in de lezingen die door vier
specialisten op dit gebied worden ge-
geven. Alle lezingen zijn in het
Nederlands.

Vrijdag 20 april 13.30-17.15 uur en
zaterdag 21 april 9.00-12.00 uur.

Tevens zal een uitgebreide workshop
zal gehouden worden aan de Faculteit
der Diergeneeskunde.
Zaterdag 21 april 13.30-17.30
Er is nog meer naast het wetenschap-
pelijk programma; niet alleen congres-
evenementen zoals de openings- en af-
sluitingsborrel, maar ook een inmid-
dels fameus galadiner. Surf op onze
site voor een overzicht. In het Voor-
lopig Programma kunt u een korte sa-
menvatting van de onderwerpen nale-
zen.

Voor meer informatie liunt u terecht hij
het Voorjaarsdagen congressecretari-
aat, ter attentie van Jessica Grooteboer,
telefoon 030 - 2532728, fax 030 -
2535851, e-mail vjd@jbu.uu.nl,
m\'M\'M\'.
voorjaarsdagen, org

Tot ziens in Amsterdam! 20-22 april 200i RAI CONGRES CENTRUM

Buitink Zeilmakerij komt met een
nieuw product dat door dit bedrijf ge-
fabriceerd en geleverd wordt: een op-
blaasbare operatietafel voor dieren,
zoals mnderen en paarden.
Uniek is dat het een systeem betreft dat
bestaat uit zeven tot maar liefst 12 op-
blaasbare luchtkamers (naar wens van
de klant), die opgebouwd zijn uit lucht-
dichte binnenbanden met daaromheen
een bekleding van speciaal zeildoek,
dat uiterst slijtvast en bestand tegen
chemicaliën is. Belangrijke voordelen
van het product:

le-

• Volledig traploos in hoogte (en deels
in vorm) verstelbaar door separate
luchtkamers.

• Zeer goed te reinigen en te onder-
houden.

• Zeer eenvoudig in gebmik (er wordt
een luchtpomp meegeleverd).

• Het geheel bestaat uit zeildoek ge-
vuld met lucht, waardoor het dier
zich niet snel zal beschadigen.

• Maatwerk is goed mogelijk, aange-
zien het product volledig in eigen
huis wordt gefabriceerd.

Afmeting kussen in volledig opgebla-
zen toestand is (lengte x breedte x
hoogte) 207 X 101 X 95 cm (het model
dat op de foto staat afgebeeld). Andere
producten die Buitink Zeilmakerij in
de agrarische sector levert zijn:

• mobiele reinigings- en ontsmet-
tingsplaats voor de varkenshouderij

• opblaasbaar therapeutisch koebad.

Voor meer informatie: www.buitink-
zeilmakerij.nl.

-ocr page 105-

Rob van Ewijk

Op 23 augustus 2000 overleed collega
Rob van Ewijk te West-Knollendam.
Rob werd geboren op 3 augustus 1950
in Breda. Al snel na Rob \'s geboorte ver-
huisde de familie Van Ewijk naar
Hilversum. Na zijn lagere schoolpe-
riode doorliep Rob zonder problemen
het Hilversums Gymnasium. Hij was
een vlotte leerling, geen uitblinker,
maar hij hoefde er ook niet al te veel
moeite voor te doen. Zijn aanvankelijke
studiekeuze was medicijnen in Amster-
dam. Hij werd echter uitgeloot. Zijn ou-
ders waren hier niet rouwig om want de
sprong van een achttienjarige, katho-
lieke jongen uit het veilige Hilversum
naar het roerige Amsterdam eind zesti-
ger jaren, was wel erg groot. Gekozen
werd voor de studie diergeneeskunde in
het nabije Utrecht.

In 1968 gestart, bleef hij het eerste
jaar thuis wonen en werd spoorstu-
dent. Omdat ons beider achternaam
met een E\' begint, had ik tijdens prac-
tica al veel contact met Rob en dat
bleef tijdens de verdere studie zo. Het
tweede jaar ging hij in Utrecht wonen
en wel op een studentenflat op de IBB-
laan. Hij kwam terecht op \'de zeven-
tiende \'. Dit bleek een verdieping te zijn
waar de bewoners niet langs elkaar
heen leefden, maar juist erg veel met
elkaar optrokken. Rob voelde zich hier
als een vis in het water. Een potje kla-
verjassen, een pilsje erbij of tot 4 uur
in de morgen \'Risken\', Rob behoorde
tot de doordouwers. De sterke band
die de toenmalige bewoners met el-
kaar hadden, blijkt uit hetfeit dat zij nu
al, zo \'n 30 jaar lang, elk voorjaar een
reünie hebben waarbij Rob ahijd van
de partij was.

Zijn huisgenoten, daar naar gevraagd,
beschrijven hem als een loyaal en
trouw persoon, wars van kapsones en
een gezelligheidsmens. Rob trad nooit
zo erg op de voorgrond. Ook zijn relati-
veringsvermogen werd genoemd, maar
de meest opvallende eigenschap was
toch zijn ironie. Vooral zijn ambtelijke
superieuren in zijn latere werkkring
hadden er soms wat moeite mee. Rob
was een goede schrijver en zijn voor-
drachten en rapporten werden dan ook
alom gewaardeerd. Het contact tijdens
zijn werk, ook met de mensen op de be-
drijven waar hij een toezichthoudende
en controlerende functie had, ging Rob
goed af en verliep dus altijd probleem-
loos.

Meteen na zijn afstuderen is Rob een
korte periode practicus geweest. Hij
deed een paar korte waarnemingen
maar kon zijn draai daarin toch niet
vinden. Rob solliciteerde bij de Vee-
artsenijkundige Dienst. Er was een tij-
delijke positie beschikbaar. Hij kreeg
een \'kort\' contract. Zijn standplaats
was Venlo en Rob ging in Blerick wo-
nen. Toen duidelijk werd dat degene
waarvoor hij waarnam niet zou terug-
keren en er een vacature voor een
vaste baan ontstond, solliciteerde Rob.
In zijn na\'iviteit had hij er eigenlijk
geen rekening mee gehouden, dat hij
die baan weieens niet zou kunnen krij-
gen. Zwaar teleurgesteld was hij toen
hij gepasseerd werd, ontvluchtte het
Limburgse en ging naar de Vee-
artsenijkundige Dienst, standplaats
Alkmaar. Modernisering en structure-
ring van de pluimveekeuring in Noord-
Holland kunnen op zijn conto worden
bijgeschreven.

Rob heeft zich actief ingezet voor de
Maatschappij voor Diergeneeskunde.
Samen zaten wij in het Afdelingsbe-
stuur. Van 1987 tot 1993 was Rob
voorzitter van de Afdeling Noord-
Holland. Ook deze functie vervulde hij
met veel inzet en op de ontspannen
wijze die wij allen van hem kenden.

Rob was geen carrièreplanner. Wat hij
deed. deed hij goed, zonder zich erg
druk te maken over eventuele volgende
stappen. Toen de VD in 1985 opging in
de R VV, werd hij hoofd Levend Vee en
tevens pluimveespecialist voor Kring
Alkmaar. In die hoedanigheid heeft hij
onder andere nieuwe RVV-collegae
deskundig en enthousiast begeleid op
hun eerste RVV-schreden. Daarna
werd hij gevraagd hoofd Levend Vee
van de RVV op Schiphol te worden.
Toen de binnengrenzen van de EEG in
1993 wegvielen, heeft hij de inspectie-
post voor invoer van goederen en die-
ren uit derde landen op Schiphol op
poten gezet. In december 1995 werd
hij gevraagd voor de R VV Centraal te
Voorburg, waar hij zich vooral ging
inzetten voor het dierenwelzijn tijdens
transport. Kort hierna kreeg Rob pro-
blemen met zijn gezondheid.

Aanvankelijk liet het zich niet zo ern-
stig aanzien. Toen zijn gezondheidstoe-
stand achteruit ging wist Rob erg goed
hoe hij ervoor stond, maar hij maakte
het zijn omgeving niet moeilijk met dra-
matische uitspraken. Ook hier kwam
zijn relativeringsvermogen weer naar
voren. Op de laatste reünie, voorjaar
2000, deed hij voorkomen dat hij er
volgend jaar wel weer bij zou zijn.

Helaas, na vierenhalf jaar tussen hoop
en vrees geleefd te hebben, overleed
hij, net 50 jaar geworden. Wij verlie-
zen hiermee veel te vroeg een bemin-
nelijke vriend.

Wij wensen Lina en verdere familie
veel sterkte met het verlies van Rob.

Joost van Erp

-ocr page 106-

De formularia zijn een onderdeel van
het antibioticumbeleid van de KNMvD,
gericht op een verantwoord antibioti-
cumgebruik. Het doel is voorwaarden
te scheppen voor optimale effectiviteit
en het voorkomen van het ontstaan en
het verspreiden van resistente bacteriën
door diergeneeskundig antibioticumge-
bruik.

In de verschillende formularia worden
eerste, tweede en derde-keuzemidde-
len beschreven. Aan de hand van deze
keuzemiddelen kunnen dierenartsen
gericht antibioticum toepassen.
Het formularium is bedoeld als beargu-
menteerde richtlijn voor het antibioti-
cumgebruik. Argumenten als bedrijfs-
historie, verandering van gevoeligheid,
ernst en snelheid van verloop van in-
fectie etcetera, kunnen voor de behan-
delend dierenarts reden zijn af te wij-
ken van de geadviseerde keuzen. Met
nadruk wordt gesteld dat de behande-
lend dierenarts zelf verantwoordelijk is
voor de uiteindelijke keuze om al dan
niet antibiotica in te zetten, en zo ja
welke antibiotica, bij de behandeling
van de dieren.

Om een breder publiek te bereiken is be-
sloten vanaf 15 februari 2001 de formu-
laria op het intemet te plaatsen. Op de
internetsite van de KNMvD (www.
knmvd.nl) onder het gesloten deel
KNMvD en dan onder de button Prak-
tijkvoering, zullen de verschillende ver-
sies verschijnen. Zo kan elk lid van de
KNMvD gebmik maken van de formu-
laria. Alhoewel we ons er van bewust
zijn dat er dierenartsen zijn die zojuist
een abonnement hebben afgesloten,
kunnen wij niet overgaan tot temgbe-
taling van het abonnementsgeld.
Voor uitzonderingen hebben we nog
een beperkte voorraad ter beschikking
op het secretariaat van de KNMvD,
welke tegen de prijs van ƒ 10,- exclu-
sief BTW verzonden zullen worden.
Niet-leden van de KNMvD kunnen de
formularia verkrijgen tegen de prijs
van ƒ 20,- exclusief BTW.

Formularia op
het internet

Om te beginnen moet men professionele
marketing - waar de dierenarts toch aan
moet geloven; hij (of zij) is immers on-
dememer - niet zien als \'het maken van
folders en het organiseren van leuke
evenementen\'. Dat is maar een onder-
deel ervan. Marketing behoort voort te
vloeien uit de doelstelling van de onder-
neming en is een deel van de strategie
om die doelstelling te bereiken. Het is
een managementtaak waarover moet
worden nagedacht en die even gedisci-
plineerd en nauwkeurig dient te worden
uitgevoerd als bijvoorbeeld de admini-
stratie. Natuurlijk is marketing daamaast
leuk. Het is bij uitstek mensenwerk en er
wordt een groot beroep gedaan op de
creatieve vermogens van de ondeme-
mer. Het draait daarbij om een ultrasim-
pel principe: verrijk de persoonlijke rela-
tie met je (potentiële) cliënt.

Wat wil de dierenarts?

De vraag die iedere dierenarts-onder-
nemer zich zou moeten stellen is: hoe
wil ik dat mijn cliënt over mij denkt?
En vervolgens checken of die cliënt in-
derdaad zo denkt. Als dit niet het geval
is - en dat is meestal zo - dan kunnen
tal van activiteiten worden ontplooid
om dit beeld bij te stellen.
Het doel van deze acties is het sturen
van het gedrag van de cliënt. In de
meeste gevallen zal het gewenste ge-
drag zijn: het afnemen van diensten van
de dierenartsenpraktijk. Dit gewenste
gedrag lijkt dus simpel te definiëren,
maar dat is het niet. Het hangt zoals
reeds gezegd samen met de doelstelling
van de ondememing. Bij het vaststellen
van het gewenste gedrag van de cliënt
wordt de dierenarts geconfronteerd met
essentiële vragen zoals:

Voorbeeld: sturen van gedrag

Als een dierenarts graag op afspraak
werkt, dan moet het maken wan een
afspraak doorde cliënt gestimuleerd
worden. Uit dit inzicht vloeien simpele
marketingacties voort die het ge-
wenste gedrag bewerkstelligen, zoals
het publiceren van het telefoonnum-
meren de openingstijden in de
Gouden Gids. En het ophangen van
een groot bord aan de voorgevel met
de tekst: consult op afspraak.

• Wil ik - willen wij - dat mijn praktijk
groter wordt of juist niet?

• Wat voor werk inspireert mij en doe
ik dit werk voldoende?

• Verdienen we genoeg?

• Welke activiteiten brengen het meeste
geld op en zijn we bereid dit soort acti-
viteiten \'voor dat geld\' te ondeme-
men?

• Hoeveel uren - en welke uren - wil ik
eigenlijk werken?

• Met welke mensen wil ik werken?

• Is de balans tussen werk en privé in
evenwicht?

Voor sommige dierenartsenpraktijken
zullen de antwoorden op dit soort vra-
gen te vinden zijn in een ondeme-
mings- of beleidsplan. Maar al te vaak
echter blijven ze onbeantwoord. Dan is
marketing onbegonnen werk.

Consistent = betrouwbaar

Het principe van marketing is dus ei-
genlijk simpel - welk gedrag wil ik van
mijn cliënt, en hoe kan ik dit voor elkaar
krijgen - maar de uitwerking ervan
vraagt veel aandacht. Elke boodschap
die wordt overgedragen aan de (poten-
tiële) cliënt moet immers van dezelfde
aard, met andere woorden consistent en

Marketing geen vies woord:
iedereen doet het!

Marketing is al lang geen vies woord meer in veterinair Nederland. Werd je
vroeger vermanend toegesproken door de collegae als je adverteerde in het
plaatselijke huis-aan-huis-blad, tegenwoordig acht men het onverstandig om
het niet te doen. Er wordt dus lustig op los gesponsord en geadverteerd door
dierenartsen. Van open dagen maakt men werk en de dierenarts treedt vaker
dan ooit op in tv-programma\'s. \'Maar zijn mijn inspanningen wel effectief?\'
vraagt menigeen zich af. Er gaan veel avonduren op aan het schrijven van
praktijkfolders, columns voor de kabelkrant en het organiseren van voorlich-
tingsavonden in \'Het Wapen van...\'. Wordt het niet eens tijd voor bezinning
op deze betrekkelijk nieuwe managementtaak van de dierenarts? Is marke-
ting nodig, nuttig of\'alleen maar leuk\' en dus eigenlijk zonde van de tijd?

Door Sophie Deleu

-ocr page 107-

betrouwbaar zijn. Van de manier waar-
op cliënten te woord worden gestaan tot
en met het praatje op de lagere school
op Werelddierendag. Van het betreden
van het erf met schone laarzen tot en
met het achteraf actief informeren naar
de uitwerking van je antibioticumthera-
pie. Marketing vraagt derhalve disci-
pline. Niet alleen van de dierenarts zelf,
maar ook van zijn collegae, zijn perso-
neel en zelfs van zijn partner (op een
boerenbruiloft of in het schoolbestuur).
Het is daarom van groot belang dat de
gewenste uitstraling (imago) van de
onderneming en alle mensen die er
werken en ermee te maken hebben
\'vaak en veel\' onderwerp is van ge-
sprek. En dat inconsistentie effectief
wordt opgespoord. Een dierenarts kan
immers heel veel hebben geïnvesteerd
in PAO-D, zelfs gespecialiseerd zijn,
kortom een \'topproduct\' leveren; als
de spreekkamer niet schoon is, zal de
cliënt het \'topproduct\' niet weten te
herkennen. Marketing is dus niet altijd
duur: de spreekkamer goed schoonma-
ken is goedkoper dan PAO-D volgen.
Sterker nog: het heeft weinig zin te in-
vesteren in een nieuw apparaat of te le-
veren dienst, voordat de bestaande
dienstverleningsproducten maximaal
onder de aandacht zijn gebracht van de
cliënt, en te gelde gemaakt zijn met
alle middelen die reeds voorhanden
zijn.

Gewenst gedrag belonen

Als men eenmaal weet \'wat men wil\' en
het gewenste gedrag van de cliënt is ge-
definieerd, zijn er tal van methoden om
de cliënt te bewegen dit gedrag te verto-
nen. Een oude en bekende uitspraak op
dit gebied is: vliegen vang je met stroop
en niet met azijn. Voorzichtigheid is
derhalve geboden met het ontmoedigen
van bepaald gedrag. Beter is het stimu-
leren van gewenst gedrag. Het motive-
ren van cliënten is vooral een kwestie
van presentatie: \'Het tarief voor een vi-
site is lager indien u \'s ochtends tussen
acht en negen belt\' klinkt beter dan \'we
rekenen extra als u tussendoor belt\'.
Om een goede persoonlijke relatie met
de cliënt op te bouwen, zodanig dat
deze de dierenarts voldoende ver-
trouwt om zijn adviezen op te volgen,
doet men er goed aan zich in te leven in
de cliënt. Empathie is één van de be-
langrijkste vermogens van een goede
ondernemer: Is mijn cliënt wel tevre-
den, zou hij niet liever...?
Nu zullen de meeste dierenartsen zich
weliswaar weten in te leven in de cliënt
- anders stonden ze niet als zo be-
trouwbaar te boek - maar dit vooral
doen op veterinair gebied. Er bestaat
een sterke neiging om vooral te probe-
ren, een nog betere dierenarts te wor-
den dan men al is. Maar de \'niet-vete-
rinaire inlevingsvermogens\' zijn soms
onderontwikkeld. Toch zullen de
meeste cliënten hun oordeel vellen op
grond van niet-veterinaire aspecten,
zoals de auto waarin de dierenarts rijdt,
de glimlach van de assistente, de hoe-
veelheid parkeerplaatsen bij de prak-
tijk, de kraamvisite en de aanwezig-
heid bij een begrafenis. Het zijn de
dierenartsen met het - niet-veterinaire!
- talent om mensen aan zich te binden,
die uiteindelijk de best draaiende on-
derneming zullen hebben.

Precies passende prijs

Cliëntgedrag is zeer goed te sturen met
financiële prikkels. Bedenk daarbij dat
een prijs niet te hoog, maar zeker niet te
laag mag zijn. De prijs moet \'passen als
een handschoen\'. Wil men zijn onderne-
ming presenteren als \'de betere dieren-
artsenpraktijk\', dan verwacht de cliënt
dat hij iets duurder uit is. Het heeft geen
zin, het werkt zelfs tegengesteld om \'ex-
cellent\' en \'gespecialiseerd\' te willen

Elke boodschap die wordt overgedra-
gen aan de cliënt moet in het teken
staan van het gewenste imago.

Consistentie
is belangrijk om als betrouwbaar
te worden beoordeeld.

zijn en vervolgens lagere tarieven te re-
kenen dan de buurtcollega die zonder
personeel vanuit een verbouwde garage
werkt. Omgekeerd werkt ook niet. De
cliënt die op een lage prijs afkomt, zal
nooit het specialistische dienstverle-
ningsproduct weten te waarderen (en
betalen) van een luxueuze kliniek. Daar
zal hij zoveel mogelijk wegblijven.
Het gaat er dus om, een \'marktsegment\'
te kiezen dat past bij de doelstelling van
de onderneming. Welke kwaliteit wil ik
leveren, tegen welke prijs? Differen-
tiatie naar diersoort is inmiddels aardig
ingeburgerd, differentiatie naar kwali-
teit nog niet. Maar het gaat er ongetwij-
feld van komen, gezien de vercommer-
cialisering van het vrije beroep. De ene
dierenarts is straks niet meer de andere.
Gelukkig is er voor iedereen een plekje
onder de zon, indien men een - per-
soonsgebonden - keuze maakt.
Het is niet verstandig zoveel mogelijk
op je concurrent te willen lijken, want
dan kan de cliënt alleen nog onderscheid
maken op het gebied van de prijs (die
dan lager en lager zal moeten worden).
Beter is het, een persoonlijke aanpak te
kiezen en je te onderscheiden van de
concurrent op andere gebieden. Bij-
voorbeeld door middel van een be-
paalde service, goede voorlichting of -
heel gewoon, maar nog steeds effectief -
door middel van charme. Een cliënt wil
zich, net als ieder mens, speciaal voelen.

Samenwerken

Onderscheid van de concurrent kan ook
bewerkstelligd worden door samenwer-
king met een andere ondememer. Dit
kan een andere dierenartsenpraktijk
zijn (die bijvoorbeeld een aanvullend
dienstenpakket heeft of waardoor het
mogelijk is goedkoop in te kopen),
maar ook een niet-veterinaire partner
kan nuttig zijn. Zo ligt voor de gezel-
schapsdierenpraktijk de dierenspeciaal-
zaak als partner voor de hand, maar ook
pensions en trimsalons komen in aan-
merking. In de landbouwhuisdieren-
praktijk kan men bijvoorbeeld samen-
werken met voorlichters en laboratoria.
Het grootste onderscheidend vermogen
heeft natuurlijk de samenwerking met
een niet-voor-de-hand-liggende part-
ner. Zo kan tweedelijns hulp met de
huidige mogelijkheden op het gebied
van ICT praktisch van iedere dierenarts
of anderszins deskundige in Nederland
(of daarbuiten) worden gevraagd en
hoeft men zich niet meer te beperken tot
de Kring of Afdeling als het gaat om in-
tercollegiaal overleg.
Ook op het gebied van samenwerking is
het goed om de cliënt centraal te stellen.
Het kan soms wenselijk zijn een be-
paalde dienst niet zelf te leveren, maar
een partner te zoeken, die de cliënt nog
beter van advies kan dienen. En natuur-
lijk deze \'connectie\' als \'speciaal voor
deze cliënt\' te presenteren. In sommige
branches is dit \'relatiebeheer\' tot een
ware kunst verheven en is het adres-
boek met de gegevens van mogelijke
samenwerkingspartners het kostbaarste
bezit van de ondememer. Zover moet
het in de diergeneeskunde natuuriijk
niet komen, maar over het algemeen zal
de dierenarts eerder geneigd zijn teveel
zelf te willen doen, dan te weinig.

Durven kiezen

Over marketing kan nog veel meer
worden geschreven. Bijvoorbeeld over
tevredenheidsonderzoek, over het nut
van de kwantificering en evaluatie van
de marketingactiviteiten, over nieuwe
diergeneeskundige dienstverlenings-
concepten, over het spanningsveld tus-

-ocr page 108-

sen samenwerking en concurrentie,
over de relatie tussen marketing en pr
en over de benodigde ondernemers-
vaardigheden van de dierenarts. Het is
echter niet mogelijk om dit allemaal in
één artikel te beschrijven.
Het is alleen de bedoeling om aan te
geven, dat het \'verkopen\' van de dien-

Mevrouw M. van Oostmm hield als
eerste haar inleiding en heeft uitgelegd
hoe de KNMvD de net afgestudeerde
dierenarts probeert te helpen. Ten eerste
worden er voorlichtingsavonden voor
co-assistenten georganiseerd waarbij
informatie wordt gegeven over arbeids-
recht, sociale verzekeringen, enzo-
voort. Vervolgens kwam de ftjnctie van
de vacaturebank ter sprake. Als derde
werd uitgelegd voor welke adviezen en
bij welke problemen je terecht kunt bij
de KNMvD. Enkele voorbeelden hier-
van zijn: beoordeling van contracten,
informatie over salaris en eventuele
doorverwijzing naar De Unie bij stmc-
turele problemen. Mevrouw van
Oostmm besloot haar verhaal met een
uiteenzetting van de bestuuriijke stmc-
tuur van de KNMvD.

De tweede spreker was de heer M.
Buiting. Na een korte uiteenzetting
over de werkzaamheden en de princi-
pes van De Unie vervolgde hij zijn ver-
haal met een vergelijking van het stan-
daardcontract van de KNMvD met
contracten van andere beroepsgroepen
met vergelijkbaar functieniveau. Er
zijn meerdere nogal in het oog sprin-
gende verschillen:

• Een arbeidsduur van 40 uur in
plaats van 36 of 38 uur;

• Een laag salaris gezien opleidings-
sten van de dierenarts een kwestie is
van durven kiezen voor een bepaalde
relatie met de cliënt. En vervolgens
deze relatie met alle ter beschikking
staande middelen te verbeteren in de
gewenste richting. Dit vraagt inle-
vings- en uithoudingsvermogen, maar
het is inspirerend en de moeite waard.

niveau en verantwoordelijkheden;

• Een lage salarisontwikkeling, vaak
niet eens genoeg voor prijscompen-
satie;

• Een laag eindmaximum van het sa-
laris;

• Zeer variabele vergoeding voor
diensten;

• Meestal geen overwerkvergoeding;

• Matige uitbetaling bij langdurig
ziekteverlof (70% in plaats van
100%);

• Relatief zwaar concurrentiebeding

• Geen winstuitkering, geen der-
tiende maand, geen kinderopvang-
regeling en meestal geen premie-
spaarregeling.

Betreffende de vergoeding voor de
diensten blijkt dat elders beschikbaar-
heid (dus eerste en tweede dienst)
wordt uitbetaald en indien men daad-
werkelijk in actie moet komen er dan
per gewerkt uur wordt afgerekend.

Discussie

Na deze inleidingen volgde er een
korte pauze waarin de enquête werd
verwerkt. Na de pauze werd de uit-
komst van de enquête besproken en
kon de discussie onder leiding van de
heer Van Embden losbarsten.
Uit de enquête bleek dat alle aanwe-
zige dierenartsen in loondienst een
contract hebben volgens KNMvD-
normen. Hoewel er meestal wel over
gediscussieerd is, verklaarden de
meesten tevreden te zijn over het con-
tract. Geen van de in loondienst wer-
kende dierenartsen hoeft reductie aan
te vragen bij het pensioenfonds en
daamaast hoeft ook niemand zelf voor
achterwacht te zorgen. Toestemming
voor het volgen van PAO krijgt ieder-
een en in mim 90% van de gevallen
wordt dit door de de praktijk betaald.
Er werd opgemerkt dat sinds de invoe-
ring van de erkenningsregelingen het
voor de assistent een stuk moeilijker
geworden is om naar een leuke cursus
te gaan waar je punten voor krijgt, om-
dat die al door de maatschapsleden
worden gevolgd en in het algemeen
gaat er maar één per praktijk naar een
cursus.

Tweede bijeenkomst
Overijssels Nieuw(s)

Op 21 november 2000 vond in de Poppe te Markelo de tweede bijeenkomst
plaats van Overijssels Nieuw(s). Net zoals bij de vorige bijeenkomst (gehouden
op 10 mei 2000) waren ook deze keer weer alle dierenartsen wonend in de pro-
vincie Overijssel en afgestudeerd na 1993 uitgenodigd. Circa 20 dierenartsen
kwamen naar deze bijeenkomst om te praten over contracten en alles wat daar-
bij komt kijken. Helaas een geringe opkomst voor een dergelijk onderwerp. Er
waren twee sprekers uitgenodigd te weten mevrouw M.C. van Oostrum-
Schuurman Hess van de KNMvD en de heer Buiting van De Unie, vakbond voor
industrie en dienstverlening. Daarnaast werd een enquête uitgedeeld met als
doel om aan de hand van de uitkomst te discussiëren onder leiding van de heer
H. van Embden.

Over het salaris en de werkdmk is men
minder tevreden. Circa 90% krijgt uit-
betaald volgens KNMvD-normen en
zo\'n 50% is hierover tevreden. Iemand
merkte op dat het salaris van een star-
tende dierenarts vergelijkbaar met dat
van een bollenpeller. Bijna iedereen
(90%) werkt meer uren dan in het con-
tract vermeld staan. Meestal betreft dit
vijf tot tien uur per week (diensten bui-
ten beschouwing gelaten). Uitbetaling
van deze ovemren geschiedt zo goed als
niet. Compensatie voor tweede dien-
sten en werken op feestdagen krijgt
bijna niemand. Onkostenver-goeding
voor de auto wordt altijd uitbetaald,
waar tegenover staat dat slechts een en-
keling telefoon, kleding of instmmenta-
rium vergoed krijgt.

Weg der geleidelijkheid

Vervolgens ging de discussie verder
over hoe een aantal zaken zouden kun-
nen veranderen. Oplossingen liggen
niet voor de hand; zeker niet nu de
landbouwhuisdierensector met sterk
teruglopende omzetten kampt. Het
werd duidelijk dat het discussieplat-
form arbeidsvoorwaarden binnenkort
een aantal zaken onder de aandacht
van het Hoofdbestuur zal brengen, zo-
als een verhuiskostenvergoeding en
afspraken over PAO. Volgens sommi-
gen is de tijd (nog) niet rijp om te plei-
ten voor betere werktijden, salariëring
en andere zaken zoals kinderopvang.
Veranderingen moeten bewerkstelligd
worden langs de weg der geleidelijk-
heid anders volgt juist het tegenover-
gestelde. Allereerst zou er een cul-
tuuromslag binnen de praktijken
moeten plaatsvinden, waarbij men
kwaliteit moet durven door te bereke-

-ocr page 109-

nen aan de cliënt. Het lijkt raadzaam
om de discussie door te spelen naar de
afdelingsvergaderingen van de
KNMvD. Hope-lijk kan er langs die
weg toch het een en ander gaan veran-
deren.

Deze enerverende avond werd afge-
sloten met een hapje en een drankje.
Hopelijk wordt de volgende bijeen-
komst weer door een (liefst grotere)
groep actieve jonge dierenartsen be-
zocht. Er zal gezocht worden naar een
nieuw spannend onderwerp waarover
dan weer van gedachten gewisseld kan
worden. Tot dan!!

Nicolette Laterveer,
Overijssels Nieuw(s).

\'Gezelschapsdierenartsen kiezen voor permanente educatie\'

\'Bij de landbouwhuisdieren is de Erken-
ningsregeling door dmk vanuit de markt
tot stand gekomen. Het is het antwoord
op de vraag naar gecertificeerde produc-
tiesystemen in verband met voedselvei-
ligheid. Paardendierenartsen hebben te
maken met dmk vanuit de verzekerings-
wereld. Bij de gezelschapsdieren is die
dmk er niet\', vertelt Leen den Otter,
practicus in Rhoon en voorzitter van de
Groep Geneeskunde Gezelschapsdieren
van de KNMvD. Bij gezelschapsdieren-
artsen is een Erkenningsregeling dan
ook niet vanzelfsprekend. Toen ander-
halfjaar geleden de mnder- en varkens-
dierenartsen hun plannen presenteerden,
stond het onderwerp bij het bestuur van
de Groep Gezelschapsdieren op de
agenda. \'Toen werd de boot nog flink af-
gehouden\', vertelt Den Otter. \'De meeste
leden zagen het nut er niet van in.
Bovendien was men bang dat een Erken-
ningsregeling veel geld zou gaan kosten
en de dierenarts zou opzadelen met aller-
lei voorschriften en beperkingen.\'

Permanente educatie

Dit najaar is er binnen het bestuur op-
nieuw over de Erkenningsregeling ge-
sproken. Inmiddels wordt er volgens
Den Otter toch heel wat genuanceerder
over gedacht. \'Als alle andere dieren-
artsen certificeren, kunnen we dan bij
de gezelschapsdieren achterblijven? Ik
denk het niet. Bovendien sluit het goed
aan op de veranderingen die in het stu-
diepad van de Faculteit der Dier-
geneeskunde zijn ingezet. Een tweede
en veel belangrijker argument is dat we
via een systeem van erkenningen per-
manente educatie kunnen stimuleren
en stmctureren. De ontwikkelingen in
ons vakgebied gaan enorm snel, maar
er is niets geregeld omtrent nascholing.
Ik vind dat een tekortkoming van onze
beroepsgroep. Als ik zie hoe binnen an-
dere vakgebieden daarmee wordt om-
gegaan, moeten we ons eigenlijk scha-
men\', vindt de Rhoonse practicus.

Inhoud Erkenningsregeling

Hoe de Erkenningsregeling van de
Groep Gezelschapsdieren emit komt te
zien, zal zich volgens Den Otter de ko-
mende jaren uitwijzen. \'Wij volgen
nauwkeurig de ontwikkelingen rondom
de Erkenningsregeling in de andere sec-
toren om daar lering uit te trekken.
Verder steken we ons licht op in het bui-
tenland en kijken hoe permanente edu-
catie bij andere beroepsgroepen, zoals
medisch specialisten in de humane ge-
zondheidszorg, is geregeld. Belangrijk
is dat we kiezen voor een no-nonsense
benadering. Ik ben er daarom niet voor
om dit in strikte scholingsplannen vast
te leggen. Een onderverdeling in studie-
categorieën zie ik bijvoorbeeld bij de
gezelschapsdieren niet zitten. Het gaat
erom dat de Erkende Dierenarts zich op
de hoogte houdt van de ontwikkelingen
die in zijn vakgebied gaande zijn. In
mijn optiek zou zelfs een computercur-
sus voor studiepunten in aanmerking
kunnen komen. Het bijhouden van con-
tacturen, een onderdeel van Erken-
ningen bij de landbouwhuisdieren, zal
bij ons voor problemen zorgen. Het
maakt het onnodig ingewikkeld en bo-
vendien stuit het op praktische bezwa-
ren, omdat in onze beroepsgroep veel
parttimers werkzaam zijn. Het is de be-
doeling dat een Erkenningsregeling sti-
muleert en niet dat het belemmert.\'

In navolging van landbouwhuisdierenartsen overweegt ook het bestuur van de
Groep Geneeskunde Gezelschapsdieren een systeem op te zetten voor een goede
permanente educatie. Dit systeem zou later uitgebreid kunnen worden tot een
Erkenningsregeling. \'Het gaat ons sec om het stimuleren en structureren van
de permanente nascholing. We kijken naar de systematiek bij de andere dier-
soorten, maar zullen het zeker niet integraal overnemen\', vertelt voorzitter
Leen den Otter. Het bestuur discussieert het komend voorjaar met de leden
over de Erkenningsregeling en zal een tweejarig proefproject voorstellen.

Tijdspad

Dit voorjaar gaat Den Otter met zijn
medebestuursleden het land in om de
plannen met de leden te bespreken. Het
voorstel is om een werkgroep in het le-
ven te roepen die de komende twee
jaar een aantal zaken gaat uitwerken.
\'We verkeren in de gelukkige omstan-
digheid dat er vanuit de markt of het
ministerie van LNV geen druk is om
met een Erkenningsregeling te komen.
Dit geeft ons tijd om een goed plan te
maken en dit uitgebreid met de leden
door te spreken.\'

\'Op basis van deze ervaringen zullen
we in de tussentijd een cursusaanbod
ontwikkelen. De Groep Gezelschaps-
dieren telt bijna duizend leden en het
kost veel tijd om al deze dierenartsen
een programma voor nascholing aan
te bieden. Hoe we de stap van een sys-
teem van permanente educatie omzet-
ten in een erkenningsregeling is nog
niet uitgekristalliseerd. In het huidige
krijgt een dierenarts twee jaar de tijd
om studiepunten te vergaren, om ver-
volgens voor een periode van twee
jaar Erkend te worden\', aldus Den
Otter.

Moral obligation

Den Otter verwacht dat hij zijn leden
enthousiast kan krijgen voor het plan.
\'Zodra leden zien dat we een no-non-
sense-aanpak voorstaan, neemt de
steun voor een Erkenningsregeling
toe. De insteek van het systeem is per-
manente educatie en daar is iedereen
wel voor te porren. Het grote aantal be-
zoekers aan de Voorjaarsdagen be-
wijst wel dat er belangstelling is voor
nascholing. Ook ervaringen in het bui-
tenland, met name Engeland, laten
zien dat een systeem van gestructu-
reerde nascholing op vrijwillige basis
wordt opgepikt. Men ziet permanente
educatie daar als \'moral obligation\'. Ik
verwacht dat het bij ons niet anders is.\'

Bron: Nieuwsbrief Erkenning - no 7,
december 2000

-ocr page 110-

Maak kennis

met TNO

Transport
en logistiek

Op 14 kerngebieden kennis toepasbaar maken voor nationale en internatio-
nale klanten. Innoveren. Concurrentiekracht vergroten. Dat is de toegevoegde
waarde van TNO. De ruim 5.000 TNG\'ers brengen dat dagelijks in praktijk.

Nieuwe materialen

Doarzame processen,energie
en materiaalgebruik

Voeding en
voedingsmiddelen

Productontwikkeling en
nieuwe productietecbnieken |

Elektronische en fysische
systemen

Wetenschappelijk
Onderzoeker|Dierenarts ""

Informatie- en
conmnnicatietecliBologie

TNO Voeding is gespecialiseerd in toxicologie,
gentechnologie, farmacologie, analyse,
voedingsleer, agrotechnologie, microbiologie
en biochemie. De afdeling ID TNO Diervoeding
in Lelystad richt zich op voeding voor runderen,
varkens, pluimvee en gezelschapsdieren.
De belangrijkste aandachtsvelden zijn voeder-
behoeften, nutritionele evaluatie, de relatie
tussen voeding en gezondheid, en maatschappe-
lijk verantwoord produceren. U wordt verant-
woordelijk voor het verwerven, uitvoeren en
interpreteren van registratieproeven voor de
dossieropbouw van diergeneesmiddelen, pesti-
ciden en veevoederadditieven. U voert alle
voorkomende veterinaire en chirurgische
handelingen uit, vooral op het gebied van weke
delen. U onderhoudt actief contacten met
klanten en bent in staat de ontwikkelingen in de
markt te vertalen naar concrete projecten. Het
coördineren van multidisciplinaire projecten is
u niet vreemd. Tevens schrijft u wetenschap-
pelijke publicaties.

U beschikt over een afgeronde universitaire
opleiding Diergeneeskunde en u heeft de
bevoegdheid als Artikel-9 functionaris
krachtens de
Wet op dierproeven. Klantgericht
werken en zich aanpassen aan nieuwe
situaties behoren tot uw basisvaardigheden.
Ervaring in het farmaceutisch bedrijfsleven
is een pre. Onderzoeksprotocollen, GLP- en
GCPV-kwaliteitseisen en contractresearch
zijn voor u bekend terrein.

Preventie en
gezondheid

Bouwen
infrastrnctnur

Arbeid en
arbeidsomstandigheden

I Ondergrond en ondergrondse
I natuurlijke bestouusbrounen

Meer informatie staat op www.tno.nl/jobs. Of neem contact op met de heer dr. B.P.M. Janszen, afdelings-
hoofd ID TNO, telefoon (0320) 23 73 14. Uw schriftelijke sollicitatie met c.v. stuurt u binnen 14 dagen
naar TNO Voeding, afdeling P&O, t.a.v. mevrouw A. van den Boogaard, Postbus 360, 3700 AJ Zeist. Telefoon
(030) 694 42 31. E-mail: vandenboogaard@po.tno.nl

Innovatiemnnugement

Maatschappelijke
veiligheid

Making technology work

wv\\^v\\^.tno.nl/jobs

-ocr page 111-

Werkvergadering
Gezelschapsdieren
Regio Zuid

De commissie Werlcvergaderingen Ge-
zelsclnapsdieren van de Afdelingen Zee-
land, Noord-Brabant en Limburg van de
KNMvD, organiseert een werkvergade-
ring/lezing op zaterdag 24 maart 2001 in
Weert. De sprekers en onderwerpen zijn:
mevrouw drs. M. Govers: knie- en elle-
boogproblemen, drs. R. Maarschalker-
weerd: hernia nucleus pulposi, drs. M.
Hovius: acupunctuur bij gezelschapsdie-
ren en dr. L. Hellebrekers: pijnbestrijding
bij gezelschapsdieren.

De kosten bedragen ƒ 25,- voor leden
van de Afdelingen Zeeland, Noord-
Brabant en Limburg en
ƒ 50,- voor niet-
leden. Aanvang: 10.00 uur. Opgave bij
W.L.J. Oosse, telefoon: 0475 - 593928.

Diergeneeskundig
Jaarboek 2001

Wilt u er zeker van zijn dat uw gege-
vens in het Diergeneeskundig Jaar-
boek 2001 juist vermeld worden, dan
verzoekt de redactie van het Dierge-
neeskundig Jaarboek u
vóór 23 fe-
bruari 2001
eventuele fouten en
wijzigingen schriftelijk door te geven
aan het bureau van de KNMvD: fax:
030-2511787; e-mail: leden.adm@
knmvd.nl; postbus 14031, 3508 SB
Utrecht.

Dix&Co

helpt u over de drempel

Afgestudeerd en nu (of straks) praktisch
aan de slag? Doe een beroep op Dix&Co,
want als adviesbureau onderzoekt Dix&Co
uw kansen en beoordeelt uw kontrakten.
Analyseert accountantsrapporten en stelt
een begroting op. Bepaalt samen met u uw
kredietbehoefte en regelt met u de gewenste
verzekeringen.

Landehjke dienstverlening bij praktijk-
overdracht, bij associatie en assistentie.
Belt u even voor een afspraak of een
brochure.

Maliesingel 34
3581 BJ Utrecht
Tel. (030) 244 87 74
Fax (030) 241 66 33
E-mall: info@dixenco.nl
www.dixenco.nl

Dix €o

Voor het lidmaatschap van de Koninklijke Neder-
landse Maatschappij voor Diergeneeskunde heb-
ben de volgende collegae zich aangemeld:

Berg, Mevr. M. van den: 2000; 9285 NH
Buitenpost; Stationsstraat 8a.
Bokkelaar, Mevr. E.; 2000; 3523 AL Utrecht;
Tolsteegplantsoen 37II.

Bont, F. de; 2000; 9934 NE Delfzijl; Vlamoven 53.
Bootsma, Mevr. A.M.; 2000; 3512 PT Utrecht;
Eligenstraat 37.

Bosch, R.J.Th.; 2000; 4007 VC Tiel; Zonnedauw
79.

Ditshuizen, Mevr. E.J. van; 2000; 7954 GN

Rouveen; Oude Rijksweg 625 B.

Hoogendoom, Mevr. B.C.; 2000; 3816 ST

Amersfoort; Leonorehof 16.

KJeijn, Mevr. C.J.M. de; 2000; 3551 SE Utrecht;

Koolstraat 24.

Lambers-Takens, Mevr. A.M.; 1978; 9721 HX
Groningen; Hora Siccamasingel 278.

Loon, J.P.A.M. van; 2000; 4751 RL Oud Gastel;
Bolbaan 1 A.

Nomden, Mevr. P.L.; 2000; 9995 PZ Kantens;
Middelstumerweg 44.

Riet, Mevr. S.M. van \'t; 2000; 5871 CE;
Broekhuizenvorst; Blitterswijckseweg 20.
Swartz, I.B.M.; Gent- 1999; 3083 CX Rotterdam;
Zuidplein 426.

Vlerk, T. van der; 2000; 3155 EA Maasland;
Foppenpolder Ic.

Wolking, Mevr. E.C.; 2000; 3583 AK Utrecht; A.
van Ostadelaan 42.

Als lid van de Koninklijke Nederlandse Maat-
schappij voor Diergeneeskunde heeft het Hoofd-
bestuur aangenomen:

Gerwe, T.J.W.M. van; 2000; 5721 GN Asten; St.
Jozelplein 1.

Jasarevic, S.; 2000; 3984 CJ Odijk; Ooievaars-
bloem 11.

Jongbloets, Mevr. A.M.C.; 2000; 3524 WN
Utrecht; Jungfrau 150.

Knapen, F. van; 2000; 3818 ED Amersfoort;
Utrechtseweg 139.

Landman, B.; 2000; 3554 GL Utrecht; Zwanen-
vechtlaan 40.

Mayer, Mevr. B.; 2000; 3524 LX Utrecht;
Wageningseberg 320.

Offereins, H.W.; 2000; 6231 RS Meerssen;
Eysendaalweg 1.

Remmen, M.T.; 2000; 3581 JN Utrecht; Oud-
wijkerveldstraat 72.

Shankar, V.S.; 2000; 3981 ZN Bunnik; Vletweide
90.

jubilea:

februari onbekend, Dr. E. Lambooij te Lelystad, af-
wezig, 25 jaar

2 februari, G. Blok te Emmeloord, afwezig, 45 jaar
11 febmari, P.J. de Dreu te Heiloo, afwezig, 35 jaar

11 febmari, J. Oosterbaan te Garderen, aanwezig,
35 jaar

12 febmari, J.H.J. Marsman te Swalmen, aanwe-
zig, 30jaar

12 februari, J.W.M. van Hulzen te Mantgimi, af-
wezig, 30jaar

14 februari. Prof Dr. J.G. van Bekkum te Lelystad,
afwezig, 50jaar

15 februari, H.P. Kingma te Hellendoom, afwezig,
40jaar

20 febmari, H.J. van de Kamp te Maasland, afwe-
zig, 25 jaar

20 februari, J.J. Oostveen te Silvolde, afwezig, 25
jaar

20 febmari, Dr. G. Benedictus te Joure, aanwezig,
25jaar

20 februari, E.E. Steenhuis Geertsema te Wilnis,
afwezig, 25 jaar

20 febmari, A.W.A.J. Vermeulen te Winterswijk,
afwezig, 25 jaar

-ocr page 112-

20 februari, W.J.M. van der Putten te Lopik, aan-
wezig, 25 jaar

24 februari, A.M. Tromp te Beer-Tuvia, (Israël),
afwezig, 40 Jaar

26 februari, H.J.B, du Pon te Werkhoven, afwezig,
25jaar

Mutaties:

Dijk, H.U.; 1974; 7000-725 EVORA, POR-
TUGAL; Rua de 2e de Abril 16-1 ; tel. privé: 00-
351-966096253; fax privé: 00-351-266708491:
E-inail privé: dijkgiebels@clix.pt; p.; tel. prakt.:\'
00-351-966096253; fax prakt.; 00-351-
266708491.

Gerwe. T.J.W.M. van; 2000; 5721 GN
Asten; St. Jozefplein I; tel. privé: 0493-688036;
fax privé: 020-8721951; p., medew. bij J.A.G.
Gerards, P.W.C.M. van Oijen, R.E. Paauwe,
R.J.M.L. Raijmakers, M.G. Schuttert, L.A.J.
Smeenk, A.H.A. Steentjes, J.A. Westerbeek en
F.Th.C. de Wit; tel. prakt.: 0493^1044; fax
prakt.: 0493-441045; E-mail prakt.: vc.someren@
wxs.nl (toev.
als lid).

Groenewold, J.; 1965; 1622 DB Hoom;
Astronoutenweg 16; tel. privé: 0229-218953;
r.d.

*Groenewold-Oskam, Mevr. A.C.W.; 1960;
1622 DB Hoom; Astronoutenweg 16; tel. privé:
0229-218953:
r.d.

Haan, Mr. J. de; 2903 HL Capelle a/d IJssel;
Kerklaan
560; tel. privé: 010-4550982; secretaris
tuchtgerechten Productschappen Vee, Vlees en
Eieren; tel. bur.: 070-3409242; fax bur.: 070-
3409814; E-mail bur.: j.de.haanCa pve.agro.nl
(buitengew. lid).

Jasarevic, S.; 2000; 3984 CJ Odijk; Ooie-
vaarsbloem 11; tel. privé: 030-6563299; E-mail
privé: semir@hetnet.nl; wnd.d.
(toev. als lid).

Jongbloets, Mevr. A.M.C.; 2000; 3524 WN
Utrecht; Jungfrau 150; tel. privé: 030-2883574;
wet. medew. U.U., F.D. HA Gezondheidszorg
Paard. disc. Heelkunde; E-mail bur.: a.m.c.jong-
bloets@vet.uu.nl (toev.
als lid).

Knapen. ProfDr. F. van; 1973; A- 1984;
3818 ED Amersfoort; Utrechtseweg 139; tel.
privé: 033-4618739: Specialist Veterinaire
Volksgezondheid; wet. medew. U.U., F.D., HA
Voedingsm. van Dierl. Oorsprong; hlr. levensmid-
delenhygiëne en vet. volksgezondheid; tel. bur.:
030-2535367; fax bur.: 030-2532365; E-mail bur.:
fvanknapen@wdo.vel.uu.nl (toev.
als lid).

Koesveld, E. van; 1974; 4844 AA Terheij-
den; Raadhuisstraat
35; tel. privé: 076-5934016;
E-mail privé: mevko(a:wish.nct: wnd.d.

Uiterste inleverdata voor kopij

Aflevering;

Deadline*)

01-03-2001

maandag

12-02-2001

15-03-2001

maandag

26-02-2001

01-04-2001

maandag

12-03-2001

15-04-2001

maandag

26-03-2001

*) Voor 10.00

uur \'s morgens.

Landman, B.; 2000; 3554 GL Utrecht;
Zwanenvechtlaan 40; tel. privé: 030-2448643; E-
mail privé: baslandman@hotmail.com: p., medew.
bij K.S. Broersma, J. Niehof en J.R. Vollema; tel.
prakt. : 051M72064; fax prakt. : 0511 -476456; E-
mail prakt.: dapghv@planet.nl
(toev. als lid).

Mayer. Mew. B.; 2000; 3524 LX Utrecht;
Wageningseberg 320; tel. privé: 030-2889397; E-
mail privé: wiepiel@wish.net; wnd.d.
(toev. als
lid).

Offereins, H.W.; 2000; 6231 RS Meerssen;
Eysendaalweg 1; tel. privé: 043-3653073; E-mail
privé: joanna.henk@capitolonline.nl; p., medew.
bij B. Pijls; tel. prakt.: 046-4741733
(toev. als lid).

Remmen, M.T.; 2000; 3581 JN Utrecht;
Oudwijkerveldstraat 72; tel. 030-2545530; E-mail
privé: tieshl@yahoo.com; p., medew. bij E.J.W. de
Boer en J.G. van Spanje; tel. prakt.: 030-2517517
(toev. als lid).

Shankar, V.S.; 2000; 3981 ZN Bunnik;
Vletweide 90; tel. privé: 030-6572862; E-mail
privé: vinny_s_s@hotmail.com; p., medew. bij

Dierenartsenpraktijk Krommerijnstreek, een gemengde vijfmanspraktijk, zoekt op korte termijn

Enthousiaste collega m/v

Hij/zij zal met name werkzaam zijn in de landbouwhuisdieren en deel moeten nemen aan de avond- en weekenddiensten.
Salariëring volgens KNMvD-normen. Schriftelijk solliciteren binnen 14 dagen naar: DAP Krommerijnstreek,
Posthuizerwegga, 3998 NB Schalkwijk, telefoon 030-6011238, fax030-6012546.

D.A.H. Brus, J.W.M. Miltenburg, P.J.A.M.
Pulskens, C.J.M. Schouten en J.A.C. van Vuren:
tel. prakt.: 0413-211350
(toev. als lid).

Smits, Mevr. M.A.M.P.; 1993; 5113 CK
Ulicoten; Heidreef 1;
tel. privé: 013-5199199; E-
mail privé: verheyenfa globe.nl;
p., medew bij
P.J.C. Dingen; tel. prakt.: 016M92556; fax prakt.:
0161-492558.

•Velde, L.F. van de; 1978; 2500 EB \'s-
Gravenhage; Min. BuZa, Koeriersdienst. Postbus
20061 ;
tel. privé: 00-263-91381597; E-mail privé:
lfvelde@daxis.nl; Specialist Chirurgie van het
Paard;
lecturer large animal surger\\-.
Universiteit Zimbabwe, Harare; tel. bur.: 00-263-
4-303211 ; fax bur.: 00-263-4-333407

Zaag, Mevr. E.J. van der; 1991; 2295 KJ
Kwintsheul; Heulweg
104; tel. privé: 0174-
642877; Specialist Chirurgie van het Paard; p.,
medew. bij W.W.A.M. Kruijsen, J.B.A. Loo-
mans, H.W. van Ruitenbeek, W. Schuurman en
A.J.W.G. Vos; tel. prakt.: 0544-371600; fax
prakt.: 0544-372255.

U HEEFT
AL JAREN
GELIJK

.......

Incontinentie
Astma bronchiale

Bewezen effectief bij de behandeling
van incontinente honden m/v.

ACE Veterinary Products BV - Postbus 1262 - 3890 BB Zeevi/olde

-ocr page 113-

Doorlopende agenda

Congressen & Symposia
Februari

15 Symposium \'Focussing on Veterinary
Development Programmes\' (European ve-
terinarians without borders clarify their
projects), Stichting Diergeneeskunde in
Ontwikkelingssamenwerking. FdD, 19.00
uur. Meer informatie: www.dio.nl
15—17 Lustrum Groep Geneeskunde van het
Paard, congrescentrum \'Hart van Holland\'
in Nijkerk. Secretariaat: dr. Brigitte P.M.
Comelissen, Prieelvogelweg 28, 1349 CJ
Almere, tel.: 036-5309769, ABN-AMRO
Hattem 53.69.14699.

Maart

7—10 6*^ International Congress of the
European Committee of the Association of
Avian Veterinarians (EAAV) in collabora-
tion with the German Veterinary Society
(DVG) and in conjunction with the 4\'"
International Scientific Meeting of the
European College of Avian Medicine and
Surgery (ECAMS), Munich, Germany.

9-10 XIV Tagung über Pferdekrankheiten im
Rahmen der Equitana, Essen (D), informa-
tie: www.tierklinik-hochmoor.de.

10 Seminar über Praxismanagement fiir
Klein- und Gro(tierpraktiker im Rahmen
der Equitana. Essen (D), informatie:
www.tierklinik-hochmoor.de.

20—22 Vooijaarsdagencongres, RAI, Amster-
dam.

28—30 Congres Society for Veterinary
Epidemiology and Preventive Medicine
(SVEPM), Golden Tulip Conference Hotel
de Leeuwenhorst, Noordwijkerhout. Nadere
informatie is te krijgen op de website van dc
SVEPM: www.vie.gla.ac.uk/svepm of bij
het algemene contactadres voor het congres:
Dr. Lisette Graat, Departement Dierweten-
schappen. Kwantitatieve Veterinaire Epide-
miologie, Postbus 338, 6700 AH Wagen-
ingen, e-mail: Lisettc.Graat(®GenR.VH.
WAU.NL of bij ondergetekende: E.G.M.
van.Klink(ajECLNV.AGRO.NL.

Mei

23—26 40\'h International Symposium on
Diseases of Zoo and Wild Animals,
Rotterdam. Topics: 1) Diseases of marine
animals, 2) Diseases of Asian animals. 3)
Immunoprophylaxis.

lull

4—7 X International Symposium of Veterinary
Laboratory Diagnosticians and OIE
Seminor on Biotechnology, Salsomaggiore
- Parma, Italy. Information: Organising
Secretariat, New Team, Via C. Ghiretti, 2.

43100 Parma (Italy), tel.: 39-0521-
293913, fax: 39-0521-294036. e-mail:
newteam.parma(giol.it

Augustus

29—31 Internationaal symposium \'Comparative
Clinical and Molecular Endocrinology\',
UtrechfZeist. Informatie: Mw. Linda B. van
Ouwerkerk, HA Geneeskunde van Gezel-
schapsdieren, Yalelaan 8, Postbus 80.154,
3508 TD Utrecht, tel. 030-2531693, fax:
030-2518126, e-mail: L.B.vanOuwerkerk@;
vet.uu.nl, www.vet.uu.nl/english/congress/
CCME.

Vergaderingen & Bijeenkomsten

Februari

1 Oprichtingsvergadering Werkgroep
Geneeskunde Vleeskalveren, 14.00 uur,
Androclusgebouw FdD, zaal 337.
Secretaris oprichtingsbestuur: Eric van der
Velden, Plevierdonk 22, 5467 CT Veghel,
e-mail: eric.vandervelden(a!wxs.nl

Maart

15 Bijeenkomst Groep Geneeskunde van het
Rund. Verslag Buiatrics congres Uraguay,
\'s middags.

24 Werkvergadering Gezelschapdieren Regio
Zuid. Golden Tulip Hotel, Weert. 10.00-
16.00 uur. Sprekers en onderwerpen: Mevr.
drs. M. Govers: knie- en elleboogproble-
men, drs. R. Maarschalkerweerd: hemia nu-
cleus pulposi, drs. M. Hovius: acupunctuur
bij gezelschapsdieren en dr. L.
Hellebrekers: pijnbestrijding bij gezel-
schapsdieren. Kosten: ƒ 25,- voor leden van
de Afdelingen Zeeland. Noord-Brabant en
Limburg cn ƒ 50,- voor niet-leden. Opgave
bij W.L.J. Oosse, tel.: 0475-593928.

April

10 Bijeenkomst Groep Geneeskunde van het
Rund, thema: wormbestrijding. \'s
Middags.

Mei

15 Bijeenkomst Groep Geneeskunde van het
Rund. \'Marketing van Kennis door de ge-
certificeerde rundveedierenarts.\' \'s
Middags.

23 Veterinair Golfkampioenschap 2001.

Cursussen

Februari

1 Nascholingsdag voor dierenartsassisten-
ten, Mercure Hotel Amsterdam a/d Amstel.
Meer informatie:Virbac Nederiand B.V.,
tel. 0342-427127.

I Klinische Training verzorgd door Groep
Homoeopathisch-werkende dierenartsen
en QualiPet-C Products & Education BV,
zalencentrum Galg & Waard te Utrecht.
Informatie/aanmelding: QualiPet-C

Products & Education BV, Postbus 17,
6866 ZG Heelsum, tel.: 0317-350365, fax:
0317-350787, e-mail:

info@qualipetc.com.

2 PUOD (België)-cursus 18: Practicum ra-
diodiagnose.

3 PUOD (België)-cursus 28: Gastro-entero-
logie.

6 PAO-D cursus 01 /102: Voeding in therapie
GD.

7 Dertiende post-HBO Eijkman-cursus
\'Microbiologie van Levensmiddelen en
Drinkwater\' aan de Internationale
Agrarische Hogeschool Larenstein te
Velp. Tevens op 21-28 maart en 23 mei
2001. Cursuskosten ƒ 4250,- Inlichtingen:
prof dr. W. van Dokkum, tel.: 030-
6992860, fax: 030-6992861, e-mail:
w.dokkum(aiwxs.nl of mevr. prof C.B.
Struijk, tel/fax: 010-5914881.

7 PAO-D cursus 01/302: PMWS/Circovirus.

7 PUOD (België)-cursus 19: Algemene
anesthesie bij het paard.

14 PAO-D cursus 01/303: PMWS/Circovirus.

15 PAO-D Workshop Verbanden.

15 PAO-D Workshop Puncties/Anesthesie.

16 PUOD (België)-cursus 20: Practicum
echografie.

16—18 Duitstalige basiscursus osteosynthese-
technieken gezelschapsdieren, Universiteit
van Glessen. Informationsbüro der AO in
Glessen, Abteilung für Allgemeine und
Experimentelle Chirurgie der Chimrgische
Veterinärklinik, c/o Walter Gilbert.
Frankfurterstrasse 108, D-35392 Glessen.
Tel.: 49-6419938562, fax; 49-
6419938519, e-mail: walter.gilbert(®vet-
mcd.uni-giessen.de, intemet: www.uni-
giessen.de/~gil071/osteosynthesebasiskurs
.htm. Of via de AO-Vet. Commissioner
voor Nederland: Prof F.J. Meutstege te
Bilthoven (030-2201621), e-mail:
meutljc^knoware.nl.

20 Alltech\'s European Lecture Tour.
Studiedag in Hotel Brabant te Breda. 8.30-
14.00 uur. Alltech Netherlands bv, Yvonne
van Gils. Postbus 103, 2900 AC Capelle
aan den IJssel. www.alltech-bio.com.

22 PUOD (België)-cursus 33:
Gevallenbespreking in de orthopedie:
diagnose en behandeling van de meest
voorkomende aandoeningen.

23 PUOD (België)-cursus 21: Practicum ge-
leidingsanesthesie en gewrichtspuncties.

Maart

1 Nascholingsdag voor dierenartsassisten-
ten, Mercure Hotel Hcerenveen. Meer in-
fomiatie: Virbac Nederland B.V., tel. 0342-
427127.

9 PUOD (België)-cursus 21: Practicum
anesthesie. 14 PUOD (België)-cursus
25: Nutraceuticals in de varkenshouderij.

15 Nascholingsdag voor dierenartsassisten-
ten, Restaurant Lommerrijk in Rotterdam.
Meer informatie:Virbac Nederiand B.V.,
tel. 0342-427127.

Dierenarts m/v

Dierenkliniek De Rashof zoekt een dierenarts voor de behandeling van gezelschapsdieren.
Kernwoorden: diergeneeskunde op niveau, klantgericht, goede outillage, profilering...
Fulltime, salaris volgens normen KNMvD.

Gaarne uw schriftelijke reacties naar de heer W.S.J. Rasenberg, Duncanhof 5, 5015 Aj Tilburg.

-ocr page 114-

Dierenartsenpraktijk Bodegraven

Dierenartsen »praktijk
Bodegraven F

Zuidzijde 63, 2411 RT Bodegraven
Bourgondischelaan 9, 2411 KJ Bodegraven
Telefoon (0172) 613798, telefax (0172) 618619

■Wij zijn op zoek naar een fuUtime.m/v.

DIERENARTS
VOOR PAARDEN

Nadruk van de werkzaainheden zal liggen op het rijden van paardenvisites.
Tevens zullen werkzaamheden in onze paardenkliniek verricht moeten worden,
waaronder het uitvoeren van narcoses.

Belangrijke criteria voor ons zijn inzet en ondernemingslust, goede contactuele eigenschappen,
het kunnen werken in teamverband, een goed kennisniveau en zelfstandigheid.

Wij bieden een uitdagende baan in een jong en enthousiast team.

Gelieve uw sollicitatie binnen 14 dagen na het verschijnen van dit tijdschrift te richten aan:

Dierenartsenpraktijk Bodegraven

Zuidzijde 63, 2411 RT Bodegraven, t.a.v. Ilse van Boxel.

Equi Products Research BV, deel uitmakend van Equi Products Holland BV, zoekt in het kader van de huidige expansie een

INDUSTRIE-APOTHEKER / DIERENARTS m/v

Farmaceutische sector

Functie

U bent verantwoordelijk voor de klinische en toxicologische studies in het kader van de ontwikkeling van nieuwe diergenees-
middelen voor het paard.

U bent tevens (mede) verantwoordelijk voor het samenstellen van de registratiedossiers.

Ook zult u betrokken worden bij de uiteindelijke commercialisatie van de geregistreerde producten.

Profiel

U bent apotheker/dierenarts en heeft interesse voor marketing en voor praktisch gericht wetenschappelijk onderzoek. U bent
bekend met het CM P of bereid zich vertrouwd te maken met de regels. U bent flexibel en geïnteresseerd in een gevarieerde
functie binnen een enthousiaste werkomgeving.

Wij bieden een boeiende functie binnen een snelgroeiende onderneming.

Voor meer informatie kunt u bellen met mevrouw P. Greveling, telefoon 072-5644749.

■ . Dierenartsenpraktijk. .
Bodegraven is een gemengde
dierenartsenpraktijk in het
midden van het land waar
9 dierenartsen en 18 medewer-
kers werkzaam zijn. Een van
de kenmerken van onze prak-
tijk is een bijna volledige
differentiatie per diersoort.
Dit houdt praktisch in dat
de dierenartsenpraktijk
verdeeld is in drie sectoren:
gezelschapsdieren, landbouw-
huisdieren en paarden.
Wij beschikken over een goed
geoutilleerde kliniek.

Uw schriftelijke sollicitatie kunt u voons februari richten aan:

Equi Products Research BV
ter attentie van mevrouw P. Greveling
Hermelijnkoog 44
1822 CB Alkmaar

E R

EQUI PRODUCTS RESEARCH BV
HOLLAND

-ocr page 115-

De Universiteit Utrecht is in drieënhalve eetiw
iiiti;ef;roeid tot de meest complete universiteit van
Nederland: een rijkgeschakeerde, internationaal
georiënteerde instelling van wetenschappelijk
onderwijs en onderzoek. De 14 jacuheiten,
21 onderzoekscholen en 58 opleidingen bieden
studenten cn medewerkers boeiende mogelijk-
heden zich verder te ontplooien. De rijkdotn
aan disciplines eti de nadruk op kwaliteit 1\'

bepalen de aantrekkingskracht van Utrecht. j
Wetenschappelijke traditie, moderne technic- 1
ken en op de toekomst gerichte programma\'s :
dragen daaraan verder bij. Met ongeveer
22.000 suidetileti, ruim 6.800 personeels-
leden en een budget van ruim 1 miljard gtd-
den vormt de universiteit de spil in Utrecht
kennisregio. Vaniiil deze positie in Midden-
Nederland onderhoudt zij een gevarieerd con-
tactenpatroon met universiteiten en gespecia-
liseerde onderzoekitislitulen over de gehele
wereld.

De Universiteit op Internet:
ivwu\'. uii.nl

Uw sollicitatie binnen 14 dagen, tenzij anders ver-
meld, richten aan de genoemde personeelsdienst.
Vergeet u niet het vacaturenummer te vermelden.
De universiteit streeft ernaar dat vrouwen op alle
niveaus even vanzelfsprekend vertegenwoordigd zijn
als mannen. Bij voltijdse functie is invulling in deeltijd
bespreekbaar. Er is een regeling voor flexibel zwanger-
schaps- en ouderschapsverlof; er is een subsidieregeling
ten behoeve van kinderopvang.

Universiteit Utrecht

Faculteit der Diergeneeskunde

I De faculteit der Diergeneeskunde is de enige in Nederland. De faculteit neemt in
Europa een toppositie in op het gebied van onderwijs, onderzoek en patiëntenzorg
en Is geaccrediteerd door de American & Canadian Veterinary Medical Associations.

De hoofdafdeling Gezondheidszorg Paard bundelt het merendeel van de specifieke
expertise die er binnen de faculteit bestaat op het gebied van de geneeskunde van
het paard. Binnen de hoofdafdeling wordt de geneeskunde van het paard in een
aantal disciplines, zoals inwendige ziekten, voortplanting, orthopedie, chirurgie en
anesthesiologie, beoefend. Dit wordt gedaan zowel ten dienste van het onderwijs
aan toekomstige dierenartsen als ten behoeve van fundamenteel en toegepast
onderzoek. De hoofdafdeling verzorgt een essentieel deel van met name het onder-
wijs in de laatste fase van de studie. Daarnaast kunnen afgestudeerde dierenartsen
een opleiding volgen tot specialist in de disciplines inwendige ziekten, chirurgie,
voortplanting of anesthesiologie. Het wetenschappelijk onderzoek van de hoofd-
afdeling staat nationaal en Internationaal zeer hoog aangeschreven.
Samenwerkingsverbanden binnen en buiten de faculteit spelen hierin een belang-
rijke rol. In deze dynamische werkomgeving zijn twee vacatures voor de functie van

Dierenarts/junior docent (v/m)

U gaat werken bij de Ambulante Kliniek van de hoofdafdeling Gezondheidszorg
Paard.

Uw taken bestaan voor 70% uit klinische (eerstelijns)werkzaamheden binnen de
Ambulante Kliniek, inclusief het daarmee verbonden onderwijs aan co-assistenten.
U onderhoudt goede contacten met de collegae uit de diverse disciplines binnen de
hoofdafdeling. Voor 30% participeert u in de intramurale klinische werkzaamheden
binnen de discipline heelkunde of inwendige ziekten, waarbij het verrichten van
patiëntgebonden onderzoek zal worden gestimuleerd. Na een inwerkperiode
zult u worden opgenomen in het team van dierenartsen dat de avond-, nacht- en
weekenddiensten verzorgt van de Ambulante Kliniek voor Paarden.
Wij vragen iemand met een voltooide opleiding tot dierenarts met speciale
belangstelling voor de geneeskunde van het paard. Het geven van onderwijs aan
co-assistenten betekent voor u een uitdaging. U bent in staat om in teamverband
te werken, beschikt over goede communicatieve vaardigheden en bezit een klant-
gerichte houding.

Wij bieden een aanstelling in tijdelijke dienst voor de periode van twee jaar.
Verlenging van het dienstverband behoort tot de reële mogelijkheden.
De omvang van de functie is 100%. Het salaris bedraagt maximaal ƒ 6894,-
(schaal 10, CAO Nederlandse Universiteiten) bruto per maand.
Hebt u belangstelling? Dan kunt u voor nadere inlichtingen contact opnemen
met prof. dr H. Breukink, telefoon 030-253 1350 of met dr. RW.Th. Stolk, telefoon
030-253 1323. Uw schriftelijke sollicitatie kunt u richten aan de afdeling Personeel
& Organisatie van de faculteit der Diergeneeskunde, t.a.v. de
heer A.H. Bloemers, Yalelaan 1, 3584 CL Utrecht
(De Uithof). Vacaturenummer 701010.

-ocr page 116-

De Nederlandse vee-, vlees- en eiersector dwingt internationaal respect af. Het succes
is vooral te danken aan vakmanschap, kwaliteitszorg en strikte controles bij de productie,
verwerking en afzet. Dit o.a. in verband met de voedselveiligheid van de producten.
Zo\'n 140.000 goed opgeleide werkgevers en werknemers zorgen ervoor, dat de
consument in binnen- en buitenland dagelijks kan kiezen uit een breed assortiment
kwaliteitsproducten. De sector levert hiermee een aanzienlijke bijdrage aan de
Nederlandse economie. Het positieve saldo op de handelsbalans bedraagt ruim
f 8 miljard per jaar. Het Gemeenschappelijk Secretariaat Productschappen Vee, Vlees
en Eieren (GS PVE) is, als publiekrechtëlijkè bedrijfsorganisatie, werkzaam voor en door
het bedrijfsleven binnen de vee-, vlees- en eiersector.

Ongeveer 250 medewerkers (214 fte\'s) dragen actief bij aan de oplossing van maat-
schappelijk relevante en actuele issues. Ook leveren zij ten behoeve van die sector een
aanzienlijk pakket aan producten en diensten. Ruimte voor zelfstandig werken, initiatieven
en ontwikkelingsmogelijkheden staan bij de PVE hoog in het vaandel. De hoofdvestiging
van de PVE is in Rijswijk met een dependance in Zeist voor de pluimveesector.
Beide vestigingen zullen naar verwachting eind 2001 verhuizen naar Zoetermeer.

Voor de sectorafdeling Vee en Vlees van de PVE
in Rijswijk zoeken wij een ervaren

beleidsmedewerker v/m

met affiniteit tot de paardenhouderij

Wat doet deze afdeling?

De sectorafdeling Vee en Vlees (SW) is als
beleidsvoorbereidende en -uitvoerende afdeling
verticaal werkzaam voor de vee- en vleessector.
Belangrijkste taken zijn het toelichten van en
adviseren over de regelgeving en regelingen die
van toepassing zijn op de productie en het
handelsverkeer van vee en vleesproducten.
De afdeling bestaat uit 23 personen.

Wat hebben wij te bieden?

- Een fulltime functie.

- Een dienstverband van een jaar, met uitzicht op
een aanstelling voor onbepaalde tijd.

- Een salaris dat een realistische afspiegeling is
van uw opleiding, leeftijd en ervaring.

- Uitstekende secundaire arbeidsvoorwaarden.

- De PVE kennen een actief jobrotatiebeleid.

Wat verwachten we van u?

Na uw opleiding op academisch niveau hebt u zich
een grondige kennis eigengemaakt m.b.t. de
sectoren waarvoor de PVE werkzaam zijn.
U bent gewend te werken in een bestuur-
lijke complexe omgeving en beschikt over
een aantoonbare relevante werkervaring in
een beleidsfunctie. Het spreekt vanzelf dat
u affiniteit hebt tot het landbouwbedrijfsleven
in het algemeen en de paardenhouderij in

het bijzonder. Wilt u meer weten over de inhoudelijke
aspecten van deze functie, neem dan contact op
met de heer ir. Jan Klaver, adjunct sectordirecteur
SW, teléfoon (070) 340 95 81.

Wat zijn de functie-eisen?

- Opleiding op academisch niveau.

- Resultaatgerichte en pro-actieve werkinstelling.

- Goede mondelinge en schriftelijke uitdrukkings-
vaardigheid in het Nederlands.

- Goede sociale vaardigheden t.b.v het
onderhouden van externe contacten.

De sollicitatieprocedure

Uw schriftelijke sollicitatie kunt u richten aan de PVE,
Postbus 5805, 2280 HV Rijswijk, t.a.v. de heer
Bert (E.) Staal, adviseur Personeel & Organisatie.
Bij hem kunt u ook terecht voor informatie over
arbeidsvoorwaarden en sollicitatieprocedure:
bel (070) 340 92 13. Een assessment centre is
onderdeel van de selectieprocedure.

PRODUa BOARDS FOR
UVESTOOC, MEAT AND EGGS

In verband met evenredige vertegen-
woordiging van allochtonen, vrouwen en
minder-validen worden zij nadrukkelijk
verzocht te solliciteren.

Acquisitie naar aanleiding van deze
advertentie wordt niet op prijs gesteld.

-ocr page 117-

Boehringer Ingelheim Vetmedica GmbH is the Animal
Health Division of Boehringer Ingelheim International.
We are looking for a Process Improvement Manager for
the Corporate Marketing Department. The position is
located at BioScreen in Münster.

The main objective of the position is to increase Bl
Animal Health competence and sales in the PRRS and
PRDC markets through utilizing process improvement
tools.

Your tasks

• Clarifying, communicating and training the Process
Improvement tool to European OPU\'s and their
customers in cooperation with the Managing
Director BioScreen

• Setting up Process Improvement capabilities in
BioScreen with the Managing Director

• Participating with OPU\'s in customer meetings to
prepare for Process Improvement

• Receive and correlate diagnostic and production
data in SPC charts

• Interpret SPC charts and other production information

• Make recommendations for problem solving to
OPU\'s and their customers

• Collect and organize data in such a manner to be
utilized by International Product Manager for PRDC
to communicate key issues on cross-protection and
performance in PRDC

Join our
worldwide team
to shape lite future.

Research and
Development and
modern technology
are the basis
for our worldwide
growth.

Communication
is our key.

Our core business:
Hitman
Pharmaceuticals
Animal Health

Our .shared
ambition:
Value through
innovation

• Provide feedback to Health Management Centre/
USA on ideas for improvement of measurement tools

Requirements

• Doctorate degree in veterinary medicine

• Mastering of English, further languages would be
advantageous

• Minimum 2 years experience in intensive swine
production

• Strong analytical and statistical skills

• Excellent interpersonal and communication skills

• Results-oriented

• Good computer skills

If you possess the above prerequisites and feel
challenged by the opportunity to work in such an en-
vironment, please send your application with a short
description of previous work to the following address:

Boehringer Ingelheim Vetmedica GmbH
Personalbetreuung • Veronika Zell
Postfach 200

- Innovation is looking at things differently -

Process Improvement Manager

Corporate Marketing

D-55216 Ingelheim am Rhein • Germany
www.boehringer-ingelheim.com

Boehringer
N| 11/ Ingelheim

plERENKLINIEKDEPERZIKCAARD te Spijkenisse zoekt een

Dierenarts (m/v)

foor onze moderne en goed geoutilleerde gezelschapsdierenpraktijk.
De praktijk bestaat uit een hoofdpraktijk en twee dependances en er
lijn vijf dierenartsen werkzaam.

Vat wij zoeken is een enthousiaste dierenarts die bereid is in de na-
)ije omgeving te komen wonen. Enige ervaring strekt tot aanbeve-
ing.

Vat wij bieden is een leuke werksfeer, goede dienstenregeling en
nogelijkheden tot het volgen van PAO.

jirbeidsvoorwaarden en salariëring volgens de richtlijnen van de
fNMvD.

llw schriftelijke reacties kunt u binnen twee weken zenden aan:
X/.E.R. Schell / G.j. Bosch, Perzikgaard i, 3206 AL Spijkenisse.

Dierenkliniek Marum - Grootegast, een gemengde praktijk
met zes dierenartsen en twee assistentes, zoekt op korte ter-
mijn een:

Dierenarts (m/v)

Wij vragen: een dierenarts voor de algemene praktijk - erva-
ring en interesse in de varkenssector - participatie in dien-
stenregeling.

Wij bieden: fulltime baan in een goed geoutilleerde praktijk -
salariëring en secundaire arbeidsvoorwaarden volgens
KNMvD-normen.

Voor nadere inlichtingen kunt u contact opnemen met de
heer E.K. Dolfijn, telefoon 0594-641600. Schriftelijke sollicita-
ties voorzien van curriculum vitae kunt u sturen naar:
DAP Marum - Grootegast, Hoornweg 60, 9363 EH Marum.

-ocr page 118-

Dierenzorggroep Lek en Linge

is een dierenartsenorganisatie die per 1-1-2001 is ontstaan uit een
fusie van vier praktijken. Hierw^erken in totaal 17 dierenartsen. Het
Vi^erkgebied betreft de Alblasserwaard en Vijftieerenlanden.
Wij kennen een hoge prioriteit toe aan differentiatie naar diersoort.
Wij streven naar kwaliteit, continuïteit en arbeidsvreugde.
Het werk in de landbouwhuisdieren betreft voornamelijk de melk-
veehouderij. Preventieve zorg, bedrijfsbegeleiding en cliënteducatie
vormt een steeds groter deel van het werk.
Wij zoeken op korte termijn:

Dierenarts Landbouwhuisdieren
(m/v)

Uw profiel:

- differentiatie landbouwhuisdieren/rundvee

- liefst enkele jaren ervaring in deze richting

- visie op de toekomst van de diergeneeskunde

- flexibel, sociaal vaardig, enthousiast

- u bent een teamspeler

- positief commerciële instelling en toch klantgericht

- bereidheid tot deelname in avond-/weekenddiensten.

Wij bieden:

- salariëring en arbeidsvoorwaarden volgens de KNMvD-richtlijnen

- mogelijkheid tot verdere verdieping in uw differentiatie

- werkzaam zijn in een ambitieus, modern team met een prettige
werksfeer

- ruimte voor eigen inbreng en initiatief

- een baan voor minimaal vier dagen per week.

Denkt u dat u bij ons in het team past?

Stuur uw reactie met c.v. binnen 14 dagen naar:
Dierenzorggroep Lek en Linge, ter attentie van de heer drs. M.J.
Verburgh, Postbus 153, 4130 ED Vianen

Dierenartsenpraktijk Kroes en Blommaart is een moderne
snelgroeiende gezelschapsdierenpraktijk met 2 vestigingen
in Almere, waarin drie dierenartsen en vier assistenten werk-
zaam zijn.

In verband met het vertrek van een der dierenartsen zoeken
wij een:

enthousiaste collega m/v

Wij vragen:

• differentiatie gezelschapsdieren

• bereidheid om mee te denken over de verdere ontwikkeling
van de praktijk

• ondernemingsgeest en flexibele instelling

• teamgeest, goede communicatieve vaardigheden en klant-
gerichtheid

• zelfstandigheid

Wij bieden:

• een parttime baan van aanvankelijk 26 uur met daarnaast
waarneming van de collegae tijdens hun vakantie

• prettige werksfeer

• een riante dienstregeling met gebruikmaking van een call-
center

• salariëring en secundaire arbeidsvoorwaarden volgens
KNMvD-normen

• een moderne, goed geoutilleerde praktijk

• ruimte voor eigen initiatief

Uw reactie met c.v. graag schriftelijk binnen 14 dagen richten
aan: DAP Kroes/Blommaart, Clnemadreef2,1325 EM Almere
ter attentie van de heer R.A.M. Blommaart.

DCC Maas en Waal is een gemengde praktijk, recente-
lijk ontstaan uit een fusie, waarin zes dierenartsen en
drie assistentes werkzaam zijn. Er wordt gewerkt vanuit
een goed geoutilleerd praktijkgebouw en twee depen-
dances.

Ter uitbreiding van dit team zoeken wij op korte termijn:

Enthousiaste dierenarts m/v

Wij zoeken een collega die, naast de algemene praktijk-
werkzaamheden, zich vooral zal moeten richten op de
ontwikkeling van onze paarden- en gezelschapsdieren-
sector.

Na een inwerkperiode participeert u in de avond- en
weekenddiensten van de praktijk.
Ervaring strekt tot aanbeveling, maar is niet strikt nood-
zakelijk.

Wij bieden onze collega, naast een prettige werksfeer,
salariëring en secundaire arbeidsvoorwaarden volgens
KNMvD-normen en bij gebleken geschiktheid goede
toekomstmogelijkheden.

Reacties kunt u binnen 14 dagen richten aan:

DCC Maas en Waal, Klepperheide i6, 6651 KM Druten.

Ter versterking van het veterinaire team zoekt het
Primatencentrum (BPRC) te Rijswijk (ZH) een

Fulltime dierenarts (m/v)

De kandidaat draagt bij aan de gezondheidszorg van
onze i6oo apen. De zorg voor de fokkolonie is een be-
langrijk onderdeel van de taak. Verder zal hij/zij worden
ingezet in de ondersteuning van het lopende onder-
zoeksprogramma op het gebied van de virologie, para-
sitologie en immunologie. Zij/hij verricht waar nodig
operatieve ingrepen. De kandidaat is mede verantwoor-
delijk voor de diagnostiek, apparatuur en operatieka-
mer.

Bij de kandidaat verwachten wij teamgeest, goede con-
tactuele eigenschappen en een afgeronde opleiding.
De aanstelling is voor 40 uur per week met het uitzicht
op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Kandidaten worden verzocht binnen 14 dagen na het
verschijnen van deze advertentie schriftelijk te reage-
ren. De reactie kan worden gericht aan: BPRC, ter atten-
tie van W.M. Klapwijk (personeelsadviseur), Postbus
3306, 2280 GH Rijswijk.

Inlichtingen kunnen worden gevraagd bij het hoofd van
de afdeling prof dr. P.j. Heidt, telefoon 015 - 2842723.

-ocr page 119-

Dierenartsenpraktijk Scliouwen-
Duiveland is een gemengde praktijk
in Zeeland waar zes dierenartsen
werkzaam zijn, waarbij gewerkt wordt
vanuit een moderne, goed geoutil-
leerde kliniek in Zierikzee. Wij zijn op
zoek naar een

Dierenarism
praktijK

SC HOUWEN-DUIVELAND

Dierenartsenpraktijk Ysselsteyn in
Noord-Limburg is een gemengde prak-
tijk waarin acht dierenartsen werkzaam
zijn in voornamelijk de landbouwhuis-
dierensector.

Ter uitbreiding van ons team zoeken wij
op korte termijn:

enthousiaste collega (m/v)

Wij vragen:

• ervaring in en afRniteit met de landbouwhuisdieren

• inzetbaarheid voor de gezelschapsdieren

• deelname in de gemengde dienstregeling

• vermogen te kunnen samenwerken

• flexibiliteit

Wij bieden:

• per 1 mei, een afwisselende 8o-ioo% baan

• in de toekomst kan associatie tot de mogelijkheden beho-
ren

• een prettige dienstregeling

• een open werksfeer met veel overleg

• salariëring volgens KNMvD-norm

• een schitterende woonomgeving

Graag zien wij een schriftelijke sollicitatie voorzien van cv ge-
richt aan DAP Schouwen-Duiveland, Grevelingenstraat
17,
4301
XZ Zierikzee, ter attentie van M.K. Buth

Fulltime dierenarts
(m/v)

Wat wij bieden:

• een collegiale en informele werksfeer;

• een functie met nadruk op pluimvee- en varkensdierge-
neeskunde;

• ruime ontplooiingsmogelijkheden.

Wat wij vragen:

• ondernemingsgeest en flexibiliteit;

• goede contactuele en sociale vaardigheden;

• participatie in de dienstregeling;

• belangstelling voor en stimulering van pluimvee-dierge-
neeskunde in de eerste en tweede lijn;

• ervaring met varkens- en pluimveediergeneeskunde op be-
drijfsniveau gewenst.

Voor meer informatie over deze vacature kunt u contact op-
nemen met Fons van Sundert: 0478-544100. Uw schriftelijke
sollicitatie vergezeld van curriculum vitae graag binnen 14 da-
gen na het verschijnen van dit tijdschrift richten aan: DAP
Ysselsteyn, ter attentie van Rob Vriens, Ringweg 25, 5813 BP
Ysselsteyn.

Veterinair Centrum Someren

Het Veterinair Centrum Someren zoekt op korte termijn een

Dierenarts m/v

met de volgende kwaliteiten:

• differentiatie landbouwhuisdieren;

• affiniteit met begeleiding van rundveebedrijven;

• goede contactuele eigenschappen;

• leeftijd 25-35 jaar;

• affiniteit met informatietechnologie;

• aanvankelijk inzetbaarheid in de algemene landbouwhuis-
dierenpraktijk;

• bereidheid tot deelname aan avond- en weekenddiensten.

Wij bieden een fulltime baan aan in een groepspraktijk van 19
dierenartsen. Hierin wordt bijna uitsluitend gedifferentieerd
gewerkt.

Vol belangstelling zien wij uw sollicitatie met c.v. voor i
maart 2001 tegemoet. Ook zij die binnenkort afstuderen wor-
den uitgenodigd te reageren.

Gelieve deze te zenden aan:

VCS, Postbus 63, 5710 AB Someren, ter attentie van Niels
Groot Nibbelink.

Voor nadere inlichtingen kunt u bellen (0493- 441044) of
mailen (vc.someren@wxs.nl) met Niels Groot Nibbelink of
Jaap Westerbeek.

GRAAFSCHAP

DIERENARTSEN

De Graafschap Dierenartsen (DGD) is een moderne, groeiende ve-
terinaire onderneming waarin 17 dierenartsen steeds meer dier-
soortgericht werken vanuit locaties in Steenderen, Vorden, Hengelo
GId., Ruurio en Zutphen.

Wij zijn op zoek voor onze sectie GENEESKUNDE VAN HET PAARD

Dierenarts (m/v)

Wij vragen;

• ervaring in orthopedie/gynaecologie van het paard

• deelname in dienstregeling

• ambitie

• goede communicatieve vaardigheden

• bereidheid tot verdere specialisatie

Wij bieden:

• volledige baan met goede toekomstmogelijkheden

• salariëring volgens KNMvD-normen

• mogelijkheid tot het volgen van nascholing

• uitdagend werk met veel persoonlijke verantwoordelijkheid

• enthousiast team met goede collegiale verhoudingen

• prettige woon- en werkomgeving

Inlichtingen kunnen worden ingewonnen bij H.j. Ormel, telefoon:
0575-461420.

U kunt uw sollicitatie binnen 14 dagen na het verschijnen van dit
tijdschrift sturen naar:

De Graafschap Dierenartsen, Kampstraat 2, 7255 XC Hengelo GId.,
ter attentie van H.l. Ormel.

D E

-ocr page 120-

f.

: W

Het hele jaar door geen vlooien?
Start nü met PROGRAM® Injectie voor katten

Vlooieneitjes en -larven houden van warmte. Nu de
verwarming in de huizen aanstaat, kunnen ze prima
overwinteren. De kans op een vlooienplaag bij katten
blijft hierdoor bestaan.

Daarom is het nu een uitstekend moment om met
PROGRAM Injectie te starten. Voorkomen is altijd
beter dan bestrijden op het moment dat er vlooien zijn.

PROGRAM Injectie voor katten doodt met één dosi
alle eitjes voordat ze de kans krijgen om uit te komen
U dient de injectie toe.

Eén injectie is voldoende voor zes maande
bescherming. Een eenvoudige, snelle methode m«
een duurzame werking, die makkelijk is voor katte
én hun eigenaren.

H^K^tAM^ Maakt vlooien het leven onmogelijk.

PROGRAM* 40 mg (lufenuron), Reg. NL 9489- UDA/PROGRAM 80 mg (lufenuron), Reg. NL 9498- UDA. Indicatie: suspensie voor injectie voor het bestrijden van vlooien. Doeldier; kat. Dosering: 10 i
lufenuron per kg lichaamsgewicht bij subcutane toediening. Contra-indicaties: niet bij honden gebruiken. Het excipients Polyvinylpyrrolidone (Povidon) is een substantie die bij honden een krachtige vriiga
van histamine veroorzaakt. Dientengevolge kan een ernstige reaaie optreden bij honden; deze reactie wordt niet bii katten waargenomen. Biiwerkingen: het product wordt door alle katten zeer goed verdrag
maar kan pijn bii injectie veroorzaken. Het kan een voorbiigaande milde en niet piinlijke reactie op de plaats van injectie vertonen. Een enkele keer kan er

lethargie (sloomheid) optreden gedurende een paar uren na injeaie. Dit verschijnsel verdwijnt echter spoedig. ® Geregistreerd handelsmerk van Novartis Ltd., >i

Bazel, Zwitserland. Verdere informatie zie bijsluiter of beschikbaar bij Novartis Consumer Health B.V., Animal Health Sector, Korte Hei 1-3, 4714 RD Sprundel. www.novartis.com C> NOVARTl

-ocr page 121-

iVi. ti

Vii-V"^ A

V y

Voor tèchni&che informatie over Eukanuba Veter»nïir|il i)ith kunt u contact opnemen met de importeur Holland-Diervoeders BV (030

Als\'u een besteHiiisWilï\'^statSen, kunt ü bellen méf Aesculaap BV (0411-677500).

EUKANUBA VETERINARY DIETS

Even betrokken bij het v^elzijn van dieren als u. —

Je ziet aan zyn vacht dat hy lekker in zyn vel zit.

Ontstekingen worden niet alleen veroorzaakt door tiet overgevoelig zijn voor bepaalde voedingsstoffen,
maar ook door vlooienbelen, alopie en andere niet aan voedsel gerelateerde overgevoeligheden. Om de
\'betiandeling van tiuidaandoeningen en/of jeuk als gevolg van één van de eerder genoemde oorzaken te ondersleunen.
kunt u Eukanuba Dermatosis FP Response Formula gebruiken. Eukanuba Dermatosis FP Response Formula bevat eivïitlen
. , en kooltivdraten afkomstig van meerval en haring om de kans op voedselintoierantie bij honden le verminderen.
Tegelijkertijd vermindert een optimale 0mega-6;0mega-3 vetzuurverhouding de kans op ontstekingen.
Hierdoor v^ordt de huid- en vachtoonditie zichtbaar verbeterd. In feite zorgt Eukanuba Veterinary
Diets Dermatosis FP Response Formula voor hel hele dier. Net als u.

-ocr page 122-

De vijf tabletten
oxfendazole in de
pu/se-re/eose-bolus,
die nnet regelmatige
tussenpozen vrijkomen,
beschermen het jongvee tegen worm-
ziekte tijdens het eerste weideseizoen. Het ongestoord
contact tussen de gastheer en de parasieten, voor en
tussen de vijf anthelmintlcumpulsen, laten een stevige
Immunlteltsopbouw toe. Repldose™5 en Repidose™ Forte:

"De rationele aanpak".

REPIDOSE"" S ®n REPIDOSE"- Foft»
Indicaties: REPIDOSE"" 5:

Toedleningswilze en loedleningsweg:

Verpakking:

C:ühering-Plough Animal Heoith, \\.1aarssenbroel<sediik 4, \\iL-36\'Jó AN. Maarssen. Tel •\'C13G,\'24l 43 68 ©1997 Snhering-Plough BV Alle rechten voorbehouder

Farmaceutische vorm:

«PIDOSÊ^ Forte:

Samenstelling: REPIDOSE"" 5: - " •-.-

Contra-indicotles:

Registrotienummer/Kanalisattejtolvjs: REPIDOSE^S:

REPIDOSE"" Forte: - •
Bllwerklngen:

REPIDOSE\'" Forte:

-ocr page 123-

issn 0040-7453

15 februari
2001

deel
126

aflevering

4

Universiteit Utrecht
Bibliotheeic Diergeneeslcunde

^ 5 FEB: 20öt

Tijdschri

Dierceneeskun

/

Wetenschap .

Automatische detectie van bronst en mastitis bij
melkkoeien \' .

Acute zwavelwaterstofvergiftiging ten.
gevolge van aanzuring van mengmest op een
varkensbedrijf

Actua

Uiergezondheidspanel over de melkrobot en
uiergezondheid

Controle en handhaving I&R-regeling verscherpt
Ingezonden

Het afvoeren van alle dieren van een bedrijf naar de
destructie bij het aantonen van BSE van één dier op
dat bedrijf. Een goede strategie?

KNMvD

25 jaar Pensioen in Praktijk
Dierenartsenpensioen belicht in schitterende
jubileumuitgave

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor
Diergeneeskunde

-ocr page 124-

Het hele jaar door geen vlooien?
Start nü met PROGRAM® Injectie voor katten

Vlooieneitjes en -larven houden van warmte. Nu de
verwarming in de huizen aanstaat, kunnen ze prima
overwinteren. De kans op een vlooienplaag bij katten
blijft hierdoor bestaan.

Daarom is het nu een uitstekend moment om met
PROGRAM Injectie te starten. Voorkomen is altijd
beter dan bestrijden op het moment dat er vlooien zijn.

PROGRAM Injectie voor katten doodt met één dosi
alle eitjes voordat ze de kans krijgen om uit te komer
U dient de injectie toe.

Eén injectie is voldoende voor zes maande
bescherming. Een eenvoudige, snelle methode m«
een duurzame werking, die makkelijk is voor katte
én hun eigenaren.

PRGGRAM^ Maakt vlooien het leven onmogelijk.

PROGRAM* 40 mg (lufenuron), Rcg. NL 9489- UDA/PROGRAM 80 mg (lufenuron), Rog. NL 9498- UDA. Indicatie: suspensie voor injectie voor het bestrijden van vlooien. Doeldier: kat. Dosering: 10 l
lufenuron per kg lichaamsgewicht bij subcutane toediening. Contra-indicaties: niet bij honden gebruiken. Het excipients Polyvinylpyrrolidone (Povidon) is een substantie die bij honden een krachtige vrijg!
van histamine veroorzaakt. Dientengevolge kan een ernstige reactie optreden bij honden; deze reactie wordt niet bij katten waargenomen. Bijwerkingen: het product wordt door alle katten zeer goed verdra(
maar kan pijn bij injectie veroorzaken. Het kan een voorbijgaande milde en niet pijnlijke reactie op de plaats van injectie vertonen. Een enkele keer kan er

lethargie (sloomheid) optreden gedurende een paar uren na injectie. Dit verschijnsel verdwijnt echter spoedig. ® Geregistreerd handelsmerk van Novartis Ltd., .i _ _

Bazel, Zwitserland. Verdere informatie zie bijsluiter of beschikbaar bij Novartis Consumer Health B.V., Animal Health Sector, Korte Hei 1 -3, 4714 RD Sprundel. www.novartis.com ) N U V A R I

-ocr page 125-

TljDSCHRIFT
VOOR

DIERGENEESKUNDE

Journal ofthe Royal Netherlands Veterinary Association
Deel 126 aflevering 4:15 februari 2001

Uit de Hoofdredactie 97

Overzichtsartikelen

Automatische detectie van bronst en mastitis bij melkl<oeien; R.M. de Mol 99

Voor de praktijk

Acute zwavelwaterstof h2s)-vergiftiging ten gevolge van aanzuring van mengmest op een
varkensbedrijf;
G.A.H. Borst 104

Boekbespreking 103

Referaten 105

Veterinair Verleden

Jean Joseph Henry Toussaint (1847-1890);^. Mathijsen en E.P. Oldenkamp io6

Berichten en verslagen

Uiergezondheidspanel over de melkrobot en uiergezondheid; J. Hülsen 108
Controle en handhaving l&R-rcgeling verscherpt 111
Het Nationaal Klimaatplatform;/
IV. Zwolschen m
Stichting De Ark van Noah winnaar "Met dieren meer mens Award 2000\' 112
Samenwerking RVV cn FlexVet in practitionersproject 112
Speciale aandacht voor niet-geregistrecrde diergeneesmiddelen. Controles AID cn Keurings-
dienst van Waren 112
Verkeerd telefoonnummer bij Overzicht Diergeneesmiddelen 2000/2 ^ 12

Ingezonden

Het afvoeren van alle dieren van een bedrijf naar de destructie bij het aantonen van BSE van
één dier op dat bedrijf Een goede strategie?;//. (/e 113

Reactie op: Het afvoeren van alle dieren van een bedrijf naar de destructie bij het aantonen van
BSE van één dier op dat bedrijf Een goede strategie\'?;
T.J.G.M. lam en H.A.P. Urlings 114

Veterinair Tuchtrecht

Berisping en 2500 gulden boete voor afgifte van niet-gercgistreerde diergeneesmiddelen;
/ Boissevain 115

RVV-column 117

Wetenschap

.1. u\'s .-.rvi-

Actua

Gentamicine
Antiflogistisch
Anticollagenase
activiteit

formulering op basis
van hydrogel

TIACIL OOGDRUPPELS
BIJ OOGINFECTIES

yiKbac

quality by research

-ocr page 126-

Hoofdredactie

Dr. W. Edel (voorzitter)

Dr. E.A. ter Laak (penningmeester)

Drs. H.A. Beijer

Dr. M.F. de Jong

Dr. Tj. Joma

Dr. R. Kuiper

Dr. P.A.M. Overgaauw

Drs. J.T. Siebinga

Dr. R.J. Slappendel

Dr. J.H. Vos

Wetenschappelijke redactie

Prof. dr. A. Bameveld (Utrecht)

Dr. A.E.J.M. van den Bogaard Jr. (Maastricht)

Dr. F.H.M. Borgsteede (Lelystad)

Prof. dr. H.J. Breukink (Ufrecht)

Prof dr. P. De Backer (Gent, België)

Dr. J. Goudswaard (Middelburg)

Prof. dr. L.J. Hellebrekers (Utrecht)

Dr. Th.S.G.A.M. van den Ingh (Utrecht)

Prof dr. A.Th. van \'t Klooster (Utrecht)

Prof dr. F. van Knapen (Utrecht)

Prof dr. A. de Kruif (Gent. België)

Dr. J.T. Lumeij (Utrecht)

Prof dr. A.S.J.P.A.M. van Miert (Utrecht)

Prof dr. J.P.T.M. Noordhuizen (Utrecht)

Prof dr. J.Th. van Oirschot (Lelystad)

Prof dr. J. de Schepper (Gem. België)

Dr.J.M.A. Snijders (Utrecht)

Dr. E. Teske (Utrecht)

Mw. dr. A.J. Venker-van Haagen (Utrecht)

Prof dr. J.H.M. Verheijden (Utrecht)

Dr. Th. Wensing (Utrecht)

Bureauredactie

Mw. A.M. Tummers
Mw. S.H. Umans-Ubbink

Bureau

Julianalaan 8-10. Postbus 14031, 3508 SB Utrecht
Tel. 030- 25 10 111 /fax 030-25 19 847.
E-mail: tijd.schriftfeknmvd.nl.

KNMvD

Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde,
Julianalaan 8-10, Utrecht

Postbus 14031,3508 SB Utrecht. Telefoon: 030 - 25 10 111. Fax 030-2511787

Secretariaat
Stafmedewerkers

Hoofdbestuur

Drs. T. de Ruijter, voorzitter
\'Drs. S!R. Hes\'linéa, vice\'-voorzïttet \'
Drs. J. Borgmeier, lid
Mw. drs. E.N.M. Harwig-Dings. lid
Drs. G. Huijser van Reenen. penningmeester
Drs. J. Togtema, lid
Mw. drs. W.J. Wijne- Raemakers, lid

Dr. Tj. Joma, algemeen secretaris

Mw. drs. S.A.M. Deleu

Mw. drs. M.C. van Oostrum-Sehuurman Hess

Drs. J.L.M. Vaarten

Administrateur

Vacaturebank

Webmaster

H.S. de Vries

R.P. van Ringelestijn

Mw. drs. C.M. van Kalles

Congressen en Cursussen ng
Voor u gelezen

Therapie en prognose van het appendiculair ostcosarcoom bij de hond; R J. Slappendel 11 g
Vraag en antwoord

BSE bij gezelschapsdieren 120
PAOD

Abonnementsprijs

Het Tijdschrift voor Diergeneeskunde is het vereni-
gingstijdschrift van de Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde.
Dc abonnementsprijs voor dierenartsen niet-leden van
de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor
Diergeneeskunde en voor niet-dierenartsen wordt vast-
gesteld door het Hoofdbestuur.

Postgiro/bank

Postbank 511606 ten name van de KNMvD,
Julianalaan 8-10. Utrecht. ABN/AMRO N.V.. Po.stbus
30. 3500 AA Utrecht, nr 55 50 48 861 cn C en E bank
N.V,. Postbus 85100. 3508 AC Utrecht, nr. 69 93 61
443.

KNMvD

Maatschappljnleuws

25 jaar Pensioen in Praktijk. Dierenartsenpensioen belicht in schitterendejubilcumiiitgave; S. üeleu 122
Diergeneeskundig Jaarboek 200 123

Vacatures van besturen en commissies verband houdende met de 148e Algemene Vergadering
van de Koninklijke Nederiandse Maatschappij voor Diergeneeskunde 124

125
127

Personalia

Doorlopende agenda

Contents

Druk

Drukkerij G. van Dijk B.V.. Breukelen (tel. 0346-
261304. fax 0346-264565).

Advertenties

Commerciële advertenties: Bureau Weijer B.V.. Veen-
dam (tel. 0598-623065, fax 0598-613827).
Personeelsadvertenties: bureauredactie.

Review

Automated detection of oestrus and mastitis in dairy cows; R.M. de Mol

The veterinary scene

■Acute intoxification of pigs with hydrogen sulphide as a result of acidification of slums;
G.A.H. Borst

99

104

All rights reserved

Verklaring:

Richtlijnen voor auteurs (Vancouver Style) zijn op aanvraag verkrijgbaar (zie ook Tijdschr Diergeneeskd 1992;
117:31-4). De Redactie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade welke - direct of indirect - het gevolg mocht
zijn van gebleken onjuistheden in de inhoud van de in dit tijdschrift opgenomen artikelen waarbij de auteur is vermeld
of in de inhoud van de in dit tijdschrift geplaatste advertenties.

Advertenties kunnen zonder opgaaf van redenen door de Redactie worden geweigerd of ingetrokken.

Niets uit dit tijdschrift mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door middel van druk. microfilm of op

welke andere wijze ook, zonder schriftelijke toestemming van de Redactie.

(Papers appearing in this journal are listed in Current Contents/Agricultural Biology and Environmental Science /
Index-Medicus. Index Veterinarius / Veterinary Bulletin. Biological Abstracts. Cambridge Scientific Abstracts}.

-ocr page 127-

Aan mijn voorgangster

In het 1 oktober-nummer van vorig jaar heb je mij verteld overjouw ervaringen als lid van de
Hoofdredactie. Door ervoor te kiezen mij op deze manier deelgenoot te maken van die erva-
ringen en niet via een brief op mijn eigen deurmat, heb je een zeer brede invulling gegeven
aan de oorspronkelijke inhoud van het begrip communiceren: vergemeenschappelijken. Het
Tijdschrift is één van de wijzen waarop de Maatschappij voor Diergeneeskunde communi-
ceert met haar leden en zeker geen onbelangrijke. Uit recent onderzoek blijkt dat een zeer
hoog percentage dit medium gebruikt om zich op de hoogte te stellen van de besluitvorming
van de KNMvD. De KNMvD is echter geen organisatie die diensten en/of producten op de
markt brengt, maar een vereniging van vrijwel uitsluitend dierenartsen. Het Tijdschrift is
derhalve een onderling communicatiemiddel, van en voor ons allemaal dus! Dierenarts zijn
betekent heel intensief bezig zijn met communicatie. Immers, ongeacht waar en hoe een die-
renarts werkzaam is. er zal altijd sprake zijn van verzamelen van gegevens (zoals bijvoor-
beeld via anamneses) en het uitdragen van kennis en ideeën (zoals bijvoorbeeld via artike-
len). Communicatie en informatie-overdracht zijn vrijwel synoniem. De technische
mogelijkheden van informatie-uitwisseling lijken in dit IT-tijdperk schier oneindig. Onlangs
hoorde ik dan ook iemand verzuchten: \'Er wordt tegenwoordig heel veel gecommuniceerd,
maar wat hebben we elkaar eigenlijk te vertellen?\'. En dat laatste is natuurlijk de essentie.
Niet de manier waarop wordt gecommuniceerd, de frequentie en/of snelheid zijn van wezen-
lijk belang, maar de inhoud, de echte kwaliteit van de communicatie. Je schrijft dat het ver-
krijgen van wetenschappelijke kopij een continue zorg is. Ik denk dat dit zo zal blijven gezien
de grote invloed van de impactfactoren bif de keuze aan welk tijdschrift een artikel wordt
aangeboden. Soms vraag ik me af of hier het middel niet dat wat het doel behoort te zijn voor-
bij schiet: Wat heb ik aan wie te vertellen \'ten behoeve van de gezondheid en het welbevinden
van mens en dier\'. Volgens jou blijft het moeilijk - bijna onmogelijk - om de practicus (circa
50% van de dierenartsen in Nederland) te betrekken bij het wetenschappelijk gedeelte.
Mogelijk heeft dit te maken met onvoldoende besef van de bijdrage van de practicus aan de
medische wetenschap. Recentelijk begon tijdens een vergadering een collega zijn betoog
met: \' Ik ben maar een eenvoudige practicus, maar....\'. Deze uitspraak moet misschien ook
wel in dit licht bezien worden. Overigens vraag ik mij nog steeds af wat de desbetreffende col-
lega met deze zinssnede wilde communiceren naar de leden van de vergadering. In de hui-
dige Evidence-Based Medicine lijkt in de literatuur het publiceren van casuïstiek bijna be-
schouwd te worden als een lagere vorm van intellectueel leven. We moeten echter niet
vergeten dat medische wetenschap vanouds bestaat uit een combinatie van observeren en ex-
perimenteren. De primaire onderzoeksvraagstellingen ontstaan \'in het veld\'. Een vooraan-
staand epidemioloog heeft dan ook nog niet zo lang geleden in een artikel in de Journal of
the Royal Society of Medicine betoogd dat voor werkelijke intellectuele vooruitgang case re-
ports dan wel de beschrijving van een serie gevallen de koppositie innemen.
Geachte voorgangster, ik hoop met bovenstaande een aanzet gegeven te hebben in de taak die
je voor mij weggelegd ziet en ik hoop nog heel lang met je te kunnen communiceren, maar
dan vooral bidten het Tijdschrift om!

Jan Vos

-ocr page 128-

r

mtk

FLORFENICOL

BIK

■ l

I^P]

^dyne

I J»lomiiii»((<«<"\'l

ISï!»\'*"\'\'

I^^HMKti

r ss\'usi\'mss:^.

Samenstelling: Florfenicol 300 mg/ml. Doeldieren: Niet-lacterend
rundvee.
Indicaties: Behandeling van aandoeningen van de lucht-
wegen veroorzaakt door Pasteurella haemolytica, Pasteurella muito-
cida en Haemophiius somnus.
Dosering: Een dosis van 20 mg/kg
lichaamsgewicht (1 ml per 15 kg) wordt intramusculair (in de nek-
spieren) tweemaal toegediend met een tussenperiode van 48 uur,
met gebruik van een naald met een diameter van 1,65 mm (16G).
Contra-Indicaties: Niet toedienen bij volwassen fokstieren.
Bijwerkingen: Een verminderde voedselopname kan optreden
gedurende de behandeling. De behandelde dieren krijgen hun eet-
lust vlug en volledig terug na stopzetting van de behandeling.
Wachttijden: Slachten: rund 55 dagen. Melk: niet toegestaan voor
gebruik bij lacterende melkkoeien.
Houdbaarheid: Zie vervaldatum
op de verpakking vermeld.
Verpakking: Flacon 50 ml,
100 ml en 250ml.
Registratienummer / kanalisatie-
status:
REG NL 7993 UDA. Verdere informatie is op
aanvraag verkrijgbaar.

Scherii
Animal

m

Schering-Plough Ani

Samenstelling: Flunixine 50 mg/ml, als flunixine meglumine
Doeldieren: Runderen en paarden. Indicaties: Ontstekingsremming
zonder immunosuppressie: bestrijding van koorts bij (broncho-!
pneumonieën, met name in het acute stadium, bestrijding van pijr
en ontsteking / weefselreactie, bij aandoeningen van het bewe-
gingsapparaat, met name in het acute tot sub-chronische stadium
koliek.
Dosering: Runderen: 1 - 2 mg per kg lichaamsgewicht (1 - 2
ml per 50 kg), IV, gedurende maximaal 3 dagen. Paarden: 1 mg pei
kg lichaamsgewicht (1 ml per 50 kg), IV, gedurende maximaal
dagen.
Contra-indicaties: Nierfunctiestoornissen. Bijwerkingen:
Kans op bloedingen, maag- en darmirritatie en beschadiging
maagulcera, bloedbeeldafwijkingen, papilnecrose van de nier
Opmerkingen: Bij infectieuze processen dient zo mogelijk teven;
een causale therapie te worden ingesteld. Bij koliek dient mer
bedacint te zijn op de maskering van koliekverschijnselen. Met name
bij processen die gepaard gaan met vochtverlies (zoals koliek) dien-
men de vochtbalans nauwkeurig in de gaten te houden
Wachttijden: Slachten: rund 7 dagen, paard 28 dagen
MHHH Melk 2 dagen.
Houdbaarheid: Zie vervaldatum op de
IsiU^I verpakking vermeld.
Verpakking: Flacon 50 ml, 100 ml
Registratienummer / kanalisatiestatus: REG NL 172é
UDD. Verdere informatie is op aanvraag verkrijgbaar.

-ocr page 129-

SAMENVATTING

De ontwikkeling en test van detectiemodellen voor bronst
en mastitis bij melkkoeien wordt beschreven in een proef-
schrift, dat op 5 juni 2000 in Wageningen werd verdedigd.
De detectiemodellen maakten gebruik van sensoren voor
melkgift, melktemperatuur, elektrische geleidbaarheid
van de melk, activiteit van de koe en krachtvoeropname.
De sensormetingen werden gecombineerd verwerkt. De
modellen attendeerden op koeien die mogelijk bronstig wa-
ren of leden aan mastitis. Een eerste detectiemodel, voor
koeien die tweemaal daags werden gemolken, werkte met
tijdreeksmodellen voor de sensorvariabelen, waarbij de
parameters on-line, per koe en per melking, werden aange-
past met behulp van een Kalman-filter. Dit model was ge-
durende twee jaren getest op twee proefbedrijven, en on-
der praktijkomstandigheden op vier bedrijven gedurende
enkele jaren. Een tweede detectiemodel, voor koeien ge-
molken met een melkrobot, was een generalisatie van het
eerste model. Voor het testen werden twee datasets (één
klein, één groot) gebruikt. De resultaten van beide model-
len waren veelbelovend voor de detectie van bronst. Voor
mastitis waren de resultaten wisselend (soms goed, soms
matig). Om het aantal vals-positieve attenderingen te ver-
minderen, werd
fuz:y logic gebruikt voor de classificatie
van bronst- en mastitisattenderingen door beide detectie-
modellen. Het/Hj^-/o^\'/c-model werd gevoed met de atten-
deringen en additionele informatie. Het aantal vals-posi-
tieve attenderingen daalde hierdoor, terwijl het aantal
gedetecteerde gevallen op hetzelfde niveau bleef. Met deze
modellen is automatische detectie in de praktijk mogelijk.

SUMMARY

Automated detection of oestrus and mastitis in dairy cows

The development and test of detection models for oestrus and mastitis in
dairy cows is described in a PhD thesis that was defended in Wageningen on
June 5. 2000. These models were based on sensors for milk yield, milk tem-
perature. electrical conductivity of milk, and cow activity and concentrate
intake, and on combined processing of the sensor data. The models alert
farmers to cows that need attention, because of possible oestrus or mastitis.
A first detection model for cows, milked twice a day, was based on time se-
ries models for the sensor variables. A time series model describes the de-
pendence between succe.ssive obsenations. The parameters ofthe time se-
ries models were fitted on-line for each cow after each milking by means of a
Kalman filter, a mathematical method to estimate the state of a system on-
line. The Kalman filler gives the best estimate ofthe current state of a system
based on all preceding observations. This model was tested for 2 years on
two experimental farms, and under field conditions on four farms over
several years. A second detection model, for cows milked in an automatic
milking system (AMS), was based on a generalization of the first model. Two
data sets (one small, one large) were usedfor testing. The results for oestrus
detection were good for both models. The results for mastitis detection were
varying (in some cases good, in other cases moderate).
Fuzzy logic was
used to classify mastitis and oestrus alerts with both detection models, to re-

\' Proefschrift, Wageningen Universiteit. 5 juni 2000. Zend correspondentie aan: Rudi
de Mol. IMAG, Postbus 43, 6700 AA Wageningen. Tel.: 031 7-476459, fa.\\: 0317-
425670. E-mail: R.M.deMol@imag.wag-ur.nl

Tijdschr Diergeneeskd 2ooi: 126: 99-10}

duce the number of false positive alerts. Fuzzy logic makes approximate
reasoning possible, where statements can he partly true or false. Input for
the
fuzzy logic model were alerts from the detection models and additional
information. The number of false positive alerts decreased considerably,
while the number of detected cases remained at the same level. These
models make automated detection possible in practice.

INLEIDING

Voor een melkveehouder is monitoring van koeien, ofwel
normale en afwijkende prestaties signaleren, belangrijk.
Immers de melkveehouder moet weten wanneer een koe
bronstig is, of mastitis of een andere ziekte heeft. De gesig-
naleerde afwijkingen kunnen hiervoor een indicatie zijn. In
geval van bronst zal de activiteit van een koe hoger zijn.
Daarnaast kan de melkgift lager en de melktemperatuur ho-
ger zijn. Bij mastitis zal de elektrische geleidbaarheid van de
melk hoger zijn. Daamaast kan ook in dit geval de melkgift
lager en de melktemperatuur hoger zijn. Door toepassing van
elektronische dieridentificatie (automatische herkenning) en
sensoren in de melkput is het tegenwoordig vrij eenvoudig
om, per koe en per melking, de melkgift, melktemperatuur,
elektrische geleidbaarheid van de melk en de activiteit (met
behulp van stappentellers) te meten (6, 7, 12, 14). Een detec-
tiemodel is vervolgens nodig om te bepalen of de gemeten
waarden al dan niet afwijkend zijn. De resultaten van be-
schikbare detectiemodellen vallen in de praktijk vaak tegen
en de praktijktoepassing van automatische detectie is nog
niet echt van de grond gekomen (3,4, 8). Daarom is de afge-
lopenjaren onderzoek verricht naar betere detectiemodellen.
Het doel van dat onderzoek was tweeledig:

1.De ontwikkeling van een detectiemodel voor bronst en
mastitis bij melkkoeien, dat gebmikt kon worden op be-
drijven met een conventioneel melksysteem (tweemaal
daags melken) en op bedrijven met een melkrobot
(auto-
matic milking system, AMS).
Het detectiemodel moest, bij
het melken, attenderen (attenderingen geven) op koeien
die mogelijk bronstig waren of mastitis hadden. Het model
moest, als onderdeel van een managementsysteem, een
hulpmiddel voor de melkveehouder zijn bij de dagelijkse
bedrijfsvoering. Het model was gebaseerd op:

* Het gebruik van sensoren, voor melkgift, melktempera-
tuur, elektrische geleidbaarheid van de melk, activiteit
en krachtvoeropname, die op de markt beschikbaar wa-
ren.

* Een gecombineerde verwerking van de sensormetingen
door toepassing van geavanceerde wiskundige technie-
ken.

2. Een test van het ontwikkelde detectiemodel onder prak-
tijkomstandigheden, met de volgende doelstellingen:

* Voor bronstdetectie: minstens evenveel gevallen detec-
teren als in de praktijk gebeurde en tegelijkertijd het aan-
tal vals-positieve attenderingen op een acceptabel ni-
veau houden.

* Voor mastitisdetectie: alle gevallen van klinische masti-
tis moesten tijdig gedetecteerd worden, het liefst voordat
afwijkingen in de melk of aan de uier zichtbaar werden.
Het aantal vals-positieve attenderingen moest accepta-
bel blijven.

* Het detectiemodel moest het beter doen dan de melkvee-

Automatische detectie van bronsten mastitis bij melkkoeien

-ocr page 130-

houder, door geregeld te kijken naar de koeien, het deed;
en ook beter dan de modellen die al op de markt verkrijg-
baar waren (niet gebaseerd op een gecombineerde data-
verwerking).

DETECTIEMODEL VOOR BEDRIJVEN MET EEN CON-
VENTIONEEL MELKSYSTEEM

De metingen van de melkgift, melktemperatuur, elektrische
geleidbaarheid van de melk en activiteit van een koe waren
beschikbaar voor elke melking. De meetwaarden van deze
vier variabelen bij een melking waren in het algemeen afhan-
kelijk van de meetwaarden bij voorgaande melkingen. De af-
hankelijkheid werd in een wiskundig model beschreven met
zogeheten tijdreeksmodellen (5). Zo zei het tijdreeksmodel
voor de geleidbaarheid dat de actuele waarde geschat kan
worden door een combinatie van de waarden bij de twee
voorafgaande melkingen te nemen. De wegingsfactoren
voor elk van de twee voorafgaande waarden waren parame-
ters in het tijdreeksmodel voor de geleidbaarheid. Het detec-
tiemodel voor koeien, die twee keer per dag gemolken wer-
den (zoals op de meeste Nederlandse bedrijven), was
gebaseerd op tijdreeksmodellen voor de vier variabelen
(melkgift, melktemperatuur, geleidbaarheid en activiteit), en
op een kansverdeling voor de niet-opgenomen porties
krachtvoer. Deze kansverdeling gaf aan hoe waarschijnlijk
het is dat een koe een bepaald deel van haar portie krachtvoer
niet opneemt. De parameters in de tijdreeksmodellen en van
de kansverdeling werden on-line, voor elke koe en na elke
melking, geactualiseerd met behulp van een Kalman-filter
(9, 10). Een Kalman-filter is een wiskundige methode om de
toestand van een systeem on-line te schatten. De afhankelijk-
heid tussen waarnemingen bij opeenvolgende tijdstippen
wordt beschreven in toestandsvergelijkingen. Het Kalman-
filter geeft na elke nieuwe waameming de best mogelijke
schatting van de toestand, op basis van alle voorafgaande
waarnemingen. De definitie van de toestand hangt af van de
toepassing: om de parameters van de tijdreeksmodellen te
schatten, werden die als toestand gedefinieerd; om de kans-
verdeling te schatten, werd die als toestand genomen.

Door de combinatie van tijdreeksmodellen en de kansverde-
ling, elk gecombineerd met een Kalman-filter, kreeg elke
koe haar eigen model en was het mogelijk om attenderingen
te baseren op een gecombineerde verwerking van de variabe-
len (Figuur 1). Bronstattenderingen waren gebaseerd op de

output

attenderingen voor
bronst, mastitis
en andere ziekten

geactualiseerde
parameters van
tijdreeksmodellen

tijdreeksmodellen
Kalman-filter

Figjur 1. De structuur van het detectiemodel voor bedrijven met een conventioneel
melksysteem.

detectiemodel

input

melkgift

melktemperatuur
geleidbaarheid van melk
activiteit

krachtvoeropname

parameters van >

tijdreeksmodellen

dagen in lactatie
status

dagen sinds laatste
bronstwaameming ^

Figuur 2. Voorbeeld van de classificatie van bronstattenderingen en een geval van
bronst: 16 melkingen met één True
Positive (TP)-geval (met twee TP-attenderingen)
en één Fa/se
Positive (FP)-attentie.

niet bronstig bronstperiode niet bronstig

attenderingen
melkingen —

am pm am pm am pm am pm am pm am pm am pm am pm

TP

ïnatituut voor Milieu- en Agritechniek, Wageningen.
^ Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid. Lelystad.

gevallen van bronst

bronstdatum

activiteit, in combinatie met melkgift en melktemperatuur;
mastitisattenderingen op geleidbaarheid van melk, in combi-
natie met melkgift en melktemperatuur. Daamaast werden
ook attenderingen voor andere ziekten gegeven, gebaseerd
op de combinatie van melkgift, melktemperatuur, geleid-
baarheid van melk en krachtvoeropname.

Sensomietingen, informatie uit het managementsysteem en
referentiemetingen van twee proefbedrijven van IMAG^ en
ID-Lelystad^ (samen circa 90 koeien gedurende twee jaar)
waren beschikbaar om het detectiemodel te testen. De refe-
rentiemetingen bestonden uit:

* waarnemingen van bronst, klinische mastitis en andere
ziekten op het bedrijf;

* resultaten van analyses van progesteron (tweemaal per
week) en het celgetal in melk (tweemaal per week van
mengmelk, elke twee maanden van kwartiemielk), en van
bacteriologisch onderzoek van de melk (elke twee maan-
den van kwartiermelk).

Een koe was bronstig als het progesteronniveau in de melk
laag was (s 7 ng/ml) terwijl het daarvoor en daama hoog
was. Bronstwaamemingen zijn enkel gebmikt om de datum
te bevestigen. Een koe had klinische mastitis als er klinische
verschijnselen waren (vlokjes in de melk of gezwollen uier),
en subklinische mastitis als het celgetal voor één of meer
kwartieren meer was dan 500.000 per ml en mastitispathoge-
nen waren vastgesteld.

Een geval van bronst (of mastitis) was echt positief (True
Positive:
TP) als er één of meer attenderingen werden gege-
ven in de periode rond de datum waarop bronst (of mastitis)
was vastgesteld op basis van de referentiemetingen (Figuur
2). Een geval was vals negatief
(False Negative: FN) als er
geen enkele attendering was gegeven. Elk geval was TP of
FN (Figuur 3). Het percentage TP-gevallen van alle geval-
len, moest bij voorkeur zo hoog mogelijk zijn. Dit percen-
tage werd de sensitiviteit genoemd.

II

I

-ocr page 131-

TP

sensitiviteit =

TP FN

Een meiicing van een i<oe die niet bronstig was (niet leed aan
mastitis) was echt negatief (
True Negative: TN) als er geen
attendering was. Een dergehjke melking was vals positief
(False Positive: FP) ais er wel een attendering was (Figuur 2
en 3). Het percentage TN-melkingen van ai deze melkingen,
moest bij voorkeur zo hoog mogelijk zijn. Dit percentage
werd de specificiteit genoemd.

TN

specificiteit =_

TN TP

In geval van meetstoringen was deze classificatie in som-
mige gevallen niet goed mogelijk. De berekeningen van de
sensitiviteit, respectievelijk de specificiteit, waren gebaseerd
op de gevallen zonder meetstoringen, respectievelijk de mel-
kingen zonder storingen.

De sensitiviteit voor bronst varieerde van 94 tot 83% (afhan-
kelijk van de modelinstelling), gekoppeld aan een specifici-
teit van 95 tot 98%. Dat wil zeggen: bij een sensitiviteit van
94% was de specificiteit 95%; een hogere specificiteit ging
ten koste van de sensitiviteit. De modelinstelling was de
keuze van het betrouwbaarheidsinterval voor het verschil
tussen de gemeten en de verwachte metingen. De sensitivi-
teit voor klinische mastitis varieerde van 96 tot 65%, voor
subklinische mastitis van 100 tot 57%. De specificiteit voor
mastitis (klinisch of subklinisch) varieerde van 95,3 tot
99,4%. Voor andere ziekten dan mastitis, varieerde de sensi-
tiviteit van 99,6 tot 76,8%, met een specificiteit tussen 86 en
97%.

Deze testen werden uitgevoerd op twee proefbedrijven van
onderzoeksinstituten, en gaven mogelijk een vertekend
beeld van de prestaties van het detectiemodel onder praktijk-
omstandigheden. Daarom werd het model ook getest op vier
bedrijven van het PR^ gedurende enkele jaren. De resultaten
werden vergeleken met de resultaten van oudere modellen en
met de verwachtingen van experts (2). Sensormetingen van
melkgift, melktemperatuur, elektrische geleidbaarheid en
activiteit werden gebruikt als input voor het model. De resul-
taten werden vergeleken met die van het model van de leve-
rancier van de sensoren, gebaseerd op een vergelijking van
de actuele meetwaarde van een variabele met een voort-
schrijdend gemiddelde
(exponential smoothing). De sensor-
uitrusting verschilde per bedrijf De sensitiviteit voor bronst

.100%.

.100%.

Figuur 3. Schema voor de classificatie van gevallen van bronst/mastitis: True Positive
(TP) of False Negative (FN), en melkingen buiten een periode van bronst/mastitis:
False Positive (FP) en True Negative (TN).

referentie

geval van

bronst/

mastitis

melking zonder

bronst/

mastitis

detectie-
model

attentle(s)

TP

FP

geen attentie

FN

TN

over alle bedrijven varieerde van 80 tot 63%, bij een specifi-
citeit van 95 tot 98% (afhankelijk van de modelinstelling).
De sensitiviteit voor klinische mastitis varieerde van 79 tot
54%), met een specificiteit voor mastitis van 94 tot 99%. Er
waren grote verschillen in sensitiviteit tussen de vier bedrij-
ven. Bijvoorbeeld voor bronst soms meer dan 40 procent-
punten en voor mastitis nog groter. Deze verschillen konden
slechts gedeeltelijk worden verklaard door de verschillen in
sensoruitrusting. De resultaten waren beter dan verwacht op
basis van het oude model en ook beter dan de verwachtingen
van experts.

DETECTIEMODELVOOR BEDRIJVEN MET EEN MELK-
ROBOT

Automatische detectie van bronst en ziekten is speciaal voor
bedrijven met een melkrobot belangrijk. Op deze bedrijven
is er geen melker aanwezig tijdens het melken en afwijkin-
gen worden tijdens het melken niet waargenomen (1, 13).
Een detectiemodel voor deze bedrijven was gebaseerd op
een veralgemening van het model bij tweemaal daags mel-
ken. Eerst werd een model gemaakt voor koeien met een an-
dere melkfrequentie (bijvoorbeeld drie keer per dag). Daama
werd een model gemaakt voor koeien met een wisselende
melkfrequentie, dat wil zeggen het aantal melkingen per dag
en de intervallen tussen opeenvolgende melkingen wissel-
den. Dit laatste model, bruikbaar voor bedrijven met een
melkrobot, was gebaseerd op tijdreeksmodellen voor vier
variabelen (melkgift, melktemperatuur, elektrische geleid-
baarheid en activiteit) met lineaire interpolatie van voor-
gaande meetwaarden. De parameters in de tijdreeksmodel-
len werden per koe telkens geactualiseerd met herhaalde
regressie.

Voor het testen werden gegevens gebruikt van het proefbe-
drijf van IMAG (metingen van alle variabelen voor 20
koeien gedurende twee en een halve maand) en gegevens
van het high-techbedrijf van het PR (metingen van melkgift
en elektrische geleidbaarheid voor 111 koeien gedurende 18
maanden). De resultaten waren gunstig. Op het IMAG-be-
drijf werden alle gevallen van bronst en mastitis gedetec-
teerd. Het aantal gevallen van vals-positieve attenderingen
was afhankelijk van de modelinstelling. Op het PR-bedrijf
was alleen een test voor mastitis mogelijk, 42 tot 44 (afhan-
kelijk van de modelinstelling) van de 48 gevallen werden ge-
detecteerd. Bij de gemiste gevallen ontbraken sensormetin-
gen, als gevolg van meetstoringen. Het model dat normaal
werd gebruikt (gebaseerd op
exponential smoothing) miste
meer gevallen van klinische mastitis. Het aantal gevallen van
vals-positieve attenderingen was afhankelijk van de model-
instelling en was hoger dan het aantal met het model dat nor-
maal wordt gebruikt.

MINDER VALS-POSITIEVE ATTENDERINCEN MET FUZZY
LOGIC

Vals-positieve attenderingen, ten onrechte gegeven attende-
ringen, van het detectiemodel voor bronst of mastitis, kun-
nen in de praktijk problemen geven omdat de melkveehou-
der dan te vaak een koe nader moet bekijken terwijl er niets
aan de hand blijkt. Daarom werd
fuzzy logic (\'vage logica\';
11, 15) gebruikt om het aantal vals-positieve attenderingen
te reduceren en tegelijkertijd de detectie van \'echte\' gevallen

Praktijkonderzoek Rundvee. Schapen en Paarden. Lelystad.

-ocr page 132-

van bronst en mastitis op een vergelijkbaar niveau te houden.
Fuzzy logic is een uitbreiding van de klassieke logica waarbij
een bewering niet per se waar of onwaar is (bijvoorbeeld wel
of niet koud), maar ook gedeeltelijk waar kan zijn (een beetje
koud). Hierdoor is het mogelijk om op een menselijke ma-
nier te redeneren op basis van gegevens met verschillende
mate van zekerheid. De input voor het
fuzzy-logic-moAt\\ be-
stond uit de attenderingen van het detectiemodel en aanvul-
lende informatie (Figuur 4), zoals de status van de koe (bij-
voorbeeld drachtig of pas afgekalfd). De output was een
classificatie van elke attendering: echt
(tnie) of vals (J\'alse).
Alleen de als echt geclassificeerde attenderingen moesten
worden doorgegeven aan de melkveehouder. De aanvul-
lende informatie werd gebruikt om modelmatig te beoorde-
len of een attendering werd veroorzaakt door bronst (of mas-
titis), of door andere invloeden.

Een /wzzv-/og/c-model voor de classificatie van mastitisat-
tenderingen werd getest met de gegevens van het high-tech-
bedrijf van het PR. Alle gevallen van klinische mastitis wer-
den juist geclassificeerd, indien er geen meetstoringen waren
rond de mastitisdatum. Het aantal vals-positieve attenderin-
gen daalde, voor een groep van 25 koeien, van 1266 naar 64
gevallen.

Een fuzzy-logic-moAe\\ voor de classificatie van bronstatten-
deringen werd getest met gegevens van proefbedrijven van
IMAG en ID-Lelystad. Het aantal gedetecteerde bronstge-
vallen daalde licht, maar het aantal vals-positieve attenderin-
gen daalde aanzienlijk. De toepasbaarheid van automatische
detectie werd dus
door fuzzy logic verbeterd. Als de sensiti-
viteit op een geschikt niveau was, kon de classificatie met
fuzzy logic het aantal vals-positieve attenderingen sterk te-
rugdringen.

CONCLUSIES

* De resultaten van automatische bronstdetectie varieerden
van redelijk tot goed. De sensitiviteit, zoals gevonden in de
verschillende testen, was altijd hoger dan de sensitiviteit,
die in de praktijk werd waargenomen (circa 50%). De spe-
cificiteit was op een aanvaardbaar niveau, vooral als de
classificatie met
fuzzy logic werd gebruikt. Automatische

bronstdetectie is gereed voor praktijktoepassing.

* De resultaten van automatische mastitisdetectie varieer-
den (soms goed, soms matig). De verschillen bij de testen
werden grotendeels veroorzaakt door verschillen in meet-
methoden en in de implementatie van de sensoren. De
slechte resultaten in sommige gevallen, toonden aan dat
praktijktoepassing niet altijd is aan te bevelen. Het was
hoopgevend dat de beste resultaten werden bereikt op het
melkrobotbedrijf, want in die situatie is de noodzaak tot
automatische detectie hét grootst.

* De sensoren en detectiemodellen die al op de markt waren,
behoeven verbetering. De betrouwbaarheid van de sensoren
was onvoldoende. De grote hoeveelheid storingen vermin-
derde de praktische bruikbaarheid. De detectiemodellen
zouden een groter deel van de gevallen moeten detecteren
en minder vals-positieve attenderingen moeten geven.

* Detectiemodellen gebaseerd op tijdreeksanalyse in combi-
natie met een Kalman-filter of iteratieve regressie waren
gebaseerd op complexe gegevensverwerkingtechnieken.
Deze complexe modellen gaven betere resultaten dan de
simpele modellen. De complexe modellen maakten het
mogelijk om de koeien individueel te beschouwen. De
meeste gevallen van bronst en mastitis werden dan gede-
tecteerd.

* Fuzzy logic was heel geschikt om de gedetecteerde afwij-
kingen juist te interpreteren. Op deze manier kon het aantal
vals-positieve attenderingen sterk worden verminderd en
de praktijktoepassing werd gemakkelijker. De combinatie
van statistische modellen en
fuzzy logic combineerde het
beste van twee verschillende benaderingen.

* De resultaten in het proefschrift geven aan dat de perspec-
tieven voor automatische detectie goed zijn. Echter, detec-
tie is op zich niet voldoende. De volgende stap is het be-
slissen over ingrepen, zoals wel of niet insemineren, en
wel of niet behandelen voor mastitis. Aanvullende hulp is
noodzakelijk voor praktijkintroductie van automatische
detectie.

* Het belang van automatische detectie neemt toe omdat de
gemiddelde koppelgrootte blijft toenemen, en omdat het
de verwachting is dat het aantal melkrobots snel zal toene-
men. Goed management is alleen mogelijk bij een goede
detectie van bronst en mastitis. De detectiemodellen, die in
het proefschrift zijn beschreven, kunnen daaraan een be-
langrijke bijdrage leveren.

LITERATUUR

1. Artmann R. Sensor systems for milking robots. Computers and
Electronics in Agricuture 1997:17: 19-40.

2. Asseldonk MAPM van, Huime RBM. and Dijkhuizen AA.
Quantifying characteristics of information-technology applications
based on expert knowledge for detection of oestrus and mastitis in
dairy cows. Prev Vet Med 1998; 36; 273-86.

3. Automatisering in de agrarische sector; Gebruik en trends 1999. ATC
Wageningen 1999:51 pp.

4. Brand A, Noordhuizen JPTM, and Schukken YH. Herd health and
production management in dairy practice. Wageningen Pers,
Wageningen 1996: 543 pp.

5. Chatfield C. The analysis of time series: an introduction. 4th ed.
Chapman and Hall, London 1989; 241 pp.

6. Frost AR, Schofield CP. Beaulah SA. Mottram TT, Lines JA, and
Wathes CM. A review of livestock monitoring and the need for inte-
grated systems. Computers and Electronics in Agriculture 1997; 17;
139-59.

7. Geers R, Puers B, Goedseels V, and Wouters P. Electronic identifica-
tion, monitoring and tracking of animals. CAB Intemational,
Wallingford UK 1997: 156 pp.

-ocr page 133-

Hamann J. and Zecconi A. Evaluation of the electrical conductivity of
inilk as a mastitis indicator. Bulletin of the Intemational Dairy
Federation, no. 334, 1998: 23 pp.

Harrison PJ. and Stevens CF. Bayesian forecasting (with discussion).
Journal of the Royal Statistical Society. Series B (Methodological)
1976;38:205-47.

Harvey AC. Forecasting, structural time series models and the
Kalman filter. Cambridge University Press, Cambridge UK 1989:
554 pp.

Klir GJ. and Yuan B. Fuzzy sets and fuzzy logic: Theory and applica-
tions. Prentice Hall, Upper Saddle River, New Jersey, USA 1995: 574
pp.

10.

11.

12. Mottram T. Automatic monitoring of the health and metabolic status
of dairy cows. Livestock Production Science 1997; 48: 209-17.

13. Rössing W, Hogewerf PH, Ipema AH, Ketelaar-de Lauwere CC, and
Koning CJAM de. Robotoc milking in dairy farming. Netherlands
Journal of Agricultural Science 1997; 45: 15-31.

14. Schlünsen D, Roth H, Schön H, Paul W, and Speckmann H. Automatic
health and oestms control in dairy husbandry through computer aided
systems. Journal of Agricultural Engineering Research 1987; 38: 263-
79.

15. Zimmerman H-J. Fuzzy set theory and its applications, third ed.
Kluwer Academic Publishers, Boston/Dordrecht/London 1996: 435
pp.

Schalm^s Veterinary Hematology

Vijfde uitgave. B.F.Feldman,J.G. ZinkI a[ N.C.Jain, Lippincott,
Williams alWilkins, Philadelphia, 2000, ISBN:
0-683-30692-&

De nieuwe editie van Sclialin\'s Veterinary Hematology is 15
jaar na de vorige uitgegeven. In die tijd hebben de ontwikke-
lingen op het gebied van de veterinaire hematologie niet stil
gestaan en is ook de boekdrukkunst gemoderniseerd. Beide
zijn duidelijk aan deze nieuwe uitgave te zien. Het boekwerk
(1344 pagina\'s) is aanzienlijk lijviger dan de vorige uitgave.
Het heeft een opvallend modeme, kleurige harde kaft. Ook
in de inhoud is kleur prominent aanwezig, zowel in de tekst
als in schema\'s. De fraaie, voomamelijk cytologische kleu-
renfoto\'s, zijn veel talrijker dan in de vorige dmk en niet
meer in een apart katern vóórin geplaatst maar aansluitend
bij de tekst, zodat niet steeds teruggebladerd hoeft te worden.
De belangrijkste veranderingen betreffen echter de inhoud.
Waar de vierde editie nog grotendeels een door Jain aange-
paste en aangevulde versie was van het oorspronkelijke werk
van Schalm, is de vijfde editie geheel herzien. Er zijn 190
hoofdstukken, geschreven door maar liefst 175 auteurs met
specifieke kennis van het door hen bewerkte onderwerp. Elk
hoofdstuk wordt afgesloten met een lijst literatuurverwijzin-
gen. Opmaak en indeling van het boek zijn helder. Dit is on-
der meer bereikt door een indeling in 14 secties, die elk door
een mederedacteur, toonaangevend specialist op het be-
treffende vakgebied, zijn geredigeerd. Een uitgebreide index
achterin verwijst naar alle plaatsen waar een bepaald onder-
werp aan de orde komt. Evenals in de vorige druk, wordt het
boek besloten met een 40-tal casus; klinische beschrijvingen
van individuele patiënten aangevuld met resultaten en inter-
pretatie van laboratoriumonderzoek. Daardoor staat dit
tekstboek dichter bij de praktijk dan andere tekstboeken.
De geweldige ontwikkeling die de veterinaire hematologie
sedert de vorige uitgave heeft doorgemaakt blijkt onder meer
uit de uitbreiding van het onderwerp \'hemostasis\' (in de vo-
rige uitgave één hoofdstukje, nu drie secties die tezamen 26
hoofdstukken bevatten); uit de introductie van een sectie
\'Genetic hematologie diseases\' (18 hoofdstukken) en uit de
omvang van de sectie \'Specific species - Appropriate hema-
tology\' (28 hoofdstukken) waarin de \'normaalwaarden\' van
alle landbouwhuisdieren en gezelschapsdieren en een groot
aantal bijzondere dieren aan de orde komen. Ook in de sec-
ties IX en X (tezamen 24 hoofdstukken) over hematopoëti-
sche neoplasieën is veel nieuws te lezen. Andere onderwer-
pen, waarvan in de vorige uitgave nog nauwelijks werd
gerept, zijn de immunohematologie en de huidige kennis op
het gebied van de cytokines. Nieuwe technieken en instru-
menten voor kwantitatief en kwalitatief hematologisch on-
derzoek, ook van belang voor de praktijk, worden besproken
in sectie I.

Een klein minpuntje is dat nog steeds geen internationale
eenheden worden gebruikt. Dat is de redactie niet kwalijk te
nemen, want het boek is natuurlijk in de eerste plaats gericht
op de Amerikaanse markt. Een omrekentabelletje zou echter
zowel voor Amerikanen als voor \'anders denkenden\' handig
zijn geweest.

Met zo\'n groot aantal auteurs is de kwaliteit van het ene
hoofdstuk onvermijdelijk wat beter dan van het andere. Een
aantal hoofdstukken is zeer compact en op hoog specialis-
tisch niveau geschreven. Dit was nauwelijks te vermijden
zonder het boek nog verder in omvang te doen toenemen.
Het maakt het snel bevatten van die materie voor de minder
ingevoerde lezer echter wel moeilijk. Over het geheel geno-
men is de leesbaarheid echter goed en de informatie accu-
raat. Meer nog dan voorheen mag Schalm\'s tekstboek dan
ook als de bijbel van de veterinaire hematologie worden be-
schouwd. Dit boek mag zeker niet ontbreken in de bibliothe-
ken van onderzoekers en onderzoeksinstellingen die met die-
ren werken, noch in specialistische praktijken en praktijken
die vaak bijzondere dieren behandelen. Eigenlijk zou het in
de boekencollectie van geen enkele praktijk of student mis-
staan. Daarvoor zal de prijs, mede door de hoge dollarkoers,
echter wel een belemmering vormen; ƒ 436,- is geen urina
felinae. Men bedenke echter dat deze vijfde editie waar-
schijnlijk weer vele jaren het enige toonaangevende veteri-
naire hematologieboek op de markt zal zijn.

Dr. R.J. Slappendel

-ocr page 134-

SAMENVATTING

Op een vleesvarkensbedrijf stierven alle 582 aanwezige
dieren ten gevolge van een peracute intoxicatie met zwa-
velwaterstof (HjS). Het zwavelwaterstof kwam vrij nadat
6000 liter melkzuur (41,5 massaprocent) was geloosd in
de mestkelder. Hierbij kwam plotseling circa 575 m\' gas
vrij dat zich ten gevolge van de hiermee gepaard gaande
overdruk zeer snel over alle stalruimten verspreidde. Op
basis van analyse van de situatie is berekend dat een con-
centratie van 7870 ppm zwavelwaterstof is bereikt.

SUMMARY

Acute intoxification of pigs with hydrogen sulphide as a
result of acidification of slums

On a fattening pig farm all 582 animals died of peracute inloxication with
hydrogen sulphide (HiS). The accident took place after 6000 litres of lactic
acid (41.5 mass % ) was dumped in the shiny pit. The volume of released
gas was about 575 m \\ This re.sulted in sudden spreading by overpressure of
a lethal concentration of hydrogen sulphide to all compartments of the pig
house. Analysis ofthe situation indicated that the level of hydrogen sulphide
was 7H70ppm.

INLEIDING

In mengmest van varkens kan een grote diversiteit aan gassen
gevormd worden. Door het oppompen en daarbij mechanisch
mengen van de massa, kunnen al aanwezige gassen ontsloten
worden en zodoende een gevaar opleveren voor de directe om-
geving. In de regel zal een adequate ventilatie sterfte voorko-
men. Als de mest wordt aangezuurd tot een pH beneden de pH
= 5, kan het ontsluitingsproces dramatisch worden versneld.
In dat geval wordt onmiddellijk het in de mest aanwezige gas
in minerale vorm, hoofdzakelijk CO2 en H2S, ontsloten.
Hierbij kunnen grote hoeveelheden gas vrijkomen (rapport
903, Ir. R. Wasser, BTG - TH Twente, 29 maart 2000).

Een bedrijfsongeval wordt beschreven dat veroorzaakt werd
door de acute toxiciteit van zwavelwaterstof, dat vrijkwam
na toevoeging van een grote hoeveelheid melkzuur aan var-
kensdrijfmest.

CASE REPORT

Op een vleesvarkensbedrijf zijn verdeeld over vijf afdelin-
gen 582 dieren aanwezig. Onder deze afdelingen is een mest-
kelder aanwezig die per afdeling is gecompartimenteerd. Op
de avond van 8 maart 2000 werd ongeveer 6000 liter van
41.5 massaprocent geconcentreerd melkzuur toegevoegd
aan één van de 35 m^ mest bevattende keldercompartimen-
ten. Direct ontstond een indrukwekkende schuimvorming
waarbij het schuim tot een meter hoog kwam te staan in die

\' Gezondheidsdienst voor Dieren. Postbus 9. 7400 AA Deventer; E-mail: g.borst@gdv-
dieren.nl
afdeling (de tweede vanaf de buitendeur) en de aangren-
zende centrale gang en via de buitendeur naar buiten
stroomde. Op dat tijdstip was de ventilatie afgesteld op onge-
veer 30% van de maximale capaciteit (5800 m^ per uur). Bij
inspectie na enige tijd bleken alle 582 varkens dood te zijn.
Alle dieren lagen in hun slaap getroffen dood in de stalruim-
ten. In de stallen is verder geen noemenswaardige schade
vastgesteld. Persoonlijke ongelukken deden zich niet voor.

G.H.A. Borsti

Bij het toevoegen van het melkzuurconcentraat aan de mest
heeft de gedachte gespeeld dat melkzuurtoevoeging aan brij-
voer, in kleine hoeveelheden, de normale, biologische gis-
ting en daarmee samenhangende schuimvorming tegengaat.
Hetzelfde effect werd ook beoogd toen besloten werd het
overtollige melkzuurmengsel in de mestkelder te laten weg-
lopen. Echter, door toevoeging van een dergelijke grote hoe-
veelheid (de opslagtank was nodig voor andere doeleinden)
werd een volledig onbeheersbaar proces in gang gezet.

In kort bestek speelt zich dan het volgende af De pH daalt in
een dergelijk mengsel van mest (pH 7.8) en melkzuurcon-
centraat (pH 2) tot onder de 4. Op basis van een analyse op
laboratoriumschaal (rapport 903, Ir. R. Wasser, BTG - TH
Twente) wordt bij een verhouding van 35 ml mengmest op 6
ml melkzuur (pH = 1.9) een eind pH = 5.0 bereikt; bij toevoe-
ging van 8 ml melkzuur een pH = 2.5. Bicarbonaten en wa-
terstofsulfiden, de minerale vormen van kooldioxyde en
zwavelwaterstof, zijn ruimschoots aanwezig in mengmest
ten gevolge van de biologische afbraak in de mest. Bij aan-
zuring (pH lager dan 3.5) komt kooldioxyde en zwavelwa-
terstof vrij. Dit in tegenstelling tot de situatie bij een hoge pH
(boven pH = 8); dan komt er ammoniak vrij. Het plotseling
vrijkomen van grote hoeveelheden gas gaat gepaard met
schuimvorming, drukverschillen en warmteontwikkeling.
Analyse op laboratoriumschaal (rapport 903, Ir. R. Wasser,
BTG - TH Twente) leert dat er bij toevoeging van ongeveer
6000 liter 41.5 massa % melkzuur aan 35 m^ mengmest circa
575 m\' gas vrijkomt waarvan 99,2 % kooldioxyde en circa
0.79 vol % of 7870 ppm zwavelwaterstof is.
De gevormde hoeveelheid gas (circa 575 m^) is een veelvoud
van de inhoud van de betreffende afdeling van de varkensstal
(circa 210 m^). Dit gegeven gecombineerd met de zeer korte
tijd waarin de gasvorming zich voltrekt (minder dan 30 se-
conden) heeft tot gevolg dat er een dmkgolf ontstaat die de op
30% van het maximum functionerende ventilatie overstuurt.
Het gas baant zich bijna explosief een weg naar de andere af-
delingen via de centrale gang. Het effect dat optreedt is goed
te vergelijken met het openen van een fles koolzuurhoudende
frisdrank die vooraf flink geschud is. De heftige gasontwik-
keling zorgt voor schuimvorming in de mestmassa.
Op een drietal dieren die bij dit bedrijfsongeval zijn gestorven
werd sectie verricht. Dit onderzoek leverde geen karakteris-
tieke bijzonderheden op. Dat is goed te verklaren omdat in-
toxicatie met zwavelwaterstof in een dergelijk acuut geval
geen orgaanafwijkingen oplevert. Het \'bewijs\' is alleen indi-

Acute zwavelwaterstof (H2S)-vergiftiging ten gevolge van
aanzuring van mengmest op een varkensbedrijf

Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126; 104-5

-ocr page 135-

reet te leveren: er zijn geen specifieke afwijkingen waarneem-
baar, de catastrofale omvang van de sterfte, het plotselinge
verloop, de directe aansluiting van de sterfte op de uit de hand
gelopen \'aanzuring\' van de mest en analyse van de situatie.
Zwavelwaterstofgroepen zijn lichaamseigen verbindingen en
daarom is de minimale hoeveelheid, nodig voor een toxisch
effect, analytisch niet te detecteren in hieraan gestorven die-
ren. Het gasvonnige, niet gebonden zwavelwaterstof is zo
vluchtig dat het ook niet te bepalen valt na de dood in het be-
treffende slachtoffer en evenmin in de omgeving. Het gepro-
duceerde zwavelwaterstof verdwijnt in de atmosfeer.

Zwavelwaterstof is een zeer gevaarlijk gas (1). Zwavelwater-
stofgroepen worden gebonden aan metallo- en disulfide-bevat-
tende eiwitten die vaak een enzymatische ftinctie hebben zoals
cytochroomoxydasen. Hierop is de acuut toxische werking
van zwavelwaterstof terug te voeren. De bindingsaffiniteit van
zwavelwaterstof overtreft die van
Cyanide (blauwzuurgas).
Al in extreem lage concentraties is zwavelwaterstof te ruiken:
de typische geur van rotte eieren. Dit fenomeen treedt op bij
een concentratie vanaf 0.13 ppm (0.00013 vol %). Boven de
150 ppm (0.015 vol %) treden er klinische verschijnselen op.
Dan is histologisch en ultrastructureel weefselschade aantoon-
baar mits de blootstelling voldoende lang heeft geduurd en de
overlevingsduur eveneens lang genoeg is (8). Boven de 500
ppm treedt bewustzijnsverlies op en boven de 800 ppm treedt
de dood snel in omdat bij inademing van een dergelijke con-
centratie direct verlamming optreedt van het ademhalingsap-
paraat en het ademhalingscentmm in de hersenen. Hierbij zijn
bij sectie geen organische afwijkingen vast te stellen. Het be-
schadigen van zenuwen bij het inademen van hoge concentra-
ties zwavelwaterstof heeft ook tot gevolg dat dergelijke con-
centraties niet (meer) geroken worden! Met andere woorden,
zolang je zwavelwaterstof ruikt, zitje nog aan de veilige kant.

Het in dit geval ook vrijgekomen kooldioxyde kan ook tot ver-
giftiging leiden omdat het zwaarder is dan lucht en zodoende
zuurstof kan verdringen. Bij goede ventilatie zal dat niet optre-
den. Hier zal het in feite geen rol gespeeld hebben omdat zwa-
velwaterstof zo snel werkt dat het effect van kooldioxyde het
daarbij aflegt.

Vergiftiging door zwavelwaterstof is met enige regelmaat
vastgesteld, zowel bij varkens (7,9,10), runderen (3,6) en
pluimvee (2) als ook bij mensen (4,5).

Dit bedrijfsongeval waarschuwt ons om zorgvuldig en voor-
zichtig om te gaan met mest. Door het toenemende gebruik
van (organische) zuren in varkensvoeding kunnen zich situ-
aties voordoen zoals beschreven in dit bedrijfsongeval.
Volledig onbeheersbare, autonome processen kunnen dan in
de meest letterlijke zin dodelijk verlopen. Een gewaarschuwd
mens telt voor...

LITERATUUR

1. Beauchampjr RO. Bus JS. Popp JA, Boreiko CJ, and Andjelkovich DA. A
critical review of the literature on hydrogen sulfide toxicity. CRC Crit Rev
Toxicol 1984; 13:25-97.

2. Blaxland JD, Shenitob J, Francis GH, and Jones GE. Mortality in a battety
of laying hens attributed to the prcnsence of noxious gases from slurry. Vet
Rec 1978; 103:241-2.

3. Dahnie E. Bilzer T, and Dirksen G. Neuropathology of manure gas poiso-
ning (HjS intoxication) in cattle. Dtsch Tierarztl Wochenschr 1983; 90:
316-20.

4. Donliani KJ, Yeggy J, and Dague RR. Production rates of toxic gases from
liquid swine manure: iinplications for workers and anitnals in swine con-
finement buildings. Biol Wastes 1988:24: 161-73.

5. Hall AH, and Runiack, BH. Hydrogen sulfide poisoning: an antidotal role
for sodium nitrite? Vet Hum Toxicol 1997:39: 152^.

6. Hoo.ser SB, Van Alstine W, Kiupel M, and Sojka J. Acute pit gas (hydrogen
sulfide) poi.soning in confinement cattle. J Vet Diagn Invest 2000; 12: 272-
5.

7. Lawson GHK.andMcAllisterJVS.Toxicgasesfromslunry.VetRec 1966;
79:274.

8. Lopez A, Prior M, Lillie LE, Gulayets C, and Atwal OS. Histological and
ultrastructural alterations in lungs of rats exposed to sub-lethal concentra-
tions of hydrogen sulfide. Vet Pathol 1988; 25:376-84.

9. Pickrell J. Hazards in confinement housing - gases and dusts in confined
animal houses for swine, poultry, horses and humans. Vet Human Toxicol
1991;33:32-9.

10. Veld PT van\'t. Een geval van sterfte bij vleesvarkens ten gevolge van vor-
ming van zwavelwatcrstolga.s in dc mcstkclder. Tijdschr Diergeneeskd
1992; 117: 13A

Erythrold hypoplasia and anemia following administration of
recombinant human erythropoietin to two horses.

Piercy RJ, Swardson CJ, and HinchcliffKW.J Am Vet Med Assoc
7998; 212:244--/.

Een driejarige draverruin en een driejarige draverhengst wer-
den aangeboden aan de veterinaire faculteit van de Ohio State
University vanwege anemie. Aan beide paarden was in de twee
maanden daarvoor 4000 iu recombinant humaan erythropoë-
tine (rh EPO) intramusculair toegediend, tenminste twee- res-
pectievelijk viermaal, met steeds een interval van een week. Bij
binnenkomst was de hematocriet van de dravers opmerkelijk
genoeg veriaagd: 16 respectievelijk 24% (nonnaal
21-46%).
Beide paarden hadden een hoge ijzerconcentratie in het serum
in combinatie met een hoog ijzerverzadigingspercentage van
transferrine. De concentratie transferrine daarentegen was niet
afwijkend. Het beenmerg van beide dieren was hypoplastisch
ten aanzien van de rode cellijn, zoals bleek uit onderzoek van
een beenmergbiopt. De hoge ijzerconcentratie in het serum in
combinatie met het hoge ijzerverzadigingspercentage, past niet
alleen bij een recente ijzertoediening, maar ook bij een ineffec-
tieve erythropoëse. Op basis van de anamnese en aanvullend in
vitro onderzoek werd als meest waarschijnlijke oorzaak voor
de anemie het circuleren van aanvankelijk tegen rh EPO, maar
later ook tegen endogeen EPO, gerichte antilichamen gezien.
Vijf maanden na het staken van de rh EPO-toediening in com-
binatie met enige tijd dexamethason po (0,05 mg/kg LG 1 dd.)
waren de paarden weer in training. Uit de literatuur blijkt dat
rh EPO in de regel 72 uur na toediening aan paarden niet meer
in het bloed aantoonbaar is.

Paard

J.H. van der Kolk

-ocr page 136-

Voorgangers: dierenartsen uit vroeger tijd (42)

De naam van deze jong overleden onderzoeker is weer volop in de belangstelling komen te staan sinds de verschij-
ning van een studie over Pasteur waarin het succes van diens spectaculaire inentingsproef tegen miltvuur in Pouilly-
le-Fort eigenlijk te danken was aan de manier waarop Toussaint eerder dan Pasteur een vaccin tegen anthrax bereid
had.

Toussaint heeft in de korte periode, waarin het hem vergund was onderzoek te doen, zoveel bereikt, dat hij tot de
groten In de veterinaire geschiedenis mag worden gerekend.

Jean Joseph Henry Toussalnt werd In 1847 geboren In het dorpje Rouvres-la-Chétlve In de Vogezen, waar zijn vader
schrijnwerker was. Daar het de wens van zijn vader was dat hij hem zou opvolgen, vond hij het voldoende dat zijn
zoon alleen de lagere school bezocht. Een plaatselijk politicus merkte de bijzondere gaven van dejongenopen bood
aan om een verdere studie te betalen. De ouders hadden hiertegen echter gewetensbezwaren en de zoon ging dus
niet naar de middelbare school, maar kwam bij zijn vader In de leer. Tenslotte erkende deze de begaafdheid en de
ambities van zijn zoon. Deze had zijn zinnen gezet op de veeartsenijschool van Lyon. Ongetwijfeld heeft bij deze keus een vriend
van zijn vader, die onderwijzer was, een rol gespeeld. In 1865 werd hij er na een toelatingsexamen Ingeschreven. Dankzij een studie-
beurs voor de eerste twee jaren waren de financiële bezwaren uit de weg geruimd.

De start was moeilijk, omdat hij alleen maar het lagere ondenwijs had gevolgd. Toch heeft hij met uitstekende resultaten gestudeerd,
waarbij zowel zijn handigheid, die hij met zijn opleiding tot schrijnwerker had verkregen, als zijn uitstekend verstand en zijn Ijver
hebben geholpen. Na vier jaar studeerde hij als een van de besten van zijn jaar af op een proefschrift over de vergelijkende anatomie
van de nervus vagus. Kort erna nam hij deel aan het vergelijkend examen vooreen positie als \'chef de travaux d\' anatomie et physio-
logie\' waarvoor aan meer dan één veeartsenijschool vacatures waren. Omdat hij als eerste eindigde, kon hij kiezen waar hij wilde
gaan werken en zijn keus viel op de school waar hij zijn opleiding had gevolgd, Lyon. Hij zou hier van 1870 tot 1876 in functie zijn.
Sterker geporteerd voor onderzoek dan voor onderwijs nam hij deel aan onderzoekingen op het gebied van anatomie en paleozoö-
logle en experimentele fysiologie. Zijn hoogleraar Chauveau (zie:
Voorgangers nr. 41) betrok hem bovendien In diens onderzoek op
het gebied van de infectieziekten. Twee onderwerpen zouden respectievelijk in 1877 en 1879 dienen om het doctoraat in de natuur-
wetenschappen en het doctoraat in de geneeskunde te behalen, nadat hij zich daarvoor aan de daartoe vereiste bacalauriaats- en li-
centiaatsexamens onderworpen had. Zijn gebrekkige vooropleiding werd dus volledig weggewerkt.

Zijn eerste studies betroffen de morfologie en werden geïnspireerd doorzijn interesse In het danwinisme. Samen met abbé Ducrost,
eigenaar van een deel van het terrein met de grotten van Solutré (bij Mâcon) uit het Laat-Paleoceen, onderzocht hij de daar opge-
taste massa beenderen van ongeveer 100.000 paarden en andere dieren die voor de consumptie waren bejaagd. Zij wisten hieruit
een paardenskelet te reconstrueren en gaven een beschrijving van de bouw van dit nog niet gedomesticeerde ras met een schoft-
hoogte van ±1.36 m.(i873). Een studie naar de aangezichtsschedel bij uiteenlopende hondenrassen leidde tot de conclusie dat de
vorm der beenderen bepaald wordt door het aantal aangelegde tandzakjes (1876). Uit hetzelfde jaar is het tweedelige leerboek voor
chirurgische anatomie, samen met François Peuch, waarvan hij het anatomische deel voor zijn rekening nam. Daarna verschoof
zijn aandacht naar de fysiologie. De Invloed van Chauveau en het door hem ingerichte, goed geoutilleerde laboratorium, zal daaraan
niet vreemd geweest zijn. Het eerste van een reeks door hem samen met de medicus J.P. Morat uitgevoerde onderzoekingen betrof
de prikkelbaarheid van het spler-zenuwpreparaat van de kikkerpoot
{Variation de l\'état électrique des muscles dans la contraction vo-
lontaire et le tétanus artificiel étudiés à l\'aide de la patte galvanoscopique,
1876], De Académie des sciences beloonde dit werk met een
prijs. Vervolgens richtte hij zijn aandacht op het mechanisme van het herkauwen, met name op dat van de regurgitatle van de her-
kauwbrok waarbij met een grafische methode alle bewegingen werden vastgelegd en de sarnenhangde werking van middenrif
ademhalingsspieren en keelkop werd aangetoond. Dit zou tevens het onderwerp worden waarmee hij zijn
doctorat ès-sciences be-
haalde.

In 1876 werd Toussalnt, weer na een vergelijkend examen, benoemd tot hoogleraar anatomie en fysiologie aan de veeartsenijschool
in Toulouse. Toen de leerstoel verdubbeld werd, koos hij voor de fysiologie, waaraan gekoppeld was het onderwijs In de algemene
therapie.

Gedurende zijn periode in Toulouse wijdde hij zich geheel aan de studie van infectieziekten.

Het was een interesse die hij uit Lyon had meebracht. Nadat Koch in 1876 en Pasteur, samen metjoubert, In 1877 de etiologie van de
miltvuurbesmetting hadden opgehelderd, raakte ook Toussaint in de ban van deze veel schade berokkenende bacterie. Hij zond via
de voorzitter van
de Académie des sciences -ever^eens d\\erenans- Henri Bouley (1814-1885) een aantal mededelingen over zijn bevin-
dingen ter publicatie in de
Comptes rendus. Tevens vormde deze onderzoekingen het onderwerp van een tweede dissertatie, die hij

Jean Joseph Henry Toussaint
(1847-1890)

-ocr page 137-

onder de titel Recherches expérimentaks sur la maladie charbonneuse, in juni 1879 Lyon voor de medische faculteit
verdedigde. Deze werd door de faculteit meteen zilveren medaille bekroond. Nu hij
ook docteurès-médecine vjerd,
werd hij toen tevens benoemd tot hoogleraar in de fysiologie aan de medische faculteit van Toulouse.
In datzelfde jaar deed hij op verzoek van de minister van Landbouw onderzoek in Beauce, een streek ten Noorden
van Orleans, die berucht was vanwege het frequente optreden van miltvuur. Hij stelde vast dat het nooit om spon-
tane ziektegevallen ging en dat de infectie altijd via de mond verloopt, een conclusie die ook door Pasteur die eerder
een soortgelijke missie vervuld had, was getrokken. Tevens gaf hij de maatregelen aan om het optreden van de
ziekte te voorkomen.

In maart 1878 had Toussaint een bloedmonster van een gestorven paard uit Chartres toegezonden gekregen. De
betrokken dierenarts verdacht het dier van miltvuur, maar kon de verwekker niet aantonen. Bij aankomst was het
monster al 60 uur oud, zwart en niet gestold. Een konijn, dat ermee werd ingespoten, stierf maar er konden geen
miltvuurbacteriën worden aangetoond. Bij een ander konijn ontdekte hij de verwekker: zeer klein en niet in kettink-
jes liggend zoals de miltvuurbacteriën. Er was een sterke overeenkomst met de verwekker van de kippencholera zo-
als kort daarvoor door Perroncito beschreven. Beide ziekten bleken te kunnen worden verwekt door dezelfde bacte-
rie. Zijn op een grote serie proeven gebaseerde verslag aan de
Académie des sciences (1880) was dan ook getiteld:
Identité de la septicémie aiguë et du choléra des poules.

Het lukte Toussaint deze nieuwe bacterie, die ironischerwijs Pasteurella is gaan heten, in cultuur te brengen. Na het
in cultuur brengen van de miltvuurbacterie door Koch in 1876 was dit de tweede in cultuur gebrachte bacterie. Hij
zond in december 1878 een preparaat naar Pasteur die hem een maand later met zijn ontdekking feliciteerde. En
weer een jaar daarna kon Pasteur melden dat hij na verzwakking van de bacteriën immuniteit had kunnen opwek-
ken, zonder dat hij echterduidelijk maakte welke procedure hij hierbij gevolgd had. Hoewel Toussaint tegenover de
Academie van Wetenschappen heeft verklaard, dat hij volledig achter het werk stond dat Pasteur had verricht, koos
hij een andere benadering voor het bereiden van een entstof. Pasteur, als chemicus overtuigd van de belangrijke rol
van zuurstof, dacht dat de verzwakking bereikt was door de blootstelling van de cultuur aan zuurstof Toussaint
maakte zijn entstofdaarna (i88i) door passages in konijnen.

Zowel Pasteur als Toussaint bejegenden elkaar met respect. Maar beiden waren in de race op hetzelfde gebied door
te breken.

Pasteur had zijn familie laten beloven nooit zijn laboratoriumnotities te publiceren. De Amerikaanse wetenschapshistoricus Gerald
Ceison heeft na raadpleging van deze verslagen, die nu in de
Bibliothèque Nationale berusten, aangetoond dat Pasteurs successen
in het ontwikkelen van vaccins duistere trekken vertonen. Zo zou hij bij het bereiden van zijn vaccin tegen miltvuur gebruik hebben
gemaakt van de methode van Toussaint toen bleek dat zuurstofinwerking alleen niet het gewenste effect gaf Hetwas Toussaint al in
1880 al gelukt om door verhitting (en het gebruik van carbolzuur) de smetstof te inactiveren. Een jonge hond en een schaap bleken
na inenting bestand tegen een behandeling met zijn vaccin. Toen bij een vaccinatie van schapen slechts de helft van de behandelde
dieren bestand bleek tegen een opzettelijke miltvuurbesmetting, begreep Toussaint, in tegenstelling tot Pasteurs mening in die tijd,
dat de vaccinatie enkele keren herhaald moest worden om een afdoende bescherming te verkrijgen. Toussaints resultaten werden
door de spectaculaire demonstratie van Pasteurin Pouilly-le-Fort in i88i echter volledig overvleugeld.

Ook aan andere infectieziekten (tuberculose en schapenpokken) heeft Toussaint daarna nog gewerkt. Zijn oude leermeester
Chauveau die tien jaar na zijn dood een lange voordracht hield over Toussaints persoon en prestaties, miste hierin de kritische geest
en originaliteit die zijn eerder werk kenmerkten. Kennelijk begon vanaf 1881 zijn ziekte al vat op hem te krijgen.
In 1883, pas 36 jaar oud, noodzaakte een hersenaandoening hem om zijn activiteiten te stoppen. Tot 1 juli 1887 heeft men, uit res-
pectvoorzijn verdiensten, de leerstoel voor hem vrij gehouden. Op die datum is hij pas officieel op wachtgeld gesteld waarna hij nog
driejaar heeft moeten lijden tot op 4 augustus 1890 een einde kwam aan zijn glorierijke, doch tragische levensloop. Toussaint heeft
voor zijn wetenschappelijk onderzoek veel onderscheidingen in de vorm van prijzen ontvangen. Ook werd hij benoemd tot ridder in
het legioen van eer.

Aanzijn graf verklaarde zijn vriend F. Laulanié, directeur van de school in Toulouse, dat Toussaint een aantal eigenschappen bezat,
die zo\'n vruchtbare carrière mogelijk gemaakt hadden: een grote scherpzinnigheid bij de uiteindelijke keuze uit talrijke beschikbare
hypotheses, een koppig doorzettingsvermogen bij het verkrijgen van de gegevens waarmee de hypotheses geverifieerd konden wor-
den, een geweldige handigheid als experimentator en een schier onberispelijke werkmethodiek.

Door de verering voor Louis Pasteur is Toussaint altijd in de schaduw blijven staan. Vooral door het historisch onderzoek van
Geison zijn nu een aantal feiten naar voren gekomen waardoor we een beter zicht gekregen hebben op de betekenis die Toussaint in
het prille begin van de bacteriologie en immunologie gehad heeft.

Deze rubriek wordt verzorgd door leden van het Veterinair Historisch Genootschap

A. Mathijsen en E.P.OIdenkamp

Literatuur

Chauveau MA. Éloge de Henri Toussaint, sa vie et son oeuvre, journal de Médecine Vétérinaire et de Zootechnie Tgoo; 49: 664-76; 720-33.

Cornevin C. Nécrologie, MH Toussaint, journal de Médecine Vétérinaire et de Zootechnie iSi^O\', 41:438-41.

Dorbec C.Jean Joseph /-tenry Toussaint, sa vie, son oeuvre. Diss Lyon 1998.

Dunlop RH, and Williams DJ. Veterinary medicine. An illustrated history. Mosby 1996:383.

Geison C. The private science of Louis Pasteur. Princeton U. P. 1995.

Krogmann v. L\'enseignement vétérinaire à Lyon aux XVIII^ et Xl^ siècles. Vie et oeuvre des professeurs et direaeurs. Diss Lyon 1996:250-4.
N[eumann] [L-]G. Mort de M. le professeur Toussaint; Discours de M. le Dr. Laulanié; Discours de M. le Dr. Caubet.
Revue vétérinaire i8go; 15:448-65.
Neumann L-G.
Biographies vétérinaires. Paris, 1896:383-6.

Oldenkamp EP. Voorgangers 41: J-B A Chauveau. Tijdschrift voor Diergeneeskunde 2ooo\', 125:718-9.

-ocr page 138-

iiWijiiii

ß

ctua

Berichten en verslagen

Melkkwaliteiten automatisch melken

De zuivelindustrie denkt bij melkkwa-
liteit aan meer aspecten dan aan celge-
tal en residuen van diergeneesmidde-
len. Daardoor heeft Johan Boelrijk\'s
voordracht een interessante insteek.
Uit analyses van Campina Melkunie
blijkt dat de gemiddelden van bedrijven
met automatisch melksystemen (AMS)
op een aantal kwaliteitsmaatstaven af-
wijken van het leveranciersgemiddelde
van Campina. Kiemgetal, celgetal, vries-
punt en zuurtegraad melkvet moeten be-
ter, stelt Boelrijk. Reinheidsafwijkingen,
aantal boterzuursporen en residuen van
bacteriegroeiremmende stoffen liggen
bij robotmelk op een vergelijkbaar ni-
veau als bij traditioneel melken.
Een heel aantal oorzaken liggen ten
grondslag aan de afwijkende melk-
kwaliteit, waarbij het duidelijk is dat
veehouder en fabrikant meer aandacht
moeten geven aan deze kwesties. De
techniek biedt oplossingen. Maar de
veehouder zal ook moeten leren wer-
ken met een AMS, in de context van
celgetalbeheersing en mastitismanage-
ment.

De zuurtegraad van het melkvet is een
maat voor de beschadiging van de vet-
bolletjes in de melk. Een hogere zuur-
tegraad leidt tot smaakafwijking en
verminderde houdbaarheid. De oor-
zaak van deze afwijking ligt in het
overpompen van de melk, van robot
naar tank. En in de bepaalde koege-
bonden factoren, in samenhang met
kortere melkintervallen.
Stijging van het vriespunt ontstaat
door extra toevoeging van (spoel-) wa-
ter aan de melk. Deze stijging leidt tot
een daling van de melkopbrengst.

Boelrijk stelt dat bedrijven tijdens de
opstartfase met een AMS extra meet-
uitslagen nodig hebben van voor-
noemde kwaliteitscriteria, om adequaat
te kunnen ingrijpen. De latere spreker
Joost de Veer zal ook het belang van
een goede opstartfase benadmkken. In
deze periode heeft de veehouder extra
begeleiding nodig, van ondermeer de
dierenarts.

\'Melken met een AMS is totaal anders
dan conventioneel melken.\'

Het verioop van het celgetal op bedrij-
ven lijkt ook een bepaalde gewennings-
periode aan te duiden. Kort na intro-
ductie zien de meeste bedrijven een
stijging die gaandeweg weer daalt, naar
een niveau iets boven het gemiddelde
van voor het AMS. Waarom het celge-
tal gemiddeld licht stijgt is niet duide-
lijk.

Hans Miltenburg (GD) herkent de-
zelfde tendens en voegt eraan toe dat
veehouders die de uiergezondheid goed
onder controle hadden voordat ze een
melkrobot in gebruik namen, ook met
de robot een bevredigende situatie be-
reiken. Maar bedrijven die voordien al
problemen hadden, zullen op dit vlak
geen verbetering zien door de aanschaf
van een AMS. De \'boer\'-factor speelt
een belangrijke rol.

Campina Melkunie heeft geen cijfers
over het aantal klinische mastitiden.
Over dit aspect van uiergezondheid
kan Boelrijk geen uitspraak doen.
De productiestijging van de koeien
door vaker melken komt in de praktijk
op zo\'n 7% uit, hetgeen vaak lager is
dan gehoopt. Een behoorlijk aantal
koeien laat zich namelijk minder dan
drie keer per dag melken.

Uiergezondheidspanel over de
melkroboten uiergezondheid

Het Uiergezondheidspanel besprak 15 november 2000 het thema \'de melkro-
bot en uiergezondheid\'. Johan Boelrijk van Campina Melkunie en Joost de
Veer, veterinair consultant, hielden ieder een voordracht over dit thema. De
bijeenkomst werd compleet gemaakt met het bespreken van uiergezondheids-
problemen op een bedrijf met een melkrobot. Hans Miltenburg van de
Gezondheidsdienst voor Dieren presenteerde deze casus.

Door Jan Hulsen

Het Uiergezondheidspanel is een
deskundig, onafhankelijk en divers
discussieplatform voor de Neder-
landse rundveepracticus, op het ge-
bied van mastitis bij melkvee. Aan
de hand van voordrachten discus-
siëren de leden over onderwerpen
aangaande uiergezondheid en
mastitisbestrijding. De halfjaar-
lijkse bijeenkomsten worden roule-
rend voorgezeten dooreen panellid.
Tijdens elk samenzijn bespreekt een
deelnemer een praktijkgeval van
een bedrijf met mastitisproblemen.
Aan het Uiergezondheidspanel ne-
men deel praktiserend dierenartsen
en mastitisdeskundigen van de na-
tionale kennis- en onderzoeksinstitu-
ten, en van de zuivelindustrie.
Boehringer Ingelheim bv faciliteert
en sponsort de organisatie en verslag-
legging van de Uiergezondheids-
panelbijeenkomsten.
Aanwezig waren: (s.s.t.t.) S. Biester-
veld en j. Boelrijk, Campina Melk-
unie; T. van Werven, R.N. Zadoks,
Faculteit der Diergeneeskunde
(FdD); J.J. de Veer, veterinair consul-
tant; H. Miltenburg en O.
Sampimon, Gezondheidsdienst voor
Dieren (GD); C.C. Charpentier,
T.J.G.M. Lam, R.W.M. Ikink, H.
Jorritsma, J.G.T. Krijnen, AJ.A.
Lobsteijn, allen praktiserend dieren-
arts; J.M. Swinkels Boehringer
Ingelheim (Bl); J.HJ.L. Hulsen,
Vetvice.

Uiergezondheid

Een robot is iets voor een koeienboer,
en niks voor een machineboer. De
tweede spreker Joost de Veer heeft een
duidelijke kijk op de profielschets van
de veehouder op een bedrijf met een
AMS.

Er verandert immers nogal wat, op het
moment dat de melkstal wordt vervan-
gen door een melkrobot. Van een kud-
dedier wordt de koe een individu, dat
zelf besluit wanneer iets te doen. In de
weideperiode is deze verandering erg
duidelijk, als van de koe verwacht wordt
dat ze de koppel veriaat om zichzelf te
laten melken.

En de dagelijkse koppelroutine ver-
dwijnt. Een koe is een gewoontedier.
\'Werk zo onregelmatig mogelijk\', ad-
viseert De Veer robotboeren, \'want
koeien zijn er snel aan gewend datje ze
op vaste momenten van de dag in de
robot komt jagen.\'

De koe dient dus optimaal gezond te

-ocr page 139-

zijn. Goed beenwerk en een optimale
voeding zijn basisvoorwaarden, samen
met alle andere gezondheidskenmerken.
Er zit een periode van zes maanden tus-
sen het sluiten van de koop en de uit-
eindelijke plaatsing van het AMS.
Deze periode dient intensief gebruikt te
worden voor de voorbereiding van het
melken met een robot. Veehouders die
zichzelf goed voorbereiden hebben
veel minder problemen in de beginpe-
riode. En vervolgens moet het eerste
halfjaar na plaatsing gezien worden als
een gewenningsperiode, van koeien en
veehouder. Gedurende deze opstart-
fase is intensieve aandacht nodig, voor
veehouder, koeien en robot.
Een belangrijk startprobleem vonnt de
uiergezondheid. Bijvoorbeeld door
een te moeilijke uiervorm. \'Adviseer
ze om tijdig koeien uit te selecteren en
melk te verleasen, zodat ze met veel
tijd en goede koeien kunnen starten.
En leasen is nu nog financieel aantrek-
kelijk.\' Sommige boeren hebben de
neiging om extra koeien aan te houden,
\'want er vallen veel koeien af na inge-
bruikname van de robot.\'
Een AMS kan een schat aan registra-
tiegegevens opleveren, waar we veel
mee kunnen doen. Geleidbaarheid,
melktemperatuur, kleur, melkhoeveel-
heid, melkinterval, allemaal parame-
ters die veranderen ten gevolge van
mastitis. Mogelijkheden en onmoge-
lijkheden van deze data moeten nog
uitkristalliseren, maar dat komt van-
zelf als er mee gewerkt wordt. Een ro-
botboer moet wel met een computer
om kunnen gaan en met attentielijsten.
Want hij moet zelf de koeien opsporen,
ze komen niet meer tweemaal daags
aan hem voorbij.

\'Een robot is iets voor een koeienboer,
en niks voor een machineboer.\'

Op een bedrijf met een AMS is het van
belang dat zo snel mogelijk op afwij-
kingen wordt gereageerd. Daarom ad-
viseert De Veer, evenals Boelrijk, om
in de beginperiode voldoende vaak het
koecelgetal te laten bepalen, tenminste
elke drie weken. Dan spoor je pro-
bleemkoeien voldoende snel op.
En er zijn gevallen van slecht functio-
nerende automatische melksystemen,
wat leidde tot uiergezondheidsklach-
ten. \'Een AMS is feitelijk een gewone
melkmachine, alleen het systeem van
aansluiten is apart.\' Speenscore en
controle op voldoende uitmelken zijn
hierbij net zo relevant als in conventio-
nele melkstallen. Veehouders dienen
hier bewust mee aan de slag te gaan.
En laat op tijd een natte meting uitvoe-
ren, als daar aanleiding toe is.
Op uiergebied zit de winst van een
AMS in een toename van het koewel-
zijn, doordat hoogproductieve koeien
vaker gemolken worden. Op het vlak
van uiergezondheid ziet De Veer geen
onderscheidend voordeel.
\'Een AMS eist vakmanschap van de
boer\', stelt De Veer. En dierenartsen
moeten dat zien als een uitdaging,
want een boer die een robot koopt
heeft kennis nodig.

Optimale omstandigheden

Voordat de casus wordt besproken,
noemt H. Miltenburg eerst een aantal
aspecten van de melkrobot die de uier-
gezondheid beïnvloeden. Op koeni-
veau gezien zal de melkfrequentie ge-
middeld toenemen, maar de melk-
intervallen worden onregelmatiger.
Aangezien het dier zelf beslist om zich
te laten melken, moeten er optimale
omstandigheden zijn voor een regel-
matig robotbezoek.

Het gaat erom dat de koe zelf een even-
wicht kan vinden in de activiteiten mel-
ken, vreten en liggen. Basisvoorwaarden
hiervoor zijn: een goed functionerende
robot met voldoende melkcapaciteit,
koeverkeer zonder wachttijden en een
gezonde, actieve veestapel. Rust en re-
gelmaat zijn belangrijk.
Op het gebied van de melkhygiëne zijn
robotbedrijven kwetsbaarder, aange-
zien meer wordt overgelaten aan de
techniek. Daarom is het verstandig om
met een koppel schone koeien te be-
ginnen, in een frisse stal met ruime,
schone, droge en zachte ligplaatsen.
Hierbij behoort ook het scheren van de
uiers, niet alleen uit hygiënisch oog-
punt, maar ook in verband met het aan-
sluiten van de melkstellen. Er zijn nog
technische verbeteringen mogelijk op
het gebied van reiniging van de tepel-
voeringen en de borstels, en de wer-
king van de spray-installaties.
Ook het opsporen van mastitiskoeien
wordt op een robotbedrijf meer aan de
techniek overgelaten, maar het koecel-
getal (uit de melkcontrole) blijft een
belangrijk hulpmiddel. Het AMS pro-
duceert attenties aan de hand van ver-
anderingen in de geleidbaarheid van
de melk en een sterk gedaalde melk-
productie.

Een begeleidend dierenarts dient de
criteria te kennen waarop de melkrobot
zijn attenties baseert. Deze instellingen
bepalen immers de mogelijkheden en
onmogelijkheden van de attenties. On-
derzoek is gaande naar de optimale cri-
teria voor deze instellingen. Ook kijkt
men naar het gebruik van de melkkleur
als controlefactor voor mastitis.
Miltenburg benadrukt dat ook op be-
drijven met een robot het management
van de melkveehouder de belangrijk-
ste succesfactor is.

Een casus

H. Miltenburg beschrijft een casus van
een robotbedrijf dat in juni 1999 over-
stapte op twee melkrobots en kampt
met een te hoog tankcelgetal. De klacht
van de veehouder luidt: een te hoog
celgetal en veel mastitisgevallen kort
na het droogzetten. Met de vraag om dit
probleem te analyseren en op te lossen
gaan de panelleden aan de slag.
Om het diagnostisch traject enigszins
toe te spitsen vertelt Miltenburg dat
een kritische beschouwing van de
AMS (\'natte meting\') direct na inge-
bruikneming een aantal onvolkomen-
heden aan het licht bracht. Dit betrof

-ocr page 140-

mm

Actua

Celgetal AMS versus CM
fe^ (X1000)

> \' > 210 • i

( .r--:^. \'.r."-\' i

■\'\'i^}:^ L

"^ifs 208 -1

Verloop celgetal na
ingebruikname AMS

Geometrisch celgetal net
voor omschakeling naar
AMS (196.000), op 3
maanden na omschakeling
(243 000) en na 6 maanden
(230 000)

Gegevens van 20 bedrijven
gestart september 1999 tot
mei 2000

1998 1999 2000

Verloop gemiddelde tankcelgetal melkrobotbedrijven
versus conventioneel melkende bedrijven (cijfers
Campina Melkunie).

Gemiddeld verloop tankcelgetal na ingebruikname
melkrobot (cijfers Campina Melkunie).

de methode van voorbehandelen, de
reiniging van de voorbehandelings-
borstels en de spray-installatie. Aan-
passing van de melkrobot leverde
evenwel geen verbetering op van het
probleem.

De analyse van uiergezondheidspro-
blemen verloopt op een robotbedrijf in
grote lijnen hetzelfde als op een bedrijf
met een melker van vlees en bloed, en
kan aan de hand van de Gezondheids-
planner Mastitis worden benaderd.
Het panel zet een aantal feiten op een
rij. Het mastitisprobleem bij de droge
koeien wordt als een apart probleem
gezien, dat een eigen analyse en advies
dient te krijgen.

\'De analyse van uiergezondheids-
problemen verloopt op een robotbedrijf
in grote lijnen hetzelfde als op een be-
drijf met een melker van vlees en bloed.\'

De checklist uit de Gezondheidsplan-
ner en de Agenda Koecelgetal brengen
ondermeer aan het licht dat de veehou-
der veel koeien heeft met langdurig
een hoog celgetal. Dit was ook al het
geval voordat met de robot was gestart.
Voor de start met de robot waren er dus
al relatief veel dieren met een ver-
hoogd celgetal in het koppel.
En er is meer. Bij bacteriologisch on-
derzoek vindt het laboratorium S. au-
reus en S. uberis. Verschillende boxen
zijn nat en bevatten te weinig strooisel.
Bovendien is er sprake geweest van
overbezetting in de stal. Inspectie van
het AMS brengt aan het licht dat het
speen-desinfectiesysteem nog steeds
niet optimaal functioneert.
Conclusie: veel langdurig geïnfecteer-
de dieren, die bijdragen aan het hoge
tankcelgetal en een besmettingsrisico
vormen. De adviezen vloeien logisch
voort uit deze gevolgtrekking.

Opruimen, droogzetten of behandelen
De veehouder krijgt het advies om
voor elke koe met een hoog celgetal te
beslissen: opruimen, droogzetten of
behandelen. Opruimen hoeft bij de
melkrobot niet altijd direct te leiden tot
veel minder afgeleverde melk, aange-
zien de melkfrequentie van de overge-
bleven dieren toe kan nemen.
Het risico van overdracht wordt be-
perkt door de tepelvoeringen na iedere
melkbeurt - kort - te reinigen en door
de robot vaker een grote reinigings-
beurt te laten verrichten. De koeien in
groepen melken is niet altijd mogelijk
met een AMS, want de koe bepaalt
wanneer zij wordt gemolken. Infectie-
overdracht via besmette tepelvoering
is nog reëler aanwezig dan in een
melkstal, gezien het beperkte aantal
melkstellen. Dit risico is duidelijk aan-
getoond voor S. aureus en voor S. ube-
ris.

Vervolgens komen adviezen op tafel
om de ligboxhygiëne bij melkkoeien,
kalfkoeien én droge koeien te optima-
liseren, om het tepeldipsysteem aan te
passen en om de overbezetting te ver-
minderen. Er ontstaat een gesprek over
het schoonmaken van ligboxen. Op be-
drijven met een AMS zijn buiten het
weideseizoen de boxen nooit tegelij-
kertijd leeg. De veehouder moet dus
meer moeite doen om ze schoon te
houden.

De mastitiden kort na het droogzetten
blijken gerelateerd aan combinatie
melkrobot en arbeidsroutine van de
veehouder. De boer gaf de AMS name-
lijk de opdracht om de koeien af te
zonderen die moeten worden droogge-
zet. Vervolgens bracht hij de droogzet-
ters in op het moment dat het hém uit-
kwam. En op dat moinent waren van
veel koeien de uiers niet leeg. De op-
lossing is dus eenvoudig: eerst de koe
door de robot sturen en na het tnelken
onmiddellijk de droogzetter inbren-
gen.

\'Het management van de
melkveehouder blijft doorslaggevend.\'

Miltenburg wijst erop dat ook uit deze
casus weer blijkt dat een goede voor-
bereiding voor aanschaf en ingebruik-
name van de robot essentieel is om
problemen te voorkomen. Basisvoor-
waarden zijn een goed functionerende
robot met voldoende melkcapaciteit,
optimale huisvesting en een \'schone\'
melkveestapel. Het management van
de melkveehouder blijft echter door-
slaggevend.

-ocr page 141-

Slachterijen dienen er zorg voor te dra-
gen dat zij alleen mnderen toelaten
waarvan de I&R-gegevens correct zijn.
RVV en AID controleren dat. Bij onre-
gelmatigheden kan uiteindelijk het pro-
ductieproces in de slachterij stilgelegd
worden. De aanbieder krijgt twee da-
gen de tijd om het rund te identificeren
als oormerken ontbreken. Lukt dat niet
dan krijgt hij opdracht het dier te doden
en ter destmctie aan te bieden.
De bevoegdheid tot toepassen van
deze sanctie berust nu rechtstreeks bij
de minister van LNV. AID en RVV
zorgen voor de uitvoering. Ook dieren
die bij reguliere controles op veehou-
derijbedrijven niet binnen twee werk-
dagen te identificeren blijken, moeten
worden vernietigd.

De AID intensiveert het onderzoek
naar fraude bij onregelmatigheden die
door de controle op slachterijen aan
het licht komen, in dat geval wordt
strafrechtelijk opgetreden. Ook de pro-
cedure bij het aantreffen van niet-iden-
tificeerbare kadavers bij de destmctor
wordt aangescherpt. Kadavers moeten
bij het verlaten van het primaire bedrijf
identificeerbaar zijn. Als dat niet zo is,
neemt de destructorwagen de kadavers
niet mee en brengt Rendac via de
Keuringsdienst van Waren de AID op
de hoogte. Die stelt dan een onderzoek
in. Daamaast zal bij een bedrijf waar
een dier met BSE is vastgesteld de
AID de naleving van onder meer de
I&R-regels controleren in het kader
van de kortingsregeling. Voor de ver-
scherpte controle-inspanningen wor-
den tientallen medewerkers extra inge-
zet.

26 januari 2001 - De controle op en de handhaving van de wijze waarop vee-
houders, slachters en destructor de regels rond identificatie en registratie
(I&R) van runderen naleven, is op een aantal punten aangescherpt. De aanlei-
ding is het testen van ruim 700.000 dieren per jaar op BSE bij de slacht en bij
de destructor. De I&R-regeling speelt een centrale rol bij de identificatie van
dieren als aan de slachtlijn en bij de destructor hersenmonsters worden geno-
men en bij de tracering van dieren als eenmaal een BSE- geval wordt vastge-
steld. Het gaat om een omvangrijke logistieke operatie waarbij elk gebrek in de
naleving van de l&R-regeling voor oponthoud zorgt en tot extra kosten leidt.

Controleen handhaving l&R-regeling verscherpt

Het Nationaal Klimaatplatform

Iedereen zal het er wel over eens zijn dat problemen op var-
kensbedrijven vrijwel nooit alleen maar veroorzaakt worden
door ziekten. Er is bijna altijd sprake van een complex van
factoren. Deze factoren zijn in grote lijnen onder te brengen
in voeding, drinkwatervoorziening, (infectie-)ziekten, huis-
vesting, management en klimaat. Door dit complex aan fac-
toren wordt het dan ook steeds ingewikkelder om een eens-
luidend advies te geven aan een ondernemer, temeer omdat
deze ondernemer te maken heeft met meerdere adviseurs, die
elk vanuit een eigen invalshoek adviseren. Als eenieder zich-
zelf zou bezighouden met zijn/haar eigen specialisme zou
dat de zaak eenvoudiger maken. Echter door de grote overlap
in disciplines en het steeds groter wordende besef dat niets
op zichzelf staat, adviseert de dierenarts ook over voeding,
adviseert de voervoorlichter over ziektetherapieën, enzo-
voort. Ook bij adviezen over klimaatbeheersing doet zich
een dergelijke situatie voor, waarbij zowel dierenarts als
voervoorlichter een advies kunnen/zullen geven.
Deze situatie leidt op zichzelf al tot het risico van uiteenlo-
pende en soms zelfs tegenstrijdige adviezen aan de boer
door zijn verschillende experts. Een minder gewenste situ-
atie die verstrekkende gevolgen kan hebben voor het ver-
trouwen dat de varkenshouder stelt in zijn adviseurs. Dit op
zichzelf is al een probleem, maar het wordt nog gecompli-
ceerder door het feit dat de berichtgeving in de vakbladen
aangaande een aantal zaken in zeer veel gevallen niet eens-
luidend is. Varkenshouders lezen deze bladen, maar ook de
adviseurs halen een deel van hun informatie hiemit.

Om op het gebied van klimaatbeheersing dit probleem te tac-
kelen is in december 1993 het Nationaal Klimaatplatfomi in
het leven geroepen. In dit platfonn, dat enkele keren per jaar
bij elkaar komt, is een zo groot mogelijk aantal deskundigen
op het gebied van de varkenshouderij vertegenwoordigd.
Het stelt zich ten doel om uit de kluwen van informatie die er
beschikbaar is op het gebied van klimaatbeheersing eenslui-
dende richtlijnen te destilleren waarin alle betrokken partijen
zich kunnen vinden. Deze richtlijnen komen dan ter beschik-
king van de personen en instanties die zich met de advisering
over de klimaatbeheersing bezighouden.
De organisaties die in het platfoim zitting hebben zijn:
v/dVoorst Klimaatbeheersing, Expertisecentrum LNV,
Faculteit der Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht,
DLV, Gezondheidsdienst voor Dieren, VVM, Praktijk-
onderzoek Veehouderij, Exlan Consultants, Dierenartsen-
praktijk Gemert, IPC Bameveld, IMAG-WUR, Vakgroep
Veehouderij van de Landbouwuniversiteit Wageningen,
IPC Horst en Hendrix-UTD.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met het se-
cretariaat van het klimaatplatform: Praktijkonderzoek
Veehouderij, Victor van Wagenberg, telefoon 0320 -
293211.

Drs. J. W. Zwolschen
Dierenartsenpraktijk Gemert

-ocr page 142-

stichting De Ark van Noah winnaar
*Met dieren meer mens Award 2000*

Houten, 27januari 2001 - De stichting De Ark van Noah uit Vught is win-
naar geworden van de \'Met dieren meer mens Award 2000\' in de catego-
rie instellingen. Voor deze jaarlijkse verkiezing komen instellingen of
stichtingen in aanmerking die zich op een bijzondere wijze verdienstelijk
hebben gemaakt op het gebied van de relatie tussen mens en huisdier.
Voor de \'Met dieren meer mens Award 2000\' waren drie instellingen ge-
nomineerd. Een jury koos uiteindelijk de stichting De Ark van Noah tot
winnaar, omdat zij op een onderscheidende manier zorgen voor ontspan-
ning met dieren in de zorgsector. De stichting De Ark van Noah gaat met
gezelschapsdieren naar verzorgingstehuizen, om mensen weer in aanra-
king te brengen met dieren. Deze activiteiten hebben een positieve uitwer-
king op de ouderen.

Op zaterdag 27 januari werd tijdens de Tv-uitzending \'Dierenmanieren\' de fi-
nale uitgezonden van de \'Met dieren meer mens Award 2000\'. Uit handen van
presentator Martin Gaus ontving de Ark van Noah de Award, een schitterend
beeld gemaakt door de Utrechtse kunstenaar Ad Jenner. Tevens ging voor de
Ark van Noah een grote wens in vervulling, want zij kregen een trailer die spe-
ciaal is aangepast voor het vervoer van (huis)dieren.

De beide andere genomineerden voor de \'Met dieren meer mens Award 2000\'
waren de vele instellingen en vrijwilligers die gezorgd hebben voor de opvang
van huisdieren en hulp tijdens en na de vuurwerkramp in Enschede en de
Stichting De hond kan de was doen. Deze non-profit organisatie geeft mensen
met een motorische functiebeperking een professionele begeleiding bij het op-
leiden van hun eigen of andere hond tot hulphond. De beide instellingen kre-
gen een set professionele bodywanners voor alle medewerkers, een midweek-
vakantie bij Landal Green Parks en gratis diervoeding aangeboden.

De verkiezing van de \'Met dieren meer mens Award\' is een initiatief van de
stichting \'Met dieren meer mens\', in samenwerking met het programma
Dierenmanieren. Deze stichting schenkt op verschillende manieren aandacht
aan de relatie tussen mens en huisdier. Zij wil op een zo groot mogelijke
schaal bekendheid geven aan de positieve effecten van het hebben van huisdie-
ren op leven en welzijn van mensen. Verder ondersteunt de stichting projecten
of instellingen die verantwoord hui.sdierenbezit mogelijk maken of vergemak-
kelijken voor iedereen die dit wil.

Speciale aandacht voor niet-geregistreerde diergeneesmiddelen

Controles AID en Keuringsdienst van Waren

In voorjaar en zomer 2001 zullen de Algemene Inspectiedienst (AID) en de
Keuringsdienst van Waren (waarin zoals bekend de Veterinaire Inspectie is opge-
gaan) gezamenlijk controles gaan uitvoeren bij dierenartsenpraktijken. Hierbij
zal gecontroleerd worden ofhet bij of krachtens de Diergeneesmiddelenwet be-
paalde wordt nageleefd. Speciaal zal aandacht besteed worden aan het voorhan-
den en op voorraad hebben van niet-geregistreerde diergeneesmiddelen, magis-
trale bereidingen daarbij inbegrepen. Tevens zal extra aandacht worden besteed
aan de naleving van de
Vrijstellingsregeling Artikel 2 Diergeneesmiddelenwet
1999
en de administratieve verplichtingen op basis van de gewijzigde Regeling
administratievoorschriften ingevolge de Diergeneesmiddelenwet
(het zoge-
naamde \'logboek op afstand\').

Verkeerd telefoonnummer
bij Overzicht Diergenees-
middelen 2000/2

In het 1 januari-nummer van het
Tijdschrift voor Diergeneeskunde
staat op pagina i2 een verkeerd tele-
foonnummer vermeld bij \'Over-
zicht Diergeneesmiddelen 2000/2\'
van de Koninklijke Vermande. Het
goede nummer van Servicecentrum
Uitgevers Koninklijke Vermande
moet zijn: 070 - 3789880.

Samenwerking RVV en
FlexVet in practitioners-
project

Naast de mogelijkheid van ambtelijk
dienstverband en de mogelijkheid als
zelfstandig practicus-practitioner, is er
nu een derde mogelijkheid om bij de
RVV te gaan werken. Dierenartsen die
de cursus Bevoegdheid Diergezond-
heid en/of Bevoegdheid Volksgezond-
heid met goed gevolg hebben afgeslo-
ten, maar niet voldoen aan de criteria
van zelfstandigheid kunnen nu via
FlexVet uitzend- en detacheringsbu-
reau voor dierenartsen en para-veteri-
nairen werkzaamheden verrichten in
het practitionersproject. De RVV heeft
hiertoe een raamovereenkomst met
FlexVet gesloten.

FlexVet sluit met betreffende dieren-
artsen een flexibel en voor ieder per-
soonlijk op maat gesneden arbeids-
overeenkomst met gunstige primaire
en secundaire arbeidsvoorwaarden. De
dierenarts kan dan in overleg met
FlexVet zelf bepalen in welk practitio-
nersproject hij/zij wil deelnemen, of
hoeveel hij/zij voor de RVV wil wer-
ken. De dierenarts kan de werkzaam-
heden voor de RVV ook parttime via
FlexVet doen terwijl hij/zij de moge-
lijkheid behoudt parttime werkzaam-
heden in de praktijk te blijven verrich-
ten al dan niet via FlexVet.
FlexVet vergoedt ook (onder voorwaar-
den) de eigen bijdrage van ƒ 3000,- die
dierenartsen voor de cursus moeten be-
talen. Geïnteresseerden kunnen infor-
matie inwinnen bij de RW in Voorburg
(070-3578353) of bij FlexVet, www.
flexvet.nl, of via Hans van Embden van
FlexVet, de Nolle 49, 7482 GR Haaks-
bergen (053-5725548).

-ocr page 143-

Het afvoeren van alle dieren van een bedrijf naar de destructie bij het
aantonen van BSE van één dier op dat bedrijf. Een goede strategie?

Over BSE is nog veel onbekend, maar
dat is nog geen reden niet gebruik te
maken van de kennis die er wel is. Op
puur statistische gronden is te begrijpen
dat het vóórkomen van een tweede ge-
val van BSE op hetzelfde bedrijf mini-
maal is. Tot nu toe is er geen horizontale
besmetting (van dier naar dier) bekend.
Op ongeveer twee miljoen runderen
zijn er nu acht positief bevonden in
Nederland.

Als we er van uitgaan dat een aantal
dieren zijn gemist of\'verdwenen\', lijkt
het een realistische schatting om ervan-
uit te gaan dat er wellicht 50 dieren po-
sitief zijn geweest tot nu toe. Het is niet
aangetoond dat, als er één positief dier
op een bedrijf is geweest, dat dan de
kans groter is dan het gemiddelde op
een tweede positief dier op datzelfde
bedrijf Die kans is dus 50/2.000.000 =
0,000025. Er zijn dus geen steekhou-
dende argumenten om acuut een heel
bedrijf te ruimen.

Onlangs heeft zich in Eibergen een ge-
val van BSE voorgedaan. Toen ik, op
een voorlichtingsbijeenkomst voor be-
trokkenen, de ambtenaar van LNV
vroeg naar de zin van het ruimen van
een heel bedrijf kreeg ik als antwoord
(letterlijk citaat) \'We hebben een ze-
kere overkill aan maatregelen om de
consument te overtuigen\'. Deze opvat-
ting werkt volgens mij contraproduc-
tief

Er wordt van een boer een groot offer
gevraagd: loyale medewerking van
aangifte van BSE. Deze loyaliteit
wordt bestraft met het ruimen van zijn
gehele bedrijf In Eibergen zijn ook
aanzienlijke problemen geweest over
de taxatie. De taxateur van LNV bleek
de wijsheid in pacht te hebben en was
niet vatbaar voor de argumenten van
de taxateur van de boer. Bovendien
wordt de inkomstenderving niet ver-
goed. Er is dus een aanzienlijke finan-
ciële aanslag op de veehouder, dit nog
afgezien van de emotionele belasting.
Bovenstaande zal het ontwijkingsge-
drag van een aantal boeren doen toene-
men. Een aantal boeren zal zijn eigen
conclusies trekken en een verdacht
dier zo snel mogelijk ruimen. Dat dit
niet denkbeeldig, is hebben we net
kunnen zien nadat in het kader van
BSE, schapen en lammeren SRM ver-
klaard waren. Iedereen kon van tevo-
ren voorspellen dat het tot hoog risico-
materiaal verklaren van schapen en
lammeren (met de daarbij behorende
prijs), zou leiden tot het laten \'verdwij-
nen\' van een groot aantal schapen ka-
davers. Deze niet ter destructie aange-
boden kadavers konden de bewoners
van het platteland soms in sloten of in
het bos aantreffen, uiteraard zonder
oormerk.

Toch moest dat eerst gebeuren, voordat
er weer enig gezond verstand boven
kwam en de financiële consequenties
van die maatregel werden teruggedraaid.
Voor een betrouwbare monitoring van
BSE is de actieve medewerking van de
veehouder vereist. Deze kan alleen ver-
kregen worden met een financiële afhan-
deling waar niets op aan te merken is en
met regels die uit te leggen zijn.
Dat schade ten gevolge van BSE een
normaal ondernemersrisico zou zijn, is
onjuist.

Een massaal frauderende Engelse over-
heid, een Duitse overheid met oogklep-
pen en draconische nationale en EU-
maatregelen die gebaseerd zijn op
emoties, kunnen toch moeilijk tot het
normale ondememersrisico gerekend
worden.

Het is te verwachten dat bij onderzoek
van alle slachtdieren het aantal BSE-
bevindingen zal toenemen. Dat zou
kunnen betekenen dat tientallen bedrij-
ven geruimd zouden moeten worden.
Daarom is het juist nu belangrijk voor
onze beroepsgroep daar een standpunt
over in te nemen en dat standpunt uit te
dragen. Het is de vraag of er maat-
schappelijke draagkracht blijft voor het
ruimen van hele bedrijven als de argu-
mentatie niet verder gaat dan \'een ze-
kere overkill aan maatregelen om de
consument te overtuigen\'. Bovendien
wordt de consument helemaal niet
overtuigd door deze maatregel. In-
tegendeel, de consument zal denken
dat het wel heel erg is met het risico van
BSE als overgegaan wordt tot het rui-
men van hele bedrijven.
In Engeland zijn er tot op heden onge-
veer 200.000 BSE-koeien geweest en
84 aan BSE gerelateerde gevallen van

Creutzfeldt Jacob. Trekt men de verge-
lijking door naar Nederland dan is de
kans:

84

= 0,003

200.000

Daarbij werd in Engeland hersenen en
RM-materiaal geconsumeerd. Tot nu
toe is
alleen dit materiaal als potentieel
infectieus aangemerkt. Daar in Neder-
land dit materiaal niet in de consumptie
is gekomen, is de kans dus nog onein-
dig veel kleiner. We hebben in Neder-
land dus statistisch \'recht\' op een bijna
onmeetbaar kleine kans op één BSE-
gerelateerd geval van Creutzfeldt Ja-
cob. Het is dus absoluut zeker dat het
roken van sigaretten een duizenden ma-
len hoger risico heeft dan het eten van
BSE-vlees. Het feit dat er per jaar dui-
zenden mensen dood gaan aan longkan-
ker ten gevolge van roken is geen reden
tot nu toe om het aanbieden van rook-
waren te verbieden.

Om de draagkracht voor het BSE-on-
derzoek bij boeren maximaal te maken
en toch een verantwoorde controle te
hebben op het voorkomen van BSE
stel ik een andere strategie voor.
Als door een boer een verdacht dier
wordt aangegeven, wordt het be-
treffende dier overgenomen en onder-
zocht op BSE . Indien het dier positief
wordt bevonden wordt een contract ge-
maakt met betreffende veehouder dat
alle runderen het bedrijf alleen voor de
slacht zullen verlaten. Het bedrijf is niet
verdacht maar in observatie. De vee-
houder stelt de RVV tijdig in kennis als
er dieren geslacht gaan worden zodat de
RVV eventueel extra onderzoek kan
(laten) doen. Bovendien maakt de over-
heid een goede afspraak met de veehou-
der over de inkomstenderving.
De hele BSE-hype is een gevolg van
journalisten die een sensationeel ver-
haal belangrijker vinden dan een ver-
haal over de minimale risico\'s en poli-
tici die de rug niet recht durven te
houden. Ik vind dat wij als beroeps-
groep een veterinair onderbouwd stand-
punt naar buiten moeten brengen en niet
mee moeten gaan met politieke spelle-
tjes. De consument moest gerustgesteld
worden met het afmaken van ± 60.000

-ocr page 144-

Engelse kalveren voor een bedrag van
1.2 miljard. Diezelfde consument is niet
verteld dat alle andere Europese landen
de betreffende Engelse kalveren ge-
woon gemest hebben en dat die dieren
zonder beperking zijn ingevoerd in
Nederland en geconsumeerd zijn.
Er zijn inmiddels miljarden uitgegeven
aan BSE eri het is de vraag of dat een
positief effect gehad heeft op de volks-
gezondheid. Of de politiek gevoelig is
voor de wetenschappelijke onderbou-
wing die aangereikt wordt, is de verant-
woordelijkheid van de politiek. Wij als
beroepsgroep moeten een veterinair
standpunt innemen en aangeven wat
de feitelijke risico\'s zijn. Wij moeten
ons niet laten meeslepen in de risicobe-
leving van de consument/politiek. Wij
moeten ook aangeven dat de controle
op BSE niet gediend is met maatrege-
len die verdwijngedrag van BSE ver-
dachte dieren stimuleren.
Elk bericht over BSE op de radio wordt
gevolgd door \'vlees van BSE-dieren
kan de dodelijke ziekte Creutzfeldt
Jacob veroorzaken\'. Ondanks dat vee-
houders geschaad worden door deze
foutieve informatie kan het ANP hier
blijkbaar ongestraft mee doorgaan.
Ik vind dat het belangrijk is dat de
KNMvD actief zorgt voor het uitdragen
van juiste en relevante infonnatie over
BSE. Juist over een onderwerp als BSE
waarover zoveel maatschappelijke on-
rust is, hoort de stem van de KNMvD te
klinken. Over het ruimen van hele be-
drijven bij het aantonen van één positief
dier met BSE, over de zin van het afma-
ken van huisdieren op het betreffende
bedrijf en over de zin van andere maat-
regelen is er van de kant van KNMvD
oorverdovende stilte. Daarmee bewijst
de KNMvD de beroepsgroep en ook de
maatschappij geen dienst.
Ik denk dat wij als beroepsgroep een
actieve betrokkenheid behoren te heb-
ben met de BSE-problematiek. Als wij
beweren dat volksgezondheid voor ons
een prioriteit is, dan horen wij daar ook
een mening over te hebben en die uit te
dragen. Iets anders is dat als de politiek
maatregelen neemt die niet stroken met
onze opvattingen, wij die maatregelen
wel loyaal zullen uitvoeren.
De problemen in de veehouderij zijn
gigantisch op dit moment. De terechte
roep van de consument órh dierwél-
zijn, de roep om een duurzame en vei-
lige wijze van productie en de leef-
baarheid van het platteland in de
toekomst, zijn allemaal problemen
waar een enorme inzet voor nodig is
van de hele Nederlandse samenleving.
Laten we er dan ook voor zorgen dat het
geld van de belastingbetaler daar voor
gebruikt wordt en niet voor BSE: een
\'epidemie bij runderen\' van acht dieren
die tot nu toe geen enkel humaan slacht-
offer heeft veroorzaakt in Nederland.

Hiigo de Vries

Reactie op:

Het afvoeren van alle dieren van een bedrijf naar de destructie bij het aantonen van
BSE van één dier op dat bedrijf. Een goede strategie?

Geachte redactie,

Uit de brief van collega De Vries blijkt
dat hem niet duidelijk is waarom alle
dieren van een bedrijf waar een geval
van BSE is gediagnosticeerd, gedestru-
eerd moeten worden. Dit is bij bijna ie-
dereen in het veld het geval. De meest
direct betrokkenen, veehouders en prak-
tiserende dierenartsen, zijn onvoldoen-
de geïnformeerd over deze materie. Dit
heeft tot gevolg dat de maatregel niet be-
grepen wordt en er onvoldoende draag-
vlak voor is. Het is derhalve niet uit te
sluiten dat een getroffen veehouder en
die zullen er ongetwijfeld nog meer ko-
men, in verzet zal gaan met alle verve-
lende gevolgen van dien.
De ministeries van LNV en VWS beste-
den veel aandacht aan de burgers via
persberichten, websites en advertenties.
Het bedrijfsleven (slachterijen, Produkt-
schappen, LTO en veevoederfabrikan-
ten) worden wekelijks door de ministe-
ries op de hoogte gehouden van de
ontwikkelingen. Toch dringt deze infor-
matie onvoldoende door tot veehouders
en dierenartsen. Dit signaal moet serieus
genomen worden en dus dient ook de

KNMvD meer aandacht te besteden aan
het informeren van dierenartsen, en
daarmee indirect ook van veehouders.
Op het moment dat collega De Vries de
brief schreef (6 januari) was echter al
wel een aantal activiteiten ontplooid.
ID-Lelystad heeft in de afgelopen twee
afleveringen van het
Tijdschrift voor
Diergeneeskunde
uitleg gegeven over
de activiteiten die op touw zijn gezet.
Ook is veel informatie te lezen op de
websites: uww.
mininv. nl/infomart/dos
siers/bse
en www.id.wageningen-ur.nl/
bse.
Bovendien is op de website van de
KNMvD een aantal links te vinden naar
informatie over BSE. Daamaast heeft de
KNMvD verschillende keren via de me-
dia gecommuniceerd.
Ten aanzien van de inhoudelijke opmer-
kingen over BSE is het goed een aantal
kanttekeningen te plaatsen bij de brief
van collega De Vries. Uit onderzoek in
het Verenigd Koninkrijk, waarbij met
grote aantallen gevallen van BSE is ge-
werkt, is gebleken dat het zinvol is dat
mnderen die geboren zijn in de periode
tussen 12 maanden voor en 12 maanden
na de geboorte van het besmette mnd
(geboorte-voedercohort) worden ge-
mimd. Tevens hebben nakomelingen
van besmette mnderen een significant
grotere kans op BSE (zie:
www.eu
ropa.eu.int/comm/food/fs/sc/ssc/out
come en).
Deze bevindingen vomien de
basis voor het mimingsbeleid in Europa.
De vraag die men zich daarbij kan stel-
len is, hoe dit moet worden vertaald naar
de praktijk. Het SSC (Scientific Stee-
ring Committee) van de Europese Unie
heeft daarover een advies opgesteld, dat
rekening houdt met een minimale incu-
batieperiode van BSE van twee jaar. Dit
betekent dat alle mnderen in het ge-
boorte-voedercohort van een besmet
mnd dienen te worden gemimd. Hierbij
wordt voor een oud mnd gecorrigeerd
voor de leeftijd en de incubatieperiode.
Dat wil zeggen dat bij oudere mnderen
de periode van 12 maanden na de ge-
boorte substantieel moet worden ver-
lengd. Voor elk individueel geval moet
dus opnieuw bekeken worden wat wel
wat niet moet worden gemimd. Daarbij
blijkt dat I&R in het verleden in veel ge-
vallen niet 100% goed is uitgevoerd,
hetgeen bij een gedeeltelijke miming
zou leiden tot onoverzichtelijke situaties
en onoplosbare discussies.

-ocr page 145-

Naast genoemde wetenschappelijke en
logistieke argumenten spelen maat-
schappelijke en emotionele argumenten
een rol. Onlangs heeft het Europese
Parlement de BSE-richtlijn behandeld.
Via een amendement hebben de Euro-
parlementariërs de miming bij een be-
smetting uitgebreid tot het hele bedrijf
Op dit moment is bovendien onduidelijk
hoe de zuivelfabrieken en slachterijen
met producten van gedeeltelijk gemim-
de bedrijven om zouden gaan. Emo-
tioneel heeft het mimen van een veesta-
pel voor een veehouder een enorme
impact. Dat mag niet onderschat wor-
den. Daarbij dient echter niet uit het oog
verloren te worden dat het
niet mimen
van een dergelijke veestapel ook emo-
tionele gevolgen zal hebben, zoals on-
langs door een betrokken veehouder \'te-
mgkijkend\' aangegeven is. Dat geldt
zeker als van die dieren geen melk of
vlees geconsumeerd mag worden en de
veehouder dus ook zijn of haar inkomen
gaat verliezen.

De zoönotische aspecten van BSE wor-
den in de brief van collega De Vries on-
derbelicht. Tot nu toe zijn 88 gevallen
van vCJD (variant-Creutzfeldt Jacob
Disease) in het Verenigd Koninkrijk be-
kend (zie:
www.cjd.ed.ac.uk/figiires).
Hierover kunnen een aantal opmerkin-
gen worden gemaakt:
• Bij de meeste van deze gevallen is op
basis van histopathologisch onder-
zoek en inoculatie-onderzoek bij mui-
zen bevestigd dat het inderdaad gaat om
een besmetting met het BSE-prion en
niet om een andere prionziekte.

• Alle gevallen tot nu toe betroffen ho-
mozygote patiënten met één hele spe-
cifieke mutatie in het PrP-gen. Onge-
veer 37% van de humane Engelse
populatie heeft deze mutatie. Onder-
zoek heeft aangetoond dat jonge pa-
tiënten met Kum (een humane prion-
ziekte uit Nieuw Guinea), dezelfde
genetische mutatie hebben als de tot
nog toe gediagnostiseerde vCJD-pa-
tiënten. Recent onderzoek heeft laten
zien dat de heterozygote mensen een
veel langere incubatieperiode voor
Kum hebben. Deze onderzoeksresul-
taten, die niet zondermeer kunnen
worden vertaald naar BSE en vCJD,
betekenen dat de omvang van de
vCJD-problematiek op dit moment
niet goed te overzien is.

• Onbekend is welke risico\'s er worden
gelopen ten aanzien van de horizon-
tale verspreiding van vCJD bij men-
sen. Denk bijvoorbeeld aan de ver-
spreiding van prionen in operatie-
zalen van ziekenhuizen.

Alle argumenten overziend dient een
standpunt ingenomen te worden over de
miming van bedrijven waar een besmet
dier is gevonden. Ons inziens dient niet
te lichtvaardig omgegaan te worden met
risico\'s ten aanzien van BSE. Gezien de
richtlijnen van het SSC, de situatie rond
l&R en de nog vele onbekende factoren
rond BSE en vCJD (vooral met betrek-
king tot incubatie, infectieusiteit en ge-
netische invloeden) lijkt het uit het oog-
punt van volksgezondheid verstandig de
veilige kant te kiezen. Met behulp van
alle gegevens die ontstaan kan groot-
schalig onderzoek worden uitgevoerd,
dat de bestaande lacunes in kennis hope-
lijk snel invult opdat anders geadviseerd
kan worden. Cmciaal is dat deze en an-
dere overwegingen rond BSE, met alle
daarbij behorende twijfels, goed in het
veld gecommuniceerd worden. De zo
belangrijke monitoring in het veld dient
immers optimaal te verlopen en dat kan
alleen bij voldoende draagvlak voor de
genomen maatregelen.

Wij zijn als dierenartsen belangrijke ad-
viseurs in de gehele dierlijke productie-
keten, ons gemeenschappelijk doel in de
dierlijke productieketen is veilig en ge-
zond voedsel. Het begint bij dierenart-
sen die werkzaam zijn bij voederbedrij-
ven en fokkerij-organisaties, tot en met
onze collega\'s die voor grootwinkelbe-
drijven werken. Voor elke dierenarts in
de keten liggen er vele uitdagingen om
bij te dragen aan het maatschappelijk
gewenste proces van de verbetering van
de voedselveiligheid. BSE vormt daar
een onderdeel van.

Groep Geneeskunde van het Rund
dr. T.J.G.M. Lam
Groep Gezondheids- en Kwaliteitszorg
dr. H.A.P. Urlings

Berisping en 2500 gulden boete voor afgifte van niet-geregistreerde
diergeneesmiddelen (off-label use)

In beide onderstaande zaken werd door het Veterinair Tuchtcollege een uitspraak
gedaan naar aanleiding van een klacht over het afgeven van niet-geregistreerde
diergeneesmiddelen ten behoeve van kalkoenen en vleeskuikens. Uit beide uitspra-
ken blijkt dat niet alleen strikte toepassing van de wet leidt tot een bepaalde beslis-
sing, maar dat ook achtergrondgeschiedenis en attitude van de behandelend die-
renarts hun steentje bijdragen aan de maatregel die wordt opgelegd.

Door laira Boissevain

Verreweg de meerderheid van de
klachten die bij het Veterinair Tucht-
college worden ingediend, komen daar
terecht door een boze (ex-) eigenaar
van een behandeld dier. In sommige
gevallen kan een klacht ook worden
ingediend door een speciale ambte-
naar, de zogenaamde \'klachtambte-
naar\'. Meestal gebeurt dat bij zaken
waarbij niet de zorg voor het individu-
ele dier centraal staat, maar een alge-
meen belang zoals de gezondheidszorg
voor dieren, de volksgezondheid of de
voedselveiligheid in het geding is.

Kalkoenen (99/059)

In onderhavige zaak had dierenarts A
Amoxytrihydraat, een niet-geregis-
treerd diergeneesmiddel afgeleverd aan
een pluimveehouder voor een koppel
slachtkalkoenen, terwijl er wel een gere-
gistreerd diergeneesmiddel bestond, na-
melijk Paracilline oplosbaar poeder.

-ocr page 146-

Daarnaast leverde dierenarts A
Flumequine 10% en T.S.-Sol af aan de
kalkoenenhouder. Flumequine 10% is
echter alleen geregistreerd voor gebruik
bij kippen en T.S.-Sol alleen voor
slachtkuikens.

Bij het afleveren van diergeneesmid-
delen moet een logboekformulier wor-
den ingevuld, waarin wordt vermeld
wanneer het diergeneesmiddel is toe-
gediend, en welke wachttijd moet wor-
den aangehouden voordat de behan-
delde dieren ter slachting worden
aangeboden. Dierenarts A heeft voor
dit koppel kalkoenen zeven dagen ver-
meld, terwijl bij het zogenaamde off-
label use van diergeneesmiddelen mi-
nimaal een wachttijd van 28 dagen
moet worden aangehouden.

Verweer dierenarts

De dierenarts verklaart zijn handelwijze
door te wijzen op de drukte die is ont-
staan tijdens de varkenspest. Tevens
meent hij dat hij terecht gebruik heeft
gemaakt van off-label use.
Off-label use vindt haar oorsprong in de
Diergeneesmiddelenwet. Krachtens de-
ze wet mogen alleen diergeneesmidde-
len worden afgeleverd en gebruikt, die
volgens de voorwaarden van deze wet
zijn geregistreerd. De diergeneesmidde-
len mogen dan alleen worden gebruikt
bij de dieren waarvoor ze zijn geregis-
treerd. Voor deze regel geldt een vrij-
stellingsregeling. In een individueel ge-
val waarbij sprake is van een
levensbedreigende situatie, mag een
dierenarts gebruik maken van een niet
(voor dit dier) geregistreerd diergenees-
middel als er geen geschikt (voor dit
dier) geregistreerd middel voorhanden
is.

De klachtambtenaar was in casu van
mening dat aan geen van beide voor-
waarden was voldaan: er was wel dege-
lijk een alternatief voorhanden, Para-
cilline oplosbaar poeder, en van een
levensbedreigende situatie was geen
sprake. Bij een dergelijk onoirbaar off-
label use mag het dier helemaal niet
meer ter slachting worden aangeboden,
aldus de klachtambtenaar.

Overwegingen van het Tuchtcollege
Het Veterinair Tuchtcollege is het maar
gedeeltelijk eens met de klachtambte-
naar. Het College is van oordeel dat er
wel degelijk sprake was van een le-
vensbedreigende, althans emstige situ-
atie, en dat de dierenarts op basis van
het door hem afgelegde bedrijfsbezoek
en het nader onderzoek van enkele die-
ren in redelijkheid tot de conclusie
heeft kunnen komen, dat het noodzake-
lijk was om een therapie met een mid-
del dat de werkzame stof amoxycilline
bevat, in te stellen. Er was op dat mo-
ment voor kalkoenen geen geschikt ge-
registreerd middel met deze werkzame
stof beschikbaar, maar wel het voor
kippen geregistreerde alternatieve mid-
del Paracilline oplosbaar poeder. Het
Veterinair tuchtcollege is het wel met
de klachtambtenaar eens dat de dieren-
arts dit middel had moeten afleveren in
plaats van het niet-geregistreerde
Amoxytrihydraat. Daamaast is het
College van mening dat de dierenarts
onvoldoende nazorg heeft verleend,
door er niet op toe te zien dat de bij off-
label use minimaal te hanteren wacht-
termijn van minimaal 28 dagen voor de
slacht op het van toepassing zijnde log-
boekformulier werd vermeld.
Ten aanzien van het afleveren van de
middelen Flumequine en T.S.-Sol
overweegt het Tuchtcollege dat ook
hier sprake was van een levensbedrei-
gende, althans ernstige situatie en dat
de dierenarts op grond van zijn onder-
zoek heeft mogen vaststellen dat het
noodzakelijk was om de kalkoenen te
behandelen met diergeneesmiddelen
die de werkzame stoffen sulfame-
thoxazol, trimethoprim en flumequine
bevatten, terwijl op dat moment voor
kalkoenen geen geregistreerde midde-
len voorhanden waren met deze stof-
fen. De dierenarts heeft daarom veteri-
nair niet onjuist gehandeld door de
voor kippen geregistreerde alternatie-
ven af te leveren. Ook hier geldt dat de
dierenarts echter wel toezicht had
moeten houden op het vermelden van
een wachttijd van minimaal 28 dagen
op de logboekformulieren.

Eindoordeel en maatregel
Het Veterinair Tuchtcollege verklaart
de klacht van de klachtambtenaar ge-
grond, maar neemt de omstandigheden
van dit geval wel mee in haar overwe-
gingen voor de maatregel die opgelegd
moet worden. Daarbij wordt het door
het Tuchtcollege belangrijk geacht dat
de dierenarts zich van de gezondheids-
toestand van de dieren op de hoogte
heeft gesteld door het afleggen van een
bedrijfsbezoek en het op de praktijk
nader onderzoeken van een aantal kal-
koenen van het bedrijf Ook neemt het
Tuchtcollege in de overwegingen mee
dat er in die periode onvoldoende gere-
gistreerde diergeneesmiddelen voor
kalkoenen beschikbaar waren en dat
de feitelijke wachttijd lang genoeg is
geweest.

Dat neemt niet weg dat de dierenarts
toch onvoldoende invulling heeft ge-
geven aan de verantwoordelijkheid die
op hem in zijn hoedanigheid van die-
renarts mst bij de verstrekking van
UDA-diergeneesmiddelen en waarbij
geldt dat deze middelen alleen in het
kader van een diergeneeskundige be-
geleiding, toegespitst op de concrete
situatie van het bedrijf, mogen wórden
verstrekt en er met het oog op het be-
lang van de volksgezondheid en de
voedselveiligheid voor wordt gewaakt
dat de minimale wachttermijn voor de
slacht wordt vastgesteld en in het log-
boek wordt vermeld. Juist in het verle-
nen van deze zorgvuldigheid bij de na-
zorg is de dierenarts tekortgeschoten.
Het oordeel van het College wordt
weer wat verzacht doordat de dieren-
arts erkent dat hij op dit punt onjuist
heeft gehandeld, en verklaard dat zijn
praktijkinrichting met betrekking tot
de verstrekking van diergeneesmidde-
len inmiddels zodanig op orde is dat
dergelijke fouten niet meer voor zullen
komen.

Onder deze omstandigheden kan wor-
den volstaan met een berisping, aldus
het Tuchtcollege. Ook zal de uitspraak
moeten worden gepubliceerd in de
Staatscourant en het Tijdschrift voor
Diergeneeskunde.

Vleeskuikens (99/060)

Deze zaak is nagenoeg gelijk aan de
vorige, maar enkele punten zijn der-
mate verschillend, dat het oordeel van
het Veterinair Tuchtcollege hier stren-
ger uitvalt dan bij de vorige zaak. In
casu heeft (de assistente van) dieren-
arts B de UDA-diergeneesmiddelen
Amoxycilline 15% en Natrium Salicy-
laat afgeleverd aan een pluimveehou-
der voor de toediening aan slachtkui-
kens. Deze diergeneesmiddelen zijn
wel geregistreerd, maar alleen voor
varkens. Als de middelen bij varkens
worden gebruikt bedraagt de wachttijd
voor de slacht acht dagen.
Ook hier is de zaak bij het Tucht-
college aanhangig gemaakt door de
klachtambtenaar, die hier van mening
is dat dierenarts B zijn beroepsver-
plichtingen op onzorgvuldige wijze
heeft vervuld. Niet alleen is hier vol-
gens de klachtambtenaar sprake van
ontoelaatbaar off-label use, dierenarts
B heeft ook al geen bedrijfsbezoek af-
gelegd om een diagnose te stellen en
evenmin vastgesteld dat het noodzake-
lijk was om een medicamenteuze be-
handeling in te stellen. Kortom, de

-ocr page 147-

diergeneesmiddelen zijn afgeleverd
aan de veehouder, maar zonder gron-
dig onderzoek kan van de vrijstellings-
regeling krachtens de Wet op de
Diergeneesmiddelen geen sprake zijn.
Alsof dat nog niet voldoende is, heeft
ook dierenarts B de logboeken niet
zorgvuldig genoeg ingevuld. Ten aan-
zien van Amoxycilline is in het log-
boek alleen \'off-label use\' ingevuld, bij
het Natrium Salicylaat staat een wacht-
termijn van zeven dagen vermeld.

Verweer dierenarts

De dierenarts wijst erop dat het in zijn
praktijk wel gebruikelijk is om een be-
drijfsbezoek af te leggen voordat dier-
geneesmiddelen worden verstrekt,
maar dat deze zaak zich voordeed in de
tijd van de varkenspest, waardoor de
werkdruk te hoog was. De dierenarts
beschouwt de zaak als een incident dat
niet meer zal voorkomen. De admini-
stratie van de praktijk is helemaal op
orde gebracht, zodat van herhaling
geen sprake zal zijn.

Overwegingen van het Tuchtcollege
Het staat vast dat dierenarts B de ge-
noemde diergeneesmiddelen heeft af-
geleverd aan een pluimveehouder, ter-
wijl deze middelen alleen geregi-
streerd zijn voor toepassing bij var-
kens. Dit is verboden tenzij er sprake is
van een levensbedreigende situatie,
waarbij geen ander middel voorhanden
is. Nergens blijkt dat er sprake was van
een levensbedreigende situatie, maar
dat is technisch ook onmogelijk omdat
de dierenarts heeft verzuimd een be-
drijfsbezoek af te leggen. Dat verzuim
is een zwaarwegende factor. Het
College is van oordeel dat dierenarts B
emstig tekort is geschoten in hetgeen
van hem als dierenarts mag worden
verwacht. Bovendien vindt het College
dat door het stellen van een diagnose,
zonder het afleggen van een bedrijfsbe-
zoek, het bepalen van een daarop afge-
stemde therapie en het verlenen van
daarmee verband houdende nazorg en
het afgeven van UDA-diergeneesmid-
delen die niet voor het desbetreffende
doeldier waren geregistreerd, niet al-
leen de gezondheidszorg voor dieren,
maar ook de volksgezondheid en de
voedselveiligheid emstig in gevaar zijn
gebracht.

Eindoordeel en maatregel
Omdat de dierenarts wel heeft verklaard
dat het een incident is geweest en de
praktijkadministratie inmiddels op orde
is, volstaat het Tuchtcollege met het op-
leggen van een boete van 2500 gulden,
en publicatie van de uitspraak.

(Veterinair Tuchtcollege, uitspraken d.d.
6 juli 2000, zaaknummers respectieve-
lijk
99/059 en gg/060.)

Noot

In deze zaken wordt door het Veterinair
Tuchtcollege duidelijk niet alleen naar
de letterlijke wettekst gekeken bij het
uitspreken van een oordeel over een si-
tuatie waarbij sprake is van off-label
use van diergeneesmiddelen. Allereerst
wordt gekeken naar de eisen die de
Vrijstellingsregeling van de Dierge-
neesmiddelenwet stelt aan off-label use
van diergeneesmiddelen. Er moet spra-
ke zijn van een levensbedreigende situ-
atie, waarbij geen ander (voor dat dier)
geregistreerd middel beschikbaar is.
Dierenarts A kon bepleiten dat aan die
eis was voldaan doordat hij een be-
drijfsbezoek had afgelegd, en een aantal
dieren had onderzocht. Dierenarts B
had dit achterwege gelaten, hetgeen
heeft bijgedragen in de zwaardere
maatregel die hem werd opgelegd.
Beide dierenartsen hebben het daar-
naast niet zo nauw genomen met de
voorgeschreven wachttijd. Bij dieren-
arts A bleek de feitelijke wachttijd wel
lang genoeg, maar dierenarts B had
voor één middel helemaal geen wacht-
tijd ingevuld, en voor het andere middel
zeven dagen, terwijl dit voor varkens al
acht dagen bedraagt, en bij off-label use
minimaal 28 dagen. De vleeskuikens
zijn 8 dagen na toediening van het mid-
del ter slachting aangeboden.

Beste dierenarts,

Er doet zich een bijzondere ontwikkeling voor in
Europa. Andere landen maken thans crises door die
lijken op wat de varkenspest in 1997 en 1998 teweeg
heeft gebracht in Nederiand.
Ten eerste is er een wijziging van de landbouwpoli-
tiek waarbij subsidies afgebouwd worden en markt-
werking juist gestimuleerd. Tot nu toe hebben subsi-
dies, restricties en beschermende wetgeving ervoor gezorgd dat degenen die als
ondememer optreden in de scherpte naar de markt worden geremd; immers, als het
mis dreigt te gaan is er een vangnet voor deze ondernemers.
In de meeste industriële markten waar ik in gewerkt heb, zijn deze voorzieningen
afwezig. Gevolg is een markt met afvallers en toetreders waardoor de scherpte bij

In beide zaken is sprake van ontoelaat-
baar off-label use. In de eerste zaak was
een alternatief voorhanden, in de
tweede zaak is de noodzaak voor toe-
passing van het middel niet gebleken.
De klachtambtenaar stelt dat bij ontoe-
laatbaar off-label use geen wachtter-
mijn kan worden vastgesteld, waardoor
de behandelde dieren helemaal niet
meer voor de slacht in aanmerking
kunnen komen. Merkwaardig genoeg
gaat het Tuchtcollege er in beide geval-
len van uit dat een wachttermijn van 28
dagen in aanmerking had moeten wor-
den genomen, terwijl het niet onbegrij-
pelijk zou zijn geweest om te conclude-
ren dat de dieren van consumptie
hadden moeten worden uitgesloten.
Dat zou echter wel de paradoxale situ-
atie hebben opgeleverd dat de be-
treffende dieren ten tijde van de uit-
spraak reeds lang zouden zijn
geconsumeerd. In casu is voor zowel
de kalkoenen als de vleeskuikens ge-
steld dat een minimale wachttijd van
28 dagen in acht had moeten worden
genomen. Bij de kalkoenen is hier on-
danks de foutieve invulling van het log-
boek wel aan voldaan, maar bij de
vleeskuikens bepaald niet.
Hoewel het Veterinair Tuchtcollege
het belang van volksgezondheid en
voedselveiligheid expliciet onderkent,
is dit vlees wel aan het slachthuis aan-
geboden. Dat kan het Tuchtcollege be-
paald niet worden verweten, maar het
roept wel vragen op over de veiligheid
van consumptievlees, en dat onder-
werp is op dit moment niet bepaald ge-
speend van publiciteit.

-ocr page 148-

ondernemers aanwezig blijft; zelfs als het slechter
gaat zijn de meeste marktgeoriënteerde bedrijven
in staat snelle koerswendingen met succes door te
voeren.

Na een lange, min of meer stabiele situatie lijkt de
landbouw in een lange, turbulente omvormingspe-
riode te zijn terechtgekomen. Hierbij zal van stabi-
liteit geen sprake meer zijn. De markt zal zijn werk
doen en de consument bepaalt de omvang van de
markt voor de vee- en vleesindustrie. Een tijd van
omvorming met indringende krimp maar ook met
groeimogelijkheden dient zich aan voor veehou-
ders, slachterijen en verwerkende bedrijven.
Ten aanzien van het toezicht op de productie en
handel in dieren en dierlijke producten zullen de ei-
sen, door de consument afgedwongen, sterk toene-
men. Daarbij zullen de dierenarts en de toezicht-
houdende RVV en Keuringsdienst van Waren een
cruciale rol vervullen. De kwaliteit en veiligheid
zullen grenzen stellen aan de snelheid van de han-
del. Risico\'s moeten worden beperkt en van de die-
renarts, de RVV en Keuringsdienst van Waren, zal
een efficiënt en effectief toezicht worden verlangd
op de naleving van de wetgeving. Van de produ-
cent zal worden gevraagd, dat hij zich bezighoudt
met \'maatschappelijk ondernemen\', waarbij snel-
heid en korte-temiijnwinst niet de enig bepalende
factoren zijn bij zijn handelen. Dit is noodzakelijk,
nu te zeer helder is geworden dat, met in het achter-
hoofd vuurwerk en horeca, omissies in dit opzicht
dramatische gevolgen kunnen hebben. Ook zien
we in het buitenland naar aanleiding van de ontwik-
kelingen op het BSE-vlak, dat afwegingen ten gun-
ste van geld een onbalans tot gevolg hebben ten
aanzien van de veiligheid van de consument.

Ook de RW wordt regelmatig verteld dat dingen
\'moeten kunnen\', praktisch en snel moeten worden
afgehandeld. Dit is ondenkbaar als milieu, volksge-
zondheid, diergezondheid of dierenwelzijn in het
gedrang zijn. De RVV zal helder aangeven waar de
grenzen liggen, die verankerd zijn in wetgeving en
beleid.

Dit voorjaar wordt een actieprogramma gestart,
waarbij van de bedrijven etcetera, die onder een ze-
ker toezicht van de RVV staan, de voorwaarden
voor de vergunning (erkenning registratie of an-
ders) nadrukkelijk zullen worden bekeken. Bij af-
wijking zullen heldere termijnen worden afgespro-
ken op straffe van intrekking van de erkenning. De
verantwoordelijke dierenartsen bij een bedrijf zul-
len deze verantwoordelijkheid waar moeten maken
en tevens zullen we de intussen meer dan 100 prac-
titioners, daarbij inzetten. Het doel is een lange-ter-
mijnperspectief te creëren waarbij verantwoord
ondernemen wordt gestimuleerd en overtreders
hard worden aangepakt. Zo kunnen RVV en die-
renartsen bijdragen aan de versterking van de
Nederlandse positie in internationaal verband.

De directeur RW,
Pieter Cloo

Beste dierenarts,

De BSE-problematiek in Europa zal in diverse lidstaten veel verande-
ringen met zich meebrengen. Het lijkt erop dat in elke lidstaat van de
Europese Unie een vorm van crisis aanleiding is tot een onvermijde-
lijke aanpassing in één en dezelfde richting:

• een afnemende rol van de landbouw

• toenemende eisen aan de landbouw door de burger

• een toenemend belang van kwaliteit en veiligheid in handel en com-
mercie

• toenemende eisen aan de dierenarts als onafhankelijke, deskundige
flinctie ten opzichte van veehouder en overheid.

Zo hebben we in Engeland de BSE-crisis, in België de dioxine-affaire
en in Nederiand de varkenspestuitbraken in 1997 en 1998 gekend als
directe aanleiding tot indringende veranderingen in de sector en bij de
overheid.

Niet voor niets is de Europese Commissie vorig jaar met een \'Witboek
Voedselveiligheid\' gekomen. Daamaast heeft de Nederlandse rege-
ring een invulling aan de noodzakelijke veranderingen gegeven via de
nota \'Voedsel en Groen\' van eind 2000. In beide documenten staat be-
schreven, dat de toekomst ten aanzien van handel en productie van die-
ren en dierlijke producten langs de volgende lijn zou moeten plaatsvin-
den: de producent is verantwoordelijk voor de kwaliteit en veiligheid
van de eigen \'waar\'; de overheid is verantwoordelijk voor de normstel-
ling, regelgeving, het toezicht en de handhaving.
Dit is gemakkelijk gezegd, maar zal een enorme inspanning vergen, zo
leerden mij de afgelopen tweeëneenhalf jaar bij de RVV. Zo buitelen
aan de ene kant kwalityeitssystemen over elkaar heen, maar moet ik
aan de andere kant constateren dat het zonder een zeer duidelijk optre-
den van de overheid met de discipline bij een duidelijke minderheid
soms droevig gesteld is.

We zullen in 2001 in die gevallen helder en duidelijk optreden en zono-
dig de erkenning van bedrijven intrekken. Dit is noodzakelijk om de-
genen die het wel goed doen te beschermen en echte concurrentie haar
werk te laten doen. De toegenomen eisen maken het voor een aantal be-
drijven moeilijk om te overieven. Tegelijkertijd zien we een aantal be-
drijven die het ondanks deze eisen wel bolwerken; eigenlijk dus een
normale markt. Het gaat dus niet aan om dan van de belastingbetaler
een bijdrage te vragen, danwel van de overheid een gedoogsituatie ten
aanzien van de vergunningsvoorwaarden.

De drama\'s in Volendam, de dioxine-affaire en Enschede alsmede de
BSE-problematiek in enkele Europese landen hebben duidelijk ge-
maakt, dat op de spanningsboog handel/commercie en aan de andere
kant kwaliteit/veiligheid, de balans te ver doorgeslagen is naar han-
del/commercie. Op het terrein van de handel en productie van dieren en
dierlijke producten staat de RVV aan de lat ten aanzien van het toezicht
op de naleving van de wet- en regelgeving. Met vereende kracht, hand-
having en toepassing van sancties zullen wij erop moeten toezien, dat
het accent absoluut ligt bij kwaliteit en veiligheid. Samen met u staan
we voor een geweldige klus om de sector en alle daarin functionerende
partijen mee op te voeden. In 2001 staat dit als prioriteit in het jaarplan
van de RW. Daamaast zullen we in 2001 de kinderziektes wegwer-
ken, die aan het licht zijn gekomen bij de invoering van het systeem
van practitioners.

Intussen hebben 119 dierenartsen met succes één van de twee be-
voegdheden gehaald. We verwachten nog dit jaar meer dan honderd
practitioners extra erbij te hebben. Een enquête onder de 119 practitio-
ners heeft nog een aantal onvolkomenheden en fmstraties aan het licht
gebracht die opgelost zullen worden in de komende weken. Daarover
meer in de volgende column.

De directeur R W,
Pieter Cloo

-ocr page 149-

Stichting Symposium Feline
Geneeskunde organiseert
wederom Feline Symposium

H Congressenen

cursyssen

\'Focussing on Veterinary

Development

Programmes\'

Stichting DIO (Diergeneeskunde
in Ontwikkehngssamenwerking)
organiseert dit jaar de Europese
jaarvergadering van de overkoepe-
lende organisatie VSF-Europa
(Veterinaires sans Frontieres Euro-
pa). Voorafgaand aan deze verga-
dering wordt een symposium ge-
houden op
15 februari 2001,
getiteld \'Focussing on Veterinary
Development Programmes\' (Euro-
pean veterinarians without borders
clarify their projects). Vertegen-
woordigers uit drie landen spreken
op dit symposium over de projec-
ten die zij financieren, de proble-
men die ze daarbij krijgen en hun
resultaten.

Het symposium vindt plaats op de
Faculteit der Diergeneeskunde.
Tijd: 19.00 uur. Voor meer infor-
matie: www.dio.nl.

i

Wegens het grote succes van de afgelopen jaren, organiseert de
Stichting Symposium Feline Geneeskunde (SSFG) op
19 mei 2001 voor
de derde maal haar jaarlijkse symposium ter bevordering van de katten-
geneeskunde. Een vijftal gerenommeerde sprekers uit binnen- en bui-
tenland is uitgenodigd om de nieuwste ontwikkelingen betreffende hun
vakgebied te bespreken. De onderwerpen die dit jaar aan bod zullen ko-
men zijn: gastro-enterologie, endocrinologie, KNO, oogheelkunde en
voortplanting.

Verdere informatie over de dagindeling en de aan het symposium verbonden
kosten kunt u vinden in het maartnummer van het Tijdschrift voor
Diergeneeskunde. U kunt ook contact opnemen met de SSFG: Stichting
Symposium Feline Geneeskunde. Yalelaan 1, 3584 CL Utrecht, e-mail:
felinesymposium@hotmail.com.

PHLO-cursus \'Rundveevoeding\'

Op 29 en 30 maail 2001 organiseert de Stichting Post-Hoger Landbouw-
onderwijs (PHLO) de cursus \'Rundveevoeding\'. Hierin wordt aandacht be-
steed aan nieuwe inzichten op het gebied van de rundveevoeding, waarbij
vooral de mogelijkheden van toepassingen in de praktijk worden behandeld.

De kosten voor deze cursus bedragen f 1525,-. De in.schrijftermijn eindigt
op 2 maart 2001. Nadere inlichtingen: Bureau PHLO, Postbus 8130, 6700
EW Wageningen, telefoon: 0317- 484093/484092, fax: 0317- 426547. e-
mail: info@secr.phlo.wau.nl, website: www.wau.nl/phlo.

Therapie en prognose van het appendiculair osteosarcoom bij de hond

Het appendiculair osteosarcoom (AOS)
is de meest voorkomende primaire bot-
tumor bij de hond en een belangrijke
doodsoorzaak bij grote-hondenrassen.
Zonder chemotherapie is de overleving
na pootamputatie gemiddeld vijf maan-
den en sterft 90% van de patiënten bin-
nen een jaar ten gevolge van metastasen,
ook al waren deze ten tijde van de opera-
tie radiologisch niet zichtbaar. De over-
levingsduur wordt aanmerkelijk langer
indien de patiënt na de amputatie wordt
behandeld met chemotherapeutica.
In een prospectief verkennend onder-
zoek (1) werden 16 honden met AOS
zonder aantoonbare metastasen post-
operatief behandeld volgens een pro-
tocol waarbij een combinatie van cis-
platinum en doxorubicine werd toe-
gediend. Behandeling volgens dit pro-
tocol (zie voor details het oorspronke-
lijke artikel) werd goed verdragen en
leidde zelden tot bijverschijnselen. Na
één jaar was 68,7% en na twee jaar
25% van de honden nog in leven. De
mediane symptoomvrije periode (15,6
maanden) en de mediane overleving-
stijd (18 maanden) waren significant
langer (P<0,015, respectievelijk P<
0,007) dan het mediane symptoom-
vrije interval (6,45 maanden) en de
overleving (9,2 maanden) van een eer-
der onderzochte groep van 36 honden
met AOS, die na amputatie niet met
chemotherapeutica waren behandeld
danwel uitsluitend met doxorubicine
(hetgeen hetzelfde resultaat had opge-
leverd). Volgens de auteurs zijn de
door hen bereikte resultaten de beste
die tot nu toe zijn gerapporteerd met
betrekking tot de therapie van AOS bij
de hond.

De individuele overlevingstijd van
honden die voor AOS worden behan-
deld varieert sterk, ook bij de 16 bo-
ven beschreven honden (vijf tot meer
dan 75 maanden), en is afhankelijk
van vele factoren. In een retrospectief

-ocr page 150-

onderzoek (2) waarbij 61 honden met
AOS werden behandeld middels am-
putatie, cisplatinum en doxorubicin
(volgens een ander protocol dan bo-
ven beschreven), bleek dat de totale
alkalische fosfataseconcentratie van
het serum (s-AF) vóór operatie in
hoge mate correleerde met de overle-
vingstijd van de patiënt ( p<0,00l). De
mediane overlevingstijd voor honden
met een normaal s-AP en een ver-
hoogd s-AP was respectievelijk 12,5
en 5,5 maanden. Vergelijkbare resul-
taten zijn gepubliceerd door anderen
(3).

Bepaling van de s-AF-concentratie
biedt dus een mogelijkheid de prog-
nose voor honden met AOS beter te
onderbouwen en daarmee voor de ei-
genaar de keuze makkelijker te ma-
ken een behandeling in te stellen dan
wel de hond te laten inslapen. Wel
moeten daarbij een significante stij-
ging van het s-AF door een leverlij-
dén alsmede éeh s-AF-vèrhogirig teri
gevolge van corticosteroid geïndu-
ceerd AF-iso-enzym worden uitge-
sloten.

Dr. R.J. Slappendel

Referenties

1. Chun R, Kurzman ID, Couto G, et al.
Cisplatin and doxorubicin combination che-
motherapy for the treatment of canine osteo-
sarcoma: A pilot study. J Vet Intern Med
2000;14:495-8.

2. Garzotto CK, Berg J, Hoffmann WE. and
Rand WM. Prognostic significance of semm
alkaline phosphatase activity in canine ap-
pendicular osteosarcoma. J Vet Intern Med
2000;14:587-92.

■3.\' Kirpensteijn J. Téska E, Kik M. efal:
Lobaplatin as an adjuvant chemotherapy to
surgery in canine appendicular osteosar-
coma: A phase 11 evaluation. In: Kirpensteijn
J. Clinical and pathogenetic studies in canine
osteosarcoma. Thesis, 1999, Chapt. 5, pp 70-
82, Utrecht. ISBN 90-393-2266-x.

Vraag:

Kunnen wij bij de gezelschapsdieren
ook afwijkingen verwachten zoals
BSE bij het rund? Welke symptomen
zouden wij kunnen verwachten?

Antwoord:

TSE (Transmissible Spongiform
Encephalopathy) is een syndroom dat
bij verschillende diersoorten en de
mens is beschreven. Aanvankelijk als
een diersoort-eigen ziekte (scrapie-
schaap, Creutzfeldt-Jakob bij de
mens), later als gevolg van vermeerde-
rende kennis rondom het BSE (rund)-
gebeuren als een overdraagbare (trans-
missible) ziekte.

De route, de mate van infectieusiteit,
het werkingsmechanisme en de lange
incubatieperiode zijn onderwerpen die
nog maar nauwelijks bekend zijn bin-
nen één diersoort, laat staan wanneer
mogelijk sprake is van interactie tus-
sen diersoorten. Daarbij moet worden
opgemerkt dat veel dierexperimenten
wel heel direct worden uitgevoerd
door prion-eiwitten bevattend materi-
aal rechtstreeks te injecteren in de her-
senen van de te onderzoeken andere
diersoort.

De eerste feline spongiform encepha-
lopathy (FSE) werd in 1990 gemeld in
het Verenigd Koninkrijk. Sindsdien
hebben zich een kleine honderd ge-
melde gevallen van FSE voorgedaan.
Zelfs buiten Engeland is een enkele
melding van deze ziekte, één in
Noorwegen en één in Liechtenstein. In
Engeland, waar als enig land sprake is
van een epidemie, valt dit wel sugges-
tief samen in de tijd, met de BSE-pro-
blematiek bij runderen. Daamaast is
onomstotelijk vastgesteld dat het ver-
antwoordelijke prion-eiwit bij de kat
in Engeland vrijwel identiek is aan die
van de BSE bij runderen en die van de
jonge variant van Creutzfeldt-Jakob
bij de mens. Dit werd vastgesteld door
biologisch (dierexperimenteel) en bio-
chemisch onderzoek. Hoe dit verband
tot stand is gekomen blijft nog steeds
een punt van discussie. Als we stellen
dat dit komt door consumptie van
slachtafvallen of diermeel verwerkt in
kattenvoer, afkomstig van in Engeland
veronachtzaamde risico\'s van met
BSE besmette runderen, dan zou ook
aan deze katten-FSE-epidemie in
Engeland een einde moeten komen.
Immers, het is nagenoeg gedaan met
BSE bij mnderen in Engeland.
Merkwaardig genoeg is er géén be-
schrijving van een vergelijkbare ziekte
bij honden, ook niet in Engeland. Dit
kan betekenen dat honden niet gevoe-
lig zijn voor prion-eiwitten van de
thans bekende TSE\'s. Ik ga hiervan uit
omdat ik net als zoëven stel dat ook
hondenvoer werd samengesteld uit on-
der meer slachtafvallen en mogelijk
besmet diermeel.

BSE bij gezelschapsdieren

Naar aanleiding van onderstaande uit de praktijk ontvangen vraagstelling vond de
redactie de heer prof. dr. F. van Knapen (Hoofdafdeling Voedingsmiddelen van
Dierlijke Oorsprong. Faculteit der Diergenee.skunde) bereid om voor de lezers een
antwoord te formuleren.

Agressie

De gemiddelde leeftijd bij katten is ze-
venjaar! Géén enkel geval is beschre-
ven bij dieren jonger dan twee jaar.
Het gaat/ging om nomiale huis-tuin-en
keukenkatten, zowel poezen als katers.
Het begint met kleine gedragsverande-
ringen; iets agressiever of iets terug-
houdender. Agressie richt zich vooral
op huisgenoten (mens en dier). De te-
mghoudendheid uit zich door angst
voor aanraken en angst voor het naar
buiten gaan. Het niet meer of minder
spinnen is zeer vaak het eerste dat op-
valt. Overgevoeligheid voor aanraking
en geluiden volgt. Dit stadium kan ver-
schillende weken duren. Uiteindelijk
worden locomotiestoomissen, die zich
het eerst aan de achterhand voordoen,
overduidelijk. Afstanden kunnen niet
meer worden ingeschat, volledige
ataxie ontwikkelt zich, waardoor ook
urineren en defaeceren niet meer nor-
maal verloopt. Tenslotte kunnen ze al-
leen nog snelle, spastische, krom ge-

-ocr page 151-

bogen pasjes maken. De prognose is
infaust.

Tot slot moet nog worden opgemerkt
dat FSE niet altijd hoeft te worden ver-
oorzaakt door BSE-prionen. Er is ten-
minste één geval beschreven als zijnde
veroorzaakt door een prion-eiwit van
een andere biologische signatuur. De
gevallen in Noorwegen en Liechten-
stein zijn bij mijn weten niet nader ge-
typeerd, maar zouden theoretisch wei-
nig kans maken tot de BSE-signatuur te
behoren omdat de ziekte bij runderen
in deze landen formeel niet voorkomt.

Referenties:

• Gruffyd-Joncs TJ, Galoway PE. and
Pearson GR. Feline Spongiform
Encephalopathy. Journal of Small Animal
Practice 1992; 33( 10): 471-476

• Pearson GR. Wyatt J M. Henderson JP. and
Gruffydd-Jones. Feline Spongiform

Encephalopathy: a review. Veterinary
Annual 1993:33: 1-10

• Willesmith JW, Wels GAH. Cranwell MP.
and Ryan JBM. Bovine spongiform encep-
halopathy: epidemiological studies.
Veterinary Record 1988; 123: 638-644

• Wyatt JM, Pearson GR. Smerdon TN,
Gntffydd-Jones TJ. Wells GAH.
Spongiform Encephalopathy in a cat.
Veterinary Record 1990: 126:513

• Wyatt JM. Naturally occurring spongiform
encephalopathy in cats in the U.K. Australian
Veterinary Practioner 1991; 21 (4): 174-176.

Inmiddels is de nieuwe voorjaarsbro-
chure uit en stromen de opgaven voor
nieuwe cursussen binnen. Voor ons al-
tijd een hele leuke tijd om te merken
dat veel collega\'s uitkijken naar het
nieuwe programma en zich aanmelden
voor de cursussen naar keuze.
Als een cursus snel volgeboekt is, wordt
er een wachtlijst aangelegd en bij vol-
doende animo een extra cursus georga-
niseerd in overleg met de docenten.
Kortom: ook als de datum u niet schikt,
maar het onderwerp wel, laat u op de
wachtlijst plaatsen, zodat wij weten dat
we u kunnen benaderen bij een herha-
lingscursus.

2001

2001 zijn wij van start gegaan met een
tiental cursussen in januari: er hebben
alweer 80 extra paardendierenartsen
hun erkenningscursus gevolgd, 55
rundveedierenarts Dag I van de
Erkenningscursus en een 25-tal pluiiTi-
veedierenartsen.

De gezelschapsdierenpractici hebben
meerdere cursussen gehad: Cardio-
therapeutica, een goed gewaardeerde
cursus van Paul Mandigers die al meer-
dere keren herhaald is voor een groep
geïnteresseerde practici (herhaling na-
jaar 2001).

Internistische cases blijft ook altijd
boeiend, Lisette Overduin en Eric
Teske laten op enthousiaste wijze zien
hoe twee gelijkende patiënten een heel
andere diagnose op kunnen leveren
(herhaling 14/6/2001).

In de serie kattengeneeskunde
heeft Hemian Egberink de
spits afgebeten met de virale infecties en
weet hij soms droge informatie in te bed-
den in zeer interessante praktische stof,
waardoor ook deze cursus bestaande uit
twee losse middagen naar grote tevre-
denheid wordt gevolgd (herhaling 5 en
12 april 2001).

Ook vogelgeneeskunde staat in de be-
langstelling, Jan Hooimeijer heeft we-
gens succes al meerdere keren zijn cur-
sus vogelgeneeskunde deel 1 gehouden,
waarin hij de papegaai en parkiet als
huisdier en huisgenoot uitlicht. In maart
zijn de postduiven weer aan bod en in
het najaar zal vogelgeneeskunde deel II
volgen.

Deze maand

Welke onderwerpen staan er komende
maand op het prograiTima.
Zoals bekend staat februari in het teken
van het lustrumcongres van de Groep
Paard.

Voor de rundveemensen wordt op 15 en
21 februari Erkende rundveedierenarts
Dag II gehouden en 23 februari het zeer
actuele onderwerp BSE en scrapie.
Voor dierenartsen in de varkenssector
zijn een aantal studiemiddagen gepland
met voordrachten door enkele
Belgische varkensspecialisten en on-
derzoekers.

Voor practici gezelschapsdieren staan
echocardiografie door Mariette Vink
en diadiagnostiek oogheelkunde door
Frans Stades op het programma.

Nieuwe brochure

Hygiëne en wondbehandeling is afge-
lopen najaar goed ontvangen en wordt
met geringe aanpassing nog meer af-
gestemd op de dierenartsenpraktijk;
een aanrader om uw aanpak van reini-
ging en desinfectie te toetsen. Tand-
heelkunde zowel voor dierenarts als
een voordracht voor assistentes blijft
leuk met Andries van Foreest als boei-
ende spreker.

Als algemeen onderwerp staat het bou-
wen van uw eigen website op het pro-
gramma. Is het dan toch makkelijker
dan we denken. Jan van Os weet u een
hoop bij te brengen in één dag.

Uitgebreidere informatie?

Bezoek onze
website:www.paod.uu.nl.
Telefoon: 030 -
25173 74,
fax: 030 - 257 64 go

E-mail:
paod@pobox.uu.nl

-ocr page 152-

2sjaor Pensioen in de Praktijk

Dierenartsenpensioen belicht in
schitterende jubileumuitgave

Utrecht, 17 januari 2001 - Vandaag ontvangen de voorzitters Ton de Ruijter
(KNMvD), Leen den Otter (Groep Geneeskunde Gezelschapsdieren) en Rens
van Dobbenburg (Groep Practici Grote Huisdieren) de jubileumuitgave van de
Stichting Pensioenfonds voor Dierenartsen uit handen van Nico Ypenburg,
voorzitter van de stichting. De schitterende uitgave belicht \'25 jaar Pensioen-
fonds voor Dierenartsen\' en laat voornamelijk deelnemers aan het woord over
de collectieve, verplichte pensioenvoorziening voor praktiserende dierenartsen.
Alle deelnemers hebben de uitgave inmiddels per post ontvangen.

\'Het is nu ongeveer 25 jaar geleden dat
de beroepsgroep dierenartsen bij mon-

Door Sophie Deleu

de van de KNMvD bij het ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
de verplichtstelling aanvroeg voor het
Beroepspensioenfonds voor Dieren-
artsen\', blikt Ypenburg terug. \'Dat hier-
door ook fiscaal het een en ander aan-
trekkelijk werd, moge duidelijk zijn\'.

Waardevol basispensioen

De Stichting Pensioenfonds voor
Dierenartsen biedt practici een waar-
devol basispensioen met:

• Ouderdomspensioen vanaf zestig jaar

• Weduwen-, weduwnaars- en wezen-
pensioen

• Partnerpensioen voor ongehuwde
deelnemers (op verzoek)

• Voortzetting van de pensioenop-
bouw bij arbeidsongeschiktheid

• Jaarlijkse winstdeling vóór en na
pensioeningang

Het pensioenfonds is door en op ver-
zoek van de praktiserend dierenartsen
opgericht. Uitgebreide consultatie van
de Afdelingen van de KNMvD is eraan
voorafgegaan. Het bestuur bestaat uit
practici die door en uit de beroeps-
groep worden gekozen.
Belangrijke kenmerken zijn de jaar-

-ocr page 153-

lijkse winstdeling zonder inhouding
van opbrengsten voor derden, de lage
kosten en de transparantie van de kos-
ten en opbrengsten.
Alle deelnemers ontvangen jaarlijks
een kort jaarverslag van de ontwikke-
lingen en het bestuursbeleid. Het fonds
informeert de deelnemers en gewezen
deelnemers verder jaarlijks over de ont-
wikkeling van hun individuele pen-
sioenaanspraken die zij realiseren.
Het fonds beheert nu - dankzij een ver-
antwoord beleid - een belegd vermo-
gen van 472 miljoen Euro, ofwel 1.04
miljard gulden.

Het geld wordt verantwoord en gespreid
over de diverse beleggingscaégorieën
belegd.

Het belegd vermogen van het pensioen-
fonds bedraagt thans i. 04 miljard gulden.

Verplichting ter discussie

Het bestuur is zich tevens bewust van
het feit dat er aan de poten van het be-
staansrecht wordt geknaagd. Ypen-
burg: \'Een peiling in de Tweede Kamer
geeft weliswaar een ruime meerderheid
aan tegen de afschaffing van de ver-
plichtstelling, maar dat weerhoudt ons
er niet van om toch gezamenlijk inge-
spannen bezig te blijven het Kabinet er-
van te overtuigen dat een verplicht pen-
sioenfonds voor de vrijeberoepsbeoefe-
naar een groot goed is.\'
Dat hierover het laatste woord nog niet
gezegd is, valt ook aan de jubileumuit-
gave \'25 jaar Pensioen in de Praktijk\' te
merken, waarin veel aandacht wordt ge-
vraagd voor kritiek, wensen of sugges-
ties van deelnemers. Uit de interviews
blijkt namelijk dat er grote behoefte be-
staat aan méér informatie over de pen-
sioenregeling voor dierenartsen. Het
pensioenfonds wil daaraan graag tege-
moet komen, en doet daarbij een beroep
op de deelnemers; wensen en suggesties
kunnen met een bijgevoegd enquêtefor-
mulier worden doorgegeven.
Is de jubileumuitgave één grote lof-
zang op de verplichte pensioenrege-
ling? Nee! Nadrukkelijk zijn ook te-
genstanders van de verplichtstelling
aan het woord gelaten.
Het pensioenfonds is er bovendien
voor alle praktiserend dierenartsen,
dus ook voor niet-leden van de
KNMvD. De KNMvD biedt vandaag
de ruimte aan voor de uitreiking van
boekwerk aan haar voorzittters en is
officieel vóór de verplichting - onder
andere vanwege de lage kosten - maar
heeft vanzelfsprekend slechts een be-
perkte invloed op de meningsvorming
hieromtrent. Wel heeft de beroepsver-
eniging van dierenartsen altijd aange-
drongen op goede communicatie met
de practici-deelnemers aan het pen-
sioenfonds over de regeling en over de
verplichtstelling. De jubileumuitgave
komt op een plezierige wijze tegemoet
aan de vraag om meer informatie; het
boekje spreekt aan omdat collega\'s
daarin kritisch en nuchter aan het
woord komen en de zaken niet mooier
worden voorgesteld. Achterin is een
trefwoordenlijst opgenomen, waarin
men de lastige termen aantreft waar-
van de \'verzekeringswereld\' zoal ge-
bmik maakt.

De jubileumuitgave van de Stichting Pensioenfonds voor Dierenartsen \'25 jaar
pensioen in de praktijk \' is het lezen waard: onderhoudend en informatief. Het is
bovendien nuttig om je als (slapend) deelnemer te verdiepen in de materie. Het
gaat tenslotte - niet onbelangrijk - over je oudedagsvoorziening.

De jubileumuitgave is geenszins een
lofzang op de verplichtstelling.

Diergeneeskundig jaarboek 2001

Wilt u er zeker van zijn dat uw gegevens in het Diergeneeskundig
Jaarboek 2001 juist vermeld worden, dan verzoekt de redactie van
het Diergeneeskundig Jaarboek u
vóór 23 februari 2001 eventuele
fouten en wijzigingen schriftelijk door te geven aan het bureau van
de KNMvD: fax: 030-2511787; e-mail: leden.adm@knmvd.nl;
postbus 14031, 3508 SB Utrecht.

Uiterste inleverdata voor kopij

Aflevering:

Deadline*)

15-03-2001

maandag 26-02-2001

01-04-2001

maandag 12-03-2001

15-04-2001

maandag 26-03-2001

01-05-2001

woensdag 11-04-2001

*) Voor 10.00

uur \'s morgens.

Ter uitbreiding van ons team zoeken wij

een enthousiaste dierenarts (m/v)
differentiatie gezelschapsdieren

Wij bieden: - Een fulltime baan met goede toekomst-
mogelijkheden

- Een goed geoutilleerde kliniek voor uitslui-
tend gezelschapsdieren

- Salariëring volgens de KNMvD-norm
Wij vragen: - Teamgeest en klantgerichte houding

- Participatie in de dienstregeling

- Liefst enige ervaring

Uw schriftelijke sollicitatie, vergezeld van cv, zien wij
met belangstelling tegemoet binnen 14 dagen na het
verschijnen van dit tijdschrift. Gelieve deze te richten
aan: Dierenkliniek Strijthagen, ter attentie van E.
Burgers, Stenenbrug 2, 6372 AP Landgraaf (Zuid-
Limburg).

-ocr page 154-

Vacatures in besturen en commissies verband houdende met de
148e Algemene vergadering van de Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde

2001 aftredend en herkiesbaar

Hoofdbestuur

C. Huijservan Reenen Regio Noord

Overeenkomstig artikel 31 van de Statuten worden de betrokken Afdelingen van de Regio Noord verzocht een kandidaat voor te dragen en de naam
van deze kandidaat tijdig voor de Algemene Vergadering aan het Hoofdbestuur mede te delen.

Algemeen Bestuur

J.F.J. Segers

G.A. Hooijer

H. van Rossem
J.A.M. Schrooyen
Dr.
T.J.G.M. Lam
O.A. van Dobbenburgh
T.S. de Vries

R.J.M.L. Raymakers
Dr.W. Back

Afdeling Noord-Brabant
Afdeling Friesland
Afdeling Utrecht

Groep Dierenartsen werkzaam in het Bedrijfsleven

Groep Geneeskunde van het Rund

Groep Practici Grote Huisdieren

Groep Pluimveewetenschappen

Groep Geneeskunde van het Varken

Groep Geneeskunde van het Paard
2001 aftredend en herkiesbaar

2001 tussentijds aftredend en niet herkiesbaar

2001 tussentijds aftredend en niet herkiesbaar

2001 aftredend en herkiesbaar

2001 aftredend en herkiesbaar

2001 aftredend en herkiesbaar

2001 aftredend en herkiesbaar

2001 tussentijds aftredend en niet herkiesbaar

2001 aftredend en niet herkiesbaar

Overeenkomstig artikel 33 van de Statuten worden de betrokken Afdeling en Groepen verzocht eventuele kandidaten voor te dragen en de namen
van hen tijdig voor de Algemene Vergadering aan het Hoofdbestuur mede te delen.

Ereraad

C. Willenborg
H.L.C. Logtenberg
Mw.G.H.J.M. Brinkhuis
2001 aftredend en herkiesbaar
2001 aftredend en niet herkiesbaar
2001 aftredend en niet herkiesbaar

Regio Zuid
Regio Midden
Regio Midden

Overeenkomstig artikel 38 van het Huishoudelijk Reglement worden de betrokken Afdelingen verzocht eventuele kandidaten voor te dragen en de
namen van hen tijdig voor de Algemene Vergadering aan het Hoofdbestuur mede te delen.

Hoofdredactie Tijdschrifi voor Diergeneeskunde

Dr. E.A. ter Laak
Dr. R.J. Slappendel
Dr. M.F. de Jong

2001 aftredend en herbenoembaar
2001 aftredend en herbenoembaar
2001 aftredend en herbenoembaar

Overeenkomstig artikel 65 van het Huishoudelijk Reglement worden de betrokken Afdelingen/Groepen verzocht eventuele kandidaten voor te dra-
gen en de namen van hen tijdig voor de Algemene Vergadering aan het Hoofdbestuur mede te delen.

Paritaire Afvaardiging Georganiseerde Dierziektenbestrijding

2001 aftredend en herkiesbaar

C.W.M. Augustijn

Regio Zuid

Overeenkomstig artikel 71 van het Huishoudelijk Reglement worden de betrokken Afdelingen verzocht eventuele kandidaten voor te dragen en de
namen van hen tijdigvoorde Algemene Vergadering aan het Hoofdbestuur mee te delen.

Sociaal Economische Commissie

2001 aftredend en niet herbenoembaar
2001 aftredend en niet herbenoembaar
2001 tussentijds aftredend en niet
herbenoembaar

2001 tussentijds aftredend en niet
herbenoembaar

2001 tussentijd aftredend en niet
herbenoembaar

Groep Dierenartsen Werkzaam in het Bedrijfsleven 2001 tussentijd aftredend en niet

herbenoembaar

J.F. van Embden
J.M. van Winden
E. Wondergem

E.K. Wellling

J.H. Kraak

M.M.H.Valks

Afdeling Overijssel
Afdeling Limburg
Afdeling Zeeland

Groep Veterinaire Specialisten

Groep Pluimveewetenschappen

Overeenkomstig artikel 72 van het Huishoudelijk Reglement worden de betreffende Afdelingen en Groep verzocht eventuele kandidaten voor te
dragen en de namen van hen tijdig voor de Algemene Vergadering aan het Hoofdbestuur mede te delen.

-ocr page 155-

Als lid van de Koninklijke Nederlandse Maat-
schappij voor Diergeneeskunde heeft het
Hoofidbestuur aangenomen:

Boswinkel, M.: 2000: 3572 RV Utrecht: üoede-
straat 48.

Boxel, E.D.H.M. van; 2000; 3513 CT Utrecht;
Kruisweg 24 bis A.

Bressen Mevr. D.R.; 1999; 2992 HP Baren-
drecht; Cuypersdreef 4.

Gastel. Mevr. A. van; 2000; 5691 SE Son; Jas-
mijnstraat 8.

Hoogland, E.M.; 2000; 9781 AK Bedum; Noord-
walderweg 86F.

Janssen, A.B.M.; 2000; 3583 JT Utrecht: J.W.
Frisostraat 20.

Lodders, J.H.; 2000; 8194 LR Veessen; Rotten-
broekseweg 1.

Pijpers, Mevr, J.J.J.; 2000; 3262 BN Oud-

Beijerland; Zinkweg 238.

Roozeboom. A.N.; 2000; 3514 GB Utrecht;

Willem van Noortstraat 57.

Vreman, Mevr. S.; 2000; 3521 CG Utrecht;

Croeselaan 144.

Jubilea:

15 febmari, H.P. Kingma te Hellendoom, afwe-
zig, 40 jaar

20 februari. H.J. van de Kamp te Maasland, af-
wezig, 25 jaar

20 februari, J.J. Oostveen te Silvolde, afwezig.

25 jaar

20 februari. Dr. G. Benetictus te Joure, aanwe-
zig, 25 jaar

20 februari, E.E. Steenhuis Geertsema te Wilnis,
afwezig, 25 jaar

20 februari, A.W.A.J. Vermeulen te Winters-
wijk. afwezig. 25 jaar

20 februari, W.J.M. van der Putten te Lopik,
aanwezig, 25 jaar

24 februari, A.M. Tromp te Beer-Tuvia. (Israël),
afwezig. 40 jaar

26 februari. H.J.B. du Pon te Werkhoven, afwe-
zig, 25 jaar

1 maart, J. Hagendijk te Blokzijl, aanwezig. 30
jaar

1 maart, W. van Sijpveld te Kesteren, afwezig.
45 jaar

I maart. J. Wijsmuller te Rosmalen, afwezig, 45
jaar

3 maart, W.J.J. van den Berg te Ens, afwezig, 30
jaar

5 maart. Dr. M.F. de Jong te Dalfsen, afwezig,
30jaar

5 maart, B.H.J. Vulink te Nijverdal, afwezig, 25
jaar

5 maart, D.J. Megchelenbrink te Brummen, af-
wezig. 25 jaar

5 maart, A.J.A. Lobstein te Uitwellingerga, af-
wezig, 25 jaar

8 maart, P.J. Mangnus te Steenbergen, afwezig,
40jaar

8 maart, M. van den Berg te Ommen, afwezig,
40jaar

II maart, M.P. Kwakemaak te Dokkum, afwe-
zig, 35 jaar

23 maart, D.J.A. de Groot te Markelo, afwezig,
40jaar

23 maart, E.A. van Daalen te Laren (NH) afwe-
zig 45 jaar

26 maart, A. Th. M. Wilderbeek te Wiesbaden

(Duitsland), afwezig, 25 jaar

26 maart, R.J.M. Scheifes te Lemerlerveld, aan-
wezig, 25 jaar

26 maart. Mevr. Drs. C.H. Smit te Almere, onbe-
kend, 25 jaar

27 maart, J.M. Schreurs te Margaten, afwezig,
45 jaar

27 maart. K.G. van Dijk te Zandvoort, afwezig,
45 jaar

30 maart, Dr. W.T. Truijen te Boxtel, afwezig,
45 jaar

Voor het dierenartsenexamen van 30 novem-
ber 2000 zijn geslaagd:

Burgt. M.P. van de
Moors, Mevr. I.M.M.

Voor het dierenartsenexamen van 29 decem-
ber 2000 zijn geslaagd:

Bahimann, F.
Bennebroek, Mevr. C.J.
Brinkhof, L.H.F.
Dekker, C.N.T.
Griend, B. van de
Kaemingk, Mevr. J.G.
Polman. G.J.
Sevens, Mevr. S.M.J.
Steffensen, Mevr. M.A.
Veling, W.M.T.
Verhoeven, Mevr. J.M.E.
Webers, Mevr. B.M.
Westerbeek, F.R.

Mutaties:

Achten-van Dijk, Mevr. L.C.M.L.; 1996;
5473 NC Heeswijk-Dinther; Poststraatl; tel.
privé: 0413-367365; fax privé: 0413-367365;
E-
mall privé: k l.achten(fl l2move.nl;
p., medew.
bij G.L. Bronsvoort, W.A. Buijsse, W.G. van den
Ekker, C.A.M, Gielen, H.J.M. Kraneburg,
J.P.E.M. Langens, A.J.M. van Nistelrooij, H.
Oosterveen, R.M. Sneepers, N.A.J. Vreeburg en
M.H.J.J. Westerhof;
tel. prakt.: 0412-676067;
fax prakt.: 0412-656767; E-mail prakt.: dco-
verlaetfa talkline.nl.

Algra-Verkerk, Mevr. L.A.; Gent- 1988;
7339 AA Ugchelen; Richtersweg 41; tel.
privé: 055-5336618;
E-mail privé: algrala(ghet-
net.nl;
kringvakspeclalst pluimvee, vlees en
wild; k.d. R.V.V. kring Oost; tel. bur.: 026-
3528900; E-mail bur.: l.a.algra(fl;rvv.agro.nl.

*Bahlmann, F.; 2000; 9753 GH Haren
(Gr.); Ridderspoorweg 25; tel. Privé: 050-
5349157; wnd.d.

Benders. M.M.J.L.; 1970; D-52538 SELF-
KANT-TÜDDERN; Andreasstrasse 14; tel.
privé: 00-49-2456-504813; E-mail privé: m.el-
feIf@t-online.de;
r.d.

»Bennebroek, Mevr. C.J.; 2000; 3522
RD Utrecht; Volkerakstraat 46; tel. privé:
030-2880527: wnd.d.

»Bieleveld, Mevr. M.I.; 2000; 5616 TD

U HEEFT
AL JAREN
GELIJK

Incontinentie
Astma bronchiale

Bewezen effectief bij de behandeling
van incontinente honden m/v.

ACE Veterinary Products BV - Postbus 1262 - 3890 BB Zeewolde

-ocr page 156-

Eindhoven; Hagenkampweg Noord 81; tel.
privé: 040-2430462; E-mail privé:
mbieieveld(a hotmail.com; wnd.d.

Boer. H.J.; 2000; 7701 TD Dedemsvaart;
van Anrooystraat 9; tel. privé: 0523-620808; E-
mail privé: erikboer@hotmail.com: p., medew.
bij G. Kempe en B.S. Wichers; tel. prakt.: 0523-
612662 (toev.
als lid).

Boswinkel. M.; 2000; 3572 RV Utrecht;
Goedestraat 48; tel. privé: 030-2718080; E-mail
■privé: mboswinkel(i^hotraail.com; p.., medew.
bij J.P.J. van leriand, H.M.M. Luijerink, A.
Maas, J.J.G.M. Oomen, M.E.W.M. Pellenaars
en C.J.C. Vincenten; tel. prakt.: 076-5722999
(toev. als lid).

Boxel, E.D.H.M. van; 3513 CT Utrecht;
Kruisweg 24 bis A; tel. privé: 030-2321481; E-
mail privé: eboxel(ghotmail.com; p., medew. bij
R.G.A. Bos; tel. prakt.: 053-4345777
(toev. als
lid).

Brand, Mevr. J.M.A. van den; 2000; 3523
TZ Utrecht; W.A. Vultostraat 118; tel. privé:
030-2319953; E-mail privé: jvdbrand^hot-
mail.com
(toev. als lid).

Brande-van der Bom, Mevr. H.J. van den;
1988; 7483 AH Haaksbergen; Dauwnetel 5; tel.
privé: 053-5729384; E-mail privé:
v.d.brande
(ó wxs.nl;
p., geass. met: H.J.G. Baltink en F.D.
Groot Nibbelink; tel. prakt.: 053-5721500; fax
prakt.: 053-5722109; E-mail prakt.: dap.has-
sinkbrink(a!planet.nl.

Bresser. Mevr. D.R.; 1999; 2992 HP
Barcndrecht; Cuypersdreef 4; tel. privé: 0180-
627669; p., medew. bij J.FJ. van den Broek, R.
Cassenaar, A.W. Kramer, L.M.M. Oorsprong en
K. van der Weide; tel. prakt.: 010-4191491
(toev. als lid).

«Brinkhof, L.H.F.; 2000; 3523 LE
Utrecht; Briljantlaan 20; tel. privé: 030-
2519945; wnd.d.

Burgers, E.; 1978; 6372 AP Landgraaf;
Stenenbrug 2; tel. privé: 045-5319894; fax
privé: 045-5321180; p.. DAP Strijthagen; tel.
prakt.: 045-5315292; fax prakt.: 045-5321180;
E-mail prakt.: strijthagcnfa hetnet.nl.

*Burgt, M.F. van der; 2000; 5427 SH
Bockel; De Sparren 58; tel. privé: 0492-
322555; wnd.d.

*Dekker, C.N.T.; 2000; 3706 GN Zeist;
Laan van Vollenhove 1949; tel. privé: 030-
6364195; wnd.d.

Elsinghorst, Mevr. A.; 1998; zie: Wessels-
Elsinghorst; Mevr. A.

Embden, J.F. van; 1985; 7482 GR Haak.s-
bergcn; de Nolle 49; tel. privé: 053-5728532;
dir. FlexVct uitzend- en detacheringsbureau
voor dierenartsen en paraveterinairen; tel.
bur.: 053-5725548; fax bur.: 053-5721315; E-
mail bur.: embden(a flexvet.nl.

•Feddes, J.G.; 1973; 5491 TA St.
Oedenrode; Schijndelseweg 75;
tel. privé:
0413-490497; p., tel. prakt.: 0413-474653; fax
prakt.: 0413-476021.

Fennema, G.: 1970; 8465 PK Oudehaske;
Jousterweg 66A; tel. privé: 0513-677979;
E-
mail privé: gerritfennema@zonnet.nl; r.d.

Fonad, Mevr. K.E.; 1996; 8911 DZ
Leeuwarden; Grote Kerkstraat 21 a; tel.
privé: 058-2129597; vestigingsman. Essay-
opleidingen, vestiging N-Nederland; tel. bur.:
010-4660045.

Gastel, Mevr. A. van; 2000; 5691 Se Son;
Jasmijnstraat 8; tel. privé: 0499-461582; wnd.d.
(toev. als lid).

Geeratz; Mevr. D.C.M.; 1999; 3901 TP
Veenendaal; Schrijverspark 124 III;
tel. privé:
0318-505093; techn. service manager
Varkens bij Pfizer Animal Health b.v.; tel.

bur.: 010-4064204/ 06-51090043; fax bur.:
010-4064293; E-mail bur.: daphne.gee-
ratz@pfizer.com.

»Griend, B. van dc; 2000; 3581 AB
Utrecht; Nachtegaalstraat 15 bis; tel. privé:
030-2341749; wnd.d.

Griendt. H. van der; 1984; 3481 DR
Harmeien; Ijsvogel 12; tel. privé: 0348-
446583;
p., geass. met R.L. Been, R.A.M.
Montessori, R. Sorgedrager en G.C.J. Wegman;
tel. prakt.: 0348-442653; fax prakt.: 0348-
444770; E-mail prakt.: dierenarts@tref nl.

Grimme; N.W.F.A.; 1971; 5688 KC
Oirschot; Spoordonkseweg 97a; tel. privé: 0499-
573638;
E-mail privé: grivet@agroweb.nl;
r.d.

Hagen, G.A.; 1999; 7701 KJ Dedems-
vaart; Lepelaarweg 62; tel. privé: 0523-
620234; E-mail privé: gavanhagen@hotmail.
com; p., medew. bij K.P. Rooda en G.J.
Streefland; tel. prakt.: 0523-683333.

Heijden, B.S. van der; 1998; 7873 BP
Odoorn; Torenweg 1; tel. privé: 0591-
514956; E-mail privé: bobvanderheijden@
yahoo.com; p.,
medew. bij H.J.E. de Boer, R.K.
de Boer, G.J. Bouwhuis, H.J. Haverkate, A.R.
van Ittersum, F.W. Oostra, H.B.A. Scholten en J.

Maliesingel 54
5581 BJ Utrecht
Tel. (050) 244 87 74
Fax (050) 241 66 53
E-niail: info@dixenco.nl
wwvv.dixeiico.nl

van der Zee; tel. prakt.: 0591 -513151; fax prakt.:
0591-512889; E-mail prakt.: dap.oost-
drenthe@inter.nl.net.

Herweijer, Mevr. P.E.M.; 1991; 9608 PN
VVesterbroek; Engelberterweg 124; tel. privé:
050-4041208; fax privé: 050-4041208; E-mail
privé: pemher«eijer(& freeler.nl; p., medew.
bij F.P.M. Admiraal, J.H.J. Admiraal-Kok,
P.M. Holstvoogd, P.W. Pastoor,
C.H. van
Wees, .A.M. Weitenberg, D. van der Wel en
A
.C.C. Westerhout; tel. prakt.: 0900-
2025457; fax prakt.: 050-3021551; E-mail
prakt.: info® vanstadtotwad.

Heuver, Mevr. C.M.J.M.; 1999; 3417 PD
Montfoort; Achthoven Oost
2; tel. privé: 0348-
467601;
E-mail privé: claudiaheuver@hot-
mail.com;
p., medw. bij R.L. Been, H. van der
Griendt, R.A.M. Montessori, R. Sorgedrager en
G.C.J. Wegman;
tel. prakt.: 0348-442653; fax
prakt.: 0348-44470; E-mail prakt.:
dieren-
arts@trefnl.

Hoogland, E.M.; 2000; 9781 AK Bedum;
Noordwalderweg 86F; tel. privé: 050-3015416;
E-mail privé; erwinhoogland@planet.nl; p., me-
dew. bij T.H.J. Admiraal, F.P.M. Admiraal,
P.M. Holstvoogd, P.W. Pastoor, C.H, van Wees,
A.M. Weitenberg, D. van der Wel en A.C.C.

Goed geregeld!

Voor financieel advies bij:

• Praktijkoverdracht

• Assistentie

• Associatie

• Praktijkfinanciering

• Pensioenen

• Woningfinanciering

• Verzekeringen

Dix €o

-ocr page 157-

Westerhout; tel. prakt.: 050-3021662; E-tnail
prakt.: info@vanstadtotwad.nl
(toev. als lid).

Janssen. A.B.M.; 2000; 3583 JT Utrecht;
J.W. Frisostraat 20: tel. privé: 030-2513331: E-
mail privé: abmjanssen(^hetnet.nl: wnd.d.

*Kaemingk, Mevr. J.G.; 2000; 3721 WE
Bilthoven; Waterman 43; tel. privé: 030-
2254203; wnd.d.

Kahlmann. F.R.; 1997; 1243 KH \'s-
Graveland; Zuidereinde 13; tel. privé: 035-
6564181; E-mail privé: frank.suzan{&:zon-
net.nl; p., medew. bij C.W.A. van Helbergen;
tel. prakt.: 035-6922013; fax prakt.: 6421840;
E-mail privé: dapbus^ bart.nl.

Karsemeijer, Mevr. M.A.; 2000; 3582 CT
Utrecht: Krommerijn 63; tel. privé: 030-
2513688; E-mail privé: mirandakarsemeijer@
hotmail.com: wnd.d.

Kral. Mevr. E.C.G.M.; 1993: 3583 RV
Utrecht: Vossegatselaan 66: tel. privé: 030-
2512860;
p., medew. bij Dr. J-Y. Guray; tel.
prakt.: 00-49-282493344; fax prakt.: 00-40-
282493345.

Kuypers, C.; 1974; 7313 CW Apeldoorn;
Jachtlaan 133; tel. privé: 055-3564152;
r.d.

Lodders, J.H.; 2000; 8194 LR Veessen;
Rottenbroekseweg I; tel. privé: 0578-631301;
prod, manager Nutreco N.V.; tel. bur.: 0547-
284868: E-mail bur.: rik.lodders@nutreco.com
(toev. als lid).

Mandigers, P.J.J.; 1992; 3581 SV Utrecht;
Wolter Heukclslaan 65a; tel.
privé: 030-
2672293:
werkzaam bij Vet. Specialisten
Centrum De Wagenrenk; tel. prakt.: 0317-
419120; fax prakt.: 0317-420480; E-mail prakt.:
wagenrenk@worldmail.nl; wet. medew. U.U.,
F.D.. HA Geneeskunde van Gezelschapsdieren;
tel. bur.: 030-2535843; fax bur.: 030-2518126;
E-inail bur.: pjj.mandigers@vet.uu.nl; dipl.
ECVN.

*Moors, Mevr. 1.M..M.; 2000; 3523 X\\\'
Utrecht; Oud Wulvenlaan 53; tel. privé: 030-
2871255

Pennckamp. B.W.; 1975; 9635 AT
Noordbroek; Hoofdstraat 77; tel. privé: 0598-
450283; E-mail privé: bartf« pennekamp.tm
fweb.nl; p.. geass. met A.,I. Steenbergen-van
der Bilt; tel. prakt.: 050-5263255; fax prakt.:
050-5268156.

Pereboom, W.D.; 1970; 1444 HR
Purmerend; Lepelaarpark 11; tel. privé: 0299-
420983:
r.d.

Pijpers, Mevr. J.J.J.; 2000: 3262 BN Oud-
Beijerland; Zinkweg 238; tel. privé: 06-
25214640; p., medew. bij A. Fennema en
M.M. Ravenshorst; tel. prakt.: 0186-612066;
fax prakt.: 0186-612258; E-mail prakt.: dap-
$troo(â \\$4all.nl (toev. als lid).

*Polman, G.J.; 2000; 3731 TK De Bilt;
B. van Heemstrakwartier 52; tel. privé: 030-
2211822; «nd.d.

Roozeboom. A.N.; 2000; 3514 GB
Utrecht; Willem van Noortstraat 57; tel. privé:
030-2719002; E-mail privé: anroozeboom@hot
mail.com; wnd.d.
(toev. als lid).

Schevers. V.G.; 1995; 7850 TB Benne-
veld; Bennevelderstraat 4; tel. privé: 0591-
372479; E-mail privé:
victorhellen @hetnet.nl;
p., geass. met G. Hegen; tel. prakt.; 0591-
361368; fax prakt.: 0591-361671; E-mail prakt.:
dap. zuidenveld@worldonline.nl.

»Sevens, Mevr. S.M.J.; 2000; 5981 AT
Fanningen; Raadhuisplein 16; tel. privé: 077-
3079303; wnd.d.

SomiTiers. M.G.; 1999; 6605 BE Wijchen;
Hoogmeer
1318; tel. privé: 024-6414276; E-
mail privé: mathieusommers@hotmail.com;
wet. medew. bij Centraal Dierenlabora-
torium Nijmegen; tel. bur.: 024-3613557; fax
bur.: 024-3616375; E-mail bur.: m.som-
mer$(a cdl.kun.nl.

*StelTensen, Mevr. M.A.; 2000; 7700
THISTED; Denemarken; Hovsorvej 30; wnd.d.

Sygall, R.A.; Gent- 2000; 5561 TV Riet-
hoven: Bosweg 2a; tel. privé: 06-53530805; E-
mail privé: richardsygall@hotmail.com; wnd.d.
(toev. als lid).

*Veling, W.M.T.; 2000; 4822 PD Breda;
Paradijslaan 11; tel. privé: 076-420906; wnd.d.

Verheul. A.J.; 1968; 6999 AW Hummelo;
Groeneweg 7A; tel. privé: 0314-382426: E-mail
privé: tverheul@tref nl; r.d.

»Verhoeven, Mevr. J.M.E.; 2000; 3561
KL Utrecht; Dorbeendreef 135; tel. privé:
030-2617424; wnd.d.

»Verkleij. Mevr. L.C.T.: 1995: 3402 HT
IJsselstein: Wegahof 29; tel. privé: 030-
6877379;
E-mail privé: verkleijhoICa talk-
line.nl; docent bij Essay Opleidingen Rotter-
dam; tel. bur.; 010-4660045.

*Vos, N.J.: 1999: 3611 AR Oud-Zuilen;
Slotlaan 5; tel. privé: 030-2435537; E-mail
privé: klaas_vos@hotmail.com; s.i.o.; me-
dew. bij U.U., F.D., H.A. Paard; tel. bur.: 030-
2531358.

Vreman, Mevr. S.; 2000; 3521 CG Utrecht:

Congressen & Symposia

Februari

15 Symposium \'Focussing on Veterinary
Development Programmes" (European
veterinarians without borders clarify their
projects). Organisatie: Stichting DIO
(Diergeneeskunde in Ontwikkelingssa-
menwerking). Faculteit der Diergenees-
kunde.Utrecht. Tijd: 19.00 uur. Voor meer
informatie: www.dio.nl.

15—17 Lustrum Groep Geneeskunde van het
Paard, congrescentrum \'Hart van Holland\'
in Nijkerk. Secretariaat: dr. Brigitte P.M.
Comelissen, Prieelvogelweg 28, 1349 CJ
Almere, tel.: 036-5309769, ABN-AMRO
Hattem 53.69.14699.

Maart

7-10 6\'\'^ Intemational Congress of the
European Committee of the Association of
Avian Veterinarians (EAAV) in collabora-
tion with the German Veterinary Society
(DVG) and in conjunction with the 4\'"
Intemational Scientific Meeting of the
European College of Avian Medicine and
Surgery (ECAMS). Munich, Germany.

9—10 XIV Tagung über Pferdekrankheiten
im Rahmen der Equitana, Essen (D). infor-
matie: www.tierklinik-hochmoor.de.

10 Seminar über Praxismanagement fur
Klein- und Großtierpraktiker im Rahmen
der Equitana. Essen (D), informatie:
www.tierklinik-hochmoor.de.

Croeselaan 144; tel. privé: 030-2991471; E-mail
privé: menno@van de-pieterman.myweb.nl; p..
medew. bij H.J.L. Kok; tel. prakt.: 023-5382818
(toev. als lid).

*Webers, Mevr. B.M.; 2000; nadere ge-
gevens onbekend.

Wessels-Elsinghorst, Mevr. A.; 1998;
6942 KW Didam:
Sperwerstraat 71: tel. privé:
0316-227267; E-mail privé: wess-els@planet.nl:
p., medew. bij F.H. Homstra; tel. prakt.: 026-
4421892.

*Westerbeek, F.R.; 2000; 3512 EB
Utrecht; Keizerstraat 216; tel. privé: 030-
2302516; wnd.d.

Wollenberg. Mevr. L. van den; 1995; 4124
KD Hagestein; Lekdijk 78; tel. privé: 0347-
352708; E-mail privé: lindawollenberg(a hot-
mail.com;
wet. medew. U.U., F.D. H.A.
Inwendige Ziekten en Voeding der Grote
Huisdieren; tel. bur.: 030-2531112; fax bur.:
030-2531256.

Woltman-van Asselt, Mevr. J.; 2000; 8608
CM Sneek: Piekezijlstraat 19; tel. privé: 0515-
417860:
fax privé: 020-8766987; E-mail privé:
dierenarts@mail.com: p.. medew. bij P.P.M.
Groenestein en L.C.PIooijer; tel. prakt.: 0515-
412427; fax prakt.: 0515-421867; E-mail prakt.:
woltman@dewaterpoort.nl.

28—30 Congres Society for Veterinary
Epidemiology and Preventive Medicine
(SVEPM), Golden Tulip Conference Hotel
de Leeuwenhorst, Noordwijkerhout. Nadere
informatie is tc krijgen op de website van de
SVEPM: www.vie.gla.ac.uk/ svepm of bij
het algemene contactadres voor het congres:
Dr. Lisette Graat, Departement Dierweten-
schappen. Kwantitatieve Veterinaire Epide-
miologie, Postbus 338, 6700 AH Wage-
ningen, e-mail: Lisette.Graat@GenR.VH.
WAU.NL of bij ondergetekende: E.G.M.
van.Klink@ECLNV.AGRO.NL.

29—30 PHLO-cursus Rundveevoeding te
Wageningen. Kosten: ƒ 1525,-. Inschrijf-
termijn eindigt op 2 maart 2001. Nadere in-
lichtingen: Bureau PHLO. Postbus 8130.
6700 EW Wageningen, tel.: 0317-484093/
484092. fax: 0317-426547, e-mail: info@
secr.phlo.wau.nl, website: www.wau.nl/
phio.

April

20—22 Voorjaarsdagencongres, RAI, Am-
sterdam. Secretariaat: Postbus 80.125,
3508 TC Utrecht, tel.: 030-2532728, fax:
030-2535851, e-mail: vjd@fbu.uu.nl,
website: www.voorjaarsdagen.org.

Mei

19 Feline Symposium. Organisatie: Stichting
Symposium Feline Geneeskunde, Yaielaan
1. 3584 CL Utrecht, e-mail: felinesympo-
sium@hotmail.com.

23—26 Intemational Symposium on

Diseases of Zoo and Wild Animals.
Rotterdam. Topics: 1) Diseases of marine
animals, 2) Diseases of Asian animals, 3)
Immunoprophylaxis. Congrescentrum
Engels, Stationsplein 45, Rotterdam. E-
mail: W.Schaftenaar@rotterdamzoo.nl.
website: www.IZW-Berlin.de.

-ocr page 158-

r

Plots krijg je alle ruimte...

Een zuurstofrijke omgeving.

De ruimte om te groeien en innovatief te zijn.

In de afdeling Janssen Animal Health (JAH) is er momenteel een vacature voor een:

Internationaal Technisch Servicemanager -
Pluimveeproducten
 (M/V)

Ret. 2000/itsp/nl

Uw functie: • De voornaamste taak in deze functie is het geven van tech-
nische ondersteuning in het veld en specifieke begeleiding met betrekking tot
productontwikkelingsprogramma\'s voor het totale assortiment pluimvee-
producten. • De sollicitant die wordt aangenomen, krijgt de verantwoordelijk-
heid voor het organiseren van postmarketingstudies. • Daarnaast wordt deze
manager betrokken bij opleidingsprogramma\'s voor het verkoopapparaat en
krijgt hij/zij het verzoek om wetenschappelijke voordrachten op internationale
symposia te houden ter ondersteuning van het bestaande assortiment.

Uw profiel: • Sollicitanten moeten in het bezit zijn van een universitaire graad
in de diergeneeskunde en speciale belangstelling voor en ervaring met de
pluimveesector hebben. Relevante technische ervaring in een vergelijkbare
functie en ervaring met coccidiosebestrijding worden als pluspunten be-
schouwd. • De sollicitant die wordt aangenomen, komt te werken in een inter-
nationale omgeving, waarvoor uitstekende intermenselijke en organisatorische
vaardigheden vereist zijn. • Het is ook noodzakelijk dat hij/zij vloeiend Engels
spreekt.

Lokatie: Beerse (bij Antwerpen)
Land: België

Salaris en vergoedingen: evenredig aan het sterk internationale karakter van
de functie

Reizen: ongeveer 40% van de tijd wereldwijd

De ontwikkeling, de productie en
de verkoop van diergeneesmiddelen
vormen het activiteitenpakket van
Janssen Animal Health
b.v.b.a.

Janssen Animal Health Is grotendeels
een zelfstandig bedrijf, maar doet
voor een aantal ondersteunende
processen en diensten ook nog een
beroep op Janssen Pharmaceutlca.
Belde zijn ook op hetzelfde bedrijfs-
terrein gevestigd in
Beerse, België (bij Turnhout).

Janssen Animal Health houdt zich
vooral bezig met diergeneesmiddelen
die actief zijn tegen wormen,
coccidiose en schimmels, zowel bij
gezelschaps- als nutsdieren.

De voorbije decennia heeft deze
afdeling, die Inmiddels is uitgegroeid
tot een volwaardig bedrijf,
haar reputatie als uitvinder
en verdeler van innovatieve dier-
geneesmiddelen gevestigd en
almaar verstevigd. De actieve stoffen
in de Janssen-diergeneesmiddelen
komen voor het grootste deel uit
de eigen researchlaboratorla.

Om de verschillende activiteiten van
deze diergeneeskundige firma te
helpen uitbouwen, zijn er creatieve
en en/aren mensen nodig.

Voelt u zich aangesproken
door deze vacature?

Aarzel dan niet om uw curriculum vitae door te
sturen naar Kristine Deckx, Turnhoutseweg 30,
B-2340 Beerse, België of u kunt ook e-mailen
naar kdeckx@janbe.jnj.com of via onze vi/ebsite
www.janssenpharmaceutlca.be/jobs.

JANSSEN

ANIMAL HEALTH

f research T productie T marketing

company

diensten

samenwerken aan gezondheid

-ocr page 159-

Dierenartsenpraktijk Oude Tonge is een gemengde drie-
manspraktijk. Wij zoeken op korte termijn een

enthousiaste collega m/v

ACEDERM®

DIARACE®

ENURACE®

O.R.-ACE®

PALFACE®

UIERCREME-ACE®

Wij bieden een fulltime baan.

Bij gebleken geschiktheid mogelijkheid tot associatie.
Nadere inlichtingen te verkrijgen bij P. Schilder, telefoon
0187-642441.

Schriftelijke sollicitaties voorzien van cv binnen 14 dagen te
richten aan; Dierenartsenpraktijk Oude Tonge, Langeweg 6,
3255 Lj Oude Tonge.

Dierenartsenpraktijk Tusken Diken te Drogeham (Fr.)
vraagt in verband met het vertrek van een collega een

derde dierenarts m/v

Hij/zij heeft, naast de differentiatie gezelschapsdieren, in-
teresse voor landbouwhuisdieren en is bereid om in de
avond- en weekenddienstregeling van onze (gemengde)
tweemanspraktijk mee te draaien. Salaris en arbeidsvoor-
waarden volgens de KNMvD-normen.

Schriftelijke reacties met cv binnen tien dagen richten aan:
DAP Tusken Diken, Lytsewei 30a, 9289 LB Drogeham

Dierenkliniek Maaspoort is gevestigd in een ruim modern
praktijkpand, waar twee dierenartsen en vier assistentes
werken. Wij zijn op zoek naar een

derde dierenarts (m/v)

met de volgende eigenschappen:

• neemt initiatieven, in staat om deelgebieden uit te diepen

• goede sociale vaardigheden

• gevoel voor automatiseringsprocessen

• gezond commercieel inzicht

• bereid in Den Bosch te wonen

• bereid deel te nemen in avond/weekenddiensten

• minimaal één jaar ervaring in gezelschapsdierenpraktijk

Wij bieden:

• uitstekende werkomgeving, met goede mogelijkheden
tot aanvullende investeringen

• salariëring volgens normen KNMvD

• na gebleken geschiktheid goede toekomstperspectieven

Schriftelijke sollicitaties met cv gaarne binnen 14 dagen na ver-
schijnen van deze advertentie naar: Dierenkliniek Maaspoort,
ter attentie van J.M.J. Engel, Belgeren i, 5235 AM Den Bosch.

ACE Veterinary Products BV

is een ontwikkelingsgerichte fabrikant van dierge-
neesmiddelen, die sinds januari 2001 zelfstandig ope-
reert op de Nederlandse markt. Wij zijn op zoek naar

1500 DIERENARTSEN MA^

die willen reageren op deze advertentie.

Uit alle reflectanten kiezen wij er uiteindelijk één, die
als

MARKETING MANAGER

bij ons bedrijf komt werken.

Hij/zij draagt zorg voor:

• Vormgeving van het marketingbeleid

• Het marketingplan en de voortgangsbewaking

• Binnen het marketingplan een marktgericht en in-
ventief promotiebeleid

• Actieve bijdrage aan productontwikkeling

• Gericht werken aan marktontwikkeling

Functievereisten:

• Praktijkervaring als dierenarts

• Een relevante marketingopleiding, of de bereid-
heid om deze te volgen

• Goede spreek-, lees- en schrijfvaardigheid Neder-
lands en Engels

• Goede samenwerking met de andere teamleden

Wij bieden:

• Een salaris in overeenstemming met de functie en
opleiding

• Een stimulerende werksfeer

• Een enthousiast en kundig team van apothekers,
dierenartsen en HBO-ers

Indiensttreding/Arbeidsvoorwaarden:

• Indiensttreding per direct

• De eerste arbeidsovereenkomst zal voor bepaalde
tijd zijn; bij wederzijds bevallen zal deze worden
omgezet naar een overeenkomst voor onbepaalde
tijd

Voor nadere informatie over deze functie kunt u con-
tact opnemen met de heer C.K.W. van Veldhuizen,
telefoonnummer 036 - 5227201.

Uw schriftelijke sollicitatie kunt u binnen uiterlijk
twee weken na verschijnen van deze advertentie
richten aan:

ACE Veterinary Products BV
de heer C.K.W. van Veldhuizen
Postbus 1262
3890 BB Zeewolde.
website: www.ace-pharm.nl

-ocr page 160-

Veterinair deskundige

die doortastend en

• *i* I* r***! *

initiatiefrijk is

Elke regionale dienst van de Keuringsdienst van
Waren heeft de beschikking over een afdeling
Beheer en Ondersteuning, een afdeling Signalering
en een afdeling Handhaving. De afdeling Hand-
having bestaat uit een administratieve afdeUng,
laboratoria en diverse buitendienstteams.
Eén van de buitendienstteams is het veterinair-
technologisch team, dat zich onder meer bezig-
houdt met het toezicht op de naleving van de
wetgeving op levensmiddelentechnologie- en
veterinair gebied.

Voor het veterinair-technologisch team van de
Regio Zuid (Noord-Brabant en Limburg) zijn wij
op zoek naai een
veterinair deskundige m/v
voor 36 uur per week.

Bewaking volksgezondheid

Binnen het veterinair-technologisch team bent
u betrokken bij de veterinaire aandachts-
gebieden. U bent vooral mede verant-
woordelijk voor toezicht en controle
op naleving van de wetten op het
gebied van vlees en vleesproducten,
vis en visproducten, ei(producten)
en zuivel. Daarnaast wordt van u
kennis en inbreng verwacht op de
terreinen destructie, zoönosen,
dierproeven, diergeneesmiddelen,
veterinaire milieuhygiëne en diervoeder.
U treedt op als bedrijfsbeheerder voor een aantal
bedrijven waarop toezicht plaatsvindt. De focus
van uw werkzaamheden ligt op de bewaking van
de volksgezondheid vanuit veterinair perspectief.

Bagage

U beschikt over een academisch werk- en denk-
niveau op veterinair gebied. Binnen dit gebied
hebt u aantoonbare belangstelling voor de wet-
telijke aspecten én de relatie tot de volks-
gezondheid. Een opleiding tot Buitengewoon
Opsporingsambtenaar (BOA) en Artikel
14-bevoegdheid in het kader van de Wet op
Dierproeven (\'proefdierdeskundige\') zijn een pre.
U werkt net zo lief zelfstandig als in teamver-
band. Het spreekt voor zich dat u beschikt over
goede mondelinge en schriftelijke communicatieve
en sociale vaardigheden. Een psychologisch
onderzoek kan deel uitmaken van de selectie-
procedure.

Ons aanbod

Bij een volledige werkweek bedraagt uw salaris
maximaal ƒ 9.236,- bruto per maand (schaal 12
BBRA 1984). Inschaling is afhankelijk van kennis
en ervaring. Het vakantiegeld bedraagt 8% van
het jaarsalaris. Als veterinair deskundige hebt u
een buitendienstfunctie. U kunt hierdoor gebruik-
maken van de autoregeling buitendienst Keurings-
dienst van Waren. Daarnaast kent de overheid
een goede ziektekostenregeling, een
regeling voor kinderopvang en u
kunt gebruikmaken van diverse
voorzieningen zoals ouder-
schapsverlof.

Standplaats

Uw standplaats wordt Eindhoven. Tijdelijke vesti-
ging tot medio 2002 \'s-Hertogenbosch.

Nog vragen?

Voor meer informatie kunt u contact opnemen
met de teamleider VT, de heer drs. J.M.J. Sturm,
dierenarts, telefoon 040 - 291 15 00. Een functie-
beschrijving wordt op verzoek toegezonden.

Reactie

Uw sollicitatiebrief stuurt u binnen 14 dagen na
plaatsingsdatum, onder vermelding van het vaca-
turenummer Z 00/10 op brief en enveloppe, aan
de Keuringsdienst van Waren Zuid, t.a.v. mevrouw
A.J.M. Peek, Personeels- en Organisatie-adviseur,
Postbus 2280, 5202 CG \'s-Hertogenbosch.

Werken bij de Keuringsdienst
van Waren betekent op een
directe manier bezig zijn met
de volksgezondheid. Niet vanaf
de zijlijn, maar met de neus
boven op de ontwikkelingen in
de gehele productieketen van
levensmiddelen en consu-
mentenartikelen.
De Keuringsdienst van Waren
(voorheen Inspectie W&V) is
ontstaan uit een fusie tussen
de Inspectie Gezondheidsbescher-
ming/Keuringsdienst van Waren
en de Veterinaire Inspectie.
Deze organisatie is met ruim
900 medewerkers een onderdeel
van het ministerie van VWS.
De Keuringsdienst van Waren
controleert de naleving van
relevante wettelijke voor-
schriften, onderzoekt gezond-
heidsbedreigende situaties en
consumentenklachten en
adviseert beleidsinstanties.
Naast de Algemene Directie in
Den Haag omvat de Keurings-
dienst van Waren 5 Regionale
Diensten: Noord, Oost, Zuid,
Noord-West en Zuid-West.
Elk van deze diensten heeft een
basis takenpakket en doet
daarnaast dienst als landelijk
kenniscentrum op een speciaal
aandachtsgebied. Bovendien
beschikt iedere dienst over een
eigen laboratorium.

De overheid wil meer vrouwen
in dienst nemen. Ook mensen
met een handicap en leden van
etnische minderheidsgroepe-
ringen worden uitdrukkelijk
uitgenodigd te solliciteren.

-ocr page 161-

EUKANUBA •: VETERINARY DIETS

Even betrokken bij het welzijn van dieren als u.

Je ziet aan zyn vacht dat hy lekker in zyn vel zit.

Ontstekingen worden niet alleen veroorzaakt door het overgevoelig zijn voor bepaalde voedingsstoffen,
maar ook door vlooienbeten, atople en andere niet aan voedsel gerelateerde overgevoeligheden. Om de
behandeling van huidaandoeningen en/of jeuk als gevolg van één van de eerder genoemde oorzaken te ondersteunen,
kunt u Eukanuba Dermatosis FP Response Formula gebruiken, Eukanuba Dermatosis FP Response Formula bevat eiwitten
en koolhydraten afkomstig van meerval en haring om de kans op voedseilntolerantie bij honden te verminderen.
Tegelijkertijd vermindert een optimale 0mega-6:0mega-3 vetzuurverboudlng de kans op ontstekingen.
Hierdoor v^ordt de huid- en vachtconditie zichtbaar verbeterd. In feite zorgt Eukanuba Veterinary
Diets Dermatosis FP Response Formula voor het hele dier. Net als u.

Voor technische informatie over Eukanuba Veterinary Diets kunt u contact opnemen met de importeur Holland Diervoeders BV (030-2479664).

Als u een besteMlrig\\wilt lUaatsen, kunt u bellen met Aesculaap BV (0411-677500).

-ocr page 162-

U KIEST TOCH NIET ZOMAAR EEN PRODUCT?

Wat is FreeFarm?

De FreeFarm productlijn van Eurovet
is een uitgebreid assortiment dier-
geneesmiddelen met de kanalisatie-
status VRIJ. Om deze producten
onder de aandaclit te brengen bij uw
afnemer heeft Eurovet een brochure
ontworpen met daarin een overzicht
van de FreeFarm producten, geschikt
voor diverse landbouwhuisdieren.
Deze kunt u aanvragen bij Eurovet
en afgeven bij uw afnemer.
De FreeFarm productlijn staat voor
kwaliteit en past binnen elke schakel
van kwaliteitsketens als 1KB en KKM.

Enkele producten uit de FreeFarm productlijn:

Voor rund: Eurolectrol electrolytennilx, Glijmiddel
en Glijgel voor geboortehulp en k.i.
Propyleenglycol, voor de behandeling van slepende
melkziekte,
Levasole pour-on voor worminfecties en
CaMg oraal en infuus voor melkziekte en kopzlekte.

Voor varken: Flutelmium wormmiddel, Prevan 200
en Prevan 200 B12 ijzerinjectie voor biggen.
Levamisole 10% voor worminfecties en Udect pour-
on,
voor schurftbestrijding.

Voor pluimvee: vit.iminen en mineralen preparaten
zoals
Farvisol en Robosol-P.

Voor paarden: Anthel-P en voor schapen: Veteol

voor worminfecties.

De FreeFarm productlijn van de dierenarts:

• ruime keuze voor alle landbouwhuisdieren

• uitstekende kwaliteit

• geproduceerd met CMP certificaat

• bij uitstek geschikt voor kwnliteitsketens
als IKB en KKM

• distributie uitsluitend via het dierenartsenkanaal

• vertrouwde Eurovet fjroducten

• uitstekende prijs / kwaliteit verhouding

Nederland

Voor nadere informatie raadpl<jeg Eurovet

KIES NIET ZOMAAR EEN PRODUCT,
KIES FREEFARM

-ocr page 163-

1 maart
2001

deel
126

aflevering

5

issn 0040-7453

Tijdschri f
Diergeneeskund

Wetenschap

Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren
Rol dierenarts in opsporingsonderzoek

Actua

W.K. Hirschfeldstichting wordt Afdeling
Gezondheid, Gedrag en Welzijn

Onderzoek en behandeling maagulcera paard

Ingezonden

Discussie Onderwijsfoetotomie en
Immunosterilisatie

2000 Hoogtepunten
\'Nu stoppen we er echt mee\'

KNMvD

Elly Cuhfus manager interne zaken KNMvD

KNMvD

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor
Diergeneeskunde

-ocr page 164-

o

o

/

/W

\' Het hele jaar door geen vlooien?
Start nü met PROGRAM® Injectie voor katten

Vlooieneitjes en -larven houden van warmte. Nu de
verwarming in de huizen aanstaat, kunnen ze prima
overwinteren. De kans op een vlooienplaag bij katten
blijft hierdoor bestaan.

Daarom is het nu een uitstekend moment om met
PROGRAM Injectie te starten. Voorkomen is altijd
beter dan bestrijden op het moment dat er vlooien zijn.

PROGRAM Injectie voor katten doodt met één dos
alle eitjes voordat ze de kans krijgen om uit te kome
U dient de injectie toe.

Eén injectie is voldoende voor zes maande
bescherming. Een eenvoudige, snelle methode m
een duurzame werking, die makkelijk is voor katte
én hun eigenaren.

PRC^GRAM Maakt vlooien het leven onmogelijk.

PR()C;RAM\' 40 mg (lufenuron), Rcg. NL 9489- UDA/PROCJRAM 80 mg (lufenuron), Reg. Nl. 9498- UDA. Indicatie: suspensie voor injectie voor her bestrijden van vlooien. Doeldier: kar. Dosering: 10
lufenuron per kg lichaamsgewicht bij subcutane toediening. Contra-indicaties: niet bij honden gebruiken. Het excipients Polyvinylpyrrolidone (Povidon) is een substantie die bij honden een krachtige vrijg
van histamine veroorzaakt. Dientengevolge kan een ernstige reactie optreden bij honden; deze reactie wordt niet bii katten waargenomen. Bijwerkingen: het product wordt door alle katten zeer goed verdra
maar kan pijn hij injectie veroorzaken. Het kan een voorbijgaande milde en niet pijnlijke reactie op de plaats van injectie vertonen. Ken enkele keer kan er

lethargie (sloomheid) optreden gedurende een paar uren na injectie. Dit verschijnsel verdwijnt echter spcx;dig. ® (jeregistrecrd handelsmerk van Novartis Ltd., vi

Bazel, Zwitserland. Verdere informatie zie bijsluiter of beschikbaar bij Novartis Consumer Health B.V, Animal Health Sector, Korte Hei 1 4714 RD Sprundel. www.novartis.com y ) NOVART

-ocr page 165-

TIJDSCHRIFT
VOOR

DIERGENEESKUNDE

129

Journal ofthe Royal Netherlands Veterinary Association
Deel 126 aflevering 5:1 maart 2001

Uit de Hoofdredactie

Overige artikelen

De Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren - de diergeneeslcundige verklaring als aanvulling
op het proces-verbaal en de rol van de dierenarts in het opsporingsonderzoek;
R. van (Vessum 130

Actua

Berichten en verslagen

W.K. Hirschfeldstichting wordt Afdeling Gezondheid, Gedrag en Welzijn 135

Orthomanipulatie bij dieren 135

Afscheid Slappendel: Bloed kruipt waar het niet gaan kan 136
Veulenbrigade Inwendige Ziekten Paard; M. Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan, M. de

BruijnenL. Verdegaal 136
Onderzoek en behandeling maagulcera paard; M. Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan en

L. van den Wallenberg 137

Wildlife hospital 137

Ingezonden

Is het uitvoeren van een onderwijsfoetotomie door een student te verantwoorden? G.C. van der
Weijden
 139

Vervolg di.scussie onderwijsfoetotomie; E. Loeb 140

Immunosterilisatie en integriteit; CJ.G. Wensing en./.A. Turkstra 141

Wetenschap

Congressen en Cursussen

Veterinair symposium \'Drachtig of Drama"
Veterinary Wound Healing Association
Marketing in de landbouwhuisdierenpraktijk
BSE: feiten en fictie

2000 Hoogtepunten

Nederlandse dierenartsen in de wereldpers; J. W.P.M. Akkermans
Naschrift Hoogtepunten 2000;/fJr C. Voeten

Veterinair Tuchtrecht

Geheimhouden of spreken? J. W.P.M. Akkermans

Streptococcen?

Suramox® 5% Premix

De effectiviteit van amoxicilline,
de zekerheid van een premix!

Alleen Suramox 5% Premix combineert de effectiviteit van (gecoate)
amoxicilline met de zekerheid van een premix. Maakt daardoor
een effectieve koppelbehandeling tegen
Streptococcus suis mogelijk.

142

143

143

144

146

147

Postbus 313, 3770 AH Bameveld
Telefoon (0342) 427 127 Fax (0342) 490 164

. yÊrbac

Virbac Nederland bv

-ocr page 166-

Hoofdredactie

Dr. W. Edel (voorzitter)

Dr. E.A. ter Laak (petiningmeester)

Drs. H.A. Beijer

Dr. M.F. de Jong

Dr. Tj. Joma

Dr. R. Kuiper

Dr. P.A.M. Overgaauw

Drs. J.T. Siebinga

Dr. R.J. Slappendel

Dr. J.H. Vos

Wetenschappelijke redactie

Prof. cir. A. Bameveld (Utrecht)

Dr. A.E.J.M. van den Bogaard Jr. (Maastricht)

Dr. F.H.M. Borgsteede (Lelystad)

Prof. dr. H.J. Breukink (Utrecht)

Prof dr. P. De Backer (GenL België)

Dr. J. Goudswaard (Middelburg)

Prof dr. L.J. Hellebrekers (Utrecht)

Dr. Th.S.G.A.M. van den Ingh (Utrecht)

Prof dr. A.Th. van \'t Klooster (Utrecht)

Prof dr. F. van Knapen (Utrecht)

Prof dr. A. de Kruif (Gent, België)

Dr. J.T. Lumeij (Utrecht)

Prof dr. A.S.J.P.A.M. van Miert (Utrecht)

Prof dr. J.P.T.M. Noordhuizen (Utrecht)

Prof dr. J.Th. van Oirschot (Lelystad)

Prof dr. J. de Schepper (Gent, België)

Dr. J.M.A. Snijders (Utrecht)

Dr. E. Teske (Utrecht)

Mw. dr. A.J. Venker-van Haagen (Utrecht)

Prof dr. J.H.M. Verheijden (Utrecht)

Dr. G. Voorhout (Utrecht)

Dr. Th. Wensing (Utrecht)

Bureauredactie

Mw. A.M. Tummers
Mw. S.H. Umans-Ubbink

Bureau

Julianalaan 8-10, Postbus 14031, 3508 SB Utrecht
Tel.030-25 10 11 I/fax 030-25 19 847.
E-mail: tijdschrifi(^knmvd.nl.

KNMvD

Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde,
Julianalaan 8-10, Utrecht

Postbus 14031,3508 SB Utrecht. Telefoon: 030 - 25 10 111. Fax 030-2511787

Secretariaat
Manager interne zaken
Stafmedewerkers

Administrateur

Vacaturebank

Webmaster

Hoofdbestuur

Drs. T. de Ruijter, voorzitter

Drs. S.R. Heslinga, vice-voorzitter

Drs. J. Borgmeier, lid

Mw, drs. E.N.M. Harwig-Dings, lid

Drs. G. Huijser van Reenen. penningmeester

Drs. J. Togtema, lid

Mw. drs. W.J. Wijne- Raemakers, lid

Dr. Tj. Joma, algemeen secretaris

Mw. E. Cuhfus

Mw.drs. S.A.M. Deleu

Mw. drs. M.C. van Oostrum-Schuurman Hess

Drs. J.L.M. Vaarten

H.S. de Vries

R.P. van Ringelestijn

Mw. drs. C.M. van Kalles

133
138
144

149

150

151

Vraag en antwoord

Studentenreferaten

Referaten

Boekbesprekingen

Nieuw(s) van de Industrie

PAOD

Abonnementsprijs

Het Tijdschrift voor Diergeneesttiwde is het vereni-
gingstijdschrift van de Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde.
De abonnementsprijs voor dierenartsen niet-leden van
de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor
Diergeneeskunde en voor niet-dierenartsen wordt vast-
gesteld door het Hoofdbestuur.

Postgiro/bank

Postbank 511606 ten name van dc KNMvD.
Julianalaan 8-10, Utrecht. ABN/AMRO N.V.. Postbus
30, 3500 AA Utrecht, nr. 55 50 48 861 en C en E bank
N.V., Postbus 85100, 3508 AC UtrechL nr. 69 93 61
443.

KNMvD

Maatschappijnieuws

Elly Cuhfus tnanager inteme zaken KNMvD

Mededelingen Groep Rund

Lustrum Groep Geneeskunde van het Rund \'Kansen in Kwaliteit\';/ VernooiJ

Personalia

Doorlopende agenda

152

153

153
155

Druk

Drukkerij G. van Dijk B.V., Breukelen (tel. 0346-
261304, fax 0346-264565).

Advertenties

Commerciële advertenties: Bureau Weijer B.V„ Veen-
dam (lel. 0598-623065, fax 0598-613827).
Personeelsadvertenties: bureauredactie.

Contents

Other articles

The Veterinary Statement as evidence and the role of veterinarians in legal procedures;
R. van IVessiim

130

All rights reserved

Verklaring:

Richtlijnen voor auteurs (Vancouver Style) zijn op aanvraag verkrijgbaar (zie ook Tijdschr Diergeneeskd 1992;
117:31 -4). De Redactie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade welke - direct of indirect - het gevolg mocht
zijn van gebleken onjuistheden in de inhoud van de in dit tijdschrift opgenomen artikelen waarbij de auteur is vermeld
of in de inhoud van de in dit tijdschrift geplaatste advertenties.

Advertenties kunnen zonder opgaaf van redenen door de Redactie worden geweigerd of ingetrokken.

Niets uit dit tijdschrift mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, microfilm of op

welke andere wijze ook, zonder schriftelijke toestemming van de Redactie.

(Papers appearing in this journal are listed in Current Contents /Agricultural Biology and Environmental Science /
Index-Medicus. Index Veterinarius / Veterinan- Bulletin. Biological Abstracts. Cambridge Scientific Abstracts).

-ocr page 167-

Bedrijfsweerstand

Vragen tijdens de discussie na een lezing gesteld door een jonge collega, brachten mij er-
toe de volgende materie hier eens aan te snijden. Voorzover mij bekend worden er alleen
in de varkenshouderij methoden toegepast die er op gericht zijn een betere stabiliteit van
de bedrijfsweerstand te verkrijgen en te behouden. In geen enkele andere tak van de dier-
houderij worden bij mijn weten gelijksoortige methoden toegepast. Bij navraag blijken
deze methoden vermoedelijk zo oud als de varkenshouderij zelf te zijn. Veel van deze ken-
nis wordt op het bedrijf van generatie op generatie overgedragen.

Bij problemen als diarree bij de biggen wordt diarreemest van de biggen aan de zeugen in
de dracht verstrekt om \'betere\' bescherming via de melk aan de biggen te geven. Hierdoor
ontstaat minder diarree of een betere overlevingskans van de big indien alsnog diarree
uitbreekt.

Bij introductie van nieuw aangekochte geltzetigjes worden deze één ct twee maanden se-
paraat gehouden en met mest en nageboortemateriaal uit de kraamstal in contact ge-
bracht. Het vroegtijdig doormaken van de stalspecifieke ziektekiemen kan helpen ter
voorkoming van SMEDI-problemen zoals guste zeugen en kleine worpen.

In perioden waarin ziektes als TGE, PED ofAujeszky nog epidemieën veroorzaakten, kon
de ellende vaak afgestopt worden door de beschikbare smetstqßoudende diermaterialen
aan alle opfok en zeugen op het bedrijf te verstrekken. Na een kortstondige ziekte-explosie
bleef het daarna vaak weer enkele jaren rtistig.

Bij het uitbreken van nieuwe ziektes in de varkenshouderij, zoals PRRS in 1991 en de re-
centelijk beschreven wegkwijnziekte (PMWS/PDNS) ziet men weer een toename van vra-
gen hoe de bedrijfsimmuniteit het beste gestabiliseerd kan worden. Wereldwijd worden dit
soort bedrijfsimmuniteits-stimulereitde methodes toegepast, verscholen achter termen
zoals \'giltpoolmanagement\', \'Betriebssuppe\', \'Schluckimpfung\', etcetera. Zolang het
door registratieprocedures circa tien jaar diitirt voor geregistreerde vaccins op de markt
kunnen komen, zal er in de te overbruggen periode niet alleen een open oor voor het pro-
bleem, maar ook een helpende hand geboden dienen te worden.

Omdat ik merk dat de jonge generatie dierenartsen met deze methodes van bedrijfsimmu-
niteitsstabilisering niet meer bekend zijn, lijkt het mij nog een goed moment de oudere
collegae uit te nodigen hun ervaringen en adviezen uit het verleden aan het papier toe te
vertrouwen en aan het TvD te sturen, zodat er over dit onderwerp documentatie ontstaat.

Dr M.F de Jong

-ocr page 168-

De Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren - de diergeneeskundige
verklaring als aanvulling op het proces-verbaal en de rol van de
dierenarts in het opsporingsonderzoek

R. van Wessum\'

Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126:730-2

o

SAMENVATTING

Elke dierenarts in Nederland kan in principe geconfron-
teerd worden met het verzoek van een opsporingsdienst
om op basis van de Gezondheids- en Welzijnswet voor
Dieren een diergeneeskundig onderzoek uit te voeren en
de resultaten daarvan op schrift te stellen. Deze dierge-
neeskundige verklaring zal dan gebruikt kunnen worden
als bewijsmiddel in het strafrechtelijk traject dat volgt op
het opsporingsonderzoek.

Gezien het belang dat wordt toegekend aan de dierge-
neeskundige verklaring dient deze verklaring zorgvuldig
opgesteld te worden, waarbij de opstellend dierenarts
zich ervan bewust moet zijn aan welke eisen de verkla-
ring moet voldoen en welke rechtsprocedures in acht
moeten worden genomen.

SUMMARY

The Veterinary Statement as evidence and the role of ve-
terinarians in legal procedures

Ever}\' veterinarian can he confronted with the request from a law enforce-
ment agency to conduct a veterinaiy examination based on the Animal
Health and Welfare Act and to produce a written report of that examination.
This Veterinary Statement can be used in court.

The Veterinary Statement is un important piece of evidence, so it should be
formulated with care. The veterinarian in charge must be aware of the re-
quirements that the Veterinary Statement must meet and the legal procedu-
res that must be followed.

INLEIDING

Het komt regelmatig voor dat een opsporingsdienst (bijvoor-
beeld de Algemene Inspectie Dienst, de Landelijke Inspec-
tiedienst Dierenbescherming, de Inspectie Dienst Gezel-
schapsdieren en de politie) die is belast met controle op na-
leving van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren
voor het proces-verbaal inzake een overtreding of misdrijf
zoals genoemd in deze wet een aanvullende of ondersteu-
nende verklaring nodig heeft.

De Gezondheid- en Welzijnswet voor Dieren bevat twee ar-
tikelen die vaak gebruikt kunnen worden om een tenlasteleg-
ging te vervaardigen, de artikelen 36 en 37 (1,2).

In artikel 36 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor
Dieren worden dierenmishandeling en de zorgplicht ten aan-
zien van dieren genoemd: \'Het is verboden om zonder rede-
lijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van

\' Dierenarts Dienst Executieve Ondersteuning Politie Amsterdam-Anistelland,
Beredenen en Hondengeleiders. Hoofdafdeling Gezondheidszorg Paard, discipline
Inwendige Ziekten, Faculteit der Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht. Kliniek
Voor Veterinaire Diagnostiek. Middenweg 141 D. 1394 AH Nederhorst den Berg.

zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te ver-
oorzaken dan wel de gezondheid ofhet welzijn van een dier
te benadelen\' (lid 1), en \'Een ieder is verplicht hulpbehoe-
vende dieren de nodige zorg te verlenen\' (lid 3) (1).

In artikel 37 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor
Dieren staat de verzorgingsplicht genoemd; \'het is de houder
van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te
onthouden\' (1).

De verbaliserend opsporingsambtenaar mist meestal de au-
toriteit en deskundigheid om zelfstandig overtreding van
deze artikelen ten laste te kunnen leggen, hij zal daarvoor een
aanvullende deskundigenverklaring nodig hebben (2).
Eigenlijk alleen een dierenarts is in staat om een rechtsgel-
dige deskundigenverklaring op te stellen, de zogenaamde
diergeneeskundige verklaring. Deze verklaring moet dan
aan een aantal eisen voldoen, evenals het onderzoek dat aan
het opstellen van deze verklaring vooraf gaat.
In principe kan iedere dierenarts geconfronteerd worden met
het verzoek van een opsporingsinstantie om in het kader van
een opsporingsonderzoek een diergeneeskundig onderzoek
uit te voeren en de resuhaten van dat onderzoek vast te leg-
gen in een schriftelijk verslag.

Alvorens een dierenarts op een dergelijk verzoek ingaat
moet deze dierenarts zich goed realiseren welke juridische
en diergeneeskundige aspecten aandacht verdienen en ofhet
wel mogelijk is om medewerking te verlenen aan een opspo-
ringsonderzoek. In het navolgende zal worden ingegaan op
de procedure die gevolgd moet worden om tot een rechtsgel-
dige diergeneeskundige verklaring te komen ter ondersteu-
ning van het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar in
het kader van een strafrechtelijk onderzoek van handelingen
in strijd met de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren.

PROCEDURE

Meestal zal een melding van een burger bij de Dieren-
bescherming, de Algemene Inspectie Dienst, de Inspectie
Dienst Gezelschapsdieren of politie ertoe leiden dat er een
onderzoek wordt ingesteld naar de melding. Soms komt de
melding ook van een andere overheidsdienst zonder opspo-
ringsbevoegdheid zoals een beleidsdirectie van het ministe-
rie van Landbouw of de Gezondheidsdienst voor Dieren.
Het is van groot belang dat de opsporingsambtenaar die de
melding gaat onderzoeken enige kennis heeft van dieren, hij
zal namelijk ter plekke moeten vaststellen of de situatie zoals
hij die aantreft inderdaad aanleiding geeft om verbaliserend
op te treden.

Bij diensten als de Landelijke Inspectiedienst Dierenbe-
scherming, de Algemene Inspectie Dienst en de Inspectie
Dienst Gezelschapsdieren mag men deze kennis van dieren
verwachten, bij de politie zal een dergelijke melding vaak
worden doorgegeven aan de hondenbrigade of, indien aan-
wezig bij het betreffende korps, de bereden afdeling.

-ocr page 169-

Bij twijfel omtrent de emst van de melding kan het nuttig
zijn te overleggen met een dierenarts om ter plaatse een
goede inschatting te kunnen maken. Het komt zeer regelma-
tig voor dat een melding die zich ernstig laat aanzien bij on-
derzoek ter plaatse fors overtrokken blijkt te zijn. Vaak zijn
burgers heftig geëmotioneerd als zij een situatie waarnemen
waarbij het lijkt of een dier in een nood verkeert, waardoor
zij geen reële waameming meer doen maar een gekleurd
verslag geven. De opsporingsambtenaar moet objectief
waarnemen en proberen vast te stellen of er een grond aan-
wezig is om op te treden. Het kan wenselijk zijn om reeds in
deze fase in contact te treden met een dierenarts en na te
gaan of de dierenarts met het objectieve verslag van de
waarnemingen van de opsporingsambtenaar al een uit-
spraak kan doen omtrent het welzijn van het dier. Als de die-
renarts met de informatie van de opsporingsambtenaar niet
goed kan vaststellen hoe de situatie precies is, kan het raad-
zaam zijn dat de dierenarts naar de plaats van het delict komt
om zelf vast te stellen hoe ernstig de situatie daadwerkelijk

IS.

Het is van groot belang dat een dierenarts die gevraagd is om
ter plaatse de situatie vast te stellen zelf objectieve waarne-
mingen doet.

Het komt helaas vaak voor dat de opsporingsambtenaar die
de melding behandelt in zijn enthousiasme om de dierenarts
goed voor te lichten omtrent de zaak de dierenarts teveel
stuurt. De dierenarts moet ervoor zorgen dat zijn verslag van
de situatie alleen zelf gedane waarnemingen bevat en niet
gebaseerd is op beweringen van de opsporingsambtenaar,
tenzij de dierenarts in zijn verklaring duidelijk weergeeft dat
zijn verklaring is gebaseerd op beweringen van de opspo-
ringsambtenaar, getuigen, etcetera. Deze mededelingen kun-
nen dan in de verklaring worden aangegeven met een zin-
snede als:
\'beweerdelijk wordt door getuige... gesteld...\'.
Indien blijkt dat het moeilijk is om alle waarnemingen goed
vast te leggen in een schriftelijk verslag kan het zinnig zijn
een situatieschets of foto\'s te (laten) maken.
Een direct-klaar camera of een digitale camera kan dan
goede diensten bewijzen, eventueel kan ook via de politie
een fotograaf van bijvoorbeeld de technische recherche op-
geroepen worden.

Bij het nemen van foto\'s is het van belang de diergeneeskun-
dige verklaring die opgesteld gaat worden in gedachten te
houden, de foto\'s moeten een goede illustratie en ondersteu-
ning zijn van de verklaring. Het is zinnig als de dierenarts de
fotograaf goed instrueert welke foto\'s genomen moeten wor-
den (bijvoorbeeld detailopnamen van een verwonding bij
een dier, een overzichtsopname van een te klein en ernstig
vervuild dierenverblijf, etcetera).

Mogelijk kan het noodzakelijk zijn voor de dierenarts om
aanvullend onderzoek te verrichten, bijvoorbeeld bloedon-
derzoek. Daarbij moet de rechtsgang goed in het oog worden
gehouden. Voor het ter plaatse komen en waarnemen is
meestal het verzoek van de opsporingsambtenaar voldoende.
Deze draagt de verantwoordelijkheid voor de aanwezigheid
van de dierenarts op de plaats van het delict, en deze dient er-
voor te zorgen dat de aanwezigheid van de dierenarts geauto-
riseerd is middels verkregen toestemming van de eige-
naar/bewoner/dierhouder voor het aanwezig zijn van de
dierenarts of middels een last tot binnentreden.
Indien de dierenarts aanvullend onderzoek noodzakelijk
acht, is het de verantwoordelijkheid van de dierenarts om de
opsporingsambtenaar te informeren omtrent de gang van za-
ken. Er kan toestemming gevraagd worden aan de eigenaar
om het aanvullende onderzoek te verrichten. Indien deze
weigert of dat het verzoek om andere redenen niet gedaan
kan worden, dan dient de opsporingsambtenaar te zorgen
voor autorisatie via de Officier van Justitie middels een last
of door inbeslagname van dieren of zaken.
Uiteindelijk zal de dierenarts zijn bevindingen vastleggen in
een schriftelijk verslag, de diergeneeskundige verklaring.

DIERGENEESKUNDIGE VERKLARING
Deze moet aan de volgende eisen voldoen:
Omschrijving taakstelling en tijdstip

In de eerste alinea van de diergeneeskundige verklaring moet
de dierenarts vasdeggen in welke hoedanigheid hij is ge-
vraagd zijn medewerking bij het opsporingsonderzoek te
verlenen en door wie. Daamaast moet vermeld worden waar
het onderzoek plaatsvond.

De tekst kan als volgt zijn:

\'ondergetekende, dierenarts te ..., verklaart op (datum en
tijdstip) een onderzoek te hebben ingesteld op (adres) op
verzoek van (opsporingsinstantie) teneinde een diergenees-
kundige verklaring op te kunnen stellen aan de hand van de
bevindingen bij dit onderzoek\'

Beschrijving verloop onderzoek

Hierna volgt een gedetailleerde beschrijving van de gedane
waarnemingen. De dierenarts die de verklaring opstelt moet
zich goed realiseren dat de mensen die met deze verklaring
gaan werken, onder andere de Officier van Justitie en de
rechter, geen veterinaire achtergrond hebben. De verklaring
moet dus worden opgesteld in lekentemien, waarbij vakjar-
gon vermeden moet worden. Dus niet:
\'het rund had overal
een contactdermatitis ten gevolge van aangekleefde fecaliën
en een mastitis\',
maar: \'het rund had uitgebreide huidontste-
king door aangekleefde mest en een uierontsteking\'.
Geen
omschrijving als
\'de hond u\'as volledig cachecti.sch\', maar
\'de hond verkeerde in een zeer slechte voedingstoestand, de
wervelkolom was onder de huid te zien omdat een groot deel
van het spiem\'eefsel was verdwenen \'.

Bij het opstellen van de diergeneeskundige verklaring moet
de dierenarts zich goed realiseren dat deze verklaring een
cruciaal bewijsmiddel vormt in de gerechtelijke procedure.
Aan de hand van deze verklaring moeten Officier van
Justitie, rechter en verdediging een duidelijk beeld hebben
van wat er daadwerkelijk gebeurd is. Elk in de verklaring be-
schreven begrip moet daarom uitgelegd worden als voor een
leek niet direct duidelijk is wat er mee bedoeld wordt.
Bij het opstellen van de verklaring moet de dierenarts zich
goed realiseren dat elke bewering die op schrift gesteld wordt
wellicht onder ede voor de rechter herhaald moet kunnen
worden. Er moeten dus alleen bevindingen vastgelegd wor-
den waarover men zeer zeker is en die met argumenten (en
eventueel aanvullend onderzoek of foto\'s) onderbouwd kun-
nen worden. Bevindingen die gedaan zijn met behulp van ap-
paratuur of middels aanvullend onderzoek moeten uitgebreid
gedocumenteerd te worden, bijvoorbeeld;
\'bij meting van de
temperatuur in de kennels met een digitale thermometer
Thermoscript 450 bleek
..." of \'bij bloedonderzoek, uitge-
voerd bij Euregio Laboratories te Maastricht...\'.
In het verleden is gebleken dat beweringen die op schrift ge-
steld werden door een dierenarts met de bedoeling een pro-
ces-verbaal zo goed mogelijk te ondersteunen, daarbij
aangemoedigd door goedbedoeld commentaar van de op-

-ocr page 170-

sporingsambtenaar, door de verdediging van een verdachte
ontkracht werden. De dierenarts bleek in de rechtzaal geen
goede argumenten te hebben om zijn bevindingen te verdedi-
gen in een discussie met een door de verdediging meege-
brachte dierenarts.

Men dient er rekening mee te houden dat elke diergenees-
kundige verklaring door de advocaat van de beklaagde weer-
legd zal kunnen worden door een andere dierenarts/deskun-
dige.

De opstellend dierenarts moet zeker zijn van elke bewering
in de diergeneeskundige verklaring, ook wanneer dat bete-
kent dat de opsporingsambtenaar aangeeft dat de verklaring
dan niet goed bruikbaar is in de verdere rechtsgang!

Interpretatie

Na een volledig verslag van alle waarnemingen kan de die-
renarts deze waarnemingen interpreteren en een veterinair
oordeel toevoegen omtrent de aangetroffen situatie.
Hierbij is het van belang te denken aan de artikelen 36 en 37
die de Officier van Justitie kan gebruiken om een tenlaste-
legging te vervaardigen.

De dierenarts zal in zijn interpretatie moeten weergeven
waarom hij vindt dat de waarnemingen die hij heeft gedaan
aantonen dat er sprake is van een strijdigheid met een van
deze artikelen.

Een zinsnede kan bijvoorbeeld zijn: \'naar mijn stellige over-
tuiging zijn alle dieren zoals hoven beschreven ernstig in
hun welzijn verstoord door de manier waarop zij gehuisvest
zijn\'
in een geval waarbij een aantal honden in een veel te
kleine kennel was gehuisvest, of
\'Bovenstaande heeft mij
doen concluderen dat het voor de veehouder klaarblijkelijk
niet meer mogelijk is om de aan zijn zorg toevertrouwde die-
ren adequate verzorging te bieden\'
in een geval waarbij een
veehouder zijn dieren niet langer goed verzorgde.

Eventueel kunnen dan de artikelen nog met name genoemd
worden, maar noodzakelijk is dat niet:
\'Ten aanzien van de
dieren met duidelijke afwijkingen kan gesteld worden dat
deze dieren duidelijk zichtbaar hulp behoeven, welke hen
door de houder onthouden is. Daarmee maakt de
eigenaar/houder zich schuldig aan overtreding van artikel
36 lid 3 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren
\' in
een geval waarbij een veehouder zijn dieren die duidelijk
zichtbaar ziek waren geen zorg bood of liet bieden.

Gedragingen in strijd met artikel 36 lid 1 en artikel 37 zijn
misdrijven, gedragingen in strijd met artikel 36 lid 3 zijn een
overtreding, wat inhoudt dat een uitspraak dat een waarne-
ming op veterinaire gronden moet worden ingedeeld als een
gedraging in strijd met artikel 36 lid 1 of artikel 37 een
zwaardere straf tot gevolg kan hebben (2).

Ondertekening

Uiteindelijk wordt de diergeneeskundige verklaring geda-
teerd en van plaatsnaam voorzien waar de verklaring is op-
gesteld en ondertekend.

DISCUSSIE

In principe kan elke dierenarts geconfronteerd worden met
het verzoek van een opsporingsinstantie om een diergenees-
kundig onderzoek te doen in het kader van een opsporings-
onderzoek.

Meestal moeten de waarnemingen, gedaan tijdens dat onder-
zoek, op schrift gesteld worden in een diergeneeskundige
verklaring. Die verklaring moet aan de voorgenoemde eisen
voldoen.

Alvorens men aan een dergelijk verzoek gehoor geeft, moet
men als dierenarts een aantal afwegingen maken.

Ten eerste moet men zich afvragen of er kans bestaat dat de
onafhankelijkheid van de dierenarts in het geding is. Als men
een onderzoek moet uitvoeren bij een (voormalige) cliënt is
de kans groot dat een verstrengeling van belangen optreedt.
Daamaast bestaat de kans dat het handelen van de dierenarts
in het kader van het opsporingsonderzoek botst met regelge-
ving uit de Code voor de Dierenarts of ertoe leidt dat de ver-
klarende dierenarts als beklaagde moet verschijnen voor de
Ereraad of het Veterinair Tuchtcollege.
De dierenarts moet dan zijn medewerking aan het opspo-
ringsonderzoek beëindigen of weigeren. De dierenarts is hier
immers niet toe verplicht.

Ook moet de dierenarts zich realiseren dat hij, door mee te
werken aan een opsporingsonderzoek, zich blootstelt aan ne-
gatieve publiciteit. Zeker als het opsporingsonderzoek uit-
eindelijk leidt tot een veroordeling van de verdachte is de
kans aanwezig dat de publieke opinie (zeker in een hechte
gemeenschap waarvan een lid bestraft wordt) zich tegen de
dierenarts keert.

De dierenarts moet zich er ook van vergewissen dat de op-
sporingsambtenaar goed weet hoe de rechtspositie is van de
dierenarts. De dierenarts dient zich er van te overtuigen dat
er toestemming is gevraagd om binnen te treden en onder-
zoek te verrichten, of dat middels een last van de Officier van
Justitie de aanwezigheid van de dierenarts geautoriseerd is.
De dierenarts moet zich zeker afvragen of het terrein waarop
hem gevraagd wordt een onderzoek te verrichten hem be-
kend is. Een gezelschapsdierenpracticus die nooit rundvee
heeft onderzocht of behandeld kan in de problemen geraken
indien hij uitspraken moet doen over de gezondheidsstatus
van mndvee.

Wanneer een dierenarts wordt benaderd door een opspo-
ringsinstantie, is het van belang dat de dierenarts eerst vol-
doende infomiatie ontvangt over de functie die hij krijgt in
het opsporingsonderzoek. Pas als de dierenarts de boven-
staande zaken in overweging heeft genomen en meent aan de
eisen te kunnen voldoen om een goede, bmikbare en rechts-
geldige diergeneeskundige verklaring op te stellen, kan hij
het verzoek tot medewerking aan het opsporingsonderzoek
honoreren.

DANKBETUIGING

De auteur wil graag de volgende personen bedanken voor het kritisch door-
lezen van het manuscript en het geven van commentaar en aanwijzingen:
Prof. dr. H.J. Breukink, hoogleraar Gerechtelijke Diergeneeskunde,
Hoofdafdeling Gezondheidszorg Paard, Faculteit der Diergeneeskunde,
Universiteit Utrecht, HaP E. Reep, Hondengeleider Politie Amsterdam-
Amstelland en mr. J. Ang, Openbaar Ministerie Amsterdam.

LITERATUUR

1. Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren, ministerie van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij, ministerie van Welzijn, Volksgezondheid
en Cultuur, 24 september 1992, \'s-Gravenhage, SDU.

2. Teksten en toelichting Wetgeving Dierenwelzijn, D. Boon. Konink-
lijke Vermande, Lelystad, 1999

-ocr page 171-

Shar-Pei met recidiverende l<reupellieid

Naar aanleiding van onderstaande
uit de praktijk ontvangen vraagstel-
ling vond de redactie de heer Björn
Meij (Specialist Chirurgie der Gezel-
schapsdieren, Hoofdafdeling Genees-
kunde voor Gezelschapsdieren, Sectie
Orthopedie/Neurochirurgie/Tand-
heelkunde) bereid om voor de lezers
een antwoord te formuleren.

Vraag:

Van welke ziekte kan sprake zijn bij een
Shar-Pei die last heeft van recidiverende
kreupelheid gepaard gaande met verho-
ging? Wat kan een effectieve therapie
voor deze aandoening zijn?

Antwoord:

Korte geschiedenis van de Shar-Pei
De Shar-Pei (\'zand-huid\') is in vele op-
zichten een bijzonder en uniei< ras. De
Shar-Pei is van oorsprong een jacht- en
waai<hond afkomstig uit de omgeving
van Guangzhou in China. De Shar-Pei
werd gebmikt voor de jacht op wilde
zwijnen en het hoeden van kudden. De
Shar-Pei zou al 200 voor Christus, ten
tijde van de Han-dynastie in China, af-
gebeeld te zien zijn op beeldjes, vazen
en schilderijen. In 1947 dreigde het ras
bijna uit te sterven. Door extreme voed-
seltekorten in China werd de hondenbe-
lasting zeer hoog gemaakt. De meeste
Chinese burgers konden dit niet op-
brengen en aten hun honden op. Tevens
werd er een wet van kracht waarin werd
voorgeschreven dat alles wat niet pro-
ductief was (zoals vogels, honden en
knaagdieren) moest worden afgemaakt.
In 1973 werd door de Hongkong Chi-
nees Matgo Law een dramatische op-
roep geplaatst in het Amerikaanse blad
Dogs Magazine met een verzoek om
een reddingsactie op te starten voor de
Shar-Pei, die op dat moment in het
Guinness Book of Records als de zeld-
zaamste hond van de wereld werd be-
stempeld. Hierop reageerden 200

Amerikanen, waardoor de fokkerij in
Amerika op gang kwam. Ook vandaag
de dag is de Rescue A Shar-Pei
(RASP)-beweging springlevend, wat
moge blijken uit de talloze websites die
hieraan zijn gewijd.* Vanuit Hongkong
werd de Shar-Pei ook naar andere delen
van de wereld verscheept en in 1979 in
Europa geïntroduceerd. In 1988 werd
de Shar-Pei Club Nederland opgericht.
Uit deze korte geschiedenis kan worden
geconcludeerd dat de Shar-Pei vanuit
een beperkte genenpool in een kleine
drie decennia een comeback heeff ge-
maakt als gezelschapsdier.

Kreupelheid in achterhand
Voor kreupelheid in de achterhand bij
de Shar-Pei kennen we een uitgebreide
differentiaal diagnose (onder andere
heupdysplasie, patella luxatie, voorste
kruisbandletsels), maar de combinatie
met koortsaanvallen maakt de diagnose
een stuk lastiger. Men kan denken aan
een septische oorzaak (bacteriële ar-
thritis, discospondylitis lumbosacraal)
maar dit is toch minder waarschijnlijk
bij intermitterende koortsaanvallen
waarbij het dier in de tussenliggende
perioden koortsvrij en klachtenvrij is.
In dit laatste geval gaan de gedachten
direct uit naar een auto-immuunaan-
doening. De Shar-Pei kent een groot
aantal auto-immuunaandoeningen, één
ervan gaat gepaard met recidiverende
koorts en kreupelheid en deze aandoe-
ning staat bij fokkers bekend als
Familial Shar-Pei Fever (FSF). FSF is
een erfelijke aandoening die bij Shar-
Pei honden voorkomt vanaf de leeftijd
van 18 maanden.

Klinische verschijnselen
Koortsaanvallen is het meest consis-
tente symptoom van deze aandoening.
De koorts (39,4-41,7°C) is in het alge-
meen zelf-limiterend en duurt 12 tot 36
uur. In ongeveer de helft van de geval-
len (53%) gaat dit gepaard met zwel-
lingen van gewrichten, meestal de ti-
biotarsaal gewrichten (Swollen Hock
Syndrome, SHS). Deze pijnlijk warme
zwelling rond gewrichten (cellulitis)
kan ook voorkomen rond de knie en de
carpus en aan de lippen. De gewrichten
zelf kunnen ook ontstoken zijn, er is
dan sprake van synovitis. Honden met
FSF zijn ziek, weigeren vaak te bewe-
gen, en wanneer ze lopen vertonen ze
een karakteristieke \'lopen op eieren\'-
gang. De honden kunnen pijnlijk in het
abdomen zijn en houden de buik opge-
trokken.

De klinische en pathologische ken-
merken van FSF zijn meer in detail be-
schreven door May
etal. (2). Deze au-
teurs constateerden in één familie van
Shar-Pei honden (teef en vier puppies)
in een periode van enkele maanden
meerdere episoden van koorts en kreu-
pelheid. De kreupelheid betrof één of
meerdere gewrichten, meestal de tar-
saalgewrichten, soins de carpaalge-
wrichten. De gewrichten waren warm,
gezwollen en pijnlijk. Er was een dui-
delijke peri-articulaire oedemateuze
zwelling. Röntgenopnamen van de be-
trokken gewrichten lieten in de meeste
gevallen geen benige afwijkingen
zien. Echter, bij één hond waren er ero-
sieve botlesies en osteofyten te zien
aan de plantaire zijde van de tibiotar-
saal geledingen. Bij één hond werden
bloedkweken ingezet op het hoogte-
punt van de koortsaanval, maar het re-
sultaat was negatief Alle honden ble-
ken negatief op rheumafactoren,
antinucleaire antilichamen en antistof-
fen tegen
Bwrelia burgdorferi. Syno-
viaal vloeistof afgenomen bij één hond
uit de carpus op het hoogtepunt van
een koortsaanval, liet een acute inf-
lammatoire synovitis zien met een ne-
gatieve bacteriekweek. Een biopt van
de synoviaalmembraan toonde infil-
tratie van voomamelijk mononuce-
laire cellen zoals lymfocyten in de on-
dersteunde laag aan, hetgeen duidt op
een synovitis van niet-infectieuze oor-
sprong (2).

Pathogenese

Op dit moment is het volgende bekend
van Familial Shar-Pei Fever:
I. De exacte oorzaak van de koorts-
aanvallen is niet bekend maar Shar-
Pei honden met FSF hebben in het
bloed verhoogde gehalten van inter-
Ieukine-6 (IL-6) (3). IL-6 is een on-
derdeel van de normale ontste-
kingsreactie en de vorming van
acute fase eiwitten door de lever.
Dysregulatie van de IL-6 treedt op
bij FSF bij de Shar-Pei. Chronisch
verhoogde gehalten aan IL-6 leiden
tot chronisch verhoogde gehalten
aan acute fase eiwitten die de pre-
cursors zijn van amyloid. Het amy-

-ocr page 172-

loid wordt buiten de celmembranen
afgezet en leidt tot celbeschadiging
en celdood. Amyloid wordt door
het gehele lichaam afgezet maar in
de nieren is de celdood irreversibel
hetgeen tot nierfalen kan leiden.
Van de honden met FSF ontwikkelt
25% renale amyloidosis (RA). Een
kleiner percentage ontwikkelt hepa-
tische amyloidosis.

2. FSF bij de Shar-Pei wordt gezien
als diermodel voor een vergelijk-
bare ziekte bij de mens: Familial
Mediteranean Fever (FMF) (1,2).
Deze aandoening wordt geken-
merkt door koortsaanvallen die be-
ginnen op jonge leeftijd. De patiën-
ten lijden aan polyserositis (ont-
steking van de belijning van de li-
chaamsholten) en synovitis. Tussen
de koortsaanvallen zijn de patiënten
vrij van klachten.

3. FSF en FMF zijn beide erfelijke
ziekten met autosomaal recessieve
kenmerken (4). Het gen (en de mu-
tatie) voor FMF bij de mens is be-
kend. Er werd geen vergelijkbaar
gendefect bij de Shar-Pei gevonden
maar de speurtocht gaat door.

Laboratoriumbevindingen
Er is geen bloedonderzoek dat speci-
fiek is voor FSF. Gedurende een
koortsaanval kan er een verhoogd aan-
tal witte bloedlichaampjes gevonden
worden, een toename van leverenzy-
men en ander niet-specifieke verande-
ringen. Urine-onderzoek kan proteinu-
ric aantonen hetgeen kan wijzen op
renale amyloidosis, maar een normaal
urine-onderzoek sluit dit niet uit (1).
Indien renale amyloidosis wordt ver-
moed, dient een volledig bloedonder-
zoek voor een nierafwijking te worden
ingesteld (ureum, kreatinine, natrium,
kalium, calcium, fosfor). Er is nog
geen DNA screeningstest voor FSF.

Therapie

Het is belangrijk om de temperatuur te
blijven controleren. De koorts kan be-
handeld worden met gebufferde aspi-
rine elke zes uur gedurende de eerste
24 uur en daarna tweemaal daags ge-
durende drie tot vijf dagen. Indien de
koorts niet reageert op aspirine kunnen
andere antipyretica aangewend wor-
den. Er is geen infectie, antibiotica zijn
niet nodig. In zeldzame gevallen van
extreem hoge koorts is IV-vloeistof-
therapie en shockbehandeling nodig.
In de Verenigde Staten worden Shar-
Pei-honden die koortsaanvallen van
onbegrepen oorsprong hebben behan-
deld met colcichine. Colcichine werd
meer dan 400 jaar geleden gebruikt
voor de behandeling van jicht bij de
mens. Colcichine wordt bij patiënten
met FMF gebruikt om de frequentie
en emst van de koortsaanvallen te
verminderen en de ontwikkeling van
amyloidosis tegen te gaan (1,2). Col-
cichine zou het aantal sterfgevallen
door amyloidosis bij mensen met FMF
doen verminderen met 30%. Bij de
Shar-Pei zijn er geen gegevens bekend
over de effectiviteit van colcichine bij
de behandeling van FSF. De dosering
bij de hond is 0.025-0.03 mg/kg lx
daags per os. Colcichine dient met
grote voorzichtigheid gehanteerd te
worden. Het is zeer toxisch voor de
mens en kleine hoeveelheden per os
zijn dodelijk.

Shar-Pei Search: http://www.sharpei.com.au

Prognose

De eigenaar van de Shar-Pei met te-
rugkerende koortsaanvallen dient goed
geïnformeerd te worden over de com-
plicaties die bij FSF kunnen optreden
en de kans op het ontwikkelen van re-
nale amyloidosis. De koortsaanvallen
moeten gezien worden als marker voor
de erfelijke aandoening FSF. Echter,
er is geen relatie tussen de frequentie
en emst van de koortsaanvallen en de
ontwikkeling van amyloidosis. Een
Shar-Pei die éénmaal een koortsaanval
van onbegrepen oorsprong meemaakt,
loopt net zoveel kans op het ontwikke-
len van amyloidosis als de Shar-Pei die
wekelijks koortsaanvallen heeft. Bij
een Shar-Pei met nierinsufficiëntie
dienen de bekende ondersteunende
maatregelen genomen te worden. Niet
elke Shar-Pei die overlijdt aan nierfa-
len heeft amyloidosis, er zijn ook an-
dere oorzaken van nierfalen bij de
Shar-Pei (glomerulonefritis, pyelone-
fitis, renale infarcten). Aandringen op
sectie van door nierlijden overleden
Shar-Pei honden lijkt gewenst. Amy-
loid wordt aangetoond bij histologisch
onderzoek door kleuring met Congo
rood. De eigenaar van Shar-Pei hon-
den met recidiverende koortsaanvallen
van onbegrepen oorsprong al of niet
gepaard gaande met kreupelheid dient
een negatief fokadvies te krijgen.

Referenties

1. DiBartola SP. Tarr MJ, Webb DM. Giger
U. Familial renal amyloidosis in Chinese
Shar-Pei dogs. JAVMA 1990: 197:483-7.

2. May C. Hammill J, Bennett D. Chinese
Shar-Pei fever syndrome: a preliininary re-
port. Vet Rec 1992; 131:586-7.

3. Rivas AL. Tintle L, Kimball ES, Scarlett J,
Quimby FW. A canine febrile disorder as-
sociated with elevated interleukin-6. Clin
Immunol Immunopathol 1992; 64:36-45.

4. Rivas AL. Tintle L, Meyers-Wallen V,
Scarlett JM. van Tassell CP, Quimby FW.
Inheritance of renal amyloidosis in Chi-
nese Shar-Pei dogs. J Hered 1993; 84:438-
42.

Shar-Pei Search is een Engelstalige website
met een zoekmachine en vele geïndexeerde
items (onder andere Health) over alles
gerelateerd aan de Shar-Pei.

-ocr page 173-

W.K. Hirschfeldstichting wordt Afdeling
Gezondheid, Gedrag en Welzijn

Zoals u wellicht weet en mogelijk heeft gemerkt, is de Raad van Beheer op
Kynologisch Gebied in beweging. In de loop van vorig jaar is de Raad om-
gevormd naar een vereniging van verenigingen, waardoor de verenigingen
en indirect dus ook de leden van deze verenigingen meer invloed kunnen
uitoefenen op het te voeren beleid. Binnen het bestuur van de Raad zijn de
verschillende deel- en aandachtsgebieden verdeeld onder portefeuillehou-
ders zodat de lijnen naar de basis korter en duidelijker kunnen zijn. Ook
op het Bureau van de Raad zijn de nodige veranderingsprocessen in gang
gezet die moeten leiden tot een snellere, accurate en professionele dienst-
verlening.

Raad van Beheer op Kynologisch
Gebied in Nederland, Afdeling
Gezondheid, Gedrag en Welzijn.
Postadres: Emmalaan i6-i8, 1075
AV Amsterdam.

Foto\'s insturen naar: Postbus 39,
6880 AA Velp.

De afdeling is te bereiken onder te-
lefoonnummer 020 - 67^^4462
(voorheen WKHS).

Bericliten en verslagen

In samenhang met deze processen is er
vanuit de Raad van Beheer een duidelij-
ker en indringender gezondheids-, ge-
drags- en welzijnsbeleid in ontwikke-
ling. Deze verantwoordelijkheden heeft
de Raad intussen in zijn statuten vastge-
legd.

Tot op heden was de uitvoering van het
gezondheidsbeleid voor een groot ge-
deelte in handen gelegd van de W.K.
Hirschfeldstichting (WKHS) of, al dan
niet incidenteel, van derden. De Raad
van Beheer ziet, in het kader van zijn
nieuwe structuur, het als zijn taak zelf
meer inhoud te geven aan zijn verant-
woordelijkheid voor de kwaliteit (in
termen van gezondheid, gedrag en
welzijn) van de rashondenpopulaties.
Besloten is alle activiteiten van het bu-
reau WKHS volledig onder te brengen
bij het bureau van de Raad van Beheer
in de Afdeling Gezondheid, Gedrag en
Welzijn (GGW). Het bestuur van de
WKHS zal in de komende periode om-
gevormd worden tot een onafhankelijk
adviesorgaan met handhaving van de
tenaamstelling WKHS. Dit laatste om-
dat de stichting in de loop der jaren toch
een zekere autoriteit heeft weten op te
bouwen op het gebied van de weten-
schappelijke kennis en advisering ron-
dom rashonden en rashondenpopula-
ties.

Grotere flexibiliteit

Het bureau van de WKHS zal verder als
Afdeling Gezondheid, Gedrag en Wel-
zijn (GGW) van de Raad van Beheer
door het leven gaan. Alle bestaande
WKHS-activiteiten zullen door deze af-
deling worden overgenomen, waar no-
dig zullen de bestaande relaties worden
hernieuwd.

Het onderbrengen van deze activiteiten
bij het bureau van de Raad van Beheer
zal, bij het toepassen van een geïnte-
greerde automatisering met gezamen-
lijke netwerken en een relationele
database, efficiëntievoordelen bieden
waardoor allerlei gegevens en diverse
kentallen eenvoudig uitwisselbaar wor-
den en daardoor beter kunnen worden
benut.

Daarnaast zal dit, ook in personeel op-
zicht een grotere flexibiliteit en een be-
tere bezetting opleveren.

Naast de bestaande diensten als scree-
ning van individuele honden (HD-, ED-,
oogonderzoek, enzovoort), inventarisa-
ties van complete rassen op gezondheid-
gedrag en fokkerij-aspecten, de ontwik-
keling en opzet van een gedragstest
(MAG) en de voorlichtende activiteiten
zal ook aandacht gegeven worden aan
alle aspecten die te maken hebben met de
invoering en begeleiding van een cen-
traal gestuurd fokbeleid. Daamaast die-
nen onderzoeksmethoden te worden ge-
toetst op hun waarde voor de fokselectie.
Indien noodzakelijk zullen nieuwe me-
thoden en onderzoek worden ingepast en
populatiegenetische selectiemethodie-
ken worden ingevoerd.
Deze omzetting van het Bureau WKHS
naar de Afdeling GGW moet uiteinde-
lijk leiden tot een verdere professiona-
lisering van de afdeling, een uitbrei-
ding van het dienstenpakket, een betere
aanpak van de gezondheids- en wel-
zijnsproblematiek van de hondenpopu-
laties in Nederland en tot een betere
communicatie tussen de Raad van
Beheer en de veterinaire professie.

Orthomanlpuiatle bij dieren

Klinische orthomanipulatie volgens methode Sickesz biedt veel soelaas bij
mensen met allerlei problemen, maar is door dierenarts Dorit Aharon tevens
toegepast bij dieren. Het ging hierbij met name om honden en een enkele keer
een konijn. Uitgangspunt van de therapie is dat vele problemen van onder an-
dere neurologische aard temg zijn te voeren tot een afwijkende wervelstand.
De ervaringen met lage rugpijn (lumbo-sacrale instabiliteit), afwijkende stand
van bijvoorbeeld een kniegewricht (na een trauma), nek- en mghemia\'s en
wervel- of bekkenscheefstand zijn positief te noemen.

Meer informatie over deze therapie: Dorit Aharon, telefoon: 020 - 4633817 of
website http://go. to/dierenfysio

-ocr page 174-

Slappendel neemt afscheid van Faculteit der Diergeneeskunde

Bloed kruipt waar het niet gaan kan

Na ruim 38 jaar onderwijs, onderzoek en patiëntenzorg op het gebied van de geneeskunde van gezelschapsdieren
beëindigt dr. Slappendel in het voorjaar van 2001 zijn dienstverband met de Universiteit Utrecht. In deze periode
heeft hij belangrijke bijdragen geleverd aan de ontwikkeling van het vakgebied. Hij heeft zich vooral ingezet voor
de ontwikkeling van de klinische hematologie van gezelschapsdieren en is op dat terrein sterk innoverend geweest.
Naast deze grote inzet voor het vak is hij een enthousiast fotograaf.

Dr. Slappendel neemt afscheid met aandacht voor beide facetten van zijn leven. Op donderdag 26 aprü 2001 om 15.00
uur
is er een afscheidscollege met als titel \'Bloed kmipt waar het niet gaan kan\' en een fototentoonstelling genaamd \'Met
andere ogen\'.

In overeenstemming met zijn streven naar diergeneeskundig han-
delen op wetenschappelijke basis, ziet dr. Slappendel eventuele
voornemens voor cadeaus graag vertaald in bijdragen aan de mid-
delen van de Stichting Diergeneeskundig Onderzoek Gezel-
schapsdieren (DOG). Hiertoe kunt u gebmik maken van bankre-
kening 69.94.11.114, ten name van Stichting DOG, Utrecht,
onder vemielding van afscheid Dr. Slappendel. Bovendien zal er
op 26 april een \'DOG-bus\' aanwezig zijn.

Aanmeldingen: Bureau HA Geneeskunde van
Gezelschapsdieren. Postbus 80.154, 3508 TD Utrecht.
Telefoon: 030 - 2531589, fax 030 - 2518126, e-mail:
Y.B.M.Jansen@vet. uu.nl.

\'Veulenbrigade\' Inwendige Ziekten Paard

Een veulen wordt opgevangen door een
der kliniekdierenartsen. Na het klinisch
en laboratoriumonderzoek en het ma-
ken van een therapeutisch plan wordt
het veulen onder leiding van de dieren-
arts en met hulp van de kliniekassisten-
ten verpleegd door de \'veulenbrigade\'.

Als dierenartsen vanuit de praktijk een
ziek pasgeboren veulen aan de kliniek
willen doorsturen, kunnen zij tijdens
werkuren bellen 030 - 2531112 en bui-
ten werkuren 030 - 2531032. Het ver-
dient aanbeveling vóór inzenden even
te overleggen over de te maken kosten.
Het wordt op prijs gesteld als dieren-
artsen direct bij bellen vermelden dat
het om een ziek pasgeboren veulen
gaat dat \'intensive care\' nodig heeft.
Ook is het prettig als ongeveer de tijd
van aankomst in de kliniek kan worden
aangeven.

Binnen de universiteitskliniek voor het paard is een intensieve 24-uurs verple-
ging van zieke pasgeboren veulens alleen mogelijk met de hulp van vrijwilli-
gers. Dit jaar zal de door derde-, vierde- en vijfdejaars gevormde vrijwillige
groep, \'de veulenbrigade\', weer actief zijn van
26 februari tot en met 30 juni
(met uitzondering van 17-25 maart).

Buiten de bovengenoemde periode
kunnen zieke veulens natuurlijk ook
doorgestuurd worden, maar zal de zeer
intensieve 24-uurs verpleging, zoals
door de \'veulenbrigade studenten\'
wordt geleverd, niet te realiseren zijn.

Dr. Marianne Sloet van
Oldruitenborgh-Oosterbaan
Chef de Clinique Inwendige Ziekten
van het Paard

Drs. Marco de Bruijn en
Drs. Lidwien Verdegaal
begeleiders veulenbrigade

-ocr page 175-

Aan de Faculteit der Diergeneeskunde,
Hoofdafdeling Gezondheidszorg Paard,
discipline Inwendige Ziekten, is een on-
derzoek bezig naar het voorkomen van
maagulcera in de Nederlandse paarden-
stapel. De vraag is of maagulcera bij de
Nederlandse warmbloedpaarden popu-
latie van evenveel belang zijn als in de
(voomamelijk Amerikaanse) literatuur
wordt aangegeven onder met name
Engelse volbloeden in training. Ook
wordt een pilot-studie gedaan naar de
behandeling van maagulcera bij paar-
den met een cimetidinepreparaat. Op de
Faculteit is een 3 meter-endoscoop be-
schikbaar voor het doen van maagsco-
pieën. Hiermee wordt al gedurende vier
jaar gewerkt. Voor de pilot-studie naar
de effecten van cimetidine worden paar-
den gezocht die te kampen hebben met
klinische klachten waarvan het vermoe-
den bestaat dat die verband zouden kun-
nen houden met de aanwezigheid van
maagulcera. Voorbeelden van dit soort
klachten zijn recidiverende koliek, ver-
minderde eetlust, gewichtsverlies, een
slechte vacht, gedragsverandering en
verminderd prestatievermogen. Indien
na klinisch onderzoek geen andere pri-
maire oorzaak voor de klachten wordt
gevonden en er worden bij scopie van de
maag erosies en/of ulcera aangetoond,
wordt met de eigenaar overlegd of er in-
teresse bestaat om deel te nemen aan het
onderzoek. Vanaf het moment dat de ei-
genaar toegestemd heeft en een ak-
koordverklaring heeft getekend, zijn er
voor de eigenaar geen kosten meer ver-
bonden aan het verdere onderzoek (in-
clusief herhalingsscopieën) en de be-
handeling. Het paard verblijft een week
op de kliniek om behandeld en geobser-
veerd te worden. Vervolgens gaat het
paard met medicatie voor in totaal een
maand naar huis. In deze periode moet
de eigenaar nog twee maal met het paard
retour naar de kliniek komen voor een
herhaald klinisch onderzoek/evaluatie
en scopie. Om overleg te plegen over
patiënten die u mogelijk voor dit doel
geschikt acht, kunt u contact opnemen
met drs. Linda van den Wollenberg, of
bij haar afwezigheid met dr. Marianne
M. Sloet van Oldmitenborgh-Ooster-
baan. Uw medewerking om patiënten te
vinden die geschikt zijn voor deelname
aan dit onderzoek wordt bijzonder op
prijs gesteld.

Onderzoek en behandeling maagulcera bij het paard

Dr. Marianne Sloet van
Oldniitenborgh-Oo.\'sterbaan,
Chef de Clinique
Inwendige Ziekten Paard,
Drs. Linda van den Wollenberg,
Specialist in
Opleiding Inwendige
Ziekten Paard.

Wildlife hospital

Op Lesbos, een groen eiland in de Aegeische zee, is het
Wildlife Hospital gelegen. Dit hospitaal is opgericht in
1993 en is lid van de EWRA (European Wildlife Reha-
bilitation Association) en geassocieerd met de RSPCA
(Royal Society for the Prevention of Cruelty to Animals).
Het wordt gerund door mevrouw Ineke Peeters-Lenglet en
de heer Joris A. Peeters in samenwerking met verschil-
lende dierenartsen.

Ondanks dat het een Wildlife Hospital is, wordt aan ieder
gewond dier eerste hulp gegeven. Ook het iinmense zwerf-
dierenprobleem tracht men te verminderen door middel
van castraties. Het eigenlijke werk van het Wildlife
Hospital is het opvangen, behandelen, en indien mogelijk,
het loslaten (op een veilige plaats) van gewonde, zieke of
verweesde wilde dieren. De bewoners van het Wildlife
Hospital zijn dus erg gevarieerd: hond, kat, aangeschoten
roofvogels (buizerd, sperwer), steenuil, vos, kerkuil, mus,
zwaluw, woudaapje, oehoe, schildpad, vleermuis, egel,
groenvink, enzovoort.

Vrijwilligers

Na het eerste contact dat gelegd is via de vereniging
Archaeopteryx, hebben twee diergeneeskundestudenten het
plan opgevat om als vrijwilliger te gaan werken bij het
Wildlife Hospital. Zij willen echter meer doen, zoals het in-
zamelen van financiële en materiële hulp. Enkele voorbeel-
den van materiële hulp zijn: diergeneeskundige apparatuur
(klem, schaar, pincet, thermometer, enzovoort), inedicijnen,
voeding, etcetera. Een verslag van de twee studenten zal ver-
schijnen op het intemet en in Archaeopteryx Veterinaris.

Donateur

Het is mogelijk donateur te worden door dertig gulden per
jaar over te maken op girorekening 3611982. Donateurs ont-
vangen de nieuwsbrief en het jaarverslag. Voor verdere mo-
gelijkheden van het doen van een donatie kan contact gezocht
worden met Joris & Ineke Peeters-Lenglet, 81100 Mytilene,
Lesvos / Greece. Telefoon/fax 30 (251)71076, mobiel
^ 30(93)2833022, e-mail lwhjorin(^otenet.gr, intemet: www.
lesvos.com/wildlifehospital.

Uw materiële donatie kunt u sturen naar: H.M. Zeven-
bergen, Tuinstraat 7,2801 ZN Gouda.
Ook kunt u contact opnemen met Helen Zevenbergen of
Annemieke Wielinga, telefoon: 0182 - 599059 of06 - 24555550
of via hm-zevenberg(geuronet.nl.

-ocr page 176-

Virale zoönosen waarvan het schaap de gastheer kan zijn. R. Veenstra en
A.M. van der Wiele; SR 1003/001; 44 pp.

Zelfredzaamheid van runderen en paarden in natuurgebieden: klinisch
chemisch bloedonderzoek voor energie-, eiwit- en mineralenbalans. H.
Huttenhuis; SR 1004/00: 135 pp.

De economische gevolgen van huidmyiasis voor de schapenhouder. S.
Renes en P. Leijs; SR 1005/00: 33 pp.

Hoefbevangenheid. Een retrospectief onderzoek naar risicofactoren en
prognoses (1995-1998). B. Mayer en H.W. Dijkstra: SR 1006/00: 67 pp.

Streptococcus gallolvticus septikemie bij de postduif F.E. van der
Toom: SR 1007/00: 16 pp.

The influence of the administration of Oxytetracyclin and
Chloramphenicol intramuscularly on the production of volatile fatty
acids in the rumen of iraqi sheep. A.R. Aldaibis; SR 1008/00: 28 pp.

White Line Disease bij het paard; een literatuurstudie. M. van Bamcveld;
SR 1009/00: 30 pp.

Amitriptyline therapy of idiopathic Lower Urinary Tract Disease in Cats:
a double-blind clinical study. M. Kraijer; SR 1010/00: 38 pp.

Mastitis. The infiuence of laterality. B.H. Kikkers: SR 1011/00: 19 pp.

Normal and abnormal motility in animal and human fetuses. M.R.T.
Oppenheim: SR 1012/00: 27 pp.

Toxoplasmose bij varkens. V.M.C. Rijsman; SR 1013/00: 51 pp.

Virusinfecties overgebracht door teken. J. van Os; SR 1014/00: 17 pp.

Gebmik van enrofloxacin en ceftiofur bij het paard. A.C. Berentsen en A.
Buijsert; SR 1015/00: 57 pp.

Epidemiologisch onderzoek naar de faecale uitscheiding van M. paratu-
berculosis bij melkvee in Nederland. 1. Hammer en K. Tolboom; SR
1016/00: 38 pp.

Tegenvallers in de zwoegerziektebestrijding. Een literatuuronderzoek
naar de diagnostische hulpmiddelen en een onderzoek naar de risicofac-
toren die een rol kunnen spelen bij tegenvallers in de zwoegerziektebe-
strijding in Nederland. K. Peterson; SR 1017/00:48 pp.

Emstige acute mastitis; literatuuronderzoek naar en opzet voor een veld-
proef, voor de beoordeling van de effectiviteit van een therapie. R.H.D.
van Riel. SR 1018/00: 18 pp.

Chromosomale afwijkingen als oorzaak van abortus bij het mnd, M.P.R.
Thybaut en A. Withaar; SR 1019/00: 40 pp.

De hond de baas. De invloed van de eigenaar op veroorzaking en ontwik-
keling van probleemgedrag bij de hond; een literatuurstudie. C.J.J.M. van
Gastel; SR 1020/00: 25 pp.

Acupunctuur bij paarden. Wetenschappelijk verantwoord of inspelen op
volksgeloof? E. Hoogland: SR 1021/00: 31 pp.

Bouw, rijping en loslating van de placenta bij het rund. De aetiologie van
de retentio secundinarum. M.J. Huisman; SR 1022/00: 45 pp.

Onderzoek naar Serratia marcescens in verschillend ectoparasieten. J-P.
Nettesheim; SR 1023/00: 43 pp.

Nutrionele ondersteuning van kritieke patiënten. C.P.H.J. Maas: SR
1024/00: 109 pp.

Zangvogelziekten. Een deels van samenvattingen voorziene bibliografie.
A.H. Gerritsen e.v. van Kogelenberg; SR 1025/00: 383 pp.

Macronutrient digestibility in captive jaguamndi {Felis yagouaroundi).
V.E.M. Geurts, J. Nijboer, J. van der Kuilen en A.C. Beynen; SR
1026/00: 8 pp.

Bone Morphogenetic Proteins. Science fiction of realiteit?. S.A. Pot; SR
1027/00: 57 pp.

Professionele gebitsreiniging bij honden en katten - voorzorgsmaatrege-
len, uitvoering en het slijpen van de handinstrumenten -. J. Nijhuis: SR
1028/00: 50 pp.

GnRH gebruik bij koeien. Deel 1: literatuurstudie. Deel 2: dosis-respons-
smdie. H. de Graaf en F. Kampen; SR 1029/00: 56 pp.

Macronutrient digestibility in captive brown bears (Ursus arctos). M. van
de Berg, N.J.G.W. Kolsteren, J. Bos, J. van der Kuilen en A.C. Beynen:
SR 1030/00: 18 pp.

Schatten van de drachtigheidsduur bij mnd en paard. Een literatuurstudie
naar de praktische mogelijkheden om ante partum de leeftijd van kalf en
veulen zo goed mogelijk te schatten. J. van der Veer: SR 1031 /OO: 30 pp.

Diet composition and digestibility in captive emperor tamarins (Saquinus
imperator subgrisescens). M.l. Bieleveld. P. Klaver, J. Covers en A.C.
Beynen; SR 1032/00: 15 pp.

De invloed van vluchtige vetzuren op de pcnspapilontwikkeling bij melk-
koeien. G Meerema: SR 1033/00: 25 pp.

Vergelijking van energie-opname van gecastreerde - en intacte katten. J.
Woltman-van Asselt: SR 1034/00: 17 pp.

Overzicht van diverse farmacologische substanties voor het gebruik van
inhalatieaërosoltherapie bij paarden; een literamuroverzicht. A.N.R.M.
van Dortmont; SR 1035/00: 40 pp.

The relation between intensity of estrus expression and negatieve energy
balance in the post partum dairy cow. B. Landman; SR 1036/00: 21 pp.

Application of a stand-in and a walk-thomgh bath for the treatment of
mortellaro\'s disease. E. Ebbens. J. Kroes, P. Olde Olthuis en R. Zamora;
SR 1037/00: 14 pp.

Praktische en bedrijfseconomische mogelijkheden om biggensterfte tij-
dens de zoogperiode te verminderen. G. Bosch; SR 1038/00: 45 pp.

Digitalisintoxicatie bij het paard. S. Capelle: SR 1039/00: 30 pp.

Lactoferrinegehaltes in melkpoeders voor kalveren en hun mogelijk bete-
kenis voorde veegezondheid. E. Loeb; SR 1040/00: 21 pp.

Lijst studenten referaten derde kwartaal 2000

-ocr page 177-

Is het uitvoeren van een onderwijsfoetotomie door
een student te verantwoorden?

Ingezonden

In deel 125, aflevering 9 van het Tijd-
schrift voor Diergeneeskunde (mei
2000) heeft student drs. Emmanuel
Loeb ethische en educatieve aspecten
met betrekking tot het uitvoeren van de
zogenaamde onderwijsfoetotomie tij-
dens de opleiding in een ingezonden
brief aan de orde gesteld. Hij heeft
daar zijn eigen zorgvuldige afweging
gemaakt resulterend in een zeer kriti-
sche houding ten aanzien van deze in-
greep. Terecht schrijft mevrouw dr.
Lisette Overduin in het redactioneel
commentaar dat een dergelijk initiatief
lovenswaardig is en dat een discussie
in het TvD over onder andere deze
handeling wordt toegejuicht. In afleve-
ring 13 van deel 125 reageert dr.
T.J.G.M. Lam, voorzitter van de
Groep Geneeskunde van het Rund als
eerste op de ingezonden brief van de
heer Loeb. Ook hij stelt dat in gevallen
waarin het welzijn van het dier in het
gedrang komt, een zorgvuldige afwe-
ging van belangen van mens èn dier
gemaakt dient te worden. Het belang in
de mnderpraktijk van een obstetrische
therapie als de foetotomie wordt door
hem benadrukt. Derhalve dient vol-
doende kennis en ervaring voor het
doen van deze ingreep bij mndveedie-
renartsen aanwezig te zijn. Het bestuur
van de Groep Geneeskunde van het
Rund doet echter geen uitspraak over
hoe de eerste praktische ervaring en
training bij het levende moederdier het
beste kan worden verkregen. Graag
willen wij als onderwijsgevenden re-
ageren.

Foetotomie-onderwijs

In het obstetrie-onderwijs worden tij-
dens de practica diverse verloskundige
handelingen gedemonstreerd en geoe-
fend. Tot deze oefeningen behoort te-
vens de basale training van de foetoto-
mie in het fantoom. Deze oefeningen
bieden de basis voor de verdere trai-
ning in de (partiële) foetotomie. Het
beleid was en is erop gericht de onder-
wijsfoetotomie slechts te laten verrich-
ten door studenten die een grote kans
maken de foetotomie na afstuderen te
moeten toepassen. Gaande het oude
curriculum is er in 1986/1987 vanuit
de voormalige vakgroep Verloskunde,
Gynaecologie en KI een discussie ge-
start om (afwegende onder meer de
ethische, onderwijskundige en finan-
ciële argumenten) de studenten die de
differentiatie Gezelschapsdieren (GD)
kiezen niet meer te verplichten deze
praktische handeling uit te voeren. De
kans dat zij de totale foetotomie later
zouden toepassen was immers klein.
Alhoewel de facultaire onderwijscom-
missie en de studentenraad het daar ge-
zien de eindtermen van de opleiding
niet mee eens waren, werd in de facul-
teitsraadsvergadering van 17 decem-
ber 1987 besloten dat het uitvoeren
van de onderwijsfoetotomie voor
\'GD- studenten\' facultatief zou moe-
ten zijn. Na een tweetal jaren werd be-
sloten dat alleen studenten in de diffe-
rentiatierichting landbouwhuisdieren
de onderwijsfoetotomie zouden moe-
ten verrichten. Momenteel vindt een
verdere aanzienlijke daling plaats in
het aantal studenten dat in aanmerking
komt voor een onderwijsfoetotomie.
Dit komt omdat met de invoering van
het nieuwe curriculum een verdere
toespitsing mogelijk is, namelijk op de
studenten die voor de herkauwerge-
neeskunde kiezen.

Leerdoelen

Tot de primaire leerdoelen behoren,
mede in aansluiting op het theoretisch
onderwijs en de practica:

1. Het verkrijgen van basale handvaar-
digheid en ook inzicht in de foetoto-
mie bij het levende moederdier.

2. Training in de intra-uteriene oriën-
tatie (ten opzichte van zowel ute-
riene als foetale stmcturen) en
voorts het verkrijgen van voldoende
training in het verloskundig onder-
zoek en de verloskundige handvaar-
digheid in het algemeen. Tijdens de
foetotomie is continu een intensieve
heroriëntatie op de intra-uteriene
positie van het kalf noodzakelijk.
Dit alles onder begeleiding en con-
trole op de handelingen.

Onderwijsdier versus aangeboden
patiënt

De uitvoering van de foetotomie in een
onderwijskoe is ons inziens een be-
langrijk leermoment tussen de fan-
toomoefeningen en de patiëntenbehan-
deling. Bij een onderwijskoe is geen
sprake van dystocia. Zij vertoont vrij-
wel altijd gunstiger inwendige ruimte-
lijke verhoudingen dan een patiënt.
Bovendien bevindt de onderwijskoe
zich nog in de late ontsluitingsfase of
in een vroeg stadium van de uitdrij-
vingfase en er is nog volop amnion-
vloeistof aanwezig. Kortom, de om-
standigheden voor een eerste training
zijn obstetrisch gezien optimaal.
Ernstige beschadigingen van de ge-
boorteweg treden zelden op en compli-
caties tijdens het puerperium vormen
eveneens een zeer grote uitzondering.
Na de oefening in het onderwijsdier
blijkt het in veel gevallen mogelijk een
student in de behandeling van een pa-
tiënt te laten participeren. Derhalve
worden de aangeboden patiënten beter
voor het onderwijs benut en is later de
schroom om zelfstandig een foetoto-
mie te verrichten geringer.

Onze afweging

Wij zijn het zeker eens met veel van de
overwegingen van drs. Loeb ten aan-
zien van het welzijn en de eigenwaarde
van de onderwijsdieren. Voorafgaande
aan de onderwijsfoetotomie wordt het
gezonde kalf geëuthanaseerd. Dit is
voor ieder die hier mee te maken heeft
een zwaarwegend punt. En natuurlijk
is het voor het moederdier een belas-
ting als een student voor het eerst een
foetotomie uitvoert. Een belasting die
bovendien niet in het belang is van de
betreffende koe. Zij had immers nor-
maal kunnen kalven. Is dit moreel toe-
laatbaar en is dit, zoals Loeb stelt, wel
de juiste scholing voor studenten om
hen als toekomstige dierenartsen een
kritische houding bij te brengen tegen-
over de uitgebreide diversiteit van
ethische problematiek? Is hier sprake
van minachting voor het welzijn en de
intrinsieke waarde van de onderwijs-
koe?

Ons inziens zou hier inderdaad sprake
van zijn indien zonder zwaarwegende
reden de foetotomie bij dit dier zou
worden uitgevoerd. Met betrekking tot
de doelgroep, die inderdaad later ge-
acht wordt de
totale foetotomie Zege
artis
te kunnen verrichten, is die

-ocr page 178-

zwaarwegende reden voor ons aanwe-
zig. Oolc het welzijn en de intrinsieke
waarde van de patiënten is immers een
belangrijk facet in de afweging. Een
patiënt waarbij dystocia is gediagnos-
ticeerd en die het vaak al zwaar heeft
benutten voor de eerste oefening, kan
te veel gevraagd zijn van die patiënt,
van de eigenaar en van de student of
jonge dierenarts. Veel eigenaren zul-
len trouwens ook niet accepteren dat
een in de techniek onvoldoende ge-
schoolde dierenarts de patiënt behan-
delt. Het daarbij aanwezig zijn van een
collega met ervaring is meestal geen
afdoende oplossing. De student of on-
ervaren collega zal immers zelf de
zaag en de foetotoom moeten aanleg-
gen. Een en ander kost (veel) extra tijd
en de ervaren collega moet vervolgens
inwendig controleren en zonodig cor-
rigeren. Ook dit betekent extra hande-
lingen en tijdverlies met als resultaat
een zwaardere belasting voor het dier
en van de geboorteweg in het bijzon-
der. Het door onvoldoende ervaring
opzien tegen het uitvoeren van een
foetotomie kan overigens ook leiden
tot de keuze voor een andere therapie,
zoals de sectio caesarea of zelfs ver-
hoogde trekkracht. Waar een (vlot uit-
gevoerde) foetotomie geïndiceerd is,
zijn die alternatieven meer belastend
voor de gezondheid en het welzijn van
het moederdier!

Ook voor de ervaren docenten is de af-
weging niet altijd makkelijk. Zij ver-
keren zeker niet in de greep van per-
fectionisme gevoed door verregaande
ambitie, zoals drs. Loeb het verwoordt.
Wel voelen zij zich verantwoordelijk
voor een goede startpositie van de
jonge rundveedierenarts. De veehou-
der mag van de moderne rundveedie-
renarts een goed inzicht en grote vaar-
digheid in de verloskunde verwachten.
In het licht van de steeds terugkerende
discussie rond de onderwijsfoetotomie
lijkt het zinvol om een indicatie te krij-
gen van het aantal (partiële) foetoto-
mieën dat in de praktijk wordt uitge-
voerd. Bovendien dient daarbij inzicht
te worden verkregen aangaande die
obstetrische casus waarbij de foetoto-
mie de eerste keuze had moeten zijn,
maar er toch gekozen is voor een kei-
zersnede of verhoogde trekkracht Een
enquête onder rundveedierenartsen
over dit onderwerp zal worden uitge-
voerd.

Mede namens de vaste ohstethestaf.
Prof. dr. G. C. van der Weijden

Vervolg discussie onderwijsfoetotomie

Het is nu bijna een jaar geleden dat
mijn ingezonden discussiestuk over de
onderwijsfoetotomie verscheen. Als
enige tot op heden, reageerden de heer
Lam van de \'Groep Geneeskunde van
het Rund\' (GGR) en de afdeling obste-
trie in het hierboven gepubliceerde
stuk. De kern van de discussie draait
om het ethisch bewustzijn in de dierge-
neeskunde. Dat geeft de scheiding aan
tussen dierenarts en een dierenmon-
teur.

Tot mijn grote teleurstelling is er in het
recente stuk geen aandacht besteed aan
de educatieve boodschap die een han-
deling als de onderwijsfoetotomie met
zich meebrengt. Dat is een zwak punt
dat verder reikt dan de huidige discus-
sie, maar ook elders ingrijpt in het
diergeneeskundig onderwijs op onze
faculteit.

Het vak ethiek, dat al tijdens het oude
curriculum een zeer bescheiden plaats
innam, werd in het nieuwe curriculum
gekoppeld aan vakken als wetskennis
en gerechtelijke diergeneeskunde.
Kennelijk vond men het niet belang-
rijk genoeg om als een zelfstandig vak
te doceren. De ethiek heeft praktisch
immers niets met de laatste twee vak-
ken te maken. Dit roept de vraag op:
welk waardebesef krijgt de student
mee om later een scherp kritische hou-
ding te ontwikkelen met betrekking tot
ethische vraagstukken als hij in het
veld komt. Of moet iedereen dat voor
zichzelf uitzoeken?
Men zal zich voldoende moeten reali-
seren dat door beroepsblindheid de
kans bestaat dat na verloop van tijd
normen en waarden ten aanzien van
het lijden van dieren kunnen vervlak-
ken. Daarom is het van doorslagge-
vend belang dat de faculteit deze
steeds toetst en aanscherpt. Zij heeft
een wakende functie. Haar studenten
moeten uiteindelijk weer het voor-
beeld geven aan anderen in het be-
roepsveld. Daarbij zij gewezen op het
feit dat de onderwijsfoetotomie, waar-
over de huidige discussie gaat, slechts
het topje van de ijsberg laat zien.
Andere handelingen die onder de titel
\'non-recovery anaesthesia\' staan
waarbij chirurgie wordt geoefend op
gezonde dieren onder narcose (pony-
en biggenpracticum), vinden weke-
lijks plaats in de faculteit. In andere
landen, zoals in de Verenigde Staten,
zijn dit soort handelingen al lang niet
meer toegestaan. Verder worden var-
kens op de faculteit op één van de
minst diervriendelijke huisvestings-
systemen gehouden.

Gezag als arts

Bij gebrek aan duidelijke ethische
richtlijnen kan er een situatie ontstaan
waarbij de dierenarts zijn
gezag als
arts
kwijtraakt ten aanzien van zijn
klanten. De gevolgen hiervan vragen
nauwelijks om uitleg. De dierenarts
wordt dan alleen nog ingeroepen voor
noodgevallen bij handelingen die de
klant niet zelf kan verrichten. Het heeft
een verontrustende uitwerking op het
deskundig inzicht van de dierenarts en
werkt remmend op ieder creatief ini-
tiatief dat van hem op een bedrijf
wordt verlangd, wanneer preventieve
mogelijkheden zijn uitgeput.

Vruchteloze polarisatie?
Graag reageer ik op het stuk van de
heer Lam getiteld: \'Foetotomie nuttige
ingreep\', van 1 juli 2000 en op het re-
cente stuk van de afdeling obstetrie
welke hierboven is verschenen met de
kop: \'Is het uitvoeren van een onder-
wijsfoetotomie door een student te
verantwoorden?\'

• Niemand betwijfelt het nut van de
foetotomie als ingreep.

-ocr page 179-

• Volgens de heer Lam leidt de ver-
deeldheid tussen voor- en tegenstan-
ders van onderwijsfoetotomie uit-
eindelijk tot vruchteloze polarisatie.
Integendeel, de mogelijkheid maakt
grote kans dat het in een openhartige
sfeer tot een zeer nuttige confronta-
tie komt, met de gelegenheid om de
zaak nog eens goed te evalueren.

• \'Het bestuur van de GGR acht zich
echter niet capabel om te kunnen be-
oordelen of genoemde doelstellin-
gen ook middels onderwijs op een
fantoom, tijdens een \'onderwijs-sec-
tio\' of anderszins bereikt kunnen
worden\'. Dat lijkt mij een bedenke-
lijke uitspraak. Daamit zou men
kunnen opmaken dat men in de GGR
de verantwoordelijkheid schuwt ten
aanzien van de handeling en wijkt
voor de confrontatie die zij graag
doorschuift naar een ander. Zij
maakt geen keuze en heeft daardoor
ten aanzien van het vraagstuk geen
houding.

Tussenstap

In het andere, recente artikel van de af-
deling obstetrie, wordt gesteld dat de
onderwij skoe als een tussenstap moet
dienen tussen fantoomoefening en pa-
tiëntenbehandeling. Verder wordt er
stilgestaan bij de mogelijke grote ver-
schillen tussen de omstandigheden bij
een onderwijskoe en de patiënt. Wel-
nu, deze opmerking versterkt alleen de
absolute wenselijkheid dat de eerste
confrontatie van een jonge dierenarts
met zo\'n gecompliceerd geval bege-
leid dient te worden door iemand met
meer ervaring. Ik vraag me tevens af
wanneer de verschillen zo aanzienlijk
zijn: wat is dan de toegevoegde waarde
van de onderwijsfoetotomie aan het
leerproces, vergeleken met een goed
altematief, waarbij de totale foetoto-
mie nagenoeg volledig wordt nage-
bootst door een partiële foetotomie
(zie verder: altematief voorstel)? Het
feit dat een behandeling, waarbij het
werk gedaan wordt door een leerling te
veel tijd vergt en een te grote belasting
voor het dier zou zijn, is geen reden om
een handeling uit te voeren op een
proefdier zonder medische indicatie.
Hiermee suggereert men aan handig-
heid te winnen, maar wel ten koste van
onze waarden en normen als mens en
als geneeskundige.

Verder staat er in het stuk dat het aantal
onderwij skoeien wordt temggebracht
met de komst van het nieuwe curricu-
lum. Dat lijkt mij binnen de context
van deze discussie, waarbij normen en
waarden aan de orde zijn, geen argu-
inent, immers elke koe is er één te veel.

Alternatief voorstel

• Bij het op gang komen van de partus,
wordt het proefdier ingespoten met
een epidurale injectie, om het persen
tegen te gaan.

• Vervolgens wordt het aanleggen van
een niet-scherpe draad rond de lede-
maten en mogelijk de kop geoefend.
Hierbij kunnen de twee voorpoten
en de kop of de twee achterpoten en
buik (bij stuitligging) door de deel-
nemers geoefend worden zonder het
kalf te zagen.

• Nadat de student de draad heeft aan-
gelegd en het foetotoom in de goede
positie heeft, wordt deze door een
dierenarts beoordeeld en zo nodig
gecorrigeerd.

• Zodra de oefening afgerond is,
wordt het kalf middels een onder-
wijsextractie geboren.

Samenvattend

Tot slot dient men zich dwingend af te
vragen: wanneer de onderwijsfoetoto-
mie zo\'n uitstekende en noodzakelijke
uitkomst zou bieden, waarom heeft
dan de Utrechtse faculteit geen inter-
nationaal gevolg weten te winnen voor
haar uitzonderlijke methode? Het ant-
woord ligt voor de hand. De noodzaak
ervan is niet aantoonbaar. Men zou
zich op z\'n minst kunnen afvragen
welke argumenten alle overige veteri-
naire scholen naar voren brengen om
dit onderwijsprobleem op te lossen en
daarmee aan een ander onderwijsmo-
del de voorkeur te geven. Van een der-
gelijke reflexie blijkt echter niets.
Integendeel, men sluit zich voor een
meerderheid af

Hieruit spreekt geen zorgvuldig door-
dacht aftasten, bedreven vanuit de be-
roepsethiek en gevoel voor het dier,
noch een buitengewone visie die een
dergelijke solitaire houding, genomen
na breed overleg, enigszins zou kun-
nen rechtvaardigen. De stelling die zij
innemen is argumentatief onjuist, on-
realistisch en sociaal-medisch gezien,
uit de tijd.

Mano Loeh

Immunosterilisatieen integriteit

Naar aanleiding van de brief van L.J.E.
Rutgers (TvD 1 januari 2001) hande-
lend over de integriteit van het varken
in relatie tot immunocastratie, willen
wij graag reageren. In de brief, waar
als titel boven staat: \'Immunocastratie
een stap verder in de verdinglijking
van het varken\' wordt ingegaan op de
betekenis van integriteit. Alvorens
hierop in te gaan is het goed, voor het
wegnemen van misverstanden, om aan
te geven wat er met immunocastratie
wordt bedoeld. Het gaat om het tijde-
lijk onderdmkken van de uitstoot van
het hormoon GnRH, waardoor perifere
LH- en FSH-waardes laag blijven, met
als gevolg dat er dus gedurende een be-
perkte tijd geen of weinig testisactivi-
teit is. Het is dus geen castratie, maar
een tijdelijke immunosterilisatie. Als
de immuunstimulans niet herhaald
wordt, zal na verloop van tijd de
GnRH spiegel naar de normale waarde
terugkeren, waama een normale testis-
functie zich instelt. Met andere woor-
den, de term immunocastratie is een
onjuiste term, die beter vervangen kan
worden door immunosterilisatie.

In de brief wordt gesteld dat, uit res-
pect voor de integriteit van het dier, de
mens de verplichting heeft het dier
biologisch intact te laten. In het licht
van deze betekenis is de titel boven de
brief misleidend. Immers, vergeleken
met de huidige mutilerende praktijk
van de chimrgische castratie die zon-
der verdoving wordt uitgevoerd, is de
tijdelijke immunosterilisatie, waarbij
gedurende een deel van de mestpe-
riode de testisactiviteit wordt stilgezet,
een ingreep van een geheel andere
orde. In feite is het verbazingwekkend

-ocr page 180-

dat in een diergeneeskundig tijdsclirift
over deze thematiek wordt gedelibe-
reerd zonder dat goed aandacht wordt
geschonken aan de ergerlijke vorm
van dierenmishandeling die elk jaar
weer op miljoenen varkens wordt toe-
gepast. Naast de directe dierenmishan-
deling leidt de ingreep ook tot emstige
negatieve consequenties op termijn,
zoals blijkt uit het grote aantal afwij-
kende slachtbevindingen.
Immunosterilisatie is als project opge-
start om na te gaan of er acceptabele al-
tematieven te ontwikkelen waren die
zonder emstige bezwaren zouden kun-
nen worden toegepast. De resultaten
die tot nu toe zijn geboekt zijn hoopge-
vend en kunnen op termijn leiden tot
een stap vooruit naar een minder dier-
onvriendelijke varkenshouderij. Dit
laatste geldt alleen als de noodzake-
lijke immunisatie op een verant-
woorde wijze is uit te voeren. De stel-
ling dat castratie in het geheel niet
nodig is, gaat er vanuit dat de beren-
geurproblematiek een fictief probleem
is, een stelling die in het verleden goed
onderbouwd als onjuist is bestempeld
(J.M. Wijsmuller, TvD 15-11-2000,
pagina 685).

ctua

In de brief wordt verder gesuggereerd
dat de publieksacceptatie van de im-
munosterilisatie laag zou zijn. Gesteld
kan worden dat dit niet goed onder-
zocht is. Een goede voorlichting kan
hierbij zeker helpen. De discussie die
tot nu toe door een aantal geïnteres-
seerden is gevoerd, behoeft duidelijk
verdieping, waarbij het van belang is
dat de diverse mogelijkheden zo ob-
jectief mogelijk worden gewogen. Met
name de publieksvoorlichting over de
thans gepraktiseerde aanpak moet in
duidelijke taal aan de orde worden ge-
steld. Dat in de brief van Rutgers de
term \'hormoonvlees\' wordt gebezigd,
geeft aan dat van objectiviteit geen
sprake is. Iedere biologisch ge-
schoolde discussiant moet na verdie-
ping in het onderwerp tot de conclusie
komen dat er ten gevolge van immu-
nosterilisatie sprake is van een sterke
verlaging van de hormonen GnRH, LH
en FSH, dit in tegenstelling tot de con-
centratie van deze hormonen in chimr-
gisch gecastreerde varkens. Er is, als
men dit soort termen al wil gebmiken,
derhalve sprake van \'hormoonvrij\'
vlees. Afgezien van de vrije keuze valt
immunosterilisatie in een aantal op-
zichten te vergelijken met de anticon-
ceptiepil bij de vrouw. Ethische be-
zwaren tegen deze \'tijdelijke\'
sterilisatie leven slechts bij een zeer
kleine groep mensen. Wij verwachten
derhalve niet dat immunosterilisatie
bij varkens op ethische bezwaren zal
stuiten, mits er objectieve en eerlijk
uitleg van zaken wordt gegeven.

Prof.dr. C.J.G. Wensing
Ir. J.A. Turkstra

Congressen eficüfsüsseo

Veterinair symposium \'Drachtig of Drama\'

De Zwolle International Stallion Show staat van 3 tot en met 7 maart 2001 geheel in het teken van sport en fok-
kerij. Om de fokkerij meer aandacht te geven zal op dinsdagmiddag 6 maart in de IJsselhallen een veterinair
symposium worden georganiseerd onder de titel \'Drachtig of Drama\'. Tijdens dit symposium zal door ver-
schillende deskundigen uit binnen- en buitenland een visie worden gegeven op drachtigheidsbegeleiding van
paarden.

Onder leiding van J. Knaap zal een viertal sprekers ingaan op verschillende facetten van de fertiliteit.
Het programma begint om 14.00 uur. Daarin zal P.F. Daels (Frankrijk), dierenarts en directeur van Equine
Reproduction Research Unit, Haras, \'Het moment van de eisprong\' bespreken. Vervolgens besteedt J.J. Vazquez
(Mexico), dierenarts op La Silla Stables, aandacht aan \'Embryotransplantatie\'. Vazquez heeft onder meer de wereld-
beroemde springmerrie Ratina Z voor embryotransplantatie begeleid. B. Rambags (Nederland), dierenarts op de
Faculteit der Diergeneeskunde vertelt over \'Tweelingdracht: een ramp of een zegen?\' en tot slot geeft P. de Vries
(Nederland), praktiserend dierenarts te Heerde, zijn visie op \'Modeme voortplantingstechnieken, nu en in de toe-
komst!\'

Middels een fommdiscussie krijgt het publiek de mogelijkheid om interactief te worden betrokken en vragen te stel-
len aan de sprekers.

Voor meer informatie en reservering van toegangsbewijzen kunt u contact opnemen met Bert Okker, telefoon: 030 -
2767805 of e-mail: drachtig@hotmail.com

-ocr page 181-

Veterinary Wound Healing Association

De behoefte om betere strategieën voor handen te hebben als het gaat om wonden bij ge-
zelschapsdieren, was de hoofdreden om in 1997 de Veterinary Wound Healing
Association op te richten. Deze stichting brengt clinici, farmaci en wetenschappers bij
elkaar, die werken in verschillende takken van zowel de veterinaire als de humane ge-
neeskunde. Zij hebben een gemeenschappelijke interesse in de vooruitgang en het in
praktijk brengen van veterinair wondmanagement.

De stichting organiseert minstens één wetenschappelijke bijeenkomst per jaar. Dit jaar
gaat het om alweer de vijfde bijeenkomst,
van 10 tot en met 12 mei 2001 in Hannover,
Duitsland. Hoofdonderwerpen zijn het gebruik van materialen bij wondmanagement, de toe-
passingen van huid, management van moeilijke wonden en case studies.

Meer informatie: Veterinary Wound Healing Association, Dr. S.M.E. Cockbill. Sw-gical Dressing Research Unit, Welsh
School of Pharmacy, UWC Redwood Building, King Edward VII Avenue, Cathays Park, Cardiff CFIO 3XF. Wales, UK, of
bezoek de website www.cf.ac.uk/uwc.phrmy/VWHA/

Marketing in de landbouwhuisdierenpraktijk

Door het volgen van deze workshop
ontdekt u dat commercieel praktiseren
vele voordelen biedt. Marketing bete-
kent: op verantwoorde wijze klanten
voorzien van producten en diensten die
zij (graag) willen kopen. Hoe goed kent
u uw klanten? Vraagt u ze wel eens wat
ze van u en uw praktijk vinden?
Doel van de workshop is leren wat de
concrete kansen en mogelijkheden zijn
van marketing in uw praktijk. Na het
volgen van deze workshop bent u in
staat om een realistisch marketingplan
voor uw praktijk te maken. U kunt direct
aan de slag met nieuwe ideeën van col-
lega\'s, de trainers en uzelf
De cursus is er voor iedere ondememer
die toe is aan een positieve impuls voor
zijn praktijk. De workshop richt zich op
landbouwhuisdierenpractici.

Inhoud

Algemene marketingprincipes worden
aan de praktijk getoetst, waarbij de indi-
viduele verwachtingen van de deelne-
mers centraal staan. Aspecten die aan de
orde komen zijn:

• Wat zijn de knelpunten in uw prak-
tijk?

• Wat is marketing?

• SWOT-analyse van uzelf als onder-
nemer en uw praktijk

• Peilen van klantbehoefte: vragen, on-
derzoek

• Productbeschrijving: wat verkoop ik
eigenlijk?

• Dienstverlening als product

• De\'4 P\'s\', aan de slag met uw product
in uw praktijk:

productdifferentiatie
prijs

positionering
promotie

De workshop is interactief van aard. De
ervaringen van de deelnemers staan cen-
traal. Theorie wordt afgewisseld met
voorbeelden uit de praktijk en er is volop
mimte voor vragen en discussie. De cur-
sus duurt één dag. De kosten bedragen
voor WAA-leden ƒ 375,- en voor niet-
leden ƒ 425,-, studenten betalen ƒ295,-.

Trainers

Uw trainers zijn Jan Hülsen en Joep
Driessen, dierenartsen met nationale en
intemationale ervaring in diergenees-
kunde en marketing. Hun veterinaire or-
ganisatie en adviesbureau Vetvice is ge-
specialiseerd in kennisoverdracht, con-
sultancy en projectmanagement. Op het
gebied van marketing werken zij voor
een aantal farmaceuten, een Kl-instantie
en landbouwcoöperaties. Naast trainin-
gen is Vetvice ook actief in het ontwik-
kelen van nieuwe producten Voor meer
informatie: www.vetvice.nl.

Gegarandeerd betere resultaten! Dat bereikt u met goede marketing. De
workshop \'Marketing in de landbouwhuisdierenpraktijk\' geeft u waardevolle
tips voor de praktijk. U leert onder meer hoe u uw klanten beter tevreden kunt
stellen, uw klanten beter kunt geven wat ze willen en eventueel hoe u meer in-
komen kunt genereren, of hetzelfde inkomen in minder tijd. De workshop
wordt gehouden op
dinsdag 10 april2001 in Utrecht, van negen tot vijf.

Fiscaal voordeel voor ondernemers

De overheid stimuleert (na)scholing
langs fiscale weg. Voor ondememers en
andere in de ondememing werkende
personen zijn in de zakelijke sfeer ge-
maakte scholingskosten meestal aftrek-
baar voor 140% (voor 40- plussers is het
180%). Deze verhoogde aftrek (scho-
lingsaftrek) geldt niet voor reis- en ver-
blijfskosten, die zijn gewoon voor 100%
aftrekbaar. Voor meer informatie verwij-
zen wij u naar uw accountant of belas-
tingadviseur of www.belastingdienst.nl.

Accreditatie is aangevraagd bij het
Coördinatiecentmm Erkende Dieren-
artsen (CED).

Wih u deelnemen aan de workshop
Marketing in de landbouwhuisdieren-
praktijk, meldt u zich dan aan via e-mail
congres@waa.nl of bel 030 - 2474328.
Bent u geïnteresseerd in de overige op-
leidingen die de WAA aanbiedt, kijk
dan op www.waa.nl of vraag de bro-
chure 2001 aan.

-ocr page 182-

BSE: feiten
en fictie

BSE houdt de gemoederen enorm
bezig. De gevolgen daarvan zijn
merkbaar voor dierenartsen en
veehouders. Hoe heeft het BSE-
drama kunnen ontstaan? Op 13
maart 2001 organiseert vakblad
De Molenaar het BSE-congres
Feiten en Fictie in de Reehorst te
Ede. Sprekers zijn onder andere
prof. J.W. Wilesmith, dè Britse
expert op het gebied van BSE,
prof. A.D.M.E. Osterhaus, lid van
het wetenschappelijk comité van
de EU over BSE, ir. I. Peutz, hoofd
van de sectie BSE van de directie
Voedselveiligheid van het directo-
raat generaal gezondheid en con-
sumentenzaken van de Europese
Commissie, K.H. Funke, minister
van Landbouw in Duitsland die
als gevolg van de BSE-crisis is af-
getreden, en F.G. van Zijderveld,
die leiding geeft over de uitvoering
van de BSE-testen bij het ID
Lelystad.

Verder zal onze minister van Land-
bouw, Natuurbeheer en Visserij
mr. L.J. Brinkhorst ingaan op de
BSE-problematiek.
Aan het eind van de dag volgt een
forumdiscussie met onder andere
dr. C.M. van Duijn van de afdeling
medische epidemiologie en biosta-
tistiek van de Erasmus Universiteit
te Rotterdam. Van Duijn houdt
zich bezig met het voorkomen en
de risico\'s van de ziekte van
Creutzfeldt-Jakob in Nederland.
De dagvoorzitter is dr. G. Bene-
dictus.

De voertaal van het congres is
Nederlands. De kosten bedragen
ƒ 495,- (exclusief BTW). Abonnees
van De Molenaar betalen
ƒ 395,-
(exclusief BTW). Hierbij is de
lunch inbegrepen.
Nadere informatie is te vinden op
http://www/bse-congres.com.
U kunt zich daar ook opgeven of
het inzendformulierfaxen naar uit-
geverij Eisma in Leeuwarden (fax-
nummer 058 - 2954878). Het tele-
foonnummer is 058 - 2954854.

II

Zoönosen

Lammerende schapen als bron van
ernstige psittacose bij een zwangere
vrouw.

Kampinga CA et al. Ned Tijdschr
Geneesk 2000; 144:2500-4.

In dit artikel wordt een ernstig ziekte-
geval beschreven van een 20-jarige
vrouw in de 26e week van haar zwan-
gerschap. Zij had geholpen bij het lam-
meren van de schapen en werd geïn-
fecteerd met
Chlamydia psittaci. Er
waren vrij veel doodgeboren lamme-
ren op het bedrijf.

De patiënt vertoonde een ernstig sep-
sisbeeld en kunstmatige beademing
was noodzakelijk. De baby werd im-
matuur geboren en overleed direct na

Pluimvee

Hydroperlcardium hepatitis syndroom:
een overzicht

K. Ganesh, and R. Raghavan. Research in
Veterinary Science 2000; 68:201-6.

Het hydropericardium syndroom is voor
het eerst beschreven in 1987 in Pakistan
en is sindsdien ook gerapporteerd in
Irak, India, Zuid- en Centraal Amerika
en Rusland. De ziekte is in Europa nog
niet waargenomen.

De ziekte gaat meestal gepaard met een
plotselinge uitval die op kan lopen tot
75%. Vooraf worden geen klinische
symptomen waargenomen. Tijdens sec-
tie valt vooral de grote hoeveelheid wa-
terige of gel-achtige vloeistof in de peri-
cardholte op dat 5 tot 20 ml kan
bedragen. Het hart zelf ziet er misvormd
en papperig uit en verder kunnen er ne-
crotische foei in de lever en petechiën in
de hartmusculatuur en andere organen
worden waargenomen. Histopatholo-
gisch is vooral de lever aangetast.
Kleine multifocale gebieden met coagu-
lative necrose, mononucleare infiltratie
en de aanwezigheid van intranucleair
basofiele insluitlichaampjes in de hepa-
de geboorte. In de placenta werd een
acute intervillitis gevonden waaruit
een oviene C.
psittaci kon worden
geïsoleerd. De vrouw herstelde volle-
dig.

Hoewel herkauwerstammen als min-
der virulent worden beschouwd voor
de mens dan vogelstammen, kunnen
ook deze dieren een bron van psitta-
cose zijn. Bij niet zwangere personen
verloopt de aandoening niet emstig
met een griepachtig beeld of een atypi-
sche pneumonie. Bij een zwangere
vrouw daarentegen, gaat de infectie
gepaard met een ernstig septisch beeld
met diffuse intravasale stolling en res-
piratoire insufficiëntie. Met name bij
schapen is C.
psittaci een belangrijke
oorzaak van abortus en doodgeboren
lammeren. Het verdient daarom aan-
beveling voor zwangeren elk contact
met lammerende schapen te vermij-
den. De dierenarts kan een belangrijke
rol spelen in de voorlichting hierover
naar de veehouders toe.

P.A.M. Overgaauw

tocyten kunnen worden waargenomen.
De ziekte wordt veroorzaakt door het
fowl adenovims, serotype 4 (FAV4). de
incubatietijd ligt tussen de vijf en 18 da-
gen en uitval ten gevolge van FAV4
treedt gedurende twee tot 17 dagen op.
De ziekte wordt horizontaal overge-
bracht via versleping van materialen en
mest. Het zijn vooral de snelgroeiende
dieren in een koppel die het eerst wor-
den aangetast. De uitval treedt op vanaf
14 dagen leeftijd met een piek op drie
tot vier weken leeftijd. Er lijkt verschil
in gevoeligheid te bestaan tussen ver-
schillende kuikenmerken. Het diagnos-
ticeren van een geïnfecteerd koppel
voordat er problemen optreden is moei-
lijk omdat de kuikens geen specifieke
klinische symptomen laten zien. Plot-
selinge uitval op drie weken leeftijd en
het op sectie vinden van een hydroperi-
card en de aanwezigheid van basofiele
intranucleaire insluitlichaampjes in he-
patocyten, worden als pathognominsch
voor deze aandoening beschouwd. De
serologische testen die op dit moment
beschikbaar zijn, zijn nog niet specifiek
genoeg. Ter bestrijding en preventie
van de ziekte zijn lokaal geproduceerde
geïnactiveerde vaccins beschikbaar.

L. van Veen

-ocr page 183-

Pluimvee

Ornithobacterium rhinotracheale in-
fectie in leghennen

Sprenger S, Hahorson D, Nagaraja K,
Spasojevic R, Dutton R en Shaw D. Avian
diseases 2000; 44:
725-9.

In dit case-report worden drie leghenbe-
drijven besproken met
Ornithobacte-
rium rhinotracheale
(Or) infecties in
meerdere koppels. Klinische verschijn-
selen lopen uiteen van verhoogde

Paard

Esophageal obstruction in horses: a
retrospective study of 34 cases

Feige K, Schwarzwald C, A. Fürst, and
Kaser-Hotz B. Canadian Veterinary
Journal 2000; 41: 207-10.

Retrospectief werden de lotgevallen
onderzocht van 33 paarden en ponies
(en één ezel) met een oesofagusob-
structie, die in de periode 1993-1998
werden behandeld in de Universiteits-
kliniek te Zurich, Zwitserland. Dc ge-
middelde leeftijd van de dieren was
10,5±8,7 jaar met een spreiding van
zes maanden tot 32 jaar.
De obstructie werd uitsluitend verhol-
pen na sedatie met xylazine (0,4 mg/kg
LG iv) in combinatie met toediening
van metamizole als spasmolyticum
(40 mg/kg LG iv) of onder algehele
anesthesie (in slechts 6% van de geval-
len). In 82% van de gevallen kon geen
anatomische afwijking worden vastge-
steld aan de slokdarm. In 85% was het
de eerste keer dat een oesofagusob-
stmctie optrad, terwijl het in vijf geval-
len een recidive betrof In 27% van de
gevallen was gepelleteerd voer de oor-
zaak van de obstmctie, terwijl hooi,
gras, wortelen en appels in andere ge-
vallen problemen gaven.
De obstmctie werd in de regel verhol-
pen door spoeling of het verwijderen
van partikels. In 82% van de gevallen
bleek éénmaal spoelen voldoende. Er
bleek geen significante correlatie te
zijn tussen het optreden van een ver-
slikpneumonie als belangrijkste com-
sterfte, respiratoire verschijnselen tot
productiedaling. De diagnose wordt ge-
steld door middel van isolatie van de
bacterie dan wel serologisch door het
aantonen van antilichamen tegen
Or. In
de meeste koppels spelen ook andere
problemen zoals infecties met IB, Mg of
E-coli, echter Or wordt ook geïsoleerd
uit tracheaswabs van vier weken oude
opfok-hennetjes zonder klinische ver-
schijnselen. De rol die
Or speelt in de
Pathogenese van respiratoire aandoe-
ningen bij leghennen is nog onduidelijk.

L. van Veen

plicatie (in 44% van de gevallen) en de
aanwezigheid van voedsel in de tra-
chea direct na binnenkomst. Evenmin
bleek de hoeveelheid voedsel in de tra-
chea gerelateerd te zijn aan de lengte
van de periode na het ontstaan van de
obstmctie.

Na het opheffen van de obstmctie
werd standaard de combinatie penicil-
line G (30.000 lU/kg LG) en gentamy-
cine (5 mg/kg BW) 2 dd intraveneus
gedurende vijf dagen toegediend. Vier
paarden werden geëuthanaseerd we-
gens het optreden van een recidive, de
aanwezigheid van een diverticulum of
een strictuur.

J.H. van der Kolk

Pluimvee

Morfologische observaties van de tra-
chea en longen na IB broederij-spray-
vaccinatie en formaldehyde damp

Matteo D, Sonez C, Plano C en
Lawzewitsch I van. Avian Diseases
2000] 44:
507-78.

Vier groepen eendagskuikens werden
gevaccineerd tegen IB (commercieel
Mass vaccin) en/of behandeld met for-
maline-damp. Op de eerste, achtste en
26ste levendag werd sectie verricht en
het long- en tracheaweefsel microsco-
pisch onderzocht.

^—r

Vleeshygiëne

Prevalentie van Taenia saginata in
België

Dorny P, et al. Vet Parasitol 2000; 88:
43-

Er vond in 20 slachthuizen bij meer
dan 1000 mnderen serologisch onder-
zoek plaats naar parasitaire antigenen
van
Taenia saginata (de vin van de
ongewapende lintworm bij de mens).
Het bleek dat 3,1% van de monsters
positief was (36/1164). Dit resultaat
werd vergeleken met de bevindingen
van de keurmeesters. Zij verklaarden
slechts 0,26% van de onderzochte kar-
kassen positief (3/1164). Hiemit blijkt
dat serologie tien keer nauwkeuriger
is dan visuele inspectie. Een te lage
schatting bij de vleeskeuring kan op-
treden doordat lichte infecties gemak-
kelijk gemist worden en omdat de
helft van de vinnen zich in andere
weefsels bevindt dan de onderzochte
masseterspieren. De ELISA geeft
overigens ook een te lage schatting,
omdat deze bij lichte infecties (< 50
cysticerci) veel vals-negatieven be-
gint te vertonen.

Het onderzoek toont verder aan dat
nog steeds rekening gehouden moet
worden met de aanwezigheid van deze
lintwomiinfectie bij de mens.

P.A.M. Overgaauw

De groep dieren die zowel was gevac-
cineerd als een formalinedamp-behan-
deling had gehad, vertoonde emstige
schade aan het tracheaepitheel en lon-
gen welke op de achtste dag nog steeds
zichtbaar was. De groep dieren die al-
leen was gevaccineerd vertoonde min-
der laesies en de laesies herstelde snel-
ler dan bij de groep die alleen met
formal inedamp was behandeld.
De schade aan de trachea\'s was van
voor bijgaande aard, de schade aan de
longen echter niet. Vooral de groepen
met formaldehydedamp hadden blij-
vende schade in de longen.

L. van Veen

-ocr page 184-

Ziekte bij schapen

In dejaren gelegen tussen 1950 en 1960
werden op de militaire vliegvelden kud-
den schapen gehouden. Er hoefde niet
gemaaid te worden en de fijne hoeQes
trapten de grond vast aan. Bij vliegoefe-
ningen werden de dieren opgestald. Op
het vliegveld Woensdrecht is eenmaal
een emstige vlekziekte-infectie vastge-
steld, waarbij klinisch hoofdzakelijk
bewegingstoomissen werden gezien.
Op de vliegvelden Gilze en Volkel
kwam massaal verwerpen voor, veroor-
zaakt door Chlamydia psittaci. Beide
laatste koppels werden geslacht. Men
vreesde problemen bij de leverantie van
melkproducten aan het Amerikaanse le-
ger dat in Duitsland lag.

Buitenland

Hogeschool

Faculteit
1926-1962

Faculteit
1963-1998

Totaal

Paard infect.

4

3

4

4

15

Paard anders

4

6

14

34

58

Rund infect.

11

1

24

37

73

Rund anders

8

7

53

75

143

Schaap infect.

0

0

3

5

8

Schaap anders

0

1

3

12

16

Geit infect.

0

0

0

1

1

Geit anders

0

0

0

6

6

Varken infect.

8

2

5

26

41

Varken anders

0

0

7

39

46

Kip infect.

1

0

8

14

23

Kip anders

0

1

7

9

17

Hond/kat infect.

5

1

2

6

14

Hond/kat anders

5

1

19

50

75

Lab dieren infect.

0

0

2

2

4

Lab dieren anders

0

1

0

14

15

Algemeen infect.

1

3

6

13

23

Algemeen anders

10

5

27

50

92

Bacteriologie

6

3

9

15

33

Virologie

2

0

0

11

13

Parasitologie

1

0

0

18

19

Vleeskeuring

4

3

8

14

29

Melkonderzoek

4

1

7

2

14

Totaal

74

39

208

457

778

Bron: dr. J. W.P.M. Akkermans

Een overzicht naar onderwerp van dis-
sertaties van Nederlandse dierenartsen
verschenen van 1899 tot 1918 aan bui-
tenlandse Veterinaire Hogescholen en
van Nederlandse en buitenlandse die-
renartsen verschenen van 1918 tot 1926
aan de Veterinaire Hogeschool en van
1926 tot 1998 aan de Diergeneeskun-
dige Faculteit te Utrecht.
Er is hierbij naar diersoort een onder-
scheid gemaakt tussen aandoeningen
veroorzaakt door vimssen, bacteriën en
parasieten en andere studies (anatomie,
physiologie, zootechniek, pathologie
en andere). Proefschriften die betrek-
king hebben op het agens zelf worden
apart aangegeven. Dissertaties van niet
dierenartsen worden niet vermeld.

Onderzoeken i^an Nederlandse wetenschappers op diergeneeskundig gebied

Nederlandse dierenartsen
in de wereldpers

J.J. Wester. De physiologie van de pens-
bewegingen en de klinische betekenis
ervan.

B. Sjollema en L Seekles. Onderzoe-
kingen van etiologie, therapie en profy-
laxe hypocalcaemie (kalfziekte) en
grastetanie (kopziekte).
H.S. Frenkel en C.M. van Waveren. Het
kweken van vitro van het mond- en
klauwzeer virus en de toepassing ervan
in vaccins.

J.l. Terpstra en Th. Stegenga. De etiolo-
gie van de enzootische steriliteit bij het
rund (Vibriofetus).

J.l. Terpstra. De ethiologie van de dy-
senterie (Doyle) van het varken.
F.C. Kraneveld. Onderzoekingen over
vogelpest.

B.J. Rispens. Het ontwikkelen van een
vaccin tegen de ziekte van Marek.

B. Stonebrink. De receptuur van een
voedingsbodem voor de snelle kweek
van Mycobacterium bovis.

P.K. Stormen en W. Olijve. Het ontwik-
kelen van en recombinant DNA vaccin
tegen E.coli.

C. Wensvoort. Het isoleren van het
PRRS virus (= Lelystadvirus).

M.F. de Jong. De pathogenese, de eri-
demiologie en het verbeteren van de
diagnostiek van atrofische rhinitis.

-ocr page 185-

Het was in februari 1999 dat Sophie
Deleu en ondergetekende op het idee
kwamen het laatste nummer van het
Tijdschrift voor Diergeneeskunde van
de eeuw op te fleuren met spectaculaire
veterinaire gebeurtenissen uit die twin-
tigste eeuw. Het realiseren hiervan is
danig uit de hand gelopen, want op en-
kele verzoeken aan de leden van de
KNMvD na, kwam er een stortvloed
van belangrijke gebeurtenissen op ons
af De enige oplossing was de \'rubriek
2000\' en toen bleek zelfs een jaar te-
kort. Maar nu stoppen we er echt mee.
Een eeuw diergeneeskunde is wel iets.
In het begin van de twintigste eeuw
stond het legerpaard nog in het middel-
punt van de belangstelling, in de loop
van deze eeuw eisten de landbouw-
huisdieren alle aandacht op en op het
einde van de eeuw hielden de gezel-
schapsdieren de dierenarts meer en
meer bezig. Het zou niet moeilijk zijn
om over de veranderingen die hiermee
gepaard zijn gegaan èn in de opleiding
èn in de praktijkuitoefening met alle
sociale consequenties een boek te
schrijven. Ik zal dit niet doen. Ik blijf
liever even stilstaan bij het jaar 2000
om eens na te gaan wat er zich zoal om
ons heen afspeelt.

Postmodern

Met name voor de sociologen en voor
de filosofen leven wij nu in het post-
moderne tijdperk. Deze periode wordt
door een aantal zeer specifieke zaken
gekenmerkt. Het is de tijd van het ver-
loren gaan van de grote verhalen, het
ontstaan van grote platte organisaties,
de taakafstoting van de overheid, het
verdwijnen van tradities, het voorko-
men van problemen onder andere door
een gesluierd taalgebruik en \'zachte\'
beslissingen.

De grote verhalen hebben hun tijd ge-
had. We zien de achteruitgang van de
godsdiensten. De filosofieën achter de
politieke partijen met de bijbehorende
partijen verliezen hun betekenis, het
aantal stemmers neemt zeer snel af De
ethische spelregels die bij godsdien-
sten en belangrijke maatschappelijke
stromingen behoren, verliezen hun
waarden. Een kleinburgerlijk verdund
liberalisme met een toeQe nuttigheids-
moraal is er voor in de plaats gekomen.
Tegelijkertijd ontstaan meer en meer
pseudo-geloven.

De mens kan immers niet zonder, we
zien de new age opkomen, alternatieve
genezers op ieder vlak, de verabsolute-
ring van de natuur, die de basis vormt
van bewegingen als de Dierenbe-
scherming en Greenpeace. Het is niet
moeilijk om op dit thema door te gaan.

Centralisatie

De grote geslaagde commerciële en
maatschappelijke organisaties centra-
liseren hun beleid en verzelfstandigen
tegelijkertijd de uitvoering op een laag
niveau. Met deze politiek werd een be-
drijf als Philips een topper. De mo-
deme technologie staat borg voor de
virtuele onderlinge contacten. Be-
drijven die een sterke centrale organi-
satie willen behouden, verliezen hun
sterkte en komen aan de kant te staan.
De overheid is niet meer in staat lei-
ding te geven aan de groter wordende
staatsondernemingen. Omdat het ma-
nagement en de controles te ingewik-
keld worden, worden meer en meer be-
drijven geprivatiseerd en moeilijke
taken uit handen gegeven aan maat-
schappelijke organisaties en lagere
overheden. De centrale overheid be-
perkt zich nog tot het algemene beleid.
Zelfs typische controletaken van de
overheid worden geprivatiseerd.
Dat tradities verdwijnen zien we om
ons heen. Het maatschappelijk leven
kent alleen nog mensen die Jan, Piet of
Kees heten, aan de universiteit is het al
niet anders. De traditionele grote kunst
verliest zijn aanzien. Zelfs de politie-
agent op straat heeft zijn gezag verlo-
ren.

De vrees voor conflicten overheerst de
discussies op allerhande gebied. Met
krakers en stakers valt goed te praten.
Waar is de tijd gebleven dat de voor-
en tegenstanders van Descartes elkaar
op het Domplein te lijf gingen? We
spreken dan over hoogleraren, domi-
nees en dergelijke prominenten.
Voor collegae die over deze maatschap-
pelijke ontwikkelingen meer willen we-
ten, adviseer ik enkele werken van de
socioloog prof dr. P.H.A. Frissen en
met name zijn boek
De Virtuele Staat,
met als aanvullende ondertitel Politiek,
bestuur, technologie: een postmodern
verhaal
is een eye opener. Het zou ver-
plichte literatuur voor bestuurders moe-
ten zijn.

Ceen meneer dokter

De dierenarts en de KNMvD zijn niet
aan deze ontwikkelingen ontkomen.
De dierenarts is geen meneer dokter
meer. Centralisaties van veterinaire of
aanverwante instituten hebben het be-
oogde doel niet bereikt, wat wil je als
je tegen de stroom oproeit. We accep-
teren veterinaire homeopaten en acu-
puncturisten. De KNMvD is zelfs zo
vriendelijk voor de overheid om haar
eigen leden te gaan certificeren. Het
Europese gesjoemel met de varkens-
pestbestrijding bracht alleen de var-
kenshouderij in de problemen. Dit al-
les zijn ontwikkelingen in onze cultuur
en zijn niet tegen te houden of we het
er mee eens zijn of niet. Maar cultuur
verandert constant.

Naschrift Hoogtepunten 2000

Mijn vrees betreft slechts één zaak en
dat is de KNMvD. Er zijn al vele be-
roepsverenigingen die de kant van de
grote verhalen zijn opgegaan. Het zou
bijzonder te betreuren zijn als vele die-
renartsen de KNMvD de mg zouden
toekeren. Ik denk dat de KNMvD zich
hiertegen kan bewapenen door een de-
gelijke stellingname voor het dier en
zijn eigenaren. Met name de veehou-
ders moeten ons op hun weg vinden.
De Nederlandse dierenartsen zullen
veel meer met collega-organisaties in
Europa moeten gaan praten om duide-
lijk en desnoods harde standpunten in
de dierziektenbestrijding in te nemen.
Op het gebied van gezelschapsdieren
hangt ons nog veel boven het hoofd.
Er zijn anderen die hierover veel beter
kunnen denken en spreken dan ik.

Ik moet de talloze auteurs die de twin-
tigste eeuw ieder van een andere kant
belicht hebben dankzeggen. Er zijn
veel zaken beschreven die zonder hun
inspanningen in het vergeetboek zou-
den komen en nu ligt het in ieder geval
vast.

Tot slot Sophie, we kwamen samen op
het idee, maar jij hebt het meeste werk
voor deze mbriek verricht. Ook jij ver-
dient dus dank.

Adr.C. Voeten

-ocr page 186-

Veterinair Tuclitcollege

Geheimhouden of spreken?

Als dierenarts moet je soms laveren tussen lastige dilemma\'s. Soms kun je je uiterste best doen voor eigenaar en
dier en toch nog bij het Veterinair Tuchtcollege belanden.

Door laira Boissevain

ln het onderhavige geval had een dierenarts de honden
van mevrouw A onder behandeling met vage klachten. U
kent dat wel: jeuk, kale plekken en algehele achtemit-
gang van de conditie, klachten waarbij het moeilijk is om
te ontdekken waar de oorzaak precies ligt. Mevrouw A is
overigens een goede klant; ze heeft zelf meerdere hon-
den, en huisvest ook honden die bij haar in pension ko-
men.

Als mevrouw A weer bij de dierenarts is geweest met
haar krabbende honden en de dierenarts niets heeft kun-
nen vinden, bedenkt mevrouw A ineens dat de honden
van mevrouw B, die regelmatig in haar pension verblij-
ven, toevallig dezelfde klachten hebben en daarvoor wel
met succes zijn behandeld door een andere dierenarts.
De dierenarts van mevrouw B heeft haar honden inder-
daad behandeld, eveneens voor huidklachten, die na enig
onderzoek bleken te zijn ontstaan door een schurft-infec-
tie. Het lijkt mevrouw A daarom verstandig om de die-
renarts van mevrouw B maar eens te bellen en te vragen
hoe hij deze huidklachten heeft opgelost.

De dierenarts van mevrouw B weet natuurlijk dat er
sprake was van een sarcoptes-infectie, maar hij wil me-
vrouw A hier niet over inlichten zonder toestemming van
mevrouw B, die op dat moment in het buitenland zit.
Teleurgesteld legt mevrouw A de hoorn neer. Nog voor-
dat mevrouw B temg is van haar buitenlandse reis, stelt
de dierenarts van mevrouw A eveneens schurft vast. Niet
alleen moeten haar elfhonden nu een zeer drastische be-
handeling ondergaan, ook drie gezinsleden blijken be-
smet.

Mevrouw A is zeer verbolgen, want als de dierenarts van
mevrouw B zijn mond open had gedaan, had deze ellende
haar gezin en haar honden misschien bespaard kunnen
blijven.

Mevrouw A klaagt de dierenarts van mevrouw B aan bij
het Veterinair Tuchtcollege. Terecht of niet?

De dierenarts van mevrouw B heeft wellicht gemeend dat
er sprake was van een \'beroepsgeheim\', waar hij zich op
kon beroepen naar mevrouw A. Het beroepsgeheim is
een term uit de mensenwereld en verplicht artsen, advo-
caten en belastingadviseurs (!) om hun mond te houden
tegen de buitenwereld over datgene wat hen door cliënten
is toevertrouwd. Zonder dat beroepsgeheim zouden zij
hun werk niet of veel minder goed kunnen doen. Het be-
roepsgeheim is echter niet temg te vinden in de Wet op de
Uitoefening van de Diergeneeskunde. Een dierenarts is
natuurlijk gebonden aan de \'gewone" regelgeving die de
privacy moet beschennen, maar is niet verplicht om on-
der alle omstandigheden te zwijgen over zijn cliënten.

In dit geval vindt het Veterinair Tuchtcollege dat de ge-
zondheidszorg voor dieren moet prevaleren boven de
plicht om de privacy van de eigenaar te beschermen.
Volgens het Tuchtcollege is het een feit van algemene be-
kendheid dat een schurftinfectie voor mens en dier zeer
besmettelijk kan zijn. Een dierenarts heeft daarom een ei-
gen plicht om hierover inlichtingen te verstrekken. Hij
kan hierover contact opnemen met de eigenaar van een
dier dat hij heeft behandeld, maar ook met een collega-
dierenarts, bijvoorbeeld de dierenarts van degene die in-
lichtingen vraagt. Het Tuchtcollege is zeer duidelijk in de
uitspraak: Een dierenarts die op de hoogte is van een
schurftbesmetting moet zonder dralen informatie geven
over de aard van deze aandoening. De zwijgende dieren-
arts krijgt een waarschuwing opgelegd.

(Zaaknummer 97/054. 12 november 1998)

-ocr page 187-

Dit tekstboek is uitstekend geschreven en ongetwijfeld
een aanwinst voor veterinaire studenten en practici in de
algemene of specialistische gezelschapsdierenpraktijk.
De kracht van het boek is gelegen in het grote aantal dia-
grammen, figuren en foto\'s die ter illustratie dienen
voor de gedegen en zeer actuele tekst. De diagrammen
maken het relatief eenvoudig om de toch in het alge-
meen als lastig ervaren immunologie begrijpelijk en in-
zichtelijk te maken. De kleurenfoto\'s van de histopatho-
logie en de cytologie en de klinische beelden van
uiteenlopende aandoeningen zijn van hoge kwaliteit
door hun kleur en helderheid.

De eerste drie hoofdstukken behandelen de basale im-
munologie en de mechanismen die ten grondslag liggen
aan immuun gemedieerde ziekten. Alhoewel de begelei-
dende figuren zeer fraai van opzet zijn, neigt de auteur
er enigszins naar om de figuren de verklaring te laten
zijn voor basisprincipes daar waar een aanvullende tekst
wellicht duidelijker zou zijn geweest.

De hoofdstukken aangaande klinische afwijkingen zijn
gerangschikt naar orgaansysteem en hier hebben inter-
nationale experts hun specifieke bijdrage geleverd. De
hoofdstukken zijn volledig en ook hier geïllustreerd
door goede foto\'s. De diagnostiek en behandeling wordt
wel aangegeven, maar beperkt zich veelal tot hoofdlij-
nen. Dit lijkt in het kader van dit boek ook juist omdat
het uitgangspunt de klinische immunologie is.
Tegelijkertijd zal het de practicus en de veterinair stu-
dent prikkelen er ook nog eens een ander boek op na te
slaan en zal blijken hoeveel kennis er de laatste jaren bij-
gekomen is.

Samengevat een uitmuntend boek aan het immunologi-
sche firmament. Een plezier om te lezen voor diegenen
die het relatief abstracte vak van de (klinische) immuno-
logie willen concretiseren en meer te weten willen ko-
men over de achtergronden van dagelijks voorkomende
immuungemedieerde ziekten bij gezelschapsdieren.
Een aanrader!

Dr. Ton Willemse

Clinical immunology ofthe Dog
and Cat

Kompendium der Ziervogel-
krankheiten; Papageien - Tauben -
Sperlingsvögel

E.F. Kaleta el M.E. Krautwald-Junghanns (eds),
Schlütersche CmbHalCo. KG,
199g, ISBN:3-877o6-535-X,
f72,10

De afgelopen jaren zijn er vele boeken met betrekking tot
de vogelgeneeskunde op de markt gekomen. De meeste
van deze boeken zijn in het Engels geschreven. Het laatste
Duitstalige boek \'Vogelkrankheiten\' van Gylstorff en
Grimm is alweer meer dan tien jaar geleden geschreven.
De vogelsoorten die in dit \'Kompendium\' voomamelijk
aan de orde komen zijn duiven, papegaaiachtigen en zang-
vogels.

Naast de twee redacteuren hebben nog zes auteurs aan dit
boek gewerkt, allen werkzaam aan verscheidene Duitse
universiteiten.

Het boek is in vijf hoofdstukken opgesplitst. Elk hoofd-
stuk wordt door meerdere auteurs geschreven. Bovenaan
de pagina wordt aangegeven wie de auteur is, terwijl de
tekst doorloopt. Referenties worden in de tekst zelden ver-
meld en er zijn zeer weinig verduidelijkende afbeeldingen
of foto\'s toegevoegd.

Het eerste hoofdstuk behandelt algemene onderwerpen
zoals huisvesting, voeding, reproductie en de Duitse wet-
geving omtrent het houden van vogels. Opvallend aan dit
hoofdstuk is dat de voeding van papegaaien niet meer \'up
todate\' is.

Het tweede hoofdstuk heeft betrekking op profylaxe,
diagnose en behandeling. Vooral het onderdeel diagnose
is vrij uitgebreid, waarbij alle aanvullende diagnostische
technieken de revue passeren. Helaas worden bij het on-
derdeel bloedonderzoek geen afbeeldingen getoond van
de verschillende bloedcellen bij vogels. Wel worden veel
referentiewaarden vermeld. In het onderdeel therapie
werd helaas nog een verouderde hoge, en volgens de hui-
dige inzichten risicovolle, dosering voor Prednisolon aan-
getroffen. Tevens wordt een advies voor het gebmik van
hechtmateriaal gegeven wat niet meer past bij de heden-
daagse inzichten.

Het derde en vierde hoofdstuk gaan respectievelijk over
niet-infectieuze en infectieuze aandoeningen. Het onder-
deel niet-infectieuze aandoeningen is overzichtelijk opge-
bouwd naar orgaansysteem, terwijl het onderdeel infecti-
euze aandoeningen opgesplitst is naar infectieus agens.
Het laatste hoofdstuk is een formularium waarin informa-
tie kan worden gevonden over het geneesmiddel, de dose-
ring en de indicatie met eventuele bijzonderheden.

Concluderend kan gesteld worden dat dit relatief goed-
kope boek veel infonnatie bevat omtrent de vogelgenees-
kunde, maar niet helemaal \'up to date\' is met betrekking
tot de huidige inzichten.

NicoJ. Schoemaker

-ocr page 188-

Pak staart- en maneneczeem op
natuurlijke wijze aan

CVM-test in Nederland
beschikbaar

Complex Vertebral Malfonnation
(CVM) bij runderen. Veel is inmid-
dels geschreven over dit onderwerp.
Door dr. Christian Bendixen
(Danish Institute of Agricultural
Sciences) is in samenwerking met
de Federatie van Deense Kl-organi-
saties een DNA-test ontwikkeld
waarmee dragers van dit erfelijke
gebrek kunnen worden opgespoord.
Het Dr. Van Haeringen Labora-
torium bv (VHL) heeft van de
Deense onderzoekers toestemming
gekregen om vanaf heden de test uit
te voeren. Het inzenden en aanmel-
den van onderzoeken van dieren die
getest dienen te worden, kan dus nu
gebeuren. Hiervoor is het mogelijk
om bloed (EDTA), haar of sperma
in te zenden. In bijzondere gevallen
kan van ander materiaal gebruik ge-
maakt worden.

Test

De test voor CVM is gebaseerd op
de analyse van een aantal erfelijke
kenmerken (vergelijkbaar met het
principe dat bij de Mulefoot-ana-
lyse gebruikt wordt). Om deze ana-
lyse zo betrouwbaar mogelijk uit te
kunnen voeren, is het van groot be-
lang dat van beide ouders van een te
onderzoeken dier ook materiaal be-
schikbaar is. Indien van ouders
geen materiaal te achterhalen is, be-
staat de kans dat bij VHL in het ar-
chief reeds materiaal aanwezig is.
Om de test op een efficiënte manier
uit te kunnen voeren, dient van elk
te onderzoeken dier een kopie van
de registratiekaart meegezonden te
worden.

Per te ondetioeken dier wordt
ƒ 225,- (exclusief BTW) berekend.
In dit bedrag zijn de kosten voor het
onderzoek van de ouderdieren in-
begrepen.

Meer infomatie: w%vw.vhlgenetics.
com, e-mail: info@vhlgenetics.com,
telefoon 0317 - 416402, fax: 0317 -
426117.

Staart- en maneneczeem is het gevolg
van overgevoeligheid voor de culicoï-
des, een mugje dat bij zoet water en in
gebieden met zandgrond voorkomt.
De beten van deze mugjes veroorza-
ken een allergie die veel jeuk geeft aan
de basis van de staart en bij de manen.
Veel paarden worden behandeld met
corticosteroïden-injecties om de klach-
ten te onderdrukken. Helaas hebben
deze cortico\'s allerlei nare bijwerkin-
gen, zoals kans op hoefbevangenheid.
Door het probleem aan te pakken met
behulp van homeopathische dierge-
neesmiddelen, worden antistoffen op-
gebouwd om de allergie in het eerste
jaar te verminderen en na twee jaar
zelfs in zijn geheel te doen verdwijnen.
Culivetsem van VSM Geneesmidde-
len is een vloeibaar diergeneesmiddel
voor inwendig gebruik, waar het be-
ruchte culicoïde mugje in gepoten-
tieerde vorm is verwerkt. Daamaast
bevat dit middel bestanddelen, die een
anti-allergische werking hebben en die
goed werken bij geïrriteerde huidreac-
ties. Culivetsem is wetenschappelijk
onderzocht door de Faculteit der

Diergeneeskunde te Utrecht, met als
conclusie dat de symptomen van
staart- en maneneczeem verminderen
en er een duidelijke verbetering op-
treedt.

Wanneer het paard ook gevoelig is
voor andere insecten, wordt Allergi-
tum geadviseerd. Dit middel bevat
Apis mellifica, dat zwellingen van in-
sectenbeten tegengaat. De overige be-
standdelen van Allergitum gaan jeuk
en ontstekingen tegen.
Culivetsem en Allergitum kunnen ge-
combineerd worden gegeven gedu-
rende de maanden februari tot en met
november.

Wanneer het paard al last heeft van
geïrriteerde schuurplekken, kan de lo-
tion Itch-Cure verkoeling geven. Deze
lotion werkt jeukstillend en zorgt voor
een vlotte genezing van de aangedane
plekken.

N ieuwe thermometer
zorgt voor supersnelle
metingen

Schippers introduceert een nieuw type thermometer
die slechts zeven seconden nodig heeft om nauwkeurig
de temperatuur weer te geven. Deze thermometer is in
te stellen voor gebruik bij koeien, varkens en kleine
huisdieren.

Deze modem uitgevoerde thermometer is handzaam
en makkelijk te bedienen. Het werkt op twee stan-
daard penlite batterijen.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met
Schippers Bladel B. V. telefoon: 0497 - 339771.

Voor verkoopadressen: Puur Natuur,
telefoon 0294 - 455666 of www.puur-
natuur.nl.

-ocr page 189-

Graag uw aandacht voor de volgende cursussen:

Dia Diagnostieli Praktische Oogheelkunde (01/119), dinsdag 6
maart 2001, 13.15 - 16.15 uur. Faculteit der Diergeneeskunde,
Cursusprijs: ƒ 315,-. Cursusleider dr. F.C. Stades

Patiëntendemonstratie Gezelschapsdieren (01/128), donderdag
8 maart 2001, 13-30 - 17.00 uur, Faculteit der Diergeneeskunde,
Cursusprijs: ƒ 95,- Het programma van de middag bestaat uit vijf op
zichzelf staande presentaties van 30 minuten. Waar mogelijk zal
gebmik gemaakt worden van \'live\' patiënten. Docenten: medewer-
kers Hoofdafdeling Geneeskunde van Gezelschapsdieren.

Hygiëne en Infectiepreventie en wondbehandeling gezelschaps-
dieren
(01/123), donderdag 15 maart 2001, 13.00 - 21.00 uur
Paviljoen Woudschoten Conferentiecentmm Zeist, Cursusprijs:
ƒ 515,-. Hygiëne en infectiepreventie: \'Schoon van deurknop tot
operatiewond\'. Wondbehandeling Gezelschapsdieren: het gebmik
van de modernste materialen. Docent: mw. W.M. van der Vliet,
Beiersdorf-Medical.

Uw eigen Website \'Bouwen, mooier maken en slim gebruiken\'

(01/902), zaterdag 17 maart 2001, 10.00 - 16.00 uur. Faculteit der
Diergeneeskunde Computerleerzaal. Cursusprijs: ƒ 490,- inclusief
boeken en lunch. Dierenartsen die een eigen website voor hun prak-
tijk willen bouwen. Vereiste voorkennis: mime ervaring met de pc
en de meest gangbare software, mime ervaring met het gebmik van
Intemet. Cursusleider en docenten: ir. J. Klingen, ICT-manager
dr. M.0. Jansen en dr. J.L. van Os.

Metabole en Digestie Stoornissen bij Pluimvee (01/402), vrijdag
16 maart 2001, 10.00 - 17.30 uur, Intervet International BV
Boxmeer. Cursusprijs ƒ500,-.

Digestiestoomissen - zowel infectieus als niet-infectieus - en meta-
bole stoornissen. De nadmk ligt op vleeskuikens, doch ook proble-
men bij legdieren worden besproken, onder meer fysiologie en pa-
thofysiologie van digestietractus, nutritionele factoren, normale
/ora en dysbacteriose, beïnvloedende infecties MAS en reovims-
sen, sturing met voer.

Docenten: prof dr. Eddy Decuypere, KU Leuven, prof dr. M.
Versteeg, LU Wageningen, dr. ir. J.D. van der Klis ID-TNO
Diervoeding, Lelystad, dr. ir. H. Enting, De Schothorst, Lelystad,
dr. A. Ter Huume ID-Lelystad.

Cursussen PAOD 2001

Maart

6 Diadiagnostiek Oogheelkunde (01/119-gezelschaps-
dieren).

8 Patiëntendemonstratie (01/128-gezelschapsdieren).
10 Gebitsreiniging Assistenten (01/801).
12 UierGezondheidsModule (01 /222-rund).

15 Hygiëne/Wondbehandeling (01/123- gezelschapsdie-
ren).

16 Tandheelkunde (01/126-gezelschapsdieren).

16 Metabole en digestie (01/402-pluimvee).

17 ICT Uw eigen website (01/902).
20—22 Erkende Paardendierenarts (01/506).

21 Immunologie (01/130-gezelschapsdieren).

21, 28, 4 april Voeding Rund Module I (01/208-rund).

Tevens 28 maart en 4 april.
24 Postduivengeneeskunde (01/111-gezelschapsdieren).
27 Klinische Les Rund (01/211-rund).
29 Klimaatcomputer (OI/305-varken).

29 Lebmaagdislocatie(01/2I3-rund). >

29, 3 en 10 april Erkende Paardendierenarts (01/507).
Tevens 3 en 10 april.

April

5 Virale Infectie Kat I (OI/117-gezelschapsdieren).

7 Echocardiografie GD (01/115-gezelschapsdieren).
11,18, 25 Voeding Varken (01/304-varken). Tevens 18 en

25 april.

12 Virale Infectie Kat II (01 /118-gezelschapsdieren).

18 Casuïstieken varken - inrichting: IPVS Belgian branch.

19 Lebmaagdislocatie (0I/2I4-rund).
24 Vleeskalveren (01/216-rund).

Mei

3 Endocrinologie GD (OI/103-gezelschapsdieren).
8—9 Maagdarmkanaal (OI/306-varken).
9, 16,23 Voeding Rund Module I (01/209). Tevens 16 en 23
mei.

10 Rug Paard (01/508).

11 Klinische Les (01/129-gezelschapsdieren).

16 Spinale/perifere problemen (01/122-gezelschapsdie-
ren).

16 en 23 Chirurgie bij de Kat (01 /124). Tevens 23 mei.

17 Endocrinologie GD (01/104-gezelschapsdieren).

30 \'Als de eerste foto...\' (01/121-gezelschapsdieren).

31 \'Meet the specialist\' (01/509-paard).

31 Endocrinologie GD (O I /105-gezelschapsdieren).
31, 1 en 8 juni Voeding Rund Module II (01/218). Tevens I
en 8 juni.

juni

8 Tandheelkunde (01/127-gezelschapsdieren).

8 en 15 Chirurgie bij de Kat (0I/I25-gezelschapsdieren).
Tevens 15 juni.

13 Maagdarmtherapeutica (01/I32-gezelschapsdieren).

14 Monitoring Voeding (01/21 O-rund).

14 Intemistische Cases (OI/I I3-gezelschapsdieren).

14 RadiologiePaard(01/5I0).

16 Röntgen Thorax (OI/120-gezelschapsdieren).

19 Koemanagement (01/212).

20 Maagdarmtherapeutica (01/133-gezelschapsdieren).

21 Radiologie Paard (01/511).

September

5 en 17 okt. Keuren Paard (01/512). Tevens 17 oktober.
8 De Blaas (OI/112-gezelschapsdieren).

-ocr page 190-

Nieuw gezicht op \'het bureau\'

Cuhfus heeft er naar eigen zeggen \'echt
zin in\'. Ze heeft een brede belangstel-
ling - die haar bij de KNMvD goed van
pas zal komen - en wordt vooral geïnspi-
reerd door contact met mensen die wat
haar betreft niet divers en kleurrijk ge-
noeg kunnen zijn. Verder kan zij zich
helemaal vinden in de doelstellingen
van de KNMvD, de bevordering van de
diergeneeskunde en de professionele
ontplooiing van de dierenarts.

Veel ervaring

Aan Cuhfus dus de uitdaging om het bu-
reau van de Maatschappij zodanig vorm
te geven dat de genoemde doelstellingen
maximaal worden gediend. Aan rele-
vante ervaring ontbreekt het niet. Na de
pedagogische academie is ze een tijd
werkzaam geweest als onderwijzeres en
vakleerkracht Muziek en later - na het be-
halen van het diploma conservatorium - als muziekconsu-
lent, dat wil zeggen onder andere als adviseur op het gebied
van de samenstelling en organisatie van kunsteducatieve
programma\'s voor leerlingen in het basis- en voortgezet on-
derwijs.

Kennelijk had zij een talent voor management, want Cuhfus
is eerst afdelingshoofd geworden van de steunfunctie-instel-
ling die genoemde activiteiten ontplooide, en later directeur
van de steunfiinctie-organisatie Kunsteducatie in de provin-
cie Gelderland. In deze laatste functie had ze 100 vaste me-
dewerkers en nog eens zo\'n 100 gastdocenten. Ze was er
verantwoordelijk voor alle vaste portefeuilles: personeel, fi-
nanciën, automatisering, administratie en communicatie.
Verder is ze betrokken geweest bij de oprichting van een
ondernemingsraad en was ze actief lid van de branchever-
eniging voor kunsteducatie.

Huis en hobby\'s

Gezien haar vorige betrekking is Cuhfus woonachtig in
Vaassen (Gelderland). Over reistijden maakt zij zich geen
zorgen: met een laptop en wat leeswerk is het goed toeven in
de trein.

Naast liefhebber van muziek, die ze graag maar te weinig
zelf maakt, is ze enthousiast fietser en wandelaar, liefst in
gezelschap van haar Tervuerense herder. Verder heeft ze
vanzelfsprekend veel belangstelling voor en verstand van
kunst, een eigenschap waar de KNMvD wellicht nog van
kan profiteren.

Waardering lidmaatschap

Zoals gezegd is Cuhfus thans voomamelijk bezig met het
\'opsnuiven\' van de organisatie en het leren kennen van de
mensen die er werken. Een belangrijk richtsnoer voor de or-
ganisatie van het bureau is het onderzoek \'waardering lid-
maatschap\' dat momenteel wordt gehouden en dat reeds is
aangekondigd in de nieuwjaars-
wens van de voorzitter van de
KNMvD (Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde 2001; (126)1: 24).
De broodnodige inventarisatie van
de wensen en verwachtingen van de
leden van de KNMvD wordt uitge-
voerd door een onafhankelijk onder-
zoeksbureau, Environs Intema-
tional. Hopelijk leveren de resultaten
van dit onderzoek de nieuwe ma-
nager inteme zaken voldoende infor-
matie op om de leden optimaal van
dienst te kunnen zijn. Schroom der-
halve niet om desgevraagd eeriijk
uw mening te geven aangaande dit
onderwerp.

Elly Cuhfus manager interne zaken KN MvD

Sinds 1 februari 2001 heeft het bureau van de KNMvD
een nieuwe \'manager interne zaken\'. Ze heet Elly
Cuhfus en is afkomstig uit Den Haag. De manager be-
leeft nu nog een aantal wittebroodsweken - waarin ze de
gelegenheid krijgt de organisatie en de mensen die er
werken te leren kennen - maar zal al snel worden belast
met de organisatie van het bureau van de Maat-
schappij. P&O (personeel en organisatie) wordt één
van haar kerntaken. Maar ook in het project
Huisvesting zal ze een prominente rol spelen. In deze
aflevering van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde
een schets van haar achtergrond en persoonlijkheid.

-ocr page 191-

Mededelingen GGR

Acht sprekers zullen hun visie geven
op het hen toegewezen thema, zoals:
Wat is kwaliteit? Kwaliteit in fokkerij,
voeding, huisvesting, melk; Kwaliteit
in keuzes van de veehouder; Kwaliteit
van de rundveedierenarts en Kwaliteit

o

Voor het lidmaatschap van de Koninklijke
Nederlandse Maatschappij voor Diergenees-
kunde hebben de volgende collegae zich aan-
gemeld:

Bakker-Wagtmans, Mevr. N.C.R.M.; 2000;
7622 XT Bome; Van Ghentstraat 24.
Bartels, C.J.M.; 1988; 8574 SX Bakhuizen; St.
Odulphusstraat 40.

Glas, J.A.; 1985; 7981 LX Diever; Ten
Darperweg3.

Heijnen, K.H.; 2000; 3582 BW Utrecht;
Abstederdijk200.

Hendriksen, Mevr. E.W.J.; 2000; 8431 CE
Oosterwolde; Menninge 56.
Moors, Mevr. LM.M.; 2000; 3523 XV Utrecht;
Oud Wulvenlaan 53.

Priester, Mevr. D.; 2000; 5469 NM Erp;

De Groep Geneeskunde van het Rund viert dit jaar haar 25-jarig jubileum
met een symposium op vrijdag 14 december 2001 in de Reehorst in Ede. De ju-
bileumcommissie heeft voor een thema met een positieve uitstraling gekozen,
namelijk \'Kansen in Kwaliteit\'.

Aflevering

01-04-2001
15-04-2001
01-05-2001
15-05-2001

Personalia

van de communicatie van je eigen
kwaliteit.

De jubileumcommissie daagt met
name dierenartsen-practici uit om een
poster te maken voor de postersessie.
Deze staat open voor iedereen, mits de
poster voldoende
kwaliteit heeft.

J. VernooiJ

Uiterste inleverdata voor kopij

Deadline*)

maandag
maandag
woensdag
vrijdag

12-03-2001

26-03-2001
11-04-2001

27-04-2001

•■•) Voor 10.00 uur \'s morgens.

Let op: de deadlines voor de afleveringen van 1 en 15 mei
zijn afwijkend in verband met Pasen en Koninginnedag.

Heuvelberg 14.

Rossing, Mevr. A.M.; 2000; 3581 JX Utrecht;
Van der Duijnstraat 4.

Sevens, Mevr. S.M.J.; 2000; 5981 AT

Panningen; Raadhuisplein 16.

Steffensen, Mevr. M.A.; 2000; 7700 Thisted

Denemarken; Hovsorvej 30.

Veldman, Mevr. M.D.; 2001; 7491 LN Delden;

Dalkruid 19.

Webers. Mevr. B.M.; 2000; 3561 HE Utrecht;
Tannhauserdreef 18.

Wormgoor, Mevr. E.A.; 1983; 2011 EC
Haarlem; Klein Heiligland 47.

Als lid van de Koninklijke Nederlandse Maat-
schappij voor Diergeneeskunde heeft het
Hoofidbestuur aangenomen:

Agricola. Mevr. A.D.; 2000; 6021 JX Budel;
Grens weg 38.

Boer. H.J.; 2000; 7701 TD Dedemsvaart; van
Anrooy straat 9.

Brand, Mevr. J.M.A. van den; 2000; 3523 TZ

Utrecht; W.A. Vultostraat 118.

Kooten. Mevr. 1. van; 2000; 3703 HV Zeist;

Kansen in Kwaliteit

Lustrum Croep Geneeskunde van het Rund

Couwenhoven 71-15.

Ploeg, Mevr. T.M. van der; 2000; 3581 EM
Utrecht; Mgr. Van de Weteringstraat
118.
Schouten. Mevr. R.; 2000; 3515 EW Utrecht;
Veenhof1.

Sygall, R.A.; 2000; 5561 TV Riethoven;
Bosweg
2 A.

Vulpen, P.H.S. van; 2000; 7625 PB Zenderen;
Hoofdstraat
59 A.

Voor het dierenartsenexamen van 31 januari
2001 zijn geslaagd:

Bakel, Mevr. J.E.P.F. van
Dijck, W.J.G. van
Dinter. Mevr. N. van
Klarenbeek, Mevr. M.M.
Kontzen, P.
Pool, S.N.
Prüst.H.G.
Schreijer, N.A.
Staal, T. A.J.
Vonk, B.L.H.

Voor het dierenartsenexamen van 2 februari
2001 zijn geslaagd:

Rijpkema, Mevr. C.G.

Mutaties:

Agricola, Mevr. A.D.; 2000; 6021 JX
Budel; Grensweg
38; tel. privé: 0495-499477;
E-mail privé: adagricola@hotmail. com; p., me-
dew. bij P.J. Bosman en J.J. Kooken; tel. prakt.;
0495-495023; fax prakt.: 0495-494867. (toev.
als lid).

*Bakel, Mevr. J.E.P.F. van; 2001; 3572
HB Utrecht; Poortstraat 21; tel. privé: 030-
2716176; wnd.d.

Baljet, J.W.; 1955; 2011 MP Haarlem; Ke-
naupark
13; tel. privé: 023-5324154; fax privé :
023-5342912 ; E-mail privé : baljet.sr(fl;pla-
iiet.nl ; r.d..

*Baljet-Tiecken, Mevr. G.W.; 1952; 2011
MP Haarlem; Kenaupark 13; tel. privé: 023-
5324154; fax privé: 023-5342912; E-mail pri-
vé : baljet.sr(a planet.nl ; r.d..

Benders. M.M.J.L. ; 1970 ; 52538 Selfkant-
Tüdderen Duitsland: Andreasstrasse
14; tel.
privé: 0049-2456504813;
E-mail privé: m.el-
felf@t-online.de;
r.d..

Boer, H.J.; 2000; 7701 TD Dedemsvaart;
van Anrooystraat
9; tel. privé: 0523-620808; E-
mail privé: erikboer@hotmail.com; p., medew.
bij G. Kempe en B.S. Wichers; tel. prakt.;
0523-
612662;
fax prakt. : 0523-610111. (toev. als lid).

*Bos, Mevr. A.; 1975 ; 8474 EA Olde-
holtpade ; Stellingenweg
18 ; tel. privé; 0561-
688581; district hoofd R.V.V. distr. Leeu-
warden; tel. bur.: 0512-584010; fax bur.:
0512-584029.

Brand, Mevr. J.M.A. van den; 2000; 3523
TZ Utrecht; W.A. Vultostraat 118; tel. privé:
030-2319953; E-mail privé: jvdbrand@hot-
mail.com; wnd.d.
(toev. als lid).

*Dijck, W.J.G. van; 2001; 5871 CE
Broekhuizenvorst; Blitterswijckseweg 20; tel.
privé: 077-4632592; p., medew. bij H.J.P.
Geurts, R. Holle, J.J.H.M. Jenniskens, G.R.P.
de Muinck, C. Veldman en P.J.A.G. Ver-
straelen; tel. prakt.: 077-3982169; fax prakt.:
077-3981438; E-mail prakt.: dierenarts®
daphorst.com.

*Dinter, Mevr. N. van; 2001; 3583 RS
Utrecht; Vossegatselaan 4 bis A; tel. privé:
030-2544682; wnd.d.

Fennema, G.; 1970; 8465 PK Oudehaske;
Jousterweg
66 A; tel. privé: 0513-677979; E-
mall privé : gerritfennema(S zonnet.nl ; r.d..
Geeratz, Mevr. D.C.M.; 1999; 3901 PT

-ocr page 192-

Vecnendaal; Schrijverspark 124 III; tel. privé:
0318-505093; Techn. Serv. Man. Varkens bij
PHzer Animal Health B.\\.; tel. bur.: 010-
4064204, 06-51090043; fax bur.: 010-
4064293; E-mail bur.: daphne.geeratz(ô pfi-
zer.com.

*Glas, J.A.; 1985; 7981 LX Diever; Ten
Darperweg 3;
tel. privé: 0521-593470; fax
privé: 0521-593986; E-mail privé: glasdkbv-
(aworldonlinc.nl;
p.. Glas Diergeneeskunde
b.v.; tel prakt.: 0521-591378; fax prakt.: 0521-
593986:
E-mail prakt.: glasdkbv@worldon-
line.nl.

Graaf, L.J. de; 1999; 9415 PP Hijken; de
Woert 16: tel. privé: 0593-522846; E-mail privé
: netvet@zonnet.nl :
p., medew. bij J.C. van
Duyn,
G. Weggemans en J.H. Wiechers ; tel.
prakt.: 0593-522456; fax prakt.: 0593-
526199.

Grimme, N.W.F.A.; 1971; 5688 KC
Oirschot: Spoordonkseweg 97 A; tel. privé:
0499-573638;
E-mail privé: grivet@agro-
web.nl; r.d..

Haarsma, Mevr. J.; 1983; 2201 TT
Noordwijk; Klei 2
A; tel. privé: 071-4031926;
fax privé: 071-4031926; E-mail privé: ziezo.jo-
sien@hetnet.nl;
p., kliniek manager, Spoed-
kliniek voor dieren te Amsterdam; tel. bur.:
020-4637056; fax bur.: 020-6937095.

*Heynen, K.H.; 2000; 3582 BW Utrecht;
Abstederdijk 200; tel. privé: 030-2515468; E-
mail privé: khheijncn@hotmail.com:
p., me-
dew. bij G. Verhoeven, J. Togtema en H.J.
Zech; tel. prakt.: 0341-553332.

Hoedemaker, L.; 1998; 2381 NG
Zoeterwoude; Weipoortseweg 62 A; tel. privé:
071-5801514; E-mail privé: l_hoedemaker@
hotmail.com;
p., medew. bij G. Roest en K.H.
van Wiggen; tel. prakt.: 071-5223732; fax
prakt.: 071-5415784.

Hoven-Mennens, Mevr. F.L. van den; 1973;
3832 GD Leusden; Prins Frederiklaan 6 B; tel.
privé: 033-4320925; fax privé: 033-4950554; E-
mail privé: hovenO@zonnet.nl; p., Van den
Hoven-Mennens; tel. prakt.: 033-4320925: fax
prakt.: 033-4950554; E-mail prakt.: hovenO@
zonnet.nl.

Jager, Mevr. W.M.; 1992; 7558 ZN
Hengelo: Piet Muyselaarstraat 58:
tel. privé:
074-2502671; fax privé: 074-2502671; p., me-
dew. bij V.W. Ernst; tel. prakt.: 074-2771315;
fax prakt.: 074-2771315.

Jong, Mevr. M. de; 1999; 9415 PP Htjken;
De Woert 16; tel. privé: 0593-522846; E-mail
privé: marijedejong@zonnet.nl;
p., medew. bij
S.D. Feitsma, H. Jorritsma, J.W.E. Peters,
P.H.H. van Poecke en F. Siderius; tel. prakt.:
0516-512742; fax prakt.: 0516-513295; E-
mail prakt.: dacoostwfa hetnet.nl.

*Klarcnbeek, Mevr. M.M.; 2001; 3582
XM Utrecht; Ina Boudier Bakkerlaan 109 111
K878; tel. privé: 030-2510372; wnd.d.

*Kontzen, P.; 2001; 3564 GX Utrecht;
Minaretdreef 107; tel. privé: 030-2513315;
wnd.d.

Kooten, Mevr. 1. van; 2000; 3703 HV Zeist;
Couwenhoven 71-15: tel. privé: 030-6960603;
wnd.d.
(toev. als lid).

Kuypers, C.; 1974; 7313 CW Apeldoorn:
Jachtlaan 133; tel. privé: 055-3564152;
r.d..

Leemput, Mevr. E.E. van de; 1994; 53700
Villaines La Junel Frankrijk; 16 rue du
DocteurGuérin ; tel. privé : 0033-243081046 ;
E-mail privé : evdl-e$@village.uunet.be ; p.,
geass. met Dr. Fréret en Dr. Schmitt ; tel.
prakt. : 0033-243032441 ; fax prakt. : 0033-
243032902 ; E-mail prakt. : vetorural@wana-
doo.fr.

*Loon, J.P.A.M. van; 2000: 4751 RL Oud-
Gastel; Bolbaan 1 A; tel. privé: 0165-514340;
E-mail privé: thijsvloon@hotmail.com; p.,
medew. bij A.J.C. Bakx, B.J.A.M. Bosehker,
R.H.M.M. Jacobs, A.J.M. Meesters, G.A.D.J.
de Mol, J.F.J. Segers, J.M. Verbocht en M.A.
van Zuijlen; tel. prakt.: 0165-583750; fax
prakt.: 0165-583755; E-mail prakt.: dac.roos-
endaal-wouw@wxs.nl.

Neuteboom. R.O.; 2000; 4814 GA Breda;
Haagweg 15 A; tel. privé: 076-5153167; p.,
medew. bij J.P.J. van Ierland, H.M.M.
Luijerink, A. Maas, J.J.G.M. Oomen,
M.E.W.M. Pellenaars en C.J.C. Vincenten;
tel. prakt.: 076-5722999; fax prakt.: 076-
5729631.

Pereboom, W.D.; 1970; 1444 HR
Purmerend; Lepelaarpark 11 ; tel. privé: 0299-
420983;
r.d..

Pleijter, R.J.P.; 1995; 5175 BB Loon op
Zand; Kerkstraat 38; tel. privé: 0416-364686;
E-mail privé: rpleijte@nl.packardbell.org;
p., medew. bij H.G.G.H. van Enckevort,
J.A.M. van Gils, P.H.A. Rulkens en L.A.M.

Maliesingel 34
3581 BJ Utrecht
Tel. (030) 244 87 74
Fax (030) 241 66 33
E-mail: info@dixenco.nl
www.dixenco.nl

Tinnemans; leL prakt.: 013-5131465; fax
prakt.; 013-5133727; E-mail prakt.:
28200013.200880740@agrotcl.nl.

Ploeg, Mevr. T.M. van der; 2000; 3581 EM
Utecht; Mgr. Van de Weteringstraat 118; tel.
privé:
030-2313427; E-mail privé: van-
der_ploeg@yahoo.com; wnd.d. (toev. als lid).

*Pool, S.N.; 2001; 3554 GL Utrecht;
Zwanenvechtlaan 36; wnd.d.

*Prüst, H.G.; 2001; 3583 RN Utrecht;
Vossegatselaan 17 bis; tel. privé: 030-
2516245; wnd.d.

Rijpkema, Mevr. C.G.; 2001; 3412 KE
Lopikerkapel; Lopikerweg Oost 193 C;
wnd.d.

Rooijakkers, J.W.P.: 1983; 5551 VB
Dommelen; Brouwerijdreef 16; tel. privé:
040-2042825; d..

Savelsberg, Mevr. B.S.; 1999; 8281 CR
Genemuiden; Pr. Willem Alexanderstraat
58; tel. privé: 038-3858841; E-mail privé: sa-
velsberg39@zonnet.nl; p., medew. bij A.C.M.
Kuilboer, J.V.H. Lans, J.H. Rootert en A. Soede;
tel. prakt.:
0172-471111.

ieder z\'n vak!

Het raadplegen van adviseurs is goed...
Maar voor de financiële zaken van uw
(toekomstige) praktijk heeft u een
specialist nodig!

Dix & Co is deskundig op financieel,
fiscaal en juridisch gebied m.b.t. praktijk-
financiering, associaties, verzekeringen,
hypotheken en pensioenen.

Landelijke dienstverlening bij praktijk-
overdracht, bij associatie en assistentie.
Belt u even voor een afspraak of een
brochure.

Dix €o

-ocr page 193-

KNMvD

*Schreijer, N.A.; 2001; 3582 VB Utecht;
Ina Boudier Bakkerlaan 15 IU; tel. privé:
030-2514932; wnd.d.

Schouten. Mevr. R.; 2000; 3515 EW
Utrecht; Veenhof 1; tel. privé: 030-2720955; E-
mail privé: renata@schouten.demon.nl; wnd.d.
(toev. als lid).

*Schumer, D.L.; 1980; 4191 KP
Geldermalsen; Esdoornstraat 15; tel. privé:
0345-576820;
E-mail privé: dick@schu-
mer.com; projectleider, R.V.V. Voorburg,
afd. Instructies, Min. L..N.V.; tel. bur.: 070-
3578894; fax bur.: 070-3876591 ; adviseur/-
trainer bij Bureau (Dier&Arts&W\'crk( ; tel.
bur. : 0345-615282/06-20719066 ; fax bur. :
0345-615282.

Sommers, M.G.; 1999; 6605 BE W\'Ijchen;
Hoogmeer 1318; tel. privé: 024-6414276; E-
mail
privé: mathieusommers(a,hotmail.com;
wet. medew. bij Centraal Dierenlabora-
torium te Nijmegen; tel. bur.: 024-3613557;
fax bur.: 024-3616375; E-mail bur.: m.som-
mers(a cdl.kun.nl.

*Staal, T.A.J.; 2001; 3583 EB Utrecht;
Prins Hendriklaan 17; tel. privé: 030-
2541693; wnd.d.

Sturkenboom. W.M.; 1968; 8302 BH
Emmeloord; Plein Almere 19; tel. privé: 0527-
615339; fax privé: 0527-615030; r.d..

Sygall, R.A.; Gent- 2000; 5561 TV
Riethoven; Bosweg 2 A; tel. privé: 06-
53530805: E-mail privé: richardsygall@hot-
mail.com; wnd.d.
(toev. als lid).

Tensen-Gaasbeek, Mevr. P.; 1997; 6181 JN
Elsoo; Kempken 26; tel. privé: 046-4370633; E-
mail privé: ptensen(i:^planet.nl;
d.

Twerda. Th.; 1972; 3881 GV Putten;
Bosrand 18; tel. privé: 0341-353090;
r.d.

♦Veldman. Mevr. M.D.; 2001; 7491 LN
Delden; Dalkruid 19; tel. privé: 074-3765445;
p., medew. bij E.W.M. van Sprang; tel. prakt.:
053-4305805; fax prakt.: 053-4327448.

♦Vonk, B.L.H.; 2001; 3583 RS Utrecht;
Vosscgatsclaan 4 bis A; tel. privé: 030-
2544682; wnd.d.

Vulpen, P.H.S. van; 2000: 7625 PB
Zenderen; Hoofdstraat 59 A; tel. privé: 030-
2712260; p., medew. bij A.B. Diepeveen; tel.
prakt.: 074-2770010: fax prakt.: 074-2778189.
(toev. als lid).

Wel Mevr. T.J. van der: 1993; 2411 RT
Bodegraven; Zuidzijde 63:
tel. privé: 06-
23435277; p., medew. bij l.O.M. van Boxel-
Peters, 1. dc Groot, L.J. Hofland en T. Sterk;
tel. prakt.: 0172-613798.

Willigen, Mevr. W.M. van; 2000; 3993 RM
Houten; Halsterveld 32; tel. privé: 030-2896304;
E-mail privé: wwilligen@worldbase.nl;
p., me-
dew. bij H.M. Huisman en J.D. Wahl; tel.
prakt.: 020-6112103; fax prakt: 020-6112103.

Winne. R.T.J.A. de: 1986; 5988 NG
Helden; Nachtegaalstraat 12; tel. privé: 077-
3076756;
p., geass. met F.M.C. Dirven en
S.R.G. de Snoeck; tel. prakt.: 0475-357900;
fax prakt.: 0475-357901.

Wolf, Mevr. A. van der; 1986; 4384 HT
Vlissingen; M
.L. Kingstraat 26; tel. privé: 0118-
476500;
p., D.A.P. van der Wolf; tel. prakt.:
0118-466548.

Yokoi, Mevr. M.; 1996 ; 5175 BB Loon op
Zand ; Kerkstraat 38 ; tel. privé: 0416-
364686; E-mail privé: grover9nl.packard-
bell.org; p., medew. bij J.J.W. Coerwinkel,
Th.J..\\.M. van Gastel, A.F. Heijkants, E. van
der Kamp, M.F.P.M. Maas, B.T.
Scheijgrond, J.J.A. Theeuwes en L.H.T.
Zijlmans; tel. prakt.: 0416-334000; fax
prakt.: 0416-348021.

Kent u
het nog?

Palfium®= PALFAGE

Registratiehouder en fabrikant
ACE Pharmaceuticals BV - Postbus 1262 - 3890 BB Zeewolde

10 Seminar über Praxismanagement für Klein-
und Großtierpraktiker im Rahmen der
Equitana, Essen (D), infonnatie: www.tier-
klinik-hochmoor.de.

13 BSE-congres: Feiten en Fictie, De Reehorst
te Ede. 9.00-17.00 uur. Deelname kosten
(incl. lunch) ƒ 495.- (excl. BTW). In-
schrijving: Redactie De Molenaar, tel.: 058-
2954862 (Judith de Jong), fax: 058-
2954878,e-mail: redactiemolenaar@eisma.
ni, www.bse-congres.com

2—22 Voorjaarsdagencongres. RAI, Amster-
dam.

28—30 Congres Society for Veterinary Epi-
demiology and Preventive Medicine
(SVEPM), Golden Tulip Conference Hotel
de Leeuwenhorst, Noordwijkerhout. Nade-
re informatie is te krijgen op de website van
de SVEPM: www.vie.gla.ac.uk/svepm of
bij het algemene contactadres voor het con-
gres: Dr. Lisette Graat, Departement
Dierwetenschappen, Kwantitatieve Veteri-
naire Epidemiologie, Postbus 338,6700 AH
Wageningen, e-mail: Lisette.Graat(gGen-
R.VH.WAU.NL of bij ondergetekende:
E.G.M.van.Klink@ ECLNV.AGRO.NL.

29—30 PHLO-cursus Rundveevoeding te Wa-
geningen. Kosten: ƒ 1525,-. Inschrijftermijn

Doorlopendeagenda

Congressen & Symposia

2001

Maart

6 Veterinair symposium \'Drachtig ofDrama\'.
IJsselhallen te Zwolle tijdens de Zwolle
Intemational Stallion Show. Aanvang:
14.00 uur. Meer informatie: Bert Okker,
tel.: 030-2767805, e-mail: drachtig@hot-
mail.com

7—10 Intemational Congress of the Euro-
pean Committee of the Association of
Avian Veterinarians (EAAV) in collabora-
tion with the German Veterinary Society
(DVG) and in conjunction with the 4\'"
Intemational Scientific Meeting of the
European College of Avian Medicine and
Surgery (ECAMS), Munich, Germany.

9—10 XIV Tagung iiber Pferdekrankheiten im
Rahmen der Equitana, Essen (D), informa-
tie: www.tierklinik-hochmoor.de.

-ocr page 194-

eindigt op 2 maart 2001. Nadere inlichtingen:
Bureau PHLO, Postbus 8130, 6700 EW
Wageningen, tel,: 0317-484093/484092, fax:
0317-426547, e-mail: info@secr.phlo.wau.nl,
website: www. wau?^.nl/phlo.

April

20—22 Voorjaarsdagencongres, RAI, Am-
sterdam. Secretariaat: Postbus 80.125, 3508
TC Utrecht, tel.: 030-2532728, fax: 030-
2535851. e-mail: vjd@fbu.uu.nl, website:
www.voorjaarsdagen.org.

21—22 Symposium over de holistische be-
nadering van tumoren bij dieren in Bonn.
Sprekers: Cheryll Schwartz (USA) en
Rosina Sonnenschmidt (Frankrijk). Meer
informatie: Aleid Verhoeff Brunsveldweg
2a, 7021 JH Zelhem, tel.: 0314-625385, e-
mail: aleid@tref.nl.

Maart

15 Bijeenkomst Groep Geneeskunde van het 10
Rund. Verslag Buiatrics congres Uruguay,
\'s middags. 12

20 Algemene ledenvergadering Groep Genees-
kunde van het Varken, Jaarbeurs te Utrecht.
Meer informatie: mevr. Hetty van Beers. 23

24 Werkvergadering Gezelschapdieren Regio
Zuid. Zalencentrum \'Poort van Limburg\',
Bassin 5 te Weert. 10.00-16.00 uur. 26
Sprekers en onderwerpen: dr. H. van
Herpen, drs. R. Maarschalkerweerd, drs. M.
Hovius en prof dr. L. Hellebrekers. Kosten:
ƒ 25,- voor leden van de Afdelingen
Zeeland, Noord-Brabant en Limburg en ƒ
50,- voor niet-leden. Opgave bij W.L.J.
Oosse, tel.: 0475-593928 of N. Venselaar,
tel.:046-4741141.

AUV Voorjaarsregiovergadering Oost, Hotel
de Cantharel te Ugchelen, aanvang 20.00 uur.
Bijeenkomst Groep Geneeskunde van het
Rund, thema: wormbestrijding. \'s Middags.
AUV Voorjaarsregiovergadering Noord,
Gezondheidsdienst voor Dieren Drachten,
aanvang 20.00 uur.

AUV Voorjaarsregiovergadering Zuid, Ge-
zondheidsdienst voor Dieren Boxtel, aanvang
20.00 uur.

Afscheidscollege dr. R.J. Slappendel \'Bloed
kruipt waar het niet gaan kan\', HA Genees-
kunde van Gezelschapsdieren, Yalelaan 8 te
Utrecht. Aanvang: 15.00 uur. Aanmeldingen:
Bureau HA Geneeskunde van Gezelschaps-
dieren, Postbus 80.154, 3508 TD Utrecht.
Telefoon: 030 - 2531589, fax 030 - 2518126,
e-mail: Y.B.M.Jansen@vet.uu.nl.

Vergaderingen & Bijeenkomsten April

Dierenartsenpraktijk \'s-Hertogenbosch, gemengde praktijk van vier dierenartsen met 50% grote huisdieren en 50% kleine huisdieren
zoekt per 1 april 2001

dierenarts m/v

Wij vragen: ruime ervaring grote huisdieren; deelname dienstenregeling; enthousiast, flexibel persoon.

Wij bieden: ongeveer 80% grote en 20% kleine huisdieren; mogelijkheid tot specialisatie; salariëring volgens KNMvD; bij gebleken
geschiktheid mogelijkheid tot associatie op korte termijn.

U kunt uvi^ sollicitatie binnen 14 dagen sturen naar: Dierenartsenpraktijk \'s-Hertogenbosch, jacob van Wassenaerstraat 6, 5224 CC
\'s-Hertogenbosch, telefoon 073 - 6213579.

Dierenartsenpraktijk Axel, Zeeuwsch-Vlaanderen, zoekt op korte termijn een

Enthousiaste collega m/v

Gevraagd: Dierenarts met brede inzetbaarheid met de nadruk op de kleine huisdierensector. Bereidheid tot volledige participatie
in de dienstregeling van de gemengde praktijk.

Uw^ schriftelijke sollicitatie voorzien van cv graag binnen 14 dagen na het verschijnen van dit Tijdschrift richten aan:
DAP Axel, Stationsstraat 10,4571 LB Axel.

Voor onze gemengde praktijk in de Kempen zoeken wij

een dierenarts (m/v)

Diersoortspecialisaties in volle ontv^^ikkeling.

Schriftelijke sollicitaties met cv naar: Dierenkliniek Bladel, Sniederslaan 76, 5531 EM Bladel.
Telefoon: 0497 - 361818, fax: 0497 - 361819, e-mail:dkb@tip.nl.

Dierenkliniek Driemanspolder/Meerzicht is een vooruitstrevende en groeiende kliniek voor gezelschapsdieren.
In de kliniek is ruimte vooreen

Enthousiasteen inspirerende dierenarts (m/v)

Uw schriftelijke reacties, voorzien van cv, kunt u binnen twee weken na het verschijnen van dit tijdschrift sturen aan:
Dierenkliniek Driemanspolder/Meerzicht, Waldeck Pyrmontstraat 27, 2713 BK Zoetermeer, ter attentie van de heer M. Schokker.

-ocr page 195-

B ^ Universiteit Utrecht

De Universiteit Utrecht is in driemhalve eeuiv
uitgegroeid tot de meest complete tmiversiteit i\'an
Nederland: een rijkgeschakeerde, internationaal
georiënteerde instelling van ivetaiscliappelijk
ondenrijs en onderzoek. De 14 faculteiten,
21 onderzoekscholen en 58 opleidingen bieden
studenten en medewerkers boeiende mogelijk-
heden zich verder te ontplooien. De rijkdom
aan disciplines en de nadruk op kivaliteit
bepalen de aantrekkingskracht van Utrecht.
Wetenschappelijke traditie, moderne technie-
ken en op de toekomst gerichte programma\'s
dragen daaraan verder bij. Met ongeveer
22.000 studenten, niiin 6.800 personeels-
leden en een budget van ruim 1 miljard gul-
den vortnt de universiteit de spil in Utrecht
kennisregio. Vanuit deze positie in Midden-
Nederland onderhoudt zij een gevarieerd
contactenpatroon tnet universiteiten en
gespecialiseerde onderzoekinstituten over
de gehele tvereld.

De Universiteit op Internet:
unvtv.uu.nl

Uw sollicitatie binnen 14 dagen, tenzij anders ver-
meld, richten aan de genoemde personeelsdienst.
Vergeet u niet het vacaturenummer te vermelden.
De universiteit streeft ernaar dat vrouwen op alle
niveaus even vanzelfsprekend vertegenwoordigd zijn
als mannen. Bij voltijdse functie is invulling In deeltijd
bespreekbaar. Er is een regeling voor flexibel zwanger-
schaps- en ouderschapsverlof; er is een subsidieregeling
ten behoeve van kinderopvang.

Acquisitie n.a.v. deze advertentie wordt niet op
prijs gesteld.

Faculteit der Diergeneeskunde
De faculteit der Diergeneeskunde is de enige
in Nederland. De faculteit neemt in Europa een
toppositie in op het gebied van onderwijs,
onderzoek en patiëntenzorg en is geaccrediteerd
door de American & Canadian Veterinary
Medical Associations.

De Hoofdafdeling Geneeskunde van Gezelschaps-
dieren is onderdeel van de faculteit der Dier-
geneeskunde en omvat een opleidingsinstituut,
researchinstituut en academisch dierenzieken-
huis. Er werken 170 medewerkers, van wie ruim
50 dierenartsen. Zij verzorgen het onderwijs aan
studenten en co-assistenten, het onderzoek
en de patiëntenzorg. Jaarlijks vinden ca. 15.000
poliklinische consulten plaats en worden ca.
3.500 operaties verricht. De beschikbare facilitei-
ten worden internationaal hoog gewaardeerd.
De Hoofdafdeling heeft jaarlijks plaats voor vier
roulanten. Dat zijn dierenartsen die de Ie fase
van de opleiding tot specialist volgen.
Bij de Hoofdafdeling Geneeskunde van Gezel-
schapsdieren is per 1 juni 2001 plaats voor

4 Roulanten (v/m)

Uw taken bestaan uit het in toenemende mate
zelfstandig bijdragen aan de patiëntenzorg en
in bescheiden mate aan het onderwijs en het
onderzoek.

Wij vragen dierenartsen die zijn afgestudeerd
in de differentiatierichting Geneeskunde van
Gezelschapsdieren. De voorkeur gaat uit naar
dierenartsen die enige ervaring hebben in het
geven van onderwijs en/of enige tijd in de prak-
tijk werkzaam zijn geweest.

Wij bieden een aanstelling voor 15 maanden
waarin naast enige vaste patiëntenzorgwerk-
zaamheden scholing in den brede plaatsvindt
op het vakgebied van de Geneeskunde van
Gezelschapsdieren. De omvang van de functie
bedraagt 100%. Vervolgens kan worden gesolli-
citeerd naar een 2e fase, waarin specialistische
kennis wordt verworven op het gebied van een
van de erkende specialismen binnen de Genees-
kunde van Gezelschapsdieren (chirurgie, interne
geneeskunde en oogheelkunde). De opleiding
is verweven met de patiëntenzorg en met de
onderwijstaken van de Hoofdafdeling.
Uw salaris bedraagt ƒ 4348,- (schaal 10 BBRA)
bruto per maand gedurende de Ie fase.
Uitstekende secundaire arbeidsvoorwaarden
zoals minimaal 42 verlof- en ADV-dagen per
jaar bij een volledige aanstelling van 40 uur,
een regeling studiefaciliteiten, bedrijfsspaar-
regelingen, een tegemoetkoming in de
ziektekostenverzekering en een uitstekende
pensioenvoorziening.
Hebt u belangstelling? Dan kunt u voor
nadere inlichtingen contact opnemen met de
heer dr. F.C. Stades, voorzitter van de selectie-
commissie, telefoon 030-253 1695.
Wij verzoeken u een recente pasfoto toe te
voegen aan uw sctiriftelijke sollicitatie, die
u kunt richten aan de heer dr. F.C. Stades,
Hoofdafdeling Geneeskunde van Gezelschaps-
dieren, Postbus 80154, 3508 TD Utrecht.
Vacaturenummer 701015.

In verband met zwangerschapsverlof en vakanties gezocht voor de periode van 1 mei tot 1 oktober 2001:

Dierenarts gezelschapsdieren (m/v)

Gevraagd wordt: ruime ervaring geneeskunde gezelschapsdieren, bereidheid om 4-5 ochtenden en 4-5 avonden te werken
en (hiermee samenhangend) woonachtigheid op hoogstens 20 minuten reistijd inclusief files van de praktijk.

Geboden wordt: 20-30 uur plezierig werken in moderne, goed geoutilleerde gezelschapsdierenpraktijk in leuk deel van
Rotterdam; geen deelname aan avond- of weekenddiensten; er wordt alleen op afspraak spreekuur gehouden;
honorering minimaal volgens KNMvD-normen.

Het is niet uitgesloten dat na de periode van vijfmaanden een vast dienstverband mogelijk wordt.

Alleen kandidaten die aan de gevraagde criteria beantwoorden, worden verzocht om hun reactie te richten aan:
J.F. Alberdingk Thijm, Kralingseweg 343, 3065 RC Rotterdam (telefoon: 010 - 4502916)

-ocr page 196-

Ervaren dierenarts

zoekt parttime werk in de gezelschapsdierensector
binnen een gebied van 50 km rond Breda.

Reacties naar:

C.G. van der Aa, Meent 19,4817 NP Breda.

Telefoon: 076 - 5716874,

e-mail: connievanderaa@euronet.nl

Enthousiaste dierenarts

met 2,5 jaar ervaring landbouwhuisdieren en paarden zoekt
werk (ook waarneming) in de omgeving van Doetinchem.
Goede referenties. Ook interesse in gezelschapsdieren.

S. Kranendonk, Holserweg4, 7075 DW Etten.
Telefoon: 06 -12372198.

n.a. dijkshoorn
diergeneeskundige kliniek

Een intensieve praktijk voor gezelschapsdieren,
verdeeld in circa fifty/fifty eerste- en tweedelijns dier- \'
geneeskunde zoekt op korte termijn een

enthousiaste dierenarts m/v

fulltime of parttime

Wij vragen:

• Inzet, ambitie en enthousiasme

• Flexibiliteit

• Belangstelling voor beeldvormende technieken,
chirurgie, alsmede op intemistisch terrein

• Bereidheid te participeren in dienstenregeling
Wij bieden:

• Een dynamische werkplek

• Een sterk team van paraveterinairs

• Salariëring volgens KNMvD-normen

• Mogelijkheid tot volgen van PAO en andere
cursussen

Gelieve uw sollicitatie binnen 14 dagen na het verschij-
nen van dit tijdschrift te richten aan: Diergenees-
kundige kliniek N.A. Dijkshoorn, Utrechtseweg 50,
3704 HE Zeist. Telefoon: 030 - 6954264 of per e-mail:
nico@dijkshoorn.com

dierenkliniek „den lietivel"

Dierenkliniek den Heuvel is een moderne gemengde die-
renartsenpraktijk met een goed geoutilleerd en gedifferen-
tieerd praktijkgebouw.

Ter versterking van ons team van dierenartsen zoeken wij
op korte termijn:

Enthousiaste collega (m/v)

die zijn werkzaamheden wil richten op de paarden- en/of
gezelschapsdierensector, doch in de weekenddiensten ook
algemene praktijkwerkzaamheden kan verrichten.
Enige ervaring strekt tot aanbeveling, doch is geen hals-
zaak. Motivatie wel.

Wij bieden deze collega naast een prettige werksfeer en
uitdagende omstandigheden, salariëring en secundaire
arbeidsvoorwaarden volgens de KNMvD-normen en bij ge-
bleken geschiktheid uitstekende toekomstmogelijkheden.

Reacties met cv graag schriftelijk binnen 14 dagen richten
aan: A. van Dorsser, Bakpers 5,5683 NL Best.

Dierenkliniek Wolvega is een mo-
derne, groeiende dierenartsen-
praktijk. Wij werken met negen
dierenartsen vanuit een goed ge-
outilleerde kliniek. Daarbij wordt
er steeds meer diersoortgericht gewerkt.
Voor onze sectie geneeskunde van het gezelschapsdier
zoeken wij een

Dierenarts (m/v)

Wij zoeken een collega met de volgende kwaliteiten:

• enkele jaren ervaring in de gezelschapsdierenpraktijk

• inzicht in het management van de moderne dierenartsen-
praktijk

• goede communicatieve vaardigheden en een klantgerichte
instelling

• affiniteit met de geneeskunde van het paard

• bereidheid tot deelname in de nacht- en weekenddiensten
Wij bieden:

• een 80-100% baan met goede toekomstmogelijkheden

• de gelegenheid tot verdere ontwikkeling van onze tweede-
lijns zorg voor het gezelschapsdier

• een enthousiast team met goede collegiale verhoudingen

• salariëring volgens KNMvD-normen

Uw schriftelijke sollicitatie vergezeld van curriculum vitae zien
wij graag binnen veertien dagen tegemoet.
Dierenkliniek Wolvega, Grindweg 130, 8471 EM Wolvega, ter
attentie van Jaap Baerveldt.Voor inlichtingen kunt u bellen:
0561 - 612282 (jaap Baerveldt).

DIERENKLINIEK

H 0 l V l C A

-ocr page 197-

EUKANUBA VETERINARY DIETS

Even betrokken bij het welzijn van dieren als u,

-ocr page 198-

Kusiige recovery aoor

24 uur postoperatieve
pijnbestrijding.

Metacam injectie is nu definitief geregistreerd als NSAID
dat preoperatief kan worden ingezet voor postoperatieve
pijnbestrijding bij honden. Metacam paart een opvallend
lange werking (liefst 24 uur) aan effectiviteit en veiligheid.
Bovendien is Metacam dankzij intraveneuze of subcutane
toediening uitstekend geschikt als effectieve inflammatoire
ondersteuning voor een succesvolle operatie. Met duidelijke
pluspunten:

• Intraveneus of subcutaan toe te dienen

• Draagt bij aan rustige recovery en voorspoedige
wondgenezing

• Niet van invloed op circulatie-, nier- en ademhalings-
functie gedurende de operatie

• Zorgt voor effectieve pijnbestrijding en ontstekings-
remming gedurende 24 uur

• Eenvoudige vervolgbehandeling met Metacam
orale suspensie zolang nodig

Metacam® Injectie.

Daar ligt geen hond wakker van

Postbus 8037,1802 KA Alkmaar / Tel. 072-5662411 / Fax 072-5643213
vetmedica@boehringer-ingelhelm.nl / www^.boehringer-ingelheim.nl

A Boehringer
\\v Ingelheim

-ocr page 199-

KNMv

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voo
Diergeneeskunde

15 maart

2001

deel

■ ■vt
■i;

126

aflevering
6

<
i

-ocr page 200-

Elfstedentocht
voor dierenartsen

Prof. Dr. Van Miert (Farmacoloog) houdt de
komende periode op elf plaatsen in Nederland
interessante inleidingen over mastitis en het
formularium. Behalve waardevolle informatie kan
deelname aan deze studiebijeenkomst vijf studie-
punten opleveren voor de Erkenningsregeling
Rundveedierenartsen. Voor informatie en deel-
name belt u Mycofarm Nederland,
030-2212800.

^Mycofarm mmm

OOG VOOR DE PRAKTIJK

-ocr page 201-

TIJDSCHRIFT
VOOR

DIERGENEESKUNDE

Journal ofthe Royal Netherlands Veterinary Association

Deel 126 aflevering 6:15 maart 2001

Twee jaar geleden...; H.W. Barkema

Voorwoord

\'57

Uitbraak van bovine virus diarree op Nederlands rundveebedrijven na vaccinatie met een met BDVD type 2
geconlamineerd BHV l markervaccin;
H. W. Barkema. C.J.M. Bartels, L. van Wuvckhuise. J. W. Hesselink,
M. Holzhauer. M.F. Weber. P. Franken. P.A. Koek. C.J.M. Bruschke en G.M. Zimmer
 158

Dertien rundveebedrijven waar koeien ziek zouden zijn geworden na vaccinatie tegen infectieuze bovine
rhinotracheitis(IBR);/).
de Kruif 166

Analyse van gezondheidsklachten na BHV 1 vaccinatie; L. van Wuvckhuise, K. Frankena, M.A.A.J. van Oijen
ent. Meijer
 173

Prevalentie van slijtend rundvee op Nederlandse melkveebedrijven met een historie van chronische
gezondheidsproblemen;
jW.F. Weber en J. Verhoeff 180

Bevindingen bij koeien afkomstig van melkveebedrijven met slijterproblematiek; K.E. Muller 184

Wetenschap

Uit en voor de praktijk

Wetenschap

Discussie en terugblik

Veterinair Tuchtrecht
Congressen en Cursussen
PAOD

Studentenreferaten

Detectie van bovine virus diarree virus in een levend bovine herpes virus 1 markervaccin; C.J.M. Bruschke.
H.A. Paal en K. Weerdmeester

Vergelijking van de bedrijfskengetallen van melkveebedrijven die in 1998 wel of niet hebben gevaccineerd
met BHV l markervaccin;
C.J.M. Bartels. H. W. Barkema, M.L. Beiboer. A. Bouma en J.A. Stegeman
Bedrijfsvoering en kengetallen van tot \'siijter\'-bedrijven verworden melkveebedrijven; C.J.M. Bartels.
H. W. Barkema. M.L. Beiboer. A. Bouma en J.A. Stegeman

Vaccinatie van kalveren met bovine herpesvirus 1 vaccins afkomstig van gecontamineerrde charges leidde
niet tot besmetting met bovine virus diarree virus;
G. Antonis, J. T. van Oirschot, M. van Es en
C.J.M. Bruschke

De effecten van vaccinatie mei een hoge dosis BHV l markervaccin in hoogdrachlige vaarzen: virologische,
bacteriologische, immunologische en pathologische bevindingen;
C.J.M. Bruschke, E.M. Kamp.
W. Boersma, N. Stockhofe-Zurwieden en A. Bouma

Vitamine B|2-suppletie en melkproductie Op bedrijven met slijtende runderen; M.F. Weber. J. Verhoeff.
M. Holzhauer. C.J.M. Bartels. L van Wuijckhuise en P. Vellema

Mogelijkheden voor nader onderzoek naar de slijterproblematiek; G.A.L. Meijer, A. Bouma en J. Verhoeff

\'Slijters\', een gevolg van subacute pensacidose?; C.A.M. Peeters, A. Joren en A. Brand
Een alternatieve zienswijze; J. Fink-Gremmels
Welke lessen zijn te leren?; C.J.G. Wensing

De oorzaken van slijters: wat wel en niet geconcludeerd kan worden; M.C.M. de Jong
Slijters???: C.H. Wentink

De slijtersproblematiek: wat kunnen we ervan leren?; J.P. T.M. Noordhuizen
Wat weten we nu eigenlijk zeker?; Y.H. Schukken

Dierenarts moet proberen infecties bij andere huisdieren te voorkomen; I. Boissevain
De Vooijaarsdagenagenda

189

191

208

218
223

226

229

230

231

233

234

235

237

237

238

239

Lactolyte®

Lactolyte orale rehydratietherapie met Lactosérum

2619. Samenstelling: suikers,
elektrolyten en mineralen.
Indicatie: elektrolytentekort
en dehydratie.
Doeldieren:
kalveren. Verpakking: doos
8 sachets, doos 40 sachets en
pot 900 gram.
Kanalisatie:

lactoiyte

40x90g

Virbac Nederland bv Postbi
TelefO

lactolyte

• Snel herstel van de waterhuishouding én bestrijding van
metabole accidose • Betere energievoorziening waardoor
minder gewichtsverlies • Goede acceptatie en probleemloze
overgang naar de melk
 (Be)proef het verschil!

Bameveld

27 Fax (0342) 490 164

Eerste hulp bt^
kalverdiarree!

-ocr page 202-

Hoofdredactie

Dr. W. Edel (voorzitter)

Dr. E.A. ter Laak (penningmeester)

Drs. H.A. Beijer

Dr. M.F. de Jong

Dr. Tj. Joma

Dr. R. Kuiper

Dr. P.A.M. Overgaauw

Drs. J.T. Siebinga

Dr. R.J. Slappendel

Dr. J.H. Vos

Wetenschappelijke redactie

Prof. dr. A. Barneveld (Utrecht)

Dr. A.E.J.M. van den Bogaard Jr. (Maastricht)

Dr. F.H.M. Borgsteede (Lelystad)

Prof dr. H.J. Breukink (Utrecht)

Prof dr. P. De Backer (Gent, België)

Dr. J. Goudswaard (Middelburg)

Prof. dr. L.J. Hellebrekers (Utrecht)

Dr. Th.S.G.A.M. van den Ingh (Utrecht)

Prof dr. A.Th. van \'t Klooster (Utrecht)

Prof dr. F. van Knapen (Utrecht)

Prof dr. A. de Kruif (Gent, België)

Dr. J.T. Lumeij (Utrecht)

Prof dr. A.S.J.P.A.M. van Miert (Utrecht)

Prof dr. J.P.T.M. Noordhuizen (Utrecht)

Prof dr. J.Th. van Oirschot (Lelystad)

Prof dr. J. de Schepper (Gent, België)

Dr. J.M.A. Snijders (Utrecht)

Dr. E. Teske (Utrecht)

Mw. dr. A.J. Venker-van Haagen (Utrecht)

Prof dr. J.H.M. Verheijden (Utrecht)

Dr. G. Voorhout (Utrecht)

Dr. Th. Wensing (Utrecht)

Bureauredactie

Mw. A.M. Tummers
Mw. S.H. Umans-Ubbink

Bureau

Julianalaan 8-IO,.Postbus 14011,3508 SB Utrecht
Tel. 030- 25 10 111/fax 030-25 19 847.
E-mail: tijdschrift^knmvd.nl.

Abonnementsprijs

Het Tijdschrifi voor Diergeneeskunde is het vereni-
gingstijdschrift van de Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde.
De abonnementsprijs voor dierenartsen niet-leden van
de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor
Diergeneeskunde en voor niet-dierenartsen wordt vast-
gesteld door het Hoofdbestuur.

Postgiro/bank

Postbank 511606 ten name van dc KNMvD.
Julianalaan 8-10, Utrecht. ABN/AMRO N.V.. Postbus
30. 3500
AA Utrecht, nr. 55 50 48 861 en C en E bank
N.V.. Postbus 85100, 3508
AC Utrecht, nr. 69 93 61
443.

Druk

Drukkerij G. van Dijk B.V., Breukelen (tel. 0346-
261304. fax 0346-264565).

KNMvD

Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde.
Julianalaan 8-10, Utrecht

Postbus 14031,3508 SB Utrecht. Telefoon: 030 - 25 10 111. Fax 030-2511787

Secretariaat
Manager interne zaken

Stafmedewerkers

Administrateur

Vacaturebank

Webmaster

Hoofdbestuur

Drs. T. de Ruijter, voorzitter

Drs. S.R. Heslinga, vice-voorzitter

Drs. J. Borgmeier. lid

Mw. drs. E.N.M. Harwig-Dings, lid

Drs. G. Huijser van Reenen. penningmeester

Drs. J. Togtema, lid

Mw. drs. W.J. Wijne- Raemakers, lid

Dr. Tj. Joma. algemeen secretaris

Mw. E. Cuhfus

Mw. drs. S.A.M. Deleu

Mw. drs. M.C. van Oostrum-Schuurman Hess

Drs. J.L.M. Vaarten

H.S. de Vries

R.P. van Ringelestijn

Mw. drs. C.M. van Kalles

KNMvD

Maatschappijnieuws

Rechtspositieregeling voor Dierenartsassistenten 2001 242

Oproep instellen commissie 242

Hebben wij uw juiste e-mailadres? 247

Doorlopende agenda 243

Contents

Science

Outbreak of bovine viral diarrhoe on Dutch dairy farms induced by a BHVl marker vaccine contaminated
with BDVD type
2. H.W. Barkema. C.J.M. Bartels, L van Wuvckhuise, J. W. He!:selink M. Holzhauer.
M.F. Weber P. Franken. P.A. Kock C.J.M. Bruschke en G.M. Zimmer
 158

The veterinary scene

Did vaccination with an infectious bovine rhinotracheitis (IBR) marker vaccine give rise to wasting among
dairy cattle?;
A. de Kruif 166

Analysis ofsymptomsofdisease after a BHVl vaccination; i. van Wuvckhuise, K. Frankena, M.A.A.J. van
Oijen en L Meijer
 173

Prevalence of chronic wasting in Dutch dairy herds with a history of chronic health problems; .M.F. Weber
enJ. Verhoeff
 180

Findings at cows originating from dairy herds with \'chronic wasting disease"; K.E. Müller 184

Science

Detection of bovine virus diarrhoe virus in a live bovine herpes virus 1 marker vaccine; C.J.M. Bruschke.
H.A. Paal en K. Weerdmeester
 189

Comparison of performance of dairy herds that did and did not vaccinate with a BHV 1 marker vaccine in
1998;
C.J.M. Bartels, H.W. Barkema. M.L. Beiboer. A. Bouma en J.A. Stegeman 191

Management and herd performance of dairy herds with and without \'chronic wasting\' cows; C.J.M. Bartels.
H.W. Barkema. M.L. Beiboer. A. Bouma en J.A. Stegeman
 198

Vaccination of calves with bovine herpesviras 1 vaccines originating from contaminated batches did not
result in infection with bovine virus diarrhoe virus;/(.F.G.
Antonis.J.T. van Oirschot. M. van Es en
C.J.M. Bru.ichke
 208

The effects of vaccination with a high dose of BHV 1 marker vaccine in pregnant heifers: virological.
bacteriological, immunological en pathological findings;
C.J.M. Bruschke. E.M. Kamp. W. Boersma.
N. Stockhofe-Zurwieden en A. Bouma
 211

Vitamin B|2 supplementation en miik production on farms with \'chronic wasting\' cows; M.F. Weber.
J. Verhoejf, M. Holzhauer, C.J.M. Bartels. L. van Wuijckhuise en P. Vellema
 218

Investigation of wasting among cattle; C.A.L. Meijer, A. Bouma en J. Verhoejf 223

Advertenties

Commerciële advertenties: Bureau Weijer B.V., Veen-
dam (tel. 0598-623065, fax 0598-613827).
Personeelsadvertenties: bureauredactie.

All rights reserved

Verklaring:

Richtlijnen voor auteurs (Vancouver Style) zijn op aanvraag verkrijgbaar (zie ook Tijdschr Diergeneeskd 1992;
117:31-4). De Redactie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade welke - direct of indirect - het gevolg mocht
zijn van gebleken onjuistheden in de inhoud van de in dit tijdschrift opgenomen artikelen waarbij de auteur is vermeld
of in de inhoud van de in dit tijdschrift geplaatste advertenties.

Advertenties kunnen zonder opgaaf van redenen door de Redactie worden geweigerd of ingetrokken.

Niets uit dit tijdschrift mag worden verveelvoudigd eti/of openbaar gemaakt, door middel van druk, microfilm of op

welke andere wijze ook. zonder schriftelijke toestemming van de Redactie.

(Papers appearing in this journal are listed in Current Contents /Agricultural Biology and Environmental Science /
Index-Medicus, Index Veterinarius / Veterinan\' Bulletin, Biological Abstracts, Cambridge Scientific Abstracts).

-ocr page 203-

Bewezen kwaliteit

• Brede bescherming door drie werkzame bestanddelen:
nafcilline, penicilline en streptomycine

• Effectief tegen de belangrijkste mastitisverwekkers

• Wachttijden: veilig en praktisch

• Duodop verkleint risico op nieuwe infecties

PRONAFCIN DC

Samenstelling: 1 injector bevat: procaïne-benzylpenicilline monohydraat 300 mg, dihydrostreptomycinesulfaat 125 mg, nafcilline-natrium monohydraat over-
een-komend met nafcilline 100 mg. Farmaceutische vorm; Suspensie voor intramammaire toediening. Indicatie: Rund: Behandeling van subklinische infecties
van de uier op het moment van droogzetten veroorzaakt door streptococcen en stafylococcen. Tevens dient dit middel ter preventie van wrang (veroorzaakt
door Actinomyces pyogenes) gedurende de droogstand. Dosering: Rund: Per kwartier dient één injector voor het droogzetten, na de laatste melkbeurt,
ingebracht te worden. Contra-Indicaties: Niet tegelijk toedienen met bacteriostatisch werkende antibiotica. Niet toedienen aan dieren die overgevoelig zijn voor
penicilline. Niet toedienen aan koeien tijdens de lactatie. Wachttijd: Rund: Melk: Bij een droogstand > 6 weken: 4 dagen na het afkalven. Bij een droogstand
< 6 weken: 46 dagen. Vlees: 53 dagen. Bewaring: Bij kamertemperatuur (15-25°C). Inhoud: Doos a 20 injectoren a 3 g met tepeldoekjes Art.nr. 72162

Voor nadere informatie raadpleeg
Eurovet, aanvraag folder (VPK 72424)
voor uw rundveehouder bij AUV.

An\\ma\\ Health

Handelsweg 25, Postbus 179, 5530 AD Bladel
Tel.: (0497) 38 86 88, Fax: (0497) 38 85 00

-ocr page 204-

De Dynamiek van

Antloxldanten

WALTHAM® introduceert: de vernieuwde complete WALTHAM® Veterinaire Dieetrange
verrijkt met antloxldanten

Met dit nieuwe WALTHAM® concept verandert er veel:

Naam: Van Pedigree® en Whiskas® naar WALTHAM®,
een bekend begrip in de veterinaire wereld en
nu hét exclusieve merk voor de dierenarts.

Solutions for Life

Receptuur: Alle WALTHAM® diëten zijn verrijkt met
vitamine E en taurine, twee van de meest
krachtige vrije-radicalen-vangers.

Verpakking: Geavanceerde moderne verpakking met
duidelijke kleurcodering en naamgeving
gebaseerd op de klinische aandoening.

WALTHAM\'

Veterinary Diets

-ocr page 205-

0

Twee jaar geleden...

Twee jaar geleden ontstonden er gezondheidsproblemen op 11 rundveebedrijven kort na vaccinatie
in het kader van de IBR-bestrijding. De symptomen op deze bedrijven wezen op een mogelijke bovine
virus diarree infectie. Kort daarna werd duidelijk dat het gebruikte levend BHVl markervaccin was
verontreinigd met BVDV. Na een oproep tot melding van klachten bleek dat op een groot aantal
Nederlandse rundveebedrijven gezondheidsproblemen voorkwamen. Bij een aantal van deze bedrij-
ven zijn de klachten later onder de noemer \'slijten\' samengevat. Naar dit ziektebeeld, dat nog nooit
scherp is gedefinieerd, is sindsdien onderzoek verricht, met name naar een mogelijke associatie met
de vaccinatie tegen BHVl.

Dit themanummer van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde is geheel gewijd aan deze problematiek.
Behalve wetenschappelijke bijdragen worden ook drie inventarisaties van zogenaamde slijterbedrif-
ven en een beschrijving van het ziektebeeld gerapporteerd. Deze bijdragen vindt u onder het kopje
\'Uit en voor de praktijk\'. Daarnaast geven diverse gezaghebbende specialisten die geen partij zijn in
de slifterproblematiek hun opinie, met name over de mogelijke achterliggende oorzaken. Ook worden
door hen suggesties gedaan hoe in de toekomst beter met dergelijke problemen kan worden omge-
gaan.

Dit themanummer zou nooit tot stand zijn gekomen en binnen het krappe schema zijn afgerond (begin
december 2000 zijn de auteurs voor het eerst benaderdj zonder de enorme inzet van de auteurs. Alle
wetenschappelijke bijdragen zijn beoordeeld door twee zogenaamde reviewers; gerenommeerde on-
derzoekers van een ander instituut dan de auteurs zelf en zonder bemoeienis met het betreffende on-
derzoek. Reviewers opereren altijd op de achtergrond omdat hun identiteit niet aan de auteurs of an-
deren bekend wordt gemaakt, maar zij hebben een cruciale rol hij het toetsen van de
wetenschappelijke inhoud van aangeboden publicaties en leveren daarnaast ook suggesties ter ver-
betering van de tekst. Hoewel hun namen hier dus niet kunnen worden vermeld, wil ik hen langs deze
weg bedanken voor de inspanning die ook zij hebben verricht.

Tot slot wil ik graag Jan Willem Hesselink, op wie ik zoals altijd weer kon rekenen, Rogier Kuiper, die
als lid van de Hoofdredactie een belangrijke rol heeft gespeeld, en Susan Umans, zonder wiens on-
dersteuning dit themanummer er nooit zou zijn gekomen, bedanken voor hun hulp bij het samenstel-
len van dit themanummer

Herman Barkema
Gast-editor voor dit themanummer

Voorwoori

-ocr page 206-

Uitbraak van bovine virus diarree op Nederlandse rund veebedrijven
na vaccinatie met een met BVDV type 2 gecontamineerd BHVi mar-
kervaccin

Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126:158-65

H.W. Barkema\'*, C.J.M. Bartels\', L. van Wuijckhuise\', J.W. Hessellnk=, M. Holzhauer\'
M.F. Weber\', P. Franken\', P.A. Koek\', C.J.M. Bruschke\' en C.M. Zimmer\'

SAMENVATTING

Op 23 februari 1999 heeft de Gezondheidsdienst voor
Dieren alle dierenartsenpraktijken in Nederland bericht
het vaccineren van rundvee tegen BHVl met onmiddel-
lijke ingang op te schorten. Een dag eerder was namelijk
gebleken dat op vier rundveebedrijven, na koppelvacci-
natie tegen BHVl met eenzelfde batch BHVl markervac-
cin, ernstige gezondheidsproblemen waren opgetreden.
Bij het laboratoriumonderzoek werd uit deze batch BVD
virus gekweekt, dat met behulp van monoclonale antili-
chamen werd getypeerd als BVDV type 2. Het beschrijft
een uitbraak van BVDV type 2 als gevolg van het gebruik
van de met BVDV gecontamineerde batch van levend
BHVl markervaccin.

De bronnen van informatie bestaan uit verslagen van de
bedrijfsbezoeken door rundveedierenartsen van de GD,
notulen van vergaderingen, laboratoriumresultaten en
mondelinge toelichtingen door diverse betrokkenen.
De eerste ziekteverschijnselen werden gemiddeld zes da-
gen na vaccinatie waargenomen. De morbiditeit was
hoog op 11 van de 12 bedrijven. Op vijf bedrijven werd
>70% van de dieren ziek, terwijl op één bedrijf geen ziek-
teproblemen zijn gezien. In de eerste dagen na vaccinatie
verminderde de voeropname en daalde de melkproduc-
tie. In de tweede week werd een gering aantal dieren kli-
nisch ziek met als belangrijkste symptomen: neusuit-
vloeiing, koorts en vervolgens waterdunne diarree. Aan
het einde van de tweede week en het begin van de derde
week nam het aantal zieke dieren sterk toe en werden de
symptomen erger met daarbij ook sterfte van dieren. De
mortaliteit varieerde sterk tussen de bedrijven. Bij sectie
werden vooral erosies en ulcera van het slijmvlies van het
maagdarmkanaal gevonden. De frequenties van leverde-
generatie, hyperaemie van de lebmaag, gezwollen mesen-
teriale lymfeknopen of miltzwelling wisselden sterk.
Op 11 van de 12 bedrijven zijn alle aanwezige runderen
dieren na overleg met de vaccinproducent tussen 32 en 68
dagen na vaccinatie afgevoerd.

Deze BVDV-uitbraak als gevolg van een gecontamineerd
vaccin is bij runderen de derde die als zodanig in
Nederland is vastgesteld. De mogelijkheden om contami-
natie van een vaccin als gevolg van met BVD virus geïn-
fecteerd foetaal kalverserum te voorkomen, worden be-
sproken. Een verbetering van de controle op
contaminatie vooraf en tijdens de productie van het vac-
cin en verbetering van het toezicht bij toepassing is nood-
zakelijk.

\' Gezondheidsdienst voor Dieren. Postbus 36!. 9200 AJ Drachten.
^ Academisch Ziekenhuis Groningen. Postbus 30.001. 9700 AB Groningen.
^ Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid ID-Lelystad. Postbus 65. S200 AB
Lelystad.

• Corresponderend auteur: tel.: 0512-570700, fax: 0512-520013. e-mail:
h.barkema@gdvdieren.nl

SUMMARY

Outbreak of bovine virus diarrhoea on Dutch dairy
farms induced by a bovine herpesvirus 1 marker vaccine
contaminated with bovine virus diarrhoea virus type 2

On 23 February 1999, the Dutch Animal Health Service advised all Dutch
veterinary practices to postpone vaccination against bovine herpesvirus I
(BHVl) immediately. The day before severe disease problems were diag-
nosed on four dairy farms after vaccination with the same hatch of BHVl
marker vaccine. Using monoclonal antibodies, bovine virusdiarrhoea virus
(BVDV) type 2 was found in the vaccine batch. This paper describes an out-
break of BVDV type 2 infection caused by the use of a hatch of modified live
BHVl marker vaccine contaminated with BDVD.

Sources of information used were reports of farm visits, minutes of meet-
ings, laboratory results, and oral communications from the people involved.
The first symptoms of disease were observed on average six days after vac-
cination. Morbidity was high on 11 of the 12 farms. On five farms more than
70% ofthe animals became ill, while on one farm no symptoms could be de-
tected. During the first week after vaccination, feed intake and milk produc-
tion decreased. During the second week, some animals became clinicallv
diseased having nasal discharge, fever, and diarrhoea. At the end of the se-
cond week and at the start of the third week, the number ofdiseased animals
increased rapidly, the symptoms became more severe, and some animals
died. Mortality varied among herds. Necropsy most often revealed erosions
and ulcers of the mucosa of the digestive tract. In addition, degeneration of
the liver, hyperaemia of the abomasum, and swollen mesenterial lymph no-
des and swollen spleen were found. On 1! of the 12 farms all animals were
culled berween 32 and 68 days after vaccination after an agreement was re-
ached with the manufacturer ofthe vaccine.

This was the third outbreak of B VD in cattle after administration of a conta-
minated vaccine in the Netherlands. The possibilities to prevent contamina-
tion of a vaccine as a consequence of infection of fetal calf serum with
BVDV are discussed. Improvement of controls to prevent contamination be-
fore and during vaccine production, and improvement of the monitoring of
side-effects is necessary.

INLEIDING

Vaccinatie van dieren met BHVl markervaccin vormde een
onderdeel van het IBR-bestrijdingsprogramma, zoals dat op
1 mei 1998 van start is gegaan. Tot eind 1998 zijn ruim
60.000 bedrijfsvaccinaties toegepast waarbij meer dan 3 mil-
joen mnderen zijn gevaccineerd.

In de voorbereidingsperiode is zowel het levende als het
dode BHVl markervaccin uitgebreid getest ten behoeve van
de registratie. Daamaast hebben Bosch (5) en Mars (17) de
vaccins uitgetest op 84 bedrijven in een dubbel blinde proef
Gedurende 17 maanden zijn deze koppels gevolgd op sero-
conversie van BHVl antilichamen en mogelijke neveneffec-
ten van het gebmikte vaccin. Bosch (5) vond een halve graad
temperatuursverhoging op de tweede dag na vaccinatie en
een cumulatieve productiedaling van 1,4 kg melk gedurende
de eerste zes dagen na vaccinatie. Mars (17) heeft in drie ge-
vallen een lichte, niet nader gekwantificeerde melkproduc-
tiedaling waargenomen. Het percentage verwerpers in be-
handelde koppels (1,4%) was lager dan in de placebo
koppels (2,1%).

Op dinsdag 23 febmari 1999 heeft de Gezondheidsdienst
voor Dieren (GD) alle dierenartsenpraktijken in Nederland
per post en per fax bericht de vaccinaties tegen BHVl met

-ocr page 207-

onmiddellijke ingang op te schorten. De dag ervoor was be-
kend geworden dat op vier bedrijven, na koppelvaccinatie te-
gen BHVl met een zelfde charge BHVl markervaccin, ern-
stige gezondheidsproblemen waren opgetreden. Het
symptomenbeeld op de bedrijven was gelijk: eerst productie-
daling en koorts, gevolgd door waterdunne diarree en sterfte
van dieren. De bedrijven hadden op geen enkele wijze con-
tact met elkaar gehad.

Bij onderzoek van de dieren en de bewuste charge van het
vaccin bleek sprake te zijn van een besmetting met bovine
vims diarree vims (BVDV) type 2. Tot het moment waarop
besloten is het IBR programma op te schorten, is de batch
met het besmette vaccin gebmikt op 12 mndveebedrijven.
Later bleken ook andere BHV 1 vaccinbatches besmet te zijn,
waarbij sprake bleek te zijn van BVDV type 1 (8). Dit is de
aanleiding geweest waarom in maart 1999 alle dierenartsen
praktijken en alle veehouders zijn opgeroepen bijwerkingen
na het gebmik van het levende BHVl markervaccin te mel-
den.

Het doel van dit artikel is: 1) een beschrijving te geven van
de uitbraak van BVDV type 2 als gevolg van het gebmik van
de met dit vims gecontamineerde batch van levend BHVl
markervaccin en 2) de mogelijkheden ter preventie van een
dergelijke contaminatie te bespreken.

MATERIAAL EN METHODEN

ln dit onderzoek is gebruik gemaakt van verslagen van de be-
drijfsbezoeken door mndveedierenartsen van de GD, notu-
len van vergaderingen, laboratoriumresultaten (GD, ID-
Lelystad en Faculteit der Diergeneeskunde) en mondelinge
toelichtingen door diverse betrokkenen. Voor de beschrij-
ving van de klinische symptomen, het verloop daarvan en de
laboratoriumresultaten zijn drie bedrijven als voorbeeld ge-
nomen. Bedrijf 1 was het eerste bedrijf dat klachten heeft ge-
meld. Bedrijf 5 was het eerste bedrijf waar de oorzaak is
vastgesteld. Op bedrijf 9 zijn in het kader van een ander pro-
ject op de dag van vaccinatie bij alle dieren ouder dan drie
maanden bloedmonsters genomen waardoor het later moge-
lijk is gebleken het verloop van de BVD-serologie te volgen.
De dierenartsenpraktijken die de betreffende batch van het
Bayovac(B)-IBR marker vivum (Bayer, Monheim, Duitsland)
hadden ontvangen, zijn door een mndveespecialist van de
GD gevraagd welke bedrijven, op welke data en hoeveel die-
ren per bedrijf zijn gevaccineerd. Om na te gaan of eventuele
verspreiding van dierbewegingen is opgetreden, is via het
I&R (19) achterhaald welke dieren na vaccinatie zijn afge-
voerd.

Tabel i. Overzicht van 12 rundveebedrijven die in februari 1999 werden gevaccineerd met BHVi markervaccin dat was gecontamineerd met BHV virus type 2.

Bedrijf Vaccinatie

Rundvee op

Dieren

Flacons\'

Eerste

Eerste

Aantal

Mortaliteit

Interval

1-2-99

gevaccineerd

van batch

98W17WG4622

gebruikt

verschijnselen

bezoek
GD

zieke
dieren^

(aantal)

tussen

vaccinatie en
ruiming

1

3-2-99

117 koeien
102jongvee

203

3

150 doses

5-2-99

16-2-99\'

29 koeien

50% van het jongvee

18 koeien
15jongvee

50

2

4-2-99

33 koeien
23jongvee

53

1

50 doses

11-2-99

26-2-99

2 koeien
20jongvee

3

49

3

8-2-99

40 koeien
24jongvee

60

1

50 doses

16-2-99

18-2-99=

90-100%

7

46

4

8-2-99

75 koeien
61 jongvee

135

1

50 doses

15-2-99

23-2-99\'

5

3

46

5

9-2-99

87 koeien
67jongvee

153

2

100 doses

12-2-99

19-2-99\'

70%

95

45

6

10-2-99

3 koeien
5jongvee

11

Restje
11 doses

19-2-99

n.v.t.\'

100%

0

68

7

11-2-99

71 koeien
49jongvee

115

2

100 doses

18-2-99

22-2-99\'

90-100%

28

42

8

17-2-99

475 koeien
263 jongvee

406

8

400 doses

23-2-99

27-2-99

veel

151

36

9

18-2-99

160 koeien
112jongvee

237

4

200 doses

24-2-99

27-2-99

veel

156

32

10

18-2-99

62 koeien
45jongvee

17

Restje
17 doses

26-2-99

28-2-99

21

6

41

11

18-2-99

19-2-99

3 koeien
10jongvee

13

Restje
13 doses

2-3-99

3-3-99

13

13

n.v.t.

12

18-2-99

76 koeien
62jongvee

128

3

150 doses

geen

n.v.t.

geen

0

geen
ruiming

1 Een flacon bevatte 50 doseringen.

2 Het is onbekend op welke datum deze aantallen zijn geïnventariseerd.

3 Bezoek naar aanleiding van gemelde problemen.

Bezoek nadat bekend werd dat met een gecontamineerde batch was gevaccineerd.

Het laboratoriumonderzoek (secties, koppelonderzoek, indi-
viduele monsters) is uitgevoerd door de Gezondheidsdienst
voor Dieren. De testen op de aanwezigheid van het BVDV
zijn uitgevoerd met behulp van standaard testen: BVD
Antigeen ELISA (Serelisa BVD/MD/BD Ag, Synbiotics,
België), Pestivims PCR (oorspronkelijk ontwikkeld door
T.W. Drew (9); geoptimaliseerd en aangepast voor routine-
gebruik door afdeling R&D van het GD-laboratorium) en
BVD vimskweek gevolgd door een Immuno Peroxidase Mo-
nolayer Assay (IPMA). Voor de BVD-serologie is gebruik
gemaakt van de standaard BVD Antilichaam ELISA
(Ceditest, ID-Lelystad) (13). De typering van de BVDV-iso-
laten en vaccin is uitgevoerd met behulp van monoclonale
antilichamen (ID-Lelystad) (8).

VERLOOP VAN DE UITBRAAK

Dc 12 bedrijven zijn gevaccineerd tussen 3 en 18 febmari
1999 (Tabel 1). Het betrof tien melkveebedrijven en twee be-
drijven (nummer 6 en 11) met vleesvee. De bedrijfsgrootte

-ocr page 208-

varieerde zeer sterk, tussen acht en 738 dieren. Niet in alle
gevallen zijn alle dieren met de betreffende vaccinbatch
geënt; er zijn ook flacons van tien en 50 doseringen gebruikt
afkomstig van andere batches. Op bedrijf 10 zijn slechts 17
dieren (pinken) van de totale koppel (107) gevaccineerd.
De morbiditeit was op 11 van de 12 bedrijven hoog (Tabel
1). Op bedrijven 3, 5, 7, 9 en 11 werd >70% van de dieren
ziek, en alleen op bedrijf 12 werden geen ziekteproblemen
gezien. De mortaliteit varieerde sterk tussen de bedrijven
(Tabel 1). Op 11 van de 12 bedrijven zijn op vrijwillige basis
alle dieren tussen 32 en 68 dagen na vaccinatie afgevoerd.
Bij de tracering van de dieren die verkocht zijn in de periode
aansluitend aan de vaccinatie, bleek dat op de bedrijven die
deze dieren hebben aangevoerd bij de andere dieren geen kli-
nische symptomen van een infectie met BVDV waren ont-
staan. Op de buurtbedrijven van de 12 met het gecontami-

Tabel 2. Resultaten van laboratoriumonderzoek op twee bedrijven (No. i, jen 9) meteen acute BVDV type 2 infectie na vaccinatie met BHVi markervaccin.

Sectie

Bloedonderzoek

Bedr Aantal

Dag na

Waarnemingen

Aanvullend Onderzoek

Aantal

Dag na

Uitslag\'

dieren

vaccin.

op BVD\'

dieren

vaccin.

1 2

16

Ulcera slijmvlies
Bloedinhoud maagdarmkanaal
Catarrale bronchopneumonie
Longoedeem
Geringe miltzwelling

Antigeen ELISA (2)\'
Viruskweek-(l)
BVDV type 1 (1)
BVDV type 2(1)

3

5
2

99

13

13
13

22

BVD Amigeen ELISA -
BHVlPCR-

Oogtampon: Escherichia coli
en Moraxella bovis
BVD Antigeen ELISA (2)
BVD PCR (1)
BVD viruskweek (1)

5 4

13

Ulcera in mond, slokdarm en lebmaag

Antigeen ELISA (2)

3 (aangekochte

10

BVD viruskweek -

Bronchopneumonie

Viruskweek (1)

vaarzen)

BVD Antigeen ELISA (3)

Longoedeem

BVDV type 2

Miltzwelling

Leververval

Uitdroging

Hyperaemie dunne darm

1

16

Bloedingen in alle organen

Antigeen ELISA

17

10

BVD Antigeen ELISA - (17)
BHVl gE ELISA-

3

16

Ulcera strottehoofd, slokdarm
Hyperaemie maagdarmkanaal

1

99
56

14
16

16

BVD Antigeen ELISA
BVD Antigeen ELISA (83)
BVD PCR (8)
BVD viruskweek BE (1)
BVD Antigeen ELISA (2)
BVD Antilichaam ELISA (54)

9 11

1

Hyperaemie lebmaag
Bloedingen hart

Necrotiserende ontsteking oesophagus
Leverdegeneratie

Antigeen ELISA

9

1

Salmonella kweek -

12

4

Erosies mondholte en oesophagus
Bloederige enteritis

Antigeen ELISA (4)-
Viruskweek -

10

9

BVD Antilichaam ELISA (2)

13

3

Erosies pens
Catarrale enteritis

Antigeen ELISA (2)
Viruskweek -

12

88

BVD PCR zonder CPE (2)

13

4

Necrotiserende ontsteking
mond en tong
Catarrale enteritis

Antigeen ELISA (3)
Viruskweek zonder
CPE(l)
BVDV type 1

14

86

BVD PCR-

14

10

Erosies en petechiën oesophagus,
tong en bekkenholte
Catarrale enteritis

Antigeen ELISA -
Viruskweek -
BVDV type 2

14

3

Catarrale enteritis
Hyperaemie lebmaag
Leverdegeneratie
Nierdegeneratie
Slijmvliesdefecten tong

Antigeen ELISA (3)
Viruskweek -

32

2

Miltzwelling

Hyperaemie lebmaag

Gezwollen mesenteriale lymfknopen

Antigeen ELISA - (2)
Viruskweek (I)
BVDV zonder CPE
BVDV type 2

\' - = negatief; = positief

^ Aantal dieren waarop deze uitslag betreicking heeft.

-ocr page 209-

neerde vaccin geïnfecteerde bedrijven zijn door de pralctise-
rende dierenartsen geen Iclinische symptomen waargeno-
men. Daamaast zijn van eni<ele buurtbedrijven bloedmon-
sters onderzocht op BVDV antigeen. Geen van deze
monsters was PCR-positief

VERSCHIJNSELEN NA VACCINATIE
De eerste verschijnselen zijn gemiddeld zes dagen na vacci-
natie waargenomen, met een variatie van twee tot negen da-
gen (Tabel 1). Door de veehouders werd een vast patroon
van symptomen aangegeven. In de eerste week na vaccinatie
werd de voeropname minder en daalde de melkproductie.
Negen tot 12 dagen na vaccinatie werden dieren klinisch
ziek met verschijnselen van neusuitvloeiing, koorts en ver-
volgens waterdunne diarree. Op dat moment werd de eigen
dierenarts geconsulteerd voor één of enkele zieke dieren. De
ingestelde behandeling was symptomatisch. Daama nam het
aantal zieke dieren en de ernst van de symptomen in snel
tempo toe. In meerdere gevallen resulteerde dit in sterfte van
dieren 10 a 11 dagen na vaccinatie.

NADERE BESCHRIJVING VAN DE SYMPTOMEN AAN DE
HANDVAN BEDRIJFi EN 5
Bedrijf 1

Bedrijf 1 was een melkveebedrijf met 117 dieren ouder dan
twee jaar en 102 dieren jonger dan twee jaar. Er waren geen
problemen op het gebied van diergezondheid en de vrucht-
baarheid van de koppel was goed (> 85% dracht bij eerste in-
seminatie in de voorafgaande jaren). Het bedrijf paste KI toe
en er werd aan embryotransplantatie gedaan. Het rantsoen
bestond uit gras- en snijmaïskuil aangevuld met soja- en
raapschroot. Het krachtvoer werd betrokken van een lande-
lijk opererende mengvoerleverancier. In de laatste vier jaren
waren geen dieren aangekocht. Op het bedrijf was het mar-
kervaccin, na de introductie in 1995, twee keer per jaar zon-
der problemen toegepast.

Op 3 febmari 1999 werden 203 van de 219 dieren (l&R-gege-
vensop I febmari 1999) gevaccineerd. Er werden vier flacons
van 50 doseringen (drie maal met batch 98G17WG4622, en
één maal een andere batch) en één flacon van tien doseringen
(TX3550VB39I5) gebmikt. Twee dagen later (5 febmari
1999) viel het de veehouder op dat de voeropname en de melk-
productie van de koeien verminderde. Op 8 febmari 1999 was
de melkproductie gemiddeld 4 kg lager dan bij de vorige
melkcontrole. Een week later (12 febmari 1999) werd de die-
renarts geconsulteerd voor twee zieke koeien met koorts (39-
40,6 °C), neusuitvloeiing en profiise diarree. De volgende dag
nam het aantal zieke koeien toe tot zeven en nog weer een dag
later stierven drie dieren (2 koeien en I pink). De behandelin-
gen met antibiotica, een spasmolyticum en rehydratie-infusen
hadden geen effect. Op maandag 15 febmari waren 25 dieren
emstig ziek en stierf opnieuw een koe. De leeftijd van de zieke
dieren varieerde tussen zes maanden en vijfjaar (3e pariteit).
De practicus lichtte de Gezondheidsdienst voor Dieren in en
rapporteerde het voorval aan de producent van het vaccin en
het Bureau Bijwerkingen Diergeneesmiddelen, conform het
protocol bijwerkingen. Twee gestorven dieren werden aange-
boden voor sectie (Tabel 2). Een mndveespecialist van de GD
bezocht het bedrijf op dinsdag 16 febmari 1999 en adviseerde
onderzoek conform het protocol vermoedelijke bijwerkingen
na BHV I vaccinatie. Er waren inmiddels acht dieren gestor-
ven. Een dierenarts in dienst van de producent van het vaccin
bezocht het bedrijf op 25 febmari 1999. Op 2 maart 1999 wa-
ren in totaal 18 dieren gestorven en hadden twee koeien ver-
worpen. Op dat moment verbeterde de voeropname van de
melkveekoppel.

Bedrijf 5

Bedrijf 5 was een melkveebedrijf met 154 mnderen waarvan
87 melkkoeien en 67 stuks jongvee. Het jongvee werd apart
gehuisvest. Tot de vaccinatie tegen BHVl op 6 febmari 1999
had het bedrijf geen opvallende diergezondheidsproblemen.
Het rantsoen bestond uit snijmaïskuil aangevuld met gras-
kuil en krachtvoer afkomstig van een landelijk opererende
mengvoerieverancier. Op het bedrijf was in 1997 en 1998
één maal per jaar zonder problemen geënt met BHVl mar-
kervaccin.

Drie dagen na de vaccinatie nam de veehouder een produc-
tiedaling waar. Weer drie dagen later werden de eerste dieren
ziek (koorts, verminderde voeropname en snotteren). Op 18
febmari 1999 lichtte de dierenarts de GD in. De gemiddelde
productiedaling was op dat moment 10 kg per koe per dag.
Tijdens het bezoek van de GD op 19 febmari werden de vol-
gende waarnemingen gedaan: een te trage koppel, die dor in
het haar was, een slechte pensvulling had; circa 20% van de
dieren had emstige diarree. Op 2 febmari waren drie vaarzen
aangekocht via de veiling waardoor werd aangenomen dat
op deze wijze een infectieuze ziekte op het bedrijf was geïnt-
roduceerd. Differentieeldiagnostisch werd gedacht aan
BVDV, Salmonellose, winterdiarree en IBR. Omdat al snel
de relatie met de besmette batch werd gelegd, is naar de laat-
ste drie aandoeningen geen laboratoriumonderzoek verricht.
Op 20 februari meldde veehouder dat zeven dieren dood wa-
ren gegaan. Nog diezelfde dag stierven vier andere dieren.
De GD en de verzekeringsmaatschappij (catastrofeverzeke-
ring) bezochten het bedrijf op 22 februari. Er waren op dat
moment al 28 dieren gestorven, tien koeien en zeven pinken
ziek. De zieke dieren gingen in de ligboxen liggen, kropen
met de kop tegen de muur en bleven in elkaar gekropen lig-
gen om vervolgens dood te gaan. Op 24 febmari waren in to-
taal 62 dieren gestorven of in overleg met de verzekerings-
maatschappij geëuthanaseerd. Acht gestorven dieren werden
aangeboden voor sectie (Tabel 2). Uit onderzoek verricht
eind 1998 was de serologische BVD-status van enkele dieren
bekend. De dieren met afweerstoffen tegen BVDV vertoon-
den geen ziekteverschijnselen.

AGGREGATIEVAN DE PROBLEMEN
Tussen 15 en 19 februari waren van de bedrijven 1, 3 en 5
probleemmeldingen binnengekomen bij verschillende GD-
dierenartsen op verschillend GD-locaties (Tabel 1). Het ging
om een uniform symptomenbeeld van emstige aard en met
een progressief verloop. Omdat in de anamnese sprake was
van een recente bedrijfsvaccinatie tegen BHVl werden de
bedrijfssituaties doorgegeven aan de projectleiding van het
IBR-programma. Op hetzelfde moment kwam van bedrijf 7
een soortgelijke melding. Tijdens overleg tussen de betrok-
ken GD-dierenartsen en projectleiding werd een verband ge-
legd tussen het symptomenbeeld op de vier bedrijven en het
BHVl markervaccin. Op alle vier bedrijven was een koppel-
vaccinatie uitgevoerd met dezelfde batch (98G17WG4622)
en tussen de bedrijven had geen direct of indirect onderling
contact plaatsgehad. De praktiserend dierenarts van bedrijf I
had na het waarnemen van de eerste ziekteverschijnselen al
melding gedaan bij het Bureau Bijwerkingen Diergenees-
middelen en de producent van het vaccin. In de andere geval-
len zijn de veehouder en de praktiserend dierenarts hierop
gewezen tijdens het bezoek door de GD-dierenarts.

-ocr page 210-

DISTRIBUTIE VAN HET VACCIN

Slechts één groothandel had de betreffende batch van het
vaccin gedistribueerd nadat het door de producent op 27 ja-
nuari 1999 was uitgeleverd. De betreffende batch betrof al-
leen flacons van 50 doseringen en in totaal hadden 14 dieren-
artsenpraktijken 129 maal 50 doseringen ontvangen. Zodra
het vermoeden was ontstaan over een mogelijke relatie tus-
sen de gesignaleerde gezondheidsproblemen en het gebruik
van de betreffende batch, heeft de GD de betreffende dieren-
artsenpraktijken onmiddellijk gebeld met het advies om deze
vaccinbatch niet meer te gebruiken en om te vragen op welke
bedrijven de vaccinbatch al was toegepast (Tabel 3). Zeven
praktijken hadden de vaccinbatch nog niet gebruikt (51 maal
50 doseringen) en de andere zeven praktijken hadden 28 van
de 78 flacons gebruikt op één tot vijf bedrijven per praktijk.
Van de in totaal 6450 geleverde doses waren er in totaal op
dat moment 1400 gebruikt. Circa 45.000 bedrijven zouden
voor 1 juli 1999 in het kader van de verplichte IBR-bestrij-
ding moeten worden gevaccineerd. De benodigde hoeveel-
heid vaccin bestond voor een belangrijk deel uit deze batch.

ONDERZOEKSRESULTATEN

Het allereerste onderzoek op de bedrijven 1, 3 en 5 is geba-
seerd op het onderzoeksprotocol ten behoeve van vermoede-
lijke bijwerkingen na BHVl vaccinatie (12).
Bij sectie van twee dieren afkomstig van bedrijf 1 werden
onder andere erosies in neus en mond en laesies in de darm
gezien. Vervolgens werd op 19 februari het BVDV antigeen
aangetoond in organen. In levende dieren werd pas op 26 fe-
bruari het BVDV antigeen aangetoond en was de viruskweek
positief bij 1 dier (Tabel 2).

Op bedrijf 5 werden allereerst de drie aangekochte vaarzen
bemonsterd (BVDV antigeen positief). De sectiebeelden van
vier dieren (ingezonden op 22 februari) gaven een duidelijk
beeld van Mucosal Disease en het BVDV antigeen werd
hierbij aangetoond in darm en organen. Bij onderzoek van 99
dieren op 25 februari waren acht dieren in de PCR positief
voor BVDV. Bij onderzoek van organen van drie gestorven
dieren werd bij één dier uit het jejunum BVDV geïsoleerd.
Dit virus kon, evenals het virus uit de vaccinbatch, getypeerd
worden als BVDV type 2.

Op bedrijf 9 zijn op 2 september 1998 alle aanwezige dieren
ouder dan drie maanden bemonsterd om getest te worden op
BVDV antigeen in het kader van het BVD certificeringspro-
gramma. Hierbij werden geen BVDV dragers aangetroffen.
Tegelijk met de vaccinatie tegen BHVl op 18 februari 1999
werd in het kader van een
Salmonella t/M/?//«-onderzoekspro-
ject een grote groep dieren bloed getapt. Op 2 maart zijn alle
aanwezige dieren opnieuw getapt. Zodoende kon worden
aangetoond dat 75% van de twee maal bemonsterde gevacci-
neerde dieren, ouder dan één jaar, tegen BVDV hadden ge-
seroconverteerd. De andere 25% van de dieren had al een ti-
ter van minimaal 128. Op 2 maart was de hoogte van de titer
bij 142 (85%) van de 172 dieren ouder dan twee jaar > 256.
Tussen 1 en 4 maart zijn 25 dieren voor sectie ingestuurd. Bij
alle gestorven dieren werden erosies van het slijmvlies van
het maagdarmkanaal gevonden. In wisselende frequenties
kwamen leverdegeneratie, hyperaemie van de lebmaag, ge-
zwollen mesenteriale lymfeknopen of miltzwelling voor. In
14 kadavers is BVD V-antigeen aangetoond en uit organen
van één dier is BVDV gekweekt.

ONDERZOEKVACCIN

Op 22 februari zijn flesjes van de op bedrijf 5 en 7 gebruikte
vaccinbatches naar het ID-Lelystad gestuurd. In batch
98W17WG4622 werd BVDV antigeen aangetoond en zes

Tabel 3. Chronologisch overzicht van de uitbraak op de 12 met BVDV type 2 geïnfecteerde bedrijven.

Actie

Datum

Bij Bureau Bijwerkingen Diergeneesmiddelen zijn in totaal 60 meldingen van bijwerkingen binnengekomen
Bedrijf 1 meldt emstige diergezondheidsproblemen bij de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD)
BVD Antigeen ELISA positief in secties van bedrijf I

Aggregatie van de meldingen van vier bedrijven met emstige gezondheidsproblemen bij de GD

Onderzoek distributie vaccinbatch 98G17 WG4622

Vaccinbatch voor onderzoek naar ID Lelystad

Vaccin producent door GD telefonisch ingelicht over de problemen

BVD Antigeen in het Bayovac-vivum markervaccin aangetoond

Tracering 14 praktijken die vaccin van de bewuste charge hebben gekregen.

Communicatie naar alle dierenartspraktijken om BHV 1 vaccinaties per direct op te schorten

Producent vaccin bezoekt aantal bedrijven

Organen voor onderzoek naar ID Lelystad

Nog zeven bedrijven melden gezondheidsproblemen

Resultaat viruskweek vaccin bekend; BVDV type 2

Persbericht gaat uit

Overleg met vaccinproducent, deze stelt intern onderzoek in en zegt toe op korte termijn de schade bij getroffen veehouders af te handelen
Tussenstand: op 11 bedrijven, 135 dieren gestorven/geëuthanaseerd
Persbericht en bericht in de GD Veterinair

Overieg met getroffen veehouders over gevolgen voor bedrijf en schadevergoeding
Aanvullende informatie tijdelijke stopzetting BHV I vaccinatie
Overleg vaccin producent met Stuurgroep IBR

Tracering van alle dieren afgevoerd tussen vaccinatie en optreden van ziekte

Helft afgevoerde kalveren blijkt nog niet te zijn aangemeld. Benadering kalvermestbedrijven om aangevoerde kalveren alsnog aan te melden

Vanwege veel geluiden uit praktijk (en niet gemeld bij BBD) worden alle praktijken verzocht klachten in beeld te brengen

Overleg vaccinproducent, LTO, en GD. Voorstel richting veehouders om de met BVDV type 2 geïnfecteerde bedrijven geheel te ruimen

RVV stelt exportverbod voor de 12 mnderbedrij ven in

Staatssecretaris van LNV schort registratie levende BHVl markervaccin op

01-02-1999
15-02
19-02
22-02

23-02

25-02

tot 01-03
01-03

03-03

05-03

12-03

19-03
19-03
19-03
19-03
23-03

-ocr page 211-

dagen later was de viruskweek positief. Met behulp van mo-
noclonale antilichamen werd het virus getypeerd als BVDV
type 2.

KLINISCHE PROBLEMEN EN ONDERZOEK OP DE OVE-
RIGE BEDRIJVEN

Bij het contact op 23 febmari met de dierenartsenpraktijken
was afgesproken om de GD te informeren op het moment
van eerste symptomen. Afgaande op de vaccinatiedata en het
typische verloop van de symptomen kon in veel gevallen een
voorspelling worden gemaakt wanneer problemen zouden
beginnen. Het aantal zieke en dode dieren werd sterk bepaald
door het aantal dieren dat gevoelig was voor BVDV. Op be-
drijf 12 waren vrijwel alle dieren serologisch positief voor
BVDV doordat er twee BVD V-dragers op het bedrijf aanwe-
zig bleken. Een jaar na de vaccinatie zijn alle geboren kalve-
ren en alle dieren die voor het leven zouden worden afge-
voerd onderzocht op infectie met BVDV (PCR, indien
positief vimskweek). Twee kalveren bleken drager te zijn
van BVDV (twee maal met drie weken tussentijd positief in
de PCR en viruskweek). Daamaast zijn twee kalveren een-
malig positief op BVDV bevonden en onmiddellijk daama
afgevoerd volgens het monitoringsprogramma afgesproken
met de vaccinproducent. De moeders van deze kalveren wa-
ren tussen één en drie maanden drachtig toen het bedrijf
werd gevaccineerd met de bewuste batch. Op het bedrijf wa-
ren op het moment van de vaccinatie al twee BVDV-dragers
aanwezig (1 en 2,5 jaar oud). Bij later uitgevoerd typerings-
onderzoek door de vaccinproducent is het gevonden BVDV
van één van de vier na de vaccinatie geboren kalveren aange-
merkt als BVDV type 2 en de andere drie als type 1. Deze
vier BVDV-positieve kalveren waren dus niet alleen een ge-
volg van de vaccinatie met de bewust besmette batch, maar
ook van de aanwezigheid van dragers op het bedrijf
In tabel 2 wordt aangegeven welke onderzoeken met betrek-
king tot BVDV werden gedaan met de resultaten daarvan. De
diagnostiek voor het BVDV werd met name uitgevoerd in
verband met de aansprakelijkstelling. Op bedrijf 5 is het
BVDV type 2 zowel bij dieren als in de gebmikte vaccinbatch
gevonden. Op de overige bedrijven was dezelfde vaccinbatch
gebmikt en waren de symptomen en het progressieve verloop
overeenkomstig. Een en ander maakte onderdeel uit van het
wetenschappelijk bewijs dat de introductie van het BVDV
type 2 via de vaccinbatch de oorzaak was van de emstige dier-
gezondheidsproblemen op de 11 bedrijven. Uiteindelijk werd
in organen van dieren van de bedrijven 1, 5 en 9 het BVDV
type 2 aangetoond. Op de overige bedrijven werd soms hele-
maal niets onderzocht (bedrijven 2, 3, 4, 6 en 7), was het on-
derzoek negatief (bedrijven 10 en 11) of werd BVDV type I
aangetoond (bedrijven 8 en 12).

DISCUSSIE

Bovine vims diarree vimsstammen worden onderverdeeld in
twee typen: type I en type 2. Het verschil tussen beide typen
is gebaseerd op het verschil in sequentie van het N-terminal
(5\') einde. De twee typen BVDV kunnen door middel van
monoclonale antilichamen worden onderscheiden (8). Het
antigenetische verschil tussen de twee typen BVDV is niet
geassocieerd met een verschil in vimlentie tussen de twee ty-
pen. Van BVDV type 1 zijn ernstige klinische symptomen
beschreven; het gaat hier om een ook in Nederland bekend
ziektebeeld dat bekend is onder de naam Mucosal Disease
(7,24,30).

De hier beschreven uitbraak is de eerste keer dat BVDV type
2 in Nederland is geïsoleerd. In andere landen zijn sinds het
begin van de jaren 90 van de vorige eeuw verschillende uit-
braken met BVDV type 2 gerapporteerd. Een aantal van deze
uitbraken vond plaats op het Amerikaanse continent
(6,11,22). Ook in Europa (15,32) en Japan (18) is BVDV
type 2 is geïsoleerd. Naast specifieke symptomen van een
klinische BVDV infectie was bij deze uitbraken de hoge
morbiditeit en mortaliteit opvallend, vooral onder kalveren
(23). Een groot aantal geïnfecteerde dieren ontwikkelde het
zogenaamde \'Haemorrhagic Syndrome\', dat wordt geken-
merkt door koorts (>40°C), emstige leukopenie en thrombo-
cytopenic (21,25). De in dit artikel beschreven uitbraak on-
derscheidt zich echter qua symptomen van het
\'Haemorrhagic Syndrome\'. Bij het \'Haemorrhagic Syndro-
me\' worden geen erosies en ulcera in de digestietractus ge-
vonden (25), wat bij deze uitbraak wel het geval was. Er was
klinisch een overeenkomst met het beeld van Mucosal
Disease, maar er was wel sprake van een duidelijk verschil in
aetiologie. Bij Mucosal Disease worden de emstige ver-
schijnselen veroorzaakt door een superinfectie met een cyto-
pathogene BVDV stam, terwijl een infectie met een niet-cy-
topathogene stam al intra-uterien heeft plaatsgevonden.
Deze laatste infectie treedt op in die fase van de dracht als het
kalf nog immuuntolerant is (3). De bron van deze superinfec-
tie kan ook een mutatie van de niet-cytopathogene BVDV
stam tot een cytopathogene stam zijn (3). Een natuurlijke in-
fectie met BVDV komt tot stand via de mucosa van neus of
mond (28). Bij een experiment waarbij vier kalveren met de
op de beschreven bedrijven gebruikte batch van het BHVl
markervaccin werden geïnfecteerd, ontwikkelden zij de-
zelfde ziekteverschijnselen als op deze bedrijven waren
waargenomen na de koppelvaccinatie (I). De intramuscu-
laire toediening van het vims heeft mogelijk mede bijgedra-
gen aan de emst van de symptomen op de 11 mndveebedrij-
ven.

Hoewel voornamelijk BVDV type 2 is geïsoleerd is bij een
aantal dieren ook BVDV type I gevonden. Een mogelijke
uitleg hiervoor is dat deze dieren al met BVDV type 1 wa-
ren geïnfecteerd en na infectie met BVDV type 2 ziek wer-
den. Een andere mogelijkheid is dat het vaccin naast het
type 2 ook met het type 1 was gecontamineerd. Bij een in-
fectieproef met de gebruikte batch kon echter bij de gevac-
cineerde dieren alleen BVDV type 2 worden geïsoleerd

(I).

De aanwezigheid van antilichamen tegen BVDV type 1 lijkt
dieren te hebben beschermd tegen klinisch ziek worden door
BVDV type 2. Dit blijkt uit dat de dieren van bedrijf 5 waar-
van bekend was dat zij seropositief waren voor BVDV niet
ziek werden, terwijl dieren die geen antilichamen voor
BVDV hadden wel klinisch ziek werden. Ondanks het feit
dat op bedrijf 12 alle dieren ouder dan drie maanden zijn ge-
vaccineerd, zijn daar geen dieren ziek geworden. Op dit be-
drijf waren twee dragers van BVDV type I aanwezig. Het is
dus aannemelijk dat een groter aantal dieren op dit bedrijf
seropositief was voor BVDV type I op het moment van de
vaccinatie.

Aangezien op geen van de buurtbedrijven klinische sympto-
men van een BVD-infectie zijn waargenomen, de na de vac-
cinatie verkochte dieren geen uitbraak op het aanvoerende
bedrijf hebben geïndiceerd en de infectie bovendien gedu-
rende de stalperiode plaatsvond, mag een infectie van buurt-
bedrijven onwaarschijnlijk worden geacht.

-ocr page 212-

Risico\'s van een levend vaccin

Voor de productie van dit levende vaccin zijn celcultures en
foetaal kalverserum nodig. Het foetaal kalversemm wordt
verzameld op slachthuizen. Bij de productie van deze vac-
cins komt contaminatie van de celcultures en het benodigde
foetaal kalversemm met BVDV frequent voor (4,10,16,20,
23,31,33). De besmetting van foetaal kalversemm wordt
enerzijds veroorzaakt door de hoge prevalentie van besmette
dieren en bedrijven en anderzijds doordat kalveren al als foe-
tus worden geïnfecteerd. Een charge foetaal kalversemm be-
staat uit gepooled semm van een aantal foetussen hetgeen de
kans op infectie van een charge nog groter maakt. Bij een
onderzoek van 1500 charges foetaal kalversemm bleek 21 %
BVDV te bevatten (10). Van 1000 recent onderzochte char-
ges foetaal kalversemm bleken 203 (20,3%) met BVDV te
zijn geïnfecteerd (4). Van deze 203 charges waren 115 alleen
met BVDV type 1 en 65 met type 2 geïnfecteerd, terwijl 23
charges met beide types BVDV waren geïnfecteerd. Het is
duidelijk dat een uitgebreide ingangscontrole van foetaal
kalversemm op de aanwezigheid van BVDV noodzakelijk is
om contaminatie van vaccins en cellijnen te voorkomen.
In Nederland zijn bij runderen al eerder infecties met BVDV
na vaccinatie met een \'levend\' vaccin tegen respiratoire aan-
doeningen gerapporteerd (14). Het betrof hier 87 melkvee-
bedrijven die intramusculair waren gevaccineerd met een
vaccin tegen BHVl. Op de 87 melkveebedrijven werd tien
tot 14 dagen na vaccinatie een daling van de melkproductie,
een verhoogde incidentie van abortussen, vroeg embryonale
sterfte en mummificatie waargenomen. Daamaast zijn in de
jaren \'70 vergelijkbare problemen ontstaan na contaminatie
van een pinkengriepvaccin met BVDV (26). Wensvoort en
Terpstra (29) rapporteren een infectie van biggen met BVDV
als gevolg van vaccinatie van drachtige zeugen tegen var-
kenspest met een gecontamineerd vaccin.
Bij de registratieprocedure van het levende BHVl marker-
vaccin zijn voldoende zekerheden gegeven voor het uitslui-
ten van contaminatie met BVDV om te voldoen aan de eisen
voorde registratieprocedure. Helaas is achteraf gebleken dat
verontreiniging van het levende BHVl markervaccin met
BVDV toch mogelijk bleek. Na productie van een levend
BHVl-vaccin wordt in proefdieren alleen getest op het ont-
staan van antilichamen tegen BHVl, niet tegen BVDV en
andere contaminanten. Dit laatste lijkt echter wel aan te be-
velen op grond van de nu opgedane ervaringen. In principe
zou dit moeten plaatsvinden bij elke batch van een \'levend\'
vaccin dat wordt geproduceerd met gebmik van foetaal kal-
versemm. Mist men het BVDV bij de ingangscontrole dan is
er nog altijd een laatste check voordat het vaccin op de markt
komt. Samenvattend: een betere controle tijdens het produc-
tieproces en een betere controle van het eindproduct op con-
taminatie van BVDV en andere potentiële pathogenen is
noodzakelijk. Hiertoe dienen de voorschriften in de Eu-
ropese farmacopee te worden aangepast.
De kans op besmetting van een \'levend\' vaccin met BVDV
door gebmik van foetaal kalversemm zou ook op andere wij-
zen kunnen worden verminderd. Op dit moment wordt het
semm veelal betrokken uit landen met een hoge prevalentie
van BVD of met een onbekende BVD-status. Enkele, vooral
Scandinavische landen, zijn BVD-vrij of hard op weg om dat
te worden (2). Indien alleen foetaal kalversemm uit die lan-
den zou worden betrokken zou dat het risico op besmetting
aanzienlijk verminderen. Dit is echter op dit moment niet
mogelijk aangezien het in verband met BSE niet is toege-
staan om foetaal kalverserum uit Europa te gebmiken. Een
andere mogelijkheid is om foetaal kalversemm van bedrij-
ven met een bekend BVD-vrije status te gebmiken.
Aangezien foetaal kalversemm naast BVDV ook frequent
besmet is met BHVl, BHV4, PI3 en bovine polyomavims
(10,27), zouden deze bedrijven ook vrij van deze vimssen
moeten zijn.

In celculturen kan contaminatie met niet-cytopathogene
stammen van BVDV niet worden opgemerkt. Ook bij de in
dit artikel beschreven uitbraak betrof het een niet-cytopatho-
gene stam van BVDV type 2. Door toepassing van een PCR
op BVDV kan de detectie van contaminatie met dit vims
worden verbeterd. Een nadeel van de PCR is wel dat, ook als
het vims dood is, de PCR toch een positief resultaat zal ople-
veren. Bestraling met gammastralen wordt gebmikt om
eventuele niet gedetecteerde microbiële contaminanten af te
doden. De op de beschreven 12 bedrijven gebmikte vaccin-
batch was echter bestraald. Bestraling met gammastralen
blijkt dus niet altijd afdoende te zijn (33).
De meest effectieve werkwijze om contaminatie van een
vaccin door geïnfecteerd foetaal kalversemm te voorkomen,
is geen gebmik te maken van foetaal kalversemm bij het pro-
ductieproces. Alternatieve productiewijzen zonder gebruik
te maken van foetaal kalversemm dienen bij de productie
van ieder vaccin te worden overwogen.

Reactie op problemen in het veld

Op 23 maart 1999, een maand nadat het eerste bedrijf em-
stige ziekteproblemen heeft gemeld, is door het ministerie
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de registratie van
het levende markervaccin opgeschort. Door de alerte reac-
ties van de betreffende praktiserend dierenartsen en van de
betrokken instanties is de omvang van de uitbraak door het
gebruik van het BVDV type 2 verontreinigde vaccin beperkt
gebleven tot 12 bedrijven. Bij een dergelijke acute calamiteit
veroorzaakt door contaminatie van een op grote schaal ge-
bmikt diergeneesmiddel is een korte tijdsduur tussen mel-
ding van problemen en een adequate reactie daarop noodza-
kelijk. Een verbetering van de gangbare procedure via de
registratiehouder en het Bureau Bijwerking Diergeneesmid-
delen kan daaraan bijdragen.

CONCLUSIES

Twaalf Nederlandse rundveebedrijven werden geïnfec-
teerd met BVDV type 2 door contaminatie van een batch
van levend BHVl markervaccin. De intramusculaire toe-
diening van het vims heeft mogelijk mede bijgedragen aan
de ernst van de symptomen. Ter voorkoming van contami-
natie van een \'levend\' vaccin dienen alle mogelijkheden
voor screening van foetaal kalversemm, dat wordt gebruikt
in de vaccinproductie, volledig te worden benut. Iedere
batch van het vaccin dient ook na productie getest te wor-
den op de aanwezigheid van BVDV. Indien mogelijk dient
het gebmik van foetaal kalversemm in de vaccinproductie
te worden vermeden. Indien toch van dit serum gebmik
wordt gemaakt, dienen tijdens het productieproces de con-
troles op het ontstaan van contaminatie te worden ver-
scherpt. Verbetering van de bestaande procedure om bij-
werkingen te bewaken kan in de toekomst bijdragen aan het
beperken van de omvang van uitbraken veroorzaakt door
gecontamineerde medicijnen.

-ocr page 213-

Antonis AFG, van Oirschot JT, van Es M, en Bruschke CJM.
Vaccinatie van kalveren met bovine herpesvirus I vaccins afkomstig
van gecontamineerde charges leidde niet tot besmetting met bovine vi-
ms diarree virus. Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 208-11.
Bitsch V, Hansen K-EL, and Ronsholt L. Experiences from the Danish
programme for eradication of bovine virus diarrhoea (BVD) 1994-
1998 with special reference to legislation and causes of infection. Vet
Microbiol 2000; 77: 137-43.

Bolin SR. The pathogenesis of Mucosal Disease. Vet Clin North Am
Food Anim Pract 1995; 11: 489-500.

Bolin SR, and Ridpath JF. Prevalence of bovine viral diarrhea virus
genotypes and antibody against those viral genotypes in fetal bovine
serum. J Vet Diagn Invest 1998; 10: 135-9.

Bosch JC. Bovine herpes virus 1 markervaccins: wapens bij eradica-
tie? Proefschrift, Universiteit Utrecht, 1997.

Brock KV. Virulent outbreaks of bovine viral diarrhoea. Proc. 3rd
European Society for Veterinary Virology Symposium on Pestivirus
infections. 19-20 Sept. 1996, Lelystad, the Netheriands, pp. 57-8.
Brownlie J, Clarke MC, and Howard CJ. Experimental production of
fatal mucosal disease in cattle. Vet Ree 1984; 114: 535-6.
Bruschke CJM, Weerdmeester K en Paal HA. Detectie van bovine vi-
ms diarree virus in een levend bovine herpes virus 1 markervaccin.
Tijdschr Diergeneeskd 2001; 189-90.

Drew TW, Yapp F, and Paton DJ. The detection of bovine viral diar-
rhoea virus in bulk milk samples by the use of a single-tube RT-PCR.
Vet Microbiol 1999:64: 145-54.

Erickson GA, Bolin SR, and Landgraf JG. Viral contamination of fetal
bovine serum used for tissue culture: risks and concems. Develop Biol
Standard 1991; 75: 173-5.

Flores EF. Gil LHGV, Botton SA, Weiblen R, Ridpath JF, Kreutz LC.
Pilati C, Driemeyer D, Moojen V, and Wendelstein AC. Clinical,
pathological and antigenic aspects of bovine viral diarrhea virus (BVDV)
type 2 isolates identified in Brazil. Vet Microbiol 2000; 77: 175-83.
Gezondheidsdienst voor Dieren. Praktijkmap Herkauwers. 1998.
Kramps JA. van Maanen C, van de Wetering G, Stienstra G, Quak S,
Brinkhof J, Ronsholt L, and Nylin B. A simple, rapid and reliable en-
zyme-linked immunosorbent assay for the detection of bovine virus
diarrhoea virus (BVDV) specific antibodies in cattle serum, plasma
and bulk milk. Vet Microbiol 1999; 64: 135-44.
Kreeft HA, Greiser-Wilke 1. Moennig V, and Horzinek MC. Attempts
to characterize bovine viral diarrhea virus isolated from cattle after im-
tnunization with a contaminated vaccine. Dtsch Tierärztl Wochenschr
1990; 97:63-5.

Letellier C, Kerkhofs P. Wellemans G, and Vanopdenbosch E.
Detection and genotyping of bovine diarrhea virus by reverse trans-
cription-polymerase chain amplification of the 5\' untranslated region.
Vet Microbiol 1999; 64: 155-67.

Levings RL, and Wessman SJ. Bovine viral diarrhea virus contamina-
tion of nutrient serum, cell cultures and viral vaccines. Develop Biol
Standard 1991; 75: 177-81.

LITERATUUR

1.

10.

11.

12.
13.

14.

15.

16.

17. Mars MH. Vaccinologie en epidemiologie van bovine herpes virus 1
infecties. Proefschrift, Universiteit Utrecht, 2000.

18. Nagai M, Sato M, Nagano H, Pang H, Kong X, Murakami T, Ozawa T,
and Akashi H. Nucleotide sequence homology to bovine viral diarrhea
virus 2 (BVDV 2) in the 5\' untranslated region of BVDVs from cattle
with mucosal disease of persistent infection in Japan. Vet Microbiol
1998;60:271-6.

19. Nielen M, Jansen FCM, van Wuijckhuise LA en Dijkhuizen AA. I&R-
systeem rund: een analyse ten behoeve van het gebruik tijdens een
mond- en klauwzeer-uitbraak in Nederland. Tijdschr Diergeneeskd
1996; 121:576-81.

20. Nuttall PA, Luther PD, and Stott EJ. Viral contamination of bovine
foetal serum and cell cultures. Nature 1977; 266: 835-7.

21. Ridpath JF, Bolin SR, and Dubovi EJ. Segregation of bovine viral diar-
rhea vims into genotypes. Virology 1994; 205: 66-74.

22. Ridpath, JF, Neill JD, Frey M, and Landgraf JG. Phylogenese, antige-
nic and clinical characterization of type 2 BVDV from North America.
Vet Microbiol 2000; 77: 145-55.

23. Rossi CR, Bridgman CR, and Kiesel GK. Viral contamination of bo-
vine fetal lung cultures and bovine fetal semm. Am J Vet Res 1980; 41:
1680-1.

24. Sol J, Schaake J en Leloup MRP. Een emstig klinisch verloop van een
primaire BVD-infectie in een BVD-seronegatieve melkveekoppel.
Tijdschr Diergeneeskd 1989; 114: 886-90.

25. Stoffregen B, Bolin SR, Ridpath JF, and Pohlenz J. Morphologic lesions
in type 2 BVDV infections experimentally induced by strain BVDV2-
1373 recovered from a field case. Vet Microbiol 2000; 77: 157-62.

26. Van Nieuwstadt AP. Enting van mnderen tegen luchtweginfecties ver-
oorzaakt door virussen. Tijdschr Diergeneeskd 1980; 105:636-43.

27. Van der Noorda J, Sol CJA, and Schuurman R. Bovine polyomavims,
a frequent contaminant of calf sera. Dev Biol Stand 1999; 99: 45-7.

28. Van Oirschot, Brownlie J, Moennig V, Thiry E, and Wolf G. Answers
to LTO and Bayer questions on a possible causal relationship between
vaccination with a BVDV-contaminated vaccine and reported pro-
blems. 1999. http://www.gd-dieren.nl/pages/frames/frrundzk

29. Wensvoort G. and Tcrpstra C. Bovine viral diarrhoea virus infections
in piglets bom to sows vaccinated against swine fever with contamina-
ted vaccine. Res Vet Med 1988; 45: 143-8.

30. Wentink GH, Zimmer GM, Straver PJ en Moerman A. Bovine virus
diarree/mucosal disease-vims: diagnostiek en benadering in de prak-
tijk. Tijdschr Diergeneeskd 1989; 114: 877-85.

31. Wessman SJ, and Levings RL. Benefits and risks due to animal semm
used in cell culture production. Dev Biol Stand 1999; 99: 3-8.

32. Wolfmeyer A. Wolf G, Beer M, Strube W, Hehnen H, Schmeer N, and
Kaader O-R. In Proc. 3rd European Society for Veterinary Virology
Symposium on Pestivims infections. 19-20 Sept. 1996, Lelystad, the
Netherlands, pp. 99-103.

33. Yanagi M, Bukh J, Emerson SU, and Purcell RH. Contamination of
commercially available fetal bovine sera with bovine viral diarrhea
virus genomes: implications for the study of Hepatitis C virus in cell
cultures. J. Infect Dis 1996; 174: 1324-7.

-ocr page 214-

SAMENVATTING

Eind mei 1999 werd de auteur als externe deskundige door
de Gezondheidsdienst voor Dieren gevraagd een evaluatie
te maken van de \'slijter\'problematiek zoals die aanwezig
was op 13 rundveebedrijven waar de koeien ziek zouden
zijn geworden na vaccinatie met een levende IBR-entstof.
Op negen van de bedrijven hadden een aantal koeien kort
na de vaccinatie verworpen. Op acht bedrijven bleken
kreupelheden een probleem te zijn. Mastitis had eveneens
op acht bedrijven problemen veroorzaakt. Diarree was op
vier bedrijven opgetreden. Enkele bedrijven hadden pro-
blemen (gehad) met doodgeboren kalveren, subfertiliteit,
lebmaagdislocaties en vermageren. De conclusie van het
onderzoek was dat de problemen met verwerpen en de ge-
boorte van dode of zwakke kalveren gedurende de eerste
weken na de vaccinatie misschien verband zouden kun-
nen houden met deze vaccinatie. Ten aanzien van de an-
dere problemen was er geen enkele aanwijzing dat daar-
bij de vaccinatie een rol zou hebben gespeeld. Opvallend
was in ieder geval dat er weinig uniformiteit bestond in
de verschillende klachten. Veel van de onderzochte be-
drijven bleken al problemen te hebben gehad voor de
vaccinatie.

De \'slijter\'problematiek kan niet aan de IBR-vaccinatie
worden toegeschreven. Het betreft een multifactoriële aan-
doening die altijd al bestaan heeft maar die de laatste jaren
aanzienlijk is toegenomen door de sterke \'Holsteinisatie\',
de zeer hoge melkproductie, de steeds langer wordende
stalperiodes, de in veel gevallen onvoldoende kwaliteit van
de stal en van de ligboxen, de veel te hoge werkdruk op
sommige bedrijven en een onvoldoende bedrijfsvoering.

SUMMARY

Did vaccination with an infectious bovine rhinotracheitis
(IBR) marker vaccine on thirteen cattle farms give rise to
\'chronic wasting\' among dairy cattle?

At the end of May 1999 the author was asked hy the Dutch Animal Health
Service (GD) to evaluate problems with \'chronic wasting\' cows on 13 farms.
The cows were thought to have become ill after vaccination with an IBR mar-
ker vaccine. On nine farms a number of cows aborted shortly after vaccina-
tion. On eight farms lameness was a problem, as was mastitis. Diarrhoea
occurred on four farms. A number of farms had problems with stillbirth,
subfertility, abomasal displacement, and decreasing body condition. It was
concluded that the abortions, stillbirth, and weak calves at birth in the first
weeks after vaccination might be associated with the vaccination. However,
the author found no indication that the other problems were associated with
the vaccination.

This was because the symptoms on the I i farms were not uniform, and many
of the herds already had problems before the herd was vaccinated.
The chronic wasting\' problem cannot be attributed to vaccination with the
IBR marker vaccine. \'Chronic wasting\' concerns a multifactorial complex
of diseases, and has always been present, hut has increased in incidence in
the la.st years as a result of\'Holsteinization \', a very high milk production,
longer periods of housing indoors (and in many cases insufficient quality of
the stable and cubicles), a too high work load, and insufficient management.

\' Faculteit Diergeneeskunde, Vakgroep Voortplanting, Verloskunde en Bedrijfsdier-
geneeskunde, Salisburvlaan 133, 9820 Merelbeke, België. Tel.: 32-9-2647560,
fax: 32-9-2647797.

A. de Kruif\'

INLEIDING

Eind mei 1999 werd mij als extern deskundige door de
Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) het volgende gevraagd:

• een evaluatie te maken van de problematiek zoals die be-
staat op 13 rundveebedrijven waar de koeien ziek zouden
zijn geworden na vaccinatie met een levend IBR-marker-
vaccin. De bedrijven waren geselecteerd door de GD;

• het stellen van een mogelijke diagnose;

• het aangeven van mogelijkheden voor verder onderzoek.
Alle bedrijven werden door mij persoonlijk (alleen) bezocht.
Op ieder bedrijf werd een uitgebreide anamnese afgenomen,
werd de situatie bekeken en werd een aantal koeien klinisch
onderzocht. De gemiddelde duur van een bezoek bedroeg
twee a drie uur. Op zes bedrijven was de bedrijfsdierenarts
aanwezig. De bezoeken hebben plaatsgevonden op 5, 10, 12
en 15 juni 1999.

Hieronder volgt een bespreking van zes van de 13 door mij
bezochte bedrijven. Deze zes bedrijven zijn min of meer re-
presentatief voor de andere zeven bedrijven en geven een
goed beeld van de problematiek zoals ik die heb aangetroffen.
Achteraf bleek dat op het 13® bedrijf geen levende maar dode
entstof was gebruikt.

BEDRIJFA
Algemene gegevens

De 180 melkkoeien worden gehouden in een ligboxenstal
met zomerstalvoedering. Er is geen jongvee, alle vaarzen
worden na het kalven aangekocht via de markt. Daamaast
heeft het bedrijf 800 meststieren, 260 ha akkerbouw; de
melkproductie is vrij laag. Het melken gebeurt door verschil-
lende personen. Het doet niet aan melkcontrole of KI; er
loopt een stier bij de koeien. Het aantal arbeidskrachten is
gering (circa drie).

Data IBR-vaccinaties

Eind oktober 1998 en 31/12/98.

Anamnese

Vijf tot zeven dagen na de vaccinatie werden de koeien suf
en traag en ging de melkproductie iets naar beneden. Dit
duurde ongeveer één week. Tien dagen na de tweede vacci-
natie ontstonden grotere problemen: de koeien werden traag,
kregen vuile neuzen en traanogen, vijf koeien kregen diarree,
en de melkproductie verminderde met 10 a 12 %. Vier weken
na de tweede vaccinatie verworpen vijf dieren op drie a vier
maanden dracht. In deze periode (januari/februari) waren er
geen doodgeboren kalveren, maar wel veel slappe kalveren
(±25 % van de kalveren).

In februari zijn zes koeien opgeruimd wegens uierontsteking
(stroppen in de melk en een hard kwartier) en klauwontste-
kingen. In maart en april geen koeien verkocht.
Sinds 1 januari zijn er 12 koeien doodgegaan, ze zijn \'weg-
gesleten\': stram, stijf, zere poten, overal abcessen op het li-
chaam. Vanmorgen (5/6) ging er weer één dood met zenuw-

Dertien rundveebed rijven waar koeien ziek zouden zijn geworden
na vaccinatie tegen infectieuze bovine rhinotracheitis (IBR)

Tijdschr Diergeneeskd 2007; 126:766-73

-ocr page 215-

verschijnselen. Sommige koeien zijn binnen enkele dagen
dood, bij andere duurt het langer. Op 27/5 is er sectie verricht
op een koe die is gestorven met zenuwverschijnselen: allerlei
ontstekingen en zweren op de tong.

Enkele koeien hoesten, soms komt er bij het hoesten veel etter.
Nu lopen er in de koppel zes è zeven \'slijters\'. Problemen be-
ginnen kort na het kalven. Nu is er ook weer zo één: gekalfd
en daama dikke poten en een wat gezwollen kop.
Geen problemen met retentio secundinamm, geen witvuilen.
Drachtig worden gaat zeer goed. De tussenkalftijd is korter
dan een jaar.

Geen klinische mastitiden. Tankmelkcelgetal: 1998: varië-
rend tussen 277.000 en 410.000 cellen/ml. 1999: In januari
was het tankmelkcelgetal hoger (401.000 cellen/ml); maart:
383.000 cellen/ml; april: 356.000 cellen/ml. Vorige zomer
alle kwartieren bacteriologisch onderzocht. Veel koeien met
Staphylococcus aureus. Veel van deze dieren (15) zijn afge-
voerd. Dit heeft niets geholpen.

Ook zijn er veel kreupelheden: duidelijke gevallen van
Italiaanse stinkpoot, veel klauwontstekingen die abcederen
en doorbreken. Meer dan vorige jaren. Tussenklauwpanari-
tium komt niet voor. Ieder jaar wordt de koppel driemaal be-
kapt. Eén keer per vier weken gaan de koeien door een voet-
bad.

Rantsoen: volledig maïskuil 4 ä 5 kg krachtvoer (eigen
mengsel) dat in de melkstal wordt verstrekt.
Er is op dit bedrijf geen moeite gedaan om een diagnose te
stellen. Volgens de veehouder zegt de dierenarts dat er toch
niets aan te doen is.

Bedrijfsrondgang

Zeven \'slijters\' lopen in een weide bij huis. De andere koeien
bevinden zich in de ligboxenstal. Er staan momenteel 65
koeien droog.

Onderzoek van de koeien

Alle zeven slijters zijn klinisch onderzocht:

Koe 1: pas gekalfd, retentio secundinamm, slijmvlieslaesies

binnenkant tanden, T 39,2

Koe 2: mager, grote \'zweer\' onder de tong, ontstoken achter-
klauw, T 39,0 «C.

Koe 3,4 en 5: normale temperatuur, slechte benen, ontstoken
klauwen.

Koe 6: tandenrij volledig weggesleten, koe is mager.
Koe7: doorgebroken abces links van het kmis, mager,
T 39,2 OC.

In de koppel bevinden zich enkele zeer magere koeien met
klauwproblemen. In een ingestrooide stal Ijgt een dode koe.
Deze is volgens de veehouder in een paar dagen tijd gestor-
ven met zenuwsymptomen.
Ik heb de koeien niet horen hoesten.

Discussie

Zowel uit de anamnese als uit de rondgang en het klinisch on-
derzoek blijkt dat de kreupelheden (abcessen, klauwontstekin-
gen, Italiaanse stinkpoot) het allesoverheersende probleem
vormen. Ook bij de niet aan zenuwverschijnselen gestorven
koe werden bij de sectie ontstekingen aangetroffen. Volgens de
veehouder zou het celgetal afgelopen winter te hoog zijn ge-
weest, maar bij nadere controle blijkt het celgetal ook in de
winter van 1998 te hoog te zijn geweest. Klinische mastitiden
komen niet voor. Waarschijnlijk zijn verscheidene koeien
chronisch besmet met
S. aureus. Dit vooral ook omdat er in de
zomer van 1998 15 met 5.
aureus besmette dieren zijn opge-
mimd.

Ontstekingen van de baarmoeder komen niet voor (geen wit-
vuilen). De fertiliteit is zelfs zeer goed (stier bij de koeien!).
De melkproductie van de koeien ligt op een laag peil. Dit was
vorig jaar ook zo. Het rantsoen (maïskuil en maximaal 4 a 5 kg
krachtvoer, in de melkstal) is onvoldoende voor hoogproduc-
tieve koeien. Stel dat de DS-opname uit mwvoer 15 kg be-
draagt, dan is dit voldoende voor 19,5 liter VEM melk
((15x920 VEM - 5200 VEM onderhoud): 442 VEM per liter
melk) en 11,4 liter DVE melk ((15x47 DVE -114 DVE onder-
houd): 52 DVE per liter). Dit zeer onevenwichtige rantsoen
zou eigenlijk aangevuld moeten worden met 6 a 7 kg eiwit-
kembrok(180DVE).

De veehouder voert slechts 4 a 5 kg krachtvoer met een DVE
van 155. Het is dus geen wonder dat de koeien na het kalven
slijten; de koeien krijgen onvoldoende te vreten. Bovendien is
het rantsoen zeer onevenwichtig, terwijl het enige mwvoer be-
staat uit maïskuil.

De werkdmk is op dit bedrijf dermate hoog, dat de verzorging
van de dieren niet goed genoeg is. Op bedrijven met zomerstal-
voedering is in veel gevallen \'het beenwerk van de koeien\' het
zwakke punt. Zeker als de verzorging te wensen overlaat.

Conclusie

De problemen kort na de vaccinatie (trage koeien, vijf dieren
met diarree en vijf verwerpers) kunnen misschien verband hou-
den met de vaccinatie.

De latere problemen, die vooral afkomstig zijn van het been-
werk, hebben, voor zover ik kan beoordelen, niets met de vac-
cinatie van doen. Waarschijnlijk worden ze veroorzaakt door
een combinatie van factoren: zomerstalvoedering, oneven-
wichtig en onjuist rantsoen, onvoldoende aandacht voor de in-
dividuele koe, matige kwaliteit van de stal en fouten in de be-
drijfsvoering.

Dat de problemen veroorzaakt zouden worden door een alge-
hele aantasting van de weerstand van de koeien lijkt mij niet het
geval. Het tankmelkcelgetal is hetzelfde als vorig jaar, klini-
sche mastitiden komen niet voor en infecties van de baarmoe-
der zijn een zeldzaamheid.

BEDRIJF B
Algemene gegevens

De 150 melkkoeien (zwartbont en roodbont) en het jongvee
worden gehouden in een ligboxenstal. De melkproductie is
zeer matig. Het bedrijf wordt gemnd door moeder en een nog
schoolgaande dochter van 20 jaar. Er is een voermengwagen
aanwezig.

Data IBR-vaccinaties
7/12 en 29/12/98

Anamnese

De anamnese wordt verkregen via de dochter. Zij vertelt het
volgende: Enkele dagen na de eerste vaccinatie waren er
twee verwerpers, tien dagen later vier verwerpers (op vier,
zeven en vijf maanden dracht). Deze gegevens kan ik niet
controleren omdat er geen bewijzen van zijn.
Op 12/12: een koe kalft te vroeg af, wordt ziek en moet afge-
voerd worden naar de noodslachtplaats.
Op 13/12: koe krijgt klinische mastitis en op 12/12 gaat een
kalf (vier maanden) dood door pinkengriep.
Op 15/12: twee koeien krijgen diarree, zijn algemeen ziek en
worden afgevoerd naar de noodslachtplaats.
Op 20/12 wordt een kalf dood geboren.

-ocr page 216-

Na de tweede vaccinatie:

• 30/12: doodgeboren kalf

• 31/12: verwerper

• 7/1: koe met klinische mastitis

• Januari:

• koe met dik linker voorbeen

• koe met ontstoken hakken

• kalfdood door pinkengriep

• vrij veel diarree bij dejonge kalveren

• Februari en maart:

• negen kreupele koeien: zoolzweren en stinkpoten

• drie koeien met mastitis

• April:

• koe met mastitis, kreeg dikke hakken, dik voorbeen en
diarree. Op 12/5 gestorven.

• 7/4: koe melkziekte (noodslachting)

• vijf koeien die in januari drachtig waren verklaard,
blijken niet meer drachtig te zijn.

• Mei:

• enkele slome koeien, die ook mager zijn

• enkele koeien met korsten op de neus en snotneuzen.
Geen hoesten. Momenteel (5/6) is dit geen probleem
meer.

Veel problemen met drachtig worden. De tussenkalftijd
wordt dit jaar wel 420 dagen (vorigjaar400 a 410 dagen). Er
zijn wel 40 koeien die drie a vier keer moeten worden geïnse-
mineerd. De melkproductie valt tegen.
Rantsoen: maïskuil (3 kg DS); graskuil (9 kg DS), bierbostel
(1,3 kg DS) raapschroot (0,3 kg DS), soja (1,0 kg DS), ci-
tmspulp (1,1 kg DS); maïsmeel (1,3 kg DS), graszaadhooi
(0,3 kg DS), wortelen (0,6 kg DS) en krachtvoer.
Geen problemen met klinische mastitis en celgetal, het
drachtig worden van de eveneens gevaccineerde vaarzen is
goed (stier!). Er zijn geen nageboorteprobleem of verschijn-
selen van witvuilen.

Bedrijfirondgang

Het is een normale ligboxenstal. De koeien zien er redelijk
uit. Het beenwerk is normaal. Slechts enkele koeien zijn
kreupel (stinkpoten?). Niet opvallend veel afwijkingen.
Kortom: een \'normale veestapel\'.

Onderzoek van de koeien

Twee magere koeien zijn klinisch onderzocht: geen afwij-
kingen.

Discussie

Momenteel zijn er geen echte problemen aanwezig, behou-
dens het drachtig worden van de melkkoeien. Dit is mijns in-
ziens op dit bedrijf een duidelijk managementprobleem. De
werkdmk is op dit bedrijf zonder meer erg hoog. Het drach-
tig worden van de eveneens gevaccineerde pinken is geen
probleem (stier). Het verwerpen in december/januari (zeven
stuks) kan velerlei oorzaken hebben. Onderzoek heeft niet
plaatsgevonden. De andere problemen van januari tot mei
zijn allemaal normale problemen voor een dergelijk groot
bedrijf (kreupelheden, mastitiden, pinkengriep, melkziekte,
dikke hakken). Zeker als rekening wordt gehouden met het
vele werk!

De BSK bedroeg in mei 1998 30,3 kg, in september 1998
30,8 kg, in december 32,9 kg, in januari 1999 31,5 kg en in
april 30,4 kg. Er is dus geen productiedaling na de vaccinatie
opgetreden, hetgeen toch wel het geval had moeten zijn ge-
weest, indien er emstige problemen waren voorgekomen.

Conclusie

Wat het verwerpen betreft, zou er misschien een verband kun-
nen zijn met de vaccinatie. De andere problemen zijn \'nor-
male\' problemen die niet het gevolg zijn van de vaccinatie.

BEDRIjFC
Algemene gegevens

Melkveebedrijf, maatschap van twee broers, met 110 ge-
kruiste koeien (HF x Witblauw) in een ligboxenstal.
Daamaast heeft het bedrijf 170 meststieren en 300 mestvar-
kens. Quotum: 570.000 liter. Het bedrijf is geen deelnemer
van de melkcontrole; er loopt een stier bij de koeien.
Per jaar worden ongeveer 20 keizersneden gedaan.

Data IBR-vaccinaties
17/12/98 en 22/2/99

Anamnese

Een week na de tweede vaccinatie hebben twee koeien gekalfd
met een dode tweeling. Ze waren doodziek, hadden emstige
diarree, kregen mastitis en dikke benen.
Ongeveer 14 dagen na de vaccinatie waren er 15 a 20 koeien
ziek. Ze hadden klinische mastitis. Ze hadden volgens de vee-
houder Italiaanse stinkpoot en het werden slijters. Enkele
koeien hoestten. De meeste van deze dieren hadden ook diar-
ree, die na enkele dagen vanzelf overging.
Begin mei was de toestand heel slecht. Er waren toen ongeveer
50 van de 110 dieren aangetast. Bovendien hadden ondertussen
drie koeien verworpen. Volgens de veehouder hadden veel van
deze dieren klinische mastitis en gewrichtsontstekingen
(knieën, hakken of kogels).

Bij de afgekalfde vaarzen hebben ze geen problemen gehad.
Ook bij het jongvee (circa 150 stuks) zijn er geen problemen
opgetreden. Bij de meststieren zijn er wel problemen geweest:
twee stieren moesten geëuthanaseerd worden. Ze konden niet
meer overeind komen omdat ze emstig kreupel waren. Negen
andere stieren moesten eerder afgevoerd worden.
Tussen 1 maart en I juni hebben 40 dieren afgekalfd. Zes
kalveren waren dood, van de 34 levende zijn er later twee
dood gegaan aan diarree. Sindsdien krijgen alle pasgeboren
kalveren antibiotica en nu gaat het goed.
Dit voorjaar zijn er tien keizersneden geweest. Deze dieren
en hun kalveren hebben geen problemen gehad. Er zijn geen
complicaties opgetreden.

Ook zijn er teveel koeien aan de nageboorte blijven staan.
Veel van deze dieren hebben later gewitvuild.
Vanaf 14/5 zijn de koeien naar buiten gegaan. Ze lopen nu
dag en nacht in een \'speelweide\' van 1 ha. Sindsdien (in vier
weken tijd) is de toestand al flink verbeterd. Er zijn nu nog
30 koeien niet goed.

Een erg zieke koe is naar GD-locatie Boxtel gestuurd voor
sectie: de diagnose was \'scherp in\'. Na nog eens goed navra-
gen blijkt vemit het grootste probleem klinische mastitis sa-
men met de gewrichtsaandoeningen te zijn geweest. Volgens
de boer zijn er wel 50 harde kwartieren geweest, die niet op
antibiotica reageerden. Ten einde raad heeft de boer 10 a 15
spenen gekliefd om de troep erait te laten lopen. Veel van
deze koeien zijn al opgeruimd. De boer heeft zeker een keer
of acht vermeld dat hij \'niet met zijn koeien getrouwd is\'. De
mastitiskoeien hadden ook of kregen ook gewrichtsaandoe-
ningen. Volgens de boer was \'Mortellaro op zijn bedrijf als
een bom binnengevallen\'. Sommige koeien hadden etterbul-
ten op hun lichaam. De koeien worden één maal per jaar be-
kapt. Voetbaden worden niet toegepast.

-ocr page 217-

Er is nooit een poging gedaan een diagnose te stellen.
Onlangs zijn er ook nog drie zeer kleine kalveren geboren
(circa 15 kg).

Bedrijfsrondgang

Een zeer matige ligboxenstal. De koeien lopen in een half
modderige kale standweide met de stier ertussen. De koeien
zijn in een matige conditie.

Onderzoek van de koeien

Van de ruim 100 koeien hebben er een stuk of tien dikke hak-
ken, hebben er vijf een dikke voorknie, ongeveer tien een
ontstoken klauw en ongeveer tien elders op hun lichaam een
ontsteking. Deze koeien zitten \'rauw\' in hun haar, hebben
een slechte conditie en slechte uiers. Ook het jongvee ziet er
maar matig uit.

Er zijn inderdaad drie zeer kleine kalveren (wel goed ge-
zond) aanwezig. Enkele koeien lopen in een weide, ongeveer
1 km van huis. Deze koeien zijn erg ziek geweest (kreupel,
mastitis), maar zijn nu aan het verbeteren en ze beginnen
weer \'te kleuren\'.

Discussie

Het betreft een aan alle kanten \'rauw\' bedrijf Het melkvee
varieert van bijna zuiver Holstein tot grotendeels Witblauw.
De weide is meer een uitloop. De stier loopt er door te \'rag-
gen\'. De ligboxenstal is zeer matig: de ligboxen zijn gedeel-
telijk te klein. De omgeving waarin de koeien moeten leven,
is dus ongunstig.

Het verloop van de melkproductie gedurende de winter en
het voorjaar is moeilijk te beoordelen omdat er niet aan
melkcontrole wordt gedaan. Het aantal liters dat de melkfa-
briek per drie dagen ophaalt, varieert sterk en kan ik niet in-
terpreteren.

Eén ä twee weken na de tweede vaccinatie zijn er vrij grote
problemen geweest met diarree en een aantal dode kalveren.
Drie koeien hebben verworpen. Veel van deze dieren kregen
volgens de veehouder mastitis en/of werden kreupel.
Ik kon er niet achter komen wanneer de problemen precies
begonnen waren. Volgens de veehouder na 22/2, maar daar
twijfel ik sterk aan. Ten eerste omdat het een dermate
\'rauwe\' bedoening is op dit bedrijf dat het niet anders kan of
er moeten altijd al problemen zijn geweest. Ten tweede bleek
de boer \'Mortellaro\' al langer goed te kennen en ten derde
bleek een koe op sectie een ernstige traumatische reticulitis
te hebben. Op dit soort bedrijven zijn er altijd flink wat kreu-
pele koeien en zijn er altijd koeien met klinische mastitis. De
boer is immers \'niet getrouwd met zijn koeien\'.
Mogelijk zijn de problemen wel sterk toegenomen in maart
en april. Het was immers het einde van het stalseizoen.
Bovendien zijn de koeien vorige herfst zeer vroeg opgestald
vanwege het slechte weer. Opvallend is in ieder geval dat de
problemen snel zijn verbeterd nadat de koeien naar buiten
zijn gegaan (14/5). Dit is een zeer sterke aanwijzing dat we
hier vooral te maken hebben met een milieu (stal) probleem.
Het probleem klinische mastitis tezamen met gewrichtsontste-
kingen kan ook door een infectie met
Mycoplasma bovis wor-
den veroorzaakt. Helaas is er nooit getracht een diagnose te
stellen. Er zijn nooit melkmonsters genomen. Mogelijk spelen
stafylokokken en
Streptokokken ook een rol. Het tankmelkcel-
getal blijkt vorig jaar ook al geregeld meer dan 300.000 cel-
len/ml te hebben bedragen (mei 1998: 337.000 cellen/ml, mei
1999: 537.000 cellen/ml). De melkinstallatie is zeker verou-
derd (2x4 visgraat; geen automatische afhame).

De problemen met de meststieren kan ik niet beoordelen. Ik
kon er \'mijn vingers niet goed achter krijgen\'.

Conclusie

De problemen (diarree, verwerpen, doodgeboren kalveren)
kort na de vaccinatie zouden veroorzaakt kunnen zijn door
de vaccinatie, maar kunnen net zo goed aan een andere oor-
zaak te wijten zijn. Ook de drie abnormaal kleine kalveren
kunnen heel misschien met de vaccinatie te maken hebben.
De andere problemen (mastitis, kreupelheden) zijn mijns in-
ziens een gevolg van een combinatie van een slechte stal, een
lange stalperiode, het minder goede management, een moge-
lijke infectie met
Mycoplasma bovis en het veelvuldig optre-
den van zoolzweren, dikke hakken en Italiaanse stinkpoten.
In hoeverre de vaccinatie mogelijk de \'trigger\' is geweest
voor de problemen of de aanwezige problemen heefl verer-
gerd, is moeilijk uit te maken, maar het lijkt mij zeer onwaar-
schijnlijk.

BEDRIJF D
Algemene gegevens

De 90 HF-melkkoeien worden gehouden in een ligboxenstal
uit 1972. Quotum: 850.000 liter. Het bedrijf neemt deel aan
de melkcontrole; alles KI; ook wordt ET gedaan.

Data IBR-vaccinaties
28/1/98 en 25/9/98.

Anamnese

Sinds ruim een jaar zijn er problemen (maart 1998). Sommige
koeien \'vielen om\'. Als ze van de dierenarts een fles suiker
kregen waren ze weer goed. Bij navraag hebben vijf koeien
een \'fles suiker\' gekregen en zijn er twee \'omgevallen\'.
Vorig jaar in de zomer is het eiwitgehalte in de melk ook ge-
zakt. Dit zakt volgens de veehouder nog steeds. De koeien
eten volgens hem ook te weinig. Vooral de vaarzen. Hij vindt
zijn koeien te mager. Vorig jaar in de herfst is er een voer-
mengwagen aangeschaft maar toch raken er nog koeien van
streek. De koeien doen het niet goed genoeg naar gelang het
voer dat ze krijgen.

Na de tweede vaccinatie (25/9) zouden enkele koeien zijn
vermagerd. Er is zelfs één koe geëuthanaseerd (op 1/2/99). Er
is geen diagnose gesteld.

Vorig jaar is een zieke koe in Utrecht onderzocht: zij bleek
een lebmaag naar rechts te hebben. Deze koe is geopereerd,
maar heeft nog altijd te dunne mest.

In maart 1999 zijn er acht koeien opgeruimd, vijf van deze
dieren hadden een te hoog celgetal. Rond het kalven zouden
er te veel koeien klinische mastitis hebben. Er zijn nooit
melkmonsters genomen. Het tankmelkcelgetal bedroeg in
april 1998 95.000, in augustus 159.000, in februari 1999
122.000, in maart 207.000 en in april 180.000 cellen/ml.
Volgens de boer zijn er ook te veel kreupele koeien. Er zijn te
veel zoolzweren en er is ook Mortellaro (Italiaanse stink-
poot). Sommige koeien hebben last van abnormale klauw-
groei. Er moet ook te veel worden bekapt. De koeien gaan re-
gelmatig (?) door een voetbad met zinksulfaat of
lincomycine.

Ook zijn er deze winter en voorjaar vier lebmaagdislocaties
geweest. Eén ervan is niet hersteld.

De BSK bedroeg in januari 1998: 43,4, in maart 45,0, in juli
41,5, in september 43,1, in januari 1999 42,2, in maart 43,1, in
april 45,6 en in mei 43,6 kg. In de maand juni 1996 was het ei-
witgehalte van de melk 3,35 %, in juni 1997 3,45 %, in juni

-ocr page 218-

1998 3,35 % en juni 1999 (nu) 3,32 %.

Het winterrantsoen bestond uit voordroogkuil (1/2); maïskuil

(l/2),perspulp 10 kg, mineralen 100 g, soja 1,5 kg en brok tot

een maximum van 9 kg. Het droogstandsrantsoen bestond uit

voordroogkuil (1/2) en maïskuil (1/2) en droogstandsminera-

len.

Er zijn geen problemen met het kalven, geen dode of slappe
kalveren, geen nageboorteprobleem, geen witvuilen, drachtig
worden is normaal. De tussenkalftijd is lang (454 dagen) we-
gens ET. Er zijn geen verwerpers.

De koeien hoesten niet, hebben geen traanogen en geen huid-
problemen. Enkele kalveren hebben ringworm.

Bedrijftrondgang

Het is een goed bedrijf met een goede stal. De koeien lopen
overdag in de weide en worden \'s nachts op stal gehouden.

Onderzoek van de koeien

Gezonde koeien met goede conditie. Er zijn weinig kreupel-
heden. Twee koeien eten wat weinig. Deze dieren werden kli-
nisch onderzocht: geen afwijkingen te vinden.

Discussie

De gesignaleerde problemen blijken vooral te maken te heb-
ben met de spijsvertering-voeding-melkgift. De BSK is sinds
vorig jaar niet gezakt. Ook de daling van het eiwitgehalte valt
wel mee.

Ik heb het rantsoen volledig nagerekend. Momenteel wordt
er aan de melkkoeien te weinig eiwit verstrekt. Het droog-
standrantsoen is veel \'te rijk\' hetgeen een verklaring kan
zijn voor de eetlustproblemen en andere problemen (leb-
maagdislocaties, etcetera) rond het kalven. Dit zou nader
onderzocht moeten worden. Mogelijk is er sprake van lever-
vervetting.

Conclusie

Het betreft hier een voedingsprobleem. Er is geen enkele aan-
leiding om te veronderstellen dat de vaccinatie een rol speelt
bij de problemen op dit bedrijf

BEDRIJF E
Algemene gegevens

Het bedrijf heeft ongeveer 100 HF-melkkoeien in een lig-
boxenstal uit 1983 met een krachtvoerautomaat. Quotum:
830.000 liter. Het bedrijf neemt deel aan de melkcontrole. De
koeien kalven verspreid over het jaar af Gemiddelde melk-
productie: 9550 liter (1998). De dierenarts was bij het bezoek
aanwezig.

Data IBR-vaccinaties
April 1998 en 30/12/98

Anamnese

Het bedrijf was eerst IBR-vrij. In 1997 werd het opeens be-
smet. Via de buurman? Toen is men met vaccineren begonnen
(1997).

Half januari 1999: één verwerper (vijf maanden). Daarvoor
had deze koe al waterige diarree. Diarree bleef; koe werd
slecht: opgemimd op 4/2/99.

In febmari: circa zes verwerpers (vier tot vijf maanden). Ook
deze koeien hadden diarree; geen melk bij deze koeien; dikke
hakken (beide kanten); drie zijn opgeknapt; de andere drie
worden binnenkort opgemimd omdat ze niet drachtig willen
worden.

In febmari/maart: veel uierontsteking. Dit blijken er 22 te zijn.
Drie van deze dieren kwamen niet meer overeind. Veel on-
kante uiers. De stal wordt steeds met formaline ontsmet. De
melkmachine is gecontroleerd: er waren geen afwijkingen.
Melktechniek is goed (sprayen, droog voorbehandelen, droog-
zetten met Orbenin Extra Dry Cow). Er zijn nooit melkmon-
sters genomen. De koeien werden nooit getemperatuurd. Er
heeft nooit een gedegen onderzoek van het mastitisprobleem
plaatsgevonden.

Vorige jaren waren er geen mastitisproblemen. Toch blij-
ken er twee jaar geleden ook al problemen geweest te zijn.
De koeien met klinische mastitis hadden ook gewrichtspro-
blemen. De knie, hak of de kogel waren dik, maar meestal
niet bij dezelfde koeien. Pinken en vaarzen hebben geen
pootproblemen of andere problemen gehad. De klinische
mastitiden zijn behandeld met allerlei antibiotica: niets
hielp.

Afgelopen dinsdag (8/6) was er weer een koe met klinische
mastitis. Deze koe heeft ook een dikke hak. Loopt echt kreupel.
Vooral de koeien met mastitis- en gewrichtsproblemen worden
slecht tochtig en slecht drachtig. Vorig jaar (\'97-\'98) was de
tussenkalftijd 434-444 dagen. Er wordt geen bedrijfsbegelei-
ding gedaan. Boer heeft weinig vertrouwen in \'dierenartsen\'.
Het tankmelkcelgetal is altijd binnen de perken gebleven.
Volgens de veehouder omdat hij de melk van aangetaste
koeien altijd thuis houdt en omdat veel koeien driespeen zijn
geworden. Tankmelkcelgetal: september 1998 256.000, janu-
ari 1999 164.000, febmari 216.000, maart 272.000 en april
280.000 cellen/ml.

Er zijn geen nageboorteproblemen. Witvuilen is ook geen pro-
bleem.

Geen hoesten, noch traanogen gezien.

Maart/april: acht dode kalveren: daamaast drie a vier echt

slappe kalveren (slecht drinken).

Eind mei: drie koeien kalfden 14 dagen te vroeg. Eén kalf was
erg klein, twee kalveren waren dood. Vorig jaar hadden van dc
110 kalfkoeien er tien een dood kalf

Dit jaar zijn er ook veel problemen met de klauwen. Alles is
weer bekapt. Dit gebeurt twee keer per jaar. De koeien gaan
één keer per drie weken door een voetbad met formaline en
lincospectin. Het bedrijf heeft ook vrij veel last van Italiaanse
stinkpoot. Ook zijn er een paar koeien met abcessen.
Bij kalveren zijn er geen diarreeproblemen. De kalveren hoes-
ten wel, maar na inspuiten knappen ze weer op. De pinken
hebben ook ringworm gehad. Eén vaars heeft diarree gehad.
De melkproductie valt volgens de veehouder wat tegen. BSK:
april 1998 46,1, mei 1998 44,9, februari 1999 45,9, maart
1999 46,4 en april 1999 44,2 kg.

Rantsoen (winter): voordroogkuil (7 a 8 kg DS); maïskuil (7 a
8 kg DS); grasbrok (1 kg DS) en maximaal 12 kg krachtvoer.
In de zomer weidegras
(ad libitum); maïskuil (10-12 kg);
maximaal 8 kg krachtvoer. Droogstandrantsoen: hetzelfde
als van de melkkoeien, maar dan het overblijfsel.
Er is geen melkziekteprobleem en geen acetonemie.
Van de 86 koeien hebben er op 3/5 18 (21%) een eiwitge-
halte van de melk <3%. Dit zijn er teveel.
Deze winter 18 koeien opgemimd, vemit de meeste wegens
mastitis en/of been werkproblemen.

Bedrijfsrondgang

De koeien lopen ongeveer 1,5 km ver in de wei. Deze is van
zeer goede kwaliteit. De dieren hebben dag en nacht weide-
gang. Het pad naar de weide is goed. De ligboxenstal is rede-
lijk. Enkele koeien hebben dunne mest.

-ocr page 219-

Onderzoek van de koeien

Verscheidene (circa 15 a 20) koeien lopen kreupel of erg
stijf De oorzaken zijn verschillend: klauwproblemen (zooi-
zweren of Italiaanse stinkpoot?), dikke hakken, dikke voor-
knieën en één met een dik kogelgewricht. Verscheidene
koeien (circa tien) hebben een onkant uier of zijn driespeen.
Twee koeien hebben erg dunne mest. De kreupele koeien
\'kleuren niet\'. Geen abcessen of andere huidafwijkingen.
Een \'erg klein\' kalf dat 14 dagen te vroeg was geboren heb ik
bekeken. Dit kalf was niet te klein en was gezond.

Discussie

De problemen in januari en febmari met verwerpen en diar-
ree kunnen door een veelheid van factoren zijn veroorzaakt.
Nooit is getracht een echte diagnose te stellen. Volgens de
veehouder kost laboratoriumonderzoek (veel) geld en levert
het niets op. Van de zeven verwerpers met diarree is er
slechts één snel opgeruimd. De andere zes zijn genezen.
Wat de diarree heeft veroorzaakt, is onbekend: de voeding
of iets anders. In elk geval is het droogstandrantsoen erg
\'rijk\'.

Ook wat de mastitisproblemen betreft, is er nooit enig onder-
zoek gedaan, ondanks het feit dat behandeling met antibio-
tica geen resultaat opleverde. Volgens de boer heeft het ne-
men van melkmonsters geen zin omdat er twee jaar geleden
ook melkmonsters zijn genomen waar \'niets uitkwam\'.
Hetzelfde kan gezegd worden van de beenwerkaandoenin-
gen. Er is nooit een goede diagnose gesteld. De koeien die
momenteel nog op het bedrijf aanwezig zijn, vertonen een al-
legaartje van pootafwij kingen.

De ligboxenstal is van matige kwaliteit, mogelijk zit ook op
dit bedrijf het zeer lange stalseizoen er voor een deel tussen.
Wat de mastitis en het beenwerk betreft, moet op dit bedrijf
differentiaaldiagnostisch zeker gedacht worden aan een in-
fectie met
Mycoplasma bovis. De anamnese doet daar zeer
sterk aan denken, maar helaas heeft er nooit goed onderzoek
plaatsgevonden.

De tegenvallende melkproductie, hetgeen wel meevalt (zie
BSK), kan gemakkelijk verklaard worden door de mastiti-
den, de beenwerkaandoeningen en problemen met het rant-
soen. Hetzelfde geldt voor het eiwitgehalte van de melk.
De vruchtbaarheid is op dit bedrijf altijd al onvoldoende ge-
weest (tussenkalftijd in vorige jaren respectievelijk 454 en
440 dagen).

Ook met betrekking tot de diarreeproblemen is nooit getracht
een diagnose te stellen. Misschien speelt paratuberculose
een rol?

Conclusie

De abortus- en diarreeproblemen zouden misschien veroor-
zaakt kunnen zijn door de vaccinatie. Wat de andere proble-
men betreft (mastitis en beenwerk) zie ik geen direct verband
met de vaccinatie. Het lange stalseizoen gecombineerd met
een infectie met
Mycoplasma bovis komt mij als een veel
waarschijnlijker oorzaak voor.

Er is op dit bedrijf geen enkele moeite gedaan om ooit een
diagnose te stellen.

BEDRIJF F
Algemene gegevens

De 30 melkkoeien (HF) worden gehouden in een ligboxen-
stal uit 1979 met een krachtvoerautomaat. Quotum: 248.000
liter. In 1998 was de melkproductie per koe gemiddeld 8600
kg. Het bedrijf neemt deel aan de melkcontrole. De koeien
kalven verspreid over het gehele jaar af De dierenarts was
bij het bezoek aanwezig.

Data IBR-vaccinaties
25/11/98 en 30/12/98.

Anamnese

Begin febmari \'99 waren er mastitisproblemen: drie a vier
koeien (op één kwartier). Symptomen: sloom, neusuitvloei-
ing, snelle ademhaling, geen koorts, traanogen, mwvoer goed
eten, maar de brokken niet. Ze hadden geen diarree.
De koeien kregen een hard kwartier, er kwam \'dikke troep\'
(etter) uit. De melk was opeens weg.

Een andere koe was plotseling achter verlamd, lag op roosters
(op 27/2), en is na twee dagen geëuthanaseerd.
In maart hebben tien koeien gekalfd. De eerste zes gingen
goed. De laatste vier gingen helemaal fout: drie koeien hadden
een lebmaagdislocatie: gerold en lebmaag vastgezet. Bij één
koe ging na het rollen de lebmaag van links naar rechts. Deze
koe is geopereerd, maar bleef slecht. Nu heeft ze diarree en is
slecht. Met de twee gerolde koeien is het ook niets geworden:
ze zijn broodmager, vreten geen brokken, en de \'longen zijn
kapot\' volgens de veehouder.

Een andere koe was eind maart voor het kalven goed, maar
kreeg bij afkalven pootprobleem: dikke klauwen RA. Later is
het opengesprongen en kwam er allemaal vocht uit. Daama is
ze langzaam opgeknapt en nu weer temggezakt.
In april/mei hebben verder geen koeien gekalfd.
Melkproductie: in maart en april een goede melkproductie.
Sinds 20/5 valt de inelkproductie opeens weg: in april werd
per drie dagen gemiddeld 2160 kg geleverd, in mei 2140 kg
per drie dagen en in juni 1690 kg (26 koeien nu op 12/6 in de
melk).

Melkcontrolegegevens BSK: april 1998 39,3, september 1998
38,2, oktober 1998 40,2, december 1998 39,4, febmari 1999
41,6, maart 1999 39,2, april 1999 39,8, mei 1999 42,0 kg. In
mei 1999 was het vet 4,19% en eiwit 3,25%.
Sinds mei gaat de situatie hard achtemit. Nu zijn 21 van de 26
koeien niet goed. Symptomen: stijf, traag, kunnen moeilijk
opstaan. Het zit in de gewrichten. Ongeveer 15 koeien hebben
dikke voorknieën of dikke hakken.

Achteraf zijn de problemen reeds begonnen in febmari: zeer
wisselende verschijnselen: de koeien zijn stijf, komen moei-
lijk op. Toen was de veehouder nog wel tevreden over de eet-
lust en melkproductie.

Rantsoen (winter): maïskuil (1/3) en graskuil (2/3); 1,5 kg
soja; maximaal 10 kg krachtvoer.

Zomer: overdag in speelweide; \'s nachts op stal om de kracht-
voeropname te maximaliseren. Als de dieren overdag en \'s
nachts in de weide zouden lopen, dan zou de krachtvoerop-
name te laag liggen dus de koeien krijgen nu gewoon het win-
terrantsoen.

Droogstandrantsoen: kuilvoer, beetje maïs; 1 kg brok; droog-
standmineralen.

Andere symptomen: kortademigheid, geen koorts. Eerst geen
hoesten, nu wel wat. Er is nooit diarree gezien. De koeien krij-
gen geen melkziekte, geen nageboorteproblemen, geen wit-
vuilen, maar ze worden niet meer tochtig.
Twee maal per maand gaan de koeien door een voetbad met
lincomycine. Ze hebben desondanks toch wel last van
Italiaanse stinkpoot.

Er zijn geen verwerpers en geen kalveren die bij de geboorte
dood zijn.

De pinken en vaarzen hebben geen problemen.

-ocr page 220-

Momenteel staan er vijf koeien droog: zij hebben ook al dikke
hakken. Ze zijn stijf en kunnen moeilijk opstaan.
Onderzoek GD: geen BVD-vims aangetoond in acht bloed-
monsters. Wel antistoffen tegen BVD.
Vorig jaar blijken er ook al veel koeien te zijn opgeruimd: on-
geveer tien wegens te lage melkproductie en één wegens hoog
celgetal. Het tankmelkcelgetal is altijd lager dan 200.000 cel-
len/ml.

Vorig jaar ging het drachtig worden goed. De tussenkalftijd
blijkt 409 dagen te bedragen. Er wordt maximaal driemaal
geïnsemineerd, daama eigen stier. Er wordt geen bedrijfsbe-
geleiding toegepast.

Bedrijfsrondgang

De koeien lopen op een kale weide (speelweide). In de lig-
boxenstal liggen vijf droge koeien. Bij opjagen hebben ze
grote problemen met opstaan en komen moeilijk uit de lig-
boxen. De ligboxen langs de buitenmuren zijn veel te kort.

Onderzoek van de koeien

Er blijken veel kreupele en stijve koeien te zijn (ongeveer
15). Verscheidene koeien zijn mager en kleuren niet. Enkele
koeien zijn kortademig (van de pijn?) maar hoesten niet.
De kreupelheden lijken voort te komen uit de klauwen.
Verscheidene koeien staan echt te wijzen met één van hun
achterpoten. Van één van deze koeien heb ik de klauw onder-
zocht: Italiaanse stinkpoot in optima forma. Van drie andere
koeien de longen geausculteerd: geen afwijkingen (de tem-
peratuur was normaal).

Discussie

De veehouder (en zijn vrouw) wijten alle problemen aan de vac-
cinatie. De weerstand van de koeien zou volledig weg zijn. De
veehouder overdrijft nogal en vindt het hele bedrijf waardeloos
geworden. Opvallend is dat er de eerste weken na de vaccinatie
geen problemen zijn geweest (geen verwerpers, geen diarree).
Pas in februari kwamen enkele klinische mastitisgevallen. Wat
de oorzaak daarvan was, kon niet achterhaald worden. Het tank-
melkcelgetal heeft er in ieder geval niet onder geleden.
In maart ontstonden er problemen bij en na het kalven: drie
koeien met een lebmaagdislocatie die niet goed zijn gewor-
den en één met een dikke klauw. Waarschijnlijk was dit een
voedingsprobleem.

Vanaf half mei trad er plotseling (?) een verslechtering op.
De koeien zijn kreupel en stram. Bovendien vermageren ze.
Uit het onderzoek van de koeien en uit de bedrijfsrondgang
blijkt dat de koeien niet ziek zijn maar dat veel koeien zeer
pijnlijke voeten hebben, daardoor te weinig eten en verma-
geren. Waarschijnlijk hebben we hier te maken met een com-
binatie van factoren zoals:

• de zeer lange stalperiode, de koeien zijn nu (12/6) nog
grotendeels in de stal,

• de veel te kleine ligboxen. De koeien kunnen bijna niet
opstaan,

• dikke voorknieën en hakken, pijnlijke klauwen,

• een emstige stalinfectie met Italiaanse stinkpoot.

Conclusie

De problemen kunnen onmogelijk worden toegeschreven
aan de vaccinatie.

OVERZICHT

In tabel 1 staan de belangrijkste problemen, zoals die zijn voor-
gekomen op de 13 door mij bezochte bedrijven weergegeven.

Zoals uit tabel 1 blijkt, is verwerpen kort na de vaccinatie een
probleem dat op negen van de 12 door mij bezochte bedrij-
ven is opgetreden. Echter ook op het met dode entstof gevac-
cineerde bedrijf (nr. 13) was verwerpen opgetreden.
Het symptoom diarree is maar op vier van de 12 bedrijven
voorgekomen.

Kreupelheden blijken op acht van de 12 bedrijven een pro-
bleem te zijn. Op sommige bedrijven zijn het vooral de klau-
wen, terwijl het op andere bedrijven vooral de hakken of
voorknieën betreft.

Tabel 1. Problemen op de 13 In juni 1999 bezochte bedrijven.

Bedrijf

Problemen 1 a 2 maanden

Problemen die later

na de vaccinatie

zijn opgetreden

1

Diarree, verwerpen, hoesten

Kreupelheid

2

Diarree, verwerpen

Kreupelheid

3

Verwerpen

Hoesten, diarree, kreupelheid

4

Verwerpen

Moeilijk drachtig worden

5

Diarree, verwerpen.

Mastitis, kreupelheid

doodgeboortes

6

-

Mastitis, endometritis

7

Vermageren

Mastitis, te weinig eten

8

Diarree, verwerpen

Mastitis, kreupelheid,

doodgeboortes

9

Verwerpen

Mastitis, kreupelheden

10

Mastitis

Lebmaagdislocaties,

kreupelheden

11

Hoesten, verwerpen.

Mastitis, diarree

te kleine kalveren

12

Mastitis, verwerpen

Doodgeboortes, kreupelheden

13\'

Verwerpen

Diarree, kreupelheden.

moeilijk drachtig worden

\' Dit bedrijf is gevaccineerd met \'dood\' vaccin.

2).

Hetzelfde geldt met betrekking tot mastitis (acht van de
Ook hier betreft het verschillende vormen van mastitis.
De andere problemen komen minder vaak voor.

VOORSTELLEN VOOR NADER ONDERZOEK
In mijn rapport heb ik maar één voorstel voor nader onder-
zoek aangegeven, omdat het voor veel bijkomend onderzoek
reeds te laat was. Een aantal willekeurig uitgekozen bedrij-
ven waar met levend vaccin geënt is, zou vergeleken dienen
te worden met bedrijven waar met dood vaccin is geënt. Dus
onafhankelijk van het feit of er na de vaccinatie klachten zijn
geweest of niet.

Op de betreffende steekproef van deze bedrijven zou de ge-
zondheidstoestand van de koeien gedurende de afgelopen
winter en het voorjaar grondig geëvalueerd dienen te worden
door zeer ervaren dierenartsen, die zich niet van alles op de
mouw laten spelden. Zo moeten sterfgevallen bewezen kun-
nen worden, moeten de BSK en het tankmelkcelgetal wor-
den geanalyseerd, dient de rekening (geneesmiddelen en vi-
sites) van de dierenarts te worden nagegaan, etcetera. De
steekproef dient uiteraard zeer weloverwogen te worden op-
gezet. Indien mogelijk en er betrouwbare gegevens verkre-
gen kunnen worden, moet ook de situatie vóór de vaccinatie
worden vergeleken met de situatie na de vaccinatie. Als er
significante verschillen tussen beide groepen bedrijven wor-
den gevonden, moet worden nagegaan of deze verband kun-
nen houden met de vaccinatie.

-ocr page 221-

SLOTCONCLUSIE

De problemen met verwerpen, doodgeboortes, zwakke kal-
veren en eventueel diarree binnen één ä twee maanden na
de vaccinatie zouden op een aantal bedrijven verband kun-
nen houden met deze vaccinatie. Wat de andere problemen
die kort na de vaccinatie zijn opgetreden betreft, zie ik geen
enkele aanleiding te veronderstellen dat de vaccinatie daar-
bij een rol heeft gespeeld. Andere oorzaken komen hier-
voor eerder in aanmerking. De problemen die nog later zijn
opgetreden, kunnen volgens mij niet worden toegeschre-
ven aan de vaccinatie. Opvallend is in ieder geval dat er
weinig uniformiteit bestaat in de verschillende klachten.

Voorbeelden:

• allerlei vormen en oorzaken van verwerpen (vroeg en laat,
Neospora caninum, BVD),

• doodgeboren kalveren komen slechts op drie bedrijven voor
en dan nog op een verschillend stadium na de vaccinatie.

• de kreupelheden: variërend van zoolzweren en Italiaanse
stinkpoten tot dikke hakken en dikke voorknieën. Ook op
\'normale bedrijven\' komen kreupelheden veel voor,

• de vele vormen van mastitis (streptokokken, stafylokok-
ken,
Escherichia coli, eventueel andere) die soms wel en
soms niet genezen met antibiotica.

Daamaast was er op de meeste bedrijven te weinig onder-
zoek gedaan. Ook is er te veel aan de boeren beloofd.
De \'slijter\'problematiek kan niet aan de vaccinatie worden
toegeschreven. Het betreft een multifactoriële aandoening
die volgens mij altijd al bestaan heeft maar die de laatste ja-
ren aanzienlijk is toegenomen door de sterke \'Holstei-
nisatie\', de zeer hoge melkproductie, de steeds langer wor-
dende stalperiodes, de in veel gevallen onvoldoende
kwaliteit van de stal en van de ligboxen, de veel te hoge
werkdruk op sommige bedrijven en een onvoldoende be-
drijfsvoering.

Analyse van gezondheidsklachten na BHVi vaccinatie

Tijdschr Diergerteeskd 2001; 126:173-80

L. van Wuijckhuise^ K. Frankena^, M.A.A.J. van Oijen^ en L. MeljerB

SAMENVATTING

Tussen 1 mei 1998 en 22 februari 1999 was in Nederland
de BHVl-bestrijding op rundveebedrijven verplicht. Op
bedrijven die niet IBR-vrij waren gecertificeerd, moesten
de runderen tweemaal per jaar worden gevaccineerd.
Door veehouders en dierenartsen werden tijdens de vacci-
natiecampagne bijwerkingen van het vaccin gemeld. Deze
bijwerkingen zijn door de Stichting IBR/BVD Schade
(SIS) verzameld met als doel schaderapporten te maken.
In totaal hebben in 1999 6977 veehouders klachten gerap-
porteerd, die naar hun overtuiging een relatie hadden met
de vaccinatie tegen BHVl. Op de bedrijven die klachten
hebben gemeld, zijn 15.150 bedrijfsvaccinaties uitgevoerd.
Bij 10.269 van deze bedrijfsvaccinaties zijn één of meer
klachten gemeld. Het percentage bedrijfsvaccinaties met
klachten in de periode van verplichte vaccinatie was 13%.
In maart 1999 werd vastgesteld dat een aantal vaccin
batches besmet was met BVD virus. In de analyses is een
bedrijfsvaccinatie als \'bekend besmet\' gedefinieerd in-
dien er bij die bedrijfsvaccinatie minimaal één \'bekend
besmet\' batchnummer (of lotnummer) is opgegeven. Op
987 bedrijven werden na 1007 bedrijfsvaccinaties met
\'bekend besmette\' batchnummers klachten gemeld die
voldeden aan 1 of meer criteria voor acute BVD.
Er waren geen vaak voorkomende combinaties van

\' Gezondheidsdienst voor Dieren, Arnsbergstraat 7, 7418 EZ Deventer.
\' Wageningen Universiteit, afdeling Dierhouderij. Postbus JJS, 6700 AH Wageningen.
^ Land- en Tuinbouw Organisatie, Postbus 29773, 2502 LTDen Haag.
• Corresponderende auteur Tei. 0570 - 660153, Fax. 0570 - 660242, E-mail:
l.v.wuyckhuise@gdvdieren.nl

klachten. Door het ontbreken hiervan en omdat bij 55%
van de gemelde klachten de begin- of einddatum ontbrak,
konden geen klachtenpatronen worden vastgesteld. Er
waren daardoor geen \'onverdachte\' batches aan te wijzen
voor nader onderzoek om vast te stellen of er, hoewel er
tot nu toe geen BVD virus in was aangetoond, toch aan-
wijzingen waren om deze batch als verdacht te beschou-
wen. Binnen de groep bedrijfsvaccinaties met klachten is
gekeken naar het aantal acute BVD-symptomen. Zowel
tussen batchnummers, als tussen de \'bekend besmette\'
batches als groep en de \'onverdachte\' als groep, was de
frequentieverdeling niet verschillend.
Tijdens de inventarisatie is de aanduiding van \'slijters\'
zoals beleefd door de veehouders gehanteerd, waardoor
er een grote variatie in definitie zal zijn. Na enting werd
bij 3209 van de 10.269 bedrijfsvaccinaties met klachten
(31%) de klacht \'slijters\' gemeld. Op 161 bedrijven (164
bedrijfsvaccinaties) werden op het tijdstip van de inven-
tarisatie meer dan 20% \'slijters\' gemeld. Zoals te ver-
wachten - om te kunnen slijten zijn andere ziektesympto-
men nodig - werden andere klachten op bedrijven met
\'slijters\' vaker gemeld. Als op een bedrijf gebruik is ge-
maakt van een \'bekend besmette\' batch, werd de klacht
\'slijters\' vaker gemeld.

Bij 154 gerapporteerde bedrijfsvaccinaties werd uitslui-
tend gebruik gemaakt van \'geïnactiveerd\' vaccin. Na 34
van deze bedrijfsvaccinaties werden één of twee sympto-
men van acute BVD gemeld. Deze frequentieverdeling
verschilde niet van die van bedrijfsvaccinaties met \'le-
vend\' vaccin. Na het gebruik van \'geïnactiveerd\' vaccin

-ocr page 222-

was er een tendens dat de frequentie van de gemelde
klachten lager was.

Er was op basis van de SIS dataset geen relatie aan te to-
nen tussen het batchnummer van de vaccinatie tegen
BHVl en de gemelde klachten. Dit kan worden veroor-
zaakt doordat: 1) de verdeling van de batches over de cate-
gorieën \'bekend besmet\', \'onverdacht\' en \'onbekend\' niet
overeenkomt met het werkelijk besmet zijn van de partij
vaccin, 2) veehouders selectief klachten hebben gemeld,
en/of 3) er geen relatie is met vaccinatie tegen BHVl.

SUMMARY

Analysis of symptoms associated with bovine herpesvirus
vaccination

Between I May 1998 and 22 Fehmary 1999, it was compulsory for Dutch cat-
tle farmers to take measures against bovine herpesvirus 1 (BHVl). Cattle on
farms that were not certified as infectious bovine rhinotracheitis (IBR)-free
had to be vaccinated twice a year. During the vaccination programme, both
farmers and veterinarians reported side-effects of the vaccine. These reports
were collected by the Stichting IBR/BVD Schade (SIS; Foundation for
IBR/BVD Damage) in order to draw up a damage report. In 1999 in total 6977
cattle farmers lodged complaints which they considered to be related to the
vaccination against BHVl. On thesefarms. 15,150 herd vaccinations had been
performed. 10,269 of which were associated with one or more symptoms.
During the compulsoiy vaccination period. 13% of the herd vaccinations led to
symptoms and complaints. In March 1999, a number of vaccine batches were
found to be contaminated with bovine virus diarrhoea (BVD) virus. For the
purposes of this analysis, a \'known contaminated\' herd vaccination was defi-
ned as one in which at least one \'known contaminated\' batch or lot of vaccine
was used. In total. 987 of 1007 herds vaccinated with \'known contaminated\'
vaccines developed one or more symptoms compatible with acute B VD.
There were no commonly seen combinations of .symptoms. For this reason,
and because the start and end dates were not reportedfor 55% ofthe symp-
toms. it was not po.ssible to detect a .symptom pattern. Therefore there were
no \'suspect\' batches of vaccine which, although not contaminated with B VD
virus, gave rise to symptoms. The number of B VD symptoms wai determined
for those herds with vaccination-related symptoms. There was no difference
in the distribution frequency between batch numbers or between \'known
contaminated\' batches and \'non-suspect\' batches.

The farmers\' definition of chronic wasting was used in this investigation,
with the inevitable large differences in definition. The symptom chronic
\'wasting\' was reported for 3209 of the 10,269 herds with vaccination-re-
lated symptoms. On 161 farms (164 herd vaccinations) \'chronic wasting\' ac-
counted for more than 20% of the symptoms. As expected, other symptoms
were reported in addition to wasting. The symptom \'chronic wasting\' was re-
ported more often on farms where a \'known contaminated\' vaccine was used.
Inactivated vaccine was used for 154 herd vaccinations. In 34 cases, one or
more .symptoms of acute B VD were reported. The frequency was the same as
that for live vaccines. The frequency of reported symptoms tended to be
lower with the inactivated vaccine.

On the basis of the SIS data, no relationship was found between vaccine
batch and reported symptoms. This may be because (i) the classification of a
vaccine as \'known contaminated\'. \'non-suspect\'. and \'not known \' may not
have been in keeping with the real status of the vaccine, (ii) farmers may
have reported .symptoms selectively, and (Hi) there is no relationship with
vaccination against BHVl.

Tabel i. Criteria vooreen acute BVD-infectie. De vertaling inweken na vaccinatie van de criteria zoals opgesteld door Noordhuizen eta\\. (4).

Criterium

Begin in weken na vaccinatie

Einde in weken na vaccinatie

Productiedaling 3-10 dagen

lof2

1 of 2

Algemeen ziek 3-10 dagen

1 of2

1 of 2

Diarree tussen 0-61 dagen

1-9

1-9

Luchtwegaandoeningen bij jongvee (<ljaar) 0-61 dagen

ontbreekt in database

ontbreekt in database

Sterfte na andere ziekte verschijnselen tussen 10-42 dagen

2-6

2-6

Verwerpen/vroeggeboorte tussen 7-61 dagen na vaccinatie

2-9

2-9

Mastitis nissen 0-21 dagen

1-3

1-3

Vruchtbaarheidsstoornissen tussen 0-61 dagen

1-9

1-9

Vroegtijdige afvoer tussen 0-92 dagen

1-13

1-13

Geboorte BVD-dragers tussen 140-275 dagen na vaccinatie

20-39

20-39

174 Tijdschrift voor

Diergeneeskunde, DEEL 126, MAART,

Aflevering 6, 2001

INLEIDING

De vaccinatie tegen BHVl vomide een onderdeel van de
IBR bestrijding in 1998. Deze vaccinatie was verplicht tenzij
een bedrijf als IBR-vrij was gecertificeerd of de eigenaar er-
kend was als gewetensbezwaarde. De verordening gaf aan
dat in 1998 tenminste tweemaal gevaccineerd moest worden.
Een deel van de veehouders was voor 1 mei 1998 al vrijwil-
lig met IBR bestrijding begonnen. Het merendeel (23.111)
van de 30.400 melkveebedrijven heeft gevaccineerd met het
BHVl markervaccin. Tijdens de verplichte vaccinatiecam-
pagne zijn ongeveer 3,2 miljoen doses BHVl markervaccin
toegepast op mndveebedrijven. Hiervan is 3,5% gevacci-
neerd met \'dode\' marker entstof, de overige entingen waren
met \'levend\' markervaccin.

In febmari 1999 werden op elf van twaalf mndveebedrijven
met een bepaalde batch \'levend\' BHVl markervaccin gevac-
cineerde bedrijven emstige ziekte en sterfte geconstateerd
(I). De problemen bleken het gevolg van contaminatie van
het BHVl marker
vivum vaccin met BVD vims type 2.
Hierop volgend hebben in de periode maart - september
1999 iets minder dan 7000 veehouders bijwerkingen van het
vaccin gerapporteerd. Door de Stichting IBR/BVD Schade
(SIS) zijn deze klachten geïnventariseerd.
Als gevolg van de eerste meldingen over met BVD vims ge-
contamineerd vaccin in februari 1999, is later in acht batches
van het \'levend\' BHVl markervaccin eveneens contamina-
tie met het BVD vims gevonden. Dit was echter een ander
type (type 1) dan het virus dat de problemen op de hierboven
aangegeven 12 bedrijven heeft veroorzaakt. In totaal verte-
genwoordigen deze acht batches ongeveer 1,1 miljoen doses.
Dat is dus 1/3 van het totaal aantal toegepaste doseringen.
Alle niet verlopen batches zijn door de laboratoria van Bayer
en het ID Lelystad onderzocht. Elk van beide instituten vond
vijf met BVD vims besmette batches, waarbij twee batches
door beide instituten als besmet met BVD werden geïdentifi-
ceerd. De oorzaak voor deze verschillen lag in de lage con-
centratie BVD vims in het vaccin. Als gevolg van de geringe
sensitiviteit zouden enkele van de als \'onverdacht\' bestem-
pelde batches vals-negatieve onderzoeksresultaten kunnen
hebben. Daamaast waren meerdere batches afkomstig van
één \'moederbatch\'. Omdat er vanuit wordt gegaan dat de be-
smetting in het vaccin is veroorzaakt door de basisgrondstof
foetaal kalversemm, moet er vanuit worden gegaan dat als
een batch als besmet is afgegeven, alle batches uit dezelfde
\'moederbatch\' als besmet moeten worden beschouwd. Deze
\'productiepiramide\' was de onderzoekers niet bekend.
Het in dit artikel beschreven onderzoek is gebaseerd op de
door SIS uitgevoerde inventarisatie op de 7000 bedrijven die
klachten melden na vaccinatie met BHVl markervaccin. De

-ocr page 223-

doelstellingen van dit onderzoek waren:

1) Selectie van de bedrijfsvaccinaties met klachten, die vol-
doen aan de acute BVD criteria, zoals deze door een team
van experts zijn aangereikt;

2) vaststellen van het klachtenpatroon bij bedrijfsvaccina-
ties waar gevaccineerd is met een \'bekend besmette\'
batch IBR vaccin;

3) identificeren van \'onverdachte\' batches, waarvan het
klachtenpatroon grote overeenkomst vertoont met dat
van de \'bekend besmette\' batches, zodat deze batches
verder kunnen worden onderzocht;

4) aanleveren van epidemiologische gegevens voor verder
onderzoek naar \'slijters\';

5) het percentage bedrijfsvaccinaties met klachten na ge-
bruik van \'geïnactiveerd\' vaccin bepalen en het klachten-
patroon bij deze bedrijfsvaccinaties toetsen aan de crite-
ria voor acute BVD, c.q. aan het klachtenpatroon bij
\'levend\' vaccin.

MATERIAAL EN METHODEN
Gegevensverzameling

De analyse is uitgevoerd op de database van SIS, gevuld met
gegevens die door inventarisatieteams zijn genoteerd tijdens
bedrijfsbezoeken aan 6977 bedrijven in de periode tussen 7
april en 24 september 1999. Bij de inventarisatie zijn door de
teams gegevens (zoals aard van de klachten, aantal dieren
met klachten, aanvangsmoment van de klachten enzovoort)
verzameld zoals deze door de veehouder werden gemeld. De
definities van de klachten (zoals bijvoorbeeld \'slijter\') waren
dus niet eenduidig, maar gaven de beleving van de individu-
ele veehouder weer. De gegevens zijn door de inventarisatie-
teams verzameld zes weken tot 3,5 jaar na de vaccinatie. De
gegevens zijn door SIS verzameld met het oogmerk om
schaderapporten te kunnen opstellen.
Na een bedrijfsvaccinatie kunnen klachten zijn opgetreden,
die naar de overtuiging van de veehouder verband houden
met de vaccinatie. Deze klachten zijn per \'symptoom\' door
de inventarisatieteams als klachtregel genoteerd. Bij een
bedrijfsvaccinatie kunnen dus meerdere klachtregels voor-
komen, omdat er door de veehouder meerdere symptomen
zijn opgegeven. Bij een klachtregel dient een begin- en
einddatum (in weken na de bedrijfsvaccinatie) te zijn ver-
meld.

Bij 53% van de bedrijfsvaccinaties met bijwerkingen werd
als klacht \'overige\' genoemd. Informatie hierover is wellicht
terug te vinden bij de opmerkingen op de inventarisatiefor-
mulieren. Statistische analyses vereisen echter codering van
deze opmerkingen.

Tabel 2. Frequentieverdeling van het aantal bedrijfsvaccinaties met het aantal klachten dat voldoet aan de criteria voor acute BVD, opgedeeld naar \'bekend besmette\', \'onver-
dachte\', \'geïnactiveerde\' en \'onbekende\' batchnummers.

Aantal acute
BVD klachten

Bekend besmet

Onverdacht

Geïnactiveerd

Onbekend

Totaal

Aantal

%

Aantal

%

Aantal

%

Aantal

%

Aantal

%

0

3447

77,4

3185

78,9

120

77,9

1387

85,5

8139

79,3

1

797

17,9

665

16,5

26

16,9

199

12,3

1687

16,4

2

182

4,1

155

3,8

8

5,2

33

2,0

378

3,7

3

27

0,6

29

0,7

0

0

4

0,3

60

0,6

4

0

0,0

4

0,1

0

0

0

0,0

4

0,04

5

1

0.02

0

0,0

0

0

0

0,0

1

0,01

Totaal

4454

43.4

4038

39,3

154

1,5

1623

15,8

10269

Vaccinidentificatie

Een partij vaccin wordt door de fabrikant geïdentificeerd
door een lotnummer èn een batchnummer (= chargenum-
mer). Een lotnummer omvat een codering voor het jaar (2
cijfers), de maand (een letter) en de dag (2 cijfers) van pro-
ductie (bijvoorbeeld 98C11). Omdat op een dag meerdere
batches kunnen worden geproduceerd, kunnen er binnen een
lotnummer meerdere batchnummers voorkomen. De meest
nauwkeurige identificatie voor een partij vaccin is dus het
batchnummer.

In de analyse heeft de samenvoeging van Hoechst en Bayer
batch- en lotnummers niet kunnen plaatsvinden, omdat niet
alle lotnummers bekend zijn, dan wel dat bepaalde lotnum-
mers meerdere batchnummers bevatten. Door de farmaceuti-
sche groothandels AUV en Aesculaap is aan de dierenartsen-
praktijken opgegeven welke batch- of lotnummers aan hen
waren geleverd sedert 1 januari 1998. Gegevens van voor die
datum zijn vaak niet bekend. Omdat door de groothandels
niet altijd het batchnummer was genoteerd, werd bij een
groot aantal bedrijfsvaccinaties ten tijde van de inventarisa-
tie alleen een lotnummer opgegeven, hetgeen uit meerdere
batchnummers kan bestaan. Van alle bekend besmette batch-
nummers, was bij het projectteam het bijbehorende lotnum-
mer bekend. Dit was niet het geval voor alle \'onverdachte\'
batchnummers. Als in de tekst het woord batchnummer
wordt gebruikt, kan dit ook lotnummer inhouden.

Bedrijfsvaccinaties

Een bedrijfsvaccinatie is gedefinieerd als een unieke combi-
natie van bedrijf vaccinatiedatum type entstof het aan-
tal gevaccineerde dieren. Bij een bedrijfsvaccinatie kunnen
geen, dan wel één of meerdere batchnummers zijn opgege-
ven.

Een bedrijfsvaccinatie wordt als \'bekend besmet\' bestem-
peld indien er minimaal één \'bekend besmet\' batchnummer
(of lotnummer) is opgegeven, waarbij is aangenomen dat de
\'bekend besmette\' batch dan ook daadwerkelijk gebruikt is.
Op een bedrijf dat klachten heeft gemeld, zijn alle BHV 1 be-
drijfsvaccinaties genoteerd, die op dat bedrijf zijn uitge-
voerd. Dus óók de bedrijfsvaccinaties waarbij geen klachten
waren.

-ocr page 224-

IBR bedrijfsentingen
(64.219)

Niet gemeld
(52.294)

Gemeld aan SIS
(11.925)

Klachten
(8.651)

Geen klachten
(3.274)

Batchnummer bekend
(7.874)
J_,

I-

Besmet
(4.127)

Onverdacht
(3.747)

Batchnummer onbekend
(777)

Batchnummer bekend
(2.215)
,_
\\_,

Besmet
(804)

Onverdacht
(1.411)

Batchnummer onbekend
(1.059)

Figuun. Opsplitsing in categorieën van de IBR-bedrijfsvaccinaties uitgevoerd tussen 1-5-98 en 1-1-99 in de SIS-database (tussen haakjes staat het aantal bedrijfsvaccinaties vermeld).

Analysemethoden
Bovine Virus Diarree

Door Noordhuizen et al. (4) zijn criteria voor symptomen
van een acute BVD-infectie opgesteld (Tabel 1), die later
door de vijf intemationale BVD-experts zijn onderschreven
(2). Op basis van de bij een bedrijfsvaccinatie opgegeven be-
gin- en einddatum per klachtregel is bepaald of de klachtre-
gel voldoet aan één van de gedefinieerde acute BVD-symp-
tomen. Klachtregels waarbij geen begin- of einddatum is
opgegeven, kunnen per definitie niet aan één van de criteria
voor acute BVD voldoen. Omdat bij een bedrijfsvaccinatie
meerdere klachtregels kunnen zijn opgegeven, kunnen de
klachten bij een bedrijfsvaccinatie voldoen aan meerdere
acute BVD-symptomen.

Verschillen in frequentieverdelingen van het aantal gemelde
acute BVD-symptomen tussen bedrijfsvaccinaties met \'be-
kend besmette\' batches, bedrijfsvaccinaties met \'onver-
dachte\' batches en bedrijfsvaccinaties met \'onbekende\'
batchnummers is getoetst met behulp van polytome logisti-
sche regressie (3,6). Hierbij zijn de enkele bedrijfsvaccina-
ties waarbij meer dan drie acute BVD-symptomen worden
gemeld samengevoegd met de groep van bedrijfsvaccinaties
waarbij drie van die symptomen worden gemeld.
Het gemiddeld aantal gerapporteerde acute BVD-sympto-
men per batch is geanalyseerd met behulp van een rangcorre-
latie toets (Mann-Whitney test; (5)). De getoetste hypothese
(Hp) was dat \'bekend besmette\' batches een even hoge ran-
king vertonen als \'onverdachte\' batches.

Klachtpatronen

Het definiëren van klachtpatronen kan gebeuren zonder
tijdsfactor (welke combinaties van klachten worden gemeld
ongeacht volgorde van optreden) en met tijdsfactor (welke
klachten in welke volgorde in de tijd). Omdat bij 55% van de
klachtregels het volledige tijdstraject niet is aangegeven, is
de analyse in eerste instantie uitgevoerd op combinaties van
klachten. In een aanvullende analyse is nagegaan of er ver-
schillen bestaan in klachten tussen de groep van \'bekend be-
smette\' en de groep van \'onverdachte\' batches (Chi-kwa-
draat toets).

Slijters

Een eerste analyse bestond uit het onderzoeken of andere
klachten dan \'slijters\' vaker voorkomen in de groep van be-
drijfsvaccinaties waarin de klacht \'slijters\' wordt gemeld ten
opzichte van de groep van bedrijfsvaccinaties waarin de
klacht \'slijters\' niet wordt genoemd met behulp van een Chi-
kwadraat toets. De tweede analyse bestond uit het ranken
van de batches naar de fractie bedrijfsvaccinaties waarbij
\'slijters\' werden gemeld. Vervolgens werd getoetst of de
ranking van \'bekend besmette\' en \'onverdachte\' batches op
toeval bemstte. De getoetste hypothese (
Hq) was dat bij be-
drijfsvaccinaties met \'bekend besmette\' batches niet vaker
\'slijters\' worden gemeld ten opzichte van \'onverdachte\' en
\'onbekende\' batches. Hierbij werd gebruik gemaakt van een
rangcorrelatie toets (Mann-Whitney test; (5)).

Geïnactiveerd vaccin

Het percentage bedrijfsvaccinaties met klachten na gebruik
van \'geïnactiveerd\' vaccin was niet te berekenen, omdat het
totale aantal bedrijfsvaccinaties met dit type vaccin niet be-
kend was. Een bedrijfsvaccinatie werd als met \'levend\' vaccin
gedefinieerd indien minstens één batchnummer van een \'le-
vend\' vaccin was opgegeven. Een bedrijfsvaccinatie werd als

Tabel 3. Fractie bedrijfsvaccinaties met gemelde klacht voor bedrijfsvaccinaties met
een \'bekend besmet\', \'onverdacht\' en \'onbekend\' batchnummer.

Bekend
besmet

Onverdacht

Onbekend

Totaal

Bedrijfsvaccinaties

4454

4192

1623

10269

Algemeen ziek

0,47

0,43 (♦)■

0,32

0,43

Zieke dieren

0,01

0,01 (NS)\'

0,01

0,01

Verminderde voeropname

0,01

0,01 (NS)

0.01

0,01

Produktiedaling

0,36

0,32 (•)

0,23

0,32

Uierontsteking

0,35

0.31 (•)

0,24

0,32

Diarree

0,45

0,40 (»)

0,28

0,40

Beenwerkproblemen

0,39

0.30 (*)

0,17

0,32

Embryonale sterfte

0,32

0,28 (•)

0,19

0,28

Terugkomers

0,02

0.02 (NS)

0,00

0,02

Verwerpers

0,39

0,35 (•)

0,30

0,36

Te vroeg geboren kalveren

0,11

0,08 (*)

0,05

0,09

Vruchtbaarheidsproblemen 0,27

0,21 (*)

0.13

0,22

Doodgeboren kalveren

0,27

0.24 (*)

0,17

0,24

Afwijkende kalveren

0,23

0,19 (*)

0,12

0,20

BVD-dragers geboren

0,04

0,03 (♦)

0,04

0,03

\'Slijters\'

0,39

0,30 (*)

0.16

0,31

Afvoer/noodslachting

0,41

0,33 (*)

0,22

0,35

Sterfte

0.43

0,36 (*)

0,27

0,38

Afvoer

0,01

0,02 (*)

0,00

0,01

Overige

0,52

0,50 (•)

0,61

0,53

Laboratorium onderzoek

0,28

0,26 (*)

0,19

0.26

\'* = p<0,05,NS =
kend besmet\'.

niet significant; berekend ten opzichte van de groep \'be-

-ocr page 225-

met \'geïnactiveerd\' vaccin gedefinieerd indien alleen batch-
nummers van een \'geïnactiveerd\' vaccin waren opgegeven.
De getoetste hypothese (
Hq) was dat bedrijfsvaccinaties met
een \'geïnactiveerd\' vaccin niet minder klachten op zullen le-
veren.

RESULTATEN
Beschrijvende statistiei<

In totaal zijn er 15.150 bedrijfsvaccinaties in de database op-
genomen, welke uitgevoerd zijn tussen oktober 1995 en
maart 1999. Ruim 80% van de bedrijven heeft één of twee
bedrijfsvaccinaties gemeld. Bij 3854 (25%) van de 15.150
bedrijfsvaccinaties was geen batchnummer vermeld, bij
5485 bedrijfsvaccinaties (36%) was één batchnummer ver-
meld en bij 5811 bedrijfsvaccinaties (38%)) zijn meerdere
(van twee tot 12) batchnummers opgegeven.
Bij 10.269 van de 15.150 in de database aanwezige bedrijfs-
vaccinaties zijn door 6881 rundveebedrijven klachten ge-
meld (96 bedrijven geven aan wel klachten te hebben, maar
specificeren deze voor geen enkele bedrijfsvaccinatie). In to-
taal zijn er 57.298 klachtregels genoteerd (gemiddeld 5.6 per
bedrijfsvaccinatie, variërend van 1 tot 19).
Bij een klachtregel dient een begin- en einddatum (in weken
na de bedrijfsvaccinatie) te zijn vermeld. Van de 57.298
klachtregels hebben 28.288 klachten (49%) een begindatum
en 30.352 (53%)) een einddatum. Bij 25.878 klachtregels
(45%) zijn zowel een begin- als einddatum opgegeven. Bij
897 bedrijfsvaccinaties
(9%) zijn voor alle gemelde klachten
een begin- en einddatum opgegeven. De 31.420 klachtregels
waarbij geen begin- of einddatum zijn opgegeven, kunnen
niet worden meegenomen in de analyse op acute BVD symp-
tomen en klachtpatronen.

Van de 15.150 in de database aanwezige bedrijfsvaccinaties
zijn 2735 bedrijfsvaccinaties voor 1 mei 1998 uitgevoerd.
Bij 1252 van die bedrijfsvaccinaties (46%) zijn klachten ge-
meld. In de database zijn de gegevens van 490 bedrijfsvacci-
naties opgenomen die zijn uitgevoerd na 1 januari 1999.
Hiervan zijn bij 366 bedrijfsvaccinaties (75%) klachten ge-
meld. In de periode 1 mei 1998 t/m 1 januari 1999 zijn er op
de bedrijven die zich gemeld hebben dus 11.925 bedrijfsvac-
cinaties uitgevoerd; bij 8651 van deze bedrijfsvaccinaties
zijn klachten gemeld. Op de Gezondheidsdienst voor Dieren
zijn in deze verplichte vaccinatieperiode 64.219 bedrijfsvac-
cinaties geregistreerd. Bij ruim 13% van de bedrijfsvaccina-
ties zijn één of meerdere klachten geregistreerd. Bij 87%) van
de bedrijfsvaccinaties zijn dus geen klachten gemeld. Een
schematische samenvatting van het bovenstaande is in
Figuur 1 weergegeven.

Batchnummer bekend

Bij 91% van de bedrijfsvaccinaties waama klachten zijn ge-
meld, is tenminste één batchnummer opgegeven (Figuur I).
Dit percentage is 68% voor bedrijfsvaccinaties waama geen
klachten zijn gemeld. Daamaast blijkt dat bij bedrijfsvacci-
naties waama klachten zijn gemeld het percentage vaccina-
ties met \'bekend besmette\' batches
52% is, terwijl dit per-
centage 36% bedraagt voor de bedrijfsvaccinaties waama
geen klachten zijn opgetreden.

Bij bedrijfsvaccinaties waar één batchnummer is vermeld op
het inventarisatieformulier blijkt 26% van de opgegeven
batchnummers onvolledig dan wel foutief te zijn indien een
vergelijking wordt gemaakt met de entbon-administratie van
de GD. Waar in het inventarisatietraject deze fouten zijn op-
getreden, is niet duidelijk.

Tabel 4. Frequentieverdeling van het aantal bedrijfsvaccinaties naar het percentage
dieren met de klacht \'slijters\' (aantal \'slijters\'/aantai gevaccineerd).

% \'Slijters\' op het bedrijf

Bedrijfsvaccinaties

Aantal

%

1-5

1986

64,5

6-10

611

19,8

11-15

219

7,1

16-20

99

3,2

21-25

54

1,8

26-30

34

1,1

31-35

21

0,7

36-40

6

0,2

41-45

12

0,4

46-50

10

0,3

51-55

4

0,1

56-60

3

0,1

61-65

4

0,1

66-70

1

0,0

71-75

5

0,2

76-80

1

0,0

81-85

0

0,0

86-90

0

0,0

91-95

0

0.0

96-100

9

0,3

Klachten die voldoen aan de acute BVD criteria
De 31.420 klachtregels waarbij geen begin- of einddatum is
opgegeven, kunnen per definitie niet aan één van de criteria
voor acute BVD voldoen. Er zijn 1007 bedrijfsvaccinaties
(op 987 bedrijven) gerapporteerd waar gevaccineerd is met
een \'bekend besmette\' batch en waarvan minimaal één van
de klachten na vaccinatie voldoet aan de criteria voor acute
BVD-symptomen (Tabel 2). Bij veel bedrijfsvaccinaties die
aan de criteria voor acute BVD voldoen, geldt dit slechts
voor één symptoom: diarree (36%) of verwerpen (18%),
deze symptomen zijn niet erg specifiek.
Binnen de groep bedrijfsvaccinaties met klachten is gekeken
naar de frequentieverdeling van acute BVD symptomen tus-
sen de groepen bedrijfsvaccinaties (\'bekend besmet\', \'onver-
dacht\', \'onbekend\'). In tabel 2 is vermeld bij hoeveel bedrijfs-
vaccinaties één of meerdere acute BVD-symptomen worden
gemeld, onderverdeeld naar bedrijfsvaccinaties met \'bekend
besmette\', \'onverdachte\', \'geïnactiveerde\' of \'onbekende\'
batchnummers. Het aantal acute BVD-symptomen was signi-
ficant lager in de groep bedrijfsvaccinaties waarvan het batch-
nummer \'onbekend\' is ten opzichte van beide andere groepen
(\'bekend besmette\' en \'onverdachte\') (p<0,001). Het verschil
in aantal acute BVD-symptomen tussen bedrijfsvaccinaties
met \'bekend besmette\' en \'onverdachte\' batches was niet sig-
nificant (p=0,l2).

Op batch/lot-niveau is het gemiddelde aantal klachten bepaald
dat voldoet aan de criteria voor acute BVD-symptomen om zo-
doende andere mogelijk \'besmette\' batchnummers op te spo-
ren. Om er zeker van te zijn dat het effect aan het betreffende
batchnummer kon worden toegeschreven, zijn alleen die be-
drijfsvaccinaties geselecteerd, waarbij één batchnummer is ge-
meld. Een rangcorrelatie toets geeft aan dat de \'bekend be-
smette\' batches geen significant hogere ranking hebben dan
\'onverdachte\' batches (Mann-Whitney test; p=0,77).

Klachten bij vaccinaties met \'besmette\' en \'onverdachte\'
batches

In Tabel 3 is de fractie bedrijfsvaccinaties met een bepaalde
klacht weergegeven voor drie groepen van bedrijfsvaccinaties:

-ocr page 226-

bedrijfsvaccinaties uitgevoerd met een \'bekend besmette\'
batch, een \'onverdachte\' batch en een \'onbekende\' batch. Voor
bijna alle klachten geldt dat deze het meest vaak worden opge-
geven in de groep van \'bekend besmette\' batchnummers en het
minst in de groep van de \'onbekende\' batchnummers. Hoewel
de absolute en relatieve verschillen meestal gering zijn, zijn
deze verschillen meestal significant tussen de \'bekend be-
smette\' en \'onverdachte\' groep (Mann-Whitney test; p<0,05).

Klachtenpatronen

Om klachtenpatronen te kunnen bestuderen moeten bij de be-
drijfsvaccinaties meer dan 1 klacht zijn gemeld en de begin- en
einddata zijn aangegeven. Bij 8007 bedrijfsvaccinaties zijn 2 of
meer klachten gemeld, hiervan hebben 51% van de klachtre-
gels een begin- en einddatum. Bijna alle combinaties blijken
voor te komen. Een specifieke combinatie van klachten kon
niet worden vastgesteld. Daarmee verviel de noodzaak te kij-
ken naar patronen in de tijd na de bedrijfsvaccinatie. Omdat
geen klachtenpatronen konden worden vastgesteld, kunnen
\'onverdachte\' batches niet aan dit patroon worden getoetst.

•Slijters\'

Bij 3209 van de 10.269 bedrijfsvaccinaties met klachten (31%)
wordt de klacht \'slijters\' gemeld. Van de 3209 bedrijfsvaccina-
ties met de klacht \'slijters\' hebben er 212 voor 1 mei 1998
plaatsgevonden. Bij 164 bedrijfsvaccinaties (op 161 bedrijven)
zijn op het moment van de inventarisatie meer dan 20% van de
gevaccineerde dieren als \'slijters\' gemeld (Tabel 4). Bij 55%
van de bedrijfsvaccinaties gaf de veehouder aan dat het slijten
meer dan 4 weken na de vaccinatie begon (Tabel 5).
Bij bedrijfsvaccinaties, waarbij de klacht \'slijters\' wordt op-
gegeven, worden de meeste andere klachten ongeveer twee
keer zo vaak gemeld als bij bedrijfsvaccinaties waarbij de
klacht \'slijters\' niet wordt genoemd (Tabel 6). Dit verschil
was significant voor bijna alle klachten.
Op bedrijven waar \'bekend besmette\' batches zijn gebruikt,
is significant vaker de klacht \'slijters\' gemeld (p < 0,01).

Geïnactiveerd vaccin

In de database komen 203 bedrijfsvaccinaties op 154 bedrij-
ven voor, waarbij alleen maar batchnummers van \'geïnacti-
veerde\' vaccins zijn opgegeven. Hiervan zijn bij 154 be-
drijfsvaccinaties (op 133 bedrijven) klachten gemeld. Na 34
bedrijfsvaccinaties met \'geïnactiveerd\' vaccin worden er
klachten gemeld die voldoen aan de criteria van acute BVD-
symptomen (Tabel 2). De verdeling vertoont grote overeen-
komst met de groepen \'bekend besmet\' en \'onverdacht\' in
Tabel 2. De verschillen waren dan ook niet significant.
In Tabel 7 is de fractie bedrijfsvaccinaties met een bepaalde
klacht weergegeven voor de drie groepen bedrijfsvaccina-
ties. De algemene tendens is dat klachten minder vaak ge-
meld worden na bedrijfsvaccinaties met \'geïnactiveerd\' vac-
cin en na bedrijfsvaccinaties met \'onbekende\' batch-
nummers ten opzichte van de groep \'levend/levend geïnac-
tiveerd\'. Alleen de klacht \'overig\' komt vaker voor. Omdat
de klacht \'overig\' ongecodeerde \'vrije tekst\' betreft, kon
geen nadere analyse worden gedaan. Voor een aantal klach-
ten was het verschil tussen de groep \'geïnactiveerd\' en de
groep \'levend/levend geïnactiveerd\' significant.

DISCUSSIE

Het doel van deze studie was met name gericht op het inven-
tariseren van klachten en klachtenpatronen, zowel na enting
met \'bekend besmette\' als na enting met \'onverdachte\'

batches vaccin. Het was voorhands niet de bedoeling om
vaccinaties waarna geen klachten zijn gemeld te betrekken in
het onderzoek. Deze vaccinaties zijn overigens wel geno-
teerd op bedrijven die klachten hadden na een andere vacci-
natie (voorgaand of nakomend). Deze benadering zal een
zuiver analyse resultaat opleveren indien veehouders zich
aselect melden met klachten; aselect wil zeggen dat klachten
worden gemeld zonder voorkennis of er een \'bekend be-
smette\' batch op het bedrijf is gebruikt. Indien het melden
van klachten niet aselect (=selectief) is geschied, dat wil zeg-
gen dat bij vaccinaties met een \'bekend besmette\' batch rela-
tief vaker klachten zijn gemeld, dan heeft dit kunnen leiden
tot een overschatting van het effect van vaccineren met \'be-
kend besmet\' vaccin. Indien er in de situatie van selectief
melden in de analyse geen effect is aangetoond, mag worden
verondersteld dat er in werkelijkheid ook geen effect zal zijn.
Selectief melden kan ook veroorzaakt worden door veehou-
ders die klachten melden, in de hoop schade te kunnen clai-

Tabel 5. Frequentieverdeling per l^lacht van de begindatum na een bedrijfsvaccinatie.

Klacht Week 1

Week

2-4

Week

5

Totaal

Aantal

%

Aantal %

Aantal %

Algemeen ziek

960

35,8

954

35,5

772

28,7

2684

Zieke dieren

9

50,0

6

33,3

3

16,7

18

Verminderde voeropname

30

51.7

19

32,8

9

15,5

58

Daling melkproductie

59

33,1

68

38,2

51

28,7

178

Uierontsteking

4.S9

21,5

883

38,9

899

39,6

2271

Diarree

860

28,9

1036

34,8

1078

36,3

2974

Beenwerkproblemen

295

13,0

864

38,0

1117

49,1

2276

Embryonale sterfte

341

17.9

619

32,4

949

49,7

1909

Terugkomers

25

28.1

39

43,8

25

28,1

89

Verwerpen

382

13,2

746

25,8

1759

60,9

2887

Te vroeg geboren kalveren

44

6,6

120

17,9

507

75,6

671

Vruchtbaarheidsproblemen

202

16,2

379

30,4

664

53,3

1245

Doodgeboren kalveren

192

9,9

437

22,5

1313

67,6

1942

Afwijkende kalveren

67

4,7

228

15,9

1141

79,5

1436

BVD-dragers geboren

6

5,8

8

7,7

90

86,5

104

\'Slijters\'

296

13,1

735

32,5

1234

54,5

2265

Afvoer/noodslachting

167

7,3

500

21,9

1616

70,8

2283

Sterfte

281

10,0

(65

23,8

1852

66,2

2798

Afvoer

5

17,2

10

34,5

14

48,3

29

Overige

27

17,2

40

25,5

90

57,3

157

Laboratoriumonderzoek

2

16,7

1

8 \'

9

75,0

12

Totaal

4739

17,0

8357

29,0

15192

54,0;

28288

-ocr page 227-

Tabel 6. Fractie bedrijfsvaccinaties met gemelde klacht voor bedrijfsvaccinaties met
en zonder de klacht \'slijters\'.

Totaal

Zonder
\'slijters\'

Met \'slijters\'

Aantal bedrijfsvaccinaties

10269

7060

3209

Algemeen ziek

0,43

0,37

0.57 (•)\'

Zieke dieren

0,01

0,01

0,01 NS\'

Verminderde voeropname

0,01

0,01

0,01 NS

Daling melkproductie

0,32

0,24

0,51 (*)

Uierontstekingen

0,32

0,24

0,48 (♦)

Diarree

0,40

0,30

0,61 (»)

Beenwerkproblemen

0,32

0,19

0.59 C)

Embryonale sterfte

0,28

0,21

0,45 (*)

Terugkomers

0,02

0.01

0.02 NS

Verwerpers

0,36

0,30

0,50 (*)

Te vroeg geboren kalveren

0,09

0,07

0,I4(*)

Vruchtbaarheidsproblemen

0,22

0,17

0,34 (*)

Doodgeboren kalveren

0,24

0,18

0,37 (*)

Afwijkende kalveren

0,20

0,15

0,31 (•)

BVD-dragers geboren

0.03

0,03

0,05(»)

Afvoer/noodslachting

0,35

0,21

0,65(*)

Sterfte

0,38

0,28

0,58 (*)

Afvoer

0,01

0,01

0,01 NS

Overige

0,53

0,55

0,48 (»)

Laboratorium onderzoek

0,26

0,20

0,38 (♦)

\' = p<0,05, NS = niet significant; berekend ten opzichte van de groep be-
drijfsvaccinaties zonder \'slijters\'.

men. Is dat de reden van selectief melden dan zijn de proble-
men door \'bekend besmette\' batches juist moeilijker aan te
tonen. Andere studietypes (cohort en case-controle) waarbij
een controlegroep (groep van bedrijfsvaccinaties waarbij
geen klachten zijn gemeld) is meegenomen in het onderzoek
ondervangen het probleem dat er selectief klachten worden
gemeld. Echter, gezien het feit dat de gegevens in de SlS-da-
tabase zijn verzameld om schade door klachten te inventari-
seren, is deze groep niet in de database aanwezig.
Op bedrijven met één of meer \'slijters\' werden andere klach-
ten significant vaker gemeld. Dit betekent vermoedelijk dat
de klacht \'slijters\' niet onafhankelijk was van andere klach-
ten, met andere woorden een resultante was van één of meer
andere klachten.

Een punt van kritiek op de analyse kan zijn dat er geen reke-
ning is gehouden met het leit dat er bedrijven in de database
aanwezig zijn met meer dan één vaccinatie met klachten (her-
haalde waamemingen). Voor deze herhaalde waamemingen
is niet gecorrigeerd in de analyses. De reden hiervoor is
tweeërlei. De gebmikte statistische analyses laten niet alle toe
oin hiervoor te corrigeren en ten tweede zal het gevolg van de
correctie zijn dat de standard error van de geschatte parame-
ters wordt verhoogd (dit zal leiden tot het minder snel vinden
van significante effecten). Derhalve zijn de gevonden p-
waardes kleiner geschat dan ze in werkelijkheid zijn. Tevens
betekent dit dat effecten die niet significant zijn bevonden in
werkelijkheid nog minder significant zullen zijn.
De gegevens in de database zijn voor de SIS verzameld met
als doelstelling schaderapporten op te kunnen stellen. Omdat
sommige veehouders niet documenteren, kan recall bias zijn
opgetreden. De database kent een aantal beperkingen bij het
analyseren van verschillen/overeenkomsten van klachten en
klachtenpatronen tussen \'bekend besmette\' en \'onverdachte\'
batches. De verkregen resultaten moeten worden bekeken
met die beperkingen in het achterhoofd. De voomaamste be-
perkingen zi;r- _

1) het percentage bedrijfsvaccinaties per batchnummer
waarbij klachten worden gemeld, is niet te berekenen
omdat het totale aantal bedrijfsvaccinaties dat met dat
batchnummer is uitgevoerd niet bekend is (de veehou-
ders die met hetzelfde batchnummer een bedrijfsvaccina-
tie hebben uitgevoerd, maar geen klachten hebben ge-
meld, bevinden zich niet in de database);

2) bij meer dan de helft van de klachten is geen begin- of
einddatum vermeld;

3) bij 25% van alle bedrijfsvaccinaties in de database en bij
16% van de bedrijfsvaccinaties met klachten ontbreekt
een identificatiecode van de gebruikte partij vaccin;

4) voor bedrijfsvaccinaties waarbij één batchnummer is ver-
meld op het inventarisatieformulier blijkt 26% van de op-
gegeven batchnummers onvolledig dan wel foutief te zijn
indien een vergelijking wordt gemaakt met de entbon-ad-
ministratie. Waar in het inventarisatietraject deze fouten
zijn opgetreden is niet duidelijk.

De interpretatie van de uitkomsten van de analyse werd be-
moeilijkt om de volgende redenen:

1) ten tijde van de inventarisatie waren de batchnummers
die besmet waren verklaard publiekelijk bekend. Dit kan
leiden tot een hoger aantal klachten op bedrijven waar
een \'bekend besmette\' batch is gebruikt, omdat die vee-
houders eventuele ziekten van hun vee anders beoorde-
len;

2) bij 38 % van de bedrijfsvaccinaties zijn meerdere batch-
nummers opgegeven. Indien dit \'bekend besmette\' en
\'onverdachte\' batchnummers betreft, is het aantal dieren
dat een klacht kan vertonen minder, waardoor problemen
minder snel worden opgemerkt. Het is bovendien niet ze-
ker of alle opgegeven batchnummers ook daadwerkelijk
gebruikt zijn.

Nadat alle analyses waren afgerond, is door Bayer de \'pro-
ductiepiramide\' aan drie onderzoekers beschikbaar gesteld.

Een analyse per type moederbatch heeft niet meer plaatsge-
vonden, maar valt te overwegen.

Tabel 7. Fractie bedrijfsvaccinaties met gemelde klacht voor bedrijfsvaccinaties zon-
der batchnummer, met \'geïnactiveerd\' vaccin en met \'levend/levend geïnacti-
veerd\' (»\'Overig\') vaccin.

Onbekend

Geïnactiveerd

\'Overig\'

Aantal bedrijfsvaccinaties

1623

154

8492

Algemeen ziek

0,32

0,40 (NS)\'

0,45

Zieke dieren

0,01

0,02 (NS)

0,01

Verminderde voeropname

0,01

0,01 (NS)

0,01

Daling melkproductie

0,23

0,17(\'»)\'

0,35

Uierontstekingen

0.24

0,25 (NS)

0,33

Diarree

0,28

0.39 (NS)

0.42

Beenwerkproblemen

0,17

0.19(*)

0,35

Embryonale sterfte

0,19

0.16(*)

0,30

Terugkomers

0,00

0,01 (NS)

0,02

Verwerpers

0,30

0,31 (NS)

0,37

Te vroeg geboren kalveren

0,05

0,08 (NS)

Ó,10

Vruchtbaarheidsproblemen

0,13

0,17(*)

0,24

Doodgeboren kalveren

0,17

0,17(*)

0,26

Afwijkende kalveren

0,12

0,10 (*)

0,21

BVD-dragers geboren

0,04

0,01 (NS)

0,03

\'Slijters"

0,16

0,29 (NS)

0,34

Afvoer/slachting

0,22

0,29 (NS)

0,37

Sterfte

0,27

0,36 (NS)

0,40

Afvoer

0.00

0,02 (NS)

0,01

Overig

0,61

0,64 (NS)

0,51

Laboratorium onderzoek

0,19

0,21 (NS)

0,27

\' = p<0,05, NS = niet significant; berekend ten opzichte van de groep
\'Overig\'.

-ocr page 228-

CONCLUSIES

1) Er waren geen klachtenpatronen aanwezig of de validi-
teit van de data was te gering om eventuele aanwezige
klachtenpatronen te detecteren (rangschikking van de
batches, selectief melden door veehouders).

2) Het aantal gemelde acute symptomen van BVD was niet
verschillend tussen de \'bekend besmette\' batches en de
\'onverdachte\' batches. Het is discutabel of deze indeling
op basis van besmette moederbatches had moeten ge-
schieden.

3) Op bedrijven waar \'bekend besmette\' batches zijn ge-
bmikt is vaker de klacht \'slijters\' opgegeven.

4) Op bedrijven waar het \'levend\' vaccin is gebmikt zijn va-
ker klachten gerapporteerd.

LITERATUUR

1. Barkema HW, Bartels CJM, Wuijckhuise L van, Hesselink JW,
Holzhauer M, Weber MF, Franken P, Koek PA, Bruschke CJM en
Zimmer G. Uitbraak van bovine virus diarree type 2 op Nederlandse
rundveebedrijven door gebruik van gecontamineerd BHVl marker
vaccin. Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 158-65.

2. Brownlie J, Moennig V, Thiry E, Wolf G, and Oirschot JT van.
Answers to LTO and Bayer questions on a possible causal relationship
between vaccination with a BVDV-contaminated vaccine and reported
problems. 1999. http://www.gd-dieren.nl/pages/frames
/fTrundzk.htm

3. Grohn YT, Fubini SL, and Smith DF. Use of a multiple logistic regres-
sion model to determine prognosis of dairy cows with right displace-
ment of the abomasums or abomasal volvulus. Am J Vet Res 1990; 51:
1895-9.

4. Noordhuizen JPTM, Zimmer GM, Franken P, Bruschke CJM en Lam
TJGM. Te hanteren criteria voor het in kaart brengen van klachten op
bedrijven, die in het verleden met BVD virus gecontamineerd IBR
marker vaccin zijn gevaccineerd. 1999. Rapport aan IBR Task-force.

5. Sokal RR, and RohlfFJ. 1981. Biometry. 2nded. W. H. Freeman, San
Francisco, CA, USA.

6. McCullagh P, and JA Nelder. Generalized Linear Models. Publ.
Chapman and Hall, NY, 1989: 511 pp.

Prevalentie van slijtend rundvee op Nederlandse melkveebedrijven
met een historie van chronische gezondheidsproblemen

Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126; 1S0-3

M.F. Weber\'\' en J. Verhoef"\'*

SAMENVATTING

Na berichten in de media dat het slijten van runderen een
substantieel probleem zou vormen op Nederlandse melk-
veebedrijven, werd in maart en april 2000 een onderzoek
uitgevoerd naar het voorkomen van slijten bij runderen
op 218 melkveebedrijven met een historie van gezond-
heidsproblemen gepaard gaande met vermageren of slij-
ten. Op 41 bedrijven bleken bij telefonisch contact de ge-
zondheidsproblemen te zijn opgelost; op 16 van deze
bedrijven was daartoe de gehele veestapel geruimd.
Twee veehouders weigerden mee te werken. Op de ove-
rige 175 bedrijven werd het rundvee geïnspecteerd en
werd een enquête afgenomen.

Door de 175 geënquêteerde veehouders werd over 1999
een hoog percentage afvoer wegens gezondheidsredenen
(gemiddeld 18,1% van jongvee en volwassen rundvee sa-
men) en een verhoogde sterfte (4,8%) gerapporteerd. Op
zes van de bezochte bedrijven was al het rundvee ge-
ruimd. Op twee van de 175 geïnspecteerde bedrijven
werden meer dan 20% slijtende runderen gevonden,
waardoor deze als \'slijterbedrijf werden aangemerkt.
Dit betekent dat in de onderzochte groep bedrijven in
maart/april 2000 het aantal \'slijterbedrijven\' laag was.
Het is dan ook aannemelijk dat het aantal \'slijterbedrij-
ven\' in de totale populatie Nederlandse melkveebedrij-
ven op dat moment zeer laag was.

\' Gezondheidsdienst voor Dieren. Postbus 361. 9200 AJ Drachten.
• Corresponderend auteur: telefoon: 0512-570700. fax: 0512-520013. e-maU:
j.verhoeJf@gdvdieren.nl.

SUMMARY

Prevalence of chronic wasting in Dutch dairy herds with
a history of chronic health problems

The prevalence of chronic wasting in cattle in March and April 2000 was
studied on 218 dairy farms with a hi.story of health problems accompanied
by wasting, following reports in the media suggestittg that chronic wasting
was a substantial problem on Dutch dairy farms. A telephone call revealed
that the health problems had resolved on 41 farms: 16 of these farms had
culled all cattle. Two farmers refused co-operation. On the remaining 175
farms the animals were inspected and wai- completed a questionnaire.
A high percentage of culling for of health reasons (on average 18,1% of
young stock and adult cattle) and an increased mortality rate (4,8%) were
reported on the farms visited. In only two of the 175 inspected herds, more
than 20 percent of cattle were found showing signs of wasting. These two
herds were identified as \'chronic wasting herds\'. The prevalence of such
herds was low in this study. Consequently, it is likely that there were very
few \'chronic wasting herds\' among the whole Dutch dairy population in
March/April 2000.

INTRODUCTIE

Chronisch vermageren, of slijten, van een beperkt aantal run-
deren is een algemeen bekend syndroom op melkveebedrij-
ven. De oorzaken kunnen worden gezocht in de bedrijfsvoe-
ring en de voeding van het mndvee, in ziekten, in defi-
ciënties en intoxicaties (4).

In Nederland zijn circa 28.000 melkveebedrijven. Vanaf fe-
bmari 1999 werd op veel bedrijven melding gemaakt van ge-
zondheidsproblemen na het verplicht gebmik van gE-nega-
tieve BHVl-vaccins (8). In aansluiting hierop verschenen in
het begin van het jaar 2000 berichten in de media dat het slij-
ten van mnderen een substantieel probleem zou vormen op
Nederlandse melkveebedrijven. Daarom werd in maart en
april 2000 een onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van
slijten bij mnderen op Nederlandse melkveebedrijven. In dit

-ocr page 229-

onderzoek werd de prevalentie bepaald van slijten bij runde-
ren op melkveebedrijven waarvan bekend was dat er in het re-
cente verleden vermageren, slijten en/of andere gezondheids-
problemen bij rundvee waren opgetreden.

MATERIAAL EN METHODEN

Voor dit onderzoek werden 218 melkveebedrijven geselec-
teerd waar zich, na het verplicht gebruik van gE-negatieve
BHVl vaccins in de rundveehouderij, sinds februari 1999
gezondheidsproblemen bij het rundvee hadden voorgedaan.
De symptomen op bedrijven met vergelijkbare gezondheids-
problemen zijn beschreven door Van Wuijckhuise
et al. (8).
Achtenzestig bedrijven werden geselecteerd door de zuivel-
industrie en 150 door de Gezondheidsdienst voor Dieren
(GD). Door de zuivelindustrie werden bedrijven geselec-
teerd waarvan bij hun buitendiensten bekend was dat zich er
chronische gezondheidsproblemen hadden voorgedaan.
Door de GD werden alle melkveebedrijven geselecteerd die
sinds februari 1999 door dierenartsen van de GD waren be-
zocht in verband met gezondheidsproblemen bij runderen
waarbij vermageren of slijten als klacht was geregistreerd.
De geselecteerde bedrijven werden telefonisch benaderd
door een rundveedierenarts van de GD. Het bedrijf werd
door deze dierenarts bezocht, tenzij er reden was om hiervan
af te zien. De bedrijfsbezoeken werden volgens een vast pro-
tocol uitgevoerd door in totaal 20 dierenartsen. Het protocol
voor de bedrijfsbezoeken was opgesteld en goedgekeurd
door het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
(LNV), het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport (VWS), en de GD^. Ten behoeve van een uniforme uit-
voering van de bedrijfsbezoeken volgens dit protocol wer-
den de dierenartsen geïnstrueerd, en werd de uniformiteit in
beoordeling bewaakt door de projectleiding. Het protocol
bevatte twee onderdelen, inspectie van het rundvee en een
enquête.

Bij de inspectie van het rundvee door een GD-dierenarts
werd al het rundvee volgens het protocol geïnspecteerd op
het voorkomen van klinisch zichtbare aandoeningen. Een
rund werd beschouwd als slijter als de conditiescore lager
was dan twee op een schaal van een tot vijf (2), terwijl dit
vermageren niet kon worden toegeschreven aan de normale
negatieve energiebalans in het begin van de lactatie of aan
een duidelijk benoembaar ziekteproces (zoals paratubercu-
lose). Een bedrijf werd door het MLNV en MVWS be-
schouwd als \'slijterbedrijf wanneer meer dan 20% van de
aanwezige runderen als slijter werd gekarakteriseerd.
De in het protocol opgenomen enquête werd samen met de
veehouder ingevuld. In deze enquête waren vragen opgeno-
men over de aantallen aanwezige runderen, de sterfte en af-
voer orn gezondheidsredenen in 1999, en de aard van de
klachten op het bedrijf naar het oordeel van de veehouder.
Bij het bedrijfsbezoek werd ook nagegaan of de veehouder
zich hield aan de \'Voorschriften voor rauwe melk in verband
met de gezondheid van de dieren\' zoals aangegeven in
Richtlijn 92/46/EEG. Daartoe werden de runderen op de be-
drijven geïnspecteerd op verschijnselen van een verstoring
van de algemene gezondheidstoestand, zoals koorts, depres-
sie of anorexie, en op verschijnselen van besmettelijke ziek-
ten die via de melk op de mens overgebracht kunnen worden.
Wanneer dergelijke verschijnselen werden waargenomen,
werd aan de veehouder gevraagd of er overeenkomstig de
voorschriften maatregelen waren getroffen om te voorko-

^ Hel protocol voor de bedrijfsbezoeken is op te vragen bij de eerste auteur.

50 H

40

c

0)
>

■E" 30
^

rö 20
c

B

10

___rTTi

Figuur 2: Sterftepercentage (A) en percentage afvoer vanwege gezondheidsredenen
met uitzondering van vruchtbaarheidsstoornissen (B) gedurende 1999 op 175 geïnspec-
teerde rundveebedrijven met een historie van chronische gezondheidsproblemen.

-ocr page 230-

men dat melk van deze mnderen werd afgeleverd aan de zui-
velindustrie.

Gegevens van bedrijven die niet bereid waren deel te nemen
aan dit onderzoek en bedrijven met een hoog percentage slij-
ters werden naderhand, in afwijking van het oorspronkelijke
protocol, opgeëist door het MLN V.

RESULTATEN

In totaal werden 218 veehouders telefonisch benaderd. De
identiteit van twee veehouders die niet bereid waren om deel
te nemen aan dit onderzoek werd naderhand doorgegeven aan
het MLNV.

Met 41 veehouders was uitsluitend telefonisch contact. De in-
formatie van deze 41 veehouders leidde tot de conclusie dat
een bedrijfsbezoek niet was geïndiceerd. Op 15 van deze be-
drijven was eerder een duidelijke diagnose gesteld door de GD
(bijvoorbeeld boviene vims diarree of ziekte van Mortellaro)
en waren nu de bedrijfsproblemen opgelost. Op 16 bedrijven
was de gehele veestapel gemimd. Op vier bedrijven waren
slechts beperkte gezondheidsproblemen voorgekomen, die
volgens de veehouder inmiddels waren opgelost. Op vijf be-
drijven werd niet langer mndvee gemolken. Eén bedrijf werd
niet bezocht omdat het probleem met slijtende mnderen op dit
bedrijf reeds bij het MLNV en het MVWS bekend was.
Na telefonische benadering werden 175 melkveebedrijven
bezocht door een GD-dierenarts. Op deze 175 bezochte be-
drijven werden gemiddeld 82 volwassen runderen en 58
stuks jongvee gehouden (Figuur 1). Het sterftepercentage en
het percentage afvoer wegens gezondheidsproblemen (ex-
clusief vmchtbaarheidsstoomissen) in 1999 zoals aangege-
ven door de veehouders zijn weergegeven in figuur 2. Op de
bezochte bedrijven was in 1999 het sterftepercentage van het
jongvee gemiddeld 6,5%, van het volwassen vee 3,6% en
van jongvee en volwassen vee samen 4,8%. Op 39 van de be-
zochte bedrijven (22%) ging gedurende 1999 meer dan 5%
van de volwassen melkkoeien op het bedrijf dood. Op de be-
zochte bedrijven was de afvoer wegens gezondheidsredenen
(exclusief vmchtbaarheidsstoomissen) in 1999 van het jong-
vee 5,9%, van het volwassen vee 26,8% en van het rundvee
inclusief jongvee 18,1% afgevoerd wegens gezondheidsre-
denen (exclusief vmchtbaarheidsstoomissen). Op 32 van de
175 bezochte bedrijven (18%) werd meer dan 50% van de
volwassen mnderen afgevoerd wegens gezondheidsredenen.
Op negen van deze bedrijven (5,1%) werden in 1999 alle
koeien afgevoerd vanwege gezondheidsproblemen. Op zes
van deze negen bedrijven werd ook het jongvee afgevoerd.
Deze bedrijven werden desondanks bezocht omdat bij het te-
lefonisch contact niet door de veehouder was aangegeven dat
al het vee was afgevoerd.

De gemiddelde fractie slijtende dieren zoals dit bij de be-
drijfsbezoeken door de GD-dierenarts werd vastgesteld was
bij het jongvee 0,27%, bij het volwassen vee 1,3% en bij al
het mndvee inclusief het jongvee 0,98% (Figuur 3). Volgens
de criteria van het MNLV en MVWS werden 173 bedrijven
niet als \'slijterbedrijf aangemerkt. Op twee bedrijven werd
een hoog percentage slijtende dieren gevonden. De gegevens
van deze bedrijven werden doorgegeven aan de zuivelindus-
trie en vervolgens aan het MNLV.

Besmettelijke ziekten die via de melk op de mens kunnen
worden overgebracht werden in dit onderzoek niet vastge-
steld. Op 18 bedrijven werden één of enkele dieren met ver-
schijnselen van een verstoring van de algemene gezond-
heidstoestand waargenomen. Van al deze dieren met een
verstoring van de algemene gezondheidstoestand werd vol-

A

"1-1-;-\\-i-1-1-i-1-1—

O 5 10 15 20 25 30 35 40 45
Percentage slijtende volwassen runderen

150 -

125 -

c
O)
> 100
•c\'
•O

a>
c

75 -

50 -

25 -

O -

-1-1-1-r—

10 15 20 25
Percentage slijtend rundvee

Figuur 3: Percentage slijtend volwassen rundvee (A), slijtend jongvee (B),en slijtend
rundvee inclusief jongvee (C) in maart/april 2000 op 175 geïnspecteerde rundveebe-
drijven met een historie van chronische gezondheidsproblemen.

gens de betrokken veehouders de melk apart gehouden en
niet aan de zuivelindustrie afgeleverd.
Op 76 bedrijven werden bij enkele individuele dieren klini-
sche afwijkingen zonder verschijnselen van een verstoring
van de algemene gezondheidstoestand waargenomen door
de GD-dierenarts. In deze gevallen waren de belangrijkste
klinische bevindingen kreupelheid (op 46 bedrijven), condi-
tieveriies (op 18 bedrijven), luchtwegaandoeningen (op vier
bedrijven) en vorming van abcessen (op drie bedrijven).

DISCUSSIE

Over de definitie van het ziektebeeld, syndroom of symp-
toom slijten bij runderen bestaat veel verwarring. Het symp-
toom slijten bij mnderen kan optreden bij verschillende be-

125
100

c
>

f
E

rö 50

I 25

O

-ocr page 231-

kende ziektebeelden, zoals paratuberculose. In de media
werd gesuggereerd dat er sprake zou zijn van slijten als een
nieuw ziektebeeld. Hierom werden in dit onderzoek runde-
ren met een duidelijk benoembaar ziekteproces, zoals para-
tuberculose, niet als slijter beschouwd. Abcessen en kreupel-
heid werden wel gerapporteerd als onderdeel van het
ziektebeeld (8). Daarom werden runderen met het symptoom
slijten, en daamaast abcessen en/of kreupelheid wel als slij-
ter beschouwd.

Omdat slijten van een beperkt aantal runderen een algemeen
bekend syndroom is op melkveebedrijven, werd een bedrijf
door het MLNV en het MVWS uitsluitend beschouwd als
\'slijterbedrijf wanneer meer dan 20% van de aanwezige
runderen als slijter werden gekarakteriseerd.
Om na te gaan of daadwerkelijk bedrijven met een historie
van recente gezondheidsproblemen waren geselecteerd, wer-
den de sterfte en afvoer in 1999 geanalyseerd. Op de 175 be-
zochte bedrijven blijken zich in het jaar 1999 inderdaad sub-
stantiële gezondheidsproblemen te hebben voorgedaan, ook
al moet rekening worden gehouden met een recall bias bij
veehouders met emstige bedrijfsproblemen. Op 22 (zes be-
zochte en 16 niet bezochte) bedrijven van de 218 bedrijven in
dit onderzoek werd in 1999 al het rundvee afgevoerd.
Bovendien waren vijf bedrijven gestopt met melken. Op de
bezochte bedrijven werd in 1999 gemiddeld 26,8% van de
volwassen mnderen afgevoerd wegens gezondheidsredenen
(exclusief vmchtbaarheidsstoomissen). In andere studies
werden percentages afvoer van volwassen mnderen wegens
gezondheidsredenen (exclusief vmchtbaarheidsstoomissen)
gevonden van gemiddeld 7,3 tot 12,5% (1,3,5,6,7). Ook het
sterftepercentage bij het volwassen rundvee in het huidige
onderzoek (3,6%) was hoger dan de gemiddelde sterfte van
0,84 tot 1,6% in andere studies (1,3,5). Een vergelijking tus-
sen de huidige resultaten en resultaten van andere studies
wordt echter bemoeilijkt doordat enkele bedrijven met een
hoog afvoer- of sterftepercentage een belangrijke invloed op
het gemiddelde afvoer- of sterftepercentage kunnen hebben.
De verdeling van het afvoer- en sterftepercentage of een be-
trouwbaarheidsinterval van de gemiddelde percentages in de
genoemde andere studies zijn echter onbekend. Een exacte
vergelijking is daarom niet mogelijk.

Voor dit onderzoek werden melkveebedrijven geselecteerd
met naar verwachting een relatief hoge prevalentie van slij-
ten bij mndvee. Op deze bedrijven bleken zich in 1999 inder-
daad substantiële gezondheidsproblemen te hebben voorge-
daan. Slijten van mnderen is een chronische aandoening.
Bovendien waren er geen aanwijzingen voor het ontstaan
van nieuwe bedrijven met slijtende runderen. Daarom kun-
nen de geselecteerde bedrijven worden beschouwd als be-
drijven met een relatief hoog risico op slijten bij mndvee. De
op deze bedrijven gevonden prevalentie van slijtende mnde-
ren kan zodoende worden gezien als een bovengrens voor de
prevalentie van slijten op Nederlandse melkveebedrijven.
Desondanks bleken in maart/april 2000 slechts twee bedrij-
ven aan de definitie \'slijterbedrijf te voldoen, naast één en-
kel bedrijf wat reeds bij het MLNV en het MVWS bekend
was vanwege slijten bij mnderen. Op vrijwel alle bedrijven
bleken de gezondheidsproblemen inmiddels onder controle
te zijn gebracht, onder meer door dieren af te voeren. Dit be-
tekent dat in maart/april 2000 in de onderzochte groep be-
drijven het aantal \'slijterbedrijven\' inmiddels laag was. Het
is dan ook aannemelijk dat het aantal \'slijterbedrijven\' in de
totale populatie Nederlandse melkveebedrijven zeer laag is.
De beide \'slijterbedrijven\' zijn gerapporteerd aan de
Nederlandse Zuivel Organisatie en het MLNV, zodat het
voor de zuivelindustrie mogelijk was om de melk van deze
bedrijven uit te sluiten van humane consumptie. Op de 18 be-
drijven waar één of enkele dieren met verschijnselen van een
verstoring van de algemene gezondheidstoestand werden
waargenomen werd de melk van deze dieren volgens de vee-
houders niet aan de zuivelindustrie afgeleverd.

DANKBETUIGING

De medewerking van de veehouders en GD-dierenartsen aan dit onderzoek
wordt zeer gewaardeerd. De auteurs bedanken mevr. ir. E.C van Weeghel en
mevrouw J. Kloosterman-Bakker voor hun ondersteuning bij de uitvoering
van dit onderzoek.

Dit onderzoek werd gefinancierd door de Nederlandse Zuivel Organisatie.

LITERATUUR

1. Barkema HW, Schukken YH, Lam TJGM, Beiboer ML, Wilmink H,
Benedictus G, and Brand A. Incidence of clinical mastitis in dairy
herds grouped in three categories by bulk milk somatic cell count. J
Dairy Sci 1998;81:411-9.

2. Edmonson AJ, Lean IJ, Weaver LD, Farver T, and Webster G. A body
condition scoring chart for Holstein dairy cows. J Dairy Sci 1989; 72:
68-78.

3. Esslemont RJ. and Kossaibati MA. Culling in 50 dairy herds in
England. Vet Rec 1997; 140: 36-9.

4. Maas J. Alterations in Body Weight or Size. In: Smith BP, ed.: Large
Animal Intemal Medicinc. 2nd ed. St. Louis: Mosby-Ycar Book Inc.,
1996: 171-95.

5. Seegers H, Beaudeau F, Fourichon C, and Bareille N. Reasons for cul-
ling in French Holstein cows. Prev Vet Med 1998; 36: 257-71.

6. Sol J, Stelwagen J, and Dijkhuizen AA. A three year herd health and
management program on thirty Dutch dairy farms. 11. Culling strate-
gies and losses caused by forced replacement of dairy cows. Vet Quart
1984; 6: 149-57.

7. Whitaker DA, Kelly JM, and Smiths S. Disposal and disease rates in
340 British dairy herds. Vet Rec 2000; 146: 363-7.

8. Wuijckhuise L van, Frankena K, Oijen MAAY en Meijer L. Analyse
van gezondheidsklachten na BHVl-vaccinatie. Tijdschr Diergeneeskd
2001; 126: 173-80.

-ocr page 232-

SAMENVATTING

Vanaf het voorjaar 1999 wordt op een aantal melkveebe-
drijven melding gemaakt van problemen met slijtende
koeien. Na het kalven verliezen de koeien zonder verklaar-
bare reden aan lichaamsconditie. Het slijterprobleem is te-
vens verbonden met ziektebeelden zoals kreupelheden,
abortus, endometritis, mastitis en ademhalingsproblemen.
Tussen april 1999 en maart 2000 werden 19 runderen af-
komstig van 11 bedrijven met slijterproblemen aangebo-
den voor verdere diagnostiek bij de Faculteit der
Diergeneeskunde. Klinisch en pathologisch-anatomisch
onderzoek leverde een breed spectrum van diagnoses op
zoals mastitis, lebmaagdislocaties en klauwaandoenin-
gen. Klauwproblemen, mogelijk veroorzaakt door een
acute ernstige klauwbevangenheid, stonden centraal en
kunnen mogelijk een aantal secundaire verschijnselen
(slijmbeursontstekingen, metastatische processen) ver-
klaren. Er waren geen duidelijk consistente veranderin-
gen die op een bepaald agens wijzen, noch werd - met uit-
zondering van één geval - een virusinfectie als oorzaak
van de problemen aangetoond.

De resultaten van dit onderzoek tonen aan dat het slijter-
syndroom geen op zich staande entiteit lijkt te zijn, maar
gekenmerkt is door een breed spectrum van ziektes,
waarbij mogelijk een acute klauwbevangenheid het
startpunt vormde. Het ziektebeeld van de slijterkoeien
toont in hoge mate gelijkenis met de door Rebhun in 1995
beschreven \'concrete disease\'.

SUMMARY

Clinical findings at cows originating from dairy herds
with \'chronic wasting disease\'

Since Spring 1999. a number of dairy farms have reported problems with
wasting in cattle. After calving, the physical condition of the cows deteriora-
ted for reasons unknown. Chronic wasting is also associated with disorders
such as lameness, abortion, endometritis, mastitis, and respiratory problems.
Between April 1999 and March 2000, 19 cows were sent to the Faculty of
Veterinary Medicine forjiirther investigation ofthe chronic wasting. Clinical
and pathological investigations resulted in a broad range of diagnoses such
as mastitis, aboma.ial displacement, and claw di.sorders. The latter, characte-
rised severe laminitis, were predominant and could explain a number of se-
condary symptoms (inflammation of the bursa, metastatic processes). There
were no clear consistent changes compatible with a certain agent, with the ex-
ception of one case in which a virus was shown to be the causative agent. The
results indicate that wasting disease is not a distinct entity but is characterized
by a broad range ofdiseases in which acute laminitis may be the original pro-
blem. The disease profile of chronic wasting disease is very similar to that of
\'concrete disease\' described by Rebhun in 1995.

INLEIDING

Sinds het vooqaar van 1999 wordt op melkveebedrijven in
Nederland melding gemaakt van een ziektebeeld dat met
name gekenmerkt is door conditieveriies bij melkkoeien. Het
beeld is tevens verbonden met diverse klinische klachten zoals
kreupelheden, aborms, mastitis, endometritis, lebmaagdislo-

\' Hoofdafdeling Gezondheidszorg Landbouwhuisdieren, Afdeling Gezondheidszorg
Herkauwers. Faculteit Diergeneeskunde. Universiteit Utrecht. Yalelaan
7, 3584 CL
Utrecht. Tel.: 030-2534181. fax: 030-2521887, e-mail: k.müller@vet.uu.nl
catie, ademhalingsproblemen en sterfte bij kalveren. De mn-
deren reageerden onvoldoende op een ingestelde behandeling.
Hoewel de term \'slijter\' in het verleden alleen gebmikt werd
voor de beschrijving van individuele runderen die in hun li-
chamelijke ontwikkeling duidelijk achterbleven bij de ver-
wachtingen (2), werd in samenhang met het boven genoemde
ziektebeeld al gauw gesproken van het \'slijtersyndroom\'.
Bedrijven werden dan ook met de term \'slijterbedrijven\' ge-
kenmerkt. Teneinde meer duidelijkheid te verschaffen over
wanneer het om een \'slijterbedrijf ging werd in de loop van
hetjaar 1999 door een groep experts de definitie voor een \'slij-
terbedrijf vastgelegd als een bedrijf (6):

K.E. Müller^

• waar de mnderen met name na het kalven een emstig, niet
herstellend verlies van lichaamsconditie vertonen,

• waar meer dan 20% van de melkgevende mnderen zijn aan-
getast,

• waar de droogstaande koeien in goede conditie verkeren,

• waar geen verband bestaat tussen (te hoge) melkgift en ge-
zondheidsproblemen en

• waar de getroffen maatregelen nauwelijks of geen verbete-
ring teweeg brachten.

Tussen april 1999 en maart 2000 werden in het kader van de
\'slijterproblematiek\' door de Gezondheidsdienst voor Dieren
mnderen aangeboden bij de Hoofdafdeling Gezondheidszorg
Landbouwhuisdieren, Afdeling Gezondheidszorg Her-
kauwers voor onderzoek en diagnosestelling. Omdat een aan-
tal van de betrokken bedrijven met slijterproblematiek schade
meende te hebben ondervonden door vaccinatie met een be-
paald BHVl markervaccin waarvan een aantal charges be-
smet waren geraakt met bovine vims diarree vims was de
vraagstelling ten opzichte van de aangeboden patiënten met
name gericht op het opsporen van een samenhang tussen de
ziektesymptomen en een mogelijke infectie met het BVDV.
In dit overzicht worden de resultaten weergegeven van het kli-
nische onderzoek, bloedonderzoek en pathologisch-anatomi-
sche onderzoek van runderen afkomstig van probleembedrij-
ven waarop bovengenoemde definitie van toepassing was.

PATIENTEN

In totaal werden 19 mnderen onderzocht afkomstig van 11
melkveebedrijven uit heel Nederiand. De bedrijfsgrootte va-
rieerde van 45 tot 240 melkkoeien. Alle bedrijven waren lep-
tospirose-vrij gecertificeerd. Eén bedrijf was IBR-vrij gecer-
tificeerd (bedrijf 10). De andere tien bedrijven hadden de
status IBR-vaccinatieplichtig. Deze bedrijven hebben hun
mnderen volgens de voorschriften van de georganiseerde be-
strijding vóór januari 1999 twee keer laten vaccineren tegen
IBR. Daarbij werd gebmik gemaakt van levend BHVl mar-
kervaccin. Op bedrijf 4 werd BHVl reeds sinds een aantal ja-
ren door middel van jaariijkse vaccinatie bestreden.
Alle mnderen waren vrouwelijk en hadden een leeftijd tus-
sen 18 maanden en negen jaar. Zeventien mnderen waren
kmisingen van de rassen Fries-Hollands en Holstein-
Friesian en twee mnderen waren kmisingen van het ras
Maas-Rijn-IJssel en Fries-Hollands.

Bevindingen bij koeien afkomstig van melkveebedrijven
met slijterproblematiek

Tijdschr Diergeneeslcd 2001; 126:184-8

-ocr page 233-

Tabeh. Klachten op ii bedrijven met slijterproblematiek.

Klacht

Aantal bedrijven

Conditieverlies

11

Kreupelheid / stijf lopen

9

Ademhalingsproblemen

5

Abcesvorming / slechte wondgenezing

5

Mastitis

5

Abortus

4

Ziekte / sterfte bij kalveren

3

Hoog aantal lebmaagdislocaties naar links

3

Metritis

1

KLACHTEN OP BEDRIJVEN MET SLIJTERPROBLEMATIEK
In het najaar van 1998 en met name vanaf januari 1999 wer-
den op de elf bedrijven ernstige problemen waargenomen.
Op bedrijf 4 bestonden al sinds enkele jaren problemen,
maar deze waren in 1999 bijzonder heftig. Tabel 1 toont een
overzicht van de op de bedrijven door veehouders en dieren-
artsen waargenomen gezondheidsstoornissen. De problemen
uitten zich met name door abortus, sterfte onder de kalveren,
kreupelheid bij de melkkoeien, gevolgd door verschillende
aandoeningen zoals mastitis, endometritis, lebmaagdisloca-
ties en aandoeningen van de respiratietractus. In de loop van
de tijd werd met name bij de verse koeien conditieverlies
waargenomen dat ook in een later stadium van de lactatie
niet meer herstelde. Dierenartsen en veehouders meldden dat
de runderen slecht reageerden op een ingestelde behande-
ling. Op veel bedrijven werd in deze periode een groot aantal
koeien afgevoerd (tussen 15 en 20% van de veestapel). Op
twee bedrijven (8 en 11) werden door de Gezondheidsdienst
voor Dieren BVD V-dragers opgespoord.

ONDERZOEK AAN DE FACULTEIT DER DIERGENEESKUNDE
In de kliniek van de Hoofdafdeling Gezondheidszorg
Landbouwhuisdieren werden de aangeboden runderen kli-
nisch onderzocht zoals beschreven door Hajer
et al. (4). Bij
gevallen van kreupelheid werd ook een inspectie van de
klauwen uitgevoerd na opnemen van klauwen in de klauw-
bekapbox. Van alle koeien werden bloedmonsters afgeno-
men voor hematologisch, klinisch-chemisch, virologisch en
serologisch onderzoek. Nadat het onderzoek in de kliniek
was afgerond, werden 18 van de 19 runderen geëuthanaseerd
en ter sectie aangeboden bij de Hoofdafdeling Pathologie.
Één rund werd behandeld maar moest tengevolge van een
lebmaagdislocatie naar rechts enkele weken later op het be-
drijf van herkomst geëuthanaseerd worden.

ipw

LICHAMELIJK ONDERZOEK

Alle aangeboden runderen vertoonden een matige tot slechte
algemene toestand (Figuur I). De vacht was in veel gevallen
dof met krullen. Een viertal runderen vertoonde mucopuru-
lente neusuitvloeiing en tot schuim opgeklopt speeksel voor
de mond (Figuur 2). Veel runderen hadden een afwijkende
houding (Figuur 3) en gang, in verband met meer of minder
ernstige kreupelheid. Zes runderen vertoonden ontstekingen
van de slijmbeurzen met name van het carpaal- en het tarsaal-
gewricht (Figuur 5) of abcessen op de ledematen of rondom de
uitstekende benige delen van het lichaam (bijvoorbeeld ter
hoogte van het
tuher coxae). Onderzoek van de klauwen le-
verde bij 13 van de 19 dieren afwijkingen op (Tabel 2). Tien
runderen hadden aanwijzingen voor een eerder doorgemaakte
klauwbevangenheid of toonden diepgaande zoolzweren. De
afwijkende belasting van de ledematen resulteerde bij een aan-
tal runderen in een afwijkende stand van de klauwen (spreid-
klauwen; Figuur 4). Na euthanasie werden de ondervoeten van
de koeien in de lengterichting doorgezaagd en werd de positie
van het klauwbeen door de orthopeed beoordeeld. Aan klau-
wen van runderen afkomstig van de bedrijven 5, 6, 7, 9 en II
werden veranderingen aan de voor- en achterklauwen gecon-
stateerd die wezen op een doorgemaakte acute ernstige bevan-
genheid. De afwezigheid van bloedingen in de zool wezen er
op dat vóór en na de periode van gestoorde hoomvorming
geen noemenswaardige veranderingen in de lederhuid waren
opgetreden. Uit de afstand van kroonrand tot de concave knik.

Tabel 2. Diagnoses van het klinisch en pathologisch-anatomisch onderzoek bij runderen afkomstig van bedrijven met slijterproblematiek.

Bedrijf

Dier

Kreupelheid

LDL\'

Respiratieapparaat

Mastitis

Urogenitaalapparaat

Overige

1

a

-1-

Bronchopneumonie

Endometritis

b

Mortellaro

-1-

Bronchopneumonie

2

a

Mortellaro

Bronchopneumonie

-I-

3

a

-1-

-1-

Endometritis

Sepsis

4

a

4-

-1-

Retentio

secundinamm

b

Hemorrhagische

c

Zoolzweer -1- arthritis

enteritis

5

a

Zoolzweer -1- bevangenheid -1-

-1-

Abces bij linker

slakkenpoot

carpus

b

Zoolzweer -1- mortellaro

Metastatische pneumonie

6

a

Bursitis carpi -i- tarsitis peritarsitis

Multipele abcessen aan

7

a

Zoolzweer -1- pericarpitis

ledematen

b

Mortellaro -1- tarsitis

Endocarditis

8

a

Mortellaro zoolzweer

Scherp in

9

a

Bevangenheid pericarpitis

b

Zoolzweer

10

a

Zoolzweer

b

Zoolzweer

c

Bronchopneumonie

Groeivertraging

11

a

Bevangenheid -1- bursitis

\' Lebmaagdislocatie naar links.

-ocr page 234-

uitgaande van een hoomgroeisnciheid van 5 tot 6 mm per
maand aan de dorsale wand, kon bij de onderzochte dieren
worden afgeleid dat de periode van gestoorde hoomvorming
in de periode tussen januari en maart 1999 heeft gelegen.

RESULTATEN VAN HET HEMATOLOGISCH EN KLINISCH-
CHEMISCH ONDERZOEK VAN BLOEDMONSTERS
In het laboratorium van de Hoofdafdeling Gezondheidszorg
Landbouwhuisdieren werden de volgende parameters vol-
gens standaard voorschriften bepaald:

• het rode en witte bloedbeeld met differentiatie, het aantal
thrombocyten,

• het totaal eiwitgehalte van het serum en het eiwitspectrum,

• de serum bilirubine-, ureum- en creatininegehaltes,

• de activiteiten van de enzymen: alkalische fosfatase (AF),
lactaatdehydrogenase (LDH), gamma-glutamyltransferase
(gamma-GT), aspartaat amino transferase (AST), creatine
kinase (CK),

• de plasmagehaltes van: natrium, kalium, chloride, calcium
en magnesium,

• de gehaltes van de volgende sporenelementen in het bloed:
koper, ijzer, zink en selenium. Het gehalte van selenium
werd indirect bepaald door meting van de activiteit van het
enzym glutathionperoxidase (GSHPx) en

• de vitamine E spiegel.

Van de 19 runderen hadden zeven een verhoogd aantal leu-
kocyten in het bloed (>I0 G/1) en drie runderen een te laag
aantal leukocyten (<5 G/1). Daamaast toonden de bloedbeel-
den van drie mnderen een linksverschuiving bij een normaal
aantal leukocyten. Drie mnderen hadden een lichte anemie
(hematocrietwaarde < 0,27 1/1). Het totaal eiwitgehalte van
het semm was bij acht mnderen verhoogd (> 90 g/1) en ging
gepaard met een verhoging van de gamma-globulinefractie.
Bij drie mnderen wezen verhoogde bilirubinegehaltes en ge-

-ocr page 235-

stegen enzymactiviteiten op een lichte leverbeschadiging.
Bij twee runderen waren de zinkgehaltes verlaagd en in één
geval was de GSHPx-activiteit in het bloed verlaagd.

VIROLOGISCH EN SEROLOGISCH ONDERZOEK
Bloedmonsters werden afgenomen voor:

• virologisch onderzoek op BVDV (alle bedrijven) door
middel van viruskweek of antigeen ELISA bij de Ge-
zondheidsdienst voor Dieren en serologisch onderzoek op
BVDV door middel van antilichaam-ELISA bij de Ge-
zondheidsdienst voor Dieren,

• virologisch en serologisch onderzoek op boosaardige ca-
tarrhaal koorts (BCK) (Bedrijf 1, 2, 3 en 6) bij het More-
dune Institute in Edinburg, Schotland,

• serologisch onderzoek op bovine immunodeficiency vims
(BIV) bij de Hoofdafdeling Infectieziekten en Im-
munologie, Afdeling Virologie, Faculteit der Dier-
geneeskunde, Universiteit Utrecht.

Daamaast werd bij de Gezondheidsdienst voor Dieren or-
gaanmateriaal van tien mnderen onderzocht op BVDV en
BHVl doormiddel van PCR-techniek.
Bij een rund afkomstig van bedrijf 9 werd BVDV aange-
toond; in het bloed van de overige runderen kon geen BVDV
worden aangetoond.

Acht mnderen waren serologisch negatief ten aanzien van het
BVDV; de overige mnderen waren serologisch positief Geen
van de onderzochte semmmonsters was positief ten aanzien
van BIV.

Het onderzochte orgaanmateriaal was negatief voor zowel
BVDV als voor BHVl.

BACTERIOLOGISCH ONDERZOEK
Bacteriologisch onderzoek werd alleen dan uitgevoerd als
het klinisch onderzoek en/of het pathologisch onderzoek
aanwijzingen gaven voor een bacteriële infectie.
Uit de melkmonsters van koeien met mastitis werden
Staphylococcus aureus en Arcanobacterium pyogenes ge-
kweekt. Uit darminhoud van één rund (bedrijf 11) werd
Salmonella typhimurium gekweekt. De darminhoud van
twee runderen afkomstig van bedrijf 10 leverde de schimmel
Aspergillus fumigatus in overmaat op.

SECTIEBEVINDINCEN

De door middel van sectie gestelde diagnoses worden samen
met de klinische diagnoses weergegeven in tabel 2.
Samenvattend verwoordde de patholoog sectiebevindingen
van alle onderzochte patiënten als volgt:
\'De laesies bij alle, in het kader van dit project onderzochte
koeien, zijn zeer verschillend; ook zijn er geen duidelijk con-
sistent voorkomende (histologische) veranderingen aanwe-
zig; het lymphoideweefsel is steeds gestimuleerd en veelal
zijn er veranderingen in verschillende organen aanwezig
passend bij een algemene antigene stimulatie mogelijk van-
uit de verschillende ontstekingsprocessen\'.
Het beenmerg was bij de onderzochte mnderen celrijk met
normale aantallen megakaryocyten, een sterke myelopoiese
en relatief geringe erythropoiese.

DISCUSSIE

De in het kader van de slijterproblematiek aan de Hoofd-
afdeling Landbouwhuisdieren onderzochte mnderen toonden
een grote variëteit van ziektebeelden zoals mastitis, metritis,
lebmaagdislocaties, en vooral klauwproblemen en (peri-)ar-
thritiden. Bij een groot aantal mnderen toonde ook het bloed-

onderzoek de aanwezigheid van ontstekingsprocessen in het li-
chaam. Leukopenie met linksverschuiving pleit voor een acute
emstige infectie terwijl leukocytose met rechtsverschuiving
kenmerkend is voor chronische ontstekingsprocessen (7, 9).
Chronische ontstekingen veroorzaken een verhoging van het
totaal eiwitgehalte van het bloed door een verhoogde productie
van immuunglobulinen, waardoor de gamma-globulinefractie
stijgt (7, 9). Gedurende chronische ontstekingsreacties wordt
tevens ijzer in de macrofagen gesequestreerd. Bovendien ver-
schuift in het beenmerg de aanmaak van bloedcellen ten gunste
van de leukocyten waardoor een lichte anemie ontstaat (9, 11).
Dit fenomeen, anemia of chronic inflammatory disease
(ACID), kon bij een aantal patiënten worden waargenomen.
Een groot aantal ontstekingsprocessen was in dc klauwen gelo-
kaliseerd. Bij een groot aantal dieren werden aanwijzingen ge-
vonden voor een heftige klauwbevangenheid die slechts kort
heeft geduurd. De positie van het klauwbeen binnen dc klauw
veranderde door loslating van de lederhuid. Secundair ontston-
den vervolgens zoolzweren, arthritiden en metastatische pro-
cessen. Het waargenomen ziektebeeld vertoonde in hoge mate
gelijkenis met het beeld van de door Rebhun beschreven \'con-
crete disease\' (8). Deze ziekte ontstaat als gevolg van pensver-
zuring. Snel fermenteerbare rantsoenen kunnen aanleiding ge-
ven tot melkzuurvorming in de pens. Door de verzuring van de
pensinhoud wordt de integriteit van het pensslijmvlies aange-
tast en ontstaat mmenitis. Vanuit het beschadigd pensslijm-
vlies komen endotoxinen en vasoactieve stoffen in de circulatie
terecht. Deze stoffen induceren vervolgens acute klauwbevan-
genheid. Acute klauwbevangenheid is gekenmerkt door em-
stige kreupelheid. De aangetaste klauwen zijn erg pijnlijk bij
percussie en de klauwschoen voelt warmer aan. Runderen met
acute klauwbevangenheid bewegen zich zo weinig mogelijk en
worden meestal liggende aangetroffen. In een voortgeschreden
stadium van de ziekte hebben de mnderen vooral last van de
gevolgen van het vele liggen, waarom de ziekte ook \'concrete
disease\' wordt genoemd. De aangetaste mnderen verliezen aan
conditie en ontwikkelen doorligplekken en ontstekingen van
de slijmbeurzen. Deze processen kunnen vervolgens een porte
d\'entréé vormen voor bacteriën die vervolgens haematogeen

-ocr page 236-

verspreiden richting hartkleppen, long en nier. In overeenstem-
ming met waamemingen op \'slijter\'bedrijven in Nederland
geeft ook Rebhun (8) aan dat vaarzen gevoeliger zijn voor
\'concrete disease\' dan koeien. Vaarzen worden volgens
Rebhun (8) \'gepushd\' tot flinke groei en hebben in de eerste
lactatie meer adaptatieproblemen dan oudere koeien, waardoor
zij een groter risico lopen tot het verkrijgen van pensacidose en
klauwbevangenlieid. Het is echter niet bekend of fermentatie-
stoornissen de oorzaak vormden voor het ontstaan van klauw-
bevangenheid bij slijterkoeien. Post mortem-onderzoek van
\'slijter\'koeien leverde geen aanwijzingen op voor mmenitis;
mogelijk bestaat enig verband met de slechte kwaliteit van het
voer in het vooijaar 1999.

In het verieden werden vaker slijterproblemen waargenomen
in verband met een tekort aan sporenlementen. Zo werd in
reeds in 1933 in Noord Europa een \'slijtersziekte\' beschreven
die bemstte op een kopergebrek (10). Bij de onderzochte die-
ren werden slechts in uitzonderingsgevallen tekorten aan spo-
renelementen (Cu, Fe, Zn, Se) en vitamine E aangetroffen.
Verlaagde zinkgehaltes werden met name bij dieren met em-
stige ontstekingsverschijnselen gevonden. De verlaging van
de zinkspiegel berustte veel waarschijnlijker op het door
Verheijden waargenomen fenomeen dat de zinkspiegel tij-
dens ontstekingsreacties daalt, dan op een daadwerkelijke on-
voldoende zinkvoorziening (12). De kopergehaltes van het
bloed waren bij alle mnderen binnen de norm; een kantteke-
ning is wel dat kopergehaltes beter op bedrijfsniveau in lever-
biopten bepaald dienen te worden. Koper wordt in de lever
gestapeld en pas als de voorraad is verbmikt dalen de koper-
spiegels van het bloed. In het algemeen kan gesteld worden
dat weinig conclusies getrokken kunnen worden als de gehal-
tes aan vitamines en sporenelementen bij emstig zieke dieren
deficiënt zijn. Een verminderde voeropname en/of verhoogd
verbmik kunnen aanleiding geven voor een tekort aan een be-
paald element. Indien een verdenking bestaat op een gebrek
aan vitamines of sporenelementen dient de bedrijfssituatie
door onderzoek van geschikt materiaal gescreend te worden.
Onder Nederlandse omstandigheden vormt een tekort aan
sporenelementen bij melkkoeien slechts zelden een pro-
bleem, omdat op bedrijven het voer regelmatig geanalyseerd
wordt en bij tekort supplementatie plaatsvindt. Dit is vaak
niet het geval bij droge koeien en drachtige vaarzen.
Bij één rund kon een persistente infectie met BVDV als oor-
zaak voor het slijten worden aangetoond. Het mnd in kwestie
was afkomstig van een IBR-vrij gecertificeerd bedrijf waar
geen vaccinatie had plaatsgevonden. Onderzoek van leeftijd-
genoten op het bedrijf van herkomst toonde nog meer BVDV
dragerdieren aan. Baker beschrijft het slijten van mnderen die
persistent geïnfecteerd zijn met BVDV met de term chronic
mucosal disease (1). Fritzemeier
et al. gebmiken de term late-
onset mucosal disease (3). De ziekte is gekenmerkt door
groeivertraging, eetlustvermindering, doffe vacht, vermage-
ring en intermitterende diarree. Als oorzaak voor het ontstaan
van chronic mucosal disease noemt Baker (1) superinfectie
met een cytopathogene B VDV-stam die serologisch enig ver-
schil vertoont met het BVDV waarmee het mnd persistent is
geïnfecteerd.

Uit de darminhoud van twee koeien afkomstig uit hetzelfde
bedrijf werd tevens
Aspergillus fumigatus in overmaat ge-
kweekt. Dit kan een aanwijzing zijn voor een te sterke be-
smetting van het kuilvoer met deze schimmel, die ook in staat
is tot toxinevorming (5). Mycotoxines kunnen een grote va-
riatie aan symptomen veroorzaken waaronder ook locomotie-
stoomissen, vmchtbaarheidsproblemen en vermagering.

Indien bij het inkuilen de kuil niet goed afgesloten wordt of
indien het uitgangsmateriaal te nat is, bestaat de kans op over-
groeiing door schimmels en toxinevorming (5). Het aantonen
van mycotoxines is duur en vereist bovendien monstemame
op een plek waar toxinevorming plaats heefl gevonden. Op
bedrijf 10 werd als consequentie van de bevindingen
overgegaan tot het voeren van een kuil van betere kwaliteit.

CONCLUSIE

Hoewel alle onderzochte mnderen afkomstig waren van be-
drijven die onderkend waren als \'slijterbedijf was er bij het
uitgebreide onderzoek in de kliniek van de Hoofdafdeling
Gezondheidszorg Landbouwhuisdieren niet echt sprake van
één ziektebeeld. Hierdoor wordt de vraag opgeworpen of er
bij de huidige slijters sprake is van een door één agens ver-
oorzaakte aandoening of dat er eerder sprake is van een mul-
tifactorieel geheel waarbij de factoren voor een deel nog on-
bekend zijn. Een groot aantal runderen vertoonde het beeld
van de door Rebhun (8) beschreven \'concrete disease\', een
\'slijterziekte\' die in de Verenigde Staten voorkomt en door
pensacidose en klauwbevangenheid veroorzaakt wordt.
Wellicht had het patiëntenmateriaal meer informatie kunnen
opleveren als de dieren in een eerder stadium waren onder-
zocht, maar zeker is dit geenszins. Nader en nog uitgebreider
onderzoek van dieren en van hun omgeving zal in de toe-
komst mogelijk meer licht werpen op de voor de slijterpro-
blematiek verantwoordelijke factoren.

DANKBETUIGING

De auteur is veel dank verschuldigd aan de collegae dr. Herman Egberink,
Hoofdafdeling Infectieziekten en Immunologie, Afdeling Virologie (voor
het onderzoek naar BIV), dr. Ted van den Ingh, Hoofdafdeling Pathologie
(voor de verrichte secties) en dr. Maarten Willemen, Hoofdafdeling Gezond-
heidszorg Landbouwhuisdieren, Afdeling Gezondheidszorg Herkauwers
(voor het klauwonderzoek).

LITERATUUR

1. Baker JC. Clinical Aspects of Bovine Virus Diarrhoea Virus Infection.
Rev Sei Tech Off Int Epiz 1990; 9: 25-41.

2. Blood DC, and Studdert VP. Baillière\'s Comprehensive Veterinary
Dictionary. London, Baillière Tindall, 1988.

3. Fritzemeier J, Greiser-Wilke I, Haas L, Pituco E, Moennig V, and
Liess B. Experimentally induced \'late-onset\' mucosal disease - char-
acterization of the cytopathogenic viruses isolated. Vet Microbiol
1995;46:285-94.

4. Hajer R, Hendrikse J, Rutgers JE, Sloet van Oldruitenborgh-
Oosterbaan MM, en Weijden GC van der. Het klinisch onderzoek bij
het rund. 3e dr. Enschede: Bunge, 1993.

5. Kautz WP. Toxicologic and Quality Evaluation of Forages and
Silages. In: Howard JL, Smith RA (eds.). W.B. Current Veterinary
Therapy 4: Food Animal Practice, Philadelphia: W.B. Saunders
Company, 1999:239-42.

6. Meijer G. Workshop \'De problematiek van slijters in de melkveehou-
derij\'. ID Lelystad, 20 juni 2000.

7. Raymakers JA, Kreutzer HJH en Haverkom MJ. Interpretatie van la-
boratoriumonderzoek in de geneeskunde. 3.dr. Utrecht: Uitgeverij
Bohn, Scheltema & Holkema, 1990: 274.

8. Rebhun. WC. Diseases of Dairy Cattle, le dr. Baltimore: Williamsand
Wilkins, 1995: 376-79.

9. Schiele R. Hämatologische und bakteriologische Untersuchungen an
Rindern mit Endokarditis unter Berücksichtigung der klinischen
Erscheinungen, der Labor- und Zerlegungsbefiinde. Hannover,
Tierärztliche Hochschule Hannover, Inaugural Dissertation 1982.

10. Sjollema B. Kupfermangel als Ursache von Tierkrankheiten .Biochem
Z 1938;295:372-76.

11. Smith JE. Iron Metabolism and Its Diseases. E. Anemia of Chronic
Disorders. In: Kaneko JJ. Clinical Biochemistry of Domestic Animals.
4e dr. San Diego: Academic Press, Inc. 1989: 271.

12. Verheijden JHM. Een nader onderzoek naar enkele aspecten van het
ziektebeeld \'acute coliforme mastitis\' bij het rund. Proefschrift
Utrecht, 1979.

-ocr page 237-

SAMENVATTING

In februari 1999 is op 12 Nederlandse rundveebedrijven
een koppelvaccinatie uitgevoerd met levend bovine her-
pesvirus 1 vaccin waarin later bovine virus diarree virus
(BVDV) aangetoond werd. Alle vaccinbatches die in
Nederland op de markt verschenen zijn en waarvan de
expiratiedatum nog niet verstreken was, zijn vervolgens
onderzocht op BVDV. In totaal zijn zeven batches van de
onderzochte 82 batches positief bevonden voor BVDV.
Uit batchnummers TX3607, VB3914, VB3915, VB4046,
TW3391 en TV3294 werd BVDV type 1 geïsoleerd en uit
batchnummer WG4622 werd BVDV type 2 geïsoleerd.
Deze laatste batch gaf in een experimentele opzet na vac-
cinatie van gevoelige dieren ook verschijnselen van een
BVDV infectie.

SUMMARY

Detection of bovine virus diarrhoea virus in a live bovine
herpes virus 1 marker vaccine

/n February! iggg, 12 Dutch herds were vaccinated with a live bovine her-
pesvirus I vaccine from which bovine virus diarrhea virus (BVDV) could be
isolated. All vaccine hatches that were on the Dutch market and that had not
yet reached the expiry date were tested for BVDV. In total, seven of 82
hatches tested were found positive. Batch numbers TX3607, VB39I4.
VB3915. VB4046. TW3391, and TV3294 were positive for BVDV type 1, and
batch number WG4622 was positive for BVDV type 2. This latter batch in-
duced clinical signs ofB VD V in an animal experiment with susceptible ani-
mals.

INLEIDING

Bij de productie van virale vaccins wordt foetaal kalverse-
rum gebruikt. Vanwege het voorkomen van transplacentale
transmissie bij een bovine vims diarree vims (BVDV) infec-
tie van een seronegatief moederdier, bestaat er een risico dat
dit serum gecontamineerd is met BVDV. Om die reden
wordt semm getest op BVDV en in veel gevallen bestraald.
Ondanks voorzorgsmaatregelen blijken er regelmatig
batches semm, die als BVDV vrij uitgegeven zijn, toch ge-
contamineerd (2,3,4). Dit kan tot gevolg hebben dat virale
vaccins besmet raken met BVDV (2,3,4).
In febmari 1999 werden op een aantal bedrijven emstig kli-
nische verschijnselen bij het melkvee waargenomen. De
symptomen kwamen overeen met die van een ernstige
BVDV infectie (5,6). De dieren op de bezochte bedrijven
bleken onlangs gevaccineerd te zijn met dezelfde batch bo-
vine herpesvims 1 (BHVl) markervaccin. Hierdoor ont-
stond het vermoeden van een BVDV contaminatie van het
vaccin. Het beschreven onderzoek is uitgevoerd om te een

\' Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid. ID Lelystad, Postbus 65, 8200 AB
Lelystad.

• Corresponderend auteur: C.J.M. Bruschke, tel.: 0320-238238, fax: 0320-238050,
e-mail: c.j.m.bruschke@id. wag-ur.nl.

mogelijke BVDV contaminatie van het vaccin aan te tonen.
Enkele flesjes van de verdachte vaccinbatch en van onver-
dachte vaccinbatches zijn bij ID-Lelystad onderzocht op
BVDV. Tevens is er een dierproef uitgevoerd met de be-
wuste vaccinbatch om te onderzoeken of de problemen na
vaccinatie in het laboratorium reproduceerbaar waren. Na
afronding van dit deel van het onderzoek zijn ook alle andere
vaccinbatches die in Nederland op de markt waren en waar-
van de expiratie datum nog niet verstreken was bij ID-
Lelystad en bij Bayer AG (Monheim, Duitsland) onderzocht
op het voorkomen van BVDV.

MATERIAAL EN METHODEN

Alle laboratoriumtesten zijn uitgevoerd volgens de Standard
operating procedures (SOP\'s) van 1S09001 en gedetail-
leerde infonnatie is verkrijgbaar bij de auteurs.

BVDV isolatie uit de vaccinbatches

De vaccinbatches met de nummers: WG4622, VC4068,
VB4046, VB3915, VB3914 en TX3607 zijn aangeleverd
door de Gezondheidsdienst voor Dieren. Eerst is vaccin van
batch WG4622 geresuspendeerd in het bijgeleverde oplos-
middel in een 20-voudige concentratie. Het geresuspen-
deerde vaccin is onverdund en 1:2 getest in een BVDV anti-
geen ELISA (Synbiotics Europe, Lyon, Frankrijk). Vervol-
gens zijn vaccins van deze batch en de andere batches op de
voorgeschreven wijze geresuspendeerd in het bijgeleverde
oplosmiddel en het aanwezige BHVl is geneutraliseerd met
een monospecifiek BHVl antisemm. De geneutraliseerde
vaccins zijn getest in twee passages in een BVDV isolatie.
Met de immunoperoxidase monolayer assay (IPMA) wordt
eventueel aanwezig BVDV aangetoond. Deze test is uitge-
voerd met zowel polyclonaal anti-BVDV semm waarmee
alle stammen aangetoond worden, als met monoclonale anti-
lichamen die een onderscheid kunnen maken tussen type I
en type 2 BVD V-stammen.

Na afronding van dit deel van het onderzoek zijn alle andere
te onderzoeken vaccinbatches volgens voorschrift geresus-
pendeerd en getest in twee passages in de BVDV isolatie.

Dierexperiment

Vier kalveren van vier tot zes weken leeftijd werden aange-
kocht. Alle kalveren waren vrij van BVDV en drie van deze
kalveren waren vrij van antilichamen tegen BVDV. Eén kalf
had een antilichaamtiter van 1:20 tegen BVDV. Dit waren
vermoedelijk matemale antilichamen. De dieren werden ge-
voed met melk. De melk bevatte geen BVDV antilichamen.
Op dag O (DO) werden alle dieren intramusculair gevacci-
neerd met de voorgeschreven dosering (2 ml) van vaccin-
batch WG4622. Gedurende 14 dagen werden de dieren dage-
lijks getemperatuurd, klinisch onderzocht en werden er

Tijdschr Diergeneesl<d 2001; 126:189-90

Detectie van bovine virus diarree virus in een levend bovine
herpesvirus i markervaccin

C.J.M. Bruschke^ H.A. PaaP en K. Weerdmeester^

-ocr page 238-

neusswabs en bloedmonsters genomen voor virusisolatie.
Wekelijks werd bloed verzameld voor serologie. Drie weken
na vaccinatie zijn de dieren geëuthanaseerd. Aansluitend is
uitgebreid pathologisch onderzoek verricht en zijn de orga-
nen verzameld voor BVDV-isolatie.

RESULTATEN

BVDV isolatie uit de vaccinbatches

Batchnummer WG4622 gaf onverdund een positieve uitslag
in de antigeen ELISA en in een verdunning van 1:2 was de
uitslag dubieus. Vaccin van deze batch was positiefin de eer-
ste passage in de viruskweek. Alle andere vaccins van de eer-
ste serie waren in de eerste passage negatief Door middel
van de kleuring met monoclonale antilichamen werd aange-
toond dat de geïsoleerde BVDV stam uit batch WG4622 een
type 2-stam was. In de tweede passage werden ook batch-
nummers VB3914, VB39I5, VB4046 en TX3607 BVDV
positiefbevonden.

In de tweede serie geteste vaccins werd in beide passages
geen BVDV aangetoond.

Dierexperiment

Temperatuur en klinische verschijnselen

Dieren 74, 75 en 77 vertoonden vanaf D9 allemaal gedu-
rende drie tot vier dagen een rectaal gemeten verhoging van
de lichaamstemperatuur met temperaturen variërend van
39,7°C tot 40,9°C. De dieren waren sloom, dronken slecht en
hadden allen een versnelde ademhaling. Dier 76 had op Dl8
en Dl9 een temperatuurverhoging van respectievelijk
40,5°Cen41,4°C.

Virusisolatie

De neusvloeistof was voor dieren 74,75 en 77 gedurende 7-8
dagen BVDV positief tussen D6 en Dl4. Uit de neusvloei-
stof van dier 76 is geen BVDV geïsoleerd De witte bloedcel-
len van dieren 74, 75 en 77 waren BVDV positief, respectie-
velijk van D4 tot Dl 1, van D5 tot D22 en van D7 tot Dl 5. Uit
de witte bloedcellen van dier 76 is geen BVDV geïsoleerd.
Bij het postmortem onderzoek waren de dieren mager maar
verder werden geen belangrijke afwijkingen gezien. Uit de
organen werd geen BVDV geïsoleerd.

DISCUSSIE

Vaccinbatch WG4622 was gecontamineerd met een BVDV
type 2-stam die in het veld verantwoordelijk was voor em-
stige ziekteverschijnselen. Op de bedrijven werden veel die-
ren emstig ziek en ging een groot aantal dieren dood (I).

In de experimentele opzet werd na vaccinatie met deze batch
een BVDV-infectie aangetoond maar de klinische verschijn-
selen waren milder. BVDV geeft immuunsuppressie en se-
cundaire infecties kunnen de emstigere problemen onder
praktijkomstandigheden verklaren. Het dier met matemale
antilichamen leek beschermd te zijn tegen de infectie. Het
dier had wel gedurende twee dagen koorts, maar gezien het
feit dat er geen isolatie mogelijk was van BVDV is het on-
waarschijnlijk dat een BVDV-infectie hiervan de oorzaak
zou zijn.

De andere vaccinbatches zijn zowel bij Bayer AG als bij ID-
Lelystad onderzocht. In het onderzoek bij Bayer AG werden
twee andere batches (TW339I en TV3294) BVD V-positief
getest. De hoeveelheid vimsdeeltjes was in alle positief ge-
teste batches erg laag. De vaccins zijn in de eerste passage
van de vimsisolatie niet BVD V-positief bevonden. Pas na
een extra passage die als een vermeerderingsstap werkt werd
BVDV aangetoond. Het geïsoleerde BVDV was van type I.
Het verschil in resultaat tussen ID-Lelystad en Bayer kan
verklaard worden doordat het aantal vimsdeeltjes per dose-
ring laag was en er slechts een klein deel van de totale hoe-
veelheid van de vaccinbatch getest wordt.
Samenvattend kan gezegd worden dat er in totaal 7 batches
positief bevonden zijn voor BVDV. Batches TX3607,
VB39I4, VB39I5, VB4046, TW3391 en TV3294 bevatten
BVDV type 1 en batch WG4622 bevatte BVDV type 2. Deze
batch gaf na vaccinatie van gevoelige dieren verschijnselen
van een BVDV infectie.

LITERATUUR

L Barkema HW, Bartels CJM, Wuijckhuise LA van, Hesselink JW,
Holzhauer M, Weber MF, Franken P, Koek PA, Bruschke CJM en
Zimmer GM. Llitbraak van Bovine Virus Diarree op Nederlandse
rund veebedrijven na vaccinatie met een met BVDV type 2 gecontami-
neerd BHVl marker vaccin. Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 158-
65.

2. Bolin SR, Ridpath JF, Black J, Macy M, and Roblin R. Survey of cell
lines in the American Type Culture Collection for bovine viral diar-
rhea virus. J Virol Meth 1994; 211-21.

3. Rossi CR, Bridgman CR, and Kiessel GK. Viral contamination of bo-
vine fetal lung cultures and bovine fetal serum. Am J Vet Res 1980; 41:
1680-1.

4. Bolin SR, Black J, Frey M, Katz J, Ridpath JF, and Roblin R.
Detection of a cell line contaminated with hog cholera virus. J Am Vet
Med Assoc 1994;205:742-5.

5. Baker JC. Clinical aspects of bovine virus diarrhoea virus infection.
Rev Sci Tech 1990;9:25-41.

6. Rebhun WC, French TW, Perdrizet JA, Dubovi EJ, Dill SG, and
Karcher LF. Thrombocytopenia associated with acute bovine virus
diarrhea infection in cattle. J Vet Intern Med 1989; 3: 42-6.

-ocr page 239-

SAMENVATTING

De diergezondheidsproblemen die zijn opgetreden op 12
melkveebedrijven na gebruik van met bovine virus diar-
reevirus type 2 gecontamineerd bovine herpesvirus 1
(BHVl) markervaccin zijn aanleiding geweest tot een al-
gemene oproep aan veehouders en dierenartsen om bij-
werkingen van het BHVt markervaccin te melden. Dit
heeft geresulteerd in meer dan 7000 meldingen. De rap-
portages zijn door de veehouders zelf gedaan; er was
geen controlegroep. Dit maakte onderzoek noodzakelijk
op basis van objectieve criteria. Van door het NRS en de
I&R verzamelde gegevens zijn kengetallen berekend
voor productie, uiergezondheid, vruchtbaarheid en af-
voer. Twee groepen bedrijven, met levend BHVl mar-
kervaccin respectievelijk met dood BHVl markervaccin
geënt, zijn vergeleken met IBR-vrij gecertificeerde be-
drijven. De analyses zijn uitgevoerd op basis van interne
bedrijfsvergelij kingen, dat wil zeggen dat per bedrijf het
kengetal in een bepaalde periode na enting vergeleken is
met hetzelfde kengetal in een vergelijkbare periode van
het jaar ervoor. Op een totaal van 144 zijn zeven statis-
tisch significante vergelijkingen gevonden. In twee ver-
gelijkingen was het resultaat ten gunste van de groep ge-
certificeerd IBR-vrije bedrijven, in vijf vergelijkingen
was het resultaat ten gunste van een groep gevaccineerde
bedrijven. Op basis van deze bevindingen is een effect
van vaccinatie op de geanalyseerde kengetallen niet aan-
getoond. Het onderscheidend vermogen van de gebruikte
testen was zeer hoog, zodat het niet vinden van een ver-
schil tussen groepen, grote zekerheid geeft dat er ook in
werkelijkheid geen verschil in de onderzochte kengetal-
len tussen de groepen bedrijven heeft bestaan.

SUMMARY

Comparison of performance of dairy herds that were or
were not vaccinated with a bovine herpesvirus 1 marker
vaccine in 1998

This study analysed the effects ofthe use of bovine herpesvirus I (BHVl)
marker vaccine on the performance of dairy cattle. In Spring of 1999, vacci-
nation of 12 herds with the BHVl marker vaccine resulted in severe animal
health problems and mortality. The vaccines used on these farms were all
from a hatch that appeared to be contaminated with bovine virus diarrhoea
virus type 2. This led to a general call to farmers and veterinary practitioners
to report side-effects of this vaccine. As a result, more than 7000farmers re-
ported symptoms. The information was obtained by means of a question-
naire; there was no control group. To determine the effects of the use of the
marker vaccine, it was necessary to perform a study based on objectively ac-
quired information. The information collected by the Royal Dutch Cattle
Syndicate and the office of Identification and Registration was compiled into
herd indices on production, udder health, reproduction, and culling. Two

\' Gezondheidsdienst voor Dieren. Postbus 361. 9200 AJ Drachten.
2 DAP Beetsterzwaag-Ureterp. Weibuorren 1. 9247 AX Ureterp.
■ï ID Lelystad. Postbus 65. 8200 AB Lelystad.

^ faculteit der Diergeneeskunde, Hoofdafdeling Gezondheidszorg Landbouwhuis-
dieren. Yalelaan 7. 3584 CL Utrecht
\' Corresponderend auteur: tel.: 0512-570700. fax: 0512-520013. e-mail:
c. bartels@gdvdieren.nl

groups of dairy farms that had used the BHV! marker vaccine (attenuated
and inactivated vaccine) were compared with farms that were certified
BHVl-free. The analyses were performed based on intra-herd comparisons,
meaning that per herd each index calculated over a certain period of time af-
ter the use ofthe marker vaccine was compared to a similar period of time
prior to the use of the marker vaccine. A total of 144 comparisons were made.
Seven comparisons were statistically significant. In two comparisons, the re-
sults were in favour of the BHVl-free farms and in five comparisons, the re-
sult were in favour of the vaccinated farms. Thus use of the BHVl marker
vaccine could not he proven to affect herd performance. The sensitivity ofthe
tests was very high, so with a high level of probability even very small differ-
ences in indices between groups would have been detected.

INLEIDING

In 1998 heeft op 23.111 Nederlandse melkveebedrijven als
onderdeel van de IBR-bestrijding minimaal twee maal een
koppelenting met bovine herpesvims 1 (BHVl) markervac-
cin plaatsgevonden. Bij deze vaccinaties werden drie ver-
schillende BHVl markervaccins toegepast, twee geattenu-
eerde vaccins - Bayovac IBR-marker vivum (Bayer,
Monheim, Duitsland) en Rhinobovin marker live (Hoechst
Roussel, Bmssel, België) - en één geïnactiveerd vaccin -
Bayovac IBR-marker inactivatum (Bayer, Monheim,
Duitsland). In het voorjaar van 1999 traden op 12 van deze
melkveebedrijven emstige ziekte- en sterftegevallen op na
enting met levend BHVl markervaccin (I). De problemen
op deze bedrijven bleken het gevolg te zijn van een contami-
natie van het Bayovac IBR marker vivum vaccin met bovine
vims diarree (BVD) vims type 2. Na een algemene oproep
aan veehouders en dierenartsen hebben meer dan 7000 melk-
veebedrijven waar het BHVl markervaccin was toegepast
bijwerkingen van het vaccin gerapporteerd (9). In een aantal
van de gebruikte batches zijn lage concentraties BVD type 1
vims gedetecteerd (3).

Objectiviteit is bij onderzoek naar een eventueel effect van
vaccinatie met BHVl markervaccin een eerste vereiste. De
rapportages door de veehouders zelf over bijwerkingen van
het markervaccin waren daarom voor dit doel niet bmikbaar.
Daamaast ontbrak bovendien een controlegroep. Dit maakte
onderzoek noodzakelijk op basis van objectieve criteria.
Productiekengetallen, zoals vastgelegd door CR-Delta en
het I&R-systeem, zijn dergelijke objectieve gegevens.
Uitgangspunt hierbij was dat de klinische problemen zich
vertalen in een negatief effect op de waarde van de kengetal-
len. Zodoende was de te testen nulhypothese in dit onder-
zoek dat toepassing van het BHVl markervaccin geen effect
had op random fluctuatie van kengetallen binnen de verschil-
lende groepen bedrijven. De alternatieve hypothese was dat
toepassing van het BHVl-markervaccin de random fluctu-
atie van kengetallen negatief zou beïnvloeden. Voor ieder
kengetal wordt aangegeven wat een negatieve beïnvloeding
betekent. Deze hypotheses zijn voor de verschillende ken-
merken (productie, uiergezondheid, vmchtbaarheid en af-
voer) getoetst over verschillende periodes na vaccinatie. De
basis voor de toetsing was voor ieder bedrijf het verschil in
kengetalwaarde tussen het jaar van vaccinatie en het vooraf-

Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126:791-7

Vergelijking van de bedrijfskengetallen van melkveebedrijven die in
1998 wel of niet hebben gevaccineerd met BHVi markervaccin

C.J. M. Battels H. W. Barkema \\ M. L. Beiboer A. Bouma 3 en J.A. Stegeman 4

-ocr page 240-

Tabel i. Groepen van bedrijven en de insluitcriteria waaraan zij voldoen voor analyse in het onderzoek.

Totaal aantal Aantal bedrijven Aantal bedrijven
bedrijven waarvan gegevens in onderzoek

opgevraagd

Groep bedrijven

Criteria

Gecertificeerd IBR-vrij IBR-vrij gecertificeerd tussen 1 januari en 1 september 1998 3347

NRS gegevens bekend

> 15 dieren met pariteit > 1 aanwezig in 1998
Niet vrijwillig gevaccineerd in 1998

Levendvaccin Twee of meer keren geënt met levend BHVl markervaccin 10771

In periode 1 september 1998 en 1 februari 1999
NRS gegevens bekend
Gevaccineerd in kader van IBR-bestrijding

> 15 dieren met pariteit > 1 aanwezig in 1998

Dood vaccin Eén of twee keren geënt met dood BH V1 markervaccin in 282

periode 1 september 1998 en 1 februari 1999
NRS gegevens bekend
Gevaccineerd in kader van IBR-bestrijding
Niet geënt met levend marker vaccin
>15 dieren met pariteit >1 aanwezig in 1998

1000

790

3000

1352

171

gaande jaar.

Doel van dit onderzoek was otn te bepalen of de toepassing
van het BHVl markervaccin een negatief effect heeft gehad
op de meest gebruikte kengetallen voor melkveebedrijven.

MATERIAAL EN METHODEN
Selectie van bedrijven

Op basis van een aantal aannames voor melkproductie is be-
rekend dat de steekproefgrootte voor dit onderzoek mini-
maal 500 bedrijven per groep moet zijn. Deze aannames wa-
ren: een minimaal te berekenen verschil in melkproductie
van 2 kg, significantie niveau van 95%, een onderscheidend
vermogen van de test van 80%, en een geschatte standaard-
deviatie voor dit kenmerk van 10 kg. Het onderscheid tussen
bedrijven op basis van gebruikte batches (al of niet BVD ge-
contamineerd) is komen te vervallen omdat de verkregen ge-
gevens niet voldoende betrouwbaar bleken te zijn. Bij de se-
lectie van bedrijven is een aantal criteria gesteld. Deze staan
aangegeven in tabel I. Voor gecertificeerd IBR-vrije bedrij-
ven is geselecteerd uit de groep bedrijven die het IBR-vrij
certificaat verkregen tussen 1 januari en I september 1998.
Voor de twee cohorten van gevaccineerde bedrijven is geko-
zen voor bedrijven waarbij koppelvaccinatie met het BHVl
markervaccin is toegepast in de periode tussen 1 september
1998 en 1 februari 1999. Rapportages uit het veld gaven aan
dat met name op bedrijven, waar in korte tijd tweemaal is
geënt, klachten zijn waargenomen.

Tabel 2. Kengetallen gebruikt voor het onderzoek.

Kenmerk

Kengetal

Groep

Periode

Productie

BSK

Bedrijf

Januari-juni 1999
In relatie tot vaccinatie data

NO

Bedrijf

Januari-juni 1999
In relatie tot vaccinatie data

Kg meetmelk

Nieuwmelkte dieren
Vaarzen

In relatie tot vaccinatie data
Januari - juni 1999

Uiergezondheid

Tankmelkcelgetal

Bedrijf

Januari-juni 1999
In relatie tot vaccinatie data

Celgetal

Vaarzen

Januari-juni 1999

Nieuwe infecties

Bedrijf

In relatie tot vaccinatie data

Vruchtbaarheid

Periode afkalven - 1 ste inseminatie

Bedrijf

Januari-juni 1999

Periode 1ste inseminatie - dracht

Bedrijf

Januari-juni 1999

Non return percentage

Bedrijf

Januari-juni 1999

Verwachte tussenkalftijd

Bedrijf

Januari-juni 1999

Verwerpers

Bedrijf

Januari-juni 1999

Afvoer

Afvoer percentage dieren

Bedrijf

Januari-juni 1999

Afvoer percentage melkkoeien

Bedrijf

Januari-juni 1999

192

TljDSCHRIFT VOOR DIERGENEESKUNDE, DEEL 126,

Maart, Aflevering 6, 2001

In het cohort van de met dood markervaccin geënte bedrij-
ven zijn alleen bedrijven opgenomen die één of tweemaal
uitsluitend met dit vaccin hebben geënt en het levende mar-
kervaccin dus niet hebben gebruikt. Het aantal bedrijven in
deze cohort was zodoende laag.

Kengetallen

Bij dit onderzoek is gebruik gemaakt van verschillende gege-
vens voor productie (BSK, netto-opbrengst en kg meetmelk),
vruchtbaarheid (interval afkalven - eerste inseminatie, interval
eerste inseminatie - conceptie, non return percentage 56 dagen,
percentage verwerpers en verwachte tussenkalffijd), uierge-
zondheid (tankmelkcelgetal en percentage nieuwe infecties) en

-ocr page 241-

afvoer. Het betreft hierbij zowel gegevens op koe- als op be-
drijfsniveau van januari 1995 tot oktober 1999. Van de proef-
melkgegevens zijn koe- en bedrijfsgegevens berekend voor
productie en uiergezondheid. Van de inseminatiegegevens zijn
koe- en bedrijfsgegevens berekend voor vruchtbaarheid. De
gegevens over aan- en afvoer van dieren zijn afkomstig uit de
l&R-administratie (5). Uit de individuele koegegevens zijn
kengetallen berekend op bedrijfsniveau en voor specifieke
diergroepen zoals nieuwmelkte dieren en vaarzen.

Geanalyseerde perioden

Aangezien in de periode van januari tot en met juni 1999 de
meeste klachten zijn gerapporteerd en dit bovendien de eerste
zes maanden na het einde van de eerste verplichte vaccinatie-
ronde betreft, zijn alle kengetallen berekend over deze periode
(Tabel 2). De productie- en uiergezondheidskengetallen zijn
per maand berekend. Dit is mogelijk vanwege de frequente
monstemames (3, 4 of 6 wekelijks) door het NRS. Voor
vmchtbaarheid en afvoer zijn kengetallen berekend over een
periode van zes maanden, omdat bij kortere periodes de weer-
gave van kengetallen onvoldoende betrouwbaar zou worden.
Aangezien dikwijls werd gerapporteerd dat een daling van
de melkproductie en verhoging van het celgetal vaak kort na
de vaccinatie zou optreden, zijn ook kengetallen voor melk-
productie en uiergezondheid in relatie tot de eerste en tweede
entdatum berekend. Voor de groep gecertificeerd IBR-vrije
bedrijven is bij de analyse van kengetallen in relatie tot vac-
cinatiedata een verdeling van referentiedata gekozen over-
eenkomstig de frequentieverdeling van de vaccinatiedata
van de twee gevaccineerde groepen (Tabel 3).

Statistische analyse

Om effecten van groep en seizoen te elimineren zijn de ana-
lyses uitgevoerd op basis van inteme bedrijfsvergelijkingen.

Figuun. Productie (BSK in kg) in de maanden na vaccinatie.
Tabel 4-Verschil in productie (BSK in kg) tussen maand in relatie tot vaccinatie {\'98-\'99) en het voorafgaande jaar (\'97-\'98).

Maand in relatie tot vaccinaties

Vriji

95% BI

Levend^

95% Bl

p-waarde vrij

Dood-^

95% BI

p-waarde vrij

(n=660)

(n=1050)

versus levend

(n=110)

versus dood

Maand van eerste vaccinatie

-0,06

-0,28:

;0,16

-0,14

-0,32; 0,04

0,59

-0,09

-0,55 ; 0,37

0,91

1 maand na eerste vaccinatie

0,07

-0,16:

;0,31

-0,05

-0,24; 0,13

0,40

0,26

-0,25 ; 0,78

0,52

Maand van tweede vaccinatie

0,04

-0,19:

;0,28

-0,12

-0,31 ; 0,06

0,28

0,35

-0,48; 1,18

0,47

1 maand na tweede vaccinatie

0,08

-0,15;

;0,32

0,06

-0,12; 0,23

0,86

-0,01

-0,81 ; 0,80

0,82

2 maand na tweede vaccinatie

0,11

-0,12;

;0,33

0,04

-0,15; 0,22

0,64

0,00

-0,80; 0,80

0,79

3 maand na tweede vaccinatie

0,29

0,05;

;0,54

-0,04

-0,23; 0,15

0,03

-0,21

-0,95; 0,53

0,25

4 maand na tweede vaccinatie

0,19

-0,05:

;0,43

0,20

0,01 ; 0,38

0,95

0,12

-0,72; 0,98

0,88

5 maand na tweede vaccinatie

1,11

0,87;

; 1,35

1,08

0,87; 1,28

0,84

0,70

-0,21 ; 1,61

0,36

6 maand na tweede vaccinatie

1,08

0,84,

; 1,31

1,12

0,94; 1,30

0,78

1,15

0,46; 1,85

0,85

1 Gecertificeerd IBR-vrije bedrijven. Voor deze groep bedrijven is een referentiedatum genomen die vergelijkbaar was met de vaccinatiedata van de gevac-
cineerde bedrijven.

2 Met levend BHVl markervaccin geënte bedrijven.

3 Met dood BHV 1 markervaccin geënte bedrijven.

Tabel 3. Verdeling van vaccinatie data over de periode september 1998 tot februari 1999.

Vaccinatie

Groep

September 1998

Oktober 1998

November 1998

December 1998

Januari 1999

Jsie vaccinatie

Levend geënt (n= 1352)

5,4%

14,1%

67,6%

12,9%

0%

Dood geënt (n=l 71)

4,1%

18,7%

56,4%

20,8%

0%

Gekozen referentie voor groep vrije bedrijven

3,7%

14,6%

69,1%

12,5%

0%

vaccinatie

Levend geënt (n=l 352)

0%

1,8%

12,3%

83,7%

2,2%

Dood geënt (n=79)

0%

0%

15,2%

77,9%

1,3%

Gekozen referentie voor groep vrije bedrijven

0%

1%

12,2%

77,5%

9,5%

leder kengetal in een bepaalde periode na vaccinatie is voor
hetzelfde bedrijf vergeleken met dezelfde periode in het
voorgaande jaar waarin nog geen koppelvaccinatie had
plaatsgevonden. Op deze wijze zijn niet de absolute waarden
maar de relatieve veranderingen van de kengetallen geanaly-
seerd. De nulhypothese dat vaccinatie geen effect zou heb-
ben op de random fluctuatie van de bedrijfskengetallen is ge-
toetst door vergelijking een groep geënte bedrijven met de
groep gecertificeerde IBR-vrije bedrijven. Bij deze analyse
is gebruikt gemaakt van de Student\'s t-toets (Statistix for
Windows 2.0). Daamaast zijn frequentieverdelingen (Box
en Whisker-grafieken) weergegeven van een aantal kenge-
tallen op verschillende momenten ten opzichte van het tijd-
stip van vaccinatie. De kans om op grond van toeval een sig-
nificant verschil te vinden is berekend met behulp van een
negatief binomiale verdeling (7).

RESULTATEN

Op de met levend BHVl markervaccin geënte bedrijven en
de met dood BHVl markervaccin geënte bedrijven waren
meer dieren aanwezig dan de gecertificeerd IBR-vrije bedrij-
ven (p<0,0001), respectievelijk 108,5 mnderen waarvan

39.0
38.0
_ 37.0

I 36,0
S

J" 35,0
34,0
33,0
32,0

1 mnd na maand van 1 mnd na 2 mnd na 3 mnd na 4 mnd na 5 mnd na 6 mnd na
1ste 2de 2de 2de 2de 2de 2de 2de

-VRU ■ ■ • • -LEVEND --h - DOOD |

maand
Isle

-ocr page 242-

52,6 koeien, 120,1 runderen waarvan 57,5 koeien, en 91,4
runderen waarvan 45,8 koeien.

Melkproductie

De BSK van met levend en dood BHVl markervaccin
geënte bedrijven was gedurende de periode 1995-1999 ge-
middeld 0,9 kg melk lager, respectievelijk 0,7 kg melk hoger
dan die op de gecertificeerd IBR-vrije bedrijven. De BSK
nam in alle drie groepen bedrijven op gelijke wijze toe na uit-
voering van de vaccinatie (Figuur 1). De getoetste hypothese
voor dit kenmerk is dat vaccinatie de productie negatief zou
beïnvloeden, dus een verlaging van de BSK, Netto-op-
brengst of kg meetmelk op zou treden. Het verschil in BSK
tussen de maanden na koppelvaccinatie en dezelfde maan-
den van het jaar ervoor is weergegeven in tabel 4 en figuur 2.
De verschillen tussen dezelfde maanden in afzonderlijke ja-
ren waren minimaal en slechts eenmaal was het verschil tus-
sen de gevaccineerde en gecertificeerd IBR-vrije bedrijven
significant. Dit betrof een toename in BSK op de gecertifi-
ceerd IBR-vrije bedrijven en een afname op de met levend
markervaccin geënte bedrijven in de derde maand na tweede
vaccinatie. Een significant verschil tussen deze groepen be-
drijven in dezelfde richting als het voorgaande verschil was
aanwezig bij de vergelijking van de maand maart (1999 ver-
sus 1998). De random fluctuatie van de BSK op enig mo-
ment na de vaccinatie was voor alle groepen bedrijven nor-
maal verdeeld. In figuur 3 is de fluctuatie van de BSK
verandering in de maand waarin de tweede vaccinatie is uit-
gevoerd weergegeven. De toename van de Netto-opbrengst
op de met dood markervaccin geënte bedrijven was in de
maand mei (1999 versus 1998) significant groter dan op ge-
certificeerd IBR-vrije bedrijven. Er waren geen verschillen
tussen groepen bedrijven op basis van de hoeveelheid meet-
melk voor vaarzen of nieuwmelkte dieren.

Tabel 5. Verandering van het percentage nieuwe uierinfecties tussen de maanden na 2de vaccinatie en dezelfde periode in het voorafgaande jaar.

Maanden na 2de vaccinatie

Vrij\'
(n=475)

95% BI

Levend^
(n=850)

95% BI

p-waarde
levend versus
vrij

Dood3
(n=105)

95% BI
dood versus
vrij

P-waarde

1

0,67

0,06; 1,27

0,16

-0,28

;0,60

0,18

0,85

-0,38 ; 2,08

0,79

2

0,63

0,06; 1,20

0,23

-0,17

;0,64

0,26

-0,38

-1,47 ;0,70

0,10

3

-0,06

-0,61 ;0,50

0,29

-0,19

;0,76

0,36

-0,12

-1,40 ; 1,15

0,92

4

0,61

-0,01 ; 1,22

0,55

0,10

;0,99

0,88

-0,72

-1,82 ; 0,39

0,04

5

0,12

-0,56; 0,79

-0,68

-1,21 ;

-0,15

0,07

-1,75

-3,02; -0,47

0,01

6

-0,68

-1,25;-0,11

-0,73

-1,17;

-0,29

0,89

-0,97

-2,21 ;0,27

0,67

\' Gecertificeerd BHVl-vrije bedrijven.

2 Met levend BHV 1 -marker vaccin geënte bedrijven.

3 Met dood BHV 1 marker vaccin geënte bedrijven.

Uiergezondheid

De getoetste hypothese voor dit kenmerk was dat vaccinatie
een verhoging van het tankmelkcelgetal zou geven en dat er
een verhoogd percentage nieuwe infecties zou optreden. Er
was slechts één significant verschil bij vergelijking van de
tankmelkcelgetalveranderingen: in de maand mei (1999 ver-
sus 1998) was er een afname van tankmelkcelgetal op de met
levend markervaccin geënte bedrijven tegenover een toe-
name op de gecertificeerd IBR-vrije bedrijven. Bij de verge-
lijking van het optreden van nieuwe infecties is getoetst over
de periode vanaf tweede vaccinatie omdat op korte termijn
na vaccinatie geen effect werd verwacht. In tabel 5 en figuur
3 worden de relatieve toenames/afnames van nieuwe infec-
ties weergegeven. Er zijn twee significante verschillen ge-
vonden. In vergelijking met 1998 hadden de met dood mar-
kervaccin geënte bedrijven in vierde en vijfde maand na de
tweede vaccinatie een lager percentage nieuwe infecties, ter-
wijl de gecertificeerd IBR-vrije bedrijven in die periode in
1999 een hoger percentage nieuwe infecties hadden. Het cel-
getal van vaarzen op de met dood marker vaccin geënte be-
drijven nam in de maand mei (1999 versus 1998) af tegen-
over een toename op de gecertificeerd IBR-vrije bedrijven.

Vruchtbaarheid

De getoetste hypothese voor dit kenmerk was dat vaccinatie
zou leiden tot verlenging van de intervallen afkalven - eerste
inseminatie, eerste inseminatie - dracht, verwachte tussen-

Gecertificeerd vrij Levend vaccin geënt Dood vaccin geënt
Groep

Figuur 3. Box en whisker grafiek van de BSK verandering in de maand van de tweede
vaccinatie.

-ocr page 243-

kalftijd en verhoging van het non return percentage op 56 da-
gen en het percentage verwerpers. Bij vergelijking van deze
kengetallen over de periode van januari tot juli 1999 in ver-
gelijking met dezelfde periode in 1998 waren er geen signifi-
cante verschillen voor bovengenoemde kengetallen.
De verandering van het percentage verwerpers op basis van een
herinseminatie interval groter dan 100 dagen is met behulp van
een Box en Whisker grafiek weergegeven in figuur 4. Hierin is
geen verschil tussen de drie groepen bedrijven te zien.

Ajvoer van koeien

De getoetste hypothese voor dit kenmerk was dat vaccinatie
zou leiden tot een verhoogd percentage afvoer van runderen
en koeien. Bij vergelijking van de kengetallen over de pe-
riode januari tot juli 1999 in vergelijking met dezelfde pe-
riode in 1998 zijn geen significante verschillen gevonden.
De frequentieverdeling om het gemiddelde is weergegeven
in figuur 6.

1,00 ,

Figuur 4. Verschil in percentage nieuwe uierinfecties tussen periode na tweede vac.
cinatie en het voorafgaande jaar.

f ^

£ -.2

.E -.3

Gecertificeerd vrij Dood vaccin geënt

Levend vaccin geënt
Groep

Figuur 5. Box en Whisker grafiek van de verandering van het percentage verwerpers
op basis van het herinseminatie interval groter dan
lOO dagen in de periode van ja-
nuari tot juli 1999 en dezelfde periode in 1998.

Gevonden verschillen

Op een totaal van 144 zijn zeven statistisch significante ver-
gelijkingen gevonden. Op basis van kansberekening alleen
bestaat er 44% kans zeven of meer significante verschillen
aan te tonen (1-Bin(n=144, X=7 en P=0,05)). De verschillen
traden willekeurig verdeeld over de kengetallen op. In twee
vergelijkingen was het resultaat ten gunste van de groep ge-
certificeerd IBR-vrije bedrijven, in vijf vergelijkingen was
het resultaat ten gunste van één van de twee groepen gevac-
cineerde bedrijven (Tabel 6).

Onderscheidend vermogen van dit onderzoek
Bij het gebruik van de statistische testen is het belangrijk te
weten hoe gevoelig deze testen zijn geweest. Dat wordt be-
paald door een aantal factoren, te weten: het betrouwbaar-

Tabel 6. Aantal vergelijkingen en gevonden verschillen, en richting van de gevonden verschillen.

Kenmerk

Kengetal

Aantal

Aantal statistisch

Omschrijving

Groepen

Richting\'

vergelijkingen

significant

Productie

BSK periode januari -juni

6x2

1

Vergelijking maart \'99 met maart \'98

Vrij VS levend

-1-

BSK na vaccinatie

8x2

1

Vergelijking maand na 2\'\'= vaccinatie

en periode in voorafgaande jaar

Vrij VS levend

-1-

Netto opbrengst januari - juni

6x2

1

Vergelijking mei \'99 met mei \'98

Vrij VS dood

-

Netto opbrengst na vaccinatie

8x2

0

Kg meetmelk vaarzen

6x2

0

Kg meetmelk nieuwmelkte dieren

4x2

0

Uiergezondheid

Tankmelkcelgetal januari -juni

6x2

1

Vergelijking mei \'99 met mei \'98

Vrij VS levend

-

Tankmelkcelgetal na vaccinatie

8x2

0

Celgetal vaarzen

6x2

1

Vergelijking mei \'99 met mei \'98

Vrij VS dood

-

Percentage nieuwe infecties

6x2

2

Vergelijking 4\'\'= maand na 2\'\'^ vaccinatie

Vrij VS dood

-

en gelijke periode in voorafgaande jaar

Vergelijking 5\'\'= maand na 2<\'= vaccinatie

Vrij VS dood

-

en gelijke periode in voorafgaande jaar

Vruchtbaarheid

Periode afkalven - 1"= inseminatie

1x2

0

Periode 1«« inseminatie - dracht

1x2

0

Non return percentage

1X2

0

Verwachte mssenkalftijd

1X2

0

Verwerpers

2X2

0

Afvoer

Afvoer percentage dieren

1X2

0

Afvoer percentage melkkoeien

3X2

0

Totaal

144

7

\' -I- = de groep gecertificeerd vrije bedrijven doen het \'beter\' dan de gevaccineerde groep.
- = de groep gecertificeerd vrije bedrijven doen het \'slechter\' dan de gevaccineerde groep.

-ocr page 244-

Tabel 7. Onderscheidend vermogen om verschillen van vijf kengetallen tussen twee groepen van bedrijven te vinden op basis van de in het onderzoek opgenomen melkveebe-
drijven en gevonden waarden van deze kengetallen.

Testkarakteristiek tussen vrije en levende bedrijven

Grootte van de Onderscheidend

relatieve verandering vermogen

>99%
>99%
>94%
>99%
>80%

BSK in de eerste zes maanden na vaccinatie 2%

Melkproductie (kg meetmelk) nieuwmelkte dieren in eerste vier maanden na vaccinatie 10%

Afvoerpercentage koeien in eerste zes maanden in 1999 3%

Percentage verwerpers (> 100 dagen tussen herinseminaties) in de eerste zes maanden van 1999 1 %

Non return percentage (56 dagen) in de eerste zes maanden van 1999 2,5%

Kengetal

heidsinterval, de steekproefgrootte, het gewenste meetbare
verschil tussen de groepen en de variantie binnen de groe-
pen.

Op basis van de resultaten is het onderscheidende vermogen
(gevoeligheid) van de testen berekend. Hierbij zijn geen
schattingen of aannames gemaakt, maar de verkregen uit-
komsten zijn gebmikt. In Tabel 7 is voor vijf kengetallen het
onderscheidende vermogen berekend voor de vergelijking
tussen de groep gecertificeerd IBR-vrije bedrijven en de met
levend marker vaccin geënte bedrijven. Zo was bijvoorbeeld
een verschil van 2% verandering in de BSK (gemiddelde
over eerste zes maanden na vaccinatie) tussen de groep ge-
certificeerd IBR-vrije bedrijven en de met levend marker-
vaccin geënte bedrijven met meer dan 99% zekerheid te me-
ten. Dit geeft aan dat het onderscheidend vermogen van de
uitgevoerde testen hoog is, ook bij kleine relatieve verschil-
len. De kans dat met de gebmikte testen in werkelijkheid be-
staande verschillen in gemeten parameters niet zouden wor-
den onderkend is zeer klein.

Tevens zijn voor dezelfde kengetallen de frequenties aange-
geven van bedrijven die in de periode 1998-1999 relatief
grote veranderingen hebben doorgemaakt (Tabel 8). Voor
ieder van deze kengetallen is allereerst de frequentie van het
aantal bedrijven aangegeven dat een dergelijke verandering
ten opzichte van het voorafgaande jaar heeft doorgemaakt.
Hierbij is een arbitraire grens per kengetal vastgesteld, bij-
voorbeeld de verandering van de BSK met meer dan 10%
tussen 1999 en 1998. De keuze van de grens is gemaakt op
basis van ervaring met probleembedrijven en de frequentie-
verdeling van de relatieve veranderingen. Het percentage be-
drijven met aangegeven relatieve verandering van één van de
vijf kengetallen was statistisch niet verschillend in beide
groepen bedrijven. Dat gold zowel in negatieve als positieve
richting.

DISCUSSIE

De te toetsen hypothese in dit kengetallenonderzoek was dat
toepassing van het BHVl markervaccin een negatief effect
zou hebben op de meest gebmikte kengetallen voor melk-
veebedrijven. Deze kengetallen worden uniform verzameld
en een deel van de kengetallen wordt berekend door het NRS
en in het I&R systeem. De kengetallen zijn bedoeld om vee-
houders en begeleiders van bedrijven inzicht te geven in de
bedrijfsprestaties. De kengetallen hebben betrekking op eco-
nomische en diergezondheidsaspecten van het bedrijf Zij
worden tevens gebruikt om problemen op het gebied van
productie, uiergezondheid en vruchtbaarheid te signaleren,
kwantificeren en te analyseren. Kengetallen zijn dus bmik-
baar om effecten op verschillende aspecten van productie en
diergezondheid te evalueren.

TabelS. Aantallen bedrijven met relatieve verandering over de periode januari - juni tussen 1999 en 1998 van vijf kengetallen.

Aantal bedrijven (percentage)
met een relatieve toename

Aantal bedrijven (percentage)
met een relatieve afname

Kengetal

Relatieve
verandering

Vrij

Levend

Vrij

Levend

BSK

> 10%

48 (6,2%)

83 (6,4%)

29 (3,9%)

62 (4,8%)

Melkproductie (kg meetmelk) nieuwmelkte

dieren in eerste vier maanden na vaccinatie

> 50%

20(3,8%)

40 (4,8%)

47 (8,9%)

68 (8,2%)

Afvoerpercentage koeien

> 15%

54 (6,8%)

99 (7,3%)

72 (9,1%)

97 (7,2%)

Percentage verwerpers

>5%

53 (6,7%)

60(7,4%)

62 (7,8%)

41 (5,1%)

(> 100 dagen tussen herinseminaties)

Non return percentage (56 dagen)

>25%

20 (3,8%)

40 (4,8%)

47 (8,9%)

68 (8,2%)

Alleen bedrijven die waren aangesloten bij het NRS zijn in
de vergelijkingen meegenomen, waarbij het echter wel om
een ruime meerderheid ( 80%) van de Nederlandse melk-
veebedrijven gaat. Door het NRS worden gegevens met be-
trekking tot de productie en het (tankmelk)celgetal via fre-
quente proefmelkingen en de gegevens met betrekking tot
vmchtbaarheid via de Kl-administratie geregistreerd. Het is
mogelijk dat zieke dieren niet worden bemonsterd voor de
proefmelkgegevens of dat deze dieren bewust gust worden
gehouden. In dergelijke gevallen is het echter de verwach-
ting dat deze dieren vroegtijdig worden afgevoerd en dat dit
zodoende zijn weerslag heeft op het afvoerpercentage van
het bedrijf Omdat er tussen de groepen bedrijven geen ver-
schillen in afvoerpercentages tussen 1999 en 1998 zijn ge-
vonden, kan dit geen oorzaak zijn voor het niet vinden van
significante verschillen in de andere kengetallen.
De periode waarover kengetallen zijn berekend is beperkt tot
het eerste halQaar van 1999. Dit is gedaan vanwege het grote
aantal klachten na vaccinatie tot juli 1999 en de beschikbaar-
heid van gegevens ten tijde van het begin van dit onderzoek.
De gevaccineerde en niet-gevaccineerde bedrijven verschil-
len niet alleen in de aan- of afwezigheid van het BHV 1 vims
en het al dan niet vaccineren. Het vrij zijn van BHVl is vaak
ook een afspiegeling van bedrijfs- en managementkenmer-

-ocr page 245-

Figuur 6. Verandering van het percentage afvoer van koeien in periode januari - juni
1999 in vergelijking met dezelfde periode in 1998.

ken. Voorwaarde van het vrij zijn van BHVl is een gesloten
bedrijfsvoering. Het is bekend dat op bedrijven met een meer
gesloten bedrijfsvoering de productiekengetallen gunstiger
zijn dan op bedrijven met een minder gesloten bedrijfsvoe-
ring (8). Door juist bedrijven te kiezen die nog maar kort de
status gecertificeerd IBR-vrij hadden, is geprobeerd het ef-
fect hiervan zo klein mogelijk te houden.
Bij de opzet van dit onderzoek is de steekproefgrootte bere-
kend uitgaande van productie. Resultaat van deze bereke-
ning was dat de groepen uit tenminste 500 bedrijven moesten
bestaan. Waar mogelijk is in dit onderzoek het aantal bedrij-
ven per groep vergroot. Van de 3347 bedrijven die in de pe-
riode 1 januari tot 1 september 1998 als IBR-vrij zijn gecerti-
ficeerd zijn 790 bedrijven (24%) in de analyses betrokken. In
de groep bedrijven geënt met levend markervaccin zijn 1353
van de 10.771 (13%) betrokken en in de groep dood geënte
bedrijven zijn 171 van (geschat op basis van extrapolatie)
282 (61%) betrokken. Toename van de groepsgrootte verbe-
tert het onderscheidend vermogen van de testen. Dit geldt
dus met name voor de vergelijking tussen de groep levend
geënte bedrijven en de gecertificeerd IBR-vrije groep.
Slechts enkele honderden bedrijven hebben het dood mar-
kervaccin bedrijfsmatig toegepast. Dit kleine aantal vermin-
dert het onderscheidend vermogen bij de vergelijking tussen
de gecertificeerd IBR-vrije en met dood marker vaccin
geënte bedrijven. De beschreven problemen zijn echter
vooral gerapporteerd door bedrijven die het levende vaccin
hebben gebmikt (9).

Voor de groep met levend markervaccin geënte en vrije be-
drijven is voor vijf kengetallen het percentage bedrijven aan-
gegeven dat een aanzienlijke relatieve verandering van het
kengetal heeft doorgemaakt bij vergelijking tussen 1998 en
1999. Voor alle vijf kengetallen was het percentage bedrij-
ven met een grote relatieve verandering gelijk, in zowel de
positieve als negatieve richting. Dit geeft dus aan dat er zeker
bedrijven bestaan met grote verschillen in bedrijfsprestaties
tussen opeenvolgende jaren waarbij het niet is aan te geven
dat de vaccinatie met het BHVl markervaccin hierin een rol
heeft gespeeld.

Daamaast is het onderscheidend vermogen van de testen be-
rekend voor dezelfde vijf kengetallen. Het onderscheidend
vermogen was zeer hoog bij relatief kleine veranderingen.
Met andere woorden, indien tussen de groepen bedrijven een
gering verschil zou bestaan dan was de wijze van testen ge-
voelig genoeg om dat met grote zekerheid aan te tonen. Het
feit dat geen verschil tussen groepen werd aangetoond in de
gemeten kengetallen, geeft zodoende zekerheid dat er geen
verschil tussen groepen bestaat.

CONCLUSIE

Toepassing van het BHVl-markervaccin heeft geen effect
gehad op de random fluctuaties van verschillende kengetal-
len voor melkveebedrijven. Een negatief effect van vaccina-
tie op de bedrijfsprestaties in 1999 lijkt niet waarschijnlijk.

LITERATUUR

1. Barkema HW. Bartels CJM, Wuijckhuise L van, Hesselink JW.
Holzhauer M, Weber MW, Franken P. Koek P, Bruschke CJM en
Zimmer G. Uitbraak van BVD virus type 2 op Nederlandse rundveebe-
drijven door gebruik van gecontamineerd BHVl marker vaccin,
Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 158-65.

2. Bosch JC. Bovine herpesvirus 1 markervaccins: tools for eradication?
Proefschrift Rijks Universiteit Utrecht, 1997.

3. Bruschke CJM, Weerdmeester K en Paal HA. Detectie van bovine vi-
rus diarrhee virus in een levend bovine herpes virus 1 markervaccin.
Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 189-90.

4. Mars MH. Vaccinology and epidemiology of bovine herpesvirus 1 in-
fections. Proefschrift Rijks Universiteit Utrecht, 2000.

5. Nielen M. Jansen FCM, Wuijckhuise LA van en Dijkhuizen AA.
1996. l&R-systeem rund: een analyse ten behoeve van het gebruik tij-
dens een mond- en klauwzeer-uitbraak in Nederland. Tijdschr
Diergeneeskd 1996; 121:576-81.

6. Philcn RM, Kilbourne EM, McKinley TW, and Parrisch RG. Mass so-
ciogenic illness by proxy: parentally reported epidemic in an elemen-
tary school. Lancet 1989; 2 (8676): 1372-6.

7. Schukken YH, Broek J van der, and Casella G. Overdispersion in clini-
cal mastitis data from dairy herds: a negative Binomial approach. Prev
Vet Med 1991; 10:239-45.

8. Van Schaik G. Risk and economics of disease introduction into dairy
farms. Proefschrift Landbouw Universiteit Wageningen, 2000.

9. Van Wuijckhuise LA, Frankena K, Oijen M van en Meijer L. Analyse
van gezondheidsklachten na BHVl vaccinatie. Tijdschr Diergeneeskd
2001; 126: 173-80.

10. Zar JH. Biostatistical Analysis, 3rd edition, Prentice-Hall, Inc. chapter
8.4, Power and sample size in tests for difference between two means,
p 133-7.

-ocr page 246-

SAMENVATTING

Het begrip \'slijter\' heeft in 1999 een bijzondere betekenis
gekregen. Het is gebruikt om diergezondheidsproblemen
te benoemen waarbij het vermoeden bestond dat de oor-
zaak samenhing met het gebruik van het bovine herpesvi-
rus 1 markervaccin. Er waren geen objectieve criteria
voorhanden om een eenduidige probleeminventarisatie op
te stellen. Dit heeft er toe geleid dat het begrip \'slijter\' een
zeer uiteenlopend beeld van diergezondheidsproblemen
heeft opgeroepen waarvan de oorzaak onduidelijk is ge-
bleven. Dit onderzoek is opgezet om factoren te benoemen
die geassocieerd zijn met het verworden tot een \'slijter\'be-
drijf. Kennis hierover is nodig om aanvullende hypotheses
op te stellen naar de etiologie van \'slijter\'problemen.
In totaal hebben 188 melkveebedrijven deelgenomen. De
eerste groep bestond uit 94 \'slijter\'bedrijven. Daarnaast
zijn 94 aan de \'slijter\'bedrijven gepaarde controlebedrij-
ven geselecteerd. Op alle bedrijven zijn gegevens
verzameld via een enquête. Daarnaast zijn resultaten van
laboratoriumonderzoek van 1996 tot en met 1998, aan- en
afvoergegevens van 1998, ruwvoeranalyses van 1997 en

1998, dierenartskosten in 1998 en NRS-gegevens van 1995
tot en met 1999 verzameld. De analyses hebben betrekking
op de periode voorafgaand aan (en dus niet ten tijde van)
de \'slijter\'problemen. Bij de analyse van deze gegevens is
een onderverdeling gemaakt tussen subjectief en objectief
verkregen gegevens. Probleembedrijven waren groter
maar niet intensiever dan controlebedrijven. Vooraf-
gaand aan de \'slijter\'problemen, presteerden zij minder
goed op het terrein van de uiergezondheid en de vrucht-
baarheid. Daarnaast hadden ze meer contacten met an-
dere bedrijven doordat er vaker runderen werden aange-
kocht. De maatregelen gericht op het voorkomen en
bestrijden van dierziekten verschilden niet van controle-
bedrijven. Aanvullend onderzoek is nodig in de richting
van de pathofysiologie van de \'slijters\' om zodoende hypo-
theses op te stellen en te toetsen omtrent het ontstaan van
de problemen. In aanvulling zou het effect van bedrijfs-
grootte moeten worden geanalyseerd.

SUMMARY

Management and herd performance of dairy herds with
and without \'chronic wasting\' disease

\'Chronic wasting\' in cattle acquired a special meaning in the Netherlands in

1999. It was used to define animal health problems that were thought to be
associated with the use of bovine herpesvirus I marker vaccine. Criteria
have not been set by which an objectively independent inventory of the pro-
blems could be made. The objective of this study was to determine manage-
ment factors a.ssociated with the problem of \'chronic wasting\' prior to the

\' Gezondheidsdienst voor Dieren, Postbus 361. 9200 AJ Drachten.
\' DAP Beetsterzwaag-Ureterp, Weibuorren 1, 9247 AX Ureterp.
\' ID Lelystad. Postbus 65, 8200 AB Lelystad.
Faculteit der Diergeneeskunde. Hoofdafdeling Gezondheidszorg Landbouwhuisdieren.
Yaielaan 7. 3584 CL Utrecht.
* Corresponderend auteur: tel.: 0512-570700, fax: 0512-520013, e-mad:
c. bartels@gdvdieren.nl

use of the BHVl marker vaccine. Knowledge about these factors could be
helpful for generating additional hypotheses about the aetiology of chronic
wasting in cattle.

A total of 188 farms participated in the .study, ofwhich 94 had severe problems
with chronic wasting. The other half consisted of control farms matched with
the case farms that did not report problems after the use of the BHVl marker
vaccine. Data analyses were performed over the period before (and not at the
time of) \'chronic wasting \'problems. Data were collectedfrom various sour-
ces. A questionnaire wai used to collect information on farm management
practice. In addition, information on laboratory submissions for 1996 to
1998. animal movements in 1998, roughage analyses of 1997 and 1998, ex-
penses for animal health in 1998, and herd performance in 1995 to 1999 was
collected. In the analyses, a distinction was made between information obtai-
ned objectively and subjectively. Herds with problems of \'chronic wasting\'
were larger than herds without wasting problems (animals, surface) hut not
more intensively managed. \' Wasting\' herds had a lowerpetformance in terms
of fertility and udder health. In addition, these herds had more contact with
other herds through the purchase of animals. There were no differences in
farm management practices related to di.sea.se control and prevention.
Additional studies are required with regard to the patho-physiology of chro-
nic wasting cows. The role of herd size needs more study.

INLEIDING

Het begrip \'slijters\' heeft in 1999 een bijzondere betekenis
gekregen. Het is gebruikt om diergezondheidsproblemen te
benoemen waarbij het vermoeden bestond dat de oorzaak sa-
menhing met het gebruik van een BHVl-markervaccin. Er
zijn in 1999 veel meldingen door veehouders gedaan over bij-
werkingen van het gebruik van dit vaccin (13^ Het betrof zo-
wel melkvee- als overige rundveebedrijven. De gerappor-
teerde bijwerkingen varieerden van acute verschijnselen
enkele dagen na toepassing van het vaccin, zoals diarree in de
melkveekoppel, snotteren, proesten, verwerpen, verhoging
van het celgetal in de melk, tot chronische ziekteproblemen
bij met name melkkoeien. Het beeld hierbij was zeer divers
en door verschillende personen en instanties is getracht dit
complex van symptomen te benoemen. De volgende \'rode
draad\' van ketmierken voor \'slijters\' is genoemd: pas ge-
kalfde dieren, vaak vaarzen of tweede kalfskoeien, waarbij de
melkproductie niet op het verwachte niveau kwam, de
lichaamsconditie sterk daalde en later in de lactatie niet op
een normaal te verwachten niveau terugkwam. Er was veel-
vuldig sprake van emstige kreupelheden, een venninderde
vmchtbaarheid en ziekteprocessen die niet of onvoldoende
reageerden op gebmikelijke therapieën. Op \'slijter\'-bedrij-
ven werd een deel van mnderen met deze problemen om eco-
nomische en welzijnsredenen vroegtijdig afgevoerd. Er be-
stonden geen criteria aan de hand waarvan een eenduidige
probleeminventarisatie kon worden uitgevoerd. Dit heeft tot
gevolg gehad dat het begrip \'slijters\' een zeer uiteenlopend
beeld van diergezondheidsproblemen heeft opgeroepen
waarvan de oorzaak onduidelijk is gebleven.
Doel van dit onderzoek was om factoren te vinden die, vooraf-
gaand aan de problemen, ertoe leidden dat een bedrijf een slij-
terbedrijf werd gemeld. Deze factoren kunnen dan worden ge-
bmikt om tot gerichte hypotheses te komen voor
vervolgonderzoek waardoor beter inzicht wordt verkregen in
de omstandigheden en de oorzaak van \'slijter\'-problemen.

Tijdschr Diergeneeskd 2ooi; 126:19S-207

Bedrijfsvoering en kengetallen van tot slijterbedrijven
verworden melkveebedrijven

C.J.M. Bartels^ H.W. Barkema\\ M.L. Beiboer^, A. Bouma3 en J.A. Stegeman4

-ocr page 247-

MATERIAAL EN METHODEN
Opzet case-control onderzoek

Voor ieder deelnemend probleembedrijf (case) is een bedrijf
zonder gerapporteerde problemen (controle) gezocht. Bij de
vergelijking tussen deze twee groepen bedrijven is gekeken
naar: 1) bedrijfskarakteristieken (grootte, productieniveau, be-
drijfsintensiteit zoals GVE per hectare), 2) bedrijfsvoering ten
aanzien van risico van insleep van dierziekten en 3) bedrijfs-
voering ter optimalisering van de diergezondheid. Hiervoor
zijn gegevens verzameld afkomstig van de veehouders, hun
practici, het Koninklijk Nederlands Rundveesyndicaat (NRS),
de l&R en de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). Het onder-
zoek heeft zich gericht op de periode voorafgaand aan het ge-
bruik van het BHVl markervaccin en de daaruit voortkomende
problemen.

In de opzet van een case-control studie kunnen associaties
tussen bepaalde (bedrijfsgebonden, diergebonden, veehou-
dergebonden) factoren en het probleem van \'slijter\'-bedrij-
ven worden aangegeven. Een causaal verband is met dit
soort onderzoek niet aan te geven. Daarvoor is experimen-
teel onderzoek noodzakelijk.

Steekproefgrootte

Bij de bepaling van de steekproefgrootte waren een aantal
aannames nodig. Deze waren gebaseerd op wenselijkheid en
inschatting: een betrouwbaarheidsniveau van 95%, een on-
derscheidend vermogen van 80%), de grootte van de odds ra-
tio van minimaal drie en de geschatte prevalentie van risicof-
actoren op controlebedrijven van 15%.
Op basis hiervan waren minimaal 83 probleem- en 83 con-
trolebedrijven nodig. Uiteindelijk hebben 94 probleem- en
94 controlebedrijven aan dit onderzoek meegedaan.

Verwerkte gegevens

Van ieder bedrijf zijn de volgende gegevens gebruikt: de ant-
woorden op vragen uit de enquête, de uitslagen van laborato-
riumonderzoek uitgevoerd door de GD (1996-1998), het
aantal aanwezige runderen, de aankoop en verkoop van run-
deren en het aantal bedrijfscontacten via aankoop (dit alles in
1998, afkomstig van de I&R), de analyses van ruwvoer ge-
voerd in de winter 1998/1999, de kosten voor handelingen en
medicijnen verkregen van de praktizerend dierenarts (1998),
en de kengetallen voor melkproductie, tankmelkcelgetal en
vruchtbaarheid afkomstig van het NRS (1995-1999).
Deze gegevens zijn verwerkt in twee groepen variabelen met in
totaal negen clusters. Ten eerste een groep beschrijvende varia-
belen met daarin bedrijfsgrootte, bedrijfsintensiteit en de ken-
getallen voor productie, uiergezondheid, vruchtbaarheid en
dierbeweging. Ten tweede een groep verklarende variabelen
met daarin clusters voor huisvesting, hygiëne en onderhoud
van stallen, voeding en rantsoen, insleep van dierziekten, dier-
gezondheid, laboratoriumonderzoek en als laatste risicohou-
ding, doelstelling en nieuwsgaring. Onder risicohouding wordt
hier verstaan de houding van de veehouder ten aanzien van
dierziekte- en bedrijfsrisico. Dit is met behulp van vragen geë-
valueerd.

In de enquête is de veehouder vooral gevraagd naar de werk-
wijze om insleep van dierziekten te voorkomen en om de dier-
gezondheid op een zo hoog mogelijk niveau te houden. Tevens
is tijdens het bezoek aan het bedrijf door de enquêteur een score
gemaakt van de hygiëne op dat moment. Dit gebeurde op een
schaal van I (zeer goed) tot 5 (zeer slecht). Het concept voor de
enquête is aan verschillende personen en instanties (GD, com-
missie Diergezondheid en Kwaliteit Runderen van het PVE en

ID-Lelystad) voorgelegd. Vervolgens is de enquête getest op
vier rundveebedrijven. Na evaluatie hiervan is de eindversie
uitgewerkt. De enquête is op de bedrijven uitgevoerd door bui-
tendienstmedewerkers van de GD. De buitendienstmedewer-
kers hebben één dag instructie gekregen over het afnemen van
de enquête.

De gegevens van het laboratoriumonderzoek bij de GD zijn
opgevraagd bij het bureau Automatisering van de GD. De
gegevens van identificatie en registratie zijn opgevraagd via
het bureau I&R van de GD. De gegevens van de analyses van
gras- en snijmaïskuil zijn bij de veehouders opgevraagd en
de gegevens van melkmonstemame en vruchtbaarheid zijn
met toestemming van de veehouders bij het NRS opge-
vraagd. De gegevens over de kosten gemaakt voor dierge-
neeskundige handelingen en medicijnen zijn opgevraagd bij
de praktiserende dierenartsen.

Selectie probleem- en controlebedrijven
Omdat van melkveebedrijven meer gegevens beschikbaar zijn
dan van overige rundveebedrijven zijn in het onderzoek alleen
melkveebedrijven opgenomen. De selectie van probleembe-
drijven is op twee wijzen verricht. Allereerst is via de Stichting
Inventarisatie IBR/BVD Schade (SIS) een anonieme lijst opge-
vraagd van bedrijven met ernstige diergezondheidsklachten.
De volgende criteria zijn aan een probleembedrijf gesteld:

• tenminste 40 runderen op het bedrijf aanwezig;

• meer dan 40% van runderen gevaccineerd met BHV 1 mar-
kervaccin;

• meer dan 15% \'slijters\' gerapporteerd.

Het resultaat hiervan was een selectie van 115 bedrijven.
Omdat dit aantal te laag werd geacht is vervolgens nog een
aanvullende selectie verricht met een aanpassing van het
laatste criterium tot:

• of 5-15% \'slijters\' gerapporteerd in combinatie met ten-
minste 10% runderen voor noodslachting weggegaan.

Op deze wijze kwamen er 64 bedrijven extra in aanmerking.
Deze in totaal 179 bedrijven zijn door SIS aangeschreven en
gevraagd voor deelname aan dit onderzoek. Na vier weken
zijn de 138 bedrijven die niet hadden geantwoord telefonisch
benaderd voor deelname. Uiteindelijk hebben 59 bedrijven
hun medewerking toegezegd. Aanvullend zijn probleembe-
drijven geselecteerd die op verzoek van de eigenaar eerder
door dierenartsen van de GD waren bezocht. Deze bezoeken
werden allen in 1999 uitgevoerd in het kader van ernstige
diergezondheidsproblemen, waarbij de veehouder(s) het
vermoeden uitten dat de problemen het gevolg waren van
toepassing van het BHVl markervaccin. Aan de betrokken
GD-dierenartsen is gevraagd een selectie van bedrijven met
zeer ernstige problemen te maken. De bedrijven zijn direct
telefonisch benaderd en van de 65 benaderde bedrijven heb-
ben 35 bedrijven aan dit onderzoek meegedaan.
Per probleembedrijf zijn zes controlebedrijven gezocht
waarvoor een zo klein mogelijk aantal criteria zijn gesteld:

• cliënt bij dezelfde dierenartsenpraktijk als het probleem-
bedrijf;

• ongeveer een gelijk aantal runderen op het bedrijf als het
probleembedrijf Hierbij is zowel naar het totaal aantal
runderen als naar het aantal dieren ouder dan twee jaren
(koeien) gekeken;

• IBR-vaccinatieplichtig en eind 1998 gevaccineerd.

Deze lijst van bedrijven werd voorgelegd aan SIS voor con-
trole op rapportage van bijwerkingen van het BHVl marker-
vaccin. Indien bedrijven hadden gerapporteerd bij SIS wer-
den ze van de lijst genomen.

-ocr page 248-

Van de overgebleven bedrijven werd aselect één bedrijf telefo-
nisch benaderd voor deelname aan het onderzoek. Indien de ei-
genaar niet wenste deel te nemen werd een volgende bedrijf ase-
lect gekozen. Indien het lijstje van zes geen deelnemers leverde,
werd de hierboven beschreven procedure opnieuw gestart.

Analyse

De analyse van de gegevens van de verschillende componen-
ten is verricht op basis van eventuele verschillen tussen twee
aan elkaar gekoppelde bedrijven (matching) (2). Op deze
wijze zijn controlebedrijven gelijkgesteld aan probleembe-
drijven voor factoren die mogelijk als \'confounder\' kunnen
optreden. Bij de analyse van hygiënescores en scores met be-
trekking tot risicohouding is op basis van de gevonden fre-
quenties een dichotome (0/1) indeling gemaakt. Het afkap-
punt lag hierbij voor alle waarnemingen bij een score van 2
of3.

Voorafgaand aan de statistische analyse zijn alle gegevens
gecontroleerd op onwaarschijnlijke waarden. De gegevens
van de enquête, laboratoriumuitslagen en I&R-gegevens zijn
in drie stappen geanalyseerd. Allereerst is voor iedere varia-
bele de frequentie en/of de gemiddelde waarde op probleem-
en controlebedrijven berekend. De gebmikte statistische ana-
lyse hierbij was de gepaarde t-toets voor continue variabelen
en McNemar toets voor gepaarde waamemingen voor dicho-
tome (bijvoorbeeld 0/1 of ja/nee) variabelen (7). Voor de
tweede analyse stap zijn de variabelen geselecteerd die in de
eerste stap een p-waarde < 0,25 hadden. Deze variabelen zijn
geanalyseerd op basis van vooraf gedefinieerde clusters. Er is
hierbij een onderscheid gemaakt tussen factoren die objectief
en subjectief verkregen zijn. Antwoorden uit de enquête zijn
als subjectief beschouwd, terwijl gegevens uit de I&R en het
laboratoriumonderzoek als objectief zijn beschouwd. De ob-
jectief verkregen factoren zijn als een apart blok in de eind-
analyse ingebracht. Deze analyse werd gedaan als een condi-
tionele logistische regressie (Cox\'s proportional hazard
analysis, (SPSS for Windows 8.0)). De variabelen werden
\'backward stepwise\' geselecteerd. Alleen variabelen die sig-
nificant waren bij een p-waarde van < 0,10 werden meegeno-
men in het eindmodel. In het eindmodel werden variabelen
geanalyseerd via een \'forward stepwise\' selectie. Een aantal
variabelen uit de enquête is niet meegenomen in verdere ana-
lyse van clusters. Het betrof hier variabelen zoals herkomst
van de stier indien gebmik van natuuriijke dekking, of de
wijze van aanvoer van mnderen indien aanvoer van mnderen.
Insluiting van deze variabelen zou het aantal bedrijven in de
analyse sterk verlagen en zodoende afbreuk doen aan het on-
derscheidend vermogen van de analyses.
Het verschil tussen de kengetallen van de probleem- en con-
trolebedrijven is eveneens geanalyseerd op basis van de con-
ditionele logistische regressie (Cox\'s proportional hazard
analysis, (SPSS for Windows 8.0)). Het betrof bivariate ana-
lyses. Er zijn geen analysis in de tijd gedaan. Het aantal be-
drijven waarvan NRS gegevens beschikbaar waren bedroeg
162 bedrijven (82 probleem- en 80 controlebedrijven).
Omdat bij een \'gematchte\' (paarsgewijze) analyse van zowel
het probleem- als het controlebedrijf gegevens beschikbaar
moeten zijn, konden van 72 paren de NRS-gegevens worden
onderzocht. Ter illustratie werden een aantal kengetallen
vergeleken met het Nederiandse gemiddelde in 1998.
De gegevens van de analyses van graskuil- en snijmaïskuil zijn
geanalyseerd in een Student\'s t-toets (Statistix for Windows
2.0) aangezien onvoldoende volledige paren van bedrijven be-
schikbaar waren om een gepaarde analyse uit te voeren.

RESULTATEN

Verschillen tussen groepen bedrijven worden aangegeven op
basis van statistische significantie.

Beschrijving van de bedrijven
Bedrijfsgrootte en intensiteit

Op de probleembedrijven was een groter aantal mnderen aan-
wezig dan op de controlebedrijven (Tabel 1, Figuur 1). Het
ging daarbij vooral om de kalveren en vrouwelijke mnderen
ouder dan twee jaar. Het melkquotum van de probleembedrij-
ven was niet groter dan van de controlebedrijven. Ook de ver-
andering van quotum in de jaren verschilde niet mssen beide
groepen bedrijven. De twee groepen bedrijven verschilden ook
niet in kenmerken van bedrijfsintensiteit zoals quotum per hec-
tare, quotum per aanwezige melkkoe, aantal GVE per hectare
en aantal GVE per volledige arbeidskracht op het bedrijf aan-
wezig.

40-60 60-80 80-100 100-150
Aantal koelen op bedrijf

Figuur 1. Frequentieverdeling van aantal aanwezige melkkoeien aanwezig in 1998. De lijn is het Nederlandse gemiddelde in datzelfde jaar afkomstig uit de CR Delta
Jaarstatistieken 1998 (6).

-ocr page 249-

Negenenveertig van de probleembedrijven, tegenover 45
van de controlebedrijven, hadden nog een andere bedrijfstak
naast de melkveehouderij (niet in Tabel 1 opgenomen). Het
betrof hier meestal bedrijfstakken met andere diersoorten
(varkens, kippen en paarden).

Afvoer van runderen in 1996 -1999

In vergelijking met de controlebedrijven was op de probleem-
bedrijven de gemiddelde afvoer van mnderen en van koeien
hetzelfde in de jaren 1996 en 1997, iets lager in 1998 (p=0,06)
en beduidend hoger in 1999 (p<0,02). In 1999 werd op één
controlebedrijf en op vier probleembedrijven de hele veesta-
pel afgevoerd.

Tabel i. Enkele bedrijfskenmerken voor probleem-en controlebedrijven.

Kenmerk

Probleembedrijven

Aantal Bedrijven\'

Controlebedrijven

Aantal bedrijven\'

P-waarde^

I&R-gegevens 1998

Aantal kalveren (0-1 jaar)

26,1

23,5

0,05

Aantal pinken (1-2 jaar)

25,3

25,5

0,87

Aantal melkvee (> 2 jaar)

80,6

73,2

0,05

Aantal stieren (> 1 maand)

12,4

55

4,8

46

0,30

Totaal aantal runderen

139,0

124,5

0,02

Aantal ooien

4,5

11

21,8

6

0,23^

Aantal lammeren

26,7

18

21,8

23

0,613

Bedrijfsgegevens

Quotum (kg)

481755

463489

0,53

Verandering van quotum in 1998

13704

16664

0,93

Grond in gebruik (ha)

43,8

41,5

0,94

waarvan grasland

32,0

29,8

0,12

waarvan maïsland

9,45

7,71

0,07

Aantal volledige arbeidskrachten

1,97

1,83

0,10

Intensiteit

Quotum per hectare (kg)

12279

12951

0,29

Quotum per melkkoe (kg)

6156

6162

0,48

Aantal GVE per hectare

(gras- en maïs- en natuurland)

2,49

2,54

0,50

Aantal GVE per VAK

61,9

61,0

0,82

\' Het aantal bedrijven in studie was 94 probleem- en 94 controlebedrijven. Wanneer het aantal daarvan afwijkt is het aangegeven.

2 P-waarde heeft betrekking op een bivariate analyse met gebruik van de gepaarde t-toets voor continue variabelen en McNemar toets voor gepaarde dicho-
tome variabelen.

3 Voor deze analyse is gebruik gemaakt van Student\'s two-sample t-toets omdat in geen enkel paar zowel een probleem- als een controlebedrijf kon worden
meegenomen.

Melkproductie in 1996 -1999

De gemiddelde melkproductie had voor beide groepen een
gelijk verioop tussen 1995 en 1999. Bij vergelijking met het
Nederlandse gemiddelde in 1998, was de gemiddelde BSK

45

40

35
e 30

Q)
0)

^20

C

I 15
10
5
O

14-18 18-22 22-26 26-30 30-34 34-38 38-42 42-46 46-50

BSK (kg)

Figuur 2. Frequentieverdeling van de gemiddelde BSK in 1998. Het Nederlands gemiddelde is afkomstig van de CR-Delta jaarstatistieken 1998 (6) en zijn berekend op basis van
gegevens over septemben997 tot augustus 1998.

-ocr page 250-

0,75 kg hoger (Figuur 2).

Er waren geen productieverschillen tussen de vaarzen van
controle- en probleembedrijven over de gehele periode 1995-
1999. Voor de tweedekalfs- en oudere koeien waren er geen
verschillen over de periode 1995-1998. Vanaf het einde van
1998 produceerden de oudere koeien minder op probleembe-
drijven dan op controlebedrijven.

Het gemiddelde aantal kg meetmelk van de twee groepen be-
drijven loopt parallel van januari 1995 tot 1999. Tussen
maart en juli 1999 liepen de producties uiteen en was de ge-
middelde productie per lactatiegroep op probleembedrijven
lager. Dit is weergegeven voor de groep van nieuwmelkte
runderen (0-60 dagen lactatie) in Figuur 3.

Uiergezondheid in 1995-1999

Het tankmelkcelgetal van de probleembedrijven lag over de
gehele periode hoger (0,04 < p < 0,10) (Figuur 4). Op pro-
bleembedrijven nam van 1998 naar 1999 het gemiddelde
tankmelkcelgetal toe van 225.000 naar 235.000 cellen per ml,
terwijl op de controlebedrijven het gemiddelde tankmelkcel-
getal in 1998 200.000 en in 1999 202.000 cellen/ml was.

Het percentage nieuwe subklinische infecties, gemeten als het
percentage runderen
at risk dat in opeenvolgende monstema-
mes van <250.000 naar >250.000 cellen/ml ging, was op pro-
bleembedrijven gemiddeld hoger (varieerde tussen 8,5 en
9,6%) dan op controlebedrijven (varieerde tussen 7,6 en
8,5%). Deze verschillen waren echter niet significant. Er wa-
ren tevens geen statistische aanwijzingen voor een toename
van het aantal subklinische infecties in 1999 op probleembe-
drijven.

Vruchtbaarheid in 1995-1999

De vruchtbaarheidskengetallen zijn afgeleid van de uitge-
voerde inseminaties. Het betreft het interval afkalven - eerste
inseminatie, het interval eerste inseminatie - conceptie, het
percentage non-return op 56 dagen na eerste inseminatie en
het percentage verwerpers en de verwachte tussenkalftijd.
Voor het interval afkalven - eerste inseminatie was er geen
verschil in de lengte van het interval in 1995 en 1996 tussen
probleem- en controlebedrijven. Het interval afkalven - eer-
ste inseminatie was in de periode 1997 (p=0,08) tot en met
1999 (p=0,02) verhoogd op probleembedrijven. De gemid-

Tabel 2. Frequenties van significante (p s 0,10) bedrijfsfactoren.

Probleembedrijven

Kenmerk

Controlebedrijven

P-waarde

Ja

Nee

Ja

Nee

Hoogdrachtige vaarzen apart van droge of melkkoeien gehuisvest

59

30

45

47

0,02

Mest wordt afgevoerd (handmatig of automatisch)

70

22

56

31

0,06

Bezettingsgraad vreetplaatsen (%)

107

120

Hygiëne

Stal wordt tenminste ééninaal per jaar schoongemaakt

68

26

55

39

0,04

Ligplaatsen worden teruninste éérunaal per jaar ontsmet

38

55

25

68

0,02

Voeding en rantsoen

Er wordt gemengd gevoerd

37

57

23

71

0,02

Beschimmeld voer wordt niet gevoerd

67

25

50

44

0,01

Rantsoenberekening voor alle diergroepen

43

48

27

67

0,05

OEB gehalte, tweede voordroogkuil

73

53

0,004

Ruw eiwit gehalte, tweede voordroogkuil

186

171

0,03

Ruwe celstof gehalte, tweede voordroogkuil

246

251

0,07

Insleep

Een of meer koeien zijn aangevoerd

64

30

46

48

0,01

Contacten met andere bedrijven door aankoop van runderen

65

29

45

49

0,04

Veehandelaar komt tussen de koeien

51

42

67

27

0,02

Voorlichter komt tussen de koeien

6

88

12

82

0,07

Diergezondheidszorg

Er wordt bedrijfsbegeleiding gedaan

34

60

43

50

0,10

Omgang met medicijnen is correct

(opslag in gesloten kast en gebruik van een handleiding)

77

16

63

30

0,08

Mastitis gevallen worden genoteerd

49

45

60

34

0,10

Na melken worden spenen gedipt/gesprayed

77

17

61

33

0,02

Er wordt één of meer keer per dag tochtigheden gecontroleerd

68

23

54

37

0,02

Klauwen worden preventief verzorg

83

9

74

20

0,02

Diepte van voetbad is meer dan 10 cm

57

24

43

34

0,05

Meer dan 5% van de koeien werden voor melkziekte behandeld

35

59

57

37

0,001

Laboratoriimionderzoek

Onderzoek Leptospirose

32

62

23

71

0,08

Risicohouding, doelstelling en nieuwsgaring

Doelstelling is om in de toekomst een hogere productie per koe te halen

60

19

47

30

0,10

Ik ben voorzichtig met nieuwe ideeën

36

56

62

32

0,01

Met veel risico\'s is een goed inkomen te halen

25

67

34

59

0,10

Liever de dierenarts te vaak, dan te laat

64

29

55

38

0,09

Een van de drie meest voorkomende redenen voor

Afvoer is door ziekte, acute sterfte of anders

33

36

24

51

0,07

-ocr page 251-

2S0

ï E

<u

O) U

E O
-S 9

c O

2QQ-.

175-.

-I-

1996

15Ü

1998

1995

1997

1999

Figuur 4. Gemiddelde tankmelkcelgetal voorde periode 1995-1999.

delde lengte van dit interval was op probleembedrijven acht
tot tien dagen hoger. Bij vergelijking met het Nederlandse ge-
middelde in 1998 (89 dagen) bleek de frequentieverdeling
voor de probleembedrijven gelijk aan het Nederlands gemid-
delde (Figuur 5).

Het interval eerste inseminatie - conceptie was in 1998 op
probleembedrijven 11 dagen langer dan op de controlebe-
drijven (p=0,004). In 1999 was er een trend voor een langer
interval van acht dagen (p=0,07). Er zijn geen gegevens be-
kend over de frequentieverdeling over alle Nederlandse
melkveebedrijven voor dit kengetal.

Het non-return percentage op 56 dagen na eerste inseminatie
was voor beide groepen bedrijven gelijk in 1996, 1997 en
1999. In 1995 lag het non-return percentage op probleembe-
drijven lager en in 1998 was er een trend dat het non-return
percentage op probleembedrijven lager was. Het verschil
tussen beide groepen bedrijven bedroeg dat jaar 3%.
Het percentage verwerpers (op basis van meer dan 100 da-
gen tussen twee inseminaties en op basis van interval con-
ceptie - afkalven minder dan 260 dagen) verschilde niet tus-
sen de beide groepen bedrijven. Op probleembedrijven was
het in 1998 4,6% en op controlebedrijven
3,5% (p=0,23).
De verwachte tussenkalftijd was op de probleembedrijven
vanaf 1996 langer dan op controlebedrijven. Het verschil va-
rieerde tussen zeven (1996) en 13 (1998 en 1999) dagen. In
1998 was op probleembedrijven de verwachte tussenkalftijd
12 dagen langer dan het Nederlandse gemiddelde, terwijl
controlebedrijven een twee dagen kortere verwachte tussen-
kalftijd hadden dan het Nederlandse gemiddelde.

Verklarende variabelen

In dit deel worden alleen de verschillen tussen de bedrijven aan-
gegeven die statistisch significant waren (p < 0,05) of waarbij er
een trend voor een verschil was (0,05 < p < 0,10). De verdeling
van de aan- en afwezigheid van bedrijfsfactoren is weergegeven
in Tabel 2. Een volledig overzicht van alle vergelijkingen tussen
de bedrijven is op te vragen bij de eerste auteur.

Huisvesting

Op probleembedrijven werden hoogdrachtige pinken vaker
apart gehuisvest en de mest vaker afgevoerd. Op probleem-
bedrijven waren meer vreetplaatsen beschikbaar dan op con-
trolebedrijven.

Hygiëne en onderhoud van stallen

Er waren geen verschillen in de hygiënescore zoals afgeno-
men ten tijde van de enquête. Een hoger aantal probleembe-
drijven maakte de stal tenminste één maal per jaar schoon.
Hetzelfde gold voor ontsmetting van de ligplaatsen.

Voedingen rantsoen

Op probleembedrijven werd vaker gemengd gevoerd en be-
schimmeld ruwvoer werd minder vaak aan de runderen ver-
strekt. Tevens werd op probleembedrijven het rantsoen voor
alle diergroepen vaker doorberekend. Er werden geen ver-
schillen gevonden betreffende de ruwvoeranalyses van de
eerste en derde graskuil en de eerste twee snijmaïskuilen.
Echter, in de voordroogkuil die als tweede geoogst was (35
analyses van probleembedrijven en 40 van controlebedrij-

-ocr page 252-

ven) was het eiwitgehalte (OEB en mw eiwit) hoger en het
mwe celstofgehalte lager op de probleembedrijven. Er wa-
ren verder geen verschillen voor wat betreft het energiege-
halte (VEM, FOS en suiker), het bestendig eiwitgehalte
(DVE), het inkuilingsproces (ammoniak en mw as) en het
maaistadium (ruwe celstof en verteerbaarheidscoëfficiënt).

Insleep van dierziekten

Probleembedrijven kochten vaker mnderen en koeien aan.
Probleembedrijven hadden om deze reden tevens meer con-
tacten met andere bedrijven. Er waren geen verschillen met
betrekking tot het aantal mnderen dan wel koeien dat was
aangekocht.

Op probleembedrijven waren minder overige contacten. Met
name de veehandelaar en de voorlichter (bedrijfsvoorlichter)
kwamen minder vaak tussen de koeien. Maatregelen ter
voorkoming van insleep werden op beide groepen bedrijven
in dezelfde mate genomen. Andere mogelijke insleepfacto-
ren als sperma, mest, voer, water en landbouwmaterialen
waren in gelijke mate aanwezig op beide groepen bedrijven.
De bedrijven betrokken van meer dan 20 industrieën meng-
voer en van 42 verschillende industrieën, coöperaties of han-
delaren de mineralenmengsels. De verdeling van de her-
komst van deze mengvoeders en mineralenmengsels was
tussen probleem- en controlegroepen gelijk.

30 r

25

c

(U

20

TD

<U

15

01

ra

10

c

0)

u

(U

5

Q.

0 -

Tabel 3. Variabelen significant in het eindmodel.

Interpretatie van significante factoren

Odds ratio\'

95% Betrouwbaarheidsinterval

Op probleembedrijven waren meer bedrijfscontacten

door de aankoop van runderen

3,53

1,14-10,9

Op probleembedrijven werden minder

koeien behandeld voor melkziekte (<5%)

0,10

0,03-0,39

Op probleembedrijven werd vaker het rantsoen

voor alle diergroepen doorberekend

9,65

2,15-43,3

Op probleembedrijven werden minder vaak

gevallen van mastitis bijgehouden

0,19

0,06-0,58

Op probleembedrijven werd vaker aan

tochtigheidswaameming gedaan (1 of meer keer per dag)

6,93

1,64-29,3

Op probleembedrijven was hoogdrachtig jongvee

vaker apart van droge- of melkkoeien gehuisvest

3,32

1,06-10,4

\' De Odds Ratio (OR) geeft de sterkte van de associatie aan. Indien de OR > 1 betreft het een risicofactor, indien de OR < 1 betreft het een beschermende fac-
tor. Een OR van 2 houdt in dat indien, dit bedrijf een probleembedrijf was, er een 2 maal zo grote kans is dat de betreffende variabele van toepassing was.

Diergezondheidszorg

Probleembedrijven hadden minder vaak bedrijfsbegeleiding
door de dierenarts. Daar stond tegenover dat zij vaker correct
omgingen met medicijnen (bewaring in gesloten kast en het
hebben van een gebmiksaanwijzing).
Op het gebied van uiergezondheid werd op probleembedrij-
ven vaker gedipt of gesprayed na het melken.
Probleembedrijven noteerden minder vaak mastitisgegevens,
maar er waren geen verschillen met de notitie van vmchtbaar-
heidsgegevens. Probleembedrijven besteedden vaker maar
minder lange tijd per keer aan tochtigheidswaameming.
Probleembedrijven deden meer aan preventieve klauwverzor-
ging en het voetbad was vaker dieper. Op beide groepen be-
drijven kwamen stinkpoot en Mortellaro infecties veelvuldig
voor. Op probleembedrijven waren er minder problemen met
melkziekte. De kosten voor diergeneeskundige handelingen
en medicijnen waren niet verschillend tussen de bedrijven.

Laboratoriumonderzoek in 1996-1998

Er was geen verschil in inzendgedrag tussen de groepen be-

>155

Figuur 5. Frequentieverdeling van het interval afkalven-i ste inseminatie in 1998. Het Nederlandse gemiddelde is afkomstig van de CR-Delta jaarstatistieken 1998 (6).

-ocr page 253-

drijven. In de periode van 1996-1998 heeft tweederde deel van
de bedrijven tenminste één inzending ingestuurd naar de GD.
Ongeveer de helft van de bedrijven heeft een monster inge-
stuurd voor verplicht bloedonderzoek bij een verwerpende
koe. Alleen voor
Leptospira hardjo onderzoek waren door
probleembedrijven vaker monsters ingestuurd. Voor de ove-
rige infectieuze aandoeningen waren er geen verschillen. Ook
de resultaten van onderzoek verschilden niet tussen de groe-
pen bedrijven. Op grond van inzendingen waren er dus geen
aanwijzingen dat op probleembedrijven infectieuze ziekten
als bovine vims diarree, paratuberculose, salmonellose of
neosporose vaker voorkwamen.

Risicohouding, doelstelling en nieuwsgaring

Veehouders van probleembedrijven waren minder voorzich-
tig met nieuwe ideeën, maar achtten zichzelf niet meer risi-
cozoekend dan collega\'s. Daamaast gaven ze aan de dieren-
arts liever te vaak dan te laat bij een ziek dier te halen.
Opvallend was dat als reden voor afvoer op probleembedrij-
ven vaker de reden van acute sterfte of ziekte werd aangege-
ven. Er was een trend dat probleembedrijven meer gericht
waren op een hogere productie per koe. Op het gebied van
nieuwsgaring waren er geen verschillen aan te geven tussen
probleem- en controlebedrijven.

Analyse van clusters en multivariate analyse

Na de analyse van variabelen per cluster zijn veertien varia-
belen in de eindanalyse meegenomen in het eindmodel voor
multivariate analyse. Hieruit zijn zes significante variabelen
gekomen. Deze zijn aangegeven in tabel 3. Het eindmodel
had een verandering in deviance van 102,586 naar 52,334
met zes vrijheidsgraden (p<0,0001).

DISCUSSIE

Lange tijd is geprobeerd een relatie te vinden tussen de \'slij-
ter\'-problemen en het BHVl markervaccin dat een onder-
deel was van de verplichte IBR-bestrijding. Verschillende
soorten onderzoeken hebben deze relatie niet aan kunnen to-
nen en dat maakte het noodzakelijk het onderzoek naar \'slij-
ter\'-problemen te verbreden. Een case-controlstudie was
daarvoor één van de opties vanwege de relatief geringe kos-
ten en de korte tijdsperiode nodig voor het onderzoek (9).

Opzet studie

Bij onderzoek naar de situaties op \'slijter\'-bedrijven was het
grootste obstakel de definitie van probleembedrijven. Het
begrip \'slijters\' is veelvuldig gebmikt in de afgelopen jaren
en synoniem geworden voor velerlei verschillende dierge-
zondheidsproblemen. Daarbij gold dat de waargenomen pro-
blemen op \'slijter\'-bedrijven zeer divers en weinig specifiek
waren. De waargenomen problemen waren geen nieuwe
diergezondheidsproblemen. Het betrof gezondheidsproble-
men zoals vermagering, daling van de melkgift, kreupelheid,
vmchtbaarheidsproblemen, mastitis en sterfte (8,13). Het
\'slijter\'-probleem was vooral een combinatie van gezond-
heidsproblemen op koppelniveau.

Er zijn geen studies bekend waarin is geprobeerd de \'slijter\'-
problemen te kwantificeren. Het was dus niet mogelijk aan
de hand van enkele vaststaande criteria een mndveebedrijf
als \'slijter\'-bedrijf aan te duiden. Ook was niets bekend van
de oorza(a)k(en) voor de problemen van \'slijter\'-bedrijven,
met als gevolg dat ook een diagnostische test hierbij niet kon
helpen.

De fractiebedrijven die wilde deelnemen aan dit onderzoek
was betrekkelijk laag (39%). Een lage respons kan leiden tot
een bepaalde zelfselectie onder de probleembedrijven (4). Er
was geen informatie bekend over de situatie van niet deelne-
mende bedrijven, zodat het ook niet mogelijk was een verge-
lijking tussen deelnemende en niet-deelnemende bedrijven te
maken. De vraag in hoeverre de deelnemende bedrijven re-
presentatief waren voor de totale groep van probleembedrij-
ven blijft zodoende onbeantwoord. Een aantal redenen werd
opgegeven om niet aan het onderzoek deel te nemen: 1) niet
opnieuw geconfronteerd willen worden met de ervaren pro-
blemen en de fmstrerende situaties rondom de schuldvraag,
2) geen geloof in de onpartijdigheid van het onderzoek, en 3)
wantrouwend over het gebmik van de verzamelde gegevens.
Bij vergelijking van de probleembedrijven afkomstig van
SIS en van de GD, waren er geen verschillen in de rapportage
over het percentage \'slijters\' (18,4 versus 18,2%) en percen-
tage mnderen voor noodslachting (8,0 versus 8,5%).
De controlebedrijven werden gekozen op basis van een be-
perkt aantal criteria. Dat is gebeurd om beide groepen bedrij-
ven zo gelijk mogelijk te houden op een aantal factoren die
geen oorzakelijk verband met de problematiek hebben en
wel storend zouden kunnen werken in een analyse (9).
Echter, op basis van de l&R-gegevens is het niet gelukt con-
trolebedrijven met gelijke aantallen runderen (totaal aantal
stuks vee) en koeien (mnderen ouder dan twee jaar) te krij-
gen. Dit wordt verklaard door het verschijnsel van \'regressie
naar het gemiddelde\' (2,3,14). De gemiddelde bedrijfs-
grootte van probleembedrijven was met 139 runderen en 81
koeien aanzienlijk groter dan het gemiddelde van de
Nederlandse melkveehouderij (ongeveer 85 mnderen en 53
koeien). Indien vervolgens bedrijven van gelijke grootte
worden gezocht, zullen deze bedrijven altijd richting het ge-
middelde neigen en dus gemiddeld minder runderen hebben.
Hiemit kan worden geconcludeerd dat \'slijter\'-bedrijven ge-
middeld meer runderen hadden dan bedrijven die deze pro-
blemen niet hebben gerapporteerd (10).
Bij de beoordeling van de resultaten van het onderzoek is het
belangrijk om te beseffen dat er heel veel informatie van de
bedrijven is betrokken. Deze gegevens zijn van verschil-
lende oorsprong en moeten zodoende verschillend worden
geïnterpreteerd. De gegevens van het NRS, de l&R en het la-
boratorium van de GD zijn objectieve gegevens. De registra-
tie ervan is gedaan door onafhankelijke organisaties. De ge-
gevens van de enquête zijn op basis van wat de veehouder
heeft aangegeven en zijn zodoende subjectief Deze gege-
vens zijn onderhevig aan verschillende vormen van bias.
Bij retrospectieve studies bestaat het probleem van \'recall\'
bias (5). Dit betekent in dit geval dat de herinnering van deel-
nemers in het onderzoek gekleurd kan zijn door gebeurtenis-
sen die na het ontstaan van de problemen zijn gebeurd.
Veehouders van probleembedrijven zijn door de situatie op
het bedrijf gedwongen (geweest) om bij zichzelf en anderen
ten rade te gaan. Deze veehouders zijn zich bewuster gewor-
den over mogelijke factoren (van insleep of met effect op de
weerstand) in relatie tot de problemen. Voor veehouders op
controlebedrijven geldt, omdat zij geen problemen gehad
hebben, dit niet of in veel mindere mate. Het effect kan zijn
dat bij beantwoording van de vragen veehouders van pro-
bleembedrijven met een andere achtergrond antwoorden dan
veehouders van controlebedrijven.

Daamaast is het mogelijk dat het voor veehouders van pro-
bleembedrijven moeilijk was de vragen te beantwoorden met
de juiste periode voor ogen. Door nieuwsgaring, door infor-
meren bij deskundigen, kan het zijn dat zij een aantal zaken in

-ocr page 254-

de bedrijfsvoering zijn gaan aanpassen en de vragen beant-
woorden met de nieuwe situatie voor ogen. Echter, door de
enquêteurs is uitdrukkelijk en herhaaldelijk gevraagd naar de
situatie op de bedrijven vóór toepassing van het markervac-
cin, maar het is niet mogelijk voor deze fout te corrigeren.
Een ander mogelijke \'bias\' kan zijn dat veehouders van pro-
bleembedrijven geneigd zijn geweest om sociaal acceptabele
antwoorden te geven. Met andere woorden, zij zijn zich be-
wuster geweest bij de beantwoording van de enquête en kun-
nen geantwoord hebben als ware het een quiz over goede be-
drijfsvoering. Deze veronderstelling is met de resultaten van
dit onderzoek niet verder te onderbouwen noch af te wijzen.

Bevindingen van deze studie

Bij vergelijking van de kengetallen was er een aantal opmer-
kelijke bevindingen:

1) het percentage afvoer van runderen en koeien in 1998 was
op probleembedrijven minder dan op controlebedrijven.
Probleembedrijven hielden meer vee aan of konden minder
vee afvoeren. 2) Het gemiddelde tankmelkcelgetal was op
probleembedrijven in 1995 en 1997 hoger dan op controle-
bedrijven en de andere jaren neigde het daartoe. 3) De
vruchtbaarheid op probleembedrijven was minder ten op-
zichte van de controlebedrijven door een verlengde periode
tussen afkalven - eerste inseminatie en periode eerste inse-
minatie - conceptie. In vergelijking met de situatie over alle
Nederiandse bedrijven, was opvallend dat periode afkalven-
eerste inseminatie niet verlengd was maar, afgeleid van de
verwachte tussenkalftijd, de periode eerste inseminatie-con-
ceptie wel duidelijk hoger lag. Hieruit valt te concluderen dat
de probleembedrijven gemiddeld genomen op hetzelfde mo-
ment met insemineren begonnen, maar meer tijd nodig had-
den om koeien drachtig te krijgen.

Probleembedrijven hadden dus al langer problemen met en-
kele aspecten van diergezondheid. Vanwege het lange tijds-
bestek tussen het moment van gegevensverzameling (zomer
1999) en de periode waarover gegevens onderzocht zijn (ja-
nuari tot december 1998), was het niet mogelijk om feitelijke
gegevens aan de dieren (conditie- of klauwscores) of van het
bedrijf (voederwijze, droogstandsmanagement) te noteren.
Daardoor is het niet mogelijk geweest de achtergronden voor
deze bevindingen verder uit te werken. 4) Het gemiddelde
productieniveau van probleembedrijven in dejaren 1995-
1998 was niet hoger dan op controlebedrijven. Ten opzichte
van de Nederlandse situatie in 1998, was de melkproductie
van beide groepen bedrijven iets hoger (6). Dit werd vooral
veroorzaakt doordat er verhoudingsgewijs weinig bedrijven
met een lager dan gemiddelde productie in het onderzoek
meededen. Dit kan worden verklaard doordat bij de selectie
van bedrijven geselecteerd is op een minimum aantal van 20
aanwezige melkkoeien, om zodoende vooral professionele
melkveebedrijven te hebben. Bedrijven met een lage produc-
tie zullen vaker bedrijven zijn waarbij de melkveehouderij
een neventak is. In het gebied van een hogere dan gemid-
delde productie, waren er nauwelijks verschillen met de ge-
middelde Nederlandse situatie. Dit onderzoek geeft dus geen
aanleiding om een onderzoek te doen naar de gevolgen van
een hoge melkproductie op dierziektencomplexen zoals
\'slijters\'.

Het onderzoek naar factoren die de problematiek zouden kun-
nen verklaren leverde weinig significante factoren op. Bij de
opzet van het onderzoek, met name de enquête, waren drie in-
valshoeken genomen. Ten eerste was getracht een beeld van de
bedrijven te krijgen op basis van de bedrijfsopzet (grootte, quo-
tum, andere bedrijfstakken, aantal volledige arbeidskrachten
aanwezig, etc.). Er waren geen verschillen tussen de beide
groepen bedrijven in factoren als quotum per hectare, quotum
per koe, GVE per hectare en GVE per volledige arbeidskracht.
De oorzaak van het ontstaan van de problemen lijkt dan ook
niet in een hogere bedrijfsintensiteit gezocht te moeten worden.
Ten tweede is gekeken naar mogelijke insleepfactoren.
Probleembedrijven hadden meer contacten met andere be-
drijven voordat de problemen werden gesignaleerd. Deze
bevinding onderbouwt het algemene advies om te streven
naar een gesloten bedrijfsvoering (12). Aankoop van runde-
ren geeft een verhoogd risico van insleep van dierziekten.
Ten derde zijn factoren onderzocht die de diergezondheid kun-
nen optimaliseren. Op dit gebied verschilden de twee groepen
bedrijven op meerdere factoren. Een aantal van deze factoren
(1-3) ondersteunt de bevindingen van het onderzoek van de
kengetallen, terwijl andere factoren (4 5) biologisch niet gere-
lateerd kunnen worden aan het probleem van \'slijters\':

1) Er werd vaker per dag aan tochtigheidswaameming ge-
daan op probleembedrijven. Dit hangt mogelijk samen
met het gegeven dat op probleembedrijven de vruchtbaar-
heid minder was.

2) Er werd vaker voor alle diergroepen het rantsoen bere-
kend. Dit kan eveneens samenhangen met het gegeven dat
probleembedrijven al meer problemen hadden. Daamaast
kan het ook worden uitgelegd dat wanneer vaker rant-
soenberekeningen worden gedaan, het rantsoen vaker
wisselt. Frequente rantsoenwisselingen kunnen juist een
negatief effect hebben op melkproductie en de dierge-
zondheid (1,11).

3) De hoogdrachtige vaarzen waren vaker apart gehuisvest
van de droge - en melkkoeien. Dit kan mogelijk verklaard
worden doordat probleembedrijven meer runderen had-
den en dus gemakkelijker een groter aantal diergroepen
kan vormen.

4) Er werd minder frequent voor melkziekte behandeld op
probleembedrijven en

5) op probleembedrijven werden minder vaak gevallen van
klinische mastitis geregistreerd.

Het feit dat op probleembedrijven minder vaak klinische mas-
titisgevallen werden geregistreerd (en er geen verschil was in
de registratie van vmchtbaarheidsgegevens), geeft geen beter
inzicht over de mogelijke oorzaken van probleembedrijven.
Op basis van deze bevindingen zijn geen verdere hypotheses
geformuleerd, omdat er weinig samenhang tussen de factoren
zit en omdat het om subjectief verkregen gegevens gaat.
Bij vergelijking van het rantsoen en de voeding zijn er in de
eindanalyse geen verschillen gevonden in de wijze van voe-
ren (gemengd voeren, beschimmeld mwvoer voeren, wel of
geen beweiding voor het melkvee), wel waren er verschillen
in de gegevens die uit de analyse van de voordroogkuil kwa-
men. In de tweede kuil die in 1998 is gewonnen van de be-
drijven waarvan een analyse aanwezig was op het bedrijf,
was het eiwitgehalte op probleembedrijven groter en het
mwe celstofgehalte lager. Dit geeft aan dat het grasland an-
ders bemest is geweest. Factoren die mogelijk hieraan ten
grondslag liggen hebben te maken met het moment van be-
mesten, hoeveelheid mest, verhouding van kunst- en drijf-
mest en de weersomstandigheden na de bemesting. Hoe deze
factoren vervolgens effect zouden kunnen hebben op de fy-
siologische processen (pensfermentatie, energievoorzie-
ning) in de dieren moet verder worden onderzocht.
Er zijn geen verschillen gevonden tussen beide groepen be-
drijven ten aanzien van doelstelling, risicohouding of manage-

-ocr page 255-

ment rondom diergezondheid. Hoewel niet significant in de
eindanalyse Hjkt het erop dat de dierenarts de probleembedrij-
ven minder vaak routinematig bezocht. Hieruit kan niets over
de causaliteit van de problemen worden afgeleid, maar kan het
onderdeel van de typering van de probleembedrijven zijn.
Aanvullend onderzoek is nodig in de richting van de patho-
fysiologie van de \'slijter\'problematiek om van hieruit hypo-
theses te kunnen vormen omtrent het ontstaan van de proble-
men op melkveebedrijven. In aanvulling daarop is het nodig
om het effect van bedrijfsgrootte op deze problemen te ana-
lyseren. Meer inzicht hierover zou zijn verkregen door een
aantal \'slijter\'bedrijven gedurende een bepaalde periode te
hebben gevolgd en bemonsterd. Echter, anno 2001 zal het
vrijwel onmogelijk zijn om door onderzoek meer helderheid
in de beschreven problematiek te krijgen.

LITERATUUR

1. Bamouin J, Paccard P, Fayet JC, Brochart M, and Bouvier A.
Continuous ecopathological survey. 2. Typology of dairy cattle farms
with high and low fertility. Ann Rech Vet 1983: 253-64.

2. Bland JM, and Altman DG. Statistics notes: matching. Br Med J 1994:
309.

3. Bland JM, and Altman DG. Statistics notes: some examples of regres-
sion towards the mean. Br Med J 1994: 780.

4. Brussaard JH, Brants HA, Bouman M, and Lowik MR. The study pop-
ulation: general characteristics and potential confounding factors. Eur
J Clin Nutr 1997: 51 Suppl 3: 819-24.

5. Chouinard E, and Walter S. Recall bias in case-control studies: an em-
pirical analysis and theoretical framework. J Clin Epidemiol 1995; 48:
245-54.

6. CR Delta, Jaarstatistieken 1998, Amhem, 1999.

7. Fleiss JL. Statistical methods for rates and proportions. John Wiley &
Sons, New York, US A, 1981.

8. Müller KE. Bevindingen bij koeien afkomstig van melkveebedrijven
met slijterproblematiek. Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 184-8.

9. Rothman KJ. Modem epidemiology. Lippincott-Raven Publishers,
1998.

10. Siskind V, Kelly JP, and Kaufman DW. Estimating risks for matching
factors in case-control studies. J Clin Epidemiol 2000; 53: 251-6.

11. Tolley EA, Tess M W, Johnson T, and Pond KR. Effect of switching
diets on growth and digesta kinetics of cattle. J Anim Sci 1988; 2551-
67.

12. Van Schaik G. Risk and economics of disease introduction into dairy
farms. Proefschrift, Landbouw Universiteit Wageningen, 2000.

13. Van Wuijckhuise L, Frankena K, van Oijen MAAJ en Meijer L.
Analyse van gezondheidsklachten na BHVl vaccinatie. Tijdschr
Diergeneeskd 2001; 126: 173-80.

14. Wonnacott TH, and Wonnacott RJ. Introductory statistics, chapter 15-
3, page 490, John Wiley & sons, fifth edition, 1990.

-ocr page 256-

SAMENVATTING

Doel van het beschreven experiment was te onderzoeken
of het mogelijk is met bovine herpesvirus 1 vaccins, af-
komstig van met bovine virus diarree virus (BVDV) ge-
contamineerde charges, kalveren met BVDV te infecte-
ren. Voor dit experiment zijn vier groepen runderen
geïnoculeerd met een achtvoudige dosering van een bo-
vine herpesvirus 1 (BHVl) markervaccin. De eerste
groep, vier kalveren, werd geïnoculeerd met vaccin van
een met BVDV type 2 gecontamineerde charge (positieve
controlegroep). De tweede groep, vier kalveren, werd
geïnoculeerd met vaccin afkomstig uit een charge die
geen BVDV bevatte (negatieve controlegroep). De derde
groep, 39 kalveren, is geïnoculeerd met vaccin afkomstig
van vier verschillende charges waarin BVDV type 1 is
aangetoond (seronegatieve experimentele groep). Bij
aanvang van het experiment waren alle kalveren serolo-
gisch negatief voor BVDV en BHVl en negatief voor
BVDV. De vierde groep, zes pinken, is geïnoculeerd met
vaccin afkomstig van drie verschillende charges waarin
BVDV is aangetoond (seropositieve experimentele
groep). Bij aanvang van het experiment waren deze zes
pinken serologisch positief voor BVDV, serologisch ne-
gatief voor BHVl en negatief voor BVDV. Na de inocula-
tie werden de positieve controlekalveren ernstig ziek en
werd BVDV geïsoleerd uit neussecretum en witte bloed-
cellen. Daarnaast werden bij deze kalveren antistoffen
tegen BVDV en BHVl aangetoond. In de klinische scores
werden geen verschillen waargenomen tussen de experi-
mentele groepen en de negatieve controlegroep. Bij géén
van de kalveren uit de experimentele en negatieve con-
trolegroep werd BVDV geïsoleerd of werden BVDV an-
tistoffen aangetoond. Antistoffen tegen BHVl daarente-
gen werden wel aangetoond. Uit géén van de flesjes
vaccin, van de charges waarin BVDV type 1 was aange-
toond, werd BVDV geïsoleerd.

SUMMARY

Vaccination of calves with contaminated batches of bovine
herpesvirus i vaccines did not result in infection with
bovine virus diarrhoea virus

The aim of the experiment was to study whether bovine herpesvirus 1
(BHVl) marker vaccine batches known to be contaminated with bovine vi-
rus diarrhoea virus (BVDV) type 1 could cause BVD in cattle. For this pur-
pose, four groups of cattle were used. The first group (n=4 calves, the posi-
tive control group), was vaccinated with vaccinefrom a batch contaminated
with BVDV type 2. The second group (n=4 calves, the negative control
group), was vaccinated with vaccine from a batch that was not contami-
nated with BVDV. The third group (n-39 calves), was vaccinated with a
vaccine from one of four batches contaminated with BVDV type I (serone-
gative experimental group). The fourth group (n=6 seropositive heifers),
was vaccinated with a vaccine from one of three batches known to be conta-

\' ID-Lelystad, Edelherrn eg 15, Postbus 65, 8200 AB Lelystad.
\' Corresponderend auteur: A.F.G. Antonis. ID-Lelystad. Afdeling Bedrijfsgebonden
Dierziekten, Postbus 65. 8200 AB Lelystad, tel: 0320-238220, e-mail:
a.f.g.antonis@id. wag-ur. nl

minted with BVDV type 1. AU cattle were vaccinated with an overdose of the
BHVl marker vaccine. At the start of the experiment, all calves except those
from group 4 were seronegative for BVDV and BHVl. The calves from
group 4 had antibodies against B VD V. were B VD V-free and seronegative to
BHVl. After vaccination, the positive control calves became severely ill,
had fever for several days, and BVDV was isolated from nasal swabs and
white blood cells. In addition, these calves produced antibodies to BVDV
and BHVl. No difference in clinical scores of the other groups was seen, nor
were BVDV or BVD V-specific antibody responses detected in these calves;
however, they did produce antibodies against BHVl. The remainder of each
vaccine vial used was examined for the presence of infectious B VD V in cell
culture. From none ofthe vials was BVDV isolated after three subsequent
passages. This indicates that BVDV was either absent from the vials or was
present in too low an amount to be isolated. Thus vaccination of calves with
vaccines from BHVl marker vaccine batches contaminated with BVDV type
1 did not result in BVDV infections.

INLEIDING

In zes charges van een bovine herpesvims 1 (BHVl) marker-
vaccin, gebaseerd op de Difivac stam en in Nederland ver-
markt, werd in 1999 een contaminatie met een kleine hoe-
veelheid bovine vims diarree vims (BVDV) type 1
aangetoond (1). Het testresultaat duidde op slechts kleine
hoeveelheden BVDV. Op advies van een internationaal ex-
pert comité werd in dit experiment, geïnitieerd door de fabri-
kant van het vaccin, onderzocht of het mogelijk is met vac-
cins, afkomstig van deze charges, kalveren met BVDV te
infecteren.

MATERIAAL EN METHODEN
Dieren

Negenenveertig klinisch gezonde, melktypische kalveren
van drie tot zes maanden oud, vrij van antistoffen tegen
BHV 1 en BVDV en vrij van BVDV zijn aangekocht op com-
merciële, BVDV-vrij gecertificeerde mndveebedrijven in
Denemarken. Alle kalveren zijn in Denemarken gecontro-
leerd op afwezigheid van BHVl en BVDV antistoffen en
BVDV. Bij aankomst op ID-Lelystad en drie dagen voor de
inoculatie is bevestigd dat de kalveren seronegatief waren
voor BHVl en BVDV en negatief voor BVDV. De kalveren
zijn
at random verdeeld over drie groepen: vier kalveren
voor de positieve controlegroep, vier kalveren voor de nega-
tieve controlegroep en 39 kalveren voor de seronegatieve ex-
perimentele groep. De twee overgebleven kalveren dienden
als reservedieren. Alle kalveren werden individueel gehuis-
vest in isolatie-units.

Zes pinken, serologisch positief voor BVDV, serologisch
negatief voor BHVl en negatief voor BVDV zijn als vierde
groep (seropositieve experimentele groep) aan de dierproef
toegevoegd. De pinken waren tenminste één jaar oud, om de
aanwezigheid van matemale antistoffen uit te sluiten.
Alle mnderen zijn bij aanvang van het experiment in een
normale conditie, zonder klinische afwijkingen, geschikt be-
vonden voor dit experiment.

Opzet experiment

Na een acclimatisatieperiode van 21 dagen zijn de mnderen

Tijdschr Diergeneeskd 200T, 126:208-11

Vaccinatie van kalveren met bovine herpesvirus i vaccins afkomstig
van gecontamineerde charges leidde niet tot besmetting met bovine
virus diarree virus

A.F.G. Antonis\'\'*,J.T. van OirschoP, M. van Es\'\' en C.J.M. Braschke\'

-ocr page 257-

geïnoculeerd (DO). De negatieve controlekalveren zijn geï-
noculeerd met vaccin afkomstig uit een charge die geen
BVDV bevatte. De positieve controlekalveren zijn geïnocu-
leerd met vaccin uit een met BVDV type 2 gecontamineerde
charge van het BHVl markervaccin. De kalveren en pinken
van de experimentele groepen zijn geïnoculeerd met BHV 1
markervaccin uit charges waarin BVDV type 1 is aange-
toond. Vanaf drie dagen voor de inoculatie (D-3) tot 14 da-
gen na de inoculatie (Dl4) zijn de mnderen dagelijks kli-
nisch semi-kwantitatief gescoord door ervaren
biotechnische medewerkers en rectaal getemperatuurd. De
runderen werden klinisch beoordeeld op het gedrag, de eet-
lust, afwijkingen aan het digestie-apparaat (laesies in de bek,
roodheid rond de tanden en diarree), het respiratie-apparaat
(ademhaling, hoesten, niezen, laesies in de neusholte en
neusuitvloeiing) en op ontstekingen van het oogslijmvlies en
tranenvloed. Bij eventueel waargenomen klinische afwijkin-
gen werd de onderzoeker geïnformeerd.
Monsters voor serologie zijn genomen op D21, D3, D1 en na
inoculatie éénmaal per week. Van Dl tot D14 zijn dagelijks
neusswabs en heparinebloedmonsters genomen voor BVDV
isolatie. Achtentwintig dagen na inoculatie is het experiment
afgesloten. Alle runderen zijn afgevoerd en geslacht.

Vaccins en inocula

Een recent geproduceerde charge is gebmikt voor de nega-
tieve controlekalveren. Een met BVDV type 2 gecontami-
neerde charge is gebruikt voor de positieve controlekalve-
ren. Voor de experimentele groepen zijn vaccins gebmikt
afkomstig van vier verschillende charges waarin BVDV type
1 is aangetoond. De gevriesdroogde vaccins zijn geresuspen-
deerd in de bijgeleverde oplosvloeistof. Alle tien doses vac-
cinflesjes zijn opgelost in 2,5 ml. Alle 50 doses flesjes zijn
opgelost in 12,5 ml. Uit alle opgeloste flesjes is 2 ml geno-
men voor de inoculatie. De achtergebleven 0,5 of 10,5 ml per
flesje is gebruikt voor BVDV-isolatie.
Inoculatie vond binnen tien minuten na resuspenderen plaats.
Vaccins zijn intramusculair toegediend in de halsspieren op
de linkerzijde, een handbreedte vóór het scapula en een hand-
breedte boven de transversaaluitsteeksels van de halswervels.

Virusisolatie en titratie

Nadat alle vaccins afkomstig van eenzelfde charge geresus-
pendeerd waren, is het overgebleven materiaal op ijs ge-
transporteerd naar het laboratorium voor de isolatie van
eventueel aanwezig BVDV. Het BHVl is geneutraliseerd
met een mnder BHVl antisemm. Het mengsel is vervolgens
op cellen aangekweekt. Vimsisolatie is uitgevoerd in drie
opeenvolgende passages om eventueel kleine hoeveelheden
BVDV in het vaccin aan te tonen (6).
In totaal drie flesjes afkomstig van de met type 2 gecontami-
neerde charge zijn in drievoud getitreerd. Daamaast is materi-
aal van twee in augustus 1999 geresuspendeerde vaccins, die
gedurende een jaar bewaard zijn geweest bij -70 getitreerd.
Van alle gebmikte vaccincharges is materiaal gebmikt voor
BHVl titratie. Zes flesjes in totaal zijn geresuspendeerd in 2
ml oplosvloeistof en in drievoud in tienvoudige verdun-
ningsstappen getitreerd. De virastiters werden berekend vol-
gens de methode van Reed en Muench (5).

Evaluatie infectieusiteit

Op Dl en Dl tot en met D14 zijn neusswabs en geheparini-
seerde bloedmonsters genomen voor vimsisolatie. Alle
monsters zijn volgens Standard operating procedures (SOPs)
verwerkt en opgeslagen bij -70 Alle monsters zijn na af-
loop van het dierexperiment getest.

Bloedmonsters voor serologie zijn genomen op dag -21,-3, -
1, 7, 14, 21 en 28 uit de vena jugularis met behulp van de
Vacutainer®. De sera werden verwerkt volgens SOPs en zijn
opgeslagen en bewaard bij -20 Na afloop van het dierex-
periment zijn alle sera getest op antistoffen tegen BVDV in
de NS3-ELISA (4) en in twee vimsneutralisatietesten met de
BVDV stammen NADL en VB39I4. In de NS3 ELISA zijn
alle monsters 1:5 verdund en getest. Indien positief, zijn ver-
dere verdunningen van 1:2 gemaakt. Titers <5 zijn als nega-
tief genoteerd. Indien positief is de hoogste positieve ver-
dunning genoteerd. In de virusneutralisatietest (VNT) zijn
verdunningen van 1:2 in duplo gebmikt en getest.
Seronegatieve monsters zijn genoteerd als <2. De hoogste
verdunningen waarbij het cytopathogeen effect voor 50%
werd geneutraliseerd werden gemiddeld en genoteerd. Alle
sera zijn tevens getest op antistoffen tegen BHVl in de gB
ELISA (3), waarbij als afkapwaarde een blocking percen-
tage van 40% werd gebruikt.

RESULTATEN
BVDV uit vaccins

Er werd geen BVDV geïsoleerd in drie opeenvolgende pas-
sages uit de vaccins waarmee de experimentele groepen en
de negatieve controlegroep geïnoculeerd waren. BVDV
werd wel geïsoleerd uit het vaccin gebmikt voor de positieve
controlegroep. Het BVDV uit de met de type 2 gecontami-
neerde charge is getitreerd. De titers kwamen overeen met de
in 1999 bepaalde titers (Tabel 1).

Klinische monitoring

Gedurende de acclimatisatieperiode zijn geen noemens-
waardige afwijkingen op de algehele gezondheid van de pin-
ken geconstateerd. In de acclimatisatieperiode is bij 42 van
de 49 kalveren van respiratoire en/of digestieproblemen mel-
ding gemaakt. Waargenomen klinische afwijkingen waren
neusuitvloeiing, snelle ademhaling, abdominale ademha-
ling, hoesten en diarree. Indien de lichaamstemperatuur ver-
hoogd was of de symptomen emstig van aard, werd een anti-
bacteriële en/of antiflogistische therapie ingesteld. Op D3
zijn alle dieren klinisch onderzocht. Een dier is vanwege di-
gestie afwijkingen vervangen door een reservedier. Alle an-
dere dieren werden klinisch gezond verklaard en daarmee
geschikt voor het experiment.

De klinische scores (D3 tot Dl4) zijn per dag opgeteld. De
gemiddelde klinische scores per groep zijn vergeleken
(Figuur I). Er zijn geen verschillen waargenomen tussen de
experimentele groepen en de negatieve controlegroep. Bij
alle positieve controlekalveren werden klinische afwijkin-
gen waargenomen. Alleen de positieve controlegroep had
gedurende een aantal dagen koorts (Figuur 2).

Virusisolaties

Er is geen BVDV geïsoleerd uit het neussecreet en de witte
bloedcellen (WBC) bij de kalveren uit de negatieve controle-
groep en de mnderen uit de experimentele groepen. Er is wel
BVDV geïsoleerd uit neussecreet en WBC van alle positieve
controlekalveren gedurende een aantal opeenvolgende da-
gen beginnend op dag 5.

Serologie

Alle kalveren, met uitzondering van de positieve controle-
kalveren, zijn seronegatief gebleven in alle testen. Alle posi-

-ocr page 258-

Tabel i. BVDV-titraties in vaccins van de met BVDV type 2 gecontamineerde charge van het BHVl markervaccin.

Augustus 1999

Juli 2C00

Augustus 20CC

Flesje

Monster

Logic/

Gem. logic/

Flesje

Monster

Logic/ Gem. logic/

Flesje

Monster

Log 10/ Gem. log IC/

flesje

flesje

flesje

flesje

flesje

flesje

99011

A

3,9

0CC5

A

3,27

99C52,3

A

3,57

B

4,2

4,C5

B

3,17

99C53

B

3,9

9902

A

3,5

C

3,1 3,18

99053

C

3,57

3,68

B

3,8

3,64

99C13

A

4,31

9903

A

3,8

99C13

B

4,31

B

3,7

3,75

99CI3

C

3,7

4,1

9904

A

3,6

CCC9

A

3,67

B

3,7

3,64

CC09

B

3,77

9905

A

3,7

C009

C

3,67

3,7

B

3,6

3,64

0C06

A

3,44

CC06

B

4,C6

CC06

C

4,2

3,9

^ Flesjes is circa een jaar bewaard bij -yo^C.

^ Alle vaccins waarvan het nummer begint met 99 zijn afkomstig van een met BVDV type 2 gecontamineerde charge en ontvangen in 1999.
3 Alle vaccins waarvan het nummer begint met 00 zijn afkomstig van een met BVDV type 2 gecontamineerde charge en ontvangen in 2000.

Figuur 2. Gemiddelde rectale temperatuur per groep.

tieve controlekalveren hebben antistoffen ontwikkeld tegen
BVDV variërend van 40 tot 160 op D28 in de NS3-EL1SA,
van 12 tot 64 op D28 in de VNT met NADL en 12 tot 128 in
de VNT metVB3914.

Alle runderen zijn na inoculatie seropositief geworden tegen
BHVl indegB-ELlSA.

DISCUSSIE EN CONCLUSIE

In dit experiment is onderzocht of het mogelijk was met vac-
cin afkomstig van vier verschillende charges, waarin BVDV
type 1 is aangetoond, runderen te infecteren. De inoculatie
met het BVDV type 2 gecontamineerde BHVl markervaccin
resulteerde in een infectie met ernstige klinische verschijnse-
len. Bij deze kalveren bleek het mogelijk BVDV gedurende
een aantal achtereenvolgende dagen te isoleren uit de neus-
swabs en de WBC. Alle positieve controledieren ontwikkel-
den antistoffen tegen BVDV. Bij de negatieve controlekal-
veren werd geen virus geïsoleerd uit de neusswabs en de
WBC en bij deze dieren zijn geen antistoffen aangetoond te-
gen BVDV. Zowel de positieve als de negatieve controle
kalveren hebben antistoffen geproduceerd tegen BHVl. Het
experiment is hiermee dus valide.

Bij geen van de dieren uit de experimentele groepen is een
infectie met BVDV aangetoond. Het is niet gelukt BVDV te
isoleren uit het neussecreet of de WBC. Er zijn geen antistof-
fen tegen BVDV aangetoond bij de seronegatieve experi-
mentele groep kalveren. Er is geen viervoudige titerstijging
waargenomen bij de seropositieve experimentele groep pin-
ken. Er zijn in dit experiment virusneutralisatie testen uitge-
voerd met twee verschillende BVDV-stammen. De stan-
daard test wordt uitgevoerd met BVDV-stam NADL, die
behoort tot type la. Aangezien de uit het vaccin geïsoleerde
stammen tot type Ib behoren en na infectie de hoogste titers
antistoffen tegen het meest variabele gebied van BVDV ge-
richt zijn, is besloten tevens een VNT met de uit het vaccin
geïsoleerde stam (VB3914) uit te voeren. In de VNT met de
homologe stam zouden mogelijk lage antistoftiters aange-
toond kunnen worden, die nog niet aantoonbaar zijn in de

-ocr page 259-

standaard VNT.

Vaccinatie met een vaccin uit charges waarin BVDV type 1
werd aangetoond, heeft dus niet tot een BVDV-infectie ge-
leid. Het is mogelijk dat de hoeveelheid infectieuze deeltjes
BVDV onvoldoende waren om een dier te infecteren. Het is
niet bekend hoeveel infectieuze deeltjes BVDV nodig zijn
om bij intramusculaire injectie tot een infectie te leiden. Alle
runderen uit de experimentele groepen zijn seropositief voor
BHVl geworden waaruit geconcludeerd mag worden dat de
vaccinatie goed is verlopen. In het rapport \'Answers to LTO
and Bayer questions on a possible causal relationship be-
tween vaccination with a BVDV-contaminated vaccine and
reported problems\' (7) wordt aangegeven dat de vaccins uit
dezelfde charges, waarin BVDV was aangetoond, minimaal
20 deeltjes infectieus BVDV per dosis zouden bevatten.
Cook
et al. (2) rapporteren dat bij subcutane inoculatie van
40 TCID50 BVDV in verdund serum alle vaarzen serocon-
verteerden. Een mogelijke verklaring voor het verschil zou
kunnen zijn dat in dit experiment tevens een grote hoeveel-
heid BHVl werd toegediend en de inoculatie intramusculair
geschiedde. Ook via celkweek hebben we geen BVDV in de
gebruikte inocula kunnen aantonen. De geteste 500 microli-
ter zou mogelijk onvoldoende infectieus BVDV kunnen be-
vatten om te kunnen aantonen in drie passages. Een andere
mogelijke verklaring voor het feit dat in drie opeenvolgende
passages geen BVDV werd geïsoleerd zou kunnen zijn dat
de BVDV contaminant in meer of mindere mate is geïnacti-
veerd in de periode dat het vaccin bewaard is geweest. Echter
de BVDV titers van de met BVDV type 2 gecontamineerde
vaccins zijn niet afgenomen in een jaar tijd. Derhalve zou
met een achtvoudige vaccindosis voor een eventuele afname
in de infectieusiteit van de BVDV contaminant voldoende
moeten zijn gecompenseerd. Samenvattend moeten we dus
concluderen dat vaccinatie van een groep gevoelige dieren
met vaccin afkomstig uit charges waarin BVDV type 1 werd
aangetoond niet in een BVDV infectie heeft geresulteerd bij
deze kalveren.

LITERATUUR

1. Braschke CJM, Paal HA en Weerdmeester K. Detectie van bovine virus
diarree virus in een levend bovine herpesvirus 1 markervaccin. Tijdschr
Diergeneeskd 2001; 126: 189-90.

2. Cook LG, Littlejohns IR, and Jessep TM. Induced sero-conversion in
heifers with a field-strain of bovine pestivirus - a comparison of methods
and doses. Aust Vet J 1990; 67: 393-5.

3. Kramps JA, Magdalena J, Quak S, Weerdmeester K, Kaashoek MJ,
Maris-Veldhuis MA, Rijsewijk FA, Keil G, and Oirschot JT van. A
simple, specific and highly sensitive blocking enzyme-linked immuno-
sorbent assay for detection of antibodies to bovine herpesvirus 1. J Clin
Microbiol 1994; 32:2175-81.

4. Kramps JA, Maanen C van. Wetering G van de, Stienstra G, Quak S,
Brinkhof J, Ronsholt L, and Nylin B. A simple, rapid and reliable en-
zyme-linked immunosorbent assay for the detection of bovine virus diar-
rhoea virus (BVDV) specific antibodies in cattle serum, plasma and bulk
milk. Vet Microbiol 1999; 64: 135-44.

5. Reed LJ, and Muench HA. A simple method of estimating fifty percent
endpoints. AmJHyg 1938; 27:493.

6. Smith GH, Collins JK, Carman J, and Minocha HC. Detection of cyto-
pathic and non-cytopathic bovine viral diarrhea virus in cell culture with
an immunoperoxidase test. J Vir Meth 1988; 19:319-24.

7. Van Oirschot JT, Brownlie J, Moennig V, Thiry E, and Wolf G. Answers
to LTO and Bayer questions on a possible causal relationship between
vaccination with a BVDV-contaminated vaccine and reported problems.
1999. Lelystad. http://www.gd-dieren.nl/pages/ft\'ames
/iTrundzk.htm

De effecten van vaccinatie met een hoge dosis BHVi-markervaccin in
hoogdrachtige vaarzen: virologische, bacteriologische, immunologische
en pathologische bevindingen

Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 211-7

C.J.M. Bruschke^E.M. Kamp\\ W. Boersma\\ N. Stockhofe-Zurwiedeni en A. Bouma^

SAMENVATTING

In deze proef zijn de effecten van BHVl vaccinatie bij
hoogdrachtige vaarzen bepaald in verband met een mo-
gelijke relatie tussen de slijterproblematiek op rund-
veebedrijven en de verplichte vaccinatie tegen BHVl met
het Bayovac-marker vivum vaccin.
Twintig hoogdrachtige vaarzen werden willekeurig
verdeeld in een controlegroep en een vaccingroep. De
vac-cingroep werd tweemaal gevaccineerd met een 50-
voudige dosis BHVl vaccin; de controlegroep werd met
een vergelijkbare hoeveelheid van het oplosmiddel van

\' Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid. Postbus 65 8200 AB Lelystad.
\' Corresponderend auteur: C.J.M. Bruschke. tel.: 0320-238238, fax: 0320-238050,
e-mail: c.j.m.bruschke@id. wag-ur.nl.

het vaccin geïnjecteerd. Het onderzoek is dubbelblind
uitgevoerd. Na vaccinatie zijn de dieren gedurende negen
weken dagelijks klinisch onderzocht en zijn wekelijks
conditie-scores vastgesteld. Daarnaast zijn wekelijks
monsters genomen waaronder bloed, melk, en faeces-
monsters voor laboratoriumonderzoek. Dit bestond uit
een virologisch, immunologisch en bacteriologisch on-
derzoek. Op het einde van de proef zijn de dieren
geëuthanaseerd en is pathologisch, virologisch en bacte-
riologisch onderzoek verricht.

Er zijn geen verschillen aangetoond na vaccinatie tussen
de vaccingroep en de controlegroep. Er zijn geen nieuwe
infecties opgetreden en er zijn geen aanwijzingen voor
immuunsuppressie na vaccinatie. In deze proef is geen
verband aangetoond tussen BHVl vaccinatie en het
ontstaan van de slijterproblematiek.

-ocr page 260-

SUMMARY

The effects of vaccination of pregnant heifers with a high dose
of bovine herpesvirus 1 (BHVl) marker vaccine: virological,
bacteriological, immunological, and pathological flndings

To determine a possible relationship between the compulsory vaccination
against bovine herpesvirus I (BHVl) and cattle wasting disease, the effects of
BHVl vaccination on heifers were investigated. Twenty heifers in the third tri-
mester ofpregnancy were randomly allotted to a vaccine and a control group.
The vaccine group was vaccinated twice with a 50-fold dose of BHVl vaccine
and the control group was inoculated with the diluent. The experiment was
performed double blind. After vaccination, the cows were examined daily and
condition scores were determined weekly. Blood, milk, and faeces samples
were collected weekly for virological, bacteriological, and immunological in-
vestigation. The heifers were euthanized either 9 or 13 weeks after thefirst in-
oculation and pathological, virological, and bacteriological examination was
performed.

No differences were detected between the vaccine group and the control
group. No concurrent infections were detected and there were no indica-
tions of immunosuppression after vaccination. No relationship between the
BHVl vaccination and wasting disease in cattle was detected.

INLEIDING

Begin 1999 is er een batch bovine herpes vims 1 (BHVl)
vaccin op de markt verschenen die gecontamineerd was met
een bovine vims diarree vims (BVDV) type 2-stam (2). Deze
BVDV stam was zeer virulent en de koeien die met deze
batch gevaccineerd waren kregen emstige verschijnselen
van een BVDV infectie. Dit was de eerste keer dat deze kli-
nische verschijnselen ten gevolge van BVDV type 2 in
Nederland waargenomen werden (9). Op 11 van de 12 bedri-
jven die gevaccineerd waren met deze batch zijn alle dieren
afgevoerd en de schade is vergoed.

Naar aanleiding van deze contaminatie zijn ook andere
batches BHVl vaccin onderzocht op een mogelijke BVDV
contaminatie. Bij dit onderzoek bleken nog zes batches die in
Nederland gebmikt waren, gecontamineerd te zijn met een
zeer kleine hoeveelheid BVDV type 1. Dit type BVDV komt
regulier in Nederland voor en geeft meestal geen of milde
klinische verschijnselen (1). Begin febmari 1999, terwijl ID-
Lelystad bezig was met het onderzoek naar de vaccinconta-
minaties, werden de eerste slijterproblemen in het veld
waargenomen. De slijterproblemen werden door dierenart-
sen van de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) gemeld die
de desbetreffende bedrijven hadden bezocht. Zij namen in
eerste instantie vooral problemen waar bij dieren kort na kal-
ven. Deze dieren vermagerden sterk, kwamen niet op de
melk, en kregen allerhande klachten zoals mastitis, klauw-
problemen, lebmaagdislocaties, longproblemen en abcessen.
De klinische problemen in combinatie met het pathologisch
onderzoek van de lymfeknopen van enkele dieren op de
Faculteit der Diergeneeskunde (FD) leidde tot de hypothese
dat een verminderde weerstand ten grondslag zou liggen aan
deze problemen (8).

Er zijn allerlei oorzaken zoals virale infecties, voeding en
milieufactoren die kunnen leiden tot een verminderde weer-
stand van de dieren. In de literatuur wordt immuunsup-
pressie ten gevolge van infecties met onder andere BVDV,
BHVl, bovine immunodeficiency vims (BIV) en bovine
leukose vims (BLV) beschreven (1,6,12,14). Infecties met
nieuwe, dat wil zeggen op dit moment nog niet bekende,
vimssen zouden ook tot immuunsuppressie kunnen leiden.
Op basis van de problematiek in het veld en het onderzoek
bij de GD en de FD kon geen duidelijke relatie tussen de ver-
plichte BHVl vaccinatie en de slijterproblemen aangetoond
worden. Een relatie kon echter ook niet uitgesloten worden.
Er is om die reden besloten nader onderzoek te doen naar de
gevolgen van vaccinatie met het BHVl vaccin. Hiertoe zijn
twee onderzoeksprojecten gestart. Ten eerste het kengetal-
lenonderzoek (3,4) en ten tweede het hier beschreven onder-
zoek, waarbij hoogdrachtige dieren gevaccineerd zijn met
een hoge dosis van het BHVl vaccin.
Doel van het experiment was het effect te onderzoeken van
vaccinatie met een 50-voudige dosis van het Bayovac-
marker vivum vaccin (Bayer, Monheim, Duitsland) op de
gezondheidsparameters van vaarzen post-partum.
Het slijterbeeld leek op basis van tot dan toe bekende klini-
sche en pathologische gegevens veroorzaakt te worden door
een verminderde afweer. De werkhypothese van dit experi-
ment was: contaminatie van het Bayovac-marker vivum vac-
cin met BVDV of een andere contaminant leidt tot immuun-
suppressie.

MATERIAAL EN METHODEN
Proefdieren

De proefdieren waren 20 hoogdrachtige vaarzen afkomstig
van BHVl-vrije niet-gevaccineerde bedrijven. De vaarzen
waren op ID-Lelystad gehuisvest in twee groepen van tien
dieren in stands in de isolatie-units aan de Edelhertweg (stal
45-11 en stal 45-12). De voeding van de vaarzen bestond uit
grasbrok en krachtvoer.

Vanwege een mogelijke relatie mssen de BVDV contami-
natie van het BHVl vaccin en de slijterproblematiek moesten
de vaarzen ook vrij zijn van BVDV en van antilichamen tegen
BVDV. Verdere inclusiecriteria waren: vrij zijn van
Salmonella sp. en seronegatief zijn voor BLV en BIV.
De vaarzen zijn geselecteerd door de GD. Voor de start van
de proef is van alle dieren de serologische status bepaald ten
aanzien van bovine respiratory syncitial vims (BRSV), para-
influenza 3-vims (PI3),
Chlamydia en Q-fever.

Inoculum

Het te testen vaccin was een mengvaccin dat bestond uit de
batches van het Bayovac-marker vivum vaccin die in
Nederland zijn gebmikt tussen november 1998 en februari
1999. De batches die BVDV positiefbevonden zijn, zijn in
dit mengvaccin meegenomen. Dit betekent dat het mengvac-
cin mogelijk een kleine hoeveelheid BVDV bevatte. De
vaarzen van de vaccingroep zijn twee maal met een 50-
voudige dosis van het mengvaccin gevaccineerd. Dit

Tabel i. Samenstelling van het mengvaccin dat gebruikt is bij inoculatie op i-ii-

1999.

Batch

Dosis

Aantal (gebruikt)

Totaal

TW3391

10

10

TX3607

10

10

TX3548

10

10

TX3550

10

10

TY3672

10

10

VB3914

10

20

VB3915

10

10

VB4046

50

100

VB4055

50

50

VC4068

50

100

VD4327

10

10

VD4329

10

10

VD4331

50

2

100

VE4369

50

1

50

Totaal

500 dosis

-ocr page 261-

betekent dat een totaal van 500 doses voor tien dieren
noodzakelijk was. De controlegroep is geïnoculeerd met het
in het vaccin gebruikte oplosmiddel.

De samenstelling van het eerste mengvaccin staat vermeld in
tabel 1.

Het gevriesdroogde materiaal is opgelost in 22 ml diluent
chargenummer 990306.

Tien spuiten van 2 ml zijn gevuld met vaccin en voor de con-
trolegroep zijn 10 spuiten gevuld met 2 ml diluent char-
genummer 990306.

De samenstelling van het tweede mengvaccin staat in tabel 2.
Het vaccin is in 24 ml diluent chargenummer 990306
opgelost en hiervan zijn tien spuiten van 2 ml gevuld voor de
vaccingroep. Tevens zijn tien spuiten van 2 ml met diluent
gevuld voor de controlegroep. Het restant van het vaccin is
gebruikt voor een BHVl titratie en een BVDV-isolatie.
De vaccinbatches waarvan aangetoond is dat zij gecontami-
neerd waren met BVDV zijn de volgende: TW3391,
TV3294, TX3607, VB3914, VB3915, VB4046 (5). In het
eerste mengvaccin waren in totaal 150 dosis (30%) van de
500 dosis BVDV gecontamineerd. In het tweede mengvac-
cin waren 120 (23%) van de 520 dosis BVDV gecontami-
neerd.

Proefopzet

Na aankomst zijn de vaarzen at random over twee groepen
verdeeld (45-11 en 45-12). Op dat moment is van alle
dieren bloed afgenomen ter bepaling van de nulwaarden
van de verschillende testen. Tevens is van alle dieren rec-
taal een mestmonster genomen voor bacteriologisch onder-
zoek op
Salmonella sp..

Op 1 en 21 november 1999 zijn de dieren geïnoculeerd. Het
onderzoek is dubbelblind uitgevoerd. Dit betekent dat geen
van de betrokken onderzoekers wist welke groep de vaccin-
groep en welke groep de controlegroep was. Tevens wisten
diegenen die de laboratoriumbepalingen uitvoerden niet
hoe de dieren over beide groepen verdeeld waren. Nadat
alle resultaten gegenereerd waren, werd de sleutel vri-
jgegeven. Groep 45-11 was de gevaccineerde groep en
groep 45-12 was de controlegroep.

Op de dag van vaccinatie en wekelijks daama is bloed
afgenomen. Tevens zijn wekelijks mestmonsters genomen
ter controle op
Salmonella sp.. Dagelijks zijn klinische
scores verricht door ervaren stalpersoneel. Wekelijks zijn
conditie scores op een schaal van 1 tot 5 verricht door de
verantwoordelijke dierenarts (7). Na het kalven zijn weke-
lijks van alle kwartieren melkmonsters verzameld voor
bacteriologisch onderzoek. Volgens het protocol zouden
zes weken na de tweede inoculatie uit beide groepen drie
dieren geëuthanaseerd worden. In groep 45-12 is één dier
na het kalven niet meer overeind gekomen. Dit dier is om
die reden geëuthanaseerd. Dientengevolge zijn op negen
weken na de eerste inoculatie drie dieren uit groep 45-11 en
twee dieren uit groep 45-12 geëuthanaseerd. Van alle
dieren is uitgebreid pathologisch, bacteriologisch en virol-
ogisch onderzoek gedaan. Drie maanden na het kalven van
de laatste vaars zijn de resterende dieren geëuthanaseerd.
In het protocol was opgenomen dat dieren die klachten
zouden ontwikkelen enige tijd gevolgd zouden worden om
de immunologische effecten goed te kunnen bestu-deren
waama zij geëuthanaseerd zouden worden voor patholo-
gisch anatomisch onderzoek. Geen van de dieren on-
twikkelde tijdens de proef dusdanige ziekteverschijnselen
dat euthanasie nodig en zinvol werd geacht.

Tabel 2. Samenstelling van het mengvaccin dat is gebruikt bij inoculatie op 2i-n-

1999.

Batch

Dosis

Aantal

Totaal

VB4046

50

1

50

VE4369

50

2

100

VC4068

50

1

50

VB4055

50

2

100

VD4331

50

1

50

VB3915

10

2

20

TX3550

10

1

10

TX3548

10

2

20

TW3391

10

2

20

VB3914

10

1

10

VD4327

10

2

20

VD4329

10

2

20

TX3607

10

2

20

TY3672

10

2

20

TX3550

10

1

10

Totaal

520 dosis

Laboratoriumonderzoek

Gedurende de proef werden bij de vaarzen immunologisch,
bacteriologisch en virologisch onderzoek gedaan. Alle
testen zijn uitgevoerd volgens de standard operating proce-
dures (SOP\'s) van IS09001 en gedetailleerde informatie
over de testprocedures is verkrijgbaar bij de auteurs.
Gedurende de gehele periode vond een wekelijkse immuno-
logische monitoring plaats. Het immunologisch onderzoek
dat is uitgevoerd was gericht op aantonen van potentiele im-
muunsuppressie. Aanwijzingen voor immuunsuppressie
kunnen worden afgeleid uit de resultaten van een lymfocyten
proliferatie test (LPT). In deze test wordt gemeten in hoe-
verre perifere bloedlymfocyten (PBLs) gaan delen in reactie
op aangeboden stimuli. Hiertoe worden PBLs uit het bloed
geïsoleerd en in het laboratorium gekweekt in aanwezigheid
van virale antigenen of andere stimuli (mitogenen). Met vi-
rale antigenen kan zowel een specifieke respons als een
memory respons worden aangetoond. Met de mitogenen
wordt een aspecifieke respons aangetoond welke een maat is
voor de vitaliteit van de PBLs. De delingscapaciteit wordt
gemeten door de inbouw van radioactiviteit in het DNA van
de PBLs en de mate van inbouw te relateren aan een controle
waaraan geen stimuli zijn toegevoegd. Voor het meten van
de respons van het specifieke immuunsysteem werden de
antigenen BHVl en PI3 gebmikt en voor de aspecifieke res-
pons werd Concanavaline A (ConA) gebmikt, een aspecifiek
mitogeen.

Ten behoeve van bacteriologisch onderzoek is serologisch
onderzoek uitgevoerd op Q-fever en
Chlamydia. Voor Q-
fever werd een standaard complement bindingsreactie
(CBR) zoals voorgeschreven door de OIE uitgevoerd en
voor
Chlamydia een niet specifieke indirecte ELISA. Tevens
is bacteriologisch onderzoek verricht van alle verzamelde
mest- en melkmonsters.

Er is serologisch onderzoek uitgevoerd op antistoffen tegen de
volgende vimssen: BHVl, BVDV, BLV, BIV, PI3 en BRSV.
Dit zijn uit de literatuur bekende virale infecties die mogelijk
een rol spelen bij verminderde afweer en waar testen voor an-
tilichaam detectie beschikbaar zijn. Voor BHVl, BVDV BLV
en BRSV zijn ELISA\'s gebuikt. Antilichamen tegen PI3 wer-
den bepaald in een haemagglutinatie remmingtest en an-
tilichamen tegen BIV zijn bij het Central Veterinary

-ocr page 262-

Laboratory (UK) in een ELISA bepaald (11).
Bij sectie werd pathologisch-anatomisch onderzoek verricht
en werd materiaal verzameld van een reeks van organen voor
histologisch onderzoek. Hierbij werd met name aandacht
besteed aan mogelijke veranderingen in het immuunsy-
steem. Tevens werden organen en weefsels verzameld voor
virologisch onderzoek. Deze weefsels werden getest op
BVDV en op andere virussen volgens de SOPs voor het on-
derzoek naar nieuwe virussen.

Om de hoeveelheid BHVl virus in het vaccin te bepalen is
een virustitratie gedaan: er zijn drie reeksen tienvoudige ver-
dunningen gemaakt van 10-1 tot en met 10-11. Van deze
reeksen zijn vervolgens alle verdunningen in achtvoud
samengebracht met cellen en gekweekt. Na bepaling van de
virus positieve verdunningen kan volgens de methode Reed
& Muench (10) een vimstiter berekend worden.
De isolatie van eventueel aanwezig BVDV uit het Bayovac
vivum vaccin is als volgt gedaan: het BHVl vims in het vac-
cin is geneutraliseerd met behulp van een mndersemm met
anti BHVl antistoffen. Het mengsel is vervolgens op mnder-
trachea cellen aangekweekt en nog twee maal gepasseerd om
eventueel aanwezig BVDV aan te kunnen tonen. Bij een pas-
sage, worden de isolaten ingevroren bij -70°C en weer ont-
dooid. Dit materiaal wordt weer op mndertracheacellen
aangekweekt. Door deze stap nog een keer te herhalen, was
het mogelijk om het vims te vermeerderen en zo hele kleine
hoeveelheden vims aan te tonen.

De calcium- en magnesiumwaarden in het bloed werden
gedurende de eerste negen weken wekelijks door de GD
bepaald.

RESULTATEN
Vaccins

Op het restant van het tweede gebmikte mengvaccin is een
BHVl titratie uitgevoerd. Het vaccin bevatte lO\'^ ^TClDjo/
ml. Iedere vaars werd gevaccineerd met 2 ml wat een totale
dosering van 10\'\'-3
TCID5o per vaars geeft. De normale
dosering (2 ml van een voorgeschreven verdunning) zou
lO^^TCIDsoperdier zijn.

Tabel 3. Wekelijkse conditiescores van de twee groepen vaarzen gemeten op een schaal van 1-5.

Groep Diemr

11-11

18-11

25-11

02-12

09-12

16-12

Datum
23-12

30-12

06-01

13-01

20-01

27-01

03-02

10-02

Vaccingroep

2771

3

3

3-

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2772

3-

3-

3-

2,5

2

2,5

2,5

2,5

2,5

2773

3,5

3,5

3,5

3,5

3

3

3

3

3

2774

2,5

2,5

2,5

2

2

24-

3-

2,5

2,5

2,5

2

2

2

1,5

2775

2-

2-

1,5

1,5

1

1-1-

H

1

1,5

1,5

1,5

1,5

1,5

1,5

2776

3

3

3

3-

2

2-

1,5

2

2

2

2

1,5

2

1,5

2777

3

3

3

3

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2

1,5

1,5

1,5

1,5

2779

3

3

2,5

2,5

2

2

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2780

3,5

3,5

3

3-

3-

3-

3-

2,5

2,5

2,5

2,2

2,5

2,5

2,5

2792

3

3

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

3

2,5

2

2

2

2

Controlegroep

2782

2

2

2

1,5

1,5

1,5

1,5

1

1

1

1

1

1

1

2783

2,5

2,5

2

2

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2

2

2784

3,5

3,5

2785

3,5

3,5

3,5

3

3

2,5

2,5

2,5

2-

2786

3

3

3,5

3

3

3

3

3-

3-

2787

2,5

2,5

3-

3-

3-

2,5

2,5

3-

3-

2,5

2,5

2

2

2

2788

3

3

3,5

3

3

2,5

2,5

2

2

2

2

2

2

2

2789

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2

2

2

2

2

2

2790

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2,5

2

2

2

2

2

1,5

1,5

1,5

2793

2,5

2,5

2,5

2

2

2

2

Er is geen BVDV geïsoleerd uit het vaccin na twee passages.
Klinische scores

Na de eerste vaccinatie had de vaccingroep gedurende drie
dagen een lichte temperatuurverhoging (39°C). De controle-
groep had op de dag van vaccinatie een gemiddelde tempe-
ratuur van 39, PC maar liet na vaccinatie geen temperatu-
urverhoging zien. De voeding van dieren bestond uit
grasbrok en krachtvoer. Dit had tot gevolg dat de dieren de
eerste weken slecht aten, waarbij ze met name de grasbrok
niet goed opnamen. Na enkele weken verbeterde dit aanzien-
lijk en aten de dieren hun volledige rantsoen.
In beide groepen kwamen problemen zoals witvuilen, leb-
maagdislocatie, dikke poten en mastitis voor. Dieren met
ziekteverschijnselen werden normaal behandeld.

Conditiescores en melkproductie

De conditiescores bij aanvang van de proef lagen tussen 2 en
3,5 punten. De meeste dieren waren in redelijk tot goede
conditie. Na kalven liep bij alle dieren in beide groepen de
conditie vrij snel temg. De eindconditiescores lagen tussen
de I en 2,5 punten (Tabel 3).

In beide groepen was de melkproduktie onvoldoende. De
melkgift werd eenmaal per week gemeten en varieerde van 6
tot 25 liter per dag (Tabel 4).

Leucocyten

Bij twee dieren uit de vaccingroep en bij drie dieren uit de con-
trolegroep viel het aantal witte bloedcellen regelmatig
gedurende één of enkele dagen buiten de normaal waarden (5-
10 X 10^ /Itr). Dit gebeurde in beide groepen en kan geïnterpre-
teerd worden als normale variatie (Tabel 5). In de leucocyten
difFerentiatie werden normale percentages lymfocyten, seg-

-ocr page 263-

mentkemigen, basofielen, eosinofielen en monocyten gevon-
den.

Serologie
BHVl

Het gebruikte vaccin is gE-negatief en daarom is de BHVl
serologie verricht met de gB ELISA. Bij aanvang van de proef
waren alle dieren negatief voor antilichamen tegen gB. Vanaf
18-11-1999 tot het eind van de proef waren alle dieren uit de
vaccingroep positief in de gB ELISA. De dieren uit de con-
trolegroep zijn gedurende de gehele proef negatief gebleven in
de gB ELISA en hadden dus geen antistoffen tegen BHV 1.

BVDV

Gedurende de proef zijn geen seroconversies voor BVDV
gevonden. Bij aanvang van de proef was één dier uit de con-
trolegroep (2784) positiefin de BVDV ELISA. Dit dier is bij
latere bloedafnames positief gebleven voor BVDV antistof-
fen en de resultaten van dit dier kunnen dus niet
meegenomen worden in de interpretatie van de proef. Dit
dier is drie weken na het begin van de proef geëuthanaseerd,
vanwege niet meer overeind komen na het kalven.

BRSV

Bij aanvang van de proef waren in beide stallen acht dieren
serologisch positief voor BRSV en twee dieren negatief voor
BRSV. De positieve dieren zijn op twee na allemaal positief
gebleven in de BRSV ELISA. Twee dieren waren bij aan-
vang van de proef positief en waren na twee weken negatief
voor BRSV. De dieren die negatief waren voor BRSV bij
aanvang van de proef zijn negatief voor BRSV gebleven
gedurende de gehele proef

Pl3

In beide groepen was één dier serologisch negatief voor PI3
bij aanvang van de proef Bij twee dieren liep de hoeveelheid
antistoffen terug zodat na drie weken geen antistoffen meer
aantoonbaar waren. De dieren die bij aanvang van de proef
serologisch negatief waren voor PI3 zijn negatief gebleven.

BLV

Alle dieren waren bij aanvang van de proef serologisch
negatief voor BLV en zijn gedurende de gehele proef
negatief gebleven voor BLV.

BIV

Alle dieren waren bij aanvang van de proef serologisch
negatief voor BIV. Op één dier na zijn alle dieren gedurende
de gehele proef negatief gebleven voor BIV. Dier 2775 was
op 23-12-1999 positiefin de BIV ELISA. Bij alle bloedaf-
names die eerder en later gedaan zijn was dit dier negatief in
de BIV ELISA. Dit wijst erop dat deze ene positieve uitslag
een vals-positieve uitslag zou kunnen zijn.

Q-fever

Bij aanvang van de proef waren alle dieren serologisch
negatief voor Q-fever. De dieren zijn ook allemaal negatief
gebleven gedurende de gehele proef.

Chlamydia

In beide groepen waren vijf dieren positief voor Chlamydia
antilichamen bij aanvang van de proef Deze dieren zijn ook
allemaal positief gebleven gedurende de proef De andere
dieren waren negatief voor
Chlamydia-aniWichdiVnQn en zijn
negatief gebleven gedurende de gehele proef

Virusisolaties

Uit de verzamelde organen is na twee passages geen BVDV
geïsoleerd. Ook zijn er geen aanwijzingen voor een andere
virusinfectie waargenomen.

Calcium- en magnesiumwaarden in het bloed
De calciumwaarden waren in enkele gevallen laag normaal
(normaalwaarde 2,25-3,15 mmol/I). Deze laagnonnale

Tabel 4. Melkgift van de twee groepen dieren (in liters).

Datum

Diemr

11-11

18-11

25-11

02-12

09-12

16-12

23-12

30-12

06-01

13-01

20-01

27-01

03-02

10-02

17-02

Vaccingroep
2771

21,5

20

17

17

19,5

19

21

21

13

2772

19

17

17,5

8,5

16

17,5

16,5

11

2773

15

20

22,5

19

13

2774

15

18,5

23

22

25

24

22,5

25

26

22

25,5

25

23

18

2775

22,5

21

20

19

22

21

20,5

10,5

19,5

20,5

17,5

16,5

20

17

2776

22

22

23

25

27,5

26,5

26,5

25,5

26,5

26,5

20,5

23

21

18

2777

3

10

7,5

13

13,5

10

13,5

15,5

16

16,5

14,5

14

18

2779

13

17

18

18,5

19,5

19,5

19,5

20

20

21,5

20,5

20

23

18,5

2780

14

18

17

16,5

21

20,5

22

23,5

23

23,5

20

20,5

20

17

2792

12

17,5

18

19

20

19

20

9

20,5

20

19,5

19

18

Controlegroep
2782

7

9

9

13,5

14,5

2,5

8

12,5

14

15

15

13,5

2783

18

18

19,5

22

22

19

22

21,5

21

21

22,5

20,5

21

20,5

20,5

2784

2785

12

12

4

6

4,5

3,5

6

7,5

2786

22

25

24

26

25

23

16

2787

19

19

18

20

20

19,5

19,5

19,5

22

21

21

21

20

20,5

20,5

2788

17,5

7,5

12,5

5

5,5

12

14

15

16

17,5

17,5

18

17,5

2789

19

13

18

19

18

20

20

19

19,5

20

18

17

17

2790

14,5

18

15

8

10,5

14

15

15

17

18,5

17,5

16

18

2793

11

14

12

11

10

11

3,5

-ocr page 264-

Tabel 5. Verloop van het aantal witte bloedcellen (x io9 /liter).

Datum

Diemr_01-11 04-11 11-11 18-11 25-11 02-12 09-12 16-12 23-12 30-12 06-01 13-01 20-01 27-01 03-02 10-02 17-02

Vaccingroep

2771

6,0

3,3

6,6

4,5

5,4

6,4

5,4

5,4

5,0

4,8

4,8

2772

6,9

6,2

9,1

6,5

3,7

5,4

11,4

3,7

4,5

5,9

5,0

2773

7,5

9,5

7,8

7,6

9,3

7,7

6,4

4,2

5,5

5,5

3,2

2774

10,3

8,0

10,9

10,9

7,5

11,1

9,8

9,8

8,3

8,1

10,5

10,2

10,0

8,5

7,9

9,3

7,8

2775

6,1

5,4

8,1

8,2

7,3

7,7

8,1

6,5

7,0

7,1

7,8

8,0

7,5

7,5

6,5

8,6

8,4

2776

8,7

6,0

8,1

7,5

6,6

6,7

6,4

7,0

6,0

6,9

7,4

5,7

7,1

9,3

6,6

8,2

5,8

2777

6,8

4,5

6,9

8,1

13,3

3,8

3,7

3,9

4,8

3,8

4,3

5,4

5,5

5,0

5,7

5,1

4,9

2779

6,7

6,0

9,4

4,8

4,4

6,4

6,8

5,5

6,7

5,7

7,1

6,3

6,5

6,4

6,1

6,9

5,9

2780

7,1

5,4

6,0

7,6

9,1

6,0

6,5

6,1

5,5

7,2

7,2

7,3

6,5

7,2

7,0

6,5

6,4

2792

11,2

8,1

11,5

10,9

9,2

11,3

10,1

9,8

9,4

9,3

10,0

7,9

9,8

11,4

10,9

9,6

9,4

Controlegroep

2782

8,9

6,8

7,8

7,9

7,9

7,0

6,4

6,3

6,8

7,7

4,9

8,9

6,3

6,5

7,8

6,5

7,2

2783

13,9

10,6

5,6

7,4

10,4

8,3

8,6

7,8

6,3

6,9

8,3

8,3

7,7

7,9

8,4

8,5

8,8

2784

7,4

4,9

4,0

6,9

2785

7,2

6,2

5,6

15,3

5,8

11,9

3,7

2,9

4,1

3,4

3,8

2786

8,3

8,2

10,1

9,5

5,5

6,3

6,2

6,9

4,1

7,8

4,8

2787

10,1

5,8

6,6

6,6

6,7

8,5

8,7

6,6

6,8

7,6

6,7

8,0

7,6

7,8

8,3

8,6

9,2

2788

11,6

8,0

11,5

7,3

7,5

15,6

5,5

6,1

5.1

5,2

6,1

6,8

6,2

6,3

7,0

6,9

7,4

2789

8,9

8,1

7,9

11,8

4,8

7,7

7,5

8,5

6,7

6,7

7,5

7,7

7,8

7,7

8,3

8,0

7,1

2790

8,3

7,7

7,8

10,4

9,7

7,3

4,7

6,8

8,0

6,9

8,7

8,4

6,4

6,4

6,7

7,4

7,6

2793

7,3

8,0

6,7

5,6

5,6

4,4

7,1

7,7

5,2

waarden werden niet speciaal rond het kalven gedetecteerd.
Alle metingen vielen tussen 1,97 en 2,99 mmol/1. De magne-
siumwaarden vielen allen binnen de normaalwaarden (nor-
maalwaarde 0,78-1,28 mmol/1).

Bacteriologie

In geen enkel faecesmonster werden Salmonella sp. aange-
toond.
Staphylococcus aureus werd bij herhaling uit de melk
van twee koeien uit de niet gevaccineerde groep geïsoleerd.
In de gevaccineerde groep was het overgrote deel van de
monsters bacteriologisch negatief of bevatten ze \'minor
pathogenen\' zoals
Corynebacterium bovis of coagulase
negatieve staphylococcen.

Immunologie

In beide groepen is een aspecifieke respons opgetreden: in
vitro stimulatie met het mitogeen ConA leidde tot een proli-
feratie van de PBLs. Er was geen verschil in de mate van pro-
liferatie tussen de vaccingroep en de controlegroep. De reac-
tie van de lymfocyten op de stimulus wijst op vitale cellen in
een goed functionerend immuunapparaat en dus niet op im-
muunsuppressie.

De respons op PI3 voldeed aan de verwachting: alle seroposi-
tieve dieren vertoonden een memory respons, en beide
seronegatieve dieren bleven negatief in de lymfocytenproli-
feratie test. De twee dieren die in de loop van het experiment
PI3 seronegatief werden bleven wel de cellulaire memoryre-
spons tonen. In de vaccingroep vertoonden de dieren een
specifieke respons op BHVl. De reactie van de lymfocyten
op de stimulus wijst op vitale cellen in een goed func-
tionerend immuunapparaat en dus niet op immuunsuppressie.

Pathologie

Er zijn geen consistente pathologische veranderingen gevon-
den. In beide groepen kwamen parasitaire infecties met
Moniezia sp. in de darm voor met daaraan gerelateerde infil-
tratie van eosinofiele granulocyten. Ook zijn chronische
lever- en longveranderingen als gevolg van parasitaire infec-
ties in beide groepen aangetroffen. Twee dieren uit de con-
trolegroep (groep 45-12) vertoonden spiermpturen, één dier
een lebmaagdislocatie en één dier werd na het kalven
geëuthanaseerd en bleek een heupfractuur te hebben.
Histologisch toonden lymfeknopen en milt van alle dieren
een normale weefselstmctuur met een binnen de fysiologie
liggende activiteit van het lymfoide weefsel. Verdeling en
aanwezigheid van verschillende T-cel populaties was niet
verschillend tussen de behandelingsgroepen.
Morfologische effecten van vaccinatie op het endocriene
systeem, met name schildklier, bijnier en pancreas, zijn in
deze studie evenmin gevonden als veranderingen in het cen-
traal zenuwstelsel.

DISCUSSIE

Deze proef is opgezet om een mogelijk verband tussen de
BHV 1 vaccinatie en het ontstaan van slijters aan te tonen. De
sleutel gaf aan dat de dieren in stal 45-11 tot de vaccingroep be-
hoorden en de dieren in stal 45-12 tot de controlegroep. Dit
kwam overeen met de resultaten van de BHV 1 serologie. In
geen van beide groepen is een BVDV respons gedetecteerd.
Ook is er geen BVDV uit het vaccin geïsoleerd. Het is mogelijk
dat de hoeveelheid infectieuze deeltjes BVDV onvoldoende
waren om een dier te infecteren. Het is niet bekend hoeveel in-
fectieuze deeltjes BVDV noodzakelijk zijn om bij intramuscu-
laire injectie tot een infectie te leiden. Wanneer dieren geïn-
fecteerd raken met BVDV mag een serologische respons
verwacht worden. In het rapport \'Answers to LTO and Bayer
questions on a possible causal relationship between vaccina-
tion with a BVDV-contaminated vaccine and reported prob-
lems\' (13) wordt aangegeven dat het gecontamineerde vaccin
minimaal 20 deeltjes infectieus BVDV per dosis zou bevatten.
Op basis van deze gegevens zitten in het eerste mengvaccin
300 deeltjes per dosis (30% gecontamineerd van een 50-

-ocr page 265-

voudige dosis) en in het tweede mengvaccin minimaal 230
deeltjes per dosis (23% gecontamineerd van een 50-voudige
dosis). Voor de temgtitratie is van de totale hoeveelheid vaccin
(500 doses in 20 ml) slechts 200 microliter gebmikt. Dit is 1 %
van de totale hoeveelheid aangemaakte vaccin. Deze 200 mi-
croliter zou mogelijk onvoldoende infectieus BVDV kunnen
bevatten om te kunnen aantonen in twee passages. Op grond
van de serologische resultaten en de vimsisolatie uit het vaccin
zou geconcludeerd kunnen worden dat vaccinatie niet geleid
heeft tot een BVDV infectie van de dieren. Er is gekozen voor
een 50-voudige dosis van het vaccin om de kans op een effect
van vaccinatie op de gemeten parameters te vergroten ten
opzichte van een enkelvoudige dosis.

In deze proefis geprobeerd zo goed mogelijk de situatie in het
veld na te bootsen. Om die reden is er voor gekozen dieren uit
het veld te nemen voor deze proef en geen specified-pathogen-
free dieren. De dieren waren hoogdrachtig. Bij deze groep
werd in het veld het eerst de slijterproblematiek waargenomen.
Uiteraard zijn er grote verschillen met de veldsituatie. Op het
ID-Lelystad staan de dieren in isolatieunits en worden gevoerd
met grasbrok en krachtvoer. De dieren krijgen geen mwvoer en
dit kan leiden tot maag-darmproblemen. Deze problemen wer-
den ook in beide groepen gesignaleerd. De lebmaagdislocatie
naar rechts zou ook door een gebrek aan mwvoer veroorzaakt
kunnen zijn. Ook bleef de melkproductie achter bij de produc-
tie die bij vaarzen verwacht zou mogen worden. Tijdens de
proefis geprobeerd het voederregime iets te veranderen waar-
door de dieren beter op de melk zouden komen. Dit bleek
echter door het gebrek aan mwvoer niet mogelijk. De doel-
stelling voor de conditiescore bij een droogstaand dier is 3,5.
Bij aanvang van de lactatie mag de score in de eerste 60 dagen
dalen tot 2,5. Binnen deze proef was dus duidelijk in beide
groepen een overmatig conditieverlies te zien. In zijn alge-
meenheid worden hiervoor de volgende oorzaken aangegeven:

1) een te abmpte rantsoenwijziging bij aanvang van de lactatie,

2) onvoldoende energie in het rantsoen, 3) onvoldoende stmc-
tuur in het rantsoen en 4) emstige gezondheidsstoomissen. In
dit experiment was van punt I en punt 3 zeker sprake.

Geen van de dieren was gewend om op een grupstal te staan.
Enkele dieren kwamen rechtstreeks uit het weiland naar ID-
Lelystad en andere dieren kwamen uit een loopstal. De
standen in de isolatie units zijn relatief kort voor de huidige
grote koeien. De dikke poten en klauwproblemen van som-
mige dieren zouden hierdoor verklaard kunnen worden.
Mogelijk zijn de spiertrauma\'s en het botfractuur na kalven
ook mede hierdoor veroorzaakt. Klinische afwijkingen kwa-
men in beide groepen voor en, met uitzondering van de kort-
durende koortspiek in de vaccingroep, leek er geen verschil
te zijn tussen beide groepen.

Het immunologisch onderzoek wijst niet op een immuun-
suppressie na vaccinatie. In de gebruikte testen vertoonden
de lymfocyten een goede specifieke en aspecifieke respons
hetgeen een indicatie is voor een goed functionerend immuu-
napparaat. Verdere serologie die gedaan is duidt niet op aan-
wezigheid van vimssen die een mogelijk negatief effect
hebben op het afweersysteem en er zijn geen aanwijzingen
voor virale infecties gedurende de proefperiode. De dieren
die gedurende de proef seronegatief werden voor BRSV en
PI3 hadden bij aanvang van de proef slechts een lage titer
tegen deze vimssen. Opvallend was dat de cellulaire im-
muunrespons tegen PI3 wel aanwezig bleef nadat de dieren
seronegatief waren geworden in de gebruikte test.
Virologisch onderzoek heeft niet geleid tot de detectie van
(nieuwe) virale infecties die tot het ontstaan van slijters
zouden kunnen leiden. Bacteriologisch werden geen gevol-
gen waargenomen van vaccinatie met het BHV I vaccin.

CONCLUSIE

De gemeten variabelen geven geen aanwijzingen voor een
negatief effect van vaccinatie op de vaccingroep ten opzichte
van de controlegroep. Er zijn geen nieuwe infecties opgetre-
den en er zijn geen aanwijzingen voor immuunsuppressie na
vaccinatie. Gegeven de opzet van de proef is er geen verband
aangetoond tussen BHVl vaccinatie en het ontstaan van de
slijterproblematiek.

LITERATUUR

1. Baker JC. Clinical aspects of bovine virus diarrhoea virus infection.
Rev Sci Tech 1990;9:25-41.

2. Barkema HW, Bartels CJM, Wuijckhuise L van, Hesselink JW,
Holzhauer M, Weber MF, Franken P, Kock PA, Bruschke CJM en
Zimmer G. Uitbraak van BVD type 2 op Nederlandse melkveebedrij-
ven door gebruik van gecontamineerd BHV 1 marker vaccin. Tijdschr
Diergeneeskd 2001; 126: 158-65.

3. Bartels CJM, Barketna HW, Beiboer ML, Bouma A en Stegeman JA.
Vergelijking van de bedrijfskengetallen van melkveebedrijven die wel
en niet hebben gpvaccineerd met BHVl markervaccin. Tijdschr
Diergeneeskd 2001; 126: 191-7.

4. Bartels CJM, Barkema HW, Beiboer ML, Bouma A en Stegeman JA.
Bedrijfsvoering en kengetallen van tot \'slijter\'-bedrijven verworden
melkveebedrijven. Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 198-207.

5. Bruschke CJM, Paal HA en Weerdmeester K. Detectie van bovine vi-
rus diarree virus in een levend bovine herpes virus 1 markervaccin.
Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 189-90.

6. Denis M, Splitter G, Thiry E, Pastoret PP, and Babiuk LA. Infectious
bovine rhinotracheitis (bovine herpesvirus 1): helper T cells, cytotoxic
T cells and NK cells. In: Goddeeris BNL, Morrison Wl. Cell mediated
immunity in ruminants. CRC press London, 1994, 157-72.

7. Edmonson AJ, Lean IJ, Weaver LD, Farver T and Webster G. A body
condition scoring chart for Holstein dairy cows. J Dairy Sci 1989; 72:
68-78.

8. Müller KE. Bevindingen bij koeien afkomstig van melkveebedrijven
met slijtersproblematiek. Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 184-8.

9. Rebhun WC, French TW, Perdrizet JA, Dubovi EJ, Dill SG, and
Karcher LF. Thrombocytopenia associated with acute bovine virus
diarrhea infection in cattle. J Vet Intern Med 1989; 3: 42-6.

10. Reed LJ, and Muench H. A simple method of estimating fifty percent
end points. Am J Hyg 1938; 27: 709-16.

11. Scobie L, Venables C, Huhges K, Dawson M, and Jarret O. The antibody
response of cattle infected with bovine immunodeficiency virus to pep-
tides of the viral transmembrane protein. J Gen Virol 1999; 80: 237^3.

12. Stone DM, Norton LK, Chambers JC, and Meek WJ. CD4 T lympho-
cyte activation in BLV-induced persistent B lymphocytosis in cattle.
Clin Immunol 2000; 96: 280-8.

13. Van Oirschot, Brownlie J, Moennig V, Thiry E, and Wolf G. Answers
to LTO and Bayer questions on a possible causal relationship between
vaccination with a BVDV-contaminated vaccine and reported pro-
blems. 1999. http://www.gd-dieren.ni/pages/frames/frrundzk.htm.

14. Zhang S, Wood C, Xue W, Krukenberg SM, Chen Q, and Minocha
HC. Immune suppression in calves with bovine immunodeficiency
virus. Clin Diagn Lab Immunol 1997; 4: 232-5.

-ocr page 266-

Vitamine melkproductie op bedrijven met

\'slijtende\' runderen

Tijdschr Diergeneesl<d 2001; 126:218-23

M.F. Weberi J. Verhoeff, M. Holzhauer\', C.J.M. Bartels\\
L. van Wuijckhuise^ en, P. Vellemai

SAMENVATTING

Vanaf begin 1999 werden op melkveebedrijven gezond-
heidsproblemen met \'slijten\' van runderen waargeno-
men waarvan de oorzaak onbekend was. Deze gezond-
heidsproblemen werden door veehouders in verband
gebracht met verplicht gebruik van gE-negatieve bovine
herpesvirus 1 (BHVl)-vaccins. Op één bedrijf met \'slij-
tende\' runderen werd een stijging van de melkproductie
met 50% binnen enkele dagen na parenterals suppletie
met vitamine 8,2 gemeld. De huidige studie werd opgezet
om vast te stellen wat het effect was van vitamine B12-
suppletie op de melkproductie op bedrijven met \'slij-
tende\' runderen.

Een gerandomiseerd blind experiment werd uitgevoerd
op vijf probleembedrijven en twee controlebedrijven. Op
elk bedrijf werden vijf melkgevende runderen intramus-
culair geïnjiceerd met 20 mg vitamine B,2 en gepaard
aan vijf onbehandelde runderen. Gedurende 19 dagen na
behandeling werd de melkproductie van alle behandelde
en onbehandelde runderen gemeten en gerelateerd aan
de melkproductie voor behandeling.
Op zowel probleembedrijven als controlebedrijven werd
geen effect van vitamine
Bj2-suppletie op de melkpro-
ductie vastgesteld. Een verschil in respons op vitamine
B
,2-$uppletie tussen probleembedrijven en controlebe-
drijven werd eveneens niet vastgesteld.
In een tweede experiment werd door praktiserend die-
renartsen een vitamine Bi2-suppletie toegepast op drie
probleembedrijven. De resultaten van dit experiment
kwamen overeen met de resultaten van het eerste experi-
ment.

SUMMARY

Vitamin Bj2 supplementation and milk production on
farms with \'chronic wasting\' cattle

From early 1999 onwards, cattle health problems accompanied by chronic
wasting of unknown aetiology were reported on a number ofdairyfarms. An
association between these health problems and the compulsory use ofgE-
negative marker vaccines against bovine herpesvirus 1 was presumed by
farmers. On one dairy farm an increased milk production of 50% was re-
ported within a few days after parenteral vitamin B12 treatment. Therefore,
the current study was designed to determine the effect of parenteral vitamin
B12 treatment on the milk production of dairy herds with wasting cattle.
A randomized blind trial was performed in five problem herds and two con-
trol herds. On each farm five lactating cows were infected intramuscularly
with 20 mg vitamin B12 and paired with five untreated lactating cows. The
milk production of treated and untreated animals was measuredfor 19 days
following treatment and compared to pre-treatment production.
No effect of vitamin B12 treatment on milk production was established on
either problem farms or control farms. Neither was a difference detected in
the response to vitamin 8/2 treatment between problem herds and control
herds.

\' Gezondheidsdienst voor Dieren, Postbus 361, 9200 AJ Drachten.
^ Corresponderend auteur: M.F. Weber, tel: 0512-570700, fax: 0512-520013, e-mail:
m.weber@ gdvdieren.nl

In a second experiment, parenteral vitamin Bj2 treatment was applied in
three problem herds by local veterinary practitioners. The results of this ex-
periment were in line with the results of the first experiment.

INLEIDING

Vanaf begin 1999 werden veel gezondheidsproblemen op
melkveebedrijven waargenomen die door veehouders in ver-
band werden gebracht met het verplicht gebruik van gE-ne-
gatieve vaccins tegen bovine herpesvirus (BHVl). Deze ge-
zondheidsproblemen waren divers van aard, maar traden
vaak rond of na het afkalven op. Frequent werden waargeno-
men een blijvend conditieverlies, tegenvallende melkpro-
ductie, kreupelheden, verminderde vruchtbaarheid en ziek-
teprocessen die niet of onvoldoende reageerden op
gebruikelijke therapieën (2). Het waargenomen blijvende
conditieverlies werd beschouwd als \'slijten\' wanneer de
conditiescore lager was dan 2 op een schaal van 1 tot 5 (4),
terwijl het conditieverlies niet kon worden toegeschreven
aan de fysiologisch negatieve energiebalans in het begin van
de lactatie of aan een duidelijk benoembaar ziekteproces
(14).

De oorzaken van deze gemelde gezondheidsproblemen en
het daaraan gepaarde slijten van runderen zijn onbekend.
Oorzaken van slijten kunnen worden gezocht in de bedrijfs-
voering en de voeding van het rundvee, in ziekten, in defi-
ciënties en in intoxicaties (6). Een verband tussen de waarge-
nomen gezondheidsproblemen en het gebruik van
gE-negatieve BHV I vaccins werd recentelijk onwaarschijn-
lijk bevonden (1).

In februari 2000 werd op één bedrijf met \'slijtende\' runderen
een verband gesuggereerd tussen een vitamine B12 (cyano-
cobalamine) deficiëntie en het slijten van de runderen. Op dit
bedrijf werd een stijging van de melkproductie met 50% bin-
nen enkele dagen na parenterale toediening van vitamine B12
gemeld.

Vitamine B]2-deficiëntie bij herkauwers is gewoonlijk het
gevolg van een primaire voedingsdeficiëntie van cobalt.
Cobalt is een essentieel element bij de microbiële synthese
van vitamine B12 in de pens. Bij zoogdieren is vitamine B12
een cofactor voor de enzymen methylmalonyl-CoA mutase
en methionine synthase. Een cobalt/vitamine B
|2-deficiëntie
resulteert in een vermindering van de activiteit van deze en-
zymen en als gevolg hiervan in een stapeling van methylma-
lonzuur (MMA) en homocysteïne. Cobalt/vitamine Bi2-de-
ficiëntie kan leiden tot het klinische beeld van \'slijtende\'
runderen met als symptomen anorexie, geleidelijk veriies
van spiermassa en lichaamsgewicht, anemie en een daling
van de melkproductie (12, 13). Op twee Nederiandse melk-
veebedrijven met tegenvallende melkproductie steeg de
melkproductie na toevoeging van cobaltsulfaat aan het rant-
soen (7). Cobalt/vitamine Bi2-deficiëntie kan verder een ver-
mindering van de weerstand veroorzaken (3,5,8,9,10,11,15).
Onduidelijk was of het op één bedrijf gesuggereerde effect
van vitamine Bi2-suppletie op de melkproductie ook ver-

-ocr page 267-

wacht mocht worden op andere bedrijven met \'slijtende\' run-
deren. Daarom werd de huidige studie opgezet met het doel
het effect vast te stellen van vitamine Bi2-suppletie op de
melkproductie op bedrijven met \'slijtende\' runderen na vac-
cinatie met een gE-negatief BHVl vaccin. Om een eventueel
gunstig effect van vitamine B|2-suppletie te kunnen relateren
aan de gezondheidsproblemen op de bedrijven met \'slijtende\'
runderen, werd dit onderzoek tevens uitgevoerd op controle
bedrijven zonder bedrijfsgezondheidsproblemen.

MATERIAAL EN METHODEN
Experiment i

Bedrijven

In februari en maart 2000 werd een gerandomiseerd blind
onderzoek uitgevoerd op vijf probleembedrijven en twee
controlebedrijven (Tabel 1). Op de vijf probleembedrijven
waren vanaf eind 1998 gezondheidsproblemen met \'slijten\'
bij runderen opgetreden. Op alle probleembedrijven was in
het laatste kwartaal van 1998 gevaccineerd met geattenueerd
gE-negatief BHVl vaccin, en de bedrijfsproblemen werden
hiermee door de veehouders in verband gebracht. Vier pro-
bleembedrijven waren eerder door de Gezondheidsdienst
voor Dieren (GD) bezocht in verband met \'slijtende\' runde-
ren; het vijfde probleembedrijf werd door de praktiserend
dierenarts voor deelname aan dit onderzoek aangemeld.
Inclusie-criteria waren: 1) voortdurende gezondheidsproble-
men met \'slijten\' op het bedrijf, 2) op het bedrijf was nog
geen vitamine B
]2-suppletie in het koppel toegepast en 3)
bereidheid van de veehouder om aan dit onderzoek mee te
werken. Op beide controlebedrijven was niet met BHVl-
markervaccin gevaccineerd, waren gedurende het laatste
jaar geen belangrijke bedrijfsgezondheidsproblemen opge-
treden op het gebied van voeding en melkproductie, kreupel-
heid, uiergezondheid, vruchtbaarheid en jongveeopfok, en
was niet eerder een suppletie met vitamine B|2 in het koppel
toegepast. Op alle bedrijven werd tweemaal daags gemol-
ken.

Dieren

Op elk bedrijf werden uit het koppel melkvee tien lacterende
runderen geselecteerd en gepaard volgens een standaard pro-
cedure. In de eerste plaats werden alle dieren van dit onder-
zoek uitgesloten die 1) gedurende de laatste 21 dagen hadden
gekalfd, of 2) op het moment van selectie ziekteverschijnse-
len, anders dan \'slijten\', vertoonden, of 3) op het bedrijf wa-
ren aangevoerd na de datum waarop de vaccinatie tegen
BHVl waama bedrijfsproblemen optraden was uitgevoerd.
Vervolgens werden uit de overgebleven groep runderen op
het bedrijf de tien runderen geselecteerd die het laatst hadden
afgekalfd Deze tien runderen werden twee aan twee gepaard
op volgorde van de afkalfdatum. Tenslotte werd binnen elk
paar
at random bepaald welk rund met vitamine B12 werd
behandeld. Het andere rund in het paar werd niet behandeld
en fungeerde als controle.

Tabel i. Bedrijfsgegevens van probleembedrijven (A,B, C, D, E) en controle bedrijven (F en C) in experiment i.

Bedrijf

Aantal volwassen
runderen\'

Aantal jongvee\'

Sterfte op het
bedrijfin 1999\'

Afvoer wegens
gezondheid in 1999^

Aard gezondheidsproblemen

A

129

76

17

18

Verwerpen, diarree, mastitis, dode/zwakke
kalveren, kreupelheid, slijten

B

64

49

8

70

Neusuitvloeiing, mastitis, kreupelheid, abcessen,
productiedaling, slijten, verwerpen

C

47

38

10

17

Productiedaling, dunne koeien, slijten,

dorre vacht, groeiachterstand pinken, verwerpen,

niet drachtig worden.

D

84

66

21

17

Neusuitvloeiing, diarree, zuchtuier, mastitis,
fertiliteit, doodgeboorte, kreupelheid,
ontstekingen, productiedaling, slijten

E

51

43

0

25

Diarree, verwerpen, kreupelheid, slijten,
groeiachterstand jongvee, productiedaling,
koorts rond afkalven, mastitis

F

63

59

3

4

Geen

G

65

60

3

5

Geen

\' Volgens opgave veehouder.

\' Volgens opgave van veehouder, exclusief infertiliteit.

Behandeling

De behandeling vond plaats tussen een ochtend- en avondmel-
king, zonder dat de veehouder en zijn dierenarts wisten welke
dieren werden behandeld. Alle runderen werden aan het voer-
hek vastgezet. Bij de runderen die voor behandeling waren ge-
selecteerd werd 20 mg vitamine B12 (Cyanocobalamine CF,
Centrafarm, Etten-Leur) intramusculair op de halsvlakte geïn-
jiceerd.

Gegevensverzameling

De individuele melkproductie van de behandelde en controle
dieren werd elke melkbeurt door de veehouder geregistreerd
vanaf de avondmelking voorafgaande aan de behandeling, tot
19 dagen na behandeling. De som van de productie bij de
avondmelking en ochtendmelking voorafgaande aan de behan-
deling werd de melkproductie op dag O genoemd, en diende als
referentiewaarde voor de melkproductie van elk mnd.
Abusievelijk werd op één probleembedrijf de melkproductie
op dag O, voorafgaande aan de vitamine B
,2-suppletie, niet
door de veehouder geregistreerd. Daarom werd voor dit be-
drijf aangenomen dat de individuele melkproductie op dag O
gelijk was aan de individuele melkproductie bij een proef-
melking voor de melkcontrole vijf dagen eerder.
Op een tweede probleembedrijf werd tijdens het experiment
de registratie van de melkproductie van een behandeld en
een controledier door de veehouder gestaakt omdat deze die-
ren ziek werden. Deze dieren werden uit het experiment uit-

-ocr page 268-

gesloten. Het bleek echter mogelijk de overige behandelde
en controlerunderen op dit bedrijf opnieuw te paren op volg-
orde van afkalfdatum. Verder werd op een derde probleem-
bedrijf per vergissing de registratie van de melkproductie op
dag 16 gestaakt. Uiteindelijk waren op de probleembedrij-
ven de melkproductiegegevens van 24 proef- en controlepa-
ren bekend voor dag 1 tot en met 15, en van 19 paren voor
dag 1 tot en met dag 19.

Van de 68 mnderen op probleembedrijven en controlebedrij-
ven waarvan de melkproductiegegevens zijn geanalyseerd
waren 29 mnderen korter dan 60 dagen in lactatie, 29 mnde-
ren tussen 61 en 120 dagen en tien runderen langer dan 120
dagen. Behandelde runderen waren gemiddeld twee dagen
korter in lactatie dan het daaraan gepaarde controlemnd.
De melkproductie op dag 1 (i.e. de avondmelking en ochtend-
melking volgend op de behandeling) tot en met dag 19 werd
gerelateerd aan de melkproductie op dag 0. Het verschil in
melkproductie (
FMq) tussen de melkproductie M^ op dag D
en de melkproductie Mq op dag O werd berekend als:

VMd^MO-MO

Om ook een langdurig kleiner effect te kunnen vaststellen,
werden vervolgens voor elk mnd de verschillen in melkpro-
ductie op dag 1 tot en met dag
D ten opzichte van de melk-
productie op dag O opgeteld tot een cumulatief verschil in
melkproductie
(CVMp):

dag=D

CFMd= (Mp-Mo)

dag=r

Statistische berekeningen werden uitgevoerd met behulp van
het computerprogramma Minitab 12.23 (Minitab Ltd.,
Coventry, UK). De verschillen van de melkproductiepara-
meters {M^, VMp, CVM
d) tussen de gepaarde behandelde
en controlerunderen werden berekend als de waarde van de
parameter voor het behandelde mnd minus de waarde van
deze parameter voor het gepaarde controlerund, en werden
getoetst met de tweezijdige gepaarde t-toets. Verschillen tus-
sen de behandelde en controlemnderen werden als signifi-
cant beoordeeld wanneer p<0,05.

Na afloop van experiment 1 werd berekend welke kans er
was dat een in werkelijkheid optredend effect van toediening
van vitamine B12 op de melkproductie op probleembedrij-
ven in dit experiment tot uiting zou zijn gekomen in een ver-
schil in
VM0 of CVMq tussen de gepaarde runderen. Dit on-
derscheidend vermogen werd berekend op basis van de
verkregen waarden voor steekproefgrootte, gemiddelde
melkproductie en spreiding van de verschillen in melkpro-
ductie tussen gepaarde runderen (16).
Voor een vergelijking tussen probleem- en controlebedrij-
ven werden de verschillen in melkproductie {
Mq, VM^),
CVMp) tussen de gepaarde behandelde en controledieren op
probleembedrijven vergeleken met de verschillen tussen de
gepaarde behandelde en controledieren op controlebedrijven
(t-toets voor twee steekproeven; verschillen werden als sig-
nificant beoordeeld wanneer p<0.05).

Tabel 2. Onderzoeksopzet van bedrijven in experiment 2.

Bedrijf

Proefblind

Melkproductie op

Dosering vitamine

Gebruikt

Aantal dagen

Aantal dieren

Aantal dieren

opgezet

dag 0 gemeten

B|2 per dier

preparaat

registratie

vit B12

controle

melkproductie

H

ja

ja

4 mg

Cyanocobalaminei

4

5

53

I

nee

nee

10 mg

BiodyP

6

44

J

nee

nee

4 mg

Cyanocobalaminei

8

75

85

\' Kombivet B.V., Hoogerheide.

2 Merial B.V., Amstelveen.

3 Op bedrijf H werden de dieren in de controlegroep geïnjiceerd met 5 ml fysiologische zoutoplossing.

Op bedrijf! werden zes \'slijtende\' runderen behandeld, terwijl vier niet-slijtende runderen als controle werden gekozen.
5 Op bedrijf J werden voor zowel de behandelde als controlegroep uitsluitend \'slijtende\' runderen gekozen.

Experiment 2

Een soortgelijk protocol als beschreven bij experiment 1
werd verstrekt aan praktiserende dierenartsen die advies
vroegen aan de GD over vitamine B12 suppletie op bedrijven
met \'slijtende\' mnderen. De keuze van het injectiepreparaat
werd daarbij echter niet voorgeschreven. Resultaten op drie
bedrijven werden door de praktiserende dierenartsen aan de
GD doorgegeven. De proef- en controle mnderen werden op
deze drie bedrijven niet geselecteerd en gepaard op volgorde
van afkalfdatum. Op één van de bedrijven werd de proef
blind opgezet; op de andere twee bedrijven wist de veehou-
der tijdens de proefperiode welke runderen waren behandeld
(Tabel 2). Door deze diversiteit in de proefopzet konden de
resultaten van experiment 2 niet statistisch worden geanaly-
seerd.

RESULTATEN
Experiment i

Op probleembedrijven daalde de gemiddelde melkproductie
bij behandelde runderen van dag O op dag 1 met ruim een liter,
om na enkele dagen met schommelingen te stijgen, terwijl de
melkproductie van de controle dieren een meer gelijkmatige
daling vertoonde (Figuur 1). Op de beide controlebedrijven
leek de gemiddelde melkproductie van behandelde dieren
sneller te dalen dan van de controle mnderen (Figuur 1). Er
was echter zowel op probleembedrijven als controlebedrijven
géén significant verschil tussen melkproductiegegevens (M£j,
VM[), CVMq) van behandelde en van controle mnderen
(Tabel 3). Ook tussen het effect van vitamine B12 suppletie op
de melkproductie op probleembedrijven en het effect van vita-
mine
Bi2 suppletie op de melkproductie op controlebedrijven
werd geen verschil aangetoond (Tabel 3).
Retrospectief werd de kans berekend dat een werkelijk effect
van vitamine B]2-suppletie op de melkproductie op pro-
bleembedrijven tot uiting zou zijn gekomen in dit experi-
ment. De kans dat een kortdurend effect, ter grootte van 10%
van de gemiddelde dagproductie op dag O, tot uiting zou zijn
gekomen in een verschil in VMj^ tussen de gepaarde mnde-
ren varieerde, afhankelijk van het tijdstip na behandeling,
tussen 91% en 100%. De kans dat een langdurig werkelijk

-ocr page 269-

Tabel 3. Melkproductiegegevens van met vitamine B12 behandelde en controlerunderen op bedrijven in experiment 1.

Weergegeven zijn de gemiddelde melkproductiegegevens van met vitamine B12 behandelde en controlegroepen, het gemiddelde verschil tussen de gepaarde behandelde en
controlerunderen en de significantie van dit verschil, en de significantie van verschillen tussen de paren op probleembedrijven en controlebedrijven.

Controlebedrijven

Probleembedrijven

Probleein- versus
controlebedrijven

Groepen

Paren (n=24)\'

Groepen

Paren (n=10)

VitB|2

Controle

Verschil

P-waarde

Vit 8,2

Controle

Verschil

p-waarde

p-waarde

M2 dag 0

32,2

33,4

-1,14

0,61

39,5

40,2

-0,76

0,83

0,93

M dagl

31,0

33,0

-1,97

0,40

38,7

39,6

-0,90

0,75

0,77

VM3 dag I

-1,2

-0,3

-0,83

0,19

-0,7

-0,6

-0,14

0.92

0,66

CVM-» dag 1

-1,2

-0,3

-0,83

0,19

-0,7

-0,6

-0,14

0,92

0,66

Mdag3

31.0

32,6

-1,65

0,45

38,8

39,1

-0,30

0,92

0,71

VM dag 3

-1,2

-0,7

-0,51

0,39

-0,6

-1,1

0,46

0,66

0,45

CVM dag 3

-3,6

-1,7

-3,62

0,22

-1,6

-3,0

1,40

0,67

0,36

Mdag5

31,6

32,9

-1,30

0,53

38,7

39,5

-0,75

0,80

0,88

VM dag 5

-0,6

-0,5

-0,16

0,79

-0,8

-0,8

0,01

1,00

0,93

CVM dag 5

-5,5

-2,5

-3,01

0,25

-2,6

-5,2

2,64

0,60

0,32

Mdag 10

31,8

32,3

-0.48

0,82

38,9

39,8

-0,85

0,79

0,92

VM dag 10

-0,4

-1,0

0,67

0,34

-0,6

-0,5

-0,09

0,97

0,75

CVM dag 10

-8.8

-7,9

-0,98

0,84

-7,4

-8,3

0,90

0,94

0,88

Mdag 15

31,7

31,7

-0,07

0,97

37,4

40,2

-2,74

0,51

0,55

VM dag 15

-0,5

-1,6

1,07

0,24

-2,0

-0,0

-1,98

0,21

0,09

CVM dag 15

-12,7

-16.0

3,33

0,65

-12,3

-7,5

-4,80

0,80

0,69

Mdag 19

31,4

31,2

0,15

0,94

36,3

39,5

-3,20

0,40

0,43

VMdag 19

-0,8

-2,3

1,48

0,13

-3,1

-0.7

-2,44

0,23

0,09

CVM dag 19

-16,6

-27,4

10,8

0,35

-20,0

-7,7

-12,3

0,64

0,42

\' Vanaf dag 16 waren er op de probleembedrijven nog 19 paren.

2 M dag D = melkproductie op dag D (kg).

3 VM dag D = verschil in inelkproductie van dag D en dag O (kg).

CVM dag D = cumulatieve verschil in melkproductie van dag 1 tot en met dag D ten opzichte van dag O (kg).

effect op de gemiddelde melkproductie over een periode van
15 dagen na behandeling, ter grootte van 5% van de gemid-
delde dagproductie op dag O, in dit experiment tot uiting zou
zijn gekomen in een verschil van
CVM tussen de gepaarde
runderen op probleembedrijven was 90%.

Experiment 2

De melkproductie van behandelde en controlemnderen op de
bedrijven in experiment 2 toonde geen duidelijke verschillen
(Figuur 2).

DISCUSSIE

Dit onderzoek werd opgezet om na te gaan of de op één be-
drijf met \'slijtende\' runderen gemelde stijging van de melk-
productie van 50% binnen enkele dagen na parenterale vita-
mine
Bi2-toediening kon worden gereproduceerd op andere
bedrijven. In experiment 1 werd geen effect van vitamine
Bl2-suppletie op het verloop van de melkproductie aange-
toond. Bovendien werd geen verschil aangetoond tussen het
effect van vitamine Bi2-suppletie op probleembedrijven en
het effect van vitamine B
]2-suppletie op controlebedrijven.
Uit de berekening van het onderscheidend vermogen van ex-
periment I blijkt dat een kortdurend effect van vitamine B12.
suppletie op de melkproductie van 10% in dit experiment
met een kans van 91 tot 100% zou zijn vastgesteld, terwijl
een langdurig effect van 5% over de eerste 15 dagen na be-
handeling met een kans van 90% zou zijn vastgesteld.
Daarom mag uit de resultaten van dit experiment worden ge-
concludeerd dat het onwaarschijnlijk is dat vitamine B]2.
suppletie een substantieel effect heeft op de melkproductie
op bedrijven met \'slijtende\' mnderen na vaccinatie met gE-
negatiefBHVI vaccin.

Op veel bedrijven waren de gezondheidsproblemen inmid-
dels onder controle gebracht (14), of was reeds een koppel-
behandeling met vitamine B]2 uitgevoerd. Hierdoor waren
voor experiment 1 geen bedrijven beschikbaar waar een
proef- en controlegroep van \'slijtende\' mnderen kon worden
gevormd. Als gevolg hiervan vertoonden niet alle mnderen
in experiment 1 verschijnselen van slijten. Dit betekent dat
op basis van experiment I wel conclusies kunnen worden ge-
trokken over het effect van vitamine
Bi2-suppletie op de
melkproductie op bedrijven met \'slijtende\' mnderen, maar
niet over het effect van vitamine Bi2-suppletie op de melk-
productie van individuele \'slijtende\' mnderen. Op twee be-
drijven in experiment 2 werden wel \'slijtende\' mnderen ge-
selecteerd. De resultaten van experiment 2 geven echter geen
aanwijzing voor een effect op de melkproductie van indivi-
duele \'slijtende\' mnderen.

In dit onderzoek werd geen effect van vitamine B|2-supple-
tie op probleembedrijven vastgesteld. Productieparameters
anders dan melkproductie, zoals een toename van het
lichaamsgewicht, konden echter binnen het huidige experi-
ment niet worden gemeten. Het was praktisch gezien niet
mogelijk om het gewicht van de proef- en controlerunderen
op de deelnemende bedrijven te meten. Afgeleide parame-
ters zoals de lichaamsconditiescore (4) en de borstomvang
werden niet voldoende gevoelig en herhaalbaar geacht om
binnen de proelperiode een effect van vitamine Bi2-supple-
tie vast te kunnen stellen.

Op basis van het ontbreken van een effect van eenmalige toe-
diening van 20 mg vitamine B12 op de melkproductie kan
een vitamine
Bi2-deficiëntie als factor in de aetiologie van

-ocr page 270-

slijten bij runderen nog niet volledig worden uitgesloten. Om
dieper liggende processen achter een eventuele relatie tussen
vitamine B]2-deficiëntie en slijten bij mnderen te bestude-
ren, is het zinvol in vervolgonderzoek het effect van vita-
mine B|2-suppletie op de plasmaconcentraties van MM A en
homocysteine en de semmconcentratie van vitamine B12
vast te stellen. Voor een dergelijk vervolgonderzoek zijn
monsters van de mnderen in experiment 1 beschikbaar.
Tevens zou een studie bij vitamine B12 deficiënt gemaakte
mnderen zinvolle informatie kunnen opleveren.
Voor zover de auteurs bekend, is het op één bedrijf met \'slij-
tende\' mnderen gesuggereerde effect van vitamine Bj2-sup-
pletie op melkproductie nooit nader met melkproductiegege-
vens onderbouwd. Toch was de publiciteit rond dit
gesuggereerde effect voor veel veehouders aanleiding om vi-
tamine B|2-suppletie bij hun dieren toe te (laten) passen.
Hoewel het belang van praktijkbevindingen in de diergenees-
kunde niet onderschat mag worden, is het wenselijk dat resul-
taten kritisch worden geëvalueerd vóórdat een behandeling op
brede schaal wordt toegepast.

DANKBETUIGING

De medewerking van de veehouders aan dit onderzoek wordt zeer gewaar-
deerd. De auteurs danken de collegae S.J. Henstra (Dierenartsenpraktijk
Gorredijk-Tijnje), M. Meijer (Dierenartsenpraktijk Doetinchem-Bergh), en
P.A.J.M. Stoop (Dierenartsenpraktijk Z.0.-Drenthe) voor hun bijdragen
aan experiment 2, en de collegae H.W. Barkema en G.M. Zimmer
(Gezondheidsdienst voor Dieren) voor hun adviezen bij dit onderzoek.

45

20

15

6 8 10 12 14

tijd na behandeling (dagen)

16

18

20

Figuur Gemiddelde melkproductie (Mq) van met 20 mg vitamine B,^ geïnjiceerde runderen en onbehandelde controlerunderen op de vijf probleembedrijven en twee con-
trolebedrijven in experiment 1. Behandeling vond plaats tussen dag oen dagl.

45

I

Q.

|25

15

40

O) 35

u

= 30

20

—bedrijf H, behandeld (n=5)

- ö -bedrijf H, controle (n=5)
—•—bedrijf
1, behandeld (n=6)

- 0 - bedrijf 1, controle (n=4)

O---

—__JJ - • u • ■ DeanjT j, coniroia

-*-—^

E -

s —^

__— B - —________

- a

^ g

--B—

0123456789
tijd na behandeling (dagen)

Figuur 2. Gemiddelde melkproductie van behandelde en onbehandelde controlerunderen op de drie melkveebedrijven in experiment 2. Behandeling vond plaats tussen dag o
en dagl.

-ocr page 271-

LITERATUUR

1. Bartels CJM, Barkema HW, Beiboer ML, Bouma A en Stegeman J.
Vergelijking van de bedrijfskengetallen van melkveebedrijven die in
1998 wel en niet hebben gevaccineerd met BHVl markervaccin.
Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 191-7.

2. Bartels CJM, Barkema HW, Beiboer ML, Bouma A en Stegeman J.
Bedrijfsvoering en kengetallen van tot \'slijter\'-bedrijven verworden
melkveebedrijven. Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 198-207.

3. Duncan WRH, Morrison ER, and Garton GA. Effects of cobalt defi-
ciency in pregnant and post-parturient ewes and their lambs. Br J Nutr
1981;46:337-44.

4. Edmonson AJ, Lean IJ, Weaver LD, Farver T and Webster G. A body
condition scoring chart for Holstein dairy cows. J Dairy Sci 1989; 72:
68-78.

5. Ferguson EGW, Mitchell GBB, and MacPherson A. Cobalt deficiency
and
Ostertagia circumcincta infection in lambs. Vet Rec 1989; 124:
20.

6. Maas J. Alterations in Body Weight or Size. In:: Smith BP, ed.: Large
animal intemal medicine. 2nd ed. St. Louis: Mosby-Year Book Inc.,
1996: 171-95.

7. Malestein A. De cobaltvoorziening van herkauwers, een knelpunt?
Tijdschr Diergeneeskd 1995; 120: 644-6.

8. MacPherson A, Moon FE, and Voss RC. Biochemical aspects of co-
balt deficiency in sheep with special reference to vitamin status and a
possible involvement in the aetiology of cerebrocortical necrosis. Br

VetJ 1976; 132; 294-308.

9. MacPherson A, Gray D, Michell GBB, and Taylor CN. Ostertagia in-
fection and neutrophil function in cobalt deficient and cobalt supple-
mented cattle. Br Vet J 1987; 143: 348-53.

10. MacPherson A, Fisher GEJ, Paterson JE, Ferguson EGW, and
Mitchell GBB. Immune responsive and production effects of cobalt
deficiency in ruminants. In: VP*! Int Trace Element Symposium,
Leipzig, 1989; Vol 4: 1132-8.

11. Paterson JE, and MacPherson A. A comparison of serum vitamin 8,2
and serum methylmalonic acid as diagnostic measures of cobalt status
in cattle. Vet Rec 1990; 126: 329-32.

12. Radostits OM, Gay CC, Blood DC, and Hinchcliff KW. Veterinary
Medicine, a textbook of the diseases of cattle, sheep, pigs, goats and
horses. 9th ed. London: WB Saunders, 1999: 1477-1560.

13. Suttle, NF. Trace element disorders. In: Andrews AH, Blowey RW,
Boyd H, Eddy RG. Bovine medicine, diseases and husbandry of cattle.
Oxford, Blackwell Scientific Publications, 1992: 261-70.

14. Weber MF en Verhoeff J. Prevalentie van \'slijtend\' rundvee op
Nederiandse melkveebedrijven met een historie van chronische ge-
zondheidsproblemen. Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 180-3.

15. Wright CL, MacPherson A, and Taylor CN. The effects of cobalt defi-
ciency in calves. In: Xllth World congress on diseases of cattle,
Amsterdam, 7-10 September 1982; vol 2: 1315-8.

16. Zar JH. Biostatistical Analysis, 3rd ed. New Jersey, Prentice Hall Inc.,
1996.

Mogelijkheden voor nader onderzoek naar de slijterproblematiek

Tijdschr Diergeneeslu) 2001; 126: 223-5

G.A.L. Meijer\\ A. BonmanenJ. Verhoeffi

SAMENVATTING

Deze studie beoogde de problematiek van slijtende koeien
in beeld te brengen met betrekking tot definitie, omvang
en mogelijke oorzaken. Daartoe werden alle beschikbare
onderzoeksgegevens geïnventariseerd. Hieruit kwam
naar voren dat objectieve criteria die een heldere toets-
bare definitie van slijterkoeien en slijterbedrijven moge-
lijk maken ontbreken. De omvang van de problematiek is
beperkt gebleven tot maximaal ongeveer 150 bedrijven.
Momenteel zijn geen bedrijven bekend met een actuele
problematiek van slijters. In combinatie met de onzeker-
heid in de definitie bemoeilijkt dit nader onderzoek in het
veld. Met betrekking tot de oorzaak kan gezegd worden
dat in geen enkel onderzoek aanwijzingen zijn gevonden
die de veronderstelling dat de vaccinatie met het IBR-
markervaccin tot de slijterproblematiek heeft geleid on-
dersteunen. Andere hypothesen over de mogelijke oor-
zaak van de problematiek zijn nauwelijks onderzocht.
Om de rol van voeding, infectieuze agentia en erfelijke
factoren uit te kunnen sluiten is nader onderzoek nodig.
Met het verdwijnen van het fenomeen zijn goede gegevens
en controles echter maar beperkt beschikbaar.

\' /D TNO Diervoeding. Postbus 65. 8200 AB Lelystad telefoon: 0320-237369, fax:

0320-237320, e-mail:g.a.l.meijer@id.wag-ur.nl.
^ ID-Lelystad, Postbus 65, 8200 AB Lelystad.
^ Gezondheidsdienst voor Dieren, Postbus 361, 9200 AJ Drachten.

SUMMARY

Chronic wasting of dairy cows; a review of research

In this study, we reviewed the research that has heen conducted in relation-
ship with the problem of \'chronic wasting \' in dairy cows in the Netherlands
as was experienced during 1998 and 1999. Emphasis was drawn towards
three aspects of this \'chronic wasting\'; the definition, the magnitude, and
the possible cause or causes. It appeared that a clear, objective definition of
\'chronic wasting \' in cows, and of farms with a problem of \'chronic wasting \'
cows is still lacking. Furthermore, the incidence (of the problem) was re-
stricted to approximately 150 dairy farms at most. Currently, no farms with
\'chronic wasting \' cows are known. Combined with the uncertainty in the
definition, this will hamper future research. Many of the studies were rela-
ted to the hypothesis that the vaccination with the BHVl marker vaccine had
caused \'chronic wasting \' in the cows. None of the results, however, substan-
tiated this hypothesis. Other possible causes have hardly been investigated
and further research would be needed to evaluate the role of nutrition, in-
fectious agents, and genetics. However, due to the waning of the pheno-
menon, the availability of data and controls will be limiting.

INLEIDING

Vanaf begin 1999 zijn in de rundveehouderij problemen ge-
meld met de gezondheidstoestand van de dieren, waarbij een
relatie werd verondersteld met de vaccinatie tegen IBR, zo-
als die vanaf mei 1998 verplicht werd uitgevoerd op bedrij-
ven die niet voor IBR gecertificeerd waren. Een deel van de
vaccins bleek verontreinigd met een geringe hoeveelheid bo-
vine virus diarree virus (BVDV) Type 1 (4). Het kon niet uit-
gesloten worden dat intramusculaire toediening van een met
BVDV verontreinigd BHVl vaccin tot BVDV-geasso-
cieerde symptomen leidt (Van Oirschot, 1999, persoonlijke
mededeling). De aanwezigheid van BVDV in het vaccin

-ocr page 272-

duidde op een tekortkoming in het productieproces van het
vaccin, waardoor ook het risico van andere verontreinigin-
gen niet kon worden uitgesloten. De problemen, die zich met
name op melkveebedrijven voordeden, uitten zich vooral bij
koeien die na het afkalven snel vermagerden en minder melk
produceerden dan verwacht. Het conditieverlies van de die-
ren was irreversibel en ging gepaard met het optreden van in-
fecties met symptomen van zeer diverse aard. Het ziekte-
beeld leek sterk op het slijten van koeien, zoals dat normaal
in de melkveehouderij bij een gering percentage, meestal ou-
dere dieren, voorkomt. Ondertussen is veel onderzoek ver-
richt om een mogelijk verband tussen de vaccinaties en het
optreden van slijten bij koeien aan te tonen. Veel van dit on-
derzoek wordt in deze aflevering van het Tijdschrift voor
Diergeneeskunde gerapporteerd. Geen ervan heeft het ver-
onderstelde verband kunnen onderbouwen. Onderzoek naar
andere mogelijke oorzaken van het optreden van de slijter-
problematiek is nauwelijks uitgevoerd. Om tot toetsbare hy-
pothesen te komen is het belangrijk om over een duidelijke
definitie van slijters en slijterbedrijven te beschikken, om de
omvang en het verloop van de problematiek in de tijd goed in
beeld te hebben en mogelijke oorzaken systematisch te be-
noemen en bestuderen. In deze evaluatie worden deze aspec-
ten van de slijterproblematiek nader beschouwd.

DEFINITIE

De definitie voor slijterkoeien is in een laat stadium (maart
2000) vastgesteld door een aantal experts en wordt als volgt
beschreven. Het slijten treedt op na het afkalven, vooral in de
periode van dag IO tot 21, en bestaat uit een emstig, niet her-
stellend conditieverlies, waarbij de koeien meer, en stmctu-
rele, gezondheidsproblemen vertonen, waarop uitgevoerde
behandelingen geen effect hebben. Er bestaat geen relatie
met een (te) hoge melkgift. Er is sprake van een \'slijterbe-
drijf als meer dan 20% van de melkgevende dieren slijter is,
terwijl de droogstaande koeien in goede conditie verkeren.
In eerdere instantie is een grens van 15% gehanteerd.
Klinisch en pathologisch onderzoek bij de Faculteit der
Diergeneeskunde (FD) en de Gezondheidsdienst voor Die-
ren (GD), heeft niet tot een eenduidig beeld van slijterkoeien
geleid. Bij 19 koeien die bij de FD ter sectie werden aangebo-
den, werden vooral opvallende klauwafwijkingen geconsta-
teerd (9). Bij 190 dieren die door de GD werden onderzocht
was het meest opvallende kenmerk, dat in 32 gevallen werd
gevonden, een aspecifieke enteritis (9). Ook uit de praktijk is
geen eenduidig beeld naar voren gekomen. Belangrijke knel-
punten met betrekking tot de definities van slijterkoe en slij-
terbedrijf zijn dan ook dat er geen eenduidig beeld bestaat, dat
niet duidelijk is of in de verschillende onderzoeken dezelfde
definitie gehanteerd is, en dat de grens van 20% arbitrair is.

OMVANG

Indien er sprake was van een onbehandelbare ziekte met nega-
tieve economische gevolgen voor de bedrijfsvoering mag ver-
wacht worden dat veel koeien zijn afgevoerd. Door afvoerge-
gevens te bestuderen zou daarmee kwantitatief inzicht in de
omvang van de problematiek kunnen worden verkregen. Het
aantal probleembedrijven waar in de periode I998/\'99 meer
dan 15% van de dieren zijn afgevoerd met als reden slijten was
volgens opgave van de veehouders in één studie 88 (12), in een
andere 120 (11). Onduidelijk is in hoeverre er overlap bestaat
tussen deze opgaven. Bartels
et al. (2) konden geen verschillen
vinden in veranderingen in afvoer van koeien, op bedrijven die

IBR-vrij (niet geënt) waren, of waar de koeien waren geënt
met levend of dood IBR-markervaccin. De auteurs stellen te-
recht dat hun onderzoek niet geschikt is voor het bepalen van
de omvang van de \'slijterproblematiek\' en dat een definitie
van \'slijterbedrijven\' op basis van kengetallen ontbreekt. In
april 2000 waren nog twee \'slijterbedrijven\' bekend. Na de
miming van het laatste bedrijf in augustus 2000 zijn geen be-
drijven meer bekend met een actuele slijterproblematiek.
Knelpunten bij het bepalen van de omvang van de slijterpro-
blematiek zijn dat de gegevens alle gebaseerd zijn op de op-
gave van de veehouder, en het ontbreken van een duidelijke
definitie van een \'slijterbedrijf op basis van kengetallen. Op
basis van afvoergegevens zoals die bekend zijn bij I & R, kun-
nen slijterbedrijven niet geïdentificeerd worden. De reden van
afvoer en de afvoerwaarde van koeien worden hierbij name-
lijk niet geregistreerd. Daarmee blijft onduidelijk of de preva-
lentie van de slijterproblematiek in 1999 is toegenomen.

OORZAAK

De oorzaak voor nieuwe, onbekende, gezondheidsproble-
men zoals de slijterproblematiek kan gezocht worden in exo-
gene factoren (bijvoorbeeld in dit geval gerelateerd aan het
IBR-vaccin of andere factoren uit de omgeving), endogene
(erfelijke) factoren, of een combinatie van beide.
De hypothese dat slijten gerelateerd is aan de IBR-vaccinatie
is onder te verdelen in twee deelhypothesen. De eerste stelt
dat een besmetting van het vaccin met BVDV type 1 tot slij-
ten leidt. Voor deze hypothese pleit dat er inderdaad batches
zijn gevonden die in geringe mate besmet waren met BVDV
type 1. In bloed van 208 dieren uit 11 slijterbedrijven werden
in 110 gevallen (53%) antistoffen tegen BVDV type I aan-
getoond (9). In een ander onderzoek, aan circa 3000 koeien
van probleembedrijven werd bij 63% antistoffen tegen
BVDV type I in bloed gevonden (9). Deze uitkomst valt bin-
nen het 95% betrouwbaarheidsinterval voor de prevalentie
van BVDV seropositieven (63% -67%) zoals die bij melkvee
in Nederiand in een eerder onderzoek is gevonden (8). De
BVD-status van de onderzochte koeien voor de vaccinatie
was niet bekend, waardoor niet kan worden vastgesteld of de
antilichamen zijn veroorzaakt door een eerdere besmeUing
met het veldvims of door een besmet vaccin. Tegen de hypo-
these pleit dat het klinisch en pathologisch beeld van onder-
zochte slijterkoeien niet overeenkwam met dat van BVD.
Ook een gecontroleerde inoculatieproef met een 50-voudige
dosering van een mengvaccin, samengesteld uit flesjes waar-
van een aantal uit BVDV type I besmette batches, leidde niet
tot het optreden van BVD bij deze dieren, noch tot andere in-
fecties of symptomen van slijten (5).

De tweede deelhypothese stelt dat een onbekend agens in het
vaccin tot slijten leidt. Het vaccin is alleen onderzocht op be-
smetting met BVDV. Het bij ID-Lelystad ontwikkelde uit-
gangsmateriaal voor het vaccin is onderzocht op de aanwe-
zigheid van het porcine circovims (Type 1 en 2, middels
PCR) en van mycoplasma en bleek voor beide negatief (9).
Ook is in een uitgebreide vergelijking van kengetallen van
bedrijven waar koeien niet, met dood, of met levend vaccin
zijn gevaccineerd, geen relatie gevonden tussen vaccinatie of
het (type) vaccin dat gebmikt is en eventuele problemen met
productie of diergezondheid (2). Ook de hierboven ge-
noemde inoculatieproef (5) gaf geen aanleiding te veronder-
stellen dat met het vaccin andere infectieuze agentia werden
overgedragen.

De conclusie van al dit onderzoek moet dan ook zijn dat er

-ocr page 273-

geen aanwijzing is gevonden voor een relatie tussen de IBR-
vaccinatie en enig meetbaar effect op de productie of ge-
zondheid van koeien. Nader onderzoek met betrekking tot
deze hypothese is niet nodig.

Bij overige mogelijke exogene oorzaken voor de slijterpro-
blematiek kan gedacht worden aan effecten van voeding (zo-
wel deficiënties als intoxicaties) of aan een onbekend infecti-
eus agens dat niet afkomstig is uit de entstof Met betrekking
tot de voeding kan gesteld worden dat de graskuilen in de
winter van 98/99 over het algemeen slechter dan gemiddeld
waren (1). In de studie van Bartels
et al. (3) is gevonden dat
bij een aantal slijterbedrijven, waarvan analyses van kuilen
op het bedrijf beschikbaar waren, de kuilen uit de tweede
snede meer mw eiwit bevatten dan bij controlebedrijven.
Negatieve effecten van hoge mw eiwitgehalten op dierge-
zondheid en vmchtbaarheid zijn bekend uit de literatuur
(6,7,10). Dit resultaat zou echter eerst bevestigd moeten
worden voor de gehele groep van bestudeerde slijterbedrij-
ven, voordat specifieker onderzoek in deze richting zinvol is.
Voor andere problemen met voeding, die een eenduidige
oorzaak voor de slijterproblematiek kunnen vormen, komen
geen aanwijzingen uit het uitgevoerde onderzoek.
Met betrekking tot een infectieus agens uit de omgeving van
het dier (voer, water, lucht, diercontacten) wordt vooral ge-
dacht aan agentia die een immuunsuppresieve (bij)werking
kunnen hebben zoals blue tongue virus, boosaardige catar-
raal koorts, bovine herpes virus type 4, bovine immunodefi-
ciency virus, bovine leukose virus,
Chlamydia en mnder-
pest. Deze hypothese zou getoetst kunnen worden door de
besmettelijkheid van de slijterziekte, en de aanwezigheid
van antistoffen tegen deze pathogenen in sera van slijter-
koeien, te onderzoeken. Overigens, is in het beperkte materi-
aal, dat onderzocht is, geen aanwijzing gevonden voor im-
muunsuppressie bij slijters of een eenduidige relatie met één
van de genoemde pathogenen (9). Nader onderzoek wordt
verder belemmerd door het ontbreken van voldoende goed
gedefinieerde monsters van slijter- en controlekoeien.

Mogelijk hebben endogene factoren een rol gespeeld bij de
problematiek. Hierbij kan gedacht worden aan specifieke er-
felijke factoren en aan effecten van de eenzijdige selectie op
productiekenmerken van melkvee. Uit het verrichte epide-
miologische onderzoek zijn echter geen aanwijzingen ge-
vonden dat hoge melkproductie een rol gespeeld heeft (3).
De in eerdere instantie door experts opgestelde definitie van
slijterkoeien (zie boven) blijkt daarmee op dit punt juist.
Onbekend is echter of specifieke genetische factoren een rol
gespeeld hebben, bijvoorbeeld de vererving van een reces-
sief gen dat tot ziekte leidt, of de gevoeligheid van het dier
voor omgevingsfactoren vergroot. Hiertoe zou de afstam-
ming van slijterkoeien bestudeerd moeten worden.

CONCLUSIES

Er is geen verband aangetoond tussen de vaccinatie tegen
IBR en de slijterproblematiek. Nader onderzoek met betrek-
king tot deze hypothese is niet nodig. Mogelijk hebben facto-
ren in de omgeving van het dier een rol gespeeld. Met betrek-
king tot voeding zijn er aanwijzingen dat de (eiwit)kwaliteit
van de graskuilen op slijterbedrijven afweek van die op con-
trolebedrijven. Nader onderzoek zou dit beeld kunnen be-
vestigen. Nader onderzoek naar de rol van de kwaliteit van
de voeding of infectieuze agentia, niet afkomstig uit de ent-
stof, wordt vooral belemmerd door het ontbreken van goed
gedefinieerd en geconserveerd materiaal van slijterkoeien en
-bedrijven. Wel lijkt het zinvol, en mogelijk, de afstamming
van slijterkoeien na te trekken om uit te sluiten dat erfelijke
factoren een rol gespeeld hebben.

LITERATUUR

1. Bakker J. Graskuilen soms een mooi rapport maar een slecht resultaat.
Centraal Veevoederbureau. Verslag van studiemiddag \'De waardering
van gras en graskuilen in rantsoenen voor rundvee\', CVB reeks nr. 27,
Lelystad, maart 2000.

2. Bartels CJM, Barkema HW, Beiboer ML, Bouma A en Stegeman JA.
Bedrijfsvoering en kengetallen van tot \'slijter\'bedrijven verworden
melkveebedrijven. Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 198-207.

3. Bartels CJM, Barkema HW, Beiboer ML, Bouma A en Stegeman JA.
Vergelijking van de bedrijfskengetallen van melkveebedrijven die in
1998 wel of niet hebben gevaccineerd met BHVl markervaccin.
Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 191-7.

4. Bruschke CJM, Paal HA en Weerdmeester K. Detectie van bovine vi-
rus diarree virus in een levend bovine herpesvirus 1 markervaccin.
Tijdschr Diergenee.skd 2001; 126: 189-90.

5. Bruschke CJM, Kamp EM, Boersma W, Stockhofe-Zurwieden en
Bouma A. De effecten van vaccinatie met een hoge dosis BHVl-vac-
cin in hoogdrachtige vaarzen; virologische, bacteriologische, immu-
nologische en pathologische bevindingen. Tijdschr Diergeneeskd
2001; 126:211-7.

6. Fernandez JM, Croom WJ, Johnson AD, Jacquette RD, and Edens FW.
Subclinical ammonia toxicity in steers: Effects on blood metabolite and
regulatory hormone concentrations. J Anim Sei 1988; 66: 3259-66.

7. Kaur H, and Arora SP. Dietary effects on ruminant livestock reproduc-
tion with particular reference to protein. Nutr Res Rev 1995; 8: 121-
36.

8. Kramps JA, Maanen C van. Wetering G van de, Stienstra G, Quak S,
Brinkhof J, Rensholt L, and Nylin B. A simple, rapid and reliable en-
zyme-linked immunosorbent assay for the detection of bovine virus
diarrhoea virus (BVDV) specific antibodies in cattle serum, plasma
and bulk milk. Vet Microbiol 1999; 64: 135-44.

9. Meijer GAL. Bouma A en Verhoeff J. Problematiek van slijtende
koeien; Inventarisatie van kennis en hiaten. Rapport ID-Lelystad no.
2059, oktober 2000.

10. Sato S, Susuki T, and Okada K. Suppression of lymphocyte blastoge-
nesis in cows with puerperal metritis and mastitis. J Vet Med Sei 1995;
57:373-5.

11. Van Wuijckhuise L, Frankena K, van Oijen MAAJ en Meijer L.
Analyse van gezondheidsklachten na BHV 1 vaccinatie. Tijdschr Dier-
geneeskd 2001; 126: 173-80.

12. Weber MF en Verhoeff J. Prevalentie van slijtend rundvee op
Nederlandse melkveebedrijven met een historie van chemische ge-
zondheidsproblemen. Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 180-3.

-ocr page 274-

\'Slijters\', een gevolg van subacute pensacidose?

C.A.M. Peeters\', A. Joren^ en A. Brand3

Inleiding

Door continue verbeteringen van het
genetische potentieel van het melkvee
en de bedrijfsvoering blijft de melk-
productie stijgen. De indruk bestaat
dat op sommige bedrijven de vooruit-
gang in genetische potentie van de
melkveestapel groter is dan de vooruit-
gang in de management-capaciteit van
de koeien van de melkveehouder.
Koeien die alleen ruwvoer eten produ-
ceren gemiddeld 25 kg melk. Om meer
te kunnen produceren heeft een koe
extra (pensbestendige) energie en
eventueel eiwit nodig afkomstig van
plantaardige producten. Plantaardige
producten in de vorm van granen en
bijproducten, zoals pers-pulp, worden
door microben in het rumino-reticu-
lum gefermenteerd. Indien deze fer-
mentatie snel verloopt worden in de
pens grote hoeveelheden organische
zuren, zoals azijnzuur, propionzuur en
boterzuur en later ook melkzuur ge-
produceerd waardoor de pH van de
pensinhoud daalt en pensacidose (PA)
kan ontstaan. Het negatieve effect van
een overconsumptie van snelverteer-
bare koolhydraten (zoals zetmeel, sui-
ker en pectine) wordt versterkt wan-
neer het rantsoen arm is aan structuur
waardoor de koe minder herkauwt en
dus minder bufferend speeksel produ-
ceert.

De ontwikkeling van PA bij melkvee is
afhankelijk van de capaciteit van de
koe om organische zuren die in de pens
worden geproduceerd te neutraliseren
en van de mate van absorptie van orga-
nische zuren vanuit de pens naar het
bloed. Beide processen vinden minder
gemakkelijk plaats bij een dalende
pens pH. Daamaast worden bij een lage
pens pH endotoxinen (Polysacchari-
den) geproduceerd tengevolge van de-
stmctie van Gram-negatieve micro-or-
ganismen in de pens. Endotoxinen zijn
indirect verantwoordelijk voor de sys-
temische effecten van PA zoals klauw-
bevangenheid (13).

De hoogste incidentie van PA treedt op
in de overgangsperiode van de droog-

\' Dierenartsenpraktijk Bornerbroek, Schapendrift 7a.

7627RA Bornerbroek
^ Hendrix Illesch GmbH, Treuenbrietzener Strasze

91a. 14913 Bardenitz. Duitsland
J Beuiakerweg 77B. 8355 AC Giethoorn.

Stand naar de lactatie. Gedurende de
overgangsperiode treden in de koe veel
fysiologische veranderingen op zoals
de overgang van drachtig naar niet
drachtig, niet-lacterend naar lacterend
en van een overwegend uit celwanden
bestaand rantsoen naar een zetmeelrijk
rantsoen. Daamaast treden rond het af-
kalven veranderingen op zoals het her-
groeperen van koeien, stress onder an-
dere door het afkalven, daling van de
droge stofopname, en talrijke metabole
en endocriene veranderingen, die de
stofwisseling van de koe beïnvloeden.
Gedurende de lactatie lopen de koeien
het grootste risico voor PA tijdens de
periode waarin de hoogste krachtvoer-
opname plaatsvindt.

Rantsoensamenstelling, microbiële
flora en pens pH

De koe onderhoudt een symbiotische
relatie met bacteriën, protozoën en gis-
ten in de pens. Deze relatie houdt in dat
de koe een passend milieu verzorgt
voor microbiële groei, terwijl de mi-
croben de koe voorzien van eindpro-
ducten van de fermentatie zoals vluch-
tige vetzuren en microbieel eiwit.
De hoogte van de pens pH is van groot
belang voor de groei en overleving van
micro-organismen. Dit is vergelijkbaar
met het effect van de pH in de bodem
op plantengroei. Wanneer de samen-
stelling van het rantsoen verandert van
overwegend mwvoer naar een groot
aandeel krachtvoer, verandert ook de
samenstelling van de microbiële flora,
de eindproducten die door deze orga-
nismen worden geproduceerd, en de
pens pH. De samenstelling van het
rantsoen kan dus een positief of nega-
tief effect hebben op de pensfunctie en
de pH van de pensinhoud Het is essen-
tieel om de dynamiek tussen de samen-
stelling van het rantsoen, de fermenta-
tiesnelheid, de doorstroomsnelheid van
de pensinhoud en de opbouw van de
microflora in de pens van de koe te be-
grijpen om de melkproductie, repro-
ductie en gezondheid van de koe te
kunnen optimaliseren (2).
Bij gezonde koeien is een neutrale pH
gunstig voor mwvoer-fermenterende
microben, terwijl een pH tussen 6,3 en
6,0 gunstig is voor het functioneren
van zetmeelfermenterende microben.

De vertering van celwanden daalt be-
hoorlijk wanneer de pH lager wordt
dan 6,0. Hiervoor zijn drie verklarin-
gen aan te geven. Ten eerste, celluloly-
tische bacteriën als
Ruminococcus al-
bus, Ruminococcus flavefaciens
en
Fibrobacter succinogenes kunnen hun
eigen intracellulaire pH niet handha-
ven wanneer de pH in de pens laag (<
6,0) is. Ten tweede, bacteriële enzy-
men die nodig zijn voor de afbraak van
cellulose functioneren niet goed bij
een pH < 6,0, en ten derde, de verme-
nigvuldiging van cellulolytische bac-
teriën vermindert aanzienlijk bij een
lagepH(18).

Calsamiglia et al. (4) bestudeerden het
effect van pH fluctuaties op de fermen-
tatie van mwvoer in vitro. De fermenta-
tie van neutral detergent fiber (NDF)
bleek het hoogst (54%) wanneer de pH
in het medium constant op een niveau
van 6,4 werd gehouden en het laagst
(37%) bij een pH van 5,7. Wanneer een
cyclische pH fluctuatie werd geïntrodu-
ceerd bestaande uit vier uur een pH van
6,4 gevolgd door vier uur een pH van
5,7, werd 46% NDF gefermenteerd.
Hiemit mag worden geconcludeerd dat
regelmatige fluctuaties van een hoge
naar een lage pH, de cellulolytische acti-
viteit in de pens verminderen. Het is nog
niet bekend wat het in vivo effect is van
dergelijke fluctuaties in de pH van de
pensinhoud. Het is mogelijk dat nog on-
bekende cellulolytische bacteriën die
minder gevoelig zijn voor een lage pH
een bijdrage leveren aan de vertering
van mwvoer. Bovendien kan een onvol-
doende vertering van mwvoer het resul-
taat zijn van de combinatie van een lage
pH in de pens en van een verkorte pe-
riode dat het voedsel in de pens aanwe-
zig is als gevolg van een snellere pas-
sage (1).

Een goed functionerende cellulolyti-
sche fermentatie in de pens is in belang-
rijke mate afhankelijk van de fysieke
samenstelling van het rantsoen ener-
zijds (3 a 4 kg van het mwvoer dient een
deeltjeslengte te hebben van > 4 cm) en
de in de pens verteerbare koolhydraten
en eiwitten anderzijds. Met betrekking
tot de samenstelling van het rantsoen
kan daarom worden opgemerkt dat een
overmaat van mwvoer of van kracht-
voer de pensfermentatie zal kunnen

-ocr page 275-

verstoren. Indien snel fermenteerbaar
zetmeel in overmaat aanwezig is, zal de
pH in de pens dalen met PA als moge-
lijk gevolg. Indien de pens pH lager
wordt dan 6,0 zal vervolgens de verte-
ring van cellulose verminderen doordat
een lage pH in de pens de activiteit van
een aantal cellulolytische micro-orga-
nismen zal verminderen (18). Indien
daarentegen een overmaat aan grof
ruwvoer wordt gevoerd zal de pens pH
hoog zijn resulterend in grote aantallen
cellulolytische en relatief lage aantallen
zetmeelverterende bacteriën. Deze situ-
atie zal dan resulteren in een trage fer-
mentatie en een lage doorstroomsnel-
heid. Hierdoor zal de droge
stofopname, de productie van propion-
zuur en de productie van microbieel ei-
wit dalen. Als gevolg hiervan zal uitein-
delijk de melkproductie dalen.

Kliniek pensacidose

Pensacidose wordt onderverdeeld in
subacute pensacidose (SPA) en acute
pensacidose (APA), variërend van mild
tot levensbedreigend. Subacute PA en
APA hebben een vergelijkbare aetiolo-
gie maar de symptomen verschillen.
Het is in wezen onjuist om SPA als sub-
klinisch te benoemen, omdat koeien
met SPA wel degelijk specifieke klini-
sche symptomen kunnen vertonen.
Door de hoogte van de pH in de pens te
meten kan onderscheid worden ge-
maakt tussen de twee vormen van PA.
Acute PA heeft een pH van
5,2 tot 5,0 of lager, terwijl bij SPA de
pH tussen 5,0 en 5,5 ligt (16). De pe-
riode dat de pens pH lager dan 5,2 is,
lijkt een belangrijke factor te zijn in een
verschuiving in de onderlinge verhou-
ding van vrije vetzuren van onder an-
dere acetaat, propionaat, butyraat en
lactaat als eindproducten van de micro-
biële fermentatie (19).

Acute pensacidose

Bij APA vindt een overmatige opname
van snelverteerbare koolhydraten plaats
hetgeen gepaard gaat met een overpro-
ductie van vluchtige vetzuren en met
name van melkzuur, waardoor een plot-
selinge en niet te compenseren verla-
ging van de pH in de pens optreedt. De
voomaamste klinische symptomen zijn
(13,14,16):

• acuut (erg) zieke koe,

• \'off-feed\',

• abrupte melkproductiedaling,

• zwakke of afwezigheid van pensbe-
wegingen,

• deegachtig aanvoelende pensin-
houd.

• diarree (sterk riekend, grijs),

• acute klauwbevangenheid,

• neusuitvloeiing die soms bloederig
is,

• dehydratie gevolgd door sterfte.

De klinisch waarneembare sympto-
men worden begeleid door:

• sterke toename in de productie van
vluchtige vetzuren gevolgd door
melkzuur,

• dramatische verlaging van de pens
pH naar <5,0,

• stasis van de pensinhoud,

• verminderde bloedstroom naar de
digestietractus, waardoor de absorp-
tie van organische zuren uit de pens
afneemt, met als gevolg een nog ver-
dere verlaging van de pH in de pens,

• metabole acidose.

Bij een APA neemt het aantal melk-
zuur producerende micro-organismen
toe en het aantal melkzuur verbruikers
af Melkzuur manifesteert zich in een
L-lactaat en een D-lactaat. De relatieve
hoeveelheid van beide verandert bij
een zich wijzigende pens pH. De meta-
bole halfwaardetijd van L-lactaat is 22
minuten en van D-lactaat 108 minuten
(7). Mede door de trage omzetting van
D-lactaat vindt een snelle ophoping
van melkzuur in het bloed plaats het-
geen in belangrijke mate bijdraagt aan
een metabole acidose (13).

Subacute pensacidose

Subacute PA wordt gedefinieerd als
(dagelijkse) episoden van een matig
verlaagde pens pH (tussen 5,0 en 5,5)
met variërende lengte. De verlaging
van de pens pH bij koeien met SPA is
voomamelijk een gevolg van de opho-
ping van vluchtige vetzuren en in veel
mindere mate van melkzuur in de
pensvloeistof doordat er een even-
wicht kan ontstaan tussen producenten
en gebmikers van melkzuur indien de
pens pH >5,5 is. De zuren worden te-
vens gebufferd door bicarbonaat uit
het speeksel (pH 8,0 tot 8,2). De mate
van speekselproductie en dus buffe-
ring hangt echter af van de aanwezig-
heid van voldoende structuurhoudend
mwvoer in het rantsoen. Dit betekent
dat in geval van SPA de pens pH rede-
lijk in de hand kan worden gehouden
indien voldoende stmctuurhoudend
mwvoer wordt gevoerd (16,20). De
exacte pens pH waarbij SPA overgaat
in APA is echter moeilijk aan te geven.
Pensacidose is daardoor niet één aan-
doening maar een opeenvolging van
niveaus van een aandoening (9).
Subacute pensacidose geeft geen dui-
delijk ziektebeeld. De meeste sympto-
men van SPA zijn moeilijk te zien om-
dat de koe redelijk alert en mobiel
blijft en voer blijft opnemen. De be-
langrijkste klinische symptomen van
SPAzijn (13,14,16):

• vage gezondheidsklachten,

• variabele verminderde voeropname,

• zwakke pensbewegingen (die in am-
plitude en frequentie progressief af-
nemen wanneer de pH de 5,0 na-
dert),

• matig uitgezette pens met een deeg-
achtig aanvoelende inhoud,

• milde intermitterende diarree van
enkele koeien in wisselende groe-
pen,

• verminderd percentage koeien dat
herkauwt,

• verminderde melkproductie in het
bijzonder van koeien die hoog in de
rangorde staan,

• melkvetdepressie,

• inversie van de melkvet/melkeiwit
verhouding,

• sterke afname van de lichaamscon-
ditie tengevolge van een vermin-
derde absorptie van nutriënten,

• verminderde absorptie van minera-
len,

• hoge prevalentie van bevangenheid,

• een verhoogd afvoerpercentage
(\'slijters\').

Hiermee gepaard gaande verschijnse-
len zijn:

• perioden met een pens pH tussen 5,5
en 5,0 als gevolg van overproductie
van vluchtige vetzuren,

• verlaging van het aantal protozoën
in de pensvloeistof,

• een hoge prevalentie van mminitis
en leverabcessen,

De uiteindelijke diagnose van PA
dient via penspunctie te worden ge-
steld. Bij bemonstering van de pensin-
houd met de penspomp kan menging
met speeksel optreden waardoor de pH
hoger uit kan vallen (6).
Langdurige blootstelling van het pen-
sepitheel aan hoge concentraties orga-
nische zuur kan ruininitis tot gevolg
hebben, waardoor de absorptiecapaci-
teit van het slijmvlies van de pens voor
organische zuren afneemt en de pens
pH nog verder daalt. De door mminitis
beschadigde penswand wordt gevoelig
voor invasie met en kolonisatie door
Fusobacterium necrophorum. Indien
kolonisatie heeft plaatsgevonden, kan
F. necrophorum in de bloedbaan ko-
men en abcessen in de penswand en
secundair in de lever veroorzaken als
gevolg van bacteriële emboli. Van
hiemit kunnen vervolgens uitzaaiin-
gen plaatsvinden naar andere organen.

-ocr page 276-

Leverabcessen zijn dan een gevolg van
primaire foei van infectie van de pens-
wand. Het voomaamste gevolg van le-
verabcessen is dat de koeien het min-
der \'doen\' en dat de waarde van het
karkas vermindert. In sommige geval-
len moeten alle inwendige organen
worden afgekeurd (11,12). In vlees-
vee, gehouden in \'feedlots\', is een ver-
mindering van de groei van 11 % en
een afname van de voederconversie
van 9,7% gerapporteerd (3). In een an-
dere studie werden bij melkkoeien die
om reden van \'het slecht doen\' werden
geslacht, bij 40 tot 60 procent van de
dieren leverabcessen geconstateerd
(11).

Discussie

Hoewel bijna alle melkkoeien rondom
het afkalven een meer of minder em-
stige negatieve energiebalans doorma-
ken wordt PA niet primair door een ne-
gatieve energiebalans veroorzaakt
zoals dat wel het geval is bij ketose,
lebmaagdislocatie, retentio secundina-
mm, etcetera (8,17). Pensacidose
rondom het afkalven en in de vroege
lactatie doet zich vooral voor: 1) in-
dien hoogdrachtige koeien niet of in
onvoldoende mate worden voorbereid
op het lactatierantsoen, 2) indien er se-
lectie van smakelijke, lichtverteerbare
koolhydraten uit het rantsoen plaats-
vindt, en/of 3) indien de krachtvoergift
na het afkalven onafhankelijk van de
mwvoeropname wordt verhoogd.
Pensacidose rondom het afkalven en in
de vroege lactatie is daarom vrijwel al-
tijd een gevolg van een voedertech-
nisch mismanagement. Een negatieve
energiebalans kan echter altijd ge-
paard gaan met PA wanneer de zojuist
genoemde factoren aanwezig zijn.
Omgekeerd kan een PA een reeds be-
staande negatieve energiebalans verer-
geren met als gevolg een nog grotere
daling van lichaamsconditie dan ten-
gevolge van een negatieve energieba-
lans alleen. Een klinische bevinding is
dat SPA gepaard kan gaan met een
slechte respons op therapeutische
maatregelen bij normaal voorkomende
bacteriële infecties, hetgeen zou kun-
nen wijzen op een niet optimale im-
muunfunctie (15). Uit eigen bevindin-
gen is gebleken dat SPA ten opzichte
van controle dieren tot een aanzien-
lijke verlenging van het interval kal-
ven-conceptie kan leiden. Bovendien
kan door daling van de pH tengevolge
van een ontstane mminitis de absorptie
van organische zuren maar ook van an-
dere nutriënten worden gereduceerd
(13).

Subacute PA kan tot behoorlijke eco-
nomische veriiezen leiden. Op veel
melkveebedrijven is het daarom zaak
om een repeterend optreden van SPA
onder controle te houden. Het diagnos-
tiseren van APA is gemakkelijker dan
van SPA, doordat de symptomen dui-
delijker waarneembaar zijn. Vaak
wordt SPA niet opgemerkt en wordt de
stoomis toegeschreven aan andere pro-
blemen zoals een slechte mwvoerkwa-
liteit, een niet optimaal voerhek-ma-
nagement, een onbekende subklinische
vimsinfectie, of slecht management in
het algemeen, etcetera (13). Subacute
PA wordt daarom vaak een \'stille
ziekte\' genoemd.

Acute en subacute PA komen zowel
bij lacterend melkvee als bij jongvee
voor. In tegenstelling tot de lactatiepe-
riode worden de klachten tijdens de
droogstand veelal niet waargenomen.
De aandoening dient naar de mening
van de auteurs, gelet op de beschreven
symptomen, met name het veriies aan
lichaamsconditie, hoog afvoerpercen-
tage, vage gezondheidsklachten en het
veelvuldig optreden van klauwbevan-
genheid als een niet onbelangrijke oor-
zaak van de zogenaamde slijterspro-
blematiek bij melkkoeien te worden
gezien. Slijters worden door velen ge-
definieerd als koeien die na afkalven
een mozaïek aan klachten laten zien
variërend van tegenvallende melkpro-
ductie tot meer of minder emstige ge-
zondheids- en reproductieproblemen.
Zoals reeds eerder opgemerkt is SPA
in een chronische vomi gekenmerkt
door verlies van het absorberend ver-
mogen van het slijmvliesoppervlak
van de pens. Van hiemit kunnen een
groot aantal symptomen zoals be-
schreven in de bijdragen van de Kmif
(5), Müller (10), Weber
et al. (23), van
Wuijckhuise
et al. (21) en Weber en
Verhoeff (22) worden verklaard.
Indien na afkalven de instelling van de
krachtvoergift onafhankelijk gebeurt
van de mwvoeropname en indien de
koeien tevens de gelegenheid hebben
om aan het voerhek smakelijke pro-
ducten (krachtvoer) op te nemen ten
koste van mwvoer (selectie), zullen de
eerder beschreven veranderingen in
ergere mate plaatsvinden. Uit de
anamnese van onderzochte bedrijven
komt naar voren dat in de winter van
1998/99 veel bedrijven te kampen heb-
ben gehad met slecht gewonnen mw-
voer. Vele veehouders hebben de
slechte kwaliteit mwvoer mogelijk
trachten te compenseren met extra
\'snel\' krachtvoer. Een dergelijke situ-
atie heeft dan de voedingsbodem kun-
nen vormen voor PA met vele daaraan
gekoppelde secundaire aspecten zoals
door andere auteurs in dit tijdschrift
beschreven. Dat daarnaast nog andere
factoren een rol kunnen hebben ge-
speeld, kan niet worden ontkend.

Literatuur

1. Beauchemin KA. Managing rumen fer-
mentation in barley-based diets: Balance
between high production and acidosis.
Advances in Dairy Technology 2000; 12:
109-25.

2. Berger LL. Effects of diet composition on
rumen fermentation. Animal and Plant
sciences. ISI Atlas of Science, Vol 1. 1988;
178-82.

3. Brink, DR, Lowry SR, Stock RA, and
Parrolt JC. Severity of liver abscesses and
efficiency of feed utilization of feedlot cat-
tle.JAnimSci 1990; 68: 1201-7.

4. Calsamiglia S, Ferret A, Plaixats J, and
Devant M. Effect of pH and pH fluctu-
ations on microbial fermentation in a conti-
nuous culture system. J Dairy Sei 1999; 83
Suppl.l :8.

5. De Kruif A. Dertien rundveebedrijven
waar koeien ziek zouden zijn geworden na
vaccinatie tegen infectieuze bovine rhi-
notracheitis (IBR). Tijdschr Diergeneeskd
2001; 126: 166-73.

6. Garrett EF, Pereira MN, Nordlund KV,
Armentano LE, Goodger WJ, and Oetzel
GR. Diagnostic methods for the detection
of subacute ruminal acidosis in dairy cows.
J Dairy Sei 1999; 82: 1170-8.

7. Giesecke D, and Stangassinger M. 1980.
Lactic acid metabolism.
In: Y. Ruckebush
and P. Thivend (Eds.) Digestive Physio-
logy and Metabolism in Ruminants, pp:
523-540. AVI Publishing Co., Westport,
CT. USA.

8. Heuer C. Negative energy balance in dairy
cows. Prediction, consequenses, and pre-
vention. Proefschrifl, Universiteit Utrecht,
2000.

9. Milton T. Managing acidosis in feedlot cat-
tle.
In: Proc 33™ Annual Convention of the
American Association of Bovine Practi-
tioners, Rapid City USA, Sept 21-23 2000;
38-45.

10. Müller KE. Bevindingen bij koeien afkom-
stig van melkveebedrijven met slijterpro-
blematiek. Tijdschr Diergeneeskd 2001;
126: 184-8.

11. Nagaraja TG. 2000. Liver abscesses in beef
cattle: Potential for dairy monitoring.
In
Proc 33\'\'\'\' Annual Convention of the
American Association Bovine Practitioners,
Rapid City USA, Sept 21 -23 2000; 65-8.

12. Nagaraja TG, and Chengappa MM. Liver
abscesses in feedlot cattle: a review. J
Anim Sei 1998; 76: 287-98.

13. Nocek EJ. Bovine acidosis: implications
on laminitis. J Dairy Sei 1997; 80: 1005-
28.

14. Nordlund KV. Sore feet, sour rumens, cli-
nical quandaries.
In Proc

33rd

Annual

Convention of the American Assocation of
Bovine Practitioners, Rapid City USA,
Sept 21-23 2000; 58-64.

15. Nordlund KV, Garrett EF, and Oetzel, GR.
Herd-based rumenocenthesis: A clinical

-ocr page 277-

approach to the diagnosis of subacute ru-
men acidosis. Comp Cont Educ Pract Vet
1995;17:S48-56.

16. Oetzel GR. Clinical aspects of ruminal aci-
dosis in dairy cattle.
In Proc 33\'\'\'\' Annual
Convention of the American Association
of Bovine Practitioners, Rapid City USA,
Sept 21-23 2000; 46-53.

17. Oikawa S, and Katoh N. Reduced concen-
trations of apolipoproteins B-lOO and A-l
in serum from cows with retained placenta.
CanJVetRes 1997;61:312-4.

18. Russell JB, and Wilson DB. Why are rumi-
nal cellulolytic bacteria unable to digest
cellulose at low pH? J Dairy Sci 1996; 79:
1503-1508.

19. Slyter LL. Influence of acidosis on rumen
function. J Anim Sci 1976; 43: 910-929.

20. Stock R. Acidosis in cattle: An overview.

In Proc

33rd

Annual Convention of the
American Association of Bovine
Practitioners, Rapid City USA, Sept 21-23
2000; 30-37.

21. Van Wuijckhuise L, Frankena K, van Oijen
MAAJ en Meijer L. Analyse van gezond-
heidsklachten na BHVl vaccinatie.
Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 173-80.

22. Weber MF en Verhoeff J. Prevalentie van
slijtend rundvee op Nederlandse melkveebe-
drijven met een historie van chronische ge-
zondheidsproblemen. Tijdschr Diergeneeskd
2001;126:180-3.

23. Weber MF, Verhoeff J, Holzhauer M,
Bartels CJM, van Wuijckhuise L en
Vellema P. Vitamine B
[2-suppletie en
melkproductie op bedrijven met slijtende
runderen. Tijdschr Diergeneeskd 2001;
126:218-23.

1. Fink-Gremmels^

Het was september 1998 toen voor het
eerst duidehjk werd dat het een
\'schimmeljaar\' zou worden. Vanuit
Duitsland en later ook vanuit Frank-
rijk, kwamen er berichten van een on-
gewoon hoge contaminatie van graan
en andere gewassen (maïs) met
Fusarium-ioxmtn, met name deoxyni-
valenol (DON) ofwel vomitoxine. In
tarwe werden concentraties van DON
tot boven de 30 ppm (30 mg/kg graan)
gemeten - terwijl in andere jaren de
toxineconcentraties tussen de 0,1 en
0,6 ppm varieerden. Met name var-
kenshouders werden hiermee vrijwel
onmiddellijk geconfronteerd, omdat
van de landbouwhuisdieren varkens
het meest gevoelig zijn. De belangrijk-
ste klinische symptomen bij varkens
na een dergelijke intoxicatie zijn bra-
ken, verminderde eetlust, enteritis,
maldigestie en groeiachterstand (2,6).
Tevens bezit DON, net als alle tri-
chothecenen (toxinegroep met be-
paalde stmctuurkenmerken, waaronder
een epoxidegroep), immuunsuppres-
sieve eigenschappen waardoor secun-
daire bacteriële en virale infecties fre-

\' Afdeling Farmacologie, Farmacie en Toxicologie,
Hoofdafdeling Gezondheidszorg Paard, Faculteit
der Diergeneeskunde.

quent optreden met alle bijkomende
gevolgen voor de gezondheid van de
dieren en de daannee samenhangende
bedrijfsresultaten.

Gegevens uit de literatuur suggereren
dat herkauwers de minst gevoelige dier-
soorten zouden zijn aangezien de pens-
flora DON effectief kan inactiveren.
Deze inactivatie is een bacterieel bio-
transformatieproces met een beperkte
capaciteit. Blootstelling aan DON kan
leiden tot verschuivingen in de pens-
flora, daamaast wordt DON vanuit de
pens en de dunne darm - zij het in be-
perkte mate- geresorbeerd. Het indu-
ceert een typische ontstekingsreactie
met een verhoogde productie van pro-
inflammatoire cytokinen. Bij herkau-
wers kunnen aspecifieke ziektever-
schijnselen optreden zoals verminderde
eetlust, vermagering, ketose, artritis en
mastitis. De gevoeligheid van individu-
ele dieren kan sterk verschillen.
Bovendien is het toxinepatroon sterk
wisselend, want naast DON worden
door
Fusarium spp. ook andere trichot-
hecenen (onder andere T-2 toxine, niva-
lenol) geproduceerd, waardoor de toxi-
citeit van besmet voer verder toe kan
nemen. Bij het opstellen van limieten
voor DON in veevoeder is hiermee re-
kening gehouden (5). In enkelvoudige
voeders wordt voor mndvee 5-10 ppm

Een alternatieve zienswijze

DON getolereerd, in het totale rantsoen
ligt de limiet bij 2 - 5 ppm.
De op slijterbedrijven gevonden ziek-
tebeelden (4,7) hebben een sterke mate
van overeenkomst met het sympto-
mencomplex zoals wordt veroorzaakt
door mycotoxinen. Daarom lijkt het
mij niet onwaarschijnlijk dat myco-
toxinen een rol hebben gespeeld in
deze problematiek. Het is jammer dat
deze hypothese niet is meegenomen in
de discussie in het voorjaar van 1999.
Mycotoxinen hebben vele gezichten;
zij liggen ook vaak ten grondslag aan
secundaire aandoeningen. Indien de
pensflora is aangetast, kunnen secun-
daire intestinale infecties ontstaan ten
gevolge van schimmelspecies, die nor-
maliter niet automatisch tot systemi-
sche ziekten leiden. Een voorbeeld
hiervan is aspergillose, bij runderen
voornamelijk door
Aspergillus fumiga-
tus
veroorzaakt. Aspergillus fumigatus
presenteert zich bij mnderen in het
darmkanaal, het longweefsel, de lever,
het uierweefsel en de utems; dit laatste
kan, in geval van dracht, dan weer lei-
den tot een abortus. De infectie mani-
festeert zich als een
toxico-infectie -
c.q. een systemische schimmelinfectie
- waarbij ook in het geïnfecteerde
weefsel toxinen kunnen worden ge-
vormd.
Aspergillus fumigatus vormt
onder meer gliotoxine (I), een stof die
bekend staat om zijn imponerende im-
muunsuppressieve eigenschappen (8).
Door deze eigenschappen
^X^stXA. fumi-
gatus
ook in de humane geneeskunde
in de belangstelling, met name omdat
bij patiënten met een onvoldoende im-

-ocr page 278-

muunstatus secundaire infecties door
A. fumigatus een toenemend probleem
vormen (3).

De problematiek die door mycotoxinen
kan worden veroorzaakt, is in Neder-
land jarenlang onderbelicht gebleven.
Dit kan worden verklaard door de lage
prevalentie van mycotoxicosen, zeker
bij herkauwers, en het feit dat Neder-
land veevoedergrondstoffen voomame-
lijk importeert. Wettelijk (EU) bestaan
er tot nu toe geen verplichtingen voor
controle op de aanwezigheid van myco-
toxinen (met uitzondering van aflatoxi-
nen). De consequentie daarvan is dat in
sommige jaren mycotoxinen grote pro-
blemen in de veehouderij kunnen ver-
oorzaken terwijl die dan niet worden
gediagnostiseerd. De grote verschei-
denheid in schimmelspecies, hun toxi-
nen en de pathologische afwijkingen
die zij kunnen veroorzaken, is daarbij
wel een beperking om het benodigde
onderzoek goed te kunnen coördineren.
Indien een dierenarts bij problemen op
een bepaald bedrijf de mogelijke rol
van mycotoxinen onderzocht wil heb-
ben, kan hierover met mij contact wor-
den opgenomen.

Literatuur

1. Bauer J, Gareis M, Bott A, and Gedek B.
Isolation of a mycotoxin (gliotoxin) from a
bovine udder infected with
Aspergillus fu-
migatus.
J Med Vet Mycol 1989; 27: 45-50

2. Fink-Gremmels J. Mycotoxins: Their im-
plications in human and animal health. Vet
Quart 1999;21: 114-20.

3. Brakhage AA, Jahn, B, and Schmidt, A.
(eds): Aspergillus fumigatus. Contrib.
Microbio. Basel, Karger Vol. 2 1999.

4. Miiller KE. Bevindingen bij koeien afkom-
stig van melkveebedrijven met slijterpro-
blematiek. Tijdschr Diergeneeskd 2001;
126: 184-8.

5. RIKILT, 2000. In: Fusarium in granen.
Uitgever AgriPers Wageningen

6. Rotter BA, Prelusky DB, and Pestka JJ.
Toxicology of dexoxynivalenol (vomitoxin).
JToxicol Environ Health 1996; 48: 1-34.

7. Van Wuijckhuise L, Frankena K, van Oijen
MAAJ en Meijer L. Analyse van gezond-
heidsklachten na BHVl vaccinatie.
Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 173-80.

8. Yamada A, Kataoka T, and Nagai K. The
füngal metabolite gliotoxin: immunosup-
pressive activity on CTL-mediated cyto-
toxity. Immunol Lett 2000; 71: 27-32.

C.J.G.WensIngi

Vaccins en andere immuno-biologi-
sche producten vormen door het ge-
bmik van ingrediënten die van dieren
afkomstig zijn en die niet volledig
geïnactiveerd kunnen worden, altijd
een potentieel risico. We hoeven maar
te denken aan aids en vimshepatitis-
besmettingen bij de mens, BDVD-be-
smettingen bij mnderen en varkens en
CAV-besmettingen bij pluimvee in de
afgelopen 15 jaar.

Het is daarom een emstige fout dat bij
veterinaire vaccins geen batchgewijze
controle plaatsvindt voordat tot vrij-
gave van nieuw bereide vaccins wordt
overgegaan. Uiteraard is dit een extra
kostenfactor, maar de ellende en kos-
ten van een verontreinigd vaccin zijn
vele malen groter. Er is tevens be-
hoefte aan vaccins die bereid kunnen
worden via beter gedefinieerde grond-
stoffen.

De verontreiniging van diverse batches
IBR-vaccins van de firma Bayer is

\' Oud-directeur ID Lelystad.

deze firma aan te rekenen. Op de af-
werking van de schades die voortko-
men uit de emstige met BDVD type 2
verontreinigde batch is op zich niet zo-
veel aan te merken, maar een dergelijke
emstige besmetting hoort niet voor te
komen. De inteme controlesystemen
hebben gefaald en dienen te worden
aangescherpt.

Enigszins anders kan men aankijken
tegen de lichte verontreiniging van di-
verse batches met BDVD type 1. Een
dergelijke lichte verontreiniging is
moeilijker aantoonbaar, maar hoort
ook niet voor te komen. In aansluiting
hierop moet geconstateerd worden dat
de beschuldigende vinger, die met be-
trekking tot de slijtersproblematiek
naar de firma Bayer heeft gewezen,
lichtvaardig is opgeheven. Het was be-
ter geweest als de zaak eerst op een
pmdente en grondige manier was on-
derzocht, alvorens met emstige claims
te komen.

Winst van deze affaire is dat de slij-
tersproblematiek grondige aandacht
van een aantal onderzoeksgroepen
heeft gekregen. Een direct verband
tussen de slijtersproblematiek en de
bovengenoemde vaccinverontreini-
ging heeft men niet kunnen leggen.

Welke lessen zijn te leren?

Toch zijn uit een aantal van deze on-
derzoekingen wel conclusies te trek-
ken.

Gebleken is dat er op een vrij groot
aantal melkveebedrijven nogal wat
mis is. In veel van deze gevallen blijkt
aan het management het nodige te
mankeren, waardoor vragen gesteld
kunnen worden over de kwaliteit en
kwantiteit van de voeding, over de
kwaliteit van de huisvesting en over de
intensiteit van de diergeneeskundige
begeleiding. Daamaast moet de vraag
gesteld worden of we thans ook de
prijs betalen voor een wat eenzijdig op
de melkproductie gerichte fokkerij.

Bij het doorlezen van de publicaties in
dit nummer bekroop mij het gevoel dat
een aantal bedrijven gelijkenis ver-
toont met het bedrijf \'Pauw\' van en-
kelejaren temg.

De vraag moet worden gesteld of een
\'licence to produce\' niet aangewezen
is en dat deze alleen wordt afgegeven
als aan een aantal kwaliteitsvoorwaar-
den is voldaan. Een regelmatige con-
trole op het in stand houden van deze
kwaliteit is dan noodzakelijk.

-ocr page 279-

Discussie en terugblik

1 i

De oorzaken van slijters: wat wel en niet geconcludeerd kan worden

M.C.M. Dejongi

Inleiding

In 1999 werd op 11 melkveebedrijven
emstige ziekte en sterfte geconstateerd
ten gevolge van aan infectie met
BVDV type 2 (2). In een vaccinbatch,
van vaccin tegen BHV 1, werd dit vims
vervolgens aangetoond. Daama is ook
BVDV type 1 aangetoond in sommige
batches van het BHVl vaccin (5). De
vraag werd gesteld of de aanwezigheid
van BVDV type 1 in vaccins ook aan-
leiding kon zijn tot gezondheidsklach-
ten bij gevaccineerde runderen en er
zijn vervolgens een aantal onderzoe-
ken uitgevoerd om vast te stellen of
dergelijke gezondheidsklachten optra-
den. Mogelijk los van deze problema-
tiek van de besmette vaccins werd er
ook nog een aantal bedrijven gemeld
met \'uitzonderlijke\' gezondheidspro-
blemen. Het complex van problemen
op die mndveebedrijven werd be-
noemd met het begrip slijters.
De veehouderij werd dus geconfron-
teerd met een nogal complex en gezien
de mogelijke consequenties emstig te
nemen probleem. Er was sprake van
mogelijk uitzonderlijke dierziekten op
sommige bedrijven die
mogelijk ver-
oorzaakt werden door toepassing van
besmette vaccinbatches dan wel
moge-
lijk
een andere gemeenschappelijke
oorzaak hadden. Er is wetenschappe-
lijk onderzoek gedaan aan deze vraag-
stellingen en de bevindingen zijn in dit
tijdschrift gepresenteerd. Over de reik-
wijdte van deze wetenschappelijke uit-
spraken en over de interpretatie van
dergelijke uitspraken ontstaan vaak
misverstanden. Kort samengevat: het
niet vinden van een verband wordt
door de ene partij aangegrepen om te
zeggen dat er bewezen is dat er geen
verband is. Terwijl de andere partij de
uitslag interpreteert dat er nog steeds
een verband kan zijn. Beide partijen
hebben gelijk.

De onderzoeken samenvattend blijkt
dat een samenhang tussen gezond-
heidsproblemen of infectie met BVDV
en vaccinatie van mnderen met be-
smette batches niet viel aan te tonen en

Onderzoeksgroep Kwantitatieve Veterinaire Epide-
miologie (Lelystad, Wageningen, Utrecht).
Correspondentie: QVE-L, Divisie I&K Postbus 65,
8200 AB Lelystad.

dat het ook niet mogelijk bleek andere
gemeenschappelijke oorzaken van de
geconstateerde slijterproblematiek aan
te wijzen. Wetenschappelijk gesproken
betekenen deze resultaten niet dat er
geen verband is tussen besmette
batches en klinische problematiek. In
de praktijk is het echter handig en ver-
standig om te handelen alsof de bevin-
dingen wel aantonen dat er geen ver-
band is. Mogelijk voelt een van de
partijen zich met deze pragmatisch in-
terpretatie te veel in haar belangen ge-
schaad. Dan is de enige manier om ver-
der te komen door met meer onderzoek
uiteindelijk wel aan te tonen dat er wel
een samenhang is tussen of het be-
smette vaccin en de BVDV besmetting,
of tussen een gemeenschappelijke oor-
zaak en de slijterproblematiek.
Er is een aantal benaderingen gevolgd
in het onderzoek tot nu toe: A) statisti-
sche correlatie tussen de problematiek
en mogelijke oorzaken (3,4,10), B) ex-
perimentele nabootsing van de proble-
matiek (1,6,11) en C) hypothese gene-
rerende studies (7,8).

A. Statistische correlatie-onderzoek

De statistische correlatie-onderzoeken
uitgevoerd aan de slijter problematiek
bestaan uit het leggen van een verband
tussen een factor en het optreden van
ziekte met behulp van statistische me-
thoden. Dergelijke methoden zijn erg
krachtig, dat wil zeggen met beperkte
data en beperkt inzicht in de aard van
het probleem zijn er toch zinvolle uit-
spraken te doen. De methode is geba-
seerd op het uitrekenen van de kans op
het geobserveerde fenomeen, b.v.
meer ziekte bij gevaccineerde dieren,
indien we aannemen dat de factor, b.v.
vaccinatie, geen invloed op het optre-
den van de ziekte heeft. Is die kans erg
klein, b.v. kleiner dan 5%, dan zeggen
we dat de factor wel invloed heeft op
de ziekte. Die 5% kans is dan de fout
die gemaakt zou kunnen worden: in
5% van de gevallen wordt ten onrechte
gezegd dat er een effect is.
Door het herhaalde toetsen wordt de
werkelijke fout veel groter dan 5%.
Indien ondanks die herhaling geen ef-
fect wordt gevonden dan wordt de
kans dat we ten onrechte zeggen dat er
geen effect is klein. Hoe klein precies
is afhankelijk wat het werkelijke effect
van de factor (bijvoorbeeld vaccinatie
met besmette batch) op het ontstaan
van ziekte is. Erg kleine effecten, dat
wil zeggen de kans op ziekte neemt
maar een klein beetje toe met de factor,
kunnen toch worden gemist. Voor
praktische doeleinden is dat van wei-
nig belang omdat alleen maatregelen
kosten effectief zullen zijn indien er
grotere effecten zijn te bereiken.
Inzicht in de aard van het probleem
helpt om de juiste factoren te benoe-
men en vergroot de kans een signifi-
cant resultaat te vinden. Het valt dan
ook nooit uit te sluiten dat iemand een
mechanisme op het spoor komt waar-
mee het optreden van slijters kan wor-
den verklaard en dat een analyse van
het effect van die factor op het optre-
den van de ziekte wel significant is.

B. Experimenteel onderzoek

Indien er een hypothese is voor de oor-
zaak van een ziekte is het soms mogelijk
om de ziekte experimenteel op te wek-
ken en daarmee een sterke onderbou-
wing te geven voor de geldigheid van de
hypothese. Het nadeel is dat de hypo-
these heel scherp omschreven moet zijn
en precies moet kloppen. Met betrek-
king tot de vaccinatie en slijter proble-
matiek is gekeken naar het effect van
een hoge dosis vaccin op de immuun re-
acties van mnderen (6) èn naar de infec-
tie met BVDV na vaccinatie met vac-
cins uit met BVDV type 1 besmette
batches (BVDV type 1 en BVDV type
2). Vaccinatie met vaccins uit BVDV
type 1 besmette batches leidde niet tot
infectie of ziekte. De vaccinatie alleen
leidde ook niet tot afwijkend fiinctione-
ren van het immuunsysteem. Echter in
geen van de gebmikte ampullen waamit
het vaccin kwam waarmee werd gevac-
cineerd werd BVDV type 1 geïsoleerd.
Een andere hypothese die werd gefor-
muleerd is dat de slijterproblemen het
gevolg waren van een tekort aan vita-
mine BI2. Experimentele aanvulling
van vitamine B12 op probleembedrij-
ven had echter geen effect.

C. Hypothese genererend onderzoek

Het statistisch correlatie onderzoek
had hypotheses kunnen opleveren die
getoetst hadden kunnen worden in ex-

-ocr page 280-

perimenteel onderzoek. Daarnaast
werd pathologisch-anatomisch onder-
zoek verricht om hypotheses te vinden
voor slijterproblematiek (8) en wer-
den de bevindingen rond de slijterbe-
drijven op een rij gezet (7). Andere
hypothesen worden nu gesuggereerd
en kunnen dus alsnog worden onder-
zocht (9).

Discussie

Met een scherpe definitie van een hy-
pothese kan door experimenteel on-
derzoek worden aangetoond dat die
hypothese \'klopt\'. De vindingrijkheid
van de onderzoeker moet er voor zor-
gen dat de veronderstelde hypothese
behoorlijk vaak waar blijkt te zijn. Als
dat niet zo is kan heel veel onderzoek
worden uitgevoerd zonder dat de oor-
zaak van het probleem boven water
komt. Om goede hypotheses te vinden
kan men zoeken naar statistische cor-
relaties en inspiratie op doen door het
observeren van de werkelijkheid. Voor
de slijterproblemen is geen afdoende
verklaring gevonden en verder zoeken
naar betere hypotheses kan niet verder
gaan omdat er geen bedrijven meer
zijn met duidelijke slijterproblema-
tiek. De mogelijke gevolgen van be-
smette vaccins kunnen wel verder
worden bestudeerd door de vraag te
beperken tot het bepalen van de kans
op het wel of niet oplopen van een
BVDV infectie.

Conclusie

Gegeven onze huidige stand van de
kennis valt te concluderen dat een rela-
tie tussen met BVDV type 1 besmette
vaccins en slijterproblematiek of an-
dere klinische verschijnselen niet be-
staat. Betere hypotheses en een succes-
volle experimentele validatie daarvan
kan echter betekenen dat we deze con-
clusie nog moeten herzien.

Literatuur

1. Antonis AFG, van Oirschot JT, van Es M
en Bruschke CJM. Vaccinatie van kalveren
met bovine herpesvirus 1 vaccins afkom-
stig van gecontamineerde charges leidde
niet tot besmetting met bovine virus diarree
virus. Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126:
208-11.

2. Barkema HW, Bartels CJM, van
Wuyckhuise LA, Hesselink JW, Holzhauer
M, Weber MF, Franken P, Koek PA,
Bruschke CJM en Zimmer GM. Uitbraak
van bovine virus diarree op Nederlandse
rundveebedrijven na vaccinatie met een
met BVDV type 2 gecontamineerd BHVl
markervaccin. Tijdschr Diergeneeskd
2001; 126: 158-65.

3. Bartels CJM, Barkema HW, Beiboer ML,
Bouma A en Stegeman JA. Vergelijking van
de bedrijfskengetallen van melkveebedrij-
ven die wel en niet hebben gevaccineerd met
BHVl markervaccin. Tijdschr Diergenees-
kd 2001; 126: 191-7.

4. Bartels CJM, Barkema HW, Beiboer ML,
Bouma A en Stegeman JA. Bedrijfsvoering
en kengetallen van tot \'slijter\'-bedrijven
verworden melkveebedrijven. Tijdschr
Diergeneeskd 2001; 126: 198-207.

5. Bruschke CJM, Paal HA en Weerdmeester
K. Detectie van een levend bovine herpesvi-
rus 1 markervaccin met bovine virus diarree
virus. Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126:
189-90.

6. Bruschke CJM, Kamp EM, Boersma W,
Stoekhofe-Zurwieden N en Bouma A. De
effecten van vaccinatie met een hoge dosis
BHVl markervaccin in hoogdrachtige
vaarzen: virologische, bacteriologische,
immunologische en pathologische bevin-
dingen. Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126:
211-7.

7. Meijer GAL, Bouma A en Verhoeff J.
Mogelijkheden voor nader onderzoek naar
de slijterproblematiek. Tijdschr Dier-
geneeskd 2001; 126:223-5.

8. Muller KE. Bevindingen bij koeien afkom-
stig van melkveebedrijven met slijterpro-
blematiek. Tijdschr Diergeneeskd 2001;
126: 184-8.

9. Peeters CAM. Joren A en Brand A.
\'Slijten\' als gevolg van pensacidose.
Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 226-9.

10. Van Wuijckhuise L, Frankena K, van Oijen
MAAJ en Meijer L. Analyse van gezond-
heidsklachten na BHVl vaccinatie. Tijdschr
Diergeneeskd 2001; 126: 173-80.

11. Weber MF, Verhoeff J, Holzhauer M,
Bartels CJM, van Wuijckhuise L en
Vellema P. Vitamine B|2-suppletie en
melkproductie op bedrijven met slijtende
runderen. Tijdschr Diergeneeskd 2001;
126:218-23.

-ocr page 281-

Slijters???

G.H. Wentinki

Slijters: wat zijn slijters?? De definitie
van een slijter is volgens het gangbare
woordenboek der Nederlandse taal een
individu dat vermindert in kracht en
volume. Dus een zeer vaag beeld.
Toch wist iedereen precies te vertellen
waarover het ging. Een kwestie van
voorlichting.

De opkomst van het ziektebeeld was
onbegrijpelijk, en het is onbegrepen
verdwenen.

Vanaf de zijlijn komt het gekrakeel
over slijters verwarrend over.

In de eerste plaats is het ziektebeeld
onduidelijk. Er bestaat bij slechts
19(!!!) individuele dieren (4) een grote
variatie aan aandoeningen. Er moeten
meer gegevens zijn, anders is de basis
erg smal..

Reeds in 1980 was er een bedrijf
waarop de koeien vermagerden, abces-
sen hadden, metritis kregen, vermin-
derd vruchtbaar waren, verwierpen, en
klauwafwijkingen in velerlei vonnen
hadden. Deze koeien zijn geslacht en
indertijd niet geschikt bevonden voor
consumptie: ze zijn afgekeurd. In die
tijd werd vaccinatie tegen IBR als een
goede therapie gezien, thans is het de
oorzaak. De problemen stopten op dit
bedrijf toen de vader door zijn zoon
was opgevolgd. Dit bedrijf stond niet
alleen: meerdere bedrijven met iden-

\' CR Della, producuiivisie Holland Genetics, Postbus
5073, 6/102 EB Amhem.

tieke problemen en een soortgelijke
oplossing.

En in 1999 werd het fenomeen slijter
een hot item. Wat was er nieuw?
Verplichte vaccinatie tegen IBR, en de
vaststelling dat een charge verontrei-
nigd was met BVDV type 2. De gevol-
gen op de bedrijven waar het veront-
reinigde vaccin was gebmikt waren
evident. Reeds in 1978, en 1989 waren
soortgelijke verontreinigingen van
rundervaccins vastgesteld. Het is on-
vergeeflijk dat wederom een dergelijk
verontreinigd vaccin onopgemerkt op
de markt kan komen. Werkwijzen voor
borging van veiligheid en kwaliteit
van produkten volgens HACCP prin-
cipes vóór ze de produktie-unit verla-
ten hadden bekend mogen zijn. Kennis
van het BVD vims is zo groot dat een
verontreiniging nooit mag optreden.

De verontreiniging werd mim van aan-
dacht voorzien in de pers, met als gevolg
dat vele deskundigen inzichten, opvat-
tingen, en beschuldigingen lieten horen.
En vervolgens werd gepubliceerd dat
meerdere batches van dezelfde fabrikant
verontreinigd waren met BVDV (type
1). En voorspelbaar: de oproep om ver-
magerende koeien te melden vergroot
het aantal bedrijven waarop deze afwij-
king voorkomt en geeft voeding aan het
ontstaan van een "nieuw" ziektebeeld.
Opmerkelijk in dit verband is dat ook
van niet vaccinerende bedrijven koeien
de slijterproblematiek toonden.

De suggestie, dat Holsteinisatie de
oorzaak van de problemen zou zijn ge-
weest kan niet overeind worden ge-
houden: het aandeel Holstein is gelijk
gebleven of zelfs toegenomen terwijl
de problemen niet meer worden gesig-
naleerd. Maar misschien toch de spij-
ker op zijn kop (3): aanpassing van de
bedrijfsvoering is noodzakelijk bij de
intrede van hoogproduktieve koeien.
Een Ferrari sportwagen rijdt niet op
diesel, een hoogproduktieve melkkoe
doet het niet op de traditionele verzor-
ging voor klassieke MRY koeien.

Verder melden Antonis et al. (1) in dit
tijdschrift een zeer opmerkelijke bevin-
ding: uit GEEN van de flesjes vaccin
van de charges waarin door Bmschke
et al. (2) BVDV type 1 was aange-
toond, werd BVDV geïsoleerd (?). De
met deze charges experimenteel gevac-
cineerde dieren seroconverteerden niet
(?). Zat er nou BVDV in het vaccin of
niet?? Kortom, grond voor verwarring.
Voorlichtingen betreffende de slijter-
problematiek verliepen kennelijk ook
in opperste verwarring.

Het voordeel van journalistiek: de
kans tot reflectie achteraf, iets wat ini-
tiators van een nieuw fenomeen vóóraf
zouden moeten doen.

Literatuur

1. Antonis AFG, van Oirschot JT, van Es M
en Bruschlce CJM. Vaccinatie van kalveren
met bovine herpesvirus 1 vaccins afkom-
stig van gecontamineerde charges leidde
niet tot besmetting met bovine virus diarree
virus. Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126:
208-1 1.

2. Bruschke CJM, Weerdmeester K. en Paal
HA. Detectie van bovine virus diarrhec vi-
rus in een levend bovine herpes virus 1
markervaccin. Tijdschr Diergeneeskd
2001; 126: 189-90.

3. De Kruif A. Dertien rundveebedrijven
waar koeien ziek zouden zijn geworden na
vaccinatie tegen infectieuze bovine rhi-
notracheitis (IBR). Tijdschr Diergeneeskd
2001; 166-73.

4. Müller KE. Bevindingen bij koeien afkom-
stig van melkveebedrijven met slijterspro-
blematiek. Tijdschr Diergeneeskd 2001;
126: 184-8.

-ocr page 282-

Enige reflectie over de slijtersproble-
matiek is - zeker achteraf - op zijn
plaats. Die reflectie zou dan kunnen
gaan over zaken zoals: waar hebben
we het eigenlijk over als we over slij-
ters spreken; was er wel echt sprake
van een probleem en was het dan een
veehouderij-probleem en/of een volks-
gezondheidsprobleem; is de proble-
matiek destijds goed aangepakt, met
andere woorden kunnen we er iets van
leren als er fouten in die aanpak zijn
gemaakt.

Naarmate de tijd vordert komen er ge-
gevens boven tafel. Deze gegevens
maken een reflectie gemakkelijker.
Allereerst was er de kwestie van een
verontreinigd BHVl markervaccin,
dat mogelijk de inleiding tot de slij-
tersproblematiek heeft kunnen zijn.
Op diverse bedrijven is vastgesteld,
dat geënt was met dat verontreinigd
vaccin en op biologische gronden kon
worden aangenomen dat deze BVD
verontreiniging tot immuunsuppressie
kon leiden. Op het totaal aantal bedrij-
ven dat zich uiteindelijk had aange-
meld als zijnde behept met slijters na
enting, was de proportie bedrijven met
vastgestelde verontreiniging van de
entstof betrekkelijk gering. Op al die
andere aangemelde bedrijven (zonder
besmet vaccin) speelde dus mogelijk
iets anders een rol. Het feit dat er zich
toch zoveel bedrijven hadden aange-
meld, is op zichzelf geen nieuw feno-
meen. Het aantal aanmeldingen van
bedrijven als verdacht van BSE in
Groot Brittannië in de 80-er jaren
oversteeg mimschoots het aantal be-
drijven met bevestigde BSE. Jaren ge-
leden, toen Abortus Blauw (PRRS)
voor het eerst uitbrak in Nederland,
schoot het aantal aangemelde bedrij-
ven bijna exponentieel omhoog toen er
een premie werd gezet op aanmelding
van PRRS (verdachte) zeugen.
Blijkbaar was er sprake van \'halen wat
je halen kunt\'.

Speelde er dan toch iets op al die an-
dere aangemelde bedrijven en, zoja,
wat dan?

De slijtersproblematiek: wat kunnen we er van leren?

J.P.T.M. Noordhuizen

In de veterinaire epidemiologie is het

/

Hoofdafdeling Landbouwhuisdieren, Faculteit der
Diergeneeskunde, Postbus 80.151, 3508 TD Utrecht.

niet ongebmikelijk, dat er bij uitbraak
van een (onbekende) ziekte allereerst
een case-definitie wordt vastgesteld.
Het is duidelijk dat dit in het geval van
de slijtersproblematiek niet of tenmin-
ste onvoldoende is gebeurd. Sterker
nog, bij de inventarisatie van deze pro-
blematiek is geen uniform protocol
van onderzoek gehanteerd en hebben
verschillende instanties min of meer
onafhankelijk van elkaar de inventari-
satie verricht. Dat is jammer, omdat
dan kansen verloren gaan om tot uni-
formiteit van aanpak te komen, en een
gegevensvergelijking middels pooling
mogelijk te maken, en omdat dan heel
moeizaam een landelijk protocol kan
worden vastgesteld. Voor dit soort
stoomissen, die een landelijke sprei-
ding kennen, zou in feite een Task
Force van erkende specialisten mnder-
gezondheid moeten bestaan, die bij op-
treden van dit soort fenomenen kan
worden geactiveerd. Hun eerste actie
zou moeten zijn: case-definitie vast-
stellen; landelijk onderzoeksprotocol
opstellen; informatie uitwisselen;
communicatieplan opstellen. Dit alles
steeds in samenspel met betrokken or-
ganisaties en instanties. Nu is er teveel
langs elkaar heen gewerkt. Temeer
omdat er verschillende mogelijkheden
van causaliteit werden ingeschat, had
er een multidisciplinair team (bedrijfs-
diergeneeskundigen; klinisch (myco)-
toxicologen; klinisch immunologen;
voedingsdeskundigen; en andere spe-
cialisten) moeten worden geformeerd.
In het Tijdschrift voor Diergeneeskunde
van augustus 2000 meldt collega
Westerbeek zijn bevindingen van in-
spectie op slijtersbedrijven (1). Hij ver-
meldt een breed scala van management-
gerelateerde stoomissen die, divers van
aard en wisselend in mate van voorko-
men, op vele bedrijven voorkwamen.
Opvallend was, dat in vele gevallen de
veehouder een vermeend verband zag
tussen zijn klachten en de BHVl enting.
Diverse situaties deden zich voor. Op
vele bedrijven bleken de problemen
voorbij te zijn op een inspectiemoment
dat zes tot 12 maanden na de enting lag.
Behalve enkele bedrijven die te kampen
hadden met veel slijters in de koppel,
was op de meerderheid van al die aange-
melde bedrijven de proportie slijters ge-
ring. Op sommige bedrijven bestonden
er al stoomissen mim voor de enting.
Volgens Westerbeek hadden slechts
weinig bedrijven zich grote inspannin-
gen getroost om voldoende en goede ge-
gevens over dieren, bedrijfsomstandig-
heden en management voor en na de
enting te genereren teneinde naar een
verband tussen klacht en enting te kun-
nen zoeken.

Was er op die bedrijven nu wel of geen
probleem? Of had de veehouder het
gevoel van een probleem, bijvoorbeeld
geïnduceerd door de perceptie van een
mogelijk verband tussen BHVl enting
en eventuele stoomissen?
Vaak geldt het principe \'als je niet
kijkt, zie je ook niets\'. Dus naarmate je
scherper kijkt zul je ook meer kunnen
waarnemen. Ik zou de stelling aandur-
ven dat als je in willekeurig welk land
van de EU een blinde steekproef zou
uitvoeren onder melkveebedrijven en
je zou inventariseren, dan zou je verge-
lijkbare stoomissen kunnen vaststellen
zonder dat er sprake hoeft te zijn van
een bepaalde enting\'.
Het is van essentieel belang, dat er op
de bedrijven waar landbouwhuisdieren
worden gehouden, voortdurend een
veterinaire monitoring plaatsvindt van
de diergezondheid, productiviteit,
welzijn en vmchtbaarheid. Het meest
gemakkelijke voorbeeld daarvan be-
treft de veterinaire bedrijfsadvisering
(VBA) met gemiddeld 12 bedrijfsbe-
zoeken per jaar. Maar ook op bedrijven
zonder die VBA moet een frequentie
van monitoring, zeg elke twee of drie
maanden, een beeld geven van de sta-
tus van het bedrijf op een moment en
het verloop van die status in de tijd. Zo
zou je bedrijven kunnen categoriseren
naar \'groen\' of\'oranje\' en \'rood\'. Van
de laatste categorie moet je je vervol-
gens afvragen, of bijvoorbeeld de melk
nog voor consumptie geleverd zou
mogen worden. Zowel voor monito-
ring als voor de categorieën kun je cri-
teria opstellen. Monitoring van dieras-
pecten, bedrij fs-/managementaspecten
en andere beschikbare informatie moet
wel valide informatie opleveren. Met
andere woorden, je moet iets monito-
ren waarvan bekend is dat er een ver-
band bestaat met bijvoorbeeld dier- en
volksgezondheid. Met zo\'n monito-

-ocr page 283-

ring kun je op elk gewenst moment
aantonen wat de status van een bedrijf
is en kun je aantonen welke acties er
genomen zijn/worden om een bedrijf
in de categorie \'groen\' te behouden.
Sterker nog, je krijgt vroegtijdig signa-
len dat er op een bepaald bedrijfson-
derdeel (bijv. uiergezondheid) proble-
men dreigen, zodat je ook vroegtijdig
kansen krijgt om verdere problemen te
voorkomen. Zodoende kun je ook ver-
mijden, dat er in de media op ruime
schaal spookverhalen verschijnen over
weer een onbekende stoornis onder het
vee en kan de door de media opge-
wekte onmst onder consumenten inge-
perkt worden.

Literatuur

1. Westerbeel< JA. Slijters; een koeienpro-
bleem of een boerenprobleem. Tijdschr
Diergeneeskd 2000; 125:492-4.

Y.H.Schukken\'
De gegevens

In deze speciale editie van het \'tijd-
schrift\' is de informatie samenge-
bracht die is verzameld na de uitbraken
van BVDV type 2 infecties als conta-
minant van het levende BHVl marker
vaccin. Daamaast wordt uitgebreid
aandacht besteed aan de mogelijke
oorzaken van het verschijnsel \'slijters\'
hetgeen in verband is gebracht met het
gebruik van het betreffende BHVl
marker vaccin.

Vanaf grote afstand is het niet altijd ge-
makkelijk oin precies te volgen wat er is
gebeurd tijdens en na de uitbraken; mijn
voomaamste informatiebron was een
zeer beperkte rapportage door een
Nederlands dagblad op intemet (www.
nrc.nl). Dat beperkt de accurate kennis
over de gang van zaken tijdens de crisis,
maar geeft aan de andere kant ook min-
der aanleiding tot een emotionele be-
trokkenheid bij het geheel. Veel later
heb ik meer gedetailleerde informatie
ontvangen en in de laatste weken voor
het tot stand komen van dit tijdschrift
heb ik alle artikelen die in deze uitgave
worden gepubliceerd doorgelezen.
In de eerste plaats is het duidelijk ge-
worden dat er inderdaad een besmet-
ting met BVDV type 2 aanwezig was
in een aantal batches van het vaccin en
dat dit tot een BVD uitbraak heeft ge-
leid op een relatief klein aantal bedrij-
ven (2). Daarbij is het duidelijk dat er
een causale relatie is aangetoond tus-
sen de vaccinatie met het besmette le-
vende vaccin en het optreden van
grootschalige klinische verschijnselen

^ College of Veterinary Medicine, Cornell University,
Ithaca, NY 14853, Verenigde Stolen. Tel.: 1-607-
2558202. fax: 1-607-2578485, e-mail: yhs2@cor-
nell. edu
op de betreffende bedrijven. De case-
studies en de experimenten die in dit
Tijdschrift zijn beschreven laten daar-
over weinig mogelijkheden voor twij-
fel (1,2).

Ten aanzien van een causale relatie
tussen vaccinatie met het levende
BHVl marker vaccin en het optreden
van het symptomenbeeld \'slijters\' ligt
dit anders. Uit geen van de bijdragen
blijkt een duidelijke relatie, alhoewel
in een enkele studie wel een tendens
gevonden is of zelfs een lichte toe-
name van het aantal slijters op bedrij-
ven waar is gevaccineerd met ver-
dachte batches (5). Bij een experiment
waarbij aan een groep dieren een vijf-
tigvoudige dosis is toegediend, bleek
geen verschil tussen gevaccineerde
dieren en controle dieren, maar eigen-
lijk konden uiteindelijk vrijwel alle
dieren in beide groepen als \'slijters\'
worden aangemeld (4). Daarmee is het
dan ook weer moeilijk om het optreden
van slijters tengevolge van vaccinatie
uit te sluiten. Het meest duidelijke re-
sultaat is het afwezig zijn van verschil-
len tussen gevaccineerde en niet ge-
vaccineerde koppels met betrekking
tot productie, uiergezondheid, fertili-
teit en afvoer in een studie die in om-
vang voldoende groot was om subtiele
verschillen aan te tonen (3). In deze
studie is echter geen onderscheid ge-
maakt tussen vaccinatie met bekend
besmette batches en bekend onbe-
smette batches, een verdunning van ef-
fect kan dus zijn opgetreden.
Het uitsluiten van een relatie tussen
vaccinatie en incidentie van slijters als
er in werkelijkheid niet zo\'n relatie is,
is veel moeilijker dan het aantonen van
een relatie als die in werkelijkheid wel
bestaat. Bewijs van geen associatie is
statistisch gezien moeilijk, zo niet on-
mogelijk. Het is slechts mogelijk om
aan te geven dat de associatie kleiner is
dan een van te voren opgestelde hypo-
these (bijvoorbeeld \'vaccinatie leidt
tot een verhoging van de incidentie
van slijters met de factor 3\').
De analyses geven aan dat vaccinatie
met BHVl marker vaccin niet heeft
geleid tot een grote toename in de inci-
dentie van slijters. Een toename van de
incidentie van slijters in specifieke co-
horten gevaccineerd met bepaalde
batches kan daarbij echter niet worden
uitgesloten.

Wat weten we nu eigenlijk zeker?

De aanpak van de uitbraak

Als de inhoud van de artikelen in deze
uitgave representatief zijn voor de ma-
nier waarop door de verschillende on-
derzoeksinstituten is gewerkt aan de
opheldering van de uitbraken en de mo-
gelijke associatie tussen vaccinatie en
\'slijters\' dan verdient de Nederlandse
diergezondheidszorg een groot compli-
ment. Er zal ongetwijfeld wel eens een
verhitte discussie hebben plaatsgevon-
den, maar het totale beeld geeft toch
vooral een systematische en gezamen-
lijke aanpak aan van de problematiek
die zich acuut presenteerde. Uitbraken
van aandoeningen zijn in de veehoude-
rij geen uitzondering meer en zullen
ook in de toekomst blijven optreden.
Een gecoördineerde en gezamenlijke
aanpak van de ontstane problematiek is
dan ook de enige weg. Daarbij is de ge-
coördineerde bijdrage van de Gezond-
heidsdienst voor Dieren, de Faculteit
Diergeneeskunde en het ID Lelystad
(WUR) van cmciaal belang. Uiteraard
spelen ook de overheid en de diverse or-
ganisaties uit de sector daarin een be-
langrijke rol. Gezien de zorg van de
consument voor de voedselveiligheid,
lijkt het voor de hand te liggen om \'pu-
blic health\' deskundigen aan deze
teams toe te voegen. Dit laatste aspect is
in de nu gepresenteerde serie artikelen
misschien wat onderbelicht gebleven.

-ocr page 284-

Diergezondheid is niet uitsluitend een
item voor veehouder en dierenarts,
maar ook de consument is een steeds
belangrijker partij.

Het heeft mij wel enigszins verbaasd
dat de aanpak van het probleem uitslui-
tend tot Nederland beperkt is gebleven.
Binnen de Europese Gemeenschap zijn
ongetwijfeld meerdere instituten die
mee hadden kunnen en willen werken
aan de aanpak van de problematiek. Dit
is temeer een zorg daar de Nederlandse
ontwikkelaar van het vaccin wel heel
erg nauw betrokken is geweest bij de
uiteindelijke beoordeling van de afwe-
zigheid van een associatie met het op-
treden van slijters. Hoewel de integriteit
van het desbetreffende instituut buiten
kijf staat, wekt het, zeker in de publieke
opinie, op z\'n minst de schijn van dubi-
euze objectiviteit. Dat had voorkomen
kunnen worden door ook andere institu-
ten te betrekken bij de observationele
en experimentele studies.

De dierenarts en de veehouder

Tijdens het eerst jaar van de BSE diag-
noses in Nederland ben ik zeer onder de
indmk geraakt van het optreden van de
toenmalige voorzitter van de vakgroep
Melkveehouderij van de LTO. Hij gaf
heel duidelijk aan dat de veehouders en
dierenartsen, die zo dapper waren om
gevallen van BSE aan te geven, als \'hel-
den\' aangemerkt moesten worden. Zijn
adagium was dat \'Eeriijk duurt het
langst\' en dat het onder de pet houden
van problemen absoluut geen oplossing
was voor de lange termijn. Het vemou-
wen van de consument in veehouder en
dierenarts diende juist hoog te worden
gehouden. Dat dit de juiste insteek was,
is ook later gebleken; stmisvogel poli-
tiek heeft met name in Duitsland geleid
tot een veel heftiger reactie bij de bevol-
king en in de politiek.
Het is jammer dat deze weg minder
duidelijk is gekozen bij de aanpak van
de \'slijters\' problematiek. Er is vooral
gewerkt aan het rapporteren van klach-
ten, zonder daarbij nauwkeurigheid en
accuraatheid te benadmkken. Dit heeft
ertoe geleid dat de veehouders en die-
renartsen op z\'n minst de schijn tegen
hadden.

Wat weten we nu eigenlijk zeker ?

Er is een directe relatie aangetoond
tussen met BVDV type 2 besmette
BHVl markervaccin-batches en klini-
sche uitbraken van BVD op een klein
aantal melkveebedrijven waar de kop-
pel met de betreffende batch is gevac-
cineerd. Er is zeker geen duidelijke re-
latie tussen vaccinatie met BHVl
markervaccin en het optreden van
\'slijters\', maar het is onmogelijk om
een zwakke relatie met zekerheid uit te
sluiten. Het is ook zeker dat de
Nederlandse mndveesector goed ge-
ëquipeerd is om uitbraken van dier-
ziekten adequaat aan te pakken. Met
het oog op de huidige en toekomstige
ontwikkelingen is het daamaast aan te
bevelen om tijdens uitbraken of ver-
meende uitbraken een gegarandeerd
hoge kwaliteit en optimale veiligheid
van voedingsmiddelen van dierlijke
oorsprong bij de aanpak centraal te
stellen.

Bent u graag goed op de hoogte?
Neem dan nu e-mail en zoek contact met

www.knmvd.nl

Met dagelijks nieuv\\/s en discussies.
Meer informatie in de volgende uitgave van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde.

Literatuur

1. Antonis AFG, van Oirschot JT, van Es M
en Bruschlce CJM. Vaccinatie van l<alveren
met bovine herpesvirus 1 vaccins afkom-
stig van gecontamineerde charges leidde
niet tot besmetting met bovine vims diarree
virus. Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126:
208-11.

2. Barkema HW, Bartels CJM, Van
Wuyckhuise LA, Hesselink JW, Holzhauer
M, Weber MF, Franken P, Koek PA,
Bruschke CJM en Zimmer GM. Uitbraak
van bovine virus diarree op Nederlandse
rundveebedrijven na vaccinatie met een
met BVDV type 2 gecontamineerd BHVl
marker vaccin. Tijdschr Diergeneeskd
2001; 126: 158-65.

3. Bartels CJM, Barkema HW, Beiboer ML,
Bouma A en Stegeman JA. Vergelijking
van de bedrijfskengetallen van melkveebe-
drijven die wel en niet hebben gevaccineerd
met BHVl markervaccin. Tijdschr Dier-
geneeskd 2001; 126: 191-7.

4. Bruschke CJM, Mevius DJ, Boersma W,
Stockhofe-Zurwiede N. 2001. De effecten
van vaccinatie met een hoge dosis BHVl
vaccin in hoogdrachtige vaarzen: virologi-
sche, bacteriologische, immunologische en
pathologische bevindingen. Tijdschr
Diergeneeskd 2001b; 126: 211-7.

5. Van Wuijckhuise L, Frankena K, van Oijen
MAAJ en Meijer L. Analyse van gezond-
heidsklachten na BHVl vaccinatie.
Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126: 173-80.

-ocr page 285-

Deze zaak lijkt een beetje op de zaak
die in de vorige editie van het Tijd-
schrifi werd beschreven. Vorige keer
kreeg de dierenarts een waarschuwing
voor het zwijgen over schurft, en ook in
de hieronder beschreven zaak blijkt
dat de dierenarts een algemeen ge-
zondheidsbelang moet plaatsen boven
een individueel belang.

Het komt voor dat een dierenarts de
zorg krijgt voor een dier zonder eige-
naar, of vindt dat een dier een nieuwe
kans moet hebben, terwijl de eigenaar
daar al vanaf heeft gezien. In dit geval
had een fokker van Perzische katten al
vaak een beroep op de dierenarts ge-
daan in verband met diverse infecties
in de cattery, zoals schimmel en oor-
mijt. Eén van de aanwezige katers had
extreem veel last van deze infecties, en
moest ook nog worden geopereerd aan
een prolapsus ani. De kattenfokker liet
de kater nog wel opereren, maar vond
het toen wel welletjes met deze kneus-
kater; hij bracht hem bij de dierenarts
voor euthanasie.

De dierenarts vindt het feit dat de kater
ongeschikt was voor de cattery niet
voldoende reden om hem in te laten
slapen, en wilde het dier nog een kans
geven als huiskat. Na enig zoeken
wordt een liefhebber gevonden, die het
wel wil proberen. Ze krijgt de kater
mee met medicijnen en instructies.
Deze kattenliefhebster stoort zich niet
aan eventuele keutels op het tapijt als
gevolg van de verzakte anus, maar
weet niet dat het beest ook nog lijdt aan
schimmel en oormijt. Zodra ze dit ont-
dekt gaat ze met de kater terug naar de
dierenarts en laat hem daar twee we-
ken achter om in de kliniek te worden
behandeld. Ondanks de goede zorgen
gaat de schimmelinfectie niet over, en
na diverse behandelingen geeft ook de
nieuwe eigenares het op; de kater
wordt alsnog geëuthanaseerd.

Op zich lijkt dit allemaal geen reden
voor een procedure bij het Tuchtcol-
lege, ware het niet dat de kater in de
korte tijd bij zijn nieuwe eigenares, de
daar aanwezige katten én de familiele-
den heeft besmet met de schimmelin-
fectie. Volgens de nieuwe ex-eigena-
res had de dierenarts nooit een kat
mogen meegeven uit een cattery waar-
van hij wist dat er schimmel heerste.
Het Veterinair Tuchtcollege is het hier
volledig mee eens.

Volgens het Tuchtcollege is het een
feit van algemene bekendheid dat een
schimmelinfectie bij een Perzische kat
een zeer besmettelijke en moeilijk te
behandelen aandoening kan zijn. De
ziekte is besmettelijk voor mens en
dier, en een dierenarts heeft de plicht
om verspreiding van deze ziekte zo-
veel mogelijk te voorkómen. De die-
renarts wist of had kunnen weten dat
de kat besmet was met de schimmelin-
fectie en had de kat daarom niet mogen
meegeven. Het meegeven van een -
mogelijk - besmet dier aan anderen
dan de eigenaar, vergroot het besmet-
tingsgevaar voor de omgeving.
Het Tuchtcollege legt aan de dieren-
arts een waarschuwing op.

Dierenarts moet proberen infecties bij andere huisdieren te voorkomen

De redenering van het Tuchtcollege
gaat in feite over het algemeen belang
versus het individuele belang van het
dier en is zeer begrijpelijk. Anderzijds
is aan de procedures die bij het
Veterinair Tuchtcollege aanhangig
worden gemaakt goed te zien hoezeer
een dierenarts soms moet laveren. De
ene keer dient een boze cliënt een
klacht in omdat een paar zwerfkatten
zijn afgemaakt (deze klacht werd ove-
rigens ongegrond verklaard), de an-
dere keer wordt een dierenarts aange-
klaagd omdat hij weigert een gezonde
kat te euthanaseren, en in het hierbo-
ven beschreven geval had de goedbe-
doelde poging tot een laatste kans voor
de individuele kat meer kwalijke ge-
volgen dan de bedoeling kan zijn ge-
weest.

In ieder geval blijkt uit dergelijke pro-
cedures hoezeer het Tuchtcollege bij-
draagt aan invulling van normen met
betrekking tot de gezondheidszorg
voordieren.

(Zaaknummer 97/0055a, 8 oktober
1998j

§ Congressen en

De Voorjaarsdagenagenda

De Voorjaarsdagen, het internationale veterinaire congres voor gezelschaps-
dieren, wordt van 20 tot en met 22 april 2001 gehouden in het RAI Congres
Centrum te Amsterdam.

cursussen

Het Voorjaarsdagencongres brengt de
beste sprekers naar Nederland.
De presentatie van de lezingen is abso-
luut hoogstaand; boeiende, praktische
lezingen worden afgewisseld met
diepgaande, meer gespecialiseerde
sessies. Er zijn ook interactieve semi-
nars, een practicum en korte, samen-
vattende lezingen. Op het programma
staan acht simultane sessies, dus keuze
genoeg om voor uzelf een interessant
programma samen te stellen.
De unieke commerciële tentoonstel-
ling zet de toon van dit congres, dat
door het karakter anders is dan andere
congressen. Het kan zich meten met de

grote congressen in de wereld, maar is
tegelijk verrassend en gezellig.

Informatie over het Voorjaarsdagen-
congres kunt u opvragen bij het con-
gressecretariaat, ter attentie van
Jessica Grootenboer, Postbus 80.125,
3508 TC Utrecht, telefoon: 030 -
2532728, fax: 030-2535851, e-mail:
vjd@fbu.uu.nl.

Of bezoek onze website: www.voor-
jaarsdagen.org

P^oorjaars

f^mernaiional Veietinary Congress ^^ ^^^^ ^^ fl.

-ocr page 286-

Voorjaarsdagenagenda II

Wie en wat in 2001

De Tid Bits

Dit jaar is dit onderdeel weer in het wetenschappelijk pro-
gramma opgenomen: de
Tid Bits.

Op zaterdag 21 april worden, in twee dagdelen, 14 ver-
schillende onderwerpen op een dynamische manier belicht.

Alleen de kernpunten worden behandeld, waardoor u in
een kwartier tijd een pakkend overzicht krijgt van het be-
treffende onderwerp. Iedere lezing wordt gevolgd door een
korte mogelijkheid tot discussie. Door deze wijze van pre-
senteren blijft het boeiend om te volgen.
Dit principe heeft als doel u in één dag een globaal over-
zicht te geven van een heel scala aan praktische onderwer-
pen. De lezingen worden in het Engels gegeven.

Hieronder vindt u een tijdschema van de lezingen en de
door de sprekers behandelde onderwerpen.

Zaterdag 2i april 2001

09.00-09.20

Dr. Bergman (USAj

Advances in cancer research at the Animal

Medical Center

09.20-09.40

Dr. McMiirphy (USAj

Hypertension in dogs; amlodipine vs enalapril

09.40-10.00

Dr. Mennet (USA)

Thoracoscopy in small animal surgery

10.00-10.20

pauze

10.20-10.40

Dr. Neiger (UKj

Treatment of canine hyperadrenocorticisme

with trilostane

10.40-11.00

Dr. Marks (USA)

Dogs, diarrhea and Clostridia: Search for

the Holy Grail

11.00-11.20

Dr. Reyers (SA)

A sensational, cheap, new, old method for

assessing liver function

11.20-11.40

Dr. Den Hartog (NL)

Heliobacter transmission from cat to child

11.40-13.30

pauze

13.30-13.50

Dr. Hedhind(USA)

Tracheal hypoplasia: Diagnostic Options

13.50-14.10

Dr. Griffon (USA)

Thoracoscopy without pulmonary exclusion

in the diagnosis of thoracic diseases

14.10-14.30

Dr. Bttdsberg (USA)

Current research and practical application

to COX-2 selective inhibitors in the management

of osteoarthritis

14.30-14.50

Dr. Garner (USA)

\'IVIindmaps\'-Communication Tools for

the exam room

14.50-15.30

pauze

15.30-15.50

Dr. Hoskinon (USA)

Nutraceuticals for joint disease

15.50-16.10

Dr. Moorman (NL)

The ferret with a large spleen

16.10-16.30

Dr. Alhaldari (F)

Antiplakins auto-antibodies don\'t systemically mean

paraneoplastic pemphigus: a case report in a dog

Wilt u meer informatie

over het Voorjaarsdagencongres?

Voorjaarsdagensecretariaat, Postbus 80.125, 3508 TC Utrecht, telefoon: 030 - 2532728, fax: 030 - 2535851,

e-mail: vjd@fbu.mi.nl

Of bezoek onze internetsite:

www.voorjaarsdagen.org

Tot ziens op de Voorjaarsdagen!

20-22 april 2001

RAI Congres Centrum, Amsterdam

-ocr page 287-

Ziekten veroorzaakt door liet iinmuunapparaat krijgen steeds meer aan-
dacht binnen de veterinaire wereld. Ook PAO-D heeft nu een cursus op
topniveau over dit bijzonder interessante onderwerp. Speciaal hiervoor
komt uit Bristol (UK) dr. Michael Day op donderdag 22 maart 2001 in
Zeist hierover spreken. Een \'state of the art\' voordracht over mechanismen
die ten grondslag liggen aan immuundeficientie, hypersensitiviteit en
auto-immuunziekten. De opbouw van de cursus is op cases gebaseerd en
wordt gehouden in het Engels.

In februari organiseerden we de Belgische studiemiddag Varken in
Utrecht en Tilburg (reeds in najaarbrochure 1999 aangekondigd), met
beide 40 deelnemers. Jonge Belgische onderzoekers presenteerden hun
onderzoek. Ondere andere:

• Influenza: voldoen de huidige vaccins nog?

• Helicobacter: een nieuwe zoönose?

• Mycotoxinen: nog altijd onderschat.

• EMCV (encephalo myocarditis virus): sterfte bij biggen en vleesvarkens
of fertiliteitstoomissen; in vele Europese landen en niet in Nederiand?

Met name in Tilburg werd deze cursus goed gewaardeerd.

BSE en scrapie op 23 februari was een absolute topper. Honderdvijftig
deelnemers, terwijl de avondbijeenkomst van de Groep Rund drie dagen
eerder al 200 scoorde. Gelukkig hadden we de locatie Papendal gekozen in
verband met de flexibiliteit in zalenaanbod en konden we de grote zaal ge-
bruiken, die we kennen van de Groep Groot Dagen. Een prettige zaal met
prima audiovisuele uitrusting voor zo\'n grote groep. Immers, een dergelijke
cursus tweemaal plannen is gezien de tijdsschaarste van de sprekers, onmo-
gelijk. Misschien in het najaar nog eens een update; er zijn nog vele zaken
onduidelijk en in onderzoek. Toen we deze cursus in december met Piet
Vellema planden voor mei, konden wij niet voorzien dat de hype zo groot
zou worden. Gelukkig hebben we de cursus naar februari kunnen halen.
Na een gedegen wetenschappelijke basis, waarin ook BSE naast scrapie bij
schapen aan de orde kwam, werden de maatregelen in Nederland behan-
deld.

Na het diner werden afsluitend de Europese stand van zaken en de risico-
inschattingen voor dier en mens door prof Ab Osterhaus op van hem be-
kende enthousiaste manier gebracht. De zaal was zeer alert. De cursusdag
werd als zeer goed beoordeeld. Ook de actuele MKZ kwam natuuriijk nog
aan de orde.

Het symposium van de Groep Paard (256 deelnemers), waarvoor we de lo-
gistieke ondersteuning verzorgden, was een succes.

Het laatste nieuws over
immuunziekten 22 maart in Zeist

In maart zijn er nog de volgende cursussen:
Rund:

Endoscopische operatie lebmaagdislocatie:
29 maarten 19 april

Evert van Leeuwen gaat ook een terugkom-
avond organiseren om de ervaringen uit te wis-
selen met collega\'s die deze methode inmiddels
toepassen en vooral de resultaten ten opzichte
van de andere operatiemethoden. Een uitste-
kend en praktisch initiatief (niet gepubliceerd in
brochure,opgave bij PAO is mogelijk).

Klinische les: 27 maart

Op veler verzoek presenteert Kerstin Müller
niet alleen cases maar ook live patiënten. Onder
andere komen aan de orde: de liggende koe en
de acuut zieke mastitiskoe.

Voeding Rund, module I: 21, 28 maart en 4
april

Er is veel op voedingsgebied veranderd sinds u
afstudeerde. Voeding blijft de basis voor uw be-
drijfsbegeleiding.

STO-fertiliteit: coaching in bedrijfsadvisering

Naar aanleiding van \'partners in rendements-
verbetering\' een training on the job voor uw ei-
gen praktijk aan de hand van STO-vruchtbaar-
heid.

A, B en C-dagen van de Cursus Erkende
Rundveedierenarts

De laatste data zijn gepland. Bent u niet benaderd
door het PAO-kantoor, neem dan contact op.

Varken:

Praktisch Gebruik Klimaatcomputer: 29
maart, Bameveld

Wilt u er minstens zoveel van weten als de vee-
houder?

Gezelschapsdieren:

Small Animal Clinical Immunology: 22 maart

Altijd de basis van uw clinische behandeling zie
boven.

Gebitsreininging en slijptechnieken voor as-
sistenten: 17 maart

Zaterdag 17 maart het theoriedeel, gevolgd
door een practicum op locatie.

Voor eenieder die meer wil met zijn praktijk:
Uw eigen website: 17 maart.

Infomiatie en opgaven: PAO-Diergeneeskunde,
Postbus 85205, 3508 AE Utrecht, telefoon 030 -
251 73 74; fax 030 - 251 64 90. E-mail:
paod@pobox. uu.nl

-ocr page 288-

Aan de hand van een literatuurstudie
wordt ingegaan op de indicatie, de
werkzaamheid en de applicatie van ui-
erinjectoren met antibiotica bij het
mnd.

Het is belangrijk de verwekker te iden-
tificeren door middel van bacteriosco-
pisch (Gram preparaat) of bacteriolo-
gisch onderzoek. De werking van de
antibiotica wordt beschreven op ge-
leide van de preparaten die door de far-
maceutische industrie in de handel
worden gebracht.

Er blijkt onvoldoende informatie te be-
staan over de exacte werkzame dose-
ring en de doseringsintervallen van
zeer veel preparaten, omdat in de ver-
slagen van experimenten betrouwbare
controlegroepen ontbreken.
Als ondersteunende therapie wordt
aanbevolen om de twee uur de aange-
taste kwartieren uit te melken, eventu-
eel na oxytocine-injecties. Het gebruik
van corticosteroïden is discutabel. Wel
kunnen ontstekingsremmers aan de
preparten worden toegevoegd. In acute
gevallen van mastitis moet lokale ap-
plicatie ondersteund worden door pa-
renterale. Mastitiden veroorzaakt door
mycoplasma\'s, gisten of schimmels
zijn niet te cureren.

Het gebruik van uierinjectoren bij liet rund

Een behandeling van een E. coli masti-
tis heeft weinig zin. Bij chronische ma-
nifestatie is het aantal kiemen al dras-
tisch gedaald. Het kwaad is geschied;
de eigen afweer moet de schade beper-
ken.

Inventariserend onderzoek naar gewrichtsaandoeningen bij het paard

J. Hofma; SR 967/99:54 pp.

Het referaat bestaat uit drie delen te
weten:

a. Een literatuurstudie over de bouw
van de gewrichten van de benen.

b.Een literatuurstudie over het voor-
komen en het ontstaan van ge-
wrichtsaandoeningen .

c. Een analyse van waamemingen ge-
daan aan de gewrichten van twee
groepen veulens die respectievelijk
op een leeftijd van vijf en van elf
maanden werden geëuthanaseerd.

Ten aanzien van punt a. mag worden
geconcludeerd dat enchondrale ossi-
ficatie zorg draagt voor de ontwikke-
ling van de gewrichtsvlakken en het
daaronder gelegen bot. Het blijkt dat
ook volwassen paarden in staat zijn
tot aanpassing aan een verhoogde of
een veranderde belasting via een pro-
ces van remodellering en van veran-
dering in richting en vorm van bottra-
bekels.

Wat punt b. betreft kan gesteld worden
dat ostreochondrosis de belangrijkste
afwijking is die in gewrichten gevon-
den wordt. Factoren als erfelijke pre-
dispositie, geslacht, voeding, abnor-
male standen en bewegingen zijn
hierop van invloed, maar ook reacties
van het immuunsysteem op ontstekin-
gen en traumata en hormonen. Ook an-
dere voorkomende laesies worden be-
sproken.

Onder c. worden de afwijkingen be-
schreven die werden waargenomen bij
geëuthanaseerde veulens in het kader
van het EXOC-project.
EXOC staat voor: the influence of
Exercise during the first months of life
on the development of the equine mus-
culosceletal system with special atten-
tion in Osteochondrosis.
In totaal betrof het 43 dieren waarvan
er 14 steeds uitloop, 14 steeds boxrust
en 15 boxrust geforceerde bewegin-
gen, alsmede een kortdurende weide-
gang hadden.

Ten aanzien van de waamemingen, ge-
projecteerd tegen de leeftijd, worden
voorzichtige conclusies getrokken.
Niet ingegaan wordt op verschillen
vastgesteld bij de twee leeftijdsgroe-
pen (te klein aantal?).

Welzijn van het paard in gevaar? Het tekort aan geregistreerde diergeneesmiddelen

E.M. van Gasteren; SR S93/99; 72 pp.

Als gevolg van het in werking treden
van de Diergeneesmiddelenwet in
1986, moeten alle middelen geregi-
streerd zijn of geregistreerd worden.
Dit leidde bij paarden tot een tekort aan
legaal toepasbare preparaten. De markt
is klein voor deze diersoort en de fabri-
kanten zijn weinig genegen om dure re-
gistratiekosten te betalen. Vooral de re-
sidu-eis waarin gesteld wordt dat het
middel na een gestelde wachttijd niet in
concentraties boven de Minimale
Residu Limiet (MRI) waarde mag voor-
komen is zwaar. Wel bestaat de moge-
lijkheid dat de practicus gebmik maakt
van de zogenaamde \'vrijstellingsrege-
ling\'. Dit brengt echter veel administra-
tieve \'rompslomp\' met zich mee.
Schrijver wilde door middel van een
enquête nagaan welke niet-geregi-
streerde middelen door practici wor-
den gebmikt en waarvoor geen geregi-
streerd altematief voorhanden is. De
respons op de eiiquête was niet groot.
Er bestaan een aantal mogelijkheden
om het gebrek aan geregistreerde dier-
geneesmiddelen bij het paard te neutra-
liseren. Zo zou het paard niet meer zoals
thans wettelijk is voorgeschreven als
consumptiedier moeten worden be-
schouwd, maar als sportdier of gezel-
schapsdier. De residuproblematiek
speelt dan geen rol. Eén en ander zou
met behulp van chips en een goede regi-
stratie kunnen worden gerealiseerd.
Voorts zou de overheid de farmaceuti-
sche industrie kunnen stimuleren met
subsidies om \'dure\' registraties moge-
lijk te maken. Ook de farmaceutische
industrie zou zich soepeler kunnen op-
stellen ten aanzien van de registratie
van voor paarden onmisbare genees-
middelen. Onkosten zouden kunnen
worden verhaald op goed werkzame en
geregistreerde preparaten in andere sec-
toren van de dierhouderij.

-ocr page 289-

Zinkvergifiiging bij vogels

N.M. de Wildt; SR 892/99: i8 pp.

Nu jagers geen loodhagel in hun patro-
nen meer mogen gebmiken uit milieu-
overwegingen, wordt naar altematieven
gezocht. Een optie is zink.
Men heeft lang gemeend dat dit metaal
onschuldig was voor dieren.
In dit literatuuroverzicht wordt ingegaan
op de klinische verschijnselen, de
macro- en histopathologie, de diagnos-
tiek en de therapie van een zinkintoxica-
tie bij vogels, in het bijzonder eenden.
Klinisch wordt gewichtsverlies waarge-
nomen, niet eten en symptomen die wij-
zen op een aandoening van het centrale
zenuwstelsel zoals niet kunnen vliegen,
dwangbewegingen en verlammingen.
Het orgaan dat het meest aangetast
wordt, is de pancreas.
De veranderingen zijn vooral te vinden
in het acinaire epitheel en bestaan uit

atrofie en vacuolisatie, proliferatie van
het epitheel van de afvoergangen en toe-
name van collageen en van fibroblasten
in het interstitium.

Een semmconcentratie van meer de 2
microgram zink per ml bloed is een
sterke aanwijzing en van meer dan 10
microgram bewijzend voor het bestaan
van een zinkvergifiiging.
De therapie bestaat uit het intraveneus
toedienen van calcium-EDTA (ethyleen
di-amino-tetra-acetaat) aangevuld met
een vloeistofinflius.

Lebmaagdislocaties naar links: een vergelijking tussen de Utrechtse me-
thode en de Hannoverse methode, uitgevoerd in de kliniek of ambulant

C.K.L. Rijnders; SR 894/99:20pp.

Lebmaagdislocaties naar links kunnen
op verschillende manieren worden be-
handeld, waaronder ook chirurgische
methodieken.

In dit referaat worden wat dit laatste
betreft twee verschillende methoden
vergeleken en wel de zogenaamde

Utrechtse en de Hannoverse. Er wordt
gekeken naar de resultaten in de kli-
niek en in de praktijk, wat betreft post-
operatief herstel, recidivering, wond-
infectie, peritonitis, postoperatieve
melkproductie en -fertiliteit. De
Utrechtse methode bestaat uit incisie
in de linkerflank, repositie en vastzet-
ten van de lebmaag door de buikwand.
Bij de Hannoverse methode wordt la-
parotomie verricht in de rechterflank
en na repositie wordt de lebmaag in-
wendig vastgehecht aan de musculus
transversus.

Het blijkt dat er weinig verschillen zijn
in resultaten mssen beide methoden en
evenmin wat betreft behandeling in de
kliniek of in de praktijk. Het herstel bij
de Utrechtse methode is iets minder,
de fertiliteit echter iets beter.

De voederstrategie tijdens de lactatie in relatie tot de vruchtbaarheid bij zeugen

E. Heuvelman; SR 896/99:33 pp.

Jaarlijks wordt 40% van de zeugen ver-
vangen. De hoofdoorzaken zijn vmcht-
baarheidstoomissen zoals anoestms, te
lang interval spenen-dekken, te kleine
tomen en andere. Er blijkt een verband
te bestaan tussen de conditie van het
vrouwelijk dier en de drachtigheids-
problematiek, alsmede tussen het
voeropnamepatroon (er worden zes ty-
pen beschreven) tijdens de lactatie en
het tijdig herig worden. Dit laatste
speelt vooral bij primiparae.
Een hoog voemiveau (energie-op-
name) in de lactatieperiode is gunstig
voor de groei van de biggen, het inter-
val spenen-dekken, oestmsexpressie
en ovulatiegetal en toomgrootte in de
volgende dracht. Er bestaat een corre-
latie met het LH-niveau tijdens het
spenen. Ook de voerstrategie na het
spenen is belangrijk. Ad lib. voeding
geeft de beste resultaten. Dit verhoogt
de insulinespiegel in het bloed hetgeen
mede tot een versnelde follikelrijping
leidt. Een positieve invloed mag ver-
wacht worden van temperatuur-regu-
lering en het verstrekken van volop
drinkwater. Het verplaatsen van de
zeugen op de dag van spenen en totale
onthouding van voer en drinkwater
met bedoeling een stress-toestand te
scheppen zijn van weinig of geen bete-
kenis.

C. van Leeuwen; SR 899/99:26 pp.

Waardoor ontstaan stereotypieën bij paarden?

Onder stereotypie verstaat men een
doelloos gedragspatroon dat regelma-
tig wordt uitgevoerd. Voorbeelden
hiervan zijn weven, rondjes lopen,
kribbebijten, tongspelen, lipsmakken,
luchtzuigen en andere.
Het is een gevolg van een chronische
stress door een niet optimaal milieu
waardoor het dier in zijn natuurlijke
gedragingen wordt beperkt. Als zoda-
nig spelen factoren op het gebied van
voeding, huisvesting en sociale isola-
tie een rol. Het is een echt welzijns-
probleem. De voeding is te geconcen-
treerd en bevat te weinig mwvezel.
Het paard is te snel klaar met eten en
gaat zich vervelen. Bij huisvesting
kan gedacht worden aan het ontbre-
ken van voldoende beweging zoals
weidegang. Sociale isolatie ontstaat
bij het veulen dat te snel gespeend
wordt en bij paarden die in isolement
worden gehouden in een weinig sti-
mulerende omgeving wat uitzicht,
geur, lawaai, andere dieren enzo-
voorts betreft.

Gesteld wordt dat vaak meerdere fac-
toren een rol spelen bij het zich ont-
wikkelen van een stereotypie.
Veranderingen in het milieu hebben
vaak weinig effect, maar zijn preven-
tief wel van betekenis. Veel vragen
zijn nog niet opgelost. Zo dient het ef-
fect van spenen wat tijdstip betreft
uitvoerig bekeken te worden.

-ocr page 290-

De Rechtspositieregeling 2001 is ten
opzichte van de Rechtspositieregeling
2000 op enkele punten betreffende de
arbeidsvoorwaarden voor dierenarts-
assistenten verbeterd. Zo is bijvoor-
beeld het basis aantal vakantiedagen
verhoogd van 23 naar 24 per jaar.
Verder krijgt de dierenartsassistent(e)
de mogelijkheid zijn of haar vakantie-
dagen in een periode van tenminste
drie weken aaneengesloten op te ne-
men (voorheen was dit twee weken).
Nieuwe artikelen betreffen een jubi-
leumgratificatie bij 12,5-, 25- en 40-ja-
rig ambtsjubileum, een artikel over het
tijdig verstrekken van een werkroos-
ter, de toeslag voor overwerk op een
onregelmatig tijdstip en een nascho-
lingskostenregeling.
Naar aanleiding van reacties uit de
praktijk zijn enkele punten uit de be-
staande Rechtspositieregeling verdui-
delijkt of toegevoegd. Zo is de inlei-
ding bij bijzonder verlof uitgebreid ter
verduidelijking en is een artikel opge-
nomen over de vergoeding van reis-
kosten, wanneer de dierenartsassis-
tent{e) op eigen initiatief naar een
verder weg gelegen woonplaats ver-
huist. In dat geval bestaat er geen recht
op vergoeding van de hiermee samen-
hangende extra reiskosten.

Het Hoofdbestuur is van mening dat
met de instelling van de Rechtspo-
sitieregeling voor Dierenartsassisten-
ten een goede stap is gezet naar een
professioneel personeelsbeleid in de
diergeneeskundige praktijk.

Alle practici-leden van de KNMvD hebben de Rechtspositieregeling voor
Dierenartsassistenten
2001 inmiddels toegestuurd gekregen. Zoals u weet
hebben de leden van de KNMvD ingestemd met de instelling van een
Rechtspositieregeling op de Algemene vergadering van 3 oktober 1998. Sinds
1 januari 1999 is de Rechtspositieregeling van toepassing op bestaande en
nieuw te sluiten arbeidsovereenkomsten tussen dierenartsen-leden van de
KNMvD en dierenartsassistenten.

Rechtspositieregeling voor Dierenartsassistenten 2001

Voor inhoudelijke vragen over de
Rechtspositieregeling en de toepas-
sing daarvan in uw praktijk, kunt u
contact opnemen met mevrouw drs.
M.C. van Oostrum-Schuurman Hess,
stafmedewerker, op het bureau van de
KNMvD.

De werkgever dient een exemplaar
van de Rechtspositieregeling 2001 te
verstrekken aan de in dienst zijnde
dierenartsassistent(en). Daartoe kan
het toegestuurde exemplaar geko-
pieerd worden of kunnen extra
exemplaren van de Rechtspositie-
regeling 2001 besteld worden bij het
bureau van de KNMvD middels het
meegestuurde bestelformulier.

Wat zijn naar uw mening de belangrijkste knelpunten binnen de beroepsgroep?

Herkent u dit? Vindt u ook dat er meer
aandacht besteed moet worden aan deze
en andere zaken die de combinatie werk,
zorgtaken en privé-leven beter in balans
brengen?

Om het functioneren van praktiserende
dierenartsen te optimaliseren zijn veran-
deringen nodig. Modeme praktijkvoe-
ring vraagt om duidelijk management,
zodat de werksituatie voor zowel werk-
nemer als werkgever verbetert. Dit is
van belang om de ontwikkelingen die
gesignaleerd worden, zoals een hoog
aantal arbeidsongeschikten binnen de
beroepsgroep, ontevredenheid over sa-
lariëring en een hevige concurrentie-
strijd tussen en binnen praktijken, het
hoofd te kunnen bieden.

Vragen die de modeme dierenarts zich
stelt zijn:

• Is het mogelijk om nieuwe vormen
van werkverband te ontwikkelen, bij-
voorbeeld winstdeling, associatiemo-
dellen of leasepraktijken?

• Leidt loopbaanonderbreking door
zwangerschapsverlof, zorgverlof of
langdurig ziekteverlof tot onttrekking
van dierenartsen aan de arbeids-
markt? Is het mogelijk hier iets aan te
doen?

Oproep instellen commissie

Hoge werkdruk? Zoeken naar andere vormen van werkverband? Norma-
lisering, aanpassing en flexibilisering van werktijden en werkvormen? Hoge
financiële druk?

• Een praktijk zou een sociaal plan
moeten opstellen om te kunnen antici-
peren op (langdurige) afwezigheid of
verminderde inzetbaarheid van colle-
gae. Dit om meer duidelijkheid en mst
in de praktijkvoering te bewerkstelli-
gen. Hoe kan een dergelijk plan emit
zien en hoe leg je dit vast?

• Hoe komen we tot de gewenste nor-
malisering, aanpassing en flexibilise-
ring van werktijden?

• Wat kan er gedaan worden om tot een
goede werksfeer te komen?

• Hoe kan ik mijn werkplezier vergro-
ten?

Vindt u het belangrijk dat hier vanuit de
KN MvD aandacht voor is?

Er zijn plannen om een commissie in het
leven te roepen die zich zal inzetten voor
het signaleren, analyseren en oplossen
van deze en andere aspecten. Centraal
thema zal zijn: hoe kan binnen de dier-
geneeskunde invulling gegeven worden

-ocr page 291-

aan maatschappelijke veranderingen die
we om ons heen signaleren? Bij voor-
keur zal deze commissie bestaan uit zo-
wel mannen als vrouwen en uit zowel
werkgevers als werknemers. De com-
missie zal gevraagd en ongevraagd ad-
vies kunnen uitbrengen aan het
Hoofdbestuur van de KNMvD.

Graag uw reactie!

Wat zijn naar uw mening de belangrijk-
ste knelpunten binnen de beroepsgroep?
Zou u het toejuichen indien een derge-
lijke commissie geïnstalleerd wordt?
Heeft u interesse om zitting te nemen in
deze commissie?

Al uw reacties zijn welkom en essentieel
voor het installeren en functioneren van
een dergelijke commissie. U kunt uw re-
actie richten aan het secretariaat van de
KNMvD: bij voorkeur per email naar
m.v.oostrum@kiimvd.nl of per fax:
030-2511787 ter attentie van mevrouw
M.C. van Oostrum. Telefonische reactie
is mogelijk bij mevrouw A. de Reuver,
telefoon 030-2510111 (bereikbaar dins-
dag tot en met vrijdag).

Doorlopendeagenda

Congressen & Symposia

Maart

17—20 Workshop Fish Immunology, Zodiac
Building, Wageningen. Meer informatie;
dr. Geert Wiegertjes, Cell Biology &
Immunology Group, P.O. Box 338, 6700
AH Wageningen. Tel.: 31-317-482732/
483708, Fax: 31-317-483955, E-mail:
fish.immunology@celb.edc.wau.nl.

28—30 Congres Society for Veterinary
Epidemiology and Preventive Medicine
(SVEPM), Golden Tulip Conference Hotel
de Leeuwenhorst, Noordwijkerhout.
Nadere informatie is te krijgen op de web-
site van de SVEPM: www.vie.gla.ac.uk/
svepm of bij het algemene contactadres
voor het congres: Dr. Lisette Graat,
Departement Dierwetenschappen, Kwan-
titatieve Veterinaire Epidemiologie, Post-
bus 338, 6700 AH Wageningen, e-mail:
Lisette.Graat(gGenR.VH.WAU.NL of bij
ondergetekende: E.G.M.van.Klink(gECL

nv.agro.nl.

29—30 PHLO-cursus Rundveevoeding te
Wageningen. Kosten: ƒ 1525,-. Nadere in-
hchtingen: Bureau PHLO, Postbus 8130,
6700 EW Wageningen, tel.: 0317-
484093/484092, fax: 0317-426547, e-mail:
info@secr.phlo.wau.nl, website: www.
wau.nl/phlo.

April

20—22 Voorjaarsdagencongres, RAI, Amster-
dam. Secretariaat: Postbus 80.125, 3508
TC Utrecht, tel.: 030-2532728, fax: 030-
2535851, e-mail: vjd@fbu.uu.nl, website:
www.voorjaarsdagen.org.

21—22 Symposium over de holistische be-
nadering van tumoren bij dieren in Bonn.
Sprekers: Cheryll Schwartz (USA) en
Rosina Sonnenschmidt (Frankrijk). Meer
informatie: Aleid Verhoeff, Brunsveldweg
2a, 7021 JH Zelhem, tel.: 0314-625385,
e-mail: aleid@trefnl.

Mei

Symposium \'Vercommercialisering van
het vrije beroep\' met als motto \'waar lig-
gen de grenzen\'. Organisatie: Raad voor
het Vrije Beroep. Meer informatie: drs.
I.M.G. Thomassen, algemeen secretaris,
tel.: 070-3353582, e-mail: rvb@raadvoor-
hetvrijeberoep.nl.

Syttiposium \'Animal Health and Food
Safety\', Recreatie- en congreshotel Ter Eist,
Edegem , België. Organisatie: Stichting
Food Micro & Innovation, Obrechtlaan 17,

Medici zoals dierenartsen, tandartsen,medisch specialisten en
andere vrije beroepers kunnen al 25 jaar lang rekenen op
deskundig advies van Raadgevers Medische Beroepen.
De Raadgevers begeleiden u onder andere bij overdracht van

de praktijk en bij associaties.

Ook de afhandeling van de bijbehorende contracten wordt u
uit handen genomen. Raadgevers Medische Beroepen is een
adviesbureau met uitgebreide expertise op het gebied van fi-
nancieel advies aan beoefenaars van (para)medische
beroepen. De breedte van die expertse is uniek en beslaat ad-
vies ten aanzien van alle financiële aspecten die zich
van start tot pensionering in uw medische carrière

kunnen voordoen.

U weet zich bij de Raadgevers verzekerd van maatadvies op het
gebied van financiële planning, verzekeringen, financieringen, hy-
potheken en pensioenen. Ook de keuzes en mogelijke
problemen rondom het einde van uw studie hebben de speciale

aandacht van de Raadgevers.

De Raadgevers volgen u in de verschillende fasen van uw loop-
baan en bieden begeleiding en advies op de lange termijn.

Voor meer Informatie kunt u contact opnemen met
adviseurs Philip Jaspers, Wouter van der Meer en/of Robert E. Meijer.

Raadgevers
Medische Beroepen

Dorpsstraat 118
I 3732 HL De Bilt
Postbus 36
3730 AA De Bilt

Tel 030 220 41 14
Fax 030 220 27 95
E-mail: raadgevers@atriserv.nl

-ocr page 292-

3723 KA Bilthoven, fax: 030-2288316, e-
mail: s.notermans@wxs.nl, www.foodmi-
cro.nl.

10—12 5\'h Annual Scientific Meeting
Veterinary Wound Healing Association
\'Advancing knowledge of veterinary
wound healing\', Hannover (D). Meer in-
formatie: Veterinary Wound Healing
Association, Dr. S.M.E. Cockbill, Surgical
Dressing Research Unit, Welsh School of
Pharmacy, UWC Redwood Building, King
Edward VIl Avenue, Cathays Park. Cardiff
CFIO 3XF, Wales, UK, of website:
www.cfac.uk/uwc.phrmyA\'WHA/

12—13 Horses Pain Control (Continuous
Education Meeting), Bonn/Weilerswist-
Miiggenhausen, Germany. Registration:
Amo Lindner, Laurahöhe 14, D-45289
Essen; tel.: 49-201-571887, fax:
49-
201-571884, e-mail: amolindner@t-on-
line.de; www.agpferd.de

19 Feline Symposium. Organisatie: Stichting
Symposium Feline Geneeskunde, Yalelaan
1, 3584 CL Utrecht, e-mail: felinesympo-
sium@hotmail.com.

23—26 40\'*^ Intemational Symposium on
Diseases of Zoo and Wild Animals,
Rotterdam. Topics: 1) Diseases of marine
animals, 2) Diseases of Asian animals, 3)
Immunoprophylaxis. Congrescentrum
Engels, Stationsplein 45, Rotterdam. E-
mail: W.Schaftenaar@rotterdamzoo.nl,
website: www.lZW-Beriin.de.

Vergaderingen &. Bijeenkomsten

Maart

15 Bijeenkomst Groep Geneeskunde van het
Rund. Verslag Buiatrics congres Uruguay,
\'s middags.

20 Algemene ledenvergadering Groep Genees-
kunde van het Varken, Jaarbeurs te Utrecht.
Meer informatie: mevr. Hetty van Beers.

24 Werkvergadering Gezelschapdieren Regio
Zuid. Zalencentrum \'Poort van Limburg\',
Bassin 5 te Weert, 10.00-16.00 uur.
Sprekers en onderwerpen: dr. H. van
Herpen, drs. R. Maarschalkerweerd, drs.
M. Hovius en prof dr. L. Hellebrekers.
Kosten: ƒ 25,- voor leden van de
Afdelingen Zeeland, Noord-Brabant en
Limburg en ƒ 50,- voor niet-leden. Opgave
bij W.L.J. Oosse, tel.: 0475-593928 of N.
Venselaar. tel.:046-4741141.

April

9 AUV Voorjaarsregiovergadering Oost,
Hotel de Cantharel te Ugchelen, aanvang
20.00 uur.

10 Bijeenkomst Groep Geneeskunde van het
Rund, thema: wormbestrijding. \'s
Middags.

12 AUV Voorjaarsregiovergadering Noord,
Gezondheidsdienst voor Dieren Drachten,
aanvang 20.00 uur.

23 AUV Voorjaarsregiovergadering Zuid,
Gezondheidsdienst voor Dieren Boxtel,
aanvang 20.00 uur.

26 Afscheidscollege dr. R.J. Slappendel
\'Bloed kruipt waar het niet gaan kan\', HA
Geneeskunde van Gezelschapsdieren,
Yalelaan 8 te Utrecht. Aanvang: 15.00 uur.
Aanmeldingen: Bureau HA Geneeskunde
van Gezelschapsdieren, Postbus 80.154,
3508 TD Utrecht. Telefoon: 030 -
2531589, fax 030 - 2518126, e-mail:
Y.B.M.Jansen@vet.uu.nl.

Cursussen

Maart

15 Nascholingsdag voor dierenartsassisten-
ten, Restaurant Lommerrijk in Rotterdam.
Meer informatie:Virbac Nederland B.V.,
tel. 0342-427127.

15 PAO-D-cursus Hygiëne/Wondbehande-
ling (01/123- gezelschapsdieren).

16 PAO-D-cursus Tandheelkunde (01/126-
gezelschapsdieren).

16 PAO-D-cursus Metabole en digestie
(01/402-pluimvee).

16 PUOD (België)-cursus 22: Practicum tand-
verzorging.

17 PAO-D-cursus ICT Uw eigen website
(01/902).

20 Klinische Avond voor Dierenartsen, AC
restaurant De Meem. Meer informatie:
Virbac Nederland BV, tel.: 0342-427127,

20—22 PAO-D-cursus Erkende

Paardendierenarts (01/506).

Maliesingel 34
3581 BJ Utrechl
Tel. (030) 244 87 74
Fax (030) 241 66 33
E-mail: info@dixeneo.nl
WTVw.dixenco.nl

Uiterste inleverdata
voor kopij

Aflevering: Deadline*)

15-04-2001 maandag 26-03-2001

GI -05-2001 woensdag 11 -04-2001

15-05-2001 vrijdag 27-04-2001

01-06-2001 maandag 14-05-2001

") Voor 10.00 uur \'s morgens.

Let op: de deadlines voorde afleve-
ringen van 1 en 15 mei zijn afwij-
kend in verband met Pasen en
Koninginnedag.

Dix & Co

voor een deskundige diagnose

Vindt u financieringen en verzekeringen
ondoorzichtig? Neemt u dan eens contact
op met Dix & Co voor een deskundige
diagnose die uitmondt in heldere adviezen.

Kies een adviseur die uw totale financiële
bescherming verzorgt en die daardoor
uw persoonlijke situatie op belangrijke
momenten scherp in beeld brengt.

Landelijke dienstverlening bij praktijk-
overdracht, bij associatie en assistentie.
Belt u even voor een afspraak of een
brochure.

Dix €o

-ocr page 293-

De Univasiteit Utrecht is in drieënhalve eeuw
uitgegroeid tot de meest complete universiteit van
Nederland: een rijkgeschakeerde, internationaal
georiënteerde instelling van wetenschappelijk
onderwijs en onderzoek. De 14 faculteiten,
21 onderzoekscholen en 58 opleidingen bieden
studenten en medewerkers boeiende mogelijk-
heden zich verder te ontplooien. De rijkdom
aan disciplines en de nadruk op kwaliteit
bepalen de aantrekkingskracht van Utrecht.
Wetetischappelijke traditie, moderne technie-
ken en op de toekomst gerichte programma\'s
dragen daaraan verder bij. Met ongeveer
22.000 stndenten, ruim 6.S00 personeels-
leden en eeu budget van ruim 1 miljard gul-
den vormt de universiteit de spil in Utrecht
kennisregio. Vanuit deze positie in Midden-
Nederland onderhoudt zij een gevarieerd
coMactenpatroon met universiteiten en
gespecialiseerde onderzoekinstituten over
de gehele wereld.

De Universiteit op Internet:
wwiv.uu.nl

Uw sollicitatie binnen 14 dagen, tenzij anders ver-
meld, richten aan de genoemde personeelsdienst.
Vergeet u niet het vacaturenummer te vermelden.
De universiteit streeft ernaar dat vrouwen op alte
niveaus even vanzelfsprekend vertegenwoordigd zijn
als mannen. Bij voltijdse functie is invulling in deeltijd
bespreekbaar Er is een regeling voor flexibel zwanger-
schaps- en ouderschapsverlof; er is een subsidieregeling
ten behoeve van kinderopvang.

Acquisitie n.a.v. deze advertentie wordt niet
op prijs gesteld.

Faculteit der Diergeneeskunde

De faculteit der Diergeneeskunde is de enige
diergeneeskundige faculteit In Nederland.
Zij neemt in Europa een toppositie in op het
gebied van onderwijs, onderzoek en patiënten-
zorg en is geaccrediteerd door de American
& Canadian Veterinary Medical Associations.

De afdeling Veterinaire Farmacologie, Farmacie
en Toxicologie (VFFT) verzorgt In de opleiding
tot dierenarts het onderwijs In de farmacologie
en farmacotherapie. Tevens verricht de afdeling
basaal en toepassingsgericht onderzoek naar
de werkingen en lotgevallen van diergenees-
middelen bij verschillende diersoorten, teneinde
therapieconcepten te ontwikkelen die aan de
voorwaarden van een goede klinische prak-
tijkuitoefening (GCP) en aan de eisen van de
goede veterinaire praktijkuitoefening (GVP)
voldoen. De VFFT maakt onderdeel uit van de
Hoofdafdeling Gezondheidszorg van het Paard
aan de faculteit der Diergeneeskunde. Door de
uitbreiding van de onderwijsactiviteiten is bij
de VFFT de positie vacant van een

Dierenarts

als junior docent/

onderzoeker (v/m)

Uw taken bestaan uit het geven van onderwijs
aan studenten diergeneeskunde in de farmaco-
therapie van landbouwhuisdieren met aandacht
voor de therapeutische mogelijkheden en doel-
stellingen van een therapeutische interventie, de
selectie van diergeneesmiddelen en de randvoor-
waarden die aan een verantwoorde therapie ver-
bonden zijn. ü versterkt het onderwijsteam van
de afdeling door het voorbereiden en geven van
werkcolleges en klinische lessen en u ontwikkelt

B ^ Universiteit Utrecht

zelfstandig onderwijsmateriaal hiervoor.
Daarnaast gaat u participeren in het onderzoek
dat gericht is op ontstekingsprocessen bij het
varken en het rund. Het betreft zowel farmaco-
logische als farmacotherapeutische aspecten.
U zult verschillende ontstekingsmodellen ont-
wikkelen en de klinische effectiviteit van anti-
inflammatoir werkzame agentia bestuderen.
Het onderzoek is ingebed in een breed kader
van onderzoeksprojecten van de afdeling.
Wij vragen iemand met een voltooide opleiding
tot dierenarts en met belangstelling voor onder-
wijs en onderzoek, die zo spoedig mogelijk
in dienst kan treden. U bent in staat in team-
verband te werken, beschikt over goede commu-
nicatieve vaardigheden en over voldoende prak-
tijkervaring om studenten te enthousiasmeren.
U denkt en formuleert helder, zowel mondeling
als ook schriftelijk, en u hebt belangstelling voor
de problemen in de landbouwhuisdierensector.
Enige ervaring in de landbouwhuisdierenpraktijk
(rund, varken, pluimvee) strekt tot aanbeveling.
Wij bieden een aanstelling in tijdelijke dienst
voor de duur van drie jaar met een functie-
omvang van 80%. Uw salaris is afhankelijk
van uw relevante ervaring en kan oplopen
tot ƒ 6 765,- (schaal 10 CAO Nederlandse
Universiteiten) bruto per maand bij een fulltime
dienstverband.

Hebt u belangstelling? Dan kunt u contact
opnemen met een van de junior docenten/
dierenartsen drs. A.H. Werners of mevrouw
drs.
L. Schipper of met mevrouw prof. dr.
J. Fink-Gremmels, telefoon 030-253 54 58.
Uw schriftelijke sollicitatie kunt u richten aan
de afdeling Personeel & Organisatie van de
faculteit der Diergeneeskunde, Universiteit
Utrecht, t.a.v. de heer A.H. Bloemers,
Yalelaan\'1, 3584 CL Utrecht.
Vacaturenummer 70103.

Gevraagd:

Enthousiaste, cliënt- en
diervriendelijke collega (m/v)

met brede belangstelling in een gemengde tweemansprak-
tijk in het oosten van het land.

Geboden: een gevarieerde fulltime baan met salariëring vol-
gens KNMvD-norm, met goede toekomstmogelijkheden.

Sollicitatie binnen 14 dagen na het verschijnen van dit tijd-
schrift richten aan: R. Pouw, Loodijk 6, 6924 SC Loo.
Telefoon: 0316 - 263167, fax: 0316 - 265531.

Gemengde groepspraktijk in Zuid-oost Brabant zoekt

Collega (m/v)

Onze voorkeur gaat uit naar iemand met interesse en enige
ervaring in de varkens, die daarnaast ook mee wil denken en
werken in de kleine huisdierensectie.

Inlichtingen: Inge van Soest, telefoon 06 - 51540050.
Sollicitaties: Dierenartsen Centrum de Heikant, Antonius-
straat 62, 5408 RD Volkel.

-ocr page 294-

van honden en katten ouder
dan 3 jaar kampt met (ernstige)
tandsteenvorming...

85

ANIMAL HEALTH

.... gelukkig
is er nu een
oplossing
voor het
probleem!

NIEUWE PRODUailJN VOOR GEBITSVERZORGING

Regelmatige gebitsverzorging is van
groot belang om parodontale aan-
doeningen te voorkomen. De nieuwe
Virbac
onderhoudsproducten zijn
gebaseerd op het C.E.T. Dual Enzyme
System, dat de zuurproductie en
groei van bacteriën in de mondholte
remt. Maar ook voor de
reiniging van
het gebit zijn er producten beschik-
baar. Deze bevatten 0,12% chloor-
hexidine, een zeer effectief wapen in
de strijd tegen tandsteen.

:. H .TT.®

-ocr page 295-

DE TROEVEN
VAIM COBACTAIM\'

DAP Zeewolde en DAP Midden-Flevoland zijn twee mo-
derne dierenartsenpraktijken in de provincie Flevoland, die
na fusie vanuit één goed geoutilleerd praktijkpand in
Zeewolde gaan werken. Het team bestaat uit zeven dieren-
artsen en vijf assistenten. In verband met het vertrek van een
collega zoeken wij op korte termijn een

Enthousiaste dierenarts
landbouwhuisdieren (m/v)

Wij vragen:

• differentiatie landbouwhuisdieren/rundvee

• goede communicatieve en sociale vaardigheden

• affiniteit met de moderne rundveehouderij

• teamgerichte werkhouding

• bereidheid tot deelname aan avond- en weekenddiensten.
Wij bieden:

• een leuke, afwisselende baan

• goede begeleiding/zorgvuldige inwerkperiode

• een enthousiast team

• salariëringen arbeidsvoorwaarden volgens KNMvD-nor
men.

Reacties kunt u tot 14 dagen na verschijnen van dit tijdschrift
richten aan: DAP Zeewolde en Midden-Flevoland, p/a
Gildenveld 76, 3892 Dj Zeewolde.

Voor nadere inlichtingen kunt u bellen: R.j.M. van Gent, tele-
foon 06 - 54791433.

Hebben wij uw juiste e-mailadres?

Om alle KNMvD-leden in voorkomende gevallen een e-mail
te kunnen sturen, willen wij ons e-mail-adressenbestand
compleet en betrouwbaar houden. Stuurt u s.v.p. uw
nieuwe of veranderde adres naar onze webmaster, Corine
van Kalles vla webmaster@knmvd.nl.
U hebt nog geen e-mail? In de volgende aflevering van het
Tijdschrift voor Diergeneeskunde leest u nog maar eens
hoe u daar het beste aan kunt komen, ook voor uw praktijk.

Uitstekende
prestatie
door iioge
concentratie

Melk:

Cefquinome concentraties
boven de MIC waarden
van mastitispathogenen tot
4 melkmalen na behandeling

Uierweefsel:

Cefquinome concentraties
boven de MIC-waarden
van mastitispathogenen
gedurende 6 melkmalen
na behandeling

Resultaat:

goede klinische en

bacteriologische genezing.

Voor volledige begeleiding bij
uw praktijkovername

iVVAA ;

BEL VOOR MEER INFORMATIE (030) 247 44 58

Postbus 8153,3503 RD Utrecht
Internet www.waa.nl

Cobactan LC. Diergeneesmiddel UDA. Reg.NL9468.
Bevat 75 mg Cefquinome per injector. Ter behandeling
van klinische mastitis. Contraindicatie: allergie.
Wachttijd: vlees 4 dagen, melk 5 dagen.

.^Mycofarm mmm

-ocr page 296-

a

(ivermectine)

Eprinex

; Pour-On

ivomec

Ivomec

EPRINEX en PANOMEC zijn verkrijgbaar bij uw dierenarts

Gratis Mag-Lite zaklantaarns\' (incl. batterijen) bij aankoop van 2x1 liter of 1x2,5 liter EPRINEX Pour-On en bij 2x200 ml PANOMEC 1% Injectievloeistof

-ocr page 297-

DE TROEVEN
VAIM COBACTAN\'

O

Dierenkliniek Anubis,
Regio Antwerpen (België),
zoekt Intern (m/v).

Profiel: recent afgestudeerde dierenarts met ruime inte-
resse voor alle aspecten van gezelschapsdierengenees-
kunde. Grote bereidheid om in een team te werken en so-
ciale vaardigheden naar clientèle, collega\'s en personeel
zijn belangrijk. Tevens bereidheid om gedurende nachten
en weekends in de kliniek te verblijven. Redelijke kennis van
Frans en Engels zijn nodig.

Aanbod: het Anubis team zorgt voor verdere praktische op-
leiding van internen op meeloopbasis, aangevuld door bij-
scholingslessen die door meerdere specialisten worden ge-
geven.

De kliniek voldoet aan de normen van de American Animal
Hospital Association. De verdiensten zijn bescheiden.
Geïnteresseerden kunnen hun cv sturen naar: Anubis,
Kontichsesteenweg 46, 8-2620 Aartseiaar, België en zuilen wor-
den uitgenodigd vooreen gesprek.

Dierenarts (m) metn jaar ervaring,

zoekt gezelschapsdierenpraktijk

Het liefst ter overname, financiën aanwezig. Een prettige
werkplek met fijne collega(e) is echter ook welkom.
Diensten groot, dan geen probleem.
Overname kan op termijn binnen één jaar en eventueel met
eerst samenwerking.

Eigenschappen: sociaal, commercieel, vriendelijk, veel kennis.

Brieven richten aan de redactie van het Tijdschrift voor
Diergeneeskunde, Postbus 14031, 3508 SB Utrecht, onder
vermelding van nummeri/2001.

Niets werkt
10 breed als
Cobactan®

Onderzoek van Böttner
(J. Vet. Med. B 42, 377-383)
toont aan dat Cobactan®
het breedste werkings-
spectrum heeft. Cobactan® is
dus een ideale keuze bij
mastitis waarbij de verwekker
onbekend is.

Cefquinome:

in vitro gevoeligheid

1997/1998

Dierenkliniek \'de Kooikershof heeft een vacature voor een
parttime

dierenarts gezelschapsdieren m/v

Geboden wordt: een prettige werkomgeving in een moderne,
geautomatiseerde
eerstelijnspraktijk.

Gevraagd wordt: differentiatie gezelschapsdieren en liefst
enige ervaring, maar in ieder geval een enthousiaste en
cliëntgerichte werkhouding, een zakelijke instelling, flexibi-
liteit en de bereidheid zich in Twente te vestigen.

Gestreefd wordt naar een duurzaam samenwerkingsver-
band met na gebleken geschiktheid de mogelijkheid tot as-
sociatie. Schriftelijke reacties (graag binnen twee weken)
naar: E. Bartels-Hubert, de BakspiekerS, 7609 CL Almelo.

Amoxicilline
AmoxTCIavulaanzuur
Cefaperazone
Cefquinome
Cloxacilline
Colistine
Erythromycine
Neomycine
Oxytetracycline

TrimTSulfadoxine
Tylosine

E.coli

S. uiMrl«

S. «ureu»

CNS nsg.

8. aeel.

Enterococ.

Met getest

Niet getest

Niet getest

Niet getest

Niet getesi

Niet getest
Niet getest

Niet getest
Niet getest

Cobactan LC. Diergeneesmiddel UDA. Reg,NL 9468.
Bevat 75 mg Cefquinome per injector. Ter behandeling
van klinische mastitis. Contraindicatie: allergie.
Wachttijd: vlees 4 dagen, melk 5 dagen.

-ocr page 298-

st World Feed Conference

25th & 26th April 2001

2 DAY CONFERENCE

Organized by Victam/Wageningen

University

LANGUAGE
English only

TARGET GROUP

Nutritionists and people interested in
the nutritional consequences of, and
interaction with, feed production.
Production managers Interested in
nutritional background. Purchasers
interested in nutritional and production
background.

TIMETABLEA/ENUE
The conference will be held during
Victam EUROPE 2001 in the \'Jaarbeurs
Utrecht\' on Wednesday 25 and
Thursday 26 April 2001.

DOCUMENTATION
The Proceedings of the 1st World Feed
Conference will be available at the start
of the Conference as a book.

PROVISIONAL PROGRAMME

1. Feed formulation

1.1 Dr. R. van Barneveld, Barneveld
Nutrition Pty Ltd, Australia
Controlling the nutritional quality
of diet ingredients

1.2 Dr. Z. Jiang, Aventis Anim.
Nutrition. Singapore
Ingredient variation: its impact
and management

1.3 Dr. D. Bertrand, NRA Nantes,
France

NIRS applications for feed quality
control

2. Emerging technologies

2.1 Dr. H. Embrechts, Buhler SA,
Uzwil, Switzerland

Premix manufacturing flow charts

2.2 Prof. Dr. J.P.K Seville and L Perera
University of Birmingham, UK
Roll granulation: principles and
apphcation

2.3 Dr. E. Perez Fortek, As, Norway
Vacuum coating: principles and
apphcation

2.4 Prof. Dr. E. Heidenreich et al.,
IFF, Braunschweig, Germany
Mash pasteurisation and drying:
principles and application

3. Feed ingredients and processing
3.1 Dr. J.O. Goelema, Pre-Mervo,

Utrecht, Netheriands; Dr. E.

Prestl\'kken University of As,
Norway

Rumen degradable and intestinal
digestible protein and starch

3.2 Prof. Dr. I. Nir, University of
Jerusalem, Israel

Diet particle size: nutritional con
siderations for poultry

3.3 Dr. S. Kaushik, INRA, St. Pee sur
Nivelle, France

Aqua feeds: effects of processing
on nutritional value

4. Feed additives

4.1 Dr. M. Bedford Finnfeeds,
Marlborough, UK and
Dr. J. Apajalathi Finfeeds,
Marlborough, UK.
Implications of diet and enzyme
supplementation on the microflo
ra of the intestinal tract

4.2 Dr. C. Adams, Kemin, Herenthals,
Belgium

Health promoting additives

5. Feed and food safety, hygiene &
quality

5.1 Prof. dr. A. Aumaitre, INRA,
St.-Gilles, France Genetically
modified plants: ethics and
nutritional quaUty

5.2 Prof. Dr. M.J.M. Tielen, Nether-
lands Feed Industry Association
(Nevedi), Ing. J. den Hartog,
Produktschap voor Dier\\\'oeder.
Feed safety for high quality of
food of animal origin

Wageningen University is one of the world\'s
top education and research centres in
agricultural and environmental sciences. Its\'
graduates are recognised intemationally for
the quality of their scientific training, while
many scientists have discovered
Wageningen as a place to spend their
sabbatical leave. Wageningen is also proud
of its high reputation eamed dunng many
years of experience with intemational
cooperation projects all over the world.
Today, the Wageningen University and
Research Centre includes dozens of
scientific and technological institutes
surrounding the university.
Wageningen University offers education at

APPLICATION/PAYMENT TERMS

Price excl hotel
€ 460 per person.

€. 230 for staff members of universities
and schools for advanced education. A
letter of recommendation to be sent
with the apphcation.
€ 50 for students. Apply, but pay cash
at the venue showing your ID card as
student.

Application before:
1 April 2001

Payment before:
15 April 2001

Apply on line:
Internet: www.victam.com

VICTAM

ntemationa

Victam Intemational BV,
P.O. Box 197,
3860 AD Nijkerl<,
The Netherlands.
Tel; -1-3 I 33 246 4404
Fax: -^3 I 33 246 4706
E-mail: expo@victam.com

Exclusive features

The 1st \'World Feed Conference\' will
have internationally renowned speak-
ers from universities and institutes
from all over the world presenting
papers on the latest developments and
technology within animal nutrition
and technology.

nformation on Wageningen
University

both MSc and PhD levels:

- BSc-degree Programme (Dutch language
instruction)

- MSc-degree Programme (English language
instruction)

- Exchange Programmes

- Short (Postgraduate) Courses

- PhD Programme

At Wageningen, there is a close connection
between study programmes and research.
The scientific staff combines research with
teaching. The quality of Wageningen
education and research is regularly appraised
by independent intemational committees,
organised by the Association of Universities
in the Netherlands.

INTERNATIONAL

VICTAM

-ocr page 299-

Dierenartsenpraktijk Ysselsteyn in
Noord-Limburg is een gemengde praktijk
waarin acht dierenartsen werkzaam zijn
in voornamelijk de landbouwhuisdieren-
sector.

Ter uitbreiding van ons team zoeken wij
op korte termijn:

Fulltime dierenarts (m/v)

■Vat wij bieden:

• een collegiale en informele werksfeer;

• een functie met nadruk op pluimvee- en varkensdierge-
neeskunde;

• ruime ontplooiingsmogelijkheden.

.Vat wij vragen:

• ondernemingsgeest en flexibiliteit;

goede contactuele en sociale vaardigheden;
participatie in de dienstregeling;

• belangstelling voor en stimulering van pluimveedierge-
neeskunde in de eerste en tweede lijn;

ervaring met varkens- en pluimveediergeneeskunde op be-
drijfsniveau gewenst.

5or meer informatie over deze vacature kunt u contact op-
•.;men met Fons van Sundert: 0478-544100. Uw schriftelijke
sollicitatie vergezeld van curriculum vitae graag binnen 14
igen na het verschijnen van dit tijdschrift richten aan: DAP
Y\'jselsteyn, ter attentie van Rob Vriens, Ringweg 25, 5813 BR
"sselsteyn.

Nobivac

®

neemt nu ook
kennelhoest bij de
neus

Kent u
het nog?

Mycofarm heeft haar pakket
uitgebreid met een vaccin tegen kennelhoest:

Nobivac* KC

• Slechts 0,4 ml

• Eén neusgat

• Binnen 3 dagen immuniteit

alfium®= PALFACE

Registratiehouder en fabrikant
ACE Pharmaceuticals BV
- Postbus 1262 - 3890 BB Zeewolde

-ocr page 300-

4
i

U

fs

/

\'i

Het hele jaar door geen vlooien?
Start nü met PROGRAM® Injectie voor katten!

Vlooieneitjes en -larven houden van warmte. Nu de
verwarming in de huizen aanstaat, kunnen ze prima
overwinteren. De kans op een vlooienplaag bij katten
blijft hierdoor bestaan.

Daarom is het nu een uitstekend moment om met
PROGRAM Injectie te starten. Voorkomen is altijd
beter dan bestrijden op het moment dat er vlooien zijn.

PROGRAM Injectie voor katten doodt met één dosis
alle eitjes voordat ze de kans krijgen om uit te komen.
U dient de injectie toe.

Eén injectie is voldoende voor zes maanden
bescherming. Een eenvoudige, snelle methode met
een duurzame werking, die makkelijk is voor katten
én hun eigenaren.

Maakt vlooien het leven onmogelijk.

PROGRAM\' 40 mg (lufenuron), Reg. NL 9489- UDA/PROGRAM 80 mg (lufenuron), Reg. NL 9498- UDA. Indicatie; suspensie voor injectie voor het bestrijden van vlooien. Doeldier: kat. Dosering: 10 mj
lufenuron per kg lichaamsgewicht bij subcutane toediening. Contra-indicaties: niet bij honden gebruiken. Het excipients Polyvinylpyrrolidone (Povidon) is een substantie die bij honden een krachtige vrijgav*
van histamine veroorzaakt. Dientengevolge kan een emstige reactie optreden bij honden; deze reactie wordt niet bij katten waargenomen. Bijwerkingen: het product wordt door alle katten zeer goed verdrager
maar kan pijn bij injectie veroorzaken. Het kan een voorbijgaande milde en niet pijnlijke reactie op de plaats van injectie vertonen. Een enkele keer kan er
lethargie (sloomheid) optreden gedurende een paar uren na injectie. Dit verschijnsei verdwijnt echter spoedig. ® Geregistreerd handelsmerk van Novartis Ltd.,

Bazel, Zwitserland. Verdere informatie zie bijsluiter of beschikbaar bij Novartis Consumer Health B.V., Animal Health Sector, Korte Hei 1-3, 4714 RD Sprundel. www.novartis.com C.) NOVARTl!

-ocr page 301-

issn 0040-7453

aflevering

7

Tijdsch^RI
Diergeneeskun

Wetenschap

Succes behalen in uw dierenartsenpraktijk

Actua

Vaccinatie, het einde?

V ;

Vrijstellingregeling :

Nu ook lijsten voor kip, geit en schaap

Ingezonden

BSE

Rondklepplicht

KNMvD

Dierenarts wil meer informatie over BSE

Hoofdbestuur akkoord met advies
Discussieplatform Arbeidsvoorwaarden

KNMuD

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij uoor
Diergeneeskunde

-ocr page 302-

Gezonde huid,
tevreden baasje

BAYTRIL: ANTI-INFECTIEUS MIDDEL VOOR HONDEN EN KAHEN.

Eigenaars van honden en katten zijn erg gevoelig
voor de huidproblemen van hun dieren. Bij
huidinfecties neemt u daarom het zekere voor het
onzekere.

Baytril: Zeer snelle en goede weefselpenetratie.
Hoge concentraties in geïnfecteerde weefsels.
Snelle en efficiënte bactericide werking. Goede
tolerantie ook bij langdurige toediening. Baytril
werkt zichtbaar doeltreffend in een dosering van
5 mg/kg per dag*. Zodat dieren snel genezen, de
baasjes tevreden zijn en u de eer krijgt.

*Bij huidinfecties in het algemeen wordt geadviseerd de
therapie enkele dagen na klinische verbetering van de
symptomen voort te zetten.

Baytril:

e Effective Anti-Infective.

Baytril; Breedspectrum antibioticum met enrofloxacin als actieve substantie. Mag zowel voor honden als katten worden gebmikt. Indicaties: Therapie van infectieuze aandoeningen veroorzaakt door gramnegatieve en grampositieve bacierièn en mycoplas-
ma\'s in het bijzonder infecties van de unnewegen, geslachtsorganen, ademhalingswegen, spijsverteringsstelsel, huid. otitis media en wonden. Toediening/Dosering: Oraal, Hond, kat: 5 mg enrofloxacin per kg l.g. per dag gedurende minimaal 5 dagen: bij
chronische verlopende ziekten en gecompliceerde infekties kan de behandelingsduur tot 10 dagen worden verlengd. Contra-indicaties: Behandeling van opgroeiende honden tot de leeftijd van één jaar is gecontraïndiceerd. Bij honden van grote rassen
geldt dit tot de leeftijd van 1.5 jaar. Ongewenste effecten: Bij opgroeiende honden jonger dan één jaar kan Ijeschadiging van het gewrichtskraakbeen optreden.
15 mg REG NL 7865 ■ 50 mg REG NL 7866 ■ 150 mg REG NL 7867

Bayer B.V, • Division Animal Health • Energieweg 1 - 364 1 RT MIJDRECHT

l

-ocr page 303-

TIJDSCHRIFT
VOOR

DIERGENEESKUNDE

Journal ofthe Royal Netherlands Veterinary Association
Deel 126 aflevering 7:1 april 2001

Uit de Hoofdredactie
Uiten voor de praktijk

Succes behalen in uw dierenartsenpraktijk; C.E.Strawn en M.C.B. Kampen

Referaten

246

248
252

Wetenschap

Berichten en verslagen

Gebruik antibiotica bij mens en dier; P.A.M. Overgaauw 253

Congres World Association for Buiatrics 255

Vaccinatie, het einde?; M. C. W. Schouten en P.A.M. Overgaauw 256

Twaalfde Dag van het Aangespannen Paard 258
Vrijstellingregeling artikel 2 Diergeneesmiddelenwet. Nu ook lijsten voor kip, geit en schaap 258
Bijeenkomst Partners in Rendementverbetering. Uitreiking eerste NRS-STO

Vruchtbaarheid; S. Deleu 259

Ingezonden

Meer onderzoek BSE-lijders; W. MLsdorp 260

Een zekere overkill aan maatregelen moet wel logisch en verklaarbaar zijn;
H. Smeenk 261

Pasfoto; R.E. Boerekamp 261

Oproep belangenbehartiging practitioners; M. Boereboom 261

Rondklepplicht?; R. Strikn\'erda 262

Opent het Veterinair Tuchtcollege de weg naar Amerikaanse toestanden in Nederland?
Dierenarts veroordeeld tot betaling van 10.000 gulden materiële en immateriële kosten?;
C.J.M. Cremers 262

Nieuw(s) van de Industrie

Bijwerkingen Sebolytic 262

Actua

AUe^ trCooie4iy fve4r hu/is &mé iM^eA:

INDOREX®IGR

S^aye^

NU EEM 400 ML OiWGEVIKGSSPRAY

BEVAT PIPERONYLBUTOXIDE, FENOXYCARB EN PERMETHRIN
WERKT 6 MAANDEN LANG

WERKZAAM OP ^ ONTWIKKELINGSSTADIA VAN DE VLO

VOOR VOLLEDIGE PRODUCTINFORMATIE: VIRBAC, TEL.: 0342-427 127

virbac

quality by research

-ocr page 304-

Hoofdredactie

Dr. W. Edel (voorzitter)

Dr. E.A. ter Laak (penningmeester)

Drs. H.A. Beijer

Dr. M.F. de Jong

Dr. Tj. Joma

Dr. R. Kuiper

Dr. P.A.M. Overgaauw

Drs. J.T. Siebinga

Dr. R.J. Slappendel

Dr. J.H. Vos

Wetenschappelijke redactie

Prof. dr. A. Bameveld (Utrecht)

Dr. A.E.J.M. van den Bogaard Jr. (Maastricht)

Dr. F.H.M. Borgsteede (Lelystad)

Prof. dr. H.J. Breukink (Utrecht)

Prof dr. P. De Backer (Gent, België)

Dr. J. Goudswaard (Middelburg)

Prof dr. L.J. Hellebrekers (Utrecht)

Dr. Th.S.G.A.M. van den Ingh (Utrecht)

Prof dr. A.Th. van \'t Klooster (Utrecht)

Prof dr. F. van Knapen (Utrecht)

Prof dr. A. de Kruif (Gent, België)

Dr. J.T. Lumeij (Utrecht)

Prof dr. A.S.J.P.A.M. van Miert (Utrecht)

Prof dr. J.P.T.M. Noordhuizen (Utrecht)

Prof dr. J.Th. van Oirschot (Lelystad)

Prof dr. J. de Schepper (Gent, België)

Dr. J.M.A. Snijders (Utrecht)

Dr. E. Teske (Utrecht)

Mw. dr. A.J. Venker-van Haagen (Utrecht)

Prof dr. J.H.M. Verheijden (Utrecht)

Dr. G. Voorhout (Utrecht)

Dr. Th. Wensing (Utrecht)

Bureauredactie

Mw. A.M. Tummers
Mw. S.H. Umans-Ubbink

KNMvD

Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde,
Julianalaan 8 -10, Utrecht

Postbus 14031,3508 SB Utrecht. Telefoon: 030 - 25 10111. Fax 030-2511787

Secretariaat
Manager Interne zaken
Stafmedewerkers

Hoofdbestuur

Drs. T. de Ruijter, voorzitter

Drs. S.R. Heslinga, vice-voorzitter

Drs. J. Borgmeier, lid

Mw. drs. E.N.M. Harwig-Dings, lid

Drs. G. Huijser van Reenen, penningmeester

Drs. J. Togtema, lid

Mw. drs. W.J. Wijne- Raemakers, lid

Dr. Tj. Joma, algemeen secretaris

Mw. E. Cuhfus

Mw. drs. S.A.M. Deleu

Mw. drs. M.C. van Oostrum-Schuurman Hess

Drs. J.L.M. Vaarten

Administrateur

Vacaturebank

Webmaster

H.S. de Vries

R.P. van Ringelestijn

Mw. drs. C.M. van Kalles

263

264

Veterinair Tuchtrecht

Nachtelijke euthanasie; I. Boissevain

AUV Veterinaire Mediatheek

Bureau

Julianalaan 8-10, Postbus 14031. 3508 SB Utrecht
Tel.030-25 10 111/fax 030-25 19847.
E-mail: tijdschrifl(®knmvd.nl.

Congressen en Cursussen

Commercialisering van het Vrije Beroep; waar liggen de grenzen?

Veterinaire Praktijk Beurs

ESVOT-congres met drie workshops in München

265
265
265

Abonnementsprijs

Het Tijdschrift voor Diergeneeskunde is het vereni-
gingstijdschritt van de Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde.
Dc abonnementsprijs voor dierenartsen niet-leden van
de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor
Diergeneeskunde en voor niet-dierenartsen wordt vast-
gesteld door het Hoofdbestuur.

Postgiro/bank

Postbank 511606 ten name van de KNMvD,
Julianalaan 8-10, Utrecht. ABN/AMRO N.V.. Postbus
30, 3500 AA Utrecht, nr. 55 50 48 861 en C en E bank
N.V., Postbus 85100, 3508 AC Utrecht, nr. 69 93 61
443.

Druk

Dmkkerij G. van Dijk B.V., Breukelen (tel. 0346-
261304, fax 0346-264565).

Advertenties

Commerciële advertenties: Bureau Weijer B.V., Veen-
dam (tel. 0598-623065, fax 0598-613827).
Personeelsadvertenties: bureauredactie.

KNMvD

In Memoriam

Prof. dr. Jan Hendrikse; G. Wagenaar en G.C. van der Weijden

Maatschappijnieuws

Drukbezochte vergadering Groep GR en GK.Z. Dierenarts wil meer informatie
over BSE; 5.
Deleu

Hoofdbestuur akkoord met advies Discussieplatform Arbeidsvoorwaarden;
M. van Oostrum-Schuurman Hess

Doe uw voordeel met...; M. van Oostrum-Schuurman Hess
Formularium varken 2001;./. Vernooij

Brabantse Nieuwen; M. Boumans. M. Labherté, P. van Hooydonk en M. Oomen
Werkgroep Geneeskunde Vleeskalveren opgericht

Personalia

Doorlopende agenda

266

267

270

271

271

272
272

272

274

AH rights reserved

Verklaring:

Richtlijnen voor auteurs (Vancouver Style) zijn op aanvraag verkrijgbaar (zie ook Tijdschr Diergeneeskd 1992;
117:31 -4). De Redactie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade welke - direct of indirect - het gevolg mocht
zijn van gebleken onjuistheden in de inhoud van de in dit tijdschrift opgenomen artikelen waarbij dc auteur is vermeld
of in de inhoud van de in dit tijdschrift geplaatste advertenties.

Advertenties kunnen zonder opgaaf van redenen door dc Redactie worden geweigerd of ingetrokken.

Niets uit dit tijdschrift mag worden verveelvoudigd eti/of openbaar gemaakt, door middel van druk. microfilm of op

welke andere wijze ook, zonder schriftelijke toestemming van de Redactie.

(Papers appearing in this journal are listed in Current Contents/Agricultural Biology and Environmental Science /
Index-Medicus, Index Veterinarius / Veierinary Bulletin, Biological Abstracts, Cambridge Scientific Abstracts).

-ocr page 305-

01

Mond- en klauwzeer

Na de klassieke varkenspest en de BSE, gaat de geplaagde Europese veehouderij nu ge-
bukt onder een door velen zo gevreesde uitbraak van mond- en klauwzeer Op het moment
dat dit editorial wordt geschreven, neemt de epidemie in Engeland catastrofale vormen
aan. Op het continent zijn nog geen klinische gevallen bevestigd, maar de vondst van po-
sitieve titers bij onderzoek van geruimde schapen in onder andere Frankrijk, doet het erg-
ste vrezen. De situatie is uiterst bedreigend en waakzaamheid blijft geboden. Het snel
traceren van geïmporteerde schapen en geiten, het preventief ruimen van deze dieren en
de vervoers- en verzamelverboden, lijken vooralsnog van cruciaal belang te zijn geweest.
De varkenspest is wat dit betreft een dure maar goede leerschool gebleken.
Als praktiserend dierenarts worden we dagelijks geconfronteerd met begrijpelijke onge-
rustheid onder veehouders. De roep om tegen MKZ te mogen vaccineren klinkt steeds lui-
der, ondanks dat het vertrouwen van veel rundveehouders in vaccinatie door de IBR-af-
faire is geschaad. De beslissing om dieren tegen besmettelijke ziekten te beschermen
middels vaccinatie ligt echter niet meer bij de individuele veehouder of de dierenarts.
Vaccinatiebeleid is wat betreft de landbouwhuisdieren veel meer een politieke kwestie ge-
worden. Dit werd ook gesteld tijdens het DSK-symposium \'Vaccinatie, het einde?\' gehou-
den op 17 januari 2001, waarvan u een verslag in dit tijdschrift aantreft. Een landelijke
entcampagne tegen MKZ is momenteel niet haalbaar en wenselijk. Laten we hopen dat de
toepassing van een noodvaccinatie bij een eventuele uitbraak niet nodig is.
Wel is het zinvol om na afloop van deze epidemie het non-vaccinatiebeleid ter discussie te
stellen. De Nederlandse veehouder is aangespoord om een risicobewust management ten
aanzien van de insleep van ziektekiemen te voeren. Ook van overheden mag je een derge-
lijke \'bedrijfsvoering\' verwachten. De mobiliteit van mens en dier is de laatste jaren ex-
plosief toegenomen. De wereldhandel in agrarische producten is sinds 1980 verdubbeld
en deze handelsstromen zijn op zijn minst niet altijd even doorzichtig. Natuurlijk zijn de
economische belangen immens groot, maar de bijkomende risico\'s niet minder.
Handhaving van een ziektevrije status kan onder zulke omstandigheden tot uiterst onge-
wenste situaties leiden. Vooral het op grote schaal ruimen van gezonde dieren, wordt
maatschappelijk een steeds minder geaccepteerd fenomeen. Televisiebeelden van brand-
stapels en dode dieren blijven op het netvlies van de consument hangen. Dit draagt zeker
niet bij tot meer begrip voor de landbouw. In een genuanceerde discussie over non-vacci-
natiebeleid horen naast epidemiologische en economische motieven dan ook zaken als
maatschappelijke acceptatie en dierwelzijn thuis.

Intussen zal er prioriteit moeten worden gegeven aan de ontwikkeling van markervaccins
en nieuwe vaccintechnologie. Goede diagnostische testen die differentiëren tussen een
natuurlijke infectie en een vaccinatietiter zijn van belang. Het veterinair zo veelvuldig en
succesvol toegepaste wapen van vaccinatie, kan dan ook bij uitbraken van zeer besmette-
lijke dierziekten worden ingezet. Exportbelemmeringen worden ondervangen, terwijl ge-
zondheid en welzijn van het dier op acceptabele wijze worden bewaakt.

J. T. Siebinga

UitdeHoofdredade

-ocr page 306-

De Dynamiek van

Antloxldanten

WALTHAIVI® introduceert: de vernieuwde complete WALTHAIVI® Veterinaire Dieetrange
verrijkt met antioxidanten

Met dit nieuwe WALTHAM® concept verandert er veel:

Naam: Van Pedigree® en Whiskas® naar WALTHAM®,
een bekend begrip in de veterinaire wereld en
nu hét exclusieve merk voor de dierenarts.

Receptuur: Alle WALTHAM® diëten zijn verrijkt met
vitamine E en taurine, twee van de meest
krachtige vrije-radicalen-vangers.

Verpakking: Geavanceerde moderne verpakking met
duidelijke kleurcodering en naamgeving
gebaseerd op de klinische aandoening.

WA1.THAM\' WALTHAM* WALTHAM*

WALTHAM*
-----k

Solutions for Life

-ocr page 307-

De grondbeginselen van succes in uw praktijk: Productiviteit, Winstgevendheid en Performance

Succes behalen in uw dierenartsenpraktijk

Tijdschr Diergeneeskd 2007; 126:248-p

C.E. Strawni en M.C.B. Kampert^

Voor cliënten van dierenartsen is een \'dedicated block
schedule\' voornamelijk gerieflijk; voor de gezelschapsdie-
renpraktijk zelf is het van cruciaal economisch belang.

Dedicated Block Schedule is een op maat gemaakte planningssjabloon
waarmee u de kliniektijd van een dierenarts op zo \'n manier kunt organise-
ren dat optimaal wordt geprofiteerd van de waarde van de vaardigheden
van de dierenarts en van de beschikbare praktijk-resources wat betreft
ruimte en personeel. Elk onderdeel van het inkomsten genererende vermo-
gen van de praktijk wordt georganiseerd in blokken van tien minuten en spe-
ciaal gereserveerd (\'dedicated\') voor een categorie specifieke activiteiten
in zo \'n tijdblok. Het schema is ontworpen om de uitvaltijd van de dierenarts
en de praktijk te elimineren, ofaanzienlijk te verminderen, doordat beide op
de meest ejfectieve wijze worden gebruikt. Het is de alles verbindende scha-
kel voor het verkrijgen van controle over de grondbeginselen van praktijk-
succes.

Dedicated Block Scheduling is het centrale punt voor infor-
matie en controle waarmee de doelstellingen van de praktijk
kunnen worden verwezenlijkt. Zodra deze mogelijkheid
wordt benut, kan de dierenarts zich richten op het verbeteren
van de grondbeginselen van praktijksucces: productiviteit,
winstgevendheid en performance. Het Dedicated Block
Schedule integreert deze grondbeginselen zodat ze kunnen
worden afgezet tegen de kosten die gemoeid zijn met het re-
aliseren ervan. Door het meten van de relevante factoren be-
schikt de dierenarts over een diagnostische baseline voor het
nemen van beslissingen waarmee probleemgedrag wordt op-
gelost, in welke categorie zich dit ook voordoet. Zonder spe-
ciale aandacht voor opzet van tijdgebraik is het in essentie
onmogelijk om in een dierenartsenpraktijk kwaliteit, kosten,
dienstverlening en effectiviteit te verbeteren en deze verbe-
teringen te documenteren. Het Dedicated Block Schedule is
de enig mogelijke plaats waar productiviteit, winstgevend-
heid en performance kunnen worden geïntegreerd in de uit-
voering van diergeneeskundige zorg van hoogstaand niveau.
Vanaf hun kinderjaren tot zelfs gedurende hun vakopleiding
hebben velen hun tijd door anderen laten indelen. Dieren-
artsen kunnen het zich niet veroorloven de tijdsindeling aan
anderen over te laten. Als leidinggevende in uw eigen bedrijf
moet u beschikken over de gedragseigenschappen die voor
uw nieuwe rol zijn vereist. Leer uzelf de vaardigheden aan
die horen bij uw verantwoordelijkheden. Dit betekent niet
dat u een expert dient te worden op deze gebieden. Het bete-
kent wel dat u in uw persoonlijke ontwikkeling zover moet
gaan dat u in staat bent onderscheid te maken tussen comfor-
tabel gedrag en effectief gedrag.

t Charles E. Strawn. PhD. Kalmthoutsesteenweg 53, 2910 Essen, België.
^ Drs. M.C.B. Kampen, Gezelschapsdierenkliniek Roosendaal, Gaslelseweg 45, 4702
SE Roosendaal.

Het startpunt hiervoor is Dedicated Block Scheduling.
INLEIDING

Het verzuim om tijd als een belangrijke factor in gezelschaps-
dicrenpraktijken te zien, geeft grote problemen als het gaat
om de grondbeginselen van een succesvolle praktijk. Door
deze lacune in hun professionele opleiding, beschikken veel
dierenartsen noch over de management-tools noch over de
zakelijke kennis die nodig is voor controle over het financiële
welzijn van de praktijk. Een groot aantal dierenartsen stelt
bijvoorbeeld de tarieven voor de behandeling van gezel-
schapsdieren niet vast op basis van reële kosten en investe-
ringsvereisten. Sommige dierenartsen begrijpen niet waarom
een negatief eigen vermogen van de praktijk een probleem is,
of nog erger, weten zelfs niet dat er wellicht sprake is van een
negatief eigen vermogen. Deze lacune in kennis is nog duide-
lijker zichtbaar doordat velen de heersende opvatting van
cliënten accepteren dat de honoraria te hoog zijn. De onjuist-
heid van deze opvatting in veel praktijken kan worden aange-
toond. Vergelijk hiervoor het inkomen dat is ontvangen voor
veterinaire tijd die is gespendeerd aan verschillende klinische
procedures, met de \'kosten van die tijd\' voor de praktijk. Een
ernstiger gevolg echter van deze lacune in professionele ken-
nis, is de mening dat winstgevendheid niet kan worden be-
schermd omdat de honoraria niet kunnen worden verhoogd.
Aangezien honoraria een cruciaal element vormen in prak-
tijkmanagement, maakt deze mening de dierenarts minder
flexibel in zijn beleidsvoering, waardoor het aantal manage-
mentopties aanzienlijk wordt ingeperkt. Tenzij dierenartsen
leren hoe zij de grondbeginselen van het zakendoen kunnen
toepassen en zo hun economische waarde voor hun cliënten
kunnen ondersteunen, zal er slechts sprake zijn van marginaal
zakelijke succes. Gelukkig ontwikkelt zich in Nederland
langzaam een groeiend (sinds 1982) (3), maar nog steeds pril
(in de toepassing ervan) besef van de organisatorische vaar-
digheden en managementkwaliteiten die nodig zijn om met
succes een modeme dierenartsenpraktijk te runnen (1,4).

Een dierenarts beschikt slechts over tijd en vaardigheden.
De manier waarop een dierenarts tijdens werktijd zijn of haar
vaardigheden gebmikt, vormt een belangrijke factor bij het
voldoen aan de grondbeginselen van praktijksucces. Omdat
de meeste dierenartsen zich niet actief bemoeien met hun da-
gelijkse werkschema, sluiten zij zichzelf af van elke moge-
lijke oplossing. Invulling van de dag gebeurt volgens de
\'boom and bust\'-methode. In veel praktijken kunnen cliën-
ten gewoon binnenvallen op open spreekuren met hun dier,
wetend dat ze waarschijnlijk moeten wachten voordat ze aan
de beurt zijn. Hierdoor kan de dierenarts op het ene moment
overspoeld worden door het aantal cliënten in de wachtka-
mer (\'boom\'), terwijl er op het volgende moment geen werk
voorhanden is dat geld oplevert (\'bust\'). De praktijk is
meestal niets anders dan een crisis- en inloopsituatie, passief,
omdat er geen sprake is van management van de beperkte

-ocr page 308-

tijd die de dierenarts lieeft. In een aantal gevallen stellen die-
renartsen zelfs een tweede dierenarts voor de \'boom\'-uren
aan, omdat zij menen het te druk te hebben. Ze hebben het
misschien wel erg druk, maar zijn niet echt productief of
winstgevend, zeker niet in de mate dat de kosten van een
tweede dierenarts te rechtvaardigen zijn. Het gevolg is dat
veel dierenartsen merken dat ze steeds harder en meer moe-
ten werken, maar hier emotioneel en financieel minder aan

Reserveringsformulier

Dierenkliniek
9:00 tot 17:00 uur

Datum:

TAFEL 1

TAFEL 2

ONDERZOEKSTAFEL

9:00

9:00

:I0

:10

■20

:20

:30

:30

:40

:40

:50

:50

. 10:00 .

10:00

:I0

:10

:20

:20

:30

:30

:40

:40

:50

:50

11:00

11:00

:10

:10

:20

:20

:30

:30

:40

:40

:50

:50

12:00

12:00

:10

:10

:20

:20

:30

Criteria voor Dedicated Block Scheduling:

:30

:40

De assistent die de dagelijkse praktijkagenda beheert, moet hiervoor vijftaken uitvoeren:

:40

:50

1. Plan de tatçls (voor behandeling en onderzoek) in, niet de dierenarts.

:50

13:00

2. Plan de praktijkproductiviteit. niet de klinische procedure.s. Zorg ervoor dat de dierenarts productief blijft door proce-

13:00

:10

dure-uitvaltijd te elimineren.

:10

:20

i. Keeel de clientstroom zodania dat de dieren op tijd worden bekeken volgens de planning (binnen tien minuten).

:20

:30

4. Reserveer de tijd van de dierenarts. Maak geen afspraken. Zeg tegen de cliënt: \'Ik heb tijd van de dierenarts voor u gere-

:30

:4»

serveerd op donderdagmorgen om 10 uur.\' en niet: \'Uw afspraak is donderdagmorgen om 10 uur.\'

:40

:50

5. Cliënten die zomaar binnenvallen nemen nooit de plaats in van ingeplande cliënten (tenzij er sprake is van een dier met

:50

14:00

aanzienlijke pijn ot trauma).

14:00

:I0

:10

:2(l

liet Dedicated block Schedule is het middel waarmee deze vijt taken etlectiet kunnen worden uitgevoerd. Teneinde de ge-

:20

:30

plande tijd van de praktijk te vullen met de juiste cliëntenstroom, zijn slechts twee dagen van belang: vandaag en morgen.

:30

:40

Als een cliënt een afspraak wil maken, kijk dan altijd eerst naar een plek in het schema van vandaag. Als er geen plaats is.

:40

:50

kijk dan in het schema van morgen. Als ook daar geen lege tijdsblokken zijn, spreek dan een later tijdstip af. op een moment

:50

15:00

dat het de cliënt schikt, in overeenstemming met het door de dierenarts gevraagde soort tijdsblok.

15:00

:10

:10

:20

:20

:30

:30

:40

:40

:50

:50

16:00

16:00

:10

:lü

:20

:2«

:30

Legenda bii de afbeeldine: Diaconale blokken = H Behandelini?: Verticale blokken = Onderzoek: Horizontale blok-

:30

:40

ken = 1 Behandeling door assistenten.

:40

:50

:50

17:00

17:00

Afbeelding 1.

Opzet voor Dedicated Block Schedule (voorbeeld) (6).

-ocr page 309-

overhouden^.

Het is niet verrassend dat een groot aantal dierenartsen kampt
met marginaal zakelijk succes en minimale voldoening. De
aanzienlijke investeringen die zij hebben moeten doen om
een dierenartsenpraktijk te kopen, heeft hen slechts een mid-
delmatige baan opgeleverd. Anderen die zich niet in deze on-
aangename situatie bevinden, voelen toch een vaag gevoel
van fmstratie. De verwachtingen over kwaliteit van leven en
persoonlijke voldoening zijn niet bewaarheid geworden.
Deze negatieve spiraal kan echter doorbroken worden.
Corrigerende maatregelen zijn voorhanden.
Controle over de
tijd
is de schakel voor het managen van productiviteit, winst-
gevendheid en performance en is essentieel voor het bereiken
van het persoonlijke profijt dat een succesvol bedrijf oplevert.

De factor productiviteit

De praktijk van een modeme dierenarts kan gezond en pro-
ductief zijn. De dierenarts moet een effectief proces ontwik-
kelen waarmee hij of zij
controle behoudt over de activitei-
ten
die leiden tot diergeneeskundige zorg en inkomsten. Dit
proces bestaat uit twee stappen:

1. De eerste stap is de implementatie van een goed opgezet
Dedicated Block Schedule (5) (zie afbeelding 1 voor een
voorbeeld) voor het gebruik van de
tijd. Met dit praktijk-
specifieke schema wordt een planning gemaakt van het
gebmik van alle klinische tijd (onderzoek en behandelin-
gen). Met de juiste tijdsindeling kunnen dierenartsen alle
handelingen uitvoeren die nodig zijn voor de behandeling
van de dieren, voorzover deze handelingen deel uitmaken
van het pakket diensten dat de praktijk aanbiedt. En dat al-
les in een aangenaam, ontspannen werktempo. Met een
dagelijks Dedicated Block Schedule krijgen zij grip op
hun praktijktijd.
Dit heeft directe gevolgen voor hun ver-
mogen inkomsten te genereren en voor hun professionele
voldoening. De impact is simpel gezegd een gevolg van
de manier waarop zij het gebruik van hun tijd plannen.
Plan de werkdag in een Dedicated Block Schedule. (Zie
afbeelding 1.)

2. De tweede stap is om de tijdseenheden, nodig voor een
behandeling, te gebruiken om de reële economische
waarde van de
vaardigheden van de dierenarts vast te
stellen. De economische waarde van veterinaire tijd is af-
hankelijk van de mate waarin dierenartsen hun vaardighe-
den tijdens een tijdseenheid kunnen gebmiken (de aanbe-
volen tijdseenheid is tien minuten). Met de juiste
tijdsindeling kan de dierenarts de reële waarde vaststellen
van de vaardigheid, waarmee hij of zij een professionele
taak afrondt. Dit is medebepalend voor de financiële bij-
drage van veterinaire vaardigheden aan het succes van de
praktijk.
Door het gebruik van Dedicated Blocks neemt de
dierenarts het heft in handen en bepaalt zelf hoe hij zijn
vaardigheden gebruikt.
Op die manier ligt de kwaliteit
van de tijd die zij aan hun cliënten geven vast, en derhalve
de economische waarde (voor de cliënt) van de tijd die de
dierenarts aan hen besteedt.
Structureer beschikbare tijd
voor het productieve gebruik (stap 1) van veterinaire
vaardigheden (stap 2j.

3 Uit een onderzoelc van Europese gezelschapsdierenpraktijken, uitgevoerd door
Hill\'s Pet Nutrition, bleek dal Nederlandse dierenartsen gemiddeld S3 uur per week
werkten met een gemiddelde omzet van
ƒ 350.000,-; zoals gemeld door André
Komijn, redacteur In Praktijk, nr 4, augustus 2000; p
5.

Empirische gegevens uit praktijken waar het voorgaande is
uitgevoerd, bevestigen dat deze twee stappen het inkomsten-
producerende vermogen van de dierenarts een nieuwe bete-
kenis geven.

De factor winstgevendheid

De praktijk van een modeme dierenarts kan gezond en
winstgevend zijn. De dierenarts moet de
relatie tussen kos-
ten en inkomsten weten te beheersen. Dat gaat maar op twee
manieren: onkosten verminderen of inkomsten laten stijgen.
Het Dedicated Block Schedule bewaakt het succes van die
methode door kwantificering van de twee basisonderdelen
die de twee variabelen gemeenschappelijk hebben;
tijd en
capaciteit. Wanneer deze kwantificering een feit is, kan de
winstgevendheid van de praktijk worden beschermd. Dit is
alleen nuttig als dierenartsen vooraf hun jaarlijks onkosten-
budget vaststellen en hun doelstellingen voor productiviteit
(wat betreft inkomsten) en winstgevendheid formuleren.
Hiervoor zijn eenvoudige methoden ontwikkeld"^.
1. De
kostenkant van het leveren van diergeneeskundige
zorg
is bekend. De kosten moeten worden ondergebracht
in drie categorieën, omdat elke categorie een eigen,
unieke managementstrategie heeft^:

a. de indirecte behandelingskosten (medicijnen, röntgen-
foto\'s, laboratorium);

b.de directe behandelingskosten (al het personeel, inclu-
sief
de dierenarts) en

c. de overheadkosten (of bedrijfskosten) (apparatuur, huis-
vesting, administratie, enzovoort).

Protocollen voor het verwerken van indirecte behandelings-
kosten
zouden gebaseerd moeten zijn op standaard praktijk-
normen. Na zorgvuldige berekening van marges op basis van
inkoopfacturen wordt de uiteindelijke prijs van een product
bepaald en opgenomen in de rekening voor de cliënt. Het be-
drag voor
directe behandelingskosten en overhead wordt
echter in het algemeen overgenomen van tarievenlijsten van
andere dierenartspraktijken of geschat aan de hand van de
cijfers van het voorafgaande jaar. Er doen zich problemen
met de winstgevendheid voor als dit \'van buitenaf afkom-
stige tarief geen aantoonbare relatie heeft met de reële kosten
voor de praktijk. De bedragen voor deze kosten moeten ont-
leend zijn aan de praktijkboekhouding van de dierenarts. De
bedragen worden vervolgens vastgesteld (zie hierna) en,
door toewijzing, als factor opgenomen in het tarief voor een
specifieke procedure. Onder directe behandelingskosten
wordt verstaan de waarde uitgedrukt in geld
(inclusiefhet sa-
laris van de dierenarts volgens de marktwaarde) voor het
aantal eenheden werktijd van personeel
(inclusief (le dieren-
arts) dat nodig is om een behandeling te voltooien.
Overheadkosten is het bedrag aan jaarlijkse vaste kosten dat
de praktijk (capaciteit) met zich meebrengt, en wordt propor-
tioneel toegewezen aan elke eenheid van tien minuten.
Zowel directe behandelingskosten als overheadkosten vor-
men een waardefunctie van tijd en capaciteit voor elke indivi-

4 KNMvD Berekenwijzer. Hoewel deze methode niet perfect is vanwege onterechte
veronderstellingen over de juiste structuur voor praktijkmanagement, is het een uit-
stekend startpunt voor het proces van praktijkontwikkeling. De methode is door dr.
Strawn aangepast voor gezelschapsdierenpraktijken.

5 Er zijn nog twee onderdelen, te weten Buiten openingstijden en Medicijnverkoop
zonder recept. Vanwege de beperkte lengte van het artikel worden deze hier niet be-
sproken. De verwerking van deze twee onderdelen wijkt af, maar de onderdelen moe-
ten wel worden opgenomen in de totale inkomsten- en kostenstromen van de praktijk
(maar niet in de prijsstellingsberekening) als respectievelijk onderdeel 4 en 5.

-ocr page 310-

duele praktijk. Deze waarden moeten allebei worden opgeno-
men in de prijsstellingsberekening van de individuele praktijk
(zie hierna). Met andere woorden: de waarde in geld voor
tijds- en capaciteitskosten moet worden vastgesteld en gecon-
verteerd naar de waarde van de eenheden van tien minuten. Dit
doet men door de jaarlijkse kosten voor de categorieën Directe
kosten en Overheadkosten te delen door het jaarlijks aantal be-
schikbare tijdseenheden van de praktijk. Vervolgens wordt het
resultaat, per eenheid, vermenigvuldigd met het aantal eenhe-
den dat nodig is om een klinische procedure te voltooien. Het
resultaat van deze berekening zijn de basiskosten voor die pro-
cedure. Deze aanpak is opgenomen in een \'Berekenwijzer\'^
die het voor de praktijk mogelijk en wenselijk maakt te wer-
ken op basis van een honorariumschema dat in redelijke ver-
houding staat tot de werkelijke tijd.

De inkomstenproducerende kant van een dierenartsenprak-
tijk kan hier worden beschreven als de prijsstellingactiviteit.
De belangrijkste prijsstellingactiviteit voor een dierenartsen-
praktijk (namelijk het vaststellen van de economische
waarde van de dierenarts en diens bedrijfsruimte) heeft een
uniek protocol voor de prijsstelling (in tegenstelling tot de
prijsstelling voorde indirecte behandelingskosten). Deze be-
staat uit twee onderdelen:

a. de componenten voor directe kosten en overheadkosten
(zie hierboven); en

b. de vaststelling van een redelijke winst en optelling hier-
van bij het kostenbedrag.

Redelijke winst wordt gedefinieerd als een gepaste opbrengst
voor het geld dat de dierenarts heeft geïnvesteerd om de prak-
tijk te kopen, en te voorzien van apparatuur en werkkapitaal
(inclusief schulden). Dit vertegenwoordigt het geld dat de die-
renarts op andere manieren had kunnen investeren, bijvoor-
beeld op de effectenbeurs. In plaats daarvan heeft de dierenarts
het geld aangewend voor een door hem of haar persoonlijk ge-
stuurde strategie voor kapitaalgroei: zijn of haar eigen dieren-
artsenpraktijk. Een schatting van de vereiste redelijke winst
wordt als volgt bepaald: stel de kosten voor het gebruik van dit
geld vast, voeg hieraan een bedrag toe voor de jaarlijkse waar-
devermindering van de activa, en tel hierbij vervolgens een ex-
tra bedrag op ter compensatie van het risico (als een percen-
tage) voor het door de dierenarts geïnvesteerde kapitaal. Deze
geldwaarde wordt ook toegewezen als een tijdsfunctie door de
verdeling van de geldwaarde over het aantal eenheden beschik-
bare werktijd per jaar van de praktijk. Al deze gegevens kunnen
als volgt in een prijsstellingsformule worden opgenomen:
De formule voor de prijsstellingsberekening (per eenheid):

Directe kosten overheadkosten redelijke winst
(Praktijkeapaciteit in eenheden (van 10 minuten! per jaar)

Voorbeeld:

(122.376 90.000 ?3.47?) = 265.g j 1 = 25,17 basistarief per
(220 dgn X 8 uur X 6 eenh) 10.560 eenheid van tien min.

Deze formule levert een toepasselijk en juist tarief op voor
elke behandelingsprocedure die de dierenarts kan uitvoeren.
Bij praktische toepassing van deze aanpak wordt het zo bere-
kende basistarief gecombineerd met de indirecte behande-

6 Deze verwijzing belrefl hel concept van de KNMvD Berekenwijzer. zoals aangepast
door dr. Sirawn voor gebruik in gezelschapsdierenpraklijken en conform het prin-
cipe van Dedicated Block Scheduling.

lingstarieven, die als aparte items toegevoegd worden aan de
rekening voor de cliënt. Samen vormen ze het totale reke-
ningbedrag voor het behandelde dier.
Aan deze basisberekening moet een redelijk bedrag worden
toegevoegd voor bepaalde procedures waar sprake is van een
groter behandelingsrisico en grotere vereiste klinische ken-
nis. (Per tijdseenheid moet voor een chirurgische ingreep een
hoger honorarium worden berekend dan voor een onder-
zoek, als hetzelfde aantal tijdseenheden gebruikt wordt. Bij
vier tijdseenheden moet dus bijvoorbeeld voor verwijdering
van een milt een hoger tarief per eenheid worden berekend
dan voor het verzorgen en hechten van een gewond dier.) Het
basisbedrag dat in rekening wordt gebracht en dat wordt be-
rekend via de prijsstellingsberekening, per eenheid, moet
echter altijd het startpunt zijn voor het vaststellen van het be-
handelingshonorarium.

De factor Performance

De praktijk van een modeme dierenarts kan gezond zijn en
zorgen voor persoonlijke voldoening. Voor het succes van
de praktijk moet de dierenarts een effectieve methode ont-
wikkelen voor de
integratie van de verschillende processen
die de performance bepalen:
kwaliteit, kosten, dienstverle-
ning en effectiviteit. Dedicated Block Scheduling is de inte-
grerende factor in de praktijk.

Al deze processen beïnvloeden elkaar binnen het praktijkfra-
mework voor tijd en vaardigheden. Een probleem, of een
verbetering, in één van deze processen is van invloed op alle
andere. Als bijvoorbeeld de tijd voor de diergeneeskundige
zorg verkeerd wordt ingepland, heeft dit een negatief effect
op de
kwaliteit. Tijdens drukke perioden (\'boom\'-cycli)
wordt de dierenarts gedwongen snel te werken, omdat er nog
teveel cliënten in de wachtkamer zitten en de dierenarts ach-
ter raakt op het schema. Cliënten worden bijvoorbeeld niet
geïnformeerd over alternatieve behandelingsmethoden voor
hun dier. Tijdens \'bust\'-cycli is er sprake van ongewenste
\'downtime\'. In beide gevallen gaan de kosten omhoog en de
beschikbare tijd voor zorg omlaag. (Wanneer een onderzoek
opnieuw moet worden uitgevoerd, kost dit de praktijk niet al-
leen de tijd van het originele, te haastig uitgevoerde onder-
zoek, maar ook de tijd van het tweede onderzoek, plus de
kosten van de verloren tijd waarin anders nieuw werk had
kunnen worden uitgevoerd.) Naarmate de kosten hoger wor-
den, wordt het moeilijker op de hoogte te blijven van de
nieuwste technologieën; de kwaliteit van de zorg neemt af in
vergelijking met wat elders beschikbaar is en dit heeft een
negatief effect op de
dienstverlening. Cliënten worden onte-
vreden. Terwijl tenslotte de
effectiviteit van deze performan-
ceprocessen afneemt, nemen de wachttijden toe en duurt het
uitvoeren van de zorgtaak steeds langer, waardoor de be-
schikbare zorgtijd nog verder afneemt (2). Aangezien de
meeste praktijken geen idee hebben hoeveel tijdswaarde ver-
loren gaat bij deze routinematige performanceprocessen,
kan het voorkomen dat er totaal onopgemerkt sprake is van
een aanzienlijk veriies aan inkomen. Gewoonlijk blijkt het
uit verminderde financiële verwachtingen voor het gezin van
de dierenarts, en voelt hij of zij een groeiende ontevreden-
heid over het vak en stress (zodat de dierenarts last krijgt van
\'bumout\' en jaren eerder dan normaal stopt met werken).
Het is in dergelijke gevallen niet terecht om efficiencytech-
nieken toe te passen op het tijdschema.
Efficiency en effecti-
viteitzijn twee zeer verschillende zaken. MtX criteria voor ef-
ficiency
analyseert men wat men doet en probeert men
hetzelfde sneller, goedkoper en met minder inspanning uit te

-ocr page 311-

voeren. Met criteria voor effectiviteit besluit men eerst op
basis van de verwachte resultaten of het uitvoeren van de
taak überhaupt de moeite waard is. Het is tamelijk absurd in-
spanningen te verrichten om een taak efficiënter uit te voeren
als er redenen zijn aan te nemen dat het werk helemaal niet
moet worden gedaan. De impact van het onjuist gebmik van
tijd in de relatie tussen kwaliteit, kosten, dienstverlening en
effectiviteit valt voor de meeste dierenartsen en hun perso-
neel buiten het gezichtsveld. Door onwetendheid missen zij
de geweldige mogelijkheden die ze hebben om zowel de
kwaliteit als de winst te vergroten. Het Dedicated Block
Schedule kwantificeert en volgt de interactie tussen het ge-
bmik van de tijd en vaardigheden van de dierenarts enerzijds
en de impact hiervan op de inkomsten en kosten. Ervaring in
dierenartsenpraktijken laat zien dat het toepassen van dia-
gnostische analysevaardigheden op deze informatie, zal re-
sulteren in oplossingen die leiden tot praktijksucces.

CONCLUSIES

Dedicated Block Scheduling is het centrale punt voor infor-
matie en controle waarmee de doelstellingen van de praktijk
kunnen worden verwezenlijkt. Zodra deze mogelijkheid
wordt benut, kan de dierenarts zich richten op het verbeteren
van de grondbeginselen van praktijksucces: productiviteit,
winstgevendheid en performance. Het Dedicated Block
Schedule integreert deze grondbeginselen zodat ze kunnen
worden afgezet tegen de kosten die gemoeid zijn met het re-
aliseren ervan. Door het meten van de relevante factoren be-
schikt de dierenarts over een diagnostische baseline voor het
nemen van beslissingen waarmee probleemgedrag wordt op-
gelost, in welke categorie zich dit ook voordoet. Zonder spe-
ciale aandacht voor opzet van tijdgebmik is het in essentie
onmogelijk om in een dierenartsenpraktijk kwaliteit, kosten.

dienstverlening en effectiviteit te verbeteren en deze verbe-
teringen te documenteren. Het Dedicated Block Schedule is
de enig mogelijke plaats waar productiviteit, winstgevend-
heid en performance kunnen worden geïntegreerd in de uit-
voering van diergeneeskundige zorg van hoogstaand niveau.
Vanaf hun kinderjaren tot zelfs gedurende hun vakopleiding
hebben velen hun tijd door anderen laten indelen.
Dierenartsen kunnen het zich niet veroorloven de tijdsinde-
ling aan anderen over te laten. Als leidinggevende in uw ei-
gen bedrijf moet u beschikken over de gedragseigenschap-
pen die voor uw nieuwe rol zijn vereist. Leer uzelf de
vaardigheden aan die horen bij uw verantwoordelijkheden.
Dit betekent niet dat u een expert dient te worden op deze ge-
bieden. Het betekent wel dat u in uw persoonlijke ontwikke-
ling zover moet gaan dat u in staat bent onderscheid te maken
tussen comfortabel gedrag en effectief gedrag.
Het startpunt hiervoor is Dedicated Block Scheduling.

LITERATUUR

1. Beijer HA. Ongepubliceerde lezing. \'Kunnen kengetallen ook uw
praktijkvoering verbeteren?\' Manifestatie ICT voor Dierenartsen,
gehouden te Utrecht, 1 april 2000.

2. Keki R, Bhote. Neet Operation as Customer, American Management
Association, 1991.

3. Knijff PC. Een eenvoudig te realiseren systeem voor het inkoopbe-
heer in de veterinaire praktijk. Tijdschr Diergeneeskd 1982; 107:
511-3.

4. Symposium Praktijkmanagement, ongepubliceerde lezingen.
Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde.
Gehouden in Hooglanderveen, 1 oktober 1999.

5. Strawn CE. Time management for the Dentist. In: Christen Arden G,
Mc Donald Jr, and James L (eds.): management of Stress in the
Dental Practitioner: The Dental Clinics of North America.
Philadelphia, Pennsylvania, W.B. Saunders Company 1986: 107-16.

6. Strawn CE. Four keys to practice success, practice development se-
minar and consultation manual 1997.

Resistente Salmonella bij kind afkomstig van rundvee

Fey P.D. et ai. N Eng! J Med 2000; 342:1242-9.

Er wordt een artikel gewijd in dit prestigieuze medische tijd-
schrift aan een geval van
Salmonellose bij een 12 jaar oude
jongen die opgelopen bleek te zijn van kalveren op het be-
drijf van zijn vader. De serotypen van de
S. enterica
Serotype Typhimurium bleken overeen te komen en reden
voor publicatie was voomamelijk gelegen in het feit dat de
betreffende stam resistent bleek te zijn voor ceftriaxone (een
derde-generatie cefalosporineverbinding). Het zou het eerste
geval in de USA zijn van een dergelijke resistentie-over-
dracht en geeft maar weer eens aan dat er voorzichtig moet
worden omgesprongen met antibiotica in de veehouderij.
Omdat uit de mnderen ook andere stammen geïsoleerd wer-
den die genotypisch identiek waren, maar niet resistent, is
het zeer aannemelijk dat selectie voor resistentie hier heeft
plaatsgevonden. Overigens was in de betreffende koppels
kalveren geen gebruik gemaakt van ceftriaxone, maar wel
een ander derde-generatie cefalosporine gebruikt, namelijk
ceftiofur.

Het volksgezondheidsaspect hierbij is dat invasieve
Salmonella-mkctKs met fluoroquinolonen of cefalospori-
nes worden behandeld. Omdat fluoroquinolonen niet zijn ge-
registreerd voor gebmik bij kinderen onder de 16 jaar, blij-
ven voor deze groep patiënten de cefalosporines over en is
resistentie vanzelfsprekend ongewenst.
Gewaarschuwd wordt voor het risico om een dergelijke in-
fectie op te lopen bij de omgang met vee. Tenslotte onder-
strepen de auteurs de noodzaak van monitoring van antibioti-
caresistentie bij mens en dier. Het artikel schijnt veel
discussie los gemaakt te hebben. De eerste auteur is zelfs
persoonlijk bedreigd door veehouders (Ref).

Dr. P.A.M. Overgaauw

-ocr page 312-

Berichten en verslagen

De vakgroep van de promovendus be-
nutte de aanwezigheid van diverse
(buitenlandse) collegae, die naar de
promotie waren gekomen, om vooraf
een minisymposium te organiseren ge-
titeld
Antimicrobial resistance reser-
voirs.
Vanuit de veterinaire (KNMvD
voorzitter Ton de Ruijter) en de medi-
sche sector (ziekenhuis, huisarts) werd
het antibioticabeleid en de resistentie-
problematiek besproken. Daamaast
waren twee prominente buitenlandse
sprekers uitgenodigd. Prof F. Baquero,
een vooraanstaand microbioloog op het
gebied van evolutie van resistentie en
dr. 1. Gould, voorvechter van verant-
woord antibioticumgebruik in zieken-
huizen. Hieronder volgt een samenvat-
ting van de besproken onderwerpen op
het symposium en tijdens de promotie.

Inleiding

Spoedig nadat de eerste antibiotica
voor klinische toepassing beschikbaar
waren gekomen, werden ook bacteriën
met verworven resistentie tegen anti-
biotica geïsoleerd. Er kwamen echter
zoveel nieuwe antibiotica beschikbaar
dat men zich daar aanvankelijk geen
zorgen over maakte. Sedert de jaren
\'70 worden echter bij patiënten in toe-
nemende mate multiresistente bacte-
riën geïsoleerd en recent zijn infecties
door bacteriën, die ongevoelig zijn
voor alle klinisch beschikbare antibio-
tica, beschreven. Hoewel het humane
resistentieprobleem voomamelijk in
ziekenhuizen voorkomt en ook groten-
deels door het grote antibioticum-
gebruik in ziekenhuizen veroorzaakt
wordt, moeten, afgezien van resisten-
tie die door mutaties ontstaat, deze re-
sistente bacteriën of de resistentiege-
nen ooit in de ziekenhuizen zijn
geïntroduceerd. Men heeft beseft dat
een reservoir van resistente bacteriën
en resistentiegenen bestaat in de veel
grotere populatie mensen buiten het
ziekenhuis. Het resistentieprobleem
wordt veroorzaakt door drie verschil-
lende fenomenen: 1. het ontstaan van
resistentie, 2. selectie en 3. versprei-
ding.

Gebruik antibiotica bij mens en dier

Op 22 december 2000 promoveerde collega Ton van den Bogaard aan de
Universiteit van Maastricht. Hij is daar werkzaam als Universitair
Hoofddocent aan de Vakgroep Medische Microbiologie aan de Medische
Faculteit. Daarnaast is hij directeur van de proefdiervoorzieningen van de
universiteit. Binnen de KNMvD is hij al jaren zeer actief in diverse functies,
waaronder de Wetenschappelijke Redactie van het Tijdschrift voor
Diergeneeskunde. Zijn proefschrift was getiteld
Public health aspects of bacte-
rial resistance in food animals
en handelt over het gebruik van antibiotica bij
mens en dier en de risico\'s op het ontstaan en de overdracht van resistentie
van dier naar mens.

Resistentie ontstaat óf door een mutatie
in het bacteriële genoom of door acqui-
sitie van een compleet gen of genclus-
ter dat resistentie veroorzaakt tegen één
of meerdere antibiotica. Het ontstaan
van mutaties is onafhankelijk van het al
of niet gebmiken van antibiotica. De
incidentie is echter zo laag dat de kans
om een dergelijke bacterie te vinden
zeer laag is. Doordat bovendien gemu-
teerde bacteriën veelal minder vitaal
zijn en een nutteloos gen een belasting
vormt, verdwijnen deze bacteriën vaak
ook vanzelf weer uit de populatie. Dit
verandert echter wanneer door antibio-
ticumgebruik de gevoelige populatie
wordt gedood, want dan zullen door se-
lectie de opengevallen plaatsen worden
opgevuld door de resistente bacteriën,
die daardoor enorm in aantal toene-
men. Door deze toename verspreiden
zij zich in de omgeving en kunnen dan
andere individuen koloniseren en even-
tueel infecteren. Dit proces wordt in
hoge mate bevorderd als deze indivi-
duen ook zelf antibiotica gebmiken.
Resistentie komt dus veel voor in po-
pulaties waar het antibioticumgebruik
hoog is en het contact tussen indivi-
duen intens. Zulke situaties komen
voor in ziekenhuizen, verpleeghuizen,
kinderdagverblijven en in de intensieve
veehouderij.

Door dr. P.A.M. Overgaauw

In Nederland wordt per jaar ongeveer
80.000 kg antibiotica (actieve stof) ge-
bruikt als geneesmiddel voor de mens.
Het diergeneeskundig therapeutisch
gebruik bedraagt ongeveer 300.000
kg. Indien we dit omrekenen, dan
wordt voor mens en dier ongeveer 100
mg antibioticum per kilogram li-
chaamsgewicht op jaarbasis gebruikt.
Bij landbouwhuisdieren varieert deze
waarde tussen 55 mg (runderen), via
125 mg (varkens) tot 430 mg (pluim-
vee). Meer dan 90% van het totale
diergeneeskundig gebruik van antibio-
tica wordt toegediend aan dieren die
voor vleesproductie gehouden wor-
den. Daamaast worden aan deze nuts-
dieren antimicrobiële groeibevorde-
raars (AMGB) of voerbespaarders
gegeven, waardoor de totale blootstel-
ling aan antibiotica verdubbeld wordt.
De twee voomaamste oorzaken van
resistentie zijn: selectie door antibioti-
cumgebruik en verspreiding door (fe-
caal) contact, dus zijn de omstandighe-
den in de intensieve veehouderij
uitermate geschikt om resistentie én te
selecteren én te verspreiden. Bovendien
wordt vaak groepshandeling met antibi-
otica toegepast wat, hoewel dit zeer ef-
fectief is, een grote selectiedmk veroor-
zaakt. Toch is, afgezien van enkele
problemen zoals
P. multocida en entero-
pathogene
E. coli, resistentie een be-
perkt probleem in de diergeneeskunde.
Multiresistente bacteriën, die een groot
probleem vonnen in bepaalde zieken-
huissituaties, komen bij dieren minder
voor en MRSA\'s of breedspectrum B-
lactamase producerende bacteriën zijn
(nog) niet uit nutsdieren geïsoleerd.

Risico\'s voor de mens

Mensen kunnen door contact met in de
veehouderij gebruikte antibiotica aller-
gie voor deze middelen ontwikkelen.
Veehouders worden in hun dagelijkse
werk blootgesteld aan antibiotica die
door het veevoer zijn gemengd. Over-
gevoeligheid voor bepaalde antibiotica,
zoals macroliden (tylosine), komt in
deze beroepsgroep regelmatig voor.
Door residuen van aan het dier vlak
voor het slachten toegediende antibioti-
ca in vlees(producten), is het mogelijk
dat allergische reacties bij gevoelige
mensen kunnen optreden. Indien dit al
zou voorkomen is het in ieder geval ui-
terst zeldzaam. De concentraties van
eventuele antibioticaresiduen zijn in ie-
der geval zo laag dat een antimicrobieel
effect op de darmflora van de consu-
ment waarschijnlijk verwaarloosbaar
is. Bovendien worden na het toedienen

-ocr page 313-

van antibiotica aan nutsdieren door de
overheid vastgestelde wachttermijnen
in acht genomen voordat producten van
behandelde dieren, zoals vlees, melk of
eieren weer voor menselijke consump-
tie mogen worden gebmikt. Daardoor
worden in Nederland nauwelijks resi-
duen van antibiotica in producten van
dierlijke oorsprong aangetroffen.

Wel neemt door het antibioticumge-
bruik het resistentieniveau van de bac-
teriële flora van deze dieren toe, wat
een risico voor de volksgezondheid kan
inhouden. Niet alleen kunnen resis-
tente pathogene bacteriën van dieren de
mens besmetten (zoönosen), maar bo-
vendien wordt het steeds duidelijker
dat ook de normale darmflora van nuts-
dieren in hoge mate resistent is tegen
veel antibiotica. Tijdens het slachtpro-
ces wordt vlees met deze bacteriën ge-
contamineerd en via vlees(producten)
kunnen ze dan of de darmtractus van de
mens koloniseren of hun resistentiege-
nen aan de intestinale flora van de con-
sument overdragen.

Zoönotische bacteriën

Het meest onderzocht is de overdracht
van Gram-negatieve bacteriën van dier
naar mens, omdat verschillende van
deze bacteriën afkomstig van dieren, zo-
als
Salmonella spp., Campylobacter
spp. en Yersinia spp. voedselinfecties
veroorzaken.
Salmonella-mïecties bij
de mens kunnen veroorzaakt worden
door overdracht van mens naar mens en
indirect door besmette voedingsmidde-
len. In de westerse wereld is in verband
met de goede hygiëne de kans op be-
smetting van mens naar mens minder
belangrijk.

De meeste Salmonella-mfscties bij de
mens zijn dan ook indirect afkomstig
van slachtdieren en daarom is
Salmo-
nellose te beschouwen als een zoönose.
Salmonellae afkomstig van nutsdieren
kunnen de mens op verschillende ma-
nieren infecteren. Mogelijkheden zijn
direct contact met dieren, maar de be-
langrijkste infectiebronnen zijn onvol-
doende verhitte voedingsmiddelen van
dierlijke oorsprong.
Asymptomatische infecties en dragers
komen bij nutsdieren veel voor. Een
groot aantal
Salmonella-serotypen kan
uit de faeces van deze dieren geïso-
leerd worden, zonder dat deze sympto-
men hebben. De in de darm aanwezige
salmonellae contamineren tijdens het
slachtproces het vlees en daarvan afge-
leide producten en via deze producten
kunnen mensen besmet worden.
Mensen worden overigens niet altijd
ziek na het eten van met
Salmonella
besmette producten. De eigen weer-
stand en de aard en aantallen van de
aanwezige salmonella\'s bepalen de ri-
sico\'s.

Endogene flora en indicatorbacteriën

In de tractus digestivus van mens en dier
leven grote aantallen bacteriën, die dc
endogene flora genoemd worden. Als
gevolg van gebmik van antibiotica
neemt de resistentie van deze bacteriën
toe. Niet alleen vormen deze bacteriën
een groot reservoir van resistentiegenen
voor pathogene bacteriën, maar boven-
dien is de mate van resistentie van de en-
dogene flora een goede indicator én
voor de selectie dmk uitgeoefend door
antibiotica op die populatie en voor re-
sistentieproblemen in pathogene bacte-
riën. Resistente endogene bacteriën van
slachtdieren, zoals
E. coli en enterokok-
ken, kunnen tijdens het slachtproces de
karkassen van deze dieren contamine-
ren en vervolgens via voedingsmidde-
len van dierlijke oorsprong mensen ko-
loniseren of hun eventuele resistentie-
genen overdragen op de endogene flora
van de mens. De prevalentie en mate
van resistentie wordt veelal bepaald
door dit te meten in bij de mens en die-
ren veel in de darm voorkomende spe-
cies, zoals
E. coli en enterokokken, de

-ocr page 314-

zogenaamde indicatorbacteriën. Via de-
ze bacteriën kan men de prevalentie en
mate van resistentie tussen verschillen-
de populaties vergelijken en tevens
eventuele overdracht van endogene flo-
ra van dier naar mens traceren.

Bij mensen, die alleen gesteriliseerd
voedsel eten worden nauwelijks tetra-
cycline-resistente
E. co//-stammen, uit
de faeces geïsoleerd.
Bovendien is overdracht vastgesteld van
tetracycline-resistente
E. coli van kip-
pen op pluimveehouders en hun gezins-
genoten. Ook zijn er significant hogere
resistentieprevalenties aangetroffen in
de fecale flora van varkenshouders dan
van gezonde stedelingen. Het bleek ech-
ter dat het eigen antibioticumgebruik
door varkenshouders veel hoger was
dan door stedelingen, zodat recht-
streekse overdracht van varkens niet
aangetoond kon worden en de waarge-
nomen resistentie ook door het eigen ge-
bruik veroorzaakt kon zijn. Bij kalkoen-
houders zijn door Van den Bogaard
hiervoor wel aanwijzingen gevonden.
Niet alleen is de prevalentie van cipro-
floxacine resistente
E. co//-stammen bij
kalkoenhouders veel hoger dan bij ste-
delingen en varkenshouders, maar bo-
vendien zijn
E. co/(-stammen bij kal-
koenhouders en hun dieren geïsoleerd
met hetzelfde genotype. Enrofloxacin,
een ethylester van ciprofloxacin, wordt
veelvuldig gebruikt bij pluimvee, spaar-
zaam bij mensen en nauwelijks bij var-
kens. Aangezien er geen overdraagbare
resistentie is tegen fluoroquinolonen
moeten resistente
E. co//-stammen
rechtstreeks van de kalkoenen overge-
gaan zijn op de kalkoenhouders.

Dat ook het gebruik van AMGB\'s niet
zonder risico is, bleek uit een ander on-
derzoek van Van den Bogaard, waarbij
vancomycine-resistente enterokokken
veel vaker bij pluimvee en pluimvee-
houders werden gevonden, dan bij
stedelingen. Niet alleen kon ook hier
rechtstreekse overdracht van resistente
enterokokken van pluimvee naar pluim-
veehouder worden aangetoond, maar
ook overdracht van resistentiegenen van
pluimvee-enterokokken naar entero-
kokken uit de menselijke darmflora.
Vancomycine is een voor mensen vaak
levensreddend antibioticum, dat in
Nederland alleen in beperkte mate (<
2000 kg per jaar) in ziekenhuizen ge-
bruikt wordt, maar een verwant antibio-
ticum, avoparcine, werd tot voor kort op
grote schaal (circa 80.000 kg per jaar)
als AMGB aan diervoeders toegevoegd.
Overigens is onlangs (29 februari) in de
Landbouwraad door lidstaat Oostenrijk
gepleit voor een totaalverbod op groei-
bevorderaars in diervoeding, hetgeen is
ondersteund door de Nederlandse mi-
nister van Landbouw. De Europese
Commissie zal, op basis van de moge-
lijkheden die het zogenaamde Witboek
Voedselveiligheid schept, op korte ter-
mijn komen met voorstellen hierom-
trent.

Conclusie

Collega Van den Bogaard concludeert
dat het epidemiologisch is aangetoond,
dat de mate van resistentie van indica-
torbacteriën correleert met de mate van
antibioticumgebruik in een populatie
en dat dezelfde resistenties gevonden
worden in de pathogene bacteriën van
die populatie. Met moleculair-micro-
biologische technieken is overdracht
van resistentiegenen van indicatorbac-
teriën naar pathogene bacteriën en vice
versa gevolgd. Daarom zou het hebben
van een lage prevalentie en mate van
resistentie in de fecale flora een volks-
gezondheidsdoel moeten zijn, net als
een laag cholesterolgehalte of een ade-
quate bloeddruk. Aangezien via pro-
ducten van dierlijke oorsprong resis-
tentie van dier naar mens kan overgaan,
is dit ook bij vleesdieren een volksge-
zondheidsbelang en zou, volgens Van
den Bogaard, een lage mate van resis-
tentie in de fecale flora van slachtdie-
ren als een kwaliteitscriterium be-
schouwd moeten worden.
Om dit te bereiken dient primair de hoe-
veelheid antibiotica die aan deze dieren
wordt toegediend, verminderd te wor-
den. Door te stoppen met het gebruik
van antibiotica als groeibevorderaar
zou de hoeveelheid sterk gereduceerd
worden. Daamaast dient door betere
huisvesting, eradicatie van dierziekten
en vaccinatie de noodzaak van het dier-
geneeskundig gebruik te verminderen.
Belangrijk is ook hier om antibiotica al-
leen te gebruiken als ze geïndiceerd
zijn: dus ter behandeling van bacteriële
infecties van dieren. Bij de keuze van
een antibioticum dient ook het risico
van het selecteren en verspreiden van
resistentie betrokken te worden.
Het door de Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde
geformuleerde antibioticumbeleid en
de daaruit voortgekomen landelijke
Antibioticum Formularia voor de ver-
schillende diersoorten vormen niet al-
leen een belangrijk hulpmiddel hierbij,
maar hebben de Nederlandse dieren-
arts ook zeer bewust gemaakt van de
resistentieproblematiek.
Voor wat betreft zoönotische bacteriën
spreekt het voor zich dat er niet zo zeer
gestreefd moet worden naar een goede
gevoeligheid voor antibiotica, maar
naar eradicatie.

T

Met dank aan dr. D.J. Mevius voor zijn
commentaar en aanvullingen.

Congres World Association for Buiatrics

Van 4 tot 8 december 2000 vond het 21e congres van de World Association for
Buiatrics (WAB) plaats in Puerta del Este, Uruguay. Het belang van het rund
voor landen zoals Uruguay werd onderstreept door het feit dat de president
van Uruguay (op de foto tweede van links) en de minister van Landbouw
(derde van rechts) bij de opening aanwezig waren. Nederland was bij de ope-
ning vertegenwoordigd door de president van de WAB, prof. dr. H.J.
Breukink, die op dit congres afscheid nam als voorzitter en werd benoemd tot
\'honorary president\'. Op de daardoor opengevallen plaats in het bestuur van
de WAB werd dr. T.J.G.M. Lam, voorzitter van de Groep Geneeskunde van
het Rund, gekozen.

Het congres trok 1650 bezoekers uit 56
landen, die van negen \'maintopics\', 166
presentaties, 402 posters en vijf video\'s
konden kennisnemen. Er was een kleine,
maar zeer enthousiaste Nederlandse de-
legatie op het congres aanwezig.
Tijdens het congres werden twee
\'awards\' uitgereikt, namelijk de Pfi-
zer Award en de voor Nederland be-
langrijke Merial Gustav Rosenberger
Memorial Award. Deze laatste onder-
scheiding is destijds geïnitieerd door
de Groep Geneeskunde van het Rund

-ocr page 315-

na het succesvol organiseren van het
12^ congres in Amsterdam in 1982.
Door de samenwerking met Merial is
het Gustav Rosenberger Memorial-
fonds in staat om met een substantieel
bedrag een jonge, veelbelovende die-
renarts in een ontwikkelingsland in
staat te stellen zijn activiteiten uit te
breiden, bijvoorbeeld door het aan-
schaffen van onderzoeksmateriaal.
Dit keer werd de 2000 Merial Gustav

Rosenberger Memorial Award uitge-
reikt aan Eduardo Birgil Junior uit
Brazilië. Het geld zal worden gebruikt
ter ondersteuning van het onderzoeks-
programma van de runderkliniek in
Sao Paulo.

De Pfizer Award ging dit keer naar dr.
Mathias Ackerman voor zijn werk op
het gebied van het BHVl (IBR)-virus.
Het congres van 2002 zal plaatsvin-
den in Hannover. Het is te verwachten
dat de Nederlandse delegatie bedui-
dend groter zal zijn. De Duitse orga-
nisatoren rekenen daarop.

De proceedings van het congres zijn
beschikbaar op cd-rom en kunnen
worden besteld bij het organiserend
comité, j\'ax: 00598 - 2 - 9160220 of via
e-mail: ijsu@adinet. com. uy

De eerste spreker van de dag was dr.
V.P.M.G. Rutten, medewerker van de
Hoofdafdeling Infectieziekten en Immu-
nologie aan de Faculteit der Diergenees-
kunde van de Universiteit Utrecht. Hij
gaf een globale inleiding over het im-
muunsysteem om zo de fundamenten te
leggen voor de volgende sprekers. Zo
gaf hij het verschil aan tussen aangebo-
ren afweer (zoals natuurlijke barrières)
en verkregen afweer (door veldinfecties
en vaccinaties). Vooral bij de natuurlijke
barrières is veel winst te behalen voor
een bescherming tegen infectieziekten,
bijvoorbeeld door de lokale toediening
van vaccins of antilichamen, zoals bij
niesziekte bij de kat al veelvuldig wordt
gedaan. Na een kort overzicht van de
vele componenten van het afweerappa-
raat gaf Rutten nog een overzicht van en-
kele recente ontwikkelingen in de pro-
ductie van vaccins, zoals markervaccins,
DNA-vaccins en recombinant-technie-
ken. Zijn visie op het thema van de dag
was niet zozeer of en hoe er in de toe-
komst moet worden gevaccineerd, maar
dat eerst bedacht moet worden wat als
eindresultaat van een immuunreactie ge-
wenst is. Wat is de parameter voor een
goede afweer? Van daamit kan men ver-
der met de ontwikkeling van specifieke
vaccins en meer \'maatwerk\' afleveren.

HIV

De tweede spreker is inmiddels een
fenomeen op het gebied van de virolo-
gie en infectieziekten, prof dr.
A.D.M.E. Osterhaus, hoogleraar viro-
logie aan de Medische Faculteit van de
Erasmus Universiteit Rotterdam. Oster-
haus doet onder andere onderzoek naar
de ontwikkeling van een vaccin tegen
Human Immunodeficiency Vims
(HIV). Dit gebeurt door onderzoek met
apen en hun soortspecifieke vorm van
AIDS, het Simian Immunodeficiency
Vims (SIV). Tot nu toe is gebleken dat
het zinvol lijkt te vaccineren tegen ei-
witten van het HlV-vims, welke vroeg
tot expressie komen. Experimenten to-

^Vaccinatie, het einde?*

Rond het thema \'Vaccinatie, het einde?\' werd woensdag 17 januari 2001 het
DSK-symposium gehouden. Een groep van vijf enthousiaste studenten heeft
de afgelopen maanden hard gewerkt aan de voorbereidingen van deze dag.
Onder leiding van prof. dr. B.A.M. van der Zeijst, gaven zes verschillende
sprekers hun visie op de toekomst van het vaccineren in Nederland, allen van-
uit hun specifieke invalshoek. De vraag die centraal stond was of er niet an-
ders, veel specifieker, gevaccineerd moet worden in de toekomst.

-ocr page 316-

nen aan dat er dan significant minder vi-
msvermeerdering plaatsvindt of dat de
viremie minder of zelfs afwezig is na
challenge. Vaccinatie van reeds geïn-
fecteerde personen lijkt hiermee ook
mogelijk, hoewel dit niet betekent dat
iemand daama beschermd is. De kans is
groot dat de overlevingduur verlengd
wordt en de dosering van antivirale
middelen verlaagd kan worden. Ook
Osterhaus is van mening dat we moeten
bedenken hoe we immuniteit definië-
ren. Er is naast het opwekken van anti-
lichamen namelijk ook de mogelijkheid
te vaccineren met als doel de T-cel-po-
pulatie te versterken. Voor wat de ont-
wikkeling van een vaccin tegen HIV
betreft duurt het nog minimaal vijf tot
tien jaar voor de eerste resultaten ver-
wacht mogen worden.

Maatwerk

Hiema kwam dr. H.F. Egberink aan
het woord, universitair hoofddocent
aan de Afdeling Virologie van de
Hoofdafdeling Infectieziekten en
Immunologie. Zijn presentatie han-
delde over de vaccinatie in de gezel-
schapsdierenpraktijk. Tot nu toe wordt
er in de praktijk jaarlijks gevaccineerd,
bij voorkeur met een zogenaamde
\'coctail\', onder het motto: \'baadt het
niet, dan schaadt het niet\'. Nu is er een
discussie op gang gekomen of dit wel
de juiste manier van aanpak is. Uit on-
derzoek blijkt dat veel vaccins langer
dan één jaar bescherming geven.
Bovendien kunnen er bijwerkingen
optreden na vaccinatie, bijvoorbeeld
het fibrosarcoom bij de kat. Daarnaast
wordt de eigenaar mondiger en wil een
gefundeerde uitleg over het nut van de
jaarlijkse booster, dus er bestaat niet
altijd een noodzaak om voor deze ziek-
ten jaarlijks te blijven vaccineren. Het
probleem is echter dat er weinig vac-
cins bestaan die tegen één bepaalde
ziekte beschermen, de meeste zijn ver-
werkt in combinatievaccins (cock-
tails). Het is natuurlijk zeer kostbaar
dit soort \'monovalente\' vaccins te ont-
wikkelen en te registreren en daardoor
minder aantrekkelijk om over te gaan
naar een specifiekere vorm van vacci-
neren. Vaccinatie blijft altijd nodig
volgens Egberink, voor bepaalde pa-
thogenen ook de jaarlijkse (bijvoor-
beeld leptospirose bij de hond; nies-
ziekte bij de kat) maar welke
vaccinatie zal afhankelijk zijn van de
eigenschappen van de vaccins, de pa-
thogenen en de wijze waarop het dier
wordt gehouden. Vaccinatie moet
maatwerk worden.

Ontwikkelingsproces vaccin

De eerste spreker na de lunchpauze was
dr. E.O. Rijke, werkzaam bij Intervet
als coördinator van de Research &
Development op het gebied van de
Aquacultuur. Hij gaf een overzicht van
het ontwikkelingsproces van een vac-
cin. Na de signalering van een belang-
rijk ziekteprobleem begint het onder-
zoek naar hoe een eventueel vaccin
emit moet zien, hoe het gaat werken en
wat de toepassingen worden. Daama
pas kan worden overgegaan naar de ei-
genlijke ontwikkeling van het vaccin,
die getest wordt op werkzaamheid en
veiligheid. Al met al kost het zeker ze-
venjaar alvorens het eindresultaat op de
markt kan worden gebracht. Dr. Rijke is
van mening dat de dierlijke productie-
industrie niet zonder vaccinatie kan en
ziet een verschuiving van de mndvee-
en varkenssector naar pluimvee, vis-
teelt en schaaldieren.

Eradicatie

Dr. A. Bouma, werkzaam bij de afde-
ling Kwantitatieve Veterinaire Epi-
demiologie van het ID-Lelystad, sprak
over de mogelijkheden van markervac-
cins. De bedoeling hiervan is niet alleen
de protectie van dieren tegen een ziekte,
maar ook de eventuele eradicatie van de
ziekte in bestrijdingsprogramma\'s. Dit
kan weer leiden tot een algeheel non-
vaccinatiebeleid, maar voorzichtigheid
is geboden. Dat is wel gebleken bij de
uitbraak van KVP. Eisen die gesteld
worden aan een markervaccin zijn on-
der andere veiligheid en werkzaamheid,
maar vooral moeten er betrouwbare
diagnostische tests bestaan om klini-
sche dragers te onderscheiden van ge-
vaccineerde dieren. Voor de export is
van belang te weten welke dieren ge-
vaccineerd zijn en welke dieren een
veldinfectie hebben doorstaan. Bij een
uitbraak is er uiteraard nog de mogelijk-
heid van een noodvaccinatie, maar dit
levert voor jaren gesloten grenzen op.
Daamaast levert het een aantal vragen
op, zoals welke dieren gaan we vacci-
neren? Al met al is het hele vaccinatie-
beleid, zeker voor wat betreft de land-
bouwhuisdieren, een politieke kwestie
geworden, waarvan de uitkomst niet al-
tijd duidelijk is.

Stichting Vaccinatie Gezelschaps-
dieren

De laatste spreker van dag was dr.
P.A.M. Overgaauw, Technical Manager
bij Virbac Nederland BV. Hij is betrok-
ken bij de oprichting van de Stichting
Vaccinatie Gezelschapsdieren (SVG),
waarover zijn lezing ging. Deze stich-
ting is in het leven geroepen omdat er
behoefte was aan duidelijkheid in het
vaccinatiebeleid voor gezelschapsdie-
ren. Ook wilde men de vaccinatiebe-
reidheid bevorderen onder de eigenaren
van honden en katten om zo tot een gro-
tere bescherming van de populatie hon-
den en katten te komen.
Voor de oprichting van de SVG werd
door een werkgroep het vaccinatie-
boekje ontwikkeld dat door de KNMvD
wordt uitgegeven en door de industrie
wordt betaald. Momenteel wordt onder-
zocht in hoeverre een nieuwe uitgave
van het vaccinatieboekje het rode die-
renpaspoort kan gaan vervangen omdat
de uitgever hiervan, de Stichting Re-
gistratie Gezelschapsdieren in Neder-
land (SRGN) per 1 juni 2001 haar offi-
ciële status verliest. Gekeken wordt naar
de mogelijkheid om in een nieuw boekje
ook het rabiësformulier op te nemen en
op deze wijze een financiële basis te leg-
gen voor de SVG. Hierover wordt nog
overleg gevoerd.

Specifiek vaccinatiebeleid

Aan het einde van de dag werd onder
leiding van prof dr. B.A.M. van der
Zeijst een paneldiscussie gevoerd. De
uiteindelijke conclusie was dat er, ze-
ker voor de gezelschapsdieren, een
meer specifiek vaccinatiebeleid moet
komen. Probleem hierbij is alleen dat
men nog te weinig de beschikking
heeft over monovalente vaccins, dus
dat maatwerk dan moeilijk wordt. De
kosten om deze vaccins te ontwikkelen
zijn hoog en de industrie zal hierin pas
investeren wanneer de markt daarom
nadmkkelijk vraagt. Tevens zal de ont-
wikkeling van zulke vaccins veel tijd
kosten. Ook moet worden uitgezocht
welke vaccins de voorkeur hebben, ze-
ker met de nieuwe toepassingen, zoals
lokale sprays of intradermale vaccins.

Als afsluiting wil ik de Symposium-
commissie: Merel Jansen, Jacqueline
van der Kooij, Steven Vrielink, Yves
Prevoo en Dirk Prinssen, alle sprekers
en aanwezigen bedanken voor een
mooi symposium. Volgend jaar wordt
er zeker weer één georganiseerd.

Namens het bestuur der Dier-
geneeskundige Studenten Kring,
M.C. W. Schouten
h.t. Ab-actis.

Namens de sprekers,
dr. P.A.M. Overgaauw.

-ocr page 317-

Op het hoofdterrein worden verschil-
lende officiële concoursmbrieken verre-
den, Vijf verschillende rassen zetten hun
beste beentje voor en zorgen voor een
mooie show. Friezen, Hackneys, Tuig-
paarden, Welshpony\'s en Shetlanders
strijden onder toeziend oog van een des-
kundigejury om de hoogste eer. Dit pro-
gramma wordt afgewisseld met vele lu-
dieke demonstraties en spectaculaire
shows, met bierwagens, antieke land-
bouwwerktuigen en spektakelshows.

De oefenmarathon bestaat uit dressuur,
een vaardigheidsproef (ook wel kegel-
tjesrijden genoemd) en een wegtraject.
Aan het einde hiervan volgen vijf origi-
neel aangeklede hindemissen die in de
kortst mogelijke tijd gereden moeten
worden.

Op zaterdag 12 mei 2001 staan de terreinen van de Faculteit der
Diergeneeskunde in Utrecht weer open voor liefhebbers van het aange-
spannen rijden. Hier vindt voor de twaalfde keer de Dag van het
Aangespannen Paard plaats. Dit zeer veelzijdige paardensportevene-
ment heeft in de afgelopen jaren nationale bekendheid gekregen en kent
in Nederland zijn gelijke niet. Juist omdat op deze dag alle takken van
het aangespannen rijden verzameld zijn en zeer verschillende rassen
worden getoond, is dit evenement een \'must\' voor alle paardenliefheb-
bers.

Twaalfde Dag van het Aangespannen Paard

Tijdens de koetsentocht kunt u zich wa-
nen in tijden van weleer, De stoet ver-
trekt vanaf de Veemarkthallen en maakt
een rondrit door de bosrijke omgeving
van de Uithof De deelnemers lunchen
rond het middaguur op het Broeder-
pleinbij Slot Zeist.

Uiteraard ontbreekt bij dit evenement
het strodorp niet, met stands van diverse
bedrijven. De dag wordt afgesloten met
een rassendefilé met de verkiezing van
de \'aanspanning van de dag\' en van het
\'ras van de dag\'.

De Dag van het Aangespannen Paard
op de Uithof vangt aan om 8.30 uur en
eindigt om 17.00 uur. De toegang is
gratis. Voor meer informatie: Stichting
Dag van het Aangespannen Paard, tele-
foon en fax 030-2 5 3942 3.

Vrijstellingsregeling artikel 2 Diergeneesmiddelenwet

Nu ook lijsten voor kip, geit en schaap

In Nederland is voor diverse diersoorten en indicaties een groot aantal
diergeneesmiddelen geregistreerd. Toch kan het voorkomen dat u na een
zorgvuldig gestelde diagnose vaststelt dat er voor de beoogde diersoort en
indicatie geen diergeneesmiddel geregistreerd is. Dit terwijl het dier on-
draaglijk lijdt of het noodzakelijk is om een medicatie toe te passen. Een
dierenarts heeft in dat geval, sinds eind 1999, de mogelijkheid gebruik te
maken van de Vrijstellingsregeling Artikel 2 Diergeneesmiddelenwet.
Toepassing van diergeneesmiddelen volgens dit artikel is uitsluitend voor-
behouden aan dierenartsen.

agro.nl. Deze website is ook te bereiken
viawww.knmvd.nl of www.auv.nl.

Bij iedere toediening van diergenees-
middelen aan voedselproducerende
dieren geldt dat van de werkzame
stof(fen) een Europese MRL* (maxi-
male residu limiet) moet zijn vastge-
steld.

In de bijlage van deze Vrijstellings-
regeling staan per diersoort de werk-
zame stoffen en de daarbij behorende
eisen die in het kader van deze regeling
gebmikt mogen worden. In 2000 werd
al een brochure met bijlage gepubli-
ceerd met hierop de stoffen bestemd
voor kalkoen, eend, paard, konijn,
mnd en varken. Ingaande 14 januari
2001 is de vorige bijlage aangepast en
uitgebreid (zie publicatie Staats-
courant 12 januari 2001). Er staan nu
ook werkzame stoffen op voor kip, geit
en schaap.

De nieuwe bijlage zal samen met de
nieuwe brochure over de Vrijstellings-
regeling binnenkort met het Tijdschrift
voor Diergeneeskunde worden ver-
spreid. Hij is nu al te vinden op de web-
site van het Bureau Registratie Dier-
geneesmiddelen (BRD): vvrww.brd.

* Stoffen waarvoor een MRL bepaald
is of waarvoor is aangegeven dat er
geen MRL nodig is kunt u vinden in
Annex I, II en III van de Verordening
2377/90 (te vinden op
www.brd.
agro.nl).

Directie Veterinaire-, Voedings- en
Milieu-aangelegenheden (VVM), Mi-
nisterie LNV

-ocr page 318-

Na een kort woord van welkom van
Bertil Muller, hoofd exteme commu-
nicatie van het NRS, belicht Jan
Dommerholt op karakteristieke directe
wijze de visie van het NRS op de be-
drijfsvoering rondom diergezondheid.
Dommerholt benadrukt nog eens dat in
het project Partners in Rendement-
verbetering de veehouder centraal
staat. De grote kracht zit in de structu-
rele, meerjarige aanpak. Met name de
laatste fase van het project, waarin in-
ternettoepassingen centraal staan,
wordt spannend en opent grote moge-
lijkheden voor effectieve communica-
tie tussen veehouder en dierenarts en
tussen veehouder en NRS. De beschik-
baarheid én de toegankelijkheid van
diergezondheidsgegevens zijn van
groot belang voor de preventie en de
oplossing van problemen. Intemet
heeft op dit gebied heel veel te bieden.

Verbeter de vruchtbaarheid

De achtergrond van het project \'verbe-
ter de vruchtbaarheid\' waarvoor van-
daag het startschot wordt gegeven,
wordt geschetst door Alfred Dijs, mar-
ketingspecialist van het NRS. Met be-
hulp van cijfers en grafieken geeft hij
aan dat er - gezien de spreiding - nog
het een en ander te verbeteren valt aan
de resultaten op het gebied van vmcht-
baarheid. Een gezamenlijke inspanning
van veehouder en dierenarts levert al
gauw ƒ 25,- (11,34 Euro) extra rende-
ment per koe per jaar op. Dit is te dan-
ken aan minder uitstoot, minder (her)in-
seminaties en met minder koeien het
quotum volmelken. Kansen, zo vindt
Dijs, die veehouder en dierenarts niet
mogen laten liggen. Kroon op het pro-
ject is natuurlijk het nieuwe NRS-STO
Vmchtbaarheid dat vandaag wordt uit-
gereikt, en dat de vmchtbaarheid van de
veestapel voor veehouder en dierenarts
inzichtelijk maakt. Het is de bedoeling
gezamenlijk streefwaarden te bepalen
en hier gericht aan te werken, met als
doel concrete verbeteringen te behalen.
Deze materie wordt overigens uitge-
breid behandeld tijdens de PAOD-cur-
sus STO-fertiliteit: coaching in be-
drijfsadvisering, die geheel is gewijd
aan dit project. Ook in de cursus
Erkende Rundveedierenarts wordt er
aandacht aan besteed.

Bijeenkomst Partners in Rendementverbetering
Uitreiking eerste NRS-STO Vruchtbaarheid

Ruurlo, 22 januari 2001 - Vandaag is een veertigtal praktiserend dierenart-
sen, veehouders en betrokkenen bijeen voor de startbijeenkomst \'verbeter de
vruchtbaarheid\' van het project Partners in Rendementverbetering van de
Coöperatie Rundveeverbetering Delta, productdivisie NRS en Pfizer Animal
Health. Het project dat gericht is op de verbetering van de bedrijfsadvisering
wordt van harte ondersteund door de Groep Geneeskunde van het Rund van
de KNMvD. De aanwezigen worden bijgepraat over de projecten die lopen en
nog zullen starten op het gebied van diergezondheid en zijn getuige van de uit-
reiking van het eerste NRS-standaardoverzicht (STO) Vruchtbaarheid aan
maatschap Giesen-Bus, cliënt van dierenarts Henk van der Berg (DAP Oude
IJssel, Silvolde). De doelstellingen van het project zijn ambitieus, maar zeer
de moeite van het nastreven waard, gezien de winst die er voor veehouder en
dierenarts te behalen valt. De spreiding in de resultaten laat zien dat er vol-
doende ruimte is voor verbetering op het gebied van diergezondheid.

Door Sophie Deleu

Kennis en kwaliteit

Vincent Kamer, directeur van Pfizer
Animal Health, gaat kort in op de rol
die Pfizer wil spelen in het project
Partners in Rendementverbetering.
Het project past naar zijn mening ge-
heel in de visie van Pfizer, die sterk ge-
richt is op kennis en kwaliteit. De be-
doeling van Pfizer is niet - zoals
wellicht voor de hand ligt - met dit
project de afzet van diergeneesmidde-
len te vergroten, maar om een duur-
zame relatie tussen veehouder en die-
renarts te bevorderen, waarin kwaliteit
vanzelfsprekend is. Bovendien - zo
zegt Kamer - werkt Pfizer graag sa-
men,met de partners in het project: het
NRS en de KNMvD, gezien de visie en
uitstraling van deze organisaties.
Pfizer speelt in dit project onder andere
een belangrijke rol waar het gaat om het
trainen van de dierenartsen in de (com-
merciële) benadering van hun veehou-
ders. Want ook de professionele \'ver-
koop\' van de bedrijfsbegeleiding door
de dierenarts laat veel te wensen over. In
de training van Pfizer komen de
volgende onderwerpen aan de orde:
marktpositionering, marktsegmentering,
praktijkmarketingstrategie, het managen
van het verkoopproces, het adviserend
verkopen en praktijkoefeningen.

Professionele begeleiding

Een kort woord van waardering wordt
uitgesproken door Theo Lam, voorzitter

-ocr page 319-

van de Groep Geneeskunde van het
Rund. Het verheugt hem bijzonder dat
vandaag het eerste NRS-STO Vrucht-
baarheid wordt uitgereikt. De voorzitter
vindt professionele, structurele bedrijfs-
begeleiding (monitoring) van het groot-
ste belang voor de toekomst van de rund-
veegeneeskunde. STO\'s en erkende
rundveedierenartsen spelen hierin een
belangrijke rol. Vandaar dat het project
Partners in Rendementverbetering zijn
warme belangstelling heeft.
Lam feliciteert de veehouder en zijn
dierenarts die vandaag het eerste STO
in ontvangst mogen nemen. De uitrei-
king geschiedt op symbolische wijze:
het NRS-STO Vmchtbaarheid wordt
als een estafettestokje doorgegeven
van het NRS (in de persoon van Jan
Dommerholt), via de KNMvD (Theo
Lam) en de dierenarts (Henk van de
Berg) naar de veehouder en zijn echte-
genote (maatschap Giesen-Bus).
Van den Berg overhandigt het STO
met de nodige humor: \'Als dierenarts
wordt je door veehouders als deze
voortdurend uitgedaagd, ze zijn vaak
beter op de hoogte dan jijzelf Maar het
is een geweldige uitdaging om zo te
werken, voortdurend op zoek naar mo-
gelijkheden om de resultaten te verbe-
teren\'.

Uiergezondheid en internet

Ten slotte gaat Alfred Dijs nog eens in
op toekomstige projecten in het kader
van Partners in Rendementver-
betering. Staat dit jaar de vruchtbaar-
heid in de schijnwerpers, volgend jaar
is uiergezondheid aan de beurt. Ook
daarin valt nog het nodige te verbete-
ren. De voorbereidingen zijn in volle
gang. Dit najaar begint de campagne.
Verder is men reeds dmk met de doel-
stelling voor het jaar daama: commu-
nicatie van diergezondheidsgegevens
via intemet. Het is de bedoeling dat de
gegevens van het NRS exclusief voor
de veehouder en zijn dierenarts elek-
tronisch beschikbaar komen. Dit zou
een geweldige verbetering betekenen
voor de communicatie, gezien het ge-
bmiksgemak van deze toepassing.
Vanzelfsprekend heeft deze vorm van
communicatie de nodige voorberei-
ding nodig, alsmede een denkomslag
waarmee nu reeds een begin moet wor-
den gemaakt.

A//e deelnemende dierenartsenpraktij-
ken hebben inmiddels de benodigde in-
formatie - onder andere het nieuwe
STO en een praktische handleiding -
en kunnen hiermee echt werk maken
van professionele bedrijfsadvisering
op het gebied van vruchtbaarheid. Het
is tevens een goede gelegenheid om
\'beloning voor advies\' door te voeren.
Neem voor meer informatie contact op
met Wiel van den Ekker van de Groep
Geneeskunde van het Rund (e-mail:
dcoverlaet@talkline.nl).

Ingezonden

Ik ben geboeid door de ingezonden brief
van collega Hugo de Vries over BSE en
de reactie daarop van de collega\'s Lam
en Urlings in het TvD van 15 febmari
2001. Ik wil hierbij nog enkele opmer-
kingen maken.

1. De situatie in Nederiand is moeilijk te
vergelijken met die in Engeland, waar
immers de infectiedmk veel hoger
was doordat, eventueel besmet, dier-
meel in veel hogere concentratie on-
derdeel van het dieet uitmaakte (tot
30%). In Nederland daarentegen is dit
percentage, als ik goed ben ingelicht,
hoogstens 2%. Door de hoge frequen-
tie van het aantal BSE-koeien in
Engeland, was het logisch dat vaak
meerdere koeien per bedrijf waren
aangetast.

2. Overtuigende bewijzen voor horizon-
tale of verticale transmissie lijken niet
van grote betekenis te zijn.

3.Kennelijk zijn er in Nederiand onder

de stalgenoten van verwanten van
BSE-koeien nog geen aanwijzingen
voor BSE-besmetting ontdekt.

4. Uit wetenschappelijk en economisch
oogpunt zou het mijn inziens de voor-
keur verdienen om zoals collega De
Vries aanbeveelt, stalgenoten en ver-
wanten op bedrijven te identificeren
en te consigneren en bij slachting te
zijner tijd aan een zeer uitvoerig on-
derzoek te onderwerpen.

5. Zouden enkele, meerdere of alle ge-
vallen van BSE-mnderen in Neder-
land misschien van het endogene-
sporadische type kunnen zijn? Mis-
schien komt dit type in zeer lage fre-
quentie al langer onopgemerkt in Ne-
derland voor. Als de informatie over
BSE-gevallen in het oosten van het
land juist zou zijn dat er geen relatie
met het veevoer gevonden is, zou dit
dan kunnen betekenen dat dit dus spo-
radische gevallen zijn?

6. VCJD bij de mens geeft uiteraard re-
den tot bezorgdheid. Onzeker is nog
of de incubatietijd inderdaad (vier tot
zes jaar) korter is dan van de klassieke
vorm. In ieder geval lijken de cijfers
betreffende vCJD in Engeland zoals
gepresenteerd door de minister van

Meer onderzoek BSE-lijders

Landbouw onjuist: geen 300, maar 88
gevallen.

7. De angst van de minister en zijn amb-
tenaren voor de consument in en bui-
ten Nederiand is wel verklaarbaar,
maar mag daarom nog niet de enige
leidraad voor beleid zijn: absolute
veiligheid is moeilijk te verkrijgen.
Dc grootste bedreiging voor de mens
in Nederland is misschien wel voor-
bij: volgens schattingen zouden er in
het verleden veertig è vijftig mnderen
in Nederland besmet kunnen zijn ge-
weest en geconsumeerd. Bovendien is
er de blootstelling via worsten met be-
smet materiaal bijvoorbeeld uit
Duitsland geweest. De BSE-bron
droogt op.

Alles bij elkaar genomen lijkt het me be-
ter de nu gebmikte fraaie en snel geïm-
plementeerde (hulde!) diagnostische
methode waarmee \'normale\' slachtmn-
deren en in nood geslachte mnderen
worden onderzocht voor te zetten, aan-
gevuld met meer uitgebreid onderzoek
van BSE-lijders (meerdere organen,
meerdere diagnostische methoden).
Voor het doden van katten op de getrof-
fen boerderijen lijken tot dusver geen
epidemiologische gronden te bestaan.

W. Misdorp

-ocr page 320-

Gaarne wil ik reageren op het ingezon-
den stuk van collega Hugo de Vries
waarin hij dingen aan de orde stelt,
waarin ik wat betreft zijn argumentatie
een heel eind kan meegaan (Tijdschrift
voor Diergeneeskunde jaargang 126,
aflevering 4).

Een overkill aan maatregelen bij de
ruiming van een BSE-bedrijf. En daar-
bij kwam nog niet eens ter sprake de
omgang met de melk, welke al die tijd
geleverd is aan de fabriek, voor, maar
ook tijdens het ongeveer acht a tien da-
gen durende onderzoek van het na
taxatie overgenomen verdachte rund.
En als dan het bevestigende bericht
BSE-positief vanuit Lelystad vemo-
men wordt, dan wordt plotseling de al-
lerlaatste inhoud van de melktank als
zeer gevaarlijk SRM-materiaal be-
schouwd en via de Rendac naar de ver-
brandingsoven afgevoerd. Hoe leg ik
dit de consument uit? Hoe leg ik hem
uit dat er met de voorgaande melk van
de laatste weken en maanden niet mis
was? En dat de melk waar geen drup-
pel van de bewuste BSE-koe in zat,
vernietigd moest worden? Weten-
schappers hebben toch met elkaar af-
gesproken dat er geen prionen in de
melk zitten?

Eigenlijk zouden we, zeker in deze tijd
van vergaande specialisatie, naar een
heel ander soort opzet van de mnder-
houderij toe moeten gaan. Grof ge-
schetst aldus:

/. Zuivere melicveebedrijven
Zoals de naam al zegt: zij leveren uit-
sluitend melk. Zij fokken een voor
dat doel genetisch sterke koe die ook
op hoge leeftijd (ouder dan vier jaar)
nog lange tijd meekan en goed produ-
ceert. En als dan tenslotte haar uier zo
is versleten dat de tepels tussen de
roosters hangen of op andere wijze
haar productie en/of gezondheid te
wensen overlaat, laat dan een erkende
dierenarts dit dier euthanaseren en in
ieder geval niet meer het vleescircuit
insturen. Al die cachectische en uit-
gemolken koeien waar je aan de
heupbeenderen je hoed kunt ophan-
gen, zijn mijns inziens geen kwali-
teitsdieren.
2. Zuivere vleesveebedrijven
Er bestaan momenteel veel goede
vleesrassen. En als zij voor de leeftijd
van 30 maanden worden geslacht,
krijgen wij een prima stukje vlees op
ons bordje dat bovendien niet eens
met de snelle test op BSE behoeft te
worden onderzocht. Wel sneu voor
de jongens van het Zwitserse Prio-
nics.

Een zekere overkill aan maatregelen
moet wel logisch en verklaarbaar zijn

3. Totale afschaffing van consumptie
van zieke dieren

Misschien anders gezegd: afschaffen
noodslachtplaatsen.
In het huidige kwaliteitsdenken, 1KB,
ketenbewaking, van zaadje tot karbo-
naadje. Total Quality Management of
wat voor kreten we er nog meer voor
gaan bedenken, kun je het de consu-
ment niet meer uitleggen dat we ook
nog zieke en zelfs door de dierenarts
in exitus verkerende en door hem be-
dwelmde en verbloede dieren toch
nog goedkeuren. Dieren waarvan de
veehouder denkt: Tk hoop dat er nog
wat van terecht komt, maar zelf wil ik
hem niet in mijn diepvrieskist\'.
(Recent nog meegemaakt!)

Tenslotte: een tautologie is een uitdmk-
king waarbij een overbodig bijvoegelijk
naamwoord wordt gebmikt. Zoals: de
witte sneeuw, het groene gras. Laatst
was er tijdens de afdelingsvergadering
van de KNMvD afdeling Overijssel een
causerie over biologische veeteelt. Ook
deze uitdmkking zou mijns inziens een
tautologie moeten zijn. Want is het te-
len van vee (voeden, verzorgen, fokken,
produceren van dierlijke producten) niet
per definitie een biologische activiteit?

Hans Smeenk

Pasfoto

Met grote verbazing las ik de vacature
van de Faculteit der Diergeneeskunde (4
roulanten gevraagd bij de afdeling ge-
zelschapsdieren), welke geplaatst werd
in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde
van 1 maart 2001, aflevering 5.
Er werd namelijk verzocht een recente
pasfoto toe te voegen aan de schrifte-
lijke sollicitatie. Wat de meerwaarde is
van een pasfoto bij een dergelijke solli-
citatie (überhaupt welke sollicitatie dan
ook) is mij een raadsel. Dat de afdeling
gezelschapsdieren bij de faculteit een
goede uitstraling wil hebben vind ik
vanzelfsprekend, maar dat dit op deze
manier gerealiseerd moet worden vind
ik toch een beetje ver gaan!

R.E. Boerekamp

Oproep belangenbehartiging practitioners

Practitioners,

Sinds enkele maanden vindt er een regelmatige instroom plaats van veterinai-
ren, die naast hun dagelijkse werkzaamheden als dierenarts als practitioner
voor de RVV werken. Deze lichting practitioners hebben één of beide cursus-
sen volksgezondheid en levend vee bij de RVV gevolgd.
Volgens planning van de RVV zullen ongeveer 400 dierenartsen in de toe-
komst een deeltaak bij de RVV uitoefenen (op dit moment 125).
Gezien dit aantal lijkt het mij zinvol om onze belangen te laten behartigen in
een groep zowel binnen als buiten de beroepsgroep.

Degenen die dit initiatief ondersteunen worden gevraagd te reageren op onder-
staand adres.

M Boereboom, Golsweg
dapdeachterhoek.demon.nl

5, 7261 AG Ruurlo, e-mail: info.pluimvee@

-ocr page 321-

Rondklepplicht?

Het artikel van laira Boissevain:
Geheim houden of spreken? in het
Tijdschrift van 1 maart 2001 (pagina
148) heb ik met veel belangstelling,
maar ook met enige verbazing, gele-
zen.

Voor het standpunt van die \'dierenarts
van mevrouw B\' heb ik eigenlijk alle
begrip. Wij mogen dan als veterinairen
geen formeel medisch beroepsgeheim
kennen, dat geeft dacht ik nog geen
vrijbrief voor, laat staan een plicht tot
het \'kleppen\' over patiënten naar wil-
lekeurige derden, ook al presenteren ze
zich (allicht!) als \'belanghebbende\'.
Bovendien vind ik dat in het onderha-
vige geval mevrouw A zich weinig
correct heeft gedragen. Met het ver-
haal over de succesvolle behandeling
van de honden van mevrouw B had ze
zich allereerst tot haar eigen dierenarts
horen te wenden. Maar goed, me-
vrouw A is niet aan het veterinaire
tuchtrecht onderworpen. De dierenarts
van mevrouw B dus wel en die had
volgens het Tuchtcollege moeten
\'kleppen\'. Naar mijn mening had hij
ermee kunnen volstaan, tegen me-
vrouw A te zeggen: \'Laat uw dieren-
arts mij maar bellen\'. Dat zou volko-
men correct zijn geweest en in alle
omstandigheden het verstandigst. Al
was het alleen maar om er \'zich naar
alle kanten!\' het Tuchtcollege mee van
het lijf te houden. Hij had desnoods
ook zelf die collega wel kunnen bellen,
maar dat is hem niet gevraagd, als ik
het goed begrijp.

Zoals de uitspraak er nu ligt, lijkt het
Tuchtcollege de dierenartsen een
\'rondklepplicht\' op te leggen, die in
mijn ogen wel bijzonder ver gaat!

R. Strikwerda

Naar aanleiding van de uitspraak in het
Veterinair Tuchtcollege (zaaknummer
97/054, Tijdschrift voor Diergenees-
kunde aflevering 5, pagina 148) lijkt de
juridische weg open om een dierenarts,
die weigert informatie van zijn patiën-
ten op verzoek mede te delen aan men-
sen die hij niet kent, te veroordelen tot
de totale kosten die dit eventueel tot ge-
volg kan hebben.

Eigenaresse is blijkbaar niet nalatig
om de informatie die zij heeft (name-
lijk dat zij zich bedenkt dat honden van
mevrouw B, die in haar pension komen
door een andere dierenarts wel met
succes behandeld zijn), niet mede te
delen aan haar eigen dierenarts met
wie zij zo\'n goede band heeft. Voor de
pensionhoudster is het zelfs niet nodig
om in overleg met haar eigen dieren-
arts tijdig een second opinion te vragen
bij bijvoorbeeld de gestrafte dieren-
arts.

Elke dierenarts die gebeld wordt door
een vreemde met het telefonisch ver-
zoek gegevens te verstrekken over een
cliënt lijkt volgens de uitspraak van het
Veterinair Tuchtcollege deze gege-
vens direct zonder dralen ter beschik-
king te moeten stellen wanneer de ei-
gen patiënt voor een zeer besmettel ij ke
ziekte als schurft behandeld is.

Geldt dit nu voor alle zoönosen en
eventueel ook voor andere besmette-
lijke ziekten en eventueel erfelijke
aandoeningen?

Stel dezelfde pensionhoudster belt de-
zelfde gestrafte dierenarts op met het
verhaal dat honden van mevrouw B die
in haar pension komen weer met suc-
ces behandeld zijn voor jeuk en ze nu
wil weten wat de honden van mevrouw
B hebben gehad omdat haar honden en
andere honden in het pension ook jeuk
hebben en haar eigen dierenarts nog
niets gevonden heeft. Wanneer de hon-
den behandeld zijn tegen vlooien en de
dierenarts weigert dit mede te delen,
kan hij dan veroordeeld worden tot alle
kosten die ontstaan zijn, bij iemand die
nog niet eens klant bij hem is?

drs. C.J.M. Cremers

P.S.: Bij verschillende andere dierenart-
sen spelen de volgende vragen;

1. Stel dat de sarcoptes-schurft door de
gestrafte dierenarts is aangegeven bij
de RVV, heeft de dierenarts dan wel
aan zijn verplichtingen voldaan?

2. Hoe beziet het Veterinair Tucht-
college het blijkbaar niet tijdig stellen
van de diagnose door de niet gestrafte
collega?

Opent het Veterinair Tuchtcollege de weg naar
Amerikaanse toestanden in Nederland?

Dierenarts veroordeeld tot betaling van lo.ooo
gulden materieleen immateriële kosten?

Bijwerkingen Sebolytic

Virbac Nederland bv heeft twee meldingen van bijwerkingen ontvangen van het
product
Sebolytic Batch BN 135 in de vorm van een emstige lokale allergische re-
actie bij de toepasser en in één geval ook een reactie bij de hond.
Om ieder risico uit te sluiten van een dergelijke bijwerking, verzoekt Virbac drin-
gend om alle flacons Sebolytic met dit batchnummer te blokkeren voor de verkoop
en eventueel temg te halen bij de eigenaar. Vanzelfsprekend kimnen deze dan kos-
teloos omgemild worden.

Meer informatie: Virbac Nederland bv, telefoon: 0342 - 427127, fax: 0342 -
490164.

-ocr page 322-

laira Boissevain

Nachtelijke euthanasie

Er is waarschijnlijk niemand die het echt
leuk vindt om \'s nachts uit zijn (of haar)
bed gebeld te worden, maar evenmin zal
een dierenarts met nacht- of weekend-
dienst eraan ontkomen. Het hoort bij het
vak en is bij een echt spoedgeval geen
probleem, maar bij de vage klachten zal
er wel eens enig tandengeknars te horen
zijn in de slaapkamer.
Zo ook bij deze 12 jaar oude poedel, die
al twee weken lijdt aan een chronische
nierontsteking. De behandelend dieren-
arts heeft het dier vlak voor het weekend
medicijnen voorgeschreven waarvan
gedurende de dagen daama moet blijken
of ze aanslaan. Blijkbaar niet, want in de
nacht van zaterdag op zondag heeft de
hond beduidend meer pijn, en begint te
braken. Om twee uur \'s nachts vindt de
eigenaar dat het zo niet langer kan, en
belt de dierenarts die dat weekend dienst
heeft en vraagt ofbij de hond in wil laten
slapen. De dienstdoende dierenarts
heeft echter weinig zin om zijn bed uit te
komen als er geen sprake is van een
spoedgeval; de hond is tenslotte al een
tijd ziek. Hij verzoekt de eigenaar om de
volgende ochtend naar de praktijk te ko-
men voor euthanasie. Dat is niet meer
nodig: na een lijdensweg van anderhalf
uur overlijdt de hond.
De eigenaar is dermate razend, dat hij
niet alleen een klacht indient bij het
Veterinair Tuchtcollege, maar ook een
boze brief schrijft naar de plaatselijke
krant over het doen - en vooral het laten
- van deze dierenarts. Het krantje wijdt
een artikel aan deze zaak, en noemt
daarbij de dierenarts met naam en toe-
naam.

Het Veterinair Tuchtcollege vindt dat de
dierenarts wel zijn bed uit had moeten
komen om de hond uit zijn lijden te ver-
lossen. Juist het feit dat de hond chro-
nisch ziek was had de dierenarts van de
noodzaak hiervan moeten overtuigen.
Eigenlijk verdient de dierenarts voor
deze nalatigheid een berisping, maar
omdat zijn handelwijze al in de lokale
krant is gepubliceerd, beperkt het
Tuchtcollege de maatregel tot een waar-
schuwing.

Rol plaatselijke media

Juist omdat deze situatie waarschijnlijk regelmatig voor-
komt, verdient deze zaak enige aandacht. Ten eerste is het
opmerkelijk dat de rol van de plaatselijke media wordt
meegenomen bij het opleggen van een tuchtrechtelijke
maatregel. Er zijn andere uitspraken van het Tuchtcollege,
waarbij de dierenarts bijvoorbeeld ook strafrechtelijk is
vervolgd (voor handelingen met een wat zwaarder kaliber
dan bovenstaand verhaal overigens). In die zaken verklaart
het Tuchtcollege uitdmkkelijk geen reden te zien voor op-
legging van een minder zware tuchtrechtelijke maatregel
vanwege een eerder opgelegde strafrechtelijke maatregel,
omdat deze twee rechtssystemen naast elkaar bestaan. Nu
maakt de Nederlandse journalistiek geen deel uit van het
Nederlandse rechtsstelsel, en vanuit menselijk oogpunt
bezien is het oordeel dat iemand door een negatieve publi-
catie \'wel genoeg is gestraft\' zeer begrijpelijk, maar vanuit
juridisch perspectief op zijn minst merkwaardig.

Ten tweede rijst de vraag in hoeverre de eigenaar in dit
soort gevallen zelf verantwoordelijk is voor het voorko-
men van leed bij het dier. Is het nu echt nodig om bij een
dier met een chronische (en op den duur dodelijke) aan-
doening te wachten op een middemachtelijke lijdensweg
voordat de dierenarts het dier in mag laten slapen? Of is
het juist onaanvaardbaar om naar het vrijdagavondspreek-
uur te gaan voor een euthanasie, om te vermijden dat dat
misschien in het weekend moet gebeuren? Mag een die-
renarts daarover adviseren?

In het bovenstaande geval zal de eigenaar het beste hebben
gewild voor het dier, maar er zijn ongetwijfeld andere
cliënten waarbij je als dierenarts de eigenaar van een dier
zou willen laten vervolgen wegens verwaarlozing. Die
mogelijkheid wordt geboden op grond van de Gezond-
heids- en Welzijnswet voor Dieren. In artikel 37 van die
wet staat letterlijk: \'Het is de houder van een dier verboden
aan een dier de nodige verzorging te onthouden\'. De over-
heid is ondubbelzinnig over de betekenis van deze tekst:
\'Er is geen enkel doel dat het onthouden van de nodige ver-
zorging kan rechtvaardigen, dit is zonder meer strafbaar\'.
Duidelijke taal! Degene die zijn dier(en) verwaarloost is
schuldig aan een misdrijf.

Alsof dit nog niet genoeg is, heeft de wetgever in deze
zelfde wet ook nog in artikel 36 lid 3 opgenomen. In dat ar-
tikel wordt
eenieder verplicht gesteld om hulpbehoevende
dieren de nodige zorg te verlenen.

Dat zou voor dierenartsen wel eens een dubbele plicht
kunnen betekenen. Op grond van artikel 37 ben je als die-
renarts getuige van een misdrijf als je verwaarlozing van
een dier constateert, en heb je op grond daarvan al de plicht
om een opsporingsambtenaar in te schakelen, maar daar-
naast heb je ook nog een eigen plicht op grond van artikel
36.

Gezien de ontwikkeling van de wetgeving met betrekking
tot dieren is deze ontwikkeling voorstelbaar. Het welzijn
van dieren neemt een steeds belangrijker plaats in. De
plichten van een dierenarts met betrekking tot de gezond-
heidszorg voor dieren zijn vastgelegd in de Wet op de
Uitoefening van de Diergeneeskunde, maar ook in de
Gezondheids- en Welzijnswet zijn plichten en verboden
terug te vinden (bijvoorbeeld de meldingsplicht bij be-
smettelijke dierziekten, of het verbod op onnodige ingre-
pen). Dit samenspel van normen ter bescherming van de
gezondheid en welzijn van het dier leidt minimaal tot een
morele zorgplicht voor het dier, voor zowel eigenaar als
dierenarts.

-ocr page 323-

Nieuws van de AUV Veterinaire Mediatheek

In deze tijd, waarin BSE en mond- en
klauwzeer de gemoederen in Europa
erg bezighouden, is het voor onze
praktiserende collegae in de land-
bouwhuisdierensector nu niet direct
een aangename tijd. De plannen voor
de toekomst, vertolkt door minister
Brinkhorst en zijn Duitse collega, ge-
ven ook emstig te denken. Dit zullen
dan ook vast en zeker de gesprekson-
derwerpen zijn bij de bedrijfsbezoe-
ken. De toekomstverwachtingen zijn
daarbij zo, dat ook de voorzitter van de
\'Groep Groot\' in zijn Groot Nieuws de
verwachting uitspreekt dat de \'boer
niet langer de grootste cliënt in de toe-
komst\' zal zijn.

Gezellige voorlichtingsavonden zullen
dan ook niet direct worden gehouden.
Om toch informatief bezig te kunnen
zijn, hebben wij een aantal videoban-
den beschikbaar, die mond- en klauw-
zeer en het non-vaccinatiebeleid uit-
legt bij monde van prof dr. A.
Dijkhuizen (A 120). Ook de klinische
beelden van BSE hebben wij op twee
verschillende banden staan, zodat met
meer zekerheid de diagnose kan wor-
den gesteld (A 119). Sinds de vorige
mededeling van de mediatheek, zijn de
volgende nieuwe onderwerpen toege-
voegd.

Einmal lm Jahr

Een historische film (1943!) met ge-
bitscontrole en gebitsbehandeling bij
paarden. Ondanks dat veel gedateerd
is, is deze film nog voldoende illustra-
tief voor wat betreft de gebitsbehande-
lingen.

Mediatheeknummer: A 125

Tandheelkunde bij Dieren

Een meer actuele film over tandheel-
kunde, met als speciale onderwerpen
het instmmentarium, medicamenten,
behandelwijzen, operatieve ingrepen
en profylaxe.

Mediatheeknummer: A 126

Klaver, de Stikstofbinder

Een film over de omschakeling van
een melkveebedrijf naar een biolo-
gisch melkveebedrijf, waarbij het ge-
was klaver een heel belangrijke rol
kan spelen. In deze tijd weer actueel
voor dierenarts en veehouder.
Mediatheeknummer: A 127

Het Hanteren van Dieren

Voor wat betreft bijzondere dieren een
instractieve film voor dierenartsen,
dierenartsassistenten en leerlingen

Dierenzorg op de AOC\'s. Zelfver-
trouwen en vertrouwen bij de cliënt
kunnen het resultaat zijn van het ken-
nisnemen van deze film.
Mediatheeknummer: A 128

Instrument Care & Sterilisation

Voor dierenarts en dierenartsassistenten
een duidelijke instmctie over operatie-
kleding en instmmenten. Verschillende
sterilisatiemethoden voor verschillende
instmmenten worden behandeld.
Mediatheeknummer: A 129

Als het ook anders kan

Opnieuw een film over biologische
melkveehouderij, waarin veehouders
bespreken hoe op hun bedrijf één en an-
der is gegaan. Opnieuw een film voor
een actuele situatie.
Mediatheeknummer: A 130

Agrarisch Weidevogelbeheer

Ook weer een actueel onderwerp omdat
het weidevogelbeheer door de mogelijk
aanvaarde nieuwe Faunawet vrijwel on-
mogelijk gaat worden. Vogelaars, waar-
onder veel collegae hebben al de nood-
klok geluid.

Mediatheeknummer: A 131

Een dier als passagier

Ook weer een film over verantwoord
transport van en omgang met (land-
bouwhuis)dieren, waarin wetgeving,
het laden, het rijden, reinigen en ont-
smetten uitvoerig wordt behandeld.
Mediatheeknummer: A 132

Eén Kalf per Koe per Jaar (deel 2)

Een vervolg op de band A 95, deel 1,
waarbij de fertiliteit illustratief en uit-
voerig wordt behandeld. In dit deel ko-
men vooral de ziektekundige aspecten
aan de orde, zoals de retentio secundina-
mm, endometritis, pyometra, onregel-
matige bronst en \'repeat breeders\'. Ook
voor de veehouders een goede voorlich-
tingsfilm.

Mediatheeknummer: A 133

-ocr page 324-

Cofijfesseneficüfsüssen

Commercialisering van het Vrije Beroep;
waar liggen de grenzen?

Wat is bijvoorbeeld een notaris: een ondernemer die streeft naar winst en
groei of vooral iemand die als voouitgeschoven vertegenwoordiger van de
overheid transacties juridisch waterdicht bezegelt? En als die vraag al is te be-
antwoorden, waar liggen dan de grenzen van dat ondernemerschap? Aardige
vragen, actuele discussie. Zeker ook voor dierenartsen.

Als het aan de overheid of aan de
\'geest van de tijd\' ligt, mag alles wor-
den vercommercialiseerd. De markt
regeert, maar de overheid gebmikt
marktwerking ook om veel nieuwe re-
gels te introduceren. Iedereen en dus
ook de vrijeberoepsbeoefenaren, moet
de koude wind van de markt en die
nieuwe regels voelen. En het zal nog
wel even duren voordat die wind is
gaan liggen, want de discussie is aller-
minst uitgewoed. Er zijn nogal wat
vragen te beantwoorden. Wat is het on-
derscheid tussen onafhankelijkheid in
wezen en in schijn? Hoe ver moet en
mag commercialisering gaan? Wat is
de rol van de overheid en waar staan
ze, de advocaten, de dierenartsen, de
accountants en de andere vrijeberoe-
pers?

Daarover gaat het symposium van de
Raad voor het Vrije Beroep op dins-
dagmiddag 8 mei 2001 in de Nieuwe
Kerk in Den Haag. In elk geval spreekt
Hans de Boer, voorzitter van MKB-
Nederland. De rest van het programma
wordt later bekendgemaakt.

Meer informatie: de Raad voor het
Vrije Beroep, e-mail: rvb@raadvoor-
hetvrijeberoep. nl.

ESVOT-congres met drie workshops in München

Op 5 en 6 oktober 2001 worden drie workshops georganiseerd door de
European Society of Veterinary Orthopaedics and Traumatology (ESVOT):
\'Hindlimb surgery for equine practitioners\', \'TPLO-technique for canine
cruciate rupture\' en \'Elbow dysplasia lectures and workshop\'. Deze work-
shops vinden plaats op de Faculteit Diergeneeskunde in München, Duitsland.

Veterinaire Praktijk
Beurs

In navolging van de organisatie van
vorig jaar organiseert de Diergenees-
kundige Studenten Kring dit jaar weer
de Veterinaire Praktijk Beurs. In een
iets andere opzet zullen verschillende
bedrijven en farmaceuten in stands
vooral de ouderejaars diergenees-
kunde informeren over alles wat een
beginnend dierenarts zoal moet weten.
Tevens zal deze dag een aantal niet ve-
terinaire, maar wel agrarische stands
aanwezig zijn om het tot een gezellig
geheel te maken.

Deze beurs zal plaatsvinden op woens-
dag 11 april 2001
in het Androclus-
gebouw van de Faculteit der Dier-
geneeskunde aan de Yalelaan 1. Het
programma ziet er als volgt uit:

• Opening om ±12.30 uur. Er zal de
gehele dag gelegenheid zijn bij de
stands rond te kijken.

• Om 13.30 uur een lezing over dier-
ziekten in de landbouwhuisdieren-
praktijk (onder voorbehoud).

• Om 15.15 uur de hoofdlezing: \'Het
voorkomen van probleemgedrag bij
honden en de rol van de dierenarts
daarbij\', door P. Beekman, gedrags-
therapeut. Deze lezing wordt aange-
boden door Waltham.

• Om 16.15 uur een lezing over \'pro-
blemen die je als beginnend dieren-
arts tegenkomt\', door recent afgestu-
deerde dierenartsen.

• Vanaf 17.00 uur wordt het pro-
gramma afgesloten met een uitge-
breide borrel, aangeboden door alle
deelnemers.

Tijdens de workshop \'Hindlimb sur-
gery for equine practitioners\'
worden
beeldvormende technieken, shock-
wave therapie, teno- en desmotomiën,
arthrodesis en neurectomiën bespro-
ken door dr. C. Riggs (Australië), O.
Lepage (Frankrijk) en M. Schramme
(Verenigd Koninkrijk) en door de
deelnemers (maximaal 40) geoefend.
Bij
\'TPLO-technique for canine cru-
ciate rupture\'
komen indicaties, chi-
mrgische planning en uitvoering aan
de orde en deze worden onder leiding
van dr. Slocum (Verenigde Staten) uit-
gevoerd. Resultaten en complicaties
worden besproken.

De derde workshop \'Elbow dysplasia \\
waarbij diagnose en therapie (conven-
tioneel, artroscopie, eventueel met os-
téotomie) worden besproken, vindt
plaats onder leiding van dr. Bardet
(Frankrijk), Houlton (Verenigd Ko-
ninkrijk), Hazewinkel (Nederland),
Matis (Duitsland) en Vezzoni (Italië).
Ook hier worden resultaten voor hond
en ras besproken.

Informatie en registratie: CSM con-
gress & seminar management, tele-
foon: 49 - 8142 - 570183, fax: 49 -
8142 - 54735, e-mail: info@csm-
congress.de. De deelname is beperkt.

Erratum

Per abuis is in het Tijdschrift voor
Diergeneeskunde van 15 maart
2001 op pagina 220 de tweede
formule niet juist weergegeven.
De goede formule moet zijn:

(Md-MQ)

dag = D
CVMq = S

dag= I

-ocr page 325-

Prof. dr. jan Hendrikse

Op 4,oktober 2000 overleed onze vriend
en collega Jan Hendrikse na een ziekte
van acht maanden in zijn woonhuis te
Kockengen.

Naar zijn gevoel nog kerngezond ging
hij met zijn vrouw Henja in maart 2000
nog vol verwachting met vakantie naar
Oostenrijk. Halfweg de vakantie kreeg
hij last van ademhalingsproblemen die
hem noodzaakten de vakantie onver-
wacht te beëindigen. Hij reed de terug-
weg nog grotendeels zelf In Nederland
aangekomen zond de dokter hem direct
door naar het ziekenhuis waar een ern-
stige hydrothorax werd geconstateerd.
Nadat het vocht was verwijderd, leerde
het nadere onderzoek dat een longtumor
de klachten veroorzaakte. De doktoren
deelden direct mede, dat herstel niet
meer mogelijk was.

Jan Hendrikse, geboren op 12 decem-
ber 1918 in Terneuzen was de zoon van
een ambtenaar bij Waterstaat. Zo woon-
de hij niet alleen in Terneuzen, maar
ook in IJmuiden en tenslotte in Vlis-
singen waar hij de HBS afliep. Na het
eindexamen ging hij in Utrecht dierge-
neeskunde studeren. Hij kwam aan in
1938. Hij werd lid van het Utrechts Stu-
denten Corps en later ook onder andere
van DIG. De studie begon in een onrus-
tige tijd in verband met de oorlogsdrei-
ging. Dit werd ernst toen in augustus
1939 de mobilisatie werd afgekondigd.
Veel veterinaire studenten, waaronder
Jan, werden onder de wapens geroepen.
Zij kn\'amen bij de Militair Veterinaire

In memoriam

-éi

Dienst en kregen een verkorte oplei-
ding. In november konden de meeste
studenten terugkeren naar de faculteit,
waar zij in militair verband hun studie
konden hervatten.

Ik OV) was in die tijd nog maar kort in
Middelburg gevestigd. In 1941 bereikte
mij via-via het verzoek of een student in
de diergeneeskunde uit Vlissingen eens
met mij mocht meerijden in de praktijk.
Dit bleek Jan Hendrikse te zijn en dit
was ook het begin van onze vriend-
schap. Ik reed in die tijd op een zware
motor en met Jan achterop hebben we in
de vakanties heel wat avonturen en bij-
zondere praktijkgevallen beleefd.
In het voorjaar van 1943 kwam de kwes-
tie van het tekenen van de beruchte loya-
liteitsverklaring aan de orde. Dit le-
verde voor veel studenten problemen
op. Wie niet tekende werd in Duitsland
te werk gesteld. Jan tekende niet en dook
onder. Eerst in Maastricht en vandaar
naar Twente, waar hij als assistent bij
verschillende dierenartsen heeft ge-
werkt. Hij heeft daar ook zijn latere
vrouw Do van Capelle ontmoet. In de ja-
ren na de oorlog ontmoette hij Do van
Capelle weer. die in Utrecht tandheel-
kimde studeerde. Dit resulteerde in een
huwelijk dat werd voltrokken op 28 de-
cember 1948. Uit dit huwelijk werden
tvi>ee zonen geboren.
Na de bevrijding keerde Jan terug naar
Utrecht en hervatte de studie. Hij stu-
deerde af in 1946 en kwam op 1 januari

1947 in dienst bij de Kliniek voor Ver-
loskunde onder de hoogleraar prof. dr.
F.C. van der Kaay, die in 1946 met de
runder-KI in Utrecht was begonnen,
mede omdat de eerste Utrechtse vereni-
ging binnen het buitenpraktijkgebied
was gevestigd. De samenwerking met de
Gezondheidsdienst voor Dieren sinds

1948 re.sulteerde in de oprichting van
het eerste stierenstation in 1953, dat on-
der de technische leiding van de facul-
teit kwam te staan.

Al vanaf het begin van zijn loopbaan
was Jan zeer met de ontwikkeling van de
KI verbonden geweest. Hij was niet al-
leen betrokken bij de Commissie Run-
der-Kl van het Landbouwschap, maar
ook bij de Commissies Varkens-Kl en
Paarden-KI. Hij bekleedde een advies-
functie bij de Kl-combinatie Bunnik-
Vleuten-Maartensdijk en maakte samen
met collega Van Dieten deel uit van de
automatiseringscommissie. Ook was hij
jaren adviseur van de Koninklijke Ver-
eniging \'Het Nederlands Trekpaard en
De Haflinger\' en niet in de laatste plaats
heeft hij vele jaren (van 1953 tot 1984!)
het Kl-station Bunnik begeleid.

Jan promoveerde op 12 mei 1960 bij
prof. dr. F. C. van der Kaay op het proef-
schrift \'Het bacteriegehalte van het
sperma van gezonde stieren\'.
Op 16 april 1964 werd hij benoemd tot
Lector en op 1 januari 1980 tot Gewoon
Hoogleraar met als leeropdracht de
Mannelijke Fertiliteit en de KI. Al met
al is Jan gedurende zeer veel jaren aan
de Universiteit gezichtsbepalend ge-
weest voor het onderwijs en de ontwik-
keling van de KI. Gedurende al die jaren
was de ook voor velen bekende me-
vrouw A.P. Best zijn rechterhand.
Als collega binnen de Vakgroep Verlos-
kunde Gynaecologie en KI hebben wij
Jan zeer leren waarderen. Hij heeft op
zeer deskundige en collegiale wijze het
voorzitterschap van de Vakgroep be-
kleed gedurende een voor de Vakgroep
niet eenvoudige periode in de jaren
tachtig.

In 1982 werd Do zeer onverwachts ge-
troffen door een hersenbloeding, waar-
aan ze, na enkele dagen in coma te heb-
ben gelegen, overleed. Jan bleef alleen
achter met zijn heide zonen.
In 1984 leerde Jan Henja van Waarden-
burg kennen: een kennismaking die la-
ter naar een huwelijk zou leiden. Zij
trouwden op 4 november 1988.
Op 4 mei 1984 nam Jan afscheid van
zijn werk en van de faculteit met een re-
ceptie in het hoofdgebouw van de facul-
teit. Verschillende sprekers voerden het
woord en veel medewerkers van de fa-
culteit kH\'amen Jan de hand schudden.
Daarna is Jan altijd geïnteresseerd ge-
bleven in het wel en wee van onze facul-
teit en de daar werkende oud-collega \'s
en hij genoot van de sociale contacten.
Tot vlak voor zijn overlijden was hij ac-
tief als .secretaris van onze Vereniging
van Oud Medewerkers van de faculteit.
Na hun huwelijk zijn Jan en Henja in
Kockengen gaan wonen. Zij woonden
daar zeer tot hun genoegen. Zij hebben
nog verschillende grote reizen gemaakt,
onder andere tweemaal naar Alaska,
een gebied dat ze per auto hebben door-
kruist

Op 9 oktober hebben velen Jan tijdens
de crematieplechtigheid de laatste eer
bewezen. Er werden diverse toespraken
gehouden door familie, vrienden en na-
mens de collega \'s.

Wij zijn Jan dankbaar en missen in hem
een zeer aimabel vriend en collega. Wij
wensen Henja en de verdere familie veel
kracht toe.

G. Wagenaar
G.C. van der Weijden

-ocr page 326-

Drukbezochte vergadering Groepen GR en GKZ

Dierenarts wil meer informatie over BSE

Utrecht, 20 februari 2001 - De dierenarts vindt ziclizelf onvoldoende geïnfor-
meerd over BSE, zo blijlit uit de inleiding van de voorzitter van de Groep
Geneeskunde van het Rund (GGR), Theo Lam, van een gemeenschappelijke
vergadering met de Groep Gezondheids- en Kwaliteitszorg (GKZ). Reden
waarom beide Groepen gezamenlijk besloten hebben, hun leden op korte ter-
mijn bijeen te roepen voor een voorlichtingsavond over deze ingewikkelde
ziekte, waarover recentelijk veel nieuwe feiten aan het licht gekomen zijn. De
samenwerking tussen deze beide Groepen mag dan uniek genoemd worden -
voorzitter van GKZ, Bert Urlings, herinnert zich geen eerder gezamenlijk ini-
tiatief - maar het voelt niettemin vertrouwd aan: zo\'n tweehonderd dieren-
artsen zijn vanavond aanwezig om \'de horloges gelijk te zetten\'. Uitgangspunt
is dat het in wezen niet veel verschil maakt waar de dierenarts zich bevindt in
de voedselproductieketen, iedereen heeft dezelfde professionele verantwoor-
delijkheid voor voedselveiligheid.

dienst voor Dieren, Afdeling Herkau-
wersgezondheidszorg. Zij maakt deel
uit van het specialistenteam dat na mel-
ding van een geval van BSE door een
practicus, het getroffen bedrijf bezoekt.
Alhoewel iedereen zich vanzelfspre-
kend heeft verdiept in de klinische ver-
schijnselen van BSE, is het goed dat
Van Wuijckhuise weer eens in de gele-
genheid is de bekende gevallen van kli-
nische BSE de revue te laten passeren.
Zij heeft ook videobeelden van BSE bij
een Zwitserse koe meegenomen.
Opvallend in het gehele beeld is dat de
neurologische verschijnselen (bijvoor-

De inleiding is zoals gezegd van Theo
Lam. Hij gaat in op de reden van de or-
ganisatie van deze avond: de dierenarts
voelt zich onvoldoende geïnfomeerd
over de maatregelen die in verband met
BSE worden getroffen, met alle daaraan
verbonden veterinaire, economische en
ethische afwegingen en twijfels met be-
trekking tot de effectiviteit. \'Voor het
ruimingsbeleid heb je draagvlak nodig.
Je kunt dat aan een veehouder alleen uit-
leggen als je zelf goed op de hoogte
bent\'.

De voorzitter van de GGR licht het
standpunt toe dat Bert Urlings en hij
hebben ingenomen naar aanleiding van
vragen van practici omtrent het totaal
mimen van een bedrijf na één geval van
BSE. Dit standpunt is reeds gepubli-
ceerd in het Tijdschrift naar aanleiding
van een ingezonden brief (zie
Tijdschrift voor Diergeneeskunde,
2001;I26 (4):113-4) Het standpunt
komt erop neer dat - veterinair-tech-
nisch én ethisch bezien - weliswaar le-
gitieme argumenten bestaan om beperkt
te mimen, maar dat gezien de \'witte
vlekken\' in het l&R-systeem en de on-
mogelijkheid om van een dergelijk be-
drijf nog vlees en melk af te zetten, in het
belang van volksgezondheid én van de
veehouder, toch begrip moet worden
opgebracht voor het totaal mimen van
een getroffen bedrijf \'Hopelijk kan dit
standpunt in de toekomst worden bijge-
steld,\' aldus Lam, maar hij plaatst me-
teen de kanttekening dat de maatregelen
voorlopig alleen maar strenger worden,
gezien de onbekende factoren in de ver-
spreiding van de ziekte en de wenselijk-
heid van harmonisatie van de regelge-
ving in Europa.

Lam besluit zijn inleiding met de oproep
aan de overheid, de practicus serieus te
nemen: \'Wij hebben de plicht BSE te
onderkennen en te melden - dat doen we
ook, de alertheid is toegenomen met het
aantal gemelde gevallen - dus wij heb-
ben recht op informatie\'.

\'Alarmbellen voorde practicus\'

Het woord is daama aan Linda van
Wuijckhuise, specialist mndergezond-
heid en werkzaam bij de Gezondheids-

Door Sophie Deleu

beeld overexcitatie, ataxie en dwangge-
dragingcn), die men inmiddels zo goed
kent, lang niet altijd de verschijnselen
zijn die de practicus op het spoor van
BSE moeten brengen. \'Alarmbellen\' -
zoals Van Wuijckhuise ze noemt - moe-
ten zijn: dikke gewrichten, vallen in de
melkstal, vastliggen in de ligbox en der-
gelijke. Niet bepaald verschijnselen die
direct aan BSE doen denken.
Belangrijk is dat de verschijnselen van
BSE niet van de ene op de andere dag
ontstaan. Het eerste klinische verschijn-
sel is een verandering in gedrag. \'Een
bazige koe wordt schuw, of een schuwe
koe wordt juist bazig\', licht Van
Wuijckhuise toe. Het is goed om op dit
soort verschijnselen gespitst te zijn -
want vaak zijn ze niet heel duidelijk - en
er actief naar te vragen indien u een lig-
gende koe aantreft. In dit verband is het
ook goed om te weten dat de neurologi-
sche verschijnselen - éls ze opgemerkt
worden - ook weer veranderen naar-
mate de ziekte voortschrijdt. \'U kunt
dus worden geconfronteerd met een
apathische, liggende koe met één of
meer dikke gewrichten\'.

-ocr page 327-

Van Wuijkhuise complimenteert om
voor de hand liggende redenen de prac-
ticus die het eerste geval in Wilp heeft
onderkend en gemeld. Toen was er im-
mers nog veel minder bekend over het
ziektebeeld. Maar ook nu is het klini-
sche beeld divers. Ze besluit haar uiteen-
zetting dan ook met een oproep om bij
de geringste twijfel te melden.
Meer informatie over de kliniek van
BSE is te vinden in een wetenschappe-
lijke bijdrage van Van Wuijckhuise, die
in één van de komende afleveringen van
het Tijdschrift voor Diergeneeskunde
zal worden geplaatst.

Diagnostische testen

De volgende spreker is Fred van
Zijderveld, specialist veterinaire micro-
biologie en onderzoeksleider TSE\'s en
mycobacteriën van ID-Lelystad. Hij be-
handelt de verschillende testen die mo-
menteel worden ingezet in de diagnos-
tiek van BSE. Zoals bekend wordt thans
elk mnd dat ter slacht wordt aangeboden
en dat ouder is dan 30 maanden, onder-
worpen aan een \'snelle test\'. Er zijn mo-
menteel drie snelle testen beschikbaar;
het ID maakt gebmik van de prionics-
test op de hersenstam, één van de drie
testen die zijn voorgeschreven door de
Europese Unie. Deze test duur acht tot
negen uur. Hoe deze in zijn werk gaat,
kunt u tevens lezen in één van de vol-
gende afleveringen van het Tijdschrift
voor Diergeneeskunde, waarin een uit-
gebreide fotoserie van de gang van za-
ken is opgenomen. Naast de snelle test is
er nog de \'gouden standaard\'; de lang-
zame, histologische test in combinatie
met de immunohistochemische test.

Wnm^

Van Zijderveld licht voorts toe welke
dieren nog meer worden getest: vanzelf-
sprekend de dieren met klinische ver-
schijnselen en de dieren die gemimd
worden met de \'gouden standaard\' en
een steekproef van de dieren die ter des-
tmctie worden aangeboden (dieren ou-
der dan dertig maanden, dat wil zeggen
in het bezit van vier snijtanden, want we
hebben bij de destmctor tot op heden
nog niet de beschikking gehad over de
l&R-gegevens). Op zeer korte termijn
worden alle dieren die ter destmctie
worden aangeboden - die overigens
voor de duidelijkheid niet in de con-
sumptieketen terechtkomen - en die ou-
der zijn dan dertig maanden, getest.
De gehele diagnostiek van BSE maakt
indmk op de aanwezigen. Het is erg veel
werk, maar het is bijzonder belangrijk
dat op deze manier zieke dieren met de
meeste infectieusiteit niet in het con-
sumptiecircuit terechtkomen. En dat er
in Nederland geen dieren \'voor de ze-
kerheid\' moeten worden gemimd, om-
wille van onvoldoende testcapacteit.

BSEenvCJD

Bert Urlings, specialist veterinaire
volksgezondheid en coördinator voed-
selveiligheid bij ID-Lelystad, beschrijft
de ziekte BSE en de relatie met de va-
riant van de ziekte van Creutzfeldt-
Jacob (vCJD) bij de mens. Alhoewel
niet bewezen met het trias van Koch,
neemt de wetenschap thans aan dat de
oorsprong van de vCJD toch in BSE ge-
legen is. De oorzakelijke prionen lijken
erg op elkaar, klinische en histopatholo-
gische beelden van BSE en vCJD bij
transgene muizen zijn identiek en ook
epidemiologische argumenten wijzen
op een \'sprong\' van BSE naar vCJD.
Voor een oorzakelijk verband tussen
scrapie (TSE bij schapen) en vCJD
daarentegen zijn geen argumenten ge-
vonden, ondanks de hoge scrapiebe-
smetting bij schapen in Engeland.
Alhoewel de genoemde TSE\'s veel op
elkaar lijken bij de verschillende dier-
soorten, zijn er toch opmerkelijke ver-
schillen in de manier waarop de prionen
zich in het lichaam gedragen. Zo ver-
spreiden de scrapieprionen zich in het
schaap via de zenuwen (neuronale ver-
spreidingsroute) en via de lymfebanen
(lymforeticulaire route). De prionen
zijn derhalve niet alleen in de hersenen,
het mggenmerg en de dorsale ganglia te
vinden, maar ook in bepaalde lymfati-
sche organen, zoals de milt en de tonsil-
len. Ten aanzien van BSE-prionen is tot
op heden alleen aangetoond dat ze zich
alleen verspreiden in het mnd via de
neuronale route en BSE is dus nog niet
aangetoond in tonsillen en milt van mn-
deren. Hoe de vCJD-prionen zich ver-
spreiden in de mens is nog niet bekend,
andere TSE\'s bij de mens verspreiden
zich ook via de lymfebanen (bijvoor-

-ocr page 328-

beeld Kuru). Alhoewel in lymfatisch
weefsel bij mnderen nog niet direct
BSE is aangetoond, wordt uit voorzorg
een deel van deze organen verwijderd.
In de darmpakketten lopen de zenu-
wuitlopers ver door in de Peyerse
Plaques, dit is de reden waarom deze als
SRM moeten worden beschouwd.
Urlings laat tamelijk schokkende plaat-
jes zien van het voorkomen van BSE en
vCJD in Groot-Brittannië en Europa.
Schokkend omdat duidelijk blijkt dat
onbekend is in welk stadium de epide-
mie zich bevindt. Hebben wij te maken
met een beperkt aantal gevallen van
vCJD of met het \'topje van de ijsberg\'.
Er bestaat theoretisch een mogelijkheid
dat wij nog maar aan het prille begin
staan van de curve, en dat het aantal ge-
vallen nog exponentieel gaat stijgen.
Een ander frappant aspect van vCJD is
dat er - evenals bij scrapie bij schapen -
een erfelijke gevoeligheid bij mensen
lijkt te bestaan voor de ontwikkeling
van de ziekte. Thans bekende gevallen
komen zonder uitzondering voor bij
mensen die homozygoot zijn voor een
bepaalde mutatie. 37% van de Britse
bevolking bezit deze gevoeligheid (ho-
mozygoot). Niet duidelijk is of het niet
bezitten van deze mutatie (hetero- of
homozygoot) bescherming biedt tegen
vCJD. Gevreesd wordt dat besmetting
van heterozygoten in elk geval alleen
maar kunnen rekenen op een langere in-
cubatietijd (evenals bij Kum). Of ho-
mozygoten resistent zijn, moet worden
afgewacht.

Al met al een groot aantal onbekende
factoren in het ontstaan en de versprei-
ding van deze ziekte. Urlings waar-
schuwt de aanwezigen voor een al te
optimistische kijk: \'We hebben de be-
smettingsdmk veel te lang onderschat,
vooral in omringende Europese landen.
En er komen steeds meer verontms-
tende feiten aan het licht.\' Hij roept de
practici in de zaal dan ook op, heel alert
te zijn op verschijnselen van BSE in het
veld. \'Tot op heden is gebleken dat de
eerste verdedigingslinie - de praktijk -
in Nederland betrekkelijk goed functio-
neert, maar in Europa kijkt men met ar-
gusogen naar u. Het is van verschrikke-
lijk groot belang dat u aantoont, dat we
de ziekte in Nederland goed onder con-
trole hebben.\'

Beleid en regelgeving

Chief Veterinary Officer Frits Pluimers
- de hoogste veterinaire ambtenaar van
Nederiand - haakt in op de vorige spre-
ker. Hij doet de vele regels uit de doeken
die sinds het uitbreken van BSE zijn af-
gekondigd in Nederland. De lijst is in-
dmkwekkend, zo blijkt ook uit de re-
cente publicatie ervan in het Tijdschrift
voor Diergeneeskunde.
Pluimers gaat tevens in op de brief van
de heer Koopstra, directeur Veterinaire,
Voedings- en Milieuaangelegenheden
van het ministerie van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij (VVM, LNV),
gericht aan de KNMvD, inzake het mel-
den van gevallen van BSE in de praktijk.
Koopstra spreekt in deze brief zijn zorg
uit aangaande het vroegtijdig signaleren
van BSE door de Nederiandse practici.
Het feit dat thans alle mnderen ouder
dan dertig maanden allemaal getest
worden, mag geen aanleiding zijn voor
het verslappen van de aandacht van de
practici. Nu is gelukkig geen sprake van
een afname van het aantal meldingen,
integendeel. Nu er meer gevallen wor-
den gemeld, en er meer bekend is over
de diagnostiek en de epidemiologie,
stijgt juist het aantal meldingen door
practici. Pluimers benadmkt nog eens
het belang van de \'eerste verdedigingsli-
nie\': \'U moet de brief maar zien als een
hartenkreet van het ministerie om toch
vooral gezamenlijk de schouders eron-
der te zetten. De ziekte BSE en de moge-
lijke relatie met vCJD baart ons nu een-
maal grote zorgen.\'

Verder verdedigt Pluimers nogmaals
het mimingsbeleid van het ministerie.
Met name de miming van het gehele
veehouderijbedrijf naar aanleiding van
één koe met BSE vormt daarin het \'hete
hangijzer\'. Hij legt uit dat de minister
zich genoodzaakt ziet, geen enkel risico
te nemen met betrekking tot de moge-
lijke verspreiding van BSE. Voorals-
nog is geen versoepeling van de maatre-
gelen te verwachten, integendeel. Het
aantal onbekende factoren in de over-
dracht van de ziekte, de emst van de
ziekte vCJD en de beperkingen van het
alternatief - gedeeltelijk mimen - no-
pen tot impopulaire maatregelen. Hij
vraagt het begrip van de Nederlandse
dierenartsen. Verder belooft hij beter-
schap met betrekking tot de informatie-
voorziening: \'U draagt een grote ver-
antwoordelijkheid voor de volksge-
zondheid, ik ben blij met de gelegen-
heid om dat nog eens te benadmkken.\'

Laatste woord

Bert Urlings als voorzitter van GKZ
sluit de avond af Hij is blij met de grote
opkomst en met de prettige samenwer-
king tussen GGR en GKZ. \'Volgens
mij is het de eerste keer dat wij samen
zoiets ondememen, hopelijk volgen er
meer van dit soort initiatieven.\'
Dat het laatste woord over BSE en
vCJD nog niet gezegd is, behoeft geen
uitleg. Bepaalde aspecten van deze
ziekten zijn alarmerend te noemen. Het
is echter hoopgevend dat steeds meer
bekend wordt, met name ten aanzien
van de diagnostiek.

Voor meer informatie over BSE l<imt ii
(onder meer) de BSE-internetsite van
het ID-Lelystad raadplegen. Hier
wordt de ziekte, alsmede de mogelijke
relaties met andere TSE\'s zeer diep-
gaand belicht. U kunt deze internetsite
bereiken via de website van de KNMvD
-
www.knmvd.nl - onder de knop \'actu-
eel \' en vervolgens \'links website\'.

-ocr page 329-

Secundaire arbeidsvoorwaarden

Het Discussieplatform heeft zich het
afgelopen jaar met name beziggehou-
den met de huidige secundaire arbeids-
voorwaarden voor dierenartsen, die als
medewerker in een praktijk in loon-
dienst werkzaam zijn. Hieronder val-
len de adviezen die gegeven worden
op het gebied van vakantiedagen, bij-
zonder verlof, vergoedingen, etcetera.
Na bestudering van de tot nu gebruike-
lijke arbeidsvoorwaarden heeft het
Discussieplatfomi geconcludeerd dat
deze op een aantal punten uitgebreid
en verbeterd zouden moeten worden.
Tot nu toe zijn de adviezen van de
KNMvD inzake kostenvergoedingen
door de werkgever beperkt. Deze be-
treffen alleen vergoeding van:

• reiskosten woon-werkverkeer (reis-
kostenforfait);

• vergoeding zakelijk gereden kilo-
meters;

• vergoeding van gemaakte telefoon-
kosten ten behoeve van de praktijk;

• nascholingskosten.

Het Discussieplatform heeft voorge-
steld deze kostenvergoedingen uit te
breiden met:

• een tegemoetkoming in de kosten
van een particuliere ziektekosten-
verzekering;

• een verhuiskostenregeling.
Verder heeft het Discussieplatform
voorgesteld het vrijblijvende karakter
van de nascholingskostenregeling te
beperken door opname van een nieuw
artikel in de model arbeidsovereen-
komst, zoals die door de KNMvD
wordt uitgegeven.

Hoofdbestuur akkoord met advies

Het Hoofdbestuur is volledig akkoord
gegaan met de voorstellen van het
Discussieplatform. Hieronder treft u
een beschrijving aan van de nieuwe
adviezen plus een toelichting.

Tegemoetkoming particuliere ziektekos-
tenverzekering

\'De werkgever verstrekt een vergoeding
aan de medewerker ter dekking van de
premie van een door de medewerker
zelf afgesloten ziektekostenverzeke-
ring. Deze vergoeding bedraagt 50%
van de premie, tot een maximum van
50% van de standaardpakketpolis inclu-
sief de wettelijke bijdragen.\'
Wanneer een medewerker verplicht ver-
zekerd is voor het ziekenfonds, wordt de
premie van de ziekenfondsverzekering
betaald door werkgever en medewerker
gezamenlijk (voor 2001 bedraagt de
premie voor de werknemer 1,7% en
voor de werkgever 6,25%). Wanneer
een medewerker in verband met het pas-
seren van de loongrens niet langer zie-
kenfondsverzekerd is, dient hij of zij
zelf zorg te dragen voor een particuliere
ziektekostenverzekering. Het is gebmi-
kelijk dat de werkgever een tegemoet-
koming in deze kosten verstrekt. Tot nu
toe was dit niet geregeld voor dierenart-
sen-medewerkers in de praktijk.
De vergoeding blijft buiten de heffing
van premies werknemersverzekerin-
gen; voor de heffing van loonbelas-
ting/premies volksverzekeringen dient
de vergoeding wel als loon te worden
aangemerkt. De premie voor de stan-
daardpakketpolis wordt jaarlijks door
de overheid aangegeven. Voor het jaar
2001 bedraagt deze voor een verze-
kerde beneden 65 jaar / 333,40 per
maand (dit is inclusief de wettelijke
bijdragen ad ƒ 57,30 per maand).

In zijn vergadering van 3 januari 2001 besprak liet Hoofdbestuur een advies
van liet Discussieplatform Arbeidsvoorwaarden.

Dit Discussieplatform is een permanente overlegstructuur, waarin dierenart-
sen-medewerkers en dierenartsen-werkgevers met elkaar van gedachten wis-
selen over arbeidsvoorwaarden en salariëring voor dierenartsen in loondienst
in de praktijk. Het Discussieplatform is een adviescommissie van het
Hoofdbestuur en bestaat uit twee vertegenwoordigers namens de dierenart-
sen-medewerkers, twee vertegenwoordigers namens de dierenartsen-werkge-
vers (één namens de Groep Geneeskunde Gezelschapsdieren en één namens
de Groep Practici Grote Huisdieren), een lid van het Hoofdbestuur en een
stafmedewerker van het bureau.

Hoofdbestuur akkoord met advies
Discussieplatform Arbeidsvoorwaarden

Verhuiskostenregeling
\'Wanneer de medewerker in verband
met zijn of haar dienstbetrekking op ver-
zoek van de werkgever verhuist naar
een woonplaats die dichter bij de prak-
tijk ligt dan zijn of haar oorspronkelijke
woonplaats, vergoedt de werkgever de
daadwerkelijke transportkosten van de
inboedel, tot een maximum van
ƒ 3.000,-. Wanneer de medewerker bin-
nen één jaar na de verhuizing op eigen
verzoek de dienstbetrekking verlaat, zal
de medewerker 50% van de vergoeding
restitueren. Werkgever en medewerker
leggen de afspraak vast in de
\'Verhuiskostenregeling\' die als bijlage
bij de model arbeidsovereenkomst van
de KNMvD is opgenomen.\'
De werkgever kan deze vergoeding ge-
heel belastingvrij verstrekken wanneer
sprake is van een zakelijke verhuizing.
Dit is het geval wanneer:

• binnen twee jaar na aanvaarding van
een nieuwe dienstbetrekking of na
overplaatsing de werknemer verhuist
naar een andere woning gelegen op
niet meer dan tien kilometer van de
nieuwe werkplek;

• de werknemer zijn reisafstand met
tenminste 50% en tevens met ten-
minste tien kilometer door de verhui-
zing bekort.

Nascholingskostenregeling
Sinds 1996 adviseert de KNMvD die-
renartsen-werkgevers en dierenartsen-
medewerkers gebmik te maken van de
nascholingskostenregeling.
In de praktijk blijkt echter dat hiervan
weinig gebmik wordt gemaakt - on-
danks het feit dat de kosten van scholing
door middel van een zeer gunstige rege-
ling fiscaal aftrekbaar zijn. Gelet op het
feit dat kwaliteit en permanente educa-
tie bij dierenartsen hoog in het vaandel
staan, wordt het vrijblijvende karakter
van het
advies inzake nascholingskos-
tenregeling gewijzigd en wordt nascho-
ling conform de regeling opgenomen in
de model arbeidsovereenkomst. De
tekst van het nieuwe artikel luidt: \'De
medewerker neemt deel aan nascholing
in het kader van PAO-Diergenees-
kunde. Werkgever en medewerker ver-
plichten zich gebmik te maken van de
Nascholingskostenregeling van de

-ocr page 330-

KNMvD en leggen hun afspraken vast
in de bij de Nascholingskostenregeling
behorende Overeenkomst.\'

Aanbeveling Hoofdbestuur
De hierboven beschreven nieuwe advie-
zen omtrent kostenvergoedingen en na-
scholing worden niet automatisch van
kracht op bestaande arbeidsovereen-
komsten tussen dierenartsen-werkge-
vers en dierenartsen-werknemers. Het
betreft immers een aanvulling op de al
overeengekomen arbeidsvoorwaarden.
Het Hoofdbestuur adviseert dierenart-
sen-werkgevers echter om deze wel met
ingang van het jaar 2001 toe te passen.
Goede arbeidsvoorwaarden en goede
arbeidsomstandigheden vormen im-
mers de basis van een optimaal werkkli-
maat voor alle betrokkenen in de dieren-
artsenpraktijk.

In de model arbeidsovereenkomst van
de KNMvD zijn de nieuwe adviezen in-
middels opgenomen. Model arbeids-
overeenkomsten zijn te bestellen bij het
bureau van de KNMvD. Bij voorkeur
via e-mail: a.d.reuver@knmvd.nl of
schriftelijk via faxnummer 030 -
2511787.

drs. M.C. van Oostnmi-Schuurman
Hess, stafmedewerker KNMvD

Doe uw voordeel met...

informatiefolders die u in uw hoeda-
nigheid van dierenarts-werkgever,
dierenarts-werknemer of zelfstandig
ondememer van pas kunnen komen.
Wij noemen bijvoorbeeld de folders:

• Zwangerschap, bevalling en ouder-
schapsverlof;

• De Wet arbeidsongeschiktheidsver-
zekering zelfstandigen (WAZ);

• WAZ-bevallingsuitkering zelfstan-
digen.

Deze folders worden uitgegeven door
Cadans en kunnen middels de website
van Cadans: www.cadans.nl, onder
\'Bibliotheek\' direct besteld worden.
De folders kunnen desgewenst ook
worden aangevraagd bij het bureau
van de KNMvD, per fax 030 -
2511787 ter attentie van mevrouw A.
de Reuver-van Zijl of per e-mail
(a.d.reuver@knmvd.nl).

Gevolgen van teveel geluid

Recent zijn twee folders verschenen
die voor dierenartsen in de landbouw-
huisdierenpraktijk van bijzonder be-
lang kunnen zijn:

• Schadelijk geluid op het werk (voor
werkgevers);

• Lawaai is geen gehoor! (voor werk-
nemers).

Deze folders gaan in op de vaak onder-
schatte gevolgen van teveel geluid en
kunnen worden aangevraagd bij de in-
fomiatielijn van het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
telefoon 0800 - 9051 of via de bestel-
fax: 070 - 3336655. De folders kunnen
ook worden aangevraagd op het bu-
reau van de KNMvD op de hierboven
beschreven wijze.

Wegwijzer voor de werkgever

Verder attenderen wij u gaarne op de
\'Wegwijzer voor de werkgever 2001\'.
De Wegwijzer is bestemd voor alle
werkgevers in Nederland en geeft in-
formatie over een groot aantal onder-
werpen uit de sociale zekerheid (ver-
zekeringsplicht, premies, ziekte en
arbeidsongeschiktheid, etcetera). De
Wegwijzer kan besteld worden bij het
Landelijk Instituut Sociale Ver-
zekeringen, telefoon: 020 - 6872500 of
per e-mail bij postoffice@lisv.nl onder
vermelding van Wegwijzer voor de
werkgever. Ook bij het bureau van de
KNMvD zijn exemplaren beschikbaar.
De Wegwijzer is tevens te vinden op
intemet: www.wegwijzer.org of
www.lisv.nl.

drs. M.C. van Oostrum-
Schuurman Hess,
stafmedewerker KNMvD

Formularium varken 2001

Binnen de Werkgroep Veterinair
Antibioticumbeleid is afgesproken dat
de formularia elke twee jaar in revisie
gaan. Op 6 september vorig jaar heeft
de Formulariumcommissie Varken
vergaderd over de aanpassing van het
Formularium Varken, waama een uit-
gebreide discussie via het intemet
heeft plaatsgevonden. De belangrijk-
ste wijziging die is aangebracht betreft
een \'up to date\' overzicht van de resis-
tentie van de belangrijkste varkenspa-
thogenen (waarvoor dank aan de Ge-
zondheidsdienst voor Dieren). Daar-
naast zijn enkele wijzigingen aange-
bracht in de keuzevolgorde bij enkele
indicaties. Uiteraard is gecontroleerd
of voor de voorkeurskeuzen een werk-
zame stof geregistreerd was, hetgeen
nogal wat zoekwerk teweeg bracht.
Uiteindelijk is het allemaal gelukt en
kijkt de Formulariumcommissie Vark-
en met plezier naar het resultaat: For-
mularium Varken 2001.

U kunt het Formularium Varken 2001
vinden op de website van de KNMvD:
www.knmvd.nl (via KNMvD, Prak-
tijkvoering vindt u een overzicht van
de formularia). Diegenen die (nog)
niet zijn aangesloten op het intemet
kunnen contact opnemen met de
KNMvD, de heer A. van der Wijst
(030-2510111).

Formulariumcommissie Varken,
Jan Vernooij, voorzitter.

-ocr page 331-

Dat de jonge dierenartsen in Brabant
(en omstreken) nog weten wat een
weeksluitingsborrel is, behoeft sinds
vrijdag 26 januari geen betoog meer.
De opkomst bij de Brabantse Nieuwen
WSB op locatie was boven verwach-
ting hoog. Rens van Dobbenburgh en
Margot Kampert hadden aan de ruim 50
collegae een geïnteresseerd en kritisch
publiek en de geanimeerde discussie
die volgde kon zonder problemen in
goede banen worden geleid door de
voorzitter van de Afdeling Noord-
Brabant, Gerrit Bronsvoort. Rens ging
op zijn eigen enthousiaste manier in op
het belang van beroepsintegriteit, de
ontwikkeling van praktijken in de rich-
ting van kwaliteits- of bulkbedrijven en
enkele nieuwtjes uit de landbouwpoli-
tiek. Margot maakte mensen - soms
pijnlijk - bewust van de goodwill-pro-
blematiek bij associatie en overname
van een praktijk. Deze verhalen uit de
praktijk leverden een aardig discussie
op die tot in de kleine uurtjes werd
voortgezet aan de bar. Met het oog op
het lustrum van de Afdelingen Noord-
Brabant en Limburg in het najaar (20
oktober) is het de bedoeling het initia-
tief van de Brabantse Nieuwen warm te
blijven houden en het vuurtje nog twee-
maal aan te wakkeren. We houden ie-
dereen op de hoogte!

Maico Boumans, Margot Labberté,
Paul van Hooydonk, Marleen Oomen

Brabantse Nieuwen

Werkgroep Geneeskunde Vleeskalveren opgericht

Ongeveer veertig dierenartsen woonden
de oprichting bij. Dr. Th. Wensing hield
een presentatie, alsmede enkele kandi-
daatbestuursleden. Na twee uur verga-
deren werd de Werkgroep opgericht en
het bestuur benoemd. In de DSK-kamer
werd vervolgens het glas geheven op de
toekomst van de WGV.

Doel

De WGV is opgericht met het doel:

• Kennis te vergaren en te verspreiden
over vleeskalveren;

• Te komen tot \'erkende vleeskalver-
dierenartsen\';

• Gesprekspartner te zijn voor de vlees-

kalverindustrie;
• Protocollen uit te geven voor dieren-
artsen en begeleiders, werkzaam in
deze sector.

Kennis

Dierenartsen kunnen voor het behou-
den van de erkenning 20 studiepunten
verkrijgen voor het bijwonen van in-
tervisiegroepen en PAO-D.
De intervisiegroep Zuid bestaat al
(F.J.A.G. Verstraelen, Horst) en de in-
tervisiegroep Noord is in oprichting
(H. van Ark, Emst). Geïnteresseerden
dienen zich zo snel mogelijk aan te
melden.

Op 1 februari 2001 is dan eindelijk de Werkgroep Geneeskunde Vlees-
kalveren (WC V) - onder de vlag van de KNMvD - opgericht. De plechtige op-
richting vond plaats in het hart van veterinair Nederland: de Faculteit der
Diergeneeskunde te Utrecht.

Het PAO-programma van 24 april
heeft vooralsnog een brede opzet. De
onderwerpen zullen in de toekomst
uitgediept worden.

Wie, wat en hoe?

De volgende algemene ledenvergade-
ring van de WGV zal worden gehou-
den op 20 juni 2001 in De Cantharel
te Ughelen.

Opmerkingen en suggesties kunnen
gedaan worden aan het adres van het
secretariaat van de WGV: E. van der
Velden - secretaris, fax (0413)
368108 of e-mail eric.vandervelden
(gwxs.nl. De contributie bedraagt
ƒ 100,- per jaar (bankrekeningnum-
mer 34 11 11 872 WGV te Lienden).
Leden van de WGV dienen lid te zijn
van de Groep Geneeskunde van het
Rund.

Personalia

Voor het lidmaatschap van de Koninklijke
Nederlandse Maatschappij voor Diergenees-
kunde hebben de volgende collegae zich aan-
gemeld:

Burgt, M.P. van der
Geurts, Mevr. V.E.M.
Griend, B. van de
Kampen, F.Y.
Kaemingk, Mevr. J.G.
Polman, G.J.
Pool, S.N.

Quant, Mevr. D.M.H.
Staal, T.A.J.
Westerbeek, F.R.
Zeegers, Mevr. J.

Als kandidaatlid van de Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde heeft het
Hoofdbestuur aangenomen:

Assy, A.

Gog, Mevr. K. van
Hermans, Mevr. M.M.
Jassies, R.A.
Kok, Mevr. J.M.B.
Koppen, Mevr. A.S.
Kuiper, Mevr. D.
Oude Lansink, Mevr. J.C.
Pinckers, Mevr. l.E.M.A.
Weemaes, M.W.A.

Jubilea

2 april, W. Schuurman te Lichtenvoorde, aanwe-
zig, 30 jaar

2 april, N.H. Lieben te Utrecht, afwezig, 30 jaar
2 april, J. Th. Goverts te Vinkeveen, afwezig, 30
jaar

2 april, H. Moser te Oss, aanwezig, 30 jaar
2 april. Prof Dr. G.C. van der Weijden te \'t Goy,
afwezig, 30jaar

2 april, K. van Muiswinkel te Emmeloord, aan-
wezig, 30jaar

2 april, P.J. van der Werf te Bathmen, afwezig,
30jaar

7 april, H.J.F. Rouwette te Oostrum (L), afwe-
zig, 25 jaar

9 april. Mevr. Drs. T.A.L.Schrama-Mettrop te
Maurik, aanwezig, 25 jaar
9 april, H. Vaarkamp te Vessem, afwezig, 25 jaar

-ocr page 332-

9 april, R. van der Linde te Nistelrode, onbe-
kend, 25 jaar

9 april. Dr. R.H. Dwinger te Amsterdam, aanwe-
zig, 25 jaar

9 april. Dr. A.P.M.G. Bertens te Amhem, afwe-
zig, 25 jaar

9 april, G. Meijer te Vorstenbosch, aanwezig, 25
jaar

9 april, P.W.1. Verweij te Gorinchem, afwezig,
25 jaar

19 april. Dj.P. Teenstra te Rotterdam, afwezig,
35 jaar

20 april, T. Nauta te Woudenberg, afwezig, 40
jaar

20 april. Prof Dr. J.M.V.M. Mouwen te
Bilthoven, afwezig, 40 jaar

28 april, C.L. van Limborgh te Baam, afwezig
45 jaar

29 april, J. Braamskamp te Amersfoort, afwezig,

30 jaar

29 april, H.J. Buunk te Twello, afwezig, 30 jaar
29 april, T. de Ruijter te Mook, afwezig, 30 jaar
29 april, C. Willenborg te Cuijk, aanwezig, 30 jaar

Mutaties:

Abee, M.J.; 1997; 6031 GP Nederweert;
Tichelveld 36; tel. privé: 0495-460608; fax privé:
0495-460608;
E-mail privé: menli.abce^ het-
net.nl; technical manager ruminants bij
Intervet Int.; tel. bur.: 0485-587223; fax bur. :
0485-587643 ; E-mail bur. : michel.abeefa^in-
tcrvet.com.

Bakker, Mevr. F.J.; 1998; 6 Bellshiel; TDl 1
3JA Duns, Berwickshire Verenigd Koninkrijk;
tel. privé: 0044-1890260723; E-mail privé: fran-
cis@bosintemet.com;
wnd.d.

Bergevoet, R.H.M.; 1986; 5374 LC Schaijk;
Grootgaalseweg
2; tel. privé: 0486-463958; E-
mail privé: rbergevoCa planet.nl; vet. & techn.
adviseur bij Interact Agrimanagement BV.

Bos, J.H.; 1985; 3911 AV Rhenen;
Grebbeweg 109; tel. privé: 0317-621560; fax
privé: 0317-621165; E-mail privé: bos.ho-
gema{5 hetnet.nl
; d. bij Ouwehands Dierenpark
; tel. bur.: 0317-650200; fax bur.: 0317-613727;
d. bij ZooMed;
tel. bur.: 0317-621560.

Coppoolse, K..J.; 1984; 7451 LW Holten;
Oosterveldsweg
2; tel. privé; 0548-363391; fax
privé: 0548-368328; E-mail privé: vonder-
schotten(a hetnet.nl; p., geass. met J.A.Z.
Kraai; tel. prakt.: 0548-362004; fax prakt.:
0548-362058.

Dijkhuizen, Mevr. T.J.; 1996; 7271 VZ
Borculo; Geesterse Binnenweg 34; tel. privé:
0545-274955; E-mail privé: remco.ina@ra-
ketnet.nl; p., medew. bij J. de Boer, M.J.W.
Bussink, L. de Haan, L. Karens, S.A.A. van
Kessel en H.J.B.J. Nales; tel. prakt.: 0545-
481297; fax prakt.: 0545-291345.

Dill, Mevr. B.C.; Gent 1999; 4331 GG
Middelburg; Dam 55; tel. privé: 0118-634241;
tel. mobiel privé: 06-29344930;
E-mail privé:
bonnydill@planet.nl; p., medew. bij E.F.M.
van den Akker en M.J. de Bruijn; tel. prakt.:
0118-460860.

Dop, Mevr. P.Y.; 2000; 3572 XM Utrecht;
M.A. de Ruyterstraat 7 bis; tel. privé: 030-
2732742;
junior docent/assistent dierenarts bij
U.U., FD, afd. varkensgezondheidszorg; tel.
bur.: 030-2534078; E-mail bur.: p.dop@vet.
uu.nl.

Ekris, J.L. van; 1981; 5062 CT Oisterwijk;
Le Sage ten Broekstraat 12; tel. privé: 013-
5211057; fax privé: 013-5212459;
E-mail privé:
vanekris@yahoo.com;
wnd.d.; Practioner
R.V.V..

Geurts, Mevr. V.E.M.; 2000; 5801 TL
Venray; Sanshofstraat 17; tel. privé: 0478-
589066;
E-mail privé : floor57@zonnet.nl ; p.,
medew. bij H.J.M. Cornelis, J. Floor, J.W.P.
Heijmans, J.H. ten Hoopen, A.A.P. van
Montfoort; P.G.M. Morssinkhof, C.J.M.M.
schellens, J.P.M. Schijf, J.J.J.M. Settels, M.M.
Volwerk, C.J. van der Want en J.A.J.M.
Widlak; tel. prakt.: 0497-571275; fax prakt.:
0497-550220; E-mail prakt.: info(a dierenkli-
niekdekempen.nl.

Haan, S. de; 1948; 772ICW Dalfsen;
Pastoriestraat 2 E; tel. privé: 0529-431221 ; r.d..

Hanssen, Mevr. A.M.W.M.; 1983; 6361
EW Nuth; Voorsterstraat 80; tel. privé: 045-
5245786; E-mail privé: a.m.w.mhanssen@free-
ler.nl;
docent A.O.C. Limburg; tel. bur.: 045-
5721000; fax bur.: 045-5729615; E-mail bur.:
a.hanssen@doc.aoc-limburg.nl.

Hertog, E. den; 1995; 3931 WS Wouden-
berg; Eendenkroos 2; tel. privé: 033-2864797;
p., medew. bij B.E. Sjollema; tel. prakt.: 020-
6920936; fax prakt.: 020-6937095; E-mail
prakt.: dierenarts.internist@worldmail.nl.

Horstink, Mevr. M.A.; 1997; 7101 BL
Winterswijk; Morgenzonweg 36
A; tel. privé:
0543-522152; p., medew. bij J
.A. Huisinga,
R.W.M. Ikink,
A. ter Keurs, D.J. Ubbels en
A.W.A.J. Vermeulen; tel. prakt.: 0543-512124;
fax prakt.: 0543-520625.

*Jong, R. de; 2000; 8701 GN Bolsward;
De Mieden 25; p., medew. bij S. Swierstra en
W. Swierstra; tel. prakt.: 0515-573062; fax
prakt.: 0515-580286; E-mail prakt.: equi-
tec@worldaccess.nl.

Kampman, G.; 1999; 2665 AP Bleiswijk;
Piet Heinstraat 7; tel. privé: 010-5223416; E-
mail privé: gkampman@hotmail.com; p.,
medew. bij G. Meursing; tel. prakt.: 079-
3425487; fax prakt.: 079-3425741.

Kikkers, B.H.; 2000; 8081 HR EIburg;
Hellenbeekstraat 77;
tel. privé: 0525-661940; E-
mail privé: harcokikkers@hotmail.com; p., me-
dew. bij G.M.A. van Helden; tel. prakt.: 0525-
685182.

Klaassen, C.H.L.; 1976; 2317 KE Leiden;
Donsvlinder 22; tel. privé: 071-5217076; fax
privé: 071-5217076;
Kringvakspccialist pluim-
veevlees/wild; k.d. R.V.V. Noord west, team
Purmerend; tel. bur.: 020-5840434/0299-
391500; tel. mobiel: 06-21522457; fax bur.:
020-5840499/0299-391509; E-mail bur.:
c.klaassen@rw.agro.nl.

Kraai, J.A.Z.; 1987; 7216 PP Kring van
Dorth; Wippertdijk 2; tel. privé: 0573-221480;
fax privé: 0573-221460;
p., geass. met K.J.
Coppoolse; tel. prakt.: 0548-362004; fax
prakt.: 0548-362058.

Kraak, J.H.; 1973; 6095NC Baexem;
Rijksweg 34; tel. privé: 0475-451702; E-mail
privé: enzelens@plex.nl;
k.d. R.V.V..

Lammers, D.M.; 1995; 2691 CS
\'s-Gravenzande; Berkenstraat 11 ; tel. privé: 0174-
415343;
p., D.A.P. Lammers; tel. prakt.: 0174-
414098.

Lockhorst, Mevr. M.; 1992; 5521 AZ
Eersel; Dijk 30; tel. privé: 0497-515578; fax
privé.: 0497-519288; E-mail privé: m@lock-
horst.tmfweb.nl;
d..

Mandigers, P.J.J.; 1992; 3581 SV Utrecht;
Wolter Heukelslaan 65A; tel. privé: 030-
2672293; fax privé: 030-2672254; E-mail privé:
p.j.j.mandigers@planet.nl;
werkzaam bij Vet.
Specialisten Centrum De Wagenrenk; tel. prakt.:
0317-419120; fax prakt: 0317^20480; E-mail
prakt.: wagenrenk@worldmail.nl; wet. medew.
U.U., F.D., HA Geneeskunde van Gezel-
schapsdieren; tel. bur.: 030-2535843; fax bur.:
030-2518126; E-mail prakt.: pj.j.mandigers@
vet.uu.nl.

Mombarg, M.J.; 1993; 3550 Heusden-
Zolder België; Eikelenbos 18; tel. privé: 0032-
11531541 ; fax privé: 0032-11531542;
d. bij Fort
Dodge ,\\nimal Health; tel. bur.: 0049-
2405454238; tel. mobiel bur.: 0031-651110165;
fax bur.: 0031-203469362;
E-mail bur.: mom-
barm@ md.ahp.com.

Noort, Mevr. A.A. van den; 1993; 3769 TD
Soesterberg; Apollo 14; tel. privé: 0346-
350038; fax privé: 0346-350038;
marketing/sa-
les manager bij Instruvet; tel. bur.: 0343-455400;
fax bur.: 0343-455422; E-mail bur.: inkoop@inst-
ruvet.nl.

Pinxten, Mevr. P.H.M.C. van; 1986; 5271
SK Sint-Michielsgestel; Hezelaar IB; tel. privé:

073-5516466; p., D.A.P. Els van Pinxten; fax
prakt.: 073-5510039; E-mail prakt.: elsvan-
pinxten@raketnet.nl.

»Priester, Mevr. D.; 2000; 5469 NM Erp;
Heuvelberg 16; tel. mobiel: 06-20932733; E-
mail privé: denisepriester@hotmail.com; p.,
medew. bij D.A.H. Brus, J.W.M. Miltenburg,
P.J..A.M. Pulskens, C.J.M. Schouten en
J.A.C. van Vuren; tel. pakt.: 0413-211350;
fax prakt.: 0413-211495; E-mail prakt.: die-
renarts.erp@worldonline.nl.

Rees, R.R. van; 1973; 8374 KC Kuinrc;
Burchtstraat 2; tel. privé: 0527-231431;
r.d..

Reindersma, S.; 1973;8101 EGRaalte; Van
der Wijckstraat 55; tel. privé: 0572-351095; E-
mail privé: po$tbus@reindersmas.demon.nl;
p., geass. met F.J. van Egmond, L.H. Karstanje,
P.H.M. Putkcr, H.P. Quist, M. Verhoef, H.
Verhoeven en J.W. Zuurhout; tel. prakt.: 0572-
353334; fax prakt.: 0572-355140;
docent MAO
bij Landstede beroepsopleidingen Raalte; tel.
bur.: 0572-858000; fax bur.: 0572-858010.

Savelsberg, Mevr. O.S.; 1999; 8281 CR
Genemuidcn; Pr. Willem Alexanderstraat 58;
tel. privé: 038-3858841
/06-23780713; p., me-
dew. bij A.C.M. Kuilboer, J.V.H. Lans, J.H.
Rootert en A. Soede; tel. prakt.: 0172-471111;
fax prakt.: 0172-470271.

Simonse, M.A.M.; 1999; 6039 GT
Stamproy; Klemmenstraat 1; tel. privé: 0495-
564348; E-mail privé: maartenkirsten@hot-
mail.com; p., medew. bij H.A.M. Hendriks,
M.W.G.H. Heymans, A.Th.E. Kooien, A.C.E.
Raming, F.G.M. Scheijmans, J.W.H. Scheres,
S.A.T.V. Serrarens, G.P.M.M. Tacken en
A.T.J.M. Stokvis; tel. prakt.: 0495-551225;
fax prakt.: 0495-551615; E-mail prakt.: da-
pell@tref.nl.

"Sobels, W.; 1977; 7731 XE Ommen;
Merelstraat 102; tel. privé: 0529-454282; E-mail
privé: wsobels@worldonline.nl;
k.d. R.V.V.
kring Noord, distr. Holten; tel. bur.: 0548-
361318.

Sollie, K.; 1986; 6561 EC Groesbeek;
Haydnstraat 1 ; tel. privé: 024-3977206;
General
manager bij Eurovet Nederland B.V.; tel.
bur.: 0497-388688; fax bur.: 0497-388500; E-
mail bur.: k.sollie@eurovet-ah.com.

*Veek. Mevr. Y.J.M. van der; 2000; 136
Eaglesthorpe; PEI 3RT Peterborough
Verenigd Koninkrijk;
E-mail privé:
yvon_v@hotmail.com;
p., medew. bij A.
Bennett; tel. prakt.: 0044-1733562904; fax
prakt.: 0044-1733557169.

Venselaar, Mevr. W.Th.M.; 1980; 6161
HX Geleen; Mauritslaan 98 A; tel. privé: 046-
4741141; E-mail privé: nvenselaar@hot-
mail.eom; d.

Visser, Mevr. C.J.M.; 1983; 7561 RP
Deuraingen; Deumingersstraat 34; tel. privé:

074-2774878; p., medew. bij J. Helder; tel.
prakt.: 074-2420938; fax prakt.: 074-
2592422.

-ocr page 333-

1

Vorstenbosch, Mevr. M.P. van de; 1990;
5651 AJ Eindhoven; Paaltjesweg 3; tel. privé:
040-2529670;
fax privé: 040-2529670; d.

Vries, A.R.L. de; 1987; 5091 SL
Middelbeers; Westelbeersedijk 63; tel. privé: 013-
5141141; E-mail privé: dapdie.adv@wxs.nl;
do-
cent HAS te Den Bosch; tel. bur.: 073-
69237656; E-mail bur.: a.dvries^ hasdb.nl.

Vries, S. de; 1970; 3645 EA Vinkeveen;
Demmerik 31; tel. privé: 0297-263917; fax
privé: 0297-263917; E-mail privé: sv@euro-
vet.nl; p., D.A.P. Vinkeveen/Wilnis; tel. prakt.:
0297-263758; fax prakt.: 0297-263917.

Vries, S.J. de; Gent 1999; 9051 LN Stiens;
Cedrushof 49;
tel. privé: 058-2570915; E-mail
privé : simondv@planet.nl
; p., medew. bij G.
de Boer. P. Meijer en M. de Vries; tel. prakt.:
058-2571224; fax prakt.: 058-2574042.

Werkman, P.J.; 1972; 3831 AD Leusden;
Henegouwen 11; tel. privé: 033-4951310; fax
privé: 033-4723751; E-mail privé: werk-
man2@zonnet.nl;
p.. Dierenarts P.J.
Werl<man ; tel. prakt.: 033-4943142; fax
prakt.: 033-4724125.

Westerbeek, F.R.; 2000; 3512 EB Utrecht;
Keizerstraat 216; tel.
privé: 030-2302516; E-mail
privé: mignonwe$terbeek@hotmail.com; p.,
medew. bij G. van den Berg, J.H.T.J.
Biermann, H.J..M.H. Duijsens en S.H.
Ouwekerk; tel. prakt.: 0492-533808; fax
prakt.: 0492-550898.

Wilderbeek, A.T.M.; 1976; 5855 EA Well;
Bosserheide 23; tel. privé: 0478-501892; E-mail
privé: toon.wilderbeek@intervet.com;
d.
Intervet International B.V. Boxmeer; tel. bur.:
0485-587600.

Zagers, Mevr. J.J.A.; 1998; 4744 BH
Bosschenhoofd; tel. privé: 0165-317641/06-
51397962;
E-mail privé: j.j.a.zagersfa stu-
dent.kun.nl ; wnd.d.

Zwanenburg. F.P. ; 1996 ; 9919 HS
Loppersum ; Pomonaweg 9 ; tel. privé: 0596-
571009;
fax privé: 0596-571630; E-mail privé
: focko_zwanenburg(a hotmail.com ; d. bij
Alta Genetics Inc. ; tel. bur. : 0595-526661 ;
fax bur. : 0595-526667 ; E-mail bur. : fzwa-
nenburg(a koepon.nl.

Dix & Co

helpt u over de drempel

Afgestudeerd en nu (of straks) praktisch
aan de slag? Doe een beroep op Dix&Co,
want als adviesbureau onderzoekt Dix&Co
uw kansen en beoordeelt uw kontrakten.
Analyseert accountantsrapporten en stelt
een begroting op. Bepaalt samen met u uw
kredietbehoefte en regelt met u de gewenste
verzekeringen.

Landelijke dienstverlening bij praktijk-
overdracht, bij associatie en assistentie.
Belt u even voor een afspraak of een
brochure.

Maliesingel 54
3581 BJ Utrecht
Tel. (030) 244 87 74
Fax (030) 241 66 33
E-mail: info@dixenco.nl
vnvw.dixenco.nl

Dix €o

Uiterste inleverdata
voor kopij

Aflevering: Deadline-)

01-05-2001 woensdag n-04-2001

15-05-2001 vrijdag 27-04-2001

01-06-2001 maandag 14-05-2001

15-06-2001 maandag 28-05-2001

"\') Voor 10.00 uur \'s morgens.

Let op: de deadlines voor de afleve-
ringen van 1 en 15 mei zijn afwijkend
in verband met Pasen en Koning-
innedag.

Doorlopende agenda

Congressen & Symposia

April

11 Veterinaire Praktijk Beurs, DSK,
Androclusgebouw FdD, aanvang: 12.30
uur.

20—22 Voorjaarsdagencongres, RAI, Amster-
dam. Secretariaat: Postbus 80.125, 3508
TC Utrecht, tel.: 030-2532728, fax: 030-
2535851, e-mail: vjd@fbu.uu.nl, website:
www.voorjaarsdagen.org.

21—22 Symposium over de holistische bena-
dering van tumoren bij dieren in Bonn.
Sprekers; Cheryll Schwartz (USA) en
Rosina Sonnenschmidt (Frankrijk). Meer
informatie: Aleid Verhoeff Brunsveldweg
2a, 7021 JH Zelhem, tel.: 0314-625385, e-
mail: aleid@trefnl.

Mei

8 Symposium \'Vercommercialisering van
het vrije beroep\' met als motto \'waar lig-
gen de grenzen\'. Organisatie: Raad voor
het Vrije Beroep. Meer informatie: drs.
l.M.G. Thomassen, algemeen secretaris,
tel.: 070-3353582, e-mail: rvb@raadvoor-
hetvrijeberoep.nl.

9 Symposium \'Animal Health and Food
Safety\', Recreatie- en congreshotel Ter Eist,
Edegem, België. Organisatie: Stichting
Food Micro & Innovation, Obrechtlaan 17,
3723 KA Bilthoven, fax: 030-2288316, e-
mail: s.notermans@wxs.nl, www.foodmi
cro.nl.

IO—12 Annual Scientific Meeting Veterinary
Wound Healing Association \'Advancing
knowledge of veterinary wound healing\',
Hannover (D). Meer informatie: Veterinary
Wound Healing Association, Dr. S.M.E.
Cockbill, Surgical Dressing Research Unit,
Welsh School of Pharmacy, UWC Redwood
Building, King Edward VII Avenue, Cathays
Park, Cardiff CFI0 3XF, Wales, UK, of web-
site: www.cfac.uk/uwc.phrmyA\'WHA/

-ocr page 334-

De topper onder de behandeltafels

12—13 Horses Pain Control (Continuous Education
Meeting), BonnAVeilerswist-Miiggenhausen, Germany.
Registration: Arao Lindner, Laurahöhe 14, D-45289
Essen; tel.: 49-201-571887,\'fax: 49-201-571884, e-
mail: amolindner@t-online.de; www.agpferd.de

19 Feline Symposium. Organisatie: Stichting Symposium
Feline Geneeskunde, Yalelaan 1, 3584 CL Utrecht, e-
raail: felinesymposium@hotmail.com.

23—26 40\'*^ Intemational Symposium on Diseases of Zoo and
Wild Animals, Rotterdam. Topics: 1) Diseases of marine
animals, 2) Diseases of Asian animals, 3) Immunoprophy-
laxis. Congrescentrum Engels, Stationsplein 45, Rotter-
dam. E-mail: W.Schaftenaar@rotterdamzoo.nl, website:
www.IZW-Berlin.de.

)uli

4—7 X Intemational Symposium of Veterinary Laboratory
Diagnosticians and OIE Seminor on Biotechnology,
Salsomaggiore - Parma, Italy. Information: Organising
Secretariat, New Team, Via C. Ghiretti, 2, 43100 Parma
(Italy), tel.: 39-0521-293913, fax: 39-0521-294036, e-
mail: newteam.parma@iol.it

Augustus

29—31 Internationaal symposium \'Comparative Clinical and
Molecular Endocrinology\', Utrecht/Zeist. Informatie: Mw.
Linda B. van Ouwerkerk, HA Geneeskunde van Gezel-
schapsdieren, Yalelaan 8, Postbus 80.154, 3508 TD
Utrecht, tel. 030-2531693, fax: 030-2518126, e-mail:
L.B.vanOuwerkerk@ vet.uu.nl, www.vet.uu.nl/english/-
congress/CCME.

• ontwikkeld in samenwerking met dierenartsen

• voldoet aan CE-normen en ARBO-specificaties

• is zeer eenvoudig te bedienen en te reinigen

• heeft de laagste opstap en de kortste heftijd

• is geheel van RVS en vrijwel onderhoudsvrij

J-Tools
Postbus 486
5140 AL Waalwijk
tel. (0416) 347 115
fax (0416) 347 601
e-mail: jtools(5planet.nl

Ook te zien op de "Voorjaarsdagen 2001

HÉT VACCIN TEGEN AlYCOPLASyVIA

Na vaccinatie snelle bescherming.
Beschermt tot het einde van de mestperiode.
Vanaf 5 dagen leeftijd: tweemalige vaccinatie.
Vanaf 10 weken leeftijd; eenmalige vaccinatie\'.
Bewezen effectiviteit in het veld.

. ^ \'aaaiêii,

Kuvaxvet |

g, ^ m- as\'

MGRIAL

MERIAL B.V. Postbus 338. 1180 AH Amstelveen

♦ OfT VACaNATWSCHCW KAN WOMXN TOEGEPAST 8I| VlfESVAWINS WANNEER M MYCOPLASMA-INFeCnE OP EEN LATERE LftfT(0 PIAATSVJNOT HYORESP • - Rej Nl 9505 • UO.O. Oortctowi: varW de lï«flird v»i 5 digen eo >*eesvjrtens. ianenatêng. per dOM vaccn. gentONeef« M^ci(*nma fw*
U - AT (* h/*aale) - Thwneni/- bapeni q^. 2 rnt lfxlc<x>e:

dWfen«fattqilt«ft<dyinlO»<ten, IriiectfcCerwwJ^^ MERIAL B

• Oeregwwrd njndrtnwrV vin MEWAL O 2000 MERIAL Afc roMen voort)*owte-. H»nArt 9X)3>«OML080(KH.

HYORESP

-ocr page 335-

B ^ Universiteit Utrecht

De Universiteit Utrecht is iii drieënhalve eewv
uitgegroeid tot de meest complete universiteit van
Nederland: een rijkgeschakeerde, internationaal
georiënteerde instelling van wetenschappelijk
onderwijs en onderzoek. De 14 faculteiten,
21 onderzoekscholen en $8 opleidingen bieden
studenten en medewerkers boeiende mogelijk-
heden zich verder te ontplooien. De rijkdom
aan disciplines en de nadruk op kwaliteit
bepalen de aantrekkingskracht van Utrecht.
Wetenschappelijke traditie, moderne technie-
ken en op de toekomst gerichte programma\'s
dragen daaraan verder hij. Met ongeveer
22.000 studenten, ruim 6.S00 personeels-
leden en een budget van ruim 1 miljard gul-
den vormt de wiiversiteit de spil in Utrecht
kennisregio. Vanuit deze positie in Midden-
Nederland onderhoudt zij een gevarieerd
contactenpatroon met universiteiten en
gespecialiseerde onderzoekinstituten over
de gehele wereld.

De Universiteit op Internet:
wunv.uu.nl

Uw sollicitatie binnen 14 dagen, tenzij anders ver-
meld, richten aan de genoemde personeelsdienst.
Vergeet u niet het vacaturenummer te vermelden.
De universiteit streeft ernaar dat vrouwen op alle
niveaus even vanzelfsprekend vertegenwoordigd zijn
als mannen. Bij voltijdse functie is invulling in deeltijd
bespreekbaar. Er is een regeling voor flexibel zwanger-
schaps- en ouderschapsverlof; er is een subsidieregeling
ten behoeve van kinderopvang.

Acquisitie n.a.v. deze advertmtie wordt niet
op prijs gesteld.

Faculteit der Diergeneeskunde
De faculteit der Diergeneeskunde is de enige
opleiding voor dierenartsen in Nederland.
De faculteit neemt in Europa een toppositie in op
het gebied van onderwijs, onderzoek en patiën-
tenzorg en is geaccrediteerd door de American
& Canadian Veterinary Medical Associations.

Bij de Hoofdafdeling Infectieziekten &
Immunologie is plaats voor een

Junior docent/
dierenarts (
v/m)

De Hoofdafdeling Infectieziekten & Immunologie
bestaat uit vier eenheden, namelijk de afdelingen
Bacteriologie, Immunologie, Parasitologie en
Virologie. Daarnaast maakt het veterinair micro-
biologisch diagnostisch centrum (VMDC) deel
uit van de Hoofdafdeling.
Tot de taken van de Hoofdafdeling behoren
onderzoek, onderwijs en dienstverlening. Het
onderzoek is vooral fundamenteel van aard,
maar daarnaast worden ook toepassingsgerichte
projecten uitgevoerd. Deze zijn vooral gericht
op de ontwikkeling van vaccins, therapeutica en
diagnostische assays. In het kader van de dienst-
verlenende taak vindt ondersteuning plaats van
de klinieken en van de veterinaire praktijk mid-
dels het verrichten van diagnostisch onderzoek
en het beantwoorden van vragen over infectie-
ziekten. Een hoofdtaak van de Hoofdafdeling is
het verzorgen van onderwijs. Naast het onder-
wijs in de algemene microbiologie en immuno-
logie betreft dit voornamelijk onderwijs in de
infectieziekten in zowel de voorbereidende als
de functiegerichte fase. Binnen het nieuwe curri-
culum worden tevens verschillende keuzevakken
verzorgd. De verdere academisering van het
onderwijs heeft geleid tot een toegenomen
verscheidenheid aan onderwijsvormen zoals
werkcolleges in kleine groepen, opdrachten
en begeleide zelfstudie, waarbij met name de
ontwikkeling van probleemoplossende vaardig-
heden centraal staat. Om het onderwijsteam
van onze Hoofdafdeling uit te breiden zoeken
wij een gemotiveerde dierenarts.
Uw taak zal hoofdzakelijk bestaan uit de ver-
zorging van onderwijs in de infectieziekten en
immunologie. De aard van het huidige onderwijs
vraagt om een multidisciplinaire inbreng, waar-
bij de onderwijstaken worden uitgevoerd in
nauwe afstemming en samenwerking met de
overige docenten binnen de Hoofdafdeling.
U zult o.a. participeren in de werkcolleges,
in de begeleiding van opdrachten en in de
klinisch-pathologische conferenties gedurende
de functiegerichte fase van de opleiding.
De ontwikkeling van nieuwe onderwijsvormen,
m.n. van het computerondersteund onderwijs,
zal de komende jaren extra aandacht vragen.
De precieze invulling van de onderwijstaak
wordt gestuurd vanuit de onderwijscommissie
van de Hoofdafdeling. Een deel van uw taak
(ongeveer 20%) bestaat uit participatie in dienst-
verlening en/of onderzoek.
Wij vragen een enthousiaste dierenarts met
goede communicatieve vaardigheden en didac-
tische kwaliteiten. Een duidelijke affiniteit met
het ontwikkelen en geven van onderwijs is een
vereiste, alsmede een brede interesse op het
gebied van infectieziekten en immunologie.
Wij bieden een aanstelling in tijdelijke dienst
(bij voorkeur fulltime) voor de duur van twee
jaar met uitzicht op een dienstverband voor
onbepaalde tijd. Als u nog niet in het bezit bent
van de basiskwalificatie onderwijs, krijgt u een
opleidingstraject aangeboden dat gericht is op
het behalen van deze basiskwalificatie. In de
toekomst bestaat de mogelijkheid om een
opleidingstraject tot specialist \'veterinaire micro-
biologie\' te volgen. Uw salaris is afhankelijk
van kennis en ervaring en bedraagt maximaal
ƒ 6894,- (schaal 10, CAO Nederlandse Universi-
teiten) bruto per maand. Na het behalen van de
basiskwalificatie onderwijs behoort bevordering
naar schaal 11 tot de mogelijkheden.
Hebt u belangstelling? Dan kunt u voor
nadere inlichtingen contact opnemen met
dr H.F. Egberink (voorzitter onderwijscommissie
Hoofdafdeling), telefoon 030-253 2487/2485
of met prof. dr. P.J.M. Rottier (voorzitter Hoofd-
afdeling). Uw schriftelijke sollicitatie kunt u,
vergezeld van een curriculum vitae, richten
aan de afdeling Personeel & Organisatie van
de faculteit der Diergeneeskunde, t.a.v
mevrouw drs. M. Willemse-van Soest,
Yaielaan 1,3584 CL Utrecht.
Vacaturenummer 701020.

-ocr page 336-

Merial B.V. is de Nederlandse vestiging van Merial, de producent en marktleider in diergenees-
middelen en vaccins, in 1997 ontstaan uit een fusie tussen de diergeneeskundige divisies van
Merck Sharp & Dohme en Aventis. Merial legt zich toe op vernieuwing in farmaceutische
producten en vaccins. In Amstelveen bevindt zich het marketing- en verkoopkantoor voor
Nederland, dat deel uitmaakt van een Benelux structuur.

Voor onze Nederlandse vestiging zoeken wij een

M/V (landbouwhuisdieren)

Rayon Manager

nnidden Nederland

U bent commercieel verantwoordelijk voor een deel van onze verkoop

in diergeneesmiddelen en vaccins. U bent het aanspreekpunt voor

dierenartsen en andere afnemers in uw regio.

Uw taken:

• Het verstrekken van informatie over en het verkopen van
diergeneesmiddelen en vaccins

• Het onderhouden van relatienetwerken met dierenartsen
en onze andere afnemers

• Toezien op en uitvoeren van actuele en betrouwbare administratie
van alle verkoopactiviteiten

• Signaleren en analyseren van ontwikkelingen in de markt,
en het communiceren hiervan naar het management

Uw profiel:

• Opleiding HBO-niveau (agrarisch), eventueel aangevuld met een
commerciële of marketinggerichte studie

• Sterke communicatieve eigenschappen

• U beweegt zich gemakkelijk op alle niveaus, zowel intern als extern

• Creatief, gemotiveerd, flexibel en initiatiefrijk

Wij bieden:

• Grote mate van zelfstandigheid

• Prima salaris

• Uitstekende secondaire arbeidsvoorwaarden
(zoals een representatieve auto van de zaak e.d.)

Wij nodigen geschikte kandidaten uit een schriftelijke sollicitatie

met c.v. te richten aan de heer M. van Wamelen.

Merial B.V , Bovenkerkerweg 6-8,1185 XE Amstelveen, tel. 020 - 547 39 33, fax 020 - 640 22 01

-ocr page 337-

B ^ Universiteit Utrecht

Rectificatie

De Universiteit Utrecht is iii drieënhahe eaiii\'
uitgegroeid tot de meest complete universiteit van
Nederland: een rijkgeschakeerde, internationaal
georiënteerde instelling van ivetenschappelijk
ondenvijs en onderzoek. De 14 faculteiten,
21 onderzoekscholen en 58 opleidingen bieden
studenten en medewerkers boeiende mogelijk-
heden zich verder te ontplooien. De rijkdom
aan disciplines en de nadruk op kwaliteit
bepalen de aantrekkingskracht van Utrecht.
Wetenschappelijke traditie, moderne technie-
ken en op de toekomst gerichte programma\'s
dragen daaraan verder hij. Met ongeveer
22.000 studenten, ruim 6.800 personeels-
leden en een budget van ruim 1 miljard gul-
den vormt de universiteit de spil in Utrecht
kennisregio. Vanuit deze positie iti Midden-
Nederland onderhoudt zij een gevarieerd
contactenpatroon met universiteiten en
gespecialiseerde onderzoekinstituten over
de gehele ivereld.

De Universiteit op Internet:
umnv.nu.nl

Uw sollicitatie binnen 14 dagen, tenzij anders ver-
meld, richten aan de genoemde personeelsdienst.
Vergeet u niet het vacaturenummer te vermeiden.
De universiteit streeft ernaar dat vrouw/en op alle
niveaus even vanzelfsprekend vertegenwoordigd zijn
als mannen. Bij voltijdse functie is invulling in deeltijd
bespreekbaar. Er is een regeling voor flexibel zwanger-
schaps- en ouderschapsverlof; er is een subsidieregeling
ten behoeve van kinderopvang.

Acquisitie n.a.v. deze advertentie wordt niet op
prijs gesteld.

Faculteit der Diergeneeskunde
De faculteit der Diergeneeskunde is de enige
in Nederland. De faculteit neemt in Europa een
toppositie in op het gebied van onderwijs,
onderzoek en patiëntenzorg en is geaccrediteerd
door de American & Canadian Veterinary
Medical Associations.

De Hoofdafdeling Geneeskunde van Gezelschaps-
dieren is onderdeel van de faculteit der Dier-
geneeskunde en omvat een opleidingsinstituut,
researchinstituut en academisch dierenzieken-
huis. Er werken 170 medewerkers, van wie ruim
50 dierenartsen. Zij verzorgen het onderwijs aan
studenten en co-assistenten, het onderzoek
en de patiëntenzorg. Jaarlijks vinden ca. 15.000
poliklinische consulten plaats en worden ca.
3.500 operaties verricht. De beschikbare facilitei-
ten worden internationaal hoog gewaardeerd.
De Hoofdafdeling heeft jaarlijks plaats voor vier
roulanten. Dat zijn dierenartsen die de le fase
van de opleiding tot specialist volgen.
BI] de Hoofdafdeling Geneeskunde van Gezel-
schapsdieren Is per 1 juni 2001 plaats voor

4 Roulanten (v/m)

Uw taken bestaan uit het in toenemende mate
zelfstandig bijdragen aan de patiëntenzorg en
in bescheiden mate aan het onderwijs en het
onderzoek.

Wij vragen dierenartsen die zijn afgestudeerd
in de differentiatierichting Geneeskunde van
Gezelschapsdieren. De voorkeur gaat uit naar
dierenartsen die enige ervaring hebben in het
geven van onderwijs en/of enige tijd in de prak-
tijk werkzaam zijn geweest.

Wij bieden een aanstelling voor 15 maanden
waarin naast enige vaste patiëntenzorgwerk-
zaamheden scholing in den brede plaatsvindt
op het vakgebied van de Geneeskunde van
Gezelschapsdieren. De omvang van de functie
bedraagt 100%. Vervolgens kan worden gesolli-
citeerd naar een 2e fase, waarin specialistische
kennis wordt verworven op het gebied van een
van de erkende specialismen binnen de Genees-
kunde van Gezelschapsdieren (chirurgie, interne
geneeskunde en dermatologie). De opleiding
is verweven met de patiëntenzorg en met de
onderwijstaken van de Hoofdafdeling.
Uw salaris bedraagt ƒ 4348,- (schaal 10, CAO
Nederlandse Universiteiten) bruto per maand
gedurende de le fase. Uitstekende secundaire
arbeidsvoorwaarden zoals minimaal 42 verlof- en
ADV-dagen per jaar bij een volledige aanstelling
van 40 uur, een regeling studiefaciliteiten,
bedrijfsspaarregelingen, een tegemoetkoming in
de ziektekostenverzekering en een uitstekende
pensioenvoorziening.
Hebt u belangstelling? Dan kunt u voor
nadere inlichtingen contact opnemen met de
heer dr. F.C. Stades, voorzitter van de selectie-
commissie, telefoon 030-253 1695.
Wij verzoeken u een recente pasfoto toe te
voegen aan uw schriftelijke sollicitatie, die
u kunt richten aan de heer dr. F.C. Stades,
Hoofdafdeling Geneeskunde van Gezelschaps-
dieren, Postbus 80154, 3508 TD Utrecht.
Vacaturenummer 701015.

Dierenartsenpraktijk Voorthuizen-Uddel-Garderen is een gemengde praktijk
waarin zeven dierenartsen werkzaam zijn . Het accent van de praktijk ligt op de
vleeskalveren- en de varkenssector. In verband met het vertrek van een collega
zijn we op zoek naar een

Ter overname gevraagd

Dierenarts M/V

Onze voorkeur gaat hierbij uit naar een collega

• met enige ervaring in de varkenssector, met name in de begeleiding van
vermeerden ngsbed rijven

• met, naast interesse in de varkens, ook interesse in de overige diersoorten

• die kan participeren in de avond- en weekenddiensten

• die zowel zelfstandig als in teamverband kan werken

• met een klantvriendelijke en servicegerichte instelling.

Het betreft een fulltime functie. Bij gebleken geschiktheid behoort associatie
op termijn tot de mogelijkheden.

Brieven kunt u richten aan; DAP V.U.G., Evertsenlaan 18, 3781 TB
Voorthuizen, telefoonnummer 0342 - 471316, ter attentie van Rene Sol.

een praktijk voor
gezelschapsdieren

in Amsterdam of directe omgeving.

Brieven gaarne richten aan de redactie van het Tijdschrift
voor Diergeneeskunde, Postbus 14031, 3508 SB Utrecht,
onder nummer 2/2001.

-ocr page 338-

YOU\'RE BORN.

YOU SUCK BLOOD. YOU LAY EGGS.

YOU DIE. THE EGGS HATCH.

YOU\'RE BORN. YOU SUCK BLOOO

YOU LAY EGGS. YOU OIE.

THE EGGS HATCH,

YOU\'RE ROBN. YOU SUCK BLOODi

YOU\'RE COVERED IN

YOU LAY EGGS. YOU DIE

THE EGGS ARE DEAD. THE END

(ycLio

vlooienbestrijder van de
nieuwe generatie

Cyclio spot-on kat REG NL 09752; Cyclio spot-on voor kleine honden REG NL 09755; Cyclio spot-on voor middelgrote honden REG NL 09753; Cyclio 2% spot-on voor
grote honden REG NL 09754.
Werkzame stof; Pyriproxyfen. Kanalisatie; U.D.A., Voor meer informatie: Virbac Nederland BV, Postbus 313,3770 AH Barneveld.

-ocr page 339-

DE TROEVEN
VAIU COBACTAIM\'

Dierenartsenpraktijk \'Oost-Drenthe\' is een i3-nians praktijk,
waarbij gewerkt wordt vanuit een moderne, goed-geoutil-
leerde kliniek en meerdere dependances.

Op het gebied van de paarden respectievelijk de gezelschaps-
dieren zoeken wij twee

enthousiaste collega\'s m/v

De eerste vacature betreft een fulltime functie voor een kli-
niekdierenarts met interesse voor tweedelijns geneeskunde
van het paard.

Daarnaast staat een vacature open voor een gezelschapsdie-
renarts met affiniteit met de tandheelkunde van het gezel-
schapsdier.

Voor beide functies geldt een uitstekende avond- en week-
enddienstregeling.

Tevens hebben wij plaats voor een intern paard m/v op onze
paardenklinieken in Klijndijk en Bears. Interne huisvesting
aanwezig. Salariëring in overeenstemming met de werk-
zaamheden.

Schriftelijke reacties voorzien van curriculum vitae richten
aan:

Dierenartsenpraktijk \'Oost-Drenthe\', Hoofdweg 26a, 7877 TC
Klijndijk, ter attentie van drs. C.J. Bouwhuis.

Dierenkliniek De Lingehoeve

De Lingehoeve is een gemengde praktijk met drie gescheiden secties:
landbouwhuisdieren, gezelschapsdieren en paard; waarbij de diensten
ook per diergroep zijn ingedeeld.

De sectie gezelschapsdieren werkt vanuit een goed geoutilleerde kliniek
en twee dependances. Wewerken in teamverband met intercollegiaal
overleg.

Binnenkort zal er bij ons een vacature komen vooreen:

Dierenarts gezelschapsdieren
(m/v)

Wij vragen;

• Differentiatie gezelschapsdieren

• Ervaring

• Innovatie

• Interesse in tweedelijns diergeneeskunde

• Enthousiasme

• Kunnen werken in teamverband

• Deelname dienstregeling gezelschapsdieren

• Goede contactuele en sociale vaardigheden

Wij bieden:

• Fulltime baan

• Uitstekende ontplooiingsmogelijkheden

• Goede werksfeer

• Salariëring volgens normen KNMvD

• Bij gebleken geschiktheid mogelijkheid tot associatie

Voor nadere inlichtingen kunt u zich wenden tot P. Wiemer of A.
Beekhuis, telefoon 0488 - 482900.

Schriftelijke sollicitatie kunt u richten aan: Dierenkliniek De Lingehoeve,
Veldstraat 3a, 4033 AK Lienden.

dierenortßeflprateiik

"oost-drerïthe"

Nog betere
prestaties bij
combinatie

Shpighel (J. Dairy Sc. 1997)
heeft in een E. coli challenge-
model de combinatie, van
Cobactan® locaal en parenteraal,
vergeleken met de enkelvoudige
behandelingen. De resultaten
van de combinatie zijn:

• nog hogere bacteriologische
genezing (95%)

• nog sneller herstel van de
melkproduktie

id)

•nog snellere
daling van het
celgetal

Cobactan LC. Diergeneesmiddel UDA. Reg.NL 9468.
Bevat 75 mg Cefqüinome per injector. Ter behandeling
van Itlinische mastitis. Contraindicatie: allergie.
Wachttijd: vlees 4 dagen, melk 5 dagen.
Cobactan Diergeneesmiddel UDA Reg.NL 9517.
Bevat per ml 25 mg cefqüinome. Behandeling van res-
piratoire aandoeningen, klauwaandoeningen. E. coli
mastitis, E. coli sepsis bij runderen. Contraindicatie:
aiiergie. Wachttijd: melk 1 dag, vlees 4 dagen.

^Mycofarm mmm

-ocr page 340-

Boehringer Ingelheim is een internationaal farmaceutisch concern. Wij zijn
actief op het gebied van research, ontwikkeling en productie van innovatieve
geneesmiddelen (humaan en veterinair). Over de hele wereld zijn circa
26.500 medewerkers in een groot aantal productie-eenheden, researchcentra en
(verkoop)vestigingcn werkzaam. De activiteiten concentreren zich met name in de
Europese landen, Noord-Amerika en Japan. De wereldomzet bedroeg in 1999
meer dan 10 miljard D-mark. Op de internationale markt voor geneesmiddelen
behoort Boehringer Ingelheim tot de twintig grootste bedrijven.

Boehringer Ingelheim Animal Health, Vetmedica, levert een uitgebreide reeks
diergeneesmiddelen ten behoeve van landbouwhuisdieren en gezelschapsdieren.
Het productenassortiment van Boehringer Ingelheim Animal Health, Vetmedica
bestaat uit vaccins, antibiotica en specialitées.

Door te investeren in de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen zijn wij in
staat om producten te leveren met een hoge toegevoegde waarde voor dierenarts,
dierenhouder en dier. Recente voorbeelden hiervan zijn Ingelvac PRRS MLV
(vaccin), Bivatop 200 (antibioticum), Vetmedin (cardiotherapeuticum) en
Metacam (antiflogisticum).

Wij breiden ons productenpakket verder uit en wensen bovendien meer service cn
ondersteuning aan onze klanten te geven. Daarom zoekt Boehringer Ingelheim BV
te Alkmaar op korte termijn een

Senior Product Manager Animal Health

De functie. Je draagt zorg voor de best mogelijke marketingstrategie en
positionering van onze veterinaire producten. Je maakt productplannen, inclusief
ccn kosten- cn omzetbudget. Daarnaast lever je een substantiële bijdrage aan dc
strategische planning voor de producten, in samenwerking met sales management
en technical service management. Ook doe je voorstellen voor concrete activiteiten
in het kader van de operationele salesplanning, alsmede uitvoering van promotionele
activiteiten. Na goedkeuring zorg je voor uitvoering cn bewaking van de product-
plannen. De product manager rapporteert rechtstreeks aan de directeur van dc
divisie Vetmedica.

Het profiel. Je hebt een opleiding op academisch (eventueel HBO) niveau:
een commerciële of een (para)mcdische, veterinaire of agrarische opleiding met
commerciële interesse. Je hebt twee jaar werkervaring als product manager.
Ervaring als buitendienst medewerker is een voordeel. Je bent een energieke
persoonlijkheid met door/.ettingsvermogen, een echte teamspeler met gevoel voor
humor en verhoudingen. Iemand die analytisch en conceptueel sterk is. Bovendien
ben je innovatief en creatief. In deze functie wordt voortdurend een beroep gedaan
op je communicatieve vaardigheden en organisatievermogen. Doordat je initiatief-
rijk en flexibel bent, kun je goed op de mogelijkheden van dc markt inspelen.
Je werkt intensief samen met je collega\'s in binnen- en buitenland. Je wordt
ondersteund vanuit de internationale organisatie. Hierbij is de voertaal Engels.

Interesse? Komt deze functie overeen met je ambities? Stuur ons dan je cv en
geef in je begeleidende brief aan waarom jij voor ons de meest geschikte kandidaat
bent. Je kunt je brief richten aan: Boehringer Ingelheim, t.a.v. Elja Pronk,
human resources associate. Berenkoog 28, 1822 BJ Alkmaar.
Telefoonnummer: (072) 566
24 07, e-mail: elja.pronk@boehringer-ingelheim.nl

Boehringer

W Ingelheim Bezoek ook onze website: www.boehringer-ingelheim.nl

-ocr page 341-

Kent u
het nog?

volledige begeleiding bij
iuw praktijkovername
VVAA

BEL VOOR MEER INFORMATIE (030) 247 44 58

Postbas 8153,3503 RD Utrecht
Internet v^ww.waa.nl

M.n. interessant voor dierenartsen

ARBEIDS-
ONGESCHIKTHEIDS-
VERZEKERING

met gegarandeerde premie restitutie

www.premieterug.nl
Tel. 035 - 5262894 • Crombeecke Assurantiën

Palfium®= PALFACE

RVG 03171
Registratiehouder en fabrilcant
ACE Pharmaceuticals BV - Postbus 1262 - 3890 BB Zeewolde

DE TROEVEIM
VAN COBACTAIM\'

Snel herstel
van melk-
productie

^Mycofarm mmm

OOG VOOR DE PRAKTIJK

Na behandeling met Cobactan®
treedt snel herstel op van de
melkproductie.
In vergelijking met een
ampi-clox. behandeling liep
het verschil in melkproductie
op tot 120 liter in 10 dagen
(Shpighel J. Dairy Sc. 1997).

-ocr page 342-

Geef uw klanten
l>recies wat ze willen.

77% VAN DE HUISDlERErCENAREN IN NEDERLAND GEEFT DE
VOORKEUR AAN VLOOIENBESTRIJDING ZONDER ROUTINEMATIG

\'-{ilf^i\'-r\'/.

GEBRUIK VAN TOPICALE PESTICIDEN

Moderne gezinnen kiezen voor een effectieve vlooienbestrij-
ding, maar daarvoor willen ze liever geen topicale pesticiden
gebruiken. PROGRAM® voldoet aan beide eisen.
Specialisten adviseren PROGRAM voor geïntegreerde vlooien-
bestrijding (IFC), omdat PROGRAM een volle maand
ononderbroken bescherming biedt. Onderzoek toont aan
dat PROGRAM 100% effectief is in bestrijding van vlooien-
plagen. In tegenstelling tot topicale pesticiden, wordt
PROGRAM oraal gegeven, zodat er geen residuen op het
dier of in huis worden achtergelaten. Voor krachtige en per-
manente vlooienbestrijding zonder routinematig gebruik
van topicale pesticiden adviseert u PROGRAM.

Maakt vlooien het leven onmogelijk.

S Novartis Consumer Health B.V., Animal Health Sector, Korte Hei 1-3, 4714 RD Sprundel. Bevat lufenuron. Reg. NL. 8270, 8276, 8278, 8279.
ö Geregistreerd handelsmerk van Novartis Ltd., Bazel, Zwitserland.

-ocr page 343-

EUKANUBA VETERINARY DIETS

Even betrokken bij het welzijn van dieren als u. ^„„„„«a.

lAMS

S^ior Plus Formula. Ze zullen het verschil voelen in hun gewrichten.

Senior Plus Formula is de meest recente toevoeging aan het Eukanuba Veierinary
Diets assortiment. Het is een unieke formule die speciaal is ontvKikkeld voor de oudere hond.
Senior Plus Formula bevat een effectief gev^ichtsreguieringssysteem dat de belasting op de
gewrichten vermindert. Ook zijn zoveel glucosamine als chondroïtine sulfaat essentieel voor de
gezondheid van de gewrichten. Daarnaast bevat deze complete en uitgebalanceerde voeding de
juiste vetzuurverhouding om ontstekingen te verminderen.Ter ondersteuning van het immuun-
systeem zijn de antioxidanten vitarrine E, B-caroteen en Luteïne toegevoegd. FOS werkt ter onder-
steuning van hel gevoelige spijsverteringskanaal, a-iinoieenzuur ter verbetering van de huid- en
vachtconditie en een unieke combinatie koolhydraten ter regulering van de bloedsuikerspiegel,

In feite zorgt Eukanuba Veterinary Diets Senior Plus Formula voor de hele hond. Net als u.

Voor technische informatie over Eukanuba Veterinary Diets kunl u contact opnemen met de importeur Holland Diervoeders BV (030-2479664), Als u een bestelling wilt plaatsen, kunt u bellen metAesculaap BV (041 1-677600),

-ocr page 344-

Metacam® Injectie.

Rustige recovery door

24 uur postoperatieve
pijnbestrijding.

Metacam injectie is nu definitief geregistreerd als NSAID
dat preoperatief kan worden ingezet voor postoperatieve
pijnbestrijding bij honden. Metacam paart een opvallend
lange werking (liefst 24 uur) aan effectiviteit en veiligheid.
Bovendien is Metacam dankzij intraveneuze of subcutane
toediening uitstekend geschikt als effectieve anti-inflamma-
toire ondersteuning voor een succesvolle operatie.
Met duidelijke pluspunten:

• Intraveneus of subcutaan toe te dienen

• Draagt bij aan rustige recovery en voorspoedige
wondgenezing

• Niet van invloed op circulatie-, nier- en ademhalings-
functie gedurende de operatie

• Zorgt voor effectieve pijnbestrijding en ontstekings-
remming gedurende 24 uur

• Eenvoudige vervolgbehandeling met Metacam
orale suspensie zolang nodig

Metacam® Injectie.

Daar ligt geen hond wakker van

Postbus 8037." 1802 KA Alkmaar / TeL 072-5662411 / i^ax 072-5643213
vetmedica@boehringer-ingelheim.nl / www.boehringer-ingelheim.nl

\' ^ Boehringer
I Ingelheim

-ocr page 345-

15 april
2001

deel
126

. aflevering
8

issn 0040-74i;j

^ Tijdschri
Diergeneeskun

■ /

Wetenschap ƒ ; ^ ^

BSE: klinische diagnostiek en veldervaringen ■

Actua

Diagnostiek bij eerste vijf MKZ-gevallen

MKZ geen bedreiging voor volksgezondheid
Diergeneesmiddelen, voor velen een zorg!

KNMi/D

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij i^oor
Diergeneeskunde

V

Wettelijke aansprakelijkheid bij schade door dieren"

KNMvD

Non-vaccinatiebeleid onder vuur
MKZ en uw e-mail

Management en marketing belangrijke
aandachtspunten Hoofdbestuur

-ocr page 346-

WORMEN

doe er wat aan

vóórdat Z(
er ziek van

rden

Wormen zijn een ernstige bedreiging voor de gezondheid von zowel
mens als dier. En {her)besmetting is niet te voorkomen. Bovendien zijn
wormen moeilijk te zien
, terwijl ze wel degelijk bij het huisdier aanwezig
kunnen zijn. Daarom is
regelmatig ontwormen (4x per jaar) noodzakelijk!
Drontal werkt snel en effectief tegen alle voorkomende soorten bij
zowel hond als kat.

©

Drontal

VVi

drontal® dog reg nl 8983, drontal\' cat reg nl 5691.

Registrafiehouder: Bayer B.V., Division Animal Health, Energieweg 1, 3641 RT Mijdrecht. Tel. 0297-280666.
http://www.bayer.nL

Bayer

-ocr page 347-

Tijdsc
Diergeneesk

Inhoud

JOURNAL OF THE ROYAL NETHERLANDS VETERINARY ASSOCIATION

Deel 126
Aflevering 8
15 April
2001

Van de voorzitter 277
Overige artikelen

BSE: klinische diagnostiek en veldervaringen; L. van Wuijckhuise, P. Vellema en R.J. Terbijhe 279

Boekbesprekingen 281
Uiten voor de praktijk

De klinische verschijnselen van mond- en klauwzeer bij de eerste bevestigde gevallen op vijf

bedrijven in Nederland; M. Holzhauer, J. Verhoeff en L i/an Wuijckhuise 282

Transmissie van mond- en klauwzeervirus via melk- en vleesproducten geen bedreiging voor

volksgezondheid; W. H. M. van der Poel 285

Berichten en verslagen

Diergeneesmiddelen, voor velen een zorg!; P.A.M. Overgaauw, A.SJ.P.A.M. van Miert, H.A. Beijer en

R. de Haan 287

Commissie Aanprijzing Veterinaire Producten 290

Wie is dc gebeten hond? Wettelijke aansprakelijkheid bij schade door dieren; I. Boissevain 291

Nieuwe cd \'Tweestromenland\' van Rinus Rasenberg 291

BSE en petfood: is diervoeding wel veilig?; P.A.M. Overgaauw 292

Veterinair golfkampioenschap 2001 292

CAVP behandelde in 2000 drie klachten 293

Zonnige nascholing groot succes 293

Uitreiking "Veterinary Endo-Parasitic Control Guide 2001 -2002" 294

Vraag en antwoord

Bij varkenspestuitbraak aborteren of biggen doodspuiten? 295
Ingezonden

Kwestie foetotomie bediscussiëren; TJ.C.M. Lam 297

Mond- cn klauwzeer; L. Tholhuijsen 297

Nieuw(s) van de Industrie 296

Studentenreferaten 298

Congressen en Cursussen 298

Wetenschap

Actu

INDOREX®IGR

▼ NU EEN 400 Mt OMGEVINGSSPRAY

T BEVAT PIPERONYLBUTOXIDE, FENOXYCARB EN PERMETHRIN
T WERKT 6 MAANDEN LANG

viKbac

quality by research

▼ WERKZAAM OP ALLE ONTWIKKELINGSSTADIA VAN DE VLO

VOOR VOLLEDIGE PRODUCTINFORMATIE: VIRBAC, TEL.: 0342-427 127

-ocr page 348-

Hoofdredactie

Dr. W. Edel (voorzitter)

Dr. E.A. ter Laali (penningmeester)

Drs. H.A. Beijer

Dr. M.E de Jong

Dr.Tj. Jorna

Dr. R. Kuiper

Dr. P.A.M. Overgaauw

Drs. J.T. Siebinga \'

Dr. R.J. Slappendel

Dr. J.H. Vos

Wetenschappelijke redactie

Prof. dr. A. Barneveld (Utrecht)

Dr. A.E.J.M. van den Bogaard Jr. (Maastricht)

Dr EH.M. Borgsteede (Lelystad)

Prof. dr. H.J. Breukink (Utrecht)

Prof dr. R De Backer (Gent. België)

Dr J. Goudswaard (Middelburg)

Prof dr. L.J. Hellebrekers (Utrecht)

Dr Th.S.G.A.M. van den Ingh (Utrecht)

Prof dr. A.Th. van \'t Klooster (Utrecht)

Prof dr. F. van Knapen (Utrecht)

Prof dr. A. de Kruif (Gent. België)

Dr J.T. Lumeij (Utrecht)

Prof dr. A.S.J.P.A.M. van Miert (Utrecht)

Prof dr J.RT.M. Noordhuizen (Utrecht)

Prof dr J.Th. van Oirschot (Lelystad)

Prof dr. J. de Schepper (Gent, België)

Dr. J.M.A. Snijders (Utrecht)

DrE. Teske (Utrecht)

Mw. dr A.J. Venker-van Haagen (Utrecht)

Prof dr J.H.M. Verheijden (Utrecht)

Dr G. Voorhout (Utrecht)

Dr. Th. Wensing (Utrecht)

KNMvD

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor
Diergeneeskunde

Julianalaan 8-10
Utrecht
Postbus 14031
3508 SB Utrecht
Telefoon (030)2510111
Fax (o3o)25iiy8y

Hoofdbestuur

Drs. T. de Ruijter, voorzitter

Drs. S.R. Heslinga. vice-voorzitter

Drs. J. Borgmeier. lid

Mw. drs. E.N.M. Harwig-Dings. lid

Drs. G. Huijservan Reenen, penningmeester

Drs. J. Togtema. lid

Mw. drs. W.J. Wijne- Raemakers, lid

Secretariaat

Dr Tj. Jorna, algemeen secretaris

Manager interne zaken

Mw. E. Cuhfus

Stafmedewerkers

Mw. drs. S.A.M. Deleu

Mw. drs. M.C. van Oostrum-Schuurman Hess

Drs. J.L.M. Vaarten

Administrateur

H.S. de Vries

Vacaturebank

R.P. van Ringelestijn

Webmaster

Mw. drs. C.M. van Kalles

Bureauredactie

Mw. A.M. Tummers
Mw. S.H. Umans-Ubbink

I

KNMv

Bureau

Julianalaan 8-10. Postbus 14Ü31, .3508 SB Utrecht
Tel. 030- 25 10 111,/fax 030-25 19 847.
E-maii: tijdschrift@ktrmvd.nl.

Abonnementsprijs

Het Tijdschrifi voor Diergeneeshmde is het ver-
enigingstijdschrift van dc Koninklijke Neder-
landse Maatschappij voor Diergeneeskunde.
De abonnementsprijs voor dierenartsen niet-leden
van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij
voor Diergeneeskunde en voor niet-dierenartsen
wordt vastgesteld doorliet Hoofdbestuur.

Maatschappijnieuws

Non-vaccinatiebeleid onder vuur. MKZ-uitbraak noopt tot herbezinning
S.
Umans en S. Deleu
MKZ en uw e-mail
J. Klingen

Meer informatie over de activiteiten van het Hoofdbestuur. Management en tnarketing
belangrijke aandachtspunten
S.
Heslinga

De erkenning rundveedierenarts: wat moeten we er toch mee\'.\'
J.P.T.M. Noordhuizen
Contributie Erkenningen

Personalia

Doorlopende agenda

300

302

303

304

305

305
305

Postgiro/bank

Postbank 511606 ten name van de KNMvD,
Julianalaan 8-10. Utrecht. ABN/AMRO N.V,
Postbus 30, 3500 AA Utrecht, nr. 55 50 48 861 en
C en E bank N.V, Postbus 85100, 3508 AC
Utrecht, nr 69 93 61 443.

Druk

Drukkerij G. van Dijk B.V, Breukelen (tel. 0346-
261304. fax 0346-264565).

Advertenties

Commerciële advertenties: Bureau Weijer B.V..
Veendam (tel. 0598-623065, fax 0598-613827).
Personeelsadvertenties: bureauredactie.

Contents

Other articles

BSE: Clinical diagnosis and field experiences; L. van Wuijckhuise, P. Vellema, and R.J. Terbijhe 279

All rights reserved

Verklaring:

Richtlijnen voor auteurs (Vancouver Style) zijn op aanvraag verkrijgbaar (zie ook Tijdschr Diergeneeskd 1992; 117:31-
4). De Redactie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade welke - direct of indirect - het gevolg mocht zijn van ge-
bleken onjuistheden in de inhoud van de in dit tijdschrift opgenomen artikelen waarbij de auteur is vermeld of in de in-
houd van de in dit tijdschrift geplaatste advertenties. Advertenties kunnen zonder opgaaf van redenen door de Redactie
worden geweigerd of ingetrokken. Niets uit dit tijdschrift mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door
middel van druk, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder schriftelijke toestemming van de Redactie.

(Papers appearing in this Journal are listed in Current Contents / Agricultural Biology and Environmental Science /
Index-Medicus. Index Veterinarius / Veterinary Bulletin, Biological Abstracts, Cambridge Scientific Abstracts).

-ocr page 349-

SPRAY

definitieve registratie voor rund,

varicen en schaap

IKB-waardig

geen gentiaanvioiet

veilig

geen wachttijden
fijne nevel
snel droog
goede hechting

/Animal Health

Handelsweg 25, Postbus 179, 5530 AD Bladel
Tel.: (0497) 38 86 88, Fax: (0497) 38 85 00

CTC SPRAY

Samenstelling: Per spuitbus: chloortetracyclinehydrochloride 3,210 g. Farmaceutische vorm; Spray voor uitwendig gebruik. Indicatie: Rund, varken,
schaap; Ziekte van Mortellaro, rotkreupel en stinkpoot, oppervlakkige wonden en operatiewonden.
Dosering: Voor gebruik de spuitbus goed schudden.
Bespuit de te behandelen oppervlakte op een afstand van 15-20 cm gedurende 3 seconden, zodat deze gelijkmatig gekleurd wordt. Deze behandeling dient
bij klauwaandoeningen na 30 seconden herhaald te worden. • Voor preventie van infecties na oppervlakkige traumatische of chirurgische wonden wordt
een eenmalige enkelvoudige behandeling aanbevolen. • Voor behandeling van Dermatitis digitalis (Mortellaro) wordt 1-2 maal daags een dubbele behan-
deling (30 seconden interval) gedurende 3 dagen aanbevolen. • Voor andere klauwaandoeningen (rotkreupel, stinkpoot) wordt eveneens 1-2 maal daags
een dubbele behandeling (30 seconden interval) aanbevolen. Afhankelijk van de ernst van de aandoening en de mate van herstel de behandeling herhalen
met een interval van 1-3 dagen.
Veiligheidsmaatregelen: ln verband met sensibilisatie en contactdermatitis dient bij de toepassing direct oog- en huidcon-
tact en inademing vermeden te worden. Draag daartoe handschoenen en een beschermingsmiddel voor ogen en gezicht. Houder onder druk. Beschermen
tegen zon en niet blootstellen aan een hogere temperatuur dan 50 °C. Bus niet doorboren of in het vuur werpen. Niet spuiten in de richting van een vlam
of een gloeiend voorwerp. Verwijderd houden van ontstekingsbronnen. Niet roken. Alleen gebruiken in goed geventileerde ruimtes. Buiten bereik van
kinderen houden.
Contra-indicaties: Overgevoeligheid voor tetracyclines. Bijwerkingen: Overgevoeligheidsreacties kunnen voorkomen. Wachttijd: Geen.
Bewaring: Bij kamertemperatuur (15-25 °C). Beschouw de lege bus als chemisch afval. Diergeneesmiddel REG NL 9013 UDA, Art.nr. 72432

-ocr page 350-

De Dynamiek van

Antioxidanten

WALTHAM® introduceert: de vernieuwde complete WALTHAM® Veterinaire Dieetrange
verrijkt met antioxidanten

Met dit nieuwe WALTHAM® concept verandert er veel:

Naam: Van Pedigree® en Whiskas® naar WALTHAM®,
een bekend begrip in de veterinaire w/ereld en
nu hét exclusieve merk voor de dierenarts.

Receptuur: Alle WALTHAM® diëten zijn verrijkt met
vitamine E en taurine, twee van de meest
krachtige vrije-radicalen-vangers.

Verpakking: Geavanceerde moderne verpakking met
duidelijke kleurcodering en naamgeving
gebaseerd op de klinische aandoening.

waltham\' waltham\' waltham\'

waltham\' , waltham" , waltham\' , waltham\'

Solutions for Life

-ocr page 351-

p Crote betrokkenheid dierenartsen bij MKZ

Van
de,

voorzitte

Een nieuwe ramp treft de Nederlandse veehoitderij: mond- en klauw-
zeer. In Engeland stak het virus de kop op, waarschijnlijk door het
voederen van keukenafval aan varkens. Vervolgens reisde het virus
met een koppel schapen mee naar Mayenne (Frankrijk), vanwaar het
met vrachtwagens met Ierse kalveren naar Nederland k-wam. De ge-
volgen zijn enorm. Voor de dieren, voor hun hoitders, voor de veteri-
naire beroepsgroep, voor de hele samenleving, met aangrijpende
beelden op de televisie. Dit drama laat niemand onberoerd.

De betrokkenheid is groot. Dierenartsen in de praktijk, hij de
Rijksdienst voor de keitring van Vee en Vlees, bij het ID-Lelystad, hij
de Gezondheidsdienst voor Dieren, waar dan ook, zetten zich tnet
man en macht in. Aan onze oproep om zich voor de bestrijdingswerk-
zaamheden aan te melden, H\'erd op grote schaal gehoor gegeven. De
landhoiiwhuisdierenpractici beantwoorden veel vragen van veehou-
ders, maar ook gezelschapsdierenpractici worden bestookt.
Daarnaast zijn er veel vragen van de pers. Velen zetten zich tevens in
voor de commitnicaiie met hel publiek. Het bureau van de KNMvD
draait op volle toeren om in de grote behoefte aan informatie te voor-
zien. De e-mail berichtgeving naar circa 2000 adressen is onmis-
baar gebleken, evenals onze website.

Vele vragen betreffen het wel of niet vaccineren van gevoelige dieren.
De KNMvD is van mening dal hij de bestrijding van infectieuze ziek-
ten, eradicatie van het agens de voorkeur heeft. De haalbaarheid
daarvan is in hel verleden met consequent volgehouden eradicatie-
programma \'s aangetoond. Maar vrij worden is iets anders dan vrij
blijven. Het is als met polders: met droogmalen alleen ben je er niet.
Dijkbewaking en het in orde hottden van noodscenario \'s zijn essenti-
eel. En hier zit een probleem. Met de vele internationale transporten
van levende dieren worden de \'dijken \'ondermijnd. Met een. zoals in
Engeland, tot het uiterste volgehottden non-vaccinatiestrategie wor-
den belangrijke ttoodvoorzieningen buiten werking gesteld. Bij hoog
water is de ramp dan niet meer te overzien.

Daarom dringt de KNMvD al .sinds halvemege de jaren negentig
aan op hijstelling van het Europese non-vaccinatiebeleid.
Onze notitie Het vaccin (atie) beleid, deel I. aangaattde aangifte-
plichtige dierziekten van 23 aiigit.stus 1995, werd aangeboden aan
de minister van Landbouw, Natiiurheheer en Visserij op 28 septem-
ber 1995. De rapportage van de werkgroep mond- en klauwzeer
werd vorig jaar op 10 mei 2000 door het Algemeen Bestuur vastge-
steld. Onze zorg over het non-vaccinatieheleid werd nog onlangs in
overleg met de minister aan de orde gesteld.

Ook via de Federation of Veterinarians of Eitrope (FVE) heeft de
KNMvD haar mening verkondigd. Het is goed om te constateren dat
dit standpunt nu, weli.swaar erg laat, ook internationaal steun krijgt.
De nu in het Verenigd Koninkrijk aangekottdigde vaccinatie van
meer dan 180.000 dieren is daarvan het bewijs. De door ons ge-
steunde pleidooien van minister Brinkhorst in Brussel hebben resttl-
taat gehad. De noodvoorziening \'ringenting\'kon worden ingezet.

Daarnaast wordt ook aangedrongen op een onmiddellijke, algetnene
preventieve vaccinatie. Dit is in de huidige situatie weliswaar begrij-
pelijk, maar het is de vraag of de voorstanders hiervan de conse-
quenties overzien. Met de huidige internationale regels betekent de
aanwezigheid van gevaccineerde dieren min of meer het einde van
de internationale afzet van dieren en producten voor een langere pe-
riode. Dit geldt niet alleen voor \'derde landen \', maar tevens voor de
Europese markt. Het kan een keuze zijn, maar aangezien het meren-
deel van de Nederlandse veestapel om die reden wordt gehouden, be-
tekent het onherroepelijk het einde van een belangrijk deel van de
Nederlandse veehouderij. Daarnaast wordt de omvangrijke steun
van Brussel bij de bestrijding van MKZ door enten zonder toestem-
ming ter discussie gesteld. Daarom heeft de Britse regering ook toe-
stemming voor de grote vaccinatie gevraagd en verkregen.
Het is een geweldig bestmirlijk dilemma; ga je als land solitair over
tot preventieve vaccinatie met de zekerheid dat je 75% van de
Nederlandse veehouderij in de afgrond ditwt (woorden van de mi-
nister), of loopje het risico in een onbeheersbare situatie terecht te
komen met hetzelfde resultaat. Een combinatie van heide speelt zich
nu in het Verenigd Koninkrijk af; eerst door het non-vaccinatieheleid
meer dan 700 ttilhraken veroorzaken en vervolgens toch op grote
schaal vaccineren.

Daarom heeft de KNMvD in een persbericht op 22 maart 2001 haar
standpunt verder aangescherpt; krachtig pleiten voor de ringvacci-
natie (reeds gerealiseerd) en bij het tul de hand lopen van de uitbra-
ken de minister van harte ondersteunen bij de invoering van de pre-
ventieve vaccinatie. Timing is dan het kernpunt. Wanneer is deze
situatie bereikt? Op het moment van schrijven van dit editorial lijkt
dit nog niet het geval, alhoewel de KNMvD reeds heeft gepleit voor
vaccinatie in een groter gebied rond Oene. De minister heeft dit ad-
vies inmiddels opgevolgd.

De KNMvD is dus een groot voorstander van noodvaccinaties, maar
beschouwt het algemeen preventief vaccineren als een uiterste
middel. Mocht de uitbraak geheel uit de hand lopen, dan rest er geen
andere keuze. Dan moet er gevaccineerd worden om groter leed te
voorkomen.

Een ander knellend probleem vormen de welzijnsproblemen door de
vervoersbeperkingen. Wederom kan er een beroep op de dierenarts
worden gedaan om met eulhaitasie de acute problemen op te lossen.
Met de ervaringen van de varkenspeslbestrifding scherp op het net-
vlies, is hel duidelijk dat de KNMvD slechts in uiterste nood hieraan
haar medewerking verleent. En alleen onder voorwaarden, zoals een
direct ingaand fokverbod, het onderbreken van de dracht hij zeugen
die minder dan 40 dagen drachtig zifn en niet langer dan tot de acute
nood is opgelost. Voorwaarden die ook zifn opgenomen in het draai-
boek MKZ.

Deze en vele andere problemen liggen de komende periode op onze
weg. Voor veel collegae is het een zware tijd; fysiek, emotioneel en
zakelijk. Van veel kanten wordt er grote druk uitgeoefend. Ik wens u
allen veel sterkte. Het is echter ook de tijd waarin de onmisbare rol
van de dierenarts lot uiting komt. Velen van u vullen deze rol daad-
werkelijk in, in hun directe omgeving of in groter verband. Daarop
kunnen we trots zijn.

T. de Ruijter
voorzitter KNMvD

Diergeneeski^^\'^®

-ocr page 352-

Voor een beter en langer leven.

Het nieuwe programma dieetvoedingen van Royal Canin
een volledig assortiment gebaseerd op:

Innovatie

Royal Canin is reeds jaren één
van de wereldleiders In "health
nutrition" droogvoeding voor hon-
den en katten. Gedreven door de
passie: "kennis van en respect
voor dieren" wordt al 30 jaar
wetenschappelijk en veterinair
onderzoek gedaan naar de voe-
dingsbehoeften van hond en kat.

Efficiëntie

V-DIET kan voorgeschreven wor-
den bij 95% van de pathologische
aandoeningen waarbij dieetvoe-
ding naast medische of chirurgi-
sche therapie noodzakelijk is.

Renal Hypoallergenic__Intestinal Moderate energy

^^H^^gg^gmiH IjHHn^g^mjnjjHH

Obesity__Urinary__Heart

^\'I^JJJ\'j\'ilUf^^^J

Smakelijkheid

De voedingen kenmerken zich
door de hoge kwaliteit, uitstekende
verteerbaarheid en dankzij het
gebruik van specifieke aroma\'s,
een uitzonderlijke smakelijkheid.

ROY>(LCIkNIN

Royal Canin Nederland BV - Postbus 63 - 5460 AB Veghel - Telefoon (0413)318400
E-mail: info@royalcanin.nl - Internet: www.royalcanin.nl

-ocr page 353-

BSE: klinische diagnostiek en veldervaringen

Tijdschr Diergeneeskd 2001; 126:279-81

L. van Wuijckhuise\'*, P. Vellema\' en R.J. Terbijhe^

Overige artikelen

Samenvatting

De klinische diagnose \'verdacht van BSE\' is moeihjk.
Koeien ouder dan 2,5 jaar die aan de dierenarts worden aan-
geboden met een afwijkende gang die reeds langer dan 14
dagen aanwezig is en waarvoor geen uitwendige oorzaak kan
worden gevonden, moeten met extra aandacht worden beke-
ken. Het in de anamnese vragen naar veranderingen in ge-
drag en letten op overmatige reactie op prikkels tijdens het
onderzoek geven extra informatie. Meldingen van BSE-ver-
denkingen in Nederland en daardoor opgedane veldervarin-
gen worden besproken.

Summary

BSE: Clinical diagnosis and field experiences

The clinical diagnosis \'suspected of having BSE\' is difficult. Cows older
than 2.5 years, presented to the private veterinary practitioner with dis-
turbed locomotion present jbr more than 14 days and with no detectable
cause, should be investigated with suspicion. Questions on changes in beha-
viour ofthe animal and during the examination attention on exaggerated
responses to handling and sound can give additional information.
Notification of suspected cases and gainedfield experiences are discussed.

Inleiding

In 1992 beleefde het Verenigd Koninkrijk zijn hoogste top aan
boviene spongieuze encephalopathie (BSE)-gevallen (37.056
BSE-gevallen; 713 per week). Tijdens het Buiatrics Congres
van 1992 in Minneapolis konden de deelnemers een aantal
melkveebedrijven bezoeken. Tijdens één van de bedrijfsbezoe-
ken bleef een Engelse deelnemer naar een koe kijken, die zich
van het koppel had afgezonderd en onrustig was. \'BSE?\' vroeg
deze deelnemer, de veehouder antwoordde: \'Ze is tochtig\'!
Het klinisch herkennen van BSE-gevallen is niet eenvoudig.
Dit is dan ook de reden om de klinische diagnostiek en en-
kele veldervaringen hierna te vermelden.

Klinische diagnostiek van bse

Verhaal van de veehouder

De klinische verschijnselen van BSE kunnen bestaan uit één
of meer van de volgende vier stadia (3):

1. verandering in gedrag

2. verandering in gang

3. verandering in reactie op prikkels (aanraken, geluid of licht)

4. moeilijk opstaan, vallen en uiteindelijk blijven liggen.

\' Gezondheidsdienst voor Dieren. Postbus 9. 7400AA Deventer
\' Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees. Postbus 526. 7000 AM Doetinchem.
• corresponderend auteur Tel. 0570-660153; fax. 0570-660242. E-mail:
l.v.wuyckhuise@gdvdieren.nl

Naar de voordracht gehouden op 20 februari 2001 voor de Groep Geneeskunde van
hel Rund en de Groep Gezondheids- en Kwaliteitszorg van de KNMvD

Omdat een dierenarts tijdens een onderzoek een verandering
in gedrag niet kan constateren, is het verhaal van de veehou-
der hierbij erg belangrijk (1,2,3,4,5). Uit dit verhaal moet
blijken dat het dier ouder is dan 2,5 jaar (een enkele keer jon-
ger) en al langere tijd niet goed is (>15 dagen, gemiddeld
twee maanden) (3). De veehouder kan een verandering in ge-
drag hebben opgemerkt. Hierbij wordt nogal eens aangege-
ven dat het dier nerveus is, is gaan slaan bij het melken of be-
naderen en dat het dier niet door nauwe doorgangen wil.
Daarnaast kan door de verslechterde beheersing van de
achterhand sprake zijn van ontstekingen rond gewrichten
door het vallen, het moeilijk opstaan of vastliggen in de lig-
box. Collin gaf aan dat 50% van de Franse BSE-gevallen pas
werden opgemerkt in het vierde stadium. Dit strookt met de
redenen waarom de 14 Nederlandse BSE-gevallen werden
aangeboden aan de dierenarts (Zie tabel 1).

Onderzoek op afstand

Om veranderingen in gedrag en reacties op prikkels op te
kunnen merken, is het aan te raden het dier eerst van een af-
stand te bekijken. Het is belangrijk om een van BSE ver-
dachte koe in haar vertrouwde omgeving te onderzoeken,
zodat nervositeit of angst niet worden veroorzaakt door de
veranderde omgeving. Veel BSE-koeien zijn nerveus, over-
attent op normale bedrijfsactiviteiten, onrustig of angstig en
staan voortdurend heen en weer te draaien of te trippelen. Ze
zonderen zich nogal eens af van de rest van het koppel. De
dieren kunnen overmatig orenspel, likken van de neus,
speekselen en knarsetanden vertonen. Als ze lopen, vertonen
veel dieren ataxie. Daarnaast kunnen ze hypermetrie of ha-
nentred vertonen. Wilesmith
et al. en Braun et al. geven aan
dat 86 respectievelijk 92% van de BSE-koeien één of meer
van deze veranderingen in gedrag vertoont.

Veranderingen in gang

Zowel in het Verenigd Koninkrijk als in Zwitserland werd ge-
constateerd dat bijna
70% van de bevestigde BSE-koeien
ataxie vertoonde. Braun
et al. constateerden bij 14% van de 50
BSE-gevallen spiertrillingen van de spieren rond de elleboog.
Wilesmith
et al. gaven aan dat zij bij een veel hoger percentage
(68%) van de 17.000 bevestigde BSE-dieren spiertrillingen
waarnamen. Ook moeilijk opstaan (15 respectievelijk 36%))
en vallen (18 respectievelijk
40%) zijn opvallende kenmerken.
De verschillen in bevindingen kunnen zijn veroorzaakt of het
gevolg zijn van verschillen in het stadium van de ziekte waarin
de dieren voor onderzoek werden aangeboden.

Verandering in reactie op prikkels

Wilesmith et al. gaven aan dat 75% van de dieren een reactie
vertoonde op aanraken en/of geluid. Daarnaast is het gaan
slaan in de melkstal bij
50% van de dieren een opvallend
kenmerk. Braun
et al. gaven aan dat koeien met BSE signifi-
cant vaker reageerden op deze prikkels (59%). Op aanraken
met de hand of met de punt van een pen vertoonde
59% van
de bevestigde BSE-koeien een overdreven reactie door
schudden met de kop, speekselen, neuslikken of agressie.

-ocr page 354-

27% van de dieren vertoonde een reactie bij ellce klap die op
een metalen voorwerp werd gegeven. Deze dieren vertoon-
den schokken over het hele lichaam, probeerden weg te ko-
men en konden overmatig speekselen en neuslikken. Slechts
5% van de BSE-koeien vertoonde een herhaalbare schokre-
actie op een felle lichtbron.

Differentiaal diagnose

Als differentiaal diagnose komen aandoeningen die lang-
zaam ontstaan, gedurende langere tijd aanwezig zijn en ver-
ergeren zonder aanwijsbare uitwendige oorzaak, in aanmer-
king. Ziekten als kopziekte, de nerveuze vorm van
acetonaemie, de ziekte van Aujeszky en mummificatie van
de witte huid vallen hierdoor af in de differentiaal diagnose.
Ziekten die deze symptomen wel kunnen veroorzaken zijn:

* listeriose (cerebraal)

* hersenabces/bloeding

* hersen(vlies) ontsteking

* rugletsel/ontsteking

* hondsdolheid

* tetanus

* botulisme

* loodvergiftiging

* cerebrocorticale necrose (CCN)

Als een aandoening plotseling is opgetreden, verbetert op
een therapie en bovendien in het verhaal van de veehouder
geen gedragsverandering of overgevoeligheid op prikkels
voorkomt, is BSE zeer onwaarschijnlijk. Het observatiever-
mogen van de veehouder dient hierbij goed in overweging te
worden genomen. Als BSE niet kan worden uitgesloten,
moet contact worden opgenomen met het Centraal Meldpunt
Dierziekten (Kerkrade, 045-5354232).

Veldervaringen

Collega Lengkeek uit Twello komt alle eer toe voor het onder-
kennen van het eerste geval van BSE in Nederland in 1997. Hij
dacht bij het onderzoek van een vijfjaar oude koe die aan vier
benen periartritis vertoonde door het vallen, in zijn differen-
tiaal diagnose aan BSE. Hij vroeg in zijn anamnese naar ge-
dragsveranderingen bij het dier en deze waren duidelijk aan-
wezig: het dier was in de loop van enkele maanden duidelijk
angstig geworden voor activiteiten die onderdeel zijn van de
gewone bedrijfsroutine. De koe stond op als de veehouder in
de stal kwam. liep weg en wilde de voergang niet meer over-
steken naar de melkstal. Bij onderzoek had het dier starre
bolle ogen, strakke oren, spiertrillingen en was agressief naar
soortgenoten. Het meest opvallend was het zonder aanwijs-
bare oorzaak plotseling vallen, waardoor de dikke voorknieën
en sprongen waren ontstaan (6).

Als melding is gemaakt van een verdenking van BSE, komt
onder leiding van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en
Vlees (RVV) een specialistenteam het dier onderzoeken. In
dit specialistenteam hebben zitting een dierspecialist van de
RVV, een rundveedierenarts van de Gezondheidsdienst voor
Dieren en de practicus van de veehouder. Als BSE niet kan
worden uitgesloten, wordt het dier door een beëdigd taxateur
op gebruikswaarde geschat en door de RVV overgenomen.
Het dier wordt vervolgens naar het Instituut voor
Dierhouderij en Diergezondheid te Lelystad (ID-Lelystad)
gebracht voor onderzoek. Slechts in ongeveer 5% van de
overgenomen dieren blijkt sprake te zijn van BSE.

Tabel i. Klachten waarmee de in Nederland bevestigde BSE. gevallen werden aan.
geboden aan de praktiserend dierenarts van het bedrijf.

Klacht

Aantal gevallen

%

dikke benen, vallen, vastliggen

7

50

veranderd gedrag

3

21

doet het niet

2

14

herkauwt niet

1

7

niet aangeboden (snelle test)*

1

7

In 2001 zijn vier gevallen aan de slachtlijn of bij de destructor opge-
spoord via de snelle test. doch een aantal van deze koeien was daarvóór
door een practicus onderzocht. Ze zijn onder de klacht van de veehouder
gerangschikt in bovenstaande tabel.

Twee voorbeelden waarbij een andere diagnose werd gesteld:
Geval 1. Een 3,5 jarige koe, waarbij in de loop van een week
de gang was veranderd. Het dier had eerst onrustig staan trip-
pelen en had later de neiging vertoond om steeds naar voren
te willen lopen. Toen ze op de grupstal werd gezet, drong ze
zo naar voren in de ketting, dat de kop en hals gestuwd raak-
ten. Na zes dagen kon het dier niet meer opstaan: ondanks de
goede verzorging van de veehouder, lag het dier steeds weer
in kikkerhouding. In het verhaal van de veehouder kwam
verder geen verandering in gedrag voor. Het dier vertoonde
overdreven reacties op aanraken. Af en toe trad een tremor
van de kop op met rotatie naar rechts. Op zo\'n moment wer-
den ook spiertrillingen gezien. Opvallend was dat het dier
aan de linker halsvlakte zweette. Het dier werd overgenomen
en bleek bij onderzoek een Listeria meningitis te hebben.

Geval 2. Een driejarige koe die sedert twee dagen ernstige
hersenverschijnselen vertoonde. Het dier was zeer angstig,
had starre oren en ogen en vertoonde een stijve krampachtige
gang waarbij het voortdurend struikelde en bijna viel. Bij
onderzoek reageerde het dier overmatig op aanraken, geluid
en licht. Hierbij vertoonde het een schok door het lichaam,
angst en kramp. Het dier werd door ID-Lelystad onderzocht
en had geen BSE. Gezien de klinische verschijnselen moet
sterk aan tetanus worden gedacht.

Het twaalfde Nederlandse BSE-geval werd opgemerkt door
een keurmeester van de RVV op het slachthuis bij de keuring
voor het slachten. Contact met de veehouder en zijn dierenarts
leverde het volgende verhaal op. De vijfjaar oude koe was op
Nieuwjaarsdag gevallen in de melkstal en had daarbij klem
gezeten. Toen de dierenarts om een andere reden op het bedrijf
was, werd hem gevraagd ook naar deze koe te kijken.
Vastgesteld werd dat het dier aan het been pijnlijk was en sle-
pende melkziekte had. Daarop gericht werd een therapie inge-
steld. Toen enkele dagen later de dierenarts weer op het bedrijf
was voor een andere koe, werd wederom naar deze koe geke-
ken. De therapie had geen effect gehad en vastgesteld werd dat
het dier waarschijnlijk een bekkenfractuur had. Hierop werd
geadviseerd het dier af te voeren. Omdat het dier slechts een
oornummer inhad, moest het nog enkele dagen op het bedrijf
blijven en kwam een keer in de ligbox vast te liggen. De hele
ziektegeschiedenis lijkt het gevolg van de val, echter het is
zeer ongebruikelijk dat oude koeien vallen in de melkstal.

-ocr page 355-

Op het slachthuis viel de koe op omdat ze op andere koeien
ging hangen voor steun en de neiging had om te vallen. Bij
onderzoek door het speciaiistenteam bleek het dier schrik-
achtig en had veel orenspel. De gang was onzeker, atactisch
met een neiging tot vallen. Bij het opdrijven naar een aparte
ruimte, viel de koe, was angstig en vertoonde spiertriliingen.
De koe deed uit zichzelf geen poging om op te staan.

\'Alarmbellen\'

Van de Nederlandse BSE-koeien werd 50% aan de practicus
aangeboden wegens dikke gewrichten, vallen of vastliggen.
Het verhaal van het twaalfde Nederlandse geval geeft een
fraaie illustratie hoe de anamnese niet klopt met de aandoe-
ning. Indien oudere koeien vallen of zich vastliggen in de
ligbox, danwel periartritis hebben door vallen, is het verstan-
dig in de anamnese te vragen naar veranderingen in gedrag
en tijdens het onderzoek te letten op een afwijkende gang en
overreactie op prikkels. Als BSE in de differentiaal diagnose
niet kan worden uitgesloten, moet contact worden opgeno-
men met het Centraal Meldpunt Dierziekten.

Meldingen van BSE-verdenkingen

In 2000 is in totaal aan de RVV 51 keer een verdenking van
BSE gemeld. Tot en met 12 februari 2001 is dat al weer 24
keer gebeurd. De awareness lijkt dus duidelijk toegenomen.
De specialistenteams hebben in ongeveer 65% van de
gemelde gevallen BSE niet uit kunnen sluiten. Hierop is het
betreffende rund door de RVV overgenomen en voor onder-
zoek aangeboden aan ID-Lelystad. In 3% (2000) respectie-
velijk 6% (2001) bleek inderdaad sprake van BSE. Via de
snelle test zijn daarnaast op het slachthuis vijf koeien met
BSE gevonden.

conclusie

De verschijnselen van BSE zijn niet altijd duidelijk. Indien

Boeksprekin

Atlas of canine and feline dental radiography

Thomas W. Mulligan, Mary Suzanne Aller, and Charles A.
Williams. Verkrijgbaar via: Veterinary Learning Systems,
425
Philips Boulevard #wo, Trenton, Nj 08618. ISBN 1-884254-
36-5. Prijs $ 8c), 00.

Dit boek mag niet gemist worden in de boekenkast van de die-
renarts die zich intensief (wil) gaat bezighouden met de veteri-
naire tandheelkunde bij gezelschapsdieren. Het inkijken,
doorbladeren en delen lezen van dit boek deed mij persoonlijk
denken aan het feit dat ik zo\'n 30 jaar geleden mijn kennis in
de veterinaire radiologie in mijn praktijk probeerde te ontwik-
kelen met plaatjes kijken (onder andere Douglas en
Williamson: Principles of Veterinary Radiography). Nu einde-
lijk is er dan die aandacht voor een zeer belangrijk onderdeel
van de veterinaire tandheelkunde die een optimale uitvoering
van tandheelkundige handelingen mogelijk maakt. Deze atlas
is klasse. De auteurs (alledrie tandheelkundige dierenartsen
van het eerste uur) tonen ons een grote collectie (500 radiolo-
gische opnamen) om ons kennis te laten maken met de vele
in de praktijk een oudere koe wordt aangeboden voor onder-
zoek met een afwijkende gang, (periartritis door) vallen of
vastliggen in de ligbox, is het verstandig in de anamnese te
vragen naar gedragsveranderingen en tijdens het onderzoek
te letten op overmatige reacties op prikkels. Als geen oor-
zaak voor de afwijkende gang kan worden vastgesteld en/of
geen verbetering optreedt na behandeling, kan BSE niet wor-
den uitgesloten en moet contact worden opgenomen met het
Centraal Meldpunt Dierziekten (045-5354232).

dankwoord

Met dank aan de RVV- en GD-collega\'s voor de verstrekte gegevens over be-
vindingen in de specialistenteams. De betrokken practici dank voor tiun ge-
gevens over bevestigde BSE-koeien.

literatuur

1. Braun U, Schicker E, and Hornlimann B. Diagnostic reliability of clin-
ical signs in cows with suspected bovine spongiform encephalopathy.
Vet Record 1998; 143: 101-5.

2. Braun U, Amrein E, Estermann U, Pusteria N, Schonmann M,
Schweizer T, Ehrensperger F, Vandeveide M, and ICihm U. Reliability
of a diagnosis of BSE made on the basis of clinical signs. Vet Record
1999; 154: 198-200.

3. Collin E. Etude epidetrtiologique et clinique des cas de suspicions
d\'ESB en Cotes d\'Armor. Bulletin des GTV 2000; 9: 43-8.

4. Saegerman C, Dechamps P, Vanopdenbosch E, Roels S, PetrofF K,
Dufey J, Caenegem G van, Devreese D, Varewyck H, Craemere H de,
Desmedt I, Cormann A, Torek G, Hallet L, Hemclrijckx M, Leemans
M, Vandersanden A, Perharpre D, Brochier B, Costy F, Muller P, Thiry
E en Pastoret PP. Epidemiologische bewaking van Boviene spongi-
forme encefalopathie in België: in 1998. Vlaams Diergeneeskundig
Tijdschrift 2000; 69: 197-206.

5. Wilesmith JW, Hoinville LJ, Ryan JBM, and Sayers AR. Bovine spon-
giform encephalopathy: aspects of the clinical picture and analyses of
possible changes 1986-1990. Vet Record 1992; 7: 197-201.

6. Wuijckhuise-Sjouke LA van. Emmerzaal A, Lengkeek MM en Tiddens
GW. Bovine Spongiform Encephalopathy (BSE): het klinische beeld,
de meldingsplicht en de consequenties van een positieve bevinding.
Tijdschr Diergeneeskd 1997; 122: 252-4.

pathologische, orale en dentale afwijkingen bij hond en kat.
Deze opnamen worden begeleid door 140 illustraties, 70 foto\'s
en 25 tabellen. Minimaal 100 radiologische opnamen (laatste
hoofdstuk) mag de lezer eerst zelf interpreteren waarna het
commentaar van de schrijvers gelezen kan worden.
Het boek wordt onderverdeeld in een aantal hoofdstukken:
Wat heb je nodig aan instrumentarium en materialen? Hoe
moetje projecteren? De extra-orale en intra-orale opnametech-
nieken komen uitvoerig aan bod. Vervolgens een twintigtal
bladzijden over wat er allemaal verkeerd kan gaan en wat ons
weer op het goede pad kan brengen. Voordat de ontwikkelings-
stoornissen en dentale afwijkingen worden behandeld, krijgen
we eerst een aantal beelden van de normale dentale anatomie.
De andere hoofdstukken behandelen de parodontale ziekten,
de endodontische afwijkingen, traumagevallen en verkregen
defecten zoals cariës. Een glossary en index besluiten het boek.
Als ik dan toch iets mag aanmerken op deze uitstekende uit-
gave, dan zou het moeten zijn dat het jammer is dat de kleinere
gezelschapsdieren (konijnen, knaagdieren) geen aandacht krij-
gen en dat de uitgave die ik heb mogen refereren geen harde -
biedt betere bescherming aan een boek dat zo vaak zal worden
opgeslagen - omslag heeft. Van harte aanbevolen, dus aan-
schaffen.

Andries van Foreest

-ocr page 356-

Op 20 februari 2001 werd in Zuid-
Engeland voor het eerst sedert
1967 op een abattoir mond- en
klauwzeer (MKZ) gediagnosti-
seerd bij varkens. Zoals in de da-
gen daarna zou blijken, was dit he-
laas niet het eerste en enige geval.
Via regionale markten zijn be-
smette dieren (vooral schapen)
vervoerd over het gehele Verenigd Koninkrijk. MKZ deed
zich vooral voor bij schapen, waar de diagnose zeer moei-
lijk te stellen is. Slechts een voorbijgaande kreupelheid in
de koppel was het belangrijkste symptoom. Helaas deed
de uitbraak zich ook voor in de periode dat veel (ongeveer
150.000-250.000) schapen werden geëxporteerd naar het
vasteland van Europa ten behoeve van het moslim offer-
feest op 5 maart 2001. Er bestond een groot risico dat be-
smette schapen waren geïmporteerd in Frankrijk, België,
Duitsland, Spanje, Italië en Nederland.

De verschillende landen hebben geïmporteerde schapen en
contactdieren op zeer wisselende tijdstippen getraceerd en
geruimd. Door de verschillende (late) tijdstippen waarop de
vervoersverboden van kracht werden en dieren zijn geruimd,
heeft verspreiding kunnen plaatsvinden. Bovendien heeft tot
28 februari in Ierland en Duitsland verzameling van kalveren
voor transport plaatsgevonden. In Nederland is op 26 febru-
ari een transportverbod ingesteld voor schapen, geiten en
herten en op 12 maart (het moment dat in Frankrijk in
Mayenne de diagnose werd uitgesproken) voor alle evenhoe-
vigen.

Op 15 maart 2001 werd de eerste serieuze klinische verden-
king van MKZ uitgesproken op een geitenbedrijf in Oene.

Deze publicatie geeft een beeld van de klinische sympto-
men, die op de bedrijven zijn geconstateerd door de practici
en door de dierenartsen van de Gezondheidsdienst voor
Dieren (GD), die de bedrijven samen met een RV V-collega
bezocht hebben als lid van het team van deskundigen na een
melding bij de RVV door de practicus.

Casus 1
Het bedrijf

Het bedrijf heeft 74 startkalveren (jonge vleesstieren) en 530
melkgeiten.

Uit ei
voor d
praktij

De geiten werden gehouden in een potstal in verschillende
productiegroepen. De lammeren werden zoveel mogelijk tij-
dens de geboorte opgevangen en in een andere schuur moe-
derbiest-vrij opgefokt onder andere ter preventie van de
overdracht van CAE. De boklammeren en de niet correct op-
gevangen ooilammeren werden afgevoerd voor de mesterij.

\' Gezondheidsdienst voor Dieren, Postbus 9, 7400 AA Deventer

De geitenafdeling was vrijwel volledig gesloten. Alleen voor
het dekken was in september 2000 een bok aangevoerd en
toegevoegd aan het koppel.

De 74 kalveren, afkomstig uit een koppel van oorspronkelijk
155 dieren, waren op 22 februari vanuit Ierland per schip
vertrokken en per vrachtvervoer via Frankrijk (Le Havre),
een tussenstop in Mayenne (Fr.) naar Nederland getranspor-
teerd. Op 24 februari waren de dieren aangevoerd op het be-
drijf, terwijl een ander deel van het koppel kalveren was af-
geleverd in Sprang-Capelle en Beesd.
Op 6 januari en 13 maart is een vrachtrijder van een hande-
laar uit Brabant (Maren-Kessel) in de stal geweest om bok-
lammeren te halen. Dit Brabantse bedrijf is op 14 maart pre-
ventief geruimd, vanwege contacten met Franse verdachte
bedrijven. Alle laboratoriumonderzoeken van materiaal van
dieren van dit bedrijf zijn negatief verlopen. Een deel van de
op 13 maart gehaalde lammeren is afgevoerd naar een be-
drijf in Oosterwolde (Gld.) en een ander deel is afgevoerd
naar een bedrijf in Maren-Kessel. Ook het bedrijf in
Oosterwolde werd op 21 maart geruimd.

Anamnese

De eigenaar had op donderdag 15 maart 2001 de practicus
gebeld omdat hem tijdens het melken was opgevallen dat de
nieuwmelkte geiten sloom waren, te weinig melk produceer-
den en rode vlekjes en korstjes aan de spenen hadden.
Bovendien was er één geit met een ontschoening.
De dierenarts heeft op het bedrijf een veertigtal geiten onder-
zocht en kwam tot de conclusie dat er een MKZ-verdenking
was en waarschuwde de RVV.

Klinische bevindingen specialistenteam

• De groep nieuwmelkte en hoogdrachtige geiten ter linker-
zijde van de voergang was te sloom, terwijl veel dieren
kreupel waren. De dieren hadden niet of nauwelijks be-
langstelling toen het vreemde bezoek door het koppel liep.
De dieren bleven op een enkeling na gewoon liggen, wat
voor geiten heel uitzonderlijk is.

• 20 tot 30% van de geiten had een temperatuur van 40,5 -
41,0 °C.

• Er bevonden zich blaasjes ter grootte van een speldenknop
op de spenen.

• Alle onderzochte klauwtjes waren te warm en aan de me-
diale zijde had een enkele geit een blaarvormige laesie aan
de palmare/plantare zijde van de kroonrand.

• Aan de kroonrand werden blaren en een nat eczeem aange-
troffen. Bij verwijdering van de blaar ontstond een streep-
vórmige laesie op de overgang van huid naar hoorn. Er was
één geit met een ontschoend klauwtje.

• In de mondholte waren stervormige epitheeldefecten aan-
wezig achter de tandeloze rand. Er werden geen laesies op
of aan de rand van de tong geconstateerd.

• Verscheidene lammeren hoestten en hadden mucopuru-
lente neusuitvloeiing met een duidelijke roodverkleuring

De klinische verschijnselen van mond- en klauwzeer bij de
eerste bevestigde gevallen op vijf bedrijven in Nederland

M. Holzhauer, J. Verhoeff en L.A. van Wuijckhuise\'

-ocr page 357-

van het neusslijmvlies.

• De dieren in de achterste afdeling aan de linkerzijde en aan
de rechterzijde in de stal waren in het geheel niet ziek, daar
werden ook geen dieren met koorts gevonden.

• Bij de aanwezige kalveren die in een andere afdeling zaten
op 30 meter afstand van de geiten, werd geen enkel ziekte-
verschijnsel (inclusief temperatuursverhogingen) gecon-
stateerd.

Van tien dieren werden serum- en heparinemonsters en
blaarwandmateriaal verzameld en naar ID-Lelystad ge-
bracht. Ondanks dat de aanwezigheid van veel virus in het
aangeleverde materiaal gerapporteerd werd, was de nadere
determinatie niet eenvoudig en liet de definitieve uitslag en-
kele dagen op zich wachten.

De volgende dag, vrijdag 16 maart, was het geitenkoppel aan
de linkerzijde van het voerpad iets vlotter. De dieren her-
kauwden wat meer en waren wat attenter. Bij onderzoek
werd in dat koppel geen dier meer gevonden met een tempe-
ratuur boven 39,5°C. Bij de jonge geiten aan de rechterzijde
van het voerpad was een aantal dieren wel veel slomer. Bij
onderzoek van deze dieren werd een temperatuursverhoging
tot 41 °C geconstateerd. Deze dieren hadden identieke laesies
als de dieren aan de andere zijde van het voerpad een dag
eerder. Er werd besloten een geit te euthanaseren en samen
met blaarmateriaal van andere dieren in te sturen voor nader
onderzoek.

Uitgebreid klinisch onderzoek bij de kalveren leverde beide
dagen geen enkele aanwijzing voor ziekte op. Alle dieren
waren vlot en hadden een temperatuur lager dan 39,2 °C.
Hoewel de eerste virologische onderzoeken negatief ver-
lopen waren, werd op basis van de klinische bevindingen en
die van de patholoog-anatoom op zaterdagmorgen besloten
dat het bedrijf die middag geruimd zou worden. De diagnose
MKZ werd op donderdag 22 maart in het lab bevestigd.

Casus 2
Het bedrijf

Het betrof hier een melkveebedrijf met 60 runderen inclusief
jongvee, gelegen in de uiterwaarden van de IJssel nabij Olst,
dat hemelsbreed 3 km van het bedrijf van de eerste casus is
gesitueerd en 2 km van het bedrijf van de derde casus. Voor
zover bekend waren er geen contacten met deze bedrijven
geweest. Naast melkvee werden op het bedrijf schapen ge-
houden, die 9 maart naar binnen gekomen waren om te lam-
meren. Het was een vrijwel volledig gesloten bedrijf dat voor
het laatst in november 1999 een koe en in de zomer van 2000
een ram had aangekocht. Het bedrijf heeft een schapenhou-
derij aan de ene zijde van het bedrijf en een terrein van
Staatsbosbeheer met Schotse Hooglanders aan de andere.

Anamnese

De eigenaar belde 20 maart de dierenarts met de mededeling
dat de dieren die avond iets minder melk gaven en dat een
aantal dieren speekselden. De dierenarts constateerde dat
een aantal dieren inderdaad speekselden en blaren in de
mond hadden en heeft ogenblikkelijk de RVV gewaar-
schuwd. Op 19 maart waren een lam en een kalf van respec-
tievelijk tien en 13 dagen oud na acute sterfte voor destructie
afgevoerd en helaas niet onderzocht.

Klinische bevindingen specialistenteam

• In het melkveekoppel stonden zeven van de 35 dieren te

speekselen.

• Acht dieren smakten hoorbaar.

• Drie dieren waren kreupel, waarbij bij nadere inspectie
blaren op de kroonrand als oorzaak werden gevonden
(doorsnede 1 tot 2 cm, zowel mediaal als lateraal van de
klauw).

• Vier dieren hadden blaren aan de speenpunt.

• Een derde van de dieren in het melkveekoppel had een
temperatuur van boven de 40°C.

• Nader onderzoek van de mondholte liet een beeld zien van
al dan niet kapotte blaren met fibrinevorming op de rug en
aan de rand van de tong, waarbij de blaarvorming soms
doorliep tot een cm van de onderzijde. Ook bevonden zich
kapotte blaren met fibrinevorming op de tandeloze rand
van de bovenkaak.

• Droogstaande koeien die door een hek van de melkkoeien
gescheiden achter in de stal stonden, hadden geen van al-
len temperatuursverhoging, evenmin als het jongvee dat in
een andere stal gehuisvest was.

• 21 aanwezige ooien met bijbehorende lammeren hadden
geen van allen temperatuursverhoging. Kreupelheid was
niet aanwezig.

De verdenking \'MKZ-ernstig verdacht\' werd uitgesproken
en weefselmateriaal werd naar Lelystad gebracht voor nader
onderzoek op het virus. Op basis van de laboratoriumuitslag
die vier uur later bekend werd, is het bedrijf de volgende dag
geruimd.

Casus 3
Het bedrijf

Het betrof een aan de IJssel gelegen melkveebedrijf in
Welsum met 70 melkkoeien, bijbehorend jongvee en 60
rose-vleeskalveren van enkele maanden oud. Het bedrijf ligt
hemelsbreed 2 km van het bedrijf van casus 2, doch aan de
andere oever van de IJssel, die door de hoge waterstand al-
daar ongeveer 1 km breed was.

Anamnese

De eigenaar heeft op 13 en 14 maart de geiten en kalveren op
het bedrijf van casus 1 verzorgd en was, vanwege de ver-
dachte verschijnselen op dat bedrijf, zeer alert. Op 21 maart
2001 werd op dit bedrijf een koe opgemerkt met verschijnse-
len van MKZ. De dierenarts is onmiddellijk gewaarschuwd
en deze heeft aansluitend de RVV op de hoogte gesteld.

Klinische bevindingen specialistenteam

Bij onderzoek op het bedrijf werd het volgende geconstateerd:

• Er waren uitgebreide fel roodgekleurde leasies van het
slijmvlies van de tongrug.

• Er waren geen intacte blaren te zien, maar op de tandeloze
rand is wel een 1 tot 2 cm grote blaar gebarsten. De koe
speekselt en smakt enigszins.

• In het balgebied van de klauw zijn barsten van ongeveer 1
cm te zien, die bij openknippen een fel rode subcutis laten
zien met een doorsnede van 1 tot 2 cm. Ook de huid van de
tussenklauwspleet is aangetast. De koe loopt pijnlijk maar
heeft een normale temperatuur.

• Eén van de 60 kalveren heeft één grote laesie van het slijm-
vlies in de mond. Het kalf oogt gezond en heeft een normale
temperatuur.

• De diagnose MKZ werd vijf uur later bevestigd, waama het
bedrijf de volgende dag geruimd werd.

-ocr page 358-

Casus 4
Het bedrijf

Het betreft hier een jongveestal met 37 dieren die 150 meter
buiten het ruimingsgebied van casus 1 gelokaliseerd is.
Naast jongvee staan op deze locatie schapen van een neef
van de eigenaar, die geassisteerd had op het bedrijf van casus
1. Op 12 maart (drie dagen voordat de geiten op die locatie
ziek werden), had hij zijn schapen op deze locatie verzorgd.

Anamnese

De veehouder heeft geconstateerd dat de dieren speekselden
en heeft onmiddellijk zijn dierenarts gewaarschuwd. De die-
renarts heeft speekselen en de aanwezigheid van blaren vast-
gesteld, waarna onmiddellijk de RVV is gewaarschuwd.

Klinische bevindingen specialistenteam

• Vier van de 17 aanwezige pinken in de eerste stal waren
duidelijk ziek.

• De dieren speekselden helder speeksel in lange draden.

• Er waren tongblaren aanwezig. Bij één dier werden intacte
en kapotte blaren met fibrine aangetroffen. Eén dier had
intacte blaren over de gehele tong. Bij het vastpakken van
de tong liet het epitheel los, waarna onder de blaren een
vuurrood oppervlak zichtbaar werd. Er bevonden zich
geen laesies op de tandeloze rand. Twee pinken hadden een
blaar met een doorsnede van 1,5 cm op de tong.

• De dieren smakten met tussenpozen van ongeveer 20 se-
conden, vooral nadat de blaren kapot waren gegaan.

• In het balgebied waren op de kroonrand en in de tussen-
klauwspleet natte plekken zichtbaar. De blaren hier zou-
den gemakkelijk gemist zijn. Ze gingen namelijk gemak-
kelijk kapot bij aanraken, waarna onder de blaar een helder
rood oppervlak zichtbaar werd.

• Er bevonden zich geen laesies op de spenen.

• Bij 20 dieren in een andere stal waren geen symptomen
aanwezig die op MKZ konden wijzen.

• De zeven aanwezige ooien en negen lammeren in de stal
met zieke dieren vertoonden geen klinische symptomen.
Ook hadden de dieren geen koorts of blaren.

Door het team werd de verdenking \'MKZ-ernstig verdacht\'
uitgesproken en monstermateriaal werd opgestuurd naar ID-
Lelystad voor nader onderzoek. De diagnose MKZ werd een
aantal uren later bevestigd.

Casus 5
Het bedrijf

Het betrof hier een melkveebedrijf met in totaal 164 runde-
ren, dat één kilometer buiten de geruimde ring rond casus 1
gelegen was. Op het bedrijf waren geen andere landbouw-
huisdieren aanwezig. De veehouder was uiteraard reeds een
aantal dagen zeer attent op ziekteverschijnselen bij de die-
ren.

Anamnese

Na de ochtendmelking van 24 maart was wat hoesten bij het
jongvee aanwezig en werd een pink van 16 maanden gezien
met een wat schrale neusspiegel. Toen de eigenaar de mond
inspecteerde vielen hem blaren op, waarna hij onmiddellijk
de dierenarts en de RVV waarschuwde.

Klinische bevindingen specialistenteam

In dit koppel was slechts één ziek dier aanwezig, het dier dat
door de veehouder was opgemerkt. De lichaamstemperatuur
was 38,8 ° C. Dit dier speekselde en bij inspectie van de mond
werden grote felrode laesies op de rug en aan de rand van de
tong en op de tandenloze rand aangetroffen. Ook was er
schraalheid van de neusspiegel. Het dier had een ring door de
neus omdat het een melkzuiger was. Aan de klauwen werden in
de tussenklauwspleet gemptureerde blaren aangetroffen. Aan
één tepel werden enigszins oedemateuze plekken aangetroffen.
Smakken en speekselen werden niet waargenomen bij de ove-
rige dieren. Al deze dieren maakten een gezonde indruk.
Na euthanasie van het dier werd blaarwandmateriaal uit de
mond en van de klauwen verzameld en materiaal van de tepel
en naar het ID-Lelystad gebracht. Na 24 uur kwam het be-
richt dat het onderzoek positief op MKZ was verlopen en
werd het bedrijf geruimd.

Discussie

De verschijnselen zoals die bij deze eerste vijf met MKZ-be-
smette bedrijven werden aangetroffen, waren in overeen-
stemming met de informatie die de laatste jaren over deze
ziekte is verspreid. Als bijzonderheden kunnen vermeld wor-
den, dat;

• alle veehouders de ziekte in een zeer vroeg stadium ge-
meld hebben;

• de geiten in casus 1 bijzondere symptomen vertoonden.
Toch heeft de practicus het bedrijf onmiddellijk aange-
meld als verdacht van MKZ;

• de symptomen bij de kalveren relatief mild waren;

• in een aantal acute klinische gevallen de koorts ontbrak;

• op één bedrijf vertoonde slechts één dier klinische ver-
schijnselen;

• het smakken van de dieren een opvallend en karakteristiek
symptoom was;

• het stadium van de intacte blaren in de mond slechts kort
is. De blaren gaan bij aanraken snel kapot;

• bij dieren die ernstige slijmvliesdefecten hadden de alge-
mene ziekteverschijnselen soms mild waren en zelfs het
smakken ontbrak;

• slijmvliesdefecten op de tong zeer karakteristiek en speci-
fiek voor MKZ waren. Het zeer specifiek zijn van dit
symptoom, gekoppeld aan een aanzienlijke sensitiviteit,
was ook de reden dat tot in de zestiger jaren alle evenhoe-
vigen in de mond gekeken werden voordat de veemarkt
betreden mocht worden;

• in een aantal gevallen de menselijke contacten belangrijk
waren bij de transmissie van het virus.

Differentiaal diagnose

Voor het eerste van de bovenbeschreven gevallen zou naast
MKZ differentiaal diagnostisch bij geiten en schapen ge-
dacht kunnen worden aan:

• ecthyma ( pasteurellose)

• rotkreupel

• vesiculaire Stomatitis

• capriene herpesvirus

• pseudo cow pox virus

Bij runderen komt de volgende differentiaal diagnose in aan-
merking:

- bovine herpes virus 1 (BHV 1)

- bovine virus diarree virus (BVDV)

- boosaardige catarrhaal koorts (BCK)

- bovine herpesmammilitis (bij speenlaesies)

-ocr page 359-

- pseudocowpox (bij speenlaesies)

- trauma en irritatie door prikkelende stoffen

- mycotoxicosis

Conclusie

Op basis van klinisch onderzoek wordt de waarschijnlijkheids-
diagnose MKZ gesteld op basis van horen, zien en voelen.
Horen:

• smakken
Zien:

• speekselen en blaren of laesies op de tong en op de tan-
deloze rand;

• ziek (sloom, temperatuursverhoging, niet vreten etce-
tera);

• kreupel
Voelen:

• blaren gaan direct kapot als je ze aanraakt. Bij het beet-
pakken van de tong heeft men de vellen (bewaren voor
onderzoek) in de hand en blijven fel rode plekken ach-
ter.

Transmissie van mond- en klauwzeervirus via
melk- en vleesproducten geen bedreiging voor de
volksgezondheid

W.H.M. van der PoeP

Na eerdere berichten dat het mond- en klauwzeer (MKZ) virusuitbraken had veroorzaakt in Argentinië, Mongolië

en Turkije, is Europa in februari opgeschrikt door een grote MKZ-virusuitbraak in het Verenigd Koninkrijk.
Inmiddels is ook in Nederland mond- en klauwzeer vastgesteld nadat er ook uitbraken waren gemeld In onder an-
dere Frankrijk en Israël. Direct na de eerste berichten van de uitbraak in het Verenigd Koninkrijk zijn in de andere
Europese landen uitgebreide veiligheidsmaatregelen genomen om \'insleep\' van het virus te voorkomen. De belang-
rijkste maatregel is vrijwel zeker het verbod op het transporteren van MKZ-gevoelige diersoorten. In het Verenigd
Koninkrijk wordt het publiek geadviseerd om alle mogelijke contacten met evenhoevigen te vermijden en geen dier-
parken of landgoederen te bezoeken. In veel Europese landen wordt reizigers uit het Verenigd Koninkrijk verboden
om vlees- of melkproducten in te voeren, om te voorkomen dat het virus wordt \'meegebracht\' het land in. Vooral deze
laatste maatregel roept bij het publiek de vraag op of het mond- en klauwzeervirus besmettelijk is voor mensen.

Dankzegging

De auteurs danken de leden van de
specialistenteams, bestaande uit die-
renartsen van de RVV, de GD en de
lokale practici.

Van de RW betrof dit de collegae:
K.C. Frik. F.B.M.G. van Ditzhuij-
zen, J. Zinke, M.R Smit, A.E.E.
Soetliout en B.W. Kettelarij.
De betrokken practici waren:
R.G.A. Schuurmans en H.A. de
Graaf van DAP Vaassen, A.J.
Piaisier van DAP Epe en R. van de
Wetering de Rooij van DAP Olst.
Van de zijde van de GD waren ver-
der betrokken: D. Dercksen, J. Sol en
J. Veling.

Mond- en klauwzeer wordt veroorzaakt door een virus van
het genus
Aphtovirus van de familie der picornaviridae.
Evenhoevigen zoals runderen, schapen en varkens zijn zeer
gevoelig voor deze infectie. Mond- en klauwzeer is ende-
misch in grote delen van Afrika en Azië en Zuid-Amerika.

\' Microbiologisch Laboratorium voor Gezondheidsbescherming (MGB). RIVM.
Bilthoven.

De ziekte manifesteert zich meestal door blaasjes vorming
op en in de mond en op de voeten. De morbiditeit is vrijwel
altijd zeer hoog maar het sterftecijfer is meestal laag, met uit-
zondering van kalveren, waarbij een acute virale myocarditis
kan leiden tot acute sterfte (10). In de blaasjes zijn hoge con-
centraties virus aanwezig en het virus wordt gemakkelijk
van dier tot dier overgedragen, onder andere via uitade-
mingslucht. Mond- en klauwzeervirus kan zich goed ver-

-ocr page 360-

spreiden via de lucht. Mensen kunnen het virus van het ene
dier op het andere overdragen zonder daarbij zelf geïnfec-
teerd te worden. Een overleving van het virus in de neus van
een persoon voor meer dan 24 uur is beschreven (14). De
enorme economische schade die de ziekte teweeg kan bren-
gen is de reden dat de Europese Commissie bij uitbraken zo
snel mogelijk overgaat tot het sluiten van grenzen voor trans-
porten van gevoelige dieren.

Werkelijk MKZ?

Mond- en klauwzeerinfecties bij mensen zijn herhaaldelijk
gerapporteerd, maar het is twijfelachtig ofbij de gerappor-
teerde aandoeningen steeds het werkelijke MKZ-virus be-
trokken was. Het ziektebeeld van hand-, voet- en mondziekte
bij mensen, dat veroorzaakt wordt door Coxackievirus A en
enterovirus 71 lijkt namelijk sterk op dat van MKZ-infectie
bij mensen. De ziekteverschijnselen na een MKZ-infectie
blijven afwezig of bestaan uit blaasjes op de handen, koorts,
keelpijn en blaasjes in de mond. Het verloop van de aandoe-
ning bij mensen is altijd mild. De incubatietijd bij mensen
bedraagt twee tot zes dagen (12). Het MKZ-virustype O lijkt
het meest pathogeen voor mensen, daarna respectievelijk
type C en A (2). Het type O is overigens ook het type dat op
dit moment in het Verenigd Koninkrijk circuleert.
Publicaties van natuurlijke infecties bij mensen door be-
smette dieren waarbij door middel van laboratoriumonder-
zoek het MKZ-virus is aangetoond, zijn vrij zeldzaam. De
laatste rapportage van een dergelijke patiënt stamt uit 1966
in het Verenigd Koninkrijk (1). Toch moeten ook daarna vele
mensen blootgesteld zijn geweest in endemische gebieden
en bij uitbraken onder runderen. Gerapporteerde klinische
infecties bij mensen zijn in veruit de meeste gevallen het ge-
volg van extreme blootstelling zoals bij laboratoriumperso-
neel na prikincidenten, waarbij sprake is van onnatuurlijk
hoge infectiedoses. Sommige auteurs zijn daarom van me-
ning dat mond- en klauwzeer geen echte zoönose is (13). Er
zijn geen aanwijzingen voor transmissie van mens naar
mens, ook niet na infecties met hoge doses virus.

Besmet melk en vlees

Melk- en vleesproducten kunnen een rol spelen in de ver-
spreiding van mond- en klauwzeervirus naar een land dat
vrij is van de ziekte en waar niet gevaccineerd wordt (6). De
import van gecontamineerd vlees uit Zuid-Amerika wordt
gezien als de oorzaak van een vorige MKZ-uitbraak in het
Verenigd Koninkrijk in 1967. Al sinds lange tijd is bekend
dat MKZ-virus geïsoleerd kan worden uit de melk van geïn-
fecteerde runderen, ook als er geen klinische verschijnselen
zijn (5). Het uierweefsel is zeer gevoelig voor deze infectie.
De virusuitscheiding kan wel tot 51 dagen post infectionem
optreden (7). Onderzoekers hebben zichzelf kunnen infecte-
ren door vier dagen achtereen 250 ml melk van een geïnfec-
teerde koe te drinken (8). Met name in de eerste helft van de
vorige eeuw zijn er herhaaldelijk MKZ-infecties bij mensen
beschreven die het gevolg zouden zijn van het drinken van
gecontamineerde rauwe melk (9). Echter, in de meeste van
deze rapportages is het MKZ-virus niet daadwerkelijk aan-
getoond. De kans op deze infectieroute is binnen de moderne
veehouderij bijzonder klein geworden. In gebieden waar niet
gevaccineerd wordt, zoals Europa, zullen MKZ-infecties na-
melijk snel onderkend worden. Door de \'stamping out\' die
daarop volgt bestaat er alleen in de eerste fase na de uitbraak
een kans dat er MKZ-gecontamineerde melk in de produc-
tieketen komt, waarin het virus vervolgens sterk verdund zal
worden. De pasteurisatie (verhitting tot 72°C) die melk
ondergaat bij de verwerking, zorgt bovendien voor een be-
langrijke virusreductie (4). MKZ-virus kan persisteren in
melkproducten zoals kaas, tot meer dan een maand wanneer
wordt uitgegaan van onverhitte melk van geïnfecteerde
koeien (3). Infecties bij mensen door het eten van geconta-
mineerde kaas zijn voor zover bekend nooit voorgekomen.
Contaminatie van vlees(producten) met het MKZ-virus is
ook bestudeerd en daaruit is gebleken dat het virus ook in
vlees(producten) enige tijd kan overleven. Zowel in spier-
weefsel als vetweefsel was na het slachten van een besmet
dier infectieus MKZ-virus aantoonbaar. Maar dit was niet
meer het geval na 72 uur na het slachten (11). Insleep van het
virus door import van verse slachtproducten uit gebieden
waar de ziekte voorkomt is dus mogelijk, en zou inderdaad
de oorzaak geweest kunnen zijn van nieuwe introducties.
Mond- en klauwzeerinfecties bij mensen als gevolg van het
eten van gecontamineerd vlees, zijn voor zover bekend nog
nooit waargenomen.

Concluderend kan gezegd worden dat het risico van mond-
en klauwzeerinfectie voor de volksgezondheid ook tijdens
de periode van een uitbraak alleen bestaat bij extreme bloot-
stelling en dat zelfs in dat geval de kans op ziekteverschijn-
selen klein is. De kans op MKZ-infectie na het eten van
vlees- of melkproducten uit niet-endemische gebieden is ni-
hil.

Literatuur

1. Arm.strong R, Davie J, and Hedger RS. Foot-and-mouth disease in man.
Br Med J 1967.

2. Bauer K. Foot-and-niouth disease as zoonosis. Arch virol 1997; 13: 95-
7.

3. Blackwell JH. Survival of foot and-mouth disease virus in cheese. J
Dairy Science 1976; 59: 1574-9.

4. Blackwell JH, and Hyde JL. Effect of heat on foot-and-mouth disease
virus (FMDV) in the components of milk from FMDV-infected cows. J
HygLond 1976;77:77-83.

5. Burrows R. Excretion of foot-and-mouth disease virus prior to the
development oflesions. Vet Ree 1968; 82: 387-8.

6. Donaldson AI. Risks of spreading foot and mouth disease through milk
and dairy products. RevSciTcch. 1997; 16: 117-4.

7. Fuchs HW. Mastitiden: Virusinfectionen. In: Euter- und Gesaugekrank-
heiten. eds. Wendt K, Bostedt H. Mieike H, Fuchs HW. Gustav Fischer
Verlag Jena (Stuttgart) 1994: pp 422-5.

8. Hertwig CA. Übertragung tierischer Ansteckstoffe auf den Menschen.
Med Vet 1834:2 48.

9. Hyslop NSG. Transmission of the virus of foot and mouth disease be-
tween animals and man. Bull WId Hlth Org 1973; 49: 577-85.

10. Mann JA, Sellers RF. Foot-and-Mouth Disease. In: Virus infections of
ruminants. DinterZ. and Morein B. Editors. Elsevier Science Publishers
B.V Amsterdam. 1990: pp 503- 12.

11. Panina GF, Civardi A, Massirio I, Scatozza F, Baldini R and Palmia E
Survival of foot-and-mouth disease virus in sausage meat products
(Italian salami) Int J Food Microbiol. 1989; 8: 141-8.

12. Prempeh RS, Smith R, and Müller B. Foot and mouth disease: the hu-
man consequences. BMJ 2001; 322; 565-6.

13. Schrijver RS. Van Oirschot JT. Dekker A. Schneider MME, Van Knapen
F en Kimman TG. De runderziekte mond- en klauwzeer is geen zoö-
nose. Ned Tijdschr Geneesk 1999; 143: 107-8.

14. Sellers RF, Herniman KAJ, and Mann JA. Transfer of foot-and-mouth
disease virus in the nose of man from infected to non-infected animals.
Vet Ree 1971:86:447-9.

-ocr page 361-

In het Tijdschrift voor Dierge-
neeskunde werd eind vorig jaar
een visie weergegeven vanuit de
praktijk en het beleid over de
problematiek rondom de registra-
tie van diergeneesmiddelen (1).
M|niVVM|H Hier volgt een bijdrage aan de
voorgestelde dialoog vanuit de
faculteit, de industrie, de land-
bouwhuisdieren- en de gezelschapsdierenpraktijk.

Inleiding

Het is duidelijk dat het arsenaal diergeneesmiddelen ten aan-
zien van species en indicaties in grote mate is verschraald na
de verplichting tot registratie. Deze verplichting was een ge-
volg van de Europese Richtlijnen 81/851/EEG en 81/852/
EEG uit 1981.

Het is toe te juichen dat deze problematiek aan de orde wordt
gesteld (1). De start van de dialoog was ruim van opzet, maar
ging meer in op het beleid en de vigerende wetgeving dan de
werkelijke gevolgen voor de praktijk. Als voorbeeld werd de
pluimveesector genomen, maar daarmee is nauwelijks inge-
gaan op de problematiek bij andere diersoorten. Hierna zal ge-
tracht worden om de problematiek meer vanuit een praktische
kant te benaderen en aanbevelingen op te stellen die kunnen
leiden tot een, voor alle partijen, meer bevredigende situatie.

Diergeneesmiddelenwet

Na het van kracht worden van de Diergeneesmiddelenwet in
1986 werd van alle middelen die op dat moment op de markt
waren een registratiedossier vereist. De verwachting was dat
de beoordeling van deze dossiers binnen enkele jaren afge-
rond kon worden. Dit bleek echter een grote misvatting te
zijn. Het gehele proces van beoordelen moest aan beide kan-
ten nog aangeleerd worden. Veel aanvragen voor registratie
werden terecht afgewezen omdat geen werkzaamheid kon
worden aangetoond, de veiligheid (inclusief de residuen) of
de kwaliteit niet kon worden gegarandeerd, of omdat een
combinatie van werkzame stoffen niet kon worden onder-
bouwd.

Het bleek echter dat er ook dossiers waren ingediend die in-
houdelijk niets bevatten. Tegen een afwijzing van registratie
kan formeel bezwaar worden aangetekend bij het ministerie
van LNV en daarna zelfs nog een beroepsprocedure worden
gestart bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.
Van deze mogelijkheden werd veelvuldig gebruik gemaakt,
omdat snel bleek dat tijdens de jarenlang durende procedure
de betreffende middelen gewoon op de markt konden blij-
ven. Na een definitieve afwijzing was er zelfs nog een jaar

\' Destijds Virbac Nederiand BV: corresponderend auteur: Molecaten 57. 3772 U
Bameveld.

■ Emeritus hoogleraar Farmacologie en Farmacotherapie Faculteit der Diergenees-
kunde. Konietenlaan 33, 3721 JA Bilthoven.
\' Praktiserend dierenarts gezelschapsdieren. Houtlaan 26, 9203 AT Drachten.
\' Praktiserend dierenarts landbouwhuisdieren, Nieuwkruisland 6A, 9852 TE Warfster-
molen,

uitverkooptermijn toegestaan. Hierbij werd geen onder-
scheid gemaakt tussen dossiers van te goeder trouw zijnde
aanvragers en zogenaamde \'oude krantendossiers\'. Dit heeft
terecht veel verwondering gewekt in de markt. Zelfs nu zijn
er nog producten voor landbouwhuisdieren in omloop met
wachttijden en etiketteringsvoorschriften onder een voorlo-
pig geregistreerd NL-nummer, die dateren uit de tachtiger ja-
ren. Over bescherming van de volksgezondheid gesproken!
Men kan zich afvragen of er toen niet beter voorrang gege-
ven kon worden aan een spoedige afhandeling en afwijzing
van aantoonbaar dubieuze dossiers en producten. Helaas zijn
er ook middelen verdwenen die soms tientallen jaren veilig
en met succes werden gebruikt, waarbij men zich inderdaad
kan afvragen of dat nodig was.

De rol van de overheid

In diverse Europese landen ligt de verantwoordelijkheid
voor de registratie van diergeneesmiddelen bij hetzelfde mi-
nisterie waar ook de humane geneesmiddelen onder vallen.
In Nederland zijn dit echter twee ministeries. Landbouw res-
pectievelijk Volksgezondheid. Wanneer vanuit de praktijk
problemen worden gesignaleerd ten gevolge van de invoering
van de diergeneesmiddelenwet, zoals bijvoorbeeld het reeds
jarenlang bekende florerende grijze circuit of de import van
diergeneesmiddelen uit het buitenland, waar veel producten
nog zonder problemen verkrijgbaar zijn (ook in EU-lidsta-
ten), wordt er door het ministerie verwezen naar de politiek.

Het belang van de volksgezondheid wordt gebruikt als leidend
principe en telkens wordt dit weer aangehaald als er kritische
geluiden waarneembaar zijn. Door residuen van aan het dier
vlak voor het slachten toegediende antibiotica in vlees(produc-
ten), is het mogelijk dat allergische reacties bij gevoelige men-
sen kunnen optreden. Indien dit al zou voorkomen is het in ie-
► der geval uiterst zeldzaam. De concentraties van eventuele
antibioticaresiduen zijn in ieder geval zo laag dat een antimi-
crobieel effect op de darmflora van de consument waarschijn-
lijk verwaarloosbaar is. Het merendeel van de voedingsmidde-
len van dierlijke oorsprong bevatten inderdaad geen residuen
en wanneer deze worden aangetroffen vallen ze in de meeste
gevallen binnen de maximale residu limieten (MRL\'s) (2).

Er is waarschijnlijk nog nooit iemand overleden aan de
gevolgen van residuen van diergeneesmiddelen, maar wél aan
voedselinfecties veroorzaakt door bijvoorbeeld (antibiotica-
resistente) salmonellae. Het beschermen van de volksgezond-
heid kan daarom ook bereikt worden met preventie van zoöno-
sen door een beter management en een juist gebruik van
diergeneesmiddelen (zie ook Diergeneeskundig Memoran-
dum 47,2000, nr. 2). Hierover wordt nauwelijks gesproken. In
hoeverre vindt er controle plaats op residuen van andere stof-
fen dan antibiotica en groeihormonen zoals bijvoorbeeld des-
■ infectantia en rodenticiden? Laten deze geen residuen achter?
Bestaan hiervan wel MRL-waarden? De Bestrijdings-
middelenwet bevat wel een lange lijst met residulimieten voor
toegelaten stoffen.

Diergeneesmiddelen, voor velen een zorg!

P.A.M. Overgaauw\\ A.S.J.P.A.M. van MierF, H.A. Beijer3 en R. de Haan4

-ocr page 362-

Dezelfde vraag kan gesteld worden wanneer het gaat om de
zogenaamde Transmissible Spongiform Encephalopathies
(TSE)-eisen volgens een Europese Richtlijn. Dit betreffen
verklaringen die fabrikanten voor diergeneesmiddelen voor 1
maart 2001 moesten opstellen waaruit blijkt dat met de ge-
bruikte grondstoffen, weefsels en bereidingsmethoden het ri-
sico van overdracht van TSE minimaal of afwezig is. Gelden
deze eisen ook voor alle diervoeders en niet-geregistreerde
middelen die aan (consumptie)dieren worden toegediend?

De rol van de industrie

Enkele jaren geleden vertelde het hoofd R&D van Merck USA
tijdens een symposium bij het ID-Lelystad, dat eprinomectine
voorlopig wel het laatste innovatieve molecuul was die exclu-
sief ontwikkeld was voor de veterinaire sector. De kosten van
ontwikkeling en registratie lagen voor dat molecuul al ver bo-
ven de 100 miljoen gulden en de \'terugverdientijd\' is door de
langdurige procedures van onderzoek en registratie ook nog
eens te kort geworden (beperkte patentbescherming). Na-
tuurlijk kan een registratie alleen nog maar plaatsvinden wan-
neer voor een middel een voldoende groot marktpotentieel
aanwezig is. Het kleiner wordende onderdeel farmacotherapie
op de Faculteit der Diergeneeskunde zal ook niet leiden tot
meer onderzoek bij de ontwikkeling van diergeneesmiddelen.
Met name het onderzoek naar klinische effectiviteit van dierge-
neesmiddelen bij minor species en minor indications.

Diergeneesmiddelenfabrikanten werken regelmatig samen om
belemmeringen van de registratie te lijf te gaan. Helaas vaak
ook voor niets. Enkele jaren geleden werden zij in Nederland
voor een voldongen feit gesteld om van alleriei werkzame mo-
leculen een Routinematige Analyse Methode (RAM) aan te le-
veren. Het was toen al bekend dat dergelijke methodes op korte
termijn beschikbaar zouden komen bij de EMEA (European
Medicines Evaluation Agency) als gevolg van de zogenaamde
MRL-verordening (2377/90/EEG en 675/92/EEG). Deze ver-
ordening schrijft voor dat alleen diergeneesmiddelen voor
voedselproducerende dieren op de markt mogen zijn, waarvan
de werkzame stoften voorkomen op enkele bijlagen. De stoffen
waarvoor een MRL is vastgesteld zijn weer uitgesplitst per
diersoort, per weefsel, orgaan, melk en eieren. Omdat van di-
verse stoffen geen MRL gepubliceerd is, verdwijnen er dit jaar
weer vele producten van de markt of worden indicaties terug-
gebracht.

Nederland bleek, zoals gezegd, de RAM\'s al veel eerder nodig
te hebben. Alleriei instituten begonnen met de ontwikkeling
van analyses, het opmaken van offertes en het bezoeken van fa-
brikanten. Honderdduizenden guldens werk lagen in het ver-
schiet; tenslotte moest per diersoort en per onderzocht weefsel
of melk een dergelijke methode gevalideerd worden! Binnen
de FIDIN (Fabrikanten en Importeurs van Diergeneesmid-
delen in Nederland) werden werkgroepen samengesteld en
plannen uitgewerkt om kosten te delen. Alle moeite is uiteinde-
lijk voor niets geweest omdat vanuit Brussel (EU) en London
(EMEA) duidelijk werd gemaakt dat naar de gevraagde
analysemethoden verwezen kon worden wanneer deze met de
MRL\'s gepubliceerd zouden worden.

Binnen de mogelijkheden van de geregistreerde producten
stimuleert de FIDIN een juist gebruik van diergeneesmidde-
len, vooral antibiotica, en is er een code vastgesteld voor cor-
recte aanprijzing van diergeneesmiddelen en vaccins.

De rol van de dierenarts

De dierenarts ervaart een kleiner wordend arsenaal aan dier-
geneesmiddelen, vaak producten die al jarenlang zonder
problemen en met succes zijn gebruikt, als bijzonder storend
en kan de problematiek die hieraan ten grondslag ligt niet
overzien. Ook is het niet te verklaren waarom de registratie
van humane middelen voor veterinaire toepassing niet een-
voudig is te verkrijgen. Indien dit wel het geval is, zoals voor
bijvoorbeeld isofluraan, is de veel te hoge prijs daarna weer
een belemmering voor het gebruik. Dit is in het nadeel van
patiënt, de dierenarts en zijn personeel.

Het is niet eenvoudig om weerstand te blijven bieden tegen
de verleiding om dan vaker humane middelen te gebruiken
of om diergeneesmiddelen off label use toe te passen. Ook is
het aanlokkelijk om middelen uit het buitenland, waar veel
diergeneesmiddelen zonder problemen wel zijn gere-
gistreerd, te importeren na de totstandkoming van een
interne Europese markt in 1992. Het is in dit verband ook
niet erg logisch dat, ondanks de Europese regelgeving, een
paard een slachtdier is, behalve in Engeland. Veel middelen
(onder andere fenylbutazon) zijn daar voor paarden gewoon
verkrijgbaar.

Inmiddels zijn er enkele zaken door het Veterinair Tucht-
college behandeld betreffende het afgeven van gekanaliseer-
de diergeneesmiddelen zonder de dieren gezien te hebben,
het off label use toedienen van diergeneesmiddelen aan
meerdere dieren of bij het ontbreken van een situatie zoals
bedoeld in artikel 2, lid 1 van de Vrijstellingsregeling en het
niet in acht nemen van de voorgeschreven wachttijden. De
uitspraken waren ondubbelzinnig en in het nadeel van de
practicus.

De dierenarts zal daarom aandacht moeten blijven besteden
aan het management op de veehouderijbedrijven als het gaat
om de juiste en selectieve toepassing van diergeneesmidde-
len.

Controle en sanctiebeleid

Het zou niet meer dan redelijk zijn als de fabrikant als tegen-
prestatie van zijn inspanningen om middelen te laten re-
gistreren een zekere mate van bescherming zou krijgen van
de overheid. Niets is minder waar. Op de markt zijn al jaren-
lang middelen uit het buitenland verkrijgbaar, evenals niet-
geregistreerde middelen en grondstoffen met allerlei medi-
sche indicaties en doeldiersoorten op het etiket. Humane
middelen worden veelvuldig gebruikt, ook bij beschikbare
veterinair geregistreerde alternatieven. Soms is het feit dat
deze middelen goedkoper zijn al een argument.

Uitgeponde middelen met fake-etiketten, alternatieve midde-
len en voedingssupplementen kunnen ook worden aangetrof-
fen. De laatste benaming is overigens wettelijk niet .meer toe-
—^ gestaan. Een
aanvullend diei-voeder wel, maar deze dient te
voldoen aan de eisen van de Diervoederwetgeving. Nog
steeds worden er echter voedingssupplementen aangetroffen
of zelfs nieuwe geïntroduceerd. Onlangs werd de registratie
van een aantal producten bestemd voor consumptiedieren
doorgehaald omdat er geen MRL van bepaalde grondstoffen
was gepubliceerd. In veel gevallen betroffen het middelen
met plantaardige bestanddelen, mineralen of spoorelemen-
ten. Het is echter een kleine moeite om deze middelen als
aanvullend diei-voeder te blijven vermarkten. Men kan zich

-ocr page 363-

dan wel afvragen wat de waarde is van een MRL voor be-
paalde bestanddelen bedoeld voor consumptiedieren en of
hier niet beter over nagedacht had kunnen worden.

Tenslotte wordt het onderscheid tussen homeopathische
middelen en kruidenmengsels niet of nauwelijks gemaakt,
terwijl hier wel degelijk sprake is van verschil in concentra-
tie van werkzame stoffen. Vindt er wel controle plaats op de
aanwezigheid van verontreinigingen? Vanuit de humane sec-
tor zijn al meerdere voorbeelden bekend van Chinese krui-
denpreparaten en afslankmiddelen waarin zich corticosteroï-
den of zware metalen bevonden.

Controle met een bijbehorend sanctiebeleid is met de hui-
dige menskracht en financiële middelen nauwelijks uitvoer-
baar. Een uitzondering hierop vormde enige tijd geleden de
doxycycline-affaire toen bij pluimvee residuen werden aan-
getroffen. Zonder dat eerst goed werd uitgezocht of er wel
een juiste toepassing had plaatsgevonden en de reguliere
wachttijd was gerespecteerd, werd de registratie onmiddel-
lijk opgeschort.

Overleg tussen aanvragers en beoordelaars

Een wet wordt in het algemeen naar redelijkheid en billijk-
heid toegepast. Helaas blijkt dit in veel gevallen niet op te
gaan voor de Diergeneesmiddelenwet. Vanzelfsprekend han-
teert de overheid zeer strenge toelatingsnormen en terecht
verwijst men daarbij naar de Europese wet- en regelgeving,
maar er wordt door de aanvragers voor registratie van een
diergeneesmiddel toch regelmatig geconstateerd dat met de
uitvoering wel erg rigide wordt omgegaan.
Vaak blijkt pas in de eindfase van een beoordeling dat een
dossier is afgewezen omdat (aanvullende) gegevens toch niet
voldoen aan de (inmiddels veranderde) eisen. Redenen hier-
voor zijn veelvuldig misverstanden tussen beide partijen die
voorkomen hadden kunnen worden als vooraf overleg had
kunnen plaatsvinden. Tijdens zo\'n overleg kunnen de di-
verse mogelijkheden besproken worden om te voorkomen
dat een aanvrager veel kosten en moeite investeert in overbo-
dig onderzoek, eventueel met gebruik van proefdieren, en de
overheid veel tijd moet besteden aan nutteloze beoordelin-
gen. Het zou tevens het ontstaan van achterstanden in de be-
oordeling, die lange tijd een groot probleem vormden, voor
een groot deel kunnen voorkomen.

Minor species

Met veel moeite en dankzij de onvermoeibare inzet van het
Bureau Bijwerkingen Diergeneesmiddelen, is momenteel
een zogenaamde Vrijstellingsregeling voor minor species
van kracht. Hierin worden de middelen beschreven die, zon-
der dat ze hiervoor zijn geregistreerd, voor bepaalde dier-
soorten gebruikt mogen worden. Het paard maakt hier ook
onderdeel van uit. Vreemd genoeg zijn er de afgelopen jaren
verschillende producten van de markt verdwenen die waren
onderzocht op werkzaamheid en effectiviteit bij het paard.
De enige reden voor afwijzing was het toen ontbreken van
residu-onderzoek. Voorstellen vanuit de industrie om deze
producten te registreren met veilige lange wachttijden, geba-
seerd op literatuur, werden niet gehonoreerd. Toch zijn deze
middelen niet opnieuw beoordeeld en momenteel kan elk
diergeneesmiddel met een indicatie voor andere diersoorten
of eventueel een humaan preparaat worden voorgeschreven
met een wettelijke wachttermijn van 28 dagen.

Een andere zaak die verwondering wekt betreft de middelen
waarvan de registratie is beëindigd, maar die niet gemist kun-
nen worden in de praktijk en waarvoor geen alternatief be-
schikbaar is, zelfs niet als humaan geneesmiddel. Deze midde-
len kan de Apotheek van de Faculteit der Diergeneeskunde wel
weer magistraal bereiden en op recept afleveren met de al eer-
der genoemde wettelijke wachttijd van 28 dagen. Een fabrikant
wordt de levering verboden (bereiding volgens GMP-normen),
maar kleinschalige bereiding en toepassing door de dierenarts
(geen GMP) kan gewoon verder legaal plaatsvinden.

Kanalisatie

Voor alle partijen in de markt is het kanalisatieregime in-
middels een ondoorzichtig en onwerkzaam instrument ge-
worden. Al zijn de regels nog zo duidelijk, toch zal iedereen
begrijpen dat de flacon met Ca/Mg-oplossing zonder kanali-
satie in de lekenhandel, voorzien van doorsteekdop, écht niet
voor orale toepassing is bedoeld, zoals wel op het etiket staat
aangegeven. Vreemd is ook dat sederende middelen vrij ver-
krijgbaar zijn, zoals azaperon voor varkens en acepromazine
voor gezelschapsdieren. Fabrikanten hebben voor producten
met zowel intraveneuze als intramusculaire of subcutane toe-
diening, twee verschillende registraties moeten aanvragen
om de afgifte aan een veehouder (UDA-status) mogelijk te
houden. Hoe is het kanalisatieregime in Nederland te verkla-
ren binnen de Europese wetgeving met de wetenschap dat di-
verse vaccins (bijvoorbeeld voor vogels) vrij verkrijgbaar
zijn in België?

Kennis en praktijkervaring van beoordelaars

Hoewel enerzijds veel middelen, al dan niet terecht, voor re-
gistratie zijn afgewezen, kan ook geconstateerd worden dat
anderzijds ook middelen worden geregistreerd waarbij door
specialisten op het vakgebied duidelijk vraagtekens gezet
kunnen worden. Men zou mogen verwachten dat een beoorde-
laar ook zorg draagt voor een zekere bescherming van de fa-
brikant, de dierenarts en de diereigenaar en zich niet verschuilt
achter het argument \'het stond in het dossier\'. Een voorbeeld
is de grote variatie in diersoorten die gehanteerd worden bij de
beschikkingen zonder dat hiervoor duidelijke richtlijnen gel-
den. Wat zijn precies de verschillen als op het etiket vermeld
wordt: varken, biggen, tweehoevigen, varkens, zeugen, fok-
varkens, mestvarkens of gelten? Zijn er geen verschillen aan te
geven tussen warm- en koudbloedpaarden of tussen grote en
kleine hondenrassen? Waarom zijn er toch verschillende com-
binatiepreparaten geregistreerd waarvan altijd is gesteld dat
het onderbouwen van een dergelijke combinatie niet mogelijk
was? Bijvoorbeeld dexamethason met fenylbutazon of neo-
mycine met scopolamine (beide oraal) en neomycine met
dexamethason (topicaal)? Er is nog altijd een tetracyclinepre-
praat geregistreerd voor toepassing bij paarden (droes, Str.
Equi). Gelukkig is het niet met deze etikettering op de markt.

Waarom worden sommige tetracycline- of B-lactamprepara-
ten met vergelijkbare farmaceutische formuleringen voor
eenmaal daagse toediening geregistreerd en andere daaren-
tegen weer voor tweemaal daags? Deskundigen zijn het er-
over eens dat de farmacokinetiek nooit dermate uiteen kan
lopen om dit te rechtvaardigen. Veelal ontbreekt hierbij ook
nog de geadviseerde (minimale) behandelingsduur.

Hetzelfde kan men zich afvragen voor de grote verschillen in
doseringen van identieke moleculen voor dezelfde diersoor-

-ocr page 364-

ten en indicaties. Een zekere harmonisatie had hierin meer
duidelijkheid kunnen brengen.

Ondanks alle voorzorgen, waarschuwingen en bijwerkingen
die op het etiket vermeld dienen te worden, is het vreemd dat
de meest gangbare waarschuwing
Buiten hereik van kinderen
houden
niet meer op de registratiebeschikking wordt ver-
meld. Veel waarschuwingen van de vroegere bestrijdings-
middelen voor toepassing op dieren, zijn verdwenen nadat ze
als diergeneesmiddel zijn geregistreerd. Zijn ze plotseling
minder gevaarlijk geworden? Over veiligheid voor kinderen
gesproken: hoe is het mogelijk dat een potje met tricyclische
antidepressiva (clomipraminehydrochloride; Clomicalm®)
voor toepassing bij de hond gewoon op de keukentafel kan
worden aangetroffen? Middelen zoals acepromazine zijn ge-
woon vrij verkrijgbaar in de dierenspeciaalzaak.

Mogelijke oplossingen

In het algemeen wordt bij de overheid een gebrek aan ratio-
naliteit gesignaleerd en er wordt nog te weinig gebruik ge-
maakt van andere objectieve kennisbronnen. Ook is er al
vaak aangedrongen om eenvoudige beoordelingen door het
BRD te laten uitvoeren. Een betere overlegstructuur en com-
municatie tussen aanvragers en beoordelaars voor en tijdens
een registratieprocedure is dringend noodzakelijk. Een der-
gelijke openheid is in het buitenland heel normaal en gang-
baar. Op deze wijze kunnen veel problemen, kosten en tijd-
verspilling aan twee kanten worden voorkomen.

Tevens ontbreken eenduidige uiteenzettingen van de beleids-
standpunten van het ministerie van LNV Het feit dat er ge-
middeld iedere twee jaar een andere beleidsmedewerker op het
gebied van diergeneesmiddelen wordt aangesteld zal hier mede
verantwoordelijk voor zijn. Het geeft ook enigszins een indruk
hoe groot het belang is dat de overheid hecht aan een goed dier-
geneesmiddelenbeleid in Nederland.

Ter bescherming van alle partijen dient een transparant con-
trole- en sanctiebeleid in de markt plaats te vinden. Met name
het circuit aan producten dat buiten het veterinaire gezichtsveld
aanwezig is en waarvan vaak de samenstelling niet bekend is,
dient krachtdadiger aangepakt te worden. Hieronder vallen ook
de producten met misleidende (medische) aanprijzingen. Ze
zorgen voor veel verwarring bij diereigenaren of suggereren
ten onrechte een werkzaamheid te bezitten die nooit is aange-
toond.

Door zorgvuldige beoordeling van de farmacokinetiek van
producten die geregistreerd zijn voor landbouwhuisdieren en
gezelschapsdieren, zou voor een groot aantal minor species
een registratie verkregen kunnen worden zonder dat hiervoor
uitgebreide proefnemingen vereist zijn. Dit geldt ook voor het
registreren van humane producten voor veterinaire toepassing,
waarvan de werkzaamheid en farmacologie uitgebreid bekend
is, bijvoorbeeld atenolol. Van lidocaïne speelt bio-equivalentie
geen enkele rol bij toepassing als lokaal anestheticum. Een
meer gescheiden benadering van producten voor landbouw-
huisdieren en gezelschapsdieren zou op zijn plaats zijn, omdat
de problematiek duidelijk verschilt. Dit betreft zowel de beoor-
deling als de kostenstructuur.

Literatuur

1. Vaarkamp H, Leemans HCA. Raymakers RJML, Scliumer DL en
Vocrmans JJM. Diergeneesmiddelen, voor wie een middel en voor wie
een zorg. Tijdschr Diergeneeskd 2000; 125: 586-92.

2. Ritter L. Dietary exposure to pesticide and veterinary drug residues, a
reason for concern? Proceedings 8th International Congress of the
European Association for Veterinary Pharmacology and Toxicology.
Jeruzalem, 30 juli-3 augustus 2000.

Commissie Aanprijzing
Veterinaire Producten

De Commissie Aanprijzing Veterinaire Producten
(CAVP) is een tuchtcommissie, ingesteld door de
KNMvD en de FIDIN (Fabrikanten en Importeurs van
Diergeneesmiddelen in Nederland). Deze beide organi-
saties hebben tegelijkertijd een Code voor de aanprij-
zing van veterinaire producten vastgesteld. Over-
tredingen van deze Code worden behandeld door de
CAVP en de leden van de FIDIN zijn gehouden aan de
behandeling mee te werken en de uitspraken na te leven.
Buiten de eigen leden probeert de FIDfN ook anderen,
die zich met aanprijzing van veterinaire producten bezig
houden, via een overeenkomst onder de werking van de
Code te brengen.

In de Code zijn twee fundamentele normen uitgewerkt
om ervoor te zorgen dat voor veterinaire producten op
verantwoorde wijze reclame wordt gemaakt. Deze
twee normen kunnen als volgt worden samengevat:

a) een verbod tot misleiding bij de aanprijzing van ve-
terinaire producten;

b) een verplichting om ervoor te zorgen dat de aanprij-
zing in overeenstemming is met de waarheid en de
algemeen geldende normen van goede smaak en fat-
soen.

De CAVP bestaat uit drie leden en drie plaatsvervan-
gende leden: een jurist als onafhankelijk voorzitter en
een dito plaatsvervanger, een lid aangewezen door de
KNMvD (en diens plaatsvervanger) en een lid aange-
wezen door de FIDIN (en diens plaatsvervanger). De
CAVP kan een partij veroordelen tot het nemen van
corrigerende maatregelen en ook publicatie bevelen
van de uitspraak in al of niet geanonimiseerde vorm.

Alle uitspraken publiceren

De CAVP heeft onlangs aanbevolen om in beginsel
alle uitspraken in al of niet geanonimiseerde vorm in
het Tijdschrift voor Diergeneeskunde te publiceren.
De besmren van de KNMvD en de FIDIN hebben
deze aanbeveling overgenomen, omdat zij beiden
verwachten dat publicatie van uitspraken een educa-
tieve waarde heeft en een grotere bekendheid van het
werk van de CAVP oplevert onder de lezers van het
Tijdschrift alsook onder de betrokken overheidsin-
stellingen.

-ocr page 365-

Een paard slaat u als dierenarts het ziekenhuis in, een hond
bijt in de wachtkamer een andere hond, een kat krabt de
assistente richting ziektewet tijdens opname in de kliniek;
deze voorvallen zijn op zichzelf al vervelend genoeg. Bij
ernstige verwondingen rijst dan ook nog de vraag: wie is er
aansprakelijk voor deze schade? Of, in gewoon Neder-
lands: wie draait er voor de kosten op? In een aantal artike-
len zal de aansprakelijkheid voor schade die wordt veroor-
zaakt door dieren uiteen worden gezet.

Wettelijke aansprakelijkheid

De term zegt het eigenlijk al: aansprakelijkheid die gebaseerd
is op een wetsbepaling. Bij schade door dieren moeten we zoe-
ken in het Burgerlijk Wetboek om te kijken wat er geregeld is
voor deze aansprakelijkheid. We kennen allemaal de wettelijke
aansprakelijkheid voor kapotgetrapte brillen en omgegooide
bloemenvazen, waarvoor iedereen een WA-verzekering heeft.
Voor autobezitters is deze verzekering zelfs verplicht. Als je
wettelijk aansprakelijk wordt gesteld voor schade, moet in
principe altijd worden aangetoond dat de schade echt bestaat,
dat er verband is mssen jouw gedraging en de schade (causa-
liteit), dat de schade je kan worden toegerekend (schuld) en dat
je verkeerd hebt gehandeld (onrechtmatigheid). De interpreta-
tie en uitwerking van deze criteria leveren advocaten en rech-
ters veel werk op met de bijbehorende hoeveelheid papier, en
zullen daarom in dit artikel verder buiten beschouwing blijven.
We beperken ons tot de zogenaamde \'risico\'aansprakelijkheid
voor schade veroorzaakt door dieren, die wettelijk iets anders
in elkaar zit dan bovenstaand \'gewone\' aansprakelijkheid.

Boer Luuk

De wetsbepaling over aansprakelijkheid voor dieren was tot
1992 niet duidelijk, en in dat geval wordt die duidelijkheid
meestal pas verkregen door een uitspraak van een (hoge) rech-
ter. Het keerpunt voor de aansprakelijkheid voor dieren was
een geval waarbij boer Luuk door het aangrenzende weiland
van boer Bas liep. In dat weiland stond een stierkalf dat boer
Luuk zonder omhaal op de horens nam. Boer Luuk belandde
met emstige verwondingen in het ziekenhuis en moest de rest
van zijn leven in een rolstoel slijten. Hij stelde boer Bas aan-
sprakelijk voor deze, door zijn stier veroorzaakte, schadepost.
Boer Bas accepteerde de aansprakelijkheid niet. Ten eerste kon
hij niet voortdurend al zijn runderen in de gaten houden en
daarmee ongelukken voorkomen. Ten tweede had boer Luuk
zelf dan maar niet zo dom moeten zijn om door een weiland
met een stierkalf te lopen.

De zaak belandde bij Nederlands hoogste rechtscollege, de
Hoge Raad, die oordeelde dat boer Bas wel degelijk aansprake-
lijk was voor de schade, of boer Luuk nu verstandig was ge-
weest of niet. Ook de vraag of boer Bas er iets aan kon doen
deed niet ter zake. Volgens de Hoge Raad vloeide de aanspra-
kelijkheid van boer Bas voort uit het blote feit dat hij
eigenaar
van het dier was.

Risico-aansprakelijkheid

Dit principe werd na deze uitspraak in het Nieuwe Burgerlijk
Wetboek in de wet vastgelegd. De juridische temi is \'risico-
aansprakelijkheid\'. Dat wil zeggen dat je aansprakelijkheid
niet afhangt van de vraag of jij er iets aan had kunnen doen
(schuld), maar dat je per definitie aansprakelijk bent door de
hoedanigheid die je hebt. Net zoals de ouder van een kind tot
16 jaar aansprakelijk is voor de voetbal die door de ruit van de
buren vliegt, ook al kon hij daar als ouder niets aan doen, zo is
de eigenaar van een dier aansprakelijk voor de schade, die door
dat dier wordt veroorzaakt. De gedachte hierachter is dat een
dier nu eenmaal eigen energie heeft, die tot onvoorspelbaar ge-
drag kan leiden. Het heeft daarom weinig zin om te kijken of er
sprake is van \'schuld\', het simpele feit datje de bezitter van een
dier bent is voldoende om aansprakelijk te zijn voor de schade
die jouw dier veroorzaakt.

De bezitter van een dier is aansprakelijk voor de schade die
door het dier wordt veroorzaakt. Dat is een duidelijke basisre-
gel, waarop natuurlijk wel enige uitzonderingen zijn. In de vol-
gende aflevering komen deze uitzonderingen (verblijf in de kli-
niek, het pension, eigen risico, kinderen) aan de orde.

laira Boissevain

deel 1

Wie is de gebeten hond?

Wettelijke aansprakelijkheid bij schade door dieren

Nieuwe cd \'Tweestromenland\' van Rinus Rasenberg

Verhalend liedjeszanger en dierenarts Rinus Rasenberg heeft een nieuwe cd uitgebracht, getiteld \'Tweestromenland\'; een smelt-
kroes van nostalgie en een eigen kritische kijk op de hedendaagse samenleving. De cd bevat liedjes als \'Mijn Moeder en De
Veekoopman\', maar ook \'Witte Pakken\' (over het vernietigen van dieren), \'Diervriendelijk Nederland\', \'Plannenmakers\' (over
inrichters van het landschap) en andere actuele liederen over boeren.

Rinus Rasenberg is geboren in West-Brabant als boerenzoon en dat altijd gebleven. Van kindsaf aan schrijft hij al teksten. Hij
zingt voornamelijk over het wel en wee van het platteland, over mensen die vaak onwetend gedreven verkeerd met dier en natuur
omgaan. Eerder verschenen werk zijn de cd\'s \'Van boeren moetje houden\', \'Tussen zand en klei\', \'Allemaal beesten\', \'Gek met
beesten(kindercd)\', \'Op naar Bartlehiem\' (elfstedentochtcd) en de verhalenbundels: \'Van boeren moetje houden\', \'Grote dieren
kleine mensen\', \'Krassende kraaien\', \'Van beesten moetje houden\' en \'De mythe van de Biltstraat\'.

\' Tweestromenlandtekst en muziek: Rinus Rasenberg. Begeleidingsband met onder andere Rens van der Zalm. Opnamestudio:
Jos Haagmans. Verkiijgbaar via deplatenhandel, vragen naar uitgever Mulidisk bv, Almere. Inlichtingen: rasenberg-hmtief,
telefoon/fax: 0475 - 318416, e-mail: rasenberg@wxs.nl. De cd is ook te bestellen door overmaking van f 35,- op rekeningnum-
mer 121402681 van rasenberg-kreatief, onder vermelding van tweestromenland.

-ocr page 366-

BSE en petfood: is diervoeding wel veilig?

Sinds het optreden van Bovine Spongiforme Encephalo-
pathie (BSE) in Engeland vanaf 1986, zijn er talrijke
maatregelen getroffen om de gezondheid van de consu-
ment te beschermen en de verspreiding van de ziekte te
voorkomen. Door de uitgebreide publiciteit rondom het
onderwerp BSE wordt echter veelvuldig door diereigena-
ren aan dierenartsen de vraag gesteld of het voedsel voor
huisdieren wel veilig is.

In Engeland werd in de eerste helft van de jaren negentig bij
ongeveer 85 katten de ziekte FSE vastgesteld, die vergelijk-
baar is met BSE. Bij de hond is een soortgelijke aandoening
(nog) nooit gevonden, ook niet in de UK, waar een hoge in-
fectiedruk aanwezig was tijdens het begin van de epidemie.
In Nederland zijn geen gevallen gevonden bij de kat. Zie
voor uitgebreide informatie over dit onderwerp ook het arti-
kel BSE bij gezelschapsdieren van prof. F. van Knapen in het
Tijdschrift voor Diergeneeskunde van 15 februari 2001 (pa-
gina 120-1).

Niet meer ingevoerd

Vlees- en beendermeel van zoogdieren, die afkomstig zijn uit
Engeland, mogen al sinds 1990 niet meer ingevoerd worden
voor verwerking in diervoeders. Door verdere maatregelen in
de EU (onder andere Beschikking 96/239/EG van 27 maart
1996) mocht zelfs geen enkel product afkomstig van op Brits
grondgebied geslachte dieren uitgevoerd worden naar andere
lidstaten of derde landen. Deze maatregel betrof zelfs met
Engels rundvlees geproduceerd petfood. Momenteel is de ex-
port van vlees en vleesproducten uit Engeland weer vrijgege-
ven. (Dit artikel is geschreven vóór de mond- en klauwzeeruit-
braak;
red.)

Sinds 1996 is het verboden om vlees- en beendermeel te voe-
deren aan herkauwers, ongeacht het land van herkomst van
deze producten en worden in Nederland (mogelijk) besmette
dieren gedood en vernietigd. Tenslotte worden sedert 1997 alle
risicodragende slachtdelen (SRM-delen) van herkauwers ver-
wijderd en verbrand. In Europees verband zijn deze wettelijke
maatregelen binnen de food- en feed-industrie pas van kracht
sinds 1 oktober 2000. De producten die mogelijk een gevaar
voor de overdracht van de ziekte vormen, zijn inmiddels dus
volledig uit de voedselketen van mens en dier verwijderd.

Veilig

Fabrieksmatig bereid honden- en kattenvoedsel kan echter al
veel langer als veilig worden beschouwd omdat de risicodra-
gende delen van het slachtdier (hersenen, ruggenmerg,
darm, ogen, amandelen) al sinds 1990 niet meer hierin ver-
werkt worden. Deze maatregel hebben alle leden van de
Nederlandse Voedingsindustrie Gezelschapsdieren (NVG),
in navolging van de afspraak die gemaakt is in de Europese
Branche-organisatie (FEDIAF), onderling op basis van vrij-
willigheid genomen.

De Europese Gemeenschap en de Nederlandse overheid
hebben strenge maatregelen genomen, om te voorkomen dat
mogelijk met BSE besmet materiaal in de voedselketen te-
rechtkomt. Geconcludeerd kan worden dat hierdoor en door
de zelfregulerende maatregelen van de petfoodindustrie
Nederlandse huisdieren géén risico lopen om via industrieel
geproduceerde voeders in contact te komen met BSE.

Dr. P.A.M. Overgaauw

Het Veterinair Golf Comité,
L.C.M. Beukers-Schroder,
N. G. Simoncelli,
W.L. Keers

Het veterinair golfkampioenschap wordt
dit jaar gespeeld op woensdag 23 mei
2001 en wel op de Noord-Nederlandse
golf- en countryclub. Deze schitte-
rende bos-/parkbaan is gelegen op
het landgoed \'de Pol\' in Glimmen
(gemeente Haren), bijna op de
grens van Groningen en Drenthe.

In de ochtenduren spelen we als van-
ouds een 9-holes greensome en na de
lunch begint de 18-holes stableford
championship.

De dag wordt natuurlijk met een borrel
en diner afgesloten, wederom aangeboden
door de firma Alfasan.

Imchrijving voor deze dag kan door over-
making van 50 gulden op rekening
531506207, ten name van W.L. Keers
inzake VGC, met vermelding van
exacte handicap, privé-adres en
home-course (g\\\'b is minimaal ver-
eist).

Ook veterinaire studenten kunnen
deelnemen!

-ocr page 367-

CAVP behandelde in 2000 drie klachten

De Commissie Aanprijzing Veterinaire Producten (CAVP)
behandelde in het jaar 2000 drie klachten, die allen een
klacht van een FIDIN-lid tegen een ander FIDIN lid betrof-
fen. De Commissie bestond in 2000 uit: mr. K. Klijn, onaf-
hankelijk voorzitter, prof. dr. A.S.J.P.A.M. van Miert, lid en
afgevaardigde KNMvD, B. Tolud, lid en afgevaardigde
FIDIN, mevrouw prof. dr. J. Fink Gremmels, plaatsvervan-
gend lid en afgevaardigde KNMvD en A. Hallie, plaatsver-
vangend lid en afgevaardigde FIDIN. Secretaris is R.A.
Norg en extern juridisch adviseur mr. F. Schutte, Bureau
Brabers & Partners.

Door het Bestuur van de FIDIN en het Hoofdbestuur van
de KNMvD werd op 7 december 2000 mr. E.H. Reerink be-
noemd als plaatsvervangend voorzitter.

Beschermende werking langer geclaimed

De eerste klacht betrof een aanprijzing van een antiparasiticum
waarin de claim voor de beschermende werking ruimer was ge-
steld dan op grond van de registratiebeschikking is vastgelegd.
De Commissie achtte dit in strijd met de Code, waarin is be-
paald dat de aanprijzing in overeenstemming dient te zijn met
de registratiebeschikking en beval de aangeklaagde partij de
promotionele teksten te corrigeren. Een tweede onderdeel van
de klacht dat de gepubliceerde vergelijkingen van het middel
met concurrerende producten onvoldoende zouden zijn onder-
bouwd, omdat de geciteerde studies geen \'peer reviewed\' pu-
blicaties zijn, maar studies die zijn gepubliceerd in proceedings
van congressen, werd afgewezen omdat deze klacht geen
grond vindt in de Code.

Aanprijzing misleidend

Dc tweede klacht had eveneens betrekking op een antiparasiti-
cum en werd gezien het ophanden zijnde congres \'De
Voorjaarsdagen\' behandeld als een procedure in kort geding.
Ook deze klacht hield in dat in de aanprijzing bepaalde claims
werden gemaakt die niet overeenkwamen met de registratiebe-
schikking. Andere claims waren te ruim geformuleerd en kon-
den onvoldoende met wetenschappelijke documentatie worden
onderbouwd. Daamaast werd onvoldoende onderscheid ge-
maakt tussen de verschillende doeldieren waarvoor het middel
was geregistreerd, waardoor de aanprijzing misleidend was en
derhalve in strijd met de Code. De aangeklaagde partij werd
veroordeeld om de aanprijzing aan te passen.

Sales aid als communicatiemiddel

De derde zaak betrof een sales aid voor een vaccin bestemd, die
door buitendienst-medewerkers van de aangeklaagde partij
werd gebruikt om met dierenartsen te communiceren. Het be-
trof hier slechts een voorlopige versie in een beperkte oplage
van 25 exemplaren. De klacht richtte zich op onjuistheden in de
weergegeven entschema\'s. De aangeklaagde partij had de on-
juistheden voor het indienen van de klacht gecorrigeerd. De
Commissie achtte de aanprijzing in strijd met de Code maar
vond correctieve maatregelen niet nodig, gezien de geringe
draagwijdte van de overtreding en de reeds verrichte correc-
ties.

Veroordeling

De Code geeft de Commissie de bevoegdheid de in het onge-
lijkgestelde partij te veroordelen in de kosten van het geding.
Dat heeft de Commissie in de eerste twee hiernaast beschreven
gevallen ook gedaan. In het laatste geval heeft de Commissie
besloten de kosten van het geding over beide partijen gelijke-
lijk te verdelen.

Voorstellen

In de gezamenlijke evaluatiebespreking van de CAVP met de
besturen van KNMvD en FIDIN op 7 december 2000 zijn er
een aantal voorstellen gedaan, zoals publicatie in het
Tijdschrift voor Diergeneeskunde van de uitspraken van de
CAVP (al of niet geanonimiseerd) in een speciale daarvoor be-
stemde rubriek. Ook is voorgesteld dat de partij die is veroor-
deeld bepaalde maatregelen te treffen, wordt verplicht de kla-
ger prompt in kennis te stellen van de wijze waarop deze de
uitspraak heeft uitgevoerd.

Screening van voorgenomen aanprijzingen door de CAVP
wordt vanuit het oogpunt van onafhankelijkheid niet gewenst
geacht. Wel zal er moeite worden gedaan om de Code
Aanprijzing Veterinaire Producten ook te laten onderschrijven
door bedrijven die geen lid van de FIDIN zijn.
Een klacht over een niet-naleving van een uitspraak van de
CAVP wordt door het Bestuur van FIDIN behandeld. Dient er
een inhoudelijke beoordeling plaats te vinden, dan wordt de
klacht doorgestuurd naar de CAVP Deze zal de klacht als een
aanprijzingsklacht conform haar reglement behandelen en de
uitspraak tevens toezenden aan het Bestuur van de FIDIN,
voorzien van een advies met betrekking tot de eventueel vast-
gestelde niet-naleving van de eerdere uitspraak. Het FIDIN-
Bestuur neemt daarop een beslissing naar aanleiding van de
oorspronkelijke klacht over de niet-naleving.

Zonnige nascholing
groot succes

Met een grote groep van 53 personen (dierenartsen en
partners) is Veterinair Organisatiebureau Animaux in fe-
bruari 2001 vertrokken voor een zomerse nascholing van
tien dagen in Zuid-Afrika. De ochtenden waren gevuld
met praktijkgerichte lezingen die werden verzorgd door
diverse specialisten.

Internist Ronald van Noort hield een betoog over slokdarm-
problemen. Chirurg Dick van Zuilen sprak over HD bij hon-
den, bandletsel van de knie en geluxeerde thalocruraal ge-
wrichten bij de kat, terwijl dermatologe Jacqueline Sinke
uitleg gaf over het eosinofiele granuloom complex en alope-
cia bij katten. Chirurg Bart Sjollema besprak chronische
constipatie en plaveicelcarcinomen. Afwisseling op het we-
tenschappelijk programma was de bewegingsles van
Cesartherapeute Marianne Wennink. De laatste Nederiandse
bijdrage kwam van tandheelkundig specialist Andries van

-ocr page 368-

Foreest, die uitgebreid de chronische recidiverende stomatitis
bij de kat heeft behandeld. Een dierenarts gespecialiseerd in
accupunctuur en een wildparkdierenarts hebben gezorgd voor
een Zuid-Afrikaans tintje aan het geheel.

Al met al was er sprake van een zeer geslaagde nascholings-
reis en volgens de deelnemers voor herhaling vatbaar. Kom
voor het bezichtigen van de uitgebreide fotoreportage naar
de stand (nummer 38) van Animaux op de Voorjaarsdagen in
deTopazlounge.

Excursies

Behalve voor het uitgebreide wetenschappelijke pro-
gramma was er ook genoeg tijd voor ontspanning in de
vorm van enkele excursies, die werden aangeboden
door Waltham en Virbac. Een uitgebreide wijnproeve-
rij op landgoed \'Kanonskop\' werd gevolgd door een ty-
pisch Afrikaanse visbraai. Op donderdag werd een be-
zoek gebracht aan het Nationaal Park Kaap de Goede
Hoop. Aansluitend kon met eigen ogen bekeken wor-
den dat Afrika niet alleen de bekende wilde dieren huis-
vest. Op het strand van \'Simon\'s Bay\' heeft zich name-
lijk een kolonie van ongeveer 2500 pinguïns gevestigd.
Dat de dieren net aan het broedseizoen begonnen wa-
ren was nog eens extra leuk. Als afsluiting van deze ge-
zellige en leerzame reis kregen de deelnemers een
\'Afrikaanse avond\' aangeboden waar kennis gemaakt
kon worden met diverse typische Zuid-Afrikaanse ge-
rechten zoals Bobotie. Van de groep deelnemers die
een verlenging geboekt hadden, hebben er een aantal
op eigen gelegenheid de bekende \'wijn- en tuinen-
route\' verkend. De overige 20 deelnemers hebben het
geluk gehad dat ze \'the big five\' hebben mogen aan-
schouwen tijdens gamedrives in het Krugerpark.

Uitreiking \'Veterinary Endo-Parasitic Control Guide
2001-2002\'

Herziene versie spoorboekje in diergeneesmiddelenland

utrecht, 28 februari 2001 - De
uitreiking van de herziene ver-
sie van de \'Veterinary Endo-
Parasitic Control Guide 2001-
2002\' is een gebeurtenis die best
wat feestelijke aandacht ver-
dient. De practicus kan immers
met deze vernieuwde uitgave
weer volop \'de boer op\', zoals
algemeen secretaris van de
KNMvD, dr. Tj. Jorna, het uit-
drukte. Dit in het kader van de
goede veterinaire praktijkuitoe-
fening(GVP).

De gids maakt onderdeel uit van een serie van drie, waartoe
ook de vaccinwegwijzer en de antibioticumwegwijzer beho-
ren. Prof dr. A.S.J.RA.M. van Miert, voorzitter van de stuur-
groep, reikte deze tweede druk uit aan dr. Tj. Jorna van de
KNMvD en aan prof dr. A.W.C.A. Comelissen, decaan van
de Faculteit der Diergeneeskunde. Het boekje zou tevens uit-
gereikt worden aan drs. F.H. Pluimers, Chief Veterinary
Officer van het ministerie van LNV, maar deze was verhin-
derd wegens de mond- en klauwzeerperikelen.
Van Miert sprak woorden van dank uit naar dr^ J.H.
Boersema (Hoofdafdeling Infectieziekten en Immunologie
van de Faculteit der Diergeneeskunde) en dr. F.H.M.
Borgsteede (ID-Lelystad), die voor een groot deel hebben
bijgedragen aan de inhoud. Ook werd commercieel directeur
van Alfasan Diergeneesmiddelen bv, drs. R.A.J.M. van
Meer, bedankt voor de steun van zijn bedrijf bij de totstand-
koming van het boekje.

CVP-code

Werken volgens de GVP-code wat betreft het gebruik van
anthelmintica en ectoparasitica, is het voornaamste doel van
de gids. Het gebruik van deze producten moet vergezeld
gaan van de juiste zoötechnische gegevens. Daarnaast is het
boekje een handige wegwijzer bij het correct doseren van
medicijnen.

-ocr page 369-

De \'Veterinary Endo-Parasitic Control Guide 2001-2002 \'is
er alleen in een Engelstalige uitvoering - ook in het huiten-
land vindt de gids gretig aftrek - en voor
ƒ 22,75 (inclusief

BTW) verkrijgbaar hij de veterinaire groothandel, Alfasan of
Broese Kemink. Studenten diergeneeskunde kunnen terecht
bij de Diergeneeskundige Studenten Kring.

Bij varkenspestuitbraak aborteren of biggen doodspuiten?

Naar aanleiding van onderstaande
uit de praktijk ontvangen vraagstel-
ling, vond de redactie mevrouw
prof dr Elsbeth Noordhuizen-
Stassen (hoogleraar relatie mens-
dier) bereid om voor de lezers een
antwoord te formuleren.

Vraa

antwoor

Vraag: Laatst las ik in een dagblad wanneer zich weer een ca-
lamiteit (bijvoorbeeld varkenspest) voordoet, minister
Brinkhorst overweegt drachtige zeugen te laten aborteren als
biggetjes anders moeten worden doodgespoten. Enkele le-
den van de Tweede Kamer hadden nogal wat moeite met het
abortus-idee en wilden liever eerst de biggen geboren laten
worden en dan euthanaseren. VVD-kamerlid Oplaat had nog
geen mening, in afwachting van een gesprek met dierenart-
sen. Mijn vraag is: hoe denkt een veterinair-medisch ethicus
over deze kwestie?

Antwoord: Deze vraag blijkt actueel te zijn nu in Nederland
en andere Europese landen het MKZ-virus heeft toegesla-
gen, terwijl de varkenspestuitbraak nog vers in ons geheugen
ligt. Hopelijk blijft de MKZ-uitbraak beperkt tot een gering
aantal bedrijven.

Tijdens de recente uitbraak van varkenspest in 1997 werd
de varkenshouderij geconfronteerd met een zeer langdu-
rend vervoersverbod, en beperkte afvoer- en destructieca-
paciteit voor gedode dieren. Dit had grote gevolgen voor
gezonde varkens. De dieren groeiden letterlijk hun hokken
uit, met als gevolg ernstige gezondheids- en welzijnspro-
blemen. Op verzoek van de overheid hebben dierenartsen
van mei tot oktober 1997 circa 2,5 miljoen, drie tot 17 da-
gen, oude biggen geëuthanaseerd. Veel dierenartsen gaven
aan morele problemen te hebben met dit massale doden van
gezonde dieren.

De vraag is, of ontwikkelingen in de dierhouderij en regelge-
ving ter zake het doden en vernietigen van gezonde dieren
kunnen rechtvaardigen? In onze samenleving zijn de dier-
ethische principes (dieren niet onnodig pijn laten lijden, die-

-ocr page 370-

ren weldoen, dieren rechtvaardig behandelen en respect voor
de eigenwaarde van het dier tonen) algemeen aanvaard en
vormen de basis van de Gezondheids- en Welzijnswet voor
Dieren (GWWD). Artikel 43 van de GWWD beoogt een af-
wegingskader te geven voor het doden van gezonde dieren.
Hierin worden het belang van de mens (volksgezondheid,
economische motieven) en de toepassing van alternatieven
meegewogen.

Standpunt KNMvD

In september 2000 heeft de KNMvD een standpunt ingeno-
men ten aanzien van het \'massaal doden en destrueren van
gezonde dieren in het kader van dierziektebestrijding\'. In dit
standpunt wordt gesteld dat de KNMvD in geval van een vol-
gende uitbraak van een besmettelijke dierziekte (varkenspest
en MKZ), de negatieve ervaringen zoals opgedaan tijdens de
uitbraak van klassieke varkenspest, wenst te voorkomen.
Alternatieven worden aangedragen waarmee het doden van
gezonde dieren kan worden voorkomen dan wel beperkt blij-
ven. Zo wordt de veehouderijsector op haar verantwoorde-
lijkheid gewezen, met betrekking tot management en het cre-
eren van buffercapaciteit. Het belang van (nood)vaccinaties
wordt aangegeven. Verder dient bij een uitbraak een fokver-
bod ingesteld te worden voor varkens. Dit verbod kan opge-
heven worden wanneer de uitbraak beperkt blijft. Als reëel
alternatief wordt voorts genoemd dat, op niet besmette be-
drijven gelegen in gebieden met vervoersbeperkende maat-
regelen, het aanbeveling verdient om in aanvulling op het in-
stellen van een fokverbod, zeugen, die 14 tot 40 dagen
drachtig zijn, met behulp van
Prostaglandines te laten abor-
teren. Dc vraag is of abortus een aanvaardbaar alternatief is
om tijdens een noodsituatie de toestroom van biggen te ver-
minderen en daarmee het aantal te doden gezonde biggen,
ter voorkoming van ernstige gezondheids- en welzijnspro-
blemen, te verminderen?

Niet extra belaster^d

Vanaf ± 12 dagen dracht is het bij zeugen mogelijk door
middel van Prostaglandines abortus op te wekken. De embry-
onale fase van de dracht bij het varken duurt tot de 35®\'® dag.
In deze periode kunnen zeugen opbreken, hetgeen regelmatig
aan de aandacht van de varkenshouder ontsnapt. Het in deze
periode van de dracht aborteren van de zeugen middels
Prostaglandines wordt als niet extra belastend voor de zeug
gezien. Van belasting van de vruchten is geen sprake omdat
die nog in het embryonale stadium verkeren. Anders ligt het in
een later stadium van de dracht. De foeten ontwikkelen zich
steeds verder. Door de ontwikkeling van het neurale systeem
kunnen de foeten in toenemende mate pijn voelen. Voor de
zeug kan het aborteren bij voortschrijdende dracht tot compli-
caties leiden. De uitdrijving kan lang duren (tot twee dagen),
hetgeen tot complicaties zoals een endometritis kan leiden.
Aborteren van zeugen vanaf een leeftijd van 35 tot 40 dagen
dracht moet dan ook op morele gronden worden afgewezen,
het geeft te veel gezondheids- en welzijnsproblemen voor de
zeug en de foeten. Op basis van veterinair-wetenschappelijke,
-technische en -ethische gronden is het aan te bevelen
drachtige zeugen, die 14 tot 40 dagen drachtig zijn, te aborte-
ren in aanvulling op een fokverbod. Deze benadering verdient
de voorkeur boven het laten geboren worden van de betref-
fende biggen en deze dieren vrijwel direct daarna te doden. De
toestroom van biggen droogt zodoende 40 dagen eerder op.
Hiermee wordt bovendien beoogd het aantal te euthanaseren
biggen zoveel mogelijk te beperken om de dierenartsen die
zich geplaatst zien voor het voldongen feit van acute welzijns-
problemen ten gevolge van elders gemaakte keuzes, op grond
van hun verantwoordelijkheid voor het dierenwelzijn, zoveel
mogelijk te ontlasten. Uit de gestelde Kamervragen blijkt
maar eens te meer hoe wezenlijk een goede voorlichting is, ze-
ker bij morele vraagstukken waarbij de gezondheid, het wel-
zijn en de integriteit van mens en dier op het spel staan.

Trimethoprim-Sulfa

In het artikel \'Berisping en 2500 gulden boete voor afgifte van niet-geregistreerde diergenees-
middelen (off-label use)\' in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde van 15 februari 2001, wordt
op pagina 116 de conclusie getrokken dat er geen geregistreerde Trimethoprim-Sulfa voor han-
den is om kalkoenen te behandelen.

Volgens A. Blaauw, directeur van a.a.-vet Diergeneesmiddelen nv, is dit onjuist. Zijn bedrijf
heeft al jaren een definitief geregistreerde Trimethoprim-Sulfa in haar leveringspakket; namelijk Cosumix Plus
Reg NL 5388. Dit product is niet alleen geregistreerd voor kalkoenen, maar ook voor varkens, kalveren en kippen.
De wachttijd voor kalkoenen is negen dagen.

Nieuw(s)

d(

industri

-ocr page 371-

Vacatures en informatie over Veterinair Organisatiebureau Animaux op internet

Veterinair Organisatiebureau Animaux is
te vinden op www.animovooranimaux.nl

Met deze ludieke woordspeling trekken zij veel bezoekers
naar hun website. De site is simpel en zakelijk. Niet teveel
toeters en bellen, gewoon op de doelgroep gerichte infor-
matie.

Of je nu dierenarts of assistente bent, werlczaam binnen een
praktijk of de industrie, er staat voor iedereen interessante in-
formatie op de site. Op de algemene pagina stellen de mede-
werkers van Animaux zich voor. Op de vacature-pagina staan
voor de diverse doelgroepen actuele {bij)banen. Bijvoorbeeld
voor studenten diergeneeskunde/management en (parttime)
assistentes, etcetera. Kijk regelmatig op de site, want deze
wordt vrijwel dagelijks aangepast. Tevens is er een agenda
van projecten waar Animaux in 2001 bij betrokken is te zien.

Als een van haar activiteiten heeft Animaux de kunde in huis
om websites te ontwikkelen. In eenzelfde \'basic\' stijl als die
van Animaux, of wellicht iets \'speelser\'.
Ook op dit gebied kan Animaux op een betaalbare manier van
dienst zijn!

Kijk zelfen surf naar www.animovooranimaux.nl.

Kwestie foetotomie bediscussiëren

Graag reageer ik op de reactie van
de heer M. Loeb in de discussie
over de onderwijsfoetotomie. Ik
heb destijds niet gesteld dat de ver-
deeldheid tussen voor- en tegen-
standers leidt tot vruchteloze pola-
risatie. Integendeel, ik heb naar
voren gebracht dat het goed is de
kwestie te bediscussiëren. Wel
meen ik dat het niet aan de discussie bijdraagt om anders-
denkenden te betichten van \'sjoemelen met de waardigheid
van het beroep\', terwijl ook hier een zo goed mogelijke af-
weging van verschillende belangen heeft plaatsgevonden
(zoals ook uit de brief van professor Van der Weijden blijkt).
De Groep Geneeskunde van het Rund is heel helder inzake
haar verwachtingen van de rundveedierenarts: deze dient
voldoende kennis en ervaring voor het uitvoeren van een
foetotomie te bezitten. In de huidige situatie is dat zo. Zoals
eerder gezegd is daarvoor ervaring in een levende koe on-
ontbeerlijk. De hierover gemaakte opmerkingen zijn mijns
inziens voldoende duidelijk: Ergens zal het geleerd moeten
worden, over \'hoe en waar\' is te praten. Foetotomie-onder-
wijs volgens het voorstel van Loeb lijkt daaraan een bij-
drage te kunnen leveren. Uiteraard is de Groep Genees-
kunde van het Rund bereid mee te denken en praten over
alternatieve onderwijsmethoden, zowel met betrekking tot
de onderwijsfoetotomie als met betrekking tot andere
onderwerpen.

Ingezonde

Ethische normen zijn wezenlijk voor de waardigheid van
ons beroep. \'Gezag als arts\' krijg je echter in eerste instantie
door technisch goed te zijn. Dat brengt je ook in een positie
om met die zo belangrijke ethische normen, daadwerkelijk
iets te veranderen bij ongewenste situaties in de praktijk.
Beide horen dus in het onderwijs thuis.

Dr T.J.G.M. Lam,
Voorzitter

Groep Geneeskunde van het Rund

Mond-en klauwzeer

Wanneer je, met alle berichten van de media in je hoofd,
langs de eendenkooi door de Zegge naar Breda fietst en je
geniet dan van de vele vogels die daar van weiland naar
weiland vliegen, kun je je erover verwonderen dat het ver-
voersverbod geheel aan die dieren voorbijgaat.
Dat vogels de ziekte kunnen overbrengen is bekend, maar
je kunt om die reden alle vogels niet gaan vernietigen zoals
dat met andere dieren blijkbaar wel kan.
Moeten we dan de besmetting van al ons vee alleen maar
nutteloos bestrijden met methoden die uit de Middeleeuwen
stammen, of zou het wellicht toch verstandig zijn gebruik te
maken van de mogelijkheid om dieren voorbehoedend te en-
ten.

De vogels lopen geen gevaar, de runderen lopen geen ge-
vaar. Er is alleen minder nieuws.

L. Tholhuijsen

-ocr page 372-

L. de Graaf; SR 939/99: 24 pp.

Op een bedrijf in Pennsylvania werd
gedurende 15 jaar zeer intensief
paratuberculose bestreden.
De maatregelen bestonden uit:

a. afvoer van klinisch zieke dieren;

b. tweemaal per jaar bacteriekweek
op M
paratuberculosis uit faeces;

c. de eerste drie jaar afvoer van alle positieve dieren en later
van de \'ergste\' uitscheiders;

d. managementmaatregelen om besmetting van jongvee te-
gen te gaan zoals gescheiden opfok jongvee, desinfectie
stallen en dergelijke.

De bedrijfsgrootte varieerde van 45-100 dieren. In totaal wer-
den 438 dieren getest. Bij 92 werd de kiem gekweekt waarvan
er 66 direct werden afgevoerd en 26 na een herhaald positief
resultaat. Dit waren zogenaamde \'low shedders\'.
Van 49 runderen werden na het slachten de darmen uitgebreid
onderzocht op het voorkomen van het microörganisme.
Aanvankelijk zag men een sterke daling van het aantal uit-
scheiders. Na 15 jaar bleken er echter nog steeds dieren posi-
tief Teleurstellend was de waarneming dat bij slachten para-
tuberculose-runderen gevonden werden die bij faeceskweek
altijd negatief waren. Ook werd een enkele maal geconsta-
teerd dat een positief dier bij een volgend onderzoek negatief
scoorde. De resultaten worden besproken in het licht van de
thans in Nederland door de Gezondheidsdienst voor Dieren
toegepaste bestrijding van deze ziekte. De auteur is niet opti-
mistisch wat betreft het verhoopte succes.

Studente
referate

Paratuberculose-efFect van veranderingen in jongveemanagement en testen en afvoer
van dragers op de infectiegraad van een koppel melkkoeien in Pennsylvania over een
periode van 15 jaar

Hill\'s Europees symposium 2001

Voedselallergie bij honden en katten

Hill\'s Pet Nutrition organiseert op
30 mei 2001 een symposium over
voedselallergie bij honden en kat-
ten. Aangezien voedselallergie bij
zowel honden als katten een veel
voorkomende vorm is van overge-
voelige huidaandoeningen, is een
goed begrip van de meest recente
inzichten in deze problematiek belangrijk voor de hui-
dige dierenartsenpraktijk. Middels een interactieve pre-
sentatie door dr. Ton Willemse, hoogleraar Veterinaire
Dermatologie aan de Faculteit der Diergeneeskunde,
kunnen dierenartsen hun kennis op dit gebied vergro-
ten.

Tevens is het mogelijk de interactieve presentatie in

Congressen

cursussen

België bij te wonen op 22 mei 2001. Ook daar zal dr. Ton
Willemse spreker zijn, althans voor het Nederlandstalige
gedeelte. Voor het Franstalige publiek is dr. Jacques
Fontaine als spreker gevraagd, een dierenarts die zich vol-
ledig heeft toegelegd op de dermatologie van gezel-
schapsdieren.

Het symposium in België wordt gehouden in Sq/itels
Brussels Airport, Brus.sel, Diegem. Ontvangst is om 20.30
uur, de lezing begint om 21.00 uur en daarna is er een buf-
fet. De bijeenkomst in Nederland is in Hotel Vianen en be-
gint om 20.00 uur, de lezing om 20.30 uur niet aansluitend
een buffet. Deelname is gratis.

U kunt zich (vóór 23 mei) opgeven bij Hill \'s Pet Nutrition
bv. ter attentie van mevrouw L. van der Linde, Essendonk
3a, 4824 DA Breda, faxnummer: 076 - 5420008.

Wondgenezing

Wie vindt dat niet interessant?

Sinds 1996 bestaat de jonge en enthousiaste Veterinary
Wound Healing Association. Deze Association is ontstaan
vanuit een groeiende bewustzijn dat er behoefte is aan betere
strategieën voor het behandelen van wonden bij huisdieren.

Het doel van de Association is:

• Scholing en onderzoek op wetenschappelijk vlak en het
klinisch management van wonden binnen de diergenees-
kunde te bevorderen en te stimuleren.

• Het organiseren van trainingen samen met nationale en
internationale congressen, zodat discussie en promotie
plaats kan vinden van allerlei nieuwe aspecten op wondge-

-ocr page 373-

nezingsgebied en van wondgenezingsonderzoek
Jaarlijks vindt er een bijeenkomst plaats, waarvoor allerlei
interessante sprekers uitgenodigd zijn, die het laatste nieuws
vertellen op wondgenezingsgebied wat betreft wetenschap-
pelijk onderzoek, behandeling, verbanden, transplantaties,
etcetera. Dit zijn zeer informatieve bijeenkomsten, met voor
ieder wat wils. Dit jaar is van 10 tot en met 12 mei zo\'n bij-
eenkomst aan de Diergeneeskunde Faculteit van Hannover.
De meeting is voor iedereen toegankelijk, en de kosten zijn
DM 100,- voor VWHA-leden, en DM 150,- voor niet-
VWHA-leden. Zeer aan te bevelen!

Lidmaatschap is mogelijk voor iedereen ouder dan 18 jaar,
met interesse in de bovenstaande doelen van de organisatie.
De kosten van lidmaatschap zijn £ 15 per jaar. Verdere infor-
matie over de VWHA en over de registratie voor de Meeting
in Hannover kan verkregen worden bij:

Veterinary Wound Healing Association
Mrs. S.M.E. Cockbill
secretary VWHA

Surgical Dressings Research Unit, Welsh School of
Pharmacy

UWC Redwood Building
King Edward VIIAvenue
Cathays Park
Cardiff CF I 3XF
Wales, United Kingdom
email: cockbill@cardiff.ac.uk

20-22 april 2001 - RAI Congres Centrum

Voorjaarsdagen tentoonstellingsvloer 2001

Goed nieuws als u wilt bijblijven
in de veterinaire ontwikkelin-
gen: in april 2001 hebt u tijdens
het Voorjaarsdagencongres drie
ductontwikkelingen zijn nauwelijks bij te benen.U krijgt tij-
dens de Voorjaarsdagen uitgebreid de kans om rond te kijken
op de tentoonstellingsvloer. En u kunt de bedrijven met uw
vragen aanschieten. Ze staan klaar om u alles te laten zien.
Een plattegrond van de tentoonstellingsvloer staat in het pro-
grammaboek dat u in uw congrestas kunt vinden. De vol-
gende bedrijven kunt u op de tentoonstellingsvloer vinden:

Voorjaars
I---------- -- dagen

I

dagen de tijd om bij te scholen.

Persoonlijk contact met de industrie is belangrijk. De pro-

3M Nederland BV

Fort Dodge Animal Health Benelux BV

Pfizer Animal Health BV

Aesculaap BV

Friskies N.L.

PIE Medical Benelux BV

Anisane BV

GGG

Provet Incasso BV

Archaeopteryx

Hill\'s Pet Nutrition BV

Puur Natuur

AST Farma BV

Holland Diervoerders/Iams

RCN Ecoplan

AUV Dierenartsencoöperatie

Hulphond Nederland

RCN Nemas Veterinary Technics

Bayer BV

Idexx

Richard Wolf GmbH

Belgian Beer

InstruVet CV

Robouw Veterinaire BV

Biomedic Nederland BV / Aloka

Janssen-Cilag BV - Divisie

Royal Canin Nederland BV

Boehringer Ingelheim

Diergeneeskunde

Schering Plough Animal Health

Broese Wristers

J-Tools

Scil Animal Care Company GmbH

BSAVA

Leo Pharma BV

Stala Interieurs BV

Ceva Santé Animale BV

Margery Import / Synbiotics

Stichting SOHO

Cook Veterinary Products

Mecan BV

Van Assche-Torrekens BvBA

Cursuscentrum Dierverzorging

Merial BV

Vet4Life

Bameveld

Micpoint BV

Veterinair Organisatiebureau Animaux

Diamed Benelux BV

Mycofarm Nederland BV

Veterinaire Logistieke Services

Dier & Zorg - Proteq Verzekeringen

Nederlandse Databank Gezelschapdieren

Vetin-Aacofarma BV

Dyaset SRL

Nederlandse Vereniging van

Vetoquinol BV

Dynamic Support

Fysiotherapie bij Dieren

Virbac Nederland BV

Essay Beroepsopleidingen

Novartis Consumer Health - Animal

VOF Synapses IT

Europoint Technology Ltd.

Health Sector

VVAA

Eurovet Nederland BV

PAO Diergeneeskunde

Waltham Veterinaire Service

FECAVA

Petlook.com

WVK

-ocr page 374-

Non-vaccinatiebeleid ondervuur

MKZ-uitbraak noopt tot herbezinning

Met de uitbraak van mond- en klauwzeer (MKZ) in ons
land, is de discussie over het non-vaccinatiebeleid in zijn
allerhevigste vorm opgelaaid. Hoewel een besluit hierover
veel beter in \'vredestijd\' kan worden genomen, is het vol-
komen logisch dat juist nu de roep om weer te gaan vacci-
neren steeds sterker wordt. Het moeten uitvoeren van dra-
conische maatregelen als het ruimen van enorme aantallen
dieren is immers aangrijpend. Om maar helemaal te zwij-
gen over de beelden van koeien in grijpers en brandstapels
in Engeland. Wat waren destijds de redenen om het non-
vaccinatiebeleid in te voeren en hoe denken we er nu over?

Tien jaar geleden moesten de ver-
schillende lidstaten van de Europese
Unie (EU) nader tot elkaar komen
waar het de regelgeving betrof, ook
op het gebied van de dierziektebe-
strijding. Bovendien traden er drie
landen toe, Denemarken, het Ver-
enigd Koninkrijk en Ierland, die al
een non-vaccinatiebeleid hadden.
Deze \'nieuwe\' lidstaten exporteerden namelijk al op grote
schaal naar landen als Japan en de Verenigde Staten, die al-
leen vlees van niet-gevaccineerde dieren accepteerden.
Door de Landbouwuniversiteit in Wageningen werd het vac-
cineren en niet-vaccineren tegen MKZ in economisch op-
zicht met elkaar vergeleken. Hieruit kwam onder meer naar
voren dat vaccineren tegen MKZ zo\'n 24 miljoen gulden per
jaar zou kosten (4 miljoen runderen; ƒ 5,60 per vaccinatie),
terwijl de verruiming van exportmogelijkheden naar landen
als Japan, Zuid-Korea en de Verenigde Staten 38 miljoen
gulden per jaar extra zou opbrengen. Zelfs als uitbraken in-
gecalculeerd werden (gemiddeld één keer per tien jaar), zou
het non-vaccinatiebeleid veel goedkoper zijn dan een vacci-
natiebeleid.

Ook is uit het onderzoek van destijds (uitgevoerd in 1989-
1990) gebleken dat in een gevaccineerde populatie de kans
op uitbraken twee keer zo hoog was als in een populatie waar
niet gevaccineerd werd. Het \'werken\' met een virus levert
immers bepaalde risico\'s op; een virus kan \'ontsnappen\' uit
het laboratorium of kan onvoldoende geïnactiveerd worden.
Het non-vaccinatiebeleid heeft Nederland behalve nieuwe
exportmogelijkheden ook de hoogste diergezondheidsstatus
opgeleverd, wat inhoudt dat wij producten uit landen met een
lagere diergezondheidsstatus kunnen weigeren. Weer gaan
vaccineren zou een lagere diergezondheidsstatus betekenen.

Economische redenen

Het is duidelijk dat het non-vaccinatiebeleid destijds om
puur economische redenen is ingevoerd. Ook is duidelijk dat
bij het berékenen van de gevolgen niet direct beelden van
duizenden dieren op brandstapels of in grijparmen in het oog
springen. Dat de mens- en dieronterende gevolgen van dit
beleid onvoldoende zijn meegewogen is dus weliswaar ver-
klaarbaar, maar daarom niet minder pijnlijk.
Verder is het de vraag of de berekeningen van destijds over-
eenkomen met de werkelijke kosten van een uitbraak. De
schade van huidige MKZ-uitbraak in Nederland wordt nu al
geschat op 1 tot 1,5 miljard gulden, wat toch een heel ander
bedrag is dan de toen geraamde 466 en 846 miljoen gulden.
Om nog maar te zwijgen van de zeer langdurige gevolgen
voor de export binnen en buiten Europa.
Maar er is meer veranderd ten opzichte van tien jaar geleden.
Tegenwoordig vindt er op toenemende schaal transport van
dieren en producten plaats. Zo is er een bloeiende handel op
het gebied van hoogwaardig fokmateriaal, maar worden er
bijvoorbeeld ook steeds meer dieren voor rituele slachting
naar landen toegehaald. Bij sommige transporten kun je zo-
wiezoje vraagtekens zetten (Ierse kalveren via Frankrijk kris-
kras door Nederland, een spaghettistructuur).
Van meet af aan hebben de dierenartsen zich verzet tegen de
starheid van het non-vaccinatiebeleid. De KNMvD heeft al
in 1995 in haar nota \'Vaccinatiebeleid\' het \'nee, tenzij...\'-
principe bepleit. Dus: niet vaccineren, tenzij er een uitbraak
is. Hierbij zijn de ernst van de uitbraak en de veedichtheid in
het gebied van de uitbraak bepalend. Verder heeft de
KNMvD in haar vaccinatiebeleid de spoedige ontwikkeling
van een markervaccin tegen mond- en klauwzeer bepleit.
De nota is onder andere persoonlijk aangeboden aan de toen-
malige minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J.
van Aartsen (zie Tijdschrift voor Diergeneeskunde, 1996;
121(1): 6-9. Ook is de nota in vertaalde vorm onder de aan-
dacht gebracht van Eurocommissaris Fischler van Landbouw.
Misschien hebben de dierenartsen zich niet hard genoeg op-
gesteld, of hun standpunt niet hard genoeg van de daken ge-
schreeuwd, want thans wordt hen soms verweten nooit van
zich te hebben laten horen. Hierbij speelt natuurlijk mee dat
in \'vredestijd\' het belang van zulke standpunten minder snel
wordt ingezien. Ook is de publieke belangstelling voor wel-
zijn en ethiek beduidend groter dan tien jaar geleden. En
wellicht hebben de critici gelijk, moeten dierenartsen zich
nadrukkelijker manifesteren.

Maatschappi

nieuw

Consequenties

De roep om te gaan vaccineren tegen MKZ is groot; onder de
dierenartsen, onder de boeren, onder het publiek. Ook de
Nederlandse politiek stelt het non-vaccinatiebeleid aan de
orde. Premier Kok zelf kaartte het onderwerp aan op de EU-
top, hetgeen uitzonderlijk mag worden genoemd.
Hoewel de ringvaccinatie inmiddels is toegestaan en wordt
uitgevoerd, wat een kleine triomf mag worden genoemd, is
preventief vaccineren van alle gevoelige dieren nog steeds
uit den boze als het aan Brussel ligt. De consequenties zijn
derhalve bijzonder groot en eigenlijk net zo onacceptabel als
niet vaccineren. Eenzijdig preventief vaccineren staat name-
lijk gelijk aan het doodvonnis van de gehele Nederlandse
veestapel. Een verschrikkelijk dilemma. Het is bovendien
onder de huidige omstandigheden bijzonder lastig - er is
bijna geen slechter moment te bedenken dan tijdens een uit-
braak - om het non-vaccinatiebeleid te heroverwegen.
Als we om ethische en welzijnsredenen zonder EU-toestem-
ming alleen in Nederland preventief gaan vaccineren, maar

-ocr page 375-

vervolgens de komende vijf tot tien jaar geen dieren en pro-
ducten kunnen verkopen, dan bewijzen we de evenhoevigen
en hun houders in Nederland bepaald geen dienst.
Honderdduizenden dieren zullen moeten worden geëuthana-
seerd en geruimd, hetgeen onacceptabel is. Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, mr. L.J. Brinkhorst
formuleerde het heel treffend in het actualiteitenprogramma
NOVA: \'Dat zou op dit moment hetzelfde betekenen als de
boeren meteen in het ravijn duwen.\' Want laten we niet ver-
geten: als exporterend land kan Nederland hier nooit het
voortouw in nemen. De situatie wordt natuurlijk anders als
meer landen door MKZ in de problemen komen en vaccina-
tie gaan overwegen.

Mocht minister Brinkhorst in Nederland eenzijdig overgaan
tot de preventieve vaccinatie van alle gevoelige dieren, om-
dat de uitbraak niet langer beheersbaar is, dan zal hij in elk
geval worden ondersteund door de KNMvD.

Noodenting

Ingewikkeld is ook het EU-beleid inzake de noodvaccinatie.
Deze wordt alleen toegestaan, indien de destructiecapaciteit
te beperkt is om binnen tien dagen het noodzakelijke aantal
dieren te vernietigen in het kader van de bestrijding. Anders,
zo vindt de Europese Commissie, heeft het geen zin, want
immuniteit komt pas na een goede week op gang. En tegen
die tijd moeten de dieren eigenlijk al geruimd zijn.
Eigenlijk is dit \'de omgekeerde wereld\'. Noodvaccinatie is
immers een goede maatregel om het virus \'dood te laten
lopen\', ongeacht de destructiecapacteit. Helaas moeten alle
dieren die gevaccineerd worden, krachtens EU-regelgeving
worden geruimd. Overigens bouwt de weerstand tegen de
ziekte zich al in enkele dagen op, dus dat het vaccin pas na
een week werkzaam zou zijn, klopt niet.
Terwijl deze discussie wordt gevoerd, gaan kostbare dagen
voorbij. De KNMvD heeft zich meteen toen de ziekte uit-
brak op het standpunt gesteld - en dit via een persbericht uit-
gedragen - dat de noodvaccinatie zeker een plaats diende te
hebben in het totaalpakket van zeer krachtige maatregelen,
waarmee de huidige uitbraak wordt bestreden.
Brinkhorst was het hier overigens mee eens. \'Ik wil hier geen
Middeleeuwse toestanden\', aldus de bewindsman, duidend
op de Engelse beelden van brandstapels. Of deze toestanden
vermeden kunnen worden, is nog maar helemaal de vraag.
Globale rekensommen wijzen uit dat volgens welk scenario
dan ook verschrikkelijk veel dieren zullen moeten worden
vernietigd. Door de ervaringen met de meest recente uitbraak
van klassieke varkenspest maken we ons daarover geen illu-
sies meer. Gelukkig is er inmiddels wel toestemming geko-
men voor de ringenting. De eerste noodvaccinatie is in
Nederland reeds bij het ter perse gaan van dit artikel een feit.
De KNMvD maakt zich momenteel sterk voor vaccinatie in
een groter gebied. Ze acht de ringvaccinatie in combinatie
met ruimen onvoldoende effectief om de uitbraak te bedwin-
gen.

Intensieve veehouderij?

Met alle rampen die we op dierziektegebied al gehad hebben,
denk ook aan varkenspest, dioxine en BSE, wordt de roep om
een ander veehouderijbeleid steeds groter. Nu heeft de inrich-
ting van de veehouderij en de uitbraak van een besmettelijke
dierziekte - en zeker van MKZ - niets met elkaar te maken.
MKZ is van alle tijden. Maar er is wel degelijk een indirect
verband: zowel bij de ontwikkeling van het non-vaccinatiebe-
leid als bij de intensivering van de veehouderij speelt econo-
misch belang de eerste, prominente viool. In elk geval heeft
dierenwelzijn bij geen van de twee ontwikkelingen zwaar
meegewogen. Terwijl welzijn van toenemend en vitaal belang
is voor het respect van de samenleving voor de veehouderij.
Het is dus niet verwonderlijk dat ook de intensiteit van onze
veehouderij wordt betrokken in de discussie, gevoed door
actiegroeperingen zoals de Dierenbescherming, die het res-
pect voor het dier toch al ver te zoeken vond. De dierenarts
kan zich niet aan deze discussie onttrekken, integendeel. Hij
of zij kan op basis van deskundigheid een duit in het zakje
doen, kan het kaf van het koren scheiden en heeft dus - alleen
al daarom - de verantwoordelijkheid om zich een mening te
vormen en die uit te dragen. Bovendien is men het er als
KNMvD over eens dat het dier in onze samenleving op onze
bescherming moet kunnen rekenen.

Het is daarbij wel zinnig dat men zich op Europees niveau
beraadt over welk veehoudersysteem in alle opzichten en
voor alle lidstaten het beste is. Daarbij dienen niet alleen
economische factoren mee te spelen, zoals nu wel is geble-
ken. Nederland kan zich weliswaar niet veroorloven om het
voortouw te nemen in het weer gaan vaccineren, maar kan
wel een rol spelen in het aanwakkeren van de discussie
binnen de EU.

Susan Umans en Sophie Deleu

Informatievoorziening MKZ

Over MKZ is het laatste woord nog niet gezegd door de
KNMvD. Degenen die aangesloten zijn bij onze zoge-
naamde mailinglist (aanmelden via de website of
web-
master@knmvd.nl)
weten dat wij trachten iedereen zo
goed mogelijk te informeren. Zo gaat er na ieder basis-
overleg een gedetailleerd verslag uit. Verder ontvangt
iedereen de persberichten van de KNMvD en ander ac-
tueel nieuws.

Via het Tijdschrift moeten wij ons vanzelfsprekend be-
perken tot achtergrondinformatie, gezien de actualiteit
van de berichtgeving. In deze aflevering berichten wij
over het klinische beeld van mond- en klauwzeer, spe-
cifiek bij de huidige uitbraak en over de wenselijkheid
van abortus van zeugen als welzij nsmaatregel in de ru-
briek Vraag en Antwoord. En natuurlijk het artikel over
het non-vaccinatiebeleid.

Ook via de pers wordt vaak en veel gecommuniceerd,
zowel actief als op aanvraag. De KNMvD heeft zich in
persberichten reeds uitgesproken over de instelling van
een spoedregime voor dierenartsen, over de noodvacci-
natie en preventief vaccineren en over de preventieve
vaccinatie van dierentuindieren. Publiciteit vormt
tegenwoordig een aanzienlijk onderdeel van de gevol-
gen van een uitbraak van een besmettelijke dierziekte.
Dierenartsen die met een (verdacht) geval van mond-
en klauwzeer worden geconfronteerd, kunnen rekenen
op een waar mediacircus en worden geholpen bij de
omgang hiermee. De houding naar de pers is overigens
welwillend. De KNMvD vindt dat de dierenarts in
beeld mag en moet komen, gezien zijn (of haar) des-
kundigheid en maatschappelijke betrokkenheid.

-ocr page 376-

Vanaf de eerste dag van de uitbraak van MKZ in
Engeland heeft de KNMvD gebruik gemaakt van e-mail
om u zo snel mogelijk te informeren. Het eerste e-mailtje
ging dezelfde dag nog, met één muisklik vanaf het bureau
naar zo\'n veertienhonderd adressen. En de weken
daarna hebben we vele keren meer geë-mailed, naar
steeds meer collega\'s en praktijken. Inmiddels staat de
teller op meer dan 1800, een indrukwekkende groei waar
we heel blij mee zijn. Want het heeft de slagvaardigheid
van de KNMvD in de communicatie met u als lid belang-
rijk vergroot.

Maar... hebben wij ook u bereikt? Ofwel hebt u e-mail en
wij uw juiste adres?

En leest u uw mail alleen thuis of ook op de praktijk?

U begrijpt het, het liefste bereiken wij met zo\'n e-mail alle
dierenarts-leden en praktijken. Een klein onderzoekje toont
aan dat veel dierenartsen wel thuis, maar op de praktijk nog
niet over een e-mailadres beschikken.
De KNMvD wil u de komende maanden dan ook stimuleren
om (ook) in de praktijk \'e-mail te nemen\'. Om te beginnen
met dit artikel, waar u leest hoe u het aan kunt pakken.

Wat hebt u nodig

Natuurlijk, een pc met een modem of ISDN-adapter, en een
telefoonlijn. En ook nog een e-mail programma en een
(eventueel gratis) abonnement bij een internetprovider.

De pc

Elke pc die u nu koopt heeft Windows-98 of ME als bestu-
ringssysteem, en nagenoeg elke nieuwe pc heeft een inge-
bouwd modem. De kreet die daarbij hoort is 56k6, dat is een
maat voor de snelheid waarmee de pc straks via de telefoon-
lijn communiceert.

Als u ISDN wilt gebruiken (aanbevolen!), dan gebruikt u
geen modem maar een ingebouwde ISDN-kaart (of een ex-
tern kastje) die de verbinding vormt tussen uw pc en het tele-
foonnet.

Waar haal ik mijn pc? Zijn die van de grootgrutter ook
goed? Ja hoor, uitstekend. U hebt zelfs keuze uit vijf model-
len!

Alle wat serieuze bedrijven leveren tegenwoordig goede
pc\'s. De kans dat er iets mis mee gaat is erg klein. Maar niet
nul, en dus is eigenlijk het enige criterium: kan ik op service
rekenen als er iets mee is of ik eens wat extra\'s wil, zoals een
ISDN-kaart.

Uw internetprovider

En nu nog het internet op, zowel om te kunnen e-mailen als
om op het web te surfen.

Hoe kiest u nou een internet service provider (ISP), uit de
vele tientallen die er zijn? Sommigen zijn gratis, andere bie-
den een abonnement, een zogenaamd
\'mhQ\\-accoimt, van on-
geveer 25 gulden per maand.

Onder uw collega\'s is de gratis e-mail provider hotmail.com
erg populair. Leuk om te beginnen, wellicht, maar het nadeel
ervan is dat u, als u ook het web op wilt, niet met
hotmail al-
leen kunt volstaan. En als u straks meer wilt (bijvoorbeeld
een eigen site voor uw praktijk) moet u verhuizen, en krijgt u
dus een nieuw e-mailadres.

Van de vele goede internetproviders geven we er hier enkele
met hun naam en telefoonnummer. Als u ze belt sturen ze u
een introductiepakket. Een uitgebreid overzicht vindt u on-
der andere in de Consumentengids van januari 2000. Maar
ook de vele pc-magazines bij diezelfde kruidenier of uw
boekhandel brengen u snel op weg.

En wellicht kunt u bij iemand anders even surfen naar bij-
voorbeeld
www.internetten.nl.

Welk e-mailpakket?

Bij de software van uw nieuwe pc (of anders wel bij het star-
terpakket van uw ISP) zit ongetwijfeld Microsoft Internet
Explorer, de meest populaire
browser waarmee u niet alleen
het internet op kunt, maar ook kunt e-mailen. Wellicht hebt u
via via de beschikking over Outlook Express. Nog mooier is
Outlook, de grotere broer van Express, waarmee u ook een
handige agenda en adressenboek in huis haalt.
Outlook komt als onderdeel van het Microsoft Office-pak-
ket, met onder andere Word en Excel, echt onontbeerlijk als
u serieus met uw pc aan de slag wilt.

Op de praktijk

Als u nog geen Windows-pc op de praktijk hebt en u wel aan-
voelt dat u daar de komende jaren toch wel aan zult gaan, is
zo\'n nieuwe
stand alone pc voor internet en e-mail een
goede investering. Hij is namelijk altijd moeiteloos in een
eventueel netwerk op te nemen, door middel van een net-
werkkaartje van ongeveer 80 gulden.
Bovendien zijn er mooie programma\'s om thuis met de pc
van de prakijk te werken en omgekeerd, zoals PC Anywhere.

Help!

Voor u alles hebt uitgepakt en aangesloten, bent u wel wat
uurtjes verder. En soms lukt het ook niet meteen. Die eerste
Weer een enthousiast vriendje er bij halen is meestal wel nut-
tig... De zelfdoeners kunnen te rade gaan bij de leverancier,
of in de vele boekjes die u erbij hebt gekregen, of wellicht in
TIPS, weet u nog, het programma van uw collega J. van Os
op de jubileum-cd van uw Tijdschrift. Daar vindt u overigens
ook informatie over de providerkeuze.
En als u echt vast zit kunt ook mij nog bellen. Of mailen....

MKZ en uw e-mail

En als het u gelukt is, mailt u dan uw adres even naar Corine
van Kalles, onze
webmaster@knmvd.nl. Vanaf dat moment
wordt ook u snel door uw KNMvD op de hoogte gehouden.
Veel succes!

Jan Klingen,
KNMvD interim-manager ICT
(J.klingen@knmvd.nl of jan@klingen.nl)
(030) 2510111 of (030) 6382606

-ocr page 377-

Enkele internetproviders

Demon Internet

HCCnet

Planet Internet

Trefpunt Access

World Online

Xs4all

Zon

0800 3366668
0900 4222255
(033)4540600
(033)4540640
0900 1565
(020)3987654
0900 0440440

Welke e-mail naam?

Als u zich - al dan niet via het web - aanmeldt bij een
provider, moet u een gewenste e-mail naam opgeven.
Vaak krijgt u alleen \'speelruimte\' voor uw eigen naam
aan de voorkant van het apestaartje, bijvoorbeeld
aukema@hccnet.nl. Soms er ook achter, zoals

bas@aukema.demon.nl Voor een geheel eigen naam,
zoals
jan@klingen.nl moet u een list verzinnen, en
moet de naam apart worden geregistreerd. Dat kan bij
uw provider. Vaak echter is die naam al door een andere
Nederlander bezet.

De KNMvD, eigenaar van de naam www.dierenarts.nl,
biedt u voor enkele tientjes per jaar de volgende moge-
lijkheid: uw
uwnaam@dierenarts.nl. De enige eis is
dat uw naam nog niet door een collega met dezelfde
naam is bezet. U kunt zich voor deze dienst opgeven bij
ict@knmvd.nl.

KNMvD-heipdesk voor uw ICT-problemen

Kantooruren: 030-2510111
Tot 22.00 uur: 030-6382606

Meer informatie over de activiteiten van het Hoofdbestuur
Management en marketing belangrijke aandachtspunten

\'Waar houdt het Hoofbestuur zich eigenlijk mee bezig?\'
is een veelgehoorde vraag. Omdat dit kennelijk niet dui-
delijk is zullen we de komende maanden meer informatie
geven over onze activiteiten en over de aandachtspunten
van de verschillende leden van het Hoofdbestuur.

De eerste aflevering: M&M

Toen ik op het jaarcongres te Veldhoven was, waar het rap-
port \'De toekomstige marktpositie van de dierenarts in
Nederland\' werd besproken, viel me onder andere op dat een
grote groep aanwezigen het praten over marktwerking en
marktbenadering nauwelijks interessant vond en veel liever
over diergeneeskundige problemen wilde praten.
Uit het onderzoek kwam niettemin naar voren dat communica-
tieve en sociale vaardigheden naast vakinhoudelijke kennis en
managementvaardigheden belangrijk zijn om in te kunnen spe-
len op marktontwikkelingen. Op de vraag \'Op welke wijze
spelen dierenartsen in op marktontwikkelingen?\' scoort vakin-
houdelijke bijscholing 85%, cursussen op managementgebied
28%, cursussen op het gebied van communicatie 20% en cur-
sussen op het gebied van marketing 18%. Van de respondenten
vond 68% dat ze onvoldoende kennis had op het gebied van
management en 65% op het gebied van marketing. Nog een be-
langrijk resultaat: bijna 70% van de respondenten zag in andere
dierenartsen in Nederland hun belangrijkste concurrent.

In een tijd met veel veranderingen in regelgeving door de
overheid, veeleisende consumenten en afname van het aantal
dieren, is het erg belangrijk hier goed op in te spelen. Wij
hebben in onze samenleving een belangrijke rol te vervul-
len. Niet voor niets heeft het Hoofdbestuur haar beleidsvisie
\'Dierenarts, spil in een gezonde samenleving\' genoemd. We
kunnen dit alleen maar samen waarmaken.
Ik citeer Barry Hughes op een congres van varkenshouders:
\'Jullie moeten het samen doen anders wordt het SHIT\'.

Management en marketing

M&M (management en marketing) zijn hiervoor onontbeer-
lijk. Om optimaal resultaat te verkrijgen is er een werkgroep
gevormd met twee leden van de AUV en twee leden van de
KNMvD. Als definitie voor praktijkmanagement is gekozen
voor:

alle activiteiten die nodig zijn om de onderneming \'dieren-
artsenpraktijk\' ejficiënt te laten verlopen, met als gevolg dat
door alle betrokkenen gezamenlijk met optimaal resultaat en
veel arbeidsvreugde kan worden gewerkt.
Om een dierenartsenpraktijk goed en efficiënt te laten ver-
lopen is het noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan
het management van de praktijk.

Namens het Hoofdbestuur, S. Heslinga

-ocr page 378-

Binnen de beroepsgroep van practici landbouwhuisdieren
zijn we alweer enige tijd aan de gang met de Erkenningsre-
geling. Dus ook zij, die gaan voor een erkenning als rund-
veedierenarts. Velen van ons hebben de basiscursus gevolgd
(dag 1 en 2, alsmede de dagen ABC) en zijn eveneens druk
bezig met het volgen van allerlei nascholingscursussen, mo-
gelijk niet in de laatste plaats om \'punten\' te verzamelen.
Waar leidt dat heen en wat brengt ons dit allemaal?

Op dit moment is er, denk ik, nogal wat onrust en verwarring in
het veld. Dit is niet in de laatste plaats, omdat er wat onduide-
lijkheden bestaan. Onduidelijkheden ten eerste over de zoge-
naamde contacmren (wat zijn dat? hoe moetje dat berekenen?
hoe moet je dat toetsen?), over de geplande diflferentiatie in
puntentoekenning en over wat verplicht en wat vrije keuze is in
onderwerpen van nascholing. Onduidelijkheden bestaan ten
tweede ook over de functie en waarde van de erkende mndvee-
dierenarts nu en in de nabije toekomst.

Invulling geven

Voor de eerste categorie ondemeemt het CED, tezamen met de
TEC-Rund (de technische commissie erkende rundveedieren-
arts die de uitvoeringskant van de erkenningsregeling voor de
rundveedierenarts tot haar taak heeft), momenteel stappen om
voor de komende twee tot vijf jaar invulling te geven aan de
strategische visie voor de erkenningsregeling, inclusief de
weergave van een aantal markeerpunten in de tijd (per welke
datum moet de erkende rundveedierenarts beantwoorden aan
bepaalde regels? per welke datum moet men bijvoorbeeld wer-
ken vanuit een KRD erkende praktijk? per welke datum moet
men beantwoorden aan het verplicht volgen van bepaalde na-
scholingselementen?, etcetera). In de huisartsengeneeskunde
liggen voldoende voorbeelden van hoe een en ander kan wor-
den gereguleerd.

In de CED-visie wordt de volgende fasering gehanteerd:

Ontwikkelingsfase Overgangsfase Implementatiefase

1997 >2001 >2002

In de huidige overgangsfase van 2001 worden voorlopig de
aanmeldingsprocedure en erkenningscriteria gehanteerd zoals
die zijn ontwikkeld voor 1 januari 2001. Voorts wordt de ge-
bmikte toetsing van nascholingselementen in deze fase geëva-
lueerd, en zullen voor het einde van hetjaar de criteria mogelijk
worden bijgesteld op grond van de inmiddels opgedane erva-
ringen en aanvullende argumenten. Tevens wordt in deze fase
onderzocht hoe de marktvraag het beste kan worden gestimu-
leerd. Vanaf 1 januari 2002 start de implementatiefase, waarin
diverse bovengenoemde zaken zullen zijn uitgekristalliseerd.
Dan wordt ook bepaald hoe de erkenningsregeling kan worden
gekoppeld aan bijvoorbeeld de KRD/ISO-9001 zodat uiteinde-
lijk met één certificatieschema zou kunnen worden volstaan.

Aanvullende eisen

Voor de tweede categorie geldt een aantal ontwikkelingen in de
sector en in de Europese Unie. In de sector kan worden ver-
wacht, dat met ingang van 1 januari 2002 of daaromtrent KKM
aanvullende eisen gaat stellen aan melkveehouder en aan de
dierenarts. Dit betreft het onderwerp van de bedrijfsinspectie
ten behoeve van de zuivel. Het ziet er nu naar uit, dat deze be-
drijfsinspectie voor melkveehouders verplicht gesteld gaat
worden, bijvoorbeeld vier of zes keer per jaar. De melkveehou-
ders zullen op indicatie van de zuivel de erkende rundveedie-
renarts vragen om die inspectie op hun bedrijf uit te voeren vol-
gens een waamemingsprotocol dat moinenteel wordt
opgesteld en dat rond de zomer zal worden getoetst in het veld.
Hiermee krijgt de status \'erkend rundveedierenarts\' dus toege-
voegde waarde. Het is daarbij best mogelijk dat gaandeweg aan
die erkenning nog aanvullende (nascholings)eisen worden ge-
steld. Het behoeft geen betoog, dat een spin-off van deze be-
drijfsinspecties inhoudt dat aandachtspunten worden vastge-
steld die door dierenarts en veehouder kunnen worden
besproken en mogelijk kunnen leiden tot vervolgacties.
Een andere, mogelijke ontwikkeling kan zijn, dat vanuit de
Stichting Gezondheidszorg voor Dieren de wens of eis wordt
geformuleerd om ten behoeve van de georganiseerde dierziek-
tenprogramma\'s erkende (rundvee-jdierenartsen in te zetten.
Ook dit zou een deel van de toegevoegde waarde van de erken-
ningsregeling kunnen vertegenwoordigen.
Vanuit de EU komt de richtlijn 97/12 op ons af, ondermeer in-
houdende het netwerk van veterinair toezicht op bedrijven met
productiedieren. Momenteel zijn er verschillende acties gaande
om dit toezicht vorm en inhoud te geven. Belangrijk onderdeel
hiervan is bijvoorbeeld een waamemings- en rapportageproto-
col. Het is uiterst wenselijk voor veehouders, dierenartsen en in-
stanties (LNV/RVy KKM), indien de hierboven bedoelde pro-
tocollen ineengeschoven worden tot een unifomi protocol.
Kosten en arbeid kunnen aldus efficienter worden ingezet. Het
is evenzeer wenselijk, indien de erkende mndveedierenarts
wordt ingeschakeld om ook dit veterinair toezicht volgens
97/12 uit te voeren. Want ook dan geldt dat er een positieve spin-
off voor de veehouder uit voort kan komen middels attentiepun-
ten ter verbetering van de bedrijfsresultaten, inclusief kwali-
teitsborging in de meest brede zin des woords. Dit vergroot het
draagvlak, ook onder de veehouders. Voorts wordt daarmee de
toegevoegde waarde van de erkenningsregeling mndveedieren-
arts verder verhoogd. Zonodig kunnen ook daarvoor aanvul-
lende (nascholings)eisen worden gesteld.

Kortom, indien de hierboven beschreven ontwikkelingen voort-
gang vinden, en daar ziet het nu alleszins naar uit, krijgt de er-
kenning mndveedierenarts zin en positionering, vorm en in-
houd. Immers, niet alleen de ftinctionaliteit komt in beeld, maar
ook de
positionering van de mndveedierenarts wordt meer
transparant, namelijk tussen veehouder, wetgeving en maat-
schappij in. Voorts kan dan echt duidelijk worden gemaakt waar
wij als rundveedierenarts anno 2001 en volgend voor staan:
onze kwalificaties en de inspanningen die wij getroosten om die
kwaliteit op peil te houden zij n aantoonbaar en toetsbaar, even-
als de wegen waarlangs wij dat menen te kunnen bereiken.
Concluderend kan worden gesteld dat wij als mndveedieren-
arts daadwerkelijk iets kunnen en daadwerkelijk iets moeten
met onze erkenning. Dat zijn wij verplicht aan onze klanten en
aan de maatschappij.

J.P.T.M. Noordhuizen,
Afdeling Gezondheidszorg Herkauwers,
Faculteit der Diergeneeskunde

De erkenning rundveedierenarts: wat moeten we er toch mee??

-ocr page 379-

Contributie Erkenningen

Het Coördinatiecentrum Erkende Dierenartsen (CED)
gaat dit voorjaar de eerste facturen verzenden naar alle
erkende dierenartsen. De hoogte van de contributie be-
draagt per erkenning 250 gulden op jaarbasis. Dit tarief
geldt voor leden van de KNMvD. Niet-leden betalen 500
gulden.

De bijdrage is bedoeld om te voorzien in de kosten van
het CED-bureau en de verdere ontwikkeling en onder-
houd van de erkenningsregelingen.

Uiterste inleverdata voor kopij

Deadline-)

vrijdag
maandag
maandag
maandag

Aßevering:

15-05-2001
01-06-2001
15-06-2001
01-07-2001

27-04-2001
14-05-2001

28-05-2001
11-06-2001

■") Voor 10.00 uur \'s morgens.

Let op: de deadline voor de aflevering van 15 mei is af-
wijkend in verband met Koninginnedag.

Mutaties:

Boschloo, H.M. ; 1997 ; 3812 DH
Amersfoort ; Noordewierweg 231 B ; tel.
privé: 033-4634348; E-mail privé:
h.boschloo{®wanadoo.nl;
p., geass. met
M.E. Karsijns ; tel. prakt. : 033-4620626.

Dijk, Prof. Dr. J.E. van; 1967; U-1981;
3849 PS Hierden; Sehaapkamp 4; tel. privé:
0341-452759; wet. medew. U.U., ED.. HA
Pathologie; Proefdierpathologie; tel. bur.:
030-2534364; fax bur.: 030-2516853;
E-mail

bur.: j.vandijk(a vet.uu.nl.

*Dinter. Mevr. N.; 2001; 3583 RS Utrecht; Vossegatselaan 4 bis A; tel.
privé: 030-2544682;
E-mail privé: nellemieke(a hotmail.com; wnd.d.

Drie. A.D. ; 1998 ; 3572 CR Utrecht ; Frederikastraat 7 ; tel. privé: 030-
2732416;
p., medew. bij C.R. Burger, K. Schoenmakers en J.O.B.
Weeber; tel. prakt.: 030-6038700; fax prakt.: 030-60l48«9.

Ham. Mevr. L.J. van den; 1986; 3981 HD Bunnik; KLoningslaan 1; tel.
privé: 030-2543444; E-mail privé: lydia.vdh@inter.nl.net ; p.. medew. bij
J.PJ. van Ierland, H.M.M. Luijerink, A. Maas, J.J.G. Oomen. M.E.W.M.
Pellenaars en C.J.C. Vincenten; tel. prakt.: 076-5722999; fax prakt.: 076-
5729631.

Heidens. Mevr. E.M.; 1999; 8303 AW Emmeloord; Herculesstraat
3; tel. privé: 0527-617015; E-mail privé: c.heldens(fl wxs.nl; p., medew.
bij S.G.B. Weltevrede; tel. prakt.: 0527-612885; fax prakl.: 0527-
615032.

Hesseling. K.; 1972; 4761 VE Zevenbergen; \'s-Heerenwei 63; tel.
privé: 0168-330095; E-mail privé: khessel@westbrabant.net;
wnd.d.

Heuvelman, E.; 1999; 3512 EZ Utrecht; Kloksteeg45; tel. privé: 030-
2316584; fax privé: 030-2316584;
Veterinary Territory Manager bij
Hill\'s Pet Nutrition B.V.; tel. bur.: 076-5481800.

Hüfken. R.M.H.N.; 2000; 5555 EA Valkenswaard; van Cuykstraat
37; tel. privé: 040-2018789; fax privé: 020-8640040; E-mail privé:
hufken(a:quios.com;
wnd.d.

lersel, Mevr. M.J.J.; 1995; 8081 HR Elburg; Hellenbeekstraat 77; tel.
privé: 0525-661940; E-mail privé: marieke.v.i@12move.nl;
d.

Karsijns, Mevr. M.E.; 1997; 3812 DH Amersfoort ; Noordewierweg
231 B ; tel. privé: 033-4634348; E-mail privé: m.karsijns@wanadoo.nl;
p.,
geass. met H.M. Boschloo; tel. prakt.: 033-4620626.

Pol. E.J.A. van de: 1999; 3927 BD Renswoude; Dorpstraat 36; tel.
privé: 0318-571838; p., medew. bij A.G.G. Kok, J. van \'t Riet en F.M.
Thate; tel. prakt.: 0318-610112; fax prakt.: 0318-616582.

*Pool, S.N.; 2001; 3554 GL Utrecht; Zwanenvechtlaan 36; tel. privé:
030-2939505; E-mail privé: poolsteven@hotmail.com; p., medew. bij J.F
Tigchelaar; tel. prakt.: 058-2542020; fax prakt.: 058-2541969.

Rietbergen, Mevr. M.J.T.R.; 1996; 3533 AL Utrecht; Joseph
Haydnlaan 78; tel. privé: 030-2966977; p., geass. met C.M.B. Lindelauff;
tel. pakt. : 020-6191613; fax prakt.: 020-6106981.

Roos, S.R.; 1978; 5473 CK Heeswijk; Zijlstraat 9; tel. privé: 0413-
293292; fax privé: 0413-293292; E-mail privé: markman@hetnet.nl;
r.d.

Scbalekamp. Mevr. M.: 1997; 8391 AL Noordwolde; Hoofdstraat
West 49;
tel. privé: 0561-430410; fax privé: 0561-433431; E-mail privé:
marjan@schalekamp.tmfweb.nl;
p.. Dierenarts Marjan Schalekamp; tel.

Personali

prakt.: 0561-430410; fax prakt.: 0561-433431; E-mail prakt.:
marjan@schalekamp.tmfweb.nl.

Schouten, G.J.; 1968; 2401 LB Alphen a/d Rijn; Oudshoornseweg 58; tel.
privé: 0172-491358; fax privé: 070-3639678; E-mail privé: gert.jan.schou-
ten@wolmail.nl; p., D.A.P Den Haag; tel. prakt.: 070-3458327; fax prakt.:
070-3639678;
E-mail prakt.: schoutcn.g.j@12move.nl.

Smeenk, J.; 1969; 7604 AR Almelo; Willem de Clcrcqstraat 73; tel.
privé:0546-531778; k.d. R.V.V. kring Noord, distr. Almelo;
tel. bun: 0546-
828325; fax bun: 0546-828109.

Smith, PT.; 1980; 8325 GB Vollenhove; R. v. Diepholstraat 7; tel.
privé: 0527-242330;
fax privé: 020-8791980; E-mail privé: pt-smith@
planet.nl; k.d. bij R.VV

Snoek, M.J.; 1989; 3881 ZG Putten; Cannenburgh 3; tel. privé: 0341-
355353;
E-mail privé: snoek.mj@wolmail.nl; p., medew. bij J. Brons,
G.A. van Eijden. G. Esveld enA.A. Kranendonk; tel. prakt.: 0341-351235;
fax prakt.: 0341-360741.

Weltevrede, S.G.B.; 1983; 8303 XG Emmeloord; Croeshoeck 2; tel.
privé: 0527-614318; p.. D.A.P Emmeloord eo; tel. prakt.: 0527-612885; fax
prakt.: 0527-615032.

Rectificatie jubilea 2001

In het Tijdschrift voor Diergeneeskunde van I januari 2001 staan bij de
\'Jubilea 2001\' per abuis twee jubilerende dierenartsen niet vermeld. Dit
zijn:

25 jaar (1976)

W.M. Smoic, IJsselstein, 2 juli, afwezig

35 jaar (1966)

Dr. J. Goudswaard, Middelburg, 22 september, aanwezig.

Congressen & Symposia
April

20—22 Voorjaarsdagencongres, RAI,
Amsterdam. Secretariaat: Postbus 80.125,
3508 TC Utrecht, tel.: 030-2532728, fax: 030-
2535851, e-mail: vjd@fbu.uu.nl, website:
www.voorjaarsdagen.org.

21—22 Symposium over de holistische bena-
dering van mmoren bij dieren in Bonn.
Sprekers: Cheryll Schwartz (USA) en Rosina

Sonnenschmidt (Frankrijk). Meer informatie: Aleid Verhoeff. Bruns-
veldweg2a, 7021 JHZelhem, tel.: 0314-625385. e-mail: aleid@trefnl.

Mei

Symposium \'Vercommercialisering van het vrije beroep\' met als motto
\'waar liggen de grenzen\'. Organisatie: Raad voor het Vrije Beroep. Meer
informatie: drs. I.M.G. Thomassen, algemeen secretaris, tel.: 070-
3353582, e-mail: rvb@raadvoorhetvrijeberoep.nl.

-ocr page 380-

9 Symposium \'Animal Health and Food Safety\', Recreatie-
en congreshotel Ter Eist, Edegem , \'België. Organisatie:
Stichting Food Micro & Innovation, Obrechtlaan 17, 3723
KA Bilthoven, fax: 030-2288316, e-mail: s.notermans@
wxs.nl, www.foodmicro.nl.
10—12 Annual Scientific Meeting Veterinary Wound

Healing Association \'Advancing knowledge of veterinary
wound healing\', Hannover (D). Meer informatie:
Veterinary Wound Healing Association, Dr S.M.E.
Cockbill, Surgical Dressing Research Unit, Welsh School
of Pharmacy UWC Redwood Building, King Edward VII
Avenue, Cathays Park, Cardiff CFIO 3XF, Wales, UK, of
website: www.cf ac.uk/uwc.phrmyA\'WHA/
12— 13 Horses Pain Control (Continuous Education Meeting),
BonnAVeilerswist-Müggenhausen, Germany Registra-
tion: Amo Lindner, Laurahöhe 14, D-45289 Essen; tel.:
-1-49-201-571887, fax: -1-49-201-571884, e-mail: arnolind-
ner(gt-online.de; www.agpferd.de
Feline Symposium. Organisatie: Stichting Symposium
Feline Geneeskunde, Yalelaan 1,3584 CL Utrecht, e-mail:
fel inesymposium@hotmai 1 .com.
Hill\'s Europees symposium 2001 \'Voedselallergie bij hon-
den en katten\', Sofitel Brussels Airport te Brussel,
Diegem, aanvang: 20.30 uur. Opgave: Hill\'s Pet Nutrition
bv, t.a.v. mevr. L. van der Linde, Essendonk 3a, 4824 DA
Breda, fax: 076-5420008.
23—26 40\'*^ International Symposium on Diseases of Zoo and
Wild Animals, Rotterdam. Topics: 1) Diseases of marine
animals, 2) Diseases of Asian animals, 3) Immuno-
prophylaxis. Congrescentrum Engels, Stationsplein 45,
Rotterdam. E-mail: W.Schaftenaar{®rotterdamzoo.nl,
website: www.IZW-Berlin.de.

Hill\'s Europees symposium 2001 \'Voedselallergie bij hon-
den en katten\'. Hotel Vianen te Vianen, aanvang: 20.00 uur
Opgave: Hill\'s Pet Nutrition bv, t.a.v, mevr. L. van der
Linde, Essendonk 3a, 4824 DA Breda, fax: 076-5420008.

19

22

30

Goed geregeld!

Voor financieel advies bij:

• Praktijkoverdracht

• Assistentie

• Associatie

• Praktijkfinanciering

• Pensioenen

• Woningfinanciering

• Verzekeringen

X International Symposium of Veterinary Laboratory
Diagnosticians and OIE Seminor on Biotechnology.
Salsomaggiore - Parma, Italy. Information: Organising
Secretariat, New Team, Via C. Ghiretti, 2, 43100 Parma
(Italy), tel.: -1-39-0521-293913, fax: -1-39-0521-294036,
e-mail: newteam.parma(ftiol.it

Maliesingel 34
3581 BJ Utrecht
Tel. (030) 244 87 74
Fax (030) 241 66 33
E-mail: info@dixenco.nI
mvw.dixenco.nl

juli

4-7

Dix €o

Augustus

29—31 Internationaal symposium \'Comparative Clinical and
Molecular Endocrinology\', Utrecht/Zeist. Informatie:
Mw. IJnda B. van Ouwerkerk, HA Geneeskunde van Gezelschapsdieren,
Yalelaan 8. Postbus 80.154, 3508 TD Utrecht, tel. 030-2531693, fax:
030-2518126, e-mail: L.B.vanOuwerkerk(itf,vet.uu.nl, www.vet.uu.nl/
english/congress/CCME.

September

13—15 International Conference on Human-Animal Interactions, Rio de
Janeiro. \'People and Animals: a global perspective for the 21®\' Cenmry\'.
Conference Secretariat: AFIRAC, 32, rue de Trévise, 75009 Paris.
France, tel.: -
h33- 1 -56031200, fax: 33-1 -56031360, e-mail: rio200l@i-
et-e.fr, intemet: www.iahaio.org of www.afirac.org.
25 1forum for applied biotechnolgy, Gent, Belgium. Administrative
Centre FAB, p/a GOM - West-Vlaanderen, Baron Ruzettelaan 33,
B-8310Assebrock/Brugge(Belgium). Tel.: 4-32-(0)9-2645937, fax:-1-32-
(0)9-2646220, e-mail: fab200 Kgbiomath.rug.ac.be, http://biomath.rug.
ac.be/fab2001/

27—29 1Annual Congress in Veterinary Dermatology of the European
Society ofVeterinary Dermatology, Copenhagen, Denmark. Further in-
formation: E Kristensen, Dept. of Clinical Studies, Royal Veterinary
and Agricultural University, Dyrlagvej 16, 1870 Frederiksberg,
Denmark. Fax: -t-45-35282929, e-mail: fk(aikvl.dk, www,congress-vet
derm.com

Oktober

4 —7 British Veterinary Association Congress, The Guildhall, Winchester

UK. Meer informatie: BVA Congress Office, 7 Mansfield Street,
London WIG 9NQ. Tel.: 4-44-207-6366541, fax: -1-44-207-4362970,
e-mail: congress(gbva.co.uk.

5 Jaarcongres KNMvD, Papendal, Amhem.

24

December

14 Jubileum 25-jarig beslaan Groep Geneeskunde van het Rund \'Kansen in
Kwaliteit, de Reehorst te Ede.

Vergaderingen & Bijeenkomsten

April

26

28

Mei

1

12

15

18
23

Afscheidscollege dr. R.J. Slappendel \'Bloed kmipt waar het niet gaan
kan\', HA Geneeskunde van Gezelschapsdieren. Yalelaan 8 te Utrecht.
Aanvang: 15.00 uur. Aanmeldingen: Bureau HA Geneeskunde van
Gezelschapsdieren, Postbus 80.154, 3508 TD Utrecht. Telefoon: 030 -
2531589, fax030 - 2518126, e-mail: YB.M.Jansen@vet.uu.nl.
Tiende Meditour, start: Janssen-Cilag bv. Dr Paul Janssenweg 150,
Tilburg, tussen 9.30 en 10.30 uur. Lengt: ± 130 km. Kosten: ƒ20,-. Meer
infonnatie: Pia-May Jansen, tel.: 013-5837241.

Jaarlijks uitstapje Absyrtus Senior en de mstende dierenartsen in
Limburg.

I2e Dag van het Aangespannen Paard, Faculteit der Diergeneeskunde,
Utrecht. Meer informatie: Stichting \'Dag van het Aangespannen Paard\',
Postbus 85314,3508 AH Utrecht, tel/fax: 030-2539423.
Bijeenkomst Groep Geneeskunde van het Rund. \'Marketing van Kennis
door de gecertificeerde rundveedierenarts.\' \'s Middags.
Lustrum Groep Pluimveewetenschappen, Artis Amsterdam.
Veterinair Golfkampioenschap 2001, Noord-Nederiandse golf- en coun-
tryclub, landgoed \'de Poll\' in Glimmen (gemeente Haren). Inschrijving:
ƒ 50,- op rekeningnr. 531506207 t.n. v W.L. Keers i.z. VG.C. met vermel-
ding van exacte handicap, privé-adres en home-course.

-ocr page 381-

Juni

13 AUV Algemene Ledenvergadering.

14 Ledenvergadering Groep Pluimveewetenschappen te Boxtel, aanvang
14.00 uur.

20 AUV fietsdag.

September

13 Ledenvergadering Groep Pluimveewetenschappen te Deventer, aan-
vang: 14.00 uur.

Oktober

4 Sportdag KNMvD, Papendal, Arnhem.
6 Algemene Ledenvergadering KNMvD, Papendal, Amhem.

15 AUV Najaarsregiovergadering Oost, aanvang 20.00 uur

18 AUV Najaarsregiovergadering Noord, aanvang 20.00 uur

23 Vijfde Boerendag.

29 AUV Najaarsregiovergadering West, aanvang 20.00 uur.
November

1 AUV Najaarsregiovergadering West, aanvang 20.00 uur.
December

13 Ledenvergadering Groep Pluimveewetenschappen te Boxtel, aanvang:
14.00 uur.

Cursussen
April

18 Casuïstieken varken - inrichting: IPVS Belgian branch.

19 PAO-D-cursus Lebmaagdislocatie (01/214-rund).

19 PUOD (België)-cursus 30: Gevallenbespreking in de neurologie: dia-
gnose en behandeling van verschillende aandoeningen.
20—21 Blok 2 - Cursus Persoonlijke Ontwikkeling, samen met uw levens-
partner. Opgave: e-mail congres@vvaa.nl ofbel 030-2474328.

24 PAO-D-cursus Vlecskalveren (01/216-rund).

Mei

3

3

8-9

10
11
II

16

PUOD (België)-cursus 27: Endocrinologie, Auditorium Klinieken,
Faculteit Diergeneeskunde, Merelbeke.

PAO-D-cursus Endocrinologie GD (01/103-gezelschapsdieren).
PAO-D-cursus Maagdarmkanaal (01/306-varken).
9, 16. 23 PAO-D-cursus Voeding Rund Module I (01/209). Tevens 16 en 23
mei.

PAO-D-cursus Rug Paard (01/508).
PAO-D-cursus Klinische Les (01/129-gezelschapsdieren).
PUOD (Bclgië)-cursus 29: Praktische oefeningen in de radiologie: posi-
tionering voor heupdysplasie- en elleboogdysplasie-opnamen.
PAO-D-cursus Spinale/perifere problemen (01/122-gezelschapsdieren).

16 en 23 PAO-D-cursus Chirurgie bij de Kat (01/124). Tevens 23 mei.

17 PAO-D-cursus Endocrinologie GD (01/104-gezelschapsdieren).

17 PUOD (België)-eursus 27: Endocrinologie, Aristohotel, Vestdijk 30,
Eindhoven.

30 PAO-D-cursus \'Als de eerste foto. ..\'(01/121 -gezelschapsdieren).

31 PUOD (België)-cursus 27: Endocrinologie, Faculteit der Diergenees-
kunde, De Uithof, Yalelaan 8, Utrecht.

31 PAO-D-cursus \'Meet the specialist\' (01 /509-paard).
31 PAO-D-cursus Endocrinologie GD (O I /105-gezelschapsdieren).
31.1 enSjuni PAO-D-cursus Voeding Rund Module II (01/218). Tevens 1 en
8juni.

19

20
21

PAO-D-cursus Tandheelkunde (01/127-gezelschapsdieren).
en 15 PAO-D-cursus Chirurgie bij de Kat (01/125-gezelschapsdieren).
Tevens 15 juni.

PAO-D-cursus Maagdarmtherapeutica (01 /132-gezelschapsdieren).
PAO-D-cursus Monitoring Voeding (01/21 O-rund).
RAO-D-cursus Intemistische Cases (01/113-gezelschapsdieren).
PAO-D-cursus Radiologie Paard (01/510).
PAO-D-cursus Röntgen Thorax (01 /120-gezelschapsdieren).
18-29 Workshop Moleculaire Biologie en Recombinant-DNA Technologie.
InlicMingen: dr. J.A. Lenstra, FdD, Postbus 80165, 3508 TD Utrecht,
tel.: 030-2534992, fax: 030-2540784, e-mail: Lenstra@vet.uu.nl.
PAO-D-cursus Koemanagement (01/212).

PAO-D-cursus Maagdarmtherapeutica (01/133-gezelschapsdieren).
PAO-D-cursus Radiologie Paard (01/511).

September

5 en 17 okt. PAO-D-cursus Keuren Paard (01/512). Tevens 17 oktober.
8 PAO-D-cursus De Blaas (01/112-gezelschapsdieren).

Oktober

5—6 ESVOT-TPLO cursus in München.

ESVOT-cursus kreupel paard in München.

ESVOT-elleboogdysplasie cursus in München. Informatie en registra-
tie: CSM congress & seminar management, tel: 49-8142-570183,
fax: 49-8142-54735, e-mail: info@csm-congress.de. Deelname be-
perkt.

31 Cursus \'Marketing in de gezelschapsdierenpraktijk\' te Utrecht. Kosten:
ƒ 375,- voor VVAA-leden en ƒ 425,- voor niet-leden, studenten betalen
ƒ 295,-. Aanmelden via e-mail: congres@vvaa.nl ofbel 030-2474328.

November

9—10 Blok I - Cursus Persoonlijke Ontwikkeling, samen met uw levens-
partner. Opgave: e-mail congres@vvaa.nl ofbel 030-2474328.
30—1 dec. Blok 2 - Cursus Persoonlijke Ontwikkeling, samen met uw le-
venspartner. Opgave: e-mail congres@waa.nl ofbel 030-2474328.

Dierenartsenpraktijk Enschede zoekt

Enthousiaste collega (m/v)

We bieden een (parttime) baan in een driemanspraktijk, ioo% landbouwhuisdieren, in het buitengebied van Enschede.
Ervaring strekt tot aanbeveling.

Schriftelijke reacties binnen drie weken aan: DAP Enschede -grote huisdieren-, Brinkstraat 234, 7541 AV Enschede.

Ter overname aangeboden

Gezelschapsdierenpraktijk

Brieven richten aan de redactie van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde, Postbus 14031, 3508 SB Utrecht, onder vermelding van
nummer 3/2001.

-ocr page 382-

Veterinair Centrum Someren

Het Veterinair Centrum Someren is een dierenartspraktijk waarin 19
dierenartsen gedifferentieerd werkzaam zijn, hierbij geassisteerd
doonS medewerkers.

De pluimveediergeneeskunde wordt op eerstelijnsniveau verricht
door drie fulltime dierenartsen en op tweedelijnsniveau onder-
steund door vier fulltime laboranten in een modern, goed geoutil-
leerd laboratorium, met Sterlab-accreditatie.

Wegens vertrek van een collega zoeken wij op korte termijn een;

Fulltime pluimveedierenarts (m/v)

Wat wij bieden:

\' een veelzijdige functie waarbij u werkzaam bent binnen alle gele-
dingen van de pluimveesector en het laboratorium

• enthousiaste collega\'s die de begrippen service en kwaliteit hoog
in het vaandel hebben

• een collegiale en prettige werksfeer.

Wat wij vragen: *

• belangstelling voor pluimveediergeneeskunde op bedrijfsniveau

• belangstelling voor laboratorium- en postmortale diagnostiek

• participatie in de dienstregeling voor pluimvee

• affiniteit met certificatie en kwaliteitssystemen

• goede contactuele en sociale vaardigheden

• ondernemingsgeest en flexibiliteit.

Uw schriftelijke sollicitatie vergezeld van curriculum vitae zien wij
met belangstelling tegemoet binnen 14 dagen na verschijnen van dit
tijdschrift.

Gelieve deze te richten aan; Veterinair Centrum Someren, ter attentie
vanAndréSteentjes, Slievenstraatiö, 5711 PK Someren.

Wij vragen:

- teamgeest

- enthousiasme

- goede contactuele
eigenschappen

- commerciële instelling

- kennis van diervoeding

Wij bieden:

- goede salariëring

- enthousiaste collega\'s

- bij gebleken geschiktheid
mogelijkheid tot
managementfunctie en
deelname in de onder-
neming

LIF>4RMkb

.V.

Lifarma bv is een handelsonderneming die producten
levert en adviseert aan varkens-, rundvee- en pluimvee-
houders.

Voor de ardeling orthomoleculaire voeding zoeken wij
een

Ambitieuze dierenarts (m/v)

Uw schriftelijke sollicitatie kunt u binnen 14 dagen na
verschijning richten aan: Lifarma bv, Postbus 3625, 6095
ZG Baexem, ter attentie van de heer j. Slangen.
Voor nadere informatie, telefoon: 0475 - 452174.

Emmeloord biedt ruimte

is niet alleen de slogan van de gemeentelijke overheid, maar ook van Diergeneeskundig Centrum
Noord Nederland, Espelerlaan 77, 8302 DC Emmeloord. Telefoon: 0527 - 613500.
Diergeneeskundig Centrum Noord Nederland beheert Dierenkliniek Emmeloord.

Algemeen

Dierenkliniek Emmeloord is een groeiend ziekenhuis voor hon-

Vanaf 1966 hebben de beheerders van Dierenkliniek Emmeloord den, katten en paarden.De binnen deze diersoorten erkende speci-
bijgedragen aan de maatschappelijke aanvaarding van de specia- alisatierichtingen hebben vorm gekregen,
listische diergeneeskunde. Binnen de diergeneeskunde zijn de struc-
turen gevormd, waarin de specialistische beroepsuitoefening plaats

kan vinden. De kliniek ondergaat momenteel grote uitbreidingen.

Jaarlijks ontstaat bij ons een vacature voor de functie van:

internship paardengeneeskunde

Wij vragen:

een jonge afgestudeerde enthousiaste dierenarts ter invulling van het internship geneeskunde paard voor de periode van 1 mei/i
juni 2001 tot 30 april/ 3imei 2002.

Wij bieden:

• basisopleiding in alle facetten van de geneeskunde van het paard

Informatie:

Neem voor informatie op dinsdag of donderdag contact op met: de heer C.J.L. van der Wilk.

-ocr page 383-

De Kliniek voor Gezelschaps-
dieren Rotterdam bestaat uit
een gloednieuwe hoofdvestiging
(Dierenziekenhuis) en een de-
pendance (Dierenkliniek Pen-
drecht-Zuidwijk) in Rotterdam-
Zuid, waarin een enthousiast
Kliniek voor team van acht dierenartsen en

Gezelschapsdieren ^^ assistentes zich bezighouden

met servicegerichte en kwalita-
Rotterdam tieve geneeskunde van uitslui-

tend gezelschapsdieren. We zijn goed geoutilleerd en verrichten
naast eerstelijns behandelingen ook tweedelijns werk met betrekking
tot diagnostiek en chirurgie.

Ter uitbreiding van ons team zijn wij op zoek naar een

ervaren dierenarts (m/v) 30-40 uur

die ons team kan aanvullen en verrijken en bereid is (blijvend)
te komen wonen in de regio Rotterdam.

Ceboden wordt een enthousiast team van collega\'s en as-
sistentes, modern geoutilleerde praktijk, goede organisatie
en dienstenregeling (1:8), vierdaagse werkweek, PAO-moge-
lijkheden, mogelijkheden tot verdere ontwikkeling in favoriete
deelgebieden, goede toekomstmogelijkheden en een salaris
en compensaties boven KNMvD-normering.

Wil je een nieuwe uitdaging aangaan, solliciteer dan binnen 14
dagen naar Dierenziekenhuis Rotterdam, Pascalweg 4, 3076
jP Rotterdam, ter attentie van P.J. van der Heijden.

Dierenartsenpraktijk Zuidwest-Drenthe, werkend vanuit een modern
en goed geoutilleerde centrale vestiging in Meppel, zoekt een

Dierenarts gezelschapsdieren (m/v)

Onze gedachten gaan uit naar een collega met voldoende ervaring
om zelfstandig spreekuren, diensten en routine-operaties te kunnen
verrichten en die wil bijdragen aan een verdere uitbouw van de prak-
tijk.

Het is de bedoeling om bij een gebleken prettige samenwerking tot
associatie over te gaan. Salariëring zal geschieden volgens KNMvD-
normen.

Schriftelijke sollicitaties met cv gaarne binnen twee weken na ver-
schijnen van dit blad richten aan: DAP Zuidwest-Drenthe, ter atten-
tie van de heer W. Meijer, Lepelaar 70, 7943 SH Meppel.

DAP Oost-Gelderland is een gemengde praktijk in de Achterhoek.
De werkzaamheden worden verricht vanuit een nieuw en modern
praktijkpand. Wegens vertrek van een collega en uitbreiding van
de werkzaamheden zoeken wij op korte termijn een

vierde dierenarts m/v

ter versterking van ons jong en enthousiast team.

Onze voorkeur gaat uit naar iemand met ervaring in de land-
bouwhuisdieren (varkens, rundvee). Salariëringen arbeidsvoor-
waarden volgens de KN MvD-normen.

Schriftelijke sollicitaties voorzien van cv binnen 14 dagen te rich-
ten aan: DAP Oost-Gelderland, Smoddedijk la, 7054 AC
Westendorp.

onderzoek

advies

training

s of twar e JinlitLkJte Lln g
detachering

Van Hall □

NSTITUUT

STUDIEDAG VOOR DE DIERENARTS EN REPTIELENHOUDER

Reptielen bij de dieren-

Donderdag 14 juni te Utrecht
Onderwerpen:

- het herkennen van (giftige) reptielen;

- klinische diagnostiek;

- huisvesting;

- voeding;

- ziekten;

- chirurgie bij reptielen.

De aspecten worden door deskundige dierenartsen be-
licht alsmede door sprekers van Reptielenzoo Serpo en
de Nederlandse Vereniging voor Herpetologie en
Terrariumkunde \'Lacerta\'.

Inlichtingen en aanmelding:

Van Hall Instituut Business Center,

mevr. M. Haan

Postbus 1754

8901 CB Leeuwarden

E-mail: mpjm.haan(®pers.vhall.nl

Tel.: (058) 284 61 60

Fax: (058) 284 61 99

^osiness

Center

Voor volledige begeleiding bij
\'uw praktijkovername
VVAA

BEL VOOR MEER INFORMATIE (030) 247 44 58

Postbus 81s3,3s03 RD Utrecht
Internet www.waa.nl

M.n. interessant voor dierenartsen

ARBEIDS-
ONGESCHIKTHEIDS-
VERZEKERING

met gegarandeerde premie restitutie

www.premieterug.nl
Tel. 035 - 5262894 • Crombeecke Assurantiën

-ocr page 384-

Luchtweginfecties bij

Icalveren vragen
een krachtige aanpalc

Om productieverliezen door luchtweginfecties te
beperken kiest u voor de zekerheid van effectiviteit,
snelheid en veiligheid.

Dus kiest u voor de zekerheid van Baytril. Het
antibioticum waarop u bhndeUngs kunt vertrouwen.
Bijvoorbeeld om luchtweginfecties en enteritiden
bij kalveren snel te genezen.
Want Baytril is sterker dan de bacteriën en myco-
plasma\'s die infecties veroorzaken.

Baytril. Zeker bij luchtweginfecties.

Rov/or Baytril 5% injectievloeistof. Farmaceutische vorm: Injectie vloeistof. Samenstelling: Per ml 50 mg enrofloxacin. Eigenschappen: Enrofloxadn behoort tot de chemische klasse der fluorochinolonen.
Daywl Het oefent zijn baciericide werking uit door interactie met de A subunit van het DNA-gyrase. Het DNA-gyrase is een topoisomcrasc, dat de bacteriële replicatie controleert (katalyseert supercoiling van

de chromosomale DNA-strengen). Fluorochinolonen zijn ook werkzaam tegen bacteriën in de stationaire fase door wijziging van de permeabiliteit van de buitenste fosfolipidenmembraan van decelwand.
Bij enrofloxacin liggen de inhiberende en bactericide concentraties dicht bij elkaar; ze zijn identiek of verschillen in één of maximaal twee dilutiesiappen. Bij lage concentraties bezit enrofloxacin een anti-
microbiële activiteit tegen de meeste Gram-negatieve bacteriën, tegen vele Gram-positieve bacteriën en tegen Mycoplasmata. Bijgevolg is enrofloxacin werkzaam tegen de micro-organismen die primair en secundair betrokken
zijn bij ziekte waarvoor Baytril geïndiceerd is. Overeenkomstig het werkingsmechanisme vermindert de gevoeligheid van bovenstaande bacteriën slechts heel langzaam en vereist de multi-step mutatie.
Doeldieren: Varken,
rund.
Indicaties: Anti-microbieel middel voor de behandeling van infectieziekten bij rund en varken, veroorzaakt door voor enrofloxacin gevoelige micro-organismen. Varken: E. coli (colidiarree, coliseptikaemie), Salmonella
spp.. Pasteurella spp.. Mycoplasmata, enzöotische pneumonie.
Rund: E. coli (colidiarree, coliseptikaemie), Salmonella spp., Pasteurella spp., Mycoplasmata, secundaire infecties bij virusziekten zoals rundcrgriep en
Crowdingcomplex. In het kader van een veranrwoord gebruik van anti-microbiële middelen is het zinvol voorafgaand aan de therapie de gevoeligheid van hel causale agens te bepalen door middel van een antibiogram,
Toediening/Dosering: Toedieningswijze. Varken: i.m.. bij voorkeur niet meer dan 2,5 ml per injectieplaais. Rund: s.c of i.v., bij voorkeur niet meer dan 10 ml per injectieplaals. Dosering: Rund: 2,5 mg enrofloxacin per kg l.g.

1 ml/20 kg l.g.) per dag gedurende 35 dagen; 5 mg enrofloxacin per kg l.g. (= 1 ml/10kgl.g.)pcrdaggedurende 35 dagen bij gecompliceerde infecties of salmonellose. Varken: 2,55 mg enrofloxacin per kg l.g.(= 1 ml/1020
kg l.g.) per dag gedurende 35 dagen; 5 mg enrofloxacin per kg l.g. per dag gedurende 3 dagen,
iVachttijdadvies: Varken: vlees: 10 dagen. Rund: vlees; 7 dagen; melk: 3 dagen bij i.v-toediening en 9 dagen bij s.c.-toediening.
Contraindicaties: Vastgestelde resistentie tegen chinolonen, aangezien er tussen enrofloxacin en andere fluorochinolonen een grote male van kruisresistentie besiaai. Bijwerkingen: Niet bekend. Waarschuwingen: In verband
met sensibilisalie en contactdermatitis dient bij de toepassing direct huidcontact vermeden te worden. Draag daartoe handschoenen.
Bewaarcondities/Houdbaarheid: 3 jaar, mits in het donker cn bij kamertemperatuur
{15-25\'C) bewaard. Aangeprikte flacon: direct gebruiken, niel bewaren.
Verpakking: Flacon a 100 ml. Registratienummer/Kanalisatiestatus: NL 2054 UDD, NL 8211 UDA (niet toegelaten voor i.v.-toediening).

-ocr page 385-

De topper onder de behandeltafeis

• ontwikkeld in samenwerking met dierenartsen

• voldoet aan CE-normen en ARBO-specificaties

• is zeer eenvoudig te bedienen en te reinigen

• heeft de laagste opstap en de kortste heftijd

• is geheel van RVS en vrijwel onderhoudsvrij

nrc^/r\'/

g MADE IN HOLLAND y

.....\' ■■

J-Tools

Postbus 486 r ■\'
5140 AL Waalwijk -L
teL (0416) 347 115
fax (0416) 347 601
e-mail: jtools@pLanet.nl

Kent u
het nog?

Palfium®= PALFACE

Ook te zien op de "Voorjaarsdagen 2001

Registratieliouder en fabrikant
ACE Pharmaceuticals BV - Postbus 1262 - 3890 BB Zeewolde

HET VACCIN TEGEN MVCOPUS/VIA

Hét vaccin tegen Mycoplasma hyopneumoniae
voor
meer flexibiliteit en een optimaal
resultaat.

Na vaccinatie snelle bescherming.
Beschermt tot het einde van de mestperiode.
Vanaf 5 dagen leeftijd: tweemalige vaccinatie.
Vanaf IO weken leeftijd: eenmalige vaccinatie*.
Bewezen effectiviteit in het veld.

________. - . .____......:e 3.0 Ek«.U • Al\'

ifi 2 n« per tSitf. voijens één van votge«^ schema\'s, d»eren vanaf een leeftijd ■
(empera(i»ufYveft)oging gedurende een voorbijgaande penode - m uitïooöertjke gevallen

n interval van 3-4 weken, of d«ren vartaf eer^ leeft>|d v;

n overgevoel«he«}sre»ctie, WocfKi|Ot O dagen. Voor verdere mforrrwtie\'« b-isKiner of beKh«>aar bn MERlAl B.V ® GeregrttreenJ handelsmerV v,

-ocr page 386-

De Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) is een uitvoerende dienst van het
ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. De RVV ziet erop toe dat bij de productie
en afzet van dieren en producten van dierlijke oorsprong is voldaan aan eisen die van belang
zijn voor de volksgezondheid, diergezondheid en het welzijn van dieren. Die eisen zijn
vastgelegd in Europese richtlijnen en Nederlandse wetgeving.

De keurmerken die de RVV afgeeft, zijn ook van belang voor de Nederlandse export. Zestig
procent van de producten uit de Nederlandse vlees- en vleesverwerkende industrie wordt in
het buitenland afgezet: wereldwijd tot in het Verre Oosten toe! Alle producten die uit
Nederland komen dienen daarom een perfecte kwaliteit te hebben. Hierbij is een cruciale rol
weggelegd voor

Dierenartsen

De RVV biedt dierenartsen tal van
mogelijkheden voor een afwisselende baan met
doorgroeimogelijkheden in alle delen van het
land.Het werk van de RVV is essentieel
voor het waarborgen van de voedselveiligheid.
Het neemt nog in belang toe omdat de
consument steeds hogere eisen stelt aan
dierlijk voedsel.

De RVV controleert dagelijks in slachthuizen,
uitsnijderijen en op visafslagen. Verder worden
controles aan de buitengrens van de Europese
Unie uitgevoerd. In Nederland zijn de
Rotterdamse haven, de Amsterdamse haven en
de luchthaven Schiphol de belangrijkste
grensinspectieposten.

Per jaar houdt de RVV toezicht op het slachten
en verwerken van zo\'n 20 miljoen runderen,
kalveren en varkens en zo\'n 500 miljoen stuks
pluimvee en wild. De dienst keurt jaarlijks ruim
5 miljoen dieren die levend geëxporteerd
worden, leder jaar wordt rond de 250 miljoen
kilo vis en visproducten geëxporteerd
waarvoor de RVV de exportcertificaten afgeeft.
Verder houdt de dienst regelmatig toezicht op
vlees- en visverwerkende bedrijven.
Als zich een besmettelijke dierziekte
voordoet neemt en coördineert de RVV als
verantwoordelijke instantie, tal van
maatregelen die de ziekte bestrijden en verdere
verspreiding moeten voorkomen.

Werkzaamheden

• Toezicht houden op de naleving van
voorschriften ten aanzien van hygiëne- en
inrichtingseisen voor bedrijven;

■ Toezicht houden op bedrijfskeuringen;

• Toezicht houden op de naleving van
voorschriften op het gebied van dierenwelzijn;

■ Keuren van levende en geslachte dieren;

■ Keuren van vers vlees en vleesproducten;

• Keuren van vis en visproducten;

■ Verlenen van erkenningen, certificaten,
registraties en vergunningen aan bedrijven,
veewagens en personen;

■ Bestrijden van dierziekten;

■ Uitvoeren van bedrijf sa udits;

De RVV biedt een goed salaris en uitstekende
arbeidsvoorwaarden. Binnen de RVV is zowel
plaats voor doorgroei in de breedte als
specialisatie. Ook is de toewijzing van een
lease-auto mogelijk. Nadere inlichtingen kunt u
inwinnen bij mevr. J.G. Bode-Kasteelen,
tel: 070 3578816,of via
e-mail info(arvv.agro.nl
Indien u dat wenst kunt u een bezoek brengen
aan een dierenarts op zijn standplaats bij u in de
buurt.

Een sollicitatiebrief kunt u sturen naar:

De directeur RVV

Postbus 3000, 2270 JA Voorburg

Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees

Burgemeester Feithplein
12273 BZ Voorburg
tel.: 070-3578811

rvv

-ocr page 387-

EUKANUBA VETERINARY DIETS

Even betrokken bij liet welzijn van dieren als u.

si,

v>

ilaasstenen vormen één van de vele
andoeningen die samenhangen met
FLUTD, Door een hoge urine pH-
,arde kunnen siruvietstenen
ntstaan en bij een lag
pH kunnen oxalaat-
nen ontstaan. Daarom
biedt Eukanuba
finary Diets tvi/ee vclledig

uitgebalanceerde dieetvoedingen: Siruvite
inary Formula en Oxalate Urinary Formula,
twee diëten zorgen voor een natuur-
ike vermindering van de vorming van
diverende struviet- en oxalaatstenen.
preventie van struvietstenen zorgt het
•loge dierlijke eiwitgehalte in de Struvite

Jrinary Formula voor een lagere urine pH.Tevens bevat dit dieet een verlaagd magnesiumgehalte en een aangepast vetgehalte,
ate Urinary Formula leidt tot een verhoging van de urine pH en bevat extra kaliumcitraat en een aangepast vetgehalte ter preventie
van de vorming van oxalaatstenen en -kristallen. Daarnaast verzekert de voortreffelijke smaak van beide diëten de maximale
medewerking van de patiënt. In feite zorgen Eukanuba Veterinarv Diets Urinary Formulas voor de hele kat. Net als u.

%
I

V py

Voor technische informatie over Eukanuba Veterinary Diets kunt u contact opnemen met de importeur Holland Diervoeders BV (030-2479 664). Als u een bestelling wilt plaatsen, kunt u bellen met

Aesculaap BV (0411-677500) of Dierenartsencoöperatie AUV (0485-335533).

-ocr page 388-

YOU\'RE BORN.

YOU SUCK BLOOO. YOU LAY EGGS.

YOU DIE. THE EGGS HATCH.

YOU\'RE BORN. YOU SUCK BLOOD,

YOU LAY EGGS. YOU DIE

THE EGGS HATCH

YOU\'BE BORN. YOU SUCK BLOODl

YOU\'RE COVERED IN

YOU LAY EGGS. YOU

THE EGGS ARE DEAD. THE

Het wordt steeds gevaarlijker om een vlo te zijn! Cyclio® sterili-
seert de vlooieneitjes waardoor huisdieren niet opnieuw met
vlooien besmet kunnen worden. En omdat het een spot-on is,
weet u altijd zeker dat de volledige dosis opgenomen wordt
Cyclio® spot-on.

De vlooienbestrijder van de nieuwe generatie.

CycLio

vlooienbestrijder van de
nieuwe generatie

-ocr page 389-

issn 0040-7453

1 mei
2001

deel
126

aflevering

9

Universiteit Utrecht
Bibliotineek Dierpeneeskunde

7 ME( /.m

Tijdschri
Diergeneesku

Wetenschap

Extra vet in voeding sportpaarden

Actua

Tandheelkundig handinstrumentarium slijpen

Plannen MAFF herziening quarantaineregels
Wie is de gebeten hond?

Deel 2 van de serie over wettelijke aansprakelijkheid
Ingezonden

Niet alle veterinairen hebben zitten slapen
Mond- en klauwzeer en homeopathie
Meldpunt anesthesie-incidenten

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij i^oor
Diergeneeskunde

KNMvD

Lustrum Groep Paard.

\'Permanente educatie; wanneer mogen we weer?\'

-ocr page 390-

"ir.

Geef uw klanten
precies wat ze willen

Moderne gezinnen iciezen voor een effectieve vlooienbestrij-
ding, maar daarvoor willen ze liever geen topicale pesticiden
gebruiken. PROGRAM® voldoet aan beide eisen.
Specialisten adviseren PROGRAM voor geïntegreerde vlooien-
bestrijding (IFC), omdat PROGRAM een volle maand
ononderbroken bescherming biedt. Onderzoek toont aan
dat PROGRAM 100% effectief is in bestrijding van vlooien-
plagen. In tegenstelling tot topicale pesticiden, wordt
PROGRAM oraal gegeven, zodat er geen residuen op het
dier of in huis worden achtergelaten. Voor krachtige en per-
manente vlooienbestrijding zonder routinematig gebruik
van topicale pesticiden adviseert u PROGRAM.

Maakt vlooien het leven onmogelijk.

) Novartis Consumer Health B.V., Animal Health Sector, Korte Hei I-,?, 4714 RD .Sprundel. Bevat lufenuron. Reg. NL. 8270, 8276, 8278, 8279.
) Geregistreerd handelsmerk van Novartis Ltd., Bazel, Zwitserland.

-ocr page 391-

Tij dsc

Diergeneesk

Inhoud

lOURNAL OF THE ROYAL NETHERLANDS VETERINARY ASSOCIATION

Deel 126
Aflevering 9
1 Mei 2001

Uit de Hoofdredactie

Overzichtsartikelen

Extra vet in de voeding van sportpaarden... een voordeel? S.N.J. Ceelen, M.M. Sloet van Oldruitenborgh-
Oosterbaan en A.C. Beynen

Referaten

Uit en voor de praktijk

Het slijpen van het tandheelkundige handinstrumentarium.J. Nijhuis en A. W. van Foreest
Berichten en verslagen

Reizen met huisdieren. MAFF kondigt plannen aan om quarantaineregels te herzien
Behandeling klacht advertentie lactatie-injector
Studenten Van Hall beoordelen websites
Veterinair Historisch Genootschap

Mond- en klauwzeer treft ook Paleis Het Loo en de Stichting Zeldzame Huisdierrassen
Wie is de gebeten hond? Wettelijke aansprakelijkheid bij schade door dieren. /.
Boissevain

Congressen en Cursussen

Feline symposium afgelast

Ingezonden

Niet alle veterinairen hebben zitten slapen. R. Strikwerda

Homeopatische dierenarts maakt misbruik van mond- en klauwzeercrisis.J.T Lumeij
Enortne opwinding. E.L Ellinger

MKZ-uitbraak afremmen middels hotneopathie tc weinig onderbouwd. V. Baumans
Advertentie Palfium« = Palface» LJ. Hellebrekers en C.H.P. Pellicaan
Meldpunt anesthesie-incidenten. D. Kranendonk

Studentenreferaten

309

310

315
317

Wetenschab

Actu

326
328
328

328

329

329

330

330

330

331
331

331

332

332

Streptococcen?

Suramox® 5% Premix

Alleen Suramox 5% Premix combineert de effectiviteit van (gecoate)
amoxicilline met de zekerheid van een premix. Maakt daardoor .

een effectieve koppelbehandeling tegen Streptococcus suis mogelijk. i

De effectiviteit van amoxicilline,
de zekerheid van een premix!

Virbac Nederland bv Postbus 313, 3770 AH Barneveld

Telefoon (0342) 427 127 Fax (0342) 490 164

yirbac

. viw

-ocr page 392-

Hoofdredactie

Dr. W. Edel (voorzitter)

Dr. E.A. ter Laak (penningmeester)

Drs. H.A, Beijer

Dr. M.F. de Jong

Dr. Tj. Jorna

Dr. R. Kuiper

Dr. P.A.M. Overgaauw

Drs. J.T. Siebinga

Dr. R.J. Slappendel

Dr. J.H. Vos

Wetenschappelijke redactie

Prof. dr. A. Bameveld (Utrecht)

Dr. A.E.J.M. van den Bogaard Jr. (Maastricht)

Dr. F.H.M. Borgsteede (Lelystad)

Prof. dr. H.J. Breukink (Utrecht)

Prof. dr. P De Backer (Gent, België)

Dr. J. Goudswaard (Middelburg)

Prof. dr. L.J. Heilebrekers (Utrecht)

Dr. Th.S.G.A.M. van den Ingh (Utrecht)

Prof dr. A.Th. van \'t Klooster (Utrecht)

Prof dr. F. van Knapen (Utrecht)

Prof dr. A. de Kruif (Gent, België)

\'Dr. J.T. Lumeij (Utrecht)

Prof dr. A.S.J.PA.M. van Miert (Utrecht)

Prof dr. J.RT.M. Noordhuizen (Utrecht)

Prof dr. J.Th. van Oirschot (Lelystad)

Prof dr. J. de Schepper (Gent, België)

Dr. J.M.A. Snijders (Utrecht)

;Dr.E. Teske (Utrecht)

Mw. dr. A.J. Venker-van Haagen (Utrecht)

\'Prof dr. J.H.M. Verheijden (Utrecht)

Dr. G. Voorhout (Utrecht)

Dr. Th. Wensing (Utrecht)

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor
Diergeneeskunde

julianalaan 8-10
Utrecht
Postbus 14031
3508 SB Utrecht
Telefoon (030)2510111
Fax (o3o)25ny8y

Hoofdbestuur

Drs. T. de Ruijter. voorzitter

Drs. S.R. Heslinga, vice-voorzitter

Drs. J. Borgmeier, lid

Mw. drs. E.N.M. Harwig-Dings, lid

Drs. G. Huijser van Reenen, penningmeester

Drs. J. Togtema, lid

Mw. drs. W.J. Wijne- Raemakers. lid

Secretariaat

Dr. Tj. Jorna, algemeen secretaris

Manager Interne zaken

Mw. E. Cuhfus

Stafmedewerkers

Mw. drs. S.A.M. Deleu

Mw. drs. M.C. van Oostrum-Schuurman Hess

Drs. J.L.M. Vaarten

Administrateur

H.S. de Vries

Vacaturebank

R.P. van Ringelestijn

Webmaster

Mw. drs. C.M. van Kalles

Bureauredactie

Mw. A.M. Tummers
Mw. S.U. Umans-Ubbink

\\

KNMv

Bureau

Julianalaan 8-10. Postbus 14031, 3508 SB Utrechl
Tel. 030- 25 10 11 1/fax 030-25 19 847.
E-mail: tijdschriftf^knmvd.nl.

jAbonnementsprljs

|Het Tijdschrift voor Diergeneesiiunde is het ver
enigingstijdschrift van de Koninklijke Neder
landse Maatschappij voor Diergeneeskunde.
|De abonnementsprijs voor dierenartsen niet-lede
jvan de Koninklijke Nederlandse Maatschappij
Ivoor Diergeneeskunde en voor niet-diBHH
Iwordt vastgesteld door het Hoofdbestuur.

In Memoriam

Mevrouw J. Janknegt

A.J. van den Belt, P. Groenestein, A. Hoogendoom en P. Mandigers
Maatschappijnieuws

Lustrumcongres Groep Geneeskunde van liet Paard. \'Permanente educatie;
wanneer
iTiogen we weer\'.\'\'

Personalia

Doorlopende agenda

334

335

336
336

Contents

Postgiro/bank

Postbank 511606 ten name van de KNMvD,
Julianalaan 8-10. Utrecht. ABN/AMRO N.V,
Postbus 30, 3500 AA Utrecht, nr. 55 50 48 861 el
C en E bank N.V, Postbus 85100, 3508 AC
Utrecht, nr 69 93 61 443.

Review papers

Suppleinental fat in the diet of horses - is it advantageous?

S.N.J. Ceelen, M.M. Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan, and A.C. Beynen

310

Druk

Drukkerij G. van Dijk B.V, Breukelen (tel. OMfr
261304, fax 0346-264565).

Advertenties

Commerciële advertenties: Bureau Weijer B.V,
Veendam (tel. 0598-623065. fax 0598-613827).
Personeelsadvertenties: bureauredactie.

AM rights reserved

\\erklaring:

Richtlijnen voor auteurs (Vancouver Style) zijn op aanvraag verkrijgbaar (zie ook Tijdschr Diergeneeskd 1992; 117:31-
4). De Redactie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade welke - direct of indirect - het gevolg mocht zijn van ge-
bleken onjuistheden in de inhoud van de in dit tijdschrifi opgenomen artikelen waarbij de auteur is vermeld of in de in-
houd van de in dit tijdschrift geplaatste advertenties. Advertenties kunnen zonder opgaaf van redenen door de Redactie
worden geweigerd of ingetrokken. Niets uit dit tijdschrift mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door
middel van druk. microfilm of op welke andere wijze ook. zonder schriftelijke toestemming van de Redactie.

(Papers appearing in this journal are listed in Current Contents /Agricultural Biology and Environmental Science /
Index-Medicus. Index Veterinarius / Veterinary Bulletin. Biological Abstracts. Cambridge Scientific Abstracts).

-ocr page 393-

Dierenartsen naar Den Haag

de

Hoofdredactie

Aan de geschiedenis van de KNMvD mag sinds dinsdag 17 april
2001 een nieuw wapenfeit worden toegevoegd. De Nederlandse
dierenartsen hebben in Den Haag gedemonstreerd tegen het
Europese non-vaccinatiebeleid. Een waardig gezelschap van
circa 300 dierenartsen - in witte jassen - hield een stille tocht
van het Malieveld naar het Plein, waar voorzitter T. de Ruijter
een petitie aanbood aan minister mr. LJ. Brinkhorst van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV).
De verscheidenheid aan deelnemende dierenartsen - jong en
oud en in zeer verschillende vakgebieden werkzaam - was hart-
verwarmend, de steunbetuiging door het grote aantal indruk-
wekkend.

In de petitie werden drie aspecten van het Eurpese non-vaccina-
tiebeleid aan de orde gesteld die ingrijpende gevolgen hebben
voor de dierenarts: de bestrijdingsstrategie van mond- en
klauwzeer (MKZ), het hiermee samenhangende euthanasiebe-
leid en de sociaal-economische situatie van dierenartsen in de
getroffen gebieden, voor wie de gevolgen extra aangrijpend zijn.
Alhoewel de KNMvD de minister steunt in zijn huidige aanpak,
heeft zij toch een krachtig signaal willen afgeven met betrekking
tol het non-vaccinatiebeleid. Dit moet ten snelste op Europees
niveau worden herovern\'ogen. Deze mening zijn ook de World
Veterinary Association (WVA) en de Federation of Veterinarians
of Europe (FVE) toegedaan. Ten aanzien van het euthanasiebe-
leid heeft de KNMvD al eerder een collectief standpunt ingeno-
men dat op deze manier nog eens indringend onder de aandacht
is gebracht. Het komt er kortweg op neer dat de dierenarts aan
het massaal doden van dieren in het kader van de bestrijding
van een ziekte zoals MKZ de volgende voorwaarden stelt: alter-
natieven ontbreken, er wordt hij varkens een fokverbod inge-
steld en de dracht (korter dan 40 dagen) wordt bij zeugen onder-
broken. Het is triest om te moeten vaststellen dat de dierenarts
thans weer wordt gevraagd, grote aantallen dieren te euthana-
seren zonder dat aan deze voorwaarden is voldaan. Het welzijn
van deze dieren is intussen zodanig in het geding dat de dieren-
arts voor een geweldig dilemma komt te staan. De KNMvD wil
de overheid, de politiek en het bedrijfsleven nadrukkelijk wijzen
op hun verantwoordelijkheid in dezen, met name voor het vin-
den van alternatieven voor massale euthanasie om de proble-
matiek te verlichten.

Tenslotte is aandacht gevraagd voor de dierenartsen in het ge-
troffen gebied, die in grote psychische en economische proble-
men zijn gekomen, doordat het grootste gedeelte van het vee in
hun praktijk is geruimd.

De minister heeft in zijn antwoord begrip getoond voor de di-
lemma \'s waarin de dierenarts verzeild raakt door het non-vacci-
natiebeleid. Hij heeft nogmaals plechtig beloofd voort te zullen
maken met het op gang brengen van de discussie hierover
Daarnaast heeft hij aangegeven wat naar zijn mening de verant-
woordelijkheid is van de overheid, en welke problemen het land-
bouwbedrijfsleven zelf zal moeten oplossen. Als het aan hem ligt
komt er dan ook geen opkoopregeling buiten de ingesloten ge-
bieden.

Tot slot heeft Brinkhorst de belofte gedaan dat er steun zal wor-
den gegeven aan dierenartsen die extra hard zijn getroffen door
deze uitbraak van MKZ, door ze te betrekken in een sociaal plan.
Een bezoek van de voorzitter van de KNMvD en de algemeen se-
cretaris aan de dierenartsenpraktijken in het getroffen gebied
heeft het nodige aan informatie opgeleverd, om de noden te kun-
nen aangeven.

Zoals u wellicht heeft gemerkt, zijn de Voorjaarsdagen - na am-
pel beraad - doorgegaan. Er is veel discussie gen\'eest over de
veterinaire en morele aspecten van deze beslissing. Overheid en
onderzoeksinstituten is gevraagd hierover advies uit te brengen.
Zelfs de eventuele beschadiging van het imago van de beroeps-
groep - los van genoemde veterinaire en morele aspecten - is
meegewogen. Uiteindelijk is een zuivere afweging gemaakt,
waarin financiële argumenten zeker niet de doorslag hebben
gegeven.

ln dit Tijdschrift vindt u ook een actuele discussie over het ge-
bruik van homeopathie in de bestrijding van MKZ. De mening
van de Groep Homeopathisch Werkende Dierenartsen in dezen
is duidelijk: MKZ is te ernstig om \'niet-onderbouwde veldexpe-
rimenten \'toe te passen.

Hopelijk is ons met betrekking tot MKZ binnenkort rust en
waakzaamheid gegund. Ondergetekende gaat straks naar Buda-
pest naar de FVE-vergadering om de Europese veterinaire in-
zichten te bespreken. Het non-vaccinatiebeleid staat alvast ze-
ker op de agenda.

Dr Tj. Jorna.

Tijdschrift
Diergeneeskunde

-ocr page 394-

Overzichtsartikelen

Samenvatting

Het verhogen van het vetniveau van het rantsoen van
paarden is een voedingsadvies dat om diverse redenen al
jaren in de belangstelling staat. Door vettoevoeging kan
de energiedichtheid van een rantsoen worden verhoogd,
waardoor minder voer behoeft te worden opgenomen om
toch in de energiebehoefte te voorzien. Ook zou onder in-
vloed van een vetrijk rantsoen het aandeel van vet in de
energievoorziening toenemen waardoor glycogeen ge-
spaard blijft. Hierdoor zou er tijdens inspanning meer
glycogeen beschikbaar zijn voor verbranding. Dit lijkt
zowel voor aërobe als voor anaërobe arbeid gunstig.
Vetten worden efficiënt verteerd door het paard. Plant-
aardige oliën blijken over het algemeen smakelijker ge-
vonden te worden dan dierlijke vetten, maar de accepta-
tie van een vetrijk rantsoen vormt soms een probleem.

Summary

Supplemental fat in the diet of horses - is it advantageous?

Feeding fat-supplemenled diets to horses has drawn considerable interest.
One of the advantages of such diets is that the energy density is increased,
so that less feed is needed to meet energy requirements. In addition, adding
Jat to the diet enhances the contribution of fat oxidation to energy produc-
tion, thus sparing muscle glycogen. The \'spared\' glycogen is available for
energy metabolism when the acutely exercising horse reaches a point of
oxygen deficit and must rely on anaerobic metabolism. This appears to be
benefical for both aerobic and anaerobic performance. Fats are readilv
digested by the horse. Vegetable oils are more palatable to horses than ani-
mal fats. but the palatability of fat-rich diets may decrease in the long term.

Inleiding

Sinds het paard is gedomesticeerd en in diverse takken van
sport wordt gebruikt, is in haar voeding veel veranderd. De
laatste jaren staat de voeding voor paarden, zeker voor
(top)sportpaarden, extra in de belangstelling. Optimale
prestaties zijn immers gebaseerd op een combinatie van erfe-
lijke aanleg, gezondheid, training én voeding. Het primaire
doel van voeding is om een dier te voorzien in zijn energie-
en nutriëntenbehoeften. Daarnaast kan de samenstelling van
de voeding ook op meer directe wijze het prestatieniveau van
het dier beïnvloeden (9).

Discipline Inwendige Ziekten en
^ Afdeling Voeding. Hoofdafdeling Gezondheidszorg Paard. Faculteit der Dierge-
neeskunde, Utrecht.

Correspondentie-adres: Suzanne NJ Geelen, Hoofdafdeling Gezondheidszorg

Paard. Discipline Inwendige Ziekten, Yaielaan 16, 3584 CM Utrecht. Tel.: 030-

2531234, Fax: 030-2531817, E-mail: suzannegeelen(^hotmail.com

Het doel van dit overzicht is om de achtergronden van het
voeren van extra vet aan paarden te bespreken. Als basis wor-
den eerst de energievoorziening tijdens arbeid en de vetstof-
wisseling beschreven. Daarna zal een overzicht worden ge-
geven van de metabole veranderingen onder invloed van
training en de metabole veranderingen onder invloed van
voeding. Het overzicht geeft aan dat training en extra vetop-
name tot een vergelijkbare metabole adaptatie zouden kun-
nen leiden.

Energievoorziening tijdens arbeid

Substraten

De primaire substraten voor adenosine-tri-fosfaat-productie
(ATP) zijn koolhydraten en vetten, terwijl eiwitten normaliter
een veel geringer aandeel hebben (17, 26). De substraatkeuze
voor energieproductie in de spier is afhankelijk van meerdere
factoren. Naast de intensiteit van de arbeid en de arbeidsduur
speelt ook de getraindheid van het paard een rol (7).
Met behulp van dc respiratiecoëfficiënt (RC) kan het aandeel
van vet dan wel het aandeel van koolhydraten aan de energie-
voorziening vastgesteld worden onder de aanname dat er geen
eiwitafbraak plaatsvindt. De RC kan worden vastgesteld door
dc CO2 en O2 concentraties in de inspiratie- enexpiratielucht te
meten en vervolgens de hoeveelheid geproduceerde CO2 te de-
len door de hoeveelheid verbruikte O2 (27). De RC voor vet-
oxidatie is 0.7 en de RC voor koolhydraatoxidatie is 1. Een RC
groter dan I duidt op anaërobe verbranding.
Naarmate de arbeidsduur toeneemt, neemt het vetzuurver-
bruik toe, terwijl het percentage koolhydraatoxidatie afneemt.
Wanneer de intensiteit van arbeid toeneemt en de zuurstof-
voorziening afneemt is er een verschuiving naar het glycolyti-
sche katabolisme van koolhydraten en kan de RC groter dan 1
worden (9,12, 17).

Aërobe en anaërobe verbranding

Ondanks het feit dat paarden in zeer uiteenlopende discipli-
nes worden gebruikt is inspanning metabool gezien slechts
in twee typen in te delen (30): arbeid die kan worden verricht
door alleen de aërobe verbranding aan te spreken en arbeid
die ook anaërobe verbranding nodig heeft. Afhankelijk van
het type inspanning dat van het dier wordt gevraagd zal de
ene keer de aërobe en de andere keer de anaërobe verbran-
ding meer of minder aangesproken worden. Bij de aërobe
verbranding wordt de ATP geleverd door oxidatie van kool-
hydraten en vetten (Krebs-cyclus). Bij anaërobe verbranding
wordt de energie geleverd door de afbraak van koolhydraten
zonder gebruik van zuurstof (glycolyse). Een ander meta-
bool pad waarover de spiercel beschikt om anaëroob energie
in de vorm van ATP te genereren is de creatine-kinase-reac-
tie:

Tijdschr Diergeneeskd 2ooi; 126; 310-6

Extra vet in de voeding van sportpaarden....
een voordeel?

Suzanne N.J. Geeleni*, Marianne M. Sloet van Oldruitenborgh- Oosterbaan^
en Anton C. Beynen^

-ocr page 395-

Adenosine-di-fosfaat (ADP) creatine-fosfaat (CP) ATP
creatine (C).

Deze energiebron is direct beschiicbaar, maar ook zéér snel
uitgeput. Aërobe verbranding is een zeer efficiënte manier
van ATP-vorming. De hierbij geleverde arbeid kan slechts
matig intensief zijn, maar wel gedurende lange tijd worden
volgehouden. Door ook de anaërobe verbranding in te scha-
kelen kan zeer zware arbeid geleverd worden, maar deze kan
slechts kort worden volgehouden. Daarbij is anaërobe ver-
branding geen efficiënte manier van ATP-vorming. Bij aë-
robe verbranding komt 12-18 maal zoveel ATP vrij per glu-
cose-eenheid dan bij anaërobe verbranding (30).
De eerste energiebron voor de werkende spier is het spiergly-
cogeen, maar hiervan is slechts een beperkte voorraad in de
spier aanwezig. Daarom wordt snel overgeschakeld op door
het bloed aangevoerd glucose en bij intensieve arbeid stijgt
de bloedglucosespiegel ter ondersteuning van de glucosever-
branding in de spier (27).

Glucose kan zowel aëroob als anaëroob worden verbrand (fi-
guur 1), waarbij de aërobe verbranding energetisch voorde-
lig is maar veel langzamer verloopt dan de anaërobe verbran-
ding. De voor de spier benodigde glucose is uit de lever
afkomstig en de bloedglucosespiegel blijft op peil dankzij de
glycogenolyse in de lever. Pas na enkele uren submaximale
arbeid raakt de levervoorraad glycogeen uitgeput en zal de
bloedglucosespiegel gaan dalen (29).

Vetten vormen de belangrijkste energiebron in het lichaam.
De totale lichaamsenergie opgeslagen in vetten is 30-60 x
meer dan die opgeslagen in koolhydraten (26, 28). Vetten
kunnen echter alleen aëroob worden verbrand. De voor ver-
branding in de spier beschikbare vetten zijn de in het bloed
circulerende vrije vetzuren (Free Fatty Acids, FFA), circule-
rende triacyl-glycerolen (TAG) in de vorm van chylomicro-
nen en very low density lipoproteinen (VLDL\'s) en in de spier
opgeslagen triglyceriden (26). Vrije vetzuren komen vrij van-
uit het vetweefsel en worden in het bloed vervoerd gebonden
aan albuniine. Tijdens duurarbeid stijgt de concentratie FFA
in het bloed aanzienlijk en is op die manier beschikbaar voor
verbranding in de spieren. Circulerende triglyceriden zijn
eerder door de darm uit het voedsel opgenomen of in dc lever
gesynthetiseerd. De opname van circulerende triglyceriden in
spier en vetweefsel wordt gereguleerd door het enzym lipo-
proteïnelipase (LPL). Afhankelijk van rust of arbeid en van
vasten of eten is het endotheel-gebonden LPL actiever in het
vetweefsel ofin het spierweefsel (26).
Eiwitten leveren normaliter een geringe bijdrage aan de
energievoorziening tijdens arbeid en de verbranding is ener-
getisch gezien niet voordelig, omdat het energie kost om het
afvalproduct ureum te synthetiseren (7, 18). Eiwitten wor-
den om die reden hier niet verder besproken.

Energieverbruik tijdens arbeid

Theoretisch kan het energiegebruik in een contraherende
spier tijdens arbeid als volgt beschreven worden (3,27,30):

* de hoeveelheid ATP en CP in de spiercel is gering; binnen
één minuut zou gehele hoeveelheid verbruikt zijn;

* bij het begin van de arbeid wordt een combinatie van vet en
koolhydraatbronnen geoxideerd om in de verhoogde vraag
naar ATP te voorzien;

* de anaërobe stofwisseling dient als \'buffer\', omdat de aë-
robe stofwisseling, onafhankelijk van de hoeveelheid zuur-
stof, altijd achterloopt bij de vraag naar ATP (figuur 2).

Het aandeel van de anaërobe stofwisseling zal afhangen van
de intensiteit waarmee de arbeid start, maar ook van de snel-
heid waarmee de aërobe stofwisseling zich kan aanpassen.
Dit laatste is door training en door dieetaanpassingen te
beïnvloeden (3, 30).

Vetstofwisseling

Vetten in de voeding

Aan het paard kunnen verschillende voedingsvetten worden
gegeven, maar deze verschillen in sinakelijkheid (28). Paarden
vinden dierlijke vetten over het algemeen niet erg smakelijk.
Uit een onderzoek met tien verschillende voedingsvetten bleek
een voorkeur voor maïsolie te bestaan (2). Andere plantaardige
oliën worden ook goed geaccepteerd met uitzondering van ko-
kosolie (28). De smakelijkheid kan een probleem worden in-
dien vet langdurig en in grote hoeveelheden gevoerd wordt (8).
Vetten moeten geleidelijk in het rantsoen geïntroduceerd wor-
den en moeten verdeeld over meerdere porties per dag gegeven
worden. Vetten kunnen zowel in de vorm van olie over het ruw-
voer, als verwerkt in een brok aangeboden worden. Op dit mo-
ment krijgen sportpaarden vaak vetrijke rantsoenen met vetge-
halten tot 130 g/kg droge stof (21).

1 2
tijdsduur (minuten)

glucose

glucose
t

anaëroob ^

t

lactaat

lactaat

pyruvaat

acetyl-CoA

aëroob <

C^^^bscyclu^

. CO2 H2O

n spier ^

Figuur 2. Schematische weergave van de verschillende metabole paden gedurende
de eerste minuten van \'arbeid\' {3).

Figuun. Het aërobe en anaërobe metabolisme en de vorming van pyruvaat en lac-
taat in spier en lever (4).

-ocr page 396-

Indien er veel onverzadigde vetten aan het rantsoen worden
toegevoegd stijgt de vitamine E-behoefte. In dat geval wordt
geadviseerd om de vitamine E-behoefte te verdubbelen tot 2
mg/kg LG per dag (32).

Een nadeel van voer met een hoog vetgehalte is de beperkte
houdbaarheid omdat onverzadigde vetzuren snel oxideren.
Om die reden kunnen anti-oxidantia aan het voer worden
toegevoegd, maar indien deze verbruikt zijn zullen de onver-
zadigde vetzuren alsnog oxideren (28).

Opname en transport van vetten

Voedingsvetten worden getransporteerd door het lichaam
door lipoproteïnen (25). De lipoproteïnen worden geclassifi-
ceerd naar dichtheid: chylomicronen, very-low-density-li-
poproteïnen (VLDL\'s), low-density-lipoproteïnen (LDL\'s)
en high-density-lipoproteïnen (HDL\'s). Albumine kan vet-
zuren aan zich binden en vervoeren. In de energievoorzie-
ning zijn VLDL\'s en vrije vetzuren belangrijk.

De opname van vet uit de voeding verloopt als volgt (1, 22).
Voedingsvetten komen in de dunne darm als triglyceriden.
Pancreaslipase maakt van ieder triglyceride twee vetzuren
los en er blijft dan een monoglyceride over. Deze stoffen en
galzuren vormen micellen waardoor de vetten wateroplos-
baar worden gemaakt. Na opname van de micellen door de
darmcellen vormen zich in de enterocyt weer triglyceriden
die zich binden aan eiwitten en fosfolipiden en op die manier
chylomicronen vormen. De op deze wijze gevormde chyl-
omicronen gaan via de celwand naar de lymfe en komen via
de ductus thoracicus in de normale bloedsomloop terecht.
Kortketen-vetzuren worden direct door de darmepitheelcel-
len opgenotnen en vervolgens via de portale circulatie naar
de lever vervoerd. Door tussenkomst van LPL leveren de
chylomicronen hun vetzuren aan het vetweefsel. Door ener-
gietekort bij inspanning of vasten komen de vetzuren vrij en
gaan naar de spier of lever.

De primaire rol van de lever is om deze vetzuren in triglyce-
riden te veresteren en te verpakken in VLDL\'s die hun vet-
zuren afleveren aan weefsel met een hoge LPL-activiteit.
LPL is gebonden aan het endotheel, maar koint in de circu-
latie na intraveneuze toediening van heparine (48). Dit is
van belang om de LPL-activiteit tijdens onderzoek te kun-
nen meten.

Vet en benutting van ruwe celstof

Tot een niveau van 20-25% in de droge stof van het totale
rantsoen worden vetten efficiënt door het paard verteerd
inet een schijnbare verteerbaarheid van 70-90% (18).
Studies naar effecten van vetten op de schijnbare verteer-
baarheid van ruwe celstof bij paarden leveren tegenstrijdige
resultaten op. Verschillende onderzoekers meldden dat de
toevoeging van vet aan het rantsoen geen invloed had op de
verteerbaarheid van ruwe celstof (47). Anderen meldden
een toename van de schijnbare verteerbaarheid van ruwe
celstof (20,40). Echter in deze proeven was vet niet de enige
variabele. Recent is het effect van vetten in plaats van een
iso-energetische hoeveelheid niet-structurele koolhydraten
op de ruwe celstofbenutting bij paarden bestudeerd. Een
vetrijk rantsoen verminderde de schijnbare verteerbaarheid
van ruwe celstof significant (21). Er werd gesuggereerd dat
bij een vetrijk rantsoen meer vetzuren de blinde darm berei-
ken en daar de fermentatie door cellulytische bacteriën rem-
men.

Energiebehoefte en vetten

Arbeid heeft een belangrijke invloed op de nutriëntenbehoef-
ten van een paard. Als rekenvoorbeeld beschouwen we een
volwassen paard van 600 kg (46): voor onderhoud is 4730
Voeder Eenheid Paard (VEP) nodig en wanneer dit paard 1,5
uur per dag zeer intensief gereden wordt, is per dag 11.700
VEP nodig, VEP-getallen zijn niet meer dan een richtlijn,
want de energiebehoeften van individuele paarden kunnen
sterk variëren (13).

Bij de beoordeling van de energievoorziening van een paard
zijn er twee punten waar ondermeer rekening mee gehouden
moet worden. Enerzijds kan een paard per dag slechts 2 tot
2\'/2 % van zijn lichaamsgewicht aan droge stof opnemen
(46). Voor een 600 kg paard is dit dus 12-15 kg. Anderzijds
dient het rantsoen een minimale hoeveelheid ruwe celstof te
bevatten om een optimale vertering in colon en coecum te
waarborgen. Voor ruwe celstof is er echter geen officiële
voedernorm, Meyer (32) geeft aan dat een rantsoen uit mini-
maal 0,5 kg ruwvoer/100 kg lichaamsgewicht (LG) moet be-
staan, Lewis (28) adviseert 1-1,5 kg ruwvoer/100 kg LG,
Ruwvoer bevat per kg droge stof relatief weinig energie,
Daarpm zal een paard dat arbeid verricht uit ruwvoer alleen
onvoldoende energie kunnen opnemen.
Paarden die zware arbeid verrichten zullen dus relatief grote
hoeveelheden krachtvoer op moeten nemen. Niet ieder paard
zal echter veel krachtvoer willen opnemen en daarom is bij
paarden in zware training de voeropname nog wel eens een
probleem. Bij deze dieren kan de opname van energie achter-
blijven bij de behoefte. Vervanging van een (te) groot deel
van het ruwvoer door koolhydraat-rijk krachtvoer geeft een
verhoogd risico op digestiestoornissen en hoefbevangenheid
(15). In plaats van niet-structurele koolhydraten kunnen ech-
ter ook vetten worden gebruikt om de energiedichtheid van
een rantsoen te verhogen. Vetten bevatten per gewichtseen-
heid 2,5 keer zoveel energie als koolhydraten (39). Het paard
hoeft dan minder extra voer op te nemen om toch in zijn ver-
hoogde energiebehoefte te kunnen voorzien (20), Een reken-
voorbeeld: voor elke 100 g sojaolie (2600 VEP/kg) kan 300
g krachtvoer (850 VEP/kg) minder worden gevoerd zodat
200 g droge stof minder hoeft te worden opgenomen. Een
verminderde totale voeropname zal het gewicht van de
darminhoud verlagen hetgeen als gunstig wordt beschouwd
bij bepaalde takken van paardensport.
Daarnaast vergroot dc toevoeging van vetten aan het rant-
soen de hoeveelheid beschikbare energie (28), omdat ver-
vanging van koolhydraten door vetten tot een verminderde
fermentatie in coecum en colon leidt waardoor het energie-
verlies in de vorm van warmte afneemt (39, 42), Er wordt
dus gesteld dat een vetrijk rantsoen de bruto-energiebe-
hoefte verlaagt omdat paarden het vet efficiënt gebruiken.
Potter
el al. (39) geven aan dat bij het voeren van een vetrijk
rantsoen, afhankelijk van de lichaamsconditie van het paard
en de omgevingstemperatuur, in het totale rantsoen volstaan
kan worden met
5-25% minder bruto-energie.

Metabole veranderingen onder invloed

van training_

Bij paarden blijken onder invloed van training behalve aan-
passingen in het cardiovasculaire systeem en het respiratoire
systeem ook \'metabole\' veranderingen plaats te vinden (9,

-ocr page 397-

26). Een gunstig effect van training is dat het aandeel van vet
in de energievoorziening toeneemt, waardoor glycogeen ge-
spaard blijft en vermoeidheid uitgesteld wordt (9, 31).
De etiologie achter \'vermoeidheid\' tijdens zware arbeid is
zeer complex en wordt geassocieerd met hoge concentraties
lactaat in bloed en spierweefsel. Er wordt echter ook gesug-
gereerd dat een laag glycogeengehalte in de spieren een be-
langrijke rol speelt (5). Ook worden een laag bloedglucose,
een metabole acidose en NH3 accumulatie wel als factoren
genoemd (17). Getrainde dieren hebben tijdens duurinspan-
ning lagere concentraties lactaat in hun bloed, enerzijds om-
dat er minder geproduceerd wordt en anderzijds omdat het
lactaat mogelijk sneller wordt afgevoerd dan bij ongetrainde
paarden (44). Topliff
et al. (45) en Hambleton (14) beschrij-
ven een hogere concentratie spierglycogeen bij getrainde
paarden dan bij ongetrainde paarden.

Een groter aandeel van vet in de energievoorziening komt tot
uiting in een lagere RC. Bij getrainde paarden in vergelijking
met ongetrainde paarden, worden gedurende submaximale ar-
beid lagere RC-waarden gemeten (9,31). Bij zeer hoge snelhe-
den zal er geen verschil meer gemeten worden in de RC-
waarden tussen getrainde en ongetrainde paarden omdat beide
dan \'geheel\' zullen overschakelen op de glycolyse (9,31). Het
mechanisme dat verantwoordelijk is voor de verschuiving door
training van koolhydraatverbranding naar vetverbranding tij-
dens duurinspanning is nog niet opgehelderd. Het zou toege-
schreven kunnen worden aan bepaalde aanpassingen op celni-
veau (19,26):

* training lijkt zowel de mobilisatie, het transport, als de oxi-
datie van vetzuren te beïnvloeden; bij getrainde paarden is
tijdens inspanning een hogere mobilisatie van vetzuren in
vergelijking met ongetrainde paarden aangetoond (30);

* ook de opname van vetzuren (vrijgemaakt uit triglyceriden)
door de spier wordt gestimuleerd; Hodgson
etal.(\\9) toon-
den aan dat de activiteit van het enzym lipoproteïnelipase,
dat lipoprotcïne geassocieerde plasma-triglyceriden hydro-
lyseert, stijgt als reactie op training bij paarden;

* onder invloed van training neemt de oxidatieve capaciteit
van spieren toe wat onder andere tot uiting komt in een ver-
hoogde activiteit van een sleutelenzym van de Krebs-cy-
clus, het citraatsynthase (19);

* ook de activiteit van 3-Hydroxy-acyl-CoA dehydrogenase,
een enzym verantwoordelijk voor de afbraak van vetzu-
ren en het beschikbaar maken van vetten voor de Krebs-
cyclus, neemt toe (19,43).

Metabole veranderingen onder invloed

van voeding

Naast de voeding hebben vele factoren, zoals lichaamscondi-
tie, erfelijke capaciteiten, gezondheid en kwaliteiten van de
ruiter invloed op de prestatie van een paard. Het is daarom
vrijwel onmogelijk om de invloed van een rantsoenwijziging
op prestatie te meten. De ideale proef zou uitgevoerd moeten
worden met grote groepen paarden van vergelijkbaar trai-
ningsniveau onder exact dezelfde omstandigheden. Dit is
practisch nauwelijks uitvoerbaar. Op grond van waargeno-
men voedingseffecten op het spiermetabolisme zou een in-
schatting gemaakt kunnen worden van de invloed van voe-
ding op de prestatie. Daarom zijn de effecten van vet-
suppletie op de volgende \'metabole\' parameters uitgebreid
onderzocht:

* spierglycogeenconcentratie;

* het verbruik van glycogeen tijdens inspanning en;

* plasma- ofbloed-lactaatconcentratie.

In een groot aantal studies veroorzaakte een vetrijk rantsoen,
met vetgehalten variërend van 8 tot 13 % ruw vet in de droge
stof (DS), een verhoging van het spierglycogeen bij paarden (6,
16, 20, 23, 24 35, 41). Als verklaring voor deze bevinding
wordt aangegeven dat het voeren van vet als resultaat heeft dat
er in rust meer gebruik zal worden gemaakt van vetzuurver-
branding zodat glycogeen gespaard zal worden. Hierdoor is er
tijdens inspanning meer glycogeen beschikbaar voor verbran-
ding en dit zou zowel voor aërobe (6) als voor anaërobe arbeid
(16) gunstig kunnen zijn. Harkins
etal.(\\6) vonden dat vetsup-
pletie aan paarden de racetijd verbeterde en Eaton
et al. (6) be-
schreef een veriengde tijd tot \'uitputting\' bij deze paarden. In
andere studies met vet gesupplementeerde paarden zijn ver-
laagde plasma lactaatconcentraties gedurende duurinspanning
gevonden (11,33). Echter, gedurende sprintinspanning zijn ho-
gere plasma-lactaatconcentraties waargenomen bij paarden op
een vetrijk rantsoen (23,35,41).

Adaptatie aan vet lijkt de metabole regulering van de glycolyse
te beïnvloeden door het sparen van glucose en glycogeen gedu-
rende aërobe arbeid en door het bevorderen van de glycolyse
tijdens anaërobe arbeid. Analoog aan training neemt het aan-
deel van vet aan de energievoorziening tijdens arbeid toe op
een vetrijk rantsoen. Door toevoegen van vet wordt de RC ver-
laagd gedurende submaximale arbeid (9, 37). Paarden die ge-
durende 75 minuten snel draafden hadden een verlaging van de
RC als de arbeid langer werd, hetgeen weergeeft dat er een ver-
schuiving naar een groter vetgebruik ontstond (17). Deze ver-
schuiving trad eerder op bij paarden die vet gesupplementeerd
kregen (9,37).

Er zijn echter meerdere metabole aanpassingen aangetoond
die bijdragen aan de stimulatie van vetoxidatie. Vetsuppletie
beïnvloedt zowel het transport als de oxidatie van vetzuren.
Bij paarden die gedurende IO weken 20 % van de totale ener-
giebehoefte als vet gevoerd kregen, werd een hogere acti-
viteit van het enzym lipoproteïnelipase gevonden in vergelij-
king met een controle groep (36). Ook Geelen
et al. (10)
vonden een toename in lipoproteïnelipase activiteit in een
vet-gesupplementeerde proefgroep, waarbij 15 % van de to-
tale energiebehoefte in de vorm van vet gevoerd werd. Deze
toename trad al op na twee weken (10). Als consequentie was
de plasmatriglyceridenspiegel sterk gedaald (10). Orme
et
al.
(36) vonden tevens een verhoogde activiteit van het en-
zym citraatsynthase in de gluteusmusculatuur van de vetrijk
gevoerde paarden. In een ander onderzoek werd dit niet be-
vestigd (lOb 2000).

Zowel mensen als ratten zijn in staat om onder invloed van een
vetrijk dieet submaximale arbeid langer vol te houden (34,43).
Het percentage vet in vetgesupplementeerde diëten bij mensen
en ratten is echter tamelijk hoog, 60-70% van de totale energie
opname. In proeven met paarden die extra vet gevoerd kregen
waren de hoeveelheden vet veel lager, 5-35% van de totale
energie opname. Absoluut gezien zijn de hoeveelheden in ex-
perimenten met paarden weliswaar lager, maar relatief kregen
de test-paarden 4 a 5 maal zoveel vet gevoerd als in de controle-
groepen. In humane experimenten is 70 % energie slechts een
verdubbeling omdat in het normale dieet van een mens al een
hoog vetgehalte aanwezig is (9).

-ocr page 398-

Bij dit alles moet ook nog rekening gehouden worden met
het soort vet dat aan het rantsoen wordt toegevoegd. Pagan
et
al. {39,)
toonden aan dat paarden op een rantsoen met 10%
kokosolie (dat overigens niet zo graag door paarden wordt
gegeten) na een standaard arbeidsproef een lagere bloedlac-
taatspiegel en een hogere FFA-concentratie hadden dan de-
zelfde paarden op een controle rantsoen of een rantsoen met
10% sojaolie. Hieruit concluderen de auteurs dat niet alleen
de vetten op zich, maar ook de vetsamenstelling (lengte van
de vetzuurketens en de mate van verzadiging) een rol spelen
bij de metabole veranderingen als gevolg van het voeren van
vetten.

Bovenstaande bevindingen tonen aan dat door vettoevoeging
aan het rantsoen de bijdrage van vetzuren aan de energievoor-
ziening toeneemt. Metabole adaptatie aan vetsupplementatie
lijkt dus op een vergelijkbare wijze te verlopen als de metabole
adaptatie als gevolg van training.

Conclusie"

Vettoevoeging aan het rantsoen van paarden is goed mogelijk
en lijkt geen nadelige effecten te hebben. Vetten worden door
paarden efficiënt verteerd. Daarbij is het voeren van vetten een
efficiënte manier om \'geconcentreerd\' energie aan te bieden.
Dat is met name van belang voor paarden waar de voeropname
achterblijft bij de energiebehoefte.

Het voeren van vetten bij paarden heeft duidelijke effecten op
verschillende \'metabole\' parameters. Onder invloed van een
vetrijk rantsoen vinden op celniveau metabole aanpassingen
plaats die vergelijkbaar zijn met de aanpassingen die bij trai-
ning optreden. Deze aanpassingen lijken gunstig te zijn voor de
energievoorziening met name tijdens duur-inspanning. Het
aandeel van vet in de energievoorziening neemt toe, waardoor
glycogeen gespaard blijft. Hierdoor is er tijdens inspanning
meer glycogeen beschikbaar voor verbranding, dit lijkt gunstig
voor zowel de aërobe en de anaërobe arbeid. De potentiële
prestatie van paarden lijkt te kunnen verbeteren door extra vet
in het rantsoen. In hoeverre de prestatie daadwerkelijk zal ver-
beteren is van diverse factoren afliankelijk, die op dit moment
nader onderzocht worden. Het nadeel van het voeren van een
vetrijk rantsoen is soms, met name op wat langere termijn, de
geringere acceptatie van dit voer door het paard.

Literatuur

1. Barton MH, and Deem Morris D. Diseases of the liver. In: Equine
internal medicine. Eds. Reed SM and Bayly WM, W.B. Saunders
Company, Philadelphia. 1998: 707-38.

2. Bowman VA. Fontenot JP, and Meacam TN. Acceptability and digesti-
bility of animal, vegetable and blended fats for equine. Proceedings
Equine Nutrition and Physiology Symposium 1979: 74-5.

3. Clayton HM. Energy production. In: Conditioning sport horses. Sport
Horse Publications, Saskatoon, Canada, 1991: 31 -43.

4. Coffman J. Plasma lactate determinations. Vet Med Small Animal Clin
1979:997-1002.

5. Conlee RK. Muscle glycogen and exercise endurance. Exercise Sport
Sci Reviews 1987; 15: 1-28.

6. Eaton MD. Hodgson DR, Evans DL, Bryden WL, and Rose RJ. Effect
of a diet containing supplementary fat on the capacity for high inten-
sity exercise. Equine Vet J 1995; 18:353-6.

7. Essen-Gustavsson B, Blomstrand E, Karlstrom K, Lindhlom A, and
Persson SGB. Influence of diet on substrate metabolism during exer-
cise. Equine Vet J 1991; suppl 3: 288-98.

8. Foreman J. Metabolic causes of equine exercise intolerance. The
Veterinary Clinics of North America 1996: 537-54.

9. Frape DL. Diet and exercise performance in the horse. Proc Nutr Soc
1994; 53: 189-206.

10. Geelen SNJ, Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan. and Beynen AC.
Dietary fat supplementation and equine plasma lipid metabolism.
Equine Vet J Suppl 1999;30:475-8.

10b. Geelen SNJ, Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan. MM. Jansen WL.
Geelen MJH and Beynen AC. Lipid metabolism in equines bed a
fat - rich diet. Int J Vitamin Nutr Res 2000; 70: 148-152.

11. Greiwe KM, MeachamTN Fregin GF, and WalbergJL. Effect of added
dietary fat on exercising horses. Proceedings of the 11th Equine
Nutrition and Physiology Symposium 1989: 101-6.

12. Hagerman FC. Energy metabolism and fuel utilization. Med Sci
Sports Exerc 1992;24:309-14.

13. Hallebeek JM. Doorn DA van en Beynen AC. De energie- en eiwit-
voorziening van military paarden in training: vergelijking van opname-
en behoeftenormen (Tijdschr Diergeneeskd in press).

14. Hambleton PL. Slade LM. Hamar DW, Kienholz EW. and Lewis LD.
Dietary fat and exercise conditioning, effect on metabolic parametrs in
the horse. J Animal Science 1980; 51: 1330-8.

15. Hanson RR, Pugh DG, and Schumacher J. Feeding equine athletes.
The Compendium 1996; 18: 175-82.

16. Harkins JD. Morris GS. Tulley RT, Nelson AG. and Kamerling SG.
Effect of dietary fat on racing performance in Thoroughbred horses.
Equine Vet Sci 1992; 12: 123-9.

17. Hiney KM, and Potter GD. A review of recent research on nutrition
and metabolism in the athletic horse. Nutrition Research Reviews
1996; 9: 149-73.

18. Hintz HE Nutrition and equine performance. J Nutr 1994; 124:27235-
29S.

19. Hodgson DR, Rose RJ, DimauroJ, and Allen JR. Effects of training on
muscle composition in horses. Am J Vet Res 1986; 47: 12-5.

20. Hughes SJ, Potter GD, Greene LW, Odom TW. and Murray-Gerzik M.
Adaption of Thorougbred horses in training to a fat-supplemented
diet. Equine Vet J 1995; 18: 349-52.

21. Jansen WL, Kuilen J Van der, Geelen SNJ, and Beynen AC. The effect
of replacing nonstructural carbohydrates with soybean oil on the diges-
tibility of fibre in trotting horses. Equine Vet J 2000; 32: 27-30.

22. Johnston JM. Mechanisms of fat absorption. In: Handbook of Physio-
logy: alimentary canal. American Physiology Society, Washington, 1968:
1323-40.

23. JulenTR, Potter, GD, Greene LW, and Stott GG. Adaption to a fat-sup-
plemented diet by cuning horses. Equine Vet Science 1995; 15: 436-
40.

24. Jones DL. Potter GD. Greene LW, and Odom TW. Muscle glycogen in
exercised miniature horses at various body conditions and fed a con-
trol of fat-supplemented diet. Equine Vet Science 1992; 12: 287-91.

25. Kurcz EV, Schurg WA, Marchello JA, and Cuneo SP Dietary fat sup-
plementation changes lipoprotein composition in horses. Proceedings
ofthe 12th Equine Nutrition and Physiology Symposium. Calgary,
1991; 253-4.

26. Lawrence LM. Nutrition and fuel utilization in the athletic horse. Vet
Clin North Am Equine Pract 1990; 6: 393-419.

27. Lawrence LM. Nutrition and the Athletic Horse. In: The Athletic
Horse. Eds. Hodgson DR and Rose RJ. W.B. Saunders Company,
Philadelphia, 1994:205-30.

28. Lewis LD. Feeding and care of horses for athletic performance. In:
Equine clinical nutrition: feeding and care. Eds. Williams and Wilkins,
Waverly Company Baltimore, 1995: 239-81.

29. Lindholm A. Bjerneld H. and Saltin B. Glycogen depletion pattern in
muscle fibers of trotting horses. Acta Physiol Scand 1974; 90: 475-85.

30. McMiken DF. An energetic basis of equine performance. Equine Vet J
1983; 15: 123-33.

31. Meyer H. Nutrition of the equine athlete. Equine Exercise Physiology
1987;2:644-73.

32. Meyer H. Energie-, Nährstoff- und Ballastbedarf In: Pferde
Futterung. Ed. Paul Parey, Berlin und Hamburg, 1992: 45-81.

33. Meyers MC, Potter GD. Evans JW, Greene LW, and Crouse DF
Physiologie and metabolic response of exercising horses to added die-
tary fat. Equine Vet Science 1989; 4:218-23.

34. Miller WC. Bryce GR, and Conlee RK. Adaptions to a high fat diet
that increase exercise endurance in male rats. J Appl Physiol 1984; 56:
78-83.

35. Oldham SL, Potter GD, Evans JW, Smith SB, Taylor TS, and Barnes
WS. Storage and mobilization of muscle glycogen in exercising horses
fed a fat-supplemented diet. 1990; 10:353-9.

-ocr page 399-

36. Orme CE. Harris RC, Marlin DJ, and Hurley J. Metabolic adaption to a
fat-supplemented diet by the thoroughbred horse. Brit J Nutr 1997; 78:
443-58.

37. Pagan JD. Essen-Gustavsson B, Lindholm A, and Thornton J. The effect
of dietary energy source on exercise performance in Standardbred hor-
ses. Equine exercise physiology 2. Proceedings of the 2th International
Conference on Equine Exercise Physiology 1987; 686-700.

38. Pagan JD. Tiegs W, Jacl<son SG. and Murphy HQ. The effect of diffe-
rent fat sources on exercise performance in Thoroughbred racehorses.
Proceedings of the 13th Equine Nutrition and Physiology Symposium.
Gainesville, 1991; 125-29.

39. Potter GD. Webb SP, and Evans JW. Digestible energy requirements
for work and maintenance of horses fed conventional and fat-supple-
mented diets. J Equine Vet Sci 1990; 10:214- 18.

40. Scott BD, Potter GD, Evans JW, Reagor JC, Webb GW, and Webb SP
Growth and feed utilization by yearling horses fed added dietary fat.
Proceedings of the 10th Equine Nutrition and Physiology Symposium
1987; 101-5.

41. Scott BD. Potter GD, Greene LW, Hargis PS and Anderson JG.
Efficacy of a fat-supplemented diet on muscle glycogen concentra-
tions in exercising Thoroughbred horses maintained in varying body

conditions. Equine Vet Science 1992; 12: 109-13.

42. Scott BD, Potter GD, and Greene LW. Efficacy of a fat-supplemented
diet to reduce thermal stress in exercising Thoroughbred horses.
Proceedings of the 13th Equine Nutrition Physiology Symposium
1993; 66-71.

43. Simi B, Sempore B, Mayet MH, and Favier RJ. Additive effects of trai-
ning and high fat diet on energy metabolism during exercise. J Appl
Physiol 1991; 71: 197-203.

44. Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan MM, Barneveld A, Wensing Th,
and Breukink HJ. The effects of training and detraining in ponies. The
Equine Athlete I993;6: 14-20.

45. TopliflFDR, Potter GD, DutsonTR, Kreider JL and Jessup GT Diet ma-
nipulation and muscle glycogen in the equine. Proceedings of the 8th
Equine Nutrition Physiology Symposium, Lexington, 1983: 119-24.

46. Voedernormen landbouwhuisdieren en voederwaarde veevoeders,
CVB nr. 24. Centraal veevoederbureau, 1999.

47. Worth MJ, Fontenot JP and Meacham TN. Physiological effects of
exercise and diet on metabolism in the equine. Proceedings of the 10th
Equine Nutrition and Physiology Symposium 1987; 145-6.

48. Watson TDG. Packard CJ, and Shepherd J. Plasma lipid transport in
the horse. Comp Bioch Physiol 1993; 106:27-34.

Preventie van zoönosen; de rol van arts en dierenarts

Grant S, and Olsen CW. Emerging Infectious Diseases 7999; 5:159-63.

Referaten

In Wisconsin, USA, werd door onderzoel<ers van de Faculteit
Diergeneeskunde onder ruim 500 dierenartsen (landbouw-
huisdieren, gezelschapsdieren, exotische dieren, gemengde
praktijk) en 700 artsen (500 huisartsen en 200 specialisten
kindergeneeskunde, infectieziekten, hematologie en oncolo-
gie) een schriftelijke enquête gehouden. Hierbij werd onder-
zocht hoe vaak beide beroepsgroepen zoönosen onderken-
den; wat er gedaan werd op het gebied van de preventie; hoe
vaak over dit onderwerp gesproken werd met patiënten res-
pectievelijk eigenaren en welk risico onderkend werd voor
diereigenaren met een verminderde immunologische afweer.
Het responspercentage varieerde van 46% (artsen) tot 65%
(dierenartsen).

Uit de antwoorden bleek dat dierenartsen significant vaker
met zoönosen werden geconfronteerd dan artsen (p <
0.00001). Gezelschapsdierenpractici weer significant vaker
dan de overige practici (p < 0.05). Dit gold bij de artsen ook
voor de specialisten op het gebied van infectieziekten (p <
0.001), maar deze nog steeds minder vaak dan dierenartsen
(p<0.05).

Artsen, met uitzondering van de specialisten infectieziekten,
gaven zelfs aan zich ongemakkelijk te voelen bij het geven
van adviezen over huisdieren en de mogelijke risico\'s voor
de mens.

Ze vonden dat dierenartsen niet alleen een taak hadden bij de
bestrijding van zoönosen, maar dat zij ook de voorlichting
aan patiënten en artsen dienden te verzorgen. Een lastig pro-
bleem hierbij is natuurlijk dat een dierenarts in veel gevallen
niet komt te weten of een eigenaar een aandoening heeft die
gepaard gaat met verminderde weerstand. Tweederde van de
dierenartsen gaf aan dat de gezondheid van een eigenaar tij-
dens het spreekuur nooit ter sprake komt.
Op de vraag welke dieren een groot risico zouden vormen bij
zoönosen werden door dierenartsen vooral reptielen en pup-
pies geantwoord. Artsen, daarentegen, meenden dat dit voor-
namelijk katten en kittens zijn.

Het pathogeen dat voor patiënten met een verminderde
weerstand het grootste risico vormt is volgens 41% van de
dierenartsen
Salmonella (te verklaren door de eerder ge-
noemde reptielen, ref), terwijl 56% van de artsen meende
dat dit
Toxoplasma is (hoewel dc kat nauwelijks een rol
speelt als directe besmetting, ref).

Artsen noemden significant vaker dan dierenartsen
Histoplasma capsulatum (een aerogene schimmelinfectie die
typisch in de USA voorkomt, ref) en het
Cytomegalovirus.
Dit laatste agens is overigens dermate diersoortspecifiek dat
het niet als zoönose wordt beschouwd. Minder vaak noemden
artsen daarentegen oorzaken zoals
Salmonella spp., E. coli,
Streptococcus
spp. en schimmels, maar de meeste andere
agentia, zoals
Ciyptospohdiumparvum, Mycobacterium spp.,
Chlamydia psittaci en Giardia lamblia, lagen redelijk op de-
zelfde lijn. De onderzoekers verbaasden zich erover dat kat-
tenkrabziekte
(Bartonella henselae) relatief weinig werd ge-
noemd (5%).

Geconcludeerd werd dat er nauwelijks communicatie plaats-
vond op het gebied van zoönosen tussen artsen en dierenart-
sen. Een goede overlegstructuur zou de preventie van derge-
lijke infectieziekten alleen maar kunnen verbeteren. Er
wordt geadviseerd om in een stuk gecombineerde opleiding
van medische en veterinaire studenten alsmede het postaca-
demisch onderwijs meer aandacht aan de risico\'s en preven-
tie van zoönosen te besteden.

Dk P.A.M. Overgaauw

-ocr page 400-

In dit artil<ei worden de effecten op de veterinaire praktijk-
voering beschreven van de huidige \'feminisering\' van het
beroep dierenarts. Sinds de jaren \'60 is het percentage man-
nelijke (Britse) dierenartsen gedaald van 92% naar minder
dan 45% (groep <30 jaar). In Nederland betrof de instroom
voor de studie diergeneeskunde in 2000 ruim 90% vrouwen
(ref). Vrouwelijke dierenartsen (VDA) werken in het
Verenigd Koninkrijk veelal parttime met een mediaan van
20,8 uur per week. Gebleken is dat VDA\'s gemiddeld hun
carrière tussentijds 2,8 jaar onderbreken en circa 2,2 jaar eer-
der willen stoppen met werken. Er wordt geconcludeerd dat,
om dezelfde beschikbaarheid aan veterinaire arbeidskrach-
ten te behouden, er jaarlijks 20-60% meer dierenartsen zou-
den moeten worden opgeleid om deze effecten op te vangen.
De auteur verwacht dat de overheid dit niet zal willen be-
kostigen en dat er zich een verdere schaarste op de veteri-
naire arbeidsmarkt zal voordoen. (Soortgelijke effecten doen
zich ook reeds voor in de USA en wellicht ook binnenkort in
Nederland (ref)).

Er wordt vastgesteld dat bovengenoemde effecten ook ver-
gaande gevolgen voor de veterinaire praktijkorganisatie zul-
len gaan krijgen. Er is een zeer sterk afnemende bereidheid
(<50%!) onder parttimers vastgesteld om deel te nemen aan
de diensten. Veel parttiine dierenartsen met kinderen zijn uit-
sluitend bereid overdag te werken gedurende de schooltij-
den, maar dat zijn niet noodzakelijkerwijs de periodes waar
in de praktijk behoefte is aan extra hulp. Parttimers zijn per
uur duurder en veroorzaken een grotere administratieve last.
Bij VDA\'s met een dubbelcarrière huishouden zal nog steeds
de vrouw vaker de man in zijn loopbaan volgen bij promoties
naar andere plaatsen dan andersom. Dit zal frequentere mu-
taties van de dierenartsen binnen de praktijken gaan geven.
Gecombineerd met de schaarste zal dit leiden tot intensie-
vere en frequentere rekruteringsinspanningen en oplopende
salarissen. Parttimers en partner-carrièrevolgers zijn veel
minder bereid om managementtaken op zich te nemen. Dit
verzwaart de taak van de praktijk(eigenaren) en verhoogt de
praktijkoverheid doordat praktijkmanagers onmisbaar zul-
len worden. Daarnaast zijn VDA\'s nauwelijks bereid om zich
in te kopen. Dat zal tot gevolg hebben dat praktijken of asso-
ciatiedelen op termijn moeilijk te verkopen zullen zijn. Het
drukkende effect op de goodwillsommen zal mogelijk al snel
voelbaar worden (ref).

Als logische oplossing van deze problemen wordt de op-
komst van grotere ketens van praktijken gegeven. Deze kun-
nen - vaak met extern kapitaal gefinancierd - meestal beter
alle administratieve en managementbeslommeringen afhan-
delen, beter zorgen voor een efficiënte landelijke werving
van het schaarse veterinaire personeel en bovendien zorgen
voor goede carrière- en doorstroommogelijkheden voor
parttimers die hun partner volgen (andere vestigingen). De
dierenarts-eigenaar wordt van vele niet-veterinaire beslom-
meringen verlost en kan naar een grotere groei van de prak-
tijk streven, zonder aan het einde van de rit tot de ontdekking
te komen dat zijn levenswerk onverkoopbaar is. In de
Verenigde Staten bestaan deze ketens al circa tien jaar en
groeien zeer snel. Een soortgelijke ontwikkeling zal moge-
lijk ook onontkoombaar blijken in Europa (ref).

H.A. Beijer

Feminisering van de dierenarts: praktijkefFecten in de UK

shield CF. Women in the Veterinary Profession. The European Journal of Companial Animal Practice 2000; 10-2:703-9.

Een vergelijkende studie naar de Pathogenese van het malabsorptiesyndroom in vleeskuikens

Th. Songserm, J.M.A. Pol, D. van Roozelaar, G.L Kok, F. Wagenaar, and A.A.H.M. ter Huurne. Avian Diseases 2000; 44:556-67,

In deze studie worden verschillende homogenaten, samen-
gesteld uit lever pancreas, duodenum en jejunum van dieren
uit koppels met MAS-achtige verschijnselen, oraal toege-
diend aan commerciële eendagskuikens. Tijdens sectie van
de geïnfecteerde dieren werden macroscopische laesies zo-
als proventriculitis, bleke darmen met muceuze en onver-
teerde inhoud, botafwijkingen zoals een verbrede epifysair-
schijf, tibiale dischondroplasie en afgebroken heupkopjes en
een enkele keer kleine bursa en thymus gezien.
Histopathologisch konden de verschillende homogenaten in-
gedeeld worden in groepen die alleen proventriculitis ver-
oorzaken, homogenaten die proventriculitis en afwijkingen
van de dunne darmen veroorzaken en homogenaten die al-
leen laesies in de dunne darmen veroorzaken.
Alle geïnfecteerde dieren vertoonden groeivertraging, in de
groepen met laesies van de dunne darmen was deze groei-
achterstand het grootst. In enkele gevallen was de pancreas
licht aangetast.

De homogenaten afkomstig van jonge dieren waren het
ineest pathogeen. Door middel van virale en bacteriologi-
sche isolatie en serologisch onderzoek werden de geïnfec-
teerde groepen positiefbevonden voor: reovirus, adenovirus,
enterovirus like particles, heamolytische
E. coli, Pasteurella
heamolytica, Enterococcus durans
en ILT (zij testten nega-
tief voor: NCD, reticuloendotheliosis, CAA, avian pneumo-
virus, infectieuze nefritis virus, trilziekte, IBV, IBD, influ-
enza, ALV-J, Marek en EDS).

De rol die deze agentia spelen in de Pathogenese van het
malabsorptiesyndroom wordt momenteel door de bovenge-
noemde onderzoekers onderzocht.

Linda van Veen

-ocr page 401-

Samenvatting

In dit artikel wordt aandacht be-
steed aan de verzorging van tand-
heelkundig instrumentarium in
de gezelschapsdierenpraktijk. Het
scherp houden van scalers, curet-
tes, excavatoren en elevatoren
door middel van de juiste slijp-
techniek wordt uitvoerig bespro-
ken. Scherp instrumentarium bevordert de kwaliteit en
snelheid van gebitsreiniging.

Summary

The sharpening and polishing of dental Instruments

This article describes the maintenance of dental instruments in a compa-
nion animal practice, in particular the correct sharpening techniques for
tartar scrapers, curettes, excavators, and elevators. Sharp instruments are
essential for the quality und speed of dental care.

Inleiding

Gebitsreiniging bij honden en katten is een belangrijke han-
deling die niet mag ontbreken in een dierenartsenpraktijk.
Het belang van een goede gebitsreiniging blijkt uit het feit
dat 85-95% van de dieren ouder dan twee jaar aan een zekere
mate van parodontopathie lijdt (3,11). Parodontopathieën
zijn dikwijls chronische ontstekingen van het parodentium
(7). Het parodentium is een verzamelnaam voor de steun-
weefsels rond de gebitselementen en heeft een belangrijke
rol bij de bevestiging van de gebitselementen in de kaak. De
steunweefsels worden gevormd door gingiva, het parodon-
tale ligament, het wortelcement en het alveolaire bot (6).
Infecties in de mondholte kunnen ziekten in andere organen
veroorzaken, als bacteriën via het gingivale weefsel in het
bloed terechtkomen (4). Parodontopathieën veroorzaken
daarnaast ongemak en pijn (5). Er zijn dus voldoende rede-
nen om de oorzaak van het ontstaan van parodontopathieën
bij de bron aan te pakken: het voorkomen en verwijderen van
tandplak en tandsteen.

Bij een professionele gebitsreiniging wordt naast de mecha-
nisch aangedreven apparatuur, tevens gebruik gemaakt van
handinstrumenten. Tandheelkundige handinstrumenten ho-
ren scherp te zijn. Door gebruik wordt de snijrand van het in-
strument bot. De afgeronde snijranden worden met behulp
van een slijpsteen weer scherp gemaakt. Idealiter moet een
instrument voor iedere behandeling op scherpte gecontro-
leerd worden en zo nodig op scherpte worden gebracht.
Het doel van het slijpen is het verkrijgen van een scherpe
snijrand met behoud van de oorspronkelijke vorm van het in-
strument (1,13,16). De scherpte van de snijrand bepaalt de
effectiviteit van een instrument en maakt dus vlot werken
mogelijk. Er hoeft minder kracht uitgeoefend te worden,
waardoor degene die de gebitsreiniging uitvoert niet onno-
dig vermoeid raakt. Bovendien hoeft de hond of kat minder
lang gesedeerd te worden. Voordat een instrument geslepen
wordt, moet het altijd huishoudelijk gereinigd en gesterili-
seerd worden. Iedere patiënt verdient schoon en gesterili-
seerd instrumentarium (1).

Voo

d<

praktijl

Alleen een scherp instrument maakt het mogelijk om onbe-
rispelijk te werken. Botte instrumenten maken het tandsteen
glad in plaats van het weg te halen. Ook zal een bot instru-
ment gemakkelijk van het gebitselement afglijden. Hoe lan-
ger gewacht wordt met het slijpen van een instrument, hoe
meer tijd en energie het kost (15).

Tandheelkundige handinstrumenten die geslepen dienen
te worden

De tandheelkundige instrumenten die bij de gebitsreiniging
gebruikt worden en geslepen dienen te worden zijn de scaler,
de curette en de excavator. Daarnaast zijn er ook andere
soorten instrumenten ontwikkeld voor de gebitsreiniging zo-
als de \'file\' (vijl), de \'hoe\' (hak), de \'chisel\' (beitel), in de
omgang ook wel tandenkrabbers genoemd. Deze grovere in-
strumenten worden in de humane sector nauwelijks meer ge-
bruikt. De elevator wordt bij het extraheren van een gebits-
element gebruikt. Het slijpen van dit instrument wordt
eveneens besproken.

Scaler

De scaler wordt gebruikt om tandplak en tandsteen boven het
tandvlees (supragingivaal) te verwijderen (figuur I). De sca-
ler heeft twee snijranden, die eindigen in een punt. Doordat
dit instrument aan de rugzijde niet is afgerond, mag de scaler
niet onder het tandvlees gebruikt worden (8).

Curette

De curette is het aangewezen instrument voor het verwijde-
ren van tandplak, tandsteen en andere afzettingen op het
tandoppervlak (figuur 2). Dit geldt zowel voor het supra- als
subgingivale gebied (boven en onder het tandvlees). De cu-
rette heeft een afgeronde rug en punt (8,14,17).

Figuur 2. Curette (14).

VETERINAIRE TANDHEELKUNDE ig

Het slijpen van het tandheelkundige handinstrumentarium

J. Nijhuis\' en A.W. van Foreest^* Tijdschr Diergeneeskd200V 726;317-23

\' Drs. J. Nijhuis. waarnemend dierenarts.

- Jhr. DrsA. W. van Foreest. Veterinair Specialistisch Centrum De Wagenrenk.
* Correspondentie-adres: Keyenhergseweg 18. Wageningen.

-ocr page 402-

Excavator

De excavator is een lepeivormig instrument (figuur 3). De
binnenzijde van dit lepeideet is vlak en de buitenzijde is bol.
Men gebruikt de excavator om aangetast weefsel te verwij-
deren of om afwijkend botweefsel van de gezonde onderlaag
te verwijderen (8).

Het instrument kan tevens gebruikt worden om supragingi-
vaal tandsteen te verwijderen.

Voor het slijpen deelt men een instrument (in dit voorbeeld
de scaler) optisch in verschillende delen (figuur 6):

a. de laterale zijden (zijkanten);

b. de rugzijde;

c. de faciale zijde (bovenzijde);

d. de snijranden (deze worden gevormd door het samenko-
men van het laterale en het faciale vlak).

Figuur 6. De verschillende delen van een scaler (13).

Elevator

De elevator of hevel is een chirurgisch instrument waarmee
gebitselementen of wortelresten uit de alveole kunnen wor-
den verwijderd (figuur 4) (10).

De meeste tandheelkundige handinstrumenten zijn voorzien

,_ snijrand

laterale zijd

van twee werkeinden. Dit kunnen twee verschillende vormen
van eenzelfde instrument zijn (bijvoorbeeld een curette),
maar een instrument kan ook aan het ene werkeinde een sca-
ler bevatten en aan het andere werkeinde een curette. Op deze
manier kan snel van werkeinde gewisseld worden, slechts
door het omdraaien van het instrument. Een tandheelkundige
instrumentenfirina brengt zijn instrumenten op de markt in
een steriliseerbare cassette\'. Het voordeel van het gebruik van
deze cassette is dat alle instrumenten tijdens uw werkzaain-
heden bij elkaar voor handen zijn. Bovendien raken de instru-
menten het tafeloppervlak niet, wat vanuit hygiënisch oog-
punt goed is. Het instrument wordt tevens beschermd tegen
vallen op de grond . Ook zijn deze verschillende instrumen-
ten door middel van kleuren gecodeerd. Het heft bestaat uit
zacht siliconenmateriaal dat een slipvaste \'grip\' biedt (9).

Vorm van de instrumenten

Om het slijpen op een juiste manier uit te kunnen voeren
dient men zich vertrouwd te maken met de originele vorm
van het instrument (13,16).

De meeste instrumenten zijn uit drie onderdelen opgebouwd
(figuur 5):

1. het werkzame deel, met aan de punt het werkeinde;

2. de hals is de verbinding tussen het werkzame deel en het
handvat van het instrument;

3. het handvat.

\' LM-DENTAL Inslnimenten. Mandenmakerstraat 104a. Hoog\\\'liet.

Benodigheden voor het slijpen van tandheelkundige hand-
instrumenten

Bij het slijpen van de handinstrumenten dient het werkge-
bied goed verlicht te worden. Eventueel kan er gebruik ge-
maakt worden van een vergrootglas, dat maximaal vijf tot
tien keer vergroot (15).

Bij het slijpen wordt gebruik gemaakt van een slijpsteen. De
steen heeft een bepaalde korrelstructuur, die bepalend is
voor het slijpvermogen. De witte Arkansassteen is een voor-
beeld van een slijpsteen met een fijne korrelstructuur. Een
voorbeeld van een slijpsteen met een grove korrelstructuur is
de bruine Indiasteen. Een Arkansassteen slijpt langzaam,
maar precies. Een Indiasteen slijpt sneller, maar minder pre-
cies. Deze grove steen wordt alleen gebruikt bij zeer botte in-
strumenten. Als laatste wordt altijd een fijne slijpsteen ge-
bruikt. Wordt het slijpen regelmatig bijgehouden, dan is het
gebruik van een grove steen overbodig (16). Bij het slijpen
moet de hele steen gebruikt worden, anders treedt plaatse-
lijke slijtage op waardoor een onregelmatig oppervlak met
kuilen ontstaat. Stenen die niet goed worden onderhouden,
verliezen hun slijpend vermogen doordat ze verstopt raken
met metaalslijpsel. Dit metaalslijpsel kan verwijderd worden
met een tissue of wattenrol gedrenkt in olie. Na de gebitsrei-
niging wordt de steen huishoudelijk schoongemaakt met een
borstel, water en zeep en vervolgens gesteriliseerd. Als de
slijpsteen glad geworden is, kan het slijpvermogen hersteld
worden door de steen over fijn schuurpapier te halen (2).
Voor het slijpen wordt een druppeltje slijpolie (paraffine-
olie) of naaimachine-olie op de steen aangebracht. De olie
bevordert het glijden van het instrument over de steen, voert

-ocr page 403-

inetaalsplinters af, voorkomt het binnendringen van metaal-
deeltjes in de steen en voorkomt uitdroging van de steen. De
warmte-ontwikkeling van het instrument wordt beperkt door
de olie.

Een teststaafje van plexiglas of acryl wordt gebruikt om de
scherpte van de snijrand van een instrument te controleren.
Uit hygiënisch oogpunt mag de scherpte van een instrument
nooit op de vingernagel getest worden (1).
De ene hand houdt het instrument vast in de pengreep en
wordt afgesteund op tafel. Het is ook mogelijk om het instru-
ment in een bankschroef te zetten. De slijpsteen wordt in de
andere hand gehouden. Voor alle instrumenten geldt dat er
alleen bij de neerwaartse beweging van de slijpsteen druk
uitgeoefend mag worden. Bovendien moeten de slijpbewe-
gingen elkaar overlappen. Aangezien ieder handinstrument
een andere vorm heeft, moeten ze alle op een specifieke ma-
nier geslepen worden (16).

Het slijpen van instrumentarium kan niet alleen handmatig
worden uitgevoerd, zoals in dit artikel beschreven, maar ook
met behulp van een slijpmachine. Nadelen van machinaal slij-
pen zijn: de minder goede controle en daardoor het risico van
teveel afslijten van het instrument; minder controle over de
schadelijke warmte-ontwikkeling; kostbare apparatuur. Als
voordeel kan worden genoemd dat de machine gestandaar-
diseerde instellingsmogelijkheden kent. Bovendien werkt het
sneller en minder vermoeiend.

Het slijpen

Het slijpen van een scaler

1. Scalers worden verdeeld in twee groepen (figuur 7):

• De rechte sikkelscaler

Deze heeft een recht faciaal vlak en heeft de vorm van
een sikkel.

• De gebogen sikkelscaler

Deze heeft een gebogen faciaal vlak en heeft eveneens
een sikkelvorm.

2. Kies de juiste steen en olie deze goed in.

3. De scaler wordt zodanig gefixeerd dat het middelste deel
van het faciale vlak horizontaal ligt. De praktijk wijst uit
dat het moeilijk is de juiste positie te vinden.

Een ezelsbruggetje is dat bij 95% van alle instrumenten
het faciale vlak horizontaal ligt, wanneer het begin van de
schacht van voren gezien verticaal staat.

4. Voor het slijpen van de rechter snijrand wordt de slijp-
steen als een pen in de rechter hand genomen.

Daarbij wordt de steen zodanig tegen het achterste deel van
de scaler aangelegd, dat er een hoek van 90° (tussen de steen
en het faciale vlak bestaat (figuur 8). Daarna wordt deze
hoek van 90° naar 110° vergroot (als de wijzers van de klok:
5 over 12). Dit is de juiste slijphoek (figuur 9).

Figuur 9. Het vinden van de juiste slijppositie {13). De stand van de slijpsteen ten
opzichte van het instrument kan vergeleken worden met de stand van de wijzer op
de klok.

Beweeg de steen van boven naar beneden. Let er op dat er
alleen bij de neerwaartse beweging druk uitgeoefend
wordt! Dit kan men controleren aan de hand van de slijp-
olie, die bij neerwaartse beweging op het faciale vlak
blijft liggen (figuur 10).

-ocr page 404-

De hoek van 110° moet gedurende het hele slijpproces be-
houden worden, tot men bij de punt gekomen is.
Gedurende het slijpen wordt dus van achteren naar voren
gewerkt, waarbij de bewegingen van de steen elkaar
steeds overlappen, om er voor te zorgen dat geen enkel
stuk van de snij rand wordt overgeslagen.
De slijpolie moet op het faciaal vlak zichtbaar zijn (13).

5. De tegenoverliggende zijde wordt op dezelfde manier ge-
slepen. Ook hier is de hoek tussen instrument en steen
110° (als de wijzers van de klok: 5 voor 12). De slijpsteen
wordt hierbij vastgehouden zoals in figuur 11.

Figuur 14. De slijpsteen maakt een rollende beweging naar de punt van het instru-
ment toe en heeft met beide snijranden contact (13).

Met de vingertop kan langs de snijrand gevoeld worden of
er braampjes zijn gevormd. Is dit het geval, dan zijn deze te
verwijderen met een goed ingeoliede konische Arkansas-
steen. De smalle kant van de steen wordt over het faciale
vlak bewogen met een rollende beweging. Er moet goed op
gelet worden dat de steen met beide snijranden contact
heeft, anders wordt het faciale vlak schuin afgeslepen (fi-
guur 14).

6. Na het slijpen wordt de scherpte van de scaler gecontroleerd
met behulp van een plastic teststaaQe. De scaler wordt on-
der een hoek van 80-85° tegen het staaQe aangezet. De ide-
ale scherpte is bereikt als men zonder veel druk uit te oefe-
nen krullen van het
Staate afkan halen (figuur 12).

Figuur 12. Controleren van de scherpte van de scaler met een plastic teststaafje (13).

Testslaafje 80° - 85°

riï)))))\'))-

Zijn er geen braampjes aanwezig, dan wordt het faciale
vlak niet geslepen!

9. Als het instrument al vaker geslepen is, kan zich aan de
rugzijde een derde snijrand vormen. Deze moet dan afge-
vlakt worden. Hiertoe wordt het instrument vanaf de punt
tot en met het achterste deel over een ingeoliede steen
heen gehaald (figuur 15).

1. Juiste positie om de scherpte te testen.

2. Stompe snijtanden glijden over het tandsteen heen.

3. Scherp instrument: haalt het tandsteen goed weg.

7. Optisch kan men de scherpte controleren met behulp van
de lichttest. Hierbij laat men licht op de snijrand van het
instrument vallen. Wordt het licht terug gereflecteerd, dan
is het instrument stomp (figuur 13). Deze controle is
vooral tijdens de behandeling goed bruikbaar.

Het slijpen van een curette

Dankzij hun ronde vorm zijn curetten geschikt voor gebruik
onder het tandvlees. Helaas wordt in de praktijk een curette
maar al te vaak tot een scaler geslepen!
Men kan onderscheid maken tussen twee typen curetten (fi-
guur 16):

a. De speciale curette, met één snijrand.

b. De universele curette, met twee snijranden.

Figuur 16. Twee typen curetten (13).

snijrand \\ Vy / snijrand

universele curette soedaie curette

-ocr page 405-

Het slijpeti gaat als volgt:

1. Het is van belang om vóór met het slijpen begonnen
wordt, vast te stellen ofhet om een speciale curette of een
universele curette gaat.

Van boven af gezien, lopen beide randen van het faciaal-
vlak bij een universele curette recht en parallel aan elkaar.
Bij de speciale curette lopen beide randen in een bocht,
waarbij de convexe (bolle) zijde de snijkant is. De con-
vexe zijde moet dus geslepen worden! Dit is tevens de af-
hangende zijde van het faciaalvlak (figuur 16).

2. Kies de juiste slijpsteen en olie deze goed in.

3. De curette wordt zodanig gefixeerd dat het middelste deel
van het faciale vlak horizontaal ligt. Ook voor de curette
geldt dat in 95% van de gevallen het middelste deel hori-
zontaal ligt, als het begin van de schacht verticaal staat.

4. Voor het slijpen van de rechter snijrand wordt de slijp-
steen anders vastgehouden dan bij het slijpen van scalers,
en wel zoals in figuur 17.

Figuur 17. Het slijpen van de rechter zijde van de curette (13).

Alleen bij de neergaande beweging wordt druk uitgeoe-
fend. Belangrijk is dat de steen de ronding van de punt
volledig volgt, totdat hij aan de tegenover liggende zijde
weer parallel ligt aan de zijde, waarmee begonnen is (fi-
guur 19).

Figuur 19. De slijpsteen moet ronding van de punt volledig volgen (13).

Er wordt altijd geëindigd met een neerwaartse beweging,
zodat er geen bramen ontstaan.

6. De linkerzijde van de curette wordt op dezelfde manier
geslepen. De hoek tussen de steen en het faciale vlak is
hierbij ook 110° (als de wijzers van de klok: 5 voor 12).

7. Controle van de scherpte van het instrument geschiedt op
zelfde wijze als bij de scaler.

8. Aanwezige bramen worden verwijderd met een konische
Arkansassteen, zoals bij de scaler.

9. Heeft zich aan de rugzijde van de curette een derde snij-
rand gevormd, dan moet deze evenals bij de scaler worden
afgevlakt. Een verschil hierbij is wel dat de ronding van de
rug hersteld moet worden (figuur 15 en figuur 20).

Let er op dat de steen niet verkrampt wordt vast gehouden
en dat de duim hierbij flexibel is. De duim moet altijd ach-
ter de steen gehouden worden, om verwondingen te voor-
komen.

5. Dc steen wordt in een hoek van 90° ten opzichte van het
faciale vlak tegen het achterste deel van de curctte aange-
legd. De steen moet daarbij naar u toe gericht zijn. Daarna
wordt de hoek vergroot tot 110° (als de wijzers van de
klok: 5 over 12). Dit is de juiste hoek.
Ook in het middelste deel moet de hoek 110° zijn ten op-
zichte van het faciale vlak.

Het voorste deel, de punt, moet onder een hoek van 45°
ten opzichte van de rug van de curette worden geslepen
(figuur 18). Hierdoor wordt de punt afgevlakt, zodat de
curette gemakkelijk onder het tandvlees te schuiven is.

Figuur 20. Het herstellen van de ronding van de rug van de curette (13).

Het slijpen van een excavator

1. De excavator heeft een lepelvorm (ovaal) of is rond. Aan
het werkeinde kan men dezelfde zijden onderscheiden als
bij de voorgaande instrumenten (figuur 21).

Figuur 21. Vorm en anatomie van de excavator (13).

-ocr page 406-

2. Kies de juiste steen en olie deze goed in.

3. De excavator wordt zodanig gefixeerd dat het middelste
deel van het faciale vlak horizontaal ligt.

4. Bij het slijpen wordt de steen vastgehouden als in figuur
22.

Men begint met slijpen op de overgang van de schacht
naar de snijrand.

5. Let op: bij excavatoren varieert de hoek waarmee gesle-
pen wordt van 35 tot 45 graden. Controleer aan de hand
van de slijpolie of de correcte hoek wordt aangehouden
(figuur 23). De excavator wordt één keer rechtsom gesle-
pen, langs de gehele snijrand (figuur 24).

6. Daarna wordt de excavator één keer linksom geslepen
langs de gehele snijrand.

Hierbij eindigt u steeds weer met een neerwaartse bewe-
ging om braamvorming te voorkomen.

7. Controle van de scherpte van het instrument gebeurt op
dezelfde wijze als bij de scaler en de curette.

8. Het verwijderen van bramen gaat op de zelfde manier als
bij de scaler en de curette.

Er is nog een manier om een excavator te slijpen. Hierbij
wordt de slijpsteen op het faciale vlak gelegd en heen en
weer bewogen, waardoor beide snijranden tegelijkertijd in-
gekort worden (13,16).

Het slijpen van een elevator

Een elevator is een tandheelkundig instrument dat gebruikt
wordt bij het extraheren van gebitselementen. Hoewel dit in-
strument niet bij de gebitsreiniging gebruikt wordt, is het
voor de dierenartsenpraktijk van belang het slijpen ervan te
bespreken. De elevator wordt veelvuldig gebruikt in de tand-
heelkunde en moet regelmatig geslepen worden.

1. Kies een geschikte slijpsteen en olie de steen goed in.

2. Fixeer de elevator in de juiste positie. Het faciale vlak
dient horizontaal te liggen, waarbij de punt van het instru-
ment naar u toe wijst. Het licht wordt dan op het middelste
deel van het faciale vlak gereflecteerd.

3. De slijpsteen wordt in de rechter hand gehouden, zoals in
figuur 25.

Figuur 25. slijpen van de rechterzijde van de elevator (13).

4. Er wordt geslepen in een hoek van 85° tot 95° ten opzichte
van het faciale vlak van het achterste deel naar het voorste
deel van de excavatortoe (figuur 26). Hierbij wordt alleen
tijdens de neerwaartse beweging druk uitgeoefend. De
ronding aan de punt wordt in een hoek van 45° tussen de
rug van het instrument en de steen geslepen. Let daarbij
op de slijpolie, die punt voor punt zichtbaar moet worden
op de snijrand. De punt wordt één keer rechts- en één keer
linksom geslepen, waarbij de slijpsteen de ronding volgt
totdat hij aan de tegenover liggende zijde weer parallel
ligt (figuur 27). Eindig hier met een neerwaartse bewe-
ging, om braamvorming te voorkomen.

5. De tegenoverliggende zijde wordt op dezelfde manier ge-
slepen.

6. De snijranden van de elevator moeten punt voor punt ge-

Figuur 24. De excavator wordt zowel linksom als rechtsom geslepen (13).

slijpolie

-ocr page 407-

___

controleerd worden op hun scherpte. Dit is ook mogelijk
met behulp van de lichttest zoals bij de andere instrumen-
ten reeds besproken is.

7. Met de vingertop kan gevoeld worden of er bramen ge-
vormd zijn. Is dit het geval, dan kunnen deze verwijderd
worden met een konische Arkansassteen. Het dunne ge-
deelte van de steen wordt op het concave faciaalvlak ge-
legd en van links naar rechts heen en weer gerold. Zijn er
geen bramen, dan wordt het faciale vlak nooit geslepen!
(figuur 28).

Konische slijpsteen

Indien zich aan de rugzijde van het instrument een derde
snijrand heeft gevormd, dan moet deze worden afgerond.
De rugzijde van de elevator wordt hierbij een aantal keren
van de punt naar het achterste deel over de steen bewogen.
De ronding van de rug moet hierbij hersteld worden!

Figuur 26. Beweging van de slijpsteen ten opzichte van de elevator (13).

Doorsnede

Figuur 2T. De punt van de elevator wordt één keer rechtsom en één keer linksom ge-
slepen 03).

Tenslotte

Binnen de diergeneeskunde moet meer aandacht besteed
worden aan het verzorgen van het tandheelkundige handin-
strumentarium. Voor het uitvoeren van een professionele ge-
bitsreiniging is kennis en gebruik van het juiste en scherpe
handinstrumentarium noodzakelijk. De specifieke eigen-
schappen van dit instrumentarium - vorm en scherpte - kun-
nen behouden blijven door het toepassen van de juiste slijp-
technieken. Bovendien bevordert het tijdig slijpen het vlot en
effectief werken gedurende de gebitsreiniging en garandeert
een langere gebruiksduur van uw handinstrumentarium.
Het is niet eenvoudig zich meester te maken van slijptechnie-
ken via geschreven informatie. In de praktijk zal de dieren-
artsassistente zich vooral bezig houden met het verzorgen
van het instrumentarium voor de gebitreiniging. Het volgen
van een praktische cursus kan van veel hulp zijn om deze
juiste slijptechnieken toe te passen*.

Literatuur

Bij de illustraties staat de bronvermelding (verwijzing naar de literatuur) ver-
meld.

De volgende informatiebronnen zijn geraadpleegd:

1. Avoort G van der en Endstra L. Professionele gebitsreiniging. Bohn
Stafleu Van Lochem, Houten, 1999.

2. Bellows J. The Practice ofVeterinary Dentistry. Iowa State University
Press, Ames, Iowa. 1999.

3. Harvey CE, and Orr HS. Manual of Small Animal Dentistry Br Sm
Anim Vet Ass, Chelthani. 1990.

4. DeBowes LJ, Mosier D, Logan E, Harvey CE, Lowry S, and Richardson
DC. Association of Periodontal Disease and Histologic Lesions in
Multiple Organs from 45 Dogs. J Vet Dent 1996; 13 (2): 57-61.

5. Eriksen T. Atlas ofVeterinary Oral Pathology: 1. Canine Periodontology
Uitgave 1999: Pharmacia & Upjohn.

6. Foreest AW van. Aanleg, bouw en functie van het gebit van de hond.
Tijdschr Diergeneesk. 1991; 116: 1107-21.

7. Foreest AW van. Gingivitis en parodontitis bij dc hond zijn \'infectieziek-
ten\'. Dier en Arts 1991; 3: 55-8 & 4: 76-81 & 5: 109-12 en 1992; 3: 107-
11.

8. Foreest AW van. Syllabus Assistentie Gebitsreiniging Gezelschaps-
dieren, PAO-D november 1993.

9. Foreest AW van. Tandheelkunde bij gezelschapsdieren. Elsevier/Bunge,
Maarssen, 1999.

10. Foreest AW van. Visser M cn Amerongen E van. Instrumentarium voor
extracties bij gezelschapsdieren. Tijdschr Diergeneesk 1992; 117: 319-
22.

11. Hawkins BJ. Special Focus: Canine Dentistry, Continuing Education,
article #2; Dental instruments and the use of dental materials. The
Compendium 1989: 12; 1465.

12. Nijhuis J. Professionele gebitsreiniging bij honden en katten: voorzorgs-
maatregelen, uitvoering en het slijpen van dc handinstrumentcn.
Referaat, april 2000. Begeleider: drs. AW van Foreest. Hoofdafdeling
Geneeskunde van Gezelschapsdieren.

13. Quetin.R Lassen Sie\'s nicht schleifen- das Schleifen. Video-Lehrfilm
und Arbeitsbuch über das Scharfen von Dental-Instrumenten.

14. Shipp AD, and Fahrenkrug P Practitioners\' Guide to Veterinary Den-
tistry, first edition. Dr. Shipp\'s Laboratories, Beverly Hills, Califomia.
1992.

15. Smarten Up, Sharpen Up. A Practical Workbook on Sharpening Dental
Curets and Scalers. Prepared by the Hu-Friedy Department of Pro-
fessional Education, Chicago, Illinois, 1982.

16. Verbiest H. Cursus slijptechnieken. Verbiest Dental Trading B.V

17. Wiggs RB , and Lobprise HE. Veterinary Dentistry, principles & prac-
tice. Philadelphia, New York: Lippincott-Raven Publishers, 1997.

Hel Posl Academisch Onderwijs Diergeneeskunde in Ulrecht heefl in hel programma
voor dierenarts-assislenlen een cursus \'Hel gebil. landvleesonlslekingen en gebils-
reiniging bij gezelschapsdieren\'. Tijdens deze cursus worden de eersle beginselen
van hel slijpen van handinsintmenlarium geïnslnieerd.

-ocr page 408-

VIRBAC INTRODUCEEiff

VLOOIENBESTRIIDER VAt^E

NIEUWE GENERATIE

vlo te zijn! Cyclic* sterili-

Het wordt steeds gevaarlijker om een

seert de vlooieneitjes waardoor huisdieren niet opnieuw met
vlooien besmet kunnen worden. En omdat het een spot-on is.
weet u altijd zeker dat de volledige dosis opgenomen wordt.
Cyctio\' spot-on.

De vlooienbestrijder van de nieuwe generatie.

(YCUp

animal health

vlooienbestrijder van de
nieuvi/e generatie

wvyw.cyclio.com

-ocr page 409-

Virbac en WALTHAM Veterinaire Service hadden u graag persoonlijk willen ontvangen in onze
geheel vernieuwde Voorjaarsdagen stand.

De onzekerheden rond de MKZ-crisis dwongen ons helaas de standbouw te annuleren.
Volgend jaar hopen we uiteraard weer als vanouds aanwezig te zijn.

N VIRBAC EN WALTHAM

Het Voorjaarsdagen nieuws van Virbac en WALTHAM willen we u echter niet onthouden!

WALTHAM
introdu

De DVn^iC^ van

AffllB^j^"

De

Solutions for Life

-ocr page 410-

Reizen met huisdieren

MAFF kondigt plannen aan om quarantaineregels te herzien

De Engelse regering heeft plannen
aangekondigd om de quarantaine-
regels in Engeland te actualiseren,
om quarantaineverblijven volgens
de code voor moderne praktijken
te laten werken. Het wetsvoorstel is
samengevat in een adviesbrief, uit-
gegeven door de MAFF (Ministry
of Agriculture, Fishery and Food)
op 21 december 2000, en introduceert voor het eerst statu-
taire bepalingen die het welzijn van dieren in quarantai-
neverblijven zullen waarborgen. Het voorziet in zaken als
de bouw en het functioneren van quarantaineverblijven
voor huisdieren, inclusief voorwaarden waaraan kennels,
beheerders, dierenartsen, en de bij de quarantaine be-
trokken expediteurs moeten voldoen. Het geeft de MAFF
tevens de macht om nieuwe erkenningseisen te stellen aan
medewerkers, quarantainedierenartsen en medische con-
troleurs in gespecialiseerde kennels.

De plannen voor hervorming van de quarantaineregels zijn
een onderdeel van een breder wetsvoorstel dat alle voor-
waarden om een huisdier Engeland in te voeren in één afzon-
derlijk Statutair Instrument plaatst. Dit Instrument, dat de
MAFF later dit jaar van plan is te introduceren, omvat het Pet
Travel Scheme (de Regeling Reizen met Huisdieren), en dit
zal de standaardwerkwijze aangeven waarop dieren inge-
voerd kunnen worden; dieren die niet voldoen aan de voor-
waarden kunnen voor zes maanden in quarantaine gesteld
worden. Volgens de MAFF zal hiermee de huidige situatie
drastisch veranderen. Binnen de huidige wetgeving is het
immers niet toegestaan dieren in Engeland in te voeren, mits
ze in quarantaine zijn geweest. De Regeling Reizen met
Huisdieren vormt nu op deze regel een uitzondering.
Veel van de voorwaarden uit het wetsvoorstel voor quaran-
taineverblijven verduidelijken simpelweg eisen ter voorko-
ming van ziekten, die opgenomen zijn in de bestaande wet en
onderliggende documenten. Echter, een aantal voorwaarden
is nieuw, in het bijzonder zij die betrekking hebben op het
welzijn van dieren, en een aantal voorwaarden zullen worden
aangepast om ze te actualiseren. De MAFF vraagt in haar ad-
viesbrief om commentaar op zowel de details als de meer al-
gemene aspecten van de voorstellen, bijvoorbeeld of de
voorgestelde hervormingen wel ver genoeg gaan en of de na-
leving van de nieuwe regels en de daarmee gepaarde kosten
voor de bedrijven wel redelijk zijn.

Richtlijnen voor verblijven

Het wetsvoorstel heeft specifieke richtlijnen voor de bouw
van en het onderhoud aan quarantaineverblijven. Nieuwe
vereisten zijn onder meer: kleedhokjes voor het personeel,
koudwatervoorziening naar elke dierenkennel en grotere
verblijven voor de grote hondenrassen. Tevens worden gra-
velvloeren niet langer in dierenverblijven toegestaan en
moet er een aparte behandelkamer komen, met hierin onder
andere een afwasbare tafel waarop dieren onderzocht kun-
nen worden, elektriciteitsaansluiting, koud- en warmwater-
voorziening, een afsluitbare kast, een EHBO-kofFer, weeg-
schalen en een richtbare lichtbron.

Berichte

verslage

Bovendien legt de nieuwe wetgeving eisen vast die op dit
moment al op vrijwillige basis in quarantaineverblijven uit-
gevoerd worden, zoals een minimale verblijfsgrootte voor
kleine, middelgrote en grote hondenrassen, minimale ver-
blijfsgrootte voor katten en een minimale verblijfsruimte
voor de gezamenlijke kennels. Tevens moeten zowel de
nachtverblijven als de voertuigen waarin de dieren vervoerd
worden tot minimaal 7°C verwarmd worden.

Taken van de beheerder

De beheerders van de quarantaineverblijven inoeten voldoen
aan een aantal voorwaarden, zoals beschreven in de Richtlijn
van de wetgeving, en in tegenstelling tot de huidige situatie
worden ze afzonderlijk getoetst. De MAFF stelt voor dat be-
heerders na hun eerste toetsing opnieuw na één jaar en vervol-
gens om de twee jaar getoetst moeten worden. Beheerders en
medewerkers mogen geen enkele veroordeling wegens dieren-
mishandeling hebben,

Eén van de taken van de beheerder is het maken en implemen-
teren van een uitgewerkt draaiboek en het schrijven van een
handleiding voor de inedewerkers over het gevaar van honds-
dolheid en de daarmee samengaande voorzorgsmaatregelen,
procedures en verplichtingen. Tevens moet hij akkoord gaan
met de procedures van de veterinaire afdelingsmanager, bij-
voorbeeld met betrekking tot bijtincidenten en evacuaties van
de verblijven. De beheerder moet erop toezien dat alle mede-
werkers die dienst hebben beschermende kleding dragen in de
verblijven en hij wijst de inedewerkers op hun plicht het wel-
zijn van de dieren te garanderen en stappen te ondernemen ter
voorkoming van dierenleed. Het moet voor dc diereigenaren
mogelijk zijn om minimaal twee uur per dag en in het weekend
vier uur per dag op bezoek te komen (tussen 10.00-17,00 uur).
De beheerder zal een dierenarts moeten aanstellen die zijn
werk verricht volgens de voorschriften zoals ze gespecificeerd
zijn in het wetsvoorstel genoemde Richtlijn \'Quarantaine
Veterinary Schedule\'. Hij zorgt er tevens voor, tenzij anders ge-
specificeerd in een schriftelijke overeenkomst met de quaran-
taine dierenarts, dat: alle dieren te allen tijde schoon water tot
hun beschikking hebben, dat er ten minste één kattenbak per
unit staat die 1 keer per dag wordt schoongemaakt en dat hon-
den iets krijgen om op te kauwen. Het wetsvoorstel bekrachtigt
een aantal maatregelen die nu al vrijwillig worden uitgevoerd,
zoals de regel dat honden tenminste één keer per 24 uur eten
krijgen en katten twee keer per 24 uur, Daamaast dient de op-
zichter een dierenbezitter binnen 24 uur telefonisch te berich-
ten als zijn dier ziekteverschijnselen vertoont.

Veterinaire eisen

Het takenpakket van de quarantainedierenarts zoals ver-
woord in de voorgestelde Richtlijn bevat onder meer be-
schikbaarheid, 24-uurs hulpdienst, bezoekfrequentie, in-

-ocr page 411-

spectie, onderzoek en behandeling van dieren en verslagleg-
ging. Nieuwe taken en verantwoordelijkheden omvatten de
eis dat de quarantainedierenarts verzocht wordt een door de
MAFF vijf dagen van tevoren bekend gemaakte inspectie
van de quarantaineverblijven bij te wonen. Ook is voorge-
steld dat de dierenarts op verzoek advies geeft aan de expedi-
teurs die dieren van en naar de verblijven vervoeren.
Ook nieuw is dat de quarantainedierenarts verplicht wordt
samen te werken met een door een diereigenaar voorgedra-
gen dierenarts voor een second opinion over de behandeling
van een dier dat in quarantaine verblijft. In zulke gevallen
moet de quarantainedierenarts het onderzoek van de aange-
stelde dierenarts begeleiden. De quarantainedierenarts zal
minder bezoeken aan de quarantaineverblijven gaan afleg-
gen dan op dit moment vereist is, maar wel intensiever werk
verrichten tijdens elk bezoek. Daarbij zal de quarantainedie-
renarts ten minste drie keer per week de quarantaineverblij-
ven mogen bezoeken, met tussenpozen van ten hoogste 72
uur. De taken tijdens een bezoek zijn: alle dieren inspecte-
ren; klinisch onderzoek verrichten als de gezondheid van
een dier reden tot ongerustheid geeft; temperatuur in de ken-
nels controleren; alle dieren minimaal één keer in de maand
klinisch onderzoeken; dieren wegen bij aankomst, vertrek,
en als de gezondheid van het dier reden tot ongerustheid
geeft; rapportage schrijven over elk dier en beoordelen of de
door de eigenaar gevraagde extra eisen redelijk zijn.

Teken en lintwormen

In het wetsvoorstel staat dat dieren voordat ze in quarantaine
gaan behandeld moeten zijn tegen teken en lintwormen. Als
dit niet naar tevredenheid van de quarantainedierenarts ge-
beurd is in de 48 uur voordat het dier het land binnengekomen
is, dienen deze behandelingen binnen 72 uur na aankomst als-
nog te worden uitgevoerd. Dit geldt ook als de quarantaine-
dierenarts ontevreden is over de behandeling van een dier be-
treffende microchip, vaccinatie tegen hondsdolheid of een
bloedtest, zoals gespecificeerd in de Regeling Reizen met
Dieren. Ook dan dient de arts het dier binnen 72 uur opnieuw
tc behandelen. In gevallen dat een dier te ziek is om gevacci-
neerd tc worden of om behandeld te worden tegen teken en
lintwormen zal de quarantainedierenarts contact opnemen
met de inspectie om vaccinatie of behandeling uit te stellen.

Cespecialiseerde quarantaineverblijven

Hoewel het advies van de MAFF grotendeels voor honden
en katten geldt, verwijst het wetsvoorstel ook naar gespecia-
liseerde quarantaineverblijven bijvoorbeeld in dierentuinen
en onderzoekscentra. Voor deze verblijven stelt de MAFF
voor nieuwe erkenningsprocedures op te stellen voor dieren-
artsen en medische beheerders, die aanvankelijk na één jaar,
en daarna om de twee jaar herhaald worden.

Wat betreft de import van vleermuizen is het voorstel om alle
geïmporteerde vleermuizen in quarantaine te plaatsen en ze
daar de rest van hun leven te laten. Dit geldt ook voor vleer-
muizen die in quarantaine geboren worden. Onder de hui-
dige regelgeving blijven alleen de vampieren hun hele leven
in quarantaine.

Kosten

De MAFF merkt op dat er op dit moment 61 erkende quaran-
taineverblijven voor huisdieren in Engeland zijn en dat de
kosten van de voorgestelde nieuwe regels voor de beheerders
variëren, afhankelijk van de grootte van de verblijven en de
door te voeren veranderingen. Wat betreft de betaling voor
veterinaire diensten merkt de MAFF op dat dit een zaak is
voor de beheerders en hun dierenartsen. Maar de MAFF ver-
wacht niet dat deze kosten sterk zullen veranderen omdat er
meer van de quarantainedierenarts wordt verwacht bij elke
visite, ook al zorgen de nieuwe regels voor een halvering van
het aantal visites. Wel verwacht de MAFF dat quarantaine-
dierenartsen wat extra kosten maken om te voldoen aan de
vernieuwde erkenningseisen. zoals benodigde tijd om be-
kend te raken met de regels en andere vereiste training.
In het algemeen verwacht de MAFF dat voor de beheerders
de kosten per verblijf kunnen variëren van £ 500 tot £ 5000.
Volgens de MAFF heeft de regering de quarantainesector
voortijdig gewaarschuwd voor de veranderingen en duide-
lijk gemaakt dat er geen compensatie wordt gegeven voor in-
komstenderving of voor aanpassingskosten. Sinds februari
2000 zijn reeds negen quarantaineverblijven gesloten en
door de introductie van de Regeling Reizen met Dieren is
volgens de quarantainesector de handel met 60% gedaald.
MAFF verwacht dat de quarantainehervormingen en de uit-
breiding van de Regeling voor Reizen met Dieren waar-
schijnlijk meer sluitingen tot gevolg zullen hebben.
De MAFF schat dat de kosten voor de regering met betrek-
king tot de nieuwe erkenningsprocedures voor quarantaine-
dierenartsen en beheerders in het eerste jaar £ 60.000 en ver-
volgens £ 30.000 per jaar gaan bedragen.

Een exemplaar van het adviesdocument kan opgevraagd
worden bij de PETS helplijn (00 44 870 241 1710) of via de
website >vwvi\'. maff.gov. uk/animalh/quarantaine.

-ocr page 412-

Commissie Aanprijzing Veterinaire Producten

De Commissie Aanprijzing Veterinaire Producten
(CAVP), een gezameniijke commissie van KNMvD
en FIDIN, beoordeelt klachten over misleidende aan-
prijzingen van veterinaire producten en doet bin-
dende uitspraken daarover Het Secretariaat is ge-
vestigd te Ermelo: Margrietlaan
9, 3851 RS Ermelo,
telefoon: 0341 - 551703, fax: 0341 - 551881, E-mail:
norgburo@wxs.nl.

In december 2000 werd bij de CAVP een klacht inge-
diend die betrekking had op een publieksadvertentie ter
aanprijzing van een lactatie-injector voor behandeling
van uierontsteking bij rundvee.

De desbetreffende advertentie was herkenbaar bedoeld
als een \'herinneringsadvertentie\', met als gevolg dat de
informatie beperkter kan zijn dan in een gewone adver-
tentie.

De klacht behelsde dat het hier niet ging om een \'herinne-
ringsadvertentie\', omdat de tekst een slogan bevat die het ge-
adverteerde product qua verkoopsucces gunstig positioneert
ten opzichte van concurrerende producten, met daaraan im-
pliciet verbonden conclusies. Volgens de klacht behoeft een
dergelijke slogan adequate uitleg, die thuishoort in een nor-
male advertentie. Daarmee is tevens geboden dat de adver-
tentie de volledige reeks informatie bevat.

Bevindingen CAVP

1. De CAVP was van mening dat de advertentie paste in de
reeks van eerdere \'herinneringsadvertenties\'. Ter zake
van de slogan concludeerde de CAVP dat het gaat om een
publicitair aanvaardbare uiting die geen wetenschappe-
lijke onderbouwing behoeft.

In deze zin werd de klacht afgewezen.

2. Echter ter zitting werd de schriftelijke klacht aangevuld
met het verwijt dat een inmiddels gewijzigde productei-
genschap, namelijk een verlenging van de wachttijd, niet
werd vermeld in de advertentie.

De CAVP stelde dat een herinneringsadvertentie slechts
mag refereren aan een gevestigd product, met de daaraan
in de markt bekende essentiële producteigenschappen.
Daarom is het gebruik van een \'herinneringsadvertentie\'
misleidend wanneer essentiële producteigenschappen
zijn gewijzigd en niet worden vermeld.
Deze klacht werd toegewezen.

Behandeling klacht advertentie lactatie-injector

Studenten Van Hall beoordelen websites

Leeuwarden - Studenten van het Van Hall Instituut
(HBO) hebben onderzoek gedaan naar de wijze
waarop dierenartsen, dierenasielen, veevoederleveran-
ciers, hondenfokkers en ziektekostenverzekeraars voor
huisdieren zich op internet presenteren.

De studenten verkozen de website van Dierenartsenpraktijk
Brouwhuis in Helmond
(wwv,\'.dierenkliniek.com) tot de
beste dierenarts-site en die van Dierenkliniek De Posten in
Drachten
(www.dierenkliniek.org) tot de minst informatieve
binnen de \'dierenartsensites\'.

Bij de opvang kwam Dierenasiel Twente als beste uit de bus
(ww\'w.dierenasiel-twente.nD. Asiel De Nomadenhof in
Sneek werd tot minst informatieve uitgeroepen
(www.angel-
tire. com/nh/dierenasiel
).

De onderzoeksopzet was overigens beperkt tot zes websites
per groep bedrijven.

Veterinair Historisch Genootschap

E.P. Oldenkampi

Binnen het kader van een door het VHG te maken videofilm over diverse aspecten van de diergeneeskunde (praktijk,
opleiding, studentenleven) zijn wij op zoek naar films gemaakt voor 1950. Tevens zijn wij geïnteresseerd in foto\'s uit
deze periode. Het materiaal wordt desgewenst geretourneerd.

\' Namens de werkgroep 1925-1950, E.P. Oldenkamp, Zijdesingel 37. 2261 CB Leidschendam.

-ocr page 413-

Mond- en klauwzeer treft ook Paleis Het Loo
en de Stichting Zeldzame Huisdierrassen

Paleis Het Loo en de Stichting Zeldzame Huisdierrassen
(SZH) zijn genoodzaakt de tentoonstelling\' f^/\'-vï^/iyA
Vee
op Het Loo\'
vanwege de huidige mond- en klauwzeer
(IVIKZ)-situatie een jaar uit te stellen. De expositie, een
unieke combinatie van huisdieren vereeuwigd op doek èn
in levende lijve in één tentoonstelling, zou op 11 april 2001
worden geopend door de minister van Landbouw;
Natuurbeheer en Visserij, mr. L.J. Brinkhorst.

Naast de permanente expositie van de dieren buiten en de
schilderijen binnen zouden verspreid over drie maanden
diverse diergerichte manifestaties plaatsvinden. Dit brengt
verplaatsing van dieren, met daaruit voortkomende risico\'s
met zich mee. Bij een nog niet beheerste MKZ-epidemie in
het Verenigd Koninkrijk en een recente uitbraak in
Frankrijk is het niet verantwoord op een positievere situatie
over ruim drie weken te anticiperen. In verband met de on-
herroepelijke organisatorische en logistieke voorbereidin-
gen kon een beslissing over het al dan niet doorgaan in
2001 niet langer worden uitgesteld.
De directie van Paleis Het Loo Nationaal Museum en het be-
stuur van de Stichting Zeldzame Huisdierrassen (SZH) wil-
len elk risico vermijden het MKZ-virus te verspreiden. De
runder-, schapen-, en geitenrassen die, naast paarden en
pluimvee, op de weiden voor Het Loo zouden rondstappen
zijn alle gevoelig voor MKZ. Met name de zeldzame huis-
dierrassen zijn kleine populaties, die geen enkel risico mogen
lopen door \'stamping out\' maatregelen. Deze populaties vor-
men met elkaar een unieke genenpool waarin grotendeels de
lokale genetische diversiteit van de betreffende soorten is
vertegenwoordigd. Onder de ongetwijfeld talloze bezoekers
voor deze tentoonstelling zouden zich zeker ook vele hou-
ders van zeldzame, voor MKZ gevoelige dieren bevinden.
De agenda van Paleis Het Loo staat pas volgend jaar een
tentoonstelling van deze aard en omvang toe. De organisa-
toren van Paleis Het Loo en de SZH hebben dan ook beslo-
ten de tentoonstelling ruim een jaar uit te stellen. De
nieuwe datum van de tentoonstelling
Vorstelijk Vee op Het
Loo, Nederlandse huisdierrassen aan de wand en in de wei
is nu zaterdag 11 mei tot en met zondag 28 juli 2002 (onder
voorbehoud).

Informatie

Publiciteit, telefoon: 055 - 5772448/459 (tijdens kan-
tooruren), www.paleis.hetloo.nl
Coördinator Buitengebeuren: R. Back, telefoon: 0573 -
252570. e-mail: ro.back@planet.nl
Openingstijden: Paleis en Tuinen gehele jaar geopend
van di t/m zo, 10-17 uur.

Maandag gesloten, tenzij een feestdag. Nieuwjaarsdag
gesloten. Buslijn 102 en 104 vanaf NS-station.
Stichting Zeldzame Huisdierrassen: De Drieslag 30,
825 UZ Dronten, telefoon: 0321 - 387941, www.szh.nl

Wie is de gebeten hond?

Wettelijke aansprakelijkheid bij schade door dieren

deel 2

In de vorige aflevering hebt u kunnen lezen dat de eige-
naar* altijd aansprakelijk is voor schade die door zijn
(haar) dier wordt veroorzaakt. Deze aansprakelijkheid
wordt \'risico-aansprakelijkheid\' genoemd, hetgeen wil
zeggen dat de aansprakelijkheid óók bestaat als de eige-
naar er niets aan kon doen. Op deze regel zijn wel enige
uitzonderingen te noemen, die hieronder zullen worden
besproken.

laira Boissevain

\'Eigen schuld\'

Het wetsartikel dat de aansprakelijkheid voor dieren regelt,
geeft als hoofdregel dat de bezitter van het dier aansprakelijk
is voor schade. Een uitzondering wordt gemaakt voor de ge-
vallen waarin de schade te wijten is aan degene die schade
lijdt, \'eigen schuld\', of liever gezegd, \'eigen risico\'. Maar
wanneer is hier nu sprake van? Neem je een risico als de poes
van een vriendin komt logeren? Of als je je papegaai tijdens
de vakantie onderbrengt bij iemand met een roofzuchtige
kat? Of als je de hond in het park laat loslopen? De wettekst
biedt hier weinig houvast, daarom is jurisprudentie (uitspra-
ken van rechters in concrete gevallen) zo belangrijk.

Drie vreemde gevallen

De bovengenoemde gevallen zijn niet uit de lucht gegrepen
maar daadwerkelijk voorgekomen in rechtszaken over de
aansprakelijkheid. Een logerende kat lag op een stoel van de
oppas, en sprong daar op een onverwacht moment vanaf De
logeertante struikelde en kwam daarbij ongelukkig terecht.
Ze stelde de eigenaar van de kat aansprakelijk voor de
schade, maar de rechter vond het niet uitzonderlijk dat poe-
zen van een stoel springen. Bovendien had de oppas het zelf
goedgevonden dat de kat op de stoel lag, daarom bleef de
schade voor rekening van de poezenoppas.
Andersom stuurde een vader zijn papegaai uit logeren bij

-ocr page 414-

zijn zoon, waar ook een kat in huis rondliep. De papegaai
had eerder bij de zoon gelogeerd, zonder problemen, maar
deze keer nam de kat in een onbewaakt ogenblik zijn kans
waar; en at de papegaai op. Pa stelt zijn zoon aansprakelijk
voor de schade. Wie heeft hier nu een risico aanvaard, papa
omdat hij zijn gaai uit logeren stuurt, of zoon omdat hij de
papegaai te logeren neemt? De rechter acht de zoon aanspra-
kelijk voor de schade aan de papegaai, omdat eerdere logeer-
partijen zonder problemen waren verlopen. Papa mocht er
vanuit gaan dat hij de papegaai veilig op het adres kwijt kon.

Wat waarschijnlijk vaker voorkomt dan katten die lunchen
met papegaaien, zijn honden die elkaar te lijf gaan. Zo ook in
de Scheveningse bosjes van Den Haag, waar een Ierse wolfs-
hond en een Duitse Dog elkaar in de haren vliegen. Dit inci-
dent wordt door de eigenaren voortgezet bij de rechter, die de
aansprakelijkheid verdeelt, aangezien beide eigenaren een
risico hebben genomen door hun honden los te laten lopen.
Of dit uit gedragsoogpunt een reëel oordeel is valt te bezien,
maar er zijn vele verzekeringsmaatschappijen die dit stand-
punt hebben overgenomen. Degene die zijn hond los laat

* Hel relevante wetsartikel legt de aansprakelijkheid hij de \'bezitter\' van het dier Er is
een technisch/juridisch verschil tussen eigenaar en bezitter dal hier verder builen
beschouwing wordt gelaten.

lopen moet vaak zelf het risico maar dragen dat zijn eigen
hond gebeten wordt. Dat kan heel wrang worden als een on-
bevangen pup naar een aangelijnde volwassen hond huppelt
en vervolgens met spoed aan elkaar moet worden gehecht.

Samenvattend

De bezitter van een dier blijft aansprakelijk voor schade die
het dier veroorzaakt, ook als het dier bij iemand logeert, of
door iemand anders wordt uitgelaten. De enige uitzondering
hierop geldt voor degene die hiermee een risico heeft aan-
vaard, zoals het oppasadres dat bereid is het dier te verzor-
gen. Daarbij is een belangrijk verschil; schade aan de oppas
of het oppasadres zelf kan niet worden verhaald op de eige-
naar, maar schade aan derden weer wél. Als de hond bij oma
logeert, en daar een buurjongetje bijt, is niet oma, maar de ei-
genaar van de hond aansprakelijk. Bijt hondlief het bankstel
van oma kapot, dan hoeft de eigenaar niet op te draaien voor
de schade.

Bij schade door honden wordt loslopen als een extra risico-
factor gezien, die al snel voor rekening van de eigenaar komt.

Volgende keer: de wachtkamer, de spreekkamer en het
verblijf in de kliniek.

Feline symposium afgelast

Het jaarlijkse Feline symposium van de Stichting Symposium Feline Geneeskunde op 19 mei 2001
is vanwege de mond- en klauwzeercrisis afgelast.

Dit symposium is aangekondigd in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde van 15 februari 2001 (pa-
gina 119).

Congresse

cursusse

Nietalle veterinairen hebben zitten slapen

Rein Strikwerda, Meppel

Naar aanleiding van het een of andere
krantenbericht stuurde ik vorig jaar
onderstaand ingezonden\' naar De
Telegraaf, die het op 9juni plaatste in
de rubriek WUZ.

Enkele collega\'s die het zich herin-
nerden (één had het zelfs bewaard)
sporen mij nu aan het naar het
Tijdschrift voor Diergeneeskunde te
sturen als bewijs dat niet alle veterinairen sedert 1991 heb-
ben zitten slapen. Wat u er eventueel mee wilt doen, laat ik
uiteraard geheel aan uzelf over. Trouwens, in 1991 heb ik in
een publicatie voor het Veterinair Historisch Genootschap
het volgende opgemerkt:

• Inmiddels is men in \'Europees\' verband van de jaarlijkse al-
gemene mkz-enting van rundvee afgestapt. Een ronduit heil-
loze ontwikkeling! Wie zoiets hebben uitgebroed, kunnen
nooit mond- en klauwzeer \'in het echt\' hebben meegemaakt.

Ingezonde

Mond- en klauwzeer (juni 2000)

Dat tegen mond- en klauwzeer geënte dieren virusdragers en
-verspreiders worden, is een indianenverhaal waarmee
destijds met name de Amerikanen en Britten op de proppen
zijn gekomen om handelsbarrières te kunnen opwerpen.
Helaas heeft de EU uit een oogpunt van commercie gecapi-
tuleerd en een algemeen entverbod uitgevaardigd. Sedert die
tijd leven wij op een vulkaan. Onze hele rundvee-, schapen-
en varkensstapel heeft hoegenaamd geen weerstand meer te-
gen dit gemene virus. Een uitbraak van de ziekte zou een
ramp betekenen, waarbij die van de varkenspest - waar even-
eens een verkeerd entbeleid aan ten grondslag lag - in het
niet zou vallen.

-ocr page 415-

Met grote verbazing zag ilc op 5 april 2001 op RTL5 dat
mevrouw drs. E.L. Ellinger uit Apeldoorn, die volgens
het jaarboek van de KNMvD een (alleen!) homeopathi-
sche praktijk uitoefent, probeert aan boeren haar homeo-
pathische druppels tegen mond-en klauwzeer (MKZ) te
slijten. Navraag bij de betreffende collega bracht aan het
licht dat het haar inderdaad menens was (en dat het we-
derom geen 1 april-grap betrof). Daar er geen weten-
schappelijk bewijs is voor de preventieve werking van
haar druppels tegen MKZ, terwijl zij wel de suggestie
wekt, moeten haar activiteiten worden bestempeld als
kwakzalverij.

Enorme opwinding

E.L Ellinger

Uit de brief van collega Lumeij blijkt een enorme opwin-
ding. Ik hoop dat deze is gebaseerd op betrokkenheid bij
de huidige MKZ-problematiek.

Dat dierenartsen in deze tijd, waarin de wanhoop de boe-
ren nabij is, op deze wijze proberen een graantje mee te
pikken uit de MKZ-crisis stuit mij erg tegen de borst. Het
propageren van homeopathische druppels tegen MKZ is
een blamage voor de professie.

Homeopathische dierenarts maakt misbruik van de mond- en
klauwzeercrisis

J.T. Lumeij

Dit incident en andere homeopathische incidenten heb-
ben bij mij zo langzamerhand de gedachte doen postvat-
ten dat het voortschrijdend inzicht de KNMvD zou moe-
ten gebieden zich te distantiëren van de veterinaire
homeopathie en de groep homeopathische dierenartsen
maar eens op straat te zetten. Als de MKZ-crisis voorbij is
moet daar nog maar eens goed over worden gepraat.

Wat zijn conclusie omtrent mij als persoon betreft (\'graan-
tje meepikken uit de MKZ-crisis\'): in het telefoongesprek
dat wij voerden, voordat hij zijn brief instuurde, heb ik hem
gezegd en aangetoond dat dit niet het geval is.
Wat de verdere inhoud van de brief betreft kan ik kort zijn.
Mijn persoonlijke voorkeur gaat uit naar een vruchtbare
dialoog met mensen met kennis van zaken. Daarom zie ik
verder geen reden op de inhoud van deze briefin te gaan.

MKZ-uitbraak afremmen middels homeo-
pathie te weinig onderbouwd

Advertentie Palfium® = Palface^

LJ. Hellebrekers^ en C.H.P. Pellicaan^

In aflevering 5 van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde
staat op pagina 155 een advertentie voor Palfium" =
Palface*.

Zoals ook blijkt uit het in de advertentie genoemde RVG-
nummer, is dit product geregistreerd voor gebruik bij de
mens en kent het GEEN veterinaire registratie.
De actieve stof in Palface® is niet expliciet vermeld, maar
is naar wij aannemen
dextromoramide. Aangezien er
voor dextromoramide veterinair geregistreerde alterna-
tieven zijn (methadon HCL, 10 mg/ml REGNL 2594,
hond), is het gebruik van Palface" niet toegestaan.
Alleen in die gevallen waar geen veterinair gere-
gistreerde alternatieven voorhanden zijn, en er sprake is
van een veterinaire noodzaak, kan gebruik gemaakt wor-
den van een niet geregistreerd middel.

\' Veterinaire A nesthesiologie. Faculteit der Die/geneeskunde.
^ Ziekenhuisapotheker i.o., .ipotheek Faculteit der Diergeneeskunde.

Vera Baumans

De Groep Homeopathisch-werkende Dierenartsen (GHwD)
distantieert zich van de poging van collega Ellinger om de
MKZ-uitbraak af te remmen met homeopathische middelen.
De GHwD is van mening dat een dergelijke methode op dit
moment te weinig onderbouwd is om te kunnen vertrouwen
op effectiviteit, hoewel het zoeken naar middelen om deze
uitbraak, die zoveel leed bij mens en dier veroorzaakt, tot
staan te brengen heel legitiem is, en prijzenswaardig voor ie-
dere dierenarts met hart voor dieren. Daar zou een discussie
zich op moeten richten. Het dan maar direct \'veroordelen\'
van de Groep Homeopathisch-werkende Dierenartsen, zoals
collega Lumeij doet, is kinderachtig en kortzichtig. Het gaat
hier om een persoonlijke mening van een collega die voort-
komt uit betrokkenheid bij dieren, maar die op dit moment
naar de mening van de GHwD niet reëel is. Dan zou men bij
elke \'veroordeling\' van de tuchtraad de hele diergeneeskun-
dige professie in de ban kunnen doen. Een open en eerlijke
discussie siert ons als academici meer!

> Voorzitter Groep Homeopathisch-werkende Dierenartsen.

-ocr page 416-

Meldpunt Anesthesie-incidenten

D. Kranendonk^

Enige tijd geleden stierf in onze praktijk een bij klinisch
onderzoek kerngezonde Sheltie. Omdat de eigenaar en ik in
de veronderstelling verkeerden dat Shelties ten opzichte van
de gemiddelde hond gevoelig op anesthetica kunnen reage-
ren, had ik de door ons gebruikte premedicatie met atropine,
methadon en acepromazine met 25% gereduceerd ten op-
zichte van de dosering zoals we die toepassen bij honden met
een vergelijkbaar gewicht.

Na inductie met thiopental-natrium (Nesdonal) en intubatie
werd de anesthesie onderhouden met een mengsel van zuur-
stof/lachgas en iso-fluraan. Middels een capnograaf en ECG
werd de anesthesie gecontroleerd. Vijf minuten na intubatie
alarm: totale asystolie. De ademhaling ging nota-bene nog
lange tijd in normale frequentie door. Ondanks het uitvoeren
van alle ons ter beschikking staande maatregelen mocht rea-
nimatie niet baten. Spoedsectie bij de Hoofdafdeling
Pathologie van de Faculteit der Diergeneeskunde leverde
geen verklaring op voor het incident. De anesthesie- en be-
wakingsapparatuur is in de weken erna gecontroleerd en in
orde bevonden.

De eigenaar verweet ons dat acepromazine nooit bij Shelties
gebruikt had mogen worden. \'Dit was bij fokkers, de rasver-
eniging en andere dierenartsen bekend\'. Navraag bij de vak-
groep Anesthesiologie van de Hoofdafdeling Geneeskunde
van Gezelschapsdieren leerde mij echter dat:

1. De Sheltie bij de vakgroep niet bekend staat als een hond
met een groter anesthesierisico.

2. Door medewerkers van deze vakgroep acepromazine en

methadon als eerste keus pre-medicatie bij Shelties wordt
toegediend. Er worden geen problemen gezien.
3. Dat er op basis van mijn informatie geen duidelijke oor-
zaak gegeven kan worden voor het vreemde incident.

Ook vernam ik dat lang niet alle anesthesieproblemen in het
veld bij de vakgroep gemeld werden, waardoor een goed in-
zicht in eventueel rasspecifieke gevoeligheden voor be-
paalde anesthetica mogelijk ontbreekt.
Recent is door de vakgroep een enquête naar practici verzon-
den teneinde een beter inzicht te verkrijgen in de gebruikte
anesthesieprocedures. Hopelijk zorgt een goede respons en
dito uitwerking voor een handvat om de anesthesie bij de
practici in den lande te optimaliseren.

De reden van mijn schrijven ligt in het feit dat ik denk dat het
ook noodzakelijk is dat er een meldpunt komt waar alle
anesthesie-incidenten gemeld kunnen worden. In principe is
dat meldpunt er al en wel in het Bureau Bijwerkingen
Diergeneesmiddelen (BED). Bij monde van collega
Kamphuis werd mij meegedeeld dat melding van anesthesie-
probleinen hem zeer zinvol leek en dat hij elk initiatief in
deze van harte zal ondersteunen.

Alleen op deze wijze kunnen gegevens aangeleverd worden
die aanleiding kunnen geven tot specifieke aanpassingen
van anesthesieprotocollen of tot nader onderzoek.

Ik denk dat melding van anesthesie-incidenten net als alle an-
dere mogelijke coinplicaties na medicinale handelingen als een
plicht moeten worden gezien voor practici die volgens de GVP-
normen willen werken. Melden kan per telefoon 0317-475487,
per fax 0317-423193 of per e-mail: a.kamphuis@bbd.agro.nl.

\' Dierenkliniek Putten, e-mail: dapputten(tltplanel.nl.

Lijst studenten referaten 4e kwartaal 2000

Eerstelijns benadering van enkele
aandoeningen bij reptielen. B.
Schiliemans; SR 1041/00: 38 pp.

Monitoring pro inflammatory cy-
tokines and acute phase proteins in
clinical cases of equine intestinal
ischemia (Ell). A preliminary in-
vestigation. M. Marcon. R. van den
Ham, VRM.G. Rutten, W. Klein en E. Gruys; SR
1042/00:22 pp.

Bumblefoot in raptors; a review. F.J. Davids; SR
1043/00: 27 pp.

Uiergezondheid bij melkschapen. J. Zeegers; SR
1044/00:28 pp.

Parodontale aandoeningen bij de kat. Met een bespre-
king van het resultaat van partiële extractie als thera-
pie. R. Blankestijn; SR 1045/00: 62 pp.

Studenten
referaten

Veearts in naam der wet. Een evaluatie van het veeart-
senijkundig staatstoezicht in de periode 1871-1896,
T.M. van der Ploeg; SR 1046/00: 37 pp.

Het risico van zoönotische infecties bij xenotransplan-
tatie. A. Rossing en R. Schouten; SR 1047/00: 48 pp.

The effects on bovine reproduction of feeding different
levels of energy and protein, a review. S.N. Pool; SR
1048/00:29 pp.

Een literatuurstudie en onderzoek naar het feliene gigi-
vitis-stoniatitis-pharyngitis-complex. P. Wentzel; SR
1049/00: 33 pp.

Post-vaccinale complicaties bij honden en katten. S.
Boerboom; SR 1050/00: 21 pp.

Duur van anti-microbiële activiteit in aquariumwater
na eenmalige toediening van enrofloxacine (Baytril®),
J. Uilenreef; SR 1051/00: 22 pp.

-ocr page 417-

Dr. Vlimmen, vergane glorie? Het imago van de die-
renarts van 1900 tot 2000. C. Danhof en E. van Boxel;
SR 1052/00: 38 pp.

Lebmaagimpactions bij runderen. Een literatuurover-
zicht. P. van Laarhoven; SR 1053/00: 20 pp.

Equine sarcoid en het effect van interleukine-2. D.F.E.
van der Velden; SR 1054/00: 27 pp.

Pluimveeziekten in de tropen. R Nomden en H.
Verhoeven; SR 1055/00: 86 pp.

Ileocaecale en caecale invaginaties bij paarden. Een
evaluatie van het resultaat van operatie aan invaginaties
waarbij het caecum betrokken is in de periode van 1990
tot en met 1999. A.N. Roozeboom; SR 1056/00: 35 pp.

Onderzoek naar de verschillen in diergeneeskundige
problematiek tussen de HGG en de dierenartsenprak-
tijken tijdens de stage van de basisco-assistenten ge-
zelschapsdieren. E.C. Wolking; SR 1057/0: 27 pp.

Prostaatcarcinoom bij de reu. Een literatuurstudie en
resultaten van een retrospectief onderzoek. E. van Dijk
en E. Naam; SR 1058/00: 40 pp.

Het bovine immunodeficiëntie virus. Een terugblik op
de afgelopen kwart eeuw. B. van de Griend; SR
1059/00: 18 pp.

Repeat Breeding bij de hoogproductieve koe. Een
complex syndroom geplaatst binnen het bedrijfseco-
nomisch kader. M. Boswinkel: SR 1060/00: 54 pp.

Mega-oesophagus bij het Friese paard. L.E.M.
Broekman en D. Kuiper; SR 1061/00: 63 pp.

Het huisdier als therapeut. S.E.H.M. Waelen; SR
1062/00: 70 pp.

The use of Interleukin-2 in four different kinds of tu-
mours. M. Hack en S. Hateboer; SR 1063/00: 111 pp.

Een onderzoek naar de werking van vers ananassap als
therapeuticum voor haarballen bij het konijn. B.C.
Hoogendoom en C.J. Bennebroek; SR 1064/00: 15 pp.

Cryptosporium Parvum. Het risico van besmetting van
humaan drinkwater door herkauwers. R.O. Neuteboom;
SR 1065/00: 28 pp.

Oestrussynchronisatie bij koeien: een overzicht en
nieuwe inzichten. A. M. Bootsma; SR 1066/00: 56 pp.

Can the anticonvulsive effect of the ketogenic diet in
epileptic children be used as a therapy for dogs with
epilepsy??. H. Naoum; SR 1067/00: 20 pp.

Eitje? Een literatuuroverzicht naar de mogelijkheden
van oestrusdetectie, -inductie en -synchronisatie bij de
merrie. M. KoningenC.de Kleijn; SR 1068/00:41 pp.

Lyssavirussen bij vleermuizen en het risico voor de
volksgezondheid - een literatuuronderzoek. M. Aalten
en EM. Alink; SR 1069/00: 35 pp.

Een objectieve evaluatie van locomoties bij de Shetland
pony. M.T Remmen; SR 1071/00: 24 pp.

Voorschrijven is één, ....Therapietrouw is twee.....M.

Berendsen; SR 1072/00: 15 pp.

A general survey of health and body condition of cattle
of subsistence farms in four communal regions round
Harare, Zimbabwe. M. Keijser; SR 1073/00: 35 pp.

Melkziekte bij het rund; een onderzoek naar diagnose
en behandeling. J.G. Doze; SR 1074/00: 70 pp.

Melanomen bij de hond. A. van Beek; SR 1075/00: 36
pp.

The role of milk fat in the pathogenesis of bovine S. au-
res mastitis. An investigation on a Zimbabwean farm.
EH. Timmermans; SR 1076/00: 14 pp.

Cystitis en cysto-uretero-pyelonefritis bij het rund. T.
van der Vlerk; SR 1077/00: 23 pp.

De diagnostiek van paratuberculose. J. Otten; SR
1078/00:21 pp.

PBFDV-diagnostiek. Bloed of veren? J.A.E.M.
Sterenborg; SR 1079/00: 21 pp.

Klinisch-genetische studie van \'familial rendal dis-
ease\' bij de Noorse elandhond. A.C. Wiersma; SR
1080/00: 36 pp.

De invloed van lateraal wigbeslag op de kinematiek van
het voor- en achterbeen bij de Shetland pony tijdens
draf. l.M.T Ahneen A. Gouwerok; SR 1081/00: 23 pp.

Calcium Balance in Drakensberg Crag Lizards. S. van
derWardt; SR 1082/00: 11 pp.

Proliferatieve enteropathie bij het varken. Een litera-
tuurstudie. D. Priester; SR 1083/00: 25 pp.

Ultravioletvisie bij vogels. 1. Moors; SR 1084/00: 28
pp.

Gamma-glutamyltransferase. De diagnostische waarde
in serum en urine van paard en rund. M. Oomen en
M.C.L.deWit;SR 1085/00: 28 pp.

Zandkoliek bij paarden. Literatuurstudie & retrospec-
tief onderzoek: 1994-1998. S. van \'t Riet en P. Sauter;
SR 1086/00: 48 pp.

Mastocytomen bij de Boxer Een literatuurstudie en
retrospectief onderzoek naar het voorkomen van
mastocytomen bij de Boxer. E. Bokelaar; SR 1087/00:
16 pp.

Hoe relevant is circovirus voor de praktijk? M.P. van
der Burgt; SR 1088/00: 27 pp.

Serumglobulinegehalte van geitenlammeren als maat
voor biestvoorziening: effect van commerciele biest-
vervangers. J.J. van Amerongen, Th. Wensing en R.N.
Zadoks; SR 1089/00: 9 pp.

-ocr page 418-

Het afgelopen jaar heeft de Nederlandse Veterinaire
en Hippische gemeenschap afscheid moeten nemen
van een markante en bekende persoonlijkheid.
Mevrouw Janknegt. in iei\'en ll\'h jaar rij-instruc-
trice van de Veterinaire Studenten Rijvereniging \'De
Solleysel\', stierf na een relatief kort ziekbed 1 mei
2000.

Mevrouw Janknegt, geboren 2 mei 1930 als boeren-
dochter te Naaldwijk, was een vroitw met hart voor
dier en mens. Als jong meisje deed ze allerhande
klusjes op de diverse boerderijen in de omgeving van
haar geboortedorp. Op deze wijze was ze altijd be-
zig met de dieren waar ze zoveel om gaf. In de Jaren
\'50 kocht mevrouw Janknegt haar eerste paard en
ging rijden bij de Landelijke Rijvereniging
\'DelfJandruiters\' te Delft. Daar beh\\ aatnde ze zich
in alle opzichten in de men- en paardrijkunst.
Getuige hiervan zijn de vele diploma \'s die zij in deze
periode wist te behalen. Nadat zij eerst instnictrice
werd hij de manege van \'De Prinsestadrttiters\' ver-
huisde zij in de jaren \'70 naar de manege in
Noordeloos. In Noordeloos ging mevrouw Janknegt
het huisje bewotten dat haar zoveel jaren kenmerkte:
perfect voor elkaar en altijd even kraakhelder.
In 1983 werd zij instnictrice bij "t School\'.
Mevrouw Janknegt werd in dejaren dat ze instriic-
trice was een begrip. Niet iedereen zal met even
veel plezier terugkijken naar de uren die men door
bracht in de manege met mevrouw .Janknegt. Echter
zelfs de grootste criticus kan niet ontkennen dat ze
immer eerlijk was voor het paard en altijd met veel
enthoitsiasine aandacht had voor amazone of rui-
ter Menigeen moet toch verbaasd zijn geweest over
het feit dat ze zelfs ogen in haar achterhoofd had.
Mevrouw Janknegt had een groot plichtgevoel wat
ze zonder dralen altijd weer op dezelfde wijze uitte:
immer voor de benen en aan de tettgel!
In dat opzicht moe! het dan ook wel eens ntoeilijk
voor haar zijn geweest. Studenten hebben nu een-
maal andere normen en waarden. Pijnlijk waren
dan ook de momenten dat deze keurige mevrouw
een Solleyselkamer instapte waar nog de restanten
van de vorige avond in volle kleuren en geuren
aanwezig waren. Toch heeft ze nattwelijks iets van
haar verbazing geuit. Zij was zich meer dan wie
dan ook bewust van haar rol binnen deze vereni-
ging. Zo zou in al de jaren dat ze les gaf aan de ver-
eniging slechts éénmaal, ze had een auto-ongeluk
gehad, te laat komen. Ze was dan ook enorm trots
op haar positie aan de faculteit.

memoriam

Begin Jaren \'90 werd het allemaal te zwaar voor
mevrouw Janknegt. Mevrouw Janknegt was echter
niet de persoon om te klagen. Veel weten we er dus
niet van. In die periode verkocht zij eerst met veel
verdriet haar paard en nam enige Jaren daarna af-
scheid van de vereniging waar ze zo trots op was.
Toch ging dit moment niet stil voorbij. In 1996
werd ze in het academiegebottw op het Domplein,
in het bijzijn van bestuur, oud bestitursleden en ere-
lid C.C. van de Watering, benoemd tot erelid van
\'De Solleysel\'. Een heus rijjool, bestaande uit be-
reden politie, een achttal studenten in tenue te
paard en drie fraaie antieke rijtuigen met daarin
familie en vrienden, trok vervolgens vanuit de
Utrechtse binnenstad naar de Uithof. Daar werd ze
door een gezelschap van ruim 150 mensen opge-
wacht. Dit was. zo zei zij later, de mooiste dag van
haar leven.

In 1999 moest zij. om gezondheidsredenen, haar
schaapjes en geitjes verkopen en verhuisde ze van
Noordeloos naar Meerkerk. Haar nieuwe onderko-
men zou ze slecht heel kort bewonen. Een krappe
twee maanden later werd de pijn zo ondraaglijk dat
zelfs mevrouw Janknegt moest toegeven. Kort
daarop werd vastgesteld dal ze ongeneeslifk ziek
was.

Mevroitw Janknegt was een bijzondere vrouw die
haar leven lang bewust zelf de teugels in handen
heeft gehouden. Zo koos ze door per.soonlijke om-
standigheden bewust voor een leven van een al-
leenstaande en zelfstandige. Voor een vrouw gebo-
ren in de Jaren dertig is dat absoluut bijzonder te
noemen. In april 2000 merkte ze dat zij niet langer
in staat was de teugels zelf vast te houden. Gesterkt
door haar geloof nam ze in het bijzijn van haar
vrienden en familieleden een dag voor haar ver-
jaardag afscheid van haar leven.
Op haar begrafenis waren diverse oud-Solleysel-
leden aanwezig. Gedragen door enkele getrotiwe
ottdleden en begeleid door Solleysel-ruiters werd
Anne zo naar haar laatste rustplaats begeleid.
Wij zijn Anne dankbaar voor alles wat ze voor de
Solleysel en haar amazones en ruiters heeft ge-
daan. Vele generaties van dierenartsen dragen iets
van haar bijzondere karakter in zich mee. Dat
sterkt ons bij het dragen van dit verlies.

A.J. van den Belt

Paul Groenestein
Arie Hoogendoorn
Paul Mandigers

Mevrouw J. Janknegt

-ocr page 419-

Lustrumcongres Groep Geneeskunde van het Paard

\'Permanente educatie; wanneer mogen we weer?\'

\'Paard-en-sport onze zorg\' zo
luidde de titel van het zesde
lustrumcongres van de GGP dat op
16 en 17 februari 2001 in Nijkerk
gehouden werd. En aan deze titel is
zeker in de ruimste zin des woords
gestalte gegeven: het aanbod van
onderwerpen varieerde van meer
algemene sportzaken zoals het hoe
en wat betreffende de nieuwe paardensportbond en het
testen op verboden stoffen tot meer veterinair technische
zaken zoals de laatste inzichten betreffende de behandeling
van recurrent airway obstruction en Osteoarthrose.

Een keur aan Nederlandse, Engelse, Amerikaanse, Belgische
cn Duitse sprekers stonden garant voor kwalitatief hoog-
waardige inleidingen op de eerste congresdag. Wellicht was de
gemiddelde Nederlandse paardenpracticus hierdoor te geïm-
poneerd om een bijdrage aan de discussies te leveren: slechts
een enkeling waagde het achter de microfoon plaats te nemen.

Betere communicatie

Dc formule van dag twee verlaagde de drempel voor de ande-
ren evenwel drastisch door het aanbod van vier parallellezin-
gcn in kleinere zalen. Een breed scala aan onderwerpen pas-
seerde de revue. De lustrumcommissie gaf hierbij blijk van
grote inzichten betreffende de noden op de werkvloer: een
betere samenwerking en communicatie met andere spelers in
het \'paardenveld\'. Onder de sprekers bevonden zich dan ook
een tophoefsmid, een veterinair acupunctu-
riste, een paardentandarts, een communica-
tie- en een marketingdeskundige.

Onderonsje met specialist

Zaterdagmiddag, nu ook de schroom van de
meest bescheiden collegae onder ons ver-
dwenen was, werd de tijd rijp voor een inter-
actief onderonsje met de specialist. Men had
de kans zich te laten bijschaven en soms
zelfs te laten verrassen door de internist, de
specialist der beeldvormende technieken, de
specialist gynaecologie en de specialist chi-
rurgie.

Praktische bruikbaarheid van het gebodene
werd gegarandeerd middels duo-presentatie
door specialist-wetenschapper en specialist-
practicus.

Sociale contacten

Maar eerlijk is eerlijk: ook het contact met
collegae draagt in een belangrijke mate bij
aan het succes van een congres. De organisa-
tie erkende het belang van de sociale contac-
ten en bood in het programma dan ook alle
ruimte om bij te praten, te netwerken en de
vele standhouders te bezoeken. De geweldige ambiance en
de culinaire verzorging droegen zeker in een niet te onder-
schatten mate bij aan het positieve effect.

Maatschappi

nieuw

OfFereins erelid

Dit alles vond natuurlijk haar hoogtepunt in het lustrum-
feest: opgeluisterd door een kleurrijke act van alle oud-voor-
zitters van de GGP onder aanvoering van de zeven-
entachtigjarige Prof Wagenaar!

Maar ook de meer serieuze aangelegenheden kregen hier
hun feestelijke plaatsje:

Evert Offereins, die zich zo vele jaren verdienstelijk heeft
gemaakt voor het positieve imago van de Nederlandse
paardendierenarts, werd beloond met het erelidmaatschap
van de groep.

Eerste erkenningen

En de eerste zes erkende paardendierenartsen, variërend van
specialist tot eerste-lijnspracticus ontvingen hun certificaat
uit handen van Koos Voermans, voorzitter van het CED.
Voorzitter van de KNMvD, Ton de Ruijter, benadrukte hier-
bij nog eens het belang van de erkenningstrajecten voor ons
gezicht naar consument/cliënt.

Mocht er vanuit andere disciplines nog wel eens gemor ge-
hoord worden over het verplicht worden tot het volgen van
PAO\'s, vanuit het kamp van de paardenpractici klinkt een
heel ander geluid: \'Permanente educatie? Wanneer mogen
we weer?!\'

-ocr page 420-

ieder z\'n vak!

Voor het lidmaatschap van
de Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Dierge-
neeskunde hebben de vol-
gende collegae zich aange-
meld:
Arts, H.T.

Bennebroek, Mevr. C.J.
Dekker, C.N.T.
Eynde. Mevr. E.M. van den
Frost - Christensen, Mevr. L.N.

Personali

Graaf, H.A. de
Hermans, Mevr. J.T.
Kooken, J.J.
Labout, L.C.
Marcon, M.G.A.
Verhoeven, Mevr. J.M.E.
Vos, N.J.

Als kandidaatlid van de Koninklijke Nederlandse Maat-
schappij voor Diergeneeskunde heeft het Hoofdbestuur aan-
genomen:

Aarie, D.P.M. van
Breedvelt, Mevr. P.C.W.
Brinke, H.T. ten
Corbee, R.J.
Dinter, Mevr. N. van
Hoogeslag, M.H.F.
Klausen, Mevr. H.
Kleijs, Mevr. M.P.
Kieinjan, H.
Meijer. Mevr, H.W.H.
Stee, Mevr. A. van

jubilea mei 2001

2 mei, T. Quartel te Zeist, aanwezig, 40 jaar
5 mei, A. Boogaerdt te Lekkerkerk, afwezig, 60 jaar
10 mei, L. Nauta te Drogeham, afwezig, 50 jaar
10 mei. G. Siebinga te Beetsterzwaag, afwezig, 50 jaar
10 mei, RJ.D. van Egmond te Heino, afwezig, 50 Jaar

10 mei, J. van Dobbenburgh te Houten, afwezig, 40 jaar

11 mei. Mevr. drs. W.G. Roelofsen te Gouda, afwezig, 35
jaar

13 mei, L, Dijkhuis te Zweelo, afwezig, 35 jaar

14 mei, R.J. Vooren te Putten, aanwezig, 25 jaar

14 mei, A.M. Verhaegh te Soerendonk, afwezig, 25 jaar
14 mei, G. Jeurink te Elim, aanwezig, 25 jaar
14 mei, F. Santen te Badhoevedorp, aanwezig, 25 jaar
28 mei, M.J.A. Nuyens te Gemert, onbekend 30 jaar
28 mei, N,J.G.J. van der Wielen te Bakel, afwezig. 30 jaar
31 mei, S. Spaargaren te Loosdrecht, aanwezig 45 jaar

Deadline-)

maandag
maandag
maandag
maandag

Uiterste inleverdata voor kopij

Aflevering:

01-06-2001
15-06-2001
01-07-2001
15-07/01-08-2001

14-05-2001
28-05-2001
11-06-2001
09-07-2001

Het raadplegen van adviseurs is goed...
Maar voor de financiële zaken van uw
(toekomstige) praktijk heeft u een
specialist nodig!

Dix & Co is deskundig op financieel,
fiscaal en juridisch gebied m.b.t. praktijk-
financiering, associaties, verzekeringen,
hypotheken en pensioenen.

Landelijke dienstverlening bij praktijk-
overdracht, bij associatie en assistentie.
Belt u even voor een afspraak of een
brochure.

Maliesingel 34
3581 BJ Utrecht
Tel, (030) 244 87 74
Fax (030) 241 66 33
E-mail: info@dixenco.nl
vvww.dixenco.nl

Dix €0

Congressen & Symposia
Mei

8 Geannuleerd: Symposium "Vercommer-
eialisering van het vrije beroep\' met als
motto \'waar liggen de grenzen".
Organisatie: Raad voor het Vrije Beroep.
Meer informatie: drs. I.M.G. Thomassen,
algemeen secretaris, tel.: 070-3353582,
e-mail: rvb@raad voorhetvrijeberoep.nl.

9 Symposium "Animal Health and Food
Safety\', Recreatie- en congreshotel Ter Eist, Edegem , België.
Organisatie: Stichting Food Micro & Innovation, Obrechtlaan 17,
3723 KA Bilthoven, fax: 030-2288316, e-mail: s.notermans@wxs.nl,
www.foodmicro.nl.

10—12 Annual Scientific Meeting Veterinary Wound Healing

Association \'Advancing knowledge of veterinary wound healing\',
Hannover (D). Meer informatie: Veterinary Wound Healing
Association, Dr. S.M.E. Cockbill, Surgical Dressing Research Unit,
Welsh School of Pharmacy, UWC Redwood Building, King Edward
Vll Avenue, Cathays Park, Cardiff CFIO 3XF, Wales, UK, of website:
www.cfac.uk/uwc.phrmy/VWHA/
12—13 Horses Pain Control (Continuous Education Meeting),
Bonn/Weilerswist-Miiggenhausen, Germany. Registration: Arno
Lindner, Laurahöhe 14, D-45289 Essen; tel.: -1-49-201-571887, fax:
-1-49-201-571884, e-mail: arnolindner(^t-online.de; www.agpferd.de

-ocr page 421-

22 Hill\'s Europees symposium 2001 \'Voedselallergie bij honden en kat-
ten\', Sofitel Brussels Airport te Brussel, Diegem, aanvang: 20.30 uur.
Opgave: Hill\'s Pet Nutrition bv, t.a.v. mevr. L. van der Linde,
Essendonk 3a, 4824 DA Breda, fax: 076-5420008.

23—26 40\'^^ International Symposium on Diseases of Zoo and Wild
Animals, Rotterdam. Topics: 1) Diseases of marine animals, 2)
Diseases of Asian animals, 3) Immunoprophylaxis. Congrescentrum
Engels, Stationsplein 45, Rotterdam. E-mail: W.Schaftenaar@rotter-
damzoo.nl. website: www.lZW-Berlin.de.

30 Hill\'s Europees symposium 2001 \'Voedselallergie bij honden en kat-
ten\', Hotel Vianen te Vianen, aanvang: 20.00 uur Opgave: Hill\'s Pet
Nutrition bv, t.a.v. mevr. L. van der Linde, Essendonk 3a, 4824 DA
Breda, fax: 076-5420008.

lull

4

7 X International Symposium ofVeterinary Laboratory Diagnosticians
and OIE Seminor on Biotechnology, Salsomaggiore - Parma, Italy.
Information: Organising Secretariat, New Team, Via C. Ghiretti, 2,
43100 Parma (Italy), tel.: 39-0521-293913, fax: 39-0521-294036,
e-mail: newteam.parma@iol.it

Augustus

08—11 Samen met het jaariijkse WSAVA congres: Worid Veterinary
Dental Congress: Vancouver, Canada (Inl. www.venuewest.com/
wsava2001)

29—31 Internationaal symposium \'Comparative Clinical and Molecular
Endocrinology\', Utrecht/Zeist. Informatie: Mw. Linda B. van
Ouwerkerk. HA Geneeskunde van Gezelschapsdieren, Yalelaan 8,
Postbus 80154. 3508 TD Utrecht, tel. 030-2531693, fax: 030-
2518126, e-mail: L.B.vanOuwerkerk@vet.uu.nl. www.vet.uu.nl/en-
glish/congress/CCME.

September

13—15 9\'1^ International Conference on Human-Animal
Interactions. Rio de Janeiro. \'People and Animals: a global
perspective for the 21®\' Century\'. Conference Secretariat:
AFIRAC, 32, rue de Trévise, 75009 Paris, France, tel.:
33-1-56031200, fax: 33-1-56031360, e-mail: rio2001(@
i-et-e.fr, internet: www.iahaio.org ofwww.afirac.org.

24—25 15 forum for applied biotechnolgy, Gent, Belgium.
Administrative Centre FAB, p/a GOM - West-Vlaanderen,
Baron Ruzettelaan 33, B-8310 Assebroek/Brugge
(Belgium). Tel.: 32-(0)9-2645937. fax: 32-(0)9-2646220,
e-mail: fab2001@biomath. rug.ac.be, http://biomath.rug.ac.
be/fab2()0I/

27—29 1Annual Congress in Veterinary Dermatology of
the European Society of Veterinary Dermatology,
Copenhagen, Denmark. Further information: F.
Kristen.sen, Dept. of Clinical Studies, Royal Veterinary and
Agricultural University, Dyrlagvej 16, 1870
Frederiksberg, Denmark. Fax: 45-35282929, e-mail:
fl<@kvl.dk. www.congress-vetderm.com

Oktober

4 -7 British Veterinary Association Congress. The Guildhall,

Winchester UK. Meer informatie: BVA Congress Office, 7
Mansfield Street, London WIG 9NQ. Tel.; 44-207-
6366541, fax: 44-207-4362970, e-mail: congress(aJbva.
co.uk.

5 Jaarcongres KNMvD, Papendal, Arnhem.

25—26 Annual European Veterinary Dental Society Congress:
Berlijn. (Inl.: E-mail:
mgracisfetiscalinet.itl In samenwer-
king met het FECAVA-congres.
25—28 Annual Veterinary Dental Forum: San Antonio, Texas,
USA (http://ourworld.compuserve.com/homepages/texas)

December

14 Jubileum 25-jarig bestaan Groep Geneeskunde van het
Rund \'Kansen in Kwaliteit, de Reehorst te Ede.

Vergaderingen & Bijeenkomsten

Mei

1

12

Jaarlijks uitstapje Absyrtus Senior en de rustende dieren-
artsen in Limburg.

12e Dag van het Aangespannen Paard, Faculteit der Dier-
geneeskunde. Utrecht. Meer informatie: Stichting \'Dag van

het Aangespannen Paard\', Postbus 85314,3508 AH Utrecht, tel/fax: 030-
2539423.

15 Bijeenkomst Groep Geneeskunde van het Rund. \'Marketing van
Kennis door de gecertificeerde rundveedierenarts.\' \'s Middags.

18 Lustrum Groep Pluimveewetenschappen. Artis Amsterdam.

juni

13 AUV Algemene Ledenvergadering.

14 Ledenvergadering Groep Pluimveewetenschappen te Boxtel, aanvang
14.00 uur.

20 AUV fietsdag.

September

13 Ledenvergadering Groep Pluimveewetenschappen te Deventer, aan-
vang: 14.00 uur

Oktober

4 Sportdag KNMvD, Papendal, Arnhem.

6 Algemene Ledenvergadering KNMvD, Papendal, Arnhem.

15 AUV Najaarsregiovergadering Oost, aanvang 20.00 uur.

18 AUV Najaarsregiovergadering Noord, aanvang 20.00 uur.

23 Vijfde Boerendag.

29 AUV Najaarsregiovergadering West, aanvang 20.00 uur

November

1 AUV Najaarsregiovergadering West, aanvang 20.00 uur.

December

13 Ledenvergadering Groep Pluimveewetenschappen te Boxtel, aanvang:
14.00 uur.

• Wondbehandeling

• Nabehandeling van
operatieve wonden

Voor runderen, schapen,
paarden, honden en katten.

ACE Veterinary Products BV - Postbus 1262 - 3890 BB Zeewolde

-ocr page 422-

Cursussen

Mei

3 PUOD (België)-cursus 27: Endocrinologie, Auditorium Klinieken,
Faculteit Diergeneeskunde, Merelbeke.

3 PAO-D-cursus Endocrinologie GD (01/103-gezelschapsdieren).

8—9 PAO-D-cursus Maagdarmkanaal (01 /306-varken).

9, 16, 23 PAO-D-cursus Voeding Rund Module 1(01 /209). Tevens 16 en 23
mei.

10 PAO-D-cursus Rug Paard (01/508).

11 PAO-D-cursus Klinische Les (O I /129-gezelschapsdieren).

1 1 PUOD (België)-cursus 29: Praktische oefeningen in de radiologie: po-
sitionering voor heupdysplasie- en elleboogdysplasie-opnamen.

16 PAO-D-cursus Spinale/perifere problemen (01/122-gezelschapsdie-
ren).

16 en 23 PAO-D-cursus Chirurgie bij de Kat (01/124). Tevens 23 mei.

17 PAO-D-cursus Endocrinologie GD (01 /104-gezelschapsdieren).

17 PUOD (België)-cursus 27: Endocrinologie, Aristohotel, Vestdijk 30,
Eindhoven.

30 PAO-D-cursus \'Als de eerste foto.. .\'(01/121 -gezelschapsdieren).

31 PUOD (België)-cursus 27: Endocrinologie, Faculteit der Diergenees-
kunde, De Uithof, Yalelaan 8, Utrecht.

31 PAO-D-cursus \'Meetthespecialist\'(01/509-paard).

31 PAO-D-cursus Endocrinologie GD (01 /105-gezelschapsdieren).

31, 1 en 8 juni PAO-D-cursus Voeding Rund Module II (01/218). Tevens 1
en 8juni.

8 PAO-D-cursus Tandheelkunde (01/127-gezelschapsdieren).
8 en 15 PAO-D-cursus Chirurgie bij de Kat (01/125-gezelschapsdieren).
Tevens 15 juni.

13 PAO-D-cursus Maagdarmtherapeutica (01/132-gezelschapsdieren).

PAO-D-cursus Monitoring Voeding (01/21 O-rund).
PAO-D-cursus Intemistische Cases (01/113-gezelschapsdieren).
PAO-D-cursus Radiologie Paard (01/510).
PAO-D-cursus Röntgen Thorax (01/120-gezelschapsdieren).
-29 Workshop Moleculaire Biologie en Recombinant-DNA Techno-
logie. Inlichtingen: dr. J.A Lenstra, FdD, Postbus 80165, 3508 TD
Utrecht, tel.: 030-2534992. fax: 030-2540784, e-mail: Lenstra(ajvet.
uu.nl.

PAO-D-cursus Koemanagement (01/212).

PAO-D-cursus Maagdarmtherapeutica (01/133-gezelschapsdieren).

PAO-D-cursus Radiologie Paard (01/511).

September

5 en 17 okt. PAO-D-cursus Keuren Paard (01/512). Tevens 17 oktober.
8 PAO-D-cursus De Blaas (01/112-gezelschapsdieren).

Oktober

5-6 ESVOT-TPLO cursus in München.

ESVOT-cursus kreupel paard in München.

ESVOT-elleboogdysplasie cursus in München. Informatie en registratie:
CSM congress seminar management, tel: 49-8142-570183, fax: 49-
8142-54735, e-mail: info(a)csm-congress.de. Deelname beperkt.
31 Cursus \'Marketing in de gezelschapsdierenpraktijk\' te Utrecht.
Kosten: ƒ 375,- voor VVAA-leden en ƒ 425,- voor niet-leden, studen-
ten betalen ƒ 295,-. Aanmelden via e-mail: congres@vvaa.nl of bel
030-2474328.

November

9-10 Blok 1 - Cursus Persoonlijke Ontwikkeling, samen met uw levenspart-
ner. Opgave: e-mail congres@vvaa.nl ofbel 030-2474328.
30-1 dec. Blok 2 - Cursus Persoonlijke Ontwikkeling, samen met uw levens-
partner. Opgave: e-mail congres@vvaa.nl ofbel 030-2474328.

14
14
14
16
18-

19

20
21

À

Woof volledige begeleiding bij
uw praktijkovername

BEL VOOR MEER INFORMATIE (030) 247 44 58

Postbus 8153,3503 RD Utrecht
Internet www.waa.nl

Groepspraktijk in Duitsland, niet ver over de grens met
Nederland, zoekt op korte termijn een

enthousiaste collega m/v

voor de paarden- en gezelschapsdierensector.
Enige ervaring strekt tot aanbeveling, doch is geen primaire
vereiste. Bereidheid om in een team samen te werken en soci-
ale vaardigheden naar clientèle, collega\'s en personeel zijn
belangrijk.

Geboden wordt een prettige werksfeer en uitdagende om-
standigheden.

Inlichtingen zijn verkrijgbaar bij Dr. B. Lindhaus, Ebbinghoff
28, D-48624 Schöppingen, Dultsland. Telefoon: 0049 - 2555 -
1289 of 93820

-ocr page 423-

Gezocht:
praktijk ter overname in regio
Midden- en Zuid-Urn burg.

Ik zoek sinds enige tijd een gezelschapsdierenprak-
tijk ter overname.
Ruime ervaring is voorhanden.

Graag reacties richten aan het Tijdschrift voor
Diergeneeskunde, Postbus 14031, 3508 SB Utrecht,
onder vermelding van nummer 4/2001.

Voor onze gezelschapsdierenpraktijk in de Bollen-
streek zoeken wij een:

Ervaren Gezelschapsdierenarts m/v

Geboden wordt een parttime baan (20 uur) in een
snelgroeiende praktijk waar enthousiasme voor het
vak, klantvriendelijkheid en humor hoog in het
vaandel staan. Verplichting en gelegenheid voor
het volgen van PAO. Salariëring volgens KNMvD.

Gevraagd wordt een gezelschapsdierenarts met
ruime ervaring, flexibele, klantgerichte instelling,
die met plezier samenwerkt in een harmonieus
team.

Uw schriftelijke reactie met cv graag binnen 14 dagen
naar: Dierenartsenpraktijk Kamps, Weeresteinstraat
47, 2182 GR Hillegom. Telefoon: 0252-518020, fax:
0252-532278, e-mail: KAM.ALT@inter.nl.net. Voor in-
lichtingen, telefoon: 0252-518020; dierenartsen
L. Kamps en I.E. van Alten.

Ter overname aangeboden per 01-01-2002:

Een praktijk voor
Gezelschapsdieren in de randstad,

met bovengelegen riant woonhuis, goede avond-
en weekenddienstregeling.

Graag reacties richten aan het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Postbus 14031, 3508 SB Utrecht, on-
der vermelding van nummer 5/2001.

Dierenartsenpraktijk Amstelveen zoekt een

enthousiaste collega (m/v)
voor 16 uur in de week

Tevens ben ik op zoek naar een vervanger voor on-
geveer 25 a 30 uur per week in de periode van begin
september a.s. tot eind januari 2002. Eventueel
zouden beide functies door dezelfde persoon kun-
nen worden gedaan.

Gevraagd wordt een groot enthousiasme, differen-
tiatie gezelschapsdieren, het vermogen zelfstandig
te kunnen werken, een goede klantgerichte en dier-
vriendelijke instelling, een goede diergeneeskun-
dige kennis en ervaring.

Geboden worden goede arbeidsvoorwaarden, een
gezellige werkkring in een goedlopende eerstelijns
praktijk, met veel mogelijkheden en een klanten-
kring die veel voor haar dieren over heeft.

Belangstellenden kunnen zich richten tot:

C.E. Kooiker-van der Hoog, de Grote Wielen 10,

1187 LJ Amstelveen.

E-mail: dierenartsenpraktijk.amstelveen@planet.nl

M.n. interessant voor dierenartsen

ARBEIDS-
ONGESCHIKTHEIDS-
VERZEKERING

met gegarandeerde premie restitutie

www.premieterug.nl
Tel. 035 - 5262894 • Crombeecke Assurantiën

-ocr page 424-

Een doorbraak in
de voedingsbehandeling
van voedselallergie

Hill\'s introduceert gehydrolyseerde voeding voor honden en katten

HYDROLYSATIE Met hydrolysatie

« ^ ^^

Zonder hydrolysatie

#

% »

Allergische reactie

De meest voorkomende allergenen zijn
eiwitten met een moleculair gwicht
tussen de 10.00 en 70.000 dalton.

De Hill\'s hydrolysatietechnologie
gebruikt veileringsenzymen om de
eiwitten af te breken tot onderdelen
(peptiden en aminozuren) en hun
antigene werking tot 66 maal te
verminderen.\'

t CcRPWis twv hiktM.ir

Geen allergische reactie

De gehydrolyseerde eiwitbestanddelen
zijn te klein om zich met de IgE moleculen
te binden, waardoor histamine niet wordt
vrijgelaten en er geen sprake is van
allergische symptomen.

NIEUWE HILL\'S* PRESCRIPTION DIET* CANINE z/d* EN FELINE z/d*

Recente ontwikkelingen in het onderzoek in het Hill\'s Science & Technology Centre in Topeka in de VS hebben geleid tot het gebruik
van de eiwithydrolysatietechnologie voor de diagnose en voedingsbehandeling van honden en katten met een voedselallergie.

Beschikbare producten (VANAF MEI 2001)

Prescription Diet* Canine z/d* ULTRA Allergen-Free
Prescription Diet* Canine z/d* Low Allergen
Prescription Diet* Feline z/d* Low Allergen

Kenmerken

• Droogvoer I

• Verkrijgbaar in verpakkingen van 2 kg (Feline z/d en Canine z/d), 1
3 kg (Canine z/d ULTRA) en 7,5 kg (Canine z/d en Canine z/d ULTRA) \'

• Eerste keus in geval van voedselallergie

• Gemakkelijk in het gebruik voor cliënten

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met uw Hill\'s
buitendienstmedewerk(st)er, of met de gratis Hill\'s Voedingslijn: i

België: 0800-17745, Nederland: 0800-0222466.

Een e-mail sturen kan ook: lnfo^blx@hillspet.com

Global Leader in Pet Nutrition

•Handelsmerken in eigendom van Hill\'s Pet Nutrition, Inc. © 2001 Hill\'s Pet Nutrition, Inc.

Canine\'^

-ocr page 425-

Royal Canin is in Europa en Nederland marktleider en specialist
op het gebied van premium kwaliteit droge honden- en kattenvoe-
ding. De Royal Canin Groupe S.A., opgericht door een dierenarts,
stelt zich als doel om te voldoen aan de echte voedingsbehoeften
van honden en katten, met respect voor hun dierlijke natuur en
hun verschillen. De internationale organisatie beschikt over een
geavanceerd research &■ development centrum, dat in samenwer-
king met veterinaire universiteiten, dierenartsen en ervaren fok-
kers voortdurend bezig is met onderzoek om de allerbeste kwa-
liteit voeding te ontwikkelen. Dit heeft geleid tot unieke
voedingsconcepten "voeding op maat".

/

/

ROY4L CkNIN

<jr

KENNIS ÈN RESPECT

Vanuit Veghel is Royal Canin Nederland B.V. actief op het gebied
van verkoop en marketing. Haar afnemers zijn dierenartsen, de gespecialiseerde detailhandel,
kennelhouders en cattery\'s in Nederland. Premium kwaliteit van de producten, klantvriendelijk-
heid, een sterke motivatie en hoge betrokkenheid zijn de succesfactoren van het team met circa
40 medewerkers. Exclusief voor het marktsegment dierenartspraktijken zijn recentelijk voor zo-
wel hond als kat dieet- en fysiologische voedingslijnen geïntroduceerd. Om ook in deze doel-
groep een leidende positie te realiseren zoeken wij een ondernemende

M/V

DIERENARTS

commerciële relatiebouwer die premiumkwaliteit
voeding voor hond en kat adviseert

■ De baan:

U start uw nieuwe baan met een gedegen
training, waarin u alles te weten zult komen
over de organisatie en de kwaliteitsproducten
die u gaat vertegenwoordigen. Hierna wordt u
verkoopverantwoordelijk voor het rayon
Utrecht, Noord- en Zuid-Holland en bouwt u
een vertrouwensrelatie op met en bent u een
sparringpartner voor de dierenartsen.
Door het geven van technische support geeft u
actief invulling aan het verder positioneren
van de complete en exclusieve dieet- en
fysiologische voedingslijnen. Daarnaast ver-
zorgt u o.a. presentaties en trainingen. Door uw
kennis van zaken weet u het vertrouwen te
winnen van bestaande én nieuwe relaties.
Trends en ontwikkelingen in de markt volgt u
op de voet en speelt hier adequaat op in.
Uiteraard wordt u hierbij ondersteund door
een professionele binnendienst.
U rapporteert aan de Sales Manager.

■ Wij vragen:

Om succesvol te zijn als rayon manager be-
schikt u over overtuigingskracht, doorzettings-
en inlevingsvermogen. Met uw goede commu-
nicatieve eigenschappen kunt u relaties ont-
wikkelen en onderhouden. Liefde voor het vak
en klantgerichtheid staan bij u hoog in het
vaandel. U heeft een afgeronde opleiding
Diergeneeskunde en bent tussen de 25-28 jaar.
U woont in het rayon of bent bereid te ver-
huizen.

■ Perspectief:

Een uitdagende en zelfstandige functie bij een
ambitieus en professioneel bedrijf met een
marktleidende positie. Een blijvend boeiende
en afwisselende commerciële baan met inte-
ressante contacten in de dierenartsenwereld.
Internationale carrièremogelijkheden, een fijne
sfeer, dito collega\'s en volop ruimte voor eigen
inbreng.

■ Uw sollicitatie:

Enthousiast?

Stuur dan uw motiverende sollicitatiebrief met

cv onder vermelding van refnr. 721 naar:

PerSelectief werving en selectie,

t.a.v. de heerG.P.J.J. Prudon

Postbus 123, 5580 AC Waalre

Telefoon (040) 222 08 40

E-mail: waalre@perselectief.nl

PERiSELECTIEF

-ocr page 426-

B ^ Universiteit Utrecht

De Universiteit Utrecht is in drieënhalve eeutv
uitgegroeid tot de meest complete universiteit van
Nederland: een rijkgeschakeerde, ittternationaal
georiënteerde instelling van wetenschappelijk
ondenvijs en onderzoek. De 14 facidteiten,
21 onderzoekscholen en 58 opleidittgen bieden
studenten en tnedeiverkers boeiende mogetijk-
heden zich verder te ontplooien. De rijkdom
aan disciplines en de nadruk op kwaliteit
hepalett de aantrekkingskracht van Utrecht.
Wetenschappelijke traditie, moderne technie-
ken en op de toekomst gerichte programma\'s
dragen daaraan verder hij. Met ongeveer
22.000 studenten, ruitn 6.800 personeels-
leden en eeu budget van ruim i miljard gul-
den vormt de universiteit de spil in Utrecht
kennisregio. Vaniiit deze positie in Midden-
Nederland onderhoudt zij eai gevarieerd
contactenpatroon met universiteiten en
gespecialiseerde onderzoekinstituten over
de gehele wereld.

De Universiteit op Internet:
ivu\'w. uii.nl

Uw sollicitatie binnen 14 dagen, tenzij anders ver-
meld, richten aan de genoemde personeelsdienst.
Vergeet u niet het vacaturenummer te vermelden.
De universiteit streeft ernaar dat vrouwen op alle
niveaus even vanzelfsprekend vertegenw/oordigd zijn
als mannen. Bij voltijdse functie is invulling in deeltijd
bespreekbaar Er is een regeling voor flexibel zwanger-
schaps- en ouderschapsverlof; er is een subsidierege-
ling ten behoeve van kinderopvang.

Acquisitie n.a.v. deze advertentie wordt niet
op prijs gesteld.

Faculteit der Diergeneeskunde
De faculteit der Diergeneesl<unde is de enige
in Nederland. De faculteit neemt in Europa een
toppositie in op het gebied van onderwijs,
onderzoek en patiëntenzorg en is geaccredi-
teerd door de American & Canadian Veterinary
Medical Associations.

De Hoofdafdeling Geneeskunde van Gezel-
schapsdieren is onderdeel van de faculteit der
Diergeneeskunde en omvat een opleidings-
instituut, researchinstituut en academisch
dierenziekenhuis. Er werken 170 medewerkers,
van wie ruim 50 dierenartsen. Zij verzorgen het
onderwijs aan studenten en co-assistenten, het
onderzoek en de patiëntenzorg. Jaarlijks vinden
ca, 15.000 poliklinische consulten plaats en wor-
den ca, 3,500 operaties verricht. De beschikbare
faciliteiten worden internationaal hoog gewaar-
deerd, Bij de Hoofdafdeling Geneeskunde van
Gezelschapsdieren is per 1 september 2001
plaats voor een (tweede fase) specialist in
opleiding voor de volgende vier specialisatie-
richtingen:

Cnnreede fase) specialist
in opleiding (
v/m)

- interne geneeskunde der
gezelschapsdieren

- ciiirurgie der gezelschaps-
dieren

- voortplanting der gezel-
schapsdieren

- oogheelkunde der gezel-
schapsdieren

Uw taken bestaan uit het in toenemende mate
zelfstandig bijdragen aan de patiëntenzorg,
onderwijs en onderzoek.

Wij vragen dierenartsen die in Utrecht of elders
een internship hebben gevolgd van minimaal
12 maanden, dan wel ten minste twee jaar werk-
zaam zijn geweest in een goed geoutilleerde
kleine tiuisdierenpraktijk onder supervisie van
een erkend specialist.

Wij bieden een tijdelijke aanstelling voor een
periode van drie jaar De omvang van de functie
is 100%. U wordt gedurende deze periode
opgeleid tot specialist. De opleiding is verweven
met de patiëntenzorg en de onderwijstaak van
de hoofdafdeling. Uw salaris bedraagt ƒ 4 554,-
in het eerste jaar oplopend tot ƒ 5 023,- bruto
per maand in het derde jaar van de opleiding
(schaal 10, CAO Nederlandse Universiteiten).
Verder bieden wij uitstekende secundaire
arbeidsvoorwaarden zoals minimaal 42 verlof- en
ADV-dagen per jaar bij een volledige aanstelling
van 40 uur, bedrijfsspaarregelingen, een tege-
moetkoming in de ziektekostenverzekering en
een goede pensioenvoorziening.
Hebt u belangstelling? Dan kunt u voor
nadere inlichtingen contact opnemen met
prof. dr. F.J. van Sluijs, hoofdopleider chirurgie,
telefoon 030-253 1591, prof. dr A. Rijnberk,
hoofdopleider interne, telefoon 030-253 1697,
mevrouw dr. A.C. Schaefers-Okkens, hoofd-
opleider voortplanting, telefoon 030-235 1684
of dr. F.C. Stades, hoofdopleider oogheelkunde,
telefoon 030-2531695.

Uw schriftelijke sollicitatie kunt u richten aan de
afdeling Personeel S Organisatie van de faculteit
der Diergeneeskunde, t.a.v. mevrouw J. Kraak-
Lutteke, Yalelaan 1,

3584 CL Utrecht.

Vacaturenummer

701025.

s
S

óo

op

\\

______

-ocr page 427-

EUKANUBA VETERINARY DIETS

Even betrokken bij het welzijn van dieren als u.

Struvi^tc J

v>

t

Blaasstenen vormen één van de vele
landoeningen die samenhangen met
FLÜTD. Door een hoge urine pH-
aarde kunnen struvietstenen
ontstaan en bij een lage
ne pH kunnen oxalaat-
Bnen ontstaan. Daarom
biedt Eukanuba
terinarv Diets twee volledig

uitgebalanceerde dieetvoedingen: Struvite
Urinary Formula en Oxalate Urinary Formula,
ize ty»ee diëten zorgen voor een natuur-
lijke vermindering van de vorming van
icidiverende struviet- en oxalaatstenen.
er preventie van struvietstenen zorgt het
hoge dierlijke eiv(itgehalte in de Struvite
Urinary Formula voor een lagere urine pH.Tevens bevat dit dieet een verlaagd magnesiumgehalte en een aangepast vetgehalte,
xalate Urinary Formula leidt tot een verhoging van de urine pH en bevat extra kailumcitraat en een aangepast vetgehalte ter preventie
van de vorming van oxalaatstenen en -kristallen. Daarnaast verzekert de voortreffelijke smaak van beide diëten de maximale
medev»erking van de patiënt. In feite zorgen Eukanuba Veterinary Diets Urinary Formulas voor de hele kat. Net als u.

i
§

K

V sy

Voor technische informatie over Eukanuba Veterinary Diets kunt u contact opnemen met de importeur Holland Diervoeders BV {030-2479 664). Als u een bestelling wilt plaatsen, kunt u bellen met

Aesculaap BV (0411-677500) of Dierenartsencoöperatie AUV (0485-335533).

-ocr page 428-

Metacam® Injectie.

Rustige recovery door

24 uur postoperatieve
pijnbestrijding.

Metacam injectie is nu definitief geregistreerd als NSAID
dat preoperatief kan worden ingezet voor postoperatieve
pijnbestrijding bij honden. Metacam paart een opvallend
lange werking (liefst 24 uur) aan effectiviteit en veiligheid.
Bovendien is Metacam dankzij intraveneuze of subcutane
toediening uitstekend geschikt als effectieve anti-inflamma-
toire ondersteuning voor een succesvolle operatie.
Met duidelijke pluspunten:

• Intraveneus of subcutaan toe te dienen

• Draagt bij aan rustige recovery en voorspoedige
wondgenezing

• Niet van invloed op circulatie-, nier- en ademhalings-
functie gedurende de operatie

• Zorgt voor effectieve pijnbestrijding en ontstekings-
remming gedurende 24 uur

• Eenvoudige vervolgbehandeling met Metacam
orale suspensie zolang nodig

Metacam® Injectie.

Daar ligt geen hond wakker van

Metacam 5 mg/ml voor injectie voor hond.
RBG NL 7902 UDD. Werkzame stof: Meloxicam.
Indicaties: Verlichting van ontsteking en pijn in
zowel acute als chronische aandoeningen van

_ het bewegingsapparaat. Vermindering

UmHIlL van post operatieve pijn en ontsteking
P^^^JI na orthopedisch chirurgische ingrepen
ifff^^^ en weke delen chirurgie. Doeldier. Hond.

(Zie overige infomiatie bijsluiter)

Postbus 8037,1802 KA Alkmaar / Tel. 072-5662411 / Fax 072-5643213
vetmedlca@boehringer-lngelheim.nl / www/.boehringer-ingelheim.nl

Boehringer
\\y Ingelheim

-ocr page 429-

15 mei
2001

deel
, 126

aflevering
10

issn 0040-7453

Tijdschrij^t
Dierceneeskun

Wetenschap

Integrale dierziektebestrijding op
melkveebedrijven

Equine protozoal myeloencephalitis (EPM) in
Nederland?

Actua

Verlate \'2000 Hoogtepunten\'

Dr. H.S. Frenkel, een coryfee uit de

beginjaren van de mond- en klauwzeer

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij i^oor
Diergeneeskunde

KNMvD

Dierenartsen protesteren tegen
non-vaccinatiebeleid

MK.Z ook op Voorjaarsdagen

Moderne communicatie, wat hebben
dierenartsen daaraan?

Jaarcongres 2001

-ocr page 430-

Gezonde huid,
tevreden baasje

BAYTRIL: ANTI-INFECTIEUS MIDDEL VOOR HONDEN EN KATTEN.

Eigenaars van honden en katten zijn erg gevoelig
voor de huidproblemen van hun dieren. Bij
huidinfecties neemt u daarom het zekere voor het
onzekere.

Baytril: Zeer snelle en goede weefselpenetratie.
Hoge concentraties in geïnfecteerde weefsels.
Snelle en efficiënte bactericide werking. Goede
tolerantie ook bij langdurige toediening. Baytril
werkt zichtbaar doeltreffend in een dosering van
5 mg/kg per dag*. Zodat dieren snel genezen, de
baasjes tevreden zijn en u de eer krijgt.

*Bij huidinfecties in het algemeen wordt geadviseerd de
therapie enkele dagen na klinische verbetering van de
symptomen voort te zetten.

Baytril:

e Effective Anti-Infective.

n als actieve substantie. Mag zowel voor bonden als katten worden gebnjikt Indicaties: Therapie van infectieuze aandoeningen veroorzaakt door gramnegatieve en grampositieve bactenên en mycoplas-

ma\'s in het bijzonder infecties van de urinewegen, geslachtsorganen, ademhalingswegen, spijsverteringsstelsel, huid, otitis media en wonden. Toediening/Dosering: Oraal. Hond, kat: 5 mg enrofloxacin per kg l.g. per dag gedurende minimaal 5 dagen: bij
chronis<^e verlopende ziekten en gecompliceerde infekties kan de behandelingsduur tot 10 dagen worden verleng. Contra-indicaties: Behandeling van opgroeiende honden tot de leeftijd van één jaar is geconiraïndjceerd. Bij honden van grote rassen
geldt dit tot de leeftijd van 1,5 jaar. Ongewenste effecten: Bij opgroeiende honden jonger dan één jaar kan beschadiging van het gewrichtskraakbeen optreden.
15 mg REG NL 7865 ■ 50 mg REG NL 7866 ■ 150 mg REG NL 7867

Bayer B.V. • Division Animal Health • Energieweg 1 - 364 1 RT MIJDRECHT

Baytril: Breedspectrum antibioticum met e

-ocr page 431-

Diergeneesk

lOURNALOFTHE ROYAL NETHERLANDS VETERINARY ASSOCIATION

Deel 126
Aflevering 1 O
15 Mei 2001

Uit de Hoofdredactie 339
Oorspronkelijke artikelen

Integrale dierziektebestrijding op melkveebedrijven; M. F. Weber en J. Verhoeff 340
Overzichtsartikelen

Equine protozoal myeloencephalitis(EPM) in Nederland?; LS. Goehringen

M.M. Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan 341

Referaten 351
Berichten en verslagen

Wie is de gebeten hond? Wettelijke aansprakelijkheid bij schade door dieren; I. Boissevain 352

Oproep ringtest voor verrichten gevoeligheidstesten 353

Uitstel kleiduivenschieten 17 mei 2001 353

Start genetisch onderzoek bij het Friese paard 353

2000 Hoogtepunten

Dr. H.S. Frenkel, een coryfee uit de beginjaren van de mond- en klauwzeerbestrijding;_/.C. van Bekkum 354

PAOD 357
Maatschappijnieuws

Dierenartsen protesteren tegen non-vaccinatiebeleid; H. Vaarkamp en S. Deleu 358

Petitie van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde 360
Voorjaarsdagen in aangepaste vorm. Ook voorde gezelschapsdierenarts: mond- en klauwzeer;

P. Overgaauw 362

Voordracht Rens van Dobbenburgh tijdens Voorjaarsdagen. \'Een dierenarts blijft een dierenarts\' 364

Moderne communicatie, wat hebben dierenartsen daaraan?;J. van Os 366

Bureau KNMvD 18 mei gesloten 367

Voordrachtendag Werkcommissie Gezelschapsdieren KNMvD 367

Werkgroep Geneeskunde Vleeskalveren 367

Jaarcongres 2001 368

Inhoud

Streptococcen?

Suramox® 5% Premix

De effectiviteit van amoxicilline,
de zekerheid van een premix!

Alleen Suramox 5% Premix combineert de effectiviteit van (gecoate)
amoxicilline met de zekerheid van een premix. Maakt daardoor .

een effectieve koppelbehandeling tegen Streptococcus suis mogelijk.

Postbus 313, 3770 AH Barneveld
Telefoon (0342) 427 127 Fax (0342) 490 164

. yirbac.

VenoTOwCu\'fe. vrav Mji/U^

virbac Nederland bv

-ocr page 432-

Hoofdredactie

Dr. \\V. Edel (voorzitter)

Dr. E.A. ter Laak (penningmeester)

Drs. H.A. Beijer

Dr. M.F. de Jong

Dr.Tj. Jorna

Dr. R. Kuiper

Dr. P.A.M. Overgaauw

Drs. J.T. Siebinga

Dr. R.J. Slappendel

Dr J.H. Vos

Wetenschappelijke redactie

Prof. dr. A. Bameveld (Utrecht)

Dr. A.E.J.M. van den Bogaard Jr. (Maastricht)

Dr. F.H.M. Borgsteede (Lelystad)

Prof. dr. H.J. Breukink (Utrecht)

Prof dr. P. De Backer (Gent, België)

Dr J. Goudswaard (Middelburg)

Prof.dr. L.J. Heilebrekers (Utrecht)

Dr. Th.S.G..A.M. van den Ingh (Utrecht)

Prof dr. A.Th. van \'t Klooster (Utrecht)

Prof dr F van Knapen (Utrecht)

Prof dr. A. de Kruif (Gent. België)

Dr. J.T. Lumeij (Utrecht)

Prof dr. A.S.J.PA.M. van Miert (Utrecht)

Prof dr J.RT.M. Noordhuizen (Utrecht)

Prof dr. J.Th. van Oirschot (Lelystad)

Prof dr. J. de Schepper (Gent. België)

Dr J.M.A. Snijders (Utrecht)

Dr.E. Teske (Utrecht)

Mw. dr. A.J. Venker-van Haagen (Utrecht)

Prof dr. J.H.M. Verheijden (Utrecht)

Dr. G. Voorhout (Utrechl)

Dr. Th. Wensing (Utrecht)

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor
Diergeneeskunde

Julianalaan 8- w
Utrecht
Postbus 14031
3508 SB Utrecht
Telefoon (030)2510111
Fax (o3o)25iiy8y

Hoofdbestuur

Drs. T. de Ruijter. voorzitter

Drs. S.R. Heslinga, vice-voorzitter

Drs. J. Borgmeier, lid

Mw. drs. E.N.M. Harwig-Dings. lid

Drs. G. Huijser van Reenen. penningmeester

Drs. J. Togtema, lid

Mw. drs. W.J. Wijne- Raemakers. lid

Secretariaat

Dr Tj. Jorna, algemeen secretaris

Manager Interne zaken

Mw. E. Cuhfus

Stafmedew/erkers

Mw.drs. S.A.M. Deleu

Mw. drs. M.C. van Oostrum-Schuurman Hess

Drs. J.L.M. Vaarten

Administrateur

H.S. de Vries

Vacaturebank

R.P. van Ringelestijn

Webmaster

Mw. drs. C.M. van Kalles

Bureauredactie

Mw. A.M. Tummers
Mw. S.H. Umans-Ubbink

Bureau

Julianalaan 8-10, Postbus 14031,3508 SB Utrecht
Tel. 030- 25 10 1 n / fax 030-25 19 847.
E-mail: tijdschrift(((Jknmvd.nl.

^Abonnementsprijs j

\'Het Tijdschrift voor Diergeneeskunde is het ver-^
ienigingstijdschrift van dc Koninklijke Neder-t
landse Maatschappij voor Diergeneeskunde. i
De abonnementsprijs voor dierenart.sen niet
-|grii|^
van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij
voor Diergeneeskunde en voor niet-dierenartsen
wordt vastgesteld door het Hoofdt>e.stuur

Ingezonden

Sociale vaardigheden van de dierenarts ten tijde van de MKZ-crisis; T. Fabri
Vaccinatiebeleid in Nederland eisen; I. van Alten

Wetenschappelijk en/of economisch verantwoord?; Y.M. Klaare, M. Pilgram en A. Roos

Gebrek aan beschaving oorzaak MKZ-drama; W. ter Heide

MKZ-uitbraak noopt tot herbezinning; CJ. van Nie

TV journaal;/ van der Heul

Mond- en klauwzeer; M. Doornekamp

Personalia

369

370

370

371

371

372

372

373

Postgiro/bank

Postbank 511606 ten name van de KNMvD,
Julianalaan 8-10, Utrecht. ABN/AMRO N.V,
Postbus 30, 3500 AA Utrecht, nr. 55 50 48 861 en
C en E bank N.V, Postbus 85100, 3508 AC
Utrecht, nr, 69 93 61 443.

Original papers

Integrated disease control in dairy herds: a ease study from the veterinarians\' viewpoint;
M.F. Weber, and J. Verhoeff

Review papers

Equine Protozoal Myeloencephalitits in the Netherlands? An overview; LS. Coehring,
and M.M. Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan

All rights reserved

340

346

iDruk

IDrukkerij G. van Dijk B.V. Breukelen (tel. ONt>
1261304, fax 0346-264565).

Advertenties

Commerciële advertenties: Bureau Weijer B.V.
Veendam (teL 0598-623065, fax 0598-613827).
Personeelsadvertenties: bureauredactie.

Verklaring:

Richtlijnen voor auteurs (Vancouver Style) zijn op aanvraag verkrijgbaar (zie ook Tijdschr Diergeneeskd 1992; 117:31-
4). De Redactie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade welke - direct of indirect - hel gevolg mochl zijn van ge-
bleken onjuistheden in de inhoud van de in dil tijdschrift opgenomen artikelen waarbij de auteur is vermeld of in de in-
houd van de in dit tijdschrift geplaatste advertenties. Advertenties kunnen zonder opgaaf van redenen door de Redactie
worden geweigerd of ingetrokken. Niets uit dit tijdschrift mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door
middel van druk, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder schriftelijke toestemming van de Redactie.

(Papers appearing in this journal are listed in Current Contents / Agricultural Biology and Environmental Science /
tndex-Medicus. Index Veterinarius/Veterinary Bulletin. Biological Abstracts, Cambridge Scientific Abstracts).

-ocr page 433-

SPRAY

• definitieve registratie voor rund,
varicen en schaap

• IKB-waardig

• geen gentiaanvioiet

• veilig

• geen wachttijden

• fijne nevel

• snel droog

• goede hechting

/4nimal Health

Handelsweg 25, Postbus 1 79, 5530 AD Bladel
Tel.: (0497) 38 86 88, Fax: (0497) 38 85 00

CTC SPRAY

Samenstelling: Per spuitbus; ctiloortetracyclinehydrochloride 3,210 g. Farmaceutische vorm: Spray voor uitwendig gebruil<. Indicatie: Rund, varl^en,
schaap: Ziel<te van Mortellaro, rotkreupel en stinkpoot, oppervlakkige wonden en operatiewonden.
Dosering: Voor gebruik de spuitbus goed schudden.
Bespuit de te behandelen oppervlakte op een afstand van 15-20 cm gedurende 3 seconden, zodat deze gelijkmatig gekleurd wordt. Deze behandeling dient
bij klauwaandoeningen na 30 seconden herhaald te worden. • Voor preventie van infecties na oppervlakkige traumatische of chirurgische wonden wordt
een eenmalige enkelvoudige behandeling aanbevolen. • Voor behandeling van Dermatitis digitalis (Mortellaro) wordt 1-2 maal daags een dubbele behan-
deling (30 seconden interval) gedurende 3 dagen aanbevolen. • Voor andere klauwaandoeningen (rotkreupel, stinkpoot) wordt eveneens 1-2 maal daags
een dubbele behandeling (30 seconden interval) aanbevolen. Afhankelijk van de ernst van de aandoening en de mate van herstel de behandeling herhalen
met een interval van 1-3 dagen.
Veiligheidsmaatregelen: In verband met sensibilisatie en contactdermatitis dient bij de toepassing direct oog- en huidcon-
tact en inademing vermeden te worden. Draag daartoe handschoenen en een beschermingsmiddel voor ogen en gezicht. Houder onder druk. Beschermen
tegen zon en niet blootstellen aan een hogere temperatuur dan 50 °C. Bus niet doorboren of in het vuur werpen. Niet spuiten in de richting van een vlam
of een gloeiend voorwerp. Verwijderd houden van ontstekingsbronnen. Niet roken. Alleen gebruiken in goed geventileerde ruimtes. Buiten bereik van
kinderen houden.
Contra-indicaties: Overgevoeligheid voor tetracyclines. Bijwerkingen: Overgevoeligheidsreacties kunnen voorkomen. Wachttijd: Geen.
Bewaring: Bij kamertemperatuur (15-25 °C). Beschouw de lege bus als chemisch afval. Diergeneesmiddel REG NL 9013 UDA, Art.nr 72432

-ocr page 434-

WALTHAM\'

Veterinary Diets

De Dynamiek van

Antioxidanten

WALTHAM® introduceert: de vernieuwde complete WALTHAM® Veterinaire Dieetrange
verrijkt met antioxidanten

Met dit nieuwe WALTHAM® concept verandert er veel:

Naam: Van Pedigree® en Whiskas® naar WALTHAM®,
een bekend begrip in de veterinaire wereld en
nu hét exclusieve merk voor de dierenarts.

Receptuur: Alle WALTHAM® diëten zijn verrijkt met
vitamine E en taurine, twee van de meest
krachtige vrije-radicalen-vangers.

Verpakking: Geavanceerde moderne verpakking met
duidelijke kleurcodering en naamgeving
gebaseerd op de klinische aandoening.

WALTHAM* WALTHAM* WALTHAM*

WALTHAM* , WALTHAM* , WALTHAM* , WALTHAM*

Solutions for Life

-ocr page 435-

de

Hoofdredactie

Toen ik aan dit Editorial begon, verwachtte ik dat het een korte versie zou worden. Er valt immers
niet veel meer toe te voegen aan alle MKZ-nieuws dat reeds in alle media uitvoerig is besproken.
Een discussie over dit onderwerp vindt vanzelfsprekend ook in dit tijdschrift plaats en dit zal nog
wel even voortduren.

Ik vraag mij af waar de deskundige veterinaire adviezen bleven in de pers betreffende het wel of
niet afmaken van twee geïsoleerd gehouden kuddes heideschapen van een zeldzaam ras? Alle
bloedmonsters waren negatief en toch moesten de dieren worden vernietigd van de rechter? Een
deskundige bij uitstek blijkbaar! Hoe verstaat zo \'n beslissing zich met onze veterinaire principes
en opinie rondom de MKZ-bestrijding? Moeten wij ons als beroepsgroep niet veel meer profileren
bij dit soort, voor niemand te begrijpen, maatregelen? Wat is er verder waar van de geruchten over
illegaal vaccineren tegen MKZ in Frankrijk?

Van nabij volg ik de commotie rond de uitbraak in Kootwijkerbroek en verbaas me over het feit dat
communicatieproblemen kunnen ontstaan rond diagnostiek en genomen maatregelen. De daarop-
volgende geweldsescalatie is eveneens moeilijk te begrijpen. Als je de ingezonden brieven in de lo-
kale krant mag geloven is er veel misgegaan bij de informatie naar de veehouders en is de politie
daarna niet altijd even tactisch opgetreden.

Arrestatieteams die boerderijen \'s ochtends vroeg bestormen om families uit hun bed buiten tegen
muren te smakken en te fouilleren wekken agressie in de hand en zijn niet te rijmen met de bestrij-
ding van een besmettelijke veeziekte. Half Nederland is inmiddels in dit dorp over de vloer geweest
zonder veel voorzorgsmaatregelen!

Tenslotte een organisatie waar ik regelmatig vraagtekens bij zet, de landelijke dierenbescherming
(DB). Ze treden naar mijn gevoel te vaak voor het voetlicht als er goedkope publiciteit vah te halen,
waarbij (bewust?) de helft van het verhaal wordt vergeten.

De MKZ-uitbraak werd aanvankelijk bijvoorbeeld door de DB aangegrepen om in een grote me-
diacampagne te pleiten voor biologische landbouw. Een behoorlijke misser en goedkoop inspelen
op de emoties van de consument. Het zou in dit kader beter zijn geweest om de vele overbodige
diertransporten in Europa in dit verband eens echt goed aan de kaak te stellen. De afgelopen jaren
kwamen wel excessen regelmatig in het nieuws, maar er werd niet verteld wat de DB er nu werke-
lijk aan doet en of er resultaten geboekt worden. Dit geldt ook voor het in de publiciteit brengen van
problemen rondom gedumpte honden en katten iedere zomer. Het voordeel van een goede (elektro-
nische) identificatie blijft achterwege. Illegale hondenhandel idem. Het nut van een traceerbaar
vaccinatieboekje van de KNMvD bij de bestrijding heb ik nooit mogen vernemen. Jammer van
zulke gemiste kansen, want er wordt jaarlijks zeer veel geld gedoneerd aan deze organisatie, waar-
van de doelstellingen zo dicht hij die van de dierenarts staan. Of zijn dit ook communicatieproble-
men?

I

Dr P.A.M. Overgaauw

Tijdschrift
Diergeneeskunde

-ocr page 436-

Integrale dierziektebestrijding op melkveebedrijven

Visie van rundveedierenartsen op een casus

M.F. Weberi\'2 en I. Verhoeff

Oorspronkelijke artikelen

Samenvatting

Integratie van de bestrijding van bovine virusdiarree virus,
bovine herpesvirus-1,Z-eptosp/ra
interrogans serovar hardjo
subtype hardjobovis, Mycobacterium avium subsp./»ara?«-
berculosis en Salmonella dublin op melkveebedrijven kan
bedrijfseconomische voordelen bieden boven een sequenti-
ële bestrijding, onder meer door een optimaal gebruik van
de selectieruimte voor vrijwillige afvoer. In de praktijk zijn
echter nog onvoldoende instrumenten beschikbaar voor
het stellen van prioriteiten bij het aanwenden van de selec-
tieruimte voor vrijwillige afvoer. In de huidige studie wor-
den daarom de prioriteiten voor afvoer van geïnfecteerde
dieren geanalyseerd, die door ruim 300 rundveedierenart-
sen aan de hand van een casus zijn aangegeven.
Op basis van de resultaten en aanvullende argumentatie
kan als volgorde van belang van afvoer worden geadvi-
seerd: 1) ruim dragers van
S. dublin, 2) ruim BVDV-dra-
gers, 3) ruim paratuberculose-mestkweek-positieve dieren
en hun laatstgeboren nakomelingen, 4) ruim, op met para-
tuberculose besmette bedrijven, paratuberculose-ELISA-
positieve dieren en hun laatstgeboren nakomelingen en
ruim, bij een lage prevalentie, BHVl-gE-positieve dieren,
en 5) ruim leptospirose-positieve dieren. Omdat deze volg-
orde aan de hand van één casus is opgesteld, kunnen er op
andere bedrijven echter goede argumenten zijn om hier-
van af te wijken.

Summary

Integrated disease control in dairy herds: a case study
from the veterinarians\' viewpoint

Integrated control of bovine virus diarrhoea virus, bovine herpesvirus-1.
Leptospira interrogans setvvar hardjo subtype hardjobovis, Mycobacterium
avium
subsp. paratubereulosis, and Salmonella dublin in dairy herds may
provide economic benefits superior to those obtained by sequential disease
control, because, among other things, it allows optimization of voluntan\'
culling. However, in practice there are no adequate instruments to establish
priorities in voluntary culling. Therefore, in this study the priorities in deci-
sion-making for voluntar}\' culling of infected cattle, as indicated by more
than 300 cattle veterinarians, were analysed.

Based on our results and supplementary considerations, the priorities for
voluntary culling in the Netherlands can be ranked as: cull
S. dublin
carriers. 2"\'^. cull persistently infected B VDV carriers, i\'"\'^. cull paratuber-
eulosis faecal culture positive cattle and their last offspring. 4\'^. cull, in
paratubereulosis infected herds, paratubereulosis ELISA positive cattle and
their last offspring and cull, in low prevalence herds, BHVl gE-positive
cattle, and 5\'". cull leptospirosis seropositive cattle. Since this ranking was
based on one case study only, other priorities may prevail in other herds.

I Gezondheidsdienst voor Dieren. Postbus 361, 9200 AJ Drachten.
^ Voor correspondentie en bestellen van overdrukken: drs. M.F. Weber. Gezondheids-
dienst voor Dieren. Postbus 361. 9200 AJ Drachten. Tel: 0512-570700. fax: 0512-
520013. e-mail: m.weber@gdvdieren.nl

Inleiding

Eliminatie van bovine virusdiarree virus, bovine herpes virus-
i (BHVl), Leptospira interrogans serovar hardjo subtype
hardjobovis, Mycobacterium avium subsp, paratubereulosis
en Salmonella dublin op rundveebedrijven is van belang voor
verbetering van de bedrijfseconomische resultaten en/of voor
preventie van ziekte bij de veehouder (1,7,8,9,10,17,18), In
Nederland worden deze pathogenen op besmette bedrijven
veelal volgens een protocollaire aanpak bestreden (6). Deze
aanpak omvat zowel preventieve maatregelen in de bedrijfs-
voering (inclusief vaccinaties) als het opsporen en afvoeren
van infectieuze dieren. Integratie van de protocollaire aanpak
van verschillende infectieziekten zou bedrijfseconomische
voordelen kunnen bieden ten opzichte van een sequentiële
aanpak van de afzonderlijke infectieziekten. Ten eerste zou
door een integrale aanpak bespaard kunnen worden op de
kosten van monstemame voor laboratoriumonderzoeken. Dit
blijkt vaak voor de vee-houder de aanleiding om de aanpak
van infectieziekten te integreren. Ten tweede kan door een in-
tegrale aanpak het belang van preventieve maatregelen in de
bedrijfsvoering beter worden ingeschat. Zo zijn in de bestrij-
ding
van paratuberculose en Salmonellose vaak dezelfde pre-
ventieve maatregelen gewenst. De beslissing deze preventieve
maatregelen door te voeren kan beter worden onderbouwd
wanneer de prevalentie van deze beide infectieziekten bekend
is. Daarbij mag van een gelijktijdige aanpak van deze infectie-
ziekten dan ook een hoger economisch rendement worden
verwacht. Ten derde kan de selectieruimte voor vrijwillige af-
voer in principe beter worden benut wanneer de prioriteiten
van het individuele bedrijf door een geïntegreerde, gelijktij-
dige, aanpak van infectieziekten beter kunnen worden vastge-
steld, Tot slot kan door een integrale aanpak de duur van de to-
tale ziektebestrijding worden verkort,
In de praktijk blijken echter nog onvoldoende instrumenten
voorhanden waarmee daadwerkelijk keuzes kunnen worden
gemaakt voor het aanwenden van de selectieruimte voor vrij-
willige afvoer op rundveebedrijven. Voor zover ons bekend,
zijn nog geen (model)studies gepubliceerd waarin het be-
drijfseconomisch belang van het afvoeren van infectieuze
dieren in de aanpak van de bovengenoemde infectieziekten
met elkaar wordt vergeleken. In de huidige studie worden
daarom de prioriteiten voor afvoer van geïnfecteerde dieren
die door een groot aantal Nederlandse rundveedierenartsen
aan de hand van een casus zijn aangegeven semi-kwantitatief
geanalyseerd.

Materiaal en methode

Een casus en enquête werden voorgelegd aan 533 deelne-
mers aan de \'Basiscursus Erkende Rundveedierenarts\', De
casus was gebaseerd op de gegevens van een bedrijf uit een
groep van 37 rundveebedrijven waarop de aanpak van ver-

-ocr page 437-

schillende infectieziekten werd geïntegreerd. Het gekozen
bedrijf was een representatief voorbeeld voor de bedrijfsvoe-
ring en het vóórkomen van de onderzochte infectieziekten
bij deze groep bedrijven.

Casus

Op een L. hardjo-vn] melkveebedrijf in de provincie
Friesland werd een integrale bestrijding van BHVl, BVDV,
M.a. paratuberculosis en S. dublin nagestreefd.
Het betrof een melkveebedrijf met circa 40 koeien en 30 stuks
jongvee. De laatste zes jaar werden op het bedrijf geen runde-
ren aangevoerd. De veestapel had een matige tot slechte
vruchtbaarheid (tussenkalftijd 410 dagen). Het rundvee op dit
bedrijf werd gehuisvest in een ouder type ligboxenstal en een
Friese stal. Afkalven vond plaats tussen het melkvee in de lig-
boxenstal, in het land of in het hooivak van de Friese stal.
Pasgeboren kalveren bleven maximaal een dag bij hun moeder,
en kregen in het algemeen biest van de eigen moeder, hoewel
soms mengbiest werd verstrekt. Na de biestperiode werd aan
de kalveren koemelk of kunstmelk verstrekt, afhankelijk van
de melkproductie ten opzichte van het melkquotum. Nuchtere
kalveren werden gehuisvest in strohokjes. In de weideperiode
werden kalveren vanaf een leeftijd van tenminste drie maanden
(na longwormvaccinatie) geweid op etgroen. Een deel van de
percelen van dit bedrijf lag in een zogenaamd \'beheersgebied\'.
In het verleden werden op het bedrijf klinische gevallen van
paratuberculose waargenomen en bij serologisch onderzoek
ten behoeve van export werden enkele dieren met afweer-
stoffen tegen BVDV gevonden. Op het bedrijf is onderzoek
verricht naar de prevalentie van antistoffen tegen BHVl-
veldvirus,
M.a. paratuberculosis en S. dublin (Tabel 1 en 2).

Voor S. dublin werd een individueel serologisch onderzoek
uitgevoerd omdat destijds nog geen tankmelktest voor af-
weerstoffen tegen
S. dublin beschikbaar was. Verder zijn
runderen op dit bedrijf met een antigeen-ELISA onderzocht
op persistente BVDV-infecties, en door middel van feces-
kweekopMa. para/i/èerc!</oó\'w-infecties(Tabel 1 en 2).
In de praktijk wordt de keuze voor afvoer sterk beïnvloed door
melkproductie, vruchtbaarheid, uiergezondheid en kreupel-
heid. In de huidige studie werd echter uitsluitend een vergelij-
king van de prioriteit voor afvoer van door BHVl, BVDV,
S. dublin of M.a. paratuberculosis geïnfecteerde dieren be-
oogd. Daarom werd bij de casus bewust geen informatie aan
de deel-nemers verstrekt over de individuele melkproductie en
vruchtbaarheid van dieren op het bedrijf, of over het vóórko-
men van andere aandoeningen zoals kreupelheid en mastitis.

Enquête

In een enquête werd aan de deelnemers aan de cursus gevraagd
welke volgorde van afvoer van verschillende categorieën die-
ren zij op het casus-bedrijf zouden adviseren, uitgaande van
een beperkte selectiecapaciteit voor vrijwillige afvoer van run-
deren. Dit advies werd gevraagd voor de situatie op het bedrijf
op 1 mei 1998 en 1 februari 1999. De categorieën runderen
waarvoor advies werd gevraagd voor de situatie op 1 mei 1998
waren: a. een BVD-drager, b. paratuberculose-feceskweek-po-
sitieve koeien, c. laatstgeboren kalveren van paratuberculose-
feceskweek-positieve koeien, d. paratuberculose-ELISA-posi-
tieve koeien, e. laatstgeboren kalveren van paratuberculose
ELISA-positieve koeien en f BHVl-gE-ELISA-positieve
koeien bij onderzoek van melk (Tabel 1). Voor de situatie op 1
februari 1999 betrof het de categorieën: a. een koe die bij para-

Figuun. Score voor volgorde van afvoer van dieren die positief reageerden in de gebruikte testen zoals geadviseerd door 331 dierenartsen voor de situatie op i mei 1998. QBVD per-
sistent geïnfecteerd kalf, B paratuberculose kweek-positieve runderen, f^laa\'^tgeboren kalveren van paratuberculose-kweek-positieve runderen, g paratuberculose-ELISA-positieve
runderen, laatstgeboren kalveren van paratuberculose-ELISA-positieve runderen, Qkoeien met positieve uitslag van BHVi-gE-ELISA bij onderzoek van melk.

300

250 -

p—

n , i?

mm^

(O

S 200

O
3

1150

B

S 100

re

i

50

O

2 3 4 5

score voor volgorde van afvoer

-ocr page 438-

score voor volgorde van afvoer

tuberculose-feceskweek in maart 1998 besmet was gevonden,
maar nog niet was afgevoerd, b. een koe waarbij in de mest-
kweek van november 1998 na acht weken kweken één tot tien
kolonies
M.a. paratuberculosis werden gevonden, c. twee
koeien waarbij in de mestkweek van november 1998 na 12 we-
ken kweken tien tot 100 kolonies M
a. paratuberculosis wer-
den gevonden en d. de laatstgeboren kalveren van paratubercu-
lose test-positieve koeien (Tabel 2). Daarbij werden de
deelnemers verzocht uit te gaan van de feitelijk beschreven si-
tuatie op het bedrijf op die data, ongeacht de adviezen die zij al
eerder aan de veehouder zouden hebben gegeven. In de en-
quête werd niet naar de argumentatie voor de gegeven adviezen
gevraagd.

Gegevensanalyse

De door de deelnemers op de enquêteformulieren gegeven
adviezen werden geanalyseerd. In de analyse werden alleen
enquêteformulieren betrokken waarop de volgorde van af-
voer (1,2,3,4,5 of 6) van dieren in de verschillende catego-
rieën volledig was aangegeven, waarbij elk getal slechts een-
maal mocht worden gegeven. De overige enquêteformulieren
werden uitgesloten.

De score die door de deelnemers werd gegeven voor de volg-
orde van afvoer van de verschillende categorieën dieren werd
statistisch geanalyseerd met het computerprogramma Minitab
release 12.23 (Minitab Ltd., Coventry, UK). De nulhypothese
dat er geen verschil was tussen de score voor volgorde van af-
voer van de verschillende categorieën dieren werd getest met
de Friedman-test (a=0.05). Na het verwerpen van de nulhypo-
these werden de scores paarsgewijs getoetst met behulp van de
Friedman-test, na Bonferroni-correctie van a (2).

Resultaten

Door de cursusdeelnemers werden 331 bruikbare enquête-
formulieren met betrekking op 1 mei 1998 en 301 bruikbare
enquêteformulieren met betrekking op 1 februari 1999 gere-
tourneerd.

Mei 199S

In de adviezen met betrekking op 1 mei 1998 was de score
voor de volgorde van afvoer (1,2,3,4,5 of 6) van de verschil-
lende categorieën dieren verschillend (p<0.001. Figuur 1).
Analyse van de mediane score voor elke categorie liet zien
dat aan afvoer van de BVDV-drager de hoogste prioriteit
werd gegeven, gevolgd door achtereenvolgens afvoer van
paratuberculose-feceskweek-positieve koeien, afvoer van
het laatstgeboren kalf van paratuberculose-kweek-positieve
moederdieren, afvoer van paratuberculose-ELISA-positieve
koeien, afvoer van laatstgeboren kalveren van paratubercu-
lose-ELISA-positieve moederdieren en tenslotte afvoer van
bij melkonderzoek gevonden BHVl gE-ELISA positieve
koeien. De scores voor prioriteit van afvoer van deze cate-
gorieën dieren waren in een onderlinge vergelijking telkens
verschillend (p s 0.001, Tabel 3). Door een deel van de deel-
nemers werd op de enquêteformulieren opgemerkt dat het
verstandig zou zijn positieve uitslagen van de BHVl-gE-
ELISA op melk te bevestigen met behulp van serologisch
onderzoek voordat een advies over het afvoeren van deze
dieren zou worden gegeven.

Februari 7999

In de adviezen met betrekking op 1 februari 1999 was de

-ocr page 439-

score voor volgorde van afvoer (1,2,3,4 of 5) van de verschil-
lende categorieën dieren verschillend (p<0.001, Figuur 2).
Analyse van de mediane score voor elke categorie toonde dat
aan afvoer van de koe waarbij uit een mestmonster van maart
1998
M.a. paratuberculosis was gekweekt de hoogste prio-
riteit werd gegeven, gevolgd door achtereenvolgens afVoer
van de beide koeien waarbij in een mestmonster van novem-
ber 1998 na 12 weken kweken tien tot 100 kolonies
M.a.
paratuberculosis
werden gekweekt, afvoer van de koe waar-
bij uit een mestmonster van november 1998 na acht weken
kweken één tot tien kolonies
M.a. paratuberculosis werden
gekweekt, afvoer van de bij serologisch onderzoek BHVl
gE-ELISA positieve dieren en tenslotte afvoer van de laatst-
geboren kalveren van paratuberculosetest-positieve moeder-
dieren (Tabel 3). De scores voor prioriteit van afvoer van
deze categorieën dieren waren in een onderlinge vergelijking
telkens verschillend (p s 0.005) met uitzondering van de
score voor de afvoer van de koe waarbij uit een mestmonster
van november 1998 na acht weken kweken één tot tien kolo-
nies
M.a. paratuberculosis werden gekweekt in vergelijking
met de score voor afvoer van de beide BHV 1 -gE-ELISA-po-
sitieve dieren (Tabel 3).

Discussie

Preventieve maatregelen in de bedrijfsvoering vormen de
basis van de aanpak van infectieziekten. Een gesloten be-
drijfsvoering is van nut ter preventie van insleep van infec-
tieziekten (17). Maatregelen ter preventie van de versprei-
ding van infecties binnen het bedrijf verdienen eveneens
uitgebreide aandacht; in de zomer van 1998 bleek op slechts
2,9% van 379
at random geselecteerde Nederlandse melk-
veebedrijven een combinatie van vijf managementmaatrege-
len ter preventie van
M.a. paratuberculosis-mkctiQs bij kal-
veren te worden uitgevoerd (15).

In aanvulling op managementmaatregelen kan de infectie-
druk worden verlaagd door (latent) infectieuze dieren op te
sporen en af te voeren. Strategieën voor de selectie van af te
voeren runderen dienen ondermeer gericht te zijn op verho-
ging van het netto bedrijfsresultaat en op het minimaliseren
van risico\'s (14). Naast de gemiddelde schade door infectie-
ziekten, moet ook het risico op een grote schadepost door
een uitbraak van infectieziekten vanuit (latent) infectieuze
dieren worden meegewogen.

In de huidige studie blijkt aan de hand van een casus dat aan
het afvoeren van BVD-dragers door de deelnemende rund-
veedierenartsen een hogere prioriteit wordt gegeven dan aan
het afvoeren van met
M.a. paratuberculosis of met BHVl-
veldvirus geïnfecteerde dieren.

De prioriteit die wordt gegeven aan het afvoeren van met
BHVl-veldvirus geïnfecteerde dieren lijkt te worden beïn-
vloed door het aantal aanwezige met BHVl-veldvirus geïn-
fecteerde dieren. In de situatie van mei 1998, toen bij vier die-
ren antistoffen tegen BHVl-veldvirus in de melk werden
aangetoond, adviseerden 202 deelnemers (61%) om de af-
voer van deze dieren de laagste prioriteit te geven (Figuur 1).
Op 1 februari 1999 waren twee BHVI-gE-positieve dieren
door natuurlijk verloop van het bedrijf afgevoerd. De advie-
zen met betrekking tot de afvoer van BHV 1 -gE-positieve die-
ren in februari 1999 liepen sterk uiteen: terwijl 119 deelne-
mers (39,5%) adviseerden de afvoer van BHV I -gE-positieve
dieren de laagste prioriteit te geven, adviseerden 107 deelne-
mers (35,5%) dit de hoogste prioriteit te geven (Figuur 2). Op
een niet-vaccinerend bedrijf met twee seropositieve runderen
in een koppel van 71 runderen kan de jaarlijkse kans op een
grote uitbraak op basis van virusreactivatie in seropositieve
dieren worden geschat op 3% (13). Om deze kans te vermin-
deren en te voldoen aan de begin februari 1999 geldende ver-
plichting tot bestrijding van BHVl, konden de beide seropo-
sitieve dieren worden afgevoerd of kon worden overgegaan
tot vaccinatie. De kosten van voortijdige afvoer van de beide
dieren en direct IBR-vrij certificeren (certificeringskosten
circa ƒ 225 per jaar) zullen hier in de adviezen van de deelne-
mers zijn afgewogen tegen de jaarlijkse kosten van vaccinatie
(circa ƒ 1075) en de daarop volgende kosten van een nieuw
certificeringsonderzoek (circa ƒ 730) wanneer de beide die-
ren door natuurlijk verloop van het bedrijf zouden zijn afge-
voerd (bedragen exclusief BTW). De kosten van voortijdige
afvoer zijn de meest onzekere factor in deze afweging. De
kosten van voortijdige afvoer bestaan in feite uit het mislopen
van de verwachte winstsom (VWS) bij aanhouden van het
rund boven de winst bij directe vervanging van het rund door
een hoogdrachtige vaars (3). De VWS wordt in belangrijke
mate bepaald door leeftijd, pariteit, productieniveau en lacta-
tiestadium van het rund en de \'quotum-situatie\' en mogelijk-
heden tot alternatieve aanwending van vrijkomende produc-
tiefactoren op het bedrijf Bij deze casus was uitsluitend
informatie over de leeftijd van de beide runderen verstrekt,
zodat het onmogelijk was een economisch gefijndeerd advies

Tabel i. Samenvatting van de laboratoriumuitslagen pen mei 1998 met betrekl<ingopeen casus die aan 533 rundveedierenartsen werd voorgelegd.

leeftijd

aantal

S. dublin

BVD

paratbc

paratbc

BVD

BHVl

paratbc

op

dieren

GP-ELISA

Ag-ELISA

ELISA

ELISA

Ag-ELISA

gE-ELISA (melk)

feceskweek

1/5/98

(1/2/98)

(1/2/98)

(1/2/98)

(21/2/98)

(25/2/98)

(16/2/98)

(4/3/98)

pos. neg. n.o.\'

pos. neg. n.o.

pos. dub. neg.

pos. neg.

pos. neg.

pos. neg. n.o.

pos. n.g.u.2 n.o.

>3 jaar

27

0 27

0 27

P 1 25

0 It

43

21 2

23 24 I

2-3 jaar

11

0 11

0 11

0

10 I

I 9 I

<2jaar

30

0 29 1

3 25 2

15 25

n.o.= niet onderzocht.

n.g.u. = nog geen uitslag. Op de damm dat advies gevraagd werd was de einduitslag van de feceskweek op paratuberculose nog niet bekend.
Geen dieren tegelijkertijd positief bij paratbc-ELISA, BHVl -gE-ELlSA of feceskweek-paratuberculose.
Heronderzoek van koe met dubieuze uitslag paratuberculose-ELISA op 1/2/98.
Heronderzoek van de drie dieren met een positieve uitslag op 1/2/98.

-ocr page 440-

Tabel 2. Samenvatting van de laboratoriumuitslagen per i februari iggg met betrekking op een casus die aan 533 rundveedierenartsen werd voorgelegd.

BHVl
gE-ELISA(bloed)
(3/12/98)

leeffijd

op
1/2/99

aantal
dieren

paratbc
ELISA
(1/2/98)

paratbc
ELISA
(21/2/98)

paratbc
feceskweek
(4/3/98)

paratbc
feceskweek
(3/11/98)

pos. neg .n.o.

27 25

O 14

O 13 17

pos. dub. neg. n.o.\'

pos.

neg.

pos.
1

neg.
26

n.o.
20 1
10

1« 16 10

>3 jaar
2-3 jaar
<2 jaar

27
14
30

O

16
O

n.o.= niet onderzocht.

Na 8 weken kweken werden 1 tot 10 kolonies M.a. paratuberculosis gevonden.
Na 12 weken werden 10 tot 100 kolonies Ma. ;?ara/Mèerc»/o«j gevonden,
m.i.o. = monster is ongeschikt voor bepaling door (schimmel jverontreiniging.

n.g.u. = nog geen uitslag. Op de datum dat advies gevraagd werd was de einduitslag van de feceskweek op paratuberculose nog niet bekend.

Heronderzoek met de paratuberculose-ELISA op 21/2/98 van het rund met dubieuze uitslag van deze ELISA op 1/2/98 gaf een negatieve uitslag; bij feceskweek

op 3/11/98 werd echter paratuberculose aangetoond.

Beide BHVl gE-positieve dieren waren negatiefin paratuberculose-ELISA en -feceskweek.

te geven. Kennelijk lag echter, in de beleving van de deelne-
mers, op dit bedrijf het kantelpunt voor de keuze voor afvoer
van BHVl-gE-seropositieve runderen dan wel voor vaccina-
tie en het benutten van de beschikbare selectieruimte voor de
afvoer van paratuberculose-mestkweek-positieve runderen,
in de buurt van twee BHVl-gE-seropositieve runderen.
Aan de afVoer van paratuberculose-mestkweek-positieve die-
ren werd een hoger belang gehecht dan aan de afvoer van para-
tuberculose-ELlSA-positieve dieren. Dit lijkt terecht omdat
aangenomen mag worden dat de positief voorspellende waarde
van de feceskweek 100% benadert (16) en omdat feceskweek-
positieve mnderen het infectieuze stadium van de infectie heb-
ben bereikt. De positief voorspellende waarde van de ELISA is
afhankelijk van de werkelijke prevalentie op het bedrijf (11).
Afvoer van twee koeien waarbij in de feceskweek na 12 we-
ken kweken tien tot 100 kolonies
M.a. paratuberculosis wer-
den gevonden werd belangrijker gevonden dan afvoer van
een koe waarbij na acht weken kweken één tot tien kolonies
werden gevonden. Bij zwaardere uitscheiders worden echter
al na een kortere kweekperiode kolonies gevonden (12). Het
advies om dieren waarbij na een kweekduur van 12 weken de
infectie werd aangetoond eerder te ruimen dan een dier
waarbij al na een kweekduur van acht weken de infectie werd
aangetoond lijkt hiermee in tegenspraak. Mogelijk hebben
de deelnemers zich bij het beantwoorden van de enquête la-
ten leiden door het feit dat het belang van afvoer van twee
(lichtere) uitscheiders werd vergeleken met het belang van
afvoer van één (zwaardere) uitscheider
In de enquête werd tevens gevraagd een verschil in prioriteit
aan te geven tussen de afvoer van
M.a. paratuberculosi- test-
positieve runderen en de laatstgeboren kalveren van deze
groep runderen. In feite is deze vergelijking niet valide: ter-
wijl de afvoer van test-positieve runderen ten koste gaat van
de huidige selectieruimte voor vrijwillige afvoer op het be-
drijf, gaat de afvoer van laatstgeboren kalveren ten koste van
de selectieruimte over één tot twee jaar Dit laatste zou deels
kunnen worden gecompenseerd door meer andere vaarskal-
veren aan te houden.

In de casus werden bij serologisch onderzoek geen afweer-
stoffen tegen
S. dublin aangetoond, terwijl het bedrijf ge-
certificeerd leptospirose-vrij was. Het belang wat door de
deelnemers aan afvoer van
S. dublin-dragers en met

L. hardjo geïnfecteerde dieren wordt gegeven kon daarom
niet worden gemeten. Op bedrijven waar actieve of latente
S.
c/wW/w-dragers aanwezig zijn ligt het echter voor de hand de
afvoer van deze dieren een hoge prioriteit te geven vanwege
het zoönotisch risico van deze kiem voor de veehouder en
zijn gezin. Afvoer van met
L. hardjo geïnfecteerde dieren
lijkt alleen zinvol bij een doodgelopen infectie; in die geval-
len zou echter een parenterale behandeling met streptomy-
cine van deze dieren een goed alternatief kunnen zijn (4,5).
Op basis van de resultaten van de huidige studie en bovenge-
noemde argumenten met betrekking tot
S. dublin en L.
hardjo
kan de volgende volgorde van belang van afvoer wor-
den geadviseerd: 1) ruim dragers van
S. dublin, 2) ruim
BVDV-dragers, 3) ruim paratuberculose-mestkweek-posi-
tieve dieren en hun laatstgeboren nakomelingen, 4) ruim, op
met paratuberculose besmette bedrijven, paratuberculose-
ELISA-positieve dieren en hun laatstgeboren nakomelingen
en ruim, bij een lage prevalentie, BHV 1 -gE-positieve dieren,
en 5) ruim leptospirose-positieve dieren. Omdat deze volg-
orde aan de hand van één casus is opgesteld, kunnen er echter
op andere bedrijven goede (onder andere bedrijfseconomi-
sche) argumenten zijn om hiervan af te wijken. Om meer in-
zicht in deze argumenten te verwerven en de advisering aan
veehouders te ondersteunen is de ontwikkeling van een epi-
demiologisch en bedrijfseconomisch model gericht op een
integrale aanpak van infectieziekten noodzakelijk.

Dankbetuiging

De bijdrage aan deze studie door de deelnemers aan de \'Basiscursus
Erkende Rundveedierenarts\' wordt zeer gewaardeerd. De auteurs bedanken
dr ir. H.J.W. van Roermund (ID-Lelystad) voor zijn advies met betrekking
tot de gebruikte statistische methode, en dr. ir H.W. Saatkamp
(Leerstoelgroep Agrarische Bedrijfseconomie, Wageningen Universiteit)
voor zijn commentaar op het manuscript.

Literatuur

1. Benedictus ü. Dijkhuizen AA en Stelwagen J. Bedrijfseconomische
schade van paratuberculose bij het rund. Tijdschr Diergeneeskd 1985;
110:310-9.

2. Bland M. An introduction to medical statistics. 2"\'\' ed. Oxford, Oxford
University Press, 1996.

-ocr page 441-

Dijkhuizen AA, Renkema JA en Stelwagen J. De vervangingsbeslis-
sing bij melkvee in geval van moeilijk te verkrijgen dracht: een econo-
mische evaluatie. Tijdschr Diergeneeskd 1984; 109:485-506.
Gerritsen MJ, Koopmans MJ, and Olyhoek T. Effect of streptomycin
treatment on the shedding of and serologic responses to
Leptospira
interrogans
serovar hardjo subtype hardjobovis in experimentally in-
fected cows. Vet Microbiol 1993; 38: 129-35.

Gerritsen MJ, Koopmans MJ, Dekker TC, Jong MCM de. Moerman A,
and Olyhoek T. Effective treatment with dihydrostreptomycin of natu-
rally infected cows shedding
Leptospira interrogans serovar hardjo
subtype hardjobovis. Am J Vet Res 1994; 55: 339-43.
Gezondheidsdienst voor Dieren, GD Praktijkmap Herkauwers.
Deventer: Gezondheidsdienst voor Dieren, 2000.
Groenendaal H. Economische gevolgen van BVD bestrijding op melk-
veebedrijven: een simulatiestudie. Rapport, Landbouwuniversiteit
Wageningen, 1998.

Groenendaal H, Jalving AW en Horst HS. Modelstudie voorbereiding be-
strijding paratuberculose. Rapport, Landbouwuniversiteit Wageningen,
1999.

Groenendaal H en Nielen M. Aanvulling modelstudie voorbereiding
paratuberculose. Rapport, Wageningen Universiteit, 2000.
Hartman EG, Franken R Bokhout BA en Peterse DJ. Leptospirose bij
runderen; melkerskoorts bij de veehouders. Tijdschr. Diergeneeskd
1989; 114: 131-5.

Henken AM, Graat EAM, and Casal J. Measurement of disease fre-
queney. In: Noordhuizen JPTM, Frankena K, van der Hoofd CM, and
Graat EAM eds. Application of quantative methods in veterinary epi-
demiology. Wageningen: Wageningen pers, 1997: 65-82.
Kalis CHJ, Hesselink HW, Russchen EW, Barkema HW, Collins MT,
and Visser IJR. Factors influencing the isolation of
Mycobacterium
avium
subsp. paratubereulosis from bovine fecal samples. J Vet Diagn
Invest 1999; 11:345-51.

12.

13.

14.

15.

16.

17.

10.

18.

11.

Tabel 3. Volgorde van afvoer naar mediane score in de adviezen die door rundveedierenartsen met betrekking tot een casus werden gegeven.

Volgorde
van afvoer

1 mei 1998

1 februari 1999

categorie

mediane score ± SD

categorie

mediane score ± SD

1

BVD-drager

1.0 ±0.63

paratuberculosekweek-

2.0±1.8 ^

positieve koe (maart 1998)

/

p< 0.001

■ p< 0.001

J

2

Paratuberculosekweek-

Paratuberculosekweek-

positieve koeien

2.0 ±0.62

positieve koeien (nov 1998, B12)2

2.0±1.0

p< 0.001

/

p< 0.001

3

Laatstgeboren kalf

3.0 ±0.95

Paratuberculosekweek-

J

paratuberculosekweek-

positieve koe (nov. 1998,A8)3

3.0 ±0.95

positieve koeien

\\

■ p = 0.001

/

p = 0.057

J

(niet signi-

4

Paratuberculose-ELISA-

BHV 1 -gE-ELISA-positieve-

ficant)!

positieve koeien

4.0 ±0.97

koeien (bloed)

4.0± 1.8

5

Laatstgeboren kalf

\' p<0.001

laatstgeboren kalf

}

p = 0.005

ELISA-positieve koeien 5.0 ±0.85

paratuberculosetest- positieve

4.0 ±0.9

koeien

p< 0.001

6

BHVl-gE-ELISA-

positieve koeien (melk)

6.0 ±1.4

1 De rangorde van de score voor prioriteit van aiVoer van de paratuberculoselcweek-positieve koe (monstemame nov. 1998, 1-10 kolonies na 8 weken kweken) en
de laatstgeboren kalveren van paratuberculose test-positieve koeien was verschillend (p <0.001).

2 B12 = na 12 weken kweken werden lOtot 100 kolonies Ma. pararufce/ru/av/.« gevonden.

3 A8 = na acht weken kweken werden 1 tot 10 kolonies M.a. paratubereulosis gevonden.

Koeijer AA de. (ID Lelystad), persoonlijke mededeling, 2000.
Lehenbauer TW, and Oltjen JW. Dairy cow culling strategies: rnaking
economical decisions. J. Dairy Sci 1998; 81: 264-71.
Muskens JAM, Jongeneel G, Barkema HW, and Verhoeff J.
Paratubereulosis management risk factors on dairy farms in the
Netherlands. In: Manning EJB and Collins MT eds. Proceedings of the
sixth international colloquium on paratubereulosis, Melbourne, febr.
14-18, 1999, 89-94.

Reinders JS. Bestrijding van klinische paratuberculose bij runderen.
Dissertatie, Utrecht, 1963.

Schaik G van, Schukken YH, Nielen M, Dijkhuizen AA, Barkema
HW, and Benedietus G. Introduction of infectious diseases into Dutch
SPF dairy farms: risk factors and economic consequences. Submitted
to Preventive Veterinary Medicine, 2000.

Vonk Noordegraaf A, Buijtels JAAM, Dijkhuizen AA, Franken P,
Stegeman JA, and Verhoeff J. An epidemiological and economic simu-
lation model to evaluate the spread and control of infectious bovine
rhinotracheitis in the Netherlands. Prev Vet Med 1998; 36: 219-38.

-ocr page 442-

Een overzicht

Tijdschr Diergeneesl<d 2001:126; 46-57

Equine protozoal myeloencephalitis (EPM) in Nederland?

L.S. Coehringi\'^ en M.M. Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan^

Overzichtsartikelen

Samenvatting

Naar aanleiding van een geval van Equine Protozoal
Myeloencephalitis (EPM) bij een paard in Nederland
wordt een overzicht gegeven van deze aandoening, de dia-
gnostiek en de therapie. Bij een naar Amerika verkochte
KWPN-ruin werd na enkele maanden de diagnose EPM
gesteld. Het paard werd teruggebracht naar Nederland
en werd hier redelijk succesvol behandeld.
Op dit moment worden verreweg de meeste gevallen van
EPM aan een infectie met
Sarcocystis neurona toege-
schreven en lijkt de aandoening uitsluitend voor te ko-
men bij paarden die kortere of langere tijd in Amerika
zijn geweest. Recentelijk werden in Amerika enkele
EPM-gevallen beschreven die waarschijnlijk veroor-
zaakt werden door
Neospora hughesi.

Summary

Equine Protozoal Myeloencephalitis in the Netherlands?
An overview

Equine protozoal myeloencephalitis (EPM) was diagnosed in a Dutch
Warmhlood gelding a few months after its export to the United States. The
horse came hack and was treated here. Additionaly. an overview of the dis-
ease complex \'EPM \'is given. Mode of infection, diagnosis ofdisease and its
differential diagno.ses, and general therapeutic options are presented.
Although EPM due to infection with
Sarcocystis neurona in Europa seems
restricted to those horses that return or are imported from North America,
the possibility of future cases of EPM caused hy an infection with
Neospora
spp.
is briefly discussed.

Inleiding

Equine Protozoal Myeloencephalitis (EPM) is een groot
probleem voor de paardenhouderij in de Verenigde Staten en
is daar op dit moment bij paarden de meest gediagnostiseer-
de neurologische aandoening (13,22). Op dit moment lijkt in
Europa de aandoening niet van grote betekenis. Toch zijn er
omstandigheden waar ook in Nederland bij de differen-
tiaaldiagnose van een paard met neurologische uitvalsver-
schijnselen aan EPM moet worden gedacht (3).
Na de beschrijving van het verloop van een recent geval van
EPM bij een naar Amerika verkochte KWPN-ruin, zal een
overzicht worden gegeven van het voorkomen, de dia-
gnostiek en de therapie van EPM in het algemeen.

\' Hoofdafdeling Gezondheidszorg Paard. Discipline Inwendige Ziekten, Faculteit der

Diergeneeskunde, Yaielaan 12-16, 3584 CM Utrecht.
^ Corresponderende auteur: drs. LS. Goehring, Hoofdafdeling Gezondheidszorg
Paard, Discipline Inwendige Ziekten, Faculteit der Diergeneeskunde, Yaielaan
12-16, 3584 CM Utrecht. Tel: 030-2531350. fax: 030-2531256. e-mail:
l.goehring@vet. uu.nl

Casus

In december 1998 werd een 15-jarige KWPN-ruin aangebo-
den aan de Kliniek Inwendige Ziekten van de Hoofdafdeling
Gezondheidszorg Paard met de volgende anamnese. In 1997
werd de ruin verkocht naar de Oostkust van de Verenigde
Staten om op hoog niveau in de dressuursport te gaan lopen.
Na twee maanden viel op dat het paard slapte in de achter-
hand vertoonde en vermagerde. Daarop werd het paard ge-
durende meerdere maanden behandeld door middel van acu-
punctuur en fysiotherapie zonder dat verbetering optrad. In
september 1998 werd het paard doorgestuurd naar een
Universiteitskliniek ter plaatse voor nader onderzoek. Bij dit
onderzoek liet het paard geen kreupelheid zien, maar ver-
toonde een matig gestoorde proprioceptie voornamelijk in
de achterhand. De waarschijnlijkheidsdiagnose was een cer-
vicale laesie en ter bevestiging van deze diagnose werden
röntgenfoto\'s van de halswervels genomen, aangevuld met
een myelogram onder algehele anesthesie. Er werden geen
aanwijzingen voor compressie van het ruggemerg gevonden
en men besloot om liquor cerebrospinalis en een serummon-
ster te laten onderzoeken op EPM. In de liquor werden antili-
chamen tegen
Sarcocystis neurona aangetoond en daarop
werd de diagnose \'Equine Protozoal Myeloencephalitis\' ge-
steld. Gezien de etiologie van EPM werd ervan uitgegaan dat
de ruin de aandoening in de Verenigde Staten had opgelopen.
De toekomst van het paard was onzeker omdat de bruikbaar-
heid voor de dressuursport als \'duidelijk verminderd\' werd
ingeschat. Op verzoek van de voormalige Nederlandse eige-
naresse kwam het paard terug naar Nederland. In Nederland
werd het paard gedurende vijf maanden met een combinatie
sulfadiazine (20 mg/kg p.o. 1 dd), pyrimethamine (1,5
mg/kg p.o. 1 dd) en vitamine E (5000 lU p.o. 1 dd) behan-
deld. Gedurende de eerste acht weken verbeterde het paard
goed, maar daarna leek de vooruitgang te stagneren. Na vijf
maanden behandeling was de specifieke test op antilicha-
men van
S. neurona in liquor cerebrospinalis en serum nega-
tief en werd de behandeling gestopt. Het paard hield lichte
stoornissen in de proprioceptie van de achterbenen en ver-
toonde ook een uitermate milde spasticiteit van de achterbe-
nen. Het paard kon echter wel weer worden gebruikt voor
dressuurwedstrijden op L-niveau.

Voorkomen van EPM

EPM kan optreden bij paarden die afkomstig zijn uit Amerika,
of daar voor kortere of langere tijd zijn geweest. Dit kunnen
bijvoorbeeld paarden zijn die in de intemationale sport lopen
of paarden die voor fokdoeleinden naar Amerika zijn geweest.
Verder kan de ziekte bij alle rassen, zoals de Engels Volbloed,
de Quarter Horse, de Paint, de Appaloosa en de Polo pony,
voorkomen die geïmporteerd worden vanuit een land van het

-ocr page 443-

Faeco-orale overdracht
van sporocysten op

-► onbekend -

Orale opname van sarcocysten
uit prooidieren

paard -"X"

Opossum:

gastheer van:
S. neurona —

S. falcatula -

(andere Sarcocystis sppl)

Opossum

vogels

Figuur 1 Vermenigvuldigingscyclus van Sarcocytii neurona en Sarcocytis falcatula.

Amerikaanse continent. Ten aanzien van de prevalentie van
EPM zijn geografische verschillen beschreven en er komen
waarschijnlijk ook rasverschillen voor (21,26,32).
Sarcocystis spp., waaronder ook de verwekker van EPM,
zijn protozoën die twee gastheren voor hun vermenigvuldi-
gingscyclus (Figuur I) nodig hebben (obligaat heteroxeen).
Deze gastheren staan in een prooidier-roofdierverhouding
ten opzichte van elkaar. De productie van sporocysten vindt
plaats in het maag-darmkanaal van het roofdier (sexuele ver-
menigvuldiging), en de productie van weefselcysten of sar-
cocysten (asexuele vermenigvuldiging) in het prooidier.
Paarden zijn niet het eigenlijke prooidier of tussengastheer
van een 5.
neurona-\'mfecüe, maar een foutieve gastheer. De
vermenigvuldigingscyclus loopt vast, en er ontstaan in het
paard geen stadia welke besmettelijk voor het roofdier zijn.
Het daadwerkelijke prooidier (of tussengastheer) in de ver-
menigvuldigingscyclus van
S. neurona is niet bekend. Het
\'roofdier\' waarin de sexuele vermenigvuldiging optreedt is
het Amerikaanse opossum
(Didelphis virginiana, Figuur 2),
een buideldier dat uitsluitend op het Amerikaanse continent
voorkomt (15). Een zeer veel eerder in het opossum beschre-
ven
Sarcocystis-species, S. falcatula (24), leek in eerste in-
stantie dezelfde species als
S. neurona. Uit infectie-experi-
menten bleek echter dat willekeurige uit de darmtractus van
opossums verzamelde sporocysten bij paarden de ziekte en
seroconversie teweeg konden brengen (14), maar dat sporo-
cysten van uitsluitend
S. falcatula geen ziekte en geen sero-
conversie bij paarden gaven (6). Het opossum schijnt dus in
ieder geval gastheer van minimaal twee
Sarcocystis-spQcïts
te zijn. Terzijde is het misschien wel de vermelding waard,
dat
S. falcatula vogels als tussengastheren gebruikt. Deze in-
fectie kan grote schade onder in het wild levende vogels ver-
oorzaken, maar ook onder volièrevogels, bijvoorbeeld in die-
rentuinen (persoonlijke mededeling dr. Dubey). De twee
species (5.
neurona en S. falcatula) zijn nauw met elkaar ver-
want, en er bestaan kleine verschillen op DNA-niveau (14).
Sporocysten, het product van de sexuele vermeerdering ver-
laten via de feces het buideldier, en komen door de leefge-
woontes van dit dier onder andere ook in de habitat (weiland,
stal en voeropslag) van paarden terecht. Ze worden oraal
door het paard opgenomen, waarna merozoieten excysteren
die de darmwand doordringen en in endotheelcellen van
bloedvatwanden binnendringen. Hierbij kan al reeds een
vermenigvuldigingscyclus optreden, maar de merozoïten

-ocr page 444-

dringen in een vroege fase het centraal zenuwstelsel binnen.
Ook hier kunnen zij zich vermenigvuldigen, maar zullen
nooit uitrijpen of weefselcysten vormen die weer voor het
opossum infectieus kunnen zijn (8, 12,14). Er is geen andere
eindgastheer voor S.
neurona in Europa bekend (33).
Daarom mag vooralsnog worden gezegd dat paarden een
eventuele EPM-infectie alleen in Amerika kunnen oplopen.
Een geïnfecteerd paard kan de stadia van
S. neurona in zijn
zenuwstelsel mee naar Nederland brengen, en nog lange tijd
na de oorspronkelijke infectie kunnen deze \'opgeborgen sta-
dia\' weer actief worden. Dit is beschreven bij merries in
Europa die één jaar na verblijf in Kentucky (USA) plotseling
neurologische uitvalsverschijnselen lieten zien (15). Het is
van belang zich te realiseren dat deze geïmporteerde paarden
geen gevaar vormen voor andere paarden omdat de mero-
zoiet-stadia niet kunnen uitrijpen en het centraal zenuwstel-
sel niet verlaten.

Klinisch onderzoek

Paarden met klinische verschijnselen van EPM kunnen
neurologische uitvalsverschijnselen in de brede zin van het
woord vertonen. Omdat de merozoiet-stadia van de protozo
op elk niveau in het centraal zenuwstelsel (hersenen en rug-
gemerg) voor kunnen komen, zijn de verschijnselen nogal
uiteenlopend (21,29). Toch blijkt de voorkeurslocatie het
ruggemerg te zijn en de meest voorkomende afwijkingen
zijn ataxie, gestoorde proprioceptie en parese/paralyse van
zowel voor- als achterbenen. De schade in het ruggemerg is
plaatselijk, maar kan wel multifocaal optreden. De klinische
verschijnselen kunnen daardoor asymmetrisch voorkomen.
Naast \'upper motor neuron deficits\' zoals ataxie, gestoorde
proprioceptie en spasticiteit worden ook \'lower motor
neuron deficits\', zoals parese/paralyse of neurogene spiera-
trofie gezien. Als er ook merozoiet-stadia in de hersenen
aanwezig zijn, kunnen er naast uitval van craniale zenuwen
ook een verminderd bewustzijnsniveau of epileptiforme
aanvallen optreden (15,26,29). Een goed klinisch neurolo-
gisch onderzoek volgens een standaard protocol is in zulke
gevallen noodzakelijk, mede om bij eventuele vervolgvisites
of verwijzing een \'standaard\' beoordeling van de toestand te
hebben. Lichte vormen van neurologische afwijkingen kun-
nen lijken op een kreupelheid. Dit zijn de moeilijkste patiën-
ten. Hier moet in eerste instantie worden gekeken of de af-
wijkende gang het gevolg is van neurologisch uitval of dat er
een afwijking van het bewegingsapparaat is. Paarden die
écht kreupel zijn hebben doorgaans geen EPM.
Gezien het feit dat EPM zich op vele manieren kan presente-
ren hoort deze aandoening, als het paard ooit in Amerika is
geweest, vrijwel in iedere differentiaaldiagnose van een
neurologisch probleem te staan. Andere differentiaaldiagno-
ses zijn cervicale vertebrale stenose of instabiliteit, equine

Figuur 2 Amerikaans opossum (Didelphis virginiana).

r e » 10 \\y <d «;* t* sm\' \' 7»\' tV sfcl^ rN^

-ocr page 445-

degeneratieve myelopathic, equine herpesvirus type 1
(EHVl) myeloencefalopathie, rabiës, het licht-geïnduceerde
\'headshaking\', listeriose, neurotoxische stoffen, trauma en
neoplasie(i9).

Laboratoriumdiacnostiek

Bij patiënten met EPM zijn er geen typische veranderingen
in het routinebloedonderzoek. Ook het routine-onderzoek
van liquor is doorgaans normaal: het aantal cellen in de li-
quor is laag (1-5 x 10^ leucocyten/L) en de eiwitconcentratie
van liquor is normaal (tussen 0,2 en 0,8 g/L).
EPM wordt momenteel met behulp van een immunoblot
(Western Blot (WB))-test gediagnostiseerd. Deze test toont
antilichamen tegen
S. neurona in liquor cerebrospinalis of in
serum aan en is daarbij sensitief en specifiek genoeg om
onderscheid te maken tussen
S. neurona en antilichamen van
andere
Sarcocystis spp. die van nature bij het paard kunnen
voorkomen, zoals
S.fayeri en S. cruzi. De test geeft een anti-
gen-antilichaamrcactie aan in een gel na elektroforese en is
kwalitatief. Dit houdt in dat een uitslag positief, negatief of
\'dubieus\' kan zijn. Als er specifieke antilichamen tegen 5.
neurona in het serum worden gevonden, dan betekent dit dat
er contact met de verwekker van EPM is geweest, maar het is
geen bewijs dat de verwekker in het centraal zenuwstelsel is
doorgedrongen (15). Epidemiologisch onderzoek in de
Verenigde Staten wees uit dat daar, afhankelijk van de ge-
ografische locatie, rond 50% van alle paarden antilichamen
heeft tegen
S. neurona (26). Een positief serum betekent dus
niet dat het dier lijdende is aan EPM. Om de diagnose EPM
te stellen moeten er antilichamen tegen
S. neurona in de li-
quor cerebrospinalis aangetoond worden.
Tijdens het doen van een liquorpunctie kan er een geringe
contaminatie met perifeer bloed optreden. Als het paard in
het bloed antilichamen tegen
S. neurona heeft, kan dit tot een
vals-positief resultaat voor de liquoruitslag leiden. Reeds
een geringe hoeveelheid bloed kan een vals-positief resultaat
opleveren (2,4,5,30). Er is geprobeerd het aantal vals-posi-
tieve uitslagen terug te dringen, door de exacte hoeveelheid
albumine en IgG in de liquor en in het serum van een paard te
bepalen. Bij contaminatie van liquor met bloed komt een in
verhouding onevenredige hoeveelheid albumine en globuli-
nes (waaronder IgG) in de liquor terecht. Met behulp van in-
dices, het zogenoemde \'albumine-quotiënt\' en de \'IgG-in-
dex\', is men erin geslaagd de uitkomsten van de Western
Blot voor EPM op liquor beter te kunnen interpreteren (1).
Als het albumine-quotiënt te hoog is, is dus de hoeveelheid
albumine in de liquor te hoog en dit is bewijzend voor een
contaminatie van de liquor met bloed. De IgG-index wordt
gekoppeld aan het albumine quotiënt. Is de totale hoeveel-
heid IgG in liquor toegenomen bij een normale albumine-
quotiënt, dan zijn deze antilichamen binnen het centraal ze-
nuwstelsel c.q. intrathecaal geproduceerd (31). Dit alles
wordt nog gecompliceerd door het feit dat er aandoeningen
van het centraal zenuwstelsel zijn die de integriteit van de
bloedhersenbarrière aantasten. Dit zijn bijvoorbeeld EHVl
myeloencefalopathie (neurologische vorm van rinopneumo-
nie) en natuurlijk encefalitiden, meningitiden en neopla-
sieën. Ook bij een \'lekkende bloedhersenbarrière\' kunnen
dus antilichamen tegen
S. neurona uit het bloed in de liquor
terecht komen en voor een vals-positief resultaat van de
EPM Western Blot zorgen. Bij alle aandoeningen die met
een \'lekkende bloedhersenbarrière\' gepaard gaan zijn er ech-
ter doorgaans ook duidelijke veranderingen in de liquor
zichtbaar, zoals een te hoge eiwitconcentratie, te veel cellen
en eventueel een afwijkende kleur. In die gevallen moet ei-
genlijk onmiddelijk aan een andere aandoening dan EPM
worden gedacht (2,4,5).

Het stellen van de EPM-diagnose blijft moeilijk. Daarom is
men er in de Verenigde Staten toe overgegaan om voor de
diagnose EPM een derde criterium aan te leggen. Naast pas-
sende klinische verschijnselen en het aantonen van speci-
fieke anti lichamen tegen 5.
neurona in de liquor cerebrospi-
nalis bij een normale albumine-quotiënt en een normale of
verhoogde IgG-index, wordt nu ook de respons op de thera-
pie als een belangrijk criterium gezien (2,4,5).

Therapie

De behandeling van een paard met EPM is langdurig en prij-
zig. Als therapie wordt een combinatie van sufadiazine (20
mg/kg lichaamsgewicht) en pyrimethamine (1-1,5 mg/kg li-
chaamsgewicht) een keer daags per os voorgesteld (15).
Deze combinatie werd vanouds bij de mens gebruikt ter be-
handeling van toxoplasmose en malaria. Hoewel het veel
duurdere pyrimethamine net als trimethoprim een stof is die
tot de groep der diaminopyrimidinen behoort, bereikt trime-
thoprim onvoldoende hoge concentraties in het centraal ze-
nuwstelsel om werkzaam te zijn (11,25). Hoe lang de thera-
pie moet worden voortgezet hangt van meerdere criteria af.
Een paard met EPM moet worden behandeld tot geen verbe-
tering van de klinische symptomen meer optreedt. Dit kan
bij een behandeling met de combinatie sulfadiazine/pyrime-
thamine meerdere maanden duren. De gemiddelde behande-
lingsduur is tegenwoordig rond de zes maanden (16). Een
oorspronkelijk tweede criterium was dat behandeld moest
worden tot een controle-onderzoek van de liquor geen antili-
chamen meer tegen
S. neurona bevatte. Hieraan kan echter in
de meeste gevallen niet worden voldaan. Dit is op dit mo-
ment één
van de meest omstreden punten in de Pathogenese
en therapie van EPM. De volgende mogelijkheden kunnen
een verklaring zijn voor het aantoonbaar blijven van antili-
chamen (20):

-ocr page 446-

* er treedt ongeacht de behandeling een continue herinfectie
op;

* delen van afgedode protozoaire stadia blijven in het CNS
achter en blijven immunogeen;

* de protozoaire stadia kunnen niet meer vermenigvuldigen,
maar worden niet gedood;

* de bijzondere status van het immuunsysteem in het cen-
trale zenuwstelsel belemmert een effectieve afweerreactie.

Op dit moment wordt ook de effectiviteit van andere thera-
peutische middelen onderzocht, zoals de werkzaamheid van
diclazuril (9), toltrazuril (18) en nitazoxaznide (17). Het
voordeel van deze groep coccidiocide therapeutica zou een
kortere therapieduur zijn. Het is echter nog niet duidelijk of
antilichamen tegen
S. neurona in de liquor na een dergelijke
behandeling wel of niet zullen zijn verdwenen.
Er bestaat geen vaccin tegen EPM. Vooralsnog wordt gepro-
beerd de infectie te voorkomen door de overdrager van de
ziekte, het opossum te weren c.q. te bestrijden, en daardoor
voer- en weidecontaminatie te voorkomen (13).

Conclusies

Op dit moment lijkt EPM geen belangrijke rol te spelen in
Europa, omdat de verwekker van de ziekte hier geen pas-
sende eindgastheer blijkt te hebben. In 1996 schrok de
Amerikaanse paardenwereld op na publicatie van een geval
van EPM waarbij in de laesies niet
S. neurona, maar een
Neospora sp. werd aangetoond (7,23,27). De geïsoleerde
verwekker bleek niet, zoals in het begin werd gedacht
Neospora caninum te zijn, maar er was zeker in een geval
(28) sprake van een nieuwe species,
Neospora hughesi.
Informatie omtrent de vermenigvuldigingscyclus en de ge-
bruikte gastheren ontbreekt tot heden (28).
Neospora cani-
num
blijkt wereldwijd, en ook in Nederland een van de be-
langrijkste oorzaken van abortus bij het rund te zijn (10,34),
maar Neospora spp. als oorzaak vooreen encefalitis/myelitis
bij het paard in Nederland nog nooit geconstateerd (34).

Concluderend kan gesteld worden dat het voor het stellen
van de diagnose EPM, veroorzaakt door
S. neurona, belang-
rijk is dat aan alle vijf diagnostische criteria wordt voldaan:

* er moet sprake zijn van neurologische symptomen;

* het paard moet op het Amerikaanse continent geweest zijn;

* de liquorpunctie moet \'lege artis\' worden verricht, en in
twijfelgevallen (bij ook maar geringe bloedcontaminatie)
moet deze na 1 tot 2 dagen herhaald worden, om de voor-
spelbare waarde van de test te optimaliseren;

* er moeten specifieke antilichamen in de liquor cerebrospi-
nalis worden aangetoond en de albumine-index en de IgG-
ratio moeten bepaald worden in één van de gespecialiseer-
de laboratoria in de Verenigde Staten;

* het paard moet verbeteren na therapie.

Dankbetuiging

We are greatful to Clara Fenger and Neogen Inc. (Georgetown, KY) analy-
zing and interpreting the submitted samples. We also thank Clara Fenger for
providing the photograph (figure 3). Onze dank aan prof. Fink-Gremmels
voor het kritisch doorlezen van het manuscript.

Literatuur

1. Andrews FM, and Abraham T. The CSF indices in the diagnosis of
equine protozoal myeloencephalitis. Proc 15\'\'^ Am Coll Vet Intern Med
Forum, 1997.

2. Bentz BG, Carter WG, and Tobin T. Diagnosing Equine protozoal mye-
loencephalitis: complicating factors. Comp Cont Edu Pract Vet 1999;
21:975-81.

3. Boersema JH. Equine protozoal myeloencephalitis (EPM) in
Nederland? Tijdschr Diergeneeskd 1999; 124:288-9.

4. Cohen ND, and MacKay RJ. Interpreting immunoblot testing of cere-
brospinal fluid for equine protozoal myeloencephalitis. Comp Contin
Educ PractVet 1997; 19: 1176-81.

5. Cohen ND, and MacKay RJ. Errata \'Interpreting immunoblot testing of
cerebrospinal fluid for equine protozoal myeloencephalitis\'. Comp
Contin Educ Pract Vet 1997; 19: 1387.

6. Cutler TJ, MacKay RJ. Ginn PE, Greiner EP, Porter R, Yowell CA, and
Dame JB, 1999. Are
Sarcocystis neurona and Sarcocystis falcatula sy-
nonymous? A horse infection challenge.

7. Daft BM, Barr BC, Collins N, and Sverlow K. Neospora encephalo-my-
elitis and polyradiculoneuritis in an aged mare with Cushing\'s
disease. Equine Vet J 1996; 28: 240-3.

8. Dame JB, MacKay RJ, Yowell CA, Cutler TJ, Marsh A, and Greiner EC.
Sarcocystis falcatula from passerine and psittacine birds: synonymy
with
Sarcocystis neuivna, agent of equine protozoal myeloencephalitis.
JParasitol 1995;81:930-5.

9. Dirikolu L. Lehner F, Nattrass C, Bentz BG, Woods WE, Carter WG,
Karpiesiuk W, Jacobs J, Boyles J, Harkins JD, Granstrom DE, and Tobin
T. Diclazuril in the horse: its identification and detection and prelimi-
nary pharmacokinetics. J Vet Pharmacol Therap 1999; 22: 374-9.

10. Dubey J P To.xoplasma, Neospora, Sarcocystis, and other tissue cy.st-for-
ming coccidia of humans and animals. In: Kreier JP (Ed.) Parasitic
Protozoa. Vol VI, Academic Press, New York, 1993, pp 1-158.

11. Duijkeren E van, Vulto AG, Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan MM,
Mevius DJ, Kessels BG, Breukink HJ, and Miert ASJPAM van. A com-
parative .study of the pharmacokinetics of intravenous and oral trimetho-
prim/sulfadiazine formulations in the horse. J Vet Pharmacol Ther 1994;
17:44-6.

12. Fenger CK, Granstrom DE, Langemeier SL, Stamper S, Donahue JM,
Patterson JS, Gajadhar AA, Marteniuk JV, Xiaomin Z, and Dubey JP
Identification of opossums
(Didelphis virginiana) as the putative defini-
tive host of
Sarcocystis neurona. J Parasitol 1995; 81:916-9.

13. Fenger CK. Equine protozoal myeloencephalitis. Comp Cont Educ
PractVet 1997; 14:513-23.

14. FengerCK, Granstrom DE, Gajadhar AA, Williams NM, McCrillis SA,
Stamper S. Langemeier SL. and Dubey JR Experimental induction of
equine protozoal myeloencephalitis in horses using
Sarcocystis sp. spo-
rocysts from the opossum
(Didelphis virginiana). Vet Parasitol 1997;
68: 199-213.

15. FengerCK. Equine Protozoal Myeloencephalitis. In: Current Therapy in
Equine Medicine ed., Ed. Robinson NE. W.B. Saunders Company,
Philadelphia, PA, 1997: pp 329-33.

16. Fenger CK, Bertone JJ, Smith M, Gerros T, Wilson G, Randolph J.
Gamer K, Andrews F, Spurlock S, and Shepard M. Equine protozoal
myeloencephalitis: efficacy and safety of treatment with pyrimethamine
and sulfadiazine combination. Proc 8\'\'^ Int Conf Equine Infect Dis,
1998.

17. Fenger CK. Treatment of Equine Protozoal Myeloencephalitis with
Nitazoxanide. Proc 18\'*\' Forum Am Coll Vet Int Med, 2000.

18. Furr M, and Kenedy T. Cerebrospinal fluid and blood concentrations of
toltrazuril 5% suspension in the horse after oral dosing. Vet Therap
2000; 1: 125-32.

19. George LW. Diseases of the nervous system. In: Large Animal Internal
Medicine, 2"\'led. Ed. Smith BP Mosby, St. Louis, 1996, pp I00I-I176.

20. Goehring LS, Furr MO, Gogal RM, Buechner-Maxwell VA, and Ansar
Ahmed S. Effect of cerebrospinal fluid from horses with equine proto-
zoal myeloencephalitis on equine lymphocyte proliferation. Proc S\'\'\' Int
Conf Equine Infect Dis, 1998.

21. Goehring LS. diss. Master of Science, Virginia Polytechnic Institute and
State University, Blacksburg. Virginia, 1998.

22. Hamir AN, Moser G, and Rupprecht CE. A five year (1985-1989) retro-
spective study of equine neurologic diseases with special reference to ra-
bies. J Comp Pathol 1992; 106:411-21.

23. Hamir AN, Tomquist SJ, Gerros TC, Topper MJ, and Dubey JR
Neospora can/num-associated equine protozoal myeloencephalitis. Vet
Parasitol 1998; 79:269-74.

-ocr page 447-

24. Levine ND. The taxonomy of Sarcocystis (Protozoa, Apicomplexa)
species. J Parasitol 1986; 72: 372-82.

25. Lindsay DS, and Dubey JP. Determination of the activity of pyrimetha-
mine, trimethoprim, sulfonamides, and combinations of pyrimetha-
mine and sulfonamides against
Sarcocystis neurona in cell cultures.
Vet Parasitol 1999;82:205-10.

26. MacKay RJ. Serum antibodies to Sarcocystis neurona- Half the hor-
ses in the United States have them! J Am Vet Med Assoc 1997; 210:
482-3.

27. Marsh AE, Barr BC, Madigan J, Lakritz J, Nordhausen R, and Conrad
PA. Neosporosis as a cause of equine protozoal myeloencephalitis. J
Am Vet Med Assoc 1996; 209: 1907-13.

28. Marsh AE, Barr BC, Packham AE, and Conrad PA. Description of a
new
Neospora species (Protozoa: Apicomplexa: Sarcocystidae). J
Parasitol 1998; 84, 983-91.

29. Mayhew IG. Measurements of the accuracy of clinical diagnoses of
equine neurologic disease. J Vet Intern Med 1991; 5; 332-4.

30.

31.

32.

33.

34.

Miller MM, Sweeney CR, Russell GE, Sheetz RM, and Morrow JK.
Effects of blood contamination of cerebrospinal fluid on western blot
analysis for detection of antibodies against
Sarcocystis neurona and on
albumin quotient and immunoglobulin G index in horses. J Am Vet
Med Assoc 1999;215:67-71.

Reed SM, Kohn CW, HinchclifFKW, Mitten LA, Ldo LR, Saville WAJ,
and Moore BR. Clinical findings and cerebrospinal fluid analysis in-
cluding western blot analysis on horses presented for neurologic dise-
ase at the Ohio State University. Proc 13\'^ Am Coll Vet Intern Med
Forum, 1995.

Saville WJ, Reed SM, and Morley PS. Investigations on the epidemio-
logy of equine protozoal myeloencephalitis (EPM). Proc 1Am Coll
Vet Intern Med Forum, 1997.

Tenter AM. Current research on Sarcocystis species of domestic ani-
mals. Int J Parasitol 1995; 25: 1311-30.

Wouda W. Neospora abortion in cattle. Diss. Utrecht University, the
Netherlands, 1998.

West Nile virus in Europa

C. Cantile, C. Di Cuardo, C. Eleni, and M. Arispici. Equine Veterinary Journal 2000; 32:31-5.

Referaten

In het Tijdschrift voor Diergeneeskunde van 1 december
1999 rapporteerde collega Van der Poel overeen encephalitis-
uitbraak veroorzaakt door een West Nile-like virus bij men-
sen, paarden en vogels in New York in de zomer van 1999.
Een fascinerende bevinding, omdat onduidelijk was hoe dc
infectie, die voornamelijk in Afrika voorkomt en wordt over-
gedragen door muggen en verspreid via trekvogels, in de
USA terecht was gekomen. Er werd gezinspeeld op de moge-
lijkheid dat een dergelijke uitbraak zich ook in West-Europa
zou kunnen voordoen (in 1996 heeft er in Roemenië wel een
uitbraak bij de mens plaatsgevonden, ref).

In de Equine Veterinary Journal wordt nu het eerste geval in
Europa gemeld van een uitbraak van het West Nile (WN)-vi-
rus bij 14 paarden in Italië (regio Toscane) in 1998. Alle die-
ren vertoonden ataxie, parese van de achterhand en bij zes
dieren breidde dit zich uit tot verlamming van alle extre-
miteiten binnen twee tot negen dagen. Behandeling met cor-
ticosteroïden en antimicrobiële middelen had geen effect.
Acht dieren herstelden en bij de overige zes dieren (twee
overleden, vier euthanasie) werd bij pathologisch onderzoek
een milde, non-suppuratieve, polio-encephalomyelitis vast-
gesteld. Uit retrospectief serologisch, virologisch en biomo-
leculair onderzoek bleek bij alle dieren het WN-virus aanwe-
zig te zijn geweest, terwijl het virus kon worden geïsoleerd
uit het verebellum en ruggemerg bij één dier.

P.A.M. Overgaauw

De geschiedenis van het Aviare Reovirus

Louis van der Heide. Avian Diseases 2000; 44: 638-41.

In 1957 vond dr. Olson een agens dat artritis en tenosynovitis
veroorzaakte, maar niet reageerde op antibiotica. Het was al-
leen pathogeen in jonge dieren en werd \'viral arthritis agent\'
genoemd. Pas in 1972 kon Walker het virus identificeren als
Reo-virus met behulp van de elektronen microscoop.
In 1957 testten Cessi en Lombardini in Italië een geïnacti-
veerd vaccin gebaseerd op de S1133-stam tijdens studies
naar de rol van de matemale immuniteit. Het vaccineren van
moederdieren leverde niet alleen hoge titers in de nakome-
lingen op (na levende priming), ook de verticale transmissie
van het virus werd tegengegaan.

Een levend, sterk geattenueerd vaccin werd ontwikkeld voor
gebruik op dag I, dat naast een primer functie, ook de jonge
vermeerderingsdieren beschermde tegen tenosynovitis. De
eerstedags vaccinatie werd uitgesteld tot de zevende dag
toen bleek dat de reo-vaccinatie interfereerde met de marek-
vaccinatie.

In 1970 werd voor het eerst het malabsorptiesyndroom
(MAS) waargenomen, waarvoor het reo-virus verantwoor-
delijk werd gesteld. Echter, na isolatie van meerdere agentia
werd geconcludeerd dat MAS een multifactoriële etiologie
moest hebben, alhoewel twee reo-isolaten (1733 en 2408)
van Rosenberger op zichzelf MAS kunnen veroorzaken.
Deze stammen worden dan ook in geïnactiveerde vaccins ge-
bruikt.

L. van Veen

-ocr page 448-

In de vorige aflevering hebt u kun-
nen lezen dat de bezitter van een

_ dier aansprakelijk blijft voor

schade die het dier veroorzaakt,
ook als het dier bij iemand logeert,
of door iemand anders wordt uit-
gelaten. De enige uitzondering
hierop geldt voor degene die zelf
een risico aanvaardt, zoals het op-
pasadres dat bereid is het dier te verzorgen. Daarbij is een
belangrijk verschil; schade aan de oppas of het oppasadres
zelf kan niet worden verhaald op de eigenaar, maar schade
aan derden weer wél. Hoe zit dat in de dierenkliniek?

laira Boissevain

Wachtkamer

In de wachtkamer zitten eigenaren met hun dieren te wach-
ten op een consult en/of behandeling. In principe geldt hier
de gewone regel voor aansprakelijkheid: de bezitter van het
dier is aansprakelijk voor schade die door het dier wordt ver-
oorzaakt, ook voor een dier dat in de wachtkamer een as-
sistente of dierenarts aanvliegt. De enige beperking die een
rechter hierbij zou kunnen aanbrengen, is dat van een dieren-
arts (-assistente) meer deskundigheid mag worden verwacht
dan van een gemiddelde Nederlander, en daarom wellicht
eerder \'eigen schuld\' wordt aangenomen.
Ook kunnen in de wachtkamer twee honden slaags raken,
waarbij het niet altijd makkelijk is vast te stellen wie van de
twee is begonnen. Door een rechter wordt de eigenaar van
een loslopende hond eerder aansprakelijk gehouden dan de
eigenaar van een aangelijnde hond, hoe onterecht dat soms
ook kan zijn. De meeste eigenaren zullen hun honden in de
wachtkamer vanzelf aan de lijn houden, en bij de enkeling
die dat niet doet is het misschien verstandig om daarom te
vragen als u de hond in kwestie niet helemaal vertrouwt.
Katten en andere dieren zitten meestal in dozen, manden en
tassen, waardoor het risico op schade tussen die dieren
onderling niet bijzonder groot is.

Spreekkamer

Aansprakelijkheid in de spreekkamer is een ander verhaal.
Dat het niet alleen honden zijn die bijten blijkt uit een uit-
spraak van de Rechtbank over een kat in barensnood. De ei-
genares kwam in het weekend \'s avonds naar de kliniek, waar
wel een dierenarts aanwezig was, maar geen assistente. De
dierenarts achtte onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk. Voor
het oproepen van assistentie was geen tijd, voor anesthesie
evenmin. De dierenarts vroeg aan de eigenares om de kat
goed vast te houden, zodat hij een kitten uit het geboorteka-
naal kon bevrijden. De kat beet de eigenares zodanig dat een
flinke infectie optrad die later leidde tot amputatie van de
vinger. De eigenares van de kat stelde de dierenarts aanspra-
kelijk voor de geleden schade, waarbij drie vragen moesten
worden beantwoord:

1. Mocht de dierenarts afzien van des\\<.undige assistentie?
Om deze vraag te kunnen beantwoorden heeft de Rechtbank
deskundigen ondervraagd over de gang van zaken in een die-
renartspraktijk. Uit dit deskundigenrapport bleek dat tijdens
het weekend, zeker in de avonduren, onmogelijk van een die-
renarts kan worden verwacht dat hij professionele hulp aan-
wezig heeft voor de behandeling van spoedpatiënten.
Daarnaast was deze katteneigenares deskundig (ze fokte kat-
ten en had de nodige ervaring), had zij de betreffende dieren-
arts al vaker geassisteerd en wist ze dat er geen professionele
assistentie aanwezig zou zijn. Onder die omstandigheden
mocht de dierenarts afzien van professionele assistentie.

2. Mocht de dierenarts, bij ontbrei<en hiervan, een beroep doen
op de eigenares?

Volgens de verzekeraar van de katteneigenares bezat zij niet
de ervaring en kundigheid om een dierenarts bij een derge-
lijke ingreep te assisteren. De Rechtbank was echter van me-
ning dat, gezien bovengenoemde feiten, de dierenarts dit re-
delijkerwijs wel had mogen vragen, zeker omdat de
eigenares zelf ook blijk gaf van bereidwilligheid om te hel-
pen. Ook hier speelde het feit dat de eigenares al jarenlang
katten fokte en vaker had geassisteerd, een rol.

3. Hod de dierenarts de eigenares voldoende geïnstrueerd?
De dierenarts had de eigenares instructies gegeven hoe en
waar zij de kat moest vasthouden. De Rechtbank achtte deze
instructies voldoende duidelijk.

De deskundigen vonden dat een bekwaam dierenarts onder
de gegeven omstandigheden behoorlijk wat verzet van de kat
had kunnen verwachten, maar dat hij voldoende voorzorgs-
maatregelen had genomen om te voorkomen dat de kat zou
bijten. Uiteindelijk achtte de Rechtbank de dierenarts niet
aansprakelijk voor de schade.

Voor de dierenarts ongetwijfeld een hele opluchting, maar
uit het oordeel van de Rechtbank blijkt dat er ook omstandig-
heden kunnen zijn die wel zouden leiden tot aansprakelijk-
heid van de dierenarts. Onvoldoende - professionele - as-
sistentie op een gewone werkdag, onvoldoende instructies of
een minder deskundige eigenaar hadden tot een heel andere
uitspraak kunnen leiden.

Logeren in de kliniek

deel 3

Wie is de gebeten hond?

Wettelijke aansprakelijkheid bij schade door dieren

Voor logeren in de kliniek geldt dezelfde basisregel als bij
andere logeerpartijen: het logeeradres aanvaardt een zeker
risico. Schade die aan het logeeradres wordt toegebracht, zal
niet snel kunnen worden verhaald op de eigenaar Schade
aan derden echter weer wel. Ook hier zal een rechter een
zwaardere verantwoordelijkheid bij de dierenarts leggen,
vanwege de aanwezige deskundigheid en bekwaamheid.

Volgende keer: aansprakelijkheid bij een overdosis
medicijnen.

-ocr page 449-

De afgelopen tien jaar heeft een toename plaatsgevonden
van dierenartsenpraktijken met eigen laboratoriumfacilitei-
ten. Een veel voorkomend onderdeel van die laboratorium-
werkzaamheden is het verrichten van gevoeligheidstesten
van dierpathogenen. In het verleden heeft het ID-Lelystad
ringtesten georganiseerd waarin de nauwkeurigheid van de
gevoeligheidstesten zoals uitgevoerd op de laboratoria van
de GD, het VMDC en het RIVM, werden gecontroleerd.
Indien nodig werden gerichte adviezen gegeven voor deelne-
mende laboratoria. Toentertijd leidde dat tot een verregaande
uniformering van de wijze waarop de test werd uitgevoerd en
een uniformering en verbetering van de kwaliteit van de uit-
slagen. Met uitzondering van enkele individuele dierenart-
senpraktijken heeft een externe controle van perifere labora-
toria nooit plaatsgevonden.

De gevoeligheidstest kan op vele manieren worden uitge-
voerd en de procedure is zeer gemakkelijk te beïnvloeden
door kleine variaties in uitvoering. Dergelijke kleine varia-
ties kunnen leiden tot flinke verschillen in uitslagen. Omdat
het resultaat van een dergelijke test een bouwsteen is voor
een rationele keuze van een antibioticum, wil het ID-
Lelystad weer een ringtest organiseren. Niet alleen voor de
grotere diagnostische labs maar juist ook voor het labs van
dierenartsenpraktijken of andere organisaties.
De ringtest zal bestaan uit het sturen van klinische isolaten
van dierpathogenen met bekende gevoeligheid, bepaald met
de referentiemethode.

Wij verzoeken iedere praktijk of laboratorium waar gevoelig-
heidstesten worden uitgevoerd zich te melden aan ondergete-
kende voor participatie in de ringtest. Volledige vertrouwe-
lijkheid van de data wordt gegarandeerd en er worden geen
kosten in rekening gebracht. De data zullen gecodeerd wor-
den gerapporteerd in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde.

Opgave voor de ringtest vóór 1 juni 2001 melden hij: Dik
Mevius, ID-Leystad, Divisie WDT, Edelhertweg 15, Postbus
65. 8200 AB Lelystad telefoon: 0320 - 238413, jax: 0320 -
238153, e-mail: d.j.mevius@id.wag-ur.nl

Oproep ringtest voor verrichten gevoeligheidstesten

Mond- en klauwzeer heeft Nederland in zijn greep. De
negatieve gevolgen hiervan zijn door het hele land voel-
baar. Voor de veehouders en practici in de getroffen ge-
bieden is de situatie ronduit dramatisch.

Wij vinden het hierdoor niet gepast om ons jaariijkse feeste-
lijke evenement doorgang te laten vinden. Het kleiduiven-
schieten en golfen wordt dus tot nader order uitgesteld.

De machteloosheid is soms moeilijk te accepteren. Wij leven
mee met alle getroffen veehouders en practici in het land die
door het virus hun werk niet normaal kunnen uitvoeren.
Met u hopen wij op een snelle verbetering van de situatie.
Wij wensen iedereen veel sterkte toe.

Harmannus Harkema en Wim Hondelink,
Boehringer Ingelheim bv

Start genetisch onderzoek bij het Friese paard

Recent is de genenvolgorde van de mens bekend gewor-
den. Dit biedt mogelijkheden om de genetische achter-
grond van onder andere ziekten te bestuderen. Zo is men
bij de mens een studie begonnen naar erfelijke aandoe-
ningen bij de bevolking van IJsland. Voorts is bekend dat
de genen van mens en dier, waaronder dus ook het paard,
zeer veel op elkaar lijken.

Derhalve heeft de Faculteit der Diergeneeskunde, Hoofd-
afdeling Paard, het plan opgevat om in analogie met de studie in
IJsland en in samenspraak met het Friesch Paarden Stamboek
(FPS) een vergelijkbaar onderzoek op te starten voor het Friese
paard. De in eerste instantie te bestuderen aandoeningen waar-
van erfelijkheid wordt vermoed, zijn: dwerggroei, dikke kop
(hydrocephalus), de te wijde slokdarm (megaoesophagus) en
de gescheurde lichaamsslagader (aortaruptuur). Voor het onder-
zoek dient EDTA-bloed afgenomen te worden van het veulen,
van de merrie en van de hengst. Ook bestaat de mogelijkheid de
desbetreffende Fries te doneren aan de Hoofdafdeling Paard.
Uiteraard worden dan de reiskosten vergoed.

Indien u een Fries met een bovenvermelde afwijking heeft en
zou willen meewerken, dan kunt u terecht bij de volgende
collega \'s voor informatie: Siebren Boerma (praktijk: tel. 06-
55732782j, Mello Sevinga (praktijk: tel. 0566-652255) of
Wim Back en Han van der Kolk (Faculteit: tel 030-2531323
/ 2531111). Uiteraard worden de gegevens vertrouwelijk be-
handeld. Ook als u andere vragen omtrent de genetica van
het paard heeft, kunt u met hen contact opnemen. Bij voor-
baat danken wij u voor uw hulp !

-ocr page 450-

De tweede helft van de 19^ eeuw
zag de opkomst van de bacteriolo-
gie. Sommige ziekten bleken in-
fectieus, de verwekkers waren
zichtbaar te maken en konden
dikwijls in vitro vermeerderd
worden. De ontdekking van de im-
muniteit resulteerde in de ontwik-
keling van immuunsera en pogin-
gen tot vaccinatie. Het bestaan van niet met de
gebruikelijke middelen zichtbare en niet op kunstmatige
voedingsbodems kweekbare virussen werd rond de
eeuwwisseling aangetoond. Virussen konden voorlopig
alleen vermeerderd worden in dieren of planten, alterna-
tieve daarvoor kwamen pas 20 jaar later.

Prof. dr. J.G. van Bekkum

Na het uitroeien van de runderpest in de laatste decennia van
de 19^ eeuw, was mond- en klauwzeer (MKZ) de grootste
plaag onder de dierziekten in West-Europa. Zijn effect was in
de eerste helft van de vorige eeuw vergelijkbaar met dat van
runderpest in het verleden. Maar ondertussen was gebleken
dat men tegenover infectieziekten niet per definitie machte-
loos stond, en dus spande men zich in om ook op MKZ enige
greep te krijgen. De moeilijkheden waren indrukwekkend.

Zelfstandig MKZ-instituut

De grote besmettelijkheid maakte het nodig voor het onder-
zoek aparte instituten te bouwen. Duitsland, Denemarken en
het Verenigd Koninkrijk gingen daarin voor, ons land volgde
op afstand.

In het rapport van de Staatscommissie ter Bestudering van
het Mond- en Klauwzeer (1921) luidden weliswaar de con-
clusie dat overgegaan diende te worden tot de oprichting van
een instituut voor het onderzoek van besmettelijke dierziek-
ten in het algemeen, met een bijzondere afdeling en bijzon-
dere accommodatie voor MKZ, maar aan dit advies werd
voorlopig geen gevolg gegeven. Ondertussen werd levendig
gediscussieerd, zoals blijkt uit een brief die onze
Maatschappij in 1928 aan de minister van Binnenlandse
Zaken zond. De boodschap luidde: \'Algemeen is men van
mening, dat het mond- en klauwzeer zo vele en zodanige
moeilijkheden oplevert, dat slechts een Internationaal
Instituut, onder de auspiciën van de Volkenbond, de oplos-
sing kan brengen\'.

In 1931 viel desondanks de beslissing over te gaan tot het bou-
wen van een geheel zelfstandig MKZ-instituut. Toen interveni-
eerde de economische crisis. Er werd niet gebouwd, maar men
besloot toch met de werkzaamheden te beginnen. Ze werden
ondergebracht bij de Rijksseruminrichting in Rotterdam. De
taken van het nieuwe Staats Veeartsenijkundig Onderzoekings-
instituut (SVOI) werden omschreven als: onderzoek van MKZ,
de bereiding van hyperimmuunserum, en het trachten een af-
doende bestrijdingsmethode te vinden. Al spoedig na het begin
van de activiteiten bleek dat de huisvestingsplaats niet gunstig
gekozen was. MKZ-infecties bij proefdieren die niet bij het
MKZ-onderzoek betrokken waren, kwamen regelmatig voor.
Het MKZ-onderzoek in de verschillende Europese laborato-
ria had zich ondertussen ontwikkeld langs de klassieke lij-
nen van de bacteriologie. Men zocht methoden om het virus
te vermeerderen, eerst in proefdieren, waarbij cavia\'s bruik-
baar bleken, later op andere wijzen. Ondertussen nam, bij
gebrek aan alternatieven, het gebruik van hyperimmuunse-
rum een grote vlucht. Tijdige toediening daarvan kon de
schade op besmette bedrijven wat beperken.

2000

Hoogtepunten

Levende cel

Na 1920 won het inzicht veld, dat virussen om zich te ver-
meerderen het apparaat van de levende cel nodig hebben. Er
werden methoden ontwikkeld om dierlijke cellen buiten het
lichaam in leven te houden en te vermeerderen. De eerste
weefselkweken bestonden uit stukjes embryonaal weefsel in
een plasmastolsel met een medium dat meestal embryo-ox-
tract bevatte.

In 1930 meldden Duitse en Engelse onderzoekers de ver-
meerdering van aan cavia\'s geadapteerd MKZ-virus in ex-
plantaten van embryonale caviahuid. Die proeven gebeurden
in druppels of op milliliterschaal. Schaalvergroting was no-
dig wilde men het gekweekte virus ergens voor gebruiken,
bijvoorbeeld voor de bereiding van hyperimmuunserum.
De staf van het SVOI, dr. H.S. Frenkel, zijn assistent de die-
renarts G.M. van Waveren en enkele ondersteunende krach-
ten begonnen hun activiteiten in 1933. Hun onderzoek sloot
aan bij dat van de andere Europese laboratoria. Twee jaar la-
ter konden zij de eerste resultaten melden. Ze gebruikten
foetale runderhuid, wat het voordeel had in grotere hoeveel-
heden beschikbaar te zijn dan foetale caviahuid. Het ge-
bruikte virus was van runderen afkomstig. Het gebruik van
rundervirus was een stap vooruit, omdat adaptatie aan cavia\'s
het virus verandert. De steriliteit was een probleem. Men
werkte weliswaar in zogenaamde steriele kastjes, voorlopers
van de moderne veiligheidskabinetten, maar vooral met
vloeibare media waren de kweken moeilijk steriel te houden.
In 1936 en 1937 werden verdere resultaten gepubliceerd.
Ook foetale schapen- en varkenshuid waren bruikbaar.
Celvermeerdering bleek niet nodig voor virusreplicatie, het
medium kon vereenvoudigd worden. Andere laboratoria be-
vestigden deze resultaten.

De nieuwbouw van het SVOI, op het Marine-etablissement
in het oostelijke havengebied van Amsterdam, werd in 1939
in gebruik genomen. Kort daarop bracht het uitbreken van de
Tweede Wereldooriog het onderzoek tot stilstand.
Maatregelen van de bezetter maakten weldra Frenkel het
verder werken onmogelijk.

Verlate aflevering van \'2000 Hoogtepunten\' actueler dan ooit

Dr. H.S. Frenkel, een coryfee uit de beginjaren van
de mond- en klauwzeerbestrijding

-ocr page 451-

Eerste MKZ-vaccin

In 1938 beschreven Waldmann en Kübe het eerste werkzame
MKZ-vaccin, op basis van aan aluminiumhydroxyde gead-
sorbeerd, met formaldehyde geïnactiveerd virus gewonnen
uit blaarwandmateriaal van besmette runderen. Dit vaccin
was effectief, maar het had een aantal nadelen die grootscha-
lig gebruik in de weg stonden. De voor de virusproductie ge-
bruikte runderen moesten gevoelig zijn voor MKZ, en waren
dus maar beperkt beschikbaar. Een volwassen rund leverde
virus voor ongeveer 200 doses monovalent vaccin. Om eco-
nomische redenen werden de voor de virusproductie ge-
bruikte runderen in consumptie gebracht, ze droegen zo-
doende bij tot de smetstofverspreiding.
Dit vaccin, in bivalente vorm, A en O, is tijdens de oorlog
ook op kleine schaal in het instituut in Amsterdam aange-
maakt, en gebruikt in proefentingen, met name in Friesland.
Men was tevreden over de resultaten. Na de oorlog werd de
productie opgevoerd. In 1946 beschreef Frenkel, ondertus-
sen uit Theresiënstadt teruggekeerd, het productieprocédé.
Het was enigszins gewijzigd ten opzichte van dat van
Waldmann c.s., onder andere was de dosis verlaagd tot 15 ml
per serotype. Het vaccin werd vooral ingezet bij noodentin-
gen, en daardoor was men veelal te laat wanneer de ziekte
zich verspreidde. Frenkel verwachtte een productie van drie
miljoen doses te kunnen realiseren, voldoende voor de en-
ting van runderen en schapen. Dit zou 25.000 runderen vra-
gen, die voor het merendeel geïmporteerd moesten worden.
De viruswinning gebeurde op het abattoir in Rotterdam, het
vaccin werd bereid in Amsterdam. Het instituut daar had
slechts zeer beperkte stalruimte voor runderen, de vaccin-
controles vonden plaats in het Amsterdamse abattoir.
In een rapport aan het Office International des Epizootics uit
1947 concluderen Frenkel en zijn Deense collega Fogedby
dat vaccinatie van het rundvee, wil die effectief zijn, jaarlijks
herhaald zal moeten worden. De enting zou aan het eind van
de stalperiode plaats moeten vinden en zou, althans in ons
land, verplicht moeten zijn. In deze publicatie wordt de vi-
rusproductie in cultures van foetale runderhuid genoemd als
mogelijk alternatief voor het gebruik van levende runderen.
Terloops wordt vermeld, dat misschien ook kweek op run-
dertongepitheel een mogelijkheid zou kunnen zijn. De
daarop betrekking hebbende publicatie was ondertussen al
geschreven.

MKZ-enting gestimuleerd

Eindjaren veertig werd de MKZ-enting door verschillende
groeperingen in ons land krachtig gestimuleerd, waardoor de
vaccinatiedekking bij de rundveestapel geleidelijk toenam.
Geënte runderen werden in een besmette omgeving niet
ziek, maar het aantal besmette bedrijven nam maar langzaam
af, omdat er nog te veel ongeënte dieren overbleven.
Ondertussen ontstond er een heftige discussie, zowel op na-
tionaal als op internationaal niveau, over de voordelen en na-
delen van de enting. In de internationale discussies was een
veelgehoord argument, dat, hoewel de enting protectie gaf,
ze de ziekte niet zou kunnen uitroeien. Het virus bleef im-
mers aanwezig en vormde dus een voortdurende bedreiging
voor landen die MKZ bestreden door het afmaken van de be-
smette bedrijven. Nationaal woog de beperking van de
schade op de besmette bedrijven zwaar. De voorstanders wa-
ren in de meerderheid en wonnen het pleit. Enkele religieuze
groeperingen verzetten zich op principiële gronden tegen
vaccinatie, dit stond een verplichte enting in de weg. Een ge-
meente in Friesland, die de enting verplicht wilde stellen
voor alle ter plaatse gehouden runderen, werd door de rech-
ter teruggefloten. Een dergelijk besluit kon alleen de mi-
nister van Landbouw nemen.

Rundertongepitheel

Ondertussen ontwikkelde Frenkel een productiesysteem
voor het MKZ-virus in rundertongepitheel in suspensiecul-
tuur. Omdat de blaarvorming op de tong begint in het stra-
tum spinosum, werd een methode bedacht om dit weefsel te
verzamelen. Daartoe werd de tong aan de punt opgehangen,
het verhoornde epitheel daar ingesneden en losgemaakt, en
vervolgens losgetrokken met een voor dat doel ontwikkeld
apparaatje (als de deksel van een sardineblikje). Het diepere
epitheel werd vervolgens verzameld met behulp van een
scheermesje. Het bleek, gesuspendeerd in een tyrode-oplos-
sing met een aantal toevoegingen, maar zonder serum of
plasma, bruikbaar voor de virusvermeerdering. De cellen
werden van zuurstof voorzien door aeratie, en de ph werd in
het gewenste bereik gehouden met behulp van CO2. Het
weefsel bleef in suspensie, cel vermeerdering was geen ver-
eiste. Een tong leverde circa 4 gram weefsel, het oogsten
daarvan vergde een kwartier. Toevoeging van antibiotica
maakte het besmettingsprobleem beheersbaar, althans voor
wat betreft de bacteriën. Het benodigde zaaivirus werd ver-
kregen door infectie van een rund, het werd in een paar pas-
sages aangepast aan de cultuur. Vervolgens werd het medium
verder verbeterd aan de hand van stofwisselingsproeven: hoe
beter het medium, hoe hoger de 02-opname van erin gesus-
pendeerde weefselstukjes. Na circa 20 uur werd het virus ge-
oogst door het weefsel te verwrijven en de suspensie af te
centrifugeren en te filteren. Het gebruik van suspensiecultu-
res maakte schaalvergroting relatief eenvoudig, daarvoor
moest de epitheelwinning echter gestroomlijnd worden. Dat
gebeurde door mechanisatie van het schoonmaken en ont-
smetten van het tongoppervlak en van het oogsten van het
weefsel. Daarvoor werden de tongen gefixeerd op een omge-
bouwd melkbusdeksel. Dc ontsmetting gebeurde met ultra-
violetbcstraling in een tunnel en borstelen met 70% ethanol
op een borstelmachinc. Het epitheel werd vervolgens in
dunne vellen van de opgespannen tong gesneden met een
aangepaste vleeswarensnijmachine. Dit vergde de nodige
oefening. Alle apparatuur werd in eigen beheer ontwikkeld.
Het oppervlakkige verhoornde epitheel werd niet gebruikt.
De rest werd opgevangen in kweekmedium met antibiotica.
Aanvankelijk werd elk velletje met een pincet van het rote-
rende mes gepakt, later met een scherpe schraper eraf ge-
veegd. Deze manier van verzamelen vergde enkele minuten
per tong, de verkregen hoeveelheid weefsel was belangrijk
groter dan met de oude methode.

Het weefsel werd verzameld voordat rigor was opgetreden,
het was onder koeling meerdere dagen houdbaar.
Aanvankelijk werden de vellen met een schaar verkleind
(\'het virus moest de cellen goed kunnen bereiken\') maar dit
bleek tenslotte geen zoden aan de dijk te zetten. Er is geëxpe-
rimenteerd met cultures van verschillende volumina, tot 600
liter toe. Uiteindelijk kreeg een volume van circa 40 liter de
voorkeur, de kans op een ernstige microbiële verontreiniging
was dan het beste beheersbaar. De kweekvaten werden eerst
in een warme kamer, later in waterbaden op de gewenste
temperatuur van 37°C gehouden. Aeratie en roeren waren,
met name bij grotere cultures, kritisch.
Een andere veronderstelling die uiteindelijk niet juist bleek

-ocr page 452-

te zijn was dat voor een goede virusproductie weefsel van
voor MKZ gevoelige dieren moest worden gebruikt. Die wa-
ren maar beperkt beschikbaar, daarom is geprobeerd elders,
onder andere in de Verenigde Staten, weefsel te winnen. Dit
was mogelijk maar kostbaar. Het probleem was opgelost
toen ook epitheel van immune runderen goed bruikbaar
bleek. Medio 1950 werd dan ook overgegaan op het gebruik
van weefsel van Nederlandse slachtrunderen, waardoor de
productiecapaciteit omhoog schoot.

Vaccinbereiding was het doel. De viruscultures werden op
dezelfde manier verwerkt als van runderen gewonnen blaar-
wand, inclusief de sterielfiltratie. Beide soorten vaccin wer-
den volgens hetzelfde recept bereid. Bij \'natuurvirusvac-
cins\' werd het antigeen gedoseerd in milligrammen
blaarwandextract, bij cultuurvirus door titratie. Beide me-
thoden zouden nu niet meer acceptabel zijn.

Gekweekt virus

Vanaf 1950 werd voor de vaccinbereiding in toenemende
mate in vitro gekweekt virus gebruikt, en weldra kon de di-
recteur van de Veeartsenijkundige Dienst in het buitenland
melden dat vaccins op basis van gekweekt virus in ons land
goede resultaten gaven. In 1951 kwam het geheel in een
stroomversnelling. In september ontwikkelde zich in West-
Duitsland een epizoötie die veroorzaakt werd door een
nieuw type A-variant, A5, en dit virus verspreidde zich snel
door Europa. De behoefte aan een vaccin steeg explosief en
de bestaande productiesystemen konden niet aan de vraag
voldoen. Bij het SVOI was dit virus direct in cultuur ge-
bracht en medio november kon de Veeartsenijkundige Dienst
in een radioboodschap aan het verontruste vaderland melden
dat reeds 150.000 doses vaccin gereed waren, en dat per
week 120.000 doses geproduceerd konden worden. Mede
door de al bij de runderen aanwezige immuniteit ten gevolge
van enting met de eerder gebruikte A-stam, kwam de epizoö-
tie in ons land snel tot staan en waren de verliezen hier veel
lager dan in de omringende landen. Er was echter nog geen
reden tot juichen, want nog voor het A5-virus geheel ver-
dwenen was, volgde een nieuwe epizoötie veroorzaakt door
het voor ons land nieuwe type C. Voortaan moest trivalent
geënt worden.

Algemene jaarlijkse enting

In de loop van 1952 nam het aantal MKZ-gevallen in ons
land af, maar in de volgende winter steeg het weer, doordat
de immuniteit van de geënte runderen geleidelijk verdween
en het jongvee nog niet geënt was. Daarop viel de beslissing
over te gaan tot een algemene jaarlijkse enting van de runde-
ren, zoals Frenkel al in 1947 geadviseerd had. Deze enting
diende plaats te vinden voor de dieren de weide ingingen,
enerzijds omdat de vaccinatie dan het makkelijkst uitvoer-
baar was, anderzijds omdat de ervaring uit de voorafgegane
jaren aantoonde dat MKZ bij runderen vooral in de weidepe-
riode voorkwam. De enting was formeel niet verplicht, maar
ongeënte dieren werden uit de handel geweerd en mochten
alleen naar het abattoir worden vervoerd. Dieren die voor an-
dere doeleinden vervoerd werden dienden te zijn voorzien
van een bewijs waaruit bleek dat zij volgens de voorschriften
geënt waren tegen MKZ.

Deze regels zijn later nog geperfectioneerd, en spoedig is
ook overgegaan tot het opruimen van besmette dieren en la-
ter ook van bedrijven waar MKZ werd aangetoond.
Bescherming van de rundveestapel, vooral te danken aan de
regelmatig revaccinatie, bleek meestal effectief om MKZ bij
varkens en kleine herkauwers te voorkomen. Meestal, maar
niet altijd, want in de periode 1962-1967 werd de ongeënte
varkensstapel nog slachtoffer van MKZ-virus afkomstig uit
Duitsland, waar de enting nog onvoldoende werd gebruikt.
MKZ-bestrijding in Europa is een internationale zaak. Het
Nederlandse voorbeeld, jaarlijkse preventieve vaccinatie van
de hele rundveestapel, vond spoedig navolging in België
en Frankrijk, waar de niet-geoctrooieerde methode voor vac-
cinproductie van Frenkel ook werd toegepast. West-
Duitsland voerde de algemene rundvee-enting pas in in
1967. De combinatie van preventieve vaccinatie met sani-
taire maatregelen leidde uiteindelijk tot het verdwijnen van
het MKZ uit West-Europa. De enting kon gestaakt worden,
het SVOI had zijn opdracht uitgevoerd.

Frenkel-vaccin

De eradicatie van MKZ uit dit deel van de wereld is alleen
mogelijk geweest dankzij het werk van Herman Frenkel en
zijn team. Alleen door het virus in vitro te kweken was het
mogelijk voldoende antigeen aan te maken tegen een accep-
tabele prijs, zodat op zeer grote schaal geënt kon worden, en
zonder dat de vaccinproductie de ziekte in stand hield.
De vaccinbereiding op basis van in overlevend weefsel ge-
kweekt virus heeft voor andere ziekten geen opgang ge-
maakt, maar voor wat betreft MKZ duurde het nog ruim 15
jaar voordat alternatieve kweekmethoden beschikbaar kwa-
men.

Het Frenkel-vaccin zou niet hebben kunnen voldoen aan de
huidige GM P-eisen, onder andere omdat de kwaliteit van de
grondstof, tongepitheel van slachtrunderen, onvoldoende
gegarandeerd kan worden. Maar het vaccin van Frenkel was
wel het eerste geïnactiveerde vaccin tegen virusziekte van
mens en dier gebaseerd op in vitro vermeerderd virus. Het
was ook de eerste keer dat virus op zo grote schaal gekweekt
werd, en dat een belangrijke veeziekte zo effectief bestreden
werd door enting.

Frenkels werk is gepubliceerd in internationale tijdschriften
in een periode dat dat nog allerminst gebruikelijk was. Het
trok in het buitenland de aandacht in medische en veterinaire
kringen. Jarenlang was het instituut in Amsterdam een
Mekka voor virologen, vooral uit de Verenigde Staten, waar
MKZ een \'hot item\' was na de ervaringen opgedaan tijdens
de MKZ-campagnes in Mexico in de periode 1946-1949.
Frenkel was drager van verschillende buitenlandse onder-
scheidingen, waaronder de Danebrog-order en het Legion
d\'Honneur. Bij zijn afscheid in 1959 werd hij benoemd tot
commandeur in de Orde van Oranje-Nassau.
Frenkel ontwikkelde het concept om virus in vitro te ver-
meerderen in de jaren \'30. Hij heeft zijn visie consequent
uitgewerkt, in logisch op elkaar volgende stappen. De
Tweede Wereldoorlog, die voor hem en zijn gezin uiterst be-
lastend was, bracht hem niet uit zijn koers. Hij was (vrij naar
Kipling): \'The dreamer whose dream came true\'. Zijn werk
heeft in de tweede helft van de twintigste eeuw een stempel
gedrukt op veterinair Nederland en op de Europese veehou-
derij.

-ocr page 453-

Gezelschapsdieren

De komende weken staan er diverse leuke cursus-
sen voor gezelschapsdieren op het programma. Er
zijn nog enkele plaatsen beschikbaar bij de vol-
gende cursussen:

Endocrinologie in de gezelschapsdierenpraktijk

Donderdagavond 17 mei houden dr. S. Bhatti,
RUG en dr. Hans Kooistra, UU een informatieve
lezing in Eindhoven over de diagnostische aanpak
van patiënten met schildklier- en bijnierschorspro-
blemcn, de therapeutische aanpak bij het syn-
droom van Gushing en problemen rond de dia-
gnostiek en therapie van honden met de ziekte van
Addison.

Chirurgische ingrepen bij de kat

In twee middagen toont Bart Sjollema, specialist
chirurgie GD, de chirurgische aanpak van aandoe-
ningen die min of meer specifiek zijn bij de kat.
De cursus wordt gehouden op woensdagmiddag
16 en 23 mei en herhaald op vrijdagmiddag 8 en
15 juni.

Als de eerste foto (op uw computerscherm) ver-
schijnt...

Al meerdere keren heeft Hans Garretsen deze cur-
sus met succes gegeven, en ook deze keer heeft hij
een nieuwe set met foto\'s op flop gezet, die u vooraf
als huiswerk toegezonden krijgt. Woensdagmiddag
30 mei worden ze dan centraal besproken en een
eventuele volgende diagnostische stap gedemon-
streerd.

Maagdarmtherapeutica gezelschapsdieren.

Woensdagmiddag 20 juni zijn er nog enkele plaatsen
bij de voordracht van de internisten Erik den Hertog
en Paul Mandigers. Zij geven een kritische evaluatie
van de diverse therapeutica welke gebruikt (kunnen)
worden bij maagdarmaandoeningen, een en ander
aan de hand van enkele fictieve cases.

PAO-D-cursussen in
mei en juni

Paard

Onder voorbehoud van de situatie rondom de
MKZ-problematiek staan er nog enkele bijeenkom-
sten gepland voor paardenpractici. Inschrijven is
nog mogelijk voor de volgende cursus, gepland op
donderdag 31 mei aanstaande:

Encore: Croep Groot op herhaling!

Voor paardenpractici die niet op de Groep Groot
Dagen november 2000 zijn geweest, worden de
voordrachten van de Deelsessie Paard opnieuw
gepresenteerd. De volgende onderwerpen worden
behandeld:

Over de Friese merrie en de nageboorte; Vaccinatie
als strategie op een paardenbedrijf; De invloed van
OCD op de keuringsbeslissing; Wat mag de klant
verwachten van uw diagnostische beeldvorming
anno 2001 ? en Toepassing van EMG als aanvullend
diagnosticum ten behoeve van de praktijk.

Landbouwhuisdieren

Door de diverse uitbraken van MKZ hebben we
veel cursussen moeten uitstellen tot na de zomer.
Op het moment van dit schrijven hebben wij nog
geen inzicht wanneer we de cursussen voor de
meest bij de MKZ betrokken groep dierenartsen
weer kunnen hervatten.

Hou vooral ook onze website in de gaten, daar zul-
len we zoveel mogelijk op de actualiteit inspelen.

-ocr page 454-

Tweehonderdvijftig dierenartsen naar Den Haag
Dierenartsen protesteren tegen non-vaccinatiebeleid

Door Henk Vaarkamp en Sophie Deleu
Foto\'s: Geert Bistervels

Den Haag, 17 april 2001 - Voor
het eerst in de geschiedenis van de
KNMvD gaan de dierenartsen
\'naar Den Haag\'; ze gaan er de-
monstreren tegen het Europese
non-vaccinatiebeleid. Verder vra-
gen ze aandacht voor het eutha-
nasiebeleid en de situatie van col-
legae in het getroffen gebied.
Tegen tweeën arriveren op het welbekende Malieveld de
bussen - beschikbaar gesteld door de sympathiserende
dierenartsencoöperatie AUV - met dierenartsen uit het
hele land. Ze zijn in het Paasweekend per e-mail opgeroe-
pen. Dat zo\'n tweehonderdvijftig collegae gehoor hebben
gegeven aan deze oproep, is tekenend voor de heftige be-
roering die de uitbraak van mond- en klauwzeer in
Nederland bij dierenartsen heeft veroorzaakt.
Vanaf het Malieveld trekt een waardige, witgejaste stoet
naar de ingang van de Tweede Kamer. Voor en achter de
lange stoet rijden politiebusjes met zwaailicht en een do-
zijn agenten legt het verkeer stil om de dierenartsen door
te laten. Voorop beent Ton de Ruijter met in zijn koffer de
petitie die hij namens alle KNMvD-leden zal aanbieden
aan minister mr. L.J. Brinkhorst van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij.

Maatschappi

nieuw

Het is een merkwaardige gewaarwording om met zoveel
égards behandeld te worden; \'s ochtends heeft dc politie nog
laten weten, GEEN toestemming te verlenen voor het hou-
den van een demonstratie. De Mobiele Eenheid zou de dieren-
artsen desnoods tegenhouden. Intussen heeft burgemeester
Deetman van Den Haag alsnog zijn fiat gegeven en een poli-
tiemacht op de been gebracht. De politiemensen hebben het
gemakkelijk: voor dierenartsen mag het dan een hele stap
zijn om \'actie te voeren\'; het blijft natuurlijk een aardig en
fatsoenlijk volkje, zeker in vergelijking met andere actie-
groeperingen. Vlak voordat de veterinairen vertrekken naar
de Tweede Kamer komt bijvoorbeeld het bericht dat een
groep Koerden - sommigen verstaan \'koeien\' wat voor de
nodige verwarring en later hilariteit zorgt - zich heeft vastge-
ketend aan het hek bij \'onze ingang\' van de Tweede Kamer,
compleet met een jerrycan benzine. Het gebied rond de in-
gang is afgezet en dat maakt het voor de minister lastig om
de petitie daar in ontvangst te nemen.

Minister op het Plein

Bij aankomst op het Plein breekt een waterig zonnetje door
en ontmoeten de dierenartsen hun collegae die op eigen gele-
genheid naar Den Haag zijn gekomen. Het is uiteindelijk een
grote groep met een warm solidariteitsgevoel. De pers komt
in groten getale aanzetten en aarzelt tussen \'de zwijgende
witte jassen\' en de luidkeels aanwezige Koerden. Opeens
verspreidt zich het gerucht dat Brinkhorst eraan komt. En in-
derdaad: hij komt met een stel bodyguards aangestapt, het
Plein op. De pers wikt en weegt niet langer en omstuwt de
minister en voorzitter Ton de Ruijter op de sokkel van het
grote standbeeld op het Plein.

De Ruijter leest luid en duidelijk door de megafoon de petitie
voor, die hij vervolgens aanbiedt aan Brinkhorst. De mi-

-ocr page 455-

nister neemt voor het uitgebreide antwoord zelf de megafoon
ter hand: \'Ik had nooit kunnen denken, en u waarschijnlijk
ook niet, dat ik zo snel na het laatste KNMvD-Jaarcongres al
weer oog in oog met u zou staan, onder deze totaal andere
omstandigheden.\' Hij toont zich bijzonder erkentelijk voor
de toegezegde veterinaire steun bij het heroverwegen van het
non-vaccinatiebeleid op Europees niveau. Op zijn beurt zegt
hij toe de dierenartsen in nood niet te zullen vergeten bij zijn
verdere maatregelen.

Halverwege zijn betoog wordt de stemming - die tot dan toe
heel plezierig is - toch even grimmig. Brinkhorst waagt het
namelijk te beweren dat de dierenartsen nooit geprotesteerd
hebben tegen het non-vaccinatiebeleid. Dit wekt een luid
boe-geroep op. Het is doodgewoon niet waar en er zijn tal-
loze bewijzen van dat de Nederlandse dierenartsen het non-
vaccinatiebeleid ter discussie hebben gesteld. Zowel natio-
naal als internationaal is de laatste jaren voortdurend
gewaarschuwd voor de ingrijpende gevolgen ervan. Na de
recente uitbraak van varkenspest zijn er zelfs aperte nood-
kreten aan het adres van de minister geuit en is in het bijzijn
van de staatssecretaris van LNV door de KNMvD gecon-
gresseerd over MKZ.

Hoe het ook zij. Brinkhorst refereert aan zijn kongsi met
Duitsland tegen het non-vaccinatiebeleid en zegt toe zich ver-
der hard te zullen maken om het non-vaccinatiebeleid ter dis-
cussie te stellen. De steun van de Federation of Veterinarians
of Europe (FVE) en de World Veterinary Asscociation
(WVA) zoals die door de Nederlandse delegatie van de
KNMvD is geëntameerd, wordt hartelijk ontvangen; deze zal
broodnodig zijn.

Na een half uur - dierenartsen mogen beslist niet klagen over
de aandacht die Brinkhorst hen schenkt - vertrekt hij weer,
temidden van zijn lijfwachten.

Persconferentie Nieuwspoort

De Ruijter blaast af en vertrekt vervolgens met enkele
Groepsvoorzitters en medewerkers van het Secretariaat naar
perscentrum Nieuwspoort. Er is een persconferentie georga-
niseerd om de pers van achtergrondinformatie te voorzien.
De opkomst aldaar is niet al te groot; de pers is immers al
ruim bediend op het Plein. Toch wordt door de vakpers nog
een aantal lastige vragen gesteld inzake het euthanasiebeleid
en de voorwaarden die de dierenartsen stellen aan het doden
van jonge biggen in het kader van welzijnsproblemen.
Vragen die zich niet lenen voor beantwoording op een weids,
winderig plein. De aanwezige voorzitters kwijten zich uitste-
kend van hun taak: dierenartsen vormen als het over het do-
den van dieren gaat, één gesloten front.
De overgebleven demonstranten verspreiden zich over de
terrassen en lopen daarna weer naar de bussen. Even over
half vijf vertrekken ze huiswaarts. In de bussen heerst de
overtuiging dat de dierenartsen vandaag iets zinvols hebben
gedaan. De minister weet weer van het bestaan van de
KNMvD, heeft de getroffen dierenartsen een toezegging ge-
daan - dat ligt vast - en de eisen ten aanzien van euthanasie
zijn hardop herhaald. Maar bovenal: er is weer getornd aan
het non-vaccinatiebeleid! Een warm gevoel geeft ook de
onderlinge solidariteit in deze vreemde tijden.

Nieuws

De nieuwsuitzendingen tussen zes en acht uur bevatten shots
van de demonstratie, al krijgen de krijsende Koerden meer
aandacht. Hebben de dierenartsen zich toch te netjes gedra-
gen? Gelukkig besteden de meeste kranten aandacht aan de
actie - het Financiële Dagblad heeft de volgende dag een
grote foto op de voorpagina - en er zit nog meer berichtge-
ving in de pijplijn. De redactie van het televisieprogramma
Zembla is meegereden met de bus uit Breda en wijdt op don-
derdag 10 mei 2001 een uitzending aan de \'landbouwhuisdie-
renarts\'. Voorzitter van de Groep Practici Grote Huisdieren,
Rens van Dobbenburgh, zal dezelfde week nog worden uitge-
nodigd voor het spraakmakende discussieprogramma Barend
en Witteman, waar hij het samen met PVDA-kamerlid
Waalkens op zal moeten nemen tegen twee varkenshouders,
bestuursleden van de Nederlandse Vakbond van Varkens-
houders (NVV). Hij zal er uitstekend zijn mannetje staan: de
dierenartsen gaan geen jonge biggen doden, als de alternatie-
ven hiervoor niet zijn onderzocht en al helemaal niet zonder
fokverbod en onderbreking van de dracht. Radio-
programma\'s besteden aandacht aan onze demonstratie en
journalisten van landelijke dagbladen bellen om interviews.
Kortom, de cynicus kan zijn schouders ophalen, maar de rea-
list weet dat wij als dierenartsen ons hebben laten horen en la-
ten zien in deze tijd vol diergeneeskundige problemen.

-ocr page 456-

Excellentie,

Het is vandaag een zeer bijzondere dag. Nog nooit in het
138-jarige bestaan van de KNMvD is het voorgekomen, dat
dierenartsen zich massaal naar Den Haag hebben begeven
om hun grote zorg en betrokkenheid tot uiting te brengen.

Wij vragen uw aandacht voor een drietal punten:

• De bestrijding van mond- en klauwzeer;

• Het euthanasiebeleid;

• De economische situatie waarin vele dierenartsen zich be-
vinden.

De MKZ-bestrijding

De Nederlandse dierenartsen spreken hun grote waardering uit
voor de wijze waarop onder uw leiding de MKZ-uitbraak
wordt bestreden. Met name voor uw inzet om de ringvaccinatie
en de beperkte gebiedsenting in de driehoek Apeldoorn,
Deventer en Zwolle te effectueren. Wij realiseren ons maar al te
goed dat het beleid ten aanzien van de bestrijding van MKZ een
Europese zaak is, die uw vrijheid van handelen sterk aan ban-
den legt.

Wij hebben met instemming kennis genomen van uw grote
inspanning om het non-vaccinatiebeleid in Brussel opnieuw
bespreekbaar te maken.

De KNMvD heeft zich al in 1995 tot uw voorganger en in
1996 tot de Eurocommissaris van Landbouw gericht met de
notitie \'vaccin(atie)beleid\'teneinde onze grote ongerustheid
tot uiting te brengen. Ongerustheid over de ons inziens ca-
tastrofale situatie die zou kunnen ontstaan bij een mogelijke
intrede van het MKZ-virus in Europa en Nederland. Het
maatschappelijk draagvlak voor het massaal doden van ge-
zonde dieren als gevolg van deze strategie is indertijd onvol-
doende meegewogen.

Wij hebben ons inmiddels van de internationale steun van de
World Veterinary Association (WVA) en de Federation of
Veterinarians of Europe (FVE) weten te verzekeren om uw
pogingen krachtig te ondersteunen.

Beide organisaties, waarvan de verklaringen als bijlage aan
deze petitie zijn toegevoegd, vragen dringend om een her-
overweging van de MKZ-managementstrategie met speciale
aandacht voor het vaccinatiebeleid en de ontwikkeling van
markervaccins en diagnostische middelen.
Wij hopen dat de wetenschap dat de 100.000 dierenartsen
van de FVE uit meer dan 20 Europese landen u tot steun zijn,
u zal sterken in de pogingen het non-vaccinatiebeleid te laten
heroverwegen.

Vaccinatie alleen lost niet alle problemen op. Ook aan de
infrastructuur van de veehouderij zal veel moeten verande-
ren. De KNMvD en haar leden willen gaarne hun kennis be-
schikbaar stellen om dit te kunnen realiseren.

Het euthanasiebeleid

De leden van de KNMvD zijn op grote schaal betrokken bij
de bestrijding van MKZ, niet alleen als dierenartsen in dienst
van uw Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, maar
ook als beleidsmedewerkers bij de directie VVM, als mede-
werkers van de Gezondheidsdienst voor Dieren, ID-
Lelystad, de farmaceutische industrie en als praktiserend
dierenarts.

Zij allen hebben één ding gemeen: de betrokkenheid bij het
beleid of de daadwerkelijke uitvoering van het op grote
schaal doden van gezonde dieren.

De laatste uitbraak van varkenspest betekende voor de die-
renartsen het euthanaseren van miljoenen jonge biggen. Een
taak die de dierenarts met grote tegenzin heeft uitgevoerd,
maar die toen noodzakelijk was vanwege de grote welzijns-
problemen.

Als gevolg van deze ervaringen heeft de KNMvD in sep-
tember 2000 het collectief standpunt \'Het massaal doden
van dieren\' geformuleerd, In het draaiboek mond- en
klauwzeer zijn vervolgens duidelijke afspraken gemaakt
over de wijze waarop met deze problematiek in de toekomst
zal worden omgegaan:
alleen euthanasie als andere alter-
natieven ontbreken en onder de voorwaarden van een on-

Foto\'s: Jan Hulsen

Petitie van de Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde

Aangeboden aan de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Mr. L.J.
Brinkhorst op 17 april 2001

-ocr page 457-

middellijk ingaand fokverhod en abortus van de zeugen die
minder dan 40 dagen drachtig zijn.
Voorts zijn wij van me-
ning dat het genoemde probleem bepaald niet alleen de die-
renartsen aangaat, maar ook en vooral solidariteit binnen de
gehele productiekolom vergt. Met name zijn wij van me-
ning dat alternatieven door de productiekolom niet of on-
voldoende zijn aangegeven. Des te schrijnender is het dat
wij thans ondervinden dat door sommige niet-gouverne-
mentele organisaties grote druk op de dierenartsen wordt
uitgeoefend om alsnog akkoord te gaan met euthanasie
zon-
der
fokverbod. Daarbij wordt altijd weer het argument ge-
bruikt dat een fokverbod slechts op termijn effectief is en dat
de epidemie dan wel over zal zijn. Wij weten inmiddels beter.
Voor de KNMvD zijn deze voorstellen onbespreekbaar en
wij doen een dringend beroep op u om de afspraken gemaakt
in het verleden na te komen.

De economische situatie van praktiserende dierenartsen

De MKZ-uitbraak in Nederland wordt als een nationale
ramp ervaren vanwege de grote impact op het economische
en sociaal-maatschappelijke leven. Dit wordt nog versterkt
omdat de uitbraak zoveel soorten landbouwhuisdieren treft.
Wij betuigen onze solidariteit met allen die economisch ge-
troffen worden door de uitbraak van mond- en klauwzeer
Praktiserende dierenartsen vervullen een zeer belangrijke
taak in de opvang, begeleiding en ondersteuning van hun
veehouders. Zij kunnen uit deze taak echter moreel gezien
geen inkomen genereren. Ook uit hun diergeneeskundige
praktijkvoering zal dit lange tijd niet mogelijk zijn, omdat
mèt de dieren ook het praktijkwerk is verdwenen. Wij con-
stateren dan ook dat de MKZ-crisis voor veel dierenartsen in
de landbouwhuisdierensector ernstige financiële problemen
oplevert en wij zijn van mening dat dit niet meer tot het nor-
male ondernemersrisico mag worden gerekend.
Tijdens uw recente bezoek met minister-president Kok aan
de getroffen regio, is ons duidelijk geworden dat de regering
overweegt en mogelijk zelfs heeft toegezegd om een sociaal
plan voor de getrotïen veehouders op te stellen. Wij onder-
steunen deze gedachte van harte en willen u in dit kader vra-
gen om ook de dierenartsen van de praktijken in dc getroffen
gebieden hierin mee te nemen.

Namens de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor
Diergeneeskunde,

Drs. T. de Ruijter,
Voorzitter

WVA Statement on foot and
mouth disease

8 april 2001

The World Veterinary Association (WVA) expresses the
concerns of veterinarians around the World for those col-
leagues and the farmers affected by the current outbreaks
of Foot and Mouth Disease (FMD).

The WVA shares the concerns about the welfare of the
animals involved and the destruction and the loss of large
numbers of animals, many of which are not affected by
FMD.

The World Veterinary Association fully supports the
comprehensive statement on Foot and Mouth Disease by
the Federation of Veterinarians of Europe (FVE).
The WVA encourages a review of control measures used
to respond to highly infectious animal diseases. The
WVA calls for an urgent review of FMD risk manage-
ment strategies with special emphasis on the vaccination
policy and the development of marker vaccines and dia-
gnostic tools.

The WVA calls on national Governments world-wide to
ensure adequate funding and staffing of Government ve-
terinary sources; and support for the role of veterinary
practitioners who visit farms, so that early detection of
disease outbreaks is enhanced.

For further information please contact the WVA
Secretariat.

World Veterinary Association
Rosenlunds Allé 8
DK-2720Vanlose
Denmark

tel: 45 38 71 01 56, fax: 45 38 71 03 22,
e-mail: wva(§ddd.dk, website: www.worldvet.org

-ocr page 458-

Tijdens de Voorjaarsdagen - die in aangepaste vorm door-
gang vonden - werd in verband met de mond- en klauw-
zeersituatie een minisymposium georganiseerd over dit
onderwerp. Doel was om de dierenarts voor gezelschaps-
dieren te informeren over de stand van zaken en achter-
gronden, zodat ook hij of zij voldoende op de hoogte is om
eventuele vragen te beantwoorden. Bovendien is de gezel-
schapdierenpracticus natuurlijk ook geïnteresseerd in
vragen zoals waarom dierentuindieren niet worden gevac-
cineerd; één van de vele aspecten van het non-vaccinatie-
beleid.

Door Paul Overgaauw

Een kleine 40 collegae waren aanwezig toen mr. Jan Staman,
beleidsmedewerker bij het ministerie van LNV, het sympo-
sium inleidde. Geen grote opkomst dus, terwijl menig die-
renarts hier veel van had kunnen opsteken. Gelukkig kan
men zich via het Tijdschrift uitgebreid op de hoogte stellen
van hetgeen is gepresenteerd.

MKZ-beleid

Als eerste spreker gaf Frits Pluimers, Chief Veterinary
Officer van LNV, een overzicht van de werelddelen waar
mond- en klauwzeer (MKZ) nog enzoötisch voorkomt
(Azië, Zuid-Amerika cn Afrika, vooral Midden-Oosten). Dc
OIE (Office International des Epizooties) verleent de hoog-
ste status aan een land dat vrij is van MKZ zonder te vaccine-
ren. Deze status mag worden vereist door landen waarnaar
wordt geëxporteerd. Pluimers ging in op de Europese regel-
geving en op het draaiboek dat elke lidstaat klaar moest heb-
ben. Nederland had dit draaiboek eind 1999 gereed. Het is
mede gebaseerd op de varkenspestervaringen. Deze infor-
matie is allemaal te vinden op de website van het ministerie
van LNV (deze is te vinden via de website van de KNMvD:
www.knmvd.nl, klik op \'actueel\' en vervolgens op \'links
website\').

Het was duidelijk dat het non-vaccinatiebeleid ook in veteri-
nair Nederland inmiddels een hot item is. Er werd aangege-
ven dat een noodvaccinatie alléén was toegestaan wanneer
aanwezigheid van de ziekte was bevestigd en er een dreiging
op grote schaal bestaat. Er wordt onderscheid gemaakt tus-
sen een
onderdrukkende vaccinatie waarbij een beperkt ge-
bied wordt gevaccineerd (zoals de driehoek Apeldoorn,
Deventer, Zwolle), waarna de MKZ-vrije status weer verkre-
gen wordt 30 dagen na het slachten van de laatste gevacci-
neerde dieren en een
beschermende vaccinatie. Bij deze
laatste worden alléén de runderen gevaccineerd, waarvan het
vlees voor binnenlands gebruik geschikt is. Herstel van de
MKZ-vrije status laat dan echter drie tot twaalf maanden op
zich wachten. Daarom is in Nederland voor de eerste optie
gekozen.

Er wordt onderscheid gemaald tussen een onderdrukkende
vaccinatie - de vrije status wordt dan jo dagen na het slachten
van het laatste gevaccineerde dieren verkregen - en een be-
schermende vaccinatie. Gevaccineerde dieren en hun produc-
ten kunnen op de binnenlandse markt worden afgezet, maar
herstel van de vrije status duurt drie tot twaalf maanden.

Maatschappelijk draagvlak?

Rens van Dobbenburgh - inmiddels bekend van radio en TV - gaf
als voorzitter van de Groep Practici Grote Huisdieren (GPGH)
zijn visie op de huidige aanpak van MKZ en de gevolgen voor de
dierenarts. In deze aflevering van het Tijdschrift wordt apart aan-
dacht besteed aan zijn inleiding (zie pagina 364).

Klinische verschijnselen MKZ

Dr. Aldo Dekker, viroloog bij het ID-Lelystad, gaf een nut-
tige uiteenzetting over de klinische verschijnselen van MKZ,
waarbij actuele foto\'s van klinische afwijkingen bij varkens,
koeien en geiten uit de afgelopen periode waren te zien. Ook
de diagnostiek en de epidemiologie kwamen aan bod. In
Nederland is de eradicatie door vaccinatie in 1955 gestart,
waarna de ziekte drastisch begon af te nemen. Dat er nog
steeds uitbraken optraden, voornamelijk bij varkens, was
vooral een gevolg van het feit dat er de eerste jaren in de om-
ringende landen nog niet werd gevaccineerd. In 1970 werd er
geen MKZ meer gesignaleerd en op cen enkel piekje na
(1984) is dit al die jaren zo gebleven.
Het is van belang zo snel mogelijk na een verdenking onder-
zoek uit te voeren, omdat één week na de klinische verschijn-
selen geen virus meer in het dier aanwezig meer is. Daarna
moet serologie uitkomst bieden. Het advies is om bij verse
laesies blaarwandmateriaal in een droge buis te doen, bij
voorkeur met blaarvloeistof

Bij een verdenking van MKZ moet snel onderzoek worden
gedaan; één week na het optreden van klinische verschijn-
sel is het virus al niet meer aanwezig in het dier
Blaarwandmateriaal en blaarvloeistof hebben de voorkeur
als onderzoeksmateriaal.

Vaccin tegen MKZ

Viroloog dr. Simon Barteling - die ook landelijke bekendheid
geniet - presenteerde de achtergronden van de ontwikkeling
van MKZ-vaccins en de vaccinatie. Aardige wetenswaardig-
heden zijn onder andere dat in de na-oorlogse jaren er bij het
CDI in Rotterdam wekelijks 360 ossen werden aangevoerd
uit Ierland (MKZ-vrij; dus zonder antistoffen) die gebruikt
werden voor besmetting met MKZ-virus. Na enkele dagen
werden de dieren geslacht, het virus uit het tongepitheel ge-

Voorjaarsdagen in aangepaste vorm

Ook voor de gezelschapsdierenarts: mond- en klauwzeer

-ocr page 459-

oogst en het vlees afgevoerd naar de lokale slagers. Hele ge-
neraties Rotterdamse kinderen zijn er groot van geworden!

Vroeger was een MKZ-besmetting niet zo\'n punt: he\\e ge-
neraties Rotterdamse i<inderen zijn groot geworden van
vlees van bewust besmette ossen ten behoeve van de vac-
cinproductie.

Een belangrijk aspect dat Barteling ondubbelzinnig aan de
kaak stelde is de veronderstelling dat gevaccineerde dieren
nog drager van het MKZ-virus kunnen zijn. Zowel politici in
Den Haag en eurocommissarissen Brussel als woordvoer-
ders van ID-Lelystad gebruiken dit argument om te pleiten
tegen vaccinatie. De meeste gevaccineerde dieren zijn, zoals
in iedere gevaccineerde populatie, immuun. Bij zeer zware
infectiedruk kunnen ook gevaccineerde dieren drager wor-
den, maar dit is zeer zeldzaam. Wel bestaan er zogenaamde
natuurlijke dragers bij niet-gevaccineerde dieren. Barteling
stelde dat van gevaccineerde dragers nog nimmer een MKZ-
uitbraak is beschreven en de veronderstelling derhalve onzin
is! Hij baseerde zijn conclusie ook op de ervaringen bij vele
miljoenen gevaccineerde dieren gedurende tientallen jaren.

Dierentuindieren

Jacques Kaandorp, onder andere dierenarts bij Safaripark de
Beekse Bergen,
had een duidelijk verhaal waarom dieren-
tuindieren gewoon gevaccineerd dienen te worden. Naast
evenhoevigen zoals antilopen en giraffen, worden ook de ka-
meel, alpaca, olifant, tapir, stekelvarken en de egel als ge-
voelig voor het MKZ-virus beschouwd. In deze eeuw zijn er
meerdere gevallen van MKZ beschreven bij verschillende
diersoorten in dierentuinen in Europa. Alleen bij het kudu-
hert scheen bij de helft van de dieren sterfte op te treden, de
andere dieren waren alleen maar ziek. Er worden vraagte-
kens gezet bij de gevoeligheid voor MKZ van de olifant, de
okapi, het nijlpaard en de neushoorn. In Afrika is van buffels
in het Krügerpark bekend dat deze natuurlijke dragers van
het MKZ-virus zijn, tot wel vijf jaar lang. Toch zijn de
koeien in de omgeving van de parken niet of nauwelijks be-
smet. Als dit al het geval is, dan wordt het virus overgebracht
door impala\'s.

Door gebruik te maken van stringente maatregelen zoals qua-
rantaine, hygiëne, sluiting van de dierentuin, het binnenhou-
den van gevoelige dieren én vaccinatie is MKZ uit de dieren-
tuin te houden. Tenslotte is MKZ altijd nog
in de dierentuin
terecht gekomen en nog nooit
uit de dierentuin gekomen.

MKZ is tot nu toe altijd in de dierentuin gekomen, nog
nooit uit de dierentuin.

Dierentuinen spelen steeds meer een grote rol bij de bescher-
ming van bedreigde diersoorten. Met internationale fokpro-
gramma\'s worden dieren wereldwijd uitgewisseld en fun-
geert een dierentuin als reservoir van genetisch materiaal. En
hier mag niet gevaccineerd worden en denkt de overheid ge-
woon tot ruiming over te kunnen gaan bij een besmetting in
de buurt? Volgens Kaandorp is dit gewoonweg uitgesloten.
Hij - en met hem vele anderen - begrijpt werkelijk niet
waarom een instantie als de OIE hierover pas drie weken na
optreden van de MKZ-crisis een vergadering zal houden en
dan nog geen uitspraak doet. Neen, de volgende vergadering
is weer een maand later!

Het is aan de andere kant natuurlijk ook niet reëel dat één ge-
vaccineerde olifant een MKZ-vrije status van een land op het
spel zou kunnen zetten en Kaandorp pleit dan ook hartgron-
dig voor een zogenaamde
status aparte voor deze groep die-
ren. Niet alleen met betrekking tot het vaccineren tegen
MKZ, maar gewoon voor aparte wetgeving.
Vreemd genoeg is er weinig bekend over de bescherming na
vaccinatie bij zoveel exotische diersoorten, maar ook niets
over hoe lang een vervoersverbod moet zijn bij een MKZ-
uitbraak, of de dierentuin dicht moet, wat er moet gebeuren
met de dieren nadat vaccinatie heeft plaatsgevonden als er
een uitbraak is geweest binnen 25 km enzovoort. Ook zou er
dringend een discussie over ethiek versus geld moeten
plaatsvinden.

MKZ en dierenwelzijn

Als laatste spreker vroeg prof dr. Elsbeth Noordhuizen-
Stassen zich af of we met het MKZ-beleid en dierenwelzijn
op de goede weg zijn. Hierbij werden morele principes en as-
pecten bij het omgaan met dieren besproken. En artikel 43
van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren (GWWD)
werd in perspectief gezet (dit artikel verbiedt het om dieren
te doden anders dan bij Algemene Maatregel van Bestuur
aangewezen gevallen). Er worden immers gezonde dieren af-
gemaakt. Aangetaste runderen lijden wel onder MKZ, maar
schapen en geiten meestal niet. Deze zijn meer overbrengers
van het virus.

Ook het collectief standpunt van de KNMvD van september
2000 kwam aan de orde. Het is duidelijk dat er op diverse
fronten een herstructurering plaats dient te vinden zoals een
algemeen verbod op het gebruik van swill in heel Europa, de
diertransporten, de traceerbaarheid (identificatie en registra-
tie), het vaccinatiebeleid en het wegnemen van zwakke scha-
kels in de veehouderij (import mestkalveren bijvoorbeeld).
Noordhuizen-Stassen gelooft er niets van dat de biologische
veehouderij hierbij een oplossing is, ze vindt het zelfs onkies
om MKZ als breekijzer te gebruiken om dit voor elkaar te
krijgen. Voor het welzijn met betrekking tot het natuurlijke
gedrag zijn er ongetwijfeld positieve effecten van de biologi-
sche veehouderij aan te wijzen, maar de risico\'s op diverse
(zoönotische) infectieziekten zijn in de biologische veehou-
derij minstens even groot. Daarnaast hebben we nog altijd te
maken met gedomesticeerde dieren waarbij nog vele aan-
vullende maatregelen nodig zullen blijven, zoals bijvoor-
beeld aanpassing van de huisvesting.

Voor het welzijn van dieren kan biologische veehouderij een
verbetering betekenen, maar de risico\'s op infectieziekten
zijn met deze vorm van veehouderij minstens even groot.

Vaccineren alléén geen oplossing

Uit de discussie kwam vooral naar voren dat stelling genomen
moet worden tegen het vernietigen van gezonde dieren; dat
vaccineren alléén niet de oplossing is, maar dat vaccineren van
de runderen voldoende is om een MKZ-vrije populatie te krij-
gen. Vaccinatie van schapen, geiten en varkens is niet nodig
omdat deze diersoorten de ziekte nooit in stand houden.

-ocr page 460-

Allereerst wil ik de Commissie Voorjaarsdagen bedanken
voor haar uitnodiging om voor de gezelschapsdieren-
practici te spreken. Als landbouwhuisdierenpracticus heb
ik jarenlang op die uitnodiging moeten wachten en het is
veelzeggend dat ik dit spreekgestoelte niet anders heb
kunnen bereiken dan na eerst mijn schoenen door een
ontsmettingsbak te halen. De aanleiding hiervoor is ern-
stig genoeg. Mond- en klauwzeer in Nederland! Een uit-
braak met grote consequenties voor onze dierenartsen.
Reden voor de Voorjaarsdagencommissie dit mini-sym-
posium over MKZ te organiseren.
Mij is gevraagd de visie van de landbouwhuisdierenprac-
ticus met betrekking tot het beleid van de overheid inzake
de MKZ-bestrijding toe te lichten. Ik zou dit uit willen
breiden tot de vraag hoe de landbouwhuisdierenpracticus
denkt verder te gaan na deze MKZ-episode? De mij hier-
voor toebemeten twintig minuten zijn wat kort, maar ik
troost mij met de gedachte dat als ik goed mijn best doe, de
voorzitter van de Groep Geneeskunde Gezelschapsdieren
(GGG) mij volgendjaar opnieuw zal uitnodigen.

Het LNV-beleid inzake MKZ. Ik denk dat het beleid aanvanke-
lijk gekenmerkt werd door het loyaal uitvoeren van hetgeen
eindjaren tachtig in EU-verband werd overeengekomen. Non-
vaccinatie. Een woord dat in feite niets anders zegt dan dat je
de hoogst mogelijke \'ziekte-vrij status\' nastreeft. Dc ziekte is
afwezig en er wordt niet tegen de ziekte gevaccineerd. Het
voordeel hiervan, het kunnen exporteren naar landen die een
dergelijke status eisen, is van economische aard. Niets anders.
Berekeningen leerden dat het te behalen voordeel groter was
dan het af en toe bestrijden van een uitbraak. WatU ook toen
was al duidelijk dat uitbraken niet konden uitblijven.
Daarnaast werden reeksen van aannames gedaan met betrek-
king tot de te verwachten schades als gevolg van een uitbraak.
Aannames die achteraf natuurlijk niet altijd blijken te kloppen,
denk maar aan de schade in de toeristenindustrie. De vraag is
of dergelijke miscalculaties zo erg zijn. Je beslist immers altijd
in het licht van de omstandigheden van dat moment.
Terugkijken is altijd gemakkelijker Halverwege de jaren ne-
gentig is overigens door een commissie ingesteld door de
KNMvD, vastgesteld dat het non-vaccinatiebeleid als het gaat
om zeer besmettelijke ziekten zoals MKZ dermate grote risi-
co \'s met zich meebrengt dat het vastgestelde beleid herover-
wogen diende te worden. Deze commissie, de commissie
Tielen, heeft in 1995 gerapporteerd aan de toenmalige land-
bouwminister Van Aartsen en in 1996 aan Eurocommissaris
Fischler Helaas de te behalen voordelen wogen kennelijk niet
op tegen de genoemde nadelen. Een ander belangrijk punt,
niet van strikt economische aard, is het volgende. De land-
bouw van 1989 is niet dezelfde als die van 2001. Niemand kon
voorzien dat de dierbewegingen in Europa de massale vorm
aan zouden nemen die wij vandaag kennen. Wij slachten jaar-
lijks één miljoen kalveren, waarvan er 900.000als vlees wor-
den geëxporteerd. Van deze één miljoen worden er jaarlijks
500.000 vanuit het buitenland aangevoerd om hier te worden
gemest. En verder, heeft u zich er niet over verbaasd dat in de
vier weken vooraj\'gaand aan ons eerste geval er alleen al uit
de provincie Gelderland 300.000 dieren naar de Duitse deel-
staat Nordrhein-Westfalen bleken te zijn geëxporteerd?
Een andere zaak waar niemand ruim tien jaar geleden reke-
ning mee kon houden was dat onze samenleving in rap tempo
veranderde. Door toegenomen welvaart, het beleven van een
varkenspestepidemie waarin wij bijna 12 miljoen dieren
doodden, ontstond een klimaat waarin het bestrijden van een
ziekte door middel van het doden van grote aantallen ge-
zonde dieren- \'stamping out\'- maatschappelijk niet meer in
overeenstemming te brengen is met de waarden en normen
van het tijdsgewricht waarin wij leven. Zeker niet als er een
alternatief beschikbaar is in de vorm van vaccinatie.

De gezelschapsdierencollega \'s hadden dit snel door Ik ver-
wijs hierbij ook naar discussies op de KNMvD-site en in het
Tijdschrift. Niet zo vreemd als je aan het dagelijks werk van
de gezelschapsdierenpracticus denkt. Arts der dieren, hoe-
der van het welzijn. MKZ, prikken en snel. Helaas, zo ge-
makkelijk lag het niet. Als de oorlog eenmaal is uitgebroken
zijn wijzigingen van beleid onmogelijk. Eerst moet de ziekte
worden bestreden. Voor alles. Ik zal proberen duidelijk te
maken wat de keuze voor vaccinatie tijdens deze uitbraak
voor gevolgen zou hebben gehad en ten dele al heeft.

Er zijn verschillende opties. Bestrijden door middel van
stamping out, dus ruimen. Verder ringvaccinatie, vaccinatie
in een beperkt gebied zoals nu in de beroemde driehoek en
vaccinatie in het gehele land. Het rijtje langsgaand lijkt elke
volgende optie diervriendelijker, ethischer en waardiger We
zullen dat eens nader bezien. Als je bij de eerste optie geluk
hebt en je kunt het virus gelokaliseerd houden en snel rui-
men, dan hoefje misschien niet al te veel dieren te doden. Bij
de tweede optie, ringvaccinatie bepaalt EU-regelgeving dat
de betreffende provincie gedurende drie maanden niet mag
exporteren. In de huidige situatie hebben wij in drie provin-
cies ringgevaccineerd: Flevoland, Gelderland en Overijssel.
Dit leidt er toe dat er per maand - na aftrek van binnen-
landse consumptie - een surplus van 300.000 dieren ont-
staat, waarmee je niets kunt. Je zult ze moeten doden en ver-
volgens stopt het verhaal. Teveel om te destrueren, om te
koelen, in te vriezen of wat u er ook mee zou willen doen.
Begraven of verbranden kan natuurlijk. In het geval dat ook
in Brabant zou zijn ringgevaccineerd zou dit overschot aan
dieren zijn opgelopen tot 630.000per maand. Als we eenzij-
dig hadden besloten het hele land te vaccineren dan praten
we over 900.000 dieren per maand.

Conclusie: naarmate je diergeneeskundig gezien meer ver-
antwoord handelt, wordt de brandstapel hoger En is dat te
verantwoorden ?

Daarom hebben de landbouwhuisdierenpractici zich achter

Voordracht Rens van Dobbenburgh tijdens Voorjaarsdagen

\'Een dierenarts blijft een dierenarts\'

-ocr page 461-

de wijze van bestrijding van de MKZ door het ministerie van
LNV opgesteld. Het kon gewoon niet anders. Uiteraard, er
had sneller gestart moeten worden met de ringvaccinatie, de
ruimingen verlopen uitermate traag en zo verder, maar de
hoofdlijn klopt.

Betekent dit ook dat de dierenartsen zich hierbij neerleggen
in de toekomst? Zeer zeker niet. Het non-vaccinatiebeleid
moet op de helling, maar dat zal in Brussel bewerkstelligd
moeten worden. Dit is ook een van de redenen dat 250 die-
renartsen afgelopen dinsdag naar Den Haag zijn getogen.
De koers kan niet worden gewijzigd in Kootwijker-broek en
zelfs niet in Den Haag. Dit zou namelijk onherroepelijk lei-
den tot het verloren gaan van ongeveer driekwart van onze
landbouw, namelijk dat deel dat is gericht op export. Ik hoef
u niet uit te leggen dat hiermee ook een groot aantal land-
bouwhuisdierenpraktijken zou omvallen.
Dat risico bestaat overigens nu ook. Dierenartsenpraktijken
worden momenteel geheel dan wel gedeeltelijk leeggeruimd.
Letterlijk. Het meest extreme geval is een praktijk die slechts
één varkensbedrijf overhoudt. De rest is weg. Steh u zich
voor dat op last van de overheid de plaats waar uw gezel-
schapsdierenpraktijk is gevestigd binnen enkele dagen volle-
dig ontdaan wordt van alle gezelschapsdieren ... Dit is pre-
cies wat een aantal van onze collega \'s overkomt. Financieel
en mentaal niet te overzien.

Een andere kwestie waardoor veel landbouwhuisdierenart-
sen momenteel mentaal zwaar in de verdrukking komen is
het dagelijks doden van grote aantallen gezonde dieren.
Helaas hebben we hiermee enige ervaring. In de varkens-
pestperiode hebben 120 dierenartsen in 30 weken tweeën-
eenhalf miljoen biggetjes geëuthanaseerd. Sommigen zijn
hier niet goed doorheen gekomen. Het is verschrikkelijk dat
slechts vier jaar later hetzeljde professionele dieptepunt op-
nieuw wordt bereikt. Het is ook om deze reden dat wij een
hulpteam hebben gevormd van collega \'s die - ondersteund
door professionals - als luisterend oor op kunnen treden
voor dierenartsen die psychisch in moeilijkheden dreigen te
komen. Eigenlijk is het effect dat een dergelijke manier van
dierziektebestrijding op onze mensen heeft al een reden op
zich om krachtig te pleiten voor een andere methode.

Gelukkig komt zelfs aan deze nare MKZ-periode weer een
einde. Het is van groot belang dat wij uit het gebeurde een
aantal conclusies trekken. Hierbij is het goed om iets verder
terug te kijken en ook varkenspest. BSE en de dioxine-affaire
mee te nemen. Ik heb mij de laatste weken, met veel journa-
listen sprekend, gerealiseerd dat hoe wij ook ons best doen
uit te leggen dat dierziekten van alle tijden zijn en lang niet
altijd bedreigend voor de humane volksgezondheid, dit toch
slecht over te brengen is aan de niet-agrarisch geörienteerde
burger en realiseert u zich, dat is zeker 90% van de
Nederlanders. Voor veel mensen is landbouw en daarmee
dus ook de landbouwhuisdierenpracticus een verdachte hoek
van de maatschappij geworden. De impact van dit effect lijkt
na de MKZ nu al groter dan na eerdere calamiteiten. Wij zul-
len dus na moeten denken wat wij hiermee kunnen doen.
Zo is daar de kwetsbaarheid van onze landbouw: driekwart
van de dieren en producten wordt geëxporteerd. Elk moment
kan de grens worden gesloten. Grote aantallen dieren komen
ook ons land binnen. Als wij er voor kiezen die situatie voort
te laten bestaan, dan verenigt zich dit niet met een non-vac-
cinatiebeleid. De risico \'s zijn gewoonweg te groot. En dan
heb ik het niet over economie, maar over beschaving.

Dierbewegingen zullen nauwkeurig moeten worden gere-
gistreerd. Regelgeving moet ook echt Europees worden ge-
üniformeerd. MKZ was ons land niet binnengekomen als het
verzamelverbod dat in Nederland voor kalveren wai inge-
steld na de uitbraak in Engeland, ook in Frankrijk van kracht
was geweest. In dat geval zou de plaatsnaam Mayennes ons
nu niets hebben gezegd. Verder moet het accent van export
misschien wel gelegd worden op vlees en niet op levende die-
ren.

Een andere conclusie is dat de samenleving nu definitief be-
trokken is geraakt bij onze landbouw. De claim die agrari-
sche rampen op die samenleving leggen is zo groot dat dit
onontkoombaar is. Dit betekent dat we ons toe zullen moeten
leggen op een goed zichtbare landbouw die op een maat-
schappelijk aanvaarde wijze dieren houdt en dierlijke pro-
ducten maakt. Dit betekent tevens dat iedereen die dacht dat
in Nederland de begrippen bulk en goedkoop in de landbouw
zouden overwinnen, deze gedachte naar het verleden kan
vern\'ijzen. De keuze die gemaakt moet worden heet kwaliteit
en transparantie zal het sleutelwoord zijn op de weg daar
naartoe.

Dit heeft natuurlijk ook gevolgen voor onze landbouwhuis-
dierenpraktijken. Die moeten mee. Als de samenleving het
ons toestaat en die kans is nu, dan kan de landbouwhuisdie-
renarts weer meer de rol innemen van de ambassadeur van
het dier. Een dokter die namens die samenleving een soort
van vooruitgeschoven post in de veehouderij bekleedt. Die
namens die samenleving dieren op een aanvaardbare manier
gezond maakt en houdt. Die namens die samenleving oog
houdt op de veiligheid van het voedsel van dierlijke oor-
sprong. Als ik zeg samenleving, dan bedoel ik daarmee ook
dat deze dierenarts dergelijke taken niet meer altijd in op-
dracht en in dienst van de boer zal uitvoeren. Ook de over-
heid zal voor ons een belangrijke opdrachtgever worden.
Eén ontwikkeling speelt ons hierbij in de kaart. Volgens de-
zelfde Europese regelgeving die ons af en toe zo tegenzit, kun-
nen lidstaten zogenaamde Veterinaire Netwerken van Toezicht
oprichten. In een dergelijk Netwerk kunnen practici de rol
van toezichthouder op de diergezondheid vervullen. Het is
ook in dit verband dat allerlei vormen van certificering en er-
kenning een steeds belangrijkere betekenis zullen hebben.
Kortom: een veranderende landbouw zal ons ook in de toe-
komst goede kansen blijven geven, maar we zullen onze ui-
terste best moeten doen ze ook ten volle te benutten.

Tot slot. Eens begonnen wij allen aan de studie diergenees-
kunde. Allemaal ontvingen wij ongeveer dezelfde opleiding.
Training daarna leidde tot de differentiatie in dierenartsen
groot en dierenartsen klein, twee werelden die elkaar lang
niet altijd meer konden verstaan. Voor de gemiddelde burger
is dit verschil niet zo duidelijk. Een dierenarts is een dieren-
arts en die heeft verstand van dieren. De MKZ-uitbraak heeft
kennelijk ook voor de gezelschapsdieren een dermate grote
betekenis dat u er aandacht aan besteedt tijdens uw
Voorjaarsdagen. Dit vermengen van groot en klein beschouw
ik als positief. Uiteindelijk staan wij voor hetzelfde: gezonde
dieren. Als de huidige MKZ-periode ons weer wat dichter hij
elkaar brengt, houden we er nog wat goeds aan over

Gericht op gezelschapsdieren of landbouwhuisdieren.

Een dierenarts blijft een dierenarts!

-ocr page 462-

Jan van Os

Voor geïnteresseerden is het beeld duidelijk: de wereld
van moderne Informatie en Communicatie Technologie
(ICT) blijft zich in razend tempo ontwikkelen. Sommige
ontwikkelingen zijn voor iedereen zeer tastbaar en
bruikbaar, zoals het mobieltje. Bij andere ontwikkelin-
gen vragen velen zich nog af: wil ik dat allemaal wel, is
dat voor mij nuttig of nodig? Dit geldt zeker ook voor die-
renartsen.

Broadcast e-mail

E-mail heeft zich inmiddels bij een breed publiek onmisbaar
gemaakt. Dankzij de MKZ-uitbraak is dit moderne medium
nu ook bij dierenartsen doorgebroken. Het aantal ontvangers
van de \'broadcast e-mail\' van de KNMvD met actuele infor-
matie groeide in enkele weken van 1200 naar meer dan 2000.
De schatting is dat we hiermee circa 2500 practici op een
heel effectieve manier hebben bereikt.
Maar gelukkig hebben we niet altijd MKZ. En wat betekent
dit medium zonder die unieke actualiteit die vrijwel alle die-
renartsen in hoge mate interesseert?

Maatwerk

Natuurlijk willen veel collegae ook na de MKZ-periode in-
formatie van de KNMvD per e-mail en het web ontvangen.
Maar alles aan iedereen? Dat is nu al vaak te veel van het
goede. En net als in de papieren versie worden dan berichten
globaal gelezen en een deel snel weggegooid.
Het mooiste zou zijn als u als ontvanger een globale keuze
vooraf kunt maken, zodat u alleen die broadcast e-mails
krijgt die overeenstemmen met uw persoonlijke interesse.
Daarmee gaat u effectiever om met uw nieuwe e-mails.
Utopie voor de KNMvD-mails? Geenszins!
De oplossing hiervoor zal in de loop van dit jaar gestalte krij-
gen. De inhoud van de KNMvD broadcast e-mails zal wor-
den gerubriceerd waarbij u als gebruiker eenvoudig kunt

aangeven naar welke rubriek(en) de interesse uitgaat.
www.knmvd.nl

Inmiddels heeft iedere e-mail lezer wel ontdekt dat er links in
de mailtjes kunnen worden opgenomen naar andere informa-
tiebronnen, zoals naar Intranet, de website van de KNMvD.
Ook hier heeft de MKZ-actualiteit tot grote belangstelling
geleid. Sinds 1 maart is het aantal bezoekers gestegen van
ongeveer 1000 naar gemiddeld 3000 per week. En ook hier
wordt gewerkt aan een meer persoonsgerichte ingang waar-
bij de gebruiker bijvoorbeeld kan binnenkomen in de \'home-
page\' van de eigen Groep.

Achtergrond, actualiteit en meningen

Maar waarvoor dient nu dat Intranet? Het is, net als in een
krant of magazine, zinnig om drie soorten informatie zo hel-
der mogelijk te scheiden: de actualiteit, de meningen van
deze en gene, en achtergrondinformatie. Naar ons idee bie-
den de site en e-mail geweldige mogelijkheden voor al deze
drie soorten.

Relevante basisgegevens

Iedere dierenarts moet op de site tenminste de relevante ba-
sisgegevens kunnen vinden over de beroepsorganisatie en
haar naaste omgeving, de bijbehorende personalia, de regel-
geving, enzovoort. Personalia kunnen bovendien worden
voorzien van een plaatje (wie is wie), een voordeel boven het
huidige Jaarboekje.

Daarnaast levert de site een selectie van actuele informatie;
het dynamische deel van de site. Beide categorieën zijn dus
al aanwezig, maar kunnen nog duidelijk worden uitgebreid
en verbeterd.

Discus

Geïntegreerd met Intranet (www.knmvd.nl) is het pro-
gramma Discus beschikbaar, een uiterst krachtig medium
voor communicatie en discussie. Tot nu toe beperkt het ge-
bruik zich - althans wat betreft de daadwerkelijke deelne-
mers aan de discussie - tot individuele collegae, overwegend
practici gezelschapsdieren. Door Hoofdbestuur of door
Groepen gestimuleerd en ondersteund gebruik van Discus
vindt nog niet plaats. Uit welke groeperingen de meelezers
van de discussie komen is onbekend, maar vooral door de in-
formatie en de discussie over MKZ is die lezersgroep zeker
veel breder geworden dan die van de deelnemers aan de dis-
cussie. Onderwerpen die tot nu toe hoog scoren in de discussie
zijn naast actuele zaken het handelen van dierenartsen en van
de KNMvD, klinische casuïstiek en praktijkervaringen met
betrekking tot gezelschapsdieren en de opleiding tot practicus.

Een interessante maar nog volstrekt onbenutte optie is de \'di-
rect mail \'-functie van Discus.
Iedere gebruiker kan aange-
ven naar welke onderwerpen zijn interesse uitgaat en ont-
vangt daarmee automatisch alle nieuwe berichten over elk
geselecteerd onderwerp via \'direct mail. Dit instrument
biedt ongekende mogelijkheden voor intensieve communi-
catie en discussie tussen Besturen en hun achterban.

Moderne communicatie, wat hebben dierenartsen daar aan?

-ocr page 463-

Wat moet er nog gebeuren

Of we optimaal gebruik gaan maken van deze moderne com-
municatie-media hangt vooral af van de bereidheid daarin
gestructureerd verdere energie te steken. Aan de verdere
technische uitbouw van de broadcast e-mail van de KNMvD
wordt gewerkt. Voor het verzamelen en samenstellen van de
e-mails wordt binnen het Bureau van de KNMvD capaciteit
vrijgemaakt. Dit is ook het geval voor het uitvoerende werk
voor verdere uitbouw en onderhoud van www.knmvd.nl.
Hier ligt echter ook nog een taak voor de Groepen. Vooral de
achtergrondinformatie per Groep moet worden aangevuld,
een overigens overzienbare taak.

De verdere benutting van Discus door HB en Groepen zal
pas echt op gang komen als daar extra menskracht voor
wordt vrijgemaakt. Het moet vanuit de Besturen weinig
moeite kosten om relevante onderwerpen aan te geven voor
een discussie met de achterban. Indien deze discussie inhou-
delijk van voldoende kwaliteit is zal een flink deel van de
achterban deze via \'direct mail\' gaan volgen en een kleiner
deel er aan gaan deelnemen. Het op gang krijgen van derge-
lijke discussies staat of valt met het benoemen van een mo-
derator. De kans hiervoor gegadigden te vinden zal toene-
men door er een uurvergoeding tegenover te stellen. De
kosten hiervan per Groep hoeven niet hoog te zijn. Door een
betere communicatie tussen Besturen en achterban zal de
Groep meer homogeen en krachtiger worden. Een dergelijk
resultaat zal die kosten ruimschoots rechtvaardigen.
Tenslotte is bij onvoldoende communicatie met de achterban
iedere contributie al op voorhand te hoog.

Conclusie: de instrumenten voor communicatie zijn er. Wat
gaan we er verder mee doen? Uw suggesties zijn welkom,
bijvoorbeeld op Discus...

Jan van Os Is voorzitter van het ICT-Platform.

Bureau KNMvD i8 mei gesloten

Het bureau van de KNMvD is op vrijdag 18 mei 2001 ge-
sloten wegens het jaarlijkse personeelsuitje.

Uiterste inleverdata voor kopij

Aflevering: Deadline*)

maandag
maandag
maandag
maandag

28-05-2001
11-06-2001
09-07-2001
30-07-2001

") Voor 10.00 uur \'s morgens.

Voordrachtendag Werkcommissie
Gezelschapsdieren KNMvD

De Werkcommissie Gezelschapsdieren van deAfdelingen
Zeeland, Noord-Brabant en Limburg houdt op zaterdag
30 juni 2001 een voordrachtendag in Zalencomplex
\'Poort van Limburg\' te Weert. De ontvangst is om half
tien en het programma gaat om tien uur van start.

De eerste voordracht wordt verzorgd door drs. H. van Herpen
en gaat over de behandeling van gewrichtsluxaties. Vervolgens
houdt prof L.J. Hellebrekers een verhandeling over pijnbestrij-
ding. Na de lunch spreekt drs. R. Maarschalkerweerd over
acute hemia. De laatste spreker is drs. K.E. Hovius, die een le-
zing houdt over de actuele behandelingsmethoden met acu-
punctuur bij rug-, hals- en gewrichtsproblemen bij honden.
Deze dag wordt mede mogelijk gemaakt door de Maria
Naundorf-van Gorkum Stichting.

De kosten bedragen 25 gulden (inclusief lunch) voor leden
van de afdelingen en 50 gulden voor niet-leden, en kunnen
ter plaatse worden voldaan. Opgave voor 23 juni 2001 bij:
N. Venselaar, telefoon: 046 - 4741141 ofbij W. Oosse, tele-
foon: 0475 - 593928.

Werkgroep Geneeskunde Vleeskalveren

De aanstaande ledenvergadering van de Werkgroep
Geneeskunde Vleeskalveren is veranderd in plaats en tijd.
Datum:
donderdag 21 juni 200f aanvang 14.00 uur.
Plaats: Van der Valk restaurant West-End, Amsterdamseweg
505 in Arnhem.
Agenda: volgt nog.

Meer informatie: A.G.G. Kok telefoon: 0318 - 631431.

15-06-2001
01-07-2001
15-07/01-08-2001
15-08-2001

-ocr page 464-

Jaarcongres 2001

Uw Gelderse congrescommissie is hard aan het werk om
op 5 oktober in Papendal een mooi programma te presen-
teren. Met gepaste trots tonen wij u nu het logo én vertel-
len wij u meer over het thema.

Dit jaar zal het Jaarcongres van de KNMvD zijn opgebouwd
rondom het begrip \'kwaliteit\'. Dit lijkt een bekend begrip,
maar nu is een zeer praktische invalshoek gekozen. Centraal
staan de kwaliteiten die de beroepsgroep moet hebben om
nieuwe uitdagingen op een goede wijze te kunnen aangaan.
Daarbij wordt aandacht besteed aan de verschillende situa-
ties die de gehele beroepsgroep, de verschillende disciplines
binnen de beroepsgroep én de individuele dierenartsen (op
hun verschillende posities) tegenkomen.

Wij hebben te maken met een toenemende vervlechting van
werkterreinen, van enerzijds de practicus en anderzijds de
overheid met betrekking tot dierziektebestrijding en veteri-
naire volksgezondheid.
Hoe slaagt de dierenarts er dan in
de toekomst in de belangen van zowel zichzelf, de dierei-
genaar, het dier en de overheid (=veterinaire volksge-
zondheid) op onafhankelijke en uitgebalanceerde wijze
te behartigen?

De commissie heeft gekozen voor culinaire taal als meta-
foor. De congrestitcl is:
\'Gelderse pot: recepten voor kwa-
liteit\'.
Ingrediënten zijn de sprekers, die vormen uiteindelijk
het menu van de dag.

De kwaliteit, de smaak en voedingswaarde van de maaltijd
wordt bepaald door de kwaliteit van de ingrediënten. In een
volgend nummer van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde,
zullen we u meer vertellen over de programma-onderdelen.
Ter overdenking geven we u nog graag een paar uitspraken
mee.

Tot ziens in oktober op Papendal,
Rob Back, voorzitter congrescommissie

Kwaliteit is?

Dit zijn enkele antwoorden op deze vraag:

• Het optimaal mogelijke.

• Een tovermiddel.

• Meer dan alleen het product (goed).

• Emotionele beleving samenhangend met
imago.

• Strategische variabele (Berenschot).

• Een tijdelijk (veranderlijk) begrip.

• Een optelsom van kleine dingen.

• Hoedanigheid, bepaling van stoffen en wa-
ren met betrekking tot het gebruik dat er-
van moet worden gemaakt, de deugdelijk-
heid (Van Dale).

• Eigenschap met betrekking tot waardering
(Van Dale).

• De mate waarin het geheel van eigenschap-
pen van een product, proces of dienstverle-
ning voldoet aan de eraan gestelde eisen,
die voortvloeien uit het gebruikersdoel
(NEN 2646).

• \'Fitness for use\' (Juran).

• Het product en alle activiteiten en alle
mensen, \'van zand tot klant en van presi-
dent tot portier\'.

• \'Conformance to requirements\' (Crosby).

• \'... to translate future needs of the user ...
so that the product... can give satisfaction
at a price the user is willing to pay\'
(Deming).

• Wat de klant er (als gebruiker uiteindelijk)
van vindt (Berenschot).

• \'I know it when I hear it\' (Louis van Dijk)

• \'Cannot be defined, you know what it is\'
(Robert Pirsig).

• Nakomen van afspraken (PTT).

• Onvoldoende of te veel kwaliteit is geen
kwaliteit.

Selectie uit bijlage 1.1. Teleac cursus,

Kwaliteitsmanagement.

De Jaarconcrescom missie is ook op de website actief. Kijkeensop www.knmvd.nl
(onder de button
KNMvD) voor meer informatie over het programma. En een pittige
discussie over \'kwaliteit\' moedigen wij natuurlij k van harte
AAn!

-ocr page 465-

Sociale vaardigheden van de dierenarts ten tijde van de
MKZ-crisis

Teun Fabri

De MKZ-uitbraken trekken een
zware wissel op de gemoedsrust van
de houders van vee. Eerst de angst om
de economische gevolgen van een
MKZ-uitbraak in Nederland te
ondervinden, dan het bericht dat er in
Nederland een besmetting met MKZ
is aangetoond en daama de angst zelf
besmet te zijn of in een ruimings- c.q.
vaccinatiezone terecht te komen. Leidt tot een permanent ge-
voel van angst. Van alle dienstverleners van veehouderijbedrij-
ven wordt verwacht dat zij steun en raad geven om deze angst te
verminderen.

Als inwoner van het gebied waar de haard van de eerste uitbra-
ken is gelegen en als dierenarts werd ik geconfronteerd met
zeer positieve berichten over de betrokkenheid en de hulp-
vaardigheid van de practici in de omgeving. Ook zij stonden
onder hoge spanning, maar de inzet in het kader van de preven-
tie, tracing en later ook bij de enting en de ruiming, is voor-
beeldig geweest.

\'Bij het bekend worden van het doorvoeren van de
noodvaccinaties in het gebied, werd de spanning
_
eerder groter dan kleiner\'_

Minder positief is men echter over de sociale vaardigheden
van een groep van dierenartsen die heeft meegewerkt aan de
uitvoering van de preventieve vaccinaties. Een aantal van
hen was zich er niet van bewust in welke gemoedstoestand
veehouders al enige weken verkeerden. Mensen die, voordat
zij het bericht ontvingen dat hun veestapel gevaccineerd zou
worden, optimale maatregelen hebben getroffen om het ri-
sico van introductie van het virus te voorkomen. Het bedrijf
werd volledig afgesloten; kinderen mochten niet meer naar
school, visite was niet meer welkom en de boodschappen
werden door derden aan de rand van het erf gezet. Meerdere
weken verstoken van elk direct menselijk contact, anders
dan de eigen familieleden. In veel gevallen was het vaccina-
tieteam het eerste directe contact sinds dagen.

Ingezonde

Bij het bekend worden van het doorvoeren van de noodvacci-
natie in het gebied, werd de spanning eerder groter dan kleiner.
Men zou gebeld worden, men zou een brief ontvangen en er
zou gemeld worden wanneer gevaccineerd zou worden. Door
telefonisch contact met lotgenoten bleek dat vaccinatieteams
zonder voorafgaande aankondiging plotseling op het erf kon-

Teun Fabri is dierenarts en schapenhouder te Terwolde.

den staan en de brief liet ook 48 uur op zich wachten. Elke auto
die over de weg voor het bedrijf reed en ook maar de kleinste
aanleiding gaf te denken dat deze zou stoppen, was reeds vol-
doende de hartslag naar ongezonde hoogte te doen opstuwen.
Zonder in te willen gaan op de mogelijke fouten die hieraan ten
grondslag liggen, het was de situatie waarmee de vaccinatie-
team geconfronteerd werden.

De noodvaccinaties zijn uitgevoerd door een team van vier per-
sonen waarbij minimaal één dierenarts aanwezig was. Waarom
maakte de dierenarts deel uit van dit team? Toch niet alleen
maar om de fysieke handeling van de vaccinatie uit te voeren.
Van de betreffende dierenarts mag verwacht worden dat hij of
zij zich realiseert onder welke emotionele spanning de veehou-
ders en hun gezinsleden staan. De dierenarts moet in staat op
een doortastende wijze met het team de vaccinatie uit te voeren
zonder de gemoedstoestand van de veehouder negatief te beïn-
vloeden. Met name onze beroepsgroep zou zich moeten kun-
nen inleven hoe een veehouder zich voelt wanneer er handelin-
gen worden verricht die er toe leiden dat de veestapel zal
worden vernietigd.

Wanneer ik echter persoonlijk wordt geconfronteerd met een
dierenarts van een vaccinatieteam die, tijdens een telefoonge-
sprek met de buurvrouw, op de achtergrond bij de buren meldt
dat hij toch maar niet meer komt vaccineren, want \'ik heb giste-
ren ook al tot 1 uur gewerkt en heb nu geen zin meer\', voel ik
naast woede ook schaamte voor mijn eigen beroepsgroep. En
helaas is dit niet een op zichzelf staand geval. In meerdere situ-
aties is de dierenarts niet in staat gebleken de vrolijkheid van
het entteam te onderdmkken. Opmerkingen als: \'wat heeft u in
de aanbieding\' en \' we zullen dit zootje ook eens even onder
handen nemen\' passen niet in deze situatie.

\'Ik vraag mij af wat de toegevoegde waarde van de
_
dierenarts in de entteams is geweest.\'_

Elke dierenarts die tijdens de noodvaccinaties heeft geas-
sisteerd had ook een eigen verantwoordelijkheid die niet weg
viel door vermeende fouten van RW of GD. Als een dierenarts
niet eens meer het fatsoen heeft zichzelf te verontschuldigen
wanneer deelnemers van het entteam zich misdroegen, zich
niet persoonlijk afmeldde wanneer de vaccinatie die dag niet
meer uitgevoerd kon worden en zich niet kon inleven in de ge-
moedstoestand van de veehouder, dan is het slecht gesteld met
onze beroepsgroep. En vraag ik mij af wat de toegevoegde
waarde van de dierenarts in de entteams is geweest. Ik ben mij
ervan bewust dat ik een groot aantal dierenartsen, die zich tij-
dens de noodvaccinaties volledig hebben ingezet, tekort doe.
Uiteindelijk zijn mijn dieren gevaccineerd door een zeer cor-
rect optredend team. Maar teveel dierenartsen hebben laten
blijken dat zij zich alleen hebben laten leiden door een aantrek-
kelijke inkomstenbron.

-ocr page 466-

Mijn beroep is dierenarts; ilc ben geen econoom. Dit vormde
de basis van een brief die ilc aan de Volkskrant heb gestuurd.
Of die geplaatst gaat worden weet ik natuurlijk niet, maar ei-
genlijk lijkt plaatsing in Ons Tijdschrift mij veel relevanter
Laten wij nu eindelijk eens discussiëren over wat ons dezer
dagen het meeste bezighoudt en ontdekken of er gemeen-
schappelijke standpunten zijn.

Mond- en klauw/zeer: protest van dierenartsen in Den Haag

Inmiddels lijkt het geen voorpaginanieuws meer te zijn: de
MKZ-crisis in Nederland. Minister Brinkhorst doet zijn best
om Europa zover te krijgen dat \'er opnieuw nagedacht wordt\'
over het non-vaccinatiebeleid; het besluit om in Europees ver-
band niet te vaccineren tegen ziekten als MKZ en varkenspest.
Maar wat als Europa besluit om het huidige non-vaccinatie-be-
leid te handhaven? In Nederland zijn we het er allang over eens
dat er voldoende redenen zijn om het non-vaccinatiebeleid af te
schaffen en weer te gaan vaccineren, namelijk:

1. Het (non-vaccinatie-beleid) is niet de beste manier om de
ziekte te bestrijden; vaccineren wel.

2. Het brengt onnodige en dus onacceptabele welzijnsproble-
men teweeg bij dieren, zoals overvolle stallen en verzui-
pende lammetjes in de wei.

3. Het brengt onnodige en dus onacceptabele welzijnsproble-
men teweeg bij veehouders die geen vee houden dat na in-
tensieve mesterij voor de slacht bestemd is, zoals scharrel-
boeren, melkveehouders, hobbyboeren, particulieren,
dierentuinen. Critici die De Boer hypocrisie verwijten
(boeren hebben altijd dieren om ze massaal te mesten voor
de dood) scheren alle veehouders over één kam en doen
daarmee onrecht aan deze belangrijke groep die vee houdt
volgens huidige dierenwelzijnnormen.

4. Het houdt in dat er massaal dieren afgemaakt en vernietigd
moeten worden op zo\'n schaal dat er methoden gebruikt
moeten worden die de meeste burgers tegen de borst stuiten.
Bovendien heeft het tot gevolg dat dieren soms onzorg\'/ul-
dig (namelijk niet tijdig) hun einde vinden, alvorens ze met
grijpers in containers gestort worden. Natuurlijk: dood gaan
die dieren uiteindelijk altijd een keer Maar dat gaan mensen
ook. Toch is het heel wat anders of oma met de begrafenis-
auto wordt gehaald of dat ze, nog naspartelend, in een grij-
per over de schutting wordt gehesen.

5. Het niet kiezen voor een vaccinatiebeleid vanwege econo-
mische redenen houdt in dat we dieren respecteren alsof het
levenloze producten zijn; bij een ziekte onder de poot-
aardappelen draaien we de hele oogst door. Bij het houden
van dieren mogen economische belangen nooit zwaarder
wegen dan basale (en in de wet vastgelegde) dierenwelzijn
normen.

6. Het verstoort, behalve de landbouw, het (sociale) leven van
vele Nederlanders. Alleriei evenementen worden lamge-
legd, de toeristensector lijdt schade, etcetera. Dit zijn onac-
ceptabele, want onnodige, gevolgen van het huidige beleid.

Om al deze redenen hebben mijn man en ik dinsdag 17 april,
tezamen met 250 collegae dierenartsen, geprotesteerd tegen
het non-vaccinatiebeleid in Den Haag.
Het zal ons toch niet gebeuren dat na deze crisis een volgende
epidemie ons land treft en we in hetzelfde schuitje blijken te
zitten? Laten we allemaal onze uiterste best doen om onze
stem te laten horen dat we \'dit nooit meer willen meemaken.\'
Laten we brieven schrijven aan de Tweede Kamer, het ministe-
rie van Landbouw, dagbladen en actualiteitenprogramma\'s op
TV Laten we nog uitsluitend scharrelvlees en graseieren of
EKO-eieren kopen (dan maar wat minder per week), om dui-
delijk te maken dat de burger in Nederland de consument best
de baas kan. Laten we een protestmars organiseren tegen de
uitpuilende varkensstallen. Als er geen MKZ heerst, worden
boeren die hun stallen zo vol laten beboet, gevangengezet of
onteigend. Laten we dan ook eisen dat de schuldigen aan deze
wantoestanden gestraft worden (de boeren beschuldigen de
overheid en andersom). Laten we in ieder geval in Nederland
een vaccinatiebeleid eisen, of Europa het nou goed vindt of
niet!

Ingrid van Alten is gezelschapsdierenarts te Hillegom.

Vaccinatiebeleid in Nederland eisen

Ingrid van Alten

Wetenschappelijk en/of economisch verantwoord?

Y.M. Klaare, M. Pilgram, A. Roos

Via deze brief wil ik onze verbazing over de gang van zaken
rond de Voorjaardagen (VJD) uiten. Gezien de huidige situa-
tie rond de MKZ-crisis verwachtten wij eigenlijk een schrij-
ven van de organisatie van de Voorjaarsdagen te ontvangen
over het afgelasten ervan. Toen er echter een schrijven
binnenkwam, werd er alleen gesproken over preventieve
maatregelen om mogelijke verspreiding tegen te gaan. Als
het zo makkelijk zou zijn om risico\'s uit te sluiten, waarom
worden dan door de industrie wel alle bijeenkomsten afge-
blazen, waarom worden kringvergaderingen afgelast of per
telefoon afgewerkt?

Binnen onze praktijk hebben wij hierover gesproken en zijn
unaniem van mening dat dit geen verstandige manier van
handelen is gezien de situatie. Staan wij alleen in deze me-
ning? Nee, tijdens de demonstratie in Den Haag hoorden we
ook van collega\'s uit het hele land negatieve geluiden over de
manier waarop de VJD met de situatie omspringt.
Nu weet ik dat commentaar leveren vanaf de zijlijn altijd

-ocr page 467-

makkelijk is, maar wanneer ik naar de commentaren van de
collega\'s luister dringen toch de volgende vragen zich op.
Is het doorgaan van de VJD een wetenschappelijk te verdedi-
gen besluit (kans op verspreiding uit te sluiten), of spelen
economische redenen een rol bij deze beslissing (verlies van
al gemaakte kosten voor huur RAI en sprekers) ? Hoe denkt
het organisatiecomité de buitenwereld te overtuigen van het
uitsluiten van verspreidingsrisico\'s ? Wat als er onverhoopt
een geval van MKZ optreedt buiten de nu bestaande besmet-
tingszones na de VJD, mocht het zo zijn dat dat teruggetra-
ceerd zou kunnen worden op de VJD, hoe denkt men dan de
consequenties te kunnen dragen?

Nogmaals we willen niet alleen goedkope kritiek leveren,
maar de situatie is dusdanig ernstig dat er wel over nagedacht
wordt. Wij hebben besloten om niet naar de VJD te gaan, om-
dat we het toch een risico vinden. Eenzelfde mening hebben
we van meerdere collega\'s gehoord, maar de beslissing moet
ieder voor zich maken, na afweging van de feiten. Graag
zouden we wel antwoord op de bovenstaande vragen krijgen
van de organisatiecommissie.

RS.: Aardig detail is ook dat ikzelf thuis het bericht van de
voorzorgsmaatregelen op 25 april (dus na de Voorjaarsdagen)
ontving, ook van andere collega\'s heb ik dit inmiddels verno-
men. Toch wel slordig vindt u ook niet?

Klaare, Pilgram en Roos zijn werkzaam bij Dierenartsenpraktijk
Korte Akkeren in Gouda.

Gebrek aan beschaving oorzaak MKZ-drama

Wouter ter Heide

Langs veel wegen in de besmette MKZ-gebieden hebben boe-
ren kruisen geplaatst uit protest tegen de ruimingen. Het para-
doxale van hun actie is dat zij in onze geseculariseerde en be-
wierookte democratische rechtsstaat(!) alleen bij machte zijn
om met machteloze kruisen(!) hun protest kracht kunnen bij-
zetten. Bij de minister noch bij de rechter kunnen zij namelijk
hun gelijk halen, omdat het Europese non-vaccinatiebeleid niet
tot stand is gekomen in het belang van het democratiseren en
juridiseren van Europa, dus in het ideële(!) belang van het alge-
meen waar het begrip democratische rechtsstaat voor staat. Als
Europese Samenleving zijn wij in 1991 immers niet geraad-
pleegd over het verbod op inenten! Van democratische besluit-
vorming is destijds dan ook geen sprake geweest. Begrijpe-
lijkerwijs hebben wij ons daardoor nooit bezonnen op de
mogelijke consequendes daarvan en ons daar juridisch tegen
gewapend. Vandaar dat in het Europees recht geen regels te
vinden zijn over de toelaatbaarheid van het doden van dieren.
Alleszins begrijpelijk overigens, omdat de vraag naar de toe-
laatbaarheid van het doden niet los is te zien van die naar de
noodzakelijkheid daarvan. Het antwoord daarop is afhankelijk
van het doel, dat wij - als Europese samenleving - hebben gede-
legeerd aan Brussel. Wat dat Brusselse doel betreft is het duide-
lijk dat het massaal ruimen of
riicksichtlos vernietigen van
evenhoevigen het logisch gevolg is van de beoogde bevorde-
ring van de export. Tien jaar geleden heeft de Europese
Commissie immers besloten om inenten te verbieden, omwille
van de export van de Europese producten! De verdediging van
dat Europese doel door Brussel heiligt simpelweg de non-vac-
cinatie, hoewel deze democratisch (gedekt door de volkswil)
noch juridisch (gedekt door wetgeving) is te legitimeren.
In deze verkeerd uitgepakte heiliging (getuige de MKZ-epide-
mie) past eenvoudig niet de diep menselijke vraag naar de
rechtvaardigheid van de executie van de van gezondheid bla-
kende - Bertha 35 en haar stalgenoten. Door de morele nood
die dit bij velen teweegbrengt, waarvan de kruisen en het lugu-
bere beeld van opgehangen varkens en kalveren getuigen,
wordt het tijd de houdbaarheid van het Europese exportdoel te
toetsen. Strookt de bevordering van de export en het daarvoor
benodigde non-vaccinatiebeleid met het algemeen belang,
waartegen in de democratische rechtsstaat elk politiek besluit
moet worden afgewogen? Met andere woorden is het Europese
landbouwbeleid wel democratisch en rechtskundig onder-
bouwd? Fundamentele vragen die het onverteerbare ruimings-
of vemietigingsbeleid automatisch oproepen, omdat het begrip
democratische rechtsstaat naar een beschavingspeil verwijst,
waarop uiterst zorgvuldig wordt omgegaan met vragen over le-
ven en dood. Zorgvuldigheid als politiek doel, dat in tegenstel-
ling tot het exportdoel, eenvoudig niet in geld is te vertalen.
Gezondheid en welzijn, zowel van mens als van dier, omvatten
immers aanzienlijk meer dan geld alleen!
Kortom, in het belang van het algemeen wordt het hoog tijd
voor een Brede Europese Discussie (BED) over de vraag naar
het democratisch en juridisch gehalte van het Europese land-
bouwbeleid. Het op de rails zetten van die BED, moet de demo-
craat en jurist Brinkhorst - als eerst verantwoordelijk voor het
landbouwbeleid in Nederiand - redelijkerwijs gesproken aan-
spreken.

Begrijpelijkerwijs zal voor deze BED zowel het gangbare eco-
nomische als het gangbare partijpolitieke
denken(!) en daar-
mee de huidige maatschappelijke orde - op het spel worden ge-
zet. Dit mag voor onze D66-bewindsman echter geen reden
zijn om er dus maar vanaf te zien en zich te conformeren met de
crisisbeheersing zoals die door de Europese commissaris van
Landbouw Franz Fischler wordt voorgestaan. Zijn aanpak -
hoewel op christen-democratische leest geschoeid zal name-
lijk nimmer leiden tot zoiets als goed rentmeesterschap of eer-
bied voor het leven, dus tot de wereld waarin het niet alleen
voor ons nageslacht maar ook voor dat van Bertha 35 en haar
evenhoevige soortgenoten goed toeven is. Integendeel, alle
mooie woorden ten spijt getuigt Fischlers landbouwbeleid
slechts van (Europees) eigenbelang in plaats van zorg voor het
(mondiaal) nageslacht. Wel beschouwd geldt dit echter voor
het totale Europese beleid, om maar te zwijgen over dat van de
VS en Japan, met alle consequenties van dien voor de liefde-
loze en daarmee onleefbare wereld die wij ons kroost nalaten,
waarin het VN- of vredesideaal in rook is opgegaan, omdat alle
ogen zijn gericht op de alleenzaligmakende Dow Jones-,
Nikkei- en AEX-index.

Wouter ter Heide is publicist.

-ocr page 468-

Volgens Umans en Deleu (Tijdschrift voor Diergeneeskunde
van 15 april 2001) is uit onderzoek gebleken dat de kans op
MKZ in geënte populaties twee keer zo groot is als in niet ge-
vaccineerde populaties. Als reden wordt genoemd: onvolle-
dige inactivering van gebruikt virus en ontsnapping van het
virus uit laboratoria. Beide redenen zijn risico\'s van de vac-
cinbereiding die intussen te verwaarlozen zijn. Dit soort be-
smettingen doen bovendien in een geënte populatie minder
kwaad dan in een
volledig onbeschermde veestapel. Het
evenwichtige artikel over herbezinning wordt ontsierd door
de passage \'Mocht de minister eenzijdig overgaan tot ....
vaccinatie, dan zal hij worden gesteund .... door de
KNMvD.\' Immers, in de alinea daarvóór wordt de treffende
uitspraak in NOVA onderschreven \'dat eenzijdige enting
hetzelfde betekent als de boeren het ravijn induwen.\' Met
steun van de KNMvD?

MKZ-uitbraak noopt tot herbezinning

G.L van Nie

TV journaal

J. van der Heul

Vanavond TV journaal. De nieuwslezer praat over mond- en
klauwzeer. Tussen neus en lippen wordt gemeld dat er onge-
veer 200 dierenartsen, pardon veeartsen, \'in touw zijn\' om
alle dieren \'af te maken\'. Daar was ik toch wel ontsteld over,
vandaar dit bericht.

Nog niet zolang geleden, ik schat ongeveer drie tot vier jaar,
besloot menig artikel in het TvD met de zinsnede: tot Heil
van Mens en Dier! Toen was het al zo dat ik mijn wenkbrau-
wen soms fronste omdat de inhoud van de artikelen deze
spreuk niet altijd rechtvaardigde. De term was weliswaar aan
slijtage onderhevig, maar relikwieën gooi je niet zomaar
weg. Nu zijn we dan toch echt zover dat ie overboord gekie-
perd kan worden.

Van onze beroepsgroep valt kennelijk geen heil meer te ver-
wachten, noch voor de mens, agrariërs zijn ook mensen,
noch voor de dieren. Terwijl we hen toch zo nabij stonden,
opgeleid als we zijn voor preventie en medicatie van dier-
ziekten.

Natuurlijk hadden we onze onafhankelijkheid nog. We wer-
den geacht datgene te doen wat juist is voor de dieren en de
volksgezondheid, ook al ging dat soms tegen het financiële
belang van de diereigenaar in. Uiteraard zijn er overal
zwakke broeders te vinden, maar dat was toch uitzondering
binnen onze beroepsgroep.

Toch zijn we er nooit in geslaagd mediageniek te worden. In
de pers blijven we gewoon veeartsen. Een soort academici
die voorheen op bedrijven kwamen om dieren gezond te
houden of te maken. Nu komen we om gezonde dieren dood
te maken. Bij diezelfde veehouders. We hebben even een an-
dere pet op.

Wordt het geen tijd om op te staan, recht te staan en te zeg-
gen: daar doen we, gezien onze attitude ten aanzien van
mens en dier, niet aan mee?

De tijd van dr. Vlimmen ligt ver achter ons. Breekt de tijd
van dr. Mengde nu aan?

J. van der Heul is verontrust dierenarts te Stadskanaal.

Mond- en klauwzeer

M. Doornekamp

Mond en klauwzeer is een ramp voor de dieren.
Wij doen een beroep op de mensen.
Voor verzachting moeten we wetten wat laten vieren.
De dieren willen leven dat zijn hun wensen.

Velen dieren moeten sterven.
Inenten had het kunnen voorkomen.
Goede bepalingen willen we wensen.
Dat had veel leed kunnen voorkomen.

Als mensen ziek zijn, worden zij niet afgemaakt.
Wij willen meer achting voor het leven.
Het is leed dat de dieren raakt.
En zullen meer om dieren geven.

Iets waar de dierenbescherming voor staat.
Om de dieren een goed leven te geven.
Zij is al jaren paraat.
Uit respect voor het dieren leven.

Steun doormiddel van de dierenbescherming de dieren.
Wij moeten nu iets doen.
Als de dieren het wisten, zouden ze feest vieren.
Wij moeten iets voor de dieren doen.

Varkens, schapen en koeien.

Toen kwam er een varken rnet een lange snuit.

Wij willen er ons mee bemoeien.

Doe iets, nu is het gedichtje uit.

-ocr page 469-

Voor het lidmaatschap van de
Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor

Diergeneeskunde hebben de
volgende collegae zich aange-
meld:

Bakker, M.S.; 2000; 3571
XM Utrecht; Kapteijnlaan 69.
Jong, R. de; 2000; 8701 GN
Bolsward; De Mieden 25.
Lee, J.R. van der; 1963; 7582

BC Losser; Markeweg 113.

Lovric, S.; 2000; 3082 TL Rotterdam; Frans Bekkerstraat 113
D

Maas, C.RH.J.; 2000; 3721 WR Bilthoven; Weegschaal 98.
Mulders, Mevr. N.A.H.; 2001; 5224 BT Den Bosch;
Churchilllaan 125.

Oomen, Mevr. M.; 2001; 3522 HW Utrecht; Mijdrechtstraat
8BisA.

Pot, S.A.; 2000; 2553 BB Den Haag; Pisuissestraat 59.
Rijsman, VM.C.; 2000; 3551 EG Utrecht; 2e Daalsedijk
169.

Vecht, U; 1976; 3853 BR Ermelo; Valkenhof 18.

Als lid van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor
Diergeneeskunde heeft het Hoofdbestuur aangenomen:

Ahne. Mevr. l.M.T; 2000; 3532 EB Utrecht; Queridostraat
17.

Beek, Mevr A.W.M.J.C. van; 2000; 6132 GP Sittard;
Bellstraat 23.

Berg, Mevr. M. van den; 2000; 3117 CN Schiedam; St.
Liduinastraat 27 B .

Bokelaar, Mevr. E.; 2000; 3523 AL Utrecht;
Tolsteegplantsoen 37-2.

Bont, F. de; 2000; 9934 NE Delfzijl; Vlamoven 53.
Bootsma, Mevr. A.M.; 2000; 3512 PT Utrecht; Eligenstraat
37.

Bosch, G.; 2000; 3522 GH Utrecht; Reitdicpstraat 20.
Bosch, R.J.Th.: 2000; 4007 VC Tiel; Zonnedauw 79.
Ditshuizen. Mevr. E.J.; 2000; 7954 GN Rouveen; Oude
Rijksweg 625 B.

Hoogendoom, Mevr B.C.; 2000; 3816 ST Amersfoort;
Leonorehof 16.

Karsemeijer, Mevr. M.A.; 2000; 3582 CT Utrechl;
Krommerijn 63.

K.eg, RR.; 1976; 3732 CC De Bilt;Troelstraweg97.
Kleyn. Mevr. C.J.M. de; 2000; 3551 SE Utrecht; Koolstraat 24.
Knaap. Mevr. C.C.; 2000; 5761 CS Bakel; Helmondsestraat 24.
Laarhoven, RC.J. van; 2000; 5171 VL Kaatsheuvel;
Erasstraat 91.

Lambers-Takens, Mevr. A.M.; 1978; 9721 HX Groningen;
Hora Siccamasingel 278.

Loon, J.RA.M. van; 2000; 4715 BA Rucphen, Van Vesemalestraat 5.
Nomden. Mevr. RL.; 2000; 9995 PZ Kantens; Middelstumerweg 44.
Otïereins, Mevr. N.; 2000; 1079 VM Amsterdam; Waverstraat 26 10.
Pulskens, R.C.W.M.; Gent-2000; 2411 KJ Bodegraven; Bourgondischelaan 9.
Riet, Mevr. S.M. van \'t; 2000; 5871 CE Broekhuizenvorst; Blitterwijckseweg 20.
Swartz, LB.M.; 1999; 3083 CX Rotterdam; Zuidplein 426.
Veenstra, Mevr. R.; 2000; 3812 XR Amersfoort; Ranonkelstraat 40.
Velden, Mevr. D.F.E. van der; 2000; 3582 CN Utrecht; Minhof43.
Vlerk, T van der; 2000; 3155 EA Maasland; Foppenpolder 1 C.
Wolking, Mevr. E.C.; 2000; 3583 AK Utrecht; A. v. Ostadelaan 42.

Overlijdensberichten

Op 8 maart 2001 G.C. Doggen te Wouw.
Op 16 maart 2001 M.J. de Boer te Uddel.
Op 31 maart 2001 K. Horssen te Heerde.
Op 18 april 2001 C.H. Herweijer te Alkmaar.

Mutaties:

Ahne, Mevr. l.M.T; 2000; 3532 EB Utrecht; Queridostraat 17; tel.
privé: 030-2941242/06-51006119; E-mail privé: ireneahne@hotmail.com;
wnd.d.
(toev. als lid)

Baas, A.; 1978; 7415 AL Deventer; Ceintuurbaan 8F4; tel. privé:
0570-658411; E-mail privé:
abaas@tip.nl; p., geass. met K.A.M. Herder,
H.S. Kooi, E.G. Kwant. H. Pott en RJ. van der Werf; tel. prakt.: 0570-
653000;
fax prakt.: 0570-658225; E-mail prakt.: dap.deventer(gwxs.nl.

Personali

Dix&Co

voor een deskundige diagnose

Vindt u financieringen en verzekeringen
ondoorzichtig? Neemt u dan eens contact
op met Dix&Co voor een deskundige
diagnose die uitmondt in heldere adviezen.

Kies een adviseur die uw totale financiële
bescherming verzorgt en die daardoor
uw persoonlijke situatie op belangrijke
momenten scherp in beeld brengt.

Landelijke dienstverlening bij praktijk-
overdracht, bij associatie en assistentie.
Belt u even voor een afspraak of een
brochure.

Dix €o

Maliesingel 34
5581 BJ Utrecht
Tel. (030) 244 87 74
Fax (030) 241 66 33
E-mail: info@dixenco.nI
www.dixenco.nl

Beek, Mevr. A.W.M.J.C. van ; 2000; 6132 GP Sittard; Bellstraat 23;
tel. privé: 046-4517024; wnd.d.
(toev. als lid)

Berg, Mevr M. van den; 2000; 3117 CN Schiedam; St. Liduina.straat
27 B; p., medew. bij T. Bruggeling, PJ.M. Egberink, RVE. Fortuin, S.
Wietsma en M.A. van Wijck; tel. prakt.: 0519-292526; fax prakt.; 0519-
297818.
(toev. als lid)

Boerekamp, Mevr. R.E.; 1997; 3524 RK Utrecht; Normandie 24; tel.
privé: 030-2803222;
p., medew. bij M.C. van der Meer; tel. prakt.: 0180-
320363; fax prakt.: 0180-322275.

Boerma, S.; 1980; 9263 PA Garijp; Eastercin29; tel. privé: 0511-
522146; tel. mobiel.: 06-55732782; E-mail privé : equitec@wxs.nl; p.,
Paardenkliniek Garijp ; tel. Prakt. : 0511-522214; fax prakt.: 020-
8833884; E-mail prakt.: equitec@wxs.nl.

Bokelaar, Mevr. E.; 2000; 3523 AL Utrecht; Tolsteegplantsoen 37-11;
tel. privé: 030-2544498; E-mail privé : ebokelaar@hotinail.com; wnd.d.
(toev. als lid)

Bont, F. de ; 2000 ; 9934 NE Delfzijl ; Vlamoven 53 ; tel. privé: 0596-
611304; p., medew. bij B.B.A. Lichtenbelt en J.S.H. Peutz; tel. prakt.: 050-
5252697; fax prakt.: 050-5259409.
(toev. als lid)

Bootsma, Mevr, A.M.; 2000; 3512 PT Utrecht; Elingenstraat 37; tel.
privé: 030-2319180; fax privé: 0561-441051; E-mail privé: ambootsma@hot
mail.com; wnd.d.
(toev. als lid)

Bosch, G.; 2000; 3522 GH Utrecht; Reitdiepstraat 20; tel. privé: 030-
2510969; s.i.o bij U.U. Hfdafd. Gezondheidszorg Paard; E-mail bur.:
g.bosch@vet.uu.nl.
(toev. als lid)

Bosch, R.J.Th.; 2000; 4007 VC Tiel; Zonnedauw 79; tel. privé: 0344-

-ocr page 470-

613774; p., medew. bij H.A. de Jong, J.J. Koot en H.J. Schrama; tel.
prakt.: 0344-616297.
(toev. als lid)

Brandts, Mevr. A.I.H.; 1996; 6161 DE Gelcen; Hofdwarswcg 53;
tel. privé: 046-4107772;
wnd.d.

*Brocks, Mevr. B.A.W.; 2001; 3583 AV Utrecht; Van der
Helststraat 42; tel. ptivé: 030-2542836; E-mail privé: bouvienb@hot-
mail.com;
p., medew. bij Spoedkliniek voor Dieren Amsterdam bv;
tel. prakt.: 020-6944766.

Bruinenberg. H.R.; 1999; Gent- 1999; 2381 GL Zoeterwoudc-
Dorp; Miening 11 ; tel. privé: 071-5809208; p., medew. bij G. Roest en
K.H. van Wiggen; tel. prakt.: 071-5220513/071-5890405/071-
5802818; fax prakt.: 071-5415784.

Ditshuizen, Mevr. E.J. van; 2000; 7954 GN Rouveen; Oude
Rijksweg 625 B; tel. privé: 0522-292202; E-mail privé: lvditshuizen@
hotmail.com; p., medew. bij H.W. Bosch, H.J. Roze en J.A. vanTwillert;
tel. prakt.: 0522-462929.
(toev. als lid)

Dwinger, R.H.; 1976; 2582 EM Den Haag; Willem de Zwijgerlaan
149:
tel. privé: 070-35457676; E-mail privé: artsdd(a,xs4all.nl;
Beleidsmedew. RVV Afd. Keuringen; tel. bur: 070-3578852; fax bur:
070-3876591; E-mail bur: rdwinger@rw.agro.nl.

»Hermans, Mevr. J.T.; 2000; 7772 NL Hardenberg; Boterbloem 42;
tel. privé: 0523-611360; E-mail privé: janny_hennans@hotmail.com; p.,
medew. bij R.J. Plantema; tel. prakt.: 0523-2711 12
/682929; fax prakt.:
0523-272221 ;
E-mail prakt.: pluimveepraktijk.plantcma@planet.nl.

Hoogendoom, Mevr. B.C.; 2000; 3816 ST Amersfoort; Leonorehof
16; tel. privé: 033-4752386; E-mail privé: bchoogendoom@hotmail.
com; wnd.d.
(toev. als lid)

Karsemeijer, Mevr. M.A.; 2000; 3582 CT Utrecht; Krommerijn 63;
tel. privé: 030-2513688; E-mail privé: mirandakarseme@hotmail.com;
wnd.d.
(toev. als lid)

Kate, H. ten; 1988; 8105 AG Luttenberg; Lageveldswcg 2; tel.
privé: 0572-301740; E-mail privé: h.tenkatefa worldonline.nl;
p., ge-
ass. met J.C. de Jager, J.PM. Kamp, A.M. Pijs en R. Renting; tel. prakt.:
0548-655065; fax prakt.: 0548-654650;
E-mail. prakt.:
h.tenkate@dierenkliniekhellendoom.nl.

Keg, PR.: 1976; 7271 JH Borculo; Beukenlaan 22; tel. privé: 0545-
272224; wet. medew. bij UU. hfdafd. Gezondheidszorg Paard; tel. bur:
030-2531323; E-mail bur: p.rkeg@vet.uu.nl.
(toev. als lid)

Kleyn, Mevr C.J.M. de; 2000; 3551 SE Utrecht; Koolstraat 24; tel.
privé: 030-2432700; E-mail privé: chiandekleyn@hotmail.com; wnd.d.
(toev. als lid)

Knaap. Mevr C.C.; 2000; 5761 CS Bakel; Helmondsestraat 24; tel.
pnvé: 0492-340711; E-mail privé: christaknaap@hotmail.com; p.,
medew. bij H.L.R.M. Crouwers, B. van Dijk en M.H.C.M. Hoynck van
Papendrecht; tel. prakt.: 0174-640285.
(toev. als lid)

Laarhoven, PC.J. van; 2000; 5171 VL Kaatsheuvel; Erasstraat 91; tel.
privé: 0416-274536; E-mail privé: pcjvanlaarhoven@homiail.com; wnd.d.
(toev. als lid)

Lambers-Takens, Mevr. A.M.; 1978; 9721 HX Groningen; Hora
Siccemasingel 278; tel. privé: 050-5262331; medew. bij Keuringsdienst van
Waren; tel. bur: 050-5886000; E-mail bur: annemieke.lambers_takens@
kvw.nl.
(toev. als lid)

Loon, J.P.A.M. van; 2000; 4715 BA Rucphen; Van Vesemalestraat 5; E-
mail privé: thijsvloon@hotmail.com; p., medew. bij A.J.C. Bakx; B.J.A.M.
Bosehker, A.J.M. Meesters, G.A.D.J. de Mol, J.EJ. Segers, J.M. Verbocht en
M.A. van Zuijlen; tel. prakt.: 0165-583750; fax prakt.: 0165-583755; E-mail
prakt.: dac.roosendaal-wouw@wxs.nl.
(toev. als lid)

Nomden, Mevr. RL.; 2000; 9995 PZ Kantens; Middelsmmerweg 44; tel.
privé: 0595-557118; E-mail privé: pian_nomden@hotmail.com; p.. medew.
bij G.J. Bosma, FR. van der Kolk, J. het Lam en J.H. Roorda; tel. prakt.: 0594-
502005; fax prakt.: 0594-503963.
(toev. als lid)

OflFereins, Mevr N.; 2000; 1079 VM Amsterdam; Waverstraat 26 111; tel.
privé: 020-6465234; E-mail privé: n.ofïereins@wanadoo.nl; wnd.d.
(toev. als
lid)

♦Prüst. H.G.; 2001; 3583 RN Utrecht; Vossegatselaan 17 bis; tel. privé:
030-2516245;
E-mail privé: sirks(a wish.net; p., medew. bij J.B. Huizing, J.
Nijen Tw ilhaar en G.H.C. de Vries; tel. prakt.: 0412-611786; fax prakt.:
0412-613502.

Pulskens, R.C.W.M.; Gent-2000; 2411 KJ Bodegraven; Bourgondische-
laan 9; tel. privé: 0172-617607; p., medew. bij l.O.M. van Boxtel-Peters, J. de
Groot. L.J. Hofland en T. Sterk; tel. prakt.: 0172-613798.
(toev. als lid)

Riet, Mevr. S.M. van \'t; 2000; 5871 CE Broekhuizenvorst;
Blitterswijckseweg 20; tel. privé: 077-4632592/06-51101185; E-mail privé:
suzanne_vantriet@yahoo.com.
(toev. als lid)

*Silberbusch, Mevr. S.; 1993; 2665 AP Bleiswijk; Piet Heinstraat 7;
tel. privé: 010-5223416; E-mail privé: saskiasilberbuschCa hotmail.com;
p., medew. bij Dierenartsen Associatie Rotterdam; tel. prakt.: 010-

Dynamisch wachsende tierärztliche Praxis für Geflügel und
Schweine
in Nordwest-Deutschland sucht

2 einsatzfreudige
Spezialisten
(m/f)

zur tierärztliche Betreuung von Geflügelbeständen.
Ihr Profil:

• fundierte Erfahrungen insbesondere in der tierärztlichen
Betreuung in der integrierten Geflügelhaltung

• teamfähig

• gute deutsche Sprachkenntnisse in Wort und Schrift

• abgeschlossene Berufsausbildung zum Tierarzt

Geboten wird:

• eine längerfristige Zusammenarbeit

• leistungsgerechte Bezahlung

• geregelter Wochenenddienst und

• Fortbildungsmöglichkeit (Fachtierarzt für Geflügel)

Angestrebt wird nach gründlicher Einarbeitung eine umfassende
Beratung und Betreuung in den Beständen - nicht geballte
Massentätigkeit.

Einde diskrete Behandlung Ihrer aussagekräftigen
Bewerbungsunterlagen wird zugesagt.

Tierärztliche Praxis Am Bergweg, zu Händen Herrn Harms,
Bergweg 20, D-49393 Lohne, Deutschland. Tel. -1-49-4442-92200, fax
-1-49-4442-9220280.

4206666; fax prakt.: 010-2202281.

Swartz, I.B.M.; Gent-2000; 3083 CX Rotterdam; Zuidplein 426; tel.
privé: 010-4818845; E-mail privé: ischaswartz@hotmail.com; p.. medew. bij
RJ. van der Heijden; tel. prakt.: 010-4925151 ; fax prakt.: 010-4925145; E-mail
prakt.: kgr@vetweb.org.
(toev. als lid)

Timmerman, J.; 1986; 8375 AA Oldemarkt; Koningin Julianaweg 3; tel.
privé: 0561-452690; E-mail privé: timmerman-oldemarkt@wxs.nl;
p.,
Dap Oldemarkt-Kruine e.o.; tel. prakt.: 0561-451262;
fax prakt.: 0561-
452692;
E-mail prakt.: timmerman-oldemarkt@wxs.nl.

Thijs, W.J.H.; 1970; 3632 AA Loenen a/d Vecht; Rijksstraatweg 75; tel.
privé: 0294-237690; fax privé: 0294-237689;
E-mail privé: w.j.hthijs@frcc-
ler.nl; p.. Dierenartsenpraktijk Loenen a/d Vecht; tel. prakt.: 0294-
231315; fax prakt.: 0294-237689; E-mail prakt.: w.j.hthijsfa freeler.nl.

♦Vecht, U; 1976; U-1992; 3853 BR Ermelo; Valkenhof 18; tel. privé:
0341-559787; fax privé: 0341-559787; E-mail privé: u.vecht@planet.nl;
vet.desk en adj, vet. Inspecteur bij Keuringsdienst van Waren ; tel. bur; 0575-
588100;
fax bun: 0575-588200; e-mail bun: uri.vecht@kvw.nl.

Veenstra, Mevr R.; 2000; 3812 XR />imersfoort; Ranonkelstraat 40; tel.
privé: 033-4635383; E-mail privé: rinskeveenstra@hotmail.com; p., medew.
Bij RG.L.J. Boskamp en J.A.P Nicolaï; tel. prakt.: 046-4371885; fax prakt.:
046-4360346; E-mail prakt.: bkai@gironet.nl.
(toev. als lid)

Velden, Mevr D.EE. van der; 2000; 3582 CN Utrecht; Minhof 43; tel.
privé: 030-2546175; wnd.d.
(toev. als lid)

Vlerk, T. van der; 2000; 3155 EA Maasland; Foppenpolder 1 c; tel. privé:
010-5903873; E-mail privé: devlerk@hotmail.com; p., medew. bij H.J. van de
Kamp en H.W. Wagenaar; tel. prakt.: 010-5920696; fax prakt.: 010-5922499.
(toev. als lid)

*Vliet, J.PM. van; 1984; 3581 GT Utrecht; Steven Butendiekplateau
150; tel. privé: 030-2311295;
d. bij RV\\; Kring Noord V\\«st.

Wolking, Mevr. E.C.; 2000; 3583 AK Utrecht; A. van Ostadelaan 42; tel.
privé: 030-2515487; E-mail privé: ecwolking@hotmail.com; wnd.d. (toev.
als
lid)

-ocr page 471-

Dierenkliniek
Mheenpark Apeldoorn

Wegens het vertrek van één van onze dierenartsen
(naar de faculteit) zoeken wij een

enthousiaste collega (m/v)

voor onze moderne gezelschapsdierenkliniek (fulltime
80% - ioo%). Wij denken aan een carrièregerichte die-
renarts die met zijn of haar (specialistische) dierge-
neeskundige ervaring een positieve bijdrage kan leve-
ren aan de verdere ontwikkeling van de kliniek.
Ons team bestaat uit drie dierenartsen en zes assisten-
tes. We werken in een prettige omgeving met daarin
alle medische en diagnostische apparatuur om de dier-
geneeskunde op hoog niveau uit te oefenen.
Naast een vanzelfsprekende goede klant- en dierge-
richtheid zal de nieuwe collega ook ondernemingslust
en een goed commercieel inzicht met zich meebren-
gen.

Verhuizen naar het mooie groene Apeldoorn of directe
omgeving is gewenst.

Uw sollicitatiebrief en cv kunt u, liefst binnen 14 dagen,
richten aan: Dierenkliniek Mheenpark, Pinksterbloem
i8, 7322 CV Apeldoorn,ter attentie van j. de Vries.
Telefoon 055-3666362. Alle reacties zullen in vertrou-
wen worden behandeld.

Biomedical
Primate
Research
Centre

HET BIOMEDICAL PRIMATE

RESEARCH CENTfIE (BPRC)
IS EEN ZELFSTANDIG

ONDERZOEK
IN EUROPEES VERBAND
OP HET GEBIED VAN
DE VIROLOGIE.
PARASITOLOGIE
EN IMMUNOBIOLOGIE.
TEN BEHOEVE VAN DIT
ONDERZOEK HEEFr HET
INSTRUUT DE BESCHIKKING
OVER DIVERSE SOORTEN
APEN-MODELLEN VOOR
HUMANE ZIEKTES ALSMEDE
MODERNE FACILITEITEN

Ter versterking van de veterinaire staf zoekt
de directie op korte termijn een :

Dierenarts m/v

Hij/zij zal in teamverband verantwoordeliik zijn voor
de dagelijkse veterinaire zorg van de non-humane
primaten (waaronder chimpanzees, makaken en
NON-PROFIT RESEARCH nieuw/e wereld apen). Daarnaast zal hij/zij

INSTTRJUTMET betrokken zijn bij de uitvoering van diverse

90MEDEWERKERS, ^^^^ onderzoeks-protocollen Waarbij, naast toepas-

HET INSTITUm ^^^
VERRICHT PREKLINISCH

sing van reeds aanwezige kennis en vaardig-
heden, ontwikkeling en introductie van nieuwe
(onderzoeks) -technieken ten behoeve van het
biomedisch onderzoek tot de taken zal behoren.

Wij verwachten een goede samenwerking met de
huidige veterinaire staf. Voor zowel het gezond-
heidsbewakings- als voor het researchprogramma
geldt een beschikbaarheidsdienst voor de weekein-
den in roulatie met de overige leden van het team.

Kandidaten met een voltooide opleiding dierge-
neeskunde worden verzocht binnen 14 dagen na
het verschijnen van deze advertentie te reageren.

Uw sollicitatie kunt u richten aan:

Mw. A.S. Sahadew-Lall (Afdeling Personeelszaken),

BPRC, Postbus 3306, 2280 GH Rijswijk (ZH).

Voor inlichtingen omtrent deze functie kunt u
contact opnemen met:
Prof. Dr. P.J. Heidt

Hoofd Department of Animal Science
Tel. 015-2842723, e-mail: heidt@bprc.nl

Medici zoals dierenartsen, tandartsen.medisch specialisten en
andere vrije beroepers kunnen al 25 jaar lang rekenen op
deskundig advies van Raadgevers Medische Beroepen.
De Raadgevers begeleiden u onder andere bij overdracht van

de praktijk en bij associaties.

Ook de afhandeling van de bijbehorende contracten wordt u
uit handen genomen. Raadgevers Medische Beroepen is een
adviesbureau met uitgebreide expertise op het gebied van
financieel advies aan beoefenaars van (para)medische
beroepen. De breedte van die expertse is uniek en beslaat
advies ten aanzien van alle financiële aspecten die zich
van start tot pensionering in uw medische carrière

kunnen voordoen.

U weet zich bij de Raadgevers verzekerd van maatadvies op het
gebied van financiële planning, verzekeringen, financieringen,
hypotheken en pensioenen. Ook de keuzes en mogelijke
problemen rondom het einde van uw studie hebben de speciale

aandacht van de Raadgevers.

Raadgevers
Medische Beroepen

Dorpsstraat 118
3732 HL De Bilt
Postbus 36
3730 AA De Bilt

Tel 030 220 41 14
Fax 030 220 27 95
E-mail: raadgevers9atriserv.nl

De Raadgevers volgen u in de verschillende fasen van uw loop-
baan en bieden begeleiding en advies op de lange termijn.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met
adviseurs Philip Jaspers en/of Wouter van der Meer.

-ocr page 472-

B ^ Universiteit Utrecht

De Universiteit Utrecht is in drieënhalve eeuw
uitgegroeid tot de ineest complete universiteit van
Nederland: een rijkgeschakeerde, internationaal
georiënteade instelling van wetenschappelijk
ondenvijs en onderzoek. De 14 facidteiten,
21 onderzoekscholen en 58 opleidingen bieden
stiidenten en medewerkers boeimde mogelijk-
heden zich verder te ontplooien. De rijkdom
aan disciplines en de nadruk op kwaliteit
bepalen de aantrekkingskracht van Utrecht.
Wetenschappelijke traditie, moderne technie-
ken en op de toekomst gerichte programma\'s
dragen daaraan verder hij. Met ongeveer
22.000 studenten, ruim 6.800 personeels-
leden en een budget van ruim 1 miljard gul-
den vormt de universiteit de spil in Utrecht
kennisregio. Vanuit deze positie in Midden-
Nederland onderhoudt zij een gevarieerd
contactenpatroon met universiteiten en
gespecialiseerde onderzoekinstituten over
de gehele wereld.

De Universiteit op Internet:
www.uu.nl

Uw sollicitatie binnen 14 dagen, tenzij anders ver-
meld, richten aan de genoemde personeelsdienst.
Vergeet u niet het vacaturenummer te vermelden.
De universiteit streeft ernaar dat vrouwen op alle
niveaus even vanzelfsprekend vertegenwoordigd zijn
als mannen. Bij voltijdse functie is invulling in deeltijd
bespreekbaar. Er is een regeling voor flexibel zwanger-
schaps- en ouderschapsverlof; er is een subsidieregeling
ten behoeve van kinderopvang.

Acquisitie n.a.v. deze advertentie wordt niet
op prijs gesteld.

A) 2 Specialisten in opleiding

Inwendige Ziekten
van liet Paard (
v/m)

(vacaturenummer 701025)

B) 1 Specialist in opleiding

Chirurgie Paard (v/m)

(vacaturenummer 701027)

U gaat werken bij de discipline inwendige
ziekten (functie A), respectievelijk de discipline
heelkunde (functie B). Beide disciplines maken
onderdeel uit van de hoofdafdeling Gezond-
heidszorg Paard.

Uw opleiding bestaat uit een eerste deel van
anderhalfjaar, waarin brede scholing plaatsvindt
op het gebied van algemene paardengenees-
kunde en een tweede deel van tweeënhalf jaar.
Voor functie A geldt dat in die laatste periode
specialistische kennis en vaardigheden worden
verworven op het gebied van de inwendige
ziekten van het Paard en voor functie B betreft
dat het gebied van de heelkunde van het Paard.
Uw taken bestaan uit het in toenemende mate
zelfstandig bijdragen aan patiëntenzorg voor de
betreffende discipline waarbinnen u werkzaam
bent, onderwijs aan co-assistenten en in mindere
mate uit patiëntgericht onderzoek. Er wordt
verwacht dat u vier publicaties schrijft. Na een
inwerkperiode zult u worden opgenomen in het
team dat de avond-, nacht- en weekenddiensten
verzorgt. De opleiding zou moeten leiden tot
erkenning specialist inwendige ziekten paard
(functie A), respectievelijk specialist chirurgie
paard (functie B).

Wij vragen drie afgestudeerde dierenartsen, bij
voorkeur met enige ervaring met de betrokken
diersoort. Zij moeten in staat zijn hun werkzaam-
heden zelfstandig en efficiënt te organiseren.
Daarnaast dienen zij te beschikken over een
kritische houding ten aanzien van de eigen
persoonlijke kwaliteit, doorzettingsvermogen
en goede sociale vaardigheden.
Wij bieden voor beide functies een aanstelling
in tijdelijke dienst voor de periode van vier jaar.
Het salaris bedraagt in het eerste jaar ƒ 4496,-
en loopt op tot ƒ 5 193,- bruto per maand in het
vierde jaar. De omvang van de functies is 100%.
Hebt u belangstelling? Dan kunt u voor meer
inlichtingen contact opnemen met de volgende
personen: prof. dr H.J. Breukink, telefoon 030-
253 13 50 of dr. M. Sloet van Oldruitenborgh-
Oosterbaan, telefoon 030 - 253 11 12 (functie A);
prof. dr A. Bameveld, telefoon 030 - 253 13 50 of
mevrouw dr A.B.M. Rijkenhuizen, telefoon 030-
253 13 42 (functie B). Uw schriftelijke sollicitatie
kunt u onder vermelding van het vacature-
nummer richten aan de
afdeling Personeel & ^ . V .
Organisatie van de
faculteit der
Diergeneeskunde,
t.a.v. de heer
A.H. Bloemers,
Yalelaan 1, ^
3584 CL Utrecht. ^

Faculteit der Diergeneeskunde

De faculteit der Diergeneeskunde is de enige in Nederland, De faculteit neemt in Europa een top-
positie in op het gebied van onderwijs, onderzoek en patiëntenzorg en is geaccrediteerd door de
American & Canadian Veterinary Medical Associations,

De hoofdafdeling Gezondheidszorg Paard bundelt het merendeel van de specifieke expertise die
er binnen de faculteit bestaat op het gebied van de geneeskunde van het paard. In de tot de hoofd-
afdeling behorende Kliniek Paard wordt de geneeskunde van het paard in een aantal disciplines,
zoals inwendige ziekten, voortplanting, orthopedie, chirurgie en anesthesiologie beoefend. Dit
wordt gedaan zowel ten dienste van het onderwijs aan toekomstige dierenartsen als ten behoeve
van fundamenteel en toegepast onderzoek. De hoofdafdeling verzorgt een essentieel deel van met
name het onderwijs in de laatste fase van de studie. Daarnaast kunnen afgestudeerde dierenartsen
een opleiding volgen tot specialist in de disciplines inwendige ziekten, chirurgie of voortplanting.
Het wetenschappelijk onderzoek van de hoofdafdeling staat nationaal en internationaal zeer hoog
aangeschreven. Samenwerkingsverbanden binnen en buiten de eigen faculteit en universiteit en in
binnen- en buitenland spelen hierin een belangrijke rol. Naast onderwijs en onderzoek hebben de
ca, 150 medewerkers van de hoofdafdeling Gezondheidszorg Paard ook functies op het gebied van
de maatschappelijke dienstverlening, In deze dynamische werkomgeving is plaats voor:

s

io

i \\

______»«i.\'J\'^\'

op wwNM-

-ocr page 473-

De Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) is een uitvoerende dienst van het
ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. De RVV ziet erop toe dat bij de productie
en afzet van dieren en producten van dierh\'jke oorsprong is voldaan aan eisen die van belang
zijn voor de volksgezondheid, diergezondheid en het welzijn van dieren. Die eisen zijn
vastgelegd in Europese richtlijnen en Nederlandse wetgeving.

De keurmerken die de RVV afgeeft, zijn ook van belang voor de Nederlandse export.
Zestig procent van de producten uit de Nederlandse vlees- en vleesverwerkende industrie
wordt in het buitenland afgezet: wereldwijd tot in het Verre Oosten toe! Alle producten die
uit Nederland komen dienen daarom een perfecte kwaliteit te hebben. Hierbij is een cruciale
rol weggelegd voor

Dierenartsen

De RVV biedt dierenartsen tal van
mogelijkheden voor een afwisselende baan met
doorgroeimogelijkheden in alle delen van het
land. Het werk van de RVV is essentieel
voor het waarborgen van de voedselveiligheid.
Het neemt nog in belang toe omdat de
consument steeds hogere eisen stelt aan
dierlijk voedsel.

De RVV controleert dagelijks in slachthuizen,
uitsnijderijen en op visafslagen. Verder worden
controles aan de buitengrens van de Europese
Unie uitgevoerd. In Nederland zijn de
Rotterdamse haven, de Amsterdamse haven en
de luchthaven Schiphol de belangrijkste
grensinspectieposten.

Per jaar houdt de RVV toezicht op het slachten
en verwerken van zo\'n 20 miljoen runderen,
kalveren en varkens en zo\'n 500 miljoen stuks
pluimvee en wild. De dienst keurt jaarlijks ruim
5 miljoen dieren die levend geëxporteerd
worden, leder jaar wordt rond de 250 miljoen
kilo vis en visproducten geëxporteerd
waarvoor de RVV de exportcertificaten afgeeft.
Verder houdt de dienst regelmatig toezicht op
vlees- en visverwerkende bedrijven.
Als zich een besmettelijke dierziekte
voordoet neemt en coördineert de RVV als
verantwoordelijke instantie, tal van maatregelen
die de ziekte bestrijden en verdere
verspreiding moeten voorkomen.

Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees

Burgemeester Feithplein
12273 BZ Voorburg
tel.: 070-3578811

Werkzaamheden

■ Toezicht houden op de naleving van
voorschriften ten aanzien van hygiëne- en
inrichtingseisen voor bedrijven;

■ Toezicht houden op bedrijfskeuringen;

■ Toezicht houden op de naleving van
voorschriften op het gebied van dierenwelzijn;

• Keuren van levende en geslachte dieren;

■ Keuren van vers vlees en vleesproducten;

• Keuren van vis en visproducten;

■ Verlenen van erkenningen, certificaten,
registraties en vergunningen aan bedrijven,
veewagens en personen;

■ Bestrijden van dierziekten;

• Uitvoeren van bedrijfsaudits;

De RVV biedt een goed salaris en uitstekende
arbeidsvoorwaarden. Binnen de RVV is zowel
plaats voor doorgroei in de breedte als
specialisatie. Ook is de toewijzing van een
lease-auto mogelijk. Nadere inlichtingen kunt u
inwinnen bij mevr. J.G. Bode-Kasteelen,
tel: 070 3578816, of via
e-mail infoigrvv.agro.nl
Indien u dat wenst kunt u een bezoek brengen
aan een dierenarts op zijn standplaats bij u in de
buurt.

rvv

Een sollicitatiebrief kunt u sturen naar:
De directeur RVV,
Postbus 3000, 2270 JA Voorburg.

-ocr page 474-

• Wondbehandeling

• Nabehandeling van
operatieve wonden

Voor runderen, schapen,
paarden, honden en katten.

BEL VOOR MEER INFORMATIE (030) 247 44 58

Postbus 81S3.3503 RD Utrecbl
latenwt www.waa.nl

M.n. interessant voor dierenartsen

ARBEIDS-
ONGESCHIKTHEIDS-
VERZEKERING

met gegarandeerde premie restitutie

www.premieterug.nl
Tel. 035 - 5262894 • Crombeecke Assurantiën

de VVAA?

Voor volledige begeleiding bij
uw praktijkovername

Melkvee met parasieten is een probleem en dat kost de veehouder
geld. Melkvee tegen parasieten behandelen is óók een probleem,
door de vaak lange wachttijden voor melk. Tenminste, zo was
het... Want nu is er Ivomec® EPRINEX, een veilig en zeer effectief
middel tegen endo- èn ectoparasieten met O dagen wachttijd voor
de melk. U kunt de melkveehouderij haast geen betere dienst
bewijzen. EPRINEX is ook bijzonder geschikt voor parasieten-
bestrijding bij jongvee; twee strategische
behandelingen geven doorgaans voldoende
bescherming tijdens het gehele weideseizoen.
Vraag voor meer informatie naar de brochure.

-ocr page 475-

Teamwork

in de praktijk

IK*.,-,

InstruVet is uw partner op liet gebied van veterinair medisclie
tectiniek. Wij zijn een dochter van de dierenartscoöperatie AUV,
dit betekent voor u de zekerlieid van vertrouwde service, uitste-
l<ende kwaliteit en natuurlijk Inet financiële voordeel van het
coöperatief inkopen. U kunt bij ons terecht voor een zeer
omvangrijk totaalpakket aan producten, waaronder apparatuur,
instrumentarium, verbandmiddelen en heclntmateriaal. Uiteraard
kunt u naast deze producten ook terecht voor deskundig advies.

InstruVel C.V., Beversestraat 23, Postbus 170, 5430 AD Cuijk, Tel.: (0485) 33 55 11, Fax: (0485) 33 55 22, E-mail: info@instruvet.n

-ocr page 476-

YOU\'RE BORN.

YOU SUCK BLOOO. YOU LAY EGGS,

YOU DIE. THE EGGS HATCH.

YOU\'RE BORN. YOU SUCK RLOOD

YOU LAY EGGS. YOU DIE

THE EGGS HATCH

YOU\'RE BORN. YOU SUCK BLOOD!

YOU\'RE COVERED I

YOU LAY EGGS. YOU DIE

THE EGGS ARE DEAD. THE END

Het wordt steeds gevaarlijker om een vlo te zijn! Cyclio® sterili-

CycLio

vlooienbestrijder van de
nieuwe generatie

Cyclio spat-on kat REG NL 09752; Cyclio spot-on voor kleine honden REG NL 09755: Cyclio spot-on voor mitJdelgrote honden REG NL 09753; Cyclio 2% spot-on vooi
grote honden REG NL 09754.
Werkzame stof: Pyriproxyfen. Kanalisatie: U.D.A,. Voor meer informatie: Virbac Nederland BV, Postbus 313,3770 AH Barneveld,

-ocr page 477-

Om productieverliezen door luchtweginfecties te
beperken kiest u voor de zekerheid van effectiviteit,
snelheid en veiligheid.

Dus kiest u voor de zekerheid van Baytril. Het
antibioticum waarop u blindelings kunt vertrouwen.
Bijvoorbeeld om luchtweginfecties en enteritiden
bij kalveren snel te genezen.
Want Baytril is sterker dan de bacteriën en myco-
plasma\'s die infecties veroorzaken.

Baytril. Zeker bij luchtweginfecties

Luchtweginfecties bij

lolveren vragen
een l(raclitige aanpalc

Q Baytril 5% injeclicvloeistof. Farmaceutische vorm: injectievloeistof. Samenslellinf;: Per ml 50 mg enrofloxacin. Eigenschappen; Enrofloxacin behoort lot de chemische Idasse der fluorochinolonen.

tjaysr ^^ Het oefent zijn bactericide werking uit door interactie met de A subunit van het DNA-gyrase. Het DNA-gyrase is een topisomerase, dat de bacteriële replicatie controleert (katalyseert supercoiling van
de chromosomale DNA-strengen), Fluorochinolonen zijn ook werkzaam tegen bacteriën in dc stationaire fase door wijziging van de permeabiliteit van de buitenste fosfolipidenmembraan van de celwand.
Bij enrofloxacin liggen de inhiberende en bactericide concentraties dicht bij elkaar; ze zijn identiek of verschillen in één of maximaal twee dilutiestappen. Bij lage concentraties bezit enrofloxacin een anti-
microbiële activiteit tegen de meeste Gram-negatieve bacteriën, tegen vele Gram-positieve bacteriën cn tegen Mycoplasmata, Bijgevolg is enrofloxacin werkzaam tegen de micro-organismen die primair en .secundair betrokken
zijn bij ziekte waarvoor Baytril geïndiceerd is. Overeenkomstig het werkingsmechanisme vermindert de gevoeligheid van bovenstaande bacteriën slechts heel langzaam en vereist de multi-siep
mutatie. DoeUieren: Varken,
rund.
Indicaties: Anti.microbieel middel voor de behandeling van infectieziekten bij rund en varken, veroorzaakt door voor enrofloxacin gevoelige micro-organismen. Varken: E. coli (colidiarree, coliseptikaemie). Salmonella
spp., Pasteurella spp.. Mycoplasmata. enzöotische pneumonie.
Rund: E. coli (colidiarree. coliseptikaemie). Salmonella spp.. Pasteurella spp., Mycoplasmata, secundaire infecties bij virusziekten zoals rundergriep en
Crowdingcomplex, In het kader van een verantwoord gebraik van anti-microbiële middelen is het zinvol voorafgaand aan de therapie de gevoeligheid van hel causale agens te bepalen door middel van een antibiogram.
Toediening/Dosering: Toedieningswijze. Varlcen: i.m., bij voorkeur niet meer dan 2,5 ml per injectieplaats. Rund: s.c of i.V., bij voorkeur niet meer dan 10 ml per injectieplaais. Dosering: Rund: 2,5 mg enrofloxacin per kg l.g.
(= 1 ml/20 kg l.g.) per dag gedurende 35 dagen; 5 mg enrofloxacin per kg l.g. (= I ml/10 kg l.g.) per dag gedurende 35 dagen bij gecompliceerde infecties of salmonellose.
Varken: 2,55 mg enrofloxacin per kg l.g.(= 1 ml/1020
kg l.g.) per dag gedurende 35 dagen; 5 mg enrofloxacin per kg l.g. per dag gedurende 3 dagen.
Wachttijdadvies: Varken: vlees: IO dagen. Rund: vlees: 7 dagen; melk: 3 dagen bij i v.toediemng en 9 dagen bij s.e.-toediening.
Conlraindicaties: Vastgestelde resistentie tegen chinolonen, aangezien er tussen cnrodoxacin en andere fluorochinolonen een grote mate van kruisresistentie bestaat. Bijwerkingen: Niet bekend. IVaarschumngen: In verband
met sensibilisalie en contactdermatitis dient bij de locpassing direct huidcontact vermeden te worden. Draag daartoe handschoenen,
Bewaarcondities/Houdbaarheid: 3 jaar, mits in het donker en bij kamertemperatuur
(15-25\'C) bewaard. Aangeprikte flacon: direct gebruiken, niel bewaren.
Verpakking: Flacon ä 100 ml. Regislralienummer/Kanalisatieslalus: NL 2054 UDD, NL 8211 UDA (met toegelaten voor i.v.-toediening).

-ocr page 478-

EUKANUBA VETERINARY DIETS

Even betrokken bij bet welzijn van dieren als u.

lassi.\'\'«

Ontstekingen worden niet alleen veroorzaakt door het overgevoelig zijn voor bepaalde voedingsstoffen,
__niaar ook door vlooienbeten, atopie en andere niet aan voedsel gerelateerde overgevoeligheden. Om de behandeling
ï^van huidaandoeningen en/of jeuk als gevolg van één van de eerder genoemde oorzaken te ondersteunen, kunt u Eukanuba
Dermatosis FP Response Formula gebruiken, Eukanuba Dermatosis FP Response Formula bevat eiwitten afkomstig van meeri
en haring. En koolhydraten afkomstig van aardappelzetmeel om de kans op voedseilntolerantie bij honden te vermindere
Tegelijkertijd vermindert een optimale 0mega-6:0mega-3 vetzuurverhouding de kans op ontstekingen.
Hierdoor wordt de huid- en vachtconditie zichtbaar verbeterd. In feite zorgt Eukanuba Veterinary
Diets Dermatosis FP Response Formula voor het hele dier. Net als u.

\\ ■ .

A ^ r.\'

\' v

Voor technische informatie over Eukanuba Veterinary Diets kunt u contact opnemen met de importeur Holland Diervoeders BV (030-2479664).
Als u een bestelling wilt plaatsen, kunt u b^len nwt Aesculaap BV (0411-677500) of Dierenartsencoöperatie AUV (0485-335533).

-ocr page 479-

Een nieuwe generatie
ACE-remmer

Als eerste introduceerde Mycofarm in 1994 een
ACE-remmer in Nederland. Toen betekende dit een
doorbraak bij de beiiandeling van liartfalen bij honden.

Mycofarm heeft nu gekozen voor een nieuwe generatie
ACE-remmer: Vasotop met als actieve stof ramipril.

Ramipril is een sterk lipofiel molecuul. Hierdoor dringt het beter
door in de weefsels en heeft het naast een cardiovasculaire
werking tevens een sterke werking op orgaan-niveau.

Vasotop®

j

rmm

li! m

iT Mycofarm

OOG VOOR OE PRAKTIJK

Vasotop® tabletten. Diergeneesmiddel UDA. Voor de behandeling van hartinsufficiéntie bij honden. Tabletten voor orale toediening è 1.25 mg, 2.5 mg en 5 mg ramipril.
Dosering: 0.125 mg/kg lichaamsgewicht per dag. Zie voor de volledige informatie de bijsluiter. REG NL 9726, 9727, 9716 UDA. Mycofarm Nederland B.V, Postbus 8, 3730 AA De

-ocr page 480-

WORMEN

doe er wat aan

vóórdat z<
er ziek van

rden

Wormen zijn een ernstige bedreiging voor de gezondheid van zowel
mens als dier. En (her)besmetting is niet te voorkomen. Bovendien zijn
wormen moeilijk te zien
, terwijl ze wel degelijk bij het huisdier aanwezig
kunnen zijn. Daarom is
regelmatig ontwormen (4x per jaar) noodzakelijk!
Drontal werkt snel en effectief tegen alle voorkomende soorten bij
zowel hond als kot.

Drontal

rekent in één keer af met wormen

DRONTAL® DOG REG NL 8983, DRONTAL® CAT REG NL 5691.

Registratiehouder; Bayer B.V, Division Animal Health, Energieweg 1, 3641 RT Mijdrecht. Tel. 0297-280666.
ht1p://www.bayer.nl.

®

Bayer

-ocr page 481-

Universiteit Utreclv-

issn 0040-7453

lm 200^

I Zb

aflevering
11

TIJDSCH Rl^
Diergeneeskun

Wetenschap

Equine Motor Neuron Disease

Actua

Waar zoek je je toekomst als veterinair?

Dierenkliniek Biltstraat beste opleidingsbedrijf

Werkgroep Getroffen MKZ-Dierenartsen
\'Groot Oene\' opgericht

KNMvD

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor
Diergeneeskunde

KNMvD

Besturendag 2001: waardering lidmaatschap
Leden: \'KNMvD saai, traag en oubollig\'

Samen staan we sterk?

Genant late bezorging brief Voorjaarsdagen

De MKZ-brandweer weer naar de kazerne en dan?

-ocr page 482-

Oezonde huid,
tevreden baasje

BAYTRIL: ANTI-INFECTIEUS MIDDEL VOOR HONDEN EN KAHEN.

Eigenaars van honden en katten zijn erg gevoelig
voor de huidproblemen van hun dieren. Bij
huidinfecties neemt u daarom het zekere voor het
onzekere.

Baytril: Zeer snelle en goede weefselpenetratie.
Hoge concentraties in geïnfecteerde weefsels.
Snelle en efficiënte bactericide werking. Goede
tolerantie ook bij langdurige toediening. Baytril
werkt zichtbaar doeltreffend in een dosering van
5 mg/kg per dag*. Zodat dieren snel genezen, de
baasjes tevreden zijn en u de eer krijgt.

*Bij huidinfecties in het algemeen wordt geadviseerd de
therapie enkele dagen na klinische verbetering van de
symptomen voort te zetten.

Baytril:

e Effective Anti-Infective.

Baytril: Breedspectrum aniibioiicum mei enrofloxacin als actieve substantie. Mag zowel voor honden als katten worden gebruikt. Indicaties: Therapie van Infectieuze aandoeningen veroorzaakt door gramnegatieve en grampositieve bacteriën en mycoplas-
ma\'s in hel bijzonder infecties van de urinewegen, geslachtsorganen, ademhalingswegen, spijsverteringsstelsel, huid, otitis media en wonden. Toediening/Dosering: Oraal. Hond, kat: 5 mg enroHoxacIn per kg l.g. per dag gedurende minimaal 5 dagen: bij
chronische verlopende ziekten en gecompliceerde infekties kan de behandelingsduur tot 10 dagen worden verlengd. Contra-Indicaties: Behandeling van opgroeiende honden tot de leeftijd van één jaar is gecontraïndiceerd. Bij honden van grote rassen
geldt dit lot de leeftijd van 1,5 laar. Ongewenste effecten; Bij opgroeiende honden jonger dan één jaar kan beschadiging van het gewrichtskraakbeen optreden.
15 mg REG NL 7865 • 50 mg REG NL 7866 - 150 mg REG NL 7867

Bayer B.V. • Division Animal Health • Energieweg 1 - 3641 RT MIJDRECHT

-ocr page 483-

Tijdschrift
Diergeneeskunde

JOURNAL OF THE ROYAL NET HER LANDS VETERINARY ASSOCIATION

Inhoud

Deel 126
Aflevering 11

1 Juni 2001

Uit de Hoofdredactie
Overzichtsartikelen

Equine Motor Neuron Disease; een overzicht aan de hand van een casus; N.A. Benders,
I.D. Wijnbergen J.H. van der Kolk

Brieven aan de redactie

Dierenarts als deskundige in strafzaken; Y. Kwast

Referaten
Boekbespreking

Veterinair Verleden

Henri Marie Bouley (1814-1886); A. Mathijsen en E. P. Oldenkamp
Berichten en verslagen

\'Als je iets wilt: gewoon doen!\'Waar zoek je je toekomst als veterinair?;J. Hülsen

Interactie voeding en diergeneesmiddelengebruik. \'Take it easy, maar vergeet het niet\';_/. Hülsen

Peerdepieten op 8 juli

Dierenkliniek Biltstraat uit Utrecht beste opleidingsbedrijf in Dierverzorging

Proeven op chimpansees stoppen. Biomedisch onderzoek op kleinere apen blijft helaas noodzakelijk

Werkgroep GetrofTcn MKZ-Dicrenartscn \'üroot Ocnc\' opgericht

Wie is de gebeten hond? Wettelijke aansprakelijkheid bij schade door dieren; I. Boissevain

Congressen en Cursussen

Studiemiddag over verenpikken op 5 juni 2001
Congres Gedrag in Beeld

Ingezonden

Tucht cn ontucht, waar liggen de grenzen?; M. Leneman

375

376

381

382

383

384

386
390

392

393

393

394

395

396
396

397

Lactolyté

Lactolyté orale rehydratietherapie met Lactoserum

• Snel herstel van de waterhuishouding én bestrijding van lactolyté

metabole accidose • Betere energievoorziening waardoor
minder gewichtsverlies • Goede acceptatie en probleemloze """"j ^
overgang naar de melk
 (Be)proef het verschil!

. ylKbac

Virbac Nederland bv Postbus 313, 3770 AH Bameveld

Telefoon (0342) 427 127 Fax (0342) 490 164

Eerste hulp bij
kalverdiarree!

lactolyté

40 x 90g

yirbac

-ocr page 484-

Hoofdredactie

Dr. W. Edel (voorzitter)

Dr. E.A. ter Laait (penningmeester)

Drs. H.A. Beijer

Dr. M.Ede Jong

Dr.Tj. Jorna

Dr. R. Kuiper

Dr. P.A.M. Overgaauw

Drs. J.T. Siebinga

Dr. R.J. Slappendel

\'Dr. J.H. Vos

Wetenschappelijke redactie

jProf. dr. A. Barneveld (Utrecht)

Dr. A.E.J.M. van den Bogaard Jr. (Maastricht)

Dr. EH.M. Borgsteede (Lelystad)

Prof. dr. H.J. Breukink (Utrecht)

Prof dr. R De Backer (Gent, België)

Dr. J. Goudswaard (Middelburg)

Prof dr. L.J. Heilebrekers (Utrecht)

Dr. Th.S.G.A.M. van den Ingh (Utrecht)

Prof dr. A.Th. van \'t Klooster (Utrecht)

IW dr, F. van Knapen (Utrecht)

Prof dr. A. de Kruif (Gent, België)

Dr. J.T. Lumeij (Utrecht)

Prof dr. A.S.J.PA.M. van .Miert (Utrecht)

Prof dr. J.RTM. Noordhuizen (Utrecht)

Prof dr. J.Th. van Oirschot (Lelystad)

Prof <lr. J. de Schepper (Gent, België)

Dr. J.M.A. Snijders (Utrecht)

Dr.E. Teske (Utrecht)

Mw. dr. A.J. Venker-van Haagen (Utrecht)

Prof dr. J.H.M. Verheijden (Utrechl)

Dr. G. Voorhout (Utrecht)

Dr. Th. Wensing (Utrecht)

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor
Diergeneeskunde

julianalaan 8- io
Utrecht
Postbus 14031
3508 SB Utrecht
Telefoon (030)2510111
Fax (o3o)2511j8j

Hoofdbestuur

Drs. T. de Ruijter, voorzitter

Drs. S.R. Heslinga, vice-voorzitter

Drs. J. Borgmeier, lid

Mw. drs. E.N.M. Harwig-Dings, lid

Drs. G. Huijser van Reenen, penningmeester

Drs. J. Togtema, lid

Mw. drs. W.J. Wijne- Raemakers, lid

Secretariaat

Dr Tj. Joma, algemeen secretaris

Manager Interne zaken

Mw. E. Cuhfus

Stafmedewerkers

Mw. drs. S.A.M. Deleu

Mw. drs. M.C. van Oostrum-Schuurman Hess

Drs. J.L.M. Vaarten

Administrateur

H.S. de Vries

Vacaturebank

R.R van Ringelestijn

Bureauredactie

Mw. A.M. Tummers
Mw. S.H. Umans-Ubbink

Bureau

Julianalaan 8-10, Postbus 14031,3508 SB Utrechl
Tel.030-25 10 111/fax 030-25 19847.
E-maii: tijdschrifl@knmvd.nl.

Abonnementsprijs

Het Tijdschrifi voor Diergeneeskunde is het ver-
enigingstijdschrift van de Koninklijke Neder-
landse Maatschappij voor Diergeneeskunde.
De abonnementsprijs voor dierenartsen niet-leden
van dc Koninklijke Nederlandse Maatschappij
voor Diergeneeskunde en voor niet-dierenarisen
wordt vastcesleld door het Hoofdbe,stuur.

Maatschappijnieuws

Besturendag 2001: waardering lidmaatschap. Leden: \'KNMvD saai, traag en oubollig\'; S. Deleu 398
Waardering lidmaatschap KNMvD. Voorpublicatie samenvatting en conclusie; S.
Schaap

en J.C. Voorsluijs 400

Samen staan we sterk?; £. N. M. Harwig-Dings 403

Cicnant late bezorging brief Voorjaarsdagen 404

Bijeenkomsten Groep GKZ. De MK.Z-brandwccr weer naar de kazerne cn dan? 405

Tweede Manifestatie voor Dierenartsen 405

Toetsing Erkende Dierenarts 405

Ingezonden

\'Morgen beginnen met enten, dat is onze plicht"; D. Scholma-van der Perk 406

Personalia 407

Doorlopende agenda 408

Postgiro/bank

Postbank 511606 ten name van de KNMvD,
Julianalaan 8-10. Utrecht. ABN/AMRO N.V,
Postbus 30, 3500 AA Utrecht, nr. 55 50 48 861«
C en E bank N.V, Postbus 85100, 3508 AC
Utrecht, nr. 69 93 61443.

Review papers

Equine Motor Neuron Disease: a review based on a case report; N.A. Benders,
I. D. Wijnberg, and J.H. van der Kolk

All rights reserved

376

Druk

Drukkerij G. van Dijk B.V. Breukelen (tel. OW
261304, fax 0346-264565).

Advertenties

Commerciële advertenties; Bureau Weijer B.V,
Veendam (tel. 0598-623065, fax 0598-613827).
Personeelsadvertenties: bureauredactie.

Verklaring:

Richtlijnen voor auteurs (Vancouver Style) zijn op aanvraag verkrijgbaar (zie ook Tijdschr Diergeneeskd 1992; 117:31-
4). De Redactie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade welke - direct of indirect - het gevolg mocht zijn van ge-
bleken onjuistheden in de inhoud van de in dit tijdschrift opgenomen artikelen waarbij de auteur is vermeld of in de in-
houd van de in dit tijdschrift geplaatste advertenties. Advertenties kunnen zonder opgaaf van redenen door de Redactie
worden geweigerd of ingetrokken. Niets uit dit tijdschrifi mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door
middel van druk, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder schriftelijke toestemming van de Redactie.

(Papers appearing in this journal are listed in Current Contents / Agricultural Biology and Environmental Science /
Index-Medicus. Index Veterinarius /Veterinary Bulletin. Biological Abstracts. Cambridge Scientific Abstracts).

-ocr page 485-

d4

Hoofdredactie

In de voor u liggende aflevering van het Tijdschrift kunt u onder andere kennis nemen van de resul-
taten van een onderzoek naar de waardering van het lidmaatschap en de discussies naar aanlei-
ding daarvan door vertegenwoordigers van de leden (Besturendag 2001j. De Maatschappij voor
Diergeneeskunde wordt kernachtig omschreven als saai, traag en oubollig. Het begrip maatschap-
pij betekent naast samenleving/wereld tevens vereniging tot bevordering van bepaalde belangen.
Met betrekking tot de eerste betekenis leven we in een maatschappij die gekenmerkt wordt door dy-
namiek, snel elkaar opvolgende ontwikkelingen, sterke individualisering, onthechting en globali-
sering. We willen ons leven (injrichten zoals we dat zelf willen, stellen zelf onze doelen en trachten
die op onze eigen manier te verwezenlijken. Een gerenommeerd organisatie-adviseur verkondigde
recentelijk de stelling dat cao \'s in de nabije toekomst zullen verdwijnen. Ook bij onze overkoepe-
lende belangenbehartiger, de overheid, is deze maatschappelijke ontwikkeling doorgedrongen en
geïmplementeerd (terugtredende overheid, privatiseringj. De leden van deze maatschappij, wij
dus, worden steeds mondiger, stellen hogere eisen (kwaliteit tegen een scherpe prijsj en verlangen
inzichtelijkheid en traceerbaarheid (transparantiej. Van deze tijdsgeest zult u dan ook in deze afle-
vering weer de reflectie terugvinden (zoals aansprakelijkheidsstelling, toetsingj.
Vereniging/samenwerking om tot een bepaald doel te komen lijkt dan ook enigszins obsoleet en
wordt weerspiegeld door een sterke achteruitgang van het eens met name in dorpen zo bloeiende
verenigingsleven. Zelfs een gemeen.ichappelijk doel zoals het beteugelen van een crisis leidt in
onze tijd tot onderlinge tegenstellingen, traineringsacties en frustaties. Een gemeenschappelijk be-
lang lijkt te ontbreken, of zijn we onder invloed van de tijdsgeest steeds meer geneigd om de ver-
schdlen te benadrukken in plaats van te wijzen op de overeenkomsten?

Kortom, we bevinden ons hoog in de piramide van Maslow met een haast onbegrensd vertrouwen
in ons kennen, kunnen en onze mogelijkheden. Vele beschavingen zijn ons hierin reeds voorgegaan,
waarvan wij nu de restanten bestuderen en reconstrueren. Het artikel over equine motor neuron di-
sease beslidt met de opmerking dat elf jaar kennis van deze aandoening meer vragen dan antwoor-
den heeft opgeleverd. In het verleden hebben tijdgebonden wetenschappelijke opvattingen, zoals
die van Henri Marie Bouley over chronische droes, duidelijke schade veroorzaakt. Door als
samenleving geldelijk gewin te stellen hoven in de loop der tijd verworven kennis en kunde (zie de
ingezonden brief van collega Scholma-van der Perkj hebben we ons in de MKZ-crisis gedwongen
(?) gezien terug te grijpen op de \'middeleeuwse \'methodiek tot het uitbannen van het virus door het
massaal doden van dieren. Hierbij hebben we ook ervaren dat door omstandigheden (of toch ons
onvermogen om gezamenlijk afdoende maatregelen te trejfen die op individueel niveau worden na-
geleefd?) een harde terugval in de piramide mogelijk is waarbij het bestaan van zekerheden (inko-
men, veestapel) niet meer zo verzekerd blijken.

In het nog niet zo verre verleden is samenbundeling van krachten (zoals bijvoorbeeld coöperaties)
effectief gebleken in het maatschappelijk krachtenspel. Moderne ontwikkelingen leiden tot groter
wordende markten met daamee gepaard gaande steeds grimmiger wordende concurrentie. Het is
dan ook verbazingwekkend dat terwijl de grote spelers in het veld (actoren in modern jargon) zoals
banken, retaders, etcetera, steeds meer gaan samenwerken, juist bij de kleinere spelers (agrarisch
bedrijfsleven, mogelijk ook de Maatschappij?) samenwerkingsverbanden losser worden. Dit laat-
ste is ook schadelijk voor individuele belangen, immers potenties van mensen (kennis, kunde, crea-
tiviteit) krijgen juist een meerwaarde door onderlinge interactie. Samenwerking is juist in deze tijd
een must of een conditio sine qua non (om maar eens soortgelijke uitdrukking uit een vroegere
maatschappij te gebruiken). Voor mij hadden dan ook achter de slotzin van de bijdrage van collega
Harwig-Dings veel meer en grotere uitroeptekens mogen staan.

Jan Vos

Tijdschrift
Diergeneeskunde

-ocr page 486-

Equine Motor Neuron Disease; een overzicht aan de hand van een casus

Tijdschr Diergeneeskd 20or, 124:376-80

N.A. Benders\'\'\'^, I.D. Wijnberg\' en J.H. van der Kolk\'\'

Overzichtsartikelen

Samenvatting

Een tien jaar oude, niet-drachtige, KWPN-merrie werd
doorverwezen naar de kliniek van de Hoofdafdeling
Gezondheidszorg Paard, discipline Inwendige Ziekten,
met als klacht sinds enkele maanden vermageren ondanks
goede eetlust en sloomheid. Bij het klinisch onderzoek viel
op dat het paard matig bespierd was, spiertrillingen ver-
toonde, met vier benen onderstandig stond, een lage
hoofd-hals-houding had en zweette. Aanvullend onder-
zoek leverde het volgende op: een lage plasma-vitamine E-
concentratie, aanwijzigingen voor denervatie bij het
elektromyografisch onderzoek (EMG) en een vermin-
derde opname van glucose vanuit de dunne darm. Aan de
hand van deze bevindingen werd de waarschijnlijkheids-
diagnose Equine Motor Neuron Disease (EMND) gesteld,
hetgeen bij
post mortem onderzoek bevestigd werd. Op ba-
sis van de pathologische bevindingen wordt EMND verge-
leken met de bij de mens voorkomende aandoening
Amyotrofische Lateraal Sclerose (ALS). Echter, bij
EMND zijn de lower motorneuronen en soms enkele kop-
zenuwkernen in het ziekteproces betrokken, in tegenstel-
ling tot ALS waar zowel de lower- als de upper motorneu-
ronen in het proces betrokken zijn. Het staat ter discussie
of deze vergelijking gerechtvaardigd is.
Gezien de lage plasma-vitamine E-concentratie bij paar-
den met EMND zou een absolute dan wel een relatieve anti-
oxidantdeficiëntie een rol kunnen spelen in de Pathogenese.
Een gerichte therapie, anders dan vitamine E-suppletie is
er niet en de prognose voor terugkeer in de sport is slecht.

Summary

Equine Motor Neuron Disease: a review based on a case
report

A 10-year-old, non-pregnant Dutch Warmhlood mare was referred to the
Department of Equine Science because of chronic weight lo.is. despite good
appetite, and dullness. Clinical examination revealed muscle atrophy, trem-
bling of the limb muscles, an abnormal stance in which all four limbs were pla-
ced under the body, and an abnormal low head carriage. The plasma vitamin E
concentration was markedly decreased (0.2 pmol/l), the electwmyographic
(EMC) examination was consistent with denervation, and the oral glucose ab-
sorption test was below the reference value (40% increase over the resting glu-
cose level). Because ofthe clinical diagnosis of equine motor neuwn disease
(EMND). the horse was euthanazed and post-mortem examination confirmed
this diagnosis. Bused on the similarity in pathological findings, EMND can be
compared to amyotrophic lateral sclemsis (ALS) in humans. However, in hor-
ses. only the lower motor neurons und occasionally some nuclei of the cranial

\' Hoofdafdeling Gezondheidszorg Paard, discipline Inwendige Ziekten. Faculteit der

Diergeneeskunde. Universiteit Utrecht. Utrecht.
^ Correspondentie: N.A. Benders, Hoofdafdeling Gezondheidszorg Paard, discipline
Inwendige Ziekten. Faculteit der Diergeneeskunde. Universileit Utrecht Postbus
80.152. 3508 TD Utrecht

nerves are affected. Because ofthe low plasma vitamin E concentration finind
in horses with EMND. an absolute or a relative antioxidant deficiency can be
involved in the pathogenesis. In general, il is a progre.ssive disease process and
stabilization of the situation is the best feasible result. There is no specific the-
rapy other than vitamin E .supplementation and the prognosis is poor

Inleiding

Equine Motor Neuron Disease, een sporadisch voorkomende,
progressieve aandoening van het centraal zenuwstelsel, wordt
gekenmerkt door degeneratie van de lower motomeuronen ge-
volgd door het afsterven van deze neuronen in het ruggenmerg
en bepaalde nuclei in de hersenstam. Het afsterven van de lo-
wer motorneuronen resulteert in secundaire axonale degenera-
tie, hetgeen een denervatieatrofie van de skeletspieren tot ge-
volg heeft. In 1988 hebben Van den Hoven
et al. {\\ 5) als eersten
op basis van histologische veranderingen in spieren de dia-
gnose \'lower motor neuron disease\' gesteld. Cummings
et al.
(3) heeft in 1990 de aandoening EMND uitvoerig beschreven
en het wordt sindsdien wereldwijd herkend (11,12,14,17,18,
21,27,33). Equine Motor Neuron Disease wordt door sommige
onderzoekers, op basis van de pathologische bevindingen, ver-
geleken met de bij de mens voorkomende aandoening ALS
(3,34). Echter, bij EMND zijn alleen de lower motorneuronen
in het ziekteproces betrokken, dit in tegenstelling tot ALS (zie
later). De etiologie is nog niet volledig opgehelderd, maar er
zijn aanwijzingen dat een antioxidantdeficiëntie ten grondslag
ligt aan het ontstaan van EMND (3,5,7,34).
In het hierna volgende wordt een casus, betreffende een tien
jaar oude KWPN-merrie besproken, waarin op basis van het
klinisch beeld, aanvullende onderzoeken en pathologisch
onderzoek de diagnose EMND is gesteld.

Ziektegeschiedenis

Het betrof een tien jaar oude, niet-drachtige KWPN-merrie
van 537 kg, die bij de praktiserende dierenarts werd aange-
boden met de klacht sinds enkele maanden vermageren en
sloomheid. Op verdenking van cyathostominose was het
paard ontwormd met moxidectine (Equest®) en behandeld
met anabole Steroiden. Twee weken voor opname vertoonde
de merrie spiertrillingen na arbeid en viel op dat ze regelma-
tig het hoofd laag bij de grond hield. Ondanks de ingezette
therapie verslechterde de toestand van het paard, waarna be-
sloten werd, het paard voor nader onderzoek te verwijzen
naar de kliniek van de Hoofdafdeling Gezondheidszorg
Paard, discipline Inwendige Ziekten.

Klinisch onderzoek

Bij binnenkomst viel op dat het paard in een matige conditie
was en een geringe bespiering van de hals, de rug en de achter-
hand had. De merrie vertoonde spiertrillingen in het hals- en
schoudergebied, stond met vier benen onderstandig, had een
lage hoofd-hals-houding en zweette. De ademhaling was
costo-abdominaal, regelmatig en 18 per minuut. De pols was

-ocr page 487-

regelmatig, kraclitig en equaal en de polsfrequentie bedroeg 48
slagen per minuut. De lichaamstemperatuur was 38,7°C. De
perifere extremiteiten waren voldoende warm. De slijmvliezen
waren roze, vochtig en vertoonden geen bloedingen of laesies,
terwijl de sclerae lichtgeel waren. Onderzoek van het respira-
tie-, circulatie- en digestieapparaat, inclusiefhet rectaal onder-
zoek, leverde geen afwijkingen op. De eetlust, gedurende de
opname, was goed.

Laboratoriumonderzoek

Het routinebloedonderzoek leverde enkele afwijkingen op
(zie tabel 1). De hematocriet was iets te laag (32%). Zowel de
lactaatdehydrogenase- (LDH) als de aspartaat-aminotransfe-
rase (ASAT)-activiteit was verhoogd, terwijl de creatinine-ki-
nase (CK) activiteit normaal was. Dc vitamine E-concentratic
was extreem laag en dc seleniumconcentratie was hoog.

Aanvullend onderzoek

Elektromyografisch onderzoek

Naald-EMG-onderzoek werd uitgevoerd aan de linker zijde
van het paard, in de M. quadriceps femoris, M. gluteus, M.
deltoideus, M. longissimus dorsi, M. trapezius pars cervica-
lis en de M. cleidomastoideus. Een standaard concentrische
naaldelektrode werd op verschillende locaties en dieptes in
de te meten spieren geplaatst om de elektrische activiteit van
de spieren te meten. Door het zeer kleine meetoppervlak van
de naald (0,068 mm^), is zeer gedetailleerde informatie te
verkrijgen over de functionele toestand van een motorunit.
De elektrische activiteit wordt omgezet in een visueel- en
een audiosignaal, welke beiden geanalyseerd worden.
De reactie op het plaatsen van de naald, de rustactiviteit en
het aanspanningspatroon worden beoordeeld bij het onder-
zoek. Neurogene laesies kunnen een verlengde insertie-acti-
viteit, spontane activiteit in volledige rust of getriggerd door
aanspannen, dan wel een afwijkende motorunit-potentiaal
(MUP) induceren.

Bij de merrie werd spontane activiteit in de vorm van fibril-
laties in de M. quadriceps femoris, positieve golven in de M.
gluteus, fibrillaties in de M. longissimus dorsi, positieve gol-
ven in de M. deltoideus en fibrillaties in de halsmusculatuur
vastgesteld. De MUP\'s waren veelal polyfasisch van aard.
Deze bevindingen zijn vergelijkbaar met de afwijkingen
welke door andere auteurs beschreven zijn bij EMND-pa-
tiënten (4,7,26) en lijken te worden veroorzaakt door dener-
vatie (spontane activiteit) in combinatie met re-innervatie
(polyfasie van de MUP\'s).

Orale glucose-opname-test (GOT)

Na een periode van 12 uur vasten werd 1 gram per kilogram
lichaamsgewicht dextrose via een maagsonde verstrekt. De
uitgangswaarde van de plasma-glucoseconcentratie was 5,3
mmol/L, welke binnen de referentiewaarde viel. De piekab-
sorptie, anderhalf uur na toediening, was 7,4 mmol/L.; ofte-
wel een toename van 40%. Als referentie is de toename van
de glucoseconcentratie tijdens een orale glucose-opname-
test gemeten bij tien gezonde paarden (allen KWPN). Het
gemiddelde stijgingspercentage was 83 ± 40 (SD) % (1).

Op basis van het klinisch, laboratorium- en het EMG-onder-
zoek werd de waarschijnlijkheidsdiagnose EMND gesteld,
waarna besloten werd, in overleg met de eigenaar, de merrie te
euthanaseren en aan te bieden voor
post mortem onderzoek.

Post mortem onderzoek

Macroscopisch werden geen afwijkingen gevonden.
Bij het microscopisch onderzoek van het ruggenmerg zaten in
de ventrale hoom veel bleke neuronen met zwelling, chromato-
lyse en necrose. Dit histologisch beeld is passend bij EMND.

Foto 2. Het laag houden van het hoofd en spieratrofie die vooral duidelijk wordt in
het gebied van de schouder.

-ocr page 488-

Patiënten evaluatie

In de periode september 1996 tot en met april 2000 zijn op de
kliniek 12 paarden geëuthanaseerd op verdenking van
EMND; in alle gevallen is deze diagnose via
post mortem
onderzoek bevestigd. De gemiddelde leeftijd van deze
paarden was 11,6 ± 4,3 jaar. Van de aangeboden paarden, wa-
ren er tien Nederlandse warmbloeden, één Fries en één
Engels Volbloed. De aandoening werd meer gezien bij mer-
ries dan bij ruinen en hengsten (acht merries versus drie rui-
nen en één hengst).

Discussie

Uit onderzoek naar het voorkomen onder de verschillende
rassen blijkt dat de Quarter Horse een grotere kans heeft op
het ontwikkelen van EMND dan andere paarden. Dit zou ge-
wijd kunnen worden aan een mogelijke genetische predispo-
sitie danwel het resultaat zijn van een ander type manage-
ment. Tevens vinden dezelfde onderzoekers dat het risico op
EMND toeneemt met een stijgende leeftijd (waarbij de piek
rond 16 jaar ligt), waarna het risico afneemt (24,25,30,32).
De leeftijd van de paarden aangeboden op de kliniek van de
Hoofdafdeling Paard ligt aanzienlijk lager (11,6 ± 4,3 jaar).
Er lijkt een geslachtspredispositie aanwezig te zijn, terwijl
de verdeling over de rassen redelijk overeenkomt met de ver-
deling over het totale patiëntenaanbod.
De afgelopen jaren wordt steeds vaker de diagnose EMND
gesteld. Deze toename hangt zeer waarschijnlijk niet samen
met een hogere prevalentie van EMND, maar met een betere
herkenning van het ziektebeeld hoewel slechts twee è drie
paarden per jaar met EMND worden aangeboden.
Hoewel het klinisch beeld een grote mate van diversiteit ver-
toont, wordt de waarschijnlijkheidsdiagnose voornamelijk
op de klinische presentatie van de patiënt gesteld. Ondanks
goede tot zeer goede eetlust vermagert het paard. Het paard
heeft een opgetrokken buik, staat met vier benen onderstan-
dig, vertoont spiertrillingen, zweet, trippelt met de achterbe-
nen, kan beter lopen dan stilstaan, kan het hoofd laag bij de
grond houden en ligt veel (3,6). De aantasting van de sympa-
tische ganglia in sommige gevallen van EMND zou een mo-
gelijke verklaring zijn voor het zweten van deze paarden
(13). Het trippelen met de achterbenen en het beter kunnen
lopen dan stilstaan, lijkt te worden toegeschreven aan een
verminderde spierkracht die duidelijker wordt naarmate de
dieren langer op één plaats moeten stilstaan (7).
Differentiaaldiagnostisch kan gedacht worden aan acute
spierbevangenheid, myositis, hoefbevangenheid, koliek en
equine grass sickness (EGS). Acute myositis kan worden uit-
gesloten door een te geringe stijging van de activiteit van de
spierenzymen en de afwezigheid van pijnlijke, gezwollen
spieren. In tegenstelling tot het paard lijdend aan hoefbevan-
genheid van de voorbenen, staat een paard met EMND met
vier benen onderstandig. Daarnaast loopt het paard niet pijn-
lijk, heeft geen warme hoeven en geen digitale pols. Koliek
kan worden uitgesloten door een goed klinisch onderzoek,
inclusief een rectaal onderzoek. Het uitsluiten van Equine
Grass Sickness (EGS) kan moeilijk zijn daar de klinische
presentatie (vermageren, onderstandig staan, zweten) grote
overeenkomsten kan vertonen met EMND. Enkele verschil-
len zijn dat paarden lijdend aan EGS vrijwel niets eten,
gastroïntestinale problemen ontwikkelen, onder andere reci-
diverende obstipaties, dysfagie, ileus en in een laat stadium
kunnen ze korsten in de neus krijgen. Tevens heeft het paard
met chronische grass sickness, in tegenstelling tot het paard
met EMND, vaak weidegang. Hoewel beide aandoeningen
op zichzelf staande ziektebeelden zijn, zijn er meerdere ge-
vallen beschreven, waarin zowel afwijkingen aan de lower
motorneuronen als aantasting van onder andere de sympati-
sche ganglia voorkomen. Dit kan duiden op het bestaan van
een mengvorm van EMND en EGS (13,29).
De typische symptomen waarmee het paard wordt aangebo-
den, leidt al snel tot een eerste verdenking. Het aanvullend
onderzoek dat de meeste, maar beperkte, meerwaarden ople-
vert, zijn het bloedonderzoek (met name de activiteit van de
spierenzymen en de vitamine E-concentratie) en het EMG-
onderzoek. In het merendeel van de gevallen wordt in het
bloed een lichte verhoging van zowel de creatininekinase
(CK) als de aspartaat aminotransferase (ASAT)-activiteit ge-
vonden, terwijl de vitamine E-concentratie verlaagd is. De
verhoging van CK- en ASAT-activiteit is grotendeels te wij-
ten aan het spierverval en is dus weinig specifiek. Bij het
EMG-onderzoek kunnen aanwijzigingen gevonden worden
voor een neurogeen probleem (4,6,26). In acute gevallen van
EMND is het echter mogelijk dat er weinig veranderingen
gevonden worden. Er is namelijk enige tijd nodig voor het
veriiezen van functionaliteit van de motorunit na het optre-

Tabel i. Bloeduitslagen van de merrie met Equine Motor Neuron Disease.

Parameter

Patient

Normaalwaarden

Hematocriet

0.32

0.36-0.42 (L/L)

Leukocyten

9.0

7.0-10.0 (G/L)

Totaal eiwit

73

60-75 (g/L)

Albumine-fractie

52.6

35-55 %

1

a-fractic

10.9

.... j

15-20%

3-fractie

19.8

< 22 % j

7-fractie

16.7

<25%

Alkalische fosfatase

216

140-300 U/L

i

Lactaatdehydrogenase

1039

150-600U/L

Gamma-glutamyltransferase

9

5-20 lU/L

Aspertaat-aminotransferase

360

10-275 lU/L

Creatinine-kinase

131

5-160 lU/L

Ureum

5.6

2-8 mmol/L

Creatinine

95

106-186 pmol/L

Vitamine E

0.2

4-7 pmol/1

Selenium

159

26-27 pg/l*

referentie; Radostis OM. Blood DC and Henderson CC. Diseases caused
by deficiencies of mineral nutrients In: Veterinary Medicine, 8th edi-
tion,WB Saunders, London, 199 ; 1371 -1441.

-ocr page 489-

den van een zenuwlaesie (11). Met behulp van het EMG kan
gedifferentieerd worden of er spratce is van een neurogene
aandoening; de hierbij passende EMG-bevindingen zijn niet
specifiek voor EMND maar tezamen met het klinisch beeld
wel suggestief De verminderde opname van glucose vanuit
de dunne darm is een niet verklaarde bevinding in een groot
deel van de aangeboden patiënten met EMND (1,7). Het mo-
gelijke mechanisme zou op darmniveau kunnen liggen dan-
wel berusten op een defect in de giucosestofwisseiing.
Gezien de resultaten van recent onderzoek lijkt de vermin-
derde opname van glucose het resultaat van een probleem
dat zich op darmniveau afspeelt (1). Lopend onderzoek moet
resulteren in een exactere lokalisatie van dit probleem.
Daarnaast worden in de literatuur verscheidene diagnosti-
sche testen beschreven, die overigens ook niet leiden tot een
definitieve
ante mortem diagnose. Genoemd worden een
spierbiopt van de M. sacrocaudalis dorsalis medialis (één
van de staartspieren) en een biopt van de N. accessorius
(8,16). Grote nadelen hiervan zijn dat beide uitgevoerd moe-
ten worden onder algehele anesthesie en dat de specificiteit
wisselt. Het spierbiopt geeft een aanwijzing omtrent het aan-
of afwezig zijn van een neurogene aandoening. Hetzelfde
geldt voor het vinden van afwijkingen aan een perifere ze-
nuw. Echter, ook hier geeft EMND geen uniek histologisch
beeld. De combinatie van de klinische bevindingen, tezamen
met het aanvullend onderzoek, kunnen
ante mortem ten
hoogste aanleiding geven tot het stellen van de waarschijn-
lijkheidsdiagnose EMND.

De oorzaak van het ontstaan van EMND is tot op heden nog
niet achterhaald maar er zijn aanwijzigingen dat een antioxi-
dantdeficiëntie hieraan ten grondslag ligt. De la Rua
et ai
(1997) vonden een significante correlatie tussen het ontwik-
kelen van EMND en een afgenomen vitamine E-concentra-
tie in het bloed. Hierbij rijst de vraag of er sprake is van een
verhoogde behoefte door meer radicaalvorming ten gevolge
van een ontstekingsproces danwel een absoluut tekort.
Andere indirecte aanwijzigingen die tevens in de richting
van een antioxidantdeficiëntie wijzen, zijn de aantasting van
met name type 1-spiervezels en de accumulatie van lipopig-
ment in de capillairen van het ruggenmerg. Beide typen
spiervezels (type 1 en 2) worden bij EMND aangetast, maar
er is een duidelijke voorkeur voor type 1-vezels. Dit zijn
spiervezels met een hoog oxidatief metabolisme, met andere
woorden ze zouden gevoelig kunnen zijn voor de gevolgen
van radicaalvorming (7,34). De accumulatie van lipopig-
ment in het endotheel van de capillairen van het ruggenmerg
wordt gezien als het eindproduct van membraan-lipidperoxi-
dase(5).

Oxidatie is een metabool proces waarbij vetten, koolhydraten
en eiwitten worden omgezet in CO2 en water met als belang-
rijkste product energie. Bij dit (fysiologische) proces worden
vrije zuurstofradicalen gevormd. Deze radicalen kunnen door
oxidatie van met name de onverzadigde vetzuren (de grootste
component van de celmembraan) de celmembraan beschadi-
gen. Vrije radicalen worden gevormd als bijproduct van de
normale stofwisseling maar komen in grote mate vrij bij on-
der andere ontstekingen en arbeid (19). De actieve compo-
nent van de antioxidant vitamine E a-tocopherol) is een be-
langrijke vrije zuurstofradicalenvanger. Hierdoor beschermt
vitamine E de biologische membranen tegen autoxidatie
(2,\\9). Ook het intracellulaire enzym glutathionperoxidase,
waarin selenium is ingebouwd, voorkomt de vorming van
vrije radicalen waardoor het een beschermende functie heeft.

Het paard is voor zijn vitamine E-voorziening volledig afhan-
kelijk van de opname via het voer. De belangrijkste bronnen
zijn vers gras en krachtvoer. Hooi bevat een geringe concen-
tratie vitamine E en in het algemeen geldt dat hoe ouder het
hooi is, des te minder vitamine E het bevat. De vitamine E-
concentratie in opgeslagen hooi neemt dan ook snel af (19).
Helaas is er geen therapie mogelijk daar gedegenereerd ze-
nuwweefsel niet meer kan herstellen. Het proces van re-in-
nervatie van de gedegenereerde spiervezel is een natuurlijk
proces, in een poging de functionaliteit te herstellen. Gepro-
beerd kan worden met behulp van vitamine E-preparaten (4
mg/kg per os 1 dd) de plasma vitamine E-concentratie op
peil te houden om in ieder geval de antioxidatieve werking te
optimaliseren, maar dit geneest het paard niet.
De prognose voor EMND is zeer gereserveerd. In het meren-
deel van de gevallen is de aandoening progressief met vaak
als reden tot inslapen het niet meer kunnen opstaan. In inci-
dentele gevallen treedt er stabilisatie of zelfs regressie van
het ziekteproces op, maar het herstel is nooit volledig en is
onvoldoende voor terugkeer in de sport.
Tot op heden wordt EMND, op basis van de pathologische
bevindingen, vergeleken met de bij de mens voorkomende
aandoening ALS (3). ALS is een progressieve, fataal verlo-
pende neurodegeneratieve aandoening waarbij zowel de pe-
rifere, de centraalmotorische neuronen (de upper én lower
motorneuronen) als het pyramidale systeem worden aange-
tast (23,35). Echter, bij EMND zijn geen afwijkingen be-
schreven van uitval van de upper motorneuronen en de cen-
traal motorische cortex. In de humane geneeskunde wordt
bij aanwezigheid van uitval van alleen de lower motorneuro-
nen gesproken van een (mogelijke) verdenking op ALS ter-
wijl hierop pas een sterke verdenking berust bij uitval van
het upper-motor-neuron-systeem en de centraal motorische
cortex. Een directe vergelijking van EMND met ALS, op ba-
sis van uitval van alleen de lower motorneuronen is ons in-
ziens dan ook niet mogelijk. Wanneer op microscopisch ni-
veau gekeken wordt, kunnen bij EMND in de ventrale hoorn
van het ruggenmerg uitgebreide neuron- en axonale degene-
ratie gevonden worden. Dc aangetaste neuronen zijn gezwol-
len, chromatolytisch, variabel eosinofiel en de cellichamen
kunnen zijn verschrompelt. Deze laesies worden niet in de
dorsale hoorn gevonden (3,34). In het geval van ALS zijn
met name de dorsale hoorn en de centraalmotorische cortex
aangetast. Op spierniveau is de hoofdbevinding bij zowel
EMND als ALS, angulaire atrofie van met name type 1 maar
ook type 2-vezels (3,34). Ondanks het feit dat er verschillen
zijn in de pathologische bevindingen bij EMND en ALS, is
het interessant de hypotheses omtrent de oorzaken met be-
trekking tot de verhoogde radicaalvorming bij ALS, terug te
koppelen naar paarden met EMND.

In de humane literatuur bestaan meerdere hypotheses over
het ontstaan van ALS. De eerste is een overmatige productie
van vrije zuurstofradicalen. Deze benadering komt niet ge-
heel overeen met die uit de veterinaire wereld. Bij ALS wor-
den, door onbekende oorzaak, veel radicalen gevormd
waardoor de behoefte aan antioxidantia verhoogd is, terwijl
men bij EMND vooralsnog uitgaat van het principe dat een
(primair) lage vitamine E-concentratie leidt tot neuron-
schade. In 10- 20% van de familiaire vorm, wordt ALS ver-
oorzaakt door een mutatie in het gen dat codeert voor het en-
zym Cu/Zn-superoxide-dismutase. De overmatige productie
van vrije zuurstofradicalen speelt een belangrijke rol daar dit
enzym radicalen detoxificeert (22,28,36). Onderzoek heeft

-ocr page 490-

aangetoond dat deze mutatie bij het paard niet vooricomt en
daardoor ootc geen rol speelt in de
Pathogenese van EMND
(31). Bij de tweede hypothese wordt uitgegaan van een te
sterke stimulatie van de neuronen door een extracellulaire
stapeling van de neurotransmitter glutamaat in het centraal
zenuwstelsel door een verminderde heropname van dit glu-
tamaat. Dit resulteert in een te grote instroom van calciumio-
nen in de cel leidend tot activering van enzymen, die weer
leiden tot de vorming van vrije zuurstofradicalen. Dat proces
wordt excitotoxiciteit genoemd. Overmatige activering van
glutamaatreceptoren komt, bij de mens, zowel bij acute
neurologische aandoeningen voor als bij chronische neuro-
degeneratieve ziekten (9,20,23,36). Voor zover bij de auteurs
bekend, is er op het gebied van
excitotoxiciteit bij paarden
geen onderzoek verricht.

Ondanks de verspreiding van EMND wordt er weinig voor-
uitgang geboekt in het achterhalen van de
Pathogenese. Tot
op heden lijkt een overmatige radicaalvorming, veroorzaakt
door een absolute danwel relatieve antioxidantdeficiëntie,
een belangrijke rol te spelen. Totdat de oorzaak achterhaald
wordt, blijft men op therapeutisch gebied beperkt tot het op
peil houden van de vitamine E-concentratie. Het zal duide-
lijk zijn, dat elf jaar na de eerste berichtgeving over EMND
er meer vragen gerezen zijn omtrent deze fatale aandoening
dan er zijn opgelost.

Literatuurlijst

1. Bender.? NA, and Kolk van der JH. Glucose metabolism in horses with
equine motor neuron di.sease; a report of five cases. In: Proc 39th British
Equine Veterinary Association Congress 2000 13-16 sept. Birmingham,
205.

2. Burton GW, and Ingold KU. Vitamin E: applications of the principles of
physical organic chemistry to the exploration of its structure and func-
tion. Acc Chem Res 1986; 9: 194-201.

3. Cummings JE Lahunta A de, George C, Fuhrer L, Valentine BA, Cooper
BJ, Summers BA, Huxtablc CR, and Mohammed HO. Equine motor
neuron disease; a preliminary report. Cornell Vet J 1990; 80: 357-9.

4. Cummings JF, l-ahunta A de. Mohammed llO, Divers TJ, Valentine B,
Summers BA. and Cooper BJ. Equine motor neuron dieasc: a new neuro-
logic disorder Equine pract 1991;13:9:15-8.

5. Cummings JF, Lahunta A de. Mohammed HO, Divers TJ, Summers BA,
Valentine BA, and Jackson CA. Endothelial lipopigment as an indicator
of «-tocopherol deficiency in two equine neurodegenerative diseases.
Acta Neuropath 1995; 90: 266-72.

6. Divers TJ, Mohammed HO, Cummings JF, Lahunta A de, Valentine BA,
Summers BA, and Cooper BJ. Equine motor neuron disease: a new cause
of weakness, trembling and weight loss. Comp on Cont Ed 1992; 14: 9:
1222-6.

7. Divers TJ. Mohammed HO. Cummings JF, Valentine BA, Lahunta A de,
Jackson CA, and Summers BA. Equine motor neuron disease: findings
in 28 horses and proposal of a pathophysiological mechanism for the di-
sease. Equine Vet J 1994; 26:409-15.

8. Divers TJ, Valentine BA, Jackson CA, Metre D van, and Mohammed HO.
Simple and practical muscle biopsy test for equine motor neuron disease.
Proc Am Ass equine Pract 1996; 42: 180.

9. Epstein FH. Excitatory amino acids as a final common pathway for
neurologic disorders. N Eng J Med 1994; 330: 613-21.

10. Gerber H. Equine motor neuron disease and grass sickness (lett). Vet Ree
1994; 135:440.

11. Gerber V, Straub R, Fatzer R, Hermann M, Hahn C, Hoftneister S, Steffen
F, und Herholz C. Die diagnostik der EMND (Equine Motorische
Nervenzell Degeneration)- 3 Fälle. Pferdeheilkunde 1998; 1: 3-10.

12. Gruys E, Beynen AG, Binkhorst GJ, Dijk S van. Koeman JP, en Stolk P
Neurodegeneratieve aandoeningen van het centraal zenuwstelsel bij het
paard. Tijdschr Diergeneeskd 1994; 119: 561-6.

13. Gruys E, Dijk S van, and Koeman JP Neurodegenerative patterns in
equine patients with clinical features of motor neuron disease and/or
grass sickness (dysautonomia): a preliminary report. In: Proc 1st
Workshop on grass sickness, EMND and related disorders 1997 26-27
okt. Bern, 28-33.

14. Hahn CN, and Mayhew IG. Does equine motor neuron disease exist in
the United Kingdom? Vet Ree 1993: 132: 133-4.

15. Hoven R van der, Meijer AEFH. Breukink HJ, and WensingTh. Enzyme
histochemistry on muscle biopsies as an naid in the diagnosis of disease
of the equine neuromuscular system: A sUidy of six cases. Equine Vet J
1988; 20:46-53.

16. Jackson CA, Lahunta A de, Cummings JF, Divers TJ, Mohamined HO,
Valentine BA, and Hackett RP. Spinal accessory nerve biopsy as an
ante
mortem
diagnostic test for equine motor neuron disease. Equine Vet J
1996; 28:215-9.

17. Kuwamura M, Iwaki M, Yamate J, Kotani T. Sakuma S, and Yamashita A.
The first case of equine motor neuron disease in Japan. J Vet Med Sci
1994:56: 195-7.

18. Landolt G, Feige K, and Grest P Equine motor neuron disease. Tierarztl
Prax 1997; 25:241-3.

19. Lewis LD. Minerals for horses. In: equine clinical nutrition: feeding and
care. Lea & Febiger, Philadelphia, 1995: 25-60.

20. Lipton SA, and Rosenberg PA. Excitatory amino acids as a final common
pathway for neurologic disorders. N Eng J Med 1994; 330: 613-22.

21. Lofsted J, and Ikede BO. Motor neuron disease in a quarter horse from
Novia Scotia. Can Vet J 1994; 35: 507-9.

22. Louvel E, Hugon J, and Doble A. Therapeutic advances in amyotrophic
lateral slerosis. Trends Pharmacol Sci 1997: 18(6); 196-203.

23. Milonas 1. Amyotrophic lateral sclerosis: an introduction. J Neurol 1998;
245(suppl2):Sl-S3.

24. Mohammed HO, Cummings JF, Divers TJ, Valentine B. Lahunta A de.
Summers BA, Farrow BRH, Trembichi-Graves K, and Mauskopf A.
Riskfactors associated with equine motor neuron disease: A possible mo-
del for human MND. Neurology 1993; 43: 966-71.

25. Mohammed HO, Cummings JF, Divers TJ, Rua de la-Domenech R. and
Lahunta A de. Epidemiology of equine motor neuron disease. Vet Res
1994; 25:275-8.

26. Podell M, Valentine BA, Cummings JF, Mohammed HO, Cooper BJ,
Reed S, Divers TJ, Jackson CA, and Lahunta A de. Electromyography in
acquired equine motor neuron disease, Progr in Vet Neur 1995; 6: 128-
34.

27. Proudman CJ, Knottenbelt DC, and Edwards GB. Equine motor neuron
disease. Vet Ree 1993; 132: 198-9.

28. Rosen DR, Siddique T, Patterson D, Figlewicz DA. Sapp P Hentati A,
Donaldson D, Goto J, O\'Regan JP. Dengh HX
etal Mutations in Cu/Zn
superoxide dismutase gene are associated with familial amyotrophic late-
ral sclerosis. Nature 1993; 362: 59-62.

29. Roumen MPHM, und Gruys E, Zur degenerativen Myelocncephalo-
pathie (EDM), motorischen Neuronkrankheit (EMND) und Graskrank-
heit (EGS) des Pferdes. Berl und Munch Tierart Wochenschr. 1996; 109:
403.

30. Rua de la R. Mohammed HO. Cummings JF, Divers TJ. Lahunta A de,
Valentine B, Summers BA, and Jackson CA. Incidence and risk factors of
equine motor neuron disease: an ainbidirectional study.
Neuroepidemiology 1995; 14: 54-64.

31. Rua de la R, Wiedmann M, Mohammed HO, Cummings JF, Divers TJ,
and Batt CA. Equine motor neuron disease is not linked to Cu/Zn super-
oxide dismutase mutations: sequence analysis of the equine Cu/Zn super-
oxide dismutase cDNA. Gene 1996; 178:83-8.

32. Rua de la R, Mohammed HO, Cummings JF, Divers TJ. Lahunta A de,
and Summers BA. Intrinsic, management, and nutritional factors associ-
ated with equine motor neuron disease. J Am Vet Med Assoc 1997; 211:
1261-7.

33. Sustronck B. Deprez P, Roy M van, Muylle E, Roels S, andThoonen H.
Equine motor neuron disease: The first confirmed cases in Europe.
Vlaams Diergeneeskd Tijdschr 1993; 62:40-4.

34. Valentine BA, Lahunta A de, George C, Summers BA, Cummings JF,
Divers TJ, and Mohammed HO. Acquired equine motor neuron disease.
Vet Path 1994; 31: 130-8.

35. Williams DB, and Windebank AJ. Motor neuron disease (amytrophic la-
teral sclerosis) Mayo Clin Proc 1991; 66: 54-82.

36. Wokke JHJ. De behandeling van amyotrofische laterale sclerose. Ned
Tijdschr Geneeskd 1996; 140: 2265-8.

-ocr page 491-

Brieven aan de redactie

In het artikel \'De Gezondheids- en Welzijnswet voor
Dieren - de diergeneeskundige verklaring als aanvulling
op het proces-verbaal en de rol van de dierenarts in het
opsporingsonderzoek\' van R. van Wessum (Tijdschr
Diergeneeskd 2001; 126: 130-2) waarschuwt de heer Van
Wessum dierenartsen om vooral niet teveel te luisteren of
zich te laten beïnvloeden door de verklaringen en opvat-
tingen van \'enthousiaste opsporingsambtenaren\' die de
dierenarts \'teveel stuurt\'. Onder andere bij die opmer-
king wil ik graag enkele kanttekeningen plaatsen.

Als ik in de achter mij Uggende ongeveer 30-jarige periode,
waarin ik werkzaam was in de gespecialiseerde tak van op-
sporing, de wettelijke dierenbeschermende bepalingen be-
treffende, het oordeel over wel of niet opmaken van proces-
verbaal had overgelaten aan zo maar \'elke dierenarts\' dan had
ik weinig zaken bij het OM aangedragen, en algemeen was er
heden ten dage nog minder jurisprudentie geweest met be-
trekking tot dit onderwerp dan het weinige dat er nu is!
Sterker nog, als veel van mijn collega\'s en ikzelf niet in veel
gevallen zelf benadrukten en/of aangaven welke zaken er in
voorkomende gevallen in het bijzonder beoordeeld dienden
te worden (in relatie tot al de elementen van het strafbare
feit) was menige zaak niet verder gekomen dan de schrijfta-
fel, of hoogstens tot een sepo bij het OM.
Want in tegenstelling tot wat de heer Van Wessum schrijft is
lang niet elke dierenarts geschikt of in staat om in strafzaken
als deskundige op te treden. Ikzelf consulteer in zaken met
onvoldoende hoefverzorging bijvoorbeeld soms net zo lief
een goede hoefsmid dan \'zomaar\' elke dierenarts.
Natuurlijk is het juist in strafzaken belangrijker dat de gecon-
sulteerde dierenarts/deskundige objectief waarneemt. Maar
veel te vaak wordt naar mijn oordeel juist die objectiviteit van
de dierenarts veel meer geweld aangedaan door een bepaalde
beroepsblindheid, en subjectiviteit door klantenbinding, dan
door de invloed van de opsporingsambtenaar.
Die beroepsblindheid blijkt mijns inziens vooral uit het feit
dat door de beroepsgroep zelden of nooit meldingen over ge-
stoord dierenwelzijn worden gedaan, terwijl blijkt dat soms
in de meest schrijnende zaken waarin uiteindelijk (als het te
laat is) strafrechtelijk moet worden opgetreden een dieren-
arts regelmatig zicht bleek te hebben op die situatie, en op
het ontstaat daarvan (bijvoorbeeld bij sociale probleemge-
vallen).

Ook ben ik van mening dat de heer Van Wessum wat al te ge-

Ynse Kwast is werkzaam als buitengewoon opsporingsambte-
naar districts-inspecteur Landelijke Inspectiedienst Dieren-
bescherming.

makkelijk oordeelt over \'welzijn\'. Ook voor dierenartsen
geldt dat de gebruikelijke \'welzijnsparameters\' slechts ge-
schikt zijn voor wetenschappelijke doeleinden, en vanwege
hun complexiteit niet of zeer slecht toepasbaar in praktijk
van wet en regelgeving.

Er zijn helaas geen parameters die in de praktijk van een op-
sporingsdienst, op een eenvoudige en ondubbelzinnige ma-
nier aangeven in hoeverre dieren zich goed voelen. En er is
ook geen eenvoudige \'meetlat\' voor dierenwelzijn.
In de praktijk zijn er dan ook niet veel gevallen bekend
waarin de verdachte is veroordeeld voor het benadelen van
het welzijn alleen, vaak omdat juist dierenartsen daarover in
hun verklaring heel vaag blijven, en mijns inziens terecht.
Het is dan ook de vraag of het juist de/elke dierenarts is die
een uitspraak kan doen over het
welzijn van het dier, zeker in
de vorm zoals de heer Van Wessum in het artikel aanbeveelt:
\'naar mijn stellige overtuiging zijn alle dieren zoals hier bo-
ven beschreven ernstig in hun welzijn gestoord door de ma-
nier waarop ze zijn gehuisvest\'.

Dat is gemakkelijk opgeschreven. Maar kan je dat ter zitting
ook waarmaken?

Als het zo gemakkelijk was, zou er in de afgelopen zes jaar
waarin we nu de beschikking hebben over dit bijzondere ele-
ment in de GWWD, toch wel regelmatig voor het benadelen
van het welzijn zijn geverbaliseerd of veroordelingen uitge-
sproken, maar helaas zo gemakkelijk is dat niet.
Want als we het over dierenwelzijn hebben waar hebben we
het dan over? Welke referentie houden wc aan? Zijn dat bij-
voorbeeld in geval van huisvesting de normen van de labora-
toriumdieren, of de wettelijk toegestane situatie\'s van de
waakhonden-mestkalveren-legkippen-konijnenhouderij-
ligboxenstallen? En als dierenartsen daarover moeten oorde-
len, wat is bijvoorbeeld in dat verband dan welzijn in de ogen
van de dierenarts die jaar najaar dagelijks voornamelijk de
intensieve varkenshouderij, kalvermester, legbatterij, inten-
sieve konijnenhouderij bezoekt. En wat is welzijn in de ogen
van de keuringsdierenarts die jaar najaar dagelijks de gang
van zaken beoordeeld op slachthuizen, bij lading en lossing
van dieren, en tijdens ritueel slachten?
In strafzaken waarbij er sprake is van het benadelen van het
welzijn kan een goed onderbouwde verklaring van een (ge-
specialiseerde) dierenarts een belangrijke rol vervullen.
Maar lang niet elke dierenarts kan dat, wil dat, en ik vraag
me af of hij daarvoor is opgeleid.

Er is een aantal dierenartsen die wel bereid zijn (vaak) finan-
ciële belangen opzij te zetten, en die veel meer dan voor-
heen, na willen denken over het welzijn van het dier, de rech-
ten van het dier, en de plichten met betrekking tot het dier
voor de eigenaar hoeder of houder.

Dierenartsen die beseffen dat klinisch gezond niet automa-
tisch ook betekend dat de dieren zich goed voelen. De
meeste opsporingsambtenaren, vooral die van gespeciali-
seerde diensten weten vaak precies welke dierenarts ze bij
welke zaak moeten consulteren.

In goed overleg, waarbij ieder zijn deskundigheid inbrengt.

Dierenarts als deskundige in strafzaken

Ynse Kwast

-ocr page 492-

wordt vervolgens aan de hand van de elementen van het
strafbare feit, en de jurisprudentie de veterinaire verklaring
besproken, en beoordeeld of er in zaken van gestoord dieren-
welzijn wellicht ook andere deskundigheid wenselijk is, bij-
voorbeeld een verklaring van een etholoog.

Dat deze nauwe samenwerking noodzakelijk is blijkt bij her-
haling, en niet alleen door wat ik hierboven opmerkte. Het
komt namelijk ook nog steeds voor dat dierenartsen refere-
ren aan de (oude) bepalingen uit het strafrecht, terwijl die al
ongeveer zes jaar zijn vervallen, leder zijn vak dus.

Het voorkomen van Isosporose in hondenkennels

K. Bode. Inaugural-Dissertation Hannovenggg: no pagina\'s.

Referaten

Gedurende ruim een jaar werd bij hondenfokkers met tien
verschillende rassen ontlastingsonderzoek uitgevoerd bij
alle geboren pups en de moeders. Er werd speciaal gekeken
naar het voorkomen van Isospora-infecties. In totaal werden
er bij 104 worpen 1171 fecesmonster onderzocht. Bij de te-
ven werd er één week voor de partus begonnen met feces-
onderzoek en wekelijks herhaald. Bij de pups werden feces-
mengmonsters genomen vanaf één week na de geboorte.
Het bleek dat 1% van de teven al de week voor de partus be-
gon met uitscheiden van I. ohioensis oöcysten en 3% de
week na de partus. Ook was bij 7% van de teven de laatste
week van de dracht een patente Toxocara-infectie aanwezig.

In totaal bleek 89% van de nesten Isospora oöcysten uit te
scheiden, waarvan 13% twee keer en 1% zelfs drie keer! De
eerste uitscheiding vond voornamelijk plaats tussen de
vierde en zesde levensweek (gemiddeld 6000 oöcysten per
gram) en de tweede tussen zes en 15 weken na de geboorte.
Het merendeel van de infecties (93%) bestond uit I. ohioen-
sis, 4% uit I. canis en de overige uit beide parasieten.
Hoewel de meeste infecties in de zomer werden gezien, wa-
ren de verschillen tussen de seizoenen niet significant. Er
was wel een significante correlatie tussen de aanwezigheid
van een infectie en het optreden van dunnere ontlasting. De
infectie was ook vaker aanwezig bij dieren die op stro wer-
den gehuisvest dan op plavuizen met papier. Na behandeling
met 10 mg/kg toltrazuril werd bij 99% van de dieren de vol-
gende dag geen oöcysten meer aangetroffen,

Dr. P.A.M. Overgaauw

Pathogenese van en therapie bij ziekte van Crohn

Pathogenesis and therapeutic aspects of Crohn\'s disease. Selby, W Vet Microb 2000; ij. 505-n.

Ziekte van Crohn is een chronisch inflammatoire darmziekte
bij de mens met een incidentie van ± 10 per 100,000.
Patiënten met deze ziekte hebben vaak antistoffen tegen ver-
schillende darmbacteriën en Sacharomyces cerevisiae (het
laatste antigeen wordt op ons laboratorium gebruikt ter sero-
logische ondersteuning van de diagnose, ref). Het voorko-
men van deze antistoffen wordt in het algemeen niet gerela-
teerd aan de
Pathogenese, Wel zou er een \'gevoeligheids-
locus\' voor de ziekte bestaan op chromosoom 16,
De ziekte van Crohn komt, wat RA, en
histologie betreft,
overeen met paratuberculose. Al tientallen jaren is getracht
(onder andere in het proefschrift van referent zo\'n 30 jaar ge-
leden) een bewijs te vinden voor eenzelfde etiologie.
Er zijn enkele artikelen gepubliceerd over de incidentele iso-
latie van
Mycobacterium avium subspecies paratuberculose
bij mensen met de Ziekte van Crohn, Het betreft echter al-
leen uitzonderlijke gevallen, zelfs zo bijzonder, dat men de
geïsoleerde bacteriën de naam gaf van de patiënt, waarbij de
bacterie was geïsoleerd. Zo is er een
Mycobacterium paratu-
bereulosis met de naam Linda, die inderdaad ook pathogeen
bleek voor geiten. Men verklaart dit wel door aan te nemen,
dat de bacterie bij de mens alleen voorkomt als een celwand-
deficiënte spheroplast.

De belangrijkste behandeling van de Ziekte van Crohn is nog
steeds 5-aminosaIicyIzuur en eventueel corticosteroïden en
immuunsuppressiva. Toch zijn ook inmiddels reeds succes-
volle therapieën beschreven met tuberculostatica, die speci-
ale activiteit hebben tegen spheroplasten zoals onder andere
de macroliden en rifabutin,

Dr J. Goudswaard

-ocr page 493-

Animals, the Law and
Veterinary Medicine

A Guide to Veterinary Law

O. Soave, DVM, LL.B, vierde editie 2000, Austin e[ Winfield,
Laninam, New Yorl<, Oxford, ISBN
7-57292-149-8.

De onderhavige paperback beoogt een juridische gids te zijn
voor het uitoefenen van de diergeneeskunde. De auteur - die-
renarts, met een graad in de rechten (bachelor) - belooft na-
melijk de dierenarts een antwoord op zeer uiteenlopende
vragen, zoals hoe geraak ik in moeilijkheden, hoe voorkom
ik dat ik in moeilijkheden geraak, wat is de essentie van de
veterinaire beroepsuitoefening, hoe gedraag ik mij jegens
mijn cliënten en hoe kan ik goed met mijn patiënten en cliën-
ten uit de voeten. Vragen waarmee volgens de auteur vooral
de beginnende practicus worstelt. Het antwoord op de eerste
vraag dat in de meeste gevallen de dierenarts zelf de aanlei-
ding vormt dat er rechtszaken tegen hem aanhangig worden
gemaakt, overtuigt in ieder geval.

De overige antwoorden zijn niet makkelijk te vinden. De ver-
moedelijke oorzaak daarvan ligt in ieder geval voor een deel
in het bestaan van verschillende rechtssystemen. Het boek is
namelijk geschreven voor dierenartsen die onder het
Angelsaksische rechtssysteem leven en werken. En dat
systeem verschilt erg van het Europees-continentale. De ba-
sis van \'ons\' rechtssysteem is immers een ordening in onder-
scheiden rechtsgebieden, waarbinnen telkens een hiërar-
chisch stelsel van wetten, besluiten en regelingen, terwijl het
Angelsaksische recht wordt gekenmerkt door
\'precedenten-
recht\';
een recht dat telkens door rechterlijke beslissingen
wordt gevormd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de
Nederlandse dierenarts niet eenvoudig zal kunnen achterha-
len, ook al is hij enigszins vertrouwd met \'ons\' (rechts)sys-
teem, waar in de zes hoofdstukken, met secties over bijvoor-
beeld (wets)geschiedenis, malpractice, negligence, misde-
meanor, tort en wrong, het beloofde antwoord wordt gege-
ven. Hiermee houdt ook verband dat het Angelsaksische
systeem meer juridische begrippen heeft dan \'ons systeem\',
terwijl er bovendien per begrip meer nuances zijn. De rela-
tief uitgebreide verklarende begrippenlijst (Glossary) is dan
ook geen overbodige toevoeging.

Tuchtrecht wordt niet genoemd

De hoofdstukken III, IV en V met respectievelijk als titel
\'Veterinarian Client Relationship\', \'Veterinary Practice\' en
\'Protection of Animals\' vormen de kern van het boek. In deze
hoofdstukken worden weliswaar essentie en doel van de
diergeneeskundige beroepsuitoefening niet als zodanig aan
de orde gesteld, maar daarvan komt wel een beeld naar voren
uit de geboden casuïstiek. De lezer moet zich dan niet laten
afschrikken door de veelsoortige technisch-juridische be-
grippen als bovengenoemd. De kort en bondig geformu-
leerde zinnen maken de materie veelal voldoende toeganke-
lijk om toch aan de casuïstiek \'genoegen\' te kunnen beleven.

Boekbesprekin

Animals,
the Law and
Veterinary Medicine

A Guide to
Veterinary Law

Fourth Edition
ORIAND SOAVE

AUSTIN & WINFIELD, PUBUSHERS.

Wat dan wel stoort, is dat lang niet altijd duidelijk wordt wie
nu \'een zaak tegen een dierenarts heeft aangespannen\'. Het
is in ieder geval op zijn minst opvallend te noemen dat
disci-
plinary law,
tuchtrecht, niet als zodanig wordt genoemd.
Hoofdstuk V begint met de universele verklaring van de
rechten van het dier uit 1978. Die verklaring houdt in dat een
dier - eenmaal geboren - recht heeft op leven en wel overeen-
komstig de wijze die zijn soort behoeft. Hoe interessant ook,
korte schetsen van onder andere de Food and Drug Act, de
Natuurbeschermingswet, de Wet op het
humaan slachten van
dieren, de Wet op de bescherming van wilde dieren, de Wet
aangaande het renpaard doen en het recht op retentie van een
dier, maken niet echt duidelijk wat de auteur ermee beoogt.
Genoemde universele verklaring nodigt wel uit om de in
Europa voorgenomen doding van gezonde (op economische
gronden overtollige) runderen te toetsen aan de uitgangs-
punten van de verklaring. Dit overigens terzijde.

Caleidoscopisch overzicht

Tot slot, is dit boek bruikbaar voor de Nederlandse dierenarts
die zich wil oriënteren op de plaats van de praktische dierge-
neeskunde binnen de Nederlandse rechtsorde? Nauwelijks,
maar dat is op zich geen reden het boek niet aan te schaffen.
Het is zeker de moeite waard om het boek te \'scannen\',
waardoor de kans toeneemt dat men \'dieper\' kijkt. Het is vlot
geschreven en verhaalt in, over het algemeen, zeer korte ali-
nea\'s de casuïstiek en het oordeel van de rechter over zeer
uiteenlopende zaken. Het biedt een caleidoscopisch over-
zicht van problemen waaraan de meeste dierenartsen in
Nederland nooit zullen denken en waarmee ze - buiten het
tuchtrecht - toch te maken kunnen krijgen. Het feit dat dit
overzicht bestaat, is zonder meer een aanwinst te noemen.
Mogelijk dat de (onbekende) prijs de aanschaf van het boek
in de weg staat.

H.C.A. Leemans

-ocr page 494-

Voorgangers: dierenartsen uit vroeger tijd (43)

Henri Marie Bouley (1814-1886)

Veterinai
verledei

j Bouley stond gedurende vijftig jaar van 1836 tot 1886 als een rots in de
^ branding in een tijdperk, waarin zich veterinair enorme veranderingen
afspeelden. Hij voerzijn eigen koers en bereikte In de toenmalige Franse
wetenschappelijke wereld het hoogst bereikbare. Kortom een man, die
het verdient om extra aandacht te krijgen.

Henri Marie Bouley werd in 1814 in Parijs geboren. Zijn grootvader kwam van het plaatsje
Montbard (Cóte-d\'Or) en had zich in 1790 in Parijs als hoefsmid gevestigd. Zijn zoon Henri
Claude, geboren in 1781, werd in i8oi militair paardenarts. Hij maakte carrière en bracht het tot
inspecteur-generaal, waarbij hij verantwoordelijk was voor de aankoop van nieuwe paarden, en
later tot chef-paardenarts van het gehele leger. Hij nam in die functie deel aan de veldtocht naar
Rusland onder Napoleon Bonaparte. Na diens val zwaaide hij in i8i4afen vestigde zich als prak-
tiserend paardenarts in Parijs.

In dat jaar werd zijn zoon Henri Marie geboren. Tijdens diens middelbare schooltijd viel zijn bui-
tengewone intelligentie al op. Gezien de familietraditie lag het voor de hand dat ook hij paarden-
arts zou worden. Hij kreeg zijn diploma in 1836 na vier jaar studie aan de school te Alfort, waar hij
elk jaar de beste leerling van zijn klas was geweest. Daarna trad bij zijn vader in de praktijk. Toen
echter het jaar daarop in Alfort vacatures ontstonden voor \'chef de service\' nam Bouley deel aan
het concours en kreeg de post onder Eugène Renault. In 1839 werd hij benoemd tot diens \'ad-
joint\' om onderwijs te geven in de kliniek, de chirurgie, het hoefbeslag en de gerechtelijke veeart-
senijkunde. In 1845 volgde zijn aanstelling tot hoogleraar.
Inde periode van 1837 tot 1866, waarin hij docent was, werd hij een begrip. Doorzijn feilloze dia-
gnostiek en zijn buitengewone chirurgische talenten, maar ook door zijn vrolijke aard, zijn Innemendheid en zijn
distinctie, spraken allen die hem in Alfort omringden aan met \'patron\'. Hij heeft een sterke stempel gedrukt op het
onderwijs en op de ontwikkeling van dertig generaties van studenten. Alfort zonder \'le patron\' was haast ondenkbaar.
Daarnaast was hij een vruchtbaar auteur. De eerste publicaties werden geschreven voor een agrarische encyclopedie
en handelden over het exterieur van het paard. Vanaf 1841 was hij medewerker van het
Reaieil de médecine vétérinaire en
vanaf 1845 tot aan zijn dood in 1886 hoofdredacteur. Hij wist dit tijdschrift op hoog niveau te brengen, vooral doorzijn
gave om moeilijke problemen op een heldere wijze uit te drukken.

Soms heeft hij ook wel eens een verkeerde opvatting met kracht verdedigd. Zo is hij er een tijdlang van overtuigd ge-
weest, dat de chronische vorm van droes niet besmettelijk zou zijn. Deze misvatting heeft geleid tot grote schade aan
de fokkerij en aan de Franse cavalerie.

Bouley was een uitstekend verdediger van de belangen van de dierenartsenstand. Met zijn scherpe pen viel hij in 1844
een dierenarts in Lille aan die, zich verschuilend achter het decreet van Napoleon van 1813^ een school had opgericht
om empiristen op te leiden. Deze man (Loiset was zijn naam) voelde zich in zijn goede naam aangetast en sleepte
Bouley voorde rechter. Deze veroordeelde Bouley tot een boete van 200 francs schadevergoeding. De populariteit van
Bouley onder zijn collega\'s kon door dit voorval slechts toenemen. Met woord en pen voerde hij strijd om de sociale
positie van de dierenarts te verbeteren; maar ook hij slaagde er niet in om een uitoefeningswet tot stand te brengen.
Het heeft in Frankrijk veel langer dan elders in Europa geduurd eer zulk een wet werd aangenomen. Deze verscheen
pas op 22 juni 1938 in het
Journal Officiel.

In 1844 was hij een van de oprichters van de Société de médecine vétérinaire de la Seine, die spoedig overging in de
Société Centrale de Médecine Vétérinaire de France. In 1849 werd hij tot algemeen secretaris hiervan benoemd, een func-
tie die hij, jaarlijks herkozen, tot aan zijn dood bleef vervullen. De door deze vereniging uitgegeven
Bulletins bevatten tal
van getuigenissen van zijn standpunten inzake actuele kwesties, alsmede rapporten en
éloges voor de afgestorven le-
den.

Im85i verscheen het eerste deel van zijn standaardwerk over de paardenhoef Dit bevatte de anatomie en de fysiologie
van de hoef, voorzien van een atlas met 32 platen. Hoewel het werk nooit is voltooid, kan men wel een indruk krijgen

Dit decreet, te Moskou uitgevaardigd op 15 januari 1813, beoogde het veterinaire onderwijs in het keizerrijk te reorganiseren (het bevat onder an-
dere het besluit tot de oprichting van een school te Zutphen). Eén van de bepalingen was dat de overheden slechts van gediplomeerde veeart-
sen gebruik mochten maken. Voor diensten aan particulieren werd niets geregeld. Deze konden dus de hulp van empiristen blijven inroepen.

-ocr page 495-

van de ontbrekende delen door de vele studies die Bouley verder nog over de hoef en de hoef-
ziekten heeft gepubliceerd.

in opdracht van de mi nister van Landbouw/ rapporteerde hij In 1854 over de longziekte.
In 1855 trad hij toe tot de prestigieuze
Académie de médecine. In een debat over het nut van se-
tons^ bleek zijn redenaarstalent. In de loop der jaren heeft hij er voordrachten gehouden en dis-
cussies gevoerd over tal van onderwerpen die toen aan de orde waren zoals tuberculose, droes,
pokken en hondsdolheid. In 1877 werd hij met nagenoeg algemene stemmen tot voorzitter be-
noemd, een eer die slechts eenmaal eerder aan een dierenarts te beurt was gevallen, namelijk
aan Eloy Barthélemy in 1844, die eveneens een geboren redenaar was.

In 1856 startte hij samen met Jean Reynal en een comité van hoogleraren en practici de uitgave
van de
Nouveau dictionnaire pratique de médecine, de cinirurgie et d\'hygiène vétérinaires, een werk
dat tot 22 delen zou uitgroeien. Hiervoor schreef Bouley de hoofdstukken over het exterieur van
het paard, de chirurgie en de gerechtelijke diergeneeskunde.

In 1865 kreeg Bouley de opdracht om een onderzoek in te stellen naar de bestrijdingswijze van
de runderpest in Engeland. Deze had in Engeland en Nederland aan 500.000 runderen het le-
ven gekost. Dankzij de op zijn advies genomen tijdige maatregelen kon in Frankrijk de schade
zeer beperkt blijven. Het Is vooral hieraan te danken geweest dat Bouley in i866 tot de hoogste
ambtelijke functie, die van inspecteur-generaal van de veterinaire scholen werd benoemd. In
deze functie bleek hij niet zozeer over bestuurskwaliteiten te beschikken, maar hij was wel een
succesvol verdediger van de onderwijsbelangen. Hij wist verbeteringen te verkrijgen in de huis-
vestingen inrichting van de scholen en in de positie van het onderwijzend personeel.
Twee jaar later werd hij benoemd tot lid van de Academie van Wetenschappen, waardoor hij in
direct contact kwam met de meest vooraanstaande geleerden.

Na het overlijden van de fysioloog Claude Bernard in 1879, kwam de leerstoel aan het Museum
voor Natuurlijke Historie vrij. Nadat hierop weer een fysioloog benoemd was, werd er voor
Bouley een tweede leerstoel ingesteld om onderwijs te geven in de vergelijkende pathologie.
De lessen die hij hier gegeven heeft, hadden de Infectieziekten tot onderwerp. Hij heeft ze in twee boeken gebundeld:
Le progrès en médecine par l\'expérimentation (1882) en La nature vivante de la contagion. Contagiosité de la tuberculose
(1884). Niet alleen in deze voordrachten, maar ook door zijn interventies in de Académie des Sciences toonde hij zich
een enthousiast verdediger van het werk van Louis Pasteur. Hij was een der eersten die het belang ervan voor beide tak-
ken der geneeskunde inzag. Zo is te begrijpen dat het Pasteur was die kon verklaren: \'Nul n\'a plus honoré l\'art vétéri-
naire que Bouley\'.

In het laatste jaar van zijn leven viel hem de grootste eer te beurt, zijn verkiezing tot voorzitter van de Academie van
Wetenschappen.

Bouley stierf op 30 november 1885. Niet minder dan tien vertegenwoordigers van geleerde genootschappen, instellin-
gen en verenigingen hielden bij de begrafenis toespraken om zijn verdiensten te belichten. De begrafenisplechtigheid
geschiedde met militaire eer omdat hij commandeur in het Legioen van Eer was. In 1889 werd in Alfort een marmeren
standbeeld voor hem opgericht, ter financiering waarvan uit de gehele wereld werd bijgedragen.

Deze rubriek wordt verzorgd door leden van het Veterinair Historisch Genootschap.

A. Mathijsen en E.P.OIdenkamp

Literatuur

Jacquet). Les premières interventions d\' Henri Bouley à 1\' Académie de Médecine: sur l\'utilité des sétons. BullAcad Vétde France 1986; 59:233-41.

Leblanc C. Ëioge de Bouley. Paris: Société Centrale de Médecine Vétérinaire de France, 1894:43 p.

Mort de M.Henri Bouley. Recueil de médecine vétérinaire 1885; 23: 753-809. Tevens in: Journal de médecine vétérinaire et de zootechnie 1885; 36: 617-47

(met het verslag van de begrafenis en de teksten van de tien redevoeringen).

Neumann L-C.: Biographies Vétérinaires. Paris, 1896: 28-37.

PiletC. Admirateur et avocat de Louis Pasteur: Henri Bouley (1814-1885). Buil Acad Vétde France 1985; 58:449-454.

Thomassen MJMP. Necrologie: Henri Bouley. Tijdschrift voor Veeartsenijkunde en Veetee/t 1886;13:318-21.

^ Seton of setaceum was een koord, oorspronkelijk gevlochten uit paardenharen, dat op bepaalde voorgeschreven plaatsen onder de huid ge-
bracht werd. Een variant is de fontanel (fontiniculus=kleme bron) waarbij een stuk leer of textiel werd gebruikt, dan wel de wrangwortel (het zo-
genaamde wortelsteken). Het achterliggende idee was dat door deze aspecifieke prikkeling bloed uit de diepergelegen gebieden waar de ziekte
zetelde tezamen met de ziekteveroorzakende stoffen naar de oppervlakte werden gebracht waar zij minder schadelijk waren. De ettering die
ontstond
{het pus bonum) zou de kwade stoffen afvoeren. Deze methodes hebben tot in de eerste kwart van de 20^*® eeuw nog tot de veterinaire
routines behoord.

-ocr page 496-

Waar zoek je je toekomst als veterinair?

\'Als je iets wilt: gewoon doen!\'

Ben je dierenarts, of ben je veteri-
nair? Het antwoord op deze vraag
leidt tot verschillende uitgangs-
punten voor een professionele
carrière. Verslag van een ronde ta-
felgesprek met vijf dierenartsen
die tevreden functioneren in ar-
beidsituaties ver van de dierge-
neeskundige praktijk.

dige werk?\' laten zich gemakkelijk bundelen. Als belangrijkste
zien de meeste het feit datje als dierenarts geleerd hebt naar het
grote geheel te kijken en allerlei omstandigheden te beschou-
wen. Dus niet alleen naar ziektekiemen staren, maar ook naar
huisvesting, voeding, genetica, klimaat en verzorging, enzo-
voort. Dat blijkt absoluut een voordeel ten opzichte van andere
studies.

\'Ik heb geleerd om grote hoeveelheden kennis te verwerken, met
oog voor detail\', is een opmerking die veel instemming krijgt.
Mooie anekdotes over het studeren voor tentamens volgen.

Berichte

verslage

Door Jan Hulsen

De disgenoten tijdens deze ronde tafel gespreksmaaltijd ont-
dekken een gemeenschappelijk gevoel van twijfel, dat ontstond
tijdens de studie. \'Doe iets met die twijfel\', luidt hun advies.
Barend van Dam herinnert zich als de dag van gisteren een bij-
eenkomst van de C&E-bank, over de financiële kant van je toe-
komst als dierenarts. Dat vaststaande pad dat daar geschetst
werd schrok hem zo af dat hij dacht: \'dat dus nooit.\' De anderen
hebben ook hun momenten waarop ze zich een spiegel voorge-
houden voelden. \'Ik vond niet-klinische vakken erg interes-
sant\', herinnert Gert-Jan van Kesteren zich, \'bijvoorbeeld ge-
rechtelijke diergeneeskunde.\'

\'Dóe iets met die twijfel\'

De levenswandel: zoektochten

Een belangrijke overeenkomst in de levenswandel van deze
verloren zonen (m/v) vormt dc speurtocht naar dingen waar ze
hun bevrediging uithalen. Naar wat ze leuk vinden. De een doet
dit vooral vanuit zelfanalyse, de ander kiest voor trial-and-er-
ror. Maar niemand heeft de situatie de overhand laten krijgen,
allemaal namen ze het heft in eigen hand en maakten ze hun ei-
gen keuzes.

\'Tijdens mijn studie heb ik geleerd enorme
hoeveelheden informatie te verwerken\'

\'Herken de symptomen van wat je wilt en wat je niet wilt\'
\'Vraag jezelf af waar je je lol uithaalt.\' Enkele uitspraken waar
men het roerend mee eens is. \'Ik heb groot respect voor mensen
die in hun vak telkens nieuwe uitdagingen vinden\', merkt een
job-hopper op, refererend aan praktiserende dierenartsen.
Allemaal bezinnen ze zich regelmatig op hun arbeids- en le-
vensvreugde. Een paar geven aan dat ze dit half-bewust doen,
ze merken vanzelf dat de lol weg is. \'En vervolgens ga ik achter
de oorzaak aan.\' Iemand vertelt dat hij tussentijds bijstuurt,
maar elke zeven jaar rigoureus de balans opmaakt. \'Ik heb me
vaak laten regeren door de omstandigheden, die dwongen tel-
kens een beslissing af.\' Deze opmerking onderstreept de diver-
siteit in deze groep mensen. \'Maar op die momenten nam ik
ook zeer weloverwogen besluiten.\'

in je hui-

De rol van dierenarts zijn

De antwoorden op de vraag \'wat heb je aan je studie i
\'Ik weet van heel veel dingen een beetje, maar genoeg om een
startpunt te hebben om ergens aan te beginnen\'

\'Ik weet van heel veel dingen een beetje, maar genoeg om een
startpunt te hebben om ergens aan te beginnen.\' Ook dit state-
ment krijgt bijval. De rest blijk je te kunnen opzoeken in boe-
ken, vragen aan anderen of leren op een cursus.
\'De studie heeft me gebracht waar ik nu ben\', klinkt het uit een
hoek van de ronde tafel. Instemming volgt. \'Maar met een an-
dere studie was ik waarschijnlijk ook goed terecht gekomen.\'
De vraag \'wat is het meest zinloze datje hebt moeten leren tij-
dens de studie?\' blijkt moeilijk. Het gesprek blijft hangen bij
het percentage lever in een Berliner-worst. \'Ik meen maximaal
10%, want anders wordt-ie bitter.\'

Het blijkt gemakkelijker aan te geven wat men in de studie
miste. In zijn algemeenheid vinden ze dat de opleiding ver van
de dagelijkse beroepsuitoefening stond cn ook niet weten-
schappelijk was. Het curriculum bevatte niets over zeer belang-
rijke niet-veterinaire kennisgebieden zoals management, be-
drijfskunde en communicatie. \'Maar misschien moet je ons
deze vraag niet stellen, misschien hebben wij vanuit een té af-
wijkende beleving die studie doorlopen\', relativeert men dc
sterke verhalen.

De mededeling dat het huidige curriculum ruimte biedt voor
keuzevakken en dat de huidige studenten mondiger zijn, leidt
tot enthousiasme. Dat lijkt goed. Iedere student heeft immers
ook een eigen verantwoordelijkheid voor wat hij wel en niet wil
leren. En de opleiding moet daar ruimte en mogelijkheden voor
bieden.

\'Dierenartsen moeten meer over de
grenzen van het vak heen kijken\'

Wijze raad

Als afsluiting van een enerverend ronde tafelgesprek wordt
de vraag in de groep gebracht: heb je een wijze raad?
Onverwacht snel volgt een gezamenlijk advies: durf iets
nieuws te doen. Experimenteer.

Bouw perioden in van reflectie, waarin je naar jezelf kijkt.
Analyseer wat je belangrijk vindt in je werk en vervolgens
realiseer je dat.

En aan studenten: probeer de praktijk. Zorg datje die kent,
want daar ben je voor opgeleid. Maar vraagje af of dat is wat
je wilt.

-ocr page 497-

De levensloopbaan van iemand is een strategisch proces, met als doel be-
vrediging te bereiken. Deze bevrediging vindt plaats op de belangrijkste
behoefte van het moment.

leder individu heeft zijn eigen aanpak om zijn persoonlijke strategie te
verwezenlijken. Voor de een is het klip-en-klaar waar hij of zij heen wil,
hoe hij of zij haar bevrediging bereikt. De ander moet dit door schade en
schande (trial and error) ontdekken. En dit kan zich weer wijzigen gedu-
rende het leven.

Het gemeenschappelijke in alle persoonlijke ontwikkelingen is de basis-
voorwaarde om er actief mee bezig te zijn. Om jezelf te kunnen ontwikke-
len, bevredigen, moetje regelmatig de vragen stellen: Ben ik tevreden?
Wat is mijn motivatie? Hoe blijf ik in de toekomst tevreden?
Bevrediging, tevredenheid, geluk wordt bereikt door het totale plaatje.
Dus door de optelsom van het werk inhoudelijk, het werk sociaal, de
woonomgeving, de sociale omgeving, het gezinsleven, ontspanning, indi-
viduele vrijheid, enzovoort. Geen van deze factoren mag negatief zijn,
maar ze mogen best dicht bij nul liggen. Kleine dingen, zoals reistijd of
varkens enten, mogen gerust negatief zijn. Als het totaal maar positief is.
En als je er zelf vrede mee hebt.

Hoewel discutabel, biedt de Hierarchy of Needs van A. Maslow een inte-
ressante insteek om na te denken over de menselijke motivatie. Motivatie
is de wil om een behoefte te bevredigen.

Gedurende het leven wijzigen deze behoeften zich. De persoon stijgt in
Maslow\'s pyramide. Niet elk mens bereikt de hoogste laag.
Maslow definieert een hierarchy van menselijke behoeften. In deze be-
hoefte-piramide onderscheidt hij twee groepen:
deficiency needs en growth
needs.

Binnen de deficiency needs moet in elke lagere behoefte voldaan zijn alvo-
rens het individu een niveau stijgt. Deze groep bestaat uit de volgende vier
lagen:

1. Physiological needs-, honger, dorst, kou, lichamelijk comfort, enzovoort.

2. Safety/security, uit de gevarenzone, zekerheid.

3. Belonginess and love-, aansluiting bij anderen, geaccepteerd zijn, enzovoort.

4. Esteem: iets bereiken, competentie, waardering en erkenning verwerven.
Eerst onderscheidde Maslow slechts één growth need:
self-ac-tualisation,
zelfrealisatie. Later later deelde hij deze behoefte op in vieren: twee voorsta-
dia om zelfrealisatie te bereiken:
cognitive en aesthetic, en een laag volgend
op zelfrealisatie:
ti-anscendence. Personen kunnen heen en weer springen in
deze behoeften.

5. Cognitive-, kennis vergaring, begrijpen, exploratie.

6. Aesthetic-, symmetrie, ordening en schoonheid.

7. Self-actualisation: zelfvoldoening vinden en het realiseren van de eigen
potenties.

8. Transcendence-, anderen helpen om zelfvoldoening te bereiken en hun
potenties te realiseren.

Maslow\'s

Self.
Actualization

Aesthetic Needs

Hierarchy
of Needs

Need to know & Understand

Esteem Needs

Belongingness & Love Needs

Safety Needs

Physiological Needs

-ocr page 498-

\'Soms presenteer ik me als dierenarts,
soms als organisatie-adviseur\'

\'Wetenschap is betaald dwarsliggen\'

Voordat hij wordt ingeloot studeert Gert-Jan een jaar econo-
mie. Net als veel van zijn tafelgenoten komt hij in het vierde
jaar van de studie tot de conclusie dat de praktijk niet langer
\'het wenkend perspectief\' is. Gert-Jan besluit om in een
grote organisatie te gaan werken. In aanmerking komen de
farmaceutische industrie, onderzoek/onderwijs en de voe-
dingsmiddelenindustrie. Een sollicitatie bij de gemeente-
lijke vleeskeuringsdienst levert hem onmiddellijk werk op.
Tijdens zijn vijfde baan in de vleeskeuring neemt hij deel
aan de RVV-cursus persoonlijke ontwikkeling. Uit het per-
soonlijkheidsonderzoek blijkt dat de keuring niet het werk
is dat het best aansluit bij de wensen en behoeften van Gert-
Jan. Zelf had hij deze conclusie ook al getrokken, samen
met de conclusie dat hij organiseren en adviseren wel leuk
vindt.

Reden om uit te zien naar een andere baan. Dit wordt een
adviserende functie bij het Productschap Vee en Vlees.
Deze functie brengt hem in contact met alle actoren/spelers
in vleesverwerkend Nederland. Gert-Jan vervult de baan
met veel plezier. In de vrije uren studeert hij bedrijfskunde
aan de Open Universiteit.

Kennelijk doet hij zijn werk goed, want na drie jaar vraagt
vleesverwerker Sturko hem om manager te worden van een
pas-aangekocht openbaar slachthuis. Bij zijn vertrek vijf
jaar later laat Gert-Jan een goedlopende organisatie achter
met 200 medewerkers. Hij kiest dan voor een toekomst als
zelfstandig adviseur.

Op dit moment is Gert-Jan management consultant bij
Condor Advies en Begeleiding, een organisatie waarvan hij
tevens mede-eigenaar is. De opdrachtgevers van Condor
Advies en Begeleiding zijn werkzaam in de agrobusiness in
binnen- en buitenland en variëren van kleine groepjes vee-
houders, tot bedrijfsleven, overheden en semi-overheden.
Niet onvermeld mag blijven dat hij sinds driejaar met groot
genoegen voor de vierdejaarsstudenten diergeneeskunde
het keuzevak \'management\' verzorgt.

Neemt tijdens haar studie een jaar verlof, iets wat nu een sa-
battical year zou heten. Een half jaar werkt ze in een zwak-
zinnigen-instituut, de andere zes maanden trekt ze al koeien
melkend door de Verenigde Staten naar Mexico. \'In dit jaar
ontdekte ik de mogelijkheden die de studie diergeneeskunde
, biedt. Daar immers had ik geleerd hoe je koeien moet mel-
ken.\' Ze besluit om de studie af te maken, \'want het is een
goede opleiding.\' En studeren gaat haar gemakkelijk af
Rondom haar afstuderen heeft Marion wederom twijfels over
haar toekomst. Wat wil ze? Vanuit de Tropencursus krijgt ze
de mogelijkheid een jaar in India te werken. Met waterbuf-
fels. \'Dat jaar in India heeft me geleerd te relativeren. Ik ac-
cepteer het niet van mezelf om een aantal maanden niet-pro-
ductief bezig te zijn.\'

Maar de twijfel blijft. Na een aantal jaren als dierenarts bij
Inwendige Ziekten te werken gaat ze onderzoek doen bij prof
Horzinek, virologie. Marion ervaart dit als haar eerste échte
kennismaking met de wetenschap, die onmiddellijk leidt tot
een huwelijk. \'Het is wel een cultuuromslag, van koeien voe-
len naar het pipetteren van halve milliliters.\' Maar vanaf dat
moment heeft ze haar plaats gevonden: onderzoeker tussen
wetenschap en praktijk.

Marion promoveert en gaat op zoek naar een volgende uitda-
ging. Haar ambities dwingen haar de blik over de landsgren-
zen te richten. Ze schrijft een onderzoeksvoorstel en krijgt
een beurs voor onderzoek aan een top-instituut voor humane
virologie in de Verenigde Staten.

Driejaar verblijft ze in de Verenigde Staten. Een periode die
langer had mogen duren. Echter, haar partner krijgt geen
werkvergunning en er dienen zich twee banen aan. Eén voor
Marion en één voor haar levensgezel. In Nederland, in de
buurt van Utrecht. Dus terug naar ons kikkerlandje.
Binnen het RIVM is Marion nu behalve onderzoeker en afde-
lingshoofd ook coördinator van Europese onderzoeksprojec-
ten. Haar uitdaging: \'hoe krijg ik wetenschappers - die per de-
finitie eigenwijs zijn - in verschillende onderzoekscentra
zover dat ze met elkaar samenwerken in dezelfde richting?\'

-ocr page 499-

\'Meestal ben ik naarstig op
zoek naar nieuwe tests.\'
\'Ik begin blanco, ga allerlei cursussen volgen
en weet niet hoe het resultaat eruit gaat zien\'

} f» f^ •flHf-\'\'\'^

6

^ ■■ >. r ,

Annelou Hessels, afgestudeerd dierenarts, medewerker Personeel
en Organisatie, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Na het plichtmatig doorlopen van de middelbare school,
kiest Barend voor het logische vervolg: studeren. Zijn uit-
eindelijke doel daarbij is: eigen baas zijn. Dus een medische
studie. Tandheelkunde en medicijnen vallen af, het wordt
diergeneeskunde.

De eerste jaren gaat hij gewoon mee in de stampede naar
college\'s, practica en tentamens, maar in het vierde-vijfde
jaar rijst de twijfel. Tijdens zijn wachttijd werkt hij een half
jaar op een varkensbedrijf in Thailand. \'Hier ontdekte ik be-
drijfsmatig werken als \'leuk\'.

Direct na zijn afstuderen volgt Barend de Pluimveecursus,
een opleiding van een halfjaar. Hij ervaart deze cursus als
het meest interessante deel van zijn opleiding. \'Daar leerde
ik veel, ging ik de diepte in. Ik zag wat ik als practicus kon
betekenen voor een bedrijf.\'

Zijn professionele loopbaan begint hij met waarnemingen
in dierenartsenpraktijken. \'Dit is het niet\', besluit hij, en
vindt vervolgens een baan als dierenarts bij Euribrid, een
pluimveefokkerijketen. Veel van zijn tijd vertoeft hij in het
buitenland.

Tijdens zijn jaren bij Euribrid ontdekt Barend de uitdaging
van diagnostiek. Met name de interpretatie fascineert hem.
Door een toevallige ontmoeting leert de firma Idexx hem
kennen. Idexx is een Amerikaans bedrijf dat snel-dia-
gnostica ontwikkelt en verkoopt. Hij wordt gevraagd en
gaat werken voor Idexx. Als verkoper en technisch-adviseur
van sneltests voor pluimvee. Wederom een internationale
baan.

Acht jaar later richt Barend zijn eigen bedrijf op, samen met
twee anderen. Ieder neemt zijn eigen deel in het voortbren-
gingsproces van deze organisatie: van ontwikkeling van een
test, tot verkoop en toepassing in de praktijk. \'Wij komen na
de wetenschap.\' Doeldieren: landbouwhuisdieren.
Hij is nu dus eigen baas, iets wat hij altijd al wilde. Deze
zelfbeschikking, samen met verkopen en duidelijke ant-
woorden geven zijn de uitdagingen waar Barend zijn bevre-
diging in vindt, in zijn huidige arbeidssituatie.

Annelou\'s werkzame leven als dierenarts begint op de Faculteit
der Diergeneeskunde. Bij Bedrijfsdiergeneeskunde. In deze
vakgroep vervult ze vele functies en afwisselende taken:
Bedrijfsdiergeneeskunde Varken, Bedrijfsdiergeneeskunde
Rund, Verioskunde, onderwijs, onderzoek, advisering, en meer
Vijfjaar verder kiest Annelou ervoor om beleidsmedewerker
te worden bij de veterinaire directie van het Ministerie van
LNV Een nieuwe vaktechnische uitdaging en een nieuwe
omgeving.

Na een drietal jaren komt er een moinent van bezinning en
kiezen. Ze wil maximaal drie dagen per week werken en ze
wil een nieuwe uitdaging. Doorgroeien van teamleider naar
een hogere managementfunctie vereist vaker aanwezig zijn.
Dus gaat ze intern op zoek naar een nieuwe functie, iets wat
ook kan binnen LNV \'Dat is een van de mooie dingen van
zo\'n grote organisatie.\'

Persoonlijkheidsonderzoek toont wat ze min of meer bewust
al wist: een grote behoefte aan afwisseling, ontplooiing en
uitdaging. Reden om zichzelf te laten opnemen in een interne
pool van projectwerkers.

Sinds kort is Annelou werkzaam bij Personeel en Organisatie
(P&O) van LNV Ze zit in een team van drie personen die de
taak hebben een cultuurverandering binnen het ministerie te
structureren en tot stand te brengen. \'Ik verzin het niet alle-
maal zelf, ik organiseer het proces.\'

Ze heeft er zin in, want ze vindt veranderingen leuk en in
dit geval ook noodzakelijk. \'Ik heb dit type werk zelf opge-
zocht, op basis van mijn eigen criteria. De omstandigheden
hebben me aan deze specifieke werkplek geholpen.\'

Als kind wil Trudi veehouder worden, maar als vrouw was
het niet logisch om thuis het bedrijf over te nemen. Dus gaat
ze studeren. Fysiotherapie of diergeneeskunde. Na herhaal-
delijk uitloten voor beide studies wordt het diergeneeskunde.
De opleiding diergeneeskunde vindt Trudi erg leuk. Haar
voorkeur ligt bij landbouwhuisdieren, maar rugklachten

-ocr page 500-

\'Ik wordt chagrijnig als ik dingen moet
doen waarbij ik niet hoef na te denken\'

nopen haar om te kiezen voor de differentiatie gezel-
schapsdieren, Het zware lichamelijke werk in de landbouw-
huisdieren zal dit lichaamsdeel waarschijnlijk niet door-
staan.

Het valt echter tegen. Trudi vindt geneeskunde van gezel-
schapsdieren niet leuk. Dus solliciteert ze na haar afstuderen
bij Inwendige Ziekten op de faculteit, naar een functie als
kliniekdierenarts. Helaas kiezen ze daar voor een ander,
maar ze krijgt het aanbod een promotie-onderzoek te doen
bij vleeskalveren.

\'Laten we dat maar eens doen\', besluit ze en ze gaat aan de
slag. Een moeizame slag, want naast het onderzoek heeft ze
te maken met een commerciële financier die zijn eigen eisen
stelt.

Na haar promotie komt ze terecht bij de faculteit Genees-
kunde. Epidemiologisch onderzoek naar de effecten van het
bevolkingsonderzoek op borstkanker. Bepaalde aspecten
vindt Trudi erg leuk, maar ze heeft moeite met bevrediging te
vinden. Te vaak het gevoel van \'wat heb ik nou gedaan van-
daag?\' Gaandeweg gaat ze onderwijs geven, iets waar ze veel
plezier aan beleeft.

Dan droogt de geldstroom op voor haar onderzoek en moet
ze uitzien naar een nieuwe baan. Men tipt haar voor een va-
cature van studieadviseur en ze besluit om er achteraan te
gaan. Een van de redenen is dat ze te veel twijfels blijft hou-
den over het onderzoek. Ze vraagt zich of er ander werk is,
dat beter bij haar past.

En dan heeft ze het gevonden. Het studie-adviseurschap
blijkt bij haar te passen. Leuk werk, in een team, met studen-
ten. Driejaar lang verricht Trudi deze arbeid bij de Genees-
kundige Faculteit, vervolgens stapt ze over naar Diergenees-
kunde,

\'De cultuur bij Diergeneeskunde past beter bij me, de con-
tacten lopen lekker,\' Het feit dat ze dierenarts is maakt over-
leg met andere dierenartsen gemakkelijker. En ook de om-
gang met studenten loopt soepeler doordat die weten dat ze
zelf de studie ook doorlopen heeft.

Het leukste vindt Trudi studiekeuze-advisering. Studenten
die worstelen met de keuze voor een differentiatie, \'Ik weet
daar de nuances en emoties te benoemen. Ik voel mee,\'

Interactie voeding en diergeneesmiddelengebruik

Take it easy, maar vergeet het niet\'

Het Panel Voeding en Diëtetiek Gezelschapsdieren heeft
als doel ervaringen, ideeën en kennis van praktiserende
dierenartsen op het gebied van voeding van gezelschaps-
dieren, te toetsen aan de kennis en inzichten van specia-
listen. Het is een initiatief van Leo Pharma.
De vaste kern van het forum bestaat uit een zevental
practici. Hun gesprek wordt gestructureerd door de in-
breng van wetenschappers en specialisten, in de vorm
van voordrachten en een bijdrage aan de discussie.
Tevens wordt gediscussieerd aan de hand van stellingen,
onder leiding van een dagvoorzitter.

Tijdens deze bijeenkomst op 19 september 2000 zijn aan-
wezig (s,s,t,t,): de praktiserende dierenartsen LE. van
Alten, R,W,F. Becking, R.H, Gijsman, H, van Rossem, j,A.
Terwee, j,G, van Spanje en A,C, Stolp, vanuit de Afdeling
Veterinaire Farmacie, Farmacologie en Toxicologie van de
Faculteit der Diergeneeskunde], Fink-Gremmels, namens
Leo Pharma A,F,G.M. Daalder en j,M, Kurstjens, En voor
de verslagleggingj.H,j,L, Hulsen.

De interactie tussen dieetvoeding op diergeneesmiddelenge-
bruik, daar wil ik vanavond met deze groep over praten. Aan
het woord is mevrouw dr, Johanna Fink-Gremmels, hoogle-
raar veterinaire farmacologie, farmacie en toxicologie aan
de Faculteit der Diergeneeskunde in Utrecht,
Mevrouw Fink gebruikt de verschillende voedingscompo-
nenten als leidraad in haar voordracht, zoals eiwitten en mi-
neralen, Een verschuiving van de nutriënten in de voeding
kan invloed hebben op de kinetiek van diergeneesmiddelen.
Maar bij mijn bespreking van deze interactie mogen we ook
de lichamelijke toestand van de patiënt niet uit het oog ver-
liezen, benadrukt mevrouw Fink,

Eiwit

Diëten met een verlaagd eiwitgehalte hebben ondermeer tot
doel de belasting van lever en nieren te minimaliseren. Deze
voeding wordt voor dit doel toegepast bij lever- en nierpati-
ënten en bij dieren met bepaalde vormen van urolithiasis.
Ook patiënten met eiwitallergieën kunnen om therapeuti-
sche redenen dit type voeding krijgen.
Een belangrijk gevolg van een eiwitarm dieet is verlaging
van het serumeiwitgehalte. Een effect dat vooral bij lever- en
nierpatiënten duidelijk aanwezig is, doordat deze dieren ten

-ocr page 501-

gevolge van hun primaire aandoening vaak al een verlaagde
serumeiwitspiegel hebben.

We moeten ons realiseren, legt mevrouw Fink uit, dat een ver-
laagd eiwitgehalte in het bloed gevolgen heeft voor de farma-
cokinetiek van diergeneesmiddelen. De meeste farmaca zijn
immers in het bloed aanwezig in deels een vrije vorm en deels
in een eiwitgebonden toestand. De vrije fractie van een far-
macon is tevens de effectieve fractie. Het gebonden deel dient
als \'buffer\' en bepaalt mede het doseringsinterval. Albumine
is het belangrijkste \'farmaca-bindend\' eiwit in het bloed.
Verlaging van het totale eiwitgehalte in het bloed kan een
toename van de vrije fractie van een diergeneesmiddel tot
gevolg hebben. Een relatieve overdosering kan hiervan het
gevolg zijn, gevolgd door een toename van ongewenste bij-
werkingen/toxiciteit met name bij farmaca met een beperkte
therapeutische breedte. Dit effect is met name aanwezig bij
stoffen die een sterke eiwitbinding als kenmerk hebben, zo-
als digoxine en phenytoïne (zie schema). Bij gedigitaliseerde
patiënten geeft een digoxinebepaling in het bloed goede in-
formatie over de effectieve dosering (mits de vrije fractie van
digoxine wordt bepaald).

Schema: Toename van de vrije fractie van phenytoïne en digoxine bij een gedaalde
plasma.eiwitbinding, bijvoorbeeld door hypoproteïnemie.

Farmacon

NoriTiale

plasmaeiwitbinding

Toename vrije fractie
bij 75% eiwitbinding

Phenytoïne

90%

x2,5

Digoxine

96%

X6.25

Mevrouw Fink noemt tevens de combinatietherapie van een
NSAID en sulfonamiden \'ongelukkig\' bij een patiënt met
hypoproteïnemie, vanwege een interactie op biotransforma-
tieniveau. Daarnaast benadrukt ze dat de dynamiek (en het
optreden van bijwerkingen) van bepaalde farmaca, zoals
NSAID\'s, bij patiënten sterk beïnvloed kan worden dooreen
verminderde uitscheiding ten gevolge van een lage urine-pH
(zie verderop in dit verslag).

Bepaalde farmaca, waaronder clomipramine (clomicalm®),
hebben een relatief constante eiwitbinding ook bij hypopro-
teïnemie. Deze stoffen binden zich namelijk aan het eiwit cx-
zuurglycoproteine, dat bij hypoproteïnemie relatief veel
minder snel in concentratie daalt dan albumine.

Mineralen

Een aantal dieetvoedingen bevat een specifieke mineralen-
samenstelling. Dit betreft bijvoorbeeld nierdiëten, struviet-
diëten én voeding voor de jonge hond.
Zolang dit soort diëten geen invloed heeft op de pH van de
urine, zal het ook geen klinisch relevante invloed hebben op
de kinetiek van diergeneesmiddelen, stelt mevrouw Fink.
Geen aandachtspunt dus voor de dagelijkse praktijk.
Voeding voor de jonge hond is daarentegen wel een punt van
aandacht. Deze voeding bevat een hoger gehalte aan cal-
cium, dat complexen kan vormen met bepaalde farmaca.
Deze complexvorming treedt op bij orale toediening van te-
tracyclinen en fluoroquinolonen (enrofloxacine, marbo-
floxacine, en andere). Daardoor daalt de biologische be-
schikbaarheid van deze middelen.

Vetten en vezels

Het vetgehalte in de voeding heeft invloed op de passage-
snelheid en op de resorptie van vetoplosbare stoffen. Hoe
meer vet, hoe groter de passagesnelheid.
Vetarme diëten worden toegepast ter bestrijding van overge-
wicht ofwel in het geval van exocriene pancreas insufficiën-
tie (EPI). Een dieet voor een EPI-patiënt heeft meestal kool-
hydraten als vervangende energiebron. Afslankdiëten
bevatten veel vezels en geen alternatieve energiedragers.
Een laag vetgehalte in de voeding vermindert de resorptie
van lipofiele farmaca. Dit effect wordt in meer of mindere

\'Een laag vetgehalte in de voeding
vermindert de resorptie van lipofiele farmaca.\'

mate gecompenseerd door de tragere passagesnelheid, waar-
bij de vezels in afslankdiëten op hun beurt de passagesnel-
heid weer verhogen.

Ergo: een laag vetgehalte in de voeding vermindert de re-
sorptie van lipofiele farmaca. Dit effect is duidelijk waarge-
nomen bij lufenuron (20-30% daling resorptie). En het mag
ook verwacht worden bij bijvoorbeeld ketoconazol, griseo-
fulvine en bij de vetoplosbare vitamines A, D, E en K.
De vezels in een afslankdieet kunnen bepaalde farmaca bin-
den. Dit mechanisme is bijvoorbeeld bekend van NSAID\'s
en plantaardige vezels. Pas in de dikke darm worden de ve-
zels gemetaboliseerd en komt de werkzame stof vrij voor re-
sorptie. Het netto-effect is dat het beoogde therapeutisch re-
sultaat langer op zich laat wachten. Dierenarts en eigenaar
moeten hierbij gewoon geduldig zijn en zeker niet de dosis
gaan verhogen. Met name bij paarden kan dit fenomeen op-
treden, vanwege hun langere darmstelsel en hogere dikke
darmfermentatie.

Urine-pH-beïnvloeding

Nu zijn we bij het belangrijkste onderdeel van mijn voor-
dracht, stelt mevrouw Fink, als ze begint met het bespreken
van de urolithiasisdiëten. Patiënten met blaasgruisproble-
men krijgen regelmatig meerdere diergeneesmiddelen in
combinatie met een urine pH-beïnvloedend dieet. Ze lopen
immers het risico van een ascenderende blaasontsteking
(antibiotica) en vaak hebben ze pijnklachten (NSAID).
De effectiviteit van de nieruitscheiding van farmaca hangt
sterk af van de pH van de urine. Hoe minder geïoniseerd far-
macon in de urine, hoe lager de nierexcretie. Alle NSAID\'s
zijn zwakke zuren, die bij een lage pH dus niet geïoniseerd

\'Gedurende NSAID-medicatie kan een sterke
daling van de urine-pH leiden tot nierbeschadiging.\'

zijn. Hun excretie loopt daardoor duidelijk terug, met het ri-
sico van relatieve overdosering! (Zie tabel I)

Het risico op toxische effecten van NSAID\'s wordt boven-
dien versterkt door de nefrotoxiciteit die deze stoffen intrin-
siek in zich dragen. Hoge lokale concentraties veroorzaken
irreversibele beschadigingen van de proximale tubuli (eiwit
in urine aantoonbaar). Tengevolge van langdurig gebruik of
ongewenst hoge concentraties in de nier, kan er vervolgens
een nierpapilnecrose ontstaan met klinische symptomen van
nierinsufficiëntie.

We moeten ons in dit kader terdege realiseren dat een stru-
vietoplossend dieet leidt tot een daling van het plasma-eiwit-
gehalte, die in de loop van zes tot acht weken duidelijk

-ocr page 502-

Tabel i. ïonisatiepercentage van zwakzure farmaca in urine bij verschillende pH\'s.

% geïoniseerd (= % dat wordt uitgescheiden)

Urine-pH

Farmacon met pKa 3

Farmacon met pKa 5

7,4

100

99,6

5

99

50

4

91

9

3

50

0.09

wordt. Dit proces versterkt de toename van de vrije fractie
van een farmacon in het bloed en door de gedaalde urine-pH
kan het farmacon ook moeilijk uitgescheiden worden \'En
vanwege die plasma-eiwitdaling moet dus een patiënt na zes
weken struvietoplossend voer gegeten te hebben, over op
onderhoudsvoeding\', vat een panellid samen.
Mevrouw Pink geeft een aantal aanwijzingen voor verant-
woord gebruik van NSAID\'s bij patiënten met mogelijk een
lage urine-pH. De fysiologische pH van urine is ± 7.2.
Allereerst raadt ze aan om het doseringsschema aan te pas-
sen aan de urine-pH. De dierenarts dient hiertoe de urine-pH
te meten. Vervolgens vertelt de pKa van het NSAID hoe
hoog de ionisatiegraad is bij de gemeten urine-pH. De ver-
wachte daling in uitscheiding moet de dierenarts compense-
ren in de vorm van een verlenging van het doseringsinterval.
De dosering dient gelijk te blijven!

Ten tweede hoort elke eigenaar van een patiënt die of langdu-
rig NSAID\'s krijgt (let op, slechts enkele NSAID\'s zijn voor
langdurige toepassing geschikt, zie bijsluiter), of een hoge
dosering, een voedingsadvies te krijgen. Deze dieren dienen
altijd dezelfde voeding te ontvangen, zonder tussendoortjes.
Een eenmalige verstrekking van een flinke hoeveelheid ta-
felresten kan een dusdanige daling van de urine-pH tot ge-
volg hebben, dat de patiënt (blijvende) nierschade oploopt.
Mevrouw Pink meent dat een groot deel van de bijwerkingen
van NSAID\'s het gevolg zijn van een (soms maar tijdelijke)
extreme pH-daling van de urine.

Bovenstaand verhaal geldt ook voor andere farmaca, waar-
onder furosemide. Furosemide is eveneens nefrotoxisch en
heeft een lage pKa.

Hartdiëten zijn in potentie urine-verzurend, maar bevatten

Tabel 2. Urine-pH en optimale antibacteriële activiteit van antibiotica.

Urine-pH

Antibioticum

5,5

6,0

6,5

7,0

7,5

8,0

Ampicilline

Amoxicilline
clavulaanzuur

Cephalothin

Clindamycine

Gentamicine

Nitrofurantoïne

Sulfonamides

Oxytetracycline

Flumequine

Fluoroquinolonen

-f-

= optimale antibacteriële activiteit.

een buffer waardoor de urine-pH fysiologisch blijft. De eige-
naar moet daarom nadrukkelijk te horen krijgen dat een pati-
ënt onder furosemide-behandeling alleen maar hartdieet te
eten dient te krijgen.

Bij patiënten met een blaasontsteking is het waardevol om de
urine-pH te meten, in verband met de keuze van het meest
geschikte antibioticum. Elk antibioticum heeft een optimale
pH, waarbij het zijn hoogste antibacteriële werking bereikt
(zie tabel 2).

Afsluiting

Mevrouw Pink sluit deze bijzonder leerzame bijeenkomst af
met de opmerking:
take it easy, maar vergeet het niet.
Anders gezegd: in het merendeel van de gevallen heeft het
dieet geen klinische invloed op medicijngebruik. Maar een
serieuze dierenarts dient te weten welke risico\'s er in dit ka-
der bestaan en moet hier preventief op inspelen.

Peerdepieten op 8 juli

De 44e editie van Peerdepieten vindt plaats op zondag 8 juli 2001, op Draf- en Renbaan Duindigt. De oorspron-
kelijke datum van 6 mei kon niet doorgaan wegens de MKZ-crisis. Het DSK-bestuur 2000-2001 vond het niet
gepast om met alle veterinaire studenten een feestdag te houden in zulke onzekere tijden. Echter, het lijkt erop
dat de crisis zich stabiliseert en dus heeft het DSK-bestuur in overleg met Draf- en Renbaan Duindigt besloten
de Peerdepietendag te verzetten naar 8 juli.

-ocr page 503-

Bij de Verkiezing Agrarisch Opleidingsbedrijf 2001 is
door de sectorale jury Dierverzorging Dierenkliniek
Biltstraat gekozen tot beste opleidingsbedrijf in de sec-
tor voor het jaar 2001. Het is de vierde keer dat Lobas
deze verkiezing organiseert. Op deze manier wil Lobas
de aandacht vestigen op bedrijven die meer dan ge-
middeld aandacht besteden aan het opleiden van toe-
komstige medewerkers.

De jury, bestaande uit J. Govers (Nederlandse Vereniging
van Dierentuinen), G.H. Meijer (FNV Bondgenoten) en E.
Betlehem (IPC Dier) heeft Dierenkliniek Biltstraat geko-
zen omdat dit bedrijf de leerling een groot aantal oplei-
dingsmogelijkheden biedt. De leerlingen worden begeleid
door een zeer gemotiveerde praktijkopleider, maar ook de
overige medewerkers zijn zeer enthousiast. Het opleiden
vindt gestructureerd plaats, van kennismakingsgesprek tot
eindbeoordeling. De prijs voor het beste opleidingsbedrijf
bestaat uit een certificaat, een beeldje en een geldprijs.
Dierenkliniek Biltstraat van dierenartsen Simon Kleinjan,
Helen Kokmans en Kitty van der Zijden, is een gezel-
schapsdierenpraktijk in het centrum van Utrecht. Er wordt
aan leerlingen van alle niveaus mogelijkheden geboden
om praktijkervaring op te doen.

Tevens genomineerd waren Burgers\' Zoo uit Arnhem - een
opleidingsplaats waar veel te leren valt en waar het oplei-
den goed gestructu-
reerd is - en Dieren-
artsenpraktijk Knibbe
en Bouwman in
Landsmeer. Bij deze
gemengde praktijk
krijgen de leeriingen
een goed beeld van de
diversiteit van de prak-
tijk, waarbij vooral de
romantiek en het om-
gaan met dieren een
plek krijgt.

Dierenkliniek Biltstraat uit Utrecht
beste opleidingsbedrijf in Dierverzorging

Biomedisch onderzoek op kleinere apen blijf helaas noodzakelijk

Proeven op chimpansees stoppen

De medische proeven van het Biomedical Primate
Centre (BPRC) op chimpansees moeten stoppen. In het
belang van de volksgezondheid blijft onderzoek op klei-
nere apen echter noodzakelijk. Zowel voor onderzoek
naar hepatitis, malaria, tuberculose, reuma, multiple
sclerose, Alzheimer, Parkinson en onderzoek naar het af-
stoten van transplantaten zijn geen alternatieven voor-
handen. Minister Hermans van OCenW komt tot deze
conclusies op basis van een advies van de Koninklijke
Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW)
naar nut en noodzaak van medische proeven op apen.
Hermans wil al het mogelijke doen om het gebruik van
proefdieren te verminderen. Hij blijft het onderzoek
naar alternatieven voor dierproeven stimuleren en het
BPRC zal moeten aantonen dat zij alleen de hoogst
noodzakelijke proeven op verantwoorde wijze doet.

Hermans wil het aantal proeven op apen zo snel mogelijk
verminderen en de leefomstandigheden van de apen verbe-
teren. Vorig jaar oktober heeft hij 15 miljoen gulden be-
schikbaar gesteld voor betere huisvesting van apen in het
BPRC. De huisvesting voldoet aan de huidige regels maar
is verouderd. Een begeleidingscommissie waarin direc-
teuren van onder andere Artis en de Apenheul en de betref-
fende Inspectie zijn vertegenwoordigd, buigt zich momen-
teel over de nieuwbouwplannen.

Twee jaar geleden pleitte de Raad voor Gezondheids-
onderzoek nog voor het behoud van chimpansees voor
onderzoek naar malaria, hepatitis C en HIV. Op basis van
het KNAW-advies concludeert minister Hermans nu dat
proeven op chimpansees in Nederiand niet meer nodig
zijn.

In het belang van de volksgezondheid blijft biomedisch
onderzoek op kleinere apen nodig. De KNAW verwacht
niet dat hiervoor op korte termijn alternatieven beschik-
baar komen. In 1999 schreef de Raad voor
Gezondheidsonderzoek al dat niet zozeer de totale be-
hoefte aan kleinere apen groeit, als wel de behoefte aan
apen waarvan de eigenschappen goed in kaart zijn ge-
bracht. Het BPRC beschikt over zo\'n groep kleinere apen
die onmisbaar is voor het biomedisch onderzoek in
Nederland.

Het BPRC huisvest in Rijswijk ongeveer 1600 apen, waar-
onder ruim 100 chimpansees.

-ocr page 504-

Oene, 1 mei 2001 - Ten gevolge van de mond- en klauw-
zeeruitbraak (MKZ) van medio maart in het dorp Oene
zijn niet alleen vele veehouderijbedrijven maar ook een
groot aantal dierenartsenpraktijken meer of minder ern-
stig getroffen.

De praktiserende dierenartsen zijn - door het gebrek aan
informatie - vanaf het begin van de uitbraken geconfron-
teerd met een prominente positie als vraagbaak en praat-
paal voor de getroffen boeren en andere bezitters van die-
ren, hetgeen veel van hun krachten heeft gevergd.
Daarnaast hebben zij als geen ander in het front gestaan
bij de bestrijding van het MKZ-virus, welke bestrijding
als ultieme actie heeft het op grote schaal euthanaseren of
voor de slacht afvoeren van betrokken dieren.

enige steun te boeken.

Om deze bundeling van krachten gestalte te geven, is de
Werkgroep Getroffen MKZ-Dierenartsen \'Groot Oene\' op-
gericht. Het doel van de werkgroep is het gezamenlijk behar-
tigen van de belangen van de getroffen dierenartsen op fi-
nancieel, organisatorisch en psychisch gebied. De
deelnemers aan de werkgroep zijn voorlopig nog afkomstig
uit het gebied \'Groot Oene\', maar vanzelfsprekend zijn ook
andere getroffen dierenartsen en praktijken van harte wel-
kom om in deze werkgroep te participeren. De werkgroep
geniet de steun van de KNMvD.

Oproep MKZ-getroffen dierenartsen

Werkgroep CetrofFen MKZ-Dierenartsen \'Groot Oene\' opgericht

Dit alles is gepaard gegaan - en gaat nog steeds gepaard - met
veel verzet, met veel emotie, met veel gevoelens van span-
ning, van verlies en van verdriet, hetgeen ook de dierenart-
sen niet in de koude kleren gaat zitten.
Vervolgens is voor een groot aantal dierenartsen in de getrof-
fen gebieden - na het voltooien van de bestrijdingscampagne
- hun landbouwhuisdierenpraktijk van de kaart geveegd, het-
geen voor de betrokken dierenartsen opnieuw een slag bete-
kent. Vergelijking met de varkenspestuitbraken heeft geleerd
dat het niet eenvoudig is om aan deze situatie het hoofd te
bieden.

Onrechtvaardig

Vooralsnog wordt deze ontwikkeling
als een normaal \'bedrijfsrisico\' ge-
zien en zijn er geen voorzieningen be-
schikbaar om de getroffen dierenart-
sen op welke wijze ook maar te
ondersteunen.

Dit feit wordt door de getroffenen als
bijzonder onrechtvaardig gevoeld,
vooral omdat het non-vaccinatiebe-
leid nooit op veterinaire steun heeft
kunnen rekenen. Veel practici hebben
reeds initiatieven ontwikkeld om
deze situatie op einge wijze te beïn-
vloeden, veelal echter zonder resul-
taat.

Krachten bundelen

Tijdens een bijeenkomst op 18 april
2001, op initiatief van Dierenartsen-
praktijk Twello, is besloten om de
krachten zoveel mogelijk te bundelen,
teneinde een voor allen zo goed mo-
gelijk resultaat bij het verkrijgen van

Werkgroep
Getroffen
MKZ-Dierenartsen
Groot-Oene

Meer informatie

Het bestuur is als volgt samengesteld:
Arie Plaisier (DAP Heerde-Epe),
Hans Bergefurt (DAP Twello),
Willem Mulder (DAP Hattem) en
Michel Schoolmeesters (DAP
Vaassen). De werkgroep is bereikbaar
via de secretaris: Hans Bergefurt,
Donizettiplaats 50, 7391 SP Twello,
telefoon: 0571 - 274569, e-mail: dap-
twello@hotmailcom.

-ocr page 505-

Wie is de gebeten hond?

Wettelijke aansprakelijkheid bij schade door dieren deel 4

Waar de voorgaande artikelen zich bezighielden met
aansprakelijkheid voor schade die door een dier wordt
veroorzaakt, wordt in deze aflevering een zijspoortje be-
wandeld. Schade is niet altijd aan het dier te wijten, ook
een dierenarts kan aansprakelijk worden gesteld voor
een dosis ellende.

laira Boissevain

Risico en schuld

Wettelijk is er een verschil tussen aansprakelijkheid op grond
van een risico, en aansprakelijkheid op grond van schuld.
Aansprakelijkheid voor dieren is gebaseerd op het risico van
\'eigenaar-zijn\'. Ook alsje er niets aan kon doen ben je aanspra-
kelijk voor de schade. Dit is vergelijkbaar met de aansprake-
lijkheid voorkinderen en werknemers. Zelfs al wasje erniet bij
toen je zoontje (of secretaresse) een voetbal door de ruit van de
buren schoot, je bent toch aansprakelijk. Dat is het risico van
ouder, werkgever of eigenaar van een dier zijn.
A Is een dierenarts aansprakelijk wordt gesteld voor schade aan
de door hem behandelde dieren, ligt dat anders. Als vaststaat
dat de dierenarts een fout heeft gemaakt (onrechtmatig heeft
gehandeld) moet allereerst vaststaan dat deze fout aan de die-
renarts kan worden toegerekend (schuld). Bij
alle schadepro-
cedures, door dier of mens, moet bovendien worden aange-
toond dat de schade daadwerkelijk en direct verband houdt met
de gemaakte fout (of met de gedraging van het dier).

Overdosis medicijnen

Deze vragen stonden centraal in een rechtszaak waarin voeder-
fabrikant A het mesten van een aantal kalveren had uitbesteed
aan B. De kalveren werden ziek. B belde dierenarts C, die tele-
fonisch furazolidon voorschreef en meteen doorgaf in welke
dosering dat moest worden toegediend. Kalvermester B haalt
het middel op bij een groothandel en geeft het aan de kalveren.
In de twee dagen daarna sterven bijna 300 kalveren aan een fu-
razolidon-vergiftiging die vermoedelijk te wijten is aan een
flinke overdosering. Het wordt niet duidelijk of de dierenarts
nu de goede dosering heeft doorgegeven of niet. Dat is bij een
telefonisch voorschrift nauwelijks meer te achterhalen.

Aansprakelijk

Voor voederfabrikant A is dit uiteraard een flinke financiële
strop, waarvoor A dierenarts C aansprakelijk stelt. Zijn slor-
dige telefonische voorschrift is volgens A de oorzaak van de
sterfte van de kalveren. A is van mening dat dierenarts C een
zogenaamde \'onrechtmatige daad\' heeft gepleegd, en de
schade moet vergoeden.

De Rechter

De zaak wordt uitgevochten tot aan de Hoge Raad, waarbij tij-
dens de gehele procedure de nodige deskundigen worden ge-
raadpleegd. Deze deskundigen zijn van mening dat de dieren-
arts niet \'lege artis\' (volgens de regelen der kunst) heeft gehan-
deld door:

• de afgifte van de medicijnen door de groothandel niet te con-
troleren;

• de dosering van de medicijnen niet te begeleiden en na te la-
ten om met de kalvermester de hoeveelheid toe te dienen me-
dicijnen te berekenen en af te wegen;

• uitsluitend telefonisch een gebruiksvoorschrift te geven.

De deskundigen zijn wel van mening dat de dierenarts de feite-
lijke toediening van de medicijnen niet had hoeven controle-
ren.

Op grond van de mening van deze deskundigen oordeelt de
rechter dat dierenarts C inderdaad onbehoorlijk heeft gehan-
deld, met andere woorden: een onrechtmatige daad heeft ge-
pleegd jegens A en B. Dat is echter niet voldoende om C ook te
veroordelen tot schadevergoeding. Volgens de rechter is er
geen (of te weinig) causaal verband tussen de omissies in het
handelen van C en de kalversterfte. Tenslotte zijn de kalveren
bezweken aan de dosering die hen door B. was toegediend. De
onzorgvuldigheid van de dierenarts houdt geen verband met de
feitelijke overdosering door B, er is geen causaal verband.
Daarmee is er ook geen causaal verband tussen de handelwijze
van dierenarts C en de schade door sterfte van de kalveren.
Redelijkerwijs kan de schade niet aan de dierenarts worden
toegerekend, zodat de dierenarts ook geen schadevergoeding
hoeft te betalen.

Causaal verband

Ook bij aansprakelijkheid voor schade door dieren geldt dat er
een causaal verband moet bestaan. Bij aansprakelijkheid op
grond van de zogenaamde \'onrechtmatige daad\' moet echter
ook de schuld worden aangetoond. Staat het verband tussen
handelen en schade niet vast, dan houdt een vordering tot scha-
devergoeding geen stand.

-ocr page 506-

In de Europese Unie is besloten de
huidige vorm van batterijkooien
voor leghennen af te schaffen. De
EU ondersteunt daartoe de ont-
wikkeling van alternatieve huis-
vestingsvormen. Het risico voor
verenpikken is een belangrijk ob-
stakel voor de grootschalige intro-
ductie van alternatieven zoals
scharrelhuisvesting, volièrehuisvesting en andere grond-
systemen. Temeer daar in Nederland is besloten ook het
snavelkappen te verbieden.

Met financiële ondersteuning van de Europese Unie en het
ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij werd een
intemationaal, multidisciplinair onderzoeksproject uitge-
voerd. Naast ID-Lelystad werd het onderzoeksconsortium ge-
vormd door onderzoeksinstellingen uit Zweden en het
Verenigd Koninkrijk en fokbedrijven uit Nederiand en
Duitsland. De resultaten van dit onderzoek hebben bijgedra-
gen aan het begrip van de achtergronden van dit gedragspro-
bleem en bieden aanzetten tot strategieën om verenpikken en
kannibalisme te verminderen.

De resultaten worden gepresenteerd in Zweden, Nederland en
Schotland op respectievelijk 1, 5 en 7 juni 2001. Vanwege de

Resultaten van een EU-onderzoeksproject

MKZ-situatie zal de studiemiddag op 5 juni niet plaatsvinden
bij ID-Lelystad maar in Hotel Mercure in Lelystad. De inlei-
dingen en de discussie zullen geheel in het Engels plaatsvin-
den.

Programma

Het programma begint om 12.30 uur met een lunch. Na de
introductie door dr. Harry Blokhuis, hoofd van het onder-
zoekproject binnen Nederland, is er een lezing van dr. Ingrid
de Jong (ID-Lelystad) over \'Physiological and behavioural
characteristics of birds showing low or high feather pecking\'.
Vervolgens houdt dr. Bryan Jones (Roslin) een verhaal over
\'Environmental enrichment and the development of pecking
devices\'. Na de koffiepauze is er een lezing van dr. Linda
Keeling (Swedish University of Agricultural Sciences, Skara)
met als onderwerp \'Do chickens learn feather pecking from
other birds?\' De laatste spreker is prof Rudolf Preisinger
(Chief geneticist, Lohmann Tierzucht, Germany), die een le-
zing houdt over \'Recommendations for the future from a
breeder\'s perspective\'. Rond 16.15 uur is het tijd voor conclu-
sies en discussie.

M)or informatie en registratie kunt u contact opnemen met Ida
Sebens bij ID-Lelvstad (i.e.sebens@id.wag.w:nl of telefoon:
0320-238264).

Congres Gedrag in Beeld

De verschillende soorten gedragstesten die er bestaan voor
honden, hebben allemaal een duidelijke doelstelling: een
goede baas zoeken, een fokselectie maken, analysering van
probleemgedrag, geschiktheid voor een bepaalde functie,
enzovoort. Verschillende doelstellingen vragen om een an-
dere test, maar er zijn ook gemeenschappelijke eisen, zoals
standaardisering, vaststelling van terminologie, definië-
ring van eigenschappen, en validering.

In het congrescentrum \'Bergse Bossen\' te Driebergen wordt
door de Nederiandse vereniging van gedragstherapeuten voor
honden, Alpha, het congres \'Gedrag in Beeld\' gehouden. Het
congres vindt plaats op 17 juni 2001 en benadert de problema-
tiek rond het testen van honden vanuit de diverse invalshoeken.
Het accent ligt hierbij op de bruikbaarheid van testen. Onder
andere Sacha Gaus (asiel, training en opvoeding) en Thijs van
Dijk (rasvereniging Hollandse Herders) zullen probleemstel-
lingen neerleggen. Daama zal tijdens lezingen naar voren ge-
bracht worden wat voor alle testen van belang is. Met hier en
daar een uitstap naar specifieke problemen, met name naar het
fokbeleid. Het einddoel is antwoord te kunnen geven op de vol-
gende vragen:

• Is een valide en betrouwbare test mogelijk in het kader \\\'an
verschillende doelstellingen?

• Is één standaard test voor meerdere doelstellingen mogelijk
of moetje differentiëren per ras?

• Hoe kan aan de vraagstellers de helpende hand geboden wor-
den?

Forumdiscussie

Aan de forumdiscussie zullen alle sprekers deelnemen, maar
ook kunnen enkele vragen uit het publiek worden besproken.
Etholoog, socio-ecoloog Willem J. Netto is dagvoorzitter en
leidt de forumdiscussie. De bioloog G. van Oortmerssen zal
een verhandeling geven over het fenomeen gedrag zelf Frank
Coopman, een geneticus uit België zal uitleggen hoe fok-
waarden werken en hoe zij ten aanzien van gedrag bepaald
kunnen worden. De psycholoog Kurt Audenart, eveneens uit
België, zal spreken over de prefrontale cortexdisfunctie waar-
bij met een scanningmethode abnormaal agressief gedrag als
gevolg van deze disfunctie kan worden aangetoond. Hij werkt
met mensen en met honden en heeft ten aanzien van deze af-
wijking dus een absolute meetmethode. Uiteraard kan een uit-
gebreide verhandeling over het opzetten van gedragstesten niet
ontbreken: Jenny Bminsma zal spreken over het opzetten van
een test, qua methodiek, standaardisering, validatie en vooral
ten aanzien van de vraag watje nu eigenlijk test en wil testen.

De kosten bedragen 140 gulden voor niet-leden en 110 gul-
den voor (aspirant)leden en donateurs, inclusief koffie,
thee en lunch. Deelname op volgorde van binnenkomst van
betaling en inschrijving. Meer informatie: Marian
Geytenbeek, e-mail: mariangeytenbeek@hetnet.nl, tele-
foon: 0342 -462504.

-ocr page 507-

Met steeds meer interesse lees ik de
rapportages van het Tucht college in
het Tijdschrift voor Diergenees-
kunde. Waren het in het begin nog za-
ken waar je met vertrouwen van vond
dat een collega zijn of haar boekje te
buiten was gegaan, sinds ongeveer
een jaar of twee zitten er steeds meer
gevallen tussen die vragen oproepen.

Nachtelijke euthanasie

In het geval van de nachtelijke euthanasie (TvD: deel 126, afle-
vering 7) bijvoorbeeld, rijst de vraag: Mag een dier geen na-
tuurlijke dood sterven (en een mens wel)? Hoe erg was het lij-
den van het dier voor en na twee uur \'s nachts? Wat heeft zich
afgespeeld in de communicatie tussen dierenarts en eigenaar,
die nacht, daarvoor en ema? Doen deze zaken er wel of niet
toe?

Dat roept weer nieuwe vragen op en wel omtrent de besluitvor-
ming en het Tuchtcollege zelf Wat bepaalt de besluitvorming
(niet beïnvloed door een strafrechtelijke vervolging, maar wel
door een lokale krant?) en aan wie wordt dat verantwoord?
Hebben de dierenartsen die erin zitting hebben een goed beeld
van de hedendaagse praktijk en vertegenwoordigen ze de be-
roepsgroep? Deze laatste vraag is niet ondermijnend bedoeld,
maar meer geboren uit de assumptie dat een dierenarts in een
zeer drukke competitieve praktijk met assertieve, soms aggres-
sieve cliënten, geen tijd en misschien ook geen interesse zal
hebben voor nevenfuncties. Hij of zij, noch zijn of haar gelij-
ken, zullen zitting nemen in het Tuchtcollege. Deze groep van
dierenartsen heeft wellicht wel een verhoogde kans voor het
Tuchtcollege gedaagd te worden. Misschien zijn deze twee
aannames onjuist.

Huidige rol Tuchtcollege

Wat ook de antwoorden op bovenstaande vragen mogen zijn,
blijft toch de vraag bestaan: Wat is de huidige rol van het col-
lege? Beperkt zich die tot het wijzen op fouten of heeft het col-
lege ook een rol in conflictbeheersing, met name in gevallen
waarbij het niet puur om technische fouten gaat, maar waarbij
intermenselijke verschillen centraal staan in het conflict?
Cliënt en dierenarts leren mogelijk meer van een verzoenings-
proces dan van een gelijk of een sanctie. Of moet het college
zich daar juist niet mee bezighouden, zich concentreren op
technische beroepsfouten en de overige gevallen doorverwij-
zen naar een ander college, vergelijkbaar met een arbitrage-
commissie?

Ervan uitgaande dat de stelling \'waar gewerkt wordt, worden
fouten gemaakt\' een universeel beginsel is, mag men evenwel
constateren dat hoe men daarmee omgaat, afhangt van een cul-
tureel waardensysteem. In een land als de Verenigde Staten, be-
rucht om zijn vele rechtzaken, is men niet erg tolerant tegeno-
ver het beginsel. In Zuid-Europese landen, met een Latijnse
cultuur waarin relaties tussen mensen een veel belangrijkere
plaats innemen, kan men meer tolerantie en vergevingsgezind-
heid voor menselijke fouten verwachten, ondanks de eerste
soms emotionele reacties. Kwaliteitscontrole van producten en
diensten ter bescherming van de klant is in het eerste land nave-
nant beter ontwikkeld dan in de tweede groep van landen. In
Nederland hebben de maatschappij en de cultuur zich ontwik-
keld door consensus tussen minderheden. Een consensusmen-
taliteit doet tolerantie vermoeden, maar Nederiandse consen-
sus heeft meestal betrekking op zaken, los van mensen. Hoe
moeten we in dit licht het veterinair tuchtrecht en de certifice-
ring van praktijken zien? Hoe wordt de balans gevonden tussen
cliëntbescherming en de bescherming van de beroepsbeoefe-
naar?

ingezonde

Drietal trends

Ik volg de ontwikkelingen in de diergeneeskunde op afstand,
voornamelijk via het Tijdschrift. Mij valt een drietal trends op.
Allereerst, de bovengeschetste verschuiving in tuchtzaken en
de schijnbare toename ervan (of worden er alleen meer zaken
gepubliceerd?). Tevens een nadruk op certificeringen en an-
dere kwaliteitscontrole en consument-beschermende activitei-
ten. En momenteel zeer actueel, het groeiend belang van \'dise-
ase intelligence\' vertaald in duidelijk beleid en de
verantwoording en communicatie daarover naar de maatschap-
pij . Het beroep in zijn omvang lijkt een accentverschuiving van
de technische naar de maatschappelijke rol door te maken.
Beroepsnormen en afspraken daarover worden belangrijker en
tevens ingewikkelder.

Wie bepaalt eigenlijk wat de beroepsnormen, waarden en mo-
res van de dierenarts dienen te zijn? Is dat de wet, het
Tuchtcollege, de beroepsgroep, de KNMvD, de cliënt, de maat-
schappij, de individuele praktijk, de individuele dierenarts, of
misschien een wetenschapper die zich verdiept in veterinaire
beroepsethiek en maatschappelijke waarden?
Heel veel vragen, waarvan er waarschijnlijk maar enkele direct
beantwoord kunnen worden. De overige zijn een uitnodiging
naar collega\'s. Vindt u dat dit een \'kamerbrede\' discussie be-
hoeft? Wat is uw rol in de maatschappelijke invulling van ons
beroep?

Marjan Leneman werkt bij het International Livestock
Research Institute in Nairobi, Kenia.

Tucht en onttucht, waar liggen de grenzen?

Marjan Leneman

-ocr page 508-

9 mei 2001, Wychen - In Zaal
Verploegen - dit etablissement
heeft precies de uitstraling die de
naam doet vermoeden - stroomt
een groep van dertig bestuursle-
den van de KNMvD samen voor
de jaarlijkse Besturendag. Deze
dag is bedoeld om los van alle
agenda\'s met bestuursleden van
gedachten te wisselen over onderwerpen die uitdieping
behoeven, en die het belang van één Groep of Afdeling
overstijgen. De Besturendag wordt bezocht door circa
twee bestuursleden per Groep/Afdeling en het Hoofdbe-
stuur. Vandaag staat in het teken van de waardering van
het lidmaatschap van de KNMvD. Hiernaar is zojuist een
groot onderzoek onder driehonderd leden afgerond. De
presentatie van de resultaten wordt gevolgd door discus-
sie in groepjes. De dag wordt afgesloten met een plenaire
discussie, zoals altijd onder deskundig voorzitterschap
van dr. Jan van Os.

Door Sophie Deleu

De opzet en de resultaten van het onderzoek naar de waarde-
ring van het lidmaatschap zijn te vinden in de \'voorpublica-
tie\' van het onderzoek - het definitieve rapport moet nog
worden opgesteld - in deze aflevering van het Tijdschrift (zie
pagina 400).

Niet mals

De resultaten liegen er niet om, zo blijkt uit de presentatie van
Jaap Voorsluijs en Sybe Schaap van Environs International.
We mogen weliswaar niet mopperen over het percentage die-
renartsen dat lid is van de KNMvD, maar de kans bestaat dat
met name de niet-practici massaal gaan afhaken vanwege de
prijs-kwaliteitverhouding. En de practici zijn ook niet zonder
meer tevreden. Niet omdat het lidmaatschap te duur is; zij
willen zelfs best meer betalen. Maar wel omdat zij verwach-
ten beter ondersteund te worden, vooral in de niet-veterinaire
kant van de praktijkvoering.

Het Tijdschrift voor Diergeneeskunde komt er genadig vanaf,
men leest en waardeert het. Wel zouden wetenschappelijke ar-
tikelen nog wat beter aan kunnen sluiten bij de praktijk. De
Vacaturebank is ook een topper. Het Jaarcongres daarentegen
wordt als bijzonder stoffig en oubollig beoordeeld. Jammer,
want dit congres zou natuurlijk een belangrijke ledenbinder
kunnen zijn, terwijl het nu afbreuk doet aan het imago van de
KNMvD. Gelukkig is dit een concreet resultaat, waar nog be-
trekkelijk gemakkelijk iets aan gedaan kan worden.
(Niet-praktiserende) vrouwen - zo blijkt bij nadere bestude-
ring van de resultaten - zijn zeer kritisch op bijna alle fron-
ten. Dit is een belangrijk gegeven, gezien het feit dat de vere-
niging binnen niet al te lange tijd grotendeels uit vrouwen zal
bestaan. Hoe de verhouding practici/niet-practici dan zal lig-
gen is koffiedik kijken, maar het is zeker niet gezegd dat de
verhouding hetzelfde zal blijven. Het verdient derhalve aan-
beveling serieuze aandacht te besteden aan de kritiek van
vrouwen, die nu nog in de minderheid zijn in de generatie die
het voor het zeggen heeft binnen de KNMvD.

Maatschappi

nieuw

Cultuur

De discussie in groepjes dient zich toe te spitsen op \'cultuur\'
en niet op \'structuur\' is de opdracht van Environs
International. Het is dierenartsen eigen om een probleem di-
rect te willen oplossen en het gevaar bestaat dat men vanmid-
dag een totaal nieuwe contributie- en besluitvormingsstruc-
tuur bedenkt, die net zo min voldoet. Want het werkelijke
probleem is de cultuur: traag en oubollig. Aan het werk dus
om de problemen bespreekbaar te maken. Met de ragebol
alle stokoude stofnesten te lijf, zodat er weer een frisse wind
kan gaan waaien. De KNMvD is toe aan een stevige \'grote
schoonmaak\'.

Eén groepje buigt zich over de organisatie van de KNMvD, één
over de ondersteuning, die het secretariaat van de KNMvD zou
moeten geven, één over de exteme belangenbehartiging en één
over het contributiestelsel. Deze groepsdiscussies monden uit
in een presentatie, gevolgd door een plenaire bespreking van de
resultaten en het geven van algemene aanbevelingen. De
Besturendag is altijd bijzonder nuttig - met name voor de me-
ningsvorming - maar meestal wel vrijblijvend. Vandaag echter
neemt men zich voor, echt iets te dóen met de resultaten van de
discussies. Het onderzoek wijst immers uit dat lang niet ieder-
een tevreden is over het lidmaatschap.

Verenigingsstructuur

Groep 1 wordt belast met de organisatie van de KNMvD; zeer
actueel vanwege de op handen zijnde kanteling. Een bijzon-
der democratisch systeem wordt gepresenteerd door
Marianne Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan. Het bestuur
van de KNMvD zou voortaan moeten bestaan uit vertegen-
woordigers van de Groepen, waarbij een grote Groep (met
veel leden) meer zetels zou krijgen dan een kleine Groep. Om

Er is grote behoefte aan een frisse wind door de KNMvD.

nu te voorkómen dat iemand lid is van vier Groepen en dus
vier keer vertegenwoordigd is in het bestuur, kan iemand
maar in één Groep zijn basislidmaatschap neerleggen. Een
kleine Groep kan samen met andere Groepen proberen één of
meer zetels te krijgen, of meer leden werven natuurlijk.
Leden die de belangen van de regio belangrijker vinden,
kunnen hun basislidmaatschap neerieggen in de \'Groep
Regio\' die verschillende afdelingen of \'regio\'s\' kan ver-
tegenwoordigen. (Als dit een heel belangrijke Groep gevon-
den wordt, heeft de Groep Regio veel zetels in het bestuur).
Het bestuur kiest uit haar midden een voorzitter, op basis van
vooraf bekende kwaliteiten. Het wordt ondersteund door
(bijvoorbeeld twee) professionals.

Het systeem wordt heel aantrekkelijk gevonden in de ple-
naire discussie, omdat de leden zoveel invloed hebben op de
samenstelling van het bestuur.

Besturendag 2001: waardering lidmaatschap

Leden: \'KN MvD saai, traag en oubollig\'

-ocr page 509-

Ondersteuning vanuit secretariaat

Groep 2 buigt zich over de ondersteuning van de leden door
het secretariaat. Het blijkt dat de practici - overigens niet ver-
wonderlijk - met name op het gebied van praktij kmanage-
ment en alles wat daarbij komt kijken, ondersteund willen
worden. Pensioenen, verzekeringen, personeel, marketing,
etcetera. De niet-praktiserende dierenartsen zijn vooral geïn-
teresseerd in de beeldvorming, c.q. het imago van de dieren-
arts. Daarvoor zal de KNMvD zich vaker - en sneller! - moe-
ten uitspreken over maatschappelijke onderwerpen en haar
standpunt nadrukkelijk naar buiten brengen. Publiciteit is
hiervoor een aansprekend middel.

Tips zijn er ook voor het secretariaat. Wat vaker \'nee\' zeggen
bijvoorbeeld (en dan ook echt \'nee\'). En duidelijker aangeven
wat men wel of niet van het secretariaat kan verwachten. Een
Jaarverslag, zoals dit jaar nog zal worden uitgegeven over
2000, kan hier al in belangrijke mate aan tegemoet komen.
Verder zou men zich moeten bezinnen op werkzaamheden die
zouden kunnen worden afgestoten, omdat ze niet of nauwelijks
bijdragen aan de zichtbaarheid. Een voorbeeld is The
Veterinary Quarterly: heel loffelijk om een wetenschappelijk
blad uit te geven, maar slechts voor een handjevol leden een re-
den om lid te willen zijn van de KNMvD. Het Jaarcongres
daarentegen kan veel meer aandacht gebruiken dan het nu
krijgt. En de Algemene Vergadering zou bijvoorbeeld ongeveer
tegelijkertijd met de ledenvergaderingen van de Groepen kun-
nen worden georganiseerd, zodat de binding met de Groepen -
belangrijk in verband met de kanteling - wordt vergroot.

Externe belangenbeKartiging

Groep 3 spreekt zich uit over de externe belangenbehartiging.
Hier wordt grote behoefte gevoeld aan een \'Baksteen\'; een
woordvoerder die namens de gehele KNMvD in de pers het
woord doet (zoals de heer Baksteen dat deed voor de piloten).
De discussiegroep wordt echter meteen voor een dilemma ge-
plaatst: kan één woordvoerder spreken voor alle dierenart-
sen? Nou, twee of drie dan... Want als het over gezelschaps-
dieren gaat, dan wil je natuuriijk niet dat aan de woordvoerder
een \'grote-huisdierengeur\' kleeft. En andersom. Eén en ander
moet strak worden gecoördineerd door de pr-functionaris van
het secretariaat.

In de plenaire discussie wordt het oordeel gevraagd van de
aanwezigen over de manier waarop de KNMvD in de onder-
havige MKZ-uitbraak is verschenen. De indruk bestaat na-
melijk dat hieraan niet veel kan worden verbeterd. Er is één
\'hoofdwoordvoerder\' naar voren geschoven, te weten de
voorzitter van de Groep Practici Grote Huisdieren, Rens van
Dobbenburgh. Waar nodig is verder Theo Lam, voorzitter van
de Groep Geneeskunde van het Rund ingezet. De voorzitter
van de KNMvD, Ton de Ruijter is daarentegen bewust niet al
teveel in beeld geweest, gezien zijn betrekking in het land-
bouwbedrijfsleven. Verder zijn verscheidene practici per-
soonlijk ondersteund, waar het ging om het te woord staan
van de lokale of regionale pers. De aanwezigen hebben hier-
over weliswaar een zeer positief oordeel, maar vinden toch
dat nog meer moet worden gestreefd naar het laten klinken
van één stem. Iets wat nog niet zo gemakkelijk te realiseren is,
gezien het \'eigengereide\' karakter van de dierenarts. Men is
het erover eens dat niet valt te voorkómen dat individualisten
in de beroepsgroep een eigen geluid laten horen. Bovendien
is er niets op tegen, integendeel, dat iedere dierenarts op zijn
manier met de samenleving communiceert. Het is alleen wel
bevorderlijk voor de manier waarop de boodschap wordt ver-
kondigd dat dierenartsen die \'het grote werk\' doen - NOS-
journaal, NOVA, Barend en Witteman, Buitenhof - een medi-
atraining hebben ondergaan.

\'Waar voor mijn geld\'

Groep 4 tenslotte houdt zich bezig met de contributiestruc-
tuur, een onderwerp dat nauw verweven is met de organisatie-
structuur. Deze discussiegroep vraagt zich af of een lid een
klant is. Nee, een lid is méér dan een klant, is de conclusie.
Maar driekwart van de leden is inactief, en zal zich meer klant
- en dus \'koning\' - voelen dan lid van de KNMvD. Er is toene-
mende vraag naar \'waar voor mijn geld\', zo stelt groep 4 vast.
De leden kunnen worden opgesplitst in: nog geen leden, prac-
tici-leden, niet-practici of leden in loondienst en niet-leden.
Aangezien vakinhoudelijke informatievoorziening het voor
leden aantrekkelijk maakt om lid te zijn van een Groep, lijkt
het handig om het lidmaatschap van de KNMvD hieraan te
koppelen. Het secretariaat is facilitair en verdeelt haar aan-

De manier waarop de KNMvD zich profileert tijdens
de MKZ-crisis wordt positief beoordeeld.

dacht over de Groepen met behulp van \'belangstellingsregis-
tratie\' (of door het aantal leden te tellen, maar dan komt het
werk van nuttige, maar kleine groepen of groeperingen
binnen de KNMvD in het gedrang).

Voor ontevreden practici-leden moet de contributie niet wor-
den verlaagd, maar de kwaliteit verhoogd of op zijn minst
duidelijk gemaakt. De sterke punten van de KNMvD moeten
zichtbaar worden gemaakt, zodat het lidmaatschap aantrek-
kelijker wordt.

Wel zou de contributie kunnen worden gerelateerd aan het in-
komen, wat het risico met zich brengt dat als het slecht gaat
met een groot aantal dierenartsen, de KNMvD ook niet meer
naar behoren kan functioneren. Een oplossing hiervoor zou
kunnen zijn, \'inkomensklassen\' te definiëren, zodat men toch
\'naar draagkracht\' contributie betaalt.
Voor de niet-practici moet de contributie - indien mogelijk -
worden verlaagd. Ook voor deze categorie verdient het aan-
beveling de hoogte van de contributie afhankelijk te maken
van het inkomen.

Over niet-leden is groep 4 helder: niet uitsluiten van activitei-
ten, maar meer laten betalen voor de diensten van het secreta-
riaat. Te denken valt aan het \'duurder verkopen\' van de vacci-
natieboekjes, bijeenkomsten, vacaturebank, specialisatie,
etcetera. Inderdaad maakt het secretariaat thans weinig
onderscheid tussen leden en niet-leden. Waarom zou men dan
contributie betalen? Zeker als men het Tijdschrift toch wel er-
gens kan lezen...

Gewoon doen

De plenaire discussie gaat nog even door. Voorzitter Van Os
brengt ter overweging om vrijwilligers - dierenartsen - te beta-
len voor hun diensten aan de vereniging. Het tijdperk \'liefde-
werk, oud papier\' is naar zijn idee voorbij. De vergadering is
het hier van harte mee eens, dus veel discussie levert dit niet
op: \'gewoondoen\'.

Linda van Veen vindt het jammer dat de discussies zich uitein-
delijk niet op het stoffige, c.q. oubollige imago hebben ge-
richt. \'Ik vind dat we moeten praten over hoe we het dan wél
willen...\' En daar heeft ze natuurlijk gelijk in. Het laatste
woord is dus nog niet gezegd over de waardering van het lid-
maatschap.

-ocr page 510-

Sybe Schaap en Jaap C. Voorsluijs

Deze voorpublicatie vormt een samenvattende weergave
van zowel het kwalitatieve als het kwantitatieve onderzoek.
De conclusies die hieraan zijn verbonden zijn getrokken op
grond van een zo direct mogelijke interpretatie van de
onderzoeksresultaten.

Draagvlak beroepsvereniging

De dierenartsenij in Nederland is nagenoeg unaniem en op uit-
gesproken wijze de overtuiging toegedaan dat een eigen be-
roepsvereniging nodig is. Deze opvatting wordt niet alleen ge-
deeld door de leden van de KNMvD, maar ook door vele
niet-leden en ex-leden. Daarbij is men van mening dat dit
één
vereniging
voor de gehele dierenartsenij zou moeten zijn. Zelfs
degenen die zware kritiek uitoefenen op de KNMvD en zich
graag bij een alternatieve vereniging zouden willen aansluiten,
beschouwen één vereniging voor de gehele beroepsgroep als
ideaal.

Geconcludeerd mag dan ook worden dat er een groot draag-
vlak
bestaat voor een vereniging waarin men zich voldoende
kan herkennen. Dit draagvlak heeft
VA\'eepijlers:

• een onderlinge verbondenheid van de beroepsgroep die men
institutioneel vertaald wil zien;

• een uitgesproken erkenning van de noodzaak van een geor-
ganiseerde belangenbehartiging,
zowel naar binnen
(ondersteuning van de leden en hun activiteiten), als naar
buiten (behartiging van het sectorale belang bij derden).

Loyaliteiten kritiek

Er wordt zware hitiek uitgeoefend op het functioneren van de
KNMvD. Deze kritiek neemt niet echter weg dat men zich ver-
bonden voelt dan wel zou willen voelen met deze vereniging.
Er is sprake van een basis van
loyaliteit aan en een gevoel van
verbondenheid met de vereniging. Men meent in meerderheid
dat de KNMvD qua intentie en algemene houding nog altijd
aan deze basis van loyaliteit beantwoordt: een groot deel van de
ondervraagden noemt de maatschappij daarom
betrouwbaar,
goed benaderbaar en zorgvuldig.

De kritiek richt zich op de daadwerkelijke taakuitvoering van
de maatschappij:
het functioneren van de organisatie en de
wijze waarop de belangenbehartiging gestalte krijgt.

• Een meerderheid beschouwt de organisatie als bureaucra-
tisch en onvoldoende efficiënt, niet alert en niet daad-
krachtig; dit wordt ook wel vertaald als
stoffig en in zichzelf
gekeerd.

• De introverte houding blijkt zich in de ogen van een meerder-
heid ook te wreken in de uitvoering van de belangenbeharti-
ging en de invloed van de KNMvD op de buitenwereld. De
KNMvD wordt beoordeeld als niet pro-actief en
onvol-
doende invloedrijk,
te weinig een partij waarnaar wordt ge-
luisterd.

• Dit vertaalt zich dan ook in de stelling dat de vereniging niet
dicht genoeg bij de dierenartsen staat en de leden
onvol-
doende waar voor hun geld
geeft. Vele leden voelen zich niet
betrokken bij de KNMvD, wat vooralsnog veelal leidt tot een
passief lidmaatschap.

Geconcludeerd moet dan ook worden dat het potentiële draag-
vlak voor de KNMvD zich allesbehalve vertaalt in waardering
voor de maatschappij en haar organisatie: als het fianctioneren
niet snel verandert, kan zich een sterk toenemend
ledenverlies
voordoen. Wat vroeger \'not done\' was - niet lid te zijn van de
KNMvD ofhet opzeggen van het lidmaatschap - en thans nog
een enigszins \'ongemakkelijk\' gevoel geeft, kan snel aan-
vaardbaar, zelfs onderiing communicabel worden.

Contributie

De contributie wordt overwegend hoog, zo niet (veel) te hoog
genoemd. De financiële voordelen die het lidmaatschap met
zich meebrengt (kortingen) zijn nauwelijks van invloed op dit
oordeel. Twee
kanttekeningen moeten worden gemaakt.

• Men relateert de hoogte van de contributie sterk aan de eigen
inkomenspositie (die vooral in de praktijken matig tot slecht
wordt genoemd), alsmede aan de snel gestegen beroeps-
kosten (zoals de arbeidsongeschiktheidsverzekering). Waar
bezuinigd moet worden kan de wegvallende contributie al
snel veriichting geven. Deze neiging lijkt groter te worden
als parttime wordt gewerkt. Vanuit groepspraktijken wordt
de overweging meegegeven de contributie te splitsen over de
praktijk als geheel en de afzonderiijke participanten.

• Verder blijkt in het oordeel over de hoogte van de contributie
een
prij.s-kwaliteit benadering mee te spelen. Een stevige
(zelfs hogere) contributie wordt aanvaardbaar genoemd als
daar voldoende kwaliteit van de vereniging tegenover staat:
aan dit laatste ontbreekt het.

Geconcludeerd moet worden dat de opbouw en hoogte van de
contributie onder de huidige inkomenstrend en in het licht van
het negatieve oordeel over het huidige functioneren van de
KNMvD sterk bijdraagt aan de neiging het lidmaatschap op te
zeggen.

Toch lijkt er voldoende potentieel draagvlak voor een stevige
contributie. Bij een beter functioneren en grotere herkenning
blijken de meesten - en zeker degenen die het zich kunnen per-
mitteren - zonder meer bereid aanzienlijk aan een eigen vereni-
ging bij te dragen.

Interne belangenbehartiging (ledenondersteuning)

Wat betreft de belangenbehartiging naar binnen, dus naar de le-
den, blijken de dierenartsen verder te kijken dan het directe fi-
nanciële belang: er wordt ook grote waarde gehecht aan onder-
steuning in de beroepsuitoefening. Onderscheiden moet
daarom worden tussen:

• ondersteuning van de maatschappelijke positie van de die-
renarts: naast bevordering van de inkomenspositie, het verie-
nen van service inzake juridische, fiscale en verzekerings-
kwesties, alsmede de positie van werkgever dan wel

Voorpublicatie samenvatting en conclusies

Waardering lidmaatschap KNMvD

-ocr page 511-

werknemer;

• ondersteuning in de hewepsidtoefemng van de dierenarts en
informatievoorziening rond kwesties op het gebied van de
volks- en diergezondheid.

Op beide terreinen oefent men grote kritiek. Zowel in de be-
roepsmatige informatie als in de maatschappelijke ondersteu-
ning schiet de KNMvD tekort: de vereniging functioneert
traag en inadequaat, wat tot gevolg heeft dat bij de dierenart-
sen het gevoel overheerst er alleen voor te staan. De zwijg-
zaamheid voorafgaande aan de MKZ-uitbraak geldt als symp-
tomatisch voorbeeld.

Externe belangenbehartiging

Bij belangenbehartiging naar buiten gaat het enerzijds om de
vertegenwoordiging van de dierenartsen bij derden, dit ter
ondersteuning van de beroepsgroep en de beroepsuitoefening
binnen de verschillende segmenten, anderzijds om de
presen-
tatie
van de beroepsgroep vanuit de eigen praktijk naar buiten.

• Men vreest dat de KNMvD te weinig invloed uitoefent op
overheid bedrijfsleven en belangenorganisaties, zodat bij-
voorbeeld wet- en regelgeving tot stand komt zonder vol-
doende inbreng vanuit de praktijk van de beroepsuitoefe-
ning; de invloed moet sterker en vooral pro-actiever worden.

• Hetzelfde geldt voor de inbreng van de dierenartsen bij al Ier-
lei
actuele kwesties (zoals varkenspest, BSE en MKZ), Men
acht het uitennate nodig als beroepsgroep, vanuit het per-
spectief van de eigen praktische ervaring en inzichten, pro-
fessioneel naar buiten te treden. Het gaat daarbij om maat-
schappelijk relevante kwesties, zoals de dier- en
volksgezondheid. Men wil vanuit de eigen invalshoek in-
vloed op het beleid en deelname aan beleidsrelevante discus-
sies: dat zou de eigen organisatie moeten bevorderen, maar
wordt ten zeerste gemist,
• Wat betreft de informatie-overdracht naar het
bredere pu-
bliek
beschouwt men zich als beroepsgroep eveneens vol-
strekt onzichtbaar, anoniem; dit is weer gebleken rond de ac-
tuele kwesties. Een veelheid van belangengroepen en
opiniemakers doet zich gelden, de dierenarts blijft
buiten
beeld,
ook waar het uitgesproken beroepseigen kwesties be-
treft, De actievere opstelling van de KNMvD na het uitbre-
ken van de MKZ-epidemie (niet alleen naar de dierenartsen
zelf, maar ook in de media), heeft deze opvatting geenszins
weggenomen. Het gaat er niet alleen om de eigen beroeps-
groep op een juiste wijze in beeld te brengen, maar ook om
het brede publiek vanuit de eigen beroepsuitoefening een
juist inzicht te bieden in een sterk tot de verbeelding spre-
kende problematiek. Velen menen dat de KNMvD via een
aansprekende en
beeldbepalende woordvoerder naar buiten
moet treden.

Verenigingsblad

Er blijkt een duidelijke behoefte te bestaan aan een eigen ver-
enigingsblad, Een duidelijke meerderheid van de leden (en
niet-leden?) zou bij wegvallen het
Tijdschrift voor Dierge-
neeskunde
missen. Opvallend is ook dat alle rubrieken waarde-
ring genieten.

De meeste waarde blijkt te worden gehecht aan de rubrieken
Wetenschap en Actua. Bedacht moet worden dat het Tijdschrift
geen strikt wetenschappelijk magazine is: het kan zich niet me-
ten met gerenommeerde wetenschappelijke bladen, maar hóeft
dit ook niet te doen. Bijdragen moeten de dierenartsen onder-
steunen in de beroepsuitoefening, moeten in algemene zin dus

De KNMvD..........(totale doelgroep)

toont visie en neemt duidelijke standpunten in bij
veterinaire kwesties

komt goed op voor de specifieke belangen van
dierenartsen zoals ik

stimuleert actieve participatie van pas afgestudeerde
en nieuwe leden

stimuleert op een breed terrein de kwaliteit van de
diergeneeskunde

heeft uitsluitend oog voor de belangen van gevestigde
praktijken

22

37

21

49

28

22

geeft leden voldoende waar voor hun geld H 18

27

20

27

27 1

21

1 22

33

26

22

29

31

■ Helemaal mee eens
□ Grotendeels oneens
20%

0%

□ Grotendeels mee eens
■ Helemaal oneens

40% 60% 80% 100%
□ Deels eens, deels oneens

-ocr page 512-

niet te wetenscliappelijlc of te valcspecialistisch zijn. Aange-
drongen moet dan ooic worden op gemakl<eiiji< leesbare, bon-
dige artikelen, geschreven rond heldere conclusies en aanbeve-
lingen voor de beroepsuitoefening.

Participatie

De participatie van de leden in de activiteiten van de KNMvD
laat een
gedifferentieerd beeld zien.

De afdelingen noemt men een enigszins diffuse structuur; ze
genieten daardoor een matige belangstelling. Het
Jaarcongres
wordt slecht bezocht: velen zien het congres als iets van vroe-
ger, voor dierenartsen van het oude stempel en gekenmerkt
door een oubollige sfeer. De
Voorjaarsdagen worden veel beter
bezocht, sluiten beter aan op de beroepspraktijk.
Uitgesproken positief is men over de
groepen-, een duidelijke
meerderheid participeert hierin. Opmerkelijk is overigens dat
men de groepen nauwelijks als een activiteit van de KNMvD
ziet, maar veeleer als activiteit van de dierenartsen zelf in
samenwerking met derden.

Een en ander leidt tot de volgende conclusies:

• Allereerst blijkt het oordeel over de organisatie en activitei-
ten van de KNMvD minder ingegeven te zijn door de be-
stuurlijke en organisatorische
structuur van de vereniging,
als wel door haar
cultuur: de vereniging heeft zich in haar
functioneren niet aangepast aan wat vele van haar leden wen-
sen en wat ook de omgeving van haar zou verlangen.

• Los van een actieve participatie van vele leden in de (als
meer of minder autonoom ervaren) groepen, dreigt een groot
deel van de leden te vervallen in
passiviteit en absenteïsme.

zo niet opzeggingen. Het is daarom nodig fundamentele vra-
gen
te stellen over de doelstellingen en het daaraan verbon-
den functioneren van de KNMvD. De vraag moet gesteld
worden wat precies de zin, het concrete
belang van een be-
roepsvereniging voor de dierenartsenij is, welke
activiteiten
daarbij horen en hoe dierenartsen daarin moeten participe-
ren.
De beroepsgroep zal zich moeten herkennen in de
ondersteuning die zo\'n vereniging verleent aan de beroeps-
uitoefening en de daartoe te behartigen belangen.
De bindende factor
\'beroepsuitoefening\'\' mag zich hoe dan
ook niet eenzijdig richten op de dierenartsenpraktijken en
zeker ook niet op de categorieën werkgevers en zelfstandi-
gen daarbinnen. De \'beroepsuitoefening\' vraagt veeleer een
duidelijke betrokkenheid en onderlinge communicatie van
alle beroepsgeledingen binnen de dierenartsenij: aan de ver-
sterking daarvan moet de KNMvD bijdragen.

Sybe Schaap en Jaap G. Voorsluijs zijn werkzaam bij Environs
International te Bergschenhoek.

Imago KNMvD bij de totale doelgroep (3.200)

Betrouwbaar
Makkelijk benaderbaar
Professioneel
Accuraat/zorgvuldig
Staat dicht bij dierenarts
Niet stoffig
Niet introvert
Invloedrijk/naar geluisterd
Alert en wakker
Pro-actief
Niet bureaucratisch
Werkt efficiënt
Niet traag
Daadkrachtig

80

□ 94
~195

^^\'iiSMk\'ämt

166

■ 65_

□ 91

146

□ 96

]94
194

142

192

139

□ 96

138

□ 88

36

192

ÜP. ..,

□ 79

129

□ 95

-r

129

]94

30 40 50 60

□ Profiel ■ Relatieve Imago Waarde

20

70

80

10

90

100

-ocr page 513-

Samen staan we sterk!?

E.N.M. Harwig-Dings

De gouden tijden lijken voorbij. In de agrarische sector volgen
de calamiteiten elkaar in snel tempo op en gaat het met spron-
gen achteruit. De landbouwhuisdierenpraktijken staan mo-
menteel onder grote druk. Echter ook de gezelschapsdieren-
practicus heeft het niet makkelijk: de klant wordt steeds
mondiger en de concurrentie neemt toe. In bijna alle sectoren
waar veterinairs werkzaam zijn heeft men te maken met toene-
mende bureaucratie, toenemende concurrentie en een (sterk)
krimpende markt. Juist in tijden dat de broekriem aangehaald
moet worden gaat men kritischer kijken naar kosten/baten ofte-
wel kwaliteit/prijsverhouding in het algemeen. Dit geldt ook
voor het lidmaatschap KNMvD. Je weet watje er jaarlijks voor
moet uitgeven en het is niet iedereen even duidelijk wat je er-
voor terug krijgt. Dit baart het Hoofdbestuur (HB) zorgen, te-
meer daar het een complex probleem betreft. Onderliggende
vraagstellingen zijn bijvoorbeeld:

• Wat voor meerwaarde heeft de KNMvD als overkoepelende
vereniging voor dierenartsen?

• Wat doet de KNMvD voor ieder individueel lid?

• Wat gaat er mis bij de communicatie; tussen leden onderling,
tussen leden en Afdelingen c.q. Groepen, tussen leden en
Algemeen Bestuur en last but not least tussen leden en het
Hoofdbestuur?

Meerwaarde KN MvD als overkoepelende organisatie

Daar we een relatief kleine beroepsgroep zijn is het van groot
belang dat we als één belangenorganisatie het gezicht van de
Nederlandse dierenarts naar buiten toe blijven bepalen. Vooral
bij dilemma\'s moetje zorgen datje als beroepsgroep één ge-
zicht hebt voor alle partijen. Je moet de heelheid van de organi-
satie zoeken. Daarmee wordt dc organisatie sterker en blijft de
KNMvD een serieuze gesprekspartner voor derden. Het is
noodzakelijk dat er standpunten bepaald worden waar indivi-
duele leden zich aan kunnen confomieren. Dat dit niet eenvou-
dig is, is weer eens gebleken tijdens de MKZ-problematiek.
Het is duidelijk dat het bepalen van een standpunt alleen niet
voldoende is. Daarvóór maar zeker ook daarna moet veelvul-
dig gecommuniceerd worden over het standpunt zodat consen-
sus bereikt kan worden binnen de organisatie. Consensus be-
reiken betekent overigens niet per definitie dat iedereen het
altijd eens hoeft te zijn. Consensus bereiken betekent volgens
mij vooral goed luisteren naar elkaar en de mening van anderen
respecteren en vervolgens solidair zijn met elkaar. Pas daama
kan men geloofwaardig naar buiten toe treden.

Meerwaarde KNMvD voor het individuele lid

De belangen van iedere individuele dierenarts moeten opti-
maal behartigd worden. Dat dit niet eenvoudig is moge duide-
lijk zijn, immers de belangen van de verschillende dierenartsen
lopen lang niet altijd parallel en een aantal dierenartsen kan
zich steeds minder terugvinden in de organisatiestructuur van
de KNMvD. Dit gegeven vraagt om actie van het HB, temeer
daar een versnippering in meerdere kleine dierenartsorganisa-
ties op den duur voor iedereen waarschijnlijk meer nadelen dan
voordelen zal opleveren. De KNMvD kan alleen claimen na-
mens de Nederlandse dierenartsen op te treden wanneer een
substantieel deel van de dierenartsen lid is en lid blijft van de

KNMvD. Dit betekent dat individuele dierenartsen zich vol-
doende terug moeten kunnen vinden in de organisatiestmctuur
van de KNMvD. Dit betekent ook dat de gemiddelde individu-
ele dierenarts achter het beleid moet staan en het gevoel moet
hebben dat zijn of haar belangen optimaal behartigd worden.
Dat daarbij de prijs/kwaliteit-verhouding een rol zal spelen
spreekt voor zich.

Commissie Kanteling Organisatiestructuur

Als antwoord op de bovenbeschreven problematiek heeft het
HB inmiddels een tweetal acties in gang gezet. Allereerst is er
een commissie ingesteld die gaat bekijken in hoeverre een ver-
dergaande kanteling van de organisatiestructuur van de
KNMvD ingezet kan worden.

Deze commissie zal op heel korte termijn met een advies ko-
men richting AB/HB. Er is een duidelijke tendens merkbaar dat
de Groepen meer inbreng in het beleid voorstaan. Was de
KNMvD voorheen vooral regionaal georganiseerd, naar de
toekomst toe zal de KNMvD meer disciplinair georganiseerd
moeten worden. De herkenbaarheid binnen de organisatie-
stmctuur en dus ook in het gevoerde beleid zal daarmee voor de
individuele dierenarts beter gewaarborgd worden. Het blijkt
namelijk dat individuele leden zich beter terug kunnen vinden
in hun Groep dan in een Afdeling of in de KNMvD als geheel.
Als tweede actie heeft het HB een extern bureau opdracht ge-
geven een gedegen onderzoek in te stellen naar de verwachting
die individuele dierenartsen (leden, niet-leden en ex-leden)
hebben van de KNMvD. Het is dus noodzakelijk om in beeld te
brengen wat de diverse KNMvD-leden willen van de KNMvD.
Welke diensten verwacht men, wat kan beter en/of meer en wat
kan eventueel minder. Hoe hoog mag de contributie zijn in ver-
houding tot de verleende diensten. Deze twee acties lopen op
dit moment volop. Op 9 mei is er over de eerste resultaten van
het uitgevoerde onderzoek naar de binding van de leden met de
KNMvD een Besturendag georganiseerd (zie pagina 389).
Bestuurders van Afdelingen en Groepen konden kennis nemen
van de uitkomsten van het onderzoek en mede bepalen welk
beleid gewenst is om de binding van de leden met de
Maatschappij zo optimaal mogelijk te waarborgen. Op de
Algemene Vergadering op 6 oktober zal het HB haar achterban
hierover nader kunnen berichten en een werkplan kunnen pre-
senteren.

Communicatie

Er wordt het Hoofdbestuur wel eens verweten dat het onvol-
doende communiceert met de leden. Er wordt onvoldoende ge-
luisterd naar de leden en de leden worden onvoldoende geïn-
formeerd. Het lijkt wel dat naarmate men meer mogelijkheden
heeft om te communiceren, de boodschap steeds minder goed
doorkomt. Het zijn vooral ontevreden leden die de communi-
catie onder de maat vinden. Misschien gaat het naast commu-
nicatie óók over consensus bereiken. Voor ieder besluit dat ge-
nomen wordt zal een gedeelte van de achterban helemaal warm
lopen, namelijk degenen die hier naar toe gewerkt hebben door
vooral veel te communiceren. Echter een gedeelte van de
achterban zal tegen zijn, in een aantal gevallen omdat men on-
voldoende geïnformeerd is. Deze leden zullen pas beginnen
met communiceren wanneer ze met het ongewenste besluit ge-
confronteerd worden.

Aan communicatie zitten twee aspecten: het uitzenden maar
vooral ook het ontvangen. Om goed te kunnen communiceren
moet men in ieder geval goed willen en kunnen luisteren. Ik
heb als HB-lid altijd getracht goed te luisteren naar de geluiden

-ocr page 514-

uit het veld. Het is belangrijk dat herkend wordt en erkend
wordt dat een aantal leden een andere mening zijn toegedaan.
Met deze leden moet daarover gecommuniceerd worden, men
moet merken dat de signalen zijn opgevangen en dat deze sig-
nalen worden gerespecteerd.

Bijkomend probleem is dat de gemiddelde veterinair vooral
geïnteresseerd is in veterinair-technische zaken. Dit blijkt bij-
voorbeeld uit het druk bezocht zijn van wetenschappelijke bij-
eenkomsten of bijeenkomsten waar praktisch toepasbare infor-
matie verkregen kan worden. Beleidsmatige bijeenkomsten
daarentegen worden veel minder druk bezocht. De Algemene
Ledenvergadering waar alle belangrijke beleidsmatige items
aan bod komen en waar men tevens zijn of haar stem kan uit-
brengen, is procentueel gezien zelfs zeer laag bezocht.
Hetzelfde geldt voor het Tijdschrift waarin vooral de veterinair-
technische artikelen goed gelezen worden maar waarin be-
leidsmatige mededelingen veel minder gelezen worden.
Ook de communicatie via e-mail valt niet bij iedereen in goede
aarde. Tijdens de MKZ-crisis bijvoorbeeld is de actuele infor-
matie vooral via e-mail doorgegeven. Dit kon bijna niet anders.
Het Tijdschrift loopt altijd een aantal weken achter. Berichtge-
ving met de post kost minimaal twee dagen inclusief het ver-
werken op het secretariaat. Juist tijdens deze MKZ-crisis heb-
ben we gezien hoe snel de actuele situatie kan veranderen.
Anders dan met e-mail ben je vaak te laat en is de berichtgeving
in een aantal gevallen zelfs achterhaald! Het informeren via de
e-mail verioopt goed en eigenlijk moet het in deze tijd voor nie-
mand meer een probleem zijn om zich eenmalig via e-mail aan
te melden bij de KNMvD, zodat men vervolgens automatisch
over iedere relevante actuele situatie geïnformeerd wordt. Een
dierenartsenpraktijk met toekomst moet over de middelen be-
schikken om zich via internet en e-mail te (laten) informeren.

Beleidsplan

Het beleid en de visie voor 2001/2002 van het Hoofdbestuur
van de KNMvD staan verwoord in het Beleidsplan zoals dat in
de laatste Algemene Vergadering besproken is met de leden
van de KNMvD. In dit Beleidsplan worden de hiervoor be-
schreven knelpunten reeds onderkend, tevens wordt aangege-
ven welke acties ondernomen moeten worden. Zoals u kunt
zien is het HB hier volop mee aan de slag gegaan. Binnenkort
(voor de zomervakantie) zal het Beleidsplan samen met het
Jaarverslag 2000 nogmaals uitgebreid onder de aandacht van
de leden gebracht worden. Het Beleidsplan is overigens ook
terug te vinden op de website van de KNMvD, evenals de uit-
gebrachte standpunten van de KNMvD.

Ogen en oren open

Het HB tracht samen met het secretariaat de ogen en oren open
te houden en open te staan voor alle informatie, op- en aanmer-
kingen c.q. kritiek. Relevante zaken worden wel degelijk mee-
genomen in het beleid. Het is goed wanneer betrokken leden
reageren richting HB, zodat beleid geformuleerd kan worden
gesteund en gestuurd vanuit de achterban. Opbouwende kritiek
is altijd welkom. Sturing in beleid zou vooral moeten lopen via
de daartoe meest aangewezen wegen namelijk via de afge-
vaardigden van Groepen en Afdelingen naar AB en HB.
Juist in minder florissante tijden zouden we elkaar moeten zoe-
ken en vinden. Bedreigingen moeten in uitdagingen worden
omgezet. Kansen liggen er volop. Daarvoor moeten de dieren-
artsen zich organiseren en \'en bloc\' naar buiten toe treden.
Samen staan we sterk!!

E.N.M. Harwig-Dings is lid van het Hoofdbestuur van de
KNMvD.

Genant late bezorging briefVoorjaarsdagen

Zoals ook al te lezen was in de ingezonden brief van
Klaare, Pilgram en Roos op pagina 371 van het Tijdschrift
voor Diergeneeskunde van 15 mei, is de brief over het wel
of niet doorgaan van de Voorjaarsdagen in verband met de
MKZ-crisis, te laat bij de Nederlandse dierenartsen be-
zorgd. Een aantal redenen ligt hieraan ten grondslag.
Het Hoofdbestuur van de KNMvD heeft de definitieve be-
slissing over het wel/niet doorgaan van de Voorjaarsdagen
tot het laatste moment uitgesteld. Hierdoor kwam de tijds-
planning voor de reeds geplande brief onder druk te staan.
Het bureau van de KNMvD had - juist vanwege de tijds-
druk en grote omvang - de verzending van de brief uitbe-
steed aan een gespecialiseerd, professioneel bedrijf Buiten
de schuld van de Voorjaarsdagencommissie en de Groep
Geneeskunde Gezelschapsdieren is de brief niet conform
de door het bureau gemaakte afspraken te laat èn te traag
verzonden, waardoor deze, zeker met het oog op de inhoud
ervan, op een gênant laat tijdstip bij de geadresseerden be-
zorgd is.

Een dergelijke misser is helaas niet meer terug te draaien
maar het bedrijf heeft inmiddels wel zijn excuses aan de
KNMvD aangeboden en zal de volledige kosten van deze
mailing voor zijn rekening nemen. Het bureau van de
KNMvD zal verdere consequenties aan deze gang van za-
ken verbinden en uitzien naar alternatieven voor dit soort
opdrachten.

-ocr page 515-

Het jaar 2001 zal z\'n sporen achterlaten in de geschiedenis.
Zeker voor de veehouders in de MKZ-gebieden maar ook
voor veel dierenartsen. Zowel voor RVV-ers als voor prac-
tici die betrokken zijn (geweest) bij de MKZ-bestrijding. In
de samenleving liepen de emoties hoog op en de wijze van
bestrijding (stamping-out) staat ter discussie.
Tot nu toe lijkt de prijs voor de MKZ-vrije status van
Nederland, bijna 300.000 geruimde dieren, gevolgschade in
de landbouw en schade in andere sectoren van onze samen-
leving.

Nu de MKZ-crisis lijkt af te lopen is het zinvol om alles nog
eens op een rijtje te zetten.

Hebben we het als dierenartsen goed gedaan? Wat ging er goed,
wat ging er mis? Wat kan er een volgende keer beter? Of hoe
krijgen we dit nooit weer?

Allemaal vragen die ongetwijfeld bij veel dierenartsen leven.
Daarom wil de Groep Gezondheids- en Kwaliteits Zorg (GKZ)
een aantal kleinschalige avondbijeenkomsten beleggen (onge-

Tweede Manifestatie ICT voor Dierenartsen

Vond u het ook zo interessant, vorig jaar, of heeft u hem
toen gemist, de eerste Manifestatie ICT voor Dierenartsen?
Reserveert u dan 23 j uni 2001 in uw agenda. Kom op die za-
terdag naar het gebouw van de Faculteit Natuur en
Techniek in Utrecht. Want ook dit jaar wordt daar de
Manifestatie ICT voor Dierenartsen gehouden, en we-
derom gratis voor alle dierenartsen én dierenartsassisten-
ten. Georganiseerd door de KNMvD, in samenwerking met
de dierenartsencoöperatie AUV.

Het programma loopt van 11.00 tot 17.00 uur en bestaat net
als vorig jaar uit lezingen en diverse parallelle workshops,
met voor elk wat wils. Het gaat wederom om uw kennis en
inzicht en de ICT-vaardigheden binnen uw praktijk te ver-
breden en te verdiepen.

Toetsing Erkende Dierenarts

Een jaar na de uitgifte van het certificaat Erkende
Dierenarts, zal er een toetsing plaatsvinden op de criteria
die gesteld zijn aan de erkende dierenarts. Bij deze toet-
sing wordt gekeken naar het aantal contacturen per
maand in de desbetreffende diersoort en naar het aantal
punten dat is behaald door het volgen van nascholing
(cursussen, bijeenkomsten, congressen en dergelijke).

Een onafhankelijke instantie zal deze toetsing, die plaats zal
vinden op de praktijk, verrichten. De mogelijkheden voor
een gezamenlijke toetsing met de GVP/IKB en eventueel
KRD worden momenteel onderzocht. Dit houdt in dat de
meerkosten dan relatief laag zullen zijn.

veer 20 dierenartsen per groep) in de tweede helft van de
maand juni. Daar kunnen dit soort vragen eens in alle rust met
elkaar worden bediscussieerd. Gezorgd zal worden dat op die
bijeenkomsten MKZ-deskundigen beschikbaar zijn om vragen
van het waarom en het hoe te beantwoorden, zodat een afgewo-
gen oordeelsvorming kan plaatsvinden.
Deze GKZ-activiteit wordt ondersteund door het Hoofd-
bestuur en de betrokken Groepen van de KNMvD. Tevens wor-
den deze avonden ingevuld in overleg met de RVV

De doelgroep voor de bijeenkomst zijn alle dierenartsen die op
een of andere wijze bij de MKZ-bestrijding betrokken zijn (ge-
weest).

Aanmelding voor deelname kan tot ioJuni 2001 middels opgave aan
het Bureau van de KNMvD, ter attentie vanJanneke van Velthuizen,
per post, fax (030-2^1178\';) of e-mail jve@knmvd.nl (dus niet telefo-
nisch!). Begin juni krijgt u dan nader bericht over de plaats, tijd, ete-
tera, van de bijeenkomst.

Zeker als u het afgelopen jaar al aardig met ICT in de weer

bent gegaan, is deze dag voor u interessant.

In de wandelgangen is ruim plaats voor de koffie en lunch en

diverse aanbieders van veterinaire ICT producten.

Via het internet informeren wij u zo snel mogelijk wat over

de precieze programma-invulling, dus kijkt u binnenkort op

www.knmvd.nl

In het Tijdschrift voor Diergeneeskunde van 15 juni zult u
meer gedetailleerde informatie vinden.

Wij gaan weer een interessante dag voor u organiseren, u
bent van harte welkom!

Jan Klingen (jl<l@knmvd.nl)
Jan Joerink (jjoerink@auvorg)
Bas Aukema (bas@aukema.demon.nl)
Marjolijn van de Weetering (mvw@knmvd.nl)

Eerste toetsingen in Juli

Vanaf juli 2001 zullen de eerste toetsingen worden gepland.
Erkende dierenartsen dienen ervoor te zorgen dat ze aan-
toonbaar aan de normen voldoen. Het Coördinatiecentrum
Erkende Dierenarts (CED) heeft modellen ontwikkeld die
hierbij van dienst kunnen zijn. Zo is er voor het inzichtelijk
rangschikken van behaalde nascholingspunten een voor-
beeld van een kennisonderhoudsarchief Ook zijn er model-
len voor een visitebrief en voor verslagen van bedrijfsbezoe-
ken (voor de diersoorten rund, varken en pluimvee),
waarmee gerealiseerde contacturen onderbouwd kunnen
worden.

De modellen kunnen opgevraagd worden bij het secretari-
aat van het CED, mevrouw A. de Boer, telefoon: 030 -
2510111 of e-mail: adb@knmvd.nl.

Bijeenkomsten Groep GKZ
De M KZ-brandweer weer naar de kazerne en dan?

-ocr page 516-

Wie in 1945 veearts werd in Fries-
land, werd daarmee ook buitenge-
woon lid van de Friese Maatschappij
van Landbouw. De naam is veranderd
in NLTO en we zijn niet meer samen
lid, maar ik nu alleen. De bijeenkom-
sten, excursies en het weekblad (nu
voor de drie noordelijke provincies)
houden me nog steeds \'bij de les\'.
Toen in Het Landbouwblad van 21 april 2001 de oproep stond
om reacties in te sturen in verband met de MKZ, heb ik dat
gedaan. Men mocht reageren in welke vorm dan ook; gedich-
ten en tekeningen waren ook welkom. Tot mijn blijde verras-
sing werd de onderstaande bijdrage op 28 april 2001 geplaatst
in de rubriek \'Wat lezers schrijven\'. Naast mijn verhaal stond
het gedicht \'Tongblier\' van Amarins Dotinga, lOjier.

De verwekker van MKZ is het MKZ-virus. Wie weten en
wisten daar het meeste van? Wie kunnen en konden beoordelen
of een ziekte die in de Veewet staat na 50 jaar vaccineren maar
weer op de oude manier bestreden zal worden? Dat vroeg ik me
af Ik zocht in het \'Handbuch der Viruskrankheiten\' (1939).
Wanneer ik 41 bladzijden zeer kort samenvat leren we hieruit
dat het onderzoek naar de verwekker van mond- en klauwzeer
omstreeks 1900 is begonnen cn pas in 1938 resulteerde in een
werkzame entstof Het vaccin werd door Waldmann en anderen
ontwikkeld op het eiland Riems. In datzelfde jaar werd het vac-
cin bij 45745 dieren beproefd. Een geweldige ontdekking en
vanaf die tijd is door veel onderzoek in verschillende landen
gewerkt aan methoden om de entstof in voldoende hoeveelheid
te produceren, onder andere in Amsterdam.
Tot mijn verbazing lag voorin het boek een dun ouderwets ge-
schriftje. Het bleek het \'Mond- en klauwzeerreferatennum-
mer van het Ncderlandsch Dierenartsenblad, nr. 13 dd. 15 au-
gustus 1943\' te zijn. Ik citeer enkele delen uit het referaat
getiteld: \'Actieve immunisatie tegen Mond- en Klauwzeer
met Riemser vaccin\' geschreven door dierenarts G.M. van
Waveren, toenmalig directeur van het Staats Veeartsenij-
kundig Onderzoeksinstituut. [Van Waveren reageert op het ar-
tikel van prof O. Waldmann: Über die zukünftige Gestaltung
der Bekämpfung der Maul- und Klauenseuche mit Hilfe de
Vakzinierung (BMTW 1942; S 221)] - De middelen en voor-
schriften tot bestrijding van het mond- en klauwzeer, welke de
Duitsche Veewet aangeeft, en welker toepassing tot het uiterst
uitvoerbare is verricht, hebben slechts onder zeer gunstige ge-
ografische omstandigheden lokaal succes kunnen boeken. De
bedoeling der Wet, het optreden van deze epidemische vee-
ziekte te verhinderen, is niet bereikt. (...)
Het veriangen naar een actieve immunisatiemethode, welke
het rund geruimen tijd bescherming biedt, bleef bestaan. In
deze behoefte nu zeggen Waldmann en Köbe te hebben
voorzien met hun entstof tegen het mond- en klauwzeer: het
Riemser vaccin. Door de Duitsche regeering is de entstof in
de Regierungsbezirken Breslau, Frankfurt a/d Oder en in
Ost-Preussen in 1938 in de praktijk beproefd. Conclusie na
enting van 600.000 runderen was, dat de enting onschade-
lijk is en na 14 dagen een bescherming verleent gedurende
acht tot twaalf maanden. (...) Deze proefnemingen bij
600.000 runderen bewezen ten eerste: dat door systemati-
sche vaccinering op bedreigde bedrijven tezamen met toe-
passing van veeartsenijkundige politiemaatregelen ziekteu-
itbreiding door een aangetast bedrijf voorkomen kan
worden. -

Ingezonde

In totaal staan er in deze uitgave van het Ncderlandsch
Dierenartsenblad 18 referaten met onderwerpen als: toepas-
sing en bereiding van het vaccin in Denemarken, Italië,
Zwitserland; voorkomen bij de mens; overlevingsduur van
het virus (in gedroogde toestand een aantal maanden!) enzo-
voort. Wat een verschil wanneer we dit wetenschappelijke
referatennummer uit 1943 leggen naast het recente persbe-
richt van veterinaire zijde waarin men zich achter de maatre-
gelen van de minister schaart.

Vanaf 1947 werd er in onze praktijk al op verschillende be-
drijven vrijwillig geënt. In 1951 waren dat er zo\'n 200. Toen
brak namelijk MKZ in Nederiand uit, het was de laatste keer
dat ik het gezien heb. In 1952 begon de verplichte enting.
Misschien is men er aan gewend geraakt dat we 40 jaar vrij
van MKZ waren. Zodat men zelfs enten ging verbieden in
1991 ? Het verergert in hoge mate het leed over het vernieti-
gen van honderdduizenden dieren dat hier een verkeerde be-
slissing aan ten grondslag ligt. Mijn mening; morgen begin-
nen met enten, dat is onze plicht.

D. Scholma-van der Perk is veearts vanaf 1942.

\'Morgen beginnen met enten, dat is onze plicht\'

D. Scholma-van der Perk

Jubilea

2 juni L.E. Tjebbes te Middelharnis, afwezig,
30jaar

11 juni, Dr. C. Folkers te Hilversum, aanwezig,
45 jaar

12 juni Dr. J.V Frejlach te Hoofddorp, aanwe-
zig 50jaar

16 juni Dr. A.FA. Brands te Cuijk, afwezig, 40
jaar

21 juni Dr. C.D.W. König te Doesburg, afwe-
zig, 40 jaar

27 juni G.R. Boone te Kasterlee (België) afwezig, 25 jaar
30 juni H.M. Jansen te Waardenburg, afwezig, 45 jaar
30 juni G. Schoenmaker te Gouda, afwezig, 45 jaar

Personal!

Mutaties

Bevere, Mevr. l.E.M.J. de; Gent- 1995; 3227 AL Oudenhoor;
Juliana.straat 20; tel. privé: 0181-462469; E
-mail privé: ilsc(a debevere.com;
p., medew.bij P.van Dijli,T.R. Hendiksen H.Westerveld; tel. pralit.: 0181-
337749; fax prakt.: 0181-338806.

Boezeman, Mevr. M.A.H.; 1996; 4191 KW Geldermalsen; Burg. Von
Geusauweg 14; tel. privé: 0345-574452; p., medew. bij G.M.J.M. Boink,
F.L.P.C. Donders, A.H.M. Doremalen, W.J.J. Goesten, J.H.M. Maas, R.A.J.A.
Steffens en M.G. van der Weele; tel. prakt.: 013-5283535; fax prakt.: 013-
5219315.

Boink, G.M.J.M.; 1977; 5071 NA Udenhout; Mortel 4; tel. privé: 013-
5112398; E-mail privé : boinkfamily@wxs.nl; p., geass. met F.L.P.C. Donder,
A.H.M. van Doremalen, W.J.J. Goesten, J.H.M. Maas, R.A.J.A. Steffens en
M.G. van der Weele; tel. prakt.: 013-5283535; fax prakt.: 013-5219315.

-ocr page 517-

Brandsma. Mevr. D.M.; 1994; 3524 CD Utrecht;
Kollumerland 57; tel. privé: 030-2893220;
E-mail bur.:
e.molenaar^i law.uu.nl; wnd.d.

Donders, F.L.P.C.; 1985; 5074 PA Biezenmortel;
Winkelsestraat 15; tel. privé: 013-5112164; E-mail privé:
dondersvet@hetnet.nl; p., geass. met G.M.J.M. Boink,
A.H.M. Doremalen, W.J.J. Goesten, J.H.M. Maas, R.A.J.A.
Steffens en M.G. van der Weele; tel. prakt.; 013-5283535;
fax prakt: 013-5219315.

Dijk, TA.; 1992; 7981 NB Diever; Hohenweg 6; tel.
privé: 0521-594363;
docent Hogeschool Stoas, Agrarische
Pedagogische Hogeschool; tel. bur.: 0321-386123; fa.x
bun: 0321-313500.

Donders-Scherpenhuijsen Rom, Mevr. B.E.M.; 1990;
5074 PA Biezenmortel; Winkelsestraat 15; tel. privé: 013-
5112398; p., medew. bij G.M.J.M. Boink, EL.PC. Donders,
A.H.M. Doremalen; W.J.J. Goesten, J.H.M. Maas, R.A.J.A.
Steffens en M.G. van der Weele; tel. prakt: 013-5283535;
fax prakt: 013-5219315.

Doremalen, A.H.M. van; 1982; 5268 BB Helvoirt;
Helvoirtsestraat 10; tel. privé: 0411-641927; E-mail privé:
a.h.m.vandoremalen@freeler.nl; p., geass. met G.M.J.M.
Boink, EL.PC. Donders, W.J.J. Goesten, J.H.M. Maas,
R.A.J.A. Steffens en M.G. van der Weele; tel. prakt.: 013-
5283535; fax prakt: 013-5219315.

Doremalen-Dral, Mevr, H.M. van; 1982; 5268 BB
Helvoirt; Helvoirtsestraat 10; tel. privé: 0411-641927; E-
mail privé: a.h.m.vandoremalen@freeler.nl; p., medew. bij
G.M.J.M. Boink, EL.PC. Donders. A.H.M. van Doremalen,
W.J.J. Goesten, J.H.M. Maas, R.A.J.A Steffens en M.G. van
der Weele; tel. prakt.: 013-5283535; fax prakt.: 013-
5219315.

Drie.sse, Mevr. M.: 1999; 3417 EZ Montfoort; p/a
Provincialeweg la; E-mail privé : modriesse@hotmail.com;
p., medew. bij Edwards Veterinary Services ; tel. prakt.:
00-1-519-688-2123; fax prakt.: 00-1-519-842-5087.

Goesten. W.J.J.; 1979; 5056 PL Berkel Enschot;
Hcikantsebaan 8; tel. privé: 013-5334450; p., geass. met
G.M.J.M. Boink, EL.PC. Donders, A.H.M. van Doremalen,
J.H.M. Maas, R.A.J.A. Steffens en M.G. van der Weele; tel.
prakt.: 013-5283535; fax prakt: 013-5219315.

Grauw, Mevr. W.J. de; 1994; 3994 MD Houten;
Beusichemseweg 19; tel. privé: 030-6384651; E-mail privé:
akast@worldonline.nl;
p.. Dierenkliniek Zuid; tel. prakt.:
030-6365688; E-mail prakt.: infoC« dierenkliniek/.uid.nl.

Hes, G. van; 1999; 5268 BB Helvoirt; Helvoirtsestraat
10; tel. privé: 0411-642392; fax privé: 020-8830061; E-mail
privé: gjalt@brooklyn.nl: p., medew, bij G,M,J.M. Boink,
F.L.PC. Donders, A.H.M. van Doremalen, W.J.J. Goesten, J.H.M. Maas,
R.A.J.A. Steffens en M.G. van der Weele: tel. prakt.: 013-5283535; fax
prakt: 013-5219315.

Hoornenborg, G.J.; 1994; 7620 Lemvig (Denemarken), Solhojvcj 35
Ramme; tel. privé: 0045-97888086; E-mail privé: hoornenb@post8.tele.dk;
p., Ramme- Tangso Dyrlaeger I/S; tel. prakt.: 0045-97889500; fax
prakt.: 0045-97889339; E-mail prakt.: 1 l-13@mail.tcle.dk.

Janssen, A.B.M.; 2000; 6006 CR Weert; Nassaulaan 60a; tel. privé:
0495-536880; E-mail privé: abmjanssen@hetnet.nl;
p., medew. bij J.H.A.M.
Göbbels en .M.B. Heijnen; tel. prakt.: 0495-632957; fax prakt: 0495-
631255; E-mail prakt.: rosvcld@trcf.nl.

Kartodirdjo, J.E; 1984; 5684 ZN Best; Looierstraat 22; tel. privé:
0499-399695; E-mail privé: h.kartodirdjo@planet.nl; p.. Dierenkliniek
Mortelplein; tel. prakt.: 013-4630056;
fax prakt.: 013-4631470.

Krooshof, Mevr. Y.; 1979; 1213 SG Hilversum; Eikenlaan 3; tel.
privé: 035-6234043; E-mail privé: y.krooshof@zoiinet.nl; p., medew. bij
F. ter Braake en K. van Muiswinkel; tel. prakt.: 0527-613500; fax
prakt.: 0527-614653; E-mall prakt.: info@dierenkliniekemmeloord.nl.

*Lint. Mevr. M.S. de; 1998; 5038 South Plvmpton, (Australia); 80
Pleasant Avenue; tel. privé: 0061-08-83714312; fax privé: 0061-08-
83714312; p., medew. bij Colonel Light Veterinary Clinic; tek prakt.:
0061-08-82767711/82767441; fax prakt.: 0061-08-83744051.

Maas. J.H.M.; 1972; 5074 RG Biezenmortel; De Runsvoort 1; tel.
privé: 0411-642042; p., geass. met G.M.J.M. Boink, EL.PC. Donders,
A.H.M. van Doremalen, W.J.J. Goesten, R.A.J.A. Steffens en M.G. van der
Weele; tel. prakt.: 013-5283535; fax prakt: 013-5219315.

Oomen, J.J.G.M.; 1968; 4851 VK Ulvenhout; Nieuwe Beekhoek 20; tel.
privé: 076-5640376; fax privé: 076-5613063;
E-mail privé: jjfm_oomen@
hotmail.com;
p., geass. met J.PJ. van leriand, A. Maas, M.E.W.M. Pellenaars

Dix&Co

helpt u over de drempel

Afgestudeerd en nu (of straks) praktisch
aan de slag? Doe een beroep op Dix&Co,
want als adviesbureau onderzoekt Dix&Co
uw kansen en beoordeelt uw kontrakten.
Analyseert accountantsrapporten en stelt
een begroting op. Bepaalt samen met u uw
kredietbehoefte en regelt met u de gewenste
verzekeringen.

Landelijke dienstverlening bij praktijk-
overdracht, bij associatie en assistentie.
Belt u even voor een afspraak of een
brochure.

Dix €o

Maliesingel 34
5581 BJ Utrechl
Tel. (030) 244 87 74
Fax (030) 241 66 33
E-mail: info@dixeiico.nl
www.dixenco.nl

en C.J.C. Vincenten; tel. Prakt.: 076-5722999; fax prakt.: 076-5729631,

Sanders, Mevr. N.; 1999; 3581 WC Utrecht; Bloemstraat 21 bis; tel.
privé: 030-2520885;
E-mail privé: nataschasanders@hutmail.com; p.,
medew. bij J. Brand; A.J. Brouwer cn J.M.J. Frijlink; tel. prakt.: 0341-
252353; fax prakt.: 0341-254385.

Smeets, J.F.M.; 1986; 5712 GD Someren; Ter Craene 2; tel. privé:
0493-440042;
E-mail privé: jstcz@iae.nl; d. bij Intervet International
BV; tel. bur.: 0485-587637; fax bur.: 0485-587605; E-mail bur.:
jos.smeets@intervet.com.

Smolders, Mevr. M.; 1999; 4508 NV Waterlandkerkje; Gouden
Polderdijk 2; tel. privé: 0117-450175; fax privé: 0117-450175;
p.. Dap
Smolders; tel. prakt.: 06-51184764; fax prakt.: Ol 17^50175.

Steffens, R.A.J.A.; 1987; 5062 CB Oisterwijk; Gemullehoekenweg
121A; tel. privé: 013-5288449; p., geass. met G.M.J.M. Boink, EL.PC.
Donders, A.H.M. van Doremalen, W.J.J. Goesten; J.H.M. Maas en M.G. van
der Weele; tel. prakt.: Ol 3-5283535; fax prakt.: 013-5219315.

Visser-Ruitenbeek, Mevr. W. van de; 1992; 3882 NM Putten;
Hoeverveldweg 9a; tel. privé: 0341-362588; E-mail privé: van.de.visser@
freeler.nl;
p., medew. bij R.J.M. van Gent, H.W. Griesen en B.J.J. ten
Voorde; tel. prakt.: 036-5221521; fax prakt.: 036-5226060.

Wasmann, R.P.M.; 1997; 6105 CA Maria Hoop; Diergaarderstraat
Zuid 25b; tel. privé: 0475-302100; E-mail privé: ruud@wasmann.
tmfweb.nl; p., medew. bij S. Bonestroo, W.E.H. van Herten, P.T.M.
Lankveld.J.B.M.M. Potters; W.L.M. Winkelmolen en J.J. Wolswinkel; tel.
prakt.: 0475-485151; fax prakt: 0475-488240.

Weele, M.G. van der; 1988; 5056 JB Berkel Enschot; Molenstraat 15; tel.
privé: 013-5400509; p., geass. met G.M.J.M. Boink, EL.PC. Donders, A.H.M.
van Doremalen, W.J.J. Goesten, J.H.M. Maas en R.A.J.A. Steffens; tel. prakt.:
013-5283535; fax prakt: 013-5219315.

-ocr page 518-

Wijngaard, J.C. van den; 1976; 5291 AG Gemonde; Boomstraat 56; tel.
privé: 073-5512231; fax privé: 073-5517758;
E-mail privé: egeiiionde(a
tip.nl;
dirbiological operations, Embrex Europe Ltd. Tel. bur: 073-5512231;
fax bur.: 073-5517758;
E-mail bur.: jvandenwijngaard{â,enibrex.com.

Willigen, Mevr. M.W. van; 2000; 3993 RM Houten; Halsterveld 32; tel.
privé: 030-2896304; E-mail privé: marcelmariska@zonnet.nl; p., medew. bij

H.M. Huisman en J.D. Wahl; tel. prakt.: 020-6112103; fax prakt.: 020-
6112103.

Ziekman, P.G.P.M.; 1990; 5056 TL Berkel Enschot; Guido Gezellelaan
42; tel. privé: 013-5332220; p., medew. bij G.M.J.M. Boink. F.L.P.C. Donders,
A.H.M. van Doremalen, W.J.J. Goesten, J.H.M. Maas, R.A.J.A. Steffens en
M.G. van der Weele; tel. prakt.: 013-5283535; fax prakt.: 013-5219315.

Congressen & Symposia
juni

5 Studiemiddag over verenpikken. Hotel
Mercure, Lelystad. Informatie: Ida
Sebens (i.e.sebens@id.wag.urnl of tel.:
0320-238264).
17 Congres Gedrag in Beeld. Meer informa-
tie: Marian Geytenbeek, e-mail: marian-
geytenbeek@hetnet.nl, tel.: 0342-462504.

Doorlopend
asend

6—8

juli

4—7 X International Symposium of Veterinary Laboratory Diagnosticians
and OIE Seminor on Biotechnology, Salsomaggiore - Parma, Italy.
Information: Organising Secretariat, New Team, Via C. Ghiretti, 2,
43100 Parma (Italy), tel.: -1-39-0521-293913, fax: -1-39-0521-294036,
e-mail: newteam.parma@iol.it

6 1®\' Dentistry, Oral and Maxillo-Facial Surgery Forum of the European
Veterinary Dentistry College, Forum Niederberg Velbert, iVelbert,
Germany Info: ECVS Office, University of Zurich, Winterthurerstrasse
260, CH-8057 Zürich, Switzeriand, tel.: 4-41-1-6358408 or 1-3130383,
fax: 4-41-1-3130384, e-mail: mgaovet@vetchir.unizh.ch

lO\'\'^ Annual Scientific Meeting of the European College of
Veterinary Surgeons, Forum Niederberg Velbert, Germany.

7 en 8 Surgical Forum ofthe European College ofVeterinary Surgeons,

Forum Niederberg Velbert,, Germany.

Augustus

08—11 Samen met het jaarlijkse WSAVA congres: World Veterinary Dental
Congress: Vancouver, Canada (Inl. www.venuewest.eom/wsava2001)

29—31 Internationaal symposium \'Comparative Clinical and Molecular
Endocrinology\', Utrecht/Zeist. Informatie: Mw. Linda B. van
Ouwerkerk, HA Geneeskunde van Gezelschapsdieren. Yaielaan 8,
Postbus 80.154, 3508 TD Utrecht, tel. 030-2531693, fax: 030-
2518126, e-mail: L.B.vanOuwerkcrk@vet.uu.nl, www.vet.uu.nl/en-
glish/congress/CCME.

September

1 Symposium \'Kijken, luisteren en voelen. De zintuiglijke waameming in
dc diagnostiek bij gezelschapsdieren\'. Androclusgebouw, Yaielaan I.
Utrecht. Infonnatie: Mw. Linda B. van Ouwerkerk, HA Geneeskunde
van Gezelschapsdieren, Yaielaan 8, 80.154, 3508 TD Utrecht. Tel. 030-
2531693, fax 030-2518126, e-mail L.B.vanOuwerkerk@vet.uu.nL
www.vet.uu.nl/congres/KLV

13—15 9\'h International Conference on Human-Animal Interactions. Rio
de Janeiro. \'People and Animals: a global perspective for the 21®*
Century\'. Conference Secretariat: AFIRAC, 32, rue deTrévise, 75009
Paris, France, tel.: -1-33-1-56031200, fax: 33-1-56031360, e-mail:
rio2001@i-et-e.fr, internet: www.iahaio.org of www.afirac.org.

24—25 15\'-^ forum for applied biotechnolgy, Gent, Belgiutn. Administrative
Centre FAB, p/a GOM - West-Vlaanderen. Baron Ruzettelaan 33. B-
8310 Assebroek/Brugge (Belgium). Tel.: -i-32-(0)9-2645937, fax: -1-32-
(0)9-2646220, e-mail: fab2001@biomath.rug.ac.be, http://biomath.rug.
ac.be/fab2001/

27—29 1Annual Congress in Veterinary Dermatology of the European
Society ofVeterinary Dermatology, Copenhagen, Denmark. Further in-
formation: F. Kristensen, Dept. of Clinical Studies, Royal Veterinary and
Agricultural University, Dyrlägvej 16, 1870 Frederiksberg, Denmark.
Fax: 4-45-35282929, e-mail: fk@kvl.dk, www.congress-vetderm.com

Vergaderingen & Bijeenkomsten

Algemene Ledenvergadering AUV.

Ledenvergadering Groep Pluimveewetenschappen te Boxtel, aanvang
14.00 uur.

Ledenvergadering Groep Geneeskunde van het Varken. Jaarbeurs

Utrecht.

AUV fietsdag.

Ledenvergadering Werkgroep Geneeskunde Vleeskalveren, van der
Valk restaurant West-End, Amsterdamseweg 505 te Arnhem, aanvang
14.00 uur Informatie: A.G.G. Kok, tel 0318-631431.
Tweede Manifestatie ICT voor Dierenartsen, gebouw Faculteit Natuur
en Techniek te Utrecht, 11 -17 uur.

Voordrachtendag Werkcommissie Gezelschapsdieren KNMvD
Afdelingen Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. Zalencomplex
\'Poort van Limburg\', Bassin 5 te Weert. Kosten: ƒ 25,- (leden afdelin-
gen), ƒ 50,- (niet-leden). Aanmelden vóór 23 juni a.s. bij N. Venselaar,
tcL: 046-4741141 ofbij W. Oosse, tel.: 0475-593928.

30

juli

8 Peerdepieten, Draf- en Renbaan Duindigt.

21—22 Arabische Volbloedpaardenfestijn, Stalhouderij Bien Venue,
Bredascweg 525 te Tilburg. Inlichtingen: mevr. J. Smarius, tel.: 013-
4672348.

Cursussen

Juni

8 PAO-D-cursus Tandheelkunde (01/127-gezelschapsdieren).
8 en 15 PAO-D-cursus Chirurgie bij de Kat (01/125-gezelschapsdieren).
Tevens 15 juni.

13 PAO-D-cursus Maagdanntherapeutica (01/132-gezelschapsdieren).

14 PAO-D-cursus Monitoring Voeding (01/210-rund).

14 PAO-D-cursus Internistische Cases (01/113-gezelschapsdiercn).
14 PAO-D-cursus Radiologie Paard (01/510).
16 PAO-D-cursus Röntgen Thorax (01/120-gezeischapsdieren).
18—29 Workshop Moleculaire Biologie en Recoinbinant-DNA
Technologie. Inlichtingen: dr J.A Lenstra, FdD. Postbus 80165, 3508
TD Utrecht, tel.: 030-2534992, fax: 030-2540784, e-mail:
Lenstra@vet.uu.nl.

19 PAO-D-cursus Koemanagement(01/2I2).

20 PAO-D-cursus Maagdarmtherapeutica (01/133-gezelschapsdicrcn).

21 PAO-D-cursus Radiologie Paard (01/511).

September

5en 17okt. PAO-D-cursus Keuren Paard (01/512). Tevens I7oktober.
8 PAO-D-cursus De Blaas (Ol/112-gezelschapsdieren).

Oktober

13

14

19

20
21

23

5—6 ESVOT-TPLO cursus in München.

Uiterste inleverdata voor kopij

Aflevering: Deadline*)

maandag
maandag
maandag
maandag

11-06-2001
09-07-2001
30-07-2001
13-08-2001

01-07-2001
15-07/01-08-2001
15-08-2001
01-09-2001

Ledenvergadering Groep Veterinaire Specialisten, De Biltsche Hoek,
De Bilt. Aanvang: 20.00 uur.

juni

12

*) Voor 10.00 uur \'s morgens.

-ocr page 519-

Dierenkliniek \'De Water-
poort\' in Sneek, is een
goed geoutilleerde snel
groeiende gezelschaps-
dierenpraktijk met twee
fulltime en een parttime
dierenarts. Ter verster-
king van ons team zoe-
ken wij:

Een dierenarts
gezelschapsdieren (m/v)

Wij bieden: een 36-urige werkweek in een stimulerende
omgeving.

Wij vragen: differentiatie gezelschapsdieren
collegialiteit en teamgeest
deelname aan de dienstregeling
ervaring is een pre, maar niet noodzake-
lijk.

U kunt uw sollicitatie met curriculum vitae richten aan:
De heer P.P.M. Groenestein, Dierenkliniek \'De
Waterpoort\', Kleine Palen 11-13 ^601 AB Sneek. Of via
e-mail: sollicitatie@dewaterpoort.nl

Cezelschapsdierenkliniek Meinen en Hazenberg te Leeuwarden
zoekt in verband met ziekte van één der collega\'s zo spoedig mogelijk

een waarnemer (m/v)
voor minimaal vier maanden

Geboden wordt een baan van 30-40 uur (in overleg) in een mo-
derne, gedeeltelijk tweedelijns praktijk. Salariëring volgens
KNMvD-normen.

Gevraagd wordt een gezelschapsdierenpracticus (ervaring
strekt tot aanbeveling) met een cliëntvriendelijke instelling.
Uw schriftelijke reactie graag richten aan;
Gezelschapsdierenkliniek Meinen en Hazenberg, Kingmastate
32, 8926 NB te Leeuwarden.

Dierenkliniek Gooiland praktijk voor kleine huis-
dieren en paarden te Weesp (\'t Gooi), zoekt per i
juli a.s.

enthousiaste derde dierenarts
(m/v)

voor 80%.

Sollicitaties richten aan Dierenkliniek Gooiland,
ter attentie van I.P. van Gorkom, Aetsveldselaan
100,1381 DG Weesp.

paimiaii

draagbaar laboratorium

Test zelf Bloed, Serum of Biest
bij Rundvee, Paarden, Kat en Hond.

* >30 Klinisch chemische
bepalingen: o.a. Ca, P, Cl, K,
GGT Albumine, BUN, Cu, Mg,
IgG, ALT, AST, CK, Bilirubine,
Glucose, NEFA, BHBA etc.

* Testgroepen: o.a. verse koe
(Alb,ASTCa,Mg,BHBA,NEFA),
liggende, vruchtbaarheid,
lever, nieren, pre-operatie, etc.

* Bepalingsmethode: computer-
gestuurde kleurenfotometrie.

* Klaar in 1 tot 10 minuten.
Direct op boerderij of kantoor.

Gewicht 495 gram * Normen en kennis gratis.
23x9 cm

* EU goedgekeurd voor
dierlijk gebruik.

Kijl< ooic op internet:

www.palmlab.comwww.e-farm.nl

Impact Genetics importeert sperma, embryo\'s, ovatrac en palmlab

Impact Genetics BV

Hijlaard, Nederland
tel. 058-2519323
fax, 058-2519713
impactgenetics@hetnet,nl
De
nieuwe norm in economische veeverbetering

Dierenartsenpraktijk Schouwen-
Duiveland is een gemengde prak-
tijk in Zeeland waar zes dierenart-
sen werkzaam zijn, waarbij
gewerkt wordt vanuit een mo-
derne, goed geoutilleerde kliniek
te Zierikzee, Wij zijn op zoek naar
een

enthousiaste collega (m/v)

Hij, of zij, zal mede het gezicht gaan bepalen in onze gezelschapsdie-
rensector.

Wij vragen:

• ervaring in de gezelschapsdieren, ambitie voor chirurgie en orthope-
die

• bij voorkeur deelname in de gemengde dienstregeling
■ vermogen te kunnen samenwerken

• enthousiasme

• innovatie

• flexibiliteit

Wij bieden:

• 80-100% baan

• op redelijk korte termijn kan associatie tot de mogelijkheden behoren

• een prettige dienstregeling

• een open werksfeer met veel overleg

• salariëring volgens KNMvD-norm

• een schitterende woonomgeving

Graag zien wij een schriftelijke sollicitatie voorzien van een cv binnen 14
dagen na het verschijnen van dit tijdschrift gericht aan DAP Schouwen-
Duiveland, Grevelingenstraat 17, 4301 XZ Zierikzee, ter attentie van
M.K. Buth

Voor nadere inlichtingen kunt u bellen: M.K. Buth, telefoon 0I11-
652735/412180,

Dierenarism
praktijK

SCHOl\'WEN-Dlll\\\'ELA,ND

-ocr page 520-

Voedingsallergie en voedingsintolerantie

Voedingsallergie of voedingsintolerantie is een probleem dat regelmatig voorkomt bij de hond en de kat.
De aandoening kan zich uiten in dermatologische klachten of spijsverteringsproblemen.

Aan het onderzoekscentrum van Royal Canin Is een revolutionair dieet ontwikkeld ter behandeling van allergische
aandoeningen bij honden en katten: Hypoallergenic Programme. Dit dieet Is gebaseerd op gehydrolyseerd (soja)
eiwit als eiwitbron (niet allergene polypeptlden).

De receptoren worden niet geactiveerd
Geen histamine release
Geen symptomen van voedingsallergie

Geen allergische reactie

cc
<

2
\'S


t-
Ui

». <
H

H-
Ui

i

ROY>4LCI<NIN

-ocr page 521-

de VVAA?

Voor voiledige begeleiding bij
uw praktijkovername
I VVAA

BEL VOOR MEER INFORMATIE (030) 247 44 58

Postbas 81S3.3503 RD Utrecht
Internet www.waa.nl

M.n. interessant voor dierenartsen

ARBEIDS-
ONGESCHIKTHEIDS-
VERZEKERING

met gegarandeerde oremie restitutie

www.premieterug.nl
Tel. 035 - 5262894 • Crombeecke Assurantiën

j , , , «jWondbehandeling i j , , ,
• Nabehandeling van
operatieve wonden

Voor runderen, schapen,
paarden, honden en katten.

ACE Veterinary Products BV - Postbus 1262 - 3890 BB Zeewolde

HÉT VACCIN TEGEN MYCOPUS/VIA

HYORESP

Hét vaccin tegen Mycoplasma hyopneumoniae voor
nneer flexibiliteit en een optimaal resultaat.

Neocollpor

50 doses

Na vaccinatie snelle bescherming.
Beschermt tot het einde van de mestperiode.
Vanaf 5 dagen leeftijd: tweemalige vaccinatie.
Vanaf IO v^eken leeftijd: eenmalige vaccinatie\'.
Bewezen effectiviteit in het veld.

!

\'SBIEil^t

=__•

Suvax vet

a

VAKKUNDIG TE WERK MET HYORESP

M€RIAL

MERIAL B.V. Postbus 338. 1180 AH Amstelveen

* DIT VACONATCSCHEKA KAN WORDEN TOEGEPAST Bq VUESVAJtXENS WANNEER DE MYCOflASMA.INfECnE OP EEN LATERE LEEFTIp PLAATSWmOT HYORCSP » - R ^ - UOO: OoeUrnrr bQcn wuf de «ftfd v«< & (Upi> en .«ecsvirtem, Sarmttl^ ptf dovs vaecn geinKlNCtnle Mfofiom hyopnetrnrwr (complni trrinnte 9.0 Eks4.
U • Al\'** (»ihyctDioiJe) • Th^mefMl - Excpens ivv J rrt »Kk«: Ktieve rmiur»«« v»o vwlcer» tw vem^^ »o^«» ién vin volgen« schenw\'j, d«reo viMf e«o leefü(d v«n een iniervai v»i J-4 weker, of

dwen vWeen leeftj^ vvi 10 weken. I tfi|eciie CartK^^<óCl30a (een Sjweriw^ evemued e«n voorttgavxle ]wete<t ^ (WUtefcr<tireaciie Cf> de <fe(t<epUtu en een khle te<T(>erat>i>r««ho{r« {edwende een voort>|g*«y>e perede • n utionder^ gevilen een ovtfgewetghe*reicue, WocMt)« O dagen Voor veriere rfcxmibe. ut tipluAer ol bevr>kbMr txi MERlAX. av
e Gefegreveert vift MERIAL C 20CO MlRIAJ. Aie rWrten

-ocr page 522-

Een doorbraak in
de voedingsbehandeling
van voedselallergie

Hill\'s introduceert gehydrolyseerde voeding voor honden en katten

Zonder hydrolysatie

HYDROLYSATIE Met hydrolysatie

Allergische reactie

De meest voorkomende allergenen zijn
eiwitten met een moleculair gewicht
tussen de 10.000 en 70.000 dalton.

De HilI\'s hydrolysatietechnologie
gebruikt verteringsenzymen om de
eiwitten af te breken tot onderdelen
(peptiden en aminozuren) en hun
antigene werking tot 66 maal te
verminderen.\'

♦ CtTfPVPns hf^ hikhanr

Geen allergische reactie

De gehydrolyseerde eiwitbestanddelen
zijn te klein om zich met de IgE moleculen
te binden, waardoor histamine niet wordt
vrijgelaten en er geen sprake is van
allergische symptomen.

NIEUWE HILL\'S* PRESCRIPTION DIET* CANINE z/d* EN FELINE z/d*

Recente ontwikkelingen in het onderzoek in het Hill\'s Science & Technology Centre In Topeka In de VS hebben geleld tot het gebruik
van de elwlthydrolysatietechnologie voor de diagnose en voedingsbehandeling van honden en katten met een voedselallergie.

Beschikbare producten (VANAF MEI 2001)

Prescription Diet* Canine z/d* UI TRA Allergen-Free
Prescription Diet* Canine z/d* Low Allergen
Prescription Diet* Feline z/d* Low Allergen

Kenmerken

• Droogvoer I

• Verkrijgbaar in verpakkingen van 2 kg (Feline z/d en Canine z/d), j
3 kg (Canine z/d ULTRA) en 7,5 kg (Canine z/d en Canine z/d ULTRA)

• Eerste keus in geval van voedselallergie

• Gemakkelijk in het gebruik voor cliënten

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met uw HilI\'s
buitendienstinedewerk(st)er, of met de gratis HilI\'s Voedingslljn:

België: 0800-17745, Nederland: 0800-0222466.
Een e-mail sturen kan ook: lnfo_bIx@hillspet.com

Global Leader in Pet Nutrition

•Handelsmerken in eigendom van HilI\'s Pet Nutrition, Inc. © 2001 HilI\'s Pet Nutrition, Inc.

-ocr page 523-

Nu ook verkrijgbaar in Nederland!

Met het

grootste gemak

optimale

ontworming

EFFECTIEF
door het brede werkings-
spectrum van ivermectine

OPTIMALE
BESCHERMING
mede door de goede
opname van de pasta

ontwormt moeiteloos

\\/irt>ei<z

ANIMAL H EALTH

Persoonlijk voor dieren

Eraquell REG NL 9843 Werkzame stof: Ivermectine 18,7 mg per gram. Doeldier: Paard. Kanalisatie: Vrij. Voor meer
informatie: Virbac Nederland BV, Postbus 313,3770 AH Barneveld. Tel: 0342-427127. Fax: 0342-490164.

-ocr page 524-

Ze heeft negen levens en
slechts één immuunsysteem.

Een kat kan wel 20 jaar worden. Om dit te bereiken, heeft
haar immuunsysteem speciale ondersteuning nodig: tijdens
de groei, als ze volwassen is en als ze ouder wordt.
Om een lang en gezond leven te genieten, heeft zij een
voeding nodig die speciaal is afgestemd op haar voedings-
behoeften. Met Eukanuba Gat kunt u uw cliënt verzekeren dat
zijn kat een hoogwaardige, complete en uitgebalanceerde
droge voeding van topkwaliteit geeft.
Eukanuba Cat biedt vijf verschillende formules die speciaal
zijn afgestemd op de voedingsbehoefte van elke kat. Alle
formules bevatten vitamine E om het immuunsysteem te ver-
sterken. Bovendien bevat Eukanuba Cat dierlijke eiwitten die
essentieel zijn voor de productie van gezonde immuuncellen.
Uw cliënt zal zelf zien hoe lekker ziin kat Eukanuba vindt.

VOOR TECHNISCHE INFORMATIE KUNT U CONTACT OPNEMEN MET DE
IMPORTEUR HOLLAND DIERVOEDERS BV (030-2479 664). ALS U EEN
BESTELLING WILT PLAATSEN, KUNT U BELLEN MET AESCULAAP BV
(0411-677500) OF DIERENARTSENCOÖPERATIE AUV (0485-335555).

-ocr page 525-

15 juni
2001

deel
126 ,

aflevering

12_____________

nWersiteit Utrecint
nthAalc
Diergfinèeskunde

issn 0040-7453

Diercen

■f

Wetenschap

Insleep van ziekten op melkveebedrijven

Ataxie en pruritis bij eén pony als gevolg van
een halswervelfractuur\'

Actua

Rapport Commissie Wijffels

Toekomst veehouderij: uitdagingen voor practicus

Interview Willem Schaftenaar, dierenarts
Diergaarde Blijdorp

Verkoop diervoeding door dierenarts is logisch
Doorbraak huisdierdatabanken

KNMvD

Voorzitter drs. Ton de Ruijter kiest voor KNMvD

Tweede Manifestatie ICT voor dierenartsen
(en iiun assistenten...)

Jaarcongres 2001

Kijk uit, want voor je het weet worden je dromen
werkelijkheid

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor
Diergeneeskunde

-ocr page 526-

U KIEST TOCH NIET ZOMAAR EEN PRODUCT?

Wat is FreeFarm?

De FreeFarm productlijn van Eurovet
is een uitgebreid assortiment dier-
geneesmiddelen met de kanalisatie-
status VRIJ. Om deze producten
onder de aandacht te brengen bij uw
afnemer heeft Eurovet een brochure
ontworpen met daarin een overzicht
van de FreeFarm producten, geschikt
voor diverse landbouwhuisdieren.
Deze kunt u aanvragen bij Eurovet
en afgeven bij uw afnemer.
De FreeFarm productlijn staat voor
kwaliteit en past binnen elke schakel
van kwaliteitsketens als 1KB en KKM.

Enkele producten uit de FreeFarm productlijn:

Voor rund: Eurolectrol electrolytenmix. Glijmiddel
en ClijgéI voor geboortehulp en k.i. ^ ^^
Propyleenglycol, voor de behandeling van slepende
melkziekte,
Levasole pour-on voor worminfecties en ^^

CaMg oraal en infuus voor melkziekte en kopziekte. ^^^^

c

Voor varken: Flutelmium wormmiddel, Prevan 200 MS^^

en Prevan 200 B12 ijzerinjectie voor biggen. -

ievam/so/e 70% Voor worminfécties en L/t/ecf powr- k

on, voor schurftbestrijding. f * ^

Voor pluimvee: vitaminen en mineralen preparaten ^^^

zoals Farvisol en Robosol-P. ® \'

Voor paarden: Anthel-P en voor schapen: Veleol

voor worminfecties.

De FreeFarm productlijn van de dierenarts:

ruime keuze voor alle landbouwhuisdieren
uitstekende kwaliteit
geproduceerd met GMP certificaat
bij uitstek geschikt voor kvvaliteitsketens
als IKB en KKM

distributie uitsluitend via het dierenartsenkanaal
vertrouwde Eurovet producten
uitstekende prijs / kwaliteit verhouding

Nederland

Voor nadere informatie raadpleeg Eurovet

KIES NIET ZOMAAR EEN PRODUCT,
KIES FREEFARM

-ocr page 527-

Diergeneeskotidè"

JOURNAL OF THE ROYAL NETHERLANDS VETERINARY ASSOCIATION

Inhoud

Deel 126
Aflevering 1 2
15 Iuni 2001

Uit de Hoofdredactie
Overzichtsartikelen

Risico en economie van insleep van ziekten op melkveebedrijven; G. van Schaik

Ataxie en pruritus bij een pony als gevolg van een halswervelfractuur;

C.J.W. Schejfer, G. Blaauw, K.J. Diken M.M. Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan

Referaten

413

414

419
422

Berichten en verslagen

Rapport van de Commissie Wijffels over herontwerp sector. Toekomst veehouderij: uitdagingen voor practicus;
E. Noordhuizen-Stassen 423

Interview Willem Schaftenaar, dierenarts Diergaarde Blijdorp. Tk vind dat je je moet afvragen welke rol je wilt
spelen in de samenleving; 5.
Deleu 426

Bijeenkomst Panel Voeding en Diëtetiek Gezelschapsdieren. Verkoop diervoeding door dierenarts is logisch;
J. Hulsen 428

Schietmasker valt onder Wapenwet 430

Digitaal netwerk helpt bij opsporen dier, eigenaar en vinder 432

Doorbraak in informatievoorziening van huisdierdatabanken 432

Nederlandse Databank Gezelschapsdieren. Eigenaar weggelopen huisdier in enkele seconden opgespoord 432
Commissie Aanprijzing Veterinaire Producten behandelt twee klachten. Publieksadvertentie injecteerbaar
antibioticum en merkinbreuk 433

Skovar gecertificeerd 437

Veterinair tuchtrecht

Aansprakelijkheid bezitter van een paard voor letsel dierenarts; E.LJ Bruyninckx en I. Boissevain
Ingezonden

Verdenking van MKZ onder Nederlands wild; P. Sutmöller
Sluiting veemarkten; W. ter Heide

Werkgroep Het Huilend Varken richt gedenkteken op; J. Hulsen. R. Sol en B. Wille
Plaats Groep Homeopathisch-werkende Dierenartsen; J. Jacobs
Enorme opwinding terecht; R. van der Werf-Verbraak

Congressen en Cursussen

Licenties Veterinaire Groepsadvisering Rundvee

Boekbesprekingen

Streptococcen?

Suramox® 5% Premix

De effectiviteit van amoxicilline, _

de zekerheid van een premix!

ADVERTENTIE

Alleen Suramox 5% Premix combineert de effectiviteit van (gecoate) ^

amoxicilline met de zekerheid van een premix. Maakt daardoor ^J^iV

een effectieve koppelbehandeling tegen Streptococcus suis mogelijk. _ fS j

. virbac

Vtri^OTJwC^l\'fe. vm^ Mjiam^

Virbac Nederland bv Postbus 313, 3770 AH Barneveld

Telefoon (0342) 427 127 Fax (0342) 490 164

431

434

435

436

436

437

-ocr page 528-

Hoofdredactie

Dr. W. Edel (voorzitter)

Dr. E.A. Ier Laak (penningmeester)

Drs. H.A. Beijer

Dr M .F. de Jong

Dr. Tj. Jorna

Dr R. Kuiper

Dr. P.A.M. Overgaauw

Drs. J.T. Siebinga

Dr. R.J. Slappendel

Dr. J.H. Vos

Wetenschappelijke redactie

Prof. dr. A. Barneveld (Utrecht)

Dr. A.E.J.M. van den Bogaard Jr. (Maastricht)

Dr. F.H.M. Borg.steede (Lelystad)

Prof. dr. H.J. Breukink (Utrecht)

Prof. dr P. De Backer (Gent, België)

Dr. J. Goudswaard (Middelburg)

Prof. dr. L.J. Heilebrekers (Utrecht)

Dr. Th.S.G.A.M. van den Ingh (Utrecht)

Prof. dr, A.Th. van \'t Klooster (Utrecht)

Prof. dr F. van Knapen (Utrecht)

Prof. dr A. de Kruif (Gent, België)

Dr. J.T. Lumeij (Utrecht)

Prof. dr A.S.J.RA.M. van Miert (Utrecht)

Prof dr J.PT.M. Noordhuizen (Utrechi)

Prof. dr. J.Th. van Oirschot (Lely.stad)

Prof. dr. J. de Schepper (Gent. België)

Dr. J.M.A. Snijders (Utrecht)

Dr. E. Teske (Utrecht)

Mw. dr. A.J. Venker-van Haagen (Utrecht)

Prof. dr. J.H.M. Verheijden (Utrecht)

Dr. G. Voorhout (Utrecht)

Dr. Th. Wensing (Uü-echt)

KNMvD

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij i^oor
Diergeneeskunde

Julianalaan 8 - io
Utrecht
Postbus 14031
3508 SB Utrecht
Telefoon (030)2510111
Fax (o3o)251ij8j

Hoofdbestuur

Drs. T de Ruijter, voorzitter

Drs. S.R. Heslinga, vice-vooriitter

Drs. J. Borgmeier lid

Mw. drs. E.N.M. Harvvig-Dings. lid

Drs. G. Huijser van Reenen. penningmeester

Drs. J. Togtema. lid

Mw. drs. W.J. Wijne- Raemakers. lid

Secretariaat

Dr Tj. Jorna, algemeen secretaris

Manager interne zaken

Mw. E. Cuhfus

Stafmedewerkers

Mw. drs. S.A.M. Deleu

Mw. drs. M.C. van Oostrum-Sehuurman Hess

Drs. J.L.M. Vaarten

Administrateur

H.S. de Vries

Vacaturebank

R.P. van Ringelestijn

Bureauredactie

Mw. A.M. Tummers

Mw. S.H. Umans-Ubbink

------- .

Bureau

Julianalaan 8-10, Postbus 14031. 3508 SB Ufrecht
Tel.030-25 10 11 l/fax030-25 19847.
E-mail: tijdschrift@knmvd.nl.

Abonnementsprijs

Het Tijdschrift voor Diergeneeskunde is het ver-
eniging.stijdschrift van dc Koninklijke Neder-
landse Maatschappij voor Diergence.skunde.
De abonnementsprijs voor dierenartsen niet-leden
van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij
voor Diergeneeskunde en voor niet-dierenartsen
wordt vastgesteld door het Hoofdbestuur

KNMv

In Memoriam

Kees Herweijer; fi Hoekstra

Maatschappljnleuws

Voorzitter drs. Ton de Ruijter kiest voor KNMvD

Ledenvergadering Werkgroep Geneeskunde Vleeskalveren

Instroomeisen Erkenningsregelingen

Nieuw relatiebeheersysleem op bureau KNMvD

Kijk uit, want voor je het weet worden je dromen werkelijkheid

Tweede Manifestatie ICT voor dierenartsen (en hun assistenten...)

Programme Manager/Chief Technical Advisor gezocht voor Afghanistan

Ingezonden

Via de kleuterschool naar herbezinning?;/!. Osinga

Het relatieve risico van de Voorjaarsdagen, een reactie op Klaare c.s.; B. van der Kolk
Dieners van onze portemonnee; I. vanAhen

Doorlopende agenda

!

439

440
440

440

441
441
441
446

443

443

444

445

Postgiro/bank

Postbank 511606 ten name van de KNMvD,
Julianalaan
8-10, Utrecht. ABN/AMRO N.V,
Postbus
30, 3500 AA Utrecht, nr 55 50 48 861 en
c en E bank N.V, Postbus 85100. 3508 AC
Utrecht, nr 69 93 61 443.

Contents

Review papers

Risk and economics of disease introduction to dairy farms; C. van Schaik

Ataxia and pruritis in a pony due to a cervical vertebral fracture; C.J. W. Scheffer. G. Blaauw.

K.J. Dik, and M.M. Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan

4\'4

419

Druk

Drukkerij G. van Dijk B.V. Breukelen (tel. 0346-
261304, fax 0346-264565).

Advertenties

Commerciële advertenties: Bureau Weijer B.VJ,
Veendam (tel. 0598-623065, fax 0598-613827).
Personeelsadvertenties: bureauredactie.

All rights reserved

Verklaring:

Richtlijnen voor auteurs (Vancouver Style) zijn op aanvraag verkrijgbaar (zie ook Tijdschr Diergeneeskd 1992: 117:31-
4). De Redactie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade welke - direct of indirect - het gevolg mocht zijn van ge-
bleken onjuistheden in de inhoud van de in dit tijdschrift opgenomen artikelen waarbij de auteur is vermeld of in de in-
houd van de in dit tijdschrift geplaatste advertenties. Advertenties kunnen zonder opgaaf van redenen door de Redactie
worden geweigerd of ingetrokken. Niets uit dit tijdschrift mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door
middel van druk, microfilm of op welke andere wijze ook. zonder schriftelijke toestemming van dc Redactie.

(Papers appearing in this journal are listed in Current Contents /Agricultural Biology and Environmental Science /
Index-Medicus. Index Veterinarius / Veterinary\' Bulletin, Biological Abstracts. Cambridge Scientific Abstracts).

-ocr page 529-

dei

Hoofdredactie

Insleep van ziekteverwekkers

Telkenmale als er in Nederland een explosie is van een (besmettelijke) dierziekte staan de media maar
ook het TvD bol van de berichtgeving daarover, zoals recentelijk over de MKZ-epizoötie, die gelukkig
nu achter de rug is. Daaraan vooraf gingen de ziekten, waarover veel werd geschreven, de Boviene
Spongieuze Encephalopathie (BSE), nog niet voorbij, en de varkenspest.

Veel minder valt te lezen over het voorkómen van ziekten en intoxicaties. En als er dan al aandacht
aan wordt besteed, is het de laatste tijd meer in de sfeer van risico-analyse en kosten-batenafweging.
Zo is ondermeer ook het Europese non-vacinatiebeleid tot stand gekomen. Met andere woorden de
economie prevaleert veelal boven de kwaliteit van voedsel van diedijke oorsprong, dierenwelzijn en
geestelijk welzijn van direct betrokkenen.

In deze aflevering een artikel over risico en economie van insleep van ziekten op melkveebedrijven,
waarbij het opmerkelijk is dat door dierenartsen en melkveehouders verschillend gewicht wordt toege-
kend aan de twee belangrijkste risicofactoren, te weten directe diercontacten en professionele bezoe-
kers. Voor een werkelijk gesloten dierhouderijbedrijf, voor welke diersoort dan ook, zijn diercontacten
natuuHijk niet van toepassing, tenzij bij weidegang diercontact toch mogelijk is. Toch blijft het altijd:
\'Dierhouder let op Uw saekl\'. Immers afvoer van dieren en aanvoer van diervoeder en andere beno-
digdheden geschiedt doorgaans met vervoer van derden, die op alledei bedrijven komen. Bovendien is
de integrale ketenbewakmg!-beheersing/-benadering/-gedachte nog vaak ver te zoeken, ondanks de
vele jaren dat deze wordt gepropageerd.

Aankoop van dieren is en blijft altijd een groot risico en als dat in het buitenland geschiedt, zelfs in lan-
den van de Europese Unie met al zijn regelgeving, is dat risico nog een stak groter, zoals recent is ge-
bleken. Denk daarbij echter ook nog aan tuberculose, bruceUose, salmonellose, enzovoorts. Via het
diervoeder hebben we de lood- en dioxine-affaire gehad en is het BSE-agens hoogstwaarschijnlijk nog
niet uit NedeHand verdwenen. Dat laatste is grotendeels debet aan het economisch principe. Immers
het heeft tot maart
1999 moeten duren via wetgeving af te dwingen dat voer voor herkauwers wordt
geproduceerd op totaal van elkaar gescheiden productielijnen.

Individuele dierhouderijbedrijven kunnen zeer veel doen om insleep van ziekteverwekkers in hun be-
drijven tegen te gaan. Echter het tegengaan ervan uit het buitenland is veel moeilijker en daarom is
hier een grote taak weggelegd voor de Rijksoverheid, die immers dient te waken over het algemeen
welzijn van diegenen en datgene die/wat zich bevinden/bevindt binnen Nederland.

I

Dr.W.Edel
Voorzitter Hoofdredactie

TlJDSCHmB^

Diergenees KU\'N\'U\'t^"

-ocr page 530-

Risico en economie van insleep van ziekten op melkveebedrijven

G. van Schaik^

Tijdschr Diergeneeslfd 2ooi; 126:414-18

Overzichtsartikelen

Samenvatting"

Een meer gesloten bedrijf heeft minder kans op insleep
van besmettelijke ziekten. Hierdoor kunnen deze ziekten
op zo\'n melkveebedrijf in principe makkelijker worden
bestreden. De vraag is vervolgens of de kosten-baten-
analyse daarbij positief uitvalt. Het doel van het onder-
zoek was om gegevens te verkrijgen voor een economisch
model waarmee de kosten en baten van een meer gesloten
bedrijfssysteem kunnen worden berekend. Het model is
met name gebaseerd op gegevens over BHVl, maar de
kans op en de schade van insleep van BVDV,
L. hardjo en
S. duhiin zijn ook meegenomen in de berekeningen.
Uit onderzoek bleek dat met name directe diercontacten,
zoals aankoop van vee, deelname aan veekeuringen, en
vee dat uitbreekt en daarbij in contact komt met ander
vee belangrijke risicofactoren waren voor insleep van
BHVl. Verder bleek dat het gebruik van bedrijfskleding
door professionele bezoekers (bijvoorbeeld een dieren-
arts of inseminator) een belangrijke beschermende fac-
tor was voor insleep van BHVl.

Het effect van een IBR-uitbraak op een IBR-vrij bedrijf
op de melkproductie bedroeg 0,9 kg per koe per dag ge-
durende negen weken. Deze hoeveelheid varieerde sterk
per bedrijf: geen daling tot een daling van bijna 2 kg per
koe per dag gedurende negen weken. Uit een studie op
IBR-vrije bedrijven die gedeeltelijk ook vrij waren van
BVDV,
L. hardjo en S. duhiin bleek dat er op 9% van de
bedrijven één van deze ziekten per jaar werd ingesleept.
Het economische model bevat de odds ratios van de risi-
cofactoren zoals die in het onderzoek zijn gevonden.
Tevens bevat het model de belangrijkste maatregelen om
meer gesloten te worden, de kosten van deze maatregelen
en de mate waarin deze maatregelen het risico van in-
sleep verminderen. Uit de berekeningen blijkt dat in veel
gevallen een gesloten bedrijf rendabel is. De baten van
een meer gesloten bedrijfssysteem zullen toenemen als
een bedrijf de insleep van meer ziekten kan voorkomen.
De baten zullen afnemen als het bedrijf intensief is
waardoor voldoende opfok van eigen jongvee erg duur is
en als het bedrijf een ongunstige ligging heeft (dicht bij
andere rundveebedrijven en veel land waar vee in contact
kan komen met buurvee).

Proefschrift. Wageningen Universiteit, 16juni 21)00. Gerdien van Schaik, Agrarische
Bedrijfseconomie, Wageningen Universiteit, Hotlandseweg 1, 6706 KN Wageningen,
te!.: (0317) 484065. fa.x: (0317) 482745. e-mad: gv25@cornell.edu

Summary

Risk and economics of disease introduction to dairy
farms

A more closed farming system will enhance the success of disease eradica-
tion programmes, because the introduction or re-introduction of infectious
diseases is less likely. The objective of the study was to obtain input for the
development of an on-farm decision support model to calculate the economic
consequences of a more closed farming system. The input was bused on bo-
vine herpesvirus I (BHVl), since there were numerous data on this disease,
but a more closed farming system will prevent introduction of other diseases
as well (i.e bovine virus diarrhoea virus (BVDV),
L. hardjo, and S. dublinA
Direct animal contacts, such as purchase of cattle, participation in cattle
shows, and cattle that escape and mingle with other cattle, were found to be
important risk factors for the introduction of BHVl. Furthermore, the use of
protective farm clothing was found to be an important preventive factor.
The effect of an IBR outbreak at un IBR-freefarm on milk production caused
limited losses of on average 0.9 kg per cow per day during 9 weeks, hut the
variability was high (95% CI 0-2 kg). Nine percent of Dutch IBR-free daiiy
farms that were also at risk for BVDV.
L. hardjo or S. diibhn had one intro-
duction per year of one of these four diseases.

All these results were incorporated in the economic model. Management
measures to reduce the probability of introduction of BHVl, the costs of
these measures, and the risk reduction after these measures were obtained
from other sources. The calculations showed that the implementation of a
more closed .system will he profitable for most farms. The profitability will
increase when a farm is at risk for more diseases, hut will decrease when
farms are limited in their facilities to rear replacement heifers or when a
large proportion of pasture adjoins pasture of other cattle farms.

Inleiding

In 1994 heeft de World Trade Organisation (WTO) een over-
eenkomst gesloten genaamd \'Agreement on the Application
of Sanitary and Phytosanitary Measures (SPS agreement)\'.
Deze overeenkomst heeft een enorme invloed gehad op de
wetgeving van de internationale handel in dieren en dierlijke
producten (11). Regeringen mogen op basis van de eigen
diergezondheidsstatus handelsbarrières instellen om de
voedselveiligheid en de gezondheid van het eigen vee te be-
schermen. De handelsbarrières kunnen worden voorkomen
door als exporterend land zelf een hoge gezondheidsstatus te
hebben vergeleken met andere landen. De Europese Unie
(EU) heeft besloten om tot een hogere diergezondheidsstatus
te komen door te streven naar een non-vaccinatiebeleid voor
besmettelijke dierziekten (8).

Landen die een hogere gezondheidsstatus willen verkrijgen
kunnen kiezen tussen vrijwillige en verplichte ziektebestrij-
dingsprogramma\'s. Individuele veehouders zullen de ge-
zondheidsstatus van het rundvee willen verhogen om de eco-
nomische resultaten van het bedrijf te verbeteren. Een meer
gesloten bedrijf zal de kans op insleep van infectieziekten
verminderen, waardoor ziekten efficiënter kunnen worden
bestreden. Boviene herpesvirus type 1 (BHVl) is een be-
langrijk virus in Nederland. Verschillende landen in de EU
zijn al vrij van deze ziekte en ze kunnen daardoor importbe-
perkingen opleggen aan andere landen, zoals Nederland
(22). BHVl veroorzaakt infectieuze boviene rhinotracheitis
(IBR) en infectieuze pustuleuze vulvovaginitis (IPV). In mei
1998 is in Nederland een verplicht bestrijdingsprogramma

-ocr page 531-

voor IBR van start gegaan, dat in 1999 is stopgezet.
Het doel van de studie was om gegevens te verlcrijgen voor
een model om de kosten en baten van een meer gesloten
melkveebedrijf te berekenen. Met een meer gesloten bedrijf
wordt in dit onderzoek een bedrijf bedoeld dat het risico van
directe contacten van het eigen vee met ander vee heeft gemi-
nimaliseerd en professionele bezoekers (bijvoorbeeld dieren-
arts, inseminator, handelaar) bedrijfskleding aan laat trekken
voor het betreden van de stal. De gegevens voor het model
zijn gebaseerd op BHVl omdat er door het bestrijdingspro-
gramma veel gegevens van deze ziekte beschikbaar waren.
Een meer gesloten bedrijf zal echter niet alleen insleep van
BHVl voorkomen, maar ook insleep van andere ziekten.
Als eerste is gekeken naar de mogelijke baten van een meer
gesloten bedrijfssysteem en wat de veehouders, hun dierenart-
sen en inseminatoren belangrijke risicofactoren voor insleep
van BHVl vinden. Vervolgens zijn met een aantal analyses de
risicofactoren voor insleep van BHVl gekwantificeerd om ze
in het model op te kunnen nemen. Tevens is de schade van in-
sleep van BHVl en de kans op insleep van een aantal andere
infectieziekten bepaald. De gegevens zijn als invoer gebruikt
om een eenvoudig economisch model te maken dat de kosten
en baten van een meer gesloten bedrijfssysteem kan bepalen.
Het model dient als hulpmiddel om de beslissingen van indivi-
duele veehouders over het implementeren van een meer geslo-
ten bedrijfssysteem economisch te ondersteunen. Al deze fa-
cetten van de studie worden hieronder toegelicht.

de mogelijkheden voor een meer gesloten be-
drijfssysteem

Er is een verkennende studie uitgevoerd naar de technische
en economische gevolgen van een meer gesloten systeem op
melkveebedrijven met DELAR-boekhoudgegevens (14). De
gegevens waren afkomstig van 1485 melkveebedrijven en
hadden betrekking op de boekjaren \'9l/\'92 en \'92/\'93.
Bedrijven die rundvee aankochten of rundvee in- of uit-
schaarden werden gedefinieerd als \'open\' bedrijven en de
bedrijven die dit niet deden waren \'gesloten\' bedrijven. De
verschillen tussen deze twee groepen zijn geanalyseerd door
middel van een discriminant-analyse. Uit de analyse bleek
dat de bedrijven verschilden in technische resultaten. De
\'gesloten\' bedrijven hadden lagere dierenartskosten en een
lagere gemiddelde afkalfleeftijd, en per 100 stuks melkvee
werden er meer kalveren geboren in een jaar. Met een line-
aire regressie-analyse is onderzocht of het bedrijfssysteem
invloed had op de economische bedrijfsresultaten. Op de
\'gesloten\' bedrijven was het saldo per 100 kg melk met 87
cent verhoogd, wat neerkomt op ongeveer 70 gulden per koe
per jaar, een bedrag van ongeveer 5% van de arbeidsop-
brengsten per koe van een bedrijf De oorzaak van dit ver-
schil kon met dit onderzoek echter niet worden aangetoond.
Tevens was de definitie van een \'gesloten\' bedrijf in dit
onderzoek vrij beperkt (in/uitscharen en aankopen). Een be-
tere onderbouwing van dit economische verschil was nood-
zakelijk.

Een meer gesloten bedrijf kan succesvol zijn als veehouders
en hun adviseurs zoals een dierenarts het eens zijn over wat
de belangrijkste risicofactoren voor insleep van ziekten zijn.
In hoofdstuk 3 van het proefschrift wordt een onderzoek be-
schreven naar wat veehouders, dierenartsen, en inseminato-
ren belangrijke risicofactoren voor insleep van BHVl vin-
den (15). Hiervoor is er drie keer een avond georganiseerd
waaraan in totaal 49 veehouders, dierenartsen en insemina-
toren hebben meegedaan. Op elke avond waren alledrie be-
roepsgroepen vertegenwoordigd. De deelnemers hebben een
geautomatiseerde enquête gedaan die was gebaseerd op
Adaptive Conjoint Analysis (ACA) (12), Gedurende de en-
quête werden interacties met de andere deelnemers zoveel
mogelijk voorkomen. De deelnemers aan het onderzoek wa-
ren zich bewust van het risico van directe diercontacten voor
insleep van BHVl, maar veehouders vonden \'bezoekers\'
meer risicovol dan dierenartsen dat vonden. Veehouders die
zelf rundvee aankochten of deelnamen aan keuringen leken
zich bewust van het risico en vonden de risico\'s van directe
diercontacten zelfs belangrijker dan veehouders die dit niet
deden. Veehouders met een IBR-positief bedrijf (bedrijven
die ook vaker deelnamen aan keuringen) vonden het risico
van veekeuringen kleiner dan IBR-negatieve bedrijven.
Samenvattend werd in het proefschrift aangetoond dat een
meer gesloten bedrijf econornische voordelen heeft, maar
dat veehouders en hun adviseurs van mening verschillen
over de risicofactoren voor insleep van BHVl, indien ge-
rangschikt naar belangrijkheid,

risicofactoren voor insleep van bhvi

Een meer gesloten bedrijfssysteem kan insleep van infectie-
ziekten op melkveebedrijven voorkomen en is een uitgangs-
punt voor de bestrijding van deze ziekten op een bedrijf Op
214 melkveebedrijven zijn gegevens verzameld over de moge-
lijke risicofactoren voor insleep van infectieziekten door
middel van een enquête (16). De IBR-status van deze bedrij-
ven was bekend door maandelijkse tankmelkmonsters of door
bloedmonsters van al het rundvee op het bedrijf
Honderdzeven van de 214 bedrijven hadden nooit gevacci-
neerd tegen BHV 1 en de IBR-positieve status van deze bedrij-
ven kon dus alleen zijn veroorzaakt doordat BHVl ooit het be-
drijf is binnengekomen. De risicofactoren voor introductie
van BHVl op de bedrijven zijn gekwantificeerd met behulp
van logistische regressie. De odds ratios (ORs) van de risico-
factoren geven aan dat een factor vaker (OR>l) of rninder
vaak (0R<1) voorkomt op IBR-positieve bedrijven ten op-
zichte van IBR-negatieve bedrijven. De IBR-positieve bedrij-
ven kochten 1,3 keer meer rundvee aan en deden 3,5 keer va-
ker mee aan veekeuringen vergeleken met de IBR-negatieve
bedrijven. Een IBR-positief bedrijf had ook meer (professio-
nele) bezoekers in de stal die 0,97 keer minder vaak bescher-
mende bedrijfskleding aan deden. Verder waren de IBR-posi-
tieve bedrijven dichter gelegen bij andere melkveebedrijven
vergeleken met de negatieve bedrijven (OR=0,7) (16),
Ook is er een analyse gedaan met een subgroep van bedrij-
ven waarvan de prevalentie van BHVl op bedrijfsniveau be-
kend was door individuele bloedmonsters van het vee (17),
De BHVl-prevalentie op melkveebedrijven is afhankelijk
van een aantal factoren die samenhangen met het aantal in-
fectieuze en gevoelige dieren op een bedrijf Ten eerste is de
prevalentie afhankelijk van hoe gesloten een bedrijf is. Een
bedrijf met veel diercontacten of bezoekers heeft meer kans
op een BHVl-uitbraak en dus zal het bedrijf mogelijk een
hogere BHVl-prevalentie hebben. Ten tweede wordt de
BHVl-prevalentie ook bepaald door reactivatie van BHVl
op een bedrijf, wat mogelijk beïnvloed kan worden door het
stressniveau van het vee. In de testuitslagen kon geen onder-

-ocr page 532-

scheid worden gemaakt of de BHVl-prevalentie door in-
sleep of reactivatie was ontstaan. Er kon echter wel naar een
verband worden gezocht tussen risicofactoren gerelateerd
aan insleep van BH VI, managementfactoren gerelateerd aan
reactivatie van BHVl, en de geschatte tijd sinds de laatste
IBR-uitbraak. Uit de survival-analyse blijkt dat de periode
sinds de laatse IBR-uitbraak 1,1 keer korter is op bedrijven
die rundvee aankopen, 5,6 keer korter op bedrijven die afge-
keurd exportvee terugnemen en bijna drie keer korter als er
veel niet-professionele bezoekers in de stal komen. De ma-
nagementfactoren die mogelijk verband houden met reacti-
vatie van BHVl op melkveebedrijven hadden allemaal be-
trekking op het hebben van een ligboxenstal. De periode
sinds de laatste IBR-uitbraak was 3,5 keer korter op bedrij-
ven met een ligboxenstal. Verder werd de periode sinds de
laatste IBR-uitbraak ook bijna zes keer korter door een over-
bezette stal (meer koeien dan ligplaatsen in de stal).
In mei 1998 is er in Nederland een verplicht bestrijdingspro-
gramma voor IBR van start gegaan. In december 1999 was
ongeveer 24% van de Nederlandse melkveebedrijven gecer-
tificeerd IBR-vrij (Gezondheidsdienst voor Dieren). In
hoofdstuk 6 van het proefschrift (19) zijn IBR-vrije melk-
veebedrijven met en zonder IBR-uitbraak vergeleken door
middel van logistische regressie met exacte testen. Deze
exacte testen waren nodig omdat de dataset vrij klein was en
de risicofactoren relatief weinig voorkwamen. Drieënnegen-
tig gecertificeerde IBR-vrije melkveebedrijven namen deel
aan een cohortstudie waarin de kans op insleep van infectie-
ziekten werd onderzocht. Insleep van BHVl werd bepaald
vanaf het begin van de studie in maart 1997 tot aan het einde
van de studie in april 1999 door middel van maandelijkse
tankmelkmonsters. Gedurende de studie registreerden de be-
drijven welke risicofactoren voor insleep van BHV 1 er voor-
kwamen en de bedrijven werden elk halfjaar bezocht om de
gegevens te bespreken en te verzamelen. Op 90 van deze be-
drijven werd geen IBR-uitbraak geconstateerd en deze be-
drijven konden worden gebruikt als controlebedrijven. Van
januari 1997 tot en met februari 1998 werd op 44 IBR-vrije
melkveebedrijven in Nederland een IBR-uitbraak vastge-
steld (uitbraakbedrijven). Ook op de uitbraakbedrijven wer-
den managementgegevens verzameld, echter maar éénmalig
direct nadat de IBR-uitbraak was geconstateerd. De gege-
vens van het voorjaar 1997 tot het voorjaar van 1998 van 90
controle- en 44 uitbraakbedrijven werden samengevoegd in
één dataset. Van elk controlebedrijf is er at random één waar-
neming van de drie geselecteerd. Deze selectie was gestrati-
ficeerd naar het aantal uitbraakbedrijven in de betreffende
periode. In het eerste half jaar waren er bijvoorbeeld vier
IBR-uitbraken en zijn er vier waarnemingen van controlebe-
drijven in die periode geselecteerd. De uiteindelijke dataset
bevatte slechts één waarneming van elk controlebedrijf Het
uiteindelijke logistische regressiemodel was gestratificeerd
naar de drie tijdsperiodes.

Uit de analyses bleek dat de gecertificeerde IBR-vrije bedrij-
ven in deze studie nog maar weinig risicofactoren voor in-
sleep van ziekten hadden. Op gecertificeerde IBR-vrije be-
drijven waren directe diercontacten met niet-IBR-vrij
rundvee sowieso niet toegestaan. Uit het gestratificeerde re-
gressiemodel bleek dat de bedrijven met een IBR-uitbraak
bijna zeven keer vaker rundvee hadden dat uitbrak uit de wei
en in contact kwam met ander vee. Verder werd er op bedrij-
ven met een IBR-uitbraak 2,3 keer minder vaak bescher-
mende bedrijfskleding aan professionele bezoekers verstrekt.

Samenvattend bleek uit alle studies dat directe diercontacten
en professionele bezoekers risicofactoren waren voor insleep
van BHVl. Er kan worden geconcludeerd dat aankoop van
vee, deelname aan veekeuringen, afgekeurd exportvee terug-
krijgen op het bedrijf, en het hebben van rundvee dat uitbreekt
en in contact komt met ander rundvee belangrijke risicofacto-
ren voor insleep van BHVl zijn. Verder is gevonden dat be-
drijfskleding voor professionele bezoekers een belangrijke
beschermende factor is om insleep van BHV I te voorkomen.

daling van de melkproductie door een ibr-
uitbraak

Met een meer gesloten bedrijfssysteem kan insleep van be-
smettelijke ziekten worden voorkomen. De baten van een
meer gesloten bedrijf zijn dan de schade van insleep van be-
smettelijke ziekten die wordt voorkómen. Eén van de scha-
delijke gevolgen van insleep van ziekten kan een daling in de
melkproductie zijn. Om deze schade te kunnen schatten is
gebruik gemaakt van historische melkcontrolegegevens van
bedrijven. In hoofdstuk 7 van het proefschrift (18) wordt het
effect beschreven van een uitbraak van IBR op de melkpro-
ductie van gecertificeerd IBR-vrije melkveebedrijven. Hier-
bij is aangenomen dat het virus na insleep negen weken op
een bedrijf circuleert (5).

De gemiddelde melkproductiedaling als gevolg van een
IBR-uitbraak bedroeg 0,9 kg melk per koe per dag gedu-
rende een periode van negen weken. De melkproductieda-
ling varieerde van een verwaarloosbare hoeveelheid tot 2 kg
melk per koe per dag. De gemiddelde economische schade
van een uitbraak bedroeg 372 gulden met een ondergrens en
bovengrens van respectievelijk 12 gulden en 730 gulden per
IBR-uitbraak op het gemiddelde bedrijf in deze studie met
44 stuks melkgevend vee (exclusief droogstaande koeien).

nsleepvan infectieziekten

Het economische voordeel van een meer gesloten bedrijf
hangt af van de kosten van de maatregelen en van de moge-
lijke schade van insleep van ziekten die wordt voorkomen. In
hoofdstuk 8 van het proefschrift (20) is bepaald hoe vaak in-
fectieziekten op bedrijven werden ingesleept en wat de mo-
gelijke oorzaken waren. Er is onderzoek gedaan naar BH V1.
Boviene Virus Diarree Virus (BVDV),
Salmonella enterica
subsp. enterica serotype Dublin (S. dublin), en Leptospira
interrogans
serovar hardjo (L. hardjo). De 95 deelnemers
waren IBR-vrije bedrijven die in de meeste gevallen ook vrij
waren van de andere ziekten. Er werden maandelijkse tank-
melkmonsters voor het bepalen van BHVl -antistoffen geno-
men, en voor
L. hardjo werden elk kwartaal tankmelkmon-
sters op antistoffen onderzocht. Voor BVDV-antistoffen zijn
elk jaar 12 bloedmonsters genomen aan de hand van een
schema van Houe (7) en elk kwartaal tankmelkmonsters.
Tenslotte zijn er elk halfjaar bloedmonsters voor 5.
dublin-
antistoffen genomen van de kalveren tot een half jaar oud.
Deze jonge kalveren zijn een goede indicatorgroep voor S.
dublin (6). De bedrijven hielden gedurende de studie gege-
vens bij over de mogelijke risicofactoren voor insleep en
werden elk half jaar bezocht om deze gegevens op te halen
en te bespreken. Op deze manier kon vrij nauwkeurig wor-
den vastgelegd hoe vaak deze ziekten op bedrijven die vrij
waren van de ziekte werd ingesleept en wat de eventuele oor-

-ocr page 533-

zaak was van insleep.

Hoewel de bedrijven slechts weinig directe diercontacten
hadden en op 52% van de bedrijven bezoekers bedrijfskle-
ding gebruikten, werd er toch op een aantal bedrijven een
ziekte ingesleept. Op één bedrijf werd zowel BHVl als
S. du-
blin
ingesleept, op drie van de 93 IBR-vrije bedrijven BHVl,
op één van de 92
L. hardjo-vnie bedrijven L. hardjo, op twee
van de 50 BVDV-vrije bedrijven BVDV, en op zeven van de
85 5.
dublin-\\n]c bedrijven werd 5. dublin ingesleept. De to-
tale incidentieratio van insleep van deze ziekten bedroeg
0,09 (betrouwbaarheidsinterval: 0,06-0,12). De logistische
regressie van de uitbraak- en niet-uitbraak-bedrijven toonde
verder aan dat de \'niet-uitbraak\'-bedrijven significant meer
gesloten waren. De bedrijven met een uitbraak lieten de pro-
fessionele bezoekers vijf keer minder vaak bedrijfskleding
en laarzen aandoen voor het betreden van de stal, de bedrij-
ven lieten 12 keer vaker vee terug komen op het bedrijf dat in
eerste instantie was verkocht, en er werd zeven keer vaker
vee uitgeschaard op andere bedrijven.

het economische model

In hoofdstuk 9 van het proefschrift (21) zijn de resultaten uit
de voorafgaande hoofdstukken gecombineerd in een econo-
misch model. Het is lastig voor veehouders om de economi-
sche consequenties van een meer gesloten bedrijfssysteem te
overzien. Er dienen bedrijfsspecifieke beslissingen te wor-
den genomen voor verschillende onderdelen van het bedrijf
Een beslissingsondersteunend computermodel kan dan een
goed hulpmiddel zijn (10). Het computermodel dat in het
proefschrift wordt beschreven is een eerste poging om de
economische gevolgen van een meer gesloten bedrijfs-
systeem te beschrijven. Het model kan beslissingen van indi-
viduele veehouders over een meer gesloten bedrijfssysteem
economisch ondersteunen. Het model is eenvoudig van op-
zet en is getest bij veehouders. Dc validiteit van de risicofac-
toren en de kosten van maatregelen in het model zijn getoetst
bij 68 veehouders. Dc uitkomsten van het model zijn getoetst
door van een twintigtal veehouders de bedrijfsvoering door
te rekenen met het model en de uitkomsten te bespreken.
Verder is er een gevoeligheidsanalyse gedaan om te bepalen
welke factoren de meeste invloed hebben op de uitkomsten
van het model. Over het algemeen vonden veehouders het
model valide.

Het onderzoek was voornamelijk gericht op insleep van
BHVl en het risico van de factoren in het model betreft daar-
om alleen insleep van BHVl. Een meer gesloten bedrijfs-
systeem voorkomt echter ook insleep van andere ziekten en
daarom zijn de kosten van insleep van BVDV,
L. hardjo en S.
dublin
aan het model toegevoegd (2,4,13). De maatregelen
om de kans op insleep van BHVl (en andere ziekten) te be-
perken, de kosten om die maatregelen te nemen, en de effec-
tiviteit van deze maatregelen om het risico te beperken zijn
uit andere bronnen verkregen. De kosten zijn berekend op
jaarbasis met behulp van partial budgeting, een economische
methode waarmee relatief kleine veranderingen in het mana-
gement kunnen worden doorgerekend (3). Op basis van de
IBR-vrije bedrijven in een cohortstudie (20) is een ge-
middeld bedrijf genomen dat als basis heeft gediend voor de
berekeningen met het economische model. De kosten en ba-
ten van een meer gesloten systeem zijn berekend voor dit
hypothetische bedrijf

r

Het hypothetische melkveebedrijf heeft 55 melkkoeien en
het bedrijf verandert het management om het risico op in-
sleep van ziekten te beperken. Het bedrijf koopt voortaan
geen rundvee meer aan, laat professionele bezoekers en een
tijdelijke medewerker bedrijfskleding aantrekken en plaatst
een dubbele afrastering op zes hectare land om over-de-
draad-contact met ander rundvee te voorkomen. De kosten
voor dit nieuwe management bedragen 4495 gulden in vijf
jaar. Het basisrisico op insleep van BHVl, BVDV,
L. hardjo
en S. dublin is gebaseerd op de resultaten van een cohortstu-
die en bedragen respectievelijk 11%, 10%, 3% en 21% per
jaar (20). Als deze kans op 100% wordt gesteld dan is de
kans op insleep van alle ziekten met het nieuwe management
afgenomen met 74%. De schade van insleep van ziekten die
daarmee wordt voorkomen bedroeg 7033 gulden in vijfjaar
tijd. De baten van een meer gesloten bedrijfssysteem voor dit
hypothetische bedrijf bedragen in vijfjaar in totaal 2538 gul-
den.

Er is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd om te bepalen of
alternatieve managementmaatregelen meer rendabel waren
en of factoren in het model de uitkomsten sterk beïnvloeden.
De ORs in het model zijn schattingen van relatieve risico\'s
(RR). Meestal overschatten ORs de RRs en daarom zijn de
ORs in het model daarvoor met een methode gecorrigeerd
(1). Een meer gesloten bedrijfssysteem was nog steeds ren-
dabel voor het hypothetische bedrijf als er een hygiënesluis
werd geplaatst in plaats van uitsluitend het gebruik van be-
drijfskleding voor bezoekers. Het was niet meer rendabel
voor het hypothetische bedrijf wanneer het bedrijf een dub-
bele afrastering op 12 hectare land in plaats van op 6 hectare
zou zetten. De gevoeligheidsanalyse toonde verder aan dat
een meer gesloten bedrijfssysteem nog steeds rendabel was
als de kans op insleep van infectieziekten 50% lager was dan
in de cohortstudie (20). Wanneer de ORs in het model wer-
den vervangen door de lagere RRs dan was het meer gesloten
bedrijfssysteem van het hypothetische bedrijf nog steeds
rendabel.

Het economische model is een spreadsheetmodel dat een-
voudig aangepast kan worden. De risico\'s, maatregelen,
kosten en kans op insleep van ziekten kunnen worden aange-
past voor een specifiek bedrijf Het model lijkt een goed
hulpmiddel voor bijvoorbeeld dierenartsen of voorlichters
om veehouders te ondersteunen in hun beslissingen over een
meer gesloten bedrijfssysteem.

de belangrijkste conclusies

• Voor de meeste bedrijven die vrij zijn van een aantal infec-
tieziekten zoals IBR, BVD, leptospirose en/of salmonel-
lose zal een meer gesloten bedrijfssysteem rendabel zijn.
De rentabiliteit zal toenemen wanneer het bedrijf vrij is
van meer ziekten, maar afnemen wanneer de bedrijfssitua-
tie beperkend is voor de opfok van voldoende jongvee of
wanneer het bedrijf een ongunstige ligging heeft waardoor
er veel land grenst aan land van een ander rund veebedrijf
met een lagere ziektestatus.

• De belangrijkste risicofactoren voor insleep van BHVl op
een melkveebedrijf zijn directe diercontacten en professi-
onele bezoekers. Bedrijfskleding is een belangrijke be-
schermende maatregel om het risico van insleep van ziek-
ten te verminderen.

• Veehouders moeten alle directe diercontacten met ander

-ocr page 534-

rundvee voorkomen met name met rundvee met een lagere
of onbekende status. Het aantal bezoekers in de stal dient zo
klein mogelijk worden gehouden en professionele bezoe-
kers die in aanraking komen met rundvee moeten voor het
betreden van de stal bedrijfskleding aantrekken. Mogelijk
kan de kans op reactivatie van BHVl worden verminderd
door stress en een overbezette stal te voorkomen.

• Veehouders en dierenartsen verschillen van mening over wat
de belangrijke risicofactoren voor insleep van BHVl zijn.
Veehouders vinden het risico van bezoekers groter dan die-
renartsen dat vinden en dierenartsen vinden directe diercon-
tacten een groter risico dan veehouders dat vinden. Zowel di-
recte diercontacten als professionele bezoekers zijn echter
belangrijke risicofactoren voor insleep van BHVl.

• 9% van de Nederlandse IBR-vrije melkveebedrijven die
ook vrij waren van BVDV,
L. hardjo en S. dublin hebben
één keer per jaar insleep van één van deze vier ziekten. Dit
is een aanzienlijk percentage als in aanmerking wordt ge-
nomen dat de onderzochte bedrijven reeds meer gesloten
waren dan een gemiddeld Nederlands bedrijf

• Een IBR-uitbraak op een IBR-vrij bedrijf veroorzaakt ge-
middeld genomen een geringe daling in de melkproductie
van 58 kilo per koe gedurende de uitbraak, maar er is veel
variatie tussen bedrijven. De melkproductiedaling op een
bedrijf varieerde aanzienlijk, namelijk van een verwaar-
loosbare hoeveelheid tot 126 kg melk per koe gedurende
de uitbraak.

literatuur

1. Bcaudcau F, and Fourichon C. Estimating relative rislc of discase from
outputs of logistic regression when the disease is not rare. Prev Vet
Med 1998;36:243-56.

2. Bennett RM. Decision support models of leptospirosis in dairy herds.
Vet Rec 1993: 132:59-61.

3. Dijkhuizen AA. and Morris RS. Animal Health Economics. Principles
and applications. Post Graduate Foundation in Veterinary Science.
Sydney and Wageningen Press, Wageningen. 1997.

4. Groenendaal H. Simulation of the costs and benefits of a BVDV eradi-
cation program at dairy farms. MSc thesis, Wageningen University,
the Netherlands, 1998: 67pp.

5. Hage JJ, Schukken YH, Barkema HW, Benedietus G, Rijsewijk FAM,
and Wentink GH. Population dynamics of bovine herpesvirus 1 infec-
tion in a dairy herd. Vet Microbiol 1996; 53: 169-80.

6. Hoorfar J, Feld NC, SchirmerA, Birsch V, and Lind R Serodiagnosis of
Salmonella dublin infection in Danish dairy herds using O-antigen ba-
sed enzyme-linked immunosorbent assay. Can J Vet Res 1994; 58:
268-74.

7. Houc H. Bovine virus diarrhea virus: detection of Danish dairy herds
with persistently infected animal by means of a sereenijig test of ten
youngstock. Prev Vet Med 1994; 19: 241-8.

8. Horst HS, Dijkhuizen AA, Huirne RBM. and Leeuw PW de.
Introduction of contagious animal diseases into the Netherlands:
Elicitation of experts opinions". Livest Prod Sc 1996; 53: 253-64.

9. Jalvingh AW. The possible role of existing models in on-farm decision
support in dairy cattle and swine production. Livest Prod Sc 1992; 3 1:
351-5.

10. Jalvingh AW. The possible role of existing models in on-farm decision
support in dairy cattle and swine production. Livest Prod Sc 1992; 31:
351-65.

11. Marabelli R, Fern G, and Bellini S. Management of animal health
emergencies: general principles and legal and international obliga-
tions. Revue Scientifique etTechnique 1999; 18:21-9.

12. Metegrano M. Adaptive Conjoint Analysis - version 4.0, 1994.
Sawtooth Software, Inc. Evanston, 1994: 311 pp.

13. Visser SC, Veling J, Dijkhuizen AA. and Huirne RBM. Economic los-
ses due to
S. dublin in dairy cattle. In: Kristensen A.R. (ed).
Proceedings of Dutch I Danish symposium on animal health and ma-
nagement economics. Copenhagen, January 1997: 143.

14. Schaik G van. Dijkhuizen AA, Benedietus G, Barkema H W, and Koole

JL. Exploratory study on the economic value of a closed farming
system on Dutch dairy farms. Vet Rec 1998; 7: 240-2.

15. Schaik G van. Dijkhuizen AA. Huirne RBM, and Benedietus G.
Adaptive Conjoint Analysis to determine perceived risk factors of far-
mers, veterinarians and Al technicians for introduction of BHVl to
dairy farms. Prev Vet Med 1998; 36: 101-12.

16. Schaik G van. Dijkhuizen A A, Huirne RBM. Schukken YH.tv\'ielen M.
and Hage JJ. Risk factors for existence of bovine herpesvirus 1 antibo-
dies on nonvaccinating Dutch dairy farms. Prev Vet Med. 1998; 34:
125-36.

17. Schaik G van, Schukken YH, Nielen M, Dijkhuizen AA, and Huirne
RBM. Application of survival analysis to identify management factors
related to the rate of BHVl seroconversions in a retrospective study of
Dutch dairy farms. Livest Prod Sc 1999; 60: 371-82.

18. Schaik G van, Shoukri M, Martin SW Schukken YH, Nielen M, and
Dijkhuizen AA. Modelling the effect of an outbreak of BHV 1 on herd-
level milk production on Dutch dairy farms. J Dairy Sc 1999: 82: 944-
52.

19. Schaik G van, Schukken YH, Dijkhuizen AA. and Benedietus G. Risk
factors for introduction of BHVl into BHVl-free Dutch dairy farms:
A case-control study. Vet Quart 2001, in press.

20. Schaik G van, Schukken YH, Dijkhuizen AA, Barkema HW and
Benedietus G. Probability of and risk factors for introduction of infec-
tious diseases into Dutch SPF dairy farms: A cohort study Prev Vet
Med 2000, accepted for publication.

21. Van Schaik G, Nielen M, and Dijkhuizen AA. An economic model to
calculate the costs and benefits of a closed system at dairy farms for
on-farm decision support. Prev Vet Med 2001, accepted for publica-
tion.

22. Vonk Noordegraaf A, Buijtels JAAM, Dijkhuizen AA, Franken R
Stegeman JA, and Verhoeff J. An epidemiological and economic simu-
lation model to evaluate the spread and control of infectious bovine
rhinotracheitis in the Netheriands. Prev Vet Med 1998,36: 219-38.

Aanbevelingen voor veehouders

Voor alle infectieziekten geldt:

1. Voorkom alle directe diercontacten met ander vee;

• geen aankoop van rundvee,

• geen rundvee op het bedrijf terugnemen als het van het be-
drijf af is geweest (bijvoorbeeld afgekeurd exportvee),

• geen deelname aan veekeuringen,

• voorkom dat rundvee uitbreekt en in contact komt met an-
der rundvee,

• geen over-de-draad-contactcn met ander rundvee,

• als directe diercontacten niet kunnen worden voorkomen
dan alleen contacten met rundvee van een zelfde of hogere
gezondheidsstatus (bijvoorbeeld aankoop van gecertifi-
ceerd ziektevrij vee).

2. Voorkom dat bezoekers ziektekiemen op het bedrijf binnen
brengen;

• laat alleen mensen in de stal toe die daar noodzakelijker-
wijs moeten zijn,

• laat bezoekers die in aanraking komen met rundvee be-
schermde bedrijfskleding en laarzen aantrekken vóór het
betreden van de stal.

Voor specifieke infectieziekten geldt:

3. Pas op voor risicofactoren die meer ziekte-specifiek zijn;

• mest van andere rundveebedrijven in veewagens of op het
eigen land
(S. dublin, Mvcobactehum avium paratubereu-
losis (MAP)),

• slootwater dat besmet kan zijn met de ziektekiemen van an-
dere bedrijven
(S. dublin, MAP, L. hardjo),

• houd rundvee zover mogelijk gescheiden van ander rund-
vee, ten minste zes meter (BHVl, BVDV),

• voorkom contact van ander rundvee met andere diersoor-
ten, zoals schapen (BVDV), geiten (MAP), ratten en mui-
zen
{S. dublin).

-ocr page 535-

Samenvatting

Een minishetlander hengst werd aangeboden met gelo-
kaliseerde bilaterale pruritus ter hoogte van het craniale
deel van de hals. Klinisch onderzoek toonde aan dat de
pony tevens atactisch was en bij de diagnostische beeld-
vorming, inclusief computertomografisch onderzoek,
werd een oude fractuur van C2 met compressie van het
ruggenmerg gediagnostiseerd. Het waarschijnlijke ver-
band tussen de fractuur, de ataxie en de gelokaliseerde
jeuk, is mogelijk vergelijkbaar met de \'contusio cervica-
lis posterior\' bij de mens, waarbij ruggenmergtrauma
kan leiden tot pruritus in het bijbehorende dermatoom.

Summary

Ataxia and pruritus in a pony due to a cervical vertebral
fracture

A mini-Shetland stcdlion was referred with bilateral pruritus localized to the
anterior neck. More detailed clinical examination also revealed ataxia, and
diagnostic imaging, including pre- and post-contrast computed tot}wgra-
phy, revealed an old fracture ofC2. Spinal cord compression was diagno-
sed. The probable causal relation between the fracture, the ataxia, and the
localized pruritus seems comparable to the \'contusio cervicaHs posterior \'in
humans, in which spinal cord trauma may cause pruritus in the associated
dermatome.

Inleiding

Bij de mens is een syndroom bekend, het zogenaamde \'bur-
ning hand syndrome\', waarbij ernstige jeuk en tintelingen in
de handen gevoeld worden na ruggenmergtrauma (8,17). Bij
deze aandoening kan de brandende sensatie in de handen,
met of zonder verlies van gevoel of motoriek, het enige
symptoom zijn. Het ruggenmergtrauma kan het gevolg zijn
van een halswervelfractuur of dislocatie, doch kan ook voor-
komen zonder detecteerbare afwijkingen aan de wervelko-
lom. Volgens deze auteurs kan een contusie van het ruggen-
merg een dysfunctie van de tractus spinothalamicus, waarin
de zenuwbundels voor pijnperceptie gelokaliseerd zijn, ver-
oorzaken.

Korte Zuwe I. 3985 SM. Werkhoven.

Afdeling Neurochirurgie. Academisch Ziekenhuis Maastricht. P. Debyelaan 25. 6202
AZ Maastricht.

.ifdeling Diagnostische Beeldvorming. Faculteit der Diergeneeskunde. Universiteit
Utrecht. Yaielaan 10, 3584 CM Utrecht.

Hoofdafdeling Gezondheidszorg Paard, discipline Inwendige Ziekten, Faculteit der
Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht, Yaielaan 16, 3584 CM Utrecht.
Correspondentie-adres: C.J.W. Scheffer Korte Zuwe 1. 3985 SM Werkhoven. Tel:
(0343) 552324. e-mad: c.J.w..icheffer@hil.nl

In 1950 wees Biemond reeds op een aandoening die geken-
merkt was door symmetrisch gelokaliseerde pijnen en prik-
kelingen in nek, hals, respectievelijk bovenarmen en boven-
ste deel van de romp ten gevolge van een letsel van de
halswervelkolom. Daarbij bleek in een segmentaal begrensd
gebied, beiderzijds een aantal cervicale dermatomen omvat-
tend, een opmerkelijke overgevoeligheid voor gevoelsprik-
kels te bestaan. Deze hyperesthesie werd gekenmerkt door
een bijzonder onaangenaam (brandend) karakter van de sen-
satie, door uitstraling en door aanhouding van de gewaarwor-
ding. Deze verschijnselen verminderden bij de mens door-
gaans geleidelijk, in de loop van weken, en verdwenen
uiteindelijk geheel. Bij anatomisch onderzoek werd in een
enkel geval een klein symmetrisch letsel in de achterhoornen
(= dorsale hoornen bij het paard) van het halsmerg aangetrof-
fen, dat zich over enige segmenten uitstrekte. Verondersteld
werd dat dit de oorzaak was, derhalve werd geacht dat het
juist is in dergelijke gevallen te spreken van een \'contusio cer-
vicalis posterior\' (bij het paard zou dat dus een contusie van
de dorsale regio van het halsmerg zijn). Overigens kunnen
bovenbeschreven huidsensaties ook voorkomen bij posther-
petische neuralgie (gordelroos). Men neemt hierbij aan dat de
ontstekingsverschijnselen naar de achterhoornen van het rug-
genmerg zijn voortgeschreden (2). Gordelroos komt echter
bij het paard voor zover bekend, niet voor.
Een oorzakelijk verband tussen het voorkomen van jeuk en
neurologische afwijkingen is bij het paard naar weten van de
auteurs niet eerder beschreven. Het hier beschreven ziekte-
beeld, aangetroffen bij een minishetlander pony, deed echter
in sterke mate denken aan het \'contusio cervicalis posterior\'
syndroom bij de mens.

Casuïstiek

Ziektegeschiedenis

Een 13-jarige minishetlander hengst werd aangeboden bij de
Kliniek voor Inwendige Ziekten, Hoofdafdeling Gezond-
heidszorg Paard. Het dier had volgens de eigenaar reeds lan-
gere tijd huidproblemen. De pony leek erg veel jeuk te heb-
ben aan de hals en krabde voortdurend met de achterbenen
tot bloedens toe de hals, behalve wanneer de pony at of sliep.
De pony was twee maal gewassen met foxim^ en twee maal
met natamycine\'\', dit was echter zonder resultaat gebleven.
De hengst liep samen met dertien andere pony\'s in de wei,
die verder geen van alle huidproblemen vertoonden.

Klinisch onderzoek

Ataxie en pruritus bij een pony als gevolg van een
halswervelfractuur

C.J.W. Schefferi\'5, G. Blaauw^, K.J. Dik3 en M.M. Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan^ Tijdschr Diergeneeskd 2oov 126.-479-22

Bij het klinisch onderzoek vielen als eerste de kale plekken

Sehacil*. Bayer B V. Mijdrecht.
Mycophyt*, Mycofarm Nederland BV, De Bilt.

-ocr page 536-

aan weerzijden van de hals op. Deze waren bilateraal sym-
metrisch en duidelijk gelokaliseerd in het craniale deel van
de hals. De plekken waren warm, doch niet pijnlijk, en met
name aan de rechterzijde was de plek tot bloedens toe open
\'gekrabd\'. Het dier krabde voortdurend en hevig beurtelings
met beide achterbenen, zeer specifiek alleen ter hoogte van
de aangetaste plekken (Figuur 1 en 2). Bovendien viel op dat
het dier enigszins atactisch en hypermetrisch liep, linksach-
ter meer uitgesproken dan rechtsachter. Klinisch onderzoek
van het locomotie-apparaat en van de wervelkolom leverde
geen bijzonderheden op. De beweeglijkheid van de hals was
normaal.

Laboratoriumonderzoek

Routinebloedonderzoek leverde geen afwijkingen op. Bij
microscopie van een huidafkrabsel werden geen ectoparasie-
ten gevonden. Histologie van vier huidbiopten toonde in
twee biopten geen afwijkingen en in twee biopten een chro-
nische inactieve dermatitis, gekenmerkt door een verdikte
epidermis met acanthose en hyperkeratose, fibröse van de
dermis met geprolifereerde haarvaatjes, nauwelijks ontste-
kingsreactie en enkele verwijde haarfollikels.

Differentiaaldiagnose

Differentiaaldiagnostisch zou met betrekking tot de huidlae-
sies ten gevolge van de jeuk gedacht kunnen worden aan
ectoparasieten, met name aan mijten en luizen. Deze veroor-
zaken doorgaans echter geen duidelijk gelokaliseerde jeuk
oflaesies (15).

Bovendien werden bij microscopisch onderzoek op ecto-
parasieten van een afkrabsel geen ectoparasieten gevonden.
Verder kan worden gedacht aan staart- en maneneczeem
(15). De tijd van het jaar (april) maakte dit echter onwaar-
schijnlijk. Ook een atopie leek weinig waarschijnlijk, omdat
daarbij doorgaans grotere delen van hoofd, hals en benen be-
trokken zijn (15). Ook de bevindingen van de huidbiopten
wezen niet in deze richting.

Ten aanzien van de neurologische symptomen moet met
name aan aandoeningen van het ruggenmerg gedacht wor-
den (4, 9, 16). Congenitale ruggenmergaandoeningen zoals
hydromyelie (incomplete sluiting van de neurale buis met
ophoping van liquor in het verwijde centraal kanaal) en sy-
ringomyelic (vorming van holten in het ruggenmerg) zijn
niet alleen zeldzaam, maar gelet op de leeftijd ook onwaar-
schijnlijk (13).

Ataxie kan ook het gevolg zijn van equiene herpes virus-1
myeloencefalitis (4), doch geen van de dertien andere po-
ny\'s, waarmee de patiënt in de wei liep, vertoonde dergelijke
symptomen. Een parasitaire myelopathic ten gevolge van
larve migrans is niet waarschijnlijk, daar het bloedonder-
zoek geen aanwijzingen voor een parasitaire infectie ople-
verde (9). Equiene degeneratieve myeloencefalitis is een
progressieve aandoening die al op jonge leeftijd ontstaat
(4,9).

Ook diverse halswervelaandoeningen passen in de differen-

-ocr page 537-

tiaaldiagnose zoals trauma, infectie, osteoartropathie, tumo-
ren. malformatie en osteoporosis (4,5,9,10,13,14,16).
Dergelijke aandoeningen kunnen klinisch zeer uiteenlo-
pende beelden veroorzaken zoals nekpijn en stijflieid, abnor-
male halshouding of-vorm, scheve kophouding, één- of bei-
derzijdse voorbeenkreupelheid, ataxie, verlammingsver-
schijnselen en het aanvalsgewijs optreden van tremoren,
krampen, zweten en omvallen (1,6,9,10,13,14,16).

Röntgenologisch onderzoek

Om eventuele benige afwijkingen van de wervelkolom aan
te tonen dan wel uit te sluiten werden bij het staande dier zij-
delingse röntgenfoto\'s van de halswervels gemaakt. Deze
opnamen toonden een overlangse lineaire ophelderingszone
ter hoogte van C2, gesuperponeerd over het canalis vertebra-
lis, suggestief voor een fractuur (Figuur 3).

Computertomografie

Teneinde een nauwkeuriger beeld te verkrijgen van de aan-
getroffen C2-afwijking werd computertomografisch (CT)
onderzoek verricht onder algehele anesthesie, zowel natief
alsook na suboccipitaal inbrengen van contrastmiddel (CT-
myelografie) (Figuur 4). Ten behoeve van de contrastscans
werd enige liquor afgenomen en werd vervolgens 5 ml
lopamiro-300®^ verdund met 5 ml aqua dest geïnjiceerd. De
afgenomen liquor werd geanalyseerd op erytrocyten, leuco-
cyten en totaal eiwit. Dit leverde echter geen afwijkingen op.
De scans toonden bilaterale horizontale scheidingslijnen in
de gehele wervelboog van C2 met afronding van de beide
wervelboogdelen ter hoogte van deze scheidingslijn, sug-
gestief voor een oude fractuur.

Dit ging niet gepaard met enige dislocatie. Aan de caudale
zijde van C2, met name aan de rechterzijde, waren een step-
defect en een lokaal fragment zichtbaar ter hoogte van het fo-
ramen intervertebrale. Aan de linkerzijde tekende zich een
veel kleiner fragment af, iets meer naar craniaal gelegen.
De contrastopnamen toonden in het merendeel van C2 geen
aanwijzingen voor compressie van het ruggenmerg. Rechts
caudaal op de overgang van C2 naar C3 in de regio van de
uittredende zenuw werd echter wel compressie van het rug-
genmerg gezien, daar waar het forsere fragment werd aange-
troffen. Het kleinere fragment aan de linker zijde gaf geen
duidelijke aanwijzing voor uittredende zenuwcompressie.

Therapie

Behandeling van de jeuk met behulp van systemische corti-
costeroïden (dexamethasontrimethylacetaat en predniso-
lone, 0,025 en 0,075 mg/kg respectievelijk, 2dd) en NSAID\'s
(fenylbutazon"^, 2 mg/kg 2dd) had geen effect. Gezien het
feit dat de prognose van het ruggenmergtrauma als ongun-
stig werd beschouwd en het feit dat er vermoedelijk een ver-
band bestond tussen het ruggenmergtrauma en de ataxie en
de pruritus werd de eigenaar geadviseerd de pony te laten eu-
thanaseren. De eigenaar heeft de pony echter mee naar huis
genomen, omdat hij het dier nog als dekhengst wilde gebrui-
ken. Bij navraag bleek dat de pony enkele weken later thuis
toch geëuthanaseerd is, omdat de symptomen verergerden.
De eigenaar heeft geen sectie laten verrichten.

■ lopanuro-300^. Bracco, Italië.
" Oplicortenol\', Ciha-Geigy, Vetin Nederland BK Bo.\\tel.
Pmdynani\'. Leo Pharmaceutical Products BV Weesp.

Discussie

Halswervelfracturen bij volwassen paarden zijn zeldzaam
(16). De neurologische gevolgen van dergelijke fracturen
kunnen zeer variëren. Een uitgebreide fractuur kan soms in
tetraplegie resulteren, maar bij een ander dier geen of weinig
neurologische afwijkingen veroorzaken (9). De ataxie en
hypermetrie die de hier beschreven pony vertoonde, kunnen
het gevolg zijn van de halswervelfractuur, waarbij een be-
schadiging is opgetreden van de proprioceptieve en motori-
sche banen (1).

De verklaring van de pruritus is lastiger. Sympatische dys-
functie in de vorm van het Horner\'s syndroom, huidhyper-
thermie en transpiratie kunnen aanwezig zijn bij een paard
met een halswervelfractuur (16), maar jeuk wordt nergens
beschreven. Zoals in de inleiding vermeld, wordt jeuk wel
beschreven bij mensen met het \'burning hand syndrome\'.
Deze aandoening wordt door sommige auteurs beschouwd
als het gevolg van een disfunctie van de tractus spinothala-
micus. In laatstgenoemde baan zijn de zenuwbundels voor
de pijnperceptie gelokaliseerd. Bij het beschreven syndroom
was er echter steeds sprake van centraal ruggenmergtrauma
in het distale cervicale deel (C4 - C7) (8, 17). Waarschijn-
lijker is het mechanisme van de aandoening zoals beschre-
ven door Biemond. Hij spreekt van \'contusio cervicalis pos-
terior\' op grond van traumatische afwijkingen in de achterste
hoornen (= bij het paard de dorsale hoornen) van het ruggen-
merg (2,3).

Bij de pony bevonden de fractuur en de compressie zich ter
hoogte van C2. De jeuk was ook gelokaliseerd ter hoogte van
het dermatoom van C2. Ook bij mensen met compressie van
de cervicale wortel en het ganglion van C2 en C3 (zoals bij-
voorbeeld ook bij reumatoïde artritis op kan treden) is, naast
andere symptomen, jeuk van het betreffende pijn derma-
toom beschreven (11, 12). Om het verband aan te tonen tus-
sen de jeuk en de aantasting van het ruggenmerg of uitre-
dende zenuw wordt bij de mens gebruik gemaakt van
zogenaamde somatosensorisch opgewekte potentialen, waar-
bij de reactie op een bepaalde opgewekte zenuwstimulatie
wordt gemeten (17). Deze techniek is bij het paard nog niet
ontwikkeld. De jeuksensatie van de pony was echter bilate-
raal zo typisch gelokaliseerd, dat een causaal verband met
ruggenmergtrauma zeer suggestief is. Bovendien vertoonde
de rechterzijde van de hals meer laesies dan de linker zijde,
overeenkomend met de CT-bevindingen, waarbij de com-
pressie van het ruggenmerg met name rechts aanwezig was.
Ook het feit dat de pony niet reageerde op de corticosteroï-
den en de NSAID\'s, maakt een centrale oorzaak van de jeuk
meer waarschijnlijk.

Concluderend kan gesteld worden dat er aanwijzingen zijn
dat ruggenmergtrauma bij het paard kan leiden tot pruritus in
het dermatoom van het aangetaste deel. Dus bij zeer geloka-
liseerde (bilaterale) pruritus moet eventueel ook aan een aan-
doening van de wervelkolom gedacht worden.

Dankbetuiging

De auteurs danken drs. J.P. Koeman van de Hoofdafdeling Pathologie voor
zijn adviezen bij het tot stand komen van het manuscript.

-ocr page 538-

Andrews FM. and Adair 111 HS. Anatomy and physiology of the ner-
vous system. In: Auer JA, Stick JA, eds. Equine surgery, 2nd ed.
Philadelphia: Saunders Company, 1999:405-12.
Biemond A. Over de zogenaamde haematorrhachis. Ned Tijdschr
Geneesk 1950; 94:3145-52.

Biemond A. Diagnostiek en therapie van ruggemergs- en periphere ze-
nuwziekten. Amsterdam: Broekman & de Meris, 1956: 183-4.
Conrad RL. Metrizamide myelography of the equine cervical spine. Vet
Radiol 1984: 25 (2): 73-7.

Dik KJ.und Gunsser I. Atlas der Röntgendiagnostik beim Pferd. Band
III: Kopf, Hals, Burstkorb. Hannover: Schlütersche, 1997: 73-95.
Hertsch B und Lieske R. Halswirbelfrakturen beim Pferd. Tierärztl
Prax 1978;6:209-24.

Maanen C van, and Sloet van Oldruitenborgh-Oosterbaan MM.
Neurologie outbreak of EHVl in a riding school. Equine Vet J. In press.
Maroon JC. \'Burning hands\' in football spinal cord injuries. J Am Med
Assoc 1977; 238 (19): 2049-51.

Nixon AJ. The Wobbler syndrome. In: Stashak TS, ed. Adams" lame-
ness in horses, 4th ed. Philadelphia: Lea & Febiger, 1987: 772-82.

Literatuur

10 Nowak M, und Hu.skamp B. Ober einige spezielle Befunde bei
Erkrankungen der Halswirbelsäule des Pferdes. Pferdeheilkunde 1989:
5 (2): 95-107.

11. Poletti CE, and Sweet WH. Entrapment of the C2 root and ganglion by
the atlanto-epistrophic ligament: clinical syndrome and surgical ana-
tomy. Neurosurgery 1990; 27(2): 288-91.

12. Poletti CE. Third cervical nerve root and ganglion compression: clini-
cal syndrome, surgical anatomy, and pathological findings. Neu-
rosurgery 1996; 39(5): 948-9.

13. Reed SM, and Rush BR. Developmental vertebral anomalies. In: Auer
JA. Stick JA, eds. Equine surgery, 2nd ed. Philadelphia: Saunders
Company, 1999:423-8.

14. Ricardi G, and Dyson SJ. Forelimb lameness associated with radiogra-
phic abnormalities of the cervical vertebrae. Equine Vet J 1993; 25(5):
422-6.

15. Scott DW. Large animal dermatology. Philadelphia: Saunders
Company, 1988.

16. Wagner PC. Traumatic disorders of the spinal column. In: .Auer JA,
Stick JA, eds. Equine surgery, 2nd ed. Philadelphia: Saunders
Company, 1999:435-40.

17. Wilberger JE, Abla A, and Maroon JC. Burning hand syndrome revisi-
ted. Neurosurgery 1986; 19(6): 1038-40.

Patiënten met antistoffen tegen Ziekte van Crohn

Specific seroreactivity of Crohn\'s disease patients against pj5 and pjö antigens of M.avium subsp. Paratubereulosis.
NaserSA, Multen K, Shafran I, Graham DY, and El-Zoatari FAK. Vet Microb 2000; ij.
497-504,

Referaten

De Ziekte van Crohn (CD) is een chronisch inflammatoire
darmziekte bij de mens, waarvan Pathogenese en aetiologie
nog niet duidelijk zijn. Omdat de ziekte klinisch en histolo-
gisch sterk overeenkomt met paratuberculose, is door veel
onderzoekers (waaronder referent al zo\'n 30 jaar geleden) ge-
zocht naar een verband tussen deze ziekte en
Mycobacteiiiim
avium
subspecies paratubereulosis.

Probleem is dat mycobacteriën zeer veel kruisreagerende anti-
genen hebben: alleen het aantonen van antistoffen tegen

Mycobacterium avium subspecies paratubereulosis is derhalve
niet bewijzend voor de aetiologie van de Ziekte van Crohn,
De onderzoekers identificeerden eerder twee
Mycobacterium
avium
subspecies paratubereulosis recombinant klonen, die
expressie gaven aan twee wel zeer specifieke antigenen p35 en
p36. Met behulp van immunoblotting waren zij in staat in sera
van CD-patiënten antistoffen aan te tonen tegen deze antige-
nen, Veertig van de 54 (=75%) CD-patiënten waren in deze test
positief, terwijl dat voor normale individuen 14% bleek te zijn
en voor patiënten met een andere inflammatoire darmziekte,
ulceratieve colitis, 10%, De auteurs stellen voor deze serologie
te gebruiken voor de diagnostiek van de Ziekte van Crohn.

Dr J. Goudswaard

Alcohol steriel?

Steriel en Sporenvrij. Keijer WJ en Boom FA. Pharmaceutisch Weekblad 2000; 135:592,

De meeste (dieren)artsen zullen ervan overtuigd zijn dat de
door hun gebruikte alcohol 70% in de praktijk een perfecte
steriliteit waarborgt van materialen en (levende) oppervlakten.
Helaas, deze garantie blijkt geenszins aanwezig te zijn!
Alcohol is namelijk volledig onwerkzaam tegen sporen van
bacteriën. In het Pharmaceutisch Weekblad bespreken de au-
teurs onderzoek waaruit bleek dat in ziekenhuisapotheken
ruim 21% van de partijen 70% alcohol gecontamineerd bleek
te zijn met micro-organismen. Bij ingekochte alcohol vonden
ze zelfs in 38% van de gevallen een besmetting! In de meeste
gevallen betroffen het Gram-positieve staven (onder andere de
sporenvormer
Bacillus sphaericus).

Alcohol kan sporenvrij gemaakt worden door middel van fil-
tratie, bestraling of toevoeging van sporicide middelen.
Toevoeging van 0,125% waterstofperoxide of 0,5% chloor-
hexidine aan alcohol bestrijdt de sporen wel afdoende (na 72
respectievelijk 54 uur), In Nederland is er inmiddels een com-
merciële formulering verkrijgbaar bestaande uit alcohol met
waterstofperoxide (Spiriclens Plus®, Adams Healthcare,
distributeur Basan, Breda),

Dk P.A.M. Overgaauw

-ocr page 539-

De minister van LNV heeft een
denkgroep onder voorzitterschap
van dr. H.H.F. Wijffels - onderge-
tekende was lid van de denkgroep
- gevraagd hem te adviseren over
de toekomst van de veehouderij-
sector in Nederland. Met de vee-
houderijsector wordt de hele ke-
ten, van toelevering tot retailer en
consument, bedoeld. In zijn opdracht geeft de minister
aan dat de veehouderij een grote betekenis heeft in eco-
nomische, sociaal-culturele, ecologische en cultuurhisto-
rische zin. Voorts wordt aangegeven dat de veehouderij
kwetsbaarheden kent die een duurzaam perspectief be-
lemmeren en de \'licence to produce and to deliver\' in ge-
vaar brengen. Deze kwetsbaarheden bevinden zich op
het terrein van voedselveiligheid, dierenwelzijn, dierge-
zondheid, ethiek, milieu, omgang met natuur en land-
schap en de inbedding in de samenleving.
Specifiek voor de veterinaire beroepsgroep is de conclu-
sie dat de ontwikkelingen in de Nederlandse veehouderij
vele uitdagingen bieden voor de landbouwhuisdieren-
practicus. Het is echter zaak pro-actief te reageren, zodat
de diergeneeskundige professie bijdraagt aan de gezond-
heid en het welzijn van de dieren en daarbij haar eigen
verantwoordelijkheid draagt.

Door E.N. Noordhuizen-Stassen

Het rapport van de denkgroep is opgebouwd uit een viertal
hoofdstukken, namelijk probleemstelling, weerbarstigheden,
contouren van de veehouderij in de toekomst en een agenda
gericht op duurzaamheid.

In het hoofdstuk \'Probleemstelling\' worden de volgende as-
pecten belicht: de huidige omgang met het dier, het milieu,
het gebrek aan robuustheid, de internationalisering, volksge-
zondheid. de kosten, de romantiek van de landbouw en de
maatschappelijke omgeving en concurrentie.
In het tweede hoofdstuk heeft de denkgroep zich afgevraagd
waarom de gesignaleerde problemen zo weerbarstig zijn.
Onduidelijkheden over verantwoordelijkheden, een randvoor-
waarden-ZgedoogcuItuur en een vrijheids-romantiek zijn als
redenen hiervoor aan te voeren.

In dit artikel concentreer ik mij op de contouren van de vee-
houderij en de aanbevelingen die gericht zijn op duurzaam-
heid in ecologische, sociale en economische zin. Daarbij ko-
men met name de ecologische duurzaamheid en welke taak
de dierenarts daarin kan en moet hebben ter sprake. Delen
van het rapport zijn integraal overgenomen. (Zie voor de vol-
ledige tekst de website van het ministerie van LNV, te berei-
ken via
www.knmvd.nl)

Contouren van de veehouderij van de toekomst

Omstreeks 2010 zal de Nederlandse veehouderij de vol-

Berichte

É

verslage

Rapport van de Commissie Wijffels over herontwerp sector

Toekomst veehouderij: uitdagingen voor practicus

gende kenmerken hebben:

I. De dierlijke productie in ons land is een sector die past in
de context van een hoog ontwikkelde, stedelijke samen-
leving. Zij is omgevormd van gerichtheid op een homo-
geen product en prijsconcurrentie naar productdifferenti-
atie en toegevoegde waarde. Kwaliteit wordt onder meer
gewaarborgd door transparantie van producten en pro-
ductieprocessen.

3. De sector wordt gekenmerkt door veel differentiatie en
variëteit: biologische productie naast gangbare produc-
tiemethoden, productie van streekproducten naast die
voor exportmarkten, intensieve veehouderij zowel als
grondgebonden veehouderij, enzovoort.

4. Met dieren wordt respectvol omgegaan. Veehouderij-
systemen zijn gebaseerd op de eigen gedragskenmerken
van dieren en bevorderen het weerstandsvermogen van
dieren tegen verschillende stoornissen.

5. Transport van levende dieren is aan strenge regels gebon-
den. Transport over grote afstand komt niet meer voor.
Export vindt vooral plaats in de vorm van hoogwaardige
producten en fokvee.

6. De relaties tussen bedrijven hebben het karakter van co-
makership, met bijbehorende contracten. Er hebben zich
vaste samenwerkingsverbanden (ketens) gevormd, die ge-
richt zijn op kwaliteitsproductie en die onderling concurre-
ren. De samenwerking berust op transparantie in de interne
verhoudingen en prijssystemen die kwaliteit belonen.
De veehandel heeft zich ontwikkeld tot een leverancier
van hoogwaardige logistieke diensten. Veemarkten als
marktplaats bestaan niet meer.

Een strak georganiseerde identificatie en registratie, als-
mede volg- en traceersystemen en een strenge controle
hebben veel voorkomende besmettingen cn risico\'s voor
de volksgezondheid beheersbaar gemaakt. Dc individu-
ele ondernemer is verantwoordelijk en aansprakelijk
voor zijn eigen risicogedrag, ook in financieel opzicht.
Het EU-beleid terzake van aangifteplichtige dierziekten
is gebaseerd op het voorkómen van het onnodig doden
van dieren. Om de handelsconsequenties daarvan te be-
perken zijn onder andere markervaccins en discrimine-
rende testen beschikbaar.

In het overheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tus-
sen grondgebonden en intensieve veehouderij. Inten-
sieve veehouderijbedrijven zijn zoals niet-landbouwbe-
drijven, onderworpen aan een specifiek vergunningen-
stelsel. Zonder gegarandeerde contractuele mestafzet
wordt geen vergunning verstrekt. Mineralenstromen
hebben een gesloten karakter. Organische mest vormt
een waardevolle grondstof voor plantaardige productie.

II. De grondgebonden veehouderij speelt een belangrijke
rol als beheerder van de open ruimte en landschappelijke
waarden. Zowel in het EU-beleid als nationaal zijn
nieuwe beloningsvormen ontwikkeld voor deze beheers-
functie.

7.

8.

9.

10.

-ocr page 540-

Agenda gericht op duurzaamheid

Een veehouderijsector die werkt in de richting van de ge-
schetste contouren, plaatst zich in het perspectief van duur-
zame ontwikkeling. Daarin vallen drie samenhangende di-
mensies te onderscheiden:

• Ecologische duurzaamheid: zorgvuldig gebruik van na-
tuurlijke hulpbronnen en het milieu, inclusief een respect-
volle omgang met dieren.

• Sociale duurzaamheid: open, transparante en respectvolle
relaties tussen partijen binnen de sector en tussen de sector
en de samenleving.

• Economische duurzaamheid: het op een rendabele wijze
leveren van producten.

Ecologische duurzaamheid

De ecologische dimensie van duurzaamheid heeft betrek-
king op de omgang van mensen met andere vormen van le-
ven in hun omgeving. Die omgang moet worden genormeerd
op basis van de morele opvattingen in onze samenleving. In
de veehouderij gaat het om normen op terreinen als dieren-
welzijn, diergezondheid, emissies van milieubelastende stof-
fen en de plaats van dierlijke productie-activiteiten in het
ruimtelijk bestel. De overheid moet daarvoor algemene nor-
men en kaders stellen. Bedrijven en personen moeten op
deze onderwerpen positie kiezen in het kader van maat-
schappelijk verantwoord ondernemen en de te volgen markt-
strategie.

Voor de waarborging van dierenwelzijn, diergezondheid en
voedselveiligheid is een attitude- en mentaliteitsverandering
van alle afzonderlijke actoren in de ketens noodzakelijk.
Daarin zijn reeds grote stappen gezet met de introductie van
GVP-, GMP-, GFP-codes. Dit zijn waardevolle initiatieven,
maar ze bieden geen garanties voor kwaliteit, omdat onder
meer de aantoonbaarheid van acties ontbreekt.
Stoornissen in diergezondheid en welzijn zijn vaak multifac-
toricel van aard. Huisvesting en verzorging, management,
fokkerij en de aanwezigheid van noxen spelen een rol.

dierenwelzijn dienteen centraal aandachtspunt
te vormen in een toekomstgerichte en maat-
schappelijk verantwoorde veehouderij.

Dierenwelzijn is mede door de intensivering van de veehou-
derij onder druk komen te staan. Het welzijn van het dier is
verstoord, als het niet in staat is zich aan te passen aan zijn
omgeving. De veehouderij moet dan ook zo ingericht wor-
den dat er aan de soortspecifieke behoeften - fysiologisch en
gedragsmatig - wordt voldaan. Het dierenwelzijn dient een
centraal aandachtspunt te vormen in een toekomstgerichte
en maatschappelijk verantwoorde veehouderij. Daarvoor
dient de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren omge-
vormd te worden. Nu is er te vaak gekozen voor een techni-
sche invulling, bijvoorbeeld door regelingen waarin het op-
pervlak per dier of zelfs per kg dier wordt beschreven. Dit
leidt tot kostenverhoging voor de veehouders zonder dat de
positieve effecten voor het dierenwelzijn duidelijk zijn.
Anderzijds is er al wel vooruitgang geboekt, zoals het hand-
haven van stabiele groepen bij vleesvarkens en groepshuis-
vesting bij zeugen. In een toekomstgerichte veehouderij krij-
gen dieren weer de ruimte om hun \'noodzakelijk\' natuurlijk
gedrag te kunnen uitoefenen. Concreet betekent dit: schar-
relmogelijkheden voor pluimvee, voldoen aan de wroetbe-
hoefte van varkens en weidegang voor koeien. De huis-
vesting dient te worden aangepast aan de behoeften.
Betonnen vloeren bij melkvee voldoen hier bijvoorbeeld niet
aan. Op bedrijfsniveau is er behoefte aan praktische wel-
zijnsindicatoren. Een goed voorbeeld hiervan is de \'knie-
proef\' waarmee de geschiktheid van het ligbed voor koeien
gemakkelijk getest kan worden.

Door gerichte fokkerij is de productiecapaciteit van dieren
steeds toegenomen met als gevolg een aantasting van het
welzijn en de weerstand tegen ziekten. In de fokkerij dient
dierenwelzijn een belangrijk aandachtspunt te worden.
Diertransporten dienen aan strikte gezondheids- en wel-
zijnseisen te voldoen. Daartoe zal de transportduur worden
beperkt (maximaal acht uur) en zal de Nederlandse veehou-
derij zich concentreren op de export van eindproducten zoals
vlees. De huidige veemarkten geven aanleiding tot welzijns-
en gezondheidsstoornissen. Veemarkten als handelsplaatsen
zullen niet meer bestaan, wel als verzamelplaatsen voor
slachtvee gebonden aan strikte gezondheids- en welzijnsei-
sen.

t Diergezondheidsbeleid

" Het diergezondheidsbeleid richt zich primair op preventie
van gezondheidsstoornissen. De diergezondheidsstatus in
alle dierhouderij systemen dient verbeterd te worden, door
middel van product- en procesborging. Daarbij zijn de vol-
gende aspecten essentieel:

1) continue monitoring van alle gezondheidsstoornissen
op bedrijfsniveau,

3) inzicht verkrijgen in risicofactoren die bijdragen aan het
ontstaan en de spreiding van gezondheidsstoornissen,

4) betrouwbare registratie van gebruikte diergeneesmidde-
len (zoals antibiotica) en andere relevante stoffen (zoals
toxische).

Deze aspecten kunnen ingebed worden in periodieke be-
drijfsbezoeken (PBB), uitgevoerd door \'erkende\' dierenart-
sen en moeten passen in de implementatie van de EU-richt-
lijn 97/12 (veterinaire garantiesystematiek: een netwerk van
veterinair toezicht op primaire bedrijven). Een PBB maakt
dan onderdeel uit van ketenkwaliteitssystemen (zoals IKB
en KKM), die verder uitgewerkt moeten worden dan nu het
geval is.

Het is essentieel dat de gezondheid en het welzijn van dieren
op bedrijfsniveau integraal wordt bewaakt en geborgd.
Daarvoor leent zich bij uitstek een protocollair standaardbe-
drijfsbezoek. Dit is dus een belangrijke taak voor de dieren-
arts.

Aanpak aangifteplichtige dierziekten

De huidige aanpak van aangifteplichtige dierziekten is geba-
seerd op een non-vaccinatiebeleid en de stamping-out me-
thode, met als gevolg de afvoer, het doden en het destrueren
van grote aantallen geïnfecteerde en gezonde dieren. De aan-
pak van deze ziekten vraagt om een grondige herziening.
Daarbij zijn twee uitgangspunten essentieel: het voorkomen
van een uitbraak en het voorkomen van het ruimen van ge-
zonde dieren. In het kader van de preventie dienen de
zwakke schakels te worden aangepakt. Het gebruik van swill
dient op Europees niveau te worden verboden. Het verzame-
len van vee dient aan strikte eisen te voldoen en is in principe
alleen toegestaan voor slachtvee. Om het ruimen van ge-
zonde dieren en spreiding van dierziekten te voorkomen

-ocr page 541-

moeten alle schakels in de veehouderij zelf onmiddellijk alle
maatregelen nemen, waarbij de gezondheid en het welzijn
van de dieren zoveel mogelijk gewaarborgd worden. Onder
meer moet dus worden voorzien in voldoende buffercapa-
citeit op de primaire bedrijven. Van de verwerkende industrie
wordt een snelle afvoer van dieren verwacht, ook als die niet
het gewenste aflevergewicht hebben. Bij herhaling blijkt er
discussie te ontstaan rond het instellen van een fokverbod. In
dit licht bezien zijn fokverboden effectief wanneer ze inge-
steld worden aan het begin van een uitbraak. Ze kunnen dan
op basis van het verloop van de uitbraak weer opgeheven
worden. Het schone- vuile wegprincipe, waar alle bezoekers
van veehouderijbedrijven zich aan houden, dient voor alle
sectoren ingevoerd te worden. Uiteraard is dit van belang
voor de preventie van vele dierziekten.

Hoofddoelstellingen bij de aanpak van een aan-
gifteplichtige dierziekte zijn het voorkómen van

het onnodig doden van gezonde dieren, het
voorkómen van ernstige ontwrichting van de
samenleving en het beperken van de economische
gevolgen.

De gevolgen van een uitbraak van aangifteplichtige dierziek-
ten dienen door de sector zelf gedragen te worden. Op EU-
niveau dient het huidige non-vaccinatiebeleid ter discussie te
worden gesteld. De hoofddoelen zijn het voorkomen van het
onnodig doden van gezonde dieren, het voorkomen van ern-
stige ontwrichting van de samenleving en het beperken van
de economische gevolgen. Nieuwe technologische ontwik-
kelingen, zoals marker vaccins en discriminerende testen,
dienen te worden gestimuleerd op EU-niveau, zodat het be-
leid kan worden gewijzigd. Noodvaccinaties moeten onder
strikte voorwaarden (l&R. bloedtappen) mogelijk zijn, ook
voor hobbydieren, dieren in kinderboerderijen, dierentuinen
en natuurgebieden.

Een richtsnoer het herformuleren van het EU-beleid is de
verhandelbaarheid van gezonde dieren en hun producten uit
landen waar een aangifteplichtige ziekte voorkomt. Bij de
huidige stand van de interne
markt past het strikt hanteren
van nationale grenzen niet
meer.

Toegevoegde waarde

De hervorming moet leiden tot
een duurzame veehouderij. De
sector staat daarbij voor de uit-
daging het realiseren van toege-
voegde waarde centraal te stel-
len in de strategie. Daarbij is de
markt van aanbod-gestuurd,
vraag-gestuurd geworden. Con-
sument en retailer moeten vol-
ledig inzicht kunnen krijgen in
aard, herkomst en productwijze
van het product. Hiertoe dient
de ketenvorming zich verder te
ontwikkelen. Daarbij is eenvor-
migheid van het product geens-
zins het doel. Wel worden hier-
mee productdifferentiatie, transparantie van het productie-
proces en uitschakeling van de zwakke schakels beoogd.
Het huidige mededingingsbeleid conflicteert hier soms mee.
Ketenkwaliteitsystemen zijn nodig om kwaliteit in de vorm
van een duurzaam functionerende veehouderij te realiseren.
Het mededingingsbeleid dient daartoe ruimte bieden. Alle
ondernemers in de ketens hebben hun individuele verant-
woordelijkheid. Bonus-malussystemen stimuleren gewenst
gedrag en bestraffen ongewenst gedrag.
De burger vraagt om een andere veehouderij en zal hier als
consument consequenties aan moeten verbinden. Hier ligt
een grote taak voor consumentenorganisaties, milieu-, die-
renbeschermings- en retailorganisaties. Gebeurt dit niet, dan
is een hervorming van de veehouderij kansloos.
De regelgeving voor diergezondheid, dierenwelzijn, voed-
selveiligheid en milieu dient geharmoniseerd te worden in
Europa. Waar dat tot onvoldoende voortgang leidt volgens
de Nederlandse samenleving, kan de nationale regelgeving
verder gaan. Essentieel is dat regelgeving zich voor ge-
noemde aspecten integraal ontwikkelt en niet fragmenta-
risch zoals in het verleden, toen bijvoorbeeld stallen ontwor-
pen werden die de emissie van stoffen beperkten, maar de
gezondheid en het welzijn van dieren benadeelden.
Voor de veehouderij is het Europese vrijhandelsverkeer een
gegeven, alsmede dat er in Nederland ook niet-bedrijfsmatig
schapen, geiten, etcetera gehouden worden.

De opdracht aan de denkgroep was de presentatie van een
richtinggevende agenda. De verantwoordelijkheden van de
actoren zijn hierin aangegeven. Het is aan de actoren om
deze concreet in te vullen. De beroepsgroep zou een taak-
groep kunnen formeren die integraal initiatieven ontwikkelt,
die bijdragen aan de gezondheid en het welzijn van de ver-
schillende diersoorten in de ketens. Deze initiatieven en de
uitwerking dienen geborgd te worden in de maatschappelijke
context. De ontwikkeling van nieuwe collectieve standpun-
ten waarborgt kwaliteit van handelen en vergemakkelijkt de
positionering in de sector De voorgestelde maatregelen die-
nen dan wel uitgevoerd te worden.

Mevrouw prof. dr E.N. Noordhuizen-Stassen is hoogleraar relatie mens-dier

Samenstelling Denkgroep Toekomst van de veehouderij

Dr. H.H.E Wijffels (Voorzitter van de SER), voorzitter
Ing. A.J.R van den Berg (Directeur Dumeco)
Drs. A.D. Boeve (Directeur Alpuro Group)

Profdr.ir. G. van Dijk (Directeur NCR), secretaris van de denkgroep
Dr.ir. A.A. Dijkhuizen (Directeur Nutreco)

Mevr. prof dr. J.C.M. van Eijndhoven (Directeur Rathenau instituut)

Drs. C.J. Kalden (Directeur-Generaal ministerie van LNV)

Profdr.ir. G. Meester (Adviseur Landbouwpolitieke Vraagstukken LNV)

Mevr. prof dr. E.N. Noordhuizen-Stassen (Hoogleraar relatie mens-dier, UU)

J.C.R Vogelaar (Melkveehouder)

Ir. E.R Woltjer (Beleidsadviseur)

Ambtelijk secretaris: ir. RJ.A.L. Munters (Beleidscoördinator LNV)

-ocr page 542-

Interview Willem Schaftenaar, dierenarts Diergaarde Blijdorp

g

D

< vind dat je je moet afvragen welke
rol je wilt spelen in de samenlevin

Hij dacht \'ik moet iets doen!\' en hij deed het: hij schreef
een brief naar de Vaste Kamercommissie over het non-
vaccinatiebeleid. Opmerkelijk is de zin: \'ik schaam me
ervoor dat ik dierenarts ben\'. Even erg of erger nog is de
opmerking: \'Ik acht de KNMvD medeplichtig aan het
non-vaccinatiebeleid en de gevolgen daarvan.\' Vreemd
genoeg ondertekent hij zijn brief met W. Schaftenaar,
voorzitter Commissie Dierentuindierenartsen van de
KNMvD. De redactie heeft een gesprek met hem over dit
\'dubbele gevoel\'. Enerzijds voelt hij zich enorm aange-
sproken als dierenarts en dus als lid van de KNMvD, an-
derzijds is hij intens teleurgesteld dat de vaccinatie tegen
mond- en klauwzeer niet mag worden ingezet. Omdat hij
zo principieel is, had hij meer van de KNMvD ver-
wacht... \'Waar staat de beroepsgroep nou voor?\'

Door Sophie Deleu

De MKZ-uitbraak loopt al ten einde als Willem Schaftenaar
in Diergaarde Blijdorp uitlegt hoezeer het hem aan het hart
gaat dat er niet gevaccineerd mag worden in Nederland. De
strijd tegen dit beleid lijkt wel op die van Don Quichote te-
gen de windmolens, maar is daarom niet minder de moeite
waard. Schaftenaar is niet geneigd tot het sluiten van com-
promissen en trekt ook persoonlijk zijn eigen plan: \'Ik wil
met mijn leven iets doen wat nut heeft...\'

Voorrecht

Schaftenaar is afgestudeerd in 1978 en heeft - naast alles wat
hij nog meer heeft gedaan - gedurende tien jaar korte perio-
des waargenomen om \'de smaak van het Nederlandse die-
renartsenleven\' niet te vergeten. Al tijdens de studie voelde
hij echter \'kriebels\': \'Ik voelde me anders dan de anderen.
De meesten waren van agrarische afkomst en wisten alles al.
Het devies was \'alles wat je leert kan je beter maar meteen
vergeten\'. Ik pas ook niet in de driehoek dierenarts-boer-
vee.\'Alhoewel de praktijk hem toch wel beviel, is hij dus ont-
wikkelingswerk gaan doen. Hij heeft in negen jaar in drie
Afrikaanse landen gewerkt, te weten Kaapverdië, Mozambi-
que en Malawi. In de eerste twee landen heeft hij zich
beziggehouden met de opzet van veterinaire gezondheids-
zorg, in Malawi voor een deel ook met de gezelschapsdieren-
praktijk. \'Nooit gedacht dat ik dit in een ontwikkelingsland
zou doen, maar we konden er zelfs een deel van het andere
werk mee financieren.\' Tot de taken hoorde ook vrij veel
onderwijs, de georganiseerde bestrijding van rabiës, etce-
tera. Hij vat het zelf samen als \'een fantastische tijd\'.
Hij is teruggekomen om zijn kinderen groot te brengen: \'In
Afrika wordt je als blanke op een voetstuk geplaatst. Blanke
kinderen kunnen er gemakkelijk het idee krijgen dat ze be-
langrijker zijn dan zwarten. Dat laatste leek ons aanvecht-
baar. ..\' Na een korte periode bij het toenmalige CDI te heb-
ben gewerkt, is hij bij Diergaarde Blijdorp begonnen. En ook
hier heeft hij een opmerkelijk visie op: \'Alhoewel ik gemak-
kelijk vijftig tot zestig uur werk, mag je niet de conclusie
trekken dat ik werk het belangrijkste vind in dit leven. Ik
denk dat een mens zich gelukkig kan voelen, als hij zijn in-
tellectuele en geestelijk bagage dagelijks kan gebruiken.
Lang niet iedere dierenarts kan dat van zijn werk zeggen, he-
laas. .. Ik voel me dan ook bevoorrecht.\' Af en toe musiceert
hij - hij speelt cello - om de zinnen te verzetten.

Echte dierenarts

Kun je nu dan echt je ei kwijt in je werk? En is het \'nuttig\'?
Schaftenaar vindt het inspirerendste aspect van zijn werk het
richting geven aan de zorg voor - bedreigde - dieren in onze
mondiale samenleving. Verder kan hij de diergeneeskunde ver-
der ontwikkelen, met name op het gebied van diagnostiek en
welzijn. \'Ik voel me veel meer dierenarts dan toen ik waarnam
in de landbouwhuisdierenpraktijk\', is zijn conclusie.
Heeft hij kritiek op de manier waarop de landbouwhuisdie-
renpraktijk wordt bedreven in Nederland? \'Niet zozeer kri-
tiek, maar ik vind dat je er eigenlijk helemaal niet meer toe
doet in die sector. Het is geen \'nobel\' beroep meer.\' En na-
denkend; \'Maar ook de gezelschapsdierenpracticus vah te
verwijten dat hij (ofzij) erbij staat te kijken dat er afwijkende
hondenrassen worden gefokt, dat er staarten worden gecou-
peerd, etcetera. Er zijn er inaar weinig die echt verantwoor-
delijkheid nemen. Niet dat ikzelf zo heilig ben. We sjokken
allemaal mee.\'

Hoe komt dat? \'Tja, we zijn denk ik zo opgevoed. We zijn
immers niet wetenschappelijk gevormd, we hebben een be-
roepsopleiding achter de rug, althans ik. Ik heb wel begrepen
dat dit aan het veranderen is, maar ondertussen laat mijn ge-
neratie weinig van zich horen.\' Over de rol van de dierenart-

-ocr page 543-

sen in de MKZ-crisis heeft hij niet veel goeds over: \'Waar
zijn nou toch de deskundigen? De enige viroloog die zijn
mening geeft is Simon Barteling. Er komt geen fundamen-
tele discussie op gang.\' Al is Schaftenaar wel blij dat het
Tijdschrift aandacht besteedt aan zijn verhaal, hij is bijzon-
der teleurgesteld over de
oorverdovende stilte die de
beroepsgroep ten toon heeft
gespreid, terwijl er toch -
naar zijn mening - een on-
zinnig beleid op de bestrij-
ding van MKZ van toepas-
sing is.

Wat vind je dan dat de
KNMvD had moeten doen?
\'Ik vind ook niet dat we de
RVV moeten laten barsten,
dat is geen oplossing. Maar
ik vind wel dat we als dieren-
artsen voorwaarden moeten
stellen aan de manier waar-
op we ons werk willen
doen.\' Schaftenaar is heel
duidelijk: \'Je moet gewoon
de vraag stellen wat voor rol
je wilt spelen in de samenle-
ving. Als mens. maar ook als
dierenarts, want dat ben je.\'

Onethische schijnvertoning

Toch verandert er wel wat.
De actie in Den Haag was
naar Schaftenaars mening
een goede zaak. Dat de peti-
tie uiteindelijk meerdere
doelen diende dan alleen het
op gang brengen van de dis-
cussie over het non-vaccina-
tiebeleid, is in zijn ogen niet
zo erg: Het is een begin, wij
dierenartsen zijn ook niet zo
gewend aan actie voeren\'.
Persoonlijk zou hij nog veel
verder willen gaan. In een
artikel in het NRC-
Handelsblad - gepubliceerd
vóórdat MKZ uitbrak in
Nederland - noemt Schaf-
tenaar het non-vaccinatie-
beleid al een \'onethische
schijnvertoning\'. Waarbij
hij het doemscenario schetst
dat MKZ ergens op de

Veluwe uitbreekt... Dieren afmaken omdat er MKZ is in
Nederland, überhaupt dieren afmaken vanwege MKZ, vindt
hij absolute waanzin. Zeker dieren van bedreigde soorten!
\'We hebben hier een zestal herten uit de Filippijnen, daarvan
zijn er nog maar zestig in de hele wereld... Wou je een tiende
van het bestand gaan afmaken, als we hier in de buurt MKZ
krijgen? Kom nou toch!\' Hij schrijft verder in zijn artikel:
\'Het is een kwestie van de spuiten vullen en de boer op gaan.
Anders verliest deze samenleving het predikaat \'be-
schaafd\'.\'

Er zijn echter grenzen aan watje kunt bewerkstelligen in tij-
den van oorlog. Als MKZ eenmaal uitbreekt in Nederland,
zijn de Nederlanders niet in de positie om het non-vaccina-
tiebeleid aan de kaak te stellen, zeker niet gezien de afhanke-
lijkheid van de export, buiten en - nog belangrijker - binnen

Europa. Maar dierenart-
sen zouden natuurlijk veel
meer partij kunnen geven
in het krachtenveld. Ze
zijn deskundig en onaf-
hankelijk, gelukkig.
Schaftenaar voelde zich
wel gesteund door de
KNMvD toen deze via een
persbericht liet weten dat
de vereniging vond dat
dierentuindieren wél ge-
vaccineerd moesten kun-
nen worden. De Neder-
landse dierenartsen heb-
ben immers allemaal
moeite met de regie van de
economie boven de zorg
voor dieren. Dat dieren in
de veehouderij hieraan
worden opgeofferd, is al
slecht te verteren, maar
dierentuindieren die soms
deel uitmaken van uitster-
vende populaties, zouden
hier niet aan mogen wor-
den onderworpen. Helaas
is het tij maar moeilijk te
keren: nog steeds komt
met het vaccineren van
dierentuindieren de gehele
MKZ-status van een land
in gevaar. De strijd om dit
toch mogelijk te maken in
de toekomst is dan ook
nog lang niet afgelopen.
Schaftenaar, mede als
voorzitter van de Com-
missie Dierentuindieren-
artsen van de KNMvD, is
in ieder geval niet van plan
het onderspit te delven, zo
zit hij niet in elkaar.
Toch is hij ook positief
over hetgeen zich allemaal
heeft afgespeeld: \'MKZ
heeft in zekere zin stimu-
lerend gewerkt. Niet zo-
zeer voor de olifanten, maar de uitbraak heeft me wel aange-
sproken op mijn beroepseer. Als we de dierentuindieren
kunnen \'gebruiken\' om beschaving te propageren, dan vind
ik dat heel nuttig.\'

En is zijn mening over de KNMvD nog veranderd gedurende
de crisis? \'Nou ja, de KNMvD is het enige wat je hebt als
dierenarts. Dus zul je het ermee moeten doen. Ik ben idea-
listisch. Zolang ik dierenarts ben, zal ik hopen dat ik veran-
deringen teweeg kan brengen. En ik vind dat de KNMvD dat
als geheel moet willen.\'

LATKN WE
ZE PlUKKE

OF STIKKEN?

Een simpele prik tegen Mond- en Klauwzeer voor-
komt de zinloze moord op tienduizenden dieren,
of het nu gaat om koelen, schapen, varkens, wilde
herten en reeën of ernstig bedreigde dieren in
dierentuinen. Ga naar de site, www.nvdzoos.nl, van
de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen en stuur
een protest-e-mail naar de Europese Commissie.

WWW.IVVDZOOS.NL

-ocr page 544-

Bijeenkomst Panel Voeding en Diëtetiek Gezelschapsdieren

Verkoop diervoeding door dierenarts is logisch

Het Panel Voeding en Diëtetiek Gezelschapsdieren heeft als doel ervaringen, ideeën en kennis van praktiserende
dierenartsen op het gebied van voeding van gezelschapsdieren, te toetsen aan de kennis en inzichten van specia-
listen. Het is een initiatief van Leo Pharma.

De vaste kern van het forum bestaat uit een zevental practici. Hun gesprek wordt gestructureerd door de inbreng
van wetenschappers en specialisten, in de vorm van voordrachten en een bijdrage aan de discussie. Tevens wordt
onder leiding van een dagvoorzitter gediscussieerd aan de hand van stellingen. Het voorzitterschap rouleert onder
de panelleden.

Tijdens deze bijeenkomst op 20 maart 2001 zijn aanwezig (s.s.t.t.): de praktiserende dierenartsen I.E. van Alten,
R.W.F. Becking, F.H. Gijsman, A. Soede, J.G. van Spanje en J.A. Terwee. Hun assistentes: A. Boonekamp, J.H.J.
Dieker, A. Engels, N. den Hertog, A. Holierhoek, J. van Putten en R. van Zeijst. Namens Leo Pharma J.M. Kurstjens
en K. Vanderauwera. Als inleider J.P.R. Lupgens, A CONSULT with the Flexvet. En voor de verslaglegging J.H.J.L.
Hulsen (Vetvice).

Veel dierenartsen ervaren een conflict tussen aan de ene
kant integere zorg voor het dier en aan de andere kant
commercie, zoals de verkoop van diervoeding. In een
voordracht voor het Panel Voeding en Diëtetiek Gezel-
schapsdieren betoogt Joep Lupgens dat dit conflict er
niet is, mits de praktijk duidelijk heeft vastgesteld welke
vormen van dienstverlening ze levert, samen met de
daarbij behorende producten. Een juiste keuze leidt tot
betrokkenheid, commitment, het voltallige team staat
achter de producten en diensten. Vervolgens liggen de uit-
dagingen in kwaliteitsborging van de dienstverlening en
in omzet-optimalisatie. Dit alles maakt onderdeel uit van
een goede marketing.

Door Jan Hulsen

Joep Lupgens voert een gesprei< met de aanwezigen aan de
hand van de volgende drie vragen: wat is marketing? wat is
diervoeding? en hoe komen die twee samen in een dierenart-
senpraktijk?

De samenstelling van het panel is vanavond erg bijzonder. De
dierenartsen hebben namelijk een assistente meegenomen die
verantwoordelijkheid heeft voor het baliewerk en daarmee ook
voor de feitelijke verkoop van diervoeding, petfood.
Joep Lupgens werkt als veterinair consultant voor binnen- en
buitenlandse producenten van diervoeding en diergeneesmid-
delen, waarbij de nadruk ligt op internationale marketing en
Europese regelgeving.

Wat is marketing?

Marketing is het verwerven en behouden van afnemers.
Collega Lupgens begint met aan te geven dat marketing
meer is dan verkooptechniek. De belangrijkste vragen bij
zijn definitie zijn: 1. wie zijn die afnemers? en 2. hoe ver-
werf en behoud je afnemers?

De afnemers zijn natuurlijk je cliënten en potentiële cliënten.

met hun zichtbare en latente behoeften. Elke dierenartsen-
praktijk heeft zijn eigen, typische cliëntenbestand. Dat is het
gevolg van een positionering van de praktijk. De praktijk
heeft ooit keuzes gemaakt die leiden tot een typische dienst-
verlening en sfeer.

Door de positionering heeft de praktijk een bepaalde dwars-
doorsnede van de totale doelgroep weten aan te spreken en te
behouden. Dat kunnen bijvoorbeeld mensen zijn die in de
buurt wonen en te voet naar het spreekuur komen. Maar dat
kunnen ook mensen zijn die emotioneel sterk betrokken zijn
bij hun huisdier en bereid zijn een stuk te reizen naar een
praktijk waar ze een hoog niveau van zorg herkennen.
Afnemers behoud je door tevredenheid. Een tevreden klant
komt terug en werft nieuwe klanten. Het begint met een eer-
ste bezoek aan de praktijk. Daarna wordt de beslissing geno-
men: kom ik terug of niet? Kan deze praktijk mij tevreden
stellen of niet?

Maar hoe ontstaat klanttevredenheid? Tevredenheid begint
met een bepaalde herkenning \'zo ziet voor mij een dierenart-
senpraktijk eruit\', \'een dierenarts heeft die en die kenmer-
ken\'. Vervolgens hangt klanttevredenheid samen met het
voorzien in de behoefte van de individuele klant. Woorden
als klantgerichtheid en diervriendelijkheid zijn hiervoor sy-
noniemen. Door een duidelijke positionering van de praktijk
ontstaat een meer homogene groep klanten, waarbij de uit-
daging blijft om ze allemaal tevreden te houden. Want hun
behoeften kunnen telkens weer anders zijn.

Diervoeding

Onder petfood verstaan we voeding voor gezelschapsdieren.
Binnen deze categorie bestaat onderscheid tussen diersoor-
ten, life stages (bijvoorbeeld pup, geriatrisch), lifestyles (bij-
voorbeeld light) en dieetvoeding. Maar, vertelt Lupgens, er
is ook nog zoiets als B-merken, A-merken, premiums en su-
per-premiums.

Dierenartsenpraktijken bieden in het algemeen voeding aan
van zogenaamde super-premium merken. De koper legt im-
mers de associatie tussen dierenarts en kwaliteit. \'Want de

-ocr page 545-

dierenarts heeft het imago van voedingsdesicundige.\'
De verkoop van therapie-ondersteunende voeding door die-
renartsen is voor de hand liggend, eigenlijk net als de ver-
koop van antibiotica. Het voorziet in diverse duidelijke be-
hoeften van de klant, waaronder optimale therapeutische
zorg voor het huisdier met voeding door de deskundige bij
uitstek: de dierenarts.

Het aanbieden van diervoeding door de dierenarts
is een logisch gevolg van de toegenomen vraag naar
service en kwaliteit.

Onder bepaalde voorwaarden past onderhoudsvoeding zeker
ook in het productenassortiment van een dierenartsenprak-
tijk, meent Lupgens. Verkoop van onderhoudsvoeding be-
vredigt de volgende behoeften van de cliënt:

1. zekerheid van de kwaliteit van de voeding

2. gemak (het zogenaamde convenience shopping)

En ook de behoefte van de dierenartsenpraktijk om regelma-
tig in contact te komen met haar afnemer(s) wordt hiermee
ingevuld.

De belangrijkste voorwaarden bij verkoop van diervoeding
is dat de staf hier volledig achter staat, dierenartsen én mede-
werkers. Vervolgens moeten allen goede kennis hebben van
diervoeding en deze ook uitdragen.

Marketing en Diervoeding

De uiteindelijke marketing doe je volgens een stappenplan.
Lupgens toont het geraamte van een marketingplan en be-
spreekt de stappen afzonderlijk, toegespitst op diervoeding.
Zijn boodschap: stel de klant centraal. Denk vanuit de bele-
ving van de klant, identificeer zijn behoeften en probeer
daarin te voorzien.

Marketing bestaat dus uit een zorgvuldig opgezet stappenplan,
waarvan de feitelijke verkoop slechts een deel uitmaakt.
Dierenartsen moeten zich realiseren, houdt Lupgens de aanwe-
zigen voor, dat verkoop van topkwaliteit diervoeding en de bij-
passende deskundigheid een positieve uitstraling heeft op het
imago van de praktijk.

Verkoopondersteuning kan op een groot aantal manieren ge-
beuren. Bijvoorbeeld door onder de aandacht te brengen dat de
praktijk actief bezig is met een goede voeding van huisdieren in
de vorm van controle, advisering en verkoop. De wachtkamer
leent zich op passieve wijze voor deze informatie. Via gesprek-
ken en bijvoorbeeld een rubriek in een lokaal tijdschrift kunnen
dierenartsen en assistenten actief laten weten dat de praktijk
zich ook diervoeding aanbiedt. Een vaccinatieconsult bij een
jonge hond is vaak erg vol, waardoor voeding slechts beperkt
aan de orde komt. Veel diereigenaren waarderen een extra con-
sult, waarbij de dierenarts ruim aandacht kan geven aan voe-
ding en andere relevante onderwerpen.
Een belangrijke reden om diervoeding bij een dierenartsen-

Stappenplan marketing (J. Lupgens, 20-3-2001)

Stappenplan Marketing

Omschrijving

In geval van diervoeding

1. begripsbepaling

waar gaat dit stappenplan over?

via dierenartsenpraktijk door dierenarts(-en) en assistent(-en) het verkopen
van honden- en kattenvoeding, zowel therapeutische diëten als onder
houdsvoeding

2. businessdefinitie

waar zijn we mee bezig?

- wie zijn mijn klanten?

- wat zijn de behoeften van deze klanten, voor beide typen \\ oeding?

- hoe kan ik voorzien in deze verschillende behoeften?

3. doelen

wat willen we bereiken en wanneer?
inclusiefijkpunten

- gewenste omzet op opeenvolgende tijdstippen

- aantal contactmomenten

- imago, uitstraling van de praktijk als serviceccntcr(kun je meten)

4. startpunt

hoe ziet de huidige situatie eruit?

analyse intern (praktijk) cn extern (andere aanbieders), leidend tot;

-een swot\'

-een kloofanalyse\'

5. strategie

hoe gaan we op pad?

groepsproces van de praktijk, waarbij uit verschillende passende en haal-
bare mogelijkheden een keuze wordt gemaakt

6. implementatie

detaillering en uitvoering van het plan

demarketingmix:
product (kwaliteit, service)
personen (arts. assistenten)
plaats (behandelkamer, balie)
prijs (vaak vast)
promotie (wachtkamer, acties)

7. evaluatie

hebben we ons doel bereikt
en waarom wel of niet?

- kopen klanten diervoeding bij dierenartsenpraktijk? (registreer product-
bewegingen)

- komen klanten terug (registreer klantbewegingen) cn zijn ze dus
tevreden? (meet klanttevredenheid)

- analyseer vorige stappen en begin weer bij stap 1.

SWOT: Strengths, Weaknesses, Opportunities, Threats

Kwalitatieve methodiek om sterkeen zwakke punten van de organisatie in beeld te brengen, samen met de kansen en bedreigingen in de omgeving.
Ktoofanalyse, gap-analyse

Analyse van de oorzaken van een kloof tussen de gestelde doelen en de werkelijke situatie. Een doel dient hiervoor altijd kwantitatief {=meetbaar) te zijn.

-ocr page 546-

praktijk te kopen is de behoefte aan kwaHteit en zekerheid.
Daarom moeten dierenarts en assistenten ter zake kundig zijn.
K-lanten met deze behoefte zullen spaaracties voor extra zorg
en controles op prijs stellen. De assistentes kunnen een deel
van deze extra services voor hun rekening nemen, bijvoor-
beeld urine pH-meting bij urolithiasispatiënten in het geval
van therapeutische voeding. Of bijvoorbeeld gewichts- en
groeicontrole bij onderhoudsvoeding voor pups en kittens.
Bij de uiteindelijke verkoop is het van belang dat de klant be-
vestigd wordt in zijn gedrag. De dierenarts dient bij zijn pa-
tiëntcontacten aandacht te besteden aan de kwaliteit van voe-
ding, bijvoorbeeld bij de jaarlijkse vaccinaties. En de
verkopende medewerkers moeten regelmatig informeren
naar het dier. De klant zal deze zorg waarderen, in de vorm
van tevredenheid (mond-op-mondreclame) en een grote
openheid voor dienstverlening door de dierenartsenpraktijk.

Marketing van diervoeding is een integraal
onderdeel van marketing van de dierenartsenpraktijk.

Discussie

Lupgens\' presentatie geeft genoeg stof tot gesprek, waarbij
de inbreng vanuit de aanwezige assistenten de discussie
cornpleter maakt. De verschillen tussen de ene praktijk en de
andere lijken op het eerste gezicht erg groot. En toch zijn ze
allemaal relatief succesvol.

\'Kan een klant de veterinaire kwaliteit van een dierenartsen-
praktijk beoordelen?\' opent dagvoorzitter Van Spanje de dis-
cussie. Het gaat om perceptie, stelt Lupgens. De klant beoor-
deelt aan de hand van wat hij ziet en ervaart.
Diergerichtheid blijkt een maatstaf waarmee een klant veteri-
naire kwaliteit meet. Diergerichtheid bestaat uit aandacht en af-
fectie voor het dier. En uit extra zorg! Samengevat komt het
erop neer datje als praktijk goede kwaliteit moet leveren en dat
je dit inzichtelijk moet maken. Geef goede uitleg, communi-
ceer wat je doet, toon het diensten- en productenassortiment
datje levert, ga aan de slag met specialismen, enzovoort.
In het geval van voeding: laat zien datje daar bewust en actief
mee bezig bent. Breng het ter sprake (actief), toon certificaten
van nascholing en trainingen (passief). Communiceer je kennis
via de wachtkamer, via vaccinatie-oproepen, via leeftijdsge-
bonden extra controles, enzovoorts.

De prijs is een heet hangijzer. Veel mensen associeren een hoge
prijs met kwaliteit, stelt Lupgens. Ga daar dus niet mee stunten,
wantje stunt met je eigen imago. Korting geven in de vorm van
extra service of zorg past wel, bijvoorbeeld een controle van
een pup op acht maanden leeftijd. En maak prijzen transparant
en coinmuniceerze.

Elke dierenarts blijkt op zijn eigen manier om te gaan met com-
municatie van het kostenplaatje. De een maakt vooraf een of-
ferte. De ander geeft aan geen rekening te houden met kosten:
\'ik stel de zorg voor het dier centraal, mijn assistente rekent la-
ter af\'. Een derde dierenarts reageert hierop met \'en ik zie me-
zelf als dienstverlener en doe alles in samenspraak met de
klant\'. Toch blijken alle systemen goed te functioneren.

Therapeutische voeding in vrije handel

Een van de aanwezigen merkt op dat er in het vrije kanaal
ook voeding verkocht wordt met therapeutische claims op
het etiket. Deze claims blijken in bepaalde gevallen niet cor-
rect te zijn en soms is de samenstelling zelfs medisch gecon-
traïndiceerd voor de specifieke aandoening. De vraag rijst of
hier geen wetten worden overtreden en welke organisatie het
toezicht moet houden op naleving van wet-en regelgeving op
dit gebied. Het Productschap voor Diervoeding (PDV) hoort
hier een rol in tc vervullen. Maar dienen we als dierenartsen
op dit vlak ook niet wat te doen?

Schietmasker valt onder Wapenwet

Dierenartsen die een schietmasker in hun bezit hebben of dit willen aanschaffen, dienen zich te rea-
liseren dat hiervoor een vergunning moet worden aangevraagd bij de afdeling bijzondere wetten in
de eigen regio. Schietmaskers worden veelal geactiveerd door het aanbrengen van een patroon, het-
geen onder de Wet Wapens en Munitie valt.

Het patroon wat ter activering van het schietmasker aan de achterzijde wordt aangebracht, betreft vaak een zogenaamd
toegevouwen patroon (dus zonder kogel of iets dergelijks), doorgaans van het kaliber 9 mm. Bekende merken van de ap-
paraten zijn bijvoorbeeld Blitz of Kernen Ook bestaan er natuurlijk oudere modellen schietmaskers waar feitelijk het-
zelfde op van toepassing is indien ter activering patronen worden gebruikt. Zo\'n patroon is munitie in de categorie lil in-
gevolge de Wet Wapens en Munitie. Het is verboden dergelijke munitie voorhanden te hebben zonder een verlof
(= vergunning). Een dergelijk feit wordt zelfs in de wet aangemerkt als een misdrijf Het verlof dient te worden aange-
vraagd bij de korpschef in de regio waar de aanvrager woonachtig is. De plaatselijke politie kan u ookl informeren waar u
hiervoor moet zijn. Doorgaans is dit bij een afdeling bijzondere wetten.

-ocr page 547-

Een dierenarts i<omt paarden enten
bij een eigenaar. Als de eigenaar het
laatste paard een halster in de stal
heeft omgedaan, ziet de dierenarts
dat het dier onrustig is. Hij haalt uit
zijn auto een neuspraam ter kalme-
ring. Het paard staat als hij terugkomt
nog in de stal, vastgehouden door de
eigenaar aan het halstertouw. Er is op
dat moment niets geks aan het paard merkbaar. Op het moment
dat de dierenarts de stal instapt, steigert het paard opeens naar
voren en komt op zijn achterbenen richting dierenarts. Totaal
onverwacht gaat het paard \'door het lint\', waarbij de dierenarts
gewond raakt. Zowel de dierenarts als de eigenaar van het
paard hedden zoiets nooit eerder meegemaakt. De dierenarts
vindt dat de eigenaar van het paard de schade die hij heeft gele-
den moet betalen en brengt de zaak voor de rechter.

Voldoende voorzichtig

Tijdens de procedure bij de Rechtbank verklaart de op voor-
dracht van beide partijen benoemde deskundige dat de dierenarts
zich heeft gedragen zoals van een bekwaam dierenarts mag wor-
den verwacht. Hij is voldoende voorzichtig geweest. De
Rechtbank heeft daarop de vorderingen van de dierenarts toege-
wezen. De (verzekeraar van de) eigenaar van het paard gaat te-
gen dit vonnis in hoger beroep. Het Gerechtshof heeft, evenals de
Rechtbank, overwogen dat de eigenaar van het paard als be-
zitter van het dier op grond van de wet in beginsel
aansprakelijk is voor de schade, op grond van
dc eerder in deze serie besproken risico-
aansprakelijkheid. De grondslag van
deze aansprakelijkheid is het gevaar
dat in de eigen energie van het dier
schuilt en het onberekenbare ele-
ment dat daarin is gelegen. De
eigenaar stelde dat hij niet aan-
sprakelijk is. Hij meent dat er
sprake is van een behande-
lingsovereenkomst tussen
hem en de dierenarts die de
risico-aansprakelijkheid als
het ware laat vervallen. Dit is
volgens Rechtbank en Ge-
rechtshof onjuist. Ook is er vol-
gens het Gerechtshof geen
sprake van eigen schuld van de
dierenarts.

De eigenaar van het paard laat het er
niet bij zitten en gaat naar de Hoge Raad,
waarbij de vraag centraal staat of de dierenarts
door het behandelen van het paard zelf een risico

Door mr. Eunice L.J. Bruyninckx
Bewerkt door laira Boissevain

Veterinai
tuchtrech

neemt, waardoor de aansprakelijkheid van de eigenaar ver-
valt. Als een dierenarts bij een dier wordt geroepen en het
dier behandelt, is er in juridische zin sprake van een behan-
delingsovereenkomst. In Nederiand is het niet gebruikelijk dat
de eigenaar van een dier voor iedere veterinaire behandeling
een handtekening moet zetten, maar in landen waar schadever-
goedingsbedragen astronomisch kunnen zijn wel. In dit geval
probeert de eigenaar van het paard onder zijn risico-aansprake-
lijkheid uit te komen door te betogen dat tussen de dierenarts en
de eigenaar een behandelingsovereenkomst bestond (ook een
mondelinge overeenkomst is een overeenkomst) en dat deze
behandelingsovereenkomst er toe leidt dat hij als eigenaar niet
aansprakelijk kan worden gesteld voor schade die door het
paard is toegebracht aan de dierenarts.

Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat er in principe sprake kan zijn van
zowel een \'behandelingsovereenkomst\' als van risico-aanspra-
kelijkheid van de bezitter van een dier. Dat is slechts anders als
dat tot onlogische en/of praktisch onaanvaardbare resultaten
zou leiden. In dit geval vindt de Hoge Raad dat het risico van
schade toegebracht door een onberekenbaar paard niet door de
dierenarts zelf hoeft te worden gedragen omdat de dierenarts
zich volgens de deskundige in deze procedure als een be-
kwaam dierenarts heeft gedragen.

Dat betekent dus dat een dierenarts die onbekwaam met een
dier omgaat wel zelf de schade zou kunnen dragen. Een dieren-
arts neemt bij het behandelen van een dier een zeker risico en
moet dat zelf zoveel mogelijk beperken. Indien het paard in
deze zaak niet zou zijn vastgehouden door de eigenaar, zou de
dierenarts wellicht wel hebben bijgedragen aan het risico.

Hetzelfde zou kimnen gelden bij een dierenarts die een
hond niet eerst door de eigenaar laat muilkorven,
terwijl het gedrag van de hond daar wel aan-
leiding toe geeft.

Voldoende zorgvuldig

In dit geval was in de procedure
bij de Rechtbank en het Ge-
rechtshof al vastgesteld dat de
dierenarts voldoende zorg-
vuldig had gehandeld. Een
eventuele behandelings-
overeenkomst tussen de
paardeneigenaar en de die-
renarts deed niets af aan de
risico-aansprakelijkheid van
de paardenbezitter voor de
schade die het paard aan de
dierenarts had toegebracht. En
daarmee stond na zes jaar proce-
deren eindelijk definitief de aan-
sprakelijkheid van de bezitter van
het paard vast!

Mr. Eunice L.J. Bruyninckx is advocaat bij
Loyens & Loeff te Rotterdam.

Aansprakelijkheid bezitter van een paard voor letsel dierenarts

-ocr page 548-

Den Ham 27 mei 2001 - Jaarlijks
raken tienduizenden honden en
^^^^^^^^ katten zoek. Petlook, een internet-
l\'iSnHmS!i service en huisdierdatabank,zorgt
ervoor dat verloren of vermiste
^^^^^^^^ huisdieren snel weer met hun eige-
KSn^hT^ïr naar herenigd worden. Als basis
dient de registratie van het huis-
dier bij
www.petlook.nl. Zo wordt
het dier gekoppeld aan zijn eigenaar, de dierenarts en zijn
dossier. Voorwaarde is wel dat het dier van een goed lees-
baar tatoeage- of chipnummer is voorzien.

De registratie is gratis, evenals het gebruik van de website.
Het enige wat de eigenaar hoeft te doen is de registratiepa-
gina van het Petlook-huisdierdossier in te vullen. Via inter-
net of onderweg via de mobiele telefoon (M-Info) is een ge-
vonden huisdier eenvoudig door de vinder, dierenarts,
dierenambulance of asiel te traceren. De eigenaar beheert
zelf zijn Petlook-huisdierdossier en heeft via de site altijd en
overal toegang tot zijn gegevens. Hij bepaalt zelf wie toe-
gang tot (bepaalde delen van) het dossier krijgt.

Zowel de eigenaar als de dierenarts kunnen gegevens aan het
dossier toevoegen. De details die door de eigenaar zijn inge-
voerd, kan de dierenarts on-line bevestigen. Op deze wijze
ontstaat het meest complete veterinair medisch dossier aan-
gezien alle gegevens van het huisdier op één plaats verza-
meld zijn. De dossiers zijn beveiligd op een secure server,
versleuteld en als extra beveiliging geheel anoniem gehou-
den. Er staat geen naam of adres van de eigenaar in. Mocht
het dier een slecht leesbare tatoeage hebben, dan kan de die-
renarts een minuscule chip, met uniek identificatienummer,
onder de huid aanbrengen.

Petlook werkt nauw samen met www.dierenasiels.com.
Hierdoor worden ook de andere on-line databanken en
meeste asiels in Nederland betrokken bij de hereniging van
verloren en vermiste dieren met hun eigenaren.

Voor nadere informatie of het maken van een afspraak, kunt
u contact opnemen met Bulle Koster, dierenarts, e-mail:
info@petlook.nl, telefoon (06) 53840099, Peter Klaver, die-
renarts, e-mail: klaver4dieren(@^onnet.nl. telefoon (06)
51335956, of Sylvia Boskma, officemanager/paraveterinair,
e-mail: sylvia.hoskma(^hetnet.nl.

Doorbraak in informatievoorziening van huisdierdatabanken

NEDERLANDSE!

Digitaal netwerk helpt bij opsporen
dier, eigenaar en vinder

Veel huisdieren worden tijdens de zomer(vakanties) vermist of ge-
vonden. Het kan vakantieplezier behoorlijk bederven en er gaat
veel tijd en geld zitten in een zoekactie. Dat is niet alleen vervelend
voor de eigenaar, maar ook voor de vinder; meestal uiteindelijk de
dierenambulance of het asiel. Tegenwoordig kunnen via het digi-
tale netwerk de eigenaar, de vinder en het huisdier geholpen wor-
den:
www.dierenasiels.cont/leden. Sinds 26 mei 2001 is de nieuwste
versie van deze \'chipdatabase\'-functie in de lucht. Vrijwel alle
Nederlandse chipdatabanken en enkele buitenlandse zijn nu vanaf
één pagina te doorzoeken.

Op www.dierenasiels.com/leden staan onder chipdatabase alle chip-
databanken bij elkaar, die via het internet bereikbaar zijn. Sommige
gegevens zijn in meerdere databanken opgeslagen; zo heeft Brein een
overzicht- en doorverwijsfunctie naar een aantal databanken en kan
men bij Petlook zelf zijn nummer invoeren als een dier is geregistreerd
in een databank die niet direct via internet bereikbaar is of als men de
medische gegevens op het internet bereikbaar wil hebben.

Het kan zijn dat een dier bij meerdere databanken geregistreerd staat.
Het is daarom van belang
alle knopjes aan te klikken zodat ook de
laatst ingevoerde gegevens (bijvoorbeeld de laatste adreswijziging) be-
kend worden.

Eigenaar weggelopen huisi

Van een weggelopen huisdier kan nu in enkele s«
conden de eigenaar worden opgespoord, dankzj
een nieuw Europees registratiesysteem via he
internet. Het systeem werkt in een groot deel vaj
Europa. Van deze service kunnen eigenaren di
hun dieren hebben laten inschrijven bij d
Nederlandse Databank Gezelschapsdieren (NDGj
kosteloos profiteren.

Dankzij het unieke registratiesysteem van c
Nederlandse Databank Gezelschapsdieren (NDQ
kan sinds kort met behulp van internet, door iederee
de eigenaar van een gevonden huisdier opgespooi
worden. Van het dier dat voorzien is van een transpoi
der (een onderhuids geplaatste chip), worden de geg(
vens levenslang opgeslagen bij de NDG. Als een di(
wordt gevonden door de dierenambulance of bij hi
asiel, kan via de internetsite van de asielen direct doo
geklikt worden naar de NDG , maar ook kan men ze
de internetsite van de NDG opzoeken
www.databam
gezelschapsdieren.nl

-ocr page 549-

De Commissie Aanprijzing Veterinaire Producten (CAVP)
is een tuchtcommissie, ingesteld door de KNMvD en de FI-
DIN. De CAVP beliandelt overtredingen van de Code voor
de Aanprijzing van Veterinaire Producten en doet bin-
dende uitspraken. In maart 2001 werden bij de CAVP twee
klachten ingediend.

De eerste klacht had betrekking op de aanprijzing van een in-
jecteerbaar antibioticum ter behandeling van respiratoire
aandoeningen bij varkens in een publieksadvertentie, in een
aan de boer gerichte brochure en in een aan de dierenarts ge-
richte mailing.

De klacht behelsde de volgende punten:

1. In de promotionele uitingen wordt onder andere ge-
claimd dat kan worden volstaan met één behandeling.
Deze claim zou niet in overeenstemming zijn met de re-
gistratiebeschikking.

2. Ten onrechte zou een grotere weefselvriendelijkheid
van het product worden geclaimd. Deze claim is geba-
seerd op een in het buitenland weliswaar correct uitge-
voerd vergelijkend onderzoek, waarbij echter het verge-

,BANK GEZELSCHAPSDIEREN

[ in enkele seconden opgespoord

Door het intypen van het transpondernummer worden
de eigenaargegevens van het bewuste dier direct zicht-
baar.

De gegevens zijn ook Europees beschikbaar via de inter-
netsite van European Pet Network ( EPN)
www.europet-
net.com.
Hier kan direct gekeken worden in welke data-
bank in Europa het dier geregistreerd is en op die manier
bij de gegevens van de NDG gekomen worden.

De Nederlandse Databank Gezelschapsdieren, de groot-
ste databank van elektronisch geïdentificeerde huisdie-
ren, is opgericht door een samenwerking van de
Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Dierge-
neeskunde, de Raad van beheer op Kynologisch gebied
en de Stichting Registratie Gezelschapsdieren Neder-
land. Door aanmelding na implanteren van een micro-
chip onder de huid, door de dierenarts of nestcontroleur
van de Raad, worden de gegevens levenslang opgeslagen
in de NDG in Amsterdam. De gegevens kunnen telefo-
nisch opgevraagd worden onder telefoonnummer (0900)
4040456. Sinds kort is daar de elektronische zoekmoge-
lijkheid zowel in Nederland als Europa bijgekomen.

leken product is ingezet in een aanzienlijk hogere dan de
in Nederland toegelaten dosering.
3. In een mailing aan de dierenartsen wordt als unieke pro-
ducteigenschap gesteld dat de wachttijd gelijk is aan de
wachttijd die eveneens geldt voor de PVE/IKB. Dit is
echter geen unieke producteigenschap, want ook voor
een concurrerend product zijn beide wachttijden gelijk.

Vastgesteld ter zitting

De producent heeft inmiddels een nieuwe brochure uitgege-
ven. Daarin blijft de claim dat voor genezing met één behan-
deling kan worden volstaan als motto gehandhaafd. In de
toelichtende teksten wordt dit echter genuanceerd met toe-
voegingen als
\'meestal\', \'veelal\' en \'in de meeste gevallen \'.
De klager acht deze nuanceringen onvoldoende als correctie
en vraagt rectificatie.

Bevindingen CAVP

De drie hierboven geformuleerde klachten zijn gegrond.
Aan de producent worden acties ter correctie en rectificatie
geboden.

Concurrent breekt in op merk

De tweede klacht werd ingediend door de fabrikant van een
product waarvan de registratie op een vastgestelde datum in
de toekomst zou vervallen. In een mailing had de fabrikant
de afnemers van het product hierover geïnformeerd.
Vervolgens had een concurrent twee maanden tevoren in een
publieksadvertentie van dit feit melding gemaakt en het ei-
gen product geprofileerd als het aangewezen substituut. De
klager beschouwde deze handelswijze als onfatsoenlijk en
een vorm van merkinbreuk.

In het schriftelijk verweer stelde de aangeklaagde concurrent
publicitair uitsluitend te hebben verwezen naar een feit dat
de fabrikant zelf per mailing bekend had gemaakt, namelijk
dat het product uit de markt zou worden genomen. Derhalve
zou er geen sprake zijn van misleiding of vergelijkende re-
clame.

Bevindingen CAVP

Het product dat door het wegvallen van de registratie uit de
markt wordt genomen heeft een aanzienlijk marktaandeel.
Door publicitaire verwijzing naar dit verdwijnende product,
met vermelding van de merknaam, probeert de concurrent
direct voordeel te trekken uit andermans merkbekendheid.
De CAVP beschouwt dit als oneerlijk en onrechtmatig.
(Hierbij wordt tevens verwezen naar de EEG-Richtlijn nr.
97/55/EG.). Bovendien meent de CAVP dat in de branche
geldende normen van goede smaak en fatsoen verbieden dat
publiciteit zich, op afstand van inhoudelijke productvergelij-
king, expliciet richt op het verdwijnen van een bekend merk
van een concurrent. De klacht wordt toegewezen.

Het Secretariaat van de CAVP is gevestigd te Ermelo,
telefoon (0341) 551703, fax (0341) 551881, e-mail: norg-
buro@wxs. nl

Commissie Aanprijzing Veterinaire Producten behandelt twee klachten

Publieksadvertentie injecteerbaar antibioticum en merkinbreuk

-ocr page 550-

Verdenking van MKZ onder Nederlands wild

Paul Sutmöller

In de nieuwsmedia zijn berichten
verschenen over waarnemingen van
kreupele reeën in het met MKZ be-
smette gebied. Ook werden meldin-
gen gemaakt van reeën die duidelijk
locomotieproblemen hadden. Als
MKZ-deskundige met jarenlange
__internationale veld- en laboratorium-
ervaring ben ik buitengewoon be-
zorgd over de wijze waarop het mi-
nisterie van Landbouw, volgens de krantenberichten, met deze
meldingen blijkt om te gaan.

Voor zover mij bekend, zijn de eerste beschrijvingen van MKZ
in
Cen\'idae (herten en reeën) gemaakt gedurende een uitge-
breide uitbraak van MKZ in Califomië in de Verenigde Staten
van Amerika in de jaren 1924-1926, waarbij onder meer
Cen\'idae in het Stanislaus National Forest besmet werden. In
die jaren werden 22.000
Cen\'idae gedood, waarvan 10% typi-
sche MKZ-symptomen vertoonden.

Onderzoek in UK en VS

In de jaren 1973-74 werd MKZ in Cen\'idae bestudeerd door
een groep onderzoekers verbonden aan het Animal Virus
Research Instituut in Pirbright (nu het World Reference
Laboratory) in het Verenigd Koninkrijk, en door een andere
groep wetenschappers (waaronder mijzelf) van het Plum
Island Animal Disease Center, Greenport, New York, in de
Verenigde Staten. De UK-groep publiceerde drie rapporten
over hun bevindingen en de USA-grocp presenteerde hun be-
vindingen gedurende de vergadering van de US Animal Heath
Association in 1974. Voor zover mij bekend zijn er daarna geen
publicaties over MKZ bij
Cen\'idae in de wereldliteratuur meer
verschenen. De publicaties van beide groepen geven een zeer
volledig beeld over MKZ in
Cen\'idae die mijn bovenge-
noemde bezorgdheid geheel ondersteunen.

1. De USA-groep rapporteerde als volgt: \'.. white-tailed deer
were clearly susceptible to infection with this strain of FMD
virus both by intranasal inoculation and by contact expo-
sure. The clinical syndrome in deer was somewhat variable
but, in general, severity of the disease was intermediate bet-
ween that seen in cattle and in sheep and goats exposed and
housed under similar conditions\'.

2. Het gebrek aan kennis over de gevoeligheid van Cen\'idae
gedurende de extensieve MKZ-uitbraak in de UK gedu-
rende 1967-68 stimuleerde de UK-groep om eerst dit aspect
voor drie van de in de UK vookomende
Cenidae-soovi&n te
bepalen. De uitkomsten werden als volgt samengevat: \'All
three species were susceptible to infection with FMD virus.
Clinical disease was mild or inapparent in the red and fallow
deer but was more severe in the roe deer. The appearance
and distribution of the lesions were similar to those in
sheep\'.

3. Dit werk werd gevolgd door een meer gedetailleerd onder-
zoek over de verspreiding van het MKZ-virus in geïnfec-
teerde
Cenidae. De resultaten van dit onderoek toonden
aan dat
Cenidae in deze aspecten in het algemeen volko-
men
vergelijkbaar zijn met runderen en schapen, zowel wat
betreft de hoeveelheid virus in het bloed alsmede de uit-
scheiding van MKZ-virus en de \'drager\' status.
4. Tenslotte voerde de UK-groep een groot experiment uit dat
de complete infectiecyclus sloot. Men toonde aan dat runde-
ren
Cenidae konden infecteren, dat deze geïnfecteerde
Cenidae op hun beurt weer andere Cenidae, schapen en
runderen konden besmetten en dat deze dieren daarna weer
MKZ bij
Cenidae konden veroorzaken. In deze onderzoe-
kingen werden ook alle eerdere bevindingen opnieuw be-
vestigd. \'This study and earlier observations .... have esta-
blished that the five species of deer seen in the British
countryside are susceptible to FMD... the smaller species..
both develop severe disease
and death is not uncommon du-
ring the acute stage ofthe disease...
(ci^-^/e/\'toegevoegd)\'.
De auteurs speculeerden dat
Cervidae waarschijnlijk geen
belangrijke rol zouden spelen in het overleven en de trans-
missie van het virus gedurende een MKZ-epidemie, omdat
in de UK de \'grazing ranges\' van
Cervidae en veesoorten in
het algemeen niet overlappen en omdat er een lage veedicht-
heid is in de wildgebieden.

Ingezonde

Serieuze zaak

Uit dit literatuuroverzicht is dus duidelijk dat onder
Nederlandse omstandigheden, vooral op de Veluwe en in de
Veluwezoom waar boer, vee en wild intiem contact hebben, de
infectie van
Cervidae als een zeer serieuze zaak moet worden
gezien. Indien het ministerie het hoogst waarschijnlijk acht dat
gevaccineerde runderen en schapen over grote afstanden door
MKZ-gevallen kunnen worden geïnfecteerd (hetgeen aanlei-
ding heeft gegeven tot het doden van grote aantallen gezonde
gevaccineerde runderen en schapen) dan mogen de voor MKZ-
gevoelige
Cenidae die tussen die boerenbedrijven los rond-
lopen toch tenminste als verdacht beschouwd worden.
Er zijn mij geen onderzoekingen over de MKZ-gevoeligheid
van wilde zwijnen bekend. Er is echter geen enkele reden om
aan te nemen dat dit dier anders op een MKZ-besmetting zou
reageren dan het gedomesticeerde varken. Een eventuele in-
fectie onder
Cenidae zal zich dan ook zeer waarschijnlijk uit-
breiden tot de wilde zwijnen populatie in het geïnfecteerde ge-
bied.

Grondige herziening

Een nadere beschouwing van de wildsituatie zou volgens mij
op korte termijn tot een grondige herziening van het huidige
MKZ-beleid moeten leiden. Er zijn vanzelfsprekend twee mo-
gelijkheden:

a. óf de wildstand van de Veluwe of Veluwezoom is niet be-
smet

b. óf de wildstand is besmet
Wild rtiet besmet

a. Enten van runderen met MKZ-vaccin op zichzelf produ-
ceert geen dragers.

b. Gevaccineerde dieren moeten met MKZ-virus worden geïn-
fecteerd om ze tot virusdragers te maken. Zo\'n infectie zou
tot stand kunnen komen door contact met geïnfecteerde ex-

-ocr page 551-

creties van MKZ-zieke dieren of door het inademen van in-
fectieuse aerosols, veroorzaakt door dieren met MKZ, vóór
of tijdens het onstaan van de blaren.

c. Wild doorkruist het gebied waar geënt is, het loopt tussen
boerderijen, bezoekt landerijen en erven met veevoeder en
mest. De voor MKZ gevoelige
Cen\'idae fungeren dus als
echte sentinellen voor het virus.

d. Als er M KZ-virus aanwezig is in de vorm van stofdeeltjes of
aerosols dan is de waarschijnlijkheid dat de
Cei-vidae geïn-
fecteerd worden vele malen groter dan de waarschijnlijk-
heid van infectie van opgestald vee.

e. Indien wild negatief blijkt te zijn voor MKZ-infectie dan is
het risico dat opgestald gevaccineerd vee wordt geïnfecteerd
praktisch nul. Er kunnen dan ook geen dragers onder de ge-
vaccineerde dieren zijn, want daar is een effectieve infectie-
bron voor nodig.

Conclusie: In dit scenario (wildstand in Veluwe en

Veluwezoom niet besmet met MKZ) is het doden van gezonde

gevaccineerde runderen en schapen daarom zinloos uit het

oogpunt van MKZ-bestrijding.

Wild besmet

a. Als het wild besmet is dan staat het ministerie van
Landbouw voor de enorm moeilijke taak om MKZ onder
het wild uit te roeien.

b. Hopelijk zal het MKZ onder het wild in een aantal maanden
\'doorzieken\' zoals vroeger MKZ-uitbraken in de veestapel
ook een natuurlijk einde vonden en zoals dat nu nog gebeurt
wanneer MKZ voorkomt in wildlife in Sub-Sahara Afrika.

c. Daar het MKZ-virus daarna waarschijnlijk nog enige tijd in
het besmette gebied aanwezig zal zijn, moet de veestapel in
dit gebied tenminste nog één keer gevaccineerd worden, bij
voorkeur binnen drie maanden, om een optimum populatie-
immuniteit te verkrijgen.

Conclusie: In dit scenario (wildstand in Veluwe en

Veluwezoom besmei met MKZ) past natuurlijk niet het doden

Sluiting veemarkten

Wouter ter Heide

Landbouwminister Brinkhorst pleit voor het voorgoed
sluiten van veemarkten, om in de toekomst het risico te
verkleinen op nieuwe uitbraken van mond- en klauwzeer
of andere dierziekten. Hoewel dit doel boven elke kritiek
is verheven, vraag ik mij in gemoede af of dit het middel
(sluiting veemarkten) heiligt. Wat dat betreft geef ik
marktmeester Henk Puttenstein van de Zwolse veemarkt
graag het voordeel van de twijfel in zijn perplex staan over
zoveel onkunde-reactie en lijken mij de wildwest-tafere-
len die hij voorziet, zeer aannemeljik.

Afgezien hiervan heeft Brinkhorst zijn sluitingsidee niet
alleen op een verkeerde plek (D66-congres), maar ook in
een verkeerde plaats (Dordrecht) geventileerd waardoor

van gezonde gevaccineerde dieren. Is de wildstand besmet dan
is van een \'M KZ vrije status\' voorlopig geen sprake en is vacci-
natie van het vee in het besmette gebied de meest voor de hand
liggende oplossing.

Er is een ernstige verdenking gerezen van besmetting van wild
met het MKZ-virus, op grond van enkele serieus te nemen re-
cente waarnemingen van kreupele
Cen\'idae in het MKZ ge-
bied. Consistentie met het tot dusver gevoerde beleid ten aan-
zien van verdenking op MKZ-besmetting van gedomesti-
ceerde evenhoevigen gebiedt om te handelen zoals hiervoor
genoemd onder het kopje \'wild besmet\'.
Hopelijk kunnen veld- en laboratoriumonderzoekingen aanto-
nen dat het Nederlandse wild bestand niet door MKZ is geïn-
fecteerd maar zonder een gedegen epidemiologisch onderzoek
naar de ware toestand baart de onzekerheid op dit gebied grote
zorgen.

Dr. Paul Sutmoller, PhD, DVM, is International Animal Health Consultant. Hij
werkte gedurende meer dan 35 jaar als viroloog en epidemioloog aan de preventie,
bestrijding en eradicatie van mond- en klauwzeer in Latijns-Amerika en de
Caribbean. E-mail: paulsutmoller@compuserve.com

Literatuur

• McVicar JW, Sutmoller P, Ferris DH, and Campbell CH.
Foot and Mouth Disease in white-tailed deer: clinical signs
and transmission in the laboratory. Proceedings of the
Annual Mgt USAnimal Health Association 1974.

• Forman AJ, and Gibbs EPJ. Studies with Foot and Mouth
Disease virus in British deer (Red Fallow and Roe) 1.
Clinical Disease. J Comp Path 1974; 84: 215-20.

• Forman AJ, Gibbs EPJ, Baber DJ. Hcrniman KAJ, and
Barnett IT. Studies with Foot and Mouth Disease virus in
British deer (Red Fallow and Roe) II. Recovery of virus and
serological response. J Comp Path 1974; 84:221-8.

• Gibbs EPJ. Herniman KAJ, Lawman MJP, and Sellers RF
Foot and Mouth Disease in British deer: Transmission of vi-
rus to cattle, sheep and deer. Vet Rec 1974; 558-63.

hij voor onnodige onrust in de Nederlandse agrarische
sector heeft gezorgd. Het MKZ-probleem is immers geen
Nederiands (laat staan een D66) maar een Europees pro-
bleem! Oplossingen daarvoor moeten dan ook niet - tus-
sen neus en lippen door - op een D66-congres in
Dordrecht worden gelanceerd maar gedegen onder-
bouwd - bij de Europese Commissie in Brussel worden in-
gebracht. Mocht Brussel het idee van Brinkhorst omhel-
sen als het ei van Columbus, dan zullen uiteraard alle
Europese veemarkten op termijn gesloten worden.
Mogelijkerwijs zal Europa daardoor langzaam maarzeker
veranderen in één groot WildWest-continent, waar niet de
boeren maar enkel de populaire in-line dansgroepen wel
bij zullen varen. Om deze verwerpelijke (want op elk ter-
rein vervlakkende!) veramerikanisering van de Europese
beschaving te voorkomen, moet niet gedacht worden aan
sluiting van veemarkten maar aan opheffing van het (door
de VS gedicteerde) non-vaccinatiebeleid.

Wouter ter Heide is publicist te Zwolle.

-ocr page 552-

De ongenuanceerde stamping out-aanpak van de huidige
MKZ-uitbraak en van de recente varkenspestepidemie brengt
ons als dierenartsen aan de rand van onze ethische grenzen en
hakt flinke spaanders uit ons professioneel zelfbeeld. De hui-
dige crisis moeten we tot een goed einde brengen volgens de
huidige spelregels. Maar in de toekomst willen we het zo niet
meer!

Om duidelijk te laten zien dat wij als dierenarts de huidige
dierziektebestrijdingsstrategieën niet van deze tijd vinden, wil-
len wij een gedenkteken oprichten. Een monument waarmee
we tegen tegen de wereld en tegen onszelf zeggen: Wij zijn die-
renarts en wij wensen ons vak uit te oefenen op een manier
waar we trots op zijn en die we aan kunnen verantwoorden aan
alle geledingen van de maatschappij.

De eerste gedachten gaan uit naar een standbeeld van een hui-
lend varken. Dit huilend varken verbeeldt het verloren vertrou-
wen van onze landbouwhuisdieren in hun hoeders: de mens.
Deze zeug vraagt zich af hoe de mensenmaatschappij in de 21 e
eeuw nog zo blind en ongenuanceerd met dieren en dierziekten
kan omgaan. Je ziet deze moeder ongerust denken: \'wat voor
een toekomst gaan mijn kinderen tegemoet?
Bijgevoegde foto geeft een idee van hoe het beeld eruit kan ko-
men zien. Het varken staat voor elk (productie-)dier. Sugges-
ties voor een nog beter symbool zijn welkom. De uiteindelijke
vorm komt sowieso in een overlegsituatie tot stand komen.

Signaal

Met het oprichten van dit gedenkteken geven wij, dierenartsen
en gelijkgestemden, het signaal dat we op deze manier niet ver-
der willen gaan. Bij een volgende dierziekteuitbraak werken
we graag mee aan de georganiseerde bestrijding, maar alleen
als deze gebaseerd is op:

• een moderne, wetenschappelijke en rationele veterinaire
aanpak. Dus mét vaccinatie en de meest geavanceerde test-
methodieken. En zonder de nodeloze massale vernietiging
van kostbaar dieriijk leven en dieriijk eiwit.

• een veehouderij die haar eigen verantwoordelijkheid neemt
en haar economische activiteiten ontplooit op een fundament
dat voldoende garanties biedt voor diergezondheid en dier-
welzijn, onder alle omstandigheden.

Als dit initiatief door-
gang vindt zoeken we
enkele basisschool-kin-
deren die als ze groot
zijn dierenarts willen
worden. Dit groepje
kinderen biedt namens
ons het Huilend Varken
aan aan een hoog-
waardigheidsbekleder
(we gaan voor de mi-
nister of de premier) in de week nadat het laatste ingesloten ge-
bied is vrijgegeven. Deze jonge mensen kunnen ongetwijfeld
precies uitleggen hoe volwassenen tegen deze zaak zouden
moeten aankijken. Vanzelfsprekend willen we zoveel mogelijk
publiciteit bij deze actie.

Immers, als dierenarts staan wij voor drie dingen. Dit willen we
laten zien en daar willen we op afgerekend worden:

* diergezondheid

* dierwelzijn

* volksgezondheid

Met hierbij de opmerking dat wij voor zowel lichamelijke als
geestelijke volksgezondheid staan. En geestelijke volksge-
zondheid ontstaat in deze context uit een ethisch verantwoorde
omgang met dieren én dierlijke producten.

Gedenkteken

Om tot de realisatie van deze actie te komen hebben we een
bankrekening geopend, met nummer 1770 63 009, ten name
van Werkgroep Het Huilend Varken. Wij willen alle sympathi-
santen vragen een financiële bijdrage te storten. Alle geld is
welkom.

Afliankelijk van het eindbedrag zal het gedenkteken groter zijn
cn van duurzamer kwaliteit. We garanderen u dat al het geld be-
steed wordt aan het monument. Al het overige georganiseer
doen wij uit liefde voor de veterinaire professie en voor dieren.
Alvast bedankt voor uw steun. Alle reacties zijn van harte wel-
kom op het speciale e-mail-adres: gedenkteken(@ision.nl.

Jan Hülsen, René Sol, Bart Wille spreken namens de Werkgroep Het Huilend Varken

Werkgroep Het Huilend Varken richt gedenkteken op

Jan Hülsen, René Sol en Bart Wille

Plaats Groep Homeopathisch-werkende Dierenartsen

j. Jacobs

Met instemming las ik de bijdrage van collega J.T. Lumeij in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde, aflevering 9, 2001.
Evenals hij was ik verbaasd en verontwaardigd collega mevrouw drs. E.L. Ellinger uit Apeldoorn in een radiorubriek op
of omstreeks 5 april reclame te horen maken voor het gebruik van homeopathische middelen ter preventie van MKZ bij
rundvee. Al eerder heb ik het bestuur van de KNMvD verzocht de positie van de Groep Homeopathisch-werkende die-
renartsen binnen de KNMvD te heroverwegen, echter zonder resultaat. Opnieuw en mij nu aansluitend bij de wens van
collega Lumeij, zou ik willen pleiten voor een brede discussie over de plaats van de homeopathie binnen de diergenees-
kunde en over de positie van de Groep Homeopathisch-werkende dierenartsen binnen de KNMvD. Een begin van zo\'n
dicussie wordt sinds enige tijd al gevoerd in de rubriek \'Discus\' op de website van de KNMvD\'.

-ocr page 553-

Enorme opwinding terecht

Rosemarie van der Werf-Verbraak

Naar aanleiding van de artikelen in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde
deel 126 aflevering 9 over het optreden van mevrouw Ellinger bij \'Barend
en van Dorp\', wil ik graag het volgende zeggen.

Als dierenarts en homeopathe is het schaamrood mij naar de kaken gestegen
over zoveel domheid bij iemand die toch geacht wordt een academische stu-
die te hebben voltooid. Ik vind dan ook dat Vera Baumans veel te gematigd is
geweest in haar commentaar. Mensen als mevrouw Ellinger geven mensen
als Lumeij en andere kwakzalverijbestrijders een terecht wapen in handen te-
gen de homeopatie, maar wat misschien wel even erg is: ze brengen de hele
diergeneeskundige stand in discrediet. Overigens als mevrouw Ellinger
voorkeur heeft voor een dialoog met mensen met kennis van zaken moet ze
niet in een programma gaan zitten met leken, waarvan alleen Jan Mulder
meen ik, genoeg gezond verstand had om te bedenken dat alsje met homeo-
pathische medicijnen hetzelfde resultaat kon bereiken als met een enting, het
toch wel raar was dat die methode niet allang op grote schaal was toegepast.
Gelukkig had hij niet door dat mevrouw zelfs beweerde dat homeopathie niet
alleen MKZ voorkwam, maar ook antistoffen in het bloed zou voorkomen,
immers de dieren hoefden dan niet meer te worden geruimd.

Skovar gecertificeerd

Stichting Koiomsamenwerking Var-
kensvlees (Skovar) ontving eind
april een ISO-erkenning voor de or-
ganisatie van haar werkzaamheden.
Met het behalen van dit certificaat is
invulling gegeven aan het kwaliteits-
beleid van de organisatie. Alle werk-
zaamheden zijn vastgelegd in een
kwaliteitshandboek. Daardoor zijn
ze goed te controleren en te beheer-
sen.

De kerntaak van Skovar is de ontwik-
keling en uitvoering van projecten die
bijdragen aan een duurzame en trans-
parant opererende varkenshouderij.
Belangrijke activiteiten zijn de certifi-
cering en borging van varkenshoude-
rijbedrijven. Het accent ligt op het ver-
beteren van voedselveiligheid, dier-
welzijn, diergezondheid en de milieu-
zorg.

Licenties Veterinaire Groepsadvisering Rundvee

Kennisoverdracht aan groepen
kan voor een dierenartsenprak-
tijk een uitermate passende uit-
breiding van het dienstenpakket
vormen. Met een beperkte in-
vestering initieert de dierenart-
senpraktijk leuk werk, omzet-
vergroting en klantenbinding. De
licenties op kant-en-klare groeps-
bijeenkomsten van veterinair organisatie- en adviesbu-
reau Vetvice bieden dierenartsen toegang tot deze vorm
van dienstverlening. De clinic Koesignalen is de eerste
bijeenkomst die in deze vorm aangeboden wordt.

Groepsgerichte kennisoverdracht geeft veehouders de moge-
lijkheid om op laagdrempelige wijze kennis te verwerven
van veterinaire onderwerpen en begeleidingsmethoden, via
de eigen dierenarts. Daardoor vormt het ook een goede start
én verdieping van de één-op-één-begeleiding.
Het onderwerp Koesignalen past uitstekend bij de basis van
de veterinaire dienstverlening in de rundveehouderij. Geen
ander dan de dierenarts heeft de kennis en vaardigheden om
signalen van koe en koppel te vertalen in waardevolle kennis
overvoeding, huisvesting en gezondheid. En dat is het thema
van de clinic Koesignalen. Uitvoering vindt plaats tussen de
koeien, op een rundveebedrijf

Terugkijkend melden veehouders die deelnamen aan de cli-
nic Koesignalen dat ze gemiddeld 125 tot 150 gulden (per
persoon) over zouden hebben voor deze bijeenkomst.

Pakket diensten en producten

Een licentie op een groepsbijeenkomst bestaat uit een pakket
diensten en producten. De praktijk ontvangt het informatie-
materiaal voor de dierenarts en voor deelnemers. Dit gebeurt
op een manier die het voor de praktijk mogelijk maakt om
het uiteindelijke cursuspakket in de eigen huisstijl aan te bie-
den. Vervolgens doorlopen de dierenartsen een trainingstra-
ject (in de eigen praktijk), dat bestaat uit de volgende drie
onderdelen:

1. werving van deelnemers

2. verzorgen van de bijeenkomst

3. inpassing van de kennis van de bijeenkomst in de één-op-
één-begeleiding

Leerzaam

De dierenartsen die deze bijeenkomsten verzorgen worden
telkens nóg enthousiaster voor het onderwerp en voor deze
vorm van dienstverlening. Arbeidssatisfactie én je leert er
zelf ook van. Vetvice ontwikkelt voortdurend groepsbijeen-
komsten en clinics, waardoor het licentieprogramma zich
ongetwijfeld uitbreidt.

Licenties worden verleend aan dierenartsenpraktijken.
Doodopen van het complete traject behorende bij een
Koesignalen-licentie levert elke dierenarts tien nascholings-
punten op voor de erkenning Rundvee.

Meer informatie vindt u op de website: www.vetvice.com,
of krijgt II via het telefoonnummer van Vetvice: (0499)
330620.

-ocr page 554-

Handboek Acupressuur voor Paarden

I Nancy Zidoms, Marie Soderberg en Amy Snow. Elsevier Bedrijfsinformatie. ISBN 9054390824.
i 144 bladzijden, f 3^,50.

Het betreft een Nederlandse bewerking van een oorspronkelijk Amerikaanse uitgave: Equine
Acupressure, a working manual. Veel nieuwe vormen van therapie zijn in opmars. Acupunc-
tuur en acupressuur zijn vormen van geneeskunde die meer dan 4000 jaar oud zijn. Dit hand-
boek geeft aanwijzingen om door middel van drukpuntmassage de gezondheid van het paard
te versterken en te handhaven. Via een zevental hoofdstukken met een vijftigtal illustraties van
de positionering van de drukpunten wordt de lezer wegwijs gemaakt in de acupressuur bij het
paard.

Bij dieren is acupunctuur alleen toegestaan door dierenartsen die een erkende acupunctuurop-
leiding hebben voltooid. Acupressuur is een behandelvorm die de paardenliefhebber alsmede
dierenartsen zich via dit handboek eigen kunnen maken. Er wordt duidelijk op gewezen dat
acupressuur geen vervanging is van een diagnosestelling door de dierenarts, meer een aanvul-
ling. De paardenliefhebber dient tijdig de dierenarts te raadplegen als het resultaat met de acu-
pressuur uitblijft.

Voor de dierenarts wordt op een schematische wijze een overzicht van de terminologie en de
acupressuurpunten gegeven. Ondersteuning van de paardenliefhebber bij deze behandelings-
methode kan daarmee door de dierenarts beter begeleid worden.

dr. M. F. de Jong

Veterinary Dentistry for the Small Animal Technician

Lynn Kessel, DVM. Verkrijgbaar bij: Iowa University Press, South State Avenue, Ames, I A, 50014-
8300. ISBN 0-8138-2037-5. Prijs: $ 30,00.

Dit in 2000 verschenen boek is de eerste uitgave - in de Engelse taal - voor dierenart.sassisten-
ten waarin uitgebreid de tandheelkunde bij gezelschapsdieren wordt beschreven. Natuurlijk is
het eerste hoofdstuk over de orale en dentale anatomie de basis voor iedere assistente die tand-
heelkundig mee wil denken in de gezelschapsdierenpraktijk. Zonder deze kennis zou een as-
sistente niet geoorloofd mogen zijn praktische gebitsreinigingen uit te voeren (ref ). Van be-
lang voor de dierenartsassistenten zijn de hoofdstukken over de dentale radiologie, het
onderhoud van tandheelkundig instrumentarium en materialen. Ook het vastleggen van gege-
vens en bevindingen (dental charting) wordt uitgebreid besproken. Het belangrijkste voor de
assistente is het hoofdstuk over de parodontale ziekten en het correct uitvoeren van een gebits-
sreiniging. In het laatste hoofdstuk wordt ruim aandacht besteed aan de cliëntbegeleiding (de
basis van een succesvolle \'tandvriendelijke\' praktijk, ref) met een aantal in de USA gebruikte
voorbeelden van hand-outs.

In de overige hoofdstukken wordt ruim aandacht besteed aan de werkelijke assistentie die een
dierenarts gebruiken kan als het gaat om de anesthesie, extractie, parodontale ingrepen, wor-
telkanaalbehandelingen of orthodontische praktijken. Het 240 pagina\'s tellende boek is voor-
zien van meer dan 100 illustraties (tekeningen, zwart-wit foto\'s), diagrammen en röntgenolo-
gische opnamen.

In de appendix verwijst de auteur onder andere naar een aantal boeken, veterinaire tandheelkun-
dige afkortingen en een aantal tandheelkundige leveranciers. Deze zijn vanzelfsprekend van
Amerikaanse oorsprong. Natuurlijk kan de Engelse taal een rem zijn om dit boek aan te schaffen.
Het in 1999 bij Elsevier verschenen boek van de hand van uw referent \'Tandheelkunde bij
Gezelschapsdieren\' (ISBN 90 6348 469 0) is voor dierenartsassistenten een basisboek in
haar/zijn eigen taal. Het hier besproken boek is voor die assistent (en de dierenarts) die zich ver-
der of op een andere wijze wil verdiepen in de tandheelkunde, een uitstekende aanvulling.

Andries van Foreest

Boe
besprekin

-ocr page 555-

memoriam

Kees Herweijer

Op de rouwkaart stond vermeld dat Cornelis Herman
Hemeijer. geboren op 18 september 1914 in Strijensas en
overleden op 18 april 2001 te Alkmaar, oud-gouvernements-
veearts was in voormalig Nederlands-Indië en drager van het
Ereteken voor Orde en Vrede als Japans krijgsgevangene. De
twaalf jaar in Indische dienst (1939-1951) waren voor hem
blijkbaar zeer belangrijk.

Hij werd geboren op een gemengd bedrijf in de Hoekse
Waard, ging in Brielle naar de HBS en studeerde af als die-
renarts in oktober 1938. Na enkele maanden waarneming en
een kort assistentschap bif professor Wester, vroeg professor
Van der Plank hem om voor twee dagen per week in zijn labo-
ratorium te werken en drie dagen voor de firma Sanders, S.A.
te Brussel. Philips Duphar was een dochteronderneming van
Sanders. Kees zijn taak was hun vitaminepreparaten en vac-
cins te verkopen. Maar in 1939 werd hij gemobiliseerd als
paardenarts tweede klasse. Niet voor lang want met groot
verlof werd hij als gouvernenientsveearts uitgezonden naar
Indië. Hij vertrok op 12-9-1939per \'Dempofuiar de \'Oost\'
waar hij geplaatst werd in Pati op Java en enkele maanden
daarna in Watampone op Celebes.

Na de oorlogsverklaring aan Japan in december 1941 werd
hij gemobiliseerd op Java en na de capitulatie van Indië
ondergebracht in verschillende krijgsgevangenkampen. On-
der andere in Batavia van waaruit bijvoorbeeld gewerkt
moest worden in fabrieken van General Motors. Lange da-
gen, hard werken en \'s avonds in het donker thuis voor een
hakje rijst en soms een halfeendenei. \'Wie kreeg de grootste
helft\'! Na de oorlog woog hij nog geen 60 kilo.
Na de bevrijding op 17 augustus 1945 moest hij in verband
met de onzekere politieke situatie eerst nog in het kamp blij-
ven. maar werd begin 1946 gedemobiliseerd en geplaatst op
zijn oude standplaats Watampone. Het was daar moeilijk
werken in verband met de verstorende activiteiten van
Sukarno-aanhangers. In juni 1947 werd hij overgeplaatst
naar Soemba om Hoekstra te vervangen die met verlof ging.
Het werk bestond onder andere uit het mak maken van ver-
wilderde runderen. Na een jaar ging hij, met een korte onder-
breking op Celebes. met verlof naar Nederland.

In dejaren \'46. \'47. en \'48 M\'as Kees, naast zijn werk. produc-
tief als schrijver van romantische verhalen en gedichten, als
\'Overpeinzing aan de golf van Bone\' en \'Eiland in de zon \'
(Soemba) gebundeld en uitgegeven door zijn dochter Trudi
onder de titel \'Zotheid en Ernst\'. In 1982 zijn ondergetekende
en Kees tM\'ee weken met vakantie op Soemba geweest waar
we genoten hebben van primitief reizen, paardrijden en ont-
moetingen met vroegere medewerkers en bedienden.
Na verlof werd hij in 1949 als adviseur geplaatst op het
Algemeen Veeteelt Instituut in Bogor (Buitenzorg) waarvan
hij de tekeningen maakte. Maar de sfeer en de werkzaamhe-
den waren van dien aard - Nederlanders werden terzijde ge-
schoven - dat Kees gebruik maakte van een afvloeiingsrege-
ling voor Nederlandse ambtenaren en eind 1951 in Neder-
land aankwam.

n

Na zijn repatriëring werkte hij van januari 1952 tot januari
1953 bij het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek TNO
voor het verzamelen van eeneiige rundertweelingen.

Daarna was hij van januari 1953 tot januari 1954 technisch
commercieel medewerker van Philips Ro.xane te Amsterdam.
Hierop volgde in 1954 zijn uitzending als deskundige door
het Bureau Internationale Technische Hulp van het ministerie
van Buitenlandse Zaken naar de Nederlandse Ambassade in
Birma. Hier werkte hij gedurende twee jaar en in deze peri-
ode trouwde hij met Dolly van Leeuwen die twee zoontjes
meebracht. Op 24 december 1955 werd Trudi geboren.

In 1956 kwam hij met gezin (vrouw, drie kinderen) in
Nederland terug en nam Kees een eenmanspraktijk over in
zijn geboorteplaats Strijen. Hier werkte hij met genoegen tot
een peesontsteking aan een arm hem duidelijk maakt hoe
kwetsbaar een eenmanspraktijk is en hij weer overstapte naar
de ambtelijke wereld. In december 1963 werd hij onderzoeker
bij de Landbouworganisatie TNO voor schapenonderzoek
met standplaats Alkmaar als opvolger van Wensvoort die
naar Utrecht vertrok. Hij heeft in die tijd veel gepubliceerd.
Als eerste toonde hij in Nederland \'Jaagziekte\' aan. een vi-
rusziekte uit Engeland afkomstig. En voor zijn artikel \'Enige
met locomotie stoornissen gepaard gaande aandoeningen bij
.schapen \'in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde 1976, pa-
gina 941, kreeg hij op hel jaarcongres 1977 de jaarprijs voor
het schrijven van het beste artikel. Naast zijn werk schreef hij
samen met ir. M Bekedam het boek \'Schapenteelt en
Schapenziekten \'dat in januari 1978 verscheen en in 1994 zijn
vierde druk beleefde. Als lid van de Europese Zoötechnische
Federatie heeft hij in veel Europese landen op congressen
voordrachten gehouden over schapenziekten.

Hij werd gepensioneerd op 1 oktober 1979.
Na zijn pensionering heeft hij samen met Dolly veel gereisd
en \'s zomers genoten van hun tweede huis in Spanje. Veel ge-
noegen hebben zij ook beleefd aan de exacte studies van hun
zonen en aan die van Trudi die kinderarts werd. Het veteri-
naire gebeuren hield hij hij door de maandelijkse dierenarts-
kring in Heilo. En thuis beleefde hij veel genoegen aan zijn
volière met tropische vogeltjes.

In 1997 overleed Dolly na een langdurige longaandoening
waarbij Kees haar intens verzorgde. Bij hemzelf openbaarde
zich in 2000 een gezwel in de alvleesklier Hij overleed op 18
april 2001 en de crematie vond plaats te Driehuis.
Kees was een bijzonder dierenarts die thuis was op de boer-
derij, in laboratoria, in de zakenwereld, op congressen en in
de rimboe. Hij was cdtijd zichzelf gemakkelijk in de omgang,
altijd in voor een kleine of grote grap en beoefende met suc-
ces de vele terreinen der diergeneeskunde.

P. Hoekstra

-ocr page 556-

Voorzitter drs. Ton de Ruijter
kiest voor KNMvD

Drs. Ton de Ruijter treedt terug als
statutair directeur van Dumeco en
verlaat de onderneming per 1 juli
2001. De Ruijter is-zoals bekend -
naast zijn functie bij Dumeco
voorzitter van de KNMvD. Deze
functie combineert hij parttime
met zijn functie bij Dumeco.

De uiteenlopende verantwoordelijkheden in beide functies,
met name op het vlak van belangenbehartiging, maakten een
combinatie in één persoon lastig en in meerdere situaties
moeilijk verenigbaar. De actuele mond- en klauwzeercrisis
heeft dit recent nog aangetoond. De Ruijter heeft daarom be-
sloten een keuze te maken voor zijn functie als voorzitter van
de KNMvD en zijn functie binnen Dumeco op te geven.

De Ruijter is bij Dumeco Directeur Algemene Zaken, in
welke functie hij als verantwoordelijkheden heeft de coöpe-
ratiezaken, de externe belangenbehartiging, het integrale
kwaliteits- en milieubeleid alsmede research en develop-
ment.

Maatschappi

nieuw

Na zijn terugtreden zal De Ruijter Dumeco blijven adviseren
op veterinair technisch terrein. Dumeco respecteert het be-
sluit van de heer de Ruijter en beide partijen zijn in goed
overleg tot bovengenoemd besluit gekomen.

Leden vergaderi ng
Werkgroep Geneeskunde
Vleeskalveren

Behoudens calamiteiten zal op donder-
dag 21 juni 2001 om 14.00 uur de leden-
vergadering van de Werkgroep Genees-
kunde Vleeskalveren doorgaan. Deze
vergadering vindt plaats in Restaurant
\'Den Tol\' te Meteren in de Betuwe en
niet, zoals eerdere berichten vermeldden,
in Arnhem.

Tijdens de ledenvergadering verzorgt collega Joost Coghe van de
Universiteit Luik een voordracht met als titel \'het belang van antibiotica
bij de behandeling van luchtweginfecties\'. Verder zullen het verslag van
de vergadering van 1 februari 2001, het Beleidsplan Werkgroep Genees-
kunde Vleeskalveren en de criteria voor de Erkenning vleeskalverendie-
renarts aan de orde komen. De vergadering wordt afgesloten met een ape-
ritief en aansluitend een buffet.

In verband met het buffet graag uiterlijk DRIE dagen van tevoren aanmel-
den via de antwoordstrook bijgevoegd bij de uitnodiging of bij Eric van
der Velden, fax (0413) 368108 of e-mail: eric.vandervelden@wxs.nl.
Leden (aangemeld en betaald) krijgen een uitnodiging voor deze bijeen-
komst alsmede de relevante stukken toegestuurd.

Werkgroep
Geneeskunde Vleeskalveren

Instroomeisen
Erkenningsregelingen

Het Bestuur van het Coördinatie-
centrum Erkende Dierenartsen (CED)
heeft recentelijk het document \'In-
stroomeisen Erkenningsregelingen\'
opgesteld en goedgekeurd. In deze no-
titie worden voor de curricula 1982/
1995 en 2001 van de Faculteit der
Diergeneeskunde de specifieke eisen
vermeld die worden gesteld aan het in-
stromen in de diersoortgerichte Er-
kenningsregelingen.

Een exemplaar van dit document is op
te vragen hij het secretariaat van het
CED, A. de Boer (adb@kmnvd.nl of
via de fax (030) 2511787j.

-ocr page 557-

Nieuw relatiebeheersysteem op bureau KNMvD

Op 6 juni is op het bureau van de KNMvD het nieuwe relatiebeheersysteem in gebruik genomen. De oude ledenadministra-
tie (in DOS) is vervangen door een systeem, waarmee het bekijken en het invoeren van gegevens een stuk aantrekkelijker is
geworden. Bovendien is de uitvoer heel veel flexibeler geworden. Daardoor kunnen de medewerkers eenvoudig zelf gege-
vens in allerlei vormen uit de database halen. Niet alleen materiaal voor verzendingen, maar ook overzichten van bijvoor-
beeld lidmaatschappen, certificaten, of de gemiddelde grootte van praktijken in een bepaald gebied zijn mogelijk. Die ge-
gevens zijn met een muisklik
up to date te maken. Elke medewerker beschikt daardoor voor zijn of haar werk over de juiste
gegevens. En veel lijstjes zo her en der behoren tot het verleden.

Aan het systeem is vele maanden gewerkt. Het heeft ook wat langer geduurd dan was voorzien. Gelukkig zijn de eerste er-
varingen erg positief: de gebruikers zijn enthousiast en velen zien nieuwe mogelijkheden voor efficiënter werken.

Kijk uit, want voor je het weet
worden je dromen werkelijkheid

De Jaarcongrescommissie Gelderland neemt haar taak u een goed
congres te presenteren zeer serieus. Het is dan ook niet verwonderlijk
dat twee leden van de congrescommissie op zaterdag 12 mei 2001 een
lezing van drs. Marinus Knoope wilden bijwonen. Hoewel Marieke
Buijnink van de congrescommissie al met veel lovende woorden over
deze spreker sprak, wilde de commissie zich ervan vergewissen dat de
heer Knoope voldeed aan de hoge eisen die de congrescommissie
stelt.

Helaas lukt het Baukje Schat niet
om vanuit Wageningen op tijd in
Utrecht te zijn; wegwerkzaamheden
gooien roet in eten. Marjolijn van de
Weetering van het KNMvD-bureau
is daardoor uiteindelijk de
enige afgevaardigde.
Tussen de studenten
psychologie luis-
tert zij met een
kritisch oor naar
Knoope.
Zoals aange-
kondigd stort
Knoope zich in
een woorden-
stroom waarin hij
het publiek op amu-
sante wijze vertelt over
zijn jeugd, zijn studie
Natuurkunde en hoe hij uiteindelijk
tot de conclusie kwam dat de mens
zelf zijn werkelijkheid in de hand
heeft. Hij citeert Goethe: \'Wensen
zijn voorgevoelens van hetgeen u in
staat bent daadwerkelijk te realise-
ren\'.

Meerdere malen schallen de scha-

terlachen rond in het Educatorium.
Maar af en toe stelt Knoope een re-
torische vraag en blijft het opmerke-
lijk stil in de zaal. Iedereen vraagt
zich af of het werkelijk zo eenvou-
dig is om het succes op je
^ pad te brengen. Het ver-

^^^^ logisch,

\' maar toch ...

Conclusie is in
ieder geval dat
Marinus Knoope
de dierenartsen
en hun partners
op de ochtend van
het Jaarcongres een
goed verhaal kan ver-
tellen. Een verrassend
verhaal dat u laat glimla-
chen, schaterlachen en waarschijn-
lijk ook wel tot nadenken stemt.-
Hoe kunt u de kwaliteit van uw le-
ven verbeteren?
De congrescom-
missie is er in ieder geval van over-
tuigd dat Knoope past in een
Jaarcongres dat wars is van oubol-
ligheid.

De Tweede Manifestatie
ICT voor dierenartsen
{en hun assistenten...)

Na het grote succes van vorig jaar is er
ook dit jaar een ICT-dag voor dieren-
artsen en hun assistenten. U hebt in-
middels de uitnodiging met inschrijf-
formulier ontvangen . De meer dan
300 deelnemers die we vorig jaar
mochten verwelkomen waren zeer en-
thousiast. Vandaar dat gekozen is voor
globaal dezelfde opzet.
De verschillen met 2000 zijn dat de dag
georganiseerd wordt door de KNMvD
in samenwerking met dierenartsenco-
öperatie AUV, dat er wordt gesponsord
en dat de instructies van een wat pitti-
ger niveau zijn... Daarnaast kunt u
enkele lezingen van leveranciers bij-
wonen. En ook is er de prijsuitreiking
van \'de beste DAP-site van 2001\'.

Steeds meer ICT in de praktijken

Het gaat goed met ICT en de dierenart-
sen. Sinds vorig jaar zijn er vele hon-
derden praktijken aan de slag gegaan
met e-mail en internet. De MKZ e-
mails van de KNMvD hebben nage-
noeg alle praktijken bereikt en hebben
een cruciale rol gespeeld in de commu-
nicatie met de leden. Ons ideaal is na-
tuurlijk dat alle praktijken met e-mail
en via
www.knmvd.nl met elkaar en de
KNMvD kunnen communiceren. Dat
maakt u en de KNMvD slagvaardiger
en efficiënter!

* Geen inschrijfformulier ontvangen? Belt u ons even
op (030) 2510111.

-ocr page 558-

De beste DAP site van 2001

Onder de titel \'De beste DAP-site van
2001\' is een wedstrijd uitgeschreven en
zijn alle praktijken uitgenodigd om zich
met hun site kandidaat te stellen voor
deze prijs en eervolle vermelding. Wist
u dat er inmiddels al meer dan tweehon-
derd praktijken zijn met een eigen site?
De prijsuitreiking vindt plaats tijdens
de Manifestatie. Er is een deskundige

jury en een mooie door de AUV ge-
sponsorde eerste prijs: een Palm
Organiser. Kijkt u op de KNMvD-site
voor de spelregels.
Mis het niet!

Het wordt dus weer zeer de moeite
waard voor elke dierenarts of assistent,
die met ICT verder wil voor zijn of
haar werk...

Voor meer informatie kijkt u op

www.knmvd.nl. Voorvragen of opmer-
kingen mailt u naar
ict-manifestaüe@
knmvd.nl
of belt u naar Jan Klingen,
Marjolijn van de Weetering of Nienke
Thybout op de KNMvD.
Tot ziens op zaterdag 23 juni, met uw
assistenten!

Ton de Ruijter
Jan Klingen

Wanneer

Op zaterdag 23 juni 2001; u bent welkom vanaf 10.00 uur.
Lezingen en instructies van 11.00 tot 16.30, aansluitend
een borrel.

Waar

Gebouw Nijenoord van de Hogeschool van Utrecht,
Nijenoord2.

Voldoende parkeergelegenheid. U ontvangt een routebe-
schrijving.

Deelname

Deelname voor KNMvD-dierenartsen en hun assistenten,
op vertoon van toegezonden (gratis) toegangskaart.

De lezingen

De ICT-oogst van de Ronde van Nederland
drs. Leen den Otter, voorzitter GGG

Meer dierenartsenwerk door ICT

dr. Henk Vaarkamp, veterinair hoofddirecteur AU V

Windows hij de veehouder, registratie van melkvee
ir. Serge Loosveld, ICT-manager Comvee BV

Informatisering hij de Gezondheidsdienst voor Dieren
ing. Gijs Lagerweij MBA, ICT-manager GD

Scoren met het analysepakket InseMan
drs. Wiel van den Ekker, voorzitter InseMan gebruikers-
groep

Bedrijfsadvisering ondersteunen met ICT en CR-Delta
ir. Dick Koorn, manager informatieproducten.

De ICT-in frastructuur in uw praktijk, een overview
ir. Jan Klingen, ICT-organisatie van de KNMvD

Leverancierslezingen, onder andere van:
AUV, Synapses-IT en Uniform-Agri

De Tweede Manifestatie ICT voor dierenartsen wordt mede mogeli)i< gemaakt
door:

Comvee Boerderij-automatisering BV, Deventer
PWMM Internettoepassingen, Ede
Synapses-IT, Nieuwegein
Uniform-Agri BV, Assen

De instructies

Uit de evaluatie van vorig jaar hebben we geleerd dat we
voor de meeste bezoekers het niveau best wat mogen ver-
hogen, Daarom één algemene instructie voor de beginners
en bij de andere instructies wordt ervan uitgegaan dat u
met het betreffende onderwerp al wat gestoeid hebt.
De instructies worden gegeven in ruime computerlokalen,
dus u gaat vooral zelf aan de slag. De meeste lessen wor-
den twee keer gegeven, zodat u uw favoriete lezingen niet
hoeft te missen.

Aan de hand van uw wensen op het inschrijfformulier kun-
nen we het onderstaande programma nog wat aanpassen;

Starten met Windows, Word, Excel en/of Outlook
Voor de beginners. Weinig uitleg, veel zelf doen aan de
hand van vier sets oefeningen naar keuze.

Word

Een snelle overview van de basics, daarna enkele onder-
werpen naar keuze van de deelnemers, bijvoorbeeld
samenvoegen, tabellen, opinaakprofielen en sjablonen.
Tot slot twintig praktische tips en trucs.

Excel

Ook hier eerst even de basics, daarna invoerhandigheid-
jes, iinporteren van gegevens, rekenen, en opmaaktrucs,

Access?

Op basis van de inschrijfformulieren zullen we conclude-
ren of er voldoende belangstelling is voor een inleiding
over databases en Access,

Powerpoint

U maakt een set van tien sheets voor een korte lezing, U
leert de
do s en don \'ts bij PPT-presentaties en u leert een
beamer-met-laptop aan het werk te krijgen.

De praktijk met steeds meer e-mail

Aan de hand van Outlook krijgt u tips over het gebruik en

beheer van e-mail op de praktijk.

Uw website: tips van een profi

Natuurlijk bent u trots op uw site, of weet u al aardig hoe u
die van u wilt maken. Misschien hebt u zelfs wel gewon-
nen,,. Peter Witjes (van PWMM ) helpt u uit de droom en
geeft u adviezen over duidelijkheid, schoonheid, onder-
houdbaarheid, en tips voor nog meer
exposure.

-ocr page 559-

Na de Tweede Wereldoorlog voltrok
zich in snel tempo de agrarische sa-
nering. Duizenden kleine boeren
legden het loodje. Dr. Mansholt
eerst als Nederlandse minister van
Landbouw en Visserij en daarna als
Eurocommissaris propagandeerde
als exponent van een maakbare
samenleving dat groot beter was, economischer en efficiën-
ter.

Voorop stond een goedkoop voedselpakket. De economie
zou hoe langer hoe meer het beleid bepalen en het wel en wee
van het productiedier was daaraan ondergeschikt. De bio-in-
dustrie rukte op. Slachtkuikens, slachtvarkens en vleeskal-
veren werden levende productie-eenheden van vlees. Afwij-
kend gedrag van de dieren als gevolg van de huisvesting
werd niet bestreden door de omstandigheden te verbeteren,
maar door de dieren te verminken (inkorten van snavels en
staarten). Zeugen werden aan de ketting gelegd en runderen
moesten hun wapens, de horens, inleveren. Kortom het pro-
ductiedier was tot ding geworden.

In dit scenario past ook bij de MKZ-bestrijding de overscha-
keling naar een non-vaccinatiebeleid waarbij een uitste-
kende preventieve enting het veld moest ruimen voor een
\'stamping-out\'-systeem op grond van veronderstelde econo-
mische voordelen. Inmiddels heeft dit beleid waarbij naast
besmette bedrijven een veelvoud van omliggende MKZ-
vrije bedrijven wordt geruimd geleerd dat het niet alleen
verstrekkende economische gevolgen heeft, maar ook alom
maatschappelijke verontwaardiging oproept, om maar te
zwijgen over het leed dat aan er bij betrokken boerengezin-
nen wordt berokkend. Een bestrijding waarbij de dierenarts
van geneesheer/-vrouw tot opruimer van vee is gedegra-
deerd.

Via de kleuterschool naar herbezinning?

A. Osinga

Ingezonde

Afgezien van mijn stelling dat niet hard genoeg kan worden
geijverd voor een terugkeer naar een georganiseerde MKZ-
enting, rijst de vraag: \'Is bij het thans toegepaste systeem het
ruimen van al die gezonde bedrijven nodig?\' Wetenschap-
pelijk onverantwoord zeggen drie internationaal erkende
Nederlandse MKZ-deskundigen (Volkskrant van 14 mei
2001). De alternatieven zijn onvoldoende onderzocht, zegt
een wetenschappelijk medewerker van het ID-Lelystad. Een
instituut dat de minister bij de MKZ-bestrijding adviseert,
maar volgens bedoeld medewerker oplossingen aandraagt
die het niveau van een kleuterschool niet ontstijgen
(Volkskrant van 17 mei 2001).

Kortom een dierziektebestrijding die voorbij gaat aan de in-
trinsieke waarde van het dier en grote maatschappelijke ge-
volgen heeft, terwijl een goede wetenschappelijke basis ont-
breekt.

De MKZ-bestrijding noopt tot herbezinning schrijft een col-
lega in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde van 15 mei 2001.
Ik zou er aan toe willen voegen: met name voor de dierenart-
sen. Zij dienen zich af te vragen of aan een dergelijke wijze van
dierziektebestrijding medewerking moet worden verleend.

Het relatieve risico van de Voorjaarsdagen, een reactie op Klaare c.s.

Bart van der Kolk

Hierbij zou ik graag als landbouwhuisdierenpracticus willen
reageren op de kritiek van Klaare c.s. in het Tijdschrift van 15
mei 2001 over het doorgaan van de Voorjaarsdagen (VJD).
Ik verwonder mij over de kritiek van deze collega\'s, die op 17
april naar Den Haag zijn gegaan, op het doorgaan van de
Voorjaarsdagen op 20,21 en 22 april. Mijn verwondering zit
hem nadrukkelijk niet zozeer in het feit dat zij naar Den
Haag zijn gegaan, ik ben hen daar zelfs zeer dankbaar voor.
Het is goed dat daar 250 collega\'s hebben laten zien dat het
non-vaccinatiebeleid niet meer van deze tijd is. Ik verwonder
mij over de inschatting door de collega\'s van het relatieve ri-
sico bij de verschillende risicofactoren, de VJD en de bijeen-
komst in Den Haag, voor een verdere verspreiding van het
MKZ-virus. De organisatie van de VJD mag wat mij betreft
nog even wachten met hun vragen te beantwoorden.

Verspreidingsrisico\'s relativeren

Gedurende de MKZ-crisis heb ik me verbaasd over het ge-
brek aan vermogen van niet-dierenartsen om verspreidings-
risico\'s te relativeren. Het MKZ-virus kan bijvoorbeeld wor-
den overgebracht door direct dier-diercontact en de over-
dracht van MKZ is bijvoorbeeld niet uit te sluiten door indi-
rect dier-mens-mens-dier- en misschien zelfs wel dier-mens-
mens-mens-diercontact. De relatieve risico\'s zullen zeer
verschillend zijn. In de media gaat men vaak volledig voorbij
aan het feit dat verschillende risicofactoren/transmissiemo-
gelijkheden een zeer verschillende bijdrage kunnen hebben
in de verspreiding van een ziekte. Zo heb ik een journalist
horen concluderen, nadat hij had gevraagd of het uit te slui-
ten is dat het virus meer dan tien kilometer door de lucht nog
tot een infectie in staat is, dat de genomen preventieve maat-
regelen binnen een straal van tien kilometer dan dus eigen-
lijk niet zo veel zin hebben. Een dierenarts begrijpt toch wel
dat deze conclusie niet juist is. Het feit dat ook collega\'s over
specifieke risicofactoren een mening uitdragen, maar daar
ogenschijnlijk op een vergelijkbare onjuiste manier mee om-
gaan heeft mij verwonderd. Zij schatten blijkbaar het risico
van een verdere verspreiding van het MKZ-virus via de VJD
duidelijk groter in dan het risico van een verdere versprei-
ding via de bijeenkomst in Den Haag.

-ocr page 560-

Ontsmettingsmat

Natuurlijk zijn er ook argumenten om bijeenkomsten af te
gelasten of om preventieve maatregelen te nemen welke niet
\'significant\' een verspreidingsrisico vormen of verminde-
ren. Ook ik heb preventieve maatregelen geadviseerd waar-
van ik me afvraag of zij praktisch daadwerkelijk een bijdrage
zouden kunnen leveren aan het voorkomen van de versprei-
ding van het MKZ-virus. Zo is mij door een middelbare
school gevraagd of zij een ontsmettingsmat voor de ingang
zouden moeten plaatsen. Zonder twijfel heb ik geadviseerd
dit te doen. Niet omdat ik daadwerkelijk denk dat het een sig-
nificante kans heeft een infectie te voorkomen, maar omdat
ik geen enkele reden zie om het niet te doen. Tevens worden
op deze manier de angsten en de spanningen die bij een deel
van de leerlingen en hun ouders heersen serieus genomen.
Daarbij denk ik dat het nemen van deze maatregelen veel,
niet direct aan de agrarische sector verbonden mensen laat
zien dat ook zij hun verantwoordelijkheden hebben en moe-
ten nemen in het bestrijden van de ziekte. En dit laatste lijkt
mij van groot belang, zeker gezien de suggestie van onder
andere collega Brouwer dat niet agrariërs met hun ene
\'100% gezonde\' geitje denken dat vervoersverboden niet zo-
zeer voor hen bedoeld zijn. In dat licht zie ik ook de afge-
lasting van veel sector gerelateerde bijeenkomsten. Ook met
deze argumenten zie ik geen enkele reden dat de VJD dan,
eerder dan de bijeenkomst in Den Haag beter af- of uitge-
steld hadden kunnen worden.

Verschil VJD met MKZ-betoging

Er werden door Klaare c.s. enkele vragen aan de organisatie
van de VJD voorgelegd. Vergelijkbare vragen zouden dan
ook gesteld kunnen worden aan de deelnemers/de organisa-
tie van de bijeenkomst in Den Haag. Enkele mogelijke ver-
schillen tussen de bijeenkomsten: in Den Haag waren er
waarschijnlijk vooral, via verzamelplaatsen van praktijkau-

Dieners van onze portemonnee

Ingrid van Alten

Geachte Hoofdbestuur der KNMvD,

Om u te laten weten wat er speelt onder dierenartsen-leden der
KNMvD, stuur ik u hierbij een kopie van een (volledig door
mij ondersteunde) actie van enkele collegae (zie pagina 436
van dit Tijdschrift).

Gezien het feit dat er meerdere dierenartsen bezig zijn hun
eigen acties te ondernemen, zou het handig kunnen zijn als
de KNMvD vlot een inventarisatie doet naar de standpunten
onder haar leden en daarvan weer iedereen op de hoogte
brengt, met een voorstel voor een eventueel gezamenljk
standpunt.

In een ingezonden briefin het Tijdschrift heb ik mijn mening
to\'s, landbouwhuisdierenpractici aanwezig (ook de bekende
bodywarmers en praktijkgsm\'tjes waren weer te zien) die
een dag(deel) vrij genomen hadden om vervolgens weer de
crisis tijdens de hoognodige spoedgevallen met hun veehou-
ders te delen, de VJD werden waarschijnlijk vooral bezocht
door practici uit de gezelschapsdierensector die daar een
weekend voor vrij maakten, veel van hen kwamen, uit prakti-
sche overwegingen, met het openbaar vervoer. Misschien is
het volgens de collega\'s wel een geluk geweest, en dat is dan
terecht, dat de bijeenkomst in Den Haag niet net zo een op-
komst kende als de Voorjaarsdagen.

Ik wil nogmaals benadrukken dat ik niet vind dat de collega\'s
die meegedaan hebben aan de bijeenkomst in Den Haag een
onverantwoord risico hebben genomen. Iedereen zal zijn of
haar verantwoordelijkheden hebben gekend en bijvoorbeeld
de praktijkkleding en -schoenen (en praktijkauto?) thuis
hebben gelaten. Ook kan ik me wel voorstellen dat er men-
sen zijn die zich afvragen of het gezien de situatie verant-
woord is geweest de Voorjaarsdagen door te laten gaan. De
combinatie, naar Den Haag gaan en kritiek hebben op het
doorgaan van de VJD (en zulke vragen aan de organisatie
stellen!), komt mij echter wat vreemd over. Er is dan naar
mijn mening geen duidelijke grens getrokken welk (relatief)
risico men nog aanvaardbaar vindt, of er zijn niet genoemde
en mij niet bekende argumenten om aan te nemen dat het ri-
sico van de verspreiding van het MKZ-virus via de VJD gro-
ter is dan via de bijeenkomst in Den Haag. Dit risico lijkt mij
op voorhand zeker niet groter.

Mijn mening is dat, onder andere gezien het feit dat de
meeste van ons de nodige (hygiëne)voorzorgsmaatregelcn in
acht nemen, in beide gevallen het risico van virusversprei-
ding praktisch niet van betekenis is, maar (en waar hoorden
we dat nog meer?) theoretisch ook niet is uit te sluiten!?

Bart van der Kolk is dierenarts te Westerbork.

weergegeven. Daar wil ik graag de volgende teksten aan toe-
voegen: Het moet me van het hart dat sommige passages uit
de voordracht van Rens van Dobbenburgh op de Voorjaars-
dagen me me doen schamen voor mijn beroep; we hebben als
gezelschapsdierenartsen namelijk dezelfde overall titel als
landbouwhuisdierenpractici, namelijk gewoon dierenarts.
Wat schrijft Rens:

\'De koers kan niet in Den Haag worden gewijzigd; ik hoef u
niet uit te leggen dat hiermee ook een groot aantal landbouw-
huisdierpraktijken zou omvallen.\' En: \'Als de samenleving
het ons toestaat dan kan de landbouwhuisdierenarts weer
meer de rol innemen van de ambassadeur van het dier.\' Met
andere woorden: Als we er geld mee verdienen gaan we ge-
woon door met onze praktijken, ook als heel Nederland en
wij zelf nog het meest vinden dat deze ethisch onverantwoord
zijn. Wij nemen zelf geen verantwoordelijkheid voor onze
werkzaamheden; wij zijn slechts de dieners van onze porte-
monnee. Topcriminelen verdienen ook hun geld met wat ze
doen. Toch is dat geen reden om ze hun gang te laten gaan.

-ocr page 561-

Goed geregeld!

Congressen &. Symposia

juni

17 Congres Gedrag in Beeld. Meer informa-
tie: Marian Geytenbeek;. e-mail: mariange-
ytenbeek@hetnet.nl. tel.: 0342-462504.

juli

4—7 X International Symposium of
Veterinary Laboratory Diagnosticians and
OIE Seminor on Biotechnology,
Salsomaggiore - Parma, Italy. Informa
tion: Organising Secretariat, New Team
Via C. Ghiretti. 2. 43100 Parma (Italy)
tel.: 4-39-0521-293913. fax: -1-39-0521
294036, e-mail: newteam.parmaCaiol.it

6 Dentistry, Oral and Maxillo-Facial
Surgery Forum of the European Veterinary
Dentistry College. Forum Niederberg
Velbert. iVelbert. Germany Info: ECVS
OfTice. University of Zurich, Winter-
thurerstrasse 260. CH-8057 Zürich.
Switzerland, tel.: -F41-1-6358408 or 1-
3130383, fax: 41-1-3130384. e-mail:
mgaovet&vetchir.unizh.ch

6-8 10« Annual Scientific Meeting ofthe
European College ofVeterinary Surgeons.
Forum Niedcrberg Velbert, Germany

7 en 8 1 Surgical Foruin of the European

College of Veterinary Surgeons, Forum
Niederberg Velbert, Germany.

Augustus

08—11 Samen met het jaarlijkse WSAVA
congres: World Veterinary Dental
Congress: Vancouver, Canada (Inl. www.
venuewest.eom/wsava2001)

29—31 Internationaal symposium "Com-
parative Clinical and Molecular Endo-
crinology", Utrecht/Zeist. Informatie: Mw.
Linda B. van Ouwerkerk, HA Genees-
kunde van Gezelschapsdieren, Yaielaan 8.
Postbus 80.154. 3508 TD Utrecht, tel. 030-
2531693. fax: 030-2518126. e-mail: L.B.
vanOuwerkerk(a(vet.uu.nl.
www.vet.uu.nl/english/congress/CCME.

Uiterste inleverdata voor kopij

Aßevering:

Deadline-)

15-07/01-08-2001 maandag 09-07-2001

15-08-2001

maandag 30-07-2001

01-09-2001

maandag 13-08-2001

15-09-2001

maandag 27-08-2001

*) Voor 10.00 uur\'s morgens.

September

1 Symposium \'Kijken, luisteren en voelen. De
zintuiglijke waarneming in de diagnostiek
bij gezelschapsdieren\'. Androclusgebouw.
Yaielaan 1, Utrecht. Informatie: Mw. Linda
B. van Ouwerkerk, HA Geneeskunde van
Gezelschapsdieren. Yaielaan 8, 80.154,
3508 TD Utrecht. Tel. 030-2531693. fax
030-2518126. e-mail L.B. vanOuwerkerk-

Maliesingel 54
3581 BJ Utrecht
Tel. (030) 244 87 74
Fax (030) 241 66 53
E-mail; info@dixenco.nl
www.dixenco.nl

Voor financieel advies bij:

• Praktijkoverdracht

• Assistentie

• Associatie

• Praktijkfinanciering

• Pensioenen

• Woningfinanciering

• Verzekeringen

Dix €o

(^vet.uu.nl, www.vet.uu.nl/congres/KLV
13 15 9*\'^ International Conference on
Human-Animal Interactions. Rio de Janeiro.
"People and Animals: a global perspective
for the 21®\' Century". Conference
Secretariat: AFIRAC, 32. rue de Trevise.
75009 Paris, France, tel.: -1-33-1-56031200,
fax: -^33-1-56031360. e-mail: rio2001@i-
et-e.fr, internet: www.iahaio.org of
www.afirac.org.
24—25 15*\'^ forum for applied biotech-
nolgy. Gent, Belgium. Administrative
Centre FAB, p/a GOM - West-Vlaanderen,
Baron Ruzettelaan 33, B-8310 Asse-
broek/Brugge (Belgium). Tel.: 32-(0)9-
2645937. fax: 32-(0)9-2646220. e-mail:
fab2001 (gbiomath.rug.ac.be,
tp://biomath.rug.ac.be/fab 2001/
27—29 1Annual Congress in Veterinary
Dermatology of the European Society of
Veterinary Dermatology, Copenhagen,
Denmark. Further information: F. Kris-
tensen, Dept. of Clinical Studies, Royal
Veterinary and Agricultural University,
Dyrlägvej 16. 1870 Frederiksberg, Den-
mark. Fax: 45-35282929, e-mail:
flc@kvl.dk. www.congress-vetderm.com

-ocr page 562-

Vergaderingen & Bijeenkomsten

Ledenvergadering Groep Geneeskunde
van het Varken. Jaarbeurs Utrecht.
AUV fietsdag.

Ledenvergadering Werkgroep Geneeskun-
de Vleeskalveren. Restaurant \'Den
Tol\'.Rijksstraatweg 80 in Meteren
(Betuwe), tel.: 0345-569327. Aanvang
14.00 uur. Informatie: A.G.G. Kok, tel.:
0318-631431.

Tweede Manifestatie ICT voor Dierenart-
sen, gebouw Faculteit Natuur en Techniek
te Utrecht, 11-17 uur.

Bijeenkomst Groep Geneeskunde van het
Rund. Onderwerp: MKZ.
Voordrachtendag Werkcommissie Gezel-
schapsdieren KNMvD Afdelingen
Zeeland Noord-Brabant en Limburg.
Zalencomplex \'Poort van Limburg",
Bassin 5 te Weert. Kosten: ƒ 25,- (leden af-
delingen), ƒ 50,- (niet-leden). Aanmelden
vóór 23 juni a.s. bij N. Venselaar, tel.: 046-
4741141 of bij W. Oosse, tel.: 0475-
593928.

26

30

Cursussen

Juni

16 PAO-D-cursus Röntgen Thorax (01/120-
gezelschapsdieren).

18—29 Workshop Moleculaire Biologie en
Recombinant-DNA Technologie. Inlich-
tingen: dr. J.A Lenstra, FdD, Postbus
80165, 3508 TD Utrecht, tel.: 030-
2534992, fax: 030-2540784, e-mail:
Lenstra^vet.uu.nl.

19 PAO-D-cursus Koemanagcment (01/212).

20 PAO-D-cursus Maagdarmtherapeutica
(01/133-gezelschapsdieren).

Juni

19

20
21

23

Sedert 1988 voert het Dutch Committee for Afghanistan (DCA-VET) veteri-
naire projecten uit in Afghanistan, Aanvanl<elijl< waren deze activiteiten ge-
concentreerd in het buurland Pakistan, vanwege de onmogelijkheid voor
expatriates om in Afghanistan zelf te werken. De laatste jaren zijn de pro-
jecten overgeplaatst naar Afghanistan zelf, veelal onder lokale supervisie.
De belangrijkste activiteiten zijn het opleiden van paraveterinairen en de
technische ondersteuning en begeleiding na de opleiding. Samen met an-
dere organisaties werkt DCA-VET aan het herstel van veterinaire basis-
voorzieningen in het gehele land.

De Stichting DCA-VET zoekt per juni 2001 een

Programme Manager /
ChiefTechnical Advisor

die in staat is het geheel van projecten te superviseren. Een veterinaire
achtergrond van belangstellende kandidaten is gewenst doch niet noodza-
kelijk. Belangrijker wordt geacht dat kandidaten over goede managerskwa-
liteiten beschikken. Internationale ervaring is hierbij een voordeel maar
niet van doorslaggevende aard.

Geboden wordt een contract op jaarbasis, waarbij verlenging voor tenmin-
ste een tweede jaar mogelijk is. Salaris is overeenkomstig de bij de
Nederlandse overheid gebruikelijke inschaling, terwijl secundaire arbeids-
voorwaarden op een gemiddeld niveau liggen.

De omstandigheden in het land laten uitzending van vrouwelijke kandida-
ten momenteel niet toe.

Nader informatie is te verkrijgen bij: dr Bram Schreuder, Lelystad, telefoon:
(0320) 238385/248636 (e-mail:b.e.c.schreuder@id.wag-urnl; drs. Gerrit
Wassink, Wierden, telefoon/fax: (0546) 573382 e-mail: wasnot@worldonline.nl

Dierenartsenpraktijk Noord-west Friesland te Franeker is een gemengde praktijk met een nieuw praktijkcentrum. Wij zoeken een

vijfde collega (m/v, fulltime/parttime)

met differentiatie gezelschapsdieren en bij voorkeur enige praktijkervaring. Salariëring en arbeidsvoorwaarden vol-
gens KNMvD-normen. Reacties gaarne binnen 14 dagen aan: j,C, Hettinga, de Kamp 12, 8851 CN, Tzummarum, tele-
foon (0518) 481356, fax (0518) 481597.

Dierenartsenpraktijk \'De Vrijheid\' vraagt op korte termijn voor gemengde praktijk (voornamelijk rundvee en kleine
huisdieren) twee nieuwe collega\'s (m/v):

Dierenarts; differentiatie landbouwhuisdieren met ervaring (fulltime)

Dierenarts; differentiatie gezelschapsdieren met ervaring
(betreft aanvankelijk 3/4 functie).

Voor beide functies geldt dat een langdurige samenwerking wordt nagestreefd en associatie tot de mogelijkheden kan be-
horen, Reacties kunt u sturen naar: Dierenartsenpraktijk De Vrijheid, Vrijheidsstraat 17,8081 XD Elburg, Fax (0525) 685182,

-ocr page 563-

De divisie Rundvee, Schapen en Paarden: Dier en Productieketen doet geïntegreerd onderzoek gericht op dier, houderij-
systeem en productiekolom voor de sectoren (biologische) melkveehouderij, vleesveehouderij, schapenhouderij en
paardenhouderij en ontvKikkelt en vermarkt kennisproducten.
Voor het expertiseveld
gezondheid, welzijn en huisvesting zoeken wij een

Projectmanager (m/v)

Functie-inhoud: u initieert en stimuleert vernieuwend onderzoek op een multidisciplinair onderzoeksgebied en zet nieuwe
onderzoekslijnen uit. U levert bijdragen aan de onderzoeksvisie van de organisatie. U bent manager van projectteams
en daarmee zowel verantwoordelijk voor de tijdige oplevering en de kwaliteit van de outputs, als voor de personele en
materiële inputs. U verwerft onderzoeksopdrachten en bouvrt aan een uitgebreid relatienetwerk. U draagt de visie en het
beleid op het onderzoeksterrein uit, evenals de onderzoeksresultaten. Op grond van uw deskundigheid levert u een
inhoudelijke inbreng in multidisciplinaire (inter)nationale werk- en projectgroepen.

Wij zoeken: een innovatieve, creatieve en resultaatgerichte collega met een strategische visie, een gedegen kennis van
het expertiseveld en een goed ontwikkeld relatienetwerk. U hebt een academische opleiding, met een specialisatie op
het terrein van diergezondheid en/of welzijn, en ruime onderzoekservaring in het expertiseveld. U kijkt over de grenzen
van uw vakgebied heen en u kunt verschillende vakgebieden goed in bedrijfsverband plaatsen. U hebt ervaring met het
uitdragen van onderzoeksresultaten naar wetenschap, beleid en praktijk. Markt- en klantgericht werken is voor u een
uitdaging.

Wij bieden: de mogelijkheid om uw deskundigheid op het gebied van onderzoek en projectmanagement toe te passen in
een uitdagende onderzoeksomgeving op het raakvlak van praktijk en theorie. Een werkplek binnen een enthousiast team.
Mogelijkheden om uw kennis en vaardigheden verder te ontwikkelen.

Salaris: maximaal ƒ 9.411,- bruto per maand (schaal 12) exclusief 8% vakantietoeslag.

Standplaats: Lelystad.

Soilicitaties: kunt u binnen 14 dagen, onder vermelding van vac.nr. 01/PM DP, richten aan de heer ir. G.N. Kok,
algemeen directeur, t.a.v. mevrouw D.M. Tromp, Postbus 2176, 8203 AD Lelystad. E-mail d.m.tromp@pv.agro.nl

Inlichtingen: voor nadere informatie kunt u contact opnemen met de heer dr. ir. A. Meljering, divisiehoofd, telefoon
0320 - 29 34 40 of mevrouw D.M. Tromp, personeelsfunctionaris, telefoon 0320 - 29 33 04, b.g.g. 29 33 03.

Praktijkonderzoek Veehouderij
initieert en stimuleert door
onderzoek en kennisoverdracht
ontwikkelingen voor een
internationaal concurrerende en
maatschappelijk gewenste
veehouderij

Praktijkonderzoek Veehouderij

Postbus 2176

8203 AD Lelystad

Tel. 0320 - 293 211

Fax 0320 - 241 584

E-mail lnfo@pv.agro.nl

Internet www.pv.wageningen-ur.nl

Dierenartsen

I liburg - DieL;sei.

Croepspraktijk Dierenart-
sen Tilburg-Diessen, een
dierenartsenpraktijk met i8
dierenartsen en i6 mede-
werkers, zoekt voor de sec-
tie gezelschapsdieren waar-
in zes dierenartsen werk-
zaam zijn een

Fulltime dierenarts
gezelschapsdieren (m/v)

Gevraagd wordt

► Ruime ervaring in de gezelschapsdieren

► Bereidheid om de afdeling gezelschapsdieren van onze
praktijk mee te dragen en te ontwikkelen

► Goede contactuele, sociale en commerciele vaardigheden

► Goed in teamverband kunnen werken

► Bereid om deel te nemen aan de avond en weekenddien-
sten voor de gezelschapsdieren

De Croepspraktijk Dierenartsen is een goed geoutilleerde,
moderne praktijk. Bouwend aan de praktijk streven wij er-
naar onze visie op de toekomst van de diergeneeskunde te
realiseren. Wij bieden u een enthousiast team van collega\'s
en staf, goede toekomstmogelijkheden en een passend sa-
laris.

U kunt uw sollicitatie binnen 14 dagen richten aan:
Croepspraktijk Dierenartsen Tilburg- Diessen, Beekseweg
11a 5087 KA Diessen, ter attentie van drs J. Berger. Voor tele-
fonische inlichtingen: (013) 5042402, drs. J Berger

BEL VOOR MEER INFORMATIE (030) 247 44 58

Postbus 8153,3503 RD Utrecht
Internet www.waa.nl

M.n. interessant voor dierenartsen

ARBEIDS-
ONGESCHIKTHEIDS-
VERZEKERING

de VVAA?

Voor volledige begeleiding bij
luw praktijkovername

met gegarandeerde Dremie restitutie

www.premieterug.nl
Tel. 035 - 5262894 • Crombeecke Assurantiën

-ocr page 564-

YOU SUCK BLOOD. YOU LAY EGGS.

YOU DIE. THE EGGS HATCH.

YOU\'RE BORN. YOU SUCK BLOOD

YOU LAY EGGS. YOU OIE.

THE EGGS HATCH,

YOU\'RE BORN. YOU SUCK BLOOOl

YOU\'RE COVERED IN

YOU LAY EGGS. YOU DIE

THE EGGS ARE DEAD. THE END

Het wordt steeds gevaarlijker om een vlo te zijn! Cyclio® sterili-

Cvcuo

vlooienbestrijder van de
nieuwe generatie

Cyclio spot-on kat REG NL 09752; Cyclio spot-on voor Ideine lionden REG NL 09755; Cyclio spot-on voor middelgrote honden REG NL 09753; Cyclio 2% spot-on voor
grote honden REG NL 09754.
Werkzame stof: Pyriproxyfen. Kanalisatie: U.D.A.. Voor meer informatie: Virbac Nederland BV Postbus 313, 3770 AH Barneveld.

-ocr page 565-

DE TROEVEIM
VAIM COBACTAN\'

HBO-opleiding
ACUPUNCTUUR

De Nederlandse Artsen Acupunctuur Stichting
(N.A.A.S.) organiseert wederom haar succesvolle
Acupunctuuropleiding voor artsen, tandartsen,
dierenartsen, medische doctorandi, fysiotherapeuten,
mensendiek(st)ers en cesaristen.

De opleiding begint op 6 oktober 2001 en vindt plaats
op zaterdagen en zondagen in het Van der Valk Hotel te
Eindhoven.

Docenten zijn Drs. J.P.V.M. de Jong, kinderarts
en arts natuurgeneeswijzen en M.S.A. Bloemhof,
fysiotherapeut.

Voor informatie en toezending van de brochure
dienen belangstellenden te schrijven naar:
Administratie cursus N.A.A.S., Postbus 177,
1200 AD Hilversum of bellen met (035) 6834456
(na 19.00 uur).

Zorgverzekeraars accepteren het C-diploma van
de N.A.A.S. bij vergoedingen van acupunctuur-
behandelingen.

TMS

Uitstekende
prestatie
door iioge
concentratie

Melk:

Cefquinome concentraties
boven de MIC waarden
van mastitispathogenen tot
4 melkmalen na behandeling

Uierweefsel:

Cefquinome concentraties
boven de MIC-waarden
van mastitispathogenen
gedurende 6 melkmalen
na behandeling

Resultaat:

goede klinische en

bacteriologische genezing.

Cobactan LC. Diergeneesmiddel UDA. Reg.NL 9468.
Bevat 75 mg Cefquinome per injector. Ter behandeling
van klinische mastitis. Ccntraindicatie; allergie.
Wachttijd: vlees 4 dagen, melk 5 dagen.

• Wondbehandeling

• Nabehandeling van
operatieve wonden

Voor runderen, schapen,
paarden, honden en katten.

ACE Veterinary Products BV - Postbus 1262 - 3890 BB Zeewolde

jr Mycofarm ma

OOG VOOR DE PRAKTIJK

-ocr page 566-

Nobivac

neemt nu ook
kennelhoest bij de neus

vl (

Mycofarm heeft haar pakket
uitgebreid met een vaccin tegen kennelhoest:

Nobivac® KC

®

Bevat Bordetella bronchiseptica en
canine parainfluenza
Slechts 0,4 ml
Eén neusgat

Binnen 3 dagen immuniteit

Nobivac* KC neusenting. Diergeneesmiddel UDD. Voor de actieve immunisatie
van honden tegen Bordetella bronchiseptica cn cantne parainfluenza virus.
Bijwerkingen: lichte oog- en neusuitvloeiing. Contra-indicaties: geen.
I mm unite itsd uur: 3 maanden. Zie voor volledige informatie de bijsluiter. REG NL 09761.
Mycofarm Nederland B.V., Postbus 8, 3730 AA De Bilt

\'^mm

-ocr page 567-

EUKANUBA VETERINARY DIETS

Even betrokken bij het welzijn van dieren als u,

Eukanuba Intestinal Formula is ideaal voor het
onder controle houden van verschillende darmstoornissen,
van acuut tot chronisch en van licht tot ernstig. Deze complete en
uitgebalanceerde dieetvoeding herstelt de bacteriële balans met behulp van een speciaal
samengesteld vezelcomplex, bestaande uit FOS, MOS en bietenpulp. Intestinal Formula is verkrijgbaar
voor katten, honden en puppv\'s. In feite zorgt Eukanuba Veterinary Diets Intestinal Formula

voor de hele hond. Net als u. ^

Een dieet dat hem gedurende zijn hele leven gezond houdt. A

^ / ^

-ocr page 568-

Scalibor

ProtectorBand

De doodsteek
voor teken!

Scalibor® protectorband.

Deltamethrin 4%. Diergeneesmiddel Vrij. Scalibor halsband van 48 resp. 65 cm is geregistreerd ter bestrijding van en ter voorkoming van
herbesmetting met teken en vlooien bij honden. Mag ook gebruikt w/orden bij drachtige en lacterende teven. De werkingsduur tegen teken
bedraagt 5 tot 6 maanden. De werkingsduur tegen herbesmetting door vlooien bedraagt 3 maanden. Contra-indicaties: honden met grote
huidletsels, zieke en herstellende dieren en pups jonger dan 7 weken. Bijwerking: haaruitval nabij de band kan plaatsvinden. Reg. NL 09471.

Scalibor protectorband beschermt

-- -r

m

ï« "-i\'-^yï

m

P:

"f i

..■.■-^(•II\'

, -^-ifr-\'.:..

J

• vV-\'.

IrÉ

Mycofarm Nederland BV, Postbus 8, 3730 AA De Bilt

^Mycofarm