i) oor.
Baron d\'ABLAIM VAN lUKSSKNBlUu.
.1. L\'. Igt;.
UTRECHT — P. VAN LOOX. i 875.
19IV
Baron d\'ABLAING VAN GIESSENBURG.
J. U. D.
quot;*quot;ll^lH||j|8iTEiT utrecmt
0512 7919
Stoomdruk van J. van Boekhoven, Utrecht.
In een vorig boekske heb ik getracht rekenschap ie geven van de gronden, waarop mijn huishoudkundig stelsel rust. Langs dien weg bedoelde ik het anderen gemakkelijk te maken, zich voor een menigte misvattingen te hoeden, die de werken der meest geachte oeconomisten veelal ontsieren. Verligtte ik daardoor de taak van dezulken, die met eenig doordenken een stevig wetenschappelijk gebouw op eenen onwrikbaren grondslag begeeren op te trekken, ik vrees helaas! dat men er daartoe weinig gébruik van zal maken. Nadenken is een zwaar en lastig werk. Op gezag aannemen bevalt doorgaans het best.
Te vaak en te aanhoudend is misbruik van die moeite-schuwende hebbelijkheid gemaakt. Hiervan zijn niet alleen steeds heerschende zoogenaamde godsdienstige begrippen. maar in waarheid zich met geene religie verdragende dwalingen de stootende en de droevige getuigen. Hetzelfde verschijnsel levert de studie der huishoudkunde op.
Liefde voor de waarheid doet het meest belang stellen in de schriften, die uitgaan van onbetwistbare waarheden, en langs den strikt logisehen weg van het bekende tot de ontdekking van het onbekende komen. Zij behoedt niet
IV
enkel voor afkeer tegen dorre wetenschappelijke werken, maar doet dezulke verkiezen, die de gedachten door geene beuzelingen afleiden, de werking van den geest schaden, en doorgaans vruchten der oppervlakkig \'ijdelheid zijn.
Daarom hébhen de waarachtig wetenschappelijke lieden een afschuw van den bombast, luaardoor evenzeer de katheder socialisten, als bijkans alle dagbladen en tijdschriften, gemeenlijk met onedele nevenbedoelingen, hunne valsche stellingen eenen bedriegeiijken schijn pogen te geven, om daar bij de onkundigen ingang te verschaffen. Eenvoud kenmerkt de wetenschappelijkheid.
De wijze, waarop ten onzent de huishoudkunde wordt beoefend, komt mij meer en meer treurig voor. Aanhoudend verdwijnen de sporen van het begrip der eenheid of overeenstemming van de luetenschap, en worden pogingen aangewend, om de stellige onwaarheid in de hoofden te prenten, dat er strijd bestaat iusschen het regtvaardige en het nuttige, dus tusschen het zedelijke en het goede.
Deze dwaling te bekampen is bepaald een mijner hoofdbedoelingen. De verstandige man neemt, zoo min in zake van wetenschap, als van religie, op gezag aan. Ik heb daarom vooraf, door de uitgave van mijne Grondbeginselen der huishoudkunde, de gelegenheid aangeboden mijne beginselen te onderzoeken, eer ik beproefde ook hun van dienst te zijn, die verkiezen onmiddellijk van de gevolgtrekkingen kennis te nemen. Ziedaar het oogmerk, waarmede ik een aantal huishoudkundige stellingen heb verzameld.
Mijn streven is geweest ze in eene orde te rangschikken. die aan haar goed verstand kan bijdragen. Maar schoon, streng genomen, deze methode elke bewijsvoering of opheldering uitsluit, heeft de overweging, dat ik vaak met ingewortelde misvattingen te kampen héb, mij bewogen soms uitzonderingen te maken.
Herhalingen zijn mij noodig voorgekomen, om, tvanneer stellingen in een verschillend verband worden voorgedragen, verwijzingen naar vroegere plaatsen te kunnen vermijden, die voor de lezing immer lastig zijn.
Bijkomend wensch ik, dat zij, die mijne beginselen beamen, nu en dan in deze stellingen, als in een tuighuis, de wapenen zullen kunnen vinden, welke zij behoeven, om de op haar gebouwde begrippen te verdedigen. Desniettemin weet ik, dat deze proef uit den aard der zake onvolledig is en niet alleen aanvulling, maar zeer waarschijnlijk, wat meer is, ook verbetering zal behoeven.
Boor die verbeteringen aan te brengen zal men bewijzen, mijn oogmerk geheel te hebben begrepen.
DB WETENSCHAP EN DE INDEELING DER HUISHOUDKUNDE.....1
DE MENSCH.....................4
DE WETENSCHAP IN BETBEKKIHG TOT DEN MENSCH.......10
DE ZAKEN IN BETREKKING TOT DEN MENSCH.........13
KENMERKENDE EIGENSCHAPPEN..............18
BELANGSTELLING IN DOEL IS DE ONONTBEERLIJKE BEWEEGREDEN DER
WAARDE-TOEKENNING AAN MIDDELEN...........35
INDIVIDUALITEIT VAN DEN MENSCH.............40
EIGEN EN EIGENDOM..................42
RIJKDOM......................46
NUT DER RIJKDOMMEN.................49
INVLOED VAN DEN MENSCH...............61
ONDERSCHEIDING DER ZAKEN...............69
VOORTBRENGEN...................73
OPOFFERING.....................76
GEBRUIKEN, VERBRUIKEN, VERSPILLEN...........81
VERSTANDELIJKE EN LIGCHAMELIJKE ARBEID.........86
DE MENSCH IN ZAMBNLEVING .............90
DE STAAT....................101
INVLOED DER ZAMENLEVING...............123
GODSDIENST, BETER RELIGIE...............139
VIII
OVEREENKOMSTEN, MEDEDINGING.............136
ONDERSCHEID DER NUTTIGE HANDELINGEN EN DER OVEREENKOMSTEN . 150
VRAAG EN AANBOD..................156
RUILINGSWAARDE, SCHATTING, MARKTWAARDE, PRIJS......164
DE VOORTBRENGING IN ZAMENLEVING............174
VERDEELING VAN DEN PRODUCTIVEN ARBEID . . ......176
ASSOCIATIE.....................180
LOON.......................184
WERKTUIGEN................... 18?
DE NIJVERHEID...................193
DE HANDEL....................199
SCHADELIJKE INVLOED OP DE WELVAART...........208
NATUUR-AGENTEN...................211
EIGENE PRODUCTIVE KRACHTEN..............215
CAPITALEN.....................219
DELE METALEN , GELD................236
BANK- EN SOORTGELIJK PAPIER, NOOD- EN SCHEIDEMUNT.....246
INVLOED VAN DE VERMEERDERING DER EDELE METALEN EN DER RUILINGSMIDDELEN.................252
EERSTE GEDEELTE.
DE WETENSCHAP EN DE INDEELING DER HUISHOUDKUNDE.
De wetenschap is iets Jijdelijks. Zij bestaat uit liet voorwerp van het weten, de waarheid omtrent het werkelijke en hetgeen geschiedt. Daarvan kan het zuivere, het geheel getrouwe beeld, als lijdelijk iets, zich op het voorstellingsvermogen afspiegelen. \')
In den subjectiven (onderwerpelijken) zin, noemt men de voorstelling, die van de waarheid gevormd wordt, wetenschap (juister kennis), te regt of ten onregte naar gelang zij werkelijk met het wezen der dingen en der gebeurtenissen overeenkomt, dan wel slechts schijnbaar op goede gronden rust.
Geene wetenschap zou belangwekkend kunnen zijn,
\') J. B. Say, Cours corap. d\'éc. pol. cons, gén.: «Etre instruit, c\'est nconnaitre la vérité relativement aux choses, dont on veut s\'instruire, «c\'est se former des choses nne idéé conforme a la réalité.»
1
2
indien geen vooibedachtclijke invloed door haar bezit op de toekomst kon worden uitgeoefend indien het bestaande en de daarin voorkomende eenvoudige of zamengestelde oorzaken van hetgeen geschiedt geene en wel voorbe-dachtelijke wijziging konden ondergaan, hetzij ten goede, hetzij ten kwade.
4.
Volkomenheid \') sluit niet alleen den gelijken aard van alle deelen van eenig geheel in; maar sluit tevens alle gebreken en daarom elke mogelijkheid van wijziging buiten.
5.
Het eenige gevolg, dat het gebruik der objective wetenschap kan uitwerken, is de invloed, dien het hebben zal op de rede wanneer deze haar heeft aangenomen. Zij is veeleer reden dan oorzaak.
Subjective wetenschap of kennis is onontbeerlijk, om eenig wezen in staat te stellen, eene eigene werking te verrigten, d. i. eene niet werktuigelijke, eene voor-bedachtelijke, eene werking, waarvoor het verantwoordelijk zijn kan. Zij is het vermogen, om doel en middelen met elkander in verband te brengen, beide aan het oordeel te onderwerpen en dit te verhelderen. Zij is hetgeen den wil helpt bepalen, die aan de redelijke handelingen voorafgaat.
Algeheele, volkomene wetenschap kan slechts dat wezen
\') Daar het wooord volmaakt het begrip bevat van gemaakt, is het niet dienstig ter aanduiding der geaardheid van hetgeen nimmer is ontstaan.
3
dienstig zijn, hetwelk over alle middelen heeft te beschikken, in staat is zich alle denkbare doeleinden voor te stellen en het vermogen heeft, om zijne keuze vrijelijk onder alle deze te bepalen, om dienovereenkomstig te handelen en de uitkomsten te regelen, binnen de grenzen der bestaanbaarheid.
Volkomen wetenschap kan alleen dienstig zijn aan en het deel van het onovertreiïelijke, het geheel redelijke Wezen: den Schepper.
9.
De Almagtige staat aan het hoofd der wereldhuishouding. Zijne wetenschap is: hoe die huishouding, in overeenstemming met zijne eigene geaardheid, ten goede te besturen. Deze wetenschap is de huishoudkunde. Haar onderwerp is de onderscheiding der beste doeleinden en der beste wegen om deze te bereiken. Het is hare bestemming tot regeling der voorbedachtelijke daden te dienen.
•10.
Het wezen, dat in staat is tot voorbedachtelijke verrigtin-gen in eenen bijzonderen werkkring, behoeft slechts eene evenredige wetenschap, een evenredig deel der huishoudkunde te kennen.
In zoover wetenschap of kennis het beperkte eigen vermogen van eenig wezen volmaakt, ter bereiking zijner bijzondere bestemming, in zoover zij dit wezen liet einddoel van zijn streven, de tusschen-liggende doeleinden en de daartoe geschikte middelen doet kennen, en in staat
4
stelt, juist te ooordcelen, goed te kiezen en wijste handelen; in zoover is dit wezen in staat, om door te dringen in de kunde der groote algemeene huishouding Gods. Maar ook daar zijn de grenzen van zijne verantwoordelijkheid. Zij zijn tevens die der huishoudkunde, waarvan dat wezen do kennis behoeft en haar kan toepassen.
De staatshuishoudkunde is dat bijzondere deel der voor-werpelijke wetenschap, hetwelk de openbare besturen hebben te beschouwen, om aan hunne bestemming te kunnen beantwoorden.
De benaming menschelijke huishoudkunde past ter aanduiding der geheele, schoon beperkte wetenschap (kennis), die de mensch behoeft, om in alle voorkomende gevallen zijne daden te besturen, ter bevordering des menschelijken welzijns.
De aard en de grenzen eener voorwerpelijke wetenschap en in het bijzonder der huishoudkunde ondergaan geene wijziging door de beperkte behoefte, die eenig wezen heeft aan hare kennis.
DE MENSCH.
\'s Menschen bewerktuiging bepaalt ziju bestemming, het eenige zelfstandige goed, waaraan alle hem dienstige vermogens en middelen, zooveel mogelijk behoorenbij te dragen.
16.
Bij zijne geboorte verkeert de mensch niet in dien staat van ontwikkeling en welzijn, waarvoor bij vatbaar is. Zijne komst op aarde getuigt geenszins van voleindiging zijner schepping. Do tijd van zijn verblijf op aarde is eene scheppingspériode.
17.
Bij zijne geboorte is de mensch voorzien van redelijke en zedelijke kiemen, \') vatbaar voor welzijn, geluk of heil, bestemd om die kiemen door eigene inspanning en oefening te ontwikkelen en het doel, waartoe ze liem zijn geschonken, te bevorderen; doch onbewust van zijne bestemming, van de vermogens, die hij tot nadering daartoe in zich ontwikkelen kan, van de middelen, die hem daartoe ten dienste staan, en van den invloed, dien hij daar op kan en behoort uit te oefenen.
Hier beneden kan \'s menschen ontwikkeling toenemen.
\') De redelijke kiem is vatbaar voor onstoffelijke aandoeningen, die bijv. door voorstelling van gebeurtenissen, begeerten veroorzaken en mitsdien dezer vermogen om tot handelen aan te sporen, dezer beweegkracht; d. 1. zij stelt in staat de bewustheid te hebben van beweegredenen, in tegenstelling der geheel blinde kracht, welke de zuivere werktuigelijke oorzaken kunnen uitoefenen.
De zedelijke kiem kan worden aangedaan, door de meerdere of mindere overeenkomst, welke gebeurtenissen met het ware goede hebben en daarom de opzettelijke handelingen onderscheidenlijk kenmerkt, die er aan kunnen bijdragen, of geschikt zijn ze te voorkomen of tegen te gaan. De hoogste ontwikkeling der eerste verschaft het uitgebreidste vermogen, om met doel en voordacht te handelen. Die der laatste het krachtigste vermogen het goede van het kwade te onderscheiden en die onderscheiding van invloed te doen zijn op de voor-bedachtelijke handelingen.
6
19.
\'s Menschen bestemming en redelijk doel zijn van geestelijken aard. Zij bestaan in eene toenadering tot Gods toestand en gelukzaligheid, welke ondenkbaar is zonder den hoogsten trap van redelijke en zedelijke volkomenheid.
Als wezen, vatbaar zich zedelijk en redelijk een doel voor te stellen, is de mensch geschikt er naar te streven.
Het aardsche leven van den mensch strekt, in de hand des Scheppers, allereerst om hem, door ondervinding tot bewustzijn te brengen, hem op den weg te leiden, die hem in de gelegenheid stelt op te merken hetgeen zijn welzijn eischt, of hetgeen daaraan schaadt, alsmede om hem vermogens te doen ontdekken, waarop en waardoor hij eenen eigen invloed kan uitoefenen.
De magt, de liefde en de wijsheid van den Schepper stellen buiten twijfel, eensdeels de onbestaanbaarheid onzer geestelijke ontwikkeling en opvoering tot den hoogsten gelukstaat, door loutere werking Gods, met uitsluiting van eigene inspanning, en anderdeels de deugdelijkheid en genoegzaamheid der begaafdheden, gelegenheden en middelen, die ons zijn geschonken en die wij daartoe hebben aan te wenden.
23.
Heeft de menschelijke ontwikkeling aanvankelijk,
7
tot eenen zekeren trap, lijdelijk plaats; zijne geestelijke ontstaat niet, dan slechts voorwaardelijk, in hoo-gere mate. De mensch kan en moet er zelf voor-bedachtelijk invloed op uitoefenen.
De uitoefening van eigen invloed op ons lot is noodig. Zij kan niet verwaarloosd worden, zonder ons schadelijke gevolgen te doen ondervinden.
Door inspanning en oefening der eigene krachten en begaafdheden van den mensch, verkrijgen zij eene ontwikkeling, die hem tot heil strekt.
Het kan den Schepper niet ontbroken hebben aan wijze redenen, om de schepping zóó in te rigten, als zij zich aan onze beschouwing voordoet.
27.
Het is verstandig en leidt tot ontdekking der waarheid , in de schepping en in den gang onzer ontwikkeling Gods wijsheid op te merken en onze begrippen er aan te toetsen.
Als dier, zijn wij vatbaar voor stoffelijke gewaarwordingen, ontvangen wij van de stof de vroegste indrukken van leed en genot, en ontstaat in ons het bewustzijn des aanwezens.
8
■ 29.
Dierlijk genot en leed zijn de uitgangspunten onzer begeerten. Het ligt in den aard der zake, dat deze gewaarwordingen individueel zijn.
30.
Schoon van de belangrijkheid zijns levens onbewust, wordt de mensch aanvankelijk, als het ware werktuigelijk, in beweging gebragt en aangedreven door zijne dierlijke nooden en driften. Zonder zich van het doel zijns levens en van de reden zijner daad rekenschap te geven, schuwt hij den dood.
31.
Tot het behoud van ons dierlijk leven allereerst, en vervolgens tot het ontgaan van smart en leed of tot het smaken van eenig genot, wenden wij allengs, voorbe-dachtelijk, onder voorlichting der ervaring, met meer of minder besef, onderscheiding, oordeel en keuze, niet alleen onze eigene vermogens aan, maar ook de medewerking van dadelijke, en later van meer en meer verwijderde in- en uitwendige middelen.
32.
Door aanvankelijk instinctmatig voor de verlenging van zijn tijdelijk bestaan zorg te dragen, wordt de mensch in staat gesteld het werk zijner opzettelijke ontwikkeling aan te vangen, en verschaft hij zich de gelegenheid en de bouwstof, om dien arbeid voort te zetten.
33.
De mensch onderscheidt zich van de overige diersoorten.
9
zoo wel door de menigvuldigheid zijner behoeften en door haren aard, als door zijne betrekkelijk schaarsche bedeeling met dadelijke voldoeningsmiddelen.
34.
Alle tegenstrijdigheden tusschon Gods liefde en Zijne verzorging van het meest geliefde schepsel, den mensch, moet uit den aard der zake slechts schijnbaar wezen. Zij lossen zich op door de bedenking, dat de menigvuldigheid en de onderscheidenheid onzer behoeften, zoowel als de karigheid der natuurlijke voorziening van het onmiddellijk noodige dienen moet tot onze voorbereiding voor eenen hoogeren, anders onbereikbaren trap van welzijn: inzonderheid, wanneer men een en ander in verband beschouwt met dien uitgebreiden invloed, dien wij boven de overige bekende schepselen, vooral indirect kunnen uitoefenen, en wel door de bekwaamheid om, onder voorlichting onzer wetenschap, de werking te besturen, hetzij van vele onzer krachten , hetzij van eene menigte uitwendige zaken.
35.
De menigvuldigheid, het telkens weder ontstaan en de eigenschappen der behoeften, waarvan de mensch, reeds als dier, ervaring en bewustheid verkrijgt, strekken ter zijner overtuiging 1quot;., dat hij bestemd is tot gezelligheid; 2°., dat de maatschappelijke zamenleving voor hem onontbeerlijk is, aangezien de hulp, die wij elkander kunnen bieden, zoowel tot uitbreiding der individuele beperkte vermogens, als ter bereiking der bijzondere oogmerken; 3°., dat hem de natuurwet gebiedt de banden des gezel-ligen verkeers meer en meer aan te halen.
-10
DE WETENSCHAP IN BETREKKING TOT DEN MENSCII.
36.
Als wezen geschikt, om eigene opzettelijke werking te verrigten, kennen wij den mensch.
37.
De wetenschap, wier kennis geen bestuursvermogen schenkt, is ijdel.
38.
Wegens zijnen aanleg, heeft de mensch behoefte aan en vatbaarheid voor wetenschappelijke ontwikkeling.
39.
De wetenschap, die de mensch zich kan en moet verwerven — ofschoon van gelijke natuur, als die van God, is daaraan ongelijk in omvang.
40.
Het doel, ter bereiking waarvan de mensch is geschapen, is beperkt: en daaruit volgt, dat elke vatbaarheid, tot eigene werking daarbuiten, doelloos wezen zoude.
41.
Het deel der huishoudkunde, dat de mensch kan en moet beoefenen, wordt bepaald door het doel van zijn aanwezen en door de middelen, aan zijn bestuur onderworpen.
42.
Geene andere wetenschap, dan die hem ter toenadering
11
tot het bepaalde doel zijner schepping kan te stade komen , is den mensch dienstig.
43.
De aarde, haar geheele omvang en \'s menschen verblijf daar op, zijn middelen en gelegenheden, hetzij enkel in de hand des Scheppers, hetzij ten bijzonderen dienste van den mensch.
44.
De kennis der waarheden betreffende de onstoffelijke dingen, welke de mensch zich kan verwerven, behoort evenzeer tot zijne huishoudkunde, als die hij kan vergaren van het wezen der stof en omtrent de betrekking hiervan tot zijn heil. Hij, die de afzonderlijke beschouwing der wetenschapsdeelen verwaarloost, of nalaat haar dienstig te maken aan de voorstelling der plaats, welke zij in het geheel innemen, zal zich van dit geheel nimmer een juist denkbeeld vormen. ^
45.
Kortzigtigheid en onkunde zijn medeoorzaken, die den mensch verhinderen, de overeenstemming en onafscheidelijkheid te bevatten van welzijn en deugd, van verlichte zelfzucht en liefde, van heil en Godsvrucht en om hetgeen hem nader brengt aan zedelijke en verstandige volmaking, als een onmisbaar deel te beschouwen der huishoudkunde of van de wetenschap, die wij behoeven, om het beste gebruik te kunnen maken van de begaafdheden en van de middelen, die aan de individuen of aan de besturen van gemeenschappen ter beschikking staan.
\') Storch, Cours d\'éc. pol., T. I. pag. •Tif).
12
De kennis, die zich bepaalt tot het tijdelijke, is die van een ondergeschikt deel der menschelijke huishoudkunde. Hare beoefening, buiten betrekking tot het geheel, is hoogst gebrekkig. Zij is ontoereikend, om den mensch naar zijn doel te leiden, en bestendigt de reeds te veel bestaande gewoonte, met verwaarloozing zijner hoogere belangen, de aandacht schier uitsluitend op de stoffelijke te vestigen.
Schoon de oeconoraie alle de waarheden bevat en de mensch, in absoluten zin, haar noodig heeft te kennen, zoover als hare overeenstemming met zijn doel, vermogens en middelen strekt, brengt nogthans de beperking zijner begaafdheden en omstandigheden mede, dat de beoefening van vele wetenschappelijke vakken aan bijzon-dere geleerden moet worden overgelaten. Dit kan zonder overwegend nadeel geschieden, omdat de menschen de begaafdheid bezitten of kunnen verkrijgen, elkander weder-keerig de vruchten van elkanders ervaringen en onderzoekingen, dat zijn de gevondene waarheden, mede te deelen.
Ingevolge het vermogen van den mensch, om anderen bij te staan, kan de huishoudkundige zich van eenen ont-zettenden arbeid ontslaan, die zelfstandig te verrigten is, en kan het wetenschappelijke onderzoek, dat door anderen behoorlijk volbragt is, hem en oneindig velen baten.
Omdat vele waarheden, buiten hare betrekking op oor-
13
zaken en gevolgen, kunnen worden gekend en medegedeeld , kan de huishoudkundige zich, met goed gevolg, meer bepaald toeleggen, hetzij op de beschouwing van het verband -en van de betrekking der wetenschaps-deelen, hetzij op het ontdekken dier waarheden, welke daarom tot geen eigenaardig en bijzonder vak van wetenschap kunnen behooren, \') omdat elk dezer, binnen hare bestaansgrenzen, in zekeren zin, een geheel zijnde, geene volledige beschouwing toelaat der menigvuldige gegevens van den algemeenen leefregel, dien de huishoudkunde schenkt, der waarheden welke de betrekkelijk meerdere of mindere belangrijkheid betreffen der dingen, der krachten, der omstandigheden, der gewaarwordingen, der toestanden.
DE ZAKEN IN BETREKKING TOT DEN MENSCH.
50.
De beschouwing onzer tegenwoordige organisatie, in verband met de geaardheid van den Schepper, laat niet toe de mogelijkheid te onderstellen, dat de toestand, waarin wij verkeeren, voor wijziging onvatbaar zou zijn.
51.
Schoon wij bestemd zijn voor een welzijn, dat de ondervinding van reine, aangename gewaarwordingen eischt, en de afwezigheid van alle leed, van alle smart; schoon ten slotte de toestand des heils voor den mensch het
\') Say, Cours comp. considerations générales.
14
eenige absoluut belangrijke is, brengt onze tijdelijke bewerktuiging mede zoowel de ondervinding van aandoeningen, die met het goede van dien toestand strijden, als de ervaring van andere, die er mede overeenkomen.
52.
Onze tijdelijke behoefte aan welzijn openbaart zich zoowel bevestigend als ontkennend; zoowel door gebrek aan gewaarwordingen, die tot den goeden staat behooren, als dooi- de aanwezigheid derzulke, welke met dien staat onvereenigbaar zijn.
53.
Onze behoefte aan welzijn deelt zich mede aan oorzaken. Deze zijn de dadelijke of de meer verwijderde, welke de geschiktheid bezitten of kunnen verkrijgen bij te dragen aan de instandhouding van het goede in ons, ter aanvulling van de ons ontbrekende voorwerpen of aan de voorkoming van het kwade en aan de betering der aanwezige gebreken in ons en in bruikbare middelen.
54.
Tijdelijk zijn wij aan ongelijksoortige en zeer onderscheidene onmiddellijke behoeften onderworpen. Zij zijn deels van eenen onstollelijken, deels van eenen stofïelijken aard. Dienovereenkomstig hebben wij mede behoefte aan onstoffelijke en aan stoffelijke medewerkende bevre-digingsmiddelen en oorzaken.
55.
Onze zamengestelde bewerktuiging brengt mede, dat wij door onze onstoffelijke begaafdheden, vermogens en krachten aan de bevrediging kunnen bijdragen, zoowel
45
van onze behoeften aan stoffelijke middelen en zaken, als aan die van onze dierlijke behoeften; en omgekeerd, dat ligchamelijke voorwerpen, eigenschappen en oorzaken dienstig kunnen wezen ter vervulling van hetgeen wij als redelijke en zedelijke wezens behoeven. \')
56.
Zijn de ten onzen dienste staande middelen te beschouwen als de uitbreiding onzer persoonlijke begaafdheden, zoo ook zijn onze behoeften aan uitwendige voorwerpen aan te merken, als uitbreiding van onze behoefte aan persoonlijk welzijn.
57.
De behoefte, die wij aan welzijn hebben, en, ter harer bevrediging, aan de medewerking van zaken, geschikt om er eenen gunstigen invloed op uit te oefenen, is de bron, waar ai t de mogelijkheid ontstaat van ons gebrek er aan, wegens de allezijdige beperking der dingen. Eveneens ontstaat uit dezelfde oorzaken, zoowel met opzigt tot uitwendige voorwerpen, als omtrent persoonlijke begaafdheden en vermogens, voor ons de mogelijkheid, dat ons belang de uitsluitende aanwending daarvan en de beschikkingen daarover eischt.
58.
Alle uit- of inwendige krachten, vermogens en zaken, in staat eenen gunstigen dadelijken of middellijken invloed op ons tegenwoordig of aanstaand welzijn te hebben,
\') Onze kennis is ons zoo zeer nuttig ter voortbrenging en tot het behoud van aardsche goederen, en omgekeerd, als bijv. boeken ter ontwikkeling van onze rede en zedelijkheid.
16
die ons niet telkens ten dienste staan, in den toestand, waarin wij ze behoeven, hebben onderling eene kenmerkende eigenschap, de belangstelling wekkende gemeen.
Van daar, dat wij in eene bijzondere gelijksoortige betrekking tot hen allen verkeeren.
59.
Regtstreeksche of middellijke behoeften, die zonder onze voorbedachtelij ke tusschenkomst geheel worden bevredigd , zijn als niet bestaande te betrachten met betrekking tot onze te volgen gedragslijn; eveneens dezulke, aan wier bevrediging wij onvermogend zijn iets bij te dragen.
De eenige redelijke drijfveer, die ons aanspoort voor-bedachtelijk te handelen omtrent voorwerpen, van welken aard ook, is de goede uitkomst, die ten laatste met betrekking tot ons welzijn, uit de daad zal voort-vloeijen.
De uitkomst eener opzettelijke daad beweegt er redelijk toe, niet alleen wanneer zij ons welzijn baat en de daad er geene schade aan toebrengt, maar nog, wanneer hare baat belangrijker is dan de schade, die uit deze daad voortvloeit, wanneer hare baat, ten koste eener min belangrijke schade, waaraan men zich voorbedachtelijk onderwerpt, d.i. ten koste eener geringere opoffering, zal worden verkregen.
Geene opofferingen, noch van welzijn, noch van mid-
17
delen geschikt het te bevorderen, zijn redelijk, tenzij het geen men ten haren koste behouden of verkrijgen zal. ruim schadeloos stelt, zoo niet terstond, althans in de toekomst.
63.
De juiste kennis der gewaarwordingen, waarvoor wij vatbaar zijn, en van den meerderen of minderen invloed, dien haar aan- of afwezen op ons welzijn uitoefent, is ons niet aangeboren. Zij ontstaat ook niet onvermijdelijk in den lijdelijken mensch. Even weinig de kennis der oorzaken instaat het ontstaan en de voortduring dier gewaarwordingen te bevorderen of tegen te gaan, en die der vermogens, welke wij bezitten of verkrijgen kunnen, om daarop invloed uit te oefenen.
64.
Zoo lang de mensch staat op het uitgangspunt van zijne ontwikkeling, zoo lang hij nog slechts bewustheid heeft van zijn dierlijk goed en kwaad, kent hij geene andere behoeften, dan die aan het dierlijke welzijn en nog wel hoogst gebrekkig die aan middelen welke strekken ter barer bevrediging.
65.
Zoo lang de mensch de noodige zedelijke en verstandelijke ontwikkeling derft, om juist te kunnen oordeelen over den meerderen of minderen invloed, dien zijne onderscheidene behoeften en hare bevrediging op zijn welzijn uitoefenen, haar niet paart aan zijne kennis der middelen, blijft hij onmagtig zijne gedragingen te doen overeenstemmen met de eischen van zijn welzijn, en dien ten gevolge buiten staat overeenkomstig met zijnen aanleg
2
18
en zijne vatbaarheden, aan de instandhouding en bevordering er van bij te dragen.
Alle voorwerpen van beschouwing, waarvan de werking-onderworpen is aan \'s menschen bestuur, zijn niet dan min of meer voorwaardelijke oorzaken van welzijn, onverschillig of zij in den daartoe meest geschikten toestand en omstandigheid verkeeren, dan wel of zij daarop slechts eenen meer middellijken invloed kunnen hebben.
De mensch behoeft zoowel kennis van zaken, wier onmiddellijke werking van zijn bestuur afhangt, als van andere, wier behoud, bestaan, voortbrenging, zamenstel-ling, vorming, overbrengst naar andere plaatsen of in latere tijdperken en in verschillende betrekkingen of omstandigheden, hij voorbedachtelijk heelt te bevorderen of tegen te gaan.
Ter verwezenlijking van doeleinden, is den mensch vaak eene kunstvaardigheid of bekwaamheid onontbeerlijk, welke gemeenlijk niet, dan door oefening, te verkrijgen is.
KENMERKENDE EIGENSCHAPPEN,
De bloote eigenschap, die in staat stelt om, bij voorkomende gelegenheid, aan eene of andere uitkomst mede
19
te werken, heet bruikbaarheid. \') Het bruikbare heeft op zich zelf\' noch goede, noch schadelijke vermogens, te dier zake geene bepaalde geaardheid. Dienaangaande ontleent het zijn caracter aan dat van het einde, waartoe en van den zin, waarin het er voorwaardelijk op kan medewerken. Bruikbaarheid is altijd eene betrekkingseigenschap.
De bruikbaarheid ondergaat eene wijziging van hare geaardheid, zij gaat over tot nuttigheid !) door het aanwezig zijn van alle voorwaarden, waaronder hare werking-kan plaats hebben. Deze is, in de huishoudkundige betee-kenis des woords, de kenmerkende betrekkings-eigenschap ten goede der middelen.
\'s Menschen opzettelijke daden strekken vaak uitsluitend daartoe, om de bruikbaarheid der voorwerpen te beter tot hunne nuttigheid te doen overgaan. \')
\') Een onbekend vergif, een onbekende, zelfs een onbereikbare stcen-kolenlaag heeft bruikbaarheid, kan slechts onder misschien niet aanwezige voorwaarden dienen om, hetzij een misdaad te bedrijven, hetzij aan menschelijke behoeftan te voldoen.
2) De dolk is den moordenaar nuttig ter volbrenging van zijne daad. Het zonnelicht, dat ons omgeeft, heeft zijne nuttigheid ook voor beesten. In eenen beperkten, doch in de menschelijke huishoudkunde passenden zin, bezigt men het woord, om een meer bepaald begrip weder te geven. Dan geeft het te kennen de volkomene bekwaamheid, om aan de instandhouding of bevordering van menschelijk welzijn, hetzij regt-streeks, hetzij middellijk bij te dragen.
3) Vele werkingen staan onder \'s menschen opzettelijken invloed. Diens uitkomsten zullen zich zeer onderscheidenlijk openbaren, met
betrekking tot het goede van onzen toestand, en tot het nuttige der
20
72.
De menschelijke behoeften zijn niet alleen afwisselende, maar beperkt, zij zijn aan tijd en veelal aan plaats verbonden. Van daar dat alle stoffelijke voorwerpen slechts in begrensde hoeveelheid en in gewisse omstandigheden, dus in afwisselende uitgebreidheid, de eigenschap nuttigheid kunnen bezitten \'), hetzij in betrekking tot onderscheidene individuen, hetzij tot hetzelfde individu óp verschillende tijdstippen.
73.
De overgang van de bruikbaarheid der voorwerpen tot
middelen. Het hangt niet oorspronkelijk af van onze daden, of die uitkomsten al dan niet zullen plaats hebben; reeds van onze voorstellingen, zoowel des laatsten doels en der tusschen liggende doeleinden, waarnaar wij oordeelen te moeten streven, als van het meerdere of mindere vermogen, dat de middelen en onze voorbedachtelijke tusschen-komst bezitten ter verwezenlijking van het goede.
Hierin ligt de oorzaak van den belangrijken invloed der menschelijke inzigten op de nuttige aanwending der dingen, krachten en omstandigheden , en mitsdien op de gevolgen, welke, met betrekking op ons welzijn, uit de werking der opvattingen zullen ontstaan.
quot;Vele oorzaken, waarvan de ons dienstige werking door \'smenschen opzettelijke tusschenkomst wordt verhoogd of die haar bepaaldelijk ver-eischen, bezitten bloot de eigenschap van minder volkomen nuttigheid, van bruikbaarheid, waarvan de overgang tot de eigenschap nuttigheid enkel ingevolge van onze onkunde en dwalingen uitblijft. Deswegen eischt ons welzijn betere en vollediger kennis der waarheid betreffende de eigenschappen, de vermogens en het gebruik, dat te maken is van die voorwerpen. Bijv. de stoomkracht bestond ten allen tijde. Zij was bruikbaar van den aanvang der schepping af.
Hare nuttigheid dagteekent niettemin van het oogenblik, waarop kennis den mensch heeft in staat gesteld hare bruikbaarheid er toe te verheffen, door het ontbrekende aan te vullen.
l) Onze beperkte behoefte aan levenslucht bepaalt hare betrekkelijk uiterst geringe hoeveelheid, welke de eigenschap nuttigheid bezit. Zij eischt overeenstemming van tijd en plaats.
21
hunne nuttigheid, kan nimmer plaats hebben, dan naar gelang onze behoeften het gedogen. \')
74.
De meest bruikbare zaken missen alle nuttigheid, wanneer hare aanwezigheid en die der personen niet zoowel tijdelijk als plaatselijk zamentrelïen. Tusschen die voorwerpen en de personen bestaat daarbuiten de betrekking niet, welke vereischt wordt, ter volmaking van hun vermogen om aan de bevrediging dezer behoeften te kunnen bijdragen. 2)
75.
Betreffende hun vermogen, om aan de voortduring of bevordering des menschelijken welzijns mede te werken, missen in huishoudkundigen zin de meest bruikbare voorwerpen in som alle nuttigheid, wanneer de overgang daartoe slechts te bewerkstelligen is, ten koste van opofferingen, welke het welzijn meer schaden, dan de voorwerpen, nadat zij in de vereischte betrekking zijn overgebragt, er gunstig óp kunnen werken. 3) Naar aanleiding van het voorstellingsvermogen, kan de nuttigheid vertegenwoordigd worden, welke de bruikbaarheid verkrijgt, na haren overgang, en moet de tegenwoordige nuttigheid der bruikbare dingen zooveel minder worden gesteld, als de overgangskosten in omgekeerden zin invloed op \'s menschen welzijn hebben. \')
\') Bijv. die der geneesmiddelen niet buiten den kring, dien de ziektegevallen bepalen.
Boomen op een ontoegankelijk rotspunt stemmen plaatselijk zoo min met onze behoeften overeen, om nuttig te kunnen wezen, alsnog niet voortgebragte voedingsmiddelen tijdelijk.
!) Zoo heeft eene hoeveelheid koorn hoegenaamd geene nuttigheid, die tot hare vereischte inbetrekkingslelling tot de behoefte, het verbruik van eene groolere hoeveelheid of van eene grootere waarde vordert.
^1) Zoo beperkt de nuttigheid van eene bepaalde hoeveelheid koorn
22
De waarde (in voorwerpelijken zin) is de kenmerkende zelfstandig goede (of, wegens middellijke goedheid, de nuttige) eigenschap der dingen, tot welker behoud, verkrijging of gebruik \'smenschen belang voorschrijft, zich voorbedachtelijk aan opofferingen te onderwerpen. Zij is de oorzaak of reden, welker allezijdig juist inzigt den mensch redelijk en zedelijk aanspoort en beweegt, zich in te spannen en opzettelijke daden te bedrijven, die zelfstandig eenen min gunstigen, soms eenen bepaald schadelijken, eenzijdigen invloed op zijn welzijn hebben \') maar door de uitkomst ruim worden vergoed.
De toegekende (de subjecti ve of onderwerpelijke) waarde is het resultaat van \'s menschen oordeel. Zij staat daarom onder den invloed van zijne dwalingen en van de gebreken zijner redelijkheid en zedelijkheid. 2)
Opdat eene zaak waarde kunne hebben, is onontbeerlijk.
zich tot die des overschots, na aftrek van de hoeveelheid, ten koste waarvan de overgang harer bruikbaarheid tot nuttigheid is te verkrijgen.
*) De waarheid, de gezondheid, de geestkracht, de ervaring, de kennis, de zedelijkheid, het juiste oordeel, het voedsel, de werktuigen, hebben in bepaalde omstandigheden alle waarde. Zij kunnen alle bijdragen tot het eenige zelfstandig voor den mensch waarde hebbende goede, zijn heil. De zedelijkheid, zoowel als de rede, gebiedt ons tot hunne instandhouding, verkrijging of gebruik, zoo noodig, offers te brengen. Het is onder voorlichting der zedelijkheid vaak redelijk, dat men er opofferingen voor doe, als bijv. van genot, van bezittingen, van tijdelijk gebruik, of dat men zich daartoe opzettelijk aan eenigleed, aan smart of vermoeijenis onderwerpe, en wel telkens, wanneer langs dien weg ten slotte het welzijn zal worden gebaat.
s) Het oordeel, dat de ijdele praalzucht doet vellen over de waarde der edele gesteenten, is niet juister, dan dat des dronkaards over de weldadige eigenschappen van sterkendrank.
23
dat zij een zelfstandig goed zij, of het vermogen bezitte eenen middellijk goeden, eenen nuttigen invloed op het zelfstandig goede uit te oefenen, dat zij mitsdien in waarheid nuttig zij. 1)
79.
Omdat alle dingen, die de natuur ons in verhouding tot onze behoeften, zonder onze tusschenkomst, ten allen tijde en plaatse, in overbodigen overvloed schenkt, en zoo doet werken, dat zij in zooverre als die dingen er voor vatbaar zijn, ten volle ter bevrediging strekken van onze behoeften, bestaat dienaangaande voor ons geene beweegreden om ons in te spannen en ons voor-bedachtelijke opofferingen op te leggen. Hun ontbreekt de tweede factor, welke in huishoudkundigen zin het onderscheid oplevert tusschen de eigenschappen, die de bruikbaarheid en zelfs de nuttigheid of het goede, en tusschen die, welke de waarde kenmerken.
De objective waarde der dingen is de bestaande reden, waarom wij belang hebben te stellen in hun bestaan, gebruik, genot, behoud, verkrijging of bezit.
De subjective of toegekende waarde is die, welke ons, te regt of ten onregte, naarmate zij met de objective overeenstemt, in eene soortgelijke gemoedsstemming ten opzigte van de dingen doet verkeeren, als die der liefde, omtrent personen. Zij openbaart zich door onze geneigdheid en bereidvaardigheid om ons, des gevorderd, ter hunner zake
*) Daar het waarachtige welzijn het eenige zelfstandige goed is, kan niets van dat goed de daarmede overeenstemmende eigenschap nuttigheid of waarde ontleenen, dan zulke dingen, die het vermogen bezitten bij te dragen aan de instandhouding of aan de bevordering daarvan.
24
voorbedachtelijk aan opofferingen van welzijn of van zulke middelen, ter bevrediging onzer behoeften, te onderwerpen, waaromtrent wij evenzeer de regelen der huishoudkunde hebben in acht te nemen.
Beide factoren van het wezen der eigenschap waarde, zoowel de betrekkelijke belangrijkheid van het goede of nuttige der dingen, als de betrekkelijke uitgebreidheid der onvermijdelijke opofferingen, vereischt tot het gebruiken , behouden, of verkrijgen van uitkomsten, eigenschappen in zaken, hebben invloed op de uitgebreidheid hunner waarde.
Omdat de eigenschap der waarde haar uitsluitend bestaan verkrijgt in dingen, aangaande welke de mensch opzettelijke daden heeft te bedrijven, waaraan opofferingen zijn verbonden; zoo volgt, dat de toegekende waarde van invloed is en terugwerkt op de betrekking, waarin de voorwerpen tot \'s menschen welzijn staan, omdat deze voorstelling uitsluitend den mensch voor den geest staat en hem tot handelen beweegt en mitsdien tot zijne noo-dige deelname aan den overgang der bruikbaarheid tot nuttigheid. \')
83.
De invloed, welke dwalingen en valsche oordeelvellin-.
\') Waarschijnlijk heeft deze overweging Storch alle andere uit het oog doen verliezen, en hem in de dwaling doen vervallen, welke hij T I pag. 56 van zijn werk aldus uitdrukt; «LTarrêt que notre jugement porte sur l\'utilité des choses, constitue leur valeur, et en fait des biens.quot; Blijkbaar schrijft hij aan eene medewerkende oorzaak, aan haren bloot wijzigenden invloed het geheele effect toe.
25
gen hebben op de uitbreiding of vermindering der toegekende nuttigheid en der waarde van dingen, waarvan wij de wording, het behoud of de werking in ons belang hebben te besturen, kan voor \'smenschen welzijn, in algemeenen zin, nimmer van ^unstigen aard wezen, vaak van zeer schadelijken.
84.
Elke dwaling of valsche beoordeeling, welke op de waarde der dingen drukt, schaadt aan het voortbrengen en het behouden er van, daarom aan het daarvan te maken gebruik. Zij, welke hunne waarde doet overschatten, spoort aan, ten nadeele des bijzonderen en des gemeenen welzijns, te dier zake overdrevene opofferingen te doen. \')
85.
Hetgeen wij bestemd zijn ten koste van inspanning en opofferingen te genieten, te behouden, te verkrijgen en te worden, heeft om en door zich waarde; buitendien niets, dan als middel of medewerkende oorzaak. 1)
De waarde is noch bestaansvoorwaarde, noch bestand-
) Zóó is het zelfs aangaande onze ware gemoedsstemming omtrent God, onze kennis van Hem en van onze betrekking tot Hem. Die kennis en gemoedsstemming, welke men beter door het woord religie uitdrukt dan door godsdienst, zijn slechts voor den mensch belangrijk, omdat zij dienen tot instandhouding en bevordering des welzijns.
26
deel der zaken. Zij is eene betrekkingseigenschap, welke den aard nader kenmerkt van het onder \'s menschen bestuur te bevorderen zelfstandig goede en van hetgeen hem daartoe, als midden oorzaak kan dienen. In den objectiven zin is het de kenmerkende eigenschap der betrekking, waarin voorwerpen tot \'s menschen heil staan, door den gunstigen invloed, welken zij onder \'s menschen wijze besturing kunnen uitoefenen; subjectief die, waarin zij geoordeeld worden te staan.
87.
De objective waarde is die, welke ons, als spoorslag, tot handelen behoorde aan te zetten; de subjective die, welke er ons toe drijft en die ons telkens ons ware doel zal doen missen, wanneer z;j van de objective verschilt. \')
De betrekkingseigenschap nuttigheid en mitsdien ook de waarde, waarvan zij een bestaansvoorwaarde is, zijn in de dingen bij uitnemendheid verschillend, hetzij gelijktijdig voor onderscheidene personen, hetzij voor de zelfde in gewijzigde omstandigheden. quot;)
\') De overdrevene waarde toegekend aan vele voorbijgaande genietingen en aan voorwerpen, als bijv. diamanten, komt voort uit\'smenschen gebrekkige redelijke en zedelijke ontwikkeling en ijdelheid.
2) Schoon onze bestemming, ons heil, ons waarachtig welzijn één zijn, en daarom eene voor verschil of wijziging onvatbare zaak, verkeeren wij tijdelijk in omstandigheden, die zoowel verschillen van die onzer natuurgenooten, als zij zelve telkens wijzigingen ondergaan. Van daar dat wij onderling, en ieder onzer, op verschillende tijdstippen, onderscheidene behoeften hebben.
Van daar, dat de zelfde of volmaakt gelijksoortige voorwerpen, noch voor ieder onzer steeds, noch voor allen tevens eenen gelijken graad van nuttigheid kunnen bezitten, omdat zij enkel in volmaakt gelijke
27
De uitgebreidheid der waarde kan evenmin gemeten, gewogen en door eene som van eenheden uitgedrukt worden, als die van het welzijn, van het goede, van de gehechtheid of van de liefde, in één woord: als die van elk ander onstoffelijk iets.
omstandigheden volmaakt gelijke uitwerkingen op het weizijn kunnen veroorzaken.
Een soortgelijk verschil bestaat met betrekking tot de opofferingen, ten koste waarvan de onderscheidene personen of elk hunner op verschillende tijdstippen, kunnen bijdragen aan het genot, het gebruik, het behoud en de verkrijging der dingen.
Beide factoren der waarde aan die verschillen en aan die wijzigingen onderhevig zijnde, zijn ook de onveranderlijkheid en de eenheid der waarde van bepaalde voorwerpen onvermijdelijk loutere hersenschimmen en mitsdien is eene waarde maat onbestaanbaar.
Niet alleen de waarde der dingen, maar hun waarde-verschil en afwisseling of wijziging, liggen in de schepping. Het is onbestaanbaar, dat daarvoor wijze redenen zouden ontbreken.
De onloochenbare feiten zijn algemeen en op goeden grond erkend, dat wij op aarde in eenen gebrekkigen, in eenon zeer onbevredigenden toestand verkeeren; dat hij het bepaalde caracter van een kwaad draagt, omdat wij er het bewustzijn van hebben. Daar dit een eigenaardig kenmerk van onze scheppingsphase is, en wij in den Schepper de hoogste wijsheid, de uitgebreidste magt en de volmaakte liefde erkennen, zijn wij gehouden (om niet aan ons zelve ongelijk te moeten worden) noch de vatbaarheid te loochenen, die wij bezitten, van tot eenen daarmede overeenstemmenden toestand over te gaan; noch die, welke aan onze tegenwoordige levensphase eigen is, om daarop eenen gunstigen invloed uit te oefenen. Die overeenstemming is enkel denkbaar, wanneer de ervaring met de waarneming van dien toestand eene medewerkende oorzaak vormt, eene drijfveer is, die ten goede leidt.
Daar de menschelijke bewustheid uitsluitend in regtstreeksche aanraking staat tot ons onstoffelijk organisme, kan zij, zonder zijne tusschen-komst, geene gevolgen voortbrengen. Daarom moet de oorzakelijkheid van het goed en kwaad, dat zij mededeelt, door den invloed, die het als onontbeerlijk iets uitoefent op ons onstoffelijk bestanddeel, een werkzaam beginsel wezen, hetwelk ons tot bedrijvigheid aanspoort. De
■28
90.
Daar in onze behoeften, in de vermogens der dingen en in de steeds wisselende betrekkingen, waarin deze staan tot de bevrediging van gene, de gronden liggen der nuttigheid, is beider zamenwerking buiten staat, eene onveranderlijke kracht ter opwekking van onze
ondervinding van goed en kwaad, onafscheidelijk van onzen tegen-woordigen toestand, geregtigt het besluit, dat de mensch, om zijne bestemming te kunnen bereiken, geene eigene voorbedachtelijken medewerking ontberen kan, dat eene lijdelijke voleindiging zijner schepping, onbestaanbaar is.
Uit overweging, dat de mensch de eerste oorzaak der dingen niet is, moet daarom van gemeld feit worden afgeleid, dat zijne bestemming mede onbereikbaar zoude wezen, indien hem geene vermogens en middelen waren geschonken; indien hij ze uit het niet te voorschijn had te roepen; indien hij onbewust was van den onafgewerkten toestand, waarin hij verkeert, van zijn vermogen om op de verbetering er van invloed uitteoefenen en van zijne geschiktheid om voorbedachtelijk bij te dragen aan de ontwikkeling en uitbreiding van dat vermogen.
Een en ander harmonieert uitsluitend met het begrip, dat de voleindiging van \'s mensclien wording onbestaanbaar is, tenzij 1°. ontoereikende voorziening plaats heeft in de behoeften, waarvan hij de bewustheid of ten allen ajde óf lijdelijk verkrijgt, wanneer en in zoover hij onvermogend is haar voorbedachtelijk op te wekken; 2°. hij, ter bevrediging dier behoeften, door die bewustheid wordt aangespoord tot de voorbedachtelijkebedrijvigheidjvereischt ter verdere ontwikkeling dezer bewustheid en ter bereiking van of toenadering tot de voleindiging zijner schepping.
Dit kan zij enkel, wanneer den mensch meer dan één weg van handelen open staat; wanneer hij eene zekere mate van vrijheid geniet, wanneer hij omtrent zijn doen en laten heeft te kiezen, te overwegen, vooraf een besluit op te maken, derhalve in staat is zich voor te stellen uitkomsten, die hij heeft te bevorderen of te vermijden, middelen, die daaraan kunnen bijdragen, en wegen, waar langs hij hunne werking in overeenstemming met zijne belangen kan besturen; bij zamentrek-king hoe hij heeft te handelen en niet te handelen, in een woord zich te gedragen.
29
belangstelling, te bezitten. Mitsdien kan onvermijdelijk het product dezer factoren, de waarde nimmer in eenig voorwerp eene onveranderlijke uitgebreidheid hebben, waarbij die van de overige dingen zou zijn te vergelijken, dat is: daarom is eene waardemaat een onding.
Hierin ligt opgesloten, dat hij niet alleen zich toekomstige gewaarwordingen, gebeurtenissen, werkingen en zaken moet kunnen voorstellen en het verband, waarin zijne opzettelijke daden, regtstreeks of middellijk tot haar, tijdens hare wording staan, maar ook den invloed, dien deze beslissend op zijne gedragingen moeten hebben, omdat daarvan deels zijn aanslaande toestand afhangt, in korte woorden: dat hij vatbaar is, en alzoo in zedelijken zin, dat hij verpligt en verantwoordelijk is, overeenkomstig met zijn waarachtig welzijn, redelijk te handelen.
Ligt in het goede of in het nut eener uitkomst eene reden van wenschelijkheid, om het vermogen ter zijner beschikking te hebben, die uitkomst te bereiken en daardoor ten goede op den menschelijken toestand mede te werken, zoo ligt eene omgekeerde reden in het tegenovergestelde. Daarom, wanneer er eene keuze moet worden gedaan, ligt eveneens de reden harer bepaling in het overwegende, hetzij goede of nuttige, hetzij kwade of schadelijke. Wanneer de mensch vooraf te kiezen en te bepalen heeft hoe te handelen, behoort hij zich tot het besluit te laten leiden door het volle inzigt der gevolgen en het overwigt der redenen, als dan juist te beoordeelen, dat is door het goede of nuttige en het kwade of schadelijke der uitkomsten, die ten gevolge van zijne daden zullen ontstaan, te overwegen, een juist oordeel te vellen over hun verschil, zijne belangen en zijnen te volgen leefregel.
In alle die menigvuldige gevallen is niet alleen aan een deel der uitkomsten te denken, d. i. aan die, welke men positief zal bereiken, maar evenzeer aan die, welke gelijktijdig onbereikbaar worden, aan die, waartoe men negatief zal geraken.
Daarin bestaan eigenlijk de onderscheidene opofferingen van goed of nuttigheid, ten koste waarvan men vaak betrekkelijk beter uitkomsten en doeleinden heeft te bereiken of te besparen.
Het goede of nuttige, dat uitsluitend te genieten, te behouden of te verkrijgen is, onder voorwaarde van zich willens en wetens aan opofferingen te onderwerpen, onderscheidt zich daardoor van het bloot goede of nuttige. Deze bijzondere eigenschap geeft men door het woord lüacmfc te kennen.
Ontkennende waarde heeft alzoo elk bezwaar of schadelijk vermogen,
30
91.
De waarde der dingen of hare uitbreiding mag niet onvoorwaardelijk als een goed of als een een kwaad, worden aangemerkt, omdat zij een kenmerkende eigenschap is, waarvan het bestaan zoowel de onvermijdelijkheid van opofferingen bevestigt, dus eenen toestand, die met ons welzijn strijdt, als een zelfstandig goed of eenige nuttigheid, derhalve iets, dat er mede overeenstemt.
dat men voorkomen of in zijne werking tegengaan kan, door zich opzettelijk aan een minder kwaad of aan eene geringere schade te onderwerpen. In dien zin heeft de bevrediging onzer behoefte, ten koste van onderscheidene opofferingen, waarde en eenen grond, dien de gezonde rede zal goedkeuren.
Noch menschelijke vrijheid, noch keus, noch zedelijke handeling5 noch ontwikkeling, noch eindelijk bereiking onzer bestemming is denkbaar, zonder de eigenschap waarde in de dingen tijdens de wordingsperiode, die wij gedurende ons aardsch leven doorloopen.
De eigenschapwaarde, waarvan het overwigt ons tot handelen moet aanzetten, verschilt, wegens het goede of nuttige der uitkomsten, wegens het kwade of schadelijke er van, wegens de opofferingen, die gepaard gaan met de al of niet bereiking der gevolgen, en omdat beide factoren voor onderscheidene personen verschillen, werkt dit hoofdzakelijk mede aan de sluiting der maatschappelijke verbindtenissen. Dat verschil :ls de voorwaarde, waaronder de individuen door zelfzucht kunnen worden gedreven elkander onderling bijstand te verleenen, te helpen en overeen* komsten van ruil te sluiten. Is het onmisbaar tot wording der zamen. leving, niet minder ter voorbereiding van alle hare gunstige gevolgen. Zonder dat verschil is \'s menschen ontwikkeling ondenkbaar, zonder dat verschil ontbrak in de schepping eene oorzaak van nadering lot haar doel.
De ontkentenis van alle waarde, uitgenomen de ruilings of marktwaarde komt voort uit wanbegrip der eigenschap. Zij houdt de verwerping in van het bestaan des ganschen geslachts, dat alle waarde-soorten bevat. Het is handtastelijke onzin, niettemin het bestaan van eene of meer der soorten te beweren. Men stelt zich daardoor buiten staat eene gezonde reden aan te geven, die er toe beweegt in de instandhouding of besparing, in de verkrijging, in het gebruik, in het bezit, in den
31
92.
De aanwas of afname der waarde van de dingen ontstaat uit en bewijst, hetzij verbetering, hetzij verachtering van \'smenschen toestand, naar de reeks van oorzaken, waaruit die verschijnselen ontstaan. \')
93.
De voorwerpelijke waarde der zaken wordt bepaald door, zij is evenredig aan het voorregt, dat het genot er van, of het uitsluitende regt om er over te beschikken verschaft, zonder door zijn gebruik van dat regt inbreuk op eens anderen vrijheid of regt te maken, en zonder dooiden afstand er van, de toestemming van anderen te ontlokken, zich voorbedachtelijk aan opofferingen te onderwerpen 2) waarvoor hun geene ruime schadevergoeding zal toevallen.
eigendom van eenig voorwerp belang te stellen, zich er toe in te spannen, er opofieringen voor te doen, tot het aangaan van overeenkomsten, tot de wording der hedendaagsche maatschappij, want in den grond der zaak ontkent men den oorsprong van alle waarde-verschil. Maar hetgeen nog meer in het oog loopend is, men verloochent den oorsprong, het bestaan der ruilwaarde zelve. Deze oorsprong is de waarde welke de dingen, óf zelfstandig hebben, óf wegens den gunstigen invloed, welken zij op de bevrediging der behoeften kunnen uitoefenen, en die zonder hen onbestaanbaar zoude wezen.
^ De toename van behoeften of van de bezwaren, die het gebruik, het behoud of de verkrijging der bevredigingsmiddelen in den weg staan en die bevrediging bemoeijelijkt, is altijd een kwaad. Het betere gebruik, dat men van de dingen leert maken, is altijd een goed, ook in de gevolgen, die daaruit voortkomen of uit de verzwakking der daartegenoverstaande oorzaken. Dit is in aanmerking te nemen, om juist te oordeelen over den aard der gevolgen, die er uit ontstaan, op de rijzing of daling van de waarde der dingen.
2) Wanneer men een voorwerp, dat niet of weinig geschikt is eenen goeden invloed op andermans welzijn te hebben, ruilt tegen iets, dal
32
94.
Het uitvloeisel der schatting, de toegekende, de subjective waarde der dingen steunt op oordeelvellingen omtrent behoeften, omtrent eigenschappen der dingen en omtrent de opofferingen, welke hun gebruik, behoud en verkrijging vereischen.
95.
De onderscheidene trappen van zedelijke en redelijke ontwikkeling der menschen hebben eenen belangrijken invloed op hunne schattingen.
96.
De subjectiviteit der schatting doet veelal in misschat ting vervallen, welke ons den weg doet missen, langs welken men het meest kan bijdragen aan de bevordering tevens des bijzonderen en des algemeenen welzijns.
daartoe niet alleen veel dienstiger is, maar zwaardere opofferingen wettigt, schaadt men geen regt. Echter trekt men voordeel van ;emands onjuist oordeel, van zijne dwaling. Uit een zedelijk oogpunt is de daad niet onvoorwaardelijk te veroordeelen. Desniettemin is het nadeel, dat geleden wordt even wis, als wanneer een roover het op eene onzedelijke en strafbare wijze toebrengt. De dwaling, die een voortbrengsel doet overschatten. geeft aanleiding tot besteding van overdrevene productie-kosten en krachten. Het benadeelt ten slotte het algemeene belang. Ligt op ieder de pligt zich voor dwalingen te hoeoen, het is echter onzedelijk bij anderen dwalingen te verwekken.
Elke poging om de ijdelheid van anderen, om hunne hartstogten op te wekken of hen in dwaling te brengen, met het oogmerk om voordeelige overeenkomsten te sluiten is, zedelijk beschouwd, als een soort van bedrog aan te merken. Het heeft dergelijke huishoudkundige gevolgen.
De zoo behaalde winst heeft plaats ten koste van anderen en van betere besteding der productive krachten.
33
97.
De schadelijke gevolgen, welke uit de misschattingen geboren worden, stellen het klaarst de wenschelijkheid van zedelijke en redelijke ontwikkeling in het licht. Uit haar gemis komen dwalingen, gebrekkige oordeelvellingen, dwaze keuzen, besluiten, besturingen en bedrijven voort, welke alle uitloopen op verachtering der belangen en het missen der bestemming.
98.
Onze voorstellingen, begrippen, vergelijkingen en schattingen hebben slechts eenen wenschelijken invloed op onze gedragingen, naar mate wij door scherpe onderscheiding van het dadelijke en middellijke goede en kwade der zaken, der gebeurtenissen en der gevolgen, verstandig kiezen en krachtig tot bedrijvigheid in eene goede rigting aangespoord worden.
99.
Ruilingswaarde is uitsluitend bestaanbaar ten opzigte van voorwerpen, welke van den eenen aan den anderen kunnen overgaan, en der diensten, die men persoonlijk of door zijne eigendommen anderen kan bewijzen. \') Zij is, zoowel als de waarde, onstandvastig en voor
\') Enkele der eigenschappen van goederen, die men in eigendom behoudt, persoonlijke begaafdheden zijn voor overgang aan anderen onvatbaar. Nogthans kan vaak hare werking ten hunnen behoeve plaats hebben. Dit beslist de vraag of die werking ruilingswaarde kan hebben en bewijst tevens de ongegrondheid der bewering, dat de ruilingswaarde de eenige denkbare is, daar ten slotte geen andere goede of nuttige zaken redelijk tot het doen van opoffering bewegen, dan de zulken, die afzonderlijk of geheel voor overdragt ongeschikt zijn.
3
34
onderscheidene individuen ongelijk, onder den invloed derzelfde redenen.
De ruilingswaarde onderstelt, dat de voorwerpen of de diensten zelve eene objective waarde hebben. Zij ■wordt nogthans aan de dingen toegekend, ingevolge hunne schatting.
De railings- te onderscheiden van de marktwaarde, noemt men echter doorgaans, in afwijking van de objective waarheid, de schattings-verhouding, waarin onderscheidene voorwerpen, op eenen bepaalden tijd, te eeniger plaatse gemeenlijk tot elkander staan.
De marktwaarde is altijd beneden de schatting dergenen, die zich de dingen aanschaffen en boven die van hen, welke ze afstaan. Zelfzucht, de zucht om zich te bevoordeelen, om het meerdere ten koste van het mindere te verkrijgen, is de wederkeerige beweegreden der ruilovereenkomsten\').
De menigvuldige gelegenheden, die het verkeer en inzonderheid de markten opleveren ter sluiting van ruilovereenkomsten, verschaffen tevens aan de individuen
\') Dezelfde geschatte ruilingswaarde voor beide partijen, drukt men uit door ééne zulke ruilingswaarde. Zij sluit de mogelijkheid uit der beweegreden, welke elke der partijen moet aansporen, opdat er een overeenkomst van ruil tusschen haar gesloten worde.
35
vaak die, om een nuttiger gebruik hunner goederen te maken en de verpligting te verligten, die op hen ligt tot het doen van opofferingen ter verkrijging. Zij oefenen alzoo eenen dubbelen invloed ten goede uit op de individuele ruilingswaarde van vele zaken.
BELANGSTELLING IN DOEL IS DE ONONTBEERLIJKE BEWEEGREDEN DER WAARDE-TOEKENNING AAN MIDDELEN.
104.
De bepaalde grenzen van al wat geschapen is verhinderen niet, dat sommige voorwerpen, door hun overvloedig bestaan, allen grond benemen aan gebrek te denken, ter bevrediging der beperkte menschelijke behoeften. Niettegenstaande de aanhoudende terugkeer dezer, wordt omtrent sommige voorwerpen het ontstaan van vrees voor gebrek verhoed door overvloedige werking der natuur ter herstelling.
Andere komen minder ruim voor in de natuur. Hen aangaande is er vaak gebrek te vreezen.
Andere verschaft de natuur ons wederom nooit, dan onder voorwaarde onzer opzettelijke medewerking, in den staat of op de plaats en ten tijde, waarin en waar wij er behoefte aan hebben of dit vermeenen.
105.
Uit een redelijk beginsel komen enkel de opzettelijke menschelijke medewerkingen voort, waarvan de gevolgen zullen strekken tot verlenging des levens, tot ondervin-
36
ding van het goede of afwering van het kwade, tot behoud of aanwas der vermogens en middelen, om het goede te bestendigen en te vermeerderen, altijd ten slotte tot bevordering van het tijdelijke en het hoogere onvergankelijke welzijn.\')
Omtrent middelen behoeven wij uitsluitend onze gedragingen opzettelijk te besturen, in zoover zij bijdragen ter aanvulling van hetgeen de natuur nalaat in ons belang te volvoeren.
107.
Gebrek aan stoffelijke middelen of aan hunne dienstige eigenschappen en omstandigheden, en niet minder aan onstoffelijke vermogens en begaafdheden, en alzoo aan uit- en inwendige krachten te onzer beschikking, doet ons vaak onze bestemming, hetgeen daarmede strookt en ons doel moet wezen, geheel of ten deele missen.
De bewustheid van hetgeen ons ontbreekt, hetzij betreffende ons blijvend of voorbijgaand goed, hetzij aangaande de middelen, die er gunstig op kunnen werken, doet ons aan, als drijfveer. Zij spoort ons aan, zij beweegt ons, wanneer wij redelijk ontwikkeld zijn, zooveel mogelijk
\') De mensch heeft slechts één werkelijk belang. Uit den aard der zake kunnen de bestanddeelen daarvan niet desharmoniëren, niet met elkander in strijd wezen. Maar afgescheiden daarvan, kan hij tijdelijke, voorbijgaande, mindere gewigtige belangen hebben. Hunne niet-over-eenkomst met \'s menschen hoofdbelang is niet alleen bestaanbaar, maar schijnt noodig ter bevordering daarvan. Een religieus inzigt der schepping doet dezen schijn tot zekerheid overgaan.
37
bij te dragen aan de verschaffing van tie ontbrekende vermogens of middelen en ons liet vrije gebruik er van te verzekeren. De stelling: «die het doel wil, wil de middelen», is redelijk.
109.
Enkel omtrent het goede of zulke vermogens en middelen, waaraan de mensch gebrek heeft of kan hebben, is het denkbaar, dat hij een redelijk belang stelle in hun ontstaan, behoud en vrije beschikking er over; en enkel omtrent zulke, waarvan hij de werking behoort te besturen, dat hij het stelle in de vermogens en gelegenheden, die hem, ofschoon daartoe onontbeerlijk, nogthans ontbreken of ontbreken kunnen.\')
Redelijke belangstelling omtrent middelen is enkel denkbaar wat onze bevoegdheid aangaat er uitsluitend over te beschikken en derhalve omtrent hun behoud of verkrijging, wanneer men bewust is er gebrek aan te kunnen hebben.
De oorzaak, waaruit iets ontstaan is of ontstaan kan, is zelfstandig onmagtig iets af te doen aan de geschiktheid daarvan, om onze redelijke belangstelling op te wekken.\')
\') Uit dit laatste vloeit voort alle redelijke belangstelling in ervaringen, in kennis, in zedelijke kracht, in onderscheidings-vermogen, in stoffelijke middelen te dier zaken dienstig of vereischt, om van onderscheidene voorwerpen een nuttig gebruik te kunnen maken, zelfs der zulke, die de natuur, zonder onze inmenging overvloedig schenkt, of spaarzaam, schoon wij op hun ontstaan of voortduring geenen invloed kunnen uitoefenen; bijv: de windkracht.
2) Niet enkel omdat de natuur iets verschaft, maar omdat zij het in grootere hoeveelheid verschaft, dan noodig is ter bevrediging onzer be,
38
De gedane opofferingen, de verrigte menschelijke arbeid, ten koste waarvan iets is behouden of verkregen, zijn geene redenen van belangstelling; veel eer zijn zij er vaak de gevolgen van. Zij zijn alzoo geene oorzaak, geen oorsprong der waarde; maar daaronder behoort de ver-pligting, die doorgaans op ons rust, om bepaalde eigenschappen en voorwerpen, ten haren koste te behouden of te verkrijgen.\')
De subjective belangstelling in het behoud of in de verkrijging der dingen, welke zich kenbaar maakt in den vorm van waarde-toekenning, is de voorbestaande ware of hersenschimmige reden, altijd de drijfveer, de oorzaak, die zoowel tot den arbeid, als tot het doen van andere opofferingen aanspoort en aan het behouden of ontstaan der dingen bijdraagt.
Alle in betrekking tot onze behoeften, ongenoegzaam aanwezige, of in onvoldoenden toestand, te onzer beschikking staande, nuttige middelen wettigen onze rede-
hoeften, mist het de beweegreden eener verstandige belangstelling in hun bezit. De vereeniging dezer twee omstandigheden, ter zake bijv: van den bodem, ontbrekende, is belangstelling in het uitsluitende bezit er van redelijk, als gevolg van onze wettige belangstelling in welzijn.
^ De boom, door de enkele werking der natuur voortgebragt, is evenzeer een voorwerp van redelijke belangstelling betreffende zijn bezit, hij heeft evenveel waarde, als een dergelijke, daar onmiddellijk naast staande, welke met zorg en kosten door den mensch is aangekweekt.
39
lijke belangstelling. Zij hebben eene objective waarde, wegens het leed of gemis aan welzijn, dat uit hunne onderscheidene gebreken zal ontstaan.
Het gegronde of ingebeelde vooruitzigt van gebrek, van gemis, van de smart of van bet leed, van den nadeeligen invloed op ons welzijn, die men van eene uitkomst verwacht, boezemt vrees voor haar en -voor hare oorzaken in. Zij doet ons, hetzij teregt, hetzij ten onregte, door voorstelling, zulk eene uitkomst voor ons welzijn verderfelijk achten en daarom waarde toekennen aan middelen, aan vermogens en aan omstandigheden, die wij meenen, dat hare oorzaken van kracht kunnen berooven.
De vrees voor gebrek behoort des te krachtiger te zijn, de belangstelling, die zij inboezemt, is op des te hechter grondslagen gevestigd, eenerzijds, naar gelang dat gebrek invloedrijker is op de bereiking van onze bestemming of op de gewaarwordingen, die daarmede in een onmiddellijk verband staan, en anderzijds naar gelang meerdere of zwaardere, altijd schadelijke opofferingen worden vereischt, om het te voorkomen of tot behoud en verkrijging der daartoe noodige middelen en vermogens.
Langs twee wegen moeten wij in ons belang bijdragen aan het verdwijnen van het bestaande verschil tusschen onze wettige belangstelling en tusschen die, welke de dingen ons inboezemen, en daardoor, tusschen hunne objective waarde en tusschen onze schatting.
40
Wij zullen een redelijker belang stellen in de onderscheidene voorwerpen en een juister begrip verkrijgen van hunne afzonderlijke en onderlinge waarde-betrekking, niet alleen door dieper intedringen in de kennis van het wezen onzer bestemming en van ons welzijn. maar mede door een juister inzigt aan te kweeken omtrent de waarheden, welke meer bepaaldelijk de oorzakelijkheid der dingen betreffen.
INDIVIDUALITEIT VAN DEN MENSCH.
-149.
Ons organisme, de gewaarwordingen, de vermogens, welke wij dientengevolgen kunnen ondervinden of bezitten, en de in- en uitwerking, die daardoor op ons en door ons kan plaats hebben, drukt men, wat den aard daarvan betreft, door het woord individueel uit.
Dat afgescheiden bestaan is de bron, waaruit onze zucht naar eigen welzijn voorkomt, naar vrijheid. Deze is die naar onbelemmerde beschikking, eerstens over onze persoonlijke en op ons welzijn invloed hebbende krachten en begaafdheden, tweedons over uitwendige zaken, die men als middelen ter bevordering van ons welzijn en als onze aanhangsels beschouwt, omdat hunne uitsluitende aanwending in zekeren zin met ons individueel belang overeenstemt.
•120.
Ons ik staat onwilkeurig steeds op den voorgrond,
41
hetzij bij de overweging, hetzij bij de verwekking dei-gewaarwordingen van belangstelling in liet al of niet ondervinden van aandoeningen of in de voorziening van middelen en vermogens, waaromtrent ons belang wil,-dat wij voorbedachtelijk handelen. Het zijn de aandoeningen, welke de natuur, aan zich zelve overgelaten, ons niet of te karig doet ondervinden en de middelen, die ons eenig genot verzekeren, dat doorgaans tén koste van opofferingen moet worden voorbereid, of die ons het leed, de moeite en de schade besparen kunnen, welke gemeenlijk de aanwending van persoonlijke krachten en vermogens of die van onze aanhangselen vergezellen.
De mensch heeft eenen hoogen trap van individuele ontwikkeling bereikt, en een uitgebreider vermogen, om aan het algemeen welzijn bij te dragen is hem eigen geworden, wanneer hij tot de bewustheid is gevorderd, dat zijn afzonderlijk welzijn geenzins met dat des gan-schen menschdoms strijdt; wanneer hij juist daarom zijne vrijheid en zijne middelen, zoowel uitwendige, als inwendige te hooger stelt, omdat zij hem in staat stellen gunstig op het welzijn van alle zijne natuurgenooten te werken.
Vrijheidszucht is eene uiting van \'s menschen individualiteit. Zij is zeer weldadig in hare gevolgen, omdat zij er krachtig toe bijdraagt, in den mensch het beginsel der vrijheid te onderhouden en te ontwikkelen, dat van niet werktuigelijke, niet gedwongen, maar vandeeiV/ewc werking, d. i. van de redelijke, van de zedelijke en op de bevordering des algemeenen welzijns invloedrijkste.
42
123.
Verzwakking der individualiteit, der individuele belangstelling en van hare beweegreden, de individuele goede gevolgen \') ter compensatie van eigene inspanning en eigene opofferingen, veroorzaakt onvermijdelijk even-redige verlamming der individuele bedrijvigheid en ontwikkeling.
124.
De krachtigste bedrijvigheid in het algemeene belang is van hem te wachten, die de bewustheid heeft daardoor liet meest aan de bevordering van individueel welzijn te zullen bijdragen. De verlichtste, de redelijkste zelfzucht ontstaat uit algemeene menschenmin.
EIGEN EN EIGENDOM.
125.
Wij zijn even ongeneigd, onze individualiteit, betreffende onze eigene onstoffelijke en ligchamelijke nuttige krachten en vermogens te verloochenen, als ons ik en de belangstelling in eigen welzijn. 2)
\') Het streelend bewustzijn van aan andermans welzijn voorbedachtelijk te hebben bijgedragen is er de heilzame vrucht van. In de natuur ligt de wet: uhi est onus, ibi debet esse emolumentum, evenzeer als de omgekeerde.
2) Daarom kan onze zelfzucht zich niet redelijker wijze tot haren verlichtsten en redelijksten trap verheffen, vóór en aleer de algemeene menschenmin van den eenen door die van alle zijne natuurgenooten beantwoord wordt.
43
Vele uitwendige voorwerpen en omstandigheden hebben eene zekere overeenkomst met inwendige ons dienstige krachten en vermogens. De bewustheid daarvan veroorzaakt in ons eene soortgelijke gemoedsstemming hen aangaande.
127.
Er bestaat overeenstemming van reden tot belangstelling in uit-, in inwendige zaken, in vermogens en in welzijn, wanneer alle die vermogens of zaken op eene of andere wijze eng beperkt zijn, in verhouding tot onze behoeften, zóó, dat wij hen aangaande niet onbezorgd mogen blijven. 4
Wij zijn uit kortzigtige en nog uit de redelijkst bestaanbare zelfzucht ongeneigd, om waarde hebbende uitwendige middelen, die ons ten dienste staan, onvoorwaardelijk algemeen ten beste te geven, zoowel als onze inwendige vermogens en hunne diensten.
129.
De eigendom is omtrent de voorwerpen, die wij reden hebben als onze aanhangsels te doen aanmerken, de tegenhanger van liet eigen, van de vermogens en bekwaamheden van ons ik. \')
\') Bastiat, Propriété et loi, drukt dit begrip aldus uit: «Lesfacultcs «ne sont que le prolongement de la personne; la propriété n\'est que «le prolongement des facultés.»
44
130.
Daar het goede van \'smenschen toestand het eenige is, dat voor hem zelfstandige waarde kan hebben, ontleenen onvermijdelijk, niet alleen alle eigene vermogens, maar ook alle uitwendige middelen de hunne daaraan. Eigendom is geene voorwaarde der waarde, maar waarde is er eene van den gemotiveerden eigendom, even als van de redelijke belangstelling in vrijheid.
131.
Eigendom onderstelt waarde, voorregt van het uitsluitende bezitsregt.
132.
»
Hetgeen niet aan zijne nuttigheid paart, dat men gemeenlijk, door het brengen van offers tot zijn behoud of verkrijging, eene zelfstandige inbreuk op zijn welzijn moet maken, mist de eigenschap, die ons redelijk beweegt het als een aanhangsel van ons ik te beschouwen en er den eigendom van te begeeren.
133.
De kracht, die invloed op onze zuiver werkende rede heeft, ligt in de gezonde beweegreden, welke ons eigendommen doet begeeren, uitwendige zaken ons toe te eigenen. Zij stelt buiten twijfel, dat wij het eigendomsregt enkel hebben te verlangen omtrent zaken, die ons nuttig kunnen zijn en ons kunnen ontbreken. Zij is eene eigenschap, waarvan het begrip ontstaat uit de juiste voorstelling van het verschil van welzijn, dat zal voortvloeijen uit de uitsluitende aanwending van het voorwerp en uit het gemis
45
zijner aanwending, in verband met het juiste begrip van de kosten vereischt tot verkrijging des voorwerps.
134.
De waarde der uitwendige voorwerpen, hare voorstelling, hare toekenning is geen gevolg van de erkenning des eigendomsregts, maar de beweegreden daarvan. Zij of, zoo men wil, de betere, de bevoorregtetoestand, waarin ons het bezit plaatst, wanneer hij wordt begrepen, is de drijfveer van onze begeerte naar eigendom, naar erkenning van dat regt, naar zijne handhaving; zij is die van de onderscheidene opofferingen, welke men zich getroost tot zijn behoud en verkrijging.
135.
De belangstelling in, de erkenning en de invoering van het eigemdomsregt, zijne handhaving en de daartoe bestede uitgaven zijn alle gevolgen, waaraan de vrees bijdraagt, dat anderen ons het gebruik der voorwerpen zullen bestrijden of er ons van zullen berooven, en dat zij, door er ons gebrek aan te doen lijden, ons welzijn zullen schaden.
136.
In de zamenleving beschouwt men dezelfde voorwerpen, als eigendommen, slechts uit een eenigszins verschillend oogpunt, dan als rijkdommen; dat is: gene uit dat van het regt, en deze uit dat der belangrijkheid.
L
46
R IJ K D O M.
Rijk noemt men elk, die door zijn eigendomsregtzich, met betrekking tot uitwendige zaken, in zeer bevoorregte omstandigheden bevindt. \')
\') Rijk en arm staan over elkander. Zij zijn omstandigheden, die elkander wederkeerig ontkennen en uitsluiten. Deswege komen in \'Aanmerking, noch de veelvuldigheid onzer behoeften, noch de uitgebreidheid der natuurlijke voorziening van bevredigingsmiddelen, noch eindelijk onze toestand van welzijn.
Onaangezien zijne geringe behoeften of de welligt ruime regtstreek-sche of middellijke bevrediging van veelvuldige, door de mildheid der natuur, is de man arm, die karig is bedeeld met aardsche goederen van waarde.
Rijken daarentegen kunnen in omstandigheden verkeeren, én door de menigvuldigheid, én door de kostbare bevrediging hunner behoeften, dat dit hun zwaar valt.
Arm en rijk zijn geene uitdrukkingen, waardoor men den staat van welvaart, veel min dien van welzijn te kennen geeft.
Arm is hij, wiens bezittingen eene kleine, rijk hij, wiens eigendommen eene uitgebreide waarde hebben, onaangezien de verhouding van die uitgebreidheid tot hetgeen daarvan vereischt wordt ter bevrediging der behoeften. Enkel in gelijke omstandigheden is onvermijdelijk de toestand van den rijkeren gunstiger, dan die van den armeren.
De menigvuldigheid der vereenzelving dier twee begrippen neemt er noch het onderscheid, noch de verwarring van weg. In haar ligt eene hoofdoorzaak van de gebrekkige bepaling en beoefening der huishoudkunde en gevolgelijk van de onwisheid der verkregene uitkomsten met alle de nadeelen, die het algemeene welzijn er van ondervindt.
De onontbeerlijkste dingen, die gemeenlijk in overgrooten overvloed, om niet zijn te verkrijgen, zoo min als in aller oog geheel nuttelooze, stellen ons doorgaans in geen bevoorregtenden toestand, wanneer wij er wettig het eigendomsregt op uitoefenen, dit verschaft ons geen vermogen, er ons iets anders voor te doen afstaan.
Say noemt zulke dingen in zijn Ch. 1. P. 1 cours comp, zeer ten onregte «des richesses naturelles.» Zij zijn nuttig, doch waardeloos voor den
47
De rijkdom is evenredig aan de waarde der eigendommen.
Noch persoonlijke vermogens, noch diensten van welken oorsprong ook, behooren onder de rijkdommen, schoon zij geschikt zijn er te doen verkrijgen.
De rijkdommen vormen eene bijzondere classe der waardehebbende zaken, deze eene der goede of nuttige, en de laatste wederom eene der bruikbare. \')
Elk middel staat tusschen oorzaak en gevolg. Het
bezitter, en missen alzoo, naar zijn eigen oordeel, een hoofdvereischte der rijkdommen. Zegt hij niet in hetzelfde Ch. «Vous voyez que la «richesse ne dépend pas de Tespèce des choses, ni de leur nature «physique, mais d\'une qualité morale que chacun nomme leur valeur.» Voegt hij hier niet bij in het onmiddellijk volgende: «Or une marque «certaine, que la valeur d\'une chose que je prossède est reconnue et «apprèciée par les autres hommes, c\'est lorsque pour en devenir pos-«sesseurs, ils consentent a me donner une autre valeur, en échange», en verder, zelfde Ch. beweert hij zelfs, «que la seule valeur, dont il puisse «être question en économie politique, soit celle a la quelle on a donné «le nom de valeur en échange.»
Hij bewaarheidt ten volle hetgeen hij op dezelfde bladz. zegt «Des «gens de mérite ne s\'entendent pas entre eux, ni s\'entendent pas eux «mémes, faute d\'avoir bien congu les plus simples élémens de la «science.»
\') Gezondheid, verstandelijke en zedelijke ontwikkeling hebben waarde. Niet zij, maar geneesmiddelen en goede boeken zijn rijkdommen , wanneer zij door de omstandigheden, waarin zij verkeeren , waarde hebben.
48
begrip des middels is niet te vormen, zonder die van oorzaak en gevolg in hunne onderlinge betrekking er in op te nemen. Daarom is de voorstelling en het bestaan der rijkdommen onmogelijk bij ontstentenis der betrekking, waarin de voorwerpen tot de menschen, tot het laatste doel hunner betrach tingen en eindelijk tot hun welzijn staan. Evenzoo is het met opzigt tot het wezen en het begrip der bewoordingen: belangstelling, bruikbaarheid, nuttigheid, waarde en eigendom.
142.
De belangstelling in voorwerpen is onredelijk, ongeschikt eenen gunstigen invloed op ons welzijn uit te oefenen, behalve wanneer zij ontstaat uit die, in dat welzijn zelve.
143.
Wanneer redelijke belangstelling in eenig voorwerp onbestaanbaar is, kan dienaangaande noch redelijke gehechtheid denkbaar zijn, noch waarde, noch rijkdom.\')
144.
Wij missen alle reden van belangstelling in het uitsluitende bezit der middelen, die ons bekend zijn, in den geheel vereischten toestand en in overdadigen overvloed te bestaan in verhouding tot het daarvan te maken gebruik. Daarom ontbreekt hen aangaande eene der
\') Kent men er niettemin in het verkeer waarde aan toe, dan is het een middel, om zich ten koste van anderen te bevoordeelen, waarvan de aanwending, behalve uit het oogpunt des regis, volmaakte overeenkomst heeft, met betrekking tot den aanschaffer, met eene gewelddadige of bedrieglijke berooving, doch met betrekking tot het algemeene belang in zekeren zin schadelijker is, daar liet niet zelden dwaze verspilling van productive krachten veroorzaakt.
49
voorwaarden, onder welke ze teregt in de classe te rangschikken zouden zijn der waardehebbende voorwerpen en der rijkdommen. 1)
Zijn rijkdommen niet zonder waarde denkbaar, zeer wel daarentegen waarde en waardehebbende voorwerpen buiten de rijkdommen.
Men kan rijk wezen zonder rijkdommen te bezitten, t. w. door het regt te hebben, om van anderen aanzienlijke waarden te vorderen, maar ook omgekeerd, vele rijkdommen bezitten en nogthans arm wezen.
HET NUT DEE RIJKDOMMEN.
De oorzaken, de middelen, de rijkdommen zijn noch om en door henzelven goed, nocli onvoorwaardelijke en immer onontbeerlijke bronnen van het eenige zelfstandige goede, van het welzijn. Hunne goede eigenschap hangt af van, zij komt voort uit de betrekkelijke omstandigheden, waarin de dingen zich met opzigt tot de menschen en hunne toestanden bevinden.
\') Wanneer toevallig aan de boorden van Noordamerlcaansche rivieren meer zalmen zijn te rapen, dan de aanwezigen tot eenig nuttig einde kunnen aanwenden, wekken zij even weinig bij hen de begeerte naar uitsluitend bezit op, als zeewater bij den zeevarende.
4
50
148.
Met betrekking tot ons tegenwoordig welzijn, zouden wij in den meest wenschelijken toestand verkeeren, indien •wij alle nuttige zaken even overvloedig en even geschikt ten onzen dienste hadden, als doorgaans de levenslucht. Onze behoeften, die ons onontbeerlijk zijn als spoorslag tot eigene ontwikkeling, waren daartoe echter geheel ongeschikt, indien zij alle zonder onze voorbedachtelijke medewerking bevredigd werden; maar dan ware ook niet te denken aan de begrippen zelve van belangrijkheid, van belangstelling, van waarde, van eigendom en van rijkdom. \')
i) Men noemt vrij algemeen staatshuishoudkunde eene wetenschap, die de rijkdommen tot haar onderwerp zoude hebben, en beweert, dat dit onderwerp belangrijk is, met geen ander ineensmelt, zoodat deze wetenschap een goed geheel vormt, hetwelk voor zelfstandige beschouwing geschikt is.
Van minder belang is de juistheid der benaming, die niet goed gekozen kan zijn, omdat noch de rijkdommen der volkeren door hunnen aard reden van wetenschappelijke onderscheiding opleveren, noch de Staatsbesturen, den voornaamsten, laat staan, den uitsluitenden invloed uitoefenen op hetgeen de rijkdommen betreft.
Xk zal mij hier bepalen tot de uiteenzetting van een veel gewigtiger punt, wegens de belangrijke gevolgen, welke de daaromtrent bestaande opvattingen op de welvaart der volkeren en op het welzijn des mensch-doms hebben. Mijn doel is, zoo kort mogelijk de gronden te ontvouwen ter bestrijding der meening, omtrent de oeconomie, die haar, zooals zij geleeraard wordt niet ten onregte, van eene materialistische strekking heeft doen beschuldigen. Die meening is, dat de rijkdom eene zelfstandig belangrijke eigenschap is, en dat daarom de voorwerpen, waarin zij voorkomt, het onderwerp vormen van eene bijzondere wetenschap, waarvan de mensch, ten koste van inspanning en opofferingen, de kennis behoort te verwerven, van eene wetenschap, die met geena andere ineensmelt en niet uit den aard der zake een bestanddeel is, dat afgezonderd zijne beteekenis verliest.
Onwedersprekelijk is de belangrijkheid van eenig onderwerp eene voor-
51
Behoeften en onze bewustheid daarvan zijn ons, tijdens ons verblijf op aarde, zoowel onontbeerlijk, als van dat
waarde der redelijkheid van de inspanning en van de opofferingen, die men zich getroost om er kennis van te verkrijgen. Maar zij is niet voldoende. Rossi zegt teregt: Le? 2 ser. 1 «La science (genomen «in eenen objectiven zin) n\'est pas chargée de faire quelque chose.» Zij is onbekwaam onze belangen te behartigen. «La connaissance (dat «is de wetenschap in subjectiven zin) de la vérité tel est le but immé-«diat de la science, d. i. niet alleen van het bestaan der objective waarheid l) en van de overeenstemming onzer subjective opvattingen daarmede, maar ook van de inspanning en verdere opofferingen, ten koste waarvan die overeenstemming is te verkrijgen.
Door zijne uitdrukking abut immédiat» geeft hij ondubbelzinnig te verstaan, in de bereiking daarvan geene afdoende reden te zien tot toekenning van belangrijkheid aan kennis. Met zamentrekking van zijne bewering omtrent het onvermogen der wetenschap, die evenzeer past op de kennis, volgt uit die bewoording «hut immédiat,» dat hij enkel aan een verder doel het vermogen toekent, den mensch te bewegen, hetzij gebruik van zijne verkregene kennis te maken, hetzij zich toe te leggen op hare uitbreiding en loutering.
Het blijkt alzoo, dat hij en dat op goeden grond de belangrijkheid der kennis afleidt van die der doeleinden, tot welker bereiking hare aanwending wordt vereischt. Nu staat de belangrijkheid van ons welzijn, als eenige zelfstandige vast en derhalve die, waaraan alle oorzaken en middelen of tusschenliggende doeleinden de hunne kunnen ontleenen, alzoo ook de rijkdommen. In de belangrijkheid van ons welzijn ligt de ultima ratio van onze redelijke besluiten en handelingen, d. i. de ruimste en reinste opvatting van het begrip der oeconomie.
Dit wettigt de bewering niet der onbelangrijkheid der rijkdommen, maar wel die, dat de rede, dat de huishoudkunde de belangrijkheid dezer middelen niet onvoorwaardelijk als het doel van \'s menschen streven doet aanmerken. De omstandigheid, dat elke rijkdom een goed is, eene zekere belangrijkheid bezit, neemt niet weg, dat andere goederen
\') Men denke hierbij hoofdzakelijk aan de onveranderlijkheid der natuurwetten, onontbeerlijk voor de bestaanbaarheid der nuttige en belangrijke eigenschap, welke de mensch kan verkrijgen, der kennis.
52
tijdperk onafscheidelijk. Onze bewustheid van haar bestaan is bestemd ons tot spoorslag te strekken om ons, ter onzer ontwikkeling, voorbedachtelijk in te spannen, aan de voortzetting onzer wording zelve bij te dragen.
bestaan en eene grootere belangrijkheid kunnen bezitten, ten koste waarvan die rijkdommen alleen behouden of verkregen kunnen worden; derhalve, dat het redelijk en huishoudkundig is, in hunne belangrijkheid geene absolute beweegreden van besluit en handeling te erkennen, en slechts voor zooveel zij er eene sterkere oplevert dan het welzijn, om rijkdommen te verbruiken of zich van hunne verkrijging te onthouden.
Dit verliest men doorgaans uit het oog, omdat de dwaling vrij algemeen is, in de rijkdommen of zelfstandige voorwerpen van belang te zien, of althans oorzaken van onvoorwaardelijk welzijn, voorwerpen, waarvan het bezit onvermijdelijk het menschelijke welzijn bevordert en daarom als het ware geregtigt dat bezit met het welzijn te vereenzelvigen. Aan het ontstaan en aan de bestendiging dier dwaling draagt inzonderheid bij de lage trap van beschaving, waarop bet grootste deel des menschdoms staat. Hij doet oneindig meer acht slaan op de dierlijke behoeften en op de stoffelijke middelen van bevrediging, dan op hetgeen aan ons hooger, aan ons onstoffelijk welzijn ontbreekt of daarop eenen gunstigen invloed kan hebben. Hierbij komt, dat in den tegenwoordigen ontwikkelingstoestand dikwerf evenzeer een voor het welzijn schadelijk gebruik der stoffelijke goederen wordt gemaakt, als men ze langs schandelijke wegen tracht meester te worden.
Ligt daarin, dat de belangrijkheid der rijkdommen, hunne hoofdzaak en hare beoordeeling, voor zooveel zij van invloed op onze handelingen wezen moet, onbestaanbaar is, zonder hare vergelijking met andere belangrijke, niet minder te overwegen beweegredenen, er bestaan meer oorzaken, die verhinderen, de stoffelijke goederen, als onderwerp van eene zelfstandige wetenschap aan te merken.
Ofschoon de uitbreiding van ons vermogen, om eenen opzettelijken gunstigen invloed op het menschelijke welzijn uit te oefenen, door vermeerdering van onze kennis, de eenige verstandige en huishoudkundige beweegreden is, haar te begeeren en ze ons ten koste van inspanning en opofferingen te verwerven, zoo sluit (zie bl. 12) dit de mogelijkheid niet uit, bepaalde takken van wetenschap zelfstandig te bestuderen, bepaalde onderwerpen, als die van zelfstandige wetenschappen aan te merken. Het eerste vereischte voor die mogelijkheid is echter de zelfstandige bestaanbaarheid des onderwerps. Juist deze ontbreekt aan
53
Langs dien weg hebben wij onze bestemming te naderen. Daartoe hebben wij deze bestaans- en wordingsphase te doorloopen. In haar hebben wij gelegenheid en middelen te onzer beschikking en de onontbeerlijke vrijheid, om
de rijkdommen. Zij bezitten niet enkel door hunne aanwezigheid de eigenschap, die hen kenmerkt en van zoovele andere voorwerpen onderscheidt, welke de mensch niet begeert, geene reden heeft te begeeren in eigendom te hebben, d- i. hunne belangrijkheid. Hun wezen is niet voldoende, om stoffelijke voorwerpen tot de rijkdommen te doen behooren. Daartoe moeten niet alleen hunne stoffelijke eigenschappen ze in zulk eene betrekking tot den aard van onze behoeften stellen, maar tevens de plaatselijke en tijdsomstandigheden, waarin zij verkeeren, dat zij in staat zijn aan de bevrediging dier behoeften bij te dragen, ons welzijn in stand te houden of to bevorderen en bovendien is daartoe noodig, dat wij dienaangaande ons huishoudkundig hebben te gedragen.
Rijkdom is in tweeledig opzigt eene betrekkingseigenschap van stoffelijke voorwerpen: met opzigt tot hunne nuttigheid of hun vermogen, om eenen wenschelijken invloed op onzen toestand te hebben, en nog tot den pligt, die op ons rust, om henaangaande, in het belang van ons welzijn, rédelijk en zedelijk te handelen.
Het begrip van die eigenschap bevat onvermijdelijk de onderscheidene bestanddeelen der betrekking, waarvan zij het uitvloeisel is. Het begrip rijkdom en dat der voorwerpen, waarin deze eigenschap voorhanden is, kan niet worden gevormd met uitsluiting van dat der gemelde betrekking, en dat dezer betrekking eischt meer, dan de kennis der stoffelijke zelfstandigheden.
Indien een onderwerp, daartoe beperkt, dat van eene zelfstandige wetenschap kan zijn, geenszins kan het dat zijn, zoodra men den kring van beschouwing uitbreidt en er het nuttige gebruik, dat er van te maken is, in opneemt; dan verkrijgt het een ander caracter. Van dat oogenblik af wordt hei een bestanddeel der huishoudkunde, eischt het, dat men het onderwerp wetenschappelijk in zijn verband met \'smenschen behoeften beschouwe. Daar nu zonder het begrip der nuttigheid er in op te nemen, dat der rijkdommen niet te vormen is, en dat der nuttigheid nimmer met uitsluiting van dat der behoeften en des welzijns, is het reeds een ijdel beweren, dat de rijkdommen, evenals de wiskunde, het onderwerp van eene zelfstandige wetenschap kunnen zijn. Dit blijkt nog meer, wanneer men bedenkt, dat wij geroepen zijn zoowel op het gebruik, het verbruik, het besparen, het
54
onze gedragingen, door redelijke en zedelijke onderscheiding der waarheid te besturen, in overeenstemming met de eischen van ons welzijn, en door oefening van de in ons aanwezige hoogere kiemen aan hare ontwikkeling mede te werken.
behouden, als op het voortbrengen eenen voorbedachtelijken invloed uit te oefenen en met betrekking tot \'s menschen belangen , pligten te vervullen.
Maar, wanneer men de onderscheidene pligten in overweging neemt, die de huishoudkunde ons leert kennen, stijgt de meening voor den nadenkenden ten top, die steeds bij vele geoefende oeconomisten verdedigers vindt, alsof in de rijkdommen het onderwerp van eene zelfstandige wetenschap was gelegen.
De bewering is ijdel en zelfs onzinnig, dat zij zich enkel bemoeit met de wording of het ontstaan, het gebruik, verbruik of vergaan en de verdeeling der stoffelijke goederen; te weten in zoover een en ander buiten \'s menschen opzet zou plaats hebben; doch geenszins met onze voorbedachtelijke medewerking, met hare zedelijke en verstandelijke oorzaken, met onze bewustheid van verantwoordelijkheid enonzedrijf-veeren: in een woord, de opvatting is uit de lucht gegrepen, dat zij niet het compendium van onze pligten zoude zijn en ten doel zoude hebben, ons kennis te doen dragen van de norma agendorum, die wij tengevolge van den toestand, waarin wij verkeeren, zoowel met opzigt tot onze bewerktuiging, als tot stoffelijke dingen hebben in acht te nemen.
De zucht is begrijpelijk, zelfs redelijk, wanneer het zonder nadeel tot ons gemak kan geschieden, de wetenschap in bijzondere vakken te deelen, maar de eenheid er van blijft bestaan. Evenzoo is en blijft ons welzijn, onze pligt één, schoon uit onderscheidene bestanddeelen bestaande. Verkiest men, is het vaak verstandig ze vooraf zelfstandig te beschouwen, men vergete niet, dat men zonder groot nadeel nimmer kan nalaten ze te hereenigen, eer men uit de alzoo verkregene gegevens een besluit opmaakt, omtrent hetgeen men voorbedachtelijk al of niet heeft te doen, eer men een slotgebruik maakt van zijne verkregene huishoudkundige kennis.
Tot deze schadelijke nalatigheid leidt de nog heerschende meening, dat de stoffelijke goederen, de rijkdommen het zelfstandige onderwerp zijn der huishoudkunde, der wetenschap, hoe wij hebben huis te houden, ons te gedragen.
Die meening, die dwaling spruit voort uit het overdreven belang, dat men veelal in het gebruik en in het bezit der rijkdommen stelt, en
55
Het onstoffelijke, geestelijke goed, door het woord welzijn uit te drukken, het onvergankelijke heil behoort het einde te wezen, het uiterste, het laatste gevolg, dat onder onze voorbedachtelijke medewerking in ons zal ontstaan.
Het onvergankelijke welzijn verschilt van het voorbijgaande en tijdelijke, dat wij, tijdens wij aan ligchaam en stof zijn verbonden, door tusschenkomst van ons dierlijk bestaan en van de stoffelijke behoeften en middelen kunnen genieten.
uit het betrekkelijk te geringe in het nog te weinig bekende waarachtige welzijn. Aan hare bestendiging draagt oneindig bij de weinige acht, die men slaat op de telkens wederkeerende gevallen, waarin men heeft te kiezen tusschen de opoffering, hetzij \\an voorbijgaande en blijvende goederen, die den dadelijken toestand van ons ik betreffen, hetzij van in- en uitwendige vermogens en middelen, dienstig ter instandhouding of bevordering van het menschelijke welzijn.
Ofschoon Rossi erkent, dat er steeds levendige strijd bestaat onder de oeconomisten over het wezen, het onderwerp, de uitgebreidheid, de grenzen der wetenschap, en beweert, dat hare bepaling steeds eene der meest besprokene vraagstukken er van is, drijft hem zijne neiging, om zich bij de meerderheid te voegen, in dezelfde 2de les, tot de in het oog loopende tegenspraak van te beweren, dat niemand destelling kan ontkennen, dat de rijkdom haar bijzonder onderwerp is.
Hij hakt den knoop door, zonder eene poging aan te wenden hem te ontwarren.
Zulke onwetenschappelijke handelingen komen mij voor, zwakke overtuiging en volslagen gebrek aan redelijke gronden te verraden.
In plaats van omtrent den rijkdom bout te verklaren: aOr nul ne peut nier que eet objet n\'existe», had hij meer naar waarheid moeten zeggen: «C est un oh jet dont V existence est tres précaire, trés variable, tres conditionnelle.
56
152.
Alle goed, aan wording onderhevig, ontstaat, als ieder gevolg, uit oorzaken door hare werking. Beide gaan, zonder uitzondering wat hare aanwezigheid betreft, vooraf.
153.
Noch oorzaak, noch middel, noch werking is geschikt voor volledige beschouwing van den mensch. Doch zijne kennis der dingen in den bestaanbaren, in den verkrijgbaren graad, de wetenschap, die hij kan en behoort te verwerven, is ,in hersenschimmige, in te enge grenzen beperkt, wanneer men de betrekkingen der oorzaken tot de gevolgen buitensluit, welke wij blijkens onze bewerktuiging kunnen bevorderen en die ons te meer aantrekken, naar gelang wij ze beter leeren kennen en schatten.
154.
De wording van ons heil en welzijn hangt wel is waar deels af van oorzaken en werkingen, die niet alleen buiten ons liggen maar van ons onafhankelijk zijn; desniettemin volgt daaruit geenszins, dat wij in beperkten kring er niet aan kunnen en behooren mede te werken.
155.
God is in absoluten zin Schepper. \') Wij worden op aarde gewis niet werktuigelijk, niet onvermijdelijk en alzoo mogelijk, zelfs waarschijnlijk niet allen genoegzaam tot onze bestemming voorbereid. Er zoude eene onloochenbare tegenstrijdigheid tusschen deze twee stellingen bestaan, indien wij lijdelijk onze bestemming
\') Dit geeft te kennen Hij is vrij van alle gebreken, onovertreffelijk.
57
konden bereiken; zelfs het doorloopen van dc aardsche bestaansphase ware overbodig, onredelijk, strijdig met Gods natuur, indien hare bereiking uitsluitend het gevolg van Gods werking konde wezen, indien wij er niet zelve voorbedachtelijk aan hadden bij te dragen.
156.
Schoon de gemoedelijke overtuiging niet wordt aangenomen, komt zij echter door ervaring ras onwillekeurig bij ons op, dat wij tot voorbedachtelijke werking en besturing in staat zijn.
157.
Door gebrekkige ervaring en waarneming ontstaat in ons het vroegst de nevelachtige bewustheid van het dierlijke aanwezen en der daarmede gepaard gaande behoeften. Zeer begrijpelijk is mitsdien, dat wij, evenals de dieren, onopzettelijk die verkrijgen van de oorzaken en werkingen, waarvan de besturing, ter bevrediging dezer behoeften, eenigermate van ons opzet afhangen.
158.
Ieder onzer bewijst met de daad bewust te zijn van behoeften te hebben, in zich oorzaken en krachten te bevatten , vele in- en uitwendige middelen van zich afhankelijk te kennen, zich eenigermate vrij te gevoelen en in staat, zelf voorbedachtelijk te kunnen werken en besturen, in overeenstemming met den spoorslag, dien men door zijne waargenomen behoeften er toe in zich aanneemt.
159.
Opdat voorbedachtelijke en niet werktuigelijke werking plaats hebbe, moet hij, die haar verrigt, er door een goed
58
of althans vermeend goed doel toe aangespoord worden, dus door een nog niet bestaande uitkomst, welke door voorstelling de onontbeerlijke prioriteit eener oorzaakskracht heeft verkregen.
De voorstelling van aardsch genot, van de voldoening der begeerte zoo naar bevrediging zijner dierlijke behoeften, als naar de beschikking over daartoe geschikte goederen, zijn de vroegste zaken, die den mensch aansporen, om zich in te spannen, zich opofferingen te getroosten, zich te ontwikkelen. Zij zijn de eenige, totdat zijne ontwikkeling hem voor den prikkel van eene hoogere drijfveer gevoelig maakt.
Hij die het volmaakte welzijn en den volmaakten rijkdom tevens bereikt acht, wanneer alle stoffelijke goederen, zonder opofferingen te eischen, verkrijgbaar waren, volgt de kortzigtige wereldbeschouwing der onkundigen; hij neemt de dingen aan, zooals zij zich aan de onnaden-kenden voordoen. Hij ziet niet bloot in de wereld slechts de zamenvatting der middelen, rnaar legt zijne eenzijdige, hoogst gebrekkige beschouwingswijze aan den dag. \')
\') Wanneer uitsluitend plaats had hetgeen Say, Traité d\'éc pol. P. 3, G. 5 hoogst wenschelijk schijnt te achten, wanneer de mensch verkeerde in den toestand, dien hij noemt le comble de la richesse, zeggende; »Le comble de la richesse quelque peu de valeurs que Ton apossédat, serait de pouvoir se procurer pour rien tous les objets «qu\'on voudrait consommerquot;: Zou men in een beperkt opzigt het genot hebben van le comble de la prospérité, te weten van de stoffelijke welvaart, ons is echter welvaart in uitgebreider zin noodig; dat is welzijn. De aard van het hoogste is geheel onstoffelijk.
59
Gods wijze liefde straalt daarin door, dat Hij ons vee! niet onmiddellijk, niet zonder onze voorbedachtelijke medewerking schenkt, schoon wij er reeds bij den aanvang onzer ontwikkeling behoefte aan hebben, en allengs als zoodanig kunnen leeren kennen. Niet minder daarin, dat wij ruimschoots voorzien zijn van voorwerpen, die ons evenais de levenslucht, steeds, tot verlenging van ons aanzijn , onontbeerlijk zijn. Zonder onvoorzigtigheid zou de voorziening daarvan den onvoorzigtigen mensch niet kunnen zijn toevertrouwd.
De aanvulling van het ons ontbrekende, bijzonder het behoud of de voortbrenging der rijkdommen is veelal het onmiddellijke voorwerp van \'s menschen belangstelling en begeerte, het feitelijke hoofddoel van zijn onmiddellijk streven. Niet te min dient de daartoe onontbeerlijke inspanning van zijne krachten, vooral die van zijne redelijke en zedelijke vermogens en begaafdheden tot bevordering van een gewigtiger doel, hoofdzakelijk tot oefening en ontwikkeling van zijn geestelijk bestanddeel.
De mensch staat reeds op eenen hoogen trap van beschaving, wanneer hij den spoorslag niet meer behoeft der begeerte naar aardsche genietingen en stoffelijke goederen.
Zoolang de mensch groot gebrek heeft aan redelijke en zedelijke ontwikkeling en die zijner begaafdheden, zou
60
niets hem meer schaden, dan de verstomping van den prikkel der begeerte naar bevredigingsmiddelen van tijdelijke behoeften. Het ware onverschillig of dit voort kwam uit te niet gaan zijner gevoeligheid, zijner behoeften, der te overwinnen bezwaren harer bevrediging, dan wel uit volkomene voorziening der noodige middelen, of uit de mildheid zijner natuurgenooten. \')
Overheerlijk openbaart zich Gods voorzienigheid, door Zijne zorg het ontstaan van nieuwe begeerlijkheden te verbinden aan de verlamming van den spoorslag der bevredigde, zoodra deze ophouden onze inspanning te vorderen.
Wanneer de meer gegoeden zich tot eenzijdige ontwikkeling bepalen, vergezelt haar gemeenlijk de ijdele prikkel der weelde, tot instandhouding hunner bedrijvigheid.
De veelzijdige vorderingen in kunsten en wetenschappen en in zoover in ontwikkeling strekken, voor een goed deel, ter vermindering der opoil\'eringen, ten koste waarvan rijkdommen zijn te verkrijgen, en van het caracter rijkdom, eigen aan nuttige voorwerpen. Zij doen mitsdien den
\') Deze overweging is hoogst belangrijk bij de beschouwing van de tegenwoordig aan de orde van den dag zijnde sociale quaestie. Onverstandig mededoogen doet haar vaak voorbij zien. Communisme tusschen laag ontwikkelden, door bekrompen zelfzucht overprikkelden is niet minder verderfelijk, dan onbestaanbaar. Onberaden, niet door derede beteugelde liefdadigheid is hoogst schadelijk voor hare voorwerpen en voor bet algemeene belang. Zij strijdt met de schepping.
61
prikkel der begeerlijkheid naar deze allengs van zijne scherpte verliezen, maar tevens wekken zij in ons een beginsel van hoogere belangstelling, dat ons zal aandrijven in veel wensclielijker rigting aan de voortzetting van onze wording bij te dragen.
Het grootste nut der rijkdommen bestaat daarin, dat hun bezit onain staat stelt en ons de gelegenheid aanbiedt, de persoonlijke vermogens te besteden aan de ontwikkeling van onstoffelijke kiemen en bij te dragen aan de beschaving onzer natuurgenooten, hun het bevorderen van hun waarachtig welzijn gemakkelijker te maken, zonder te schaden aan de noodige drijfveer daartoe. Met grootste nut van haar afwezen openbaart zich door de kracht, die de begeerte naar hun bezit en aanwending op ons tot opwekking en instandhouding onzer bedrijvigheid tot onze hoogere ontwikkeling uitoefent. Daartoe dient de bijzondere geaardheid van het zarnengestelde bestaan der waarde, ook aanwezig in de rijkdommen.
INVLOED VAN DEN MENSCH.
Het eenige uiterste doel, waarnaar de mensch heeft te streven, en de middelen, die ten zijnen dienste staan, bepalen zijne oeconomie en de grenzen van zijnen mogelijken invloed.
De dadelijke of middellijke invloed, dien wij ten goede
62
kunnen uitoefenen, brengt mede. eene onveranderlijke norma agendorum, eenen eenigen verstandigen leefregel.
Uit wijsheid en liefde stelt Grod ons het volgen van eenen gewissen leefregel ten pligt. Ons belang eischt het. Daartoe bepaalt zich onze verantwoordelijkheid, die de aanwending betreft van ons vermogen ten goede.
Het is ons onontbeerlijk den regel te kennen, dien wij hebben na te leven, om er toe in staat te zijn, dat is; wij moeten aan de kennis van ons heil paren, die der onderscheidene middelen, waarover wij eigendunkelijk of ingevolge van oordeelvelling in \'s menschen belang kunnen beschikken, en der betrekking, waarin deze middelen tot dat einde staan, met opzigt tot hun vermogen, om daaraan voorwaardelijk bij te dragen.
De kennis van den door ons te volgen leefregel en daarom die van alle zijne bestanddeelen is de eenige voor ons belangrijke. Zij is de eenige ons dienstige ter volledige uitoefening van den gunstigen invloed, afhankelijk van onze voorbedachtelijke handelingen. Elke andere is ijdel. Haar bezit verkrijgen wij, beperkt zijnde, alzoo niet ten koste van inspanning en opofferingen, zonder ons aan verspilling van krachten en middelen schuldig te maken.
De meeste dwaasheden, die wij begaan, de meeste dwalingen, waarin wij vervallen omtrent de waarde van het vergankelijke welzijn, omtrent de redenen, waarom
63
wij er belang in hebben te stellen, omtrent het nut, bet belangrijke der aardsche goederen en omtrent het geen wij te doen en na te laten hebben, komen uit eene gemeenschappelijke oorzaak voort. Zij is, dat wij het geestelijke welzijn uit het oog verliezen, het niet steeds aanmerken als het laatste doel, als het eigenlijke, ter nadering waarvan wij zoowel begaafdheden bezitten, als vatbaarheden voor lijdelijke indrukken en gewaarwordingen, en voorzien zijn van aan onzen werkenden wil ondergeschikte, meer of minder ontwikkelde vermogens en veelsoortige middelen.
Wanneer men het geestes-welzijn als hoogste en laatste doel erkent, rangschikt men al het overige onder de middelen of wegen. Het zal een ondergeschikt belang inboezemen. Men zal dierlijk welzijn, tijdelijke welvaart en alle de oorzaken er van, zoowel de naaste als de meest verwijderde, niet minachten, doch ze slechts op prijs stellen, als staande in eene nimmer te veronachtzamc betrekicing tot onze bestemming.
De voorstelling, die wij hebben van den gunstigen invloed, welken wij meenen op het hoogere of lagere welzijn te kunnen uitoefenen, wekt onze belangstelling op. Zij is eene medewerkende oorzaak onzer besluiten. Juist zijnde, spoort zij den redelijken en zedelijken mensch aan, zijne krachten in te spannen, hetzij ter regtstreeksche toenadering tot zijn \') doel, hetzij zich daartoe de ver-eischte middelen te verzekeren.
\') Hiermede bedoel ik zijn objectief waar, uiterste doel, dat der be
64
178.
Er bestaat geene onvoorwaardelijk aansporende kracht in het belangrijke, geene onvoorwaardelijke en aansporende belangstelling in het goede, in het aanzijn, in het ontstaan en alzoo in het behouden, het gebruiken en het voortbrengen der nuttige, der waarde hebbende voorwerpen en in het verwekken der gunstige omstandigheden. Zij ontstaat niet, en wij zullen den Invloed op het goede niet naar den verstandigen leefregel uitoefenen, tenzij wij de bewustheid hebben van het goede der dingen en omstandigheden, en zij vergezeld is van de vrees, er gebrek aan te zullen hebben en van de wetenschap, althans van de hoop, door onze voorbedachtelijke daden invloed ten goede te hebben, bijv. het duren of ontstaan onzer gebreken en behoeften te voorkomen of het ontbrekende van de vereischte middelen ter harer bevrediging aan te vullen.
179.
Daar de onstoffelijke belangstelling, geboren uit de onstoffelijke voorstelling en beoordeeling der belangrijkheid van dingen, omstandigheden en werkingen, ons aandrijft, getuigen onze opzettelijke daden, niet alleen van haar, maar dat wij tot de bewustheid geraken onzer vermogens en onzer vrijheid. Belangrijkheid en belangstelling waren doelloos, zij waren ondingen, indien wij slaafs aan het noodlot waren verbonden, indien wij enkel in staat waren stoffelijke, werktuigelijke verrigtingen te
stemming zijner vermogens en beschikbare middelen, dat van zijn bestaan, het heil, het geluk, dat hem aangeboren is te begeeren; schoon hij welligt onbekwaam is het te onderscheiden, het zich voor te stellen het als zijn doel te erkennen.
65
helpen volvoeren. Wij verkeeren in de mogelijkheid van onze vrijheid ten goede te gebruiken, maar evenzeer van haar ongebruikt te laten of haar te misbruiken. Deze ware geene wijze en welwillende beschikking des Allerhoogsten, wanneer geheele gebondenheid ons niet schadelijk zou wezen, wanneer wij louter werktuigelijk handelende, onbewust den besten invloed op ons welzijn konden uitoefenen, wanneer wij lijdelijk, tot den hoogsten trap van welzijn konden geraken, en niet door krachtsinspanning van onze onstoffelijke bestanddeelen en begaafdheden voorbedachtelijk ter toenadering daaraan moesten bijdragen. \')
In belangstelling openbaart zich de drijfveer, die in onze voorstellingen, zoo van doel als van middelen ligt. Haar gevolg is de inspanning onzer niet werktuigelijke, onzer onstoffelijke vermogens, en vaak, krachtens haar, de daarmede in naauwe betrekking staande, in onze persoon aanwezige physische. Hare werking . op ons willen, op ons besluiten, op ons handelen is gebiedend, doch niet onwederstaanbaar. quot;Wij zijn niet geheel aan hare kracht onderworpen. Wij zijn niet gebonden ons aan don invloed van hare werking te onderwerpen. Wij kunnen dien wijzigen, wederstreven: door de werking van andere oorzaken toe te laten, te begunstigen, ze er tegen in
\') Be onmiddellijke schepping van Adam in den onverbeteiiijken toestand, zijne lijdelijke schepping in dien toestand, als uitvloeisel van Gods werking is ondenkbaar. Zij is strijdig met Gods natuur, omdat, ware zij het niet, de schepping der overige menschen, in eenen minder goeden en afgewerkten toestand, onwedersprekelijk de bewijzen zou dragen, óf van Gods verminderde magt, óf van Gods minder welwillende gemoedsstemming hen aangaande.
5
66
laten of doen werken. Wie echter bepaalt het wezen der vrijheid of wijst hare grenzen aan? Bloot dit is ons duidelijk, dat zij iets van onstoffelijken aard is en dat haar ontwikkeld aanzijn van de volkomenheid onzer redelijke en zedelijke krachten afhangt. Haar ideaal moet daarom wezen de algeheele overheersching der rede en der zedelijkheid , en het genot der volmaakte vrijheid moet medebrengen de slaafste gehoorzaamheid aan de geboden der volmaakte rede en zedelijkheid, alsmede de onbegrensde beschikking over middelen.
De meest mogelijke vrijheid stemt niet enkel overeen met den overanderlijken regel, dat bepaalde oorzaken, in bepaalde betrekkingen en omstandigheden, onveranderlijk werken en in volkomen gelijke ook volkomen gelijke gevolgen doen ontstaan; zij bevestigt hem. Zij heeft niets gemeen met willekeur. Dit begrip sluit niet alleen uit de onbegrensdheid van het mogelijke, maar de onbepaaldheid van het redelijke en van het zedelijke, derhalve het ontkent, dat het redelijke, het zedelijke en mitsdien het regt producten der subjectiviteit kunnen zijn.
Het begrip van willekeur en dat van willekeurigen invloed zijn ondingen, of gevolgen van de verwarde voorstelling der producten, ontstaan uit de gebrekkige werking van redelijke, zedelijke of van andere oorzaken.
183.
Zet eenerzijds belangstelling aan tot uitbreiding en zuivering van onze kennis en tot ontwikkeling onzer onderscheidene begaafdheden, kiemen en vermogens.
67
wederkeerig bewerken toename van ware kennis en lioogere ontwikkeling niet alleen opwekking, maar loutering onzer belangstelling.
De menscli is van een stolTelijlc bestanddeel, van een ligchaam voorzien, liet verrigt noodwendig zekere werkingen. Het ondergaat eveneens tijdelijk de inwerking van bepaalde krachten. Het ontvangt even wis de indrukken van bepaalde gebeurtenissen en deelt er onvermijdelijk de gewaarwordingen van mede aan onze bewustheid. Het dringt deze aan ons op. Door ondervinding of ervaring ontstaat lijdelijk, onopzettelijk en noodzakelijk in ons eene zekere mate van kennis en belangstelling in gebeurtenissen en zaken. Hierdoor heeft de Schepper gezorgd, ons, buiten onze voorbedaclitelijke medewerking, tot eenen graad van kennis en belangstelling op te leiden, die ons onontbeerlijk is, om eenigen verderen eigenen invloed op de instandhouding en bevordering des welzijns te kunnen uitoefenen.
Kennis uitbreiden , belangstelling opwekken en louteren, welvaart, welzijn en ten slotte heil bevorderen stemmen noodwendig in aard onderling overeen, omdat zij daden zijn, welke alle tot een onoplosbaar geheel behooren.
Aan de ontwikkeling, aan de voortzetting van \'s menschen wording of schepping medewerken, niet bloot deelnemen aan het voortbrengen der daartoe vereischte dingen, eigenschappen, vermogens, begaafdheden en omstandigheden of betrekkingen, maar zich toeleggen op de oefe-
68
ning in en de uitoefening van alle deugden, met de volste inspanning zijner begaafdheden en krachten, moet de rigting en het laatste of daartoe vaak het meer nabij gelegen doelwit van \'s menschen streven zijn. Het is zijne roeping. Het stemt met zijn waarachtig welzijn overeen.
187.
Wanneer de mensch den aard en het wezen zijner bestemming kent, weet hetgeen, noch daarvan te scheiden is, noch daarmede vereenigbaar; wanneer hij zich alzoo heldere begrippen vormt, zoowel van het onbedrieglijke doel zijns strevens, als van het nut en de beperktheid der hem ten dienste staande middelen; wanneer hij steeds een en ander geheel in het oog houdt; dan eerst zal hij zich eene ware voorstelling kunnen vormen van de belangrijkheid zijns bestaans, zijner vrijheid, der kennis en der standvastige inachtname van den eenigen redelijk zedelijken leefregel; dan eerst zal hij zich aangespoord gevoelen den invloed ten goede uit te oefenen, waartoe in hem de kiemen zijn gelegd, waarvan de ontwikkeling leidt tot het genot der hoogste maat van vrijheid.
Om den door God voorgeschreven huishoudkundigen leefregel te kennen, hem te kunnen en te zullen gehoorzamen , aan zijne roeping te beantwoorden, zijne krachten, vermogens, middelen, begaafdheden en gelegenheden meest mogelijk in overeenstemming met zijn eigen belang en met dat zijner natuurgenooten aan te wenden, inéén woord, den besten invloed uit te oefenen, is het onontbeerlijk, dat men alle dingen naar waarde schatte, en dat men, door zijne kennis en juist oordeel, dus door zijne redelijke en zedelijke ontwikkeling er toe in staat zij.
69
189.
De oeconomie eischt, dat men de voortbrenging, het gebruik , het behoud en de verkrijging der meest verwijderde nuttige, der stoffelijke middelen, even als die der onstofle-lijke begaafdheden, steeds van het verhevendste standpunt beschouwe.
ONDERSCHEIDING DER ZAKEN.
190.
\'s Menschen geest en ligchaam bestaan door, zij bevatten eigenschappen en begaafdheden, die, evenals de krachten van vele buiten hem bestaande zaken, vermogend zijn gunstig en schadelijk op zijn welzijn te werken. Vandaar zijn de dingen in staat aan de productie bij te dragen en de voortbrengst-krachten, als van zelve, te onderscheiden. Zij zijn eigene of onstoffelijke en zakelijke, in- en uitwendige.
191.
De aanwezigheid van bepaalde omstandigheden houdt redenen in zich, die ons teregt belang doen stellen in de toeeigening van zekere uitwendige nuttige zaken. Hare afwezigheid sluit er daarentegen de mogelijkheid van uit. Deze omstandigheden leveren eenen deugdelijken grond op ter onderscheiding der dingen en voortbrengstkrachten in dezulke, die wij al en die wij niet hebben te assimileren aan onze eigene bekwaamheden en vermogens, en welke diensvolgens, uit den aard der zake, niet of al bestemd zijn ten algemeene gebruike te blijven.
70
492.
Een deel der voortbrengstkrachten is gevestigd in zaken, die ofschoon ze uit de natuur ontstaan, als tot ons ik be-boorende, ons uitsluitend zijn geschonken of hoewel buiten ons bestaande, handtastelijk, blijkens het daarvan best te maken gebruik, voor uitsluitend bezit zijn bestemd. Een ander deel daarvan treft men aan in voorwerpen, die zelden of nooit zonder opzettelijke medewerking van den raensch ontstaan of in wezen blijven. Hierop steunt de onderscheiding der natuurgaven en dermenschelijkeproducten, welke buiten de algemeene beschikking vallen.
193.
Aangezien er onder de uitwendige natuurgaven voorkomen, die blijkbaar voor uitsluitende aanwending zijn bestemd, is de bewering onhoudbaar, dat deze, bijv, de bodem, niet, zonder nadeel voor de maatschappij en zonder regtsschennis, in eigendom kunnen worden bezeten. Er is geene reden, om de toeeigening van een deel dier dingen, wegens hunnen oorsprong, meer als strijdig met het algemeene belang en met het regt aan te merken, dan de uitsluitende bevoegdheid, om naar goedvinden over zijne ligchaams- of geestkrachten te beschikken. In oorspronkelijken toestand zijn beide natuurgaven. Beide zijn vatbaar opzettelijk te worden aangewend, of eene gunstige wijziging, wat betreft daarin gevestigde eigenschappen , te ondergaan. Opdat zulke wijziging plaats hebbe of eene schadelijke, die men opzettelijk kan voorkomen wegblijve, is onontbeerlijk, dat de mensch tot oefening van zijnen invloed geleid worde door overweging van zijn belang; derhalve, dat hij reden en de uitsluitende bevoegdheid hebbe, te beschikken over zijne krachten en over die
71
der uitwendige middelen, dat hij zijne ongestoorde vrijheid geniete en den eigendom bezitte.
Een gedeelte der natuurgaven staat ons ten dienste in volkomen overvloed met betrekking tot onze behoeften, een ander meer of min spaarzaam. Bestaan voor ons redenen van toeeigening met betrekking tot deze, zij ontbreken met opzigt tot gene. Deswege zijn zij te onderscheiden.
Uitsluitend de uitwendige natuurgaven en door\'smen-schen tusschenkomst verzamelde of voortgebragte dingen, aan welke men reden heeft waarde toe te kennen, zijn vatbaar ons er eene op te leveren ze in eigendom te begeeren. Zij alleen en geenzins het eigene hebben de vatbaarheid, om aan anderen in eigendom over te gaan.
Zoowel de diensten van het eigene, als van den eigendom, kunnen deels ten nutte van derden strekken. \')
Onze persoonlijke natuurgaven, de krachten, die zij oorspronkelijk bezaten en door oefening en ontwikkeling allengs verkregen hebben, gaan met onzen dood, voor zoo veel zij ten aardschen gebruike dienen, verloren. Uitwendige voorwerpen van waarde, in natuurgaven bestaande of zulke, waarop de mensch voorbedachtelijken invloed
\') Zoo min als onze spijsverteering een ander kan dienen, even weinig kan de bril van eenen bijziende den verziende baten.
72
heeft uitgeoefennd, zijn naar hunnen bijzonileren aard, voortdurend, of langdurig, met behoud van hunne krachten, of voorbijgaand, onafhankelijk van het leven en sterven des eigenaars,
198.
De krachten en zaken onderscheiden zich evenzeer door haar vermogen, om op verschillende menschelijke behoeften te werken, als door den meer regtstreekschen of meer middellijken invloed, dien zij in staat zijn er op uit te oefenen. Zeer ten onregte rangschikt men uitsluitend de eigendommen en hunne krachten onder de waaide hebbende voorwerpen en onder de producten.
199.
De voortbrengstkracht der geestelijke en redelijke begaafdbeden, of die zij door oefening en ontwikkeling kunnen verkrijgen, zijn vatbaar voor bijkans onbeperkten en voor eindeloozen invloed.
De stof oefent er onvermijdelijk eenen meer beperkten en gemeenlijk eenen min duurzamen uit. Zelve zijn stoffelijke vermogens onafscheidelijk van de voorwerpen en veelal bij aanwending zeer voorbijgaand, schoon in korter of langer tijdsbestek.
Uitwendige goederen zijn of geschikt bij meer of mindere aanhoudendheid dezelfde diensten te bewijzen, of verliezen hunne vatbaarheid daartoe gelijktijdig met het daarvan gemaakte gebruik. In dit laatste geval verbruikt men ze.
Soms sluit het gebruik, dat de een maakt van eene
73
natuurgave, elk ander van het gelijke gebruik uit; in dat geval verhindert het onbezitbare der zaak het bijzondere gebruiksregt daarvan niet.
De eigenschappen, die in genere niet kunnen worden bezeten, vormen in zoover zij speciaal aan bepaalde eigendommen verbonden zijn hunne accessoria.
VOORTBRENGEN.
203.
De zuiver menschelijke oeconomische beteekenis van het woord voortbrengen is voor ons, dadelijk menschelijk welzijn uitwerken of het middellijk bevorderen.
204.
Indien de werking, die de stof vervormt, hare eigenschappen wijzigt of haar in andere tijds- of plaatselijke omstandigheden helpt overbrengen, niet altijd in oeco-nomischen zin de qualificatie van voortbrengend verdient, even weinig is zij immer vereischt, opdat eene gebeurtenis of daad werkelijk voortbrengend kunne wezen.
205.
Er bestaat altijd voortbrenging door, nooit zonder de werking tot behoud of ter vermeerdering van welzijn, of van een vermogen, dat welzijn bevorderen kan en waarde heeft.
Op eenigerlei wijze het onstoffelijke, het tegenwooi-
74
dige of het aanstaande menschelijke welzijn bevorderen, is gewis niet minder voortbrengen, dan rijkdommen of hunne waarde op eenen wettigen en voor het menschdom min schadelijken weg vermeerderen.
Niet alle waardevermeerdering van bepaalde zaken ontstaat uit en getuigt van aanwas van nuttig vermogen. Dan alleen, wanneer de toename barer nuttigheid van gunstigen invloed is op de uitbreiding des menschelijken welzijns. Derhalve, wanneer zij geen gevolg is van betrekkelijke uitbreiding der behoefte, zal de daaruit voortkomende waarde aanwas voortbreng bewijzen, geheel met de belangen des menschdoms overeenstemmen en niet enkel tot meerdere spaarzaamheid en ijver aansporen.
In eiken aanwas der erkende nuttigheid of waarde, onverschillig waaruit zij ontstaat, zal eene sterkere drijt-veer liggen tot grootere spaarzaamheid en tot krachtiger inspanning ter verkrijging der noodige zaken, tot geradene wijziging van aanwending der beschikbare vermogens en middelen, tot gedragswijziging in \'s menschen belang.
Zonder medewerking der natuur kan men niets voortbrengen: veel echter niet, tenzij met behulp van uitwendige , vroeger voortgebragte en bespaarde goederen, van menschelijken arbeid of van beide deze krachten tevens, van capitalen.
De voortbrengselen van onzen geest zijn van eenen
75
onstolïelijken aard, maar onder medewerking van onzen geest, ontstaan ook stoffelijke.
Is langs den onstolïelijken weg en door onstoffelijke vermogens gunstig te werken op het gebruik, liet behoud en de wording of volmaking der stoffen, ligchame-lijke dingen zijn mede dienstbaar aan onze onstoffelijke ontwikkeling en belangen.
Daar stoffelijke voortbrenging vaak plaats heeft ten koste van \'s menschen onstoffelijke inspanning, is de daarvan onafscheidelijke oefening niet zelden dienstig tot zijne hoogere ontwikkeling. Hierin ligt eene der hoofdredenen, waarom wij aan stoflelijke behoeften zijn onderworpen, en die hebben te leeren kennen, in welker bevrediging wij, door eigene inspanning en medewerking, hebben te voorzien.
De belangrijkste, gunstigste strekking der stoffelijke voortbrenging, van de inspanning, regtstreeks besteed aan het behouden en voortbrengen der rijkdommen, ligt niet in den onmiddellijken invloed, dien zij gemeenlijk op de bevrediging onzer behoeften zullen uitoefenen, maar in de daarmede tevens gepaard gaande voortzetting-van onze geestelijke wording. Hetgeen men daaraan besteedt is doorgaans het beste besteed.
Zoowel in eenen oeconomischen zin, als in eenenjuridisch en, is het, uitgenomen met betrekking tot eigene
76
oefening en eigene gewaarwording, onverschillig olmen door zijne eigene vermogens, dan wel door zijne acces-soria aan het voortbrengen bijdraagt.
215.
In redelijk zedclijken zin is elke voorbedachtelijke daad doelloos, onzinnig en elke voortbrenging onbestaanbaar, waarvan de gevolgen geenen gunstigen invloed op de instandhouding en bevordering des menschelijken welzijns zullen hebben, hetzij regtstreeks, hetzij ten slotte en middellijk.
OPOFFERING.
Opoffering is de opzettelijke daad, die eenig kwaad, leed, gemis of verlies veroorzaakt. Zij strijdt, uit een eenzijdig oogpunt beschouwd, altijd stellig met ons welzijn.
217.
Een redelijk besluit moet altijd de daad voorafgaan, waardoor men opofferingen, ondanks het daaraan verbonden kwaad, tot behoud of verwerving van een belangrijker goed, volbrengt, hetzij ter onmiddellijke bevordering des goeden, hetzij met het vermeende zedelijke doel ter bevrediging zijner dierlijke of hoogere behoeften, of wel ter instandhouding en uitbreiding der in- en uitwendige voortbrengstkrachten.
Elk besluit, dat opolleringen ten gevolge heeft, grondt zich op de uitkomst der gemaakte vergelijking, tusschen
77
de voorstelling der gevolgen dier opofferingen, zoo ten goede als ten kwade. Geene beweegreden tot opofferingen kan er ons toe doen overgaan, ten zij wij in de uitkomsten, ten haren koste te bereiken, een betrekkelijk goed en wel een van overwegend belang vermeenen te zien, of een betrekkelijk minder kwaad.
\'219.
Aangezien eene vergelijking geaardheids-overeenstemming eischt en onderstelt der dingen, waarvan men de uitgebreidheids-onderscheiding waarneemt, om haar te constateren, moet de belangrijke geaardheid gelijksoortig wezen, waarvan de meerdere uitbreiding eene overwegende beweegreden zal opleveren tot het doen van opofferingen.
Gelijksoortige belangrijkheid is in eigenlijken zin uitsluitend denkbaar ten opzigte van ons welzijn, dat voorwaardelijk bestaanbaar, te behouden of te bevorderen is, en, als gevolg daarvan, in overdragtelijken, met opzigt tot het geen van invloed kan wezen op de vervulling dier voorwaarden.
Naardien onstoffelijke en ligchamelijke dingen invloed op de vervulling kunnen uitoefenen van de voorwaarden, onder welke ons welzijn in minderen of meerderen graad bestaanbaar is, kunnen die dingen de zelfde geaardheid van belangrijkheid deelachtig zijn, welke eigen is aan het voorwaardelijk welzijn zelve.
Omdat wij welzijn of de mogelijkheid het te genieten
78
opofferen, wanneer tengevolge van onze daad ons bepaalde vereischte middelen zullen ontbreken, welker medewerking onontbeerlijk is om het te behouden of te bevorderen, kunnen wij schijnbaar ongelijksoortige dingen en de opofferingen hen betreffende met elkander vergelijken. Wij kunnen welzijn of genot niet alleen met het daartegenover staande leed en de moeite vergelijken, maar ook met stoffelijke goederen of stoffelijke en onstoffelijke middelen, geschikt om ze te behouden of te verkrijgen, evenals deze onderling, betreffende welke ons belang eischt, bevoegd te zijn er uitsluitend over te beschikken of althans in die bevoegdheid te deelen.
223.
Het feit, dat de vergelijking der vermoedelijke uitkomsten het besluit tot, dus de handeling der productie voorafgaat, strekt ten bewijze, dat de oorzaak er van in eene voorstelling der waarde ligt. Zij is onafhankelijk van de daad zelve. De grootte der opofferingen, het kostende is iets, dat slechts in wezen treedt, nadat het oordeel over de waarde der voorwerpen is geveld, het besluit genomen en de werking is aangevangen, die eenen onwedersprekelijken invloed heeft op hun ontstaan en welligt, maar niet onvermijdelijk daardoor op hunne nuttigheid en waarde. Het is derhalve ijdel, in die grootte de oorzaak te zoeken van het ontstaan hunner waarde, in zoover als zij door den tweeden factor moet worden voortgebragt. Die grootte is slechts de bijkomende reden van haar bestaan. Het feit stelt echter tevens buiten twijfel, dat men zich in den regel geene opofferingen getroost, ten zij men van de uitkomst min of meer ruime vergoeding verwacht. De opofferingen zijn door de voorstelling der waarde gemotiveerde gevolgen.
79
224.
Het doel, ter bereiking waarvan men opofferingen doet, waarborgt, dat men reden heeft ze te vermijden, zoodra ten haren koste geene volledige vergoeding is te verkrijgen, dat mitsdien in dit geval de voortbrenging zal afnemen gestaakt worden en diensvolgens, dat het kostende \') ol het laagste punt is, waartoe eenigzins duurzaam de marktwaarde der nieuwe voortbrengselen kan afdalen.
225.
De voortbrengselen der geestesinspanning worden niet uitsluitend verwezentlijkt in hare zigt- en kostbare resultaten. Vandaar dat geleerdheid nog dikwerf wordt beoefend, van daar dat men zich nog vaak inspant ter ontwikkeling van zijne zedelijke vermogens, schoon schijnbaar de daartoe gevorderde inspanning niet of hoogst karig wordt vergoed.
Daar de onnoodig gemaakte kosten ter voortbrenging zoo min de daling der voortbrengselen verhoeden, als zij er het nut en de waarde van uitbreiden, moet al wat de noodwendig te maken kosten doet afnemen, tot daling van de waarde der dingen leiden, en tot vermindering van onze gehechtheid er aan. Het zal onvermijdelijk het verlaten veroorzaken der meer kostende wegen van productie. Het zal evenzeker den mensch het bevredigen zijner behoeften minder bezwaarlijk maken.
\') Dit is de zamenvatting van alle de onvermijdelijke opofferingen der voortbrenging.
80
In de vrees voor betrekkelijk grootere nadeelen ligt de hoofdreden der opofferingen en der moeite of onthoudingen, die men zicli getroost, onverschillig of de verwacht wordende vergoedingen bestaan in onmiddellijk welzijn, dan in iets anders, bijv. in ontwikkeling zijner eigene vermogens, in de meerdere volmaking zijner uitwendige goederen, of in de loutere vermeerdering zijner rijkdommen. De heiligste vrees, die wij kunnen en die wij ten sterkste moeten koesteren, is het welzijn niet te zullen bereiken, waartoe God ons heeft bestemd. i
Omdat eeuwig heil het eenige om zich zelve goede is, waartoe wij voorwaardelijk zijn bestemd, omdat al het overige slechts waarde heeft, als middel daartoe, behoort de mensch geeno opoffering overdreven te achten, om het ontbrekende van zijn volkomen gelukstoestand aan te vullen.
De waarde is onbetwistbaar der verstandelijke en zedelijke ontwikkeling, der inspanning, die daartoe gevorderd wordt en niet minder dan die, welke de middelen ontkenen, aan de begaafdheden, waardoor men de hunne bevorderen kan. Steunt hare waarde deels op den gun-stigen invloed, dien kennis zedelijkheid en juist oordeel kunnen hebben op het voortbrengen van stoffelijke goederen en langs dien weg op de bevrediging der menschelijke dierlijke behoeften, nogmeer op haar vermogen, om oneindig veel bij te dragen tot opbouw van het heil.
81
Prijs is de som der opofferingen, welke men in onderscheidene vormen doet ter verkrijging, langs den eenen of anderen weg, van eene of andere uitkomst, waaraan men waarde toekent. Gemeenlijk hecht men er eene meer beperkte beteekenis aan, die van eene geldsom, en geeft men, het geslacht tot eene soort terugbrengende, daardoor aanleiding tot veevuldige dwalingen.
GEBRUIKEN, VERBRUIKEN, VERSPILLEN.
Gebruiken heet, in eenen specialen oeconomischen zin, een middel, eene kracht aanwenden tot ons welzijn of tot ons nut. ,
Het gebruik van vele nuttige zaken voldoet vaak ter bevordering van ons welzijn, of ter bevrediging van onze behoeften en ter verkrijging van vereischte middelen. In menigvuldige gevallen is het noodig daartoe waarde hebbende zaken aan te wenden.
Eenig voorwerp, eene kracht al of niet ten goede te gebruiken, zoodat het dienstige vermogen er van te loor gaat, geeft men te kennen met het woord verbruiken. In eenen oeconomischen zin moet daarbij niet aan het voorwerp, aan zijne kracht, doch aan zijne waarde,
s
82
aan eene bepaalde waarde-grootheid worden gedacht, waarin dan ook voorhanden.
Het gebruik van menig iets brengt er het verbruik van mede, soms bloot als voorwerp, soms tevens in oeconomischen zin, d. i.; als waarde-grootheid.
Even als wij dikwerf voorwerpen ter bevordering van ons welzijn direct moeten verbruiken, zoo ook indirect, dat is: tot het voortbrengen van rijkdommen en ter ontwikkeling van onze persoonlijke vermogens, enz.
Niets is dwazer dan den overgang der waarde te ontkennen van verbruikte voorwerpen, wanneer daardoor andere rijkdommen worden voortgebragt van hoogeie waarde, verstandig deel is genomen aan de personele ontwikkeling of behoeften blijvend zijn bevredigd.
Niets is onzinniger, dan de voortbrenging te ontkennen der aanwending van middelen, die, schoon zij niet tot behoud en vermeerdering der rijkdommen, nogthans ten onzen bate strekt.
Noemt men de daad, waardoor iets zijne waarde verliest , nog in zekeren oeconomischen zin, teregt, verbruiken, wanneer men daardoor in zijn vermogen tot voortbrengen teruggaat, ofschoon men aan de onmiddellijke bevrediging van behoeften voldoet, gaat dat in zekeren zin op, omdat
83
men soms reden heeft het voortbrengend vermogen afzonderlijk te beschouwen; nimmer is het te wettigen, in dien zin met den naam van verbruik een voordeelige overgang der waarde, gevestigd in eenen rijkdom te bestempelen, bijv. die tot verhooging van de belangrijkheid onzer persoonlijke vermogens of eigenaardigheden \'). Desniettemin leiden daartoe telkens de gewone begrenzing der oeconomie, van het onderwerp, waartoe hare kennis dienstig is, en de bepaling, die men doorgaans vermeent er van te moeten geven. De mensch is geen werktuig enkel der beschaving waard, omdat hij kan medewerken aan de uitbreiding der stolfelijke goederen. Daarentegen zijn de stoiïelijke goederen slechts waardige onderwerpen der beschouwing, omdat zij regtstreeks of middellijk bijdragen kunnen aan de instandhouding of bevordering des menschelijken welzijns. !)
239.
Elke daad en nalatigheid, welke tot schade van ons welzijn, door niet of onverstandig gebruik, een nuttig vermogen deels of geheel doelloos verloren doet gaan is verspilling.
\') Rossi erkent het in zijne les 12, eerste gedeelte. «La production «est done en dernière analyse une application de forces donnant pour «résultat quelque chose qui soit propre a satisfaire au besoin de Thomme. «Je dis quelque chose qui soit propre a satisfaire au besoin de l\'homme «et non comme quelques économistes Tont dit, quelquechose qui, puisse être échangé quot;
2) Ook dit erkent Rossi., les 7, tweede gedeelte, niet tegenstaande zijn wanbegrip van het onderwerp der wetenschap. «Mais riiomme est «son propre but, il n\'est pas un moyen, il ne produit pas pour produire. «Le monde, grace a Dieu, n\'est pas un tread mill dans lequel une «puissance surhumaine ait renfermé Thomme pour qu\'il ne soit exclu-«sivement qu\'un moyen.,,
84
240.
Het is eene dwaasheid, of genietingen te helpen veroorzaken, öf het behouden en voortbrengen van rijkdommen en van andere middelen te helpen bevorderen, die eenen minder gunstigen invloed op ons welzijn hebben, dan dien, welken hetgeen daartoe ten koste wordt gelegd en opgeofferd zou kunnen uitoefenen. Langs die wegen hebben ontzettende verspillingen plaats.
241.
De uitgebreidheid der opofferingen, in verhouding tot de belangrijkheid der uitkomsten, bepaalt hunne geaardheid, of zij al dan niet verspillingen zijn. Daaraan wijzigt niets de soort der opofferingen. Deze kunnen evenzeer overdreven zijn in de bedoelde verhouding, wanneer zij arbeid, moeite of leed betreffen, als wanneer zij stoffelijke goederen aangaan.
242.
Elke opoffering is verspilling, in zooverre zij de uitgebreidheid overtreft van die, ten koste waarvan eene gelijke uitkomst te verkrijgen zoude zijn.
243.
Nuttige dingen en krachten niet op de wijze aanwenden, waarop zij het meest, direct of middellijk, aan het welzijn zouden kunnen bijdragen, is minstens betrekkelijke verspilling.
244.
Daar men zich aan verspilling schuldig maakt, wanneer men ten koste van de mogelijke bevrediging der belang-
85
rijker behoefte, zijne middelen gebruikt ter bevrediging van minder belangrijke, en daar de regtstreeksche behoeften vaak niet de belangrijkste zijn, is het menigmaal noodig, ter vermijding van verspillingen, zich van onmiddellijke genietingen te onthouden.
245.
Ter bevordering van onstolfelijk, van geestelijk goed maakt men zich het minst schuldig aan verspillingen.
246.
De ontdekking en vinding van minkostende wegen ter productie doet het bewandelen der vroeger bekende onvermijdelijk tot de verspillingen behooren.
247.
Wanneer men zijne middelen ter bevrediging zijner behoeften besteedt, doet de handeling ze aan hunne bestemming beantwoorden, verwaarloost men de zijne niet en maakt men zich aan geene verspilling schuldig, maar wel door na te laten de beschikbare productive krachten te gebruiken of ten beste aan te wenden.
248.
Gierigheid strijdt niet minder met de regelen der huishoudkunde, dan verkwisting.
249.
De gierigaard begeert de middelen en gunt zich hun gebruik niet. De verkwister berooft er zich van en ontzegt zich hunne verstandige aanwending. Beiden missen hun objectief doel.
86
250.
De eenige wettige beweegreden, om belang te stellen in het bezit van middelen en daarom, in hun behoud en vermeerdering, bestaat in de bedoeling ze aan te wenden, wanneer de behoefte zich zal doen gevoelen aan hun gebruik.
VERSTANDELIJKE EN LIGCIIAJIELIJKE ARBEID.
251.
De arbeid, die te regt de bijzondere aandacht trekt der huishoudkundigen, is die, welke door inspanning der vermogens en krachten van den mensch invloed heeft op de werkingen en uitkomsten, voor zoover deze in betrekking staan tot \'s menschen welzijn.
252.
Als bestuurder der stoffelijke werkingen, oefent de mensch een veel krachtiger en belangrijker invloed uit, dan langs ligchamelijke of werktuigelijke wegen, op de instandhouding en uitbreiding der waardijen, der rijkdommen, en des welzijns.
253.
I
\'s Menschen onstoffelijke vermogens hebben veel groo-tere waarde, dan zijne ligchamelijke, niet alleen omdat zij op eene minder vervangbare wijze en krachtiger dan deze aan de bevordering des welzijns kunnen bijdragen, maar vooral, omdat zij tevens voor oneindige en meerdere ontwikkeling vatbaar zijn, en hunne aanwen-
87
ding, terwijl zij vaak minder leed veroorzaakt, doorgaans aan die ontwikkeling bijdraagt.
254.
Waarde aan werkkracht toekennen en haar bloot vatbaar achten improductiven arbeid te verrigten, houdt eene contradictio in terminis. Geene kracht is een goed, tenzij hare uitkomsten het zijn, wanneer zij in werking-treedt, en heeft waarde, wanneer deze er van ontbloot zijn, dat is: wanneer hare werking improductief is.
255
Eene hoogere waarde aan eene kracht toekennen, dan aan eene van gelijke uitwerking is eene miskenning van eenen der gronden, waarop de waarde steunt. Elke schatting is eenzijdig, wanneer het oordeel niet mede is gevestigd op de overweging van mindere bezwaren. Dat oordeel is blijkbaar valscb, wanneer het enkel op de overweging steunt der hoogere voortbrengstkosten, van den zwaarderen arbeid, der grootere opofferingen, in waarheid der verspillingen, waaraan men zich heeft schuldig gemaakt, bij de aanwending van eene kracht.
256.
De ontleding van den zuiver ligchamelijken arbeid, doet hem betrekkelijk laag achten. Hij bepaalt zich tot verplaatsing der stoffen, latende dezer werking verder aan de natuur over.
257.
Omdat \'s menschen zuiver werktuigelijke arbeid volledige overeenkomst heeft met dien, welken dieren en werktuigen, van meer of minder zamengestelden
88
aard, kunnen verrigten, omdat die menschelijke arbeid door eenen, welken dieren of stoffelijke voorwerpen kunnen volbrengen, is te vervangen, zonder van schadelijken invloed te wezen op de uitkomsten, kan zulk een menschelijke arbeid nimmer eene hoogere waarde hebben, dan die der dieren of die der werktuigen, en moet de waarde er van geregeld althans beperkt worden door de onvermijdelijke kosten van deze laatste soorten.
258.
Hoe meer \'s mcnschen arbeid den invloed eischt dei-onstoffelijke besturing, de zamenwerking der verstandelijke en zedelijke vermogens, des te minder is hij door dien van beesten en van werktuigen te vervangen, en heeft hij eene waarde onafhankelijk van diens invloed.
259.
Twee agenten van productie, onverschillig waarin zij bestaan, of zoo men wil, aanwezig zijn, hebben objectief eene gelijke waarde, wanneer zij tevens geheel overeenkomen, zoowel aangaande hunne nuttigheid, als betreffende de kostbaarheid hunner instandhouding en verkrijging , \') Schat men ze desniettemin ongelijk van waarde, het is omdat men zich er valsche of onjuiste voorstellingen van vormt.
\') Betreft dit agenten, die in eigendom worden bezeten, evenzeer den arbeider. Het loon, dat hij in vrije mededinging bedingt, is, als het ware, de maatstaf van zijne waarde. Die meer of minder tot zijn onderhoud behoeft, is daarom niet meer of minder waard. Het werktuig, dat de kosten van zijn onderhoud niet vergoedt, sloopt men. Eene menigte arbeiders verbruiken meer, dan zij aan de bevrediging van menschelijke behoeften bijdragen.
89
De toevallige ongewone oorsprong, waaruit welligt eene zaak, eene eigenschap, een agent van voortbrenging is ontstaan, of die bijgedragen heeft aan de instandhouding en de verkrijging er van, heeft op diens waarde geenen invloed.
De betrekkelijke waarde van onderscheidene voort-brengstagenten kan, onaangezien hunne verschillende vermogens, om ten nutte mede te werken, bewaard blijven door hunne in dezelfde verhouding meerdere of mindere kosten van onderhoud en verkrijging. Doch omgekeerd, kunnen verschillende onderhouds- of verkrij-gingskosten een verschil van waarde doen ontstaan, met opzigt tot overigens gelijke productive agenten.
De veroordeeling van de aanwending der min of meer zamengestelde werktuigen en der beesten staat gelijk aan die der geestvermogens of der ligchaamskrachten en der leden van den mensch. Zij is even ongegrond en onzinnig.
De mogelijkheid om bepaalde werkingen, in het belang van den mensch, door de natuur, met behulp van werktuigen of van beesten te doen verrigten, ontslaat hem vaak van de verpligting, er zijne persoonlijke krachten en zijnen tijd aan te besteden. Zij verschaft hem de gelegenheid, zelf meer aan zijn welzijn bij te dragen, en zich tevens te ontslaan van de onaangename gewaarwordingen, verbonden aan allen vermoeijenden arbeid.
90
264.
De kring van \'s menschen geestes-leven verruimt zich, naar mate men zich leert ontslaan van de verpligting om werktuigelijken arbeid te verrigten. Hierin bestaat het onmiddellijke groote nut van vele ontdekkingen, uitvindingen en van de vorming van capitalen.
DE MENSCH IN ZAMENLEVING.
265.
De Voorzienigheid heeft den mensch op aarde geplaatst, om door eigene bedrijvigheid bij te dragen aan de ontwikkeling zijner redelijke en zedelijke kiemen en diens volgens aan zijne volmaking, tot bevordering van zijn heil. Opdat hij daartoe krachtig medewerke, is het hem goed, dat hij noch alleen zij, noch in afzondering leve en streve.
Buiten de zamenleving is \'s menschen ontwikkeling onbestaanbaar, in overeenstemming met zijne roeping en belang.
267.
De mensch heeft vermogens, die hij niet uitsluitend in zijn belang, maar mede in dat van zijne natuurgenooten aanwenden kan. Evenzoo is het gelegen met uitwendige middelen te zijner beschikking staande. Weder-keerig, in overeenstemming hiermede, staat zijn welzijn onder den invloed van anderen.
91
Gods liefde en wijsheid waarborgen, dat Hij, met welwillende bedoelingen en om deugdelijke redenen, den mensch vatbaar heeft gemaakt, gunstig op het lot zijner natuurgenooten in te werken.
269.
God heeft gezorgd, in \'s menschen dierlijkheid de beginselen te leggen, die hem onwillekeurig de banden der zamenleving zouden doen aanknoopen.
270.
Het is in handtastelijken strijd met Gods volmaaktheid. dat wij den weg, die tot onze bestemming leidt, zouden moeten verlaten, om het welzijn van onze medemenschen te kunnen bevorderen. Zij nope ons veeleer in ons de bewustheid te doen ontstaan der harmonie, welke in de schepping niet kan ontbreken. Zij stelt boven allen twijfel, dat er overeenstemming bestaat tusschen de verstandige pogingen ter bevordering van eigen welzijn en tusschen de handelingen, die gunstig op de belangen van anderen werken.
271.
Egoïsme in den waren, in den redelijken zin des woords, is de verstandige zucht naar welzijn. Het getuigt in dien zin van belangstelling in waarachtig welzijn, in redelijk genot des goeden. Het kan geene liefde jegens anderen uitsluiten, omdat de liefde de bron is der zaligste genietingen.
272.
Het valsche egoïsme getuigt van domme vooringenomen-
92
heid, van de engste kortzigtigheid en van miskenning van het ware eigenbelang; het doet ons alzoo een dwaalspoor betreden, wanneer het beginsel der belangstelling daartoe ontaardt, of welligt beter, wanneer het zich daar boven niet ontwikkelt en verheft.
Met opzigt tot de drijfveer van het ontstaan der maatschappij, is reeds de meerdere zorg opmerkelijk, die de kinderen boven de jongen der beesten behoeven.
Onze oneindige, telkens wederkeerende behoeften staan in verband met de beperking onzer eigene vermogens en middelen en met de uitbreiding van hunnen invloed ter bevrediging van onze behoeften, door associatie. Daarin ligt eene onmiskenbare reden, dan eens tot wederkeerig hulpbetoon, dan eens tot krachts-vereeniging, waartoe zamenleving gelegenheid verschaft.
Terwijl de uitvoering onzer begeerten en neigingen de wording van associatiën zeer begunstigt, strekt de bekwaamheid, elkander door teekenen en woorden onze gedachten mede te deelen zeer tot hare nutsverhooging en dientengevolge, naar verhouding de bewustheid er van ontstaat, ons tot hare vorming te bewegen.
Dierlijke gewaarwordingen zijn het vroegste onderwerp der menschelijke belangstelling. In haar ligt het uitgangspunt van zijne ontwikkeling. Zij leiden hem tot een zeer oppervlakkige en kortzigtige opvatting van zijn welzijn
en van den aard van zijn eigenbelang. Dientengevolge wordt de mensch, aanvankelijk binnen zeer beperkte grenzen, tot aanwending zijner vermogens en der ten dienste staande middelen, tot voortbrengen en tot het aangaan van associatiën geleid.
Bij gemis aan ontwikkeling, stelt men zoo min belang in nuttige, doch meer verwijderde vermogens en middelen, en in hooger, in geestelijk genot, als in liet welzijn van anderen. Men handelt dienovereenkomstig.
De schepping vertoont zich inbaar bewonderenswaardigst daglicht, wanneer men in hare regeling de strekking opmerkt, om reeds door de werking der ervaring op de rede de zelfzucht binnen de grenzen van het regt te beperken en den mensch de eerste stappen te doen zetten op den weg, die uitloopt op algemeene menschenliefde. Hare wording behoort tot het hoofddoel der zamenleving.
Zoodra het begrip post vat, dat hetgeen anderen nuttig kan zijn, ten eigenen voordeele is aan te wenden, leidt het gemis aan belangstelling in het lot van anderen, waar het regt niet krachtig wordt gehandhaafd, tot vijandige daden, die zich openbaren in berooving en personele mishandelingen.
Geweld lokt gewelddadigen wederstand uit. Nog voor dat de mensch zich opzettelijk inspant rijkdommen te vergaderen, voor dat hij er aan denkt ze voort te brengen,
94
ervaart hij de behoefte van het geweld te wederstaan, dat hem van de gelegenheid berooft, hetgeen de natuur aanbiedt, ten zijnen nutte aan te wenden. Zijne personele beperkte vermogens uit ervaring kennende, ontstaat in hem de bewustheid zijner behoefte zich met anderen te associëren, hetzij om geweldadiger jegens anderen te kunnen optreden, hetzij om zich krachtiger te kunnen verzetten tegen het geweld, dat hem dreigt, dan eens van natuurkrachten, dan eens van beesten, dan eens van zijne natuurgenooten.
Elke associatie is een vorm, waarin reeds de uitvloeiselen voorkomen van het nog zeer laag ontwikkelde beginsel van eigenbelang. Dit kan niet gelijktijdig de onderscheidene leden eener associatie hebben aangespoord, dan onder voorwaarde, dat zij zich onderling verpligten, elkander wederkeerig .hun aandeel in de gezamenlijk te verwerven goede uitkomsten te gunnen en allen een evenredig deel der bezwaren te dragen, ten koste waarvan aan hare bereiking gemeenschappelijk is mede te werken.
Elke tot stand gebragte associatie levert het feitelijke bewijs, dat de mensch den weg is ingetreden van eerbiediging , derhalve van erkenning der afzonderlijke regten en van naleving der daaroverstaande verpligtingen.
De vordering der menschelijke ontwikkeling, welke blijkt, wanneer rijkdommen worden vergaderd en wederom meer, wanneer men aanvangt ze opzettelijk voort te brengen, gepaard met de waarneming van de onderlinge
95
hulp, welke men elkander kan bewijzen te hunner zake, leidt onvermijdelijk ter uitbreiding van het doel der associatiën en tot meer stellige en uitgebreider erkenning-van het eigendomsregt.
De hoogste trap van beschaving, van redelijke en zedelijke ontwikkeling vertoont zich in het uitvloeisel van het volmaakt begrepen eigenbelang. Dit bevat het begrip, dat gewillige medewerking ten goede heilrijker vruchten draagt, dan min of meer gedwongene; dat welwillendheid wederkeerige welwillendheid bevordert; dat het afzonderlijke belang der individuen er het best bij zal varen, wanneer allen, die met elkander in betrekking staan, in eene wederkeerig welwillende gemoedsstemming levende, door haar bewogen worden, ten goede alle hunne krachten en vermogens aan te wenden. Geene associatie zal hechtere banden, grootere uitgebreidheid van onderwerp en weldadiger invloed op het lot van allen hebben, derhalve gunstiger op dat barer afzonderlijke leden werken, dan zij, waarvan deze allen, niet enkel uit vrees, elkanders vrijheid en regten eerbiedigen, maar uit menschenmin de beweegreden hunner handelingen putten.
De oefeningen van menschenmin kunnen eenerzijds niet in volle mate plaats hebben, wanneer anderzijds een geest van afgunst, van vijandschap heerscht, en de eerbied voor het regt te wenschen over blijft.
Alle eischen buiten de grenzen van het strenge regt schaden de beweegreden der associatiën, de banden der
96
zamenleving, haren nuttigen invloed, het algemeene belang, het welzijn van alle leden.
287.
De strijd, die men beweert te bestaan, tusschen de beginselen der regtvaardigheid en de nuttigheid of het algemeene belang, is denkbeeldig. Dit wanbegrip is een gevolg van de verwaarloozing der beoefening van het natuurregt \') van de miskenning der overeenstemming in de schepping.
De ondervinding dringt de waarheid op, dat algemeene vijandschap en onregtvaardigheid nadeelig zijn voor allen. Spoedig verwekt zij de overtuiging, dat aller belang de beperking eischt van aller belangstelling in eigen welzijn, binnen hare redelijke grenzen, d. i.: voor zoover zij in strijd daarmede aanspoort, anderen te schaden en de grenzen van het regt te overschrijden.
289.
Even als het tegenwoordige onder den invloed staat van onze vroegere daden en van reeksen door anderen bedreven, zoo nemen wij handelende telkens deel aan de bevordering of verachtering van ons toekomstig lot en van dat van vele leden des tegenwoordigen menschelijken geslachts en van hunne afstammelingen.
290.
Aan de verwezenlijking van het ideaal der zamenleving
\') Pestel, Fund jurisp nat § X «Igitur verum bonum morale, el id «quod vere utile dici potest (quatenus hoc ab actione cujusque libera «profectum est) non differunt.»
97
is niet te -denken, door volstandige opvolging der huishoudkundige regelen; wanneer de bewustheid van onze hoogere behoeften en de kennis der vruchten, die de zamenieving kan en moet opleveren, nog gebrekkig zijn wanneer beider krachteloosheid hun niet toelaat ons te doen inzien de ijdelheid van onze uitsporige eischen en het nadeel van den gebrekkigen wil, om anderen te helpen; zoo lang wij in der daad blind blijven voor de baten der wederkeerige regts-eerbiediging en der welwillende handelingen.
291.
Het onder alle vormen doorschijnende hedendaagsche systeem der communisten en socialisten, valschelijk zich de qualificatie van liberalisme aanmatigende, strijdt niet minder met het menschelijke welzijn en verzwakt niet minder de banden der zamenieving, dan het op onware en losse gronden steunt.
292.
De schadelijkheid, de leugenachtigheid van het hedendaagsche zoogenaamde liberalisme straalt voor elk denkende door, omdat het de gemeene belangen te bevorderen mogelijk stelt door magtsuitoefening, zonder in achtname der individuele regten.
293.
«Waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen». In deze schoone stelling ligt opgesloten, dat het individuele welzijn het hoogst wezen zal en ieder zijne bestemming het best zal bereiken, wanneer elk meer doet, toelaat en geeft, dan zijne natuurgenooten met regt van hem kunnen eischen, en mitsdien omgekeerd minder eischt,
98
dan zijn regt gedoogt; want daar zullen de banden der zamenleving de veelvuldigste, de krachtigste wezen, en daar zal de wederkeerige hulp de dienstigste zijn, de schoonste onvergankelijke, geestelijke vruchten voortbrengen.
294.
Hij, die zich aanmatigt, hetgeen uitsluitend binnen Gods bevoegdheid kan liggen, die van zijne naasten vordert hetgeen, waarop God uitsluitend een eischend regt kan bezitten, is een rustverstoorder, lost de banden der zamenleving op, is haar vloek, de verdelger van hare vruchten. De naam, dien men aan eene daad, aan een beginsel geeft, wijzigt er het caracter niet van, noch den aard der vruchten van hare werking.
295.
De echte liberaal verfoeit des te meer het tyrannique caracter van het valsche liberalisme, dat geen ontzag heeft voor de grenzen des regts, omdat de huichelachtige benaming wordt aangenomen tot blinddoek voor de weinig doordenkende menigte.
296.
Vrijheidsmin is ons ingeschapen. Belangstelling is een regtstreeksch uitvloeisel van onze bewustheid. Zij heeft ons lot, onzen toestand en hetgeen daarop gunstig of schadelijk kan werken, tot onderwerp. Zij is ons allen gemeen. Beide behooren tot onzen individuelen aard. Beide zijn ons even noodig, om ons voorbedachtelijk aan het goede en nuttige te doen bijdragen.
297.
Tusschen wezens bewerktuigd als de mensch . is geene
09
zamenleving denkbaar, welke steunt op beginselen, die van de diepste verachting der menschelijke natuur getuigen, door openlijke ontkentenis van het onmisbare der individuele vrijheid, en door veroordeeling van het eigenbelang in zijne werking.
Vrijheidszucht beweegt ons, daar wij door het eigenbelang worden gedreven. Zij openbaart zich omtrent onze eigene personele handelingen, zoowel, wanneer zij de beschikking over, en de aanwending van onze eigene begaafdheden en vermogens betreft, als die over en van onze eigendommen.
Het begrip van en het streven naar, dus ook de erkenning en de practische invoering van het eigendomsregt ontstaan slechts dan, wanneer wij tot de bewustheid komen, hoezeer het gebruik, dat anderen maken van dingen, die wij ten eigene nutte willen aanwenden, schade aan onze eigene beschikking er over toebrengt, haar belemmert of geheel verhindert.
De ongestoorde, vrije, uitsluitende beschikking over onze accessoria is ons, om de zelfde reden, in vele gevallen even lief, als die over onze personele vermogens.
Het onmiddellijke hoofddoel en de hoofdvoorwaarde der zamenleving is de vrije beschikking over zich en over het zijne.
100
302.
Vrijheid is het alles beheerschende beginsel der zamen-leving.
303.
Vrijheid heeft hare eigenaardige grenzen. Zij ontaardt in gewelddadigheid, zoodra men deze overschrijdt. Haar gebruik stemt met het redelijke caracter van. den eigenlijken wil overeen, haar misbruik strijdt er mede en is een uitvloeisel der hartstogten.
304.
De grenzen der vrijheid treft men daar aan, waar de onderscheidene regtsbevoegdheden van individuen elkander onderling uitsluiten, elkander ontmoeten, wanneer zij evenzeer worden eerbiedigd.
305.
Omdat overschrijding van regt eene gewelddadige handeling is ten nadeele des gemeenen welzijns, blijkt de behoefte aan hare voorkoming en bestraffing.
306.
De zamenleving mist haar doel, haar nut, wanneer zij het gebruik der vrijheid buiten hare zedelijke grenzan, het misbruik er van niet tegen gaat, het onregt gedoogt. Veel minder mag zij het goedkeuren, het eischen en plegen.
307.
De menschelijke uitbreiding, bevestiging en werking der zamenleving zijn onbestaanbaar, zonder eerbiediging
101
van elkanders in zedelijken zin optevatten vrijheden en regten. Even onmisbaar is voor hare wording en ontwikkeling de krachtige overtuiging van haren nuttigen invloed, wegens het nut der zamenwerking (associatie), der wederkeerige diensten en der onderlinge regtsover-dragten, waartoe zij de gelegenheid verschaft, en die zij te bevorderen heeft, door voorkoming en bestraffing van onregt en vrijheids-misbruik.
308.
Elke wettelijke regeling, door de openbare magt vastgesteld, met verzaking der regtsbegiasclen, en onder voorwendsel van door haar het algemeene belang te zullen bevorderen, is niet enkel eene handeling in strijd met het doel barer instelling, maar een onwederspre-kelijk getuigenis van niet te hechten aan de harmonie der schepping.
DE STAAT.
309.
De zamenleving stelt aan eigenaardige gevaren bloot. Hare leden zijn zedelijk en redelijk gebrekkig ontwikkeld. Zij doen elkander geweld aan; zij plegen bedrog. De zamenleving levert volop middelen op, om de gevaren, waaraan zij bloodstelt, te verhoeden, tegen te gaan, te boven te komen.
De zamenleving leidt tot vorming van ongelijksoortige maatschappijen. Schoon alle bestemd zijn ten slotte het welzijn van alle hare leden te bevorderen, strekken zij
400
302.
Vrijheid is het alles beheerschende beginsel der zamen-leving.
303.
Vrijheid heeft hare eigenaardige gren/en. Zij ontaardt in gewelddadigheid, zoodra men deze overschrijdt. Haar gebruik stemt met het redelijke caracter van den eigenlijken wil overeen, haar misbruik strijdt er mede en is een uitvloeisel der hartstogten.
304.
De grenzen der vrijheid treft men daar aan, waar de onderscheidene regtsbevoegdheden van individuen elkander onderling uitsluiten, elkander ontmoeten, wanneer zij evenzeer worden eerbiedigd.
305.
Omdat overschrijding van regt eene gewelddadige handeling is ten nadeele des genieenen welzijns, blijkt de behoefte aan hare voorkoming en bestraffing.
306.
De zamenleving mist haar doel, haar nut, wanneer zij het gebruik der vrijheid buiten hare zedelijke grenzen, het misbruik er van niet tegengaat, het onregtgedoogt. Veel minder mag zij het goedkeuren, het eischen en plegen.
307.
De menschelijke uitbreiding, bevestiging en werking der zamenleving zijn onbestaanbaar, zonder eerbiediging
101
van elkanders in zedelijken zin optev;itten vrijheden en regten. Even onmisbaar is voor hare wording en ontwikkeling de krachtige overtuiging van haren nuttigen invloed, wegens liet nut der zamenwerking (associatie), der wederkeerige diensten en der onderlinge regtsover-dragten, waartoe zij de gelegenheid verschaft, en die zij te bevorderen heeft, door voorkoming en bestraffing van onregt en vrijheids-misbruik.
308.
Elke wettelijke regeling, door de openbare magt vastgesteld, met verzaking der regtsbeginselen, en onder voorwendsel van door haar het algemeene belang te zullen bevorderen, is niet enkel eene handeling in strijd met het doel harer instelling, maar een onwederspre-kelijk getuigenis van niet te hechten aan de harmonie der schepping.
J) E STAAT.
309.
De zamenleving stelt aan eigenaardige gevaren bloot. Hare leden zijn zedelijk en redelijk gebrekkig ontwikkeld. Zij doen elkander geweld aan; zij plegen bedrog. De zamenleving levert volop middelen op, om de gevaren, waaraan zij bloodstelt, te verhoeden, tegen te gaan, te boven te komen.
310.
De zamenleving leidt tot vorming van ongelijksoortige maatschappijen. Schoon alle bestemd zijn ten slotte het welzijn van alle hare leden te bevorderen, strekken zij
102
individueel slechts tot betere bereiking van bepaalde eu onderling verschillende tusschenliggende doeleinden.
311.
De bepaalde bestemming van eene der mogelijke maatschappijen is de vrijheid en het regt der, in zekeren geügrafischen kring, aan wezenden te handhaven en te beperken binnen zekere met het algemeene welzijn overeenstemmende grenzen, opdat het genot daarvan te zekerder en van weldadiger invloed zij. Deze is de Staat.
312.
Schoon de Staat de grootste der bestaanbare maatschappijen is, die de mensch opzettelijk vormt, valt de 1 dwaling in het oog, haar te vereenzelvigen en te verwarren met de maatschappij of de zamenleving, welke eene zamenvatting te kennen geeft van alle de leden des menschdoms en als het ware eene instelling des Scheppers is.
313.
De opzettelijke vorming eener maatschappij komt voort uit, zij onderstelt derhalve de aanwezigheid van een gemeenschappelijk onmiddellijk doel.
314.
Elk mensch begeert het ongestoorde genot zijner vrijheid en der vrije beschikking over zijne eigendommen. De bepaalde ter bevrediging dezer begeerte strekkende maatschappij kan den uitgebreidsten omvang hebben.
Derhalve is de Staat, die tot onmiddellijke roeping heeft het regt te handhaven, de grootst bestaanbare, welke men opzettelijk vormen kan. Omgekeerd, stelt zijne uitge-
103
breidheid buiten twijfel, dat de handhaving des regts zijn hoofddoel, zoo niet zijne eenige bestemming is, omdat tusschen het groote aantal der leden geen ander gemeenschappelijke belang dan dit kan bestaan. \')
315.
Aangezien geen geweld wettig is, dan strekt, hetzij om regtstreeks geweld te voorkomen of te keeren, hetzij om hetgeen te behouden of in onze magt te stellen, dat men niet zonder onregt te plegen ons heeft kunnen ontnemen of weigeren, kan geene geweldige daad of maatregel van wege den Staat gepleegd of genomen jegens lieden, die noch hunne bevoegdheid te buiten gaan, noch zich aan hunne verpligtingen onttrekken, een wettig caracter hebben.
316.
Regten en verpligtingen bestaan en hebben hunne grenzen, onafhankelijk van hunne erkenning en handhaving. De beoefening van het natuurregt dient, om ze te leeren onderscheiden en kennen. Ze zijn niet van \'s menschen uitvinding, maar bepalen immer des wetgevers wettige bevoegdheden.
317.
Het doel, waarmede de Staat de bevoegdheid heeft geweld te plegen, en de grenzen, waar binnen hij deze bevoegdheid wettig kan uitoefenen, worden aangewezen door de belangen der burgers en het gevaar, waaraan de zamenleving blootstelt, wegens het bij de staatsleden heerschendc gebrek aan eerbied voor elkanders regten.
\') Storch, Cours d\'éc. pol. T. 1, p. 2—5.
104
318.
Verwaarloozing van het natuurregt is de vrij algemeene oorzaak van de bestaande bijkans onbegrensde verwarring der begrippen van wettig en wettelijk, van het objective met het subjective, valsch zoogenaamde regt.\')
319.
Het bewustzijn van ons individueel onvermogen, om geweld te voorkomen en te keeren, is eene deugdelijke beweegreden om den Staat de bevoegdheid daartoe aan vertrouwen, en dienovereenkomstig een deel der individuele bevoegdheid af te staan. De bewering is blijkbaar valsch, dat de Staat belast is met in alle opzigten de belangen der leden te bevorderen en eene onbegrensde bevoegdheid bezit: alzoo dat hij in dien zin alvermogend is.
320.
De staatsverpligting, ter bevordering des algemeenen welzijns bij te dragen, is evenredig aan zijne bevoegdheid om coërcitief handelend op te treden. Zoowel zijne verpligtingen als zijne bevoegdheid tot het plegen van dwang, zijn begrensd.
321.
De zedelijke magt van den Staat strekt zich minder ver uit dan die, welke men zijne physique kan noemen, dan zijn vermogen om geweld te plegen.
322.
In de schepping ligt, dat gelijke oorzaken in gelijke
\') Reeds voor jaren heb ik gepoogd de aandacht op dit euvel te vestigen. Huishoudk. beschouwingen, bl. 140 in noot.
105
omstandigheden gelijke gevolgen doen ontstaan. De wei-kingen, die uit bepaalde oorzaken zullen voortvloeijen en eene onveranderlijke aaneenschakeling van gevolgen, voortbrengen, noemt men wetten der natuur.
323.
Het bestaan der natuurwetten is de voorwaarde der menschelijke magt, om voorbedachtelijk middelen aan te wenden ter bereiking of bevordering van eenig te voren bepaald doel, dus die, waaronder hij redelijk kan handelen en zedelijk verantwoordelijk zijn.
324.
Evenzeer als er onveranderlijke natuurwetten aanwezig-moeten zijn opdat de mensch redelijk met opzigt tot middelen voorbedachtelijk kunne handelen, behooren er mede op zedelijk gebied te bestaan, opdat hij voor zijne opzettelijke handelingen verantwoorlijk kunne zijn.
325.
De goddelijke oorsprong der natuurwetten op zedelijk gebied en hare onveranderlijkheid waarborgen, dat onzedelijke daden immer schadelijke gevolgen veroorzaken.
320.
Het is eene tastbare dwaling, dat onzedelijke, dus onregtvaardige handelingen en verordeningen \'s men-schen welzijn kunnen bevorderen.
327.
De pogingen van den wetgever zijn onzinnig, die zich voorstelt, door onregtvaardige verordeningen aan de welvaart en aan het welzijn der volkeren bij te dragen.
100
328.
üc Staat handelt tegen het redelijke doel van zijn bestaan, tyrannisch, hij schaadt het gemeene welzijn, zoodra hij zijne zedelijke bevoegdheid te buiten gaat. Hij verlamt de beweegreden, om tot zijne instandhouding mede te werken, hij verwekt oproer en omwentelingen, door een onmatig gebruik, door het misbruik van de hem toevertrouwde magt.
329.
Even weinig werken de zoogenaamde clericalen, con-servativen en de zich valsch noemende liberalen mede ter instandhouding van de wenschelijke orde der dingen en ter bevordering des gemeenen welzijns, door hunne pogingen om den Staat in eenen of anderen zin de grenzen van zijne zedelijke bevoegdheid te doen overschrijden.
330.
Daar buitenlandsche vereenigingen en vreemde Staten, zoowel als inlandsche particulieren of ligchamen regts-schennis kunnen plegen, brengt het hoofddoel van den Staat, evenzeer mede binnen de grenzen van het mogelijke, tegen vreemd, als tegen inlandsch bedrog en geweld wanneer het noodig is, te beschermen.
331.
Omdat vrij aangegane overeenkomsten veel bijdragen aan de bevordering van het algemeene welzijn, en omdat de handhaving der alzoo te verkrijgen regten eenen gunstigen invloed op de vermenigvuldiging dier overeenkomsten heeft, is aan den Staat oordeelkundig de noodige magt toevertrouwd en de pligt opgelegd er voor te waken.
107
Het strijdt tegen het eigenbelang zoekend beginsel en mitsdien tegen de beweegreden, die de instandliouding der staatsinstelling doet begeeren, de voordeelen van hare werking te schenken, zonder de bezwaren, ten koste waarvan zij worden bezorgd, tevens hun, te doen dragen, die ze genieten.
Met het oog op het staatsbelang, is immer eene hoogst spaarzame en voorzigtige toepassing te maken van dc stelling: «nood breekt wet,» ter zake van inbreuken op de individuele vrijheid en op de bijzondere regten.\')
De staatsbevoegdheid om de toevertrouwde magt aan te wenden buiten de grenzen, welke het strenge individuele regt aanwijst, kan zich uitsluitend daartoe uitstrekken, wanneer de individuen mede zelve belang
\') Uitsluitend, overeenkomstig met het eenige mogelijke gemeenschappelijke regtstreeksche doel der staatsinstelling, dat is ter handhaving van aller vrijheid en van alle regten der leden en daartoe ter harer eigene instandhouding, kan de Staat bevoegd zijn, in bijzondere omstandigheden, inbreuk te maken op de vrijheid en op de regten der enkele Staatsleden, nogthans onder gehoudenheid, zoo mogelijk, ten aller laste, deswege volle vergoeding te schenken. Moet soms in het belang van het geheel een deel er van ten offer worden gebragt, het is enkel daarom, dat ieder staatslid als deel van het geheel, ten behoeve waarvan opofferingen worden vereischt, in het geval kan komen, dat het bestuur der gemeenschap in zekeren zin en mate mede in het belang van dat lid bevoegd moet zijn, hem buiten verhouding te belasten, schoon onder verpligting van binnen de grenzen der mogelijke heid het verbroken evenwigt te herstellen.
108
hebben bij hetgeen, ten behoeve waarvan overtreding der grenzen van hunne regten plaats heeft.
335.
Omdat handhaving van vrijheid en regt de eenige opofïering eischende zaak is, waarbij tevens alle de staatsleden belang kunnen hebben, dat de Staat zijne coërci-tive magt uitoefene, is ook zij de eenige, waaromtrent het nuttigheidsbeginsel zóó met dat der regtvaardigheid inéén kan vloeijen, dat, krachtens beider zamenwerking, de staatsbevoegdheid zich uitbreidt tot het opleggen van lasten aan alle voornoemde leden, wanneer de bereiking van het doel dit vereischt.
336.
Onder ongestaafde bewering, onderstelling of voorwendsel van algemeen belang, maar werkelijk ten behoeve van sommigen, van velen, zelfs der meerderheid, bezit de Staat in geen geval grootere bevoegdheid, dan zijne gezamenlijke leden, niet die om de vrijheid eti den eigendom van eenige hunner te verkrachten. Hem ontbreekt elke meerdere bevoegdheid daartoe, nog dan, wanneer hij deswege, hetzij uit staats- of andere kas eene ruime schadeloosstelling doet toekomen of eene, die in andere omstandigheden daarvoor althans te houden zoude zij n In die omstandigheden is de fusie ondenkbaar van de beginselen des belangs en des regts dergenen, wier vrijheid en regtsgrenzen worden overtreden. Meerderheid is niet algemeenheid. Openbaar en algemeen belang verschillen. De democratische dwingeland verwart deze begrippen.
337.
Du Staat kan, door onregt plegen en door het over-
109
schrijden der grenzen van zijne wettige bevoegdheid, niet aan zijne bestemming beantwoorden. Hij legt den gunstigen invloed van de zamenleving daardoor beletselen in den weg.
338.
Wanneer een Staat tracht zijn regt te overschrijden en zijne lasten op vreemde schouders over te dragen \'), handelt hij vijandig tegenover andere Staten, zondigt hij tegen de samenleving en schaadt hij aan haar welzijn.
339.
Hetgeen niet tevens in aller belang is te bejagen, kan nimmer het gemeenschappelijke doel eener maatschappij, van eenen Staat in het bijzonder zijn, daar eene zelfzuchtige beweegreden aan de begeerte naar diens voortduring behoort bij te dragen.
340.
De Staat handelt slechts bedekt in strijd met zijne roeping, wanneer hij, ter bevordering der stoffelijke of onstoffelijke belangen van een kleiner of grooter deel zijner leden, kosten aanwendt, en onder voorwendsel van daardoor de welvaart en de ontwikkeling van alle zijne leden te bevorderen, daarvan op hen alle het bezwaar doet nederkomen. Hij doet het openlijk, wanneer hij, zonder omwegen, den eenen van eigendommen ontzet, om ze den anderen, onder een gelijk voorgeven, te schenken.
\') II ne peut exister deux morales, Tune pour l\'homme privé, I\'autre dour rhomme public. — Droz.
341.
Om aan zijne bestemming te kunnen beantwoorden en den gunstigsten invloed op het welzijn van alle zijne leden te kunnen hebben, is erkend onontbeerlijk, dat de Staat de door hem gemaakt wordende kosten evenredig doe dragen. Echter hier door is niet elke evenredigheid te verstaan, enkel de regtvaardige.
Door den Staat worden kosten gemaakt, uitgaven gedaan, welke daarom ten voordeele strekken van staatsleden , omdat zij langs dien weg uitkomsten onder minder bezwarende voorwaarden bereiken, of sommige, welke welligt geheel onbereikbaar zouden zijn, indien de staats-tuschenkomst ontbrak. Het regtstreeksche voordeel bestaat voor de staatsleden in het bedrag hunner bijzondere kosten-besparingen.
343.
De eenige regtvaardige evenredigheid der algemeene lastverdeeling wordt niet aangewezen door de voordeelen, die den individuen toevallen, maar door het bedrag der kosten en uitgaven, welke de Staat als hun zaakgelastigde op zich neemt, ter regtstreeksche ontlasting van onderscheidene leden of der vreemden, die mede genot hebben van zijne bescherming en kosten-aanwending.
314
Eene lastverdeeling in evenredigheid der bezittingen, des inkomens, van het draagvermogen is evenzoo min regtvaardig, als eene naar verhouding der jaren, der gestalte, der behoeften, der personele bekwaamheden.
Alle deze grootheden zijn niet of niet uitsluitend afhankelijk van staatswerking, van staatsinvloed, van staatsuitgaven. Greene dier grootheden staat in eene evenredige betrekking tot die der openbare uitgaven. De onderstelling gaat reeds niet op, zij is bepaald valsch, dat de Staat kosten maakt ten behoeve van alle de bezittingen, van alle de inkomsten zijner leden. Het is blijkbaar nog onzinniger te beweren, dat ten haren behoeve, in evenredigheid harer uitgebreidheid sommen uit \'s lands kas worden besteed, of mindere naarmate elk grootere behoeften heeft en ze moeijelijker kan bevredigen.
345.
Eene lastverdeeling in verhouding van het draagvermogen der Staatsleden voert het duidelijk kenmerk der alles gelijkmakende, der met liet begrip van individuele regten absoluut onvereenigbare communistische beginselen van hare voorstanders.
346.
\'s Lands lasten worden bij de wet omgeslagen. Die omslagsbepaling en dezer executie zijn magtsuitoefeningen, geweldplegingen. Haar aard brengt hare wettige begrenzing mede. Zij zijn ongeoorloofd, in zooverre zij niet vereischt worden ter handhaving van het onwederspreke-lijk regt, in casu, om den Staat de betaling te verzekeren van hetgeen hij ten volle geregtigd is van de staatsleden of van vreemdelingen te vorderen.
347.
De Staat, in zoover hij geene bepaalde overeenkomsten heeft gesloten, heeft geen regt te vorderen, dan ingevolge van qua si-overeenkomsten. Zoo doet hij zekere
M2
uitgaven ten behoeve van particulieren en van vennootschappen. Daaruit ontstaat zijne eischende regtsbetrekking tot hen. Daaruit put hij omvedersprekelijk, als elke mandataris of zaakwaarnemer, het regt om het nuttig besteede bedrag terug te vorderen van hen, ten wier behoeve de kosten zijn gemaakt. Ziedaar de oorsprong van zijn regt en diensvolgens de kennelijke uitgebreidheid er van. Dat bedrag ondergaat geene wijziging, naargelang de invordering aan de uitgaaf voorafgaat of er op volgt.
348.
Het strijdt niet met het doel van zijn aanwezen, dat de Staat zich belast met meer dan hem aanvankelijk is opgelegd, noch dat hij nevens de belangen der oorspronkelijke vereeniging, andere beliartige.
349.
Aangezien de bescherming van vrijheid en regt de enkele zaak is, waarvan de behartiging door magtsuitoe-fening den Staat in aller belang kan worden opgedragen, zijn alle overige aangelegenheden van staatszorg, hetzij openbare, dat is, waaraan elk naar goedvinden deel nemen kan, hetzij van meer bij/onderen aard.
350.
De regtvaardigheid eischt, dat elk, naar mate hij, door deel te nemen in eene openbare aangelegenheid, ontslagen wordt van de verpligting om in zijn belang regtstreeks kosten te maken, bijdrage in de staatsuitgaven ten zijnen medebehoeve gedaan. Evenzoo is het regt. dat alle de kosten, die de Staat tot een meer speciaal einde besteedt, uitsluitend gezamenlijk door hen worden gedragen, welke daarbij worden gebaat, d. i. daardoor worden ontlast.
113
Aan het regtstreeksche genot der voordeelen, voortspruitende uit de kosten, waarmede de Staat zich, ten behoeve van een deel zijner leden, belast, is onafscheidelijk verbonden de verpligting het bedrag daarvan regt-streeks te vergoeden, omdat de bevoegdheid anderen al of niet in dat regtstreeksche genot te laten deelen, het onbesnoeid vergezelt.
352.
Enkel voor oppervlakkige beoordeelaars zijn de schoonschijnende gronden van eenig gewigt, waarop men, om zich aan de verpligting des bewijs te onttrekken, de bewering als onloochenbaar voordraagt, dat de indirecte voordeelen, die algemeen genoten worden, ruim opwegen tegen het bezwaar van subsidiën enz. ten laste van staatskas, aan ondernemingen te verleenen. Deze zijn telkens de zulke, welke men algemeen oordeelt, buiten staat zich te kunnen bedruipen, en die men daarom erkent achterwege te zullen blijven, wanneer zij aan de bijzondere bedrijvigheid worden overgelaten; d: i: wanneer haar ontstaan geheel afhankelijk blijft van het gunstige of ongunstige oordeel, hetwelk de nijverheid, de meest bevoegde beoordeelaars massaal vellen over hare inwendige levenskracht.
353.
Ter staving der algemeene belangrijkheid van ondernemingen door den Staat of onder genot van subsidiën in het leven geroepen, hecht men zoowel aan de bewoording algemeen belang, als indirecte voordeelen eene beteekenis, die den toets der ontleding en des onder-zoeks niet kan doorstaan.
8
114
354.
Kan men som s door algemeen belang bij iets verstaan het totale belang eener maatschappij, eener bevolking, zooveel is zeker, dat wanneer men er van spreekt in verband met de heffing van belastingen, met het regtvaardige en het geoorloofde barer heffing, men de individualiteit der leden niet mag voorbijzien. Omdat men bedoelt ze alle in die belastingen te doen bijdragen, moet wederkeerig, door gemeen belang, zulk een worden uitgedrukt, waaraan zij alle evenredig deel zulleu hebben.
355.
Geene onderneming is denkbaar, waarbij alle staatsleden zelfs een indirect belang kunnen hebben, ten zij die in verband staat met de bescherming. door den Staat te verleenen.
356.
Ter aanprijzing van ondernemingen op Staats kosten, of van subsidiëring van andere \'), heet men van algemeen belang hetgeen openbaar is en niet alleen in de daad slechts en voordeel e van een grooter of kleiner aantal dei-staatsleden strekt maar dat soms het algemeen zal schaden. Men overschat eensdeels het eenzijdige gunstige totale voordeel daarvan en vormt zich andersdeels een geheel onbestemd begrip van den aard en van de uitge-
\') Omdat men in dit geval den Staat buiten den natuurlijken -werkkring wil voeren, iets exceptioneels aanraadt te verrigten, belast men zich met de verpligting, de bewijzen te leveren van het buitengewone des toestands. Die ontkent, bevestigt wel is waar liet tegenovergestelde, doch belast zich daardoor met geene verpligting te bewijzen, althans de regel erkend zijnde, waarop zijne ontkenning rust.
415
breidheid der mede niet algemeene indirecte voordeden, welke er uit zullen voortvloeijen. \')
357.
Bij gelijk of evenredig bedrag van kosten, van krachts-verwending, en mede van voortbrenging, kunnen de indirecte voordeelen, die welligt eenige personen zullen toe vallen, geene voledige schadevergoeding verschaffen dei-uitgaven , die de Staat doet en op de schatpligtigen verhaalt, ten zij de producteuren 2) geene bijzondere baat van den maatregel trekken.
358.
Wanneer indirecte voordeelen in som ten volle vergoeding schenken der kosten, welke de Staat maakt in het belang van eenen nijverheids-tak, waarborgt niets, dat de vergoeding zal toevallen aan de individuen, op welke de lasten zullen neder komen, noch mitsdien de regtvaardigheid der noodige zwaardere belasting.
359.
Wanneer in som geene volledige vergoeding verkregen zal worden, is het overbodig de dwaasheid van den maatregel te betoogen, eener subsidie of lands onderneming.
\') Bloote opvaliingen hebben geen gezag. Het is onredelijk het er aan toe te kennen, wanneer \\vetenschappe\\ijk onderzoek plaats heeft. De menigvuldigheid der opvattingen wijzigt haar gezag even weinig, als de menigvuldigheid der nullen bij optelling der som. Dat velen eene, mijne meening verwerpen, schaadt haar niet.
\'-) Onder de producteuren zijn te betrekken allen, die regtstreeks of raiddellijk aandeel aan het voortbrengen hebben, bijv. de ondernemers, de eigenaren van landerijen, gebouwen, canaleq, capitalen. de leveranciers, de arbeiders, enz. enz. allen, die er dadelijk of middellijk persoonlijk of door hunne accessoria aan bijdragen.
-116
Wanneer de producteuren, in evenredigheid van den lands bijstand, dien zij genieten, hunnen tak van nijverheid ten slotte met minder kosten en met meer winst kunnen bedrijven, bestaat geene behoefte aan tegemoetkoming, en zullen zij zorgen het grootere deel der baten aan zich te houden.
Wanneer de Staat, door langs eenen of anderen weg een deel der voortbrengstkosten regtstreeks op de schouders van de belastingschuldigen te doen drukken, zonder dat er eene daling der voortbrengselen ontstaat, die in staat is schadevergoeding te verschaffen, wanneer hij zoo kunstmatig eene eenzijdige geringe uitbreiding der productie veroorzaakt, bewijst het geval, én dat weinig voortbrengers, omdat zij althans evenzeer gebaat zijn door eene andere aanwending hunner krachten, in den tak voordeel zien, én dat de gezamenlijke verbruikers geene hoogere prijzen te besteden zouden hebben gehad, wanneer hun die last niet was opgelegd, want, bij flaauwe inlandsche mededinging, is geene andere reden voor matiging der prijzen des inlandschen fabricaats denkbaar, dan de daling van het vreemde. De maatregel ontrooft den schatpligtigen het voordeel der daling, welke de vreemde voortbrengselen hun zouden hebben bezorgd. Hij loopt uit op hunne winstderving, op eene betrekkelijke schade voor hen, zonder den voortbrengers te baten , dus op eene schade voor de natie, die besteding verraadt van overtollige productiekosten.
Veroorzaakt eene voor de schatpligtigen regtstreeks
117
bezwarende tusscheiikomst van den Staat uitbreiding van winst en van productie met opzigt tot eenen bepaalden lak van nijverheid, zoo ontsta,at eene zoogenaamde «mdits-trie de serre chaude.» Men verstoort ook dan den gewonen, den gunstigsten, den aan de omstandigheden meest passenden gang van zaken, evenzeer als wanneer men, door belasting op den invoer, kunstmatig een nijverheidstak in stand houdt.
363.
Elke door den Staat kunstmatig opgewekte tak van nijverheid heeft voor de verbruikers en voor de geheele natie schadelijke gevolgen, zoowel, wanneer het geschiedt door de schatpligtigen regtstreeks met een deel der kosten te belasten, als door belemmering der vreemde mededinging en kunstmatige prijs-verhooging.
304.
Wanneer de Staat invloed uitoefent op de uitbreiding van een nijverheidstak, en door middel zijner tusschen-komst een deel der voortbrengst-kosten regtstreeks op de schouders legt van de schatpligtigen, verlamt hij te dien opzigte de beweegreden der voortbrengers tot besparing, kan zijne uitbreiding niet plaats hebben, dan ten koste van andere en meer passende nijverheids-takken, onderstelt hij grootere winst voor de voortbrengers, dan andere takken kunnen afwerpen, ondanks eene daling zijner producten, moet derhalve deze daling geringer wezen dan de verligting der op de voortbrengers drukkende kosten, en ontoereikende om aan de schatpligtigen in haar eene schadevergoeding te schenken\' van den last hun van staatswege opgelegd, omdat, door verplaatsing van
118
een deel der kosten, het geheel daarvan niet kan afnemen, tc meer nog, omdat de vreemde verbruikers mede in het eenzijdige voordeel dier daling zullen deelen, wanneer zij tot uitvoer leidt of tot afname van den invoer.
365.
Wanneer Staats maatregelen en handelingen er toe strekken, door een deel der voortbrengst-kosten regtstreeks op de schouders der schatpligtigen over te brengen, de beweegredenen ter besparing te verlammen, zullen zij eveneens de grondoorzaak hare kracht doen verliezen, die de uitbreiding van bepaalde takken van nijverheid buiten raadzame grenzen verhindert en de wording voorkomt van ondernemingen, die zich niet kunnen bedruipen, en wel ten koste van althans grooter voordeel afwerpende takken van nijverheid, zoowel met opzigt tot de zamen-vatting der gansche volksnijverheid, als met opzigt tot het belang der verbruikers.
36(5.
In het ware volksbelang, in dat der gezamenlijke, staatsleden, is door den Staat geen betere weg te bewandelen, dan de handhaving des regts. Zij gedoogt de scheiding niet der regtstreeksche voor- en nadeelen: niet, dat de eigenaar, dat de voortbrenger worde gehandhaafd in het volle genot der voordeelen van den eigendom, terwijl anderen genoodzaakt worden een deel der lasten te dragen, ten koste waarvan die eigendom is verworven; niet, dat het van zijn belang afhankelijk zij, of hij al of niet anderen, tot hunne schadeloosstelling, een aandeel zal gunnen in de ontlasting van zijne kosten-bezwaren en in de daaruit voortgevloeide voordeelen.
119
367.
Naarmate de Staat meer kosten op zich neemt, welke hij niet regtstreeks op hen zal verhalen, die regtstreeks de voordeelen, ontstaan uit hunne besteding, genieten, des te schadelijker, des te dwazer ondernemingen zal men hem aanzoeken, uit te breiden en in het aanzijn te roepen, des te meer zal hij, daaraan toegevende, het algemeene belang schaden, onregtvaardig handelen, en zijnen pligt verzaken. \')
368.
De Staat kan partijdig den vrijen handel, zoo min den buiten-als den binnenlandschen, opene of bedekte hindernissen in den weg leggen, zonder inbreuk op de vrijheid en op het eigendomsregt der ingezetenen te maken, zonder lijnregt tegen zijne bestemming te zondigen , zonder schade aan het gemeenschappelijke belang toe te brengen, zonder zich te verlagen tot een beroovingswerktuig en de ver-kieselijkste nijverheidstakken te verdrukken.
369.
Gemeenschappelijk genoten wordende voordeelen en de
\' \') Onder de vele valsche beweringen zijn alle de communistische, te begrijpen, als dat de Staat zich te mengen heeft, ter bevordering des gemeenen belangs, in zaken, die best toevertrouwd worden aan de binnen behoorlijke perken werkende ingeschapene zelfzuchtige drijfveer. Zij steunen doorgaans op holle klanken, op bewoordingen,waardoor schemer- en nevelachtige, niet te bepalen begrippen, dus eigenlijk geene begrippen worden uitgedrukt. Deze teregt te brengen is zwaai*. Ligter valt door vragen hen, die ze verspreiden, te noodzaken tot iets, dat ze gemeenlijk vermijden, te weten: hunne uitdrukkingen te ontleden en er bepaalde beteekenis aan te geven. In casu, aangaande de bewoording algemeen belang en de uitgebreidheid van het door hen beweerde indirecte voordeel.
120
daai-overstaatide lasten kunnen op eene aleatorische wijze toevallen en opgelegd worden, zonder regtsschennis. Dit is echter gemeenlijk min verkieselijk.
370.
Oplossing der individualiteit in den Staat, het communistische beginsel, is on vereen igbaar met het bijzondere tusschenliggende doel, met het regts- en levensbeginsel van de staatsinstelling, met hare bestaansreden,
371.
Even onontbeerlijk, als de zamenleving is tot het genot der voordeelen, die zij oplevert, zoo ook is in den tegen-woordigen menschelijken toestand de aan den Staat toevertrouwde begrensde coërcitive bevoegdheid onontbeerlijk , tot instandhouding en vermenigvuldiging der banden van de zamenleving.
372.
Men dwaalt, wanneer men de zamenleving tusschen weinig ontwikkelden en dus thans, in haren weldadigsten vorm, mogelijk acht, en zoo weldadig, als zij in de gegevene omstandigheden wezen kan, zonder middel van bedwang: niet minder, wanneer men de hedéndaagsche volkeren reeds rijp houdt voor het zuivere begrip en voor het nuttige volle genot der vrijheid.
373.
Hoe meer de volkeren zich redelijk en zedelijk ontwikkelen, eenen hoogeren trap van beschaving bereiken en niet bloot van eenzijdige kennis, zooveel te meer kan de met magt handelende Staat plaats maken voor maatschappijen, die liefde in stede van buitenspo-
rige zelfzucht tot reden van wording en duur hebben.
374.
Het is miskenning der werkelijkheid of huichelarij, te beweren of voor te wenden, dat de regeringen zijn belast met eene op hoogeren trap van zedelijkheid staande roeping, dan de zorg voor de veiligheid van personen en goederen, de handhaving des strengen regts en, bij uitzondering, ten behoeve van sommige deelen der bevolking, onder voorbehoud van naleving des regtvaardigen beginsels, van enkele aangelegenheden, die orde en regt welligt even weinig gedoogen aan het bijzondere beheer over te laten. In dien zin is de Staat atheïst.
375.
In de zamenleving reikt de toepassing der oeconomische beginselen, buiten de grenzen der staatsmagt, en klimt zij van die, welke binnen de grenzen des regts zijn beperkt, op tot de zulke, welker invloed het meest aan de bevordering des welzijns kunnen bijdragen. Deze strekken zich uit zoover als hunne drijfveer, de liefde, die uit haren aard vrij is en geen dwang behoeft, noch duldt.
376.
Het in zedelijken zin hooger dan de Staat staande, doch geene coërcitive magt hebbende zuivere Christendom zet der huishoudkunde de kroon op. In stede van het regt te veroordeelen, erkent dit, dat regtvaardigheid de voorwaarde der maatschappij is en, dat zijne bijzondere werking eerst daar aanvangt, waar die van den Staat onmagtig is verder aan de bevordering des menschelijken welzijns bij te dragen.
122
Even als het minst redelijke en zedelijke egoïsme, dat aanzet eigen welzijn, zonder in achtname des regts te bevorderen, voor een verlichter en voor een van gunstiger invloed wijkt, wanneer het zich beperkt binnen de grenzen des regts, zoo verheft het zelfzuchtige beginsel zich daar boven en oefent zijnen heilzaamsten en krachtigsten invloed ten goede uit, wanneer het de loutering heeft ondergaan van de christelijke liefde. De verlichte zelfzucht bevordert het algemeene en het individuele belang het meest, omdat zij dit het best kent en waardeert.
Omdat het zedelijke ligchaam Staat onvatbaar is de aandoeningen der liefde waai- te nemen, liefde diensten te bewijzen, niets bezit dan namens zijne leden, niets den eenen kan toekennen boven diens regt van eischen, zonder anderen van een deel van het hunne te berooven, zondigen zijne bestuurders tegen hunnen pligt, zoodra zij de grenzen des regts overschrijden, en brengen het bestaan der zamenleving in gevaar.
Schijnbare staatsliefdadigheid, in wezenlijkheid onregt, is bepaaldelijk onstaatkundig, onzedelijk, strijdig met aller belang. De harmonie in Gods schepping duldt geenen twijfel dat onzedelijkheid en onregt schaden. \')
Eene zamenvatting van individuen, een Staat is even onregtvaardig en benadeelt zich even zeer, als een individu, door boven zijne regten te eischen en werken der liefde te gelasten.
\') Bastiat, Harmon, cc. Concurrence.
123
381.
Is liefde in de zamenleving de krachtigste drijfveer ten goede, strenge handhaving des regts is de voorwaarde van het duurzame bestaan en van den bloei der Staten.
Invloed beu zamenleving.
382.
In de zamenleving staat liet den mensch niet vrij, het zij andere personen willekeurig tot zijne dienst aan te wenden, hetzij alle middelen, die de physische geschiktheid hebben hem van dienst te zijn, naar goed vinden te bezigen.
383.
In de zamenleving wordt onze bevoegdheid van over nuttige middelen te beschikken beperkt door andermans regten.
384.
Zoowel als in de natuur, de organisatie der beesten van die der menschen verschilt, en mitsdien ook hunne behoeften van de onze, bestaat er een onderscheid in den omvang van het natuurregt, dat voor hen en voor ons geldt. Beesten zijn daar naar verpligt hunne behoeften te bevredigen, dus bevoegd daartoe alle beschikbare middelen aan -te wenden. Menschen hebben behalve hunne dierlijke, nog zedelijke en gewigtiger behoeften. Hare bevrediging eischt, overeenkomstig met het voor
124
den mensch geldige natuurregt, dat daaiaati des noods de bevrediging van dierlijke behoeften opgeofferd worde; daai-om staan de middelen, welker aanwending onze hoogere belangen zouden benadeelen, niet te onzer vrije beschikking, ofschoon ze in alle opzigten overigens in eenen toestand verkeeren, om ons van dienst te kunnen zijn. Deze zijn andermans persoonlijke krachten en vermogens of uitwendige goederen, waarop wij door overeenkomsten of quasi-overeenkomsten geene regten hebben verkregen.
385.
Slavernij is strijdig met den over vreemd baren aard van het eigene en \'s menschen individualiteit. Desniettemin kunnen wij zowel persoonlijk, als door onze aanhangselen, anderen diensten bewijzen, en hun zoo wel met aanwending van eigene vermogens baten als door afstand van uitwendige goederen.
386.
liet is een uitvloeisel van onze persoonlijke vrijheid en van ons eigendomsregt, dat wij de bevoegdheid bezitten naar goedvinden, eigene keuze of ten gevolge van eigene oordeelvelling over de belangrijkheid onzer handeling, de voorwaarden te bepalen, waarop wij diensten zullen bewijzen of uitwendige goederen afstaan.
387.
Het genot der vrijheid en van het eigendomsregt verschaft ons de gelegenheid voorwaardelijk overeenkomsten te sluiten, betreffende de aanwending van persoonlijke vermogens, van uitwendige goederen, en het bezit dezer. Tengevolge daarvan wordt de weg voor ons geopend, met
inachtneming van het ragt, door hare tusschenkomst, doeleinden te bereiken, welke voor ons direct geheel onbereikbaar zijn, of niet dan ten koste van grootere opofl\'eringen.
388.
Schoon in de\' zamenleving de individuele vrijheid en het eigendomsregt binnen zedelijke grenzen zijn beperkt, ontleenen zij van haar, inzonderheid door de gelegenheid, welke zij schenkt om overeenkomsten te sluiten, het indirecte vermogen, het individuele en tevens het algemeene welzijn te beter te bevorderen.
389.
De gelegenheid, welke de zamenleving aanbiedt, omtrent diensten en eigendommen overeenkomsten aantegaan, oefent eenen onwedersprekelijken invloed uit op de nuttigheid onzer productive vermogens en middelen. Zij heeft uit dien hoofde de strekking tot verhooging hunner objective waarde.
390.
Hoe meer wij in de zamenleving onze persoonlijke vermogens, onze zakelijke krachten of onze eigendommen aanwenden, om van anderen te verkrijgen hetgeen wij begeeren, des te meer wijzigt er zich de objective waarde van door die, welke zij voor anderen hebben, en onze schatting geraakt des te meer onder den invloed van hunne belangstelling en van hun oordeel omtrent de waarde.
391.
Evenzeer als in de zamenleving de gelegenheid ont-
126
staat, een nuttiger gebruik van vermogens en middelen te maken, zoo verschaft zij ook die, ter vermijding of besparing van opofferingen. Uit dien hoofde verschaft zij eene reden tot verlaging der objective waarde van vele zaken zonder haar te schaden. De uitwerkselen hiervan laten zich gemeenlijk in de schatting der dingen waarnemen.
;!92.
De strekking, die de zamenleving heeft tot verhooging van het nut der dingen, ontkent, dat zij hun nut kan verminderen, dat zij hun vermogen doet afnemen, om eenen weldadigen invloed op \'smenschen welzijn uit te oefenen.
393.
Dingen, krachten, die in onbruik geraken, wanneer de zamenleving de gelegenheid verschaft, ze door nuttiger te vervangen, ondergaan dientengevolge geene wijziging hunner eigenschappen ten kwade.
394.
De vervanging van minder nuttige door nuttiger krachten en zaken oefent op het menschelijke welzijn eenen soortgelijken weldadigen invloed, als de afname der onvermijdelijke opofferingen, ten koste waarvan men de uitkomsten kan en weet te bereiken.
395.
Alle waardeverminderingen, waartoe de zamenleving aanleiding geeft, hetzij wegens vervanging van middelen door nuttiger, hetzij wegens besparingen, hebben eene weldadige strekking ten opzigte van het algemeene welzijn.
127
396.
Toename van behoeften kan zoowel in als buiten de zamenleving plaats hebben, hetzij door aanwas van bevolking, hetzij door het ontstaan van kwalen. De hoogere graad van nuttigheid en van waarde der dingen , die daaruit ontstaat, is niet evenzeer van gunstigen invloed op \'s menschen toestand, als die voortkomt uit de zamenleving, doordien en ondanks zij eene betere gelegenheid verschaft, krachten en middelen ter bevordering van menschelijk welzijn aan te wenden. Herstelling is geene verhooging van het waterpas.
307.
Schoon de zamenleving aanleiding geeft tot aanwas der menschelijke behoeften, is die aanwas in betrekke-lijken zin geen kwaad, omdat hare oorzaak in een feit ligt, dat tevens getuigt van aanwas van persoonlijke krachten, die ter bevrediging der toegenomen behoeften kunnen bijdragen; immers het feit der toegenomen bevolking getuigt tevens, dat de bevrediging der behoeften in de zamenleving minder bezwarend is geworden, alzoo van de toename der bestaansmiddelen.
398.
Wanneer in eene zamenleving, waarin vrijheid en eigendom worden gehandhaafd, persoonlijke of zedelijke vermogens eene grootere waarde verkrijgen, of, wanneer men in haar er een grootere waarde aan toekent, blijkt, dat zij in de gelegenheid stelt of geacht wordt te stellen, anderen gelijke goede uitkomsten te doen bereiken, even nuttige middelen te doen verkrijgen, op minder bezwarende voorwaarden dan die, waarop deze indivi-
128
duen ze zich zouden hebben weten te verzekeren, en tevens, om er een meer voordeelig gebruik van te maken.
Naar mate de ruilovereenkomsten zich in de zamen-leving vermenigvuldigen, levert zij het bewijs van haren invloed op de betrekkelijke toename van ons welzijn-bevorderend vermogen, door de gelegenheid, die zij verschaft, ten koste van voor ons welzijn minder nadeelige opofferingen, ons van het noodige te voorzien, of ten koste van even bezwarende eigene voortbrenging, zaken, zoo niet van grootere waarde, althans van meer belang te verkrijgen.
Onze eigene ongenoegzaamheid, onder medewerking van onze vatbaarheid tot associatie en wederkeerig dienst bewijzen, is in de hand der Voorzienigheid, een middel om ons tot de zamenleving te leiden.
Buiten de zamenleving bestaat niet alleen geene even goede gelegenheid voor den mensch, tot verzorging zijner tijdelijke belangen, tot vrije inspanning ziener onderscheidene vermogens, tot nuttige aanwending der stoffelijke middelen, maar even weinig tot ontwikkeling zijner geestvermogens, zoo verstandelijke als zedelijke, tot zijne onstoffelijke opleiding en verheffing, tot zijne toenadering naar den toestand van God, ten einde hoo-ger te klimmen op den ladder, die tot de bestemming en het heil van den mensch voert en waarvan sporten
129
zijn wetenschap, zedelijkheid, godsdienst \') en al wat den geest veredelt.
402.
De zamenleving oefent geen minder uitgebreiden, dan gunstigen invloed uit op de bevordering des mensche-lijken welzijns, door de aanleiding, die zij schenkt tot ontdekking van nuttige en schadelijke eigenschappen en aanwendingen der krachten, als ook tot verhooging van het nuttige gebruik, dat van een en ander is te maken.
403.
Veel, dat reeds het individu nuttig is en voor hem waarde heeft, waarvan het bezit zijn lot gunstig onderscheidt van dat der beesten, verkrijgt in de zamenleving nog belangrijker eigenschappen en verschaft den bezitter nog grootere voorregten.
404.
Slechts in de zamenleving zijn de onderscheidene soorten van zelfzuchtige associatiën en de eigenbelangzoekende overeenkomsten bestaanbaar, die menigvuldige gunstige gevolgen veroorzaken.
405.
De zelfzucht, binnen de grenzen des regts in zijne werking beperkt, is in de zamenleving uitsluitend in overeenstemming met hare eischen, en het beste surrogaat, wanneer liefde ontbreekt.
\') Beter, religie, wel te onderscheiden van kerkelijke opvattingen.
9
130
GODSDIENST, BEÏER RELIGIE.
406.
Door het woord God duidt men iets, laten wij zeggen, een wezen aan, naar zijnen aard eenig in zijne soort, zoowel wat aangaat zijne eigenschappen, als hare menigvuldigheid en invloedrijkheid.
407.
Hetgeen bestaat en dus ook God, is door zijne eigenschappen, die noodwendig ingevolge hare bevestigende aanwezigheid, het onvermijdelijk tevens bestaande insluiten, de aanwezigheids-uitsluiting der haar ontkennende, der daar tegenoverstaande. In dien zin is al het stellige, is ook God beperkt.
408.
De begrippen, die de onvolmaakte mensch zich vormt, of instaat is zich te vormen, komen niet onvermijdelijk met het wezen overeen der onderwerpen. De voorwerpen zijn vaak boven den omvang, buiten den kring van \'s menschen voorstellingsvermogen. Onder meer is het wezen der Godheid door \'s menschen voorstellingsvermogen niet te omvatten, \'s Menschen begrip van God is onvermijdelijk niet overeenkomstig met de objectiviteit.
409.
Is in het algemeen het volmaakte boven \'s menschen vermogen , en alzoo de kennis van iederen tak van wetenschap, bijzonder van dien, welke God tot voorwerp heeft, onze redelijke en zedelijke kiem zou echter hare belangrijkste beteekenis ontberen, indien wij buiten staat waren, ons
131
minstens eenige juiste begrippen van Gods wezen te leeren vormen.
Zooveel is zeker, dat het wezen der volmaaktheid, liever der onovertrelïelijkheid alle onvolmaakt!leden, alle gebreken uitsluit, daarom dat, wanneer de mensch in God de verwezenlijking erkent der volmaaktheid, hij tevens buiten het begrip der Godheid verpligt is te sluiten alle begrippen van onvolmaaktheden, van gebreken, en daarom te erkennen, dat Gods wezen enkel begrensd is binnen de grenzen van het goede en mogelijke.
Het mogelijke en het onmogelijke zijn zakelijke berustingen in omgekeerden zin, welke elkander daarom wederkeerig zakelijk uitsluiten, ontkennen. Zij betrelTen mede de keten, die oorzaken aan hare gevolgen verbindt.
412.
Schoon \'s menschen kennis en begrippen omtrent het mogelijke en onmogelijke hoogst gebrekkig zijn, en slechts een zeer voorwaardelijk vertrouwen verdienen, bindt hem de aanname, dat eene eigenschap of\' gebeurtenis in een van deze twee termen te huis behoort. Dienovereenkomstig is hij gehouden te erkennen of te ontkennen, dat de vereischte eigenschappen, om haar te doen ontstaan, aanwezig zijn. De rede gedoogt ook Gode betreflende de gelijktijdige bevestiging van het tegenovergestelde nimmer.
413.
De zakelijke bevestiging en \'s menschen erkenning, dat God in physiquen zin het mogelijke kan, houdt de zakelijke
132
ontkenning en \'smenschen zedelijke verpligting mede te ontkennen, dat God het onmogelijke kan, en daarom in zedelijken zin iets bepaald of betrekkelijk kwaads, dus de zakelijke bevestiging en \'smenschen verpligte erkenning, dat zoo iets buiten Gods werkkring valt.
414
\'s Mensdien onmagt, den omvang te omvatten van Gods vermogen, verhindert hem niet door zijne zwakke rede eene zakelijke beperking van dat vermogen waartenemen, in het onbestaanbare, in het onmogelijke, bijv. in het zamen aanwezig zijn van elkander wederkeerig uitsluitende of ontkennende dingen, eigenschappen, werkingen, oorzaken, gevolgen.
415.
De bestaande gebreken, die wij niet kunnen nalaten te ervaren en te erkennen, bevestigen de begrenzing van het mogelijke en van Gods magt binnen lui re grenzen, of zij ontkennen, dat het aanzijn van het goede zich tot daar in God uitstrekt. Immers waren zij niet onvermijdelijk, dan zijn die gebl eken zoo niet ontsproten, althans blijven voortduren of uit onwil Gods, of uit magteloosheid, om het bestaanbare goede te volbrengen, ten feitelijken bewijze van Gods gebrekkig willen of kunnen.
416.
De aanwezige gebreken in den mensch leveren het feitelijke bewijs, dat hunne wijziging ten goede \'s menschen eigene voorbedachtelijke medewerking vereischt; dat de mensch niet vatbaar is, lijdelijk afgewerkt, ten volle geschapen te worden.
133
Omdat de mensch zelf voorbedachtelijk moet bijdragen aan de verbetering zijner gebreken, aan de voortzetting van zijne schepping, is hem de kennis noodig van het doel zijns aanzijns, van dat waarnaar hij heeft te streven, van den weg, die daar heen voert, van de middelen, die hem er toe kunnen dienen en van het gebruik, dat hij er van heeft te maken, opdat hij juist kunne oordeelen en diensvolgens redelijk handelen.
Ter onderscheiding van zijne bestemming en van het ware doel van al zijn streven, het laatste van alle zijne opzettelijke bedrijven, behoeft de mensch kennis van de betrekking, waarin hij tot den Schepper staat.
In Gods belang kan de mensch Hem niet dienen. Over-dragtelijk echter wel dooi\' bij te dragen aan do bevordering van het doel der schepping. Dit met den meesten ijver, met den krachtigsten wil aanhoudend doen, is de practische vorm der godsdienst.
In de beteekenis van religie geeft men door godsdienst te kennen den band, die den mensch, als schepsel, aan God, als Schepper verbindt. De kennis en de volledige waardering daarvan doen den mensch in de hem passende gemoedsstemming jegens het Opperwezen verkeeren.
De godsdienst verschilt in wezen en betrachting van
134
de eeredienst, sciioon uien deswege dikwerf verwarring vau begrippen bespeurt en, helaas, met zeer laakbare bedoelingen, voorbedachtelijk aankweekt.
422.
Eeredienst is vaak loutere ■vorm, een voortbrengsel der subjectiviteit, der fantasie, een blinddoek.
423.
Terwijl er slechts ééne godsdienst bestaanbaar is, omdat er slechts één God denkbaar is, één band tusschen den mensch en zijnen Schepper, en ook slechts ééne wijze voor den mensch, om overeenkomstig met Gods bedoelingen te handelen, zoo bestaan niettemin te dier zake menigvuldige afwijkende, onderling verschillende begrippen en mitsdien eerediensten.
424.
Omdat de kennis der Godsdienst er oneindig veel toe bijdraagt om den mensch den eenigen weg te doen onderscheiden, dien hij te bewandelen heeft, om aan zijne bestemming te beantwoorden en den meest mogelijken gunstigen invloed op zijn welzijn en op dat zijner natuur-genooten uit te oefenen, vormt zij een belangrijk onderwerp der huishoudkunde.
425.
Men verkrijgt godsdienstige kennis, noch lijdelijk, noch op gezag, slechts door onderzoek, door ontleding, door toetsing der begrippen, en door verwerping der menigte, die strijden met het hoofdbegrip; God is een wezen zonder gebreken.
135
De godsdienst is niet geestdoodend, niet onredelijk, niet belemmerend voor de vrijheid. Hare uitoefening moet een gevolg zijn van hare beoefening, en deze kan tot haar gedijen nimmer eischen, dat men zijne geestelijke en redelijke vermogens aan banden legge, ze ver-stikke en zijn onstoffelijk bestaan verdrukke, in plaats van het te ontwikkelen.
427.
De waarheid, ook omtrent de godsdienst, schuwt geen wetenschappelijk onderzoek. Op geloof en gezag neemt de onkundige menigte de menigvuldigste en handtaste-lijkste dwalingen voor waarheden aan, tot schade des ganschen menschdoms. Ten allen tijde is van de godsdienst een middel van overheersching en berooving gemaakt. 1).
\') Conf. F. Bastiat, Soph: éc: serie 2, Piiysiologie de la spoliation.
TWEEDE GEDEELTE.
OVEKEENKOMSTEN , MEDEDINGING.
De kenmerkende geaardheid der overeenkomsten brengt mede, dat zij zuivere uitvloeisels zijn der individuele vrijheid. Geweld, bedrog strijden met het caracter van haar wezen.
Overeenkomsten zijn onzuiver en schaden het gemeere welzijn, die hetzij met het regt en met de vrijheid van anderen strijden, hetzij ten doel hebben er inbreuk op te maken \') hetzij met de goede zeden onvereenigbaar zijn. De huishoudkunde veroordeelt ze.
3.
Het ligt in de zoo min van vijandschap, als van liefde getuigende, en daarom, zoo min op berooving, als op weldaad uitloopende zelfzuchtige bedoeling der overeenkomende partijen, en het is noch misbruik van vrijheid of regt, noch onzedelijk, dat zij wederkeerig trachten het meest te verkrijgen en het minst op te offeren.
4.
Het is in den tegenwoordigen menschelijken ontwikke-
\') Dit is het klaarblijkelijke doeJ der grèves.
137
lings-toestand ondenkbaar, dat, bij het aangaan der daaruit voortvloeijende overeenkomsten, niet dezelfde drijfveer ter verkrijging der grootste voordeelen zoude aansporen welke ten bijzonderen en algemeenen nutte, ter zake der voortbrenging, de beste uitkomsten ten minsten koste doet bejagen.
5.
Het onderwerp en het doel der wederkeerige overeenkomsten liggen in het bekende: «do aut facio, ut des aut facias.»
Alle twee- of meerzijdige overeenkomsten strekken tot regeling der voorwaarden, waarop partijen elkander wederkeerige opofferingen zullen doen, dat is; diensten bewijzen, hetzij persoonlijke, hetzij zakelijke, of eigendommen en regten zullen afstaan.
7.
Partijen staan, ter zake van overeenkomsten, in volkomen gelijke tweeledige regtsverhouding over elkander, ten opzigte van hetgeen ieder harer vraagt en aanbiedt.
Het vermogen en de gehandhaafde vrijheid, om overeenkomsten te sluiten verschaffen de gelegenheid, de bijzondere individuele middelen en krachten tevens ten meesten nutte te bezigen van hen, die er over hebben te beschikken, en van hen, die er door worden gebaat.
9.
Daar wederkeerige lotsverbetering beweegreden en
138
doel tier overeenkomsten is, onderstelt elke gesloten overeenkomst de vermoedelijke verwezenlijking daarvan. Geene der partijen in hare vrijheid belemmerd of bedrogen zijnde, heeft reden, met het oog op tegenpartij, te klagen, dat zij geene gunstiger voorwaarden heeft kunnen bedingen.
Het onmiddellijke doel der overeenkomsten, met betrekking op \'s menschen handelingen, is doorgaans tweeërlei, t. w. de vereeniging van voortbrengst-krachten, ter bereiking van doeleinden, waartoe individuele in en uitwendige vermogens te kort schieten, of de scheiding en verdeeling van den productiven arbeid, dien onderscheidene personen zelve of door middel hunner eigendommen zóó ten slotte met beter gevolg kunnen volbrengen, dan elk hunner in zijn geheel.
Het uiterste doel van alle wederkeerige overeenkomsten en dus ook van die, welke regtstreeks het voortbrengen van middelen tot onderwerp hebben, zelfzuchtig zijnde, zoo wettigen deze de onderstelling, dat zij zullen uitloopen op vermoedelijke uitbreiding der voordeelen, ten koste der individuele opofferingen voor alle de contracterende partijen te behalen.
Die de uitkomst niet afwacht van eene onderneming, welke door vereende krachten en middelen zal worden volvoerd, maar omtrent het aandeel overeenkomt, dat hem of anderen zoude aankomen, indien het in evenredigheid van zijne deelname aan de voortbrenging werd
139
bepaald, heeft zoowel de nadeelige gevolgen van die overeenkomst te dragen en geene wettige reden erover te klagen, als omgekeerd het onbetwistbare regt op de voordeelen er van.
De aleatorische voor- en nadeelen der ondernemers, uit den aard der zaken aan elkander, tot hunne weder-keerige compensatie verbonden, zijn even regtvaardig, als de vaste voordeelen, die arbeiders of andere mede-producteuren \') bedingen, met afstand van hun regt op hun deel in de onzekere voordeelen der onderneming, maar tevens ook met vrijwaring tegen alle gevaren harer mislukking.
De bijzondere omstandigheden, waarin partijen ver-keeren, oefenen eenen onvermijdelijken invloed uit op de voorwaarden der overeenkomsten, omdat zij het doen zoowel op de waarde der dingen, die zij begeeren te verwerven, en zij die bereid zijn te offeren, als op hun oordeel daarover Zij betreffen, noch de wettigheid, noch de verbindende kracht der gesloten overeenkomsten.
Wanneer uitwendig geweld, misleiding en bedrog in het spel zijn en invloed hebben op de bepaling der voorwaarden, zijn de schijnbaar gesloten, overeenkomsten werkelijk tot zekeren graad beroovingswegen, en haar ontbreekt een hoofdvereischte der ware overeenkomsten.
\') Bijv.b. verpachters, geldschieters, voerlieden, enz. enz.
140
De mededinging is de wedstrijd dergenen, die ter zake van overeenkomsten onderling naar hetzelfde doel streven.
Onze zelfzucht maakt ons in het algemeen ongenegen iets voor niet en bijzondere eigendommen of inspanningen op te offeren en gezind, onze goederen en diensten zoo hoog mogelijk op prijs te houden, wanneer wij, door hunnen afstand of haar bestaan, iets van anderen be-geeren, dat wij daarentegen zoo laag mogelijk zullen trachten te drukken.
Door onze vrije mededinging en die van anderen worden wederkeerig onze en hunne pogingen het best verijdeld, om ten bate en ten nadeele van eigene partij, ten slotte de gunstigste voorwaarden te bedingen, omdat de hooge prijs, dien elke begeert niet geregtvaardigd wordt door het belangrijke van hetgeen zij aanbiedt, noch de lage, dien zij voorslaat te besteden, door de onbeduidendheid van het geen zij begeert.
19.
De onderlinge mededingers worden, naar aanleiding van hunne begeerten, in verband met die van anderen, verpligt, door matiging hunner eischen en door aanbod van gunstiger voorwaarden, zich elkander de gelegenheid af te winnen, om nog voor hen gunstige overeenkomsten te sluiten. Die matiging is wederom een vorm, waarin de werking der zelfzucht zich openbaart.
141
Zij kenmerkt hare oorzaak, de vrees voor het verlies der gelegenheid, van zich door overeenkomsten te kunnen bevoordeelen.
De mededinging oefent den invloed uit van verzwaring der voorwaarden, waaraan de mededingers zich hebben te onderwerpen, maar zij strekt daarentegen minstens evenzeer ten voordeele der partij, waarmede zij handelen.
De mededinging oefent, omtrent hetgeen men vraagt, eenen gelijksoortigen invloed uit op de schatting der dingen, als de aanwas van hun nut en hunner productiekosten, voor zoo ver wij die hebben te besteden of te vergoeden.
De mededinging met opzigt tot het geen men aanbiedt, strekt, als de afname van het nut der dingen of hunne minder kostbare verkrijging, tot matiging van onze gehechtheid er aan en tot daling hunner prijzen.
23.
Schoon behoefte aan eene zaak voorwaarde is van begeerte naar haar bezit, en alzoo der beweegreden ons haar-aangaande vragende mededinger te stellen, voldoet zij niet, noch om ons dat bezit te verschaffen, noch om aan onze mededinging eenige kracht bij te zetten.
24.
De werkelijke mededinger moet aan zijnen wil, tot
142
het sluiten van overeenkomsten, het vermogen paren er de voorwaarden van te vervullen, althans daartoe in staat worden geacht.
\'25.
Even als personelijke eigenschappen en voortbrengst-krachten onzer accessoria in staat stellen, bij te dragen aan eigen welzijn of aan dat van anderen en deel te nemen aan het voortbrengen van rijkdommen, schenken zij het vermogen mede te dingen ter sluiting van overeenkomsten.
\'26.
Beesten en werktuigen, of eigenlijk hunne bezitters, zijn voor hen, die uitsluitend werktuigelijke krachten ter productie aanwenden, de geduchtste mededingers, vaak geduchter dan hunne \'s gelijken.
27.
De mededinging van beesten, van werktuigen en van bloot werktuigelijken arbeid verrigtende lieden is onbestaanbaar met betrekking tot hen, die in staat zijn datgeen te volbrengen hetwelk onstoffelijke bekwaamheden en hare aanwending vereischt,
De mededinging voorkomt overdrijving, zoo van winsten, als van nadeelen. Zij schaadt zelfs in de minst gunstige gevallen de eene partij niet, zonder de andere een voordeel althans van even groote waarde te verschaffen.
29.
Elk onttrekt zich gedwongen aan de mededinging,
143
wanneer het zijn vermogen te boven gaat de voorwaarden te vervullen, die hij kan bedingen, en voorbedachtelijk, wanneer hem deze betrekkelijk te zwaar voorkomen, hetzij omdat zij de opoffering van een welzijn eischen, grooter dim ontstaan zal uit aanwending van het begeerde, hetzij omdat hij meent elders of later ligtere voorwaarden te kunnen bedingen.
30.
Overeenkomsten getuigen, dat partijen in omgekeerden zin eenen betrekkelijken overvloed aan sommige en een betrekkelijk gebrek aan andere zaken hebben, dat zij beide achten hunne belangen er door te bevorderen, en dat beide, naar aanleiding der aanwezige omstandigheden, er geene op voordeeliger voorwaarden weten te sluiten.
31.
Belemmeringen der vrije mededinging, welke niet vereischt zijn, om het evenwigt in stand te houden, zijn zoo vele inbreuken op de wettige vrijheid en op het eigendomsregt van beide partijen, die willens zijn onderlinge overeenkomsten te sluiten, maar daarin verhinderd worden. Zij schaden beide, ten behoeve van sommigen, die niet willens of onvermogend zijn, zich met de minder drukkende voorwaarden van anderen te vreden te stellen die dezen nog voordeel afwerpen. Zij veroorzaken eene schade grooter dan het voordeel, dat zij bezorgen.
32.
Wanneer belemmeringen van de vrije mededinging kunstmatig takken van nijverheid doen bloeijen, heeft die bloei plaats ten koste der verbruikers. Deze worden daardoor altijd meer benadeeld. Bovendien zullen daar-
144
door andere takken lijden. In som moet deze schade althans in haar geheel het voordeel te boven gaan der bevoorregte takken.
33.
De vrije mededinging laat toe, dat elk best het wettige gebruik van het zijne make. Zij onderhoudt daartoe de krachtigste drijveer.
34.
Groote voordeden sporen, in bepaalde vakken, ter productie aan. Zij doen mededinging in dat vak, ontstaan, dus productie-krachten aan andere vakken onttrekken. De nieuwe mededingers brengen wel is waar te weeg, ten voordeele der verbruikers, matiging der winsten, die het eene vak afwerpt , maar daarom nog niet ten voordeele der voortbrengers een evenredige rijzing der winsten, welke andere opleveren, ten koste der verbruikers.
35.
De onbelemmerde vrije mededinging verhindert de nadeelige gevolgen, die uit de individuele zelfzucht voor het algemeene welzijn kunnen ontstaan. Zij spoort krachtig aan alle vermogens en middelen, ten koste der minst mogelijke opofferingen, het meest mogelijk aan de bevordering des algemeenen welzijns te doen bijdragen.
30.
De aanwas, die de mededinging, wanneer zij onbelemmerd plaats heeft, in een of anderen tak van nijverheid ondergaat, wettigt het vermoeden der overdrevene en betrekkelijk te hooge voordeelen, die hij te eeniger tijd
145
of plaats afwerpt, en der te karige productive vermogens daar aan geweid. Omgekeerd, wettigt hij tevens het vermoeden, dat andere vakken betrekkelijk eene te geringe winst afwerpen, en dat zij overdrevene productie-krachten tot zich hadden getrokken.
37.
Bij vrije mededinging zullen onvermijdelijk die vakken van nijverheid de aanzienlijkste winsten opleveren, waarvan het algemeene belang het dringendst de uitbreiding-vordert. Omgekeerd, zullen dientengevolge, die vakken het eerst inkrimping ondergaan, die het minst bijdragen aan de bevrediging der meest dringende behoeften, of zoo men wil, inzonderheid weinig aan den bloei der inlandsche nijverheid en aan de algemeene welvaart.
38.
De mededinging neemt af naar mate de voordeelen verminderen. Hare oorzaak, (de hoogere betrekkelijke voordeelen, die er toe aansporen), verzwakt, naar mate haar nuttig uitwerksel en bestemming (de algemeene verkrijging der noodigste dingen voor den geringst mogelijken prijs) bereikt worden.
39.
Elke belemmering der vrije mededinging ten goede is er eene des algemeenen belangs.
40.
Schoon geene belemmering der mededinging positief gunstig op de gemeene welvaart kan werken, bestaan er gevallen van uitzondering, waarin zij er eenen betrek-lijken wenschelijken invloed op zal hebben, omdat zij
10
146
dienen zal liet gevaar van giootere nadeelen te voorkomen, waaraan geheele vrijheid het algemeene belang te zeer zou bloot stellen.
Beperking der mededinging en barer oefening, onder in zekeren zin hinderlijk toezigt, eischt het algemeene belang, wanneer daardoor alleen mogelijk is te voorkomen, dat zij gepaard ga met bedrog, waarvoor het gros der Individuen onbekwaam is zich genoegzaam te vrijwaren. \')
In vrije mededinging wordt elk aangespoord zijne belangrijkste productie-krachten op de nuttigste wijze aan te wenden, en, naar men moet onderstellen valt de gelegenheid weg, ze nog ten meesten eigenen voordeele, doch ten betrekkelijken nadeele van anderen, tot minder nuttige einden te bezigen.
Eene willekeurige belemmering van de vrije mededinging berooft niet alleen de twee partijen, die zich tot
\') Bijv. met dit heilzame oogmerk behoudt de Staat aan zich het regt van de munt en van, na onderzoek der bekwaamheid, de concessie te verleenen, om als arts, als apothecar, als advocaat te fungeren: enz. enz. Blijkbaar moet de Staat even zoo voorkomen, dat geestelijken en onderwijzers eenen gevaarlijken invloed uitoefenen. Hij mag hunne mededinging niet onbegrensd toelaten, noch dat zij beginselen ontwikkelen en voortplanten onder Staats bescherming, die bet behoud der staats-associatie in gevaar brengen en hare heilzame werking in den weg staan. Hij dient zich zoowel van de zedelijke gesteldheid der verschillende onderwijzers, geestelijken en leken, als van hunne bekwaamheden te overtuigen, eer hij hun toelaat invloed uit te oefenen op de zedelijke en redelijke ontwikkeling der staatsleden en ze te ontslaan, wanneer zij van het in hen gestelde vertrouwen misbruik maken.
147
onderling genoegen met elkander zouden hebben verstaan , van de aanwezige gelegenheid, wederkeerig voor zich de beste voorwaarden te bedingen, schaadt haar niet alleen beide, maar verhindert die aanwending der voortbrengst-krachten en middelen, welke in de gegevene natuurlijke omstandigheden het meest met het algemeene belang overeenstemt.
Elke belemmering, die de mensch aan de vrije mededinging in den weg heeft gelegd, behoort te worden opgeruimd, indien handhaving der vrijheid en eerbiediging van het regt het toelaten, en die uit de natuur voortkomt, indien het doenlijk is met geene overdrevene kosten , welke te brengen zijn ten laste dergenen, die er regtstreeks door worden gebaat.
Eene regering, een wetgever, welke van de onderstelling uitgaat, behalve in kennelijke gevallen van uit-zondering, beter dan de particulieren, wier belangen onmiddellijk er bij betrokken zijn, te weten met wie zij overeenkomsten hebben te sluiten, geeft het doorslaand-ste bewijs van zijne onbegrensde waanwijsheid.
Elke maatregel van hooger hand ter regeling of wijziging der voorwaarden, waarop overeenkomsten mogen worden of zijn gesloten l) ligt hare sluiting beletselen in den weg en pleegt onregt.
\') Bev. het bedrag der loonen, de beteekenis der bewoordingen, gebezigd bij sluiting der loopende overeenkomsten.
148
Niettegenstaande maatregelen van hoogerhand soms het sluiten van overeenkomsten verhinderen, komen gevallen voor, waarin een gewigtiger belang .ze gebiedt. \')
Wanneer de mededinging vrij spel heeft, drijft de zelfzucht genoeg aan, om de individuen met meer of minder vereende krachten, in overeenstemming met den aanwezigen trap van ontwikkeling en de beschikbare vermogens, de belemmeringen te doen opruimen, die de natuur of de omstandigheden hare uitbreiding in den weg stellen, mits het doel de vereischte opofferingen raadzaam maakt.
Wanneer de Staat overgaat tot het wegnemen van hindernissen ten algemeene koste, treedt hij buiten zijnen werkkring, miskent hij de kracht der individuele zelfzucht, toont hij meer vertrouwen te hebben op zijn oordeel, dan op dat der direct bij de zaak betrokkene meest bekwame lieden, ter onderscheiding van de werken, die
\') Zoo laat de maatregel omtrent het aanwenden der kinderkrachten in de fabrieken zich ligter verdedigen, dan die strekt ter beperking van de uren, gedurende welke een bergman daags zijn bedrijf mag uitoefenen. Zulke maatregelen moeten, om wettig en weldadig te kunnen zijn, in onmiddellijk verband staan met het staatsdoel, met de bescherming van personen en eigendommen. Kinderen staan bloct aan mishandeling hunner ouders of voogden, nog meer aan verwaar-loozing. Op de ouders ligt de natuurpligt ze lichamelijk, ook die van ze onstoffelijk of geestelijk te voeden. De Staat dient er de hand aan te houden, dat die pligt vervuld worde. Hij mag, hij moet het namens de kinderen eischen.
149
ter bevordering des gemeenen welzijns te ondernemen zijn, zondigt hij tegen het regt, en, zooals doorgaans uit ervaring is gebleken, ter bevestiging van hetgeen de gezonde theorie leert, benadeelt hij het algemeene belang door een kwaad, iets dat het goede of nuttige in den weg staar, ten koste van een grooter kwaad of van eene overdreven productiekracht \') te doen verdwijnen.
Slechts de maatschappij, die door miskenning des regts, in zich geen beginsel van ontbinding bevat, en in zooverre tot voortduring geschikt is, kan de gunstigste
\') Bijv. belemmeren wegen, door hunnen slechten toestand, in voege de algemeene mededinging, dat hunne verbetering, in spijt der vereischte kosten raadzaam is, dan is de individuele zelfzucht sterk en scherpzinnig genoeg, er zich mede te belasten. De aanleg van menigvuldige spoorwegen hebben hiervan het volledige bewijs geleverd. Het eigenbelang laat zeldzaam andere aan den Staat te bouwen over, dan dezulke, welke de meest bevoegde beoordeelaars voor niet rendabel houden: dat zijn de zulke, welke, geacht worden door hun te gering rendement, het feitelijke bewijs te zullen opleveren, niet in dier voege aan de bevordering der belangen van hen, die er gebruik van zullen maken bij te dragen, dat zij zich gezamenlijk zullen getroosten er de kosten van te dragen. Op zijne beurt strekt dit ten bewijze, dat men het belar.g des algemeens betwijfelt, om het vereischte kosten-bedrag te vergoeden.
Men kan het ontzettende nut van goede vervoermiddelen zeer wel erkennen, en nogthans wijzen op de onregtvaardigheid hunner daar-st el ling ten koste van allen, die daar gewis noch allen noch in verhouding er door zullen worden gebaat. liet is geene reden, om niet in het licht te stellen, dat doorgaans die ondernemingen aan den Staat zullen overgelaten worden, en onder haar de aanleg van wegen, die de kosten niet waard zijn. Veeleer om voordeelige ondernemingen, bijv. het bezit van werkelijk nuttige wegen mogelijk te maken, dient men zich van den aanleg derzulke te onthouden, welke uitloopen op eene verspilling van voortbrengstkrachten, waaronder ontegenzeggelijk de capitalen behooren.
150
gelegenheid opleveren om de overeenkomsten te vermenigvuldigen en ze het meest mogelijk aan aller belangen te doen bijdragen; ze te doen strekken, om allen in de gelegenheid te stellen den betrekkelijk hoogst mogelijken prijs voor hunne diensten en waren te verkrijgen, en nogthans het gehcele bedrag van het noodige, voor den betrekkelijk minst mogelijken prijs, in som, de verspillingen zoo veel mogelijk te mijden.
51.
Schoon een tak van nijverheid aanvankelijk zeer in bloei kan toenemen door daaraan verleende begunstiging, bijv. door gedeeltelijke ontlasting van zijne natuurlijke bezwaren of door belemmering van oen deel zijner mededingers, zal juist die bloei er nieuwe verwekken, tot dat het evenwigt der winsten is hersteld. Intusschen zullen voortbrengstkrachten ten hunne schade aan takken zijn onttrokken, die in natuurlijke en regtvaardige omstandigheden de grootste winst opleverden , en teu slotte zal, tot aller nadeel, het waterpas der winst lager gedaald bevonden worden, daar de individuele zelfzucht aanspoort het te herstellen.
ONDERSCHEIDING DER NUTTIGE HANDELINGEN EN DER OVEREENKOMSTEN.
54,
Langs meerdere wegen behooren wij het menschelijke welzijn te bevorderen. Daaraan hebben wij zoowel middellijk als onmiddellijk bij te dragen door den geest ten goede te ontwikkelen, of door, met betrekking tot onzen
151
tijdelijken toestand, de regelen der huishoudkunde na te leven, omtrent de in- en uitwendige waarde hebbende middelen, over welke wij ter verbetering van ons lot te beschikken hebben.
Redelijke en zedelijke ontwikkeling verwekt met enkel de onmiddellijke verbetering van onzen gebrekkigen toestand, maar in beide deze rigtingen vermeerdert en versterkt zij de vermogens en middelen, die ons instaat stellen, aan de bevordering onzer voorbijgaande belangen en van ons voorwerpelijk doel bij te dragen.
Even als wetenschappelijke ontwikkeling meer bijzonderen invloed heeft op ons kunnen, zoo de zedelijke op ons willen.
De oefening van onze individuele ligchaams-vermogens heeft eenige overeenkomst met de wetenschappelijke ontwikkeling. Onze invloedrijkheid wint er door.
Op onze uitwendige vermogens en middelen (onze bezittingen) oefenen wij eenen gunstigen invloed uit, le door de stoffelijke eigenschappen der voorwerpen eene wenschelijke wijziging te doen ondergaan, door ze in eene betere betrekking tot onze behoeften over te brengen. Ter bereiking dier oogmerken hebben wij gemeenlijk slechts op zekere wijzen, waarvan wij kennis kunnen verkrijgen, stoffen te verplaatsen en ze alzoo of in de gelegenheid te stellen van op elkander te werken, of haar die te ontnemen.
152
59.
Onze medewerking tot onmiddellijken invloed op onzen toestand heeft doorgaans stelliger ten koste van waren plaats, dan die ter vermeerdering en ontwikkeling der dienstigheid van bepaalde middelen en langs dien weg hunner waarde, welke men gemeenlijk volbrengt door in hen die van andere middelen te doen overgaan.
De huishoudkunde gebiedt om het zeerst, zoowel de verstandige en noodige aanwending der middelen, al moet zij tot hun verbruik aanleiding geven, als de wel-begrepene productie van het goede of van waarde hebbende zaken.
De veelvuldige wegen, waarlangs wij onderling op elkanders lot kunnen werken in verband met de individuele opofferingen, die deze werkingen gemeenlijk vergezellen, leveren telkens zooveel onderscheidene gelegenheden op tot het aangaan van onderlinge overeenkomsten.
De onmiddellijke zelfzuchtige drijfveer, die partijen tot het sluiten van overeenkomsten aanzet, ligt in het grootere belang, dat zij wederkeerig stellen in het genot, gebruik of bezit van elkanders voorwerpen, dan van hun eigen, of in den vrijdom van den last, dien partij op zich neemt, dan in dien van het bezwaar, waaraan men zich onderwerpt.
63.
Overeenkomsten loopen over ongelijksoortige zaken.
153
Evenzeer betreifen zij wederkeerige diensten, al of niet bestemd tot het onmiddellijk veroorzaken van eenig genot of van hoogere beschaving, als zij uitwendige en bloot stoffelijke goederen tot onderwerp hebben, die wij echter reden hebben tot onze accessoria te maken. Zoo loopen zij bijv. soms eenerzijds over onderwijs of eene toonkunstige uitvoering en anderzijds over een of ander eigen-domsregt of over de verpligting tot de levering van eenig stoffelijk goed.
64
Omtrent stoffelijke goederen, levert niet enkel hunne eigendoms-overgang stof tot het aangaan van overeenkomsten; mede hun tijdelijk gebruik of de dienst, die door hunne tusschenkomst wordt bewezen.
65.
Soms zijn de voorwaarden der overeenkomsten over en weder vast en duidelijk bepaald, soms hebben zij een aleatorisch caracter en hangen de voor- of nadeelen daaruit voortvloeijende af van niet te voorziene gebeurtenissen.
Uit den aard der zaak behouden alle ondernemingen, betreffende hare uitkomsten, een aleatorisch caracter. Vaak zijn vele der genen, die er, of persoonlijk, of door hunne goederen deel aannemen, dan eens buiten staat of ongenegen de kanzen er van te loopen, dan wederom daarvan door den eigenlijken ondernemer uitgesloten.
67.
Wanneer eene onderneming met alle hare goede en
154
kwade kanzen, voor rekening van eene of van meer bepaalde personen loopt, gaan allen, die buitendien, hetzij persoonlijk, het zij door hunne eigendommen deel daaraan nemen, deswege op zuiver vaste of wel eens op min of meer aleatorische voorwaarden overeenkomsten aan.
Soms onderneemt men, als bij verkoop op tijd, in de behoeften van anderen te voorzien, na vooraf prijs te hebben gemaakt. Dan loopt de ondernemer alle de kanzen, waaraan de voortbrenging of de aanschaffing langs andere wegen blootstelt, en partij daarentegen enkel die der rijzing en daling des products, boven of onder den vastgestelden prijs.
69.
Soms onderneemt men de voortbrenging, den aanvoer of de levering van waren, zonder voorwetenschap dei-personen, ten wier behoeve men handelt en van den afzets-prijs. r) In dat geval loopt men tevens de kanzen van slagen, van alle de kosten en van den invloed dien de vraag en het aanbod op den prijs zullen hebben.
70.
Sluit men eene kans-ovpreenkomst, waardoor men zich meer bloot stelt, dan aan onzekerheden, welke eigen zijn aan de onderneming naar verhouding van het deel, dat men er aan neemt, of waardoor men zich aan die natuurlijke kanzen onttrekt, dan kleeft op haar geene smet
\') Dit betreft den boer,, den tabriekant, den handelaar in den gewonen loop der dingen.
155
hoegenaamd, ten zij geweld, list of bedrog invloed heeft gehad op de bepaling der voorwaarden.
Wanneeer men, in het genot zijnde van zijne wettige vrijheid, zijne personelijke vermogens, zijne goederen, roerende, onroerende of capitalen verhuurt, bevestigt de daad het vermoeden ten volle, dat men van oordeel is alzoo zijne belangen het meest te bevorderen, d. i. het gevaar te schuwen van voor- en nadeelige kanzen te loopen, zelf geen beter gebruik van zijne vermogens en middelen te hebben kunnen maken, en geene voordeeliger voorwaarden te hebben kunnen bedingen.
Naar mate men minder heeft te verliezen, verkeert men het minst in de gelegenheid de uitkomsten van langdurende ondernemingen te kunnen afwachten en is men tevens van de mogelijkheid verstoken, zonder onvoor-zigtigheid, de kanzen eener onzekere uitkomst te loopen.
Wanneer men, in het genot van zijne wettige vrijheid, door het sluiten eener overeenkomst het bewijs levert van oordeel te zijn, zich daardoor het meest te hebben bevoordeeld, is elke klagt ongerijmd, of over de schade, welke men daardoor lijdt, of over de ongunstige voorwaarden , die men heeft kunnen bedingen, onverschillig of de oorzaak daarvan ligt in de bestaande mededinging of in iets anders.
Het is onzedelijk, onregtvaardig, onstaatkundig, schade-
156
lijk voor het algemeene welzijn en stellig verwerpelijk, geheel onschuldige derden geweld aan te doen en als het ware te straffen, door hen met de eigenaardige kwade gevolgen te belasten der welligt droevige omstandigheden, waarin anderen niet zelden door eigene schuld of door die van hunne voorzaten verkeeren.
75.
Alle overeenkomsten, waarbij eene der partijen zich, als bij werkverschaffing, verpligt zwaarder lasten te dragen, dan zij weet onvermijdelijk te wezen, zijn in zoo ver feiten van gemengden aard, d. i. deels bedekte aalmoezen. Zij leiden tot eene begripsverwarring, waarvan de nuttige strekking stellig te bestrijden is.
VRAAG EN AANBOD.
70.
De sluiting der overeenkomsten wordt voorafgegaan door de vraag en het aanbod der partijen, betreffende hetzij het gebruik van in- en uitwendige productive krachten, hetzij den eigendom van goederen. Weder-keerig stellen de partijen zich gelijktijdig vragers en aanbieders van onderling verschillende zaken, die zijn aan te wenden of tot onmiddellijke bevordering van welzijn of ter voortbrenging of eindelijk ter enkele inruiling van andere begeerde zaken.
77.
Alle leden der zamenleving hebben uit een rein natuur-regtelijk, zedelijk en huishoudkundig oogpunt, al zijn
157
zij geene leden der aanwezige Staten, eene aangeboren bevoegdheid van ieder en van alle regeringen, binnen zekere grenzen, de onverkorte toelating en oefening te eischen van hunne vrijheid, om voordeel te trekken van de gunstige omstandigheden, die met de zamenleving ontstaan, en die zij bestemd is aan te bieden.
78.
Ieders subjective behoeften aan zaken, in verband met de kosten of opofieringen, verbonden aan de eigene voortbrenging dier zaken, vormen de drijfveer van zijne vraag. Zij wordt daarentegen feitelijk beperkt en door de kracht van andere subjective behoeften, en door de zwaarte dei- offers, die vereischt worden om anderen tot wederdienst of tot afstand van het hunne te bewegen.
79.
Ieders aanbod komt voort uit de ovef tuiging, dat men het aangebodene minder behoeft, niet alleen dan hetgeen men vraagt, maar ook dan anderen, en dat dezen het slechts ten koste van zwaardere offers kunnen verkrijgen, langs de te hunner beschikking staande wegen. Het is beperkt door eigene gehechtheid.
Het aanbod vervalt bij het ontbreken van drijfveer, zoodra de kosten van voortbrenging geacht worden hooger te loopen dan die, welke anderen geneigd zullen zijn te vergoeden, hetzij omdat zij de zaak zooveel niet waard schatten, hetzij omdat zij haar zich van elders op minder bezwarende voorwaarden kunnen aanschaffen.
158
Geene vraag gaat verder, dan de verkiezing van het gevraagde boven het geen ter verkrijging moet worden opgeofferd. In de zamenleving strekt de verpligting zich zeldzaam evenver uit, als daarbuiten, tot het doen van opofferingen. Twee redenen dragen daartoe bij. Doorgaans zijn er anderen, die de meeste diensten, beter dan wij kunnen bewijzen en de voorwerpen niet alleen beter, maar ten koste van minder offers, kunnen voortbrengen, en bereid zijn ons in beide rigtingen, tot ons voordeel van dienst te zijn. Verder treffen wij in de maatschappij hulpmiddelen aan, die ons de taak ver-ligten, wanneer wij door eigene inspanning en nijverheid in onze nooden moeten voorzien.
82
De subjective of toegekende ruilings- of markt-waarde der zaken, wel te onderscheiden van hare objective, wordt in de zamenleving bepaald door de dubbele mededinging der vragers en der aanbieders, zoo ook de betrekkelijke toegekende rullingswaarde van twee bepaalde voorwerpen in de bepaalde omstandigheden, waarin zij voorkomen.
83.
Schoon in de zamenleving sommige redenen hare kracht verliezen, die ons verpligten naauwlettend de kosten der voortbrenging te overwegen, ter beperking van het aanbod en van de vraag, strekt de mededinging, waaraan elk onzer telkens, als aanbieder en ais vrager het hoofd heeft te bieden, tot herstel van de bedoelde kracht.
159
De indivuduele en verschillende waarde, die de dingen voor de onderscheidene personen hebben, wegens hunne verschillende behoeften en wegens de onderscheidene opofferingen, die ze te harer bevrediging hebben te maken, doet ze reeds even zeer èn als vragende èn als aanbiedende mededingers, met ongelijke kracht optreden. Evenzeer oefenen de onderscheidene omstandigheden, èn waarin de zelfde personen op onderscheidene tijdstippen èn de verschillende op het zelfde, met betrekking zoowel tot hunne behoeften, productive vermogens, als tot hunne kennis en inzigten verkeeren, eenen stelligen invloed uit op de kracht hunner mededinging.
Enkel wanneer de aanbiedingen, en de vragen eikand er wederkeerig ontmoeten, zullen er overeenkomsten worden gesloten, nimmer wanneer de vraag van den eenen zoo ver niet reikt, dat zij gesteund wordt door een aanbod, in staat partij te bevredigen.
Even weinig als eene vraag, die niet door een aanbod gesteund wordt, aanleiding geven kan tot het sluiten eener overeenkomst, kan een aanbod het doen van hetgeen , waaraan ieder, om eene of andere reden, weigert waarde toe te kennen.
Ter sluiting van overeenkomsten wordt vereischt, dat men wederkeerig tevens vrager en aanbieder zij van onderscheidene zaken, en hare sluiting wordt van weerszijden
160
in de hand gewerkt, door krachtiger gesteunde vraag en door voordecliger aanbod. Daarmede staat in verband, dat op de sluiting der overeenkomsten van invloed wezen moet elke oorzaak, die de kracht of den drang hetzij der vraag hetzij van het aanbod, zoowel van de eene, als van de andere partij verzwakt of versterkt, maar dan ook, dat die invloeden tegen elkander kunnen opwegen.
Vraag naar bepaalde voorwerpen neemt toe door uitbreiding of door drangvermeerdering der behoeften daaraan, al blijft het vermogen tot schadeloosstellen onveranderd, doch dan ten koste van de vraag naar andere zaken.
89.
Het aanbod wordt ruimer door toename der productiekrachten en door het ontstaan van alle soort van oorzaken, die van invloed zijn op de afname der kosten van voortbrenging. Diensvolgens worden de voorwaarden dei-aanbieders aannemelijker, ofschoon de overige redenen onveranderd blijven, die tot het aangaan van overeenkomsten aansporen. In omgekeerde omstandigheden ontstaan tegenovergestelde gevolgen.
90.
Inkrimping der productie-kosten kan alleen algemeene uitbreiding der vraag veroorzaken.
91.
Neemt onze vraag toe ingevolge liet meerdere belang, dat wij teregt stellen in de uitkomst, dan ligt
161
daarin het bewijs, of dat wij zeiven \') in minder gunstige omstandigheden verkeeren , of dat wij het middel ontdekt, welligt de gelegenheid gevonden hebben, om van de ons ten dienste staande productie-middelen een voordeeliger gebruik te maken, of eindelijk, dat de voorwerpen van betere conditie zijn, in welke laatste gevallen onze toestand stellig niet is terug gegaan.
Daling van de ruilingswaarde eener zaak kan voortkomen uit de positive verbetering van de voorwaarden des aanbods. Zij schaadt den aanbieder, indien daarvan de oorzaak bij den vrager ligt, doch niet, wanneer zij voortkomt uit afname der productie-kosten en uit de sterker mededinging, waartoe zij aanleiding geeft. De daling kan slechts betrekkelijk wezen, wanneer zij voortkomt uit de grootere bezwaren, die de verkrijging eener tegenwaarde ontmoet. Deze schade voor de aanbieders zal eene toereikende schadeloosstelling aan de vragers verzekeren.
93.
De rijzing van de ruilingswaarde kan voortkomen uit positief zwaardere voorwaarden, waaraan de vragers zich onderwerpen. Zij schaadt de vragers, wanneer de oorzaak daarvan bij de aanbieders ligt en op hen drukt, doch niet, wanneer zij voortkomt uit stelligen krachtiger invloed ten goede, dien het gebruik der voortbrengselen heeft op den toestand der vragers. De rijzing kan slechts betrekkelijk wezen en voortkomen uit vermin-
\') Bijv. door toename onzer behoeften zelve, of door afname van onze vermogens tol eenige productie van het noodige.
11
162
dering der bezwaren, die de verkrijging een er tegen waarde ontmoet. Deze is voordeelig voor de aanbieders, zonder daarom schadelijk voor hunne tegenpartij te zijn.
Schoon rijzing of daling der waren immer zelfstandig, in eenen omgekeerden zin, eene voor-en nadeelige strekking heeft voor de tegenoverstaande partijen, zullen beide voor het algenieene belang of schadelijk of gunstig wezen. naar de goede of nadeelige geaardheid der oorzaken , waaruit zij voortkomen.
De toe- of afname van het aanbod of van de vraag, met betrekking op een of ander bepaald voorwerp, bewijst zelfstandig noch voor- noch tegenspoed, hetzij individuele, hetzij algemeene.
De toename van vraag en de afname van aanbod of omgekeerd is in het algemeen het kenmerk van den voor-, of achteruitgang der bijzondere en der nationale welvaart, daar die onderscheidene staten van zaken het vermoeden wettigen, dat elke vraag, die van een ruim of van geen evenredig aanbod vergezeld gaat, deels uitbreiding aanwijst, of omgekeerd, deels ten koste wordt gedaan van het aanwezige productive vermogen.
Vraag en aanbod zijn noch voor de bijzondere individuen van elkander te scheiden, noch voor de partijen, die geneigd zijn onderling overeenkomsten te sluiten.
163
98.
Elk individu overweegt bij zich zeiven, als vrager en als aanbieder, de voorwaarden, waarop hij zal besluiten overeenkomsten aan te gaan.
99.
Vraag en aanbod kunnen stellig of betrekkelijk toe- en afnemen. Enkel in het laatste geval zal hunne wijziging op de toekenning van ruilingswaarde invloed hebben.
Men vervalt onvermijdelijk in dwaling door zijne eenzijdigheid, wanneer men uit de wijziging, welke öf de vraag öf het aanbod ondergaat, zijn oordeel opmaakt over de stellige rijzing of daling der waren, die daaruit moet ontstaan. Die der ruilingswaarde is uit den aard der zaak altijd betrekkelijk.
Opwerping en opheffing van belemmering der vraag zijn immer onafscheidelijk aan die van aanbod verbonden , schoon onderscheidene voorwerpen betreffende.
Vraag en aanbod worden soms voorbedachtelijk belemmerd , soms onvoorbedachtelijk, als door onregt, door onkunde, door oorlog, door physische oorzaken, enz.
103.
De wet van vraag en aanbod is een vorm, waarin de vrijheid en het eigendomsregt zich voordoen, ter gelegenheid van de bepaling der voorwaarden van overeenkomst,
164
Zich tegen hare werking verklaren is zijne vijandige gezindheid met betrekking tot vrijheid en regt aan den dag leggen\'.
104.
Ter uitbreiding der vraag en des aanbods en ter bevordering der algemeene welvaart en welzijn langs dien weg, kunnen zoowel belemmeringen van \'s men-schen vinding, als andere worden opgeruimd.
105.
De staatsbescherming kan en moet op tweeërlei wijze regtstreeks eenen gunstigen invloed op de uitbreiding van vraag en van aanbod hebben: 1°. door wering van alle kunstmatige belemmering; \'2°, door elk in strenge evenredigheid het genot te verzekeren van de vruchten dei\' pogingen, die men ten koste van offers aanwendt, met oogmerk om de stoffelijke en onstoffelijke belemmeringen van vraag en aanbod op te ruimen. Zij verdraagt zich in geenen vorm met het zoogenaamde protectionistische stelsel.
rtüILINGSWAARUE, SCHATTING, MARKTWAARDE, PRIJS.
De ruilingswaarde heeft een objectief caracter. Zij is de werkelijk gelijke waarde, die onderscheidene voorwerpen hebben. Zij is geheel onafhankelijk van het oordeel, dat de menscb velt, onder den invloed zijner gebrekkige kennis, zedelijkheid en redeneerkunde.
165
107.
De onderscheidene gebreken van den mensch doen hem gemeenlijk in dwalingen vervallen, bijzonder omtrent de waaide der dingen en dientengevolge omtrent de betrekkelijke, die zulke hebben, welke onderling geruild kunnen worden, omtrent hunne onderlinge rui-lingswaarde.
Schoon men doorgaans ruilingswaarde der dingen noemt het gewone oordeel, dat daarover, te eeniger plaatse, op een gegeven tijdstip wordt geveld, geeft dit niets anders te kennen, dan eene schatting.
109.
De schattingen der dingen, de daaruit ontstaande subjectief toegekende waarden blijken voor onderscheidene personen ongelijk te wezen uit do menigvuldige ruilovereenkomsten, waartoe zij aanleiding geven.
De dwalingen, waarin men buiten de zamenleving verkeert omtrent zijne behoeften, omtrent het vermogen dei-dingen , om aan hare bevrediging bij te dragen en omtrent de onvermijdelijke kosten te hunner verkrijging, doen telkens misschatten. In de zamenleving bestaan daartoe nog veel meer aanleidingen.
Om de ruilingswaarde der dingen in de zamenleving, die tot het aangaan van overeenkomsten leidt, goed te schatten, dient men niet betreffende zich alleen, maar
166
evenzeer aangaande alle personen, met welke men overeenkomsten kan aangaan, een juist begrip te hebben der tegenwoordige en der aanstaande behoeften, van het vermogen, dat de dingen bezitten te barer bevrediging, en van de opofferingen, ten koste waarvan wij en de personen, waarmede wij in aanraking staan, de voorwerpen verkrijgen kunnen, waarbij nog moet komen een juist inzigt van andermans oordeel, daar bet van invloed is op hetgeen zij aan en van ons in ruil afstaan of be-geeren zullen.
Wanneer de mensch in de zamenleving, ingevolge der menigvuldige overeenkomsten, weinig zelf voortbrengt van hetgeen hij verbruikt, en omgekeerd, weinig verbruikt van hetgeen hij zelf voortbrengt, acht hij minder op de waarde der dingen te moeten letten, meer op de hun toegekende ruilingswaarde, minder op hun nut en op hun kostenbedrag, in zoover dit onvermijdelijk is, meer op hun toegekend, wclligt hersenschimmig nut en op de kosten, die gemeenlijk te hunner verkrijging worden gemaakt, daarvoor doorgaans worden besteed.
Omdat de ruilingswaarde de aanleiding is, die redelijkerwijze moet bewegen tot het aangaan van overeenkomsten, en de geschatte ruilingswaarde die, welke daar werkelijk toe doet overgaan, zal zij van alle de voorwerpen daarvan geringer zijn, dan de waarde, welke zij hebben of geacht worden te hebben voor hen, die ze vragen, en hooger voor hen, die ze nog aanbieden. Zij is alzoo een middenterm tusschen de onderscheidene werkelijke
167
of geschatte waarden der dingen voor de beide overeenkomende partijen.
Omdat in de zamenleving, naar verhouding de betrekkingen tusschen hare leden zich uitbreiden, de waarde der dingen voor hen rijst, die ze ten minsten koste kunnen voortbrengen en wederkeerig daalt voor hen, die ze ten meeste nutte kunnen aanwenden, mogelijk voor de eersten, tot op het punt aangewezen door hun hoogste nut, en voor de laatsten tot het laagste, dat de kosten van voortbrenging toelaten; zal de ruilingswaarde, die aan de dingen wordt toegekend, op de hoogte staan, welke het meest met het algcmeene belang overeenstemt, wanneer de minste beletselen het onderlinge verkeer belemmeren.
115.
Eenerzijds bepaalt de schatting der voortbrengers, anderzijds die der verbruikers de grenzen, waartusschen de toegekende ruilingswaarde der dingen in het verkeer zweelt.
Ofschoon er nimmer te eeniger plaatse, te eeniger tijd, voor alle individuen eene gelijke ruilingswaarde dei-dingen kan bestaan, brengt het gebruik mede, den naam van ruilingswaarde te geven aan die, welke men er daar en dan doorgaans aan toekent. Deze behoorde veeleer hunne marktwaarde, of beter nog, schatting genaamd te worden.
Duurzaam kan noch de ruilings- en even zoo min de
168
marktwaarde der dingen dalen beneden het bedrag, noodig tot vergoeding hunner kosten van voortbrenging, noch rijzen boven dat, hetwelk de ge- of verbruikers zeiven zoude hebben te besteden, om er zich van te voorzien, door aanwending van eigene vermogens en middelen. Wanneer aan de eens of aan de andere zijde dat punt wordt overschreden, vervalt de beweegreden tot het aangaan van overeenkomsten.
Misschatting der waarde en der ruilingswaarde heeft plaats, niet enkel door enkele personen, maar door de massa, zoowel wegens onjuiste beoordeeling der behoeften, als der aanwezige omstandigheden. Dan beheerscht zij de markt-waarde.
Om een juist oordeel te vellen over de toekomende markt-waarde der dingen, op een bepaald tijdstip, te eeniger plaatse, is de ware voorstelling, de voorkennis van al hetgeen aldaar en dan invloed zal hebben op hunne gewone schatting, onontbeerlijk.
Evenzeer als de zamenleving invloed heeft op de waarde en op de ruilingswaarde der voorwerpen, doet zij zich zoowel als verstandig op de ontwikkeling der individuele rede en zedelijkheid, dwaas gevoelen op de ijdelheid en dien ten gevolge op de schatting en op de marktwaarde der zaken.
In de zamenleving en in hare bijzondere kringen wor-
169
den de voorwerpen ongelijk geschat. In haar verschilt zoowel als hunne marktwaarde, hunne werkelijke onderlinge rüilingswaarde.
De staats-bescherming van personen en goederen doet zich op tweeërlei wijzen regtstreeks op de waarde der dingen gevoelen, zij vermindert de onontbeerlijke opofferingen en verhoogt de nuttigheid, wanneer zij de gelegenheid verzekert, zich door ruil het noodige ten mindere koste aan te schaffen en het betrekkelijk overvloedige ten meerdere bate aan te wenden. De nuttige invloed daarvan kan niet uitblijven op de schatting, op de rüilingswaarde der dingen en ten slotte op \'s menschen gedragingen, welvaart en welzijn.
123.
Schoon de schatting en daarom de plaatselijk toegekende rüilingswaarde der dingen, schoon hunne speciale marktwaarde zelden die evenaart, waarop de hoogste schatter haar stelt, schoon zij gemeenlijk lager is dan de meeste ge- of verbruikers haar des noods zouden opvoeren, staat zij altijd hooger, dan zij haar stellen, die verkiezen zich hunne verkrijging, hun gebruik of hun behoud te ontzeggen, of wel zich te onderwerpen aan de bezwarende voorwaarden, ten koste waarvan het hun mogelijk is zelve hunne begeerte te bevredigen, als blijkt uit hetgeen, waarvoor zij hunne eigene producten afstaan.
124.
De reden, waarom men vaak bepaalde kosten van verkrijging, gebruik of behoud te zwaar schat, ligt niet zelden in de omstandigheden, waarin men verkeert en
170
die het mogelijk maken, op ligtere voorwaarden, langs den weg van ruil, het zelfde einde te bereiken.
125.
Schoon de marktwaarde der dingen vaak lager is, dan vele vragers haar desnoods zouden opvoeren, overtreft zij veelal evenzeer die, waarop velen der zulken haar desnoods zouden schatten, wier omstandigheden hen in staat stellen ze ten minsten koste voort te brengen ofte verkrijgen. Beider voordeel is onwedersprekelijk.
Wanneer wij ons eene ware voorstelling vormen van de toe- en afname der behoefte aan de dingen en hunner nuttigheid, als ook van de vermeerdering of vermindering hunner onvermijdelijke kosten van productie en behoud; wanneer wij op grond daarvan de redenen juist beoor-deelen, die bestaan voor hunne objective waarderijzing of daling, zal onze schatting de voorwerpen, hunne subjective ruilings- of marktwaarde de beweging der objective waarde volgen.
127.
Evenals wij, in afzondering levende, door onze individuele schatting onder den invloed van onze bijzondere dwalingen, tot \'het besluit worden geleid, om offers ter productie te brengen, zoo ook ontstaat in de zamenleving volgens vaste regelen, eene openbare schatting der dingen, die den grootsten invloed heeft zoo wel op hun verbruik, als op hunne productie of besparing. Wegens de wederkeerige werking, welke de leden der maatschappij op elkander uitoefenen, kan men dien invloed niet, dan in gevallen van uitzondering, verwaarloozen zonder den
171
geregelden en natuurlijken loop van zaken schromelijk ten gemeenen nadeele te verstooren.
Wanneer men geleerd heeft, tot behoud of verkrijging vau voorwerpen hetzij krachten beter aan te wenden, welke de natuur ons in zulk eenen overvloed schenkt, dat zij niemand reden geven er een deel van onder zijne rijkdommen te rangschikken, hetzij kostbaarder productiekrachten door niets of minder kostende te vervangen, hetzij eindelijk eene of andere gewone verspilling van productiekrachten te vermijden, dan kan niet alleen, maar dan moet de schatting dier waarde hebbende voorwerpen dalen, zelfs niettegenstaande welligt tevens hunne nuttigheid en verbruik toenemen, mits echter dit laatste niet in sterkere mate plaats hebbe, dan de afname der productie-kosten.
129.
Wanneer de daling der producten, onaangezien de besparing hunner kosten van voortbrenging, tegen wordt gegaan door sterkere vraag, strekt dit tot bijzonder voordeel dergenen, die de bijzondere bekwaamheden of de onontbeerlijke voorwerpen bezitten, wier medewerking aan het voortbrengen dier goederen bijdraagt. Daaruit ontstaat zelfs eene zekere reactie ter verhooging der kosten van productie. Do waaide, de ruilingswaarde, de schatting en de marktwaarde der voortbrengselen zullen er de gevolgen van ondervinden.
130.
De prijs der dingen is het kosten-bedrag van hun behoud of van hunne verkrijging, hetzij door eigene productie, hetzij door ruil. In het verkeer noemt men veelal prijs de som gelds, waarvan de opoffering, tot
472
behoud, eigene productie of inruiling der dingen wordt besteed; maar die prijssoort geeft, zoo min als andere eene schaal aan van den druk dier opoffering, der duurte op \'s menschen welzijn, tenzij met inachtneming der hoogere of lagere waarde der voorwerpen, der muntspecien.
DE VOORTBRENGING IN DE ZAMENLEVING.
131.
Gebrekkige kennis van het wezen des welzijns, van het belang, dat men er in heeft te stellen, van de eigenaardige vermogens, krachten en middelen, van den gunstigen invloed, dien wij regtstreeks en middellijk op ons eigen lot kunnen uitoefenen, en even gebrekkig oordeel, omtrent hetgeen te verkiezen is, doen ons reeds buiten de maatschappij vaak in dwalingen vervallen omtrent de objective waarde der dingen. Deze oorzaken leiden ons in verband met onzen gebrekkigen zedelijken toestand, tot dwaze besluiten en schadelijke handelingen. Veel draagt er in de zamenleving, de mogelijkheid toe bij, dat de baten van de lasten afgescheiden worden, en de menigvuldige verwikkelingen, die zij doet ontstaan, is oorzaak dat wij nog meer van den regten weg afgeleid worden.
132.
Bewijst de uitkomst dikwerf de misschatting, welke iemand buiten de zamenleving tot handelen doet besluiten, nog veel grooter gevaar loopt men in haar , of ter productie opofferingen te doen, waartoe men niet zou hebben besloten, indien de algemeene behoeften en de onver-
173
mijdelijke kosten vooraf beter beoordeeld waren, of, wegens tegenovergestelde dwalingen, te weinig zijne krachten en middelen ten goede aan te wenden.
133.
In de zamenleving weegt de overdrijving of onderschatting van den eenen niet zelden op tegen die van den anderen. Daardoor zal de een vaak aan zekere productie te veel krachten en middelen besteden, terwijl een ander er te weinig aan te koste legt, of zal de een te hoog schatten het geen een ander op te lagen prijs stelt.
184.
Wanneer in de zamenleving de ondernemer eener nijverheid zich vooraf verbindt voor eene personelijke of zakelijke medewerking, ter productie, een bepaald loon, eene bepaalde huur of eene zekere rente te voldoen, dan heeft gemeenlijk aan de eene of andere zijde over-of onderschatting plaats van de waarde dier .medewerking, in verhouding tot haar aandeel in de productie, waaruit diensvolgens eene onevenredige deeling voortkomt van de winst, die zij doet ontstaan.
135.
Het bewijs van plaats gehad hebbende misrekening omtrent de marktwaarde des products levert zij zoo wel, wanneer zij hooger loopt, dan noodig is om den nijverheidstak eene gewone mate van bloei te verschaffen, of lager daalt dan vereischt is ter vergoeding der kosten. *
136.
Bij niet- verstoring van den natuurlijken loop der din-
174
gen treft de misrekening, die aanleiding geeft tot schade, dengenen, welke de feil heeft begaan. Dan behoudt zij haren nuttigen spoorslag, om meer zorg en inspanning te besteden aan het onderzoek der waarschijnlijke uitkomsten en mitsdien aan de ontdekking eener voor het algemeeue welzijn hoogst aangelegene kennis.
137.
De maatregel of de daad is onregtvaardig, die de gevolgen van bijzondere schuld, de verliezen en schaden, voortgesproten uit nalatigheid van dezen of genen, op de schouders van anderen doet nederkomen. Bovendien heeft zij de strekking, de nuttige en waarschuwende stem te smoren der ondervinding en der schade, die men het menschdom door onvoorzigtige en dwaze handelingen toebrengt.
138.
Eene juiste voorstelling van de kosten, die wij zeiven en anderen tot het voortbrengen der dingen hebben te maken, dient om hunne ruilingswaarde te leeren kennen en het laagste bedrag der opolïeringen, waarvoor zij in de zamenleving zijn te verkrijgen. Vandaar, dat gemeenlijk in de zamenleving de kosten, die wij zeiven zouden moeten maken, ter eigene productie der dingen, geenszins de kracht bepaalt van eene der twee oorzaken hunner waarde, maar veeleer het bedrag, dat wij aan anderen daarvoor moeten afstaan, boven de vergoeding hunner kosten, om hun zulk eene winst te verzekeren, welke in staat is ze te bewegen hunnen nijverheidstak voort te zetten.
175
In de zamenleving bepaalt niet het nut, hetwelk de zaken voor ons hebben, in verband met de opofferingen, die het eigen voorbrengen daarvan eischt, maar hare marktwaarde het hoogste bedrag, dat wij in de gegevene omstandigheden er voor zullen opofferen, en ook omgekeerd, het laagste bedrag, waarvoor wij bereid zullen zijn ze af te staan, in een woord, hunne maatschappelijke subjective railings waarde, voor ieder als aanbieder of pioducteur en als vrager of bruiker.
Even weinig als eene eigenschap of kracht een groo-ter nut of eene hoogere waarde heeft, omdat zij in eene bepaalde soort van voorwerpen is gevestigd, is eene productie belangrijker, omdat zij is voortgekomen uit deze of gene zaak, eigenschap of kracht.
Tot het voortbrengen, is het in werking treden van eene of andere kracht nimmer voldoende.
Of eene werking wordt volbragt door medewerking van personen, van beesten of van, hetzij roerende, hetzij onroerende goederen is, omtrent hare al of niet productiviteit, onverschillig, zij heeft dat caracter altijd, wanneer zij het nut der dingen vermeerdert en opofferingen eischt, welke daardoor rüim vergoed worden, zoo niet, is zij het nimmer.
Men brengt niet alleen voort, door ten slotte eenen
176
gunstigen invloed op de waarde der dingen, der middelen uit te oefenen, maar ook, en wel inzonderlieid door \'s menschen behoeften huishoudkundig te bevredigen, door den mensch te ontwikkelen, door hem nader tot zijne bestemming te brengen en regtstreeks zijn welzijn te bevorderen.
VERDEELING VAN DEN PRODUCTIVEN ARBEID.
144.
De zamenleving verschaft de gelegenheid, om vele benoodigdheden langs den weg van ruil te bekomen. Daaruit spruiten wenschelijke gevolgen voort. Zij bepalen zich niet tot de betere aanwending van dadelijke middelen van welzijn, tot het in wezen roepen van de productie der stoffelijke voorwerpen, die te eeniger plaatse de verkies!ijkste zijn, en voor ieder persoon tot de meest met zijne bekwaamheden overeenstemmende aanwending zijner verschillende vermogens. Zij openbaren zich nog onder den vorm van besparing en aanwas van onze productive vermogens. In hare gevolgen, is de zamenleving langs dien weg dienstig aan de toenadering tot onze bestemming.
145.
Buiten de zamenleving verkeert men in min gunstige omstandigheden, ontbreekt de gelegenheid om vele zijner behoeften met de voortbrengselen van anderen te bevredigen, en wederkeerig, zijn tijd vermogens en middelen in eigen voordeel aan het voortbrengen te weiden van weinig soorten van voorwerpen
177
146.
quot;Wanneer de gelegenheid voorhanden is, door ruil zich het noodige aan te schaffen, laten de omstandigheden toe met goede reden zijne productive vermogens aan te wenden, ter verkrijging en vervaardiging van waardijen, die wij zeiven niet of minder begeeren.
Enkel in dat geval kan de arbeid, onder verschillende personen, in het meeste belang van allen worden verdeeld.
147.
De eenling slaagt reeds het best in de bevrediging-zijner behoeften, door beurtelings zijne vermogens en middelen ter bereiking van bepaalde einden te bezigen. Alles zou quot;hem welligt mislukken, indien hij ondernam ze alle gelijktijdig te bevredigen. In den zin van opvolgende aanwending zijner productie-krachten, verdeelt hij reeds den arbeid in zijn belang. Die verdeeling kan veel uitgebreider zijn onder het groote aantal leden des ver-keers en zal een veel belangrijker invloed op de verbetering van hun lot kunnen hebben.
148.
Behalve de voordeelen, die de concentratie der bijzondere in- en uitwendige, verstandelijke en stoffelijke vermogens, ter bereiking van bepaalde tusschen-liggende doeleinden aanbiedt, geeft de zamenleving er aanleiding-toe , nog veel belangrijker te trekken uit zulk eene soort van arbeids-verdeeling, waardoor bepaalde personen zich belasten, telkens op de zelfde wijze aan de productie mede te werken.
12
178
149.
Onder de oorzaken, die de verdeeling van den arbeid, of liever van de productie, eenen gunstigen invloed in de zatnenleving doen hebben, behoort, dat zij de ver-pligting doet ontgaan:
a. van telkens de eene bezigheid te staken, om tot eene andere over te gaan;
h. werktuigen en middelen, noodig tot het eene einde, te verwisselen tegen dezulke, die men tot het bereiken van een ander behoeft;
c. zich de onderscheidene middelen aan te schaffen, die ter bereiking van zeer verschillende doeleinden ver-eischt worden en daarin een betrekkelijk groot capitaal te plaatsen;
d. het grootere deel van zijne werktuigen of productie-agenten meestentijds ongebruikt te laten en alzoo eene aanzienlijke hoeveelheid der capitalen of andere productie-agenten van de mogelijkheid te versteken, deel aan de voortbrenging te nemen, renten af te werpen en aan de bevordering des gemeenen welzijns bij te dragen;
in één woord: veel tijd en productief vermogen te verspillen ;
en dat zij in staat stelt:
a. door herhaling en oefening van eene bepaalde soort van arbeid, eenen hoogeren graad te verkrijgen van bekwaamheid die deugdelijk en spoedig te verrigten;
b. zijne geestvermogens aanhoudend op bijzondere zaken te vestigen, in hare speciale kennis dieper door te dringen en die meerdere kennis beter ter productie aan te wenden of haar te doen strekken, om anderen den weg te vergemakkelijken, waarlangs zij hooger en hooger in kennis kunnen stijgen;
179
c. zijne middelen geheel ter bereiking van bepaalde einden en alzoo beter in te rigten, in één woord zijne quot;vatbaarheden en die zijner goederen veel meer ter bevordering van menschelijke welvaart en aller welzijn in intensiteit te doen winnen, dan zij mogelijk daardoor in extensie zullen verliezen.
150.
Bovenal is men aan de scheiding der productive ver-rigtingen \') de mogelijkheid verschuldigd van geheele overgave aan de studie. Zij is eene voorwaarde van de ontwikkeling der invloedrijkste menschelijke begaafdheden en daardoor van de bereiking onzer bestemming.
151.
De mogelijkheid tot zeer nuttige scheiding der werkzaamheden wordt uitnemend bevorderd door onze bekwaamheid tot associatie, hetzij van personelijke, hetzij van zakelijke vermogens en krachten.
152.
De verdeelbaarheid der zaken of van den arbeid, de afscheidbaarheid der productive verrigtingen of werkzaamheden stelt ons niet enkel in staat, onze stoffelijke in- en uitwendige vermogens en onstoffelijke bekwaamheden, zoowel in ons eigen belang, als in dat van anderen aan te wenden en te ontwikkelen, maar werkt ook
\') De gewone uitdrukking verdeeling van den arbeid wekt een begrip van te geringen omvang op, Zij doet meer uitsluitend denken aan het deel, dat de mensch, en wel bijzonder door zijne ligchame-lijke krachten, aan de productie neemt. Zij wijst noch op de verrigtingen der natuur en der werktuigen, noch op den intellectuelen en zedelijken menschelijken invloed.
terug op de uitbreiding van het vermogen, in ons en in hun belang overeenkomsten te sluiten betreffende het gebruik van eigene of van zakelijke krachten en voorwerpen.
ASSOCIATIE.
De gelegenheid, om zich door ruil het noodige te verschaffen, tot arbeidsverdeelihg over te gaan en zijne geestelijke of ligchamelijke vermogens tot eenen hoogeren trap van ontwikkeling op te voeren, door ze gestadig in eene bepaalde rigting te oefenen, schenkt ons ook die, om de productie van bepaalde voorwerpen op groo-ter schaal in te voeren en de nijverheidsvertakkingen zuiniger in te rigten, d. i. in het algemeen, aan onze middelen eene productiviteit te geven, welke slechts onder deze voorwaarde mogelijk is.
154.
Beperktheid van individuele middelen en vermogens is de oorzaak, die tot de associatie eene goede beweegreden verschaft. Bij mangel aan behoeften en bij onbeperkte individuele middelen en vermogens of bij onmogelijkheid dezer vereeniging en zamenwerking, zou gcene drijfveer tot associatie denkbaar zijn.
155.
Zonder den aanwas van den meer dienstigen invloed, dien de productive krachten door hare zamenwerking verkrijgen, ontbrak de objective beweegreden tot het aangaan van overeenkomsten, welke associatie ten doel hebben.
181
Ontbrak ons de overtuiging, dat de associatie van productive vermogens eenen gunstigen invloed uitoefent op onzen toestand, er was aan geene subjective beweegreden tot hare sluiting te denken.
Ter bevordering van zijn heil en welzijn of van hetgeen hij daarvoor houdt, handelt de mensch als redelijk wezen en associeert hij ten slotte zijne vermogens en middelen, d. i. stelt ze in de gelegenheid tot zamenwerking.
Het uiterste doel, waarnaar men streeft, laat toe en eischt vaak, dat men zich tusschenliggende doeleinden voorstelt. Daarom is het redelijk, dat de zucht om het uiterste doel te bereiken menigmaal er toe beweegt zich zoowel afzonderlijk toe te leggen, als ter bereiking van middelen daartoe, associatiën te vormen.
Wanneer men zich niet voorbedachtelijk associeert, ter voltooijing van zijne bewerktuiging en schepping, om het daaraan onvermijdelijk verbonden hoogste heil te smaken, dan doet men het nogthans, schoon vrij onbewust, in de al of-niet gegronde onderstelling, dat het beoogde tusschenliggende doeleinde dienstig is tot toenadering van het meest verwijderde.
Uit zelfzucht associeert de mensch zich of zijne goederen met andere personen of met hunne bezittingen.
182
gemeenlijk hetzij ter voorkorning van kwaad of tot besparing van leed, hetzij ter betere verkrijging van middelen of tot hun behoud.
Met het oogmerk om te beter tussschenliggende doeleinden te bereiken, associeert men zich niet enkel ter productie, maar ook tot het vormen en instandhouden van Staten of geringere gemeenschappen.
Miskenning van het dadelijke doel eener associatie geeft menigvuldig aanleiding tot dwalingen en schadelijke maatregelen.
Het dadelijke is in zoover het speciale doel eener associatie, dat het de zaak en den omvang bepaalt van hetgeen gemeen is gemaakt.
Bestaat het onmiddellijke doel eener associatie in eene gemeenschappelijke zamenwerkiug, er volgt noch onvermijdelijk het gemeenschappelijke bezit van het te zamen gebragte uit voort, noch het gemeenschappelijke gelijke regt op hetgeen verkregen zal worden. Verschillende tusschenliggende doeleinden kunnen de leden bewegen tot het aangaan eener associatie. Het gebruik van bepaalde zaken kan er het onderwerp van zijn. De belangrijkheid der bijdragen kan zeer verschillen.
Wanneer een ondernemer personelijke of zakelijke
183
productive krachten, op vooruit overeengekomen voorwaarden, in zijn gebruik neemt, ze huurt, om ze zamen te doen werken met de zijne, associeert hij ze, maar daaruit ontstaat geen gemeenschappelijk belang in de uitkomst. Het natuurlijke regt daarop is afgekocht, en tevens is het gevaar voor mislukking der onderneming, met de aan haar verbonden verpligting, zich aan meerdere bezwaren te onderwerpen opgehouden voor rekening te loopen van allen, die hunne personelijke of zakelijke medewerking hebben verleend.
De associatiën van productive vermogens aan onderscheidene personen eigen, of gevestigd in hunne bezittingen, behooren de uitvloeisels te zijn van overeenkomsten. Daarom moet het feit, dat zij zonder dwang tot stand zijn gekomen, geacht worden het bewijs te leveren van het belang, dat de betrokkene partijen, elk voor zich, in de omstandigheden, waarin zij zich bevonden, gemeend hebben het meest te bevorderen, door het aannemen van de gestelde voorwaarden.
Opdat in aller belang de bestaanbare voordeelige associatiën, op welke voorwaarden en tot welk einde dan ook, zooveel mogelijk tot stand komen, is het niet alleen noodig, dat de geest van associatie levendig zij, maar dat hij in zijne ontwikkeling en werking niet worde belemmerd door algemeene voorschriften, wetten en maatregelen, die evenzeer strijden met het doel, dat zij zich behooren voor te stellen, als zij getuigen van geringen eerbied voor vrijheid, regt en eigendom.
184
Geene regering vleije zich, wanneer zij een welgemeend oogmerk heeft, het te zullen bereiken, maar kan staat maken op de kwade gevolgen harer bemoeijingen, indien zij kunstmatig associatiën in het leven roept, de staatsleden dwingt er deel aan te nemen en zonder noodzaak tot handhaving der vrijheid en der regten de voorwaarden der associatiën bepaalt, meer bijzonder die, waarop ondernemers er met arbeiders of capitalisten, betreffende loon, rente of huur kunnen sluiten.
Zulke staatsinmengingen strekken immer tot schennis der vrijheid en der regten. Heilzaam onregt is de onzin der katheder socialisten.
169.
Verdeeling van den arbeid is in zekeren zin associatie, ter gezamelijke bereiking van bepaalde doeleinden, waartoe ieder een onderscheiden deel der taak op zich neemt.
LOON.
170.
Wanneer men beweert: de arbeider is zijn loon waard, en aan dit gezegde het begrip hecht, dat zijn loon zoo veel beteekent, als een, dat voldoende is tot zijn onderhoud, dan verwaarloost men eene hoofdwaarheid, t. w. dat de waarde der dingen door twee factoren wordt bepaald, die niets gemeen hebben met de behoeften der arbeiders.
185
Het bedrag van het loon, dat de arbeid van eenig man naar \'s menschen oordeel waard is, en meer in waarheid zijn loon genoemd mag worden, bepalen gezamenlijk : a. de vrije vraag naar zijne medewerking, en 6, de even vrije mededinging der overige arbeiders, onder invloed van die der bezitters van werkkrachten, welke gelijken arbeid als den hunnen kunnen verrigten.
Een waarde toekennen aan eenen arbeid, aan eenen menschelijken of aan eenen anderen, enkel wegens de offers, die hij vordert, en onafhankelijk van de behoefte, die bestaat aan het resultat, dat hij zal opleveren en van de verpligting om daartoe offers te brengen, zulk eenen arbeid enkel productief te noemen, omdat hij door menschen is verrigt, is onzin. Het strijdt met de begrippen der woorden waarde en voortbrengen.
Kan men in de zatnenleving eene waardij ten koste van geringere opofferingen voortbrengen, dan die ver-eischt worden tot het onderhoud van de daartoe gevorderde arbeiders, dan verspilt men de meerdere kosten, indien men desniettemin de medewerking van menschen bezigt. Voor zooveel zijn zij onvoortbrengend besteed; voor zooveel is niet voortgebragt, en is dat deel van het loon ten koste van andere productie betaald. Het is verkregen, doch niet verdiend. Er is geene compensatie voor verstrekt.
Het loon, dat men den arbeider geeft boven het
186
onvermijdelijke, boven de waarde van zijne medewerking, overschrijdt voor zooveel, in de ware beteekenis des woords, zijn loon en is eigenlijk niets dan eene aalmoes.
175.
Geene giften dragen iets bij aan de vermeerdering of vermindering der aanwezige rijkdommen. Zulke overgangen der eigendomsregten liebben echter hunne eigenaardige huishoudkundige gevolgen.
176.
Het loon, dat men den arbeider verstrekt overeenkomstig met de waarde, die zijne medewerking zoude hebben, indien zij verstandig was aangewend, doch te hoog in verhouding tot het gebruik, dat er van wordt gemaakt, toont slechts aan, dat men gebrekkig partij heeft getrokken van \'s mans personelijke productive krachten.
177.
Door menschen, die in staat zijn eenen meer produc-tiven arbeid te verrigten, te bezigen tot iets, dat men beter of beterkoop, langs eenen anderen weg gedaan kan krijgen, bevoordeelt of begiftigt men hen niet, maar verspilt men het verschil tusschen zijn eigenlijk loon d. i. het waardebedrag, dat uit betere aanwending van zijnen arbeid had kunnen ontstaan, en de onvermijdelijke kosten der productie van het geen, waartoe zijne krachten zijn aangewend.
178.
Die voor loon improductiven of minder productiven arbeid verrigt, zelfs zijne vermogens ongebruikt laat.
187
offert evenzeer de waarde van hnn nuttig gebruik op, als wanneer hij ze ten beste aanwendt.
179.
Personelijke of andere medewerking is slechts dan geheel waardeloos, wanneer zij geheel van productiviteit is ontbloot. Hij, die in staat is aan de productie bij te dragen, verliest dat vermogen niet, doordien de gebruikelijke soort zijner medewerking hare waarde verliest en lager wordt bezoldigd, omdat zij naar aanleiding van uitvindingen, enz. minder dan vroeger onontbeerlijk is, ter beoefening van eenen bepaalden tak van nijverheid.
De waarde, die eene personelijke of andere productive kracht heeft, belet niet, dat de wijze van hare aanwending inproductief of waardevernietigend wezen kan.
Het hoogste loon is zulk een menschelijke arbeid waard, welke niet alleen regtstreeks of middellijk den gunstig-sten invloed op het menschelijke welzijn heeft, maar tevens het kostbaarst of geheel niet te vervangen is, d. i. den nuttigsten invloed paart aan de bepaaldste onontbeerlij kh eid.
•182.
De menschelijke arbeid, welke door een eenvoudig ot zamengesteld werktuig of door dieren te vervangen is, heeft geene meerdere waarde, dan het bedrag der kosten, dat het gebruik dier krachten vordert.
183.
De loonen kunnen hoog of laag zijn in betrekking.
188
1°. tot het waarde-bedrag, waarvan het verbruik noodig is, ter bevrediging van \'s menschen dagelijksche behoeften , 2°. tot het aandeel, dat de arbeid aan de uitwerking heeft, 3°. tot de loonen, die men op andere plaatsen betaalt, of die men op andere tijdstippen heeft betaald voor dezelfde verrigtingen.
184.
Wanneer men ietifiand, die nalaat zijne krachten behoorlijk ter productie en te zijner ontwikkeling in te spannen, een hooger loon toekent, dan zijne medewerking waard is, draagt men er toe bij den spoorslag zijne scherpte te doen verliezen, die hem tot verstandiger gedrag behoort aan te zetten. Het is te voorzien, dat de zoo beweldadigde man, bij gemis aan den noodigen prikkel, noch dien invloed op de productie zal uitoefenen, tot welken hij in staat is, noch in zich de kracht zal opwekken, die hem eigen kan worden ter bevordering van zijn eigen belang en van het gemeene welzijn.
185.
Een overdreven loon toegekend aan den man, op wien het werkt als eene premie voor zijne nalatigheid, is niet alleen voor hem geen voordeel, maar loopt uit op zijne eigene schade.
Die het begrip voedt, dat elk bevoegd is, in den vorm van loon of aalmoes, levensonderhoud ten koste der maatschappij te eischen, schaadt ontzettend de zedelijkheid der minder bedeelden en spoort ze tot oproer aan.
189
WERKTUIGEN.
Zoowel in eenen oeconomisclien, als in eenen juridischen zin, is het met betrekking tot anderen geheel onverschillig , of men dooi\' zijne eigene vermogens voortbrengt, dan wel door de krachten van zijne aanhangselen, zijner goederen.
De waarde der werkkrachten hangt geenzins af van de soort van voorwerpen, wezens of zaken, waarin zij zijn gevestigd, maar van den invlaed, dien zij ten slotte op het menschelijke welzijn kunnen hebben en van de offers, die haar behoud, gebruik of verkrijging gemeenlijk eischen.
De aanwending eener menschelijke kracht heeft geene hoogere waarde, dan die der stof of der beesten, welke dient tot het voortbrengen van eene gelijke uitkomst.
Werktuigen, hetzij enkelvoudige, hetzij meer zamen-gestelde \') behooren, even als onze leden en personelijke vermogens tot liet geslacht der middelen.
Bij gebrek aan middelen, kunnen wij ons doel nimmer of niet even goed treffen, al naar wij er geheel of slechts ten deele van verstoken zijn.
\') J. B. Say noemt de machines „des outils compliqués.quot;
190
192.
Niet alleen gebiedt ons eigen belang, dat wij de beste \') middelen opsporen en aanwenden, om tot ons redelijke doel te geraken, maar ook het algemeene welzijn, omdat het ons dan mogelijk zal wezen en wij geneigd zullen zijn, de voorwaarden te verligten, onder welke wij zullen besluiten, aan anderen een deel in de door ons verkregene uitkomsten af te staan.
193.
Betere zakelijke middelen zijn niet minder nuttig en verkieslijk, dan personelijke, omdat zij in eenvoudige of meer zamengestelde werktuigen bestaan. Dit is geene reden ter vermeerdering of vermindering hunner waarde, noch om hunne aanwending te veroordeelen en minder weldadig voor het gansche menschdom te achten, dan het gebruik van menschelijken arbeid.
194.
De stelling is valsch, dat de werktuigen, en welinzon-derheid de meer zamengestelde, den mensch tot werkeloosheid doemen.
195.
Eene nieuw ontdekte of vermeerderde productive kracht zal, door hare toevoeging aan de vroegere, deze niet vernietigen of verzwakken, maar zij zal de som uitbreiden, waarover het menschdom gebied voert.
\') Dat zijn die, welke in verhouding het meest en het onkostbaarst onze belangen helpen bevorderen.
191
196.
Hij, wiens middelen en krachten in onbruik geraken, naar aanleiding van betere en onkostbaarder in zwang gebragte, lijdt geene schade, die met onregt vergezeld gaat en voor het menschdom door geen belangrijker voordeel ruim wordt opgewogen.
197.
De voorkeur, die de voortbrenger geeft aan nieuw gevondene krachten of middelen, aan later ontdekte oorden van afkomst of wegen van bewerking, smelt zamen met die, welke de verbruiker schenkt aan de aldus verkregene producten. In den regel kan zij enkel huishoudkundige beweegredenen hebben, en, daar zij het bestaan dezer feitelijk bewijzen, moet zij doorgaans eenen gunstigen invloed op het algemeene welzijn uitoefenen.
198.
Alle bezuiniging van kosten op den voortbreng van even dienstige uitkomsten en dus ook die, verkregen door de invoering van werktuigen, leidt tot uitbreiding van \'s menschen vermogen, om aan het algemeene welzijn bij te dragen.
Waar vrije mededinging bestaat, loopt onvermijdelijk iedere besparing van kosten op de voortbrenging der zelfde uitkomsten of elke verbetering der voortbrengselen, zonder kosten-vermeerdering, uit op daling der betrekkelijke ruil-waarde der dingen, met behoud hunner nuttigheid.
200.
Kosten-besparing ligt, evenzeer als niet verbruik van het zijne, binnen de grenzen van ieders strenge regten. Zij kan daarom nimmer eenig onregtvaardig of voor het algemeene welzijn schadelijk caracter hebben.
Maakt kosten-besparing soms de medewerking van dezen of genen overbodig, zij stelt daardoor diens krachten en vermogens in de gelegenheid, langs andere wegen aan de bevordering des algemeenen welzijns bij te dragen.
Uitvindingen en werktuigen verschaffen de mogelijkheid, beter gebruik van de natuurkrachten te make;.! en deze meer te doen bijdragen aan de bevrediging van \'smenschen behoeften, ruimer over middelen te beschikken en \'s menschen medewerking te loonen.
203.
Uitvindingen dragen zoowel bij tot de menschelijke welvaart, als de toename der vruchtbaarheid van den bodem, als de vermeerdering van \'s menschen verstandelijke en zedelijke ontwikkeling, als orde, rust, vrede. In één woord, zij zijn oorzaken ten goede en gevolgen van eenen stap door het menschdom gedaan van toenadering tot zijne bestemming.
204.
Ten bewijze van den nuttigen invloed der uitvindingen en der werktuigen dient de meerdere bloei der Staten, waarin men er het veelvuldigste gebruik van maakt.
-193
De stoomkracht heeft feitelijk het vraagstuk beslecht.
205.
Hoe meer men individueel of algemeen \'s menschen stoffelijke behoeften, door aanwending van stoffelijke of andere uitwendige middelen, leert bevredigen, des te meer ontslaat men het menschdom van de verpligting werktui-gelijken arbeid te verrigten, des te ruimer ontstaat de gelegenheid, om aan de onstoffelijke ontwikkeling der menschen bij te dragen en zóó mede te werken aan de vervulling van de steeds menigvuldige onstoffelijke behoeften.
DE NIJVERHEID.
De toepassing der productie-krachten, hare aanwending-tot regtstreeksche of middellijke bevordering van het menschelijke welzijn, de nijverheid, in haren ruiuisten omvang, bevat oneindig vele vertakkingen.
207.
In zoo ver de nijverheid middelen tot onderwerp heelt, streeft zij naar hunne verbetering\', naar hun behoud of naar hunne betere in betrekking-stelling tot \'s menschen behoefte en langs dien weg tot verhooging hunner waarde.
Zoo weinig als de belangen van het algemeen worden bevorderd, wanneer de eene partij, die geneigd is overeenkomsten te sluiten, er in slaagt de andere te bedriegen of haaronregt te doen, even weinig kan de algemeene nijverig
194
heid bloeijen, wanneer het eene of meer barer vertakkingen gelukt andere aan knellende banden te doen leggen.
Het algemeene belang lijdt, wanneer de handels- landbouw- of fabrieks-nijverheid ten koste van andere wordt bevoorregt, ora aan dien tak eenen kunstmatigen bloei te verzekeren.
Hij, die oordeelt, dat een tak van nijverheid, niettegenstaande zijne natuurlijke verkwijning, kunstmatig door het plegen van onregt in stand gehouden of aangemoedigd moet worden, vervalt in eene contradictio in terminis.
De eenige natuurlijke oorzaak van het te betreuren verval eener nijverheidsvertakking, dat zich openbaart door beperking van het aanbod harer voortbrengselen, ligt in de betrekkelijk hooge kosten van productie. Deze omstandigheid is schadelijk. Zij bewijst minder gunstige plaatselijke of tijdelijke gesteldheden, onver-schillig of die bestaan in mindere personelijke bekwaamheden, in ongunstiger climaat, meerdere onveiligheid, dan wel in schraleren bodem en grooter positief gebrek aan capitaai.
lt;
Geen verval van ééne bepaalde vertakking bewijst de kwijning der nijverheid in het algemeen of is het kenmerk van teruggang der gemeene welvaart. De oorzaak daarvan ligt menigmaal in het onttrekken der productive
195
krachten en vermogens aan haar, om ze op nog produc-tiver wijze te kunnen bezigen.
213.
Soms ontstaan kwijning en verval van eene nijverheidsvertakking uit afname van vraag naar hare producten. Daartoe kunnen bijdragen dezer vervanging door betere of min kostbare, algemeene verarming, hetzij inlandsche, hetzij buitenlandsche, wijziging in en afname van behoefte, verandering van smaak.
214.
De onderscheidene oorzaken , waaruit verminderde vraag kan ontstaan, hebben zoowel deels een voor het algemeene welzijn schadelijk, als deels gunstig caracter. Daarnaar moet men de gevolgen van de daaruit ontstaande kwijning en verval van bepaalde nijverheidsvertakkingen beoordeelen. Zóó is de bloei der branderijen gemeenlijk een droevig, hare kwijning een heugelijk verschijnsel.
Zoowel als het een gunstig teeken is, wanneer men een beter gebruik heeft leeren maken van zekere productive krachten en vermogens, heeft de maatschappij reden er zich over te verheugen, wanneer door inzigt van het hersenschimmige van sommige genietingen de vraag afneemt naar de voorwerpen, die daartoe dienen en ter hunner productie krachten en vermogens aan takken van nijverheid doen onthouden, die veel meer ter bevordering des menschelijken welzijns kunnen bijdragen.
Toe- noch afname, hetzij van vraag, hetzij van aanbod
196
van eenig bepaald voortbrengsel kan een stellig of betrekkelijk kenmerk van eene gunstige of schadelijke omstandigheid zijn, waarin eene zekere bevolking verkeert. Daar alzoo niets bepaald is af te leiden van de enkele rijzing of daling van zekere producten, zoo behoort men er zich mede voor te wachten dienaangaande een oordeel te vellen, op grond van de kwijning of van den bloei, dien deze of gene nijverheidsvertakking ten gevolge daarvan vertoont.
De regel brengt mede, dat de zelfzucht het gewone roersel is der menschelijke bedrijven. Hij noodzaakt te erkennen, dat in het voordeel, in de winst, die men van eene nijverheidsvertakking verwacht, de drijfveer ter productie en tot hare instandhouding of uitbreiding ligt.
Het zelfzuchtige roersel, dat ruilovereenkomsten doet sluiten, doet tevens de groote winsten, die de eene partij aan de andere toestaat, tot bewijs strekken van haar eigen aanzienlijk voordeel, en omgekeerd , bewijst niets sterker de afname van de winst der eene partij, dan de teruggang van die, welke de tegenpartij kan bedingen. \')
219.
Groote verdiensten, wanneer men zeer voordeelige overeenkomsten kan aangaan, wettigen het besluit, dat men aan krachtiger mededinging het hoofd zal hebben te bieden en tevens voordeeliger voorwaarden toe te staan.
\') Yan daar het gezegde: de winnende hand is mild.
197
Een onbelemmerde nijverheidstak, die geringe winst afwerpt, natuurlijk kwijnt en afneemt, voert liet kenmerk van zijne dalende belangrijkheid voor de bevolking met zich. Hij sluit het begrip uit van ondersteuning en aanmoediging te verdienen.
Elke kunstmatige instandhouding en opdrijving eener nijverheidsvertakking is huishoudkundig eene dwaasheid, eene verspilling. Wendt de regering daartoe hare magt en \'s lands middelen aan, de geheele bevolking, als verbruikers, en hare algemeene nijverheid zullen er den onregtvaardigen en nadeeligen druk van ondervinden.
Aangezien elke kunstmatige instandhouding of aanmoediging van eene nijverheidsvertakking onvermijdelijk, niet alleen ten koste der verbruikers, maar ten nadeele van andere nijverheidstakken plaats heeft, is het onzin aan de mogelijkheid te hechten van eenen kunstmatigen bloei der nijverheid in haren geheelen omvang.
ïen koste des regts, der nijverheid in het algemeen en der welvaart houdt men kunstmatig een of meer zich niet loonende takken van nijverheid in stand of verschaft men hun eenen onnatuurlijken bloei, hetzij door gedwongens prijsverhooging der voortbrengselen, hetzij door de voortbrengers deels van den natuurlijken druk te ontheffen der zwaarte hunner productiekosten.
198
224.
Elke kunstmatige of gedwongen prijsverhooging is niet enkel eene inbreuk op de belangen en op de reg-ten dergenen, die zullen worden genoodzaakt voor de waren meer te besteden, dan in de aanwezige omstan-digheden noodig\'is, maar geeft aanleiding ten algemeenen nadcele , de waren voort te brengen, ten koste van meer dan de onvermijdelijke opofferingen.
225.
Ontlast men kunstmatig de voortbrengers, geheel of ten decle, van de verpligting, om alle hunne productiekosten te dragen, men vermindert daardoor het totale bedrag daarvan niet. De onvermijdelijke verpligting, welke daaruit ontstaat, wordt dan óf geheel óf ten deele, tegen alle regelen van het regt, op de schouders overgebragt van lieden, die althans aanvankelijk hoegenaamd geen belang bij de besteding dier kosten hebben, terwijl de beweegreden hunner besparing geheel of voor een goed deel verloren gaat voor hen, die ze kunnen bewerkstelligen.
Het kunstmatig instandhouden van eenige takken van nijverheid of hun eenen onnatuurlijken bloei verzekeren doet andere afnemen, ze meer of min kwijnen, en daar het in den aard der zaak ligt, dat men zich bijzonder op de meest winstgevende toelegt, zullen de bevoorregte takken zoo zeer gezocht worden, dat spoedig het waterpas der winsten, die alle afwerpen, terug gevonden zal worden, doch ook voor de bevoorregte op een lager standpunt, dan waarop het zoude staan, indien de natuurlijke loop de dingen niet was verstoord.
199
Enkel, wanneer de onwedersprekelijke kenmerken zich openbaren, dat de volksontwikkeling nog op een te laag standpunt staat, ter beoordeeling der verkieselijkste takken van nijverheid, kan het bij uitzondering zijn nut hebben, dat de openbare magt daarop eenigen invloed uitoefene.
Doorgaans moet de Staat zich van alle inmenging ten opzigte der takken van nijverheid onthouden, die de productie van stoffelijke voorwerpen betreffen, omdat de lieden, die belast worden te dier zake den Staat te vertegenwoordigen, het belang bij de zaak niet hebben, dat de individuele ondernemers aanspoort zich in te spannen, haar te doen gelukken en met de meeste spaarzaamheid te bedrijven, en dat hen weerhoudt zulke te ondernemen, welke in het oog der meest bevoegde beoordeelaars geen vooruitzigt van welslagen aanbieden.
DE HANDEL.
Het doel of de drijfveer van den handelaar is, even als dat van andere deelnemers aan de nijverheid, zelfzuchtig. Hij tracht winst te behalen door aan den eenen, voor hoogeren prijs, over te doen hetgeen hij, met bijberekening van alle kosten, van anderen heeft verkregen of vermeent te zullen kunnen verkrijgen.
200
230.
De aard der handels-bedrijven brengt mede, dat de redenen, waarom ruilovereenkomsten eenen zeer heilzamen invloed op het algemeene welzijn kunnen hebben, ten volle toepasselijk op den handel zijn, even zeer, dat hij eene gelijke vrijheid behoort te genieten.
231.
De handelaar is niet te verwarren met den speler. Deze bedoelt uit zelfzucht winsten ten koste zijner natuur-genooten te behalen. Gene bedoelt, schoon ook met het oogmerk van winst te verkrijgen, de waren in nuttiger betrekkingen over te brengen, door ze in het belang van anderen , van de eene naar de andere plaats te vervoeren of tot op een later tijdstip te bewaren, om ze daar eu dan tegen hunne hoogere ruilings-waarde af te zetten.
232.
Omdat de handel immer blootstelt aan eenige niet te voorziene goede en kwade kanzen, die elk speler loopt, zoo belet dit niet, dat hij, om te slagen, de waren met kennis van zaken moet weten te onttrekken aan de markt en streek, of waar zij, met vergoeding der productiekosten, ten minsten prijze kunnen aan- of voortgebragt worden, om ze daar heen over te voeren, waar men ze niet dan met meerdere kan voortbrengen, öf dan, wanneer zij, als in tijden van overvloed, ongemeen laag staan, om ze weder ter markt te brengen, wanneer zij, wegens betrekkelijke schaarschte, een hooger standpunt bereiken.
233.
Het handelsbedrijf strekt daartoe, om door het grootst
201
mogelijke voordeel te bezorgen aan de voortbrengers, ter plaatse en ten tijde, waar en waarin de minste kosten ter productie gemaakt moeten worden, de takken van nijverheid in stand te houden en aan te moedigen en bovendien, om door de waren ten minsten prijze ter bevrediging der behoeften, ter plaatse en ten tijde, waar en waarin hare productie zwaardere offers eischt, ter markt te brengen, eenen belangrijken invloed te hebben oj) de algemeene welvaart en het algemeene welzijn.
23 i.
Onvoorbedachtelijk draagt de handel er aan bij , de uitersten te voorkomen, zoo van overvloed en lage prijzen, als van schaarschte en hooge, en mitsdien van verspilling op de eeno plaats of het eene tijdstip en van nijpend gebrek elders of op een ander oogenblik.
225.
Schoon door eigenbelang gedreven, is de handelaar op de wegen en middelen bedacht, om, zoowel in het voordeel der verbruikers uls der .voortbrengers, kosten te besparen.
236.
Het gaat den handel alleen dan goed, als het hem gelukt den voortbrenger \') dooi\' hoogere prijzen aan te moedigen en den verbruiker, door lagere prijzen, van de verpligting te ontslaan zwaardere offers te brengen.
237.
Er ligt eene ergerlijke dwaling in het begrip, dat de
\') Er is geene reden voor eenzijdigheid en om uitsluitend aan inlanders te denken.
202
handelaar slechts winnen kan hetgeen anderen verliezen, bijv. de voortbrenger of de verbruiker. De handelsovereenkomsten, wanneer zij en alle andere door geen Hst, bedrog of geweld worden tot stand gebragt, bewijzen het met de daad, omdat de partijen, zoo wel de uiterste als de tusschenstaande, enkel door bewustheid van hun belang tot hare sluiting bewogen worden.
Niemand is verantwoordelijk voor de omstandigheden, waarin anderen buiten zijn toedoen verkeeren en voor de kracht, die zij uitoefenen, om hen te bewegen aan de gestelde voorwaarden toe te geven.
De handelaar is vaak de schalm, die de ketting heelt, waardoor de producteur tot de consumateur in die betrekking staat, zonder welke voor den mensch noch instandhouding, noch ontwikkeling, noch ten slotte bereiking zijner besfemming mogelijk is.
De handelaren brengen voortbrengers, welke verschillende oorden bewonen of op onderscheidene tijdstippen hun bedrijf uitoefenen, en verschillende waren leveren, met elkander en met verbruikers in aanraking, die blijkens de toevlugt door hen tot den handel genomen, alle öf niet konden of niet wisten hoe , elkander even onkostbaar en voordeelig regtstreeks wederkeerige diensten te bewijzen.
De handel, als tak van nijverheid, belast zich met
203
eene bepaalde taak. Hij brengt even eens het zijne toe, om in de zamenleving de baten te doen ontstaan der verdeeling van den arbeid.
242.
De handel is productief, zonder de zelfstandigheid dei-waren te wijzigen, en wel door ze, ter vermeerdering van hare nuttigheid en waarde, in andere omstandigheden en betrekkingen tot den mensch te brengen en onder het bereik dergenen, die, hetzij wegens hunne dringende behoeften, hetzij wegens de zware offers, welke eigene voortbrenging eischt, hetzij wegens betrekkelijk grooter overvloed van andere zaken, bereid zijn het meest er voor op te offeren, en alzoo aan anderen de ruimste schadevergoeding toe te staan voor de door hen gebragte offers ter productie, en die dezen aldus het best in staat zullen stellen hunne behoeften te bevredigen. Op die wijze werkt de handel mede ter bevordering van het algemeene welzijn.
243.
Hij, die in den handel de oorzaak erkent en dei\' rijzing en der daling van bepaalde voorwerpen te eeniger plaatse en op zekere tijdstippen, om hem op grond daarvan te veroordeelen, onder- of overschat de werkelijke waarde dier zaken, in de omstandigheden, waarin de zamenleving de menschen plaatst. Mij onderschat, omdat hij de verpligting, waarin een deel des mensch-doms zich bevindt tot het brengen van zware offers niet genoegzaam, als waarde-factor in rekening brengt of overschat, omdat hij uit het oog verliest, dat overbodige opofferingen den nuttigen waarde-factor niet kunnen versterken.
204
244.
Veroordeeling van den vrijen handel bevat eene contradictio iu terminis, omdat zij steunt op don nadeeligen invloed, dien evenzeer de rijzing als de daling der voorwerpen in wettige omstandigheden zouden uitoefenen.
245.
De handel brengt altijd tevens rijzing en daling der voorwerpen voort, doch met dien verstande, dat zij zich beide omtrent dezclfde voorwerpen op verschillende plaatsen of tijdstippen zullen openbaren, en omtrent onderscheidene voorwerpen op bepaalde plaatsen en zekere tijdstippen.
246.
De handel heeft de strekking tot nivelering der prijzen, door ze hooger te doen zijn ter plaatse en in tijden, daar en wanneer zij ten minsten koste kunnen worden voortgebragt, en lager daar eu wanneer de productiekosten hooger loopen. Hij doet alzoo de nijverheidstakken bloeijen, daar zij de minste opoll\'eringen eischen, en verlaten, daar deze onvermijdelijk overdreven hoogmoeten worden opgevoerd. Hij lijdt tot besparing in tijden van overvloed en voorziet in de behoefte in oogen-blikken van schaarschte. Zijne gevolgen zijn uitnemend huishoudkundig.
247.
De handel is inlandsch, buitenlandsch of gemengd.
248.
Geheel buitenlandsch is, in eigenlijken, strengen zin, zelfs de vrachtvaart niet.
\'249.
De handelsbeweging met het buitenland betreft nimmer uitsluitend of in- of uitvoer. Te zamen vormen zij de twee zijden derzelfde handeling.
250.
De mlandsche handel is doorgaans de beduidenste, de belangrijkste, de invloedrijkste op liet volksbelang. De buitenlandsche springt veelal quot;het meest in het oog.
\'251.
Het grootste nut, het belangrijkste voordeel, dat de handel aanbrengt, wordt niet door hen genoten, die dezen tak van nijverheid bedrijven, maar door de voortbrengers en verbruikers der handelsartikelen.
252.
Omdat de individuele behoeften verschillen en evenzeer de individuele verpligtingen, om offers te brengen te hunner bevrediging, omdat dit verschil onvermijdelijk toeneemt, naar gelang het verkeer zich uitbreidt, omdat de ruilovereenkomsten het grootste voordeel aan het gansche menschdom afwerpen, wanneer alle volkeren met elkander in handelsbetrekkingen staan, komt algemeene vrijheid van handel het meest met alle belangen overeen.
253.
Schoon de allezijdige beperkingen dei- menscheliike vermogens toelaten zich in onderlinge regtstreeksche betrekking te stellen en elkander wederkeerig diensten te bewijzen, heeft men telkens met belemmeringen te kam-
206
pen, die inzonderheid het verruilen der voorwerpen op den uitgebreidsten schaal, ten meesten nutte van allen, niet weinig bemoeijelijken. Hoofdzakelijk te harer opruiming of overwinning biedt de handel zijne tusschen-komst en dienst aan.
254.
Het stoffelijke nut van den handel, dat veel hooger is te stellen, dan men gemeenlijk oordeelt, is noch het eenige, noch het belangrijkste oogpunt, waaruit men hem heeft te beschouwen, als uitvloeisel en blijk van de zorg, die het Opperwezen in Zijne wijsheid en liefde heeft gedragen, om \'s menschen bewerktuiging en zelfzucht ten meesten nutte van het geslacht te doen dienen.
255.
De handel leidt tot het aanknoopen van betrekkingen over de gansche aarde, tot gemeeumaking der vorderingen, die in afgelegene gewesten in kunst, in wetenschappen, in ontwikkeling van verstand en van zedelijkheid gemaakt worden, tot vestiging van liet begrip, dat vijandigheid schadelijk en goede vriendschappelijke verstandhouding dienstig zijn ter bevordering des gemeenen belangs. Hij opent den weg voor het onvervalschte, steeds door baatzuchtige geestelijken verminkte Christendom, voor de redelijke, de eenige religie, voor den eenigen weg, die op \'s menschen heil uitloopt.
250.
Opmerkelijk is de zorg van het Opperwezen, om de aarde ook in zoover tot een zeer nuttig middel ter bevordering van het menschelijke welzijn in te rigten, als zij door de ruime zeeën eene uitnemende gelegenheid
207
verschaft, den uitgebreidsten handel min kostbaar met verafgelegen streken te drijven.
257.
In zake van handel heeft ontaarding plaats en aanranding van personelijke vrijheid en individueel regt, bij gemis van vrije mededinging. Teregt is monopolie of alleen-handel, gevestigd op regtsinbreuk , eene gehate zaak.
258.
Uit den aard der dingen is het feitelijke monopolie, dat men zich verwerft, door zoowel voortbrengers als verbruikers de uitnemenste diensten, ten meeste voordeele en op de ligtste voorwaarden te bewijzen, het heilzaamste punt, waarnaar de mededingers hebben te streven. Aan zulk eenen alleen-handel kleven geen onregt en geen smet, die jegens hem gegronde verontwaardiging kunnen wekken, maar hij houdt in zich redenen, die eerbied en dankbaarheid moeten inboezemen.
259.
Tot voordeel van bepaalde voorbrengers, den in- of den buitenlandschen handel belemmeren, is hun een gemeenschappelijk hatelijk monopolie door magtsmisbruik verzekeren, waardoor aan de overige landgenooten onvermijdelijk, op eene onverschoonbare wijze, eene onevenredige schade wordt toegebragt. Daarentegen, wanneer omgekeerd het doel is, bepaalde verbruikers daardoor te bevoordeelen, zal de uitkomst even onregtvaardig ten nadeele der voortbrengers wezen.
Belastingen, ter gelegenheid eener handels beweging
208
geheven, zullen, noch ter aanmoediging, noch ter ontmoediging der inlandsche nijverheid of van eenigeharer vertakkingen strekken, wanneer zij ten slotte op de verbruikers zullen nederkomen, d. i.: wanneer zij geheven worden bij den invoer van waren, die men niet binnenslands kan voortbrengen of door inlandsche voortbrengselen vervangen, hetzij, ter herstelling van het verbroken evenwigt, met de zulke, waarvan de inlandsche productie aan eene evenredige belasting is onderworpen.
Alle formaliteiten, waarmede de handel wordt bezwaard, zijn een kwaad, waaraan men zich echter telkens moet onderwerpen, wanneer het onvermijdelijk is om zich tegen erger te vrijwaren.
SCHADELIJKE INVLOED OP DE WELVAART 262.
Elke vernietiging van eene waardij of van de nuttigheid eener waarde hebbende zaak schaadt de welvaart.
263.
Zoowel het verbruik ter bevrediging van behoeften, ter productie van andere , zelfs hoogere waarde hebbende voorwerpen, de uitvoer tot afdoening van schuld of met het oogmerk van weder-invoer, als het ongebruikt laten van productive krachten of liet vergaan van waarde hebbende voorwerpen en hunne berooving strekken zelfstan-
209
dig tot nadeel der welvaart en der nijverheid. Daardoo.quot; gaan productie-krachten en vermogens tot aankoop of bezoldiging verloren.
264.
Van twee kwaden moet men liet minste kiezen. Evenzeer als vaak het verbruik noodig is , om een grooter kwaad te voorkomen, dan eens gelegen in de met-bevrediging onzer behoeften, dan eens in de met-productie van meer waarde hebbende voorwerpen, zoo moet de uitvoer doorgaans plaats hebben, om ons van eenen schulden-last tc bevrijden, of om ons van buitenlandsche voorwerpen te voorzien, waaraan wij eene meer gebiedende behoefte hebben. In alle die gevallen, schoon het kwaad zijn positief caracter niet verliest, zullen wij, door er \'ons aan te onderwerpen, een betrekkelijk grooter vermijden en ten slotte onzen toestand verbeteren.
265.
De uitvoer strekt niet zelfstandig en evenmin als het verbruik tot aanmoediging en uitbreiding der nijverheid, maar is te dier zake verkieslijk boven de beperking der bevolking tot het verbruik van hare eigene voortbrengselen.
Of het verbruik al of niet te verkiezen is, hangt af van de compensatie, welke ten koste daarvan zal worden verkregen.
267.
Eenig verbruik ter repoductie is slechts dan raadzaam , wanneer het daardoor verkregen voortbrengsel
U
210
hoogere waarde beeft, dan het bedrag van hetgeen is verbruikt.
Weelde is elke opoffering, welke onevenredig groot is aan den gunstigen invloed, die ten koste daarvan op \'smenschen welzijn wordt ondervonden, of aan de waarde, welke men ter compensatie verkrijgt.
209.
Daar weelde onraadzaam is wegens den geringen invloed, dien zij heeft op het men schel ij ke welzijn, en nimmer de schade kan vergoeden, die zij aan de welvaart toebrengt, is het onzin te beweren, dat weelde eenen gunstigen invloed heeft op de instandhouding en uitbreiding der nijverheid en op het lot der lieden, die daaraan personelijk of door hunne accessoria deelnemen.
270.
Het voortbrengen van een weelde-artikel is niet bijdragen aan de algemeene welvaart, maar eene wijze om zich, langs eenen daarom zelfstandig nog niet ongeoor-loofden weg, den eigendom van een andermans goed te verwerven.
271.
De productive krachten, besteed aan de voortbrenging van voorwerpen van weelde, worden onttrokken aan het voortbrengen van meer nuttige zaken. Het algemeene welzijn vindt er nimmer zijne rekening bij.
272.
Het ongebruikt laten van productiekrachten is hare
211
verspilling, welke als de weelde, de kwade trouw, de luiheid, de onoplettendheid, de onzedelijkheid enz, schade aan de welvaart toebrengt.
NATUUR AGENTEN.
273.
De onontbeerlijkste medewerking ter productie is die der natuur. Zij heeft veelal plaats, zonder opofferingen van den mensch te eischen.
274.
Van de zelfstandige kosteloosheid der natuurmedewer-king is geenszins af te leiden, dat hetgeen de natuur zonder menschelijken bijstand schenkt, ongeschikt, niet bestemd is, om toegeëigend te worden, maar behoort gemeen te blijven, veel minder, dat men het individuele regt zijner natuurgenooten aanrandt, door het in bezit te nemen.
275.
Ten vollen bewijze , dat die natuurgaven , welke voor-bedachtelijke zorg, leiding of besparing van den mensch behoeven, zullen zij ten meeste aan de bevordering van \'s menschen welzijn bijdragen, bestemd zijn om in den individuelen eigendom over te gaan, dient, dat men slechts onder die voorwaarde bewogen zal worden, ten haren opzigte, de noodige huishoudkundige regelen in acht te nemen.
276.
De stelling, dat hetgeen de natuur om niet schenkt.
212
onvervreemdbaar gemeen goed is, leidt redekundig, in hare uiterste gevolgtrekkingen, tot de opheffing der menschelijke individualiteit en ontkenning van allen eigendom , aangezien de aanhangselen het principaal volgen, als de vruchten den boom , daar oorspronkelijk alle dingen, zelfs ons bestaan, met alle de kiemen daarin begrepen, uit gaven der natuur voortkomen.
277.
Evenals de natuur ons het individuele aanzijn schenkt, de verstandelijke, de zedelijke kiemen en de ligchamelijke vermogens, zoo biedt zij ons ook uitwendige goederen aan, welke in soortgelijke betrekking tot onze behoeften staan. Aangezien dezen , even als de voortbrengselen onzer nijverheid, zoowel wat hunne kracht, hoeveelheid als nuttige hoedanigheid betreft, in dier voege beperkt zijn, dat wij ze inet overleg en spaarzaamheid hebben te gebruiken en vaak voor hunne betrekkingswijziging tot onze behoeften en ontwikkeling zorgen moeten, behoorcn wij de noodige drijfveeren daartoe te vinden in het vooruitzigt, als eigenaren er de baten van te zullen genieten.
278.
Behalve de natuurgaven, die in alle opzigten geschikt en bestemd zijn, om bijzondere eigendommen te worden, kan men er eenige slechts tot bepaalde einden aanwenden , onder voorwaarde, dat men over zekere bezitbare voorwerpen het regt heeft vrij te beschikken. Zij zijn dan als aanhangselen hiervan te beschouwen.
279.
De zon is een onbezitbaar natuur-agent. Hare werking, voor zoover die op eenen bepaalden bodem plaatsheeft,
213
is daarvan een aanhangsel en maakt een geheel uit met den eigendom van den landeigenaar. De aantrekIcings- of andere natuurkracht is zelfstandig en in yenere onbe-zitbaar, maar die, welke in bepaalde eigendommen voorkomt, is zoo zeer verwant met de betrekking, waarin deze zaken tot ons staan, dat dezer eigendom voor ons enkel belangrijk is, onder voorwaarde van onafscheidelijkheid.
Niet alleen ter betere aanwending der uitwendige goederen en der eigene faculteiten, maar inzonderheid der natuur-agenten, moet de mensch uitvindingen doen en meer of minder zamengestelde werkingen invoeren.
De marktwaarde der bezitbare natuur-agenten of van hun gebruik is, evenzeer als die der overige eigendommen en der personelijke vermogens, afhankelijk van den strijd tusschen vraag en aanbod.
Schoon het \'s menschen magt te boven gaat de natuur-agenten te vermenigvuldigen en zelfstandig te wijzigen, ligt het vaak binnen zijn bereik ze zoo te ontleden of zamen te stellen, dat hunne werking eenen gewijzigden invloed op het algemeene of op liet bijzondere welzijn zal hebben.
283.
De bezitters van sommige natuur-agenten verkeeren eenigermate in deu bevoorregten toestand van den monopolist, dien men geen onregt ten laste kan leggen.
214
De betrekkelijke overvloed van bepaalde natuur-gaven te eeniger plaatse, en hare betrekkelijke schaarschheid elders komen niet alleen vaak voort uit de onmogelijkheid of de bezwaren van hun vervoer, maar zijn dan de oorzaken hunner zeer velschillende koop- of huurwaarde in onderscheidene oorden.
De onvervoerbaarheid van sommige onontbeerlijke natuur-agenten is de eerste en de hoofdoorzaak van de verspreiding des menschdoms en is de sterkste drangreden tot landverhuizing.
De in het oog loopende onmogelijkheid om in genere bepaalde natuurkrachten, als de aantrekkingskracht, de rekbaarheid en daarmede verbonden veerkracht enz. te bemagtigen, verhindert niet alleen geenszins er een bepaald deel van in eigendom te bezitten, ma^ir, zonder de mogelijkheid daarvan, ging de beweegreden verloren, om het uitsluitende bezit of gebruik van eenig stoffelijk voorwerp te begeeren. Zonder die bepaalde in hen voorhanden eigenschappen of deelen van natuurkrachten waren zij geheel waardeloos. Zelfs de vatbaarheid om beter den invloed te ondervinden van onbezitbare natuurvoortbrengselen, van hunne werking heeft eenen belangrijken invloed op hunne waarde. Zoo is inzonderheid in wijnlanden de zuiderhelling van den berg van veel grooter waarde dan de noorder.
215
EIGENE PRODUCTIVE KRACHTEN.
De waarde der eigetie productive krachten is geenszins het uitsluitende gevolg van de inspanning, welke hare aanwending eischt of\' van de kosten, die besteed moet worden tot hare instandhouding, herstelling of ontwikkeling , maar tevens van haar nut en van de onmogelijkheid, haar of hare medewerking door andere of door de werking van andere krachten en dan nog op minder kostbare wijze te vervangen.
Met betrekking tot de waarde van ons eigen vermogen , is het in zekeren zin onverschillig, of wij het als gave der natuur bezitten, dan wel of wij het door inspanning en ten koste van opofferingen, in ons, uit ontvangene kiemen hebben ontwikkeld.
289.
Voor zooveel do medewerking van onze vermogens wordt vereischt, om natuurgaven of andere uitwendige goederen vruchten te doen afwerpen, zal hunne marktwaarde , even als die van andere productive vermogens gt; bepaald worden door den aandrang hunner vraag en aanbod.
290.
De aard van onze bloot ligchamclijke krachten brengt mede, dat hare werking dikwerf door die van andere stoffelijke voorwerpen, vau werktuigen en van beesten kunnen worden vervangen, en derhalve, dat deze als hare mededingers optreden.
216
De onstoffelijke krachten des verstands en der zedelijkheid behooren onze handelingen te leiden. Daardoor regelen zij oordeelkundig de werkingen van stoffelijke voorwerpen, die te onzer beschikking staan, naar voorkomende begrepene omstandigheden, of met onwissen uitslag naar zulke, die dikwijls niet of kwalijk te voorzien zijn. Deze hoogere vermogens kunnen, voor zooveel oordeel onontbeerlijk is, niet door uitwendige voorwerpen worden vervangen.
Eene leiding, welke geen oordeel eischt, telkens stoffen denzelfden kring doet doorloopen, zich geheel herhalende werking verrigten, kan door kunstmatig ingerigte werktuigen gegeven worden. Zij begrenst den werktuigelijken arbeid, de mogelijkheid \'s menschen werk door dat van buiten hem liggende redelooze oorzaken en krachten te vervangen. Zij beperkt het gebruik der beesten.
Even als de nuttigheid en de onvermijdelijke opofferingen, tot behoud en verkrijging der onderscheidene voorwerpen vereischt, hunne betrekkelijke ruilingswaarde bepalen en de vraag en het aanbod hunne betrekkelijke marktwaarde, zoo ook de ruil en marktwaarde der onderscheidene personelijke productie-krachten. Hoe overvloediger het aanbod der kennis en oefening behoevende werktuigelijke menschelijke vermogens en in betrekking hoe schaarscher dat der intellectuele, des te krachtiger is de reden om deze op hoogen prijs te houden.
217
294.
De verraoeijenis, die de ligchamelijke ai beid veroorzaakt, het leed. dat daaraan verbonden is, ziedaar doorgaans, meer dan zijn nut, de oorsprong van zijne marktwaarde, de hoofdreden van zijn beperkt aanbod.
295.
Het nut, de belangrijke invloed van den intellectuelen, vaak zeer vermogenden arbeid, doet gemeenlijk diens medewerking met aandrang vragen , en, terwijl weinigen instaat zijn hem te verrigten, moet zijn aanbod gering wezen en behoort zijne markt-waarde hoog te zijn, schoon hij menigmaal onoordeelkundig op lagen prijs wordt gesteld.
296.
De vele gelegenheden, welke voor een goed deel den intellectueel ontwikkelden openstaan, om eenen gewaar-deerden belangrijken invloed op het menschelijke welzijn uit te oefenen, veroorzaken ongezindheid zulk eenen arbeid , tegon eenen kleinen prijs, ten behoeve van anderen te verrigten, en ontheffen veelal van de verpligting daartoe.
297.
De armoedige staat, waarin dezulken zich doorgaans bevinden, welke niet dan zuiver werktuigelijken arbeid kunnen volbrengen, is slechts eene betrekkelijk zwakke bijreden , om hen te bewegen zich, tegen een gering loon. aan zware vermoeijenis te onderwerpen.
298. ■
Daar menigvuldige uitwendige bezittingen en krachten
218
ons de gelegenheid aanbieden, om zuiver werktuigelijke inspanning te vermijden en den arbeid door beesten of door stofielijke voorwerpen te doen verrigten, maken zij ons ongezind zulken, wanneer hij door natuurgenooten wordt verrigt, hooger te bezoldigen, dan met den prijs, waarvoor wij dien, door aanwending van zulke krachten, gedaan kunnen krijgen.
De gunstige invloed, dien kennis on wetenschap op de uitkomsten der menschelijke handelingen hebben, in verband met het ontwikkelingsgebrek, waaraan de meesten lijden, stemmen zelfs de min ontwikkelden, uit bewustheid van eigenbelang, om aan de intellectuele inspanning eene hoogere bezoldiging toe te staan, dan aan de zuiver ligchamelijke.
Oefening en kunst, bijzondere aanleg en buitengemeene ligchamelijke gaven hebben, wanneer zij vereischt worden, veelal denzelfden invloed op de schatting der producten en op de bezoldiging der productive vermogens, als hare hoogere natuur en belangrijker werking.
Schoon onze zedelijke krachten niet zonder invloed zijn op het ontstaan der stoffelijke welvaart, zoo hangt haar behoud nog meer af van het meer ol minder verstandige gebruik, dat zij ons zuilen doen maken van onze middelen ter voldoening onzer behoeften.
Het zedelijke vermogen doet de vadzigheid overwin-
219
nen, den ijver en de oplettendheid toenemen, het vertrouwen bij anderen ontwikkelen, maar ook schadelijke neigingen onderdrukken, en weerstand aan de lusten bieden , wier bevrediging opofferingen eischen, ten koste waarvan men slechts betrekkelijk geringe of bloot hersenschimmige genietingen zal smaken en, hetgeen welligt nog schadelijker is, enkel zal strekken tot verachtering van ons welzijn. \')
303.
Zedelijkheid is onontbeerlijk, zoo ter vermeerdering van \'s menschen eigene productiviteit, als ter vergrooting van zijne uitwendige productiekrachten en ter ontwikkeling der productive vermogens der natuur-agenten.
304.
Onze bezittingen zijn soms volkomen toereikend, om onze welvaart te waarborgen, maar zij zijn onmagtig om ons in den meest gewenschten toestand te doen verkee-ren, om ons lijdelijk de bereiking van onze bestemming-te verzekeren. Daartoe zijn eigene inspanning en bedrijvigheid onontbeerlijk.
CAPITALEN.
305.
Capitalen, in den meer bepaalden zin, zijn de waarde-hoeveel- of grootheden gevestigd in uitwendige goederen, die niet bestemd zijn, om ter bevrediging van
\') Ilandtastelijken onzin bevat de bewering: «Een mensch die niets verlangt zou altijd gelukkig zijn; want hem ontbreekt niets.» In haar straalt verwarring door van het objective met het subjective.
220
regtstreeksche behoeften, onmiddellijk verbruikt te worden, uitgenomen de toegeeigende vaste goederen, welke de natuur oplevert.
306.
Men bezigt dikwerf het woord capitaal in tegenstelling van het product.
307.
Het voorwerp, juister de daarin gevestigde waarde, welke heden of te eeniger plaatse en in zekere omstan-digheden product is, zal morgen welligt elders in andere betrekkingen overgaan en in het capitaal opgenomen worden, of omgekeerd.
308.
Hoe en of de voorwerpen, hetzij ter voldoening van behoeften, hetzij ter reproductie zullen worden verbruikt of niet, moge eene verschillende qualilicatie der mensche-lijke handelingen regtvaardigen, de oogenblikkelijke bestemming dier voorwerpen beslist omtrent de classe, waartoe hunne waarde is te rangschikken: daarom vormen de handelsartikelen deelen van de capitalen der kooplieden, ofschoon zij, zonder wijziging te ondergaan, onmiddellijk ter bevrediging van behoeften kunnen dienen.
309.
Het bestemmen van eene waardij, ter onmiddellijke bevrediging van menschelijke behoeften , heeft hare onttrekking aan het capitaal, als haar later verbruik, het vernietigen daarvan en mitsdien de onmogelijkheid van weder in de capitalen opgenomen te worden, ten gevolge.
221
310.
Het voorwerp, dat men ter productie verbruikt, is als de som te beschouwen, die men ter verkrijging of aankoop besteedt. De waarde daarvan, bet daarin gevestigde capitaal gaat slechts geheel of gedeeltelijk in eene andere zaak, vaak tot hare vermeerdering over.
311.
Oplossing van voorwerpen is dikwerf onvermijdelijk, hetzij met vernietiging van hunne waarde, ter bevj-edi-ging van behoeften, hetzij met haar behoud om haar in andere voorwerpen te kunnen doen overgaan.
312.
Het tweeslachtige gebruik, dat men vaak maakt van het woord capitaal en dat telkens aanleiding geeft tot verwarring van begrippen, springt het meest in het oog, wanneer men acht slaat op de twee onderscheidene aanwendingen der goederen.
313.
Men kan enkel dan alle uitwendige goederen verdee-len in landelijke eigendommen en capitalen, wanneer men onder deze goederen niet alleen de waarde-groot-heden begrijpt, die bestemd zijn, mot de onbezitbare natuur-agenten en onze personelijke vermogens aan de productie mede te werken, maar ook de zulken, die, of geene bestemming hebben, of slechts eene, om tot slot-verbruik te dienen.
314.
Capitalen zijn beschikbaar of gevestigd.
222
Beschikbare capitalen noemt men de zulke, welke nog niet in de voorwerpen aanwezig zijn, zooals men deze bestemt blijvend te dienen; gevestigd die, waarvan het bestaan en het bedrag afhankelijk zijn van de waarde der voorwerpen tot durende dienst bestemd.
Terwijl beschikbare capitalen duidelijk voorkomen in voorraden van allerlei aard, bijv. hout, steen, metalen in baren, geldspeciën, koopmansgoederen, enz., en gevestigde in voorwerpen, als wegen, grachten, gebouwen, is de overgang van do eene soort van stoffelijke goederen tot de andere te onmerkbaar, om niet soms de onderscheiding te bemoeijelijken dergenen, welke te rangschikken zijn onder die, waarin al of niet gevestigde capitalen voorkomen.
De gelegenheid, die het verkeer aanbiedt, om ruilovereenkomsten aan te gaan, stelt den eigenaar van beschikbare of van gevestigde capitalen in staat, de zijne van de eene soort over te brengen in voorwerpen van de andere , zonder daardoor eenigen invloed uit te oefenen op de aanwezige hoeveelheid dier twee soorten.
Door aanwending van zijne capitalen kan men ze van beschikbare tot gevestigde doen overgaan. Evenzoo kan men omgekeerd, doch zeldzaam zonder belangrijke schade, gevestigde tot beschikbare brengen.
223
319.
In de zamenleving beperkt de hoegrootheid onzer capi-talen, met onze landelijke bezittingen, inzonderheid den invloed, dien wij door uitwendige middelen op de onmiddellijke bevrediging der behoeften en op de productie kunnen uitoefenen.
320.
De hoegrootheid der capitalen, welk een individu of een volk bezit, beslist doorgaans omtrent de hoeveelheid beschikbare en gevestigde, waarvan de individu of het volk ter bevrediging van behoeften of ter productie gebruik kan maken. Nogthans verschaft het verkeer telkens de mogelijkheid van anderen, doorgaans op bezwarende voorwaarden, in voorwerpen van waarde, de aanwezige capitalen te leenen. te huren, die men tot een der bovengenoemde einden behoeft.
Het tweeledige gebruik, dat van onderscheidene voorwerpen is te maken, bijv., van brandstoffen, evenzeer ter onmiddellijke bevrediging van behoeften, als ter reproductie van andere middelen, belet de scherpe onderscheiding der capitalen bestemd tot eene dier aanwen-dingswijzen.
322.
Het onderscheidene gebruik, dat wij van bepaalde voorwerpen en der daarin gevestigde capitalen kunnen maken, verschaft ons een mate van vrijheid; maar daaraan is onze verantwoordelijkheid verbonden, met
224
betrekking tot de gevolgen, die uit onze oordeelvellingen, besluiten en handelingen, metopzigt tot deze voorwerpen en capitalen zullen ontstaan.
323.
Inzonderheid ten opzigte van capitalen is \'s menschen vermogen van voorbedachtelijk handelen en beslissen, of hij ze tot genot of ter productie van middelen zal verbruiken of aanwenden, van groeten invloed op zijnen toekomenden toestand.
324.
De capitalen, ter productie bestemd, strekken tot instandhouding en vermeerdering der middelen en krachten, die de algemeene welvaart mogelijk maken, zonder haar nogthans te verzekeren.
325.
Wanneer waardijen, stoffelijke goederen, hunne productive krachten en die van personen ter productie worden verbruikt, toont de meerdere waarde van het product het voortgebragte bedrag aan. Men verwarre echter dat verbruik van krachten niet met haar gebruik, waarvan de waarde ondenkbaar is, tenzij door haren overgang in bevredigde behoeften of in middelen geschikt tot hare bevrediging.
326.
Wanneer het product minder waard is dan hetgeen ter verkrijging is opgeofferd, strekt de handeling immer ter verachtering des welzijns, door vermindering van het aanwezige capitaal en der productive vermogens.
225
327.
De werking der natuur is onophoudelijk. \' Strekt zij tot het doen ontstaan van raenschelijke behoeften en ter slooping van bevredigingsmiddelen, zij is tevens dienstig of vatbaar voor een dienstig gebruik, ter bevrediging dier behoeften cl ter verkrijging van daartoe vereischte middelen. Een onvoldoend gebruik daarvan heeft verbruik van productive vermogens ten gevolge, eene voldoende bestendiging van den toestand , eindelijk een, dat overschot oplevert, diens verbetering.
328.
Soms verbruikt men capitalen, hetzij ter ontwikkeling van personelijke bekwaamheden, hetzij om ze te vereenzelvigen met natuur-agenten, ter verhooging van hun productief vermogen. In die gevallen behoeft de vermindering, die het onvermengde capitaalsbedrag ondergaat, zoo min verachtering van de algemeene welvaart aan te duiden, als van ter beschikking staande productievermogens.
329.
Het productive vermogen der voorwerpen, waarin capitalen voorkomen, vloeit zamen met dat van natuur-agenten, wanneer men het door verbetering bijv. van waterloozingen, vaarten, wegen enz. daarin doet overgaan. De capitaalswaarde neemt niet af, omdat zij voortaan een deel zal uitmaken van die der natuur-agenten. Haar vermogen om \'smenschen welzijn te helpen bevorderen vermindert niet, omdat het voortaan vereend met dat van natuur-agenten daaraan bijdraagt.
15
226
330.
Gaat een vermogen ter instandhouding eu bevordering van het menschelijke welzij» zelfstandig te loor, wanneer een capitaalsdeel oogenschijnlijk wordt opgeofferd aan de verstandelijke en zedelijke beschaving, vaak is de vergoeding ruim, welke de beschaving langs dien weg verschaft, door het meerdere vermogen om aan het welzijn bij te dragen.
331.
Even als het capitaalsvermogen soms met andere kan worden vereenzelvigd, zoo kan dat van natuur-agenten omgezet worden in capitaalsvermogen. Landen kunnen verveend, uitgekleid, bosschen gerooid, mijnen uitgeput worden.
332.
Het is theoretisch dikwijls ondoenlijk te bepalen hetgeen tot de capitalen te betrekken is.
332.
De capitalen hebben deels enkel waarde, omdat zij Ier instandhouding of bevordering van ons weizijn kunnen dienen. Is daartoe hunne oplossing onvermijdelijk, dan beantwoorden zij niettemin daardoor aan hunne bestemming.
333.
Het verbruik der capitalen, dienende ter instandhouding of bevordering van ons welzijn, maar geenszins dat, \'t welk slechts een hersenschimmig genot doet smaken, strekt tot het onderhouden of ontwikkelen van onze productive
227
krachten of van onze personen, en verscliaft ons, met de gelegenheid, het noodige om aan de voortzetting onzer wording bij te dragen.
334.
Het is voor hem, die middelen voortbrengt, nietvoor-deeliger, dat men ze hem afkoopt ten linale verbruike, dan wel ter vergrooting van het productive capitaal.
335.
De woderkeerige behoefte, die de bezitters van capi-talen, voorkomende in onderscheidene productive krachten, aan de medewerking hebben van elkanders vermogens, veroorzaakt, naar zij toe- of afneemt, eene speciale reden van hunne rijzing of daling.
330.
Evenzeer als de betrekkelijke schaarschte of overvloed van onderscheide waren op haar betrekkelijke waarde werkt, zoo ook oefent die der onderscheidene productive vermogens, die der natuur-agenten, die der personelijke, lichamelijke en onstoffelijke faculteiten en die der beschikbare of gevestigde capitalen invloed uit op hunne onderlinge ruilingswaarde.
337.
Alleen capitalen ter productie aangewend en geenszins de consumtiën ter bevrediging van wezenlijke of hersenschimmige behoeften, zullen eenen gunstigen invloed hebben op de ruilingswaarde der ongelijksoortige productiekrachten. Zij alleen zullen bijdragen aan de productie van waren, die nieuwe afzets-wegen zullen aanbieden voor ongelijksoortige producten. Zij en niet de
228
uitvoer, \') noch de slot-consumtiën, veel min de weelderige kunnen aan de nijverheid eenen toenemenden bloei verzekeren en de algemeene welvaart doen aanwassen.
338.
Men verraadt oeconomische onkunde omtrent den krachtigen invloed, welken de capitalen geroepen zijn op de instandhouding en de bevordering des algemeenen belangs te hebben, door de weelde aan te bevelen ter ontwikkeling en aanmoediging der nijverheid en ter verhooging van het loon der handswerkslieden.
339.
Een betrekkelijk zeer gering bedrag der capitalen komt voor in de muntspeciën en in het overige bedrag der edele metalen.
340.
De edele metalen zijn geenszins, in verhouding van de aan hen toegekende waarde van nut, bijv. in den vorm van sieraden en kleinodiën. De grootste dienst dezer stollen is die, welke zij ter vergemakkelijking der verruilingen en van den handel, als muntspeciën bewijzen.
341.
De interest of huur der capitalen is geenszins de vergoeding der ondenkbare productive kracht van geleende
\') Zelfstandig is de uitvoer onder, de kosten van verkrijging te rangschikken. Zelfstandig zijn deze, even als alle consimriiën: zij strekken tot verarming. In verband met belangrijker uitkomst ten goede, gebiedt de rede zich aan kwaad te onderwerpen.
229
edele metalen of muntspeciën, maar die voor het afgestane gebruik der kracht, welke men zich kan aanschailen, ten koste van het in muntspeciën geleende capitaal.
342.
Met betrekking tot de algcmeene welvaart, is het onverschillig in welke voorwerpen de capitalen voorkomen, die men aan het productive vermogen kan toevoegen, omdat men er zich van onthoudt die voorwerpen tot eenig voorbijgaand genol te verbruiken.
Tot bestendiging of vermeerdering zijner capitalen, onthoudt men zich in den regel van het verbrnik dei-voorwerpen, die betrekkelijk geringen invloed op de bevordering van eigen welzijn kunnen uitoefenen en die men meer op hoogen prijs houdt, wegens hunne productiekosten, dan wegens hun nut tot eigen gebruik.
De besparingen, ter uitbreiding der capitalen, zullen inzonderheid op de takken van nijverheid drukken, die geweid zijn aan de productie der ligter te ontberen voorwerpen en tot den meerderen bloei strekken der zulke, die eenen grooteren overvloed der noodiger doen ontstaan.
De begeerte om zich tegen rente-verlies te waarborgen, dat ontstaat uit het onbruik der waarde hebbende voorwerpen, bespoedigt de aanwending tot beter einde der capitalen, die men onttrekt aan de productie van beuzelingen, en ze vormt, door het bedrag te besparen, dat
230
helaas! veel te vaak aan voorwerpen van weelde wordt verspild.
De aanzienlijke winsten, die welligt eenigen behalen, door min-noodige zaken voort te brengen of door er handel in te drijven, de belangrijke capitalen, die langs dien weg vergaard worden, verkrijgt men zonder ze te doen ontstaan, ten koste dergenen, die dwaas genoeg zijn zaken van hoogere waarde op te offeren, ter verkrijging en consumtie van min-belangrijke. Grooter capitalen zouden zijn blijven bestaan en zouden aan de bevordering der gemeene welvaart hebben bijgedragen, indien dezen, wijzer handelende, zich van verspillingen hadden onthouden en geene aanleiding gegeven tot eene onverstandige aamvending der productiekrachten.
Schoon de voortbrengers van weeldeartikelen en zij, die er handel in drijven, zich aan geene regtsschennis schuldig maken, hebben hunne winsten eene groote overeenkomst met die, welke ontstaan uit bedrog en diefstal, en eene nog grootere met die, welker oorsprong is te vinden in spel en weddenschap. Tegenover die winsten staan de verliezen van anderen, welke echter gemeenlijk nog grooter zijn.
De hersenschimmige waarde, toegekend aan zoogenaamde aardigheden, aan vele oudheden , aan eene menigte schilderstukken en meer andere voorwerpen van weelde, dient niet enkel om de capitalen, zonder evenredig équivalent, van de eene hand in de andere te doen over-
231
gaan, maar om eene onbelangrijke aanwending van nuttige voorwerpen en krachten te veroorzaken.
349.
Men vormt geene aanzienlijke capitalen, door aanzienlijke opofferingen te bedingen,, bij den afstand van weinig nuttige, of met geringe kosten te verkrijgen voorwerpen. Zulke voorwerpen verschaffen nogthans de overredingsmiddelen om anderen, van wier onkunde, scheef oordeel of ijdelheid men partij weet te trekken, reeds bestaande capitalen afhandig te maken.
350.
Schoon de weelde er toe aanspoort productive capitalen weinig productief te doen aanwenden, ze deels zoo niet geheel improductief te doen verspillen , nimmer tot capitaalvorming, scherpt zij nogthans, bij gebrek aan beter, vaak den prikkel der zelfzucht tot overwinning der hoogst schadelijke traagheid.
351.
Zonder reden rangschikt men veelal de schuldvorderingen, die evenzeer aan de eene zijde een minus, als aan de andere een plus aanduiden, onder de capitalen.
352.
Schuldvorderingen zijn de vorderingen die de partij, welke zijne verpligtingen, ontstaan uit overeenkomsten, is nagekomen, heeft ten laste van de andere, die daar-nog aan heeft te voldoen. Omdat men doorgaans onder schuldvorderingen verstaat de regten, die de eene partij heeft op geldsommen, welke de andere heeft geleend en verschuldigd is te leveren, of waarvan hij huur heeft
232
te betalen. zoo lang hij er het bezit van behoudt, is haar aard niet onderscheiden van de vordering, die de leverancier heeft, wegens zijne levering, of de kooper, wegens zijne vooruitbetaling op de nog te leveren waar.
353.
Zijn de vorderingen ten laste van anderen, en aangezien zij geldsommen of andere waren betreffen, goed, dan is ten opzigte van het te vorderen, het jus ad rem gescheiden van het jus in re Die beide regten betreffen dezelfde voorwerpen en hetzelfde daarin voorkomende ca-pitaal. Is de schuldenaar, hetzij van geldsommen, hetzij van andere waren, onmagtig aan zijne verpligtingen te voldoen, dan lossen de vorderingen zich in holle klanken op. Eveneens, doch alleen voor den schuldeischer, wanneer do schuldenaar onwillig is te voldoen en de dwangmiddelen ontbreken om er hem toe te noodzaken.
354.
Wanneer men een capitaal in eigendom heeft afgestaan, op voorwaarde van teruggave eener even groote hoeveelheid van de zelfde soort waren, als waarin dat capitaal op den oogenblik voorkomt, op een vooraf bepaald tijdstip, of van huur te voldoen tot dat de teruggave heeft plaats gehad, zoo als telkens geschiedt bij uitlee-ning van de zoogenoemde res fungibiles. omdat zij alleen onder die voorwaarde beteekonis kan hebben, dan ligt op alle de productive vermogens van den schuldenaar, zijne capitalen daaronder begrepen, de last eener dienstbaarheid, die, naar verhouding hunne waarde, in twee regtstoestanden doet verkeeren, te weten: in dien van het jus in rem van den schuldeischer en in dien van het jus in re van den schuldenaar. De verdeeling der regten op
233
hetzelfde capitaal vergroot zijn bedrag niet, verdubbelt het niet.
355.
Bij de opsomming der capitalen, die het bedrag aanwijzen van het nationale capitaal, gaat men veiliger te werk, door geen acht te slaan op de doe Je posten, dat is, noch op de schuldvorderingen, noch op de schulden dei\' ingezetenen onderling, omdat men op die wijze de kans ontloopt van oninbare vorderingen of dubbele posten ten onregte óp het credit te brengen.
356.
Zelfstandig zijn de staats- of andere schuldbrieven, de wissels, de bank- of soortgelijke billetten geene voorwerpen , waarin capitalen of productive krachten voorkomen. Zij zijn enkel bewijsstukken van eenig jus ad rem, even als de koopacten der vaste goederen het zijn van hunnen eigendom.
357.
In elk tijdsverloop eischen \'s menschen behoeften het verbruik van capitalen, en vordert dat niet te vermijden verbruik, ter voorkoming der verachtering der gemeene welvaarten van den stolllijken menschelijken toestand, dat althans eene gelijk capitaal-bedrag worde voortgebragt.
358.
Het heden voortgebragte capitaalsbedrag kan even goed als het vroegere, hetzij ten finalen verbruike, hetzij ter productie en als loon dienen.
359.
Naar gelang de productie van bepaalde voorwerpen
23 i
meer tijd vordert, zijn wij gezamelijk verpligt meer in de voorbaat te zorgen en daartoe grootere capitalen te besteden.
360.
Bij voorbaat behoeft slechts een betrekkelijk gering capitaal aan de productie te worden onttrokken, omdat veel van hetgeen ten verbruike wordt voortgebragt, tot zijne voleindiging, een kort tijdsbestek noodig heeft.
361.
Elke bekorting van den tijd, tusschen het oogenbiik van de voleindiging des products en dat van diens aanwending of van den tijd der bewerking, beeft eenen gelijksoortigen invloed op \'s menschen welzijn, als eene evenredige vergrooting des capitaals.
362.
Het is ten eenenmale onnoodig liet voile capitaalsbedrag gedurende het gansche tijdsverloop aan de productie te onttrekken, waarin zijne deelen van de eene in de andere hand moeten overgaan ter voldoening, hetzij van den interest der geleende capitalen, der huurpenningen van land, van huizen enz., hetzij van loonen en wat dies meer zij.
303.
Schoon van benoodigdheden , die bijv. slechts eens \'s jaars voort te brengen zijn, tot een zeker capitaalsbedrag eene opzameling behoort te geschieden, maakt de zamenleving het overbodig, dat elk individu d.uaiaan een deel van zijn capitaal bestede, dat hij er zelfs te eeniger tijd gedurende dat tijdsverloop een, evenredig aan zijne behoefte, te zijner beschikking hebbe.
235
364.
In de zam\'enleving kan de arbeider met het loon, dat hij heden verdient, morgen ten zijnen gebruike een deel aankoopen van den voorraad, dien anderen, schoon met een zelfzuchtig oogmerk, ten behoeve der bevolking-hebben opgestapeld.
365.
Met laken, dat lieden is voortgebragt, kan morgen regtstreeks of middellijk dienen, om het koren aan te koopen, dat, tot \'s menschen voeding, vóór maanden is geteeld of maanden later zal worden verbouwd, hetzij hier, hetzij elders.
360.
Het aandeel, dat de capitalist of de arbeider heden neemt aan de productie en dat hem interest of loon verschaft. bezorgt den ondernemer veeltijds een capitaal, waarvoor hij wederom zijne benoodigheden kan inruilen, of waarmede hij op nieuw interest kan betalen en loon verstrekken.
367.
De onderscheidene takken van nijverheid behoeven, boven en behalve de beschikking over zekere capitalen, voorkomende in zaken, als gebouwen, werktuigen enz., tot voortzetting een zoogenaamd bedrijf-capitaal. Op de uitgebreidheid daarvan zijn van invloed de omvang en het onderwerp der nijverheid, de langdurigheid der nijverheidsoperatie en de omstandigheid of credit gegeven, dan wel genoten wordt.
368.
Zeer ten onregte begrijpt men soms de eigene porduc-
236
tive bekwaamheden en faculteiten onder de capitalen, omdat zij vaak ten koste van opofferingen en zelfs van capitalen worden ontwikkeld of verkregen. Zóó gaat het doel verloren, waarin men onderscheidene woorden gebruikt, om verschillende zaken aan te duiden. Zóó ontstaat spraakverwarring, die tot het aanhouden van dwalingen leidt en schadelijk op onze daden werkt. Personelijke productive vermogens zijn even weinig capitalen, als landeigendommen, maar evenzeer agenten van productie.
EDELE METALEN. GELD.
3G9.
De edele metalen, schoon vatbaar voor vermenging met andere stoffen, bezitten zelfstandig onveranderlijk dezelfde kenmerkende eigenschappen.
370.
De schoonheid, reinheid, duurzaamheid, en niet het minst, de glans der edele metalen, heeft ze reeds vroeg den mensch in het oog doen vallen, en ze hem, als voorwerpen van pronk, doen begeeren.
371.
De zeldzaamheid der edele metalen en de betrekkelijk aaazienlijke kosten, die hunne verkrijging doorgaans vordert, hebben er krachtig toe bijgedragen ze te bezigen als voorwerpen van ijdel rijkdomsvertoon, en ze daartoe te doen begeeren.
237
De smeedbaarheid, verdeelbaarheid, hereenigbaarheid, duurzaamheid, min kostbare bewerking, groote toegekende waarde der edele metalen, in betrekking tot hunnen omvang en gewigt, zijn zoovele oorzaken hunner geseliikt-heid voor artikelen van den uitgebreidsten handel op verre oorden, aangezien de gelijkheid van den mensche-lijken aard ze al zeer spoedig overal tot hetzelfde hersenschimmige genot, met belangstelling heeft doen be-geeren. -
Ter verhooging der geschikheid van de edele metalen tot handelsartikel, zijn op bepaalde doelen daarvan teekenen geplaatst, waaraan ligt hun fijn en wigt te herkennen zijn en die alzoo weging, zoowel als assai, overbodig maken.
Wegens de meerdere geschiktheid, welke de gewaarmerkte metaaldeelen, d. i. de munten hebben, om tot algemeen handelsartikel te dienen, zullen deze, voor zooveel men ze daartoe zal gebruiken, doorgaans hooger staan dan de daarin vervatte grondstof.
De munt daalt nimmer noemenswaardig beneden de toegekende waarde van haren inhoud fijn, omdat de kosten gering zijn, om haar des noods tot baren terug te brengen, en omdat het aan haar toegeschreven nut, als grondstof, niet minder is.
\'238
Indien de muntfabricatie in vrije mededinging betrouwbaar werd bedreven, zoude dezelfde reden, als met opzigt tot andere voortbrengselen, verhinderen, dat hare marktwaarde duurzaam hooger liep, dan noodig is, om eenigzins ruim hare productiekosten te dekken.
Het is eene dwaling, dat de gemonopoliseerde aanmunting in staat stelt, duurzaam de marktwaarde dei-munt aanzienlijk boven die der grondstof op te voeren: omdat de geschiktheid der munt, om tot algemeen handelsartikel te dienen, die der baren te weinig overtreft, en omdat, indien men zijne toevlugt niet nam tot het gebruik van vreemde munten, de overdreven hoog opgevoerde weldra, zoo niet binnenslands dan elders, aanleiding zoude geven tot niet te verhinderen naauwkeurige namaak.
Zoowel met betrekking tot de munt, als tot alle overige handelsartikelen, ligt het evenzeer buiten de bevoegdheid als buiten de magt der overheid, om , hetzij de objective waarde er van te bepalen, als om te heer-schen over het oordeel, dat de bijzondere individuen, met betrekking tot hare waarde, zullen vellen. Eene gelijke, eene onveranderlijke waarde dei\' munt is een onding. Hare bestaanbaarheid te beweren is eene ongerijmdheid, een feitelijk bewijs van verregaande oecono-mische onkunde.
De steeds heerschende onzedelijk! leid stelt buiten twijfel,
239
dat de munt, tot groot ongerijf, van het verkeer, hare bijzondere bruikbaarheid, om tot algemeen handelswaar te dienen , ras zoude verliezen, indien het ieder vrij stond haar te vervaardigen.
Om de leden des verkeers tegen bedrog te beschermen en in hun belang de meerdere bruikbaarheid van de munt te handhaven, is het onontbeerlijk, dat de staats-magt de echtheid van do beteekenis dos stempels waar-borge, hetgeen zooveel zegt als, dat zij de inuntfabricatie alleen onder haar bepaald opzigt toelate.
De wijze, waarop de Staat, met betrekking\'tot de munt, alle ingezetenen tegen bedrog in bescherming moet nemen , strijdt met het beginsel der vrije mededinging. Dit legt daarom op den Staat de verpligting, de bevolking daarvan geene nadeelige gevolgen te doen ondervinden.
De eenige voorwaarde, waaronder de Staat kan voorkomen , dat de schennis der vrije mededinging op het stuk der muntfabricatie niemand schade, is, dat hij ieder toestaat zijne grondstollen , onder toezigt, zoq spoedig en zoo onkostbaar tot munten te doen omwerken, als men het gedaan zoude kunnen krijgen, indien de vrije mededinging te dier zake bestond.
Houdt de Staat, in aller belang, aan zich de uitsluitende muntfabricatie, dan vervult hij geheel zijne verpligting, door het public even goed te bedienen, als de vrije
\'240
mededinging het zoude doen. Hij is ongehouden zelf en voor eigene rekening de behoefte aan munten te bevredigen. Hij is geen leverancier, maar uitsluitend vervaardiger van munt, even als de loonzager geen houtkooper is.
384.
De Staat handelt tegen zijne roeping, gaat zijne bevoegdheid te buiten, verzaakt zijne verpligting, wanneer hij het public minder goed bedient, dan de vrije mededinging , eerlijk gedreven wordende, het zou hebben gedaan, wanneer hij de munting staakt en daardoor eene kunstmatig verhoogde waarde aan de munt boven die der grondstof doet toekennen, immer ten voordeele van dezen, die er bezitten of te vorderen hebben , en ten nadeele van genen, die er te leveren hebben.
385.
Alle maatregelen, die de Staat neemt, ter kunstmatige en onnatuurlijke verhooging der ruilingswaarde, toegekend aan de munt, zijn zoo vele kunstgrepen ter onregtvaar-dige benadeeling dergenen, welke in de contractuele verpligting verkeeren , daarvan bepaalde hoeveelheden te leveren. Zij zijn zoo vele schendingen van hunne eigen-domsregten.
386.
De wetgever handelt tegen roeping en pligt, wanneer hij willekeurig de voorwaarden wijzigt der overeenkomsten, gesloten vóór zijne uitspraken, vóór zijne wetsbepalingen.
387.
De wetgever wijzigt willekeurig de vroeger aangegane overeenkomsten, waarbij eene partij zich verpligt eene
241
zekere hoeveelheid muntspeciën van een bekend gehalte fijn te leveren en de andere om haar, als équivalent van het afgestane, te ontvangen, niet enkel door kunstmatig de ruilingswaarde dier munten te drukken of op te voeren , maar evenzeer door vervalsching der benaming van muntstukken.
De Staat vervalscht de benaming der muntstukken. of door wijziging der hoeveelheid fijn, die zij bevatten, toen de overeenkomsten werden gesloten, die over geldsommen loopen, of en evenzeer, wanneer hij, met behoud derzelfde benaming, de muntstukken van een ander metaal vervaardigt, inzonderheid tot een verschillend betrekkelijk waardebedrag van hunnen metalliquen inhoud.
Of de voorwaarden der overeenkomsten gediend hebben ter bepaling van de soort edel metaal, al of niet van muntslag voorzien, dan wel tot aanduiding van de grenzen der wederkeerige verpligtingen eu regtsbevoegd-heden der partijen van eenen anderen aard, doet niets af: altijd zal de wetgever, wanneer hij eene verschillende beteekenis aan de bewoordingen der overeenkomsten geeft, dan zij bij hare sluiting hadden, eene daad van geweld plegen en aan zijn besluit eene ongeoorloofde terugwerkende kracht geven.
Volhouden, dat de overeenkomsten, handelende over muntspeciën, in zoover loopen over onveranderlijke waarde-uitgebreidheden , is beweren, dat partijen bedoeld hebben zich over iets onbestaanbaars te verstaan, daar liet
10
ondenkbaar is iets te vinden. dat wat betreft zijne waarde, onveranderlijk en in alle omstandigheden voor elk van even groote uitgebreidheid zoude zijn.
Men kan het bestaan van eenen waardemeter in het algemeen en dien . welke speciaal in het geld gevonden zoude zijn , niet staande honden, zonder tevens feitelijk te doen blijken van zijn wanbegrip der waarde, barer nor-zaken en. in het algemeen, van de gebrekkige ontwikkeling van zijne huishoudkundige kennis.
Wanneer de wetgever aan een der contracterende partijen de bevoegdheid verleent, om voortaan naar zijne keuze al of niet stipt te voldoen aan de letterlijke ver-pligting der overeenkomst, bijv. door te bepalen, dat men muntpapier of goud in plaats van guldens in betaling mag geven d. i. van geslagen zilver, ontgaat hij wel is waar in zekeren zin de feil van aan de wet eene terugwerkende en onregtvaardige kracht te verleenen , maar buiten noodzaak verschaft hij een aleatorisch toekomstig caracter aan overeenkomsten, die gewis meer in overeenstemming met den wil der partijen, zonder dat, een minder wisselvallig zouden hebben gehad.
Wanneer het iemand naar keuze vrij staat, welke van twee verpligtingen hij zal vervullen, ligt het in \'s menschen aard, dat hij enkel aan de voor hem minst drukkende zal voldoen.
Bestaat in eenig land een muntstelsel. gevestigd op
243
eenen afwisselenden, op eenen alternativen (vroeger immer ten onregte genoemden dubbelen) muntvoet, zal men werkelijk steeds betalen en rekenen, als of slechts de iu verhouding overschatte munt bestond , en zal de onderschatte of aanhoudend uitgevoerd en omgesmolten worden, of, in strijd met het doel en met de bewoordingen der wet. zoogenaamd opgeld doen.
Wegens de betrekkelijke waardewisseling der onderscheidene metalen, is feitelijk door inmenging der open bare magt, geen zoogenaamd \'1= dubbele standaard op den duur, bestaanbaar.
Indien in eenig land munten vervaardigd en in omloop gebragt worden van onderscheidene metalen , terwijl de regering zich noch bevoegd, noch in staat erkent, noch aanmatigt voor te schrijven, togen welke betrekkelijke ruilingswaardo zij in omloop moeten blijven, ontbreken alle redenen, die anders eene of meer soorten daarvan doen verdwijnen en de bestendiging verhinderen van meer éénheden, zoogenaamde standaarden.
Verwringt de wet de letter der overeenkomsten niet, dan zullen de partijen, over en weder, gehouden zijn hunne verpligtingen ten volle na te komen . zoo als zij door de woorden der overeenkomsten zijn uitgedrukt, bijv. handelen zij over guldens en over willems, dan zal men, in plaats van guldens te geven, zich niet kunnen kwijten, door tien maal minder gouden tienguldenstukken toe te tellen en, thans nog handelende over duitsche mar-
244
ken a \'/3 thaler, zich niet verpligten het volle bedrag in gouden markstukken, derhave geen oud duitsch zilver aan te bieden.
398.
Het pari der munten van onderscheidene landen en der munten van verschillende metalen vervaardigd, wordt zelfs in hetzelfde land, bepaald door haren inhoud fijn metaal, onder invloed van hare meerdere of mindere vervaardigingskosten.
399.
De werkelijke wisselconrsen hangen, buitende oorzaken, die invloed op het pari hebben , van hunne eigenaardige af. Ware dit zoo niet, dan zouden zij nimmer, met betrekking tot dezelfde muntsoorten, rijzen of dalen, zelfs op ver van elkander gelegene plaatsen.
400.
Evenzeer als de regeringen verpligt zijn te waken, dat het pari der muntspeciën, in zoover als daarop de meerdere of mindere inhoud fijn invloed heeft, hetzij bestendig onveranderd blijve, hetzij gecompenseerd worde door het regt, dat de wet verleent, om. met betrekking tot schuldvorderingen van vroegere dagteekemng, in evenredigheid, de vermelde sommen te verminderen of te vermeerderen, zoo ligt het buiten de grenzen van hare bevoegdheid, zich te mengen in de courswisselingen, die voortvloeijen öf uit den invloed, dien de rijzing en daling der metalen op het pari hebben, of uit de behoefte van den handel aan muntspeciën, om naar elders remises te doen.
401.
De geldspeciën dienen uitsluitend ter vergemakkelijking
245
der verruilingen. Hetgeen daarvan voorhanden is boven de daartoe dienstige hoeveelheid, is onnut. Zij zal of versmolten of uitgevoerd worden, tot dat.de waarde der grondstof zoo zeer is gedaald , dat de voorhanden zijnde munten door haren lagen stand ontoereikend zouden wezen ter vervulling van hare eigenaardige dienst.
Bekommert de openbare rnagt zich niet met de beboette van het verkeer, maar komt zij hare verpligting na, om het public niet te laten lijden, door de belemmering zijner vrije mededinging op het stuk der muntfabricatie, dan zal het individuele belang het bewegen zich met de zorg te belasten, de noodige hoeveelheid muntspeciën in omloop te houden.
De zorg, die elk in zijn belang draagt, geene overbodige speciën in kas te houden, waaruit onvermijdelijk renteverlies voortvloeit, waarborgt eensdeels, dat in het algemeen geene overbodige hoeveelheid in omloop kan blijven, en anderzijds, dat overvloed van geldspeciën ondenkbaar zijnde, hij nimmer de oorzaak kan wezen van lagen stand van den interest, noch van eene belangrijke plaatselijke dépréciatie der metalen, die, in verhouding hunner waarde, geringe vervoerkosten eischen. Maar, omgekeerd, is de mededinging vrij , dan zijn staatsmonopolie, staking van aanmunting en, zoowel ongeoorloofde, als schadelijke opvoering der munten onmogelijk.
244
ken a\'/a thaler , zich niet verpligten het volle bedrag in gouden markstukken, derhave geen oud duitsch zilver aan te bieden.
398.
Het pari der munten van onderscheidene landen en der munten van verschillende metalen vervaardigd, wordt zelfs in hetzelfde land, bepaald door haren inhoud fijn metaal, onder invloed van hare meerdere of mindere vervaardigingskosten.
399.
De werkelijke wisselcoursen hangen, bultende oorzaken, die invloed op het pari hebben , van hunne eigenaardige af. Ware dit zoo niet, dan zouden zij nimmer, met betrekking tot dezelfde muntsoorten, rijzen of dalen, zelfs op ver van elkander gelegene plaatsen.
400.
Evenzeer als de regeringen verpligt zijn te waken, dat het pari der muntspeciën, in zoover als daarop de meerdere of mindere inhoud fijn invloed heeft, hetzij bestendig onveranderd blijve, hetzij gecompenseerd worde door het regt, dat de wet verleent, om. met betrekking tot schuldvorderingen van vroegere dagteekening, in evenredigheid, de vernielde sommen te verminderen of te vermeerderen, zoo ligt het buiten de grenzen van hare bevoegdheid, zich te mengen in de courswisselingen, die voortvloeijen öf uit den invloed, dien de rijzing en daling der metalen op het pari hebben, of uit de behoefte van den handel aan muntspeciën, om •.mar elders remises te doen.
iOl.
De geldspeciën dienen uitsluitend ter vergemakkelijking
245
der verruilingen. Hetgeen daarvan voorhanden is boven de daartoe dienstige hoeveelheid, is onnut. Zij zal of versmolten of uitgevoerd worden, tot dat.de waarde der grondstof zoo zeer is gedaald, dat de voorhanden zijnde munten door haren lagen stand ontoereikend zouden wezen ter vervulling van hare eigenaardige dienst.
40-2
Bekommert de openbare rnagt zich niet met de beboette van het verkeer, maar komt zij hare verpligting na, om het public niet te laten lijden, door de belemmering zijner vrije mededinging op het stuk der inuntfabricatie, dan zal het individuele belang het bewegen zich met de zorg te belasten, de noodige hoeveelheid muntspeciën in omloop te houden.
403.
De zorg, die elk in zijn belang draagt, geene overbodige speciën in kas te houden, waaruit onvermijdelijk renteverlies voortvloeit, waarborgt eensdeels, dat in het algemeen geene overbodige hoeveelheid in omloop kan blijven, en anderzijds, dat overvloed van geldspeciën ondenkbaar zijnde, hij nimmer de oorzaak kan wezen van lagen stand van den interest, noch van eens belangrijke plaatselijke dépréciatie der metalen, die, in verhouding hunner waarde , geringe vervoerkosten eischen. Maar, omgekeerd, is de mededinging vrij , dan zijn staatsmonopolie, staking van aanmunting en. zoowel ongeoorloofde, als schadelijke opvoering der munten onmogelijk.
24(3
BANK- EN SOORTGELIJK PAPIER, NOÜD-EN SCIIEIDEJIUNT.
404
Het is begrijpelijk, dat men soms voorwerpen, die een bepaald regt verzekeren, verkiest boven het bezit der zaken zelve.
iU5.
Het is onvermijdelijk, dat wij het bewijsstuk, dat ons het regt verzekert, om elders over eene zaak te beschikken, verkiezen boven de zaak, die wij anders ten onzen koste daarheen zouden moeten vervoeren.
40Ü.
Bank, munt en soortgelijke papieren zijn, met zekere wijzigingen, alle bewijsstukken van toonders regt op de uitgedrukte geldsommen.
407.
Papieren bewijsstukken, die liet regt verleenen terstond bepaalde geldsommen te vorderen, zijn niet enkel bijzonder geschikt tot overmaking van remises, maar ook ter betaling van groote sommen en tot hare bewaring. Vaak zijn daartoe evenzeer dezulke te bezigen, onder korting van interest, welke slechts een dergelijk regt bevestigen na zeker tijdsverloop.
408.
Wegens de gemakken, die papier verschaft, verkiest menigeen het boven gereede penningen; vandaar zijne geschiktheid, om een deel der munten te vervangen,
247
dat dan onvermijdelijk , als te veel, uit het vorkeer moet verdwijnen.
109.
Bewijsstukken, die wel het regt geven, om ze ter kwijting van zekere verschuldigde sommen te bezigen, maar die, even als de nederlaydsche muntbilletten, niet onbepaald steeds invorderbaar zijn, zullen nimmer gereede plaatsing vinden boven de hoeveelheid, waarvan de aanname, op goeden grond ol\' ligtvaardig, geacht wordt geene kans te doen loopen er schade op te lijden.
Papieren geld, nood- en scheidemunten hebben dit -met elkander gemeen, dat zij noch de voorwerpen zijn, die zij vertegenwoordigen, en bij het aangaan van overeenkomsten worden bedoeld, noch het regt verschatten de vertegenwoordigde voorwerpen op te eischen.
Schoon men, krachtens de wet, de schuld wettelijk kwijt door overgave van papieren geld en van nood- of scheidemunt, is de kwijting echter onwettig, inzonderheid met betrekking tol vroeger aangegane verpligtingen.
De Staten, die weigeren papieren geld, nood-of scheidemunten weder voor de hoeveelheid gelds in betaling aan te nemen, als representatief van hetgeen, waarvoor zij het in omloop hebben gebragt, maken zich aan frauduleuse bankbreuk schuldig.
248
Wanneer te regt of ten onregte de vrees ontstaat voor schade, door aanname van papierengeld, nood- en scheidemunt voorde gerepresenteerde sommen gelds, za! ieder trachten zich, bij het aangaan van overeenkomsten, tegen die schade te dekken, hetzij door hoogere sommen te vorderen, hetzij dom- te bepalen, dat die voldoening zal moeten plaats hebben in voorwerpen, die niet krachtens de wet door genoemde zaken worden vertegenwoordigd. De dépréciatie van het representatief kan van stonde af kwalijk uitblijven.
De ingewikkeldste kunstgrepen zijn op den duur onmag-tig te verhinderen, betreffende het in omloop brengen van eene grootere hoeveelheid papierengeld, nood- en schei-demunten, dan men in een eenigszins kort tijdsverloop kan bezigen ter voldoening van landsbelastingen enz., dat vrees voor schade de dépréciatie van het representatief veroorzake.
De bezitter van papierengeld, nood of scheidemunt wordt door zijn eigenbelang aangespoord, zoodra vrees bij hem ontstaat voor de dépréciatie van het représen-tatief, het te bezigen lot kwijting van zijne schulden, de omloop er van neemt in snelheid toe, het aanbod er van is telkens wassende, de afnemers worden schaars, de dépréciatie is daar.
Is de wetgever bij magte, schoon onbevoegd, te be-
249
palen, dat men het gedéprécieerde représentatief moet aannemen , als of het zijn credit had behouden, hij is daartoe onmagtig met betrekking tot latere overeenkomsten.
417.
De ruilingswaarde, toegekend aan zoogenaamde pieces de confiance, kan zoover terug loopen, dat zij die evenaart van hun metalliquen inhoud. Die van het papier kan geheel te niet loopen.
418. •
De Staat, die zijne pas- of scheidemunten betrekkelijk eenen geringen inhoud lijn metaal doet bevatten, lokt voortdurenden namaak uit, dien men, althans in den vreemde, niet verhinderen kan.
419.
Het regt, dat de houder der bankbilletten steeds bij magte moet wezen te doen gelden, om baar voor zijn papier te eischen, geeft aan de bank de gelegenheid, binnen eenen zekeren kring, voor eene veel grootere som in omloop te houden, dan die, welke het verkeer in oninwisselbaar papier of in minwaardige scheidemunt zal opnemen, zonder dat zij déprécieert.
420.
Niets werkt gunstiger op de vestiging en op den bloei der banken, dan de stijving van hun credit door het ontwijfelbare regt e\'n vermogen, ze te dwingen tot volle naleving van hare verpligtingen.
421.
De wegen, die voor de regeringen openstaan, om
250
zich aan de naleving van hare verpligtingen te onttrekken , leveren eene afdoende reden op, om 1°. aan goed bankpapier de voorkeur te geven boven papierengeld, nood-en scheidemunt; 2°. om banken als staatsinstellingen te veroordeelen.
4-22.
Miskenning der redenen, waarom de uitgiften van alle metalliquen of papieren représentativen, binnen zekere grenzen beperkt moeten blijven en die dezer grenzen zelve hebben telkens aanleiding tot dépréciatie gegeven en tot stoornis van den geregelden omloop.
De voorzigtigheid verbiedt, dat de regeringen, in tijden van vrede en rust, van welvaart en vertrouwen, door de uitgifte vau papierengeld, zich de gelegenheid openen, die haar, zooals de ervaring bevestigt, telkens noopt, om in minder gunstige omstandigheden van dit middel een onbetwistbaar misbruik te maken, dat reeds dikwerf volksrampen heeft veroorzaakt.
De overdragt van bankbilletten, coupons, wissels, enz. delgt de vordering van den oorspronkelijken schuld-eischer niet. Zij is eene soort van novatie, waardoor vaak een schuldenaar zich kwijt, door aan zijnen schuld-eischer zijne vordering over te dragen. De schidd van den individu of van de instelling, ten laste waarvan de wissel of het bankpapier loopt, blijft evenzeer onveranderd.
Bankbilletten en alle voorwerpen, die in zekeren zin
251
liuniien aard deelachtig zijn, behooren niet tot de zaken, waarin capitalen voorkomen. Zij kunnen als ruilmiddelen dienen, echter zelve geen of een minder vol vertrouwen buitenslands genietende, doen zij eene even groote som muntspeciën, als overdadig, buiten den inlandschen omloop brengen.
420.
Het in omloop brengen van bank- of ander [japier en van nood- of scheidernunt is zelfstandig geene winstgevende opératie. Zij geeft slechts den uitgever gelegenheid, om renten van andermans capitalen te trekken.
427.
Schoon het volkscapitaal niet aanwast door het in omloop brengen van papier in plaats van munten, vergemakkelijkt het plaatselijk den handel en heeft eenen analogen invloed op de welvaart, daar zoodoende eene waarde-hoeveelheid, welke steeds dood in deze of gene kas moet liggen, door hare vervanging, over zal gaan tot eene andere, in staat aan de productie deel te nemen en aan de algemeene welvaart van eenen bepaalden Staatbij te dragen.
428.
Het gebruik, dat van alie soorten van papier wordt gemaakt, als ruilingsmiddel, heeft eenen belangrijken invloed op de waarde, die aan de edele metalen en aan de daarvan vervaardigde muntspeciën wordt toegekend.
421).
Wanneer, door het in omloop brengen van papier, eene bepaalde hoeveelheid muntspéciën wordt uitgevoerd, zullen de Staten daarvan de schade lijden, die voortgaan
252
uitsluitend metallique rekenmiddelen te gebruiken, daar onvermijdelijk hunne waarde zal afnemen.
Voor alle Staten is meest aan te bevelen het stelsel, dat alle papierengeld uitsluit, de scheidemunt zooveel fijn doet bevatten, dut de spoorslag wegvalt haar na te maken, en geene kenmerken draagt van de dwaling , dat de wet het vermogen heeft. invloed uit te oefenen op de ruilingswaavde toegekend aan de muntspéciën of aan hare surrogaten, behoudens de trouwe naleving der staatsverpligtingen, die onvermijdelijk voortvloeijen uit de gemonopoliseerde muntfabricatie.
INVLOED VAN DE VERMEERDERING DER EDELE METALEN EN DER RUILINGSMIDDELEN.
431.
De eigenaardige dienst der edele metalen tot streling der ijdelheid brengt mede, dat zij daartoe aan geschiktheid verliezen, in verhouding hunne aanwending tot munten vermindert, hunne hoeveelheid aanwast en hunne kosten van productie afnemen , dus ook hunne toegekende waarde.
432.
Uithoofde van den invloed, dien de toename der edele metalen en de afname van hunne productiekosten op hunne waarde uitoefenen, zal noch daaruit, noch uit het, eene gelijke strekking hebbende, in omloop brengen van geld-surrogaten, vermeerdering van capitaal
253
ontstaan, vermindering van den interest en werkelijke prijsverhooging der waren.
433.
De meer algemeene toevoeging van surrogaten aan de raetallique ruilmiddelen oefent, even als de stellige afname hunner productiekosten, door de vermindering hunner waarde , den invloed uit, van slechts eene groo-tere hoeveelheid in staat te stellen ter bevrediging der ijdelheid of als munten, de dienst te bewijzen, waartoe vroeger eene kleinere in staat was.
434.
De winst van de voortbrengers van edele metalen wordt bijkans geheel behaald ten koste dergenen, in wier bezit de vroeger aanwezige hoeveelheid zich bevond, omdat de vermeende gunstige invloed dier delfstoffen op het menschelijk welzijn, in massa, bij lang niet evenredig aan haren aanwas toeneemt.
435.
De vermindering door verbruik der aanwezige hoeveelheid edele metalen is betrekkelijk gering. Zij wordt ligt door nieuwe productie overtroffen. Het is zeer begrijpelijk , dat het aanbod er van meer in kracht wint, dan de vraag er naar, en daarom dat hunne marktwaarde zal dalen.
De uitbreiding van den handel en de algemeene toename der welvaart doen, wel is waar, grootere hoeveelheden ruilmiddelen en edele metalen vragen, doch niet in evenredigheid, als verschillende muntsurrogaten en nieuwe productie, in tegengestelden zin, op hunne marktwaarde werken.
254
436.
Prijsvermeerdering. in zooyer zij wordt uitgedrukt in muntspéciën . levert geen zelfstandig en immer betrouwbaar kenmerk van rijzing der marktwaarde. Zij ontstaat vaak uit daling der delfstoffen, waaruit de munten zijn vervaardigd. Dan bewijst zij geenszins het duurder worden der voorwerpen, dat is,, dat men ze ten koste van zwaardere opofferingen moet behouden en verkrijgen, ten koste van zulke, welke zelfstandig het welzijn meer schaden.
Meer geld kostende is even weinig synoniem met duurder dan vroeger, als de daling, die de geweven catoenen stoffen allengs hebben ondergaan. het bewijs levert, dat andere voorwerpen gelijktijdig duurder zijn geworden. \')
Evenzeer, als het vinden van rijkere mijnen, hebben ook andere oorzaken veel bijgedragen aan de vermeerdering der productie der edele metalen en aan hunne daling, bijv. de vorderingen in de kunst der mijn-exploitatie , der bewerking van de ertsen, der scheiding en de meerdere veiligheid, die genoten wordt in de oorden, daar de mijnen liggen, enz.
\') Opmerkelijk heeft de Munt-Commissie, in haar Verslag van 128 Dec. 1872 op bi. 26, deze waarheid schromelijk miskend, zeggende: «Onze «zilveren munt wordt gedepreciöerd, en He prijzen ... worden ... tot «groot nadeel der ingezetenen verhoogd.»
255
439.
Zoowel daling der edele metalen , als muntverzwakking loopen uit op gelijksoortige, tegen elkander overstaande lotsverbetering en verachtering voor schuldenaren eu voor schuldeiscbers, echter is de eerste oorzaak daarvan rein, terwijl de laatste het caracter draagt van onregt en boos opzet. Het omgekeerde is niet minder waar.
440.
De daling des edelen metaals, waarin eene grootheid is uitgedrukt van eene staatsschuld, heeft haren druk wettig verligt. De houders der schuldbrieven hebben geene gegronde reden zich, wegens het geleden verlies, over aangedaan onregt te beklagen. De vrije en regt-vaardige loop der- dingen. aan wier kanzen zij onderworpen waren. is hun niet gunstig geweest. Het ligt buiten de bevoegdheid van den Staat, dien met geweld te verhinderen.