(lm Kampf urn die Weltanschauung.)
QZaaz. fvct J£oo(j,3ultacfv
i
B. oct.
il.itvï~
(lm Kaïnpf um die Weltanschauung.)
Naar het ^ïoogduitsch
door
ARNHEM. — YBE YBES. / M :;
\\ Ü \'ft
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
1757 6525
Gedrukt bij De Erven Loosjes, te Haarlem.
Hierbij bied ik mijnen landgenooten, ik mag wel zeggen naar veler uitgedrukten wensch, eene vertaling aan van quot;lm Kampf um die Weltanschauungquot;, het door den Badenschen predikant Wimmer geschreven boekje, dat in Duitschland reeds eenige uitgaven beleefde en ook ten onzent zoo veler aandacht trok.
Een oogenblik heb ik er aan gedacht of misschien eene bewerking van het oorspronkelijke, die dan eene gedeeltelijke omwerking zou insluiten, de voorkeur verdiende boven eene vertaling. Er komen bladzijden in voor, waarvan men zou kunnen beweren dat ze eenigszins quot;duitschquot; gezegd en «-duitschquot; gedacht zijn. Maar spoedig kwam ik er van terug, omdat daardoor allicht het persoonlijk karakter van het boekje zou verloren gaan, dat er juist de groote aantrekkelijkheid van uitmaakt.
Hier is een man aan het woord, die uitdrukking geeft aan wat hij zelf gevoeld en gedacht en doorleefd heeft. Dié vol-
II
komen eerlijk, zoowel aan de eischen van het denken als aan die van het gemoed recht wil laten weervaren. Die zich niet voordoet, als had hij een antwoord op vragen, die hem vragen zijn gebleven, en zijne beschouwing van de wereld en het leven niet als voor allen geldende wijsheid geeft. De bladzijden, waarin hij uiteenzet, dat de religieuse overtuigingen noodzakelijk van subjectieven aard zijn en de wereld en het leven alleen verklaard worden bij het licht, in \'s menschen gemoed ontstoken, zijn almee de schoonste van dit kostelijk boekske.
Een kostelijk boekske noem ik het; niet, omdat het in alle opzichten zou geven, wat het kind dezer eeuw, ook binnen den kring der hier behandelde onderwerpen zou kunnen wen-schen of behoeven; maar omdat het op iedere bladzijde van zulk een onomkoopbaren waarheidszin, van zulk een vroom gemoed getuigt, en op zulk een eenvoudigen, warmen toon tot den lezer spreekt. Het dwingt tot nadenken en leert juist te gevoelen. Mij is de vertaling er van een genot geweest, en lt;le arbeid daaraan besteed kome velen ten goede
J. VAN LOENEN MARTINET.
I.
Men had mij geleerd, dat de imenschen zonder godsdienst altijd slecht waren, — want alleen vroomheid maakte den mensch goed. Maar de werkelijkheid toonde mij iets anders. Ik leerde menschen kennen, wier wandel onberispelijk was, die getrouw hun plicht vervulden en voor anderer geluk zich opofferden, maar die er openlijk voor uitkwamen, dat zij niet aan het bestaan van een God konden gelooven. En anderen leerde ik kennen, die niet slechts vrome woorden spraken, maar doorgaans den indruk maakten, dat er vrome gevoelens in hen leefden, en die toch aan menig zeer groot raenschelijk zwak leden, ja opvallender wijze in strijd met hunne woorden handelden. Dat bracht mij in verwarring en riep velerlei gedachten in mij wakker.
Ik vroeg mijzelven af: waarom doen deze onge-loovigen het goede? Misschien wijl het, wanneer men de zaak goed beziet, het voordeeligste is, wat de mensch doen kan. Wie ordelijk leeft brengt het in de wereld allicht het verst; hem blijven de droeve gevolgen der ondeugd bespaard; hij verheugt zich in een goeden naam en bouwt zich zijn eigen geluk op.
Maar ik bespeurde, dat dit antwoord toch niet voldoende was. Ik nam hoogere beweegredenen waar; ik zag voorbeelden eener zelfverloochening, waarbij elke zucht naar uitwendig voordeel was uitgesloten, en ik zag mij gedwongen, aan te nemen, dat aan de edele daden werkelijk liefde tot het goede ten grondslag lag. Er was een krachtige drang, om aan het goede te gehoorzamen, een levendig plichtbesef, reine zin en goedheid des harten zonder eenige zelfzuchtige bijgedachte. Moest ik mijne oogen voor deze feiten sluiten, omdat zij met eene opgevatte meening in tegenspraak waren ? Ik deed het niet; ik had ze juist tot een voorwerp van mijn onderzoek gemaakt, om de waarheid op het spoor te komen.
Vergeleek ik nu deze godsdienstlooze en zedelijk goede menschen met menigen vrome, dien ik kende en wiens zedelijke zin niets te wenschen overliet, dan moest ik toestemmen, dat de laatste wat zijn zedelijke waarde betrof op de eersten niets vooruit had. Ja, wanneer ik de beweeggronden toetste, die beiden tot
het goede brachten, dan kwam het mij voor, dat eenvoudige gewetenstrouw, zonder eenige bijgedachte, hooger stond dan de roem op eenigen voorrang bij God en de hoop op een hemelsch loon, waarmede de vromen hunne gerechtigheid verbinden. In elk geval hield ik als slotsom mijner beschouwingen over: er is ware zedelijkheid ook zonder godsdienst.
II.
Nu begon ik te twijfelen, of de godsdienst wel noodwendig, en dus ook, of zij wel waarheid was. Ik plaatste mijzelven voor de vraag; kunt gij hem missen ?
Ik stelde mijzelven op de proef, of wellicht, wat ik als mijn godsdienstig leven beschouwde, enkel iets aangeleerds of overgeërfds was; een liefelijke herinnering uit mijne jeugd, een vriendelijke nagalm uit mijn ouderlijk huis, onder welks bekoring ik nog steeds gevangen bleef. Maar ik bevond, dat mijn geloof veel meer nog dan weleer, aan de levendigste behoeften van mijn innerlijk leven, zooals het mij thans eigen was, beantwoordde, en dat het verlies er van aan mijn geestesleven de wortels zou doorsnijden.
Ik heb het getuigenis van mijn geweten, dat mijne liefde tot het goede en mijn streven naar volmaking
van alle zelfzuchtige overweging vrij is; dat ik van alle roem afkeerig ben en dat de gedachte aan eenig loon geen vat op mij heeft. Maar ik kan met mijn bewustzijn niet in de lucht zweven; ik moet aan den stam verbonden blijven, waaraan ik onsproten ben: mijn geest voelt zich geworteld in den eeuwigen Geest.
Ik wensch mijzelven te begrijpen; het voorgevoel eener eeuwige waarheid verheft zich in mijn binnenste, en dat kan ik niet onderdrukken en ik kan niet als in een droom voortleven. Ik moet weten, waarom ik het goede liefheb en naar volkomenheid streef, opdat ik het doe, terwijl het mij zeiven helder en klaar is dat ik het doe, en ik mijzelven geen raadsel blijve. En dan vind ik nergens een antwoord dan in het geloof aan den oorsprong en de volheid van alle leven, den levenden God.
De wereld, waarin ik leef, maakt een overweldigenden indruk op mijn gevoel en vervult mij meteen eerbiedigen schroom voor het oneindige. Zal ik mij door haar laten te pletter drukken en verzinken in mijn eigen nietigheid? Of zal ik mij met driesten zin op eenzame hoogten plaatsen en uitroepen: ik sta boven alles, want ik ben begaafd met rede en vrijheid? Ik kan het niet; ik moet aanbidden; tegenover het Oneindige voel ik mij klein en vol deemoed, en tegelijkertijd voel ik mij er aan verwant, leven uit eeuwig Leven.
Ik moet liefhebbeu; niet slechts een of ander enkel wezen liefdevol naderen, maar mijn gansche hart wil ik geven, volkomen en onverdeeld, met al wat ik ben mij vasthechten aan het Wezen, dat alles in alles is.
Ik moet danken; er mij van bewust zijn, dat ik heel mijn bestaan als een gave heb ontvangen; vóór alles ongestoord mij verheugen in het bezit van mijn innerlijk leven, terwijl het zich keert naar de bron waaruit het ontsprongen is.
Ik moet vertrouwen. Ik moet weten dat ik bemind word. Ik moet de zekerheid hebben, dat mijn heiligst streven en mijn vurigst verlangen geen zelfbedrog is, geen uitstrekken van de hand mijnerzijds alleen, maar dat de hand die ik zoek, mij tegemoet komt, de Geest, waarvoor mijne ziel zich opent, zich tot mij nederbuigt en met mij in verbinding treedt.
Ik kan mijzelven niet vrijspreken van mijne zonden, want ik heb niet enkel tegen mijzelven gezondigd, maar tegen eene eeuwige wet, boven mij. Daar waar deze wet haren oorsprong heeft moet ik mijn vrede zoeken, moet mijn onrustig hart zijn stilte, moeten mijne wonden genezing vinden.
Kortom, ik moet leven. Zonder godsdienst kan ik niet leven.
III.
Ik doorvorschte de geschiedenis en bevond dat alle volkeren er behoefte aan hebben gevoeld, om hun eindig bestaan met het Oneindige Zijn in verbinding te brengen, en dat deze behoefte de oorzaak van alle verschijnselen op het gebied des godsdienstigen levens is.
Wel vertoonen deze verschijnselen groote verscheidenheid, en velen hebben daarin het bewijs willen vinden, dat zij op zelfbedrog rusten. De natuurvolkeren, wier gedachten zich niet boven de zichtbare wereld verhieven en wier wenschen niet verder gingen dan de bevrediging hunner zinnelijke natuur, zagen in hunne goden enkel hoogere natuurwezens, en zochten hij hen niet meer dan met hun eigen wenschen overeenkwam. De beschaafde volkeren, in wier midden het gemeenschapsleven zich ontwikkeld had en die de zegeningen en eischen van het maatschappelijk leven hadden leeren kennen, dachten zich de hemel-sche wezens ook als scheppers en bewakers der zedelijke orde en van de beschaving, en verwachtten van hen beveiliging en bevordering niet slechts van hunne zinnelijke maar ook van hunne geestelijke goederen. Waar echter dat geestelijk leven zich tot algeheele
zelfstandigheid had ontwikkeld en de mensch daarin zijn eigenlijke en ware wezen had leeren kennen, daar hief hij vol verlangen den blik op naar den God, die geest is, en begeerde hij zich in het binnenste van zijn gemoed met hem te vereenigen, om zoo tot innerlijke volkomenheid, tot het ware, volle leven te geraken.
Zoo hing de inhoud van het religieuse leven af van het geestelijk standpunt van een volk of eenen tijd. Maar de behoefte blijft zichzelve overal gelijk; zij strekt zich uit naar vereeniging van het eindige zijn met het oneindige, ten einde het veiligheid te verzekeren en tot ontwikkeling te brengen. Alle godsdienstige verschijnselen vinden in die behoefte den grond voor hun ontstaan en door heel de geschiedenis heen is zij als een wezenlijk bestanddeel der menschelijke natuur aan te wijzen.
IV.
Hetzelfde verschil, wat de uiting van het religieuse leven betreft, die de geschiedenis bij volkeren en tijden te zien geeft, leerde ik ook in mijne omgeving bij den enkelen mensch kennen.
Onder hen, die geacht worden hetzelfde geloof te
bezitten en zichzelven voor geloofsgenooten houden, die dezelfde woorden spreken en een gelijken vorm van godsvereering hebben, nam ik een zeer verschillenden geest waar. Daar zijn er onder hen, die God zoeken om zijnszelfs wil, orndat zij er naar verlangen, met hem één te zijn, volkomen te worden, en innerlijk gelukkig te zijn. Anderen houden zich alleen met hem op, om door zijn macht zich voor uiterlijke schade te vrijwaren en zich uitwendig geluk te verzekeren.
Daarom is hij voor genen wezenlijk de bron des geestelijken levens, voor dezen alleen de almachtige Heer der zichtbare wereld. De eersten zijn oprecht voor hem, streven naar volkomen gerechtigheid en reinheid van hart en wandel, zijn daardoor van hunne onvolkomenheid zich voortdurend bewust, roemen niet in eigen verdienste, vinden het loon der liefde in haar zelve, vragen om niets dan om genade, en nemen \'s levens smarten als middelen ter loutering en opvoeding aan. De laatsten dienen God uit vrees voor zinnelijke straf of in afwachting van zinnelijk loon, bieden hem gaven aan van uitwendigen aard, waaraan het hart vreemd is, om ter vergoeding daarvan uitwendige gaven terug te ontvangen ; verlaten zich op hun vroomheid, die toch met de grootste ondeugden samengaat, raken het spoor bijster, als het ongeluk komt, en vinden hoogstens troost in de hoop op toekomstige vergelding.
Deze tegenstellingen trof ik in allerlei verschillende
— II —
vormen en trappen aan, van de vroomheid die een zedelijk rein karakter draagt tot de ruwste zelfzucht in godsdienstig gewaad, en dikwijls zoozeer in elkaar vervloeiend, dat de grenzen nauwelijks te trekken waren. Doch, ze mogen moeilijk of gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn, en hoe verschillend haar uitingen mogen wezen, zij maken den eigenlijken inhoud van het religieuse leven uit en bepalen daarom het wezenlijk verschil dat er in valt waar te nemen, terwijl al het andere enkel verscheidenheid van vorm en voorstelling is.
Toen dacht ik er over na, waaruit dat verschil wel zou voortkomen, en ik kwam tot het inzicht, dat dit in de gezindheid, in de innerlijke, zedelijke gesteldheid gelegen is. De mensch zoekt in God, wat hem het hoogste en meest begeerlijke goed is. De goede mensch, d. i. hij, die de waardij van het goede heeft leeren kennen en van ganscher harte er naar streeft, ziet, als hij in religieuse stemming is, naar den hemel op, om in de gemeenschap met den Vader alles goeds tot innerlijke volkomenheid te geraken. De zinlijke mensch, d. i. hij die in zinnelijken welstand het toppunt zijner wenschen stelt, heft, als hij godsdienst bezit, den blik omhoog, om van den Heer der wereld vervulling zijner zinnelijke begeerten te ontvangen.
V.
Ik zag onzedelijke menschen, die toch een sterk sprekend godsdienstig leven aan den dag legden. Ik dacht: dat zal niet anders dan huichelarij zijn, niet dan een nadoen van anderen of een welberekend spel om eer en voordeel te behalen. Toen ik echter nauwkeuriger waarnam, vond ik iets anders, en ik kan niet loochenen, dat somtijds eene werkelijk religieuse behoefte, een hartstochtelijk en gloeiend verlangen, om als weg te zinken in de diepten der oneindigheid er aan ten grondslag lag. Zij vonden inderdaad in gebed en stichtelijke overdenking eene innerlijke bevrediging en dorstten er naar, om met hun zondebe-wustzijn gansch en al te verzinken in de goddelijke genade. Toch misten zij allen zedelijken ernst. Zij haatten de zonde niet en spanden zich daarom ook niet in, om haar te boven te komen. Zij waren ten eenenmale verlengend en lieten zich door lage en gemeene beweegredenen leiden. Zij waren in staat hartstochtelijk te bidden, daarna een misdaad te begaan, en weder in stichtelijke overdenking als weg te smelten.
Ik vroeg mij af: hoe is dat te verklaren? Dezulken zoeken toch niets, wat hun zinnelijken welstand betreft, bij God; zij verlangen naar hemzelven, en toch zijn ze geen goede menschen. Toch zag ik er hun
— *3 —
godsdienstigheid eens nauwkeurig op aan, en ik bespeurde dat zij eigenlijk zelf niet anders dan een gevoel van zinnelijk welbehagen was. Zij bestaat in eene opgewektheid des gevoels, die groote overeenkomst met den wellust heeft en heeft daarom, als deze, een het zedelijk leven ontzenuwende uitwerking. Hun hartstocht staat niet hooger dan die slechte hartstocht, en roept dezelfde kracht in het leven, niet eene kracht ten goede, doch eene ten kwade. Hun godsdienst is dus, wat zijn innerlijk wezen betreft, niet anders dan de godsdienst van hen, die God om der wille van uiterlijke goederen dienen, en heeft met zedelijk-reine vroomheid niets gemeen.
Zoo kwam ik tot het inzicht, dat er, evenals men zedelijk-goed kan wezen, zonder godsdienst te bezitten, ook een godsdienst is die buiten het zedelijk-goede omgaat.
VI.
Bij dergelijke ervaringen kwam het mij bijkans voor, dat de waardij van den godsdienst van twijfelachtigen aard was. Maar toen dacht ik aan u, gij reine, vrome zielen, die ik op mijn levensweg leerde kennen, en wien ik het beste, dat ik bezit, te danken heb.
1
— 14 —
Hoe dikwijls heb ik den indruk ontvangen van eene hoogere wijding, die op u rust; hoe dikwerf ook mij zeiven onder haar invloed boven mijzelven verheven gevoeld. Gij neemt het leven zoo ernstig op, en ook het kleinste dat u tot meerdere volkomenheid kan trekken, acht ge van gewicht; want alles heeft in uwe oogen eene eeuwige beteekenis en met al uw denken en uw doen staat ge voor het aangezicht van den heiligen God. En toch zijt ge ten allen tijde zoo blijmoedig en gelukkig, zoo vriendelijk en zacht, dat het onrustig gemoed in uwe nabijheid den adem des vredes speurt; want gij gevoelt u in harmonie, in de rechte betrekking met den Eene en Waarachtige, uwe zonden vergeven, zijn geest in uw gemoed.
Rijk zijt ge in armoede, ootmoedig in rijkdom; gebonden zijt gij vrij en gehoorzaam in vrijheid; meesters der wereld, terwijl gij u opoffert in dienst der liefde; want wijl ge God bezit, draagt ge het bewustzijn met u om, alles te bezitten, en wijl ge Hem vader noemt, zijt ge niemands dienstknecht. Gij voelt u zoo veilig op den weg, dien ge gaat, en hebt op de wereld zulk een helderen blik; gij weet u zoo gemakkelijk te voegen naar allerlei omstandigheden; zoo dankbaar zijt ge in vreugde en zoo geduldig draagt ge \'s levens last; want al het aardsche aanschouwt ge zooals het door \'s hemels licht is bestraald, en het tijdelijke aan het eeuwige verknocht.
- i5 —
Hier is eene volheid des levens, en wie haar eenmaal heeft aanschouwd en deze lucht heeft ingeademd, kan nergens anders bevrediging meer vinden. Wie hiervoor het vermogen der onderscheiding en der waardeering mist, zegge niet, dat hij de menschelijke natuur kent. Misschien heeft hij haar knop, doch niet haar bloesem gezien.
In elke knop sluimert een liefelijk geheim: zóó ook in den mensch, die goed is zonder religie. In zijn zedelijken arbeid is zijn geestelijk leven tot ontwikkeling gekomen, maar het heeft zich nog niet geopend voor de zonne, in wier koesterend licht het zich toch ontwikkeld heeft. Ook in hem leeft een voorgevoel van den Eeuwig-goede, die alles in alles is, en heel zijn innerlijk leven beweegt zich in de richting, die tot hem leidt, maar hemzelven heeft hij nog niet aanschouwd, en daarom verstaat hij ook zichzelven nog niet. Wel is de edele bloesemknop veel meer dan de onedele bloesem, en de edele bloesem kan zich alleen uit de edele knop ontplooien. Zoo staat ook een rijk ontwikkeld geestelijk leven zonder godsdienst verre boven den religieusen zin eener geraeene natuur. Doch het is nog niet tot vollen wasdom gekomen, en eerst in den godsdienst vindt het zijn volle ontplooiing.
— i6 —
VIL
Indien het zedelijk goede de knop en zedelijke vroomheid de bloesem is, dan moet zedelijkheid aan de religie voorafgaan. Leert ons echter een blik op het leven niet het tegendeel? Wij hebben toch van der jeugd aan het zedelijk goede als goddelijk gebod leeren kennen; de godsdienst was ons deleer-meester der zedelijkheid. En wij verlangen van de religie, dat zij den mensch goed make en een rechtschapen wandel zien wij als de vrucht van een echt geloof aan.
Ik trachtte daaromtrent tot klaarheid te komen en nam in aanmerking, dat dit alles van een historisch overgeleverde religie geldt. Hierbij is het dus niet de eigenlijke vraag, wat wij het eerst ontvangen hebben, maar wat bij het ontstaan der godsdiensten de eigenlijke grondslag is, waarop zij verrezen. Dan echter leert eene geschiedkundige beschouwing, dat elke vooruitgang en achteruitgang in de zedelijke ontwikkeling ook eene verandering in het religieuse leven te weeg bracht.
Alle godsdienstige vooruitgang is zeer zeker telkens door profetische persoonlijkheden in het leven geroepen. Doch wie waren dezen? Geesten in wien de
vooruitstrevende krachten van den tijd, waarin zij leefden, zich als zoovele stralen in één brandpunt vereenigden en het licht eener nieuwe godsdienstige gedachte ontstaken, waarbij alle vooruitstrevenden klaarheid omtrent zichzelven en een antwoord op hunne vragen ontvingen. Zonder dat zulk eene worsteling van zedelijke krachten in de menschheid voorafging, zijn deze persoonlijkheden niet te begrijpen.
Wel komt daarbij nog een geheimzinnig iets in hen zeiven, waardoor zij juist in staat werden gesteld, der zedelijke ontwikkeling in een nieuw religieus leven haar beslag te geven. Maar hoe men zich dit verklare moge, het is altijd de zedelijke groei, eene hoogere opvatting van het zedelijk-goede, wat èn aan het godsbegrip èn aan het leven der vroomheid zelve den nieuwen inhoud geeft.
Van de vereering der natuurgoden tot de aanbidding van zedelijke godheden kon alleen vernieuwing en hervorming van het zedelijk leven den weg banen. Want hoe zou de gedachte aan den Oorsprong en Handhaver van het zedelijk goede hebben kunnen opkomen, indien dit zelf nog onbekend ware geweest?
En hoe is de vooruitgang denkbaar van de voorstelling van godheden, die alleen maar enkele zijden van het goede vertegenwoordigen, tot het begrip van den éénen, volkomenen, heiligen God, indien niet de mensch, doordat hij bij voortgaande ontwikkeling het
— i8 —
goede in zijn samenhang leerde verstaan, zich gedrongen had gezien de bron er van dieper te zoeken ?
Zoo roept de religie niet het zedelijk leven te voorschijn, maar zij voert het tot den juisten samenhang met het oneindige en predikt het den volgenden geslachten, door woord en leven, als den wil des Allerhoogste.
VIII.
Wij hebben van der jeugd af het goede als Gods wil leeren kennen. Dat is een groot voorrecht; want daardoor staat het ons in zijn ware beteekenis en in al zijne heerlijkheid voor oogen. Het grootste deel der menschheid, het zoogenaamde volk, kan het in \'t algemeen slechts in dit licht zien, en met den godsdienst zou men het ook de zedelijkheid ontnemen.
Voor den zedelijk ontwikkelden mensch treedt het weliswaar ook in zijn eigen licht als schoon en beminnenswaardig op, maar ik prijs mijzelven gelukkig dat ik geleerd heb, het te aanschouwen in den glans die van den Eeuwige afstraalt. Want uit eigen ervaring kan ik verzekeren, dat het onder dit licht eene geheel nieuwe bekoorlijkheid en veel grooter levendigheid ontvangt, zoodat het machtiger invloed uit-
— 19 —
oefent op het gemoed en den wil, aangenomen dat dezelfde zedelijke ernst en eenzelfde zedelijk streven aanwezig is.
Zoo oefent de echte vroomheid een heilzamen, prikkelenden invloed op de zedelijkheid uit.
Maar ook omgekeerd. In den waren vrome komt ook elke wasdom van het zedelijke leven het reiigieuse ten goede. Want waarlijk geestelijke godsdienst kan niet door onderwijs aangeleerd worden, evenmin als echte, innerlijke zedelijkheid. Ik kan zeggen: God is goed en volkomen. Maar wat ik mij daarbij denk, hangt af van datgene wat ik in mijn zedelijk leven als het goede heb leeren kennen.
Men zou daartegen kunnen aanvoeren, dat dan ook de zondaar zich nooit tot God kan bekeeren. Nu, dat kan hij ook niet zoolang hij zich bij de zonde wel gevoelt, en dus in \'t algemeen zich van het zedelijk goede afkeert. Maar de zondaar, die om verlossing roept, heeft reeds een hooger zedelijk leven dan de zoogenaamde rechtvaardige, die met den schijn van het goede tevreden is. Want waarom voelt hij zich ellendig, indien niet, omdat zijn inwendig leven tot hooger ontwikkeling is geklommen, zoodat hij zich met verlangen naar een waarachtig goed uitstrekt ? Zoo heeft hij in waarheid hooger zedelijk leven dan gene, en denkt hij zich onder de volkomenheid Gods iets hoogers. Wij mogen ons door den schijn niet
2*
20
laten misleiden. De zedelijke waardij eens menschen is niet af te meten naar wat voor oogen is.
Hoe rijker het zedelijke leven zich ontplooit, des te dieper slaat het religieuse zijne wortelen. Hoe dieper het religieuse leven wortelt, des te grooter kracht voert het aan het zedelijke toe. Hoe ontplooit zich onder dien dubbelen en wederkeerigen invloed de volle menschelijke natuur!
en
I.
Velerlei bezwaren, die tegen het godsgeloof worden ingebracht, leerde ik bij nauwkeurige toetsing als nietig kennen ; op ééne echter moest ik telkens weder terugkomen. Men wees mij op de tegenstrijdigheid, waartoe dit geloof voert.
»Wij spreken van onveranderlijke natuurwetten, trachten in de wetenschap en in het dagelijksche leven daaruit alles te verklaren en zijn niet eerder tevreden, voor wij de natuurlijke oorzaken hebben gevonden. Hoe is dat te rijmen met de voorstelling van een vrijmachtig werkenden, alles besturenden God?quot;
»Wij noemen wat geschiedt goed of kwaad, al naar dat het onzen welstand bevorderlijk of schadelijk is; wij trachten het goede te verkrijgen en het kwade af te wenden en grijpen daartoe in den loop der natuur
in. Hoe is dat te rijmen met de gedachte, dat alles van God komt?quot;
»Wij houden het voor een voorrecht van een edel mensch, barmhartig te zijn en de wonden, die het lot ons slaat, naar onze beste krachten te heelen. Hoe is dat te rijmen met het geloof aan een barmhartig Vader, die de Bestuurder van ons lot is?quot;
Dit voerde men tegen mij aan, om mij er van te overtuigen, dat mij een waan bevangen hield. Ik zette er mij niet overheen, en geraakte, hoe meer ik er over peinsde, des te dieper in een warreling van tegenstrijdige gedachten, waaruit ik eerst na langen tijd een uitweg wist te vinden. AVant ik moest toestemmen, dat die tegenstrijdigheid tusschen mijne godsdienstige beschouwingen en mijne opvattingen en handelingen in het dagelijksch leven inderdaad bestond en reeds dikwijls door mij gevoeld was.
II.
Daar komt een onweder op. Wij weten, hoe het ontstaan is; wij verwonderen ons niet over donder en bliksem, over storm en regen, want wij weten hunne oorzaken en kennen de wetten, die hen in het leven roepen; en al kunnen wij in enkele gevallen nog niet zeggen welken loop het onweder nemen zal, wij zijn
— 25 -
er van overtuigd dat alle omstandigheden volgens vaste regelen en wetten samenwerken om het een bepaalden loop voor te schrijven, even zeker als bij optelling van een reeks van getallen, hoe dikwijls ze ook geschiede, maar ééne som mogelijk is. En toch zeggen wij, terwijl een eerbiedige schroom ons vervult : Hoe groot is de Heer in het onweder. Hij doet de wolken aanrukken en slingert de bliksemstralen en spreekt in den donder, en als het dorstige aardrijk naar verkwikking smacht, dan danken wij hem voor de gave van den verfrisschenden regen.
Hoe nu? Moet het onweer zijn weg gaan naar onveranderlijke wetten, of leidt God het naar zijn welgevallen en zou hij het ook anders kunnen leiden, dan hij doet? Moet het onder de eens voorhanden voorwaarden regenen, of kan God den regen ook terughouden ? Hier geldt enkel een besluit: óf het één, of het ander.
Het onweder krijgt een dreigend aanzien. Wij vreezen voor den rijken oogst, die op de velden rijpt, en bidden: Heer, wees ons genadig en verschoon ons. Maar de verwoestende hagel klettert neder; in korten tijd zijn alle schoone verwachtingen ten bodem geslagen en een gruwelijke verwoesting grijnst ons aan. Nu bidden wij niet meer om verschooning. Wij zeggen niet: Heer, Gij kunt doen, wat gij wilt; richt de geknakte halmen weder op en breng het verwoeste weder terecht.
20
Waarom niet? Indien God almachtig is, waarom kan hij eerst wel den hagel afleiden, eu daarna de gevolgen er van niet veranderen ? Is dat niet in tegenspraak met elkaar?
Iemand, dien velen liefhebben, worstelt op het ziekbed met den dood. De zijnen liggen op de knieën en roepen den Almachtige aan. Gij kunt alles doen, bidden zij, bij u is geen ding onmogelijk. Houd de ziekte tegen en spaar voor ons dat dierbare leven. Nu is hij gestorven, en treurend trachten zij het onvermijdelijke te dragen. Maar geen hunner, ook den meest geloovige niet, komt het in de gedachte. God om opwekking van den doode te bidden.
Is hier dan de almacht ten einde? Kan hij, bij wien alles mogelijk is, alleen den stervende weder gezond maken, den gestorvene echter niet? Niemand denkt er aan, en toch —hier is eene tegenstrijdigheid.
III.
Door deze overwegingen kwam ik tot de volgende slotsom.
Willen wij het geloof aan God niet laten varen, dan moeten wij ons de Almacht anders denken dan gewoonlijk geschiedt. Wij mogen datgene, wat op natuurlijken, regelmatigen weg plaats grijpt, en het god-
delijke werken niet tegenover elkaar stellen. In den grond moeten beiden hetzelfde zijn. Het moet volkomen hetzelfde zijn of ik zeg; God doet een onweer opkomen of; overeenkomstig de wet der natuur komt een onweder op. Maar dit kan niet anders beteekenen dan: God werkt door de natuurwet, de wet is zijn wil, en wat naar die wet geschiedt, is zijn werk.
Toen ik over deze slotsom mijner overwegingen mijne gedachten had laten gaan, bevond ik dat zij niet slechts door eene juiste redeneering maar ook door de vroomheid werd geëischt. Want, als de loop der natuur van de goddelijke werkzaamheid onderscheiden is, dan gaat hij naast deze voort en langs zijn eigen weg. Dan echter is God niet meer alles in alles. Wil men daarentegen eene dubbele goddelijke werkzaamheid aannemen, een natuurlijke en een bovennatuurlijke, dan mist onze voorstelling van het hoogste Wezen de eenheid; dan vertoont zij eene tweespalt, waarvan ons godsdienstig leven bij tallooze gelegenheden den schadelijken invloed ondervindt. Wij moeten dan telkens eene keuze doen tusschen God en de natuur, en wij kiezen dan God als noodhulp, wanneer wij meenen met de natuur niet te kunnen volstaan ; en het gevolg is, dat wij noch in de natuur ons te huis gevoelen, noch vollen vrede met den alles be-sturenden God hebben.
Het is onmogelijk, dat het onweder een anderen
— 28 -
loop neme dan het doet. Niet slechts de wetenschap, maar ook het geloof eischt dit. Want, indien God er aan veranderen kan, waarom doet hij het niet? Vroeger antwoordde ik: Hij wil het niet; en dat antwoord achtte ik afdoende. Doch zou hem iets mogelijk zijn, wat hij niet wil? Zou hij ook in strijd met zijnen wil kunnen handelen ? Is het niet in strijd met de vroomheid dit aan te nemen ?
Wij mogen dus met betrekking tot God niet spreken van eene mogelijkheid, welke niet tevens werkelijkheid is. God doet wat hij doet, en het is werkelijk onmogelijk, dat hij iets anders zou doen; onmogelijk zoowel van te voren als daarna. Zulk eene mogelijkheid is niets anders dan een spel onzer gedachten, waarmede wij God misschien meenen te eeren, doch het inderdaad volstrekt niet doen.
IV.
Ik stelde mijzelven de vraag: waarom spreken wij over datgene wat geschiedt op zoo verschillende wijze? Nu eens zeggen wij: het regent, dan weer: God geeft ons regen. Den éénen keer: de geneesmiddelen hebben den zieke geholpen; een andermaal; God heeft hem gezond gemaakt. Heden heet het: die of die
— 29 -
is gestorven; en morgen : God heeft hem opgeroepen. Is er in die verschillende manier van spreken niet iets verwarrends ?
Zij bleek mij veeleer op de eenvoudigste wijze te verklaren.
Voor zoover den uiterlijken loop der dingen betreft, komt niet anders in aanmerking dan het feit, zijne oorzaken en gevolgen. Het regent — dit is iets wat in de natuur plaats grijpt; het heeft zijn grond in andere natuurverschijnselen, in hun natuurlijke gevolgen, die niet kunnen uitblijven. Die gevolgen kunnen voor onzen welstand, onze gezondheid, onze voeding voor-deelig of schadelijk zijn, en naar gelang daarvan noemen wij het weder goed of slecht, verblijden wij ons er over of maakt het ons mistroostig.
Dit is de natuurlijke beschouwing der dingen. Zoo moeten wij ze beschouwen en behandelen, omdat wij zeiven natuurwezens zijn, tot die uiterlijke natuur be-hoorende, en ons leven er in allerlei opzicht mede samenhangt. Het zou onnatuur, en daarom onwaarachtig zijn, wanneer wij, hetzij dan in de wetenschap of in het alledaagsche leven, Gods naam wilden mengen in datgene, waarbij alleen sprake is van wat geschiedt.
Iets geheel anders is het, wanneer wij willen uitdrukken, wat het vrome gemoed bij een of ander voorval in de natuur gevoelt. Verheugt het ons in
die mate, dat het ons hart tot dankbare verheffing stemt, dan zeggen wij: God zegent ons in datgene wat geschiedt. Doet het ons smartelijk aan, op zulk eene wijze, dat wij ons gedrongen zien ons innerlijk evenwicht door de gedachte aan den Allerhoogste te bewaren, dan zeggen wij: God beproeft ons met datgene wat hij ons toezendt.
Dat is de religieuse beschouwing der dingen. Zoo moeten wij ze aanzien, omdat wij niet enkel natuurwezens zijn, maar een geestelijk leven leiden, waardoor wij met den oorsprong van al wat is verbonden zijn.
Beide beschouwingswijzen behooren bij elkander, als het uitwendige en inwendige. Geen van beiden mag men voor overtollig of ongeoorloofd verklaren, maar evenmin mag men ze met elkaar vermengen.
Ik spreek, zooals ik gevoel. Ik druk mij religieus uit, wanneer iets op ongekunstelde wijze eene vrome gewaarwording in mij wekt en mij aan mijn verwantschap met den Allerhoogste herinnert. Wat mij niet op die wijze aandoet, beschouw ik eenvoudig als eene gebeurtenis. Wanneer ik bijv. een onbeteekenenden inkoop heb gedaan en tevreden ben, zeg ik niet; het komt van God, het is zijne beschikking, dat ik deze plaats heb gevonden. En wanneer ik mij op een bijzonder heeten dag wat onbehagelijk voel, dan denk ik niet; God zendt mij die hitte toe, om mij te beproeven. Ik zou dat voor eene onwaardige wijze van
spreken houden, omdat de dingen, waarmede ik hier te doen heb, van zoo geringe beteekenis zijn.
Doch komt het kleine niet in gelijken zin van God als het groote? En wat is klein, wat is groot voor hem?
V.
Een huis staat in vlammen; met verbazende krachtsinspanning doet de brandweer zijn best, om de vijandelijke macht binnen de perken te houden en de nabijgelegen gebouwen te beschermen. Het is een lust, te zien, hoe elk zijn plicht doet, en alles in volkomen orde naar een vast plan wordt verricht. En als het doel is bereikt, prijst men de wakkere mannen en hun flinke leiding en zegt: zij hebben verder ongeluk voorkomen.
Een blinde heeft door een welgelukte operatie zijn gezicht wedergekregen en keert met blijdschap huiswaarts. Vol verrukking ziet hij rond in de schoone wereld, met innige blijdschap ziet hij het gelaat zijner vrienden aan, en hij voelt zich als op nieuw geboren. Hij roemt de kunst des geneesheers, die het zoover gebracht heeft, en looft de kunstvaardigheid van den man die hem de oogen weder heeft geopend.
Dat alles vinden wij natuurlijk. Doch ik moest toch
— 32 —
de vraag stellen: Hoe is dat alles overeen te brengen met het geloof, dat God alles doet!
Wij zeggen met volle zekerheid: Had hier geen menschenhand ingegrepen, dan zou het vuur verder gewoed hebben, totdat het geen voedsel meer kon vinden, en indien de arts den blinde niet geopereerd had, hij ware zijn leven lang niet weer ziende geworden.
Dit komt ook geheel en al overeen met ons zedelijk bewustzijn. Wij zijn er van overtuigd, dat wij iets vermogen, en noemen dat onze vrijheid: de macht om met een bepaald plan te handelen en daardoor in den loop der dingen in te grijpen. En ons geweten zegt ons, dat wij dat behooren te doen; wij gevoelen het als onzen plichten, wanneer wij het nalaten, veroordeelen wij dit als slecht.
Op deze wijze van beschouwing berust geheel onze zedelijkheid. Doch hoe kunnen wij dan zeggen; God doet alles en alles komt van hem ?
Ik hoor het antwoord: wij moeten doen wat in ons vermogen is, maar het welslagen ligt in Gods hand. Dit scheen op den eersten indruk wel goed gezegd. Maar hoe meer ik er over nadacht, des te minder gelukte het mij er een gezonden zin in te ontdekken.
Als het eene natuurwet is, dat elke oorzaak een bepaalde uitwerking heeft, dan moet ook iedere men-
— 33 —
schelijke handeling haar eigen gevolgen hebben, want zij grijpt als eene kracht in den gang der natuur in. Wanneer een bepaalde hoeveelheid water een brand van zekeren omvang bluscht, dan is het immers volkomen hetzelfde, of dit water als een stortregen uit de wolken valt dan wel door menschenhanden over de vlammen wordt uitgegoten. De vraag keert dus weder terug; kan God maken, dat, wanneer juist dezelfde oorzaken in het spel en in ieder opzicht dezelfde voorwaarden aanwezig zijn, de uitwerking zoo of anders zij? Hangt dit af van zijn welgevallen?
Zoo bevond ik mij weder in den reeds vroeger beschreven gedachtengang. Ik moest antwoorden; Indien de natuurwet naast den goddelijken wil bestaat en blindelings werkt, dan is tegenover haar een goddelijke werking denkbaar, ja, noodwendig. Is zij echter zelve de goddelijke wil, dan is niet in te zien, hoe God nevens dezen zijn wil nog een anderen zou hebben. Ik kan echter de natuurwet niet van God scheiden, want dan zou ik hem beperken. Er blijft dus maar één besluit over; Op het gebied der natuur is geen andere wil Gods, dan die welke zich in de natuurwet aan ons openbaart, en wat in overeenstemming met haar geschiedt is het eenig mogelijke.
3
VI.
Bij nauwkeuriger beschouwing van onze wijze van denken bevond ik dan ook, dat wij allen de zaak eigenlijk niet anders aanzien.
Wanneer twee legermachten van ongelijke sterkte tegen elkander optrekken, beoordeelen wij de waarschijnlijkheid der overwinning wel is waar niet enkel naar het aantal manschappen. Ook het kleinste leger kan overwinnen, indien het dapperder, beter aangevoerd, beter uitgerust is. Doch dat zijn alle natuurlijke voorwaarden. Indien nu echter de gezamenlijke natuurlijke voorwaarden volkomen dezelfde waren, waarvan zou dan de beslissing afhangen ?
God geeft de overwinning wien hij wil, antwoordt de een. En zeker: als het eene leger een vijftigduizend, het andere zestigduizend man sterk is, brengt dat antwoord hem niet in moeilijkheden. Maar wanneer slechts vijftig man tegenover zestigduizend stonden, zou hij het dan ook antwoorden ? Zeer zeker niet; maar hij zou zeggen: Dat handjevol manschappen is opgeschreven ten doode; het is onmogelijk, dat het overwinne.
Zoo neemt zijn geloof, dat God de zege naar welgevallen geeft, op een zeker punt een einde.
Hoe zouden we over de regeering van een klein land oordeelen, wanneer zij, vertrouwend dat God het
— 35 —
recht zal beschermen, een machtigen staat den oorlog verklaarde? Wel is het in de geschiedenis gezien, dat een klein volk een groot zegevierend heeft weerstaan of zelfs een groot rijk heeft ten gronde gericht. Maar dit vindt altijd in het innerlijk verval van den machtig schijnenden staat, in de ongelijkheid van het krijgsbeleid of in andere natuurlijke oorzaken voldoende verklaring. Zou echter iemand eene regeering prijzen, die alleen met een beroep op hel recht, zonder eenigen bondgenoot, onder aanroeping van den goddelijken bijstand het waagde een geheel ongelijken strijd te ondernemen ?
Sommigen zouden zeggen; zij is krankzinnig en handelt gewetenloos. Anderen zouden het uitdrukken met de woorden: dat is God verzoeken. Ligt daarin echter niet de erkenning opgesloten, dat, waar de wapenen de beslissing moeten brengen, macht vóór recht gaat, en dat ook God zelf daarin geen verandering zal brengen ?
Zoo stemmen wij allen, allen ten minsten tot op zekere hoogte toe, dat de gevolgen der menschelijke handelingen naar onveranderlijke wetten plaats grijpen, en indien wij Gods albestuur niet loochenen en zijn werk niet tot zeker gebied willen begrenzen, zien wij ons tot de slotsom gedrongen, dat deze wetten niet anders zijn dan zijn wil.
— 36 —
VIL
Hoe duidelijk dit alles ook mocht zijn, toch moest ik toestemmen, dat het ons moeilijk valt er ons bij neder te leggen. Het vrome gemoed erkent de waarheid er van niet zonder zekeren schroom, want het is bevreesd dat het daardoor zijn God van zich zal vervreemden.
Als menschen hebben wij de macht tot zelfbepaling; wij beslissen of wij zóó of anders zullen handelen, en in deze onze vrijheid zien wij juist de waarde van onzen geestelijken aanleg, die ons boven de natuur verheft. Daarom vreezen wij God beneden ons te doen dalen, wanneer wij zulk eene vrijheid hem niet toekennen en wat hij doet beschouwen als eene noodzakelijkheid.
Toch is dit eene dwaling. Stellen wij ons een volkomen goed mensch voor: zal hij de macht hebben, om te willen wat slecht is ? Onmogelijk, zeggen wij; want dan ware hij immers niet volkomen goed.
Zoo vinden wij dus reeds bij den mensch, dat bij toenemende volkomenheid zijn willen steeds een meer zichzelf gelijk blijvend karakter verkrijgt, het karakter van noodwendigheid, en wanneer wij de mogelijkheid om tusscheu goed en slecht te kiezen vrijheid noemen, dan is dit een teeken van zedelijke onvolkomenheid.
— 37 —
Wij noemen haar echter ten onrechte vrijheid ; wij moesten veeleer zeggen; vrij is slechts hij, die niets anders wil dan het goede, en in dit willen door niets wordt beperkt. Zien wij dus het goddelijke willen als de volstrekte noodwendigheid aan, dan schrijven wij hem de onbeperkte vrijheid toe; want de noodwendigheid ligt immers in hem en niet buiten hem.
De vrees echter, waarvan boven sprake is. heeft nog dieper grond. Wij beschouwen het als onze zedelijke taak, de uitwendige natuur in onzen dienst te stellen en haar te gebruiken ter verwerkelijking van wat wij goed noemen. De heerschappij harer krachten moeten wij als eene ons dikwijls vijandige overheersching aanzien, en als vertegenwoordigers eener zedelijke wereld plaatsen wij ons tegenover haar. Indien nu de wetten, die zich in de heerschappij der natuurkrachten openbaren, niet anders zijn dan Gods onveranderlijke wil, staan wij dan in dien strijd niet tegenover God zeiven, en nog wel met het bewustzijn van voor een betere wereld te strijden?
Dit kan ons alleen in verwarring brengen, wanneer wij de zaak maar van éénen kant bezien. Maar zij heeft ook nog eene andere zijde. Dezelfde God, wiens wil in de uitwendige natuur als wet heerscht, is ook de Oorsprong en Heer der zedelijke wereld, wier ordeningen eveneens niet anders zijn dan zijn wil. En zooals in de natuur het leven door een voortdurenden
- 38 -
strijd van krachten wordt onderhouden, zoo is ook de strijd der zedelijke krachten met die der natuur de bron, waaruit het geestelijk leven zijn onderhoud put. Wat ons als eene tegenstelling voorkomt, is in God eene eenheid, en wat wij als wanklanken waarnemen, lost zich bij hem in harmonie op.
Op deze wijze lijdt dus noch het religieuse, noch het zedelijk leven schade, wanneer wij alles wat in de natuur geschiedt als de werking van vastgestelde en onveranderlijke wetten beschouwen. De vrees, waarvan boven sprake was, wortelt in een zwevend en onbepaald gevoel, maar vertoont zich bij nauwkeuriger beschouwing der zaak als ongegrond.
VIII.
Doch hoe staat het nu met de gevolgen, welke de slechte handelingen der menschen veroorzaken ? Grijpen zij niet als iets wat vreemd is aan den goddelijken wil, wat door God niet gewild is, in den gang der wereldsche dingen in ? Want, wijl God het kwade zelf niet wil, kan hij ook de gevolgen er van niet willen. Hier is dus iets aan te wijzen, wat buiten Gods wil om zijn verloop heeft. Wordt hij daardoor niet gedwongen ook buiten den samenhang zijner wetten te treden, opdat hij weer goed make wat bedorven is ?
— 39 —
Zoo hoorde ik spreken; maar deze bedenking maakte weinig indruk op mij. Reeds mijn gevoel zeide mij, dat daardoor den mensch te groot gewicht wordt toegekend, en bij rijper overweging vond ik dit bevestigd. Reeds op zich zelf genomen zijn onze daden maar voor \'t kleinste deel de onze. Natuurlijke aanleg, opvoeding, de omstandigheden waarin wij leven, en tallooze invloeden van buiten roepen zoowel in \'t algemeen onze gezindheid als elk onzer handelingen in het bijzonder in het leven, veel meer dan wij gewoonlijk denken. En hoever strekken zich de gevolgen uit van wat wij doen ? Hun beteekenis voor het geheel is oneindig klein; en ook op zich zelf genomen worden zij overal beperkt; in duizendvoudig opzicht ontmoeten zij tegenovergestelde werkingen, waardoor zij teruggedrongen worden of eene richting krijgen, waaraan wij misschien volstrekt niet hadden gedacht. Wij doen wat goed en kwaad is, maar zoodra de daad volbracht is, behoort zij ons niet meer toe; zij verkrijgt een allergeringste plaats te midden der geweldige verwikkelingen van het groote geheel der dingen; en deze hebben haar verloop naar onveranderlijke wetten, waarin wij evenmin stoornis kunnen aanbrengen als in de bewegingen der hemellichamen.
Dit geldt voor den daglooner, doch evenzeer voor den wereldveroveraar. Want al laat het leven van laatstgenoemde duidelijk waarneembare sporen na in de ge-
— 4° —
schiedenis, hij zelf is toch niet meer dan een brandglas, waarin veelvuldige in de menschheid bijeengezamelde krachten als zoovelen stralen worden geworpen en bijeenkomen, om met vereende kracht eene menigte voorbanden brandstof te ontsteken. De stralen en de brandstof zijn builen zijn toedoen voorhanden; zijn natuurlijke aanleg en zijn levensstand maken hem tot een brandglas, en zijn eigen aandeel aan zijne daden is misschien geringer dan bij menigen onopgemerkten man, die zich maar binnen een kleinen werkkring beweegt.
Bij deze overwegingen kwam mij het spreekwoord in den zin: Er is voor gezorgd, dat de boomen niet in den hemel groeien. De mensch kan door datgene wat hij in eigen kracht doet, nimmer in die mate inbreuk maken op den gang der wereldsche dingen, dat de in hem heerschende wet, d. i. de ééne en ondeelbare goddelijke wil niet meer zou kunnen volstaan, om de gevolgen zijner daden te beheerschen.
Dit behooren wij in alle bescheidenheid te erkennen zonder te vreezen, dat het onderscheid tusschen goed en kwaad en onze verantwoordelijkheid daardoor zouden worden opgeheven. Goed of kwaad wordt iets noch door de gevolgen die het heeft, noch door oorzaken, die buiten ons liggen, doch alleen door het aandeel, dat wij zeiven er aan hebben, naar mate onze eigen wil er mede instemt. En in dezelfde mate zijn wij ook verantwoordelijk.
— 41 —
In hoeverre dit bij een ander het geval is, is aan onzen blik onttrokken ; daarom kunnen wij ook niemand oordeelen. Wat onszelven betreft, doet ons geweten uitspraak, in zooverre het gezond en tot een juist oordeel geoefend is.
De zedelijke wereld is eene innerlijke. Hier kan de mensch God als een vijand tegemoet treden en zich van hem losmaken, maar daarmede worden aan God geen perken gesteld; het geschiedt binnen de heerschappij der wet, die de zedelijke ontwikkeling be-heerscht; en deze wet is als iedere andere wet zijn wil.
IX.
Een schip op zee staat in brand. Met vreeselijken ernst ziet de dood allen aan, die binnen zijn ruimte boven het groote graf der wateren zweven. Het zijn goeden en boozen. De een heeft vrouw en kinderen schandelijk verlaten, de ander trekt naar verre oorden om voor de zijnen te zorgen. De een hoopt in veiligheid te brengen wat hij roofde, de ander hoopt in het zweet des aanschijns zich een nieuw tehuis te bouwen. Deze zoekt de straf voor een misdaad te ontvluchten, gene staat in dienst van zijn beroeps-werk. Hier is een laaghartige ziel, die alleen naar
bevrediging van eigen lusten haakt, daar een verheven geest, die zich verlustigt in wat groot is ; hier een godslasteraar, daar een vrome; hier een men-schenhater, daar een liefdevol gemoed. De een staat alleen in de wereld, en niemand zal zijn dood be-weenen; voor het leven van den ander stijgen dagelijks hartelijke gebeden ten hemel op.
Maar de vlammen woeden voort, de storm raast, en nergens vertoont zich een reddend schip. Een boot wordt op goed geluk van boord gestooten, bemand met boozen en goeden, en bereikt een veilig toevluchtsoord. Een andere, overvol, slaat om en werpt heel de bemanning, boozen en goeden, in de golven. Eindelijk zinkt het schip en neemt allen, die nog overig zijn, goeden en boozen mede in zijn graf. Toen dacht ik aan het woord: Maar des Heeren goedertierenheid bestaat van eeuwigheid tot eeuwigheid over degenen die hem vreezen. En door pijnlijken twijfel bestormd, vroeg ik: waar is hier \'s Heeren goedertierenheid ?
Een uitgeput man ligt in het ziekenhuis, door vreemden verpleegd. Dof is zijn blik en zonder uitdrukking zijn gelaat. Eens schitterde er vuur in deze oogen en was er leven in deze trekken, maar de langdurigheid van een hopeloos lijden heeft het uitgedoofd. Hij was vol goeden wil om iets te doen en quot;s levens prijs te winnen. Maar ziekelijkheid was zijn
lot van der jeugd aan; zij verijdelde al zijn streven en liet hem de armoede nooit te boven komen. Hij droeg de straf voor anderer schuld. Zijn vader had een groot vermogen en ijzersterke gezondheid in den poel der zonde achtergelaten. Daarom was de zoon arm en krank en bracht hij het met den besten wil niet verder, dan dat hij na onbeschrijfelijk bitteren strijd en smartelijke ontberingen zijn leven hulpeloos onder vreemden moest eindigen. Ik zag hem en hoorde zijne geschiedenis en het woord kwam mij in den zin : God is liefde. Toen werd het duister in mijn hart.
Ik kan niet loochenen, dat dit met onze begrippen van goedheid en liefde niet overeenkomt. Wij houden het voor een bewijs van menschelijken adel, ook aan den booze barmhartigheid te oefenen; maar tegenover de natuurkrachten zijn goeden en boozen op gelijke wijze der verschrikking en den dood ten prooi. Wanneer een mensch den onschuldige voor den schuldige laat lijden, dan noemen we hem onrechtvaardig; maar de natuurwet laat den zoon de gevolgen van \'s vaders zonden dragen.
Ik wenschte mijne oogen voor deze feiten te sluiten, maar ik hoorde de stem mijns gewetens, die sprak: gij zult niet liegen. Ja, indien ik Gods eer door een leugen meende te moeten redden, dan zou ik haar het meest bezoedelen.
Ik mag niet liegen, niet loochenen, wat zich als een feit aan mij voordoet. Maar ik sprak tot raijzel-ven : als deze feiten van dien aard zijn, dat zij u ten aanzien van God in verwarring brengen, dan kan de fout enkel aan uwe voorstellingen van God liggen.
En inderdaad, wanneer ik mij voorstel, dat God dit alles ook anders zou kunnen doen zijn, dan het is, dan zou ik niet weten, hoe ik daaromtrent rust zou kunnen vinden. Kan hij goeden en boozen, evengoed als zij nu met elkander omkomen, van elkander scheiden, en de goeden redden, waarom doet hij het dan niet? En indien het mogelijk is, densamen-hang die van nature tusschen ouders eu kinderen bestaat, op de eene of andere wijze zóó te veranderen, dat alleen de zegen van den goede, niet de vloek van den booze voortleeft, waarom geschiedt het niet?
Terwijl ik mijzelven deze vragen zóó onverbloemd stelde, werd mij duidelijk, hoe dwaas zij zijn. Wij mogen God niet naar menschelijken maatstaf meten. Hij kiest niet als een mensch, maar heerscht vrijmachtig. Hier is niet van menschelijke handelingen sprake, maar van goddelijke noodwendigheid. Naar de wet, die het geheel beheerscht, moet al het bijzondere zich voegen, en het ware vermetel, het bijzon-
dere naar menschelijke gedachten te beoordeelen.
Vraag niet naar het waarom ; dat is kinderachtig; doch buig uwe knieën voor den Oneindige en aanbid zwijgend. Maar doe het niet met een weerstrevend gemoed, niet met een onwilligen geest. Zeg niet: het is nu eenmaal zoo, maar moest toch zoo niet wezen. Denk niet: de waarheid is bitter en eischt het offer mijner zoetste droomen, van mijn geloof aan de goddelijke liefde.
Gij hebt niet gedroomd, als ge aan de liefde Gods geloofdet; gij maaktet u misschien alleen onvolkomen voorstellingen. Gij behoeft haar niet op te geven om met door droefheid benevelde oogen in de wereld rond te zien. Niets bedreigt uw geloof; gij moogt getroost zijn en het vertrouwen voeden, evenals vroeger, dat al wat God doet, volkomen en goed is. Alleen moogt ge het niet naar menschelijken maatstaf meten en niet liefdeloos noemen van God wat het bij menschen is. Niet bij elk bijzonder onderdeel moogt ge blijven toeven, maar op het geheel moet uw blik gericht zijn. Gij moet niet willen zien, maar gelooven.
XI.
Wij kunnen immers in vele gevallen opmerken, dat wat ons onvolkomen toeschijnt, zich van een hooger
— 46 —
gezichtspunt beschouwd, aan ons geheel anders voordoet. De strijd met de elementen is de oorzaak van menschelijke krachtsontwikkeling; door strijd en lijden is de menschheid opgeklommen, zooals de wereldgeschiedenis leert, en de waarheid, dat de uitnemendste geestesgoederen vruchten van nood en lijden zijn, is reeds voor eeuwen erkend. Ziekte en armoede zijn een kwaad; maar zooals zij den een verstompen en goddeloos maken, wekken zij in den ander verheven zedelijke kracht en reine vroomheid. Het graf opent zich voor allen, maar terwijl de een bij den aanblik ervan de nietigheid van heel zijn bestaan inziet, werpt de ander er enkel zijne lasten en zwakheden in, om vrij te worden.
Daarmede, neen, daarmee kan ik niet alle raadselen des levens oplossen. Hoe meer ik er mij mede bezig hield, des te meer ontmoette ik er, en ik kan mij niet begrijpen, dat er zoovelen zijn die van den raad Gods spreken, als ware hun alles zonneklaar. Maar juist de erkenning dat ons verstand ontoereikend is om alles te verklaren, moet, zooals zij aan den eenen kant er ons voor bewaart, onszelven te overschatten, te anderer zijde ons ook voor mistroostigheid behoeden. Want wanneer ons het een of ander onbegrijpelijk toeschijnt, behoeft het daarom nog niet onredelijk te zijn. en wanneer hier of daar voor onzen blik geen uitweg zichtbaar is, is daarmede nog niet
— Al —
bewezen, dat er in \'t geheel geen zou zijn. Wij stuiten al zeer spoedig op de grenzen van ons begrip. Wee onzer, indien het dan met ons geloof ook gedaan ware.
Mijn geloof is mij meer waard dan alle aardsch geluk. Als de hemel zich boven mij opent en ik \'s Vaders aangezicht aanschouw, dan mag alles om mij heen donkerheid zijn, in mijn hart is het licht. Als ik hem kan liefhebben, en de troost en den vrede van zijnen geest in mijne ziel gevoel, dan moge alles om mij wegvallen, — ik blijf wat ik ben, zijn kind. Hem kan ik dienen met mijn werk en mijn smart, al naardat hij het mij beveelt; en daar mijn leven toch een eind moet hebben en ik sterven moet, maakt het geen verschil of men de oorzaak van mijn dood een gewone ziekte of een buitengewoon ongelukkig toeval noemt. Daarom zal geen noodlot mij verschrikken. Ik koester wel veel wenschen, maalais zij tegen Gods wil zijn, dan zal ik ze opofferen en hem loven, dat ik in zijne liefde leven en sterven mag.
Bezig ik dienzelfden maatstaf bij mijne medemen-scheu, dan kunnen zelfs de vreeselijkste ongevallen, die mijn medegevoel en den drang om te helpen tot het hoogste punt spannen, toch het geloof mij niet ontnemen; zij maken slechts dat ik des te levendiger van hunne noodwendigheid overtuigd ben.
- 48 —
XII.
Ik trad de woningen der misdaad binnen. Sombere gezichten staarden mij aan, woeste haat tegen al wat heilig is sprak zich uit in ieder woord. Vloeken was hun gebed; bevrediging der laagste lusten hun verlangen ; hun denken zonde en hun werken het wrevelig torsen van een last. Bleeke, vuile kinderen staarden mij driest en dreigend aan en verrieden mij ook zonder woorden, dat zij nog geen liefde genoten en van \'t goede niets gezien hadden, maar reeds lang vertrouwd waren met al de geheimen der goddeloosheid. Hun aanblik deed mij het hart ineenkrimpen. Ach, wat konden zij het helpen ? De weg der misdaad was voor hen gebaand en zij droegen niets met zich om, wat hen op een ander pad had kunnen brengen. Zij waren verloren nog vóór zij konden denken.
Dat is het droefste raadsel, \'t welk ik ooit in mijn leven ontmoette. Er zijn zoovele menschen, zoowel in armoedige hutten als in de paleizen der rijken, die niet slechts met hun lichamen voor de zonde der ouders boeten, maar van der jeugd af zóó voortdurend de giftlucht der zonde hebben ingeademd, dat een gezond geestelijk leven voor hen een onmogelijkheid is; maar hoevelen drijven in den stroom mede, naar wien geen helpende hand zich uitstrekt,
— 49 —
moeten er in verzinken. Ja, zij moeten het; zonder dat het hun schuld is.
Daarover heb ik veel nagedacht en ik heb geen antwoord kunnen vinden. Hier is een ondoorgrondelijke duisternis voor mijne oogen, waarin geen enkele lichtstraal valt. Maar kan ik daarom mijzelven opgeven en vertwijfelen ? Zou ik mij in den afgrond storten omdat ik anderen erin zie ? Zal ik mij dooden, omdat anderen dood zijn ?
Heer, uwe wegen zijn mij eene verborgenheid. Nacht omfloerst de verte voor mijn oog, een kleine omtrek om mij henen is mij verhelderd in uw licht. Ik wil niet droomend in de duisternis staren; den weg wil ik gaan, die in lichtglans vóór mij ligt. Gij weet, waarom zoovele bloesems tot geen vrucht zich zetten en afvallen; maar als ik blijven kan en tot vrucht worden, zal ik mijzelven niet van den boom losrukken.
Het goede is goed, al is voor velen de weg daarheen gesloten, en het geloof aan Gods liefde is het leven der ziel, al komen ook vele zielen tot dit leven niet. Ik wil gelooven en liefhebben, en elk die mij hooren kan toeroepen: Kom, mijn vriend, laat ons leven in het licht!
4
XIII.
Ik heb deze gedachten over God en mensch met velen besproken en daarbij van twee tegenovergestelde zijden bedenkingen vernomen.
Sommigen zeiden: „Gij dwaalt, wanneer gij u God als een persoonlijk wezen denkt. Hoe kan bij het Oneindige van een weten en willen sprake zijn, hoe kan het liefhebben? Dat alles kan slechts betrekking hebben op de eindige dingen, en daarom kan men het alleen den eindigen geest toeschrijven. Indien gij het God toeschrijft, vervalt gij enkel in tegenstrijdig, heden, zooals gij immers zelf belijdt, dat uw blik zich ten slotte naar alle zijden in donkerheid verliest. Een algemeene wet is iets anders dan wat wij „willen1\' noemen, en wat geen beperking gedoogt wordt beperkt, als men \'tzich op menschelijk-persoonlijke wijze denkt.quot;
Anderen spraken: „Uw God is een wezen, dat men noch omschrijven noch zich voorstellen kan, noch liefhebben. Het menschenhart zoekt een vriend in den hemel, die het tegen de neerdrukkende macht der omringende wereld kan beschermen ; onze geest ziet uit naar eenen Geest, met wien hij spreken kan als met zijns gelijke. Dat kan geen wezen zijn, welks wil een onveranderlijke wil is.quot;
Deze bedenkingen heb ik overwogen, en ik moest
toestemmen, dat er in mijne gedachten tegenstrijdigheden zijn. Maar ik kon er niet toe besluiten mijn weg te verlaten, en naar rechts of links af te wijken.
Zie ik in de wereld rond, in de natuur en in \'t menschelijk leven, dan zie ik mij met zulk een nadruk op het bestaan van een wil gewezen, dat ik het niet weerspreken kan. Sla ik een blik in mijn eigen innerlijke wereld, dan zie ik mij daar met noodwendigheid gedrongen om voor mijn geestesleven den grond in een God te vinden, in wien ik den Vader en \'t oorspronkelijk beeld van mijn geestelijk leven kan beminnen. Indien ik mijne oogen dus niet wil toesluiten voor de eene of andere zijde, dan heb ik met twee waarheden daar vóór mij te doen, die ik nog niet in één klaar en duidelijk begrip kan vereenigen.
Toen vroeg ik; waarom kan ik het niet? En het antwoord dat ik vond was zeer eenvoudig. Ik ben eindig en God is oneindig: hoe zou \'t dan mogelijk zijn dat ik hem bevatte? Hij moet immers wel onbegrijpelijk voor mij zijn.
Zoo schrijden mijn gedachten langs twee lijnen voort, die mij op hem wijzen, maar het punt waar zij saamkomen, ligt buiten de grens van mijn gezicht.
Al wat geschiedt doet zich op tweeërlei wijze aan mij voor; het geschiedt naar wet en vastgestelden regel èn als gewrocht van een persoonlijken wil.
— 52 —
Beiden zijn één in den Oneindige. Daar zij zich echter aan mij als tegenstellingen voordoen, moet de eenheid mij onbegrijpelijk zijn.
Ik moet de macht, die over alles gaat, eenerzij ds als een wet aanzien, want zoo treedt zij mij tegemoet; anderzijds moet ik haar als een persoonlijken wil beschouwen, want de God, in wien ik den grond en het einddoel van mijn persoonlijk geestelijk leven zie, kan niet een wezen zijn, dat wat bewustzijn, wil en goedheid betreft beneden mij staat en het hoogste leven, dat ik ken, zou missen. Maar wat ik natuurwet noem is meer, dan wat ik gewoonlijk onder eene wet versta, en als ik mij God als Geest voorstel, dan weet ik toch dat de beperking, die van het begrip Geest, zooals het aan mijne menschelijke persoonlijkheid is ontleend, onafscheidbaar moet wezen, op hem niet van toepassing is.
Van hem, van zijn wezen en werk kan ik dus slechts in beelden spreken. Ik ben er mij daarbij van bewust, dat zij niet de volle waarheid zijn, maar zooveel waarheid is er in, als ik noodig heb om te leven. Mijn blik kan de zon niet omvademen, hare warmte kan ik niet op mij vereenigen. Ik zie van haar niet dan een kleine beeltenis en ontvang maar een zeer klein deel harer warmte: toch beweeg ik mij in haar licht en leef ik in haar schijnsel.
XIV.
Hoe nietig is voor den Oneindige alles waarop de meuschen roem dragen. De een zegt: Wij hebbende natuur doorvorscht en bevonden, dat zij geen ruimte heeft voor een god. De ander gedraagt zich als had hij God begrepen, wanneer hij van God spreekt als van zijnsgelijke, en weet alles uit zijne raadsbesluiten te verklaren, als ware hij zijn raadsman geweest. Ik wil nederig zijn en de grenzen, die mij gesteld zijn, nooit vergeten.
Maar de weemoed mag nooit tot kleinmoedigheid worden. Den frisschen, blijden levensmoed wil ik mij niet laten ontrooven. Mijn geestelijk leven wil ik geven, wat het tot onderhoud noodig heeft, opdat geen enkele zijde ervan gebrek lij de. Met mijn verstand wil ik trachten de wereld der verschijnselen te verstaan, die mij omgeeft. Met mijn rede en mijn geweten wil ik trachten te leeren wat goed is, opdat ik mij oefene een goed mensch te worden. Met mijn gemoed wil ik in geloof en hoop en liefde aan den Eenen Eeuwige verbonden blijven.
Welkom zij mij iedere vooruitgang der wetenschap, al wat mij in het goede kan doen vorderen, den levensadem eener reine vroomheid tot mij voert, op welke plaats en in welken vorm het ook tot mij kome. Voor-
waarts! is mijne leus. Voorwaarts in alles wat tot het leven des geestes behoort! In de waarheid kan geen tegenstrijdigheid zijn. Wat ons zoo toeschijnt, heeft zijn oorzaak in onze beperktheid.
I.
Ik denk aan mijn zonnige kindsheid. Toen was mijn wereld nog klein en het leven eenvoudig, en ik was gelukkig in mijn beperkte omgeving. God stelde ik mij voor in menschelijke gedaante en menschelijk zag hij uit den hemel op zijne kinderen neder, of onzichtbaar zweefde hij om mij henen, sloot mij des avonds de oogen en deed mij \'s morgens weer ontwaken. Hij had niets belangrijkers te doen, dan al onze kleine aangelegenheden te regelen en er zorg voor te dragen, en geen wensch was te kinderlijk, dan dat ik daarbij niet op hem zou gerekend hebben.
Hoe geheel anders zijn mijne voorstellingen geworden \' Meer dan eens zijn wereld en leven voor mij van gedaante veranderd, en de Godheid met hen. Velen jammeren daarover en denken met weemoed aan
- 58 -
hunne kinderlijke droomen. Dat kan ik niet doen. Mijn hart behoort der waarheid toe, en ik weet, dat ik haar een weinig meer genaderd ben. Maar ik weet ook, dat de waarheid aan mijn geloofsleven niet vijandig is geweest, en de gevoelens, die mij gelukkig maakten, niet te niet gedaan, doch in aard en wezen heeft verhoogd. Zijn er al tijden geweest, waarin ik door innerlijke tweespalt mij ongelukkig voelde, dan waren dat tijden van overgang, en indien ook thans het heimwee des harten mij nog niet met rust laat, dan is dit niet het verlangen naar wat verloren is, maar naar iets wat nog niet is gevonden. En dat verlangen getuigt wel niet van volle bevrediging, maar draagt de kiem van een rijker leven in zich.
Ik geloof aan den almachtigen God.
Wel is hij voor mij niet meer de koning op den hemeltroon, die op de aarde nederblikt en naar willekeur gebiedt, wat geschieden zal. Tot eene onmetelijke ruimte heeft de wereld zich uitgebreid, en eenig bewustzijn van eene oneindigheid heeft in mij post gevat. Daarmede is het onderscheid tusschen goddelijk en menschelijk willen en werken steeds grooter geworden.
Ik ken enkel een beperkt werken; het goddelijk
werken kan ik niet omvatten, evenmin als het heelal. Ik ken alleen eene werkzaamheid die op het tijdelijke betrekking heeft, waarbij de eene handeling op de andere volgt; eene werkzaamheid, waarbij geen tijd in aanmerking komt, eene, die het oneindige omvat, is mij volstrekt onbegrijpelijk. Ik kan mij geen ander willen denken, dan dat zich in op zich zelf staande besluiten uit; een wil die één is met de wetten der natuur, die met haar samenvalt, ligt buiten al mijne ervaring. Zoo zie ik in, dat eene juiste voorstelling van het goddelijk willen en werken voor mij in elk opzicht onmogelijk is.
Toch spreek ik er van; spreek van Gods wil en zelfs van zijn zelfbewusten wil. Want de zelfbewuste wil is de hoogste dien ik ken, en werkzaamheid, die zich een doel stelt en die met een bepaald opzet geschiedt, is de meest volkomene die ik ken. Daarom kan ik het goddelijke willen en werken alleen daarmede vergelijken.
Ik weet zeer goed dat dit beeld ontoereikend is. Maar \'t is het eenige, dat mij ten dienste staat, en het is de eenige band, die tusschen mijn denken en de goddelijke almacht is geweven. In elk geval is het veel juister, dan wanneer ik van een onbewusten wil en van een werken zonder doel en opzet spreek. Want daarmede zou ik mijzelven boven de godheid plaatsen en de religieuse behoefte voor eene begoocheling verklaren.
— 6o —
De waarheid ligt niet beneden mij, maar boven mij. Indien ik zeide: God is onpersoonlijk, dan zou ik in hem wel de eerste oorzaak der onbewuste wereld kunnen vinden, maar met mijn persoonlijk leven zou ik in de lucht hangen. Denk ik mij hem als een persoon, dan maak ik mij van hem wel een geheel onvolkomen voorstelling, maar toch de meest verhevene, die mij mogelijk is, en kan ik mij hem denken als den grond en de oorzaak van alle leven, waarvan ik weet.
In dien zin geloof ik aan den almachtigen God. Ik geloof, dat ik gansch en al, zoowel wat mijn natuur- als wat mijn persoonlijk leven betreft, mei al wat bestaat in één en dezelfde grondoorzaak wortel en daarom deel uitmaak van het groote geheel aller dingen. Zoo ben ik mij van mijzelven als persoon bewust en tegelijkertijd voel ik mij in God één met het groot geheel.
En nu verschrikt mij de gedachte aan de oneindigheid niet. Veilig en zeker sta ik op mijn eigen plaats, en hoe ruimer de wereld zich voor mijne blikken ontrolt, des te hooger verheft zich mijn hart. Het is de wereld van mijnen God, en daarom mijne wereld.
— 6i —
III.
Ik geloof aan den heiligen en alwetenden God.
Wel valt mij de onderscheiding tusschen goed en kwaad niet zoo gemakkelijk meer en is voor mij het verband tusschen onze handelingen en ons lot niet meer zoo eenvoudig. Ik heb velerlei ervaringen opgedaan, die mij uit mijne droomen opschrikten. Ik heb bevonden, dat er in den loop der dingen meer raadselachtigs en onverklaarbaars is, dan dingen die mij verstaanbaar en duidelijk zijn. In de natuur heer-schen geen grondregelen, die ik zedelijk goed noem. Ik zie het geluk zijne gaven blindelings toewerpen aan waardigen en onwaardigen. Ik zag rechtvaardigen en onrechtvaardigen verpletterd onder dezelfde slagen van het noodlot. Goddeloozen zag ik in hunne plannen slagen en vromen niet dan mislukking oogsten. Ik leerde menig levenspad kennen, dat voor den rampzalige was afgebakend en het hem onmogelijk maakte in het licht te wandelen.
Toen vroeg ik: is er in werkelijkheid onderscheid tusschen goed en kwaad ? Is datgene, wat wij goed noemen, ook goed voor God, en wil hij het? Heeft in \'t algemeen wat wij doen eenige beteekenis voor hem? Weet hij er van? En ik moest mijzelven be-
kennen, dat ook in dit opzicht alle mogelijke voorstellingen gansch en al ontoereikend waren.
Ik leef te midden van de bijzondere en op zich zelf staande dingen, die vol van tegenstrijdige belangen en met elkaar in voortdurenden strijd zijn. God echter is de grond en de saamvatting van al het bijzondere, in hem is alles één. Ik sta met mijn geestesleven tegenover de natuur, en als zedelijk wezen tracht ik haar te boven te komen; in God is geen onderscheid tusschen geest en natuur. Ik weet slechts van enkele, op zich zelf staande dingen, die binnen de grenzen van den tijd hun bestaan en verloop hebben, zoodat mijn bewustzijn op ieder tijdstip zich slechts met de deelen des geheels kan bezighouden: van een bewustzijn. dat ten allen tijde alles als tegenwoordig omvat, kan ik mij geen begrip vormen. Zoo pas ik begrippen en voorstellingen op God toe, die van de waarheid zoo ver verwijderd zijn, als het eindige van het oneindige.
En toch al weet ik dit, ik kan er mij niet door laten weerhouden het te blijven doen; ik zou anders den grond voor mijn zedelijk leven verliezen. Met mijn hoogste streven zou ik alleen staan, en mijn eigen wetgever zou ik zijn. En dat het aldus niet wezen kan, daarvan ben ik zoo zeker, als dat ik mijn eigen schepper niet ben.
De idee van het goede, waarnaar ik mij zeiven en
— 63 —
de wereld om mij heen tracht te vormen, moet uit dezelfde bron voortvloeien, waaruit geheel mijn geestelijk leven zijn oorsprong heeft, en terwijl deze niet minder clan geest kan zijn, kan hij ook niet lager zijn dan goed. Ik weet niet, hoe hij in zich zelf bestaat,
maar voor mij is hij de heilige, die wil dat ik heilig zij, en den drang daartoe uit zijn eigen wezen in mij heeft overgestort. De stem van mijn geweten is zijn wet in mij, en daarvan mij los te maken is opstand tegen hem, zonde. Maar daarom kan ook de betrekking waarin ik tot hem sta slechts een persoonlijke zijn; ik kan slechts zeggen: hij kent mij. Ik weet,
dit kan geen menschelijk weten zijn, het moet meer zijn dan dit: iets hoogers, iets lagers kan het niet wezen.
Zonder het bewustzijn mijner persoonlijke verantwoordelijkheid voor hem zou ik wel een zedelijk leven kunnen leiden, maar geen zedelijk-godsdienstig, d. i.
geen zedelijk leven dat zich van zijne waarheid volkomen bewust is. Eerst wanneer ik mijn heiligst streven met den éénen en eeuwigen grond van al wat bestaat in verband breng, treed ik uit een wereld van droomen in de wereld der volle, heldere werkelijkheid.
In dezen zin geloof ik aan den heiligen en alwe-tenden God. En nu verontrust het mij niet, wanneer ik in de natuur wetten waarneem, wier werking voor
— 64 —
mij eene vijandelijke is en die ik als zedelijk wezen moet bestrijden. In haar diepsten grond, in God, stemmen ook deze tegenstellingen samen, en hun onderlinge strijd is zijn wil.
IV.
Ik geloof aan de liefde Gods.
Neen, hij is voor mij niet meer de als een mensch gedachte Vader, die al de wenschen zijnermenschen-kinderen vervult en afweert wat hen zou kunnen bekommeren. Het leven heeft mij anders geleerd. Doch van mijzelven wil ik niet spreken, ^el heb ik vele liefelijke droomen vergeefs gedroomd, en het lot heeft mijn hart menige wond toegebracht; doch wanneer ik alles overzie, dan kan ik met de gedachte vrede hebben, dat alles zóó wel het best zal geweest zijn, en dat mijn innerlijk leven om tot ontwikkeling te komen de tranen niet kon missen. Dochikheb menschen gezien, die als de vertrapte worm zich kromden in het stof en onmogelijk de kracht konden vinden om zich op te heffen; menschen die naar lichaam en ziel wegkwijnden buiten hun schuld en boeten moesten voor de zonden van vroegere geslachten. In afgronden heb ik gestaard, waarbij het bloed mij in de aderen stolde. En de wereldgeschiedenis verhaalt
- 65 —
ons van tijdperken, die veel meer lijden kenden dan de tijd dien wij beleven; ze onthult voor ons beelden van menschelijke ellende, waarbij de stoutste verbeeldingskracht te kort schiet. Hier zag ik mij aan het eind van al wat ik mij van liefde en barmhartigheid voorstelde, en alle uitvluchten, waarmee ik aan deze bekentenis zocht te ontkomen, vertoonden zich aan mij als zwak en onwaar.
En toch, als ooit het geloof eeue noodwendigheid is, dan is het het geloof aan de goddelijke liefde. Liefde is het hoogste leven, waartoe mijn geest zich kan ontwikkelen. Zij legt een band tusschen het eene wezen en het andere en is de kracht, waardoor de bijzondere deelen op het geheel en het geheel op de enkele deelen inwerkt. Zij leidt een droomleven in de natuur en komt in den mensch tot het ware, zelfbewuste leven. Daar openbaart zij zich als des geestes volle kracht, als hoogste zedelijkheid en hoogste zaligheid, wanneer wij onszelven aan elkander geven en rijker terug ontvangen, onszelven verliezen om ons ware ik te vinden.
Terwijl zij echter boven alles ons gelukkig kan maken en ons de hoogste bevrediging waarborgt, wekt zij tevens het innigst en diepst verlangen.
Indien er in ons eenige drang naar het oneindige wordt gevonden, door niets wordt hij krachtiger gewekt en geprikkeld dan door de liefde. Nergens is
— 66 —
het verlangen om zich met het eeuwige en eenige Zijn te verbinden en er in te rusten zoo machtig, als in het liefhebbend hart; nergens het bewustzijn van het goddelijke levendiger. En hoe geestrijker en onzelfzuchtiger de liefde wordt, des te meer gevoelt zij zich als de straal eener zonne, die alles in alles is.
Is dat een bedriegelijke waan? Is die God, naar wien mijn geest zich verlangend uitstrekt, om bet leven dat ik van hem ontvangen heb hem terug te geven en het dan in volle zelfbewustheid uit hem weder te ontvangen, is die God niet dan een ijdel droombeeld? Dan moet mijn geestesleven versterven, versterven juist dan als de knop zich tot bloesem wil ontplooien; dan moet ik in mijzelven ondergaan. Dan vind ik geen antwoord op den zielekreet van mijn heimwee naar hem, en moet ik zwijgen.
Waarom echter zal ik aldus mijzelven verminken ? Omdat ik in de wereld raadselen aantref, waarop ik geen antwoord kan geven ? O, laat die raadselen voor wat ze zijn; zij bestaan buiten u, en daar liggen er ontelbaar vele. Tracht het raadsel in uzelven op te lossen; dat raakt u allereerst en ligt als een floers op uwe oogen, waardoor uw blik in de wereld verduisterd wordt. Zoo sprak ik tot mijzelven, en ik zag naar rechts noch links, maar hief mijne oogen op en riep uit; mijn Vader!
Hij heeft mij lief, door wien ik ben; want ik kan
— 67 —
\'liefhebben. Hij heeft mij niet lief met eene meusche-lijke liefde, en ik zal haar geen menschelijken maatstaf aanleggen; maar zij is de grond en het doel van mijn verlangen. Ik zal zeggen: menschelijk heb ik hem, goddelijk heeft hij mij lief.
Daarom wil ik mij door den gang des lots niet op een dwaalweg laten voeren; want dit behoort tot de uitwendige wereld, en daar is het goddelijk werken voor mij vol geheimenis, lu mijn geestelijk leven ervaar ik zijne liefde. Hij trekt mij tot zich met de koorden zijner liefde, en ik volg den drang, dien hij op mij uitoefent, in goed geloof. Ik geloof, zonder te zien; wat in mijzelven is, daarvan ben ik verzekerd. Buiten mij is mij alles één groote raadselvraag.
Ik wil ook niet vragen, of de wereld zoo is, als mijne liefde tot de broederen haar zou wenschen, maar de hand op den mond leggen en het zwijgen doen tot wat ik niet begrijp. De menschen zal ik lief hebben op menschelijke wijze en hun doen, wat mij de liefde gebiedt; maar ik zal niet uitmaken, wat God doen moest; nederig beken ik mijn volkomen onwetendheid. Hem zij lof en dank. dat hij mij met het leven fles geestes heeft begiftigd, dat in geloof en liefde wordt gevoed uit zijne volheid.
5*
— 68 —
V.
Ik clank God, dat hij mij genadig is.
O, ik beschouw mijzelven niet meer als het middenpunt der wereld, ik gevoel mij eerder als het kleinste deel van een onmetelijk geheel. Ik ben der meening afgestorven, dat de wereld om mijnentwil zou zijn geschapen en dat alles wat geschiedt in mij zijn doel zou hebben. Ik heb mij gewend aan de gedachte, dat alles, even goed als ikzelf, zijn doel in zichzelf heeft. Maar ik ben met mijn deel van harte tevreden en verheug mij in mijn bestaan.
Bovenal verheug ik mij in mijn geestelijk leven. Wel brengt het menigen strijd en velerlei smart mede, wijl datgene, wat ik bereiken kan, nooit met mijn wenschen strookt. Maar het is de prijs waard, die ik er voor betaald heb, en met al zijn onvoldaan verlangen is het mij een zegen, en ik draag het voorgevoel met mij om der volmaaktheid, die ik tegemoet ga.
Ook de uitwendige wereld vervult mij met blijdschap. Schoon is zij en vol van goddelijke gedachten, in hoevele omhulsels zij ook verscholen liggen. Met duizend stemmen spreekt zij tot mijn hart en rijk maakt ze mij, als ze haar goederen voor mij opent en mij te doen en te denken geeft. En schoon veel mij reeds bedroefde, ik nam er winst uit tot mij, inzonderheid voor mijn geestelijk leven.
— 69 —
Wanneer ik mi voor mijn geheele leven den grond in God vind, dan is ook mijne vreugde blijdschap in God. Alles wat mij gelukkig maakt, komt tot mij als een gave van hem, en hem dank ik er voor.
Van heel mijn bestaan, met alles wat er toe behoort, ben ik mij bewust als mij toevloeiende uit zijne genade. Indien ik er iets toe bijgedragen heb, ik heb het toch eerst uit zijne volheid ontvangen. Ja, al wat ik deed, voorzoover het goed is, heb ik gedaan wijl ik onder zijn wil mij gevangen gaf; ik heb het alles uit zijnen geest opgenomen in den mijnen. Er is daarom geenerlei verdienste in, zoo min er verdienste in steekt, als wij het voedsel tot ons nemen, dat ons onderhoudt. Daarentegen ben ik mij bewust van velerlei verzuim en vele zonden, waardoor ik reeds dadelijk word weerhouden van te roemen in mijzelven. Eu zoo sta ik met al wat ik ben en heb onder den indruk dei-goddelijke genade, en al mijn gevoelen gaat op in dat van ongestoorde dankbaarheid.
Deze dankbaarheid betreft niet slechts mijn leven in het algemeen, maar strekt zich ook uit tot de afzonderlijke deelen, voor zoover ze mijn gevoel aandoen. Ik weet, dat God hen, die ik liefheb, niet om mijnentwil geschapen heeft; maar wanneer ik mij gelukkig voel in vereeniging met de mijnen, zeg ik vol dank: Gij hebt ze mij gegeven. Ik weet wel, dat God lieden de zon niet laat schijnen, opdat ik mij in de
schoone natuur zou kunnen verlustigen; maar als de zonneschijn mij vreugde doet vinden in de schoone wereld, dan looft hem mijne ziel. Ik weet wel, dat deze vrucht zou gegroeid zijn, of zij mij al dan niet tot voedsel strekt, maar het genot er van wekt in mij dank voor den gever aller goede gaven. Zonder dank zou ik niet kunnen en willen leven.
Ik vertrouw op God.
Wel is mijn vertrouwen meer dan eens bedrogen geworden. Maar mijne schuld was het; ik had mij aan valsche verwachtingen overgegeven. Ik was van gedachte, dat God mij voor leed bewaren en de steenen van mijn pad moest wegnemen, opdat ik er mijn voet niet aan zou stooten. Het is anders uitgekomen, en de gedachte daaraan heb ik laten varen. Ik ben op alles voorbereid en ook over het gruwzaamst lot zal ik mij niet verbazen. Ik zie, dat sommigen mijner broederen door schrikkelijk lijden worden bezocht. Heb ik iets op hen voor, zoodat gelijk lot voor mij onmogelijk kan zijn weggelegd ? Ik zie niet uit naar teekenen en wonderen; ik verkeer niet in den waan, dat God op willekeurige wijze in den loop der dingen zou ingrijpen, om voor mij eene uitzondering te maken. Ik weet
dat dit niet zijn kan; daarom wensch ik het niet.
Daarentegen erken ik zijne heerschappij in alles wat geschiedt. Ik zie ieder ding als een deel des geheels aan en herinner mijzelven, dat ik de afzonderlijke dingen niet kan begrijpen, zoolang ik het geheel niet overzie.
Ja, indien ik drlt kon ! Ik ben er zeker van, dan zou ik nergens een fout ontdekken, maar inzien, dat het onvolkomene niet dan eene menschelijke voorstelling is, waarvan wij ons wel niet ontdoen kunnen, noch wat onze aandoeningen en gewaarwordingen betreft, noch als wij tot handelen ons geroepen zien, maar die wij toch niet mogen laten gelden, als wij tot den Albestuurder opzien.
Wij vormen ons een beeld van wat onze geest nastreeft, en noemen dat het volmaakte. In vergelijking daarmede is het heden onvolkomen, en zoo behoort de voorstelling van het onvolkomene met noodwendigheid tot ons menschelijk geestesleven, dat naar het volkomene zich uitstrekt. Maar in betrekking tot het geheel aller dingen is er van geen onvolkomenheid sprake; dat is mijn geloof.
Wat God doet is alles goed. Wie kan zich dat anders denken? Ik begrijp niet met welk recht ik daaraan zou kunnen twijfelen. Ik moest dan aan alles, allereerst aan mijzelven vertwijfelen.
O mijne ziel, denk het in wat het wezen zou, als
— 72 —
ge zeidel: het geheel is onvolmaakt, en God werkt het onvolkomene, maar ik weet, hoe het behoorde te zijn. Schrikt ge niet terug voor de dwaasheid dezer gedachte ?
Neen, ik ben gerust en getroost. Ik gevoel op men-schelijke wijze en streef naar menschelijke doeleinden. Maar God heerscht en werkt goddelijk. En zijn bestuur omvat het geheel, zoodat ook mijn bestaan daarin besloten is en in het geheel zijn eigen plaats inneemt. Wat ik ben, ben ik door zijne genade, en zoo zal ik door zijne genade ook worden, wat ik worden moet. Ik zal mijn levensdoel bereiken en ik wil mijn weg gaan, zonder mij door iets op het dwaalspoor te laten voeren. Ik zal niet zeggen: Geen ongeluk zal mij treffen, maar ik denk: Welk ook mijn lot moge zijn, in \'s levens nood en dood leidt God mij aan zijne hand, en als ik dat erken, dan ben ik zalig.
Dan zal mijn geloof niet geschokt worden en mijn vertrouwen niet wankelen, want het heeft zich niet aan valsche verwachtingen gehecht.
Ik bid tot God.
Maar ik doe het niet meer in de ineening, daardoor eenigen invloed op hem uit te oefenen. Sedert
— 73 —
ik tot het besef zijner grootheid en tot erkenning mijner nietigheid gekomen ben, is het mij onmogelijk geworden dit te denken. En het inzicht in de noodwendigheid van het goddelijke doen heeft mij in dit opzicht tot volle klaarheid gebracht. Ik zeide: Hoe kan de Oneindige en Volmaakte den invloed van eeuwige en volmaakte wezens ondergaan, wier wenschen zoover uit elkander liggen ? En hoe zou God, die in zichzelf van geen willekeur weet, van menschelijken willekeur afhankelijk zijn? Toen was het mij onbegrijpelijk, dat ik zoolang den waan had kunnen voeden, als kon ik mijne macht tot hem uitstrekken.
En dit nieuwe inzicht bedroefde mij niet, want ik moest bekennen, dat die waan mij veel onrust had berokkend. Hce raoeielijk was het mij daarbij dikwijls geweest, mij in het onvermijdelijke te schikken; hoe dikwijls was ik heen en weer geslingerd geworden tusschen vruchtelooze verwachtingen en teleurstellende ontgoochelingen, die mij meermalen den twijfel aan de goddelijke liefde nabij hadden gebracht. Ik gevoelde mij rustiger en van groote zorg ontheven.
Zou er drukkender last voor ons denkbaar zijn, dan wanneer ons invloed op de Almacht ware toegekend? Als mijn volk oorlog moet voeren, wensch ik van ganscher harte dat het mag overwinnen. Maar indien God tot mij sprak: Aan u zij de beslissing;
— 74 —
bid tot mij: zooals gij wilt, zal geschieden — dan zou ik sidderend op de knieën vallen en uitroepen: Niet ik, Heer! Beslis gij, gij alleen! Want op eens zou de gedachte bij mij opkomen, dat ik de verantwoordelijkheid voor al de gevolgen van deze ééne gebeurtenis gedurende heel het verloop der wereldgeschiedenis, zou moeten aanvaarden, en onder dat wicht zou ik moeten bezwijken.
Zoo zou het telkens zijn, ook wanneer het eene zaak betrof, die mij van weinig beteekenis mocht toeschijnen; want het kleinste staat met het grootste in verband. O God, behoud de Almacht voor uzelven en laat mij de berusting!
En toch, doen wij niet ons best om op den loop der dingen invloed uit te oefenen ? Wij jagen ons doel na, wij beramen ons en handelen, en denken daarbij niet, dat het toch eigenlijk vergeefsch is, en dat alles ook zonder ons toedoen zou worden volbracht. Is dat dan berusting in en onderwerping aan Gods wil?
Deze bedenking houdt geen steek. Ik arbeid naar Gods wil met de krachten, die hij mij daartoe heeft gegeven, maar ik weet, dat ik daarbij binnen de grenzen van mijn gebied blijf, waaraan mijn inzicht en de middelen, waarover ik te beschikken heb, beantwoorden. Zoo doe ik het mijne met vreugd, wel wetend dat ik werk naar menschelijk inzicht en met menschelijke middelen. Geheel anders ware
het, wanneer ik de Almacht in mijn dienst kon nemen en met bare middelen zou moeten werken. Dan zou mijn blijdschap in ontzetting verkeeren, de oneindige inhoud zou het eindig vaatwerk doen breken.
Daarom heb ik de gedachte geheel en al van mij afgezet, dat menschelijk bidden invloed op Gods bestuur zou kunnen uitoefenen. En toch bid ik tot God, en zou ik mijn gebed niet kunnen missen. Want ik moet bidden, moet met God spreken. Als ik hem mijn vader noem en in het geloof aan zijne liefde, vol liefde tot hem, in hem oorzaak en doel van mijn geestesleven zoek, dan moet ik in onafgebroken verkeer met hem staan, dan moet mijn geheelc wezen zich voortdurend op hem richten, en zoo vaak ik dit tot mijn bewustzijn roep. komt mij van zelf het gebed op de lippen.
Deze omgang met God kan echter niet dan een persoonlijke zijn. Hoezeer ik duidelijk inzie, dat God meer dan persoon is, ik kan toch niet anders dan persoonlijk met hem verkeeren. Ik weet dat ik op menschelijke wijze tot hem spreek, maar hij hoort mij en antwoordt op goddelijke wijze.
Wat nu kan ik met hem spreken ? Hij is alles, ik ben niets; hij is de volheid aller dingen, ik het verlangen. Ik kan enkel mijn hart openen, opdat zijn leven er in binneustroome; ik kan alleen mijn onbegrensd verlangen uitspreken, dat ik vol van zijn geest
— 76 —
en\' één met hem moge worden. Zoo moet mijn bidden één gebed, één allesomvattend gebed zijn, tegelijk volkomen overgave aan hem en oneindige dank. Maar \'tis een bidden om geestelijke goederen, om den heiligen Geest.
En ik weet, dat dit geen vruchteloos bidden is, want het brengt de verhooring in zichzelf mede. Bidden en ontvangen staan met elkander in onverbrekelijke!) samenhang; zóó heeft God het gewild. Mijn begeeren is niet anders dan de bereidvaardigheid, om mij van allen eigenwil te ontdoen. Ik wil niet op hem inwerken, om mijn wil door te zetten, maar ik open mijn hart voor hem, opdat hij werke in mij.
Zoo blijf ik binnen de mij aangewezen menschelijke grenzen; want ik zoek de gemeenschap niet den Oneindige, waartoe hij mij heeft bestemd.
VIII.
Naar het inzicht, dat ik verkregen heb, zou ik niet om datgene moeten bidden, wat het uiterlijke leven betreft. Toch kan ik het niet laten varen. Is het de invloed van opvoeding en gewoonte die mij beheerscht, of heeft het zijn oorzaak in een onuitroeibare behoefte, die met mijn natuurlijken aanleg samenhangt?
— 77
AVant ik kan niet anders; alle wenschen, die in mijn hart leven, moet ik voor God uitspreken.
Ik weet wel dat daarin eigenlijk eene tegenstrijdigheid ligt: bidden en toch weten dat men daarmede niets uitwerkt. Maar ik word er innerlijk toe gedrongen, ik moet het doen, om innerlijk de rust en het evenwicht te verkrijgen en te behouden, die ik behoef tegenover het uiterlijke leven, met de taak, die het oplegt, en de stormen, die het over mij doet komen.
Zal ik mij een onnatnurlijken dwang aandoen ? Ik zie, dat ons gemoedsleven in \'t algemeen menigmaal in tweestrijd met onze kennis verkeert, zonder dat ik \'t noodzakelijk achte het te onderdrukken. Waarom zou dit in den godsdienst anders zijn? Als ik God mijn vader noem, waarom zou ik niet als kind tot hem spreken ? Als het mij eene behoefte is, uit te spreken wat mijn hart ontroert, waarom zou ik het met geweld onderdrukken?
Al onze geloofsvoorstellingen immers, ook de meest gezuiverde, zijn niet dan beelden van het onuitsprekelijke; in geen harer ontgaat de tegenstrijdigheid aan de scherpte van het denken. Het is genoeg, wanneer wij er ons ten allen tijde bewust van zijn; wij mogen den inhoud niet wegwerpen om der wille van den vorm. Ik wil dus mijzelven ook daar geen geweld aandoen, waar ik wel tot een juister opvatting ge-
i
- 78 -
komen ben, maar nog niet den daarvoor passenden vorm heb gevonden, dien ik voor mijn religieus leven van iederen dag behoef.
Ik weet dat ik met mijn gebed geenerlei verandering breng in Gods bestuur; maar ik bid, zooals mijn gemoed het mij voorzegt. Ik wil mijn liart voor mijn God uitstorten, als de nood mij bezwaart, en hem zeggen, wat voor wenschen en begeerten in mijn menschelijk hart zich verheffen, al is het ook dat ik geen wonder verwachte. Bidden wil ik voor hen, die ik liefheb, en mijne wenschen en mijne bekommernissen voor hun lichamelijk en geestelijk welzijn ten hemel opzenden, al denk ik er niet aan God door mijne woorden ten goede te moeten bewegen.
Ik ben wel menigmalen in soortgelijken toestand. Ik weet dat geen bede, geen bezweringsformule mij voor mijn noodlot vrijwaart, en ben besloten ook in het zwaarste lijden op God te vertrouwen; maar het is nu eenmaal menschelijk het beste te hopen, en daarom neemt ook mijn vertrouwen dezen vorm aan en ziet het vol hoop de toekomst tegen. Ik weet, dat God heilig is en blijft, of het den booswicht goed of slecht ga, en toch zie ik het ongeluk, dat zijn werk over hem brengt, als een goddelijk strafgericht aan. Ik weet, dat God niet naar willekeur handelt, en toch ga ik voort van zijne daden te spreken, als van de daden eens menschen.
— 79 —
Is dat verkeerd, is het ongerechtvaardigd? Even weinig, als wanneer wij van den op- en ondergang der zon spreken, ofschoon wij weten dat zij zich niet om de aarde beweegt. Als staat zij in werkelijkheid stil, voor ons gaat zij op en onder, en geheel ons leven hangt met dit verschijnsel van eiken dag op het nauwste samen. Zoo is ook ons religieus leven met voorstellingen verbonden, die veel meer onze betrekking tot God dan zijn werkelijk wezen vertolken.
Wellicht komt eens de tijd, dat de menschheid van den Oneindige op andere wijze spreken en op andere wijze met hem verkeeren zal. Ik weet het niet. Maar die tijd is nog niet daar, en ik houd mij aan datgene, wat ons in het tegenwoordige natuurlijk is. Tot geen prijs eenigerlei onnatuur. Het is voldoende, als de onvolkomenheid en tegenstrijdigheid van onze religieuse voorstellingen en van ons godsdienstig leven zelf ons klaar voor den geest staan; als wij voor schadelijke dwalingen ons hoeden en het geestelijk karakter onzer vroomheid zoo getrouw mogelijk bewaren en kweeken. Maar onze menschelijke natuur en de ontwikkeling, die haar in den loop der geschiedenis ten deel viel, moet haar rechten behouden.
if ^
I.
Wij snelden met den spoortrein door het land. Steden en dorpen waren aan onze blikken voorbijgegaan, en hoe langer de reis duurde, des te minder trokken zij onze aandacht. Langzamerhand schenen ze ons, evenals de bosschen en akkers, niet anders dan gedeelten der schilderij, die het landschap vertoonde. Dat trof mij en ik dacht: elk dezer plaatsen is eene wereld, even als uw woonplaats, en elk huis is als het uwe, en ieder mensch als gij. Gij ziet op hen neder als op de mieren, en zij gaan hun weg, en het doel van uw reis houdt uwe gedachten meer bezig dan hun aanblik. Maar zoo heeft ook elk hunner zijn eigen doel en zijn eigen wereld, die zijne aandacht in beslag nemen. En ik overzag in mijn geest de verstafgelegen landen en riep mij voor den
6S
- 84 -
geest het groot aantal aardbewoners en bevond dat het overal zoo was. Toen sprak ik: Wat beteekent elk mensch op zichzelf? En wat zijt gij, dat ge u zeiven als het middenpunt van het heelal beschouwt!
Ik las de geschiedenis van het verleden, en de volkeren traden voor mij op als personen, die op het tooneel zich bewegen. Toen bedacht ik mij, dat elk volk en ieder geslacht uit vele individuen bestaat, en dat tallooze menschen aan al die beweging en dien strijd hadden deelgenomen, en elk hunner beteekende evenveel als ik. Waar zijn ze nu? Wat is de enkele mensch in de wereldgeschiedenis? En wat zijt gij, dat ge haar van uw standpunt beziet als ware zij een tooneelstuk, dat voor u wordt opgevoerd?
Niets ben ik — dit antwoord gaf ik bij dergelijke overdenkingen onmiddellijk mijzelven. En ik bekende \'t mijzelven, dat het mij heilzaam was, dikwijls zoo te vragen en te antwoorden. Want de belachelijke en heillooze hoogmoed, die den kleinen menschen-geest laat droomen, dat God en wereld eigenlijk om zijnentwil bestaan, kan niet genoeg ten onder worden gehouden.
Maar niet minder gevaarlijk achtte ik de kleinmoedigheid, waardoor men in het gevoel zijner nietigheid zichzelf verliest. Iedere plant en elk dier is, wat het is; waarom kan de mensch het niet zijn? Waarom zou hij alleen zeggen; ik ben niets, wijl ik
- 8s -
niet alles ben? Hoe weinig gij ook zijt in vergelijking met het geheel, iets zijt gij toch en in uzelf kunt gij een geheel zijn. Neem u voor datgene te worden, waartoe gij besterad zijt; binnen de u gestelde perken uw leven in al zijne volheid tot ontwikkeling te doen komen, en het leven te leiden, waartoe ge bestemd zijt: laat het aan ieder ander over zich hetzelfde doel te stellen.
Hoogmoed en kleinmoedigheid zijn elkander na verwant en knagen te zamen aan de gezonde kern onzes geestes. Wij hebben deemoed noodig en levensmoed.
J
II.
Ik wandelde tusschen grafsteden en las de opschriften op de gedenkteekenen. Zij verhaalden van diepe smart en bitter leed; maar de jaartallen waren oud, en ik dacht: Dat is nu immers voorbij en vergeten, en de gloed, die eens onuitbluschlijk scheen, is lang reeds gedoofd. Maar zij spraken ook van trouw en liefde, en van levensgeluk in vereeniging met anderen genoten. Ook dat was thans voorbij, gelijk de bloesems van verleden jaar. En ik sprak: Waarom trekken wij ons \'s levens wel en wee zoozeer aan, dat toch een oogenblik maar van duur is?
1
- 86 —
Vreugde en smart zijn niet waard, dat onze harten om hunnentwil in beroering komen.
Ik kwam bij de nieuwe graven en zag een bleeke vrouw met twee kinderen bij een grafheuvel staan, die met bloemkransen bedekt was. De smartelijke uitdrukking van haar gelaat verdreef op eenmaal al mijne koele en hartelooze beschouwingen, en met innig medelijden voelde ik het jammer dezer wereld en dacht: O, kon ik u troosten en den verlorene u weergeven ! Maar de kinderen wezen elkander de bloemen, juichten als een vlinder kwam aanvliegen en zagen dan weer vragend hun moeder aan. Hoe gelukkig moesten de ouders in het bezit dezer bekoorlijke kleinen geweest zijnl Ik kon den blik niet van hen afwenden en voelde iets als zonneschijn in mijn gemoed. Vrouwe, gij waart rijk, en gij zijt toch niet arm. Verstaat gij, wat uwe kinderen tot u zeggen? Gij hebt voor hen te leven, hen gelukkig te maken, en in hen uw geluk te zoeken. Waarlijk, daar is geluk op aarde.
Gaarne beklimmen wij den berg en zien dan neer op de wereld aan onzen voet. Het oog reikt dan zoo ver, en ons hart verruimt zich, en wij voelen ons boven het kleine verheven. Maar wij dalen weer af, want daar beneden hebben wij onze woning en onzen arbeid, en hen die wij liefhebbeu. Daarom is het goed en noodig voor ons, ons aardsch bestaan met zijn vreugde en smart nu en dan van boven af te beschouwen
en het ons voor den geest te roepen, dat het maar een klein stukske in het groot geheel is. Doch wij behooren er aan toe en kunnen en mogen er ons niet aan onttrekken. Ik wil zijn lijden niet onder logens verbergen; zijn vreugde wil ik dankbaar genieten, de taak die het mij te doen geeft vervullen en mij onder de tnenschen als een mensch gevoelen. Met mijne broederen wil ik lachen en weenen, met hen arbeiden, en er naar streven, dat het leven zoo rijk en zoo schoon zij, als mogelijk is, en voor alles, wat ons gemeenschappelijk aangaat, het hart warm houden.
III.
Ik zag den landman arbeiden in de zonnehitte en den fabrieksarbeider aan zijn plaats geketend onder het geraas der machines. Ik leerde den fabrikant kennen, die met scherpen blik en een hart vol zorgen zijn uitgestrekt arbeidsveld overziet, en den hoogen staatsambtenaar, die onder den druk zijner groote verantwoordelijkheid zijn taak volbrengt. Den geleerde ontmoette ik in eene wereld van gedachten, die raat het alledaagsche leven in geenerlei betrekking schenen te staan, en den kunstenaar in de wereld zijner idealen.
Wat kwam dat alles mij groot en bewonderenswaardig voor, wanneer ik het in zijn samenhang overzag.
— 88 —
Ik verbaasde mij over het rijke leven der menschheid, dat zich door de samenwerking van zoo veelvuldigen arbeid ontplooit, en ik genoot bij den aanblik van dit grootsch en kunstig samenstel van het geheel. Maar een ander gevoel maakte zich van mij meester, wanneer ik de enkele deelen waarnam. Wat moeten velen zich met geesteloozen handenarbeid plagen, terwijl zeer weinigen maar de vreugde kunnen genieten, die een geestelijke scheppingsdaad oplevert. Hoe geheel verschillend is de innerlijke waarde van het leven des daglooners, van den staatsman en den denker. En dat moet zoo zijn en zal nimmer anders worden, want dat verschil is in de natuur van liet leven der menschheid gegrond. Deze overdenkingen drukten mij neder, en lang duurde het, eer ik daaromtrent tot klaarheid kon komen.
Eerst eene rijkere levenservaring deed mij de zaak van eene andere zijde bezien. Ik leerde de arbeidende klasse van naderbij kennen en ontmoette daar zooveel zedelijke kracht en zulk een rijk gemoedsleven, dat ik er door verrast werd. En ik trof in de kringen der hoogste beschaving en bij arbeid van de edelste soort zooveel bedroevende gemeenheid en harteloosheid aan, dat ik liet onderscheid der standen geheel anders leerde beoordeelen. Ik leerde inzien, dat de mensch, die zich in de richting van het goede beweegt, in eiken arbeid, die niet nutteloos en verderfelijk is, zedelijk sterker
- 89 -
wordt; want de geest vormt en ontwikkelt zich bij zorg en arbeid, en, indien de zelfverloochening een wezenlijk bestanddeel der zedelijkheid is, dan kan de geregelde en strenge arbeid, wanneer hij in juiste verhouding tot de kracht staat en niet door overmaat afstompt, daaraan niet dan bevorderlijk zijn.
Wat echter de waarde betreft van datgene, waaraan de arbeid wordt gewijd, beweer ik, dat de man, die voor voedsel of kleeding of andere lichamelijke behoeften der inenschheid zorgt, van de beteekenis zijner werkzaamheid evenzeer kan doordrongen zijn, als de geleerde of de kunstenaar. En waarom zou hij niet? Het lichamelijke is ons evenzeer noodig als het geestelijke; de zedelijke waardij van den arbeider echter hangt niet af van wat hij doet, maar van de wijze waarop hij het verricht. Voelt hij zichzelven als een nuttig deel der menschheid en doet hij in dat bewustzijn wat zijn plicht is, dan beklage niemand hem, als had hij geen waardige levenstaak.
Daarbij komt, dat zijn arbeid dient om hem levensonderhoud voor zich en de zijnen te verschaffen. Het leven der menschheid in haar geheel wortelt in de gezondheid van den enkelen mensch en den welstand van het gezin. De gedachte, door eigen krachtsinspanning iets te zijn, ja, bovendien voor anderen te zorgen, verhoogt het zedelijk zelfbewustzijn en de zedelijke kracht in hooge mate, en ik heb onder de geringste
— 9° —
handwerkslieden huisvaders en huismoeders leeren kennen, die eene waardigheid bezaten, waarop de meest beschaafde ledigganger zich nooit kan verheffen.
En moeten zij missen wat hun gemoed tot voedsel kan verstrekken ? Staan voor allen niet de rijkste bronnen open? Voor de natuur hebben zij dikwijls een ontvankelijk gemoed; hun huiselijk verkeer is inniger, hun onderlinge omgang bij vreugd en droefheid levendiger, dan in kringen waar het zonnelicht door het kunstlicht wordt vervangen en een aangeleerde taal de taal des harten verdringt. Bovenal echter treedt de beteekenis van den godsdienst nergens duidelijker te voorschijn dan in het leven der zoogenaamde lagere volksklassen, en ik heb er de verblij-dendste ervaring van opgedaan, dat hij daar het hart vormt op eene wijze, die door niets wat men beschaving noemt, kan worden vervangen.
IV.
Ik denk er aan, hoe dikwijls ik door eenvoudige lieden uit het volk beschaamd ben geworden en hoe vaak ik van hen geleerd heb. Menigmaal werden bedenkingen, die mijn verstand om- en omgekeerd had en waarop mijne gedachten zich reeds stomp hadden gezind, als het ware in het niet opgelost, wanneer ik met
hen in aanraking kwam. In menig verweerd gelaat hel} ik gestaard, terwijl het vriendelijk licht, dat uit de oogen straalde mij verraste en van innerlijken vrede des ge-moeds getuigde. Ik heb wel eens met het diepste medelijden menschen een bezoek gebracht, wier droeve lotgevallen mij reeds als ik er van hoorde vertellen ongelukkig maakten, eu ik heb hen verlaten met een vertroost gemoed en in betere stemming.
En dat waren voor een deel menschen uit de laagste standen. Gij, arme, zwaarbeproefde weduwe, in uw eng, behoeftig kamertje, waar gij eenzaam en nooddruftig uw einde afwacht, hoe zijt gij in staat uw lot te dragen? Uw leven is moeite en zorg en ontbering geweest, het kruis hadt gij dagelijks te dragen; uw man ging zijn eigen weg en liet u den arbeid over, den kommer en de kinderen, in wier verzorging gij uwe krachten verteerdet. Met zelfverloochening hebt gij aan hen uw plicht gedaan, en geen hunner is verongelukt; maar allen zijn ze vóór u heengegaan, en onlangs heeft men uw laatsten zoon weggedragen, die de steun van uw ouderdom zou zijn.
Hoe zal ik u troosten ? Doch zie, gij troost mij.
Gij weent en hebt in uw hart toch vrede met uwen God; het is niet noodig, dat ik beproeve hem voor u te rechtvaardigen. Gij ziet zoo rustig en dankbaar op uw leven terug en blikt zoo vol vertrouwen de toekomst in. Gij zijt niet alleen; gij spreekt met God
als met een altijd tegenwoordigen vriend; gij houdt verkeer met uwe kinderen, die gij voor alle stormen in veilige haven weet; gij wacht met verlangen het uur, dat ook voor u de deur van uw eeuwig tehuis wordt ontsloten.
O, kon ik allen tot u brengen, die door den twijfel gekweld worden. Ik zou tot hen zeggen; gevoelt gij niet, hoe armelijk uw onzekere gang, uw heen-en-weder, afsteekt bij haar zekeren, vasten tred? Gaan u de oogen niet open en bemerkt ge niet, dat ge door booze droomen gekweld wordt?
En tot den hoogmoedigen spotter zou ik willen zeggen: Wat zou ik deze vrouw kunnen geven, om haar beur lot dragelijk te maken, indien zij haar geloof niet bezat? En hoe zoudt gij met uw wijsheid u gevoelen in hare plaats? Ijskoude onderwerping, die zich met innerlijken wrevel schikt in het onvermijdelijke ware nog het beste, waartoe gij het zoudt kunnen brengen; maar leven kan uwe ziel niet.
Ik acht mijzelven gelukkig, als ik het geloof dezer weduwe ook maar kan verstaan; hoeveel te meer. wanneer ik het deel. En al zou ik het in menig opzicht anders uitdrukken dan zij, ik wensch toch niets meer, dan met haar te kunnen voelen.
V.
Schoon en verheffend is ook het eenvoudigste menschenleven, als het rein en godegewijd daarheen vloeit en het liefhebbende hart zich in het geloof ontdoet, van alles waardoor het wordt in boeien geslagen. Ik weet niets, wat ik liever zie. Het is als een groet uit eeue hoogere wereld en geeft ons een blik in den samenhang van tijd en eeuwigheid. Daarbij valt het zoo licht in een eeuwig leven te gelooven.
Doch hoe menig menschelijk bestaan neem ik waar, welks jammer mij met een onbeschrijfelijk gevoel van weemoed vervult. Droevig bedorven sleept het zich voort in het slijk der zonde of droogt uit in het zand eener armoedige alledaagschheid. Koud blijft het hart, door de laagste zorgen gedrukt, door zelfzucht ineengekrompen, door onreine lusten ondergehouden, terwijl het nog aan de aarde blijft gehecht.
Gebrekkige voeding, ongezonde arbeid en andere bloot uiterlijke invloeden houden de geestelijke ontwikkeling tegen, zoodat niets een hooger zelfbewustzijn kan in \'t leven roepen; en niets is er te ontdekken wat waard zou zijn eeuwig bestaan te hebben of er eenige vatbaarheid voor zou verraden. Dikwijls gaat wat er zich aanvankelijk toe ontwikkeld had weer onder in lichamelijke ziekten, en menigmaal gaat een edele geest in waanzin of in de
zwakheid van den ouderdom voor de oogen van hen die hem liefhebben, te gronde. Dit is onuitsprekelijk smartelijk om aan te zien, en dikwerf heb ik het begrepen, dat ook goede menschen de gedachte aan eene eeuwige bestemming droevig van de hand hebben gewezen. Ja, ik ben in verzoeking geweest het zelf te doen.
Ik ben er echter weldra weer van teruggekomen ; want ik zag in, dat ik daarmede mijzelven opgeven en heel mijn geestelijk leven voor een begoocheling moest verklaren.
Dit immers is de einduitkomst van geheel mijne ontwikkeling, dat ik geest ben geworden en dat ik het besef heb gewonnen van wat het volle, waarachtige leven is. Mag dat echter leven heeten, wat na een vluchtige verschijning in liet niet verzinkt?
Ik heb de gedachte der volkomenheid begrepen en zie in de verte een doel mij voorlichten, dat een machtig verlangen in mij wekt en onweerstaanbaar mij tot zich trekt. Hoe zou ik den moed kunnen hebben mij er naar uit te strekken, indien ik wist. dat ik het nimmer zou bereiken?
Ik heb, gehoorzamende aan een innerlijken drang, mij vol geloof aan het hart der eeuwige Liefde geworpen en ben daar tot mijzelven gekomen. Hoe zou ik kunnen denken, dat ik mijzelven weer zou moeten verliezen ?
— 95 —
Ik kan niet halverwege tlijven staan. Nu ik de eerste beginselen van mijn geestelijk leven tot ontwikkeling heb laten komen, heb ik mijzelven aan zijn voltooiing verpand. Ik heb het gewaagd, aan mijzelven en aan God te gelooven, nu moet ik ook gelooven aan een eeuwig leven. Indien mijn leven zich nooit tot een streven naar hooger ontwikkeld had. ik zou niet verder denken. Maar nu het zich eenmaal in béweging heeft gezet — nu moet ik het ook zijn verderen loop laten.
VI.
Ik doe er geen poging toe om liet mijzelven begrijpelijk te maken, hoe ik bestaan kan en tot verdere ontwikkeling komen, als mijn lichaam tot stof is geworden; ik zie in, dat het volstrekt onbegrijpelijk is. Doch is het minder onbegrijpelijk dat ik besta? Heeft iemand ooit kunnen verklaren, wat het zeggen wil: te zijn, en hoe het mogelijk is dat in een lichaam zelfbewustzijn wordt gevonden? Waren wij aan dit feit niet gewend, hoe verwonderlijk zou het ons voor komen; en werkelijk ken ik oogenblikken, dat verbazing over mijzelven zich met overweldigende macht van mij meester maakt. Het raadsel van het toekomende leven is niet grooter dan dat van het tegenwoordige. Wie echter zou zichzelven tot vernietiging
— 96 —
doemen, wijl hij het zich niet verklaren kan, dat hij bestaat ?
Indien nu het leven des geestes in het lichaam iets onbegrijpelijks is, dan kan ik niet verwachten, dat het sterven een verklaarbaar feit zou wezen. Ik zie hoe het stoffelijk lichaam uiteenvalt, maar ik weet in geen enkel opzicht wat met mijzelven geschiedt. Ik sta voor eene verborgenheid. Of deze plotseling plaats grijpt of langzamerhand wordt voltrokken, ofikinde volle kracht van mijn geestelijk leven onderga of in waanzin of in de kindschheid van den ouderdom vóór den dood reeds sterf, dit maakt geen verschil. Als de dood een slaap is, waarop een ontwaken volgt, dan is het hetzelfde, hoe lang zij duurt.
Is het zelfzucht dat ik wil leven ? Dan is alle leven zelfzucht en drukt het woord geen verwijt meer uit. En als het van zelfverloochening getuigt, dat men van het geloof in onsterfelijkheid afziet, dan beoefent de zelfmoordenaar de grootste zelfverloochening.
Niet alles is deugd, wat er den schijn van heeft. Ons op te otferen is plicht, wanneer God het van ons verlangt. Maar als de Vader zegt; ge zijt mijn kind en eeuwig zult gij \'t wezen, dan is het niet goed twijfelend en treurend neder te zitten. Dan voegt het ons in het volle gevoel van onszelven ons op te richten en welgemoed onzen weg te gaan.
VII.
Gewoonlijk worden met de gedachte aan een eeuwig leven voorstellingen van loon en straf verbonden. Wat mij betreft, kan ik mij daarin niet tehuis gevoelen.
Ik weet niet, waarvoor ik eigenlijk zou beloond worden. Het bewustzijn van in geen enkel opzicht eenige verdienste te hebben, neemt mij zoo geheel en al in, dat de gedachte aan loon, voor zoover het mij althans zou toekomen, mij geheel en al onmogelijk is. Dit alleen is voor mij klaarblijkelijk, dat ik enkel van Gods genade kan leven, en daarom kan ook mijne hoop alleen hierop gegrond zijn, dat God voleinden zal, wat hij in mij heeft begonnen.
En wat zou ik vreezen voor straf? Als afschrikkingsmiddel behoef ik haar niet; dit noodig te hebben geeft, meen ik, een gebrek aan louterheid in het zedelijk en godsdienstig streven te kennen, dat even slecht is als de zonde. Ik verneem zeer zeker het getuigenis van mijn geweten, dat ik de goddelijke liefde niet waardig ben, en ik neem het aan van ganscher harte; maar ik zou niet weten, welken zin het geloof aan de goddelijke genade zou hebben, indien mijne onwaardigheid mij tot vertwijfeling moest brengen.
Daarom kan ik, wat mijzeiven betreft, ook het verwijt niet billijken, dat mijn geloof aan een eeuwig
7
- 98 -
leven uit loonzucht zijn oorsprong zou hebben of een steunsel voor de zedelijkheid zou wezen, als kon zij niet op eigen voeten staan. Ik weet, dat dit geloof niet anders is dan de onontkoombare eisch, dien mijn geestelijk leven stelt, en waaraan ik recht moeten laten weervaren, zal ik in werkelijkheid kunnen leven. Ik geloof, om een menschel ij k leven te kunnen leiden.
Vele duizenden stemmen getuigen met mij, dat velen dezelfde behoefte hebben. Zijn er anderen, en onder dezen ook edele menschen, die verzekeren, dat zij haar niet gevoelen, ik kan daarom mijzelven toch geen geweld aandoen. Ik onderzoek niet of zij zich bedriegen of misschien anders gevormd, geestelijk anders gebouwd zijn dan ik; ik veroordeel hen nog veel minder. Maar om hunnentwil kan ik mijzelven geen gebrek laten lijden.
Ik laat mij ook niet door allerlei spitsvondige vragen in verwarring brengen, als: wat wordt er uit een mensch, wiens geestelijk leven verwaarloosd is? Wat zou in hem kunnen wezen, dat eeuwig bestand zou hebben? Zijn ook de kinderen onsterfelijk, of, wanneer is bij geleidelijke ontwikkeling het oogenblik daar, waarop de vatbaarheid voor een voortleven begint? Dit zijn ijdele vragen. Ik kan niet in het binnenste van een mensch zien, en ook niet beoor-deelen, of in hem al dan niet een kiem voorhanden
— 99 —
is, die zich tot een eeuwig leven zou kunnen ontwikkelen. Daarom doe ik het zwijgen tot dit alles. Ik weet slechts wat in mijzelven is, en dat wil ik niet onderdrukken. Evenmin wil ik mij laten weerhouden om van mijn geloof te spreken, en het is mij tot verheffing des harten, als mijn woord in eenig gemoed weerklank vindt.
VIII.
Men zegt tot mij: De hand op het hart — is het leven, dat ge leidt, werkelijk een gelukkig leven ? Uw blikken waren rond in een verre toekomst, en dit brengt er u immers toe het tegenwoordige uit het oog te verliezen. Onophoudelijk streeft ge voorwaarts ; dan moet ge toch geen vrede hebben met het heden. Is de mensch niet veel gelukkiger, die ten allen tijde met geheel zijn hart van het tegenwoordige geniet en vrij is van verteerend verlangen; de tevredene, die genoegen neemt met wat hij is ?
Voor deze vraag ben ik niet ongevoelig gebleven. Zij wekt een smartelijken weergalm in mijn gemoed. Ik moet bekennen, dat ik iets mis. Natuurlijk; want wie naar iets streeft, heeft niet datgene wat hij zoekt. Maar met hetzelfde recht als deze zouden nog vele andere vragen kunnen gedaan worden.
7*
- IOO -
Is de onwetende niet gelukkiger dan hij die iets weet? Want alles kunnen wij niet weten, en iets te weten brengt onrust mede. En zou hij, in wien het geweten sluimert, niet gelukkiger zijn dan hij, in wien het ontwaakt is? Want daar niemand zonder zonde is, kan het niet anders of wie wel naar gewetenstrouw haakt, is menigmaal bedroefd. Zoo zou men kunnen vragen: is de vlinder, die in den zonneschijn de bloemen kust, niet een gelukkiger wezen dan de mensch, die diep in zijn binnenste een stem verneemt, er het oor naar te luisteren legt, en haar nog niet geheel en al verstaat ? O zeker, er is een stukske waarheid in deze vragen. Doch zal iemand ons op grond daarvan aanraden ons weten en ons geweten en ons menschelijk leven daarom weg te werpen ?
Wij hebben onze bestemming niet vast te stellen; wij behooren datgene te wezen, waartoe wij bestemd zijn. En kunnen wij het niet zonder smartelijke ervaringen wezen, dan behooren wij ze te dragen. Immers getuigt reeds de eenvoudigste zedenleer, dat al wat goed is worstelend moet worden verkregen en dat-een edele gezindheid niet dan in zelfverloochening tot wasdom komt. Een rusteloos streven is de drijfveer in de geschiedenis der menschheid. Waarom zou het anders zijn in het leven van den mensch ? Als mensch moet ik voorwaarts streven en een verheven doel mij stellen, en liever laat ik het gevoel van volle bevrediging
— 101
varen, dan afstand te doen van mijne hoop en van mijn hoogst verlangen.
Maar daarbij voel ik mij niet zoo ongelukkig, dat ik mijzelven beklagenswaardig zou vinden. Veeleer gevoel ik mij in mijn geloof zóó rijk, dat de vreugde over datgene wat ik bezit de smart over wat ik mis verre overtreft. Ik verlang niet naar de rust der onaandoenlijkheid; ik verheug er mij over dat mijn leven op een doel gericht is, dat de inspanning waard is. Ik vertoef niet droomend in de toekomst; ik breng mijn tijd niet door met mij daaromtrent allerlei voorstellingen te maken, en zwelg niet in gevoelsaandoe-ningen. Dat is lediggang. Ik weet, dat ik al mijne kracht heb te wijden aan mijn zedelijke taak en dat elk oogenblik, waarin ik niet met volle geestelijke toewijding leef, verloren is. Daarom tracht ik gansch en al voor het heden te leven. Maar het licht der eeuwigheid moet er over lichten.
O, ware het maar recht helder op mijn levensweg! Ware ik maar uit alle weifeling en onrust tot een volkomen en onwankelbaar vertrouwen gekomen. Dan zou mijn geest zich in ongedeelde kracht aan het heden en zijne eischen wijden en op zijne wijze leven als de vlinder in den zonneschijn. Het geluk ligt niet achter mij, doch vóór mij. Ik moet het naderbij komen, hoe meer ik der volkomenheid nader.
1.
„Welke aanspraak kan het geloof maken op zekerheid? Het is een vermoeden, niet een weten, en daarom naar zijn wezen iets onzekers.quot; Zoo hoorde ik dikwijls met groote beslistheid zeggen.
Toen vroeg ik mijzelven af: wat is een weten, dat alleen zekerheid zou geven, en waarop berust het?
Wat ik zie en hoor en in \'t algemeen met de zintuigen waarneem, houd ik voor zeker. Waarom ? Ik vertrouw op mijne zintuigen en geloof dat zij mij met de werkelijkheid in kennis stellen.
Ik weet dat wat ik waarneem niet anders dan de voorstelling is van de zinnelijk waarneembare wereld, niet de wereld zelve. Toch neem ik aan, dat aan mijne waarnemingen eene werkelijkheid beantwoordt. Waarom ? Bewijs er voor heb ik niet, doch ik geloof het.
I.
„Welke aanspraak kan het geloof maken op zekerheid? Het is een vermoeden, niet een weten, eu daarom naar zijn wezen iets onzekers.quot; Zoo hoorde ik dikwijls met groote beslistheid zeggen.
Toen vroeg ik mijzelven af; wat is een weten, dat alleen zekerheid zou geven, en waarop berust het?
Wat ik zie en hoor en in \'t algemeen met de zintuigen waarneem, houd ik voor zeker. Waarom ? Ik vertrouw op mijne zintuigen en geloof dat zij mij met de werkelijkheid in kennis stellen.
Ik weet dat wat ik waarneem niet anders dan de voorstelling is van de zinnelijk waarneembare wereld, niet de wereld zelve. Toch neem ik aan, dat aan mijne waarnemingen eene werkelijkheid beantwoordt. Waarom ? Bewijs er voor heb ik niet, doch ik geloof het.
Wat ik langs den weg van het verstandelijk denken door gevolgtrekking leer kennen, houd ik voor zeker. AVat geeft mij daartoe bet recht? Ik vertrouw op mijn denkvermogen en geloof dat de wetten, waardoor het zich laat leiden, in de waarheid haar grond vinden.
Heel het gebouw van ons denken rust op een aantal grondstellingen, die wij niet kunnen bewijzen, maar waarvoor wij ook geen bewijs noodig achten. Waarom ? Er moet een begin zijn, waarvan men zegt: dit is. Uit niets kan niets voortkomen.
Zoo bevond ik, dat al ons weten op geen anderen grond rust dan op een gelooven.
„Dat alles moge juist zijn,quot; zegt men, „maar hier moet toch onderscheid gemaakt worden. Op de betrouwbaarheid van ons weten kunnen wij ons verlaten, omdat de denkwetten bij alle menschen dezelfde zijn en de daaruit voortvloeiende toestemming der verstandswaarheden algemeen is, terwijl het religieuse geloof veelsoortig is en een persoonlijk karakter draagt.quot;
Dat moet ik toestemmen. Is het echter met de zedelijke waarheden anders gesteld? Ook hier zijn de meeningen der verschillende volkeren en tijden, en ook die der personen, niet eensluidend. Maar niemand, die een waarlijk zedelijk mensch is, laat zich daardoor van het spoor brengen. Wanneer het bijv. bij hem vaststaat, dat het zedelijk goed is zichzelf te verloochenen, lief te hebben en trouw te zijn, dan houdt
-— io7 —
hij dit niet maar voor zijne persoonlijke opvatting, die op algemeene toestemming geen aanspraak zou kunnen maken. Hij kan zijne grondstellingen noch verstandelijk bewijzen, noch tot algemeene instemming er mede dwingen. Toch denkt hij daarom niet: Dat is mijne meening slechts; \'t is echter evenzeer mogelijk, dat zelfzucht en trouweloosheid zedelijk goed zijn. Veeleer zegt hij met beslistheid: Zóó is het. Waarop grondt zich zijne zekerheid? Op een onmiddellijk gevoel, dat hij beaamt. Hier is zekerheid des geloofs; evenzoo is het gesteld met de religieuse zekerheid.
Voor mijzelven is mijn geloof mij zekerheid, en ik weet waarop zij gegrond is. Maar kan ik verwachten, dat allen zoo gelooven als ik?
Reeds het feit, dat de verscheidenheid van meeningen op religieus veel grooter is dan op zedelijk gebied, wekt bij mij het vermoeden, dat de staat van zaken hier anders is. En waarlijk, hoe zou er overeenstemming mogelijk zijn, als alle geloofsvoorstellingen slechts de beelden der oneindige wereld zijn, waarvan het gemoed het besef met zich omdraagt?
Ieder zoekt in God, wat hem voor het hoogste geldt. Hoe kunnen allen hetzelfde in hem zoeken, terwijl
— ioS —
de trappen van geestelijke ontwikkeling zoo verschillend zijn? Ieder ontvangt op bijzondere wijze den indruk van het oneindige, evenals een instrument, waaruit de adem van den wind een toon te voorschijn roept. Hoe kunnen alle tonen eensluidend zijn, terwijl de gemoedereu zoo verschillend besnaard zijn ? En nu moet dat gevoel, dat besef nog in eene voorstelling gekleed en in woorden uitgedrukt worden, waardoor het alleen aangeduid kan worden en niet wedergegeven. Daaraan hebben ook de verbeeldingskracht en het verstand hun aandeel. Hoe zou \'t anders kunnen wezen, dan dat daar zelfs, waar de voorstellingen denzelfden inhoud hebben, haar vorm nog verschillend is?
Indien alle menschen bij den opbouw van hun geloof geheel zelfstandig werkzaam waren, dan zou ieder zijn eigen belijdenis uitspreken. Alleen hun gemeenschapsleven en ten gevolge daarvan hunne afhankelijkheid van de geschiedkundige ontwikkeling is er de oorzaak van, dat er religieuse groepen zijn, vereeni-gingen met eene zelfde belijdenis, in het leven geroepen door de kracht van persoonlijkheden, die overwegenden invloed uitoefenden, en in stand gehouden door de opvoedende macht der omgeving, waarin zij zich bevinden. Hoe meer echter de afhankelijkheid voor zelfstandigheid plaats maakt, des te grooter verscheiden-lieid moet er te voorschijn komen.
— log —-
Dit ligt in den aard der zaak en heeft niets bevreemdends. Maar het kan ook hera, die het religieuse leven van de religieuse voorstelling weet te onderscheiden, niet in verwarring brengen.
Ik kan niet verwachten, dat allen evenzoo gelooven zullen als ik. En toch heb ik het eens gedacht en met groote moeite heb ik mij van deze dwaling losgemaakt.
Waar ik eene geloofsuitdrukking aantrof, die mij vreemd was, viel het mij gemakkelijk deze te verstaan. Doch waar ik geheel andere aandoeningen en gewaarwordingen ontmoette, heb ik dit met veel meer moeite mij kunnen verklaren. Hoe moest ik den verheven geest mij denken, die naar zedelijke volmaking streeft, maar het geloof in beginsel als een waan afwijst; of den oppervlakkigen zin, die nimmer lust of tijd heeft, om naar de inwendige stemmen te luisteren; of het droevig bestaan van een gemoed, dat alle religie haat en in hartstochtelijk verzet komt, als het maar eene uiting er van aantreft? Het viel mij moeilijk zulke raenschen te begrijpen; doch om der wille van de waarheid en de liefde heb ik er naar getracht. Ik heb hun levensloop nagegaan
en mij toen niet meer over hen verbaasd. Ik heb mij in hun toestand trachten in te denken, en veel begrepen.
In menig edel hart kon de religieuse neiging zicli niet ontwikkelen, omdat het van der jeugd af een ander doel in zoo helder licht zich voor oogen zag gesteld, dat het al zijne gedachten en krachten aanwendde om het te bereiken. Mannen van beteekenis oefenden reeds op het kind een overweldigenden invloed uit. Hen na te volgen; een plaats in de wereld te veroveren aan de hunne gelijk; evenals zij iets uitnemends tot stand te brengen, was het streven van den jongeling en nam zijn geest zoozeer in, dat alle andere aandoeningen er door werden teruggedrongen. Daarbij kwam, dat hij den godsdienst slechts in zijn onwaardige vertegenwoordigers leerde kennen, wier bekrompen zin en breedsprakige zelfgenoegzaamheid een weerzinwekkende tegenstelling vormden met den ruimen blik en den degelijken ernst zijner hoogvereerde meesters en voorgangers. Ja, hij hoorde het oordeel der verdoemenis uitspreken over datgene wat hem groot en heilig toescheen. Is het niet natuurlijk, dat de religieuse aanleg, die zich onder andere omstandigheden misschien krachtig zou ontwikkeld hebben, daar van zijne levensvatbaarheid verloor en de religie op den zoodanige ten laatste den indruk maakte van vijandig tegenover zijn zedelijk streven te staan ?
Onze tijd legt in zoo velerlei opzicht beslag op der menschen krachtsinspanning, dat het stille inkeeren in
— Ill —
zichzelven, zoo noodig zal de geest zich op het eeuwige kunnen richten, voor velen hoogst bezwaarlijk wordt gemaakt. Het is niet altijd oppervlakkigheid, wanneer men zegt: ik heb geen tijd om mij met zaken van godsdienstigen aard bezig te houden. De gejaagde werkzaamheid, die wij zoo menigmaal ontmoeten, komt niet altijd uit onredelijke winzucht voort. Ons is werkelijk een overvloed van ernstigen arbeid te doen gegeven; er zijn levenstoestanden, waardoor iemands tijd en kracht zoozeer wordt ingenomen, dat men het wel begrijpen kan, wanneer het hem moeilijk valt in te keeren tot zichzelven en in zijn innerlijk leven tehuis te raken. Is het werk zelf van dien aard, dat de gedachten daardoor op hoogere doeleinden gericht worden, dan wordt daardoor vanzelf ook alreeds eenige vergoeding voor dat gemis gegeven, zoodat het minder gevoeld wordt. Maar hoe dikwijls is het van verstrooienden aard en dwingt het den geest zich met allerlei kleinigheden bezig te houden, die alleen dan eenige zedelijke beteekenis kunnen verkrijgen, wanneer zij onder een hooger gezichtspunt geplaatst worden. In zulke gevallen heb ik bij edele menschen somtijds een deerniswaardigen toestand van innerlijke ledigheid en onvoldaanheid opgemerkt, die zij met de verklaring, dat zij naar rust verlangden, volmondig erkenden. Maar zij konden het begin der religieuse gemoedsstemming niet vinden.
Iets anders is het, als dit begin reeds in de jeugd door de opvoeding is gegeven en voorts zich gezond ontwikkelend tot een krachtig geloofsleven is geworden. Dan is de bron geopend, waaruit de geest, ook in de zwoele lucht der afmattende alledaagschheid, zijn verkwikking drinkt. Maar hoevelen ontbreekt de godsdienstige opvoeding zoowel in de jeugd als in hun later leven! Kan de kiem in hunne natuur tot ontwikkeling komen zonder dat invloeden van buiten haar te voorschijn roepen? Evenmin als de graankorrels op den pakhuiszolder.
Opvoeding is de akker, is de regen en zonneschijn voor den menschelijken geest; opvoeding die, onder de eerste invloeden van het ouderlijk huis begonnen, wordt voortgezet door de gezamenlijke indrukken, welke de ons omringende menschenwereld op ons uitoefende en nog dagelijks uitoefent. Dit is mij steeds duidelijker geworden, hoe meer ik de menschen en mijzelven heb waargenomen. Toen heb ik er mij niet meer over verwonderd, als ik menschen ontmoette, die geheel anders gevoelden dan ik, en geen begrip hadden van datgene, wat mijn hart ontroerde. Ik stelde mij in hunne plaats en legde de vraag mij voor: wat zou in uw innerlijk leven den boventoon voeren, als hunne levensgeschiedenis de uwe ware; en zoudt gij hem verstaan, die tot u sprak gelijk gij thans spreekt tot hem ?
Ook is nu en dan de vraag bij mij opgekomen, of werkelijk alle menschen van nature godsdienstigen aanleg en behoefte aan geloof zouden hebben. Mij zijn gevallen voorgekomen, die mij tot de meening deden overhellen, dat er menschen zijn wier aanleg voor godsdienst even gering of even zwak is, als die van anderen voor muziek. Ik waag het niet hier te beslissen, doch de gedachte aan deze mogelijkheid heeft mij in mijn oordeel dubbel omzichtig gemaakt. In elk geval is de natuurlijke aanleg niet bij allen gelijk, en invloeden, die bij den een eene gunstige uitwerking hebben, kunnen voor anderen schadelijk zijn. Daaraan is het toe te schrijven, dat menigmaal dezelfde opvoeding twee menschen op uiteenloopende wegen voert.
IV.
Ik kan mij de verscheidenheid in het religieuse denken en gevoelen onder de menschen verklaren. Zal ik er nu over klagen ? Zou ik wenschen, dat dit verschil mocht uitgewischt worden en allen zoo denken en gevoelen mochten als ik?
Men zegt wel: er kan maar ééne waarheid zijn, en wie overtuigd is, de waarheid te hebben, moet wen-
— 114 —
schen, dat zij algemeen erkend worde. Maar heb ik de waarheid?
Dat onze religieuse voorstellingen slechts onvolkomen beelden zijn, heb ik ingezien ; ik zal dus de volmaaktheid van de mijne niet kunnen beweren; wat onvolkomen is heeft meerder volmaking noodig.
Daarom kan ik enkel wenschen, dat de menschheid en ik zelf tot steeds grooter zuiverheid van geloofsvoorstellingen mogen voortschrijden. Dit geschiedt evenwel eerder, wanneer verschillende opvattingen verhelderend op elkaar inwerken, dan wanneer er maar eene voorhanden is, die zich van haar gebrekkigheid niet bewust is. Ik heb steeds bij mijzelven de ervaring opgedaan, dat er niets vrüchtbaarders voor mij was, dan de oprechte poging om mij in eene vreemde voorstellingswijze in te denken.
Zou echter, wat van de voorstellingen geldt, ook voor de religieuse aandoeningen en gewaarwordingen van kracht zijn? Zou het niet wenschelijk zijn, dat alle menschen zich met gelijke liefde naar God uitstrekten en voor elk zijner openbaringen even ge-reedelijk het hart openden? Ja, van dezen wensch is mijne ziel vervuld, en ik bejammer elke onderdrukking van het religieuse leven, zij moge aan eigen schuld of aan de omstandigheden te wijten zijn.
Ik heb echter ontdekt, dat hier eene dwaling met gevaar dreigt, waartoe ik met anderen dikwijls verval-
— us —
len ben. Ik bedoel de verwisseling van liet vrome gevoel met zijne uitdrukking. Wien steeds de mond overvloeit van wat zijn hart vervult, hij houdt iemand lichtelijk voor koel en koud, die het heiligdom van zijn innerlijk leven voor anderen zorgvuldig gesloten houdt. En toch kan beider gevoel even krachtig zijn; ze zijn enkel van verschillend karakter. Van daar ook dat de een met voorliefde het godsdienstig gemeenschapsleven onderhoudt, terwijl de ander zijn weg in eenzaamheid gaat en God in het verborgene zoekt. De gevoelsmensch kweekt zijn innerlijk leven met groote teederheid en zorgvuldigheid en betoovert anderen met de bloesems, die hij er uit te voorschijn roept; de man van de daad zet zijne gevoelens dadelijk om in den wil en bij hem ontwikkelt zich uit nauwelijks zichtbare bloesems de voedzame vrucht van nuttigen arbeid. Eene onzelfstandige natuur kan, aan de klimplant gelijk, alleen schoon en vruchtdragend opgroeien, wanneer zij zich aan eene vaststaande overlevering hecht en in de zichzelf verzakende onderwerping aau haar ziet zij daarom het wezen der vroomheid. Wie voor zelfstandigen wasdom is bestemd, voelt zich gedrongen om zelf uit te gaan, opdat hij de waarheid zoeke en naar haar handele, en verneemt in dien innerlijken drang de stem Gods, waaraan hij met volkomen overgave gehoorzaamt.
Groot en vele zijn alzoo de natuurlijke verschei-
8»
— ii6 —
denheden, en door opvoeding en omstandigheden worden ze nog grooter, zoodat waarlijk vrome men-schen elkaar dikwijls in \'t geheel niet verstaan. Zullen wij evenwel wenschen, dat het godsdienstig leven maar ééne gedaante vertoone ? Dat ware even verkeerd als de wensch, dat er in de natuur maar één levensvorm gevonden wierd. Wij bewonderen in de schepping den onmetelijken rijkdom van vormen, waarin de scheppende kracht te voorschijn treedt. Hoe zouden wij datzelfde in de menschenwereld dan bejammeren ?
V.
„Als de godsdienstige voorstellingen en de vormen van het leven der vroomheid verschillend moeten zijn, hebben wij dan het recht, de onze zoozeer op den voorgrond te stellen, dat wij daarmede op anderen invloed trachten uit te oefenen? Behoorden wij er ons niet mee tevreden te stellen, dat wij ze voor ons-zelven bezitten ?quot; Deze redeneering heb ik dikwijls vernomen, meestal van hen, die óf hunne onthouding rechtvaardigen óf de ongewenschte inmenging van anderen wilden afweren.
Stelde ik mijzelven de vraag, of het mij heilzaam zou geweest zijn, wanneer niemand zich geroepen had
— ii7 —
gevoeld, op mij invloed uit te oefenen, dan was ik met mijn antwoord spoedig gereed. Ik heb wel is waar er mij aan laten gelegen liggen mijn denken en leven zooveel mogelijk zelfstandig te vormen, maar ik weet ook, dat het maar voor het kleinste gedeelte mijn eigen werk is. Verreweg het meeste en het beste, van wat ik mijn geestelijk eigendom noem, is ontleend aan den schat, die in den loop van duizenden jaren vóór mij is verzameld; een deel komt op rekening van wat de menschen eigen was, die aan mijne ontwikkeling hebben gearbeid, en het kleinste deel slechts is mijn eigen werk. Daarom ben ik vol dank niet alleen jegens hen, die. rechtstreeks een zegenrijken invloed op mij hebben uitgeoefend, maar ook jegens allen, die in den loop der tijden iets ter bevordering van het religieuse inzicht en de vroomheid des levens in de wereld hebben bijgedragen. Ik dank er hen voor, dat zij niet uit misplaatste schuchterheid of traagheid enkel voor zichzelven hebben geleefd, maar hunne krachten hebben ingespannen, om naar hunne overtuiging op hun omgeving invloed uit te oefenen. En al heeft aan wat zij deden menige dwaling gekleefd ; al heeft menig woord en menige daad geheel andere gevolgen gehad, dan zij bedoeld hadden, hun goede bedoeling en hun onzelfzuchtige trouw is toch voor de groote huishouding van het geestelijk leven •der menschheid niet verloren geweest.
— ii8 —
Daarom wil ik ook met opgewekten eu blij moedigen zin in het groote verkeer der geesten mijn plaats innemen; niet maar ontvangen doch ook geven, en op den post waarop God mij geplaatst heeft het mijne doen met wat ik heb en zooals ik ben. Ik doe dan wat ik behoor te doen, waartoe een innerlijke stem mij oproept; de gevolgen liggen niet in mijne hand. Ik doe, wat de liefde van mij eischt; want, indien ik hun dankbaar ben, die op mij van heilzamen invloed zijn geweest, dan moet ik er naar trachten, hun, wier levensweg den mijnen kruist, op gelijke wijze van dienst te zijn. Ik doe het naar mijne kracht en overeenkomstig mijn inzicht en geef mij, zooals ik ben. Ik spreek naar mijne overtuiging en handel naar mijne beginselen. Ik wensch datgene, wat in mij leeft en mij bevredigt, anderen mee te deelen, opdat het ook hun ten zegen zij.
Ik geef het in den vorm en in de eigenaardige gestalte, waarin ik het bezit; maar ik zie dit alleen voor de onmondigen, die aan mijne bijzondere zorg zijn toevertrouwd, als iets wezenlijks aan. Tegenover hen die mondig zijn is het slechts het middel, waardoor ik mij bij hen aanmeld en mijzelven hun mededeel, opdat ik hun tot prikkel en opwekking zij, gelijk zij voor mij.
— lig —
AVat viel het mij vroeger gemakkelijk een vonnis te vellen over wat met mijn denken en mijn gevoelen in strijd was, en het als zonde te veroordeelen. Het is mij moeilijker geworden, hoe meer ik tot kennis der waarheid kwam.
Niet eens op het gebied der zedelijkheid kan ik het van mij verkrijgen over iemand het doemvonnis uit te spreken.
De slechte daad kan ik verafschuwen en den boosdoener straffen. Maar ik kan niet het eindvonnis over hem vellen, sedert ik een dieper blik in het leven heb geslagen en heb opgemerkt hoe raadselachtig de verschillende wegen door elkaar loopen, waar langs gezindheden en beweegredenen tot onberekenbare gevolgen leiden. Menigeen, over wien ik mij bij den eersten oogopslag ontzette, heb ik moeten vrijspreken, zoodra ik zijn levensloop kon overzien. Ja, dikwijls moest ik tot mijne beschaming erkennen, dat mijne schijnbaar veel kleinere zonden in werkelijkheid grooter waren dan de zijne.
Is nu reeds op zedelijk gebied dergelijke behoedzaamheid in het oordeelen geboden, veel meer nog is dit het geval op dat van het religieuse leven. Iemand kan zedelijk en goed zijn, zonder dat het religieuse
leven in hem tot ontwikkeling is gekomen. Mag ik hem daarom veroordeelen ? Wat hem ontbreekt kan het gevolg van uiterlijke omstandigheden zijn. Weet ik, in hoeverre hij zelf daaraan schuld heeft? Ook kan echter eenzelfde vrome zin en geaardheid in de meest verschillende vormen aan het licht treden; ja, naar het wezen der zaak moet dit het geval zijn. Kan ik iemand veroordeelen, omdat hij datgene wat zijn hart doorgloeit op andere wijze uitdrukt dan ik? Indien ik tot het inzicht ben gekomen, dat al mijne religieuse voorstellingen niet dan onvolkomen beelden zijn van wat eigenlijk aan alle voorstelling ontsnapt, dan mag ik niet toornen over hem die, terwijl hij zich met gelijke liefde naar den Allerhoogste uitstrekt, hem onder andere beelden meer in zijne nabijheid tracht te brengen.
De verwarring van vorm en wezen speelt nog een groote rol in het religieuse leven, en zij wien een godsdienstige opvoeding ten deel viel, hebben doorgaans van der jeugd af aan den indruk ontvangen, dat de ware vroomheid maar één vorm heeft en ééne taal spreekt. Deze taal en dezen vorm te bewaren is hun daarom eene gewetenszaak en geldt voor hen als de heiligste plicht. Hoe kan ik hun, die niet bij machte zijn mij te verstaan en mijne godsdienstige denkwijze voor ongeloof aanzien, daarvan een verwijt maken? Ik toorn niet op hen; ik zie niet eens medelijdend
121
op hen neder; ik oordeel niet over hunne personen.
Hun vroomheid echter beoordeel ik niet naar den vorm, doch naar haar innerlijke waarde, voorzoover deze mij bekend is. Zoo komt het er bijvoorbeeld niet op aan, hoe iemand het Wezen noemt tot wien hij bidt, maar hierop, wat hij bij hem zoekt. De reine ziel, die zich voor het Mariabeeld nederwerpt en van de Heiligen, in wier beeld zij de goddelijke heiligheid en liefde aanschouwt, steeds meer heiligen zin en zelfverloochenende liefde afsmeekt, kenmerkt zich door hetzelfde religieuse leven als het vrome hart, dat met gelijken gloed dezelfde genade van den Zone Gods begeert. En beiden bezitten een hooger leven dan ik, indien ik, ja, mijne blikken slechts op den Eénen richt, van wien alles afkomt, doch een minder vurig verlangen naar heiligheid en liefde heb of misschien zelfs met zelfzuchtige begeerten mij tot hem wend.
VII.
„Het geloof maakt zalig.quot; Dit dikwijls uitgesproken woord heeft mij veel moeilijkheden gegeven. Het had voor mij iets weerzinwekkends, waarvan ik mij rekenschap trachtte te geven. Ik vorschte naar de oorzaak van mijn tegenzin en stiet op twee valsche voorstellingen, die men met dat woord pleegt te verbinden.
122
Wanneer men van zaligniaken spreekt, denkt men gewoonlijk aan een goddelijke rechtspraak en een loon, dat den mensch aan het eind zijner loopbaan wordt toegezegd. Daarin kan ik echter niet raedegaan. Waar loon is, daar is ook verdienste. Ik heb echter voor God geen verdienste; noch mijne werken, noch mijn geloof geeft mij daarop eenige aanspraak. Alles is genade en deze sluit alle loon uit; want genadeloon is een tegenstrijdigheid in zich zelf.
Bij deze verkeerde voorstelling komt eene andere, die men met het woord geloof verbindt. Van oudsher is men gewoon geweest, onder geloof de instemming met zekere bepaald omschreven godsdienstige voorstellingen te verstaan. En ook daar, waar men erna-druk op legde, dat deze instemming niet voldoende was, maar met zekere gezindheid moest gepaard gaan, heeft men haar toch altijd als een wezenlijk bestanddeel des geloofs aangezien. Op deze wijze heeft men de eeuwige zaligheid van eene voorwaarde afhankelijk gemaakt, wier vervulling niet onder het bereik van onzen wil ligt, maar voor verreweg het grootste gedeelte, soms ook geheel en al, van toevalligheden, geboorte, opvoeding en dergelijke afhangt. Dat dit een dwaling moest zijn, had ik reeds gevoeld voor dat ik er mij rekenschap van gaf.
Zoo bleek mij, dat mijn tegenzin tegen de gedachte, dat het geloof zaligmaakt, een goeden grond had. En
— 123 —
toch trok ook iets daarin mij aan; ik gevoelde dat er een groote waarheid in lag opgesloten. Ook daaromtrent trachtte ik mij licht te verschaften.
Ja, dat ik zalig mocht zijn ! Ik dorst naar het leven, naar het volle, ongestoorde leven, dat volkomen bevrediging met zich voert. Zalig mocht ik zijn! Naar ile volmaking en de eeuwigheid richt ik hoopvol den blik. Zaligheid in deze en de toekomende wereld is ook het hoogste, wat mijne liefde mij voor mijn me-demensch doet wenschen. Hoe worden wij zalig? Er is voor ons geen belangrijker vraag.
Ik verneem een antwoord, dat mij in duizend verschillende tonen te gemoet klinkt en in de diepten mijns harten een lieflijke echo wakker roept. Het luidt; het innigst en heiligst verlangen van geheel uw wezen is geen droom. Hij die oorsprong, wezen en einddoel van alle leven is, heeft het in u gelegd, om u tot zich op te heffen en zich aan u te openbaren. Want gij zijt geest uit zijnen geest en zult tot het volle leven ontwaken, wanneer gij in hem uzelven kent. Hij roept u; hoor zijne stem. Hij staat voor u; open uwe oogen. Hij reikt u de hand; grijp haar aan.
Dat is de daad, die van mij geëischt wordt. Ik moet blijmoedig ja en amen zeggen op wat de stem van mijn innerlijk leven tot mij zegt; ik moet uitgaan van mij zeiven, om in de volheid Gods te ademen,
die mij omringt; ik moet vertrouwen, als het kind in den schoot des vaders. Dat is het geloof; en als ik geloof, dan ben ik zalig.
Ja, het geloof maakt zalig en brengt mij op eenmaal in het bezit van datgene, wat thans en in eeuwigheid mijn deel en erfenis is, gelijk het ontwaken uit den slaap ons weder in liet bezit stelt van ons bestaan en onzen eigendom. Maar het leven van hem, die twijfelt, is een onrustige droom. Hij strekt de hand uit en grijpt niets; hij snelt voort en komt niet van zijne plaats. Hij maakt zich op om zich uit te strekken naar het hoogste, dat hij zich voorstelt, doch blijft weldra weer staan en spreekt treurig en mismoedig bij zich zeiven: Het is toch niets; het is alles niet waar; het is alles een gewrocht van mijn verlangen, waarin ik doelloos mij zei ven verteer.
VIII.
Terwijl deze beschouwingen mij tot de grootste zachtmoedigheid in het oovdeelen over menschen stemden, bevredigden zij op weldadige wijze mijn denken en gevoelen, maar ik moest toch ernstig de vraag onder de oogen zien, in hoe ver ik met zulk een onbekrompen opvatting in \'s levens \'strijd zou
— 125 —
kunnen bestaan en of zij mij de kracht tot handelen niet zoude verlammen.
Ik nam waar, dat juist menschen, die zich door eenzijdigheid en gemis aan waardeering kenmerken, het meest hebben tot stand gebracht. Zij oordeelen snel en met beslistheid; zij gebruiken een eenvoudigen maatstaf en maken zonder weifeling scheiding tusschen boozen en goeden; zij hebben een bepaald program en kennen slechts een bepaald vóór of tegen; zij vormen een partij of sluiten zich bij eene partij aan, waar buiten zij geen heil erkennen; zij bestrijden andersdenkenden en trekken gelijkgezinden onweerstaanbaar aan; zij zijn sterk in liefde en in haat. Dat zijn de mannen van de daad, die hun wil doorzetten en succes hebben, en als zij het goede willen, worden zij weldoeners der menschheid. Zij roepen de geesten wakker en dwingen tot eene besliste keuze; zij wekken de gemoederen en prikkelen tot goede en slechte begeerten; zij dreigen en beloven, boezemen vrees in en wekken de hoop; ook de traagsten brengen zij in beweging. Voor de beslistheid dezer onverbiddelijke naturen moet de billijkheid, die tot voorzichtigheid in het oordeelen, en het bewustzijn onzer geestelijke beperktheid, die tot ootmoed maant, de plaats ruimen. De laatsten staan de beslistheid, die tot krachtig handelen noodig is, in den weg en verheffen hem, die ze bezit, zoo hoog boven de door
120
hartstochten bewogen wereld, dat hij den invloed op haar verliest.
Hier sta ik voor een zeer moeilijk op te lossen vraagstuk. Het komt er op aan met de feiten te rekenen. De menschen laten zich werkelijk meer door gevoel en neiging, dan door een welgewikt oordeel leiden. De eersten zijn een gave der natuur, het laatste is het werk van den tot zelfstandigheid ontwikkelden geest. Oordeelen kunnen slechts zij die mondig zijn. en dezen zijn niet velen. De onmondigen echter moeten geleid en opgevoed worden. Men kan hun niet den eisch stellen dat zij zelfstandig hun zedelijk en godsdienstig leven zullen kweeken, noch dat zij tusschen verschillende overtuigingen welberaden een keuze zullen doen. Men moet hun gedachten in bepaald omschreven vorm geven, afgewerkte levensvormen kunnen aanbieden, wil men hun den geest mededeelen, die daarin besloten is. Het zedelijk-goede moet hun in den vorm van bepaalde voorschriften en geboden op het hart gebonden, de betrekking tot God hun in geschiedenis en leer voorgesteld worden.
Zij hebben eene macht noodig, die hen dwingt het goede te doen en aan God te gelooven. En dit kan slechts de macht eener uitnemende persoonlijkheid zijn of eene gevestigde instelling, die met gezag hun verklaart: zóó is het, en dat moet ge doen. Iedere geestelijke ontwikkeling begint met de onder-
127 —
werping aan zulk eene gezaghebbende macht: ook de mijne is daarmede begonnen en de meesten komen nooit verder.
Daarop is alle opvoeding gegrond, zoowel dei-kinderen als der volwassenen. Zij oefent eerst en het krachtigst door middel van het gevoel, en eerst in de tweede plaats door het inzicht te verhelderen, op den wil invloed uit. Zij lokt en schrikt af; zij wekt lust en afschuw; zij moedigt aan en zij straft; zij blikt vriendelijk en toomt. Zoo richt zij den wil op het goede en op de bron alles goeds, om eene onveranderlijke stemming, een krachtige liefde in het leven te roepen, waardoor de geest eerst tot vrijheid komt en tot een zedelijk religieus oordeel wordt in staat gesteld.
Waar ik dus tot het werk der opvoeding geroepen ben of in dienst van een of ander opvoedingsinstituut tot handelen genoopt word, daar is het niet de vraag iets te zoeken, maar van een vast punt uit te gaan en invloed uit te oefenen. Het komt er daar niet op aan van de gebreken en dwalingen, die ik aantref, de oorzaken op te sporen, ora zoodoende aan mijn billijkheidsgevoel voldoening te verschaffen, maar daar is het mijne taak ze weg te ruimen, en dit geschiedt niet zonder strijd. Wie echter strijden wil zonder iemand leed te doen, zal niets kunnen verrichten. Ik behoor niet een onderzoek in te stellen, opdat
mij over het verschil van meening en zijn beteekenis het juiste licht opga, maar mijn woord moet een krach-tigen indruk op de gemoederen te weeg brengen. En dat woord moet iets bepaalds hebben, moet met zekerheid, zonder eenige aarzeling op een bepaald doel afgaan; zonder dat blijft het zonder uitwerking, als een galm in de ijle lucht.
Dat is de reden, waarom eenzijdige menschen dieper indrukken maken dan zij, die ruim en onbekrompen van geest zijn. Ik moest mij met allen ernst de vraag stellen, in hoeverre ik met een goed geweten aan de eisclien van het practische leven zou kunnen gehoor geven.
IX.
Wanneer een verwaarloosd kind alleen door gestrenge straf tot betere gewoonten kan gebracht worden, waaraan het bovenal behoefte heeft, mag ik mij dan lang ophouden bij de vraag, wie wel mag schuldig staan aan de verkeerde gewoonten van het arme schepsel? De liefde zegt: neen. Zij zal zonder bedenken, misschien met een bloedend hart, alle middelen aanwenden, waardoor zij tot haar doel hoopt te komen. Zij zal hetzelfde doen als de verwaarloosde kinderen volwassenen zijn. Zij moge onrechtvaardig handelen,
129
toch is zij in haar recht, want de liefde is de hoogste gerechtigheid.
Wanneer het er op aan komt een zwak schepsel tegen den verleider te beschermen, moet ik dan eerst onderzoeken, of de vijand een verschoonend of een streng oordeel verdiend ? Neen; met de scherpste wapenen moet ik hem aanvallen, om hem af te weren. Alle aarzeling, alle onthouding ware hier verraad. Zoo eischt ook de liefde tot mijn volk van mij, dat ik hun, die het ten verderve zijn, zonder verschooning en met allen ernst te gemoet trede. Misschien kan veel tot hun verontschuldiging worden aangevoerd, toch mag ik hen niet verschoonen. Over geen hunner zal ik het eindoordeel uitspreken; \'tzal er mij niet om te doen zijn hun leed te berokkenen; maar in den strijd voor het volksgeluk kan ik het zwaard niet laten rusten en ik zal trachten den tegenstander onschadelijk te maken, ook al koester ik eer medelijden dan haat voor hem.
Wanneer ik zie, dat een groote zaak niet anders dan door den strijd der partijen kan beslist worden, en dat ik vergeefs arbeid zoolang ik op mijzelf blijf staan en mij niet aansluit bij de eene of de andere zijde, zal ik dan mijn kracht nutteloos verkwisten of een werkeloos toeschouwer blijven en van den strijd mij verre houden? Ik zou mijzelven dan van ontrouw moeten aanklagen. Ik weet wel, dat in den twist der
9
partijen veel gezondigd wordt; maar niets doen is ook zonde. Het is zoo gemakkelijk de handen in den schoot te vouwen en er zich aan te goed te doen, dat zij rein zijn van het slijk en onbezoedeld door het stof, die te midden van den strijd wordt opgejaagd. Maar waar blijft de liefde, die moet werken, zoolang het dag is?
Zeker, ik mag niet medezondigen, wanneer de partij zondigt. Ik mag mij niet door persoonlijken haat laten leiden, als ik strijd voer terwille der zaak. Ik mag geen doemvonnis uitspreken en den tegenstander geen slechte beweegredenen toeschrijven, als ik mij tegen zijn streven aankant. Ik mag niemand in verdenking brengen en belasteren; ik kan met scherpe wapenen strijden, doch eerlijke moeten het zijn. Ik mag niet liegen en goed noemen wat slecht is, al doen mijne medestanders het; ik kan de waarheid steeds met alle beslistheid hooger dan de partij stellen en zal daardoor de goede zaak geen schade aandoen, doch haar juist een welkomen dienst bewijzen.
Ik ben dus niet alleen in mijn recht, wanneer ik aan den strijd deelneem, maar er toe verplicht, als de liefde er mij toe oproept. Getuigt mijn geweten, dat ik vrij ben van onzuivere beweegredenen en onreine hartstochten en dat ik het eerlijk en oprecht meen, dan mag ik getroost zijn en hem wagen. De zuiverheid mijner bedoelingen en de louterheid van
— I31 —
zin zullen mij clan ook bewaren voor een onedele wijze van strijden.
X.
Ik zal niets kunnen uitrichten, indien ik datgene, wat ik voor waar en goed houd, niet onomwonden en krachtig uitspreek en mij er voor in de bres stel. Maar waaraan ontleen ik het recht daartoe? Ben ik niet een niensch, die aan dwaling blootstaat?
Velen voelen zich gerustgesteld, wanneer zij er velen aan hunne zijde zien. Ik ken dit gevoel; ik weet hoe verheffend het is door een groote beweging der geesten gedragen te worden; maar de waarheid heeft reeds dikwijls aan de zijde der minderheid gestaan.
Menigeen is het voldoende, als hij met de overlevering van ouden datum eenstemmig is. Ook dit wekt een verheffend gevoel, dat ik ken ; maar hoevele overleveringen zijn reeds door een beter inzicht in de schaduw gesteld ?
Anderen vonden hierin steun, dat zij in dienst eener welgevestigde menschelijke instelling stonden. Zulk eene instelling is noodig, en het bewustzijn roeping en ambt van haar ontvangen te hebben geeft inderdaad een stevigen steun. Doch heeft niet iedere nieuwe waarheid door den strijd met bestaande instellingen zich een weg moeten banen ?
9*
Hier schijnt dus wel nergens vaste grond te vinden te zijn. En inderdaad, nergens rondom mij vond ik eene macht, waarop ik mijne overtuiging zou kunnen grondvesten. Ik zou toch eerst tusschen verschillende machten moeten kiezen; maar hoe kan ik dat, als ik niet vooraf eene overtuiging heb, waardoor ik mij in mijne keuze laat leiden? Toen ik werd opgevoed, onderwierp ik mij aan het gezag, binnen welks territoir ik mij toevallig bevond. Nu het er voor mij op aankomt vrij en zelfstandig te oordeelen, moet ik mij boven het toevallige verheffen, ten minste zooveel mij dat mogelijk is.
Er blijft mij dus niets over dan op mijzelf te steunen en overeenkomstig eigen overtuiging te gelooven en te handelen. Het recht echter en de plicht om deze overtuiging ingang te doen vinden, heb ik evenzeer als ieder, die zeker is van zijne zaak, en van den graad mijner zekerheid hangen beiden èn recht èn plicht af.
Daarom behoor ik mijzelveu nauwlettend op de proef te stellen. Ben ik voor mijzelf nog onzeker, mijzelf nog niet helder, van de waarheid mijner beschouwing nog niet zoo geheel doordrongen, dat zij voor mijn geheele leven den toon aangeeft en in al mijn doen en laten zich openbaart, dan moet ik mij op den achtergrond houden en eerst tot rijpheid trachten te komen. Heb ik echter werkelijk eene over-
- 133 —
tuiging, een vaste innerlijke gewisheid van de waarheid en heilzaamheid mijner beginselen en der noodlottigheid van het tegendeel, dan ben ik verplicht al mijne krachten in hun dienst te stellen om hen tot zegepraal te voeren, en daarvoor geen strijd te ontzien.
Dat het daarbij, wat het religieus gebied betreft, om beginselen, en om de opvatting van het leven, niet om voorstellingen te doen is, vloeit mijns inziens uit den aard der godsdienstige kennis van zelf voort. Wel zijn ook de voorstellingen niet onverschillig, omdat zij een voertuig voor het leven der vroomheid zijn, en daartoe te eer geschikt, hoe meer wij de waarheid nabij komen; zekere strijd haar ten gevalle is daarom niet te vermijden ; maar hij is eene andere, dan waar de strijd over beginselen gaat. Op aanneming van mijne beginselen mag ik alleen bij hen aandringen, tegenover wien ik de plicht der opvoeding heb te vervullen; met hen, die mondig zijn, kan ik over hun betrekkelijke juistheid van gedachten wisselen. Beginselen echter moeten in het leven hun waardij toonen, en die welke ons proefhoudend zijn gebleken moeten wij eenvoudig trachten te doen veld winnen en ingang verschaften.
— 134 —
XL
In het gemeenschapsleven is mijn geest geboren en opgewassen; ik gevoel nat ik al wat ik ben er aan verschuldigd ben. De gemeenschap te dienen, dit geeft waarde aan mijn bestaan; zij stelt mij in staat om te ontvangen en te geven; en daarbij vind ik bevrediging en neemt mijn innerlijk leven toe; zij opent mij een voortdurende bron van kracht. Als lid van een geheel sla ik mijne wortelen in het verleden en arbeid ik voor de toekomst. Daarin vind ik een waarborg voor gezondheid en leven.
Daarom houd ik het gemeenschapsleven in eere. Ik houd mij niet ver van het streven der menschheid in mijn tijd; met mijn volk wil ik medegevoelen en medestrijden. Ik wil al de betrekkingen onderhouden, waarin ik mij van nature geplaatst zie, en nieuwe zoeken, wanneer ik er voor mijne voeding en voor het onderhoud van mijn werkkracht behoefte aan heb.
Ook het religieuse leven ontspringt in de gemeenschap. Niemand is vroom door zichzelf; alleen weinigen maar zouden het blijven, als zij op zichzelf bleven staan. Waar velen zich aaneensluiten vlamt het heilige vuur op; gemeenschappelijke geestdrift doet de vleugelen der ziel groeien; de vereeniging plant de herinneringen der eeuwen voort van geslacht tot geslacht.
Waardoor intusschen wordt de godsdienstige gemeenschap stevig gegrond en tezaam gehouden? Is godsdienst leven, dan kan eene religieuse vereenigiug, zal zij werkelijk dezen naam dragen, alleen aan het leven haar ontstaan danken en daardoor blijven voortbestaan ; door den geest, die in haar zijn lichaam heeft, door beginselen die in haar hunne uitdrukking vinden. Als deze geest vervliegt, dan kan zij nog een tijdlang als een lijk blijven voortbestaan, maar zij gaat hare ontbinding tegemoet. Ja, de geest maakt levend; dit geldt van elk onzer, maar ook van bet geheel.
Nu kan de geest alleen door voorstellingen met God in betrekking treden. Hoe zou dit in de gemeenschap anders kunnen zijn? Hoe kan het leven der vroomheid de voorstelling ontberen, als het eerst nog het woord noodig heeft om voor onderlinge mede-deeling vatbaar te zijn? Neen, indien er ooit gevaar voor mij bestond, om de waarde van religieuse voorstellingen te laag aan te slaan, dan zou hare beteekenis voor het gemeenschapsleven mij beter moeten leeren. Daarbij is het niet voldoende, dat zij aanwezig zijn. Zij moeten ook tot op zekere hoogte iets gemeenschappelijks zijn. Het komt er immers op aan, dat zij gelijke aandoeningen wekken, eenzelfde leven oproepen en onderhouden. Er moet een woord zijn, dat allen verstaan; en allen die het vernemen, moeten onder de beademing van denzelfden geest komen.
— 136 —
Ik zal daarom, om der gemeenschaps wille, mijn religieus leven tot op zekere hoogte aan voorstellingen moeten vastknoopen en in woorden moeten uitspreken, die ik in mijn kring aantref. En al zie ik ook hun onvolkomenheid in, al zou ik voor mijzelven aan andere voorstellingen en uitdrukkingen de voorkeur geven, in vele gevallen kan ik ze toch niet missen, en dit niet alleen, omdat ik de mogelijkheid niet wil afsluiten van op anderen invloed uit te oefenen, maar ook om der wille van mijn eigen behoeften.
Het is niet zoo met mij gesteld, dat ik de gemeenschap zou kunnen ontberen. Mijn geloof en mijne liefde zouden dra verdorren, indien niet bij gemeenschappelijke aanbidding des hemels dauw ze verkwikte, en spoedig zou ik niets meer te geven hebben, indien ik uit de onuitputtelijke bron van het geestesleven der gemeenschap niets ontving. Ik wil mij niet boven mijn volk verheffen en in trotsche afgeslotenheid den hongerdood sterven. Ik wil met en onder mijn volk leven; een levend lid mijner kerk zijn; in de gemeente mijne stichting zoeken en daardoor tevens mijn deel bijdragen tot stichting der gemeente. Naast den minste mijner broeders wil ik voor den Vader nederknielen en den zoom van zijn gewaad kussen, wetende, dat ik met mijn rijper denken niet dichter bij hem sta dan het kind, dat met een lief hebbend hartzijn naam stamelt.
— 137 —
XII,
Op de vraag in hoeverre men om der wille van de gemeenschap en om den historischen samenhang te bewaren zich van gebrekkige godsdienstige voorstellingen kan en mag bedienen, heb ik zóó verschillende antwoorden gehoord en mijzelven in verschillende tijdperken van mijn leven gegeven, dat ik niet kan besluiten daaromtrent een algemeen geldenden regel vast te stellen. Toch heb ik mij eenige grondregelen gesteld, waarnaar ik mij richt.
Met kinderen kan ik op kinderlijke wijze bidden,-en het sticht mij, als ik met hen tot God spreek op een andere wijze dan ik voor mijzelven alleen tot hem spreken zou. Daarbij daal ik in geenen deele tot hen af, maar ik verhef mij met hen. Met volwassenen zoo te bidden zou mij onwaarheid toeschijnen, en ik zou mijn vromen zin daarbij geweld moeten aan doen en beleedigen.
Zoo kan ik ook in de gemeente anders met God spreken, dan wanneer ik alleen ben, en het doet mij goed, als ik in het gebed de juiste uitdrukking van het gemeenschappelijk bewustzijn meen te vernemen. Moest ik daarbij denken, dat hier onverstaanbare formules uitgesproken werden of zulken die bij de alge-meene geestelijke ontwikkeling achterstaan, dan had ik weder het gevoel van iets onwaarachtigs, en ik
kon er met mijn hart niet bij zijn. De godsdienstoefening, waaraan ik deel neem, moet dus het kenmerk van waarachtigheid dragen.
Maar ook voor mijzelven mag zij niet tot een leugen worden. Onvolkomen uitdrukkingen voor wat mijn hart beweegt, zijn mij niet hinderlijk. Den zin, dien ik bedoel, kan ik er in leggen; maar zijn zij in tegenspraak met mijne godsdienstige gewaarwordingen, drukken zij een verlangen uit, dat mij als onzedelijk en ongodsdienstig voorkomt, zijn de voorstellingen, die er aan ten gronde liggen, onmachtig om in mijne ziel eenigen toon te wekken, dan kan ik er geen deel aan nemen. Ik kan niet medebidden, als datgene, waarom gesmeekt wordt, mij onrechtvaardig voorkomt; ik kan niet medespreken, waar iets onwaardigs of slechts van God wordt gezegd; ik kan niet mede instemmen, waar een wezen wordt aangeroepen, dat mij geheel onverschillig is of mijn beste gevoelens beleedigt.
Wanneer overleveringen, die niet anders dan men-schenwoorden kunnen zijn, aan de gemeenschappelijke stichting als godswoorden worden ten gronde gelegd, dan kan ik dat niet alleen verdragen, maar ik buig mij er onder en ik open er met allen, die met mij zijn, het hart voor, indien zij maar een verheven zedelijke of godsdienstige waarheid bevatten. Want iedere waarheid is immers inderdaad een godswoord, ook al wordt zij door menschen uitgesproken. Maar ik kan
— 139 —
het niet dulden, dat iets menschelijks, het zij dan een persoon, eene inrichting, een boek of eene leer in strijd met de waarheid voor goddelijk wordt verklaard.
Dit geschiedt echter, wanneer het aan het streven naar waarheid wordt in den weg gesteld. Tegenover hen, die er onverschillig voor zijn, of die het verachten heet het: dit is Gods woord, gij moet er aan gehoorzamen. Voor hen, die zwak zijn en versagen, is de waarheid, door de gemeenschap gehuldigd goddelijke kracht en goddelijke troost. Zij, die er met vrijen geest mede instemmen, verheugen zich over de goddelijke openbaring. Nimmer echter mag de weg tot een-hoogeren levenstrap en zuiverder kennis versperd, nooit der heilige aandrift, om steeds hooger op te klimmen een hindernis worden voorgeworpen. Dit leidt tot die treurige toestanden, waarvan de wereldgeschiedenis zooveel waarschuwende voorbeelden oplevert, als de tegenstrijdigheid tnsschen beter inzicht en de van hooger hand verbindend gemaakte godsdienstleer des volks geweten verstompt en zoowel den waarheidszin als de vroomheid schade aandoet. Daarom wil ik nimmer deelnemen aan een streven, waardoor voor de gemeenschap de mogelijkheid van een gezonden vooruitgang wordt afgesneden.
Maar vervul ik daarmede reeds mijne plichten in haar vollen omvang? Moet ik niet met eigen arbeid aan den vooruitgang medewerken ?
140 —
Wanneer ik erken, dat hij in den wil Gods begrepen is, dan moet ik mij ook gebonden achten er aan mede te werken. Deze verplichting echter staat in verhouding tot de maat mijner kracht. Wie zich als hervormer geroepen voelt, heeft zich het verwijt niet aan te trekken, dat hij, de innerlijke stem gehoorzamend, zonder acht te geven op de ergernis, die zwakke zielen er aan nemen, zijn weg vervolgt. Ons, geesten van lager rang, voegt het wel degelijk daarop acht te slaan. Wij behooren met ons geweten te rade te gaan of wij in elk bijzonder geval gerechtigd zijn, wat anderen heilig is af te breken, en wij moeten ons elk recht daartoe ontzeggen, wanneer wij niet in staat zijn iets beters daarvoor op te bouwen. Afbreken is gemakkelijker dan opbouwen. De overtuiging, dat hetgeen we kunnen aanbieden, goed is, is zelfs niet voldoende. Wij behooren er ons van te vergewissen, dat het ook voor hen, dien wij het aanbieden, het betere is. Want licht bedriegen wij ons, als wij de menschen naar onszelven beoordeelen.
Daarom is het zaak, zooveel mogelijk eerst te geven, vóór men iets ontneemt. Tref ik in iemands godsdienstig denken dwalingen aan, wier overwinning ik moet wenschen, dan bereik ik mijn doel zonder hem te schaden het best, wanneer ik door mijn woord, en liever nog door mijne daden, de waarheid zóó voor hem doe optreden, dat zij hem overtuigt. Dan
— I4i —
zal de dwaling van zelf wegvallen. Het is in het algemeen van weinig nut, uitsluitend dwaalbegrippen te bestrijden. Liever zegge men hoe het is, dan hoe het niet is; men late de waarheid zien: voor haar vlucht de dwaling van zelf.
De waarheid nu is datgene wat het wezenlijke is in allen godsdienst, wat in de menschelijke natuur gegrond is; zij is eenvoudig; zij is de reine, innige, kinderlijke vroomheid, en het is hoog tijd, dat zij juist in haar eenige verhevenheid en haar alles overtreffende waardij worde erkend. Veel wat de geesten verwart, veel noodelooze, jammervolle strijd, veel huichelarij, on-. geloof en onverschilligheid zouden eindigen, indien alle krachten van waren religieusen aard, die onder ons gevonden worden, op het ware doel gericht waren en niet in nutteloozen strijd over onwezenlijke en waardelooze dingen uiteen gingen in plaats van saam te werken.
r
1.
In het christendom ben ik opgevoed, en van der jeugd af heb ik geleerd christelijk als gelijkluidend met waar te beschouwen. Toen ik echter tot de wetenschap kwam, dat buiten het christendom nog vele godsdiensten en levensbeschouwingen waren van ander gehalte en toch ernstig gemeend, voelde ik mij verplicht ze aan een nauwgezette toetsing te onderwerpen. Want er was toch geen grond om aan te nemen, dat eene leer juist daarom de ware moest zijn, omdat ik er in was opgevoed.
Vele menschen z;,jn zeker niet in staat, of hebben geen gelegenheid dat onderzoek in te stellen. Zij moeten zich in den godsdienst, waartoe zij door hunne geboorte behooren, getrouw betoonen. Maar wie oordeelen kan is verplicht het te doen, en zou
io
— 146 —
ontrouw zijn, wanneer hij het naliet. Zoo heb ook ik geen keus, of ik het doen wil al clan niet. Ik moet het doen, voor zoo veel God er mij de bekwaamheid toe schonk. Ik moet mij rekenschap geven omtrent het geheel en de bijzonderheden en mag mij niet opzettelijk door eenig vooroordeel voor of tegen laten stemmen.
Beschouw ik de zedelijkheid, die het christendom van het Nieuwe Testament leert, dan treft mij allereerst hare innerlijkheid. Niet alleen, dat de zedelijke eischen ver boven de godsdienstige gebruiken worden gesteld; dat aan de laatsten zelfs alle zedelijke waarde ontzegd worden, als zij bloot iets uiterlijks zijn: ook de zedenwet zelve wordt met alle beslistheid op de gezindheid toegepast, als de wortel en waardemeter van elke handeling. Zoo is waarheid en oprechtheid een grondtrek der christelijke zedelijkheid.
Welke is echter de gezindheid, die geëischt wordt ? Eene algeheele vernieuwing des harten wordt zij genoemd, een afsterven van den ouden, een aandoen van den nieuwen mensch, een besliste afkeer van al wat slecht is en eene onbegrensde liefde tot liet goede.
— 147 —
Met het zedelijk streven wordt dus zonder eenig voorbehoud ernst gemaakt. Volkomen overwinning van den geest over het vleesch is het doel. Wat het eigenlijke wezen der zedelijkheid uitmaakt: de innerlijke vrijheid, de heerschappij onzer persoonlijkheid in den hoogsten zin over de lagere driften, de vervorming der natuur tot een willig werktuig van den geest, dit stelt het christendom met onomkoopbare beslistheid als onvoorwaardelijken eisch. Het eischt volkomen geestelijken zin.
Die geestelijke zin is echter niet een onvruchtbaar zich bezig houden met zichzelf. Het christendonl is volmaakte liefde. De zegepraal des geestes over de natuur bedoelt het als uitroeiing van alle zelfzucht, als zelfverloochenende toewijding aan het welzijn zoowel van het geheel als van den enkelen mensch, als een vreugdevol zich geven en dienen, als een hartelijk zich erbarmen, dat steeds tot de zwaarste otters bereid is, zonder daarbij een zuur gezicht te zetten of de weldaden, die het bewijst, op te tellen en toe te rekenen. Zoo sluit de christelijke zedelijkheid, al heeft zij haar zetel in het innerlijk leven, zich niet op met zichzelf, maar zij is een voortdurende daad, een krachtig en onvermoeid handelen, dat niet wacht tot zijn taak zich komt aanmelden, rnaar dat uitgaat om haar op te zoeken; een daad ook daar nog waar zij duldt. Want het christelijk dulden is niet een lafhar-
io*
- 148 -
tig en traag maar-laten-gaau, doch een heldhaftig strijden, dat zelfs dan niet wordt opgegeven, als er niet meer te werken valt, en als alleen het kruis de waarheid, die de verlossing en vrijmaking der wereld is, ter overwinning kan helpen voeren.
Waarlijk, ik ken geen reiner zedelijkheid, dan die des Christendoms. Evenmin ken ik een reiner godsdienst.
De betrekking van den mensch tot God is hier zoowel de diepste onderwerping als de hartelijkste gemeenschap. God staat boven ons in zoo volstrekte verhevenheid en heiligheid, dat wij alle aanspraak moeten laten varen, om voor hem iets te zijn of eenige verdienste te hebben. Wij zijn allen zondaars, die zijn toorn verdiend hebben. Maar God is liefde, en biedt ons zijne genade aan, opdat wij zalig worden. Wij moeten geloof in hem hebben en ons vol liefde hem in de armen werpen, alle eigengerechtigheid vaarwel zeggen en dan van zijne genade leven, allen eigenwil verzaken en geheel eenswillend zijn met hem. Dan is hij onze vader en wij zijn zijne kinderen. Wij verlaten ons blijmoedig op hem; wij laten hem alles in het volste vertrouwen over, wat ons hart bezwaart, en verwachten al ons heil van zijne liefde, die als de eeuwig onwankelbare rots zich te midden der onstuimige zee van den tijd verheft.
Zijn wij echter Gods kinderen, dan is de toegang tot hem ons ontsloten; geen mensch en geen menschelijk
— 149 —
instituut mag zich plaatsen tusschen hem en ons: het middelaarschap van welk priesterdom ook is ten einde, ieder christen is een priester des Allerhoogste. Terwijl hij er van afziet iets te zijn, wordt hij op eene hoogte geplaatst, boven alle troonen der wereld verheven. Iedere enkele ziel heeft eene oneindige waarde; Gods kind moet Gods erfgenaam zijn; zijn weg kan niet naar omlaag ter vernietiging voeren, maar moet opwaarts leiden ter volmaking. De zekerheid des eeuwigen levens wordt hier vanzelf geboren; de geest Gods, waarvan de geloovige zich doordrongen voelt, is het onderpand er van.
Hier zie ik de religie in de meest volkomen openbaring van haar wezen, die ik ken. Zoo staat het christendom voor mij als de vereeniging van de zuiverste zedelijkheid met den zuiversten godsdienst. Oogenschijnlijke tegenstellingen vereenigt het tot de schoonste eenheid. Uit genade worden wij zalig, uit genade alleen, zonder eenige eigen verdienste, zoo spreekt het geloof vol zaligen vrede — en rusteloos openbaart de liefde de hoogste zedelijke kracht tot daden. Alles van God. alles zijn werk, en niets kan hem verhinderen zijn wil te doen geschieden — en toch moet ge werken, zoolang het dag is, en al uwe krachten inspannen, als hadt ge alles te volbrengen. De diepste deemoed tegenover den Allerhoogste en de liefdevolle teederheid jegens den medemensch is
— i5o —
op het innigst vereenigd met de strengste plichtsvervulling en strijdvaardigheid tegenover het booze.
Vol bewondering sta ik voor zulk eene ontplooiing van het volle geestelijk leven in de menschheid en ik acht mij gelukkig, dat ik daarvan mijn deel wegdraag.
III.
Het christendom is een historische godsdienst, niet een gebouw door het denken opgetrokken. Hierin ligt zijn kracht, maar de oorzaak ook van velerlei afdwalingen, die er uit zijn voortgekomen.
Het heeft in \'t algemeen aan de werkzaamheid eener persoonlijkheid zijn ontstaan te danken. Jezus trad op met eene leer, die, vrij van het stof der school, de levensvolle uitdrukking van een eenigen zedelijken en godsdienstigen geest was en aan de vragen van het menschenhart zulk eene oplossing schonk, dat zij op de ontvankelijke gemoederen een indruk maakte als van de opgaande zon. Daarmee kwam zijn geheele verschijning overeen: een overweldigende zielegrootheid; een boven allen twijfel verheven geloofsvertrouwen; eene blijmoedige, ongedwongen zekerheid ten opzichte zijner betrekking tot God, voortvloeiende uit volkomen eenswillendheid met hem; eene onverstoorbare zekerheid ook omtrent zijn goddelijke
roeping; vurige geestdrift, die tot daden riep; beslistheid, die van geen aarzelen wist en geen offer te groot achtte, gepaard met rust en helderheid van geest, met eene hemelsche zachtmoedigheid; eene liefde, die zich volkomen ook aan den minste der broederen gaf en aan de verlorenen de reddende hand reikte, vol innig erbarmen voor al den zinnelijken en geestelijken nood der menschen.
Dat was geen gewoon mensch. Onder zijne be-toovering werd voor hen, die zich tot hem getrokken voelden, de hemel geopend; zij gevoelden de nabifiieid\' Gods, die in hem zich openbaarde en hun gei;ade en vrede beloofde; zij leerden den almachtige Vader noemen en werden opgenomen in zijne gemeenschap, waarin hun meester zelf stond. Voor hen begon een nieuw leven; een geest van blijmoedig vertrouwen kwam over hen, die van alle vrees en van slaafschen dienst hen bevrijdde en hen bekwaamde tot gewillige gehoorzaamheid aan de verheven, rein zedelijke geboden van hunnen heer. Deze invloed van Jezus\' persoonlijkheid op zijne jongeren was zoo groot, dat hij na zijn dood niet wegstierf, veeleer voortdurend steeg tot een wereldveroverende macht. Zij hielden zijn beeld vast, vol van goddelijke genade en waarheid ; zij aanschouwden hem als een verheerlijkte aan Gods rechterhand; zij oefenden met hem een geestelijke gemeenschap, die nog veel inniger werd.
— 152 —
clan zij in den tijd zijner lichamelijke tegenwoordigheid was geweest; zij vonden den moed om in eene vijandige wereld als de blijmoedige getuigen van hem en zijn heil op te treden, en onder alle vervolgingen stonden zij steeds vaster in hun geloof.
Uit de kleine schaar ontstond de christelijke kerk: het christendom werd wereldgodsdienst. De persoon van Jezus bleef zijn levend middenpunt; de vereeni-ging van godheid en menschheid, die zijne jongeren in hem gezien hadden, leefde in hen voort als de verborgenheid der waarheid, die in hem was openbaar geworden. De boodschap der groote feiten, dat God de wereld had liefgehad, haar zijnen zoon gezonden en door hem een nieuw verbond, dat de eeuwige verzoening aanbracht, had gesticht, werd door het eene geslacht van het andere als het kleinood der menschheid geërfd.
Dat was de kracht van deze religie. In haar leefde eene persoonlijkheid voort, waarin god- en menschheid verzoend was; in haar werkte zij onverpoosd voort met de kracht der reinste zedelijkheid en van den reinsten godsdienstzin, die eenmaal als een feit in de wereld waren te zien geweest. De waarheid, die in het Christendom werd geopenbaard, staat niet voor ons in den vorm van een stelsel van begrippen, maar in den vorm van feiten. Zoo leeft zij nog steeds voort in immer zich vernieuwende jeugd; zoo leeft
— iS3 —
zij voor de oogen der geloovigen en wordt zij door hen aanschouwd.
Deze stand van zaken heeft intusschen ook tot veel dwalingen aanleiding gegeven. Op den zegetocht, dien de nieuwe godsdienst door zijn geestelijke kracht maakte, steeg de voorstelling van Jezus\' persoon ver boven de maat van datgene wat hij geweest was en van wat hij in zichzelf had gegeven. De weg werd tot einddoel; hij die tot het hoogste moest opvoeren werd zelf tot dat hoogste gemaakt. Het woord Godszoon ging van zijn zinnebeeldige beteekenis tot de letterlijke over, en de gedachte aan een wezen, dat Gode gelijk was, niet meer voor onmogelijk gehouden. Ja, de mensch geworden en voor de wereld gestorven Zoon trok de harten meer tot zich en ontving gloeiender wederliefde en inniger aanbidding, dan de Vader, die in ongenaakbare verte troonde. Het verstand, dat de school eener vermenging van heidensche en Joodsche wijsbegeerte had doorloopen, maakte zich meester van deze aandoeningen en goot ze in den vorm van een bepaald omschreven leer. De godheid van Christus werd vastgesteld met al de gevolgtrekkingen, die er uit te maken waren, en dat zij onvereenigbaar zou zijn met de menschheid en met het geloof aan de eenheid Gods weersproken met de bewering, dat de langs verstandelijken weg gevormde formule als geloofsverborgenheid in tegenspraak met het verstand moest zijn.
— 154 —
Evenzoo werden de geschiedkundige feiten veranderd in geheimzinnige bovenaardsche gebeurtenissen; de verzoening der menschen met God in eene verzoening Gods, de historisch zoo beslissend geworden kruisdood van Jezus in eene daad, waardoor de verhouding van God tot dc wereld een andere was geworden.
Dit alles geschiedde wel naar innerlijke noodwendigheid; doch daaruit volgt niet, dat deze gedachten altijd als onweersprekelijk zouden moeten gelden. Veel in de geschiedenis was noodzakelijk te zijner tijd en is toch maar een stap op den weg der kennis geweest Voor een lateren tijd kan een ander oordeel even noodwendig zijn, en de oprechtheid eischt dat het onomwonden geveld en uitgesproken worde.
Een hevige strijd der meeningen over Christus en zijn verlossingswerk is ook thans weer ontbrand. Aan welken kant zal ik mij plaatsen?
Ik kan niet de zijde kiezen, die de waarheid tegen zich heeft. De waarheid die uit het woord en den geest van Jezus tot mij spreekt, overmeestert mijn hart. Ik moet dezen eenige onder de menschenkin-deren liefhebben met al het vuur mijner ziel; vol eerbied en geestdrift moet ik opzien naar deze persoonlijkheid, in wien het hoogste en zaligste wat een menschenhart kan bewegen, in zoo vlekkelooze reinheid door alle tijden heen mij te gemoet straalt. Moge menige trek van zijn beeld, zooals de Evangeliën het
— iS5 —
teekenen, meer aan de sage dan aan de geschiedenis ontleend zijn, ik gevoel toch dat hier een man voor mij staat, die geleefd heeft, en meer dan iemand in de wereldgeschiedenis heeft ingegrepen; en ook de sagen omtrent hem bezitten waarheid, wijl zij uit den geest geboren zijn, die van hem uit in zijne gemeente is overgegaan. Ik weet wat ik hem te danken heb, en wil innerlijk zóó met hem verbonden zijn, dat hij in mijn geest leeft en onafgebroken mijn denken en leven beheerscht. Ik wil mij zijn kruis niet schamen, en den smaad, die hem en zijne waarheid getroffen heeft en nog menigmaal treft, blijmoedig dragen.
Maar hoezeer ik hem liefhebbe en vereere, nimmer kan hij voor mij God worden. De liefde en aanbidding, die ik gevoel, als mijne ziel zich tot God verheft, zijn van zoo geheel eenige soort, dat ik ze nimmer aan een ander kan wijden. Het is mij volstrekt onmogelijk naast den Eenige, die alles is, waar dan ook eenig wezen te plaatsen, waarvan ik zóó denken en spreken, dat ik zóó toespreken, of waaraan ik mij zoo ten eigendom zou kunnen geven. Anderen mogen het kunnen, niemand, die het doet, wil ik van onoprechtheid beschuldigen — ik kan het niet. Voor mij ware het een leugen, een volstrekte omkeering van mijn innerlijk religieuse leven.
Ik kan ook de verzoening, welke Jezus heeft aan-
- 156 -
gebracht niet aanzien voor een daad, waardoor hij iets van God zou gedaan gekregen hebben of eenig recht op hem kunnen laten gelden. Voor mijn geloof is de gedachte onverdragelijk, dat er eenige werking op God zou kunnen uitgeoefend worden, dat eenig wezen eenig recht op hem zou kunnen laten gelden. Ik heb behoefte aan verlossing en verzoening en in het christendom vind ik ze, zooals ik ze zoek. Maaide voorstelling eener van buiten af verzoende Godheid kan ik mij niet eigen maken.
Daarom moet ik de leer der kerk van Christus\' godheid en zijne verdiensten afwijzen, en ik weet dat ik daarmede aan mijzelven getrouw blijf.
IV.
Het christendom, dat als eene macht in den loop der wereldgeschiedenis is opgetreden, vond in eene vroegere ontwikkeling zijn aanknoopingspunt en heeft die voortgezet. Jezus was in de eerste plaats de profeet van zijn volk en verklaarde zijn heiligste verwachtingen te willen vervullen. Deze verwachtingen vonden in de gedachte van het rijk Gods haar punt van vereeniging. Het was een grootsche gedachte, die haar geboorte dankte aan het geloof, dat de
- 157 —
wereldgeschiedenis de voltrekking van een goddelijk raadsbesluit is, en de gemoederen voortdurend in gespannen verwachting naar een toekomstigen toestand van volmaaktheid deed uitzien. Nog grootscher was de inhoud, dien Jezus aan deze gedachte gaf. Hij stortte in dezen vorm heel de volheid van zijn zedelijk en religieus leven uit en verkondigde, dat het Godsrijk was gekomen. De verzoening tusschen God en mensch, die hij zelf met zich omdroeg en die hij zich ten doel stelde in de wereld tot stand te brengen, was hem het beloofde koninkrijk der hemelen, de vervulling aller profetie, het einddoel der geschiedenis van zijn volk en van de goddelijke gedachte, die er in leefde.
Doch terwijl reeds de oud-testamentische profeten de geschiedenis van Israel als de hartslag van de geschiedenis der menschheid beschouwd en in het toekomstige godsrijk eer. heilstaat voor de menschheid gezien hadden, des te meer moest de geest van Jezus de nationale perken verbreken en op de toekomst der menschheid zijn blik vestigen. De verzoening toch der menschenziel met God, zooals hij haar bedoelde, was iets algemeen menschelijks, onafhankelijk van uitwendige omstandigheden. Zoo trad het christendom op als de voltooiing der wereldontwikkeling, als het in de menschheid gekomen godsrijk, met het uitgesproken doel van voor alle behoeften
— 158 —
der raenschelijke ziel bevrediging en aan de wereld het volkomen heil te brengen.
Terwijl dit geluk echter van innerlijken aard was, en wat het uitwendige leven aanging een hevigen strijd deed ontbranden en den christen allerlei lijden bracht — de tot de hoogste spanning gerezen geestdrift verhief zich boven al dien tegenstand en zag in de overtuiging van den goddelijken wil te volbrengen de zegepraal van het koninkrijk der hemelen over alle vijandige machten te gemoet, de aanstaande verheerlijking der wereld door de wederkomst van Christus. Deze verwachting riep de grootste zielskracht en het sterkste weerstandsvermogen in het leven. De geloovigen gevoelden dat zij ten strijde togen voor een rijk, dat de oude wereld zou doen ineenstorten en voor eene nieuwe orde van zaken plaats zou maken; zij waren er zich van bewust, dat zij door de verbreiding van het evangelie de spoedige voleinding voorbereidden van het heilsbesluit, dat aan de geheele goddelijke wereldregeering te gronde lag.
Deze voorstelling van de toekomst, die in de eerste tijden als de verwachting van de aanstaande wederkomst des Heeren de groote drijfkracht der christelijke beweging is geweest, heeft natuurlijk in de latere kerk een andere gedaante aangenomen. Maar altijd is het christendom een godsdienst der hoop gebleven, een die aan eene toekomstige voleindiging gelooft en
- 159 —
het doel des tegenwoordigen levens in de eeuwigheid zoekt.
De hartstochtelijke drang naar de toekomst bracht echter ook een gevaar mede. De tegenwoordige wereld, wier einde men zich als aanstaande voorstelde, kon op zichzelf geen beteekenis meer hebben. Elk streven dat op eene voortschrijdende ontwikkeling van het staatsleven, op beschaving en uiterlijken welstand gericht was, moest zonder waarde schijnen, indien de ondergang van al het tijdelijke voor de deur stond. Hier was een klip, waarop heel de invloed van het christendom op de wereldgeschiedenis schipbreuk kon lijden.
Dit is intusschen niet geschied. Veeleer is door het christendom eene wedergeboorte der wereld ook in ander dan godsdienstig opzicht tot stand gebracht. Het is het krachtigst bewijs voor de hooge volkomenheid van den zedelijken geest, die aan Jezus zijn ontstaan dankt, dat de christenheid der eerste tijden met haar verwachtingen voor de toekomst niet in grondelooze dweperij verzonken, maar een zout voor elk levensgebied is geworden. Zoo machtig en gebiedend was de zelfverloochenende liefde en onvoorwaardelijke onderwerping aan de goddelijke ordeningen, dat zij, die maar met éénen voet in dezen aardschen toestand stonden, het warmst medegevoel voor ieder menschelijk lijden, den gloeiendsten ijver tot verbete-
ring der verschillende levensbetrekkingen, de grootste gewetenstromv betoonden bij de vervulling van alle burgerlijke verplichtingen. Daardoor is het christendom ondanks zijn wereldverachting er door zijn zedelijken geest feitelijk voor bewaard gebleven, om opziende naar den hemel op de aarde te struikelen.
Intusschen was de betrekking tusschen hemel en aarde nog alles behalve duidelijk en klaar, en er moest verandering komen, toen de verwachting van den jongsten dag niet vervuld werd en het christendom zich voor de taak gesteld zag om de wereld, zooals zij was en in den loop der gebeurtenissen zich verder ontwikkelde, met zijn geest te doordringen. Toen kwamen twee richtingen te voorschijn, die in de Catholieke kerk altijd naast elkander hebben voortbestaan en ook in de kerken der Hervorming, ofschoon ze daar veel dichter bij elkaar stonden, toch nog niet verzoend zijn. De eene keerde zich der wereld toe en zag in de Kerk en hare werken enkel een middel om zich tegen de tijdelijke en eeuwige straffen voor haar wereldschen zin te vrijwaren. De andere zag met dwepend verlangen naar den hemel op en beschouwde de wereld als een vijandige macht, die moest overwonnen worden door een godsdienstige praktijk, welke van zedelijke plichtsvervulling zich afkeerde en op zelfbehoud bedacht was.
Wanneer ik er nu naar tracht om in deze vragen
— i6i —
een juist onderscheid tusschen het ware en het valsche te maken, dan kom ik tot de volgende slotsom. De religie van christelijken huize moet altijd een godsdienst der hoop zijn. Het menschelijk geestesleven, in de lijn der christelijke ontwikkeling voortschrijdend, kan in het aardsch bestaan zijn eindpaal niet zien. Voelt de mench zich, overeenkomstig den zin der christelijke verzoening, met God verbonden, dan moeten tijd en eeuwigheid voor hem aaneensluiten. De kinderen van den Eeuwige kunnen zich niet als golven der wereldzee aanzien. Gelijk zij aan God gelooven, moeten zij ook aan zichzelf gelooven en aan de onvergankelijkheid van hun leven. Zij moeten de overtuiging koesteren, dat zij hoe meer zij zich tot god-menschelijke wezens ontwikkelen, zij in dezelfde mate ook voor de eeuwigheid werken, en dit bewustzijn moet al hun denken en doen verhoogde geestdrift en zekerheid schenken.
Daarbij moet echter het aardsche leven zijn algeheele zelfstandigheid behouden. De menschheid als zoodanig behoort geheel en al der aarde toe, en het doel harer ontwikkeling ligt binnen de aardsche grenzen. Elk goed mensch draagt er toe bij, dat het Godsrijk op aarde zich uitbreide, maar nooit zal de menschheid de haar gestelde grenzen kunnen overschrijden. Haar behoor ik toe, en in alles wat menschelijk is moet ik de goddelijke wet erkennen, die ik niet gemaakt heb, en die het niet aan mij staat te beoordeelen, waaraan ik mij
ii
veeleer onvoorwaardelijk behoor te onderwerpen. Elk streven dat zijn grond vindt in de raenschelijke natuur, het moge wereldlijk of geestelijk heeten, staat in Gods dienst en heeft als zoodanig zijn waarde. De ontwikkeling van alle menschelijke krachten, alle werkzaamheden, die voor de samenleving der menschen, voor hun heerschappij over de aarde, voor hun zinne-lijken en geestelijken welstand noodzakelijk zijn, hebben haar eigen zelfstandige beteekenis in de huishouding Gods, en het voegt ons niet ze naar het gebied der ijdelheden te verwijzen.
In de menschheid ontwikkelen zich onsterfelijke individuen. Ik hef mijne oogen naar den hemel op en verheug raij er in, een kind des Eeuwigen Vaders te zijn. Maar thans ben ik niet geroepen om met mijne gedachten droomend aan gindsche zijde des grafs rond te waren. Ik ben een mensch die op de aarde woon, en heb, zoolang ik het ben, hier mijne taak. Ik scheid tijd en eeuwigheid niet zóó, alsof alleen de laatste het wezenlijke zou zijn, de eerste nietig en als een schaduw aan den wand. Kan ik op aarde naar Gods wil leven, dan is dit leven van wezenlijke, van liooge waarde en al zijne plichten hebben hun eigen beteekenis. Ik besta niet enkel om der wille van den hemel, ik ben geroepen om in het heden in het rijk Gods op aarde te leven. Ik doe ook niets bloot om \'s hemels wil, maar wensch van ganscher harte en met een vroolijk
— 163 —
gemoed God in deze wereld te dienen, zoolang ik baar toebehoor, tevreden en dankbaar, dat ik het mag.
Het rijk Gods op aarde is niet anders dan het zedelijke en religieuse leven der menschen. In de mate, dat dit zich op de rechte wijze en overeenkomstig zijne natuur ontplooit, wordt Gods geest de macht, die de wereld beheerscht. Wordt dit ingezien, dan wordt \'s menschen waarde afgemeten naar zijn innerlijke gezindheid, zooals die zich in zijne zedelijke handelingen openbaart. In dezen zin sprak Jezus van het rijk Gods en van de kinderen des Koninkrijks. Wijl echter het christendom in de wereld een godsdienstige gemeenschap naast andere te voorschijn riep. die zekere leerstellingen en vormen als hare kenteekenen vaststelde, werden deze laatsten als van gelijke waarde en be-teekenis verklaard, wanneer men de voorwaarden wilde aangeven, waarop iemand tot het godsrijk behoorde; later werden ze zelfs boven de zedelijke handelingen gesteld. Zij, die deze leerstellingen beaamden en die vormen zich eigen maakten, noemden zich geloovigen; hielden zich als zoodanig voor Gods uitverkorenen, bestemd voor het eeuwige leven, terwijl de menigte ongeloovigen der verdoemenis toeviel. Want zoozeer is de mensch geneigd zichzelf te overschatten, dat de diepste ootmoed voor God onmerkbaar tot geestelijken hoogmoed overslaat. Waar men afstand doet van allen trots op wereldsche wetenschap, beeldt men zich te
11*
— 164 —
gelijkertijd vaak in, een dieper inzicht in de goddelijke geheimen te hebben, en de aanbidding der goddelijke genade, die toch alle eigen verdienste buitensluit, leidt dikwijls tot de meening, dat men boven anderen door den Allerhoogste is uitverkoren en hem welgevallig is.
Dit is een dwaling, waartoe historisch geworden godsdiensten begrijpelijkerwijze zeer licht vervallen. Des te meer is het voor hen, die dit als eene dwaling inzien, plicht er tegen op te komen. Want hier ligt de bron van tallooze godsdiensttwisten, die zooveel jammer veroorzaken, zoovele hinderpalen voor de erkenning der waarheid en zoo schadelijk voor zedelijkheid en godsdienst zijn. Hoe stelt men zich hierbij aan, als ware men vertrouwd met al de geheimen eener toekomstige wereld! Hoe lichtzinnig gaat men om met begrippen, wier beteekenis men niet eenmaal verstaat! Zooals kinderen om koninkrijken spelen, zoo speelt men met hemel en hel. Men plaatst zich op den troon van den hoogsten rechter en scheidt de zaligen van de verdoemden. Alle voorwaarden voor een rechtvaardig vonnis ontbreken; men kent hun gezindheid niet, noch geeft acht op hunne daden; men is niet in staat te zeggen in welk verband zij dus staan tot hun geloof en leven; men eischt een belijdenis en eenige uiterlijke vormen, en over hen, die aan dezen eisch niet voldoen, spreekt men lichtzinnig het oordeel uit: eeuwig verloren en
— 165 —
verdoemd. Wordt de gedachte aan de eeuwigheid zóó misbruikt, dan ware het beter er in \'t geheel niet aan te denken.
Het christendom maakte er bij zijn intrede in de wereld aanspraak op, de hoogste goddelijke openbaring te zijn. Het begrip van openbaring is overoud en elke historische godsdienst brengt het als een wezenlijk bestanddeel mede. Jezus trof het onder zijn volk aan; de geschiedenis van het volk Israels gold voor hem als de uitvoering van een goddelijk raadsbesluit, de heilige schrift als door God ingegeven. Daarvan ging hij uit; en hij achtte zich geroepen te vervullen wat dus begonnen was. Daarom erkende hij de vroeger gegeven openbaring en beriep hij er zich op, maar tegelijkertijd maakte hij aanspraak op erkenning van zijne goddelijke zending.
Wie zou hem het recht daartoe ontzeggen? Hij predikte geen kunstig opgebouwd leerstelsel. Wat hem als de vrucht van een eenig religieus leven in het innigst verkeer niet den Vader was geopenbaard; wat hij als datgene leerde kennen, waaraan zijn volk behoefte had en als het einddoel, waartoe Gods wegen hadden geleid, dat sprak hij niet maar uit, doch hij
— i66 —
beschouwde het als zijne levensroeping, het in de wereld te verwerkelijken en haar daarmede het Godsrijk te brengen.
Wie godsdienstig leven heeft, dien is God niet maar een begrip, doch de levende en levendmakende Geest; hij verneemt in zijn binnenste zijn stem en spreekt met hem als met een die tegenwoordig is; zijn kracht voelt hij in zich en als zijn werktuig handelt hij. Het geloof aan de goddelijke openbaring is dus onafscheidelijk met alle religie verbonden. Als Jezus nu van zichzelven verkondigt, eene bijzondere openbaring te hebben ontvangen, kan niemand hem weêrspreken, die in zijne godsdienstige persoonlijkheid iets erkent dat eenig in zijn soort is. Het is daarom natuurlijk geweest, dat de christenheid in hem ten allen tijde dengene heeft gezien, door wien God op de duidelijkste wijze tot de menschen spreekt.
Waarop nu is dit geloof gegrond? Indien het waarheid is, kan het zich alleen beroepen op vrijwillige instemming des harten, op den indruk, dien ik van het woord en den geest van Jezus ontvang. Men heeft mij wel van der jeugd af geleerd, dat het evangelie van Jezus het Woord Gods is, maar als men van mij eischt, dat ik het daarom zal gelooven, dan volgt daaruit, dat elk zijn leven lang voor waar moet houden, wat hij van der jeugd af geleerd heeft; en deze uitspraak oordeelt zichzelve.
— 167 —
Toch wordt het geëischt. Zonder mijn oordeel te gebruiken zal ik elk woord, dat als eene uitspraak van Jezus wordt overgeleverd, als Gods woord moeten aannemen, ofschoon hij zelf niets heeft opgeschreven, en dientengevolge niet eens vaststaat, in hoever ik werkelijk zijne woorden voor mij heb. Ik zal dus eerst aan de onfeilbaarheid der evangelisten moeten ge-looven en daarom de tegenstrijdigheden, die ik feitelijk waarneem in datgene wat zij als woord van Jezus meêdeelen. opzettelijk moeten loochenen. In overeenstemming daarmede wordt geeischt, dat ik het werk der gezamenlijke bijbelsche schrijvers als Gods woord beschouwe. Dat wil zeggen, dat ik aan de onfeilbaarheid van hen zal gelooven, die de verzamelingen der bijbelboeken hebben aangelegd. De Catholieke kerk handelt eenvoudig consequent, als zij de Kerk voor onfeilbaar verklaart en daarop geheel het geloof grondt.
Hier treedt eene onwaarheid aan liet licht, welke weder tot vele onwaarheden voert; zij leidt tot gekunstelde verklaringen der schriftwoorden en doet de eenvoudige, duidelijke toedraclit van zaken geweld aan. Ik kan daaraan niet mededoen; want met onwaarheid wordt noch God geëerd, noch het heil der menschheid bevorderd.
Men zegt wel: wij moeten eene vastigheid hebben, want waarop zullen wij ons anders verlaten ? Maar
— i68 —
wat door eenige uitspraak van menschen eene vastigheid moet worden, mist die vastigheid in zichzelf. Of men beweert, God moet ons eenige zekerheid hebben gegeven, daar het zijn wil toch niet kan zijn, ons in het onzekere te laten. Maar waarom zouden wij daarop juist aanspraak hebben, terwijl zoovele millioenen het niet bezeten hebben of nog ontberen ?
Wij hebben in den bijbel zooveel hemelsch licht en goddelijke waarheid, dat wij niets behoeven te duchten, wanneer wij hem beoordeelen als ieder ander boek en aan ons geweten de uitspraak overlaten, hoeveel van datgene wat menschen hier tot ons spreken, Gods woord mag zijn. Dan zal het vergankelijke het onvergankelijke niet meer in den weg staan en wij zullen onze beste krachten niet meer aan het bijwerk verspillen, maar de werking des geestes zuiverder en krachtiger ervaren. Geen mensch is onfeilbaar. Deze eenvoudige waarheid moet eerst weder erkend worden. Dan eerst zal het mogelijk zijn het er over eens te worden, wat God allen goeden en vromen menschen geopenbaard heeft en voortgaat te openbaren.
VI.
De eisch, dat men den Bijbel als Gods woord er-kenne, sluit den anderen in, dat men aan de daarin
— 169 —
berichte wonderen geloof zal slaan. Kan ik het eerste niet doen, dan vervalt ook elke dringende reden voor het laatste. Ook wanneer ik de mogelijkheid der wonderen toegeef, blijft toch altijd de vraag over, ofjuist deze, zooals zij verhaald worden, zouden geschied zijn. Daartoe wordt een onbevooroordeeld onderzoek en een nauwkeurige vergelijking der berichten geëisclit, waardoor in geen geval de voor het geloof noodige zeker» heid wordt verkregen. Want gelooven is een verzekerd zijn, niet maar een voor mogelijk houden.
Dit vraagstuk wordt van uiterst bedenkelijken aard, indien het geloof aan genoemde wonderen wordt verwis-, seld met het religieuse geloof, of wanneer dit er ook maar op eenige wijze van afhankelijk wordt gemaakt. Wee mij, indien ik mijne betrekking tot God op eenige gebeurtenissen zou gronden, en dan nog wel op zulke, waarvan de geloofwaardigheid eerst nog moet onderzocht worden.
Neem het wonder, waarop naar veler meening het geheele christelijk geloof rust: de opstanding van Jezus. Het is nog niemand gelukt de tegenstrijdigheden in de berichten, die er melding van maken, op te lossen en een duidelijke, boven allen twijfel verheven voorstelling van de zaak te geven. Ook wanneer toegestemd moet worden, dat de jongeren overtuigd waren den opgestane te hebben gezien, en dat uit deze overtuiging de verdere ontwikkeling des Christendoms is
— 170 —
voortgevloeid, dan verliest men toch allen grond onder de voeten, als men beproeft zich voor te stellen, hoe zij hem gezien hebben, en hoe een lichaam wel wezen moet, dat vleesch en been is, en toch niet vleesch en been is te gelijk. Alle voorstellingen zijn hier nevelen, die verdwijnen, zoodra men ze van naderbij zou willen bezien.
Waartoe dient mij echter het geloof aan de lichamelijke opstanding van Jezus ? Dat hij in persoonlijke verheerlijking leeft, daarvan ben ik verzekerd, wijl ik aan het eeuwige leven der kinderen Gods geloof. Hoe ongelukkig zou ik mij voelen, als ik voor dit geloof eerst den steun noodig had der bepaalde opvatting van een wonder, waarvan iedere voorstelling ontbreekt en waaromtrent mij allerlei tegenstrijdige berichten worden meegedeeld. Evenzeer weet ik, onafhankelijk van mijn gevoelen over de opstandingsverhalen, dat Jezus in de kracht zijns geestes onder ons voortleeft. In dezen zin is hij de levende, op grond van een onweersprekelijk getuigenis. Of moet de opstanding van Jezus mij omtrent mijne verzoening met God zekerheid verschaffen ? De verzoening is een feit van het innerlijk leven en is daar, zoodra ik in Jezus\' geest aan God geloof. Maar dit geloof rust op zichzelf en heeft vaster grond dan eenig wonder het zou kunnen geven.
Het geloof aan de lichamelijke opstanding van Jezus heeft dus wel een zeer gewichtige historische betee-
— i7i —
kenis; voor het heden echter is het even waardeloos als het geloof aan zijne zichtbare wederkomst, en ik moet hooger grijpen, zal ik met vreugde en dankbaarheid mijn paaschfeest vieren.
Ik ontken niet, dat er iets bijzonders moet hebben plaats gehad, iets wat een bijzondere uitwerking had en in de berichten omtrent Jezus\' opstanding wordt weerspiegeld; maar ik kom er voor uit, dat ik niet weet, wat het geweest is, en ik troost mij in deze mijne onwetendheid hiermeê, dat mijn christelijk geloof er niet mede staat of valt.
Evenzoo is het gesteld met de wonderen van Jezus. Ik weerspreek het niet, dat er bij alle onzekerheid der berichten feiten aan ten grondslag kunnen liggen. Van genezingen door geloof wordt ook buiten de evangeliën melding gemaakt, en zij nemen ook thans nog in het volksleven zulk een aanzienlijke plaats in, dat ik geen eindoordeel zou durven uitspreken, zonder de vraag aan het nauwlettendst onderzoek te hebben onderworpen. Wellicht doen zich hier natuurwetten — d. i. een eeuwige wilsdaad Gods — gelden, die nog te weinig onderzocht zijn. Maar dit juist bewijst, dat noch het geloof, dat deze zoogenaamde wonderen mogelijk maakt, noch het geloof, aan wat daaromtrent bericht wordt, met het christelijk geloof of met het godsdienstig geloof in \'t algemeen, in noodwendig verband staat. De Schrift zegt zelfs, dat ook valsche profeten
— 172 —
groote wonderen zullen doen. Jezus is voor mijn godsdienstig leven geheel dezelfde, of hij zieken genezen heeft al dan niet. Heeft hij zieken genezen, mij helpt dit niets; want ziekten heerschen toch in de wereld, al mochten onder vele millioenen sommige op wonderbare wijze genezen zijn of al geschiedt dit nu en dan nog.
Wat wil men er mee zeggen, als men voor het geloof aan den levenden God aan de wonderen vastigheid wil ontkenen ? Wat beteekenen een paar wonderen te midden van tallooze gebeurtenissen, die geen\'wonderen zijn? Wij behoeven niet een God, die nu en dan zijn kracht heeft getoond en voor het overige de dingen hun eigen gang quot; laat gaan, doch zulk eenen, die altijd en overal werkt en in de meest gewone verschijnselen voor de geloovige ziel tegenwoordig is. Daarom heb ik overal meer vrede met de wonderen dan in den godsdienst.
VII.
Ik weet, dat de christelijke geest het licht van het zuivere denken niet behoeft te duchten. In hem heb ik de ware vroomheid, de waarheid voor het gemoed, de warmte van \'t geestelijk leven gevonden. Waarom zou de warmte met het licht onvereenigbaar zijn, de waarheid voor het gemoed niet naast de waarheid voor
— 173 —
het verstand kunnen bestaan ? Waarom zou ik raijzelven moeten verbieden te denken, om vroom te wezen; waarom alleen kunnen denken op straffe van er mijne vroomheid bij in te boeten ?
Doch ik leef, helaas, in een tijd, waarin licht en warmte zich van elkaar dreigen te scheiden. Het oord waar vroomheid woont en gevoed wordt is donker, en in de helverlichte ruimten van het denken is het koud. In de godsdienstige kringen, waar de oude geloofsbelijdenissen nog van kracht zijn, gloeit veel inniger liefde voor God en de menschen; vele zielen vinden er den vrede en worden er voor bewaard in de golven der wereld onder te gaan. Maar met de heilige goederen bewaken zij zorgvuldig de vormen, waarin vroegere geslachten het christelijk leven hebben gegoten, en zij kunnen niet begrijpen, dat alleen de geest goddelijk, de voorstelling echter menschelijk is. Zij verdoemen de zoodanigen, die het als hun plicht beschouwen te onderzoeken en kritiek uit te oefenen; zij werpen hun voor de voeten, dat zij het in hun hoog-moedigen waan beter willen weten dan eerwaardige vaderen, ja, dan God zelf, en zien niet in, dat de door God in de wereldgeschiedenis gewerkte vooruitgang der wetenschappelijke kennis zulk een onderzoek eischt, en dat de anderen juist om Gods wil zich er niet aan mogen onttrekken.
Ik kan hun hunne onverdraagzaamheid zedelijk niet
— 174 —
toerekenen. Zij kunnen niet verdraagzaam zijn, als naar hunne meening Gods eer aangetast en het heil der menschheid geschaad wordt. Maar juist deze meening, dat de vervulling van een duidelijk aangegeven plicht opstand tegen God zou zijn, de veroordeeling van andersdenkenden zonder onderscheid, of zij goddeloos zijn of vroom, is het bewijs, dat zij in een noodlottige dwaling verkeeren, en dat zij Christus\' geest niet weten te onderscheiden van voorstellingen over hem en zijn werk, die op historischen weg zijn ontstaan. Al zijn zij overigens in hun denken klaar en helder en in hun leven rechtvaardig en liefderijk, in dit opzicht zijn zij genoodzaakt licht en klaarheid den rug toe te keeren en zelfs tegenover goede en vrome menschen hard en onbillijk te zijn. Daardoor wrijven zij der vroomheid een smet aan, die haalbij velen gehaat maakt, en dragen zij er toe bij, dat edele geesten omtrent haar in dwaling geraken en onedele haar tot voldoening hunner hartstochten misbruiken.
Tegenover hun dwaling staat de andere, die men licht zonder warmte kan noemen. Daar is veel ernstig streven naar waarheid, veel offervaardigheid in den dienst der wetenschap, en als vrucht daarvan worden groote uitkomsten verkregen. Maar voor de religie mist men het juiste inzicht en het waardeeringsverraogen. Men ergert zich aan de vormen, waarin zij optreedt; overal ziet. men tegenspraak tegen de wetenschappelijke
— 175 —
waarheid en men wil niet inzien, dat de vorm niet het wezen is, en dat ook aan de gebrekkigste voorstellingen eene onafwijsbare behoefte te gronde ligt, die moet bevredigd worden, zal de mensch zich gezond en harmonisch kunnen ontwikkelen. Men gevoelt wel, dat hier een ledig is; men mist iets, en dat gemis brengt menigmaal een diep smartelijk gevoel mede; men tracht door de kunst en eene ideale versiering van het leven dat ledig aan te vullen. Maar zoolang de hoo-gere wereld voor niet dan een gewrocht der verbeelding geldt en niet als de hoogste werkelijkheid, met al de zekerheid der werkelijke dingen, voor ons staat; zoolang de ziel zich schuchter en onzeker op een afstand houdt\' van den eenigen en waarachtigen levensgrond, waarin zij alleen haar rustpunt kan vinden, is alle kunst ontoereikend om de echte levenswarmte te wekken. De beschaafde heeft eenige vergoeding, die hem zijne eigenlijke behoeften op bedriegelijke wijze kan doen vergeten; maar voor wien de bronnen dier fijnere beschaving niet vloeien, rest armoede en ledigheid.
Ik veroordeel dezulken niet, die tegen den godsdienst vooringenomen zijn, omdat zij hem van hun standpunt als in strijd met de waarheid aanzien. Maar juist deze miskenning van een wezenlijke voorwaarde voor \'s menschen geestelijk leven bewijst, dat hun standpunt niet het juiste kan zijn. Hoe oprecht zij ook de ware ontwikkeling der menschen mogen
— 176 -—
ter harte nemen, zij hinderen haar in een der belangrijkste aangelegenheden en houden de volledige ontplooiing der menschelijke natuur tegen.
Op deze wijze gaat uiteen, wat bijeen behoort. En klein is het aantal van hen, die de volle levenswaarheid in haar tegenstellingen erkennen en deze tot verzoening trachten te brengen. Men ziet elkander achterdochtig aan; men gaat elk zijns weegs; men ziet den goeden weg niet, men zoekt er zelfs niet naar, waarop men vol moed en opgewektheid veree-nigd zou kunnen voortgaan. In plaats daarvan veracht de een den ander en moet men zich van elkaar menig bitter woord laten welgevallen, waarop men niet weet te antwoorden.
VIII.
Zal er eene verzoening tusschen het denken en de vroomheid gevonden worden, die aan den tegenwoor-digen ontwikkelingstrap beantwoordt? Eene die alle edele geesten onder meer en minder beschaafden zal kunnen overtuigen en voor hun leven licht en warmte zal kunnen aanbrengen ? Ik weet het niet, en het schijnt mij tot niets nut, daarover gissingen te wagen. Het kan zijn dat ter rechter tijd een profeet verschijnt, die met een verlossend woord orde in de
— i77 —
worstelende gedachten brengt, zooals het reeds meermalen in den loop der wereldgeschiedenis is voorgekomen. Uit den strijd der geesten kan ook een nieuwe tijdgeest geboren worden, die de waarheid, waarnaar wij verlangend uitzien, aan het licht brengt. Doch dit alles houdt de toekomst in haar schoot verborgen. Wij staan thans midden in den strijd dei-tegenstellingen, en het voegt ons nauwgezet te overwegen, hoe wij ons te midden daarvan te gedragen en wat wij in onze bescheiden raate te doen hebben, opdat ons volk in dezen tijd geen schade lijde en voor een beteren den weg bereide.
i. Wij moeten op elke wijze de overtuiging le-\' vendig trachten te maken, dat het goede in zich zelf waardij bezit; dat daarentegen godsdienst zonder ware zedelijkheid een leugen is. Ons volk moet er zich aan gewennen, ieder zonder uitzondering niet naar zijne geloofsbelijdenis, maar naar zijne daden te be-oordeelen. Het moet het als eene verkrachting der waarheid leeren beschouwen, wanneer een rechtschapen mensch, vol reine en opofferende liefde, om zijne godsdienstige meeningen der veroordeeling wordt prijsgegeven. Want de waarde der vroomheid hangt van de zedelijke reinheid, van de waarachtigheid en zedelijke kracht des vromen af, en het komt er bovenal op aan, dat het religieuse leven van de veelsoortige onoprechtheid worde gereinigd, die onder den dek-
12
- i78 -
mantel van kerkdijken partij-ijver zoo jammerlijk voortwoekert.
2. Op gelijke wijze moeten wij hieromtrent juister inzicht verbreiden, dat de vroomheid noodzakelijk is, om den volkomen mensch te vormen. Een goed mensch zonder geloof behoort wel is waar, zonder dat hij het zelf weet, tot het koninkrijk Gods; maar wij moeten er met volle bewustzijn toe behooren. De maar al te veel heerschende onverschilligheid omtrent de religieuse dingen; de onnatuurlijke schuwheid voor elke levensvolle, innige betrekking tot God; de koele terughouding en onzekerheid ten aanzien der innigste gevoelens van de menschelijke ziel moet overwonnen worden, en het mag niet langer plaats hebben, dat een kinderlijk geloof en ernstige vroomheid met spotnamen getroffen en aan haat en verachting worden prijsgegeven. Dit is niet in strijd met eerstgenoemden eisch, veeleer staat hij er mede in het nauwste verband. Want de oppervlakkige zin, aan allen wezenlijken ernst gespeend, is met den schamelen mantel der deugd tevreden en kent geen dieper behoefte, dan voor de wereld als rechtschapen te gelden. Een ernstig streven naar zedelijke volkomenheid daarentegen en de waarheidlievende oprechtheid, die het verkeerde en gebrekkige erkent, drijven in de goddelijke armen, waar zoowel de vrede der vergiftenis van zonden als de krachtigste prikkel tot nieuwen zedelijken strijd en arbeid wordt geven-
— 179 —
den. Daarom worde het zedelijk-goede maar in zijn volle waarde gekend en op prijs gesteld, het gevolg daarvan zal ten slotte hooger waardeering van het geloof zijn.
3. Is het onze toeleg ware zedelijkheid en religie in haar juisten wederzijdschen samenhang te bevorderen, dan moeten wij ons vooral ten doel stellen, het christendom steeds algemeener .bekend te maken in al zijn eenvoud, die tevens juist zijn waarheid, schoonheid en kracht is. Wat de geschiedenis er aan heeft toegevoegd; de velerlei vormen en symbolen in eeredienst en leer, die er in den loop der tijden zijn bijgekomen en het christendom tot een godsdienst naast andere hebben verlaagd, kunnen voorzeker niet met een machtwoord worden weggeruimd; veeleer moet daaraan, zoover zij niet in strijd met de waarheid zijn, de plaats gegeven worden, waarop zij aanspraak hebben. Doch zij mogen het wezen der zaak niet verdringen, en nimmer van middel doel worden. Het wezenlijk christelijke is eenig en alleen de geest van Christus, en deze is niet anders dan ware zedelijkheid en ware vroomheid. Alle eeredienst en elke kerkelijke leer heeft alleen in zooverre waarde, als zij den geest van Christus weergeven en de harten uit de boeien der zelfzucht tot de vrijheid der liefde voor God en de menschen voeren. Wie het inzicht daarvan met woord en daad onder het volk verbreidt,
12*
— i8o —
draagt er het zijne toe bij, dat zoowel aan de religieuse als aan de alle religie hatende bekrompenheid en onverdraagzaamheid de wortels afgesneden worden en dat de vereeniging van alle partijen, die een deel der waarheid vertegenwoordigen, op een hooger trap van religieuse ontwikkeling wordt voorbereid.
4. Willen wij dit doel bereiken, dan mogen wij ons niet bniten de kerkelijke gemeenschap plaatsen, waartoe wij door onze opvoeding en onzen kring in de maatschappij behooren. Hier is de voedende grond voor ons religieus leven en de plaats voor onzen arbeid. Hier moeten wij naar ons inzicht met oprechte liefde voor de waarheid en hartelijke toewijding aan de broeders werkzaam zijn, om te bevorderen wat goed is, en wat onwaar en schadelijk is uit den weg te ruimen. Terwijl wij met het volk gevoelen en zijn taal spreken, moeten wij door den geest van Christus voortdurend en krachtig op den voorgrond te plaatsen, aan de verheffing van het leven der zedelijkheid en der vroomheid en daardoor aan de zuivering der religieuse voorstellingen en de kweeking van een heiligen onbekrompen zin werkzaam zijn. Alleen wanneer het volstrekt onmogelijk is om de beginselen en toestanden onzer kerk met ons religieus inzicht en de eischen van ons vroom gemoed te vereenigen, kan dit ons het recht geven en den plicht opleggen om óf de kerkelijke gemeenschap, waartoe wij behooren, te verlaten
— ISI —
óf in haar op krachtige wijze den strijd aan te binden. Hiertoe echter behoort eene goddelijke roeping, d. i. wij moeten er ons innerlijk zoowel toe gedwongen als bekwaam voor gevoelen.
5. Wij mogen niet zwijgen als priesterlijke heersch-zucht de heiligste behoeften des volks misbruikt om het haar juk op te leggen, of wanneer het bijgeloof steeds verder om zich heen grijpt en in naam van den godsdienst de rede onder den voet treedt, de zedelijkheid bedreigt en de vroomheid vergiftigt. Wij moeten deze dingen bij hunnen naam noemen en mogen zelfs dan den strijd niet duchten, wanneer wij daarmede sonw mige werkelijk vrome gemoederen pijn veroorzaken, omdat wij hun vrede verstoren en de zekerheid des geloofs hun rooven. Doch wij behooren wel toe te zien of wij iets in de plaats van het bestredene hebben te stellen, wat werkelijk verstaan wordt en de behoeften van het vrome gemoed voldoet. Het een of ander kan ons belangrijk toeschijnen, wat voor het algemeen van zeer ondergeschikte beteekenis is. Ons kan iets helder zijn, zonder dat wij het aan het volk duidelijk kunnen maken. En wat voor ons een zaak des gewetens is kan voor anderer geweten een valstrik zijn. Hier ia groote behoedzaamheid noodig. Wijsgeerige en godgeleerde vraagstukken bijv. zullen wij maar in sommige tijden en in bijzondere gevallen onder het volk mogen brengen. Wij zullen moeten
— i82 —
wachten, totdat wij ze met eeu goed geweten voor beslist mogen houden, en er dan op zulk eene wijze van moeten melding maken, dat het overtuigt zonder in verwarring te brengen en aan de verheldering der voorstellingen en bevordering van zedelijkheid en vroomheid dienstbaar is. In elk geval echter moeten wij de hatelijkheden van den partijstrijd mijden, want deze zijn altijd uit den booze.
6. Met volle beslistheid moeten wij tegen den hoogmoedswaan van het weten opkomen, zoowel wanneer hij in naam eener vermeende openbaring voorgeeft dingen te weten, die niemand weten kan, of vragen beslist, die tot het gebied der wetenschap behooren; als ook dien anderen, die onder het voorwendsel der wetenschap, de haar gestelde grenzen overschrijdt, lichtvaardig over de feiten van het innerlijk leven den staf breekt en de kostbare erfenis van vele eeuwen met voeten treedt. Hier kunnen alleen mannen vol waardeering en met een nauwgezet geweten bijstand verleenen, die het zoowel met de vroomheid als met de wetenschap volkomen ernstig meenen. Dat wij het doel zoo hoog mogelijk stellen, opdat wij de nederigheid leeren,dieons in onzen tijd zoozeer noodig is. Dat wij ons opmaken tegen elke mode van den dag, die den geestelijken hoogmoed of de duisternis eener halve beschaving pleegt te voeden. Van halve beschaving getuigt het, wanneer de waarde van den mensch in zijn weten
— 183 —
wordt gesteld, ook al is dit van grooten omvang en rijken inhoud. Wij moeten er den nadruk op leggen, dat waarachtige beschaving den geheelen mensch moet omvatten en bovenal op zedelijk en religieus gebied zich moet openbaren. Niets is noodlottiger dan uitsluitend verstandelijke ontwikkeling, die het geweten zoo licht doodt en zoo trotsch op natuurlijken en kinderlijken eenvoud nederziet. Eerst als onze hoogere standen beter en vromer zijn dan de lagere, kunnen zij de taak op zich nemen om leidslieden des volks te wezen en het daardoor ten zegen zijn. Maar dan zullen ze ook niet meer hoogmoedig zijn, doch, door Christus\' liefde gedrongen, afdalen tot hen, die lager staan.
7. Wij moeten een hart voor het volk hebben. Met de toewijding der liefde moeten wij hel trachten te begrijpen; zijne wijze van voorstellen, zijn aandoeningen en behoeften trachten te verstaan; niet met den koelen blik van den onderzoeker, die aan een of ander voorwerp zijne aandacht wijdt, maar met het hartelijk verlangen, om met het volk mede te voelen en te leven, en het te dienen. Niets is meer onze opmerkzaamheid en ons liefdevol dienstbetoon waard. Eerst wanneer wij de taal van het volk kunnen spreken, zijn wij bijmachte zijne inzichten te verhelderen, zonder zijn heiligdom te ontwijden, en zijne voorstellingen te verbeteren, zonder het in verwarring te brengen. Daarbij moeten wij ons echter niet inbeelden,
— 184 —
dat wij een groot offer brengen, dat wij geven zonder te ontvangen. De zoogenaamde beschaafden kunnen het volk niet missen; een aanhoudend en levendig verkeer er mede te onderhouden is de voorwaarde voor de gezondheid van hun denken en gevoelen. Zoodra zij zich er van losmaken, vormen zij ziekelijke, opgeblazen, innerlijk holle kringen, die óf in goddeloosheid ondergaan óf in vroom gekwezel ver-loopen.
S. Wij moeten de christelijke hoofdgedachten van zonde en genade, verzoening en bekeering in haar volle beteekenis in eere brengen, zonder aan hare ziekelijke ontaarding en overdrijving mee te doen, waardoor zij bij allen, die gezond van hoofd en hart zijn, weerzin hebben gewekt. Wij mogen de menschen niet slechter maken dan zij zijn; niet zoo van de zonde spreken, dat wij in eene onwaarachtige „tale Kanaansquot; vervallen; geen onnatuurlijke, overspannen gewaarwordingen trachten te wekken ; den toestand der harten niet naar het uiterlijke beoordeelen noch de bekeering afhankelijk maken van een ineengeknutselde geloofsleer of een vastgestelde reeks van opgeschroefde aandoeningen. Doch evenmin mogen wij de gewetenloosheid voet geven, die alles vindt zooals het behoort en onzen lieven Heer op een afstand houdt, waar hij met \'s menschen handel en wandel niets te maken heeft. Wat slecht is moet met alle zedelijke gestreng-
heid als slecht veroordeeld en met innig-religieusen ernst als zonde gevoeld worden, als opstand des men-schen tegen den Allerhoogste, zijnen Heer, en verwerping van zijn waarachtig heil, waardoor hij zich afscheidt van God en zijn ware leven verliest, zooals het blad verwelkt, dat van den boom wordt losgerukt. En er is geen redding, tenzij de zoon berouwvol en om genade smeekend tot den vader terugkeere. De trots moet gebroken, het harde hart verteederd worden; er moet kinderzin in ons komen; met een kinderlijk gemoed moeten wij ons gansch en al aan God overgeven, niets zijnde in ons zeiven, alles van hem alleen willen ontvangen en alles weder aan hem wijden ; leven van zijn genade, zonder eigenwaan en eigen-roem, alles van hem wachtend; met de vrijwilligheid der liefde hem dienen en zijn gebod opvolgen als eeuwig en alleen goed. Dat is verzoening. En wie aldus verzoend is, die is bekeerd. Wij moeten uit den slaap, uit den roes der stompzinnigheid of der lichtzinnigheid, uit onze verwarde droomen ontwaken tot het klare, lichte, vreedzame leven in God; uit onze godvergetenheid en godverlatenheid komen tot het vroolijk bewustzijn van hem te bezitten en zijn eigendom te wezen; van slaven moeten wij vrije kinderen Gods worden. Dat heeft onze tijd noodig, en dat zal geschieden, waar de geest van Christus tot volle ontplooiing komt.
9. Wij moeten bovenal oprecht en waar zijn en liever van onzen invloed en van het geluk der gemeenschap afstand doen, dan ons willens en wetens aan onwaarheid schuldig maken. Wij moeten de taal des volks spreken, doch alleen voor zoover wij er ware gedachten en aandoeningen in vertolkt vinden. Nimmer mogen wij zeggen en leeren, wat wij niet gevoelen en gelooven. Wij moeten steeds zoo goed mogelijk het inzicht trachten te verbreiden, dat wij van God en de goddelijke dingen niet anders dan op gebrekkige wijze kunnen denken en spreken. Nooit mogen wij ons gedragen, als ware onze uitdrukking van het religieuse leven de eenig juiste, en geldig voor alle tijden. Wij moeten er ons streng voor wachten, in onze aandoeningen onwaar te worden en iets voor onzen doorgaanden gemoedstoestand te verklaren, wat slechts het gevolg is van geweld onzer natuur aangedaan. Want daarmede verleiden wij anderen tot soortgelijken logen. Evenzeer verleiden wij anderen tot leugen, indien wij van allen dezelfde aandoeningen en dezelfde vertolking er van eischen. Met name bezondigt men zich in hooge mate aan de jeugd, wanneer men haar den eisch stelt, te gevoelen, zooals eerst rijpere leeftijd medebrengt. In \'t algemeen wordt onwaarheid bevorderd, als alle nadruk op het gevoel wordt gelegd, en op deze wijze de aankweeking van religie op eenzijdige wijze tot
- I87 -
de levenstaak wordt gesteld. Het rijk Gods is niet enkel kweeking der vroomheid, maar ontwikkeling van alle menschelijke krachten overeenkomstig den wil des Scheppers, en geene werkzaamheid, die zoowel voor den enkelen mensch als voor de menschheid in \'t algemeen noodzakelijk is, mag ten koste van eene andere onderdrukt worden, zal de gezondheid bewaard kunnen blijven. De godsdienst mag wat tot de ware natuur behoort in geen enkel opzicht verongelijken, en niets van het waarachtig menschelijke verminken; hij behoort veeleer zelf bovenal natuurlijk te zijn en de natuur in haar geheelen omvang als uitdrukking van den goddelijken wil te erkennen. Daarom sleept juist op dit gebied alle on-natuur en onwaarachtigheid de jammerlijkste gevolgen met zich, en elke werkelijke vooruitgang en elke vernieuwing van het religieuse leven in de geschiedenis is eene vereenvoudiging geweest, een terugkeer uit de gekunsteldheid tot natuur en waarheid. Hier ligt ook de taak voor onzen tijd.