Misc. doctr.
Q
Qu.
quot; CÀTBÉÇM^
-ocr page 3-if-
Ï
Ç. c f^^
-ocr page 4-M Û. /
/c?
—7~
-^^-
M
-
rcEBOï
: Cirï
-ocr page 5- -ocr page 6-/
i
ïteEBOS
Ih.w;
V cirf ..
-ocr page 7-t \' ■
i \' \'
I
1
ACADEMISCH PE0EF80HRIFT.
-ocr page 8-t
rijksuniversiteit utrecht
-ocr page 9-De Wissels im Artikel 101, Wetl). v. Kh.
NA MAGÏIG-IS-G VAN DEN EDCTOR MACOTIFICUS,
GEWOON HOOGLEERÄ.VK IN DE KEGTSGBLEEKDE PACULTEH ,
MET TOESTEMMING VAN DEN ACADEMISCHEN SENAAT
EN
VOLGENS BESLUIT VAN DE REGTSGELEERDE FACULTEIT,
TEE VEEKEIJGING VAN DEN GEAAD
VAN
Doctor in lief RomeiBsé en Hedendaagscli Eegt,
AAN DE HOOaiSCHOOL TB UTBBCHT,
DOOK
GEBOREN TE MIDDELBURG,
TB VEEDEDIGEN
op Vrijdag den December 1865, des namiddags ten 2 ure.
-ocr page 10-/ :
f
fr\';
m-\'V li
-- f ^
[ïiiyui
iïi\'\';- ^ \'til\';
ml ..,,
-ocr page 11-AAN DEN HEER
OHl^ISTI^^N HISSEÏl,
MIJN\' HOOGGESCHATTEK VOOGD EN RAADSMAN.
-ocr page 12- -ocr page 13-Biz.
Inleiding.................^
Wissel aan de order van den trekker ....... 9
Wissel op zekeren persoon, en betaalbaar aan de woonplaats
OK
van eenen derde .............
Wissel voor rekening van eenen derde.......52
-ocr page 14- -ocr page 15-Gelijker wijs de koophandel de zenuw van
oas land is, even zoo is de wissel de zenuw
van den koophandei.
j. PHOONSEN, Wisselstijl tot Amsterdam.
Der Wechsel ist und bleibt eine der interes-
santesten Aufgaben der modernea Eechtswis-
senschaft,
j, c. KüNTZE, Deutsohes Weehselrecht.
Men is het nog verre van eens over den tijd,
waarop de wissel ontstaan is. Sommigen be-
weren dat hij reeds aan de Romeinen en Grieken
bekend was, maar door verschillende schrijvers
is de onjuistheid dezer bewering duidelijk aan-
1)nbsp;Huber, Praelectiones ad Pandectas lib. 17 Tit. 1 Man-
dat! vel contra § 12; Heineccius, Elementa juris Cambialis.
2)nbsp;Mr. A. J, Zubli, Het Nederlandsche Wisselregt blz. 3.
Gr. F. von Martens, Versuch einer histoinschen Entwickelung
des Wahren Ursprungs des Wechselrechts, blz. 4.
-ocr page 16-getoond; de Romeinen hebben wel eene soort
van geld wisseling gekend, maar volstrekt niet
de formele wissels van den tegenwoordigen tijd.
Anderen gaan nog verder en meenen dat men
reeds ten tijde van Alexander den Groote en
diens togt naar Indië in het jaar 334 vóór
Christus van wissels gebruik heeft gemaakt
Weer anderen daarentegen beweren dat de wis-
sel uitgevonden is door de Joden , die uit
Frankrijk, of door Italianen die uit hun va-
derland verdreven, zich daarvan het eerst be-
diend zouden hebben.
Wij behoeven die verschillende meeningen niet
meer te weerleggen. Het is thans zeker dat de
wissel zich in de middeleeuwen, geheel zelfstan-
dig, uit de behoeften van den handel ontwikkeld
heeft. Toen toch werd deze, die tot dusverre
uitsluitend het eigendom van eenige aan de Mid-
dellandsche zee gelegen plaatsen geweest was,
allengs over geheel Europa verspreid en kwamen
de verschillende volken meer en meer met elkan-
1)nbsp;Dr. G. M, Kletke, Encyclopädie des gesammten Europäi-
schen Wechselrechts, blz, 4.
2)nbsp;Montesquieu, Esprit des lois chap. 21 § 20.
3)nbsp;Dr. Kletke, t. a. p, bk. 8.
-ocr page 17-der in aanraking. Er ontstond een internationaal
verkeer, dat echter aanvankelijk nog belemmerd
werd door de onveiligheid der wegen en de ve-
lerlei afpersingen waaraan de kooplieden in
verschillende landen blootstonden. Om zich daar-
tegen te waarborgen begon men jaarmarkten
te houden, waar de kooplieden zich onder vrij-
geleide der vorsten verzamelden om zaken te
doen. Op die markten ontwikkelde zich de wis-
selhandel ; de vier laatste dagen van iedere markt
waren uitsluitend voor de banchi of wisselaars,
om alle zaken, den wisselhandel betreffende, te
regelen.
Volgens Prof. Holtius zijn de oudste wissels
van de jaren 1381 en 1395, hoewel anderen
beweren dat de wissel reeds in de 13*^® eeuw in
gebruik moet zijn geweest, daar Avignon reeds
een gedrukt statuut heeft van het jaar 1243,
1)nbsp;von Martens, t. a. p. blz. 43 vg.
2)nbsp;De oudste jaarmarkt schijnt die van Champagne ge-
weest te zijn, in het begin der 14e eeuw. Yoor ons vaderland
was een der voornaamste jaarmarkten die van Bergen op
Zoom.
3)nbsp;Wisselregt in de 14e eeuw, volgens de Consilia van
Baldus. Bijdrage tot de geschiedenis der regtsgeleerde dog-
matiek door Mr. A. C. Holtius.
waarin eene § de litteris camhii voorkomt. Vol-
gens sommigen zou men zich zelfs reeds in 1171
in Venetië van wissels bediend hebben
Zooveel is in elk geval zeker, dat de wissel
van Italiaanschen oorsprong is en dat het overal
Italianen waren, die zich vooral met den wis-
selhandel afgaven. Zoo vindt men gewag gemaakt
van de Frescobaldi, de Bardi, de Peruzzini, de
Scali, de Acciajoli, de Ammanati en anderen,
die in de verschillende hoofdplaatsen van Europa
hunne kantoren hadden
Op de jaarmarkten werden de wisselcontrac-
ten meestal ten overstaan van openbare autori-
teiten aangegaan, en soubs scel de foire (sous
sceau de foire) gesloten Reeds in 1331 werd
den Italianen toegestaan daartoe hunne eigene
tCibelliones te gebruiken, indien zij onder elkan-
der zaken deden.
Aanvankelijk trok men wissels van de eene
marktplaats op de andere, maar toen de handel
1)nbsp;Dr. Kletke t. a, p. blz. 8.
2)nbsp;von Martens t, a. p. blz. 25.
3)nbsp;Deze contracten sous sceau de foire hadden dit voor
dat men pour le recouvrement des dettes door een zoogenaamd
Mandement de foire arrest op den persoon kon leggen.
zich begon uit te breiden ^ beperkte de wissel
iiich daartoe niet langer en ontstond er behoefte
aan vaste regels en wetten op den wisselhan-
del. Natuurlijk vormden die wetten in den be-
ginne nog geen systematisch wisselregt, en waren
het slechts enkele bepaalde punten, die door
haar geregeld werden. De eerste sporen van
een volledig wisselregt vindt men in de 15^®
eeuw. Uit dien tijd hebben wij de „statuta civi-
lia civitatis Bononiaé\' van 1454, waarvan de
Rubr. XLIII den wissel betreft. l3aldus zegt in
zijne consilia dat die Rubr. reeds in het oudere
statuut van Bologna voorkwam, hoe wel Martens
aan de juistheid dezer bewering twijfelt. Boven-
dien kennen wij uit dien tijd ook de wisselwet
van Bergamo van het jaar 1457.
Van onze oud-vaderlandsche wisselwetten ver-
dienen vermeld te worden de „willekeuren der
„Stadt Amsterdam betreffende de wisselenquot; van
1601 en het „Plakaat van de Staaten van Hol-
„landt en West-Vrieslandt op de buitenlandsche
1)nbsp;von Martens, Aanhangsel blz. 20.
2)nbsp;J. M. V. Zimmerl, Yollständige Sammlung der wechsel-
gesetze aller Länder und Handelsplätze in Europa, I deel
le afd. blz. 26.
„wisselbrieven, de dato 27 April 1719quot; Ook
Rotterdam en Middelburg hadden hare eigene
wisselwetten. Evenmin als op eenig ander deel
van het handelsregt , bestond er ook op het wis-
selregt, in de onderscheidene deelen van ons
vaderland, eenheid van wetgeving. Zooals be-
kend is, was het Lodewijk Napoleon die de eerste
poging deed tot codificatie van het handelsregt,
In het ontwerp van 1809 was ook het wisselregt
geregeld, maar dit ontwerp is niet tot wet ver-
heven, Eene eigenlijke wisselwet hebben wij dus
niet gehad vóór 1811, toen de Fransche Code de
Commerce hier te lande werd ingevoerd. Deze
bleef van kracht tot op den October 1838,
toen ons tegenwoordig Wetboek van Koophan-
del in werking kwam.
Volgens art. 100 van ons Wetboek van Koop-
handel, is een wissel „een geschrift, uit eene
1)nbsp;Vervolg op den wisselstijl tot Amsterdam van J. Phoon-
sen blz. 2i5.
2)nbsp;„Keure en ordonnantie der stadt Rotterdam, op \'t stuk
„van de wisselbank mitsgaders het wisselrechtquot; van het jaar
4635. cf. V. Zimmerl III blz. 6.
3)nbsp;„Ordonnantie op het stuk van wissel en betaling van
„koopmanschappen, zonder uitdrukking van tijd verkochtquot; van
het jaar 1660. cf. v. Zimmerl II 2e afd. blz. 43.
„plaats gedagteekend, waarbij de onderteekenaar
„iemand last geeft, om eene daarin uitgedrukte
„geldsom, in eene andere plaats, op of na zigt
„of op eenen bepaalden tijd, aan eenen aange-
„ wezen persoon of aan deszelfs order te betalen
„met erkenning van ontvangene waarde of van
„waarde in rekeningquot;. Dit artikel behelst ech-
ter geene definitie, maar alleen eene opsomming
van de vereischten van den wissel, even als
art. 110 van den Franschen Code de Commerce,
die aan ons Wetboek van Koophandel ten grond-
slag heeft gestrekt. Maar Bovendien is ons ar-
tikel ook in andere opzigten niet juist. Het
blijkt namelijk dat onze wetgever, op het voor-
beeld van den Code uitgaat van een wissel-
contract en wel van eene lastgeving van den
trekker aan den betrokkene, waaruit hij het
wezen des wissels zoekt te verklaren. Die theorie
is, vooral in de laatste jaren, gebleken onhoudbaar
te zijn. Vele schrijvers, vooral de Duitschers, heb-
ben daarom nieuwe theoriën ontworpen. De meest
4) De Fransche Code volgt de theorie van Pothier, Cff.
Oeuvres de Pothier. Traité du contrat de change.
2) Geschiedenis en beginselen der Nederlandsche wetboeken
door Mr. J. C, Voorduin VIII deel blz. 484.
algemeen aangenomene is die van Liebe die
in den wissel eene moderne littemrum obligatio
ziet, vooral Merin van de Romeinsche afwijken-
de, dat zij eenzijdig is. Wanneer wij, van dit
beginsel uitgaande, eene bepaling van den wis-
sel willen geven, kunnen wij dien niet anders
omschrijven dan als: „eene eenzijdige betalings-
„belofte van den trekker, dat eene zekere, in
„den wissel uitgedrukte som gelds, op een\' ze-
„keren tijd, aan een\' bepaalden persoon of order
„zal worden betaaldquot;.
1)nbsp;Entwurf einer Wechselordnung für Braunschweig. 1843.
Die allgemeine Deutsche Wechselordnung mit Einleitung
und Erläuterungen.
2)nbsp;Hetzelfde gevoelen verdedigt ook Prof. Holtius in zijne
voorlezingen over handels- en zeeregt, uitgegeven door Prof.
B. J. L, de Geer van Jutphaas I bl. 248.
Wisser aan de order yan den trekker.
Nadat wij gezien hebben wat een wissel is,
gaan wij over tot het beschouwen van de bij-
zondere soorten van wissels, door onze wet in
art. lol W. V. K. genoemd.
Daar vinden wij in de eerste plaats vermeld:
„den wissel aan de order van den trekker.quot;
Het verschil tusschen dezen en den gewonen
wissel is eenvoudig dit, dat in den laatsten
voorkomt een derde, door den trekker aange-
wezen persoon, die nemer is. Dit is in den
hier bedoelden wissel het geval niet; hier is de
trekker zelf nemer. De trekker vereenigt dus
in zich twee hoedanigheden, die van trekker en
die van nemer, terwijl hij zich het regt voorbe
houdt om den wissel aan een änderte endosseren.
De vorm van dezen wissel is de volgende:
Zes maanden na dato (of anders) gelieve UEd,
te betalen aan de order van mijzelven de somma
van ƒ 1000. Waarde in mijzelven.
Utrecht, den enz.nbsp;A.
Den Heere N. N. te Amsterdam.
Men bedient zich niet zelden van zulke wissels.
omdat zij van groot gemak in den handel zijn.
Stel er is een koopman , die op de eene of andere
markt komt om daar zaken te doen. Natuurlijk
weet hij niet van te voren met wien hij han-
delen zal. Daarom trekt hij vooraf een\' wissel
aan eigen order, geeft dien aan dengenen met
wien hij afrekenen moet, en zet diens naam,
als eersten geëndosseerden, achter op den wissel.
„Es scheint übrigensquot;, zegt Biener „als ob
„man gleich vom Anfange, wie noch jetzt, diese
„Form benutzt habe, um den Schuldner durch den
1)nbsp;Mr. .1. G. Kist, Het handelspapier, tweede vermeerderde
druk der beginselen van wisselregt. Amsterdam 1860. blz. 47.
2)nbsp;Abhandlungen aus dem Gebiete der Rechtsgeschichte,
blz. 117,
j,Accept zu binden, indess kann es vorkommen
,,dass man ohne solche Absicht, weil man die
Abnehmer noch nicht weiss, sich dieser Form
„bedienet.quot;
Boven is reeds aangetoond, dat de theorie van
het wisselcontract onhoudbaar is, en zal het
wel geen betoog behoeven, dat bij deze soort
van wissels vooral, aan dusdanig contract niet
valt te denken, zoodat de wet, deze wissels
erkennende, daardoor tevens de valschheid van
haar systeem erkent. Er kan hier geene sprake
^\'ijn van eene overeenkomst, daar niemand eene
overeenkomst met zich zelf kan sluiten. Ook de
erkenning van „waarde genotenquot; of „waarde in
ï\'ekeningquot;, die volgens art. 100 een vereischte
IS van den wissel, is hier onmogelijk, want wie
is er die zich zelf moet betalen of met zich zelf
m rekening staat? Men zou dus tot het
besluit moeten komen, dat de hier bedoelde
wissels eigenlijk geene wissels zijn. Maar de,
Woorden der wet laten deze opvatting niet toe.
De wet noemt ze zelve wissels: „Een wisselbrief
kan ooh getrokken worden enz.quot;
i) W. V. K. art. 101.
-ocr page 26-Het kan ons niet verwonderen, dat men, bij
het maken van onze wet zeer goed inzag, dat
art. 100 en art. 101 Wb. v. K. met elkander
in strijd waren. De 6® afdeeling zeide toen
het volgende :
„L\' art. 1 (tegenwoordig 100) contient la dé-
„finition de la lettre de change, d\'après les
„principes généralement admis, qui demandent
„pour la perfection du contrat de change, au
„moyen de la lettre tirée, que trois personnes
„y interviennent, avec remise de place en place.
„Ces conditions sont requises, d\'après la défini-
„tion de 1\' art. 1, pour que les conséquences
„de la lettre de change soient applicables à
„l\'acte que l\'on qualifie ainsi. Mais 1\' art. 2
„(tegenwoordig 101) en admettant qu\'une lettre
„de change peut avoir été tirée à Tordre du
tireur même, détruit la règle établie par la
„définition qui précède immédiatement. Pour
„cette raison, la section est d\'avis, que le pre-
„mier § de l\'art 2 doit être supprimé.quot;
De regering antwoordde dat zij niet in dat
1) Mr. J. C. Vooi\'duin, Gesch. en beg. der Ned. wetboeken
Vin blz. 501,
gevoelen deelde, daar zij meende, dat de wissel
van art. 101a niet volmaakt was, zoolang de-
zelve niet door den trekker zou geëndosseerd
zijn. De heer Beelaerts van Blokland lichtte dit
antwoord later nog nader toe. Uit art. 100
bleek het, zeide hij, dat er drie personen tot
een\' wissel noodig waren, (hoewel er in som-
inige gevallen vier in voorkwamen), dat wel is
waar, in dezen wissel, ,,ten tijde van derzeher
creatiequot; er nog maar twee personen met name
in genoemd worden, maar dat, door de bij-
voeging van „of orderquot; reeds aan een derde
persoon, als houder gedacht wordt. Het was
ook noodiff van deze soort van wisselbrieven te
O
gewagen, omdat er anders ligtelijk zou kunnen
gedacht worden, dat ze door de beschrijving
van art. 100 uitgesloten werden. Dit wilde
men voorkomen.
In dit gevoelen van de regering wordt ook
nu nog, door verschillende Nederlandsche regts-
geleerden, gedeeld, die beweren dat het geschrift
van art. 101a W. v. K. geen wissel is, maar
lt;iat eerst wordt, door het endossement, waarbij
dan datgene wat primitief ontbrak om het ge-
schrift een wissel te doen zijn, wordt aangevuld.
Zoo o. a. Mr. de Pinto : „Bij eene oppervlak-
„kige beschouwing (zegt deze) is het moeijelijk
„te begrijpen hoe een wissel kan getrokken
„worden aan de order vdïi den trekker. 1° is
„de wisselbrief het bewijs van eene geslotene
„overeenkomst; daartoe is noodig de medewer-
„king van twee personen, trekker en nemer,
„2° moet in den wissel voorkomen de erkentenis
„van genotene waarde (art. 100) en die waarde
„kan de trekker zich zeiven niet geven. Maar die
„zwarigheden vervallen, wanneer men slechts
„bedenkt, dat zoodanige wissel eerst deszelfs
„aanwezen verkrijgt door de overdragt van den
„trekker, bij wege van endossement, aan iemand
„die er de waarde voor levert; de erkentenis
„van genotene waarde behoeft dan ook bij de-
„ zelve niet in het corps van de akte zelve ge-
„vonden te worden, maar het is voldoende
„wanneer deze vermelding geschiedt bij het en-
„dossementquot;
Het komt mij voor dat dit gevoelen onjuist
1)nbsp;de Pinto, Handleiding tot het V^etboek van Koophandel
11 § 86.
2)nbsp;Cff. Aanteekeningen op het Wetboek v. Kooph. blz. 56.
-ocr page 29-IS, en wel om de twee volgende redenen:
om de zeer duidelijke woorden van de wet,
^iie zegt: „Een wisselbrief kan ook getrokken
Worden enz.quot;, en 2°. omdat liet endossement eene
quot;^vijze van eigendomsoverdragt van den wissel is.
Een geschrift dat geen wissel is (wanneer het
«amelijk niet onder die enkele geschriften valt,
die geene wisselbrieven zijn en toch voor endos-
sement vatbaar zijn) kan niet geëndosseerd
worden. Het hier bedoelde geschrift moet
dus natuurlijk vóór het endossement reeds een
Wissel geweest zijn, aangezien het onmogelijk is
een niet wissel door eenige wisselhandeling tot
Wissel te maken quot;). Dit gevoelen is o. a. aan-
genomen bij een vonnis van de arr. regtbank
te Amsterdam van 6 Mei 1852, waarbij, in
strijd met eene vroegere beslissing derzelfde
i\'egtbank is beslist „dat art. 101 W. v. K.
Kist t. a. p. blz. 50.
2)nbsp;Wetboek v. Koopliandel door Mrs. Schuller en Waller
art. 101.
3)nbsp;Regtsg. Bijblad 1852 blz. 514.
4\') Vonnis arr. regtbank van Amst. 15 Deo. 1836 (Regt in
I. 8.) Arrest van het hof van N. Holland 7 Oct. 1840
(Weekblad m. 166.) Arrest N. Holland 21 Julij 1849 (Week-
blad n®. 1118).
„den eigen wissel beschouwt als een\' volledigen
„wissel, daar dit, na de algemeene bepaling van
„een wissel in art. 100, laat volgen: een wissel-
„brief kan ook worden getrokken aan de order
„van den trekker; zonder tusschen beide soor-
„ten, wat de gevolgen en regten aangaat, eenig
„onderscheid te maken: dat de regter derhalve
„de wissels aan de order van den trekker gelijk
„moet stellen met die aan de order van derden.quot;
Ook de advocaat-generaal Karseboom heeft zich
in zijne conclusie van den 10quot;^®quot; Julij 1863 met
dit gevoelen vereenigd
Maar welk is het practisch belang der vraag,
of de wissel aan de order van den trekker reeds
dadelijk een wissel is, of dit eerst wordt door
het endossement? Dit belang is hierin gelegen,
dat, wanneer de wissel geaccepteerd is vóórdat
hij geëndosseerd is, de trekker, naar ons gevoe-
len , indien de acceptant later de betaling weigert,
eene wisselactie tegen hem hebben zal, terwijl hij
die, naar het tegenovergestelde gevoelen, niet kan
hebben. Mr. de Pinto ontkent dan natuurlijk
ook dat de trekker in dit geval de wisselactie
i) Aanteekeningen op het W. v. K. blz. 56.
-ocr page 31-heeft, hoewel hij verklaart, dat hij die niet
slechts door een volledig, maar zelfs door een
onvolledig endossement verkrijgen kan.
Phoonsen noemt dezen wissel geconteerden
Wissel, in tegenoverstelling van den gewonen of
9lt;inegotieerden wissel. „De geconteerde wissel is,quot;
zegt hij „wanneer de Trekker en Gever eene en
dezelfde Persoon is ofte representeert.quot;
In 10 van hetzelfde hoofdstuk waarschuwt
hij tegen dezen vorm van wissels, zeggende :
jjMen moet voorzichtig zijn in het negotieren
jjVan wisselbrieven, houdende, aan de ordre
gt;?van den trekker te voldoen, dewijle zoodanige
brie ven veeltijds op kreupels getrokken, en voor
jjhet intrekken geaccepteerd zijn, en den trek-
5jker hem van dezelve bedient, om geld te foi^r-
„neren.quot;
Met den geconteerden wissel verbindt Phoon-
sen nog eene andere soort, namelijk die wissels,
\'^velke hij noemt pro forma „Wanneer yemant
j^een buytenlands Debiteur heeft, die hij betrek-
1)nbsp;Themis 1843 blz. 49 vg.
2)nbsp;Wisselstijl tot Amsterdam, cap. 1. XXXII.
3)nbsp;Cap. XXXVIII 1.
-ocr page 32-„ken wil, zonder de risico van het retourneren
„des Wissels tot zyn schade zich te willen onder-
„werpen, die kan Wisselbrieven maaken proforma,
„te betalen aan de ordre van zyn vriend, of
„dienaar, stellende om de formaliteyt van den
„Wisselbrief, de waarde van dezelve, of van
„yemant anders als Gever, die elFective geen
„Gever is.quot; Voor het uiterlijke is er dus aan
den vorm voldaan, hoewel de nemer somtijds
een geheel gefingeerd persoon is, maar in werke-
lijkheid is het de wissel aan de order van den
trekker, daar er streng genomen geen nemer
aanwezig is. Deze soort van wissels erkent
onze wet niet: zoo er zoodanig een, met ge-
fingeerde of valsche namen, in omloop werd
gebragt zou die ongetwijfeld vallen onder
art. 102 W. v. K.
De Fransche wet kent den wissel aan de
order des trekkers ook: „Elle est ä l\'ordre d\'un
„tiers, OU a l\'ordre du tireur lui-même.quot;
Reeds vóór de ordonnance van 1673 werden
er vele zoodanige wissels getrokken. De ordon-
nance spreekt er echter niet van, en daarom
1) Code de Commerce art. 110.
-ocr page 33-nieent Savary, dat ze niet mogen toegestaan
Worden, „—■ paree que cela, zegt hij, ne s\'est
„jamais fait dans le commerce des lettres de
„change; et si cela a été pratiqué par quelques
„personnes ignorantes avant l\'ordonnance de
„1673, il ne peut plus avoir lieu, parceque l\'or-
„donnance prescrit la forme et la manière que
gt;jles lettres de change doivent être conçues par
„toutes sortes de personnes, afin, d\'ôter à l\'ave-
„îiir toutes contestations sur le sujet des lettres
change.quot; Van een tegenovergesteld gevoelen
is echter Dupuis de la Serra % die zulkè gsschrif-
ten wel degelijk als wissels toe wil laten.
De nieuwere Fransche schrijvers zijn het
allen eens, dat het geschrift geen wissel is voor
en aleer er een endossement op staat, met er-
kenning van waarde „fournie en espèces, en
1)nbsp;Parère 35, I blz. 347.
2)nbsp;Commentaire sur l\'ordonnance de Commerce du mois
Mars 1673 par Jousse, suivi du traité du contrat de
change, par Dupuis de la Serra.
3)nbsp;Bravard Veyrières. Traité de droit commercial p. 39.
Rogron. C. de C. expliqué p. 45.
Pailliet, Manuel de droit civil, commercial et criminel p.
37. 8 (c).
Pardessus , Cours de droit commercial I p. 428.
-ocr page 34-„marchandises, en compte ou de toute autre
„manièrequot;
Zoo zegt o. a. Pothier. „La troisième espèce
„est de celles qui sont pour valeur en soi même.
„Je tire en ces termes une lettre à mon
„ordre sur Pierre, marchand de Lyon, qui me
„doit mille ecus : M. Pierre, vous paierez à
„mon ordre, à telle échéance, la somme de
„1000 ecus, valeur en moi même, que je vous
„passerai en compte; et je la M fais accepter.
„11 est dit valeur en moi même, parceque je n\'en
„ai pas encore reçu la valeur de personne : ensuite
„je donne ici cette lettre acceptée à mon cour-
„tier, pour me chercher une personne qui m\'en
„donne la valeur et je passe mon ordre et en-
„dossement à cette personne, valeur reçue comp-
Jant d\'elle. Cette lettre, avant mon endossement
„n\'est pas proprement une lettre de change;
„ce n\'est que par l\'endossement que je fais au
„profit de celui qui m\'en donne la valeur que
„se contracte le contrat de change, et qu\'elle
„devient une véritable lettre de change.quot;
1)nbsp;c. de C. art. 410.
2)nbsp;Traité du contrat de change n». 10 pag. 237.
-ocr page 35-Daar de Fransche wisselwet van het systeem
van het wisselcontract uitgaat, is het niet vreemd
dat alle latere schrijvers eveneens over dezen
wissel denken.
Slaan wij nu nog een blik op de Duitsche wet.
In art. 6 van de A. D. W. O. komt de volgende
bepaling voor: „Der Aussteller kann sich selbst
j^als Remittenten bezeichnenquot;. Daarmede is eene
onde strijdvraag beslist. „Dieser Wechselquot;, zegt
Kletke „ist eigentlich eine anomale Art eines
j,trassirten Wechsels, zu welchem regulär drei
jjPersonen gehören, der Aussteller, der Bezogene
und der Remittent oder Nehmer. Der Wech-
an eigene Ordre hatte bisher manchen An-
))lasz zu zweifeln gegeben, weil man vielfach
jjder Ansicht war, dass er erst durch ein hin-
zuzutretendes Giro des Ausstellers als Remitten-
jjten zur Perfection gelange, und der Aussteller
jjdemnach durch ein vorher erhaltenes Accept
nicht in die Rechte eines Remittenten gegen den
Acceptanten tretequot;.
Het blijkt hieruit, dat men het vóór de in-
voering van de A. D. W. O. in Duitschland on-
Encyclopaedie des Europäischen Wechselrechts II blz. 446.
-ocr page 36-eens was, of de wissel aan de order des trekkers
wel een wissel was. Ook daar meende men, dat
hij dit eerst door het endossement worden kon.
De duidelijke woorden van art. 7 der Duitsche
wisselwet: „Aus einer Schrift, welcher eines der
„wesentlichen Erfordernisse eines Wechsels fehlt,
„entsteht keine wechselmäszige Verbindlichkeit.
„Auch haben die auf eine solche Schrift gesetzten
„Erklärungen keine Wechselkraftquot;, hebben ech-
ter dat gevoelen onmogelijk gemaakt, daar zij
met ronde woorden zeggen, dat een niet wissel
nooit door eene wisselhandeling een wissel wor-
den kan.
Ook de vraag of de trekker door een vroeger
accept van den betrokkene, vóór het endossement
tegen dezen eene wisselactie heeft, bij weigering
van betaling, is beslist door art. 23 al 2 A.
D. W. O., waar wij lezen: „Auch dem Aussteller
„haftet der Bezogene aus dem Accepte wech-
„selmässigquot;.
Kuntze zegt „Durch erstere (Tratten an eigne
1)nbsp;Die allgemeine Deutsche Wechselordnung mit Einleitung
und Erläuterungen. F. A. Brockhaus 1848.
2)nbsp;Deutsches Wechselrecht blz. 81.
-ocr page 37-„Ordre) ist insofern ein praktisches Surrogat
„für die (unzulässigen) Wechsel auf Inhaber
„gewährt, als der Trassant den Wechsel in blanco
gt;,gniren und so, ohne irgend eine extranea Per-
„sona als Wechselberechtigten zu benennen, in
„Umlauf bringen kannquot;.
Dit is volmaakt waar. De wissel auf Inhaber
(aan toonder) is door art. 4 3° A. D. W. O. uit-
gesloten nadat de vraag of men ze zou toe-
laten in de Leipziger conferentie ontkennend was
beantwoord. Maar door wissels aan de order
lt;ies trekkers toe te laten, heeft men stilzwijgend
gelegenheid gegeven, om met goed gevolg wis-
sels auf den Inhaber te trekken, door namelijk
eenvoudig den wissel aan zich zeiven te trek-
ken, en vervolgens in blanco te endosseren.
In ons regt zijn de wissels aan toonder ook
uitgesloten door art. 100: „de wissel moet uit-
„drukken aan wien of aan wiens order betaald
„moet worden.quot; Wij hebben echter hetzelfde
surrogaat, zoodat men bij ons ook op deze wijze
dissels aan toonder trekken kan %
quot;I) De wissel aan toonder is alleen toegelaten in de En-
gelsche, Deensche en Flensburgsche wet. cf. Kletke II blz. 490.
2) Kist, t. a. p. blz. 32.
Ten slotte zij nog opgemerkt dat Mr. Holtius
teregt waarschuwt tegen de verwisseling van de
uitdrukking: „aan de order van den trehherquot; met
die van „per order\'\' of „in commissiequot;, over welke
laatste wij handelen zullen bij den wissel voor
rekening van eenen derde.
1) Voorlezingen over handels- en zeeregt I blz. 276.
-ocr page 39-Wissel op zekeren persoon en betaalbaar aan
de woonplaats van eenen derde.
De tweede soort van wissels, die wij in art. 101
V. K. aantreffen, is de wissel op zekeren
persoon en betaalbaar aan de woonplaats van
eenen derde. Deze wissel wordt meestal genoemd
55de gedomicilieerdequot; wissel, omdat hij, op wien
de wissel wordt getrokken, als het ware een
domicilie kiest, waar de wissel zal betaald wor-
den Bij de zamenstelling onzer tegenwoordige
Wetgeving heeft men veel gesproken over de
Woorden „domiciliequot; en „woonplaatsquot; en over
het verschil tusschen deze woorden, en is men
^ot het besluit gekomen om de voorkeur
\'O Cf. art. 74 vg. B. W.
cf. Mr. J. C. Voorduin, Geschiedenis en beginselen der
^ed. wetboeken II blz. 111—114.
aan het Nederduitsche woord te geven boven
het vreemde. Bij het Wetboek van Koophandel
is men aan dat gevoelen getrouw gebleven, zoo-
dat men daarin altijd melding vindt gemaakt
van een\' wissel betaalbaar aan de woonplaats
van eenen derde, hoewel men in de praktijk
altijd hoort spreken van een\' gedomicilieerden
wissel.
De vorm van dezen wissel is de volgende:quot;
Zes maanden na dato (of anders) gelieve
UEd. te betalen te Amsterdam, aan den Heer
N. N. of order, de somma van ƒ 1000 enz.
Utrecht den enz.nbsp;A.
Den Heere B. te Rotterdam.
In dit voorbeeld is de wissel te Amsterdam
gedomicilieerd; de betrokkene, de Heer B., mag
niet betalen te Rotterdam, aan zijne woonplaats,
zoo als dat in den gewonen wissel plaats heeft,
maar hij is verpligt om aan den een\' of ander
te Amsterdam het noodige fonds ter betaling
van den wissel te doen toekomen, welke betaling
dan door dien persoon geschieden moet.
Wat is nu het verschil tusschen dezen wissel
-ocr page 41-cn den gewonen wissel? Bij den gewonen wis-
sel zagen wij dat er noodig waren drie perso-
^^en, trekker, betrokkene en nemer. Bij den
wissel aan de order des trekkers maar twee,
omdat daar trekker en nemer dezelfde persoon
terwijl er bi] dezen Avissel vier personen
voorkomen, trekker, betrokkene, nemer en ge-
domicilieerde.
Vragen wij nu wat het doel is van zulke
wissels, dan ligt dat ook hier weer voor de
hand. Wanneer men trekt op eene plaats waar
geen wisselhandel bestaat (b. v. een koopman
te Parijs heeft zaken gedaan met iemand, wo-
nende in een van de kleine steden of dorpen
van ons land, en hij wil op dezen trekken om
\'\'^oo betalijig te krijgen) dan zal men dien wissel
zeer moeijelijk kunnen verkoopen, maar stelt
men dien betaalbaar te Amsterdam, of in
eene andere plaats, waar vele zaken gedaan
worden, dan is het duidelijk, dat er ligtelijk
iemand zal gevonden worden, die op zulk een
wissel geld wil geven.
Gaan wij kortelijk den oorsprong van den
gedomicilieerden wissel na. De heerschende
wissel van den vroegeren tijd was tot in het
midden der eeuw de jaarmarkt of miswis-
sel Deze was eigenlijk in de meeste gevallen
reeds een gedomicilieerde wissel, daar de per-
sonen, op wie de wissel getrokken was, dik-
wijls niet op misplaatsen woonden. Bij de
meeste was de betrokkene niet op eene mis-
plaats te huis, en zoo iemand moest dan of zelf
op de jaarmarkt verschijnen of zich er laten
vertegenwoordigen door een\' procurator. Sedert
het meer en meer in gebruik komen der ge-
wone wissels, is daarbij het domicilie van lie-
verlede in aangenomen, om de betaling van
den wissel, in plaats van op de woonplaats
des betrokkenen, elders te doen plaats hebben
Ook in ons land was deze soort van wissel
reeds vroeg bekend.,
Phoonsen zegt dat men, wat de plaats be-
treft, op drie manieren kan wisselen: 1°. op een
plaats direct ofte recht toe, 2quot;. op een plaats
in een plaats, en op een plaats over een
plaats. De tweede soort is dan de gedomici-
lieerde wissel, welken hij aldus beschrijft: „Men
4) cf. Dr. F. A. Biener, Wechselrechtliche Abhandlungen
blz. 177.
2) J. Phoonsen, Wisselstijl tot Amsterdam XXIV, 4.
-ocr page 43-„wisselt op een plaats in een plaats wanneer
„de betrokkene elders in een andere stadt of
„plaats woont, als daar de betalinge geschieden
„moet, en de wisselbrieven gemaakt werden,
directe ten laste van de betrokkene, in een
„andere plaats te betaalen als daar hij woont.quot;
Reitz behandelt deze soort van wissels ook,
en wel bij de adressen of notitien, die hij in
twee soorten verdeelt. De eerste zijn de eigen-
lijke nood-adressen, die in onze wet ook bekend
^ijn „De andere soort van adressenquot; zegt hij
welke slechts oneigenlijk aanbevelingsbrieven
kunnen genoemd worden, komen te pas wan-
neer men wisselt op eene plaats in eene plaats,
quot;iat is: zoo men een\' wissel trekt om te worden vol-
daan in eene andere plaats, dan waarin de be-
trokkene woonachtig is. In dien gevalle word
de wisselbrief wel ingericht op den betrokkenen,
doch op den wissel, \'t zij door den trekker
zelve, \'t zij vervolgens door den aannemer.
Grondbeginselen van het wisselrecht door Hemeccius,
\'iit het latijn vertaald en met de noodige aanmerkingen ver-
ï\'ykt en opgehelderd door Mr. Karei Koenraad Reitz, Cap.
quot;I § XXXI n«. 60.
Cf- art. 121 vg. W. v. K,
-ocr page 44-aangeteekend, door wien de betaling op de vast-
gestelde plaats ten vervaldage staat te geschieden :
en dus de wissel, als \'t ware aan dien derden
geadresseerd, met deze of dergelijke bewoordin-
gen: betaalbaar bij den Heere N. JSf.
Wij zagen, dat de trekker van den wissel de
plaats waar betaald moet worden daarin vermel-
den moet, „maar,quot; zegt Mr. Holtius „het
„domicilium, de naam van dengenen daar ter
„stede, bij wien men de betaling moet gaan
„vragen, staat er niet in, en kan er niet in-
„staan, omdat de trekker niet weet wie dat
„wezen zal.quot; Dit zal voorzeker wel de reo-el
O
zijn, maar op dien regel zijn uitzonderingen.
Het kan Avel degelijk voorkomen, dat door den
trekker reeds het huis is aangewezen, waar de
betaling moet gevraagd of bij weigering daarvan
het protest moet opgemaakt worden. Reitz zegt
wel dat de nemer volstrekt niet verpligt is,
om een wissel aan te nemen, zonder dat de
trekker daarop aanteekene, bij Avien ten verval-
dage de voldoening daarvan zal kunnen worden
1)nbsp;Voorlezingen over handels- en zeeregt I ad art. 147 en 118.
2)nbsp;t. a. p. blz. 139,
-ocr page 45-gevorderd, ja zelfs vermeldt hij plaatsen, waar
die wissels, zonder die aanteekening, geheel en
verboden zijn, maar dat is volgens onze wet
geen vereischte meer. Art. 117 W. v. K. zegt
alleen: „De acceptatie van eenen wisselbrief,
betaalbaar op eene andere plaats, dan die waar
acceptant zich ophoudt, moet de woonplaats
aanwijzen, waar de betaling ontvangen, of het
5gt;protest gedaan moet worden.quot; Hieruit blijkt,
dat de trekker die plaats niet behoeft aan te
quot;^yzen, en dat wanneer Mj het gt; niet gedaan
iWt, de acceptant het moet doen.
Art. 117 W. V. K. bevat echter twee onjuist-
heden.
Vooreerst zijn de woorden „waar de acceptant
ophoudtquot; onduidelijk. Wanneer wij ons arti-
kel met art. 123 van den Code de Commerce verge-
^yken, zien wij, dat het daaruit nagenoeg letterlijk
vertaald. Maar in plaats van de woorden:
Waar de acceptant zich ophoudt, heeft het Fransche
artikel .^,dans un autre lieu que celui de la rési-
gt;Àence de l\'accepteur. Onze wetgever had dit
jjiïioeten vertalen door: op eene andere plaats
^Aan waar de acceptant woont.quot;
Ten andere wordt er in art. 117 W, v. K.
-ocr page 46-alleen gesproken van het geval, dat die wissel
betaalbaar is in eene andere plaats dan die, waar
de acceptant woont. Er is dus niet gedacht aan
den wissel, die gedomicilieerd is in dezelfde
plaats, waar de acceptant woont, en toch zegt
onze wet zelve elders^), dat een wissel kan o-e-
O
domicilieerd worden, zoowel in de plaats waar
de acceptant woont, als in eene andere plaats.
Het zou dus beter geweest zijn, wanneer men
eenvoudig bepaald had : De acceptatie van eenen
gedomicilieerden wisselbrief moet de woonplaats
aanwijzen waar de betaling ontvangen, of het
\'protest gedaan moet worden.
Het is natuurlijk, dat er bij het aanbieden
ter acceptatie en ter betaling van dezen wissel
verschil bestaat tusschen hem en den gewonen
wissel.
In den gewonen wissel toch is de acceptant
dezelfde als de betrokkene, en moet dus de wis-
sel tweemalen bij denzelfden persoon worden
gepresenteerd. Hier daarentegen is, weliswaar,
de acceptant ook dezelfde persoon als de be-
trokkene, maar moet toch de aanbieding ter
O cf. art. 180 al. 2 W. v. K.
-ocr page 47-acceptatie bij hem, die tot betaling, ten woon-
huize van den gedomicilieerde geschieden
Wij hebben boven gezien dat de trekker de
woonplaats kan aanwijzen waar moet betaald
worden, en dat wanneer hij dit niet gedaan
heeft, de acceptant het doen moet bij de acceptatie,
^laar stel ,nu dat het melding maken van die
W\'oonplaats door den acceptant verzuimd is, wat
dan? Dan kan de houder geene betaling krij-
gen, daar hij volstrekt niet weet waar hij die
betaling vragen moet. Natuurlijk moet hij pro-
fest laten opmaken, maar tegen wien ? Het ant-
woord op die vraag vinden wij in onze wet zelve
^len handelt namelijk eveneens, als in het geval
dat hij , die betalen moet, geheel onbekend of
ï^ergens te vinden is, en laat eenvoudig protest
opmaken aan het postkantoor van de plaats,
Waar betaald moet worden, en zoo daar geen
postkantoor is, aan het hoofd van het plaatselijk
bestuur dier gemeente. Dit moet niet alleen
geschieden bij verzuim van den acceptant, om de
plaats waar betaald moet worden in den wissel
Cf. art. 176 W. v. K.
Cf. art. 180 al. 1 W. v. K.
Cf. art. 180 al. 3 W. v. K.
op te geven bij de acceptatie, maar ook wanneer
de houder den wissel niet ter acceptatie heeft
aangeboden. Het aanbieden ter acceptatie toch
is geene verpligting, maar alleen een regt, dat
den houder wordt toegekend. Er is slechts één
geval waarin de aanbieding verpligtend is, en
dat is, bij wissels, getrokken op eenigen tijd na
zigt In alle andere gevallen, en dus ook bij
den gedomicilieerden wissel, is het niet verplig-
tend en kan men zich derhalve bedienen van
art. 180 al. 3 W. v. K.
In de A. D. W. O. is dit geheel anders; vol-
gens deze kan de trekker de vertoonin^ ter
acceptatie gelasten, en wanneer niet aan dat
voorschrift voldaan is, verliest de houder zijn
regres tegen den trekker en de endossanten
Wanneer nu de betaling ten woonhuize van
den gedomicilieerde gevraagd en geweigerd is,
dan moet er protest van non betaling worden
opgemaakt tegen den gedomicilieerde. Daarop
gaat men naar den acceptant, en wanneer ook
deze de betaling weigert, wordt er ook tegen
1)nbsp;Vonnis der Rb. van Koophandêl te Amsterdam van 6 Junij
^837: cf. Regt in Nederland 1 127.
2)nbsp;Cf. Allgemeine Deutsche Wechsel-Ordnung art. 24.
-ocr page 49-bem protest opgemaakt. Iets diergelijks heeft
ook plaats bij den gewonen wissel. Immers, wil
ïïien daar den trekker aanspreken, dan moet er
eerst protest van non betaling zijn opgemaakt
tegen den betrokkene of acceptant, wanneer
deze de betaling heeft geweigerd. Van daar kan
ïïien zeggen dat er eene soortgelijke betrekking
bestaat tusschen den gedomicilieerden en den
acceptant, als in den gewonen wissel tusschen
den acceptant en den trekker. Soortgelijk om-
dat de betrekking niet geheel en al dezelfde is.
Iiümers, de acceptant is wisselregteiijk, door zijne
bandteekening op den wissel, aan de wissel-
schuldeischers verbonden, tot de betaling van
den wissel en dat is de gedomicilieerde niet.
Maar de beide betrekkingen hebben toch eenige
overeenkomst met elkander. In den gewonen
Wissel heeft de houder, waar de acceptant de
betaling weigert, eene regresactie tegen den
trekker, en zoo ook heeft bij onzen wissel, wan-
neer de gedomicilieerde niet betaalt, de houder
eene regresactie tegen den betrokkene. Het is
natuurlij]^ duidelijk, dat er eerst protest moet
1) Cf. Mr. Kist, het handelspapier blz. 52.
-ocr page 50-worden opgemaakt tegen dengenen, die de be-
taling geweigerd heeft. In beide gevallen heeft
men dus niet eene directe actie, waardoor alleen
de wisselsom wordt gevorderd, maar eene regres-
actie, welke in zich bevat 1quot;. het kapitaal,
2°. de kosten, 3quot;. de interessen en de scha-
devergoeding
Is nu de acceptant altijd verpligt om dit
alles te voldoen? Wanneer hij geen fonds heeft
bezorgd aan het domicilium is hij daartoe voor-
zeker gehouden, hij heeft zich toch verbonden,
om den wissel te betalen, aan de aangewezene
woonplaats, dus moet ook hij de schade beta-
len, die er voor den houder uit het niet betaald
worden van dien wissel ontstaat.
„Indien de gedomicilieerde, na verloop van
„den vervaldag failleert (zegt art. 118 W. v. K.)
„en de houder verzuimd heeft het protest tijdig
„te laten opmaken, is de acceptant ontslagen,
„indien, en voor zoo verre, hij bewijst fonds aan
„de aangewezene woonplaats te hebben bezorgd;
„behoudens de verpligting vermeld bij art. 109
„W. V. K.quot; (dat is: dat de acceptant de vorde-
4) cf. Mr. Kist, het Handelspapier blz. 464.
-ocr page 51-ringen op het fonds, hetwelk hij in handen heeft,
moet afstaan aan den houder). Gaan wij de
strekking van deze bepaling na. Wanneer in
een gewonen wissel de acceptant vóór den ver-
valdag gefailleerd is, dan behoeft de houder
van den brief niet eens den vervaldag af te
quot;dachten, om den wissel ter betaling te laten
aanbieden, maar kan des verkiezende dadelijk pro-
■^est van non betaling op laten maken/) en zijn
^\'egres zoeken bij den trekker, die dan verpligt
* 2\\ r
) óf borg te stellen, dat de wissel op den
\'\'^ervaldag zal betaald worden, óf den wissel
niet protestkosten en herwissel in te trekken,
^aar zoo hij, houder, nu eens geen protest heeft
laten opmaken, wat dan? Er moeten hier twee
verschillende gevallen onderscheiden worden:
de trekker heeft óf fonds bezorgd aan den accep-
tant, óf hij heeft het niet gedaan. Heeft hij
bet niet gedaan, dan moet hij den wissel met
kosten etc. betalen. Heeft hij daarentegen wel
fonds bezorgd, dan moet hij aan den houder de
Vordering op het fonds, bij den betrokkene aan-
Cf. art. 155 W. V. K.
Cf. art. 177 W. v. K.
wezig, afstaan. Datzelfde nu heeft plaats bij-
den gedomicilieerden wissel, zooals wij uit art.
118 W. V. K. zagen.
Mr. van der Breggen stelt zich de vraag,
of de wetgever in artikel 118 W. v. K. wel den-
zelfden weg heeft ingeslagen met den acceptant,
als in artikel 107 en 108 W. v. K. met den
trekker, en geeft daarop een ontkennend antwoord,
daar de toestand van den trekker in art. 107 en
108 veel gunstiger is, dan die van den accep-
tant in art. 118 W. v. K.
„Si (zoo zegt hij) art 118 conceptus fuisset:
Indien de gedomicilieerde niet voldoet, en de
„houder verzuimd heeft etc., nullum foret du-
„bium, sed nunc quaestio est, an duo requisita,
„a) quod foro cesserit et b) quod foro cesserit
„post diem solutionis, possimus habere pro non
„scriptisquot;.
Wanneer men zich aan de letter van de wet
houdt, zou men moeten zeggen: De acceptant
is ontslagen in het geval dat de gedomicilieerde
is gefailleerd en dat wel, zoo dat geschied is na
1) Quaestiones Juris, verdedigd te Utrecht 26 Oct. 1849
blz. 23.nbsp;\'
verloop van den vervaldag en de houder ver-
2unnd heeft het protest tijdig te laten opmaken.
gebruik makende van het argumentum a
contrario, kunnen wij aannemen, dat als de ge-
(ïomicilieerde gefailleerd is vóór den vervaldag,
en de houder geen protest heeft opgemaakt, de
acceptant gehouden blijft. Maar het gebruiken
van een argumentum a contrario is altijd ge-
vaarlijk. Dit is ten duidelijkste aangetoond door
Mr. Opzoomer. „Eene verklaring op grond van
»het argumentum a contrario isquot;, zegt hij, „altijd
gt;5eene uitbreiding, en steunt op de gedachte,
;j,dat de wetgever, die een voorschrift gaf tot
j,aan bepaalde grenzen, buiten die grenzen het
j^tegendeel heeft gewdld. Men beroept zich dus
gt;5 op den niet in de wet uitgesprokenen, maar
jjüit de wet\' opgemaakten wil des wetgevers.
jjMaar dit, dat de wetgever buiten de grenzen
^Mt tegendeel heeft bedoeld, behoeft men er niet
quot;^it op te maken; het is geen besluit dat met
\'^noodzakelijkheid getrokken is, en dus niet het
jjeenig mogelijke. Men kan dikwijls een ander
1) Aanteekeningen op de Wet houdende „Algemeene be-
»PaUngen der wetgeving van het koningrijkquot; blz. 64.
„besluit trekken, dat namelijk de wetgever, die
„een regel tot bepaalde grenzen toe heeft uitge-
„sproken, slechts de toepassing heeft willen ge-
„ven van een algemeen beginsel en door histo-
„rische redenen er toe gebragt is, om alleen van
„de bepaalde gevallen te spreken, zonder daar-
„mede de uitsluiting der andere bedoeld te
„hebbenquot;. Ik geloof, dat het ook bi] ons arti-
kel bedenkelijk is, uit te gaan van de stelling,
gui de uno dicit, de altero negat. Men kan uit
onze bepaling, mijns inziens, niets anders op-
maken, dan dat de acceptant volgens ons arti-
kel, zoowel als de trekker volgens art. 108, in
het opgegeven geval ontslagen is, en niet alleen
in dat geval, maar zelfs ook indien de o-edo-
micilieerde na verloop van den vervaldag fail-
leert, en de houder verzuimd heeft het protest
tijdig te laten opmaken.
Maar stel nu dat het geval van art. 118
W. V. K. heeft plaats gehad. De houder van
den wissel gaat naar den gedomicilieerde, maar
wordt afgewezen; nu gaat hij naar den trekker,
maar deze heeft den acceptant fonds bezorgd,
en bevrijdt zich natuurlijk door hem naar den
acceptant te verwijzen, en deze zegt op zijne
beurt weer tot den houder, dat hij zich zijne
schade zelf te wijten heeft, omdat hij niet tijdig
genoeg protest heeft laten opmaken, en bevrijdt
zich msgelijks, door zijne regten op het fonds
bij den gedomicilieerde aan den trekker af te
staan Het is het gewone geval, dat er door
den trekker fonds is bezorgd bij den betrokkene
of acceptant, en dat er door dezen weer fonds
IS bezorgd bij den gedomicilieerde. Maar wat
iin indien, wel de acceptant fonds had bezorgd
hij den gedomicilieerde, maar niet de trekker
den acceptant? Dan is het natuurlijk dat
de trekker voor alles aansprakelijk blijft, daar
hy in zijn pligt is te kort geschoten. En wan-
neer dan de acceptant aan den houder zijne
actiën op het fonds bij den gedomicilieerde
beeft afgestaan, is de trekker verpligt den hou-
der het deficit te voldoen, terwijl hij boven-
dien de schade, die de acceptant geleden heeft,
door het afstaan van zijne vordering op het
ionds bij den gedomicilieerde, aan hem ver-
goeden moet. De houder kan echter ook de hem
p Cf. Wetboek van Koophandel met aanteekeningen ad.
art.
afgestane actiën weer aan den trekker overdoen,
en van dezen dan het volle bedrag des wissels
eischen.
Het kan bij den wissel voorkomen, dat de
betrokkene, wanneer men hem den wisselbrief
ter acceptatie voorhoudt, verklaart, dat hij wel
accepteren wil, maar dat de brief door een\'
ander voor hem zal worden betaald, hetzij in
dezelfde plaats waar hij betrokkene woont, het-
zij in eene andere plaats, zonder dat er omtrent
deze wijze van betaling door den trekker, bij
het trekken van den wissel, iets is bepaald. Door
zulk een beding wordt de wissel geen gedomi-
cilieerde wissel, maar het blijft een gewone wis-
sel met gelimiteerde acceptatie.
Deze komen vooral veel voor in Engeland,
waar het de gewoonte is dat de kooplieden niet
zelf hunne kas houden, maar hunne geldzaken
aan hun\' bankier overlaten, bij wien dan ook
hunne wissels door hen betaalbaar gesteld
worden.
De Heer Kist meent, dat de acceptatie,
waarbij de acceptant eene geheel andere betaal-
1) Mr. Kist. Handelspapier blz. 97.
-ocr page 57-plaats aanwijst, dan zijne woonplaats, volstrekt
ongeoorloofd is, omdat dit eene geheele veran-
dering van de oorspronkelijke wisselverbindtenis
«medebrengt. Hij houdt zelfs de acceptatie, die
^ene andere woonplaats in dezelfde gemeente
aanwijst, voor eene voorwaardelijke, en dus voor
eene ongeoorloofde acceptatie, en leert, dat de
houder in zulk een geval voorzigtig zal doen,
protest te laten opmaken. De vijf Amsterdam-
sche advocaten zijn van een tegenovergesteld
gevoelen, en ook Pardessus ziet geene reden
om eene acceptatie voor ongeoorloofd te houden,
wanneer de aangewezen persoon maar in dezelfde
gemeente woont. Hij zegt : „Ainsi, dans la rigueur
jjdu droit, l\'accepteur ne pourrait, sans l\'agrément
5gt;du porteur, insérer dans son acceptation qu\'au
jjbesoin il faudra se présenter pour le payement
„chez une autre personne, que celle qu\'il indique,
îjdans le cas où la lettre est payable au domi-
»cile d\'un tiers. A la vérité, le refus d\'une indi-
cation, qui n\'exposerait le porteur à aucun
déplacement, ne serait qu\' une pure chicane,
1)nbsp;quot;Wetboek van Koophandel met aanteekeningen ad art. 415.
2)nbsp;Cours de droit Commercial, Partie III tit. II chap. IV
Section ÏV. 370.
„et si, sans autre motif, il exerçait les recours
„qu\' autorise le défaut d\'acceptation, les tribu-
„naux ne devraient pas hésiter à le condamner
„aux dépens de l\'incident occasionné par son
„refus. Mais il est évident que si l\'accepteur
„indiquait pour lieu de payement une autre ville,
„sans que le texte de la lettre l\'y autorisât le
„porteur ne serait pas tenu de s\'en contenter.quot;
Mij dunkt dat zulk eene acceptatie in geen ge-
val als eene voorwaardelijke te beschouwen is.
In den handel komt ze dan ook veel voor.
Wat zal nu het geval zijn, zoo de trekker een\'
gedomicilieerden wissel heeft getrokken, en de
betrokkene accepteert, met eene andere woon-
plaats dan door den trekker is opgegeven, b. v.
er is getrokken uit Utrecht op iemand in Leeu-
warden en betaalbaar gesteld, door den trekker,
te Amsterdam. Nu wordt de brief geaccepteerd
en daarbij gevoegd : „betaalbaar te Rotterdam
„bij den Heer N. Kquot; Dan heeft zulk een wis-
i
1) Onder de Fransche wetgeving is dit reeds uitgemaakt door
een arrest van het H. G. van 14 Junij 1815. cf. van Hamelsveld,
I hh. 363. In genoemd geval was echter het onderschrift
niet onderteekend, hetgeen thans een noodwendig vereischte
is, zonder hetwelk het de kracht van eene acceptatie niet heeft.
sei de kracht van een gewonen gedomicilieerden,
en er is niets bijgevoegd, dan eene verklaring van
den acceptant dat hij op de laatstgenoemde
plaats wil betaald hebben. De door hem op-
gegeven persoon blijft echter buiten alle verdere
Wisselhandelingen en wanneer de door den trek-
ker opgegeven gedomicilieerde niet betaalt, kan
de houder dadelijk tegen den acceptant opko-
inen, zonder dat deze hem kan tegenwerpen, dat
^ij protest van non betaling had moeten laten
opmaken tegen den door hem genoemden ge-
domicilieerde.
De bepaling, door een der endossanten, bij
endossement gemaakt, dat de wissel betaal-
baar zal zijn aan het een of ander domicilium,
beeft natuurlijk geene kracht, daar de endos-
sant tot deze en dergelijke clausules volstrekt
niet geregtigd is
Artikel 43 van de Duitsche Wechsel-Ordnung
bepaalt, dat, wanneer er een gedomicilieerde wis-
sel is getrokken, en daarbij alleen is opgegeven
de plaats van betaling, zonder den persoon die
1) cf. die Deutsche Wechsel-Ordnung durch Volkmar und
Löwy, bk. 123.
de betaling doen moet, en die persoon door den
acceptant, bij de acceptatie ook niet genoemd
wordt, de acceptant zich daardoor verbindt om
ten vervaldage de som, in de aangewezene plaats,
zelf te komen betalen. Dit is bij ons niet het
geval, hoewel de gevolgen op hetzelfde neer
komen, want wanneer de acceptant in het ge-
val der Duitsche wet niet te vinden is, dan
moet er protest „in den Windquot; opgemaakt
worden. Hetzelfde heeft bij ons plaats, daar men,
zoo de gedomicilieerde niet te vinden is, of vol-
strekt niet genoemd, ook protest moet laten op-
maken. Het eenige verschil komt dus hierop
neer dat men zich in Duitschland bij de policie,
en bij ons aan het postkantoor te vervoegen
heeft.
Bij den wissel aan de order van den trekker
zagen wij, dat die een surrogaat oplevert voor
den ongeoorloofden wissel au porteur; iets der-
gelijks heeft ook bij den gedomicilieerden wis-
1)nbsp;Protest in den Wind ist derjenige Protest, der zu
erheben ist, wenn das Geschäftslocal oder die Wohnung des -
jenigen Wechselinteressenten, gegen den der Protest levirt
werden soll, nicht ermittelt werden kan. cf. Dr. Kletke, t.
a. p. II blz. 634.
2)nbsp;cf. A. D. W. 0. art. 94.
-ocr page 61-plaats. Onze wet zegt in art. 100: „De wis-
„selbrief is een geschrift.....om eene daarin
\'^Uitgedrukte geldsom m eene andere plaats. . . .
quot;te betalen enzquot;. Er moet dus verschil van
plaats zijn tusschen het trekken en het betalen.
Even zoo is het in den Franschen Code de Com-
merce, waar onder de vereischten voor eenen
Wissel wordt opgegeven „remise dun lieu sur
\'jUïi autrequot;. De rede dezer bepaling moet ge-
schiedkundig verklaard worden. Vroeger werd
de remise de place en place gevorderd, omdat
de Kerk in den wissel „sine distantia loeiquot; een\'
vermomden woeker zag. Daar nu woeker door
haar werd verboden, werd natuurlijk ook ver-
boden om die soort van wissels te trekken, en
Waren alleen die toegelaten, waarin de loei dis-
tantia aanwezig was
Eene tweede reden, waarom vroeger de remise
de place en placé gevorderd werd, was deze,
dat men aanvankelijk in den wissel alleen een
Middel zag tot het verzenden van geld van de
®ene plaats naar de andere. Men trok namelijk
cf. C. de C. art. 110.
cf. die Deutsche Wechsel-Ordnung durch Volkmar und
blz. 23.
van eene plaats, waar een wisselbank was, naar
eene andere, waar er ook eene was. De traditie
van deze wijze van trekken bleef lang voort-
leven, zoo zelfs dat, bij de beraadslaging over
den tegenwoordigen Code de Commerce, een lid
van den staatsraad in Frankrijk de woorden
„d\'un lieu sur un autrequot; niet voldoende achtte,
maar daarvoor in de plaats wilde zetten „d\'une
„place de commerce ä une autrequot; Beide die
redenen zijn nu vervalllen, want de kerk heeft
de magt, die zij in vroegere eeuwen over het
praktische leven had, verloren en men ziet tegen-
woordig in den wissel niet meer, zoo als vroe-
ger, eene geldverzending, maar een handels-
papier. Toch was het verbod van wissels, zon-
der loei distantia, nog opgenomen in de ordon-
nance van 1673 kwam van daar in den Code
de Commerce en eindelijk ook in ons tegen-
woordig Wetboek. Het is echter geheel en al
1)nbsp;Een onzer Amsterdamsche kooplieden noemde de remise
de place en place „het merg en het sapquot; van den wissel.
2)nbsp;Deze wet is op last van Lodewijk XIV onder den titel
„Edit OU loi, servant de Reglement pour le Commerce des
„Négociants et des Marchands, tant en gros qu\'en détail
in Maart 1673 uitgegeven. De 5e titel bevat eene algemeene\'
Fransche wisselwet.
doelloos, want het kan zonder eenige moeite
ontdoken worden. Immers men heeft den wis-
sel, die in dezelfde plaats betaalbaar is gesteld,
van waar hij getrokken is, maar te domiciliëren
lïi eene andere plaats, en niemand zal er aan
denken, om zulk een wissel onwettig te verkla-
Tot dit besluit komt ook Bravard Veyriè-
) ,;üne lettre de change,quot; vraagt hij, „peut-elle
;; valablement être tirée à Paris sur une personne
demeure à Paris, mais avec indication d\'un
»doniiciliataire, qui demeure dans une autre ville?
hij antwoordt : „L\'affirmative ne me parait
jjpas douteuse: U y a évidemment remise de
^.place en place.quot;
De Duitsche wetgever heeft ingezien, dat het
verschil van plaats in den wissel volstrekt g(;en
vereischte is, en het daarom in art. 4 niet onder
vereischten genoemd.
Ten slotte zij hier aangemerkt, dat het domi-
cdium ook nog bij ander handelspapier, dan bij
den wissel, kan voorkomen, namelijk bij het
Oï\'derbillet. En geen wonder, want de wissel
en het orderbillet verschillen in het wezen der
Traité de droit Commercial blz. 54.
-ocr page 64-zaak niet. Onze wetgever miskende deze waar-
heid, en scheidde ze van elkander af, omdat het
onmogelijk was, op het orderbriefje de theorie
van het wisselcontract toe te passen. Hij zag
in het orderbillet zeer teregt eene betalings-
belofte , maar hij vergat, dat ook bij den wissel
de betalingsbelofte van den trekker de hoofd-
zaak is. Het orderbriefje is zoo goed een wissel
als de gewone wissel, het eenige verschil tus-
schen beiden bestaat hierin, dat bij den wissel
een derde tot de verbindtenis des trekkers toe-
treedt, en mede tot de betaling verbonden is,
terwijl bij het orderbillet de trekker alleen zich
verbindt en de qualiteiten van trekker en ac-
ceptant in zich vereenigt. De Duitschers heb-
ben dit goed ingezien, ?ooals reeds blijkt uit
den naam van eigene Wechsel, dien zij aan het
orderbillet geven. Liebe zegt : „Es wird
„dabei keiner weiteren Ausführung bedürfen ,
„dass der eigene quot;Wechsel in gleicher Weise, wie
„die Tratte, ein Formalgeschäft und seine Ver-
4) Cf. Mr. G. J. Kist, Het Handelspapier, blz. 215.
2) Die Allgemeine Deutsche Wechsel-Ordnung mit Einleitung
und Erläuterungen. Leipzig F. A. Brockhaus 1848, blz. 234.
\';knüpfung mit materiellen Verhältnissen ganz
.;auf gleiche Weise, wie bei der Tratte, zu
;;beurtheilen ist. Er kann also, ebenso wie die
.^Tratte, sich an die mannichfachsten Verkehrs-
quot;beziehungen anschliessen, und es darf uns in
\'gt;der Beurtheilung seiner rechtlichen Natur nicht
^jirre machen, wenn seine mindere Beweglich-
die bisherige Gewohnheit und die Con-
^\'Venienz des Handels, den eigenen Wechsel zu
\'.anderen praktischen Zwecken anwenden, als die
J.Tratte. Wir dürfen deshalb nicht an eine ver-
»schiedene rechtliche Natur denken.quot;
Het orderbillet nu kan even als de gewone
Wissel gedomicilieerd worden, wanneer de trek-
ker °
zieh verbindt om aan een ander domicilium
bet zijne te betalen. Ook hier is het de
gedomicilieerde die de betaling doen moet, hem
^vordt het billet vertoond, en bij hem moet ge-
protesteerd worden.
Wissel voor rekening van een\' derde.
In onze inleiding bespraken wij het verkeerde
van het systeem onzer wet, en gaven daar eene
andere bepaling van den wissel, dan de hare. Wan-
neer wij nu den wissel voor rekening van een\'
derde aan die begripsbepaling van den wissel
toetsen, dan zien wij terstond, dat er tusschen
beiden geen verschil bestaat. Onze wetgever had
daarom beter gedaan, indien hij, op het voet-
spoor van den Duitschen wetgever, den wissel
voor rekening van een\' derde niet afzonderlijk
vermeld had.
Bij het ontwerpen der Deutsche Wechsel-
Ordnung werd de vraag opgeworpen, of de wet-
1)nbsp;Zie Inleiding blz. 8.
2)nbsp;Mr. S. Vissering, Wissel regt der XtXe eeuw, blz. 18.
-ocr page 67-gever niet ook aan den wissel voor rekening van
derden zijne uitdrukkelijke sanctie moest verlee-
nen De meerderheid achtte dit echter zeer
regt overbodig. De actiën toch die uit zulk
een wissel tusschen den trekker en den derde,
en tusschen dezen en den betrokkene ontstaan,
^ijn van zuiver burgerregtelijken aard en volstrekt
geene wisselactiën.
Alvorens na te gaan wat de bedoelde wissel
feitelijk is, en dien te beschouwen in verband
niet de bepalingen onzer wet, verdient het te
worden opgemerkt, dat de Duitsche wisselwet de
^et\'ste is^ die deze soort niet afzonderlijk behan-
delt. In (jgj^ ouden tijd toch vindt men haar
^ntdrukkelijk vermeld, b. v. in de statuten van
lt;ïenua, welke in 1589 onder den titel van
Statutorum civïlium reipublicae Genuensis nuper
\'^eformatorum libri F/zijn uitgegeven, en waar wij
^et boek cap. U lezen : „Praetendentes
\'^retniuisse obligationem illius, qui traxisset de-
De valschheid van het systeem van het wisselcontract en
ivissef^^^^quot;^nbsp;nergens zoo duidelijk, als juist hij dezen
van d\'nbsp;lastgeving hier niet van den trekker maar
^ eigenen, voor wiens rekening wordt getrokken, uitgaat.
xvalnbsp;\' Versuch einer historischen Entwickelung des
wahrej^ TT
Ursprungs des Wechselrechts. Aanhangsel hlz. 44.
-ocr page 68-„bitum, seu tractam fecisset pro computo alterius,
„cum facultate sibi providendi ex quovis loco, et
„persona, cum ordine, quod possit retinere
„obligationem teneantur de tali intentione, et
„voluntate sua, ac retentione obligationis, facere
„declarationem in actis notarii publici, et illud
„etiam significare illi, cujus obligationem retinere
„intendunt. Sed quia difficile esset hujusmodi
„significationem seu notitiam ostendere, sufficiat
„pro plena probatione juramentum illius, qui
„debebat eam dare, jurantis eam dedisse, nisi
„contrarium probaretur Ook elders worden
deze wissels opzettelijk besproken. O. a. bij
Heinneccius cap. 2, § XIX. „Ook zijn er,quot;
zegt deze, „nog andere soorten van wissels, doch
„min gebruikelijk; zoo als dezelven genoemd wor-
„den bijFranck, Institt. Jur. Camb. Lib. II. Sect. 1.
„Tit. 1 sqq., b. v. (a) wissels voor een\'s anders
„rekening (pro computo alieno); als een faktoor
„of makelaar op last van een\' ander eenen te
„trekken wissel bezorgtquot; enz. Ook J. Phoonsen,
1)nbsp;Zie verder Rotae Genuae Decis VI, XIX, XXIII; Scaccia
§ 1 Qu 5 n®. 98 § 2, Gl. 5 nquot;. 358—373.
2)nbsp;J. G. Heinneccius, Grondbeginselen van het wisselrecht,
naar de 7e uitgaaf vertaald door Mr. K. K. Reitz.
^isselstijl tot Amsterdam, noemt ze, blz. 7
XXXVIII: „Men wisselt voor Rekening en op den
\'jï^aam van een ander, wanneer men wissel con-
\'jtracteert, en Wisselbrieven maakt, endosseert of
\'.accepteert, op Volmacht, en Naam van een ander.quot;
In vervolg van tijd vinden wij den bedoelden
Wissel in alle ontwerpen en wetten, die wij sedert
het jaar 1809 gehad hebben, terug.
Wij hebben reeds gezegd, dat de wissel voor
tekening van derden en de gewone wissel juridisch
geheel gelijk staan. Dit blijkt ook uit den vorm:
Zes maanden na dato (of anders) gelieve UEd.
te betalen, voor rekening van den Heer N. N.
^an den Heer B of order de somma van ƒ 1000.
baarde genoten.
Utrecht den enz.nbsp;A.
^en Heere C. te Amsterdam.
Het eenige verschil bestaat dus in de woor-
\'^en „voor rekening van N. N.quot; Maar deze heb-
hen op den aard van den wissel geen invloed,
^e derde (N. N.) wordt meestal alleen door de
quot;Voorletters van zijn naam in den wisselbrief aan-
geduid, en somtijds zelfs in het geheel niet ge-
noemd, en dan is er volstrekt geen verschil
met den gewonen wissel aanwezig. Wie de derde
is, moet echter natira\'rlijk door den betrokkene
geweten worden, maar dit blijkt hem meestal
alleen uit den zoogenaamden adviesbrief. Deze
is een gewone brief waarin de trekker aan
den betrokkene kennis geeft, dat hij, op een be-
paalden dag, een\' wissel op hem zal trekken.
Volgens art. 142 W. v. K. is de trekker ver-
pligt dit tijdig te doen, en op het verzuim
dezer verpligting is, in het tweede gedeelte van
ons artikel, straf gesteld. Bovendien wordt hij,
zoo het uit den wissel of uit den adviesbrief
niet blijkt, voor wiens rekening getrokken is,
geacht voor eigene rekening getrokken te heb-
ben. Daar de aanduiding van den derde echter,
naar het handelsgebruik alleen in den advies-
brief geschiedt, kan deze dus uit den wissel
zeiven niet worden aangesproken, en ligt diens
verpligting dus buiten den wissel. Daarom kan
ook, ofschoon art. 106 W. v. K. zegt: „de trek-
„ker of degene voor wiens rekening de wissel-
1)nbsp;Cf. Encyclopädie des gesammten Europäischen Wechsel-
rechts von Dr. G. M. Kletke, le deel blz. 434.
2)nbsp;cf. art. 143 W. v. K.
-ocr page 71-„brief getrokken is, is verpligt zorg te dragen
„dat de betrokkene ten vervaldage het noodig
quot;fonds in handen hebbequot;, de derde, die hiervoor
met gezorgd heeft, echter voor dit verzuim, niet
verantwoordelijk gesteld worden: de trekker
hlijft in elk geval verbonden, want alleen deze
IS wisselregtelijk verpligt Door het onder-
teekenen van den wissel verbindt hij zich per-
soonlijk, zoowel voor de acceptatie als voor de
betaling.
^rt. 106 W. V. K. legt derhalve twee zeer
Verschillende soorten van verpligtingen op, eene
buitenwisselregtelijke, en eene andere, die regt-
^treeks uit den wissel voortkomt. Dat doet onze
^^et in hare wisselbepalingen meer, en ze begaat
daarbij meestal de fout, die beide verschillende
^aken niet van elkander af te scheiden. Men
^^oet namelijk bij den wissel onderscheid
iiiaken tusschen 1° de overeenkomst om eene
obligatie in de gedaante van een\' brief te leve-
welke de Duitschers het pactwn de eam-
\'lielsnbsp;™ wissel zelf genoemd, ligt
kerquot;^ verpligting buiten den wissel. Art. 106 stelt den trek-
111 alle gevallen verantwoordelijk.
-) Cf. Holtiusi, Voorlezingen over Handels- en Zeeregt, I blz. 246.
-ocr page 72-biando noemen; (want het spreekt toch vanzelf
dat men, alvorens een wissel te trekken, een doel
moet hebben, waarom men trekt; dat doel wordt
in die overeenkomst uitgedrukt, terwijl men
daarbij ook bepaalt, hoeveel exemplaren men zal
trekken enz. enz.) en 2° de obligatie zelve. De
eerste moet natuurlijk voorafgaan, wil er een
wissel ontstaan, maar zoodra deze ontstaan is,
verdwijnt alles, wat vooraf is gegaan, geheel en
al voor de regtsbeschouwing. Het pactum de
cambiando valt dus geheel buiten het wisselregt;
de bepalingen daaromtrent behooren niet in eene
wisselwet te huis, en derhalve ook niet de be-
paling van art. 106 W. v. K. gedeelte, daar
het bezorgen van fonds, hetzij door den trekker,
hetzij door den derde, een uitvloeisel is van het
pactum de cambiando.
Nog een woord over het doel van den wissel
voor rekening van een\' derde. Hoewel de All-
gemeine Deutsche Wechsel-Ordnung dien wissel
niet noemt, kennen de Deutschers hem toch\').
De Kommissionstratte, zoo als zij hem noemen.
i) Wilhelm Brauer, Die allgemeine Deutsche Wechsel-
Ordnung, blz. 44.
Wordt getrokken, zeggen Volkmar und Loewy
es nun dass der Remittent dem Schulze
\'.(in het door hen gegevene voorbeeld den trek-
quot;ker) als Trassant mehr traut; sei es, dass N. N.
quot;(de derde persoon) nicht wünscht, direkt zu
quot;trassiren.quot; Hoe het zij, het doel van den derde
IS om in elk geval niet als hoofdschuldenaar
den wissel bekend te staan. Het groote
doordeel hiervan is het volgende. Men kan
Voor wisselschuld niet alleen in zijn vermogen,
niaar ook in zijn persoon worden aangesproken,
hetgeen voor burgerregtelijke schulden slechts in
Sommige gevallen kan geschieden. Art. 586
^egtsv. toch zegt: „Lijfsdwang heeft mede plaats
Tegen alle personen zonder ónderscheid die
quot;^enen wisselbrief hebben geteekend, als trek-
quot;kers, acceptanten of endossanten, of denzelven
quot;door den borgtogt, aval genaamd, gewaarborgd
quot;hebbenquot;. Hiervan nu is de derde, die voor
quot;^yne rekening door een ander laat trekken, om-
dat hij gggjj wisselschuldenaar is, natuurlijk
Volkmar und Löwy , Die Deutsche Wechsel-Ordnune\'.
24.
Het trekken voor rekening van een\' derde
zelf, kan op tweeerlei wyzen geschieden De
trekker kan dat doen 1°. op eigen naam en dan
schrijft hij in den wissel „twee usos na dato,
„voor rekening van L. Titius, gelieve te beta-
„len enz.quot; Met dit te doen verbindt de trek-
ker zich zelf geheel en al; en 2°. op naam van
den lastgever door te teekenen: „per orderquot;. Nu
is het een geheel ander geval, en wordt de man ,
pér order van wien getrokken wordt, verbonden.
Hierover spreekt ook Phoonsen hij zegt, blz.
173 : „Die met procuratie op den naam van
„een ander, ter goeder trouwen, wissel nego-
„tieert. Wisselbrieven maakt, onderteekent, en-
„dosseert of accepteert, met d\' onderteekening
„van zijn eygen naam en bijvoeging van zijn
„qualiteit, verobligeert daar mede hem zeiven
„niet, maar alleen zijn Principaal of Constituant.quot;
1)nbsp;Voorlezingen over handels- en zeeregt van Mr. A. C.
Holtius, uitgegeven door prof. B. J. L. de Geer van Jutphaas
.1 blz. 275. Deze verdeeling heeft ook Frank in zijn werk,
Insütutiones Juris Cambialis, Lib. I Sect. I Tit, 5 § 3, waar
hij als hoofdsoort aanneemt „wissels voor eens anders reke-
ningquot;, en die weêr verdeelt in die „op eigen\' naamquot; en „op
„dien van een\' ander.quot;
2)nbsp;Wisselstijl tot Amsterdam Gap. XXIII
-ocr page 75-Deze laatste soort van wissels hebben wij hier
^let te bespreken, terwijl de eerste die van ons
artikel 101 c W. v. K. is.
Wij hebben gepoogd boven aan te toonen,
dat er bij iedere trekking van een\' wissel eene
overeenkomst, die buiten den wissel staat en
wij pactum de cambiando noemden, vooraf
quot;^oet gaan aan het trekken zelf; voorts dat het
Verschil tusschen den gewonen wissel en den
dissel voor rekening van een\' derde alleen
^igtbaar is in de handelingen, uit dat pactum
voortvloeijende, en dat er dus nooit wisselactien
tusschen de verschillende personen uit den wissel,
den derde voor wiens rekening is getrokken,
kunnen bestaan. De trekker alleen verbindt zich
^it den wissel. Maar aan wien? Aan den remit-
tent d. i, aan den eersten nemer, die door den
trekker met name wordt aangewezen en aan de
Eerdere houders. Maar aan den betrokkene of, zoo
deze heeft geaccepteerd, aan den acceptantver-
^iudt de trekker zich niet. Dit zegt ook Pothier,
\'^^aité du Contrat de Change, blz. 259 nquot;. 105: ~
quot; ^ par la lettre je déclare à celui sur qui elle
tirée, que c\'est pour le compte de Jacques,
quot;Quelle est tirée, et que c\'est par lui qu\'il en
„sera remboursé, je ne contracte par cette lettre,
„envers le banquier qui l\'accepte purement et
„simplement, aucune obligation de remettre les
„fonds au banquier. La loi portée par la lettre
„de change étant qu\'elle est tirée pour le compte
„de Jacques et que c\'est par Jacques qu\'il en sera
„remboursé, le banquier, en acceptant la lettre
„purement et simplement, suit la foi de Jacques,
„pour le compte duquel elle est tirée; et il ne
„peut m\'en demander les fonds sur le prétexte
„qu\'ils ne lui auraient pas été remis par Jacques,
„et que Jacques aurait fait depuis banqueroute.quot;
Jegens dezen is alleen de derde, krachtens eene
buitenwisselregtelijke obligatio, verbonden. In
den adviesbrief toch heeft de trekker gezegd,
dat hij trekken zal, niet voor zijne rekening,
maar voor die van een\' derden, in den brief
aangewezen, persoon. Onze wet bepaalt dan ook
uitdrukkelijk, dat de trekker niet aan den ac-
ceptant of betrokkene verbonden is. In art. 115
van den Code de Commerce was dit minder
1)nbsp;Zie hierover ook Savary II Parere 12.
2)nbsp;Art. 141 W. V. K. Indien de wisselbrief voor rekening
van eenen derde is getrokken, is deze alleen daarvoor aan
den acceptant verbonden.
duidelijk gezegd, zoodat er eenige onzekerheid^)
bestond, hoever de verantwoordelijkheid van
trekker zich uitstrekte, in geval de wissel-
brief voor rekening van eenen derde was ge-
trokken. Daarom is bij de wet van 19 Maart
het bedoelde art. van den Code gewijzigd,
de verantwoordelijkheid van den trekker,
in dat geval beperkt, tot de endossanten en den
^^^der des wissels. Volgens het Engelsche
isselregt kan de trekker voor rekening van
derde zich van alle verantwoordelijkheid
ontslaan, zoo hij slechts in den wisselbrief ver-
^ ^ j dat hij voor derde rekening getrokken
derde persoon, voor wiens rekening is ge-
^^rokken, is niet aan den nemer of order verbon-
^^ zegt onze wet in art. 200 W. v. K.:
® houder van eenen geprotesteerden wissel-
quot; rie heeft mede eene regtsvordering tot ver-
quot;öOeding tegen derden, voor wier rekening de
quot;^^isselbrief is getrokken, indien dezelve de
Koophandel met aanteekeningen 2e druk
^ A. J. Zuijji^ jjgj. Nederlandsche wisselregt blz. 46.
„waarde daarvoor genoten hebben.quot; Maar hier
doet zich weer het zelfde geval voor als boven.
Die actie is geene wisselactie; daarom werd dan
ook in art. 100 van het ontwerp van 1825 ge-
zegd : „De houder van eenen wisselbrief heeft
„eene ondergeschikte vordering tot vergoeding
„tegen derden, voor wier rekening de wissel-
„brief getrokken isquot; enz. Toen bij het ontwerp
van 1832 de tegenwoordige redactie werd voor-
gesteld: „mede eene regtsyordering totquot;, maakte
de 4\'\'® afdeeling er teregt opmerkzaam op, dat
hier alleen van eene subsidiaire regtsvordering
sprake was, daar die gerigt was tegen iemand,
die buiten den wissel stond. De heer Kist
beweert dat die actie haren grond vindt in een
begrip van billijkheid „tenzijquot; (voegt hij er bij)
„men ook hier eene toepassing van den regel
„neminem cmn damno alterius locupletioreni
„fieri oportet,quot; wil aannemen.quot; En voorzeker
is het onbillijk, dat de derde, de waarde des
wissels ontvangen hebbende, die zou behouden.
1)nbsp;Nederl. Wisselregt van Mr, A. J. Zubli, blz. 376.
2)nbsp;Geschiedenis en beginselen der Nederl. wetboeken van
Mr. J. C. Voorduin, VIII blz. 705.
3)nbsp;Handelspapier, blz. 203.
m
terwijl de houder de betaalde waarde
ten verliezen. Maar het is ook even onbillijk,
^at de derde, die fonds bij den acceptant heeft
bezorgd, wanneer deze komt te failleren, het
fonds zou verliezen en bovendien den wissel
zon moeten vergoeden, d. i. wisselsom, kosten,
iiiteressen, enz. betalen.
I^ij de verschillende betrekkingen tusschen de
personen uit den wissel, zijn er maar twee pun-
ten van verschil tusschen den gewonen wissel en
dien voor rekening van eenen derde op te merken.
^e eerste is de betrekking die er bestaat tus-
sehen den trekker, en dengenen voor wiens re-
kening bij trekt. Het is natuurlijk dat die bij
gewonen wissel niet bestaat. En welke is
nu die betrekking? Eenvoudig die van last-
gevingnbsp;^erde persoon is lastgever tegen-
®ver den trekker, die lasthebber is. Hunne regts-
^trekking zal dan ook geheel door het Burgerlijk
quot;^«tboek, art. 1829—1857, beheerscht worden.
„Der Trassant (zegt Dr. Kletke, Encyclopädie
gesammten Europäischen Wechselrechts)
Volkmar und Loewy, die Deutsche Wechsel-Ordnung
I Mz. 539.
zou moe-
steht hier zu jenem Dritten in dem Verhältniss
eines Beauftragten oder Geschäftsbesorgers, in
die Wechselverbindlichkeit ist er aber persönlich
eingetreten, wenngleich er auch des Namens des
Auftraggebers Erwähnung thut u. s. w.
Het schijnt dat er in vroegeren tijd veel mis-
bruik werd gemaakt van deze sooirt van wissels,
als men nagaat, dat Phoonsen in zijn „wisselstijl
tot Amsterdamquot; I blz. 174, zich volgender wijze
uitlaat: „Het zoude een zake van bijzondere
„nuttigheid zijn, soo wanneer een Notaris Comptoir
„in de Wisselbank opgeregt, ende bij haar Ed.
„Groot Agtbaarheden geordonneert en gewille-
„keurt wierd, dat alle de procuratiën, waarbij
„iemant gevolmagtigt wierd, om op den naam,
„en voor of van wegen den Constituant, te
„mogen negotieren, en wissel trekken of accepte-
„ren, voor de Notarissen van de Wisselbank
„zoude moeten verleden, ofte elders, bij een
„ander Notaris verleden zijnde, aldaar geregistreert,
„ende weder ingetrokken of geannulleert moeten
„werden: welke ordre strekken zoude tot een
„groote securiteit en gerustheid, bijzonder voor
„dengeenen, die met de geconstitueerde ne-
„gotieert als dewelke hem alleen zouden hoe-
jj\'^\'en te vervoegen ten Comptoire voornoemt,
onderstaan hoe de procuratie leidt en luidt,
\'j^n of dezelve verjaart of ingetrokken is, of niet;
quot;insgelijcks zoude aldaar t\' allen tijden können
\'jConsteren wat procuratie den geconstitueerde
quot;gehad heeft, en wanneer dezelve door den
quot;Constituant weder ingetrocken is.quot;
I^e tweede is de betrekking tusschen den ac-
^eptant en den trekker. Bij den gewonen wis-
toch, moet de trekker fonds bezorgen bij den
\'^^ceptant, en dat is bij onzen wissel de pligt
^an den derden persoon. Die derde persoon
blijft persoonlijk verantwoordelijk jegens
\'^en acceptant: de trekker daarentegen jegens
nemer en de verdere endossanten, dus ook
jegens den laatsten houder.
I^e Heer Kist vraagt of, „een derde, voor wiens
quot;ïekening getrokken is, bij non betaling des wis-
de actie, die bij art. 148 W. v. K. aan
quot;den trekker van eenen geaccepteerden wissel
quot;gegeven wordt, heeft, wanneer hij verpligt is
^ Vgl. Volkmar und Loewy t. a. p.
blznbsp;Brauer, die allgemeine Deutsche Wechselordnung
Handelspapier, blz. 204.
-ocr page 82-„geworden den wissel wegens non betaling des
„acceptants in te trekkenquot;.
Die vraag wordt veelal om twee redenen toe-
stemmend beantwoord 1quot;. omdat hier niet de
trekker, maar de derde fonds heeft bezorgd, en
dus hij alleen de man is, die verantwoording
van het den acceptant verstrekte fonds vragen
kan, 2°. omdat, wanneer art. 141 zegt: dat bij
wissels voor rekening van derde, die derde al-
leen voor den wissel aan den acceptant is ver-
bonden , men daaruit ook mag opmaken, dat dan
ook de acceptant aan den derden zal verbonden
zijn en niet aan den trekker.
De Heer Kist is echter van een ander gevoe-
len, en gelooft niet, dat de derde in bovengenoemd
geval de actie van art. 148 zal hebben. Hij
redeneert aldus: (blz. 205) 1quot;. „Art. 148 geeft
„de actie alleen aan den trehher en spreekt niet
„van den derde, voor wiens rekening getrokken
„is. Heeft de trekker zelf geen fonds bezorgd,
„dan zal hij dat ook niet van den acceptant
„kunnen vorderen; hij behoudt dan evenwel zijne
„actie tot vergoeding der schade, die hij door
„de nonbetaling des acceptants geleden heeft.
„De derde, die fonds bezorgd heeft, zal dat bij
jjgewoiie actie van den acceptant kunnen terug-
vorderen. 2quot;. Art. 114, al. 3, geeft aan den trek-
\')ker van eenen wissel voor rekening van een
\'4erde eene actie tot schadevergoeding, tegen
.dengenen die de acceptatie beloofd heeft. Te
jjeerder zal dus de trekker eene actie hebben tot
^schadevergoeding tegen den acceptant, die zich
\'jtot de betaling wisselregtelijk verbonden had.quot;
Op
grond hiervan komt hij tot het resultaat,
dat beiden (trekker en derde) eene actie hebben
tegen den acceptant, maar dat die acties ver-
^ehillen. De trekker zal namelijk de actie van
148 hebben, en de derde, voor wiens rekening
getrokken, eene actio mandati, op grond van
^ijne overeenkomst met den acceptant aangegaan.
De Heer Kist erkent dus, dat er tusschen die
^^Vee acties verschil bestaat, en toch leert hij
\'^P eene andere plaats, dat de actie van art.
W. V. K. niet anders is dan „eene actio
^\'lüandati directa, waarmede de mandans ver-
\'.antwoording vraagt van den mandatarius, om-
\'^trent de volvoering van zijnen last.quot;
spreekt zich dus blijkbaar tegen. Mijns
Handelspapier, blz. 108.
-ocr page 84-inziens moet men aannemen, dat én de trekker
én de derde, voor wiens rekening getrokken is
eene actio mandati hebben, en daar de actio van
art. 148 W. v. K. niet anders is dan zulk eene
actio, meen ik, dat zij beide daarvan gebruik
kunnen maken.
Eene andere gewigtige vraag komt voor bij
art. 122 W. v. K., bij de interventie namelijk.
AL 1 van dat artikel zegt, dat zich verschei-
dene personen tot de acceptatie ter eere kunnen
aanmelden, terwijl de wet zelf de voorkeur
regelt van den een boven den ander, zoo er
zich meer personen gelijktijdig aanmelden. In
de eerste plaats noemt zij als zoodanig „zij
„die den wissel accepteren ter eere van den
„trekker, of van dengenen voor wiens rekening
„dezelve getrokken is.quot; Wie van deze beiden
heeft nu de voorkeur? De wet gaat, bij de
interventie, blijkbaar van het beginsel uit, dat
hij den voorrang behoort te hebben, door wiens
interventie de meeste wisselschuldenaren bevrijd
worden. Volgens dat beginsel nu is het rationeel,
zoo als de Amsterdamsche advocaten zeggen,
-1) Wetboek -van Koophandel met aanteekeningen, art. 122
blz. 67.
dat de interventie voor den persoon voor wiens
rekening getrokken is, vóórgaat boven die voor
^en trekker, omdat in het laatste geval er nog
^^tijd eene regtsvordering overblijft van den trek-
tegen den derde, terwijl, wanneer voorden
^erde betaald is, de wisselschuld geheel is te niet
gegaan. De Amst. advocaten willen die twee
personen dan ook niet onder hetzelfde n^ gebragt
hebben, zoo als onze wet dat doet.
I^e Heer Kist komt hier tegen op. Te regt
^erkt hij op, dat de betrekking tusschen den
•^^^de, voor wiens rekening is getrokken, en den
^reicker buiten den wissel ligt, dus ook niet tot
eene wisselactie aanleiding kan geven, en er
^ien ten gevolge evenveel wisselschuldenaars
borden bevrijd, of men intervenieert voor den
of voor den trekker,
^rof. Holtius is weer van een geheel ander
bevoelen, en zegt, dat men „dengenen voor wiens
getrokken is hier, oneigenlijk nemen
\'jttioet voor dengenen op wiens order, denprin-
quot;^ipalen waren trekker, die dat door een ander,
Handelspapier, blz. 429.
quot;Voorlezingen over Handels- en Zeeregt, I blz. 334.
) Cf. art. 444 W. v. K.
„zijnen lasthebber, gedaan heeft, en in wiens
,,naam getrokken isquot;. Met dit laatste gevoelen
ben ik het geheel niet eens. Er bestaat geene
reden om te ontkennen dat de wetgever in art.
122 aan den derde van art. 101c gedacht
heeft. Hij had van dien derde, zoowel hier, als
in art. 101 kunnen zwijgen, maar nu hij den
wissel voor rekening van derde opzettelijk be-
handeld heeft, heeft hij zich volstrekt aan geene
onjuistheid schuldig gemaakt, door in ons artikel
dien derde met den trekker onder een nquot; zamen
te vatten. Met Kist geloof ik, dat het onjuist
zou zijn geweest, de interventie voor den derde
voor wiens rekening getrokken was, te doen
voorgaan aan die voor den trekker.
Alvorens mijne korte beschouwing af te bre-
ken, moet ik nog met een woord melding ma-
ken van de uitdrukking: „en stelt het op rekening
„van JSf.Nquot; die zeer dikwijls in wissels wordt
gevonden. Hiermede wordt volstrekt niet
gezegd, dat die wissel voor rekening van een\'
derde getrokken is. Immers er blijkt geenszins
uit, dat die N.N. den trekker last heeft gegeven
1) Holtius, Voorlezingen over Handels- en Zeeregt, I blz. 276,
-ocr page 87-voor hem eenen wisselbrief te trekken,
^aar de clausule strekt alleen tot narigt aan
den betrokkene, dat hij de vergoeding niet te
Verwachten heeft van den trekker, maar van
door dezen aangewezen N.N.
1) Chitty, Practical Treatise on bills of exchange, blz. 98.
-ocr page 88-. tiâîîîîoïi hhdïr\'-.üiw iftnoö ro^il -rrvov, mo
-gt;3 iöhi ^,Jî!b3o«\'i9V \'jh iff! ti;b .yfioiic \'ior!
iijsv \'fßjäOT Ç\'foïïi\'j\'ü £V)bnbsp;j\'taurf noiiloir//^«»/
.M.M. n.\'Wwyv^nßR iiös\'jb \'foob ii\'jb
.80 .SÎU ,nbsp;\'.\'ffjH itc. n^to\'t\'] irnik\'/.iT: .vUitl \' {1
m ■
fi^-.
. ,, _
■ ■/ _ , /\'«i .nbsp;.nbsp;.
e J
-ocr page 89-Ä (] . . . .
acquisitaonem dominii nova specie facta,
\'\'\'\'\'\' requiritur bona fides.
Possessio mercium, in horreis conditarum,
^avibus traditis, tradi potest, licet claves apud
^«^ï-ea traditae non sint.
jus^^nbsp;longo tempore capi possit, nec
® titulns, nec scientia domini praedii ser-
^^^«tis requiritur.
De beschrijving, volgens art. 533 B. W. op
te maken, behoeft niet notarieel te zijn.
Art. 501 B. W. is ook toepasselijk op han-
delingen, door iemand die van zijne krankzin-
nigheid genezen, tijdens zijne krankzinnigheid
verrigt, èn wiens curatele niet was gevraagd.
De grondeigenaar heeft gedurende de er^acht
geen regt tot de gewone houtvelling.
De beleedigde partij, die zich in het straf-
geding tegen eene getrouwde vrouw voegt,
moet den man oproepen, om haar te magtigen.
De aanneming van een reçu, stelt eene overeen-
komst daar, ten aanzien van de daarop vermelde
voorwaarden.
e minderjarige, die zonder handligting ver-
egen te hebben of de getrouwde vrouw, die
ronder toestemming van haren man, handeldrijft
^^ ophoudt te betalen, kan worden failliet ver-
klaard.
^ uitenlandsche naamlooze vennootschappen zijn
^evoegd hier in regten op te treden, zonder de
•®^illiging des Konings verkregen te hebben.
de^lnbsp;kan na het faillissement van
betrokkene nog geëndosseerd worden.
do^r^nbsp;^^^ het cognoscement, wordt niet
kr
•goeLr^^^^^quot;^^quot;^ possessorium, eigenaar van de
Bii
y .toewijzing der conclusiën des eischers tot
-ocr page 92-verklaring van vermoedelijk overlijden, zijn de
kosten voor diens rekening.
XIV.
Het ware te wenschen dat, bij de ontbinding
der Eerste Kamer der Staten-Generaal, tevens
de Provinciale Staten werden ontbonden.
Art. 401 en 405 C. P. zijn niet toepasselijk
op hem, die valsch speelt.
Poging tot omkoóping van getuigen, is niet
strafbaar.
Ontslag onder borgtogt is wenschelijk.
XVHI.
Bij niet verschijning ten dage dienende, van
den beklaagde, behoort de regter, die weet dat
de termijn van art. 225 Wetboek van Strafvor-
^^i\'ing niet is in acht genomen, de zaak uit te
stellen.
^ok in (Je huishouding van den Staat is niet
flli
wat het volstrekt noodzakelijke te boven
^aat •
J op zich zelf ongeoorloofde weelde te noemen.
. toepassing van het beginsel van cooperation
groote fabriekondernemingen af te keuren.
Het monopolie van de banken van leening is
te keuren.
»J ^fjijix . ^■•Miîoii\'.ï\'g -Sih^:. ift ej-.iäin -iy-jmb
Mv i • - ■nbsp;.i^liV-TÄ
Samp;m iii fîuûS mh lißV i^nrbumlèlüd él) ai ioO
.ffööfëoii dj-dfiitrm-aiaoorjoo-jj^tro\'daj^iioiic qo ,
■i- y
Sc-.,
\'.-y-ä
.....
lit •
■•fï-.-;-;.: ■