m „ ■ -;
HEDEDAAGSGHË MAATSCHAPPIJ
S. O.
MET
KERKELIJKE GOEDKEURING.
St. - QÏCaaóizichi.
1884.
v^- -4-1
DER
DOOR
MET
KERKELIJKE GOEDKEURING.
t. §aiiius-Qvithbczij,. - 9T^aaatz.tc-fvt.
1884.
Vik 157 i
I
ad lioc delegafus.
GALOPLE, 14 Felr. 1884.
Onze maatschappij lijdt aan een vreeselijke ziekte, die haar ongetwijfeld naar het graf zal voeren, zoo zij niet spoedig de hulp inroept van dien éénen Geneesheer, die het heilmiddel bewaart, waardoor zij alleen aan de gezondheid kan worden hergeven.
De welsprekende mond van Donoso Cortez kondigde reeds vóór jaren aan de maatschapij harer nabijzijnden dood aldus aan;
» De maatschappij gaat sterven, wijl zij vergiftigd is; zij gaat \'sterven, omdat God haar had geschapen voor het katholiek voedsel, en sommige geneesheeren, bij wijze van proef, haar rationalistisch voedsel hebben toegediend. Zij gaat sterven omdat, evenals de mensch niet van brood alleen leeft, maar van ieder woord dat uit Gods mond voortkomt, zoo ook de maatschappij niet door het zwaard alleen omkomt, maar door ieder antikatholiek woord, voortgekomen uit den mond der philosofen. Zij gaat sterven, omdat de dwaling doodt, en onze maatschappij op den grondslag van dwalingen is opgebouwd.
....... Dc maatschappij is verloren, wijl wij van onze
zonen geen christenen ruillen maken. ........omdat dc katholieke geest, de eenige levensgeest, niet alles bezielt, het onderwijs, de wetgeving, de zeden niet doordringt:\'
En kon de christelijke-ridderlijke Spanjaard thans van uit zijn graf een oog slaan op het heden onzer maatschappij, met hoeveel meer klem nog zou hij het herhalen ; ^d\'e maatschappij is verloren\'.quot;
Toch is de dood nog niet ingetreden ; voor de ziekte, wier naam wij thans kennen als ongeloof en ongodsdienstigheid, is genezing, en voor die genezing is het ook nu nog niet te laat.
1
Schrijft misschien iemand aan dit nederig boekske de aanmatiging toe, die genezing te willen beproeven r Die verwaandheid zij verre; het heeft zieh zediger roeping voorgesteld.
De doodzieke maatschappij behoeft geen minderen, dan den grooten hemelschen Geneesheer, die immer tot hulp bereid is, en aan zijne dienaren op aarde, de verkondigers en bedienaren van zijn heiligen godsdienst, het eenig heilmiddel tegen de verwoestende kwaal in bewaring heeft gegeven.
Welke dat heilmiddel is, hieromtrent laten de pas aangehaalde woorden van Donozo Cortez overigens geen twijfel mogelijk.
De maatschappij is den dood nabij door bloedvergiftiging. Eerst wanneer, in de plaats van het bedorven rationalistisch bloed, het christelijke, het katholieke wederom hare aderen vult en doorstroomt, eerst wanneer de echt christelijke geest haar opnieuw in geheel haar wezen doordringt, in politiek, in wetgeving, in zeden, in alle openbare en maatschappelijke instellingen, eerst dan zal de ziekte wijken en de volle gezondheid terugkeeren.
Zoo berust het leven der maatschappij in Gods almachtige hand; Hij alleen kan het behouden door de heilkracht, die Hij in zijn eenigen godsdienst heeft neergelegd.
Maar de maatschappij roept niet om den Gene\'esheer, wijst zijne diensten terug, omdat zij zich gezond waant, omdat zij althans niet beseft ernstig ziek, in stervensgevaar te zijn.
In zulke omstandigheden is het een liefdedienst, waarvan het verzuim wreedheid mag heeten, de maatschappij opmerkzaam te maken op het kwaadaardig karakter en het uiterste gevaar harer krankheid.
Ziedaar wat dit boekje, zoo niet is, althans gewenscht heeft te zijn, eene hartelijke en dringende waarschuwing tot de in doodstrijd liggende maatschappij; spoed u tot den Geneesheer, vóór het te laat mocht zijn.
Toch reiken zijne wenschen iets verder. Het; omdat wi 7Jan onze zonen geen christenen willen maken, zweefde m bij het schrijven dezer bladzijde gedurende voor den geef
De doodzieke maatschappij bevat in zich nog elementen die. God zij dank! buiten het bereik der ziekte bleven, er. onder die elementen, ongerept, maar in gevaar van besmetting, is geenevanzoo hooge beteekenis als onze jeugd die de roeping heett, na deze maatschappij eene volgendi te vormen. O, mocht toch eene echt christelijke opvoeding die hoop der toekomst van elke besmetting rein houden; mocht het ons zijn gegeven, uit haar een vernieuwd en gezond geslacht in de volheid van het christelijk leven te
zien opgroeien, en den vollen troost te smaken van Leibnie uitspraak: »J\'ai toujours pensé qu\'on réformerait le mond, si l\'on réformait l\'éducation de la jeunesse.quot;1
Mochten deze bescheidene bladzijden iets, hoe gering ook, tot dat verheven doel bijbrengen; mochten zij in het een of ander jeugdig hart, tegelijk met een levendigen afschrik van de afschuwelijke zedelijke ziekte, die onze maatschappij verteert, de waardeering van en de zorg voor de zedelijke gezondheid vermeerderen; mocht hare waarschuwende stem niet ten eenemale in eene woestijn nutteloos wegsterven, voor mijne geringe moeite zou ik een overvloedig, en tevens het meest gewenscht loon hebben gevonden.
Dat dc hemelsche Geneesheer het boekje op zijn weg geleide en het den toegang tot vele harten opene !
Steeds was het mijne overtuiging, dat men de wereld hervormen zou, indien men de opvoeding der jeugd hervormde.
-CX-ȕgt;0-
Met liuiveiing sclirijf ik dit woord van augst en ontzetting aan het hoofd dezer bladzijde. Wie roept zich zonder innige ontroering al de verschrikking en ellende der akelige pestziekte voor den geest\'? Zeer weinigen mijner lezers wellicht hebben die vreeselijke tooneelen met eigen oogen aanschouwd, maar is de beschrijving ervan alleen niet voldoende om ons van schrik het bloed in de aderen te doen stollen? Niet zoodra hebben wij uit de dagbladen vernomen, dat aan de uiterste grenzen van ons werelddeel, of daarbuiten zelfs, de gevreesde ziekte woedt, of huiverend slaan wij een kruis en rijst het woord op ouzo lippen: Grod beware ons, dat de ziekte niet naar hier oversla i Ja, zij is vreeselijk, die pest. Ziet daar dien jongen man. Straks ging hij nog in volle levenskracht, den frisschen blos van gezondheid op het gelaat, met opgewekten, veerkrachtigen tred langs de straat, en nu, na slechts weinige uren, ligt bij daar op het smartbed uitgestrekt, in akelige stuiptrekkingen wegkrimpend, met het koude angstzweet overdekt, en door de vale lijkkleur reeds geteekend als prooi van den dood.
Zoo wordt het leven in zijn vollen bloei binnen weinige oogenblikken door het vratig monster gesloopt, maar waant niet dat het zoo spoedig verzadigd is Vóór nog zijn slachtoffer te hebben afgemaakt, grijpt liet reeds een tweede en derde aan, ja het heeft krachts
gouoeg om met duizcaden tegelijk de wroede worsteling voort te zetten.
Niets ontziet, niets spaart hij. Ouderdom en kinine vinden bij hem geene genade , het talent dwingt hem geen eerbied af, door goud kan hij niet verbedon worden, en met do tranen van Imlpelooze weduwen en weezen drijft hij den spot.
Eerst dan, wanneer hij te veel slaehtoft\'ers heeft neergeveld om spoedig nienwe te kunnen vinden, trekt hij verder heen, om elders het moordwerk met vernieuwde woede voort te zetten, grijnslachend op liet gezicht der wonden, waarvan de harten der overlevenden bloeden, wonden die jaren tijds niet bij machte zijn te heelen.
Is dit beeld reeds zoo somber en zwart, liet kan nog nauwelijks eene uiterst flauwe schets heeten van de verschrikkingen der lichamelijke pest.
Maar ontbreken reeds hier de kleuren, hoe dan hot beeld te ontwerpen van eene andere, veel verschrikkelijker pest, die heden door onze maatschappij rondwaart, eene pest, die niet het lichamelijk leven bedreigt, maar het oneindig verhevene zedelijk en geestelijk leven der christenen sloopt, de pest van het hedendaagsche ongeloof V
Op welk een omvang van vernielingen verwoesting stuiten wij hier, al is ook niets dairt\'van voor ons stoffelijk oog te achterhalen !
I ).)or die pest aangetast, wordt als met één slag \'s menschen edelste leven, het genadeleven zijner ziel vernietigd, het kostbaarst kleinood, dat liet hem op aarde gegeven is te bezitten, hot kindschap (xods. wordt hem ontrukt; de hemelglans, waarvan zijne ziel omstraald was, verkeert in den vuilen walm d r hel Crdi-\'d machteloos ligt daar de niensch neder, in zijne
— 6 —
edelste vermogens en hoogere werkkracht geknakt en verlamd. Wat wordt er van die misschien zoo lijke talenten, hem door God toevertrouwd, om er zoowel tot eigen volmaking, als tot heil van zijn evenmensch mede te woekeren? Worden met do vijf vijf, met de twee twee andere gewonnen V Helaas! er wordt met die talenten gewoekerd, maar op eene wijze, dat zij heter in do aarde waren hegraven. In plaats van er handel mede te drijven in bet belang van den Heer die ze schonk, durft men ze misbruiken als wapenen, om er den strijd mede aan te gorden tegen den milden Gever van alle goede gaven. Die eens het ongeluk had liet geloof te verliezen, hij kan den wrevel en de kwelling, die zijn boezem verscheurt, daar binnen niet besloten houden; door bij elke gelegenheid met spot en verachting tegen liet weggeworpen geloof nit te varen, zoekt hij stilling voor zijne onrust, en gaarne zou hij aan ieder zijner medemenschen eene gelijke stemming, als die hem bezielt, mededcelen, alsof liet gezelschap van geestverwanten rechtvaardiging kon worden van een gedrag, dat in de stem van het nog niet gesmoord geweten een strengen rechter blijft vinden.
Ach! hoe hartverscheurend is dat schouwspel, wanneer wij zoovele talentvolle, rijkbegaafde mannen, die, door het gekiof gesteund en geleid, en van het vuur dor christelijke naastenliefde ontgloeid, duizenden tot gids en aanvoerder konden strekken op den weg van het ware en liet goede, Ihans, van dat geloof vervreemd, .■ hunne werkkracht hoofdzakelijk daarop zien richten, hunnen evcnmensch afkeerig te maken van al datgene, wat hem, op den weg naar zijne eindelijke bestemming het moest onontbeerlijk is.
De pest van liet ongeloof verwoest en verteert alles, wat haar in de hoogere orde tegentreedt; zielenadel
— 7 —
en reinlioid, deugd, toewijding eon heldhaftige naastenliefde, alle dochters van het geloof, die vruchtbare moeder, sterven weldra door hare giftige uitwaseming, zoodat de vernieling, door de liehamelijke pest aangericht, van hare verwoesting slechts eenc flauwe af-scliaduwino: is.
Maar liet gevaar van besmetting is misschien minder groot\'? Helaas! ook op dit punt doet de zedelijke op ile lichamelijke pest hare meerderheid gelden, en wel zoo krachtig, dat wij woorden overbodig acbten, om eeue waarheid van zoo algemeene bekendheid toL\' te lichten. De aanstekelijkheid der pestziekte is niet liet geringste deel harer verschrikkelijkheid; maar hoe snel zij ook haar gif weet te verbreiden, toch werkt dit in een bepaalden min of meer beperkten kring, en het mag aan nauwgezette zorg en waakzaamheid niet zelden gelukken, zijne vernieling binnen bepaalde grenzen terug te dringèu. Maar is het evenzeer mogelijk de pest van het ongeloof meteen veiligheids-cordon te omringen?
Welke menschelijke krachten zijn voor zulk eene taak opgewassen? Om de besmetting der zedelijke kwalen te voorkomen, zou men moeten beletten dat de geesten met elkander in verbinding treden. Maaide menschelijke ge3st spot met tijd en afstand en kan in zijne vlucht door de spits der bajonetten niet weerhouden worden.
Het geschreven, endoor depjrs verduizendvoudigde woord snelt als op vleugelen van het eene einde der aarde naar het andere, om tusscheu geest en geest, tusschen hart en hart verbinding on eenstemmigheid van gedachte en gevoel te bewerken.
Maar waartoe nog langer stilgestaan bij het besmettelijk karakter dezer zedelijke pestziekte, nu het ongeloof openlijk als een eeretitel wordt rondgedragen, en in
— 8 —
de publieke opinie voor het kenmerk van hoogero ontwikkeling en beschaving geldt?
.Ta, met smart moeten wij hot bekennen; onze he-deiulaagsche maatschappij is over hare gansche uitgestrektheid met het pestgift van liet ongeloof besmet, zoodat wij slechts in een bezoedelden dampkring kunnen ademhalen. Om de algemeenheid der kwaal, behoort beperking binnen bepaalde grenzen tot het onmogelijke, en slechts één middel rest ons, om te ontsnappen aan hare vernieling, ons zeiven n. 1, zoo te bewaken en te bewaren, dat de geduchte ziekte in ons niet het minste aangrijpingspunt vinde. Zoo zullen wij behouden blijven om getuigen te zijn van de vreeselijke en menigvuldige wonden door de pest dos ongeloofs alom geslagen. Welk eene grievende pijn voor alle brave en Grodminnende zielen, wanneer zij zoovele zusterzielen, toch ook voor het geluk des hemels geschapen, en door liet dierbaar Bloed van Jezus Christus opnieuw voor den hemel gekocht, door, die pest ter helle zien gesleurd! Hoevele christelijke eu iunig godsdienstige familiën worden in droclheid gedompeld, omdat een der haren, een vader, een echtgenoot, een kind door die ziekte is weggerukt!
\'Daar gaat een jongeling voorbij, eens de trots en de hoop zijner familie. Eene zorgvuldige opvoeding onder liet waakzaam moederoog, en binnen den engen kring van liet huisgezin hield alles verre verwijderd, wat zijne schuldeloozo ziel maar in het minst zou kunnen schaden En toen de dag aanbrak, waraop hij voor de eerste maal zijns levens met het Brood der Engelen werd gevoed, met hoeveel welgevallen, niet afgunst liad ik bijna gezegd, blikten die engelen toon neder op zijne reine kinderziel, waarin de een vond van het geloof met de vurigheid der liefde als om den voorrang schenen te twisten!
— 9 —
Maar de tijd vervolgt zijn loop; de knaap wordt jongeling, en de jongeling moot man, moot een werkzaam en nuttig lid der maatschappij worden. En liij kan het; hij heeft een schitterenden aanleg, hij heeft rijke geestesgaven, die door kundige meesters ontwikkeld en bestuurd, hom eeuo eereplaats in de maatschappij waarborgen. Hot is waar, die opvoeding zal eene kostbare zijn; maar hoe zouden die ouders karig kunnen zijn. na het gold de wetenschappelijke opvoeding te voltooien van een kind, dat, eens gevormd en in de maatschappij opgetreden, hunne vreugde en hunne kroon zal zijn.
Doch daar wordt hunne blijdschap eensklaps door eene donkere wolk verduisterd. Met bezorgdheid denken zij eraan dat do zoon h\'t ouderlijk huis, waar hij tot nil too zoo veilig toefde, zal moeten verlaten, om aan de gevaren en de verleiding, die het leven in de groote steden aankleven, te worden blootgesteld, dat hij een harden strijd voor geloof en duu ,d zal hebben te voeren, wanneer bedorven makkers hunne strikken zullen uitzetten om den argelooze te vangen. Hot uur van vertrek is daar. De brave ouders putten zich uit in do innigste en teederste vermaningen, en do zoon, tot in het diepste zijnor ziel geroerd, b \'tuigt onder oen vlood van tranen, d it hij van het pad dor deugd voor niets ter wereld zou willen afwijken. Nu is hot ouderhart gerustgesteld, al blijft daar nog altijd eene lichte vrees achter, die men zich vergejfs tracht te ontveinzen. Neon, hun kind is te braaf om aan het bederf ten prooi te worden, hot zal als weleer de drie jongelingen in don vlammendjn oven ongerept uit don vuurgloed wederkeeren. Zoo hoopt, zoo-vertrouwt die brave familie, niet vermoedend, hoeveel rouw on tranen haar in de toekomst bespaard zijn.
— 10 -
Rein en braaf verlaat de jongeling hot ouderlijk luii.s, oen even rein en braaf hoopt hij er na volbrachte studie terug te ke eren. Maar de gevaren der verleiding worden al macliiigcren machtiger, in de oorspronkelijke waakzaamheid komt verslapping, hot machtig wapen des gebods wordt niet ter hand genomen, en eindelijk, gelijk de schepeling, die langen tijd met alle inspanning tegen stroom en golven heeft geworsteld, maar eindelijk uitgeput en moodeloos de riemen laat glippen en snel stroomaf wordt gevoerd, valt hij der verleiding in de armen en komt dra van kwaad tot erger. Zijne reinheid is bezoedeld, en gevoelt hij ook al een inwen-iligou af.cc ü\'van den moddelpoel. waarin hij zich rondwentelt, hij gevoelt den moed en de kracht niet, zich daaruit op te heffen. Zijn geweten doet hem strenge verwijting en; hij gevoelt h.-t billijke daarvan, maar in plaats van tot inkeer een beterschap stemt dat verwijt hem tot wrevel en bitterheid. Ach! hoe vr is de ongelukkige reeds afgedwaald! Vroeger was het geloof hem oen steun en troost, nu wordt het hem hoe langer hoe meer een last, waarvan hij zich, ko.\'i hij slechts, gaarne zou ontslaan. Waarom moet, nu hij toch eenmaal aan de zonde verslaafd is, dat geloof telkens als een dreigend spook tusschen hem en de zonde oprijzen?
Kon hij zich slechts du overtuiging schenken, dat het geloof niets meer is dan een ijdel schrikbeeld) waarvan een sterke geest zich niet vervaard behoort te tooneu. En kan hij ook al niet komen tot die overtuiging, hij zal zo ten minste huichelen, en zich op die wijze vaster aansluiten bij den kring zrne\'r verleiders, om in nieuwe uitspattingen de stem van het nog nimmer zwijgend geweten te versmoren.
Zoo is de diep rampzalige jongeling eindelijk tot
— 11 —
liet uiterste gekomen, ou draagt reeds liet merk des ongeloofs openlijk op liet voorlioot\'d.
En zijne brave ouders? Zij wanen hem nog altijd even deugdzaam, als toen liij ouder hun dak vertoefde, en een geruimen tijd blijven zij onder die zoete be-goocheling. De zoou is nog niet zoo ontaard, of gaarne zou hij aan zijne deugdzame ouders de smart der vreeselijke ontdekking besparen, en schuw verbergt liij zoolang mogelijk den kanker die hem inwendig verteert. Maar eindelijk kan de waarheid niet langer bedekt blijven en is liet oogenblik daar, waarop de ontzette ouders plotseling tot h-t volle besef komen der rampzalige verwoesting in bet binnenste van hun geliefd kind aangericht. Ach Mioe bloedt lain het hart, hoe vloeken zij den dag toen zij hun dierbaar pand uit hunne hoede lieten vertrekken! De klacht van den aartsvader Jacob, bij het aanschouwen van den bebloe-den lijfrok van zijn lieveling Joseph, maken zij tot de hunne: „Ach, een wild dier heeft mijn zoon verslonden!quot;
Wie zal dj wonde genezen, die gaapt in dat ouderhart ? De hoop wellicht? Ja, zij kunnen nog altijd hopen; hun kind kan nog tot inkeer komen.
Maar het is niet meer dan hoop, en wie weet of die hoop niet ijdel is? Een hart toch, waaruit de achting en liefde voor hot geloof eens is geweken, keert zoo moeilijk weder tot de deugd? Ja, het behoeft bijna een wonder der goddelijke genade, om den smaak van een godsdienstig deugdzaam leven te hervinden.
Mocht toeh eene droefheid als de hier beschrevene zeldzaam zijn! Maar helaas! neen; zij zijn zoovele, de brave echt christelijke familiën, waar het verloren schaap niet heete tranen wordt beweend.
Tranen voorzeker worden er vergoten bij d m goes \'l der lichamelijke pest, maar de pest van het ongeloof
— 12 -
doet tranen storten, veel overvloediger en vooral veel pijnlijker, omdat zij\' van zoo weinig hoop vergezeld gaan. En vloeien die tranen in menigten liier op aardej waren zij niet gebannen nit den hemel, lioo overvloediger zouden zij dan stroomen! Of zonden de Engelen en Heiligen het zonder innig medelijden kunnen aanzien, dat e 311 brooder, wiens plaats zij reeds bereid zagen in den hem \'1, in de handen komt te vallen van den wreed.\'u lielsehen struikroover, en door hem naar zijn vrees dijk moord\'iol wordt weggesleurd V Zou eindelijk (rod zelf onversehillig kunnen zijn voor het lot eener ziel, di ■ Hij met eene zoo allesovertreffende liefde bemint, dat Hij zijn eigen bloed voor haar losprijs niet te kostbaar heeft geoordeeld? Veel verder nog zou dit sombere beeld van de vreeselijkste aller pesten kunnen worden uitgewerkt; maar bij het onmogelijke van ooit liet boëlid met de werkelijkheid in overeenstemming te brengen, willen wij van elke verdere poging daartoe afzien, om liever de beantwoording eener vraag te beproeven, die ons allen gelijk belang moet inboezemen. Vanwaar is deze vreeselijke pest tot ons gekomen, wie slingerde haar gif naar deze aarde, om ze tot een tooneel van jammer en ellende te maken? Wie anders zou het kn .nen zijn dan s mensehen aartsvijand, in de H. Schrift genoemd: „de moordenaar van den beginne af.\'\'
Maar is hij het die deze pest over het m insehelijk geslacht heeft uitgestort, met welken naam kan zij dan beter worden aangewezen, dan mot dien van de duivelsclw de hclsche pest, ^zwarte pest bij uitnemendheid?
Maar al te wel weten wij, hoe Satan den mensch zijne verhevene en gelukkige bestemming benijdt, hoe hij het denkbeeld niet kan verdrag.\'ii, dat een wezen
- 13 -
in rang beneden hem,voor eeuwig een geluk zou genieten) dat liij door eigen schuld voor immer heeft verbeurd. Vanaf \'s menschen optreden in het Paradijs heeft hij zich dan ook tot een verwoeden strijd aangegord, om tegen eiken prijs den mensch het bereiken van zijn eeuwige bestemming te beletten, en al het overricht van zijn rijkeren geest doet hij gelden in dien geduehten strijd. Zijn eerste aanval in het Paradijs werd reeds zijne overwinning, en koevele overwinningen heeft de hellevorst in den loop der tijden aan die eerste toegevoegd ? Konden wij in God geen almachtigen Bondgenoot vinden, wie zou op den duur den strijd tegen Satans sluwheid, die in het bederf onzer natuur ee^ zoo krachtigen steun vindt, kunnen volhouden?
Maar met de hulp van God kunnen wij den helschen vijand onbeschroomd tegentreden; want die hulp is eene overvloedige. Behalve dat een nederig gebed ons in ,elke bekoring den goddelijken bijstand onfeilbaar waarborgt, heeft Gods vaderlijke zorg aan iederen christen in liet H. Doopsel het geloof geschonken, als een helder licht, bij welks schijnsel hij den weg ten hemel mot volkomenne klaarheid ziet afgebakend. Wel gaat Satan ter zijde van dien weg, en laat geene gelegenheid onbenut, om te beproeven door zoet gefluister en verleidelijke beloften hem langs rozen omzoomde zijwegen van zijn doel af te voeren: maar leent de mensch ongelukkig het oor aan den Sirenenzang, de overwinning, door den duivel behaald, hoe treurig zij overigens moge zijn, is nog geen besüsende.
Wanneer de mensch, in zijn hart gekeerd, zich zijne bestemming voor den geest roept en het verlangen hem opnieuw prest, ondanks het moeilijke van den weg, het einddoel te bereiken, waar eene genotvolle, nimmer eindigende rust hem voor de geleden ontbering
— 14 —
overvloedig schadeloos zul stellen, dan draagt zijne hand nog steeds het hemelsch licht, dat Satan niet bij machte was uit te hlusschen, en, vol berouw over de lichtvaardige afdwaling, zoekt hij met gehaaste schreden den verlaten weg wederom op, vast besloten daarvan geen stap meer af te wijken.
Neen,- de vorst der duisternis is van zijn slachtoffer niet zeker, zoolang het nog de fakkel des geloofs als zekeren gids en wegwijzer omhoog houdt. Eerst clan wanneer hij er den armen mensch toe kan brengen, die fakkel moedwillig van zich heen te werpen, eerst dan wanneer zij daar uitgedoofd neder ligt, en donkere nacht verleider en slachtoffer gelijkelijk omringt, eerst dan viert de duivel zijne volkomene zegepraal. Hij kent den weg in die duisternis, en het is voor hom eene zoete en al te gemakkelijke taak, zijn slachtoffer langs zijne wegen te voeren voor de poort der hel, om het vervolgens moedoogenloos in den vurigen afgrond neer te ploffen. Wien kan het nog verwonderen, zoo Satan al de schatten zijner sluwheid en volharding uitput, om aan den mensch den kostbaren schat van zijn geloof te ontrukken, zoo hij beurtelings diens hoogmoed prikkelt, en de zinlijkheid streelt, om wrevel .pir\'afkeer tegeu het geloof in te storten, dat hij ein-delijk rijk is aan het duivelsche projice abs te, werp het van\' u, dat geloof, het oor te leenenV
En m\'aar al te wel slaagt de vorst der duisternis in zijn tsnooden toeleg. Met voldoening kan hij op zijn werk nederzien.
Het ongeloof verteert heden ten dagen de edelste en beste krachten der maatschappij, en kiest bij voorkeur zijne slachtoffers in de toongevende leidende klasse.
Ja, Satan heeft stof tot tevredenheid, en slaat hij
15
den blik op onze door het ongeloof verl-: anker de samenleving, dan zul hij een juichtoon aanheffen, gelijk de landman jubelt op liet gezicht van den rijpenden oogst, die straks onder de sikkel van den maaier zal vallen, om zijne schuren met een schat van graan te vullen.
f
j
Lang genoeg reeds stonden wij stil voor het akelig beeld der zedelijke pest, die eenieder, welke niet op zijne hoede is, met verderf en ondergang bedreigt.
Tot onze onderricliting en tot voortdurende vermeerdering onzer waakzaamheid, zullen wij thans gaan nasporen, hoe de vreoselijke ziektp den lijder aantast, zullen wij het gif zooveel mogelijk volgen op zijn noodlottigen weg.
Verplaatsen wij ons tot dat doel in het aardseho Paradijs.
Wij zien daar onze gelukkige stamouders, in het bezit hunner onschuld, in den eenvoud van ecu kinderlijk geloof\', rondwandelende in den sehoonen lusthof, dien Gods vaderlijke liefde met onbekrompon mildheid voor hen had bereid. De overvloedige vruchten van den uitgestrekten lusttuin mogen zij volop genieten; alleen de boom der kennis van goed en kwaad draagt de verboden vrucht, maar zij wachten zicli wel naai\' die vrucht de hand uit tc strekken, of zelfs daarop be-geerig den blik te vestigen, want zij dachten er nog niet aan te twijfelen aan de waarheid der goddelijke bedreiging: op den dag, dat gij daarvan zult hebben gegeten, zult gij den dood sterven. Maar ziet! daar sluipt de slang het Paradijs binnen, en kronkelt met haar fonkelend lijf tegen den verboden boom op. Eva, de niets kwaad vermoedende, ziet het en blijft in de nabijheid van den boom staan. Ach, spoed u
toch vandaar, argeloozc Eva, gij beseft uiet aan welk gevaar gij u gaat blootstellen. De plaats alleen, waal-gij staat, is voor u vol gevaar; want niet te vergeefs beeft de H. Sebrift bet opgeteekond: Eva zag dat de vruebt selioon was en aanlokkelijk om ervan te eten. De prikkel der zinnelijkbeid lieeft bet zijne gedaan; de slang zal bet noodlottig werk voltooien. Eva voegt bij bare eerste onvoorziebtigbeid, bet besebonwen van de vruebt, aldra een tweede ; zij spreekt met de slangen van nu af is haar spoedige val te voorzien. Hoe, zegt de duivel, gij vreest te sterven, wanneer gij van die vruebt zult bebben gegeten ? neen, stel u gerust, gij zult niet sterven, maar gij zult Gode gelijk worden en kennis bebben van goed en kwaad ja, liet: erits sicut dii, was nog maar noodig; de prikkel van den hoogmoed, gevoegd bij dien der.\'zinnelijkbeid, doen Eva in den strijd voor bet geloof bezwijken. Zij strekt bare band reeds uit naar de verbodene vruebt, omdat zij twijfelt aan bet,, nwrte morierisquot; en bet ongeloof beeft zijne intrede gedaan in deze wereld. Maar de slang leeft nog, en wordt niet moede den in liet Paradijs zoo welgeslaagden aanval nog dagelijks onder ouzo oogen te hernieuwen.
Keeren wij een oogenblik terug tot den jongeling uit ons vorig hoofdstuk. Hij is bet slaehtoffer geworden der verleiding; de ontwaakte bartstoebt bad niet opgebonden hem toe te roepen, dat de vruebt dei-zonde seboon en bekoorlijk was om ervan te eten, tot bij eindelijk do noodlottige hand uitstrekte. En nu bij de eerste zonde heeft gepleegd, komt bij dra van kwaad tot erger, zinkt hij al dieper en dieper, zoodat bet hem onmogelijk scbijnt nog ooit weer op te staan. Wel is bet geloof bom bijgebleven, maar bet geeft hem geen troost en versterking bij den
brandenden gloed van zijn harstocht, het heeft voor hem slechts verwijt en bedreiging, liet wordt hem een schrikbeeld,quot; waarvan hij gaarne ontslagen zou zijn, om met minder wroeging de zonden te kunnen plegen.
Dit is het uur der duisternis, dit oogenblik hehoort aan Satan, om door een laatstcn aanval, eene welberekende prikkeling van den hoogmoed, den wankelende neder te werpen en voor het ongeloof een nieuwen volgeling aan te winnen.
Wat kwelt en verbittert gij u toch het leven, zoo ongeveer klinkt de slangentaal, met de ijdele schrikbeelden van het geloof uwer jeugd V Begrijpt gij dan niet, dat men in die jaren van uwe lichtgeloovigheid misbruik heeft gemaakt, om u datgene voor waar te doen aannemen, waarbij men zelf het meest belang had? Maar thans is voor u de tijd gekomen zelfstandig te denken en te onderzoeken en u boven alle dwaze vooroordeelen mannelijk te verheffen. Zie om u heen, en gij zult ontdekken dat alle verlichte geesten, waaronder gij uwe plaats behoort in te nemen, zich hebben ontworsteld aan den dwazen schrik van een geloof, dat \'s menschen vrijheid aan allerlei kleingeestige en onwaardige banden legt. Wees man, toon u hun klein gezelschap en hunne achtingwaardig; wees uw eigen meester eh ei\'ken buiten u zeiven geen anderen rechter over uwe daden.
Voor die verradelijke vleitaal bezwijkt ten slotte de rampzalige jongeling, die nu met zijne onschuld ook nog zijn geloof heeft verloren, en in het kamp des ongeloofs met jubelende kreten van bijval wordt binnengehaald.
Soms is de taak van Satan gemakkelijker. Er zijn er in onze maatschappij, die als door geboorte voor het ongeloof worden aangewonnen. Zij groeien op in eene omgeving, waaruit liet geloof niet slechts gebannen is, maar waar het nooit anders dan met spot en ver-
achting wordt genoemd. Is het wonder zoo zij getrouw dezelfde gevoelens vernemen, en althans beginnen met ongeloovigen te zijn? Minder door keuze, dan door geboorte en omstandigheden staan zij onder de banier van het ongeloof. Maar staan zij daar onherroepelijk? quot;Wanneer rijpere jaren en zelfstandig oordeel hen in staat zullen stellen, de geërfde zienswijze hunner jeugd te herzien, wanneer, wat niet kan uitblijven, in sommige door G-ods goedheid beschikte oogenblikken hunne aandacht ernstig wordt afgetrokken op het katholieke geloof, zou dan een eerlijk en onafhankelijk onderzoek hen niet kunnen leiden tot omhelzing van het eens miskende geloof? Satan voorziet de mogelijkheid van een voor hem zoo geducht verlies, en daar het voorbeeld van verraad en vlucht allicht aanstekelijk kan werken in zijn kamp, moet hij tegen eiken prijs den slag voorkomen. Welke middelen zal hij daartoe aanwenden? Langs den dubbelen weg van zinnelijkheid en hoovaar-dij, wij zagen het reeds, heeft hij den geloovige gemaakt tot een afvallige, maar in diezelfde hartstochten ziet hij ook de krachtigste versperringen, om elke vlucht uit zijn legerkamp onmogelijk te maken. Niet zoodra dreigt eene prooi te ontsnappen, of hij snelt toe om het gevaar te bezweren. Hoe, spreekt hij met gehuichelde belangstelling, gij kunt er in ernst over beraadslagen uwe blikken te keeren tot een geloof dat uw leven tot eene voortdurende marteling zou maken? quot;Weet gij niet, dat door dat geloof alles veroordeelden verboden wordt, wat deze wereld aangenaam en aantrekkelijk maakt? Zult gij u kunnen onthouden van al die vermaken en genietingen, waaraan gij zoo gehecht zijt? en gesteld ook dat je kracht daarvoor u niet ontbreekt, is het niet al te hard u zelven te doemen tot een leven, dat niets meer heeft dan sombere bit-
terheid, dat door geen zonnestraal van vreugde en genot wordt vorliclit en gekoesterdV
Maar wat nog meer indruk op u bekoort te maken uwe eer, uw naam als wetenschappelijk, als zelfstandig denkend man staat kier op liet spel. Kunt gij u verzoenen met het denkbeeld, dat men in de kringen, waar gij weleer met zooveel achting en onderscheiding werdt ontvangen, u voortaan voor een idioot, voor een be-klagenswaardigen dweeper zal houden, wiens verstand werd verbijsterd door een spookbeeld, dat de priesters tegen eene domme menigte loslaten, quot;om ze gedwee en volgzaam te houden, maar waarvoor do man van geest en oordeel minachtend de schouders ophaalt\'? Zoo piit Satan, als een geslopen pleitbezorger, al de schatten zijner sluwe welsprekendheid uit, om zijne prooi het ontsnappen te beletten, en wie zegt ons hoevelen voor zijne taal bezwijken, en moedeloos terugzinken in de kluisters, die zij verachten en gaarne zouden afschudden ? De zinnelijkheid en de hoogmoed laten niet af van den strijd tegen het geloof, onder den boom der kennis van goed en kwaad begonnen; zacht en zonder geruch. schuifelt de slang van liet Paradijs in ons midden rond.
Zou de slang vau het Paradijs, met de wapenen, waarmede hij het geloof onzer eerste moeder aantastte en overwon, deu strijd tegen ieder harer talrijke kinderen afzonderlijk moest hervatten, liet lijdt geen twijfel, of menige overwinning nog zon hij aan zijne eerste toevoegen.
Maar de ziekte van het ongeloof zon bezwaarlijk dien algemeenen omvang kunnen vorkrijgen, welken wij thans te betreuren hebben, zoo zij door het karakter harer besmettelijkheid niet zelve \'naren weg vond door onze maatschappij. Satan had weinig méér te doen, dan de giftplant naar de aarde over te brengen; aanwas en vermenigvuldiging zouden van zelf volgen.
Hebben wij het niet reeds gezien, dat de verspreiding van het ongeloof dat karakter van algemeenheid heeft aangenomen, dat wie nog aan zijn geloof getrouw wil blijven voor een duistorling, voor iemand van bekrompen geest wordt gescholden, die in onze verlichte 1eeuw goene plaats verdient, maar in een vroeger tijdvak van geringer ontwikkeling te huis behoort V
Vanwaar die snelle, die zoo algemeene verbreiding dezer vreeselijke ziekte ?
Weinig mogen wij ons daarover verwonderen, wanneer wij nagaan, dat de inrichting onzer maatschappij eene zoodanige is, waarbij juist hare beste en edelste krachten als aan een vuurproef worden blootgesteld. Maar is dit zoo, hebben zij, die door geboorte en talenten geroepen
— 22 —
zijn in de maatschappij don toon aan te geven en de leiding er van op zich te nemen, zoo groote moeite hun geloof van schipbreuk te vrijwaren, wien zou liet dan bevreemden dat het geloof, het krachtige bézielend geloof, met den dag schaarscher, wordt ? En zoo is in waarheid de toestand.
De jongeling die zich gaat voorbereiden om, man geworden, eene plaats van invloed in de maatschappij te bekleeden, moet den berg der wetenscha p beklimmen ; maar in de tegenwoordige omstandigheden, bij de richting die onze eeuw beheerscht, is dat bergpad met struikelblokken over het christelijk geloof bezaaid.
Voor ons ligt een boek; 1\'Empoisonnement social, waarin uitsluitend Fransche toestanden en verhoudingen worden besproken. Dat boek is eene doorloopende beschuldiging, en met overvloedige onloochenbare bewijzen gestaafd, tegen het wetenschappelijk onderwijs, zooals het in dat land van de Université, als van een middelpunt uitgaat, en die beschuldiging is geene minderei dan dat het onderwijs in kwestie om zijn altijd godsdienstloos, maar meestal ook anti-godsdienstig karakten twijfel, ongeloof en, als de bedorvene vrucht van het laatste, het akeligste zedenbederf onder het opkomend geslacht aankweekt, en de naaste toekomst van maatschappij en staat in het grootste gevaar brengt.
Of ik zulk een proces tegen de moderne wetenschap op den vaderlandsche bodem zou willen overbrengen ? Aan dit plan wensch ik vreemd te blijven. Het vertrouwen eensdeels, dat die kanker hier nog minder kwaadaardig is, en de strengste liefde voor de waarheid, die vordert dat men eene beschuldiging, niet in het algemeen, maar door bepaalde en luidsprekende feiten stave, verbieden mij dit gelijkelijk. Maar ik acht toeli de gevolgtrekking niet te gewaagd, dat hetgeen voor
— 23 —
Frankrijk zoo overtuigend werd bewezen, tot zekere lioogte overal waar is, dat do wetenschappelijke opleiding voor liet geloof van don jongeling alom de grootste gevaren met zich brengt, omdat de wetenschap in liet algemeen van (lod en godsdienst vervreemd is.
De dagen zijn voorbij, waarop geloof en wetenschap met elkander omgingen in die volmaakte eendracht en harmonie, welke noodzakelijk gewild moot zijn door Grod, van wie beide zijn uitgegaan, die ons beide schonk, als twee verschillende wegen om tot hetzelfde doel, de kennis der waarheid te geraken. Het is waar, de katholieke Kerk, die aan hare roeping, om het werk van haren goddelijken Stichter onder de menschen voort te zetten, ze namelijk door dit leven ten hemel te geleiden, niet ontrouw kan worden, heeft dien band, die eendrachtige samenwerking met al de kracht van haren invloed in bescherming genomen. De katholieke wetenschap heeft hare tempels en heiligdommen, trots alle hinderpalen, door haat en afgunst opgeworpen, door de offervaardigheid van ijverige, door oen levend geljof bezielde katholieken, mogen stichten, waar kinderlijke eerbied voor en nederige onderdanigheid aan het katholiek geloof, samen gaat met diepzinnige en volharden de navorsching op elk gebied van hot uitgestrekt domein der wetenschap.
Maar het getal dier veilige havens, waar de jongeling zijne wetenschappelijke vorming tot den hoogsten graad kan opvoeren, zonder van zijn dierbaar geloof schipbreuk te vreezen te hebben, is zoo beperkt, en daarom voor zoovele katholieke jongelinge ontoegankelijk, die dooide omstandigheden als het ware allo keuze missen en zich bij gebrek aan beter moeten wenden tot cene wetenschap van den modernen tijdgeest doortrokken. En welke is dan wel het karakter dier wetenschap, zooals
_ 24 —
zij, in tegenstelling mot de oelit eliristelijke en katholieke, algemeen gevierd wordt en in onze maatsebappij den toon a.ingjet\'t? Zij\' lieet\'t mot God gebroken, zij gaat er groot op, om hare eigene taal te spreken, dat zij ziek aan de vooroordeelen des geloofs heeft weten te ontworstjle i en daarvoor hare volle onafhankelijkheid heeft veroverd. Wel geeft zij voor, den godsdienst geen kwaad te willen, niet tegenover het geloof te staan, maar er zich eenvoudig naast te plaatsen, om zich onafhankelijk en buiten eiken hinderlijken invloed aan haar onderzoek te wijden; maar de ondervinding heeft maar al te duidelijk bewezen, dat die voorgevende onverschilligheid niets minder is dan bedekte vijandschap. Mag znlk eone wetenschap voor het geloof van een christenjongeling zonder gevaar heetenV Men behoeft slechts weinig kennis van hetgeen er in zijn geest en zijn hart pleegt om te gaan, om dat gevaar in al zijne uitgestrektheid te meten. Hij wordt daar plotseling uit den zedigen kring van een echt christelijk gezin in eeue voor h \'in gched nieuwe wereld geworpen. Hij bevindt zich onder het gehoor van leermeesters, aan wie uitstekende talonten en jarenlange beoefening der wetenschap eene meerderheid en een gezag schenken, dat hem onwillekeurig overweldigt en hem hoogschatl ing en bewondering afdwingt. Maar in die nieuwe wereld vindt zijn geloof geen voedsel, geen steun, geen aanmoediging, die hij in den kring zijner christelijke familie, voortdurend had mogen vinden. Noch het voorbeeld, noch do woorden zijner meesters wijzen hem op de waarde van zijn geloof. Dit alleen reeds schepteen gevaar van verslapping, dat niet te gering mag worden geschat. Gelijk een vuur zonder toevoeging van brandstof weldra tot uitdooving komt, zoo ook hooft het geloof van den christen, om voortdurend even vurig, even
krachtig to blijven, iuiu opwekking en Yeiievendiging belioeffce. Maar (I j toestand wordt veel bedenkelijker, wórdt hoogst gevaarlijk, daardoor dat diezelfde leermeesters, mogen zij het geloof van hun leerling rechtstreeks nimmer aanranden, toch in de wijze, waarop zij hunne wetenschap voordragen, overal laten doorschemeren, dat ik hunne opvatting het geloof door de wetenschap als onhoudbaar wordt veroordeeld. (Cf. Emp. Soc. P. 4, 59, 120i;184.) Allengs geraakt de jongeling, naarmate hij in den geest en de strevingen der hem voorgehoudene wetenschap dieper doordringt, in harden tweestrijd. Aan de eeue zijde heoft hij zijn geloof, waaraan hij met al de innigheid van em rein en teeder hart gehecht is, waarin liij van zijne jeugd af tot op dezen tijd zooveel verheffenden troost en verkwikking mocht vinden, aan welks goddclijken oorsprong en onomstootbare waarheid hij tot nog toe in liet minst niet twijfelde; en van den anderen kant wordt hem met al het verpletterend overwicht van gezag en talent eene wetenschap voorgehoudm, waarvan hij onmogelijk kan ontveinzen, dat zij mot zijn geloof in bedekten strijd is. Aan welken kant moet hij de waarheid zoeken V Zon hij dan werkelijk dat geloof moeten prijsgeven, het, door eon diep Ten blik in de wetenschap ontgoocheld en mondig geworden, voortaan moeten beschonwen als een aangename droom, een liefelijk gezichtsbedrog zijner kinderjaren, waarvan wij op mannelijken leeftijd toch eindelijk moeten scheiden, en die wij, tegelijk met zoovele andere zoete begochelingen onzer jeugd, met zekeren blijmoed blijven nastaren? Velen zijn hem op dien weg voorgegaan; moet hij in hun voorbeald geen wenk zien te besluiten tot een stap, die hem kort, maar toch onvcrmeidelijk schijnt? Of zou die wetenschap van den rechten weg zijn afgedwaald, zou hij do reehteu
des geloof», ondanks den trots dier wetenscliap, met onb jzweken standvastigheid moeten kandliaven? Maar die wetenschap geniet toch den algemeenen bijval, wordt gehuldigd door mannen van talent en geest, die van zicli zeiven getuigen hunne beste krachten aan haren dienst te hebben gewijd, en de vruchten van hun langdurig, ernstig en onbevangen onderzoek als hunue innige overtuiging het jongere geslacht aan te bieden. De inwendige worsteling in het hart van den armen j or geling wordt al heviger en heviger. Kou hij zich slechts cone dubbele zi 1 schenken, de eeno, om met de volle kracht eener innige overtuiging, met iieel den gloed van ecu vurig beminnend hart aan het geloof gehecht to blijven on zijn leven in de stralen dier bezielende en verkwikkende zon te koesteren, de andere, om met al do fierheid van een kind zijnor eeuw, van een man, die onder do kuudigste en verlichtste van zijn tijd mee wil tellon, aan de wetenschap hulde te brengen.
Maar hot onmogelijke blijft onmogelijk; hij hooft maar ééno ziel, om de waarheid te konnon en to om-hdzen; hij ziet zich telkens opnieuw geplaatst voor do noodlottige keuze tusschea de beide mededingers, hij moet don oenen afvallen, om den anderen aan te hangen.
Welke zijne eindelijke keuze zal zijn, wij durven zo, uit vroeze voor hot ergste, niet als getuigen bijwonen; maar wij hebben reeds veel geleerd, nu wij weten aan welke gevaren eene overmoedige wetenschap liet geloof van een onervaren jongeling blootstelt. Wij begrijpen, nu beter, hoe het ongeloof door zijne besmetting zijn we;;; door onze maatschappij zobkt ou vindt, en wij vindon hot geheim zijner algemoene verspreiding geen geheim meer. En hoe verdubbelt nog het gevaar dooide aanlokseleu van het zedenbederf, waarvan do jonge-
7
— 27 —
ling in het stadium zijner loopbaan voortdurend omringd is. In liet straks genoemde boek (1\'Empoisonnemcnt social) wordt ons een verschrikkelijk tafereel opgehangen van de zedelijke, verrotting zou ik moeten zeggen, der jeugdige bevolking van zoovele staatsinrichtingen, waar het opgroeiend geslacht in de wetenschap wordt ingewijd. Gaarne wil ik vermoeden, dat dc kracht der j verleiding zelden zoo overweldigend is, als zij ons daar
wordt geschilderd. Maar wie kan het betwijfelen, of in die middelpunten van hoogere wetenschappelijke vorming, waar van alle zijden eene talrijke jongelingschap samenstroomt, door het vuur van den hartstocht geblaakt, door de fortuin tot genieten in staat gesteld, en, voor het grootste gedeelte, door verwerping eu verachting van het geloof den grondslag missend, waarop de beheersching onzer ongeregelde hartstochten alleen duurzamen steun kan vinden, dan wordt de godsdienst van het vleesch niet gemist, daar haasten Venus en Bacchus zich een altaar op te slaan, waarvoor de offeraars nimmer ontbreken.
En die belijders herscheppen zich in apostelen, zoeken ijverig dcelgenooten in hun wangedrag, alsof het aantal der schuldigen de verantwoordelijkheid van ieder individu kon verkleinen: zij kunnen het denkbeeld niet verdragen, makkers te bezitten, die hunne uitspattingen zouden verfoeien, en door een matig, ingetogen leven hun in hunne ongebondenheid tot een voortdurend verwijt verstrekken. (E. S. 01, 65, 66, 70 — 72 § 132.) quot;Welk een strijd wacht in zulk cene omgeving den jongeling, die zoo rein en vlekkeloos uit den kring zijner brave familie plotseling in dien besmetten dampkring wordt geworpen? zal hij er onbezoedeld kunnen blijven? Gewis hij kan het, maar hij loopt toch ook zeer groot gevaar van te bezwijken. En treft dit ongeluk
— 28 —
hein, hervalt hij misschien, na kortstondige opstanding opnieuw, om hoe langer hoe vaster aan het slijk der zonde te kleven, tot hij van dat slijk eindelijk een rustbed maakt, waarvan weekheid en gemis aan zedelijke kracht hem beletten zich los te rukken, o! dan heeft zijn geschokt geloot\'met een geweldigen vijand te meer te kampen. Is er wel iets wat de achting en de liefde voor het geloof in het christelijk hart sneller doodt dan de onbedwongen lust van het vleesch? Spiritus Sanctus non intrat in coy inalevolwn, neque habitat in corporc subdito pcccatis.
En is er wel veel noodig ons te doen besluiten datgene weg te werpen, waarvoor de achting en liefde reeds lang uit ons hart is geweken V Is ons hart rein, niets valt zwaarder clan een geloof prijs te geven, dat ons in den strijd voor do deugd troost en bemoedigt, door de hoop op do kroon dor overwinning ouze krachten stijft en aanprikkelt, ons vermoeienis en ontbering gering doet schatten.
Maar ook is het hart bezoedeld en met den boei der slavernij aan do onreinheid vastgeketend, niets valt zwaarder dan veroordeeld te zijn tot do aanhoudende verwijtingen van een geloof, dat ons onmeedoogend verschrikt en martelt mot het dreigend verschiet eener rampzalige toekomst. De jongeling dan, die naar den modernen tempel der wetenschap opstijgt, hij betreedt als een smal bergpad, aan welks dubbele zijde een afgrond, van hoogmoed n.1. en zinnelijkheid, gaapt, om hem, tegelijk met zijn geloof, te verzwelgen. Heil hem, zoo hij door waakzaamheid en gebed er in nog slagen zijn kostbaren schatongedeerd over te voeren! Maar de grootheid van het gevaar doet ons begrijpen, dat er zooveleu struikelen en nederstorten. (E. S. 69.) En wanneer eenmaal de toekomstige leiders der maat-
— 29 —
schappij voor liet ongeloof gcvvonneu zijn, wanneer de bronnen waaruit zij haar leven moet putten, zijn vergiftigd, hoe kan het anders, of wij moeten het noodlottige gif in hare aderen terugvinden, of de pest, van het ongeloof moet eene uitbreiding verkrijgen, die aan algemeenheid grenst.
-ooo-
Te weinig nog is er gezegd van het maatsclaappelijk bederf, de verrotting zouden wij bijna mogen zeggen, door de zedelijke post van liet ongeloof. Wel is reeds gezegd, dat die pest alles verwoest en verteert, wat zij in de boogere, in de zedelijke orde op haren weg ontmoet, reinheid, zielenadel, deugd, toewijding, heldhaftige naastenliefde en zoovele andere zedelijke bloemen, die onder de verkwikkende, levenwekkende stralen des geloofs welig opbloeien in den tuin van het menschelijk hart. Maar het is goed en nuttig, zoo wij tot onze betere onderrichting dit alles meer van nabij beschouwen. Met liet woord van onzen goddelijken zaligmaker: men kent den boom aan zijne vruchten, tot maatstaf, zullen wij onderzoeken, of de boom van het ongeloof eene goede of eene kwade is. Wanneer onze hedendaagsche maatschappij, die van het ongeloof geheel doortrokken is, en uit de sappen van dien boom haar leven put, beter en deugdelijker is dan die der oude dagen, wij zullen aan het ongeloof onzen lof niet weigeren; maar ook, mocht het blijken, dat aan die maatschappij de hoogste en waardigste grootheid ontbreekt, wij zullen besluiten, dat het ongeloof een kwade bedorven boom is, die slechts verdient omgehakt en in het vuur geworpen te worden.
Het zou niet moeilijk vallen, uit de getuigenissen van mannen, die op het ongeloof fier zijn, die de grondstel-
liiigeu, welke liet leven dor massa in deze dagen leiden en beheerschen, even zoovele veroveringen op den ouden geloovigen tijd, rekenen, eene bloemlezing van klachten saam te stellen, waarin de krachteloosheid, het gebrek aan verheffing en bezieling, do matheid in een woord van het hedendaagsch geslacht wordt gebrandmerkt en bejammerd. Het behoeft wel niet gezegd, dat klachten van eene zoo onverdachte zijde, geheel belangeloos en onder den drang der klaarblijkelijkheid afgelegd, niet onder verdenking van overdrijving of onwaarheid vallen. Wel blijven het onvruchtbare klachten, zoolang men de oogen niet wil openen voor do kwaal, waaruit alle de genoemde ziekteverschijnselen voortspruiten, zoolang men te verblind is, ofwel do oprechtheid wist, te erkennen dat de geest, die onzen tijd beheerscht, de geest des ongeloofs, de kiem van dood en verwisseling alom door onze maatschappij verbreidt.
Inderdaad onze tijd is, met de dagen van het geloof vergeleken, Idein en zwak te noemen. (E. S. 127.) Gelijk liet kwijnend uitgemergelde lichaam van een lijder, die aan den rand van het graf staat, niet méér dan de schim kan heeten van wat het eenmaal in gezonde dagen was, zoo is ook van het lichaam der christelijke maatschappij, iu zedelijken zin, niet meer dan een dor en bleek geraamte overgebleven. Wat wordt er, bij alle de machtige hulpmiddelen, waarover wij zonen der 19e eeuw beschikken, weinig door ons gewerkt, en wat komt dat weinige ons nog arm en onbeduidend voor, wanneer wij daarbij letten op het innerlijke gehalte!
De wetenschap bepaalt zich in hoofdzaak tot het onderzoek der stof, en kan haar onder dit opzicht volharding en scherpzinnigheid niet betwist worden, het is geen gering bewijs barer innerlijke zwakheid, dat zij zoo schuw is van de bovenzinnelijke, de idcëele
wereld, eii met machtspreuken als ; duistere middeleeuwen en gescharrel op metaphysisch gebied, hare onmacht tegenover een krachtiger tijdvak tracht te vcrblojmen.
l)c kunsten maken gecne ni uwe veroveringen meer en da.ikea hare grootste verdiensten aan restauratie, ot\' navolging van hetgeen een krachtiger voorgeslacht wist 1e scheppen en door stalen vlijt en volharding te voltooien. De letteren kwijnen, bij gebrek aan groot-sche denkboolden en begeestering voor het hoogere en ideëele; zij zijn in hoofdzaak veroordeeld tot de taak: de verveling, die zich van ons tegenwoordig geslacht aanhoudend meer meester maakt, voor een goed deel te dooden. Aan algemeene. en grijpende opvlammingen van geestdrift, gelijk b. v. in vroeger dagen de kruistochten te aanschouwen gaven, valt in onzen tijd niet meer te denken; onze koude, onverschillige maatschappij, die voor niets groots hart heeft, die den prikkel der geestdrift niet meer schijnt te kennen, en moeite heeft: nog overtuiging te bezitten, verkeert in een toestand van verdorring, die men met recht een zedelijken winterslaap zou mogen noemen. Voor twee zaken slechts heeft zij aolie belangstelling; voor geld en genieting, (leid wordt het doel, dat men aan den arbeid voorstelt, de maatstaf waarnaar men dien regelt; en het genot is de koopwaar, waarvoor men zijn geld veil heeft. De wetenschap ook moet treden in den dienst van het genot; zij moet hare kennis van do stof leenen, om zoo den weg te wijzen waarlangs diezelfde stof aan de bevordering van gemak en weelde steeds meer dienstbaar kan worden gemaakt.
Mag het verwonderen, dat waarachtige zielenadel, mannelijke fierheid en feit van karakter, te midden dezer algemeene verweeking nauwelijks zichtbaar zijn, (E. S. 105.) en voorgoed zouden verdwijnen, zoo geloof en echte christenzin ze ons niet te aanschouwen gaven in die weinige harten, die zij zich hebben voorbehou-
— 33 —
den? Heeft men niet verbaasd en als verpletterd gestaan over de vernederingen die in 1870 eene groote katholieke natie, het eens zoo roemrijke Frankrijk, en dat op zijn titel van oudste dochter der katholieke Kerk zoo fier was, hebben overstelpt! Vanwaar eene zoo groote zwakheid, zoo vroeg een ieder zich zeiven af? Maar het antwoord op die vraag is gegeven door de edelsten en besten dier natie zeiven, door de geestverwanten der dapperen, die, met den standaard des geloofs in de hand, te Longchamps (?) den vijand met onversaagde doodsverachting terugwierpen. Had die vlam van echte vaderlandsliefde, van edele toewijding en zelfopoffering, de borst van iederen Franschman doorgloeid, wie weet hoe spoedig de bodem van den steeds dieper indringenden vijand gezuiverd ware? Maar Frankrijk had sinds lang opgehouden christelijk te zijn, en sinds de christengeest in de. harten der massa\'s was uitgebluscht, waren grootheid van karakter, fiere heldenmoed, edele zelfopoffering en in het gevaar beproefde liefde tot het vaderland in dien ondergang medegesleept E. S. 175.
En waar de vaderlandsliefde bij velen vervangen was door de zucht, uit de algemeene rampen nog persoonlijk voordeel te trekken, waar eene ongeloovige en hoogst bedorvene opvoeding weekheid en zelfzucht had gesteld in de plaats van oer en plicht, bij zulk eene zedelijke verrotting eener groote natie, had men recht te verwachten, wat men heeft zien gebeuren.
De gruwelen der Parijsche Commune (E. S. 2.) de lage moord op onschuldige priesters en kloosterlingen, wier eenige misdaad bestond in het dienen van een door hunne medeburgers vergeten of verachten, Godi de helsche woede, waarmede de petroleum-helden de knetterende vlamen binnen de trotsche wereldstad tof nog snellere verdelging trachtten aan te prikkelen, zij
3
hebben bet ons al te welsprekend verkondigd, tot welk een peil van dierlijke woestheid de menscb zonder bet geloof kan afdalen, welke beillooze vrachten de bedorven boom des ongeloofs afwerpt. De geest des ongeloofs toch is de geest van dood en verderf, van haat en verwoesting, die door opstand en revolutie, door geweldadige omverwerping van orde en gezag, zich alom zijnen helschen oorsprongen afkomst waardig toont. (E. S, 3, 30. 178, 179, 183.)
Maar behalve de la-acht van den haat, mist het ongeloof verder alle verheiïmg en bezieling. Maar heeft het den geestelijken mensch gedood, dan loeft de zinnelijke, tot herstel van het verbroken evenwicht, als met dubbele kracht. Ziedaar liet leven onzer moderne maatschappij geteekend. Panem et circences, brood en spelen, zoo klonk dreigend en onstuimig de eisch van het E.o-meinsche volk, toen het, van zijne oude soberheid en strenge zeden ontaard, door weelde ontzenuwd, op niets meer zon dan op steeds nieuwe genietingen. Die onzalige kreet begint op nieuw steeds luider en luider in onze moderne maatschappij te weerklinken, naarmate zedelijke grootheid en waarachtige geestdrift de wijk van ons nemen.
De pest van het ongeloof kan haar afschuwelijk bederf niet langer verbergen voor enze blikken, maar daardoor ook maakt zij ons de taak gemakkelijk haar te leeren kennen in haar booze en helsche gedaante ; want de onfeilbare waarheid zelve heeft het ons gezegd : „men kent den boom aan zijne vruchten.quot; (E. S. 107.)
Zou het geval denkbaar zijn, dat een geneesheer, geroepen aan het bed van een pestlijder, uit diens mond de verklaring verneemt, dat hij zich volmaakt wel gevoelt en aan geneesmiddelen niet de minste behoefte heeft ?
Maar wat in de stoffelijke orde eene ongerijmdheid, een niet te vatten iets is, dat is in de zedelijke orde een gedurig wederkeerend feit.
Ondervragen wij slechts een zedelijken pestlijder, een ongeloovige, aangaande zijn inwendigen toestand. Zal hij zich ziek verklaren ? Integendeel. Hij ontkent niet, dat hij van het geloof een afkeer heeft, maar wel verre van dit te erkennen als eene kwaal, die zijn zedelijk bestaan verteert, zal hij er zich op beroemen, als op een achtenswaardig voorrecht, dat hij door hoogere ontwikkeling, door dieper doordringen in het rijk der wetenschap, zich boven het gros zijner medemenschen heeft veroverd,
Het ongeloof noemt hij zijne innige overtuiging; hij kan niet gelooven, of hij zou de rechten van liet verstand moeten prijsgeven, of hij zou in gedurige botsing komen met de meest onbetwistbare uitspraken der wetenschap.
Met deze rechtvaardiging ongeveer zal de ongeloovige voor het oog der wereld optreden, en de schijnbare kalmte, waarmee de betuiging wordt afgelegd, moet ook den ge-ringsten twijfel aan de waarheidsliefde en goede trouw van den spreker opheffen.
De rechtvaardigheid eischt van ons, dat wij die verkla-
— 36 -
ring aan een ernstig onderzoek onderwerpen, en in volle eerlijkheid het antwoord zoeken op de vraag; is liet mogelijk, dat de ongeloovigc zijn ongeloof persoonlijk voor waarheid houdt, m. a. w. dat hij overtuiging heeft van zijne dwaling? Want luidt dit antwoord bevestigend, dan moeten wij den dwalende er wel niet minder om beklagen, maar wij hebben het recht niet meer, hem als schuldig te veroordeelen. Zoo het mogelijk is, dat er in het ongeloof overtuiging besta, dan voorzeker mogen de veteranen, die van hunne prilste jeugd af de vaan des ongeloofs hebben gevolgd, daarop een eerst en voornaamst recht doen gelden.
En toch wij schrijven het hier, niet alleen als onze overtuiging neder, maar als eene waarheid, door rede en ondervinding gelijkelijk bevestigd; hunne voorgewende overtuiging is niets meer dan ij dele zelfmisleiding, dan bedrog, dan een masker, waarachter zij de boosheid van hun wil en de onrust, door de kwelling van een verwijtend geweten veroorzaakt, trachten te verbergen.
Het kan niet ontkend worden: het leven in eene atmosfeer van ongeloof, de voortdurende omgang met menschen, die voor het geloof slechts spot en verachting over hebben, de machtige invloed en het aanstekelijk voorbeeld van leermeesters en opvoeders, die van de opgenoemde gevoelens geheel doortrokken zijn, dit alles is wel geschikt, haat en vooringenomenheid tegen hel: geloof aan te kweeken; maar daardoor dat het eene gewoonte is, wordt het ongeloof nog geene overtuiging ; voor de vierschaar van het verstand, dien onbevangen onomkoopbaren rechter, zal het immer strenge veroordeeling vinden.
Neen, het is eene afschuwelijke lastering, wanneer de rede als onverzoenlijke vijand en kampvechter tegen
— 37 —
het geloof wordt voorgesteld. Zij is er integendeel de trouwe en maclitige bondgenoot van; want wat is, na de goddelijke genade, meer geschikt den weg tot het geloof te banen, en den geloovige in zijne rustige overtuiging te versterken, dan de uitspraak van het verstand; de aanname van het geloof is wijs en verstandig \\ gij handelt redelijk met te geloovenl
Neen, men is niet ongeloovig omdat het geloof door het verstand als onredelijk en onhoudbaar veroordeeld
wordt, maar.....omdat ram niet zvil gelooven. Men
heeft er zooveel belang bij, niet te gelooven — dat geloot is zoo hard, verzet zich zoo onmeedoogend tegen de neigingen onzer bedorven natuur, bindt ons aan een leven van gedurige zelfbehcerscliing en ontliou-ding — men zou zoo gaarne wenschen dat het geloof een ij del verzinsel ware, en niets hiat men onbeproefd, om,tot onmogelijke van eene Koodanige overtuiging te geraken! Men bedelt bij zijn verstand om allerlei schijngronden, die eene veroordeeling van het geloof zouden inhouden; elke schaduw van twijfel, hoe onredelijk die moge zijn, wordt gretig aangevat, om tot steunsel te dienen der ijdele bewering: het geloof wordt door de rede als onhoudbaar veroordeeld. Maar kan men langs dien weg tot de zoo vurig verlangde overtuiging komen? Onmogelijk. Door immer als te blijven staren op die schijnredenen, die opp3rvlakkig tegen het geloof pleiten, en moedwillig de oogen te sluiten voor de schitterende bewijzen, die de waarheid van het FT. Geloof inliet helderst licht stellen, kunnen zij het hoogstens daartoe brengen, dat de waarheid hun minder helder tegenstraalt, misschien eenigen twijfel in hun geest overlaat. Maar hoe verre is dit van die voorgewende overtuiging verwijderd, en hoe levendig moet bij dezulken het bewustzijn wezen van kwade trouw en
partijdigheid bij het onderzoek, Men zou ze kunnen vergelijken bij lichtschuwen, die in een door de middagzon helder verlicht vertrek, ieder hoekje doorsnuffelen, waar slechts eenigo schaduw valt, om daarna te kunnen beweren, dat zij in dat vertrek niets dan duisternis hebben gevonden. De overtuiging van het ongeloof, waarmee zij voor het oog der wereld zoo gaarne pralen, wordt bij hen nooit iets anders dan een vurige, maar immei\', onvervulde wensch. In ernstige oogenblikken huns levens hooren zij eene inwendige stem, die hun zegt; gij handelt onoprecht en onverantwoordelijk met zonder voorafgaand grondig en onbevooroordeeld onderzoek een geloof te verwerpen, waartegen uwe zinnelijke neigingen in verzet komen. Is het geloof waar, dan behoort gij het aan te nemen met al zijne gevolgen; gij moogt u aan do verplichting niet onttrekken eene zaak te onderzoeken, waarmede uwe gewichtigste belangen verbonden zijn.
Maar juist dat onderzoek vreest men; het mocht eens ten gunste van het gehate geloof uitvallen, en achter nietige uitvluchten verbergt men zijn onwil en kwade trouw.
Of behaalt men eindelijk de overwinning op zich zeiven van tot dat ernstig en onbevangen onderzoek te besluiten, leert de ondervinding het niet, dat liet einde van het pleitgeding geen ander is dan eene schitterende zegepraal voor het geloof? Heeft dat onderzoek in deu jongsten tijd er niet velen uit den boezem van het ongeloof tot den schoot der katholieke Kerk gevoerd? En waren het mannen, die op een lagen trap van ontwikkeling stonden, voor wie de wetenschap eene onbekende was ? Integendeel; het waren juist dezulken, die zich iu de beoefening der wetenschap met oppervlakkigheid en halfkennis niet wilden tevreden stellen, die tot in hare
— 39 -
diepten doordrongen en met rijpen ernst hare gegevens doorzochten. En juist die wetenschap, zoo herhaaldelijk misbruikt als stormram om het geloof van zijn onwrikbaar voetstuk te lichten, voerde hen tot erkenning en aanname van het katholiek geloof.
Zoo zijn wij als van zelf gebracht tot de bespreking dier voorgewende, en door oppervlakkige halfgeleerden op alle tonen herhaalde tegenspraak tusschen geloof en wetenschap.
Niet lang geleden verscheen in Frankrijk een uitgebreid werk, tot titel voerend ; les Splendeurs de la Foi.
Dit boek is van de hand van een man, in den dienst der wetenschap vergrijsd, die een leven, wiens lengte het deel is van slechts weinig geleerden, geheel in haren dienst besteedde. Op ieder onderdeel van haar ruim gebied zette hij den voet, en om zijn diepen helderen blik, om do algemeenheid zijner uitgebreide kennis heeft hij zich den eerbied en de hoogschatting veroverd van allen) die in den bloei en de ontwikkeling der wetenschap oprecht belang stellen. Die man is de eerwaarde heer Moigno, de redacteur van het alom bekende natuurkundig tijdschrift: les Mondes.
En zijn boek is het antwoord op de vraag: zijn geloof en wetenschap met elkander in strijd ? En tot welke gevolgtrekking komt de schrijver, die het getuigenis aflegt, grondig te hebben onderzocht en het licht zonder schroom te gemoet te zijn getreden?
Op het ruim veld der feiten en ontdekkingen, waartoe het onderzoek zich uitstrekte, heeft hij wel hier en daar, bij eene eerste en oppervlakkige beschouwing schijnbaren tegenspraak ontdekt, maar die bij doorgezet onderzoek steeds op volkomene harmonie en wederzijdsche bevestiging uitliep.
Neen, nog eens, het voorwendsel, al zou het geloof
de rechten van verstand en wetenschap krenken, is ijdel, en kan enkel dienst doen als masker om onwil en kwade trouw te bedekken.
Geloof en rede, zij zijn beide een kostbaar geschenk Gods aan den mensch, om hem langs twee. wel verschillende, maar daarom niet tegenovergestelde wegen te brengen tot de kennis der waarheid. Zij zijn twee stroomen, voortgevloeid uit een en dezelfde bron, Gods eindelooze wijsheid, en beide bevatten zij betzelfde klare water, dat don mensch in den hem aangeboren dorst naar kennis verfrischt en laaft. Maar kan hij, die zich nimmer in liet bezit van het geloof mocht verheugen, voor den rechterstoel van het geweten zijn ongeloof niet rechtvaardigen, wat moet er omgaan in het binnenste van hem, die van Jerusalem naar Jericho is afgedaald, en op dien weg door den helschen struikroover van zijn kostbaarsten schat, het geloof beroofd werd? In dat katholiek geloof geboren en opgevoed, heeft hij zich jaren lang daarin gelukkig en tevreden gevoeld; de waarheid van zijn geloo^ straalde hem zoo helder tegen, dat hij geen aandacht over had voor de drogredenen, waai-mede men zijne overtuiging aan het wankelen trachtte te brengen.
En nu is ook hij — wij weten maar al te goed langs welken weg — een ongeloovige geworden, en ook hij sluit zich aan bij zijne broeders in het ongeloof en spreekt van zijne overtuiging.
Ach! ware het ons gegeven een blik te werpen in het hart van den ongelukkigen apostaat, hoe zouden wij het door wroeging en onrust verscheurd zien, al huichelt de mond vrede!
Xecn, hij kan niet gelukkig zijn; want zoodra de bedwelming van liet zingenot hem niet belet in zij a binnenste te keeren, hoort hij daar de dreigende taal
— 41 -
van zijn geweten: „ongelukkige gij hebt uw geloof verzaakt, maar voor den rechterstoel van God zult gij het terug vinden, om tegen u getuigenis af te leggen.quot; Hij heeft het geloof verlaten, maar het geloof verlaat hém niet. Hij heeft het niet gewild als gids en raadsman, het zal terugkeeren als zijn beul en wreker, het zal zich telkens als een dreigend spook voor hem plaatsen, het zal zich als eene Nemesis aan hem vastklampen zonder dat het hem ooit raag gelukken, den gehaten last van zich af te schudden. En willen wij eindelijk de overtuiging van den apostaat op zijne rechte waarde schatten, dan behooren wij ons te verplaatsen aan zijn sterfbed. Daar is het de tijd en de plaats niet voor zelfmisleiding en veinzen voor oog van anderen, daar neemt de schijn een einde, daar ziet men den mensch in zijne ware gedaante.
Hier dus zal de overtuiging van den afvallige, zoo zij in waarheid bestaat, in volle klaarheid moeten uitschitteren. En inderdaad, werd mij het feit getoond, dat een afvallige, aan de grens der eeuwigheid geplaatst, in het aangezicht van den dood, met kalme rust de verklaring aflegt, dat hij zich gelukkig gevoelt het geloof te hebben verlaten, ik zou aanstonds het hier geschrevene herroepen, om zijn voorbeeld na te volgen. Maar, wij weten het door de ondervinding: zoo sterft de apostaat niet. J)e naderende dood vervult hem met schrik en huivering. Zijne onrust wordt al grooter en grooter, naarmate hij zich dichter verplaatst ziet bij het oordeel Gods. Het is een vreeselijk uur, waarop de goddelijke genade eene laatste maal aan Satan het offer der verleiding betwist.
Soms ja, behaalt zij de overwinning en keert het afgedwaalde schaap berouwvol weder tot den goeden Herder.
En in dien terugkeer wordt het dan door verstand noch overtuiging bemoeielijkt. Slechts de booze wil
- 42 —
heeft herschepping door Gods genade noodig, om het goede aan te nemen en zich met vreugde opnieuw te onderwerpen aan een geloof, waartegen het verstand nooit in verzet was gekomen. O, wat zou het leerzaam zijn voor een jongeling, wiens geloof gevaar loopt eene treurige schipbreuk te lijden, aan het sterfbed te staan van zulk een boetvaardigen apostaat 1 Daar zal het hem gezegd worden, welk een hel van zielskwelling en inwendige wroeging hem hier op aarde wacht, zoo hij tot den noodlottigen stap mocht komen, een hel, wellicht door de eeuwige gevolgd. Want dikwijle ook sluit de poging der goddelijke barmhartigheid in dat laatste en beslissend uur op de hardnekkigheid van den bedorven wil af; menig apostaat sterft als een onboetvaardige. Maar wat zeggen ons dan de verwrongen trekken van dat wanhopig gelaat, wat de vreesdij ke godslasteringen, waardoor de rampzalige de laatste waarschuwing van het in volle kracht ontwaakte geweten als overschreeuwen wil ?
Neen, zóó sterft hij niet, wiens leven op innige overtuiging heeft gesteund, die steeds datgene deed wat rede en verstand hem als goed en edel voorhielden. Zóó sterft de verrader, die wetens en willens de kroon des hemels voor aardsche genietingen wegwierp, die zijne hartstochten verkoos boven zijn geloof en zijn God.
Sluw en listig is de duivel, als het er op aan komt den menscli in zijne strikken te vangen. Heeft kij eens ket slaektoffer der verleiding voorgoed in zijne macht, dan keeft kij er geen belang meer bij zijne booskeid te omkullen, en onbesckaamd treedt kij in zijne kelscke gedaante op.
Maar, als kij ket werk der verleiding onderneemt, steekt kij ziek in de glinsterende slangenkuid en verbergt kij zijne afzicktelijke vormen onder ket gewaad van een engel des lickts.
Zoo keeft kij, om do rangen van ket ongeloof te versterken, een woord op deze aarde gezaaid, waarvan kij de betooverende krackt maar al te juist voorzien keeft. De volgeling van ket ongeloof wordt tot ridder geslagen eener kelscke orde, de orde n. 1. der sterke geesten.
Sterke geest 1 welk een verleidelijke klank, vooral voor een jongeling, die in zich liet talent met den eersten gloed der rijpende jeugd voelt ontwaken, bij wien ket bewustzijn levendig wordt, iets^ veel mis-sckien, op ket gebied des geestes te kunnen! En zou kij dan op dien titel van sterke geest niet naijverig zijn; mag kij den smaad verdragen, in de publieke opinie voor een zwakhoofd, een onmondige, een dui-sterling gehouden te worden?
Verontwaardig u niet te spoedig, fiere jongeling;
— 44 —
de vinding van den vorst der duisternis is slechts bedrog; bewaar uw geloof en uwe fierheid ; de kracbt is aan uwe zijde, het geloof is de sterkte, het ongeloof de zwakheid.
Zwakheid is het kenmerk van het ongeloof in zijn oorsprong; men is ongeloovig omdat men den moed mist tot het geloof. Mag het niet overbodig heeten, over deze waarheid nog meer licht te willen verspreiden ? Zagen wij niet, dat zinnelijkheid en hoogmoed de onvermoeibare wervers zijn, die dagelijks nieuwe strijdkrachten in het kamp van Satan aanvoeren ? En aan welke zijde is nu de kracht ? Is hij sterk, die zich op den stroom zijner zinnelijke lusten laat afdrijven, of wel hij, die door matigheid en zelfbeheersching de wulpschheid eener tot liet bederf overhellende natuur in toom weet te houden? Toont hij kracht, die aan de aangeboren zucht tot zelfverheffing en verzet tegen elk gezag den vrijen-teugel viert, of wel hij, die door harden, nimmer eindigenden strijd met zijn ik, zich met zijne rechte plaats tevreden leert stellen, zich zeiven tot onderwerping en gehoorzaamheid aan zijn wettigen Meester dwingt ?
O schandelijk misbruik der taal! Gij volgeling van het ongeloof, die als een slaaf gekluisterd ligt in de boeijn van den laagsten en onwaardigsten aller hartstochten, gij, die u tot beneden het redelooze dier verlaagt, en u in \'t geheim aan schandelijkheden overgeeft, die gij voor het oog der wereld zorgvuldig achter het mom van beschaving en welgemanierdheid verbergt, gij, die den moed niet hebt een geloof onder de oogen te zien, dat to rein is, om met uw ellendigen hartstocht een verdrag aan tegaan, gij, gij zijt dan onbeschaamd genoeg, iu het openbaar
- 45 —
met een gestolen titel van kraclit te prijken en u een sterken, onafhankelijken geest te noemen ?
Neen, ik zal ket niet beproeven u aan te toonen, welke kracht er schuilt in een echt christelijk leven, volgens de grondregels van het geloof ingericht; hoe een harden strijd het kost matig, kuisch, bescheiden, nederig te zijn.
Gij verstaat die taal niet, omdat de zinnelijkheid de helderheid van uwen geestelijken blik heeft verduisterd, omdat de vleeschelijke mensch de dingen des geestes niet smaakt.
Maar het zou niet goed zijn uwe snoeverij geheel straffeloos te laten.
Het is u nuttig uwe kleinheid te meten met de maat der zedelijke grootheid, waartoe het geloof zijne volgelingen en dienaars weet op te voeren.
Gij noemt u sterke geest, niet waar ? en op dien titel meent gij u het leeuwenaandeel te mogen toekennen in den arbeid, tot het welzijn en den bloei der maatschappij ondernomen? Welnu, wij zullen de geldigheid uwer vordering onderzoeken.
Deze wereld is door God ingericht tot eene uitgestrekte werkplaats. Het getal werklieden is legio, maar de goddelijke wijsheid is, daar, om te zorgen, dat de veelheid geen wanorde stichte. Aan eiken werkman wijst zij de plaats aan, dien hij niet mag verlaten, bepaalt zij aan welk onderdeel van den totalen arbeid bij zijne krachten moet besteden. Die keuze en aanwijzing\' door de goddelijke Voorzienigheid heet roeping. De mensch leert zijne roeping kennen, èn door het eigenaardig kaï\'akter der hem door God geschonken talenten, èn door den loop der omstandigheden, waaruit een zelfde goddelijke leiding spreekt, èn eindelijk door de stem der goddelijke genade in
— 46 —
zijn binnenste. Er blijft hem nog over aan die roeping getrouw te zijn.
Welk een grootsch gelieel, welk eene schitterende orde moet aan die getrouwheid ontspruiten! Is de werkkracht van een enkel individu, door een edel doel geprikkeld, tot zooveel in staat, wat moet het zijn, nu die krachten worden verbonden en aaneen gekoppeld onder de regeling der opperste quot;Wijsheid, tot een gemeenschappelijk doel, het verhevenste wat gedacht kan worden, het menschdom zijne bestemming te gemoet te voeren, de aarde ten hemel te doen opklimmen! Ja daar is kracht, grootsche levenwerkende kracht; en is het deel van de eenen werkman met dat van den anderen, in omvang en innerlijke waarde, nauwelijks te vergelijken, toch is de gezamenlijke, de eind-kracht, zoowel die van ieder individu, als van niemand; want slechts daardoor, dat de een den arbeid des anderen voorbereidde en mogelijk maakte, dat ieder getrouw op zijn post stond, kon het heerlijk einddoel worden bereikt zonder stoornis. Stoornis, hoe verschrikt dat woord ons hier, als eenkrijschede wanklank te midden der indrukwekkendste hermenie ! En toch helaas! die wanklank is werkelijkheid; do mensch werpt ook hier gelijk zoo dikwijls elders, zijne vrijheid als element van wanorde tusschen de harmonie der goddelijke plannen, waarvanhij nochtans de vervulling niet kan beletten.
Maar wij mogen bij die wanorde niet toeven, vóór wij ons aan het sehoone der orde hebben verkwikt, vóór wij onze aandacht hebben gewijd aan de krachtsontwikkeling, waartoe hot geloof, in gehoorzaamheid aan de goddelijke leiding, opvoert.
Wij wonen in den geest het vertrek van een katholle, ken missionaris bij. Hij staat gereed den» voet te zetten op het schip, dat hem naar gindsche zijde van den
— 47 —
oceaan zal voeren, waar geheele volkeren nog in de duisternis en in de scliaduwen van den dood neder. zitten. Een laatste afsclieid nog van zijne dierbaren en vrienden, die heir, tot liier wilden vergezellen, en de golven voeren liem snel zijne bestemming te ge-moet. Achter zich laat hij den dierbaren geboortegrond, zijne familie en vrienden. Hij wist dat hij aan dat alles gehecht was, maar liet uur der scheiding heeft hem ten volle doen kennen, hoe zijn hart er aan hing.
Vóór hem ligt het uitgestrekte, met distelen, en doornen overdekte veld, dat op den arbeid zijner handen wacht. Ontberingen van allerlei aard, bijna boven-menschelijke vermoeienis op reizen en tochten, die ieder ander, als een apostel van Jezus Christus, onmogelijk zou noemen, wantrouwen en vijandschap van den kant dergenen, voor wier welzijn hij zich in opofferingen uitput, misschien folteringen en wreede dood: ziedaar het somber verschiet, dat gindsche oever voor hem opent. Maar is het geene dwaasheid, zij het dan ook eene verhevene, zooveel te ondernemen voor een, wel edel, maar misschien onbereikbaar doel ? Ja dwaasheid voor hem, die kracht van geloof eu christelijke naas-stenliefde niet beseft, of niet wil beseffen. Het geloof heeft het dien missionaris gezegd: op die verre, onherbergzame stranden worden zielen gevonden, vrijgekocht door het dierbaar bloed van J. C., maar hchaas ! nog in de boeien van Saten gekneld; en hij meende de verzuchting te hooren van zijn goddelijken Meester: wien zal ik zenden, om die volkeren uit hunnen doodslaap op te wekken, om door het licht des geloof de duisternis te verdrijven die hen omgeeft? En op die roepstem heeft zijne liefde geantwoord met een geestdriftig: viitte me, belast mij met die zending. De goddelijke roeping is hem duidelijk geworden, en met
heldhaftige bereidvaardigheid stelt hij zijne krachten voor den harden arbeid beschikbaar. Wij, die het geluk hebben in het licht van datzelfde geloof te wandelen, en die in ons ook een vonk meenen te gevoelen van den gloed dieraelfde christelijke naastenliefde, wij volgen met onverdeelde bewondering en eerbied den missionaris op zijn verren, bangen tocht, en een kreet van blijdschap en fierheid tevens ontsnapt ons: aan het geloof ontspringt de kracht, die de maat. schappij moet behouden.
Maar ook voor u, helden van het ongeloof, kan die kracht niet onopgemerkt blijven, en ik durf u evenmin den schaamteloozeu moed toeschrijven ze te loochenen* Wij kunnen van u niet vorderen, dat gij de christelijke zelfopoffering van den katholieken missionaris ten volle waardeert; maar een Xaverius, die, tegelijk met het geloof, beschaving en zachtere zeden over bijna het gan-sche Oosten verbreidde, moet toch ook in uwe schatting een weldoener der menschheid zijn, die zijne krachten met woeker tot heil der maatschappij heeft aangewend.
En hoevele latere Xaveriussen werden door God van den arbeid ter belooning opgeroepen, vóór de vruchten van dien arbeid tot rijpheid kwamen!
Toen zij onder het wicht van eene inspanning, met hunne lichamelijke krachten te weinig in evenredigheid, een vroegen dood stierven, of toen de martelkroon hun den hemel ontsloot, toen hadden zij pas in tranen het zaad aan de aarde toevertrouwd. Maar hunne plaats bleef niet ledig, en hunne opvolgers zagen met dankbare vreugde uit dat zaad een overvloedigen oogst verrijzen, die hunne hand nog slechts in schoven had te binden, om hem met jubelende vreugde in de voorraadschuren der Kerk te verzamelen.
Laat ons de kracht des geloofs nog eens, in een
- 49 —
nieuwen vorm, gadeslaan en bewonderen. In liet hos. pitaal treden wij voor liet bed van een ongeneeslij-ken zieke.
Een enkele blik op zijne afzichtelijke wonden — het bederf gaat in dit lichaam den dood vooraf, in stede van hem te volgen — vervult ons met pijnlijke ontzetting; uit walging en afgrijzen willen wij dit akelig schouwspel van menschel ijke ellende ontvluchten. M 3,ar plotseling weerhoudt ons de schaamte ; want aan dat bed vinden wij eeae teedere maagd, mot al de teergevoeligheid van haar geslacht begaafd, eene teergevoeligheid, door edele afkomst en kiesche opvoeding nog verhoogd.
Uren en uren toeft zij daar aan dat bed van verschrikking, waarvan de geneesheer haastig wegspoedt^ en waarop mannen van stalen karakter nauwelijks van verre den blik durven laten rusten. Zij ademt daar eene door besmettelijke inwaseming verpeste lucht in, zij raakt niet haar teedere hand aan die ijselijke wonden, levende kraters van bederf\', om-ze te reinigen en te verbinden, ja, zij neemt dien arme zieke inbare armen, gelijk eene moeder haar kind aan haren boezem laat rusten. Vanwaar de kracht eener zoo heldhaftige toewijding, vragen wij hier in sprakelooze verwondering? Is dit de plaats eener zwakke vrouw? O ja! dat is hare plaats, do plaats haar aangewezen door hot geloof, om er do heldhaftige kracht der christelijke naastenliefde in al haren glans te doen schitteren. Hot is er verre af, dat God een ieder tot eene zoo verhevene en schitterende roeping heeft bestemd. Neen, in do goddelijke werkplaats der wereld is ook veel onaanzienlijke, in schijn weinig belangrijke arbeid te verrichten, waarvoor geene overvloedige talenten, maar slechts eene goede en getrouwe wil gevorderd wordt.
— 50 —
Maar moet die werkman, er minder om gcscliat worden, zoo liij met geen minder getrouwheid op zijne nederigen post staat, zoo hij zonder afgunst op een hoogeren, zich met den laagsten rang tevreden weet te stellen? Heeft hij niet al zijne krachten tot bereiking van liet grootste doel in werking gebracht, is het eigene keuze geweest, die hem op de mindere plaats heeft gesteld V Neen, het is eene troostvolle waarheid van het geloof, dat niet het karakter onzer roeping, maar wel onze meerdere of mindere getrouwheid daaraan de mate onzer verdiensten bepaalt, en de tevredenheid van den meester, die den arbeid onder zijne dienaren verdeelde over ons aftrekt. Moet niet in de groote behoefte, die de wereld aan het besef dezer waarheid had, de reden wonder gezocht van het geheim, hoe onze goddelijke Zaligmaker dertig volle jaren van zijn aardsch leven aan den nederigsten arbeid heeft gewijd, terwijl hij zich slechts drie voor zijn openbaar leeraarsambt voorbehield! Maar wij kunnen bij deze beschouwing niet langer verwijlen; wij rekenen de kracht des ge-loofs in zijne zegenrijke werking naar buiten, tot heil en behoud der maatschappij, voldoende in het licht gesteld voor ieder die zijne oogen gebruikt om te zien, niet om ze voor het licht te sluiten.
Maar van de kracht moeten wij thans tot de zwakheid, van de orde tot do wanorde afdalen. Wij hebben er reeds op gewezen; de menschelijke vrijheid heelt in de goddelijke werkplaats de wanorde gebracht. Die wanorde is verscheiden. Het kan gebeuren, dat een werkman uit traagheid de handen werkeloos langs het lichaam laat uederhangen. Die werkeloosheid is wanorde in het algemeene koor van den arbeid; maar die wanorde wordt door den meerderen ijver der medewerklieden spoedig en gemakkelijk hersteld. Meer sto-
— 51 —
rend wordt de wanorde, wanneer de werkman de bem aangewezen plaats verlaat, om op eene plaats, die de zijne niet is, een arbeid te ondernemen, die meer met zijne neigingen strookt, maar waarvoor hij en roeping èn geschiktheid mist.
De hoogst denkbare wanorde eindelijk zal dan ontstaan, wanneer een deel der werklieden, niet tevreden met zeiven den arbeid te weigeren, door boosaardige vernielingszncht aangegrepen, al hunne krachten inspannen, om den arbeid hunner makkers te verhinderen, of te niet te doen. Dan grijpt er eene stoornis, eene verwarring plaats, wier noodlottige werking nauwelijks door verdubbelde krachtsinspanning der aan hnn plicht trouw gebleven kan worden tegengegaan.
In het beeld dezer wanorde, ongeloovige, hebt gij uw cig\'jn werk moeten herkennen. Of wel gij onttrekt u aan den arbeid, waartoe weekheid of voortdurende ontevredenheid met u zeiven n den lust benemen, of wel gij wijdt u aan een arbeid, waarvan gij niet weet, of hij de voor u bestemde is, wijl uw ongeloof u verhindert de goddelijke regeling van den mensche-lijken arbeid te erkennen en na te sporen of wel gij ; werkt ijverig aan de vernietiging van hetgeen de ijver uwer medearbeiders tot stand bracht, gij tracht de maatschappij van hare ware bestemming af te leiden, gij misbruikt de u geschonken krachten tot het aanrichten eener zedelijke verwoesting, waarvan de treurige schilderij ons nog met heldere kleuren voor den geest staat.
Maar in elk geval vertegenwoordigt gij in de goddelijke werkplaats het element van verwarring, van wanorde, en dus van zwakheid.
Het zal u wel niet gelukken de goddelijke plannen te verijdelen en de maatschappij tot algeheel verderf
— 52 —
te brengen. God waakt over die maatschappij; Hij weet den ijver en de toewijding zijner trouwe werklieden tot dien graad van heldliaftiglieid aan te wakkeren, dat de wanorde door de orde bedwongen, de zwakheid door de kracht overheerscht wordt.
Maar gij zoudt wel doen, u niet te veel te laten voorstaan op uw naam van sterke geest, en niet ijdel te prijken mot een onrechtmatigcn titel, dien het geloof zou kunnen, maar uit christelijke nederigheid niot wil laten gelden.
Een enkele maal zijn wij reeds afgedaald in het liart van den ongeloovige ; liet was, toen wij zijne voorgewende overtuiging wogen en liclit bevonden.
Wij zagen dat hart, dat van den apostaat liet allermeest, door onrust en wroeging versclieurd. AVel kon het geweten bij afwisseling door den giftdrank der zinnelijke genietingen tot een staat van tijdelijke ver-dooving worden gebracht, maar pas ontwaakt uit die korte ontsluimering begon het opnieuw met somber dreigende stem den ongelukkige het: „verrader van uw geloof, „„moordenaar uwer zielcrnst,quot; toe te roepen.
Ach! het moet wel een hard, een wanhopig leven zijn, die rustelooze worsteling met de vervloekingen van een veroordeelend geweten, wiens uitspraak de schuldige evenmin tot zwijgen kan brengen, als van valsch-heid overtuigen.
En vaart dan door de herinnering van den gefolterde het liefelijk beeld eener levenslente, door den vrien-delijken zonneschijn van het geloof verhelderd en gekoesterd, o dan weegt de dampkring, waarin hij thans slechts verstikkende hitte inademt, de dampkring, door zwarte onweerswolken als met een waar van brons omsloten, met verpletterende, met looden zwaarte op hem.
Voor een leven, vol van troost en christelijke vreugde, dat op alle groote vragen een bevredigend antwoord
- 54 —
geeft, en aan wiens einde een zoo blij verschiet tegenlacht, hoeft hij thans een ander gevonden, vol van duisternis on wanhoop, dat voor de ontnomene rust des harten geene de minste schadevergoeding aanbiedt, wiens troostrijkste zijde het zou zijn, zoo het in het niet kon eindigen.
Het ongeloof — zoo had de hoogmoed in hem gesproken — zou hem van slaafsehe, zijner grootheid onwaardige boeien bevrijden, en welke is ten slotte die hooggeroemde vrijheid? De vrijheid om aan alles te twijfelen, geene overtuiging meer te bezitten, op niets to hopen, zich in alles onbevredigd en ledig te gevoelen, de vrijheid, in één woord, van ongelukkig te zijn.
Kan er voor eene ziel in zulk een toestand wreeder marteling uitgedacht worden dan de terugblik op dat paradijs van geluk en vrede, waarvan zij den toegang voor immer gesloten waant?
Satan moge in Milton\'s Paradise lost, bij de herinnering aan den voor hem gesloten hemel, uitroepen ; „vaarwel, gelukkige grond, verblijf van eeuwige vreugde, heil u, plaats van verschrikking! de menseh zal zicli nimmer verheffen tot die waanzinnige hoogte van dui-velsche fierheid, dat hij zijne hel met vreugdekreten begroet, maar, met een zoe van weemoed in het hart, roept hij de dagen in zijn geheugen terug, toon hij nog op dien vreugdevolle bodem mocht spelen.quot;
Doch wij willen die smart en die klachten uit den mond der lijders zeiven vernemen: het dubbel leven, dat zij hebben doorleefd, geeft hun liet onbetwistbaar roclit tot vergelijking en beoordeoling.
Een Fransch philosoof uit het begin dezer eeuw, die liet ongeluk had het geloof zijnor jeugd aan den hoog-moedigen twijfel eener van God afvallige wijsbegeerte op te offeren, Jouffroy gunt ons, in het volgende ge.
— 55 —
tuigenis van zich zolven, eon diepen blik in zijn gc-Lroken liart: „Uit deugdzame ouders geboren, in een land, waar liet katholiek geloof in liet begin dezer eeuw nog vol levenskracht was. was ik er van jongs af aan gewoon gemaakt, de toekomst van den mensch en de zorg voor het heil zijner ziel als niijue groote levenstaak op te vatten, en geheel het verder verloop mijner opvoeding had er toe bijgedragen, die ernstige stemming in mij te versterken. Langen tijd had liet cliris-lijk geloof ten volle beantwoord aan alle de behoeften en bezorgdheid, door zulk eene opvatting in de ziel ontwikkeld.
Op do vragen, die ik toen als de eenige beschouwde die \'s inenschen aandacht waardig zijn, gaf het geloof mijner vaderen mij antwoord; aan dat antwoord sloeg ik geloof, en, dank dat geloof, begreep ik liet tegenwoordig leven, zag ik daarachter een onbewolkt verschiet zich ontrollen, zeker van den weg dien ik in deze wereld te volgen had, zeker van het doel waartoe hij mij in de andere wereld moest voeren, begreep ik het loven in zijne dubbele verschijning, begreep ik den dood, als de brug die ze verbindt, begreep ik mij zeiven en de plannen Gods te mijnen opzichte. Dien Grod beminde ik om het liefdevolle zijner plannen, en ik smaakte het geluk, dat een levendig, ongeschokt geloof, en eene leer die alle groote, voor den mensch gewichte vragen bevredigend oplost, weten te schenken.
Maar omstreeks don tijd mijner geboorte kon dat geluk onmogelijk duurzaam zijn; de dag brak spoedig aan, waarop ik binnen de vreedzame woonstede van den godsdienst, die mij sinds mijne geboorte had geherbergd, en in wier schaduw mijne jeugd was voorbij gesneld, den stormwind van den twijfel hoorde loeien, die hare muren beukte en haar deed schudden op hare
- 56 —
grondslagen. En toen mijne rede den goddelijken ooi-sprong vau het christelijk geloof\' ceus in twijfel had getrokken, toen voelde zij hare gansche overtuiging tot in den diepsten grond geschokt.. . . Langs deze helling was mijn verstand afgegleden, had hot zich van liet geloof al verder en verder verwijderd. Opdat oogen-blik kwam ik tot de ontdekking, dat er in mijn bin nenste van mijne overtuiging niets overeind was gebleven, dat alles wat ik voorheen geloofde omfreni mij zeiven, omtrent God, cmtreDt mijne betf cn ming in dit en in liet ander leven, in twijfel was verteerd. Wijl, ik bet gezag veiwierp, waarop ik bet bad geloofd kon ik bet niet langer aannemen; ik veiwierp liet.
Dat was ent vreeselijk oogenblik ; mij dacht ik voelde mijn eerste leven, zoo zonnig en zoo rijk eensklapsuitge bluscht, en daar vóór mij een ander onsloten, somber en naakt, waar ik van nu afgeheel alleen zou zijn, alleen met mijne nootlottige gedachte, die mij aan die ballingschap had gewijd en die ik neiging gevoelde te vervloeken De dagen, die op deze mijne oiitdeLk^ng volgden waren de treurigste uit mijn leven. Het zou mij te ver voeren, zoo ik wilde verhalen door welke stoime zij beroerd werden.... Mijne ziel kon zich niet schik, ken in een toestand, zoo weinig berekend op de men-schelijke zwakheid; niet geweldige krachtsinspanning zocht zij den terugweg naar den eens verlaten oever. Maar de overtuiging, door de rede omver geworpen, kan door haar alleen weer worden opgericht. .. . Terwijl ik van den eenen kant de onzekerlie:d van bet vraagstuk van \'s menschen bestemming niet kon ver. dragen, en van den anderen bet geloof miste ter oplossing, bleef mij nog slechts bet licht der rede in mijne verlegenheid overig. Ik besloot dan al den be-noodigden tijd, en zoo noodig geheel mijn leven, aan
— 57 —
dit onderzoek te besteden. Langs dien weg word ik der wijsbegeerte te gemoed gevoerd, die volgens mij niets anders kan zijn dan juist dit onderzoek. Door zijne behoefte geprikkeld, en door de liefde van liet christelijk geloof verruimd, had mijn verstand aan die wijsbegeerte het verheven voorwerp, den grootschen omtrek, de bezielende kracht van een godsdienst toegedacht. Het doel van beide had het zich voorgesteld als èèn en hetzelfde, en zich op geen ander verschil voorbereid dan tusschen de wijze van overreding.
Waar hot geloof zijne voorstellingen als onbetwistbare waarheid voorschrijft en opdringt, daar zoekt en bewijst de wijsbegeerte; met zulke hoopvolle begoochelingen deed-ik mijne intrede in de Normaalschool, en wat vond ik ? D j vinnige strijd, die de slapende echo\'s der Faculteit wakker had geschud, en de hoofden \'mijner studiemakkers vulde, had tot eenig voorwerp .... het vraagstuk van het ontstaan der denkbeelden. Daartoe bepaalde zich alles, en in mijne toemalige onmacht, om hot geheim verband te vatten waardoor do schijnbaar meest afgetrokken en leven-looze vraagstukken der wijsbegeerte aan de meest levende en practische kwesties raken, kwam dit mij voor niets te zijn. Ik kon van mijne verbazing niet bekomen, d;Vt men over den oorsprong der denkbeelden kon twisten met zooveel vuur, alsof geheel de philo-sophie daarmee was uitgeput, en dat men heenstapte over zaken, als do mensch. God, de wereld, de geheimen van hot toekomstig leven en over nog zooveel reusachtige vraagpunten, omtrent welke men openlijk zijn twijfel beleed.... De gansche wijsbegeerte was teruggedrongen in een hoekje, waar de lucht ontbrak, en waar mijne ziel, nog kortelings uit do atmospheer van het christendom gebannen, geen adem kon halen-
Eu evenwel liet gezag mijner meesters en de ingenomenheid mijner leerlingen legden mij liet zwijgen op; ik had den moed niet mijne verbazing noch mijne teleurstelling te toonen. Zoo verliepen voor mij de twee eerste jaren van mijn professoraat, en let men op den arbeid die dien tijd vulde, dan zal men gaarne aannemen, dat hij geen golegcnlieid overliet voor het onderzoek dier algemeene kwesties, waaromtrent ik aanvankelijk klaagde in liet onderwijs van Cousin geene oplossing te vinden. Ik werd op mijn; beurt geroepen tot het onderwijs eener wetenschap, waarvan ik zelfs het voorwerp niet kende. Zelfs moet ik, om oprecht te zijn, bekennen, dat het op zij zetten dezer vraagpunten mij minder pijnlijk begon te vallen. Toch was de bekommering er over niet verdreven uit mijn hart; zij bleef daar in volle kracht voortleven, en van tijd tot tijd, wanneer ik eenige uren vrij had om te mijmeren, gedurende den nacht aan liet raam, of wel dos daags onder het lommer der Tuillerieën, dan werd ik vaak door een inwendigen schok, door een plotselijken aanval van verteedcring eensklaps herinnerd aan mijn geloof van voorheen) thans uitgebluscht, aan de duisternis en ledigheid mijner ziel, en aan het immer verdaagde plan dien afgrond te vullenquot;
Snijdt die droevige bekentenis ons niet door het hart, en kunnen wij ons innig medelijden weigeren aan de bittere teleurstelling van een zoo rijk begaafden geest, die nog altijd hoopt te vinden, maar zich ook altijd even ver verwijderd ziet van hetgeen den afgrond van zijn ledig hart kan vullen?
En de ongelukkige! de verblinding belet hem in te zien, dat er nog een weg open blijft om den verlaten oever te herwinnen, waarheen hij zich door een nimmer
I
slijtend heimwee gedreven voelt, een weg, door den goddelijkon Zaligmaker afgebakend; nisi efficiandni sicut par villi etcquot;
Willen wij nog een voorbeeld van liet heimwee, in de woestijn van het ongeloof naar de vertroostingen des geloofs gevoeld ? De geschiedschrijver en vrijdenker Michelet schreef;
„Wij wijsgeeren en onderzoekers van den nieuwen tijd mogen ons groot houden, zooveel wij willen. Maar wie onzer, te midden der gejaagdheid van het heden-daagsch verkeer, of wel in de vrijwillige gevangenschap der studie, bij die dorre en eenzame nasporin-gon, wie onzer, zog ik, verneemt zonder ontroering het gedruisch dier sehoone christelijke feesten, den roerenden klank der klokken en als het ware haaiquot; teeder moederlijk verwijt? Wie kan zo zien, zonder ze te benijden, die geloovigen, als zij bij stroomen de kerk verlaten, als zij van de tafel des Heeren weder-keeren met een vernieuwd en verjeugdigd leven? De geest blijft standvastig, maar hèt hart is vol droefheid. De volgeling van den godsdienst dor toekomst, wiens hart niettemin aan dien van het verleden gehecht blijft, legt alsdan de pen neder, of sluit zijn boek; hij kan den uitroep niet onderdrukken; ach ! waarom niet een dn\' hunnen zijn, de eenvoudigste, de minste dier kinderen?quot;
Ach ja! wanneer wij den ongeloovige in zijne oogen-blikken van oprechtheid beluisteren, dan zal zijne taal geene andere zijn dan de zooeven opgevangene verklaringen. Hot ongeloof is de dorre woestijn, de bodem met distelen en doornen overdekt, het geloof is het Paradijs, vol van vruchtbaarheid en genoegelijk leven. Moge de wanhopige klacht van hen, die om dat Paradijs treuren, ons als eene waarschuwing tegenklinken, opdat er voor ons nimmer een dag aanbreke, waarop ook wij het een verloren zouden moeten noemen!
Er is een woord van den Apostel Paulas, dat de christenen, vooral in onzj booze dagen, nu liet cliris-telijk geloot zoo aanhoudend en zoo liardnekkig, nu eens met open geweld, dan meer sluw en bedekt, nu een3 met g-\'huichelden ernst en in naam der wetenschap, dan weer met spot en verachting en met den grijnslach van dmvelschen haat wordt bekampt, zich niet te dikwijls voor den geest kan roepen. Bonura
certamen certavi.....fidem servavi, zoo roept deH.
Apostel aan het einde van zijn aardsche loopbaan uit, als om ons, zijne navolgers, er opmerkzaam op te maken, dat wij voor het behoud van one H. Geloof eon onverpoosden en zwaren strijd hebben te leveren, een strijd waarop de H. Petrus ons mot niet minderen ernst wijst in deze krachtige woorden: Adversarius vester diabolus, tamcjuam leo rügiens, circuit, quaerens quem devoret. cui rcsistite fortes in fide.
Ja er moet gesteeden, hard en dapper gesti-eden worden, opdat wij, aan het einde onzer baan gekomen, met den H. Paulus betrouwvol mogen zeggen; iidem servavi; nunc reposita est mihi corona justitiaa, etc. Ter zijde toch van den weg, waarlangs wij ons kostbaar kleinood voortdragen, liggen helsche struikroovers op de loer, om het ons in een onbewaakt oogonblik door een onverhoedschen aanval te ontwringen. En vraagt nu de christen, de christen jongeling vooral die als in het brandpunt des gevaars staat, welke
zijne wap. ncn in dien strijd moeten zijn, ik me,311 hem niet beter te kannen antwoorden dan met de waarschuwing van onzen goddelijken Zaligmaker ; Vigilate et orate. Waak, jongeling, waak. voor uwen schat; wat zou het u baten dien een tijd lang te hebben bezeten, zoo gij hem door lichtzinnige zorgeloosheid kwaamt te verliezen; zou uw lot dan niet rampzaliger zijn, dan da*; van hem die deze bezitting nooit heeft gekend ?
Waak op de eerste plaats omtrent het gezelschap van hen, met wie gij als vriend en makker pleegt te verkseren. Zijn er onder dezen, die voor geloof en zedelijkheid geene oprechte waardeering gevoelen, die daarin geene goederen van de hoogste en edelste orde willen zien, vlucht hun omgang ; en mocht gij daar reeds sinds langoren tijd gewoon hebben gemaakt, aarzel niet die betrekkingen wederom af te breken. Het zal u wellicht kosten, maar waar uw kostbaarste bezitting wordt bedreigd, waar uw geloof gevaar loopt te gronde te gaan, daar moeten alle andere bedenkingen wijken, daar moet aan de natuur het zwijgen opgelegd.
Misschien beschuldigt gij mij van overdreven strengheid. Mij dunkt, ik hoor u tot verontschuldiging- aanvoeren, dat gij het gezelschap dier jongelieden volstrekt niet zoekt, omdat zij buiten het g doof staan, dat gij het integendeel uit \'s harten grond betreurt, dat zij bij de vele goede hoedanigheden, die in hen aantrekken, juist het hoogste, het geestelijk goed missen, door wiens bezit gij u zoo gelukkig en tevreden gevoelt. Maar gij meent hierin geene reden te vinden hun gezelschap te vermijden. Zij zijn beschaafd en geestig, zegt gij, hun omgang is aangenaam en onderhoudend, zij betoenen mij op alle wijzen belang-
— 62 —
stelling en vriendschap, hoe zou ik voor dat alles ongevoelig kunnen blijven en mij vreemd houden aan hun aangenaam verkeer? Overigens schijnt het u, dat hun ongeloof met uw geloof volstrekt niet in botsing zal komen. Gij beroept u op hunne geheel uit eigen beweging afgelegde verklaring, dat zij uwe denkwijze, zooal niet deeleu, dan toch weten te eerbiedigen, en dat het verschil van zienswijze op zedelijk gebied voor wederzijdsche waardeering en vriendschap geen hinderpaal behoeft te zijn. En zoo besluit gij tot algeheele geruststelling, gij zijt sterk in uw geloof; het is bij u innige en heilige overtuiging, die niet zoo licht aan het wankelen zal worden gebracht en moeds genoeg bezit den aanvaller onder de oogen te zien.
En toch, onervaren jongeling, ondanks de beminnelijke goede trouw die er spreekt uit deze uwe tegenwerpingen, verkeert gij in dwaling; uw geloof loopt in dat gezol-schap gevaar, grooter gevaar dan gij het kunt vermoeden, en daarom, hoe liet u overigens koste, houd u verre van de plaats des gevaars. Ik wil vooronderstellen, dat de verklaring uwer ongeloovige makkers, waarmede zij verzekeren niets kwetsends voor uw geloof te willen, eene oprecht gemeende is.
Want, jongeling, het kan ook gebeuren dat uwe argeloosheid door gewetenlooze huichelaars om den tuin wordt geleid. Het kan zijn, dat gij staat tegenover ij veraars en apostelen van Satan, die, wijl zij zeiven den verheffenden troost van een kinderlijk geloof en een rein geweten missen, dien met duivelschen haat vervolgen in den bevoorrechte, die dat kostbaar erfdeel eener christelijke jeugd nog ongerept bewaart. Maar die wolven zijn sluw genoeg om zich met de schapenvacht te omhangen. Zij begrijpen het, met afgrijzen
— 63 —
zoudt gij van hen terugwijk en, zoo zij plotseling en onverholen met hun snooden toeleg voor hot licht traden.
Eerst wanneer zij uwe waakzaamheid voorgoed hebben verschalkt, kunnen zij er aan denken den geestelijken moord langzaam en voorzichtig voor te bereiden.
Maar nog eens, ik wil het ergste niet vooronderstellen, en aannemen dat men tegenover u opreebt sprak. Doch dan durf ik de vraag stellen: zijn zij, die u deze belofte aflegden, al is ook hunne eerlijkheid boven allo verdenking, zijn zij ook bij machte die belofte gestand te doen? Zeiven hebben zij voor het geloof geene achting, zooals maar al te duidelijk blijkt uit linnnc onverliolene en openbare belijdenis van hot ongeloof. Wanneer zij dus verklaren uw geloof te eerbiedigen, kan dit niets meer beteekenen, dan dat zij, uit vriendschap voor u en om u te believen, zich ervau willen onthouden, in hunne gesprekken en daden te laten blijken van de minachting, die zij in werkelijkheid voor dat geloof koesteren.
Maar zal de natuur tegenover dit voornemen niet te sterk blijken? In de veelvuldige gesprekken, die gij met hen wisselt, worden gewis ook vraagpunten behandeld, waarin het geloof, zoo niet rechtstreeks, dan toch zijdelings betrokken is. Zullen zij bij liet bespreken dier kwesties wel anders kunnen dan het standpunt van hun ongeloof innemen ; zal hunne denkwijze omtrent het geloof niet de grondslag moeten zijn, waarop hunne redeneering en beschouwing steunen? Maar wat anders doen zij dan, dan uw geloof bestrijden met hun ongeloof, en is het gevaar van zulk eene bestrijding niet te grooter, naarmate gij op geen aanval zijt voorbereid, en uwe tegenpartij zonder haat en verbittering strijdt ? Ja, jongeling, zoolang het eene
— 64 —
waarheid is, dat men ongemerkt gelijk wordt aan degenen, met wie men als vriend en makker verkeert, staat gij aan een voortdurend, dreigend gevaar bloot.
Eerst zult gij do noodlottige denkbeelden uwer on-geloovige makkers, aan wie ecne lange omgang u reeds met vaste banden heeft gehecht, minder gevaarlijk, allengs minder veroordeelenswaard en onaannemelijk vinden, en gij hebt nog maar een enkelen en laatsteu stap te doen om u met bun ongeloof voorgoed te verbroederen. Ach I laat het tot dat uiterste niet komen, wedersta aan het begin, verbreek den draad, die een keten kan worden, laat u waarschuwen door het woord der H. Schrift: qui tetigerit picem, inquinatur ab ea. Maar het gevaar, dat uwe waakzaamheid onverpoosd levendig moet houden, wacht u nog elders dan in het gezelschap van vrienden, die de uwe niet mogen zijnj in niet minder verleidelijken vorm vindt gij het terug in die onzalige lectuur, die als een tweede, maar veel verwoestender zondvloed onze maatschappij overstroomt.
Het is hier de plaats niet te schetsen, wat die lichtzinnige lectuur, de roman op de eerste plaats, reeds gedaan heeft en op dagelijks zich nog uitbreidende schaal blijft doen, om onschuldige harten te bederven, om de rust van reine gewetens te vermoorden om door den ziekelijken prikkel der nieuwsgierigheid den geest van eiken ernstigen en degelijken arbeid te vervreemden: tegen dit alles toch zijn herhaaldelijk van talentvolle en bevoegde zijde waarschuwende stemmen opgegaan. Daarbij het gevaarlijke en schadelijke dier lectuur loopt met zoo duizende schakeeringen uiteen, dat ieder algemeen vonnis door te groote hardheid of toegevendheid zou zondigen.
Maar het feit is daar en staat boven allen twijfel, dat de zoogenaamde lichte, Verpoozende lechuir onzer
— 65 —
dagen, — met uitname eener minderheid, te gering om tegenover de massa in aanmerking te komen, — aan geloof en zedelijkheid vijandig is. En mogen er nu ook al duizend e overgangen zijn aan te wijzen tusschen de meest schaamtelooze uitspattingen eener aan de zedeloosheid verkochte pen en het zedig optreden van een met zich zelf no_f worstelenden twijfel tegen het geloof, toch is en blijft eene lectuur, die niet overal en in alle omstandigheden voor geloof en zedelijkheid den diepsten eerbied laat doorstralen, voor den christen jongeling een gevaar, dat hem, zoo hij het niet aanstonds ontvlucht, tot val kan brengen. Misschien ware het hem minder gevaarlijk een boek in handen te nemen, waarin het geloof openlijk gehoond en bespot, de deugd door het slijk gehaald, do laagste hartstocht verheerlijkt en aanbeden wordt. Zulk een boek zou hij met afgrijzen verre van zich werpen en de heilzame schrik, waarmee het hem slaat, zou zijne toekomst beveiligen. Doch zoo is niet de gewone loop der zaken. Men begint met een bock ter hand te nemen, waarin deugd en goede zeden gepaste waardeering vinden, waarin ook aan het christelijk geloof geen eerbied onthouden wordt, maar toch zoo, dat twijfel en ongeloof niet die strenge, onvoorwaardelijke afkeuring ontvangen, waarmede de oprechte christen overal en altijd gereed behoort te zijn, en verontschuldigd of vergoelijkt worden op eene wijze, die aan verholen sympathie doen denken.
Eu liet onnadenkende hart heeft geen argwaan; bet heeft een smakelijk gerecht genoten en den druppel vergift niet gemerkt, die er onder gemengd was. En blijft het op dien weg voortgaan, wordt het weldra met onstuimige drift van de eene lectuur tot eene nieuwe voortgestuwd, dan zal, naarmate de dosis ver-
- 66 —
gift steeds grooter wordt, ook het zedelijk gestel door de tracht der gewoonte ongevoeliger worden en allengs gezond voedsel van vergift niet meer onderquot; scheiden. Zou hierin niet de verklaring moeten worden gezocht van een feit, dat ons zonder dat een onoplosbaar raadsel zou moeten schijnen? Niet zelden hoort men uit men mond van jongelieden, die meenen op den naam van brave christenen nog volle recht te kunnen doen gelden, de verklaring, dat zij zonder de minste schade voor hunne ziel boeken doorlezen, waarin toch goloof en goede zeden op iedere bladzijde niets dan feilen haat en innige bestrijding ontmoeten. Maar moet men niet vooronderstellen, dat de ziekte in het zedelijk bestaan dier ongelukkigen zoo ongemerkt is ingeslopen, dat zij, reeds door eene brandende koorts verteerd, nog wanen hunne eerste gezondheid te hebben behouden ?
Maar is het gevaar zoo groot, kan de jongeling, die op zijn titel van christen en katholiek vóór alles prijs stelt, dan wel ooit te behoedzaam zijn in het vluch. ten eener lectuur, die tegen het gevaar van zedelijke besmetting niet de volste ze kerheid biedt ?
Hij zegge niet, dat kennismaking met de hier beschrevene persvoortbrengselen hem voor zijne letterkundige ontwikkeling en vorming onmisbaar is: smaak en oorspronkelijke, stoute vlucht van geest zijn ge. woonlijk verre te zoeken in die marktwaar, met gejaagden spoed bijeengebracht, en naar de luimen en grillen van het lezend publiek gefat soeneerd. Neen de kunst vindt hare modellen, waarop de eeuwen den stempel barer eenstemmige bewondering drukten, gelukkig elders; en al ware zij onder dit opzicht minder rijk en ruim bedeeld, ter harer wille kan de christen de rust en liet geluk zijner eenige en eeuwige ziel niet prijs geven.
— 67 —
En, jongeling, stel tocli ook u zelven niet gerust met de gedachte, dat uw geloof sterk genoeg zou zijn om zich aan den vijandelijken aanval te kunnen wagen. Die het gevaar bemint, zal er in vergaan, ziedaar eene goddelijke inspraak, die gij wel lichtvaardig in den wind kunt slaan, maar alleen om door een nood-lottigen val de onfeilbaarheid ervan voor anderen te bevestigen. Dat bij de eerste aanraking met het gevaar uw geloof levendig en sterk was, dat gij het toen hoogschattet en voor niets ter wereld zijn verheffenden troost zoudt hebben willen derven, ik wil er geen oogenblik aan twijfelen. Maar ik breng daarbij in rekening, dat gij tot op dat oogenblik in een reinen dampkring hadt geademd. De u omringende personen waren zonder uitzondering doordrongen van heiligen eerbied voor het geloof, en hunne gesprekken waren steeds doortrokken van dien echt christelijken geest. De waakzaamheid uwer brave ouders hield elke lectuur, die op uw geloof ook maar den geringsten schijn van smet zou durven werpen, verre van u verwijderd ; gij voeddet uwen geest met boeken en geschriften, die zich tot taak stellen, bij den christen den eerbied en liefde te vermeerderen voor den dierbaarsten schat • welken hij bezit. Dat gij uit zulk een verleden een vurig en krachtig geloof hebt meegebracht, wien zal het verwonderen?
Doch overschat uwe kracht niet. Zoo gij, niet eene enkele maal, maar dag in dag uit, het gezelschap zoekt van hen, wier gesprekken en daden als onbewust den stempel dragen van twijfel en geringschatting opzich-tens het geloof, zoo gij u verslaaft aan eene lectuur, die datzelfde geloof, nu eens meer bedekt, dan met onbeschaamde openhartigheid, of met kouden trots veracht, of met lagen spot verguist, twijfel er niet aan,
— 68 —
in die bezoedelde atmosplieer ademt gij de kiem dor ziekte in, die uw zielelevcn minstens aan eene gevaarlijke crisis zal blootstellen. Nog eens dan, waak en vlucht de gevaren; die vlucht moge al\'zwaklieid schijnen, in waarheid is zij het krachtdadigste, maar ook tevens het eenige bewaarmiddel voor den kostbaren schat, dien wij in broze vaten door dit leven moeten voortdragen.
Een laatste „waakquot; eindelijk moet ik u nog toeroepen, christen jongeling, wanneer de wil van hen, die met gezag over n zijn bekleed en die de verantwoording van de leiding uwer jeugd hebben te dragen, wanneer de plaats, die zij voor u in de maatschap, pij bestemmen, u verplichten den voet te zetten in de moderne tempels der wetenschap. Waar die wetenschap zich van de beschermende leiding des gelcofs heeft losgemaakt, waar zij in ijdelcn waan zich het recht aanmatigt dat geloof te beoordoelen en te ver-oordeelen, wees daar vooraf met een heilzaam wantrouwen gewapend. De wetenschap, zij heeft ontegenzeggelijk recht op uwe dankbare vereering, in zooverre zij uwen geest kostbare en zekere gegevens kan verschaffen, die u in uwen toekomstigen werkkring moeten leiden en steunen, en u een kapitaal van kennis vermaakt, waarmede gij later totJieil uwer mede-menschen zultquot; kunnen woekeren; maar zoodra zij zich tegen het geloof van den christen durft aankanten, het met trotschen twijfel of kwalijk verborgen minachting bejegent, daar moet zij reeds vooraf door hem geoordeeld en veroordeeld zijn- De onfeilbaarheid toch van het geloof staat even vast als de waarachtigheid van God, die door de weldaad zijner openbaring ons heeft willen mededeelen, wat wij met ons beperkt verstand nooit hadden kunnen achterhalen; en het
— 69 -
behoort niet quot;aan de wetenschap dien schat der open-haring te onderzoeken en te vonnissen, maar wel dien dankbaar aan te nemen. quot;Waar bet resultaat harer onderzoekingen tegen de lütspraken van het geloof zon aandruischen, daar moet zij erkennen te dwalen en bereid zijn haar oordeel aan herziening te onderwerpen. Blijft gij van die waarheid innig doordrongen, staat de verhouding tussclien geloof en wetenschap steeds levendig voor uwen geest, dan heb gij u minder ongerust te maken over het gevaar, waaraan gij u niet uit vrijwillige keuze, maar alleen uit noodzakelijkheid hebt blootgesteld.
Maar de waakzaamheid, hoe onmisbaar zij ook moge zijn, is voor de beveiliging van uw geloof alleen niet voldoende; om u in volle vertrouwen de verzekering te kunnen geven voor uw geloof goed en dapper te hebben gestreden, moet gij het gebed bij de waakzaamheid voegen: Bidden, voortdurend en nederig bidden, dat God ons door zijne genade bijsta den schat van ons H. geloof tot het einde onzes levens ongerept te bewaren, dien plicht behooren wij geen oogenblik uit ons oog te verliezen. De herinnering mag niet van ons wijken, dat ons geloof eene gunst, eene gave Grods is, die wij n iet aan ons zelven danken, maar door zijne mildheid, zonder de minste verdienste van onzen kant, in het H. Doopsel ontvingen. En in welken beteren vorm kunnen wij onze erkentelijkheid voor dat kostbaar geschenk, dat wij ons zelven niet vermochten te geven, maar dat wij wel door onze schuld kunnen verliezen, uitdrukken, dan in een hartelijk dankgebed, vereenigd met de smeeking, te mogen behouden, wat wij zonder den bijstand der goddelijke genade niet vermogen te bewaren ?
— 70 —
Ziet God ons in die nederig- dankbare stemming, stijgt de wierook van ons gebed opwaarts tot voor zijn H. Troon, met welgevallen zal Hij zijne gave in ons hart zien rusten; want liet woord is waarheid: humilibus Deus dat suam gratiam, maar waarschuwend ook staat er aan toegevoegd; superbis autem resistit. Zouden wij ondankbaar genoeg zijn het geloof te beschouwen, of als een recht dat God ons niet kon onthouden, óf als eene gave, die, om de verplichtingen welke zij oplegt, in een last overgaat, achten wij het geloof te weinig om het een woord van dank waardig te keuren, of eene bede het te mogen behouden, dan tarten wij als het ware God uit, het uit onze onvruchtbare aarde in de vruchtbare van een nederig dankbaar hart over te planten. Maar dan ook op ons de volle schuld een goed te hebben verloren, dat wij door onzen hoogmoed en onze onverschilligheid sinds lang onwaardig waren geworden. Zoo wij toch onze wapenen van waakzaamheid en gebed in den strijd ongebruikt laten, zullen wij ongetwijfeld overwonnen worden, en kan het woord van den H. Apostel Paulus het onze niet zijn: Bonum certamen certavi enz.
Een ernstig woord van waarschuwing vóór den val mocht den geloovigen christen jongeling in deze bladzijden niet worden onthouden; maar zoo hij het ongeluk mocht hebben gehad reeds gevallen te zijn, dan heeft hij wellicht nog meer behoefte aan een woord van hoop en bemoediging, dat hem kan behoeden voor de ramp, zich neder te storten in den afgrond der wanhoop. Inderdaad de diep rampzalige apostaat, hij verdient meer ons medelijden dan onze verachting. Wij hebben den sluier reeds vroeger verscheurd, waarachter hij zijne zedelijke armoede en ellende voor het oog der wereld poogt te ontveinzen; wij hebben gezien, hoe ledig en akelig het was in zijne ziel, gefolterd door de herinnering aan een gelukkig verleden, en telkens angstig opgeschrikt door de dreigende Nemesis van een onomkoopbaar, nimmer zwijgend geweten. Ach! ongelukkige, zoo gij het althans voor u zeiven niet kunt en wilt verheelen, dat die last al te zwaar op u drukt, beproef het dien van uwe schouders te werpen; gij hebt reeds zwaar geboet voor uwe vermetelheid, laat uwe tegenwoordige ellende toch door die eener rampzalige eeuwigheid niet gevolgd worden, laat bij de wreede kwellingen, die u de rust en de blijdschap uwer ziel rooven, zich niet de don. kere, akelige wanhoop voegen, om de maat van uw ongeluk vol te meten. Keer op uwe schreden terug en\'herneem den weg naar het onzinnig verlaten Para-
— 72 —
dijs; gij zult er aan den ingang geen Engel vinden met liet vlammend zwaard gewapend, om u den loegang te versperren, maar wel de barmhartigheid des Heeren, die u in genade zal aannemen eu u ten volle herstellen in het geluk, dat gij in dwazen trots hadt verworpen. In de gewijde bladen der H. Schrift staat een liefelijk en bemoedigend beeld ontworpen, dat u den weg tot redding en behoud wijst. Het is het beeld van don verloren zoon, die na het hart van zijn grijzen vader door de zwartste ondankbaarheid te hebben gegriefd, bij zijnen berouwvollen terugkeer de volle liefde en teederheid van het vaderhart mocht hervinden.
Do bekeering van den verloren zoon begon, toen bij in zich zeiven keerde^ in se reversus dixit en^. Ook uwe bekeering moet zóó beginnen; voor u het woord der H. Schrift: redite, peccatores, ad cor. Een ernstige en eerlijke blik op uw hart zal u overtuigen, dat daar de genezing uwer kwaal moet beginnen. Wel hebt gij, om u voor het oordeel van anderen te rechtvaardigen, en, zoo mogelijk, ook de beschuldigingen van het eigen geweten te versmoren voorgegeven, dat gij met het geloof uwer jeugd hadt gebroken, omdat dit de onbevangen kristiek van uw intusschen gerijpten geest niet kon doorstaan, maar die voorgevende overtuiging is op deze bladzijden reeds gewogen en te licht bevonden. Laat het u dan nog eens gezegd zijn: niet uw verstand, maar uw hart is tegen het geloof iu verzet. Dat hart heeft niet meer dien ongerepten eenvoud der jeugd, die natuurlijke ongedwongene sympathie, waarmede het nog onbesmette gemoed zich aan de deugd hecht. Trots en zinnelijkheid deden den eersten glans van uw hart tanen, en het geloof, in uwe kinderjaren met de bc-
- 73 —
ho eft en en den drang nws harten in de volmaahste overeenstemming, begon allengs uw tegenzin ie wekken.
Hoep die zoete herinneringen eener blijde i. iigd nog eens voor uwen geest terug, beproef het weer even eenvoudig, even zedig, even rein te word •■n als in de dagen nwer kindsheid, buig uw trots en weerspannig hoofd voor God in een nederig gol;elt;I, en hebt gij dit alles gedaan, vraag dan n zelveu af, of nog iets uwe verzoening en hereeniging niet hot geloof in den weg staat. Zijt gij man van wetenschap, hebt gij overwegende talenten en geestesgaven, in het kamp des geloofs zult gij waardig gezelschap vinden. Gij staat daar met een H. Augustiuus en een fl. Thomas van Aqninen, aan wie ook de heftigste bestrijders van het christelijk geloof den titel van diepzinnige denkers niet durven weigeren, met die br eede schaar van even geleerde als-heilige kerkleeraars, die de ruimte tusschen deze twee reuzen vullen, met tal van echt wetenschappelijke mannen, die nog in onze dagen den christelij-ken naam tot eere en sieraad strekken. Zijt gij van edele geboorte, bekleedt gi j een hoogen rang in de maatschappij, gij hebt u niet te schamen over het kruis, waarvoor machtige vorsten en veroveraars, een Constantijn, een H. Lodewijk van Frankrijk nederig het hoofd bogen. Ach! keer dan, vóór het soms te laat mocht zijn, van uwen rampzaligen weg terug, ik bezweer het u bij de rust uwer gefolterde ziel, bij uwe eeuwigheid, waarvan het geluk of liet ongeluk in uwe handen rust, bij de vreugde eindelijk die er in den hemel onder Gods Engelen en Heiligen zal zijn over het verdoolde schaap, nog tijdig teruggekeerd in den schaapstal van den Goeden Herder.
Eladz.
De slang.................
De besmetting...............21
Het masker................
De helsche ridderorde............43
Het verloren paradijs............53
sgsaF^ ■
• \'5
.
Bij uitgever dezes zijn verkrijgbaar:
OF
Derjamefing onn gcEctlcn en godmicfiiige roerlen,
aan welke de Pausen Aflaten hebben verbonden. Uitgegeven op last vaii Z. H, Paus Pius IX.
en met goedkeuring van de H. Congregatie der Aflaten en Reliquiën uit het ooi spronkelijke in \'t Nederduitsch vertaald, \'
Groot XXXII—588 bladz. Prijs fl. 1.40^
franco per post fl. 1.50.
door cm Jlficsicr der Si. .Paiifus-ïïcfccnijjmg met eene Voorrede van den Eerw. Pater H. J. ALLARD, S. J. en eene prachtige houtgravuur.
Kerkelijk goedgekeurd.
Groot 230 bladz. Prijs fl. 0.60, franco per post fl.
ter verklaring en wetenschappelijke verdediging der devotie
tot het
mieÉilft Bart p km en liet HllEFZuiimt Hart h iria
Piiester uit t Gezelschap van Jezus, Doctor in de godgeleerdheid en gewoon professor dierzelfde godgeleerdheid aan de Universiteit te Inspruk.
VERTAALD EN INGELEID door een Priester der St. Paulus-Vereeniging
(met goedkeuring der kerkelijke overheid.)
Groot 80 bladz. Prijs fl. 0.35, franco per post fl. 0.39.