NED. HERV. KERK
GESCHIEDENIS
WN flE HERMÜ Ei M iMillPE KERK
DER NEDERLANDEN.
\\
f
van de
11
IM
■
dooi;
KKRKF.I.IJK IIOOOI.EF.RAAR TK GRONINOEN.
BIBLIOTHEEK NED. HhRV, KERK
TE CxUONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1892.
Stoomdrukkerij van J. B. Woltcrs.
I
bibliotheek
ned, hf.rv. kerk
.... . . . . . . ■
i N L E I 1) I N G.
§ 1. Hot getuigt van eenzijdigheid, wanneer men dc middeleeuwen voorstelt als een „duisterquot; tijdperk in de geschiedenis der menschheid en der volken. Eveneens begaat hij onrecht, die de kerk der middeleeuwen uitmaakt voor een synagoge van den Satan of Antichrist on haar geschiedenis voorstelt als een periode van jammerlijke verbastering van het zuiver christelijke geloof, zonder oog of waardoering te hebben voor het proces van ontwikkeling, dat de christenheid in die lange reeks van eeuwen doorloopen heeft.
Geheel ten onrechte wordt de reden van een voorgewend verval van het christendom toegeschreven aan de omstandigheid, dat het Katholicisme de kerk der middeleeuwen was. Kennis en onderzoek van dit belangwekkend tijdvak loeren juist het tegendeel. Die kerk met haar hoogst eigenaardige vormen was de draagster van innige, zeer opgewekte vroomheid en groote deugd, zelfs waar zij een menigte oud-heidensche denkwijzen en gebruiken liet voortbestaan onder christelijk deksel. Of is er geen frisch en krachtig leven in deze kerk, die do statigheid van haar eeredienst wist te verbinden met den verheven stijl van liet Gothiek gebouw, die het christelijk ideaal van wcreld-beheerschonde macht uitdrukte in den concroton vorm van liet pausdom, die voor het innige gemoedsleven de mystiek, voor de overmoedige geestdrift van haar ontwakend denken de stoute en fijne wendingen der scholastieke godgeleerdheid in \'t aanzijn riep, die alle poëzie van haar teedere, reine liefde in Maria vereering, haar zin tot verhelling boven de ijdelheid en zonden der woeste, zinnelijke cn onbevredigende wereld in liet kloosterleven, haar religieus gevoel in dc aangrijpende harmonie van kerklied cn orgeltooncn heeft weten uit te drukken? Zulk ecu kerk was uitnemend geschikt voor de behoefte van het toenmaals levende geslacht en zij heeft in de middeleeuwen inderdaad onberekenbare diensten gedaan tot verzachting van barbaarsche zeden, tut opwekking van godsdienstig leven en donken, tot beschaving van het gevoel en ontwikkeling van don geest.
i»
4
§ 2. De groote eerbied voor godsdienst plantte zich haast vanzelf over op do bedienaars van hot heilige. Van lieverlede worden geestelijken de verwende kinderen dor samenleving. Zoo vond de meening ingang, dat do kerk oen van God verleend recht bezat op datgene, wat haar in werkelijkheid slechts door de devotie van haar kweekelingen ingewilligd on geschonken werd. De priesterschap predomineerde do kerk cn heeft daarin de zaden van groot bederf gezaaid. Want de slechte eigenschappen der menschelijke natuur openbaren haar noodlottigste uitwerking bij cn door hon, die goddelijk gezag in handen nemen.
La religion de la plupart des gens, e\'est la vie des prêtres, dont ils sont témoins. Men wil bij voorgangers van een godsdienst, die reinheid predikt on deugd, geen slecht en liederlijk leven. Waren de zonden, ruwheid, wellust, onkunde van den clerus ergerlijk en groot, daarin spiegelt zich do woestheid der toenmalige zeden af. Do onnatuurlijke dwang tot het celibaat versterkte wol do macht der geestelijkheid, maar was een steeds aanwezig beletsel tot algeineene verheffing van haar zedelijk voorbeeld.
De kapitale zonde, waaraan reeds de hierarehie der middeleeuwen lefed, was haar heerschzucht. Alle overige afdwalingen en feilen, die men do kork of de priesters ten laste legt, zijn of individueele menschelijke gebroken óf speciale gevolgen van deze ééne hoofdzonde. Do klachten over de domheid, de overdaad, do wreedo vervolgingswoede van geestelijken en van monniken, over de verbastering der christelijke waarheid in de kerkleer, over don dwang op vrijheid van geweten en onderzoek, over het baatzuchtig stelsel der ver diens telijit-hoid van de goede werken met al don aankleve daarvan, zij kunnen allo worden herleid tot de ééne zware acte van beschuldiging tegen de heerschzucht van Rome. \'t Is niet moeilijk om tegenover tien geestelijken, die een losbandig en onheilig leven leidden, te wijzen op menig tiental anderen, die toonbeelden waren voor hun geslacht, maar de hierarehie, het groote geheel, was op den verkeerden weg: niet tevreden met een rechtmatig gezag, heeft zij voor zich de hoogste macht geëischt.
§ o. Gaandeweg moest deze fout, bet gevolg der idontifieoring van het Katholicisme met de papistisebe hierarehie, wel in hot licht treden. Dit wekte vanzelf verzot te midden van do door die priesterschap geleide en bolieersehte christenheid, eerst slechts sporadisch, langzamerhand en van verscheidene kanten toenemend, eindelijk mot vereenigde kracht.
De oppositie togen Homo draagt oen zeer verschillend karakter. Dit hing af van de behoeften, die men verkort of onbevredigd achtte.
van de persoonlijkheid dergenen, van wie de woerstund uitging, ook van do nationaliteit cn don tijdg-cewt. Er kan derhalve onderscheid gemaakt worden tussehen staatkundige , wijsgeerige, letterkundige, dogmatische, godsdienstige oppositie.
Do worsteling om Homo te bewegen de menschheic) naar den ciscli van haar godsdienstige en geestelijke ontwikkeling te dienen in plaats van haar geweld aan te doen breidde zich allengs steeds verder uit: dit is ile voorbereiding van de grootc kerkelijke beweging in de zestiende eeuw.
Vele honderd jaren te voren vertoonde zich reeds, docli vaak ongeregeld en onklaar, die ontevredenheid. Diep in de middeleeuwen werden bij kettersehc secten half verstaanbaar haar vreemdsoortige en dikwijls verwarde theoricn vernomen. Doch allengs drukte die geest van verzot zich op verschillende wijze juister en rechtmatiger uit Dit openbaarde zich niet alleen in de feitelijke afwijkingen, ook evenzeer in alles wat van zelfstandig denken cn godsdienstig streven getuigde. Dit laatste vooral moest met oneindig zwaarder nadruk dan de meest bedenkelijke vermenigvuldiging der ketterij Rome indachtig maken, dat hier een macht opgroeide, die eenmaal niet meer tc bedwingen zou zijn. Na vele proeven en pogingen om de kerk te verbeteren op haar eigen terrein leidde dit beginsel tot rechtstreekscho oppositie en tot de Hervorming.
§ 4. Dit algemeene is ook van toepassing op do Nederlanden. Nochtans draagt het beloop der godsdienstige ontwikkeling hier in vele opzichten een eigenaardig karakter. Na aan onze voorvaderen de grooto dienst bewezen te hebben van de invoering des Christendoms rees het gezag van Rome. De Nederlani Iscl ie geestelijkheid dor middeleouwen was niet boter maar ook niet slechter dan elders. Misschien liceft ecu eigenaardige opvatting van de wet op het celibaat haar wel voor hot uiterste bederf bewaard.
Elke eeuw heeft haar eigenaardige afwijkingen, die door bet banvonnis der kerk veroordeeld werden. Do ketters op Nederlandschen bodem, vooral in de Belgische lauden, waren bijna altijd van uitheeinsehon oorsprong. Achtereenvolgens traden daarbij twee hoofdgroepen op den voorgrond. In de twaalfde eeuw behoorden de afvalligen meest alle tot de Gnostiek-Manichoesche secten, begrepen onder den aigemecnen naam Katharen. Doze verdwenen langzamerhand na een korten bloeitijd. Daarop volgden sedert de veertiende eeuw de secten der Vrijgeesten. Met enkele uitzonderingen, die het voorkomen van op zich zelf staande verschijnselen hebben, behoorden de verstootelingen der kerk tot deze beide op elkander volgende
6
richtingen. In do vijftiende eeuw verdween het eigenlijk sectewozen: de ketterij bestond toen meer in datgene, wat de kerk wel als zoodanig betitelde, maar wat inderdaad met bepaalde afwijking van de rechtzinnige leer niet te maken had, in de openbaring van anti-clerikalen geest en godsdienstig libertinisme. Het was veeleer een voortdurend verzet tegen de overdaad, de inhaligheid en het onzedelijk leven van de priesterschap. Het algemcenc kenmerk der ketters van die eeuwen was tegenzin tegen een kerk, die kon gedoogen, dat de heilige genademiddelen door onreine personen uitgedeeld werden. Tegen het einde van dit tijdperk vertoonden zicli reeds voorteekenen van de gevoelens der latere Sacramentisten.
In den boezem der kerk zelf onder de geloovigon ontstond in de veertiende eeuw een godsdienstig reveil van groote betcekenis en eigenaardig karakter. Dit verdient nauwkeuriger onderzoek en beschouwing, dan daaraan tot nog toe gewijd is. Deze beweging leefde in den kring der Nedcrlandsehe devoten, die in nauw verband met de mystiek zich de reformatie van kerken en kloosters en de eigene bekeering tot een aan God en goede werken gewijd leven ten doel hebben gesteld. De Broederschap van het gemeene leven is één der vruchten van het streven dezer devoten. Even bevreesd voor ontrouw aan de kerk en haar inzettingen als bekommerd over de wercldsche zonden van geestelijken en religieusen, hebben zij door liet stichtelijk element op den voorgrond te stellen weten te voldoen aan de behoefte tot opwekking en instandhouding van godsdienst in liet leven.
HOOFDSTUK I.
OUDK KKTl\'liRIJEN. HET CHUISTIONDOM HÜITBN DU KERK.
Dr. Paui, Predericq c. disc., Corjms documentorum mquwitionis haerilicae ■pravitatis Neerl., 1quot; doel, Gent on \'s Grav. 1888.
C. Schmidt, Histoire ct doctrine de la sec te des Catharcs ou Albigeois, Paris 1849.
W. Moll, Kerkgcsch. van Nederl. voor dc Herv. 18(54/71.
Kist en Roy aards , Archief voor Kerkgesch. inz. van Nederland, en de vervolgwerken.
§ 5. De geschiedenis der kettersche secten ligt voor een groot deel in het duister, soms zelfs is zij voor verder onderzoek verloren ol\' ontoegankelijk. Dc nog bestaande gegevens zijn verspreid en onsamenhangend. Verklaarde reeds Augustinus, dat het haast onmogelijk was een regularis definitio van ketterij te geven, in de middeleeuwen vooral is het tamelijk onbepaald, wat de Christenheid en do kerk daaronder verstonden.
Ook dc ketterij in do Nederlanden is slechts door haar tegenstanders en door het kettergericht bekend: /.ij zelvo beeft nagenoeg geen godenkteekenen van haar streven ou leven nagelaten.
Moll, Kerkgesch., 11, m, 84—87. Het eenige, wat van kettersche zijde is overgebleven, zou kunnen zijn tie geschriften van zuster Hadewijch, zie echter § 15.
§ (1. De Nederlanden, Noord en Zuid, waren in de middeleeuwen onderworpen aan liet geestelijke oppergezag van een aantal kerkvorsten. Tot de dioecese van den bisschop van Utrecht behoorde het grootste gedeelte van Noord-Nederland. Groningen met dc grietenij Acbt-karspelen .stond kerkelijk onder den bisschop van Munster. In het zuiden was het bisdom Luik de grootste dioecese. Kamerijk en Doornik hadden kleiner gebied. Ook was de dioecese van Terwaan of Terenburg voor het meerendeel en die van Atrecht voor een zeer klein gedeelte op Nederlandsch grondgebied gelegen.
8
De superieuren van deze zeven prelaten waren de aartsbisschoppen van Keulen, Trier en Reims.
In den eersten tijd was aan deze kerkvorsten de plicht van het onderdrukken der ketterijen opgedragen. Sedert het begin van do dertiende eeuw, toen Katharen en Albigenzen zoo sterk hun leeringen verbreidden, werden de bisschoppen in deze vrome taak steeds gesteund door do pauselijke of apostolische inquisitie. Meestal werden daartoe ook hier Dominikanen aangesteld.
Een chronologische reeks van pauselijke en bisschoppelijke kettermeesters in de Nederlanden van 1232 tot 1519 geeft Fredkricq, Corp. docum., Inl., p. XXXIV—XXXIX.
Sj 7. Het heeft hier nooit ontbroken aan afvallige of dwalende zonen der kerk, noch aan antikerkelijke en antihierarehische geesten. ICr was ook wel ketterij, op Nedcrlandschen bodem ontstaan en gekweekt, maar vooral uitheemscho sectcn maakten in sommige tijden zeer talrijke aanhangers.
Het oudste spoor van afwijking van het geloof der kerk vertoonde zich in Staveren en omstreken, niet lang na de invoering van het Christendom daar te lande. Zij bestond in eene grove Ariaansche dwaling aangaande de leer der heilige Drieëenheid. Fbedbrik I, bisschop van Utrecht (c. 828—838) ging persoonlijk naar Friesland om deze ketterij te bestrijden, doch al zijn pogingen baatten niets. Hij ontbood tot zijn hulp den kanunnik van St. Maarten Odulfüs, voor wicn hij een kort formulier van dit leerstuk alsmede een gebed tot kerkelijk gebruik opstelde. Door ijverige prediking slaagde Odulfüs in het onderdrukken van deze „naieve uiting van het nog niet door de kerkleer bedorven gezond verstand der Friezen.quot; Deze ketterij is een geheel op zich zelf staand verschijnsel, althans voor zoover bekend.
Bron is de Vila S. Frederici, opgenomen o. a. door de Bollandisten, At/a Sanc/orum, ad 18 Julii. Daar komt ook de korte formula Trinitatis voor. Zie ook Worp van Thabor, Chron. Fris., I) 97) 98; B. Furmerius, Ann al. Phrisic., II, 193. Met gebed moet bij de Friezen lang in zwang zijn geweest als hezvveerings-formulier tegen „de witte wivenquot;. Bij ;Moli. , die tegen Royaards de waarheid dezer gebeurtenis verdedigt, wordt de literatuur over dit punt vermeld, Kcrkg., I, 373—375. Al dadelijk waren de Angelsaksers en Franken goed Katholiek, maar in den beginne hebben vele Germaansche volken de leer van Arius omhelsd
§ 8. In de zuidelijke Nederlanden vertoonde zich in den loop der elfde eeuw meer ketterij dan in de noordelijke gewesten. Deze toename
t
i
9
van ketters in het zuiden moot toegeschreven worden aan de opkomst der steden, de toename van handel, nijverheid en bedrijven, den grooten toevloed van reizigers en uitheemsehe werklieden. Het noorden bleef meer stationnair, lag meer bezijden de toenmalige verkeerswegen en ook was de taal een natuurlijk beletsel voor de uit het zuiden binnendringende ketterij.
In Jan. 1025 werden in Luik en Atreeht eenige volgelingen v;m zekeren uit Italië afkomstigen Gundulf ontdekt. Gkrardus, bissehop van de toen vereenigde dioecesen Kamerijk en Atreeht, voorkwam hun vlucht door ze gevangen te nemen en bewoog hen na een twistgesprek voor de synode tot afzweering van hun dwalingen. Doch daarna is de secte van Gundulf spoorloos verdwenen: het schijnt, dat zij niet tot de Manicheesche vereenigingen der middeleeuwen mag gerekend worden.
Bron; de acta bij Frkdf.ricq, Corp. Doc., I, i—5. Zie over Gundulf, Albr. Vogf,l in Herzog, Real-Encycl., V, 468—470. Zij beweerden genoeg te hebben aan de evangelische en apostolische geboden, door den meester hun medegedeeld, en wilden zich met woord en daad alleen aan die geschriften houden. Hun leer schreef voor; mundum relinquere, carnem a concupiscentiis fraenare, de laboribus manuum suarum victum parare, nulli laesionem quaerere, charitateni cunctis, quos zelus hujus nostri propositi teneat, exhibere. Zij hielden den dooi) voor onnoodig en gaven weinig om het sacrament, de kerkelijke penitentie, tie kerk, enz.
§ 9. Een antikerkelijke opschudding van meer ingrijpenden aard werd aangericht door den Vlaming Tanchklijn (niet Tanchiolm) , een welbespraakte leek, die sedert omstreeks 1109 in beslotene samenkomsten en gehuld in een eenvoudige monnikspij, later in het opene veld prachtig uitgedoscht en door een gewapende lijfwacht omstuwd zijn leeringen verspreidde. Hot begin van dezen avontuurlijkon demagoog, ,,dc Jan van Leiden zijner eeuwquot;, was beter dan zijn einde, toen dweeperij hem tot overdaad en onzinnige hoovaardij vervoerde,
Tanchklijn bestreed de hiërarchische inrichting der kerk en de waarde der sacramenten, zooals de priesters ze bedienden. Hij gaf zich zelf uit voor een buitengewoon godsgezant, begaafd met den heiligen geest. Zij, die hem aanhingen en zijn leeringen omhelsden, warende zuivere gemeente en dus der Katholieke kerk geen gehoorzaamheid en ook geen tienden schuldig. Veelvuldige omzwervingen in Vlaanderen, op Walcheren, in Brabant bezorgden hem grooten toeloop, een bewijs van den reeds ingewortelden afkeer van het bedienen der heilige sacramenten door ontwijde handen. Zijn voornaamste aanhangers waren de voormalige priester Evjorwaoheh en de smid Manasse, oprichter
10
van oen afzonderlijke afdeeling of gilde, bestaande uit twaalf mannen en 66nc vrouw, die als zendelingen rondtrokken. Ook deze werden natuurlijk evenals hun overdreven vereerde profeet naar toenmalige gewoonte van de grofste ontucht beticht. Omstandigheden van staatkundigen aard werkten er wellicht toe mede, dat Tanchelijn en zijn nasleep zoolang ongemoeid bleven in weerwil van zijn overmoed en luidruchtig optreden. Met die twee medestanders begaf bij zich om niet bekende reden naar Ti ome. Op hun terugreis in het voorjaar van 1112 vielen zij in banden van Frederik , aartsbisschop van Keulen, die over hen inlichtingen vroeg en ontving van het ütrechtschc kapittel. Tanctielt.in echter ontsnapte, hervatte zijn prediking en trad op te ErugRc. Door de inwoners in 1113 vandaar verdreven, werkte hij later te Antwerpen en Leuven. Een vervolging van graaf Dodkuied met don baard bewoog hom uit te wijken, vermoedelijk naar Holland, maar op die vlucht werd hij in een scheepje door een priester doodgeslagen in 1116.
Zijn aanhang bleef nog lang bestaan, vooral in de Scheldestad. Do priesters van do St. Micbaölskerk aldaar wisten in 1124 te bewerken , dat de begaafde stichter van do Prcmonstratenser kloosterorde den kamp togen deze befaamde ketterij ging aanvaarden. Het gelukte NonnniiT door dagolijksche prediking en na veel moeite do meeste afvalligen tot den schoot der kerk terug te brengen. Hij werd daarbij geholpen door de monniken van de nu te Antwerpen gestichte abdij zijner orde.
Toch leefde do loor van Tanctiem.tn nog voort: de elf Vlaamschc Catapbrygao of Cathari, die in 1163 te Keulen gegrepen en bij het Jodenkerkbof verbrand zijn, worden voor zijn aanhangers gehouden. Van lieverlede oebter loste zijn sectc zich op en verdween in den stroom der talrijke ketterijen van deze eeuw.
Bron: de brief uit Utrecht aan den aartsbisschop van Keulen en de vita Norberti; Fredericq, Corp. Do cum., I, 15—18, 40—43 en verder passim; H. Q. Janssen, Tanchelijn, Antw. iRfiy (prijsvraag der Acad. d\'archéol. de Belgique, 21\' reeks, dl. III); Pertz, Monnm. Germ. hist., Scriptor es, XII, 690, 691, vita Norherti; Bollandisten, Acta Sanctorum ad 1 funii; Caesarius v. Heisterüach, Dialog. Mirac., ed. 1851, I, 298; J. de Vries, in Kalender voor Prot. in Ned., 1862, p. 60 volg.; Moll, Kerkg., IT, tit, 42—59; Altmeyer, Précurseurs de la Réf., I, 19—23; Döllinger, Beitrdge zur Sekten-Gesch. des Mittelalters, I,
104—TIC,
N. B. De „ketterijquot; van den diaken FIubertus, die in 1080 bisschop was van Tenvaan en van zijn opvolger Lambertus in 1083, betrof andere ongeregeldheden. De zedeprediker Ramihrd
i
11
van Férin (Sherem), te Kamerijk in 1077 verbrand, werd later door niemand minder dan Gregorius Vil der. Groote van ketterij vrijgesproken. Ramihrd is dus geen aanhanger van Tancmfxijn, waarvoor Schmidt, //is/, des Cath., I, 47 en na hem Montijn, Gcsch. der Herv. in Ned. ,1,73 hem houden, zie Janssen , Janchelijn, p. 76, 77.
§ 10. Het optreden van Tancheli.tn valt samen met de verschijning van Katharen op Nederlandsehen bodem. Deze dualistische seete vnn Slavischen oorsprong had zich over Thracic, Bosnio en Italië naar Zuid-Frankrijk verspreid. Nog in de elfde eeuw bereikten zij Noord-Frankrijk, waar het overoude kasteel Montc Vimée (Montwi-iners) in Champagne twee eeuwen lang het middelpunt was, vanwaar zij bun loer en aanhang verspreidden. Do Katharen waren in verschillende groepen verdeeld, die ook weer elementen van andere ketterijen in zich opnamen of zich met andere secten vereenigdon.
Over de Katharen zie ook C. Schmidt in Herzog, Real-Encycl., VII in voce. Of Tanchelijn tot hen behoord heeft, is tamelijk twijfelachtig; dat zijn laatste aanhangers tot hen overgingen, is waarschijnlijk.
§ 11. De ketterij der Katharen drong de Belgische Nederlanden binnen vooral van den kant van Frankrijk. Zij vermeden openbare ergernis en plantten hun leeringen voort in geheime samenkomsten en godsdienstoefeningen. Dat zij vooral in do steden van Vlaanderen sterk vermenigvuldigden, staat in verband met don toevloed van vele wevers uit Langucdoc en andere werklieden, die in den regel tot een dezer secten behoorden. Zij vonden echter aanhangers bij alle standen, [n staat van beschuldiging werden gesteld: edelen, klerken, krijgslieden, boeren, maagden, weduwen, gehuwde vrouwen.
De twaalfde eeuw was hun bloeitijd, doch het schijnt, dat zij niet verder dan tot aan den Bhijn doorgedrongen zijn. Hoe meer die eeuw naar haar einde voortsnelde, des te vaker deden de bisschoppon pogingen tot uitroeiing van dit zoo sterk voortwoekerende kwaad. Doch de vervolging werd eerst recht ernstig en meer stelselmatig gedreven, toen geestelijke en wereldlijke vorsten de medewerking der Dominikaner orde inriepen. Vooral toen do paus in 1233 den Bredik-heer Robert, bijgenaamd le Bougre, omdat bij twintig jaren lang in Italië tot de Katharen behoord bad, tot inquisiteur over een deel van Frankrijk en geheel Vlaanderen benoemde. De meeste slachtoffers vielen in Frankrijk, inzonderheid bij de inname van bun centrum Montc Vimée in 1231), doch ook in de Vlaamsebe landen woedde de vervolging met ongewone kracht. Bloedige, voortvarende ijver
12
bezorgde den renegaat Rohertus den bedenkelijken eei\'ctitol Mallens hiicreticorum. Toch heeft misbruik van inquisitoriale macht hem eindelijk nog ten val gebracht omstreeks 1242.
De berichten over de Nederlandsche Katharen zijn onsamenhangend en komen uitsluitend van Katholieke zijde.
In 1145 werden in \'t bisdom huik aanhangers ontdekt van de seete, die zich „a Monte Guimariquot; in vele streken verbreidde.
In Vlaanderen werden zij meestal Pi])hili en Manicheers genoemd. In 1167 en 1190 werden daar Publicani of Populicani (afkomstig van de Paulicianen) ontdekt. Ook vindt men den algemeenen naam Cathari en Cataphrygae gebruikt.
Bijna altoos wordt hun groote ervarenheid in de heilige schriften, die zij „in Theutonicam translatasquot; bezaten, vermeld. Hun vertaling van het Nieuwe Testament week af van de Vulgata en was stellig ontleend aan een grondtekst van Oostersche afkomst. Bovendien verspreidden zij andere stichtelijke werken: in 1203 gebood de bisschop van Luik, dat aan hem alle Romaansche en Dietsche boeken, over de H. S. handelende, moesten worden uitgeleverd, In 1231 werden te Trier „tres scholas haereticorumquot; ontdekt.
Fkf.dericq , Corp. Docvni., T, 31—120, waarnaar Montijn, 1, 70—79 verbeterd en aangevuld kan worden. Bisschoppelijke vervolging der Katharen in 1182 in Atrecht, hevig in 1183 in Vlaanderen onder leiding van Willem, aartsbisschop van Rheinis. In 1229 gaf de bisschop van Luik verlof om een Dominikaner klooster te bouwen, kort daarna te Leuven en elders, tot verdediging van het geloof. Robert le Bougre is volgens sommigen door den paus afgezet en daarna tot levenslange kerkerstraf veroordeeld, volgens anderen in 1242 op last van den graaf van Toulouse aldaar onthoofd. Fredericq, p. in, 112, 115.
§ 12. Het werk van dezen geweldigen inquisiteur verwekte groote vrees, maar roeide de Katharen niet dadelijk uit. Onder deze vervolging, die vooral in 128() veel slachtoffers maakte, nestelden zij zich in Antwerpen, waar de overheid in 1241 de stichting vaneen Predik-1 icerenklooster tot uitroeiing van de ketterij noodig achtte. Daar stond een voormalige kiuiunnik Wiixkm Cohnkusz in \'t geheim aan liet bonl\'d der talrijke seete. Hij predikte o. a. armoede als middel tot vergiffenis van alle zonden. In 124S gestorven, werd eerst vier jaren later deze ketterij ontdekt en zijn uit do O. L. Vrouwe kerk opgegraven cadaver verbrand.
in do tweede helft van deze eeuw werd het getal der pauselijke inquisiteurs voor Frankrijk en omliggende landen al weer tot zes venneerderd. Langzanierhand worden tie seetcn van Katharen niet meer genoemd.
I
18
\'t Is mogelijk, dat Willem Cornelisz met zijn leer van alge-meene armoede onder de Waldenzen gerangschikt kan worden, doch de aanwijzing is te onbepaald, Fredericq, p. 120.
In 1235 en 1279 moest op de onkerkelijkheid van vele inwoners ven Iperen en omstreken de aandacht gevestigd worden. In 1256 werd een afzonderlijke kerkelijke belasting in het bisdom Kamerijk geheven wegens zware schulden voor kettervervolging met behulp van de wereldlijke macht. Den 15 Juli 1277 daagde de inquisiteur ^ Simon du Val twee kanunniken van St. Martinus te Luik voor
zijn gericht, doch zij waren reeds gevlucht. Fredericq, p. 140.
§ 13. Of zich in Nuord-Ncdcrland Katharen hebben genesteld, is onbekend: misschien behoorde do persoon, die in 1135 op last van keizer Lothakius te Utrecht verbrand werd, tot deze secto. De kluizenaar (inchisus) bij do kerk te Stitswcrd in Groningerland, die in 1234 na herroeping van do door hem verspreide blaspheiniën don vuurdood ontkwam, maar tot levenslange kerkerstraf in de abdij Rottum veroordeeld werd, stond in het geheel niet mot hen in verband. Toch komen in het Noorden enkele sporen van afdwalingen voor. In 12Ü3 werden door den bisschop Jan 11 van Zykik op een synode te Utrecht maatregelen tegen de ketterij in zijn dioeeese voorgeschreven. Ook in 1310, 1318, 1345 en 1353 werd weer daarover gehandeld, reeds in 1318 over bepaalde, hierna te vermelden kettersche verschijnselen. Over het geheel schijnt het, dat do landen benoorden den Rbijn minder daarmede waren bezocht.
Fredericq, p. 102, 148, 1S9, 204; Kronieken van Emo en Menko, ed. in Werken van \'t Hist. Gen. te Utrecht, nieuwe reeks no. 4, door Feith en Acker Stratingh, p. 127; Moll, Kerkg., II, ui, 66, 109, 112; Wybrands, De abdy Bloemhof te Wittewierum, p. 142.
§ 14. in het laatst van de dertiende eeuw verdwenen de Katharen, doch werden geheel vervangen door afwijkingen van anderen aard. Ue vrije kloostervereenigingen der Begarden vooral en ook der Begijnen werden allengs een kweekplaats van veelvuldige ketterijen. In ium meeningen uitten zich zoowel antielerikale zin als buitensporigheden van middelceuwsche mystiek. Reeds omstreeks .1277 werd het openbare prediken der Begarden en zoogenaamde Apostelen op de straten als verdacht verboden en zij kwamen evenals de Begijnen in kwaad gerucht. Hoewel meermalen Begijnen zich voor de inquisitie konden vrijpleiten van de verdenking tegen haar zeden en leeringen, bleven toch altoos vele geestelijke, zelfs pantheïstische dweeperijen en zeer vrije zedelijke begrippen ingang vinden in die kringen. Du gewone
14
ketternaam is voortaan Begarden. De kotters, die met dezen gemeen-schappelijken naam worden aangeduid, worden wel eens in twee hoofdgroepen onderscheiden, de Fratricellen en de Loiiarden, tot welke ook do Adamieten, Luciferianon, Turlupijns behooren. Natuurlijk is het nauwkeurige onderscheid hier bezwaarlijk nader te omschrijven.
De post in 1349 en andere volksrampen riepen zonderlingo mystieke verschijnselen in \'t leven, de Gceselaars of Flagellanten en later dc Dansers, waaronder zich eindelijk zóóveel geestdrijverij en anticlcrica-iisme openbaarde, dat overheid en geestelijken wedijverden in het onderdrukken van deze onstuimige bewegingen.
Hertog Jan I van Brabant nam in 1280 en 1285 de conventen van de Begarden te-Leuven, de Begijnen te Antwerpen en elders, die ten onrechte onder verdenking lagen, in zijn bescherming.
Guido 11, bisschop van Kamerijk, liet het zeer kettersche geschrift van een afvallige Begijn, Margareta Porrete van Henegouwen, verbranden. Zij zelf werd eenige jaren later door de inquisitie gegrepen en stierf op den brandstapel 31 Mei 1310 op de place de Grèvc te Parijs.
In November 1311 gebood paus Clemens V den inquisiteurs een onderzoek naar de ketterijen onder de Begarden en Begijnen in de Duitsche landen. Het onderzoek bracht veel kwaad aan het licht, maar ook dat niet allen schuldig waren, bijv. de Begijnen te Antwerpen 1323, die van het Elisabethshofje te Gent 1328, eveneens te Brugge, Aardenburg en Damme.
Fredericq, Corp. üocum., p. 144, 146, 155 vlg., 173 vlg. Zie verder inz. Moll, Kerkg., 11, n, 148—158; 111, 60, 87 vlg.; Gieseler, Lehrb. der Kirchengeschichie, 2l\' Auil., 11, 31\' Abth., 303—320j Mosheim, de Begardis et Beguinabus, Lips. 1790 en andere kerkhistorici.
ij 15. Onder de Begarden en Loiiarden waren zeer velen, die do loeringen van de sectc des Vrijen Geestcs omhelsden. Sedert het begin van de veertiende eeuw waren deze ketters zeer talrijk in de Kb ij Listreken en ook in de Nederlanden. Hun theoriën waren gebouwd op den grondslag van een pantheïsme, dat den uiensch „als een voorbijgaande phase van het wordingsproces der godheidquot; leerde beschouwen. Hun algemeen beginsel was, „dat de geest alleen vrijmaakt, cn waaide geest hcerscht, bestaat geen zondequot;. Zij wilden volkoinene emancipatie van liet vleesch. Zulke theoriën leidden allicht tot quietisme eu een al te vrije moraal. Tot bestrijding van deze onder de Begarden en Begijnen in zijn dioecese verspreide beginselen vaardigde Hicndkik. 1 van Vihneuuug, aartshisHchop van Keulen, in Kiüü een bevel uit, dat eindigde met het uitspreken van den ban over alle ketters. Aan het
15
hoofd dezor sccte stond to Keuion een priester Walther de Hollander, die hot aan zijn behendigheid te danken had, dat hij, hoewel schrijver van beruehte boekjes in do Uietsehe taal, lang aan do vervolging kon ontkomen. In 1322, volgens andoren later, werd hij te Keulen gegrepen en eindigde zijn zwerftochten op don brandstapel zonder iemand van zijn talrijke geestverwanten te hebben verraden. Deze Walther kan zijn ketterij op vaderlandsohen bodem hebben opgedaan, want ook diiar had deze secto reeds wortel goschoton.
Omstreeks 133(3 stierf in Brussel Hedwige of Hadevvijch Bloemaerts, een rijke vrouw uit een aanzienlijk geslacht, bij kerkhistorisciie schrijvers bekend onder haar populairen naam Bloemardine, wegens haar liefdewerken en den reuk van heiligheid bij de bevolking boog aangeschreven. Met andere vrouwen samen leefde zij in een soort van klooster zonder regel aan het plein bij de St. Gudulakork. Reeds sedeit vele jaren verspreidde zij door haar toespraken en geschriften de leer der Vrije Geesten on van een Seraphische liefde. Haar invloed bezorgde aan do secto grooton opgang. Daarom werd zij met des to meer volharding hevig bestreden door haar overbuurman, den beroemden Ruysbroeck, toen ter tijde priester aan de hoofdkerk. Hij noemde de aanhangers van deze vrouw „onwaardige boeven, onverstandige ezelsquot;, en verklaarde iiaar theorie van Seraphische liefde kortweg voor verkapte wulpschheid.
Over Walther zie Mosheim, deBegardis, p. 270—276; Moll, II, in, 64, 65; Fredericq, Corp. Docutn., p. 172.
Over Bloemardine zie Fredericq, p. 185—187; Moll, p. 65, 66; van Otterloo, Ruysbroecky p. 125 vlg. ef 319, 323; I\'aquot , Mém. pour servir a l\'hist. lilt. des 17 prov. des I\'ays Bas, Leuven 1765, I, 51 vlg. Tot dusver was zij slechts bekend door een bericht bij Henr. de Pomerio , De or tg. monasl. Viridis Vallis (in Anal. Bolland., IV, 286), geschreven in 1420. Wijlen de heer K. Ruelens heeft nadere berichten over haar persoon versameid, waaraan door middel van prof. Paul Fredericq hier mededeelingen zijn ontleend. J. Gerson in Tradalus de distinct, ver arum visionum a fals is (in Opera, 1489, I, stuk 19), spreekt van een Maria de Valentianas: op grond daarvan noemt C. Schmidt haar in Herzog, Jieal.-Encycl., XIII, 146 Marie Blomard van Valenciennes.
Terwijl sommige letterkundigen Bloemardine houden voor de „zuster Hadewijchquot;, welker gedichten in 1S75 te Gent uitgegeven zijn, meenen anderen in die „zuster Hadewijchquot; een Cistercienser non, die reeds in 1248 als priores van het klooster Hawières bij Luik gestorven was, te herkennen. Zie Jonckbloet, Gesc/i. der JSled. Letter k., 4\'\' druk, II, 271—284; dr. Jan te Winkel, Gesch. der Ned. Letterk., I, 287, 288. Vrouwe Bloemaerts liet bij den
16
dood haar woning na tot een gasthuis, dat nog bestaat. De zilveren stoel, dien zij bij haar onderricht en schrijven gebruikte, werd het eigendom van de hertogin van Brabant.
S Ui. Do scctc vim den Vrijen Geest, later ook wel de secla 1 lominuin inteliigentiae geheeten, bleef machtig cu bestond tot diep in do vijftiende eeuw. Vluchtelingen uit Noord-Duitschland vestigden zich in dc Uhijnlandcn, Brabant en Holland in zoo grooten getale, dat in 1373 paus en keizer strenge maatregelen daartegen voorschreven. In 1411 werd to Brussel een vervolging ingesteld tegen de nog zeer menigvuldige en woelige aanhangers der leeringen van Bloemakdine : de beide hoofden der secte Aegiwus Cantor on Wiixicm van Hil-dernissem, oen Karmelieter, werden door het kettergericht tot herroeping van hun dolingen en tot boetedoening veroordeeld.
Ook in Noord-Nederland was deze secte doorgedrongen. Zij had in de veertiende eeuw vele aanhangers met name in Gouda, waar de Lollard Mieuwes of Mattuabüs aan het hoofd stond, onder de monniken van het Augustijner klooster te Dordrecht, in Kampen, Zwolle en\' Woudrichem, waar broeder Babtholomeus uit het beruchte Dordtsche klooster vele aanhangers won. Met groote hevigheid trok Gebkiï Gkoot tegen dit kwaad te velde en hij rustte niet, voordat „die onwetende vos en leugenachtige, wanstaltige bestiequot; Barïholomeus door het geestelijk gericht te Utrecht omstreeks 138Ü tot de schande van het kettermerk op zijn kleeding veroordeeld was. Het lijk van den Lollard Mieuwes werd op last van den bisschop Floris van Wevelinckhoven opgegraven en tot pulver verbrand. Ook broeder Johannes, die te Kampen, Zwolle en Zutfen zich aanhangers zoeht te maken, werd door Groot, den Ketterhamer, tot zwijgen gebracht. Li Kampen, waar deze leer door den ijver van den wondheeler Ger-imand vooral in bloei was gekomen, ondervonden de voorstanders van den kotter ver volger de onaangename uitwerking van zijn inquisitoriaal optreden. Zijn vriend, de rector Wernerus Keynkamp, werdo.a.dooiden raad uit de stad verbannen on de Kampenaars sloten zich aan bij do partij, die het er op toelegde den gevreesden redenaar het recht tot prediking te ontnomen.
Acquov, Gerardi Magni epp. p. 27—52; Fredericq, Corp. JJocum., 225, 239—251, 266—279; Moll, Kerkg., 11, m, 67—72; Acquov, Windesheim, I, 59—42; Moll, Geert Groote de Ketterhamer in Stud, en Bijdr., j, 243—346.
Waarschijnlijk moeten onder deze of dergelijke secte ook gere kend worden de „Turlupijnenquot;, die omstreeks 1465 te Rijssel in handen van de inquisitie vielen en bleken te behooren tot tie secte
van den heremiet Alphonsus v;in Portugal, die daar in 1459 verbrand was, Fredericq, Corp. Docunt., p. 341, 411.
Onder de ketters van het Noorden worden doorgaans ook nog genoemd Kpo van Haarlem en Herman van Naarden, die in 1458 hun leeringen herriepen. Doch zij verdienen op een andere plaats gesteld te worden, zie § 49.
Ook Herman van Rijswijk, die reeds in 1502 tot eeuwige kerkerstraf veroordeeld was, daarna ontsnapte, in 1515 weer gevangen werd en door den beruchten Jacoh van Hoogstraten geoordeeld, in den Haag aan de vlammen werd geofferd. 1 )eze is veeleer een sceptische humanist, „een voorlooper der Libertijnenquot;, Moll, Kerkg., 11, m, 105—108; Fredericq, Corp. Docum., p. 501—503.
§ 17. Do volgende tijden brachten op godsdienstig gebied gewichtige verschijnselen, waardoor enkele redenen voor den opgang van vele ketterijen wegvielen: de geest der devotie, de eerste werkzaamheid van de Broeders des gemeenen levens. Daardoor werd o. a. voorzien in de behoefte aan openbare prediking, aan bijbelscbe en stichtelijke lectuur in de volkstaal.
De vraag staat nog open, of Waldenzen tot de Nederlanden doorgedrongen zijn en er vereenigingen gesticht hebben. Omdat de naam tot nog toe alleen voorkomt in liet beruchte en schandelijke proces tegen de ongelukkige zoogenaamde Waldenzen te Atrecht in 1459— 1401, die later bleken onschuldig veroordeeld te zijn, en omdat alle ketterse]ie geschriften van dien tijd wel vernietigd schijnen, moet de vraag onder deze omstandigheden ontkennend beantwoord worden. Het ontbreekt derhalve aan alle zekere gegevens voor de boweering, dat Waldenzen in Noord- of Zuid-Nederland ingang hebben gevonden. In deze eeuw wordt doorgaans geen andere dan de algemeene naam ketter gebezigd. Alleen op de jaren .1421 en 1430 worden in het Zuiden aanhangers van Wiclhi.\' en Huss vermeld. In 1118 werd Johannes van Alkmaar, een geestelijke van het bisdom Utrecht, te Constanz voor bet concilie gedwongen tot afzweering van zijn betoog, dat den kerke-lijken het bezit van wereldlijk gezag en goederen moest worden ontnomen, opdat zij zich met meer ijver aan hun geestelijke bestemming zouden kunnen toewijden.
Opmerkelijk is het, dat in deze eeuw vooral tegen het laatst zoo-velen gestraft moesten worden wegens blasphemic togen God, de heilige Maagd, het heilige Sacrament. Dat hierbij doorgaans aan ruwe schimptaal en niet aan Vauderie gedacht moet worden, blijkt genoegzaam uit de betrekkelijk lichte straf tegen dit vergrijp. igt;. Ruitsma, Ke.rkge.uh. 2
18
Vele oudere schrijvers beweeren, dat de Waldenzen zich wel in de Nederlanden vertoond en gevestigd hebben. Dit moet echter niet niet redeneeringen maar met historische bewijzen gestaafd worden. In de noordelijke gewesten is vrij zeker geen spoor van hen te vinden, Moll, Kerkgesch., II, in, 55. Over de meeningen van de Doopsgezinde schrijvers zie Blaupot ten Gate, Gesch. der Boopsgez. in Friesland, p. 4—12, die zelfs de Katharen met Waldenzen verwart evenals Altmeijer , Précurseurs ,1,54 vlg.
De mogelijkheid blijft nog bestaan, dat zij zich in de Waalsdie gewesten, ook wegens de taal voor hen beter toegankelijk, sporadisch hebben vertoond. Omstreeks 1510 werden vier „wadoizesquot; uit het graafschap Namen verbannen en een paar jaren later werd daar een „wauldoisequot; gepijnigd en verbrand. Fredericq, Corp. Do cum., p. 500, 512. Over het proces te Atrecht, p. 345—361, 3Ö7—39^ gt; 460—483; over Hussiten ib. p. 302, 303, 313. Over Johannes van Alkmaar ib. p. 297 en de verhandeling van Moll in Stud, en Injdr. III, 1—25.
De gewone straf voor lastering was geeseling en tepronkstelling met een ijzeren priem door de tong gestoken.
HOOFDSTUK II.
devotie en mystiek.
A. A. van Otterloo, Johannes Ruysbroeck, diss., Amwt. 1874.
W. Moll, Joh. Brugman, 2 dl., Amst. 1854.
J. G. R. Acquoy, Hel klooster te Windesheim, Sell., Utrecht, 1875—1880.
J. J. Altmeijer, Les Précurseurs de la réforme aux Pays-Bas, 2 dl., den Haag, 1880, inr. I, 93—125.
§ 18. De veertiende eeuw was gekenmerkt door een opwekking vim het godsdienstig gevoel en leven, die machtiger en veel uitgestrekter invloed heeft uitgeoefend dan de willekeurige en vaak fantastische theoricn van Katharen en allerlei andere kettersche vrijgeesten. Het overzicht over het streven der Nederlandecho devoten heeft recht op een plaats in de geschiedenis van de voorbereiding der Hervorming. Aanvankelijk een soort van godsdienstig reveil droeg de devotie steeds een zuiver Katholiek, kerkelijk karakter. Mot uitzondering van sommigen, die door het streven naar zelfstandige, stichtelijke vroomheid in vijandige aanraking met do kerk en zelfs onder de verdenking van ketterij kwamen, overschreden de devoten evenmin als de Neder-landsche mystieken de grens, waarbinnen het Katholicisme vrijheid van denken en spreken gedoogt. Toch strooiden zij op den bodem, dien zij bearbeid hebben, zaden uit, die vruchten zouden dragen, welke der Hervorming te goede zijn gekomen.
De devotie is een belangrijke schakel in den keten, die uit de middeleeuwen tot de Hervorming reikt. Voor Nederland kan de reeks van geleidelijken overgang vastgeknoopt worden aan de namen; Ruvshrgeck, Gerrit Groot, de Broederschap des ge-meenen levens, Wessel Ganskoorr en de Nederlandsche humanisten , Hervorming.
§ 19. De naam „moderne devotiequot; dagteekent uit den tijd van Gerrit Groot. Het verschijnsel zelf bestond en openbaarde zich echter steeds vroeger. Togen de veertiende eeuw namen de lust on
\'20
neiging tot ccn „ynnich lovenquot; zeer krachtig toe. Deze eeuw en ook (ie volgende waren tijdperken van groote ellende, bloedige twisten, volksrampen, hongersnood en boosaardige ziekten, waarbij de behoefte aan hervorming van den inwendigen menseh sterk op den voorgrond trad. Die zich daartoe bekeerden, worden aangeduid als de „devote», de hervormde inenschen, de innige, stichtige menschcnquot;. Zoowel bij geestelijken als vooral bij roligieusen (kloosterlingen) maar ook leeken van allerlei rang in ons vaderland en omstreken vond deze eigenaardige opvatting van het godsdienstig loven veel ingang.
Over den naam moderna devotio of nieuwe devotie, waarvoor het echt Dietsche woord „ynnicheitquot; is, Acquoy, Windes he im, 1, 325, III, 238. Zie ook Moll, Brugman, I, 20 vlg.
§ 20. De devotie in haar eigenaardig karakter staat in nauw verhand met do mystiek der middeleeuwen. Onze devote vaderen waren li ij na allen in meer of mindere mate mystici. Do grenslijn tusschen deze twee is bezwaarlijk met juistheid te trekken: heide vloeien moestal ineen. De devotie is het kind, dat do mystiek gebaard heeft en daarna zonder zijn afkomst te verloochenen een éigen weg van ontwikkeling heeft afgeloopon. Er moet dus onderscheid gemaakt worden tusschen do twee perioden van mystieke on practische devotie: de eerstgenoemde is de oudste phase van het verschijnsel.
Even moeielijk is het een tijdstip te bepalen, waarop bij de devoten het bespiegelende element in hun streven meer plaats maakte voor hot practisch-religieuse. Gerrit Groot vereenigt in zich beide richtingen en vormt den overgang; tie Broederscnap des gemeenen levens heeft die grens reeds overschreden. Bij de Windesheimers heeft de devotie het langst haar mystiek element behouden.
§ 21. Tegenover de mystiek (het zich verdiepen van den geest in hel absolute en het gevoel van onmiddellijke voreeniging van den menseh mot den Oneindige), zoowel de speculatieve als religiousc, is de grondtrek van hot streven dor devoten practisch godsdienstig loven en Christelijke vroomheid te wekken. Deze godsdienstige richting toch was ontstaan uit do dringende behoefte aan een tegenwicht tegen (It^ lichtzinnigheid, ruwe, slechte zeden on vele zonden dor toenmalige wereld zoowol om tot rust te komen voor zich zelf als ook tor opwekking van anderen om te zorgen voor hun eeuwige behoudenis.
Devotie, vrij van mystieke contemplatie, is beoefoningsleer, de practische methode om te geraken tot do „horvormingquot; van don zodolijkcn menseh, de leer van den weg der Christelijke volkomen-beid, die ton hemel leidt.
21
Als type van practische devotie kan worden verwezen naar het sermoen van een onbekenden schrijver uit het midden der 15\'\' eeuw getiteld: „Hoe dat die votcomcn bekeringhe gheleghen is in drien dinghenquot; (zelfverzaking, dragen des kruises en navolging van Jezus). Dit sermoen is gedrukt als bijlage V in Moll, Joh. Brugman, I, 250—258, toegelicht ib. p. 33—37.
Omdat hier van een eigenlijk systeem geen sprake kan zijn, is de vraag naar het wezen der mystiek moeielijk te beantwoorden. Vergelijk met bovengen, bepaling en onderscheiding E. A. Borger, Be Myslicismo y in dl. XXVI der Verhand, van Teylers Genoot-schap en afzonderlijk uitgegeven 1820 \'s Hage. Een uitstekende beschrijving en psychologie van het mysticisme geeft Oïtkrloo, Ruysbroeck, p. 17—37.
§ 22. Devotie is echter niet alleen beoefeningslecr. Zij neemt biuir oorsprong in de mystiek en bestaat in bet streven naar vrome toepassing van de roligieuse gedachte, opgewekt door mystieke bespiege-ling, geheel overeenkomstig met den praetischen trek van het volkskarakter.
Wanneer bij devoten liet bespiegelende element racer op don voorgrond treedt, dan wordt het schouwende loven voor den hoogsten trap van „suvere gheestelicheitquot; en volkomenheid gehouden en hooggeschat. De kenteekenen daarvan worden gevonden in zinsverrukkingen, visioenen en hot hooren van stemmen uit den herael of do hel. Omgekeerd is de invloed dor devotie op de mystiek ook merkbaar: de oudere mystiek heeft voel speculatiever karakter dan do latere, die meer zuiver religieus wordt.
Als toonbeeld van mystieke devotie kan gelden een tractaat van den Windesheimer reddiet en schouwer Hendrik Mande (geb. c. 1360, gest. 1430), „Een boecskijn van drien stalen eens bekierden mensche, dairin begrepen is een volcomen gheestelic levenquot; (het werkende, geestelijke, schouwende leven). Dit werkje is gedrukt als bijlage VI in Molt,, Joh. Brugman, I, 259—292, toegelicht ib. p. 41—44. Mandk schreef twaalf devote boekjes, allen in de volkstaal. Zie over dezen merkwaardigen devoot Moll, Kerkg., 11, iii; 366, 367 en elders; Acquoy, Windesheim, I, 260 vlg.
Ook hier evenzeer als in het boven gemelde sermoen wordt bekeering voorgesteld als voortdurende verbetering van zin en levenswandel, nooit als de plotselinge ontdekking, dat men hel bijzonder voorwerp is van de goddelijke genade.
§ 23. Niet altoos waren de drijfveeren, die zoovele duizenden bij hun bekeering be/ieldon, van zuiveren of verheven aard. Daar school voel angst voor hol en eeuwige verdoemenis, veel werkheiligheid en
22
geestelijke hoogmoed, voel sentimentaliteit onder. Ook onderscheidden zij zich maar al te veel door zonderlinge uiterlijkheden en ijdele, soms overdreven strenge ascese. Doch bij alle ziekelijkheid en overdrijving, die deze richting eigenaardig aankleefde, verdienen de devotcn gekend en hooggeacht te worden als bewaarders van heiligen ernst, van opgewokten en opwekkenden zin voor practisch christendom in een wereld en in een kerk, waar „Satanas meer discipelen had dan Christusquot;.
De invloed der devotie heeft zich doen gevoelen in drie richtingen, nl. tot reformatie van het kloosterleven, in de oprichting van de Broederschap van Gebrit Groot en op het volksleven.
Over de onderscheidene drijfveeren der bekeering bij de devotcn Moll, Joh. Brugman, I, 26—31, over hun zonderlinge uiterlijkheden en de schaduwzijde van hun streven, p. 50 vlg. Acquov, Windes he im, II, 382 en passim.
§ 24. Dc rij wordt geopend met Jan van Ruysbboeok , den doctor ecstaticus, vader der Ncderlandsche mystiek, geboren 1294 in een Brabantsch dorp niet ver van Brussel. Sedert zijn elfde jaar opgevoed le Brussel ten huize van een bloedverwant, den kanunnik Jan Hincart, werd hij na de priesterwijding in 1318 spoedig kapellaan aan de St. Gudulakerk. Reeds als jongeling had hij een overwegende neiging tot het schouwend leven in zoodanige mate, dat er een roep van buitengewone heiligheid van hem uitging. Van zijn langdurig verblijf te Brussel is weinig meer bekend dan zijn strijd tegen Bloemardine en haar aanhang. Vrij zeker heeft hij daar de meeste zijner geschriften gesteld. Eindelijk legde hij zijn betrekking neer en vestigde zich in 1354 met eenige vrienden bij de kluis Groenendaal (Viridis Vallis) in het beukenbosch van Soignies, waar zij vijf jaren later oen klooster voor Reguliere kanunniken oprichtten onder Franco als proost cn Ruysbroeck als prior. Daar leefde hij in bespiegeling en extase tot aan zijn dood den 2 December 1381, als een toonbeeld van echte kloosterheiligheid en innige, rijke devotie. Zijn uren van afzondering in de stilte van bet woud waren ook bier de aanleiding, dat bij de pen opvatte en nog een aantal werken stelde.
Bron; Henricus de Pomerio, Lib er de origine mon. Viridis Vallis in Annales Bolland., IV; het levensbericht door een onge-noemden Regulier gesteld en opgenomen voor de latijnsche editie van Ruysbroeck\'s geschriften door SuRius te Keulen 1549.
Hoofdwerk is van Otterloo\'s voortreffelijke dissertatie. Verder verdienen vermelding: C. Schmidt\'s artikel in Herzog , Real-Enc. in voce; Engelhardt , Richard von St. Victor und J. Ruysbroeck,
23
Erl. 1838; Ullmann, Reformatoren vor der Re/., IT, 35 vlg.; Böhringer, Die Dentschen Myslikcr des 14 und 15 Jahrh., |). 462 vlg. ; Altmei/er, Précurseurs, I, 93—125. De beste editie van Ruysdroeck\'s werken is bezorgd door prof. J. li. David te Leuven, in zes deelen, 1857—1869.
Ruvsbroeck schreef alles in het Dietsch. Zijn schoonste werk is de Chierheit der gheesteleker Bruloeht in drie boeken, waarin gehandeld wordt over het werkende, het innige en het schouwende leven. Bewaard zijn gebleven twaalf geschriften van verschillenden omvang en nog vier alleen in het Latijn bij Smuus.
§ 25. Zoowel door zijn geschriften als door zijn persoon oefende Ruvsbbobck grooten invloed uit. Hij genoot do achting van de meeste mystieken van zijn tijd. Met Tauleb en de vromen nan den Rhijn stond hij in betrekking. De roem van zijn heiligheid en wijsheid trok scharen van bezoekers naar hot door hem vermaarde klooster. Gekbtt Ghoot bezocht hem daar bij herhaling cn droeg hom ongeveinsde vereering toe. In Viridis Vallis zelf vormde zich om den door God bezielden schouwer cn schrijver een kring van leerlingen: \\Vim,km Jordaens, gestorven 1372, die drie hoofdwerken van den meester in het Latijn vertaalde; de zeer strenge asceet Johannes van Leeuwen, kok van het klooster, gestorven 1377; de Leuvenaar Johannes Stevens; Johannes van Schoonhoven, de steller van het Libellus contra Johanncm Gerson. Ook deze waren auteurs van verscheidene mystische en devote geschriften. Bij de Nederlandscho mystieken zooals de Windesheimers Hendrik Mande, Gerlach Peters, de Minoriet Hendrik van Herp 0. a. was de invloed van den ziener van Groe-nendaal overwegend.
De werken van Ruvsbroeck werden in \'t Latijn vertaald, soms onder zijn toezicht, omdat het Dietsch de verspreiding bemoeielijkte. Ook Groot leverde een nauwkeurige vertaling van drie geschriften. Het Libellus contra Joh. Gerson, 1406, bevat een verdediging, die den beroemden Parijschen geleerde tot gunstiger oordeel over R\'jvsiïrokck bewoog. Het eerste bezoek bracht Groot te Groenen-daal met zijn vriend, den geleerden Johannes Gele, schoolrector te Zwolle. Zijn omgang met den vromen prior wekte het denkbeeld tot stichting van een dergelijk Regulierenklooster, dat echter eerst na zijn dood door zijn vrienden verwezenlijkt werd.
1 1
§ 26. Hebben dc werken en persoonlijke invloed van Rüysbroeck krachtig bijgedragen tot dc opkomst der devotie, reeds vroeg waren de Nederlanders bekend met de Zwitzcrscho en Rhijnlandsche ver-eenigiug der „Gottesfreundequot;, waarvan Nicola us van Basel, geboren
24
omstreeks 1308, do stichter en het eerste hoofd is geweest en die naar een vroom, bespiegelend leven vrij van kerk en geestelijkheid streefde. Tot dien stillen bond behoorden Taui.eu, Suzo, Rulïïman Merswin e. a. Rüysbrokck zond bon in 1350 zijn Geestelijke Bruiloft. Zij spreken zelf „von unser grossen freunden von Niderlandquot;. Het boek van Merswin (gest. 1382) „Von den neun Felsenquot; was in liet. Dictsch vertaald en werd veel gelezen. Ook een verkorte bewerking daarvan bestond reeds in 1352 onder den titel „Dat boeek van den Oorspronek\'\'.
Nicolaus van Basel wordt gehouden voor den geheimzinnigen, ongenoemden persoon, den „genaderijken leekquot;, die zich steeds in het duister terugtrok, maar zulk een onbeperkte vereering genoot bij de Godsvrienden, vooral Tauler. Over dezen bond zie de verhandeling van van der Kemp bij Moll en de Hoop Schkkfeu , Stud, en Bijdr., I, 258 vlg., vooral p. 279. Het Boeck van den Oorspronek is uitgegeven niet naar de oudere, maar naar een vrij late bewerking in de Vrije Fries, XV, 121—263.
§ 27. De groote zedelijke herleving, die deze beide eeuwen kenmerkte, vond aanvankelijk den meesten weerklank bij kloosterlingen. Geen wonder, want het begrip van godsdienst en christelijk leven werd toenmaals nagenoeg geheel vereenzelvigd met religio, d. i. orde-leven. Menig klooster was niet alleen de wijkplaats voor hen, die een „ynnich levenquot; wenschten te leiden, maar ook het centrum van deze hervorming.
In de geschiedenis der devotie bekleeden de Karthuizer kloosters een belangrijke plaats. In Nederland waren tien van deze gestichten: het eerste 1331 opgericht bij Geertruidenberg, liet tweede 1342 Munnikbnizen bij Arnhem, het derde 137B te Roermond, latere te Delft, Zicrikzee, enz. Onder de monniken dezer orde, waarin een ernstige en bijzonder strenge geest bleef heerschen, waren velen, die door hun geschriften do devotie bevorderden. Bovendien hebben zij allen bundels sermoenen en homiliën nagelaten.
Over ile Nederlandsehe Karthuizers zie Moll, Kerkg., H, tt, 118 124 en passim; Acquov, Windesheim, I, 22—30 en passim. Vermelding verdienen vooral: in de 14° eeuw Hendrik A eg uk van Calcar, geb. 1328, gest. 1408, prior van Munnikhuizen, een merkwaardig man, vriend van Gkruit Groot en leidsman van Thomas a Kempis; in de 15quot; eeuw de beroemde Dionvsius van Leeuwen (Dionysius Carthusianus), geb. te Keulen 1392, gest. als prior te Roermond 1472, een groot geleerde, die scholastieke studie en mystiek op gelukkige wijze vereenigde, zeer vruchtbaar schrijver.
25
§ 28. Behalve door de neiginp; om zich in een klooster te begeven heeft de geest der devotie zich ook nog in twee andere richtingen werkzaam hetoond, nl. in talrijke pogingen tot reformatie van het ordeleven en in liet oprichten van nieuwe klooster\'ereenigingen. De ruwheid, de losbandige of wereldsche zeden, het soms schandelijke leven in de kloosters der meeste orden wekten den afkeer van alle weldenkende vromen.
Het verdient zekerlijk de opmerking, dat de veertiende en vooral de vijftiende eeuw gekenmerkt zijn door vele proefnemingen tot verbetering te dezen aanzien. De rechtmatige en openlijk uitgesprokene ergernis van alle devoten werkte daartoe krachtig mede. Die kloosterreformatie bestond in een tijdelijke herstelling van den oorspronkelijker! eenvoud en de strenge regelen der orde.
In 1408 werd Avlard Fockens, vroeger abt van Feldvvirth bij Appingedam, door den paus benoemd tot visitator van de Benedictijner kloosters in noordelijk Nederland om daar het leven te reformeeren.
Abt Boyng van Menterne in Groningerland en later van Ter Y!e bij Aurich, de hervormer der Cisterciönsers van Noord-Nederland, bevorderde in 1417 de oprichting der congregatie Sibculo.
Tn 1439 vestigden zich de eerste Observanten (hervormde Fran-riskanen) te Gouda, weldra op vele plaatsen. Brugman oefende hierop grooten invloed.
Bij de Dominikanen ontstond sedert 1444 van Rotterdam uit de Hollandsche congregatie.
Vele Benedictijner kloosters sloten zich aan bij de in 1440 gestichte Bursfelder vereeniging, die zeer door den AVindesheimer Johannes Busch bevorderd werd.
De kardinaal Nicolaas de Cusa, pauselijk legaat, doorreisde in 1450 en 1451 Nederland, vergezeld en bij zijn verbeteringsplannen gesteund door Dionvsius den Karthuizer.
Belangrijk is het werk van Johannes Busch, Dc reformalionc monasterioritm. Zie daarover en over zijn uitgestrekte werkzaamheid Acquov, Windesheim , I, 289—325.
De geschiedenis van bijna alle monnikorden en kloosters blijft echter „ein bestandiger Kreislauf zwischen Verderben und Reformation urn aufs Neue zu verderben und abermals reformirt zu werden.quot; Men wierp tegen dat telkens insluipende verval der zeden een dam op door steeds strengere regelen, steeds harder ascese zonder afdoend gevolg. Dr. G. Uhutorn, \'Thorn, a Kempis, einVortrag, Stuttgart 1866.
§ 29. Ook zijn op Nederlandschcn bodem enkele nieuwe klooster-vereenigingen opgericht met het doel tot bevordering en bewaring
26
van het devote loven, zooals liet kapittel van Windesheim, de kleine congregatie Sibculo, hot kapittel van Sion. Geheel nieuwe, op een ander beginsel steunende scheppingen waren de vereeniging der Broederschap des gemeenen levens en eenige daarmede nauw verwante gezelschappen van devoten.
Over Windesheimer kloosters, fraterhuizen en Gerardinen, zie Hoofdstuk III, dat als vervolg van dit hoofdstuk kan worden beschouwd.
De kroniek van Sibculo en eenige documenten betreffende de stichting dezer congregatie zijn bewaard in van Heussen , Historici cpiscopatuum fncd. Belgii, II, 145—153, vertaald door van Rijn in Oudh. en Gest. van 7 bisdom Deventer, II, 241—283; Over-ysselsche chronycke in Dumüar, Anal., II, 382—385, verder Revius, Davent. fllustr., p. 91 en Lindknijorn, Hist. Episc. Dav.
Over de kloostervereeniging Sion zie Römer, Kloosters en abdijen in Holland en Zeeland, I, 369—-488; Acquov, Windesheim, 11, 33—43-
gkkkit groot mn zijn stichtingen.
Acquoy, Het klooster te Windesheim en zijn invloed, 3 lt;11., 1875, 1WH, 1880, cn Oerardi Magni epistolae XIV.
Moll, Kerkgesch. en Joh. Brugman, 2 dln.
G. TT. M. Delprat, Verhand, over de broederschap van G. Qrooie en over den invloed der Fraterhuizen, le ed. Utrocht 1830, 2e verbet, cd. Arnhem 1856.
Ullmann, Reformatoren vor der Bef., 2o deel.
K. Hirschm, Brüder dets gemeimamen Lebens, in Hekzog, RealrEnc., II, 678—7(50.
Kist en Royaards, Archief voor Kerkgeach. inz. van Ned., dl. I, II, III, VI, VIII, XVIII.
Altmeijer, les Précurs. de la Bef., I, 125 vlg.
G. H. J. W. J. Geesink, Gerard Zerbolt van Zutfen, diss. 1879.
G. Bonet-Maury, Gerard de Groote, un précurseur de la Réforme, Paris 1878 en De opera scholastica fratrvm vitae comm. in Neerlandia, ib. 1889.
§ 30. De meest overwegende persoonlijke invloed werd op de Nederlandsche devotie uitgeoefend door Gerkit Groot (of de Groote) een man van beteekenis, type van de vroomheid van zijn tijd cn daarvan de toongever nog lang na zijn vroegen dood tot diep in dc volgende eeuw. Twee belangrijke stichtingen, beide vruchten van denzelfdcn stam, de moderne devotie, droegen den stempel van zijn geest. Hij openbaarde in zijn leven en persoonlijkheid de beide trekken zoowel van streng ascetische vroomheid als van practischen zin. In dit opzicht vormde hij den overgang tusschen twee perioden in do geschiedenis van de Nederlandsche mystiek en devotie. Het overwegend speculatieve of mystieke element werd langzamerhand meer op het werkelijke leven gericht. Het schouwen trad op den achtergrond, de beoefeningsleer meer op den voorgrond. Onder den door hem krachtig bevorderden cn zich ontwikkelenden letterkundigen en
wctcnschappelijkcn zin werd de ascetisclie strengheid gematigd, do mystiek beteugeld en de weg gebaand tot gezonde, levenskrachtige vroomheid.
Over den naam Groot of de Groote zie Acquoy, Win/lesheim, 1, 18, noot i.
Groot is een kind van zijn tijd. Hij worde niet voorgesteld als zelfbewust baanbreker voor meer vrijzinnige geloofsdenkbeelden. Hij was niet alleen trouw zoon der kerk maar zelfs een vurig ijveraar tegen elke afdwaling van de overgeleverde leer en ketterbe-strijder, zie § 16, Zijn ascese en geringschatting der wereld droegen het zuivere karakter van middeleeuwsche vroomheid. Maar door practischen zin en nooit verflauwde liefde voor de wetenschap bleef zij vruchtbaar voor het leven en lag in het door hem gewekte streven een groote toekomst.
ij 81. Geboren te Deventer in October 1340, zoon van den rijken magistraatspersoon Werner Groot en Hevlwio van der Bassei.en, genoot hij zijn opleiding op de scholen in zijn vaderstad, Aken en Keiden. Tc Parijs, waar hij sedert 1355 eenige jaren studeerde, haalde hij den magisterstitel en verwierf den naam van veelomvattende geleerdheid. Later bezocht hij Praag, het pauselijk Avignon, Keulen en legde zich daar toe op do beoefening van allerlei wetenschap en het versameien van boeken. Toen nam hij, door de natuur en de fortuin beide begunstigd, nog behoorlijk zijn aandeel in de meer woreklsche genoegens dos levens.
Hierin braebt een ontmoeting met zijn ouderen vriend, prior Hen-duik van Ca?.car oen volslagenc omkeering te weeg. Door een ernstig onderhoud te Utrecht 1374 tot nadenken gebracht, deed bij afstand van alles, wat hij als weroldsch veroordeelde, en legde zich onder zeer strenge ascese do taak op om zich alleen aan God en goede werken te wijden. Grooten invloed bad op hem de verhevene ziener Uiiyshrohck , dien bij in Groonendaal leerde kennen en vercoren. Ton laatste zocht Groot zelfs de afzondering in Munnikhuizcn, het klooster van zijn vriend van Cai.cak, maar na twee jaren van harde zelfkastijding, vroom gepeins en studio gaf hij gehoor aan don aandrang dor Kartbuizers om zijn groote gaven ten behoeve van de wereld dienstbaar to stellen.
De bronnen en zeer uitgebreide literatuur over Groot worden opgegeven bij Acquoy, Windesheim, 1, 15, noot 3. Over Hendrik Aeoer, naar zijn geboorteplaats gewoonlijk van Calcar genoemd, zie ib. p. 23, 180. Zijn bezoek of bezoeken aan Ruys-uroeck moeten hebben plaats gehad na zijn bekeering, derhalve tusschen de jaren 1574 en 1577.
2»
§ 32. fn 1379 naar Deventer teruggekeerd, rirhttc hij zijn woning in tot verblijf voor vrouwelijke tlevoten, het Meester-Geertshuis, waarvoor hij een levensregel opstelde. Om volgens kerkelijke statuten het recht tot prediking te verkrijgen liot hij zich tot diaken wijden cn kroeg van bisschop Flouis van Wevelinkhovkn de vergunning om overal op to treden, waar hij verkoos. Toen begonnen zijn zvverl-tochton als prediker. Voor geestelijken sprak hij Latijn, voor het volk gebruikte hij de landstaal, het eerst te Amsterdam. Zijn sermoenen in den stijl van een niets sparenden boetegezant maakten diepen indruk in steden en dorpen. Tal van personen zeiden de wereld vaarwel en wijdden zich aan het leven dor dovotcn in vrijwillige onthouding ol\' achter kloosterwanden. 1 lij bestreed de volksgebreken van zijn tijd, do grove zonden der geestelijkheid, en vooral de ketterijen der vrije geesten. Zijn rusteloozo ijver on gevreesde welsprekendheid bezorgden hem veel tegenstand. De regeering van Kampen on vele geestelijken, die zich door hem aan tie kaak gesteld, boloedigd of benadeeld achtten, wisten te bewerken, dat de bisschop de bijzondere volmacht om te prediken weer introk. Zoo werd do gevierde en vurige redenaar in 1383 gedwongen tot het private leven terug te koeren.
De statuten van het Meester-Geertshuis, het eerste gesticht van devoten des Genieenen Levens, 23 Juli 1379, bij Dumuar, Kerkel. en wereldl. Deventer, 1, 549 vlg. Reeds in 1374 had hij dit huis afgestaan aan vrome armen, terwijl hij zelf slechts een klein gedeelte bleef bewonen. Zijn gemoedsbezwaar tegen het priesterschap was zoo sterk, dat hij alleen den kigereu kerkdijken rang van diaken durfde bekleeden. Als redenaar sprak hij voor de vuist. Daaraan is het toe te schrijven, dat slechts weinige sermoenen bewaard zijn gebleven. Zie daarover Acquov, Windesheim, 1, 33, 34. Hij predikte behalve te Amsterdam op de hoofdplaatsen in üverijsel, Zuid-Holland en Utrecht zoowel in steden als in vele dorpen. Op deze reizen waren Flórens Radewijns, Joh. Hiuncku-rinck en anderen in zijn gezelschap.
§ 33. Reeds sedert vele jaren had mag. Groot een reeks jonge klerken aan zich verbondon, die te Deventer onderwijs genoten. Hij was niet alleen hun raadsman en steun bij do studiën maar liet hen ook boeken afschrijven, in dien tijd een even nuttige als noodzakelijke bezigheid cn tevens voor arme jongelieden het middel om bun onderhoud en de kosten van bun opleiding te verdienen. Zoo was hij hun verzorger en in vele opzichten hun leermeester. In 1380 werd de dertigjarige mag. Florens Rauewuns, geboren te Leerdam uit bemiddelde ouders, te Deventer tot vicaris van de Lebuinuskerk aange-
30
stold. Een sermoen van Groot had hem\'zoo ge trollen, dat hij zijn voordeelige prebende te Utrecht in den steek liet om zieh bij den kring van den vereerden meester aan te sluiten. Door dezen is het voorstel gedaan, dat de schrijvende klerken zouden gaan samenwonen en een vereeniging vormen, die dan kon bestaan van de opbrengst van den gemeensehappelijken arbeid. Na korte aarzeling keurde Groot het plan goed, en zoo ontstond de Broederschap des Gemeenen Levens, die met eenige zeer eenvoudige leefregelen onder het bestuur van Plorens Radewijns in zijn woning, het Meester-Florenshuis, een aanvang nam. Dit is geschied tusschen 1381 en 1382. Toen Groot gedwongen werd zijn arbeid als prediker te staken, vestigde hij zijn hoop op de toenemende schare van kweekelingen, die zijn gevierde naam naar Deventer trok. De tegenzin der geestelijkheid tegen vrije vereenigingen zonder bepaalde kloostergelofte bracht hem toen reeds tot het inzicht, dat er als toevlucht in geval van nood wel een aanverwante kloostervereeniging mocht worden opgericht. Omgang met Ruvsbroeck had zijn voorkeur reeds gevestigd op de orde der Regulieren. Doch zijn dood 20 Augustus 1384 verhinderde de uitvoering van liet nog onvoltooide plan. Stervende droeg hij met volle gerustheid\'de zorg voor zijn beschermelingen op aan mag. Fr,grens.
Deu\'RAT , p. 31 verwart Radewijns met den rector van de kapittelschool Rodigenus bij Dumbar, Kerkel. en wereldl. Deventer, I, 306. Eveneens ook nog Honkt Maury, De opera schulas-tica, p. 45. Mag. Plorens was rector van het eerste fraterhuis, niet vau de Deventer school, vergl. het art. van Hirsche in Herzog , Real-Enc., 11, 686. Eenige onjuistheden bij Delprat steunen op Hamelmann, Opera geneal. hist., p. 321. Tot de eerste bewoners van het Meester-Florenshuis behoorden Johannes van Kempen, de latere prior van Agnetenberg, Johannes Brinckerinck, Johannes Vos van Heusden, enz.
§ 34. Een soortgelijke maar voorbijgaande stichting waren de devote vereenigingen door Wermbold van Buscop (Boskoop) in het leven geroepen. Tot 1370 kapeilaan vau den pastoor te Kruiningen, leerde hij later Groot en Radewijns kennen en hun denkbeelden met ware geestdrift omhelzen. Dit wekte in hem de roeping tot de prediking, waarvoor „de apostel van Hollandquot; uitstekende gaven bezat. Het gevolg van zijn optreden in Holland, Utrecht en ook Overijsel was do stichting van een aantal congregaties van „hervormdequot; personen vooral vrouwen, die voor het samenleven ongeveer dezelfde regelen iu acht namen als de zusterhuizen te Deventer. In 1583 werd hij rector van het Ceciliaconvent te Utrecht, vanwaar hij als
31
communis pater devotarum in Holland allo daaronder staande huizen bestuurde.
Zij kregen den naam Gerardinen, vrij zeker van meester Guuiut afgeleid. Kik gezelschap had eeue overste met der; titel van martha aan het hoofd: de martha principalis woonde mot Wermhold in het huis to Utrecht. Behalve sommige „piëtistische levensvormen en mystieke neigingenquot; heerschte bij de Gerardinen ook een \'t oogloo-pende terughoudendheid ten opzichte van alle geestelijken en afkoe-righeid van den monastieken staat. Haar streven gaf in 1393 aanleiding tot oen onderzoek van den inquisiteur Evlahd Sohoknevki.d naar de inrichting en gebruiken van deze gezelschappen. Hij bracht een afkeurend oordeel uit, dat vooral hierdoor word uitgelokt, omdat het vrije vereenigingen zonder verbindende gelofte en kerkelijke sanctie waren. Hoewel Radewijns en Wbrmbold de Gerardinen tegen zijn aanval verdedigden on bescherming vonden bij bisschop Freuebiic van Blankenheim , moesten deze toch om in rust te leven nonnen gaan worden. Den derden regel van Franciscus aannemende, verdwenen do Gerardinen en werden Tertiarissen, zooals 1399 St. Agatha te Delft en Cecilia te Utrecht reeds vroeger. Wermbold zelf stierf 1413 in zijn convent te Utrecht.
Moll, Kerkg., II, in, 90—96 en Joh. Brugman, I, 151— I53- Over de acta inquisitionis Mosheim, dc Beg har dis, p. 444 vlg. \'t Schijnt, dat er ook enkele vereenigingen van Gerarditen zijn geweest. Dat de verandering der congregatie in een nonnenklooster niet altoos naar den zin der devoten was, blijkt uit het verzet van één der zusters in St. Agatha, Kist en Moll, Kerk hist. Arch., IV, 215, 216.
§ 3ö. Kort na den dood van hun meester besloten zes vereerders van Gerriï Groot om ook een klooster op te richten. Dit kwam in 1387 met don steun van Radewijns te Windesheim tot stand, de oorsprong dor beroemde kloostorvereeniging, die als kweekplaats van bet devote leven en religieusen ernst al spoedig grooten opgang maakte en tot diep in de volgende eeuw dien goeden naam waardig bleef handhaven. Het getal der gestichten, tot dit kapittel behoorende, steeg van lieverlede tot ongeveer honderd. De historische beteekenis der Windesheimers is vooral gelegen in do uitgebreide kloosterhervorming, die ook buiten hun congregatie door hen in loven werd geroepen. Als zoodanige monastieke reformatoren waren in de vijftiende eeuw werkzaam Hendrik Loder, vooral Johannes Buscii en anderen, ook de Diepenvoouer nonnen Grietje Daegens, Hille Zonderlants en andere.
Hoewel het zeker is, dat Groot op zijn sterfbed het bouwen van een klooster niet bevolen heeft, handelden Radkwijns met zijn vrienden Johannes Erinckerinck , Hendrik Klingkuijl, Hendrik van Wilsem, Eerthold ten\' Hove on Gerard van Zutphen in zijn geest, toen /,ij besloten tot de orde der Reguliere kanunniken. Omdat de Broederschap ais vrije vereeniging aan menigen aanval bluot stond, rekenden zij het aannemen van een kerkelijk goedgekeurde orde daarnevens in het belang van „alle moderne devotenquot; noodig; het klooster zou in \'t uiterste geval een veilige schuilplaats voor de vromen zijn. Uit is de reden van het nauwe verband, dat in den eersten tijd tusschen beide stichtingen bleef bestaan als twee beken uit dezelfde bron.
Over de van Windesheim uitgaande, zeer wijd strekkende kloosterreformatie, ook al behoorden zij niet tot het kapittel, zie Acyuov vooral 11, 336—369 en passim.
§ Bepaalde do zedelijke invloed, door de moderne devotie uitgeoefend, zich hier voornamelijk tot religieuse hervorming van een paar honderd kloosters, toch heeft de wereld, waarvan zij zich afsloten, daarvan ook goede vrucht genoten. Als bewijs van het voortleven van dos meesters geest onder de Wiudoshehners verdient ver-molding: hun zorg voor eeu zuiveren tekst van do Vulgata, Juin letterkundige verdienste door afschrijven en vertalen en vooral do stichtelijke en ernstige lectuur, die uit deze kloosters haar weg tot veler harten vond. De beste Windesheimer auteurs zijn Henuuik Mande, Gebi.auh Peters, Johan Sohutkion, Johannes Husch, Thomas a Kemims. Hun geschriften bevorderden den devoten zin in ruimere kringen, allermeest liet wereldberoemde meesterwerk van den laatste. De imitationu Cliristi libri quatuor, uit eenige vroeger reeds gestelde, oji zicli zelf staande tractaten omstreeks 1-121 tot liet guidon boekske bijeengebracht, dat meer dan twee duizend uitgaven en vertalingen beleefde. Hot bevat de reinste middeleouwscho opvatting van het christendom en is do type van die Nederlandsche devotie, welke door haar streven ter bereiking van volmaakt christelijk loven gedreven werd tot afzondering van de booze wereld binnen de veilige perken vau het klooster, waar alleen ongestoord de heilige rust in God genoten wordt.
Hendrik Mande, reeds vermeld § 22. — Gerlacii Peters, geb. 1378, gest. 1411. •— Johannes Sciiutken, gest. 1423. Johannes Busch, geb. 1399, gest. 1479. — Thomas Hamerken a Kempis, geb. 1381, gest. 1471.—Van Johannes Brinckerinck, den stichter en eersten rector van Diepenveen, geb. 1359, gest. 1419, zijn een aantal collation bewaard, uitgegeven door Moli, in Kist en Moll, Kerkh. Archief, IV, 97 167: hij stond tevens
aan het hoofd van het Meester-Geertshuis in Deventer, waar hij de kamer van Groot bewoonde.
Over ile moeite, die de Windesheimers aanwendden voor de Vulgata Acquoy, 1, 212—214.
De vraag, wie de auteur is van de Imitatio Christi, heeft in de zeventiende eeuw en later een strijd uitgelokt, die tot sterker bevestiging der erkenning van Thomas a Kempis heeft geleid. Literatuur bij Acquov, II, 326; /.ie verder Moll, Kerkg., II, 11, 372 vlg.; Busken Hukt , de I homasquaestie, inde Gids van Oct. 1861; Malou, Recherches his tor. et crit. sur le vér it. auteur de rimit. de J. C., Paris 1858, 2U ed.; K. Hirsche in de prolegomena van zijn editie der Navolging, Berlijn 1873. Zie bovendien nog de studie van L. Schultze in Herzog, Real-Ene., XV, 598 vlg.; O. A. Spitzen, Th. cl Kent pis als schrijver der Nav. van Chr., Utrecht 1880; Nalezing, ib. 1881 en artikelen in Onze Wachter, 1881, 1882; Nouvelle defense, ib. 1884; Victor Becker, VAuteur de VImit. et les docum. Neerl., den Haag 1882: S. Kettlewell, The autorshifi of the fniit. Chr., London 1877 en Th. a K. and the brothers of Common Life, 2 din., London 1882, enz. Kettlewell rekent hem en Groot ten onrechte met opzicht tot de leer onder de voorloopers der Hervorming.
Het moederklooster Windesheim zelf werd in 1580 verlaten en toen vrij zeker afgebroken ; de Hervorming maakte aan alle kloosters in Noord-Nederland een einde.
De congregatie leefde nog voort tot 1811, toen zij opgeheven werd ten gevolge van een keizerlijk besluit van Napoleon. Het laatste klooster Frenswegen in Bentheim bestond tot 1809, toen het verlaten werd: door brand is het gebouw onlangs geheel verwoest.
§ 37. In den eersten tijd onderhielden Broederschap en klooster-vereeniging een nauwe betrekking. Daar zij evenwel zelfstandig bicven, kwam allengs ook meer het eigenaardige verschil der beide verwante stichtingen voor don dag. Terwijl de drang tot bespiegelend leven en afsluiting van de wereld in Windesheim zijn bevrediging vond, bleef in het fraterhuis do zin meer gevestigd op de praetische zijde van hot streven dor devotie: hier werd meer doeltreffend en op zuiverder grondslag verwezenlijkt, wat oorspronkelijk het idee van kloosterleven was. De Broederschap is oen der beste vormen van godsdienstige corporatie, waaraan de middeleeuwen zoo rijk zijn.
Nog bij zijn leven werd door Groot ook een klerkonhuis opgericht in Zwolle met behulp van den scholarch Johannes Cele. Na des meesters dood werd Kadewuns hot hoofd zijner stichting te Deventer, die onder deze leiding wel tot bloei moest komen. Hem stond ter zijde de vrome en vrijzinnige Gerard Zerbolï van Zutfen, ijverig
Dr. RiiiTSMA. Kerkisesch. 1
34
voorstander van het verbreiden vim bijbelkennis in de volkstaal, aan wien de Broederschap het mede te danken had, dat zij een vrije vereoniging gebleven en niet in een kloosterorde te loor gegaan is.
Deventer hielp krachtig mede tot het oprichten en bouwen van Windesheim en beide stichtingen bleven op allerlei wijze in levendige betrekking niet alleen onder mag. Florkns , „den grooten huismeesterquot;, maar nog lang daarna.
Verschil van belangen en beginselen deed elke stichting na het gemeenschappelijk uitgangspunt haar eigene roeping volgen. Enkele fraterhuizen (in 1447 Albergen, ook Leuven en Cassel in Vlaanderen) werden in kloosters veranderd, doch in beginsel keurde men dit af. Zoo werd in 1480 de poging van den prior van Windesheim om het fraterhuis te Doesburg bij zijn orde in te lijven door Egbert ter Beek , rector van het huis te Deventer, verijdeld, zie Acquov ,
H, 135) I3(gt;gt; 37S-
Gerard Zerbolt, geb. 1367, gest. 1398, bekeerling van Groot, leerling en later bibliothecaris in het Heer-Florenshuis, schreef een aantal zeer verdienstelijke tractaten, Moll , Kerkg., II, 11, 364, 365; in, 34 vlg., 308 vlg. en passim; van Heussen, Hist. episc. Dav., p. 88—-96; Delprat, Broederschap enz., p. 42, 43, 349, 352; Glasius, Erasmus, p. 265, 266 en Biographisch Woordenboek in voce; Ullmann, Joh. Wessel (vertaling van W. N. Munting), p. 458—467; Altmeijer, Précurseurs, I, 143, 144; Geesink, Gerard Zerbolt, p. 20 vlg.
§ 38. Terwijl de fraterhuizen de gunst der overheden genoten, openbaarde zich van de zijde van sommige geestelijken en monniken wantrouwen tegen zoodanige vereenigingen van „religieusen zonder religiequot;, een tegenstand, waarvoor de Gerardinen en later de meeste zusterhuizen moesten zwichten. De Broederschap van Groot heeft echter de toevlucht tot Windesheim, dat voor \'t uiterste geval open stond, niet behoeven te nemen. Door hot beleid van Godfried Toorn van Meurs, den vierden overste te Deventer, werd de aanval van den Groninger Dominikaan Mattheus Grabow in weerwil van zijn heftige prediking en „grande volumenquot; afgeslagen: het concilie van Constanz veroordeelde hem zelfs tot herroeping van zijn aantijgingen, 3 April 1418.
Toen tijdens de scheuring in het Sticht de Broeders zich met volharding hielden aan do door den paus bekrachtigde keuze, kregen zij tot belooning van hun trouw in 1431 de pauselijke erkenning van hun staat en levenswijze.
Na den dood van mag. Florens in 1400 volgden als oversten Aemilius van Assche, gest. 1404, Johannes Matthaeus van
1
Haarlem tot c. 1410, Godfried Toorn, gest. 1450, Egbert ter Beek, gest. 1483. Scholarchen te Deventer waren in dien tijd Willem Vrede, 137S tot 1380, Johannes au Aruore, Johannes van Gulik, later Alexander Hegius, 1474 tot 1499.
])e Broeders kwamen ten onrechte onder de verdenking, dat zij behoorden tot de secte der Begarden of in verband stonden niet andere heimelijke kettergenootschappen. De gevoelens bleven lang verdeeld. Gunstige adviezen over hun streven uitgebracht en de aanval van Grauow bij Delprat, p. 50—57. Zerbolï had ook reeds een tractaat tot hun verdediging tegen de Bedelmonniken gesteld. Libellus stipcr tnodo vivendi devotorum hominum simul covimoranlium, bekend uit het excerpt bij Revius, Dav. Illuslr., p. 37—40; zie verder Geesink, Zerbolt, p. 25—34.
De brief van paus Eugenius IV in 1431 bij Moll, Kerkg., II, 11, 172; gedrukt door Vorstman in Kist en Royaards, Archief, XVIII, 109—-113.
In den tijd na Radewijns en Zerbolt was Dirk van Herxen, de rector van het „rijke fraterhuisquot; te Zwolle, 1410—^1457, het meest invloedrijke hoofd.
§ 39. Dc ernst van hun streven veranderde invloedrijke mannen, zooals den kardinaal-legaat Nicola us de Cusa en den prediker Johannes Brugman in warme vrienden, verschafte hun van vele zijdon ingenomenheid en steun. Het aantal dezer huizen vermeerderde tot ongeveer 08, vooral in Noord-Nederland, ook in hot Zuiden, enkele in Duitschland. Ook zijn cr ruim tachtig zustorconventen geweest, die evenwel meest allen later een orde aannamen en gewone nonnenkloosters werden.
Twee oorzaken hebben een ingrijpenden invloed uitgeoefend: dc uitvinding der boekdrukkunst, die de reden van het boeken afschrijven en de winsten daarvan wegnam en mede het gevolg had, dat voortaan menige frater een schoolambt ging waarnemen; en dc Hervorming, die zc in Noord-Nederland allengs geheel deed verdwijnen. In het zuiden werden zij meestal door de instellingen der Jczuicten vervangen.
De aandrang der devoten was sterker tot het klooster dan tot de vrije corporatie: dit lag in den geest ties tijds. Hun leerling de Cusa bood hen bij zijn bezoek in 1451 den rang van kanunniken aan, doch zij sloegen dit van de hand.
Behalve Deventer en de twee huizen te Zwolle werden opgericht: Amersfoort in 1395, Harderwijk c. 1399, Delft 1401, Doesburg c. 1405, Hulsbergen 1407, Gouda c. 1424, \'s Hertogenbosch 1424, Groningen c. 1457, Utrecht vóór 1474, Nijmegen vóór 1475. l\'1 Friesland hebben zij zich niet gevestigd. Het eerste fraterhuis in
3*
de Belgische gewesten werd c. 1428 te Luik opgericht, verder Gent, Brussel, Mechelen, Wynoksbergeu, Kamerijk; het eerste in Duitschland te Munster c. 1401, verder Keulen, Wesel, Osnabrtlck, Herford, Emmerik twee, Hildesheim, Kulm, Rostock. Sterker nam het aantal der zusterhuizen toe: het steeg in de vijftiende eeuw tot minstens 87, meestal in Nederland. Doch die bloei duurde slechts kort: zij gingen al spoedig tot de orde der Tertiarissen of van Windesheim over, Moll, Kerkg., IT, 11, 173—178. Wat Delprat, p. 210—213 heeft, is niet noemenswaard.
§ 40. Kik frater- of klcrkcnlmis had uit zijn aard een blijvende en een tijdelijke bevolking. Het aantal , was versehillend naar gelang van tijd en plaats, want hieromtrent bestond geen vaste, voor alle gestichten geldende bepaling. Tot de blijvende inwoners behoorden altoos presbyteri en clerici. Soms komen ook leeken voor, doch meer als toevoegsel dan als wezenlijk bestanddeel, welker opname facultatief was gestold. De benoeming van een geordend geestelijke tot rector (niet prior) en het inwonen van eenige priesters was noodzakelijk zoowel wegens de kerkdienst als met het oog op de orde in liet huis \' en het aanzien der stichting. De in wonenden namen de verplichting op zich van gemeenschappelijk bezit, kuischheid en gehoorzaamheid, maar waren door geen vaste gelofte verbonden, zoodat zij de vrijheid behielden bet fraterhuis te allen tijde tc mogen verlaten. Zij konden vandaar zelfs tot het gewone leven, de wereld torugkeeren. Dit vond bij de vromen echter altoos afkeuring, want alleen door het vormen van devote kloosterlingen en priesters bereikte de Broederschap haar doel.
Het hoofdbestanddeel van de Broederschap waren klerken. Men zou ze kunnen onderscheiden in blijvende fratres clerici en scholierklerken, de tijdelijke inwoners, voor wie het convent een doorgangshuis was tot een klooster of tot het priesterambt. In het oudste huis waren maar één geestelijke (mag. Radkwijns), een twintigtal clerici en drie laici. Het tweede zou worden bewoond door vier of meer priesters, acht of meer niet tot het klooster genegene clerici en een onbepaald getal anderen. Dat men dit naar omstandigheden anders inrichtte, spreekt van zelf, omdat de religieuse orde ontbrak. Het leekenelement (familiares, commensales) was bij de vrije ver-eeniging per se niet uitgesloten.
De jaarlijksche samenkomsten, colloquia, der oversten werden op Zondag na Paschen gehouden te Zwolle, later ook in andere steden. De Duitsche huizen vergaderden te Munster, later te Kmmerik.
Zij droegen verschillende namen: fratres bonae voluntatis, devoti clerici, fraterheeren, presbyteri et clerici extra religionem in com-muni viventes, collatiebroeders, fratres Hieronymiani, Gregoriani, fratres scholares.
§ 41. Dc bevordering van devotcn zin stond op den voorgrond, maar door oen stipte dag verdeeling was or gezorgd /oor nuttige bezigheid. De meeste tijd werd besteed aan hét afschrijven van godgeleerde, stichtelijke en bijbelsehe werken zoowel voor eigen gebruik als ten verkoop. Het boekbinden was mede een gewoon bedrijf. Verder werden cr allerhande racer dagelijksche ambachten uitgeoefend, waartoe doorgaans de leekebroeders aangewezen waren.
Niet zoo streng van de wereld afgesloten ais een gewone kloosterorde, stonden de Broeders des gemeenen levens meer met liet volksleven in verband. Behalve hun eigene godsdienstoefeningen hielden zij op zon- en feestdagen geregeld collation in de landstaal, die voor iedereen toegankelijk waren en in hun besten tijd veel opgang maakten. Bovendien hebben zij zich groote verdiensten verworven door do vermenigvuldiging en verspreiding van bijbelsehe en stichtelijke lectuur in de taal des lands. In hun devotie trad het practische en bijbelsehe weldra geheel op den voorgrond: door de groote menigte van geestelijken en letterkundigen, die in de jeugd onder hun toezicht waren geweest, was dit van grooten invloed op de ontwikkeling der geesten.
Collaties of exhortationes zijn korte godsdienstige toespraken zonder bepaald thema, onderscheiden van sermoenen of conciones, breed en kunstmatig uitgewerkte predikatien. De Broeders maakten van het preeken meer werk dan de Windesheimers, bij wie collaties en sermoenen ook altoos in hun besloten kring gehouden werden, Moll , Kerkg., II, 111, 345 en passim; Herzog , Real-}ine., 11, 709; Acquo y , Windesheim) passim. Over het schrijfwerk der Broeders zie ib. II, 229, 230.
In den eersten tijd ging de devotie in de fraterhuizen met harde en zelfs kleingeestige ascese gepaard, Dumbar, Anal., I, 18, 46, 64, 67; Acquov, II, 290, noot 7, 292, n. 6, 293, n. 7 enz. Later veranderde dit, hoewel er een strenge tucht over de inwonende kweekelingen gehouden werd: de schildering daarvan door Kras-mus in /\'.p. ad Grunnium (Delprat, p. 265, 266) is echter met opzet overdreven. Zie ook Moll, Kerkg., II, it, 280 vlg.; Delprat, p. 92.
§ 42. Het was in overeenstemming met hot doel dezer stichtingen, „dat /ij scholieren uit dc ruwe en onbeschaafde wereld hebben bijccu-gebracht, hun goede zeden en de vreezc Gods ingeprent en alzoo voor kloosters en kerken opgeleid hebbenquot;. In den regel vergenoegden de Broeders zich mot het verschaffen van huisvesting en dagclijksch onderhoud. Zij dienden den scholierklcrkcn tot biechtvader, zorgden in \'t bijzonder voor hun godsdienstige leiding en stelden hen in staat van het onderwijs gebruik tc maken. Daarom waren de fraterhuizen
op con paar uitzonderingen na gevestigd in de steden, waar allicht goede scliolon bestonden of verrezen.
Privilegiebrief van bisschop Frederik van Baden in 1517, Arch, voor Kerkgesch., XVIII, 126.
Bij uitzondering werden fraterhuizen op het platteland gevestigd. In de omstreken van Hattem werd op de Veiuwe het convent Hulsbergen of Hieronymusberg gesticht. Nabij Ootmarsum lag Albergen, dat echter reeds na zeven jaren een gewoon Windes-heinier klooster werd.
§ 43. Niet per se was het klerkenhuis een inrichting voor onderwijs, lïoewel het op vele wijzen met do school in verband stond. In sommige van deze gestichten werd wel eenig onderricht verstrekt aan zeer jonge leerlingen zooals te Groningen, Doesburg, Utrecht. ITet komt voor, dat fraters belast waren met het onderwijs op do klassen eener school bijv. te Deventer, Utrecht, Nijmegen. Doch van het houden en oprichten eener eigene school kan slechts als uitzondering op den regel sprake zijn. Evenwel de aanwezigheid van een klerken-huis was voor vele van de reeds bestaande stedelijke of kapittelscholen een steun, zelfs het begin van sterken bloei en toevloed van leerlingen. De Broederschap stelde zich tot de inrichtingen van onderwijs in nauw verband: haar werd zelfs hier en daar zooals te Gouda en elders tijdelijk het bestuur daarover opgedragen. Do letterkundige zin, door de traditionele boekenzorg in haar voortlevende, kwam aan scholen, leeraars en scholieren ten goede. Maar in den regel was do school afgescheiden van het klerkenhuis: strikt genomen kan men do Broeders des gemeonen levens niet volksonderwijzers en in dien zin voorloopers der Hervorming noemen.
De meening begon veld te winnen, dat het onderwijs niet uitsluitend aan geestelijken en religieusen moest worden opgedragen, zie Groot in Epist. ad Joh. Cele bij Delprat, p. 83.
Over het punt van het onderwijs bestaat nog veel verwarring zelfs bij de Hoop Scheffer, Gesch. der Kerkherv., p. 27, 28. Het woord „fraterschoolquot;, zonder nadenken gebruikt, heeft daartoe aanleiding gegeven. Ook soms de titel rector, die door den overste van het fraterhuis en door den scholarch gedragen werd. Het verband tusschen het klerkenhuis en de plaatselijke school verdient nader onderzoek, K. IIirschk in Herzog, Rcal-Enc., II, 701 vlg. Nevens zijn beschouwing en die van Dillenburger staat die van Bonnet Maury in Opera Scholastica fratrum V. C. Deze neemt p. /|9 drie perioden aan: de actas mystica c. 1371 (sic!) tot 1400, toen zij zich toelegden op een devote opleiding; de actas scholastica c. 1400 tot 1505, toen zij bestaande scholen begunstigden en
89
nieuwe oprichtten; de actas literaria sedert c. 1505, toen zij hun huizen in gymnasia voor de litterae hunianiores veranderden.
Het werk van Delprat , in het buitenland slechts uit de vertaling der eerste editie van 1830 door Moiinicke bekend, verdient wegens later ontdekte bronnen een duchtige, critische overwerking. Ken enkele school, zooals het Hieronymianum in den Bosch, is dadelijk door de Broeders opgericht. Ook in Gent was hun het onderricht opgedragen. Wel kwamen vele scholen onder den vrijen invloed der Broederschap, maar bestonden toch meestal afzonderlijk. In Utrecht kregen zij één der kapittelscholen onder hun leiding, de Hieronymusschool, die onder hun scholarch Rode zeer bloeide. Ook werden vooral later de fraters dikwijls tot leeraar aangesteld, zooals 1552 de rector van de stadsschool te Nijmegen enz.
§ 44. Een rijke literatuur van stichtelijkon aard was dc vrucht van de geestesrichting der devoten. Al waren er, die uit vrees voor ketterij hot vertalen van den bijhei en godsdienstige geschriften met argwaan gadesloegen, een onbekend en verboden boek was de bijbel in de middeleeuwen toch niet. Door lion, die Latijn kenden, werd de Vulgata blijkbaar vlijtig gelezen. Omstreeks bet begin der veertiende eeuw word met de vertolking daarvan een begin gemaakt, doch de oudste overzettingen bepaalden zich slechts tot gedeelten. Reeds heel vroeg komen voor: het bij de mystieken zeer geliefde Hooglied „der minnen boecquot;, de psalmen „die Soutorquot;, het „evangeliboecquot; en afzonderlijke evangelien of „die evangelien mitten epislclonquot;, ook sinte Paulus brieven met de Handelingen.
Van oudsher waren berijmingen van dc gewijde schriften een zeer geliefkoosde lectuur. Reeds Maert.ant vervaardigde naar de Historia Scholastiea van Putbus Comestou zijn bekenden rijmbijbel, waarover bij van „de paepscapquot; veel harde waarbeden moest hooren, omdat „bi leeken weten dede uter byblen die heimelicbedequot;.
Verder ontmoet men levens van Jezus in twee soorten, aan de evangelien ontleend of mede aan apocrypbe boeken, soms op rijm, soms in proza, in don vorm van een evangelien-harmonie bijv. die van Jan van Hound alio , Bruoman on ongenoemden.
Hierbij sluiten zich aan een heole reeks zoogenaamde passieboeken en bijbelverklaringen, vertalingen van sermoenen van kerkvaders en beroemde kanselredenaars, ook oorspronkelijke reden van eigene predikers, een menigte „suverlicke boexkensquot;, geschriften van mystieken en ascetischen inhoud, spiegels, spicgelkijns en een groote schat van geestelijke liederen op den Heiland, Maria, dc verlossing van zondaren en andere stichtelijke onderwerpen.
Uit de cellen dor Windesbeimer kloosters, vooral uit de vlijtige
40
ponnen der klerken van het fraterhuis vonden deze boeken en bookskens hun weg en bevorderden in wijde kringen den eigenaardigen devoten zin, die den geest onzer godsdienstige voorvaderen kenmerkt. Nevens ziekelijke en ascetische of mystieke opvattingen spreekt daaruit nog veel gezonde zin en practiseh godsdienstig leven.
Over de literatuur der devoten zie Moll, Joh. Brugman; over bijbel en bijbelvertalingen Is. le Long, Boekzaal der Nederd. bijbels, hoewel te weinig critisch; W. J. A. Jonckhlof.t, Gesch. der Ned. Lett., III, 169; van Vloten, id. p. 78 vlg.
De bijbel (het oude testament zonder „souterquot;) is voor het eerst te Delft in 1477 gedrukt, nog aanwezig op de koninklijke bibliotheek: de uitgevers van der Meer en Yemanïs drukten in hun voorrede ook de woorden van de door hen gevolgde, meer dan honderdjarige vertaling, dat de geestelijkheid wel met leede oogen zou aanzien, „dat men die heymelicheit der scriftueren den ghemeenen volke soude ontbindenquot;, de Hoop Scheffer, Gesch. der Kerkherv., p. 53. Over de bijbelvertaling, door den leek Willem Meerman ten gebruike van de St. Pieterskerk te Leiden gecopieerd zie Moll, Kerkg., II, 11, 334.
\' § 45. De godsdienstige prediking voor het volk kwam niet lang na de invoering van het Christendom langzamerhand in onbruik. Van de elfde tot de veertiende eeuw werd dit deel van de openbare eeredienst door de priesters bepaald verwaarloosd. Vóór het opkomen der moderne devotie waren er vermoedelijk zelfs geen preekstoelen in de kerken. Doch onder deze beweging der geesten werd ook hierin bepaald een verbetering merkbaar, omdat zij leeraars voortbracht, die zich geroepen voelden om in \'t openbaar door hun woord een gemengd gehoor te stichten en op den weg der heiligmaking te leiden. De stem der christelijke leerrede drong weer door tot hot volk. Hiermede gaf de groote meester van Deventer gevolg aan het beginsel, dat hem bezielde. Grooten indruk maakte eveneens zijn geestverwant Wermf.oi.d van Buscop door zijn sermoenen als reizend volksprediker.
De geweldige toeloop om zulke mannen te hooren bewees de behoefte aan godsdienstige toespraak. Onder den invloed dezer beweging nam ook het aantal gevestigde predikers toe: zij zijn te zoeken niet onder de parochiegeestelijken als zoodanig maar bepaald in den kring der devoten. Bij den aanvang der vijftiende eeuw werden te I h.arlein gansche scharen gesticht door Hugo de Goütsmiï „mot zyne priesterenquot;, te Amsterdam door Gi.tsbert Don, te Medenblik door zekeren priester Pa ui,us. De collatien in do kapel der fraterhuizen, op zekere dagen voor iedereen toegankelijk, werden ijverig bezocht. Als populaire predikers onderscheidden zich Radewi.tns, te Amersfoort Willem
41
Hendriks, te Zwolle Hendrik Goudb cn de huisreetor Gerrit van Calk ar. Johannes van den Gronde, beroemd door den langen stroom zijner kanselwelsprekendheid, Gerard Zerboi,t.
Dezelfde belangstelling, die de prediking in het klerkenhuis of in de kerken ondervond, werd ook ingeoogst door dt Minderbroeders-Observanten, waar zij als reizende predikers voor het volk spraken, zooals in liet midden der vijftiende eeuw Hendrik van Heri\' en in buitengewone mate de beroemde volksredenaar Johannes Brugman. Deze vooral nnaakte zijn ijveren voor de hervorming van de Franeis-kaner orde dienstbaar tot oen prediking tegen de hoofdzonden zijner eeuw in den geest der devoten. Hij maakte daardoor een diepen indruk, waarvan het tot op den huidigen dag voortlevende spreekwoord nog getuigenis geeft.
In het diepst der middeleeuwen werd in de kerken wel gepredikt, doch alleen wanneer het ritueel voorgeschreven was of wanneer predikers optraden voor finantieele bedoelingen , bijv. het aanbevelen van giften, aflaten en collecten. Kloostersermoenen werden vaak genoeg gehouden, doch slechts voor den beperkten kring van de inwonenden. Die prediking geschiedde meestal van de trappen van het koor. Bepaalde preekstoelen komen eerst in de veertiende eeuw voor. Voor beperkte kringen, nl. in kloosters en vergaderingen van geestelijken, ook bij de kapittelpreeken, werd in het Latijn gesproken. Zie hierover Moll, yb/^. Brugman, I, 247 vlg; Kerkg., 393j 394. in, 179, l80, 339—346 en passim.
Brugman, geboren te Kempen omstreeks 1400, monnik in het Franciskaner klooster te St. Omer, waar al vroeg de Observantie was ingevoerd, heeft gedurende meer dan twintig jaren de Nederlanden doorreisd, sedert 1455 met den rang van pater provincialis van Keulen. Niet alleen als onverdroten „kampvechter voor de Observantiequot; maar ook als reizend volksprediker bestreed hij de vele gebreken van geestelijken en leeken en bevorderde het streven der devoten, ook als schrijver en dichter. Behalve enkele sermoenen zijn van hem bewaard gebleven een leven van Jezus, een paar stichtelijke liederen, een biografie van de devote maagd Lidwina van Schiedam (Liedewijde, den 14 Maart 1890 op voordracht van de H. Congregatie der Riten door Lr.O XIII tot kerkheilige verheven). Over haar Moll, Brugman, II, 98—142. Brugman stierf in 1473 i\'1 klooster te Nijmegen.
Hendrik van Herp, in 1477 gestorven als gardiaan der Observanten te Meehelen, schrijver van een spiegel der volkomenheid en van een groote menigte sermoenen.
§ 46. Do Broeders des gemeenon levens kunnen niet als voorloopers en wegbereiders der Hervorming in rechte lijn worden voorgesteld.
42
Hun stichting heeft nltoos het merk van haar geboorte uit do mystiek der Katholieke kerk behouden. Do Paulinische leer der rechtvaardiging uit genade door liet geloof, die reformatoren cn Protestanten doet ontstaan, was in dezen kring niet de alles afdoende vraag. Toch kan het karakter der oudste Hervorming hier te lande niet verklaard worden zonder rekening te houden met den krachtigen maar eigen-aardigen invloed van Groot en zijne stichtingen.
Terwijl naast deze broederschap de tijd medewerkte tot opwekking van den zin voor wetenschappelijke beschaving, is de opklaring der denkbeelden hier te lande vooral uitgegaan van de scholen. Dc devote neiging tot practisch bijbelsche vroomheid, nu gepaard aan toenemende verlichting heeft wegen gebaand naar hot tijdperk, waarin alles nieuw en geheel anders zou worden. Niet aan het fraterhuis als zoodanig maar aan de samenwerking van ten decle daarin, ten deele daarbuiten gelegene oorzaken heeft Nederland die breede rij van bekwame en geleerde philologon cn evangelisch verlichte geestelijken te danken, die hier te lande de voorloopers geweest zijn van dc groote gebeurtenissen in de zestiende eeuw.
Al ontbrak het echte monastieke cachet, dc fraterhuizen waren toch corporaties met enkele wijzigingen op kloosterachtigen leest geschoeid: het doel der stichting was immers ook om devote religi-eusen aan te kweeken.
Het gewone verschijnsel in de geschiedenis van elke kloosterorde bleef ook bij lien niet achterwege, nl. achteruitgang in de onderhouding van de voorschriften des stichters. Om het verval en innerlijk bederf in sommige fraterhuizen drong bisschop David van Bourgondië in 1485 krachtig aan op strenger toezicht en tucht bij dc rectoren der gestichten in zijn dioecese, dr. Vorstman in Arch. v. Kerkgesch., XVITI, 114 vlg.
§ 47. Zeer vele Ncderlandscho scholen kwamen te midden van alle beroerten on rampen der vijftiende eeuw tot ongemeenen bloei, inzonderheid Zwolle, Deventer, \'s Hertogenbosch, Harderwijk. Do groote toevloed zoowel van inhecmscho als ook van buitenlandscho leerlingen was een blijk van de ontwakende behoefte aan verbeterd onderwijs en letterkundige beschaving. Tal van geleerden hebben zich daaraan gewijd: boven allen muntte uit Alexander Hegius te Deventer, die verdient dc bekwaamste soholarch van zijn tijd genoemd te worden, In vele opzichten waren deze scholen kweekplaatsen voor zelfstandig denken en degelijke wetenschap: dc lust tot onderzoek richtte zich onder de leiding dezer mannen nu ook meer dan voorbeen op de gewijde letterkunde. Dc zedelijke invloed der Broederschap
43
wils (Uenstip: om in deze kringen liet streven naar bijbelschc vroomheid \'jn hoogschatting van hot Christendom in stand te houden. In dit opzicht tooncn do Nederlanders meestal ernstiger zin dan zeer vele Humanisten in andere landen, vooral Italië.
Hegius, opgeleid te Zwolle, een tijdlang leeraar te Wesel, Km me rik en daarna reetor van de school te Deventer sedert 1474 tot aan zijn dood in 1498. Nevens hem moet genoemd worden Johannes Sintius, de leermeester van Erasmus, en ook Johannes Oostendorp, kanunnik van de St. Lebuinuskerk. De school te Zwolle had haar bloei en goeden naam vooral te danken aan tien rector Johannes Cele (gest. 1417), den vriend en geestverwant van Groot. Voor de namen van eenige der oudste s.cholarchen en leeraren zie verder Delprat, Broederschap) Bonnet Maurv, 0. a. De school te \'s Hertogenbosch diende vooral ter cpleiding voor de in 1426 gestichte universiteit van Leuven, die later den twijfelachtigen roem behaalde van een bolwerk der Katholieke rechtzinnigheid te zijn, Moll, Kerkg., II, 11, 293 vlg. Het plan om te Utrecht een hoogeschool op te richten in 1470 kwam niet tot uitvoering, ib. p. 272, 273.
HOOFDSTUK IV
voorteekkxkn es voorloopeus der iieuvouming.
Ullmann, Reformatoren vor der Reformation, vertaald door G. 1*. Kits van Hkynin«en, \'2 dl. 1847, 1818; Joh. Weml, cin Voryanger ÏAithers, Ilainlmrg 1834, vertaald met aantt. door W. N. Muntino, 1835.
W. Huurling, Comment, de Wesseli cum vita turn mcritis, 1lt;S.\'!1; Oratio de Wesseli Oansfortii princ. et virtut. 1840.
Ai,tmeijkh, Précurseurs de In Réforme.
1\'. Mekui.a , Vita Erasmi, 1607.
igt;. (ilasius, Erasmus als KerkJierv., 1850; Biogr. Woordenb., 3 dl. 1851, 1853, 1856.
I. J. Doedes, opstellen in Godgel. Bijdragen, 1869 en Theci. Shid. und Krit., 1870.
Van het velo, dat over Erasmus geschreven is, nog:
Durand de La uk. Eramie, précursevr el initialeur de V esprit moderne, 2 vol, 1872.
R. B. Drummond, Erasmus, his life and character, 2 vol. 1873.
Monografiën van R. H. Schmidt, R. Staiieun in Herzoo, Real-Eneyol. cm.
§ 48. Mot uitzondering van eenige iti \'t oog vallende persoonlijk-liedcn cn den daartoe behoorenden stoet van hun geletterde of hooggeplaatste aanhangers gaat hot moeielijk reeds voor hot einde der middeleeuwen in Nederland do voortcekenen te ontdekken van oen grooto on grondige omwenteling dor geloofsdenkbeelden. Wel worden voortdurend stemmen vernomen, die verzet aanteekonon tegen de schraapzucht, weelde cn ontucht van de kerkelijke ambtsdragers. De geestelijkheid heeft menige uiting van dien aard voor ketterij uitgekreten, docli meestal had zulk een afkeuring, ook al was de critiek soms ongenadig, niets te maken met oen aanval op het geloof cn hot systeem, waarop do kerk steunde. Zij trof personen, niet de zaak zelf. törgcrnis over de verbastering der priesterschap wordt eerst dan
45
waarlijk tc duchten, wanneer zij gepaard gaat met principieel ^verzet tegen een in twijfel getrokkeno leer. Zulke inzichten waren echter langzaam aan het opkomen in de beperkte kringen van cenige geleerden en critisch zicli ontwikkelende geesten. Daar werden behoedzaam en sluiks de oogen geopend voor den oorsprong van vele gebreken in het gebruikelijke kerkstelsel. liet is niet te vooronderstellen, dat liet godsdienstig nadenken van de groote menigte zoo diep doordrong, al was liet door de prediking der devoten of het lezen van bijbelsche en stichtelijke boeken in do volkstaal een weinig wakker geworden.
Bij do massa van het volk hebben bet gezag en het orediet der kerk vóór de zestiende eeuw geen schokken van belang ondergaan. De soms zeer ruwe lasteringen togen do moedor Gods, reliquien, heiligen en het sacrament behoeven nog niet als oen reformatorische beweging dor geesten te worden aangemerkt. Al werd in tie vortoo-ningen der rederijkers ook nu on dan eon ernstiger toon aangeslagen, hun kluchten dienden moor om de menigte in luimigon trant ten koste van papen en nonnokons te vermaken.
Vele gevallen van blasphemie legen Christus, Maria, de mis, God en de heiligen komen voor bij Fredericq, Corp. Docum., vooral sedert tie tweede helft der vijftiende eeuw. Zij mogen afkeer tegen de priesters en sommige kerkgebruiken doen kennen, een bewijs voor toenemenden twijfel aan de waarheid en het gezag dei-kerk leveren deze sporadische verschijnselen niet. Alleen verdient de openbaring van zeker ongeloof aan de waarde en beteekenis der misteekenen opgemerkt te worden: het getal van vonnissen daartegen is steeds toenemend.
§ 4(J. Onder dc burgerij cn lagere standen ontbrak bot niet aan godsdienstige belangstelling. Do behoefte aan meer geestesvoedsel dan bet kerkelijk ccremonioel aanbood, was krachtig gebleken uit de onmiskenbare belangstelling, waarmede de beroemde predikers der devote richting, als zij in \'t openbaar optraden cn ziob daarbij van de volkstaal bedienden, worden begroet, liet nadenken, daardoor opgewekt, kan hier en daar wel aanleiding hebben gegeven tot bet ontstaan van oppositie tegen hot kerkelijk gezag of bedenking tegen de waarde van velo traditioneele instellingen.
Dit karakter droeg do arbeid van den eenvoudigon leek Eigt;o (of Edo), oen kleermaker te Haarlem, die een tijdlang eerst in het geheim, later soms openlijk optrad en door zijn onberispelijk, streng leven, door den zachtmoedigon, innig vromen geest van zijn vrije prediking bij de bevolking opgang maakte. Een Amsterdamsch priester.
HOOFDSTUK IV.
voohtekkkxen en voorloopers der hervorming.
Ur.lmann, Reformatoren vnr der Reformation, vortasild door G. 1\'. Kits van Hevningbn, 2 dl. 1847, 1848; Joh. Wcssel, cin Vunjanger ÏMthers, 1 liimhurg\' 1834, vortiiald met aantt. door W. N. Munting, 1835.
W. Muürijng, Comment, de Wesseli cum vita turn mentis, 1831; Oratio de Wesseli Gansfortii princ. et virtut. 1840.
Ai/i\'meijer, Précurseurs de la Reform/;.
1\'. Merula, Vita Erami, 1607.
li. (ïi.asius, Erasmus als Kerkherv., 1850; Biogr. Woordenh., 3 dl. 1851, 1853, 1856.
[. J. Doedes, opstellen in Godgel. Bijdragen, 1869 en Theol. Stad. vnd Krit., 1870.
Van het vele, dat over Erasmus geschreven is, nog:
Durand de Laur, Kr asm e, prccurseur cl initiateur de V esprit moderne, 2 vol, 1872.
R. B. Drummond, Erasmus, his life and character, 2 vol. 1873.
Monografiën van R. IT. Schmidt, R. Staheijn in Herzoo, Real-Encycl. en/.
§ 48. Met uitzondering van eenigc in \'t oog vallende persoonlijkheden en den daartoe behoorenden stoet van hun geletterde of hooggeplaatste aanhangers gaat het moeielijk reeds voor het einde der middeleeuwen in Nederland de voorteekenen te ontdekken van oen groote en grondige omwenteling der geloofsdenkbeelden. Wel worden voortdurend stemmen vernomen, die verzet aantcekenen tegen de schraapmeht, weelde en ontucht van de kerkelijke ambtsdragers. De geestelijkheid heeft menige uiting van dien aard voor ketterij uitgekreten, doch meestal had zulk een afkeuring, ook al was de eritiek soms ongenadig, niets te maken met een aanval op het geloof en liet systeem, waarop de kerk steunde. Zij trof personen, niet de zaak zelf. Ergernis over de verbastering der priesterschap wordt eerst dan
waarlijk te duchten, wanneer zij gepaard gaat met principieel ^verzet tegen een in twijfel getrokkone leer. Zulke inzichten waren echter langzaam aan liet opkomen ia de beperkte kringen van eenige geleerden en critisch /.ich ontwikkelende geesten. Daar werden behoedzaam en sluiks de oogen geopend voor den oorsprong van vole gebroken in het gebruikelijke kerkstelscl. Het is niet te vooronderstellen, dat het godsdienstig nadenken van de groote menigte zoo diep doordrong, al was het door do prediking der devoten of het lezen van bijbelsche en stichtelijke boeken in do volkstaal een weinig wakker geworden.
Bij do massa van hot volk hebben het gezag en hot crediet der kerk vóór de zestiende eeuw geen schokken van belang ondergaan. Do soms zeer ruwe lasteringen togen de moedor Gods, reliquien, heiligen en hot sacrament behoeven nog niet als oon reformatorische beweging der geesten te worden aangemerkt. Al word in do vertooningen dor rederijkers ook nu on dan een ernstiger toon aangeslagen, hun kluchten dienden meer om de menigte in luimigen trant ten koste van papen en nonnokens to vermaken.
Vele gevallen van blasphemie tegen Christus, Maria, de mis, God en de heiligen komen voor bij Fredericq, Corp. Docutn., vooral sedert tie tweede helft der vijftiende eeuw. Zij mogen afkeer tegen de priesters eu sommige kerkgebruiken doen kennen, een bewijs voor toenemenden twijfel aan de waarheid en het gezag dei-kerk leveren deze sporadische verschijnselen niet. Alleen verdient de openbaring van zeker ongeloof aan de waarde en beteekenis der misteekenen opgemerkt te worden: het getal van vonnissen daartegen is steeds toenemend.
§ 49. Onder de burgerij en lagere standen ontbrak het niet aan godsdienstige belangstelling. Do behoefte aan meer geestesvoedsel dan hot kerkelijk cereinoniccl aanbood, was krachtig gebleken uit de onmiskenbare belangstelling, waarmode de beroemde predikers der devote richting, als zij in \'t openbaar optraden en zich daarbij van de volkstaal bedienden, werden begroet. Het nadenken, daardoor opgewekt, kan hier en daar wol aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan van oppositie togen het kerkelijk gezag of bedenking togen de waarde van vele traditioneele instellingen.
Dit karakter droeg de arbeid van don eenvoudigen leek Epo (of Edo) , een kleermaker to Haarlem, die een tijdlang oorst in het geheim, later soms openlijk optrad en door zijn onberispelijk, streng loven, door den zaehtmoedigen, innig vromen geest van zijn vrije prediking bij do bevolking opgang maakte. Een Amsterdamsch priester.
imig. NicoLAtis van Naarden word zijn trouwe volgeling en verdediger. Doch reeds in 1458 werden zij kort na elkander op bevel van bisschop David van BourgondiIc in den kerker geworpen. De inquisiteur, een ongenoemde Dominikaan van Groningen, bracht hen door vrees voor den brandstapel aan het wankelen eu veroordeelde beiden tot een zeer vernederende herroeping hunner stellingen, Epo heeft den smaad niet lang gedragen, omdat hij reeds in het volgende jaar aan een besmettelijke ziekte overleed.
Epo van Haarlem had weinig opleiding genoten maar wel veel gelezen. Zijn meenigen waren de uiting van een streven naar zelfstandig oordeel en bevrediging van practisch vrome behoeften. Vennoede-lijk is de voornaamste grieve tegen hem geweest, dut hij als leek tie stoutheid had als prediker op te treden. Hij moet derhalve niet onder de ketters vermeld worden, al werd hij door de kerk tot hen gerekend. Zijn gevoelens zijn slechts bekend uit een niet volkomen betrouwbare herinnering aan zijn proces, door een tijdgenoot bewaard, Moll, Kerkg., II, m, 101; Fredericq, Corp. Docum., p. 337—341; Moll en de Hoop Scheffer, Slud. cn Bij dr., Ill, 142—148. Zijn leer verschilt genoegzaam van de stellingen der Turlupijnen, die in 1465 te Rijssel veroordeeld werden, zie Fredericq, p. 410.
§ 50. Een der bekwaamsten onder de Nederlandsche theologen van zijn tijd was Johannes Pupper van Goch, aldaar geboren in de eerste jaren der vijftiende eeuw. Aangaande zijn leven zijn zeer weinige bijzonderheden bekend: het vlood in stilte en rustig daarheen. Hij genoot zijn opleiding waarschijnlijk als klerk in een fraterhuis, bezocht voor zijn verdere studie vrij zeker Parijs (minder zeker Praag) en werd daarna priester misschien te Sluis in Vlaanderen. Uit eigene middelen stichtte hij in 1451 een convent voor Reguliere nonnen bij Mechelcn, Thabor geheeten. Onder zijn bestuur als prior nam dit klooster toe in bloei. Na een vredig, werkzaam leven stierf hij daalden 28 Maart 1475.
In zijne geschriften doet hij zich kennen als een aanhanger der leer van Augustinus. Hij bestreed het Pelagianisme, de scholastiek, de waarde tier uiterlijke werken en erkende geen ander gezag dan dat der heilige schriften en der kerkvaders, voorzoover daarmede overeenkomstig. Zijn gevoelens bleven verscholen in den stillen kring van eenigc geleerden en geestverwanten: eerst lang na zijn dood brachten zij zijn vereerder Grapheus in dreigende aanraking met dc inquisitie. Het concilie van Trentc voelde zich genoopt zijn werken op den index te plaatsen.
47
üc naam Johannes van Goch komt in deze eeuw dikwijls voor en heeft aanleiding gegeven tot persoonsverwarring, Delprat, Broederschap, p. 146. Die te Praag studeerde vóór 1409 was een ander , Moll, Kerkg. 11, 11, 290 ; Delprat , p. 279.
Slechts drie werken van Johannes Pupper zijn in druk bekend, nl. 1, Tractalus de libertate Christiana, 2. Dialogics de quatuor error ibus circa legem evangelicam exortis en 3. Ep is to la apologetica.
De oorspr. editie van 1521 is aanwezig te Emden, Cal. boeken der Groote Kerk, 1, 43, no. 193. Nog te zoek is zijn werk: In divinae gratiae et Christianae Jidci commendationem contra falsam de justiciis et meritis operutn doctrinam. Over Johannes van Goch handelt Ullmann, Reform., dl. 1, doch in bet artikel van H. Schmidt in Herzog, Real-Enc., V in voce, wcrclt zijn standpunt juister bepaald: in de leer der rechtvaardiging staat hij nader bij Augustinus dan bij de groote Hervormers. Zijn boeken op den index geplaatst zie Sepp, Verboden lectuur, p. 31, 138.
§ 51. De incest invloedrijke voorlooper dor Hervorming is Johannes Wessel Gansfoort, geboren te Groningen in 1419. Vroegtijdig wees geworden, was hij door do zorg eener rijke bloedverwante in staat gestold de bloeiende school to Zwolle te bezoeken. Uit dien tijd dag-teekende zijn gehechtheid uan het klooster Agnetenberg, waar hij voel met Thomas \\ Kempis omging, maar zijn ingeschapen afkeer van allo bijgeloof bewaarde hem voor hot kloosterleven. Tot omstreeks 1450 studeerde hij te Keulen, waar hij Grieksch en Hobreeuwsch leerde en don magisterstitel haalde.
Na oen kort bezoek aan Leuven begaf hij zich naar Frankrijk om te Parijs aan den strijd tussohen do Nominalisten en Realisten deel to nomen. Al spoedig bekoorde, hij zich tot de partij dor eorston, die de kerkelijke oppositie voerden. Tot deze tweede periode behooren ook zijn reizen naar Italic cn zijn omgang met Reuchlin en Agricola, op wie hij grooten invloed oefende. Na een zestienjarig verblijf verliet hij de Fransche hoofdstad mot den naam van magister contradictio-num, doch zijn talrijke vereerders noomdon hem lux mundi. Hij woonde toen nog ecnigoii tijd in Basel en bezette twee jaren lang tot 1479 een leerstoel to Heidelberg.
Hij schreef 1456 zijn naam „Wesselius Goszfortquot; in het album der academie van Heidelberg, /Iandel. der Maatsch. v. Ned. Letterk. 1886, p. 33.
Het verdienstelijke levensbeeld van Ullmann laat de behoefte aan een zuiver historisch en ook chronologisch verslag van het leven van dezen beroemden Groninger nog onbevredigd. Over zijn
verblijf in Zwolle zie Kist en Royaariw, Arch., VI, 295, 298.
Dat Gansfoort geroemd wordt als academiae Parisiensis rege Ludovico XI instaurator is een dwaling bij Thuanus, /fis/. Franc. lib. XXII, 434; Hulaeus, //isl. univ. Paris, V, 918, met eenige reserve overgenomen door Delprat, Broederschap, p. 102.
De oudste bron voor zijn levensbeschrijving is de Vila Wesseli Groning. van A. Hardenberg, gedrukt voor de Groninger uitgave van Gansfoort\'s werken. Behalve Suffr. Petrus , Dc Script. Frisiae, dec. VIII, c. 4 en Kmmius, Rev. Fris. //istoria moeten geraadpleegd worden Effigies et vitae professorum Acad. Gr on. 1654, p. 12—27; Oudh. cn Gest. van Groningen p. 106 vlg. Zie ook het uitnemende artikel van H. Schmidt in Herzog,\' Real-Enc., XVI, 791—813.
§ 52. Voor Nederland is het laatste tijdperk van zijn leven vuu hot meeste belang. Na een ruim dertigjarigen academischen arbeid keerde hij naar het vaderland terug, waar li ij sedert zijn jeugd slechts een paar malen had vertoefd. Dit geschiedde in het voorjaar 147(J, toen do inquisitie te Mainz zich onledig hield met do vernedering van zijn geestverwant Johannes van Wesel. Gansfoort bracht hier nu \'ziju verdere levensdagen rustig door, tegen elke vervolging gevrijwaard door zijn eigene beroemdheid en de bescherming van den bisschop van Utrecht, David van Boubgondië. Bij afwisseling vertoefde hij als geëerde gast in een klooster te Groningen, Aduard of St. Agnetenberg, in wetenschappelijke afzondering zich bepalende tot den kring van zijn talrijke vrienden en aanhangers. Hij stierf in het Geestelijke Maagdenklooster van zijn geboortestad den 4 October 1489.
Blijkens den brief over het proces van Johannes van Wesel, door Gansfoort uit Zwolle aan den deken Ludolf van Veen geschreven, was hij reeds 6 April 1479 teruggekeerd, Wesseli Opera, ed. Gron., p. 920. David van Bourgondiè schreef 1473 in een uitnoodiging om tot hem te komen; Scio, quod multi quaerunt te perdere. Fiet hoe numquam, quamdiu ego tecum vivo, gedrukt bij Muurung, p. 45. Ook Vollenhove, waar de bisschcp een verblijf had, is door Gansfoort bezocht. Hem dreigde niet, wat Johannes van Wesel trof, want geleerdheid en roem hadden hem in de hoogste kerkelijke rangen machtige vrienden bezorgd, zelfs paus Sixtus IV.
§ 53. Gansfoout heeft oen groot aantal geschriften opgesteld. Ken deel daarvan wenI door zijn tegenstanders, dc Doininikanen, na zijn dood vernietigd, doch door de zorg van trouwe vereerders is een gedeelte bewaard gebleven en later in druk verschenen. Wat overgc-
49
bloven is, dagtcekent moes tal uit liet laatste gedeelte zijns levens: theologische verhandelingen en brieven.
Uit deze werken on uit de talrijke berichten over hein is zijn denkwijze genoegzaam bekend. Gansfookt stond in beginsel tegenover liet korkwezen der middeloeuwscho scholastiek. Humanistisch gevormd beert hij op mystischon grondslag hot Christendom opgevat als een zuiver innerlijke zaak, die do inensch alleen met God te vereüencn had.
Do kerkelijke instellingen wilde hij met terzijdcplaatsing van bot dogma tot haar grootsten eenvoud beperken. Omdat hot Christendom alleen het zaligmakende geloof is, moet de kerk tor wille van haar zuivering zich onderwerpen aan den toets dor heilige schrift, die in beknopten vorm Gods woord is. De Katholieke stolling: extra occlesiam nulla salus, heeft niet de minste waarde, omdat do kerk als coinmu-nio sanctorum slechts op overeenkomst berust. Do bijbel alleen is voor hem de levende bron van het ware geloof. Er is maar één middelaar, Jezus Christus, die aan hot kruis do zonden draagt, ei) niets dan één algemeen priesterschap: do Christen behoeft niet elk concilie maar alleen een rechtzinnigen paus te geloovon. Zonden kunnen niet in de biecht door don priester maar alleen door God worden vergeven. Do kerkelijke ban heeft geen reden van bestaan, omdat hij slechts uiterlijke werking heeft. Do aflaat wordt krachtig bestreden en mag niet anders worden gegeven dan ids een vrijstelling van kerkelijke straffen. Daarentegen is do boete iets geheel innerlijks: zij wordt gewerkt door des menschen mishagen aan zich zelf en zijn berouw over do zonde, door de gerechtigheid van Christus en do vrije genade Gods. Do ware voldoening (satisfactie) is het leven in God. Hot vagevuur is niets dan de louterende werking van \'s menschen verlangen naar God. De leer der transsubstantiatie moet verworpen worden, want het avondmaal werkt slechts geestelijk genot. Werktuigelijke handelingen, rozenkrans, brevier hebben geen waarde, en ijdolheid is het vertrouwen op lt;lc voorbidding van Maria on do heiligen.
Wat Ganskoorï leerde on schroef, is bepaald reformatoir, geheel onderscheiden van \'tgoen tot dusver in Nederland was vernomen. Dit waren denkbeelden van het einde der middeleeuwen. Op den grondslag van vrij, vroom en scherpzinnig onderzoek steunen bier stout en sterk do groote beginselen: rechtvaardiging uit genade door geloof in Jezus Christus en de bijbel, eenige bron der waarheid bovenkerk, priesters, pausen en doctoren.
Hardenberg, Vita Wesseli, maakt gewag van deze verwoesting door de Realisten, vooral de Bedelmonniken, die zich hier en overal op katheder en kansel aan de spits stelden van de anti-Dr. Reitsma , Kerkgesch. 4
60
reformatoire geesten ; ooIcMuurling, Comm.de Wesselivila, p. 117.
Reeds waren enkele verhandelingen en brieven van Gansfoort vroeger gedrukt. De oudste verzameling onder den titel Farrago Wesseli verscheen waarschijnlijk te Wittenberg in 1521 op aandrang van Luther, meermalen herdrukt, zie behalve Ullmann ook de rioop Scheffer, Gcsch. der Kcrkherv., p. 98, 99. De meest uitgebreide verzameling bevat de uitgave te Groningen in 1614. Doch vele werken zijn nog te zoek of verloren geraakt. Zie verder nog Godgel. Bij dr., 1869, p. 98 vlg. en de verhandeling van Doedes, Hist, literarisches zur Biogr. Johann Wessels in Theol. Stud, und Kr it., 1870.
§ 54. De invloed van dezen geleerden en scherpzinnigen denker, „de Reformator vóór do Reformatiequot;, is binnen beschaafde en geletterde kringen zeer groot geweest en van blij venden duur. Tot het volk drong hij niet door en deze teruggetrokkenheid onderscheidt den vrijen denker van predikers en profeteerende ijveraars. Door vereerders omgeven, ouden en jongen, had Gansfoort overvloedig gelegenheid om thans zonder in splinterigc en tijdroovendo academische disputen te worden betrokken de resultaten van zijn onderzoek en zijn heldere geloofsinzichten ingang te doen vinden. Vooral te Groningen en in de noordelijke gewesten. Tot de school van Gansfoort behoorden een menigte aanzienlijken, geleerden, ontwikkelde priesters en kloosterlingen. Onder hen worden vermeld; de abten van Aduard on Klaar-kamp Henricus van Rees en Johannes van Goch; de edelman Rudolf van Langen, de bekende hervormer van het onderwijs en de scholen van Munster; Paulus Pelantinus, geneesheer te Aduard; de groote philoloog Agricola ; Alexander Hegius en zijn opvolger als seholarch te Deventer Johannes Oostendorp, bijgenaamd Bellert; Willem Frederiks, later het hoofd van de Groninger priesterschap; Gosewjjn van Halen , Wessel\'s famulus en later rector van het fraterhuis; de edelman Onno van Ewsum; Nicolaus Lesdorp, leeraar der Maartenschool te Groningen; de Pranciskaan Tileman Spenger-berg; broeder Johannes van Amsterdam; Hermannus Torrentinus, leeraar te Zwolle en andoren. Bovendien waren er ook zeer velen, die zonder met zijn geloofsinzichten geheel in te stemmen hem nochtans als geleerde hoogschatten zooals David van Bourgondië , bisschop van Utrecht, do kanunnik Ludolfus de Veno, Jacob Hoek (Angularius) deken van Naaldwijk, de non Geertrui Reiners, en anderen.
Door persoonlijken omgang wekte Gansfoort een vereoring zoo groot, dat zijn geest en beginselen nog een geslacht over tot diep in de volgende eeuw voortleefden.
51
Te Aduard heeft Gansfoorï groote verbeteringen aangebracht in het leven der monniken en in het onderwijs op de beide scholen dezer machtige abdij. Nanninga Uiterdijk, De abdij Aduard, p. 61—63; Dikst Lorgion jr., Regn. Praedinius, p. 29 vlg.
Het in den tijd van abt Henricus (1449—1485) zeer opgewekte leven raakte later aan het kwijnen onder de onrust van den oorlog en tijdelijke verwildering der zeden. Dat de geest van Gansfoort er lang voortleefde, blijkt uit de hervormingsplannen van den abt Joh. Reekamp omstr. 1544, al kwamen ze niet tot uitvoering, Pestalozzi, //. Bnllinger, Leben und ausgew. Schriften, p. 310, vermeld bij van \'t Hooft, De theol. van //. Bullinger, p. 128, 129.
In het klooster Agnetenberg bij Zwolle was de omgeving van Gansfoort meer behoudend, doch vooral Groningen, dat van 1491 tot 1498 zelfs een groot deel van het vrije Friesland overheerschte, was en bleef de zetel der school van dezen grooten geleerde. De machtige persona der hoofdkerk Willem Frederiks, die daar langen tijd „al doen ende laetenquot; was, gaf tot aan zijn dood onder de geestelijken en beschaafde standen den toon aan tegenover de Dominikanen. Zie over de denkbeelden in deze kringen de Hoop Scheffer, Gesch. der Kerkherv., p. 64—67.
§ 55. In de rij der humanisten staan vooraan twee beroemde Nederlanders: Rudolphus Agricola en Desiderius Erasmus. Eerstgenoemde, geboren 1442 te Baflo in de Ommelanden en gestorven te Heidelberg 28 October 1485, de toongever der oudere humanisten, was sedert dc kennismaking en omgang te Parijs een vriend en trouw vereerder van Gansfoort. Evenals deze achtte hij de kerkelijke traditie in strijd met den bijbel en de rede. Hij heeft zijn afkeuring uitgesproken over de misbediening, de transsubstantiatie, het celibaat, de leer van de verdienstelijkheid der goede werken. Doch moer philoloog dan godgeleerde en bovendien meestal buitenslands, hoeft hij slechts indirecten invloed op den gang der godsdienstige ontwikkeling hier te lande uitgeoefend, door zijn verdienste voor betere uitlegkunde van den grondtekst des bijbels.
Zoowel te Parijs tusschen 1465 en 1473 als 1:6 Groningen en Aduard van 1479 t0,; I483 genoot Agricola (Roelof Huisman) den omgang met zijn ouderen en beroemden landgenoot. Allard van Amsterdam gaf in 1539 te Keulen een uitgave van zijn geschriften onder den titel Opera Rudolphi Agricolae. Hij moet in 1479 \'let orgel in de Martinikerk te Groningen hebben vervaardigd. Zie over hem T. P. Tresling, diss, de Rud. Agricola, Gron. 1830; Ullmann, Reformatoren, II, 367, 387.
In 1487 liet zich te Bologna een Rudolfus Agricola Frisius als student inschrijven: misschien een zoon.
4*
52
§ 56. Do invloed, dien de wereldberoemde Rotterdammer, de een tijdlang haast aangebedene leider der jongere humanisten uitgeoefend heeft, was ook op Nedcrlandsehe godgeleerden en vooral letterkundigen overstelpend en ongeëvenaard.
Tweede zoon van den priester Gerardus Eijasz, ontving li ij bij zijn geboorte den 28 October 14()6 den Grieksch klinkenden naam Erasmus, waaraan later do synonieme voornaam Desiderius is toegevoegd. Door zijn vroeg gestorvene ouders bestemd voor den geestelijken stand, bezocht hij de scholen te Deventer en \'s llertogen-bosch ou werd daarna door zijn voogden geplaatst in hot klooster Stein bij Gouda. Sedert het jaar 1490 of 1491, toen hij in gezelschap van den bisschop van Kamerijk naar Frankrijk ging, is iiij meermalen van woonplaats veranderd on bezocht op zijn talrijke reizen vele landen. Hij vertoefde te Parijs, iu de Nederlanden, Italië, te Cambridge, Preiburg en Basel.
Zelden is een geleerde en schrijver zoo gevierd en bewierookt als Erasmus van Rotterdam. Op iiet toppunt van zijn beroemdheid stond lii, na de uitgave van zijn meesterlijke satyre, Laus stultitiae, sedert het jaar 1509 na zijn terugkeer uit Italic tot omstreeks 1520 als hoofd van do overmoedige „Latijnsche cohortequot; en haar woeligen aanhang. Daarna verminderde de onbeperkte eerbied voor zijn naam en talent door zijn dubbelzinnige houding tegenover de kerkhervorming, dio hij zelf als oen der machtigste baanbrekers mede had opgeroepen. Hij stierf den 12 Juli 15oü te Basel, nog altoos bewonderd maar door veler liefde verlaten.
De geboorte van Erasmus wordt op verschillende Jaren gesteld. Deze opgave steunt op een aanwijzing in het Compendium vitae, geschreven in het voorjaar van 1524: supputat annos circiter 57. O]) het voetstuk van het bekende standbeeld te Rotterdam staat 1467. Zijn moeder heette Margaretha, de dochter van Petrus, een geneesheer te Zevenbergen, naar wien zijn drie jaren oudere broeder genoemd is. Den naam Erasmus -v- Gerard gal hem zijn vader, die in Italië Grieksch had geleerd, maar tijdens zijn geboorte afwezig was. Hij zelf plaatste er nog Desiderius vooraan, vrij zeker tijdens zijn verblijf te Parijs omstreeks 1479- Deze compositie, Gerard Gerardsz, is op zich zelf reeds een aanduiding, dat de naam Gerardus Rogerii, hem in een pauselijk schrijven gegeven, onjuist is.
§ 57. Enkele dwalingen omtrent Erasmus leven nemen haar oorsprong in het door hem zelf met opzettelijk overleg gestelde Compendium vitae, dat wel echt is maar niet geloofwaardig, omdat hij met opzet daarin de schets der levensbeschrijving aangeeft, zooals hij haar
53
wenscht. Zijn persoon en leven worden beter gekend uit zijn werken, uitgebreide briefwisseling en de getuigenissen van tijdgenooten.
In weerwil van smetten, die zijn karakter aankleven, verdient Erasmus een man van de grootste beteokenis te heeten, een wonder van geleerdheid, machtig door zijn geweldige satyro, zijn klassieke taal, zijn seherpzinnig oordeel. Zijn gehcele streven was gericht op bestrijding van alle barbarisme op het gebied der letteren, in de kerk, in de maatschappij. Omdat hij een innerlijke herleving en zuivering der kerk door haar zelf mogelijk achtte, maakte de wijze van optreden van Luther en de kerkhervormers zijn afkeuring gaande, bestreed hij zelfs hun doel en beginselen.
Al behoort Erasmus meer aan de menschheid, toch is door woord en geschrift zijn gezag hier te lande toongevend geweest, hoewel hij meestal in den vreemde vertoefde. Evenals elders werd hij liici door alle beschaafden vereerd. De Nederlandschc letterkundigen arbeidden in zijn geest, sommigen meer als humanist, doch ook velen lot verbetering vnn kerk en godsdienst.
In de epistola secretissima aan Goclenius, hoogl. in het Lat. te Leuven, gaf Erasmus zelf eenige berichten over zijn leven en afkomst, die in geval van nood als apologie konden worden aangewend vooral ten aanzien van twee kwetsbare punten, waarop hij zich bijzonder gevoelig toonde, dat hij van onwettige geboorte en een weggeloopen monnik was , zooals zijn vijanden hem verweten. Dit compendium vitae komt voor in de 1607 door Paulus Merula uitgegevene Erasmiana. De meeste levensbeschrijvers volgen de voorstelling van Erasmus, zelfs Drummond, Erasinus, I, 3—7; Bayle, Diet. hist, et crit., II, 1059; Stahelin in Herzog, Real-Enc., IV, 279. Over het eerste gedeelte van Erasmus leven is juister licht opgegaan door dr. J. B. Kan, Erasmiana in de Nieuwe Rotterd. courant 1877 en Febr. 1878; R. Fruin in de Bijdragen voor Vad. Gesch., 1878, p. 85—118; Vischer, Erasmiana, 1876 te Basel. De eerste uitgave van Erasmus gezamenlijke werken bezorgde zijn vriend Beatus Rhenanus 1540 te Basel. Een tweede meer volledige gaf Clericus in tien foliodeelen 1703—1706 te Leiden.
§ 5S. Rij den aanvang der zestiende eeuw was het meerendeel van de beschaafde lieden en geleerden gematigd humanist. Do behoefte aan beter godsdienst dan de kerk tor zaligheid voldoende rekende, werd gevoeld. De eerbied voor do geestelijkheid, zoowel priesters als kloosterlingen, was uit verklaarbare redenen zeer gedaald en daarmede ook het kerkelijk gezag. In sommige kringen zooals do vrienden van den bekwamen persona Eredehiks te Groningen, de ineesten der
52
§ 56. Do invloed, dien de wereldberoemde Rotterdammer, do een tijdlang haast aangebedene leider der jongere humanisten uitgeoefend heeft, was ook op Nederlandsche godgeleerden en vooral letterkundigen overstelpend en ongeëvenaard.
Tweede zoon van den priester Gerardus Emasz, ontving hij bij zijn geboorte den 28 October 1466 den Grieksch klinkenden naam Erasmus, waaraan later do synonieme voornaam Desiüerius is toegevoegd, Door zijn vroeg gestorvene ouders bestemd voor den geestelijken stand, bezocht hij de scholen te Deventer cn \'s Hertogen-bosch en werd daarna door zijn voogden geplaatst in het klooster Stein bij Gouda. Sedert het jaar 1490 of 1491, toen hij in gezelschap vati den bisschop vau Kamerijk naar Frankrijk ging, is hij meermalen van woonplaats veranderd cn bezocht op zijn talrijke reizen vele landen. Hij vertoefde te Parijs, in de Nederlanden, Italië, te Cambridge, Freiburg en Basel.
Zelden is een geleerde cn schrijver zoo gevierd en bewierookt als Erasmus van Rotterdam. Op het toppunt van zijn beroemdheid stond bi, na de uitgave van zijn meesterlijke satyre, Laus stultitiae, sedert het jaar 1509 na zijn terugkeer uit Italië tot omstreeks 1520 als hoofd van dc overmoedige „Latijnsche cohortequot; en haar woeligen aanhang. Daarna verminderde de onbeperkte eerbied voor zijn naam cn talent door zijn dubbelzinnige houding tegenover de kerkhervorming, die hij zelf als ecu der machtigste baanbrekers mede had opgeroepen. Hij stierf den 12 Juli 1586 te Basel, nog altoos bewonderd maar door veler liefde verlaten.
De geboorte van Erasmus wordt op verschillende jaren gesteld. Deze opgave steunt op een aanwijzing in het Compendium vitae, geschreven in het voorjaar van 1524: supputat annos cireiter 57. Op het voetstuk van het bekende standbeeld te Rotterdam staat 1467. Zijn moeder heette Margaretha, de dochter van Petrus, een geneesheer te Zevenbergen, naar vvien zijn drie jaren oudere broeder genoemd is. Den naam Erasmus — Gerard gal hem zijn vader, die in Italië Grieksch had geleerd, maar tijdens zijn geboorte afwezig was. Hij zelf plaatste er nog Desiderius vooraan, vrij zeker tijdens zijn verblijf te Parijs omstreeks 1479. Deze compositie, Gerard Gerardsz, is op zich zelf reeds een aanduiding, dat de naam Gerardus Rogerii, hem in een pauselijk schrijven gegeven, onjuist is.
§ 57. Enkele dwalingen omtrent Erasmus leven nemen haar oorsprong in het door hem zelf met opzettelijk overleg gestelde Compendium vitae, dat wel echt is maar niet geloofwaardig, omdat hij met opzet daarin de schets der levensbeschrijving aangeeft, zooals hij haar
wcnscht. Zijn persoon en loven worden beter gekend uit zijn werken, uitgebreide briefwisseling en do getuigenissen van tijdgenooten.
In weerwil van smetten, die zijn karakter aankleven, verdient Erasmus een man van de grootste beteokenis te heeten, een wonder van geleerdheid, raaehtig door zijn geweldige satyro, zijn klassieke taal, zijn scherpzinnig oordeel. Zijn geheele streven wns gericht op bestrijding van alle barbarisme op het gebied der lettoren, in do kerk, in de maatschappij. Omdat hij een innerlijke herleving en zuivering der kerk door haar zelf mogelijk achtte, maakte de wijze van optreden van Lutiiek en de kerkhervormers zijn afkeuring gaande, bestreed hij zelfs bun doel en beginselen.
Al behoort Erasmus meer aan de menschhcid, toch is door woord en geschrift zijn gezag hier te lande toongevend geweest, hoewel hij meestal in den vreemde vertoefde. Evenals elders werd hij hiei door alle beschaafden vereerd. Do Nedcrlandsche letterkundigen arbeidden in zijn geest, sommigen meer als humanist, doch ook velen tot verbetering van kerk en godsdienst.
In de epistola secretissima aan Goclenius, hoogl. in het Lat. te Leuven j gaf Erasmus zelf eenige berichten over zijn leven en afkomst, die in geval van nood als apologie konden worden aangewend vooral ten aanzien van twee kwetsbare punten, waarop hij zich bijzonder gevoelig toonde, dat hij van onwettige geboorte en een weggeloopen monnik was, zooals zijn vijanden hem verweten. Dit compendium vitae komt voor in de 1607 door Paulus Merula intgegevene Erasmiana. De meeste levensbeschrijvers volgen de voorstelling van Erasmus, zelfs Drummond, Erasmus, I, 3—7; Bayle, Diet. hist, et erit., II, 1059; StXhelin in Herzog, Real-Ene., IV, 279. Over het eerste gedeelte van Erasmus leven is juister licht opgegaan door dr. J. B. Kan, Erasmiana in de Nieuwe Rotterd. courant 1877 en Febr, 1878; R. Fruin in de Bijdragen voor Vad. Geseh., 1878, p. 85—118; Vischer, Erasmiana, 1876 te Basel. De eerste uitgave van Erasmus gezamenlijke werken bezorgde zijn vriend Beatus Rhenanus 1540 te Basel. Een tweede meer volledige gaf Clericus in tien foliodeelen 1703—1706 te Leiden.
§ 58. Bij den aanvang der zestiende eeuw was het mcerendeel van de beschaafde lieden en geleerden gematigd humanist. Do behoefte aan beter godsdienst dan de kerk tor zaligheid voldoende rekende, werd gevoeld. De eerbied voor do geestelijkheid, zoowel priesters als kloosterlingen, was uit verklaarbare redenen zeer gedaald cn daarmede ook het kerkelijk gezag. In sommige kringen zooals de vrienden van den bekwamen persona Frederiks te Groningen, de meesten der
64
Ncdcrlandsche philologcn, con groot aantal ernstige en evangelisch gezinde geestelijken werden zeer vrije en verlichte denkbeelden omtrent geloof en kerk wezen gekoesterd.
Het volk echter was over het geheel nog aan de kerk en haar aloude instellingen gehecht, al wokten het slechte voorbeeld en de ondeugden van vele geestelijken soms ergernis. Niettemin had do prediking der devoten, het godsdienstig lied, de lezing van stichtelijke cn bijbelsche geschriften ook onder de menigte den zin voor practische vroomheid in het leven geroepen. Toen de kerk in haar roeping te kort schoot of den toenemenden wensch naar grondige verbetering niet wilde en kon bevredigen, bleek weldra ook bij liet volk de neiging te leven om zich aan te sluiten bij datgene, wat beter aan hun godsdienstige behoeften voldeed.
Verder dan tot den stand der beschaafden reikte de invloed der voorreformatoren niet. De Nederlandsche humanisten waren op enkele uitzonderingen na bezadigde mannen, die de studie der klassieken dienstbaar maakten tot zuivering van het Christendom; de nawerking der devotie, de school van Gansfoort , de bedachtzaamheid van den vereerden Erasmus hebben aan hun geest dit karakter gegeven. Het zou nog lang duren, voordat ook bij de menigte de oogen open gingen voor de gebreken eener kerk, die haar goeden naam nog niet verloren had en eerst onder haar strijd tegen den geest des tijds de hardnekkige en stelselmatige vervolging van alle andersgeloovenden op de spits dreef.
Aan bijbelsche kennis ontbrak het hier te lande geenszins, doch niet de boekdrukkunst, eerst de Hervorming heeft den bijbel in handen van het volk gebracht. Een exemplaar van den druk van 1477 kostte nog 4 of 5 kroonen. Later toen de bijbel een volksboek dreigde te worden, kwam hij op den index: het doopge-schenk der geestelijkheid in 1500 voor Karel V was een bijbel met het merkwaardige opschrift Joh. 5, 39; Onderzoekt de schriften.
TWEEDE AF DE EL ING.
DE OPKOiST DER lIEllïölllllNC ÏDÏ IMÜ.
HOOFDSTUK V.
DE REFORMATOIRE BEWEGINGEN TOT 15li().
,r. Cr. de Hoor Sciibkfku, Gesch. der kerkherv. in Nederland van haar ontstaan tot 1531, Amst. 1873 cn dc daarin vermelde bronnen en literatuur.
C. P. Hofstede de Groot, Honderd jaren uit de Herv. in de Nederl., Leiden 1883.
C. Sbpp, Gesehiedk. nasporingen, 3 st. 1872, 1873, 1875; Polcm. en iren. theol., 1881; Bibliogr. mededeelingen, 1883.
Ct. Brandt, Hist, der Reform., 1° deel.
Ullmann, Hervormers voor de Herv. {Corn. Grapheus in deel 2).
J. J. van Toorenenbergen, Hel oudste Nederl. verboden hoek. Leiden 1882.
H. Q. Janssen, Jac. Praepositus, Luthers leerling en vriend, 1862.
C. H. van Herwerden, Het aandenken van Hendrik van Zutphen, 1840, 21-\' uitgave 1864.
H. R oodhuvzen, Het leven van G. Gnapheus, 1858, diss.
I. M. J. Hoog, De Martelaren der Hervorming in Ned. tot 1566, diss., 1885; e. a..
§ 59. Hoewel zich reeds vroeger dan in den jare 1517 enkele sporen van reformatorische gevoelens vertoond hebben, moet dit tijdstip toch als aanvangspunt gesteld worden, omdat de schok, door Luthkh\'s optreden teweeg gebracht, zich toen ook hierheen voortplantte en aanleiding gaf tot een merkbaar opkomen van de beweging. Dit eerste tijdperk moet besloten worden met het jaar 1568, het begin van den tachtigjarigen oorlog en tevens het tijdsgewricht, waarin het belangrijke convent van Nederlandsche Hervormden te Wescl gehouden werd. Het splitst zich van zelf voor afzonderlijk onderzoek in deze onderdeden:
1. de reformatoirc bewegingen van den eersten tijd, omstreeks 1517 tot 1580;
2. het tusschenbedrijf van de Anabaptistische beroeringen cn de opkomst der Doopsgezinden, 1530 cn de volgende jaren;
58
3. de uitbreiding en lijdensdagen der Hervorming sedert 1530 tot aan het begin van Alva\'s bewind.
De tachtigjarige oorlog is een keerpunt in de geschiedenis niet slechts van den Nederlandschen staat maar ook van de kerk. De samenkomst der uitgewekene Hervormden te Wesel heeft het karakter van een kerk-organiseerende vergadering. Wel was zij nog de kerk onder het kruis, maar de in datzelfde jaar aangevangene worsteling was ook het begin van de allengs verkregene zegepraal der Nederlandsche hervorming.
Het jaar 1530 is het begin van de woelingen der Wederdoopers. Onder deze geruchtmakende volksbeweging plantte zich de aanhang der andere Hervormers geregeld voort. Hun zwaarste druk brak aan in den tijd der bloedplaccaten vooral sedert 1550, een jaartal, dat ongeveer samenvalt met het krachtige optreden der Calvinisten.
§ 60. Omstreeks 1517 was het gebied over de Nederlandsche gewesten behalve Luik verdeeld onder drie vorsten: Ka rel , opperheer van Holland, Zeeland en de zuidelijke Nederlanden, sedert 1520 keizer Karkl V; Karel van Egmond, hertog van Gelre; Filips van BquroondiIó, bisschop van Utrecht, den laatsten wereldlijken gebieder van het Sticht. Tot aan haar dood was de tante des keizers Marga-retha van Oostenrijk, weduwe van den hertog van Savoye, landvoogdes, een zeer schrandere en welwillende vorstin. Van lieverlede werd de keizer heer van al do Nederlanden. In do laatste jaren vs,n zijn krachtig bestuur herleefden door binnenlandschen vrede welvaart en bloei. Omdat hij aanvankelijk de privilegiën onaangetast liet, genoot zijn regeering de gunst der onderdanen.
De eerste oorzaak der Hervorming lag niet in verzet tegen landsheerlijke onderdrukking. Haar opkomst kan alleen aan den geest des tijds en aan den ook onder de Nederlandsche bevolking zich open-barenden wenseh naar betere bevrediging der godsdienstige behoeften worden toegeschreven.
Hertog Karel van Gelre was sedert 1513 ook heer van Groningen en Drente, sedert 1522 van Overijsel (het Oversticht) en Friesland, doch hij verloor deze gewesten achtereenvolgens aan den Oostenrijker. Toen hij 30 Juni 1538 stierf, ging zijn hertogdom bij tractaat over aan Willem van Gulik, die evenwel spoedig afstand moest doen.
Als bisschop voerde Filips van BourgondiE nog het volle bewind over Utrecht en Overijsel (Slicht en Oversticht). Hij stierf twee jaren na het verlies van Overijsel. Zijn opvolger Hendrik van Beijeren deed in 1528 afstand van de wereldlijke macht in zijn bisdom.
59
Karf.l van Oostenrijk in 1515 graaf van Holland en Zeeland, 1517 koning van geheel Spanje, 1520 Roomsch keizer, 1523 heer van Friesland, 1528 van Overijsel en Utrecht, 1536 van Groningen en Drente. Toen in 1543 de Geldersche hertog op zij geschoven was, vereenigde hij alle Nederlanders onder zijn scepter, want de gewesten van het Zuiden behalve Luik waren zijn erflanden.
§ 61. Reeds vóór liet optreden van Lutheu en Zwinoli lieten zich wel eens enkele bijbolsch verlichte mannen hooren. In l.ct laatst der voorgaande eeuw verklaarde de Groninger Franciskaan Tii.kman Spen-gerberö, doch alleen maar in den biechtstoel, dat Christus-;, voor ons gestorven, de ecnigc verlosser was, dat het vertrouwen op hem voor het alleen ware en zaligmakende geloof mocht worden gehouden, dat al het overige zooals aflaten en dergelijke louter dwaasheid was. De Dominikaan Wouter verhief in 1510 te Utrecht openlijk zijn stem tegen vele misbruiken dor kerk, doch beeft zich vooreerst nog door bisschoppelijk gezag het stilzwijgen laten opleggen. Omstreeks 1515 begon Gellius Fa her de Rouma, pastoor te Jelsum in Friesland, in evangeliscben trant te preeken en zijn ambt te vervullen. Hij ging rustig daarmede voort, totdat bij ruim twintig jaren later moest uitwijken. De prior van bot klooster Mariëndaal gaf in 1516 te Deventer een boekje uit, „Do gouden kroon van Mariaquot;, waarin bij den aflaat bestreed en opwekte om tor wille van do zaligheid liever op de woorden en beloften der heilige schrift to vertrouwen.
Waarschijnlijk zullen nog wel moor dergelijke verschijnselen vermeld kunnen worden. Toch zijn deze enkele feiten, al openbaren zij het ontwaken oenor andere geestesrichting, nog geen bewijs, dat het Protestantisme hier te lande ouder is dan Luther. Zij bewijzen alleen, dat uit den lichtkring der geloofsgonooten van Gansfoort en Erasmus nu en dan zuiverder denkbeelden on zcdeleor, dan die de kerk aanbood, ook onder de aandacht van do menigte werden gebracht. Do reformatie zelf werd nog niet verkondigd.
Spengerberg is in 1499 op hooge jaren gestorven, P. Hofstede de Groot, Gcsch. der Broederenkerk, p. 9, 97; de Hoop Scheffer, Gesch. der Kerkherv., p. 66, 67.
Gellius Faber (Jelle Smit) verklaarde zich eerst in 1536 openlijk voor de Hervorming, zie mijn Honderd jaren, p. 16, 71. Zijn opvatting van het avondmaal kwam met die van Zwimgli overeen, E. Meikers, Oostvr. Kerkel. Gesch., I, 209—214.
Dat Menno Simons, vicaris te Pingjum, reeds in 1516 in stilte worstelde met allerlei bezwaren tegen de mis, is zeker geen zeldzaam geval. Doch hij had toen nog den moed niet om den bijbel te bestudeeren.
60
Over het bockske van den prior van MariCndaal zie de Hoop Scheffer, Gesch., p, 51, 52, die daar ook de tirade tegen den aflaathandel in de voorrede der Divisiekroniek (editie van 17 Augustus 1517) aanhaalt. De ergernis over den aflaat is hier te lande niet in zoo hooge mate opgewekt als elders, omdat er niets ongewoons is voorgevallen, zie de verhandeling van N. C. Kist , De pansel. aflaathandel in Nederland, in Arch, voor Kerkgesch. I, I4S vlg-
§ 62. De krachtige aanval van Luther op de leer der Katholieke kerk trok in Nederland dadelijk ook algemeen de aandacht en maakte grooten indruk. Van dit tijdstip af kwam er beweging en bleek liet steeds duidelijker, dat de hervormingsgeest aanwezig was bij vele geestelijken, in kloosters en op de scholen. Vandaar verspreidden de nieuwe leoringen zich allengs onder de burgerij en de lagere standen. In de eerste helft dezer eeuw had de reformatie in deze gewesten het voorkomen vnn een volksbeweging zonder bepaalde hoofdleiders. Hier en daar zich verheffende, concentreerde zij zich op verschillende plaatsen rondom enkele meer stoutmoedige woordvoerders en handelende personen, die echter meest allen na oen korte loopbaan van het tooncel verdwenen. Het gestadig toenemende aantal verschijnselen, personen en feiten, die van nu af de aandacht trekken, bewijst door geaardheid en samenhang, dat er roering kwam tot in de onderste lagen der samenleving. Het moest evenwel nog lang duren, voordat deze beweging een algemeene genoemd kon worden.
Merkwaardig is de beschrijving van den indruk, door Luther teweeggebracht, in Petrus Thaborita, Hist, van Friesl., p. 428, 429. Meer afkeuring spreekt uit de getuigenis van een anderen tijdgenoot in het fraterhuis te Doesburg, Delprat, Broederschap, p. 134—136.
Het woord „volksbewegingquot; is gebezigd met het oog op het geheele beloop der gebeurtenissen in de eerste helft dezer eeuw. Het eigenlijke volk kwam niet in beweging voor de dagen van de Wederdooperij. In allen gevalle is het meer overeenkomstig met de ware toedracht der gebeurtenissen om overdrevene voorstellingen , zooals opsteken van de vaan der Hervorming, algemeen verlangen naar gezuiverde leer e. d., tot haar bescheidenste afmeting terug te brengen. AVie volk en land tijdens het eerste gedeelte der, regeering van Karel V kent, weet dat het slechts kleine hoopjes waren, die tot een breuk met de heerschende kerk overgingen. Zelfs de toenemend strenge vervolging der afvalligen deed haar crediet bij de meerderheid slechts langzaam dalen, maar geleidelijk. In de zuidelijke gewesten ging dit weer veel sneller dan in het noorden. De meer ontwikkelden onder de geestelijken en beschaaf-
61
den, die sympathie gevoelden voor \'tgeen de Hervormers leerden, waren meestal niet met den ijver van tie propaganda bezield en koesterden de nieuwe denkbeelden meer als een punt van persoonlijke overtuiging. Het goede zaad moest nog zijn tijd hebben, voordat het opschoot. Men was nog aan het opnemen van de nieuwe geloofsinzichten.
§ Go. Intusschen werd hot zaad, dat daarna ontkiemen zou, ijverig uitgestrooid. De snelle toevoer van de denkbeelden der kei klier vormers naar deze landen werd zeer bevorderd door een werkzame drukpers en een zeer levendigen boekenhandel. Vooral Antwerpen had van don beginne af meer dan eenige andere stad of plaats den aanleg om een hoofdzetel en middelpunt dor beweging tc worden. Daar waren reeds in het voorjaar van 1518 Luthersehe geschriften verkrijgbaar en kort daarna verschenen er vertalingen in het licht, die gretigen aftrek vonden in weerwil of ook ton gevolge van de veroordeeling, den 7 November 1519 daarover door do faculteit van Leuven uitgesproken. Ook to Utrecht werden die geschriften in 1521 openlijk verbrand.
De secretaris Cornelius Grapheus vervaardigde een vertaling van de „Christelijke Vrijheidquot; van Johannes van Gocii en liet haar in 1520 drukken met oen krachtige voorrede, waarin hij zich onverholen voor een aanhanger der gezonde loer van Luther verklaarde. Deze onderneming bracht hem te Brussel in de gevangenis, waaruit hij slechts losgelaten werd na tie herroeping van zijn kottersche gevoelens.
In datzelfde jaar werden uitgegeven do beroemde sermoenen van „den devoten Pater, Broeder Niclaes Feeters, Minnebroeder entle Gardiaenquot;, een serie preeken, die een doorloopende bestrijding van de leeringen en geliruikon der Katholieke kerk behelsden on veel opgang maakten.
Intusschen bewerkte Hendrik van Bommel, toen nog overste van een klooster in Utrecht, do „Summa der Godliker Scrifturonquot;, hot eerste geschrift, dat met name als kottorsch bij keizerlijk placeaat verboden werd. Het was in 1523 te Leiden bij Jan Zeverts in druk verschenon en haalde dezen in 1524 zijn verbanning op don hals.
De verbodene vrucht werd vooral in de zuidelijke Nederlanden sterk verspreid, doorgaans van Antwerpen uit. Doch ook naar het noorden vond deze lectuur haar weg. Daar kwam de invoer over Emden na 1520, toen graaf Edzard tot de Hervorming overging en den verkoop van geschriften der Hervormers volkomen vrij liet.
Over de verspreiding van Luther\'s werken de Hoop Scheffer, Gesch., p. 68—70, 114—116; vergl. C. Sepp, Verboden lectuur, p. 40 vlg.
Grapheus, geboren 1482 te Aalst in Vlaanderen, gestorven 155S,
«2
bleef trouw aan zijn gelofte van gehoorzaamheid aan de kerk en sloot zich nauw bij Erasmus aan. Zie behalve de biografie bij Ullmann ook de Hoop Scheffer, Gesch., p. ii6; C. Sep?, Verboden lectuur, p. 31.
Van Niclaes Peeïers is verder niets bekend. Een nauwkeurig overzicht van zijn werken enz. geeft de Hoop Scheffer, p. 117—140.
De Summa van H. van Bommel, Oeconomüa Christiana, in vertaling met inleiding te Leipzig 1880 door prof. Benrath van Bonn uitgegeven, is in het oorspronkelijk Latijn en Nederlandsch met voorrede uitgegeven te Leiden 1882 door prof. van Toore-nenbergen. Zijn inleiding handelt over den auteur en de uitgave enz. Zie ook de flandl. der maatsch. van Ned. Letterk. 1885, p. 87, 98 en Sepp, Po tem. en iren. theol., p. 191, vlg. Hetplac-caat des keizers tegen de Summa 23 Maart 1524 bij Sandelijn, Tweede Memoriaalboek, beginnende met 1520, p. 37. Het hof van Holland veroordeelde den schrijver tot ballingschap en verklaarde zijn goederen bij sententie van tien 13 Juli verbeurd.
§ 64. Do opkomende Hervorming bracht ook den bijbel onder liet volk. De oudste, snel op elkander volgende drukken kwamen bijna allen te Antwerpen van do pers. Sedert 1523 werd zoowel liet nieuwe testament van Luther, (eerste uitgave in Augustus bij Adriaan van Bergen) als naar de uitgave van .Erasmus vertaald. Verschenen reeds in 1525 Inj Hans van Romundt of Rurkmunde vertalingen van eenige profeten, de eerste volledige Nederlandsche bijbel naar Lutheb werd den 6 September 1520 door Jacob van Liesvioldt uitgegeven, spoedig gevolgd door een druk van Doen Pieters. Sedert dit tijdstip werd in weinige jaren liet getal der vertaalde bijbels geweldig vermenigvuldigd, een bewijs van de groote navraag.
Daarbij kwam na 1521 een stroom van kleine geschriften en vliegende blaadjes, die met inderdaad verrassende snelheid over steden en dorpen zich verspreidde. Ook de werken van andere Hervormers bleven hier aan ondcrzoeklievende geesten niet onbekend.
Over de Nederlandsche bijbeluitgaven handelt de Hoop Scheffer , Gesch., p. 256—282, waarin vele onjuistheden van Is. le Long, JSoekzaal der Nederd. bijbels, worden verbeterd. Binnen zes jaren verschenen drie edities van den bijbel en 23 van het nieuwe testament. Tusschen 1523 en 1543 zagen honderd drukken van het N. T. het licht. Deze onderneming moesten van Bergen in 1542 te Delft en Liesveldï in 1545 te Antwerpen met hun hoofd betalen. Ook bezorgde William Tindal in dezen lijd te Antwerpen tie eerste Engelsche vertaling van het N. T., die van de Schelde-stad naar zijn vaderland werd verzonden: daarvoor werd hij in 1536 te Vilvoorden verbrand.
68
§ 65. Het eerste sein tot Hervormde prediking word gegeven door Augustijners, de meest onrechtzinnige der kloosterorden. Even te voren waren de kloosters te Dordrecht en Antwerpen door toetreding tot de Saksische congregatie in nauwe betrekking met Wittenberg geraakt. Nauwelijks had Luther zijn stem verheven, of in beide kloosters waren mannen, die openlijk in denzclfden geest begonnen to prediken: de daardoor opgewekte beweging vond een tegenstand, die met de zegepraal dor vervolgers eindigde. Te Dordrecht werd na ecnige woelingen de opkomende reformatie door de Katholieke partij onder leiding van den pensionaris Floris Oem onderdrukt. De mot Luther nauw bevriende prior Hendrik van Zutfen werd ontslagen on het klooster geheel van Lutherij gereinigd. Daar ging later de schoenmaker Cornelis Wouters over tot de nieuwe leer en heeft zijn door kortstondigen afval verhoogden ijver met den dood moeten bokoopen. Te Antwerpen was sedert 1519 Jacobus Praepositus prior. In December 1521 zette de overheid hem wegens zijn prediking togen den aflaathandel, die in deze koopstad als een geldzaak ondernomen word, met eenige andore ij veraars voor de Hervorming in den kerker; na zijn horroeping wegens hernieuwde prediking gevangen, ontvluchtte hij „naar Wittenberg om nimmer weder tc kecronquot; on als Luthersch predikant te Bremen zijn loopbaan te eindigen. In liet najaar van 1522 nam do overheid nog strengere maatregelen: mocht al Hendrik van Zutfen, die hier tot overste aangesteld was, aan zijn vervolgors ontsnappen, de overigen worden gekerkerd on weggezonden of terechtgesteld. Twee hunner Hendrik Voes on Johannes van Essen lieten 1 Juli 1523 te Brussel hun leven op den brandstapel en in hot volgende voorjaar werd hun prior Lambertus Thoren heimelijk in den kerker omgebracht. Dit waren de eerste martelaren dor Neder-landsche Horvorming.
Hendrik van Zutfen, in October 1522 naar Bremen gevlucht, word twee jaren daarna te Moldorf in Ditmarsen, waar hij uitge-noodigd was de Horvorming te prediken, door een hoop woest landvolk doodgemarteld. Ook nog in 1525 werd oen Augustijner Nicolaus van Antwerpen na slechts kort gepredikt tc hebben in de Schelde verdronken. Zoo werden zij, die \'t eerst do stem verhieven, verjaagd of gedood: de menigte, die naar hun woord geluisterd had, bleef. Luther zelf steunde door een brief aan de goloofsgonooton in do Nederlanden hun wankelenden moed en wijdde zijn eerste gedicht aan de nagedachtenis der beide martelaren van Antwerpen.
Cornelis Wouters verklaarde zich 1525 voor Luther, werd in April 1527 gevat en twee jaren later in den Haag onthoofd, Kist en Moll, Kerkhist. arch., IV, 1—22. Evenwel maakte tc
04
Dordrecht de hervorraingsbeweging geen voortgang. Niet alzoo te Antwerpen, waar zij sterk toenam, de 1 loop Scheffer , Geselt., p. 70—81, ui—114, 235—240, 242, 314.
Over J Acoiius Sprenger of Praepositus en Hendrik van Zutfen zie verder nog Kist en Rovaards, Arch., XVI, 323—343gt; 346) 347! van Haemstede, de Ghesch. en de den dood/ der vromer Martel., p. 67—70; Schotel, KerkeL Dordrecht, I, 15—18.
üe brief van Luther in \'t begin van Augustus 1523 bij de Hoop Scheffer, Gesch., p. 253—256; zijn lied op de Augustijner martelaren in Kist en Royaards, Arch., V, 463—470.
Ue aflaten waren te Antwerpen gepacht door Italiaansche kooplieden, die priesters betaalden om ze aan te prijzen, Km. van Meteren, Historie der Ned., I, 87.
De twee monniken, die op \'t eerste gerucht uit het klooster Aanjum de reis naar Wittenberg om Luther te hooren ondernamen , behoorden tot de Regulieren, die den regel van Augus-ttnus naleefden, mijn Honderd jaren, p. 19.
§ (36. Ooit buiten Antwerpen vormde zich menig centrum van hervormde beweging. In 152U predikte in Zuid-Holland de „Lutherschc monnikquot; Wouter na het Dominikaner ordekleed afgelegd te hebben vooral te Delft, waar hij den grondslag legde van de eerste Hervormde gemeente in ons vaderland. Zijn optreden vormde een kern. Ai dadelijk sloten de rector Frederik Hondebeke (Canirivus), de Haagsche advocaat Cornelius Hoen (Honius), George Sylvanus, Johannes Sartorjus en later ook de Haagsche rector Wjllem de Volder (Ctnapheus of Fullonius) zich bij hem aan. Eenigen hunner raakten in hechtenis, Hoen stierf in 1524 en de voorganger Wouter moest eindelijk in 1528 uitwijken naar Straatsburg.
In Utrecht was Hinne Rode (Johannes Rodius), rector van de Hieronymusschool, de ziel van een evangelischen kring, waar eenige priesters en zelfs monniken ijverig medehielpen. De krachtige prediking van mag. Herman Gerrits in de Jaeobskcrk vond weerklank genoeg, maar eindigde den 13 Januari 1522 met zijn smadelijke, openbare herroeping. Rode werd „propter Lutherumquot; afgezet en moest de vlucht nemen. Alleen de voormalige priester mag. Willem Ottens kon het nog een paar jaren in de onveilige bisschopsstad volhouden. Als eerste martelaar der Hervorming in Noord-Nederland, volhardcnder in zijn trouw dan anderen, onderging daar in Juli 1525 de kuiper Willem Dirks den vuurdood.
In Woerden en omstreken ijverde Johannes Pistorius (Jan de Bakker), leerling van Rode en van Luther. Hij maakte in korten
lijd vole aanhangers, doch word al te spoedig gevat cn opgesloten in de 7,00 treurig vermaarde Gevangenpoort, waar met hem oonigo golooi\'sgenooten uit Amsterdam, Leiden en elders gekerkerd waren; in September l-r)2r) werd hij in den Haag op de houtmijt eerst geworgd en daarna tot asch verbrand.
Zoo vond het nieuwo geloofsbeginsel op onderscheidene plaatsen ingang. Dat begon meestal met do prediking van den een of anderen evangelisch verlichten geestelijke. Doch gewoonlijk duurde het niet lang. Vooral zij, die in dezen tijd als leider of woordvoerder een rol hebben vervuld, konden slechts zeer kortstondig bij hun arbeid blijven, zoodra zij in \'t oog liepen: enkelen worden gedood, zeer velen hebben met het kerkerliol kennis gemaakt, waaruit sommigen door do vlucht, anderen door gedwongene verwerping van hun kottersche gevoelens ontkwamen. Verreweg de meesten hebben na allerlei lotgevallen on zwerftochten den vaderlandschen bodem onde r hun voeten voelen branden: do vervolging dreef ze hot land uit. Doch met hun verdwijnen was de zaak zelf niet verloren: wat zij uitgestrooid haddon, bleef on het breidde zich uit onnaspeurlijk on toch merkbaar.
H. Roodhuyzkn, Het leven van Guilhelniüs Gnapheus, p. 4— 1 r, geeft een overzicht van de literatuur over Gnapheus en zijn geschriften. Over Sartorius zie behalve de Hoop Scheffer ook Moll, Angelus Merula, p. 26; Cornelius, Gesch. des Munsl. Att/ruhrs, II, 392, 395, 408; zijn geschriften bij Roodhuvzen, p. t8, noot 2; Glasius, JHogr. Woordenboek, III, 265—267. Den 1 December 1529 verscheen Joannis Pistorii Woerdenatis etc. Martyrium descriptum a Gielhelmo Gnaphaeo, van wien , ook vrij zeker afkomstig is Een stiver licke en de seer scha one disputacie in den Hag he tusschen die kettermeesters ende Jan van Woerden, reeds 21 September 1525 bij Petrus Stesser uitgegeven, Gnapheus had reeds een verdediging van Pistorius opgesteld, de Hoop Scheffer, Gesch., p. 360 vlg., 272 vlg. Behalve PrSTORius zaten nog drie voormalige geestelijken op de Gevangenpoort, onder welke Willem Ottens, die zijn leven redde door herroeping. Hij was na zijn vlucht uit Utrecht te Hoorn werkzaam en daar gegrepen.
Wegens zijn preeken moest de Franciskaan Joannes Pelt Amsterdam ontvluchtten : hij werd in dezen tijd Luthersch predikant te Bremen. Te Amsterdam had ook heer Claes van der Klst voor 1525 de denkbeelden verspreid, die hij te Wittenberg had opgedaan. Kr waren onder de overheid eenigen, die de Hervorming begunstigden, zooals de schout Jan Huisrechts. De prediker IJsbrand Schol wischte het berouw over zijn afval uit door zijn marteldood in 1524 te Brussel.
Dr. Rhitsma, Kerkgcsch. 5
66
§ 67. Do reformntoirc beweging volgde aanvankelijk den liiither-schen stroom. Luther\'s optreden, geschriften en bijbelwerk gaven in de Nederlanden een tijdlang do richting aan. Do vroegste predikers waren bekeerlingen van dezen machtigen Ilervonnor. In den eersten tijd bestond or een drukke betrekking tusschen de horvormingsgezinden hier te lande on Wittenberg. Luther\'s naam was de twistappel in vele kloosters, niet hot minst in fraterhnizen zooals te Deventer en Doesburg. De lezing zijner geschriften of de faam zijner daden had ten gevolge, dat telkens monniken en nonnon do kloosters verlieten, dat priesters op den kansel zijn leer verkondigden. Tal van Nederlanders deden de reis naar Wittenberg en lieten zich daar als student inschrijven: dit bepaalde zich in latere jaren meer tot personen uit het Noorden, vooral Friezen.
Toch werd ook spoedig de invloed van andere Hervormers merkbaar. De advocaat Hoen vond in de nalatenschap van Jacob Hoek (Anoulakius), dokon van Naaldwijk, werken on brieven van Wessei, Gansfoort. De lezing van deze geschriften, inzonderheid De cocna Domini bracht hem tot zekerheid omtrent de beteekonis van liet avondmaal. Do vrucht van zijn nadenken was oen uitvoerig vertoog, waarin hij na samenspreking met zijn vrienden zijn opvatting had uiteongozot. Met do handschriften van Gansfoort en do avondmaalsleer van Hoen begaf Hinne Rode, de Utrechtsche scholarch, zich in den winter van 1520 naar Wittenberg. Luther zorgde voor de uitgave van den Farrago Wossoli, maar kon aan do opvatting van Hoen zijn goedkeuring niet hechten. Rode werd echter evenmin als zijn vrienden door Luther\'s gezag tot verandering van inzichten gebracht. Toen hij kort na zijn terugkeer afgezet word, reisde hij mot George Saganus weder naar Wittenberg on vandaar naar Basel, waar zij in Januari 1523 Oecolampadius ontmoetten, wicn zij hot tractaat over het avondmaal vertoonden. Door dezen kwamen zij in kennis met Zwingli , die toon reeds dezelfde gevoelens aanhing, in 1526 don „briefquot; van Hoen uitgaf en in liet daarop volgende jaar ook openlijk zijn ineemng uitsprak.
Zoodra de verwijdering tusschen Zwingli en Luthhr ruchtbaar werd, stemden onder den invloed van Ivode en zijn vrienden de Nederlanders in dit belangrijk opzicht meerendeels met de Zwitsers overeen. Rode predikte omstreeks 1525 to Deventer, natuurlijk in hun geest. Zoo geraakte de invloed der Zwitsersche Hervormers hier to lande sedert dezen tijd nevens dien van Lutubr aan hot toenemen. Bovendien hcorschte ook bij volon hot gezag van Kr asm us on dozen wenschton een hervorming bij geleidelijken overgang. Het is dus juister do aanhangers dor Hervorming in ons vaderland Evangelischon of Sacrainen-
(57
linten to noemen, welke namen Inter ook in gebruik kwamen om hen te onderscheiden van de Lutheranen.
Nederlanders te Wittenberg studeerende, Petrus van Tiiauor, Hist, van Friesland, p. 428; Schultz Jacoiii , Bijdr. voor de gesch. der Luth., V, 173; de Hoop Scheffer, Gesch., p. 75, 252, 481; over de Friezen in lateren tijd mijn Honderd jaren, P- 75) 76-
Talrijk zijn de klachten over het wegloopen uit kloosters. Over de ketterijen der jongere broeders in \'t klerkenhuis te Doesburg 1526, Moll, in Kerk hist. Arch., Ill, 158—215, te Deventer ib. p. 110.
De bezwaren over mis en avondmaalsleer werden reeds vroeg gevoeld, Menno Simons werken, ed. in 4quot;, p. 470 vlg.; Doopsgez. Bijdr., 1864, p. 131 vlg. Sartorius was nu reeds tegen de Luthersche leer, die hij later in geschrifte bestreed, de Hoop Scheffer, Gesch., p. 108.
Over het tractaat van Hoen, ook door Gerdes uitgegeven, zie de Hoop Scheffer, p. 93—98; vergelijk inz. van Toorenkn-bergen. Het oudste Ned. verboden boek, inl. p. XXI—XXVIII.
L. Schulze schreef een belangrijk artikel over Rode en Hoen\'s avondmaalsleer in Herzog, Real-Ene., XVIII, 232—242.
Na zijn terugkeer uit Zwitserland vestigde Rode zich te Deventer, waar de meeste leeraars, 0. a. Joh. Oostendorp, voorstanders der nieuwe leeringen waren, huwde daar 1526, vluchtte 1527 naar Oost-Friesland, predikant te Norden en als Zwingliaan afgezet I530, toen pred. te Wolthusen, waar hij omstreeks 1557 stierf, Harkenroht , Oostfr. Oorspronkelijkheden, p. 521, 720; Mei-nkrs, Oostvr. Kerkl. Gesch., II, 350, 367, 368.
§ ()8. Een niet minder opmerkelijk teeken des tijds was het Groninger godgeleerde gesprek. In deze bloeiende stad en omstreken werd op het gebied der nieuwe denkbeelden de toon aangegeven door de talrijke geestverwanten van Gansfoobt en Erasmus. Bij deze mannen bestond het ernstige streven om kerk en geloof met meer evangelische begrippen te doordringen. Tot dien kring behoorden de meeste priesters der hoofdkerken met den persona Khkdrriks aan het hoofd, de rector en vele bewoners van het fraterhuis, de toongevers onder de burgerij zooals de secretaris Jelmeb Canter, Evert J argues , de scholarch Nicolaus Lesdorp en anderen. De evangelische beginselen ontwikkelden zich daar achter een veilige borstweering: de macht van Groningen on het gezag van den geëerden boofdpastoor, die zijn invloed aan bewezene diensten te danken had. Zij waren de groote denkbeelden der Hervorming toegedaan en spraken die nu vrijer uit dan vroeger, maar hun ideaal was om de Katholieke kerk,
5*
(SS
die zij lief hadden, tot haar grootste zuiverheid torug te brengen.
Hun tegenstanders waren de Dominikanen onder den prior Laürkns liaurknsen (Lauhentius Rükus), die zijn tegenpartij tot een openhaar dispuut uitnoodigde. Dit had den 12 Maart 1523 plaats in hun klooster onder voorzitting van Fredkkiks. In zes stellingen wilden Laüiibntius en do zijnen verdedigen de oppermacht van den paus in hot wereldlijke en het geestelijke, zijn gezag in allo geloofszaken, de onderdanigheid van don staat aan do kerk en hot plichtmatige van geloofsvervolging en ketterdooden. Hot resultaat van dit theologische steekspel was, dat do ijvoraars hior niets togen eon partij kondon ondernomen, die vast aanoengosloton en rustig maar in stilte hlect\' voortwerken in denzolfden gematigden geest.
Mijn verhandeling over Willem Fr ederiks in Fkith en Stratingii , Bijdr. tot de gesch. en oudh. v. Gr on., III, p. 329 vlg., IV, 257 -308; W. Zuidkma , Wilhelmus Frederici, persona van St. Maarten te Groningen, 1889, diss.; Brucherus, Gesch. van de Kerkherv. in Gr on., 1821, ]). 50 vlg. Over den prior Laurens zie de Jonghe , Desolata Batavia Dominicana, p. 66, 156. In 1526 hield hij in Jemgum een vrij hevig dispuut, waarvan de acta vertaald voorkomen bij Meiners, Oostvr. Kerkl. Gesch., 1, 479—574, vergel. p. 13—20; Kmmius, lier. Fris. Hist., in lol. 1616, p. 837, 838. In dezen tijd werd hij inquisiteur van Utrecht en Munster, doch in Groningen is hij als zoodanig nooit tegen de ketters opgetreden.
Willem Frederiks, een persoon van politieke beteekenis en humanistische beschaving, vereerder van Krasmus, was sedert ongeveer 1487 tot 1525 persona personatus der Martinikerk en stierf in 1527. De naam is bepaald Frederiks, niet Frederici. Erasmus schreef hem, Gerdes, Hist. Reform., Ill, doctim., p. 6. Over Gosewinus van Halen, den verlichten rector van het fraterhuis, J. J. l)ihst Lorgion, Regn. Praedinius, p. 29—36. De acta van de Disputatio habita Groningae in aedihus Praedicatorum etc. zijn al spoedig uitgegeven, in 1614 te Groningen herdrukt en ook te vinden bij Gerdes, Hl, Docum., p. 25—60, zie de Hoop Scheffer, Gesch., p. 289, 282—312.
§ (il). De Hervorming had van den beginne af haar bestrijders. Tegen do nieuwe leer en haar verbroiders werd geijverd in woord en geschrift. Lutherscho boeken werden opgespoord en openlijk ten vare gedoemd. Homs werd er streng geloofsgericht gehouden. Maar de hardheid der tijden richtte zich hoofdzakelijk tegen de voorgangers en predikers, want in het begin was de vervolging alleen hier en daar van meer ernstigen aard.
(i!)
Kahk/j V aarzelde uog om do uiterste strengheid toe to pa.sHcn, zoodut hot Wonriéer odiot tegen Luther on zijn aanhung sleelitn in onkoio Bolgisehe plaataen afgekondigd word. Hot piuccnat van 22 April 1522 en do aanstelling van don raadsheer mr. Fuans van dkh Hulst tot keizerlijk kettermeester waren do donkere voorteekenen van liet plan tot uitroeiing van elke heresie. Toen dozo reeds in 1523 wegens zijn aanmatiging op het aandringen der Staten door de landvoogdes ontslagen was, werden drie geestelijke geloofsrechters benoemd.
Do verdeeldheid onder de vervolgers, liet verzet van plaatselijke overheden en ook van geestelijken tegen de macht van den inquisiteur, het nu nog gehandhaafde privilegie do non evoeando en andere beletselen bemoeielijkten zeer de stelselmatige uitvoering van de opeenvolgende geloofsdecreten naar des keizers wil. Zelfs do hertog van de\'Ire, oven bijgeloovig als verbitterd tegen do Hervorming, vond zich in zijn landen dikwijls door de omstandigheden gehinderd.
Tegen de Hervorming ijverden o. a. te Dordrecht de Doininikaan Vincent Dircks van Beverwijk, te Groningen een Fnmciskaan Henricus, vermoedelijk schrijver van het pamflet Van de ver-vceriicke aenstaendc tyt Endechristes (Antichrist) ende van Endcchristcs voir lopersquot;, dat hem opgedragen was door den Geldersehen hertog. Wagenaar, Va der I. Hist., V, bijv. en aanm., P- 3—5\'
liet eerste placcaat van Karel V dagteekent uit Mechelen den 22 Maart 1521, Skpp, Bibl. van Ned. Kerkgesch. schrijvers, ]). 173. Over Frans van der Hulst en het kettergericht in dezen tijel de Hoop Scheffer, Gesch., vooral p. 143—230; IIoog, de Martel, der Her v., p. 33—67.
Bij eenige der hoogstgeplaatsten was de lust tot vervolging zeer gering. De landvoogdes althans was afkeerig van geweldige maatregelen. Kn haar stadhouder Hendrik van Nassau was wel geen bepaald „begunstiger der hervormingquot;, maar zeer zeker een vijand van ketterjacht en bloedvergieten om des geloofs wille, de Hoop Scheffer, p. 82; Ypeij en Dermout, Gesch., I, 66. De placcaten tegen de afvalligen waren streng genoeg, maar in den regel werden de Sacramentisten door hun magistraten niet ernstig bedreigd. Moest men tot gevangenneming of andere straffen overgaan, dan werd dit vaak gedaan om de hoogere rechtsmacht te voorkomen en de schuldigen lichtere kastijdingen te kunnen opleggen, dan zij anders zouden beloopen. Over \'t algemeen heschouwde de overheid afdwaling van de leer en gebruiken der kerk als een misdrijf van minder gewicht. Ook kon stipte handhaving der placcaten veel last en misschien oproer onder het volk tot nasleep hebben. Zoo belemmerden onvermogen, vrees, verschil, over de bevoegdheid of gebrek aan samenwerking nog de volvoering der strengste bevelen.
70
S 70. Doch moeielijker tijden waren in aantocht. Sedert het jaar 1525 zijn do edicten tegen ketterij eu verbodcue lectuur steeds verscherpt, de strafbepalingen verzwaard. Het nieuwe geloof, in ziju opgang telkens gestoord of gestuit, had nog geen vaste en samenhangende kern kunnen vormen. Do maatregelen ter beteugeling en kastijding van de nog altoos verspreide groepen van Hervormiugs-gezinden werden nu niet meer nadruk doorgezet.
Het getal der veroordeelden, ook der ballingen en der martelaren vermeerderde van jaar tot jaar. Karei, van Ecimond moest alleen Groningen ontzien, maar kreeg voor zijn vcrvolgingswoede in andere deelen van zijn gebied ruimschoots gelegenheid. Op allerlei wijze moedigde hij den strijd tegen de ketters aan. Het gelukte hem de hervorming te Tic], door den pastoor Gerahd Geldeniiaueu in 1526 aangevangen, voorloopig tc onderdrukken. De vrienden en begunstigers van IjUThku\'s leeringen in kloosters en steden ondervonden do ongenade van hun vorst en gebieder: over Arnhem vooral en Doesburg ook werd een zeer streng en bloedig strafgericht gehouden. Maar in het landschap Drente verdween door liet beleid en de verstandige maatregelen van den drost Jouan van Selbacji dc nauwelijks opkomende secto der Sacramentistcn geheel en voor geruiinen tijd.
De vervolging in Gelderland werd vooral hevig sedert 1526 en telde in 1529 zeer vele slachtoffers, Acquoy, Jan van Venray, p. 2 — 4; M o li, , Anaslasius Veluanus, in Kcrkh. arch., 1, 7 vlg.; Kis I,ambers, Kerkhcrv. op dc Vclnwe, p. 5—22.
Geldenhauer, naar zijn geboorteplaats ook Gerardus Novio-magus genoemd, geb. 1482, opgevoed te Deventer en te Leuven onder leiding van Erasmus, tot 1517 kapellaan bij Karei, V en daarna secretaris van bisschop Fiups van BouRGONDifi, was toen vurig humanist. Een reis naar Wittenberg in 1525 maakte hem voorstander der Hervorming. Toen werd hij pastoor te Tiel, moest al spoedig wegens zijn prediking naar Straatsburg vluchten, werd later prol\', hist, te Marburg en stierf daar in 1542 aan de pest; dat hij door roovers op een reis naar Wittenberg vermoord zou zijn, is onjuist, Bayle, Diet. hist, et er it., II, 1247 vlg.; de Hoor Scheffer, Gcseh., ]gt;. 444^—447; e. a.
Dat in Drente aanhangers der Hervormde leeringen gevonden werden, Magnin, Overz. der Kerkgeseh. van Drenthe, p. 162; de Hoor Scheffer, Geseh., p. 458, 459.
§ 71. Met niet minder ernst streefde Karei, V in evenredigheid van zijn steeds toenemende macht naar uitvoering van zijn placcaten tegen de geloofsdwalingen van zijn Protestantschc onderdanen. Hoewel het hem nog niet gelukken mocht dc bloedige taak der inquisitie
71
zoo te regelen, als hij wenschte en bepaald voorgenomen had, zulk oen potentaat was voor do jeugdige Hcrvonning een goduobte tegenpartij. Zij kou zich bijna nergens vasten voet of oen veilige wijkplaats vorschall\'en. Waar zicli onder het volk en dc gèesteiijken sporen van evangelische gevoelens vertoonden, daar liield een waakzame vervolging terstond haar zwaard gereed.
Met uitzondering van enkele hool\'dplaatsen was tot dusver in Zeeland liet doordringen der Hervorming weinig merkbaar: het verblijf van don onttroonden Deensehen koning Chhistiaan II droeg echter bij tot verspreiding van Lutjikb\'s leeringen. Zoo kon Ahuiaan Cordatus een tijdlang te Middelburg zijn gevoelens openlijk uitspreken, totdat dreigende maatregelen hem naar Amsterdam dreven. Daar waren vele leden der overheid van zulk oen gezindheid, (lat zij de Sacramentistcn gaarne ongemoeid lieten, wanneer deze maar geen aanstoot gaven of niet al te onvoorzichtig mot hun denkbeelden voor don dag kwamen. Ook te Veere, Arnemuiden en elders vertoonden zich Evangelischen: in Februari 1530 werden twee hunner te Middelburg onthoofd en eonige anderen tot levenslange ballingschap ol\' geringere straffen veroordeeld.
De stevige hand van George Sohenck van Tautbnburu , dos keizers stadhouder in Friesland, hield daar de woeligste geesten onder bedwang, doch wat niet bepaald de orde verstoorde of te wijd gerucht maakte, werd niet opgespoord.
fn Noord- en Zuid-Holland was reeds zeer voel ketterij, misschien moer dan elders. Het was merkbaar, dat de Hervorming ook in do gunst der volksklasse rees. Hier vertoonde zich het verschijnsel, dat de stedelijke magistraten soms nalatig en zeer tot oogluiken gezind werden bevonden, maar dos to grooter was do strengheid der heeren van den hove. Voor evangelische predikers en voorgangers werd het verblijf in toenemende mate onveilig. Zoo /.ij al aan kerker en doodstraf ontsnapten, in enkele plaatsen wat langer konden volharden, op den duur moesten zij toch het land verlaten. Ook worden velen door vrees en bedreigingen tot afval of herroeping van hun vermeende dwalingen bewogen.
Zoo werd de druk allengs steeds zwaarder. Mochten sommigen het WMgcn om hun afkeer van het sacrament der mis en dergelijke , openlijk lucht te geven, do meesten der Sacramentisten hielden zich
zorgvuldig verborgen; geheime samenkomsten werden vooral in onveilige steden en oorden hun eenige toevlucht en het middel tot stille, maar gestadige uitbreiding van het gezuiverde geloof, dat juist onder het kruis, onder het lijden van onrecht en druk dierbaarder word en de belangstellende aandacht trok.
70
S 70. Doch mocielijkcr tijden waren in aantocht. Sedert het. jaar 1525 zijn de edicten tegen ketterij en vorbodene lectuur steeds verscherpt, do strafbepalingen verzwaard. Het nieuwe geloof, in y.iju opgang telkens gestoord of gestuit, had nog geen vaste en samenhangende kern kunnen vormen. De maatregelen ter beteugeling en kastijding van do nog altoos verspreide groepen van Hervormings-ge/.inden werden nu met meer nadruk doorgezet.
Het getal der veroordeelden, ook der ballingen en der martelaren vermeerderde van jaar tot jaar. Kakel van E(imoni) moest alleen Groningen ontzien, maar kreeg voor zijn vervolgingswoede in andere deelen van zijn gebied ruimschoots gelegenheid. Op allerlei wijze moedigde hij den strijd tegen de ketters aan. Het gelukte hem de hervorming te Tiel, door den pastoor Gerauu Geldenjiaueu in 152(i aangevangen, vooiioopig te onderdrukken. De vrienden en begunstigers van Lotiier\'s leeringen in kloosters en steden ondervonden dc ongenade van hun vorst en gebieder: over Arnhem vooral en Doesburg ook werd een zeer streng en bloedig strafgericht gehouden. Maar in het landschap Drente verdween door het beleid en de verstandige maatregelen van den drost Johan van Selbacji de nauwelijks opkomende secte der Sacramentisten geheel en voor geruimen tijd.
De vervolging in Gelderland werd vooral hevig sedert 1526 en telde in 1529 zeer vele slachtoffers, Acquoy, Jan ran Venray, p. 2 -4 ; Moli-, Anaslasius Vclnanus, in Kerkh. arch., I, 7 vlg.; Ris Lambers, Kerkherv. op dc Vcluwc, p. 5—22.
Gkldenhauer , naar zijn geboorteplaats ook Gerardus Novio-magus genoemd, geb. 1482, opgevoed te Deventer en te Leuven onder leiding van Iïrasmus, tot 1517 kapellaan bij Karei, V en daarna secretaris van bisschop Filips van BouRGCNniÉ, was toen vurig humanist. Een reis naar Wittenberg in 1525 maakte hem voorstander der Hervorming. Toen werd hij pastoor te Tiel, moest al spoedig wegens zijn prediking naar Straatsburg vluchten, werd later prof. bist. te Marburg en stierf daar in 1542 aan de pest; dat hij door roovers op een reis naar Wittenberg vermoord zou zijn, is onjuist, Bavle, Diet. hist, et crit., II, 1247 vlg.; de Hoop Scheffer, Gcsch., p. 444—-447; e. a.
Dat in Drente aanhangers der Hervormde leeringen gevonden werden, Magnin, Ovcrz. der Kcrkgcsch. van Drenthe, p. 162; de Hoop Scheffer, Gcsch., p. 458, 459.
§ 71. Met niet minder ernst streefde Karei. V in evenredigheid van zijn steeds toenemende macht naar uitvoering van zijn placeateu tegen de geloofsdwalingen van zijn Protestantsche onderdanen. Hoewel het hem nog niet gelukken mocht de bloedige taak der inquisitie
71
zoo te regelen, als hij wenschte en bepaald voorgenomen had, zulk oen potentaat was voor do jeugdige I [orvorming een geduchte tegenpartij. Zijquot; kon zich bijna nergens vasten voet of een veilige wijkplaats verschall\'on. Waar zich onder bet volk en do geestelijken sporen van evangelische gevoelens vertoonden, daar hield con waakzame vervolging terstond baar zwaard gereed.
Met uitzondering van enkele booldplaatsen was tot dusver in Zeeland bet doordringen der Hervorming weinig merkbaar: het ver-blij!\' van den onttroonden Deenscben koning Chiusïiaais II droeg echter bij tot verspreiding van Luther\'s leeringen. Zoo kon Adiuaan Cobbatus een tijdlang te Middelburg zijn gevoelens openiijk uit-spreken, totdat dreigende maatregelen bom naar Amsterdam dreven. Daar waren vele leden der overheid van zulk een gezindheid, dat zij do Sacramentiston gaarne ongemoeid lieten, wanneer doze maar geen aanstoot gaven of niet al tc onvoorzichtig met bun denkbeelden voor den dag kwamen. Ook tc Veere, Arnemuiden cn elders vertoonden zich Evangcliscben; in Februari 1530 werden twee hunner te Middelburg onthoofd en eenige anderen tot levenslange ballingschap of geringere stratt\'en veroordeeld.
De stevige hand van George Schenck van Tautenburg , des keizers stadhouder in Friesland, hield daar do woeligste geesten onder bedwang, doch wat niet bepaald do orde verstoorde of te wijd gerucht maakte, werd niet opgespoord.
In Noord- en Zuid-Holland was reeds zeer veel ketterij, misschien meer dan elders. Het was merkbaar, dat de Hervorming ook in de gunst der volksklasse rees. Hier vertoonde zich hot verschijnsel, dat de stedelijke magistraten soms nalatig en zeer tot oogluiken gezind werden bevonden, maar des te grooter was de strengheid der heeren van den hove. Voor evangelische predikers en voorgangers werd bet verblijf in toenemende mate onveilig. Zoo zij al aan kerker eu doodstraf ontsnapten, in enkele plaatsen wat langer konden volharden, op den duur moesten zij toch bet land verlaten. Ook werden velen door vrees en bedreigingen tot afval of herroeping van bun vermeende dwalingen bewogen.
Zoo werd de druk allengs steeds zwaarder. Mochten sommigen bot wagen om hun afkeer van het sacrament der mis en dergelijke openlijk lucht te geven, de moesten der Sacramentisten hielden zich zorgvuldig verborgen: geheime samenkomsten worden vooral in onveilige steden en oorden bun eenige toevlucht en het middel tot stille, maar gestadige uitbreiding van het gezuiverde geloof, dat juist onder het kruis, onder bet lijden van onrecht en druk dierbaarder werd en de belangstellende aandacht trok.
Over ile aanstelling van Cordatus te Amsterdam als kapellaan in de Nieuwe kerk zie de memorie bij Cornelius, Gesch. des M/inst. Aufruhrs, 11, 405, 406.
In Utrecht werden eerst doortastende maatregelen genomen, toen Karel V als heer gehuldigd was. Zwolle sloot met Kampen cn Deventer een overeenkomst tot weering der toenemende ketterij. Kveneens werd ook in Noord-Brabant de opkomende aanhang der Sacramentisten onder bedwang gehouden.
Zie over de bijzonderheden de Hoor Scheffer , Gesch., p. 460—47 r, 492—502. Voorts ook J. W. te Watkr, Kort verhaal der reform, van Zeeland; H. Q. Janssen, Kerkherv. in Vlaanderen, 2 dlu.; \\\\7. te Water, Hist, der Herv. kerk van Gent; Hoog, De Martelaren der Herv.; verschillende Martelaarsboeken, inz. van van Haemstkue; e. a.
HOOFDSTUK VI
A.S\'AIIA l\'TISTÜN EN DOül\'HdKZlNDKN , ITioU—
L. Hokïenwius, Tumvlluwm Anahajtt. iibcr, moumiiilou vertaald, o. a. Am.slcrdam 1659.
Ottius, Annalen Anahapt. lias. 1(172.
Schijn j Hist. Christ, qui In Hehjio food. Mennonihus apjiellanlur, 172.quot;,.
A. M. Cramku, Leven en verricht.\'van M. S-imons, 1837.
C. A. CokneJjIUS, Geschivhte des Müntst. Aufnihrs, 1855, 18(!().
S. Blaiipot tkn Gate, (lexch, der Doojisijez, in Frlesluiid, l.s;]\',): Oevch, der Doopxyez, in (Ironhifien, Overijssel en Oost-Friesland., 2 dia., 1842; id. der Doopsgez. in Holland, Zeeland, Utrecht en Gelderland, 1847.
W. Lkendurt/, , Mclehior Hoj\'mann, 1883.
T. J. van liitAcirr, Marlelaersspiegel, 2 dln., löüü, 2° vcrl». cd. 1686.
J. G. de Hoop Sciieekkk, Doopsijez. Bijdragen, vooral lt;le jaarg. 1864, 1882; Menno Simons en Mennonilen in Hickzoo, Keal-Enc,, IX, 560—577.
■ Een overzicht van de uitgebreide literatuur geeft O. Skit, Blhl. der Ned. kerhgesch. schrijvers, p. 886—412, zie ook zijn Geschiedk. Naspor., 1, 55—157.
§ 72. fn 1530 overleed de landvoogdes Maruauetita en des keizers zuster, de koningin-weduwe Makia van Hongahi.u:, werd in haar plaats gesteld. Zij ontving bij de aanvaarding van haar belangrijk ambt van den heer des lands de waarschuwing om niet te veel aan baar Luthersehe neigingen toe te geven, een wenk, dien zij niet in den wind heeft mogen slaan. Ongeveer in denzelfden tijd vertoonde zich hier het Anabaptisme als een wassende vlood. Door bet woelige, geruchtmakende optreden van deze overal bezige geestdrijvers wenl de stoot gegeven aan een sterke beweging onder liet volk en ile aandacht der kettervervolgers meer van de Kvangelischen afgeleid. Dezen hielden zich des te rustiger, hoe minder zij met Wedcrdoopers
verward wenschten tc worden, lïerst sedert 1531 maakte de overheid in haar vonnissen duidelijk onderscheid tussehen c)e Anabaptisten en andore Hervormden. Evenwel roerden zij zich reeds vroeger zooals in 1525, toen de leidekker Eloy Ruvstink tc Antwerpen als hun profeet optrad. In 1528 of iets later vertoonden zich reeds voorboden van deze geestdrijverij in de noordelijke streken van ons land en weldra ook vandaar zich uitbreidende in Emden. Maar vooral sedert het jaar 1530, toen de uit Emden verdrevene Jan Tuypmakeu zieli te Amsterdam vestigde, begon dc sccto der Bondgenooten, zooals zij zich zelf hij voorkeur noemden, zich met verrassend snelle vaart en ininicr stijgende geestdrift uit te breiden.
Over Maria van Hongakijk, aan wien Kkasmus zijn Vidua Christiana opdroeg, zie Sepp, Bibl. meded., p. ito—182. Zij legde haar ambt ook bij gelegenheid der abdicatie van haar broeder in 1555 neder.
Of Wkndklmokt Ci.AKsdochter, van Monnikendam, die den 20 November 1527 in den Haag op den brandstapel geworgd werd, Sacramentiste of Doopsgezinde was, is volkomen onzeker. Doch het Anabaptisme was reeds tot de grenzen genaderd: in 1524 werd de Maastrichtenaar At,hurt te Aken gedood. Men vond aanhangers daarvan in het Luiksche en in Vlaanderen. Luther waarschuwde de Evangelischen te Antwerpen in een brief voor Ruvstink , dien hij als „een slang onder de palingenquot; bij een bezoek van zich gestooten had. Deze dvveeper werd in 1526 met eenige aanhangers tot openbare herroeping bewogen, doch later berouwhebbend, stierf hij voor zijn geloof in 1544, Autw. Ghro-nykje, p. 27, 44. Bij den hervormingsgezinden drost van Ifssel-stein en diens vrouw was Hendrik Rol, een aanvoerder bij de Anabaptisten beweging, vóór 1530 huiskapellaan, Cornelius, 11, 337—341; Sepp, Gesch. naspor., II, 1—8.
De befaamde sectaris David Joris, een bekeerling van den leeraar Wouter en na zijn heengaan voorganger der gemeente te Delft, die in 1528 wegens zijn „fameuse libellenquot; en het bespotten eener processie een straf opliep, hield zich vervolgens eenige jaren in Friesland op en ging daar tot de Bondgenooten over, Zie over David Joris en zijn secte de studiën van A. M, Cramer in Arch, voor Kerkgesch., XVI, 1—145; XVII, 289—368; uf. Hoop Schefeer, Gesch. der llerv., p. 356—358, 432—435, 541—545; den brief van prof. Jou. Acronius te Basel aan n, n. (d. i, Thomas Gruterus) bij S. A, Gabbema, Episi. centuriae tres, p. 140—167
Een vervolging in Noord-Nederland gaf aanleiding, dat hel: Anabaptisme naar Emden en Oostfriesland werd overgeplant, Schotanus, Gesch. van Friesl., p. 642, in 1528 volgens Kon. Beninga, Hist, van Oost Jr., p. 629, 650 (in Matthaeus, Vet. aevi anal., IV). Het Charterboek van Friesland, II, 561 bevat
een placcaat van den stadhouder Georgk Schenck tegen de zoogenaamde profeten, 24 September 1529,
Jan Volkerts Trypmaker, een leerling van Hokmann, die toen veel ingang te Emden vond, vergaderde sedert het laatst van 1530 te Amsterdam een gemeente van Bondgenooten en werd met acht der zijnen den 5 December 153; in den Haag onthalsd, de Hoor Schefeer, Gcsch., j). 619—624; Leendeutz, Hofmavn, p. 224—237. De eerste martelaar dezer secte in de Nederlanden was de kort te voren te Emden gedoopte Sicke Frericx ofSiCKE Snjder, onthoofd te Leeuwarden 20 Maart 1531, mijn Hondcra jaren, p. 38, 52.
§ 73. Hun cer.slc groot,e proleet was de bekende pclswerker Mki.chioii Hopmann , die zich juist te dezer tijde in de Nederlanden ophield. Zijn bewegelijke aanhangers veroorzaakten van Emden uit voel opschudding in deze gewesten en werden dadelijk bloedig, sonu onmenschelijk vervolgd. Amsterdam werd voor hen een middelpunt en con evenwel niet altoos zeer veilig toevluchtsoord. Vooral onder de menigte der Sacramentisten, die bijna geheel van leiders on sprekers verstoken waren, maakten de Bondgonooten grooton opgang. Door bun leeringen, die zoo krachtig op gemoed on verbeelding werkten, ontstond een soort van godsdienstig reveil, dat al spoedig ongemeen aanstekelijk werd. l)c Wederdoopers vermenigvuldigden werkelijk bij boopen vooral in Noord-Holland, Friesland, Ovorijscl en Zeeland.
Do kortstondige verschijning van don vereerden leider en de ruste-looze werkzaamheid van zijn modewerkers maakten diepon indruk: zijn inntnstische geschriften, opgevuld met hoopvolle zegekreten over de komst des Hoeren en hot aanstaande wereldgericht, boeiden do verbeelding. De mood der slaehtoffers onder hun wreodo straffen wekte toejuiching en lust tot aansluiting. Zoo word in korten tijd de akker aan allo kanten bewerkt.
Hofmann is in 1531 in Amsterdam geweest en bezocht Friesland in 1532. De Wederdoopers heetten daarom nog eenigen tijd lang de Melchioriten of Hofmannischen, Gelijktijdige medewerkers waren evenals Jan Volkerts nagenoeg allen menschen uit den stand der kleine burgerij, die hun bestaan van een handwerk hadden, zooals Gerrit Boekbinder, Pieter Houtzager, Jacob van Kampen, enz. Wie onder hen adepten van Hokmann zijn, is moeielijk te beslissen, omdat het niet bekend is, wie door hem gedoopt zijn. Doch de haast zenuwachtige opwinding, overal door zijn optreden veroorzaakt, was het voorteeken der dingen, die welhaast gebeuren zouden.
TC.
In dy Mollandsche steden behoorde omstreeks 1535 wel een vijfde deel der bevolking tot de Anabaptisten. Op een samenkomst te Spaarnedam in Januari van dat jaar waren 32 leeraren opgekomen. In Amsterdam was liet getal der leden tot 3500 gestegen.
Behalve van W. J. Lkkndkktz is ook van F. O. zuk Lindkn een verhamleling over Hofmann door het Teylers Godgeleerd Genootschap bekroond, uitgegeven in 1885.
§ 74. Toen Hokmann in 1538 te StrantMburg gegrepen werd en in bccbteni.s bleef, wanr iiij waarschijnlijk in 1543 gestorven is, toen zijn apoealyptiscbe voorspellingen niet uitkwamen, traden uit de sebaren der Ilondgenooten andere leiders op, die niet nog gloeiender voorspiegelingen de verbeelding prikkelden. Vooral de broodbakker Jan ma\'ranJS, die als profeet liet eerst in zijn geboorteplaats Haarleiu en later in Munster optrad, was de man niet om gelaten af te wachten, dat Gods woord vervuld zou worden. Voor zijn hemelsche openbaringen, dat de lleere Straatsburg verworpen en Munster als zetel v;iu het nieuwe Sion aangewezen had, zwichtten de Melchioritcn. Hij organiseerde een uitgebreide propaganda vooral in de Nederlanden. De snelvoetige apostelen der Wedcrdoopers, die vandaar op zijn last cu na zijn sneuvelen door Jan van Leiden, den koning van Sion, uitgezonden werden, zooals Jacoi? van Kampen, Pjeteu Houtzageu, Bartolomeus Boiokrinder en later vooral Jan van Gekl, doopten de nienscben bij menigte en verwekten door bun dweepzieke taal groote onrust en opgewondenheid. Dit bleek uit allerlei vreemdsoortige opscbuddingen: de doellooze tocht van groote troepen Wederdoojjers te scheep en over land naar Genemuiden in Maart 1534, de gewapende oploopen in Groningerland, liet optreden dor Zwaardgeesten en der Naaktloopers in Amsterdam, liet tumult in de Cistcrciënser abdij Oldekloostcr in Friesland Pasehen 1535, de geestdrijverij te \'t Zand, een aantal aanslagen op Wesel, Leiden, Deventer en in Mei 1535 op Amsterdam. Met een paar uitzonderingen waren deze aanvallen het ongeregelde werk van enkele heethoofden, dat meer van hartstocht dan van overleg getuigde. Toch werden al deze buitensporigheden door de besturen met dc uiterste hardheid onderdrukt en kostten honderde menschenlevens.
Over de bewegingen in Groningen Brucherus, Gesr/i. der Kcrkherv. in Gr on., p. 75—78; U. Kmmius, Rer. Fris. hist., f. 884, 885. In December 1538 ontdekte de regeering nog een aanslag, Gr on. Rijks arch., deel 60 Verzameling- ran stukken. Over de tooneelen in het door Jan van Gkel en de Friesche Wedcrdoopers bemachtigde Oldeklooster of Floridus Campus mijn Honderd jaren gt; p. 46—51, 64. Over den tocht naar Gene-
/1
rnuiden, die het onbepaalde doel had om hulp te brengen aan het sedert Februari belegerde Munster, Sri pp, Geschiedk. naspcr., I. 58—61 in zijn belangrijke studie over de geschriften van Bkrnt Rothmann. Het boek „van der Wrake\'\'\', waarvan de Sionsvorst aan zijn apostelen duizend exemplaren medegaf, heeft zeer zeker medegewerkt tot het ontstaan der tumulten in het eerste halfjaar van 1535. Jan van Gkel ruide daarmede de gemoederen op in Friesland en Holland.
Jacob van Kampen werd na Trvpmaker hoofd der gemeente in Amsterdam. Met David Joris verzette hij zich ii: December 1534 nog tegen de gewelddadige plannen van Jan van Geel.
Oe andere oploopen en aanslagen staan beschreven in de werken van Brandt, Hortensius e. a. Rr bestaat grond voor de hoop, dat over de gansche geschiedenis der Anabaptisten door de uitgave der resultaten ,van een uitvoerig onderzoek weldra meer licht verspreid zal worden.
S 75. Met don Moedigen ondergang van hot Sionsrijk to Munster don 24 Juni 1535 kwam aan do lioerlijkhoid van Jan Uuukrls en aan do dweopcrij van zijn verdwaasde volgelingen oen eindo, hoewel hun geest nog oen tijdlang nawerkte in de seete dor Matonburgers en onder do aanhangers van David Joris en Juriaan Kictui,.
Van Januari 1537 dagtoekent het optreden van Menno Simons, vroeger pastoor to Witmarsum, als reformator onder de voorstanders van den doop op geloof. Aan zijn vromen ijver en stichtelijke prediking, dooh vooral aan zijn talrijke geschriften, inzonderheid het „Fundamenthoeckquot;, heeft het Doopsgezinde kerkgenootschap zijn blijvend bestaan te danken. Hij begon zijn werkzaamheid als oudsto en leeraar te Groningen, waar hij door Onuio Filuvs gedoopt werd, verhuisde 1541 naar Holland, Amsterdam, deed in dezo jaren vele zwerftochten door Friesland, ging 1543 naar Oost-Friesland, dat hij na bot twistgesprek met A Lasoo in 1544 verliet, bezocht daarna Keulen, de Noord-Duitseho kustlanden on stierf 12 Januari 1559 to Oldoslo. In al dien tijd ondernam hij velo rondreizen bij verschillende! gemeenten en ontsnapte steeds aan alle hem dreigende gevaren.
in Friesland arbeidde Dihic Fjmps met andere oudsten en hei-vormers in denzelfden geest.
De eerste editie van Micnno Simons Fundamén/boeck zag 1539 het licht, de tweede na 1557. Dat hij reeds in 1535 tegen Jan van Leiden geschreven zou hebben, is onjuist, zie Sepp, Gesch. Naspor., 1, 128 vlg., Verboden lectuur, p. 127—130, tegen de Hoop Schefkkr in Doopsgez. Jiijdr., 1889. Zie behalve de bekende werken ook nog mijn Honderd jaren, p. 52-61.
78
Het hoofd der Doopsgezinden in Friesland was Dirk Filips. Zijn broeder Oude, de leidsman der Ubbonieten, werd in 1540 afvallig en keerde tot de Katholieke kerk terug. Jan van Batenburg trachtte in Friesland de verstrooide Anabaptisten te vereenigen 0111 het Sionsrijk te herstellen. Een vergadering te Bocholt in Augustus 1536 diende slechts om de verwijdering tusschen de hoofdpartijen in weerwil van liet door David Joris gestelde verdrag te vermeerderen. Batenburg geraakte in 1538 in handen der inquisitie en is daarna terechtgesteld.
§ 76. De strengheid van Menno met opzicht tot den ban ging op zijn geestverwanten over en gaf aanleiding tot een veelvuldige scheuring in kleinere secten. Tot hun groote ergernis bleven de Doopsgezinden al te langdurig onder den vloek van hun oorsprong, werden nog steeds bij Roomsch en Onroomsch voor Wederdoopers aangezien en door hun tegenstanders ook Anabaptisten genoemd. Lang werd dit stille kuddeken nog te vuur en te zwaard vervolgd. En toen latei-de overheid hen duldde, bleven de theologen hen nog onvermoeid niet woord en pen bestrijden.
Behalve hun bekende gevoelens over doop, eedzweeren en krijgsdienst onderscheidden de Doopsgezinden zich van andere Protestanten vooral door hun particularistisch kerkbegrip en bun zin voor bijbelsch practiseh Christendom, waardoor het leven meer op den voorgrond gesteld werd dan het geloof en de leerstellingen. Hun soms kleingeestig rigorisme openbaarde zicli in het afsnijden van de gemeenschap. De stille maar onverzettelijke trouw aan hun kerkje en een even kalme als stevige gehechtheid aan elkander hielden hen staande en hebben hen den druk tier tijden, do achteruitzetting en de onrechtvaardige antipathie der Hervormden ongedeerd te boven doen komen.
Dat de Doopsgezinden zouden afstammen van de Waldenzen, is een onderstelling, die door Blaupot ten Cate en oudere schrijvers is geopperd en verdedigd met het kennelijke doel om den „smetquot; van hun oorsprong uit de Munsterschen te kunnen afwisschen. Genoegzaam is deze meening door latere onderzoekingen wederlegd: zij valt bovendien voor het feit, dat er van Nederlandsche Waldenzen geen sprake kan zijn.
Zeer vele secten der Doopsgezinden bestonden slechts tijdelijk. Zij ontstonden doorgaans wegens ongenoegen over het uitspreken van den ban. liet langst hebben zij zich onderscheiden in Friezen, Vlamingen en Waterlanders, Blaupot ten Gate , Doopsgez. in Friesl., p. 111 vlg.; I Ierzog , Real-Ene., IX, 572.
toenam 15 rn ijjden deu hervormino, 1530—1568.
M. Schoockius, Liher dc bonis vulgo ccclea, etc., Groti. 1651. H. A. Nerdenus (van der Linden) , Systerna Tlieologimm, Fran. 1611 do proef alio dedicatoria.
D. Gerües, Hist. Reform., inz. dool III, 1749,
Livre Synodal der Waalsche gemeenten onder het kruis, uitgegeven door Kist in Arch, voor Kerkgesch., XX, 113—211.
Van Vloten, Nederlands opstand legen Spanje (1564—1567), Haarl. 1856.
W. Moll, Angelus Merula, 1851.
H. Q. Janssen, Kerkhervorming van Brugge.
J. .1. Dikst Lorgion, Regnerus Praedinius, Gron. 1862, diss. Van \'t Hooft, De theol. van //. Balling er, Leiden 1888, diss. .). Reitsma , Honderd jaren uit de gesch. der Hervorming in Friesland, 187().
Ij. A. van Langeraad, Guido de Bray.
Werken van dc Marnix-vereeniging.
J. Reitsma, Franciscus Junius 1864, diss.
K. VV. Cuno , Franciscus Junius der dltere, 185)1. J. G. Brutel de la Rivière , Het leven van Hermannus Moded, 1879, diss.
J. A. Snellebrand, Gesch. der Kerkherv. te Hoorn, 1866. C. Sepp, Verboden lectuur, 1889.
C. H. Ris Lambers, De Kerkherv. op de Veluwe, 1891), diss. J. G. R. Aoquoy , Jan van Venray {Joh. üeporinus), 1873. H, ter Haar, Petri Datheni vita, 1850, diss.
P. Piper, Jan Utenhove, zijn leven en werken, 1883, diss. Alsmede dc werken van liiiandt, Ypeu en Dicrmout, Dikst Lokgion, Montun, Hokstedk dk Groot jr., e. a.
§ 7i. In het tijdperk, dat nu aanbreekt, ontkiemde en groeide dc aanleiding tot den opstand der Nederlanden tegen liet Oostenrijksehc huis ol\' liever tegen Spanje. De oorzaken vertoonden zich reeds onder
80
het bestuur van Karkl V, die nochtiins als geboren Nederlander en wegens zijn onmiskenbare talenten een populair vorst ia gebleven. Hij had hot vaste voornomen om alle landen van zijn uitgestrekt geltied onder één bepaald systeem van bestuur on regeering te ])rengen. Daardoor gesterkt zou hij ook meer stelselmatig en afdoende het veelhoofdig monster dor ketterij in zijn erflanden kunnen aangrijpen en verdelgen, liet was te voorzien, dat deze staatkunde in Nederland met zijn welvarende en kraehtige bevolking, met zijn sinds overoude tijden van vorsehillende landsheeren vorkregono plaatselijke en gewestelijke privilegiën in dezen tijd van godsdienstige en wotensehappelijke herleving geen geringe moeielijkheden zou opleveren. De vernedering van het machtige Gent, dat het waagde zich to verzotten, was een bedenkelijk en dreigend voorteeken van de dingen, die hot land van zijn beer te wachten had: om de ketterij te kunnen onderdrukken moesten alle vrijheden en bijzondere usaution worden vernietigd.
Bij ilien aanval werden ook de burgerlijke rechten der Katholieken evenzeer heleodigd en vertreden. Niettemin bleef dit systeem het hoofddoel zoowel van Karei, V als van Fjlips II, alleen handelde de vador moer diplomatisch dan do zoon. Do afkeer togen de gepleegde geweldenarij gaf van jaar tot jaar meer voedsel aan de volksbeweging voor vrijheid des gewetens en handhaving der burgerlijke vrijheid, bestreden door de verccnigde macht van Spanje en Rome. in deze periode vergezellen heide howoegrodenen, do godsdienstige eu de staatkundige, elkander. Zij zijn weldra niet meer te onderscheiden, maar even good als hij don landsheer was ook bij zijn tegenstrevers de drijfveer dos goloofs de krachtigste.
Het oproer te Gent had plaats in \'t voorjaar 1540. Motley, Ojpkomst der Neder\'. Repnbl., I, inl. p. 73—80 geeft een aanschouwelijke voorstelling van de vernedering dezer bloeiende stad, die aan eiken twijfel omtrent de ware bedoelingen des keizers een einde maakte.
§ 78. Terwijl do bruisende stroom van liet Anabaptisme bedwongen en naar zijn eigene bedding afgeleid werd, bleef inmiddels do l\'rote-stantscho geest gestadig voortleven. Do Hervorming behield haar karakter, al waren ook do rijen van haar voorstanders door do sterke aantrekking van de zendelingen uit Munster gedund. Kr was in do eerstvolgende jaren nog steeds sprake van Sacramentisten. De geloofs-meeniugen verkeerden nog in een toestand van wording: toch waren de moesten hier meer tot do Zwitserseho hervormers dan tot Lutiiek geneigd. Omdat de besturen onderscheid maakten tusschcn zware en lichte ketterij, werden do Evangelise,hen minder hatelijk vervolgd
S]
dan ile „dampnable soetequot; der volgelingen van Menno, die tot 1540 en nog lang daarna verreweg de meeste slachtoffers telde. Hot was te verklaren, dat do opgewondene geestdrijverij der Bondgenooten bij velen, die anders wel tot hervorming genegen waren, een reactie tot kalmte en ingetogenheid te weeg zou lireiigen. Onder do hoogere en beschaafde standen althans maakten de Anabaptisten weinig veroveringen: ook zelfs de Doopsgezinden vonden hun aanhangers meest in de lagere rangen der samenleving. Nadenken en al spoedig do ervaring leerden, dat do hervorming der kerk en des goloofs niet langs dezen weg verkregen zou worden.
De Hoop Scheffer , Gesch., p. 625, 626 komt tot de conclusie, dat het der regeering gelukt was de oorspronkelijke Hervorming voor goed onder bedwang te krijgen en dat sedert 1531 de beweging der Bondgenooten die der Evangelischen en Sacramen-tisten geheel overvleugelde. Deze voorstelling is evenwel niet volkomen juist. Het Anabaptisme is meer een tusschenbedrijf dan een acte. Tot 1533 werden er nog placcaten tegen Lutherschen en Sacramentisten uitgevaardigd. Doch toen werd de aandacht der regeering gedurende eenige jaren geheel ingenomen door deze radicale kerkbestormers. Terwijl de drijfjacht zich verder tegen de Doopsgezinden richtte, plantte ondertusschen de beweging der geesten zich rustig en in stilte voort. Ook mag niet voorbijgezien worden, dat de Hervorming zelf hier nog in staat van wording en opkomst verkeerde: eerst in de periode, die nu aanbrak, zou zij een volkszaak worden.
Wel waren zeer vele geschikte voorgangers en leeraars gedood, afvallig geworden of gevlucht, maar niet allen en van lieverlede werden de verlatene plaatsen weer door anderen bezet. Toen zijn onder de heerschende antipathie tegen de zeer sterk vermenigvuldigde Doopsgezinden de Evangelischen, die naast hen en afgescheiden van hen volhardden, vooreerst meer met rust gelaten. In het noordelijk deel des lands hadden de Hervormingsgezinden minder geleden dan in andere gewesten. Zoo doorleefden zij nu een tijd van verademing maar weldra zou het duidelijk blijken, dat hun gelederen belangrijk versterkt waren. Terwijl Antwerpen altoos een middelpunt van beweging is gebleven , vormden zich nog op vele andere plaatsen nieuwe kringen, waarin het beginsel der Hervorming gestadig voortwerkte.
§ 7ü. Het ontbrak onder do zich van Anabaptisten en Doopsgezinden onderscheidende Protestanten niet aan teekenen zelfs van toenemend leven. Vooral in de noordelijke gewesten was dit zeer goed merkbaar. De Sacramentisten te Leeuwarden geraakten na een dispuut met I\'ietkr Houtzaüku in Januari 1534 in beweging tegen dc Weder-doopers. Aan de evangelische prediking van Gm.uus Pabek te Jelsuni Dr. Reiïsma, Kerkgesch. 6
X2
kwam ccrwt in 1536 een einde, toen hij openlijk de moederkerk vaarwel /,cide en naar Einden vlueliton moest. Lichte vonnissen wegens verachting of lastering vnn liet sacrament en andere kerkgebrniken kwamen telkens voor. Verscheidene Noord-Nederlanders gingen nog in deze jaren naar Wittenberg studeeren; in 1545 lieten er zich zelfs dertien Krisii inschrijven. Voorbeelden van geestelijken zooals Menzo Poppius van Oosterzee, Heere Do uw es van Tcroele, Stephanus Sylvius, sedert 1540 persona van Oldehove te Leeuwarden, die in hun kerken geregeld evangelische leerreden hielden, waren geen alleenstaande verschijnselen.
Sommige overheden lieten dit oogluikend toe. Gunstig gezind waren Karki, bastaard van Geluk, stadhouder van Groningen (1529—1534) en do nieuwe hertog van Gelderland Willem van Gulir (1538—1543), onder wien alleen Doopsgezinden werden vervolgd.
In IClburg en Harderwijk was veel ketterij onder de geestelijken. Te Amsterdam werden door den invloed van vrijzinnige leden dei-vroedschap priesters aangesteld, die in den geest der Sacramentisten prückten, zooals bij de Nieuwe kerk Adkianus Cordatus en Petrus Quaduatus. Onder hun aanzienlijke begunstigers konden zij tot 1534 ongehinderd werkzaam blijven.
Opmerkelijk is de vóór 1536 te Groningen ingevoerde kerkorde in zes artikelen, die de priesters aldaar verplicht waren eerlijk te onderhouden „ter tyt toe, dat Godt van tien hemel wil gelieven dat tbo veranderenquot;. Al waren sommige bepalingen daarvan niet naar den zin der Sacramentisten, zij was in haar geheel de uitdrukking van den geest der aldaar toongevende geestelijkheid, die de kerk door verkondiging van „dat rechte ende clarc Godes evangelium mit uut-leggingc der schrift der billige apostelenquot; en der door do christenheid voor heilig aangenomene leeraars allengs wilden vernieuwen.
Ook werden van jaar tot jaar menigvuldiger de klachten over het doordringen van de nieuwe leer in kloosters en onder het priesterlijk personeel van Noord en Zuid.
In vele steden werden ook inzonderheid do vergaderingen der re.lc-rijkers kweekplaatsen van verbodene waar en antikerkelijke stellingen. Hun tooneelstukken en openbare vertooningeu, vooral het befaamde landjuweel in 153!;) te Gent, brachten aan den dag, wat er tegen lioine omging in de hoofden en harten van vrije burgers. De scherpe uitvallen van deze „stoute predikers der nieuwe leerquot;, tegen de priesterschap, het leven in de kloosters, de gebruiken en leer der kerk gericht, lokten weldra strenge verbodsbepalingen uit.
Ris Lambers, Kerkherv. op de V\'eluwe, p. 24—38; mijn Honderd jaren, p. 68—86. Over de nieuwe leer op den kansel
83
tc Amsterdam de Hoop Scheffer, Gesch. der Kerkherv., p. 605— 607. Over rederijkers ib. p. 474; Hofstede de Groot jr., Hon-derd jaren, p. 123—127. Jan Beukels, de koning van Sion, was lid der kamer te Leiden geweest. Op advies van den inquisiteur Ruard Tapper werd daar in 1546 een landjuweel verboden wegens de bedekte polemiek in de spelen en kluchten, die er toen ten gehoore zouden worden gebracht.
Groningen en de daar gevormde evangelische clerus stonden nu en nog lange jaren op hun eigenaardig halfslachtig standpunt. De bedoelde kerkorde, bevestigd in t538 en vernieuwd in 155S, is te vinden bij Brucherus, Gesch. der Kerkherv. in Gr on., p. 421— 442 en besproken bij de Hoop Scheffer, Gesch., p. 311—313.
§ cSO. Na oen kortstondige verademing werd ook voor do Evango-lisehen de toestand weer ernstiger, toen Karel V allo Noderlandon onder zijn scepter had verecnigd en hij meer kracht kon bijzetten aan zijn vast besluit tot handhaving van dc zuiver Katholieke leer. Toen eerst kon bet werk der bestrijding van alle secten gedreven worden volgens een stelsel, waarbij niets werd ontzien. Den 22 September 1540 werd te Brussel een keizerlijk edict uitgevaardigd strenger dan alle vorige. Het gelastte, dat elke afwijking van Rornes leer en de oude usantiën even zwaar als het Anabaptisme bestraft moest worden. Het placcaat van den 18 December 1544 te Gent diende om do vrijheid van boeken drukken, verspreiden en lezen geheel aan den band te leggen, terwijl de universiteit van Leuven zich bevlijtigde om een lijst van verbodene drukwerken samen te stellen.
Den 28 Februari 154G werd door den keizer de instructie voor de inquisiteurs bekrachtigd, geheel ingericht naar het model der Spaansehe. Wat dit beteekende, werd openbaar in het geduchte edict van den 29 April 1650, waarin voor het eerst maar nog onder bedekte termen de inquisitie werd vermeld. In het geheel heeft Kaiucl V minstens tien verschillende bloedplaccaten uitgevaardigd. In elk volgend edict van deze verschrikkelijke reeks werden de bepalingen van het vorige herhaald en verscherpt. De strafbepaling werd daarin tot de uiterste bondigheid gebracht: alle overtreders zouden worden beschouwd als „seditieuse personen ende perturbateurs van onsen staet ende der gemeyne rustequot; en als zoodanig gecxecuteert „te weten de mans metten sweerde ende de vrouwen gedolvenquot;, d. i. levend begraven, wanneer zij berouw over hun afval toonden, doch zoo zij volhardden bij hun dwalingen, opinion of ketterijen „metten vyerequot;. Ai hun bezittingen werden verbeurd verklaard „t\'onsen profijtequot;. Door deze dreigende toerustingen werd de opzettende vloed gekeerd zonder bedwongen te worden, maar onderscheid tusschen ketters werd er
6*
84
niet meer gemaakt: allen, die volgens dezen maatstaf bevonden werden aanhangers en begunstigers te zijn van hetgeen strijdig was mot „onsen ouden oprechten gelove ende kerstclyeken religiequot;, moesten voortaan zonder scrupule worden geëxtirpeert, hoe zij ook mochten hceten. Het getal dergenen, die in de tweede helft van des keizers regeering door boulshanden omkwamen, vermeerderde van honderden tot duizenden.
Na het jaar van de kastijding van het weerbarstige Genl bleek het den vrienden der Hervorming, dat de geloofsedicten geen doode letter voor hen waren. Ook de overheden en medeweters werden onder strenge bepalingen gesteld, waarmede niet te spotten viel. De pauselijke inquisitie was feitelijk reeds ingevoerd naast die, welke de bisschoppen in hun gebied uitoefenden. Langzamerhand werd de macht der door den keizer aangestelde geloofsrechters uitgebreid en sedert 1545 onafhankelijk van de bisschoppelijke gemaakt.
De instelling, die zoozeer inbreuk maakte op alle rechten en vrijheden, was dadelijk buitengewoon gehaat. De landvoogdes wist haar broeder te bewegen om in het placcaat van 1550 de benaming inquisiteurs te vervangen door „geestelyke rechterenquot;.
De placcaten tegen de ketterij Brandt, Hist, der lief., I, r4I—J47. Het getal van deze keizerlijke edicten wordt verschillend opgegeven: het placcaatboek van Vlaanderen heeft 14, Hoog, Martelaren, p. 68 vlg., houdt slechts negen over, Bor, Ned. Hist., 1,6, vermeldt 15, enz. Over de inquisitie Moll, Angelus Merula, p. 81 vlg., 246; Gerdes, Hist, lief., 111, 122—134; Hoog, Martelaren, p. 33—86.
Een lijst van verbodene boeken werd reeds in 1546 uitgevaardigd, en in 1550 aangevuld, Sepp, Verboden lectuur, die de indices behandelt van 1550, 1558 en 1570; F. H. Reusch, Der Index der verbotenen Bucher, 2 dl. 1883, 1885 Bonn.
Naar sommige opgaven zijn onder de regeering van Karel V vijftig duizend menschen wegens het geloof ter dood gebracht, volgens de Annates Hugonis Grotii, I, 17, vergel. Hoog, Martelaren, p. 8, 9. Sedert het jaar 1531 krijgt de scherpe executie haar volle vaart.
§ 81. Juist in dezen benarden tijd groeide dc aanhang dor nieuwe leer tegen de verdrukking in. De meedoogenloos voortgezette keitor-jacht, nu onder de leiding der inquisitie meer stelselmatig gedreven dan voorheen, wekte afkeer en toenemende vijandschap. Naast elke uiting van een ander geloof dan de kerk gedoogde, verhief zich dadelijk de onheilspellende gestalte van het steeds waakzame kettergericht. Van verreweg het grootste deel der slachtoffers zijn nu en later in de kronieken en martelaarsboeken alleen de namen vermeld en de
85
heldenmoed, waarmede zij na overmatig lang gerekte cn vaak afgrij-selijkc flt; •!teringen den dood hebben ondergaan. Die lange doodcnlijsten van overigens geheel onbekende martelaren leveren echter het wd-sprekendc bewijs, dat de geloofsvraag het volk mot toenemenden ernst ter harte ging.
Do Hervorming moest wel veld winnen, daar zij den steun kreeg van mannen, die baar door ijver en bekwaamheid in ruimeren kring konden bevorderen. Ook vekn van dezen trof vroeger of later de ongenade dos lots. Dat bracht den vriend van Calvj.in Pibrbk Brui.ly, die acht jnron vroeger te Gent had gearbeid, tijdens een predikreis in 1545 te Doornik op den brandstapel. Sedert 1544 leerde de priester Jan Gerrits Vkrsteok te Garderen van den preekstoel „de dogmata der Protestantenquot;. Het scbrikbeeld der inquisitie dwong hem tot herroeping, maar „de onsalige mistroosticheytquot; over deze zwakheid des vleesches heeft li ij als „wederopgestane Veluwenaarquot; verdreven door het schrijven van „dor Loecken Weghwyscrquot; te Straatsburg 1554 en zijn latere verdiensten. Dit voortreilelijkc bock, eender meest geliefde volksgesehrifton van dien tijd, was reeds in Augustus te Harderwijk verkrijgbaar en maakte wegens zijn grooten opgang wederlegging van Katholieke zijde noodzakelijk.
Een bekend cn edel slachtoffer der inquisitie was Angki.us Meruia , geboren te Brielle in 1482, sedert 1530 pastoor van Heen vliet, een vroom geleerde, die met zelfstandig gevormde, evangelische overtuiging aan de Hervorming der kerk arbeidde. Zijn prediking trok reeds in 1540 de aandacht, een onderscheiding, die niets goeds voorspelde cn hem in 1553 aan de inquisitie overleverde. Het einde was een veroordeeling ten vure in 1557, doch de uitgeputte grijsaard bezweek te Bergen, juist voordat hij den brandstapel besteeg.
In het noorden werden de Evangelischen minder zwaar vervolgd cn kwamen doorgaans met de lichtere straffen vrij. De inquisitie is te Groningen zelfs nooit ingevoerd en in Friesland werd er in dezen tijd nog niet veel kracht achter gezet. Moesten enkele al te vrijmoedige geestelijken de wijk nemen, de regeering van Leeuwarden stelde het klassieke onderwijs van Stephanos Sylvius zoozeer op prijs, dat zij dezen pastoor dor hoofdkerk geheel ongemoeid liet, hoewel bij sedert 1540 als Sacramentist en bestrijder van alle barbaarschbeid en vele kerkelijke instellingen bekend stond.
Brully (Petrus Brulius) volgde in 1541 Calvijn te Straatsburg op en bediende sedert 1544 tijdelijk enkele Waalscbe gemeenten in België. Die vervolging kostte ook eenigen van zijn geloofsgenooten het leven. Hij is een der eerste Calvinisten hier te lande. Zie over v hem F. Pijper, fan Utenhovc, p. 9—14.
86
Over I an Verstege schreven W. Moll, Anastasius Vein anus cn der Leken Wechwyser in Kerkhist. Arch., I, i—134 cn van \'t Hooft, De theol. van Bullinger, p. 131 vlg.; Ris Lam-hf.rs, Kerkherv. op de Veluwe, p. 115-—127, bijl. CIiXXX— CLXXXIII cn passim. Hij was vice-cureet of waarnemend pastoor sedert 1544, maar reeds vroeger het Protestantisme toegedaan. Zijn prediken trok vele inwoners van Hattem, waar hij na zijn herroeping drie jaren lang in een toren gevangen zat, totdat hij in 1553 naar Leuven gestuurd werd om daar de pauselijke theologie beter in te studeeren. Hij vestigde zich te Bacharach, waar hij tot 1577 was en werd in 1560 superintendent, K. Theile, Bilder aus der Chron. Bacharachs, Got ha 1891, p. 74, 148. In 1566 kwam hij een tijdlang over om te Harderwijk te prediken. Zijn boek, door hem in het Geldersch dialect geschreven, reeds in 1555 in gewoon Nederlandsch vertaald, beleefde talrijke edities. Hij was een zelfstandig bijbelsch godgeleerde, die de meeste overeenkomst had met Bullinger. Tijdens de Arminiaansche twisten werd de Wegwijzer meermalen herdrukt, omdat de Remonstranten in hem een voor-looper hunner meeningen begroetten, reden waarom de tegenpartij het boek afkeurde. De Dominikaan Bunderius, leeraar te Gent, schreef reeds in 1556 een meermalen herdrukte bestrijding; Scutum fidei orthodoxae adversus venenosa tela Johannis Anastasii Veluani.
Over den pastoor van Heenvliet is veel geschreven: bovenaan staat de monografie van prof. Moll. Het oudste en getrouwe verhaal van zijn lijden komt voor in de satyre Ruardi Tappart apotheosis, 1559 (zie noot bij de volg. §); ook P. Merula, Kort ende get roti verhael, etc.. Leiden 1604. De geschriften van A. Merula zelf zijn niet gedrukt en verdwenen.
Over Stephanus Sylvius zie mijn Honderd jaren, p. 83, 84, 100—102. Van Heidelberg, waarheen hij gegaan was om zich aan den inquisiteur Lindanus te onttrekken en met Tileman Heshu-sius, den Lutherschen drijver, in contact geraakte, ging hij na een verblijf van vijf maanden in Juni 1559 naar het veilige Groningen. Daar stierf hij in 1567, Handel, der Maatsch. van Ned. Lett., 1886, p. 43.
§ 82. Het was den Nederlanders op zware straf verboden een andere school dan een erkend Katholieke te bezoeken. Doch velo scholen in den lande hadden leeraars, die meer of minder tot do Hervorming neigden. Zelfs zij, die trouw bleven aan de kerk, zooals de beroemde George Cassander, bekend door zijn streven tot verzoening tusschen Protestanten en Katholieken, leeraar te Brugge omstreeks 1541, strooiden zaden uit, die verdachte beginselen deden ontkiemen. Want waar de invloed van Erasmus bij de leidslieden
87
der jeugd overheersehend was, daar was zulk een instelling geen kweekplaats van kerkelijken zin, daar word niet zeiden de grondslag gelegd van \'t geen in zijn vollen wasdom onder de termen van aanklacht viel.
Te Sneok werd de vrijzinnige en geleerde rector Johannes Rodujs opgevolgd door den zeer kettersclien Hendrtk Geldou», die daarna te Delft voor Ruard Tapper, een der befaamde inquisiteurs, moest wijken. Petrus Bloccius, de bestrijder dermis, was leeraar te Leiden. In Groningen kwam de Maartensschool tot ongekendon bloei onder den Krasmiaan Regnerus Praedinius, die grooten invloed had op de godgeleerde vorming van vele geestelijken: hij was omstreeks 1546 na den dood van Nicolaus Lesdorp aangesteld. Johannes Sartorius, weleer de lotgenoot van Jan de Bakker, verzweeg bij het onderwijs te Amsterdam zijn anti-kerkelijke gevoelens niet, zoodat zijn „disci-pulen veel blasphemie dagelicxs zeyden ende suspecte boccken leerdenquot;. In 1535 werd hij daarom verbannen, doch hij keerde terug en stond later aan het hoofd eener school te Noordwijk.
Terwijl door deze en dergelijke inrichtingen het nieuwe licht werd bevorderd, kreeg onder de menigte het vuur telkens nieuwe brandstof door tal van vliegende blaadjes, paskwillen, liederen op den heldendood van bekende martelaren, kettcrschc vlugschriften. Zelfs de souter-liedekens van Willem van Zuylen van Nltevelt, berijmde en op populaire melodiën gezette psalmen, die in 1540 met keizerlijk privilegie uitgegeven werden, waren bestemd om de geestdrift in de conventikclen der Lutheranen en Sacramentisten te verhoogen.
Cassandf.r , een der meest verlichte Katholieke theologen van dien tijd, een irenicus, was in het laatste deel van zijn leven meer aan de kerk gehecht, gestorven te Keulen 1566, J. M. Assink Calkoen, Specimen Georgii Cassandri vitae atque operum tiar-rationem exhibens, 1859, diss.; H. Q. Janssen, Georgius Cas-sander in Bijdragen tot de Oudh. en Gesch. van Zeeuwsch-Vlaanderen, IV, 145—173; C. WeizsXcker in Herzog, Real-Ene., III, 154, 155; F. Pijper,/«w Utenhove, p. 7—9. Bij zijn leven 1557 kwamen reeds zijn hymnen, na zijn dood de overige werken op den index, Sepp, Verb, lectuur, p. no, 171, 190.
Over den rector Rodius (niet Rodaeus) en wel te onderscheiden van Hinne Rode, zie mijn Honderd jaren, p. 15, 82.
Hendrik Geldorp was een groot ketter. Te Sneek schreef hij een Lykzang over de begraavene Misse. Tc Delft liep hij meer in het oog. De last, dien hij van den inquisiteur Tapper ondervond, maakte hem belust om terstond na diens dood in Maart 1559 een scherp, wel wat grof pamflet te schrijven, Ruardi Tappart Enchusani apotheosis, een merkwaardig boekje, Moll,
88
Aug-. Merula, p. iSt , 182; dr. W. P. C. Knuttel, Piunfl. ver-zam. der Kon. hibl., I, 1, 25, nos. 114—116.
Sartorius heeft, toen hij na zijn herroeping ontslagen werd, sedert 1525 te Amsterdam vertoefd tot aan zijn verdrijving vandaar, de Hoop Scheffer, Gesch. der Kerkherv., p. 607, 608; Moll, Merula, p. 26; Cornelius, Münst. Aufruhr., II, 392, 395, 408, 410. Dit kan dienen ter aanvulling en verbetering van Glasius, Biogr. Woordenb. in voce. Hij stierf te Noordwijk of Delft 28 Maart 1567, Brandt, Hist., I, 213, 214.
Over Bloccius schreef Kist in Arch, voor Kcrkgesch., XIII, 2—119, XIV, 289—304.
Over Praedinius zie behalve de dissertatie van Dikst I.orgion jr. ook nog mijn Honderd jaren, p. 79—81 en Glasius, Btogr. Woordenb., Ill in voce.
§ lt;S;i Do Nederlandsche Hervorming heeft van don aanvang af grooten steun gevonden bij de Hervormde gemeenten in omliggende landen. Daar vonden vluchtelingen en ballingen een wijkplaats, niet zelden een veilig en leerzaam arbeidsveld. Vandaar kwamen weldra de moedige mannen, die de gevaarlijke taak ondernamen om op visitatieroizen door prediking de verstrooide geloofsgenooten onder bun verdrukking te versterken en te stichten.
Bovenaan in de rij dezer vluchthavens stond heli gastvrije Emdcn., de bloeiende hoofdstad van het vrije Oost-Friesland. Daar was door een Nederlander Geoiioic Afobtanus (Jorjen van dkh Dueue) naar den wensch van graaf Edzabd sedert 1524 de Hor vorming gepredikt en tot stand gekomen. Van Emdcn uit werd de kerkelijke omkeering, die te gclijker tijd op enkele andere plaatsen begonnen was, rustig binnen weinige jaren door het gehcele graafschap tot stand gebracht. In het tijdperk, dat nu aanbrak, hebben ook Nederlanders in grooten getale als predikant daar een standplaats of tijde]ijken werkkring gekregen, zooals Gellius Eauior tot aan zijn dood in 15f)4 te Einden, Hinnk Rode te Norden tot aan zijn afzetting gedurende do Luthersche woelingen in 1530 en daarna te Wolthusen. Vooral door den ijver van Rode werd de oorspronkelijk Luthersche beweging in oen Gereformeerde richting geleid, die hoewel niet zonder botsing bestemd was den voorrang te behalen. De Oostfriesebe kerk kreeg weldra haar geregelde inrichting door den Hervormer Johannes A Lasco gedurende de acht jaren, 1540—1548, dat hij daar do belangrijke betrekking van superintendent vervulde.
In Bremen kwam de Hervorming tot zegepraal na liet optreden van Henduik van Zutken, die daar op zijn vlucht in October 1522 kwam. Na zijn gruwelijk einde zetten Praepositus on Johannes Timans
89
SoETEMFT.ic do prediking voort cn worden weldra gesteund door de Amsterdummcre frans wouters en .tomannks pic.\'/r. In 1547 werd dr. albertus ri/aeus hardenherci daar predikant, nadat hij den aartsbisschop van Keulen hermann von wied in zijn verongelukte hervormingsplannen had bijgestaan. In 1561 dwong oen hevige twist over de avondmaalsleer mot zijn Lutherseho ambtgenooten, gevolgd door afzetting, hem dezen werkkring te verlaten. Hij eindigde In 1574 zijn veelbewogen leven als Hervormd predikant te Einden. In Bremen echter kregen door het ijveren van soetemelk en pki.t, die in Oost-Friesland zonder gewenschten uitslag door hun partij te hulp geroepen werden, do Luthersohon het roer in handen.
Over het begin tier Hervorming in Emden en Bremen de hoop scheffkr, Gesch., ]gt;. 243—250; hooijer, Oude Kerke.nord., p. 54 gt; ss; weizsacker in herzog, Real-Enc., XVIII, 239—241, De betrekking op Oost-Friesland is hechter geworden en gehleven dan met Bremen zoowel om de nabijheid als vooral ook om de godsdienstige richting. Vooral timans (soetemelk is een bijnaam) was een hevig tegenstander van 11 ardenberg , D. Gerdes, Hist, moluum eccl. in civil. Bremen si ab a\'\\ 1547—1560, Groningen en Bremen 1756; B. spiegel, A/b. Kis. FTariienberg, ein Jheolo-genleben, Bremen 1869, p. 83 vlg.
harbenberg, geboren c. 15to, had zijn eerste opleiding genoten te Groningen onder gosewinus van halen en in Aduard. Te Mainz behaalde hij 1537 den doctorstitel en sloot nauwe vriendschap met a lasco. Naar het „Belgische Athenequot; teruggekeerd, hield hij theologische voordrachten en geraakte daardoor in moeielijkheden, die hij ter nauwer nood ontsnapte. Zijn meeste boeken werden aan de vlammen geofferd. Hij vond 1540 een wijkplaats in het rustige Aduard onder den vrijzinnigen abt johannes reekamp (1528— 1549) gt; die echter openlijke hervorming vreesde. Ook X Lasco verliet toen Leuven en ging naar Emden. In 1543 vertrok hardenberg naar Wittenberg en sloot zich daarmede openlijk bij de Hervorming aan, enz. Een korte biografie geeft carl bertheau in herzog, Real-Enc., v, 591—600, zie verder meineus , Ooslvr. Kerkgesch., I, 4S2—457-
johannes laski, een rijke, edele Pool, geboren 1499 te Warschau, op wiens vorming de omgang te Basel met erasmus veel, de ontmoeting met zwingli te Zurich een beslissenden invloed uitoefende, leidde tot aan zijn benoeming door gravin anna een zwervend theologenleven, dr. P. G. bartels, Joh. è Lasco, Elberf. 1s60, Zur Gesch. der Pradesl. lehre Joh. èt Lasco in Ev. Ref. Kirchenz., 1870 en 1871; spiegel, Alb. Hardenberg, p. 19—21 en passim; van \'t hooft, TT. Bullinger, p. 148—161; f. pijper, fan Uien hove; biografie van o. thelemann in herzog, Real-Enc., vhi, 427—433.
90
In twee deelcn zijn 1866 te Amsterdam uitgegeven door dr. A. Kuyper, foannis a T.asco opera tarn edita quam inedita, die in 1862 een vergelijking tusschen het kerkbegrip van Cai.vijn en X Lasco tot onderwer]) zijner dissertatie maakte.
§ 84, Ook in de Rhijnlanden was menige zetel der Hervorming, die een belangrijke plaats in de geschiedenis der Nederlandsche Protestanten bekleedt. Zij vermeerderden te Keulen langzamerhand zoozeer, dat daar zelfs een afzonderlijke gemeente van uitgewekenen opgericht moest worden.
Vooral te Wesel, waar de bekende martelaar Adolf Klakknbach, conrector onder Herman Busch, gesteund door de Broeders des gemeenen levens, voor de Hervorming een baan had gebroken, vestigden zich zeer vele Nederlanders. Onder hen heeft vooral de Zeeuw Iman Ortzen zich verdienstelijk gemaakt gedurende de tien jaren van zijn prediking, 1538—1548. Karei, V moest bij edict van 7 Maart 1545 zijn onderdanen verbieden de pas opgerichte school in deze door allerlei ketterij en kwade secten besmette plaats, later „de moeder der Geuzenquot;, te bezoeken.
Straatsburg bad al vroeg een kerk voor Franscho en Waalsche vluchtelingen en was liet toevluchtsoord voor vele uitgewekenen. Eveneens de Pfaltz met Heidelberg en Frankenthal, vooral toen do Calvinisten daar boven de Luthcrscbon begunstigd werden. De nauwe betrekking met liet keurvorstendom is in toenemende mate een belangrijke bladzijde der geschiedenis van de Nederlandsche Hervormde kerk geworden.
Te Keulen sloten de gevluchte Nederlanders zich eerst aan bij de Hervormden aldaar. Sedert Augustus 1571 vormden zij een afzonderlijke gemeente, waarvan de belangrijke kerkeraadshandelingen en brieven bewaard gebleven zijn en uitgegeven in de Werken der Marnix- Vereen., serie I, dl. Ill en serie III, dl. V; Kist en Royaards, Arch., X, 385—397, XIX, 265—272. * L. j. F. Janssen schreef over de Nederlandsche Hervormden in
Kleef sla nd vooral te Wesel in Kist en Royaards, Arch., v7quot;, 307—460. Zie verder Hooijer, Oude Kerkenord., p. 24, .\'!S; Wolters, Reformations-Gesch. der Stad! Wesel. C. Krafet gaf , een studie over Klarenbach in IIerzog, Real-Ene., VIII, 20— 33; de Hoop Scheffer, Gesch., p. 231—235. Het edict van Karel V tegen Wesel is gedateerd 7 Maart 1544 naar den Paasch-stijl, Charlb. van Friesl., III, 31, 32.
Ortzen, geboren 1505 te Oude Tonge, priester te Middelharnis, hield zich te Arnhem op tot 1526, toen hij voor Karel van Gelre moest vluchten en werd als predikant de Hervormer van Wesel.
91
Wegens liet Interim moest liij zijn post verlaten, dien hij na 1560 tct aan zijn dood den 1 Juni (571 weer vervulde. Evenwel mist men zijn naam bij de onderteekenaars van de acten der Weselsche vergadering in 1568.
h. Alïing, Hist. cccl. Palatinae, Amst. 1664; Klöpfel over Friedrich III in Herzog, Real-Enc., IV, 690—693; A. Kluck-hohn , Friedrich der Fromme, Kurfnrst von der- Ifalz, 1879; d. Seisen, Gesch. der Reform, zu Heidelb., 1846.
§ 85. Van groot belang is juist in dezen tijd de betrekking met Engeland. In 1544 was de Hollandsehe gemeente te Londen ontstaan en daarna nog in enkele andere plaatsen, Norwieh, Sandwich en elders. Door de gunst van den jongen koning Eduaed VI en Thomas Ckanmrk werd hun in 1550 de kerk van het voormalige Augustijner klooster, Austin Friars, afgestaan. X lasoo, vroeger reeds de gast can den aartsbisschop, werd nu tot superintendent aangesteld en gaf nan c!e gemeenten van uitheemschen de eerste kerkenorde. De Vlaming Marten Micron en Wouter Delenus vnn Alkmaar waren de eerste predikanten. Een belangrijke rol werd daarbij vervuld door \\ lasco\'s vriend, den Vlaaraschen edelman Jan van Utenhove. Hij gaf in 1551 het aanzijn aan de eerste Nederlandsebe geloofsbelijdenis door zijn vertaling van het Compendium doetrinae, dat met medewerking van den superintendent door de dienaren der Londensehe vreemdelingengemeente juist te voren was opgesteld. Ook vertolkte bij ten dienste van zijn geloofsgenooten den Oostfrieschen Catechismus, die vrij zeker van X lasco afkomstig is. Vooral maakte Utenhove zich bekend door zijn berijming van de psalmen. Micron schrecf ten dienste der Nederduitsche gemeente te Londen zijn „Cleyne catechismusquot; en bezorgde een verkorte uitgave van A Lasco\'s kerkenorde.
De kortstondige maar hevige vervolging onder koningin Maria zou Engeland, volkomen onherbergzaam hebben gemaakt, indien niet de troonsbestijging der Protestantsche Ei.isahetii dit rustige en geschikte toevluchtsoord weer voor de Nederlanders luid opengesteld.
Wat zoowel te Emden als in Engeland door \\ Lasco met zijn Hollandsehe vrienden voor de leer, kerkenorde en eeredienst gedaan is, vond vandaar zijn weg naar het vaderland en had ingang bij zeer velen, totdat een machtiger invloed hier de overhand kreeg.
Over de gemeente te Londen schreef dr. a. Kuvper in Voor driehonderd jaren, 20 jaarg., afl. 8, 9; van toorenenberGen, Geschr. van Marnix van St. AIdeg., I, XXXIV vlg., 135—1S2 en zijn uitgave van Gheschied. der Ned. gemeynten in Eng. ende tot London door Symeon Ruythick c.s. in Werken Marnix- Vereen.,
92
serie ITT, dl. T; vooral ook de di.ss. van F. Pijper, Jan Utenhovc. Verder de schrijvers over \\ Lasco.
De troonsbestijging van Maria Tudor (1553—1558), gemalin van Kilips 11, verdreef het drietal-X Lasco , Utenhove en Micron en een groot aantal buitenlanders. Utenhove zelf heeft een verhaal van het wedervaren der vluchtelingen opgesteld, dat in 1560 onder den titel Simplex el fide lis narralio te Basel uitkwam. De eerste predikanten onder Elisabeth bij de gemeente te Londen waren 1\'etkus Delenus Wouter\'s zoon en Adriaan van Haemstede. Ook Utenhove kwam dadelijk terug. Micron, intusschen te Norden leeraar geworden, kon zijn arbeid bij tic Engelsche kerk niet hervatten, want hij stierf 12 September 1559. Meiners, Oostvr. Kerkgesch., TI, 381—386; Reershemius, Osi/r. Predigerdcnk-mahl, ]gt;. 233 vlg., 804 vlg.
Anth. Thysius, I.eere en de ordre der Ned. Gheref. k er eken, Amst. 1613, zegt in de voorrede, dat „onse ghemeynten eerst gebruyekt hebben de formulieren der T.eere ende Ordrequot; van de Londensche kerk, als zijnde een der eerste openbare Nederlandsche gemeenten in den vreemde en de voornaamste moedergemeente der kerken onder \'t kruis hier te lande.
§ 86. Als geslepen staatsman had Karei- V bet nauwe verband gevoeld tussehen de zucht naar godsdienstige en staatkundige vrijheid. Om eenheid te brengen in het heheersohen van zijn groot gebied maakte hij de uitroeiing van elke ketterij evenzeer tot een eisch van zijn souverein staatsbeleid als do reorganisatie of /.ells ai\'sehafiing van alle bestaande usantiën en rechten. Als loon voor hun gehoorzaamheid Hot hij don Nederlanders do beruchte placcaten en de geduchte instelling der inquisitie na, toen hij in October 1555 met grootc statigheid te Brussel door afstand van do regcoring hot lot der halve wereld in handen van zijn zoon stelde.
Toen Fjmps TI met do kroon de staatkunde van zijn vader overnam, stolde hij ook do bestrijding der nieuwe geloofsbeginselen en handhaving van do oppermacht der kerk tot hoofddoel zijns levens met oen niets ontziende hardnekkigheid. Even weinig bekend met den anrd van zijn volk als met hun taal, heeft hij alleen zijn eigen inzichten, nooit hot belang zijner onderdanen in het oog gehouden en ..nimmer begrepen, dat de goschicdonis niet stilstondquot;.
Wat bij \'t loven van don vader reeds smeulde, kwam tot volle uitbarsting onder denzoon, die met fanatiokon haat tegen elke geloofsvrijheid bezield, in staat was de gansche natie ten doodo te doemen cn het land aan de verwoesting prijs te geven. Al zijn bevolen en rogeeringsdadon gaven van den beginne af voedsel aan dien geweldigen
haat tegen de Spanjaarden, die do Nederlanden weldra tot het tooneel zou maken van de vrcoselijkste gebeurteniascn.
Met een welsprekende schildering van den plechtigen troonsafstand des keizers begint het werk van Motley , Opk. der Neder 1. republ. Hij voegt daarbij een uitvoerige karakterschets van de beide vorsten. Toch genoot Ka rel V hier te lande een zekere mate van populariteit, maar deze was in het laatst zeer getaand. Emanuel van Meteren, Hist, der Nederlanderen, I, 184, verkeerde nog onder den invloed van de traditie omtrent den keizer en matigde zijn lof alleen door de woorden „maar wat te eigenzinnigquot;. Het drama, onder Filips opgevoerd, deed de gewelddaden van zijn vader in vergetelheid geraken.
§ 87. Do „bloedplaceateuquot;, reeds bij do troonsbestijging van don nieuwen landsheer in 1555 mot onheilspellenden nadruk vernieuwd, werden gedurende den oorlog met Frankrijk minder streng nageleold, doch bleven geen doode letter. 13ij zijn terugkeer naar Spanje in I55i\' werd door den monarch aan de landvoogdes, hertogin Margaketha van Pabma, de stelligste last gegeven tot stipte en gestrenge onderhouding der voorschriften op het uitroeien dor afvalligen. De mannen, die zich als inquisiteurs in dezen treurigen tijd het meest berucht hebben gemaakt waren: Sonnius, Jan Grauels, Uuaed Tapper en Petrus Titelman.
Om dit verschrikkelijke zuiveringswerk met de meeste nauwkeurigheid uit te voeren en de vermenigvuldiging der ketters te koeren werd het reeds door don keizer en zijn voorgangers beoogde plan tol vermeerdering van het aantal bisdommen doorgezet. Ür. Franciscüs Sonnius braeht uit Uome den koning nog voor zijn afreis de bul van paus Paulus iV, ged. don 18 Mei 1559, waarin de goestolijke zorg over de Nederlandsche gewesten werd opgedragen aan drie aartsbisschoppen (Mechelen, Kamerijk en Utrecht) en vijftien bisschoppen. In Januari 1560 bekrachtigde 1\'ius IV doze indeolmg. Van elk domkapittel, dat den bisschop zou bijstaan in het werk van het geloofsonderzoek, werden twee kanunniken bepaald als inquisiteurs aangewezen. Als aartsbisschop van Mechelen was Antonius Perrenot, weldra kardinaal Granvelle, do eerste in rang onder deze achttien prelaten. Zoo zou de wreedaardige inquisitie met al haar gruwelijken nasleep ingevoerd worden, do groote oorzaak van den opstand.
Door Karel V zijn onderscheidene edicten tegen de adherenten der nieuwe leer uitgevaardigd 1521—1550. Het getal wordt verschillend opgegeven. Bor, Ned. Hist., 1, 6—12 spreekt van veertien; Hoog, Martelaren, p. 68 houdt er negen over, enz. In allen gevalle moesten deze placcaten gedurig worden afgekondigd
94
en daarbij ondergingen zij wel eens verandering in woorden. Deze reeks van keizerlijke edicten vertoont een climax, waarvan de bepalingen steeds scherper, de toon dreigender, de optelling der schuldige vergrijpen uitgebreider werden. Het toppunt bereikte het placcaat van 25 September 1550: het stelsel was daarin tot zulk een afgrijselijke volkomenheid uitgewerkt, dat zelfs koning Filips er niets bij te voegen en slechts de nauwkeurige uitvoering te gebieden had. Echter is de inquisitie niet ingevoerd noch in werking getreden in: Groningen, Luxemburg, Gelderland en Brabant. l)c Kriesche inquisiteur Lindanus moest in 1561 voor den tegenstand der Staten zwichten, mijn Honderdjaren, p. 94—115.
Tot het aartsbisdom van Mechelen behoorden Antwerpen, \'s Hertogenbosch, Gent, Brugge, IJ peren en Roermond; tot Kamerijk: Atrecht, St. Omer, Doornik en Namen; tot Utrecht: Haarlem, Middelburg, Leeuwarden, Groningen en Deventer, Bok, Ned. Hist., 1, 23—27 met de namen der benoemden. De instelling werd eerst in 1560 uit de confirmatoire bui bekend, wekte algemeene ontevredenheid niet het minst bij priesters en kloosterlingen en werd ten onrechte geweten aan Granvelle, die van tleze regeeringsdaad vooraf geen kennis droeg, maar een zeer gehaat persoon was.
§ 88. Do instelling der nieuwe bisdommen vond grooten tegenstand zelfs ook bij vele trouwe Katholieken, die reeds zoo ai\'keerig van inquisitie, hioriu weer een inbreuk zagen op de oude rechten en handvesten. De prins Willem van Oranje, stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, plaatste zich met andere invloedrijke leden van den Raad van State aan het hoofd der oppositie.
De tegenstand in sommige gewesten zooals Groningen, Frieslanden Overijsel was zoo groot, dat de komst van de pas benoemde dignitarissen daar geruimen tijd moest worden verschoven. Vele dezer aanstellingen waren niet beter dan eeu episcopaat in partihus. De afkondiging der besluiten van het Trentsche concilie in 1565 vermeerderden de gisting, terwijl intussehen ten gevolge van de scherpe toepassing dor placcaten duizenden wegens hun geloof op den brandstapel, in den kerker, op het schavot onder wreedo en soms onmenschelijke martelingen het leven verloren. De geregelde afkondiging der besluiten van Trente, der inquisitie, der bloedplaccaten klonk als een herhaalde, sombere bedreiging: de nauw verkropte haat tegen zulke moorddadige maatregelen prikkelde tot verzet. Dat een worsteling in aantocht was, bleek even zeker te zijn als dat er van de zijde der regeering geen inschikkelijkheid of genade te verwachten was.
Antwerpen, \'s Hertogenbosch, Roermond hebben zich lang en hevig verzet tegen de overkomst van hun bisschop. Johannes
95
Mahusius, te Deventer benoemd, was in 15C5 nog niet gewijd, evenmin als Remigius üirutius, die zijn Friesch bisdom nooit gezien heeft. Kerst in 1570 kon te Leeuwarden Cunekus Petri, te Deventer Akgidius del Monte worden ingeleid. Joiiannks Ivnijf, in 1561 te Groningen aangesteld, kon eerst in 1568 na den slag bij Jemgum zijn waardigheid aanvaarden. Roermond kreeg 1569 zeven jaren na de benoeming den Noord-Nederlandschen inquisiteur Lindanus (Willem Damasz van der Lindt) tot zijn geestelijken opperherder.
§ 89. Intuamp;scheu word hot nieuwe evangelie in steden en dorpen door een telken jare vermeerderend aantal priesters en monniken gepredikt, in geheime samenkomsten onderhouden en maakte dooiden wrok over de maatregelen der regeering in korten tijd reu/,en-schreden. Juist in den tijd van de landvoogdes Maköabetha vertoonde zieh een nieuwe kampioen op het tooneel, die aan den loop der gebeurtenissen een wending van groote beteekenis zou geven.
Die machtige bondgenoot was het Calvinisme, dat over do zuidergrens zijn intocht hield, met verbazende snelheid veld won en weldra in alle gewesten zijn onversaagde herauten uitzond, die zich aan de spits der beweging plaatsten. Die vurige, meestal zeer bekwame en vrome predikers waren lijnrecht tegen Home gekant, stonden onwrikbaar in hun vaste overtuiging cn maakten een opgang, die den invloed der Lutheranen spoedig geheel overvleugelde en dien dei-talrijke Doopsgezinden belangrijk deed dalen. Voortaan kreeg Genève voor do Nederlanders de beteekenis, die Wittenberg vroeger had bezeten. Dit optreden der Calvinisten gal\' een geheel nieuwe richting aan de denkbeelden, stortte verjongden gloed uit en wekte onder Homes vijanden die onstuimige beweging, (.lie, door tegenstand geprikkeld, bereid was een strijd op leven en dood zonder genade te aanvaarden.
De voorboden van het Calvinisme traden op tusschen 1550 en \' I55S- Toen reeds waren Calvijn\'s werken aan vele predikers bekend. Guv de Bray predikte na zijn terugkeer uit Engeland sedert omstreeks 1552 te Rijssel en elders. In het jaar 1555 gaf hij zijn eersteling le Baston de la Foy Crestienne in het lieht, die vaak herdrukt \'en ook vertaald werd. Uit frankrijk kwamen Huge-nooten over. liet Calvinisme plantte zieh onder het volk voort op tallooze geheime samenkomsten en in die vereenigingen maakte de afval reuzenschreden. Zie de geschiedwerken over de Hervorming van Vlaanderen en brugge door li. Q. Janssen; Van Vloten, Nederl. tijdens den opstand tegen Spanje, 1872, 2 dlu.; Naber, Calv. of Libert., p. 5 vlg.; e. a.
96
S yO. Behalvo do martelaar Bruijus verdienen als mannen van betcekenis en baanbrekers van deze leer vermelding: de Henegouwer Guv de Bray (Guido jjic Brés), die met eenige tusschenpoozen sedert omstreeks 1552 werkzaam is geweest, in den laatsten tijd als leeraar te Valenciennes met den ridderlijken Pérkgrin de la Grange uit ccn adellijk Franseh geslacht, zijn lotgenoot ook in den dood ten jare 1567; Jacques de Lo (Jacob van Loo), die in 1560 te Kijssel den brandstapel beklom; Godfried van Wingen omstreeks 1561, totdat hij bij ile gemeente in Engeland een rustiger arbeidsveld vond; Adrianus Sara via reeds in 1561 leeraar der Waalsehe gemeente te Antwerpen, later ook te Brugge en Gent; de Zwollenaar Herman Mode]) (Strycker) die reeds toen in Vlaanderen zijn bedrijvige rol begon; Gaspar van der IIeyden (Heidanus) sedert 1551 een der hoofden van de Antwerpensciie gemeente; Petrus Dathenus van Yperen, in zijn jeugd Karmeliet, tot dusver predikant in Frankenthal, bestemd om veel van zich te doen hooren; George Sylvanus (Joris Wibo) in 1566 predikant te Antwerpen, later bij de gemeente van Londen; de voormalige abt van St. Bernard Thomas van Thielt (of van Til) , later in 1567 leeraar te Haarlem en predikant te Delft; de gevierde redenaar Ambrosius Wille; Jean Taffin van Doornik en Franciscus Junius (Francois du Jon), die belangrijke diensten bewezen in een gevaarvollen tijd.
Meestal vonden deze predikers hun taak aangewezen in Zuid-Nederland, dat in dezen tijd het brandpunt der beweging was. Voor een deel moet dit worden toegeschreven aan hun taal en afkomst. Doch ook benoorden don llhijn werden al spoedig voorstanders der leer van Calvijn gevonden: Carolus Gallus (de Haan) die in 1560 na zijn terugkeer uit Genève zich te Deventer, Arnhem ^en elders liet hooren; de ij veraar Menzo Poppius, die reeds vóór 1559 in Utrecht en Friesland optrad; de Fries Feito Ruardi, die omstreeks 1558 ook te Groningen leerde, en anderen.
Df, Bray, geboren 1522 te Bergen, vond veiligheid in Londen en keerde vandaar naar zijn vaderland terug omstreeks 1552, dat hij vier jaren later ontvluchten moest. Hij bevond zich daarna te Frankfort en Genève om verder te studeeren, kwam ongeveer 1559 terug. Doornik was eerst de plaats, vanwaar hij andere onder zijn leiding staande gemeenten bezocht. Van 1561 tot 1566 was hij uitgeweken naar Frankrijk. Hij schreef ook nog La racinc fondement des Anabaplistes in 1565, en enkele kleinere geschriften, Van Langeraad, Guido de Bray, die p. 2—5 ile literatuur opnoemt en in de Bijlagen een aantal belangrijke acten en documenten heeftopgenomen; Ollier, Guy de Brés, Paris 1883.
97
Over Marmier, Wille, de Nielles (later predikant te Wesel en Delft) zie ook Cuno, Franciscus Junius, p. /7, 18.
Van Winc.en was een Luikenaar, Langeraad, de Bray, ]gt;. 104 vlg. Verder Werken der Marnix- Vereen., serie I, II, 111, fleel I en F. Pijper, fan van Ulenhove, passim.
Saravia, geboren 1530 te Hesdin in Artois, was en bleef althans niet volkomen zuiver in de leer, Glasius, Biogr. Woordenb. in voce; Sepp, Bibl. Medcd., p. 83 vlg.; Godgel. Onderw., 1, 63.
Over Moded schreef Brutel de la Rivière zijn dissertatie, waarachter ook zijn Apologie ofte Verantwoordinghe van 1567 is afgedrukt. Zie verder Sepp, Polem. en iren. iheol., p. 105 110. Menige brieven van Moded in de Werken der Marnix-Vereen., serie III, deel 11, p. 1—5, 31.
Van Lennep voegde aan zijn diss. Gaspar van der Heiden, IS30—I5^ö, ook een aantal onuitgegevene brieven toe.
De dissertatie van ter Haar, Petri Dat he ui vit am exhibens, bevat een opgave der litteratuur over dezen vurigen Calvinist p. 6— 19. Zie verder H. Q.Janssen, Dathenus in zijn laatste levensjaren, 1872. Brieven van Dathenus komen nog voor in Areh. voor Kerkgesch., VIII, 449 en Werken der Marnix-Ver een., serie III, deel II, p. 8, over hem p. 106 en vlg.
Over Sylvanus zie Langeraad, de Bray, p. 106 en passim.
Jean Taffin, geboren 1528 te Doornik, gestorven 1602 als Waalsch predikant te Amsterdam, vroeger ook hofprediker van Willem van Oranje. Ch. Rahlenbeck gaf een biografie in Bulletin de la comm. pour Pkist. des égl. Wallones, 1886; C. Sepp, Drie evangeliedienaren uit den tijd der Herv., p. 1—80. Brieven van en aan Taffin, Sepp, Polem. en iren. theol., p. 81— 94, en enkelen in Werken der Marnix- Vereen., serie III, deel II en V.
Over Junius zie behalve mijn dissertatie in 1864, J. W. de Crank, Oratio de Vossiorum funiorumque familia, 1821, en in den laatstee, tijd het degelijke werk van Cuno, Franciscus funius der AcUen:, verrijkt met een groot aantal tot nu toe onuitgegevene brieven; Sepp, Godgel. Onderw. in Nederland, I, 87—99 en passim. Een uitgave zijner beste werken werd bezorgd door A. Kuyper, Opera funii selecta, 1882. In 1607 en 1613 was te Genève reeds de verzameling zijner geschriften gedrukt.
Gallus is later prof. theol. te Leiden geweest, zie o. a. Sepp, Godgel. Onderw., I, 71—78.
§ 91. Behalve door do persoonlijkheid en den ongemoenen, soms zeer woeligon geloofsijver dezer predikers werd do opgang vnn het Calvinisme nog bevorderd door andere omstandigheden. Do weg daarheen was reeds aangewezen door de geestesrichting van de oudste
Dr. REITSMA, Kerkgesch . 7
98
voorstanders der Hervorming, de Sacramentisten, die zich des te meer tot de Zwitsorsche Hervormers aangetrokken voelden, hoe sterker het onderscheid met Wittenberg aan het licht kwam: met Luthersche heftigheid werden dc Hervormden ook hier te lande voor sacramentschenders uitgemaakt. Van groot gewicht is de organisatie der gemeenten onder het kruis, die in levendig verband stonden met de Hugenooten van Frankrijk. Daardoor werd de nog in staat van wording verkeerende kerk met opzicht tot den vorm van haar bestuur en voorschriften in Calvinistische richting geleid.
Reeds vroeg zijn in Nederland de werken van CalviJiN verspreid en gelezen, maar een grooto indruk werd vooral teweeg gebracht door de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, die in 1659 door de Bbay naar het model der Fransche opgesteld en te Gcnève goedgekeurd, oorspronkelijk moest dienen om den hardvochtigen vorst dos lands tot billijker stemming ten opzichte van het geloof zijner vervolgde onderdanen te bewegen. Zij werd in 1561 heimelijk gedrukt cn vertolkte zoozeer de vrome overtuiging van haar aanhangers, dat zij na eerdgen tijd nevens den bijbel als hoogste autoriteit ter zake des geloofs werd erkend en elke door anderen aangewende poging om iets dergelijks te leveren overbodig maakte. Daarmede overeenkomstig was het\' gezag van den Heidelbergschen Catechismus, die in 1563 door Dathenus vertaald, algemeen ingang vond en genoten werd. Terwi,,! hier ook melding moet worden gemaakt zoowel van de Fransche psalmen als vooral van de Nederlandsche berijming van Dathenus , sedert 1566 in druk verkrijgbaar, die de oude Souterliedekens geheel ter zijde drong.
Dit alles werkte samen tot de schitterende heirvaart van het Calvinisme. Toen de tijd kwam, dat de verschillende reformatoire stroomingen zich scherper onderscheidden en de gevestigde overtuiging nader moest worden verklaard, bleek dit het geloof der toongevers van \'s konings onroomsche onderdanen to zijn. 023 de nationale en provinciale synoden werd in deze richting verder gearbeid tot een zege niet zonder strijd.
Dc handelingen der Waalsche synoden onder \'t kruis sedert 26 April 1563, vervat in het Livre Synodal, zijn tot aan de acten van den jare 1578 uitgegeven door N. C. Kist in Archief voor Kerkgesch., XX, 113—208, tot aan de acten van 1566 door C. Hooijer , Oude Kerkorden., p. 1—23.
De Institutiones Calvini waren reeds 1560 in het noorden des lands vertaald en gedrukt verkrijgbaar, andere werken in 1545 te Antwerpen, Sepp, Godgel. Onderwijs, 1, 13; Godgel. Bij dr., 1868, p. 861 vlg., 1869, p. 483 vlg.
De Confession de joy werd uitgegeven in het najaar 1561,
99
Langeraad, de Bray, p. 32—35, 93—155. De vertaling Belydc-nisse des Gheloofs, door Moded of van Wingen, kwam uit in \'t vroege voorjaar 1562. Aremberg, stadhouder van Friesland, gaf daartegen een placcaat 7 April, Friesch Char tb., III, 569. H. E. Vinke, I.ibrt symbol, eccl. Reform. Neerl., 1846, die deze uitgave door een historische praefatio liet voorafgaan; Van Toorenenbergen , De symbol, schriften der Ned. Herv. Kerk in zuiveren krit. bew. tekst, 1869; I. J. Doedes, Be Nederl. Geloofsbel. en de Heid. Catech., 2 din. 18S0, 1881, tekst en verklaring; Gobius du Sart, De gesch. der liturg, geschriften der Ned. Herv. Kerk op nieuw onderzocht, Utr. 1886. Junius stelde in 1556 op verzoek der Antwerpenaars een korte belijdenis, Sommaire de la conf. de foy, die door Rahlenbkck teruggevonden is, opgenomen bij Cuno, Fr. Junius, p. 27—30.
De critisch bewerkte uitgave van prof. M. A. Gooszen, Dè Heid. Catechismus, 1889, bevat in de voorrede een verdienstelijk en degelijk onderzoek naar de opstellers en het ontslaan van dit beroemde geschrift. Zie verder G. D. J. Schotel, Gesch. van den oorsprong enz. van den Heid. Catech., 1862.
In de Waalsche gewesten werden de psalmen van Clément Marot en Beza gezongen, die in één bundel in 1562 uitkwamen. Verder werden ook de Souterliedekens van Van Zuylen van Nyevelt gebruikt. De berijming van Utenhove vond in Nederland geen ingang. Dathenus psalmboek werd met een opdracht aan alle gemeenten en dienaren van J. C. onder de tirannie van den antichrist den 25 Maart 1566 uitgegeven. Twee jaren later werden zij op het convent te Wesel voor kerkelijk gebruik aangewezen, cap. II, art. 31, eveneens te Dordrecht 1574, art. 43 enz. J. Heringa, Kerkel. Raadvrager en Raadgever, II, 245—253, 490—-498; R. Bennink Janssonius, Gesch. van het kerkgezang bij de Herv. in Ned., i860, p. 24—-52 en vlg. Marnix van St. Aldegonde vervaardigde ook een berijming, in 1580 te Antwerpen gedrukt, die veel beter is dan de Datheensche en door de synode van Middelburg 1581 aanbevolen werd. Toch is zij in de kerk niet ingevoerd, omdat tie predikanten voor het gewrocht van Dathenus bleven ijveren. W. Broes, Filips van Marnix, heer van St. Aldegonde i 2 dln., 1838; Paul Fredericq, Marnix en zijne Nederl. geschriften, 1881.
§ 92. Naust liet Calvinisme waren er ook nog genoeg predikers en geleerden, die terwijl zij kennis namen van de werken der voor-naamste toongevers van de Hervorming, daarnaast de heilige schrift bleven onderzoeken en een eigen standpunt innamen zonder zich bepaald bij Luther, Zwingli, Calvijn of een der anderen aan te sluiten. Er waren, die in hoofdzaak met de inzichten van A Lasco
100
insteindon. Do geest var. Euasmus leefde in beschaafde kringen nog voort. Do denkbeelden van Zwingij\'s opvolger Bullingbr vonden grooten weerklank: vooral zijn „Huysboeckquot; was een veel gelezen volksboek evenzeer als „Oer Leeeken weghwijserquot; van zijn geestverwant Anastasuis Veluanus. in \'t geheel niet Calvinist waren mannen als Angelus Mn kul a en Stbphanus Sylvius. Onder hen, die niet tot deze richting behoorden en haar zelfs tegenstand geboden hebben, moeten vermeld worden: dc Leidsche conrector L\'etrus Blocciüs, ook bekend door zijn geschriften togen do Roomsche leer van doop en mis; Johannes Sartokuis, leeraar in Delft, Amsterdam en Noordwijk; Cornel is Cooltuyn, prediker in Alkmaar, later te Emden, schrijver van het veel gelezene Evangelie der Armen; de dichterlijke graveur Coorniiert, wiens verdraagzame cn onafhankelijke denkbeelden hem don naam van een vrijdenker bezorgden en later groote moeielijkheden veroorzaakten; onder de mannen van beteekenis in \'t noorden vooral Gellius Snecanus, zelfstandig theoloog en geestverwant van Bullingeb; dc edelman Jan van Utenhove, die grooten invloed door persoonlijken ijver en met do pen op de Nederlandsche gemeenten in Engeland heeft uitgeoefend; de „moderaet theoloogquot; Antonius Cobkanus Bellebive, die zich te Antwerpen en later te Londen een bestrijder der lieer-schappij van liet toenemende dogmatisme betoonde; de Zeeuw Adbiaan van Habmstede (Hamstedius) , schrijver van het bekende Martelaarsboek (1559), predikant te Antwerpen; Caspar Coolhaes, die het eerst in 1566 te Deventer optrad; de Gentenaar Pibter de Zuttere, die door don geest van ruime verdraagzaamheid in zijn geschriften en prediking al spoedig oen ergernis wekte, waarvan bij tot in hoogen ouderdom de gevolgen zou ondervinden; IJsbrand Balok (Tbabius), weleer priester te Heeg, die in zijn zwervend leven diensten bewees aan Friesland, de gemeente van Antwerpen en de ballingen in Engeland.
In den geest van hen, die „zich aan geene belijdenis wilden hechten dan aan de leer van bet evangeliequot; was gesteld de „Corte belydinge des geloofs dergheenre, die dc waerachtige leere des evangeliums aen-hanghenquot;. Dit boekje werd in 1566 te Antwerpen gedrukt en ontlokte wegens zijn hevige, alleen tegen Rome gerichte uitvallen een „Confutatie oft wederlegghinghequot; aan de pen van een onbekende en een in het latijn gestelde Confutatio aan den Leuvenschen hoogleeraar Hessels.
De Groninger scholarch Praedinius was evenals eenige van zijn leerlingen een Erasmiaan, maar hij heeft de Roomsche kerk niet verlaten en is gestorven in 1559. Over zijn standpunt zie Oiest LoRGiONjr., Regn. Praedinius, p, 81—93, 119—155. De Calvinist Menzo Alting was een zijner leerlingen.
101
In zijn diss, de theologie van Bullinger, p. 130 - 145 behandelt dr. van \'t Hooft uitvoerig de denkbeelden van „der Leecken Wechwyserquot;. Bullingiïr\'s werken werden reeds vroeg en veel gelezen, ib. p. 96 vlg. Moll in Kerkh. Arch., I, 93 vlg. toont slechts zijn verschil van Calvijn en Zwingli aan.
Cooltuvn, als evangelisch pastoor de leermeester van de latere hagepredikers Jan Arents, Albert Gerrits en Pieter Cornelis, moest in 1559 voor de inquisitie uit Alkmaar naar Err.den wijken, waar hij zijn Evangelie der Armen uitgaf en omstreeks 1567 gestorven is, Meiners , Ooslvr. Kerkgesch., I, 355—370, Snelle-brakd, Kerkhervorm. te Hoorn, p. 42; Brandt passim; Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Jferv. kerk, I, aant. p. 55, 56, en anderen.
Coornhert en Coolhaes zullen nader bij de Leidsche twisten besproken worden.
Mijn verhandeling over het leven van Gellius Snecanus Frisins in Moll en de Hoop Scheffer, Stud, en Bijdr., III, 26—74. van \'t Hooft, Theo!, van Bullinger, p. 163—187, bespreekt zijn dogmatisch standpunt. Plij is evenwel eerst in een latere periode als schrijver opgetreden, omdat hij in deze jaren al zijn krachten besteedde aan den opbouw der Hervorming in Friesland. Ook de Hervormde predikers te Leeuwarden Antonius Nicolai , Martinus Eliacus e. a. worden „Zwinglianenquot; genoemd, mijn Honderd jaren, p. 115, 121 vlg.
Over Corranus, gezegd Bellerive, geboren 1527 te Sevilla, zie Glasius, Biogr. Woorden//., I, 303; vooral Sepp, Gesch. naspor., I, 93—191; Po lent, en iren. theol., p. 1—75; Bibl. meded., p. 65—87.
Over Adriaen van Haemstede in zijn bedrijf, enz. schreef ab Utrecht Dresselhuis in Arch, voor Kerkgesch., VI, 41— 150. Zie verder Glasius, Biogr. Woordenb., in voce; Meiners, Ooslvr. Kerkgesch., I, 371—376 en passim; vooral Sepp, Gesch. naspor., II, 9—137. Brieven over hem in Werken Marnix- Vereen., serie ÏH, deel I, 31, 49—51, deel II, 50—88.
Van IJsbrand Balck is te Antwerpen 1579 herdrukt Een predicatie van dat Cleyn mostaert saeyken, een preek, door hem gehouden „den 9 April 1567, daags voordat de Predikanten uit de stad verdreven werdenquot;. Een nieuwe editie met historische voorrede en biografische mededeelingen is daarvan gegeven door B. Glasius, Leerrede over Marc. IV; 30—33 door Isbr. Trabius etc., 1858.
Pieter de Zuttere heet eigenlijk Overhaag en vertolkt dit door Hyperphragmus. Hij is in zijn tijd evenals zijn vriend Aggeus Albada voor een ketter gehouden en onzuiver in de leer, omdat hij de meening voorstond, dat een kerkelijke gemeenschap „wezen kan en moet de vrije vereeniging niet van eensdenkenden maar van eensgezindenquot;. Over hem schreven C. Sepp, Drie evangelie-
102
dienaren, p. 81—122; Bill. Meded., p. 183—187; H. Q. Janssen in Moll cn dk Hoop Scheffer, Stud, en Bij dr., IV, 321—369 en F. van der Haeghen, Bibliogr. génér. des Pays-Bas. Janssen, die alleen de laatste voorvallen van Overhaag\'s leven behandelt, oordeelt minder gunstig over hem dan Sepp.
De „Corle belydingequot; is uitgegeven in Sepp, Bibliogr. meded., p. 45—64-
§ 93. Het groote verschil vau richting kwam steeds meer voor den dag, hoe krachtiger de Nederlandsohe hervorming zich verhief. Do zeer talrijke en nog altoos ijverende Doopsgezinden werden door de andere Protestanten geschuwd en tegengewerkt. Ook Lutherse hen of Martinisten en Hervormden verwijderden zich steeds verder van elkander. Willem van Oban.ik, die om staatkundige redenen een aansluiting hij het Protestantsche Duitschland noodzakelijk achtte, wenschte tusschen de geloofspartijen een toenadering te bewerken. Onder zijn invloed werden sedert 1564, toen de door hem ge wenschte verzoening tusschen Hervormden en Roomschen onmogelijk bleek te zijn, pogingen gedaan om de Augsburgsche Confessie tot een ver-ecnigingssymbool voor de beide hoofdpartijen te maken. De Bkav , Tapfin, de Nielles en andere mannen van naam werden voor deze plannen gewonnen. Doch hun bedoelingen leden volkomen schipbreuk op den wederzijdschen tegenzin om toe te geven. Den 27 October 1566 stelden de Hervormden en Lutherschen van Antwerpen nog een gezamenlijk smeekschrift aan den koning, maar de harmonie werd hopeloos verstoord door het ontbieden van Luthersche zeloten als Flacius Illyricus en Spangenberg, die door prediking en geschrijf onrust zaaiden in plaats van vrede. Corranus, Balck en andere Hervormden bestreden hun onverzettelijke hevigheid. Wilden zij van geen toenadering tot de „Sacramentschendersquot; weten, ook dezen stonden even onverzoenlijk tegenover de „Ubiquistenquot;. Echter trokken de Lutherschen zich weldra voor de verzwaarde geloofsvervolging terug cn zoo bleef het veld ruim voor hun tegenpartij.
De prins van Oranje en zijn broeders Lode^Vijk en Jan van Nassau waren toen meer op de hand der Lutherschen, ook uit afkeer van de onstuimigheid van sommige volksredenaars als Moded, Dathenus, Arents, Gabriel en anderen. Deze verstoorden door hun optreden menig welberaamd plan. Eerst later kwamen deze vorsten tot het inzicht, dat alleen op de partij der mannen van Genève vast gerekend kon worden. Bakhuizen v. d. Brink, Huwelijk van den prins van Oranje en Amta van Saksen, [). 127; van Vloten, Nederl. opstand tegen Spanje, p. 21—23; Uvttenhoven , Gesch. der Herv. kerk van Antw.; H. Q. Janssen ,
103
Kerkherv. in Vlaanderen; Rahlenbeek, rinquis. et la Kéf. en Belgique, 1857; Hofstede de Groot jr., Honderd jaren, ]). 240—244; Langeraad, G. de Bray, )). 58 en bijlage A.; Sepp, Gesch. naspor., III, 109 vlg., 139 vlg.
§ 9^1. Hot jaar 1566 brak aan on bracht oen reeks wonderlijke, onverwachte verwikkelingen, zooals hot vaderland nooit weer beleefd heeft. De Waalscho predikanten van Antwerpen, vooral Junius, wendden zich in het begin van dit jaar mot smeekbrieven tot den keurvorst van de Pfaltz, den üuitschen rijksdag en anderen om voorspraak bij de landvoogdes cn den Raad van State tot vtrzachtiiig van den druk. Reeds in November 1665 hadden eenige edelen te Brussel onder leiding van Mabnix van St. Aldkgondb o. a. besloten maatregelen te nemen tegen hot geweld der inquisitie. Dit was de oorsprong van het verhond der Nederlandse!ie edelen, die den 5 April hun verzoekschrift tot verzachting der placcaten in plechtigen optocht te Brussel der landvoogdes aanboden. Met riep de dadelijk slecht befaamde Moderatie en den voor Spanje zoo onheilspellendcn naam van Geuzen in het leven. Van meer betcekenis dan dit kortstondige verzot tegen de wreede onderdrukking was het veel minder geruchtmakende, maar ernstig gemeende verbond der kooplieden, die zich aaneensloten tot handhaving der door de inquisitie en andere geweldenarijen steeds meer bedreigde rechten on vrijheden. Middelerwijl nam de gisting onder het Hervormde volk in zulk een mate toe, dat /.ij eindelijk niet langer te koeren was. Te Pinksteren besloot het consistorie te Antwerpen iu het hijzijn van Marnix de heimelijke samenkomsten te vervangen door prediking in het openbaar, waarmede reeds op de velden van Vlaanderen een begin was gemaakt.
De eerste dezer „hagepreekenquot; werd den 14 Juni bij Oudenaarden gehouden door Moded. Dit voorbeeld werd gevolgd door andere moedige en bekwame mannen, Ambrosius Wille, Montanus (Jan Munt), Mabmier, Junius, Dathenus, Sylvanus en allerlei reeds gevestigde en zich opwerpende predikers. In Noord-Nederland hielden Jan Abents en Pieteb Gabbiel, die in Juli bij Hoorn, Haarlem en elders optraden, de eerste sermoenen in het open veld en gaven daarmede het sein aan vele anderen, meestal mannen uit het volk.
Over de smeekschriften in \'t begin van 1566 tot bemiddeling der Duitsche vorsten, Cuno, Fr. Junius, p. 21, 22; zie verder M. Ij. van Deventer, Het jaar 1566, die de bemoeiing der consistorien klaar in \'tlicht stelt; J. van Vloten, Nederl. opstand tegen Spanje, vooral p. 100—123; Brutel de la Rivière, Moded, p. 69, 70; Te Water, Verbond der edelen, IV, 304— 306; Bor, JS/ederl. oorl., I, 122—124; Acquoy, Jan van Ven ray,
104
p. 167 ; vooral Fruin, Voorspel van den tachtigj. oor I. in de Gids, N. R. xii en xm. De Antwerpenaars verklaarden zich in hun request bereid den koning een som van drie millioen gulden aan te bieden. Het houden van veldpreeken werd in zeer korten tijd algemeen in Noord en Zuid en veroorzaakte eerst grooten schrik en verwarring onder de voorstanders der regeering.
§ 95. De hagcpreek, juist berekend om de gemoederen op te winden, was de voorbode van een nog veel ernstiger uitbarsting van afkeer tegen de kerk, den beeldenstorm, die den 14 Augustus to Antwerpen uitbrak. Met zonderlinge snelheid als een loopend vuur verbreidde zich die vlaag van „reformatorischen geloofsijverquot;. In de Belgische provinciën, waar deze eerste kerkverwocsting opkwam, was zij dadelijk algemeen. De schrik ging overal voor haar heen, maar de onstuimigheid verminderde, hoe meer zij zich naar het noorden uitstrekte, zoodat de overheden, het onheil ziende aankomen, daar doorgaans beter in staat waren de orde te handhaven en nog veel aan de vernieling konden onttrekken. Dit dolle toonecl werd allerwege slechts door een betrekkelijk gering aantal lieden zonder vooraf beraamd plan aangericht. Do predikanten en de meeste Onroomschen onthielden zich of keurden het zelfs af. Marnix, hoewel het plegen van geweld niet goedkeurende, vatte als apologeet der gebeurtenissen van dit merkwaardige jaar dadelijk do pen op om een verklaring te geven van de redenen, die tot zoodanige kerkbraak hadden geleid. Algemeen was de ontsteltenis over do ongehoorde stoutheid van dit onverwachte. De overheden stonden in den regel toe, dat de Hervormden in de aldus van de teekenen der „paapsche afgoderijquot; ontdane kerken hun predikers lieten optreden en de dienst verrichten. In haar angst voor een algemeen oproer deed de hertogin allerlei beloften met het geheime plan om daarmede tijd te winnen, het verlorene gezag te herstellen en liet volk strenger dan ooit onder bedwang te brengen.
Terwijl het verbond der edelen intusschen reeds in een staat van ontbinding begon te verkeeren, bleven do consistoriën en de kooplieden vast besloten tot volharding. Smeekschriften om gewetensvrijheid aan den vorst des lands en de leden der regeering bleven onverhoord. Toen de landvoogdes na eenigen tijd weer in staat was met ver-dubbelde hardheid tegen de schuldigen aan deze ongeregeldheden cn alle Hervormden op tc treden, toen de overtuiging zich vestigde, dat van hoogcr hand slechts het ergste te verwachten was, toen hebben in December op een synode te Antwerpen en elders onder leiding van Dathknus, Moded cn hun geestesverwanten de consistoriën het
105
viiste besluit genomen tot gewapenden opstand tegen oen regoering, die de verlangde godsdienstvrijheid nooit zou toestaan.
Van Vloten, Nederl. opstand tegen Spanje, p. 81—-100.
De kerk verwoesting zette vele pennen in beweging, ook reeds toenmaals. Richardot bisschop van Atreeht, schreef daartegen Het sermoen van de beelden teghen die beeldtsckenders, Leuven 1567. Marnix stelde twee geschriften: Van de heelden afgheworpen in de Nederlanden in Angus to 1566 en Vraye narration et apologie des chases, passées au Pays-Bas, touchant le faict de la religion en Pan mdlxvi, het eerste gedrukt in 1566, het tweede in 1567. Beide zijn herdrukt bij van Toorenenbicrgen, Marnix godsd. en kerkel. geschr., I, 1 vlg., 35 vlg., zie ook Inleiding,
p. VI—XXXII.
De beeldenstorm in den zomer van dit jaar was niet de eenige. _ Later is ditzelfde tooneel meermalen herhaald en het lot der „kerkreinigingquot; heeft alle kerken getroffen, waar de Hervormde eeredienst werd ingevoerd.
De drukte over de aanbieding van het smeekschrift der verbondene edelen was van zeer voorbijgaanden aard. Toen het volk zich werkelijk in beweging zette, had bij velen van die edelen een reactie plaats ten gunste van de regeering. De stemming onder de menigte wordt beter gekend uit de besluiten van de kerkeraden der Hervormden en den handelstand. Behalve het request uit Antwerpen werden ook aan de regeering smeekschriften gezonden uit Zeeland, Holland, Utrecht en Gelderland.
§ 96. Het was te voorzien, dat de zaken dor Hervormden spoedig een ongunstigen keer zouden nemen. Deze voorvallen toch gaven het verwoede Eseuriaal de lang gewensehte aanleiding tot hot schijnbaar gewettigde besluit ter voltrokking van liet bloedigste strafgericht. In het begin van 1567 beijverden zich de stadhouders des konings om in de verschillende gewesten het openlijke prediken te keeren en de tusschen de plaatselijke overheden en do Geuzen gesloteno overeenkomsten te vernietigen. Die aan kerkbraak of invoering van de Hervormde prediking deelgenomen hadden, werden opgespoord of namen de vlucht. Reeds was liet der krijgsmacht van de landvoogdes gelukt een begin van opstand onder aanvoering van Brederode te bedwingen. Zijn mislukte aanslag op Amsterdam, het gevecht bij Oosterweel en het bloedbad te Valenciennes, waar ook de edele predikers de Bray en la Grange omkwamen, waren do sombere voorteckencn van een naderenden onheilstijd. Wat door Margahetha van Parma was voorbereid, word in Augustus 1567 voltooid door de komst van den ijzeren hertog van Alva aan \'t hoofd der Spaansche keurbenden. Duizenden hadden echter reeds in het voorjaar op het
lOfi
voorbeeld van den prins van Oranje liet ongelukkige land verlaten.
De geduchte instelling van den Raad vnn Beroerten of bloedraad met zijn nasleep van beulswerk en verbeurdverklaringen maakte liet uitbarsten van den bevrijdingskrijg onvermijdelijk. Doch op Heiligerlee volgden in 1568: de nederlaag van Lodkwtjk van Nassau bij Jeingum, een algemeen bloedbad beginnende mot den gerechtelijken moord van Egmond en Hoorne, de rampzalige toebt van den I nins van Oranje langs de Maas, eindigende met de afdanking van zijn leger en die bange jaren van Alva\'s harde onderdrukking. De ongeregelde benden der wilde bosch- cn watergeuzen alleen onderhielden den ongelijken strijd, waarin door de overrompeling van den Bricl I April 1572 een gevolgenrijke ommekeer plaats greep tegelijk met de inneming van Bergen door graaf Lodewijk.
J. van Vloten, Nederlands opstand tegen Spanje, 1567—1572.
J. Marcus, Senten tien en indagingen van den Hertog van Alba, uitgesproken en geslagen in zynen Bloedtraedt, Amst. [ 735, bevattende vonnissen van Alva tegen 1752 en van andere hoven en plaatselijke gerichten tegen 189 personen. Tijdens Alva\'s ruim vijfjarig bewind zijn meer dan achttienduizend menschen door beulshanden om het leven gebracht.
Graaf Lodewijk had in Frankrijk het geloof der Calvinisten leeren waardeeren en aannemen, P. J. Blok, I.odewijk van Nassau, p. 81.
S 07. Koning Filips bad het geschil met zijn Nederlandschc onderdanen ter beslissing aan het oordeel der Spaansche inquisitie voorgelegd. Op de uitspraak van het heilige officie, dat weinigen uitgezonderd allo Nederlanders aan de misdaad van ketterij en majesteitsschennis schuldig verklaarde, volgde bet koninklijk besluit van 26 Februari 1568 om dit vonnis onmiddellijk uit te voeren.
De prins van Oranje, hoewel nog in naam Katholiek, bewees in zijn beroemde „Verantwoordingquot;, dat placcaten, inquisitie, wreedc geloofsvervolging en nieuwe bisdommen de oorzaken van den wederstand tegen Spaansche geweldenarij waren geweest. Ook zijn vriend Marnix besteedde den eersten tijd zijner ballingschap aan het bijwerken van een geduchten aanval niet do schrijfstift tegen het pausdom door zijn vermaard werk „De biencorf der H. Roomschcr kerekequot;, spottend opgedragen aan don inquisiteur Sonnius. Deze schcrpe satyro, die oen lieele reeks tegen schriften uitlokte, maakte bij de Nederlanders in Duitschland en elders verbazenden opgang. Niot lang te voren, kort na den ontmoodigondon afloop der eerste pogingen tot bevrijding van hot verdrukte land in 1568, had hij aan Nederland zijn Wilhelmuslied gegeven, dat des dichters vroom
107
vertrouwen en zijn gloeiende geestdrift voor de rechtvaardige zaak deden ontvlammen in de harten van allen, die zich raet Oranjk verbonden tot handhaving der heiligste rechten van een mishandelde natie.
Een menigte Geuzenliederen, in dio bange dagen ontstaan, gaf voedsel zoowol aan den moed om te volharden als aan den bitteren haat tegen de beulen dos volks en de woeste bloedhonden van Spanje.
Met vonnis tier inquisitie, uitgesproken te Madrid den 16 Februari 1568 en des konings sententie o. a. bij van Meteren, Hist, der Nederl., I, 432—435.
Van de Verantwoording/ie van prins Willem van Oranje kwam gelijktijdig een Fransche en Nederlandsche editie uit in April 1568, te vinden o. a. bij Bor, Ned. Hist., I, bijvoegsel, p. 3—14. Het was zijn welsprekend antwoord op de dagvaarding voor den bloedraad. Knuttel, Pamfl. verzam. Kon. bill., I, 1, 33 vlg.
Marnix legde de laatste hand aan zijn Bijenkorf op Ltltzburg in Oost-Friesland. De eerste uitgave is gedateerd 5 Januari 1569. Daarna verscheen de tweede editie in 1572, de derde 1574, enz. Zie daarover en over het verband met zijn Tahlau des differens de la religion, van Toorenenbergen, Werken van Marnix, IV, Inl., p. xxvii vlg.; over het Wilhelmuslied, ib. p. 107.
De verzameling van oude Geuzenliederen is bijeengebracht en uitgegeven door J. H. van Lummel in 1872.
§ !)8, In dezen donkeren tijd vonden de Nederlandsche uitgewekenen een veilig toevluchtsoord in Engeland, Oost-Friesland en Duitsch-land. Vooral in Londen, Wesel en Emden wemelde het van ballingen. Onder het hardvochtige en despotische bestuur van Ferdinand Alvarez lag het land weerloos ter neder en do Hervormden trokken zich in de duisterste schuilhoeken terug. Slechts enkele predikers waagden zich kortstondig en heimelijk in het land om de beangste geloofsgenooten te bezoeken: de redding moest van buitenaf komen. In den vreemde zijn dan ook de grondslagen gelegd van de Hervormde kerk der Nederlanden op de kerkvergaderingen, door de uitwijkelingen gehouden.
In de vaste overtuiging, dat de kans dor wapenen wel eerlang een gunstigen koor zou nemen, dat do goede zaak over den verconigden druk van Spanje en Rome moest zegevieren, werd daar reeds voorloopig do inrichting naar het prcsbyteriaal-synodaal beginsel geregeld. Het begin van den tachtigjarigen oorlog was het geboortejaar van de Nederlandsche Hervormde kerk, omdat zij, al vroeger voorbereid in de vergaderingen der gemeenten onder het kruis, toen als georganiseerd geheel optrad en weldra gelegenheid kreeg om zich
108
van lieverlede te vestigen in het bij gedeelten aan des vijands niaclit ontrukte vaderland.
Tot kennis van den toestand der Nederlanders in Londen, Keulen, Emden en elders, leveren de werken der Marnix-Vereeni-ging. Hessels, Archivium Londino-Neerlandicum e. d. zeer belangrijke bijdragen.
Het jaar 1568 moet worden genomen als aanvangsjaar van een nieuw bedrijf in de geschiedenis der Hervorming, \'t Is het begin van de zware worsteling, die door haar verder beloop voor de Hervormde kerk zulk een belangrijke beteekenis heeft gekregen. Zij kan althans in het begin een godsdienstoorlog genoemd worden. Bovendien hebben de uit het vaderland verjaagde Hervormden in den vreemde met kloek beraad gearbeid aan de samenstelling en inrichting van de Nederlandsche Hervormde kerk. Dat werk werd reeds in dit jaar ter hand genomen. Alleen de Hervormde kerk „tant frangoise que flamenguequot; in de Zuidelijke gewesten had een geregeld bestuur en ordening. Er was echter onder de geloovigen in de plaatselijke gemeenten geen scheiding: eerst later kregen die van de Vlaamsche taal en de Fransch sprekenden hun afzonderlijk bestuur, elk op zich zelf. Doch in de andere provinciën was alles tot nog toe ongeregeld en hadden de vereenigingen van Hervormden geen vaste orde van kerkelijke inrichting. Zoo zijn tijdens de ballingschap de vaste grondslagen van de Hervormde kerk gelegd.
I) KR DU AFDEEL [Na
i
dk strijd der hkbvormdk kerk en haar vestiging, 1568—1580.
C\'. Hooijeb, (Mde kerkord. der Ned. Herv. kerken, 1865.
F. L. Rutqgrs, Acta van de Ned. sijn. der zestiende eeuw ^ 1889. Van Vloten, Nederl. tijd. den vulksopst. tegen Spanje, 2 dln., 1872. A. Uyttenhooven, Gesch. der Herv. kerk te Antwerpen, 1794,
alechts het eerste deel.
Le Long, Hist, beachr. van de Ref. der ntadt Amsterdam, 1729.
G. ]). J. Schotel, Kcrkel. Dordrecht, 2 dln.
H. J. Royaards, Proeve eener gesch. der Hervorm, in Utrecht in Arch, voor Kerkgesch., XVI, XVII, XVIII.
G. Dumbar, Kcrkel. en wereldl. Deventer, 2 dln., 1732, 1788. J. Revios, Daventriae Illustr. libri sex, 1651.
W. te Water, Historie der Herv. kerk te Gent, 1756. A, C. J. van Maasdijk, De oorzaken van den ondergang der Herv. in België, 1865, diss.
E. J. Diest Lorgion, Gesch. der kerkherv. in Friesland, 1848.
H. Bruohebus, Gesch. der Herv. in Groningen 1821; Gedciik-boek van Stad en Lande 1792.
J. W. te Water, Kortverhaal der Reform, van Zeeland, 1766. E. Meikers, Oostvrieschl. kerkel. gesch., 2 dln., 1738, 1739.
G. Sepp, Drie evangeliedienaren uit den tijd der Herv., 1879. P. D. J. Moorrees, Dirck Volckertsz Coornhert, notaris te
Haarlem, de Libertijn, 1887.
M. F. van Lennep, Gaspar van der Heijden, 1884, diss.
H. Q. Janssen, /\', Dathenus en zijn twistzaak met Oranje, 1872. J. Wiarda, Huibert Duij\'hais, de prediker van St. Jacob,
1858, diss.; e. a.
§ 99. Een belangrijke samenkomst van oen veertigtal uitgewekenen, predikers en ouderlingen v;in Nedeiiandsche gemeenten, had den 3 November 1568 en vervolgens plaats te Wesel, vrij zeker onder voorzitting van Petrus Dathenus, den eersten onderteekenaar van de aldaar ontworpene artikelen en hoofdregelen voor de eenparigheid
112
in leer en kerkorde. Al kan deze kerkelijke vergadering in den gewonen zin geen synode genoemd worden, al beschouwden haar leden de toen gemaakte bepalingen sleehts als een voorloopige regeling, totdat een synode daarover definitief zou hebben beslist, o. a. blijkens cap. 1, art. 8, zij handelden met medeweten en na ingewonnen raad van de beste Hervormde kerken, en -zoo is de te Wesel behandelde kerkelijke organisatie reeds een in hoofdtrekken en in vele bijzondere voorschriften afgewerkt geheel. Omdat de vergaderden zich zeiven echter het gezag eener wettig samengeroepene synode niet konden toeschrijven, hebben zij sommige punten tot nadere beslissing nog onaangeroerd gelaten. Dit heeft aan de bijeenkomst te Wesel onverdiend den goeden naam bezorgd, dat bij haar leden „buitengewone gematigdheidquot; en een meer vrijgevige geest dan in de daarna belegde
synoden voorzat.
De Weselsche artikelen waren minder bekend en zijn eerst ook niet als synodale regelen beschouwd. Later gaf men aan de vergadering te Wesel den titel van een nationale synode, bijv. J. Ens, Kort hist, berigt van de publ. schriften rakende de leer enz., Utr. 1733, p. 24, 241.
Het autographon berust in het oud-synodaal archief van de Willemskerk in den Haag, foliant 3 no. 1 en is naar den origineelen latijnschen tekst uitgegeven door dr. Rutgers, Ada, p. 9 4 • L. j. F. Janssen gaf den latijnschen tekst in Arch, voor Kerkg., V, 426—460, naar een afschrift a\' 1639, getiteld „Acta synodi (sic!) Wesaliensis sive certa quaedam capitaquot;, berustende in de kerk te Wesel. Vertalingen komen meer voor, zie Rutgers, p. 2—6, en één daarvan is op nieuw uitgegeven door Hooijer, Oude Kerkorden., p. 32—53.
Het authentieke opschrift is; Certa quaedam capita seu articuh, quos in ministerie ecclesiae Belgicae ministri ejusdem ecclesiae partim necessarios partim utiles esse judicarunt. Reeds hieruit blijkt, dat zij slechts een praeparatoire synode mag heeten, zooals Ireland, Kerch. Gesch., p. 161 haar ook beschouwt. Dit karakter is van invloed op de behandelde zaken, omdat de vergaderden niet bevoegd waren zich beslist uit te spreken. Moded was de tweede onderteekenaar. De acte zeil bevat de naamteekening eerst van 44 personen en na de niededeeling, dat hun het vertaalde afschrift voorgelezen was, nog van 19: de eersten zijn de leden dei vergadering, de laatsten vermoedelijk alleen instemmers.
§ 100. De eerste nationale synode. Niet zonder tegenwerpingen van de zijde „der Hollandsche natiequot;, die om het gevaarlijke der reis weigerde deel te nemen, werd vooral door de gemeente te Keulen op het houden van een algemeene kerkvergadering aangedrongen.
113
Onder voorzitting van Caspak Heidanus, toon predikant to Franken-thal, werd zij to Einden gehouden van 5 tot 13 October 1571. Ook de Nederlanders, door „aller boschermheorquot; den prins van Oranje ontboden, ontbraken niet. Er kwamen afgevaardigden niet alleen uit de Rbijnlanden, maar ook uit Antwerpen, Gent, Vlaanderen, den Briel, Amsterdam en eenige predikers uit Noord-Holland, te samen 29 personen, ouder welko vijf ouderlingen. De behoefte werd gevoeld aan „goede ordeningo ende eendrachticheyt in ghoestelycko saeckenquot;. Deze synode legde hij haar arbeid tot grondslag de Fransehe kerkorde van 1559, waarvan veie bepalingen zelfs woordelijk werden overgenomen. In overeenstemming daarmede werd als beginsel vooropgesteld, dat geen kerkelijk lichaam of kerkelijk persoon over anderen zou heerschen, waarmede do aanstelling van een superintendent, zooals te Emden en Londen, werd afgekeurd. Een verdceling in classes werd ingevoerd. Jaarlijks zou in de vorschiilende landen een synode en om de twee jaren een algemeene synode gehouden worden.
Zoo konden nu vaste voorschriften gemaakt worden, die als wettig synodaal besluit zouden gelden voor allo Nederlandsche gereformeerde kerken. De Eindensclie bepalingen droegen onbetwijfelbaar een Calvinistisch karakter. Dezen geest ademde zoowel de hier voorgeschrevene kerkelijke inrichting als ook hetgeen omtrent het geloof en de belijdenis bepaald werd. „Om die eendrachtigheid in de leerequot; namen de leden het besluit tot onderteekening van de Nederlandsche en do Fransehe confessie en tot het richten van een dergelijk verzoek aan de kerk in Frankrijk. Het gebruik van een anderen Catechismus dan die van Heidelberg en Gcnève werd niet goedgekeurd, maar slechts bij wijze van voorloopigen maatregel geduld.
Zoogenaamde particuliere synoden zijn er nu en dan wel gehouden. Bijv. den 8 September 1570 te Antwerpen van vier Waalsche gemeenten onder het kruis, minder gewichtig om het daar behandelde dan wel om de stoutheid van het feit op zich zelf. In het Livre Synodal wordt nog een van de Waalsche classis Antwerpen op 27 December 1572 vermeld, genotuleerd in Arch, voor Kerkg., IX, 163. In de classis Keulen werd in den zomer 1571 een provinciale synode gehouden, bijgewoond door Marnix. i)e acten van een synode te Aken ook in 1571, den 9 September, zijn bewaard gebleven. Zie Werken Marnix-Vereen., serie III, deel V, 1quot; stuk, p. 5 , 8—17 , waar ook de brief van de Keulenaars aan den prins voorkomt om het houden van de synode te Emden te bevorderen, de Nederlandsche gemeenten te gebieden hun afgevaardigden te zenden en Marnix daarheen te laten gaan. Dit zijn met betrekking op deze nationale synode officieele stukken, welker bestaan dr. Rutgers, Acta, p. 54, over \'t hoofd heeft gezien.
Dr. Reitsma , Kerkgesch. S
114
De handelingen van Emdenzijn meermalen gedrukt, bij IIooijer, Oude Kerkord., p. 67—82, een Nederl. tekst; de beste editie is bezorgd door Rutgers, Acta, p. 55—119, Latijn en Neder-landsch. Het authentieke stuk ontbreekt.
Scriba is geweest Johannes Polyander, predikant te Emden en assessor Jean Taffin, toen Waalsch predikant te Heidelberg.
De onderteekening van de Nederlandsche geloofsbelijdenis door de Franschen heeft eerst op de synode te Vitré 1583 een begin van uitvoering gekregen.
De Keulenaars waren na die weigering bezorgd, „que Satan se vouldroit bien servir des freres Hollandois pour rompre ceste saincte entreprisequot;, maar blijkbaar heeft de van den prins verzochte medewerking goede gevolgen gehad, want minstens dertien Nederlanders ondernamen het in dien tijd zeer bedenkelijke waagstuk van de reis naar Emden.
§ 101. Dc woeste strijd, die geleid heelt tot de opkomst van de maehtigo republiek der Nederlanden, was geenszins de eendrachtige worsteling van een geheel volk tegen vreemde overheersehing. Hij begon onder een bijna hopelooze verdeeldheid, die hevige burgertwisten deed ontvlammen: eenheid kon slechts met geweld en dooide wapenen tot stand worden gabracht. Inquisitie en bloedplaccatcn waren voor eiken Nederlander de hatelijkste instellingen, bij den dag steeg de gloeiende haat tegen het zware en wreede regiment van Ai.va en dc Spanjaarden, maar niettemin hielden liet Katholieke geloof cn de oude kerk aanhangers bij een groot deel van hot volk. Te recht verafschuwden de Protestanten het onmeedoogende Rome, doch hoe meer weldra de Hervorming veld won, des te harder moest het den trouwen Katholiek, al was hij van Spaanschen druk afkeerig, vallen om medewerking te verlcenen aan een doel, waarbij zonder iets te sparen het oude geloof vertreden werd en een nieuwe, ongewijde, ketterschc kerk verrees op de puinhoopon der verwoeste.
De partijen in den lande moeten in drie hoofdgroepen onderscheiden worden: dc Hervormingsgezinden, de patriottische Katholieken en de Spaanschgezinde Nederlanders, in hot Zuiden eerst Glippers, later meer algemeen Malcontenten genoemd. Alleen in de groote ziel van Oranje leefde het ideaal om Koomsch en Onroomsch eensgezind in het gelid te scharen voor dezelfde nationale zaak: door tweeërlei godsdienst zou in do oude cn nieuwe behoeften van het vrijgemaakte volk worden voorzien. Maar deze verschillende elementen bleken op den duur volkomen onverecnigbaar te zijn. Het groote, steeds opvlammende geloofsgeschil was de bron van burgerkrijg cn hopelooze verwarring, de hoofdoorzaak der scheiding tusschen Noord en Zuid.
115
Naber, Calvinist of Libertijn, vooral p. i—6; J. Reitsma, Oostergo, |). 217—220; van Maasdijk, Oorzaken van den onderg. der Herv.; Acquoy, Jan van Venray, p. 162—165.
Onder Alva waren duizenden uitgeweken. De groote schrik drong de achterblijvenden zich schuil te houden, zelfs hun gevoelens tegen te spreken tot afkeuring van de synode van Aken, Werken Marnix- Vereen., serie III, deel V, il! stuk, p. 14. De meeste gemeenten waren uiteengestoven: slechts enkele hielden zich met moeite staande in sommige hoofdsteden Amsterdam, Brielle, Middelburg, Antwerpen, Brussel, Gent, Doornik. Gellius Snkcanus kon het tot 1573 te Leeuwarden en in Friesland uithouden, eindelijk nagenoeg alleen. In Noord-Holland hielden de Hervormden te Hoorn, Schagen, Twisk en elders heimelijk de gemeente bijeen. Slechts enkele leeraars konden blijven; nu en dan waagden voortvluchtige predikanten zich aan het gevaar van visitatietochten, uitgaande van Einden of ook van de Rhijnlanden.
De stroom der Hervorming, eerst het krachtigst opbruisende in België, had daar nu den zwaarsten druk te doorstaan en toonde neiging zich steeds meer noordwaarts te wenden.
Het begin van den opstand tegen Spanje logenstraft het goed geloof, dat ons voorgeslacht zich als één man verzette. Andere oorzaken als: de verre afstand van Spanje, voortdurend geldgebrek, ontoereikend staats- en krijgsbeleid waren gunstige omstandigheden voor de vijanden der regeering. Positief hebben de toewijding van Willem van Oranje en zijn talrijken aanhang, de ontembare volharding van de vrijheidsmannen en ook het veldwinnende Calvinisme aan Spaansche macht de nederlaag bezorgd.
Ook het getal dergenen, die een afwachtende houding aannamen, was niet gering. Dit is later o.a. gebleken uit de veelvuldige overgangen tot de Hervormde kerk niet alleen van burgers maar ook van talrijke geestelijken, zoodra eenige plaats of landstreek voor den prins gewonnen was.
§ 102. De omverwerping van het Spaansche gezag word doorgaans op den voot gevolgd door do vestiging der Hervormde kerk. Haar organisatie lag gereed. Wanneer een stad of gewest zich voor den prins had verklaard, dan behoefden do gemeenten slechts opgericht te worden of, waar zij heimelijk on vaak kwijnend hadden voortbestaan, te herleven. Op de eerste Statenvergadering to Dordrecht den 15 Juli 1572 werd op verlangen van den prins van Oranje door Mahnix voorgesteld om aan Hervormden en Katholieken beiden gelijk recht tot uitoefening hunner eeredienst toe te staan. Allerlei voorvallen noopten echter de Staten te Leiden in liet volgende jaar lt;gt;p dit besluit terug te komen en to doen „surcheeren ende ophouden
8»
116
do cxcrcitie van do Roomschc religiequot;. T)o edele bedoelingen van dezen vorst stuitten af op den harden, onbuigzamon geest des tijds en der menschen: een godsdienstige tolerantie, die elk geloof als het hoogste goed ook van andersdenkenden leert eerbiedigen, kon ook kwalijk worden verwacht van hen, die nog met verbetene woede of hittere smart rouw droegen over tallooze landgonootcn, naastbestaan-den, beminde bloedverwanten, zonder genade omgebracht door do wreedc trawanten van dat verbasterde Rome.
Het behoeft geen verwondering te wekken, hoe treurig het ook zij, dat tooneelen van weerwraak en zelfs wreedheid de zege over Spanje en zijn aanhangers hebben vergezeld. Er zijn in die dagen ettelijke priesters doodgeslagen en de Katholieken mogen dus ook gewagen van hun geloofsmartelaren. Maar liet aantal is betrekkelijk zeer gering. Doorgaans is dit in de wilde verwarring van den krijg geschied en droeg het karakter van persoonlijke wraakoefening. Want noch dc nieuwe regeering noch de kerk, geboren uit liet bloed van haar martelaren, hebben het voornemen tot gelijke wedervergelding van het geledene op de Katholieken gekoesterd: de Hervorming heeft nergens haar triomf gevierd door oprichting van hot schavot of liet houden van een autodafé van andersdenkenden. Do bestuurders des lands wenschten zelfs allen met rust te laten, die gehoorzaamheid aan hun verordeningen beloofden en toonden. De Roomschc godsdienst werd afgeschaft en verboden, maar niemand, wereldlijk noch gees te-lijk, werd gedwongen zijn geloof te verzaken.
Over de resoluties ten aanzien van de Roomschen zie Nabkr, Calv. of Lil., p. 26; Hooijer, Oude Kerkord., p. 85 vig. en de daar aangehaalde werken. De Staten van Holland hadden redenen genoeg om temg te komen op het besluit van 1572: het heulen en samenzweeren van vele priesters en leeken met den vijand, de verraderlijke moord der Hugenooten in den Bartolo-mèusnacht, hier te lande de bloedtooneelen te Mechelen, Zutfen en Naarden, de volksstemming blijkende uit beeldstormerijen in Hollandsche steden en de verbittering over de wreedheden van Alva\'s troepen.
Aan den anderen kant zijn door de ruwe Geuzen priesters en monniken, die in hun handen vielen, mishandeld, verminkt, zelfs doodgemarteld. Doch deze treurige, noodelooze vergrijpen vonden afkeuring en werden door den prins zelfs streng bestraft. Zoo zijn in Juni 1572 bij de inname van Gorcum eenige geestelijken en monniken, negentien in getal, naar den Briel gesleept en daar op bevel van graaf van der Marck gefolterd en opgehangen, Bok, Ned. Hist., 1, 380. Hetzelfde lot trof in December den braven en geleerden overste van St. Agatha te Delft, Corneus Musius,
bij Willem van Oranje hooggeacht, ib. p. 422; Delprat, Gesch. van hel St. Agatha klooster in Kist en Moll, Kerkhist. Arch., IV, 25 en vlg.
Het boekje van Guilielmus Estius, Historiae martyrum Gor-comensium, 1603, bevat een uitvoerig verslag van het lijden dei-negentien Gorcumsche martelaren en nog zeven anderen, ook p. 167—178 van Musius; dit is alles, wat de Katholieke schrijver bij elkaar kan brengen. Hij had er nog de zeven Roermonder martelaren, onder welke vier Karthuizers, kunnen bijvoegen, die door soldeniers van den prins om hals werden gebracht in Augustus van d;,t jaar, Bor, p. 399, alsmede dertien priesters en monniken in den Briel, ib. p. 366, 367.
§ 103. lu Noord-Holland had de kerk zich terstond nu do omwenteling gevestigd, zoodat y,ij haar eerste „particulierequot; synode reeds omstreeks het midden van dit jaar te Hoorn kon houden en daarna weer in Augustus te Edam, waar bepalingen werden gemaakt omtrent de reformatie der papen, nl. van die voormalige priesters, „dio haer totten dienste des heylighen evangeliums wildon gevenquot;. Mot den stroom dor ballingen uit Oost-Friesland en Engeland kwamen thans ook vele leeraars terug of werden ontboden om zich ten dienste der gemeenten te stellen. De prins, thans stadhouder der vrijgemaakte gewesten en hoofdleider van den opstand, ging zelf in October 1573 openlijk over tot de Hervormde kerk.
üe eerste Noord-Hollandsche synode, hoewel daar wegens „die tyt, doen jegenwoerdich zoo oproerich staendequot; weinig verhandeld en niets opgeteekend kon worden, is bekend uit Acta Synodi te Alkmaar den 31 Maart 1573, art. 1, 3. Op deze synode, de derde, werd eenparig „om der eendrachticheyt willenquot; besloten tot het aannemen en de onderteekening van de Confessie, alsmede om den Heidelberger Catechismus te gebruiken, art. 8, 9. Deze kerkvergaderingen werden genoemd particuliere synoden of synoden van het Noorderquartier ter onderscheiding van de provinciale synode, waaronder men in die gewesten de grootere vergadering verstond der afgevaardigden van de classes uit geheel Holland, zoowel Zuid als Noord. Zoodanige „provincialequot; synoden zijn echter zelden gehouden: in 1574 te Dordrecht en in 1582 te Haarlem.
§ 104. In Juni 1574, kort na de afkondiging der algemeene amnestie door don Requesbns, werd onder voorzitting van Caspar Heidanus, toen predikant te Middelburg, een „provincialequot; synode gehouden. Zij had evenwel haast do beteekenis eoner algemeene, omdat zij door de drie gewesten, die toen het juk van Spanje afgeschud en dc Hervorming gevestigd hadden, belegd was geworden. Op deze vergadering werd
118
do te Emden ontworpene organisatie, die thans bij do onlangs vcr-rezcno gemeenten ingevoerd werd, in hoofdzaak goedgekeurd.
Den 26 November stelden de Staten van Holland „ordre op de betalinge der predikanten in do steden erule dorpenquot; uit de inkomsten der kerkelijke goederen en fondsen, die in Februari 1573 onder staatsbeheer waren gebracht om besteed te worden „ten gemeenen beste ende tot onderhoudt van de dienaersquot; en schoolmeesters. De andere geestelijke goederen, inzonderheid opgehevene kloosters en hun bezittingen werden aan de steden gegeven om daarover ten eigen beste te beschikken. Deze regeling dor predikantstractementen van staatswege, hoe welgemeend ook, gaf echter spoedig aanleiding tot klachten en verzet.
Reeds in 1574 was het getal der predikanten belangrijk toegenomen. Want ook vele voormalige pastoors toonden genegenheid om als Hervormd leeraar bij de gemeente in dienst te blijven, \'t Lag in den aard der zaak, dat het kerkelijk personeel niet altijd even geschikt was en dat er vooral in den eersten tijd vele onregelmatigheden plaats hadden. Doch de bestuurders der kerk streefden met ernst naar regeling van den toestand door streng toe te zien, dat niemand zich buiten hun weten en toestemming in de dienst kon begeven, door krachtige censuur en toezicht op het leven, door het houden van talrijke kerkelijke samenkomsten, door de instelling van visitatoren e. d.
De bevolking in de vrijgemaakte gewesten was weldra overwegend Hervormd mede ten gevolge van de veelvuldige overgangen en het vertrek van een groot aantal Katholieken, natuurlijk met uitzondering van plaatsen zooals Amsterdam cn Haarlem, die langer in Spaansche handen bleven.
Deze synode te Dordrecht was de eerste in Zuid-Holland. Er verschenen ook afgevaardigden uit Zeeland. De Noord-Hollandsche leden waren benoemd, doch zijn „overmits sommige verhinderingequot; nl. de vijandelijke troepen, die toen een deel van Holland afsloten, niet verschenen, blijkens Acta syn. van Grootebroek 19 April 1574, art. 19 en van Edam 26 Juli 1574, art. 1. Over de synode van Dordrecht zie Hooijer, Oude Kerkord., p. 83—112. Een betere editie met de zeer belangrijke bijlagen leverde Rutgers, Acta, p. 120—220. De kerkorde dezer overigens wettig belegde synode is door de Staten van Holland zonder goedkeuring ter zijde gelegd.
Scriba was de Delftsche predikant Arnoldus Cornelii, onder dien naam meest voorkomende, doch eigenlijk heet hij Crusius. Hierover is eenige verwarring, 0. a. bij Janssen, Dalhenus, p. 20, 32 en passim. Zie echter Rutgers, Acta, p. 284; Werken Marnix-Ver., serie III, dl. II, 91—292, bevattende een reeks brieven, aan hem geschreven door Hendrik van den Corput, pred. te Dordrecht
119
(1578—i6oi) en deel IV, de correspondentie van W. Helmichius; ook de brieven van Heidanus, bij van Lknnep, G. van der Heyden, p. 205—250. Over Crusius, vroeger predikant in Fran-kenthal, overleden 5 Juni 1605, een man van beteekenis, schreef J. G. Frederiks in den Spectator, 1880, zie ook den brief van prins Willem in Arch, de la maison d\'Orange, V, 73.
De tractementsbesluiten der Hollandsche Staten zijn bijeengebracht door M. W. L. van Alphen, Nieuw kerkel. handboek, 1889, supplement.
§ 105. Toonde dit :illes den voortvarenden ijver en organiseerenden geest van do grondleggers onzer vrijheid, een zeer gewichtige gebeurtenis voor do kerk in dezen tijd van bange oorlogsnoodon en bestendig gevaar was een werk des vredes, de oprichting der hoogeschool in Leiden, waartoe „de voornaemstc beweghende oorsake was do theologie om gheleerde ende waerdigo harders te formerenquot;. Tevens was hot een schoone hulde aan den weergaloozen moed, waarmede do burgerij de langdurige ellende van het beroemde beleg had doorgestaan. De academie kon reeds den 8 Februari 1575 worden ingewijd niet een rede van don terstond na do verlossing optredenden predikant Coolhaes „de sacrosanctae theologiae laudibusquot;. Hij gaf ook de eerste godgeleerde lessen, totdat Guitj.aume Feuguurav (Fkugukiiaeus, geboren te Rouaan) als professor in de theologie zijn geregeld onderwijs kon beginnen. De inkomsten der goederen van de aloude abdij van Egmond werden door de regeering ten behoeve van de hoogeschool aangewezen.
J. Meursius, Athenae Batavae, 1625; M. Siegenbeek, Gesch. der Lcidsche hoogeschool, 2 din.; N. C. Kist, Bijdr. tot de vroegste gesch. der Leidsche hoogeschool; Sepp, Godgel. onderw., I, 32 vlg. en Geschiedk. naspor., T, 1—21; H. C. Rogge, Coolhaes, I, 45—50, Zoodra Feuguerav kwam, staakte Coolhaes zijn onderwijs. Het verkrijgen van professoren kostte in dezen onrust.igen tijd veel moeite; 0. a. werd Arnüldus Crusius van Delft te vergeefs aangezocht.
Stukkon op de stichting der academie betrekkelijk bij Bor, Ned. hist., I, 593, 594, ook bij van Alphen, Nieuw kerkel. handboek, 1889, Supplement, I, 134—143, Tiet octrooi der stichting draagt den datum 6 Januari 1574 stilo curiae 1 lollandiae, dat is wegens de berekening van Nieuwjaar op Paschen dus 1575, en geschiedt op naam van Z. M. koning Filips, \'twelk aan dit en andere staatsstukken uit deze dagen een vreemdsoortig voorkomen bijzet.
S 106. De pogingen om onder de toenemende verwarring orde en
120
althans de eenigheid tegenover den gemoenschappelijken vijand te bewaren gingen uit van den prins, met wiens staatsbeleid en milde denkwijze het volkomen strookte om te beproeven, of de Katholieke Nederlanders niet voor het algemeen belang te behouden waren. Op zijn verlangen werd in Juli 1575 het verbod der Staten tegen de Roomsche godsdienst eenigszins gematigd. De gebeurtenissen begunstigden aanvankelijk zijn bedoelingen. Want de algeracenc verontwaardiging over de gewelddaden der Spaansche troepen na den dood van don Requbsens bevorderde het sluiten der Pacificatie van Gent don 8 November 1576, een tijdelijke triomf der staatkunde van den prins. Zij bevatte ook bepalingen om tussehen de Rooraschen en do Hervormde partij een van weerskanten bevredigende schikking tot stand te brengen. Holland en Zeeland, waar de Hervormde kerk als gevestigd word erkend, mochten buiten hun gebied niets „teghens de Catholijcke Roomsche religie ende exercitie van dienquot; ondernemen. In do overige gewesten word de uitoefening van de Hervormde core-dienst toegestaan, totdat do Staten Generaal de godsdienstige quaestie nader zouden hebben geregeld. Aanvankelijk met opgetogenheid begroet, werd zij al heel spoedig een nieuwe twistappel voor de verdeelde gemoederen, juist wegens die schikking omtrent do godsdienst, tflke partij begon haar uit te loggen en toe te passen naar eigen smaak tot verkorting der rochton van de andere. Holland en Zeeland decreteerden terstond verzwarende maatregelen en waren maar hall voldaan met het voorstel van prins Wu.lem, dat do uitgewekene Katholieken om weer ingezetenen dezer gewesten te worden niets dan een belofte van gehoorzaamheid aan de Gcntsche bepalingen behoefden af te leggen. Daarentegen was het zuiden ernstig bezorgd over een toevloed van terugkeerendc Hervormden, waardoor men do ketterij niet langer onder bedwang zou kunnen houden. Zoo werd den !l Januari 1577 ook ter wille van don Jan van Oostenki.ik de Unie van Brussel gesloten niet het bepaalde doel „tot onderhoudinge van onsen heiligen gelove ende Catholyeke apostolische Roomsche religiequot;, lot groote verbittering van vele Hervormden. De argwaan tussehen Roomsch en Onroomseh groeide van dag tot dag en gaf op vele plaatsen aanleiding tot tooneelen, die steeds de spanning vermeerder-dou. De bemiddelende en vredige bepalingen eener tweede Brusselsoho Unie, den 10 December onder beleid van Maknix gesloten en op voorstel van den prins door de Generaliteit uitgevaardigd, misten elke uitwerking. Terwijl intusschen de Spanjaarden aftrokken, nam overal maar vooral in het zuiden de onderlinge verdeeldheid toe. Do onstuimige eischen der Hervormden, het verzot der Roomsehon, bet wantrouwen der partijen, burgertwist en oproeren bedierven bet werk
121
van don grootmoodigen leidsman, die alle ware Nederlanders nog tot eenheid, rust en onderling aecoord hoopte te brengen.
Hooijer, Oude Kerkord., p. 115; Naher, Ca/v. of Lib., p. 27 vlg. De Pacificatie bij van Meteren, Hist, der Ned., II, 411—419; bij Bor, Ned. Hist., I, 739, 740 en de daarop ver-kregene approbatie van de Leuvensche theologen, ib. p. 766. De eerste Brusselsche Unie bij Bor, I, 769, 770; van Meteren, I, 453—455-
Ook de Katholieke Nederlanders wenschten vurig van de Spaan-sche troepen, de bloedplaccaten, de inquisitie en den Raad van Beroerte ontslagen te worden, maar in hun vaandel stond; erkenning van den koning als heer des lands en handhaving van het Katholieke geloof. In België was de Hervorming wel niet geheel onderdrukt, maar men had haar, behalve in de hoofdsteden Antwerpen, Brussel, Gent enz., door de bijzondere zorg van Alva en ile inquisitie beter in bedwang. Over de tweede Unie van Brussel, van Meteren, III, 54, 55. Al deze maatregelen waren in de Staten Generaal beraamd en besloten en derhalve onder overwegenden invloed van Willem van Oranje, wiens voorliefde voor de Hervorming bij de Katholieke autoriteiten in het Zuiden reeds vooraf argwaan wekte.
S; 107. De tweede nationale synode werd in Juni 1578 te Dordrecht geopend. Zij was hoofdzakelijk samengesteld uit afgevaardigden van Holland en Zeeland, die Dathknus en Crtjsius tot praeses en scriba, kozen. De hier vastgestelde kerkorde kwam in hoofdzaak neer op die van Emden. De bepaling omtrent do onderteekening der belijdenis werd nu tot de hoogleeraren in de theologie uitgebreid. Ook is hier het besluit genomen tot administratieve scheiding van do Nederduitschc en Wanlsche gemeenten. De laatste waren toen in Holland en Zeeland zoo vermeerderd, dat zij in het vorige jaar een afzonderlijke synode eveneens in Dordrecht gehouden hadden. Had men reeds vroeger de dringende behoefte aan betere vertaling des bijbels, inzonderheid van het oude testament, uitgesproken, ook op deze kerkvergadering werd dit punt weer in overweging genomen. Aan Marntx van Sï. Ai.dr-flonuk en Dathknus werd do opdracht gegeven om naar bekwame personen uit te zien. Het is hun niet gelukt, want later kwam de vraag nog meermalen ter sprake. Marnix , die reeds werkte aan zijn psalmberijming, heeft intusschen zelf een begin mot dit werk gemaakt.
Leden dezer synode riepen een beweging in \'t aanzijn om smeekschriften tot vrijheid vnn godsdienstoefening op te zenden aan aartehertog Matthias en den Raad van State. Dit heeft mede geleid tot het ontwerp van den Godsdienstvrede, die den 22 Juli afgekondigd
122
werd in naam der Staten Generaal, een laatste poging om de verdeeldheid bij te leggen. Maar het gevolg daarvan was woderkeerig misbruik van macht en een gansche reeks zeer noodlottige onlusten, die hot laatste dreigende voortceken waren der volkomene breuk tusschen Roomsch en Onroomscb.
Over de bijbelvertaling van Marnix zie de „Aanteekeningenquot; van H. Q. Janssen, in Kist en Moll, Kerk hist. Arch., II, 65—77.
De uitgave van de oorspronkelijke handelingen der synode van Dordrecht met toelagen is bezorgd door Rutgers, Ada, p. 221— 338. Keulen zond geen afgevaardigden maar een protest, daar het deze synode als geen nationale wilde beschouwen maar als „een b3\'sonder versamelinghequot;, ib. p. 311. Er waren echter ook buitenlanders opgekomen uit Engeland en Cleef alsmede Engelbertus Faber, superintendent van de Pfaltz. Dathenus, die in deze jaren meermalen de Nederlanden bereisde om kerkelijke zaken mede te regelen, toen bepaald de meest invloedrijke der Calvinisten, was nog altoos predikant te Frankenthal. Hij bleef nu vooreerst in het land om de vaan der kerk te Antwerpen, Utrecht, Amsterdam en (leut op te steken met een ijver, die hem bij den prins in ongenade deed vallen. H. Q. Janssen, Da/hcmts in zijn laatste levensjaren, p. 6 vlg.
De requesten der Hervormden van Gent enz. aan de regeering, Dor, Ned. Hist., I, 968—972. De adresbeweging in Friesland bij E. J. Diest Lorgion, Gesch. der kerkhcrv. in Friesland, p. 114, 115, 158—164. De bepalingen van den Religievrede o. a. bij van Meteren, Hist., Ill, 162—175. Daarin werd voorgeschreven , dat alle hatelijkheden, sedert de Pacificatie ter zake van de godsdienst voorgevallen, vergeven en vergeten zouden worden, dat ieder zijn godsdienst mocht uitoefenen „naar het licht, dat hem gegeven isquot;, dat zoowel de Roomsche als de Hervormde eeredienst overal, waar honderd huisgezinnen dien wensch aan de plaatselijke overheid te kennen gaven, weer ongehinderd zou worden toegelaten, dat het houden van huiselijke godsdienstige samenkomsten overal vrij stond, enz.
§ 10,S. Door de bevrijding van Amsterdam cn Haarlem in Mei en .luni 157S waren Holland en Zeeland volkomen voor Spanje verloren gegaan. Sedert Maart 1578, toen graaf Jan van Nassau, de ijverige Calvinist, er stadhouder werd, was do Hervormde kerk de heerschende in alle streken van Gelderland, die niet door den vijand bezet waren. De eerste synoden werden in Augustus en November 1570 te Arnhem gehouden eu op do derde in Januari daaraan volgende te Zutfen kwam reeds do oprichting eener hoogesehool aldaar ter sprake, die echter na 1600 te Harderwijk verrezen is. De Geldersche staten vaar-
128
digdon in 1Ö82 het placcaat uit, waarbij do uitoefening van do „afgodendienstquot; der Roomschen verbodou werd.
In Friesland werd in het begin van 1578 het Spa.msehge/.inde Hof afgezet en ook liet rijk van den bissehop Cunerus Petri geraakte aan zijn einde, doch do stadhouder der noordelijke gewesten George Lalain, graaf van Hennenbehg, keerde zooveel mogelijk den onstuimi-gen aandrang der Hervormden en maakte zich reeds verdacht door in \'t oog loopendo bescherming der Katholieken. Daardoor bleef in de noordelijke provinciën de toestand onzeker en wisselend, maar de oude kerk bogon toch onder den druk der beroerten over de Pacificatie en don Religievrede onrustbarend ten ondergang te neigen.
Ook in Utrecht verhief zich do Hervorming doch in tweeërlei richting ton gevolge van liet eigenaardige standpunt der aanhangers van den begaafden Huhertus Duifhuis. Tegenover hen stelde zich de partij van Dathenus en den Hervormden kerkeraad, later onder leiding van don onrustigen maar invloedrijken ijveraar Moded.
Ken goed overzicht van den gang der Hervorming in Gelderland geeft Hooijer, Oude kerkord., p. 171—179.
De eerste predikant van Arnhem Fontanus kwam als veldprediker met de troepen van den Pfaltzer graaf Johan Casimiu in het land, mr. J. W. Staats Evers, Johannes Fontanus, 1882; RisLambers, Kerkherv. op de Veluwe, p. 203—209; van Hasselt, Kr on. van Arnhem, 1790, p, 215 vlg. Ten platten lande breidde tie Hervorming zich onder tie bevolking van Gelderland slechts zeer langzaam van de steden uit. H. Bouman, Gesch. der Geld. hooge-school, 2 dln. Antonius Thvsius, de vriend van Gomarus, geboren te Antwerpen 1565, was daar de eerste hoogleeraar in de theologie. Uit de m. s. Acta syn. Gelriae blijkt, dat in de eerste jaren steeds het voornemen was om te Zutfen de hoogeschool te vestigen.
Over de gebeurtenissen in Friesland en de houding van Rennen-lierg zie mijn Honderd jaren, p. 175 vlg.; Oostergo, p. 225 vlg.
Dathenus begon het werk te Utrecht in Augustus 1578. Hel michius en Sopingius waren de eerste predikanten der Hervormde gemeente: in het voorjaar 1580 kwam Moded. Wernerus Hel michius behoorde in dezen tijd nog tot de gematigden, later was hij geheel de belangen der Calvinisten toegedaan. Rovaards, Gcsch. der Her7\'. van Utrecht in Arch voor Kerkgesch., XVH, 164 vlg.; Wiardi, Duifhuis, p. 35 vlg.; Brutel de la Rivière, Moded, p. 105 vlg.
§ 109. Onder deze lx,1 wegingen bleek het, dat in de meeste gewesten van het noorden des lands de Hervormden de machtigsten waren. De burgertwist ging daar met allerlei beroerten, volksoploopeu en tooneelcn van kerkschending gepaard. Maar in de zuidelijke Neder-
124
landen met zijn aanzienlijken Katholieken adel was de worstelinp; nog heviger. I)c Hervormden staken met wijd strekkende eischen hot hoofd omhoog te Antwerpen, Brugge, Brussel en vooral in Gent, waar een Hervormde leerschool opgericht word, voorbestemd tot een zeer kortstondig hostaan. Gedurende de daar door do volksleiders ïmryzb en Ryhove aangerichte tumulten kwam ook nog Dathenus, die verdraagzaamheid goddeloos achtte, door zijn woeden tegen Roomsche afgoderij cr do onrust verhoogen. Bij herhaling verstoorde hij des prinsen oogmerken met den Godsdienstvrede cn maakte door staatkundige bemoeiingen zijn eigen toestand onhoudbaar. Hij moest het land verlaten, koos oen andere loopbaan en eindigde tc Elbing in Holstein een leven, dat in weerwil van zeer grooto verdiensten ontsierd is geworden door bedrijven, die hem bij den grooten vorst cn staatsman te recht in ongenade deden vallen.
Dathenus, die in het buitenland den naam Montanus aannam, is na een kort verblijf te Stade en Dantzig den 17 Maart 1588 (volgens zijn epithaphium in een kerk te Klbing) overleden. Bou, Nerf. Hist., II, 519, vermeldt 19 Februari 1590 als zijn sterfdag. Of hij er als geneesheer of leeraar aan de Latijnsche school werkzaam is geweest, blijft onzeker. Uat hij met Oranje niet kon aamengaan, heeft zijn kracht gebroken en hem verdreven uit een werkkring, waaraan hij de groote gaven had toegewijd, die hem verheffen boven het peil van een dweepzieken of baatzuchtigen volksmenner. Aan zijn waarde en verdiensten laat II. Q. Janssen volle recht wedervaren. Zie verder ook W. te Water, Hist, der herv. kerk te Gent (mitsgaders der doorluchtige school aldaar); Paul Fredericq in Dissertation sur Vhist, des Pays-Bas, dl. I, 1883. De illustre school te Gent, in 1578 opgericht, verdween na een kort bestaan, toen de stad in September 1584 zich aan Parma moest overgeven.
§ 110. Het bleek al duidelijker, dat het volkomen ijdel werk zou zijn dc voorwaarden tc treffen, waarop onder zulk een verwarring de verdeelde gemoederen tot eendracht konden worden bewogen. Van weerskanten ontvlamde overal dc twist cn ontbrak het niet aan daden van geweld, onrecht cn bittere onverdraagzaamheid. Dc onmogelijkheid om een zelfs tijdelijke verzoening der partijen tot stand te brengen deed de plannen tot een meer beperkte unie ingang vinden. Men zou wel moeten overgaan tot een localiseering van den strijd tegen Spanje: onder do bestaande omstandigheden moest dit echter leiden tot een scheiding tusschen Noord en Zuid. In Januari 157!) verhief zich onder Katholieke Nederlanders, die in de Belgische gewesten het talrijkst waren en nog toenamen, een beweging om zich met elkander
125
te verhinden tot handhaving van hun godsdienst en het gezag des konings. Dit word don 29 Januari beantwoord door do afkondiging der reeds lang to voron beraamde Unie van Utrecht, liet werk vooral van den Gcldorsohon stadhouder Jan van Nassau onder goedkeuring van zijn brooder, dio met een bezwaard hart voortaan zijn tot dusver gevolgde staatkunde moest wijzigen. Zoo hebben door deze beide verbonden Noord- en Zuid-Nederland don weg afgebakend, dien zij geseheiden van elkander zouden bewandelen.
Omtrent de godsdienst was in hot dertiende artikel dor Unie van Utrecht bepaald, dat Holland on Zeeland zich konden blijven „draegon na haerlieder gootduncken ende d\'andero provinciën van doser Unie sullen hen mogen reguleren na do inhoudt van de Roligionu-vredequot; of ieder voor zich daarop zoodanige orde stellen, als zij in hot belang des lands en dor inwendige rust noodzakelijk achtten, „mits dat een yder particulier in syu religie vry snl mogen blijven onde dat men niemant tor cause van do religie sal mogen achterhalen of onder-soecken volgende de Pacificatie tot Gent ghomaecktquot;. Was hierin al niet zooals te Atrecht sprake van hot invoeren en handhaven oener bepaalde leer, het was toch dadelijk te voorzien, dat in deze gewesten onder den nooddwang der omstandigheden de vereeniging zeer ten nadeelo van de oude kerk zou werken. Door de Unie van Utrecht verplaatste do kracht van don opstand zicli naar het Noorden, doch daardoor hebben haar voorstanders ook den grondslag gelogd van de eenheid en grootheid der veroenigde provinciën.
Reeds in het vorige jaar was het plan tot nauwere aaneensluiting behandeld, zelfs was te Arnhem een ontwerp gemaakt van de bepalingen, waarop alle noordelijke gewesten zich nader met Holland en Zeeland zouden verbinden. De Unie zelf werd den 23 Januari te Utrecht gesloten door afgevaardigden van Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht en Groningen: op naam van deze gewesten werd het verbond den 29 afgekondigd. 13e bepalingen zijn gedrukt, o. a. bij Bor, Ned. Hist., II, 26—29, benevens de later gevolgde instemming van andere steden en gewesten, waaronder uit het zuiden ook Antwerpen, Gent, Brugge, Iperen enz. voorkomen. Zie verder de Mkkster , Het dertiende art. der Unie van Utrecht in Nijhoff, Bijdragen voor Vad. Gesch., IX, 213—245.
Het verbond te Atrecht tien 6 Januari 1579, van Mkteren, Hist, der Ned., IV, 228, was een geheim verdrag tusschen Katholieken van Atrecht, Henegouwen en Douay. In de Waalsche gewesten maakte men zich bezorgd, dat onder invloed van den prins een verbond tegen Spanje en ter bekrachtiging van de bepalingen van den Religievrede tot stand zou komen. De „uniequot; van Atrecht werd versterkt door liet verdrag van Mont St. Kloy, den 6 April.
126
De uiteenscheuring der Nederlandsche gewesten was niet te vermijden door de onverzoenlijke tweespalt der onhandelbare geloofspartijen: de onderlinge verbittering werd telkens van weerskanten door verraad, bloedstorting, godsdienstige dweepzucht en allerlei kuiperijen aangewakkerd.
§ 111. Omdat de trouwe aanhangers van Rome in dit deel des lands zeer goed inzagen, dat aansluiting bij de Unie overal op den ondergang van hun geloof zou uitloopen, spanden zij hun laatste krachten in tot een hardnekkig verzet. Het was voor hen een strijd om het bestaan van \'tgeen hun boven alles dierbaar was. Zoo kon in de Noordelijke gewesten de eenheid derhalve niet zonder geweld on na inwendige twisten langzamerhand verkregen worden. Hatelijke onlusten tussehen Roomsch en Onroomsch ontsierden op vele plaatsen de overwinning van de Hervormde kerk, liet wel niet uitdrukkelijk voorgeschrevene maar tocli onvermijdelijke gevolg van toetreding tot de Unie. In de hoofdsteden van de provinciën Utrecht en Overijsel ging do nederlaag der Malcontenten met hevige opschuddingen en volksberoering gepaard. Friesland trad ook niet zonder burgertwist nog in 1579 toe, doch het verraad van Rennenberg gaf daar eerst den volkomen beslisscuden doorslag: in Maart 1580 werd bij Staten-resolutie de uitoefening der Roomsche religie opgeheven, de Hervorming ingevoerd en de gehccle geestelijkheid met uitzicht op pensioen van haar ambten en het genot der daaraan verbondene inkomsten ontslagen. Reeds in Mei kon te Hncek do eerste synode der Hervormde kerk gehouden worden. Do bezittingen en opbrengsten der voormalige kerk werden toegewezen aan de zegevierende, die thans in haar plaats getreden was, tot onderhoud van predikanten en schoolmeesters en andere mot de vroegere bestemming overeenkomstige doeleinden. Üe kloostergoederen worden in den regel bestemd ten algemeonen nutte of tot oprichting van academies en illustre scholen. Alzoo geschiedde dit ook in Friesland op aandrang vooral van de synode. Don 29 Juli 1585 word de academie te Franoker ingewijd met een rede van den wolsprekenden Henricus Antonides Nkrdenos, een der drie theologische professoren.
In 1578 cn 1579 nam Dathenus gedurig de leiding der Gereformeerden te Utrecht op zich. Daar en te Amersfoort had meermalen beeldenstorm plaats. De toestand werd er nog ingewikkelder, omdat de Hervormden evenzeer te velde trokken tegen de aanhangers van „paap Hubrechtquot;, die met erkenning van hun recht en vrijheid tevreden waren zonder de vernietiging der Roomschen te eischen. Ue overheid van Utrecht nam in juni 1579 nog de proef met een accoord tussehen Katholieken en Hervormden. Toch
duurde het niet lang, of de oude kerk kwam er geheel in de nederlaag. Naast de gemeente der gematigde hervormingspartij van Duifhuis, die vooral bij de regenten en aanzienlijke ingezetenen steun vond, verrees met kracht door den ijver der predikanten de Hervormde kerk, die haar grootsten aanhang verwierf onder de burgerij en het volk. Rovaards, Uerv. in Utrechi in Archief voor Kerkel. Gesch., XVII, 191—253; Wiarda, Duifhuis, p. 43—51; Brutel de la Rivière, Moded, p. 106 vlg.
Resolutie van Gedeputeerde Staten „op \'t stuk van de beneficien, resignatien, nieuwe electien en distributie van de leengoederen in Frieslandquot;, gedateerd 31 Maart 1580 in het Vriesch Charterb., IV, 145, 146, vergel. 139. Over de onlusten en partijwoelingen daar te lande, die ook evenals elders met kerkbraak gepaard gingen, zie Diest Lorgion sr., Gesch. der Kerkherv. i?i Fries/., p. 116—131; Schotanus, Gesch. van Friesl., p. 826 vlg.; Winsemius, Chron. van Vries/., p. 633 vlg.; Fresinga, Memor. van gedenckw. dingen in Dumbar, Ana/., Illy mijn Honderd jaren, p. 179—191 en Oostergo, p. 225 vlg.
Ue opleiding van geschikte leeraars in Friesland kwam reeds dadelijk ter sprake, zooals in den brief van Menzo Alting uit Emden aan den rechtsgeleerde dr. Otto Swalue (Chelidonius) 31 Maart 1581 bij Gabuema, Epist. c/ar. vir., p. 702—706. Biografische mededeelingen over Swalue door mij in de Friese he volksa/m., 1892. De Franeker academie begon met zeven hoog-leeraren: de theologische faculteit was zelfs compleet door de komst van Sibrandus Lubburtus en Martinus Lvdius, tot nog toe predikant te Amsterdam. Antonides is geboren te Naarden in 1546: een zijner nazaten nam den naam van der Linden aan, W. B. S. Boeles, Fries/ands hoogeschoo/, I, 7 vlg. en de biografien in deel II, 29 vlg.; mijn Honderd jaren, p. 218. Lydius was de eerste rector magnificus.
§ 112. Terwij] de Ilervormdon zegepraalden en de eendracht in de gewesten dor Unie, zij het ook na veel tumult en meestal slechts met geweld, toch van lieverlede tot stand kwam, ging onder bet krachtig beleid van I\'arma langzamerhand het grootste doel der zuidelijke Nederlanden voor de llervorming, die daar weleer met zooveel geestdrift ontvangen was, verloren. De eens zoo machtig zwellende vloed werd onder de thans gevolgde reactie met groote staatsmanswijsheid door den landvoogd en tic Spaansche partij bedwongen. Het langst hield zij stand in de groote Vlaamse he steden: Brugge, Gent, dat in 1584 zijn pas opgebouwde kerk en illustre, school zag ondergaan, Brussel en Antwerpen, dat het laatst van allen in 1585 na een langdurig heleg bezweek. De Lnthersche gemeente
128
aldaar verhuisde naar Frankfort a/d. Main of elders; de Belgische Hervormden vestigden zich meestal in Holland en Zeeland.
Ondertusschen werd dc breuk tusschen Noord cn Zuid, begonnen met het sluiten der beide Unies, voltooid door de vogelvrijverklaring van Willem van Oranje. Deze ban gaf aanleiding tot openbaarmaking vnn zijn vermaarde Apologie, een meesterstuk van doeltreflbnd betoog, die reeds in December van liet vorige jaar bij tie Staten ingediend was en in verschillende talen overgezet nu aan de meeste vorsten toegezonden werd. En de Staten Generaal zelf volvoerden in Juli 1581 hun lang gekoesterd voornemen om zich voor altijd van den Spaanschen koning onafhankelijk te maken door do plechtige uitvaardiging der acte van afzwering.
Don Jan van Oostenrijk stierf den i October 1578. Zijn opvolger, de geweldige en hoogst bekwame Alexander Farnese, hertog van Parma, was volkomen berekend, beter dan een zijner voorgangers, voor de zware taak van dit bewind, maar is in de volvoering zijner stoute en ver strekkende plannen altoos het meest belemmerd en gebonden door de halstarrigheid van zijn eigen vorst.
Voor de Apologie ou deffense de tres illusive Prince Guillaume, Prince d\'Orange contre le ban et edict publié par le Roy d\'Espaigne, par lequel il proscript ledict Seigneur Prince, pre-sentée a messieurs les Etats Generauls des Pais bas, Delft 1581, bediende de prins zich van de hulp van Pierre Loyseleur de Villiers , hofprediker en nog altoos zijn raadsman in vele zaken. Over de verschillende uitgaven zie Knuttel, Pamfl. verzam. Kon. Pibl., 1, 1, 109 vlg. Loyseleur, gematigd Calvinist, was een man van beteekenis in dien tijd, zie Glasius, Biogr. Woordenb. in voce, \'twelk nadere bewerking zeer noodig heeft.
Over de gebeurtenissen van deze voor het verdere beloop van den strijd beslissende jaren zie behalve Bor , van Meteren , Motley e. d., ook wat de kerkelijke, zaken betreft Hofstede de Groot jr., Honderd jaren, p. 352—366.
Zoo was dus in het jaar 1580 de toetreding van Noord-Nederland tot de Unie van Utrecht een voldongen feit, waaraan de afzwering van Filips de kroon opzette. Dit is ook het tijdstip der voltooide vestiging van de Hervormde kerk in de geünieerde provinciën, met uitzondering van enkele door Spaansche macht bezette plaatsen.
H O O F I) S T U K IX.
de ukuvormdk kerk in haak strijd over kerkenorde en belijdenis.
J. Uytenboqaert, Kerckelicke historie, 1647; id. Leven, kereke-lycke bedieninge ende zedighe verantw., 1645, va.\'ik herdrukt.
J. Trigland, Kerckelycke geschiedenissen etc. 1651.
G. Brandt, Historie der reformatie, 4 dln.
H. C. Rogge, Gaspar Jansz. Coolhaes, 2 dln., 1856, 1858; id. Johannes Wttenhogaert en zijn tijd, 3 dln.; id. Brieven en onuitgegeven stukken van Joh. Wltenbogaert in Werken van het Hist. Gen. te Utrecht, nieuwe reeks, nos. 11, 12, 15 etc.
G. Sepp, Het godgel. onderwij» in Ned. gedurende de 16\'\' en 17\'\' eeuw, 2 dln., 1873, 1874.
li. G. Kleyn, Algem. kerk en plaatsel. gemeente, 1888.
J. C. Naher, Calvinist of Lihertijnsch, of. 1884.
R. Pruin, Tien jaren uit den tachtigj. oorlog, 1588—1598; e. a.
§ 113. Gp het tijdstip, dat de Hervormde kerk zich in den lande vestigde, was een groot deel der bevolking nog Katholiek. Doch dit veranderde spoedig. Do overgang van elk gewest gaf in den regel het sein tot eon verwisseling van ingezetenen; uitgewekene Hervormden keerden naar hot vaderland terug, anderen verhuisden uit België noordwaarts om hier godsdienstige en burgerlijke vrijheid te vinden, terwijl steeds ook een deel der Roomschc geestelijken met de malcontenten op de vlucht ging oin de noodige en gewenschte bescherming te vinden onder Spaansche macht. Die van hen achterbleven, waren of wel genegen om zich bij de nieuwe orde van zaken aan te sluiten of om zich als rustige burgers te gedragen of zij namen een afwachtende houding aan.
Met grooten ijver aanvaardde de nu tot gevestigden staat gekomen e kerk, hetgeen zij haar taak achtte. In alle gemeenten werden de kerkgebouwen „gereinigdquot;, werd een kerkeraad aangesteld. De provinciën
Dr. Reitsma, Kerkgesch. g
130
werden in classes afgedeeld, die in den eersten tijd zeer dikwijls vergaderden. De samenstelling en werkzaamheden der gewestelijke synoden kwamen op geregelden voet. Waar de kerk ingericht was, werd de hand geboden om ook elders de goede zaak te bevorderen. Toen in Friesland de toestand gunstiger wending nam, werd Sixtus Rippertus, predikant te Twisk, door Noord-Holland in April 1878 afgestaan om daar mede te werken tot het leggen van „een beginsel der kerekenquot;. Eveneens werd vandaar in het volgende jaar Bernerus Vezekius van Edam naar Deventer en Overijsel gezonden. Op verzoek van de Sneeker synode aan die van Hoorn kregen in Mei 1580 zelfs ongeveer vijfentwintig gevestigde leeraren en eenige schoolmeesters, allen van Friesche afkomst, verlof zich ten dienste van hun geboorteland te stellen.
Omdat het getal predikanten nog zeer onvoldoende was en ook ter verbetering van de schrale inkomsten, werden de dicht bij elkander gelegene plaatsen vaak tot één gemeente gecombineerd. Het eerste werk der synoden was om orde te stellen op „de reformatie der paepenquot;, hetwelk hierin bestond, dat men de voormalige priesters, die daartoe eenige neiging toonden, aandrong om openlijk de Hervorming te omhelzen, hun levensgezellinnen wettig te trouwen en, wanneer zij bekwaam en bereid waren tot den dienst der kerk, zich aan het examen te onderwerpen. De kerk zag nauwkeurig toe op haar personeel, doch kon vooral in den beginne niet verhoeden, dat personen binnendrongen, die al spoedig niet voor hun taak berekend of onwaardig bleken te zijn.
Reformatie de papen „als nemlich: haere concubinen te trouwen ende opentlich sich laeten insegenen, die pauselicke lehr und leven tho revoeiren, sich der gemeinte in toe lijven und tho laeten examinierenquot;, b.v. blijkens de acten der provinciale synode van Harderwijk, Mei 1580, art. 20, Hooijer, Oude kerkord., p. 184; Acquoy, Jan van Venray, p. 289. Omtrent de houding en den overgang der voormalige Roomsche geestelijken bevatten de handelingen der gewestelijke synoden en dassen zeer belangrijke gegeven?..
Rippertus werd aan Friesland afgestaan blijkens handelingen der syn. te Enkhuizen, 4 April 1578, art. 5. Zie mijn Honderd jaren, p. 180 en passim.
Vezekius ging ten gevolge van een beroep naar Deventer volgens acta synodi Alcmar., 18 Mei 1579, art. 5.
De predikanten en schoolmeesters uit Noord-Holland werden in Mei 1580 opgevraagd door een tweetal heeren, daartoe door de Friesche Staten en de synode gemachtigd, mijn Honderd jaren, p. 205; Oostergo, p. 265, 267 en het levensbericht over Otto Swalue in de Friesche Volksalm. 1892.
131
§ 114. In Holland cn Zeeland leed de RoomBche kerk do nederlaag plotseling en volkomen. Eveneens was dit in Friesland al spoedig een uitgemaakte zaak. In Groningen had die overgang plaats in 1594, toen prins Maubits dit gewest aan Spanje ontrukte. Op gezag van graaf Willem Lodewijk werden daar de kerkelijke zaken geregeld met behulp van Menzo Altinq, predikant te Kinden en de Franeker professoren Luhbertus en Lydius: de eerste synode vergaderde in de hoofdstad van het gewest den 14 Juli 1595. Do reformatie van hot landschap Drente werd door den graaf-stadhouder in 1598 ter hand genomen. De eerste classikale vergadering kwam in Augustus f.e Rolde bijeen onder voorzitting van Feito Ruardi, predikant te Groningen. Alting, zelf een Drent van afkomst, heeft er grooten invloed uitgeoefend op den gang van zaken. In andere gewesten Utrecht, Gelderland en een streek van Overijsel bleef een deel der dorpsbewoners nog lang sterk Roomschgezind. De kerk wijdde in verband hiermede ook haar bijzondere aandacht aan het onderwijzende personeel. Dit veroorzaakte in oorden met een overwegend Hervormde bevolking minder moeite, dan waar het tegendeel \'t geval was, vooral in vele plaatsen van Gelderland, waarde zoogenaamde „papistische hekke- of nevenscholenquot; lang aan eiken aanval weerstand boden. De ijver voor het oprichten van academies cn illustre scholen als kweekplaats van aanstaande evangeliedienaren werd niet zonder vrucht door de kerk wakker gehouden.
Over de omkeering in Groningen zie H. L. Wichers, Verklaring van het trad. van de reductie der stadt Groningen aan de Unie van Utrecht, 2 dln., 1794, 1796, vooral op art. VI in deel II, 204—238; U. Emmius, Vita Mem. Altingii, p. 84 vlg.; id. Gul. Ludov. comes Nass., p. 123 vlg.; Brucherus, Gesch. der kerkherv. in Gr on., p. 249 vlg.; ook Gedenkboek van Stad en Lande in de Voorr., p. 4 vlg. Over Lydius schreven Vriemoet, Athen. Fris., p. 20—28; Boelks, Friesl. hoogeschool; ook Bavle, Diet. hist, et er it., II, 333.
Drente begon met slechts zeven predikanten en vele pastoors, die niet gewillig waren 0111 heen te gaan. Door bemoeiing van Alting, geboren in Eelde 9 November 1541 uiteen oud geslacht, Meinkrs, Oostvr. kerk. gesch., I, 461—478, werd het getal der predikanten weldra vermeerderd. Zie verder Magnin, Overz. der kerk. gesch. van Drenthe, p. 182 vlg. en Bijl., p. 56 vlg., alwaar ook de acten der classis Drente, die aanvankelijk synodaal geacht werd onder Groningen te staan, zijn afgedrukt.
Acquov, Jan van Venray, p. 290, leest in de Harderwijker handelingen het woord „nennenschoelenquot;, terwijl daar en in verdere acten „nevensehoelenquot; gelezen moet worden.
9\'
132
§ 115. Zoo kroeg de Hervormde kerk de heerschappij, maar haar rijk was niet onbeperkt. Zij heeft dadelijk en voortaan alle moeite gedaan om den in stilte voortlevonden aanhang van het oude geloof door allerlei belemmeringen althans streng onder den band te houden. Behalve deze plicht waren in do kerkelijke vergaderingen zelf allerlei casus matrimoniales aan de orde van den dag. Aan de bepalingen op het examineeren om mede daardoor ongeordende personen te weeren werd veel zorg besteed. Met opzicht tot de liturgie werden de voor-schriften omtrent de bediening van doop en avondmaal, huwelijksinzegening, kerkelijke tucht, afschaffing van alle papistische gewoonten en volksgebruiken e. d. met een nauwkeurigheid behandeld, die tot elk voorkomend bijzonder geval afdaalde. Ten behoeve van minder geoefende sprekers en van de eenigheid werden formulieren voor kerkelijke plechtigheden opgesteld, terwijl ook op de prediking van den Catechismus ter bevordering van de kennis der hoofdwaarheden van de Christelijke godsdienst werd aangedrongen.
Voor deze en dergelijke bemoeiingen moeten geraadpleegd worden de handelingen der provinciale synoden, waarvan vooral de oudsten uit dezen tijd zeer belangrijk zijn en te weinig bekend. Een uitgave daarvan zal worden bezorgd door dr. S. D. van Veen te Groningen en den schrijver dezes: de officieele bronnen voor het verdere onderzoek van deze geheele periode, in de geschiedenis van onze kerk zoo veelbeteekenend, worden daardoor toegankelijk. Door H. Q. Janssen, Catal. van het oud. synod, archief, wordt opgegeven, wat zich bevindt in het archief der synode, dat nu bewaard wordt in de Willemskerk te \'s Gravenhage en in de archieven der provinciale kerkbesturen. liet is reeds gebleken, dat ook menig classi-kaal oud-archief nog exemplaren zelfs van de eerste synodale acten bevat. Ook worden ze hier en daar in andere archieven en boekerijen bewaard en zonder twijfel zullen enkele zich nog in handen van particulieren bevinden.
Die huwelijkszaken, beroepingen, uitoefening der censuur, e. d. waren van den beginne af de oorzaak van menige botsing tusschen kerk en overheid.
§ 116. Onder de Hervormden in de Verecnigdc Provinciën waren de Calvinistische gevoelens dc belijdenis van de meeste predikanten. Het bleek nu, dat zij een door ijver voor de kerk, door eendracht en organisatie zeer weerbare partij uitmaakten, die van dezen tijd af naar bet oppergezag streefde. Hot Protestantisme had hier behoefte aan mannen, die blaakten van geestdrift voor de eenheid en zuiverheid der Gereformeerde kerk, onwrikbaar overtuigd van de onfeilbaarheid hunner stout geformuleerde belijdenis, steeds in de weer om
133
dc geraeonle Gods groot 011 sterk te maken als een voormuur tegen de geweldenarij van Rome en Spanje, zich geroepen achtende om het ruwe volle door prediking des Woords en strenge tucht op te voeden. Hun vaderlandsliefde even kloek als hun kerkijvcr heeft onverwoestbare kracht bijgezet aan de volkszaak.
Deze groote verdiensten gingen gepaard met een zeer verklaarbaar maar volkomen gemis aan waardeering van andersdenkenden. Met de uiterste volharding heeft de Calvinistenpartij den kamp gevoerd voor een kerkorde, leerstelsel, kerkelijke tucht en gebruiken naar haar opvatting met uitsluiting van elke zelfstandige afwijking. Doch niet zonder krachtig verzet kreeg deze richting de overhand, ook niet zonder dc harde slagen der teleurstelling te ontvangen. Het Calvinisme werd bestreden en tegengehouden van vele zijden om verschillende redenen. Het kwam niet alleen in wrijving met hen, die een anderen maatstaf van rechtzinnig geloof aannamen dan de door Genöve als onfeilbaar gestempelde leer, ook met hen, die op burgerlijk en staatkundig gebied niet geliefden te bukken onder het juk der kerkelijken.
Het gansche kerkelijk-staatkundige geschil in deze ingewikkelde periode van onze geschiedenis kan worden herleid tol den strijd over twee hoofdpunten: de bepaling der verhouding van de kerk tot den staat en de bepaling van het gezag der belijdenisschriften, derhalve over kerkorde en confessie. De hiermede verwekte beroeringen kregen door de onverzoenlijke hardheid der partijen steeds grooter afmetingen. De kerkelijke verwikkelingen bleken een zeer geschikt wapen te zijn in handen van hen, die zich daarvan wisten te bedienen tot bestrijding van een niet mot hun belangen en bedoelingen strookend beleid van \'s lands zaken. En zoo moest er van lieverlede een tijd komen, daar was geen ontkomen aan, dat alle machten in den lande mede in den strijd betrokken werden. De eerste sporen daarvan hebben zich nu reeds vertoond.
Dit is de opvatting van Rogge, Wttenbogaerl, I, 3—6, vergel. id. Coolhaes, I, 3, II, 229; Acquoy, Jan van Venray, p. 155 vlg., en in Tijdspiegel, jaarg. 1874, Oct. — Zie ook Naber, Calv. of lib., p. 8 vlg.
Kr vielen twisten en opschuddingen voor in vele plaatsen, over bet geheele land, maar de centra van de nu volgende beroerten waren Holland en ook Utrecht: daar hadden de gebeurtenissen plaats, die de meest uitgestrekte gevolgen hadden en in alle hoeken des lands weerklonken. In andere provinciën werden zij daarom ook de „geschillen of querelen in Hollandquot; genoemd: terecht, want Holland was de „kampplaats der Uniequot; en wat daar beslist werd, gaf gewoonlijk den doorslag.
134
Het Calvinisme is niet verdraagzaam: het eischt voor zich zelf een vrijheid van godsdienst, die het aan andersdenkenden niet gunt of slechts in zeer beperkte afmeting zal toestaan. Over \'t geheel muntten de menschen in dien tijd niet uit door toegevelijkheid, vooral niet wanneer zij met elkander in twist geraakten, maar de echte Calvinisten waren het onverzettelijkst,. De oorzaak daarvan lag in hun systeem met die harde tegenstelling tusschen Gods genade en ongenade. Een vredig naast elkander leven van Calvinist en heterodox was inderdaad ondenkbaar.
§ 117. Van den 30 Mei tot den 21 Juni 1581 werd do nationale synode te Middelburg gehouden onder voorzitting van den invloedrijken Arnoi.ihis Chusuis van Delft. Daar waren afgevaardigden uit Keulen en Engeland, uit Braband en Vlaanderen, uit de Geünieerde Provinciën, uit de Waalsche gemeenten van Nederland en Engeland. Ook deze kerkvergadering hield zich in denzelfden geest als de vorige bezig met het maken van bepalingen omtrent de kerkelijke gebruiken, openbare eeredienst, kerkbestuur en kerkorde, bijbelvertaling en belijdenis. Daar werd een poging aangewend om Daïhenus, die weer voor eenigen tijd naar Frankentbal teruggekeerd was, met den over hem- verstoorden prins van Oranje te verzoenen en alzoo dezen bij velen zeer boog geachten lecraar voor de kerk in Nederland te behouden. Het resultaat, dat zijn voorstanders wenschten, werd echter niet verkregen. De twist tusschen den kerkeraad en de regeering van Leiden in verband met de zaak van Caspar Coolhaes kwam in behandeling op een wijze, die veel stof tot denken gaf. Op den grondslag van hetgeen door vroegere synoden reeds overwogen was, werd ook nu weder een kerkordening opgesteld, die wel ter goedkeuring en bekrachtiging aangeboden werd, maar door \'s lands Staten ter zijde gelegd is. De geest, die in deze synode heerschte, openbaarde reeds voorteekenen van den kerkclijk-politieken strijd, die weldra het geheele land zou beroeren. De eisch tot ondertcekening van de Confessie werd weder uitgebreid: theologische professoren, predikanten, ouderlingen, diakenen en schoolmeesters werden daartoe verplicht.
Al wat betrekking heeft op de Middelburger synode, haar handelingen en besluiten, is gedrukt bij Rutgers, Ada der Ned. synoden , p. 339—480. Hooijer, Oude kerkord., p. 187—224 heeft slechts de kerkorde en de synodale beslissingen op de inge-zondene vraagpunten. De kerkorde is ook meermalen gedrukt, zie Rutgers , p. 345, 346, die daarbij ook de officieele vertaling geeft. Assessor was IJsbrand Trabius, predikant te Antwerpen, eerste scriba Michael Pannelius, predikant te Middelburg, tweede Corputius van Dordrecht, vriend van den president Crusius.
135
Dat de geest hier Calvinist was, blijkt uit de naamlijst der aanwezige leden en ook uit vele besluiten zooals de bepaling omtrent het onderteekenen der Nederl. geloofsbelijdenis, de boekencensuur, art;- 37gt; 38 e. d. Men oordeelde, dat de onderteekening den hoogleeraren van andere faculteiten ook wel betaamde, en daarop werd later meermalen aangedrongen, maar de kerk heeft dit succes niet kunnen behalen, zie o. a. Borsius, Toegenomen gezag der form, van eenigheid in Arch, voor Kerkel. Gesch., IX, 294, 353-
Gellius Snecanus beklaagde zich in zijn Isagoge ad Rom. IX praef., p. 16, dat hij juist met verlof van de synode (pace Synodi, ter rectificatie der voorstelling hiervan in mijn Honderd jaren, p. 210, noot 1) afwezig was, toen die bepalingen vastgesteld werden. Zijn oordeel over deze vergadering is ongunstig. Trabius, de assessor, was eveneens ontstemd en weigerde het synodaal oordeel over COOLHAES mede te onderschrijven, zie Rutgers, Ada, p. 372. Dat sommige predikanten nog onbekend met de Confessie zouden zijn, vermeldt Wttenhogaert, Kerck. Hist., Ill, 199.
De bemoeiingen der synode met opzicht tot de voor zijn vereerders en geestverwanten zeer hinderlijke zaak van Dathenus worden nauwkeurig behandeld door Janssen , P. Dathenus, p. 20— 57, met de brieven daarover in de bijlagen gedrukt, p. 106—134.
de beweging over de kerkorde.
§ 118. De kerkclijkon spanden dadelijk alle krachten in voor een organisatie, die een hecht bolwerk zon opleveren tot weering van eiken invloed van libertijnen en staategezinden op het ware rijk van Christus. De kerk aehtte zich volkomen gerechtigd om de op eigen gezag vastgestelde verordeningen aan de regeering voor te leggen ter goedkeuring en steunbieding.
Doch \'s lands overheid, dc Hervormde religie erkennende, had daarbij meer de bedoeling als machthebbend beschermheer der kerk op te treden dan haar gewillige dienares te zijn. Zij behield dus voor zich het recht ter uitoefening van een toezicht, dat in hoofdzaak wetgevende macht was. Hier openbaarde zich derhalve van den beginne af een groot verschil van beginsel, dat op hevige botsing moest uitloopen.
Het streven naar organieke eenheid ontmoette behalve andere bezwaren steeds een geducht beletsel in het dertiende artikel van de TTuie: de Hoog Mogenden konden geen authorisatie tot het invoeren van zoodanige algemeene kerkorde afgeven, omdat hot besluit daartoe door de Edel Mogenden van elk gewest afzonderlijk en naar eigen
136
goedvinden genomen moest worden. Dc gewestelijke kerken stonden dus eveneens geheel op zich zelf zonder kracht tot hot invoeren van een algemeeno organisatie, die haar allicht in voel opzichten gevrijwaard zou hebben tegen de willekeur van Staten en plaatselijke overlieden. En dewijl geen van heide, staat noch kerk, hoezeer ook tot enkele concession van ondergeschikten aard genegen, liet beginsel wilde prijs geven, kwam er in den stand van zaken geen verbetering. De heerschende kerk kon zich niet ontworstelen aan baar afhankelijkheid van de staatsmacht cn evenmin als deze do zoo vurig begeerde eenheid tot stand brengen. Dat gemis aan een geldig erkende kerkorde was en bleef dc oorzaak van misnoegen en verbittering. De vaak hoogst autocratische handelingen van machthebbenden in den lande waren niet altoos gewettigd door de klacht over de onhandelbaarheid van kerkeraden en predikanten. Doch van deze zijde waren evenzoo dc eischen vaak zeer partijdig en overdreven, terwijl het daarbcnevens niet ontbrak aan opschuddingen en lastige, hoogst onaangename verdeeldheden in vele gemeenten.
Het Calvinisme bezat groot talent in het organiseeren. Had men der kerk meer de vrije hand gelaten, zij zou aan den staat het exempel hebben gegeven van een in haar deelen en geheel wel \' geregelde eenheid. Eerst na twee en een halve eeuw zou de tijd aanbreken, dat aan de kerk die eenheid\' gegeven werd, welke zij toen reeds op het oog had en begeerde. Allerlei gebeurtenissen hadden medegewerkt, dat door de toenmalige staatslieden de bepalingen der Unie intact gelaten werden. Zoo bleef door de staatsmacht de souvereiniteit van elke provincie op haar eigen gebied gehandhaafd en het opleggen van een algemeene regeling werd zelfs niet door de groote meerderheid gedoogd. De Unie was niet „bedacht om de Roomsche religie uit te roeijenquot;, zij was geen Hervormd verbond, al namen ook alle gewesten tie Hervormde leer aan. Elk lid der Unie had het gezag in zaken van kerk en godsdienst binnen eigen kring, doch niet over de anderen. Zelfs de Algemeene Staten hadden geen stem in de aangelegenbeden van eenig afzonderlijk gewest. Steunende op zulk een grondwettig recht, sprak het van zelf, dat het erkennen en invoeren van een algemeene en nogal Calvinistisch zelfstandige kerkorde haast ondenkbaar was en dat \'s lands overheid niet te bewegen was de voogdij over zulk een invloedrijk en heerschzuehtig lichaam te laten varen. Er kan dus ook geen sprake zijn van een staatskerk, slechts van heerschende kerk. Rogge, Wttenbogaert, 1, 55—60; Kleyn, Alg. kerk en plaats, gemeente, p. 151 vlg.; de Meester, Het dertiende art. der Unie in Nijhoff, Bijdr. voor Vad. Gesch., IX, 240—245; Hooijer, Oude kerkerd., p. 116, 172 en passim. Dr. Kleyn bestrijdt in bovengenoemd werk en in zijn vroeger verschenene
137
brochure Feiten of Verzinsels de beweeringen van A. F. dk Savornin Lokman en F. L. Rutgers, Rechlsbevoegdheid onzer plaatsel. kerken, 1° ed. 1887, 2° 1888.
§ 1H). Reeds dadelijk en later bij herhaling werden pogingen gedaan om do quaestie tot een oplossing te brengen, het meest door don prins van Oranje en de Staten van Holland.
De kerk zelf was terstond nagenoeg geheel klaar met een regeling, waarvan de grondslag reeds was gelegd in de artikelen van de Emdensche synode. De Hollandsche provinciale synode van 1574 maakte daarin slechts eenige wijzigingen zonder van het beginsel af te wijken. Van den beginne af was echter \'s lands overheid besloten om het invoeren van een kerkelijke wet slechts met haar medeweten en op haar gezag te doen plaats bebhon. Zij achtte zich geroepen om te waken, dat daarin niets werd opgenomen, wat nanr den toenmaligen maatstaf buiten de competentie van de kerk lag Alzoo werd op raad van den prins door de Staten van Holland een commissie benoemd om op het stuk van do religie „goede ordre te stellenquot;. Daaruit is een staatskerkorde in concept voortgesproten, de kerkelijke wetten van 157fi, die zeer zeker kenschetsend zijn voor de inzichten en bedoelingen der Staten. Hot is evenwel bij een plan gebleven zelfs zonder\'poging tot uitvoering wegens den onzekeren en onrustigen toestand der Nederlanden.
Al werd het aan de kerk overgelaten zich in vele opzichten te houden aan de op haar synoden vastgestelde regelen, zij kwam met deze tijdelijke vergunning geen stap nader tot haar wenscli cn miste ook de macht en het erkende recht om zich te verweeren tegen bemoeiing van plaatselijke autoriteiten met h. i. zuiver kerkelijke belangen. Toch ging de kerk voort met het regelen van haar aangelegenheden. De synodale kerkorde, te Dordrecht in 1578 vastgesteld, werd door de regeering eenvoudig voor kennisgeving aangenomen. Deze niet erkenning werd gevolgd door de booze twisten te Leiden sedert 1579, ontstaan door de autocratische handelingen van don magistraat. De synode nationaal van Middelburg stelde ook do kerk op haar gebied onafhankelijk van den staat, formeerde derhalve haar kerkorde naar het reeds bestaande voorbeeld, maar mocht daarvoor bij de Staten evenmin approbatie verworven. Zoo werden do Hervormde kerk en haar gemeenten bestuurd volgens wetten en bepalingen, waaraan de staat zijn zegel niet wilde hechten, omdat bot voornemen bleef bestaan in deze behoefte langs staatsrechtelijken weg te voorzien.
Do Staten van Holland benoemden 18 Maart 1582 oen commissie
van politieke personen om de Middelburgsehe kerkorde te onderzoeken en daaruit ,,to concipieeren eene kerckelycke ende politicque ordrequot;. De ontwerpers, tot wie ook Johan van Oldenbarnevelt behoorde, legden in 1683 hun lastgevers een concept van kerkelijke wetten voor, dat eveneens vooreerst tot de rust werd verwezen.
Zoo stonden nu en voortaan kerkdijken en politieken tegenover elkander. Soms scheen er wel eenige kans op toenadering te komen, wanneer van weerskanten de lasten van zulk een verhouding naar rust deden verlangen, doch een bevredigende oplossing is nooit verkregen. Onverzettelijk werd do erkenning van elke kerkorde geweigerd, die buiten staatsgezag en medewerking was vervaardigd.
Aanvankelijk waren ile kerkbestuurders nog niet vast besloten tot den regel van Emden. Op de synode te Alkmaar 1573, art. 22, werd bepaald om met opzicht tot de „discipline der dienaerenquot; te volgen de Engelsche regeling van \\ Lasco en Micron. Doch al spoedig kwam er eenheid van streven.
Tot grondslag van alles is gelegd de Fransche kerkorde van 1559, die dadelijk door de synoden der gemeenten onder het kruis gevolgd werd. In vele actenboeken van provinciale synoden is een afschrift van deze verordening voorop geplaatst.
Over al deze synodale en politieke kerkwetten zie H. J. Royaards , De staatskerkorde van Willem I in 1583 in Archief, XIV, 305—384; Hooijer, Oude her hord., p. 83—246; Klevn , Algem. kerk, p. 157—161; Rogge, Wttenbogaert, I, 55—59 en Coolhaes, I, 62 en passim.
Niet ongegrond was de vrees voor de macht van predikanten en kerkeraden. Hadden de politieken alles toegegeven, de kerk zou zich onbeteugeld hebben ingelaten met staatszaken, zou haar censuur, haar formulierdwang over alle overheden hebben uitgestrekt, zou geen dissenters hebben geduld, zou kerkelijke zaken geheel aan de bemoeiing van niet kerkelijke autoriteiten onttrokken en zich daarentegen met alle staatsinstellingen en publiek leven ingelaten hebben.
Alle tegenstrevers van de eischen der kerkdijken werden kortweg gehouden voor libertijnen. Naar dien maatstaf werden ook \'s lands bestuurders beoordeeld. Ten deele is dit waar nl. voorzoover zij de tolerantie in zake van religie voorstonden of zich kenmerkten door onverschilligheid of ook wel door een ruimere opvatting ten aanzien van de leer. Maar in den regel stonden de ambtsdragers, van den staat met opzicht tot de kerkorde tegenover de kerkdijken uit een politiek sociaal beginsel: zelfs in het geloof zeer rechtzinnige regenten waren op \'t stuk der kerkorde niet of weinig toegevend.
§ 120. Het gunstigste tijdstip voor do wenschen der kerkelijke
139
partij was het jaar 1586. Toen vergaderde gedurende zes zomerweken weer een nationale synode in den Haag onder voorzitting van Jacobus Kimedoncius van Middelburg en onder de hooge bescherming van Robert Dudley, graaf van Ley oester, die den steun der kerkelijke partij noodig had als tegenwicht van den afkeer en hot wantrouwen, door zijn onverstand en partijdigheid opgewekt. Toen dan deze synode met geringe wijziging van do vroeger gemaakte besluiten ook weer haar kerkorde had vastgesteld, gaf Z. Exc. de stadhouder daaraan terstond zijn voorloopige goedkeuring in afwachting van die der Generale Staten. Op zijn gezag werd zij in December door de Staten van Holland cn Zeeland aangenomen onder reserve tot wederopzeggens toe. Eveneens door enkele andere gewesten. Doch het voordeel dezer eerste goedkeuring van den kant dor politicken ging heel spoedig verloren. Gedurende zijn verblijf was de verhouding tusschen de predikanten en de regeering van Holland niet verbeterd, hadden de kerkdijken in Friesland wegens hun onbezonncne geestdrift voor den Engelschen Gideon het misnoegen van graaf Willem Lodewijk ondervonden, hadden de Consistorialen te Utrecht niet zonder geweld de kerk en de besturen naar hun zin omgezet. Het vertrek van Leycester gaf een knak aan alles, waaraan hij deel had gehad. Het werd, daar hij even spoedig de gunst verloor, die hij zoo onverdiend gewonnen had, weer door een reactie gevolgd, die een ware overwinning was van het gezag der regeering inzonderheid van de Staten van Holland.
De nationale synode te \'s Gravenhage vergaderde van 20 Juni tot 1 Augustus 1586. Met het oog op de groote en werkzame belangstelling, die deze kerkvergadering van de zijde van den gunsteling der Kngelsche vorstin heeft ondervonden, werd zij wel eens de Leycestersche synode genoemd. Assessor was Aknoldus Crusius van Delft, scriba Helmichius, toen nog te Utrecht. Drie commissarissen-politiek en prof. Saravia van Leiden als adviseerend lid woonden de vergadering bij. Helmichius heeft van deze synode nauwkeurige notulen opgesteld, die echter verdwenen zijn: van de kerkorde is slechts een afschrift bewaard gebleven, dat meermalen gedrukt is. Brieven van Helmichius aan Crusius, handelende over de Haagsche synode e. d., Werken Ma mix- Ver., serie III, deel IV, 51—75; over de kerkorde zelf etc. zie Hooijer, Oude kerkord., p. 246—283. Voorts Bor, Ned. Hist., H, 790— 794; Wttenbogaert, Kerkl. Hist., Ill, 53 vlg. Alle oüicieele bescheiden daarop betrekkelijk, een belangrijke verzameling, zijn uitgegeven bij Rutgers, Acta, p. 481—643.
Kimedoncius was met Danaeus prof, theol. aan de doorluchte school te Gent geweest en na de overgave dezer stad aan Parma
140
t
tot predikant in de Zeeuwsche hoofdstad benoemd. Deze betrekking vervulde hij tot 1589, toen hij naar Heidelberg vertrok, waar hij tot aan zijn dood in 1594 hoogleeraar is geweest, te Water, Kort verh. der ill. school te Gend, p. 130 vlg.; Glasius, Biogr. Woordenb., II, 258.
Over de Utrechtsche woelingen en de voorvallen in Friesland, Rogge, Wttenbogaert, I, 42 vlg.; Royaards, Gesch. Hcrv. van Utrecht, in Archief voor Kcrkgesch., XVIII, 211 vlg.; mijn J[onderd jaren , p. 235—247.
Reeds nu vond het streven der kerkelijken, dat onder Leycester toonde, wat er te wachten was, als zij hun beginsel consequent konden toepassen, een tegenwicht in het staatsbeleid van Olden-barnevelt, die als landsadvocaat zijn sporen verdiende door Klisabeth\'s vertegenwoordiger onmogelijk te maken.
Het is te verklaren, dat de Calvinistische partij met haar gewone overdrijving maar toch ter goeder trouw eerst met Leycester hoog ingenomen was, omdat hij niet alleen in werkelijk benarde dagen een zweem van hulp kwam brengen, maar ook speciaal de geneigdheid toonde om mede te werken tot een volkomene zelfstandigheid van de kerk. Toen het later bleek, dat zijn instructie inhield om de Staten tot vrede met Spanje te brengen, zag men zijn „aanhang smelten als sneeuwquot;.
§ 121. T)c authorisatie dor Maagsche kerkwet door de Staten Generaal is achterwege gebleven. Dit niet alleen, toen de zon van Leycester onderging, trokken de Hollandsehe Staten nagenoeg terstond hun voorloopige goedkeuring terug en kwamen, omdat die he palingen der Haagsche kerkorde van 1586 „velen tegen de borst warenquot;, tot het besluit om in hun gewest zelf de zaak te regelen. Het plan van l^SS werd weer voor den dag gehaald en ter herziening gesteld in handen van een uit acht politieken en evenveel predikanten bestaande commissie. Deze maakte in 1591 to \'s Gravenhage een begin met het opstellen cener nieuwe kerkorde, die bij de Staten zeer gunstig ontvangen werd en aan vele zwarigheden een einde zou hebben gemaakt maar tengevolge van hot verzet van enkele steden „voor dien tyt achter de banck bleef legghenquot;. Zoo werd in Holland geen algemeen geldend voorschrift verkregen, de kerk volgde provisioneel de oude bestaande usantie, doch dit opende menige overheid weer ruime gelegenheid om naar eigen willekeur haar gezag in kerkelijke aangelegenheden te mengen. Eerst bij Statenresolutie van 1612, nader bekrachtigd in 1615, werd bepaald, dat deze wetten in werking zouden worden gesteld overal, waar de plaatselijke overheid het verlangde: een halve maatregel, die toen te laat kwam, veel ongenoegen wekte en slechts kort van duur is geweest.
141
De noodzakelijkheid van een billijke regeling der wederzijdsche rechten werd vaak genoeg erkend. Zij kon niet verkregen worden, want zelfs het meest welgemeende voorstel vond afkeuring, als het kwam van personen, welker drijfveer of inzichten onder verdenking lagen. Telkens werd de toestand nog meer gespannen door een zee van lastige quaesties, twisten bij ieder kerkelijk vonnis, geschillen over predikantsberoepen.
De „kercken-ordeninghe gemaect by eenighe politijcken ende ecclesiastijcken in den Haghe in Februario anno 1591quot;, met historische toelichting bij IIooijkr, Oude kerkord., p. 324—350; zie ook Bor, Ned. IJist., III, 556—561. Niet alleen staken de steden Delft, Rotterdam, Hoorn, Medenblik en ook Gouda een spaak in \'t wiel, ook in de kerk ontstond daarover veel ongenoegen. Kr gingen uit Zeeland en Noord-Holland zelfs stemmen op, „dat men de predikanten die daarover gestaan hadden, behoorde te censureren, alsof zy \'t recht der kercken weggegevenquot;, ja verkocht hadden.
De vergadering, 25 Februari begonnen, bestond uit erkend bekwame en degelijke mannen, onder de politieken Willem van Zuvlen , Oldenbarnevelï en zes andere hooggeplaatste heeren. Onder de acht predikanten waren nevens Wttenbogaert en Jacobus Arminius, die toen nog het vertrouwen niet geheel verspeeld hadden, ook Corputius, Crusius en andere waardige vertegenwoordigers der rechtzinnigen. Rogge, Wttenbogaert, I, 61—66; Kleyn, Algem. Kerk, p. 162, 163. De namen der zestien leden bij Hooijer, Oude kerkord., p. 329. Dat de invloed van Oldenbarnevelï, die toen het toppunt van zijn macht bereikte, ook hier overwegend was, lag in den aard der dingen.
§ 122. In Zeeland, waar de Staten slechte zelden het houden eener provinciale synode hadden toegestaan, werd aanvankelijk de „Leycesterschcquot; kerkorde aangenomen en ingevoerd. Doch in 1591 kregen de classes verlof van de Staten 0111 te Middelburg een synode te beleggen. Toen werden daarin belangrijke wijzigingen aangebracht, waarbij gezorgd was, dat de regeoring in kerkelijke aangelegenheden voor zich de oppermacht behield. Voor de keuzo van predikanten en ouderlingen werd o. a. in \'t loven geroepen de instelling van het collegium qualificatum, een uit kerkeraadsleden en overheidspersonen samengestelde vergadering. Deze regeling heeft meer dan twee eeuwen lang stand gehouden.
In Gelderland en Overijsel lieten de Staten de Haagsche kerkorde in gebruik nemen, doch handhaafden daarbij hun souvereiniteite-reehten.
Na de reductie kreeg do stad Groningen in 1594 haar bijzondere
142
kerkorde, op verzoek van graaf Willem Lodewijk door Menzo Alting, predikant te Einden, Lubberxus en Lydius, professoren te Franekor ontworpen, in 1595 gevolgd door die voor Stad en Lande. Zij werd van staatswege ingevoerd, doch ontmoette geen tegenstand, omdat zij meer dan eenige andere op de leest der synodale kerkwetten was geschoeid, behoudens enkele punten o. a. het recht van collatie. Deze kerkorde bleef langer dan twee eeuwen in gebruik.
De eerste synode van Zeeland werd October 1579 gehouden te Goes, de tweede in Februari 1581 te Vlissingen. Zie over Zeeuwsche kerkzaken J. W. te Water, Verh. der reform, van Zeeland, vooral p. 444 vlg.; W. A. Bachiene, Kerkel. geographie der Vereen. Nederl., III, 1 —10; Klevn, A/gem. Kerk, p. 164— 167, e. a. De kerkorde der provinciale synode te Middelburg 1591 met historische voorrede bij Hooijer, Oude kerkord., p. 299—323.
De „Christlicke und schrifmetige kerekenordenungquot; voor Stad en Lande van Groningen bij Hooijer, p. 351—374. Zij komt bijna geheel overeen met de stedelijke, die gedrukt is bij Brucherus, Gesch. der Kerkherv. van Gr on., p. 425—470. De kerk zelf is er niet in gekend, want eerst nadat zij in Februari 1595 afge-kondigd was, is de synode te Groningen gehouden.
Het landschap Drente werd beschouwd en behandeld als een •aanhangsel van de Ommelanden. Graaf Willem Lodewijk, die er de Hervorming doorzette, liet de kerkvergaderingen dikwijls door Groninger predikanten besturen, enz. Eerst in 1638 kreeg het van de ridderschap zijn eigene kerkelijke wetten. Hooijer, Oude kerkord., p. 460—486; J. S. Magnin, Overz. der Kerkl. gesch. van Drerithe, 1855, p. 182 vlg., bijl. p. 56—113 (ook de kerkorde); Brucherus, Gesch. der Kerkherv. van Gr on., p. 311 vlg.; ook T. A. Romein, De Hervormde predd. in Drenthe sedert de Iferv., 1861.
§ 123. In Friesland keerden de Staten met veel beleid een beweging onder de kerkelijken ten faveure van Leycester en werd de Haagsche kerkorde door \'s lands overheid voorzichtig onderzocht, maar ten slotte niet aannemelijk bevonden. Eigenlijk bestond hier geen vaste regel: men hield zich aan de kerkelijke voorschriften en verordeningen der synoden, doch alleen in zoover de regeering dit gedoogde en steeds met strikte uitzondering van de predikantsberoeping. De Staten, kennis nemende van het op de kerkvergaderingen verhandelde, stonden slechts toe, wat geen inbreuk maakte op het gezag der regeering, politieke rechten en \'s lands usantien. Zoo hielden zij in hun gewest de kerk aan den band met wijs belijd.
Utrecht openbaarde een heel anderen geest, omdat de regenten naar willekeur met predikanten en kerkeraden handelden. Toen na
143
den val van de partij van Lkycestrb do afgezette besturen weer hersteld waren, werd door de heeren Staten in 1590 een kerkorde uitgevaardigd, die aan do vertreding van eik beginsel van Hervormd kerkrecht de kroon opzette en een oorzaak van ontevredenheid, botsing cn voortdurende, soms hevige tumulten is geworden. Pogingen, in 1593 en 1606 aangewend om de moeielijkheden weg te nemen, leidden tot geen resultaat. Eindelijk toog een commissie, onder den overwegenden invloed van Wttenhogaert en van regeoringswege benoemd, aan den arbeid. Ken kerkordening was daarvan de vrucht, die de meeste overeenkomst heeft mot het Hollandsche concept van 1591. Deze kerkelijke wetten in den geest van de libertijnsche regenten en de A.rminiaansche meerderheid der predikanten werden in 1612 door de Staten, daarna in Augustus door de provinciale synode goedgekeurd en dadelijk in uitvoering gesteld. Wel onderwierp deze wet de kerk geheel aan het toezicht en gezag der politieken, maar zij maakte toch ook gedurende de korte jaren van haar geldigheid een einde aan de onrust, die zoo lange jaren de gemoederen in Utrecht had verbitterd.
Over Friesland Diest Lorgion sr., De Ned. Ilerv. Kerk in Friesland, p. 3—8; mijn Honderd jaren, p. 238 vlg. De zeer hooggeschatte en beminde stadhouder Willem Lodewijk was in het stuk van de leer streng dogmatisch en zelfs in godgeleerde vraagstukken zeer ervaren. Maar hij was ten aanzien van de kerkorde evenzoo gezind als alle politieken, beslist tegenstander van het streven naar kerkelijke zelfregeering, voorstander van het gezag van den staat over de uiterlijke aangelegenheden en het bestuur der kerk.
De kerkelijke wetten voor Utrecht van 1590 en 28 Augustus 1612 bij Hooijer, Oude kerkord., 284—298, 375—422. Zie daarover ook Bor, Ned. Hist., II, 839 vlg.; Rogge, Wttenhogaert, I, ii2 vlg., 239 vlg., II, 143 vlg. De kerkorde van 1612 is geheel het werk van Wttenhogaert en Oloeniïarnevelt : de omkeering in juli 1618 heeft voor altoos hun werk vernietigd.
In de meeste gewesten bleef de beweging binnen de perken en hadden de Staten slechts te zorgen, dat zij het heft in handen hielden. Utrecht en Holland waren het tooneel van de meeste opschuddingen, omdat in deze provinciën bepaald proeven werden genomen met kerkorden, die een bij uitstek politieke kleur voerden.
De geschillen ten gevolge van overheidsbemoeiing met kerkelijke aangelegenheden, zooals de Leidsche twisten, te Utrecht meermalen en vooral sedert 1586, te Gouda, Hoorn, Rotterdam enz., waren daarom inzonderheid zoo lastig en hevig, omdat zij doorgaans dadelijk een gemengd karakter droegen of al spoedig kregen: kerkrechtelijk en confessioneel.
144
oudste geschillen over de belijdenis.
§ 124. De strijd over de kerkorde stond meestal in meer of minder nauw verhand met gelijktijdige geschillen over do leer. Van den beginne af eischteu de Calvinisten voor hun nauwkeurig omschreven geloofssysteem erkenning als de eenige zaligmakende leer, die in de Hervormde kerk van Nederland mocht worden geduld. Zij gedoogden geen afwijking of dubbelzinnigheid. Dit bleek in toenemende mate. Oorspronkelijk gold het onderteekenen van do Neder-landsche Confessie bloot voor een teeken van instemming: het werd gewenscht en noodig geacht tot „een ghemeyn accoortquot;. Dit veranderde alras. De aandrang tot onderschrijving kreeg een meer verbindende strekking en word steeds verder uitgebreid. Do kerk heeft de verplichting daartoe, voorgeschreven op de synoden, evenwel alleen aan kerkelijke personen kunnen opleggen. Nevens de Confessie word spoedig ook de Heidclbergsche Catechismus als formulier van eenigheid vermeld. Aanvankelijk werd bij dit onderteekenen nog eenige ruimte gelaten, doch toen verschil van meening al minder genade vond en de bedenkingen daarover toenamen, werd zij geeischt onbewimpeld en zonder eenige restrictie, zelfs al strekte het voorbehoud zich niet verder uit dan tot het stellen der conditie, dat men de belijdenis wel kon aannemen, voor zoover zij bestand was tegen den toets der heilige schrift.
Uitteraard waren onder de kerkelijken de voorstanders van een staatskerkorde tegenstanders van belijdenisdwang. De politieken plaatsten zich, ook al geloofden zij de rechtzinnige leer, op een ander standpunt ten aanzien van de wet. Om clerikale heersch-zucht te beperken hielden zij vast aan staatssouvereiniteit in de uiterlijke aangelegenheden der kerk. Doch aan den anderen kant werd het recht tot staatsbemoeiing in handen van anticonfessionele magistraten veelal een wapen om vrijheid van onderzoek te beschermen en zelfs te bevorderen.
De belijdenis van de Bray was gesteld zonder pretensie van iets meer te willen zijn dan een apologie van het geloof der verdrukte Protestanten in Nederland. Daarnaast werden aanvankelijk nog andere opgesteld en ook als uitdrukking des geloofs erkend, zooals die van Londen, van Franciscus Junius, zie A. Thvsius, Leere ende Ordre enz.; Cuno, Fr. Junius, p. 27; mijn Honderd jaren, p. 311. Doch het werk van de Brav veroverde door zijn waarde snel den voorrang, waarop het zich handhaafde. Het gebruik om haar te laten onderteekenen is geleidelijk opgekomen en verscherpt: Livre Synodal bij Hooijer, Oude kerkord., p. 12, 20 (syn. 26 April 1563, a. 1, syn. Pinksteren 1565, a. r);
145
syn, nation, van Emden, art. 2, 3, 4; partic. syn. te Alkmaar 1573, art. 8 enz. Met den dwang daartoe begon het meer ernst te worden na 1586. De synode van den Haag bedreigde in art. 47 de weigeraars met schorsing en afzetting, waaraan door Hooijkr , Oude kerkord., p. 260, een zachtzinnige uitleg gegeven wordt. De onderteekening van den Catechismus, doch alleen door schoolmeesters, kwam het eerst ter sprake op diezelfde nationale synode art. 48. Het voorschrift werd ook opgenomen onder de bepalingen der provinciale synode van Middelburg 1591, art. 44 en schijnt daarna al spoedig algemeen ingevoerd te zijn. Zie verder de verhandeling van Borsius, Het toegen. gezag enz. in Archief voor Kerkgesch., IX, 285—376.
De mogelijkheid, dat Libertijnen, Socinianen e. d. de kerke Christi binnendrongen en daar bleven, was het schrikbeeld van alle rechtgeloovigen. Het lag voor de hand, dat zij exclusief werden en wantrouwend ten aanzien van elke afwijking, die daarheen zou kunnen leiden. Het eenige afdoende heilmiddel was in hun schatting een vaststaande, op bijbelsche gronden verdedigbare belijdenis, niet de voor velerlei uitlegging en toepassing vatbare heilige schrift, waaraan „ieder ketter zijn letterquot; kon ontleenen.
§ 125. De Calvinisten vormden de sterkste en meeat aaneengeslotene partij. Bij hen, welker geesten zich in een andere richting bewogen, bestond deze eenheid niet, was meer verschil van zienswijze en geloofsovertuiging. Doch de voorstanders van de Confessie beoordeelden hen, die zich tegen hun drijven aankantten, volgens één maatstaf. Zij schimpten op alle andersdenkenden als übertijnen en daarmede stelden zij bon gelijk aan de vrijgeesten, die door Calvijn als een pest der christenheid bestreden waren. De naam is ecliter te onbepaald om zonder bedenking te worden toegepast. Er waren in deze dagen, voordat het nog aan bepaalde partijvorming toegekomen was, onder de Nederlanders zeer zeker toleranten in geloofszaken, vrijdenkers, zelfs onkerkelijken, doch de mecsten dergenen, die toen en voortaan als übertijn afgeschilderd werden, waren dit slechts in de sterk bevooroordeelde schatting der kerkelijk rechtzinnigen. Onder hen toch waren ernstige en werkelijk vrome menschen, die slechts afkeer toonden van kerkelijk rigorisme en dogmatischen uitsluitingsgeest, die protesteerden togen den confessioneelen dwang der kerkeraden, besturen en synoden, die eerbiediging verlangden voor elke zelfstandige, op de heilige schrift gebaseerde geloofsovertuiging.
Zij, die in Nederland werkelijk met dezen naam kunnen worden aangeduid, moeten nog onderscheiden worden, al naardat zij uit
Dr. Rkitsma, Kerkgesch. 10
146
louter onverschilligheid of uit godsdienstige verdraagzaamheid libertijn waren ten opzichte van kerk en geloofsleer.
De niet Calvinisten van dezen tijd reeds voorloopers van Armi-nius te noemen is aan bedenking onderhevig. Want zij waren van velerlei geaardheid en zeer onderscheidene inzichten. Eerst later hebben de onderscheidene richtingen zich nauwer bij elkander aangesloten en langzamerhand één sterke partij tegenover de con-fessioneelen gevormd, de Remonstrantsche.
De naam libertijn had bij de kerkdijken een ongunstige beteeke-nis. Hij werd gegeven aan velen, die dat niet verdienden. In de schatting van Dathenus was Willem van Oranje een lichtvaardig libertijn. Zie Janssen, P. Dathenus, vooral p. 9, 10 enz. Hij verdiende dit zeker niet, evenmin als Oldenbarnevelt en vele staatslieden, die meer belangen hadden te verzorgen dan alleen van de kerk en de Hervormde leer.
Sommigen onder de ingezetenen en ook onder de magistraten, uitgaande van hun banale stelling; goed leven is \'t ware Christendom, lieten zich weinig aan de kerk gelegen liggen en stelden al bitter weinig belang in de zoogen. zaligmakende leer. Toch gaat het niet aan om de toenmalige bestuurders, die de woordvoerders der niet Calvinisten in Utrecht en Holland tegen kerkdijken dwang . en overlast steunden of beschermden, alleen in dien zin libertijn te noemen. Naber, Calv. of libert., p. 14—21.
§ 126. Een libertijn mag, zelfs ook tegen zijn zin maar dan toch in de betere beteekenis van het woord, genoemd worden Dirck Volkerts Coornhert, geboren 1522 te Amsterdam, graveur en later notaris te Haarlem, niet alleen dichter en talentvol schrijver maar ook hoewel zonder academische opleiding door eigene studie bekwaam om tegen godgeleerden zoowel persoonlijk als met de pen in het strijdperk te treden. Door zijn veelgelezene geschriften, meestal van polemischen doch ook van zedelijken inhoud, heeft deze merkwaardige man onmiskenbaren invloed uitgeoefend, omdat hij de openbare tolk was van de velen, die \'s lands welzijn en de practiek des Christen-doms stelden boven het drijven van een bepaalde leer en het binden der conscientie. Protestant met zijn geheele hart, is hij toch nooit tot de Hervormden of eenige andere gezindte overgegaan wegens zijn grieven tegen de mannen der kerk en der Gereformeerde dogmatiek. In weerwil van menige eenzijdigheid had Coornhert de verdienste, dat hij de aandacht vestigde op de schaduwzijde van het streven zijner tegenstanders. Als onafhankelijk denker stelde hij zich tot levenstaak de overdrijving en dwalingen van alle kerken te bestrijden, haar zwakke zijden in het licht te stellen en in \'t bijzonder de
147
Calvinistische heerschzucht te beteugelen. Daar hij inzonderheid onder magistraten en leden van invloedrijke of regeerende geslachten zijn vrienden telde, is zijn werk niet zonder vrucht geweest, terwijl hij zijn tegenstanders de verdediging van hun stelsel moeielijk genoeg maakte. Tweemaal heeft hij een openbaar dispuut gehouden, 1578 met de Delftsche predikanten te Leiden en 1583 met prof. Sara via in den Haag. Hij verdedigde de overheid van Leiden in de bekende botsing met den kerkeraad, pleitte voor de vrijheid van godsdienstoefening der Katholieken en trad op als vredestichter onder de verdeelde Doopsgezinden. In zijn geschriften bestreed hij den Catechismus, de leer van \'t ketterdooden, het kerkbegrip van Calvijn, de predestinatie, de heerschzucht en onverdraagzaamheid der predikanten. Zeker van de instemming van allen, die vrijheid van geweten begeerden , beladen met den toom van de kerkelijke partij, stierf Coornhert 29 October 1590 te Gouda, „de vergaderbak der ketteren\'\'
Dr. J. ten Brink, die in i860 te Utrecht promoveerde op een diss, de Coornhertio, gaf in datzelfde jaar Coornhert en zijne wellevenskunst. Moorrees, Coornhert, p. 190—223, bevat een overzicht van zijn geschriften en letterkundigen arbeid. De eerste verzameling zijner werken verscheen 1612 in Gouda, doch slechts één deel, een tweede uitgave in drie foliodeelen 1630 te Amsterdam. Hij had reeds in 1577 een theologische bespreking te Delft gehad met den bejaarden Thomas van Til. Te Leiden in \'t bijzijn van den raad disputeerde hij tegen Crusius en Donteclock. Ook prof. Feugueray was daar aanwezig. De leer, die de notaris toen over de kenteekenen der ware kerk losliet, wekte een storm van afkeer onder de predikanten, die op den kansel hun geweldige stem verhieven tegen zulk een gruwel.
Coornhert, wiens strijd „voor Zeden, Schrift en Vrijheid is geweestquot; (P. C. Hooft), „een man, die nog te weinig gewaardeerd wordtquot; (Bosboom—Toussaint), die door geen zijner vele en felle tegenstanders voor een Papist gehouden is, hoewel hij zich nooit van de Roomsche kerk losgemaakt heeft of uit de hoogte op haar nederzag, was de man, die durfde uitspreken en die met kracht, soms overmoedig uitgesproken heeft, wat door velen in den lande gevoeld en gedacht werd. Hij is de tolk van hen, „die de maat en het koninklijke midden (trachten te houden) in deze tijden, overvloeiend van ontelbare opinieenquot;, van hen, die elke kerk volgens het toenmalige begrip in den grond van hun hart hielden voor een hinderpaal op den weg hunner roeping als Christen en die gaarne „alle godvreezende menschen, welke Christus tot een fondament hebbenquot;, als medebroeders erkenden. Werkelijk vonden zijn denkbeelden weerklank niet alleen bij enkele Katholieken zooals Hendrik Laurens Spieghel, of bij Doopsgezinden zooals Hans de Riks ,
148
maar ook bij Hervormden vooral onder de burgerij en regeerende geslachten zooals Pieter Cornelis Hooft, Hugo de Groot e. a. Moorrees, Coornhert, p. 178, 183 vlg. Met Trigland hielden de anderen hem voor „een der grootste vijanden, die de Gereformeerde leer en kerk ooit hebben gehadquot;. En hij van zijn kant? Zelf in voortdurende polemiek met de toongevers in de kerk gewikkeld, was het hem onmogelijk zijn tegenstanders billijk en juist te beoordeelen. Hij zag in de predikanten slechts stokebranden, zonder gevoel van waardeering voor hun groote verdiensten in den strijd voor het gezag der kerk als het hechtste bolwerk tegen Spanje en Rome, zonder eerbied voor hun innige geloofsovertuiging. Jaren achtereen had hij als „het willig breekijzer van den moordenden kerker der conscientienquot; het vrije woord, want de bescherming van den prins van Oranje, de staten en veelvermogende personen handhaafde hem tegen de predikanten, die hij zoo dikwijls en zonder omwegen tot hun ergernis weersprak. Bovendien was hij niet alleen ervaren godgeleerde, maar ook begaafd schrijver en dichter, wiens letterkundige waarde bij zijn leven zeer hoog geschat werd. Zie over hem behalve Brandt, Hist, der Ref. passim, de Biogr. woordenboeken en de Gesch. van Nederl. letterkunde van Jonckbloet e. a., ook Levensbeschr. van eenige . Nederl. mannen en vrouwen, 11, 103—116.
§ 127. Tot degenen, die naar eigene op zelfstandig onderzoek steunende overtuiging den weg tot Hervorming wilden bewandelen, behoorde de geleerde en welsprekende Huibert Duifhuis, geboren 27 Augustus 1531 te Rotterdam, de vaderstad van];den grooten humanist, met wien hij zeer overeenstemde in zijn opvatting ten aanzien van kerkherstel en geloofshervorming. Als pastoor der St. Lau-renskerk aldaar gehuwd en om zijn evangelische gevoelens verdacht, moest hij in 1572 voor de inquisitie de wijk nemen naar Keulen. Doch reeds twee jaren daarna werd hij op goede belofte pastoor van de St. Jacobskcrk te Utrecht. Sedert 1577 trad hij, omhangen met het priesterkleed, als hervormer op tegen de „abuysen des pausdoms\' en begon door de overiieid gesteund in verdraagzamen geest zijn practische, evangelische prediking.
Inmiddels riep de ijver van Dathenus en anderen te Utrecht oe gemeente der Hervormden te voorschijn. Tegenover de Duifhuisianen, die de gemeente van St. Jacob of Parochianen genoemd werden, heetten de Hervormden Consistorialen. Hun predikanten Wernerus Helmichius en Godefridus Sopingius deden herhaalde pogingen om mag. Huibert tot vereeniging over te halen. Zij vonden evenwel in hem een verklaard tegenstander van de synodale kerkorden, en even-
149
min wilde hij de Confessie en den Catechismus erkennen, omdat hij den bijbel voor den eenigen regel des geloofs en het meest bevorderlijk voor christelijke vroomheid en loven hield. Dit leidde tot een volledige breuk met de Utrechtsehe Hervormden , die nu deze „libertijnen en verkapte papistenquot; op allerlei wijze tegenwerkten. De welsprekende Duifhuis en zijn volgelingen genoten eehter den steun van de vroedschap en vele aanzienlijke ingezetenen en de goedkeuring van Willem van Oranje. In 1579 werd nog een leeraar Erasmus Bakker aangesteld en kort daarna zelfs een derde predikant. Duifhuis zelf is door den dood 3 April 1581 voor de moeielijkheden, die daarna volgden, bewaard.
Behalve de dissertatie van Wiarda is over Duifhuis en zijn gemeente veel geschreven, Bor, Ned. Hist., II, 166, 830—837; Gi.asius, Godgel. Ned., I, 395—403; Kalender voor de Prol. in Nederl., 2quot; jaarg.; Rovaards, Herv. in de stad Utrecht (afz. uitgegeven 1847) in Arch, voor Kerkgesch., XVII, 156—269 en de bekende kerkgeschiedenissen van Brandt, Wttenbogaert, Trigland en lateren.
Wiarda doet p. 151—155 opgave van zijn ongedrukte bronnen, waaronder nagelatene sermoenen en enkele brieven van Duifhuis, op wiens vorming ook de geest der oude devoten en mystieken invloed gehad heeft.
Bakker is in 1581 predikant te Breukelen geworden. De derde predikant werd eerst in 1585 aangesteld, Royenburgh. De gezindte van St. Jacob, ook de „onbeslotenequot; gemeente genoemd of die der predikanten van \'t O. en N. Test., was in vele opzichten een steen des aanstoots voor de Hervormden, ook omdat hier de staat een vereeniging met openbare prediking en eeredienst erkende, zelfs krachtig bevorderde, die naar het inzicht der kerkdijken geen recht van bestaan had.
Een dergelijke independente of zooals men het toen noemde „libertijnschequot; handeling der overheid door gemeenten van Hervormde dissenters te steunen, was geen alleenstaand verschijnsel. Ongeveer in denzelfden tijd predikte de oude pastoor Adriaan Cornelis te Mijnsheerenland onder bescherming van den ambachtsheer en gesteund door zijn gemeente „het evangelie volgens de beginselen der reformatiequot; zonder zich met de Hervormde kerk te vereenigen of zich weer aan een examen te willen onderwerpen, nadat de provinciale synode van 1574 zijn kennis onvoldoende had verklaard. Het gelukte der classis Dordrecht eerst in 1581 hem tot het nederleggen van zijn bediening te dwingen. Zij stelde daar toen den ij veraar Jan van Campen tot predikant aan, doch eerst in Mei 1582 is er een kerkeraad opgericht. Rutgers, Acta, p. 157, 162; Kleyn, Algem. kerk, p. 62—65 uit de handel, der Dordtsche classis.
Dergelijke gevallen van niet door de kerk maar wel door de overheid erkende gemeenten zijn o. a. ook die van Cornelis
150
wiggerts te Hoorn, Bulken te Montfoort, Hyperphragmus te Hoogmade enz., waarover in §§ 131 en 133,
§ 128. Onder de hoede van den magistraat en gesteund door vele ingezetenen breidde de gemeente van St. Jacob zich nog meer uit en verkreeg zelfs een tweede kerk. Duifhuis werd opgevolgd door den Fries Taco Sybrants, die onlangs het pausdom had verlaten. Kort daarna kreeg deze in plaats van Bakker zijn landgenoot Hekmannus Elconius en ook nog Cobnelis Royenburgh tot ambgenooten. De veete met de Consistorialen bleef onverminderd voortduren. Zij vonden hun aanhang vooral onder liet volk en werden met toenemenden weerzin tegen de regenten vervuld. Door de komst van Moded werd de verhouding tusschen de beide gemeenten niet verbeterd, al was ook Johannes Wttenbogaert, vereerder van Duifhuis, na voltooiing zijner studie te Genève sedert 1584 predikant bij de Hervormden. Nauwelijks had graaf Leycester zich in Utrecht gevestigd, ol de Calvinisten drongen aan op wegneming van hetgeen zij een scheuring noemden. Op hooger bevel hielden de leeraars der „Jacobsge-zindenquot; in April 1586 een bijeenkomst met hun Hervormde collegas. Achttien artikelen van verzoening alsmede de Confessie werden hun voorgelegd. Omdat de toen bovendrijvende partij van Leycester reeds een begin had gemaakt met het vervangen der aftredende regeerings-leden door Consistorialen, moest de minderheid wel zwichten. De Jacobsgemeente quot;werd opgeheven en met de Hervormde vereenigd. Sybrants alleen weigerde wegens „zwarigheyd over \'t artieul van de predestinatiequot; te onderteekenen en nam zijn ontslag, waarna hij zich ambteloos te Alkmaar vestigde. Hiermede kwam evenwel aan de kerkelijke beroerten in Utrecht geen einde; zij hielden nog een reeks van jaren aan, ook toen in 1587 de Leycestersche factie weer het gezag verloor. Want de gevoelens van Duifhuis leefden bij velen voort en bleven een drijfveer om zich te verzetten tegen het ijveren der steile Calvinisten.
Over den strijd en de opheffing der gemeente van Duifhuis, Roy aards in Arch, voor Kerkgesch., XVII, 269—281, XVIII, 212—290; Rogge, Coolhaes, II, 182—184; Joh. Wttenbogaert, I, 21—24, 35—44; Brutel de la Rivière, Moded, p. 106—12Ó.
Toen de zaken in Utrecht op nieuw een keer namen, ontvluchtte Moded de stad in 1588. Daarna heeft hij niet veel meer van zich laten hooren, hoewel hij in April 1612 nog leefde. In 1588 werden ook de andere predikanten te Utrecht ontslagen, doch zij traden elders in dienst. De nieuwe regeeiing nam tevens maatregelen tot strengere uitoefening van haar gezag over de kerk.
De achttien artikelen bij Bor, Ned. Hist., II, 838 en verv.
151
Art. 5 eischte de onderteekening der Nederlandsche geloofsbelijdenis, waartegen Sybrants zich verzette.
Al is de gemeente van St. Jacob toen opgelost en nooit weer als zelfstandige vereeniging hersteld, de aanhangers dezer richting waren zeer geraakt over de transactie van April 1586. Zoo werd dit de oorsprong van alle latere kerkelijke woelingen in de bisschopsstad, want de regenten vonden voor hun maatregelen altoos steun en eerbiediging bij de Duifhuisianen. Elconius kon de scheve verhouding tot zijn vroegere geestverwanten niet dragen en vertrok later naar Harlingcn. Eveneens ging ook Rovenburgh weldra heen.
Johannes Wttenbogaert , te Utrecht geboren den 11 Februari I557.\' een man bestemd om in zijn lang en veelbewogen leven een gewichtige rol te spelen, had een uitstekende opvoeding genoten eerst op de bekende Hieronymusschool, later voor stadsrekening te Genève, waar hij leerling was van en bevriend werd met Theodgrus Beza. Toch was hij geen polemisch redenaar, zoodat zelfs de Jacobsgezinden hem gaarne hoorden. Van lieverlede verwijderden nadenken, neiging en ervaringen hem van de Calvinistische partij, terwijl zijn oudere stadgenoot Helmichius later meer behoudend en partijman werd.
§ 129. Drie jaren na de opheffing der Jacobsgemeente werd Taco Sybrants door de overheid te Medenblik beroepen in weerwil van het verzet van den kerkoraad. Nadat de moeielijkheden over deze onregelmatige benoeming vooral door bemiddeling van prins Maurits ter zijde waren gesehoven, kwam het groote bezwaar tegen hem voor den dag in een aanklacht over zijn leer op de synode te Edam 1592. Zijn weigering om Confessie en Catechismus te onderteekenen bracht classis en synoden tegen hem in de weer, maar de stedelijke regeering nam hem in bescherming en stelde hem buiten de kerkelijke wet door deze gansehe quaestie aan de Staten ter beslissing over te geven. Deze gedoogden geen afzetting maar stelden bemiddelaars aan, die Sybrants in 1598 ondanks zijn bijzondere opvatting van het dogma der voorbeschikking wisten te bewegen tot het afleggen van een geloofsbelijdenis, waarin hij de hoofdzaken der door de kerk gewilde leer als den woorde Gods gelijkvormig erkende. De synode legde zich hierbij neer en het hem na deze concessie verder met rust, al bleef de verdenking bestaan. Sybrants stierf in 1613.
Hij was vroeger Roomsch priester geweest, de laatste pastoor van Nieuwland nabij Bolsward. Zie over hem Rogge, Casp. Coolhaes, II, 184—196, Joh. Wttenbogaert, I, 70, 71; mijn Honderd jaren, p. 322, noot; Bor, Hist, der Ned., IV, 89—99.
Elconius was eveneens een Fries, geboortig uit Harlingen, waar hij tot aan zijn overgang priester moet zijn geweest, en
waarheen hij nu als predikant terugkeerde. Door zijn toedoen ontstonden later in die gemeente eenige onlusten, die echter spoedig bijgelegd of gesust zijn. Rogge, Coolhaes, t. a. p. en mijn Honderd jaren, p. 322—325.
§ 180. Caspar Jansz Coolhaes, geboren 24 Januari 1536 te Keulen, prediker der Hervorming te Deventer 1666, werd na 1574 predikant te Gorinchem en weldra in het bevrijde Leiden. Toen hij in dc hevige twisten niet den kerkeraad en de andere predikanten partij koos voor de overheid, geraakte hij bij de kerk onder een verdenking, die steeds meer voedsel ontving. De synode te Middelburg maakte de onrust op nieuw gaande door een verklaring te eischen, dat hij de in zijn geschriften uitgesprokene gevoelens als onrechtzinnig zou herroepen. Hij teekende protest daartegen aan en toen werden eenige classes in Holland aangewezen om hem tot onderwerping te bewegen of anders den ban over dezen halstarrige uit te spreken. De verdeeldheid in de gemeente had een zeer nadeeligen invloed op de pas gestichte hooge-sehool; prof, Danaeus , voorstander der strenge predestinatieleer, vertrok uit afkeer over deze onrechtzinnigheden na slechts eenjarig verblijf in 1582 naar Gent, Zijn opvolger Holm annus hield zich op hooger beve\'l en uit eigene beweging onzijdig. Omdat Coolhaes zijn bezwaren tegen de leer der voorbeschikking door geen schuldbekentenis wilde goed maken, volgde op zijn voorloopige afzetting al spoedig de excommunicatie, uitgesproken door de synode te Haarlem 25 Maart 1582, Zijn aanhangers in dc gemeente en zelfs de magistraat van Leiden , hoe gewillig ook om hem te steunen, zooals bleek onder den twist mot prof. Saravia, moesten zich hierbij eindelijk wel neerleggen. Later, in 1586, werd de kerkban opgeheven, maar hoewel als lid der gemeente erkend, moest hij zich van prediken onthouden, vestigde zich weldra te Amsterdam en is daar 15 Januari 1615 overleden.
Zie behalve het werk van Rogge ook Siegenbeek, Geschied, der Leidsche hoogeschool, I, 21 vlg,, II, bijl. p. 49 vlg.; Glasius, Biogr. Woordenb., I, 293—298 ; Sepp, Godgel. Onderwijs, I, 57—62 en ook Bihl. van Nederl. Geschiedschr., p, 415. Da talrijke geschriften van Coolhaes worden bij Rogge hier en daar opgegeven en behandeld, de geheele lijst in deel II, 231, 232 en nog eenige stukken op zijn zaak betrekkelijk, ib, p, 247, De Alma acad. Leidensis, 1614, p. 2—5 bevat een portret met korte biografie van Coolhaes: hij wordt daar zelfs onder de professoren gerekend, hoewel hij nooit benoemd is en slechts eenige lessen heeft gegeven tot aan de komst van Feuguerav. Meursius heeft tweemaal de levens der Leidsche hoogleeraren beschreven, in 1613 en een vermeerderde uitgave in 1625. In beide edities mist het
153
leven van Coolhaes. Dit is niet zonder opzet geschied. Eveneens wordt alles, wat tot lof van Arminius in 1613 gezegd was in de Athenac Batavae van 1625 weggelaten, waarin ook zelfs met geen woord over Vorsïius en Episcopius is gesproken , Sepp, Godgcl. Onderwijs, I, m, 112; Geschiedk. naspor., I, 14, 18.
In de Leidsche twisten trok Petrus Hackius, vertaler van „de Bibel mette francoyssche annotatienquot;, Rutgers , Acta, p. 364, partij voor Coolhaes en de overheid. Hij was in 15S2 van Alfen daar tot predikant beroepen, werd in een geschil over de discipline in 1586 geschorst en raakte later weer in een twist gewikkeld, die hem in 1595 kort voor zijn dood zijn afzetting berokkende, Rogge, Coolhaes, I, 222, II, 244; Rutgers, Ada, p. 559 er; passim. Terwijl de kerkelijke geschillen de academie en gemeente Leiden in beroering brachten, werd de Friesche hoogeschool gesticht, waar het dadelijk met de theologie veel voorspoediger ging.
§ 131. De zaak vnn Coolhaes, eerst vermengd met de Leidsche twisten, later hem alleen betreffende, gaf der kerk veel moeite en maakte in het g.mscho land groot gerucht. Jfiren lang was zij een vast punt op de agenda der synode, te meer omdat hij telkens door de ongevraagde uitgave van gesehrifton de gemoederen tegen zich innam. Minder last ondervond de Zuid-Hoilandsehe kerk van Pietbr Overhaag, die tijdens de kerkelijke geschillen zich te Leiden ophield en daar zoowel door „propoosten maer oick schriften endo bouckskensquot; de verdenking, die op hem rustte, deed voortleven. Had de kerkelijke autoriteit hem reeds vroeger weten tegen te werken, het gelukte hem nu nog in zijn hoogen ouderdom 1593 door den steun van den heer van Poelgeest te Hoogmade als predikant in dienst te komen. Toch rustte de kerk niet, voordat zij het ontslag bewerkt had van dezen ongeordenden leeraar, die door zeer onrechtzinnige verdraagzaamheid tot de verdenking van allerlei ketterij aanleiding bleef geven.
Ook werd in 1583 een geestverwant van Coolhaes, de predikant Henricus Bulken (Bulkius) van Montfoort als „Pelagiaimquot; eerst go-schorst, daarna van zijn dienst ontzet verklaard. Gesteund door de Staten en zijn aanhang, kon hij zich nog een tijdlang op zijn post handhaven, totdat hij eindelijk zwichten moest en vertrok. Doch te Gouda schreef hij een onrechtzinnig boekje en zou daarover door do nationale synode onder censuur worden gebracht. Dit gevaar meende hij te ontgaan door afstand te doen van zijn kerkelijk lidmaatschap. Eerst in 1594 gelukte het om hein door de bedreiging met excommunicatie en onthouding van jaarwedde te bewegen het hoofd in den schoot te leggen.
Overhaag had reeds ergernis gegeven te Emden, waar J Ohannes
154
Polyander tegen zijn dwaalleer waarschuwde in 1573. Kort daarna werd hij te Rotterdam, waar de overheid hem beroepen wilde, uit de dienst geweerd mede door den invloed van Taffin, zie Werken Marnix- Vereen., serie III, deel II, 12—18; ook W. te Water, Hist, der Herv. Kerk te Gent, p. 48, 49; J. W. te Water, lief. van Zeeland, p. 205, 206, Later bevond hij zich weer in zijn geboortestad, althans in 1581. Door zijn welwillende houding tegenover andersdenkenden, zoodat hij zelfs in een vergadering van Doopsgezinden optrad, toonde hij het Christendom als een levenskracht niet als een leerstelsel op te vatten. Toen Gerrit van Poelgeest hem op eigen gezag zonder de kerkorde te achten te Hoogmade aanstelde, was Overhaag reeds bejaard: in 1563 had hij een zijner eerste geschriften, tegen het ketterdooden gericht, uitgegeven te Gent onder den titel Eyne korte ende eyn-valdige underwisung ut die Goddelicke schrift enz. De officieele bescheiden omtrent de handelingen, die tot zijn afzetting te Hoogmade geleid hebben bij Janssen in Stud, en Bij dr., IV, 348 vlg. Zie ook nog § 92, pag. 100 en 101.
Bulkius was vroeger predikant geweest te Nieuwpoort. Het boekje, waardoor hij de synode van den Haag tegen zich innam, was getiteld. Affmalinge der nieuwen creature in Christo. Zie over hem Werken Marnix- Vereen., serie III, deel II, 201, 203, deel IV, 39, 40—43; Rutgers, Acta, p. 553, 589—592, ter aanvulling van Rogge, Coolhaes, I, 233.
§ 132. De Zuid-Hollandsche kerk was bovendien nog in een zeer ernstig geschil gewikkeld met de gemeente en de stedelijke overheid van Gouda. Herman Herberts, weleer monnik in het Cisterciënser klooster Buurlo in Westfalen, omhelsde sedert 1567 do Hervorming en trad het eerst te Winterswijk op. Hij werd daarna predikant te Wesel, te Dordrecht en in 1582 te Gonda, waar hij nog sterker dan op zijn vorige standplaats van den kansel en in geschriften zich openbaarde als een tegenstander van de Calvinistische richting. Het ongenoegen daarover werd in 1586 op de nationale synode nog langs den weg der bemiddeling bijgelegd. Doch ijveraars als de Delftsche predikant Reinieb Donteclock , deze behandeling te toegevend oordee-lende, bewerkten een niexiw kerkelijk onderzoek naar zijn verdachte rechtzinnigheid. Dit haalde hem in 1591 een schorsing op den hals, waarbij hij echter den steun van zijn overheid ondervond, die hem handhaafde. Ook bij een groot deel der ingezetenen stond Herberts als predikant hoog aangeschreven. Na langdurige onderhandelingen, waarbij gematigde mannen als Wttenbogaert en Lansbergen sr. van Rotterdam als bemiddelaars optraden, werd eindelijk van weerszijden eenige gewilligheid betoond om de zaak te sussen. Herberts stelde
155
een „Bekentenisse des gheloofs\'\', die al nam zij niet alle wantrouwen weg, toch voldoende geacht werd om in een buitengewone zitting der synode zijn verzoening met de kerk toe te staan. Verder bleef hij ongemoeid en is den 23 Februari 1607 gestorven; zijn zoon en geestverwant Theodobus was er in de laatste jaren zijn ambtgenoot. Door hun invloed en woord bleef Gouda een stad, die in den kerkelijken strijd het langst de spits geboden heeft.
Herberts begon reeds omstreeks 1564 de geschriften der Hervorming te onderzoeken met goedkeuring van Arend Proustynck , den verlichten prior van zijn klooster, dat tot de congregatie van Sibculo behoorde. Hij werd in 1577 te Dordrecht beroepen en kwam daar alras in moeielijkheden, omdat hij de Catechismus-prediking naliet en een hevig man was. Van zijn ambtgenooten was vooral Hendrik van den Corput, die door talent en recht-zinnigen ijver in dien tijd veel gezag in de kerk bezat, zijn tegenstander. Herberts toonde zich een bekwaam en ijverig schrijver in den vinnigen pennestrijd tegen zijn vele vijanden. Schotel, Kerkel. Dordrecht, I, 127—144, die veel literatuur opgeeft; Glasius, Biogr. Woordevh., II, 69—75; Bor, Ned. Hist., I, 794 vlg.; Rogge, een levensbericht in Kalender voor de Prot. in Nederland, 1838, vooral Coolhaes, II, 152—181 en p. 233—236 een lijst van Herberts geschriften; Rutgers, Acta, p. 299, 315, 325 en vlg.; Hooijer, Oude kerkord., p. 248.
§ 133. Te gelijk met de proceduren tegen Sybrants en de stad Medenblik wns te Hoorn een geschil opgerezen, dat nog veel bedenkelijker gevolgen zou hebben en ook de spanning tusschen politicken en kerkdijken zeer vergrootte. In 1588 werd daar uit Harlingen de Fries Cornelis Wiggerts tot predikant beroepen. Nagenoeg terstond kwamen er klachten over de onrechtzinnigheid van dezen aanhanger van de meeningen van Bullinqbb en vriend van Gellius Snecanus. Hij leidde evenals deze zijn geheele theologie af uit de verbondsidee en kon dus geen predestinatie verkondigen, die in tegenspraak was met de alge-meene heilsbelofte der verbonden Gods met Adam en Abraham. Ook deed hij een voorstel tot hervorming van de tucht, zooals men haar toen van wege de kerk uitoefende. Een onderzoek werd ingesteld. Omdat Wiggerts niet anders dan in gescbrifte wenschte te onderhandelen, bleef hij hardnekkig en bij herhaling weigeren om persoonlijk voor do synode te verschijnen. Wel werd hij in 1593 geschorst, maar gesteund door zijn ambtgenooten Clement Martens en Cornelis Meynerts Spruyt, een groot deel der inwoners en vooral den magistraat, volhardde hij in het weerstaan van alle kerkelijke machten. Deze deden hun beklag over zoo groote stoutmoedigheid bij de Stilten, die om
156
een scheuring te voorkomen de zaak overnamen. Alle nu in het werk gestelde pogingen om hem tot toenadering te bewegen mislukten. WmGBHTH bleef onhandelbaar en vervreemde de Staten van zich door hot houden van conventikelon. Zoo werd hij bij resolutie der Edel-mogenden 27 Juli 1596 van zijn ambt ontslagen met behoud van pensioen en op voorwaarde, dat hij naar zijn geboorteland zou vertrokken. Nochtans bleef hij in Hoorn en zette onder bescherming der overheid zijn huisvergaderingen voort, zelfs nadat de synode hem in 1598 van de kerk had afgesneden, tot aan zijn dood in 1624. Zijn beide ambtgenooten, hoewel zij hun gevoelen over het verbond Gods, do verkiezing en perseverantie openbaarden, hebben geen moeite ondervonden „macr zijn dacrin gcdult gewordenquot;.
Wiggerts of Wicheri was in Februari 1582 te Bolsward in dienst gekomen en in \'t volgende jaar naar Harlingen beroepen. Zie over dezen „magnorum in eeelesiis Hollandicis tumultuum auctorquot; T. A. Romein, Naaml. der Friesche predd., p. 184; mijn Honderd jaren, p. 256, 300; Moll en de Hoop Scheffer , Stud, en Rijdr., IH, 56, 58; Rogge, Coolhaes, II, 197—226; Jon. Wttenbogaert, I, 70—72; Cuno, F. Junius, p. 159, 160; Ror , iVcd. Hist., [V, 62—-89; Ypeij en Dermout , Gesch., 11, aant. p. 75—79. Zijn theologisch standpunt wordt uiteengezet in van \'t Hooft, Theol. van Bullinger, p. 187—204.
Clement Martens was vroeger pastoor te Hoorn, ging in 1566 tot de Hervorming over, bleef heimelijk die gemeente bedienen, zoodat hij op de synode te Emden ook voorkomt als minister Hornanus, hervatte daarna zijn bediening tot aan zijn dood in 1599. Hij en Spruyt schreven een tractaatje, Apologia ende ronde bekentenisse, waarin zij hun gevoelen over het verbond Gods enz. verdedigden, herdrukt bij Bor, Ned. Hist., IV, 85—87.
Gelijktijdig werd ook een actie gevoerd tegen Johannes Ampsing , predikant te Haarlem, die niet alleen door zijn gedrag ergernis gaf maar ook door een apologie vol „grouwelycke ende opentlycke lasteringe tegens de reyne leere des evangeliumsquot;.
§ 134. Een minder hard lot weervoer den ouderen vriend van Wiggerts, den geleerden Gellius Snecanus (Jellk Hotzes), eveneens voorstander van de federalistische beschouwing als beter op de heilige schrift gefondeerd dan het Calvinisme. De leer der verbonden Godfi vond toen ter tijde bij slechts weinigen ingang en werd verdacht, omdat zij tot andere inzichten leidde en althans een gematigder opvatting was met betrekking tot het dogma, dat voor den besten toets der rechtzinnigheid werd aangezien. Bovendien was hij een vooretander van een beschermende en steunende staatszorg over kerkelijke aangelegenheden.
157
Vroeger priester te Giekerk, behoorende tot de in liet noorden toen bij velen hoerschende evangelische richting, heeft hij groote diensten bewezen aan de opkomende Hervorming in Fries! and, vooral te Leeuwarden en later belangrijk bijgedragen tot de oprichting der academie te Franeker. Zijn thans zeer zeldzame geschriften, die de aandacht en de afkeuring van Beza. trokken, werden door hem niet aan de kerkelijke censuur onderworpen en hebben velen tegen zijn eigenaardig standpunt ingenomen. Niemand heeft zich aan bepaalde weerlegging willen wagen, maar al zwegen de godgeleerden, zijn invloed werd meer in stilte ondermijnd. Het laatste gedeelte van zijn werkzaam leven bracht Gellius ambteloos door in het genot van een voldoend pensioen der Staten en wijdde het aan studie tot aan zijn dood omstreeks 1600. Doch met VViggebts en Snecanus was door de kerk de invloed der denkbeelden van Bullingkr onderdrukt om evenwel ruim vijftig jaren later met grooterc kracht te herleven.
Zie over hem de door mij gestelde biografie in Moll en de Hoop Scheffer, Stud, en Bijdr., 111, 26—-74; voorts mijn Honderd jaren, p. 205 en passim. Zijn theologisch standpunt is aan een nadere beschouwing onderworpen door van \'t Hooft, Theol. van Bullinger, p. 170—187. Slechts drie van Gellius geleerde geschriften zijn bewaard. Zij zijn te vinden op de bibliotheken van de Hervormde kerk te Emden, v;ii) het Friesch tien. te Leeuwarden en de Remonstr. bibl. te Amsterdam. Men zou haast vermoeden, dat ze met opzet door de theologen als scheurpapier behandeld zij». Zijn aandrang tol stichting eener academie in Friesland behandelt Boeles, Fries lands Hoogeschool, 1, 5—-n. Hij had briefwisseling met Arminius, zie Knuttel, Pamft. verz. Kon. bibl., 1, 346, no. 1784. De brief van Beza , waarin deze aan Wttenbogaert en Taffin over de onrechtzinnige gevoelens van Gellius schreef, wordt vermeld bij Brandt, Hist, der Re/., 1, 779, 780, is gedrukt bij Rogge, Brieven van Wttenbogaert, 1, 20—23.
§ 135. Om de personen, die zich bepaald en openlijk tegen het strakker aanhalen van den confessioneelen band verzetten, groepeerden zich meer of minder uitgebreide kringen van aanhangers. Slechts onder reserve mogen zij voorloopers der latere Remonstranten genoemd worden, want zij, die naast de mannen van de Belijdenis en den Catechismus toen erkenning van hun zelfstandig gevormde overtuiging eischten, volgden daarbij zeer verschillende inzichten, die althans voor een deel niet terug te vindon zijn in de later geformuleerde leerstellingen. Zij waren nog de vertegenwoordigers der verschillende stroomingen van kerkelijk en godsdienstig leven, waarin zich hier te lande de Hervorming bij of na haar opkomst verdeelde. De machtigste, die reeds
158
dadelijk een goed aaneengeslotene partij vormde, bleef en wies: de daarvan afwijkende groepen konden toen nog geen duurzame reactie in het leven roepen. Zij werden elk afzonderlijk bestreden met hot woord en het gezag van het Calvinisme. Toch bleef door dit telkens herhaald verzet de roering voortbestaan, kon de door de woordvoerders der rechtzinnige leer verlangde eenigheid en rust niet volkomen worden tot stand gebracht.
Het meest bedenkelijke teeken in het optreden van die andersdenkenden was, dat hun kerkrechtelijk beginsel zuiver overeenstemde met de bedoeling en inzichten der politieken, de tegenstanders van het systeem der kerkelijke zelfregeering. Die voortdurende botsing der kerkdijken met de staatspartij verschafte in leerstellige twisten aan de minderheid vrij geregeld den steun der regeerende en de gunst van een goed deel der beschaafde klasse.
Ernstig en boos zou de strijd eerst worden, wanneer tegenover het Calvinisme niet langer een enkele woordvoerder of bestrijder maar een geheele partij de wapenen aangordde. Die dagen waren nu in aantocht.
De Luthersche hervorming heeft zich niet kunnen vestigen behalve op enkele plaatsen zooals Antwerpen en tijdelijk te Woer-• den: zij bezweek voor den aandrang der Sacramentisten en onder de massa der Doopsgezinden. De inzichten van Gansfoort, Erasmus, X Lasco, Zwingli, Bullinger, leefden slechts voort in steeds kleiner wordende kringen. Onder hen, die zich met de leer van Genève niet geheel konden vereenigen, trad meer en meer het streven op den voorgrond om de confessie te onderwerpen aan den toets van de heilige schrift.
Over de lotgevallen en onderdrukking der Lutherschen te Woerden en elders zie Rogge, Wttenbogaert, I, i8o vlg. en § 138.
Wttenbogakrt maakt zijn kerkgeschiedenis tot een apologie der Remonstranten en geeft dus van alle vroegere richtingen een • *
voorstelling, alsof zij de voorloopers van zijn partij waren om daaruit te constateeren, dat hij en de zijnen de oudste brieven hadden. Deze doorloopende tactiek maakt zijn beschouwingen eenzijdig en partijdig: te recht is Trigland daartegen opgekomen,
maar hij begaat van den overkant dezelfde fout. De waarheid ligt hier als gewoonlijk meer in het midden.
§ 136. Inmiddels arbeidde het Calvinisme onder lief en leed aan het veroveren van de eereplaate in de Hervormde kerk. Het kon reeds over groote macht en vele bekwame woordvoerders beschikken.
Op de synoden althans en in de meeste kerkelijke besturen was deze geest de uitdrukking van het gevoelen der meerderheid. De academi-
159
sche leerstoelen werden allereerst met onverdachte Calvinisten bezet. De studenten waren vurig voor het systeem ingenomen. Socinianen als Ostorod en Voidow werden met zorg geweerd evenals andere ketterijen. Doch den boventoon te voeren, terwijl ook nog anderen konden meespreken, was niet voldoende. Het zwaarwichtige punt van de eenigheid der leer was niet vastgesteld en de verhouding tot het onbepaalde en daardoor vaak onbeperkte staatsgezag in kerkelijke aangelegenheden evenmin. Do kerkvergaderingen vonden voor haar besluiten en oordeelen in zake van censuur, casus matrhnoniales, beroepen en kerkelijke benoemingen, schorsing en afzetting van predikanten e. d. geen hulp, maar vaak tegenkanting bij het gezag, waarvan zij juist den steun noodig hadden. Aan den ijver tot vaststelling en handhaving der zuivere leer kon door den bepaalden onwil der politieken de vereischte kracht niet worden bijgezet. De regeering was tot niets te bewegen dan tot maatregelen, die moesten dienen om de geschillen bij te leggen en de rust te bewaren. Zij meende, dat zij dit verplicht was en vermocht. De strijd over de leer moest nog veel algemeener worden, voordat het der kerk op hooger gezag zou worden toegestaan een afdoende beslissing te nemen omtrent de belijdenis.
Het was den Calvinisten bepaald te doen om het belang hunner partij, om deze tot de alleenheerschende in de kerk te verheffen. Wat de anderen begeerden, nam. bloot erkenning van hun recht van bestaan, was bij hen al dadelijk verdacht; de kerk van Christus mocht niet worden opengesteld voor allerlei insluipende meeningen. Onbuigzaamheid, heerschzucht en partijdrift maakten vele op zich zelf achtenswaardige en vrome mannen tot drijvers en demagogen. En daardoor vervreemdden zij weer de politieken van zich, welke voor hun inzichten meer waardeering vonden bij de anderen, die de kerk wel voor onrechtzinnig verklaarde, maar die ten minste in sommige opzichten nog tolerant en meer inschikkelijk waren.
In dezen tijd vertoonden zich ook de leeringen der Socinianen en verspreidden schrik en afkeer in de gelederen. Ook de gematigde partij heeft niets van hen willen weten. Sociniaansche geschriften werden ingevoerd en gelezen. De komst van een paar van die ketters, de Polen Ostorod en Vomow, veroorzaakte zooveel opschudding, dat hun meegebrachte boeken in beslag genomen en zij zelf 1598 uit het land gezet werden, Bor, Hist, der Ned., IV, 496; mijn dissertatie over Junius, p. 152, 153; Brandt, Hist, der Ref., I, 839, 840. Ostorod schreef een Apologia tegen het verbanningsdecreet der Staten, Knuttel, Pamfl. verz. Kon. bibl., I, 1, 230.
§ 137. Er werden onder de Calvinisten een aantal gematigde
160
mannen gevonden, die wel genegen waren om tot zekere hoogte nog eenige ruimte van opvatting te verdragon. Dit waa mogelijk, zoolang de rechtzinnigen nog ooren hadden om te luisteren naar de verdediging van afwijkende meeningen met een beroep op de heilige schrift. Het dogma was nog niet alleenheersehend, nog niet definitief geformuleerd. Deze meer toegevclijke gezindheid openbaarde de invloedrijke Jean Taffin, die zijn waardig loven besloot als Waalsch predikant van Amsterdam, Frangisous Junius, sedert 1592 als Leidach hoogleeraar in Nederland teruggekeerd, schrijver van „le paysible Chrestienquot;, was te recht om zijn gematigdheid en bekwaamheid hooggeacht bij heide partijen. Eveneens dachten Pierke Loyseleur, hofprediker en geheimraad, Jerismias Bastingius, predikant te Dordrecht en daarna hoogleeraar te Leiden, de bedachtzame Antonides te Franeker, e. a. Doch hun getal was hetrekkelijk gering. Verreweg de meeaten waren hevig in hun afkeer van alles, wat naar onrechtzinnigheid zweemde, terwijl daarop ook geen geringen invloed had het besef, dat zij de meerderheid des volks voor zich hadden. Onder hen traden als mannen van groot gezag in de bestuursvergade-ringen, bij de kerkeraden en over de gemeenten thans reeds op den voorgrond; Petrus Plancius (Platevoet) van Amsterdam, Donteclock van Delft, Corputius te Dordrecht, Johannes Bogaerdt van Haarlem, Ruardus Acronius te Leeuwarden, Sopinqius te Utrecht, daarna in Friesland, en vele anderen. Door geleerdheid, redenaarsgaven en rechtzinnigheid verwierven zij zich in de gemeenten oen sterke partij, vooral omdat zij uitmuntten door onverzettclijken ijver om op Zions steeds bedreigde muren scherpe wacht te houden.
Het Calvinisme werd versterkt door de Hervormde uitwijkelingen van Vlaanderen, Braband en andere Zuid-Nederlandsche gewesten na het succes van Parma.
De hatelijkheid der twisten deed sommige gematigden, zooals Bernard la Faille van den Haag, Balck e. a., tot de tegenpartij overgaan.
Plancius, geboren 1552, tot 1585 predikant in Vlaanderen, het laatst te Brussel, overigens een man van beteekenis, maar „van helaas al te licht geraakte rechtzinnigheidquot;, is partijdig verheerlijkt door W. Geesink, Calvinisten in Holland, 1887, p. 52—144, 273—277. Zie ook Pruin, Tien jaren, p. 217 en passim.
Het levensbericht van den Dordtschen predikant van den Corput komt voor bij Schotel, Kerkel. Dordrecht, I, 151— 158; van der Aa, Biogr. Woordenb. in voce. Zijn correspondentie met Crusius van Delft in Werken Marntx- Vereen., serie IH, deel II, 92—^292, omvat veertien jaren van 1578 tot 1592. Hij schreef een vrije vertaling van de verklaring van den Catechismus door Bastingius en andere werken.
16]
Ruardus Acronius, vroeger in Noord-Holland, zie mijn Uon-\' derd jaren, p. 166, 185, 207 en passim.
Over Lovseleur de Villiers gaf au Utrecht Dresselhuis een levensbericht in de Gids, 1846, II. Zie verder ook nog Sepp, Polem. en freti. theol., p. 75—80, Godgel. onderw., I, 36 en passim. Mij overleed 1590 op zijn landgoed Westhove.
Over Bastingius zie Kr on. van het Hist. Gen., 1846, p. 379 vlg.; Schotel, Kerke/. Dordrecht, I, 207—219; S.\'egenbeek, Gesch. der Leidsche hoogesch., II, ook in bijl., p. 281 vlg.; Sepp, Godgel. onderw., I, 85 en passim. Hij was maar r.ort, van 1595 tot aan zijn dood in ^98, prof. theol. te Leiden.
De beste biografie van prof. Henricus Antonidf.s gaf Boeles, Fricsl. hoogeschool, II, 36—40; vergel. Glasius, Biogr. Woordent)., II, 384, 385. Zie nog Sepp, Geschiedh. nas/wr., H, 124; id. Godgel. onderw., I, 124, 128, 143—148.
§ I08. Bovendien waren de rechtzinnige predikanten met onver-moeiden lust bezield om alle dissentera te bestoken en te onderdrukken. Op dit gebied was veel, dat geen genade kon vinden in bun oogen. Het wederleggen der meeningen en instellnigcn van de volgelingen van Menno zoowel met de pen als met bet woord was bij de theologen aan de orde van den dag. De geleerde, maar roerige Ruardus Aoroniuh nam een uitdaging van den leeraar [\'eter van Geulen aan. Zij hielden toen in een kerk te Leeuwarden 1590 oen openbaar dispuut, dat drie maanden lang duurde. Het eerste werk door Boqerman jr., predikant te Sneek, met zijn ambtgenoot Gosuinus Geldorp KiOl in \'t licht gegeven, was een vertaling van Beza\'s boekje over het ketterstraffen, waarin elke christelijke overheid werd aangevuurd om gestreng en zoo noodig met den zwaarde tie niet rechtgeloovigen te bedwingen. De synodale deputaten kregen in Friesland en ook elders gedaan, dat ile plaecaten tegen de Doopsgezinde sccten werden verscherpt. De magistraat van Sneek, aangespoord door beide predikanten, verbood in dien tijd op zware geldboeten de godsdienstoefe-ningen der Mennisten, hetwelk aanleiding gaf tot het verschijnen van eenige vinnige blauwboekjes. Een zekere beruchtheid kreeg het Groninger placcaat van 1601, dat in strijd met art. 13 van de Unie en zelfs met het tractaat van reductie, de uitoefening van elk ander geloof verbood en de vrijheid van geweten belemmerde door bepalingen als deze, dat kinderen uit een huwelijk buiten de Hervormde kerk als onecht zouden worden aangemerkt en dat ongedoopte kinderen niet mochten erven. Deze harde maatregel was vooral hot werk van den predikant Johannes Acronius, een zeer vinnig menscb, on den rector Uuno Kmmius. Do afkeuring daarover, blijkende uit Dr. R kits ma , Kerkgesch, n
162
een hatelijken pennestrijd, had echter ten gevolge, dat de regecring in de meeste gewesten bijna nooit de hand heeft willen leonen aan zulk een ketterjacht, als do kerkelijke ijveraars wel verlangden.
Met niet minder bedrijvigheid werd aangedrongen op het tegengaan der geheime conventikelen van de Koomschen en het onderdrukken van „de paepsche stoutighedenquot;, vooral toen de .Tezuiten zicli in het land vertoonden om do overblijfselen van de oude kerk te redden en nog eonige propaganda te maken. De overheden waren doorgaans beter te winnen om ernstig tegen een uitbreiding der Katholieke kerk op te treden dan Protestantsche medeburgers het leven lastig te maken. Toch ondervonden de Lutherschcn meermalen, dat hun Calvinistische tegenstanders hen niet met rust konden laten en zich ijverig weerden om hun vrijheid te belemmeren. Het gelukte, niet zonder onrecht te plegen, dat de ergernis over den exceptioneelen toestand van Woerden werd weggenomen. De gemeente aldaar mocht volgens een verdrag van 1572 Luthersch blijven, doch na allerlei woelingen kregen de Gereformeerden omstreeks 1594 do overhand en konden de Lutheranen toezien. Te Amsterdam, raakte Plancius met hen in twist en beleefde de voldoening, dat de regecring hun vergaderzaal het sluiten.
Verscheidene geleerden van naam hebben tegen de Doopsgezinden geschreven, bijv. in Friesland omstreeks dezen tijd Idzardus Nicolai, predikant te Franeker, Gellius Snecanus e. a., mijn Honderd jaren, p. 276—281. Het uitdagen der Doopsgezinden tot een twistgesprek werd reeds met aandrang besproken op de eerste Noord-Hollandsche synode, doch openbare disputen op ge-regelden voet, zooals dat van Leeuwarden 16 Augustus tot 17 November, waren zeer ongewoon. Op last en kosten der Staten werd het procesverbaal onder den titel „Protocol, dat is de gantsche handelinghe des twistgesprecx, gehouden te Leeuwaerdenquot; etc. in het volgende jaar gedrukt, zie Blaupot ten Gate, Doopsgez. in Friesl., p. 132—137 ; mijn Honderd jaren, p. 286—293. Een meer uitvoerig verslag van het optreden der Hervormden tegen andere gezindheden behoort een deel uit te maken van de geschiedenis dier kerkgenootschappen. Zie over het hier vermelde en w it daarmede in verband staat. Rogge, Wtienbogaert, I, 177—187. Over het placcaat van Groningen in 1601, Brucherus, Gesch. van de opk. der kerkherv. in Gr on., p. 352, 353. Verder W. van der Heijden, Verhaal van de verrigt. der Jezuïeten in Friesl., uitgegeven door Amersfoordt en Evertsz , 1842; Traclatus kist. de rebus eccl. Ultraj., etc., 1768, e. a. De handelingen der provinciale synoden bevatten veel stof voor de kennis van de maatregelen, die van kerkelijke zijde tegen de dissenters genomen zijn of wenschelijk geacht werden.
163
§ 139. Behalve op tal van andere aangelegenheden was do aandacht der kerkdijken ook met waakzaamheid op de hijhelvertaling gevestigd, \'t Werd geen onverschillige zaak geacht, aan wien dit werk zou worden opgedragen. De Haagsche synode van 1586 benoemde Marnix , die eerst weigerde, hoewel hij zich reeds met dezen arbeid bezig hield, doch zich tien jaren later daartoe liet bewegen en toen te Leiden ging wonen. Door de provinciale synoden werden revisoren aangesteld. Doeli toen bij Marnix dood in 1598 alleen Genesis gereed bleek te zijn, moest de taak door anderen worden voortgezet. De aangewezene persoon daarvoor was de Praneker hoog-leeraar Drustus , vroeger door don roem van zijn geleerdheid in Oosterschc talen een sieraad van de academie van Leiden, zeer hoog gewaardeerd zoowel door Maunix als ook door zijn vriend Arminius. Door bemiddeling van Wtïenbohaerï kreeg Drüsius werkelijk de opdracht en de middelen om zijn studiën daarheen te richten. Doch hij lag bij do kerkdijken onder al te zware verdenking, zoodat deze vast besloten waren, dat zulk een belangrijk werk niet aan zijn handen zou worden toevertrouwd. De provinciale synode van den Haag 1599 benoemde Helmichius en Arnoldus Crusius tot bijbelvertalers, en Drusius werd geheel buitengesloten. Zijn arabtgenooten, die hem „met meer dan theologischen haatquot; vervolgden, inzonderheid zijn aartsvijand Lubbertus, hadden de hand in deze achteruitzetting. De Staten Generaal waren daarover te recht zeer verstoord en wilden derhalve geen ondersteuning geven. Ten gevolge daarvan raakte de bijbelvertaling al spoedig in de rust tot aan de groote synode.
Tot nog toe bezat meri slechts vertalingen uit de tweede hand, o. a. naar den Lutherschen bijbel. Dat Marnix die opdracht eerst afsloeg, lag aan zijn ongenoegen over de geringschatting, die de predikanten toonden ten aanzien van zijn berijmde psalmen. Johannks Drusius (van den Driesche) te Oudenaarde geboren in 1550, had als Oosterling inderdaad een Europesche vermaardheid. Te Leiden heeft hij zeven jaren gedoceerd. Zie over hem behalve Soermans, Siegf.nbeek en Vriemoet ook Boeles, Fries I. hoogeschool, II, 46—S2i die hem verdedigt tegenover de geruchten, waaraan Sepp, Godgel. onderw., I, 134 nog eenig geloof hecht. Mijn Honderd jaren, p. 223, 225 vlg.; Edema van der Tuuk , Hoger man, P- 303; Bavle, Diet. hist, et Cr it., II, 1003—1007.
Gomarus werd door de Zuid-Hollandsche synode van 1599 benoemd om de bijbelvertaling te overzien. Nog opmerkelijker is het, dat den beiden vertalers Johannes Roggius, „in de Hebreescher spraecke wel ervaren syndequot;, N.B. als hulp werd toegevoegd. Roggius was toen predikant te Grootelindt, later tot aan zijn dood te Hoorn, nadat hij zich te Franeker als hoogleeraar (in de
1(50
mannen gevonden, die wel genegen waren om tot zekere hoogte nog eenige ruimte van opvatting te verdragen. Dit was mogelijk, zoolang de rechtzinnigen nog ooren luidden om te luisteren naar de verdediging van afwijkende meeningen met een beroep op de heilige schrift. Het dogma was nog niet alleenheerschend, nog niet definitief geformuleerd. Deze meer toegevelijko gezindheid openbaarde de invloedrijke Jean Taffin , die zijn waardig leven besloot als Waalsch predikant van Amsterdam. Fbanciscus Junius, sedert 1592 als Leidsch hoogleeraar in Nederland teruggekeerd, schrijver van „le paysible Chrestienquot;, was te recht om zijn gematigdheid en bekwaamheid hooggeacht bij beide partijen. Eveneens dachten Pikrkb Loyseleur, hofprediker en geheimraad, Jeremias Bastingius , predikant te Dordrecht en daarna hoogleeraar te Leiden, de bedachtzame Antonides te Praneker, e. a. Doch hun getal was betrekkelijk gering. Verreweg de meesten waren hevig in hun afkeer van alles, wat naar onrechtzinnigheid zweemde, terwijl daarop ook geen geringen invloed had het besef, dat zij de meerderheid des volks voor zich hadden. Onder hen traden als mannen van groot gezag in de bestuursvergaderingen, bij de kerkeraden en over de gemeenten thans reeds op den voorgrond: Petrus Plancius (Platevoet) van Amsterdam, Donteclock van Delft, Corpuïius te Dordrecht, Johannes Bogaerdt van Haarlem, Ruardus Acronius te Leeuwarden, Sopinqius te Utrecht, daarna in Friesland, en vele anderen. Door geleerdheid, redenaarsgaven en rechtzinnigheid verwierven zij zich in de gemeenten een sterke partij, vooral omdat zij uitmuntten door onverzettelijken ijver om op Zions steeds bedreigde muren scherpe wacht te houden.
Het Calvinisme werd versterkt door de Hervormde uitwijkelingen van Vlaanderen, Braband en andere Zuid-Nederlandsche gewesten na het succes van Parma.
De hatelijkheid der twisten deed sommige gematigden, zooals Bernard la Faille van den Haag, Balck e. a., tot de tegenpartij overgaan.
Plancius, geboren 1552, tot 1585 predikant in Vlaanderen, het laatst te Brussel, overigens een man van beteekenis, maar „van helaas al te licht geraakte rechtzinnigheidquot;, is partijdig verheerlijkt door W. Gkesink, Calvinisten in Holland, 1887, p. 52—144, 273—277. Zie ook Fruin, Tien jaren, p. 217 en passim.
Het levensbericht van den Dordtschen predikant van den Corput komt voor bij Schotel, Kerkel. Dordrecht, I, 151— 158; van der Aa, Biogr. Woorden/), in voce. Zijn correspondentie met Crusius van Delft in Werken Marntx- Vereen., serie 111, deel II, 92—292, omvat veertien jaren van 1578 tot 1592. Hij schreef een vrije vertaling van de verklaring van den Catechismus door Bastingius en andere werken.
1()]
Ruardus Acronius, vroeger in Noord-Holland, zie mijn Honderd jaren, p. 166, 185, 207 en passim.
Over Lovseleur de Villiers gaf au Utrecht Dhesselhuis een levensbericht in de Gids, 1846, II. Zie verder ook nog Sepp, Polein. en Fr en. t/ieol., ]gt;. 75—80, Godgel. onderin., I, 36 en passim. Hij overleed 1590 op zijn landgoed Westhove.
Over Bastingius zie Kr on. van het Hist. Gen., 1846, p. 379 vlg.; Schotel, Kerke/. Dordrecht, J, 207—219; Siegenbeek, Gesch. der Leidsche hoogesch., II, ook in bijl., p. 281 vlg.; Seci\', Godgel. onderw., I, 85 en passim. Hij was maar kort, van quot;595 aan zijn dood in 1598, prof. theol. te Leiden.
De beste biografie van prof. Henricus Antonidks gaf Boeles, Friesl. hoogeschool, II, 36—40; vergel, Glasius, Biogr. Woordenb., II, 384, 385. Zie nog Sepp, Geschiedk. naspor., II, 124; id. Godgel. onderw., I, 124, 128, 143—148.
§ 138. Bovendien waren de rechtzinnige predikanten niet onver-moeiden lust bezield om alle dissenters te bestoken en te onderdrukken, üp dit gebied was veel, dat geen genade kon vinden in hun oogen. Het wederleggen der rneeningen en instellingen van de volgelingen van Menno zoowel met de pen als met het woord was bij de theologen aan de orde van den dag. De geleerde, maar roerige Ruardus Aoronius nam een uitdaging van den leeraar Peter van Ceulen aan. Zij hielden toen in een kerk te Leeuwarden 1596 een openbaar dispuut, dat drie maanden lang duurde. Plet eerste werk door Booerman jr., predikant te Sneek, met zijn ambtgenoot (Iosuinus Geldorp 1(501 in \'t licht gegeven, was een vertaling van Bbza\'s boekje over het ketterstraffen, waarin elke cliristolijke overheid word aangevuurd om gestreng en zoo noodig met den /waarde de niet rechtgeloovigen te bedwingen. De synodale deputaten kregen in Kriesland en ook elders gedaan, dat de placcaten togen de Doopsgezinde secten werden vorseherpt. De magistraat van Sneek, aangespoord door beide predikanten, verbood in dien tijd op zware geldboeten de godsdienstoefeningen der Mennisten, hetwelk aanleiding gaf tot het verschijnen van eenige vinnige blauwboekjes. Een zekere beruchtheid kreeg bet Groninger placeaat van 1601, dat in strijd met art. 13 van do Unie eu zelfs met het tractaat van reductie, de uitoefening van elk ander geloof verbood cn de vrijheid van geweten belemmerde door bepalingen als deze, dat kinderen uit oen huwelijk buiten de Hervormde kerk als onecht zouden worden aangemerkt en dat ongedoopte kinderen niet mochten erven. Deze harde maatregel was vooral het werk van den predikant Johannes Acronius, een zeer vinnig mensch, en den rector Ubbo Emmius. De afkeuring daarover, blijkende uit Dr. Reitsma , Kevkgesch. 11
162
een hatelijken pennestrijd, had echter ten gevolge, dat de regecring in de meeste gewesten bijna nooit de hand heeft willen leenen aan zulk een ketterjacht, als de kerkelijke ij veraars wel verlangden.
Met niet minder bedrijvigheid word aangedrongen op het tegengaan der geheime conventikelen van de TloomBchen en hot onderdrukken van „de paepsche stoutighedenquot;, vooral toen de Jezuiten zich in het land vertoonden om de overblijfselen van de oude kerk te redden en nog eenige propaganda te maken. De overheden waren doorgaans beter te winnen om ernstig tegen een uitbreiding der Katholieke kerk op te treden dan Protestantsche medeburgers het leven lastig te maken. Toch ondervonden de Lutherschen meermalen, dat hun Calvinistische tegenstanders hen niet met rust konden laten en zich ijverig weerden om hun vrijheid te belemmeren. Het gelukte, niet zonder onrecht te plegen, dat de ergernis over den cxceptioneclen toestand van Woerden word weggenomen. De gemeente aldaar mocht volgens een verdrag van 1572 Luthersch blijven, doch na allerlei woelingen kregen de Gereformeerden omstreeks 1594 do overhand en konden de Lutheranen toezien. Tc Amsterdam, raakte Plancius met hen in twist en beleefde de voldoening, dat de regeering hun vergaderzaal het sluiten.
Verscheidene geleerden van naam hebben tegen de Doopsgezinden geschreven, bijv. in Friesland omstreeks dezen tijd Idzardus Nicolai, predikant te Franeker, Gellius Snecanus e. a., mijr. l/ondcrd jaren, p. 276—281. Het uitdagen der Doopsgezinden tot een twistgesprek werd reeds met aandrang besproken op de eerste Noord-Hollandsche synode, doch openbare disputen op ge-regelden voet, zooals dat van Leeuwarden 16 Augustus tot 17 November, waren zeer ongewoon. Op last en kosten der Staten werd het procesverbaal onder den titel „Protocol, dat is de gantsche handelinghe des twistgesprecx, gehouden te Leeuwaerdenquot; etc. in het volgende jaar gedrukt, zie Blaupot ten Cate, Doopsgcz. in Friesl., p. 132—-137; mijn Honderd jaren, p. 286—293. Een meer uitvoerig verslag van het optreden der Hervormden tegen andere gezindheden behoort een deel uit te maken van de geschiedenis dier kerkgenootschappen. Zie over het hier vermelde en wat daarmede in verband staat. Rogge, Wttenbogaert, I, 177—187, Over het placcaat van Groningen in 1601, Brucherus, Gesch. van de opk. der kerkherv. in Gr on., p, 352, 353, Verder W, van der Heijden, Ver//aal van de verrigt. der Jezuïeten in Friesl., uitgegeven door Amersfoordt en Evertsz, 1842; Tractatus hist, de rebus ecel. Ultraj., etc., 1768, e, a. De handelingen der provinciale synoden bevatten veel stof voor de kennis van de maatregelen, die van kerkelijke zijde tegen de dissenters genomen zijn of wenschelijk geacht werden.
163
§ 139. Behalve op tal van andere aangelegenheden was de aandacht der kerkdijken ook met waakzaamheid op de bijbelvertaling gevestigd, \'t Werd geen onverschillige zaak geacht, aan wien dit werk zon worden opgedragen. De Haagsche synode van 1586 benoemde Marnix , die eerst weigerde, hoewel hij zich reeds met dezen arbeid bezig hield, doch zich tien jaren later daartoe liet bewegen en toen te Leiden ging wonen. Door de provinciale synoden werden revisoren aangesteld. Docli toen bij Marnix dood in 1598 alleen Genesis gereed bleek te zijn, moest dc taak door anderen worden voortgezet. De aangewezene persoon daarvoor was de Franeker hoogleeraar Drusius, vroeger door den roem van zijn geleerdheid in Oostersche talen een sieraad van dc academie van Leiden, zeer hoog gewaardeerd zoowol door Maknix als ook door zijn vriend Arminius. Door bemiddeling van Wtïenbohaert kreeg Drusius werkelijk de opdracht en de middelen om zijn studiën daarheen te richten. Doch hij lag bij de kerkdijken onder al te zware verdenking, zoodat deze vast besloten waren, dat zulk een belangrijk werk niet aan zijn handen zou worden toevertrouwd. De provinciale synode van den Haag 1599 benoemde Helmichius en Arnoldus Crusius tot bijbelvertalers, en Drusius werd geheel buitengesloten. Zijn ambtgenooten, die hem „met meer dan thcologischen haatquot; vervolgden, inzonderheid zijn aartsvijand Lubbertus. hadden de hand in deze achteruitzetting. De Staten Generaal waren daarover te recht zeer verstoord en wilden derhalve geen ondersteuning geven. Ten gevolge daarvan raakte de bijbelvertaling al spoedig in de rust tot aan de groote synode.
Tot nog toe bezat men slechts vertalingen uit de tweede hand, o. a. naar den Luthersehen bijbel. Dat Marnix die opdracht eerst afsloeg, lag aan zijn ongenoegen over de geringschatting, die de predikanten toonden ten aanzien van zijn berijmde psalmen. Johannes Drusius (van den Driesche) te Oudenaarde geboren in 1550, had als Oosterling inderdaad een Europesche vermaardheid. Te Leiden heeft hij zeven jaren gedoceerd. Zie over hem behalve Sokrmans, Siegenbeek en Vriemoet ook Boeles, Fricsl. hoogeschool, II, 46—52, die hem verdedigt tegenover de geruchten, waaraan Sepp, Godgel. onderw., I, 134 nog eenig geloof hecht. Mijn Honderd jaren, p. 223, 225 vlg.; Edema van der Tuuk, Hoger man, P- 303; Bayle, Diet. hist, et Cr it., II, 1003—1007.
Gomarus werd door tie Zuid-Hollandsche synode van 1599 benoemd oin de bijbelvertaling te overzien. Nog opmerkelijker is het, dat den beiden vertalers Johannes Roogius, „in de Hebreescher spraecke wel ervaren syndequot;, N.B. als hulp werd toegevoegd. Roggius was toen predikant te Grootelindt, later tot aan zijn dood te Hoorn, nadat hij zich te Franeker als hoogleeraar (in de
11»
164
mathesis) werkelijk onmogelijk had gemaakt, Hoelf.s, Fried, hoogeschool, I, 31—37, II, 62—66. Deze zonderlinge keuze brengt op het spoor van allerlei in \'t werk gestelde machinaties, te meer omdat in hetzelfde art. 33 der acta van deze synode erkend wordt, dat men slechts begeerde te benoemen, „die den Catechismum ende de Belydinghe des ghelooffs derselffder kercken sal onderschreven hebben ende by der kercken een goet ghetuyghenisse sal hebben van eenen godtsalighen wandel, opdat alsoo de kercken verseeckert syn moghen van de gesondtheydt in de leere ende godtsalicheydt des levens by deghenen, die sy dit werck vertrouwenquot;. Omdat dit speciaal gezegd is van Gomarus als herziener, leest een goed verstaander tusschen de regels dezer zalvende ontboezeming den naam Drusius. Zie verder over de zaak der vertaling Rogge, Wtten-bogaert, I, 187—194. Drusius overleed in \'t vroege voorjaar van 1616, juist te midden van een hevigen twist met zijn onverzoen-lijken vijand Lubbertus, die hem van onrechtzinnige leeringen beschuldigde, mijn Honderd jaren, p. 365—368; Brandt, U/st. der He/., II, 324: de hier aangehaalde vertaling der Kp is tola ad fratres Belgos van Drusius is vervaardigd door den Remonstrant Reinier Telle.
HOOFDSTUK X.
aiimin1us en gomauus. voorspel der dordtsoue synode.
C. Brandt, Historia vitae Jacobi Arminii, Amst. 1724, ki. folio.
J. U ytenboq aert , Leven, kerckelycke bcdieninyhe cnde zedig he verantwoordingh, 4°, 1645, 2° ed. 1646.
G. Baudarïius, Memorien ofte Corl verhael der gedenekweer-dichste gheschiedenimn (1603—1624), Arnliem 1624.
C. Pelt, Arminius in Herzog, Real-Ene., I, in voce.
Bayle, Diet. hist, et critique.
A. Sohweizer, Gomarus in Herzog, Real-Ene., IV, in voce.
C. Sepp, Het godgel. onderwijs in Ned. gedurende de 1 (v- en 17° eeuw, 2 dln., 1873, 1874.
H. Edema van der Tuuk, Johannes Bogerman, 1868, diss.
R. Fruin , Tien jaren uit den tachtigjarig en oorlog, 1688—1598.
Behalve vele reeds genoemde werken vooral de bekende
kerkhistories, ook nog de pamflettenliteratuur, staatsresolu-ticn, synodale handelingen on hrie ven verzamelingen uit dezen tijd enz.
§ 140. In den strijd met dc kerkelijk rechtzinnigen trad bij do andersdenkenden het beginsel, dat zij tegenover het gezag van Cai.vi.jn in de schaal wierpen, scherper naar voren. Zoo vormde zich onder het verloop der godgeleerde geschillen van lieverlede de ééne machtige tegenpartij, die eerst Arminianen, later Remonstranten geheeten, zich onder haar bekwame leiders en woordvoerders al nauwer aan elkander sloot. Deze partijvorming ging gepaard met het wegzinken van enkele andere geloofsschakeeringen en Hervormde richtingen. Bij den overgang der eeuw stonden slechts twee machten tegenover elkander in het vnur. Hoofden der anti-confessioneele beweging waren Arminius en Wttenbogaert, de eerste als vertegenwoordiger op het gebied der godgeleerde wetenschap, de ander meer als invloedrijk en ervaren partijleider. Hun tegenstanders, de mannen der Belijdenis, hadden geen bepaalden aanvoerder, doch schaarden zich om Franciscus Gomarus, nevens wion in den beginne vele anderen als Plancius,
166
Helmichius, Festus Hommius, Johannes Bogerman jr., ]gt;unbektüs, Acronius, Johannes Bogaerdt e. a. in hun kring als leiders optraden. Het leerstuk der voorbeschikking word het groote vraagpunt hij dezen tot het uiterste toe gevoerden strijd, die in beginsel formeel het gezag van de belijdenisschriften betrof, materieel op de quaestie van \'s menschen vrijen wil neerkwam.
Het zou ondenkbaar zijn, dat over een onderwerp van zuiver theologisch onderzoek zooveel beroering kon ontstaan, indien daarbij niet ten grondslag had gelegen een groot principieel verschil, dat ingreej), diep en machtig, op het wezen der kerk en de basis van het godsdienstig leven, \'t Was hier dus veel meer dan verschil van gevoelen over een bijzonder dogma. De Calvinist, met geestdrift vervuld voor de eenigheid van de leer in de ware kerk van Christus, kon den eisch der Remonstranten om vrijheid van onderzoek niet inwilligen: hun gevoelen scheen hem onbestaanbaar met Gods eer, omdat het de werking der goddelijke genade afhankelijk maakte van \'s menschen geloof. Scholtkn , Leer der Herv. kerk, vierde dr., II, 453 vlg. Dit verschil was groot genoeg om een breuk te doen ontstaan. De rechtzinnigen konden niet voor ware geloovigen erkennen, die in hun beschouwing ruimte open lieten voor meeningen, afwijkende van de kerkleer, indien zij maar . steunden op de heilige schrift. Een andere slotsom van uitlegging dan in hun belijdenis achtten zij menschelijke willekeur.
Omdat van de kerkelijke twisten gebruik, zelfs misbruik is gemaakt tot politieke doeleinden, werd ons voorgeslacht allengs geheel en al in dien onverkwikkelijke!! strijd medegesleept. Wanneer de inrichting van de republiek anders was geweest, dan zou zeker een verdeeldheid over de leer niet zoo zeer het gansche land in rep en roer hebben gebracht.
Helmichius, geboren te Utrecht in 1551, had ook te Genève gestudeerd en te Frankfort gediend, werd in 1578 predikant bij tie Consistorialen, kwam 1591 weer in vaste betrekking te Delft tot 1602, toen hij naar Amsterdam beroepen werd, waar hij tot aan zijn dood in 1608 gestaan heeft. Terwijl aan Marnix de bijbelvertaling was toevertrouwd, werd hij met het nazien van dien arbeid belast. Toen hij daarna zelf als vertaler optrad, veroorzaakten kerkelijke besognes, dat het werk langzaam vorderde in weerwil van den aandrang der synoden: in 1607 was Genesis nog niet geheel gereed. Ook zijn vriend Crusius had nog weinig gedaan.
Hommius, een der hevigste partijgangers, in 1576 te Jelsum bij Leeuwarden geboren, was een leerling van Luubertus te Franeker en later van Gomarus te Leiden. Hij begon zijn loopbaan als predikant te Dockum en werd vandaar in 1602 naar Leiden beroepen, waar hij 5 Juli 1642 gestorven is.
Over prof. Lubbertus zie de dissertatie van Edema van der
167
Tuuk, Joh. Bogerman, p. 16 en passim; mijn Honderd jaren, |). 222—228 en passim; Boeles, Friesl. hoogeschool, II, 29—34; Sepp, Godgel. on der w., I, 135—143, e. a. In het archief van \'t Friesch Gen. te Leeuwarden bevindt zich de verzameling handschriften van S. A. Gabbema, waarin ook nog briefwisseling tusschen Lubbertus, Hommius, Bogerman, Helmichius en vele andere hoofden der partij, waarvan slechts een klein deel door hem is uitgegeven in Epistel, ab ill. et claris virions centuriae tres, 1663.
S5 141. Een man van stijgenden invloed en groote botcekonis was Johannes Wïtbnbogaert. Hoewel leerling van Beza kwam hij geenszins als volbloed Calvinist uit Genève in zijn vaderstad Utrecht terug. Tot predikant bij de Consistorialen aangesteld in 1584, vermeed hij het de leer der verwerping te verkondigen. Hij beleefde daar de opheffing der Jaeobsgemeente en een geheele omkeering van zaken. Doch de streng-korkelijke partij hield het roer niet lang in handen, want de daarop gevolgde reactie bracht do kerk onder staatsgezag. Bij gevolg werden de fungecrende predikanten ontslagen en door anderen vervangen in December 1589.
Wttenbogaert werd al spoedig op verlangen van prins Maurits in den Haag beroepen. Hij was de leermeester van den jeugdigen Fredertk Hendrik, stond in hooge achting bij den stadhouder en vooral bij Louise de Coligny, weduwe van prins Willem van Oranje. Wegens zijn bijzondere go en van welsprekendheid werd hij tot Waalsch predikant in do hofkapel bevorderd, terwijl hij ook dikwijls als veldprediker in het leger van den prins heeft gediend. Van veel gewicht is zijn aanraking met den grooton staatsman Jan van Olden-barnevelt. Do achting, die zij elkaar toedroegen en de medewerking die zij elkander boden, is slechts door den dood verbroken. De advocaat stond toen op het toppunt van zijn macht. Ten opzichte vnn de kerkelijke aangelegenheden volgde hij het beginsel om geen wenschen in te willigen, die buiten de competentie der kerk lagen of in strijd waren met de belangen van den staat en de vrijheid der conscientie. Wttenbogaert werd bij de volgende moeielijkheden zijn raadsman en vaak zijn rechterhand. Meermalen moest hij op hooger last optreden als medeonderhandelaar tot het bijleggen van netelige kerkelijke twistzaken. Als zoodanig vervulde hij oen rol in de geschillen te Gouda, Medenblik, Hoorn en Amsterdam. Zijn aanzienlijke positie en groote invloed, gepaard aan de toenemende verdenking van onrechtzinnigheid in het stuk van do leer verschaften hem oen menigte vijanden. Vooral maakte hij velen van zich afkoerig door
168
zijn aandeel aan do slaatskcrkorde van 1591 en niet minder door zijn bemoeiing met de Utrcehtsehe onlusten. Reeds nu ontwikkelde hij die veelomvattende arbeidskracht, die hem oefende voor de jaren, toen de kerkelijke verwarring steeds grooter werd en hij behalve al het andere zich in den boozen pennestrijd ook een onvermoeid cn duchtig schrijver toonde.
Een levensbeschrijving van Wtttcnuogaert omvat uit den aard der zaak de geschiedenis der kerk van Nederland gedurende het veertigjarig tijdperk van de grootste beroering. Meer dan iemand anders is hij de persoon, die deel had aan alle belangrijke gebeurtenissen. Hij overleefde vrienden en tegenstanders en zag steeds weer nieuwe en jonge krachten naast of tegenover zich in het strijdperk treden, omdat hij tot zijn hoogsten ouderdom met onverzwakte vermogens werkzaam is gebleven. Zijn vruchtbare pen heeft in een uitgebreide briefwisseling, in tal van welgeschrevene strijdschriften, in de door hem zelf opgestelde geschiedenis van zijn eigen leven en den strijd zijner dagen de rijke bron geleverd voor het nauwkeurige beeld, door den hoogleeraar H. C. Rogge van deze merkwaardige persoonlijkheid ontworpen. Geen bladzijde der historie van dien tijd kan worden opgeslagen, ofWttenbogaert neemt er een belangrijke plaats in. Alle werken, die over dezen . tijd handelen, leveren dus bijdragen tot kennis van zijn persoon. Wttenbogaert is eerst laat, n.1. in 1610, als auteur opgetreden: toch is de reeks zijner geschriften uitgebreider dan van menig ander. Zie het „Register van meest alle de schriften ende tractatenquot; achter zijn Kerckel. bedien, ende ver an tw., 2« druk, 1646, p. 440— 444, te vergelijken met de lijst bij Glasius, Biogr. Woordenb., III, 465—469.
Het levensbeeld van Oldenbarnevelt, den grootsten staatsman der republiek, „een man van groote activiteit, besogne, memorie ende wysheit, jae singulier in allesquot;, is geteekend door J. Lothrop Motley in zijn bekend werk, vergel. Groen van Prinsterer, Maurice et Barnevelt.
§ 14\'2. Jacobus Arminkis , 1560 geboren in een nederig gezin tt Oudewater, werd door Taffin en vooral Petrus Bbrtius sr. in staat gesteld, toen zijn betrekkingen door de Spanjaarden vermoord waren, de pas gestichte academie te Leiden te bezoeken. Na 1582 bracht hij een vijftal jaren buiten \'s lands door o. a. te Oenève, waar bij op kosten van het kramersgilde van Amsterdam studeerde, te Basel en ook in Italië. Na zijn terugkeer werd hij in het voorjaar 1588 tot predikant in de hoofdstad aangesteld.
Reeds als student kwam hij onder den indruk der logica vim don grooten Piehhe de la Ramke (Ramus), die de wetenschap zoowel als
169
het geloof wilde ontslaan van de overhoerschende autoriteit van Arisïoïeles en daarmede van de knellende banden der schoolsche en kerkelijke traditie, opdat zij niet langer de zelfstandige beoefening van het redelijk denken en de vrije ontwikkeling van hot redelijk gelooven zouden belemmeren. Deze nieuwe methode van onderzoek, die hij reeds als Leidsch student leerde kennen en waardeeren, heeft op do vorming van Aeminius in zijn academietijd onmiskenbaren invloed uitoefend en medegewerkt tot het aankweeken van de meeningen, die aan zijn naam zoo groote vermaardheid gegeven, zijn leven echter vaak verbitterd hebben. Hij moest Genève, waar liet Ramiamp;me tegenstand geboden werd, zelfs gedurende eenigen tijd verlaten en zich naar Basel begeven. Wttenboqaert word ook daarvoor ingenomen. Beide mannen leerden elkander onder het gehoor van Beza kennen en sloten terstond die innige, vertrouwelijke vriendschap, die nimmer een zweem van verdonkering of verflauwing zou ondergaan. Was de latere hofprediker ten gevolge van een zeer bedrijvig leven zijn mindere in geleerdheid, Armtniüs had in den vriend zijn meerdere in levenskennis en oefening in kerkelijke zaken.
Zijn vader Harmen Jacobs, messenmaker, was reeds vroeg gestorven. De priester Thf.odorus Aemilius, in stilte der Hervorming toegedaan, had de eerste leiding van zijn opvoeding te Utrecht. Na diens dood ontfermde zich de geleerde mathematicus Snellius over hem. Hij bevond zich met dezen te Marburg, toen in 1575 Oudewater werd uitgemoord, waarbij zijn moeder en eenige broeder omkwamen. Hij was de twaalfde der studenten, die zich te Leiden lieten inschrijven, 23 October 1576.
Over Arminius is natuurlijk zeer veel geschreven, zoodat naar de werken van alle Nederlandsche kerkhistorische schrijvers van de zeventiende eeuw en van later tijd verwezen kan worden. Vermelding verdienen nog de verhandeling van J. Tideman, Remonstrantisme en Ramisme in Moll en de Hoop Scheffer, Stud, en Bijdr., III, 389—429; C. Sepp, Godgel. onderw., I, 106 vlg. en passim; Adr. Stolker, Gedachtenis van Jacobus Arminius, 1809; P. Bertius, De vita et obitu clar. viri Jac. Arminii, 1610. Van de drukke correspondentie tusschen Arminius en Wttenbogaert zijn slechts betrekkelijk weinige brieven (46) van den eerste bewaard. Arminius vroeger afzonderlijk uitgegevene werken kwamen 1629 in 40 uit: Jacobi Arminii Veteraquinatis opera theologica, later vaak herdrukt.
§ 143. Naar Amsterdam ging het gerucht van zijn Pelagianismc Arminius reeds vooruit. Do regoering dezer stad was toen nog niet, at zij onder de persing dor kerkelijke ijveraars daarna zou worden.
170
ccn bolwerk van kcrkclijko rechtzinnigheid en van verzet tegen liet politick beleid van \'s lands advocaat. Maar al zeer spoedig werd Akminius in den strijd gewikkeld, waarbij hij zelf, tegen zijn neiging daartoe gedwongen, twintig jaren lang op den voorgrond zou staan. De eerste openlijke tegenstander, een zijner Amstcrdamsche ambtge-nooten, was Plancius, Deze maakte in 1591 met een deel van den kerkeraad beroering in de gemeente wegens eenige preeken over den brief aan de Romeinen, inzonderheid bij het besproken van het zevende hoofdstuk. Door samenwerking van ïaffin, Wïtenbogaert en den stedelijken raad werd een schikking getroffen, die de voorbode van alle verdere verwikkelingen is geweest, want den klagers werd het zwijgen opgelegd en hem vrijheid gelaten met zijn prediking voort te gaan.
Arminitjs had ook deel genomen aan het opstellen van de staatskerkorde van 1591, die den kerkdijken zooveel ergernis gaf. Ben opdracht om tegen de Doopsgezinden, het infralapsarisme en de aanvallen van Coohnmert te schrijven is door hein niet volvoerd. Onder deze studie werd hij veeleer bevestigd in oen tegengesteld gevoelen, dan hetgeen hij verdedigen zou. Zoo bleef hij onder de verdenking van zware ketterij. Zelfs zuiver wetenschappelijke briefwisseling, zooals do „amiea eolla-tioquot; in 1597 met den hoogleeraar Junius over de vraag van den dag (predestinatie), gaf voedsel aan ongunstige geruchten. In het jaar 1602 bezweek Junius aan een besmettelijke ziekte kort na zijn ambtgenoot Lucas Tbbloatius sr. Tegen alle bemoeiingen van kerkelijke zijde en in weerwil van do bezwaren van Gomarus, die door ITklmiciiius, I\'lanoius en anderen opgezet werd, dreven de curatoren door, dat deze leerstoel aan Arminius werd aangeboden. Wttkn kooaert ondersteunde met verlof van den prins hun pogingen en toen na een vreedzanm eindigende conferentie met Gomarus alle zwarigheden uit den weg geruimd schenen, aanvaardde Akminius na tot theol. dr. bevorderd te zijn in September 1608 zijn gewichtig ambt.
De Delftsehe predikanten Donteclock en Arnoldus Crusius hadden een boekje geschreven, waarin zij hun infralapsarisch standpunt uiteenzetten tegenover de opvatting van Calvijn en Beza. De studie over dit onderwerp gaf Akminius aanleiding tot het houden van die reeks geruchtmakende preeken.
Akminius zelf was over de samenkomst met Gomarus wel voldaan blijkens een brief aan zijn vriend, zie Rogge, Brieven van Wttenbogaert, I, 67. De Arnica collatio is vaak besproken, in mijn Franciscus Junius, p. 148—152. Hun gesprek, dat tot die briefwisseling leidde, had plaats in Januari 1597. Het oordeel van Cuno, Franc. Junius, p. 170—180, is natuurlijk niet gunstig, te meer omdat hij steunt op de partijdige voorstelling van tegen-
171
standers uit die dagen en van Geesink , Calvinisten in Ned., p. 83—87. Het uitvoerige verslag van de kuiperijen en moeielijk-heden over de benoeming van Arminius wordt gegeven door Rogge, Witenbogaert, I, 197—226; Sepp, Godgel. onder w., I, 11« vlg. Deze acht zijn benoeming „een groote foutquot;. Zeker, zij is de oorzaak geworden van veel oneenigheid, doch dat konden noch Wttenbogaert noch de curatoren toen reeds vooruit zien. Want zoowel Arminius groote geleerdheid als zijn aangename omgang en ernstige ijver werden zelfs door tegenstanders erkend. Gomarus had veel tot lof van Arminius te zeggen en bekend is het gunstig oordeel van Baudart, Memorie/\', I, 4. Eerst veel later „werd het gewoonte ook den persoon van Arminius in een ongunstig licht voor te stellenquot;, zooals door Stolker is aangewezen. Er bestond op dat oogenblik wel oorzaak een man van meer gematigde richting en erkende bekwaamheid naast Gomarus tc plaatsen. Zie ook nog Glaslus, Geschied, der nation, synode, T, 104—160.
§ 144. Dezo benoeming was een gcbeurtenin met ver ntrekkende gevolgen; do vrijere opvatting van de dogmatiek had tlians een aeademischen leerstoel tot baar beschikking en uit de school van Arminius vermeerderde in de gemeenten liet getal der Arminianen. Dit moest wel tot een uitbarsting leiden en zij liet niet lang op zich wachten. Reeds in 1604 deed Gomarus den eersten bedekten, maar reehtstreeksehen aanval op zijn ambtgenoot bij gelegenheid van een gewone academische disputatie. Niet tot de academie en studenten bepaalde zich dit geschil tusschen de twee hoogleeraren. Het gerucht verbreidde zich met de grootste snelheid over het geheele land en leidde de algemeene aandacht op den onrechtzinnigen Arminius en zijn aanhangers. De kerk begon zich onmiddellijk daarmede te bemoeien. Door de hevige partijdigheid, die de meeste woordvoerders bezielde, moest het leerstellig verschil van opvatting wel leiden tot een volledige breuk tusschen beide geleerden en in de kerk plaatsten zich de strijders thans scherper tegen elkander over. Zoo werd dit het begin der onzalige Arminiaansche twisten. Terwijl hij leerde, dat God onder het in Adam gevallene menschdom slechte de zoodanigen in Zijn genade aannam, die Zijn roepstem tot gelooven opvolgden, gingen zijn aanhangers later, wat te verwachten was, verder op den weg der erkenning van de algemeenheid der genade cn \'s menschen vrijheid van willen. Arminius had de zwakheid zich altoos te willen uitgeven voor een trouw belijder der Hervormde leer.
Dc theses over de predestinatie, die bepaald tot wederlegging dienden van hetgeen Arminius behandelde, werden 14 October
172
i6o4 door Gomarus verdedigd. Helmichius en vooral Hommius hadden hem opgestookt om zich eens te laten gelden. Deze academische „disputatien syn de recht openbaar blyckende grondt-oorsaeck geweest aller gevolchder oneenicheden in de kercke eerst, in de politie naquot;, Uvttenbogaert, Kerk. Hist., Ill, 109, niet alleen om de zaak zelf maar door het luide gewag, dat daarvan gemaakt werd. IJveraars zooals Plancius , vroeger zijn ambtgenoot en levenslang zijn bestrijder, voeren op den kansel uit tegen de nieuwe Pelagiaansche leer. De deputaten van Zuid- en Noord-Holland, die in Delft vergaderden om over een „provincialequot; synode te beraadslagen, spraken in Juni 1605 Arminius, toen juist rector magnificus, daarover aan. (Hij legde zijn rectoraat in Februari t6o6 neer met een Oratio de compovendo dissidio religionis inter Christianos.) De synode van Rotterdam wilde hem ter verantwoording roepen, doch werd door de curatoren vooreerst afgescheept enz. Zie Rogge, Wttenbogaert, I, 254—267.
Hoewel hij al te voorzichtig den schijn zelfs vermeed van Calvijn of Beza tegen te spreken, vestigde zich bij de tegenpartij meer en meer de overtuiging, dat aan de hoogeschool door Arminius de grondslagen der kerk en des geloofs werden ondermijnd.
§ 145. Zijn tegenstander, do Vlaming Franciscus Gomarus, geboren 1563 te Brugge, had zijn studiën te Heidelberg onder Urrfnus, Zanohius en Tossanus voleindigd. Sedert 1587 was hij predikant bij de Neder-landsche gemeente te Frankfort aan de boorden van den Main. Deze toen kwijnende gemeente verviel in 1593, maar in hot volgende jaar werd hij, reeds bekend door zijn streng Calvinistische gevoelens, tot hoogleeraar te Leiden aangesteld, waar zijn vroegere leermeester Junius, later ook zijn zwager, een goeden invloed uitoefende op zijn oploopenden en lastigen aard. Gomarus was een godgeleerde, die uitmuntte door zeer grooto kundigheden en ijver, maar spoedig toornig, zeer ontvankelijk voor den indruk van het oogenblik en met weinig zolfbohoersching. Toen Arminius onder de studenten ook zijn vereerders kreeg, moesten beide ambtgenooten wol in botsing komen: het verschil van karakter was zelfs geen voorbehoedmiddel tegen een verwijdering, die in zulk een tijd door principieel contrast van opvatting en methode ondemphaar werd en waarover zelfs de dood geen verzachtende herinnering heeft verspreid.
Omstreeks 1578 vestigden zijn ouders, die Hervormd waren, zich in de Pfaltz. Gomarus studeerde eerst drie jaren te Straatsburg, daarna korten tijd te Neustadt, in Engeland te Oxford en Cambridge en ten slotte nog twee jaren te Heidelberg. Toen het zeker werd, dat hij Vorstius als ambtgenoot naast zich zou moeten hebben, nam hij in 1611 een beroep naar Middelburg aan en
173
gaf er tevens als hoogleeraar lessen aan de illustre school. In 1614 verwijderde hij zich nog verder van het tooneel van den door hem ontbranden strijd door een catheder te aanvaarden aan de academie te Saumur. Doch in 1618 keerde hij terug en kot) als hoogleeraar te Groningen nog bedrijvig aandeel nemen aan den laatstcn kamp tegen de aanhangers van zijn ouden tegenstander.
Door de tweede zijner drie vrouwen kwam hij tot Junius in familiebetrekking. Levensberichten over Comarus zijn gegeven door Hof, les in Jonckbloet, Geden kb. der hoogeschool te Groningen, bijlagen p. 13, 14; Levensbeschr. van Ned. mannen en vrouwen,
IV, 89—103; Siegenbkek, Gesch. der Leidsche hoogeschool, I, 68 vlg., II, 80 vlg. en passim; Schweizer in Hkrzog, Kcal-Ene.,
V, 265, 266; Bayle, Diet. hist, et crit., II, 1250—-1252; Gi.asius , Biogr. Woordenb., I, 537—546; vooral Sepp, Godgel. onderw., I, 102—120, 167—170. Over Gomarus karakter is dikwijls de staf gebroken, doch er zijn onder zijn partijgenot,ten velen, die meer afkeuring verdienen dan hij. Zie ook het billijk oordeel over hem in Stolker, Gedacht, van Arniinius, p. 28. Gomarus is in 1641 te Groningen overleden. De verzameling zijner Opera werd in folio uitgegeven te Amsterdam 1644, tweede editie 1664.
§ Md. De vijandschap tusschcu do twee LeidseKe geleerden werd een gebeurtenis met zeer bedenkelijke gevolgen. De leer dor predestinatie met den aankleve van dien was nu op eens de grootc vraag van den dag in do academische gehoorzalen en disputen. Onder de studeeroiide jeugd won het Arminianisme veld en tevens menige andere afdwaling in do leer tot ergernis van de professoren en allo godgeleerde voorstanders dor geloofsleer. Alle kerkelijke besturen zonnen op maatregelen om dit groote kwaad te weeren: vooral de Hollandsebe synoden en classes kwamen daarover in volle beweging met een gejaagdheid, die juist geschikt was om door velerhande geruchten de spanning te verhoogen. De predikanten lieten niet na om de ontsteltenis en het heilige afgrijzen, dat hen vervulde, van den kansel den volke te verkondigen. Daardoor kwam menige eenzijdige en scheve voorstelling van den stand dor quaestie in omloop. Omdat zij, die de zaak op don preekstoel brachten, meestal tegen Arminius waren, kwam hun gehoor onder den indruk, dat met dezen ketter het ongeloof en de goddeloosheid de ware kerk van Christus waren ingeslopen en dat het dulden van zulke ongerechtigheden te wijten was aan de libertijnsche gezindheid van de bestuurders des lands. De angst, waarin alle confessionelen verkeerden, is verklaarbaar. Tot nog toe hadden de kerkbesturen elke afwijking in
174
de leer met weinige uitzonderingen behoorlijk kunnen bedwingen. Thans zagen zij de macht der vrije gedachte belichaamd in een persoon, die door zijn positie en de bescherming van onaantastbare autoriteiten geplaatst was boven het bereik van kerkelijke middelen. Zoo werden Arminius en Gomahus door de beweging, die over hun godgeleerden twist ontstond, vertegenwoordigers van de beide hoofd-beginselen, die de kerk verdeelden en tot de vorming van twee partijen aanleiding zouden geven. Beide mannen op zich zelf zijn nooit leiders geweest, maar hun namen kregen toen door de drukte van hun aanhangers den zwaren nadruk van partijnamen.
Deze eerste twist verwekte dadelijk groote sensatie aan de academie, Rogge, Wttenbogaert, I, 266, 267, ook vanderTuuk, Bogerman, p. 70, 71. Het gerucht, dat daarvan uitging, bracht een soort van paniek onder de partij van Gomarus te weeg. In de voorstelling, van hun geschil gegeven, werd waar en onwaar door elkander gemengd. Onder de menigte waren zeer velen, nu en later, die het rechte van de zaak niet begrepen en in den waan verkeerden, alsof Arminius en de zijnen leerden, dat God met een onherroepelijk raadsbesluit slechts enkelen had uitverkoren, maar de meesten prijs gaf aan het eeuwige verderf, zonder dat het geloof daartoe iets afdeed. Hieruit blijkt, dat de oorzaak van den • tegenstand dieper zat dan alleen in een verschil over deze opvatting iler predestinatie: \'t was de vrees voor een vrijheid van denkeu en spreken, die men, eenmaal toegelaten, niet zou kunnen beperken. Meermalen werd beweerd, dat de Arminianen de religie wilden uitroeien en allerlei onzuivere leeringen invoeren, dat zij behalve hun voorwaardelijke predestinatie „nog andere grove dwalingen onder de leden haddenquot;, dat zij het er op toelegden om onder de beroering van den twist „aan hunne partij zoovelen mogelijk te verbinden en het zoover te brengen, dat aan de rechtzinnige leer ongestraft in den boezem der kerk getwijfeldquot; werd. Over de onrust onder hun tegenstanders zie van der Tuuk, Bogerman, p. 86 vlg.; ook Rogge, Wttenbogaert, II, 182, 183.
§ 147. Terwijl alzoo dc woeling vermeerderde, werd van weerskanten met vernieuwde kracht, doch met tegenovergestelde oogmerken, aangedrongen op het bijeenroepen van een nationale synode. Op deze pogingen werd bij de regeering nadruk gelegd door het argument, dat in zoodanige kerkvergadering door een beslissing met opzicht tot do bestaande geloofsverschillen een einde kon worden gemaakt aan de toenemende beroering in den lande. Door de volharding der predikanten van beide partijen gelukte; het van de Staten Generaal 15 Maart 1600 de toestemming te verkrijgen, doch onder beding dat er eerst een voorloopige samenkomst moest plaats
175
hebben ter vaststelling van do punten, die op de synode in behandeling zonden worden gebracht. De blijde zelfvoldoening daarover werd evenwel zeer getemperd door de bepaling, die op aandrang der Staten van Utrecht en Holland aan dit consent was toegevoegd, dat van zoodanige synode „revisie van Confessie, Catechismus en de tot hiertoe gevolgde kerkordequot; werd verwacht. Verder werd het ook als een bekorting van do rechten dor kerk beschouwd, dat niet de synoden maaide Staten dor provinciën de leden van die praeparatoirc vergadering-zouden afvaardigen. Doch in weerwil van haar groot bezwaar tegen do clausule van revisie dor bclijdonis berustten do synoden in de resolutie der Generale Staten. Met do voorbereidende bijeenkomst werd echter geen baast gemaakt, want juist ter zelfder tijd begonnen de vredesonderhandelingen en men wilde daaronder de spanning niet verhoogen door de onrust , die een algeineone samenkomst der kerk zou verwekken. Eerst don 2() Mei 1607 werd de conferentie geopend en het presidium aan Fontanus van Arnhem opgedragen. Behalve drie professoren, Arminius, Gomarüs en Lubbertus, waren nog veertien predikanten aanwezig. Wol is daar besloten, dat die synode in don zomer van het volgende jaar te Utrecht zou opgeroepen worden, maar het groote verschil van mconiug over de resumptie of revisie was de twistappel in deze vergadering en weldra daarbuiten, liet gevolg was, dat do conferontie niets dan haat on tweedracht gebaard hooft. Toon de ponnon hierover in beweging kwamen, bleek het klaarder dan ooit, dat de korkolijken onbepaald gezag voor hun belijdenisschriften verlangden en dat hun tegenpartij in don grond dor zaak van Confessie en Catechismus als bindende geloofsregelen niets wilde weten.
Het beleggen eener nationale synode kwam reeds ter sprake in 1601, maar de eerste aanzoeken leverden geen resultaat op. Slechts na „vele ernstige sollicitatien en remonstrantienquot;, die bij herhaling afgewezen werden, konden de synodalen uitwerken, dat de regeering de zaak werkelijk ter hand nam. Vooral de Staten van Utrecht, indachtig aan de Leycestersche factie, hadden weinig lust aan een nationale synode, waarvan men vooraf niet wist, hoe het daar zou afloopen. De sterke aandrang is vooral van de Hollandsche synoden en liaar gemachtigden uitgegaan.
In de praeparatoire vergadering stonden Arminius en Wttf.n-bogaert met de beide Utrechtsche leden tegenover dertien anderen. Hun debatten ter zake van de acht punten, waarover de regeering hun gevoelen wenschte te vernemen, duurden vier dagen. De uitslag van deze samenkomst was volkomen onbevredigend, want over het cardinale punt, de revisie, was eenstemmigheid niet denkbaar. Een uitvoerig overzicht van deze onderhandelingen en van de
17(i
voorbereidende vergadering geven van der Tuuk , Hoger man, p. 71—85; Rogge, Wttenbogaert, 1, 269—296, De stukken, daarop betrekkelijk, berusten in het synodaal archief en worden aangeduid in H. Q. Janssen, Catal., p. 16—18. De acht vragen der Staten met het rapport der vergadering komen o. a. voor in hel Frieseh Char tb., IV, 230—232. Men kan sedert deze samenkomst, waar de hoofdleiders elkander ontmoetten, de partijen als gevormd beschouwen. Meerderheid en minderheid beide zonden na afloop der vergadering toelichtende memories aan de Staten. Die van de meerderheid is als bijlage afgedrukt achter A. Kuyper, Revisie der revisielegende, p. 153—168.
§ 148. De Arminianen werden reeds nu heimelijk en openbaar be-ticht van bet voornemen om met behulp van Olüenbarnbvelt en de regeering een nieuwe reformatie met een andere belijdenis te willen invoeren. Zeer zeker was de kans om de partijen tot een overeenkomst te bewegen niet verbeterd. In dien stand van zaken begeerden de Staten (ieneraal geen synode bijeen te roepen. Toen jil zoo het plan wegens „importante besognienquot; op den achtergrond raakte, beproefden do kerkelijken nog verlof te krijgen tot bet houden van een provinciale synode van Noord- en Zuid-Holland. Ook deze hoop moesten zij laten varen, nadat reeds bij resolutie der Staten den 5 Juli 1608 zelfs het houden van particuliere synoden in beide gewesten voor onbepaalden tijd geschorst was. Van lieverlede kwam men met het oog op het belang der partij, maar niet zonder wrok tot liet inzicht, dat het raadzamer was over dit punt vooreerst maar het zwijgen te bewaren. De zekere bewustheid, dat Oldenbarnevet-t on de Staten nooit te bewegen zonden zijn tot het toestaan eener alge-ineene synode dan onder het schrikbeeld eener revisie van de belijdenisschriften, bekoelde snel den ijver. De regeering was bovendien niet in een stemming tot het bewijzen van gunsten, omdat de ijverigste predikanten zich met onverbolene afkeuring over de vredesonderhandelingen, die liet twaalfjarig bestand zijn voorafgegaan, uitlieten. Vele toen verspreide libellen van ontevredene geesten hadden de strekking om de openbare opinie daartegen in te nemen of zelfs het staatsbeleid van Oldenbabnevblt en de zijnen verdacht te maken.
In Augustus 1608 mocht nog de synode te Dordrecht en in October die te Hoorn gehouden worden, doch tot 1618 bleef de schorsing van kracht. De classis linkhuizen deed in 1609 weer aanvrage , maar de Staten verklaarden geen toestemming te zullen geven uit ontevredenheid, dat aan het rebelleerende Alkmaar niet geleerd was hun bevelen te gehoorzamen. Zie hierover ook Rogge, Wtten-bogaert, I, 312—317 en over de beweging tegen den vrede,
177
p. 332 vlg. In al dien tijd werd dc zorg voor de kerkelijke zaken waargenomen door het collegie der synodale deputaten. Ook in Utrecht stonden de synoden veelal stil.
De regeering achtte liet juist op dit tijdstip niet raadzaam een groote kerkvergadering te beleggen, die den toestand licht ingewikkelder zou maken. Want er werd niet alleen tegen de politieke onderhandelingen gepreekt en geschreven, er waren zelfs, die aandrongen, dat over deze openbare aangelegenheid het oordeel der kerk in den raad van \'s lands bestuurders mocht worden overwogen, opdat niets „tot toelatynge der superstitiën ende afTgoderye des pausdoms en soude gehandelt wordenquot;.
§ 1-19. Door don bitteren toon van menig kanselredenaar en do hatelijkheid der pamflettisten van weerskanten werd do hartstocht geprikkeld. Inzonderheid veroorzaakte de uitgave van den „Catecliis-mus van ter Gouquot; 1607 na den dood van Herberts sr., den ver-moedelijken steller, een ware uitbarsting van toorn. Hiermede was bet eindeloos twistgeschrijf aan den gang gebracht. Arminius en Wtïen-b06aert werden daarbij met allerlei beschuldigingen overladen. Om aan de vele lasteringen een einde te maken drongen zij bij Olden-barnevelt aan op een gelegenheid om zich openlijk to rechtvaardigen. Ook dc regeering meende in een oflioiecle saraenspreking tusschen de beide Leidsche kampvechters eon middel aan do hand te doen om cenige rust in de kerk te brengen. Don 30 Mei 1608 verschenen Gomarus en Arminius met vier predikanten als getuigen voor den Hoogen Raad. Deze conferentie leidde echter tot geen minnelijke schikking, maakte veeleer de verwijdering nog scherper. Later werden de twee hoogleeraren ook nog voor dc Statenvergadering ontboden. Zelfs werd hun een nieuw debat toegestaan, dat in Augustus 1609 te \'s Gravenhage in bijwezen van Oldenbarnevelt plaats had, zonder dat daarmede een andere uitkomst word verkregen dan de nadere formuleering der geloofsbelijdenis van beide professoren.
Intusschen was in April te Antwerpen het twaalfjarig bestand gesloten en daarmede het tijdperk aangebroken der stijgende hevigheid van den kerkdijken oorlog, die in den rusttijd van de krijgsbedrijven Nederland heeft geteisterd. Deze wapenschorsing tegen den zin van de meeste Calvinisten was ook het begin eener verwijdering tusschen prins Mauriïs en \'s lands advocaat, een omstandigheid met zeer bedenkelijke gevolgen. Arminius, een teringlijder, kwam van de laatste ontmoeting met zijn tegenpartij ziek te huis. Den li) October van datzelfde jaar verliet hij na een smartelijk ziekbed het vijandige loven, „door de meesten, die hom keilden, niet genoog gewaardeerd en door hen, die hem niet in waarde hielden, nooit rceht gekendquot;.
Dr. Reitsma , Kevkgesch. 12
178
De Goudsche catechismus kwam uit onder den titel Corte ondeTioysinghc dev kinderen ifi de Chftstelycke religie. Het was een kleine handleiding bij het godsdienstonderwijs in 45 vragen en antwoorden. In plaats van de Heidelbergsche termen werden alleen bijbelwoorden gebezigd. Het boekje is vooral verketterd, niet om hetgeen er in stond, maar om hetgeen er achter gezocht werd. Van orthodoxe zijde weerde zich in dezen pennestrijd inzonderheid Donteclock, wiens uitvallen tegen Arminius weer bestreden werden door Corvinus van Leiden e. a. Rogge, Wttenbogaert, I, 267—269 en over beide debatten p. 357 vlg., 376 vlg.; van der Tuuk , Bogerman, p. 90—93. Uitvoerig wordt dit ook behandeld door Uvtenbogaert, Kerckl. Hist., Ill, 168—204. Bij de tweede conferentie waren ook acht predikanten aanwezig, vier van weerskanten, die mede aan de debatten hebben deelgenomen.
bibliothkk ned. hs^v. kerk f
vervolg. remonstranten en oontra-remonstranten.
Ph. X Limborch, Historia vitae S. Episcopii, 1701 (vertaling van de Holl. Icvensbeschr. 1693).
C. Brandt (tweede deel door A. van Cattenburgh) , Historie van liet leven des heeren Huig de Groot, 2 dln., fol. 1727.
Schriftelicke conferentie gehouden in \'s Oravenhaghe in 1611 tusschen sommig he kereken-dienaren, 4°, 1612.
Praefatio ad reformntos Christi ecclesias, vóór de uitgave der Acta syn. nat. Dordr.
Brieven van versch. vermaerdc en gel. mannen, 1662.
J. Tideman , De Rem ons tr. en het Remonstrantisme, 1851.
J. Borsius, Onuitg. akten der vergad. van (SereJorm. predd. in 1616, met aant., 1843.
H. C. Rogge, Het beroep van Vorstius tot hoogl. te Leiden, in de Gids, 1873.
C. M. van der Kemp, De eere der Ned. Herv. kerk gehandh. tegen IJpey en Derrnout, 3 dln., 1830, 1833.
J. Lothrop Motley, The life and death of John of Barneveld, 2 dln., 1874.
Groen van Pkinsteker, Maurice el Bar nevelt, 1875.
B. Glasilih, Geschied, der nation, synode etc., I, 1860.
§ 150. Den 14 Januari 1610 werd in stilte onder leiding van den hofprediker de bijeenkomst gehouden van een veertigtal mannen, meest predikanten, die als voorstanders van een herziening der formulieren maatregelen wensehten te bespreken om zich zelf en hun geestverwanten te verdedigen tegen den dreigend toenemenden con-lessioneelen dwang. De plaats werd geheim gehouden, doch is vrij zeker Gouda. Zij kwamen tot het besluit zich tot de E. M. van Holland te wenden met een „Remonstrantiequot;, waarin zij de geloof-stollingen hunner tegenstanders als strijdig met Gods woord weerlegden. Met de bedoeling om de valsehe geruchten over hun leer en
180
heimelijke oogmerken, zelfs hij buitenlandsche geleerden uitgestrooid, te ontzenuwen voegden zij daarbij hun eigene geloofsbelijdenis omtrent de leer der voorbeschikking in de vijf voortaan zoo veelbesprokene artikelen. Naar dit vertoog kregen de Arminianen vervolgens den naam Remonstranten. Oldenbarnevelt achtte het .raadzaam de acte dezer vergadering niet terstond maar eerst in Mei aan de Staten voor te leggen, zoodat de vijf artikelen niet voor Augustus der tegenpartij onder oogen zijn gekomen. Deze zetten zich danrna aan het werk, stelden hun „Contraremonstrantiequot; en zonden dit stuk in Maart 1(511 aan de regeering. In dit tegenbetoog, vrij zeker het werk van Hommius, was hun gevoelen ten aanzien van de betwiste punten samengevat in zeven artikelen. De partijnamen waren nu aangewezen, beide groepen schaarden zich voor hun belang in het gelid, de krijgsleus ging van mond tot mond en woldra waren de verwoede strijders over de geheele linie slaags.
Gomarus, die reeds met Corvinus, predikant te Leiden, in een pennestrijd was gewikkeld, achtte zich geroepen in „Bedenkingen op de lijkoratiequot; over Arminius, door Bertiusjr. uitgesproken, zijn ontstemd gemoed lucht te geven. Ook Adriaan Smout, sedert 1604 als emeritus te Rotterdam gevestigd, verwekte hevige tegenspraak door allerlei geschriften, ten bewijze dat hij en de zijnen in het godgeleerde geschil gelijk hadden. Baudart schudde door een overal gelezen, hevig blauwboekje Morghenwecker zijn tijdge-nooten wakker. Bovendien stonden leerlingen van Arminius onder het examen en bij beroepingen bloot aan de tegenwerking van rechtzinnige classes.
Deze en andere teekenen des tijds bewogen de vrienden van Arminius bedacht te zijn op verdediging van hun personen en gemeenten. De Remonstrantie is door Wïïenbogaert opgesteld, zie Leven, kerek. bedien, ende verantw., p. 78; Sepp, Godgel. onderw., I, 233; Tideman, Remonstrantie, p. 27 vlg. De vijf artikelen waren ontleend aan de verklaring van Arminius voor de Staten na het eerste gesprek. In de Remonstrantie verzochten zij het bijeenroepen van een synode „onder autoriteit, praesidentie beleid, medeoordeel ende moderatiequot; van \'s lands overheid tot beslissing van de kerkelijke verdeeldheden, doch daaraan kon toen geen gevolg gegeven worden.
De Contraremonstrantie werd geboren op een partijvergadering en ingediend als resultaat van de Haagsche conferentie, waarover in § 155. Beide Remonstrantie en Contraremonstrantie zijn opgenomen in de Schriftel. Conferentie, p. 1—10 , 13—-29. Zie verder Rogge, Wttenbogaert, II, 6—26; Glasius, Gesch. der nat. syn., 1, 169 vlg. Het vijfde artikel was eerst nog onbeslist gelaten, maar 1611 verklaarden de Remonstranten als hun meening, „dat
181
/.ij, die gelüoven , door eigene schnld van Goil kannen afwijken en eindelijk het geloof geheel verliezenquot;, Schriftel. conferentie in \'s Graven/i., p. 425 en daaruit bij Brandt, //is/, der Ref., II, 128.
Sj 151. Meer dan ooit trad toen hot dogmatisch vraagstuk op den voorgrond. Nadat do partijen hun moening duidelijk golbrmuleerd en Imu bedoelingen kenbaar gemaakt hadden, werd „cene worsteling van de vrije overtuiging tegen het confessionalismequot; onmiskenbaar. l)(i Remonstranten werden Ijoscluildigd, dat zij het op de hecrschnppij in de kerk toelegden. Zij gaven daartoe aanleiding door zich voor hun zelfbohcud, nl. do handhaving van bun godsdienstige richting, in staat van tegenweer te stellen. De tegenpartij kon op haar standpunt geen andere meening in de kerk dulden en beoogde den ondergang van elke andere. Dit tijdstip was echter voor hun wensehen niet zeer gunstig, want de mannen aan \'t hoofd van den staat wilden tot eiken prijs de kerkelijke eenheid bewaren en het wettige politieke gezag handhaven. Daarom werd van nu af nan, waar de gewestelijke en plaatselijke overheid zoo gezind was, menige krasse maatregel noodzakelijk geacht, die het aantal der daardoor gekrenkten onrustbarend deed toenemen.
De door zoovelcn belaagde minderheid kon rekenen op den machtigen steun van 01 ,denbarnevklt en zijn aanhang. Dit bleek vooral in Alkmaar. Daar broeide sedert gcruimen tijd iets tussehen twee predikanten, den zeer bekwamen maar luidruchtigcn Venator, een geavanceerd Arminiaan en van Hille, een evenmin zachtmoedig tegenstander. Dit geschil veroorzaakte een volledige kerkelijke opschudding sedert 1608, toen de classis in haar geloofsijver op den inval kwam een zeer verbindend formulier tot onderteekening van Catechismus en Confessie in te voeren. Hot oogmerk van dit berucht besluit was cenige predikanten te kunnen aantasten. Blijkbaar was deze maatregel een protest tegen de clausule tot revisie. Venator, die in plaats daarvan voorstelde den bijbel te onderteekenen, was de man, op wien van Hif.t.k en zijn aanhang bet inzonderheid hadden begrepen. Doch de vroedschap handhaafde hem in zijn bediening. Toen de Staten na gedaan onderzoek de classis gelastten alle geschorste leeraars weder vrij te stollen, werd dit kortweg geweigerd. Dit ernstige conflict van kerk en staat had onder meer ten gevolge, dat de EdelMogenden geen verlof tot het houden van synoden wilden geven. Wel bracht oen oproer op den laatsten dag van 1609 de partij van HilIjEnius weer voor korten tijd te Alkmaar op het kussen, maar reeds in Februari werd op last van den prins en de Staten een andere magistraat aangesteld en, omdat het rumoer toen nog niet
182
bedaarde, van Hillb afgezet. Toen ontstond daar ten gevolge van zijn prediken de eerste kerk van doleerenden, die door den steun van de classis in wezen bleef, ook toen hij in het voorjaar van 1612 een beroep naar Groningen aannam.
Corn klis van Hille (Hillenius), 1568 te Norwich geboren, een zoon van den schrijver van den Cleencn Sieckentroost, die in de liturgische geschriften opgenomen is, was in 1596 van Mille-gaarsberg daar beroepen, Glasius, Biogr Woordenb., II, 102. In het volgende jaar kwam zijn antagonist AnoLF Venator (deJager) , een talentvol redenaar, niet zonder verwaandheid, die veel ergernis heeft verwekt. Reeds in 1602 was de partijschap vrij hevig. Zijn naar toenmalige opvatting al te luchthartige levensmanier bezorgde hem toen vooreerst een schorsing: de zaak werd echter in 1604 nog tloor tusschenkomst van den magistraat bijgelegd, doch slechts om na vier jaren rust en stil beraad met wijdere strekking op nieuw te worden aangevat. Toen was de kerkelijke oorlog daar voor goed ontbrand. Een dergenen, die ook door dat besluit getroffen werden, was de jonge predikant Willem I.oman van Haringbuizen. Hij werd door den heer van Schagen, die hem beroepen had, gesteund en wendde zich met de anderen tot de Staten om recht te krijgen tegenover de classis. De Amsterdamsche predikanten vooral Plan-cius hebben gedaan, wat zij konden, om de classis in haar voornemen te stijven. Zie over dit alles Rogge, Wtlenbogacrt, I, 315—332, II , 58—66; Glasius, Biogr. Woordenb., III, 486-— 489. In 1611 werd een Historisch ver had der kerek. ende po lit. swaericheden binnen A/cm a er uitgegeven. Venator, een der woe-ligsten onder de Remonstranten, maakte het later zoo, dat hij zich in 1617 een straf van de Staten op den bals haalde. Hij week uit het land en stierf 1619 op Franschen bodem.
Een dergelijke, doch minder opzienbarende botsing had omstreeks 1610 plaats in de classis van Buren, die eveneens zulk een verklaring om de dwaalleer van Arminius te keeren invoerde. Op hooger gezag werd dit besluit ter wille van de daardoor bezwaarde predikanten vernietigd. Brandt, Hist, der He/., H, 124, 1:25.
§ 152. Terzelfder tijd was de spanning, waarin de gemoederen verkeerden, tot een algemoenc uitbarsting gekomen. Aanleiding daartoe was de benoeming van een opvolger van Arminius. In Februari 1(510 bad Wttenbogaert zijn „Traetaat over het ambt en gezag der overheidquot; de wereld ingezonden. Word deze goed geschrevene eersteling van zijn talrijke brochures reeds met ondubbelzinnige teekenon van afkeuring door de tegenpartij begroet, nog meer bedierf hij het door zijn bemoeiingen ter zake van het professoraat te Leidon. Het was te voorzien, dat deze teedere aangelegenheid hevige verbittering zou
18!}
wekken, wanneer die keuze nu niet uitgebracht werd op een onverdacht rechtzinnigen kampvechter. De benoeming van den Steinforter hoogleeraar Conradus Vobstius scheen niet alleen om zijn geleerdheid maar vooral om zijn gematigde denkwijze aanbevelenswaardig. Toch stak er vooral uit Friesland over het gansche land een ware storm van afkeer op tegen den benoemde, de curatoren en de Hollandsche Staten. De/e gebeurtenis bood tevens goede gelegenheid tot een alge-meenen aanval op de bewindslieden in Holland, die de Arminianen beschermden en in het gemeenebest den boventoon voerden. De fjeeuwarder predikanten en prof. Lubbkrtus gaven het sein tot een hatelijke bestrijding van den ongelukkigen geleerde, wicn allerlei tmoode dwaalleeringen aangewreven werden en die met de grofste onbillijkheid reeds gewogen en te licht bevonden was, zelfs voordat hij nog een woord ter verdediging gesproken had. Een zwerm van boosaardige blauwboekjes werd als pijlen uit dat kamp afgeschoten en met gelijke hevigheid beantwoord. Toen behalve vele anderen ook koning Jacobus van Engeland, in eigene schatting een bevoegd beoordeelaar van godgeleerde vraagstukken, zich in het geschil mengde, moest Vorstius voorloopig de aanvaarding zijner betrekking uitstellen. Door de Staten werd hem Gouda, dat broeinest der ketterijen, als verblijf aangewezen onder \'t genot van het toegezegde inkomen, terwijl hij zich daar inmiddels onledig kon houden met weerlegging van het heirleger zijner vijanden. Al dat schrijven heeft hem evenwel niets gebaat, omdat het niemand gunstiger stemde, zijn zaak veeleer verergerde en zijn leven vergalde.
Intusschen had Gomarus zijn betrekking wegens onaangenaamheden met de curatoren reeds neergelegd. In 1612 moesten dus nog twee hoogleeraren benoemd worden: de gematigde Calvinist Johannes Polyander van Dordrecht en de Remonstrant Simon Episcopius , toen predikant te Bleiswijk. Hierover is nagenoeg niets voorgevallen. Vredig en zonder verzet aanvaardden deze geleerden naast elkander hun gewichtige taak, terwijl het tumult over hun rampzaligen ambtgenoot int woedde in een ontlading van de vinnigste schotschriften.
Het „Tractaetquot; van Wttknbogaf.rt stond in nauw verband met de kort daarop volgende Remonstrantie, zoodat het daarin verdedigde standpunt door sommigen ,,het zesde artikel der Remonstrantenquot; genoemd werd. Hij bepleitte met veel talent het recht der overheid om het oppergezag uit te oefenen over de belangen der uiterlijke godsvereering, de kerkorde en de kerkelijke personen. De tegenpartij liet niet na den hofprediker te betichten, dat hij dit werk gesteld had om de regeering te vleien.
Vorstius, geboren te Keulen 1569, was sedert 1596 hoogleeraar aan de pas opgerichte illustre school te Steinfort. De eerste onaan-
184
genaamhcid, die liem wedervoer, was een adres van Leidsche studenten aan de Staten tegen een hoogleeraar, „die vol stack van ketterijenquot; en een vijandige ontmoeting te Amsterdam met den ij veraar Plancius, die zich reeds door tie theol. faculteit van Heidelberg op de hoogte had laten stellen, beide in October 1610, Trigland, Kerkgesch., p. 605, 606; Brandt, Hist, der lief., II, 146, 147. In Friesland werd te Franeker de onrust gaande gemaakt door de uitgave van een studentengeschrift met eenige verdachte stellingen, die aanleiding boden om de klad van Socini-aansche ketterij op Vorstius te werpen: door het aandeel van de predikanten van Leeuwarden en anderen kreeg de zaak op eens een dreigende wending. Zie over dezen strijd Rogge, Het beroep van Vorstiiis in de Gids, 1873, II; Wttenbogaert, II, 47 vlg., 106 vlg.; Sepp, Godgel. onderw., 1, 181—214; Diest Lorgionsr., De Ned. Jlerv. kerk in Friesland, p. 42—54; mijn Honderd jaren, p. 342—362; van der Tuuk, Bogerman, p. 98 vlg.
Deze twisten schijnen de oprichting der Groninger academie, die reeds in 1595 ter sprake kwam en sedert 1612 in de Statenvergadering voorbereid werd, in 1614 verhaast te hebben. In allen gevalle werd onbesprokene rechtzinnigheid als maatstaf aangenomen voor het professoraat in de theologie. Want de eerste godgeleerde Mermannus Ravensperger kwam van Steinfort, wel de opvolger maar een bekend tegenstander van Vorstius. Reeds in Februari 1615 werd besloten, dat men Gomarus „sall beroepen ende sien te becoemenquot;. Jonckbloet, Ge den kb. der hoogesch. te Groningen, p. 26—40; Brucherus, Gedenkb. van Stad en Lande, p. 263, Gesch. der kerkherv. in Gr on., p. 329; Sepp, Godgel. onder w., I, 163—167; Ror.ge, Wttenbogaert, II, 124.
Kpiscopius, zoon van Egbert Remmerts Bisschop, geboren te Amsterdam 1583, had te Leiden onder Arminius, te Franeker onder Drusitjs gestudeerd, mijn Honderd jaren, p. 226, 227, was sedert 1610 te Bleiswijk predikant. De studenten te Leiden deden tusschen hen beiden een keus bij het volgen der lessen. Polv-ander heeft in een brochure getracht te bewijzen, dat zijn collega niet vrij was van Socinianisme, een vooral sedert de proeve net Vorstius zeer gewoon middel van verdachtmaking. Sepp, Godgel. onderw., I, 218—237; Rogge, Wttenbogaert, II, 154—164; Bayle, Diet. hist, et crit., II, 1053—1057; J. Tideman, De Remonstrantie en de Remonstr. broederschap, p. 15 vlg.; Siegen-heek, Geseh. der Leidsche hoogesch. I, 104 vlg., II, 100 vlg. en passim.
Simonis Lipiscopii opera theologica zijn in twee zware folianten uitgegeven, 1650, 1665.
153. In Utrecht, waar zooveel beroerten hadden plaats gehad,
185
kwam eindelijk rust. De kerkelijke beweging werd hesloten met het opstellen eencr kerkorde op de leest van het concept 1591 en de erkenning daarvan door een provinciale synode in de laatste dagen van Augustus 1612. Wtïenbooaert , die op verzoek der regeoring overgekomen was om deze oplossing tot stand te brengen, had een eereplaats bij die vergadering, waar werkelijk „de verdraagzaamheid tusschen beide partijen door een wet van staat en kerk werd vastgesteldquot;. De Remonstranten hadden hier onder do predikanten en overlieden de meerderheid. De opstellers eerbiedigden derhalve vrije overtuiging in zake van do leer. Zelfs de Utrechtsche Contraremonstranten maakten geen bezwaar om de verklaring van eenigheid te teekenen, want daarbij werd de strengere opvatting van bet dogma aan ieders overtuiging overgelaten. Alleen do Calvinist van Dongen bloei onverzoenlijk en moest om zijn verzet tegen do Staten en pogingen tot scheuring verwijderd worden.
Geheel anders handelden in dezen tijd do synoden van Groningen en Gelderland, waar vastgesteld werd, dat allo predikanten een formulier moesten onderteekenen ter verklaring, dat zij alleen do leer in do belijdenisschriften als do ware erkenden on nooit anders zouden prceken. In Gelderland evenwel, waar ook do kerkdijken met goedvinden der Staten doch zonder gevolg beproefden om to Harderwijk een nationale synode te doen vergaderen, kregen de Remonstranten toen vooral in Nijmegen en de Betuwe meer voorstanders.
Ook in Overijsel, inzonderheid te Deventer en Kampen, nam hot getal der Arminianen toe en weldra volgden do Staten, met uitzondering van enkele kleinere steden, het voorbeeld en bet beleid der Holland-sche regeoring.
Het laatste oproer om in Utrecbt een ommekeer te weeg te brengen had plaats in 1610. In de synode van 28 Augustus 1612 waren acht en veertig predikanten van het Sticht onder voorzitting van Speenhoven, scriba Johannes Taurinus, vergaderd. Slechts zes hunner hadden eenige bedenking tegen de artikelen over de predestinatie, doch zij werden spoedig bevredigd. De/ synode werd ook door een aantal politieken uit den stedelijken raad en de ridderschap bijgewoond.
De bovenvermelde bepaling werd gemaakt door de synode van Stad en Lande in 1613, te Harderwijk in 1612. In Zeeland, waar bijna geen Arminianen waren, had de synode van Veere in Mei 1610 reeds een dergelijk besluit tegen den zin zelfs van rechtzinni-gen doorgedreven en in uitoefening gesteld.
Van Dongen was even te voren van Jutfaas naar Utrecht beroepen. Hij werd daarna predikant te Zaandam en keerde in 1619 naar het Sticht terug.
186
Zie over al deze dingen Rogge, Wtlenbogaert, II, f22—153; ook voor Friesland mijn Honderd jaren, p. 338 vlg.
§ 154. De omstandigheden brachten mede, dat aan Holland de grootste moeielijkheden worden beschoren. Nergens steeg de kerkelijke opschudding tot zulk peil. Po gedragslijn, die de politieken volgden, prikkelde de heete gemoederen tot weerspannigheid. In de classis Alkmaar was in verband met den twist tusschen Venator en Hillenius een scheuring ontstaan, zoodat de predikanten afzonderlijke classikale vergaderingen hielden, waardoor do verwarring en de tweedracht steeds nieuw voedsel ontvingen. Tevens kwam Rotterdam aan de beurt. Daar lagen al sinds geruimen tijd Geselius en de strijdlustige Remonstrant Nicolaus Gkevinchoven met elkander overhoop. Er waren wel door hun ambtgenooten en den raad pogingen tot verzoening gedaan, maar het vuur werd telkens weer aangeblazen. De onrustige demagoog Smout en zijn aanhang roerden de tong op conventikels van het rechtzinnige volk. Onder dit alles bleek Gesel geenszins genegen om zijn taal in te toornen. Toen bij van geen onderhandelingen wilde weten, nam do vroedschap in October 1611 het noodlottige besluit om hem af te zetten. Doelt daarmede werd de verwachte rust niet verkregen, Want hij ging volijverig voort met in de „kruiskerkquot; voor zijn talrijke aanhangers te preeken. Omdat hij ook weigerde dit na te laten, werd hij in Februari buiten de stad geleid. De Staten stelden hem op zijn beklag in bet ongelijk, maar lieten hem zijn inkomen behouden, totdat hij in Edam beroepen werd, waar bij al spoedig gestorven is. Eveneens werd ook Smout wegens de uitgave van ccn pamflet verbannen naar \'s Gravezande. Het houden van heimelijke samenkomsten word op zware boeten verboden, maar de reebtzinnigen trokken naar plaateen zooals Delftshaven en Schiedam, waar de zuivere leer verkondigd werd. Dit alles stijfde de „Slijkgeuzenquot;, zooals de doleerenden te Rotterdam genoemd werden, in een verzet tot het uiterste.
Cornelis Simons Gesel, te Dordrecht geboren omstreeks 1585, werd uit Strijen in 1605 naar Rotterdam beroepen bij de Waalsche gemeente, belast met enkele diensten bij de Hervormden. De oude Caspar Grevinchoven, vroeger ook den naam Swerinchuvsen voerende, gematigd rechtzinnig, stierf in 1606 en daarna kwam Nicolaus, sedert 1601 ambtgenoot van zijn vader,- openlijk uit voor zijn Arminiaansche gevoelens. Ook dc andere predikanten, onder welke de beide Lansbergens, vader en zoon, gingen denzelfden weg O]). Dit veroorzaakte een opschudding, die bedenkelijk werd, toen Gesel en Smout zich aan het hoofd van de tegenpartij plaatsten, zie Rogge, Wtlenbogaert, II, 171 — 181; Trigland,
187
Kcrck. Gesch., p. firj vlg,; Uytknrooakrt , Kerch. Hist., IV, 41, 43—49. Gesel schreef een Proefken van de schadelycke geschillen, gevolgd door zijn Corie Waerachtighe onderrichtinge en andere geschriften. Hij is als lijdend sladnoffer van het „ruw geweld der libertijnsche magistratenquot; voorgesteld door Geesink, Calvin, in Holland, p. 145—185. In allen gevalle bleek hij iemand te zijn, die tot geen bemiddeling en matiging was te bewegen. Zie ook Glasius, Biogr. Woordenb. in voce en Gesch. der nation, syn., I, 203 vlg. De doleerende gemeente te Rotterdam kreeg wel een kerkeraad, doch in de dienst werd voorzien door rechtzinnige leeraars van buiten. Sedert het beroep van Episcopujs te Bleiswijk was er ook in de classis Schieland een scheuring ontstaan en hielden de protesteerende gemeenten afzonderlijke vergaderingen. Zie over deze gevolgen van de „aggressieve politiek der libertijnsche partijquot; Nader, Calv. of lib., p. 53 vlg. In Alkmaar en Rotterdam heeft de vroedschap het meest doorgetast.
§ 155. Elko inaatregel van het publiek gezag om den partijstrijd te beperken of te matigen goot olie in het vuur. Want daardoor werd uit den aard der zaak een loervrijheid beschermd, die de tegenpartij misgunde of geneigd was als een heimelijke bevordering der goddeloosheid te brandmerken. Dit was het geval met de beruchte resolutie der Hollandsebe Staten in den zomer van 1610, dat het leerstellige gedeelte van het proponentsexamen niet verder mocht gaan dan tot de vijf artikelen der Remonstrantie en dat het moest afgenomen worden in liet bijzijn van twee afgevaardigden der Staten. Ook hadden de heeren toegang tot do elassikale vergaderingen, als er een predikantsberoep aan de orde was. \'t Was waarlijk niet te verwonderen, dat dit den toorn van alle rechtzinnigen wekte. Zij drongen aan op schorsing van zulke hatelijke bepalingen. Om het ongenoegen daarover weg te nemen besloot Oldenrarnevelt tot het houden van een kerkelijke vergadering op kleine schaal. Plancius en Wttenbogaert mochten elk eenige bekwame godgeleerden, zes van weerskanten, aanwijzen om met elkander een formule van overeenstemming te zoeken of den staat van het geschil op te maken. Deze conferentie, den 11 Maart 1611 te \'s Gravenhage geopend, hield tal van zittingen en duurde met eenige tusschenpoozen tot aan den 20 Mei. De Contraremonstranten drongen weer op een algemeene synode aan om daar te laten beslissen, dat de vijf artikelen in strijd waren met Gods woord, de Belijdenis en den Catechismus, gelijk zij aantoonden. Wttenbogaert en de zijnen verdedigden met kracht liet tegendeel. Geen van beide gaf zich gewonnen, zij waren aan elkander gewaagd. De gevoerde debatten leidden tot do overtuiging.
188
«lat de godgeleerden van heide richtingen liet nooit eens zouden worden. Zij brachten him meeuing over den staat van geschil in geschrifte, maar do klove was verwijd en werd niet weggenomen door het hevel dor EdelMogenden, waarbij zij vrede cn wederzijdsche verdraagzaamheid gelastten.
Dc resolutie der Staten omtrent liet examen in de dogmatiek werd 25 Juni 1610 genomen, 22 Augustus en ook nog in December 1611 hernieuwd.
T)e acten der Haagsche samenspreking zijn in 1612 op last der Ilollandsche Staten gedrukt onder den titel Schriftelicke Conferentie gehouden in \'s Gravenhage tusschen sommige kereken-dienaren. Niet Corvinus van Leiden maar Wttenbogaert heeft de uitgave bezorgd. Deze kwartijn bevat de over en weer ingeleverde opstellen ter verdediging of bestrijding van de vijf artikelen, de verklaring voor de Staten en adviezen van weerskanten. Wttkn-bogaert e. s. betitelen daarin de tegenpartij steeds „broederen Contraremonstrantenquot;, een beleefdheid, die van de andere zijde niet beantwoord werd. De Remonstrantsche deelnemers waren door Wttenhogaert persoonlijk uitgenoodigd. Maar hun tegenstanders wenschten op de afvaardiging hunner mannen een kerkelijk cachet te drukken door in Februari te Amsterdam een vergadering van afge-. vaardigden uit de classes bijeen te roepen geheel in den vorm van een provinciale synode: daar werden de zes rechtzinnigen gekozen. De Staten wilden van hun geloofsbrieven echter niets weten, omdat die kerkvergadering geen officieel karakter had. Op hun samenkomst werd tevens de bekende Contraremonstrantie gesteld, die dus tijdens de conferentie publiek werd. Rogge, Wttenbogaert, II, 70—88, 91—t03. Uytenbogaert, Kerch. Hist., IV, 15 vlg. Baudart, Memorien, 39—52. Zie ook Trigland en Brandt.
§ 156. Nog eenmaal werd een proeve genomen om in dc moer dan Babylonische spraakverwarring een toenadering en daardoor een bestand tusschen dc twistenden te bewerken. Dit is geschied op aandrang van don Frieschen stadhouder, graaf Willem Lodewijk van Nassau,-die ter wille van den vrede wel tot eenigc concessie genegen was. De hoofden van heide partijen Hommius en Wttenbogaert zouden elk met twee medestanders samenkomen om over een accoord te handelen. Oogenschijnlijk met de beste bedoelingen kwamen zij in Februari 1613 gedurende twee dagen te Delft hijeen. Doch ook daar bleek het, dat verzoening onmogelijk was. Hommius en zijn beide vrienden vergden instemming met een aantal door hen gestelde artikelen, wnarop elke verdere onderhandeling afstuitte. Daarna zijn dergelijke conferenties niet meer gehouden.
189
De afspraak luidde en de Staten verlangden, dat het verhandelde stil gehouden zou worden. Toch werd de zaak door de Contraremonstranten publiek gemaakt. Afschriften van de besprokene artikelen werden terstond verspreid en daarop verscheen in druk de Schrifteiicke conferentie ghehouden lot Delft den 26 en 27 Febr. 1613 tusschen ses kereken-dienaeren etc., Delft 1613. Dit gaf weer overvloedig stof voor boosaardige pennen. Hommius adviseerde ten slotte de Staten, die toen op een tolerantie-edict bedacht waren, dat de Remonstranten slechts geduld mochten worden, wanneer zij zonder voorbehoud de formulieren van eenig-heid wilden erkennen. Rogge, Wttenbogaert, II, 182 vlg.
§ 157. Zoo weerstonden de Contraremonstranten elke poging om een verdrag op gelijke voorwaarden te sluiten. In liet gevoel van hun getalsterkte vestigden zij, terwijl intusschen ook de bezorgdheid voor een revisie bedaarde, alle hoop op een beslissing langs zaiver kerkelijken weg. Sedert 1611 begonnen zij met toenemende kracht weer aan te dringen op het bijeenroepen eener algemeene synode, doch zonder beperkende bij bepalingen. De beweging ging uit van de „synodale kerkquot;, d. i. Amsterdam, waar toen nagenoeg de geheele stedelijke raad op hun hand was door middel van de verkiezingen, waarop de geloovigen geen geringen invloed oefenden. Zij arbeidden aan dit plan vooreerst nog zonder veel kans van slagen, want hun ijver bracht bij de tegenpartij in kerk en staat veeleer een reactie te weeg. In de vergadering der Hoog Mogenden, die consent tot het houden der synode moesten geven, stuitte in Maart 1613 en later do aanvrage, hoe zorgvuldig ook op partij vergaderingen voorbereid, at op de bepaalde weigering van Oldenbarnevelt en de Hollandsche en Utrechtsche leden, hoewel prins Maurits en zijn neef, de Friesche stadhouder, daarvoor gewonnen waren.
Omdat door hot verwoede twistgeschrijf en door de kerkelijke beroerten in vele plaatsen de verwarring steeds grooter werd, nadat alle meer vredige voorstellen smadelijk afgewezen waren, achtte Olden-barnevelt een regeling van het politiek gezag, dat zoovele schokken bad te verduren, noodzakelijk. Nauwkeurig moest bij de wet omschreven worden, welke grenzen beide partijen niet mochten overschrijden. Hij wist te bewerken, dat koning Jacobus, die er op gesteld was als „beschermer van liet Protestantismequot; op te treden, in een brief aan de Staten Maart 1613 aandrong op het uitvaardigen van een edict van tolerantie, waarmede do regeering aan de onverzoen-iijken althans het zwijgen kon gelasten. Groot was in het kamp der Contraremonstranten de ontsteltenis en toorn over deze onverwachte hulp. Doch de anderen, vooral Hugo de Groot en Wttenbogaert
190
ijverden daarvoor met alle kracht. In het voorjaar 1614 werd door de Statenvergadering aangenomen de „Resolutie tot den vrede der kerekenquot;, waarin den predikanten opgelegd werd zich alleen aan Gods woord te houden en de betwiste, diepzinnige leerstukken niet op den kansel te brengen. Wttenbooaert stelde een lijvige „Verdediginghquot;, waartegen Triglanü, sedert een paar jaren predikant in het weerbarstige Amsterdam, dadelijk de pen opvatte. Ook Taukinus en anderen zonden vinnige geschriften over „de onderlinghe verdraagsaemheytquot; de twistgierige wereld in. Deze resolutie wees zeer zeker den eenigen weg aan om de hatelijkheden te doen ophouden, de vredelievenden juichten haar toe, maar zij kwam op een zeer ongelegen tijdstip. T)e gemoederen waren daartegen zoo sterk gekant, dat zij nog meer versterkt werden in liet voornemen om pal to staan en voor niets te wijkeu.
De Kngelsche vorst werd tot het afzenden van dien brief overgehaald buiten weten van zijn gezant Winwood, die anders den geheelen toeleg zou hebben bedorven. Wïtenbogaert had vooraf in overleg met Olpenbarnevelt alle stukken, die men den koning zou voorleggen en ook zelfs den brief gereed gemaakt. Hugo de Groot, „bijna even grondig theoloog als geoefend rechtsgeleerdequot;, kreeg een zending naar Engeland met de geheime opdracht om den koning in de rechte stemming te houden, zoodat deze over het ontworpen tolerantie-edict zijn hooge goedkeuring te kennen gaf. Omdat hij daarin de meeningen van Remonstranten en Contraremonstranten beide voor rechtzinnig verklaarde, verschafte dit aan \'s lands advocaat een gewichtigen steun voor zijn kerkelijke politiek. Rogge, Wïtenbogaert, II, 202—228. Toen de resolutie verschenen was, beproefden de Remonstranten in de classis Rotterdam een beweging in \'t leven te roepen om zich daaraan te onderwerpen. Ook anderen teekenden deze verbindtenis. Het was dadelijk een bedenkelijke zaak, dat de machtige koopstad aan den Ystroom, waar de meerderheid van den raad de predikanten steunde, zich daartegen verklaarde. Hier vormde zich het middelpunt van den tegenstand.
Jacobus Trigland, geboren Januari 1583 te Vianen, had wel gestudeerd in het Katholieke Leuven, maar ging reeds jong tol de Hervormde kerk over en was van 1607 tot 1610 predikant te Stolkwijk. Toen werd hij beroepen te Amsterdam, waar hij thans met jeugdig vuur en van heeler harte de Hollandsche staten en de voorstanders van hun politiek bestreed, van der Tuuk , Boger-tnan, p. 145; Rogge, Wttenbogaert, II, 220 vlg.; Glasius, Biogr. Woordenb., III, 441—446.
Het was wel een ongeschikte tijd. Want terwijl de staatslieden in Holland deze tactiek volgden om het bijeenroepen eener synode
191
te keeren en tevens door hun gezag de partijen te bewegen tot een scheiding in der minne, waren de hartstochten in volle beroering over vele andere quaesties o. a. ook nog steeds over de zaak van Vorstius. Hugo de Groot, geboren in 1583 te Delft, werd toen na reeds gedurende eenige jaren advocaat-fiscaal geweest te zijn pensionaris van Rotterdam, met groot talent medewerker van Oldenbarnevelt en Wttenbogakkt. Tegenover de aanvallen van prof. Lubbertus verdedigde hij in dezen tijd de godsdienstigheid der Staten van Holland. Zie behalve C. Brandt, ook de Levensbeschr. van Ned. mannen en vrouwen, II, 1—50; Rogge, Witenbogaert, II, 204 vlg. en passim; vanderTuuk, Jiogerman, p. 109 vlg.
§ 158. De bewindhebbers in Holland wilden met kracht do orde bandhaven, heethoofden, die verzet predikten en onrust zaaiden, de roede van het publiek gezag doen gevoelen en voorkomen, dat do eene partij de andere verdrukte. De omstandigheden brachten echter te weeg, dat dit streven altoos miskend werd, omdat het aan al hun maatregelen den schijn gaf, alsof zij met geweld het Arminianismc wilden invoeren. Wat in Utrecht gelukt was, ontmoette in Holland haast onoverkomelijke bezwaren. Doch Oldenbarnevelt zette door. Op zijn aandrang werd door de Staten bij resolutie van 22 December 1615 de steun van den sterken arm toegezegd aan de overheid van elke plaats, die bereid was het besluit ten aanzien van de tolerantie en de provisionele kerkorde van 1591 te onderhouden. Dit werd door de meesten ,in uitoefening gebracht, maar gaf al weer nieuwe aanleiding totj bedenkelijken tegenstand. In het volgende voorjaar werd een commissie uit de Staten afgezonden om Amsterdam tot onderwerping aan deze verordeningen te bewegen: de raad luisterde naar het welsprekende betoog van Hugo de Groot, maar handelde naar de wenschen van Planoius, Trigland en de andere onverzettelijke hoofden der Hervormde gemeente.
Tolerantie laat zich niet van hoogerhand gebieden en telkens bleek duidelijker, dat het bestaan van tweeërlei richting in één kerk in zulk een tijd onhoudbaar was geworden. Niet door de waarde van hun godsdienstige beginselen, slechts door den steun van de binnenlandsche politiek konden de Remonstranten zich nog handha ven.
Rogge, Witenbogaert, II, 233—242, die ook een overzicht geeft van de merkwaardige rede door Grotius op het raadhuis uitgesproken. Reeds in 1613 was de kerkorde van 1591 weer voor den dag gehaald, doch ook in 1615 kon men het daarmede niet verder brengen dan haar facultatief in te voeren.
Men heeft deze resoluties in partijdigen geest gesteld en grievend
192
voor de tegenstanders genoemd, zelfs een oorlogsverklaring aan liet Calvinisme, van der Tuuk, Bogerman, p. 145; Naber, Calv. of Lib., p. 57. Het is een feit, dat de twisten in de kerk op hooger bevel niet bedaard zijn, integendeel, en het is ook een feit, dat zij, die moderatie noch tolerantie wilden, met onverholen weerzin daarover hebben geoordeeld. Maar niettemin blijft het de vraag, of de toenmalige staatslieden wel anders konden handelen. Onvermijdelijk zullen zij, die onder hevigen twist met eenige kracht optreden om vrede te stichten, zich bloot stellen aan allerlei verkeerde oordeelvellingen. Aan den anderen kant is het ook een feit, dat Oldenbarnevelï noch Wttenbogaert de bedoeling hebben gehad iemand te bemoeielijken alleen om zijn geloof aan de letter der belijdenis. Toen die resoluties echter eenmaal uitgevaardigd waren, werd er de hand aan gehouden. De magistraten bemoeiden zich met de beroepingen in steden en dorpen, belemmerden het houden van Calvinistische conventikelen, bedreigden scheurmakers met geldboeten en uitbanning, schorsten predikanten en begunstigden Arminianen en allen, die gewillig waren om zich aan hun voorschriften te houden. Hartstochtelijk verzetten zich daartegen de Calvinisten en weldra was geheel Holland in rep en roet. De partijen trachtten elkander zooveel mogelijk afbreuk te doen, zie Nader, Calv. of Lib., p. 53—65.,
De resolutie tot verdraagzaamheid wekte „een feilen storm van onverdraagzaamheidquot;. Zij moest de regeering in staat stellen energiek op te treden, toen alle andere pogingen niet baatten. De bedoeling was goed, maar de maatregel had onder den bestaanden toestand juist de omgekeerde uitwerking en prikkelde van weerskanten tot een haat, die wedervergelding van het geledene beraamde en van kwaad tot erger voerde.
§ 159. De verbittering dor partijen steeg ulom in Holland tot het hoogste punt in steden on dorpsgemeenten. Zoo werd de twist van Wttenbogaert niet zijn ambtgenoot Rosaeus, door dezen in 1615 uitgelokt, het begin van een scheuring in de Haagsche gemeente, tocu de Staten hom wegens zijn opruiende taal hot prediken verooden. Bertius jr. moest in l(il4 als regent van het Staten-collegie te Leiden aftreden wegens de noodelooze ergernis, die hij gegeven had door zijn „Hymenaeusquot;, waarin hij betoogde, dat de kinderen Gods wel in duivelskinderen konden veranderen. In Amsterdam werd do Remonstrant Simon Goulart door het Waalsclie consistorie in 1615 wegens polemiek op den kansel geschorst. Een aanklacht tegen de onrechtzinnige predikanten Walksius en Rodigenus te Hoorn deed in 1614 het twistvuur in die streek mot nieuwe woede uitbreken. Do Contraremonstranten werden van Amsterdam uit gesteund in hun verzet
19;]
tegen de Staten on de vroedschap: zij dreven door, dat in deze classis en eveneens in die van Alkmaar tot de vergaderingen slechts leden toegelaten werden, die /.uivor in de leer waren. Ook in Holland was do bestaande spanning op ernstige tweedracht uitgeloopon, toen de magistraat er de statenresolutie in werking stelde. De Slijkgeuzen te Rotterdam konden met alle aanzoeken en voorstellen op het stadhuis niets in hun belang uitwerken; eerst toen het te laat was, werd eenige toegevelijkheid aan de doleerende partij bewezen.
Gelderland en Overijscl volgden in enkele opzichten het voorbeeld van Holland. In Friesland was de regeering gunstig voor de Contraremonstranten gezind. Door dit gewest met zijn bekwamen stadhouder, den vriend van Bogerman, is groote invloed uitgeoefend op het verdere beloop der gebeurtenissen. De kerkelijke partijschap werd gevaarlijker, hoe meer zij zich verplaatste op liet gebied der staatsaan-gelegenheden.
De Calvinisten hielden hun wantrouwen en afkeuring over het beleid van Oldenbarnevelt in zijn buitenlandsche politiek waarlijk niet verborgen. Zij waren dus voor zijn vele tegenstanders gewilde en gewillige bondgenooten, die zich niet onbetuigd lieten en gaarne medewerkten om liet gezag in andore handen te brengen. De vriend van den hofprediker en de Hollandsche Staten stonden hun belangen in den weg. Die macht moest worden bestreden en gebroken.
Zie over de Haagsche onlusten behalve Rogge, ook Uvtf.n-bogaert , Leven, kerckel. bed. en verantw., p. 89 vlg.
In Friesland had de gematigde partij alleen te Leeuwarden zetel in den raad, doch daarin werd door Staten en stadhouder in 1615 tot ongenoegen van Oldenbarnevelt verandering gebracht, mijn Honderd jaren, p. 364, 365; Naber, Calv. of Lib., p. 87, 88.
Petrus Bkrtius was sedert 1606 regent. Hij had al vaak ergernis gegeven: door zijn loftuiting op Arminius, door in 1613 de Amica collatio cum Francisco Junio in \'t licht te geven en door eenige strijdschriften. Zijn I/ymenaeus deserlor sen de sanctorum perseveraniia et apostasia libri duo waren al vroeger verschenen en herdrukt en nu vertaald. Koning Jacobus verklaarde, dat de schrijver den brandstapel verdiend had. Bertius werd als regent vervangen door den geleerden Gerard Vossius. Toen hij dezen post neerlegde, werd hij gewoon hoogleeraar.
Goulart stond sedert 1601 te Amsterdam. Zijn tegenstanders konden het niet verder drijven dan tot schorsing, want in de Waalsche synoden heerschte toen meer gematigdheid van geest: zij wilden met elke beslissing wachten, totdat een algemeene synode over de leer haar oordeel had vastgesteld.
t)r. K kits ma , A\'erkgcsch,
194
§ 160. De Contraremonstranten hielden hun vergaderingen meestal te Amsterdam om voortdurend maatregelen te bespreken tot het verkrijgen der toestemming voor een nationale synode. Maar er moesten nog andere dingen gebeuren, voordat de aandrang der kerkelijken gewicht in de schaal legde. Oldenbarnevelt , bij wien liet besluit vast stond elke aanvrage daartoe af te wijzen, was niet afkeerig van het denkbeeld om „tot conservatie der publieke autoriteitquot; met de gewapende hand nadruk bij te zetten aan do bevelen der regeering. Maar toen de prins dit voorstel verwierp en omdat er op de stedelijke schutterijen niet te rekenen viel, opperde hij in December 1616 het plan om volgens een vroeger dikwijls in praktiek gebrachte gewoonte ten dienste der Staten en overheden waardgelders aan te werven en deze troepen te gebruiken tot bewaring van de rust. Het voornemen reeds veroorzaakte groote ontsteltenis onder de oppositie.
Prins Maurits had zich lang onzijdig gehouden. Doch in dezen tijd begon hij onder den invloed der vertoogen van zijn neef Willem Lodewijk, door zijn misnoegen over Oldenbarnevelt en andere beweegredenen sterker tot de Calvinisten over te hellen. Een ernstige onaangenaamheid met zijn hofprediker, den leider der Remonstranten , gaf den doorslag, zoodat hij de doleerende partij inden Haag steunde en in Juli 1617 openlijk haar partij koos. Te gelijker tijd verklaarden de Contraremonstranten in een hunner geheime „synodenquot; te Amsterdam in een acte van separatie, dat zij hun kerkelijke tegenpartij niet meer als broeders en medeleden zouden beschouwen.
De grenzenlooze verwarring in den lande, die in vele plaatsen tot oproer aanleiding gaf, o. a. te Amsterdam, de overmoed der Contraremonstranten, allerlei onheilspellende geruchten bewogen de Staten den 4 Augustus 1617 tot het uitvaardigen van hun „scherpe resolutiequot;. De steden kregen daarbij vergunning om tot handhaving van haar gezag waardgelders in dienst te nemen. Utrecht en vele Hollandsche magistraten hebben daaraan terstond gevolg gegeven. Deze resolutie en de daaruit voortgevloeide maatregelen waren echter meer een teeken van zwakheid dan van sterkte: zij toonden alleen de vastberadenheid om niets gewonnen te geven. Doch zulke besluiten verhaastten het einde, want meer dan ooit sloot toen de overzijde zich aaneen met geduchte aanstalten tot gehecle omverwerping van een gezag, dat hun hinderlijk was en waarvan het aanzien bedenkelijk begon te dalen.
Ken partijvergadering van dertig Hollandsche predikanten, in den zomer van 1615 te Amsterdam tegen het verbod der Staten gehouden, nam het besluit tot het beleggen van de conferentie van afgevaardigden uit alle provinciën, die aldaar 15 September onder
195
voorzitting van Fontanus van Arnhem geopend werd. Van deze vergadering ging een request uit aan de Staten Generaal om een algemeene synode als het afdoende remedie tegen alle bestaande zwarigheden. Den 26 Juli 1616 had er weer een samenkomst van de steunpilaren der kerkleer plaats tot hetzelfde doel enz. Zie Brandt, Hist, der -Re/., II, 275; Eau dart, Memory en, boek VII, 10, ti; Edema van der Tuuk, Bogermati, p. 146 vlg.; Borsius in Archief voor Kerkgesch., XIV, 197—264 , waar ook de acta der samenkomst in Juli 1616 onder presidium van Plancius, scriba Hillenius, gedrukt zijn.
De „Acte van scheidingquot; werd gemaakt op een vergadering onder voorzitting van Plancius 25 Januari 1617 te Amsterdam. Daar werden ook eenigen benoemd zoowel om gelden in te zamelen voor de doleerende kerken als om onderteekeningen voor deze acte te krijgen. Brandt, Hist, der Re/., II, 457—461; Glasujs, Gesch. der nation, synode, I, 268.
Het eerste voorstel van Oldenbarnevelt in December 1616 was om 4000 waardgelders in gemeenen dienst van de provincie aan te werven, doch in de vergadering van Augustus 1617 werd onder zeer hevig protest van de minderheid de vrijheid om zulke troepen in dienst te nemen slechts aan de steden gegeven. Alleen de Staten van Utrecht namen 600 manschappen in provinciale dienst. Eenige Hollandsche steden als Brielle, Delft, Medenblik aarzelden, doch andere magistraten voorzagen zich terstond van gewapende macht, zoovelen zij noodig rekenden. Naber, Calv. of Lib., p. 86, 108—114; ook Glasius, Gesch. der nation, syn., 1) 279—284. Het voorval, dat den hofprediker in ongenade deed vallen, vermeldt Rogge, Wttenbogaert, II, 278—280.
Den Contraremonstranten in den Haag werd met goedkeuring van prins Maurits eerst toegestaan, dat zij in een der kerken leeraars naar hun zin mochten laten optreden. Daarna namen zij den 9 Juli 1617 de ledig staande Kloosterkerk, waarom zij reeds verzocht hadden, in bezit en begonnen er hun geregelde godsdienstoefeningen te houden. Toen de prins veertien dagen later openlijk hun partij koos door met zijn hofstoet daar ter kerke te gaan en niet meer in de hofkapel te verschijnen, was de doorslag gegeven, Uvtenbogaert, leven, kerckel. bed. ende verantw., p. 122—141. Over den aandrang door de Friesche Staten en graaf Willem Lodewijk op den prins uitgeoefend, Edema van der Tuuk, Bogerman, p. 154—160.
Het oproer te Amsterdam in Februari 1617 ontstond wegens de poging der Remonstranten om godsdienstoefeningen te houden; o. a. werd het huis van Rem Bisschop, broeder van Episcopius, geplunderd. Brandt, Hist, der Ref., II, 476—512; Rogge, Brieven van Wttenbogaert, I, 247—•250.
\'3*
196
§ 161. Al doze gebeurtenissen waren dreigende voorteekenen, dat eerlang het verlangen naar het beleggen eener synode zou moeten worden ingewilligd. Vooral door het optreden van prins Maueits ging de macht van Oldknbarnevelt hard achteruit. En toen de staatkundige partijen ook de godsdienstige verdeeldheid tot haar doel gingen gebruiken, was elke kans verloren om het geschil zuiver kerkelijk te houden. Zij kon slechts door overmacht worden opgelost. Gelderland werd 1617 in de Staten Generaal voor de bedoelingen van den prins en zijn aanhangers gewonnen. Hij zelf gebruikte zijn invloed om, waar hij kon, zijn partij aan het bewind te brengen in Staten en steden. Ook de Engelsche koning begon zich weer met den strijd te bemoeien. De nieuwe gezant, sir Dudley Carleton , drong bestendig aan op een beslissing der geschillen en handhaving dei-ware leer volgens last van zijn vorst en daarna ook uit persoonlijke verstoordheid over het opzienbarende, anonieme pamflet van Taurinus, getiteld „Weeghsehaelquot;. Niet langer behoefde Amsterdam het aanbod te herhalen om uit eigene middelen alle kosten te dragen, want op het Binnenhof was de kerkelijke quaestie aan de orde van den dag. In September werd het voorstel gedaan en 4 October 1617 door de meerderheid het besluit genomen tot hot bijeenroepen eener vrije , algemeene synode; de plaats daarvoor werd zelfs aangewezen en een commissie benoemd tot regeling van de punten van beschrijving, die in do volgende maand werden vastgesteld. De minderheid. Holland, Utrecht en Overijsel, verzette zich daartegen met herhaalde protesten, waardoor van dit tijdstip af de kerkelijke verdeeldheid met grooto hevigheid de debatten in de Statenvergadering beheerschte. Toen in het voorjaar 1618 ook Overijsel werd overgehaald, hielden alleen Holland en Utrecht stand, het eerste gewest met moeite wegens een sterke partij van oppositie met Amsterdam aan hot hoofd. Booerman was sedert April uit Leeuwarden overgekomen om in de Kloosterkerk van don Haag dienst te doen en den prins vooral in kerkelijke zaken ter zijde te staan.
In Gelderland waren onder de classis Nijmegen, Tiel en Bommel vele Remonstranten. Ten gevolge van een bevel der Staten in Februari 1617 stelden dezen tien punten op, waartegen zij vooral bezwaar hadden. Deze punten, bekend onder den naam van Geldersche ol Nijmeegsche positien, werden door de Contraremonstranten in de classis Zutfen en op de Veluwe niet als uitdrukking van de leer der Hervormde kerk erkend, zoodat zij anderen indienden. Doch de verdere beslissing werd verschoven tot een nationale synode, waarop Gelderland en Zeeland toen in de Generaliteit met kracht en goed gevolg begonnen aan te dringen, Brandt, J/ts/. der Jief., II, 682—686; Glasius, Gesch. der nation, synode, I, 238—242.
197
Terwijl hun tegenpartij zoovele „synodenquot; belegde, hielden ook de Remonstranten hun \'vergaderingen om zich door gezamenlijk overleg nauwer te vereenigen. Een der meest belangrijke was de geheime samenkomst der hoofden van hun partij ten huize en onder leiding van Wtïenbogaert op i Maart 1617. Zie daarover o. a. Brandt, Hist, der Rcf., II, 513—518; Rogge, Wtïenbogaert, II, 415, 416; Glasius, Gesch. der nat. syn., I, 271.
Carleton volgde in Maart 1616 Winwood op. Dat een gezant zich mengde in binnenlandsche zaken, zooals hij deed met zijn rede den 6 October 1617 in de Staten Generaal om op een beslissing ter zake van de synode aan te dringen, was een dienst aan de partij, die hij begunstigde. Zijn toespraak werd dadelijk tegen de bedoeling door een onbekende in het licht gegeven. De Weeghschael was een wederlegging daarvan en al werd daarin „Gewetensdwang bestreen, \'s Lants vryheit voorgestaenquot;, dit boekje heeft in die dagen veel kwaad bloed gezet, zie Rogge, Witen-bogaert, II, 448—458 en ook de Letters from and to sir Dudley Carleton uit dezen tijd.
Prins Maurits heeft in persoon menige stedelijke regeering gunstig gestemd voor de synode en weten te bewegen geen waard-gelders in dienst te nemen, o. a. Delft, den Briel, Schiedam, Dordrecht, Nijmegen enz.
De Leeuwarder predikant werd aan de doleerende gemeente in den Haag of eigenlijk aan prins Maurits afgestaan in April 1618 eerst voor drie maanden, die later nog verlengd werden, Edema van der Tuuk, Bogerman, p. 172—175.
De punten van beschrijving der nationale synode werden n November 16x7 door de meerderheid in de Generaliteit vastgesteld en zijn nagenoeg onveranderd in stand gebleven, zie de vierde sessie in Acta synodi nation. Dor dr., f. 14—16.
§ 162. Tot nog toe had prins Maurits, hoewel tot de partij dei-Kloosterkerk overgegaan, geen plan de Remonstranten te verdrukken. Doch de loop der omstandigheden, de vermenging van het kerkelijke en liet staatkundige gesehil, de omgang met Bogerman brachten hier verandering te weeg. Om aan den laatsten tegenstand een einde te maken nam hij op raad der kerkelijke partij en liet aandringen vooral van Willem Lodewijk, van Aerssens en andere invloedrijke personen het besluit om aan het hoofd van de hem onverdeeld aanhangende troepen met geweld door te tasten. Die staatsgreep nam een aanvang den 31 Juli 1618 te Utrecht, waar hij als opperbevelhebber van de krijgsmacht der republiek de waardgelders gelastte de wapens neer te leggen. Nadat zij afgedankt waren, verzette hij de regeering, d. w. z. alle leden van de Staten en de vroedschap kregen hun ontslag en werden
198
door anderen vervangen, die de zegevierende partij waren toegedaan. De Staten Generaal gelastten daarna bij placcaat alom de wegzending van deze troepen en gaven den 28 Augustus buiten voorkennis van de leden uit Holland den prins de bevoegdheid om naar eigen inzicht te besogneeren en te doen, wat hij „tot rust en welvaart van den lande zou bevinden te behooren en noodig vereischt te wordenquot;, d. i. dictatoriale macht. Aan de daarmede begonnene omwenteling werd op aandrang van Carleton de kroon opgezet door het bevel tot gevangenneming van Oldenbaenevelt en eenigc hoofdpersonen van zijn partij. Het gelukte echter aan Wttenbogaerï nog bij tijds eerst naar Rotterdam en daarna Antwerpen te ontkomen. Eveneens vluchtten toen reeds Taubinus van Utrecht en enkele anderen. Maar het rijk van den grooten en voelvermogenden staatsman, die met Grotius, Hoogerbeets en anderen als beschuldigd van landverraad in hechtenis zat, was uit. Met zijn val was ook de zaak der Remonstranten verloren.
In de Staten Generaal legde de meerderheid het er al lang op toe om de waardgelders „met de gevoegelijkste middelen te licentieerenquot;. Van den 23 Juli en uit een onvoltallige vergadering onder protest van Holland dagteekende het besluit, dat de prins met een commissie van acht leden naar Utrecht zou gaan met volmacht om „door overreding of andersquot; op de geschiktste wijze de waardgelders te ontslaan, toestemming tot het beleggen der synode te verkrijgen enz. Het nemen van zulk een resolutie was geheel in strijd met de bepalingen der Unie. Toen de prins in Utrecht verscheen, vond hij daar de Staten en den magistraat geenszins genegen om zijn voorstellen in te willigen. Derhalve maakte hij van zijn gezag gebruik om zelf de wet te stellen, eerst te Utrecht, daarna overal, waar het noodig was, in Holland.
§ 163, Inmiddels werd het te Utrecht begonnene werk voltooid. De prins nam daaraan persoonlijk deel door in Holland van stad tot stad do regeering te verzetten, waar deze nog in handen zijner tegenstanders was. De aanwezigheid van troepen maakte daarbij den noodigen indruk. Omdat dit tot menige oproerige beweging aanleiding gaf, werd in vele plaatsen zooals Hoorn, Alkmaar, Rotterdam, Kampen, Gouda het garnisoen aanzienlijk versterkt. Zoo werd door het recht van den sterkste de laatste tegenstand gebroken cn de verwarde knoop doorgehakt. Toen de Hoog Mogenden weer ter dagvaart werden opgeroepen, was het „libertijnschquot; element in \'s lands vergaderzaal geheel verdwenen. Daarmede was tevens het houden der nationale synode een voldongen feit. Do toebereidende werkzaamheden konden een begin nemen. Te Dordrecht, een met opzet daarvoor
199
uitgekozene plek, zou het slottooneel van dezen langdurigen en verbitterden kamp worden opgevoerd met zwaren nadruk en sombere ontknooping als een treurspel. Dat einde naderde thans met tooneelen van lijden, ballingschap, gevangenis van velen, den bloedigen dood van een der hoofdpersonen. Zonder twijfel is de laatste nationale synode de belangrijkste gebeurtenis in het verleden van de Hervormde kerk der Nederlanden, een feit, waarvan de gevolgen twee eeuwen lang op ons volk hebben nagewerkt en nog altoos, zij hot ook in afnemende mate, merkbaar zijn.
Toen in de Staten Generaal den 16 Augustus wederom, doch voor het laatst aan Holland het voorstel gedaan werd mede in te stemmen tot het houden van de synode en deze leden zich niet lieten dwingen, werd de kerkvergadering zonder hun toestemming uitgeschreven. Weldra volgde het overige: de afdanking der waard-gelders en de omzetting der besturen. Uytenbogaert, Kerckel. hist., IV, 302 vlg.; Rogge, Wttenbogaert, II, 489 vlg.
Dordrecht was gekozen wegens zijn veilige ligging en de rechtzinnigheid van magistraat en bevolking.
Over de onlusten in dezen tijd zie Naber, Calv. of Lib., p. 160, 161 en de daar aangehaalde bronnen.
Nog voordat de algemeene synode vergaderd was en gesproken had, werd reeds gehandeld, alsof de vaststelling van den geloofs-regel een uitgemaakte zaak was. Men liep de beslissing vooruit door kerkelijke rechtspraak en vonnissen tegen hen, wien op dat tijdstip het recht van vrije overtuiging nog niet ontnomen was. Zoo was reeds door de Friesche kerk Daniel Johannes, zich later noemende Snecanus, predikant en rector te Sneek, wegens onzuiverheid in de leer in staat van beschuldiging gesteld. Het onderzoek daarnaar leidde in Juni van dit jaar tot zijn schorsing, zie mijn verhandeling Een versiooteling der kerk inde Vrije Fries, XV en ook Honderd jaren, p. 379—384. Reeds in 1617 had Matthisius als Remonstrant zijn dienst te Deventer moeten neerleggen. Hij werd vervolgens te Kampen beroepen, waar in dit jaar Johannes Acronius tegen hem en zijn ambtgenooten Voskuyl en Schotler kwam ijveren, zie daarover Brandt , Ifist. der lief., II, 688—691 en ook Glasius, Gesch. der nation, synode, I, 243, 244. De Geldersche synode begon in Juni tegen de Remonstranten van Nijmegen te procedeeren tot ontzetting uit hun ambt. Hetzelfde had plaats tegen de onrechtzinnige predikanten van Hoorn en Alkmaar.
Ook in Holland werden nog voor de eindbeslissing een aantal Arminianen aangetast. De synode van Delft, in het begin van October 1618, daagde de meest bekende Remonstranten voor zich, schorste sommigen en velde over anderen, zooals W ttenbogaert , Grevinchoven, Johannes Grevius van Ileusden, den onrustigen
200
Henricus Sr.ATius van Bleiswijk en anderen, die het ijverigst deel aan de twisten genomen hadden, toen reeds het vonnis van afzetting, Brandt, Hist, der Kef., II, 900—910. Slatius schreef in 1619 het veelgelezene hekelschrift Den ghepredeslineerden dief, dat later ook nog vele drukken beleefde, Brandt, IV, 83. Hij is later 1623 wegens deelneming aan de samenzweering tegen het leven van prins Maurits onthoofd.
HOOFDSTUK XIL
de nationale synode te dordrecht 1618—1610.
§ 164. De bronnen en bouwstoffen tot liet geven eener beschrijving van deze hooge kerkvergadering, die wel een internationale mag heeten, moeten in drie hoofdrubrieken ondersribeiden worden: offieieele bescheiden, getuigenissen van aanwezige personen en tijdgenooten, geschiedwerken over de synode.
Do offieieele bescheiden zijn in de allereerste plaats de oorspronkelijke, in het Latijn gestelde handelingen dezer synode, zoowel de gedrukte als do ongedrukte met de daarbij behoorende authentieke stukken en rapporten, alsmede do postacta of notulen, der nazittingen. Verder moeten daartoe gerekend worden allo verslagen, memories en besluiten, die van wege de kerk of do regeering in verband met de synode een officieel karakter hebben.
Van de door den scriba Hommius geschrevene handelingen, die nooit gedrukt zijn, werd datgene, wat voor openbaarmaking geschikt was, geresumeerd en in het Latijn „a theologis Leydensibusquot; op last en kosten der Generale Staten 1620 in het licht gegeven onder den titel Acta synodi nationalis. 13e Nederlandsche vertaling verscheen in 1621: daar is achteraan gevoegd, eveneens vertaald, het Oordeel ende nytsprake met dett eedt van approbatie van de nationale synode der kerken in Frankrijk, gehouden 6 October 1620 te Alez in de Cevennes, met de onderteekening van alle leden. Aan de acta Dordracena gaat vooraf een Praefatio ad reformatas Christi ecclesias, behelzende een overzicht der twisten, die tot het bijeenroepen der synode geleid hebben. Zie over de bewerking dezer acta Glasius, Gesch. der nation, synode, II, 2—6 in de noot. In de notulen van de 1770 en 178° sessie (postacta) wordt gewaagd van de acta contractu door den scriba Damman. Van de handelingen der nazittingen van den 13 tot 29 Mei 1619, in het Nederlandsch gesteld, die te zoek geraakt waren, werd later in Friesland een Latijnsche vertaling teruggevonden. Deze werd opnieuw overgezet en in 1669 uitgegeven, Ypkij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, II, aant. p. 273—279.
De oorspronkelijke handschriften der acta en acta contracta, benevens de daarbij behoorende stukken, worden bewaard in de
202
Willemskerk te \'s Gravenhage, zie H. Q. Janssen, Catal. van het oud syn. arch., p. 31, 32, sub no. 17.
Tot de officieele bescheiden behooren verder:
10 de verzamelingen van synodale stukken, rakende de zaken der Remonstranten enz. voor, op en na de synode, eveneens opgegeven door Janssen;
20 het Sommier rapport der synode aan de Staten Generaal, opgenomen in de notulen van den 30 Mei 1619;
30 de notulen, resoluties en rekeningen van staatscollegies, Generale en Provinciale Staten van dien tijd en op de synode betrekkelijk;
4° de handelingen van de provinciale synoden en voor zoover aanwezig van haar deputaten op deze jaren.
*
§ 165. Van niet minder belang en soms onmisbaar zijn de getuigenissen van hen, die de vergaderingen der synode zelf hebben bijgewoond of geacht kunnen worden van het voorgevallene genoegzaam kennis te hebben gedragen. Hun mededeelingen kunnen dienen tot aanvulling, opheldering en verbetering van hetgeen in de officieele stukken is opgenomen. Daartoe behooren: verscheidene verslagen of aantekeningen, die door andere personen van weerskanten opgesteld zijn\' over liet te Dordrecht voorgevallene; gedrukte brieven, die geregelde berichten geven; een menigte gelijktijdige geschriften en vooral pamfletten tijdens en kort na de synode, terwijl ook nog in vele archieven een stapel onuitgegevene correspondentie bewaard is gebleven, die reeds ten deele voor historische studiën onderzocht is.
Bovendien bestaat er over de synode van Dordrecht menig werk van tijdgenooten en latere schrijvers. Alles wat over deze veelbesprokene en merkwaardige kerkvergadering handelt, dient echter steeds met omzichtigheid te worden geraadpleegd en overwogen.
De officieele acten en documenten zijn zeer zeker van groot belang en moeten tot grondslag worden gelegd. Toch zijn ze niet voldoende, soms niet geheel vertrouwbaar. Zelfs op de meest officieele bron, de geschrevene en de gepubliceerde handelingen, moet evenals op de daarvoor geplaatste historische voorrede toegepast worden het: audi et alteram partem, omdat dit verslag de voorstelling en den indruk weergeeft van Contraremonstrantsche zijde. Bovendien is een officieel rapport uitteraard niet altoos voldoende, omdat daarin veel verzwegen of in te algemeene termen of te beknopt opgeschreven wordt.
Verslag van hetgeen in de synode voorgevallen is, wordt gegeven door twee leden, den ouderling Theodorus Hevngius, Acta synodi nation, hreviter conscr. en het m. s. Dagverhaal van Voetius, en door de geciteerde Remonstranten Acta et scripta synod. Dor dr.
203
ministrorum Remonstr., etc. 1620, B. Dwinglo , Nulliteyten des nation, synodi, etc., 1621, 2 din.; Ed. Poppius, Historisch verhael, etc., 1649. Verder behooren hiertoe van den Amster-damschen burgemeester de Vrij, Historie ofte kort en de waer-achtig verh. der kerckel. beroerten, 1621; Antidotum en de naerder opening he, etc., 1619 van Episcopius; Hist, verhael van \'tghene sich toeghedr. heeft binnen Dordr., etc., 1623 door Wttenbogaert en Dwinglo; Uytenbogaert, Examen vant nation, synodus, 1648, enz. Er bestaan vele gedrukte brievenverzamelingen, zooals: de Literae deputat. Hassiacorum, de brieven van John Hales en Ualcanqual, in 1671 te \'s Gravenhage uitgegeven, de Episto-lica narratio van Caspar T3arlaeus in de Praestant. ae erud. virorum epistolae door van Limborch, Brieven van verscheyde vermaerde en de geleerde mannen, 1662 enz. Zie daarover ook Glasius, Gesch. der nation, syn., II, 7—10 in de noot.
Glasius heeft zich het eerst gewaagd aan de taak om een werk te leveren, waarin de geschiedenis der Dordtsche synode afzonderlijk wordt behandeld. Het derde deel, dat de „geschiedenis harer gevolgenquot; zou behelzen, is achterwege gebleven.
De oudste historische werken over de synode zijn de omvangrijke histories van Wttenbogaert en Brandt, die nog als bron beschouwd kunnen worden. Over den laatste zie de dissertatie van G. M. C. Loeff, De Nederl. kerkgesch. schrijver Geeraardt Brandt, 1864.
Van Contraremonstrantsche zijde is daarover geschreven door Trigland ter wederlegging van Wttenbogaert; voorts door Levdecker, van der Kemp, G. J. Vos Az., A. Kuyper, F. L. Rutgers, e. a. In tegengestelden, afkeurenden geest schreven J. H. Regenboog, Ypeij en Dermout, Stolker, J. Tideman, Hofstede de Groot jr. en sr., e. a. Naar onpartijdige beoordeeling wordt met meer of minder succes gestreefd door Glasius, Edema van der Tuuic , Rogge , Diest Lorgion , Montijn , e. a.
Bij het raadplegen van deze gedrukte of onuitgegevene bronnen, bouwstoffen en hulpmiddelen moet worden bedacht, dat niet alleen de tijdgenoot maar ook de nazaat tot zelfs in deze eeuw al het voorgevallene veelal partijdig en eenzijdig hebben opgevat en weergegeven. Nog zijn de gemoederen over de Dordtsche gebeurtenissen niet geheel tot bedaren gekomen. Regel zij, dat men niet vergete, of men een Remonstrant dan wel een Contraremonstrant als zegsman of berichtgever raadpleegt.
§ 166. In den zomer en den herfst vergaderden de gewestelijke synoden ter benoeming van haar afgevaardigden. Van wege de hooge regeering waren alle Hervormde kerken in het buitenland uitgenoo-digd zich te laten vertegenwoordigen. Op Dinsdag 18 November 1618
204
werd onder kerkelijke plechtigheden en deftige toespraken de eerste zitting der nationale synode te Dordrecht geopend in de bovenzaal van den Kloveniersdoelen door den Gelderschen raadsheer Martinus Gregorii uit naam der Staten Generaal. Zij was, hoewel niet dadelijk voltallig, uit ongeveer honderd leden samengesteld. De Nederlandsehe kerk had zevenendertig predikanten en negentien ouderlingen afgevaardigd. Vijf hoogleoraren waren met achttien commissarissen-politiek en hun secretaris prof. Heynsius door de regeering aangewezen. Als buitenlandsche leden waren drieentwintig godgeleerden verschenen uit Engeland, de Pfaltz, Hessen, Genèvo, Zwitserland, Bremen en Emden onder voorzitting van George Carleton, den bisschop van Landaff. Dit getal werd later nog met enkelen vermeerderd: er bleven ook eenige genoodigden afwezig.
De benoeming der binnenlandsche leden had zoo plaats gehad, dat behalve een drietal uit het Sticht geen Remonstranten als lid ter vergadering konden verschijnen. In de tweede zitting werd het moderamen gekozen: president Johannes Bogerman, predikant van de Friesche hoofdstad, assessoren Jacobüs Rolandus van Amsterdam en Hermannus Paukkuus van Middelburg, scribas Festus Hommius van Leiden en Sebastianus Damman van Zutfcn.
Er was een algemeene biddag uitgeschreven, die den 17 October gehouden werd. Aan de opening der synode zelf door Gregorii gingen vooraf godsdienstoefeningen in twee kerken, geleid door Balthazar Lvdius, pastor loei en door den Waalschen predikant de Pours van Middelburg en een gebed en toespraak van Lvdius bij aankomst van den optocht in de vergaderzaal.
Met uitzondering van Friesland, dat drie predikanten en drie ouderlingen had benoemd, en Drente, waaruit slechts twee predikanten lid waren, werden door elk van de zeven andere provincies alsmede door de Waalsche kerk vier predikanten en twee ouderlingen afgevaardigd. Zie daarover behalve Glasius ook Edema van der Tuuk, Bohemian, p. 180—182. Onder deze leden hadden meer Remonstranten kunnen zijn. Omdat zij in Utrecht de meerderheid uitmaakten, werden daar twee synoden tegelijk opgeroepen, zoodat de partijen afzonderlijk vergaderden en hun stemmen uitbrachten. Deze tactiek behoefde in de andere provincies niet gevolgd te worden, omdat men daar, zelfs in Holland, bij de synoden op een Contraremonstrantsche meerderheid kon rekenen. In Zuid-Holland met meer dan de helft Remonstranten, waren alle classes gescheiden met uitzondering van het Contraremonstrantsche Buren, dat dus den doorslag gaf. De synoden van Gelderland en Noord-Holland erkenden de Rernonstrantsche leden niet als broeders en die van Overijsel sloot ze eenvoudig buiten. Zie over deze onregelmatigheden de provinciale synodale acten; Brandt ,
205
Hisi. der Ref., II, 920 vlg,; Hofstede de Groot jr., Zijn de Remonstranten in 1619 mei recht veroordeeld, in de Tijdspiegel Oct. 1881. In Gelderland was men het eerst gereed, want daar werd al in Juni te Arnhem de synode bijeengeroepen, In Noord-Holland waren twee gescheidene classes, Alkmaar en Hoorn. De ommekeer op staatkundig gebied was een omstandigheid, die de rechtzinnigen voor hun bedoelingen toen zeer te stade kwam.
Van de buitenlandsche leden, die uitgenoodigd door de Staten Generaal, naar \'s lands wijs benoemd werden, bleven afwezig de vier Fransche afgevaardigden, omdat hun koning geen verlof wilde geven, eveneens die van Brandenburg en de Hollandscht gemeente van Londen, terwijl Anhalt opzettelijk wegens de onrechtzinnige gevoelens van den vorst niet uitgenoodigd werd.
De vijf hoogleeraren, benoemd door de Staten van hun gewest, waren; Polvander van Leiden, Gomarus van Groningen, Lub-bertus van Franeker, die bij de eerste zittingen wegens zijn tvvist met Maccovius afwezig bleef, Thvsius van Harderwijk en Walaeus van Middelburg. Ook ëpiscopius was 20 September door de Staten met Polvander benoemd, zie Brandt, Hist, der Re/., III, 37—40, doch de commissarissen-politiek en de leiders der synode vonden goed hem dadelijk onder de geciteerden te plaatsen.
De meeste afgevaardigden hadden behalve hun gewonen credentie-brief nog een bijzondere instructie van hun afzenders medegekregen, niet alleen de staatsgemachtigden maar ook de binnen- en buitenlandsche leden, zooals reeds bij de derde sessie en later meermalen gebleken is.
§ 167. Dc onbokrompene schaal, waarop de synode gehouden werd, zette daaraan grooten luister bij en was geheel in overeenkomst mot den bloeicnden staat van de machtige en rijke republiek der Nederlanden. Allo kosten werden bestreden uit \'s lands kas. Elk gewest moest daartoe naar evenredigheid en draagkracht opbrengen. Die uitgaven zijn zeer groot geweest. Behalve de reis- en daggelden, alsmede de verblijfkosten der gewone en buitenlandsche leden, hoogleeraren, statencommissarissen, gedaagden en opgeroepene getuigen gedurende de halfjarige vergadering en do nazittingen in Mei, de zware kosten voor drukwerk, bediening als anderszins werden door de regeering ook nog buitengewone uitgaven gedaan, bestaande in belangrijke geschenken aan geld en gedenkpenningen van goud en zilver, gratificatiën voor latere of buitengewone besognes, kosten van onthaal, e. d.
In het geheel heeft de synode met inbegrip van de Meivergadering honderdtachtig zittingen gehouden. Zoolang de buitenlandsche god-
200
geleerden aanwezig waren, bedienden de sprekers zich van het Latijn als officieele taal. De vergaderingen waren voor hot publick, waaronder zich vele aanzienlijke personen en dikwijls zelfs vrouwen bevonden, toegankelijk. Meermalen moest de openbare zitting in een geheime overgaan.
Het was besloten, dat de hooge kerkvergadering op den deftigsten voet zou worden gehouden. Volgens de notulen der Generaliteit van 12 October werd gerekend op 28 buitenlanders, 26 Neder-landsche leden, 5 professoren en 16 politieken: het werkelijk getal steeg dus nog dertig personen boven de raming.
Volgens een gerucht van Remonstrantsche zijde, Henricus Holungerus, Spongia Erasmi, p. 14, zou de synode den lande een millioen gekost hebben. Doch zelfs wanneer men er ook de zeer zware kosten van de Statenvertaling onder opneemt, kan de helft daarvan nog niet berekend worden. De geheele uitgave voor ile synode zal ongeveer drie tonnen gouds hebben bedragen, een inderdaad reeds zeer aanmerkelijke som. Zie over die uitgaven o. a. Brandt, Hist, der Ref., III, 660, 661; Glasius, Gesch. der nation, synode, II, 33—35, 289. Het bedrag moet worden opgemaakt uit de rekeningen der Generaliteit en der provinciën. Op die van den ontvanger-generaal der geestelijke goederen (d. i. . der voormalige kloosters) van Friesland werd in 1619 uitgetrokken „tot vervallinge van de oncosten vant synodus nationael binnen Dordrecht laest gehouden l\' 27219—8—12quot;. Deze post was niet een der hoogste; Holland moest zeer zeker het leeuwendeel bijdragen. De buitenlanders en inzonderheid de Engelschen werden zeer royaal behandeld. Vooraf was er zeker niet gerekend op zulk een langen duur der synode: ten deele lag de reden daarvan ook bij de Remonstranten, die een zeer tijdroovende tactiek volgden.
In de vijfde sessie deed Bogerman het voorstel, dat van tijd tot tijd door een der leden een openbare lezing zou worden gehouden. Sommigen waren daar aanvankelijk tegen: toch zijn eenige dergelijke oraties gehouden, terwijl ook meermalen synodeleden in verschillende talen hebben gepreekt.
§ 168. Het beleggen eener algemeene kerkvergadering was na al liet gebeurde inderdaad noodzakelijk. Dat zij bijna geheel uit Calvinisten was samengesteld, moot vooreerst worden toegeschreven aan den coup d\'état van prins Maurits: daardoor waren alle beschermers en vrienden der Remonstranten op zijde geschoven, gevangen genomen, op de vlucht geslagen of machteloos gemaakt. Bovendien oefenden de politieken een overwegenden invloed uit op de benoeming der leden en den gang van zaken. En ook daar, waar de Remonstranten nog kans hadden, werden zij door het beleid der kcrkelijken
207
stelselmatig geweerd, omdat men inzag, dat zelfs een minderheid stoorend op den loop der werkzaamheden zou inwerken.
Het doel, dat politioken en synodalen zich met het bijeenroepen van deze groote kerkvergadering voorstelden, was volstrekt niet om nu de geschilpunten nader te onderzoeken of om daarover nog een wisseling van gedachten en redenen toe te laten. Het is volkomen verklaarbaar, dat zij dit niet langer begeerden. Hun oogmerk was zeer bepaald het kerkelijk wettigen van het gezag der leer, in de belijdenisschriften vervat, het definitief formuleeren van de betwiste dogmas, het overtuigen of anders vonnissen der in staat van beschuldiging gestelde Remonstranten. In dit opzicht nam de synode terstond het karakter eener vierschaar aan.
Er was ook om andere redenen groote behoefte aan een alge-meene synode. Sedert de dagen van Leycester, dus meer dan dertig jaren geleden, had zij niet kunnen samenkomen. Al sedert jaren lagen bij de provinciale synoden tal van quaesties, algemeen® voorschriften en bepalingen betreffende de liturgie, de censuur, de kerkelijke inrichting opgestapeld om door een nationale afgehandeld te worden.
De hoofdschotel was te Dordrecht natuurlijk de beslechting van het kerkelijke geschil. Het lag in den aard der zaak, dat de synode zich zelf de bevoegdheid van een rechtbank toekende. Al had zij daartoe niet het recht, onder deze omstandigheden had zij daartoe de macht. Zij heeft daarvan zonder de minste schroomvalligheid gebruik gemaakt om voor goed af te rekenen met een partij, die nu eerst in haar laatste verschansing was gedrongen. Toen Bogerman den eed der leden afnam, sloeg hij twee Utrechtsche afgevaardigden over, op grond dat zij nog niet verklaard hadden, of zij „in posterum non ut defensor es sed ut judices in synodo sedere vellentquot;, sess. 23, Acta syn. Dordr., f. 61. Die eed was echter op zich zelf van zoodanigen inhoud, dat Naeranus en Frederici hem wel hadden kunnen afleggen.
De Hervormde kerken in andere landen waren niet maar uitge-noodigd om den luister dezer vergadering te verhoogen; het motief daartoe was bepaald om des te meer nadruk bij te zetten aan een beslissing, die men voornemens was ten overstaan en met bijstand van de vertegenwoordigers van alle Hervormde kerken op te maken, gelijk ook de geheele Hervormde wereld in binnen- en buitenland aan den strijd had deelgenomen. De uitnoodiging aan de regeeringen van die landen luidde: „ut singuli tres quatv.orve pios, pacificos atque eruditos delegent theologos, qui praesentia prudentiaque sua synodalibus assistent actionibus ac subortas, quantum in ipsis erit, difficultates seu gravamina tollere aut sopire conenturquot;, Acta syn, nation., f. 14.
208
§ 169. De drie eerste zittingen werden besteed aan inleidende werkzaamheden en in de vierde werd besloten eenigc bekende Remonstranten, professor Episcopius en twaalf predikanten, schriftelijk op te roepen om binnen veertien dagen te Dordrecht voor de synode te verschijnen. In dien tusschentijd hadden do beraadslagingen plaats over de reeds te lang verschovene nieuwe vertaling des bijbels uit den grondtekst. De daarbij in acht te nemen regels werden in hoofdtrekken vastgesteld, vertalers en revisoren werden benoemd. Verder werd in behandeling genomen de regeling van het catechetisch onderwijs en de leerstof daarvoor, de studie en voorbereiding voor de evangeliebediening, de censuur op bet schrijven en uitgeven van boeken e. d. In de 23° zitting werd de eed, dien de leden der synode moesten afleggen, vastgesteld: toen hij daarna werd afgenomen, veroorzaakte dit moeielijkheden mot de Utrecbtsche Remonstranten, die eindelijk ten gevolge hadden, dat de beide predikanten zich bij de geciteerden gingen voegen.
Den 16 November besloot de synode „praetor eos, qui huic synodi intersuntquot; ook nog hen te citeren, die geacht konden worden „maxime in hac causa exercitatosquot; te zijn. In den oproepingsbrief, waarbij een geleidende missive van gelijken inhoud uit naam der politieke leden, werd hun van wege de synode gezegd, „ut in eadem (i. e. in synodo) lib ere proponant, explicent et defendant, quantum possunt et necessarium judicabuntquot;, hun gevoelen over de leer in de Belijdenis en den Catechismus, opdat de synode daarover dan te beter in de vreeze des Heeren zou kunnen oordeelen. De bewoordingen van hun citatiebrief gaven den gedaagden aanleiding zich te verzetten tegen de houding, die de synode tegenover hen aannam.
De Remonstranten hadden ook gewenscht, dat Wttenbogaert en Grevinciioven mochten worden opgeroepen. Episcopius was 17 November met drie anderen naar Dordrecht gegaan om daarover met de politieke gemachtigden te spreken en dan voor allen te samen vrijgeleide te verzoeken. Doch ten aanzien van de twee reeds afgezette leiders hunner partij werd dit van de hand geslagen. Brandt, Hist, der lief., III, 37—41. Eveneens het verzoek omtrent Goulart op grond van zijn schorsing, Ada syn. Dor dr.,
§ 170. De Remonstranten hadden het onweer zien aankomen, dat zich nu boven hun hoofden ontlastte. Immers voordat hun oordeel was opgemaakt, werd er reeds gericht gehouden niet alleen over de hoofden maar ook over menig ander leeraar van hun partij. Dit was tijdens 011 na afloop der synoden van Arnhem, Delft, Enkhuizen en
209
ook in Overijsel en Zeeland geschied en nog in vollen gang, de voorteekenen van het lot, dat hun allen door de zegevierende tegenstanders was toegedaelit. Dit maakte ernstig beraad vooraf noodzakelijk, opdat de synode hen in vollen staat van tegenweer zou vinden. De gedaagden hielden dus to Rotterdam een samenkomst met eenige geestverwanten om onderling do gedragslijn vast te stellen, die zij wilden volgen. Vast besloten om voor niets te wijken maar met moed, standvastigheid en beleid tegen de overmacht den laateten slag te leveren, verschenen zij eindelijk den 6 December des namiddags voor hun rechters. Zooals zij toen in bet midden der zaal onder aller oog plaats namen, vormden zij nog een geduchte en wel toegeruste tegenpartij. Zelfs niet om te onderhandelen maar om hun recht tot het uiterste oogenblik te verdedigen waren zij daar.
Zoo begon den volgenden dag met oen uitvoerige rede van Episcopius de langdurige, hardnekkige worsteling der Remonstrantsche keurbende tegen het onvermijdelijke, het banvonnis, dat hen de kerk zou uitdrijven.
In Dordrecht waren bijeengekomen de waardigste en geleerdste theologen der Hervormde kerk, meest allen zeer geoefend door minstens tienjarigen strijd. Zij hadden dus ook voor zich geroepen de bekwaamsten van hun tegenstanders. De pressie naar aanleiding van den eed, in tegenwoordigheid der gedaagden afgenomen, vermeerderde hun getal met nog twee lotgenooten, die tot dus ver als wettig benoemde leden aan de werkzaamheden deel genomen hadden, Glasius, Gesch. der nation, syn., p. 93—95; van der Tuuk, Bogerman, p. 190, 191; vooral Brandt, Hist, der Kef., II, 125—133. De Utreehtsche ouderling, raadsheer Stephanus van Helsdingen , was bereid den eed te doen, doch is verder afwezig gebleven.
De geciteerden kwamen veel te laat, hetwelk al dadelijk ongunstig stemde, zooals uit de verwijting van den voorzitter kenbaar werd. Over het geheel werden zij door de synode met achterdocht en vooroordeel bejegend. Aan hun woorden en handelingen werd doorgaans de slechtste uitlegging gegeven. Dit bleek al bij het begin uit onaangenaamheden, die over deze eerste redevoering van Episcopius voorvielen. En daarna kwam het telkens tot uitbarstingen, waarvan het moeielijk zal zijn een juiste voorstelling te geven. Zeker is het, dat de gedaagden geen enkele poging hebben gedaan om de gemoederen van hun vijanden te verzachten of door onderworpenheid vriendelijker te stemmen. Zij plaatsten en handhaafden zich van het eerste oogenblik af op een voetstuk, dat veeleer ergernis wekte, omdat zij geen genade verlangden maar recht eischten. Daar zij zich niets lieten aanleunen, werden er zeer hevige woordenwisselingen gevoerd, waarbij de hartstocht kookte Dr. Reitsma, Kerkgesch. 14
210
en de haat omhoog vlamde. Dan kan zelden uitgemaakt worden, wie gelijk heeft gehad. De synode kon op haar standpunt het vrije debat niet toestaan, maar aan den anderen kant moest zij ook elke aanleiding vermijden tot de beschuldiging, dat zij de onderliggende partij aan een inquisitoriaal onderzoek naar hun kettersche gevoelens had willen onderwerpen. Zie de beschouwing over deze voorvallen bij van der Tuuk, Bog er man, p. 192—219.
§ 171. De negen zittingen, die nu volgden, werden geheel ingenomen door redetwisten over de bevoegdheid der synode. Gesteund door het staatsgezag en door de meerderheid in den lande, achtte zij het beneden haar rang de geciteerden als theologische tegenpartij te behandelen. Zij beschouwde hen als beschuldigden en eischte dus van Episcopius en de zijnen, dat zij dit recht erkennen en zich onderwerpen zouden aan de door de synode voorgenomene wijze van pro-cedeeren. De gedaagden, wel overtuigd, dat zij het onderspit zouden moeten delven, verzetten zich van den beginne aftegen deze opvatting, beweerende dat de synode de hoedanigheid van een rechtbank niet bezat, maar voor hen slechte een vergadering (conferentie) was, waar de bestaande geschilpunten van weerskanten overwogen en verdedigd konden worden. Op dit standpunt zich plaatsende, ontkenden zij eik ander gezag, dat de synode tegenover hen uitoefende, als een aanmatiging. Na een reeks hevige debatten, waarbij de Remonstranten menige scherpe bestrafling te hooren kregen, maar van hun kaut met kracht tegen de hen naar het hoofd geslingerde verwijten bleven protesteeren, werd hun eindelijk in een zeer onstuimige zitting den 13 December over dit punt van de rechterlijke bevoegdheid het zwijgen gelast.
Dit dispuut was het eerste bedrijf van het proces der Remonstranten. Hierdoor werd in de quaestie een element gemengd, dat slechts door geweld uit den weg kon worden geruimd. De synoda-len konden het standpunt van rechterlijke autoriteit niet opgeven en de gedaagden konden dit niet erkennen, of zij zouden zich zelf hebben geoordeeld. Bogerman verdedigde de rechtsbevoegdheid dei-synode op drie gronden, dat zij belegd was op gezag der hooge regeering, dat haar leden wettig door de kerken afgevaardigd en door hel afleggen van hun eed verbonden waren.
Behalve dit stoutmoedig verzet der Remonstranten, was het voor velen een ergernis, dat zij niet individueel maar als vereeniging optraden, ook door zich tot een soort van kerkvergadering met praeses, assessor en scriba (Episcopius, Poppius en Dwinglo) te constitueeren, waardoor zij zich met hun rechters op gelijken voet stelden.
De gedaagden streden op een wijze, die een ware beproeving
211
was voor het geduld. Door de tegenpartij af te matten poogden zij het debat te beheerschen of althans op de lange baan te schuiven. Met de grootste vermetelheid hebben zij dit volgehouden en daardoor der tegenpartij den arbeid zoo zwaar mogelijk gemaakt. De nood, waarin zij verkeerden, liet hun geen andere keuze dan deze of een dergelijke gedragslijn te volgen. Eerst na het uitdrukkelijke verbod moesten zij wel zwijgen, doch deden dit slechts onder verklaring, dat zij deze synode „aut maximam ejus partem non habere pro legitimo nostrarum controversiarum judice ideoque judicium ejus nullum apud nos et ecclesias nostras habiturum pondusquot;, Ada syn. nation., f. 94.
§ 172. Nadat zij aldus onder de tucht waren gesteld, werd kortweg gelast hun gevoelen omtrent de vijf artikelen te verklaren en hun bedenkingen tegen de Confessie en den Catechismus op te stelien. Doch reeds de inlevering van hun geschrift over het eerste artikel gaf het sein tot een langdurigen en zeer hatelijken twist over een ijuaestie van orde, d. i. naar welken regel deze stukken gesteld en ingediend moesten worden. De synode verlangde uitdrukkelijk van hen, dat zij hun gevoelen louter affirmatief zouden uiteenzetten en verdedigen zonder zich in te laten met bestrijding van de leerstukken, die zij verwierpen. Zij was van plan op den grondslag van deze haar verstrekte gegevens vervolgens haar oordeel op te maken en uit te brengen. Doch de Remonstranten wilden zich de wijze van behandeling niet laten voorschrijven en geen afstand doen van het recht om geheel naar eigen goeddunken hun meening te verdedigen. Zij drongen steeds op ongehinderde bespreking van de geloofsverschillen aan, ook mondeling, ook over de leer der verwerping. Dit laatste wenschte de synode juist te vermijden en zij weigerde derhalve standvastig die vrijheid te gedoogen. Evenmin lieten de geciteerden zich door het instellen van afzonderlijke ondervraging het karakter van een gesloten collegie ontnemen. Meermalen moesten zij tot spoed worden aangemaand. Toen zij eindelijk een verklaring van de vijf artikelen naar hun opvatting in gereedheid hadden, kwamen zij weer met den eisch, dat deze in behandeling zouden worden genomen vóór hun bedenkingen op de belijdenisschriften, die de president opvorderde. Aan al deze tegenkantingen en bezwaren der Remonstranten lag ook alweer de consequente weigering om de synode als rechtbank te erkennen ten grondslag.
De moeielijkheden, opgerezen bij het invorderen van hun opstellen, zijn het tweede bedrijf van het rechtsgeding der Remonstranten. Het ging toen nog veel hatelijker toe dan bij de eerste tooneelen. Een goed overzicht van deze voorvallen, duidelijker
\'4*
212
clan Glasius, geeft van der Tuuk, Bogerman, p. 202 vlg. Zie ook zijn opmerking in de noot 284 op p. 245. De verklaringen werden hun achtereenvolgens uit de handen gewrongen op 13, 17, 21 en 27 December. Behalve in de handelingen der synode staan zij ook evenals andere officieele stukken en reden afgedrukt o. a, in de Acta et scripta synod. Dor dr. ministrorum Remonstr. P- 71—133-
lipiscopius had te Dordrecht tot zijn dienst voor het copieeren van stukken, brieven en requesten enkele van zijn studenten, Bkandt , Hist, der Ref., III, 171. Ook Grevinchoven gedurende korten tijd, Barlaeus , van den Borre , Cupus en andere Remonstranten boden de gedaagden hun hulp. Aan opwekkende briefwisseling met Wttenbogaert ontbrak het niet. Rogge, Brieven van Wttenbogaert, II, 1, 29 vlg.
Meermalen werden de gedaagden hoofd voor hoofd door den voorzitter in het verhoor genomen over hun persoonlijk gevoelen, doch ook dit leidde evenmin als elke andere poging tot het gewenschte resultaat. Het dogma der verwerping was vooral een teeder punt, omdat het steeds aan velen aanstoot had gegeven en in de hand der Remonstranten het sterkste wapen was tot bestrijding van hun tegenpartij. Deze leer hing nauw samen met andere stellingen, waarover de leden der synode zelf het volstrekt niet eens waren.
§ 173. Deze volkomen vruchteloozc twisten veroorzaakten groot oponthoud. Zij brachten ook den demon van het odium theologicum binnen Dordrecht. Aan eigenlijke bespreking van de quaestie zelf is het in al die weken niet toegekomen. De gedaagden waren evenals hun tegenstanders vastbesloten geen haarbreed toe te geven. Hun stoutmoedige, hooghartige toon, lange verhandelingen en vertoogen, gepaard aan zulk een onverzettelijkheid hadden ten gevolge, dat zij met toenemende hardheid werden bejegend. Reeds waren zij in het laatst van December onder censuur gesteld en kregen order, dat zij zonder verlof de stad niet mochten verlaten, een bevel, dat later met nadruk herhaald werd. Omdat men met hen niets vorderde, rijpte in de synode het besluit om het geschil buiten hun bijzijn alleen uit hun geschriften te onderzoeken. Van de Staten Generaal werd den 1 Januari 1619 een resolutie verkregen, waarbij de bevoegdheid der nationale synode als rechtbank over de geloofsverschillen erkend en den gedaagden onderwerping aan haar besluiten gelast werd. Het verzoekschrift der Remonstranten, waarin zij hun houding verdedigden en op erkenning van hun recht aandrongen, werd onbeantwoord gelaten. Toen scherpe vermaning en bedreiging met kerkelijke cn burgerlijke straffen niets baatte, toen hun samenspreking
213
met de politieke gemachtigden vriichteloos hleef, toen daardoor aan de meer toegeeflijke stemming van de meeste buitenlandsche leden een einde kwam, hleef er niets anders over dan de weg der doortastende maatregelen: de Remonstranten wilden, zelfs nadat de handelingen der synode gewettigd waren door het hoogste staatsgezag van geen capitulatie weten. In de zevenenvijftigste zitting, den 14 Januari, werden zij door den verholgen president onder bittere verwijten over datgene, wat hij hun looze streken, bedriegerij en halsstarrigheid noemde, uit de vergaderzaal weggejaagd met de aankondiging, dat eerlang de censuur over hen zou volgen. Vijf en dertig samenkomsten hadden slechts tot het negatieve resultaat geleid: de ruwe vernietiging van het protest der beklaagden. De synode zou voortaan naar eigen inzicht de leerquaestie uit hun geschriften beoordeelen zonder persoonlijke verdediging en opheldering hunner gevoelens.
Reeds was den 10 December volgens besluit der politieke leden een deputatie van de synode naar den Haag gezonden om aan de Staten Generaal verslag te doen van al het voorgevallene, 43° zitting, Acta syn. nation., f. 160, verg. 199. De toestand was inderdaad onhoudbaar, want of de synode of de gedaagden moesten toegeven. Daarop volgde de nieuwjaarsresolutie, waarin verklaard werd, dat hun Hoog Mogenden „ea acta ae decreta (nl. dezer synode) approbant omnibusque denunciant citatorum Remonstran-tium fuisse iisdem actis et decretis morem gerere e vestigio, iisque se subjicerequot;. Zij mochten de stad niet verlaten dan met speciale vergunning der politieke gemachtigden, en dit verlof was niet gemakkelijk te verkrijgen. Het verzoekschrift der Remonstranten aan de Staten Generaal komt voor in Acta et scripta Remonstr., p. 150—152; His tor. verhael, p. 130 vlg.
De ziedende toorn, die Bogerman vervulde, toen hij den 14 Januari de gedaagden uitdreef onder hartstochtelijke verwijten en het geheele tooneel van dien noodlottigen dag maakten op allen een diepen, zelfs ontzettenden indruk. In een volgende zitting keurde Crocius, hoogleeraar te Bremen, de hevigheid van Bogerman af. Vele leden dachten eveneens, omdat de binnenlandsche leden niet vooraf geraadpleegd waren, omdat er geen formulier van demissie was ontworpen en de synode den blaam van groote hardheid op zich had geladen. Het gedrag van den voorzitter, op wiens hoofd alle lasten en bezwaren gedurende al deze zeer lastige schermutselingen met de Remonstranten hadden gedrukt, wordt met onpartijdigheid beoordeeld door van der Tuuk, Bogerman, p. 210—216.
De synode van Dordrecht had te doen met een geoefende tegen-partij, die haar bedoelingen doorzag en deze met alle krachten dwarsboomde. Toen bleef er niets over dan macht te laten gelden boven recht en hen zonder verdediging weg te zenden.
214
§ 174. De gedaagden, uit de vergaderzaal der synode verbannen, mochten toen te Dordrecht afwachten, wat verder over hen zou worden beschoren. Zij stonden er voortaan onder streng toezicht, van een deel hunner vrijheid reeds beroofd. Al hun adressen en tractaten ter verdediging, afgezonden aan de politieke leden, aan de synode zelf, aan de Staten Generaal en prins Mauiuts, werden ter zijde gelegd. Doch ook onder don hun toegebrachten slag wankelden zij noch weken af van het beginsel, waar zij voor gestreden hadden. Het bezoek en de brieven van geloofsgenooten versterkten hun moed. Aan het stellen van allerlei verweerschriften besteedden zij de grootste zorg. De breede omvang van hun verhandelingen, die steeds denzelfden geest openbaarden, maakte de gemoederen nog meer verstoord, die bovendien steeds geprikkeld werden door paskwillen, allerlei spotternijen en booze schotschriften op de synode en haar leden. De ergernis over hun houding zou nog grooter geweest zijn, indien het toen reeds bekend was geweest, dat andere Remonstranten naar den wenseh van Wttenboqakbt zich bezig hielden met maatregelen om het zelfstandig bestaan van hun partij op den duur te verzekeren. Geslagen waren zij toch geenszins overwonnen. Onder leiding van Grevinchoven werd den 5 Maart te Rotterdam een geheime samenkomst gehouden van tien predikanten en eenige kcrkeraadsleden. Daar werd een begin van uitvoering gegeven aan het plan tot oprichting van een eigen kerkgenootschap door het besluit om afzonderlijke godsdienstoefeningen te organiseeren en met elkander een „gemeene broederschapquot; of societeit te vormen, die zich tot hoofddoel stelde de godsdienstige vrijheid te handhaven tegen elke verdrukking. Daar werden de handelingen en de gevoelens der te Dordrecht bestookte broeders goedgekeurd, de wettigheid als ook de leer en voorschriften van het 1 lervormde kerkgericht verworpen. De synodalen ontleenden aan deze „antisynodequot; een nieuwe reeks van aanklachten tegen de deelhebbers als behoorende tot een „liguc omme de ingesetenen deser landen in gestadige verdeeltheyt te houdenquot;.
De tafel tegenover het bestuur, waaraan de geciteerden gezeten hadden, werd terstond weggenomen, toen de synode hen niet langer het woord wilde laten. Hun adressen werden zelfs niet meer onder de ingezondene stukken in de acta opgenomen: zij zijn gedrukt in hun Acta cl script a synodalia, p. 158 vlg. Een commissie uit de synode begaf zich terstond naar den Haag om de regeering op de hoogte te stellen van het gebeurde: het gevolg dezer zending was een staatsdecreet van 18 Januari, waarhij de daad van het wegzenden werd goedgekeurd, Acta syn. nation., f. 198, 199.
De Remonstranten hadden reeds in 1617 een nadere verbintenis
215
gesloten, zie § 161. Nu gaven zij met kloek beleid verdere uitvoering aan dat plan tot een geheele afscheiding. De tegenpartij is eerst eenige weken later achter het geheim gekomen door het verhoor van twee Remonstranten te Alkmaar. Zie daarover Tidkman, Stichting der Hem. broederschap, I, 19—37, waar ook is opgenomen de geheele „acte van tghebesoigneerde binnen Rotterdam den vijfden Martij anno 1619quot;, ook bij Uytknbogaert, Kerck. Hist., V, 46—49; Brandt, Hist, der Hef., III, 480—490. Een ouderling en diaken (van Hoorn) waren naar de geciteerden gezonden om hun de handelingen van deze vergadering te bezorgen. Evenals zij gaf ook Wttenbogaert zijn goedkeuring met die besluiten te kennen.
Het beruchte spotvers op de synode, dat in Januari te Dordrecht werd verspreid, is uit een groot aantal exemplaren van Brandts Historie weggesneden. Zie daarover Loeff, De Nederl. kerkgesch. schrijver Brandt, p. 54—57; ook Navorscher, VI, 10, VTII, 364, IX, 40.
§ 175. De synode was toen vrij in haar onderzoek naar de geloofsgeschillen en om daarbij zoodanige orde te volgen, als zij zelf geschikt achtte. Zij zette zich terstond aan het werk tot wederlegging van de stellingen dor Remonstranten uit hun geschriften. De kerkelijke leden der synode werden daartoe in tal van commissies verdeeld, die allen afzonderlijk hun gevoelen over de vijf artikelen formuleerden en daarna in de algemeene vergaderingen voordroegen. Meestal werden de voormiddagen door de , afdeelingen tot het bespreken en gereed maken van hanr judicium besteed. Ook werden er zeer vele beslotene zittingen gehouden. Deze arbeid werd ingeleid door voordrachten van de doctoren en hoogleeraren over sommige hiermede in verband staande onderwerpen. Uit de afzonderlijke oordeelvellingen zouden daarna de canones, het algemeen gevoelen der synode over de betwiste leerstukken behelzende, worden samengevat. Hoewel de president toen reeds daarmede een begin had gemaakt, werd deze laatste taak opgedragen aan een commissie van negen leden, welker oordeelen over de controverse punten afzonderlijk aan de algemeene bespreking der volle synode onderworpen en daarna een voor een definitief door onderteekening van alle leden vastgesteld werden. Deze zeer omslachtige arbeid, die ook onder de andere beslommeringen der synode steeds werd voortgezet, duurde ruim drie maanden tot de honderdzesendertigste zitting op den 23 April. Veel sneller was de synode daarna gereed met het lezen (nazien) en bekrachtigen van de Confessie en don Catechismus, dat in vier sessies was afgeloopen.
De drie collegies der kerkelijke leden, nl. de buitenlandsche afgevaardigden, de professoren en de binnenlandsche godgeleerden
216
waren gesplitst in negentien commissies, nl. acht van buitenlanders in deze volgorde: Engeland, Pfaltü, Hessen, Zwitserland, Nassau-Wetterau, Genève, Bremen, Emden, een van de hoogleeraren en tien van inheemschen in de gewone volgorde; Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijsel, Groningen, Drente, de Waalsche kerk. De judicia dezer afdee-lingen werden afzonderlijk over elk van de vijl controverse artikelen achtereenvolgens uitgebracht. Dit zeer omvangrijke commissoriale werk maakt het aanhangsel uit van de Acta syn. nation. Zij waren daarmede den 5 Maart gereed.
Den 17 Januari hield prof. Lubbertus de eerste openlijke voordracht tot verklaring van cenige door de Remonstranten gebezigde bijbelteksten, den volgenden dag sprak prof. Gomarus over de beteekenis der woorden verkiezen, verkiezing en verkorenen enz. Op die der Nederlandsche hoogleeraren volgde een reeks redevoeringen van buitenlandsche geleerden.
Den 5 Maart begon de geregelde lezing der judicia van de verschillende commissien. Toen dit tijdroovende werk afgeloopen was, deelde Bogerman mede, dat hij reeds een concept had gesteld voor het algemeene oordeel over de vijf artikelen. Op aandrang der buitenlandsche leden stelden echter de politieke gemachtigden voor om een commissie van negen leden, waarin ook de voorzitter en zijn assessoren benoemd werden, met die taak te belasten. Deze waren in ruim drie weken van 25 Maart tot 1O April gereed; in dien tijd werden er geen zittingen gehouden. De vijf hoofdstukken (de divina praedestinatione, de morte Christi et hominum per eam redemptione, de hominis corruptione et con-versione ad Deum ejusque modo, de perseverantia sanctorum) werden daarna in de volle vergadering gelezen, met weinig verandering goedgekeurd en een voor een onderteekend door alle leden.
Zoo zijn de leerregels van Dordrecht geboren. Door het besluit van bekwame godgeleerden uit alle Hervormde landen was daarin uitgedrukt, wat de waarheid was ten aanzien van het diepzinnige leerstuk der goddelijke voorbeschikking. Het groote geschil tusschen de Remonstranten en Contraremonstranten was door deze achtbare en toongevende kerkvergadering tot een beslissing gebracht. In den grond der zaak handelde de quaestie over de vrijheid van den wil, was het een strijd van het godsdienstig geweten tegen het geloofsgezag. Dit beginsel kwam aan de orde met de vraag: Hangt de zaligheid van elk individu alleen af van Gods onfeilbaar en onherroepelijk decreet? De Contraremonstranten legden alle nadruk op Gods oppermacht, liever een hard oordeel over den mensch dan aan Gods eer te kort gedaan, en hadden derhalve slechts dit antwoord: God maakt alleen zijn uitverkorenen tot geloovigen. De Remonstranten wilden aan de eigenlijke leer dei-predestinatie niet tornen, doch zij legden den nadruk op het
217
geloof en kwamen /00 tot de erkentenis; God heeft de geloovigen uitverkoren tot verkrijging der zaligheid in Christus. Daardoor hadden zij een dubbelbetoog te voeren: Alles komt van Gods genade; nochtans is \'s menschen wil vrij. Wel zijn door de Remonstranten de consequenties niet gemaakt, waarvan zij beticht werden, maar zij lagen in hun systeem en zijn later ook uitgesproken. Het stelsel van hun tegenpartij, te Dordrecht vastgesteld, was meer samenhangend maar nochtans niet tegen grondige bedenkingen gevrijwaard. Het lijdt o. a. aan inconsequentie ten opzichte van de plaats, die Adams val in Gods raadsbesluit inneemt en van tie beteekenis van Christus verzoenend lijden. Scholten, Leer der flerv. kerk, vierde druk, H, 11, 453—605.
§ 176. Hoewel de synode toen doorgaans geregeld als een u\'irwerk doorliep en een zekere geheimzinnigheid voor de buitenwereld in acht genomen werd, gaf niettemin de bespreking der dograas soms aanleiding tot een merkbaar verschil van gevoelen zelfs tot twist. Enkele onaangename tooneelen tussehen Mabtinius van Breinen, Gomarus, Lubbertus, dc Engelsehe godgeleerden e. a. verstoorden de kalmte der beraadslagingen. Al kon door het beleid van den welsprekenden en bekwamen voorzitter en het gezag der politieke commissarissen menige botsing worden verhoed of opgelost, er was een belangrijk punt, waarin dc leden onderling niet overeenstemden. Terwijl de meerderheid infralapsarier was, word het strenge gevoelen dor bovenvaldrijvers of supralapsariers door cenige zeer lievige en strijdvaardige geesten voorgestaan. De synode heeft bij haar vaststelling van de leer deze elkander opheffende denkbeelden manr liever onaangeroerd gelaten en omtrent de verdere consequenties uit het dogma der voorbeschikking geen beslissing genomen. Ook de supralapsariers wilden daar wel genoegen mede nemen om geen nieuwe verdeeldheid over dit zeer bedenkelijke geschilpunt in de kerk te verwekken.
Toen bij de bespreking van de vijf artikelen de gevoelens voor den dag kwamen, bleek al dadelijk, dat zelfs bij deze rechtzinnige mannen groot verschil heerschte, als het debat afdaalde tot de subtiele onderscheidingen. Bovendien gaf verschil van temperament ook aanleiding tot botsingen. De afgevaardigden van Bremen, Martinius en Crocius, gematigder in hun leer en oordeel, hadden reeds in Januari hooge woorden gekregen met Gomarus, toen zij Christus voorstelden niet alleen als den uitvoerder maar ook als den veroorzaker, auteur der verkiezing. Toen zij bij een volgende gelegenheid nog heviger door Gomarus , Scultetus en Lubbertus werden aangevallen, weigerden zij een tijdlang de vergaderingen bij te wonen: het kostte vrij wat moeite deze oneenigheid bij te
218
leggen. Martinius vooral werd, omdat hij dikwijls eenige verdraagzaamheid betoonde, niet recht vertrouwd. Ook was er verschil met de Engelsche godgeleerden, die zeer ontzien moesten worden en die van hun geloofsbelijdenis niets prijs wilden geven. Glasius, Gesch. der nation, syn., II, 188, 192—195, vooral van der Tuuk, Bogerman, p. 219—225.
De meeste buitenlanders en vele binnenlandsche leden waren de voorstelling der infralapsariers toegedaan, ook Lubbertus en de president. Gomarus, Hommius, Trigland, Voetius, Lydius waren met de minderheid bovenvaldrijver. Glasius , p. 204 en Scholten, Leer der Herv. kerk, II, 600 e. a. rekenen Bogerman en ook Lubbertus tot de laatsten; van der Tuuk toont het tegengestelde aan, p. 226, 349, noot 299.
1? 177. IntiiBsehen werden te Dordrecht ook nog andere zaken behandeld. Den 19 December reeds was Johannes Acronius, toen professor te Franeker, aan het hoofd van een commissie uit de gemeente van Kampen, waar hij de dienst waarnam, voor de synode verschenen met een aanklacht tegen de vier predikanten aldaar. Deze hadden geappelleerd op de nationale synode, die de zaak voorloopig uitstelde. Acronius liet het daarbij niet rusten, doch drong steeds aan, dat de synode hierover een beslissing zou nemen. De beklaagden werden inmiddels door den magistraat geschorst. Dit werd nu ten aanzien van twee hunner in \'t begin van Maart door de synode bevestigd , en later deelden allen in het lot der overige Remonstranten.
Tn Noord-Holland waren in Maart 1591 de gebroeders Johannes on Petrus Geesteranus wegens vele onrechtzinnige gevoelens, nog ergerlijker dan die der Remonstranten, door de provinciale deputaten afgezet. Niettemin werd deze reeds afgehandelde zaak ook nog voor de nationale synode gebracht, die zich echter alleen tot kennisneming van hun meeningen en hun vonnis behoefde te bepalen.
De Pool Johannes Maccovius (Makowski) hoogleeraar te Franeker, was daar sinds een paar jaren met zijn ouderen ambtgenoot Lubbertus in zulk een hooggaanden twist gewikkeld, dat elke poging om de zaak bij te loggen mislukte en de Friesche Staten haar tor beslissing aan de groote synode overdroegen. Hij werd beschuldigd van allerlei gruwelijke stellingen, die echter niets anders waren dan zeer krasse gevolgtrekkingen uit het Calvinistische systeem. Deze „causa particu-laris Frisicaquot;, waarbij Amesius althans de rechtzinnigheid van Lubbertus vijand verdedigde, werd niet zonder onaangenaamheden gesust; Lubbertus moest zijn beschuldiging laten varen en Maccovius kroeg oen ernstige vermaning om in zijn howeeringen meer beacbeiden tc zijn, een wenk, die hij slechts voor kennisgeving hoeft aangenomen.
219
De Oostfries Acronius was op dat oogenblik slechts in het voorbijgaan hoogleeraar te Franeker, sedert het voorjaar 1617. Van róoi tot 161 r was hij predikant te Groningen geweest, daarna te Wesel. Na zijn verdelgingstocht tegen de Overijselsche Remonstranten is hij predikant te Haarlem geworden, Bceles, Fries lands Hoogeschool, II, r, 104—108, die gunstiger over hem oordeelt dan Bavle, Diet. hist, et crit., I, 89 en van der Tuuk, Boger-man, p. 75.
Van de vier Remonstranten van Kampen teekende Voskuyl later in 1623 de acta van stilstand en is Schotler door den nood gedwongen zich met de kerk te verzoenen, Glasius, Gesch. der nation, syn., II, 238—243. De rede van Acronius, den 19 December voor de synode uitgesproken, is gedrukt achter de Acta syn. nation., f. 332—336.
Petrus Geesteranus was predikant te Egmond, zijn broeder te Alkmaar. Zij waren Unitariërs. De Remonstranten beschuldigden hun vijanden, dat zij met opzet deze zaak in de synodale handelingen gebracht hadden om hen op gelijke lijn te doen stellen met personen, die niet bij hen behoorden. Brandt, Hist, der Re/., III, 358-388.
Maccovius, geboren 1588, gestorven 1644, door zijn eerste vrouw zwager van Rembrandt, „Calvinista rigidus et paradoxusquot;, géraakte met Luebertus in vollen strijd, toen hij in 1617 door den Engelschman Thomas Parker stellingen had laten verdedigen, waaruit Lubbertus een bloemlezing van niet minder dan vijftig ketterijen verzamelde. Voor de Staten van Friesland was het een ware uitkomst, dat zij dit hatelijk en lastig geschil aan de synode konden overdoen. Maccovius trok al spoedig naar Dordrecht, doch in weerwil van zijn ongeduld werd deze zaak eerst in de laatste dagen van April afgehandeld. In de gedrukte handelingen wordt daarvan nagenoeg geheel gezwegen en in de zitting van 4 Mei alleen vermeld: „amice transacta fuit causa Frisicaquot;. J. Heringa, De twistzaak van den hoogl. Maccovius, in Archief voor kerkl. Gesch., IH, 505—664; mijn Honderd jaren, p. 369—374, 394—397 5 VAN DER Tuuk, Dogerman, p. 229—234. Biografie van Maccovius bij Boeles , Driest, hoogeschool, II, 1, 90—94.
§ 178. Toen in de synode de leer der RemonBtranten was veroordeeld, volgde terstond het vonnis over de personen. Met eenigc wijziging werd het ontwerp, dat de president in de zitting den 24 April indiende, door de groote meerderheid aangenomen. De geei-teerden worden zoowel om hun vergrijpen tegen de kerk als ook om hun gedrag op de synode allen afgezet, en aan de provinciale synoden werd do zorg voor het vonnissen der overige Remonstranten opgedragen. Deze sententie werd later met de Dordtsche leerregelen door de
220
Staten Generaal definitief ter uitvoering: bekrachtigd. Ook de ongelukkige Vorstius, steeds te Gouda de beslissing van zijn lot afwachtende, werd niet vergeten. Aan de synode was door de Staten het onderzoek naar zijti leer opgedragen. Het was te voorzien, dat het voor hem inzonderheid ongunstig zoude afloopen in weerwil van de deemoedige brieven, die hij aan huitonlandsehe en hinnenlandscho leden had geschreven. Den 5 Mei werd met volkomene eenstemmigheid het oordeel uitgebracht, dat hem wegens tal van onrechtzinnige leeringen onwaardig ycrklaarde om eenig ambt aan de hoogeschool of in de kerk te bekleeden. De regcering heeft dit vonnis door haar resoluties bekrachtigd en voltooid.
Met het eindoordeel over Vorstius waren dc synodale bezigheden afgeloopen, waarbij de tegenwoordigheid der buitenlandsche leden vcreischt werd. Op Maandag den 6 Mei werden in de hoofdkerk dc oordeclcn en vonnissen der synode openlijk afgekondigd. Daarna had op Hemelvaartsdag in de honderdvierenvijftigste zitting de plechtige sluiting plaats onder deftige toespraken en gebed. Toen dit in goede orde was geëindigd, namen alle leden nog deel aan een gastmaal, hun door de stedelijke regeering aangeboden, en begaven de buitenlandsche leden zich op hun terugreis.
Den 17 April werd evenals een halfjaar te voren een biddag gehouden, uitgeschreven door de Staten Generaal, waartegen Wttenbogaert een philippica schreef Achahs biddagh, evenals tegen de daarna uitgevaardigde placcaten zijn Vrymoedigh onder-soeck. Beiden werden eerst later uitgegeven doch niet weerlegd. Rogge, Witenbogaert, III, 36, 37.
Behalve Genève en Emden onthielden de buitenlandsche leden eerst hun stem aan de goedkeuring van het vonnis. Ook toen het eenigszins gewijzigd was, bewaarden de Engelschen en Hessen de onzijdigheid, maar die van Bremen vooral Martinius hielden vol, dat de sententie te hard was. De resolutie der Generaliteit, welker goedkeuring noodig was, werd den 2 Juli uitgevaardigd. Het vonnis en de Staatsresolutie zijn gedrukt in Acta syn. na/ion., f. 280—283.
Bij het oordeelen over Vorstius werd behalve zijn instemming met de Remonstrantsche artikelen nog een heele reeks andere ketterijen vermeld en ook weer zijn instemming met de Socinianen opgehaald, hoewel hij aangeboden had tegen hun leeringen te schrijven. Hij had geen enkelen verdediger. Vooral de Engelsche godgeleerden waren vijandig gestemd en zelfs bij Martinius vond hij geen voorspraak. De synodale sententie komt voor in Acta syn. nation., f. 318, 319. In de resolutie der Staten den 27 Juni werden hem zijn professoraat en daaraan verbondene jaarwedde ontnomen en hij zelf in ballingschap gezonden eerst buiten Holland, later buiten de Vereenigde Provinciën.
221
De plechtigheid op den 6 Mei nam een aanvang met een statigen optocht naar de kerk, waar Bogkkman voor een dichte en aanzienlijke schare een gebed uitsprak en de scribas de canones en sententies voorlazen, In de Doelenzaal teruggekeerd, verklaarde de voorzitter de werkzaamheden voor geeindigd. Op den 9 Mei bracht de raadsheer Gregoru namens de Staten dank aan de buitenland sche leden en werden door hen en Bogerman de reden tot afscheid uitgesproken. De daarop volgende „maeltyt, aengerecht zynde voir [30 personen met drye treffelicke ende siatelicke gerechten, heeft gecost met alle de aencleven van dien f 1219 ; 18 volgens de declaratie ende documentenquot;. De Staten Generaal namen ook deze kosten voor hun rekening. Schotel, Kerkel. Dortir., I, 271 noot. De aanmerkingen der tegenpartij op dit deel der officieele sluiting-worden door Regenboog, Hist, der Remonstr., II, 150, 151 ontleend aan Dwinglo, Nulliteiten, 1, 73 en Histor. ver had, p. 215. Den volgenden dag werden door de politieke gemachtigden aan de buitenlanders namens de regeering aanzienlijke geschenken in geld en gouden gedenkpenningen overhandigd. Eenigen van hen reisden over den Haag om de Staten Generaal, die vergaderd waren, te begroeten; zij hebben daar tevens de voltrekking kunnen bijwonen der doodstraf over het edelste slachtoffer van den kerkelijk politieken strijd en zich daardoor overtuigen, tot welk een tragische ontknooping zij ook mede hadden bijgedragen.
§ 179. Het tijdperk, dat met do vaststelling der Dordtsche leer en de veroordeeling der kerkelijke tegenpartij eindigt, is het woeligste en meest afwisselende, dat onze kerk doorleefd heeft. Toen de groote denkbeelden der Hervorming hier te lande langzamerhand tot het godsdienstig leven doordrongen en een groot deel der bevolking in beweging kwam tegen de drukkende overheersehing van Spanje en Rome, word door het genot van burgerlijke vrijheid en de vestiging der Hervormde kerk nochtans geen eendracht verkregen. De verschillende opvatting van de betrekking van den staat tot de kerk en van de waarde der belijdenis had nadere en nauwkeurige bepaling noodig. Doch het lag niet in den geest des tijds zich een juiste en billijke voorstelling te vormen van de ware grenzen tussehen het openbaar gezag en het recht der kerk. Men meende ook heiligschennis te plegen door vrije ontwikkeling toe te staan aan het groote beginsel van zelfstandig-geloofsonderzoek. Daar de meeningen over deze twee gewichtige vragen onvereenigbaar waren en bleven, moest er strijd ontstaan, een verwarde, woedende twist, waarin al van den beginne af niet alleen godgeleerden maar ook overheden en staatslieden betrokken werden. Zij drong door tot alle rangen van de samenleving. Alle krachten werden opgezweept, de toestand wisselde bij tien dag. In
222
zulk een tijd wordt een heirleger van hartstochten niet altoos van het reinste gehalte ontketend. Toen verzoening bleek tot de onmogelijkheden te behooren, toen het gezag, dat de moedige minderheid staande hield, begon te wankelen, kon een beslissing slechts komen door overmacht, door een schok, die vernielde. Zoo werd eindelijk het hoogtepunt bereikt, waar de drang der tijden heenvoerde. De synode van Dordrecht is het laatste en tevens hevigste tooneel van den kerkelijk politieken strijd, die Nederland in de dagen van het Bestand heeft beroerd, het punt van overgang tot een tijdvak, dat een geheel ander karakter vertoont.
Nooit is de Hervormde kerk weer opgeroepen tot zulk een kerkvergadering als deze. Zij is door velen afgekeurd, zelfs verfoeid en belasterd. Doch de meerderheid, die met haar resultaten ten zeerste ingenomen was, beschouwde haar met waren eerbied. Hun bewondering uitte zich in den meest overdreven lof. Men achtte toen, dat het hechte werk van Dordrecht onveranderd waarde zou houden voor het nageslacht tot in lengte van dagen. Dit was meer dan gewoon en vergankelijk menschenwerk. Zou ooit eenige macht ter wereld, zelfs de profane tand des tijds iets tegen dit gewijde nionument vermogen?
VIERDE AFDEELINÖ.
DE HEERSCHENDi KERK 11)19-1755.
■ ■
I ■
,,w.rl.,.. *.t..
■■-■■■
GESCHIEDENIS
ïiN DE HEPORilE EN DE BEIMIE KE1E
DER NEDERLANDEN.
TTT
\'
|( C.T! lOTHffC |lt;
VAN DE
i
(ID
JDOOK
KERKELIJK HOOOLEERAAR TE CiRüNINüEN.
TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTEKS, 181W.
Stoomdrukkerij van J. B. Wolters.
-4h
V
if
1!!/.
EERSTE APDEELING.
NEDERLAND IN DE MIDDELEEUWEN .... 1—54
INLEIDING, § ]—4..................3
HOOFDSTUK I , § 5—1 7.
Oude ketterijen. Het Christendom buiten de kerk.....7
HOOFDSTUK II, § 18—29.
Devotie en mystiek................19
HOOFDSTUK III, § 80—47.
Gerrit Groot en zijn stichtingen............27
.J». HOOFDSTUK IV, § 48—58.
Voorteekenen en voorloopers der Hervorming.......44
TWEEDE APDEELING.
DE OPKOMST DER HERVORMING TOT 1568 . . 55—108
%
HOOFDSTUK V, § 59—71.
De reformatoire bewegingen tot 1530 .......... 57
. HOOFDSTUK VI, § 72—76.
b)
Anabaptisten en Doopsgezinden 1530—1537........ 73
HOOFDSTUK VII, § 77—98.
Toename en lijden der Hervorming 1530—1568 ...... 79
tl
rNHOUD.
Biz.
DERDE APDEELING.
VESTIGING EN VOIiMING DER HERVORMDE KERK TOT 1619 109—222
hoofdstuk VIII, § 99—112.
De strijd dor Hervormde kerk en haar vestiging.....111
hoofdstuk IX , § 113—139.
De Hervormde kerk in haar strijd over kerkorde en belijdenis 129
De beweging over de kerkorde............135
Oudste geschillen over de belijdenis..........144
hoofdstuk X, § 140—149.
Arminius en Gomarus. Voorspel der Dordtsehe synode , . . 165 14»
hoofdstuk XI, § 150—163.
Remonstranten en Contraremonstranten.........179
hoofdstuk XII, § 164—179.
De\'nationale synode te Dordrecht 1618—1619......201
VIERDE AFDEELING.
DE HEERSCHENDE KERK IMO—1705 . . . 223—335
hoofdstuk XIII, § 180—191. ■*\'-
Het nawerk der synode en de verstootelingen der kerk . . . 225
De Rhijnsburgers.................241
hoofdstuk XIV, § 192—202.
De kerk op haar eigen gebied............ 244 .
hoofdstuk XV, § 203—213.
De eerste kerkelijke bewegingen na Dordrecht. Cartesius en de Cartesianen................260
1
Cartesius en de Cartesianen.............265
hoofdstuk XVI, § 214—222.
Coceejancn en Voetiancn..............275
inhoud.
hoofdstuk XVII, § 223—235.
Nederlandschc piotiston in en buiten do kerk......288
Afwijkende secten en antinomianen..........295
hoofdstuk XVIII, § 23(5—260.
De achttiende eeuw................304
De strijd over de tolerantie.............318
t
HET TUDPliRK VAN OVERGANG 1705—1815 , , 336—354
hoofdstuk XIX, § 261—272.
Onder de Bataafsche republiek en in den Franschen tijd . . 339
ZESDE AF DEELING.
DE NEGENTIENDE EEUW SEDERT 1815 . , . 355—433
hoofdstuk XX , § 273—284.
Onder de zorg van Willem I............357
De Hervormde kerk van het koninkrijk der Nederlanden . . 358
De strijd over het gezag der formulieren........363
hoofdstuk XXI, § 285—291.
Vervolg. De Separatisten..............372
hoofdstuk XXII, § 292—308.
De emancipatie der kerk..............388
hoofdstuk XXIII, § 309—322.
De nieuwste tijd.................410
Register.....................435
I
het nawerk der synode en de verstooteungen der kerk.
.1. Tideman, De Remonstr. broederschap, biogr. naamlijsi, 1847; Hist, onderzoek naar de Remonstr. en het Remonstr., 18öl; De stichting der Remonstrantsehe Broederschap, 2 dln., 1871, J872; Friedrichstadt aan de Eider, 1852.
J. van Vloten, P. de Fijne naar zijn leven en schriften, 1853.
(A. K.), Beknopte gesch. of verhaal van \'t voorgev. tusschen de Remonstr. en Contrarem., Amst. 1773. En daartegen:
Jacobus Eegenboog (A. A. van der Meersoh), Historie der Remonstranten, 2 dlu., Amst. 1774, 1776.
H. C. RoaaE, Joh. Wttenbogaert, dl. III.
A. des Amorie van der Hoeven, Het tweede eeuwfeest van het Semin. der Remonstr., Leeuw. 1840, ook vertaald in \'t Duitsch door L. J. van Rhijn, in Zeitschr. für hist. Theol., 1843. I.
(Pasohieb de Fijne) , Kort verh. van het eerste begin en opkomen der Rijnsburgers. En daartegen:
Aanmerk, over het verhaal van het eerste begin enz., Rott. 1672.
(Elias van Nijmegen), Hist, der Rhijnsb. Verg ad., Rott. 1775.
§ 180. Terwijl te Dordrecht hot lot der minderheid in do kerk word beslist, naderde ook een ander treurspel zijn ontknooping. Nagenoeg galijktijdig werd het proces tegen de hoofden der ten val gebrachte staatspartij afgehandeld. De Gkoot en Hoogerbeets werden tot levenslange gevangenis op het slot Loevenstein en de grijze Oldenbarnevelt tot het zwaard veroordeeld. Op denzelfden dag, Maandag den 13 Mei 1619, dat op het Binnenhof in den Haag zijn onthoofding plaats had, heropende de synode van Dordrecht haar vergadering tot voortzetting van de nog onafgedane werkzaamheden.
De nazitting werd bijgewoond door de binnenlandsche leden, de professoren en de gemachtigden der Staten. Bij deze vergaderingen, die niet voor hot publiek toegankelijk waren, bedienden de leden zich van de Nederlandsche taal. Een groot aantal punten wachtte nog op overweging en nadere regeling, maar het is verklaarbaar, dat Dr. Ruitsma, Kerkgesch. 15
226
daarmede behoorlijk spoed werd gemaakt. Voel was reeds vooraf in gereedheid gebracht.
Er werden nog zes en twintig zittingen gehouden. Het eerste werk was de herziening en nieuwe redactie van do kerkorde, die uit naam der synode zou worden voorgedragen. Daarbij werd die van 1/)86 ton grondslag gelegd met bijvoeging van eenige afzonderlijke bepalingen. Verder moesten er maatregelen tot handhaving van de besluiten en uitvoering van do oordoelen dor synode gemaakt worden: daartoe behoorde ook hot stollen van do formulieren voor de onderteekening der belijdonisschrifton. De tekst van do Confessie, van de Dordtsche canones en handelingen werd vastgesteld. De ten behoeve van het godsdienstonderwijs vervaardigde verkorte Catechismus, het zoogenaamde Kort Begrip, en een van grooter omvang, werden ter tafel gebracht en goedgekeurd. Eenige zaken, de liturgie betreffende, worden vastgesteld. De verzoeken, die uit naam van de kerk tot do regeering moesten worden gericht, werden besproken en bijeengebracht; zij betroffen o. a. de ondersteuning dor Staten voor de vertaling van den geheelen bijbel en een aantal ordonnanties op sabbatsviering, drukpers en boekhandel, onderwijs en verordeningen voor de scholen. Dordrecht word als synodale classis aangewezen. Bovendien werd in dozo vergaderingen ook nog het eindvonnis geveld in de aanklacht tegen de Kamper en in het appèl van de Hoornscho predikanten.
Eindelijk in de hondcrdtachtigsto vergadering, den 29 Mei, werd ook de nazitting met do gebruikelijke formaliteiten plechtig gesloten.
Met de postacta was reeds de nieuwe periode aangebroken, die de Nederlandsche kerk intrad. Het waren de eerste werkzaamheden, die na de gevallene beslissing genomen werden en voortvloeiden uit den toen in \'t aanzijn geroepen toestand. Het begin der Meimaand 1619 is derhalve het aangewezen overgangspunt in tie geschiedenis der kerk. Ken kort verslag van de nazittingen geeft Glasius, Gesch. der nation. Synode, II, 292—305. Het handschrift dezer acta bevindt zich niet in het oud-archief der synode, doch oude exemplaren daarvan bezitten de provinciale kerkbesturen van Utrecht en Overijssel, terwijl ook enkele oude afschriften zijn bewaard o. a. in het archief der classis Amsterdam.
In 1669 zijn ze te \'s Gravenhage in druk verschenen in 4° onder den titel: Handelinghen des nation, syn. te Dordr., naedat de uitheemsche theol. ver/rocken waren, ook hier en daar herdrukt. Zie hierover behalve Ypeij en Dermout ook nog Hooijer, Oude her kor d., p. 435.
Bij de toen vastgestelde kerkorde werden nog afzonderlijke reglementen gevoegd; bepalingen tot „omtuyningquot; van het jus patro-natus (157° sessie), een door Bogerman ontworpen voorschrift
227
omtrent de beroeping van predikanten door den kerkeraad „ende dat niet sonder goede correspondentie met de ehristelycke overig-heydquot; (1610 sessie), en bepalingen tot reformatie der hoogescholen, eigenlijk kerkelijk toezicht op de professoren (163quot; sessie). Drie formulieren ter onderteekening van de Dordtsche leer werden gesteld voor predikanten, voor rectoren en schoolmeesters, voor theologische professoren en regenten.
Tot het verleenen van raad en bijstand, omdat Utrecht zoovele predikanten verloor, werden zes leden, onder welke Bocerman , uit Dordrecht naar de synode van het Sticht afgevaardigd (168 \' sessie). Ook werd een commissie benoemd om bij de Staten Generaal goedkeuring en steun tot uitvoering van de synodale decreten aan te vragen en andere verzoeken kenbaar te maken (177° sessie).
De liturgische bepalingen betroffen het formulier van den doop dei-bejaarden, eenige gebeden, het kerkgezang en de vaststelling der christelijke feestdagen.
Den 22 Mei werden twee predikanten van Kampen afgezet (169° sessie), zie ook Glasius, Gesch. der nation, syn., II, 242. Van de drie Hoornsche appellanten verscheen Izaak Welsing in persoon te Dordrecht 25 Mei. Hij was door de deputaten geschorst, Rodingenus en Walesius waren reeds afgezet. Van dat vonnis beriepen zij zich op de nationale synode, die het over hen uitge-sprokcne oordeel rechtvaardig vond. Hun zaak werd verder in handen gegeven van de provinciale synode, die vermaand werd om met allen, die tot onderteekening der formulieren overgehaald konden worden, „op het aldersagste te handelen, voor sooveel de waerheyd ende stichtinghe lyden kanquot;. Toch werden zij slechts tot de acte van stilstand bewogen, hetwelk zij later herriepen. Sapma , de vierde predikant, behoorde tot de gedaagden. Postacta, sessie 174—177; Brandt, Hist, der Ref., II, 948 vlg.; Velius, Chron. van Hoorn, p. 568—-586; Tideman, De Remonstr. broed., p. 244, 245, 247 en passim; ook Reitsma en van Veen, Acta syn. provitu., H, 63 vlg.
§ 181. Toen vertrokken de Dordtsche vaderen en stilte verving do drukke beweging dor vervlogene maanden. Het langst bleven de commissarissen-politiek om de finale rekening der kosten op te maken. Toen na enkele dagen ook dit werk was afgeloopon, bevonden zich daar alleen de veroordeelde gedaagden ten getale van vijftien, doch steeds onder streng toezicht.
Dadelijk na afloop van de hooge kerkvergadering begon het treurige werk dor vervolging van de geslagene partij. Afgevaardigden uit de synode begaven zich den 30 Mei naar den Haag om den Hoog Mogenden „sommier rapportquot; te doen, geschriften te overhandigen en verzoeken voor te dragen. Boobbman bleef vervolgens nog eenigen
is*
228
tijd in do residentie toeven om prins Maurith en de Staten Generaal mot zijn raad ter zijde te staan bij de maatregelen, dlo verder noodzakelijk waren. In Augustus werd hij naar Utrecht opontboden om daar eveneens van dienst te zijn bij het zuiveren der kerk en liet regelen van den geheel veranderden toestand in dat meest Remonstrantseho gewest, waar zulk een duchtige opruiming moest plaats hebben.
Reeds in Mei was aan de geciteerden te Dordrecht door de Staten het voorstel gedaan om een verklaring van gehoorzaamheid af te leggen en zich daarmede voor de volle zwaarte der vervolging te dekken. Den 2 Juli werden zij naar den Haag opontboden. Voor de Staten werd hun één voor cén de „acte van stilstandquot; voorgelegd, do belofte behelzende om zich strikt van elke kerkelijke dienst to onthouden en zich rustig te gedragen. Slechts Henuicus Lbo bezweek voor deze verzoeking en onderteekende. De anderen weigerden allen, werden in hechtenis gehouden en den (i Juli als balling onder geleide over de grenzen gezet. De moesten begaven zich vooreerst naar Waalwijk, waarheen iets later op last dor regenring ook nog zeven deelnemers aan do zoogenaamde contrasynode werden vervoerd.
Bogerman werd in het laatst van Juni door de vroedschap van Leeuwarden opontboden, doch kreeg in Augustus nogmaals verlot naar Utrecht. Hij stond sedert dezen tijd in gunst bij prins Maurits , die hem zelfs in den Haag wilde beroepen. In l\'riesland stelde men hem zeer op prijs, maar tie tegenpartij betichtte hem van allerlei kwaad en slechte practieken, zoodat er een reeks lasterlijke geruchten over hem in omloop zijn gekomen, van der Tuuk, Bogerman, p. 245—252, 350—352. Het bericht, dat zijn gedrag zeer afgekeurd zou zijn op de Friesche synode, die 14 September 1619 te Leeuwarden vergaderde, bij Brandt, Hist, der lief., IV, 17—22, en dat hij in Friesland als „Booserman, het hooft van alle snoodenquot; door velen veracht werd, kan ter zijde gelegd worden, zie daarover Rogge , Wttenbogaert, IH, 8, 9, en ook mijn Honderd jaren, p. 398, 401 noot.
De acte van stilstand of ook wel van gehoorzaamheid bevatte de verklaring, dat de onderteekenaar zich „van nu af ende voortacn sal onthouden van alle kerkelijke diensten ende bedieningen ende wat daeraf dependeren magh int heimelijk of int openbaerquot; in het geheele gebied der Vereenigde Gewesten, en dat hij zich .,burgerlijk in alle modestie ende stilligheit als een particulier ingeseten sal com-porteren ende draegen ende (sich) naer de beveelen van de overhelt sal reguleren ende deselve gehoorsaemenquot;, bij Brandt, III, 687. Leo, predikant te Bommel, gaf door onderteekening ergernis aan zijn geestverwanten. Hij trachtte zich te verantwoorden, doch is later tot de tegenpartij overgeloopen en 1631 weer predikant te Buren geworden. Brandt, IV, 64, 65.
22!)
De geciteerden konden zelf opgeven, waarheen zij buitenlands wilden gaan. Hun werd vijftig gulden reisgeld en afschrift van het vonnis der Staten Generaal ter hand gesteld. De meesten lieten zich naar Waalwijk «escorteeren. De beide Kamper Remonstranten Matthisius en Gosuinus gingen naar Nienhaus, Vezekius naar Kleef, zie Kd. Poppius, Histor. Vcrhael, p. 112—114.
I Iet onderzoek naar de Rotterdamsehe vergadering begon reeds den 27 Maart. In Mei werden de deelnemers voor het Hof van Holland ontboden: zij kregen dadelijk bevel den Haag niet te verlaten. Deze oproeping bewoog Grevincmoven naar Antwerpen uit te wijken, Tideman, Stichting der Rem. broed., I, 61.
§ 182. Door de besluiten van Dordrecht had de kerk eigenlijk niets meer dan do macht vorkregen om zich van de Remonstranten te ontdoen. Doch in de eerste opwinding over de hoe dan ook behaalde zege was tic onderliggende partij aan de grootste willekeur blootgesteld. Het was misbruik van macht, dat aan do buiten de kerk gezette Remonstranten het recht om zich tot onderlinge godsdienstoefening te vereenigen niet alleen bemoeilijkt maar zelfs benomen werd. Het strafgericht werd geloofsvervolging.
De eerste handelingen der regeering waren geweldig en uiterst gestreng. Zij troffen vele aanhangers van Oldenbarnevjclt, van welke eenigen uit hun ambten ontzet, anderen beboet en zelfs verbannen werden. In menige stad had er nog een verandering van magistraats-personen plaats, en aan de stedelijke schutterijen werd een nieuwe eed afgenomen. Aan eiken afgezetten predikant moest op last dor Staten Generaal de acte van stilstand ter ondertcekening worden voorgelegd. Na do goedkeuring der Dordtsche leerstellingen kwam vervolgens hot beruchte plaecaat togen de Remonstranten: de Staten van Holland hadden het laten opstellen en de uitvaardiging daarvan in de Generaliteit doorgedreven. In Februari 1620 word dit door een tweede, nog scherper edict .gevolgd. Aan de gemachtigden der kerk werd bij hun optreden tegen onrechtzinnige predikanten, rectoren, korkoraden, schoolmeesters de steun der regeering en der plaatselijke overheden verzekerd. De nieuw benoemde curatoren hielden aan do Leidsche academie een geheele zuivering: enkele professoren alsmede Barlaeus en Vossius, regenten van het Statencollegie, kregen hun ontslag en werden door anderen vervangen. Alle leerlingen van Episcopius worden uit het Statencollegie weggezonden.
In den eersten ijver lieten zoowel politieken als kerkdijken zich veel te ver meesleepen. Indien er van recht sprake kan zijn, dan ging dit door harde vervolging der overwonnenen de, grens te buiten. Uitzetting uit een kerk sluit niet in zich opheffing van het
230
recht tot vereenigen. Daar de erkenning van zoodanig recht niet van kerkelijke zijde te verwachten was, lag dit op den weg van de staatsmacht. Toen na eenige Jaren de gemoederen weer bedaard waren, is dit ook werkelijk geschied;• toen liet men de Remonstranten met rust en verstoorde hun vergaderingen niet langer. Maatregelen tot zulk een meer vredige en billijke oplossing hadden echter ook al dadelijk genomen kunnen zijn, want er waren verzoekschriften om vrije godsdienstoefening ingeleverd door de Remonstranten van Leiden, den Briel, Rotterdam, Schoonhoven e. a., Brandt, Hist, der Ref., III, 754 en elders. Dan zouden de tooneelen niet zijn opgevoerd, die deze jaren met een zwarte kool teekenen en inzonderheid bij Hervormden pijnlijke gewaarwordingen opwekken. Ook de andere gezindten ondervonden na 1618 zeer merkbaar, dat het blad omgekeerd was, maar veel harder dan zij werden de Arminianen gekweld en vervolgd, Naber, Calv. of Lib., p. 169, 170; Brandt, Hist, der Ref., IV, 156. Het eerste pi accaat der Staten, 3 Juli 1619, verbood op strenge straffen het houden van conventikelen, Brandt, III, 783—789. In het placcaat van 1 Februari 1620 werden de bepalingen van het vorige herhaald en uitgebreid: predikanten en proponenten, voor welker opsporing 500 en 300 guldens werden uitgeloofd, werden als perturbateurs der gemeene rust met levenslange gevangenisstraf bedreigd, ib. IV. 196—202. Met dit model waren de decreten, die de magistraten uitvaardigden, overeenkomstig.
Te Leiden werden de curatoren Mathenesse en van der Mvle door anderen vervangen, de hoogleeraren Bertius, Barlaeus, van der Codde en Sylvius afgezet, de anderen genoopt tot onderteekening der canones. De theologische faculteit, waarvan alleen Polvander overbleef, werd aangevuld door de benoeming van Walaeus en Thysius, bij wie in 1620 nog Andre Rivet, predikant te Thouars, gevoegd werd. Hommius werd in plaats van Vossius regent van het Statencollegie.
§ 183. Door de kerkelijken word over liet algemeen in alle gewesten deze regel gevolgd; de deputaten der provinciale synoden riepen de classes bijeen, waar aan alle aanwezigen het formulier van onvoorwaardelijke instemming met do Dordtsche canones werd voorgelegd. Zij, die weigerden zo te ondertcekenen, worden dan onmiddellijk geschorst en, opdat niemand hieraan zou ontkomen, werd naar do afwezigen een nauwkeurig onderzoek ingesteld. Daarna worden de synoden samengeroepen, waar de deputaten verslag van hun bevinding deden en de gcscborstc Remonstranten, die hieven volharden, hun eindvonnis kregen. Vervolgens word hun dan de acte der Hoog Mogenden voorgelezen met vermaning om zich daaraan te ondenverpon.
In Zuid-Holland vergaderde de synode sedert de laatste week van Juli te Leiden onder voorzittinfi; van Hommius en ontbood alle reeds geschorste predikanten. Zij had wol het zwaarste doel van dozen treurigen arbeid, want er moesten ongeveer zestig evangeliedienaren, onder welke grijsaards en jonge mannen, worden afgezet. Velen teekenden de acte van stilstand, doch zij, die weigerden, werden bij de Staten aangegeven, die ze tot ballingschap veroordeelden en nog eenigen naar Waalwijk lieten brengen. Ook zijn sommige veroordeelden uit vrees of broodsgebrek toen en later ontrouw geworden en tot de Dordtsche kerk teruggekeerd. De synoden waren er op bedacht, hier en elders, om hun dit gemakkelijk te maken.
De Noord-Hollandsche synode werd in September te Edam gehouden. Na afzetting van acht Arminianen zond zij haar deputaten uit tot het onderzoek in de classes, die tot dat einde bijeengeroepen werden. Eveneens of met geringe wijziging werd ongeveer in denzelf-den tijd gehandeld door do synoden te Nijmegen, te Leeuwarden, te Deventer. In Groningen, Zeeland en Drente waren nagenoeg geen onrechtzinnige predikanten, of zij hebben zich stil gehouden. Des te meer in Utrecht, waar echter de Staten on de magistraat de meeste Rcmonstrantsche leeraars reeds hadden afgezet. De weinigen, die er nog over waren, werden door de synode in Augustus veroordeeld en van hun plaats verdreven.
In hot geheel verloren van de niet Dordtschgezinde predikanten ruim tweehonderd in den loop van dit nootlottigo jaar hun ambt, van welke ongeveer tachtig een l)anvonnis kregen. Bijna zeventig toekenden terstond de acte van stilstand, doch twintig hunner herriepen later deze zwakheid. Het is niet na te gaan, hoevelen hun meening hebben verzwegen, toon de kans koerde, maar zij zijn er geweest. Doch van ruim veertig is hot bekend, dat zij zich hebben laten bewegen om renegaat te worden en door onderteekening van liet formulier üot de kerk terug te koeren. Bovendien zijn twee, Rertius en Petrus Engelrave van Boskoop, tot de Katholieke kerk overgegaan.
In Zuid-Holland was het grootste aantal predikanten der Armini-aansche richting. Daar had de vorige synode van Delft reeds een begin met de kerkelijke proceduren gemaakt en voor de deputaten den weg gebaand, zoodat in dit gewest de synode van Leiden het classikale onderzoek reeds afgeloopen vond. Uitvoerig verhaalt Brandt, Hist, der Rif., III, 849—917, wat op deze synode te Leiden verhandeld is. Zie ook Hel leven van Paschier de Fijne, p. 15—17, achter deel II der Tractalen van P. de Fijne. Door N. C. Kist is in het 70 deel Arch, voor kerk. Gesch. uitgegeven een in m. s. bestaand afschrift uit synodale notulen, getiteld:
Aan teek. uit de synod, vergad. v. Zuid-Holland van al het voorgev. in de zaak en leer der Remonsir., 1619—1777.
In deel VI, 189—201 is gedrukt een gedeelte der handelingen van de synode te Assen; in het Landschap was slechts één Armi-niaan, de predikant van Wapserveen, die bij tijds de vlucht nam, Magnin, Overz. der Kerhel. Gesch. van Drenthe, p. 254. In Friesland werden maar vier predikanten verdacht en was Danifx Snecanus reeds geschorst, mijn Honderd jaren, p. 402 vlg. In de provincie Utrecht bestond van alle gewesten zeer zeker de meest ongunstige verhouding, want daar verloren meer dan dertig predikanten hun ambt. Brandt, Hist, der lie/., III, 960—974.
Bovendien werden nu ook alle onrechtzinnige kerkeraadslcden afgezet en eveneens een aantal rectoren en schoolmeesters.
§ 184. Er brak voor dc vorstootelingen dor kerk een benarde tijd aan en vooral do predikanten moesten al do hardheid ondervindon van don last, dien zij zich door den moed hunner overtuiging op den hals gehaald hadden. Zij werden uit bun gemeenten verdreven cn mot hun gezinnen aan gebrek en allerlei ellende blootgesteld. Hot gevaar omgaf bon aan alle kanten, want volgons de nadrukkelijke placeaten der regeoring waren hot houden en bijwonen van stichtelijke vergaderingen, het voorthelpen en herbergen van rondreizende predi-kels hoogst strafbare delicten. Zware geldboeten werden geheven, menig huis is geplunderd, menige bezitting verbeurd verklaard. Vorklikkers worden aangemoedigd en er waren zelfs enkele predikanten, die de justitie op hot spoor van voormalige ambtsbroeders hebben gebracht. Uitlokkond hooge prijzen waren uitgeloofd voor hot aanbrengen en vangen van eon afgezetten Arminiaan. Do schouten kregen stipte orders om gestreng toe te zien en konden over gewapende macht beschikken tot het verstooren van heimelijke godsdienstoefeningen. Dit gaf niet zelden en op vele plaatsen aanleiding tot geweld, mishandeling on ruwe, zelfs zodelooze tooneelen. Bij een paar gelegenheden werd er bloed gestort on zijn or dooden gevallen. Soms was het, alsof de tijd dor hagopreckon was teruggekeerd, wanneer do Remonstranten gewapend vergaderden en een dreigende houding tegenover don baljuw en zijn handlangers of de tegen hen afgezondene soldaten aannamen. Vooral de nieuw aangestelde schouten en ambtenaren waakten in den eersten tijd met Calvinistischen ijver togen elke overtreding der placeaten. Tiet waren maar enkele leeraars zooals Campiiuyzen en Pasohier dr Fijne, die door toeval of behendigheid op hun avontuurlijke zwerftochten langs de geheime gemeenten steeds aan de hand der vervolgers ontkomen zijn. Ook werd hier en daar oenigo oogluiking toegelaten of was het waakzaam oog der justitie op
OQQ Zoo
hot criücke oogei)l)lik soms in een andere richting gewend. Doch een hard lot trof do verbannene predikers, als zij onder allerlei vermomming in het vaderland blijvende of daarheen terugkeerende liet ongeluk hadden door de overheid betrapt te worden; zij werden in vunzige kerkerholen opgesloten, waar zij veel kwelling en ontbering moesten ondergaan. Soms werden zij in het fort Loevestein opgesloten, waar eenigen van hen althans in den eersten tijd een strenge, zelfs harde hohandeling ondergingen. Dit ongeluk overkwam in 1623 nog aan drie, in \'t volgende jaar aan twee van deze zwervelingen.
Vooral het jaar 1628 was onveiliger dan de vorige. De openbare meening gaf aan de Armimannsche secte de schuld van de mislukte samenzweering tegen het leven van prins Maurits, waarbij , Oldkn-barnevblts zonen en ook de gewezen predikant Sr.ATius betrokken waren. Hoewel ten onrechte beschuldigd, moest do onderdrukte partij het zwaar ontgelden en verdubbelde het gevaar der predikers. Danrna is evenwel de hevigste verdrukking allengs verminderd. Rij de overheden inzonderheid ging de opgewektheid voor zulk een hatelijk en weinig eervol werk ras verloren. Doch eerst toon Maurits, 2o April 1.625, gestorven was en opgevolgd werd door Fredkrik Hendrik, begon er zich voor de Remonstranten ecnig uitzicht op een gunstiger wending in hun toestand te vertoonen.
Het vierde deel van Brandt\'s Historie bevat in bijzonderheden het treurige verhaal van al de vervolgingen en het lijden, dat de Remonstranten hebben uitgestaan. Het eindigt met de terechtstelling der samenzweerders van 1623. Van Adriaan Stolkkr is te Rotterdam in handschrift een voortzetting van Brandt, doch ook niet verder dan 1623, Tideman, De Stichting der Rem. broederschap, I, inl. p. VIT, Een belangrijke bijdrage tot kennis van deze moeielijke tijden is de geestige autobiografie van Paschier dk Fijne, achter zijn Tractaten gedrukt. Geboren te Leiden 1588 en sedert 1611 predikant te Jaarsveld, was hij in het laatste gedeelte van zijn leven leeraar te Haarlem, gestorven t66t , zie behalve Ttdeman en van Vloten ook nog Glasius, Biogr. Woordenb., I, 479—483. Bysterus werd reeds in 1623 op Loe-venstein gevangen gezet: Boom was de laatste van acht, in 1628, zie § 189 en ook Tideman, Stichting, II, 243—263.
Onjuist en hoogst onbillijk is de meening, dat de Remonstranten door hun afzetting werden „verplicht om zich te schikken tol een stil en ambteloos levenquot;. Daarmede wordt de groote schuld van zulk een woedende vervolging niet afgewasschen. De verdrijving uit de kerk doodt behoefte nanr stichting des geloofs volstrekt niet, maar maakt haar veeleer sterker. De aanspraak op het behoud van hun positie in de kerk moesten de Remonstranten wel laten varen, maar geen godsdienstoefening te houden, zich niet met geestver-
234
wanten te vereenigen, geen vergoeding te zoeken voor \'tgeen hun ontnomen was, dat zou gelijk staan met het prijsgeven van hun recht van bestaan op aarde, of een blijk zijn van volslagen godsdienstig indifferentisme. Veeleer verdient de moed, waarmede zij onder hun leed en druk hebben volhard, bewondering en waardeering en is de lijdensgeschiedenis van hun uitgang een smet voor de toongevers van het kerkelijk leven in dien treurigen tijd.
§ 185. Juist in deze moeielijke dagen ontwikkelden de energieke en bekwame leiders der Reraonstnmten een groote bedrijvigheid, zoowel in als buiten den lande om hun bestaan naast de kerk, die hen uitgestooten had en waarin zij niet langer behoorden, te verzekeren. Het voornomen tot nauwe aaneensluiting was evenwel reeds vroeger opgekomen, een ontwerp van hun nadere unie wachtte op uitvoering.
Eerst toen na de wegzending der geciteerden uit de vergaderzaal der synode liet lot, dat zij en hun geloofsgenooten te verwachten hadden, niet langer twijfelachtig was, besloten de Remonstranten tot bepaalde maatregelen van tegenweer en vereeniging. Dat was het resultaat van de geheime samenkomst te Rotterdam, die als het begin van do oprichting der Broederschap kan worden beschouwd en hun door de tegenpartij als zulk oen hoogst strafbaar feit werd toegerekend. Zoo stonden zij van den beginne af wel aaneengesloten gereed om niet voor de Dordtsche kerk te buigen, vrienden in den nood te sterken en do zaak der vrijheid nooit op te geven. Do ziel van deze beweging was Wttenbogakrt, tot aan zijn einde liet erkende hoofd der moedige Remonstrantsche schaar.
Over de unie, waartoe het eerste besluit is genomen in de samenkomst bij Wttenbogaert op i Maart 1617 en over de „contrasynodequot; op 5 en 6 Maart 1619 zie § 161 en 174. De acten van de „nadere unie der Remonstranten anno 1617quot; zijn eerst in 1631 door een tegenstander voor den dag gebracht en uitgegeven. Tideman, Stichting der Kent. broed., I, 6—19, heeft den tekst van de achttien artikelen met de onderteekening van de twaalf aanwezigen op nieuw afgedrukt. Toch was dit niet meer dan een ontwerp en bestond er nog volstrekt geen plan tot vorming van een zelfstandig kerkgenootschap. De hofprediker en zijn vrienden waren wel onder den indruk van hun hachelijken toestand , maar meenden nog door vereeniging in de kerk het drijven van de tegenpartij te kunnen keeren. Eerst sedert 1619 werden de maatregelen noodzakelijk, waaruit de Remonstrantsche kerk geboren is.
§ 186. De ballingen te Waalwijk hielden zich in hun dagolijksche samenkomsten onledig inct de belangen van hun stichting door liet
235
instellen vlt;m correspondentie met het vaderland, het uitgeven en verspreiden van een groote reeks geschriften, die hevige woede bij de zegevierende Calvinisten opwekten, liet regelen van de heimelijke bediening der gemeenten en het bijeenbrengen van de benoodigde geldmiddelen. Daar is ook op aandrang van Wttenbogaerï besloten tot bet beleggen van een generale vergadering, die den 30 September 1619 te Antwerpen door ruim dertig uitgewekene predikanten bijgewoond werd en waar de definitieve stichting der Broederschap tot stand kwam. Een der eerste besluiten was, dat niemand de acte van stilstand behoorde te onderteekencn, integendeel, want door deze vergadering werd een vaste regel ontworpen voor de prediking bij de verlatene gemeenten en gcloofsgenooten in bet vaderland. Door deze en andere maatregelen werd onder de bekwame leiding van Wttenbogaert, Episcopius en Grevinohoven een goed fundament gelegd, waarna „de zaken der Remonstranten zich in ordre begosten te schikkenquot;. Na Waalwijk werd Antwerpen toen gedurende de eerstvolgende jaren de hoofdzetel van bun directie en werkzaamheid. Daar hadden zij een tamelijk veilig verblijf en door de wijsheid van Wttenbogaert werd menige opkomende moeielijkheid afgewend. Van Roomsche zijde werden zelfs pogingen gedaan om de Remonstranten tc winnen voor sommige plannen tot herstel van liet voormalige gezag. Aan de verzoeking om daartoe mede te werken hebben zij weerstand geboden, hoewel van het Calvinistische bewind voor hen niets te hopen scheen.
Tijdens het verblijf te Waalwijk zijn door Episcopius geschreven Synodi Dordr. crudelis iniquitas en Antidotum, door Dwinglo de Nullitcyten der nation, synode, e. a. De oprichting der Remon-strantsche Broederschap of Societeit te Rotterdam voorgenomen, te Waalwijk voorloopig geregeld, is te Antwerpen op die eerste algemeene vergadering feitelijk tot stand gekomen. Een belangrijk punt was de bediening der gemeenten, waarvoor men negen en twintig personen rekende noodig te hebben. Van de menigte hunner geestverwanten moesten reeds velen worden afgetrokken, die zich terughielden of de acte van stilstand hadden geteekend of zelfs de goede zaak verlieten. Zij konden toen nog beschikken over zestien, die in het vaderland gebleven waren, en bepaalden, dat tien van de uitgewekene predikanten deze gevaarlijke taak zouden ondernemen. Zij werden „neffens drie ofte vier studentenquot; aangewezen om een gemeente te bedienen met een commissie voor twee maanden, om dan weer van verblijfplaats te verwisselen. De vergadering stelde de drie directeuren, die men voor het algemeene beleid niet kon missen, vrij en ook, zoolang het niet hoog noodig was, Poppius, de Nielles en Corvinus, omdat eveneens voor
236
hen de terugkeer naar het vaderland meer gevaren opleverde dan voor de anderen.
De acten der vergadering van Antwerpen zijn gedrukt bij Tidkman, Stichting der Rem. broed., I, 98—113, waar p. 119— 121 ook voorkomt de „order voor de predikanten, die int land gaenquot;. Zie verder Rogge, Wttenbogaert, III, 31 vlg. Ook werd hier besloten tot het opstellen van een belijdenis, „niet om er verbindend gezag aan toe te kennen maar om hunne overtuiging uit te spreken tegen de valsdie beschuldiging van onrechtzinnigheidquot;.
De verdeeldheid onder de Hervormden was koren op den molen voor de Roomschen: vele priesters te Antwerpen vol leedvermaak dreven daarmede op den kansel den spot, Leven van Paschier de Fijne, p. 91—-100. Over de pogingen der Jezuiten en anderen om van invloedrijke Remonstranten partij te trekken zie Rogge, Wttenbogaert, lil, 54—-62.
§ 187. Do tweede algcmecne vergadering word in Februari 1621 ook te Antwerpen gehouden. Daar werd o. a. het voorstel van den hertog van Sleeswijk-Holstein overwogen, die den uitgewekenen een veilig verblijf en tal van privilegiën in zijn land aanbood. Weldra werd aan den Eider „do stad van vijfentwintig huizenquot;, Friedvicbstadt gesticht, een nederzetting van Remonstranten. Nadat cenige andoren reeds dienst hadden gedaan, werd Grevinchoven de eerste vaste predikant van die gemeente sedert Moi 1622. Vobstius zou hem worden toegevoegd, maar deze verstooteling vond er kort na zijn aankomst het einde van zijn moeitevol leven, in October.
Dit was de cenige buitenlandsche gemeente, die door de Remonstranten in stand is gehouden: de anderen droegen meer het karakter van tijdelijk toevluchtsoord on hebben meestal slechts een kortstondig bestaan gehad, omdat de Broederschap in beginsel een uitbreiding naar buiten ten koste van de gemeenten in het vaderland niet kon begunstigen. Bovendien deed de aanhoudende strengheid het getal der Remonstranten steeds afnemen en moesten alle krachten op het uiterste worden ingespannen om voor de goede zaak bet leven te behouden.
Toqji het twaalfjarig bestand in 1621 verstreken was en de krijgsverrichtingen hervat werden, was het met hun rustig verblijf in Antwerpen gedaan. De Remonstranten verstrooiden zich. Wttenbogaert en Episcopius begaven zich naar Frankrijk, waar zij ongehinderd zijn gebleven, al had ook de synode van Alais (in October 1620) de canones van Dordrecht aangenomen. Tn deze jaren had do pas opgerichte Broederschap met haast onoverkomelijke bezwaren te worstelen. Niet weinigen werden door moedeloosheid bevangen. De openbare
237
meening was nog sterker tegen hen na de booze samenzweering in het jaar 1623, waarvan zij geheel onschuldig beticht werden en de toekomst zag er toen zoo donker uit, dat velen weifelden en ernstig in overweging gaven om den ongelijken strijd geheel op te geven.
De tweede algemeene vergadering, waar Vorstiuï ook nog aanwezig was, werd gehouden van 6 tot 9 Februari 1621, Tideman, Stichting der Rem. broed., I, 229—232, die de handelingen daarvan heeft uitgegeven, p. 335—343. Plet hoofddoel was het onderzoek en de openbaarmaking van de \'geloofsbelijdenis, die onder den titel Confessio sine declaratio senlentiae pas tor um eorum, qui in Foederato Belgio Remonstrantes vo cat Uur, super praecipuis articulis religionis christianae uitgegeven is. Zij is gesteld door de drie buitendirecteuren en Niellius. Sommigen hadden er bezwaren tegen: Camphuvzen schreef in 1620 zelfs een Waarschuwing over het stellen van een confessie en heeft zich van de Broederschap teruggetrokken.
Over de stichting van en de vestiging der Remonstranten te Friedrichstadt zie Tideman, De Slichting, I, 188 vlg.; De Rem. broederschap, biogr. naaml., p. 311—335. Grevinchoven keerde later terug, bediende in 1627 de gemeente te Rotterdam en vertoefde daarna te Hamburg, waar hij in Mei 1632 gestorven is. ,Te Gothenburg in Zweden, Dantzig, Norden, Steinfort en elders hebben kleine gemeenten van Remonstranten onder hun uitgewekene leeraars een kortstondig aanzijn gehad.
Dat de aanslag op het leven van den stadhouder bedenkelijke gevolgen voor hen zou hebben, werd dadelijk door de Remonstranten gevoeld. Het was inderdaad een fatale gebeurtenis zoowel om tie lasteringen, die over hen werden verspreid als om de consternatie, die daardoor bij hen zelf werd aangericht, Tideman, De Stichting, I, 215—229.
§ 188. Na den dood van prins Maurits durfden de meeste uitgewekenen, in 1626 zelfs Wttbnbogaert, naar het vaderland terug-keeren, hoewel vooreerst nog groote omzichtigheid in acht genomen moest worden. Want de placcaten tegen de Remonstranten werden niet opgeheven en zelfs nog altoos onderhouden. Prins Predebik Hendrik, die hun wel genegen was, wilde door openlijke begunstiging hun zaak niet bederven en langzamerhand den vrede herstellen. Deze zeer verklaarbare teruggehoudenheid was eerst een bittere teleurstelling voor de onstuimige wensehen van velen, die niet anders dachten, dan dat zij dadelijk volledige bescherming en herstelling zouden vinden. De stadhouder bepaalde zich tot oogluikende toelating en vele overheden volgden zijn voorbeeld. De ergernis der kerkdijken
238
over dezo slappigheid gaf zich lucht in oen reeks schotschriften, met scherpe pon door Wttbnbogaert cn do zijnen beantwoord. Reeds worden onkelo al tc hevige Contraremonstranten zooals Smout en anderen tot zwijgen gebracht, werden hier en daar weer welgezinder! tot magistraat gekozen en daalde de macht der Calvinistische partij hot eerst to Amsterdam, daarna tc Rotterdam on elders. Do kerke-lijken, als zij op oen meer nauwgezette uitvoering der placcaton aandrongen, moesten meermalen ondervindon, dat do overheden het vervolgen moede waren.
Zoo dreef langzaam onder enkele nakomende slagen het onweder af. De Remonstranten kondon ongehinderd in hun kerken of ver-gadorhuizen samenkomen en hielden in April 1630 hun eerste alge-inoone vergadering op vaderlandschon bodem te Rotterdam.
Bogerman , die dikwijls aan prins Maurits ziekbed werd geroepen, heeft deze laatste gesprekken in druk gegeven ook oin daardoor de slechte geruchten te wederleggen, dat hij op zijn sterfbed door het berouw over den dood van Oldenharnevelt e. d. werd gefolterd, L. van Aitzema, Sa ken van Stact en Oorlogh, V, 376—384; Van der Tuuk, Bogerman, p. 254—266; mr. G. W. Vreede, Laatste ziekte van prins Maurits in Nijhoff, Bijdr. voor vad. gesch., III, 75—-112.
De dood van Maurits vervulde de kerkdijken met groote bezorgdheid, zoodat zij openlijk en in geschrifte te velde trokken tegen de lauwheid der regeering. Bovendien was hun ongenoegen opgewekt door de aan Frankrijk verleende hulp tegen de Muge-nooten te Rochelle. Hun verzet veroorzaakte, dat de Hollandsche vloot teruggeroepen werd en dat ook de Remonstranten een barscher gelaat aanschouwden. In April en Juli 1626 kwam het bevel om de placcaten tegen hen uit naam der Staten opnieuw af te kondigen. Doch van een executie naar behooren van deze voorschriften en orders kwam heel weinig. Hier en daar werd nog wel eens de zware hand gevoeld: in 1628 vonden in den Haag de al te zeer in het oog loopende samenkomsten der Arminianen tegenkanting; in Utrecht werden 1627 de placcaten zelfs streng onderhouden; de predikant Boom geraakte nog in 1628 gevangen op Loevestein, enz. Toch was het duidelijk, dat een mildere geest de overhand kreeg.
VVttenbogaert en de zijnen hadden gehoopt, dat alle ballingen teruggeroepen, de Loevesteiner gevangenen bevrijd, de placcaten opgeheven en vrije godsdienstoefeningen vergund zouden worden. Zij dienden menig dringend request in en verborgen hun teleurstelling niet. Maar Frederik Hendrik, „een der uitneniendste regenten, waarop de Nederlandsche staat immer heeft geboogdquot;, stelde het staatsbelang boven de godsdienstige partijschap. Over zijn beleid zijn de beschouwingen verschillend bij Naher, Ca tv.
239
of Lib., p. 180—181, die het prijst en bij Rogge, Wttenbogaert, UI, 121—-139, «.lie dit aan angstvalligheid en politieke berekening toeschrijft. Zie ook Tideman, Stichting, II, 66—-73; Stolker, Prins Man rits geenzins de vijand en zijn broeder Frederik Hendrik de vriend der Rem., p. 112 vlg. Niettemin begunstigde hij onder de hand de meer verdraagzamen en werkte mede 0111 in verscheidene steden de felste Calvinisten door andere magistraten te vervangen.
Toen sedert 1628 te Amsterdam de vroedschap zich met kracht tegen de eischen der Calvinisten verzette, waarover veel verbittering ontstond, werden enkele tegenstanders zelfs gevangen gezel en Smout, de grootste oproerprediker, in \'t begin van 1630 verbannen. Eveneens werden te Rotterdam in Augustus 1630 twee der meest onruststokende predikanten geschorst en later de stad uitgezet.
Tideman, Stichting der Rem. broed., II, 42—66, geeft een overzicht van hetgeen door de kerkdijken tegen de Remonstranten is gedaan op synoden, in hun prediking en geschriften, hun aandrang bij de overheden, de woelingen van de hevigste Calvinisten, vooral Smout, Trigland, Rosaeus, Kloppenburg, enz.
§ 189. liet jaar 1(531 is oen keerpunt in do geschiedenis dor verstootelingen. In don nacht van den 19 Juli verlieten de zoven fxjcvestcinsche gevangenen hun niet zonder opzet ongesloten kerker. Wttenbogaert en andere bekende hoofden vertoonden zich reeds weer ongehinderd in het openbaar. De vroedschap van Amsterdam stelde in September de placcaten buiten werking. Zoo werd stilzwijgend goedgemaakt, wat men in de eerste opwinding togen de Remonstranten misdreven had: ijverige reehtzinnigen alleen treurden en klaagden over hetgeen zij toen zagen gebeuren.
Den 15 October werd te Rotterdam weer een algemceno vergadering gehouden. Daar kon eindelijk hot besluit worden genomen om met enkele uitzonderingen de tijdelijke bediening der gemeenten in een voortdurende te veranderen. Het alzoo weer in het vaderland gevestigde genootschap telde toen veertig gemeenten met vijftig predikanten. Ook waren er nog enkelen bij buitenlandschc gemeenten in dienst, doch dit hield spoedig op. De geheele kerkelijke inrichting der Remon-Ktrantsche Broederschap kon van toon af worden ingevoerd.
Een belangrijke gebeurtenis was daaraan voorafgegaan: de stichting van het stedelijk athenaeum te Amsterdam in 1B30, waar Vossius en Barlaeus tot hoogleeraren werden aangesteld. Dit gaf aanleiding tot dc oprichting van het seminarium der Remonstranten aldaar, waaraan Episcopius met zeven studenten de lessen opende den 28 October 1634. Negen jaren later stierf deze groote en bedrijvige
240
geleerde en in het jaar daarna volgde hom in den dood zijn hoog-bejaarde medestrijder Johannes Wttenboqaert , die op verzoek der Broederschap zijn laatste levensdagen cn onverminderde arbeidskracht had besteed aan het schrijven van zijn kerkelijke geschiedenis, waarvan door Tbigland de partijdigheid partijdig bestreden, doch de verdienste niet weggenomen is.
Acht predikanten hebben op Loevenstein gevangen gezeten: vijf hunner waren gegrepen in den hangen tijd der vervolging na de samenzweering. Een hunner Eduard Popprus stierf al spoedig, 9 Maart 1624. De zeven, die in 1631 den kerker vaarwel zegden, waren Svmon Bvsterus, Petrus Cupus, Arnoldus Geestera-nus, Carolus Niellius, Paulus Jansz Lindenius, Bernherus Vezeicius en Theodorus Boom. Zij begaven zich dadelijk naar Kpiscopius te Rotterdam, doch werden geheel ongemoeid gelaten. Vezekius stierf echter reeds in November aan de gevolgen van een ongesteldheid, in dien nacht opgedaan.
De acten dezer generale vergadering van de Societeit, door 37 predikanten bijgewoond, staan als bijlage gedrukt achter Tideman, De Stichting, II, 457—473- Zie verder ook Rogge, Wt/enbo^aert, III, 286 vlg., en Brieven van Wttenbogaert op dit en volgende jaren.
Het werk van Tideman , De Rem. broederschap, Bivgr. naaml. der prof., pred. en prop., 1847, is de voltooiing van den arbeid begonnen door A. van Cattenburgh, aangevuld door Petrus Westberg en tot deze eeuw door Boom , pred. te Boskoop. Daarvan bestaan vele afschriften, o. a. een voortzetting van het werk van Westberg tot het laatst der vorige eeuw in de kerkel. bibliotheek te Groningen.
In 1641 werden de zes eerste proponenten toegelaten, doch het getal studenten was steeds klein. Episcopius werd opgevolgd door Etienne de Courcelles (Curcellaeus). In 1840 gaf prof. A. des Amorie van der Hoeven zijn gedenkschrift der plechtige viering van den 28 October 1834 in het licht met biografische berichten over de professoren. Ds. van Rhijn , die voor het Zeitschr. f ur kist. Theol., 1843, I, 63—174 een vertaling bewerkte, was predikant te Friedrichstadt.
De kerkgeschiedenis van Wttenbogaert is volgens opdracht der Broederschap vertaald door Daniel Snecanus, toen rector te Zaltbommel, die daarmede in 1652 gereed was, doch het handschrift is verloren geraakt, zie mijn verhandeling Een verstooteling der kerk in Vrije Fries, XVI, 113.
§ 190. Zoo hadden na veel leed en harde bejegening de volgelingen van Arminuis hun zelfstandig bestaan weten te handhaven. Het had groote krachtsinspanning gekost en ook zware oilers, want toen zij
241
in de nederlaag kwamen, hadden velen uit vrees of andere oorzaken hun partij verlaten, niet slechts gemeentenaren maar ook predikanten. Hun schare bleek geweldig gedund te zijn. Hoe degelijk ook do grondslagen van hun klein kerkgenootschap mochten zijn, do vijandigheid der tijden cn der mensclien beroofde het van de genoegzame kracht om naar buiten op te treden en zich verder uit te breiden. Doch al waren zij aangewezen tot hun eigen, thans afgesloten kring, al hadden zij aanvankelijk moeite om zich staande te houden, hun stichting bezat zooveel levensvatbaarheid en was , op zulk een beproefden grondslag opgebouwd, dat daarin dc .belofte van een langen waardig bestaan opgesloten lag. Hun oude cn felste bestrijders verlieten het tooneel van dit aardsche leven en toon volgde een geslacht, dat de hartstochtelijke hevigheid van den strijd om hun bestaan niet had gekend. De pogingen der kerkdijken om ze nog verder te benadeelen verflauwden ook van lieverle.le. Toen brak voor hen een betere toekomst aan, die zij getoond hebben waardig te zijn.
De laatste vervolging te Lelden had plaats in Juli 1640, toen Bvsterus nog gevangen raakte en een maand daarna op bevel van de vroedschap voor eeuwig uit de stad gebannen werd. Hij bleef evenwel zijn dienst waarnemen. Tevens werd aan Wu lem Vorstiüs en Daniel Snecanus het verblijf aldaar bij openbare afkondiging ontzegd. Ook te Kampen was de gezindheid lang vijandig, zoo zelfs dat die gemeente nog steeds in commissie bediend moest worden, toen het reeds overal rustig was. Meermalen werden daar tijdelijke leeraars gevangen genomen, vergaderingen verstoord, geldboeten opgelegd, zooals in de jaren 1Ó48, 1651, 1665. In 1674 werd het laatste dreigement vernomen. Doch sedert 1676 werd de gemeente aldaar zonder stoornis bediend en kon als gevestigd worden beschouwd. P. de Fijne, leven, p. 35 en Camper Steurtje in de Verzameling der Tractaaten, II, 463—584; Tideman, De Rem. Broed., p. 307—309.
DE RIIIJNSBUEGERS.
§ 191. Nevens de Remonstranten ontstond te gelijker tijd een kleinere voroeniging, die wol hetzelfde geloofsbeginsel beleed, maar ten aanzien van gcmecntelcven cn godsdienstprediking een anderen weg begeerde in tc slaan. Hot denkbeeld daartoe kwam op in hot brein van de drie gebroeders van dek Codde in Rhijnland, die wel met geringe wijziging dc leer cn vrijzinnige denkbeelden dor Remonstranten toegedaan waren, doch van geen geordend leeraarsambt wilden weten: zij zochten onderlinge stichting door het vrije woord in hun maande-lijkscho samenkomsten of collegies. Deze wijze van bevrediging der Dr. Reitsma , Kerkgesch. i(3
242
godsdienstige behoefte maakte dadelijk opgang bij vele Remonstranten te Warmond en Oegstgeest. De leeraars der Broederschap, die daar ter waarneming van de dienst in commissie heengezonden werden, zelfs de welbespraakte Paschier de Fijne, konden hen niet tot aansluiting bij hun geestverwanten bewegen. Zij weigerden onverzettelijk een predikant te ontvangen en met de Remonstranten in kerkverband te treden. De vaak daartoe aangewende pogingen bewogen Gijsbert van der Codde en zijn aanhangers hun hoofdverblijf sedert 1621 te Rhijnsburg te vestigen ora daar ongemoeid zich zelf te kunnen toe-behooren. Hun oogmerk was hot zelfstandige godsdienstig gezelschap; zij handhaafden de vrijheid van het profeteeren en waren het in eenige opzichten met de Doopsgezinden eens. Een belangrijke aanwinst voor hun kring was het optreden van Frans Oodaen, door huwelijk met do stichters verwant, die zich in 1622 aansloot en met bezadigd beleid de Rliijnburgsche vergadering op goeden regel gebracht heeft. Het getal hunner gemeenten, waarbij zich ook vele aanzienlijken aansloten, vermeerderde vooral in het midden der eeuw. Rhijnsburg, waar ook de jaarlijksche vergaderingen voor het bedienen van doop en avondmaal in den Pinkstertijd of in Augustus gehouden werden, bleef hot middelpunt voor de collegies te Leiden, Rotterdam, Amsterdam en eenige plaatsen in Noordholland, Leeuwarden en Groningen. Na oen zedig en stil bestaan, slechts eenmaal door een wolk van kortstondige verdeeldheid verduisterd, zijn deze gemeenten een eeuw later aan het kwijnen geraakt en ontbonden. De laatste Collegianten sloten zich doorgaans bij de Doopsgezinden aan. In een tijd, door dogmatische onverdraagzaamheid beheerscht, heeft Rhijnsburg de schoone rol vervuld van een vrijplaats voor mcnschen van allerlei gezindte, waar de zachte en vrije geest van christelijke verbroedering den boventoon voerde en geen andere geloofsbelijdenis dan de heilige schrift ingang vond.
Jan, Adriaen en Gijsbert waren zonen van Jacob vak der Codde en broeders van Willem Coddaeus, professor in \'t He-breeuwsch te Leiden sedert 1601 en in 1619 wegens zijn Armi-niaansche gevoelens eerst geschorst, daarna afgezet. Frans Oudaen huwde Maria, de dochter van Jan Jacobs van der Codee, een oudere neef. Een van zijn eerste doopelingen was Johannes GekSTEranus, afgezet predikant van Alkmaar, toen wever te Rhijnsburg, die kort daarna evenals zijn broeder Petrus zich te Norden vestigde. Die doop geschiedde bij geheele onderdompeling, aanvankelijk in een leedooierskuip, sedert 173Ö in een gemetselde waterkom in den tuin van het groote huis te Rhijnsburg. Dirk Rafaels Camphuysen was meer hun geestverwant dan van de Remonstrantsche Broederschap, omdat hij in sommige opzichten
248
met de Doopsgezinden instemde. Bij de godsdienstoefeningen te Rhijnsburg en andere plaatsen werden ook zijn godsdienstige liederen gezongen. Tot de Collegianten hebben behoord de Araster-damsche burgemeester Koenraad van Beuningen, Adriaen Paets, Spaansch gezant, de historieschrijver Jan Wagenaar, de Utrechtsche hoogleeraar Mathias van Gkuns. In 1686 ontstond er een scheuring tusschen de Collegianten wegens een twist met de gebroeders Johannes en Paulus Breedenburg, die van Spinozisme beschuldigd werden, doch in 1700 kwam er een verzoening tot stand. Het collegie te Rotterdam bleef het langst in wezen tot 9 September 1787, toen de laatste vergadering gehouden werd. Paschier de Fijne schreef een Verhacl van het eerste begin en opkomen der nieuwe secte der Profeten of Rijnsburgers te Wannend, uitgegeven in 1671, vergel. Brandt, Hist, der Hef., IV, 98—119. Daartegen gaf Joachim Fransz Oudaeu in 1672 zijn Aanmerk, over het verh. van het eerste opk. der Rijnsburgers. Elias van Nijmegen zond in 1775 anoniem in het licht een* //istorie der Rijnsburgsehe Vergadering, doch zijn plan tot een verbeterde editie is niet uitgevoerd. Over de Rhijnsburgers is veel geschreven: Rues, Tegenw. staat der Doopsgez., p. 277 vlg.; Wagenaar, Beschr. van Amsterdam, VIII, 76 vlg.; Ypeij, Gesch. der Christ, kerk in de 18\'-\' eeuw, IX, 239—271; Glasius, Biogr. Woordb., II, 283—28S; Ypeij en Dermout, Gesch. der Nederl. Kerk, II, 283—290 en de aantt.; vooral H. C. Rogge in ter Haar en Moll, Gesch. der Christ, kerk in Ned. in tafereelen, II, 393—404, waar ook naar een oude gravure is opgenomen een plaat, voorstellende een doopbediening te Rhijnsburg. Zie verder nog Sepp, Bibl. van Ned. kerkgesch-schrijvers, p. 401; dr. J. Hartog, Een echte Collegia tit in de Gids van Juni 1892, p. 526—540 en Catal. van de bibl. der Vereen. Doopsgez. gent. te Amsterdam, II, 140—153.
de kerk op haar eigen gebied.
Cl. Voetius, Politica ecclesinsl. iu vier dln. scdort 1003, op nieuw uitgegeven door dr. F. L. Rutgers.
G. 1). J. Schotel, Dc openb. eeredienst der Ned. Hero, kerk in de 10c, 17e en 18« eeuw, 1870.
N. Hinlopen , Hist, van de Nederl. ovenettinge des bijbels, 1777.
J. Heringa, Bijzond. nopens dc gewone Nedcrl. bijbelvert. in
Arch, voor kerkl. gesch., V.
E. J. Diest Lorgion , De Ned. Hervormde kerk in Friesland, 1848.
W. A. Baciiiene , Kerkel. geographic der Vereen. NederL. 4 dln. 1768—72.
(Post-acia) Handel, des nat. syn. te Dordrecht, nndat de uith. theolog. vertrokken waren, 1009.
B. ter Haar ea W. Moll, Gesch. der Christel, kerk in Nederland in taf er celen, 2 dln.
Dr. H. H. Kuyper, De opleiding tot den dienst des woords bij de Geref., Ie deel, 1891.
S. 1). van Veen, Voor tweehonderd jaren, 1880.
§ 192. De Hervormde kerk verkeerde bij de intrede van dat nieuwe tijdperk in een zeer gunstige, zelfs schoone positie. Haar goloofs-belijdenis was voor dc eerstvolgende geslachten vastgesteld. Die zich daartegen verzet hadden, waren onschadelijk gemaakt cn onder den druk van hun nederlaag tot een zeer klein hoopje ingekrompen. De tijd van de inwendige beroerten was vervangen door een onderlinge overeenstemming, waardoor dc rust wel voor de verre toekomst verzekerd scheen. De te Dordrecht behaalde zege had de gelederen der rechtzinnige kerk, die door velen verlaten waren, belangrijk versterkt. Tot haar behoorde thans verreweg dc meerderheid der bevolking. Door de macht, den ijver en invloed van haar predikanten steeg haar aanzien. Haar leer werd door tal van beroemde en gevierde godgeleerden onderwezen aan vier, weldra vijf academien, waarnaast deze eeuw nog een achttal illustre scholen zag verrijzen. Haast te
245
veel voor deze machtige en zeer bloeiende, maar kleine republiek. Het gevolpr der stichting van zoovele gelegenheden voor hooger onderwijs was, dat do ingezetenen hun opvoeding latstekend in den lande konden voltooien en dat een stroom van vreemdelingen hier het voortreffelijk onderricht kwam genieten. Het middoleeuwsche gebruik om een studiereis te maken naar eenige beroemde hooge-scholen in het buitenland bleef evenwel bestaan: vele Nederlandsehc theologen gingen ook nog elders zulk onderwijs genieten.
Op dat tijdsti;) bestonden de academies Leiden, Franeker, Groningen, de in 1600 door de Staten van de Veluvve opgerichte kwartierschool te Harderwijk, die in Juni 1647 door de Geldersche Staten tot hoogeschool verheven werd, en de ook in \'t begin der eeuw gestichte illnstre school van Middelburg. Ant. Thysius was van 1601 tot 1619 prof. theol. te Harderwijk, waar na de herschepping tot academie zeven hoogleeraren werden aangesteld, Bouman, Gesch. der Geld. hoogeschool, 2 din. en B. ter Haar, De Geld. hoogeschool in ter Haar en Moll, Gesch. der Christ, kerk m Ned. in /afer., II, 286—304. In 1815 werd Harderwijk in een athenaeum veranderd, dat reeds drie jaren later opgeheven moest worden. Zie over de eerste tegenspoeden van de Zeeuwsche school ook J. Borsius, Anionius \\Valaeus in Arch, voor kerkl. gesch., XIX, 24—26: de laatste titularis was Hermannus Rooij-aards tot 1785, toen hij een beroeping als predikant naar den Haag opvolgde.
In 1634 kreeg Utrecht zijn illustre school, twee jaren later tot universiteit bevorderd. In 1636 werd te Dordrecht het gymnasium in een illustre school veranderd, die in de achttiende eeuw expireerde, G. D. J. Schotel, De ill. school te Dordrecht, 1857 en Kerkel. Dordrecht, passim. In \'s Hertogenbosch was sedert 1637 een doorlachte school, waar oude talen en theologie (eerste godgel. hoogleeraar was Maresius) gedoceerd werden. Zij bestond tot 1805. Het hooger onderwijs te Deventer dagteekent uit hetzelfde jaar als Amsterdam, 1630. I)c doorluchte school te Breda, in 1646 ingericht, heeft slechts een kort bestaan gehad evenals Nijmegen, dat van 1655 tot 1672 doch niet langer den titel van universiteit heeft gevoerd. Aan de latijnsche school te Rotterdam gaven in \'t laatst der zeventiende eeuw de predikanten Bavle en Jurieu als hoogleeraren onderricht in wijsbegeerte en godgeleerdheid. Na den dood van ds. Petrus Hofstede, 1803, verdween deze instelling.
H. H. Kuvper, De opl. tol den dienst des woords, I, 423— 466, 544—604.
§ 193. De donkere keerzijde van al deze goede dingen was, dat de poging om de kerk zelfregeering in haar eigene aangelegenheden
24«
to verzekeren scliipbreuk leed op do souvcreine macht van den staat. Er scheen op dat tijdstip meer dan ooit te voren uitzicht te beslaan om een algemccnc regeling tc verkrijgen geheel naar den wensch der kerkdijken. Immers het was een gunstig teeken, dat de Staten-commissarissen zelf voorstelden om mot dat doel de Haagsehe kerkorde van 1586 over te zien en na dit onderzoek tot grondslag te nemen. Zij werd om de kans op invoering te verhoogen gewijzigd, iets gematigd, doch bleef in hoofdzaak en beginsel dezelfde. Het eenparige besluit der hooge kerkvergadering in haar nazitting was goedkeurend. Toen werd aan oen commissie uit do synode opgedragen deze kerkorde den Staten Generaal aan te bieden met verzoek om haar te approbeeren en vervolgens last te geven tot haar invoering in alle gewesten. Doch van dat punt af begon weer de tegenspoed, inzonderheid wegens het verzet der leden uit Friesland en Zeeland, terwijl ook de Hollandsche Staten ongunstig gestemd bleken te zijn. Dit verhinderde do Generaliteit om het door de kerk gedane voorstel aan te nemen. Het moest Avorden overgelaten aan do gewestelijke Staten en dezo hebben ton opzichte van de wenschen en plannen dor kerk zeer verschillend en geheel naar eigen goedvinden gehandeld.
Het gunstigst werd do Dordtsche kerkorde ontvangen in Utrecht, Gelderland en Overijsel, waar zij op gezag der overheid bij provisie en onder voorbehoud van alle heerlijke rediten o. d. werd toegelaten. In Holland werd een kerkorde voorgesteld, „bij de E. M. hoeren Staten gemaoctquot; naar liet model, maar mot zulke belangrijke veranderingen en correctie van de kerkelijke, dat de synoden der beide gewesten zich daartegen verzetten. Toen moest de regeering bet besluit nemen om den toestand te laten, zooals hij tot aan 1618 geweest was. Afgewezen werd zij in Friesland. Zeeland handhaafde evenals Groningen zijn reeds op gezag der Staten ingevoerde kerkelijke wetten. In Drente werd volgens besluit van don landsdag in 1638 een eigene kerkorde ingevoerd.
Zoo was ton aanzien van dit algomeene belang de eenparige arbeid der groote synode te vergeefs en eindigde met een mislukking.
Nader, Calv. of Lib., p. 166, 167; Kleijn, Alg. kerk en plaatse!, gent., p. 164—171; Hooijer, Oude Iter kor d., p. 445— 448, bij wien ook de synodale kerkorde, alsmede die van Drente is gedrukt; deze laatste was reeds in 1730 op last van den landsdag uitgegeven. Over Friesland zie mijn Honderd jaren, p. 428 vlg. De Staten van Holland kwamen in 1620 met die geheel in hun geest verbeterde en gewijzigde kerkorde voor den dag, welke „den Kerkdijken gantsch niet smaekelijkquot; was. Brandt, Hist, der Ref., IV, 326—331 deelt dit staatsstuk mede, dat in 1624 ter zijde werd gezet met de resolutie, „dat by provisie geen ordre geraamt of
247
geresolveert werde te volgen, maar alle saeckcn te latenquot; bij het oude gebruik, zie ook A. Kuyper, De Leidsche profess, en de executeurs der Dordtsche nalatenschap, p. 87—97.
De Staten Generaal hebben aan de handelingen en de leerregels der nationale synode hun goedkeuring geschonken en dit voorbeeld werd door de gewestelijke Staten gevolgd. Doch het beginsel dei-kerkelijke zelfregeering, uitgedrukt in de synodale wetten, moest wachten tot betere tijden: de overheid wilde de macht niet uit handen geven, de kerk onder voogdij houden. Alle pogingen, die toen en vervolgens werden aangewend, hebben niets gebaat: zoolang de oude republiek bestond, bleef de staat zich met kerkelijke aangelegenheden bemoeien en was tot geen concessie te bewegen. Bovendien was de toepassing van art. 13 der Unie van Utrecht, dat elk der Vereenigde Gewesten heer en meester binnen eigene grenzen maakte, tie voornaamste oorzaak, die een principieele en afdoende regeling van dit algemeene belang keerde. Het gevolg van dezen toestand was onregelmatigheid en velerlei willekeur zelfs ook daar, waar de overheid met landsvaderlijke zorg kerkelijke aangelegenheden behartigde en zich geroepen achtte gerezene moeilijkheden te beslechten.
§ 194. Hoe weinig de kerk vermocht, wanneer haar vvenschen en eischen indruischten tegen de beginselen der politioken, werd zij ook op teleurstellende wijze gewaar bij haar pogingen om invloed uit te oefenen op de academies en het hooger onderwijs. In de nazittingen der nationale synode werd dat vroeger reeds dikwijls geopperde verlangen in den vorm van een ontwerp tot reformatie der hoogescholen behandeld: de kerk begeerde mede te spreken in het collegie der curatoren, vroeg onderteekening der formulieren van eenigheid door allo hoogleeraren en strikt verbod aan de professoren in de philosophic en de talen om zich niet geen theologische vraagstukken in te laten. De regeering was toen wel gezind de hoogeschool zuiver te houden van onrechtzinnige elementen, maar zij verzette zich tegen elk streven, dat inbreuk maakte op de academische rechten: de verplichte onderteekening dor formulieren door alle faculteiten kon in de statuten van geen academie opname vinden.
Met de theologie was het uit den aard der zaak iets anders. Toch heeft do kerk nooit eenigen invloed kunnen krijgen op de benoeming en het onderwijs dezer hoogleeraren, die daarentegen dikwijls door den staat gebruikt werden om bij kerkelijke geschillen beslissend op te treden. Ook moest het voornemen tot visitatie der universiteit worden opgegeven. De Staten gedoogden nergens, dat predikanten en kerkvergaderingen zich met de academie bemoeiden, noch dat de
\'248
godgeleerde faculteit in eenig opzicht ann het toezicht of oordeel van de kerk werd onderworpen: do academie was staatsnangelegenheid. Wel onderteekenden theologische professoren de formulieren van eenighcid, zooals te Groningen en misschien tc Franekcr, maar te Leiden deden zij dit onder een door hen zelf opgestelde geloofsverklaring.
H. H. Kuvpf.r , De opleiding tot den dienst des ivoords, p. 466—511; N. C. Kist, De onder t. der form, door hoogleeraren etc. in Archief voor Kerkl. Geseh., IX, 473—500, waar ook het Leidsche formulier met de onderteekeningen der godgeleerden voorkomt; A. Kuvper, De Leidsche profess, enz., p. 64 vlg. Wat de bedoelingen eu wenschen der kerk te dezen opzichte waren, kan men nalezen in de 163\'\', 1750 en 177° sessie der Pos facta. Zelfs de geringste dezer eischen, nl. de onderteekening, heeft niet geheel naar den wensch der synoden kunnen slagen. Natuurlijk hadden de professoren geen bezwaar tegen de erkende leerregelen, maar het Dordtsche formulier bevatte een belofte van zich te onderwerpen aan de provinciale, synoden. Dat was voor de faculteit te Leiden voldoende 0111 van het kerkelijke voorschrift niet tc willen weten. Zij antwoordden op de vermaning der synodale deputaten, „dat sy immediatelyck stonden onder den E. H. curatoren van de academiequot;, voorts dat de Staten hun bij missive verboden hadden tc onderteekenen, terwijl zij zelf „00c meenden d\'onderteickening onnoodich te synquot; enz., Acta syn. den Haag, 1624, a. 9. Om een dergelijke reden weigerden in 1693 de professoren van Harderwijk de onderteekening, waarop de synode aandrong, zie Bouman, Gesch. der Geld. hoogeschool, I, 324. Zoo heeft de academie en ook evenzeer de theologische faculteit elke doortastende kerkelijke inmenging in haar zaken bestreden en standvastig afgewezen.
§ 195. Met racer gezng kon de kerk zich doen gelden ten opzichte van hen, die nis leeraar bij de gemeenten in dienst wenschten te treden. Om tot dc evangeliebediening toegelaten te worden werd van den beginne af het onderzoek naar de kennis en geschiktheid dergenen , die zich aanboden, opgedragen aan de classis als wettige kerkelijke autoriteit. Nagenoeg tegelijk met de vestiging der kerk werd door inrichtingen voor hooger onderwijs in het vaderland de gelegenheid opengesteld tot een meer geregelde, wetenschappelijke opleiding. Toen kwamen ook twee op elkander volgende examens in gebruik; het voorbereidende, waardoor men proponent word en „toegelaten tot dc openbare prcdicatien voor de gemeentequot;, ■ en het volledige, waardoor men het volle reebt kreeg om de geheele betrekking bij de gemeente, die beroepen had, te vervullen. Slechts in Friesland werd maar één examen, gelijkstaande met het peremptoir.
249
affeonomcn: in do andere gewesten ging het zoogenaamde praeparatoir vooraf. Deze examens, die de kerk ter toclatir.g tot de evangeliebediening eisehte, moeten onderseheiden worden van de zuiver universitaire voor hen, die een aeademisehen graad. den doetorstitel, wilden behalen.
Aanvankelijk bestond er geen vast voorsehrift, wie het examen van de aanstaande predikanten moest afnemen: het geschiedde langen tijd zoowel door do professoren als door de classes. Do nationale synode heeft dit punt niet tot een beslissing gebracht. Maar niet lang daarna ten gevolge van sommige misbruiken en ook van het misverstand tusschcn kerk en academie openbaarde zich een beweging om het recht van examineeren alleen door de kerk te laten uitoefenen. Aan de hoogleeraren werd het peremptoir examen het eerst ontnomen, in de tweede helft der zeventiende eeuw ook het praeparatoir met uitzondering van Groningen, waar de professoren dit recht steeds hebben behouden.
Wat de vereisebten ter toelating tot de evangeliebediening zelf betreft, het is slechts langzamerhand aan de synoden gelukt om in de verschillende gewesten tot eenige overeenstemming te geraken.
Behalve cle uitvoerige mededeelingen in het werk van H. II. Kuvper ook nog Schotel, De openbare eirediensi, p. 301—311; Voetius, Poht. eccles., vooral IV, 86—89 en elders. In het begin boden zich nog vele ongestudeerde sollicitanten aan: voor deze categorie kon er alleen sprake zijn van een examen door de classis, waarin zij beroepen werden. Dit werd per se zeldzamer en hield van lieverlede op omstreeks het midden der zeventiende eeuw. Zonder academische opleiding is nog Theodorus a Brakel in 1638 predikant geworden. De laatste ongestudeerde in Friesland was Evert Napjus, die in i655 door de classis Bolsward geëxamineerd werd. Doch ook voor de gestudeerden was dit punt lang onbepaald. Er waren, die zich door de professoren lieten examineeren in den tijd, toen dat recht nog niet opgeheven was. Er waren ook studenten, die zonder eenig examen de academie verlieten en zich alleen bij de classis aanmeldden met professorale testimonia van goed gedrag en vlijtige studie. Het examen der professoren, bijgestaan door kerkelijke deputaten, werd afgenomen of in den aeademisehen senaat, zooals tot 1691 te Groningen, of voor de faculteit, ook wel voor de classis. Zie over de examina Vos, Gesch. der Vad. kerk, II, 13—ISgt; en ook Acta syn. provine., I passim, o. a. p. 235 reeds de bepaling der synode van Enkhuizen 1597, a. 15, dat de Leidsche professoren zouden examineeren, bijgestaan door deputaten der synode „tot meerder sekerheytquot;; p. 254 dat het examen voor de hoogleeraren gevolgd zou worden door een voor de classis. Kerk en academie konden steeds minder tot overeenstemming
250
geraken en zoo kwam er verzet. Dat begon in Friesland, waar de synode van Dokkum in 1639 den hoogleeraren dit recht ontnam, waartegen zij vruchteloos protesteerden, Diest Lorgion , Jlerv. kerk in Friesland, ]gt;. 95—104, 333~~336; Boeles, Frtesl. hoogeschool, I, 361—363.
Tot de invoering van een peremptoir examen kwam men in Zuid-Holland eerst in 1608 met het oog op de dogmatische geschillen : daar en elders werd het voor goed eerst na Dordrecht ingevoerd. In Zeeland werd zelfs tweemaal praeparatoir en na het beroep peremptoir geëxamineerd: dit gebruik bleef bestaan tot het laatst der achttiende eeuw. De kerk heeft veel moeite gehad om uniformiteit in de examens tot stand te brengen. De bezwaren kwamen gedurende geruimen tijd van den kant van Friesland, dat vasthield aan zijn enkelvoudig examen, Diest Lorgion, t. a. p., p. joj—112, en ook F. Sjoerds, Alg. heschr. van oud en metnv Friesland, II, 760.
§ 196. De meest gewichtige taak, die de kerk ter harte genomen en op zeer verdienstelijke wijze volvoerd heeft, was de zoo lang voorbereide vertaling van den gansehen bijbel. Door de gunst en den steun der Staten Generaal, door de ingespannene toewijding van een aantal godgeleerden van erkende taalkundige bekwaamheid kon deze onderneming tot een welgeslaagd einde worden gebracht. Reeds waren bij het begin van de groote synode de drie vertolkers van het Oude Testament en evenveel van het Nieuwe alsmede hun plaatsvervangers benoemd, bovendien uit elke provincie twee revisoren. Toen de kerk na de zwaarwegende besognes tegen haar verstootelingen eenigszins tot rust was gekomen, vond eindelijk in April 1624 het verzoek der Zuid-Hollandsehe synode gehoor bij \'s lands hooge regeering, die toen gunstig over het in 1619 bij haar ingebrachte voorstel beschikte. Inmiddels had de dood reeds verandering gebracht in het te Dordrecht benoemde personeel. De eerste samenkomst der vertalers had plaats op den 23 Mei 1625. Zij hadden verlof gekregen zich metterwoon in Leiden te vestigen om zich onverdeeld van hun opdracht te kunnen kwijten. Uit den aard der zaak was dit een werk, dat groote zorg en veel tijd vereisehte. Voor de Hebreeuwsche boeken heeft Boqekman, de voorzitter der commissie, het leeuwenaandeel op zich geladen, terwijl IIommtus zich vooral verdienstelijk heeft gemaakt voor den Griekschen tekst, Testament en Apocriefen. In 1632 was do vertaling van do boeken des Ouden Verbonds afgeloopen; de revisoren gingen toen aan het werk en waren daarmede nog veertien maanden bezig, tot 1 September 1634. De overzetting van het Nieuwe Testament was iu 1634 en de herziening den 10 October des volgenden jaars
afgcloopen. Daarop volgde de arbeid van het drukken van den Statenbijbel met de kantteekeningen, en in 1637 kon eindelijk hot geheel worden uitgegeven. Bogkrman, die inmiddels hoogleeraar te Franekcr was geworden, heeft nog juist vooi zijn sterven den 11 September het einde van dezen omvangrijken arbeid beleefd. De Statenvertaling heeft twee en een halve eeuw lang terecht haar roem gehandhaafd als een meesterstuk van taalkundige wetenschap.
De synode van den Haag, die in 1599 aan Cxusius en IIel-michius de vertaling opdroeg, zie § 139, verbood tevens, dat anderen dit werk ondernamen. Toen hun arbeid niet vlotte, kreeg Wjlhelmus Baudarï, predikant te Zutfen, verlof van de Gel-dersche synode inmiddels een vertolking te bezorgen van den Duitsehen bijbel van Jon. Piscator, hoogleeraar te Herborn. De synoden in Holland achtten dit ongeraden en hebben het plan gekeerd, Ypeij en Dermout, Gcsch. der N. //. Kerk II, aant. p. 241; Reitsma en van Veen, Ada syn. provinc. I, 385, 399, 409. Baudart had hieraan evenwel de eer te danken, dat hij mede de aanstelling als overzetter kreeg. Te Dordrecht werd de zaak der bijbelvertaling besproken en afgehandeld in acht zittingen van 19 tot 26 November 1618. Toen Gerson Bucerus, predikant te Vecre, in 1631 stierf, werd zijn plaats niet vervuld, maar zijn aandeel door Bogerman overgenomen, die dus Baudart alleen als medewerker voor het O. Test. overhield. De drie eerstbenoemde vertalers van het N. Test. en een plaatsvervanger stierven achtereenvolgens, zoodat de voltooiing van dit gedeelte aan Hommius en Ant. Wa\'laeus werd overgelaten. Zie behalve de werken van 11 inlopen, Jod. Heringa, Glasius, Ypeij ook Edema van der Tuuk, Bogerman, p. 267—285 en de beoordeeling van deze vertaling bij Vos, Gesch. der Vaderl. Kerk, I, 133—136; overzicht van de literatuur Sep?, Bibl. van Ned. herkgeschiedschr., p. 314—3I7- De bewerkers genoten behalve het gewone inkomen van hun standplaatsen nog uit \'s lands kas een milde vergoeding voor moeite en kosten: voor Bogerman en Baudart beliep dat ruim elfhonderd gl. \'sjaars. De Staten Generaal verleenden aan de beide vertalers van het O. Test. octrooi voor de uitgave van dit gedeelte. Zij verkochten hun recht al heel spoedig aan den raad van Leiden, die het weer overdeed aan de erven van Wouw.
De Statenbijbel werd in zekere kringen van Hervormden, o. a. te Amsterdam met wantrouwen beschouwd als een wereldsche en onnoodige nieuwigheid en het duurde geruimen tijd, voordat hij in de openbare kerken algemeen in gebruik kon worden genomen. Maar Episcopius en de Remonstranten waardeerden haar hooge verdienste, al achtten zij zich verplicht eenige der kantteekeningen te wederleggen, Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. Kerk, II, 370 en aant. p. 260—262.
252
Auraham Trommius begon als predikant te TIaven (niet Laren) in 1662 (ie bewerking van zijn Volkomenc Nederl. Concordantie ofte Woordregister des O. en TV. Test., die hij in 1690 te Groningen in drie foliodeelen ten einde bracht, Vos, Gesch. der Vad. Kerk y I, 136; van Veen, Ahr. Trommius in Stemmen voor Waarh, en Vrede, 1892, 637 -668.
Bogerman was reeds in 1633 tot hoogleeraar te Franeker benoemd, doch eerst den 7 December 1636 kon de aanva.arding plaats hebben, die gevolgd werd door zijn bevordering tot doctor theol. De overmatige inspanning van de laatste jaren deed hem als een afgeleefd man uit Leiden terugkeeren en verhaastte zijn dood.
§ 197. De commissie ad autographa. Aanvankelijk werden do acten on postacta der nationale synode met de daarbij beliooiende geschriften en documenten te Dordrecht bewaard. Op last der Staten werd in 1625 do zorg voor die kostbare gedenkstukken geregeld en bepaald, dat om de drie jaren de geheele verzameling nauwkeurig zou worden nagezien. Deze oorkonden waren toen reeds naar den Haag vervoerd. Te Leiden bevonden zich de originecle handschriiten, drukproeven enz. van de bijbelvertaling. De Staten Generaal besloten in 1(141 , dat ook voor do bewaring van die geschriften moest worden gezorgd en dat eveneens een geregelde inspectie daarvan zou plaats hebben. Mot het oog daarop werd do commissie ad autographa benoen.d, die samengesteld was uit afgevaardigden van alle provinciale synoden en alle drie jaar volgens een vast ceremonieel in den Haag en Leidon haar taak volbracht. De laatste visie had plaats in het jaar 1794. In den daarop volgenden omwentelingstijd geraakte met vele andcie zaken ook deze gewoonte, een daad van huldebetoon en piëteit voor den arbeid der vaderen, in onbruik.
Uit de acta der Zuidhollandsche synoden van 1623 tot 1625 blijkt, dat reeds zeer vele officieele bescheiden in bewaring gebleven waren bij de kerk van Dordrecht (niet Delft), dat Hommius daarheen ook gezonden had dc postacta, dat de regeering in 1624 (niet 1640) gelast had, dat nvee der deputaten „de stukken ende pampieren des synodi nationalis\' uit Dordrecht naar den Haag zouden brengen, dat een inventaris daarvan den 2 Juli 1625 door afgevaardigden van alle synoden opgemaakt werd in presentie van twee commissarissen uit de Staten Generaal, dat daarbij nog gevoegd waren stukken berustende op de griffie der H. M. en onder Bogerman en dat alles, in zeventien volumina bijeengebonden, werd opgeborgen in een kist met acht sloten. Toen weid ook het besluit genomen tot de driejarige visie.
Bij Yp7-:ij en Dermout, Gesch. der Ned. iferv. Kerk, II, 378 bestaat verwarring met synodale besluiten over het verzamelen
en bewaren van acten en geschriften, die aan Zuid-Holland toekwamen. Een uitvoerig en nauwkeurig verslag der plechtigheid van de ontvangst, de verrichtingen en het onthaal der commissie ad autographa geelt Foeke Sjoekds, Bcschr. van Friesland, II, 793—797; ook bij H. Ravesteijn, Nazireer Gods, I, 411—415. De postacta van Hommius waren in 1623 nog in Dordrecht, want door de synode werd volgens art. 21 besloten: „Connen die classes, die copie begeren, dezelve aldaer vere3\'ssen.quot; Echter zijn zij toen niet mede naar den Haag vervoerd en werden eerst veel later in Friesland teruggevonden, zie § 164.
§ 198. Synodale correspondentie. Van den beginne af leefde in do Hervormde kerk het streven naar eenheid van organisatie. Maar dit beginsel stuitte af op de staatsinstelling van de republiek, waaraan volgens federatief systeem cle autonomie van elke provincie binnen haar eigen gebied ten grondslag was gelegd. Doch telkens werd in kerkelijke aangelegenheden de behoefte aan overeenstemming gevoeld tusschen de kerken der verschillende gewesten. De Dordtsche vaderen brachten dit tot stand ten aanzien van de leer, maar zij hebben het niet gedaan kunnen krijgen met opzicht tot de kerkelijke besturing, gebruiken en verordeningen. Het geregeld houden van een nationale synode zou in deze leemte hebben voorzien. Door de predikanten werd meermalen met kracht daarop aangedrongen, doch do regeering was om allerlei redenen niet weer te bewegen zulk een vergadering-uit alle deelen des lands bijeen te roepen.
De behoefte om de kerken der verschillende gewesten en althans de synoden met elkander in betrekking te stellen bleef echter bestaan. Het donkbeeld om door overzending van afgevaardigden naar do kerkvergadering van andere provinciën hieraan te gemoct te komen is van Zuid-Holland uitgegaan, dat in 1594 aan de particuliere synode van Haarlem het voorstel tot zoodanige correspondentie deed, die voortaan geregeld plaats had: de beide Hollandsche gewesten hadden telkens gemeenschappelijke belangen tegenover de Staten. In 1600 sloot Gelderland zich ann en werd het voorstel ook tot andere synoden gericht vooreerst met het doel om tot eenstemmigheid over de lang gewenschte bijbelvertaling te geraken. Sedert 1603 verschenen Hollands afgevaardigden ook op synoden in Groningen. Het ontbreken van een algemeene kerkorde, do behoefte aan eenstemmigheid tot het weeren van een scheuring in de kerk, later ook dat uitstelion eener generale synode voor onbepaalden tijd en vele andere belangen bewogen de synoden om gedurig bij haar overheid aan te houden. Friesland kon sedert 1630 zijn eerste correspondenten uitzenden en ontvangen, waartoe door Ovcrijsel en Utrecht reeds vóór 1624 tie
254
vergunning der Staten verkregen was. Zoo word achtereenvolgens dan hier dan daar de correspondentie toegestaan: omstreeks 1672 was zij algemeen in gebruik behalve in Zeeland, waar do Staten nimmer verlof hebben willen geven. Ook Drente, waar eveneens slechts om de drie jaren een synode werd bijeengeroepen, bleef buitengesloten. Deze weerkcerigc afvaardiging van correspondenten tusschen zeven gewesten was de ccnige, maar losse band tusschen de provinciale kerken tot aan den tijd, toen de eenheid der Hervormde kerk van Nederland eindelijk tot stand kwam.
Deel I der Ac/a syn. provinc. verspreidt hierover reeds meer licht. Zie ook Diest Lorgion, Herv. kerk in friesl., p. 105— 108. Het lag ia den aard der zaak, dat de eerste beweging daartoe van Holland uitging. Reeds waren voor meer algemeen kerkelijke belangen de beide Hollandsche gewesten en Zeeland tot een gemeenschappelijke vergadering te zamen geweest. Al heeft de provinciale synode van 1574 een ander doel en karakter dan die van 1578 en 1582, men had daar het voordeel van samenwerking leeren kennen. Later werd meermalen, doch wegens het verzet der Staten tevergeefs, op het bijeenroepen van zulk een provinciale aangedrongen, bijv. 1591 en vooral 1608. Doch ook zelfs dat werd steeds gekeerd: men moest zich dus behelpen met het middel, dat althans eenig verband kon aanknoopen, de correspondentie.
De nationale synode werd steeds ad kalendas Graecas uitgesteld. De regeering verlangde haar niet meer en legde elk verzoek ter zijde. Niettemin bleef de kerk diligent. De synodale classis Dordrecht drong reeds bij tijds aan op de bijeenroeping eener algemeene kerkvergadering. De eerste resolutie op haar verzoek luidde, dat de Staten „dan sullen dit poinct verhandelen, wanneer het stuc van de kerekenorde sal afgedaen synquot;, Acta syti. Bnel, 1623, a. 8. Wel kreeg zij van de deputaten uit Gelderland, Utrecht, Overijsel en Groningen gunstige berichten omtrent de gezindheid hunner Staten, doch Friesland was bepaald ongenegen en Zeeland liet elk verzoek onbeantwoord. Acta syn. den Haag, 1624, a. 8. Toen zagen de kerkdijken vooreerst van verdere pogingen af, die echter nog vaak doch zonder baat vernieuwd zouden worden.
§ 199. Tot de geregelde werkzaamheid der kerkbesturen behoorden belangen van zeer onderscheiden aard. Een vaste post op de agenda was het beramen van maatregelen togen de „Paepsche stoutighedenquot;, de vrije beweging der kleinere kerkgenootschappen van Doopsgezinden, Remonstranten en Luthcrschcn, do uitbreiding van allerlei ketterijen en secten. Het onderwijs en de schoolmeesters waren een voorwerp van veel zorg, in zooverre er tegen gewaakt moest worden, dat de scholen geen afbreuk deden aan de ware godsdienst.
255
Om „liet geredde kleinood dor zuivere leer voor altijd en ongeschonden te bewarenquot; moest strenge discipline worden gehouden en kerkelijke censuur geoefend tegen hen, „die in de reinheid dor leere of in do oprechtheid des levensquot; overtreden hadden. Zooveel n.\'ogelijk beproefde men de hand te houden aan de te Dordrecht voorgoschrovono regelen omtrent hot nitgeven, drukken en verkoopen van boeken. Doch omdat een kerkelijk onderzoek ter goedkeuring werd ■ercischt, had dit van zelf ten gevolge, dat er zeer vele anonieme en pseudonieme of aan de kerkelijke censuur ontkomeno geschriften uitgegeten werden, en daartegen was de kerkelijke autoriteit zonder steun van hooger hand maar al te vaak machteloos. De nationale synode had ook de beginselen aangegeven van kerkelijke visitatie, die van toen af op verschillende wijze geregeld onderhouden werd. Daar was ook het belangrijke punt van de liturgische formulieren geregeld, die in de kerk bij de bediening van kerkelijke plechtigheden moesten worden gebruikt. Het streven bestond en bleef bestaan om voor deze en dergelijke belangen het toezicht te centraliseeren on mede door zulke voorschriften de eenheid der kerk to onderhouden.
De afgevaardigden, te Dordrecht benoemd om verslag aan de Staten Generaal te doen, hadden een heele reeks voorstellen in opdracht, waaronder het verzoek om „een generale huwelycxordon-nantie, een generale schoolordrequot;, een wet op de drukpers, op de onderhouding van den sabbat, een eenparig formulier van eedzvvee-ren e. d., Postacta, sess. 177. Dat waren meestal punten, die niet of onvoldoende of in strijd met de opvatting en den wensch der kerk geregeld waren. Zij had zelf de liturgische formulieren, Christelijke feestdagen, het kerkgezang enz. vastgesteld om de eenparigheid te houden in al deze dingen. De drijfveer daartoe was verhooging van het gezag der kerk, die daardoor gesteund beter in staat zou zijn tot haar tweeledige taak, het waken over de leer en toezicht op het leven. Vos, Gesch. der Vad. kerk, II, 137—144. Voor dit hoofdstuk van kerkelijke zorg, een afzonderlijk onderzoek waardig inzonderheid ten aanzien van de tucht, bevatten de handelingen der synoden en classes overvloed van bouwstof.
§ 200. Door don voorspoed en het wapenbeleid van prins Frederik Hendrik worden do zuidelijke gewesten aan de macht van Spanje ontrukt: Noord-Brabant na do inname van \'s Hertogenbosch 1(526, Limburg na de overgave van Maastricht 1632, en Breda 1637. In de Generaliteitslanden, die als wingewesten beschouwd en behandeld werden, volgde onmiddelijk door aanstelling van predikanten in de veroverde steden en enkele dorpen do vestiging der Hervormde kerk, maar het was aanvankelijk een onzekere toestand wegens het
256
soms gewelddadige verzet der Roomsche ingezetenon, die vooral predikanten te platten lande het verblijf onmogelijk trachtten te maken. Eerst na den vrede van Munster, toen deze streken wettig aan de Vereenigde Nederlanden toegewezen waren, konden de gemeenten bestendigd worden. Den 27 Juli 1648 werd de groote kerkvergadering te \'s Hertogenboseh gehouden tot regeling van de kerkelijke aangelegenheden. liet getal predikanten onderging een aanzienlijke vermeerdering en ook werd voor de aanstelling van kosters en schoolmeesters gezorgd. De Meijerij en Limburg werden als classes bij do synode van Gelderland, de baronnie Breda bij Zuid-Holland gevoegd. Toch mocht de vestiging der Hervormde kerk onder een overwegend Katholieke bevolking geen aanwinst worden genoemd: slechts kunstmatig en door het strenge gezag der regeering werd do bij de meerderheid van liet volk impopulaire kerk in stand gehouden.
Ypeij en Dermout, Gcsch. der Ned. Herv. kerk., 11, 125 — 149; van Goor, Beschr. van Breda, p. 391 vlg.; Oudenhoven, Beschr. van \'s Hertogenbosch, passim; vooral Bachiene, Kerkl. Geogr., I, 74—81, 98—108, II, 158—160.
Na den vrede vau Munster hebben de Katholieken onder vele beperkende voorwaarden wel de vrijheid van godsdienstoefening teruggekregen, maar dit werd telkens door strenge placcaten zeer beteugeld.
Bij Gelderland waren drie Generaliteitsclasses gevoegd, nl. de classis van \'s Hertogenbosch, van Peel en Kempenland en van Maastricht met de landen van Overmaas. Voor de groote kerkvergadering van 1648 had de regeering negen predikanten uit andere provinciën afgevaardigd. De vijf predikanten van de hoofdstad en nog twee anderen kwamen uit de classis zelf met acht ouderlingen, Ypeij en Dermout, II, aant. ió8, p. 63. Zij vermeerderden het getal leeraarsplaatsen in de Meijerij van veertien tot zes en veertig. Reden daarvan was de aanstelling van Hervormde staatsdienaren in alle Generaliteitslanden. In de steden, vooral de hoofdplaats, waren de Hervormden vrij talrijk: de dorpsgemeenten bestonden voor een deel alleen uit de daar gevestigde ambtenaars van verschillenden rang.
De eerste vergadering der classis Maastricht was reeds den 23 Februari 1634 gehouden, doch ten gevolge van latere krijgsbewegingen werd in Dimburg de toestand eerst tegen het laatst der eeuw gevestigd: toen omvatte zij negentien predikantsplaatsen. Zie verder ook nog Ypeij, II, 434 en aant. 512, p. 286.
§ 201. De Hervormde kerk onderhield nog lang een nauwe betrokking met tal van buitenlandscho kerken. Meestal waren dat oorspronkelijk ecclesiae peregrinorum, ontstaan door de vestiging
257
van hen, die door den druk der tijden tot liindvcrhui/ing genoodzaakt waren. Later bleef dan in de door hen opgerichte gemeenten steeds een min of moer belangrijk Nederlandsch element achter. Kon de Hervorming in zulke gewesten post vatten en kwam de kerk daar tot zelfstandig bestaan, zooals dit in Oostfriesland, Engeland, de Pfaltz en elders geschied is, dan werd nog lang daarna de betrekking met de stamverwante Nederlandsehe kerk aangehouden. Voor landen, waar de toestand minder gunstig was, werd dikwijls veel moeite aangewend om de gemeente in stand te houden of uit te breiden. Ook voor geloofsgenooten in de verte heeft het bij de Hervormde kerk in de Nederlanden niet aan belangstelling ontbroken. Niet alleen voorzag zij getrouw en zoo goed mogelijk in de behoeften van gemeenten in Noord-Amerika, Rusland, in Oost- en West-Indië, zij bood zelfs steun aan geestverwanten in Hongarije en Polen, aan do vervolgde Waldenzen. En dikwijls vond zij nader bij de grenzen haar arbeidsveld.
In het hertogdom Gul ik en Berg bleef de landsregeering na do beslechting der geschillen over de Guliksche nalatenschap Katholiek en moesten den hertog de gunsten voor zijn Hervormde onderdanen worden afgedwongen. Beter was het gesteld in het land van Clevo, dat in 1609 met het graafschap Mark aan den keurvorst van Brandenburg werd toegewezen. In deze vorstendommen heeft do Nederlandsehe kerk veel gedaan tot ondersteuning der geloofsgenooten. De invoering der reformatie in hot graafschap Lingen ging van Nederland uit zoowel in 1597, toen het voor korten tijd als classis bij Overijsel werd gevoegd, als vooral na 1647. Geldelijke hulp, raad en voorspraak in kerkelijke aangelegenheden, toezending van predikanten, hulp bij het invoeren van een kerkelijke organisatie e. d. werden nooit te vergeefs van de Nederlandsehe kerk gevraagd, die steeds grooten ijver heeft betoond om op verschillende wijze de zaak der Hervorming ook buiten de grens van de gewesten der Unie te bevorderen. Zoo achtte zij zich ernstig geroepen haar zorg uit te strekken over gemeenten in den vreemde of in verre landen, die door afkomst en inrichting met haar in verband stonden en haar bescherming noodig hadden.
Over den eersten predikant op Manhattan (Nevv-York), Jonas Michaêlius, schreef mr, Bodel Nijeniiuis in Kist en Moll , Kerkhist. Arch., I, 365—388. Het oud-synodaal archief bevat een belangrijke collectie Pennsylvanica, Janssen, Calal., p. 83 vlg., in vlg., en ook over andere buitenlandsche kerken. In Rusland, waar nog te Petersburg een Hollandsche gemeente vooral van Vriezenveenschen oorsprong bestaat, waren reeds in de 17° eeuw
i)r. Rkitsma , Kïykgesch. 17
258
kleine Nederlandsche gemeenten te Moskou, Archangel en andere plaatsen, Kist, Hist, bericht aangaande de Holt. Geref. kerken in Rusland in Nieuw Arch, voor kerkgesch., I, i—83. In onze koloniën op het oostelijk halfrond was de kerk een inrichting van de Oostindische Compagnie sedert 1602, C. A. L. van Troos-tenburg de Bruyn , De Herv. kerk in Ned. Oost-Indiü, 1884. Zie ook Sepp, Bibl. van Ned. geschiedschr., p. 325, 329. Ib. p. 331 eenige literatuur over bemoeiingen van de Nederlandsche kerk ten behoeve der Waldenzen. Zie verder J. P. Berg, Reform. Gesch. der Lander Cleve, Berg, Mark, enz.; Kist en Roijaards, Arch., XIII, 236, 246; S. D. van Veen, De reform, der kerken in het graafschap Lingen in Acquov, Rogge en Wvbrands, Arch, voor Ned. kerkgesch., I, 353—401. Bovendien zorgde de kerk ook voor de aanstelling van predikanten bij het leger te velde, op de vloot, zelfs bij ambassaden, Sepp, Uit hetpred. leven van vroeger tijden, p. 72—150 en Btbl. van Ned. kerkgesch.-schrijvers, p. 327—329.
§ 202. Te midden van de preliminairen, die den vrede van Munster voorafgingen, stierf prins Frederik Hendrik , wienn stadhouderschap „een der meest luistervolle tijden van het gemeenebestquot; is geweest. Zijn opvolgerde eergierige en ondernemende Wfu.em 11, was niet ingenomen met een vrede, die aan Holland de overmacht bezorgde. Hij had de kerk, het leger, de burgerij, die niet met dezen eenzijdigen invloed op \'slands zaken ingenomen waren, opzijn hand. Zijn plotselinge dood, „om het overwicht van zijn persoon aan omwenteling gelijkquot;, deed het gezag der Staten vooral van Holland ten hoogsten top stijgen. Op aandrang van deze zijde, waar in dit tijdperk de politiek van den onomkoopbaren Johan de Wit over-heerschend was, werd de groote vergadering belegd om het stad-houderlooze bewind te bevestigen. Zij werd den 18 Januari 1651 dooiden raadpensionaris Jacob Cats geopend. Men besloot daar de bepalingen van de Unie van Utrecht zonder afwijking te onderhouden. De kerk had zich bevreesd gemaakt, dat ten gevolge van den vrede van Munster de Katholieken te zeer veld zouden winnen, en zoo werd er een deputatie van vijf predikanten afgezonden om bij de Hoog Mogenden op strengere maatregelen aan te dringen, doch op voorstel van Holland werd „het tegengaan van de stoutigheden dor Pausgezindenquot; aan bet beleid van elke provincie overgelaten. Ten aanzien van de religie in het algemeen verklaarden de gewesten, dat zij de Hervormde godsdienst volgens de leer, op de synode te Dordrecht vastgesteld, zouden handhaven, met \'s lands macht beschermen en daarin geen verandering gedoogen, dat de andere gezindheden
259
zouden worden geduld, onder beding dat zij zich in alle goede orde en stilte moesten gedragen naar de bestaande verordeningen en wetten. Al werd de erkenning van een staatskerk vermeden, door deze verklaring werd de Hervormde kerk wettig gestempeld als de heerschende en bevoorrechte in de Nederlanden.
Behalve andere historieschrijvers ook te raadplegen Groen van Prinsterer, Handb. der Gesch. van hel Vaderland, 40 ed., p. 288—292; Ypeij en Dermouï, Gesch. der Ned. Herv. kerk, II, 427—435 en de aantt.-, Kleijn, Alg. kerk en plaatsel. gem., p. 155, 156; Glasius, Gesch. der Christ, kerk in Neder I., II, 3—13. Er waren onder de gewesten, vooral Friesland en Groningen, die de kerkelijke aangelegenheden wilden beeindigen als een besluit der Generaliteit, doch de Staten van Holland hebben hun opvatting weten door te drijven, dat het stuk van de religie als een belang van elk gewest afzonderlijk werd behandeld en beslikt.
Bij den vrede van Munster was bedongen, dat de onderdanen van den Spaanschen koning voortaan vrijelijk op het gebied dei-republiek mochten verkeeren. Dit had aan Katholieke geestelijken ruimte gegeven tot een stille maar ijverige propaganda voor hun kerk, die vooral nadeelig werkte op de reformatie van Staatsbrabant. Daartegen inzonderheid waren de vertoogen en voorstellen van de remonstrantie gericht, die door den Haagschen predikant Eleasar Loot als spreker der door de kerk afgevaardigde commissie werd overgegeven.
Met de groote Statenvergadering begint geen nieuw tijdvak in de geschiedenis der Hervormde kerk. Zij zette slechts het zegel op hetgeen feitelijk in de verschillende gewesten reeds van den beginne af was erkend.
ÖlBLIOTHcSK 4 MKD. Ht Vv\'. KEKK
\'7*
DU KERSTK KERKELIJKE BEWEGINGEN NA DORDliECHT.
CARTESIUS EN DE CARTESIANEN.
F. J. Domela Nieuwenhuis, Comment, de Renati Cartesii
commevcio cum philos. Belg., 1826.
A. C. Dijker, Schoolgezag en eigen onderzoek, hist. krit. studie
van den strijd tusschen Voetius en Deseartes, 1861.
M. Siegenbebk, Gesch. der Leidsehe hoogeschool, vooral deel 2.
E. J. Diest Lorgion, Balth. Bekker in Franeker, 1848; Ballh.
Bekker in Amsterdam, 2 dln., 1851.
W. li. S. Boeles, Frieslands Hoogeschool en het rijksath. te
Franeker, 2 dln., 1878, 1879, 1881, 1889.
J. A. Cramer, Ahr. Heidanus en zijn Cartesianisme, 1889. Diss.
J. P. N. Land, Am. Geulincx te Leiden, in Verslagen dei-
Kon. aead. van Wetensch., 1887.
H. J. E. van Hoorn, Dlsq. exponens Roellii litem de net.
gener. jilii Dei a Patre, 1856, diss.
W. J. A. Jonckbloet, Gedenkh. der hoogesch. te Gron., 1864,
met de bijlagen, Levenssch. der Gron. hoogl. doorVV.B.S. Bom,es.
§ 203. Door de nationale synode was de belijdenis, die in de kerk geduld cn geloerd mocht worden, vastgesteld. Toch bleek ook zells hor, rechtzinnige stelsel nog voor verschillende uitlegging vatbaar Ic zij,,. Daarom konden godgeleerde geschillen niet achterwege blijven, al waren zij vooreerst niet van zulk een ingrijpende beteekenis cn al verwekten zij nog geen kerkelijke onlusten zooals voor 1618.
Zonder een zweem van beterschap na de vermaningen te Dordrecht was prof. Macoovios naar Franeker teruggekeerd. Daar verbrak hij ;,1 spoedin; weer den collegialen vrede met Lunnuimis, dien hij door zijn harde leer op de studentendisputen in bongo mate prikkelde. In 1621 maakten de Staten aan de ergerlijke hatelijkheden, die zij met elkander wisselden, een einde.
261
Meer gerucht in da kerkelijke wereld maakte de onstuimige Pool door een aanval op de meeningen van zijn vrocgeren beschermer, den rechtzinnigen Amesius. Deze was een tegenstander van liet opwerpen van die spitsvondige en duistere vraagstukken, waarin dc Dordtsche vaderen Macgovius meer bescheidenheid berolen hadden. Sedert in 1626 hadden zij bij de academische disputen gedurig twist, ten laatste vooral over de stolling van Amesius, dat Christus ook als middelaar aangebeden moest worden. Zijn scholastieke bestrijder beweerde, dat dit aan den heiland eeniglijk toekwam op grond van zijn goddelijke natuur. In dit geschil kozen ook de theologen der andere hoogescholen partij. Door het vertrek van Amesius in 1633 kwam een einde aan verdere onaangenaamheden: hij ging als opvoeder van eenige landgenooten naar Rotterdam, doch stier! nog in hetzelfde jaar.
Boeles, Friesl. hoogcschool, II, 92, 118; Diesï Lorgion, JJerv. kerk in Friesl., p, 88 — 90; Sepp , Godgel. Onderw., 1, 15°—15^1 II, 55 vlg. Macgovius was een zeer consequent Calvinist met een hartgrondigen afkeer van elke voor verschillende uitlegging vatbare dogmatische fraze. Zijn levensgedrag was zeer ongeregeld, hij was daarom meermalen onder academische censuur gesteld en ambtgenooten schilderden hem als een „homo moribus plane barbarus, cujus vita non nisi quam continua impietasquot;. Zijn vereerder en leerling Nic. Arnoldus, eveneens een Pool, in zijn jeugd onderwezen door Comenius en van 1651 tot 1680 professor te Franeker, bestrijder der Cartesianen, bezorgde in 1647 een uitgave van zijn voorlezingen onder den titel: foh. Maccovins redivivns. Amesius, van geboorte Kngelschman of Schot, doceerde te Franeker sedert 1622. Voor hem trokken partij Wai.akus van Leiden en Maresius van Groningen, die zijn collega Gomarus bestreed. Vóór de beweeringen van Macgovius verklaarden zich ook VoETius van Utrecht en Rivetus van Leiden. Sum. Lubber-tus beleefde dezen strijd niet, daar hij reeds tien 10 januari 1625 was overleden.
§ 204. Het algemeen heerschende gebruik om de academische jeugd door disputen over allerlei inzonderheid godgeleerde en wijs-geerige onderwerpen te oefenen hield een zeer strijdlnstigen geest onder professoren, studenten cn godgeleerden gaande. Dit was do voortdurende oorzaak van menigen hooggeleerden twist cn meermalen van onrust en verregaande verdeeldheid in dc gansche kerk. Want daarbij bepaalde men zich niet tot het opwerpen van stellingen tegen de door do kerk veroordeelde gevoelens der Papisten, Socinianen, Remonstranten, o. d., maar zeer dikwijls werd de stof aan het
de eerste kerkelijke bewegingen na dordrecht.
cartesius en de cartesianen.
F. J. Domei,a Nieuwenhuis, Comment, de Renati Carteaii
commercio cum philos. Belg., 182().
A. C. Duker, Schoolgezag en eigen onderzoek, hist. krit. studie van den strijd tnsschen Voetius en Descartes, 1861.
M. Siegenbeeic, Gesch. der Leidsche hoogeschool, vooral deel 2.
E. J. Diest Loröion, Balth. Bekker in Franeker, 1848 ; Balth.
Rekker in Amsterdam, 2 dln., 1851.
W. B. S. Boei.es, Friesland» Hoogeschool en het rijksath. te Franeker, 2 dln., 1878, 1879, 1881, 1889.
J. A. Cramer, Ahr. Heidanus en mjn Cartesianisme, 1889. Diss.
J. !gt;. N. Land, Am. Geulincx te Leiden, in Verslagen der
Kon. acad. van Wetensch., 1887.
H, J. E. van Hoorn, Disq. exponens Roellii litem de act.
(jcner. filii Dei a Patre, 1856, diss.
W. •!. A. .Tongkbloet , Gedenkh. der hoogesch. te Gr on., 1864, mot de bijlagen, Levenssch. der Gr on. hoogl. doorW.B. b. Boeles.
S; 203. I^oor do nationale synode was de belijdenis, die iii de kerk geduld en geleerd mocht worden, vastgesteld. Toch bleek ook zelfs bet rceht/innige stolsel nog voor vcrscbillende uitlegging vatbaar te zijn. Daarom konden godgeleerde geschillen niet achterwege blijven, ai waren zij vooreerst niet van zulk een ingrijpende beteekeuis en al verwekten zij nog geen kerkelijke onlusten zooals vóór 1618.
Zonder eon zweem van beterschap nu de vermaningen te Dordrecht was |gt;riif. Maccovios naar Praneker teruggekeerd. Daar verbrak hij mI spoedig weer den collegialen vrede met l.ur.BEUTüs, dien hij door zijn harde leer op do studentendisputen in hooge mate prikkelde. In 1621 maakten de Staten aan de ergerlijke hatelijkheden, die zij met elkander wisselden, een einde.
261
Meer gerucht in dc kerkelijke wereld maakte do onstuimige Pool door een aanval op de meeningen van zijn vrocgeron beschermer, den rechtzinnigcn Amesius. Deze was een tegenstander van het opwerpen van die spitsvondige en duistere vraagstukken, waarin dc Dordtsche vaderen Maccovius meer bescheidenheid bevolen hadden. Sedert in 1626 hadden zij bij de academische disputen gedurig twist, ten laatste vooral over de stelling van Amesius, dat Christus ook als middelaar aangebeden moest worden. Zijn scholastieke bestrijder beweerde, dat dit aan den heiland eeniglijk toekwam op grond van zijn goddelijke natuur. In dit geschil kozen ook do theologen dor andere hoogescholen partij. Door het vertrek van Amesius in 1633 kwam een einde aan verdere onaangenaamheden: hij ging als opvoeder van eenige landgenooten naar Rotterdam, doch stierf nog in hetzelfde jaar.
Boeles, Priesl. hoogeschool, II, 93, 118; Dikst Lorgion, Herv. kerk in Friesl., p. 88—90; Sepp, Godgel. Onderw., 1, ïS0—ïS8. II. 55 v\'g- Maccovius was een zeer consequent Calvinist met een hartgrondigen afkeer van elke voor verschillende uitlegging vatbare dogmatische fraze. Zijn levensgedrag was zeer ongeregeld, hij was daarom meermalen onder academische censuur gesteld en ambtgenooten schilderden hem als een „homo moribus plane barbarus, cujus vita non nisi quam continua impietasquot;. Zijn vereerder en leerling Nic. Arnoldus, eveneens een Pool, in zijn jeugd onderwezen door Comenius en van 1651 tot 1680 professor te Franeker, bestrijder der Cartesianen, bezorgde in 1647 een uitgave van zijn voorlezingen onder den titel: foh. Maccovius redivivns. Amesius, van geboorte Kngelschman of Schot, doceerde te Franeker sedert 1622. Voor hem trokken partij Wat.aeus van Leiden en Maresius van Groningen, die zijn collega Gomarus bestreed. Vóór de beweeringen van Maccovius verklaarden zich ook VoETius van Utrecht en Rivetus van Leiden. Sihr. Lubber-tus beleefde dezen strijd niet, daar hij reeds den 10 Januari 1625 was overleden.
§ 204. Het algemeen heersehendc gebruik om de academische jeugd door disputen over allerlei inzonderheid godgeleerde en wijs-geerigo onderwerpen te oefenen hield een zeer strijdlustigen geest onder professoren, studenten en godgeleerden gaande. Dit was do voortdurende oorzaak van menigen hooggeleerden twist on meermalen van onrust en verregaande verdeeldheid in dc gansehc kerk. Want daarbij bepaalde men zich niet tot het opwerpen van stellingen tegen de door de kerk veroordeelde gevoelens der Papisten, Socinianen, Remonstranten, c. d., maar zeer dikwijls werd do stof aan het
262
kerkelijke leersysteem ontleend en daarmede kwam men op dat gevaarlijke terrein, waar elke schijn van heterodoxie olie in het vuur wierp.
Na de roemruchtige synode van Dordrecht voerde kerkelijke rechtzinnigheid /eer zeker de heerschappij, maar de maatstaf, waarnaar zij beoordeeld kon worden, bleek zeer rekbaar te zijn en uit zeer verschillend oogpunt toegepast te kunnen worden. Bovendien omdat in een Protestantsche kerk het wetenschappelijk denken en godsdienstig gevoel moeielijk in een stand van onbewegelijke rust kunnen worden gehouden, moest zich wel van lieverlede binnen haar kring een worsteling openbaren tegen de te Dordrecht gesmede banden. Het bleek, dat zelfs deze nog ruimte lieten voor allerlei verschil van opvatting en wijze van behandeling. Tegenover de schoolsch gevormde en starre orthodoxie was er reactie op te merken in drie richtingen, nl. op den weg van wijsgeerig denken, theologisch onderzoek en ethische behoefte. Het kon niet uitblijven, of voorstanders daarvan traden achtereenvolgens wel toegerust op de kampplaats.
De groote meerderheid onder de predikanten en in de gemeente bleef vooreerst positief de kerkleer toegedaan. Classes en synoden waren wakker op haar post tegen al wat niet strikt daaraan beantwoordde. Toch miste menige beschuldiging wegens onrechtzinnigheid of invoering van verdachte meeningen en methoden haar uitwerking. Want over het algemeen hadden de regenten weinig opgewektheid om bij zulke fijnere onderscheidingen der geloofsleer tot den bodem der onrechtzinnigheid door te dringen. Onder de welvarende en toongevende burgerij openbaarde zich een geest zoo al niet van onverschilligheid dan toch van met den tijd toenemende vrijgevigheid omtrent de godgeleerde vraagstukken.
Bij voortgaande ontwikkeling van godgeleerde studie en godsdienstig leven konden velen geen vrede vinden bij de scholastieke methode, den onveranderlijken, traditioneelen inhoud en de voor het religieus gemoed onbevredigende leerheiligheid van een eenzijdig positivisme. Deze drie richtingen zijn vertegenwoordigd in de Cartesianen , Coccejanen en Piëtisten.
§ 205. Binnen den kring der hoogeschool bepaalden zich meeren-deels de geschillen, waarin Samuul Marksius (des Marets) zijn heele loven lang gewikkeld is geweest. Van dezen kleinen, maar rusteloozen Picardiër is een ware stortvloed van polemische geschriften uitgestroomd. Hij zette de in zijn vaderland reeds begonnene bestrijding der Roomschen en Jezuiten te Maastricht voort en daarna te \'sHertogenbosch, waar hij vier jaren later, in 1(586, tot Waalsch predikant en hoogleeraar aangesteld werd. Kort voor zijn vertrek
263
naar Groningen raakte hij overhoop met tien veteraan der Dordtsche vaderen, Gijsbert Voetius. Deze had op een dispuut en in openbare geschriften beweerd, dat in de O. L. Vr. broederschap te \'sHertogenbosch geen Protestanten zich mochten laten opnemen en dat die oude, paapsche instelling veeleer opgeheven had moeten worden. Op verzoek van den magistraat verdedigde Maresius dezen maatregel op een toon, dien Voetius zeer euvel opnam, zoodat hij onmogelijk zwijgen kon. Dat was de aanleiding tot een hoogst vijandig geschrijf tusschen beide godgeleerden. Later wierp zijn bemoeiing met een dergelijke twist over de bestemming der kapittelgoederen te Utrecht nog meer hout op den stapel. Zij zwegen over deze punten eerst vijfentwintig jaren later, toen het wenschelijker werd geoordeeld hun aanvallen met vereenigde kracht tegen de Coccejanen te richten. Gedurende deze periode had Mabesius nog tijd gevonden om een zwerm van scherpe schichten af te schieten op allen, die z. i. ketter-sche of nieuwerwetsche denkbeelden verkondigden.
Marf.Sius, geboren 1599, studeerde te Parijs, te Saumur onder Gomarus, en te Genève. Daar hij ,,un vrai Zachéequot; en nog jong was, kreeg hij den naam van „le petit proposant, mais il crut jusqu\'è, sa 25 année et fut d\'une taille bien raisonnablequot;. Vóór zijn optreden als professor te Sedan werd hij theol. doctor te Leiden in 1625. Als legerpredikant kwam hij in 1631 te Maastricht, waar hij vooreerst bleef. In 1642 werd hij te Groningen benoemd, waar zijn woelig leven den 18 Mei 1673 een einde nam, voordat hij het professoraat te Leiden kon aanvaarden. Zijn Systema theologiae maakte veel opgang.
Tot de voorwaarden bij de capitulatie der hoofstad van de Meijerij behoorde, dat de in 1318 opgerichte (en nog bestaande) Broederschap van Onze Lieve Vrouw behouden zou blijven. Opdat zij echter niet zou dienen 0111 de Hervormde kerk tegen te werken, werd bepaald, dat de helft der leden Protestant moest zijn. Daardoor werd gezorgd, dat de vereeniging zich bepaalde tot haar zuiver liefdadig doel. Maresius heeft meer dan een dozijn boekjes tegen Voetius geschreven, door dezen even vlijtig beantwoord. Glasius, Biogr. Wnordb., II . 441—431; Bayle, Diet. his/, et crü., III, 554—561; Jonckbloet, Gr07t. hoogeschool, biografie door Boeles, p. 27—29 en de daar aangehaalde werken; Schweizer, Maresius, in Herzog, Real-Enc., IX, 301; Hopman, Iets over \'till. L. Vr. broederschap te \' s Hert., 1818.
Voetius en zijn geestverwanten keurden de wijze, waarop de voormalige kapittelgoederen gebruikt werden, sterk af en daaruit ontstond een oneenigheid met den magistraat van Utrecht, die zeer hoog liep. Toen Schoock hem afviel en voor de meening van Maresius gewonnen werd, vond Voetius in Mathias
264
Nethenus een meer gevvilligen medewerker, Sepp, Godg. onderw., II, 177—179.
§ 206. 10e waardige representant van de kerkelijke behoudspartij, meer gezagvoerend dan Maresius, was zijn Utrechtsche ambtgenoot Voetius , een man van beteekenis en buftengewoon grooten invloed op de eerstvolgende geslachten, een geleerde van onverdaehte, eenigs-zins naar het mystische neigende rechtzinnigheid, onvermoeid kampvechter voor de leer van Dordrecht, waarvan hij de laatst overblijvende medegrondlegger was, voorstander van de scholastieke leerwijze, geboren te Heusden den 3 Maart 1588 en gestorven kort voor de intrede van zijn negentigste levensjaar. In het voorjaar van 1604 te Leiden ingeschreven, beleefde hij dadelijk de eerste uitbarsting van den Arminiaanschen strijd en koos daarbij de zijde van Gomarus. Na een zevenjarig verblijf verliet hij de academie als beslist vijand van de Remonstranten en werd predikant te Vlijmen, daarna te Heusden. In het begin van zijn verblijf in die gemeente werkte hij reeds den Remonstrant Johannes Greviüs onder den voet en kon vervolgens als afgevaardigde naar do grooto synode een werkzaam ar\'ndeel nemen aan de Dordtsche fata. De Zuidhollandsehe synode hoeft hem na afloop daarvan de reiniging van het kettersche Gouda opgedragen, een taak waarvan hij zich met grooten ijver kweet. In 1634 word hij benoemd tot hoogleeraar in do godgeleerdheid en hot Hebreeuwsch aan de pas opgerichte illustre school te Utrecht om cr als geleerde en prediker te hcerschen over vele geesten. Daar en ai,n de andere academies vond hij ambtgenooten, die onverdroten en steeds strijdvaardig op hun post stonden tegenover elke opkomende afwijking van het oude en beproefde, Andreas Essenius, weleer zijn leerling, Johannes Hoornbeek, later to Leiden, Arnoldus te Franekcr, ook Maresius te Groningen en anderen.
Reeds als student en later nog meer verdiende hij om het rusteloos verslinden van allerlei schrijvers den naam van „heüuo librorumquot;, wat Descartes aanleiding gaf tot de opmerking, dat Voetius wel in ongeloofelijke hoeveelheid en van allerlei soort boeken verslond, maar ze niet verteerde. Hij aanvaarde zijn ambt te Utrecht met een oratie „De pietate cum scientia conjungendaquot; en werd twee jaren later op de terugreis van een bezoek aan de vrienden in Engeland door zijn leermeester Gomarus te Groningen tot doctor gepromoveerd. De eerste drie jaren te Utrecht was hij alleen, docli kreeg toen een ambtgenoot in Meinardus Schotanus, die reeds in 1644 stierf en door Hoornbeek werd opgevolgd. Menig ambtgenoot en onder hen ook zijn beide zonen Paulus, de jurist en Daniel, prof. philos., heeft Voetius overleefd. Wegens
265
zijn neiging tot religieus gevoelsleven stonden de ascetische geschriften van Ewoud Teellinck , dien hij een „eximium et pium politicum, in scripturis potentissimumquot; noemde, hoog bij hem aangeschreven, eveneens de Tmilatio van Thomas a Kempis. In dit opzicht was hij geestverwant van Amesius door de waarde, die hij hechtte aan godsdienstige onthouding van de wereld en onderdrukking van alle zinnelijke neigingen. Dukkr , Schoolgezag enz,, p. 5—26; Glasius, Biogr. Woordb. III, 526—540; Sepp, Godgel. ondenv., II, 153—163 en passim; Kist en Roijaards, Nieuw Arch, voor kerk. gesch., I, 354—358.
Essenius, geboren te Zaltbommel 1618, prof. te Utrecht 1651, hieid de lijkrede op Voeïius en is gestorven 1677. Cornelis Gentman , geb, 1618, gest. 1696 als predikant te Utrecht sedert 1654, gaf onder den titel Alton Bachath ofte lyckpred. over de dood van den hoog-beroemden Heere G. Voetius een hooggestemde lofrede. Hoornbeek, geb. 1617 te Haarlem, prof. te Utrecht 1644, te Leiden 1654, gestorven 1666.
cabtesius en db caute.sianun.
§ 207. Voetius, do steunpilaar der kerk cn hot toonboold van scholastieke geleerdheid, vond een grooten, voor hem zelfs tc maeh-tigen tegenpartijder in den beroemden Renaïüs Caetesius (Réné des Cartes), geboren te la Hayo in Touraine 31 Maart 1596 ongestorven te Stokholm den 11 Februari 1650, een man, wiens verdienste niet geschaad wordt door het streven om het resultaat van zijn denken en redeneoren in overeenstemming te brengen mot zijn traditioneel geloof. Ofschoon Franschman van geboorte, door Jezuiten opgevoed en steeds hooggeacht, trouw aan lt;lo Katholieke kerk, tijdelijk inwoner van verscheidene landen, bekleedt hij toch een belangrijke plaats in de geschiedenis der ontwikkeling van ons voorgeslacht door een moor dan twintigjarig verblijf hier te lande in het beste deel van zijn leven en door den sterken invloed van zijn denken ook op Nedcr-landschc theologen. Des Cartes is do zelfstandige schepper van een geheel nieuwe philosophie en van een ongekende, stoute methode van wetenschappelijk denken on onderzookon. In zijn afwisselend leven, nu eens in krijgsdienst, dan verdiept in meetkunstige studiën, ton doele in stille afzondering doorgebracht, ten deele op vele reizen om „het groote boek dor wereldquot; te bestudeeron, verwierf hij zich Buropeesche vermaardheid door don diepen ernst van zijn genie bij het navorsohen dor waarheid in allo dingen. Het laatste en grootste gedeelte van zijn leven bracht de gevierde wijsgeer in ons vaderland door van 1029 tot 1649. Wat bij mot zijn verblijf in deze gewesten
26fi
bedoelde, nl. om zich ongestoord aan de afwerking van zijn philo-Hophie te kunnen toewijden, heeft hij niet geheel kunnen bereiken wegens den last, dien godgeleerde tegenstanders hem hebben veroorzaakt. Zijn stelsel bracht groote onrust in de scholastieke wereld teweeg, omdat hun de vrees bekroop, dat deze sceptische metbode velen van het pad der waarheid zou afleiden. Trouwens hij was daartegen bestand en heeft dat getoond. In 1649 volgde hij een uitnoodiging van koningin Christina om zich in Zweden te vestigen, doch hij stierf reeds in het volgende jaar te Stokholm.
Descartes is de stichter van een nieuwe periode in de wijsbegeerte geworden door zijn eiscli om bij het zoeken naar waarheid elke vooronderstelling te laten varen, door het zelfbewustzijn tot eenig punt van uitgang te maken, door de oplossing van de tegenstelling tusschen zijn en denken als probleem der philosophic aan te wijzen. Doch het gebrek van dezen groeten geest was de tweeslachtigheid , die hij tengevolge van aard en opvoeding nooit heeft kunnen afleggen, dat wijsbegeerte slechts de nederige dienstmaagd der theologie mocht zijn: het gevoelen der kerk was de eindpaal, waarbij hij begeerde aan te landen.
Hij heeft gediend in het leger van prins Maurits . daarna in \'t begin van den dertigjarigen oorlog onder Tilly. Toen hij de dienst verliet, begon een achtjarige zwerftocht, die hem in de overtuiging bevestigde, dat „zekere en wisse kennis der dingenquot; een zeldzaamheid was. Gedurende zijn verblijf in de Nederlanden verwisselde hij talrijke malen van woonplaatsAmsterdam, Franeker Leeuwarden, Deventer, Utrecht, Leiden, Harderwijk, Amersfoort, het laatst te Egmond Binnen.
Baillet, La vie de mons. Descartes, Par. 1691; Kuno Fischer, Gesch. der fieuern Philos., I; Rittf.r , Gesch. der Phil., XI, 1—97; Dukkr, Sehoolgezag etc., p. 27-—47; Sepp, Godgel. Onderw., II, 361 vlg.; Schwegler, Gesch. der Phil., 3quot; Aufl., p. 110^—-116, enz.
§ 208. De wijsbegeerte van Descartes vond ingang bij velen. De nova methodus trok bet eerst de aandacht door de collegies van Henriciis Renerius, hoogleeraar in de wijsbegeerte tc Utrecht, een zijner vurigste aanhangers. Toen deze in 1639 stierf, eindigde zijn ambtgenoot Ant. Aemiliüs do lijkrede met een welsprekende hulde voor Descartes als den Archimedes zijner eeuw. Wel werd dit door sommigen afgekeurd, maar bepaalde oppositie togen den grooten denker, zijn wijsbegeerte en methode werd eerst uitgelokt door het onbesuisde optreden van den medicus Regius, een voorstander zonder schroom en bedachtzaamheid. Toen deed Voetius zich als bestrijder kennen. Doch omdat hij zelf niet tegen zulk een sterke tegenpartij opgewassen
267
was, moest hij zich van anderen bedienen. Na eerst doch te vergeefs de hulp van den Jezuiet Mersennus te hebben ingeroepen, gebruikte hij zijn invloed aan de academie door in 1642 een afkeurend judicium over Rec.ius cn het stelsel van Descartes te laten uitspreken. Tntus-schcn had hij in zijn zoon Paulus een bondgenoot gekregen. Beide achtten hot hoog tijd, dat de nieuwe wijsbegeerte rechtstreeks aangevallen en wcderlegd werd. Dit zou geschieden onder mflUewerking van Martinus Schoockius, hoogleeraar in de logica te Groningen. Hun verborgene tactiek om zonder zelf op den voorgrond te treden in wijdere godgeleerde kringen een algemeen verzet op te wekken mislukte echter volkomen door den openlijken aanval van Descartes zelf, die zeer goed wist, wie zijn ware tegenstander was, en daarmede een uitkomst bereikte, waarover hij voldaan kon zijn. Voetius, die zich achter zijn voormaligen leerling had verschanst, moest tot behoud van zijn gezag en ter wille van het geloof, dat hij alleen zaligmakend achtte, middelen gebruiken, die een smet doen kleven op zijn nagedachtenis. Dat hij ook na. de mislukking van dezen toeleg bleef voortgaan met zijn tegenwerking van do nieuwe wijsgeerige beginselen, is verklaarbaar.
In den geheelen strijd steekt het gedrag van den Utrechtschen godgeleerde zeer ongunstig af bij het optreden van Descartes. Er is geen reden, waarom in de botsing van de beide beginselen schoolgezag en zelfstandig onderzoek de strijd niet gevoerd kon zijn met ridderlijke wapenen. Dat Voetius over deze philosophic een hard oordeel koesterde, dat hij in haar geen cogitatio maar slechts dubitatio zag, dat hij des zins was haar te verdelgen en uit te drijven, dat hij Regius voor een „simia mendacis Galli, mendacior ipsoquot; hield, verdient geen afkeuring: „Les dmes, des-séchées par la foi aride, perdent vite toute douceurquot;. Maar niet te verdedigen zijn de feiten, dat Voetius in zijn angst voor het spook van het verderfelijkst ongeloof zich zelf niet in het open veld heeft gewaagd, dat hij allereerst een lid van de door hem verfoeide stichting van Loyola te hulp riep, dat hij daarna Schoock half onwillig dwong tegen Descartes te schrijven, dat hij zonder toestemming een half voltooid opstel veranderde, aanvulde en daarna als werk van Schoockius uitgaf, de Philosophia Cartesiana sive admiranda methodus novae philosophiac Renati Descartes, dat hij zijn Groninger ambtgenoot een valsche verklaring afperste, waarin deze verzekerde nagenoeg alleen de schrijver van de Philosophia te zijn, enz. Omdat Schoock door Descartes wegens laster werd aangeklaagd, kwam de zaak te Groningen in 1645 voor den academischen senaat, die hem toen tot verklaring van de waarheid en verontschuldiging tegenover Cartesius bracht. Deze zaak gaf hem aanleiding om voor goed met Voetius te
208
breken. Niet lang daarna trad hij in den strijd over de kapittelgoederen te velde tegen de voorstelling, die Voetius verdedigde, met zijn boek De bonis vulgo ecclesiasticis dietis, etc., 1651, dat bekend is door de merkwaardige bijzonderheden over de oudste geschiedenis der Ned. Hervorming. Duker geeft het uitvoerige verslag en de beoordeeling van den strijd tusschen den wijsgeer en godgeleerde. Zie verder Glasius, Biogr. Woordb., III, 296— 300; Ypeij en Dermout, Gesch., II, 451—459gt; Jonckbloet, Gedenkb. der Gr on. hoogeschool, bijl. p. 25 27.
§ 209. Dc roering, die deze strijd teweegbracht, wekte algemeeno belangstelling. Do sehclle kleuren, waarmede dc nieuwe leer werd afgemaald, waren op afschrikkend cffect berekend, maar hadden bij velen de tegengestelde uitwerking, dat zij gunstig stemden, zelfs den ijver verhoogden voor een wijsbegeerte, die haar recht van medespre-ken zoo schitterend had gehandhaafd. Wat Voetius duchtte en niet wilde, is juist geschied: de Cartesianen behoefden hun gevoelens niet te verbergen en pasten de methode van den meester vrijmoedig toe bij het behandelen van godgeleerde vraagstukken. Maar alle Epigonen van Dordrecht schaarden zich aan dc zijde van Voetius, ook Mahesius, die, eerst niet ongunstig gezind, in 1669 „de abusu philosophiae Cartesianaequot; schreef. Een ander tegenstander was dc Voetiaan Jacobus Koelman, die in 1672 zijn boekje „het vergif der Cartesiaanse]ie philosophen grondig ontdekt\'\' daartegen uitgaf. Zij voelden, dat de beproefde leer der vaderen ernstig bedreigd werd door een methode, die geheel afweek van do verouderende kerkelijke overlevering, die hot gevaarlijke beginsel van zelfstandig onderzoek naar waarheid ook op het gebied der godgeleerde wetenschappen huldigde en invoerde. Als do philosophie aan de theologie de nederige rol eener dienstmaagd opzegde, moest zeer zeker bij velen het onbeperkt gezag der belijdenisschriften dalen.
Vooral aan de academies stak deze „hooveerdige philosophicquot;, die haar nieuwigheden in de theologie overbracht (Arnoi.dus) sedert de aan Cartesius gegevene genoegdoening, onbevreesd het hoofd op. Zij werd voor professoren en studenten een bestendige oorzaak van verdeeldheid, zelfs hevige twist. Van de hoogeschool verbreidde zich dit euvel in de kerk in weerwil van de tegenkanting en inspanning van classes en synoden, die met onverzwakte volhaiding maatregelen daartegen beraamden vele jaren lang, Cramer, Abr. Hcidanus, p. 120 vlg.
Koelman, geboren i()32, een der geliefde leerlingen van Voetius,
kwam op zijn standplaats Sluis in contact met de overheid, omdat hij haar bevoegdheid ontkende om zich in zuiver kerkelijke zaken
269
te mengen en daarom weigenie de feestdagen te vieren en de liturgische formulieren te gebruiken, zooals de kerkorde voorschreef. De Staten Generaal zetten hem in 1674 af ea verbanden hem buiten de Generaliteitslanden. Ook tie Zeeuwsche Staten verboden hem het prediken in hun gewest. Toen begon zijn rondzwerving. Meestal woonde hij te Amsterdam en Utrecht en bevorderde van daar uit de stichting van zijn geestverwanten door het houden van oefeningen en het vertalen van vele geschriften der Engelsche asceten. Bovendien was hij ijverig bestrijder van elke afwijking van de kerkleer, het Cartesianisme, Balïh. Bekker en de Laba-disten. Een merkwaardig man, wiens levensloop ,• arbeid en gevoelens nadere beschrijving en juister beoordeeling verdienen. Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. kerk, I, aant. p. 217—219, Hl, 29, 46, aant. p. 10—13, 22, 25—29; Vos, Gesch. der Vad. kerk, II, 61—63; Glasius, Biogr. Woordenb., II, 288—291; Diest Lorgion, Balth. Bekker in Anist., I, 3 16, 80, 112, 297 vlg., II, 30, 271; van Berkum, de Lab a dis ten, I, 131—133, II, 53—55) 209) 2I4) Duker, Schoolgezag, p. 209—215; vooral Theoph. Parresius, Hist, verhael van de procednren tegen D. Jac. Koelman etc., 1677.
§ 210. Niet alleen in Utrecht, ook in Leiden bezorgde de kennismaking met Cabtesius persoon en gevoelens hem vurige en bekwame voorstanders onder de hoogleeraron. Daar had Arnold Geuijnx, de beschermeling van don milden on verlichten Abraham 1 Ieidanus , eerst als lector, na 1665 als buitengewoon hoogleeraar in de wijsbegeerte, gelegenheid het systeem van den meester verder te ontwikkelen, al was hem door de curatoren bij zijn aanstelling geboden zich to houden „binnen de palen van de gerecipieerde Aristotelische philoso-phie.quot; Want onrust zaaiende twisten hadden reeds in 1665 de llol-landschc Staten bewogen tot uitvaardiging van het gebod, dat philosophic en theologie zich ieder tot haar eigen terrein moesten beperken en dat geen hoogleoraar „do philosophemata van den heer Cabtesiusquot; verder mocht invoeren en leeren. Niettemin werd het hiermede beoogde doel niet bereikt. Do stoornis bleef bestaan. Aan het hoofd der Cartesianen te Leiden stond IIeidanus, die hot eerste godgeleerde systeem in dien geest bewerkt hoeft en in do faculteit door Wrmciuus oen krachtigon medestander kreeg tegenover Spanheim , don feilen bestrijder van deze nieuwigheden. Hun verzet togen do maatregelen der curatoren had zelfs ton gevolge, dat IIeidanus op hooge jaren van zijn ambt ontzet werd in 1676.
Onder hen, die te Utrecht de schoolsche methode verwierpen en naar een redelijke opvatting der rechtzinnige leer streefden.
270
moeten nog vermeld worden: de medicus Lamb. Velthuysen , gest. 1685, die als cand. theol. de usu rationis schreef; Ludov. Wolzogen, prof. hist. eccl. te Utrecht, later Amsterdam, gest. 1690; Franc. Bukman , „de gauwste en gevaarlijkste Cartesiaanquot; (Koelman), hoogleeraar van 1662 tot 1679, hoofdwerk Synopsis theol., 1671.
Geulinx, geboren 1625 te Antwerpen, verkeerde steeds in zeer armoedige omstandigheden en dat zijn talent niet begraven werd, had hij te danken aan den steun van Heidanus, die zeer rijk was en weldadig. Hij stierf echter al spoedig aan de besmettelijke ziekte, die in 1669 te Leiden heerschte en vijf professoren o. a. ook Coccejus tot slachtoffer maakte. J. P. N. Land, Arnold Geulincx te Leiden (1658—1669) in de Verslagen en meded. der Kon. Acad., 1886; id. A. Geulincx als essayist in de Gids, Aug. 1892, X) 265_307. V. van der Haeghen gaf in 1886 te Gent zijn
levensbeschrijving in het licht.
Heidanus , zoon van den bekenden Caspar , geboren te t ran-kenthal 10 Aug. 1597, leerde Cartesius persoonlijk te Endegeest kennen en hoogachten. In 1648 werd hij hoogleeraar, \'twelk hij te danken had aan zijn wederlegging van de Remonstranten. Zijn hoofdwerk Corpus theol. Christ, zag in 1676 bet licht, 20 uitg. in 1686. Onder den pseudoniem Irenaeus Philalethius verzette hij zich tegen de decreten van curatoren en Staten, waarover hij door VoETius onder den naam Suetonius Tranquillus en Koelman aangevallen werd. Nobel is Heidanus houding in de quaestie, die tot zijn onrechtmatige afzetting leide. Hij stierf in October 1678. Zie ook nog Sepp, Godgel. onderw., II, 53 vlg., 232 vlg.; Duker, Schoolgezag, p. 208 vlg.; Bayle, Diet. hist, et ent., 11, 26—29.
Christopiiorus Wittichius, geb. in Silezie 1625, hoogleeraar te Nijmegen 1655, te Leiden 1671, gestorven 1687, Sepp,
Godgel. onderw., II, 245.
Frederik Spanheim jr., geb. te Genève 1632, hoogleeraar te Heidelberg 1655, te Leiden 1670. Op zijn klacht namen t6 Jan. 1676 de curatoren het besluit, dat zekere door hen geformuleerde stellingen op straffe van afzetting niet verdedigd mochten worden, (jok begonnen zij tegenstanders van het Cartesiaansche systeem tot hoogleeraar te benoemen. Heidanus nam toen voor zijn jongere collegas de gevaarlijke taak op zich om over deze handeling een oordeel te vellen, gaf zijn Consider at ien over eenige saecken onlanx voorgevallen binnen Leiden in het licht en kreeg, toen hij ruiterlijk als auteur voor den dag kwam, zijn demissie. Zijn tegenvoeter Spanheim , levenslang voorstander der theologia traditiva, stierf 1701, Sepp, Godgel. onderw., II, 242—245 en passim.
271
§ 211. Aan de Priesche hoogeschool drong deze door de kerk zoo schadelijk geachte nieuwigheid ook al spoedig binnen. Stadhouder en regeering toonden volstrekt geen begeerte om zich mei, eenigen nadruk daartegen te verzotten. De bestrijding ging uit van de kerk. De classis Leeuwarden op de synode en Hermannus Witzius, toen nog predikant in de hoofdstad, later hoogleeraar te Kranokor, verhieven weldra hun afkeurende stemmen. Doch de tegenstand kreeg eerst een ernstige beteekenis na het optreden van den begaafden dr. Balthasar Bekker, den man, die niet met eens anders maar slechts uit eigen oogen begeerde te zien en daarom menigmaal tegen den stroom heeft moeten oproeien. Met onverschrokkendheid vervulde deze zelfstandige Cartesiaan zijn roeping door het bevorderen van verlichte godsdienstige kennis en het bekampen van veel bijgeloof. Geboren in 1634 was hij sedert 1657 achtereenvolgens predikant te Oosterlittens, Franeker, Loenen aan de Vecht, Weesp en Amsterdam. Zijn eerste openbare daad was een verdediging van het recht der Cartesiaansche wijsbegeerte tegen den aanval der kerkdijken. Het stellen van een serie verbeterde leerboekjes voor het godsdienstonderwijs bracht hem tot het uitgeven van zijn „Vaste spijze der Volmaakten,quot; waardoor hij zich reeds iu zijn vaderland geweldige moeilijkheden op den hals haalde. Door prediking en geschriften tegen het geloof aan heksen, tooverij, spoken e. d., door redelijke verklaring van angstwekkende natuurverschijnselen nam hij de geheele godgeleerde wereld tegen zich in. Een storm van afkeuring verhief zich, toen hij sedert 1691 zijn veelbesproken werk „Betoverde Weereldquot; begon uit te geven. Professoren en predikanten scherpten tegen zooveel ongeloof de booze pennen. De geheele kerk kwam in opschudding en spande samen tegen dezen grooten ketter en zijn verderfelijke leeringeu. Hoewel de regeering van Amsterdam hem begunstigde en ook in weerwil van de booze faam welgezind bleef, kon zij hom niet op zijn kerkdijken post handhaven; dr. Bekker viel als slachtoffer van zijn overtuiging, want hij werd in 1693 door de synode van Alkmaar afgezet en bleef tot aan zijn dood in 1698 ambteloos. Bij zijn leven door velen geëerd, maar door de meesten van zijn tijdgenooten miskend en verworpen, heelt eerst het latere geslacht zijn verdienste en beteekenis weten te waardeeren.
In 1668 werd het beruchte gravamen ingediend, waarbij de classis Leeuwarden aandrong op politieke en kerkelijke maatregelen tegen de schadelijke nieuwigheden van Descartes. Daartegen galquot; dr. Bekker met goed gevolg, want de synode achtte het gravamen niet aannemelijk, zijn Admonitio sincera el candida de phil. Cartes., waarmede de hoogleeraren Bern. Scho tanus en Joh.
272
WuBBENA toen nog hun instemming betuigden, zie ook Diest Lorgion, Herv. kerk in Friesl., p. 125—130; Boeles, Friesl. hoogeschool, II, 234 -237.
Herm. Witzius, geb. 1636 te Enkhuizen, gaf in 1669 kort na zijn komst te Leeuwarden de Twist des He er en met sijn wijngaert in het licht, waarin hij ook de nieuwe philosophie aanviel. Sedert 1675 was hij professor te Franeker, 1680 te Utrecht, 1690 te Leiden. Zie behalve Sepp, Godgel. onderw., ook Boeles, II, 256—262.
Dr. A. van der Linde heeft in 1869 onder den titel van Bibliografie een lijst opgemaakt van 230 geschriften van, voor en tegen Bekker. Hij had te Groningen onder Alting en te Franeker gestudeerd en werd in 1664 op zijn eerste standplaats tot theol. doctor gepromoveerd. Zijn drie catechiseerboekjes en vooral de daarop gevolgde Vaste Spijze werden reeds met groot vooroordeel ontvangen zoowel door de Franeker theologen als de Friesche synode en slechts na vele en bittere onaangenaamheden kon de uitgave doorgaan. Voor de later gevolgde moeiten leveren de werken van Diest Lorgion in weerwil van hun ongeschikten (novellistischen) vorm belangrijke bijdragen.
§ 212. De argwaan, waarmode elke Cartesiaan in het oog gehouden werd, uitte zich telkens en gaf voedsel aan de verdeeldheid, ook toen andere zuiver godgeleerde geschillen aan do orde waren.
Was Heidanus te Leiden de eerste, die aan dit beginsel recht van spreken toekende op het gebied der godgeleerdheid, sedert 168G trad Roell te Franeker openlijk op als voorstander van het gehruik der rede in de christelijke religie. Dit wikkelde hem dadelijk in een scherpen twist met zijn ambtgenooten, vooral den jurist llunnu. Nauwelijks wus dit gesust, of daar ontvlamde de geruchtmakende strijd over het leerstuk van de eeuwige generatie des Zoons, dat Roëll heel anders verklaarde, dan men in de kerk gewoon was en hem den tegenstand van zijn ambtgenoot Viïhinöa en het verketterend oordeel van menige provinciale synode berokkende. In Friesland werd door hooger gezag, dat den geleerde beschermde, de quaestie op de synode onderdrukt. Doch de synoden van Utrecht, dat later meer bedaarde. Zuid- en Noord-Holland en Groningen deden liet Roëllisme in den ban en namen maatregelen daartegen tot ver in de volgende eeuw. Aan proponenten en van elders beroepene predikanten werd een verklaring voorgelegd, dat zij de dwalingen van dr. Bekker en prof. Roëi.l niet aanlangen. In Zeeland, waar Voetius heerschte, kwamen in 1693 de zoogen. vijf Walchersche artikelen tegen deze beide ketters in gebruik.
273
Te Franeker was Joh. van der Waeijen de eerste, die op zijn Cartesiaansch sedert 1680 de theologie doceerde. Hij stond dan ook in den strijd tegen Huber aan de zijde van Roëll, maar schreef een wederlegging van Bekkers Betoverde weereld. Zie verder over hem §§ 217, 2x9, 221.
Herman Alex. Roëll, geb. 1653, te Utrecht leerling van Bukman, te Groningen van Alting, aanvaardde zijn professoraat met een Oratio de religione naturali, die al dadelijk omtrent zijn gevoelens eiker, twijfel wegnam en vele goed Gereformeerden ontrustte. De Friesche Staten verboden in 1688 alle geschrijf over den twist met Huber, eveneens in 1691 over het geschil met V;tringa, en zorgden, dat daaraan streng de hand gehouden werd. in 1704 werd hij benoemd te Utrecht, gestorven 1718. Boeles, Friesl. hoogeschool, II, 309—318, die de bronnen opgeeft; Sepp, Godgel. onderw., II, 307—311 en passim; Scholten, Leer der Hcrv. Kerk, 4lt;i ed., I, 347—350, II, 624—627 en passim. In het Kerkelijk Hantboekje, 20 dr., 1734, p. 364—367 komen de artikelen voor „tot detestatie van de leerquot; van prof. Roëll en het gevoelen van dr. Bekker volgens besluit der Brielsche synode van 1693, a. 4 en 5, zie ook Vos, Gesch. der Vad. kerk, II, 16, 17. Van de vijf Walchersche artikelen waren ook twee gericht tegen de gevoelens van Joh. Vlak, pred. te Zutfen, zie Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Jlcrv. kerk, II, 566—571 en aant. De classis Walcheren maakte zich in 1701 weer verdienstelijk door het formuleeren en invoeren van zeven vragen tegen de leeringen van Roëll. Deze classis was altoos zeer ijverig in het waken tegen abuisen in de kerk en afdwalingen der leer en had reeds 14 September 1672 een concept van reformatie aangenomen, Koelman, Ampt en pligten van oud. en diak., p. 416—425, enz.
§ 213. Zoowel zij, die meer of minder Cartesiaanse! 10 neigingen openbaarden, als de bestrijders dezer leer verklaarden zich nagenoeg allen togen het systeem van Benediotus Spinoza , den stouten denker, wiens juistere beoordeeling en waardeering voor een ander geslacht bewaard moest blijven. Onder de theologen van dezen tijd had hij geen aanhangers. Zij hielden hem, die leerde, dat al het afzonderlijke als iets eindigs in den afgrond van de goddelijke substantie verzinkt, dat deugd en ondeugd, goed en kwaad slechts relatieve begrippen zijn, dat de hoogste rust ontstaat uit de gedachte aan de eeuwige noodwendigheid aller dingen, enz., kortweg voor een volslagen twijfelaar en atheïst. Zijn vriend de geneesheer Lodewijk Mei.ieu, die overeenkomstig zijn verlangen na zijn dood de Ethica heeft uitgegeven, bracht in 1665 en het volgende jaar eenige opschudding te weeg door een paar anonieme geschriften. Toch heeft zelfs het beruchte Dr. Reitsma, Kerkgesch. 18
274
„Philosophia sacrae scripturae interpresquot;, waarin wel erkend werd, dat de bijbel Gods woord was, maar dat het op do ware uitlegging aankwam, niet meer dan een voorbij gaanden indruk nagelaten. Spinoza vond weerklank, doch slechts in de verte en in afgelegene hoeken.
Eerst deze eeuw heeft aan den wijsgeer Spinoza recht laten wedervaren. Vooral J. van Vloten, hoewel meer criticus dan philosoof, heeft zich daarvoor zeer beijverd; hij oogstte de voldoening, dat in 1877 een gedenkteeken voor den vereerden denker in den Haag werd opgericht, waarbij hij de onthullingsrede hield. De literatuur over Spinoza is zeer uitgebreid. Zie behalve artikelen en studiën van Land, van der Wijck, Burger, Gunning enz. ook nog A. van der Linde, Spinoza, seine Lehre und deren erste Nachwirk. in Holland, 1862; van der Hoeven, Diss, de Phil, a Limborch; Jonckbloet, Gesch. der Ned. Lett., 11, 258 vlg.; Sepp, Godgel. onderw., II, 373—386; Ypeij en Dekmout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, II, 573—580.
HOOFDSTUK XVI.
coccejanen en voetianen.
P. H. Roessinqh, Jacobus Ailing, een bijh. godgel. uit het midden der VIe eeuw, 1864, diss.
A. Ypeij, Behn. geschied, der system, godgel. 3 dln., 179Ö—9S.
G. van Gorkom, De Joh. Coccejo, s. cod. interprete, 1866, diss.
A. van der Flier, De Joh. Coccejo antischolastieo, 1859, diss.
J. H. Scholten, Jjcer der Hervormde kerk, 2 dln., 4e ed. 1861.
A. Ehiiard , Coccejus und seine Schule, in Herzog , Real-Ene.
J. J. van Oosterzee (en C. Sepp) , Voelius und seine Schule, ib.
8. D. van Veen, Zondagsrust en Zondagsheiliging in de lie eemgt; (1888).
§ 214. De volgelingen van Cartesius onder de Hervormde theologen , ontwassende aan de scholastiek, hebben baan gebroken voor oen nieuw, zelfstandig onderzoek niet om het rechtzinnige dogma te bestrijden maar om het beter te verklaren en handhaven. Deze wijsgeerige methode liet, naar men meende, het kerkelijk geloof geheel onaangetast. Voorloopig werd zij dan ook ten dienste van de theologie aangewend. Maar de consequenties, die daaruit volgden, moesten op weg leiden tot rationalistische critiek. Voorloopig kwam daarmede tegenover het kerkelijke dogmatisme, eerst nog bedekt en onzeker, liet streven op om aan redelijk denken meer vrije spraak te geven bij de behandeling van leerstellige vraagstukken.
Nevens dit verschijnsel en onafhankelijk daarvan was in de theologische wereld de bijbelsche richting weer tegen de overgeleverde kerkleer in het strijdperk getreden. Als vertegenwoordiger van deze nieuwe oppositie stond weldra Johannes Coccejds aan de spits. Hij is de man geweest, die de op den achtergrond geraakte verbondsleer als een volledig afgewerkt systeem deed herleven. Dat maakte hem hervormer van de godgeleerde wetenschap en grondlegger van tie naar hem genoemde nieuwe school der foederaal-theologen.
Geboren te Bremen den 3 Augustus 1G03, werd hij hoogleeraar aan de illustre school aldaar en vervolgens verroepen naar Franekcr,
i8*
276
vanwaar hij na een veertienjarig verblijf in 1650 naar Leiden ging. Ook aan deze academie bleef zijn rechtzinnigheid nog onbesproken, totdat hij in 1658 met zijn ambtgenoot Heidanus over de beteekenis van het vierde gebod do meening verkondigde, dat de instelling van den sabbat voor een ceremonieel cn geenszins voor een ethisch gebod moest worden gehouden. Dit was het begin van een tachtigjarigen oorlog in de kerk en onder de Nederlandsche godgeleerden. De tegenpartij verklaarde in heftige verontwaardiging zoodanige opvatting voor een ketterseh geloof en beschuldigde hem wegens deze verdachte nieuwigheid van allerlei verkeerde bedoelingen. De Staten van Holland meenden in 1659 tot hedaring der verstoorde gemoederen tusschen beide te moeten komen met een resolutie, waarbij zij gelastten over het geschil ten aanzien van den sabbat het zwijgen te bewaren.
Coccejus, zoon van Timan Cock, secretaris van Bremen, had
0. a. ook te Franeker gestudeerd. Zijn eerste polemiek was gericht tegen Katholieken en Socinianen. Wel had hij reeds in 1655 op een exegetisch collegie zijn denkbeeld ontwikkeld, dat de instelling van den sabbat niet dagteekende van de schepping dei: wereld, maar uit de woestijn (Sinai) en dat dit gebod dus niet meer gold onder het nieuwe verbond. Toen was reeds verschenen zijn Stemma doctrinac de foedere et tesiam. Dei, later door van der Waaijen vertaald. Doch deze gevoelens trokken eerst de aandacht door de theses „de Sabbatho et die Dominicaquot;, in 1658 verdedigd onder voorzitting van Heidanus. Het vierde gebod had alleen waarde voor het oude verbond met Israel, behoorde alzoo niet tot de zedelijke geboden van God, was dus voor Christenen niet meer van kracht. Essenius van Utrecht deed den eersten aanval op de beide Leidsche sabbatschenders en daarna volgde een twistgeschrijf pro en contra, dat de Staten tot hun resolutie bewoog, toen het hatelijk begon te worden. Over Coccejus zie nog Levensbeschr. van Neder 1. mannen en vromven, Hl, 35—63, vooral Hoelks , Friesl. hoogeschool, H, 156—163; Ritschl, Gesch. des P.ieiismus,
De sabbatsquaestie was niet nieuw. Reeds had in 1621 Willem Teellinck het besluit der Dordtsche synode tot geheele rust op den Zondag verdedigd. TAz ooV Postacta, sess. 164. Toen Gomarus in 1628 zijn vertoog hivestigatio sententiae et orig. Sabbat hi uitgaf en daarin beweerde, dat de Christenen den dag des Heeren niet uit kracht van het vierde gebod maar van de inzetting der kerk moesten onderhouden, werd hij daarover door Walaeus, Rivet en Amesius als onrechtzinnig aangevallen, Ypeij en Dkrmout , Gesch. der Ned. Herv. kerk, Hl, aant. 15—17; Sepp, Godgel. Onderw., H, 227; van Veen, Zondagsrust, p. 114—126. Het voortdurende veelvuldige misbruik en ontheiligen van den Zondag,
\'277
tot ergernis van predikanten en godsdienstige Christenen, gaf aan de sabbatsvraag ernstiger beteeken is, dan wanneer het een bloot dogmatisch of exegetisch verschil van meening ware geweest. In den kring van Voeïius maakte men zich werkelijk bezorgd, dat door de te Leiden verkondigde voorstelling wereldsche lichtvaardigheid bevorderd 7,011 worden.
§ \'215. Aiii\\ dc academie te Groningen veroorzaakte dezelfde quaestie ook een hevig krakeel. Geen wonder, met zulk oen strijdlustigen Calvinist als Maiiesius kon het daar niet rustig blijven.
Toen de oude Gomarus het tooneel dezer wereld had verlaten, 1644, word besloten hem twee opvolgers te geven: Maresius voor dc godgeleerde vakken en den jeugdigen Jacobus Altincj voor dc Oostersehe talen, die ten gevolge van zijn opleiding een gematigd man was en afkeerig van scholastiek. In 1662 had hij met zijn collega ongenoegen gekregen wegens eenige stellingen over den val van Adam, die door dezen voor kettersch werden verklaard. Niettemin werd hom in 1667 met bewilliging van Maresius het professoraat in de theologie opgedragen. In bet volgende jaar gaf hij een verhandeling over deu sabbat, waaruit zijn booze tegenstander zoovele beschuldigingen haalde, dat hij de zaak voor dc synode van Stad en Lande wilde brengen. Dit werd door de Staten verhinderd, omdat de curatoren deze aanklacht reeds in behandeling hadden genomen. Het oordeel van de Leidsche faculteit werd ingeroepen en tot groote woede van Maresius luidde hot gunstig voor Alting. Tot aan zijn dood in 1673 leefden beide geleerden in een vijandschap, die hoogst nadeelig voor de academie werd: de studie der theologie geraakte er geheel in verval. Alting stierf in 1679. Andere personen en krachtiger bewegingen hebben meer aandacht getrokken, toch was hij ook een dergenen, die als hijhelsch theoloog hun bijdrage hebben geleverd tot den strijd tegen de overmacht van de letter der formulieren.
Alting was in 1618 geboren te Heidelberg, kort voordat zijn vader Henricus, hoogleeraar aldaar (en na 1627 te Groningen) zich naar Dordrecht ter synode begaf. De twist te Groningen is een afzonderlijk bedrijf van de verdeeldheid, die toen de kerk beroerde. Na ontvangst van het advies uit Leiden legden de curatoren aan beiden het zwijgen op. Alting hechtte evenwel meer gewicht aan het sabbatsgebod dan Coccejus. Hij verdedigde de meening, dat de sabbat, de rustdag, onder het nieuwe verbond niet afgeschaft was, maar alleen de viering daarvan op den laatsten dag der week, Roessingh, Jac. Alting, p. 44 vlg. Maresius, wiens leerlingen het spoedigst een standplaats kregen, had de meeste aanhangers onder de studenten nl. Noord-Nederlanders, terwijl
278
de vreemdelingen zeer ijverige bezoekers der collegies van Alting waren. Een onaangename omstandigheid was bovendien nog, dat beide hoogleeraren onder één dak woonden. Jonckbloet, Gedenkb. der Gr on. hoogeschool, p. 87 en Boeles, Levensschetsen, p. 27 - 31. B. Bekker, zijn dankbare leerlinge bezorgde de uitgave der Opera omnia, 1687 in vijf foliodeelen en plaatste daarvoor een Altingii vita.
§ 216. Het gescbil bleef niet tot de vraag over de beteekenis van den sabbat bepaald, maar kreeg gaandeweg grootere uitbreiding, toen het principieel onderscheid in systeem tusschen de beide hoofdrichtingen aan de orde kwam. Cocoe.ius heeft de Hervormde kerk bewaard voor de alleenheerschappij der schoolsche orthodoxie door een plaats in tc ruimen voor meer dogmatische vrijheid. En zijn verbonds-lecr is de eerste proeve van een bijbelsche theologie, waaraan de historische ontwikkeling ten grondslag is gelegd, omdat hij de dogmatiek behandelde naar de volgorde en catagoriën der verbonden, zooals hij die uit de heilige schrift afleidde. Bij het door hem verdedigde systeem ging hij uit van het beginsel, dat de bijbel, naar Uods geest verklaard, het hoogste richtsnoer was van geloof en belijdenis; aan geen menschelijk geschrift mocht daarboven eenig gezag worden toegekend. In het schriftwoord lag behalve den grammatika-len zin ook nog een diepere strekking opgesloten: deze te ontdekken was de taak der typisch-allegorische schriftverklaring, die hij en zijn volgelingen met onbedwongene voorliefde in toepassing brachten. Op dezen grondslag, de leer der verbonden Gods, werd een systeem van heilsleer opgebouwd, dat een geheel ander en milder licht wierp op het strikte predestinatiegeloof. Bij Coccr.ius trad de genadehedee-ling geheel op den voorgrond in tegenstelling met den nadruk, dien de Gereformeerde dogmatici legden op het decretum Dei.
De strijd over den sabbat werd gedurig opgewarmd, bijv. te Utrecht in 1665, toen Bukman daar het eerst de nieuwe opvf.tting in een preek verdedigde. Hij werd door Essenius en eenige predikanten daarover aangevallen, van Veen, Zondagsrust, p. 126 vlg.
Vele Coccejanen waren voorstanders van de leeringen van Car-tesius. Evenwel zij waren het niet per se. Niet juist is, wat door Lefèvre-Pontaus, Jean de Witt, I, 230, beweerd wordt, dat de Cartes, philosophie „était défendue par les disciples du professeur Coccéius et attaquée par ceux du théologien Voétiusquot;. G. J. Vos, Gesch. der Vad. kerk, I, 175, II, 80, laat zich misleiden tot een samenkoppeling, die weleer dienst heeft moeten doen als een loos stratagema van de tegenpartij. Ook is het
279
geen puur subjectivisme maar het verzet van de bijbelsche richting tegen de scholastieke theologie. Er waren , die voelden, dat bijbelleer en dogmatiek niet in de rechte harmonie waren. Zij, die dat onderscheid niet voelden of niet wenschten te kennen, duchtten dus groot kwaad van de geleerden, die zooals Coccejus dat verschil trachtten te definieeren en de kerkleer overeen te brengen met \'tgeen uit de h. schrift ontleend kon worden. De foederaal-theologie heeft niets met het Cartesianisme gemeen en Coccejus zelf had volstrekt geen speculatieve neigingen, Sepp, Godgel. Otulerw., II, 219 vlg., 361 vlg.; Cramer, Heidanus, p. 44—61; Heppe, Gesch. des Pietismus, p. 205—-236.
De leer van het werkverbond etc. is niet afkomstig van Coccejus en Joh. Cloppenburg, die wel eens als zijn voorlooper beschouwd wordt, want ook vóór hen waren er, die de leer der verbonden tot grondslag legden aan hun dogmatiek, zooals de Trelcatii, Ravensperger e. a. Heppe, p. 213—215. Over Cloppenburg, geboren 1592, gest. 1652 als prof. te Franeker, die evenals Smout in 1.629 wegens hevig verzet tegen de vroedschap Amsterdam moest verlaten, zie behalve Glasius in voce vooral Boeles, Friesl. hoogeschool, II, 184—189.
§ 217. Reeds had Mabesius zich laten hooren op een wijze, die zoo beleedigend was, dat Coccejus het beneden zich achtte verder te antwoorden. Daarna trad in 1665 de groote kampioen Voetius op met zijn grieven tegen de gevoelens van Coccejus over zondonvergeving onder luide toejuiching van zijn aanhangers, die voortaan den partijnaam Voetianen droegen. Doch vooral sedert 1669, toen Maresius en Voetius hun ouden twist over bijzaken lieten varen om vereenigd al hun kraeht te besteden aan den aanval op de nieuwe, door hen beiden verfoeide richting, kreeg de zaak een veel ernstiger wending, dan zij tot nog toe had gehad.
Lang was elke poging om een verzoening tussehen de twee hooggeleerden teweeg te brengen steeds mislukt. Ten aanzien van Coccejus juichten zij in hun hart elkander toe. De woede van Maresius over liet advies der Leidsche faculteit deed ook haar uitwerking. Voetius zelf verlangde sterk naar een voor zijn taak berekenden medestrijder. Eindelijk slaagde van der Waeijen, toen predikant te Leeuwarden, met den steun van zijn ambtgenoot Antonius Matthaeus van Groningen in de lastige taak. Beide grijze strijders werden tot elkander gebracht en onderteekenden in 1669 het accoord van verzoening tot gezamenlijke bekamping van de Coecejaansche leer en daaruit voortspruitende nieuwigheden. De leer, want nagenoeg op hetzelfde tijdstip was hij, op wien zij het gemunt hadden, buiten het bereik van alle vijandschap en vooroordeel dezer wereld.
278
de vreemdelingen zeer ijverige bezoekers der collegies van Alting waren. Een onaangename omstandigheid was bovendien nog, dat beide hoogleeraren onder één dak woonden. Jonckbloet, Gedenkt, der Gr on. hoogeschool, p. 87 en Boeles, Levensschetsen, p. 27 - 31. B. Bekker, zijn dankbare leerling, bezorgde de uitgave der Opera omnia, 1687 in vijf foliodeelen en plaatste daarvoor een Altingii vita.
§ 216. Het gescbil bleef niet tot de vraag over de beteekenis van den sabbat bepaald, maar kreeg gaandeweg grootere uitbreiding, toen het principieel onderscheid in systeem tusscben de beide hoofdricb-tingen aan de orde kwam. Coccejus beeft de Hervormde kerk bewaard voor de alleenheerschappij der schoolsche orthodoxie door een plaats in te ruimen voor meer dogmatische vrijheid. En zijn verbonds-lecr is de eerste proeve van een bijbelsche theologie, waaraan de historische ontwikkeling ten grondslag is gelegd, omdat hij de dogmatiek behandelde naar de volgorde en catagoriën dor verbonden, zooals hij die uit de heilige schrift afleidde. Bij liet door hem verdedigde systeem ging hij uit van het beginsel, dat de bijbel, naar Gods geest verklaard, het hoogste richtsnoer was van geloof en belijdenis: aan geen mcnschelijk geschrift mocht daarboven eenig gezag worden toegekend. In het schriftwoord lag behalve den grammatika-len zin ook nog een diepere strekking opgesloten: deze te ontdekken was de taak der typisch-allegorische schriftverklaring, die hij en zijn volgelingen met onbedwongene voorliefde in toepassing brachten. Op dezen grondslag, de leer der verbonden Gods, werd een systeem van heilsleer opgebouwd, dat een geheel ander en milder licht wierp op het strikte predestinatiegeloof. Bij Coocejus trad de genadebedee-ling geheel op den voorgrond in tegenstelling met den nadruk, dien de Gereformeerde dogmatici legden op het decretum Dei.
De strijd over den sabbat werd gedurig opgewarmd, biiv. te Utrecht in 1665, toen Burman daar het eerst de nieuwe opvatting in een preek verdedigde. Hij werd door Essenius en eenige predikanten daarover aangevallen, van Veen, Zondagsrust, p. 126 vlg.
Vele Coccejanen waren voorstanders van de leeringen van Car-tesius. Evenwel zij waren het niet per se. Niet juist is, wat door Lefèvre-Pontalis, Jean de Witt. I, 230, beweerd wordt, dat de Cartes, philosophic „était défendue par les disciples du professeur Coccéius et attaquée par ceux du théologien Voétiusquot;. G. J. Vos, Gesch. der Vad. kerk, I, 175, II, 80, laat zich misleiden tot een samenkoppeling, die weleer dienst heeft moeten doen als een loos stratagema van de tegenpartij. Ook is het
279
geen puur subjectivisme maar het verzet van de bijbelsche richting tegen de scholastieke theologie. Er waren, die voelden, dat bijbelleer en dogmatiek niet in de rechte harmonie waren. Zij, die dat onderscheid niet voelden of niet wenschten te kennen, duchtten dus groot kwaad van de geleerden, die zooals Coccejus dat verschil trachtten te definieeren en de kerkleer overeen te brengen met \'tgeen uit de h. schrift ontleend kon worden. De foederaal-theologie heeft niets met het Cartesianisme gemeen en Coccejus zelf had volstrekt geen speculatieve neigingen, Sepp, Godgel. Ondcrw., II, 219 vlg., 361 vlg.; Cramer, Heidanus, p. 44—61; Heppe, Gesch. des Fietismus, p. 205—236.
De leer van het werkverbond etc. is niet afkomstig van Coccejus en Joh. Cloppenburg, die wel eens als zijn voorlooper beschouwd wordt, want ook vóór hen waren er, die de leer der verbonden tot grondslag legden aan hun dogmatiek, zooals de Trelcatii, Ravensperger e. a. Heppe, p. 213—215. Over Cloppenburg, geboren 1592, gest. 1652 als prof. te Franeker, die evenals Smout in 1629 wegens hevig verzet tegen de vroedschap Amsterdam moest verlaten, zie behalve Glasius in voce vooral Boeles, Friesl, hoogeschool, II, 184—189.
§ 217. Reeds had Mabesius zich laten hooren op een wijze, die zoo beleedigend was, dat Coccejus het beneden zich achtte verder te antwoorden. Daarna trad in 1665 de groote kampioen Voetius op inet zijn grieven tegen de gevoelens van Coccejus over zondenvergeving onder luide toejuiching van zijn aanhangers, die voortaan den partijnaam Voetianen droegen. Doch vooral sedert 1669, toen Maresius en Voetius hun ouden twist over bijzaken lieten varen om vereenigd al hun kracht te besteden aan den aanval op de nieuwe, door hen beiden verfoeide richting, kreeg de zaak een veel ernstiger wending, dan zij tot nog toe had gehad.
Lang was elke poging om een verzoening tusschen de twee hooggeleerden teweeg te brengen steeds mislukt. Ten aanzien van Coccejus juichten zij in hun hart elkander toe. De woede van Maresius over het advies der Leidsche faculteit deed ook haar uitwerking. Voetius zelf verlangde sterk naar een voor zijn taak berekenden medestrijder. Eindelijk slaagde van der Waeijen, toen predikant te Leeuwarden, met den steun van zijn ambtgenoot Antonius Matthaeus van Groningen in de lastige taak. Beide grijze strijders werden tot elkander gebracht en ondorteekenden in 1669 het accoord van verzoening tot gezamenlijke bckamping van de Coccejaansche leer en daaruit voortspruitende nieuwigheden. De leer, want nagenoeg op hetzelfde tijdstip was hij, op wien zij hot gemunt hadden, buiten het bereik van alle vijandschap cn vooroordeel dezer wereld.
280
Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, II, 472— 484; Se pp , Godgel. On der w., II, 228 — 231, 337, 371. Maakte Coccejus aanvankelijk weinig opgang, zoodat zijn gehoor gering was, Vriemoet, Athenae Fris., p. 314, 315, mettertijd kreeg hij meer aanhangers onder de studeerende jongelingschap, en van de academie uit drongen zijn geloofsinzichten tot de gemeente door. Hoe meer dit zichtbaar werd, des te hooger steeg de vijandschap, des te minder schroomde men om den Coccejanen met allerlei middelen, zelfs volksopruiing, afbreuk te doen.
Maresius hield reeds, toen de vriendschap nog niet verbroken was, een collegium anticoccejanum, Sepp, p. 313—315, en zette dat voort, totdat hij in 1662 gelegenheid kreeg tot een rechtstreek-schen aanval op eenige te Leiden door Wilh. Momma verdedigde theses De oc con om ia temporum. Coccejus diende van repliek, maar daarna verviel zijn belager in zulk een hoonenden, hatelijken toon, dat hij beter vond te zwijgen. Deze minachting en de door Leiden aan Alting bereide voldoening dreven den haat van Maresius tot het uiterste.
Zoowel de Staten en synoden van Groningen als ook de Staten van Utrecht hadden een verzoening beproefd, maar Voetius vooral was niet licht te verzetten, omdat hij de hoop koesterde Maresius ten slotte nog de nederlaag te zullen geven, en zij hadden elkander ook te veel nijdigheden opgedischt. Doch eindelijk gaf hun wederzijdsche theologische afkeer den doorslag en van der Waeijen was een geschikte bemiddelaar. Hij maakte het heugelijk feit dadelijk wereldkundig in zijn Rpisl. ad amieum de reconcil. clariss. virornm Voetii et Maresii. Nochtans weinige jaren latei-had deze Voetiaan het vaandel verlaten, dat hij in het begin van zijn loopbaan zoo hoog ophief. Geboren 1639 te Amsterdam, student te Utrecht en Leiden, was hij sedert 1665 predikant te Leeuwarden, 1672 te Middelburg, 1677 hoogleeraar te Franeker tot aan zijn dood in 1701, Glasius, Biogr. Woordb. in voce; Boeles, Friesl. hoogeschool, II, 266—273.
Matthaeus, naamgenoot en kleinzoon van den jur. prof. te Groningen, was daar predikant van 1662 tot 1688.
§ 218. Coccejus heeft zelf slechts een bitteren voorsmaak gehad v.in de kerkelijke beroerte, die een begin nam met dit offensief verbond van zijn tegenpartij. Hij behoorde tot de vele slachtoffers van de boosaardige epidemie, die Leiden in 1669 met rouw vervulde en stierf den 5 November.
De staatkundige toestand des lands in dit tijdperk gaf een bedenkelijk aanzien aan godsdienstige geschillen, die naar het oordeel van Voetius zoo ernstig waren, dat zij tot een scheuring in de kerk moesten leiden. Ook hierbij werd al weer de politiek ingemengd om de klove
281
wijder to maken. Als voorstanders van rust cn verdraagzaamheid stonden de Coccejanen in gunst bij de Hollandsche regenten: de raadpensionaris Joiian de Witt was zeer genegen hen in stilte on openbaar te steunen. Met de meerderheid des volks waren Voktius en zijn gevolg ontovrodon over de stadhouderloozc rcgcering en sterk prinsgezind. Vele handelingen van de hooge overheid gaven onder do oud-Gereformeerden voedsel aan een toenemende verbittering tegen de staatsgezinde Coccejanen, de aanhangers dor Loevestemsche factie. Do Vootianen hadden bij uitstek den naam van onverdachte zuiverheid in de leer. Daardoor en ook door den ver strokkenden invloed van don leider waren zij bij de gemeenten het meest gezocht. Van dit overwicht maakten zij gebruik om de aanvankelijk zeer verdachte Coccojaansche predikanten in hun positie zooveel mogelijk te d\'vars-boomen. Maar deze waren voor hen op den leerstoel, kansel en in geschrifte niet minder bedreveno en hevige tegenstanders.
Het odium theologicum had op Coccejus nadeelige uitwerking. In zijn latere geschriften werd zijn toon bitterder en de voortdurende onaangenaamheden vergalden zijn levensvreugde, Sepp, Godgel. On der iv., II, 225, 226. Reeds bij het begin van hel geschil had Voetius zich uitgelaten: „quaestio haec de sabbato non poterit nisi per schisma decidiquot;, ib. Schisma heeft in zijn mond de beteekenis van uitwerping der tegenpartij, want deze streed zooals elke hervormende of vooruitstrevende richting slechts voor haar recht van bestaan en om zich schoon te waschcn van de telkens herhaalde aantijging, dat zij bedektelijk onrechtzinnige leeringen invoerde.
De partij, die toen aan het roer was, begunstigde in \'toog loopend de kerkelijke richting, die met haar medeging. Dit gaf aanleiding tot eenige maatregelen, die voortdurend de ergernis vermeerderden. Vos, Gesch. der Vad. kerk, II, 34—38; Lefèvee-Pontalis, Jean de Witt, I, 305, 306, e. a. De Voetianen bleven de gewoonte onderhouden om voor den prins te bidden, doch de Staten van Holland gelastten bij resolutie van 20 Maart 1663 de predikanten in hun gebed alleen de Staten te gedenken als hoogste overheid in den lande. De Coccejanen, die zich gewillig daarnaar voegden, werden toen door Maresius Loevesteiners genoemd. De Voetiaan Ridderus te Rotterdam werd in 1665 wegens staatkundige uitvallen op den kansel door de regeering tot de orde gebracht, Gi.asius, Biogr. Woordb., II, 173. Enz.
§ 219. Het jaar 1672 brak aan, dat voor do Nederlanden zoo gedenkwaardig is geworden door den inval zijnor vijanden, dc volksbewegingen ten gunste van don stadhouder, den gruwelijken moord van do gebroeders de Witt on het optreden van den vijfden Oranje-
282
vorst. Indien do Voetiancn ooit gehoopt hadden hun tegenpartij evenals weleer de Arminianen buiten de kerk te dringen, dan scheen geen tijdstip daarvoor gunstiger. Het zou er voor de toenmaals zeer impopulaire Coceejanen bepaald donker hebben uitgezien, indien hun tegenpartij, die het toppunt van volksgunst bereikte, haar wenschen had kunnen doordrijven. Maar het beleid van \'s lands zaken was opgedragen aan den man, die „het beginsel der wet in plaats van do persoonlijke willekeur wilde doen zegevierenquot;. Dat de stroom tegen hen gekeerd was, hebben de Coceejanen niet alleen bespeurd aan de vernieuwde woede, waarmede de Voetianen toen tegen hen te velde trokken, maar ook aan enkele slagen, die hen werden toegebracht. De grijze Heidanus, na den dood van Coccejus hot uitstekende hoofd hunner partij, kreeg zijn demissie als hoogleeraar, al bleef hij tot aan zijn dood aeademieprediker. In Zeeland werd van der Waeijen, nadat hij zijn Voetiaansch kleed had afgeworpen, aangevallen door den onrustigen Abraham van de Velde en andere predikanten. De hevigheid der oppositie steeg, toen hij zich met goeden uitslag in de weer stelde voor de benoeming van Willem Momma tot hoogleeraar te Middelburg. Dit kostte aan beiden ver-Volgens hun betrekking: van der Waeijen werd in December 1676 zelfs door de Staten buiten Zeeland gebannen,
Hoe groot de haat tegen Johan de Witt was, bleek uit het gedrag van den Haagschen predikant Simonides op den 20 Augustus 1672, Lkfèvrf.-Pontalis, Jean de Witt, II, 538, 544.
Willem III was den Coceejanen werkelijk niet genegen, ook uit persoonlijke overtuiging. Doch hij wilde de oneenigheid binnenslands niet verhoogen door een kerkelijk schisma en met terzijdestelling van zijn bijzondere voorkeur en elke partijdrijverij heeft hij zich niet laten misleiden door de verzoeking om zich slechts van zijn voorstanders te bedienen en voor het kleinere belang het groeitere op te offeren. Th. Jorissen, Willem 1TI in zijn His tor. bladen, 1889, p. 109—136. Hiermede is niet in strijd, dat hij in bijzondere gevallen zijn persoonlijk inzicht volgde, dat hij op aandrang van de classis Walcheren om de kerkorde te handhaven zich bemoeide met de kerkelijke onlusten in het Voetiaansche Zeeland. Hij woonde zelf de vergadering der Staten bij en nam de opdracht cm het hoog gestegene geschil te vereffenen op zich: door zijn tusschen-komst had er een verandering van de vroedschap van Middelburg plaats en moesten de beide Coceejanen hun ambt laten varen, waardoor de twistappel werd weggenomen, ypeij en Dermout , Gesch. der Ned. Herv. kerk, II, 508—5I0j Glasius, Biogr. Woordb., II, 525—537. Momma vestigde zich te Delft en stierf reeds in het volgende jaar. Op den vredemaker van der Waeijen was men bijzonder gebeten, omdat hij de partij had verlaten. Deze
283
verandering, waarvan hij later niets wilde hooren, schijnt omstreeks 1673 te hebben plaats gehad, Ypeij en Dermout, Gesch. der Ncd. Herv. kerk, II, aant. j). 335—337. Hij woonde na zijn afzetting te Amsterdam tot aan zijn benoeming te Franeker.
§ 220. In dezen tijd gaf elke predikanteberoeping vooral in de hoofdplaatsen, waar do gevoelens het meest verdeeld waren, aanleiding tot groote onrust en partijmanceuvres in do gemeente. Dit ging haast altijd gepaard met wanordelijkheden, die kwaad bloed zetten, maar riep ook een beweging te voorschijn, uitgaande van de overheden en door velen ondersteund, om daaraan een einde te maken en althans de rust te bewaren. Reeds had er iets van dien aard te Enkhuizen plaats gehad. Maar nog meer indruk maakte het goede voorbeeld van Amsterdam, waar de regeering in 1677 om bij tijds een dreigende scheuring in de gemeente te voorkomen de vijfentwintig predikanten en den kerkeraad overhaalde tot een verdrag, waarbij zij zich verbonden om alles te weeren, wat do eendracht zou kunnen verstooren, dewijl aan deze geschillen de zaligheid niet hing. Do bemoeiing der kerk van Kleef en Gulik was ter zelfder tijd een opwekking voor de synode van Zuid-Holland. Ook de Voetiancn, die hun hevigste ij veraars Hoornbeek, Maresius en Voetius door den dood verloren hadden, gaven soms blijken van ecnige inschikkelijkheid. Hot welslagen van zulke pogingen begon reeds navolging te vinden en was het eerste gunstig voorteeken.
Hoornbeek, met zijn Utrechtsche vrienden hardnekkig bestrijder van Heidanus, was reeds 1666 gestorven, Maresius 1673, Voetius 1676, Essenius 1677. Dit waren voor de partij in dien tijd gevoelige verliezen, hoevelen er ook nog overbleven om hun voetstappen te drukken.
Voor de Coccejanen was het een belangrijke concessie, dat het aan de overheid van Amsterdam en andere autoriteiten mocht gelukken zulke overeenkomsten te treffen: daarmede werd hun recht van bestaan stilzwijgend erkend. Het motief, dat hun gevoelens niet strijdig waren tegen de schrift, werd voldoende geacht om deze geschillen van geen overwegend belang te rekenen. Deze meening der overheden en de houding van den stadhouder ontnamen den Voetianen de kans om hun zin door te drijven, en zoo konden zij met leede oogen aanzien, dat de toestand voor hun tegenpartij een gunstiger keer begon te nemen. B. Bekker, Kort hegr. der algetn. kerkel. hist., p. 31—33; Ypeij en Dermout, II, 511—515 en de aant.
§ 221. Toch moest hot nog hcol lang duren , voordat beide partijen behoorlijk in vrode naast elkander kondon leven. De polemiek
284
tusBchen de godgeleerden van weerskanten ging steeds voort en kon bij geringe aanleiding allerlei moeielijkheden in liet leven roepen. Toen er in de Hollandsche gemeenten eenige rust was gekomen, stak er op eens een storm op uit Friesland. Daar werd van dkr Waeijen, uit het Voetiaansche Zeeland verdreven, in 1677 door graaf Ernst Casjmir aanbevolen voor het professoraat te Praneker en door de curatoren benoemd. Hij stond en bleef in Wakende gunst bij den stadhouder en de bewindhebbers van het gewest, waar hij de nieuwe studie door zijn onderwijs ingang deed vinden. De ergernis daarover werd vermeerderd door de opschudding, die sedert 1680 in de Priesche kerk ontstond, toen ds. Henricus Brinok met de gansche classis Zevenwouden in zijn gevolg het beruchte gravamen stelde en indiende tegen de nieuwe opinion in de heilige theologie en de philosophic van den paapschen Descartes. De toeleg om deze richting in Friesland te koeren was inzonderheid gericht tegen den gunsteling der Priesche hofhouding ds. David Fr.un van Gifpen, die in den Praneker hoogleoraar zulk een krachtigen bondgenoot had gekregen. Gesteund door de hoogere machten in de provincie konden echter beide geleerden bun positie met goed gevolg tegen hot ijveren der kerkdijken handhaven.
Zoo mislukte daar do poging om dc Coccejanen den voet dwars te zetten. Er geschiedde nog veel meer, dat een geweldige misrekening voor do Voetiancn was. Willem III stolde hun aanvankelijk hoog gespannene verwachtingen te leur, doordien hij geen toestemming wilde geven om een algemeenc synode tot beslechting dor kerkelijke geschillen te beleggen, waarop zij met kracht aandrongen. Hij gaf uit Engeland zelfs last aan do Hollandsche Staten om een reglement te maken „tot conservatie van rust on vrede in de kerkenquot;. Dit werd in 1694 werkelijk uitgevaardigd en bevatte hot gebod om in spreken on schrijven niot verder te gaan dan de leer, in de formulieren van eenigheid vervat, cn om slechts predikanten van „een moderaet en vrcodzaem humeurquot; te beroepen.
1?rinck, toen predikant te joure, stelde zich in Friesland aan het hoofd van de kerkelijke oppositie. In 1687 vertrok hij naar Utrecht, waar hij in 1723 stierf. Hij schreef in 1681 een Waer-schouwing aan de Vriesche kerken, waarin hij vrij wat op van der Waeijen afgaf, en nog andere pamfletten. Onder zijn leiding doch vruchteloos verzette zich de classis Zevenwouden tegen het beroep van van Giffen naar Sneek. Zie over deze zaak Diest I.orgion, 7fcrv. kerk in Friesl., p. 166—176; Ypkij en Dermout, Geseh. der Ned. IJerv. kerk, II, 515—521. Ook Viïringa werd iets later met van der Waeijen van een afwijking der leer beschuldigd in een schrijven van de classis Zevenwouden. De synode
285
moest hen echter na de verdediging van den laatstgenoemde vrijspreken. Brinck opende in Utrecht een vinnige bestrijding van den Zutfenschen leeraar Vlak, dien hij wegens eenige geschriften van onrechtzinnigheid verdacht, Ypeij en Dermout, ib. p. 566—571 en de aant. Hoewel Vlak tot zijn dood , 1690, te Zutfen predikant bleef, werd ten gevolge van deze kenteekening zijn heterodoxie in de Walchersche artikelen afgekeurd.
Van dek Waeijen was een man van beteekenis en kwam als geheimraad veel met de hoogste kringen in aanraking. Door zijn bemiddeling had o. a. een toenadering plaats tusschen der. Frieschen stadhouder en Willem III, die hem daarna, 1685, ook in zijn eer ten aanzien van zijn afzetting te Middelburg herstelde, Boeles , Fries/, hoogeschool, II, 272. Zijn invloedrijke positie wekte den nijd van velen, waartoe hij door hooghartigheid misschien zelf aanleiding gaf. Schotel, De openb. eeredienst, p. 336.
In dezen tijd werd door de Voetianen sterk op het bijeenroepen van een nationale synode aangedrongen. De regeering evenwel duchtte om zeer begrijpelijke redenen een herhaling van de gebeurtenissen van 1618, immers de Voetianen mochten vooraf op de grooce meerderheid in zoodanige synode rekenen en zouden ook niet schroomvallig zijn om van hun macht gebruik te maken. De houding van den prins en de Staten wekte navolging: in vele plaatsen werd de regel ingevoerd, dat bij vacature beurtelings predikanten van de oude en nieuwe studie werden beroepen, een zeer verstandige instelling, die veel heeft bijgedragen tot herstel en bewaring van den vrede in de gemeenten.
§ 222. Aan dit beloop der dingen hadden de Coceejanen het voordeel te danken, dat de beschuldiging van onrecht/innigheid minder ingang vond en allengs verflauwde. Zij luidden hun zaak niet zonder liet gewenschte gevolg verdedigd. Al lagen zij nog lang onder verdenking, tegen het einde der eeuw was hun positie in de kerk voor goed verzekerd en zelfs sterk. De oneenigheid, die eerst zoo onrustbarend tot do gemeente doordrong, keerde toen terug tot haar eigen terrein, een geschil onder godgeleerden van onderscheidene richting en school.
Van lieverlede wijzigden ook velen het systeem, dat zij aanhingen, en zoo begonnen zich bij de hoofdpartijen een aantal schakeeringen te vertoonen. Onder de mannen van de verbondstheologie had een scheiding in twee hoofdgroepen plaats. Er waren, die zich zooals Henbicus Gboenewegbn van Enkhuizon strikt aan het stelsel en de methode van Coccejus hielden en dit standpunt in hun zeer geleerde prediking bleven verdedigen. Deze werden de Leidsche of naar hem (iroene Coceejanen genoemd. Daarnevens openbaarde zich een meer
286
practische richting, die het stroven huldigde om vooral het christelijk leven tian te bevelen als de gezonde vrucht van bijbelkennis en goed geloof. Een der eersten, die hierop nadruk legde was van Giffen. Door zijn stichtelijke prediking te Sneek, in zijn latere standplaats Dordrecht en in wijder kring heeft hij er inzonderheid toe bijgedragen, dat de achting en verdraagzaamheid ton aanzien van deze vroeger hevig verkottorde gevoelens toegenomen is. Tot de nieuwe of ernstige Coccejanen, zooals zijn geestverwanten genoemd werden, behoorden Campegius Vitrinqa, de geleerdste theoloog van zijn tijd, sedert 1682 de roem der Franeker academie, Herm. Witzius, die althans in hoofdzaak deze richting was toegedaan. Jon. d\'Outuein, na 1687 predikant te Franeker, later te Dordrecht en Amsterdam, Joh. Braunius, na 1680 prof. te Groningen.
Ook de Voetianen ondergingen den invloed des tijds en bleven zich zelf niet gelijk. Van de trouwe volgers der school van den grooten meester te Utrecht, de oude of doode Voetianen, onderscheidden zich de nieuwe of levende, die in hun prediking ook meer de behoefte van hun hoorders dan een geleerde verdediging tegen andersdenkenden op den voorgrond stelden. Onder dezen werden weer aanhangers gevonden van Johannes a Marck of Wilhelmus a Brakel, al naardat zij een meer scholastieken of mystieken zin openbaarden.
Tot het bedaren van vele gemoederen heeft ook belangrijk bijgedragen de beweging over Roéll en Bekker in het laatste tiental jaren, want zij werden bestreden zoowel door Voetianen als Coccejanen even scherp. Dat verschijnsel van een vereenigden aanval was niet ongewoon: de Labadisten vooral en ook andere secten hadden het ondervonden.
Van Giffen heeft door zijn hervorming van de predikwijze veel goeds uitgewerkt en was voor zijn partij zelfs een aanbeveling. Geboren in 1653, werd hij 1674 predikant te Wijkei, in onze eeuw weer de standplaats van een nazaat uit zijn geslacht. Van 1688 tot aan zijn dood in 1701 stond hij te Dordrecht. Prof. Voget gat in 1735 te Groningen een Verzameling van alle de werken, door hem nagelaten, in het licht. Ypeij, Gesch. der krist, kerk in de i8lt;? eeuw, VIII, 593—599; Schotel, Kerkl. Dordr., II, 63—87; Glasius, Biogr. Woordb., I, 522—527, enz.
Braunius, geb. te Kaiserslautern 1628, werd in 1681 te Groningen opvolger van Alting en kreeg in het volgende jaar uit Franeker den Voetiaan A Marck tot ambtgenoot, met wien hij sedert 1686 in een twist over den sabbat gewikkeld werd, die voortduurde, totdat zijn tegenstander naar Leiden vertrok. Hun biografien zijn door Boeles gegeven. Witzius, een vriendelijke verschijning, van wicn bij vlamspuwende krakeelen een verzoenende geest uitging, was meer een zelfstandig theoloog, die zich
287
bij geen school aansloot en te vergeefs naar een bemiddeling tusschen orthodoxie en foederalismc streefde; slechts onder dit voorbehoud kan hij met de Coccejanen genoemd worden. Zijn hoofdwerk is De oeconomia foederum, dat vele uiigaven en vertalingen heeft beleefd. Ook hij heeft alle moeite aangevoerd tot het invoeren van christelijke manieren op liet gebied van de theologie. Predikant te Leeuwarden 1668, prof. te Franeker 1675, te Utrecht 1680, te Leiden 1698, gestorven 1708. Over zijn standpunt Sepp, Godgel. Onderw., II, 287—293; Ebrard in Herzog, Real-Ene., XVII, 220—222; J. P. Heringa, Specimen hist, theol. de Herin. Witsio, 1861.
De Leidsche Coccejanen noemden zich ook heldere of echte en cordate. Bovendien waren er onder hen Cartesianen zooals Braunius.
De hoofdpartijen onder de Voetianen van dezen tijd noemden zich Marckianen en Brakelschen. Onder de laatsten of liever hen, die naar het mystieke neigden, vertoonde zich later nog een afzonderlijke fractie, de Eswijlers, zie § 228.
Met het ontstaan van deze nuances en de maatregelen der overheid tot kalmeering van de godgeleerde twisten eindigt de eerste periode in het geschil tusschen de Coccejanen en Voetianen.
nedbrlandsche pietisten in en buiten de kerk.
P. J. Proost, Jodocus van Lodenstein, 1880. Diss.
H. Heppe, Gesch. des Pietismus u. der Myst. in der ref. Kirche nl. der Nic.derlande, 1879.
A. Ritschl, Gesch. des Pietismus in der ref. Kirche, 1880.
H. van Berkum, Dc Labadie en de Labadisten, 2 dln., 1851.
J. Koelman , Hist, verhaal nopens der Labadisten scheuringh, 2 dln., 1683, 1684.
P. Dittelbach, Verval en val der Labadisten.
Ypeij, Gesch. der kristel, kerk in de 18e eeuw, 12 dln., vooral dl. VII, VIII, IX.
W. C. van Manen, Pontiaen van Hat tem, in Gids 1885, Arch, voor Ned. kerkyesch., I en Tijdspiegel, 1886.
J. van Leeuwen, De Antinomianen in Ned. Arch, voor Kerk-gesch., VIII.
§ 223. Een onvermijdelijk gevolg der synode Vein Dordrecht was, dat liet dogmatisme in de theologische wereld geheel den voorrang innam. Bij vele toongevers in dc kerk ontaardde het geloof tot een dorre systematiek, werkte de hartstocht tot verdediging der kerkleer en verkettering van haar vermeende of wezenlijke belagers verteerend op de belangstelling in andere deelen van hun herderlijke roeping. Onder de eindelooze godgeleerde twisten leed dc zedelijke invloed der kerk op het volksleven. De prediking van mannen, welker hoofden geheel vervuld waren met dc meest overdrevene voorstollingcu van hooze aanslagen tegen hun geloof, liet doorgaans de behoefte aan zuiver godsdienstige stichting volkomen onbevredigd. Hoezeer de gemeente ook deelde ia al die beslommeringen van hot kerkelijke leven, de gedachte kon niet worden onderdrukt, dal daadwerkelijke christelijke vroomheid niet minder aanbeveling verdiende dan instemming met een hoofdstuk van het systeem des sprekers.
Naast de beweging, die zich op het gebied van de geloofsbelijdenis
289
vorhief tegen de Hervormde seholastiek, vertoonde zich te gelijk in Nederland ook een reactie tegen dogmatisme en leerheiligheid. De drang tot beoefening van godsdienst in het leven wekte omstreeks het midden dezer eeuw een krachtige beweging om te verbeteren wat de kerk in haar geheel zelfs bij strenge handhaving der tucht niet vermocht. Zulk oen streven kan hen, die het omhelzen, in twee richtingen drijven. Aan de eene zijde staan zij, die zich in ernst aangespoord voelen om te arbeiden aan de verheffing en hervorming van het religieuse leven in de kerk. Daartegenover worden andoren door karakter, neiging of een samenloop van omstandigheden vervoerd tot een godsdienstige dwocperij, die haar onstuimige slachtoffers buiten de kerk drijft. Beide verschijnselen van sterk reformatoiren ijver behoorden tot de belangrijke teekenen van dezen tijd en hebben sporen nagelaten, die nog tot latere geslachten gevolgd kunnen worden.
De gewone nadeelige gevolgen van een zegevierend dogmatisme bleven niet uit. Het eerst en het meest vertoonden zij zicli bij theologen en predikanten. Over hun gebreken werden ook zulke klachten aangeheven, die buiten aanmerking kunnen blijven, omdat zij meer in het bijzonder op rekening komen van persoonlijke neigingen of eigenaardigheden van hun positie. Doch driftige onverdraagzaamheid, geweldige overdrijving, zucht tot verdachtmaking waren het gevolg van al dat kijven en twisten, dat de zachtste gemoederen prikkelde en het samenleven onaangenaam maakte. Dit had ook op de vervulling van het ambt een schadelijken invloed: inzonderheid zijn de preeken een getrouwe, doch niet schoone afspiegeling van den geest des tijds. De langdradigheid der Voetianen, de geleerde uitweidingen der Coccejanen waren beide even zwaar te verduwen, hoewel de preekmethode der eersten zeer zeker meer voorkeur verdient, Hartog, Gesch. der predikkunde , p. 97; Vos, Gesch. der Vad. kerk, II, 18—25; Schotel , De openb. eeredienst, p. 335—345, 412—421. Beide partijen onderscheidden zich ook in kleeding en gewoonten: de Coccejanen kleedden zich „naar den laatsten trantquot; doch m het zwart en vonden er geen bezwaar in om deel te nemen aan de gewone genoegens van den omgang tot ergernis van den Voetiaan, die over het geheel stemmiger was. Het ijveren van ds. Jac. Borstius te Dordrecht tegen de mode van het lange haar verwekte in 1644 een twist, die veel beroering teweeg bracht, Schotel, Kerkel. Dor dr., I, 423—435.
§ 224. Reeds in de eerste helft der zeventiende eeuw, dus vroeger can het Duitsche pietisme kwam in Nederland deze richting der geesten te voorschijn. De stichtelijke werken der Engelsche puriteinen, i)r. keitsma, Kerkgcsch. 19
290
onder wie dit streven veel eerder ontwaakt was, werden vertaald en vielen in den smaak van velen.
Voorloopers van de Nederlandsche pietisten waren de broeders Ewoud en Willem Tebllinck, Zeeuwen van afkomst. Reeds tijdens de Remonstrantsche twisten drongen zij in een reeks van tractaten aan op de beoefening van een christelijk leven, dat groot gevaar liep onder de algemeene twistgierigheid te verkwijnen. Deze meer innig vrome zin was bij hen opgewekt door den omgang met geloofsge-nooten in Engeland en zij plantten dien geest over op vaderlandschen bodem. Door prediking en vooral door veel gelezene geschriften hebben zij en de latere leden van hun geslacht den ijver onderhouden voor een praetisch, vredezoekend ehristendom met neiging tot een mystieke, eenigszins ascetische opvatting van \'s levens ernst. Toon Johannes en Maximtliaan, de zonen van Willem Teellinck, in dc kracht van hun leven waren, had hun gemoedelijk godsdienstige richting hier te lande reeds talrijke aanhangers. Zij spraken en schreven uaar het hart van alle welgezinden, die aan innige vroomheid de voorkeur gaven boven blakende geestdrift voor zuiverheid in de leer.
Tot deze theologenfamilie behoorde ook nog Cornelia , de begaafde, jong gestorvene dochter van Ewoud, bekend door een geloofsbelijdenis en andere stichtelijke rijmen, 1616. 11 aai\' vader was jurist, geb, c. 1570 te Zierikzee en daar later burgemeester, een braaf man, die bedroefd over de alles beroerende twisten onder den naam Irenaeus Philalethius of Alexius Philopator in een reeks godsdienstige tractaten tot vrede en godzalig leven vermaande. De lijst zijner geschriften komt voor bij Rogge, Bibl. der Contra-Kern. geschr., p. 236—238; zie ook Knuttel , Catal. Kon. bibl., Hij stierf in 1629 als thesaurier van Zeeland.
Buitengewoon vruchtbaar was de pen van zijn broeder Willem, geb. 1579, die door zijn verblijf in Engeland bewogen werd in kerkelijke dienst te gaan. Als predikant te Middelburg is hij ook in 1629 overleden. Hij was de eerste godgeleerde, die de kerk wees op haar plicht tot zending onder de heidenen in de Nederlandsche bezittingen in Ecce homo ofte Oogensalve, 1622. Zijn beide zonen werkten en predikten geheel in denzelfden geest: Johannes, eerst pred. bij de Engelsche kerk te Middelburg en Vlissingen, daarna te Utrecht en Kampen, gestorven 1673 kort na zijn komst te Leeuwarden; Maximiliaan, geb. 1602, eveneens eerst in dienst bij de Engelsche gemeente in Zeeland, daarna lot aan zijn dood in 1653 predikant te Middelburg.
Zie over dit verdienstelijke en vrome geslacht Glasius, Biogr. Woordenh., III, 417—424; Heppe, Gesc/i. des I\'iet., p. 106—140 en passim; Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, II, 410—413; Ritschl, Gesch. des Pietismus, I, 124 vlg.; C. Sepp,
291
Teellinck in Herzog, Real-Enc., XVIII, 295—297; Proost, Lodenstein, p. 6—8, waar p. 199—-222 uitvoerig de hevige twist der predikanten met de regeering over de geestelijke goederen te Utrecht wordt verhaald, die in 1660 den magistraat bewoog tot afzetting en verbanning van Joh. Teellinck en zijn ambtgenoot van de Velde.
De werken van de oudere Puriteinen waren hier ;.1 vroeg bekend door vertalingen zooals Withaker, Perkins, Hooker, die zelf naar Nederland gevlucht is en omstr. 1630 en later in eenige Hollandsche steden predikte, Taylor, Adams e. a. Amesius was ook Puritein en toonde zich bij zijn onderwijs voorstander van het practisch godsdienstige leven, Heppe, p. 140—143. De voorliefde voor de geschriften der Engelsche asceten duurde lang voort, en nu zelfs worden hun kwartijnen door rechtzinnige vromen nog graag gelezen.
§ 225. Dit pietisme had zijn voor- en tegenstanders bij de ver-sehillende godgeleerde partijen. In den beginne maakte liet meer opgang onder de Voetianen, later ook bij Coecejanen. Voetius, de zwaargewapende kampioen van de Protestantsche scholastiek, openbaarde daarnevens neiging tot strenge, ascetische reinheid van zeden en innige vroomheid. Hij achtte Willem Teellinck: hoog als den Thomas A Kbmpis der Protestanten. Tot de meest invloedrijke predikers van deze gevoelsrichting behoorden Theodorus en Willem A Brakel, de vader gestorven in 16G9 als predikant van Makkum, de zoon sedert 1683 predikant te Rotterdam na twintigjarig verblijf in eenige Friesche steden. Beiden waren Voetiaan en hebben ongemeenen ingang gevonden voor hun prediking en werken, waarvan de talrijke uitgaven toonden, hoe lang de voorkeur voor zulke lectuur bleef bestaan.
Te Utrecht vormde zich in de omgeving van Voetius een kring, die doordrongen was van de noodzakelijkheid eener hervorming des levens in de Hervormde kerk zelf. Daartoe behoorden de hoogleeraars Essenius , Hoornbeek , de predikanten Teellinck , van den Booaert , van de Velde, vooral Lodenstein, do meest bekende van allen, Anna Maria van Schurman, het wonder van vrouwelijke geleerdheid, en anderen.
Het pietisme had reden van bestaan door den nadruk, dien het vooral legde op het ethisch element in het Protestantisme: het was de richting, die boven alles aandrong op persoonlijke bekeering. Door alle aandacht te wijden aan de vraag naar den weg der zaligheid voerde het lot methodisme. Groote diensten heeft het bewezen door den vromen zin van het toenmalige geslacht te
\'9\'
292
bevredigen en het godsdienstige leven in de kerk voor iets anders te bezielen, een voordeel dat wel opwoog tegen de dweeperij, die zich nu en dan in deze kringen vertoonde en enkelen zelfs tot een bedenkelijk uiterste deed overslaan.
Dirk Gerritsz X Brakel, geboren te Enkhuizen 1608, maakte dadelijk grooten opgang inet zijn Gceslelyck leven en de de stant eens gelovigen tnensches hier op aerden, 1648, dat vóór zijn dood vijf en daarna nog wel tien uitgaven beleefde. Evenals bij alle mystieken is bij hem de Hooglieds-stijl zeer geliefkoosd. Het hoofdwerk van zijn zoon is het bekende boek Redelyke Godtsdienst, 1700, ongeveer twintig malen herdrukt. Deze was te Rotterdam opvolger van zijn geestverwant Riddkrus en overleed in 1711, waarover Abr. Hellenbroek een Algemeene rouwklagte in de straat en van Rotterdam opstelde. Glasius, Biogr. Woorden/)., I, 150—160; Heppe, Gesch. des Pietismus, p. 173—185; Ritschl, Gesch. des Pietismus, I, 101—130, 268 vlg. en passim; F. J. Los, Wilh. d Brakel, diss. 1892.
§ 226. Een toongever en waardig vertegenwoordiger van deze richting was de door prediking, geschrift en lied bekende Jodocus van Lodensïein, leerling en vriend van Voetius, aan wiens zijde hij zich later schaarde, hoewel dit geen inbreuk maakte op zijn achting voor Coccejus. Geboren in 1620 te Delft, waar zijn vader schepen was, volbracht hij zijn studiën te Utrecht en Franekcr, werd in 1644 predikant te Soetermeer en na een kort verblijf in Sluis te Utrecht 1653 tot aan zijn dood in Augustus 1677. Lodenstein maakte als kanselredenaar grooten opgang, leidde een onberispelijk, zeer ingetogen leven, waarin de strenge ernst steeds den boventoon voerde. Met zijn sterk mystieke neigingen en onverholen afkeer van al het wereldsche en zinnelijke achtte hij ascetische beoefening dor ware bekeering noodzakelijk. Tot eigene volmaking wijdde hij zich aan devote werken, het gedurig zoeken der eenzaamheid, bidden, veel onthouding, zelfs strenge vasten. Dit veroorzaakte, dat hij evenzeer bewonderd werd als verkeerd beoordeeld en zelfs gehaat. Zijn ijver als boeteprediker, vaak eenzijdig en overdreven, maakte velen afkeerig van de Utrechtsche methodisten en sloot hun oogen ten onrechte voor de verdienste in liet streven van dezen ootmoedig vromen mysticus en zijn geestverwanten. Evenals de Teellincks en Ridderus bevorderde Lodenstetn in zijn kring het houden van gedurige samenkomsten ter besproking en oefening in den weg der godzaligheid.
Twee jaren lang was Lodenstein te Franekcr huisgenoot van Coccfjus, doch ook toen hij in den later ontvlamden strijd voor zijn eersten leermeester partij trok, bleef hij trouw aan de geslotene
293
vriendschap, Proost, Lodenstein, p. 17, 18. Hij was zeer rijk, doch besteedde zijn overvloed nooit voor zich zelf, alleen voor liefdewerken, die hem bij het volk zeer populair maakten. Zijn ascetisme maakte hem ook onverschillig omtrent het huwelijk. Zuiverder dan bij K. A. Borger, Dc mysticisme, p. 79 en Ypeij en Dermouï, Gesch. tier Ned. Herv. kerk, III, aant. p. 33—36 wordt de mystiek van Lodknstein gewaardeerd in de keurige diss, van Proost. Zie verder nog Jon. Heringa, Kerkei. Raadvrager, JV, 187—209; Zions Weeklagen of droevige tiaged. over hel leven cn dc werken van D. J. van Lodensleyn, 1677; M. Goebel, Gesch. des Chris tl. Lebens, II, 160 vlg. en in Herzog, Real-Ene., VIII, 709, 710; Ritschl, Gesch. des Piet., I, 152—-194; Heppe, Gesch. des Piel., p. 185—199; van der Aa, Biogr. Woordenb., XIII, 107—168. Lodenstein heeft in sommige opzichten veel overeenkomst met de Nederlandsche devoten van de veertiende eeuw.
Dr. 1\'ranciscus Ridderus (de Ridder) was van 1656 tot 1683 predikant te Rotterdam, behoorde ook tot de geestverwanten der Teeu.incks, heeft stichtelijke boeken en liederen geschreven en voor zijn Dagelyksche hnyscalechisalien ingang gevonden bij vele godsdienstige gezinnen, Glasius, Biogr. Woordenb., III, 172—174.
§ 227. Zijn vooriuuimatc geschrift is dc „Beschouwinge van Zionquot; in vijf doelen, waarvan dc uitgave begon, niet lang nadat hij door de aftrekkende Franschen inedc naar Rees gesleept was als gijzelaar voor do afbetaling der zware brandschatting van Utrecht. Lodenstkin heeft zeer veel geschreven en ook de dichtkunst moest hem dienen tot zijn ideaal „om de godsdienst te bevrijden uit de kluisters van het dogmatisme cn haar den heiligenden invloed op het leven te doen herwinnenquot;. De meesten zijner liedoren, uitgegeven onder den titel van „Uytspanningenquot;, verhieven zich niet boven het kreupelrijm doch daaronder waren eenigc, die nog waarde hebben als zangen des geloofs vol diep gevoel en schoon van vorm.
Ln zijn laatste levensjaren kwam hij in aanraking met Koelman , den aanhanger der Engelsche asceten, in vele opzichten zijn geestverwant inzonderheid ten opzichte van zijn verzet tegen het gezag der overheid in kerkelijke zaken. Lodknstein word voor dezon zwerveling, die na zijn ontzetting uit de dienst door het houden van oefeningen telkens in mocielijkheden geraakte, een kloekmoedig verdediger. Evenals vroeger bij den twist over de kapittelgoederen deed hij zich in dit strijden voor de autonomie der kerk tegenover do willekeur der staatsmacht kennen als een Calvinist van den cchtcn stempel. Met Koelman was hij ook afkeerig van separatisme. Toch
294
koesterde hij zulke groote bezwaren tegen het avondmaal, dat hij zich sedert 1673 geheel aan de bediening heeft onttrokken.
De invloed van dezen Utrcehtschen pietist is zeer groot geweest zoowel door zijn persoonlijkheid als door zijn werken, niet alleen in Nederland maar ook onder Duitschers en nog lange jaren na zijn dood.
Een lijst der geschriften van Lodenstein beter dan bij van der Aa bij Proost, p. 271—284. Behalve de „Uytspanningenquot; behooren tot zijn dichtwerk ook nog een berijming van het Lucas-evangelie, lijkzangen en andere verzen. Vier van de evangelische gezangen van onze kerk zijn met eenige wijziging in den vorm uit Loden-steins liederen overgenomen, gez. 21, 43, 62 en 68, en ook in de bundels van andere kerkgenootschappen.
Utrecht bleef het langst in \'s vijands handen en zuchtte bijna anderhalf jaar onder den druk van den gouverneur Stoupa. Den 13 November 1673 trok de bezetting weg. Den 4 Februari keerden de gijzelaars terug, nadat te Arnhem de afbetaling had plaats gehad, Proost, p. 36—44.
Lodenstein verdedigde Koelman in zijn preeken, schreef scherpe apologien, ijverde hoewel vruchteloos voor zijn herstelling in de dienst en stond zelfs toe, dat hij te Utrecht een preekbeurt vervulde, ib. p. 229—245.
Een overzicht van den twist der kerkelijken met de Utrechtsche regenten ib. p. 197—226; zie ook Sepp, Godgel. Onderw., II, 177—179.
Koelman heeft vele vertalingen van Engelsche geschriften bezorgd o. a. van de Puriteinen Love, Brown, Guthrv.
§ 228. De piëtistische neiging kwam in het eerste tijdperk meest bij de Voetianen voor, doch dit werd reeds flauwer tegen het einde der zeventiende eeuw of verhief zich tot een overdrijving, die velen afkeerig maakte. Toen trad het streven om bet geloof practisch dienstbaar te maken tot het betreden van den weg des heils meer bij Coccejanen op den voorgrond. Dit hing samen met de vorming van de partij-groep der ernstigen tegenover de Leidschen. Meer nog dan zijn vriend van Giffen verdiende d\'Outrein den naam van pietist: hij bracht te Franeker, Dordrecht en Amsterdam de dadelijke beoefeningsleer door vele godgeleerde cn stichtelijke verhandelingen in eere. Ook zij wenschten het leven te verheffen boven leerheiligheid cn trachtten zich vrij te houden van ziekelijke en dweeperigc godzaligheid. Toch lag evenzeer bij velen van hen in deze richting een clement, dat tot betweterij en geestelijken hoogmoed kon aanwassen. Want wanneer het mystieke gemoed in beweging geraakte, bevonden zoowel Voetianen als Coccejanen zich op het gevaarlijke, althans bedenkelijke keerpunt,
295
waar ernstige vroomheid moet onderdoen voor de wartaal van blinde geestvervoering. De verleiding daartoe werd zelfs vergroot door de omstandigheid, dat men zich bij het spreken over godsdienstige onderwerpen aan een eigenaardige wijze van uitdrukking gewend had, de zalvende talc Kanaans mot haar onnatuurlijke allegorie en wansmaak.
Met Lodenstein had het pietisme reeds zijn uiterste grens bereikt: één schrede verder en de mystiekerij krijgt geheel de overhand. Dan gaat de practisch reformatoire zin ten onder in sectarisch en antinomiaansch streven. Vooral dreigde dit gevaar, omdat bij de groote massa de opwellingen van het godsdienstige gevoel niet altoos gepaard gingen met voldoende kennis. De taal en het streven van den pietist waren zeer geschikt om opgang bij ons volk te maken maar ook om bewegingen op te wekken, die sommigen tot dweeperij zouden vervoeren. Naast de „ernstigenquot; of „njnenquot;, zooals de Lodensteiners later genoemd werden, vertoonden zich onder de Voetiaansche vromen nog de vereerders van Johannes Eswijler. Deze oefeninghouder, binnenvader van een weeshuis in Hoorn, gaf in 1685 een boek in het licht, getiteld Ziels eenzame meditatien over de voornaamste waarheden des euangelinms. In weerwil van zijn verwarden stijl en een op de spits gedrevene leer van het zedelijk onvermogen maakte het onder ongelelterden grooten opgang. De aanhangers dezer stellingen vooral in Z.-Holland werden van andere Voetianen onderscheiden door den naam van Eswijlers, met welke ook de weinig bekende secte der Knobbelhouwers te Rotterdam en omstreken eenige overeenkomst moet gehad hebben. Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, III, 82, 83, 322—326 en de aant.; Ypeij, Kerkgesch. van de 18^ eeuw, X, 417; Ritschl, Gesch. des Piet., I, 289.
De Zeeuw Johannes d\'Outrein, geboren 1662, sedert 1708 tot aan zijn dood in 1722 predikant te Amsterdam. Zijn denkwijze kan vooral gekend worden uit zijn Korte schets der godlijke waarheden, 1687, e. a., terwijl hij ook eenige verdienste heeft door verbetering van de preekmethode. Van 1703 tot 1708 was hij tevens prof. te Dordrecht, Glasius, Biogr. Woordenb., IH, 47 535 Hartog, Gesch. der predikk., p. 143 vlg.; Schotel, Kerkel. Dor dr., II, 117—160; Sepp, Godgel. On der w., II, 100, 101, Over andere pietisten onder de Coccejanen zie § 242.
afwijkendk secten kn antinom1anen.
§ 229. Het piëtisme heeft een belangrijke rol vervuld bij ons voorgeslacht, maar was niettemin een verschijnsel, dat ook een schaduwzijde kon vertooncn. Zijn bezadigde en trouwe voorstanders wisten zich te bepalen tot hetgeen zij iu de kerk en tegenover de zonden der maatschappij hun roeping achtten. Toch hebben zij indirect medegewerkt
29(5
tum con rciictic, die bij sommigen do neiging tol allerlei d wee por ij verhoogde. Dit element begon zieh zelfs welig te ontwikkelen en dan werden voorgangers en volgelingen voortgedreven naar do gladde belling, waarlangs zij zich in het sobisma moesten werpen. De overspanning der gemoederen, in den beginne zoo aanstekelijk, ziet echter heel spoedig in de secte haar levensvatbaarheid verkwijnen.
Mot de geestelijke opwekking, door de piëtisten in bet loven geroepen, gingen derhalve teekenen gepaard, die hen wol behoedzaam mooliten maken ten aanzien van zekere verkeerde uitwerkselen van bun overigons verdionstig streven. Zij zagen, vooral orastroeks 1672, do voorliefde voor het houden van allerhande oefeningen en godsdienstige samenkomsten sterk toenemen. Ontbrak liet daarbij aan geschikte leiding, dan kroeg de vroomheid, die er haar bevrediging zocht, allicht een ziekelijk karakter. Van lieverlede vertoonde zicli toon bij sommige opgowondone geesten of ook in grootor kringen oen geest van separatisme. Zoo ontstonden in do tweede helft dezer eeuw onder verschillende omstandigheden oen aantal secten tot groote droefheid cn ergernis van allen, die de cere on den bloei der kerk beoogden. Soms veroorzaakte het groote opschudding cn ontsteltenis. Verschillende drijfvoeren traden bij dit soctewpzon op den voorgrond: liet Labadisme en bet antinomisme.
Het separatisme hooft tweederlei karakter: zuivere dweeperij cn antikerkelijk rationalisme. Tot de eerste categorie behooren behalve de Labadisten ook de Gichtelianen. Van hen moeten onderscheiden worden de volgelingen van van Haïtem, Vkrschoor e. d.
Voorbijgaande verschijningen waren de proeven van Bardowitz om te Amsterdam een vereeniging van geestverwanten in \'t leven te roepen, eveneens van Adrianus de Herder, die afgezet als predikant te Bleiswijk, omstreeks 1672 te Rotterdam een zuivere en independente kerk poogde op te richten, doch dit al spoedig uit gemis aan volgelingen of wegens onvoldoende bekwaamheid heeft moeten opgeven. De Labadie heeft beiden aan zich zoeken te verbinden, doch dat liep op niets uit, Koelman, Hislor. verhaal, p. 97; Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Tlerv. kerk, III, 29 en aant. p. 10 vlg. Koelman hield ook wel oefeningen, maar zijn drijfvoeren waren anders, omdat hij tegenstander was van elk sectarisch streven, zooals genoegzaam gebleken is uit zijn bestrijding van de Labadie.
§ 230. Jean de Labadie, geboren den 13 Februari 1610 tc Bourg, in zijn jeugd kwookoling on vurig, voorstander dor Jczuiton, word door onderzoek cn neiging van lieverlede bot tegendeel van hetgeen zij verwachtten. Hun tegenwerking en het bestudeeren der werken
297
van Calvijn gaven don doorslag: in 1650 ging hij te Montanban tot do Hervormden over. Na allerlei wederwaardigheden word hij negen jaren later predikant te Gonève, waar hij door buitengewone welsprekendheid , strengheid van zeden en geniale talenten diepen indruk maakte. Daar was hij hot middelpunt van een kring van jonge mannon, die hij als beheorseher der geesten aan zich boeide. Reeds stond hij door zijn geschriften bij de Voetiancn in hooge achting. Mon zag in hem een hervormer der ontaarde kerk ook voor Nederland, en op sterke aanbeveling van den Utrechtschen kring werd hij in IGfJO te Middelburg beroepen. Met zijn aanhangers Yvon, du Lihnon en de Mknukbt kwam hij in Nederland, waar hij met warme geestdrift en bewondering werd ontvangen. Eigenzinnigheid en fanatisme brachten den begaafden leider en zijn blinde vereerders, bij welke zich ook de beroemde vriendin van Voetius en Lodenstein aansloot, weldra in botsing met de kerk. De Labadie werd in 1668 afgezet on zijn streven om oen volkomen reine kerk van ware wedergeborenen te stichten bleef beperkt tot den kleinen kring van een huisgemeente. Na een kort verblijf ook uit Veere verwijderd, begaf hij zich met zijn vrienden naar Amsterdam en vestigde daar zijn nieuwe of evangelische kerk, dio door den invloed en het ijveren van zijn volgelingen eenige uitbreiding begon te krijgen. Toen cciiter bet oefeninghouden hun daar ter stede wegens rustverstoorendc oploopon van bet volk verboden werd, stelde dk Labadje met de zijnen zich in 1670 te Herford onder bescherming vim prinses Elisabeth van de Pfaltz. Daarheen verhuisde toen ook een groot aantal zijner aanhangers. Weldra begaven zij zich te samen naar Altona, waar de Labadie op ziin veriaardag in 1674 stierf.
Van alles, wat tot dusver over de Labadisten en hun leider geschreven is, verdient de voorkeur Heppe, Gcsch. des Pk/., p. 241—374, die vroegere biografien van eenige historische onjuistheden zuivert, bijv. dat hij zich te Parijs bij de Oratiancn en daarna bij de Jansenisten zou hebben aangesloten, Glasius, Biogr. Woordenb., ii, 325 en van Berkum, De Labadisten, i, 24. Zie verder ook nog Ritschl, Gcsch. des Piet. in der ref. Kir the, 1, p. 194—268 en M. Goebel , Labadie una die Labadisten in Herzog, Real-Ene., VIH, 357 vlg.
De Labadie is werkelijk een man van beteekenis. Hij had zonder twijfel vele groote gaven en ook het ernstige voornemen om een zedelijke hervorming teweeg te brengen blijkens La reform, de l\'ég Use par le pastoral, gedrukt te Middelburg 1667. Beroemd is zijn innig vroom Manuel de pit ié, eveneens zijn Exercisc prophétique, 1668, enz. Maar zijn heftige, opvliegende natuur, heerschzucht en onverzettelijke wil maakten hem tot een
298
drijver en beroofden de christenheid van een talent, dat winst had kunnen doen., Groot is het getal dergenen, die hem een tijdlang bewonderden, vereerden zelfs en zich daarna bitter teleurgesteld van hem hebben afgewend. Niettemin heeft zijn verschijning, zijn woord, zijn geschrift diepen indruk gemaakt en nagelaten. Die hem in alles getrouw volgden en het in zijn gemeente konden uithouden, waren weinigen, maar de kerk heeft zijn invloed bespeurd, al heeft zij zich ten slotte moeten verzetten tegen hetgeen klein was in dezen grooten geest.
Te Altona 1673 schreef Anna Maria van Schurman, geb. 1607 te Keulen, het eerste deel van haar voortreffelijk boekje Eucleria, een apologie van het Labadisme. Het tweede deel voltooide zij in 1678, het jaar van haar dood, Herzog, Real-Ene., XHI, 707, 708.
§ 231. Oorlogsgevaar bewoog de Labadisten, toen onder leiding van Yvon, naar liet vaderland terug te keeren. Zij vestigden zich in 1675 op Thetinga of Walta-state te Wieuwerd, een nederig dorpje in Friesland, waar hun komst een waar reveil, maar terstond ook groote opschudding onder do kerkdijken teweeg bracht. De Priesche synode drong bij de Staten aan op liet weeren van deze kerkberoerende secte, doch een onderzoek naar hun leer en bedoelingen stelde de regeering gerust, die hun zelfs eenige voorrechten toestond. Den hoogsten bloei bereikten zij omstreeks het jaar 1680, doch slechts kortstondig, hoewel de invloed der familie Aebssen van Som mei,sur.ik , met welke Yvon later door huwelijk verbonden werd, hen voor verdere vervolging vrijwaarde. Do synoden broedden voortdurend op maatregelen tot beteugeling van dit groote kwaad, doch moesten toezien, dat zij ongemoeid bleven. De opgekropte toorn der kerk ontlastte zich vervolgens in een reeks geschriften, waartegen Yvon als verdediger opkwam.
Twee pogingen om koloniën te stichten tot bekeering van heidenen, in 1683 uitgezonden naar Suriname onder bescherming van den gouverneur en iets later naar New-York, leidden tot niets dan ellende cn teleurstelling, dewijl zij jammerlijk mislukten.
In 1688 moest het besluit genomen worden tot ophcfflnp; van dc vroeger ingevoerde gemeenschap van goederen, ten gevolge waarvan velen toen genoodzaakt waren Wieuwerd te verlaten. Door vertrek, afval cn versterf kromp de gemeente allengs in en leidde na den dood van haar tweeden hoofdman in 1707 een kwijnend bestaan. Nieuwe leden werden niet meer aangenomen. Kleine gemeenten zooals te Amsterdam cn elders verdwenen. Eindelijk word in 1732 door het vertrek dor laatst overgeblevenen de toen reeds bijna vorgetene Laba-distcnsccte geheel opgelost.
299
De Labadisten werden door een aantal godgeleerden met de pen bestookt. Hun voornaamste bestrijders waren Koelman en Willem X Brakel, ook Voetius, Borstius, de renegaat Petrus Diïtel-bach, van der Waeijen, Witzius, Gentman van Utrecht, e. a.
Bij van Berkum, De Labadisten, II, 16, 204, bestaat eenige verwarring omtrent het huwelijk van de hoofden der secte. Lucia van Aerssen is ongetrouwd gebleven tot 1ö95, toen zij met Yvon in den echt vereenigd werd. Vrije Fries, XIII, 145.
Onder de vele bezoekers, die naar Wieuwerd togen om daar dit reine Zion op aarde te leeren kennen, behoorde zelfs de vermaarde Kwaker William Penn in 1677, van Berkum, II, 62. Twee jonge predikanten in Friesland, Johannes Hesener te Britswerd en Balthasar Colerus te Nijega bij Staveren, sloten zich bij de Labadisten aan, de oorzaak van hun ongeluk, zie mijn verhandeling in de Vrije Fries, XIII, 97—148. Zie verder over de Labadisten behalve van Berkum, Ypeij en andere schrijvers, Diest Lorgion, 1/erv. kerk in Friesl., p. 148—165; Levens-beschr. van Ned. mannen en vromvcn, I, 35—44, V, 194—209; Ypeij, Gesch. der kristel, kerk in de i8tquot; eeuw, X, 388—423; over hun merkwaardigen, mummievormenden grafkelder, Vrije Fries, VI, 201—252.
De basis van de leer der Labadisten en hoofdaanleiding tot hun sectarisch streven was hun kerkbegrip: de ware kerk van Christus is de gemeente der uitverkorenen, die de kenmerken der wedergeboorte in geloof en wandel vertoonen. Wat gewoonlijk de kerk genoemd wordt, is het rijk van den Antichrist. In de kerk des nieuwen verbonds, waar liefde en geest heerschen, was voor ile uiterlijke wet geen plaats. Doop en avondmaal zijn de bonds-teekenen, waarop alleen de geloovigen recht hebben. Men moest ze liever niet onderhouden dan onwaardigen en ongeloovigen daarbij toelaten, enz., van Berkum, II, 86 vlg.
§ 232. Een geheel andere, veel meer mystieke seete was die der Engelenbroeders of Giehtelianen, zoo genoemd naar den dwecper Joiiann Gkoroe Giohtel, geboren in 1638 te Regensburg, een ascetische theosoof, die na een avontuurlijk leven zich sedert 1 fid? in Nederland opgehouden heeft. Eerst te Zwolle, waar hij spoedig uitgebannen werd en na een kort verblijf in Kampen te Amsterdam. Toen hij zich eindelijk geheel van de kerk afzonderde, vergaderde luj na 1(574 een kleine schare aanhangers, die zeer stil en ingetogen leefden. Do leden van deze gemeente werden in twee rangen onderscheiden. Do „volmaakten of priestersquot; mochten zich laven aan zijn visioenen en openbaringen, omdat hij door de wedergeboorte in geestelijk verbond met de hemelsche Sophia getreden was. Zij moesten
300
zich onthouden van vele wcreldsche zaken, o. a. van het huwelijk en eiken arbeid voor het levensonderhoud. Dat werd als noodzakelijk kwaad alleen aan de „onvolmaaktenquot; of vleesehelijke broeders overgelaten. Tot zijn aanhangers behoorden de Luthersehe predikanten Friediuch Brecklinö van Zwol, eveneens geestverwant van Jacob Böiimk, Herman Jung van Zaandam en anderen. Zooals de meeste seeten werd ook deze door innerlijke verdeeldheid geteisterd. De chiliast Ai,i,arj) oe Rardt, voormalig hoogleeraar te Harderwijk, veranderde in een verbitterd bestrijder. Nog anderen zooals de gewezen Labadist Colkrus zochten troost l)ij hem, doch werden afvallig. Gicuïel zelf stierf in 1710 en werd als hoofd opgevolgd door Joh. üehekm.ü, zijn trouwen leerling, met wiens dood in 1732 te Leiden de gemeenten dezer asceten verdwenen.
l)c leeringen van böhme waren bij enkelen niet onbekend, en omstreeks 1639 verscheen er zelfs een vertaling van zijn geschriften. Gichtf.l schreef een Theosophia practica, een zeldzaam werk in zeven deelen, waarvan liet laatste in 1722 met een „wundervolle und heilig geftihrte Lebenslauf lt;les auserwehlten Rtlstzeugen und hochseligen Mannesquot; in het licht kwam. Ook de burgemeester Koenraad van Beuningen, die hem zelfs geld ad pias causas schonk, heeft tot zijn trouwe vrienden behoord: Levcnsbcschr. van Ntderl. niannen en vrouwen, III, 308—-335 kent dezen alleen als Rhijnsburger.
De Raedt was in [671 tot buitengewoon hoogleeraar benoemd, doch al heel spoedig afgezet. In 1684 ontbrandde de twist, die aan hun tienjarige vriendschap een einde maakte. Ook Brecklinc, wiens leven te wenschen overliet, werd een verloren lid. C. Sepp, Geschiedk. Naspor., II, [37—-226; Bibliogr. Medcd., p. 257—266; Godgel. Onderw., II, 328—331; H. Heppe, Gichtel in Herzog, Real-Ene., V, 160—163; Glasius, Biogr. Woordenb., I, 520— 532; Ypkij, Gesch. der kristl. kerk in de 18e cevw, X, 322— 330; Ritschl, Gesch. des Piel., I, passim.
§ 233. Geheel op zich zelf stonden de Versehoristen of Hebreen, een kleine, mystiek-rechtzinnige vereeniging, die uit Leiden afkomstig in Zeeland, Holland en Utrecht gedurende korten tijd heeft bestaan. Als antinomiancn werden zij niet slechts door predikanten maar ook door do overheid bestookt. Het eerste hoofd was Jacobus Verschoor, geboren 164(\') te Vlissingen, die omstreeks 1680 op Walcheren en later op bet kasteel te West-Souburg veelbezochte oefeningen hield. Meer wetenschappelijk dan gewone mystieke oefenaars drong hij aan op het onderzoek van den bijbel, welken hij zijn toehoorders in de grondtaal leerde lezen. Hij erkende de kerkelijk orthodoxe leer, maar
301
dwaalde ten aanzien van de dogmata dor verkiezing, erfzonde en voldoening af tot de gevolgtrekking, dat zonde in den staat der rechtheid niet meer toerekenbaar en slechts een menschelijke onvolkomenheid der uitverkorenen was. In 1697 moest hij op last der Staten van Zeeland een godgeleerd dispuut houden mef, twee Middel-burgsche predikanten, die hem voor verslagen verklaarden. Zijn onderbestuurders waren Grietje van Dijk en Theophylaotus van Schoor, die ook na zijn dood in 1700 de oefeningen voortzetten. Hun denkbeelden vertoonden zich later nog sporadisch, o. a. bij Philippus Sïrooband, predikant te Hoek in Staats-Vlaanderen. In 1760 verdedigde zekere Theophilus van Heber nog dezelfde stellingen. De laatste sporen van deze secte gaan verloren in Leiden, Zeeland (in Noord-Brabant.
Toen Verschoor, geboren te Vlissingen in 1648, na voltooiing zijner studiën zich in 1678 voor de kerkdienst aanbood, kwam hij al dadelijk in contact met de geduchte Zeeuwsche classis Walcheren en daarna Zuid-Beveland. Ze lieten hem niet doorsluipen. Hij besloot toen tot het houden van oefeningen en beleefde de voldoening, dat hij een vrij groot aantal trouwe volgelingen om zich heen verzamelde. Later vertoefde hij te Leiden, doch werd vandaar verbannen. Zijn opponenten bij het twistgesprek te Middelburg waren Jac. Fruvtier en Nic. Schorer. Verschoor stierf in 1700, verheerlijkt door de zijnen, en in 1731 werd een verzameling van zijn werkjes uitgegeven. Ypeij, Gesch. der kristl. kerk in de 18^ eeuw, VII, 290—293; Glasius, Biogr. Woordenb., III, 500— 504; Kist en Roijaards, Archief, XII, 274, 275, XIX, 67 — 86; Ypeij en Dkrmout, Gesch. der Ned. ,\'Ierv. kerk, lil, 115—126, 504- 507 en de aant.; Heppe, Gesch. des Piet., p. 375 vlg.
§ 234. PoNTiAAN van Hattem , geboren 1641 te Bergen-op-Zoom, werd als predikant te Philipsland van onrechtzinnigheid in zijn lessen over den Catechismus verdacht. Op bloote geruchten bij dc classis beschuldigd, werd hem geen vrijheid gegeven zijn gevoelens te verdedigen maar slechts om ze te herroepen. Hij stemde in met de formulieren van cenigheid en dc heilige schrift, doch om zijn wijze van opvatting werden hem door de classis Tholen en Bergen-op-Zoom zoovele dwalingen en ergernissen toegedicht, dat de langdurige procedure den 29 Mei 1683 eindigde met zijn afzetting door den cootus te Middelburg. Omdat hij op last der Staten zijn gemeente moest verlaten, vestigde hij zich eerst in ziju geboortestad ten buize van zijn ouders. De regccring liet hem en de zijnen daar ongemoeid, liet misnoegen togen een kerk, die zoo wantrouwend elke poging om zelfstandig te oordeelen en buiten de letter te gaan bespiedde en
302
belemmerde, verschafte hem een kring v;in geestverwanten, die gestadig aanwies door het houden van veelvuldige conventikels, door bezoeken aan de Zeeuwsche steden, ook soms in Holland te Amsterdam en den Haag. De indruk van zijn ernstige en zachtmoedige verschijning werd bij de aanhangers verhoogd door zijn brieven en opstellen. Dit alles veroorzaakte, dat de Hattemisten voor zeer gevaarlijk gehouden en bijzonder verfoeid werden. Ten onrechte werd hun leider door de kerkelijken als een Spinozist voorgesteld: hij moet veeleer onder dc pietisten gerekend worden, die niets bedoelde dan zijn versmade krachten aan de opwekking van een vroom, godsdienstig leven te wijden. In 1706 stierf deze „groote profeet der vrijgeestenquot;. Een zijner meest bekende aanhangers, de rechtsgeleerde en zeevaarder mr. Jacob Roggeveen, begon in 1718 de uitgave van zijn omvangrijk hoofdwerk.
Glasius, Biogr. Woordenb., II, 30 stelt Pontiaan voor als een aanhanger van Spinoza in navolging van zijn bevooroordeelde tegenstanders alsmede Ypeij, Gesch. der kristl. kerk in de 18^ eeuw, VII, 291, X, 424; Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, III, 124, 292; vergel. de belangrijke studie van J. van Leeuwen, De Antinomianen in Arch, voor Kerk. Gesch., XIX, 91 vlg.; Heppe, Gesch. des Piet., p. 376—379. De laatste onderzoekingen, door W. C. van Manen naar van Hattkm ingesteld, dienen tot zuivering van onnauwkeurigheden en betere beoordeeling. Zie ook nog Kist en Roijaards, Archief, XIV, 411—416. Zijn nagelaten geschrift Val van \'s werelds afgod of het geloof der heiligen in vijf deelen werd dadelijk bestreden door den Harderwijker hoogleeraar Cremer. De verdere geschiedenis der Hattemisten behoort tot het begin van de achttiende eeuw, zie § 245.
§ 235. In het laatst der zeventiende eeuw werd het geregelde gewoonte om ieder, wiens opvatting en uitdrukking afweken van hot in de kerk gebruikelijke, als een verkapten aanhanger van Spinoza aan de kaak te stollen. Deze verdenking rustte ook op Willem Deurhof, een burger van Amsterdam, in 1650 geboren, die als godgeleerd en stichtelijk schrijver optrad. Hoewel hij zich geroepen voelde het Spinozisme ernstig te weerleggen, had hij te veel van de zegswijze en van dc denkbeelden van den grooten wijsgeer overgenomen om geheel zuiver te zijn van dien blaam. De vijandige bejegening, die hij ondervond, de averechtsche beoordeeling van zijn bedoelingen vervreemden hem van de kerk. Zoo vormde zich al weer een kleine groep pietisten, die geen vrede hadden met den in de kerk heersehenden geest. Hij en zijn volgelingen scheidden zich af en hielden onderlinge samenkomsten, die eveneens in ongenade vielen.
803
te meer omdat de Deurhovianen zich eerst nog al uitbreidden. Kleine vereenigingen van deze gezindheid hebben een tijdlang bestaan in Zuid-Holland, Utrecht en Friesland.
Deurhof begon met op den Dinsdagavond voor een gezelschap vrienden en vereerders voorlezingen over godgeleerde en wijsgeerige onderwerpen te houden. Het gevolg was, dat hij ook aan het schrijven van boeken geraakte en in 1694 moeielijkheden kreeg met de predikanten en den kerkeraad van Amsterdam. Want hij had groote voorliefde voor wijsbegeerte en metaphysica, maar was in zeker opzicht autodidact, zoodat de samenhang en de inkleeding zijner denkbeelden te wenschen overliet. Om in zijn „haarkloverijen ketterij te vinden moet men den lust dier tijden voor polemiek in rekening brengenquot;. De minachting en tegenwerking, die hij ondervond, waren te verklaren uit de vrees voor het binnensmokkelen van verdachte waar. Zelfs godgeleerden van naam zooals prof. Taco van den Honert e. a. oordeelden het noodig hem te bestrijden en de geloovigen te waarschuwen. Deurhof zelf stierf 1717: twee jaren te voren had hij in twee deelen al zijn werken, ook de reeds gedrukte, in het licht gegeven. C. Sepp, Polem. en \'ren. theol., p. 203 vlg.; Ypeij, Gesch. der krist/, kerk in de iSc eeuw, VII, 338—343; Foeke Sjoerds, Kort vertoog van de gesch. der kerke des N. T., p. 659—662, 693 vlg.; Heppe, Gesch. des Piet., p. 379—381; Glasius, Biogr. Woordend., I, 358—361.
dlc achttiende eeuw.
C. Sepp, Johannes Stimtra en zijn tijd, 2 dln., 1805, 1.SG6.
H. van Bertcum, W. Schorting huis en zijn leer over de vijj nieten, 1859.
A. W. Wi.tbkands, Marinus Adriaansz Booms in Arch, voor Ned. Kcrkgesch., 1885, I.
J. Boiistuh , Mr. Jacob Roggeveen in Kist en Roija aiids , Archief, XII.
O. Ti [ei,em ann, Fr. Ad. Lampe, sein Lehen und seine Theol., 18G8.
A. van dek Linde, Spinoza, seine Lehre und deren ersten Nachw. in Holland, 1862.
G. Kuypers, Getr. verhaal en apol. der zaaken voorgev. Ie Nieuwkerk op de Veluwe, 1750.
A. G. Honig, Alexander Comrie, 1892.
§ 280. Bij haar aanvang onderscheidde deze eeuw zich weinig van hetgeen onmiddellijk daaraan voorafging: toen liaar jaartal toenam, vertoonde zij echter ril duidelijker een geheel ander karakter. Zij begon met een kerk, die in haar officieele belijdenis stond op den grondslag, te Dordrecht vastgesteld, en waarvan de toongevers met goeden ijver vervuld waren om voor dit erfdeel der vaderen te waken. Doch onmiskenbaar waren reeds de sporen aan te wijzen vnn den invloed, dien het godsdienstig leven en de godgeleerde studiën hadden ondergaan van de verschillende richtingen, welke het verleden had zien opkomen en de kerk binnen haar gewijden omtrek had moeten toelaten. Geen nieuwe strijd zal do beweging, zooals haar voorgangster ze aanschouwd en doorleefd had, vervangen. Wel zal het niet aan enkele opschuddingen ontbreken, aan druk en telkens vernieuwd twistgeschrijf, aan voortzetting van het godgeleerde steekspel, aan bittere klachten over toonemond verval van het ware geloof, maar dat zal een matte herhaling zijn van \'tgeen weleer met zulk een vurige en frische opgewektheid was bepleit en gestreden, een nagolving
305
van den bedarenden storm. De naast de heerechende kerk opge-rezene soeten hadden haar bloeitijd bereikt, zij begonnen weldra teekenon van innerlijke ontbinding te vertoonen, gingen ten onder en werden door geen andere vervangen. De meerderheid van het volk hield zich aan hot oude dogma en zocht zijn stichting bij voorkeur onder het gehoor van de meer of minder mystieke predikers dor beoefeningsleer. Doch inmiddels zal de geest des tijds, the de scherpe trekken uitwischt, uit het veld van een veelbewogen verleden andere verschijnselen oproepen, die langs den weg van geleidelijke ontwikkeling op den voorgrond treden. In beschaafde en geletterde kringen, ook in don burgerstand zal de toenemende behoefte aan vrijheid van denken blijken weelderig opgeschoten te zijn. Het evangelie dei-tolerantie, der rechten van den vrijen mensch zal allengs met meer kracht zijn stem verheffen dan de kerkelijke traditie.
De geschiedenis der achttiende eeuw, die in gloed en kracht voor haar voorgangster onderdoet, vertoont eerst een verflauwing van elke vroegere actie, doch onder tien verzwakkenden nagalm neemt een andere beweging toe, aanvankelijk in onvaste vormen, het voorteeken van een geheele omkeering ook op liet gebied van kerkelijk en godsdienstig leven. Wees in de vorige eeuw nog het Dordtsche systeem de richting aan, waarin de geesten zich bewogen, in deze periode herovert de verdrukte bijbelsche richting haar rechten. Met Calvinisme kwijnt. Tijden en menschen veranderen. Stemmen worden gehoord, die meer belangstelling wekken. Nog worstelen mannen als Driessen, Fruyïiek , Comkie en Uoltius eindelijk Hofstede tegen den wassenden stroom: zij worden achteruit gedrongen, ter zijde geschoven of kunnen als machtelooze „Nachztlglerquot; onheil profeteerende de verdoolden nastaroogen. Want de teekenen nemen toe, die de voorboden zijn van een geheel nieuwe aera in de geschiedenis.
§ 237. Nederland was van oudsher het veilige toevluchtsoord van allerlei vreemdelingen om hier een vrijheid te vinden, die hun in bet geboorteland beperkt en dikwijls geheel ontroofd werd. Voor de kerk inzonderheid was van bctockenis de komst der Franscho réfugiés, die bij ons een tweede vaderland vonden. Reeds hadden zich eenige huisgezinnen te Amsterdam gevestigd, waar hun toen en later be-scherming en voorrechten verleend, zelfs woningen gebouwd werden. Vooral na do intrekking van hot edict van Nantes kwam er zulk oen toevloed van uitgewekene Protestanten, dat in allo hoofdplaatsen de Waalsche gemeenten /.icb sterk uitbreidden, ook in kleinere steden on enkele dorpen. In hot begin van deze eeuw waren tweehonderd predikanten bij de Kranscbe afdceliug dor ilervorindo kerk in worke-Dr. Reitsma , Kerkgesch. 20
306
lijke dienst. Omdat zij hier voor goed gevestigd bleven, werden in 1715 al deze vluchtelingen als Nederlander ingeburgerd: met de naturalisatie hield hun bijzondere bevoorrechting op. Do Waalsche synode, trouw de rechtzinnige Hervormde leer handhavende, heeft meestal onder de voorgangers en leden van haar kerk vrede weten te bewaren. Onder de emigranten waren er, die als redenaar of godgeleerde zich voor hun nieuw vaderland verdienstelijk hebben gemaakt. Doch ook door taal en zeden is de invloed der uitgewekenen, zich vereonigende met Nederlandsche geslachten, merkbaar geworden.
De vestiging van Franschen in Nederland was ook vroeger niet ongewoon. Vele Labadisten waren van daar afkomstig. De geleerde Antoinette Bouriünon, geb. 1616 te Rijssel, gest. 1680 te Franeker, heeft in haar zwervend leven een tijdlang te Amsterdam gewoond, waar mystieken van allerlei slag en secte omtrent de ware kerk meer wijsheid dan uit den bijbel zochten te vinden bij haar openbaringen over het licht van liet inwendig woord. De eenige mysticus onder de Hervormde Fransche theologen, haar aanhanger Pierre Poiret, die haar werken en levensbeschrijving in het licht zond, was wel een zeer productief schrijver, maar hij leefde zoowel in de hoofdstad als later te Rijnsburg te geïsoleerd om persoonlijk voor zijn mystiek en vrome beoefeningsleer een aanhang te vormen, gest. 1719, Herzog, Keal-Enc., II, 380, XII, 79; Glasius, Biogr. Woordenb., III, 106 — 113; Ypeij, Gesch. der kris tl. kerk in de 18e eeuw, X, 511—531. De beroemde Joh. Swammerdam heeft tot de vereerders van Antoinette behoord.
In 1681 kregen de ontslagene professoren van Sedan Pierre Jurieu en Pierre Bavlê te Rotterdam een dergelijke aanstelling. Beide ambtgenooten lagen al spoedig overhoop. De heftige Jurieu , die ook met zijn landslieden Basnage en Jacques Saurin van den Haag in twist geraakte, beschuldigde den toleranten Bayle wegens zijn critischen geest van sceptisch atheïsme. In verband daarmede kreeg deze in 1693 zijn ontslag, hetwelk hem tijd gaf tot wijsgeerige en hist, letterkundige studiën: twee jaren later begon de uitgave van zijn verdienstelijke Dictionn. historique et critique, die echter door velen om gemis aan eerbied voor sommige bijbel-sche verhalen sterk afgekeurd werd. Bayle was tot de conclusie gekomen, „dat de naaste weg tot de waarheid in het midden lag tusschen het steile scepticisme en het steile dogmatismequot;. Herzog, Real-Enc., II, 195—197, VII, 315—-317; Glasius, Biogr. Woordenb., II, 213—216; Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. flerv. kerk, III, 342—348 en de aant.; C. Sepv, Godgel. onderw., II, 134—141; Haag, La France protestante in voce; La critique de Bayle in de Revue des deux m on des, T. CXII (Aug. 1892), 614—655.
307
Maar vooral sedert 1681 veroorzaakten de toenemende en harde vervolgingen, waaraan de Hugenoten waren blootgesteld, dat hun vlucht algemeen werd. De groote stroom der émigrés stortte zich toen over Nederland uit: het getal dergenen, die in „de groote arkequot; werden opgenomen, wordt op honderdduizend geschat. ElieBenoit, in 1686 predikant te Delft, gaf al spoedig zijn Histoire de VEdit de Nanles in vijf banden, nog altoos de hoofdbron. Zie verder Theod. Schott, Die Aufheb. des Ed. von Nantes, 1885; Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, III, 57—75 en de aant. Op het platteland vestigden zich emigranten te Balk in Friesland, te Dwingeloo in Drente. De hulpvaardigheid was algemeen; de joden van Amsterdam b.v. gaven ƒ40.000, de Katholieken van Haarlem / .2800 in de collecte voor de vluchtclinglt;;n.
§ 238. Do beweging over de wijsbegeerte van Descartes was reeds van lieverlede tot rust gekomen: zijn denkbeelden en beginselen behielden tot diep in do aebttiende eeuw het veld, dat zij veroverd hadden.
De Nederlandsebe wijsgeer Spinoza, door de kerkelijken dor verschillende partijen miskend en, omdat hij kortweg als een godloochenaar afgeschilderd werd, verfoeid, bleef nog altoos evenals bij zijn godgeleerde tijdgenooten slecht aangeschreven, doch zij konden het drukken van zijn werken niet verhinderen. Daardoor vond zijn philosophic hoewel slechts bij enkele denkende geesten weerklank. Verreweg de meesten namen zelfs de moeite niet of waren bevreesd haar te onderzoeken. De ijver om zijn leer te verspreiden was nog het grootst bij hen, die daartoe minder geschikt waren. De wijze, waarop o. a. de Buitendijkers (latere Hattemisten) haar bij hun gevoelens aanpasten, kou slechts dienen om nieuwen tegenstand uit te lokken. Wel was het nog gewoonte om hen, die de verdenking der onrechtzinnigheid op zich laadden, van Spinozisme te beschuldigen, maar na eenigen tijd had dit wapen zijn bruikbaarheid verloren en werd het bestaan van dezen eenzame in de groote wereld vergeten.
Nog minder heeft de kerk den invloed ondervonden van de Deïsten. Van ernstige bestrijding hunner ineeningcn is nagenoeg geen sprake. Eveneens was de Duitsche wijsbegeerte van Leibnitz en Wolff in Nederland niet geheel onbekend doch slechts in zeer beperkte kringen, onder de godgeleerden bij enkelen. Maar tot de menigte drongen ze zelfs niet onder bedekte vormen door, zoodat de predikanten zelden daartegen behoefden te strijden. Geen dezer wijsgeerige systemen heeft merkbaren invloed op de kerk verkregen.
Van het verspreiden der ketterijen van Spinoza werden behalve
zo\'
308
■ Ie Buitendijkers ook tic aanhangers van Deurhof verdacht en Leenhof, Wittichius e. a. beschuldigd.
Over de bestrijding van Bayle als Deïst zie de vorige §. De leeringen der Deïsten raakten wel bekend door het verblijf van Engelsche ballingen en uit hun geschriften. Locke vertoefde van 1662 tot 1682 in ile Nederlanden, meest te Amsterdam. In 1714 werden zij op bezadigde wijze bestreden door Jac. Bernard, Waalsch predikant en prof. phil. te Leiden, in zijn werk de l\'exel-lence de la religion. In 1749 werd op een synode van Zuid-Holland gevraagd, of men niet behoorde te waken tegen de Deïsten. Toen de Saks von Matzfeld in den Haag la découverte de la vérité et le monde dêtrompé uitgaf, werden alle exemplaren van dit boek door den beul verbrand en de auteur gebannen in 1746. Ypeij, Geseh. der kristl. kerk in de i8(? eeuw, II, 10—13.
De eerste aanhanger van de philosophie van Leibnitz trad te Groningen op in den persoon van Nic. Engelhard, gest. 1765. Als tegenstander begaven de Cartesiaan Ruardus Andala van Franeker en de Coccejaan Ant. Driessen van Groningen zich tegen hem in het strijdperk, Jonckbloet, Ge den kb. der Gr on. hoog esc h., bijl. p. 70, 71. Christiaan Wolff zelf kreeg in 1740 te Marburg de benoeming tot prof. philos. te Utrecht, doch hij wilde liever naar Halle terugkeeren, vanwaar hij vroeger verdreven was. Ypeij, Geseh. der kristl. kerk in de 18e eeuw, II, 10 vlg., VIII, 205; uitvoeriger Ypeij en Dermout, Geseh. der Ned. Herv. kerk, III, 233—240. Toen werden te Franeker in 1744 en 1747 twee leerlingen van Wolff benoemd: de philosoof Sam. Koenig en de theoloog Henr. Bernsau , doch zij vonden, vooral de laatste, weinig bijval, Boeles, Friesl. hoogeschool, II, 487—491, 499—502. Bernsau was tegen zijn collegas Conradi en Venf.ma niet opgewassen.
§ 239. Na de teleurstellingen, die de Voetianen hadden ondergaan, vooral toen het hernieuwd aandringen op de bijeenroeping cenor nationale synode beantwoord was mot de uitvaardiging van het reglement tot conservatie van de rust in 1694, steeg het aanzien van hun tegenpartij zoo zeer, dat sommigen zelfs ernstig aan uittreding dachten. In 1707 kwam het smeulende vuur opnieuw tot uitbarsting. De Waalsche predikant van den Haag, Pierre de Joncourt haalde zich de verontwaardiging van alle Coccejanen op den hals door hen uit hun rust te doen ontwaken met een satyre in den vorm van een samenspraak. Scherpe pennen kwamen tegen hem in beweging. Zeli\'s door geestverwanten werd zijn hatelijke taal afgekeurd. De Waalsche synode te Goes moest hem de straf van schorsing toedienen en dwong hem daarna tot onderwerping. Jac. Fruvtier, toen nog
309
gematigd Voetiaan, deed in dezen twist een welgemeend maar nog ontijdig voorstel tot verzoening en vereeniging, dat bij de tegenpartij derhalve niet de gewenschte instemming vond. Weer volgde na deze kortstondige beroering eenige rust, maar de houding, die de Coccejanen aannamen, deed do verbittering stijgen. Tn 1715 vond fruytiek, niet langer tot verzoening gezind, zich geroepen een hef-tigen uitval te doen met zijn opzienbarend werk ,,Zions worstelingenquot;, dat voor hem een bron van allerlei onaangenaamheden is geworden. Joh. Ens, toen boogleeraar te Lingon, weldra te Utrecht, vooral beantwoordde op zeer boosaardigen toon de beschuldigingen, waarmede Prüyïier als kampioen voor de rechtzinnige waarheid do Coccejanen had overladen. Gedurende deze onvriendelijke polemiek bleek de kracht der Voetianen verdeeld en belangrijk gedaald te zijn: ook hun aantal was verminderd.
ypeij en dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, iii, 175— 194 en de aant.; Vos, Gesch. der Vad. kerk, ii, 119—121; de biografien bij Glasius in voce. Joncourt werd bestreden door de professoren Salomo van Til van Leiden en Braunius van Groningen en Jon. d\'outrein, pred. te Dordrecht. fruytier oordeelde toen, dat de Joncourt het te erg had gemaakt, stelde zijn Dankadres aan de bestrijders, maar ergerde zich in hooge mate, dat d\'Outrein de condities van zijn verzoenend voorstel niet aannemelijk kon vinden.
In 1713 werd in de hoofdkerk te Leiden een gedenkteeken voor Cocckjus gesticht, een marmeren horstbeeld, waarover de Voetianen zich zeer gegriefd betoonden.
fruytier , die voor zijn boek de kerkelijke goedkeuring niet had kunnen verkrijgen, kwam daarover in strijd met de kerk. Hij werd na lang harrewarren gestraft en moest zelfs eindigen met zijn leedwezen te betuigen.
§ 240. Zoo begon bet twistvuur slechts bij onregelmatige tusschen-poozen op te flikkeren, ten teeken dat do geesten kalmer werden en dat bij velen de belangstelling moeielijk wakker te schudden viel. Dit was ten dcelc ook toe te schrijven aan de voortdurende splitsing der partijen, waardoor de scherpte van de discussie wel moest afslijten. Doch omdat daaronder steeds liet principieel verschil van tweeërlei wetenschappelijk streven dreunde, bleef nochtans bet gevaar bestaan, dat onverwacht weer het een of ander krakeel de rust kwam storen. De laatste faze van deze onverkwikkelijke oneenigheden brak aan met de opkomst der Lampeanen, aldus genoemd naar den beroemden Lampe, vereerder van Coooejus en Witzius, die van 1720 tot 1727 lc Utrecht hoogleeraar was en in dien korten tijd een ongemeenen
310
invloed heeft verworven. De leerlingen uit de door hem in \'t leven geroepene school stonden als predikant bijzonder in do gunst van het publiek. De Voetianen begonnen zich dadelijk tegen dozen nieuwen strijder te wapenen. De „roervinkquot; Feuytier kwam aandragen met bedenkingen tegen zijn rechtzinnigheid ten opzichte van de triniteit. Dit veroorzaakte een vrij hevigen pennestrijd, die nog na den dood van Lampe te Bremen in 1729 werd voortgezet. Nicoiaas Holtius , de strijdlustige predikant van Koudekerk, en professor Drtesskn traden ook als woordvoerders tegen deze nieuwe richting op, terwijl do hoogleeraren Bernard Cremer van Harderwijk en Jac. Ode van Utrecht een Lampeaansche pen voerden. Ook deze drukte eindigde
omstreeks 1733.
Zie behalve de biografien bij Glasius alsmede de werken van Ypeij ook nog Vos, Gesch. der Vad. kerk, II, 88—90, maar vooral O. Thelemann in Herzog, Real-Enc., VIII, 382—384 en C. Sepp,\' Joh. Stinstra, I, 120—128. Bij de reeds bestaande fracties kwam toen onder de Coccejanen ook nog het onderscheid tusschen de voor- en tegenstanders van dezen godgeleerde, die de verbondstheologie met nieuw leven heeft weten te bezielen. Friedrich Adolf Lampe, geboren 19 Februari 1683 te Detmold, had te Fra-neker en Utrecht gestudeerd onder Vitringa en Roëll. Hij vereerde Coccejus als „den grooten Apollos, die ons den sleutel om de verborgenheden in de schatkiste des Woordts Gods te vinden volkomen in de hand gegeven heeftquot;. Sedert 1703 was Lampe hier reeds bekend, vooral door zijn Geheimnis des Gnadenbundes l Verborgenlheit van het Genaade-verbondt ter eer en van den grooten Verbondts- Godt), dat meermalen herdrukt werd. Ook der heilige Brautschmuck {Het heylig bruydt-cieraat der bruylofts-gasten des Lams) werd gretig gelezen. Fruvtier ontdekte in een exegetische studie van Lampe opvattingen, die aan de ketterij van Roëll deden denken, en was bezorgd, dat onder dien dekmantel snoode Sociniaansche leeringen of zelfs trithelsme zouden worden binnengesmokkeld.
§ 241. In 173S verscheen een geschrift, dat wel de verschillen niet wegnam, maar toch een rustig samenleven der partijen en een accoord tot stand bracht. Het vredewoord, waarmede de foederalistisc.bc twist besloten werd, was do nalatenschap van den hoogbejaarden Voetiaan Mommebs. Hij beleefde de verschijning van zijn „Euhulus of goede raadquot; niet, omdat hij in het vorige jaar te Hemmen was gestorven en heeft dus do kerk niet in rust gekend. Maar zijn raad om den broedertwist op te geven had de gewenschte uitwerking: de partijen, die zoolang gewend waren al de fiolen van hun odium theologicum uit te gieten, kwamen tot bet besluit, dat het beter was elkander
811
met rust tc laten cn van weerskanten te waardoeren. i)an kondon zij hun krachten verecnigen tot bestrijdinp; van andere meeningen, die y,ij ongereformeerd achtten. Toch is daarvan niet veel gekomen. De scherpe kanten waren afgeslepen en in hooge mate kalmeerend werkte de geest des tijds. Dit bleek uit de vruchtelooze poging, die twee hevige Voetianen Holtius van Koudekerke en de Schot Comrie, predikant te Wouhrugge, na het midden dezer eeuw hebben aangewend om een reactie naar hun zin teweeg te brengen en der partij van de oude studio beslisten voorrang in do kerk te bezorgen. Beide vrienden bonden te samen den strijd aan ter verdediging van de zuivere leer in de formulieren van eenigheid. Doch de tijd was verloopen en had de oude geschillen zonder officieele beslissing de rust doen ingaan.
Johannes Maurits Mommers, geboren te Meurs 8 April 165^. had reeds in 1729 doch zonder gevolg den wensdi geuit tol bevordering van broederzin tusschen Lutherschen en Hervormden. De Enbnlus, waarin hij, zelf meer aanhanger van Voetius, zijn bezwaren tegen het systeem en de methode der Coccejanen grondig uiteenzette, stond als irenisch geschrift hoog, omdat het tevens vol waardeering is, de „welsprekende lijkrede op het Coccejanisniequot;, geschikt om gelezen te worden „met een vrij en gezondt oordeel tot voordeel zonder vooroordeel, want het vooroordeel belet het voordeel en bederft het oordeelquot;. Glasius, Biogr. Woordevh., TI, 528, 529; Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. ITerv. kerk, III, 195—200; C. Sepp, Joh. Stinslra, II, 179—184. Dit boek heeft er belangrijk toe bijgedragen, dat voortaan zonder opschudding aan Voetianen, Coccejanen en Lampeanen elk op hun beurt hun plaats op kansel of katheder werd gegeven.
Holtius en Alexander Comrie hadden bepaald in den zin de oude veete weer op te rakelen. Als Voetiaan beschouwden zij den opkomenden geest van tolerantie terecht als gevaarlijk voor hun geliefd systeem en als een gevolg van alle voorafgaande afwijkingen op het gebied van de theologie. Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, Hl, 485—495; Vos, Gesch. der Vad. kerk, II, 123, 124. Zie over hun wedervaren § 252.
§ 242. Ook de pictistische richting behield in\' deze eeuw haar aanhangers onder dc velen, die aan bcoefeningslecr dc voorkeur gaven of zich in gevoelsmystiek verdiepten zonder nog de grens der kerkelijke rechtzinnigheid tc overschrijden. Voor anderen bleef er geen keuze over dan de secte of isolement. Ook waren er, die wel de kerkleer onaangetast lieten, maar hun heil meer zochten bij afgeleide gevolgtrekkingen of daarnevens opschietende lecringen. Dc geest van dc Teellincks cn Lodenstein leefde voort in dc prediking
312
van de latere Voetianen en de vereerders van Witzius, onder wie vooral Smytegelï veel invloed had. Daar open))aarde zich zelfs een richling, die niet vrij bleef van mystieke droomerijcn. Die toon weerklonk in de conventikels der Eswijlers, waarover sedert 1734 in eenige gemeenten van Zuid-Holland verdeeldheid ontstond. Holtius behoorde tot de voorstanders van deze door Joh. van den Honert voor verderfelijk en kettersch verklaarde meeningen.
Het pietisme onder de Coceejanen kreeg een eigenaardige en geheel nieuwe vlucht in de school van Lampe. De ernstige, practische zin van bezadigde predikers als van Giffen, d\'Outrein e. a. maakte plaats voor een aandringen op bckcering, dat nu en dan een uitbarsting van geloovige dweepzucht in \'t leven riep. Zij werd gevoed op den kansel en door de pers, die allerlei geschriften onder de oogen van het lezend Nederland bracht. Behalve uit de ascetische werken van Lampe, den hervormer van de Brakelsche beoefenings-leer, zochten velen stichting en hoogere wijsheid te putten uit de lange samenspraken tusschen sterk christen, bekommerd christen, letterwijze en onkundige in de „Bevindelijke godgeleerdheidquot; van Joh. Vebsohuir, den geleerden predikant van Zeerijp.
Bernardus Smytegelt, de beroemde schrijver van de t45 preeken over het gekrookte riet en van de leerreden over den Catechismus, was van 1695 tot 1735, toen hij emeritaat nam, predikant te Middelburg, Glasius, Biogr. Woordenb., III, 376—379-
Van het mystieke boekje van Eswijler, zie § 228, werd in 1734 lang na zijn dood door Boutkamp een nieuwe bewerking uitgegeven om aan het verlangen van zijn geestverwanten te voldoen, Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Ilerv. kerk, III, 322—325. Het had den titel Nuttige zamenspraak tusschen een heilbegeerigen en evangelist, beleefde een paar herdrukken, werd door de Leidsche Coccejanen sterk afgekeurd, door de Voetianen meestal zachter beoordeeld.
Op het gebied van de vrome mystiek verviel het onderscheid van godgeleerde richting en vloeiden de meeningen der Voetianen en Lampeanen doorgaans samen.
Johan Verschuir was van 1714 tot 1737 te Zeerijp. Zijn hoofdwerk is de Waar heit in het binnenste of bevindelijke Godt-geleertheit, enz. Hij bracht daarin de leer der gestalten en bevindingen tot een afgewerkt systeem. Ypeij en Dermout, III, aant.
15°—ÏSS-
§ 243. In de eerste helft dezer eeuw vertoonde zich bij het volk en in sommige kringen ook weer een geestdrijvende beweging, die nu en dan zelfs uitbarstingen van vrome zielsverrukking in \'t leven
313
riep. Zulk con opschudding werd in de provincie Groningen en daarbuiten veroorzaakt door het preeken van den Oost-Fries Schorttnohuis te Midwolda en vooral sedert 1740, toen hij met een l\'jvige kwartijn, getiteld „het innige Christendomquot;, den godvreezenden en heilhegeerigen Christen inwijdde in de fijne onderscheidingen van de leer der bevindingen en gestalten. Niet zonder tegenwerking van kerkelijke zijde, zelfs van synoden kwam dit boek in het licht, maar de gemoederen waren meestal gunstig gestemd, liet werd gretig gelezen en door zeer velen tot model gekozen. Na 1747 eindigde de twist daarover en was Schoetinghuis de onaangenaamheden, die hij had mooeten verduren, ongedeerd te boven gekomen. Zijn werk had indruk gemaakt en een godsdienstige opleving gewekt, die onder de Schortinghuisianen nog langen tijd nawerkte. Een zalvende terminologie werd do geijkte taal van hen, die door tegenstanders met den naam van „fijnenquot; werden bestempeld. Het harde oordeel, dat Schoetinghuis en zijn navolgelingen uitspraken over den mensch in den toestand der „vijf nietenquot;, zijn scherp onderscheid en eindelooze onderverdeeling der hoofdsoorten van begenadigden en onbegenadigden hebben in opge-wondene gemoederen geen goede uitwerking gehad en bijgedragen tot ontaarding on verwatering van een pictisine, dat anders door gemoedelijk practischen christenzin aan de behoefte van velen voldoet.
In 1722 gaf dr. Theod. van Thuvnen, predikant te Dokkuin, zijn Korte uitlegging van het geref. geloof in het licht, waarin hij tegen de ook in Friesland sterk toenemende gevoelens der „fijnenquot; te velde trok en over het wezen des geloofs denkbeelden uitte, die eenige beroering in kerkelijke kringen teweeg brachten. He hoogleeraar Driessen van Groningen en anderen bestreden hem op vrij norschen toon, maar de Friesche Staten verhinderden door hun tusschenkomst, dat van Thuvnen in een kerkelijke procedure betrokken werd. Diest Lorgion , Herv. kerk in Friesl., p. 227—230; Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, III, 218—-223 en aant.; Glasius, Biogr. Woordenh., Til, 428— 431; Boekz. der gel. wereld, 1742 Oct., p. 468 vlg.
Wilhelmus Schortinghuis was vroeger predikant te Weerden en is te Midwolda in het Oldambt gestorven in 1750. Hij gaf nog andere stichtelijke en apologetische geschriften uit. Het Innige Christendom verwierf na eenige zuivering het placet van de theol. farultcit te Groningen en ontlokte zelfs aan prof. Corn, van Velzen een weidsch lofdicht. De synode wilde de approbatie niet schenken, doch werd door de Staten gedwongen. Die van Overijsel bewerkte een verbod tegen den verkoop, doch Utrecht verklaarde het boek voor niet in strijd met de H. S. en de kerkleer, enz. Het bestaat uit samenspraken tusschen vier personen: geoefende, begenadigde, kleiugeloovige en onbegenadigde. I)e „dierbare vijf nietenquot; (ik wil.
314
kan, weet, heb, denge niet) komen voor in de veertiende. Zelfs in 1858 beleefde het werk weer een nieuwe uitgave te Nijkerk op de Veluwe, omdat het nog steeds een geliefkoosd geestesvoedsel schijnt te verschaffen en voor velen niet verouderd is. Schorting-huis was een man van zeer zeker onbesprokene vroomheid en diep gevoel, maar had het orgaan van waardeering vervangen door dat onbeschrijfelijke vertoon van medelijden, dat in hooge mate terugstootend is voor gewone stervelingen, die de religie niet zoo pathetisch opvatten. Zie behalve de studie van van Berkum en Glasius in voce ook Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, 111, 326—333; Sepp, Joh. Stinstra, I, 99—102; Ypeij, Gesch. der krisil. kerk in de 18^ eeuw, VII, 327—336. Over van Velzen zie de biografie van Boeles achter Gedenkb. der Gr on. hoog es ch. en Sepp, Joh. Stinstra, I, 89—101.
§ 244. Door zulke predikers en hun geschriften werd de voorliefde voor het houden van onderlinge conventikels en oefeningen zeer verhoogd tigt;t ergernis vim die minder vereerde en bewierookte predikanten, welke hun gehoor zagen wegsmelten. Anderen, die deze vroomheid beminden, bevorderden zulke samenkomsten. Maar het gaf ook aanleiding tot het ontstaan van een reveil, dat zich door dweeperij en overdrijving kenmerkte. Dit was al dikwijls een gevolg der preeken van enkele Schortinghuisianen, die doorgaans liet meeste volk trokken. Doch veel\'meer opzien baarde dc zoogenaamde Nijkerksche beweging. Zij nam in 1749 onder dc sermoenen van ds. Gerhabdus Kuypers een aanvang en breidde zich van do Veluwe verder uit naar Dordrecht, Gorkum, het land van Voorne en Putten en andere plaatsen, ook in Groningen, Friesland en vooral in Drente. Kuypers had eerst een welbehagen in de zonderlinge tooneelen van genadewerking, die onder zijn gehoor en in zijn omgeving plaats hadden. Toch leerde hij spoedig inzien, dat dit werk niet te ver moest gaan. De houding, die hij en zijn ambtgenoot Roldanus toen innamen, heeft zeker bedarend gewerkt. Op andere plaatsen nam ook wel de overheid maatregelen tegen het kerkelijk misbaar van deze ontstelde en verrukte zielen. Niettemin hadden vooral dc oefenaars veel naloop en onderhield hun onberaden ijver in talrijke gemeenten dit heroerings-werk. Met ernst word daartegen gewaarschuwd door den Doopsgezinden leeraar Stinstra en anderen. Prof. van den Honert trok onvermoeid te velde tegen dergelijke opwellingen van ziekelijke vroomheid, die hij voor dc uitzinnigstc dweeperij en Gode onwaardig uitmaakte. Kuvpkrs zelf verdedigde zich op bezadigden toon, werkte mede tot het bewaren van do rust onder zijn kerkvolk. Binnen twee of drie jaren was dc opgewondenheid bekoeld en tic gewone loop der
315
dingen teruggekeerd. De Nijkerkselic leeraar bleef daar zonder verdere opspraak tot 1759, ging toen naar Winseboten en vervulde nog later met eere tot aan zijn dood in 1798 het professoraat te Groningen.
De Nijkerksche beweging verspreidde zich als een loopend vuur over verschillende plaatsen, niet zelden kunstmatig aangestookt door oefenaars. Te Zwartsluis en te Hoogeveen bereikte de opwinding van het vrome kerkvolk haar toppunt.
Dat Kuvpers eerst groot behagen had aan hetgeen er te Nijkerk voorviel, blijkt uit drie brieven, die toenmaals door hem geschreven en door gedienstige geesten gedrukt zijn. De aanvallen, waaraan de geruchtmakende opschudding in zijn gemeente blootstond, noodzaakten hem tot den kalmeerenden arbeid van het stellen van boekjes ter opheldering en verdediging. Deze pennestrijd bracht hem tot nadenken over de wijze, waarop zulk een volksbeweging moest worden geleid, smaad en laster tot zwijgen worden gebracht. Het is hem zonder zijn standpunt ontrouw te worden gelukt. Sepp, Joh. Stinstra, II, 226—243; Ypeij, Gesch. der krisll. kerk in de iStf eeuw, VII, 8?—108; Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, IV, 8—28; Vos, Gesch. der Vad. kerk, II, 131; de biografie door Boeles in G eden kb. der Gr on. hoogesch., bijl. p. 80. Onverklaarbaar is liet stilzwijgen over de Veluwsche beroeringen bij Glasius, Biogr. Woordenh., II, 320. Tot verschijnselen van dezen aard behoorde ook de drukte over een heftige preek van Everh. Penninga in de vacature te Oudkerk in 1752, zie Diest Lorgion, Herv. kerk in Friesland, p. 247—249.
De geestdrijverij, door de Voetiaansche mystiek opgewekt, door I.ampe methodistisch uitgewerkt, door Eswijler, Schortinghuis e. a. bij velen stijgende gemaakt, bereikte in de dagen van Kuvpers haar toppunt. Doch toen kwam er na die ongeregelde uitspattingen meer rust in de kerk. Het gevolg was, dat ernstige en bezadigde predikanten er voor zorgden om de beoefeningsleer op den kansel wat verstandiger te pas te brengen.
§ 245. De van de kerk afgescheidene of verstootene secten hadden allen bij de intrede van deze eeuw haar hoogtepeil bereikt. Reeds was bij do raeesten het verval begonnen. De opwinding, die aan deze kleine vereenigingen leden had toegevoerd, was aan het afnemen; zij rekten nog slechts een kwijnend bestaan, voorbestemd om uit te sterven.
Alleen voor den kring der Hnttemisten brak nog een korte periode van nieuw leven aan. In zijn vaderstad toch werd de ,,bende van van Hattemquot;, waarbij zich zelfs een burgemeester aansloot, met rust gelaten. Zijn volgelingen ontwikkelden vooral na zijn dood een groote mate van bedrijvigheid, en de neiging tot vrijdenken werkte hun
316
propaganda zeer in do hand. In zijn geest werkten vrouw Dane, vroeger Dina Jans, die zich na den dood van haar voormaligen meester te Zierikzee vestigde, alsmede zijn vurige aanhanger en vereerder Roggeveen, die te Middelburg in den ban kwam, daarna ook te Zierikzee woonde en na zijn ongehikkigen ontdekkingstocht teruggekeerd in 1729 stierf. Ruim tien jaren te voren was hij begonnen met do uitgave van liet hoofdwerk van van Hattem en had toen die taak voltooid. Te Middelburg waren reeds vroeg Hatte-mistische leeringen verspreid door den schoenmaker Marinus Booms, „het kopstuk der Libertijnenquot;. Minder opzien verwekte Jacob Brill te Leiden, gestorven 1700, omdat hij zich vooral tot schrijven bepaalde. T3ij Booms sloot zich aan Gosuinus van Buitendijk, die in 1710 als predikant van Schore en Vlake wegens Hattemisterij afgezet was en zich daarna op de geneeskunst toelegde. Deze drie. Booms, Brill, Buitendijk en nog andoren gaven aan hun stellingen een wijsgeerig karakter door daarin denkbeelden van Spinoza te verwerken. Hun groote bekeeringsijver, de uitgave van een aantal geschriften en het vlijtig houden van samenkomsten maakten oen einde aan hun .rustiger leven. De Middelburger predikant Tuinman was een hunner felste en nooit vermoeide bestrijders. De aandrang der kcrkelijkcn bracht in 1714 te weeg, dat de Staten het houden en bijwonen der conventikels streng verboden. Booms en anderen werden uit Zeelands hoofdstad gebannen en hun schrifturen op het schavot verbrand. De latere Hattemisten kunnen met den naam Buitendijkers onderscheiden worden. Omstreeks het midden der eeuw verdwijnen de laatste sporen van deze Antinomianen, die zich het langst tc Rotterdam en Dordrecht hebben opgehouden.
Nauwkeuriger dan de berichten, die YrF.rj bijeenbracht, zijn de latere onderzoekingen van van Leeuwen in Kerk. hist, archief, XIX, 116 — 159; van Borsius over Jac. Roggeveen in id. XII, 266 vlg. en van Wvrrands over Booms. In het systeem, zooals Brill en Buitendijk dat verkondigden, werd door de vereeniging met God pantheïstisch de persoonlijkheid des menschen opgeheven: van Hattem leerde een mystische vereeniging met behoud van dc persoonlijkheid.
Carolus Tuinman was sedert 1699 te Middelburg predikant en had dadelijk den strijd tegen de verfoeide Hattemisten en libertijnen aan te binden, dien hij met rusteloozen ijver volhield. Met zijn strijdschriften, waarin hij zijn toorn dikwijls in tie grofste woorden ontboezemde, ging hij voort, ook nadat Booms gebannen was. Ijatei verslapte in Zeeland de tegenstand. Booms is daarna aan het zwerven geraakt en stierf in 1728 te Breda.
317
§ 246. Nog oen tijdlang blovcn ook Deurhof en zijn verspreide volgelingen een voorwerp van bezorgdheid voor do kerkdijken, dio bij hen zooal niet de beginselen, dan tocb de bedonkolijko uitdrukkingen van Spinoza ontdekt hadden. Nu en dan kwamen nog boekjes uit den kring der Deurhovianen in hot licht, die de onrust wakker hielden en aan prof. Cbemer van Harderwijk on anderen wedor-leggingen ontlokten.
De Zwolsohe predikant van Leenhof, uit zijn geschriften als Cartesiaanseh Coocejaan bekend, gaf op meer gevorderden leeftijd in 1703 een werk in hot licht, dat een hevig rumoer in do kerk deed opgaan. Het was zijn „Hemel op aardequot;, die hem allerlei mocielijk-hoden, verdenking en eindelijk het verlies van zijn betrekking berokkende. Hij betoogde in dit boek, dat waro godsdienst voor den mensch het ware geluk is on dat hot vooruitzioht van dit genot roocN een bron is van zuivere blijdschap. Tal van predikanten en professoren legden in deze bespiegelingen de opwekking tot volkomene onderworping aan een blind noodlot en verklaarden tevens, dat het een leering was van den goddoloozon Spinoza. Do oorzaak van deze miskenning en van do algemeene opruiing was hierin gelegen, dat hij godsdienst in algomeenon zin en niet de waarheid in haar bepaalde en erkende vormen scheen aan to bevelen. Voor zulk een ruimere opvatting was de tijd toen nog niet gekomen, maar met de verdenking van Spinozisme is hem onrecht gedaan. Onhandige verdedigers maakten do zaak niet beter. Zijn eigene verantwoording werd in do toenemende spraakverwarring nauwelijks gehoord. Vrij algemeen werd hij op de synoden verketterd. In Holland word bet verkoopen van zijn ponnevruchten verboden. Do Priescho kerk werkte met die van Zuid- en Noord-Holland gaarne samen om bom onschadelijk temaken en eindelijk kreeg men gedaan, dat do synode van Overijsel in 170S hem deporteerde. Zijn gemeente en de Staten stoorden zich daar niot aan, doch hij legde ter wille van den vrede uit eigene beweging zijn betrekking neer, I Januari 1711, en overleed kort daarna.
Frederik van Leunhof, geb. 1647 te Middelburg, was reeds sedert 1681 predikant te Zwol. Het vooroordeel tegen hem werkte zoolang na, «lat eerst in 1716 de censuur over den kerkeraad werd opgeheven, omdat die de wettigheid van zij» afzetting niet had willen erkennen. Ypeij, Gesch. der kris/I. kerk in de 1 Sc eeim, 1, 11, 83, 84, VII, 344—351; Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, 111, 240—249; Glasius in voce; Diest Lorgion, Herv. kerk in Friesl., p. 216—223. Vooral prof. Taco van den Honert heeft er veel toe bijgebracht om hem de kerk uit te dringen door een bevooroordeelde en niet zelden verdraaide uitlegging van zijn woorden. Ook u\'Outukin, prof. Leyukkkkk
318
van Utrecht en anderen schreven tegen hem. In weerwil van dit afschrikkend signalement en van de kerkelijke veroordeeling bleven toch velen in zijn gemeente en in den lande hem hoogachten. Van Leenhovianen kan slechts in bctrekkelijken zin gesproken worden, omdat hij zelf en zijn vrienden niet de minste sectarische neiging bezaten.
DE STRIJD OVER DE TOLERANTIE.
§ 247. Zoo verdwenen langzamerhand al die secten, welke het voorgeslacht onrust en bekommering hadden aangejaagd. De koortsvlagen der geestdrijverij onder de vromen werden door betrekkelijke kalmte vervangen. De godgeleerden van de oude en de nieuwe studie leefden althans in vrede, havenden elkander niet langer over de verbondsleer en waren eenstemmig in het prediken en beschermen van de rechtzinnige leer overeenkomstig den woorde Gods en do drie belijdenisschriften. Zij stonden waakzaam op den hun toevertrouwden post om het geloof zuiver te houden van de besmettende aanraking met allerlei wijsgeerige stellingen. Toch had al datgene, wat beleefd, gesproken, betwist en gelezen was, zijn uitwerking gedaan. Desprekers •en strijders waren heengegaan, toehoorders en deelnemers hadden zich verstrooid, maar de denkbeelden waren gebleven. De kerk had met haar eenmaal vastgestelde leer het veld behouden: toch vertoonden zich voorteekenen, dat wederom een andere vloed kwam opzetten, een machtig beginsel, de som van vele samenwerkende omstandigheden. Het eindeloozo twisten, de sterke overdrijving, de misverstanden van de elkander bestokende strijders, het eeuwenlang onderzoek van allerlei splinterige dogmatische onderscheidingen hadden velen tot het inzicht gebracht, dat het stuk der leor en der godsdienst voor meer dan één uitlegging vatbaar was. Op den bodem van deze ervaring wies de behoefte aan godsdienstige verdraagzaamheid in een minder beperkten zin. Zij vertoonde zich tot ontsteltenis der zuiver kerkdijken in toenemende mate onder de beschaafde standen, de deftige burgerij. In haar tweede helft werd deze eeuw gekenmerkt door een zeer verminderde zelfs flauwe belangstelling in vraagstukken, die vroeger aan do orde waren en van \'t hoogste gewicht voor het heil der menschheid werden geaeht, en daarnevens door de positieve openbaring van een tolerante gezindheid en meer vrijheid van critiek, bet gevolg mede van do toenemende neiging voor letterkundige cn wetensehappelijko studiën bij de toongevende standen.
De Voetianen hadden als bij ingeving dadelijk begrepen, dat de foederaaltheologen nadeel toebrachten aan tie confessioneele basis der kerkleer; ten aanzien van hun verhouding tot de drie formulieren was het niet zuiver. Zij erkenden ze, doch hun systeem
319
was veel meer bijbelsch, dan positief Gereformeerd. Cartesius en Coccejus beiden ondermijnden op hun wijze dat gezag. Terecht waren de beiioudsmannen beducht voor \'t geen daaruit zou kunnen volgen. Dat bleek, in, deze eeuw; Comrie en Holtius hebben juist gevoeld, dat de belijdenisschriften, al werden zij steeds met reverentie vermeld, slechts schijnbaar werden erkend en dat de Coccejanen alleen door de macht tier traditie afgehouden werden van het maken der gevolgtrekkingen, die hun het predicaat van kerkelijke rechtzinnigheid zouden ontrooven. Met diep leedwezen hebben alle Voetianen den aanwas van een partij moeten aanschouwen, die een ander beginsel van opvatting in de leer zoo schiiterend beschermde. De strijd had de scherpe kanten afgesleten en de Coccejanen waren thans van lieverlede even behoudend geworden als hun vroegere antagonisten, maar toen de oude partijen wegsmolten, miste het gebeurde zijn uitwerking niet. Bij hen, die smaak kregen voor letteroefeningen en dichtkunst, werd een andere geest merkbaar, dan tot dusver had geheerscht. De invloed daarvan openbaarde zich op velerlei wijze. In Nederland was het staatsgezag het hoogste en de kerk ten slotte geheel afhankelijk van de gezindheid der politieken. Ook plaatselijke magistraten, heerlijke rechten en Staten bemoeilijkten de belangen en wenschen van hen, die zich ongerust maakten over de toekomst. Alle conservatieven zonder onderscheid van partij hebben toen bittere klachten aangeheven over hetgeen zij noemden toenemend ongeloof, onverschilligheid en allerlei snoode ondeugden. Zij meenden dat vooral te moeten toeschrijven aan den geest van tolerantie, dien zij verfoeiden en trachtten te keeren.
§ 248. Vertegenwoordiger van dezen geest der eeuw, die hij ook bijna geheel doorleefd heeft, was de beroemde Hermannus Ve.njoma. Geboren in 1697 te Wildervank, was hij korten tijd predikant te Dronrijp en werd op nog zeer jeugdigen leeftijd hoogleeraar te Kraneker, waar hij van 1724 tot 1774 gedoceerd heeft, gestorven te Leeuwarden in 1787. Hij was bijbelsch theoloog en vooral uitstekend critiseh exegeet, die voortbouwde op den grondslag, aan dezelfde academie door de beide Vitringas gelegd. Zoo heeft hij een nieuwe school gevormd, waardoor grammatikale exegese en ook een begin van historische critiek in toenemende mate de scholastieke lgt;ijbelstudie in do schaduw stelden. Als dogmaticus was Venema een voorstander van gematigden vooruitgang, zoodat hij reeds in het begin van zijn optreden een vrij hevigen aanval had te doorstaan van Driessen, den hooggeleerden kampvechter tegen alle andersdenkenden. Doch wat vermocht deze tegen den vooruitgang der denkbeelden en tegen Venema, den grootsten Nederlandschen godgeleerde van dien tijd, het sieraad der academie, die in zijn langdurig leven door persoon-
320
lijken invloed en degelijken arbeirl de wetenschap der theologie werkelijk vooruit geleid heeft.
Over Venema is veel en uitstekend geschreven, Ypeij, Gesch. der kristl. kerk in de i8^ eeuw, VII, 142—148, 371—376; VIII, 64, 142, 428, e. v.; IX, 154—164; Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Hcrv. kerk, III, 223—232, 357, 451—462; IV, 56 en de aant.; Boeles, Friesl. Hoogesch., II, 399—407; Glasius in voce; Diest Lorgion, Hcrv. kerk in Friesl., p. 231—253; vooral C. Sepp, Joh. Stmstra, 1, 41—-54 en passim, II, 33—36 en passim. Vos, Gesch. der Vad. kerk, II, 132—134 oordeelt, dat hij „afgleed van den berg der rechtzinnigheidquot; en niet zonder grond door Driessen van Pelagianisme beschuldigd werd.
§ 249. De Limburger Antonius Driessen, in wien Mabesius herleefd scheen te zijn, was geheel de tegenhanger van de door Venema weldra met zooveel kracht bevorderde richting in de studie. Van 1717 tot aan zijn dood in 1738 was deze „vinnige polemicusquot; hoogleeraar te Groningen. Wel trad hij daar op met een oratie over de broederliefde, maar even buitengewoon als zijn geloofsijver, was zijn voortbrengend verinogen zelfs in die mate, dat hij zeil een drukkerij moest oprichten, omdat hij voor den steeds vloeiendcn stroom van zijn strijdschriften ten laatste geen uitgever meer kon vinden. Een ambtgenoot vergeleek hem bij „een salamander, die steeds in vuur leeftquot;. Naar alle kanten richtte deze wachter zijn scherpe, wantrouwige blikken cn omdat hij telkens onraad bespeurde, sloeg hij ook voortdurend alarm. Steeds ontdekte hij nieuwe en onrechtzinnige stellingen in de geschriften van bijna alle godgeleerden zijner dagen en zoo werd zijn leven een doorloopende polemiek om het geloof af te sluiten voor de bedekte invoering van Reinonstrantsche, Soei-niaansche, Spinozistischc, Hattemistische afdwalingen.
Met zulk een tegenpartij kwam Venema in contact. Dkiessen vermoedde als bij ingeving, welk kwaad hier school en begon in 1734 op den preekstoel en in geschrifte te waarschuwen tegen datgene, wat hij de „hypotheses Arrniniazantesquot; van zijn Kraneker ambtgenoot noemde. Hij drong bij do synode te Groningen op krachtige maatregelen aan en wist zijn faculteit over te halen tot een voorstel om bij de examens een verklaring te eischen aangaande zulke wangevoelens. De Staten echter weigerden hun toestemming te geven. Ondertussehen bleef do pennestrijd, omdat nog anderen zich daarin mengden, voortduren. Driessen is echter voor zijn dood nog tot zachter heoordeeling gekomen en was eerlijk genoeg om dit te erkennen. Had hij langer geleefd, bij zou zich vrij zeker geërgerd hebben over deze. zwakheid.
321
Orikssen was in 1684 te Sittard geboren en predikant ge wees te Maastricht en Utrecht. Hij had reeds vele campagnes achter den rug, toen hij Venema aantastte: Burman, Wittichius, van den Honert sr., Roell, Lampe, Ode, Cremer, Stinstra, van Thuynen, Schultens. Tot dezen aanval op Venema werd hij aangespoord door zijn leerling Comrie , die hem eenige op de collegies gemaakte aanteekeningen ter hand stelde, Ypeij en Der-mout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, iii, 224 en de aant. Zie over Driessen bovendien nog Sepp, Joh. Stinstra, 1, 85—90; Jonckbloet, G eden kb. der Gr on. hoogeseh., bijl. p. 61, 62. Hij had bezwaar tegen de opvatting, die Venema gaf van de toerekenbaarheid van Adams val, de leer der erfzonde, de satisfactie e. d. Venema, toen nog meer Coccejaan dan later, kon zich schitterend op deze punten verdedigen. Later zou hun principieel verschil heel andere afmetingen hebben gekregen. Behalve een boekenkast vol polemica heeft Driessen ook nog andere werken geschreven, o. a. een pastoraal handboek, de Pastor evangelicus, 1725, waarin hij onderzoek naar zuiverheid in de leer bovenal de roeping van den evangeliedienaar achtte.
§ 250. Venema nam volgons zijn lijfspreuk do voorzichtighoid in acht, doch was niet bevreesd om, waar\'bet te pas kwam, met de noodige openhartigheid voor zijn gevoelens uit te komen. Dit deed hij bij gelegenheid van de kerkelijke beroering tegen do Priesche Doopsgezinden, die vooral gemunt was op den zeer begaafden Har-linger leeraar Johannes Stinstra. Deze had wegens de verdraagzaamheid zijner gevoelens reeds con verdachten naam en op herhaalden aandrang van synoden werden zijn leerreden door do Staten aan de Priesche classes en aan alle theologische faculteiten ter beoordeeling toegezonden. Het algemeenc gevoelen was afkeurend: Venema stond geheel alleen, want hij bracht een gunstig advies uit en erkende zonder omwegen, dat hij „niet één stellig bewijs van Socinianorij in hetzelve kon opgevenquot;. Onder de geweldige verontwaardiging tegen Stinstra, die zich ook lucht gaf in een reeks strijdschriften van allerlei aard, kon Venema niet verhinderen, dat aan zijn beschermeling in 1742 het prediken verboden werd. In dezen geruebtmakenden twist kwam vooral het bedenkelijke onderwerp van de verdraagzaamheid aan de orde. Maar hoe hits sommigen zich ook uitlieten, toch bleek hot, dat de tijden en de mensehen in dit opzicht begonnen te veranderen. Zelfs prof. van den Honert, eerst fel tegenstander van Stinstra, liet ten laatste den verderen strijd volstrekt niet onwillig varen.
De vermeende Sociniaan had te groote talenten, dan dat zijn invloed slechts beperkt kon blijven tot den kleinen kring van zijn
Dr. Reitsma, Kerkgesch. 21
322
geloofsbroeders. Ook daarbuiten maakte Stinstua zich verdienstelijk en werd hij door veicn gcccrd als bestrijder van alle geestdrijverij en voorstander van moderatie met opzicht tot andere gezindheden. Hij had zich gewillig aan het gebod van hooger hand onderworpen, maar in 1757 werd hij door de Gedeputeerde Staten weer in zijn bediening hersteld, die hij tot aan zijn dood ongemoeid cn met cere
beeft waargenomen.
De Doopsgezinden hadden in Friesland door hun steun aan den lande het recht van openbare godsdienstoefening verdiend. Doch een hunner leeraars, Jan Thomas te Knijpe, gaf in 1719 een leerboekje uit, waarin de persoonlijkheid van den H. Geest werd ontkend. De Hervormde kerk, vol ontsteltenis over dit feit, bewerkte niet alleen, dat de schuldige afgezet werd, maar ook dat de Staten in 1722 allen leeraars gelastten een trinitarisch formulier te onderteekencn. Toen slechts één hunner gehoorzaamde, volgde het bevel, dat al hun bedehuizen gesloten moesten blijven: het verzet der Doopsgezinden betrof niet zoozeer het leerstuk zelf als wel den onbillijken, inhumanen maatregel. Een ernstig request van hun Societeit en andere pogingen hadden echter ten gevolge, dat de resolutie reeds een maand daarna opgeschort werd en van zelf in onbruik geraakte. Maar in 173S klaagde de Hervormde predikant te Knijpe twee Doopsgezinde leeraars in den omtrek weer wegens Sociniaansche ketterijen aan; ook deze werden afgezet. Dit voorval was de aanleiding, dat Stinstra in de quaestie betrokken werd. De vertoogen, die door de Broederschap werden ingediend, waren door hem opgesteld en daarbij kwam de onrust over die vijf preeken, waarin verdraagzaamheid en persoonlijke vrijheid werden aanbevolen.
De beweering, dat prins Willem IV het oordeel van den bij hem zeer hooggcachten Venema het verstandigst vond, wordt terecht bestreden door Sepp, Stinstra, II, 35, 68-73. Het advies van Venema eindigde met de door hem gewijzigde leuze van Witzius: in necessariis unitas, in non necessariis libertas, in omnibus (prudentia et) charitas. Diest Lorgion, Jlcrv. kerk iti Friesl., p. 212—216, 238—242; ten Gate, Doopsgez. in Friesl., p. 205—213, 321—353. Stinstua, geb. 1708, gest. 1790, begon na zijn schorsing maandelijks een preek uit te geven. In 175° schreef hij tijdens de Nijkerksche beweging zijn Waarschuwing tegen de geestdrijverij, een boek, dat overzetting in de drie nieuwe talen waardig gekeurd werd.
§ 251. Langzaam begon een vrijere opvatting der studie zich te openbaren en mede te spreken. Te Franeker vooral ging dit nieuwe licht op door de verdiensten van Albeutus Suhultens voor de Semitische talen. Tegenover de Voetiaansche en Goecejaansche methode
werd door dezen geleerde de grondslag gelegd cener school, waarvan de beteekenis erkend mag worden. Uit zijn tijd toch dagteekende het ontwaken van de critiek dor Oud-Testamentieche boeken. Zijn leerling Joh. Alberti, sedert 1740 hooglceraar te Leiden, waar Sciiultens toen ook reeds werkzaam was, baande een ruimeren weg voor de exegese en critiek des Nieuwen Verbonds. De zuiver pbilologische arbeid van deze geleerden en hun leerlingen had indirect grooten invloed op de dogmatische inzichten. Dit werd merkbaar uit oen stijgende waardeering van de h. schrift als toetsteen des gtloofs en een zachte daling van het te hoog opgeschroefde gezag der Hervormde belijdenisschriften. Wel eischte dit nog groote behoedzaamheid, want de vastgestelde leer moest onaangetast blijven, maar door deze lichting in de studie en de godsdienstige gevoelens werd niettemin een breekijzer geschoven onder de oude fondamenten.
Dat ondervond een leerling van Alberti, do Zwolsche predikant Anthonie van der Os. In 1750 werd hij om heterodoxe prediking door den kerkeraad geschorst, maar de magistraat hield hem de hand boven het hoofd en liet hem voortgaan. Dit veroorzaakte groote verdeeldheid in de gemeente en opschudding in den lande. Het zou zich wellicht alleen tot een botsing tusschen politiek en kerkelijk gezag hebben bepaald, indien van der Os zelf zijn positie niet onhoudbaar had gemaakt door onder deze omstandigheden een leerrede uit te geven, waarin hij zich al te boud over liet niet bindende van het gezag der belijdenis uitliet. Velen dachten eveneens, want het getal der gematigde theologen was zeer toegenomen. Van den Honert , Sciiultens jr. en anderen betuigden zelfs zijn onschuld. Maar de druk der confessioneel en was toen nog zwaar genoeg: do synode bevestigde na langdurige debatten het vonnis van do classis. Van der Os werd in 1755 afgezet en de Staten van Over-ijsol berustten daarin. Eon paar jaren later is hij loeraar bij de Doopsgezinden te Beverwijk geworden: ook in dezen kring veroorzaakten zijn vrijzinnige denkbeelden tegenstand en twist, vooral toen hij beroepen was bij de Waterlanders te Zaandam o. z. Hij eindigde zijn dagen ambteloos te Zwol in vrede mot do kerk, die hom vroeger uitgostooten had.
Schultens doceerde te Franeker van 1713 tot 1720 en stierf te Leiden 1750. Hij was daar werkzaam met Tiberius Hemsterhuis, den grooten Hellenist, die in 1717 van Amsterdam naar Franeker beroepen werd en in 1740 ook naar Leiden ging, waar hij 1766 stierf. Boeles, Friesl. hoogcschool, 11, 380—385, 391—398 en de daar aangehaalde werken; Sepp, Joh. Slinslra, I, 21—28, 31—36 en passim. Jan Jacob Schultens, de zoon, geb. 1716,
21*
geloofsbroeders. Ook daarbuiten maakte Stinstra zicli verdienstelijk en word hij door vexen geeerd als bestrijder van alle geestdrijverij en voorstander van moderatie met opzicht tot andere gezindheden. Hij had zich gewillig aan het gebod van hoogcr hand onderworpen, maar in 1757 werd hij door de Gedeputeerde Staten weer in zijn bediening hersteld, die hij tot aan zijn dood ongemoeid en met cere
heeft waargenomen.
De Doopsgezinden hadden in Friesland door hun steun aan den lande het recht van openbare godsdienstoefening verdiend. Doch een hunner leeraars, Jan Thomas te Knijpe, gaf in 1719 een leerboekje uit, waarin de persoonlijkheid van den H. Geest werd ontkend. De Hervormde kerk, vol ontsteltenis over dit feit, bewerkte niet alleen, dat de schuldige afgezet werd, maar ook dat de Staten in 1722 allen leeraars gelastten een trinitarisch formulier te onderteekenen. Toen slechts één hunner gehoorzaamde, volgde het bevel, dat al hun bedehuizen gesloten moesten blijven: het verzet der Doopsgezinden betrof niet zoozeer het leerstuk zelf als wel den onbillijken, inhumanen maatregel. Een ernstig request van hun Societeit en andere pogingen hadden echter ten gevolge, dat de resolutie reeds een maand daarna opgeschort werd en van zelf in onbruik geraakte. Maar in 1738 klaagde de Hervormde predikant te Knijpe twee Doopsgezinde leeraars in der, omtrek weer wegens Sociniaansche ketterijen aan: ook deze werden afgezet. Dit voorval was de aanleiding, dat Stinstra in de quaestie betrokken werd. De vertoogen, die door de Broederschap werden ingediend, waren door hem opgesteld en daarbij kwam de onrast over die vijf preeken, waarin verdraagzaamheid en persoonlijke vrijheid werden aanbevolen.
De beweering, dat prins Willem IV het oordeel van den bij hem zeer hooggeachten Venema het verstandigst vond, wordt terecht bestreden door Skpp, Sinistra, H, 35, 68-73. Het advies van Venema eindigde met de door hem gewijzigde leuze van WiTZius: in necessariis unitas, in non necessariis libertas, in omnibus (prudentia et) charitas, Diest Lorgion, Jlcrv. kerk in Fried., p. 212—216, 238—242; ten Gate, Doopsgez. in Fries I., p. 205—213, 321—353. Stinstra, geb. 1708, gest. 1790, begon na zijn schorsing maandelijks een preek uit te geven. In 175° schreef hij tijdens de Nijkerksche beweging zijn Waarschuwing tegen de geestdrijverij, een boek, dat overzetting in de drie nieuwe talen waardig gekeurd werd.
§ 251. Langzaam begon een vrijere opvatting der studio zich te openbaren en mede te spreken. Te Franeker vooral ging dit nieuwe licht op door do verdiensten van Albertus Schultens voor de teSeini-tisehe talen. Tegenover de Voetiaansche en Coccejaansche methode
323
werd door dezen geleerde de grondslag gelogd eencr school, waarvan do beieckoniK erkend mag worden. Uit zijn tijd toch dagteekende hot ontwaken van de critiek dor Oud-Tostamcntische boeken. Zijn leerling Jon. Alberti, sedert 1740 hoogleeraar te Leiden, waar Schultens toen ook reeds werkzaam was, baande een ruimeren weg voor de exegese en critiek des Nieuwen Verbonds. De zuiver philologische arbeid van deze geleerden en hun leerlingen had indirect grooten invloed op de dogmatische inzichten. Dit werd merkbaar uit een stijgende waardeering van de h. schrift als toetsteen des gtloofs en een zachte daling van het te hoog opgeschroefde gezag der Hervormde belijdenisschriften. Wel eischte dit nog groote behoedzaamheid, want de vastgestelde leer moest onaangetast blijven, maar door deze lichting in de studie en de godsdienstige gevoelens werd niettemin een breekijzer geschoven onder de oude fondamenten.
Dat ondervond een leerling van Alberti, do Zwolsebe predikant Anthonie van der Os. In 1750 word hij om heterodoxe prediking door den kerkeraad geschorst, maar de magistraat hield hem de hand boven het hoofd en liet hem voortgaan. Dit veroorzaakte groote verdeeldheid in de gemeente en opschudding in den lande. Het zou zich wellicht alleen tot een botsing tusschen politiële en kerkelijk gezag hebben bepaald, indien van der Os zelf zijn positie niet onhoudbaar had gemaakt door onder deze omstandigheden een leerrede uit tc geven, waarin hij zich al te boud over het niet bindende van het gezag der belijdenis uitliet. Velen dachten eveneens, want het getal der gematigde theologen was zeer toegenomen. Van den Honert, Schultens jr. en anderen betuigden zelfs zijn onschuld. Maar de druk der confessioneelen was toen nog zwaar genoeg: de synode bevestigde na langdurige debatten het vonnis van de classis. Van der Os werd in 1765 afgezet en de Staten van Over-ijsel berustten daarin. Een paar jaren later is hij leeraar bij do Doopsgezinden te Beverwijk geworden: ook in dezen kring veroorzaakten zijn vrijzinnige denkbeelden tegenstand en twist, vooral toen hij beroepen was bij de Waterlanders te Zaandam o. z. Hij eindigde zijn dagen ambteloos te Zwol in vrede met de kerk, die hem vroeger uitgestooten had.
Schultens doceerde te Franeker van 1713 tot 1729 en stierf te Leiden 1750. Hij was daar werkzaam met Tiberius Hemsterhuis, den grooten Hellenist, die in 1717 van Amsterdam naar Franeker beroepen werd en in 1740 ook naar Leiden ging, waar hij 1766 stierf. Boeles, Friesl. hoogcschool, H, 380—385, 391—398 en de daar aangehaalde werken; Sepp, Joh. Stins tra, i, 21—28, 31—36 en passim. Jan Jacob Schultens, de zoon, geb. 1716,
21*
324
na een kort verblijf te Herborn sedert 1749 te Leiden als hoogleeraar de methode van zijn vader met,groot talent voortzettende, werd betrokken in den twist over van der Os, dien hij tegen CoMRiE en Holtius verdedigde. Zij hielden hem en ook Alberti voor de ontwerpers van het advies der Leidsche faculteit in deze zaak. Zie behalve de werken van Ypeij e. a. nog Glasius, Biogr. Woorden/)., Ill, 318—322; Sepp, Joh. Slins/ra, II, 50—52. De derde van dit geslacht Hendrik Albert, de kleinzoon, in 1749 nog te Herborn geboren, heeft ook sedert 1779 te Leiden de Oostersche letterkunde gedoceerd even uitmuntend als zijn vaderen.
Alberti, geb. 1698, had te Franeker met Venema gestudeerd, hield te Leiden een inaugurele oratie de theologiae el critiees connubio, gestorven 1762, Glasius in voce en Sepp, Joh. Stinstra, II, 46—50.
Holtius, die reeds vroeger in de leer van Lampe Sociniaansche meeningen had ontdekt, raakte wegens de Zwolsche quaestie met de Leidsche hooggeleerden overhoop. Hij was het, die Jac. Doitsma , den ambtgenoot van van der Os, aanspoorde om tegen van den Honert, die hem met geen antwoord verwaardigde, te schrijven. Ook had hij de hand in de brieven, die omstreeks Mei 1752 door de kerkeraden van Amsterdam, den Haag, Rotterdam en Utrecht uitgezonden werden om de broeders te Zwol in den strijd voor het ware geloof te sterken.
De eerste beschuldiging tegen van der Os was, dat hij de rechtvaardiging des zondaars als een vrucht des geloofs voorstelde en eenige andere punten. Zijn collegas vonden dit verdacht en daarop volgde een langdurig geharrewar in den kerkeraad en in de gemeente. Na zijn schorsing verdedigde hij in die opzienbarende preek de stellingen, dat de h. schrift de eenige regel des geloofs was en dat de Dordtsche vaderen geen onveranderlijke belijdenis hadden willen vaststellen. Glasius, Biogr. Woordb., III, 32—40; Vos, Gesch. der Vad. kerk, II, 125, 126; Ypeij, Gesch. der kristl. kerk in de i8f eeuw, VII, 376—393; Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, III, 463—-485; Blaupot ten Gate, Doopsgez. in Friesl., p. 215, 216; ook de Boekzaal der gel. wereld op die jaren.
§ 252. ])c zaak van van der Os kreeg vooral grootc ruchtbaarheid door de bemoeiing der Leidsche hoogleeraren. Op raad van Venema liet de stadhouder door do Overijselsche Staten de theologische .faculteit aldaar verzoeken haar oordcel over het geschil uit te brengen. Eenstemmig verklaarden zij, dat de twistpunten niet van zoodanigen aard waren, of men zou de zaak met eenige toegevelijkheid wel kunnen schikken. Zij voegden daarbij tevens eenige door hen ontworpene vredesartikelen, die de partijen in Zwolle ter ondertcekening zouden
325
worden voorgelegd. Dit geschiedde in 1751, doch drie ambtgenooten van van dek Os weigerden toe te treden, en inmiddels ovorleecl Willem IV. Het Leidsche advies wekte in hooge mate de verontwaardiging van den waakzamen Holtius, die zich toen als verdediger van de oude waarheid opwierp. Met zijn geestverwant en vriend Comrie vereenigdc hij zich tot een ernstige bestrijding der godgeleerden van don breeden weg, verbrekers van het gezag dor formulieren. Zij weerden zich mot alle kracht, schreven eonige broehares tegen van den Honbrt, den verdediger van don Zwolschen dwaalgeest, en begonnen te gelijker tijd in 1753 de geregelde uitgave van hun reeks samenspraken togen een ontwerp van tolerantie, waarin zij allerlei ketterijen duchtig onder handen namen. Velen van hun geestverwanten hoopten een nationale synode tot oplossing; van de verwarde geschillen te krijgen. Holtius en Comrie verlangden zulk een kerkvergadering voorshands nog niet, maar trachtten eerst door gevleugelde woorden de beproefde rechtzinnigheid te doen herleven, do omgo-worpene of inzakkende scheidsmuren weer stevig op te zetten, den invloed van de tolerantie, die ook aan de hoogoscholcn zooveel veld wou, te keoren. Niet de vleiende namen van liefde en verdraagzaamheid , maar alleen de „Calviniaanschoquot; waarheid en godzaligheid zouden de kerk rein houden van de Remonstranten en hun adhorenten. Tienmaal verscheen een aflevering van liun voel gelezen tijdschrift, doch toen haalden zij zich door oen onzachte oordeelvelling over wijlen prof. van den Honert den toorn van de Staten van Holland op den hals. Zij zwichtten voor dat dreigement on de verdere uitgave moest in 1761 worden gestaakt: zij konden don strijd niet volhouden, toen het wapen hun uit de hand geslagen was.
A. G. Honig, A/cx. Comrie, 1892, vooral p. 254 288. Om niet door de kerkelijke approbateurs belemmerd te worden schreven de verbondene strijdbroeders, hoezeer welbekend, onder bedekte namen. Hun serie droeg den titel Examen van het ontwerp van tolerantie: zij zochten achter het Leidsche advies, dat voor het speciale geval van de verdeeldheid te Zwolle was opgesteld, de booze bedoeling om een algemeene tolerantie in te voeren, „waardoor Remonstranten en Contraremonstranten op de vriendelijkste wijze met eikanderen mogen vereenigt wordenquot;. De samenspraken worden gevoerd tusschen vijf personen; Orthodoxus (Comrie), Philalethes (Holtius), Euruodius (prof. Alberti), Pantaneehorae-nos (prof. J. J. Schultens) en Adiaphorus. Ook tegen Venema, het hoofd der toleranten, waren de slagen gericht. Comrie en Holtius stellen het voor, alsof hun Examen uitgegeven was in naam van een gezelschap „voorstanders der Nederlandsche formulieren van eenigheidquot;. In andere gelijktijdig en ook anoniem uitge-
320
gevene boekjes spreken zij van het genootschap „de oude Calvini-aansche Societeitquot;. Of deze vereeniging of vereenigingen werkelijk bestaanhebben, is zeer te betwijfelen: vermoedelijk is het bloote fictie. De voorstelling van Honig, p. 262, 268, die het oprichten van zulke gezelschappen niet geheel verwerpt, is op dit punt onduidelijk.
In de voorrede van het tiende stuk verdedigden de schrijvers zich tegen een terechtwijzing, hun door den lijkredenaar van prof. van den Honert toegediend. De curatoren achtten de eer der academie door hun woorden aangetast en beklaagden zich bij de regeering. Holtius moest toen voor den raadpensionaris verschijnen, die hem kategorisch de orders der Staten voorschreef.
§ 253. Terwijl de eeuw voortschreed op haar baan, kon bet verzet tegen de critischo richting in het hoogcr onderwijs, tegen de toenemende verdraagzaamheid in de kerk nu en dan nog wel eenige verdeeldheid veroorzaken en soms kerkelijke vervolging, doch slechts sporadisch en zonder dat het ooit de uitgestrekte afmetingen van vroeger bereikte. Wanneer het zich liet aanzien, dat een twist te hoog zou loopen, maakte niet zelden staatsbemoeiing daaraan een einde. Op die wijze werd in 1758 een oncenighoid over de beteekenis van het geloof bij de rechtvaardiging tussehen Klembns, aanhanger van Holtius, en van Alphen, predikanten te \'s Hertogenbosch, gesmoord. In 1761 doden de Zeeuwscho Staten een dergelijk geschil in den doofpot: Buahé, predikant te Vlissingen, neef van Holtius, had het noodig geacht een verdediging en verklaring van de vijf Walchersche artikelen openbaar te maken, die hevige tegenspraak uitlokte. Een preek van ds, de Cock van Harig joeg de predikanten van Leeuwarden, waar zij gehouden was, tegen hem in het harnas en dien ten gevolge ontstond zulk een opschudding in Friesland, dat de Gedeputeerden in 1766 gelastten de zaak van de Cock verder als afgedaan tc beschouwen en „vraagstukken van zulkcn invloed op dc openbare rustquot; niet verder op te werpen. Het ingrijpen van dc staatsmacht in deze zaken gaf te meer ergerniB, omdat juist in dien tijd vele leden van den landsdag do aanbieding van een gestoelte in do Doopsgezinde kerk te Leeuwarden hadden aangenomen, waar Stinstra toen ccnigc weken voor hen kwam prediken.
Al deze twisten liepen over de rechtvaardiging, de quaestie van den dag, die reeds door het geschil met van Thuynen in behandeling was gekomen. Zie hierover behalve de werken van Ypeij ook nog E. J. Diest Lorgion, Herv. kerk in Friesl., p. 267—284; J. J. Diest Lorgion, Letterk. nalatenschap, p. 73—106, Een preek in 1765 en een twist over de liefde. P. Hofstede, toen pred. te Rotterdam, schreef 1766 Histor. verhaal van het voor-
327
gevallene in de bcrugte zaak van ds. de Cock. Daaraan is het bericht ontleend van het preeken van Stinstra voor den landsdag en van zijn uitnoodiging door de commissarissen-politiek tot deelname aan den maaltijd der synode te Harlingen. zie ook Ypkij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, III, 531 en de aant.; Sepp, Stinstra, II, 87, 88. Aan de zaak van de Cock was een krakeel tusschen tien kerkeraad en de vroedschap van Leeuwarden voorafgegaan over de predikantsberoeping in 1763. Dit bezorgde aan ds. Blom wegens zijn hevigheid een bestraffing, die hem en de kerkelijken gedweeër maakte, Diest Lorgion, Herv. kerk in Friesl., p. 252 vlg.; van Veen, Uit de vor. eeuw, p. 103—148.
§ 254. I gt;e mannen v;ui bet rechtzinnig behoud voelden zich ontmoedigd door verschijnselen des tijds, die elke hoop om het oude leven weer te doen ontwaken deed vervliegen. Telkens zagen zij hun pogingen om een dam daartegen op te werpen verijdeld. Hun weerstandsvermogen verminderde en de onderwerpen, die zij nu en dan nog in hun polemiek ter sprake brachten, trokken doorgaans weinig belangstelling. Het meer vrijzinnig wetenschappelijk onderzoek werd in zijn rustige ontwikkeling niet belemmerd. Met steeds langer tusschenpoozen rimpelde een enkele vleug nog de vroeger zoo bewegelijke, zelfs onstuimige wateren. Met sterke afkeuring werd zelfs geoordeeld over het wantrouwen, waarmede de godgeleerde richtingen elkander bespiedden, over de kwetsende verwijten, die zij elkander naar bet hoofd hadden geworpen. Zelfs op den leerstoel werd openlijk daartegen getuigd, zooals door Hollebeek, den verdienstelijken bomileet, te Groningen en later te Leiden, die ook een zeer verbeterde preekmethode leerde en invoerde, waarin langer geen plaats opengelaten was voor het wederleggen en verketteren van andersdenkenden. Het karakter van de christelijke en kerkelijke verdraagzaamheid bleek echter voor zeer onderscheidene uitlegging vatbaar te zijn. Dit gaf aan weerskanten aanleiding tot misverstand bij hen, die daarover schreven in een tijd, toen het woord door zijn Voltairi-aanschen klank velen nog verdacht in de ooren klonk. Het onderwerp kwam zelfs uitdrukkelijk aan de orde bij een openbaar twistgeschrijf. De hoogleeraren Bonnet te Utrecht en van der Kemp te Leiden meenden in 1766 togen do opvatting van tolerantie als toegevelijkheid zonder perken te moeten waarschuwen. Toen voelde de Engelschman H. Goodricke te Groningen zich geroepen de hooggeleerden te weerleggen en deed tevens een vinnigen aanval op het bindende gezag van kerkleer en formulieren. Ook anderen zonden nog een paar schotschriften af, maar toch trok liet weinig aandacht en al spoedig werd over do zaak gezwegen.
828
Ewald Hollebeek, gel). 1719 te Heemstede, was van 1752 tot 1768 te Groningen, daarna tot aan zijn dood in 1796 te Leiden. Hij sprak zijn misnoegen over den harden toon, die in de godgeleerde wereld gebruikelijk was, uit in openlijke oraties, die toen eenig opzien baarden, o. a. bij de overdracht van het rectoraat 1760 in de Oratio de corrupto hodierni Christianismi in Belgio statu. De meeste moeite heeft bij ondervonden wegens zijn hervorming van de homiletiek, die geheel afweek van de manier der Voetianen, Coccejanen en Lampeanen. Zie behalve de werken van Ypf.ij de biografie door Boeles in Gedenkt, der Gr on. hooge-school, bijl. p. 75; Glasius, Biogr. Woorden!)., II, 126—130; Sepp , Joh. Stinsira, II, 13, 14; W. Huurling, Pr act. God# el., II) I) 82—84, 147. Naast zijn methode, de synthetische, deed Gysbertus Bonnet, geb. 1723 te Naarden, prof. te Utrecht 1760, gest. 1805, zich kennen ais voorstander van de analytisch-synthe-tische preekwijze. Didericus van der Kemp, geb. 1731, was sedert 1766 prof. te Leiden. Beiden achtten te recht de kerkelijke rechtzinnigheid bedreigd door dien toenemenden aandrang tot tolerantie. Goodricke tegen hun oraties opkomende, prees daarin het advies van Venema in de zaak van Stinstra als „een meesterstuk in zijn soortquot;. Zie hun dispuut over het karakter van ware verdraagzaamheid Ypeij, Gesch. der kristl. kerk in de i8^ eeuw, VH, 394—401; Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv kerk. Hl, 532—538 en de aant.
§ 255. Te Groningen doceerde Prederik van der Marck, door zijn leermeester Engelhard een vereerder van Leibnitz, sedert 1758 liet natuur- en volkerenrecht. Dit wekte de verontwaardiging niet alleen vim do voorstanders van liet Roineinsche recht maar ook van do theologanten; do verordeningen der heilige schrift mochten niet achterstaan bij het recht der natuur. Op verzoek van theologische studenten gaf hij in 1771 een collegio „om het nut der Natuurwetten voor den staat des Kristendoms te bctoogenquot;. Al spoedig predikte ds. Brunsveld de i5f.au tegen „den verbazenden en buitensporigen ophef der natuurwetquot; en dienden vier predikanten der clnssif-\' bij den senaat een aanklacht in tegen den onrechtzinnigen jurist.
De zaak zou een geheel ander beloop genomen hebben, indien niet Hofstede, de afgodische vereorder van Oranje, die ecnigen invloed bij den laatsten stadhouder bezat, zich daarmede ,iad ingelaten. Zij kreeg toen op eens een bedenkelijk aanzien. Niet slechts predikanten maar ook de theologische faculteit, curatoren cn stadhouder werden daarbij betrokken. Hevige brochures voor cn tegen kwamen in menigte van de pers. Van der Marck wierp act hoofd in den nek tegenover de kerkelijke tegenpartij, verdedigde zicli cn
329
werd verdedigd op een wijze, die veel heete hoofden maakte. Het einde was, dat hij in 1773 zijn ontslag kreeg. Hij achtte het zelfs raadzaam Groningen te verlaten. Doch ruim twintig jt\'ren later is hij daar herbenoemd en in zijn eer hersteld.
Toen in 1774 ds. Kleman van Voorburg een werkje over de Orde des heils had uitgegeven, werd hij van vele kanten aangevallen en zelfs bij zijn classis van Pelagianisme aangeklaagd, omdat wantrouwende oogen in zijn voorstelling overeenstemming meenden te ontdekken met de denkbeelden van van der Marck. Op zijn verlangen gelastten do Staten het onderzoek naar zijn rechtzinnigheid te staken, ten gevolge waarvan de rust terugkeerde.
Het rijksarchief te Groningen bezit een zeer omvangrijke verzameling brochures en pamfletten in het geschil, dat van der Marck zijn betrekking kostte. Jonckbloet, Ge den kb. der Gr on. hoogeschool, p. 129—151, stelt hem voor als „het eminente slachtoffer der onverdraagzaamheidquot; van de Groninger theologen en predikanten. Maar hij had zijn zaak zelf verergerd door zich soms op spottenden toon en zeer scherp over \'t orthodoxe geloof uit te laten, en de instinctmatige afkeer der kerkdijken tegen de studie van het natuurrecht is alleszins begrijpelijk , Ypeij en Dermout, Gesch., III, 543—559; Glasius, Biogr. IVoordenI/., II , 437— 441 j Ypeij, Gesch. der 18e eeuw, VII, 411—420; J. Hartog, De laatste dagen der heerschende kerk in de Gids, 1880, III, 444 vlg.; van Veen, Uit de vor. eeuw, p. 151—187. Van der Marck, geb. 1719, gaf zelf twee jaren later een Waarachtig verhaal omtrent het gebeurde in het licht. Hij werd daarna hoogleeraar te Lingen, Deventer, doch na de staatkundige omkeering in 1795 werd hij te Groningen teruggeroepen, gestorven 1800, Levensbeschr. -van Boeles, p. Sr—83,
Tegen het boek van David Kleman, dat met goedkeuring van de classis den Haag uitgegeven was, begon de classis Amsterdam bezwaar te maken. Er kwam een aantal vrij hevige geschriften voor en tegen in het licht, doch den 18 Mei 1776 besloten de Staten, dat de Haagsche classis haar approbatie zou mogen intrekken doch verder de zaak moest laten rusten. Beide partijen kregen verlof om zich op de synode te beroepen, maar deze bepaalde zich tot eenvoudige kennisneming, Ypeij, Gesch. der kristl. kerk in de 18e eeuw, VII, 420—427, ook Glasius in voce.
§ 256. Met dr. Petrus Hofstede, predikant en sedert 1770 ook professor te Rotterdam, trad een der laatste en roerigste opposanten tegen den invloed van Venema en de toleranten in het geweer. Al spoedig werd hij daartoe bekeerd, toen hij met Calvijn en Beza overtuigd was geworden, dat verdraagzaamheid en vrijheid van
380
donken vruchten van het scepticisme zijn en voortaan werd zijn leven con onafgebrokene bestrijding van elke mildere denkwijze. Eon tamelijk onbeduidend geschil over een letterkundige quaestie mot Coiinelis Nozem an , den Remonstrantschen predikant, groeide sedert 1769 aan tot een twist, die zelfs in de gemeente doordrong en tot scherpe afkeuring van de heerschzucht en hot onverdraagzame systeem der Hervormden prikkelde. De Hollnndsche Staten maakten daaraan in 1773 een einde door bij resolutie op zware straf liet verachtelijk spreken over de Hervormde kerk en haar leer tc verbieden.
Hofstede, die zich nu aan de spits der intoleranten plaatste, richtte tegenover de sinds 1761 bestaande vrijzinnige „Vaderlandsche letteroefeningenquot; in 1774 mét Habbema als mederedacteur hot maandschrift „de Nederlandsche bibliotheekquot; op, waarvan de verkoop te Utrecht echter reeds in 1775 door de Staten verboden werd wegens een zeer vinnigen uitval togen prof. van Goens. Tot 1789 kon Hofstede zich van dit wapen bodionen om zoowel de tolerantie als hot patriottisme te bestoken, doch toen gaf de uitgever aan het werk oen ge wijzigden titel „de Vaderlandsche bibliotheekquot; met een andere redactie, waarvan de beide vorigon uitgesloten werden. Zoo mislukte ook deze poging om den tijdgeest tc bezwceren. Zijn hevigheid, die hom dikwijls tot grofheden vervoerde, bezorgde Hofstede vele vijanden en deed afbreuk arm het doel, dat hij beoogde.
Hofstede is geboren in 1716 te Groningen. Zijn eerste penne-vrucht was het zonderlinge boek Pseudostudiosus hodierttus. dat is hedendaagsche Naam student, 1738, meermalen herdrukt, hier en daar met humor geschreven. Vóór zijn twist met Nozeman (over de deugden der heidenen en de zaligheid van Socrates) was hij niet zoo scherp jegens andersdenkenden, doch toen kreeg zijn prikkelbaar karakter de overhand. Behalve met de reeds genoemden raakte hij in twist met den Lutheraan Rütz over de godsdienstige verdraagzaamheid, met Hendrik Brinxma, den schoolmeester van Hoogebeintum, met zijn ambtgenoot le Sage ten Broek over Christus borgtochtelijk lijden, enz. Behalve andere pamfletten schreef hij tegen Rutz ook een boekje, het leven van Janns Vlegehus, 17S1, „een bijtend en onwaardig schotschriftquot;, Sepp, Joh. S/tnstra, I, 103, 11, 88 en passim. De post van den Nederrijn trok meermalen hevig op tegen den befaamden Oranjeklant, die in zijn Ned. bibliotheek ook de staatkunde te pas bracht bij theologische polemiek en zich niet alleen door groote verwaandheid en smadelijk uitvaren tegen liefhebbers des vaderlands, maar ook door zijn overdrevene vleierij van het stadhouderlijke geslacht in hooge mate impopulair maakte, J. Hartog, De Oranjepredikanten en hunne tegenstanders in Geloof en Vrijh., IX (1875), 135 v\'g- Hofstede overleed den 27 Nov. 1803, de laatste theol. hoogleeraar aan de
331
toen opgehevene illustre school. Zie behalve de werken van Ypeij, ook Glasius in voce.
Jacobus Kantelaar, pred. te Almeloo, gematigd patriot, moest in 1787 zijn betrekking neerleggen, nam daarna korten tijd het bestuur van de Vaderl. bibliotheek op zich, het orgaan van zijn godsdienstige en staatkundige denkwijze 0. a. blijkens zijn vertoog: Onkunde eene bron van onverdraagzaamheid. Hij vas volksrepresentant tot den 22 Januari 1798, Glasius, Biogr. Woordb., II, 221—223.
§ 257. Zoo verflauwde van lieverlede de vroeger zoo opgewekte lust tot polemiek, en het twistvuur, onder verkoolde sintels verdrukt, flikkerde sleehts ongeregeld omhoog. Blijkbaar was onder de langdurige botsing der godgeleerde richtingen eindelijk de belangstelling ondergegaan en de vermoeide partijen brachten elkander sleebts enkele matte slagen toe. Meer dan voorbeen werden de fondamenten der leer ondermijnd en openbaarden zich voorteekenen van een grooten omkeer op bet gebied van de godgeleerde studie, de godsdienstige beginselen en leerstellige meeningen. De weinigen, die nog het pleit voor do zuivere Dordtsche belijdenis opnamen, vonden meer afkeuring dan instemming en oogstten bittere teleurstelling. Immers in dezen tijd begon de beweging, die een geheele verplaatsing van liet zwaartepunt en hot streven der kerk zou medebrengen.
Bij sommigen begon een sterke afkeer van de aanmatiging van vele predikanten zich ook te openbaren in onkerkelijkheid. Wel kon de traditioneele eerbied voor de aangenomene formulieren deze vooreerst nog tegen eiken rechtstreekschen aanval beschermen, en groot was de vooringenomenheid der meerderheid in den lande togen alle neologie. Maar onder de beschaafde standen vonden deïstische leeringen meer ingang, werden de werken van Rousseau en Voltaire naarstig gelezen. Uit een tamelijk onkerkelijken hoek woei het in den kring, dien Burmannus Secundus te Sandhorst om zich vereenigde en vanwaar de geruchtmakende „Onveranderlijke Santhorstsche geloofsbelijdenisquot; is uitgegaan. Van dezen geest was onder meer ook hot schimpdicht „de Menuet en de domineespruikquot; een bedenkelijke uiting.
In den twist met Nozeman werd Hofstede nog bijgestaan door Johannes Barueth, ook een heethoofdig intolerant en „kampioen voor de oudere rechten der heerschende kerkquot;, van 1745 tot 1777 predikant te Dordrecht, waar zijn lastig humeur hem in menig krakeel wikkelde. Hij was de bekwame schrijver van De advocaet der Vaderl. kerk of vrijmoed. verdediger, \'twelk aan Schotel, Aerkel. Dordrecht, II, 408—424 en bij gevolg ook aan Glasius, Biogr. Woordenb., I, 74—76 onbekend is, Hun oordeel over zijn
332
karakter is minder gunstig dan door J. Hartog over zijn staatkundig en kerkelijk standpunt wordt uitgebracht in Dc Oranjepredd. in Gel. en Vrijh., IX, 167 vlg., en Dc laatste dagen der hcer-schende kerk in de Gids, 1880, III, 226—236.
Prof. B. Broes van Leiden gaf in 1790 de leerreden van wijlen zijn leermeester P. Curtenius over den Catechismus in het licht. Wegens hetgeen hij in de voorrede schreef over „den voortgang eener verlichtte deugdquot;, werd hij in een twistgeschrijf betrokken, dat niet lang duurde maar op een zeer onaangenamen toon gevoerd werd, Glasius, I, 190; Schotel, Kerkel. Dordr., II, 616—620.
In 1764 verscheen te Leeuwarden een vertaling van Voltaire, Traité sur la iolérance. De Leeuwarder predikanten brachten over dc uitgave van zulk een geschrift een afkeurend oordeel uit en de Gedeputeerden verboden toen nog het drukken en verkoopen, Diest Loroion , Herv. kerk in Friesl., p. 271. Hartog deelt in de Gids, 1880, III, 433, de publicatie mede en schrijft aan het verbod toe, dat het boek reeds tien jaren later een derden druk beleefde.
Petrus Burmannus, geboren te Utrecht 1714, reeds in 1736 hoogleeraar in de geschiedenis en de oude talen te Franeker, van 1742 tot 1777 te Amsterdam, gestorven 1778 op zijn buitenverblijf Santhorst, bekend als dichter, maar zeer gevoelig op het punt van zijn beroemden naam en als tegenstander „asper tactuquot;, v.erwijl hij zelf ook ongenadig gehekeld werd door zijn vijanden, o. a. in de Nederlandsche bibliotheek. Boeles, Friesl. hoogeschool, II, 444—453; Ypeij en Dermout, Geselt, der Ned. Herv. kerk, III, 640 vlg.
De Mennet enz. verscheen te Groningen in 1772 en was een schotschrift op eenige predikanten en den kerkeraad wegens de censuur tegen een ouderling, die te zijnen huize een bal had gegeven. Het is vrij zeker een gewrocht van de bekende schrijfster Elisabeth Wolff—Bekker, die ook de Santhortsche geloofsbelijdenis opstelde, S. D. van Veen in de Gr on. Volks-alm. 1893, p. 36—71. Tegen het laatste schreef ook Barueth onder den pseudoniem Paulus Dortsma, J. Hartog, Santhorst in de Gids, 1882, II, 272 vlg.
§ 258. Toen dergelijke meeningon meer en moor openlijk uitgesproken werden en ingang vonden, deed dit bij velen dc vrees ontstaan voor een afbreken zonder opbouwen. Zij voelden de dringende behoefte om apologetisch daartegen te reageeren. Critiek, verdraagzaamheid , vrijheid van denken mochten niet te ver gaan. Deze overweging riep als kenschetsende verschijnselen des tijds een aantal vereenigingen en stiehtingen in hot leven, die allen tot de laatste helft der achttiende eeuw behooren en een algemeen Christelijk
338
dool beoogden. Zulk een strokkinp; haddon; liet legaat van Sknserf voor Rotterdam 1751 tor bestrijding van do „tegensprekers van het christelijk geloofquot;; het Stolpiaansch legaat te Leiden 1753 ter belooning van prijsvragen „tot staving of van de natuurlijke godsdienstleer of van de geopenbaarde zedeleerquot;; do stichting van Teyler van der Hulst to Haarlem 1778 met een dergelijke bedoeling onder de zinspreuk; „ware godsdienst bloeit door vrijheidquot;; het Haagsche genootschap „ter verdediging der voornaamste waarheden van den christclijkcn godsdienst inzonderheid tegen derzelver bedendaagsche bestrijdersquot; 1785; bet Rotterdamseh gezelschap 1792 ter wederlegging van do Noologen. Ook zag in deze jaren nl. in 1784 do vermaarde stichting van Jan Nieuwenhuizen , de Maatschappij tot Nut van \'t Algemeen, te Edam het levenslicht, die zich nog algemeener de bevordering van alle christelijke en maatschappehjke deugden ton doel stelde en de bestemming had om haar grootste verdienste te behalen op het gebied van volksonderwijs.
De beide Rotterdamsche stichtingen dienden om kanselreden in dien geest te laten houden. De oprichting van het Haagsch Genootschap was een gevolg van kerkelijk initiatief: het plan werd te berde gebracht op de Zuid-Hollandsche synode en uitgevoerd door vijf predikanten, die begonnen met het uitschrijven eener prijsvraag tegen het werk van Joseph Priestley, Historie der verbasteringen van het Christendom, dat juist vertaald was geworden. Met de hedendaagsche bestrijders van het Christendom werden „de nieuwe Hervormersquot;, d. i. de Neologen bedoeld. A. Kuenen, Gedenkschrift van het Haagsche Gen., 1885; C. Sepp, Proeve eener pragm. gesch. der theologie, p. 24—53; Ypeij en Dermout, Gesch. der Ncd. Herv. kerk, IV, 44—53; Ypeij, Gesch. der kristl. kerk in de i8tf eeuw, II, 83—99. Ook door een aantal theologen werd tegen „het hedendaagsch ongeloofquot; geschreven: van 1772 tot 1778 verscheen te Utrecht een antideïstisch weekblad onder den titel De Christen. In dezen tijd verminderde aan de hoogescholen het getal theologanten zeer: de synoden, het Haagsch Genootschap en de Staten van Holland in 1792 waren bedacht op maatregelen om de studie aan te moedigen en het gebrek aan predikanten te voorkomen, Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, IV, 85.
§ 259. Tegen bet einde der eeuw werd de toestand zeer gespannen. Ook in Nederland was een omkeering op liet gebied van staat en kerk blijkbaar in vollen aantocht. Er verbleven zich stemmen, die afkeurend oordeelden over de inwendige inrichting cn het bewind der republiek, over de bevoorrechting de regeerende geslachten. Do
traditioneole gluns, die de nazaten van don vader des vaderlands omstraalde, begon onrustbarend tc verhleeken. Vooral sedert 1781 werd de verwijdering tusschen de patriotten eu do aanhangers van Oranje steeds grootor. Aan de bekende woelingen van de eerstvolgende jaren namen vele predikanten ijverig deel: de toleranten kozen meestal do vaderlandsche partij en hun tegenstanders, onder wie ds. Hofstede zich het meest weerde, ijverden voor den prins. Zoo drongen de staatkundige twisten al weder in de kerk door. De woeligste geesten van weerszijden moesten daarvan nadeelige gevolgen ondervinden, zooals Johannes Bulthuis, do Oranjeklant op den kansel te Sneek, die in 1786 ontslagen werd. Doeh in het volgende jaar keerde de kans, Bur/muis werd hersteld en een aantal patriotsehgezinde predikanten o. a. zes in Friesland en ook elders werden afgezet. De jonge patriot van der Palm verliet uit vrees voor de troepen van den hertog van Brunswijk zijn gemeente Maartensdijk en nam daarna zijn ontslag. Dit waren voorteekenen van meer ernstige gebeurtenissen, waarvan niemand liet einde kon vooruitzien.
Bijna allen, die als patriot afgezet waren, werden in 1795 in hun ambt hersteld. Zie hierover behalve Ypeij ook Diest Lorgion, Hem. kerk in Friesl., p. 298—305. Een der afgezette Friezen wilde liever niet tot het predikambt terugkeeren, van Veen, De Geref. kerk van Friesland in 1795—1804, p. 16.
Johannes Henricus van der Palm, geb. 17 juli 17Ó3 te Rotterdam, sedert 1785 pred. te Maartensdijk, daarna zonder vaste betrekking, werd in 1796 benoemd tot hoogleeraar te Leiden en bemoeide zich na 1806 niet meer met de politiek, gestorven 8 September 1840. In zijn aanvang werd hij voor een Leidsch Coccejaan gehouden. Zijn verdienste is gelegen „niet in de grammatische, maar in de aesthetische behandeling der Schriftquot;, Sepp, Pragm. Gesch., p. 65, 234, 251 etc.; Glasius, Biogr. Woordb., 111, 58—70; Siegenbeek, Gesch. der Leidsche hoogeschooi, II, 238, e. a.
§ 260. Bij het einde van de lange periode, die de kerk sedert de uitdrijving der Arminianen had doorleefd, bleek de rekening, naar kerkdijken maatstaf opgemaakt, te sluiten met grooter verlies dan winst. In naam was zij nog de heerschende. Zij had kunnen verhoeden, dat haar geloofsleer tot nog toe niet rechtstreeks werd bestreden. Onder toenemend verschil van richting en uitlegging waren haar bondsformulieren zelf nog niet aangetast en las het volk op deze tafelen nog met eerbied het rechte woord der waarheid.
Maar de eindeloos gerekte godgeleerde twist had de geesten vermoeid. Zij moest onder de nazaten der Dordtsehe vaderen, die zich
in zoo vele partijen vertakten, wel afdalen tot allerlei nauwelijks vatbare subtiliteiten. Do maatschappelijke positie der godsdienstleeraars was niet verbeterd, bet ontzag voor bun stand, hoewei niet verdwenen, bad zeer geleden. De meerderheid was nog gesteld op zuiverheid der leer, maar bet reebtzinnige kerksysteem bezat de degelijke en bekwame verdedigers van vroeger niet meer. Do versebillende stroomen op liet gebied van godsdienstig en wijsgeerig onderzoek badden behoeften eu strevingen in het aanzijn geroepen, die alle vroegere zouden overschaduwen en ter zijde schuiven. De kerk met baar onvoltooide, onvoldoende en nu verouderde inrichting, steeds ufhan-kelijk van de staatsmacht, inwendig verdeeld, verstoken van de noodige autoriteit om haar leden en leeraars tot volkomene eenstemmigheid te brengen, bleek den geest van vooruitgang niet te kunnen of te mogen buitensluiten. De vrijheid van denken, bescheiden in haar eerste optreden, veroorzaakte een toenemende onverschilligheid ten aanzien van belangrijke hoofdstukken der kerkleer en buiten de kerkelijke vergaderingen zelfs geringschatting van het dogma. Het geslacht, dat tegen het einde dezer eeuw aan het woord kwam, was ten opzichte van staatsbestuur en godsdienst begrippen toegedaan, die geheel afweken van \'tgeen tot dusver den boventoon had gevoerd. De geschiedenis naderde een keerpunt. Met bet beginsel van verdraagzaamheid was bet feit van oen bevoorrechte en beerscbende kerk onbestaanbaar, cn de kerk zelf kon dezen rang niet ophouden. Haar functie als zoodanig naderde bet einde en zij kon niet anders dan de dingen afwachten, die over baar beschoren zouden worden om daarna volgens do wet tier ontwikkeling een ander tijdperk van haar bestaan in te treden. Mocht al de bijzondere bevoorrechting door den staat haar ontnomen worden, zij zou bij dezen overgang op den duur zelfstandigheid en vrijheid winnen.
TS
-
V IJ P D E A F I) J5 E L1 N (i.
HET mmi VAN ÖÏEItüNC 1795-1815.
____
HOOFDSTUK XIX.
onder dk bataapschk rkpubmrk en in den franschen tijd.
Dagverhaal der handel, van de Nation, verg ad.., representeer ende hel volk van Nederland.
Jaarboeken der Balaafsche republiek.
S. D. van Veen, De Geref. kerk van Friesland in de jaren 1795—1804, diss. 1888.
C. L. Vitringa, Staalk. gesch. der Balaafsche republiek.
J. Hartog, De laalste dagen der heerschende kerk in de Gids, 1880, III.
C. W. Pape, Hel leven en de werken van J. D. Jansen, 18G5.
Th. Jorissen, De, ondergang van het koninkrijk Holland, 1870.
C. Sepp, Proeve eener pragmal. gesch. der Iheol. in Nederland, enz., 1860. En daartegen:
H. Bouman, De Godgel. en hare beoefenaars in Ned., 18G2.
Ter Haar en Moll, Gesch. der Christ, kerk in Nederland in lafereelen, 1864, 1869, het tweede deel.
L. Offerhaus, De rechtstoesl. van kerkelijke goederen hij de Herv., 1888, diss.
§ 261. De omwenteling in Frankrijk deed ook hier te lande bij don dag de opgewondenheid stijgen. In Januari 1795 kwamen do Fransche bevrijders en kort daarna nam de laatste der stadhouders, prins Willem V, de wijk naar Engeland. Daarmede kwam het reeds ten vorigen jare opgerichte Revolutionaire Comité aan het roer en gedurende korten tijd do onderling zeer verdeelde democratische partij. Uit deze gisting werd in 1798 de Bataafsche republiek geboren, be-étomd om spoedig spoorloos onder te gaan onder den druk van den Franschen keizer. Het land was toen overgeleverd aan de willekeur van dezen geweldige, die eerst den graaf Schimmelpenninck als raadpensionaris aan het hoofd stelde in 1805, doch reeds 1806 het gemeenebest in een koninkrijk Holland veranderde. Slechts voorloopig niet als definitieve maatregel had hij een koninkrijk Holland noodig
22\'
340
ora als noordelijke schutsmuur to dienen togen mogelijke vijandelijkheden van de zijde van Duitschland en om Engeland van alle gemeenschap met het vasteland uit te sluiten. Doch toen zijn broeder Lodkwijk geen geschikt werktuig voor zijn wil bleek te zijn, besloot de keizer tot inlijving van Nederland bij Frankrijk. Dit geschiedde ia KS10 na do gedwongene abdicatie van den koning.
Oneenigheid tusschen den keizer en zijn broeder komlen niet uitblijven. Koning I.odewijk kon zich van den beginne af niet gewennen aan het denkbeeld, dat hij slechts een titulaire waardigheid bekleedde. Als vorst meende hij in de eerste plaats geroepen te zijn de belangen van volk en land te bevorderen. Hij sloot zich aan bij de natie, die hij niet ongelukkig wilde maken en verzette zich, hoe zwak en afhankelijk zijn positie ook was, tegen een staatkunde, die Nederland zou vernietigen. Welwillendheid en goedhartigheid verschaften hem eenige populariteit. Zijn bekwaamheden waren echter hoogst middelmatig. Zie Theou. Jorissen, De 07iderg. van het kon. Holland.
§ 2G2. De omwenteling begon met do onttrooning der Hervormde kerk en bedreigde een tijdlang zelfs haar bestaan. In de nationale vergadering van 1796 werd al dadelijk het beginsel eencr volledige scheiding van kerk en staat aan de orde gesteld: de Hervormde kerk moest ophouden de hcerschende te zijn, met alle andere genootschappen gelijkgesteld en dus van haar bijzondere voorrechten, uit het oude stelsel der vereeniging van kerk en staat geboren, ontdaan worden. Vele predikanten waren voor de omwenteling. De meesten legden don eed van burgertrouw af, die door de volksrepresentanten in Holland van hen gevorderd werd. Enkelen, die weigerden zooals te Haarlem, Amsterdam en elders, werden afgezet. In 1797 werd een poging aangewend om den schok, die de kerk geheel zou ontredderen, zooveel mogelijk te keeren. Een vergadering van predikanten, afgevaardigd naar Utrecht om voor hun belangen te wa\'iccn, zond een adres aan de volksrcgeering. Doch eerst was deze moeite vergeefs, want in de constitutie van 1798 werd het beginsel eener geheele scheiding zelfs nog sterker doorgedreven dan in de daaraan voorafgaande ontwerpen. Van kerkelijke zijde worden weer con aantal requesten opgezonden, doch het bescheid daarop was een toevoegsel aan de constitutie ; in zes „additionele artikelen tot de acte van staatsregeling\'quot; word bepaald, dat elk kerkgenootschap diende te zorgen voor zijn eigene belangen, inrichtingen en leeraren, dat er een verdeeling van kerken en pastorien naar ovonredighoid dor bevolking moest plaats . bobben en dat na drie jaren alle tractomenten zouden worden ingehouden, omdat do kerkegoodoron dan aan den staat vervielen met
341
do besteraming om gebruikt tc worden ills nationaal fonds voor opvoeding en f\'.rmverzorgino-. Bovendien werd besloten tot afschaffing van de theologische faculteit, die in de philosophischo werd opgelost. Do voormalige hooglceraar van Kooten werd in 1798 aangesteld tot iigcnt voor de nationale opvoeding (minister van onderwijs), weldra vervangen door burger van der Palm.
De acte van staatsregeling van 1796 is niet tot wet verheven, omdat zij door liet souvereine volk verworpen werd. In de tweede nationale vergadering, die 1 September 1797 bijeenkwam, werden de twisten tusschen de Unionisten en Federalisten met hevigheid voortgezet. Door den staatsgreep op 22 Januari 1798 raakten de vurigste Federalisten in hechtenis en verzekerden hun tegenstanders zich van de meerderheid. De volksvertegenwoordiging, die zich toen Constitueerende Vergadering noemde, droeg aan haar Uitvoerend Bewind de zorg voor een constitutie op, die goedgekeurd en door volksstemming aangenomen werd, 1 Mei 1798. De generaals Joubert en Daendels voerden den 12 Juni op bevelen uit Frankrijk een contrarevolutie uit, waardoor een intermediair Wetgevend Bewind met de staatszorg werd belast. Ypkij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, IV, 125—176 en de aangehaalde werken; Glasius, Gesch. der Christel, kerk in Nederl., III, i—26; Offerhaus, De rechtstoestand enz., p. 253 vlg.
De patriotten waren sterk tegen de bevoorrechte kerk ingenomen. Voor de eerste nationale vergadering werd de vereeniging van godsdienst en staat als een „schepzel van bedrog en overheerschingquot; afgemaald. Burger Ploos van Amstei, deed den 23 Mei 1796 het voorstel, dat voortaan geen heerschende kerk meer zou worden geduld, enz. Zie hierover Hartog, De laatste dagen der heersch. kerk in de Gids, 1880, III, 450—477. De Remonstrant C. Rogge van Leiden schreef een betoog en velen stemden met hem in, dat de godsdienst moest afgezonderd zijn van den staat, C. Sf.pp, Pragm. gesch. der theol., p. 9.
De eed van burgertrouw, die van de predikanten als zoodanig door de bewindhebbers van Holland werd afgecischt, was een afwijking van het beginsel der omwenteling, die immers geen kerkdijken als ambtenaars van den staat meer erkende. Drie Oranjepredikanten te Haarlem zwichtten voor den drang en hebben die verklaring later afgelegd, maar vijftien te Amsterdam bleven volharden en werden door anderen vervangen. Te Leiden moest in 1796 Nic. Schotsman wegens gehechtheid aan Oranje en eedsweigering de dienst neerleggen, te Rotterdam Jan Scharp, enz., Glasius, Gesch. der Christel, kerk in Nederl., III, 14—16; Biogr. Woordb., III , 307—309; Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, IH, 161— 163 en de aant.; J. Hartog in Gel. en Vrijheid, 1875, p. 148—150.
342
Titel VIII der staatsregeling van 1798, over de godsdienst enz. handelende, is in zijn geheel afgedrukt bij de Savornin Lohman, De kerkgebouwen van de Geref. {Hervormde) kerk in Ned., p. xtfl—xQg, Zie verder nog Kleijn, Algem. kerk en plaats, gem., p. 190—195; Acquov, Kerk en staat ten tijde der rep., etc. in ter Haar en Moll, Gesch. der Christel, kerk in NederL, II, 610—618.
Theodorus van Kooten, geb. 1749, sedert 1785 prof. in welsprekendheid en geschiedenis te Franeker, een „bittere patriotquot;, had reeds in 1787 met drie ambtgenooten zijn ontslag moeten nemen, Boeles, Friesl. hoog esc hooi, I, 96—104, II, 595—605. Zie verder ook zijn De patriot J. H. Swtldens, 1885.
§ 263. Terwijl deze krasse maatregelen tegen de kerk in aantocht waren, ontbrak haar geheel de macht ora doortastend op te treden. Zij kon zich nauwelijks handhaven en bij tijds tegen het opkomende onweer beschutten, maar moest de volle kracht daarvan verduren. De toestand, waarin zij op eens werd verplaatst, was zoo ongunstig, dat er zelfs weinig kans scheen te bestaan om uit den afbraak het levensonderhoud tc redden.
De algemecne vergadering te Utrecht zette haar werkzaamheden nog voort. Omdat er geen provinciale synoden gehouden, geen synodale correspondenten afgevaardigd konden worden, was dit de ecnige band, die de gemeenten voor haar gezamenlijke belangen vereenigde. De classes in het geheele land werden opgewekt om commissies „ter instandhouding en bevordering van den openbaren hervormden godsdienstquot; in \'t leven te roepen. Doch hoewel daaraan gehoor werd gegeven, richtten deze commissies over \'t geheel weinig uit. Zij handelden zonder eenheid en vasten regel. Meestal kwam van dien kant niets voor den dag dan enkele plannen en zwakke pogingen tot behoud van de kerkelijke goederen en inkomsten of het oprichten van gemeentefondsen. Alleen een paar requeamp;ten en verdedigingsschriften gaven een flauw levensteeken naar buiten. De commissien van Zuid- en Noord-Holland ontwierpen in 1799 een plan van kerkelijke organisatie, doch verder konden zij het niet brengen. De kerk werd met al het andere in den stortvloed medegesleurd. Het meest werd zij nog gebaat door de langzame bekoeling van do revolutionaire hartstochten der opgewondene Bataven. Dat was reeds merkbaar in de constitutie van 1801, die gematigder stijl voerde: daarbij werd aan de kerkgenootschappen weer gelijke bescherming voor de wet, het behoud van verkregene rechten en het genot der vorige inkomsten verzekerd. In de staatsregeling van 1805 werd dit beginsel bevestigd.
343
De onbesuisde erkenning en invoering van het beginsel scheiding van kerk en staat was voor de andere gezindten en vooral voor de Katholieken een groot gewin. Zij hebben in deze tijden niet nagelaten daarvan gebruik te maken door zich weer in het bezit te stellen van kerken enz., Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Iferv. kerk, IV, 193—201. De tot dusver heerschende kerk ondervond alleen de nadeelen. De verscheuring van eiken band met den staat had voor haar geen andere beteekenis, dan dat zij plotseling aan haar lot werd overgelaten, terwijl haar bestaan tot nog toe geheel afhankelijk was geweest van de beschermende macht der overheid, die zich nu op eens onttrok, de andere kerkgenootschappen een lang gewenscht en billijk recht toekende, maar de Hervormde kerk elk voorrecht ontnam.
Uitteraard kon de Utrechtsche vergadering weinig tot stand brengen. Zij moest zich zorgvuldig onthouden van eiken schijn, alsof zij het doel had om „s/g der Nederlandsche natie in \'t harnas te jagen tegen den tegenwoordigen loop der dingenquot; of zich op nieuw „te willen bemoeijen met het leerstelligequot;. Zij wilde alleen in den wankelenden staat der vaderlandsche kerk voor gemeenschappelijke belangen een band onderhouden tusschen de provinciale kerken. Een middel daartoe waren die talrijke bijzondere commissies. Zie hierover behalve Ypeij en Glasius ook van Veen, Geref. kerk van Friesl., p. 81—92. Over het ontwerp van 1799 „om aan het Hervormde kerkwezen in Nederland vastheid of vereeniging te gevenquot;, Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, IV, 179—182, aant. p. 33—36. Na 1801 kwam er eenige opklaring: in 1802 en vervolgens werden ook de provinciale synoden weer als vroeger gehouden. Maar het besluit van 1798 bleef in wezen: van toen af had zij haar rang als heerschende kerk verloren.
§ 264. Met het kortstondig bewind van den raadpensionaris eindigde de Bataafsohe republiek haar bestaan, in de kerk was het bestuur op den ouden voet gebleven, maar omdat „de vergaderingen bijkans ontzielde liebamen waren, waarin het kerkelijk leven scheen weggestorven te zijnquot;, voelde men de behoefte aan verbetering overeenkomstig den veranderden staat van zaken. De kerk was onder deze onzekerheid niet bij maehte om zelf het initiatief te nemen. Door koning Lodewijk werden de belangen der kerk toevertrouwd aan den minister van eeredienst Mollerus , die o. a. een onder Katholieken invloed opgekomen plan tot verkoop van alle pastoriegoederen heeft verhinderd. Ook wist hij van den koning toestemming te verkrijgen tot het versehaffen van een nieuwe en betere organisatie aan de Hervormde kerk. Hij benoemde een eonsuleerende commissie van
344
negen personen, predikanten en rechtsgeleerden, die sedert Januari 1809 haar vergaderingen hield te Amsterdam onder voorzitting van den Leidschen hoogleeraar te Water. Haar werd toen een uitvoerige memorie tot kerkregeling voorgelegd, die op last van den minister door den hoofdcommies Janssen bewerkt was. Deze memorie was de grondslag bij het samenstellen van een reglement op de organisatie van de Hervormde kerk, waarin de eenheid der kerk onder een enkele synode do belangrijkste verandering was. In het najaar werd het ontwerp bij den koning ingediend, daarna aan den Raad van State ter hand gesteld, maar door de abdicatie van Lodewuk en de inlijving der Nederlanden bij het Fransche keizerrijk, is niet alleen de nitvoering achterwege gebleven, maar raakte het geheele plan in vergetelheid.
Uit statistieke gegevens van 1809 bleek, dat van de bevolking ongeveer 4/7 de Hervormde, -/7 de Katholieke godsdienst beleden en de overigen tot andere kerkgenootschappen behoorden.
De slechte toestand der finantien van het koninkrijk Holland maakte bedacht op middelen om de rijksinkomsten te vermeerderen. In verband daarmede werd besloten tot het combineeren van kleine gemeenten, een maatregel waardoor de predikanten en de schatkist gebaat werden. Achtereenvolgens zijn een vijftigtal Hervormde predikantsplaatsen verdwenen, vooral in Noord-Brabant, doch ook elders. Bedenkelijker was het plan om alle pastoriegoederen aan de meestbiedenden te verkoopen, deze gelden in \'s rijks kas te storten en daaruit de predikanten op gelijken en evenredigen voet te bezoldigen, enz. Ook de intermediaire commissie der gemeenten in Holland, die reeds in 1800 de rechtmatige aanspraak der Hervormden op hun kerkelijke goederen en fondsen met goed gevolg had verdedigd, heeft zich ijverig geweerd om dit gevaar af te wenden.
Het kerkelijk organisatieplan van 1809 werd zeer geheim gehouden, zie daarover Ypeij en Dermout, Gesch. der Ncd. Hem. kerk, IV, 383—406; Glasius, Gesch. der Christel, kerk, IH, 182—186; vooral Hooijer, Oude kerkord., p. 489—552, waar het concept zelf met eenige officieele bescheiden is afgedrukt; Prins, Het kerkrecht der Ned. Herv. kerk, p. 58—60; W. Muurling , Pract. Godgel., H, 114—117. Minister Mollerus was in Mei 1809 afgetreden en de zorg voor de eerediensten werd toen gebracht onder Binnenlandsche Zaken, minister van oer Capellen. De laatste provinciale synoden zijn bijeengeroepen in 1808 en werden daarna niet weer gehouden.
Sedert 1801 was de toestand iets beter geworden. De theologische faculteiten bleven behouden ten dienste van de Herv. kerk. In 1804 werden de afgedankte predikanten van Amsterdam weer her-
345
steld. De coetus van Zeeland werd in 1805 in een provinciale synode veranderd. De rechten van collatoren werden weer erkend, enz. In Friesland was „de veelhoofdige Hydra der ordeloosheidquot; bedwongen door de invoering van een geheel naar de veranderde toestanden vernieuwd kerkelijk wetboek in 1805. Het heeft slechts weinige jaren geleefd. Doch de synode van Heerenveen, 1804, die het goedkeurde, heeft aan de floreenpliclnigen het recht verleend tot het beroepen van predikanten in de dorpsgemeenten, terwijl hun even te voren door het Departementaal bestuur ook de administratie der kerkegoederen was opgedragen, van Veen, De Geref. kerk van Friesl., p. 160 vlg., 196 vlg.
§ 265. De toestand, die onder de laatste staatkundige wisselingen langzamerhand een weinig scheen te verbeteren, nam eindelijk t)el beloop, dat reeds met grootc bekommering was vooruitgezien. Over bet ongelukkige land breidden zich de vleugels van den Fransehcn adelaar uit. Onder dien zwaren druk leed met het geheele volk ook de kerk. De tractementen dor predikanten werden ingehouden of slecht uitbetaald. De hoogesebolen Franckcr, Harderwijk en Utrecht werden tot athenaea, verlaagd in October 1811. De studie kwijnde en raakte in verval. Een gestrenge boekencensuur werd ingevoerd. Ook had de keizer wijdstrekkende plannen tot regeling van de kerkgenootschappen, die evenwel niet tot vervulling gebracht zouden worden. Want in November 1813 bad de bevrijding plaats en den 2 December, den dag na zijn aankomst te Schevcningen, werd de prins van Oranje door de commissie van het algemeen bestuur tot souvercin vorst uitgeroepen. Do eerste grondwet van het koninkrijk der Nederlanden in 1814 werd anderhalf jaar daarna, den 24 Augustus 1815, door een tweede vervangen en in September had te Brussel de plechtige inhuldiging van Willem I als koning der Nederlanden plaats.
Bij keizerlijk decreet van den 24 Januari (Louwmaand) 1812 werd een commissie tot organisatie der kerkgenootschappen aangesteld. Napoleon wenschte vereeniging van de Katholieken en Jansenisten, eveneens van de Hervormden en Remonstranten, van de Evangelische en Herstelde Lutherschen. Deze commissie was gesteld onder voorzitting van d\'Alphonse, den intendant-generaal van binnenlandsche zaken, doch de meeste invloed werd uitgeoefend door den hoofdcommies Janssen, die door zijn beleid en kunde in deze moeielijke tijden de belangen der Hervormde kerk op verdienstelijke wijze behartigd heeft, Ypeij en Dermout, Geseh. der Ned. Herv. kerk, IV, 508 vlg. Zie ook C. W. Pape, Het leven en de werken van J. D. Jansen-, Glasius, Gesih. der Christel, kerk, 111, 186—192. Ook dit organisatieplan liep
346
evenals het vorige op niets uit. Toch was de vrucht van al dezen arbeid niet geheel verloren: de inrichting van de Hervormde kerk en de wijze om haar naar den eisch des tijds te verbeteren werden grondig onderzocht. De groote deskundige in al deze belangen was en bleef voortaan de commissaris voor de kerkelijke zaken Janssen, later onder den titel van secretaris en adviseur.
§ 26fi. Het patriottisme van 1795 bracht de radikale partij op hot kussen en zij voerde naar hartelust den boventoon. In de eerste opwinding werden de predikanten wel eens geschilderd als „gemyterde en gebefte huichelaars, werktuigen der dwingelandenquot;, en werd ook hot christendom voorgesteld als onbestaanbaar met de vrijheid on strijdig tegen de godsdienst van „de eeuw der Redequot;. Een afkeurend oordeel, in 1797 in \'slands vergaderzaal door den burger-representant Fi.oh, Doopsgezind predikant te Enschede, over het vijfde antwoord van den Catechismus uitgesproken, bewoog Ew. Kist, toen predikant te Arnhem, tot een zeer zachtzinnige exegese van deze stelling. Een ander beweerde daartegen, dat de Catechismus eon boek was ongeschikt om er eenige waarde aan te hechten en niet bevorderlijk voor godsdienstige vrijheid van denken. Hieruit ontstond een twistgeschrijf, dat echter maar kortstondig heeft geduurd. Want de belangstelling in zulke geschillen was te zoek geraakt en het hart der menschen klopte van geestdrift voor heel andere belangen. Was het reeds vóór de omwenteling merkbaar, dat het aandringen op onderlinge tolerantie indruk bad gemaakt, toen alle kerkgenootschappen werkelijk gelijke menschwaardige rechten hadden verkregen, achtte men den tijd gekomen voor een poging tot vereeniging van alle Protestanten. Zij ging uit van de Remonstranten. De vergadering der broederschap zond den 10 September 1796 een brief aan de leeraars van alle Protestantscbe gezindten, waarin zij het plan tot een alge-meene broederlijke vereeniging opwierpen. In Augustus (Oogstmaand) 1797 ontwikkelden zij hun denkbeeld nog nader in een tweede missive. Doch de poging, door sommige Hervormden toegejuicht, stuitte af op de weigering van bijna alle classes.
Het twistgeschrijf over de waarde van den Catechismus bij Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, IV, 206—210 en de aant., zie ook Vos, Gesch. der Vad. kerk, II, 187, 195. In 1795 „het Eerste Jaar der Bataafsche Vryheidquot; zag, reeds geheel op den Franschen leest van gelijkheid, vrijheid en broederschap geschoeid en met het portret van den president Pieter Paulus versierd, de Republykynschc Katechismus als schoolboekje tot opleiding der jeugd het licht.
847
In 1798 verschenen twee vertalingen van The. age of reason van Paine, dat veel gelezen werd, Ypeij en Dermout, IV, 261—265.
Het plan van de Remonstrantsche broederschap werd in de Hervormde kerk goedgekeurd door de classis Westerkwartier in Groningen. Alleen de Doopsgezinden te Dokkum namen het voorstel aan en richtten een vereenigde gemeente op. Ypei; en Dermout, IV, 210—224; A. Stolker, Bijl. tot de gesch. der Christel, kerk in de iSe eeuw, p. 129 vlg.; vooral J. Tideman, De. Remonstr. broederschap, p. 39—41, 299—302; Kist, Synod, handel, in de zaak der Remonstr. in Archief voor Kerkgesch., VII, 340—346.
§ 267. Op merkwaardige wijze werd liet streven naar verbroedering verwezenlijkt in het genootschap Christo Sacrum te Delft. Het werd in 1797 door eenige leden van de Waalsche gemeente aldaar opgericht onder leiding van den jurist Onderdewijnoaert Canzius met het doel om leden van verschillende kerkgenootschappen te vereenigen op den grondslag van een christendom boven geloofsverdeeldheid. Zij die toetraden, behoefden de kerk, waartoe zij oorspronkelijk behoorden , niet te verlaten en zoo waren er onder de leden ook Lutherschen, Hervormden, Remonstranten, zelfs Roomschen. Verbetering van de eeredienst, prediking des Christendoms als de godsdienst der liefde zonder bijgeloof, ongeveinsde broederschap tusschen allen, die Christus als den eenigen grondslag van hun zaligheid erkenden, was het streven der vrome, vrijzinnige oprichters. Zij eerbiedigden volkomene vrijheid van bijzondere geloofsovertuiging en vermeden elke veroordecling van andersdenkenden. In de eerste jaren hield de vereeniging zorgvuldig haar bestaan verborgen, doch sedert 1801 gaven zij aan hun bedoelingen eenige openbaarheid, en in Maart van het volgende jaar werd hun kerkgebouw door Canzius ingewijd. Tegenstand van kerkelijke zijde bewoog hen tegen hun zin een afzonderlijk kerkgenootschap te vormen. Zij lieten toen ook de geheimzinnigheid varen, die de jeugdige oprichters in \'t begin bekoorde. Den meesten opgang maakte Christo Sacrum onder de leiding van den welsprekenden Canzius, wien als tweede leeraar Isaak van Haastert ter zijde stond. Wel vond het voorbeeld navolging te Rotterdam, Leiden en elders en verdween van lieverlede het vooroordeel tegen zulk een algemeen christelijke vereeniging zonder bepaalde belijdenis. Het 25jarige jubilé werd zelfs door de tegenwoordigheid van afgevaardigden uit verschillende kerkbesturen opgeluisterd, het blijde teeken, dat een andere geest ontwaakt was. De leer van den liefderijken Jezus had hier althans oen overwinning behaald „op kortzigtige broederveroordcelingquot;. Maar daarmede had ook Christo Sacrum zijn edele roeping vervuld: het getal der leden stierf uit, de
348
finanticcle bezwaren namen toe en na 1834, het sterfjaar van van Haastert, hielden de godsdienstoefeningen op.
De oprichters behoorden tot het Waalsche diakengezelschap la Confraternité en de eerste samenkomsten werden gehouden in het huis van mr. M. W. van Groenewegen.
Mr. Jakob Hendrik Onderdkwijngaart Canzius, geboren te Delft 1771, gestorven in Juli 1838, juist toen zijn kerkje werd verkocht. Van Haastert, geboren 1753, was vroeger zijn leermeester in de natuurkunde. Bij het jubilé van 1822 waren o. a. aanwezig de secretaris der synode ds. Dermout en de secret.-generaal van Eeredienst Janssen. Vereenigingen van dergelijke strekking waren het Rotterdamsche Kruisgezelschap, het Christlievend Genootschap te Monnikendam, de Leidsche Godsdienstvrienden. Het laatste gaf in 1796 een levensteeken. Deze vereenigingen hebben echter slechts een kortstondig en weinig bekend bestaan gehad. Ypf.ij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, IV, 248—257; Ypeij, Gesch. der kristl. kerk in de i8tf eeuw, II, 373—375, X, 90—145, XI, 570—572; Glasius, Gesch. der Christel, kerk, III, 376-380; Biogr. IVoordenb., Hl, 6—11; Vos, Gesch, der Vad. kerk, II, I95i 1 \')6! vooral de artikelen van H. C. Rogge in Kalender voor de Prot. in Ned., jaarg. 1862, p. 195 vlg. en in ter Haar en Moll, Gesch. der Christ, kerk in Ned. in tafereelen, II, 404—414, met de afbeelding van de kerk inwendig naar een teekening van van Haastert.
§ 268. Een geheel ander karakter droeg de Nieuwe Hervormde gemeente te Leeuwarden, een uiting van ergernis over de prediking van ds. A. Brink en zijn ambtgenooten, die geen getrouwe arbeiders in den wijngaard des Heeren geacht werden als zijnde te licht in de leer. De catechiseermeester en oefenaar .Telle Corvinus besloot in 1800 tot het oprichten van een afzonderlijke gemeente, die hem als predikant beriep en bezoldigde. Weldra was de aanstelling van een tweeden lecraar noodig, den bakkersknecht Jan de Jong, die met grooten ijver in de week de dorpen bereisde om daar in hoere-pchuren en zelfs in kerken, waar zijn aanhangers binnendrongen, te preeken. Op aanzoek van den kerkeraad van Leeuwarden en de classis Dokkum maakte het Departementaal Bestuur aan deze geestdrijverij een einde door den 23 December 1802 op zware boeten dat onwettige preeken te verbieden. Do gemeente van Leeuwarden stool uiteen, doch stelde haar geliefden profeet de Jong in staat om te studeeren te Franeker en zoo langs den gewonen weg bij de Hervormde kerk in dienst te treden. Na 1808 is hij onder grooten toeloop predikant geweest in een paar Friesche landgemeenten. Ook te Cats
349
op Walchcrcn was een soortgelijke poging met een „self-raadequot; predikant onderdrukt.
De Jong heeft o. a. gestaan te Surhuisterveen. In 1791 had in die streek een dergelijke godsdienstige beweging plaats gehad. De Jong stierf in 1821 te St. Jansga. Corvinus heeft later stil geleefd en behield alleen de gewoonte om een punthoed te dragen, P. Hoeles , Slaatsr. Herv. kerkbesl. en se par., p. 46. In \'t begin der 19° eeuw ontstond in eenige dorpen op de Veluwe een godsdienstig reveil, dat door het beleid der predikanten vooi dweeperij werd behoed. Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Jlerv. kerk, IV, 225—235; Vos, Gesch. der Vad. kerk, II, 196; Ypeij, Gesch. der knstl. kerk iti de 18e eeuw, VI, 192—200; vooral van Veen, De Geref. kerk van friesl., p. 170. Over den oefenaar li. Loene, die zich te Cats liet beroepen c. 1801, zie Kist en Uoijaards, Kerkhist. Arch., XIX, 253, 254.
§ 2ü9. Een belangrijk teeken van leven in dezen benarden tijd was de oprichting van het Ncderlandsche Zendelingsgenootsehap tor voortplanting van het Christendom onder de heidenen, den 19 December 1797. Van den medicus J. T. van der Kemp, vroeger deïst, toen zendeling van het nog jeugdige Londensche genootschap, ging de opwekking uit en de eerste zendeling was J. J. Kioherer, een theologisch student te Utrecht. Niet alleen predikanten maar ook de kerkelijke vergaderingen waren dadelijk genegen tot bevordering van het doel van dit genootschap, dat zooveel voor het Christendom heeft gedaan en zich overeenkomstig den heersehenden geest des tijcis dadelijk geplaatst heeft op een algemeen evangelisch standpunt.
Meer rechtstreeks van de kerk is een welgeslaagde poging tot verbetering van het godsdienstig gezang uitgegaan. De invoering dei-nieuwe psalmberijming van 1776 was een goed voorbeeld om een proef te nemen tot bevrediging der behoefte aan ruimer keuze van geschikte kerkelijke liederen. Op de synoden van 1796 en vervolgens word deze wensch uitgesproken en na eenige voorbereiding een commissie benoemd, die den \'27 September 1803 te Utrecht haar werkzaamheden onder voorzitting van ds. A. van den Berg begon. De dichter Riivnvis Feith heeft zich bij de verzameling, vervaardiging en verbetering van den bundel der evangelische gezangen inzonderheid verdienstelijk gemaakt. Den 6 September 1805 werd in den Haag de laatste samenkomst gehouden en volgens besluit dei-synoden moest de invoering ten dienste van de gemeente op Nieuwjaarsdag 1807 plaats hebben.
De ontvangst van het nieuwe gezangboek beantwoordde echter niet aan de verwachting. Al dadelijk werd er een adres aan alle synoden
350
van 1807 verspreid, waarin op de afschaffing werd aangedrongen. In vele plaatsen verwekte het een ergerlijke opsetiadding. Sommige leeraars zooals die van ürogeham gaven hun tegenzin onverholen te kennen, doch meestal kwam het verzet van de zijde der aan het oude gehechte gemeente. De bewoners van Walcheren, die dertig jaren te voren tegen do verbeterde psalmen oproer hadden gestookt, geraakten over deze nieuwigheid nu weer in een woede, die slechts door strenge maatregelen van den landdrost kon beteugeld worden. Ook te Drogeham, Surhuistcrvcen, Damwoude en in andere dorpen van de classis Dokkum, te Staphorst, in de provincie Utrecht te Doorn, Driebergen en elders ontstonden bedenkelijke ongeregeldheden. Omdat dit verzet aanhield, gelastten de synoden eiken Zondag althans eenmaal uit de evangelische gezangen te laten zingen, een voorschrift, dat soms door tusschenkomst van de wereldlijke macht en met zware straffen moest worden gehandhaafd. Toen verflauwde de openlijke tegenstribbeling, doch bij zeer velen bleef het vooroordeel bestaan, zooals later blijken zou.
De zeer verdienstelijke psalmberijming, die de gebrekkige van Dathenus verving en waarmede ook tevens een verbetering van de slepende zangwijze gepaard ging, werd i januari 1775 ingevoerd op gezag der Staten. Vooral de „korte of nieuwe zangquot; nog meer dan de nieuwe berijming deed hier en daar zeer onstichtelijke tooneelen ontstaan. Te Westkapelle, te Vlaardingen, te Maasland en elders werden door de voorstanders van den ouden zangdreun bepaalde kerkschandalen en oproer aangericht, ter Haar en Moll, Gesch. der Christel, kerk in Ned. in taf., II, 566—582; Ypeij, Gesch. der kristl. kerk in de i8t\' eeuw, VI, 128—142; van Iperen, Kerkel. Hist, van het psalmgez., II, 436—492.
De tegenstand tegen de evangelische gezangen was grooter en langduriger, omdat het thans ook den inhoud van het kerklied betrof. Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Ilerv. kerk, IV, 77—85, 314—329; ter Haar en Moll, p. 587—599; R. Bkn-nink Janssonius, Gesch. van het kerkgez. bij de Herv., H, 147—337; Vos, Gesch. der Vad. kerk, II, 206—209; vooral Glasius, Gesch. der Christel, kerk, III, 194—207.
§ 270. De veranderde betrekking van de kerk tot den f-taat was althans bevorderlijk voor de toename van vrijere denkbeelden zoowel aan de hoogescholen als onder de burgerij: de regecring achtte zich slechts geroepen niet „den Hervormden godsdienst, slechts diens uitwendige belangenquot; te regelen, in de kerk werd reeds lang vóór dc patriottische beweging het gezag der formulieren door velen als een lastige band voor de ontwikkeling der theologie beschouwd. Sommigen
351
waren hartelijk aan de leer der vaderen gehecht zooals de invloedrijke hoogleeraar te Water van Leiden, maar /ij legden de ontwikkeling van andere denkbeelden geen hinderpalen in den weg. De kerkelijke besturen hadden wel andere belangen te verzorgen dan het leertoe/icht, dat niet langer voor den hoogs ten plicht gehouden weid. Het was ook een tijd van zonderlinge vermenging van oude en nieuwe begrippen. Geen der toongevers van de wetenschap waagde er zich aan om het oude systeem tegen elke bedenking tc verdedigen. Zij deden hun keuze. Slechts de gevaarlijkste leeringen moesten worden bestreden, maar het apologetische standpunt, dat zij daarmede innamen, werd bij gevolg halfslachtig. Velen, daardoor belemmerd in het \'Tijc onderzoek, bepaalden er zich toe om aan de kerkelijke leerbegrippen beter fatsoen tc geven. Doch naast hen stonden zij, die minder bevreesd om den zwakken aanstoot te geven, de vragen van den dag principieel behandelden en medegewerkt hebben tot ontwikkeling van de studie der godgeleerdheid. Ook in dat opzicht zijn deze jaren een tijdperk van overgang.
Karakteristieke teekenen des tijds zijn de prijsvragen, die toen uitgeschreven en bekroond werden. Het Haagsche Genootschap, dat zich „langzaam maar onverpoosdquot; ontwikkelde, bleef nog jaren lang bezig met de bestrijding van de Neologen, in wie de oprichters geen andersdenkende geloovigen maar belagers van het Christendom zagen: daarna richtte het zijn verhandelingen tegen het Rationalisme. Teylers Genootschap daarentegen schroomde niet de denkbeelden van „de nieuwe Hervormersquot; wetenschappelijk te laten toetsen en daar „het zijn cijns betaalde aan de vrijheidszucht dier dagenquot;, heeft het weldadigen invloed gehad ook op het gebied der theologie. Kuenen, Gedenkschr. van het Haagsche Gen., p. 15—26; C. Sepp, Pragm. Gesch. der theol., p. 24—53. Het Haagsche genootschap had veel meer een bepaald apologetisch doel dan Teylers stichting nl. het eenvoudige, bijbelsche, niet leerstellige Christendom tegen alle aanvallen ook van de rechterzijde te verdedigen. De werken van Tevler hebben dus „meer theologisch gehaltequot;. Zie ook Bouman , De godgel. en haar beoefen, in Neder!., p. 130 vlg.
§ 271. De meesten der hoogleeraren en predikanten namen eerst uit bezorgdheid voor de ncologie een tcruggetrokkene houding in acht tegenover de buitenlandsche wetenschap. Sedert 1803 werd de Bibliotheek van theologische letterkunde uitgegeven. Zij hield door aankondiging van de werken der Duitsche geleerden haar lezers trouw op de hoogte van den gang der studie buitenslands. De Nederlanders waren door de Vitrinmas en Vrnema beroemd als goede exegeten.
352
Dat was vooral hun terrein, terwijl de critiek bedachtzaam vorderingen maakte. Die geest leefde voort in Muntingiie, door wiens onderwijs aan de academie van Groningen het beginsel van vrij onderzoek is geplant, een schitterende naam onder de godgeleerden van zijn dagen. Tc Leiden bleef dc welsprekende van der Palm de roem der boogoschool, nadat hij in 18U6 van het woelige staatstoonecl tot den catheder was teruggekeerd. Weldra verscheen naast hom de zeer begaafde Borger , die in zijn onderwijs vrijzinniger was, dan zijn ambtgenooten toon nog begeerden. Te Utrecht, waar dc richting het meest behoudend was, lag Jodocus Heringa, in 1794 tot hoogleeraar benoemd, inden beginne onder verdenking van groote, hoewel zeer omzichtig voorge-dragene onrechtzinnigheid. In 1804 geraakte hij daarover nog met den orthodoxen Bonnet in strijd. Heringa was een man van name en had daarop aanspraak zoowel om zijn uitgebreide geleerdheid nis om zijn persoonlijken invloed. Hij was bijbelsch theoloog, doch ten aanzien van de leer zoo bezadigd liberaal, dat Utrecht daarna, toen de stroom der richtingen sneller voortschoot, voor do kweekschool van kerkelijke rechtzinnigheid gehouden kon worden, hoe groot ook het verschil van denkwijze onder zijn leerlingen geweest zij. Te Harderwijk stond sedert 1804 Johannes Clarisse aan het begin van een academische loopbaan, die hij later te Leiden verdienstelijk voortzette, vol geestdrift over de ethische waarde van het Christendom. Een der eerste Nederlarulschc rationalisten was de Franeker hoogleeraar Regen-rogen, een scherpzinnig zelfdenker, een der grondleggers van betere methode van schriftverklaring, die grooten opgang maakte bij zijn leerlingen. Zijn ambtgenooten Greve en Tinga stonden hem in bestrijding van den sectegeest ter zijde.
Mocht er ook onderscheid van inzicht en methode zijn, aan de hoogescholen werd het streven begunstigd om de waarheden des geloofs aan een nieuw onderzoek te onderwerpen. Zelfs te Utrecht door Heringa werd de stoot gegeven, waardoor de scheiding tusschen bijbelsche godgeleerdheid en dogmatiek tot stand gekomen is.
In de schatting van het publiek golden de academies in het noorden des lands voor kweekplaatsen van vrijzinnige theologen. Leiden trachtte onder den invloed van van der Palm en van Voorst meer het midden te bewaren. Utrecht had den naam van rechtzinnigheid. De biografien van deze godgeleerden en het verslag van hun beteekenis en arbeid zijn te vinden bij Glasius, Biogr. Woordenb.; Jonckbloet, Gedenkb. der Gr on. hoogeschool in de bijlagen; Boeles, Friesl. hoogeschool met opgave van geschriften. Zie verder Sepp, Gesch. der pragm. theol., vooral p. 64—102; Bouman, Dc godgel. en hare beoefen., p. 233 vlg. Hoe onderscheiden ook, het vaderland kon bij den aanvang der eeuw roem
353
dragen op een groot aantal zeer kundige godgeleerden, die elk het hunne bijgedragen hebben tot het ontstaan van een hoogst belangrijk ontwikkelingsproces in de theologische wetenschap. Namen sommigen tegenover de opklaring een gereserveerde houding in acht, zelfs bij de meest behoudenden was vooruitgang te bespeuren in bijbelsche richting. Al werd nu en dan het bestaan der hooge-scholen en der theologische faculteit bedreigd, de studie der theologie leed daaronder niet. Zij maakte zich zelfs in overeenstemming met den tijd los van vele oude banden: in deze kommervolle dagen werd haar vrijheid geboren.
§ 272. Rustiger dan te voren kon in dit tijdperk de wetenschap zich ontwikkelen. De band der belijdenis knelde niet meer. Het recht van zelfdenken en vrij onderzoek ook tegenover de nog altoos met onderscheiding genoemde formulieren werd een beslist feit. Bosveld, de geleerde Dordtsche predikant, een der beste hermeneuten van zijn tijd, lag reeds wegens de uitgave van Brieven over den kinderdoop e. d. sedert 1783 onder verdenking van heterodox te zijn. Doch in weerwil van den hatelijken aanval, dien hij te verduren had, rees hij in achting bij het toen levende geslacht. Dat in 1803 door zijn ambtgenoot Ew. Kist de goedkeuring bemoeielijkt werd van zijn verklaring der brieven aan de Thessalonicensen, verhinderde noch de uitgave noch de lezing. Want kerkelijke approbatie was een bloote vormelijkheid, die reeds lang haar uitwerking miste. De eenige, die in dezen tijd nog een kerkelijke straf wegens afwijkende leer ondervonden heeft, was ds. Bruining van Pietersbierum. Hij schreef een boekje over de leer der verzoening. Een ambtgenoot bewees in een tegenschrift, dat zijn opvatting onbijbelseh en bedenkelijk neoloog was. De classis Prancker ontwaakte daardoor uit haar rust en veroordeelde hem tot zes weken schorsing. Toon vatte Rkgenbogen zijn partij op en dit wierp eenige brandstof in het vuur, dat lang gesmeuld had tussehen hem en zijn twistzieken collega Lotze, opvolger van den naar Groningen vertrokken Tinga. Zij wisselden een paar hekelschriften, doch verder mengde niemand zich in dezen twist, die van zelf uitstierf. Ook de ketterijen, die Regenbogen in latere werken uitsprak, al wekten zij afkeuring, vonden geen bestrijders. De nieuwe geest had reeds te diepe wortels geschoten en de laatste tegenstanders lieten ontmoedigd do stompe wapenen zinken.
Bij den aanvang van de negentiende eeuw was het mcerendeel (lei-godgeleerden en predikanten werkelijk heterodox in hun verklaring der leer van Dordrecht, geneigd om bezadigd de vrijheid des gelool\'s en ware verlichting te verbreiden. Het getal der positieve voorstanders
Dr. Reitsma , Kerkgesch. 23
354
was zeer gering, en de academie vormde geen strijdvaardige theologen meer van den ouden stempel. De ware orthodoxie leefde vooral bij de volksklasse voort en gaf hier en daar eenig teekeu van leven door den naloop van oefenaars, of zij zong in zuchtende verwachting van betere tijden haar stille klaagliederen over een allerwege heerschende inschikkelijkheid, die in de kerk alle grondslagen des geloofs scheen te ondermijnen.
Sepp, Pragm. gesch. van de theol., p. 106—124 en daarnevens Bouman , De godgel. en hare beoef., p. 328 vlg. en elders; Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, IV, 446—451 en passim.
Paulus Bosveld, geb. 1732 te Dordrecht, had te Leiden gestudeerd. In het jaar 1796 was hij burger-representant, nam in 1802 zijn emeritaat en stierf in 1809, Schotel, Kerkel. Dor dr., IJ; 553—575; Ypeij, Gesch. der kristl. kerk in de 18e eeuw, VII, 408—411, VIII, 454—457; Glasius, Biogr. Woordenb., I, 144—148.
Zie over den twist van Regenbogen met den tegen hem niet opgewassen Lotze, Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, IV, 433—438 en behalve de werken van Sepp en Bouman ook Boeles, Friesl. hoogeschool in de biografien. Toen de keizer in 1811 de Franeker academie ophief, werd Regenbogen met drie anderen naar Leiden verplaatst, enz. Maar Lotze werd gepasseerd en kreeg zelfs zijn betrekking niet terug, toen in 1815 het athenaeum werd opgericht.
ZESDE AFDEELINO.
öi NEGEIIIEIDE EEÜÏ SEDERT 1815,
I
ondkr de zorg van koning willem i.
F. Nippold, Handhnch der nenesten Kirchengesch., vertaald on voor Nederland bewerkt door van Koetsveld, Dc Christel, wereld der laatste halve eeuw, 1871.
Handelingen van de algem. christ. synode der Herv. kerk, op de jaren 1816 tot 1840.
W. Muubling, Practwche Godgeleerdheid, 1857, \'2e ed. 1860, inzonderheid het tweede deel.
H. J. Rouaards, Hedend. kerkrecht hij de Herv. in Ned., 1834.
J. J. Prins, Hel kerkrecht der Ned. Herv. kerk, 1870.
Die Unruhen in der Niederl. Reform. Kirche wdhrend 1838 Ins 1839, von X (P. Hofstede de Groot)1), heramgeg. vmi dr. J. C. L. Gieseler, 1840, vertaald 1841.
P. Hofstede de groot. De Gr on. godgel. in hunne eigenaardigheid. 1855.
A. Pierson, Oudere tijdgenooten in de Gids, 1882, F en II, 1888, III, 1866, I.
Verder tijdschriften, brochures, enz.
§ 278. De geschiedenis, die hiermede een begin neemt, is in alle opzichten onderscheiden van vroegere tijdperken. De afwisselende gebeurtenissen in de jaren, toen de Fransche republiek en Napoleon den toestand beheerschten, zijn de voorrede tot het boek van deze verwonderlijke eeuw. Ora van den ontwikkelingsgang der Hervormde kerk een juist denkbeeld te krijgen, moet een onderzoek worden ingesteld naar de uiterlijke geschiedenis, d. i. haar verhouding tot den staat, naar de wetenschappelijke beweging, die nu weer zoovele verschillende godgeleerde richtingen deed opkomen, naar dc onderlinge verhouding en den strijd der godsdienstige partijen.
Blijkens ya ar boek der rijksnniv. te Gr on., 1886—87, p. 35. X is dus niet L. G. Pareau, Sepp, Bibl. 7\'. Ned. Kerkgeschiedschr., p. 360.
358
De verschijnselen op het gebied van wetenschap en godsdienstig geloof hebben een moeielijk te begrenzen samenhang. De tijdvakken in de geschiedenis der kerk kunnen doorgaans slechts naar uiterlijke gebeurtenissen worden bepaald. Deze eeuw heeft de kerk drie perioden doen doorleven: van voogdijschap onder den staat, allengs toenemende losmaking van dien uiterlijken band, en sedert 1870 autonomie der kerk op haar eigen gebied. Hiermede vallen ook telkens belangrijke bewegingen in de kerk zelf samen. Hoewel het pas doorleefde nog niet geacht kan worden tot de geschiedenis te behooren, moet echter het merkwaardige jaar 1886 met zijn gevolgen nog in dit boek ter sprake komen.
de hkrvormde kerk van het koninkrijk der nederlanden.
§ 274. De val van de Napoleontische heerschappij gaf terstond verademing ook aan de kerk. Willem I toonde reeds bij zijn troonsbestijging den goeden wil om zoodra mogelijk te herstellen, wat geleden was. De eerste koninklijke verordeningen strekten om orde te stellen op het stuk van de uitbetaling der tractementen. Vele predikanten hadden een kommerlijk leven gehad: vooral in Friesland, waar zelfs sommigen tot den bedelstaf gebracht waren, was de ellende groot. De voorziening in deze belangen rustte geheel 02gt; de schouders van Janssen, commissaris voor de kerkelijke zaken. In 1814 ging reeds een commissie aan den arbeid om het hooger onderwijs te regelen. Den 2 Augustus 1815 werd deze wet bij koninklijk besluit goedgekeurd benevens enkele maatregelen ter aanmoediging van de studie in de theologie. Het vroegere recht van collatie word 1 Februari 1815 hersteld. Reeds in November 1814 was een departement van Eeredienst opgericht: de zaken der Hervormde kerk en der Joden werden aan den heer Repelaer van Driel bij voorbaat onder den titel van commissaris-generaal, later minister, opgedragen:\'zijn secretaris Janssen was de ziel van dezen tak van staatezorg en alle gewichtige maatregelen, die daarvan zijn uitgegaan.
Sedert 1798 was het een uitgemaakte zaak, dat er in de Nederlanden niet langer één heerschende kerk zou zijn, naast welke andere genootschappen slechts geduld werden. Dat beginsel was vervallen en de Hervormde kerk heeft haar ouden rang niet weer teruggekregen. Doch dit verlies was veeleer winst. In de grondwet van het koninkrijk der Nederlanden werden ten aanzien van de godsdienstige gezindheid der burgers dezelfde beginselen gevolgd, die reeds in de constitutie van 1798 waren uitgesproken: volkomene vrijheid van geloofsbegrippen voor elkeen, gelijke bescherming aan alle bestaande kerkgenootschappen, het recht op onbelemmerde godsdienstoefening, voor
359
zoover daardoor de openbare orde of veiligheid niet werd verstoord.
Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, IV, 601 vlg. Bij de nieuwe wet op het H. O. bleven Leiden en Groningen, werd Utrecht op nieuw als hoogeschool erkend en werden de athenaea Franeker en Harderwijk hersteld. De athenaea Amsterdam, Middelburg, Deventer en Breda kregen verlof om te blijven bestaan doch niet ten laste des rijks.
De tweede afdeeling van het departement Eeredienst voor de zaken van de Katholieken, Remonstranten, Lutherschen en Doopsgezinden was onder een afzonderlijken commissaris-generaal met secretaris gebracht.
De grondwet van 1815 was in het hoofdstuk van de godsdienst onzijdiger gesteld dan die van het vorige jaar. Daarin stond nog de bepaling, art. 134, dat de souvereine vorst „de christelijke Hervormde godsdienstquot; moest belijden. Ook werd daarin aan de met name genoemde „Christelijke hervormde kerkquot; de betaling van de voor haar bestemde tractementen etc. verzekerd, art. 136. Den koning was het recht toegekend „om zoodanig toezicht over alle godsdienstige gezindheden uit te oefenen, als voor de belangen van den staat dienstig zal bevonden wordenquot; enz., art. 139. Doch dit alles, de bepaling omtrent de belijdenis van den vorst, de vermelding met name van de Hervormde kerk en het koninklijk toezicht op de kerkgenootschappen werd uit de volgende grondwet weggelaten. Hooijer, Kerkel. wetten, p. 16—20. De Hervormde kerk en de andere gezindten kregen thans terug, wat door de omwenteling zoo ruw aangetast en door het Fransche régime in schromelijke verwarring gelaten was, zekerheid van de haar com-peteerende inkomsten uit \'s lands kas en kerkelijke goederen.
§ 275. Dat de kerkelijke inrichting geheel verouderd was en onder den veranderden toestand van zaken uitgediend had, word door allen gevoeld. Doch de kerkelijke besturen bleven werkeloos: zij bepaalden zich maar tot een hoopvol afwachtende houding. Alleen de deputaten van Zuid-Holland gaven nog een laatste levenstecken door aan te dringen op het bijeenroepen der provinciale synoden. Dat kon om finan-tieele redenen niet worden toegestaan. De voornaamste oorzaak dei-weigering was echter gelegen in de plannen der regeering, die het voorstel om tot regeling van de kerkelijke organisatie een algemeene synode samen te stellen als niet noodig en zelfs niet wenschelijk afwees op advies van den Raad van State den 14 Mei 1814. Dit hooge collegie ried den koning een consuleerende commissie van verlichte leeraars en andere kundige mannen in \'t leven te roepen. Dezen moesten dan den vorst en zijn raadslieden voorlichten omtrent den meest wenschelijken vorm van kerkbestuur. Het besluit daartoe
360
werd in het najaar genomen, doch daarbij bleef de zaak vooreerst rusten. Schijnbaar, want onderwijl waren in stilte aan het departement van Binnenlandsche Zaken de organiseerende geesten aan den arbeid gebleven. Toen het onderhands reeds ontworpene reglement klaar lag, werd aan Z. M. het plan voorgelegd om tot geheime benoeming van kerkelijke raadslieden over te gaan. Dit geschiedde op den 28 Mei van het volgende jaar. De regeering stelde zich vertrouwelijk met de door haar bedoelde personen in onderhandeling. Drie weken later, toen Napoleon zijn leger aanvoerde tot de laatste worsteling tegen de vereenigde mogendheden van Europa en de donder van het geschut rolde over het doorweekte slagveld van Waterloo, den 17 Juni werd aan elf predikanten in de provinciale hoofdsteden het ontwerp toegezonden van een „Algemeen reglement voor het bestuur der Hervormde kerk van het koninkrijk der Nederlandenquot; in behoorlijke orde met bijgevoegde ophelderingen omtrent de daarin neergelegde beginselen. Zij hadden vrijheid daarover hun advies en aanmerkingen te kennen te geven. Dat deden zij en ten gevolge daarvan zijn nog eenige wijzigingen van ondergeschikt belang in bet ontwerp aangebracht. Later werden dezelfde heeren opgeroepen tot een vergadering, die in den Haag zou plaats hebben onder leiding van den secretaris van Binnenlandsche of van den commissaris voor de kerkelijke zaken, van Stralen of Repelaeu van Driel, De samenkomst werd den 25 October geopend en het resultaat was goedkeuring. Daarna bracht de Raad van State nog enkele veranderingen aan. Nadat de bezwaren van den commissaris-generaal uit den weg geruimd waren, volgde den 7 Januari 1816 de koninklijke goedkeuring.
Het uitvoerige verhaal bij Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, IV, 650—658. Zie verder Muurling, Pr act. Godgel., IT, 120; Prins, Kerkrecht, p. 61 vlg.; Hooijer, Kerkel. wetten, p. 21 vlg.; H. G. Kleijn, Alg. kerk en plaatsel. gem., p. 205 vlg.
Een der redenen, die de Raad van State aanvoerde om geen nationale synode samen te roepen, was de vrees, dat dan vrij zeker „de zuiverheid der Hervormde godsdienstleerquot; ter sprake zou komen en men meende niet zeker te zijn, „dat daarbij altijd die gematigdheid zoude plaats grijpen, welke alleen de rust der kerk kon verzekerenquot;.
§ \'276. Kr werd met groote voortvarendheid gehandeld. De koning gelastte in hetzelfde besluit, zoowel dat het reglement met den meesten spoed moest worden ingevoerd als ook dat de nog bestaande kerkelijke besturen regelmatig hun werkzaamheden moesten eindigen. Den 6 Maart stelde de classis Amsterdam een memorie van bezwaren. De hoofdzaak daarvan was, dat deze veranderingen niet uit den boezem
361
van kerkelijke vergaderingen en besturen waren voortgekomen. Van wege Z. M. gaf do commissaris-generaal nog in dezelfde maand antwoord ter wederlegging van deze bedenkingen. De classis Amsterdam zette haar protest niet voort en zij kon dat ook niet, want do voormalige kerkbesturen eerden allen reedB den 31 Maart in stilte ontbonden. De koning benoemde een geheel nieuw bestuur, deze eerste reize zelfs onmiddellijk. Do kerk heeft zich deze beschikkingen laten welgevallen en wat haar op hooger gezag gegeven werd, niet alleen gewillig maar zelfs met dankbare vreugde aangenomen, Want deze organisatie was na de ongeregelde, thans geheel onbruikbare inrichting van weleer een grooto verbetering, zoo goed als men maar kon wenschen. Kundige, in kerkelijke zaken vertrouwde mannen hadden daaraan gearbeid, Willem I genoot een buitengewone mate van populariteit en toonde ten aanzien van de kerk en het kerkelijke leven onverdachte welwillendheid. Bij ernstige kwalen zijn krachtige geneesmiddelen en doortastend optreden noodzakelijk. De schepping van Willem I is het begin van een nieuw tijdperk in het leven van de Hervormde kerk en gaf aan haar van staatswege althans de een-heid van organisatie, die de mannen van Dordrecht hadden gewenscht maar niet kunnen verkrijgen.
Men moet rekening houden met het historische feit. Het is dus de groote vraag, of wel ooit zoo spoedig zulk een resultaat in overeenstemming met de geheel veranderde tijdsomstandigheden verkregen zou zijn, indien de weg bewandeld was, die voor de eenig wettige gerekend wordt, indien de classes en provinciale synoden aan het werk waren gezet om een nationale synode voor te bereiden, die dan voor haar eindelijk aangenomene regeling de koninklijke beoordeeling en goedkeuring had moeten aanvragen.
De organisatie van 1816 wordt het staatscreatuur van Willem T genoemd en daaruit de onwettigheid van de geheele inrichting der „synodale genootschapskerkquot; afgeleid. Doch dit bezwaar kan worden uitgewisseld tegen een feit van gelijken rang, dat niet minder autocratisch was, nl. den coup d\'état van prins Maurits, het toenmalige hoofd van den staat, die daarmede den doorslag gaf tot het houden der Dordtsche synode. Bovendien, de zaak zelf is niet zoo geheel „origine et lege onwettigquot;, als zij wordt voorgesteld. Art. 139 der grondwet van 1814 stond aan den souverein het recht toe van inzage en beschikking omtrent de inrichting van die gezindheden, welke eenige betaling of toelage uit. \'s lands kas genieten. Onder vigueur van deze bepaling zijn alle maatregelen ten aanzien van de Hervormde kerk genomen. Aan de grondwet van 27 Augustus 1815 mocht geen terugwerkende kracht worden toegeschreven ten aanzien van een organisatie, die op dat moment al
362
gereed lag en waarvan het plan door de adviezen van de consu-leerende commissie reeds op weg tot uitvoering was gebracht. Verg. Prins, Kerkrecht, p. 61—65.
§ 277. De eerste algemeene synode der Hervormde kerk van het koninkrijk der Nederlanden werd opgeroepen en vergaderde den 3 Juli in den Haag. De koning benoemde niet alleen de leden maar ook het bestuur en den vasten secretaris, ds. I. J. Dermout. De eerste president was ds. Krieger. Beiden waren predikant in den Haag. Uit twintig personen bestond deze achtbare en deftige vergadering: twaalf predikanten, één ouderling, de secretaris en de eveneens permanente quaestor als gewone leden, drie professoren als praeadviseurs en twee commissarissen-politiek. Op deze eerste vergadering van het hoogste kerkbestuur hield na eenige inleidende plechtigheden de commissaris-generaal Repelaer van Driei. een rede, waarin hij aantoonde, wat naar de bedoeling des wetgevers de taak en het streven der synode moesten zijn. Daarna begonnen de werkzaamheden, die voornamelijk bestonden in het onderzoek en de goedkeuring van de bijzondere reglementen, die ook reeds vooraf ontworpen waren. Zij werden vervolgens aan den koning ter sanctie aangeboden, en konden dan in werking treden. Uitgezonderd het reglement voor de kerkc-raden, dat eerst in 1825 tot stand is gekomen. Voor het laatst liet zich op deze synode nog de stem vnn het oude régime hooren in een adres van eenige predikanten uit de voormalige classis Leiden en Woerden. Hun bezwaren tegen de nieuwe organisatie en de wijze van invoering werden door de synode ongeveer in gelijken geest beantwoord als in de missive der regeering aan de classis Amsterdam. Den 30 Juli word deze synode gesloten. Zoo was het vernieuwde kerkelijk organisme in werking gebracht.
Onder de gewone leden der synode was wel eenige wisseling, maar niet weinigen werden meermalen herkozen. Tot het vaste personeel behoorden de secretaris en de quaestor. De heer Dermout, die tot zijn dood 1845 deze functie waarvan, kreeg daardoor invloedrijke geoefendheid en gezag in synodale zaken. Tot president werd doorgaans dezelfde herbenoemd: Krieger en van Deinse 1 iresideerden elk vier vergaderingen, en na hen was H. H. Donker Curtius, zeer bevriend met Z. M., van 1825 tot [839 steeds voorzitter. Als directeur-generaal verscheen de baron Pallandt van Keppel van 1817 tot 1840, terwijl de secretaris Janssen alle vergaderingen tot 1847 bijwoonde.
De classis Amsterdam berustte bij het antwoord, dat de regeering den 28 Maart haar had doen toekomen, want zij hebben geen gebruik gemaakt van de vergunning daarin verleend om „vrij en
363
onverlet, de bezwaren, die hun nog mogten overblijven, bij de aanstaande synode intebrengenquot;, Hand. der synode, 1816, p. 43.
§ 278. Bij verrassing en nagenoeg zonder eigen toedoen had de kerk haar vaste regeling ontvangen. Aanvankelijk werden daarvan alleen de genoegens en groote voordeelen geprezen. Later kwamen de klachten en bezwaren. Doch wat tot het verledene behoorde, behoefde niet betreurd te worden. Voor de onsamenhangende gewestelijke synoden was eenheid en goede regel in plaats gekomen. De classikale besturen hadden een geheel ander karakter gekregen. De provinciale kerkbesturen waren ingevoerd. Het houden van een jaarlijksche synode gaf vereenvoudiging, vermindering van kosten, gewenschte orde aan de kerkelijke wetgeving. Zeer zeker stond de Hervormde kerk in dezen tijd onder de voogdij van den staat. De regeering had in den persoon van den souvereinen vorst zich grooten invloed voorbehouden op het inwendig bestuur, op de geheele inrichting der kerk. Doch niet om haar te blijven beheerschen of in een staat van onmondigheid te houden, zooals later bleek. De organisatie van 1816 steunde op een grondslag, die de kerk geschikt maakte voor verdere ontwikkeling tot de meest wenschelijke zelfstandigheid op haar eigen gebied.
H. G. Kleijn, Algem. kerk, p. 205 vlg.; J. J. Prins, Kerkrecht, p. 65 vlg. De bezwaren, die tegen de organisatie der kerk onder Willkm I worden aangevoerd, komen behalve de afkeuring der wijze van invoering neer op deze punten: het aristocratische karakter der besturen, de geringe vertegenwoordiging van het ouderling element, de groote macht eener weinig talrijke synode, de voogdijschap en het strenge toezicht des konings, de onbepaalde invloed van het ministerieele departement, de ongelijke vertegenwoordiging der provinciën in de synode, het voortdurend aanblijven van den secretaris, enz. Ze werden vrijmoedig uitgesproken door Hooijer in zijn Kerkelijke wetten, Mensinga in een aantal Gidsartikelen 1847, van Senden e. a. Zie Prins, p. 73, 74.
DE STRIJD OVER HET CiEZAG DER FORMULIEREN.
§ 279. Bij den aanvang van dit nieuwe leven heerschte in de kerk een mildere geest. Al meende ds. Broes in 1822 een vereeniging van alle Protestanten, die door velen gewenscht word, tc moeten ontraden, de strijdbijl werd begraven. Hervormde predikanten vervulden liefde-beurten in de kerken van andere gezindten. Hooglccraren hielden lofreden over dezen gelukkigen tijd, waarin door vrijheid en onderlinge verdraagzaamheid dc studie bloeide en de kerk zich op het
3G4
voordeeligst ontwikkelde. Bijna alle godgeleerden en predikanten stonden op een rationeel-supranaturalistisch standpunt; het meest gelozene theologisch tijdschrift was sedert het begin dezer eeuw de Godgeleerde Bijdragen, toenmaals het orgaan van den invloedrijken Donker Curtius en van den Tielschen predikant P. van der Willigen.
Alzoo achtten de kerkbestuurders zich ontslagen van de roeping om de vrijheid des gewetens eenigen band aan te leggen. Duidelijk werd door den kerkdijken wetgever deze opvatting bedoeld van den thans ingestelden regel. De burgerlijke overheid meende slechts de beginsels van het echte Protestantisme te mogen volgen, en deze „vorderen standvastig vrijheid van godsdienst en gewetenquot; en kennen aan geen macht ter wereld „het minste gezag toe over leer en geloofquot;. De synode was bepaaldelijk niet opgeroepen „om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de kerk te besturenquot;. Het artikel, dat do kerkbesturen tot handhaving van de leer der Hervormde kerk verplichtte, had geenszins de strekking om die leer op nieuw te bepalen en te onderscheiden. De nieuwe formule, die de proponenten na hun examen moesten onderteekenen, behelsde aangaande het dogma alleen de verklaring van instemming met „de leer, welke overeenkomstig Gods heilig woord, in de aangenomen formulieren van eenigheid is vervatquot;, een uitdrukking, die blijken zou voor verschillende uitlegging vatbaar te zijn.
W. Broks, pred. te Amsterdam, schreef in 1822 zijn Geschiedkundig onderzoek over de vereeniging der Protestanten in de Nederlanden onder het motto: Haast u langzaam. Hoezeer de oude veeten vergeten waren, bleek hieruit, dat in 1834 des Amorie van der Hoeven, de feestredenaar der Remonstranten, zijn rede eindigde met den wensch, dat „geen derde jubeldag voor deze kweekschool mocht aanbrekenquot;, en dat de president Donker Curtius in 1833 tijdens de zitting der synode preekte voor de Remonstranten te Rotterdam. Men hield het bestaan van al die Protestantsche kerken voor een treurig levenstecken „der jammerlijk verdeelde Christenheidquot;. Die Unruhen in der Niederl. Ref. Ktrche, ]gt;. 12—31; Sepp, Pragm. geseh. der theol., p. 125 vlg.; Bouman, De Godgel. en hare heoef., p. 344 vlg.
Van kerkelijke vervolging wegens afwijkingen in de leer was langer geen sprake. In 1826 gaf ds. P. W. Brouwer van Maassluis zijn opvatting over de bijbelleer aangaande den persoon van Jezus in het licht. Het boek was een bestrijding der leer van de godheid van Christus en de triniteit volgens het Athanasiaansche symbool; het werd veel besproken, het baarde opzien, doch niemand taalde naar een aanklacht.
In de consuleerende commissie van 1815 verklaarden zelfs twee leden zich legen elke onderteekening van formulieren, maar om
365
der wille van de behoudende partij in de kerk, die de zuivere leer door de nieuwe regeling bedreigd kon zien, werd het beter geacht in het reglement op het examen een bepaalde formule op te nemen. Daarin werd het woord aangenomen formulieren n;et opzet door de synode gebruikt, omdat het alleen sloeg op de Nederlandsche Confessie en den Catechismus. Men verkeerde toen in den waan, dat de leerregelen van Dordrecht niet in alle gewesten varen aangenomen. Reeds was feitelijk de vermelding van de Dordtsche canones uit sommige kerkelijke wetten weggelaten, althans uit die van Friesland 1722 en natuurlijk ook van 1804, Wetb. en kerk-ordre voor de Herf. kerk in Vriesland, p. 14, 37; zie ook Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. kerk, II, aant. p. 171, 172. Verder had men hierbij het oog op de befaamde Walchersche artikelen, welke alleen in die classis aangenomen waren, Hooijer, Kerkel. wetten, p. 56, 57, aant.
§ 280. Toch waren er, die bedenkingen koesterden tegen zulk een vrijheid. De oude classis Amsterdam ontveinsde in haar adres niet, dat zij zich\', onder de bestaande omstandigheden ernstig bezorgd maakte over het bewaren der rechtzinnige leer. Dat was eveneens het hoofdmotief van die adressanten uit dc classis Woerden en Leiden, die daarna soortgelijke bezwaren bij de synode indienden. Toen hun bedenkingen beantwoord waren, kwamen zij er niet weer op terug en gingen de eerste jaren vrij rustig voorbij. Alleen in 1819 vestigde ds. Schotsman van Leiden de aandacht op het tweede eeuwfeest der Dordtsche synode, dat anders onopgemerkt zou zijn voorbijgegaan. Hij deed zich daardoor kennen als een ijverig, maar gemoedelijk voorstander van gereformeerde rechtzinnigheid.
Een oppositie van eenige beteekenis tegen den zegevierenden geest in staat en kerk ontstond eerst sedert 1823. Aan de spite van dat reveil verhief zich de forsche, hoekige gestalte van Willem Bilderdijk met zijn beide bekeerlingen da Costa en Capadose. Zij sloegen een toon aan, die dadelijk velen met geestdrift te wapen riep en met „diepen haat jegens liberalen en liberalismequot; vervidde. In dezen kring, medegesleept door de hartstocht van den talentvollen en geweldigen poëet, beschouwde men deze eeuw als „een tafereel van eenen openbaren oorlog tegen Grodquot;. Frankrijk had als Pandora door de omwenteling een stroom van euvelen en noodlottige kwalen over Europa alsmede over het bedorvene vaderland uitgestort. Een der middelen tot genezing was „het vonkelende licht der rechtzinnigheid oj) den kandelaar te plaatsenquot;. In 1823 gaf da Costa zijn „Bezwaren tegen den geest der eeuw1\', een ware oorlogskreet tegen al liet bestaande. Bilderdijk nam liet boek tegen allo bedenkingen in besoher-
366
ming en zijn geestverwanten schudden de lofredenaars van den nieuwen tijd door een reeks brochures wakker uit hun harmonische gemoedsrust.
Behalve Schotsman (1754—1822), Glasius, Biogr. Woordenh., III, 307—309, lieten nog enkele anderen hun afkeuring over de toen heerschende onrechtzinnigheid hooren. Ds. Lucas Fockens, een rechtzinnig ij veraar, haalde zich in 1819 te Sneek wegens „het verwekken van een kwaad gerucht van zijne medeleerarenquot; in een preek een kerkelijke censuur op den hals. Te Dordrecht werd in 1822 de oefening van een blindeman door een volkshoop verstoord. In 1828 werd te Arnhem het examen van den candidaat Dibbits opgeschort „wegens zijne dweepzieke gevoelensquot;. Toen hij zich voor goed terugtrok, kreeg hij zijn testimonia terug. Vos, Gesch. der Vad. kerk, II, 249—252; Synod. Handel. 1818, p. 116; 1819, p. 15; 1824, p. 40; 1829, p. 30, 68. De woordvoerders van eenige beteekenis en genoegzame talenten zwegen nog.
Willem Bilderdijk (1759—1831) is een phenomeen, dat veel besproken en moeielijk te beschrijven is. Da Costa, Kinker, Gorter e. a. hebben een levensbeeld ontworpen, eveneens N. C. Balsem , die met even groote waardeering en kracht ook Da Costa behandelde. J. te Winkel, Bilderdijk, lotgen. van Mullaluli, 1890, gaf een psychologische beschouwing. Zie ook Pierson, Bilderdijk, een der vaders van hel reveil in de Gids, 1886, I, 397 v\'g-; Unruhen in der Nied. Ref. Kirche, p. 53—45. Da Costa liet op zijn Bezwaren dadelijk nog twee geschriften volgen: Sadduceèn van onzen lijd (vooral tegen de Remonstranten) en Geestelijke Wapenkreet. Ook Capadose voerde niet alleen de pen als belijder van Jezus den Christus, hij klaagde in 1825 ook een ouderling te Amsterdam wegens onrechtzinnigheid aan. Vos, Gesch. y II, 243, 244. Tot de school van Bilderdijk behoorden verder W. de Clerq, J. van Lennep, die evenwel later bedaarde. Groen van Prinsterer, van der Kemp, en andere mannen, die meer van zich zouden laten hooren. De laatste begon in 1830 met historische bewijzen de anticalvinistische voorstellingen van Ypeij en Dermout te weerleggen in zijn werk De cere der Ned. Herv. kerk gehandhaafd, 3 dln.
§ 281. De oppositie, die in do school van Bilderdijk het eerst met kracht gevoerd werd, wekte ook anderen op om naar eigen inzicht hun grieven te luchten. De oefenaar Vijöeboom schreef sedert 1820 een aantal brochures tegen onrechtzinnige leerstukken, die op de Hervormde kansels verkondigd werden, en zijn oefeningen bezorgden hem een vrij talrijken aanhang. De Waalsehe predikant Bahlek van Zwolle en zijn echtgenoot lieten zich niet onbetuigd tegen het
367
koninkrijk van het beest bij de in naam Hervormde kerk. Doch den meesten indruk maakte een klein geschrift, dat in 1827 onder den titel „Adres aan alle mijne Hervormde Geloofsgenootenquot; uitkwam. Daarin werd de bepaalde beschuldiging uitgesproken, dat de kerkelijke wetgevers met behendig opzet de onderteekeningsformule zoo breed hadden gesteld; de predikanten behoefden nu slechts instemming met de Hervormde leerstukken te beloven, niet omdat maar „voor zoover zij met Gods Woord overeenkomenquot;. Het boekske beleefde nog in datzelfde jaar zijn negenden druk. Steller daarvan was de Haagsche predikant Dirk Molenaar, zooals den minister van Eere-dienst bleek, toen hij hem \'s konings ongenoegen daarover te kennen gaf. Want de groote ergernis werd gaande gemaakt, niet omdat Molenaar de formulieren van eenigheid erkende en handhaafde, maar omdat hij, zelf predikant, den geheelen stand beschuldigde van ontrouw en „heimelijke list in de ondermijning onzer Kerkleerquot;. Ds. Molenaar trok zijn woorden wel is waar niet terug, maar legde de verklaring af, dat hij de rust van de kerk niet wilde verstoren. De koning gaf te kennen, dat hij dan verder ongemoeid zoude blijven. Doch wat hij gesproken had, was en bleef de meening van velen.
De evangelische gezangen bleven in weerwil van de koninklijke goedkeuring den 17 Maart 1814, Kist en Roijaards, Archief, IX, 535, 536, zeer impopulair bij de rechtzinnigen. Over Vijgk-boom zie § 287.
Het adres van Molenaar werd als het werk van een scheurmaker en twiststoker voorgesteld door ds. B. Verwey, die daarover in 1828 weer hevig doorgehaald werd door J. le Feburé, zie Vos, Gesch. der Vad. kerk, II, p. 244—249, 252—254; Gieseler, Unruhen, p. 45—48. Ook le Roy, predikant te Oude Tonge, schaarde zich openlijk aan Molenaars zijde met Een woord voor vrede en waarheid, 1829.
§ 282. De vraag over het gezag der symbolische boeken, omdat of in zooverre als zij overeenkomstig zijn met Gods woord, trad daardoor steeds sterker op den voorgrond: het bekende geschil over het „quia of quatenusquot;, dat de kerk in twee scherp tegenover elkander staande partijen verdeelde.
Tot 1833 bleef het echter tamelijk rustig, hoewel het oefenen of de toeloop naar beslist orthodoxe leeraars zeer toenam. In gemeenten, waar zulk een \'gisting zich niet openbaarde, was over kerkgaan en belangstelling niet te klagen. Bij de opening der synode van dat jaar wees president Donker Curtius in een aanspraak met welbehagen op den geest van liefde en christelijke vrijheid, die in de kerk heerschte en het beste wapen was in den strijd tegen hen, die ten
368
doel hadden haar weer „twee eeuwen terug te zettenquot;. Doch reeds waren op datzelfde oogenblik groote moeielijkheden in aantocht. Dikwijls werd het openlijk aan de meer evangelisch vrijzinnige leeraars verweten, dat zij hun eed gebroken hadden door af te wijken van de leer hunner kerk. Dit bewoog prof. Hofstede de Groot van Groningen om zijn gedachten over deze beschuldiging, die zoovelen was aangewreven, wereldkundig te maken in het voorjaar 1834. Voorzeker een moedige daad, want zonder omwegen verklaarde hij, dat de vraag, of de leeraars der Hervormde kerk Dordtsch-rechtzinnig behoorden te zijn, slechts ontkennend mocht beantwoord worden. „Zoo iets had de Hervormde kerk sedert de dagen van Dordrecht niet gehoord.quot; Het hooge woord was eindelijk uitgesproken, klaar en ondubbelzinnig.
Dadelijk begon de aanval op den stouten spreker, die evenwel ook zijn warme verdedigers vond. Tot de vrije partij, „die echter niet wenschte, dat de synode het (quatenus) mocht uitsprekenquot;, behoorden meest alle jongelieden. Voorloopig waagden weinigen het om openlijk het voorbeeld van den Groninger hoogleeraar te volgen. Een bijzonder groot aantal brochures verscheen zonder den naam des schrijvers en deden daarom minder nut.
Op de synode van 1829 en volgende kwamen wel in het verslag der synodale commissie (ingesteld sedert 1827) eenige klachten voor over het toenemen van oefeningen en de neiging tot afzondering in sommige gemeenten. In 1833 werd vermeld, dat het verzoek om met meer dan negentien personen te vergaderen tot het houden van godsdienstoefening door Z. M. was afgewezen. Hand. der syn., 1833, P- 17. l8-
Petrus Hofstede de Groot, geboren den 8 October 1802 te Leer, sedert 1826 predikant te Ulrum en voorganger van zijn academievriend en lateren tegenstander de Cock, dien hij er zelfs bevestigd heeft in November 1829, kort nadat hij te Groningen tot hoogleeraar benoemd was, kleinzoon van den Rotterdamsdien professor, was een der merkwaardigste mannen van zijn eeuw, als emeritus gestorven 5 December 1886, Jonckbloet, Gedenkb. der Gr on. hoogeschool, bijl. p. 142; Heerspink, De Godgel. en hare beoefenaars te Gran., II, 268—332. De volle titel van zijn opzienbarend boek, dat in 1834 nog een tweede, veel uitgebreider druk noodig had, was Gedachten over de hese huid. tegen de leeraars der Ned. Herv. kerk.
§ 283. Tegen hen verhief zich met steeds dringender eischcn de symbolische partij. Van hen, die niet aan separatistische neigingen toegaven, waren de strengsten da Costa en zijn vrienden, die aodert
869
1834 het tijdschrift Nederlandsche Stemmen als hun orgaan uitgaven en niets meer of minder dan kerkzuivering door verwijdering van de andersdenkenden verlangden. Naast hen vormde zich een andere fractie, die zich bepaalde tot het aandringen op strongtre bepalingen omtrent de leer: dozen kregen sedert 1834 Engels, predikant van Nieuwolda, en anderen tot woordvoerder. Nog bestond er een derde groep van voorstanders van het quia, de aanhangers der beschouwings-wijzo van Heringa. De bejaarde Utrechtsche professor was van zijn vroegere liberale strevingen bekomen. Het verwekte dadelijk opzien, dat hij zijn gezag in de schaal wierp tegenover zijn ambtgenoot van Groningen. Daardoor werd hij de tolk van hen, die om der zwakken wil en uit schroomvalligheid de formulieren ongerept wenschtcn te laten. Zelfs vele leden der synode waren merkbaar onder dien indruk en gaven hun steun aan het voorstel van den pracadvisour Clabisse van Leiden, dat de synode zich zou bepalen tot het afvaardigen van een circulaire aan alle predikanten en kerkeraden met de vaderlijke vermaning om zich „bedachtzaam te onthouden van alles, wat de zuiverheid hunner belijdenis en prediking eenigszins in verdenking zoude kunnen brengenquot;. Deze halfheid veroorzaakte groot misnoegen en deed ook de achting voor den al te behoedzamen geleerde bij velen dalen. Geheel anders was de handelwijze van president Donker Curtius , die in een reeks vertoogen openlijk verklaarde met Hofstede de Groot in te stemmen: nu hij eenmaal deze snaar had aangeslagen, was liet beter „zich onbevreesd aan de waarheid vast te houdenquot;.
Uit den kring van da Costa schreef tnr. C. M. van der Kemp het meest belangrijke tegenschrift: De beschuldiging gestaa/d, enz.
Hofstede de Groot had reeds in 1833 de orthodoxe leer met teksten uit den bijbel weerlegd in een anoniem boekje onder den titel: Wien zult gij gelooven, den mensch of God? Het was zijn eerste strijdschrift en verwekte bij de rechtzinnigen een vlaag van woede. Ken der beweegredenen tot het stellen zijner Gedachten verhaalt hij zeil in De Gron. godgel. in hunne eigenaardigheid, p. 223—225: het was oin te voorkomen, dat de Cock ontijdig hun briefwisseling uitgaf. Niet anoniem of pseudoniem werd in den geest van de Gedachten gesproken alleen door Donker Curtius in de Godgel. Jiijdr. van 1834 en 1835 en door ds. J. van der Linden, Bijdragen voor de zuivere bijbelleer, 1834. Zie verder Unruhen in der Nied. Ref. Kirche, p. 82—104. De synodale circulaire van 16 Juli 1834, Handel, der synode, 1834, p. 153, 164—166.
lien volledige lijst van alles, wat prof. P. Hofstede de Groot geschreven heeft, is opgenomen in Jaarh. der rijksuniv. te Gron., t886—1887, p. 34—42.
Or. Reitsma , Kerkgesch. 24
370
§ 284. Het waren onrustige jaren op kerkelijk gebied, die toen aanbraken. Bij do vrijzinnigen werd het hooghartige medelijden met al wat aan de leer van Dordt de voorkeur gaf, vervangen door onverholen weerzin tegen hen, die al deze moeite maakten en blijkbaar hun opgaande zon begeerden te verduisteren. Hevige en hatelijke verwijten werden hun naar \'t hoofd geslingerd en met gelijke munt betaald. Toen in 1835 de synode in den Haag zou bijeenkomen, was in het geheele land de aandacht op de hooge kerkvergadering gericht. Een groot getal verzoekschriften in verband met de quaestie, die de gemoederen in spanning bracht, waren van weerskanten opgezonden, derhalve van zeer verschillenden inhoud. De orthodoxe adressanten verlangden een ondubbelzinnige verklaring, doch verreweg de meeste predikanten van Friesland en ook velen uit Groningen en Drente, gaven als hun verlangen te kennen, „dat door de synode tot ge ene verandering of wijziging of verklaring van het formulier van onder-teekeuing voor aankomende Leeraren moge worden beslotenquot;. Dit was het meest in den geest van de leden der synode en alleen prof. Heringa verzette zich met kracht doch vergeefs tegen het eenstemmig genomen besluit der vergadering om in geen nadere uitlegging te treden. Daardoor plaatste zij zich op het onzijdige standpunt, dat een tijdelijk kerkbestuur ten aanzien van geloofsvragen geen beslissende uitspraak mag doen. Aanvankelijk scheen daarmede de zwarigheid ontweken te zijn. De volgende synoden ontvingen weer adressen en vertoogen: zij werden voor kennisgeving aangenomen en geseponeerd. Doch het ongenoegen leefde bij velen voort en deed voorzien, dat de twist nog wel eens weer hervat zou worden.
De meerdere vrijheid maakte intusschen geenszins bevreesd of afkeerig van de studie. Juist in dit tiental jaren bereikte het getal der proponenten een buitengewone, zelfs ongekende hoogte. Daaraan kwam eerst een einde ten gevolge van den te grooten toevoer, die langen tijd de behoefte ver overtrof.
Die Unruhen in der Nied. Ref. Kirche, p, 104 vlg.; de Groot, De Gr on. godgel., p. 228—230; Vos, Gesch. der Vad. kerk, II, 268; Groen van Prinsterer, Handb. der gesch. van het vaderl., p. 872 (§ 1073); Handel, der synode 1835, p. 12, 20, 21, 83—85, 96, 118, 120—137, 161. In zes adressen drongen 28 predikanten met onderscheidene motieven aan op een besliste quot;uitspraak of op handhaving van de verbindende kracht der formulieren. Een dergelijk request was ingezonden door vijftig lidmaten uit Drente. Negen adressen waren onderteekend door 173 predikanten uit de noordelijke provinciën (van welke 126 uit Friesland) om juist op het tegendeel aan te dringen. Ook was er nog een missive van 47 predikanten uit Groningen en Drente met aanmerkingen tegen
371
de synodale circulaire van het vorige jaar. Prof. Heringa, voor het laatst als praeadviseerend lid aanwezig, werd niet onder de rapporteurs over deze adressen benoemd, maar zijn leerling prof. van Oordt. Hij teekende protest aan tegen het besluit der synode.
De predikanten le Roy en Engels gingen voort met hun aandrang en adresseerden in 1836 en 37 nog aan de s/node, die de zaak toen echter liet rusten.
In het begin dezer eeuw koesterde men vrees voor gebrek aan leeraars en waren maatregelen om de studie in de theologie te bevorderen noodzakelijk, zie het rapport daarover Handel, der syn., 1819, p. 16—-43. Wat vervolgens ter aanmoediging gedaan werd, was afdoende, want het getal der studenten aan de academies en drie athenaea bedroeg sedert 1829 steeds meer dan 600. Het bereikte in [835 het hoogste cijfer 653, dat in 1836 plotseling afdaalde tot 488 en daarna geregeld verminderde. Het getal der proponenten steeg voortdurend tot aan Mei 1836, toen in \'t afgeloopen jaar 89 toegelaten waren. Ook daarna vertoonde zich hier een belangrijke daling. Maar in dezelfde evenredigheid verminderde ook het getal der vacante gemeenten zoo snel, dat het in 1833 zelfs „onbeduidendquot; genoemd werd. Het getal der predikantsplaatsen is in deze eeuw gaandeweg met ongeveer honderd vermeerderd.
24\'
HOOFDSTUK XXI.
vervolg. bk separatisten.
Mr. G. Groen vanPrinsterer, Demaatreg. legende Afgescheid. aan hel slaatsrechl getoelsl, 1837. Daartegen:
Mr. A. W. van Appeltere , Hel staatsrecht in Neder 1. vooral in hetr. lol de handel, der regeering lenopz.derAfgescheidenen, 1837.
P. Boeles, Over slaatsregt, Herv. kerkhest. en Separatismus, 1838.
Compl. uitgave van de ojfie. stukken betr, den uitgang uit het Ned. Herv. kerkgen., lo ed. 1863, 2o ed. vermeerderd 1884.
S. van Velzen , Gedenkschrift der Christel. Geref. kerk bij haar vijftigj. jubilé, 1884.
H. de Cock jr., Hendrik de Cock, eerste Afgesch. pred. in Ned., 1860, 2e ed. 1886.
Benevens een menigte brochures, artikelen in tijdschriften, enz.
De Zwijndrechlsche Nieuwlichters, volgens de gedenkschr. van Maria Leer, 1892, met inl. van J. H. Maronier.
Verder de artikelen van prof. Quack in de Gids en Verslagen Kon. Acad., e. a.
§ 285. Werd aldus door de volgelingen van Bilderdlik verzet aangeteekend tegen den geest der eeuw en de bovendrijvende richting in do kerk, gelijktijdig openbaarde zich onder hot volk in sommige streken des lands oen onrustig zoeken, dat op afzondering moest uitloopen. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussehen enkele min of meer mystieke verschijnselen en de bloote neiging tot behoud der zuiver rechtzinnige leer en der oude, kerkelijke gebruiken. Beiden moesten, op de spits gedreven, leiden tot het verlaten van een kerk, die voor de verzorging en bevrediging der godsdienstige behoefte ruimer veld te bearbeiden heeft. Tot de eerste categorie behooren do bijbelsch-communistische sectc der Zwijndrechters en de meer apocalyptische dor volgelingen van Mazereeuw, tot de tweede de zuiver separatistische Vijgeboomianen en Coeksianen.
Omstreeks 1825 begon Jan Mazereeuw, voormalig maire en landbouwer te Opperdoes, een secte te vormen, die zich 5 Mei 1845 van de kerk afscheidde. Hij was\' streng rechtzinnig behalve ten aanzien van liet dogma van \'s menschen onmacht. Ook van de sacramenten, dewijl hij verkondigde, dat de tijd van doop en avondmaal voorbij was: deze leer was een gevolg van zijn chilias-
373
tischc droomerijen. Per se had hij een afkeer van de kerk, maar haast nog meer van de gewone Separatisten. Zijn aanhangers moesten streng en ingetogen leven, alsof zij zich in het laatste der dagen bevonden. Ook in Andijk had hij eenige voorstanders. Van Campkn, Jan Mazereeuw in Kerkhist. Archief, XX, 102—112; ook ile Gids, Aug. 1892, p. 258.
§ 286. In 1816 vond dc schipper Stoffel Muller van Puttcrshock voor zijn „nieuw lichtquot; to Waddingsvcon geestverwanten in den schout Dirk Valk on oenigo arme daglooners van don omtrek. Bij hen voegde zich oen jonge vrouw, Maria Leer, die in Muller, voortaan haar levensgezel, vond, wat zij hij dc rechtzinnige oefeningen van dweepende bekeerden to vergeefs had gezocht. Dit tweetal was de ziel van do broederschap. Zij voerden gemeenschap van goederen in naar hot voorbeeld van do eerste christengemeente, gelijkheid van Weeding, arbeid on negotie voor gemeenschappelijk onderhoud, terwijl zij ten aanzien van het huwelijk, don burgerlijken stand en do loting zich niet aan \'s lands wetten stoorden. Dat bracht hen in moeielijkhedon met do overheid en haalde do hoofden zelfs gevangenisstraf op don hals. Zij wilden eerst te Puttershoek gaan wonen, doch werden om de opschudding, die zij door hun zonderling voorkomen en woordenwisselingen maakten, vandaar weggestuurd. Na eenige omzwervingen, waarop zij ijverig aanhangers voor hun leer wierven doch veol last hadden van het sterk tegen hen ingo-nomeno volk, vestigden de hoofden der Nieuwlichters zich in 1823 up een scheepswerf te Zwijndrecht. Daar kreeg de gemeente haar eigenaardige inrichting en breidde hot aantal volgelingen zich uit. lien belangrijke aanwinst was de toetreding van den fabrikant Mets, die zijn zaak met familie en bedienden daarheen overbracht. Doch tevens werd de toepassing van het communistische beginsel toen zeer ingekort, omdat de heer Mets oen verandering van het contract van 1816 doordreef: de gemeenschap zou zich voortaan niet verder uitstrekken dan tot aandeel in de verdiensten, die uit hun arbeid en het rondventen van Zeeuwsche chocolade voortvloeiden.
In 1832 stierf Muller. Kort te voren begon een deel van zijn volgelingen over te hollen tot do partij van Am 10 Goud, die idet ongenegen was tot gemeenschap van vrouwen. Van hen die daarvan niet wilden weten, verhuisden sommigen naar Amerika, anderen naar Mijdrecht, waar Valk woonde. Ook te Polsbroek, te Waddinxvoen en omstreken had zich een deel dor secte gevestigd. Na 1848 verstrooiden zich afzonderlijke groepen Zwijndrechters over oen aantal plaatsen en begonnen moer en meer to verdwijnen. Later trokken nog weer oenigen als landverhuizer over den oceaan en gingen in do
374
Mormonen onder. Maria Leer, die haar levensgezel lang overleefde, heeft zich „uit de duisterste begrippen eener bekrorapene orthodoxie weten los te wringen en van trap tot trap op te klimmen tot de meest verlichte begrippen van den tegenwoordigen tijdquot;.
Deze merkwaardige secte, voortgekomen uit kringen van hyperorthodoxe dweepers, rukte zich allengs geheel los van vele oude leerbegrippen. In de oogen van oefenaars en confessioneelen waren zij nieuwlichters, omdat zij de waarheid, welke naar de godzaligheid leidt, alleen erkenden in Gods wet lief te hebben boven alles en den naaste als zich zelf. Hoewel onbewust namen de bespiegelingen over hun hoofdleering, dat alles, wat bestaat en geschiedt, uit, door en tot God is, soms een pantheïstischen tint aan. Bovenaan in hun schatting stonden de voorschriften der bergrede. Het leerstuk der eeuwige vergelding werd door hen verworpen, want Gods genade moest in den meest uitgestrekten zin worden erkend: „God wil, dat allen zalig worden en tot kennis der waarheid komen, en dewijl niemand zijn wil weerstaan kan, zoo zal het ook eens geschiedenquot;. Doop en avondmaal werden beschouwd als voor den christen overbodige en verouderde plechtigheden. De Zondag werd niet afzonderlijk gevierd, maar eiken dag bij de maaltijden werd gebeden en gezongen, ook uit de evangelische gezangen, en \'s avonds godsdienstoefening gehouden. Daarnevens vertoonden zich bij hen nu en dan sporen van neiging tot ascetische onthouding en een geestdrijverij, die lang smeulde, doch later weer sterker opvlamde. Behalve dat vage pantheïsme namen zij ook eenige apocalyptische voorstellingen aan omtrent een aanstaanden ondergang dezer bedorvene wereld en de komst van het reine Godsrijk. Muller heeft eenige tractaatjes geschreven: het eeuwig evangelie, de ware Grondwet, de waarheid van Gods vrijmagt, enz. en ook met Valk een opstel over hun eerste wederwaardigheden, waarvan prof. Heringa een afschrift heeft gemaakt. Zie behalve de Gedenkschr. van Maria Leer ook H, P. G. Quack , De Zwijndr. broederschap in de Gids, Aug. 1892, p. 250—264, en in de Verslagen der kon. acad., 3e reeks afd. Letterk., IX, 270—316; (A. Capadose), Zwijndr. en Groninger godgeleerde wetenschap, 1842; Vaderl. letter oef., 1833, II, Mengelw, p. 582— 588; L. H. Wagenaar, Het reveil en de afsch., p. 143 vlg.; Bibl. van Moderne theol., 1887, (VIII), 135—143. In de Hand. der synode, 1825, p. 40 en 1829, p. 14 worden zij slechts ter loops vermeld, en in de Kerkel. cour., o. a. hier en daar in 1892. Maria Leer, geb. 1788, woonde in \'t laatst van haar leven in een hofje te Leiden en stierf daar in 1866 aan de cholera.
§ 287. Een voorlooper van de latere Afgescheidenen was Johannes Willem Vijgeboom, geboortig van Schiedam. Reeds in 1820 ontlastte
375
hij al zijn toorn en vooroordeel tegen „den blinden geest van de booze verdraagzaamheidquot; in een pamflet tegen de evangelische gezangen. Na dezen eersteling heeft hij nog meermalen dergelijke hoekjes tot verdediging van de rechtzinnige waarheid en oude leer laten drukken. Reeds vóór 1823 bestond er „zekere dweepzieke factie in het land van Axelquot;, die niets gaf om de kerkelijke verordeningen. Zij scheidden zich af, waarschijnlijk uit wrevel over de gezangen, onder den naam van „de Herstelde kerk van Christusquot;, en Vijgeboom werd hun voorganger. Hij beproefde zijn secte uit te breiden en hield op verscheidene plaatsen oefeningen: te Goes, waar hij in 1823 door do rechtbank tot een zware boete veroordeeld werd, te Leeuwarden in 1824, waar zijn ijveren een volksoploop verwekte, te Bunschoten cn elders. In 1824 wendde hij zich tot den koning en zonden zevenendertig leden van zijn kerkje een adres aan de Tweede Kamer met verzoek om vrije godsdienstoefening. De Herstelde kerk der Vijgcboo-miancn is echter van zelf opgelost en verdwenen: ook de leider sloot zich hij de Afgescheidenen aan, maar zijn hoop om bij bon leeraar te worden is nooit vervuld.
In 1821 verdedigde Vijgeboom in een brochure „de leer der waarheid tegen de leer over de zaligheid van de vroegstervende kinderenquot;. Zie verder over hem Vos, Gesch. der Vad. kerk, TI, 252; P. Boeles, Staatsregt enz., p. 87; vanVelzen, Gedenkschr. der Chr. Gcref. kerk, p. 137, 138; Handel, der synode, 1824, p. 40; Pape, Leven van Jansen, bijl. p. 16. Vijgebooms bezwaren waren volkomen dezelfde als die van de Separatisten van 1833, want hij beklaagde zich steeds evenals zij over den afval der kerk van de Gereformeerde leer, het kerkelijk reglement van en na 1816, de invoering der evangelische gezangen, het nieuwe, dubbelzinnige formulier van onderteekening, de meineedigheid en den onbekeerden staat der meeste leeraars van de kerk.
§ 288. Zonder bepaalden samenhang met anderen ontstond gedurende den strijd, die toen de kerk beroerde, een partij van onver-zoenlijken. Zij stak het hoofd op ouder landbewoners van Groningen en vond weldra een leider in den bekenden Hendrik de Cook, van 1829 af predikant te Ulrum. De invloed van rechtzinnige drijvers in zijn gemeente en kennismaking met de gevoelens van Calvijn maakten hem sedert 1831 tot een kampioen voor dc Gereformeerde leer zoowel van den kansel als met de pen. Groote volkshoopen begaven zich des Zondags uit den omtrek zelfs uit Friesland in wagens en trekschuiten op weg om de preeken van dezen man Gods te hooren. Zijn „liefde-beurtenquot;, waarhij geestverwanten en nieuwsgierigen hom naliepen, veroorzaakten in vele dorpen groot kerktumult. Al spoedig hadden hevige
876
disputen tusschen hem en zijn ringbroeders het gevolg, dat hij daardoor geprikkeld steeds feller ging uitvaren tegen de onbekeerde predikanten. Ds. Reddingius van Assen en Meijer Brouwer van Uithuizen schreven in het voorjaar van 1833 elk een boekje om de ontruste gemeenten tegen geestdrijverij te waarschuwen. De Cock stortte al de ruwheid van zijn taal uit over deze twee wolven in de schaapskooi, die hij van meineedigheid beschuldigde. Toen hij tevens ook een bepaald kerkelijk delict beging door kinderen van elders zonder verlof te doopen en onderwijs te geven, werd hij door het bestuur der classis Middelstum in December geschorst. Hij teekende appel aan bij het provinciaal kerkbestuur, dat het vonnis wegens zijn halsstarrigheid zelfs verzwaarde. Het verbeterde zijn positie niet, dat hij dc voorrede schreef van een pamflet, waarin tegen de evangelische gezangen werd uitgevaren als „een geheel van 192 Sirecnsche minneliederen, geschikt om een valsche leugenleer in te voerenquot;. Toen tastte het kerkbestuur door en zette hem den 29 Mei 1834 af. De Cock beriep zich op dc synode en verlangde uit de heilige schrift het bewijs, dat hij verkeerd gehandeld had.
Dc mare van deze luidruchtigheden liep door het gansche land. In dertien adressen drongen gelijkgezinden uit verschillende gemeenten bij de synode aan op strengere onderhouding van de Hervormde leer of herstelling van het vóór 1816 gebruikte formulier van onderteekening. Zij werden ter zijde gelegd. Maar ten aanzien van de Cock meende de synode het vonnis van het Groninger kerkbestuur te moeten reformeeren en gunde hem nog een half jaar beraad. Dit besluit werd genomen onder protest van enkele leden en gaf in den lande aan zeer velen ergernis, maar het sterkte don weerspannige in zijn verzet cn maakte hem in de oogen van zijn volk tot een martelaar, omdat hij geschorst bleef met verlies van inkomen.
De Cock is geboren te Veendam in iSoi , kwam 1823 in dienst te Eppenhuizen en stond daarna te Noordlaren. Het k.g in den aard der zaak, dat deze ijveraar het voorwerp werd van allerlei lasteringen en hatelijkheid, maar hij liet zich ook steeds verder mcesleepen, spaarde niemand en toonde de grofste onverdraagzaamheid en onhandelbaarheid. De eerste aanklacht tegen hem werd ingediend door ds. nu Cloux, toen te Vierhuizen.
Het uitvoerige verhaal van deze en de volgende tooneelen werd in i860 uitgegeven door zijn zoon en naamgenoot, leeraar aan de theologische school te Kampen, getiteld; Hendrik de Cock, eerste Afgeseh. pred. in Ned., beschouwd in leven en werkzaamheid. He tweede uitgave verscheen in 1886. Daarnevens van Vf.lzen, Gedenkschr., p. 19—45, 141—165. Zie verder Die Unruhen in der Nied. Kef. Kirche, p. 54—71; Boeles, Slaatsregt enz.,
377
p. 88—-ioo; Hofstede de Groot , De Gron.godgel., p. 223—228; Handel, der synode, 1835, p. 8, 16, 129—150; 189—191; Vos, Gesch. der Vad. kerk, II, 256—264; J. H. Gunning, Hel Protest. Nederl. onzer dagen, p. 61 vlg. De Cock en zijn aanhangers weerden zich druk, zooals bleek uit de door hen uitgelokte adresbeweging. Bovendien zond hij zelf een smeekschrift aan den gouverneur en meermalen aan den koning. Z. M. liet zich over de geheele opschudding steeds nauwkeurig inlichten. Tegen de verzachtende uitspraak der synode verklaarden zich de pres. Donker Curtius, de vice-pres. Nieuwold, pred. te Leeuwarden, en de praeadv. prof. L. G. Pareau van Groningen, Tevens had de minister van Eeredienst Pallandt van Keppel bij de opening der vergadering goedkeurend over het Groninger vonnis gesproken. In de uitspraak der synode was echter het provinciaal kerkbestuur gemachtigd om de Cock geheel af te zetten, als hij zich na verloop van den gestelden termijn niet wilde onderwerpen.
§ 289. Tc gclijker tijd was cr ook aan do oevorK van do Muiiw ecu dergelijke beweging ontstaan. Daar stroomde het volk naar den jongen predikant Scholte te Doeveren, die geen evangelische gezangen liet zingen, tegen do leugenprofeten en Baalspriosters preekte en ccn innigen afkeer had van geloofsvrijheid van andersdenkenden. Reeds hadden zij brieven gewisseld en toen de Cock in den druk kwam, toog Scholtk in Wijnmaand 1884 naar Ulrum om hem in zijn voornemens te versterken. De verschijning van dezen broeder op de strijd-plaats werd de aanleiding tot vele dingen: opschuddingen in en bij de kerk, ruwe bejegening van den consulent, die daar tijdens de grootete opwinding dienst moest doen, het besluit tot „afscheiding en wederkecriogquot;, waarvan de acte den 14 October gesteld en onderteekend werd. Scholte was toen reeds op den terugtocht van zijn apostolische reis, doch werd eveneens al spoedig geschorst. Den 1 November vervaardigde cn toekende hij met do meeste leden zijner gemeente ook een acte van scheiding. Het waren beiden onvervaarde mannen met veel stoutheid cn haast, doch weinig kennis van zaken. Zij hadden zelfs geen begrip, dat door de acte dor afscheiding hun betrekking tot de Hervormde kerk verbroken werd. Hun even onnadenkende volgelingen verkeerden met hen in den waan, dat zij te samen een werk van hervorming der kerk tot haar ware gedaante verricht hadden cn dat door die verklaring van den kerkeraad of van een genoegzaam aantal ingezetenen hun gemeente kort en goed gesteld was buiten het door hen zoozeer verfoeide kerkverband. De Cock was derhalve van meening, dat hij, van dien druk bevrijd, zijn dienstwerk als gewoon kon hervatten. Dat zulke handelingen verder strekkende
gevolgen zouden naeleepen, was vermoedelijk vooraf niet tot hen doorgedrongen. Ook Schot,tk maakte aanstalten om bij zijn gemeente in kerkdienst te blijven. Dit werd hun niet alleen door de rechterlijke macht geweigerd, maar zij werden daarin voor goed verhinderd. De steeds vermeerderende opgewondenheid maakte strenge maatregelen noodzakelijk. Een groote afdeeling infanterie werd hij de ingezetenen van Ulrum en zelfs in de pastorie ingelegerd tot bewaring van de publieke orde, die gedurig vooral des Zondags onder de dienst der ring-predikanten bedreigd werd. Ook de gemeente van Scholte kreeg inkwartiering. Omdat .alle godsdienstige samenkomsten in zijn dorp zelfs van minder dan twintig personen door de soldaten verhinderd werden, deed de Cock in deze weken verschillende tochten en stichtte o. a. te Smilde de tweede Afgescheidene gemeente van hot noorden, daarna te Groningen. Intusschen werd hij wegens de ongeregeldheden in de kerk bij vonnis van de rechtbank tot een zware boete en drie maanden hechtenis veroordeeld. Nagenoeg gelijktijdig met zijn vriend in bet laatst van November werd ook Scholte in de gevangenis te Appingedam gebracht, doch slechts in preventief arrest. Na zes dagen werd hij onder borgstelling vrijgelaten en daarna zelfs geheel van rechtsvervolging ontslagen.
Beide hoofden der Separatisten werden ook nog bij kerkelijk vonnis als predikant afgezet. In bun voormalige gemeenten werden daarna terstond nieuwe kerkeraden aangesteld en ambtsopvolgers benoemd.
Hendrik Peter Scholte, een leerling van da Costa en met Bilderdijk bekend, werd in Mei 1833 predikant te Doeveren c.a. in de nabijheid van Heusden. Toen hij de Cock bezocht, Vrijdag 10 October te Ulrum preekte en zelfs doopte, was hij wel bij de classis Heusden aangeklaagd maar had nog geen vonnis gekregen: zijn verrichten van dat dienstwerk was volgens de wet niet strafbaar en zijn spoedig gevolgd ontslag uit de gevangenschap was dus correct, omdat het oordeel over den inhoud van zijn preek toen nog niet behoorde tot de bevoegdheid van den burgerlijken rechter. Over Scholte zie behalve de reeds genoemde werken, ook nog Officieele stukken beireff. den uitgang uit het Ned. Ilerv. kerkgen. enz., 2e dr., 1884, tot p. 241; H. P. Scholte, Stukken betrekk. de afsch. van Doeveren c.a. 1834; C. W. Pape, Handel, van het klass. bestuur van Heusden etc. 1835, en vele brochures uit dien tijd. Ook werden nog een paar UIrummers wegens deze onlusten gevangen gezet, o. a. een blauwverwer wegens mishandeling van den consulent, Boeles, Staatsregt, p. 104, 251—254.
De Afgescheidenen werden in den eersten tijd van hun woeling hard aangepakt. Het is te verklaren, dat zij dit als geloofsvervolging voorstelden, als een lijden ter wille van de waarheid onder de geweldenarij van den Antichrist en van de vijanden Gods, De
379
beide eerste leiders leefden in een toestand van voortdurende overspanning en verbittering. Zij waren evenmin als het vrome volk, dat hen naliep en voortzweepte, toerekenbaar voor hun hartstochtelijke woorden en daden. Maar \'iet gevolg was, dat beiden de openbare meening sterk tegen zich innamen en storm oogstten. Door alleen eerbied te eischen voor hun geloof, maar alle anderen zonder onderscheid op de ruwste en gevoeligste wijze fe krenken, te verdenken, te smaden wekten zij een tegenzin, die zelfs nog voortleefde, toen de strenge maatregelen niet langer noodig waren.
§ 290. De beweging breidde zich uit. Doch slechts vier predikanten, Brummelkamp te Hattem, van Rhee te Veen, Gezellb Meerburg te Almkerk en van Velzen te Drogeham gingen in den loop van het onrustige jaar 1885 over tot de afscheiding. Behalve enkele oefenaars sloot ook de candidaat van Kaalte zich bij de secte aan. Vooral in de noordelijke gewesten was de neiging tot separatisme het sterkst. Toen de afscheiding zich in Amsterdam begon te roeren, besloten den 1 Februari 1836 alle predikanten der hoofdstad tot het openbaar maken van een „herderlijken briefquot; aan de gemeente om hun eensgezindheid en hun vasthouden aan het evangelie te betuigen. Eenigen tijd daarna ontstond er zulk een gemeente in Leiden. Dit alles geschiedde doorgaans onder meer of minder tumult en zeer onaangename tooneelen, die dan weer het optreden van de politie, soms inkwartiering, rechtsvordering, storing van godsdienstige samenkomsten , oploopen ten gevolge hadden. Ook vertoonde zich meermalen het bedenkelijke spooksel der geestdrijverij op enkele dorpen in de provincie Groningen, ook te Bunschoten nog in 1840 en elders. Doch de Cock en de zijnen waren tegen dergelijke geestvervoeringen cn trachtten het zooveel doenlijk te matigen, wel inziende dat dit hun zaak geen goed zou doen. Want onder de rcchtzinnigcn in Nederland waren de gemoederen verdeeld. Waren er al sommigen, die daartoe overhelden en zich door de opgeschroefde taal van Gods volk eindelijk zouden laten overhalen om mee te doen, zeer vele werkelijk aan de Hervormde leer gehechte menschen konden toch die meer dan oir bare verguizing van de kerk en alle leeraren zonder onderscheid niet goedkeuren. De drukte, die de afscheiders veroorzaakten, was groot, maar hun aantal was betrekkelijk gering, niet meer dan eenige duizendtallen over vele plaatsen verspreid. Eerst toen dc Afgescheidene kerk rustig gevestigd waa, nam door instemming met haar dogma en eeredienst het aantal niet alleen der toehoorders maar ook der leden krachtiger toe.
Hun bekwaamste verdedigers waren in dien tijd mr. A. M. C. van Hall, die zich daarna ook bij hen aansloot cn inzonderheid Groen van
380
Pkinsterkr. Zijn geschrift tot afkouring van do maatregelen tegen de Afgescheidenen werd krachtig wederlegd door P. Bokles, predikant tc Noorddijk, en door de juristen van Appeltere en Thobbecke.
Over de afscheiding van Brummelkamp zie Officieele stukken bcireff. den uitgang uit het Ned. Herv. kerkgen., p. 242 vlg. Van Rhee was geen aanwinst. Hij moest op de eerste kerkvergadering in 1836 reeds worden afgezet o. a. wegens crimen nefandum, in December 1835 te Rotterdam gepleegd, zie de Handel, van die vergad., p. 42—44, ook Handel, der syn. Herv. kerk, 1834, p. 37, 38. Over de geestdrijverij en bekeeringstooneelen te Uithui-zermeeden, Spijk, Bunschoten enz., H. de Cock , Hendrik de Cock, p. 463—477; van Velzen, Gedenkschr., p. 192—194.
In geval van inkwartiering werd een van rijkswege bepaalde schadeloosstelling gegeven voor het onderhoud en de huisvesting der militairen. De komst der „woeste soldatenquot; leverde in dit opzicht een voordeel, dat niet te versmaden en voor velen welkom was, zoodat de dorpelingen het er wel op toelegden, van Appeltere, Het staatsrecht, vooral p. 124, 125.
Volgens de Handel, der syn., 1836, p. 13, waren er toen niet meer dan vier duizend Afgescheidenen, „waaronder echter vele kinderen zijn medegeteld van zich afzonderende oudersquot;: deze schatting is vrij zeker laag genoeg.
Mr. W. Thorbecke, den heer Groen van Prinsterek in het Journal de la Hayc bestrijdende, beweerde, dat de Afgescheidenen een allergevaarlijkste partij in den lande waren en streng gekeerd moesten worden. Zie ook nog Vos, Gesch. der Vad. kerk, 11, 269—272, A. F,. Coolhaas van der Woude, De Ned. regeering en de Afgcsch. in Tijdsp. 1885. Van den kant van geestverwanten vond hun streven afkeuring bij KohlbrUGGE, zie H. van Druten, Hoe dr. Kohlbnigge pred. werd, 1884, p. 69.
§ 291. In 1835 werden door do Afgescheidenen verscheidene reqnes-ten opgezonden, waarin zij om vrije uitoefening van eeredienst verzochten. De toon daarvan en hun voorstelling van \'tgeen zij wensehten on bedoelden, maakten hun adres minder geschikt voor inwilliging, zoodat de minister deze verzoekschriften „zooals zij zijn liggendequot; wel van do hand moest wijzen, fn Maart 1836 hielden zij hun eerste algemeene kerkvergadering (synode) to Amsterdam onder voorzitting van Sciiolte, scriba igt;b Cock. Deze samenkomst was noodig om hun kerkgenootschap tot eenheid tc brengen. Hoofdzaak was derhalve het opstellen en onderteekenen ccnor acte van verbindtenis. Do Dordtsche kerkorde word als richtsnoer aangenomen. Aan Z. M. werd een request om bescherming van hun eeredienst aangeboden, waarvoor oen bededag in alle gemeenten was gehouden. Het antwoord volgde bij
381
koninklijk besluit van den 5 Juli: op don titel „Christelijk Gereformeerde kerk onder het kruis in Nederlandquot; luidden zij geen aanspraak, maar hun werden do voorwaarden te kennen gegeven, waarop zij plaatselijke gemeenten kondon vormen of verlof tot huiselijke vergaderingen boven het door do wet vergunde aantal bekomen. Zij moesten dan bij elk bijzonder adros do noodige opgaven doon van hun reglement en de verklaring gevon, dat zij zelf in de behoeften van cerodienst on armenverzorging zouden voorzien. Maar zoolang do Afgesoheidenon aarzelden of ongenegen waren daaraan te voldoen en beweerden, dat Gods woord en do formulieren van oonighoid hun statuten waren, onderging hun toestand geen verandering. Daarbij kwam, dat zij onderling zoo verdeeld waren. Op de Amsterdamscho vergadering was er vrij wat oneonighoid tussehen dk Cock en Scholtk Op hun volgende synode te Utrecht, najaar 1837, kreeg hot krakeel vooral over hot stuk van de kerkordening zulk oen omvang, dat tien gemeenten zelfs besloten tot het vormen van een afzonderlijke vor-oeniging. En telkens rezen er nieuwe geschilpunten, die de onderlinge spraakverwarring vergrootten. Zoolang dit duurde, kon mot geen afdoend gevolg gewerkt worden aan de vaststelling van hun organisatie. De gemeente van Utrecht is de eerste geweest, die den weg, door de rogeering aangeduid, insloeg in December 1838 on twee maanden later bij koninklijk besluit erkend word. Scholte had dit alles met zijn gemeente ondernomen en verkregen zonder overleg met andere lot-gonooten. Kort daarna werd zijn voorbeeld door ub Cook mot do geloovigen te Groningen en door enkele anderen gevolgd. Kr waren ook, die wol oen dergelijke poging aanwendden, doch afgewezen moesten worden, omdat zij niet genoegzaam aan de gestolde eischen hadden voldaan. Sommige gemeenten bleven hardnekkig volharden bij hun bezwaar om erkenning aan te vragen bij de oversten dezer wereld.
Do niet erkende separatisten ondervonden dus in deze jaren veel onaangenaams, omdat onverstand en stijfhoofdigheid hen telkens in aanraking brachten met de wet. Dc openbare meening was zeer tegen hen ingenomen ook zolfs onder het volk. Hun zolf ontbrak het niet aan ijver maar wel aan eenheid, aan krachtige leiding on vooral aan juist inzicht omtrent de wijze van optreden en van handelen mot overheid on staat. Do kerkelijke wereld had voor hen slechts afkeuring.
Do faam van deze tumulten in de Hervormde kork der Nederlanden drong ook door in den vreemde. Do predikant Mei,let zond mot een groot aantal Zwitzorscho ambtgenooten in October 1837 een adros naar Nederland, waarin allo Hervormde leeraren werden opgewekt om bij de hooge rogeering mede te worken, dat aan de Afgescheidenen vrije, openbare godsdienstoefening mocht worden toegekend. De synode
382
schreef terug, dat „nos frères il l\'étrangerquot; niet goed op de hoogte schenen te zijn en dat hun voorstel niet in overweging kon komen.
De afscheiders hielden vergaderingen genoeg, doch zij konden het niet eens worden. Op hun eerste synode te Amsterdam waren de vijf voorin, predikanten en elf ouderlingen aanwezig. De tweede algemeene vergadering te Utrecht (voorzitter van Velzen, scriba Scholte) bestond uit vierentwintig personen en werd gehouden in September en October 1837. De handelingen van beide samenkomsten zijn in druk verschenen. Benevens de kerkorde en het verzoek om erkenning kwamen er steeds andere punten voor den dag, waarover de zinnen oneenig waren: de wijze van uitoefening der tucht, de aanstelling tot leeraar, het ambtsgewaad, de oefenaars, de practiek van den kinderdoop, de feestdagen, de psalmen van Dathenus. Van Velzen, Gedenkschr., p. 112—116, 149; nog meer in bijzonderheden H. de Cock, Hendrik de Cock, p. 550—615. Ook waren er vele provinciale vergaderingen van separatisten gehouden, Boeles, Kerkrecht, p. 134, 135. De adressen en koninklijke besluiten zijn opgenomen in Gieskler , De beweg. in de Ned. Herv. kerk, p. 169—178, 186—194 {Unruhen, etc., p. 163 vlg.). De Afgescheidenen, kortzichtig als zij waren, bleven blijkens hun tallooze adressen aan overheid en regeering lang van meening, dat een bloote kennisgeving van afscheiding voldoende was om hen op eens te bevrijden van den overlast en de ergernis, aan het lidmaatschap van de Hervormde kerk verbonden, met volkomen behoud van alle voorrechten, die zij daarin genoten hadden. Het gezond verstand van Scholte deed hem het eerst inzien, dat afscheiding het begin is van een nieuw leven en breken met een vorigen toestand. De toegevelijkheid der regeering werd in dagbladen zelfs afgekeurd, omdat zij in de algemeene opinie naar hun uiterlijk als bekrorapene dweepers, verblinden en onruststokers te boek stonden. Over het adres van Victor Mellet en de Zwitzers zie Handel, der syn., 1838, p. 38, 41.
De Hervormden hebben lang in de meening verkeerd, dat de hoopjes der Afgescheidenen door eigen verdeeldheid en door weinig inschikkelijkheid wel zouden worden opgelost, „dat eenmaal bij betere inzigten en bezadiging van hartstogten de tijd deze scheure weder zal heelenquot;. De president Donker Curtius was van dit denkbeeld en de meeste predikanten met hem. Zie de Herinner, van vroeger en later tijd van mr. II. v. A. (A. W. van Engelen), p. 177. Zie ook Handel, der synode, 1841, p. 11. Doch deze hoop is langzamerhand gaan kwijnen, want het bleek, dat er werkelijk naast de Hervormde kerk behoefte bestond aan een secte, die in zich kon opnemen alle met den vooruitgang der wetenschap, der beschaving en der maatschappij niet tevredene elementen.
dk emancipatie der kerk.
C. Hooijer , Kerkel. wellen voor de Hen. in hel kon. der Nederl., 1846, met aanteek.
T. Gannegieter, De bevoegdh. lol regeling van liet beheer der kerkel. goederen, 1890.
W. IJ. S. Boei,es, Scheiding van kerk en slaat, 1868. Enz.
Handelingen van de Algem. Christel, synode der Hen. kerk in de jaren 1841—1870.
J. B. P. Heerspink, De godgeleerdheid en hare beoef. aan de hoogesch. Ie (Iron., vooral deel II, 1875.
1). Chanïepib de la Saussaye, La crise relig. en Hollande, 1860.
(j. J. Vos, Groen van Prinst. en zijn tijd, 2 dln. 1886, 189].
J. H. Scholten, De leer der Hen. kerk, vierde druk, 1861, voorrede I—LXX.
G. von Antal, Die holl. Philosophic im neunz. Jahrh., 1888.
§ 292. Langzamerhand vielen de gebreken van de in 1816 ingevoerde organisatie meer in liet oog. Zoolang Willem I regeerde, werden daarin echter geen verbeteringen van belang aangebracht en bleef de kerk onder de alles regelende voogdij van den staat. Doch toen Z. M. zich in 1840 verplicht vond af tc treden, word liet tevens duidelijk, dat de inzichten der regeering aanmerkelijk gewijzigd waren. Omdat de kerk door overleg met \'s lands bestuurders thans een gevestigde positie innam, moest haar voortaan de zorg voor nadere regeling van haar eigene inrichting worden overgelaten. In een officieel bescheid van de rcgecring den 1 Juli 1842 werd de verklaring afgelegd, dat alle veranderingen in de bestaande kerkorde van nu af alleen van de kerk behoorden uit te gaan en dat do staat daarbij verder geen invloed begeerde te oefenen. Al dadelijk werd in het volgende jaar de wetgevende macht, tot dusver den koning toekomende, naar de synode overgebracht; dit werd uitgedrukt door gehecle verandering van art. 15 van het Algemeen Reglement. Ook werden toen reeds enkele verbeteringen aangebracht. Do nieuwe grondwet van 1848
884
maakte de kerk op haar gebied nog vrijer tegenover den staat, zoodat toen niets een reorganisatie belemmerde. Een herziening van het Algemeen Reglement werd langs zuiver kerkelijken weg tot stand gebracht en in 1852 ingevoerd. Behalve elf reserves deed de staat afstand van zijn meeste tot dusver uitgeoefende rechten, verklaarde dezen wetgovenden arbeid der synode te beschouwen als „eene ontwikkeling in de richting der aan de kerk toekomende zelfstandigheidquot; en zette hieraan de kroon op door de wet op de kerkgenootschappen in 1853. Daarmede was de kerk voor goed ontslagen van een voogdijschap , die tot dusver haar zelfstandig handelen had beperkt. In December 18()1 werden de koninklijke collaties opgeheven. Jn 1862 trad de laatste minister van Eeredienst Jolles af. De kerk kon voortaan zelf zonder staatsinmenging de herziening van haar wetboek voortzetten.
Muurling, Pract. Godgel., II, n, 127—129; Prins, Kerkrecht, p. 72—77; Lechler, Gesch. der presbyt. und synod. Ver/assung, p. 265 vlg.
R. Posthumus , predikant te Waaxens bij Dockum, schreef reeds in 1831 een brochure onder den titel Brief over eenige gebreken en misbr. in ons Herv. kerkbest. en wetgev. Hij was de tolk van velen door afkeurend te spreken over den geest van centralisatie in de kerkelijke wet, over staatsvoogdij, over de onthouding van het kiesrecht aan de manslidmaten. De verandering van art. 15 A. R. besproken bij Hooijer, Kerkei. wetten, p. 28 noot; over de ministerieele verklaring van 1 Juli 1842 op het adres van Moorrees c.s. zie § 295.
Door de herziening van 1852 is het synodaal presbyteriaal karakter minder aristocratisch geworden. Vroeger ging alles van de synode uil om vandaar langs de kerkbesturen tot den kerkeraad af te dalen. Daarin is door de rechtstreeksche kerkelijke verkiezingen een grondige verbetering aangebracht. Ook werd een begin gemaakt met vermeerdering van het ouderlingelement in de kerkbesturen. Het groote voordeel was, dat uit de reglementen verwijderd werd, wat met het beginsel van scheiding van kerk en staat in strijd was.
Het koninklijk besluit van 23 Maart 1852 ter bekrachtiging van het herziene Algem. Regl. met de elf reserves komt voor o. a. in Bruna, Regl. en besluiten der Ned. Jlerv. kerk, i860 , p. 25 29.
Het departement van Eeredienst is in 1868 nog voor korten tijd toevertrouwd geweest aan den minister van Lvnden, doch daarna voor goed opgeheven en nu gebracht onder Justitie en Finantien.
§ 293. Jn het noorden dos lands met de Groninger hoogeschool tot middelpunt vormde zicli een kring van geleerden, die hun groote talenten en ijver wijdden aan vooruitgang van de wetenschap en
386
zuivering der godsdienstige gedachte. In 1831 bestond do godgeleerde faculteit uit drie jonge mannen, welker namen woldra door het geheele land zouden weerklinken: J. P. van Oobdt, P. Hofstede de Groot en Ij. G. Pareau. Hen ter zijde stonden de Groninger predikanten C. H. van Herwerden, M. A. Amshofp en anderen. Zij hadden geestverwanten onder de velen, die te Utrecht mot verrukking hadden geluisterd naar het onderwijs van van Heusde, den praeceptor Hollandiae. Het eerste levensteeken van do geestesrichting in dezen kring werd gegeven door prof. de Groot, toen hij in 1834 in het heetste van den strijd over het formuliergezag zijn mannenwoord deed weerklinken en tevens in datzelfde jaar tot ontsteltenis van velen met zijn vrienden van Herwerden en Amshoff do „Christelijke betrachtingenquot; uitgaf, een stichtelijk boek naar de behoefte van vrijzinnige Christenen. Dat dit geen op zich zelf staand verschijnsel was, maar een uiting der behoefte aan herziening van de grondslagen des geloofs, bleek ook nog uit enkele proefschriften, die in de godgeleerde wereld eenig opzien baarden. Het denkbeeld om zich tot gemeenschappelijk godgeleerd onderzoek te vereenigen ging uit van I. Busch Keiser , toen predikant te Wester wij twert. Zoo ontstond in 1835 het gezelschap, dat twee jaren daarna de uitgave van het beroemde en veelgelezeno tijdschrift Waarheid in Liefde begon en als innig verbonden vriendenkring gedurende een halve eeuw bestaan heeft. Kr was voor kerk en wetenschap behoefte aan zulk een streven, als zich hier openbaarde.
Door hun ondubbelzinnige taal hebben de Groninger hoogleeraren een einde gemaakt aan de dogmatische onbepaaldheid en zwevende algemeenheden.
Van Oordt, die in 1829 Tinga opvolgde, was ook leerling van van Heusde. Hij vertrok tien jaren later naar Leiden, waar hij in 1852 overleed. De Groot kwam in plaats van den Heus-diaan Th. A. Clarisse.
Pareau, geb. 1800, gest. 1866, hield in November 1831 zijn inaugurele rede: zijn voorganger was de emeritus A. Ypeij, de verdienstelijke kerkhistoricus. Zie de biografien van W. B. S. Boeles in de bijlagen achter Jonckbloet, Gedenkboek enz., p. 139—143; Hf.hrspink, De godgel. en hare beoef. aan de hoogesch. te Gr on., II, 229—439; Hofstede de Groot, De Gr on. godgel., p. 8—26 en passim; Gif.seler, Dc beweg. in de Ned. Jlerv. kerk, p. 203— 213; Sepp, Pragni. geseh. der theol., p, 137.
Het tijdschrift Nederlandsche stemmen (orgaan der richting van da Costa) bestond tot 1840. SchOlte en de Separatisten schreven De Reformatie, die in December 1836 verscheen, een maand vóór Waarheid in Liefde. In de Godgeleerde bijdragen, reeds van vroegere dagteekening, werden de Groningers wegens de
or. reitsma , Kerkgesch. 25
38(5
Christel, betrachtingen als mystieken, wegens de dissertaties van C. Boon (1834) en H. N. la Cle (1835) als rationalisten aangevallen.
§ 294. Do moed cn frischc opgewektheid, waarmode de Groninger godgeleerden hun arbeid ondernamen, deelde zich aan zeer velen mede. Met verjongden ijver werd er weer theologie gestudeerd: het onderwijs en de prediking der woordvoerders van deze met geestdrift begroete nieuwe richting hebben den weg gewezen tot ruimer veld van onderzoek. Hun tijdschrift Waarheid in Liefde, bevattelijk voorlezers van den beschaafden stand, maakte grootcn opgang. Men beleefde voorts het zeldzame schouwspel, dat een godgeleerde faculteit in vredige overeenstemming te samen een volledige reeks handboeken voor de verschillende vakken van godgeleerd onderwijs de wereld inzond. Van dien tijd af bestond de Groninger school. Haar streven was tegenover het Calvinisme en buitenlandscbe godgeleerdheid een Nederlandsch-Evangelische richting in het leven te roepen. Dit beginsel bepaalde van de meet af haar standpunt. Volkomen verheven boven de vrees voor het verwijt van heterodoxie, die zoo velen beknelde, liet zij alles, wat zij verouderd achtte, varen en arbeidde aan de opbouwing van een godgeleerd systeem, waarvan de Christologie basis cn uitgangspunt was. Haar geleerde voorgangers hebben zelfstandig zicli een baan gebroken in het kerkelijk leven en de godgeleerde wereld. Zij hebben een geheel geslacht van flinke, practische en verlichte predikanten gevormd, die vooral in de noordelijke provinciën maar ook elders hun gemeenten bewaarden voor dweepzucht en separatisme. Door de Groningers is de stoot gegeven aan de oprichting van predikantenvereenigingen, die gewijd aan zuiver wetenschappelijke bespreking van de vragen van den dag, op don duur zooveel hebben bijgedragen tot juister waardeering van gevoelens zelfs bij principieel verschil van kerkelijke en godsdienstige richting. Slechts de uiterste reebterzijde heeft zich van broederlijke aanraking met a idersdenkcn-den onthouden.
In plaats van van Oordt kwam in 1840 W. Muurling, geb. te de Lemmer 1805, gest. als emer. in den Haag 1882. Aan het Groninger drietal werd in i860 toegevoegd lt;lr. 1?;. J. Diest Lorgion, bekend door zijn studiën over de kerkgeschiedenis van Friesland, eerst als buitengewoon hoogleeraar. Zie W. B. S. Boeles in bijl. achter Jonckbi.oet, Gedenkboek, p. 151, 165; Frissl. hoogesch., lij 797—803; Heerspink, De godgel. en hare beoef. te Gr on., II, 440—497.
Hofstede de Groot gaf in 1835 zijn handboek van kerkgeschiedenis, Institiones hist. eccl. Christ., in 1834 zijn Institutie theol. naturalis, tweede druk in 1839; samen met Pareau de
887
Encyclop. theologi Christ, en het Compend. dogmat, et apolog. Christ., beide in 1840. Al deze werken zijn een paar malen herdrukt. Van Pareau verscheen in 1842 het handboek der moraal, Compend. theol. Christ, mor alls, en in 1846 het Camp. hermeneut. sacrae. Met een beknopt Overzicht der bijbclsche godgeleerdheid van de Groot, 1856, en de Practische godgeleerdheid van Muurling sedert 1851 was de reeks dezer handboeken voltooid. Zie verder Sepp, Pragm. gesch., p. 138—154; P. Hofstede de Groot, Vijftig jaren in de theologie\\ 1872.
De Groninger school heeft onmiskenbaar met den nadruk, dien zij in haar dogmatiek legde op de Christologie, den invloed uitgeoefend, dat de latere orthodoxen ook op hun voetspoor als basis van hun geloofsleer veel meer den Christus voorop stelden. Aan den anderen kant heeft haar optreden een belangrijk punt van overeenkomst met de beginselen der Modernen, nl. den afkeei van het bindende gezag eener kerkelijke belijdenis en de geestdrift voor vrijheid van onderzoek.
§ 295. Nauwelijks werden de Afgescheidenen wat meer aan zich zelf overgelaten, of het nog onafgedane geschil over quia en quatenus werd met nieuwe hevigheid aangewakkerd. Het besliste en onver-schrokkene optreden der Groninger godgeleerden werd „een prikkel, waardoor de sluimerende krachten der orthodoxie ontwaaktenquot;. In 1841 ontving de synode eenige adressen, waarin op horstelling der oude formulieren van eenigheid en herziening der reglementen in overconstennning „met Gods woord en do kerkorde van Dordrechtquot; aangedrongen werd. Ds. B. Moorrees van Wijk had voor het zijne veel meer dan achtduizend onderteekenaars bijeengehaald. De synode besloot echter eenstemmig tot afwijzing van dit verzoek, doch zij gaf nu een verklaring van haar opvatting door zich te vcreenigen met het gevoelen van den secretaris Dermoüï, dat in het bestaande formulier alleen sprake was van handhaving der leer, „gelijk die in haren aard en geest het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van do belijdenis der Hervormde kerkquot;. Dit veroorzaakte ten tweeden male een sterke reactie tegen vrije opvatting des geloofs, tevens ook bepaald tegen de Groninger school. In Mei 1842 vorderden zeven heeren in den Haag, de hoofden der Bilderdijksche of antirevolutionaire partij, het hoogste kerkbestuur op tot strikte handhaving van de oude kerkleer, herziening dor reglementen en handhaving der tucht. Met name stelden zij hot tijdschrift Waarheid in Liefde en do Groninger hoogleeraren in staat van beschuldiging wegens „stelselmatige loochening van de leer, wier verkondiging hun opgelegd is, en verraad aan de dierbaarste belangen onzer kerkquot;. Zij verlangdon derhalve ook in dit opzicht
25\'
388
van do synodo een stellige, openlijke verklaring van haar afkeerigheid van deze nieuwe leeringen. Door dit geschrift kwamen overal de gemoederen in beweging. Onmiddellijk stolde A. Rutgeus van der Loeff, toen predikant to Noordbroek, een tegenadres, waarin hij mot verontwaardiging de aantijging uit de residentie bestreed. Hij werd daarover weer aangevallen door mr. Elout, een van de „zeven Haagscho wijzenquot;, zooals deze bestrijders van het liberalisme toen meermalen genoemd werden. Do synode, die twee maanden daarna haar gewone vergadering hield, had haar meening uit te spreken over een menigte adressen, door vriend en vijand ingezonden. Onder hen, die zich min of meer schaarden aan de zijde der Haagsche heeren, behoorden ook de predikanten Engels , le Roy cn Mooerees. De verzoekschriften in tegengestelden zin kwamen meest allen uit Friesland, waar de Groninger school onder de godgeleerden sterken aanhang bezat. Doch bij de ingekomene stukken lag ook de merkwaardige ministcrieele dispositie, waarin de regeoring verklaarde aan dc synode geen bevolen to kunnen geven, „om do hangende kerkelijke geschillen in dezen of genen geest te beslissenquot;. De synode antwoordde op deze adresbeweging, dat zij ten aanzien van hot gezag dor sym-bolische boekon bleef volharden bij het gevoelen, ton vorigon jaro uitgesproken en zich niet geroepen achtte tot eenige „uitspraak over iemands gezondheid in de loerquot;, dan wanneer zulk oen aanklacht langs den reglementairen weg tot haar gebracht was. Prof. de Groot vond in het najaar bij de opening zijner lessen op de vraag; „Wat moeten wij, godgeleerden in do Ned. Hervormde kerk, nu doen?quot; slechts dit antwoord: Voortgaan als tot dusverre.
Het eerste adres van ds. Moorrees in 1841 was mede geteekend door vijf predikanten en op bijgevoegde lijsten door 8790 andere personen. In 1842 zond hij met ds. Bahler van Aalst niet alleen een protest aan de synode, maar ook een adres aan den koning om de synode te bewegen op het ten vorigen jare genomene besluit terug te komen. Op dat laatste volgde den 1 Juli die afwijzende dispositie, Handel, der synode, 1842,]). ioï , 156, 157; IIooijER, Ker kei. wetten, p. 20, 24.
Den 28 Februari 1842 wendde ds. van Houten van Oosterwijk (Z.-Holl.) zich tot de Tweede Kamer met verzoek tot intrekking van het kon. besluit van 7 Januari 1816. Het vermaarde, door Groen van Prinsterer gestelde Adres aan de algem. synode der Ncd. llerv. kerk ging mede vut van de heeren D. van Hogendorp, Gevers, Capadose, Elout, Singendoncic en van der Kemp. Het tegenadres van ds. Rutgers kwam ook vóór de opening der synode uit, Hofstede de Groot, De Gr on. godgel., p. 231—235; Chantepie de la Saussaye, La crisc relig. en 11 oil., p. 59;
889
Adres aan de alg. synode, enz., p. 41, 42; Nippold, De Christel, wereld etc., p. 524—526; Handel der synode, 1841, p. 21, 128—138; 1842, p. 97—109, 132—135. In het adres van de Haagsche heeren v/ordt p. 19 de naam „Groninger schoolquot; voor \'t eerst openlijk gebruikt.
§ 296. Door te verklaren, dat zij zich niet geroepen achtte tot het inwilligen van de haar voorgelegde eischon, had do synode feitelijk tegen het haar bestormende confessionalismc beslist. Omdat van haar vooreerst niets te verwachten was, besloten de teleurgestelde adressanten tot een beroep op het volk. Zij verspreidden in Februari 1843 een krasse waarschuwing tegen de leer van de Groninger professoren en predikanten, een oproeping aan allo geloovigen om zich daartegen te verzetten. Dit maakte toen grooten indruk en gaf bij hen, die een dreigement lazen onder dezen „kreet van verontwaardigingquot;, aanvankelijk stof tot angstige gedachten. Maar de naaste uitwerking was, dat beide partijen in scherper contrast dan ooit te voren zich tegenover elkander opstelden. Want het werd toen duidelijk, dat dit meer was dan bloot een verschil van opvatting, dat hier de voorstanders van twee absoluut onvereenigbare geloofsbeginselen de wapens hadden aangegord. De reactionaire partij beleefde het verdriet, dat er gebeurde, wat zij volstrekt niet bedoelde, maar waartoe zij door haar geweldige overdrijving en volkomen gemis aan waardeering zelf aanleiding gaf; die zij als apostelen des ongeloofs voorstelde, bereikten toon het hoogste toppunt van populariteit. Prof. de Groot, die in dezen winter onder groote toejuiching voorlezingen hield over „do opvoeding dos menschdoms door Godquot;, en zijn ambtgenooten werden in \'t openbaar schitterend gehuldigd door do opgewondeno burgerij en academische jeugd. Hun aanhangers Uden Masman, onder den pseudoniem Azonius, van Borssum Waai,kens en andoren bestreden met hen de Haagsche hoeren, ds. Taats, da Costa, die aan het beruchte adres niet had willen mededoen, maar in zijn „Rekenschap van gevoelensquot; toch den aanval op de noordsche ketterij voortzette. Hoe vele geesten door deze oppositie wakker geschud werden, bleek int meer dan vijftig adressen van honderde predikanten en gemeenteledon, die de synode aanmoedigden om niet af te wijken van hot door haar in beide vorige jaren ingenomene standpunt. Do oppositie gaf toen de moeite op en liet zich in de kerk vooreerst niet hooren. Alleen ds. le Roy bleef volhouden, maar zijn vertoog werd ter zijde gelegd, omdat de synode besloot „bij haar vroegere verklaring ten aanzien eenor betamelijke vrijheid van onderzoek en predikingquot; te volharden on in geen nadere opheldering te willen treden. Deze terugslag moest
390
de mannen van liet reveil overtuigen, dat de stroom tegen was en belette een volksbeweging op te wekken. De kerkbesturen, de groote meerderheid der predikanten, nagenoeg de gebecle burgerstand, de geleerde en ambtelijke wereld waren den geest dos tijds toegedaan. Sleehts in enkele aristocratische kringen en onder de lagere standen, ook bij de landbewoners in sommige streken leefde de rechtzinnige traditie voort, ontstemd, geslagen, doch niet verslagen. Want de antirevolutionaire en confessioncele partij, hoewel tot bescheiden werkkring teruggedrongen, was gevormd. Onder voorzitting van den heer Groen van Prinsterer hield de vereeniging van Christelijke vrienden sedert 1845 haar halfjaarlijksche bijeenkomsten te Amsterdam. Zij had tot haar orgaan het maandschrift „Christelijke stemmenquot; onder redactie van ds. Hei,dring van Memmen, die zijn verdiensten echter vooral gezocht heeft op het gebied der inwendige zending.
Bij den aanvang dezer eeuw bleek de leer van Dordrecht reeds haar algemeen en onbepaald gezag verloren te hebben. Dat was door de wisseling der tijden in de onderlaag geraakt, terwijl zich uit het verleden geleidelijk een geheel nieuw leven had ontwikkeld. Het jaar 1842 is een belangrijk tijdstip in de geschiedenis der kerk, omdat de synode door haar besluit toen openlijk verklaarde, dat de kerkbesturen als zoodanig niet bevoegd waren om in leer-geschillen uitspraak te doen.
Het tweede geschrift der Haagsche heeren is getiteld: Aan de Hervormde gemeente in Nederland en draagt den datum 31 Jan., zie ook Hofstede de Groot, De Gron. godgel., p. 237—242, die vermeldt, dat de synode drie adressen ten gunste der Haagsche heeren ontving: de Ha7idel. der syn., 1843, p. 141, 150, vermelden alleen dat van le Roy, die ook doch evenzeer te vergeefs in het volgende \'jaar adresseerde.
Naar de eerste statistieke opgave der synod, commissie in 1829 telde de kerk 1278 gemeenten (w. o. de Waalsche) en 1512 predikantsplaatsen. In de synodale handelingen omstreeks deze jaren zijn de opgaven onvolledig. In 1843 kwamen er 55 adressen, geteekend door 473 predikanten en 490 gemeenteleden. Twee van die adressen nl. van de classes Koevorden en Zutfen bevatten slechts de onderteekening namens het bestuur. Handel., p. 12, 139—^2, i89-
In 1846 werden gedrukt de Voorlez. over de gesch. der opvoeding des menschdoms door God tot op de komst van J. Chr. in twee deelen. Ze beleefden drie edities. Reeds den 8 Maart 1843 gaven 335 personen uit de élite der Groninger ingezetenen een Plechtige verklaring, waarmede zij hun hoogleeraren een votum van vertrouwen gaven tegenover de aanklachten uit den Haag. Daarop volgde nog in dezelfde maand een betooging der studenten in den vorm van een fakkeloptocht. Een zwerm van boekjes zag toen het
391
licht. Maar de orthodoxen in Groningen gaven hun afkeuring te kennen in een Noodzakelijke verklaring, in Mei door c. 160 personen van beiderlei kunne onderteekend.
Da Costa werd over zijn Rekenschap van gevoelens met nadruk bestreden door een ongenoemde, die later bleek de Leidsche student C. W. Opzoomer te zijn, Skpp , Pragtn. gesch., p. 156, 157. Zie verder nog Chantepie de la Saussaye, La crise relig. en Hollande, p. 60 vlg.; Pierson, Oudere tijdgenoolen, vooral de Gids 1883, III, 92—130.
§ 297. Met de wijze, waarop zij aan deze beroering een einde maakte, was een andere daad der synode geheel in strijd. Het voorstel werd gedaan om in \'t algemeen de betrekking van de kerk tot do theologische professoren uit te breiden en in \'t bijzonder om voortaan de nieuw-benoemden een verklaring ten opzichte van bun gehechtheid en trouw aan de leer der Hervormde kerk te laten teekenen, een halfslachtige maatregel, blijkbaar met de bedoeling om den indruk van het genomene besluit een weinig te verzachten. Het werd in de zitting van \'t jaar 1844 zelfs voorloopig aangenomen, doch onder protest van de minderheid. In de kerk echter verhieven zich slechts enkele stemmen voor, doch zeer vele tegen deze zonderlinge handelwijze. Het bleek ook, dat de regeering niet gunstig over dit voorstel dacht. Er had nog een adresbeweging, vervolgens een wisseling van adviezen plaats en het einde was, dat de zaak na eenige jaren op den achtergrond geraakte.
Zoo hebben de leiders van het reveil, als zij zich voorstelden een beweging tegen de vrijheid van godgeleerd onderzoek en prediking in het leven te roepen, hun doel niet kunnen bereiken. De ongunst der tijden dwong hen een anderen weg in te slaan. De eisch om de dogmatische verschillen naar zuiver wetenschappelijk terrein over te brengen had gehoor gevonden. De kerkelijk rechtzinnige partij had dit niet kunnen keeren, maar zij liet niet na om nu en dan plichtmatig haar afkeer van de Groninger godgeleerden te openbaren. Dat bleek uit verwoede oppositie bij gelegenheid der beroeping van Rutgers van der Loeff naar Leiden in 1846 en vooral van dr. Meijboom uit Groningen naar Amsterdam in 1853. Ook werd vrij wat opschudding aangericht, toen in 1851 prof. Hofstede de Groot in den Haag een preekbeurt had vervuld. De achting, die de Groninger school zich had veroverd, was evenwel reeds zoo gevestigd, dat de tegenpartij niets vermocht togen datgene, wat zij als een schending van het recht der gemeente betreurde.
Hofstede de Groot, De Gron. godgel., p. 242, 243, waar
392
ook vermeld wordt, hoe Groen van Prinsterer c.s. na 1848 in de Tweede Kamer de Groninger school aanklaagden.
Een regeling der nadere betrekking van de theologische faculteit tot de kerk was reeds vroeger ter sprake gebracht, ook om aan de kerk eenigen invloed te verschaffen op de benoeming van die professoren. De synodale commissie bracht in 1843 dit voorstel ter tafel, dat der meerderheid wenschelijk voorkwam. Op de rechtzin-nigen miste het echter elke uitwerking en van den anderen kant werden aan de hoogeerwaarde vergadering 56 sterk afkeurende adressen ter overweging toegezonden. Handel, der synode, 1843, p. 50, 51, 137; 1844, p. 60, 186—189, 192; 1845, p. 80, 81 enz. Zie o. a. ook Jonckbloet, Gedenkb. der Gr on. hoogesch., p. 206 208. Uit een later concept tot regeling van deze aangelegenheid werd de eisch tot onderteekening reeds weggelaten.
§ 298. Langzamerhand begonnen Hervormden en Afgescheidenen elkander uit den weg te gaan. En omdat bij de laatsten zich meer organiseerende zin vertoonde, braken er eerlang ook betere dagen voor hen aan. Op hun derde kerkvergadering te Amsterdam in November 1840 werd elke na de Afscheiding gemaakte kerkorde ter zijde gesteld en die van Dordrecht als „eenige regel in de regering, tucht en dienst voor de gemeentenquot; aangenomen. Hoewel dit niet zonder verzet van eenige leden geschiedde, was het toch een belangrijke schrede op den weg tot hereeniging. Door dezelfde vergadering werd Scholte wegens laster en liet stoken van onrust in zijn bediening geschorst. Na afloop begaf zich een commissie tot koning Willem 11 om hun belangen bij Z. M. aan te bevelen. De tijd was nu gunstiger voor inwilliging van enkele wenschen; bij koninklijk besluit van 9 Januari 1841 zijn dan ook de vroeger gestelde voorwaarden ter erkenning van Christelijk Afgescheidene gemeenten eenigszins gewijzigd. In dat eerste halfjaar werden reeds zesenveertig aanvragen bij do regeering goedgekeurd. Doch hun onderlinge oneenigheden over de kerkorde, censuur e. d. duurden nog langen tijd voort. Inzonderheid door het drijven van Scholte ontstond een scheuring, die eerst kon worden weggenomen in het jaar 1854, toen de theologische school te Kampen opgericht werd. Van dat tijdstip af begon de verdeeldheid te verminderen: zij is geheel in vrede en eendracht bijgelegd op hun synode te Middelburg in 1869. Die zich tot nog toe afgezonderd hadden gehouden, vereenigden zich toen met de overigen onder het daar gemaakte statuut. Sedert dien tijd naar hun lang gekoesterden wenseh voerden zij den naam van „Christelijke Gereformeerde kerkquot;.
Dat het op de synode der Afgescheidenen in 1840 nog volstrekt
393
niet rustig en minzaam toeging, bleek uit het Verslag van de synode der afgescheidene Gereformeerde gemeente enz., dat dadelijk in druk verscheen; van Velzen, Gedenkschr., p. 114 vlg., 120 vlg.;
H. de Cock, Hendrik de Cock, p. 616—628; Gieseler, De beweg. in de Ned. Herv. kerk, p. 194—199; Handel, der synode van de Ned. Herv. kerk, 1841, p, 11; 1842, p. 12, 1843, p. 12, enz.; Nippold, De Christ, wereld der laatste halve eeuw (bewerkt door van Koetsveld), p. 518 vlg.; G. J. Vos, Groen van Frinst.,
I, I3I) I32-
De Cock was sedert Mei 1837 als leeraar te Groningen gevestigd en bleef daar ongemoeid tot aan zijn dood den 14 November 1842. Scholte, die van Labadistische dwalingen en chiliasme verdacht werd, trok later evenals van Raalte naar Noord-Amerika, waarheen vele Afgescheidenen verhuisden.
De oprichting van hun seminarie en de synode te Middelburg waren de beide belangrijke feiten, die hechten samenhang hebben gegeven aan de verstrooide en verdeelde groepjes der Separatisten. Van dat tijdstip af werd hun secte een bloeiend kerkgenootschap, dat nu door eigen volharding en inspanning tot een rustig en zelfstandig bestaan naast de Hervormde kerk gekomen is. Zie verder over de samenvloeiing met de Doleerenden het einde van het volgende hoofdstuk.
§ 299. Ook andere ontevredenen hadden eenige kleinere kringetjes van geestverwanten vergaderd, die zich weer in sommige opzichten van do volgelingen van de Cock en Scnoi/re onderscheidden, al streefden zij oven volhardend naar handhaving der oude beproefde leerstukken. Daartoe behoorden in dit tijdsgewricht de Oud-Gerefor-meerden, die onder Ledeboer, den in 1834 afgezetten predikant van Benthuizen, al spoedig de gemeenschap met de Afgescheidenen verbraken en voorts onderling weer een scheuring beleefd hebben. Eveneens de Christelijk evangelische gemeente van ds. Budding vooral te Goes, en een kruisgemeente van J. G. Smitt te Amsterdam. Iets later vereenigden zich de volgelingen van ds. de Liefde te Amsterdam en de zendingsgemeente van ds. Wittevebn tc Ermeloo, die in 1859 als predikant afgezet moest worden, terwijl in de tweede helft dezer eeuw sommigen zich aansloten bij de Irvingianen en Darbysten.
Tegen den geest van liet separatisme is een groote invloed op vele aanhangers van Gereformeerde rechtzinnigheid uitgeoefend door dr. H. F. Kohlbrügqe. Deze merkwaardige man, van geboorte Amsterdammer, behoorde eigenlijk tot de Ilersteld-Lutlicrsohe gemeente. In 1827 werd hij in weerwil van de beden zijner talrijke aanhangers als proponent en hulpprediker afgezet, toen hij een der predikanten van onrechtzinnige leeringen beschuldigd had. Daarop besloot hij tot de
394
Hervormde kerk, welker Dordtsclie leer hem bijzonder aantrok, over te gaan, maar dit voornemen stuitte in 1830 af op de tegenkanting der kerkbesturen en der synode. Do toenmalige toongevers begeerden zulk een onrustigen, onbuigzamen jonkman niet binnen te halen en eischten van hem ook zelfs na zijn promotie te Utrecht een bewijs van zedelijk gedrag, overtuigd dat de Luthcrsche gemeente het hem wegens de te Amsterdam aangerichte beroering niet kon of wilde uitreiken. Deze weigering verwekte toen in de kringen van het reveil groote sensatie, stemde vooral hem zelf niet zachter, maar alle aangewende moeite baatte niets. Hij bleef vooreerst meestal te Utrecht gevestigd en vond daar door woord en onderwijs ingang hij velen voor zijn krachtige getuigenis van de souvereiniteit Gods en de rechtvaardiging alleen door Gods volstrekte genade. De Afgescheidenen hoopten hem voor zich te winnen en in 1839 deed Brummeucamp hem het bepaalde voorstel om zich bij een hunner gemeenten te laten beroepen. Koiilbrügge weigerde en verklaarde hen niet als de gemeente des Heeren te kunnen erkennen. Aan zijn stilleven in Nederland kwam in 1845 een einde, toen hij zich te Elberfeld vestigde, waar hij zich in de Hervormde kerk liet opnemen en met goedkeuring der regeering zijn afzonderlijke Ncderlandsch Gereformeerde gemeente oprichtte. Tot aan zijn dood in 1875 leefde en werkte hij daar ook in voortdurende verbinding met zijn leerlingen en vereerders in Nederland.
Ds. L. G. C. Ledeboer, hun verdediger, sloot zich in 1840 bij de Afgescheidenen aan, doch hij en zijn aanhangers vormden weldra een afzonderlijke vereeniging, juist omdat zij bezwaar hadden tegen de voorwaarden, waaraan de gemeenten zich onderwierpen om van staatswege erkend te worden. Zie J. H. Gunning JHz., Het Prot. Nederl., p. 111—129; De Zendingsgem. te Ermeloo.
Hermann Friedrich Kohlbrügge werd in 1803 geboren te Amsterdam, waar zijn vader zeepzieder was. Al is het zeer overdreven, dat een zijner vereerders hem „een der grootste theologen van deze eeuwquot; noemt, hij bezat zeker groote gaven en was vooral in de rechtzinnig dogmatische godgeleerdheid zeer tehuis. Het eigenaardige, dat hem en zijn volgelingen onderscheidt, steekt niet in hun dogmatische belijdenis, waarvan de drie formulieren van eenigheid de grondslag zijn: zij haten alle scheuring en sektemakerij , omdat zij zich slechts geroepen rekenen om te getuigen van de macht Gods, waarvan zij alles en ook het herstel der kerk verwachten. Koiilbrügge zelf heeft veel geschreven, vooral reeksen van preeken, die voor een groot deel vertaald zijn uitgegeven. Zie over hem Handel, der syn., 1830, p. 67, 68, 95—98, 119, 120; 1832, p. 104—107; Vos, Groen van Prinst., I, 108—125; Calaminus, Kohlbrügge in Herzog, Real-Ene., VIII, 110—116;
395
H, van Druten, Hoe dr. Kohlbrügge predikant werd, 1884; Lehensskizze von dr. H. F. Kohlbrügge, 1884, door prof. Wickel-haus en Eöhl; Lijst der werken en geschr. van en over dr. H. F. Kohlbrügge, 1887, door zijn zoon, met een verhalende voorrede.
§ 300. Omstreeks 1853 ontstond er een algemeene opschudding in de kerkelijke kringen vun ons vaderland uit schrik over een dreigend machtsvertoon van Rome. Volgens de bepaling der grondwet van 1848 was elk kerkgenootschap bevoegd zijn eigene inrichting te regelen. De Hervormde kerk had daarvan gebruik gemaakt tot herziening van haar organisatie. Ook de pauselijke nuntius in den Haag kreeg van den minister de mededeeling, dat aan de Katholieke kerk tegen opzegging van vroegere bepalingen dezelfde vrijheid werd vergund. Dit gaf aan Pius IX gcwenschte gelegenheid om voort te zetten, waarover door zijn voorganger reeds in 1841 onderhandelingen waren geopend. De apostolische breve van 4 Maart 1853 bevatte tot herstel van do bisschoppelijke hierarchic in „de beroemde gewesten van Holland en Brabantquot; het besluit tot de oprichting van het aartsbisdom Utrecht en de vier bisdommen Haarlem, \'sHertogenbosch, Breda en Roermond met het uitdrukkelijke voornemen om het getal van die prelaten te vermeerderen, als de tijd en het belang der kerk dat vereischten. Deze maatregel verwekte de grootste ergernis in de Protestantsche wereld van Nederland niet zoozeer om de zaak zelf, die al bedenkelijk genoeg geacht werd, maar vooral om den toon, waarop de paus daarin uitvoer tegen de Hervorming, de ketterij van Calvijn, het monster en de pest van het Jansenisme. In April begon die beweging. Van Utrecht ging een petitionnement, dat zeer groote afmetingen aannam, uit aan den koning om bij hem op bescherming van de Protesïantsche kerk aan te dringen. Z. M. gaf in Amsterdam aan dr. B. ter Haar en de commissie, die hem de adressen aanbood, te kennen, dat door deze beweging de banden tusschen het huis van Oranje en hot vaderland nog hechter waren vastgesnoerd. Behalve in die adressen werd door talrijke schrijvers van vlugschriften en door redenaars in de beide Kamers bij do behandeling der wet op de kerkgenootschappen betoogd, dat de Roornsche curie zich een recht had aangematigd, \'twelk haar niet toekwam. De regeering had zelfs vooraf geen kennisgeving uit Rome van de nieuwe inrichting der Katholieke kerk in Nederland ontvangen. De ministers hadden moeten zorgen, dat de zaak niet in zulk een kwetsenden vorm had plaats gehad, en vooral mr. Thorbecke werd beschuldigd de Roomsche geestelijkheid to ontzien en haar boven andere gezindten te be-
396
gunstigcn. Omdat hij weigerde door een duidelijke verklaring alle misverstand weg te nemen, moest hij aftreden en werd vervangen door het ministerie van Hall, dat als „April-ministeriequot; hekend staat. Maar de nieuwe inrichting der Katholieke kerk werd ingevoerd, zooals zij door den paus voorgeschreven was. Sedert dien tijd werd de verwijdering tusschen Nederlandsche Protestanten en Roomschen grooter, dan zij vroeger geweest was.
In 1827 had Willem I een concordaat met den paus gesloten, maar een daarop gevolgde pauselijke hul en allocutie veroorzaakten, dat het niet tot de uitvoering was gekomen. Paus Gregorius XVI knoopte de onderhandelingen weer aan in 1841, doch kon de voltooiing van zijn plan tot herstelling der bisdommen „uit overweging der tijdsomstandighedenquot; niet voortzetten. Beide onderhandelingen met de Roomsche curie wekten toen reeds argwaan en onrust onder de Hervormden. Al hadden zij tot 1853 wel bisschop-pelijken rang en karakter, de door den paus aangestelde prelaten mochten slechts den titel voeren van apostolisch vicaris. De Aprilbeweging ontstond over de pauselijke hul en de 7 Maart gehoudene allocutie, die beide in een vertaling onder aller aandacht kwamen, bijv. in Hofstede de Groot, De inv. der pauss. bisschoppen in NederL, p. 17—32, zie ook zijn Oudkath. beweging, p. 255— 257; Bennink Janssonius, Geschied, der Oud-R. Ca/h. kerk in Nederl., p. 318—328; Handel, der synode, 1853, passim en vooral bijl. B, p. 158—174. J. P. de Keijser, pred. te Arnhem, versamelde reeds in dat jaar een aantal stukken onder den titel: De worsteling van het Prol. tegen de her steil, der hier. in Ned. De literatuur over de Aprilbeweging is zeer omvangrijk. Ds. H. L. de Voogt gaf in zijn Naaml. der geschriften enz., 1870, de titels van 376 werken, boekjes, adressen, preeken, open brieven, strooibilletten enz., die allen in 1853 van de pers kwamen. Deze beweging gaf o. a. aanleiding tot de oprichting der Evangelische maatschappij, die zich vooral ten doel stelt om te waken tegen overvleugeling door het Ultramontanisme.
§ 301. Terwijl do Groninger godgeleerden, niet langer beducht voor hun positie in do kerk, ijverig voortwerkten aan de voltooiing van hun eigenaardig systeem, kwam er ook een stroom van ontwikkeling der godgeleerde studio onder geheel anderen invloed opzetten. De arbeid der buitenlandsche scholen maakte toenemenden opgang in Nederland. Do eerste vrees voor Schlkiermachebs beschouwingen was spoedig verdwenen. De werken van Strausz zoowel zijn Loven van Jezus, 1835, als zijn Geloofsleer, 1840, raakten hier dadelijk bekend. Aanvankelijk werd over het werk van dien „godloochenaarquot; slechts of uit de hoogte of met afkeurend vooroordeel gesproken.
397
Doo,h dit maakte van lieverlede plaats voor ernstiger overweging. Nog geruimen tijd werd Strausz bestreden en daarna schreef van Oosterzee een Leven van Jezus, kennelijk met een apologetische bedoeling, doch meer stichtelijk clan wetenschappelijk van inhoud. Ook Meijboom nam dezelfde taak op zich, eveneens op brcede schaal. Beide werken deden echter inzien, dat het veeleer geraden was het voorbeeld der hier aanvankelijk zoo verketterde Tubingers te volgen en eerst het grondig onderzoek naar de bronnen en letterkunde van de oud-christelijke geschiedenis aan de orde te stollen.
Do dringende behoefte om de heilige schrift en vooral ook do boeken en den inhoud des N. Test. aan den toets der historische critiek te onderwerpen riep onder de verlichte theologen naast de Groninger school een geheel nieuwe richting in leven. Zij verhief zich nagenoeg gelijktijdig te Leiden en Utrecht. Daar geraakte in bloei, wat aan Groningen ontbrak, de historische critiek en de wijsbegeerte. Daar is na den schok, uitgaande van de werken van Strausz en de Tubingers, de oorsprong te vinden van de Moderne richting, die al dadelijk den invloed openbaarde van tweeërlei geest, den theoloog SciioijTEN en den wijsgeer Opzoomer.
Sepp, Pragm. gesch., p. 213—221. De Groningers waren te zeer met zich zelf bezig, zoodat zij in den eersten tijd Strausz ter zijde lieten liggen. Toch was het een theologant te Groningen, die zijn Leven van Jezus vertaalde, waarvan slechts het eerste deel aldaar uitkwam. Daar schreef de prof. phil. et log. de Greuve een bestrijding van Strausz in 1840, toen da Costa dit ook op populaire wijze beproefde in zijn Verscheld, en Overeenst., twee deelen. Van Oosterzee begon de uitgave van zijn Leven van Jezus 1846 in drie deelen, waarvan het laatste in 1851 verscheen. Het werk van Meijboom sedert 1853 telt zeven boekdeelen: voordat het laatste het licht zag, was de Groninger een voorstander van de Moderne richting geworden, zooals dit met vele predikanten en godgeleerden, zelfs met een menigte gemeenteleden het geval is geweest.
Het is een misverstand de Groninger school te houden voor de bakermat en oorsprong van de Moderne richting. Zij is steeds getrouw gebleven aan haar eigen evangelisch supranatureel beginsel en verdient als overgang gewaardeerd te worden, als „stadium van ontwikkelingquot;. Na twintig jaren, 1857, werd haar orgaan Waarheid tn Liefde in het bijzonder gewijd aan het opbouwen van de evangelische kerk der toekomst. Zij heeft ook de nieuwe richting, die haar rijen dunde, met smart gadegeslagen en met ijver bestreden. De Groninger godgeleerden hebben door hun moedig opkomen voor de vrijheid der wetenschap het pad gebaand voor hen, die daarna kwamen. Het modernisme is geen consequente ontwikkeling
398
van hun systeem maar een geheel nieuwe strooming: om mede te gaan zouden zij hun standpunt hebben moeten prijsgeven.
§ 302. Bij het zieltoogende atheneum van Praneker aanvaardde dr. J. H. Scholten in 1840 een ambt, dat hem eerst drie jaren later te Leiden in zijn volle kracht zou doen uitkomen en schitteren. Van den beginne af deed hij zich kennen als zelfstandig denker en docent, gevierd en bewonderd door zijn talrijke leerlingen, die hij door zijn nieuw-testamentische studiën het gewicht van grondige tekstcritiek leerde waardeeren, terwijl hij door zijn „Leer der Hervormde kerk in hare grondbeginselenquot; zijn roem als wijsgeerig dogmaticus heeft gevestigd. Niet alleen door zijn persoon en onderwijs ook door vele geschriften is Scholten de geestelijke vader van de Moderne theologie en vooral van hen, die evenals hij door al do fazen hunner ontwikkeling heen steeds verdedigers en voorstanders van het christendom gebleven zijn. Naast hem rees woldra omhoog de innemende gestalte van zijn grootsten leerling dr. A. Koenen, den beroemden criticus en orientalist, die door zijn boven alles uitstekende kennis van het Qude Testament een voltooid gedenkteeken van wetenschap heeft kunnen nalaten. Deze beide vermaarde Leidsche godgeleerden oefenden niet alleen rechtstreeks op hun gehoor een machtigen invloed uit, maar zelfs in den ruimsten kring elders bij de velen, die door het bestudeeren van hun werken dezelfde beginselen leerden hoogschatten en toepassen.
Scholten, geboren 1811 te Vleuten, was als student te Utrecht huisgenoot van zijn oom van Heusde, \'twelk van beteekenis is geweest voor zijn sterk wijsgeerige neiging. Slechts een drietal jaren is hij te Meerkerk predikant geweest. Reeds in zijn inaugureele rede te Franeker tegen het docetisme verkondigde hij een christologie, die van alle andere afweek. Het zou al spoedig blijken, dat met Scholten de leidsman was opgetreden niet tot een meer verlichte opvatting van bijzondere leerstukken maar tot een geheel nieuwe wereldbeschouwing. Hij verwierp elke beperking van het recht der critiek. Door zijn begrip van openbaring, „de sleutel, het uitgangspunt en de sterktequot; van zijn theologie, geraakte hij in tegenspraak met rationalisme en supranaturalisme. Het bracht hem tot de erkenning der immanentie Gods. De strijd, waarin hij gewikkeld werd, bewoog zich vooral om het Godsbegrip en de vrijheid van den wil. A. Kuenen, Levensber. van J. H. Scholten in de Bijl. der Maatsch. van Neder l. Lelt er k., 1886, p. 3—60, waarbij ook de volledige lijst zijner geschriften, en Herzog, Real-Enc., XVIIl, 256—263; Boeles, Friesl. hoogeschool, II, 803—815; Glöël, Hollands Kirchl. Leben, p. 33—40; F. W. B. van Bell in Eigen Haard, 1880, p. 364—366; Seit, Pragm.
399
gesch., p. 168—197 en passim; von Antal, Die Holland. P kilos., p. 56, 76. Hoofdwerken: De leer der Herv. kerk, vier uitgaven, 1848, 185°) i8S5 , 1861; Dogmat. Christ, initia, twee uitgaven, 1853, 1858; Hist. crit. inleid, tot de schr. des N. TeU., twee drukken, 1855, 1856; Gesch. van godsd. en wijsheg., drie edities, ISS3) ^59 gt; iS63; De vrije wil, 1859.
Abraham Kuenen, geboren te Leiden 1825, is wegens zijn dadelijk reeds erkende kundigheden nagenoeg terstond na \'t verlaten der academie daaraan weer als hoogleeraar verbonden, zoodat hij om als academieprediker te kunnen optreden vijf jaren later in een openbare zitting der synode den 14 Juli 1857 nog in de evangeliebediening moest worden bevestigd, Handel, der synode, 1857, p. 12, 64, 65, 77, 78. Sedert 1861 begon hij de uitgave van zijn meesterwerk Hist. krit. onderzoek naar het ontstaan en de verzam. van de boeken des O. Verb., dat hem Europeeschen naam heeft verschaft. Zie verder W. C. van Manen in Tijdspiegel, 1892 en H. Oort, Knenen ah godgeleerde, in de Gids, Maart 1893.
Behalve de la Saussaye, die in 1859 een Beoordeeling van het werk van Scholten schreef, had reeds in 1851 Joannes Tideman in de Remonstrantie en het Remonstrantisme zijn bedenkingen tegen de Leer der Herv. kerk uitgebracht, bepaald tegen Scholtens beweering, dat de Remonstranten uit Hervormd oogpunt beschouwd eigenlijk ketters waren. Sciioltkn heeft den nadruk vooral gelegd op de leer der genade, maar het even krachtige bijbelsche beginsel der Hervorming, dat de Remonstranten voorstonden, buiten debat gesteld. Sepp, Pragm. gesch., p. 191.
Tegenover Scholtens beslist determinisme was vooral zijn Doopsgezinde ambtgenoot S. Hoekstra te Amsterdam de voorstander van een gewijzigd indeterminisme. Hij trad tegen hem op met zijn Vrijheid in verband met zelfbewustzijn, zedelijkheid en zonde, 1858, toongever van de ethische richting onder de Moderne theologen, met wien Scholten in vriendelijker tegenspraak trad dan met Hofstede de Groot, zie Vrije wil, voorrede p. IX—XX.
§ 303. Nagenoeg gelijktijdig, in 1846, trad te Utrecht de even geniale als welsprekende mr. C. W. Opzoomer op met een aanprijzing van de wijsbegeerte als „den menseh met zich zeiven verzoenendequot; en een ontwikkeling van liet door Scholten afgekeurde Godsbegrip van Ivrause. Dit gaf aanleiding tot een op hevigen toon gevoerd geschil tusschen beide hoogleeraren en vestigde de volle aandacht op den man, die de studie der wijsbegeerte weder in eere heeft weten te brengen door haar te doen waardccren als meer dan slechts de nederige dienstmaagd der theologie, als de ook voor don godgeleerde onmisbare methode om tot juiste kennis te geraken: empirie do eenig ware weg tot het weten. Door meer dan gewone kracht, schoonheid
on ernst van taal maakte Opzoomeu weergaloozen indruk zelfs op de theologanten van orthodoxe traditie en bestemming. Weldra verscheen zijn beroemd handboek over de „Logica, de weg der wetenschapquot;, waarmede de empirische methode haar intocht deed. Velen van zijn aanhangers gingen naar Leiden om er hun studiën te voltooien en ontvingen dan van Scholten den godgeleerden doop. Vooral door zijn talentvollcn leerling A. Pierson is do wijsbegeerte der empirische school heengeleid naar de binnenkameren der theologie. Met jeugdige opgewondenheid worden de beginselen der nieuwe levensbeschouwing omhelsd en verbreid niet alleen onder het jongere geslacht maar ook in de geloerde en geletterde wereld en bij mannon van leeftijd. Echter konden reeds van den beginne af onder do aanhangers van de moderne richting twee groepen worden onderscheiden, al naardat zij aan Leiden hun vorming te danken hadden of uit de school van Opzoomer voortgekomen waren. De eersten hebben hun christelijk en kerkelijk standpunt niet verlaten en trachten met ijver te arbeiden aan godsdienstige verlichting; van de laatsten hebben velen oen proces doorloopen, dat hen buiten de kerk zou voeren.
Sepp, Pragtn. gesch.; vooral p. 156—167 ; de la Saussaye , La crise relig., p. 97 vlg., 155—185; von Antal, Lie Holland. Philos., p. 53 vlg. en de biografie door van der Wijck.
Mr. C. W. Opzoomer, geb. i,e Rotterdam 1821, opende na zijn bestrijding van da Costa een aanval op van Oosterzee, den redacteur van de Jaarb. voor IVetensch. \'Theol., en deed hem naar eigen verklaring, later afgelegd, „op onzachte wijze het onvoldoende der gevoelsleer erkennenquot; en dat het testimonium spir. sancti geen afdoend wapen was in handen van den apologeet. In dienzelfden tijd 1846 kwam het geschil met Scholten , die beweerde, dat de wijsgeer te Utrecht buiten de grens van het Christendom ging. De twist is begraven en vergeten, maar deed dadelijk het onderscheid van wijsgeerig standpunt der beide groote toongevers van de moderne richting uitkomen. Het verschil heeft echter onder de theologen wel schakeering, geen scheuring te weeg gebracht. Inzonderheid hebben de veel gelezene geschriften van Pierson den opgang van de nieuwe richting bevorderd. Naast de Leidsche richting vertoonde zich ook de invloed, die van Hoekstra, zijn geestverwanten en leerlingen uitging.
§ 304. Het noodzakelijk gevolg van al deze dingen was do vorming eonor dorde partij, die uitging van hot streven om het behoudende standpunt of zelfs do rechtzinnige beginselen ook wetenschappelijk te handhaven. De forsche slagen, die aan het Hervormde loersysteem waren toegebracht, eerst door de Groningers, daarna door do strijd-
41)1
vaardige voorstanders der theologie van Schoi.ten, deed de bezorgdheid ontstaan, of dit niet te ver zou voeren. Zij, die daardoor de grondslagen van geloof en christendeugd bedreigd achtten, voelden de roeping om de orthodoxe theologie tot vernieuwde weerbaarheid uit te rusten, hetwelk aan do mannen van Bildebdijk wegens hun doctrinaire ingenomenheid tegen elke afwijking van de traditie dei-kerk mislukt was en mislukken moest. De beide godgeleerden, die zich toen op den weg der bemiddeling aan de spits hebben geplaatst, waren door talent en studie wel geschikt voor deze moeielijke taak. In 1845 was reeds het tijdschrift „Jaarboeken voor wetenschappelijke theologiequot; opgericht en aan de redactie namen deel de geleerde Doedes en de gevierde redenaar van Oosterzbe, weldra ambtgenooten als predikant in Rotterdam en later als hoogleeraar in Utrecht. Zij namen terstond een apologetisch standpunt in en werden in het beloop van den door hen gevoerden strijd de toongevers van een gewijzigde orthodoxie. Tot hun medestanders behoorde ook N. Beets, die evenwel meer letterkundige dan theoloog heeft willen zijn. In 1848 begon hij met de uitgave zijner „Stichtelijke urenquot;, een godsdienstig leesboek, waarin de ethische zijde van de aangenomene leer op den voorgrond staat. Met Doedes , van Oosïerzee , van Toorenen-UERGEN en eenige anderen stichtte hij do vereeniging „Ernst en Vredequot;, die sedert 1853 in het tijdschrift van dien naam haar orgaan bezat. Ook Chantepik de la Saussaye, toen Waalseh predikant te Leiden, was in die dagen nog aan hun zijde te vinden. Hiermede was de partij opgetreden, die zich aanvankelijk tooide met den naam van ethisch-irenische richting en zeer vele schakeeringen bevatte, noodzakelijk gevolg van het zwevende van een standpunt, dat steeds bleef schommelen tusschen de eischen der orthodoxie en wetenschappelijke heterodoxie, een poging tot verzoening van kerkelijke rechtzinnigheid met de erkende resultaten van moderne wetenschap. Ten aanzien der keuze van het fondement des geloofs was toen reeds onder hen eeu principieel verschil aan het opkomen, dat weldra duidelijker blijken en deze partij weer in twee hoofdgroepen verdeelen zou, al naardat zij zich nauwer bij de Utrechtsche godgeleerden aansloten, die het geloof op bijbelschen grondslag opbouwden, of met de la Saussaye voornamelijk den nadruk legden op dc ethische zijde der waarheid. Doch vooreerst bleef dit onderscheid nog binnen de grenzen van wetenschappelijke bespreking.
W. Francken, Levensschets van J. J. van O asterzee in de bijl. tot de Handel, der Maatsch. van Ned. Lett., 1883, p. 43— 102; Skpp, Pragm. gesch., p. 154 vlg., 197 vlg.; Cuanïepie de la Saussaye, La crise rclig., p. 92 vlg.
Dr. Reitsma , Kerkgesch, 26
402
Van Oosterzee, geb. te Rotterdam 1817, was daar predikant van 1844 tot 1863, hoogleeraar te Utrecht, gestorven 1882.
J. I. Doedes, geb. 1817, was van 1847 tot 1859 predikant te Rotterdam en daarna hoogleeraar te Utrecht, sedert 1887 emeritus.
N. Beets, geb. 1814, kwam als candidaat te Heemstede, vanwaar hij in 1854 naar Utrecht ging, waar hij in 1874 opvolger werd van den kerkhistoricus ter Haar. Hij was met Doedes en de la Saussaye redacteur en stelde het program in de eerste aflevering van Ernst en Vrede. Het trok zoo weinig de aandacht, dat de redactie aan de la Saussaye een nadere opheldering van hun streven vóór den tweeden jaargang opdroeg, die evenmin begrepen werd naar den wensch der redactie. De confessioneele partij vond er niet, wat zij zocht en hoopte, de la Saussaye, La crise reiig., p. 106—m.
J. J. van Toorenenbergen , geb. 1821, was predikant te Elspeet sedert 1844 en Vlissingen sedert 1848, redacteur van de oude Boekzaal enz., van 1880 af hoogleeraar der gemeentelijke universiteit te Amsterdam en thans afgetreden. Hij behoorde met Groen, Capadose, da Costa, den philantroop Heldring van Hemmen e. a. tot de onderteekenaars van het program der strengere confessioneele partij in 1848.
Van Oosterzee was bij zijn optreden nog voorstander van de gevoelsleer van Schleiermacher: de taak, waartoe Doedes en hij zich geroepen achtten, heeft hem echter steeds meer naar de rechterzijde gevoerd, maar „nooit is de spits van zijn wapen vergiftigd geweestquot; (Opzoomer).
Ernst en Vrede heeft slechts zes jaargangen beleefd. De la Saussaye werd spoedig als redacteur alleen gelaten. Doch al zweeg het orgaan, de ethisch-orthodoxe partij, die daar den oorsprong harer dagen te zoeken heeft, bleef zich onderscheiden van de strengere confessioneelen in afwachting van betere tijden en bewandelde al spoedig een weg, die haar ook van de bijbelsch-apologetische richting zou vervreemden.
§ 305. De moderne theologie maakte in dien tijd snelle vorderingen. Begaafde sprekers en schrijvers waren de herauten der nieuwe godsdienstige denkbeelden, die groote aantrekkelijkheid uitoefenden. Weldra werden in talrijke gemeenten in steden en op het land leerlingen of geestverwanten van Scholten tot predikant beroepen, en geen godsdienstige partij heeft ooit in korten tijd zooveel aanhangers gewonnen. Door sommigen werden de resultaten van hun studie eerst met behoedzaamheid voorgedragen, doch er waren ook, die zich tot taak stelden een zuivcringsarbeid te verrichten en dus alles te bestrijden, wat den toets der critiek niet kon doorstaan. Deze geheele omkeer van godsdienstige denkbeelden en beginselen
4(J3
drong uit de kringen der godgeleerden weldra door tot de gemeente, waar de geschriften van de pioniers der moderne richting wegens den schoonen vorm, bevattelijken en pittigen inhoud gretige lezers vonden.
Vooral Busken Huet, toen Waalsch predikant te Haarlem, trok in 1857 met zijn geruchtmakende „Brieven over den bijbelquot; de alge-meene aandacht. In denzelfden vorm gaf Hofstede de Groot jr. daarvan een wederlegging, zoo geestig door de Génestet in de bekende ballade van zijn „Leekedichtjesquot; gehekeld. Eenigen tijd later begonnen de predikanten Poelman van Noordbroek en Hooykaas Herderschee van Nijmegen de uitgave van hun populair wetenschappelijk tijdschrift „Nieuw en Oudquot;. Sedert 1862 werd de „Bibliotheek voor moderne theologiequot; onder redactie van Maronier uitgegeven. Door godsdienstonderwijs, het houden van voordrachten, leeskringen, het oprichten van vereenigingen, weekbladen, stichtelijke lectuur werd de belangstelling opgewekt en levend gehouden. Op de predikantenvergaderingen traden de ervarene woordvoerders der moderne theologie persoonlijk tegen hun tegenstanders in het krijt. De geest des tijds, de gewetensvrijheid in de Hervormde kerk, de geestdrift voor onbekrompene verlichting, liet kwijnende gezag der vroeger heerschende geloofsregelen, het gebrek aan overeenstemming onder de rechtzinnige partijen, de stilstand en kwijning der Groninger school en andere uitwendige omstandigheden bevorderden den weel-derigen wasdom der nieuwe richting in Nederland.
In dezen tijd zijn zeer vele predikanten, die vroeger behoudend of Groninger waren, ten gevolge van het opgewekte leven op theologisch gebied van inzichten veranderd. Dit veroorzaakte soms veel ontroering en opschudding, zooals in den Haag, waar J. C. Zaalberg met twaalf toespraken in 1864 zich openlijk onder de vaan der modernen schaarde. Hoe welsprekend deze kanselreden ook waren, zij deden in de residentie tegen den eens gevierden prediker een ergernis ontstaan, die in verband met andere gebeurtenissen tot vele moeielijkheden aanleiding gaven, zelfs schorsing 1868, enz. Hand. der synode, 1868, p. 9, 207—314; en zijn geschrift Mijne verbanning uit den ev. dienst, 18Ó8, e. a.
Busken Huet, Vragen en antw., brieven over den bijbel, twee deelen 1857 en 1858. In het volgende jaar verschenen de Brieven van C. P. Hofstede de Groot, toen nog predikant te Rottum, Sepp, Pragm. gesch., p. 222; de la Saussaye, La crise relig., p. 171 vlg. Tot de medewerkers van Nieuw en Oud, die van i860 tot 1872 een reeks van veertien deelen uitgaven, behoorden prof. Kuenen, dr. van Bell, toen pred. te Amsterdam, later hoogleeraar te Groningen, prof. Rauwenhoff, geboren 1828,
26*
404
sedert i860 hoogleeraar te Leiden, en tal van anderen. Ook de geschriften van buitenlandsche geleerden H. Lang , Renan en vele anderen werden druk gelezen. A. Réville, Waalsch predikant te Rotterdam, gaf in 1863 zijn Manuel d\'instruction religieuse met het doel om het peil van het achterlijke godsdienstonderwijs te verheffen en het te laten profiteeren van de resultaten der theologische en historische wetenschap.
Blijkbaar was de tegenpartij overrompeld door den rassen voortgang van dit verschijnsel des tijds en niet eensgezind over het tegenwicht, dat daartegen in de schaal moest worden geworpen. Zij was ook niet opgewassen tegen de eminente en geleerde baanbrekers der nieuwe richting. Alleen in de ethische partij stak een toekomst, doch haar eerste schreden waren onzeker en wankel.
Opmerkelijk was in dezen tijd de sterke toename van het getal der Afgescheidenen: blijkens de volkstellingen zijn zij in twintig jaren bijna verdrievoud.
§ 306. Mot hot optrodon dozer nionwo richting ontstond oon ongekende levendigheid op theologisch gebied. Weldra was do wetenschappelijke strijd over de gohcele linie in vollen gang. De zwaar confessionecle partij, door godgeleerden van professie bijna geheel verlaten, zag zich gedwongen om toe te zien: teleurgesteld over de wijze, waarop haar gematigde vrienden hun standpunt handhaafden, moest zij haar krachten verzamelen en naar andere middelen omzien om de vurig gehoopte reactie op oen ander punt te richten. Maar de overige antimodernen, hoezeer ook in belijdenis verschillonde, waren het eens in de verdediging van hun supranaturalistisch standpunt , waartegen de moderne beweging gericht was. Zij, die dezen grondslag niet begeerden te verlaten, spanden do krachten in tot verweer tegen een richting, die slechts historische critiek huldigde, allo geloofszaken en geloofsbronnen aan herziening onderwierp en onder de verdenking gesteld werd van tot niets dan afbreken en ontkenning in staat te zijn. Haar tegenpartij erkende wel het recht der wetenschap, misprees slechts, wat zij voor de eenzijdige toepassing daarvan hield, maar ontkwam niet aan het lot van elke „Vermittlungs-theologiequot; door menige vruchteloozo poging om de eischen der critiek in overeenstemming te brengen met hot geloof der kerk of der school. Zoo daalde de wetenschappelijke strijd voor en tegen het supranaturalisme af tot de onderdeden, waaraan de partijen haar opvatting toetsten en in bijzondere trekken nader bepaalden. Doch steeds lag liet verschil van beginsel ten grondslag bij do vragen vnn den dag, die toen van lieverlede aan de orde worden gesteld: liet gezag dor heilige schriften, de quaestie over de mogelijkheid der bijbelsche
405
wonderen, liet geloof acin de liehamelijke opstanding, het pinkster-verhaal, e. d.
De debatten, die achtereenvolgens in godgeleerde tijdschriften en brochures gevoerd werden, verdienen een meer uitvoerige, speciale behandeling, dan het bestek van dit werk gedoogt. Scholten op het toppunt van zijn invloed bestreed in de Leer der Hervormde kerk, Vrije wil en andere werken allen, die hun stem tegen hem hadden verheven, met een nadruk, die vooral in de editie van i860 hard neerkwam op het hoofd van de Groninger godgeleerden Hofstede de Groot sr., J. Douwes, pred. te Leens, en Chantepie de la Saussaye.
De ontkenning van het wonder vond bij hooge waardeering der groote verdiensten van de moderne theologen een bestrijder in den geleerden dr. A. T. Reitsma, die in het najaar van 1861 te Groningen voor een zeer groot publiek een reeks openbare voorlezingen hield. Zij werden uitgegeven onder den titel De moderne theol. beoordeeld enz., 1863, in het volgend jaar gevolgd door het geschrift Voor en tegen de mod. theol. Daardoor werden wondergeloof en opstandingsverhalen een quaestie van den dag, die vele pennen in beweging zette. In datzelfde Groningen trad een lid der theologische faculteit, prof. Muurling, in September 1864 openlijk uit het kamp der godgeleerden van Waarheid in Liefde: zijn boekje Resultaten van onderzoek en ervaring, 1865, beleefde in 1870 een tweeden druk. Maar te Utrecht hield prof. ter Haar in 1864 voorlezingen tegen het Leven van Jezus door Renan, en Chantepie de la Saussaye in 1863 te Rotterdam en Amsterdam over De godsd. bewegingen van dezen tijd.
§ 307. Velen meenden, dat de partij van het behoud door den geest des tijds overvleugeld en machteloos was. Zij hield zich opgesloten binnen eigen kring, maar ontwikkelde daar niettemin groote krachtsinspanning. Dat zij haar standpunt nimmer prijs zou geven, en wat zij bedoelde, werd de synode nu en dan gewaar door een adresbeweging. In 1854 werden vele klachten en bezwaren ingediend over een leervrijheid, die gezegd werd het geloof aan de feiten van het christendom geheel te ondermijnen, met den eiseh om daar maatregelen tegen te nemen. In 1857 begon vooral van die zijde de aandrang om het recht tot predikantsberoeping door de gemeenten zelf te doen uitoefenen. Daaraan werd toegevoegd het verzoek tot wederinvoering van de verplichte Catechismusprediking, die al lang aan de volle vrijheid der predikanten was gelaten. De synode mocht zieh tot het uitvaardigen van zulke maatregelen niet bevoegd achten.
Toen de nieuwe richting opkwam, herhaalde zich hetzelfde verschijnsel; in 1862 en 1864 kreeg de synode adressen, waarin tegen
406
do bandcloozc lcervrijheid on de moderne theologie werd geprotesteerd. De adressen waren minder talrijk dan verwacht kon worden, maar de toon was veel heviger en togen de synode werden over haar houding zware beschuldigingen uitgebracht. Omdat volgens de beginselen der kerkelijke organisatie dit bestuur standvastig bleef om niet buiten den kring van de haar toekomende bevoegdheid te gaan, nam bij de rechtzinnigen de ontevredenheid zeer toe, maar tevens ook de begeerte om dan maar langs andere wegen hun doel te bereiken.
In 1862 werd te Utrecht naar den wensch van ds. Heldring de eerste vergadering van evangelisch-confessioneele predikanten gehouden onder leiding van dr. J. C. Verhoeff om gemeenschappelijk in „den nood der kerkquot; te voorzien. Uit deze vergaderingen is al spoedig de Confessioneele Vereeniging voortgekomen „tot verschaffing van hulp en leiding ann gemeenten en personen, die om des geloofs wille in nood verkeerenquot;. Deze vereeniging werkte eenigen tijd lang o. a. door het uitzenden van evangelisten. Ook predikanten boden daarvoor hun diensten aan, en P. Huet, gewezen Transvaalsch leeraar, werd in 1867 door de vereeniging als reizend predikant aangesteld en daartoe zelfs openlijk in een godsdienstoefening in den Dom te Utrecht bevestigd. Eveneens werd op het gebied van het onderwijs geijverd tegen het „onchristelijkquot; karakter van de staatsschool, waarbij het aan den steun van Groen van Prinsterer, J. W. van Loon en luin vrienden niet ontbrak. Zoo ontstonden tal van vereenigingen tot bevordering van christelijk nationaal onderwijs, van jongelingen en jongedochters, vrienden der waarheid en dergelijke, alsmede tot bevordering van de studio der godgeleerdheid om in het toenemend gebrek aan predikanten te voorzien. Daartoe diende reeds vroeger in Friesland de door ds. Pelix opgerichte „Zaak des Heerenquot; en thans de opleidingsschool van ds. van Linoen te Zetten. Sedert 1862 oefende en arbeidde de voormalige leeraar der Afgescheidenen van Dijk met een ijver, die de „Vereeniging tot bevordering, van inwendige zending, bedoelende opleiding van jongelingen tot predikantenquot; in 1867 en zijn bekende stichtingen te Doetinchem deed geboren worden, aanvankelijk op bescheidene schaal. Ook sloten velen zich aan bij de Evangelische Alliantie, een internationale ter bevordering van christelijk leven en christelijken arbeid, die haar vijfde vergadering in Augustus 1867 te Amsterdam hield. Zoo concentreerde zich een breede orthodoxe partij en rustte niet.
Handel, der synode, 1854, vooral p. 99—110, 124, 140; 1857, 1858, passim; 1859, p. 124—126, 135, 136; 1862, vooral p. 434— 442, 454—457; i864, P- 236—251, 309, 313. De adressen van
407
1854 stonden ten deele in verband met de bei,\'.ring over het beroep van dr. Meijboom in de hoofdstad.
De Confessioneele Vereeniging plaatste zich op het standpunt, „dat op den duur kerkelijke gemeenschap ongeoorloofd is met hen, die het bovennatuurlijke in het Christendom ontkennenquot;. Aanvankelijk deden nagenoeg allen daaraan mede, die den algemeenen naam rechtzinnig voerden, ook de aanhangers van de bijbelsch-apologetische richting der Utrechtsche professoren, bij wie het confessioneele bewustzijn echter maar matig ontwikkeld was. Velen van hen zijn later van dien jeugdigen, antimodernen ijver bekomen door ongenoegen met hun vroegere, meer stevig rechtzinnige medestrijders. Ook de zendingsfeesten sedert 1866 dienden tot opwekking der geloovigen. G. J. Vos, Groen van Prinst., II, 231—241; J. H. Gunning JHz., Hel Prot. Nederl., p. 37—44.
De heer J. van Dijk. Mz. begon in 1864 met de oprichting van een christelijke school te Doetinchem. In 1867 werden drie van zijn voedsterlingen op de Latijnsche school bij den rector dr. F. van Capi\'ellk geplaatst. De eerste „Dijkianenquot; lieten zich in 1869 als student te Utrecht inschrijven, waar in het volgende jaar een studentenhuis door de vereeniging werd aangekocht en ingericht. In Augustus 1875 werd reeds een drietal van zijn jongelingen als predikant bij de Hervormde kerk bevestigd, enz. Zie de jaarverslagen , circulaires en talrijke brochures van of over van Dijk.. In zijn boekje Het vijfentwintigjarig bestaan der Vereen, enz. 1892, bevindt zich een naamlijst van honderd predikanten, die reeds op kosten der vereeniging zijn opgeleid.
§ 308. Tusschen de beide uitersten in daalde de Groninger school at van het hoogtepunt van haar bloei. Zij maakte geen nieuwe veroveringen meer, doch bleef nog lange jaren haar invloed uitoefenen in het kerkbestuur. Uit haar ontwikkelde zich een meer vrije riehting, die in onderscheid van Groningen de Evangelische genoemd langzamerhand allen, die zich aan den middelweg wenschten te houden, in zich vereenigde en sedert 1867 haar orgaan kreeg in het tijdschrift „Geloof en Vrijheidquot; onder redactie van zeven waardige godgeleerden. Zonder een aaneengesloten afdeeling te vormen werd dit toch do vereenigingsleuze van de verschillende nuances eener partij, die op het gebied van de kerkelijke zaken bij de eerstvolgende moeielijkheden de overdrijving der eisehen van weerskanten poogde te matigen.
Toch heeft zij niet kunnen verhinderen, dat ten gevolge van don aandrang zoowel van den kant der modernen als der confcssioneelon en ethiscb-orthodoxen de synode in 1866 besloot tot de uitvoering van artikel 23 van het Algemeen Reglement. Den 1 Maart 1867 trad het „Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en
408
de beroeping van predikantenquot; in werking. Toen konden de kerkelijke kicscollegies worden ingesteld in alle gemeenten, waar meer dan honderd stemgerechtigde manslidmaten waren en dit gewenscht werd. Deze nieuwigheid veroorzaakte al dadelijk, dat er een groote aandrang tot de kerkelijke stembus ontstond, dat in volkrijke gemeenten de lidmaten onderling kiesvereenigingen oprichtten om hun partijgenooten zoo mogelijk het overwicht in kerkeraad en kiescollegie te verschaffen en dat de kerkelijke strijd daarmede een geheel nieuwe faze intrad. Alras hadden in de meeste steden en althans in de hoofdplaatsen des lands de orthodoxen deze collegicB voor zich veroverd. Het eerste gebruik, dat zij daarvan maakten, was de omzetting van den kerkeraad en de vervulling der vacatures door leeraars van hun richtiug. Omdat dit stelselmatig overal werd toegepast, spanden ook de beide andere partijen hun krachten in om te behouden, wat zij konden. De billijke maatregel gaf derhalve in den eersten tijd aanleiding tot vele onverkwikkelijke partijmanoeuvres, die de verwijdering vergrootten.
Het tijdschrift Waarheid in Liefde moest in 1873 worden gestaakt, maar het leedwezen daarover werd voor de zeer gedunde oude garde getemperd door het zusterorgaan, dat zich tot nu toe staande heeft kunnen houden. Het evangelisch standpunt der redactie en medewerkers is zeer verschillend, maar een ruime ontwikkeling in de richting door de oude Groninger school aangewezen: zij zetten voort, wat deze begonnen waren en meenden reeds voltooid te hebben. Bij hen bestond niet de groote ingenomenheid tegen de moderne theologie, die een tijdlang de Groningers kenmerkte en zeer goed verklaard kan worden uit de achteloosheid, waarmede Leiden zelfs hun coryphaeün bejegende. Door de evangelische godgeleerden wordt met nadruk aangedrongen op de waardeering der religieuse waarde van Jezus persoon, terwijl in den laatsten tijd onder hen zijn, bij wie zooals prof. Cannegieter van Utrecht de quaestie van het innemen en handhaven van een supranatureel standpunt meer achteruit treedt.
De invoering van het Reglement op de benoeming enz. is een in haar gevolgen zeer belangrijk feit. Het is de vraag, of velen, die daarvoor ijverden, wel overwogen hebben, wat de srembus zou uitwerken. Maar in zekere orthodoxe kringen was de beweegreden niet het recht van de gemeente alleen maar ook het belang der partij. Reeds sedert 1854 en in volgende jaren drongen zij bij de synode daarop aan. Toen ook anderen zich met veel nadruk daarvoor verklaarden juist op het tijdstip, dat de kerk haar volkomene autonomie zou verwerven, mocht de invoering niet achterwege blijven. Ongeveer de helft der gemeenten heeft den kerkeraad bij de stemming in Maart 1867 het recht tot benoeming opgedragen. Bij de volgende tienjarige stemmingen is dit anders geworden. Zie
409
over de invoering Handel, der synode, 1864, en de volgende jaren passim.
Hiermede stond ook in verband een aanval op het recht der Friesche floreenplichtigen, dat reeds sinds jaren in ds. 13. Bolleman van der Veen van Eernewoude een hardnekkigen bestrijder en in den secretaris der synode S. F. van Hasselt een volhardenden verdediger had. Ook ds. de Koe heeft het zijne gedaan tot vrijmaking der Friesche kerk, daarbij vlijtig gebruik makende van den arbeid van ds. van der Veen. Zie ook nu reeds Handel, der synode, 1867, p. 79 en bijl. B, p. 112—116; 1868, p. 135—137, 151 en bijl. B, p. 27; ook 1869, p. 206; 1870, p. 149, 207, 214, bijl. B, p. 136—192. De rechten van de eigenerfden in Groningen en Drente waren toen vervallen, Handel, der Synode, 1870. p. 207—210 en passim.
HOOFDSTUK XXIII.
de nieuwste tui).
Handelingen van de synode der Ned. Ilerv. kerk op de jaren 1870—1892.
T. Cannegieter, In naam van historie en recht, 1893.
J. Gloël, Hollands Kirchl. Lchen, 1885.
A. Koenen, Gedachtenisrede in de verg. van Moderne theol., 1891.
G. J. Vos, Het keerpunt in de jongste gesch. van kerk en staat, 1887.
J. H. Gunning JHz., Het protest. Nederl. onzer dagen, 1889.
A. Zahn, A.hriss einer Gesch. der evang. Kirche auf dem europ. Festlande im neunz. Jahrh., 1888.
Verder de groote menigte van brochures, strijdschriften, artikelen in weekbladen en tijdschriften.
§ 309. Bij koninklijk besluit den 22 Juli 1870 werden de elf reserves van 1852 ingetrokken. Daarmede werd het beginsel der scheiding van kerk en staat tot zijn voltooiing gebracht en de volkomene zelfstandigheid der kerk pp haar eigen gebied bereikt.quot;\' Niet als gunst, maar als recht bleef haar verzekerd, waarop zij tot dusver uit \'s lands kas aanspraak mocht maken. De losmaking der tot dusver bestaande banden bracht geen\' verandering in de bepaling van de grondwet, die de finantieele verplichtingen van den staat tegenover de onderscheidene godsdienstige gezindheden omschreef.
Aan de opheffing van deze laatste administratieve banden was iets belangrijks onmiddellijk voorafgegaan, nl. de intrekking van alle provinciale reglementen op de administratie der kerkelijke fondsen. De regeering werd daartoe aangedreven door den wensch om „de rechtstreeksche tusschenkomst van den staat bij het beheer der goederen van de Hervormde kerk te doen ophouden en te dien aanzien aan die kerk gelijke vrijheid te verzekeren, als door andere gezindheden genoten wordtquot;, doch nam in aanmerking, dat „als maatregel van overgang eenige voorbereidende bepalingen behoorden vastgesteld te wordenquot; en droeg voor den tusschentijd die zorg over aan het Collegie van Toezicht bij koninklijk besluit van den
411
9 Februari 1866. Deze interimaire toestand werd „na verloop van drie jaren van rechtswegequot; vervallen verklaard en do nieuwe toestand nam een begin met den 1 October 1869. Doch hot Algemeen Collegie in plaats van toen aan de kerk zijn functie af te dragen zette zijn werkzaamheden kalm voort en maakte don 21 Juli 1870, en dus op eigene autoriteit, zijn reglement op het beheer en toezicht dor kerke-goederen openbaar. Omdat het daarbij de kerk en in dit geval het hoogste wettige kerkbestuur, de synode, ter zijde liet liggen, steunde deze regeling, aangeboden door een collegie, dat sedert 1869geen recht van bestaan meer had maar slechts op eigen initiatief zijn functie bleef voortzetten, geheel op het beginsel van vrijwillige toetreding der gemeenten. Zoo ontbrak derhalve bij al dit werk elke vaste, in rechten geldige grondslag en werd het beheer der kerkegoederen aan een verwarring prijsgegeven, die nog niet weggenomen is maar steeds erger wordt. Wel sloot een groot deel der gemeenten zich bij het Collegie aan, maar juist de belangrijkste kerkvoogdijen, inzonderheid waar rijke fondsen en inkomsten waren, verkozen vrij beheer. Door dit feit werd het dadelijk merkbaar, dat het hulpmiddel van een collegie, van welks bevoegdheid het regelend gezag uitgesloten was, niet aan de verwachting beantwoordde en zelfs schade deed. Het aanbevolene medicament verergerde de kwaal, omdat het de erkenning is der autonomie van afzonderlijke gemeenten en kerkvoogdijen. Met aanhoudenden ijver werd de quaestie over de regeling van het beheer van toen af behandeld. De synode, die naar de meening van sommigen zich dadelijk met kracht ten opzichte van dit algemeen kerkelijk belang had moeten laten gelden, betrad den weg van minzame onderhandeling zoowel met de regeering als met het Algemeen Collegie. Doch de in 1874 en 1876 daartoe aangewende pogingen mislukten volkomen. De quaestie zelf bleef onopgelost en nam allengs den vorm aan van een geschil over de bevoegdheid der synode om een geldige regeling van het beheer te maken. En omdat daarover niet slechts bij rechtegeleerden maar ook in de synode de meeningen zeer uiteen loopen, blijft deze halfslachtige toestand steeds voortduren. Een veel te groot aantal gemeenten regelt het beheer naar eigen zin en wil haar kerkvoogdij aan geen kerkelijke regelen binden. De Collegies van Toezicht verzetten zich tegen elke poging om deze zaak langs zuiver kerkdijken weg te regelen maar zijn niettemin onmachtig om juist daar te handelen, waar het hoogelijk noodig is, waar verwarring dreigt en de misbruiken heerschen. En als de synode den derden Woensdag in Juli naar de Willemskerk opgaat, vindt zij geregeld op haar agenda adressen, vertoogen, uitgewerkte voorstellen, waarin op afdoening van dit algemeene belang wordt aangedrongen. Sedert 1888
412
wordt het beheer met meer nadruk dan vroeger telken jare in deliberatie genomen, doch steeds herneemt de synode haar afwaehtcnde houding en wordt elke beslissing ter zijde geschoven.
Het koninklijk besluit, dat aan het later zich zelf permanent decreteerende Algemeen Collegie bloot het gezag van een maatregel van overgang heeft toegekend, is te lezen in de Handel, der buitengew. synode van 1866, p. 3—7.
Eigenlijk zijn in 1870 slechts negen reserves opgeheven, daar de tweede van rechtswege reeds vervallen was en de vierde, waarbij de regeering zich de „regeling der belangen en de betrekkingen van de Protestantsche kerken in Nederlandsch Oost- en West-Indiequot; heeft voorbehouden, onveranderd in wezen is gebleven. Het departement van Eeredienst werd den 24 October 1870 en 1 Januari 1871 bij de wet opgeheven, zie over \'tgeen voorafging § 292.
Een onderzoek naar het Geestelijk kantoor van Delft werd in 1870 door W. van Beuningen, naar de herkomst der predikants-tractementen in Friesland door dr. J. van Loenen onder den titel Geen gunst, maar recht in 1885 uitgegeven. Zie ook L. Offerhaus, De rechtstoest. van kerkel. goed. bij de TIerv. Doch vooral omvangrijk is de literatuur over het beheer der kerkegoederen en de regeling daarvan. De bevoegdheid der synode vindt tegenstanders in mr. W. B. S. Boeles, mr. W. Heinecken en anderen. Onder de rechtsgeleerde adviseurs der synode zijn de gevoelens verdeeld, zie o. a. Handel, der synode, 1890, p, 413—425. Met volharding dringt vooral dr. T. Cannegieter, sedert 1878 kerkelijk hoogleeraar te Utrecht, er op aan, dat de synode haar bevoegdheid om het beheer te regelen in uitoefening brenge, zie o. a. zijn werk De bevoegdheid tot regel, van het beheer der kerkel. goed., 1890, Uitstel geen afstel enz., 1891.
Terstond toen de regeering zich terugtrok, waren op grond van het wegvallen der tweede reserve velen te recht de meening toegedaan, dat de synode zich moest laten gelden. Uit bezorgdheid voor moeielijkheden met onwillige kerkvoogden achtte zij het voorzichtiger een zijweg in te slaan door haar steun te geven aan het Collegie van Toezicht in de hoop, dat de zaak van het beheer dan eindelijk wel op vasten voet zou komen. Deze hoop bleek echter niet voor verwezenlijking vatbaar te zijn. Reeds dadelijk in 1870 nam de synode dit belang in behandeling. In 1874 ontwierp zij zelf een reglement op het beheer, doch wegens veel tegenstand trok zij dit weer terug. In 1876 wendde zij zich tot den minister van Justitie met verzoek om bij de wet den rechtsgrond aan te wijzen, waarop een regeling op vasten voet kon worden gebouwd. Doch van den rijkswetgever was zulk een noodwet niet te verwachten. Ook de verdere overleggingen tusschen synode en Collegie van Toezicht hebben tot geen resultaat geleid, zie de Handel, der synode vooral in de laatste jaren.
413
§ 310. Onder de wetenschappelijke en kerkelijke beweging, die met de opkomst der nieuwe richting gepaard ging, trokken de verschillende groepen zicli tot drie hoofdpartijen samen: do orthodoxe partij, de evangelischen, tot welke de Groningers en de oud-liberalen behoorden en de voorstanders van de moderne beginselen. Zij stonden in dien tijd seherp tegen elkander over, vooral de confessioneelen ten aanzien van de beide anderen. Velen begonnen de toekomst donker in te zien, wanneer de behoudende partij eens mocht slagen in haar toeleg om de tegenstanders te overvleugelen. Doch al gelukte het haar met groote krachtsinspanning in volkrijke gemeenten een meerderheid te verkrijgen, de modernen en evangelischen uit kiescollegies, kerkeraden en van den kansel te verdringen, toch was een overgroote menigte aan haar invloed ontwassen en afkeerig van een streven, dat aan veel donkere, soms wel zeer ongegronde verdenking blootstelde. Omdat de partijen op onderscheidene wijze bleken tegen elkander opgewogen te zijn ieder in het zijne, bleef er in de kerk een zeker evenwicht bestaan. Daardoor werd verhinderd, dat de confessioneelen maatregelen konden nemen, die het verblijf van andersdenkenden in de kerk onmogelijk zouden hebben gemaakt. Niettemin was door deze voortdurende tegenwerking de toestand onzeker, verre van aangenaam en innerlijk ongezond, terwijl bovendien de onvriendelijke verhouding in de kerk verscherpt werd door de beweging op het gebied van het politieke leven.
Dit alles betreft den toestand omstreeks 1870 en de eerstvolgende jaren. De orthodoxe partij veroverde voor zich, wat zij kon, maar toch bleek de illusie onbereikbaar, dat zij tien jaren na de invoering van art. 23 Alg. Regl. in de kerk alle macht in handen zou hebben. Het optreden van de confessioneelen en die met hen meededen, had niet alleen een uitbreiding der bedrijvigheid van den Protestantenbond maar ook de oprichting van vele bepaald anti-confessioneele kiesvereenigingen met het oog op de kerkelijke stemmingen ten gevolge. Zoo gelukte het der liberale partij nog te verhoeden j dat de tegenstanders in de kerkelijke besturen de overhand kregen. Daar bleven modernen en evangelischen vooreerst aan het roer. In \'t bijzonder gold dit van de synode, die daarom in deze moeielijke jaren tegenover de kerkelijke quaestie, inzonderheid wanneer het leer of belijdenis raakte, een onzijdige of bemiddelende houding kon bewaren. De tijdsomstandigheden geboden dit, maar natuurlijk gaf zij daardoor aanleiding tot groote ergernis, teleurstelling en klachten. Voor haar vaak afwisselende besluiten oogstte de synode nog de meeste instemming bij de evangelische partij, die thans vaak gelegenheid kreeg den doorslag te geven. Dewijl er zoo menige onstuimigheid te bezweeren was, wisselden ook steeds de indrukken en doorleefden zelfs de orthodoxen een lange reeks
414
van aandoeningen, die niet hebben nagelaten om bij velen den kerkdijken en zelfs confessioneelen ijver belangrijk te matigen. Doch dit zou eerst later blijken. In dezen tijd waren zij aaneengesloten om de andersdenkenden van het kussen te dringen. Binnen weinige jaren hadden zij een geheele omkeering teweeg gebracht in de meest aanzienlijke gemeenten. Zelfs het vrije Groningen ging verloren. Met uitzondering van Leeuwarden, Assen, Zwol, Deventer, Zierikzee en enkele kleinere steden was in de hoofdplaatsen van ons land de zege der rechtzinnige partij volkomen. Doch te platten lande, waar het kerkelijke leven langer zijn opgewektheid behouden heeft, bleef de toestand dezelfde, was zelfs de moderne richting toenemend in sommige streken.
Ook de staatkundige verkiezingen, de onderwijsquaestie, de vaccinebeweging, de afschaffing van de doodstraf e. d. wierpen vaak olie in het vuur.
§ 311. Op wetenschappelijk terrein behoefden de geleerde toongevers der nieuwe richting den aanval hunner tegenstanders niet te ontwijken. Door verbeterde methode van onderzoek inzonderheid tor zake van historie en eritiek hebben zij belangrijke en algemeen erkende verdienste. Maar intusschen moest de moderne afdeeling onder den ernstigen strijd over haar positie in de kerk al vroegtijdig een zuiveringsproces doorloopen, niet zonder pijnlijke momenten. Eonigen van haar eerste woordvoerders toch meenden de vervulling van het leeraarsambt niet met hun godsdienstige beginselen te kunnen vereenigen. Zij volgden het voorbeeld van Busken Huet en Pierson, die hun betrekking reeds hadden neergelegd. Bij sommigen kwam dit niet voort uit afkeer van hun kerkelijke bediening, maar omdat zij samenwerking in één kerkverband met de orthodoxen als onmogelijk beschouwden, ook op grond van de tegenwerking en moeiten, welke zij van die zijde ondervonden en bij voortduring verwachtten. In die dagen werd het recht van de modernen om in de kerk te blijven druk besproken. Het vond welsprekende verdedigers in Réville, Kuenen en anderen, en bij de meesten zoowel do ethische als de critische modernen vestigde zich de overtuiging, dat zij in de kerk een waardige roeping-hadden te vervullen, dewijl de belangstelling in de vrijere opvatting en prediking der religie zich in grooten kring openbaarde.
De behoefte om hun kerkelijke positie niet alleen te bevestigen maar ook te zuiveren wekte het streven naar nauwere aaneensluiting. Het eerste begin is daarmede gemaakt door de jaarlijksche samenkomsten van moderne predikanten te Amsterdam sedert 1866. In 1870 werd de Protestantenbond opgericht met zijn orgaan, het weekblad de Hervorming. Deze stichting had oorspronkelijk ten doel alle voor-
416
standers van Protestantsche gewetensvrijheid zonder onderscheid van denkwijze te vereenigen tot weerstand tegen eiken confessionoelen dwang, doch de bekende gevoelens dergenen, van wie het plan uitging, veroorzaakte, dat de evangelischen meenden zich te moeten onthouden. Zoo kreeg de bond van zijn oorsprong af een modern karakter en toonde veelzijdige activiteit om niet alleen door den jaarlijkschen Protestantendag en talrijke, over het geheele land verspreide afdeelingen, maar ook op practische wijze door popuiair-wetenschappelijke lezingen, stichtelijke blaadjes, godsdienstige liederen, prediking, godsdienstonderricht e. d. de godsdienstige behoeften naar den geest des tijds te bevredigen.
Als wetenschappelijk orgaan van de moderne godgeleerden werd sedert 1866 het Theologisch tijdschrift naast de twee reeds bestaande, meer populaire uitgegeven. Ook schreven zij dikwijls in andere maandschriften, o. a. Gids en Tijdspiegel.
Het streven der modernen was in den eersten tijd bepaald aggressief, doch al spoedig is het meer positief opbouwend geworden. Eveneens zijn in hun exitus ook twee perioden te onderscheiden. De eerste uittreding had individueel plaats. Er waren onder hen, die nog op nieuw in ander vak gingen studeeren of een heenkomen zochten bij het middelbaar onderwijs, de pers, de politiek. De tweede uittocht ongeveer tusschen 1873 en 1878 had een ander voorkomen en uitgestrekter gevolgen, omdat toen de gemeente daaraan deelnam, zie § 313.
Busken Huet legde zijn betrekking als Waalsch predikant in 1862 neer en hield nog een tijdlang vrije godsdienstoefeningen in een zaal: de daar gehoudene Toespraken zijn in druk uitgegeven. Doch in 1864 eindigde deze werkzaamheid en werd hij redacteur van de Haarlemmer courant. Zijn heengaan werd door allen, die de moderne theologie bestreden, uitbundig vooral door de rechtzinnige schaar, toegejuicht. Kort daarna volvoerde ook Pierson hetzelfde voornemen, dat bij de Opzoomerianen aanstekelijk werkte. De Leidschen bleven meer constant. Pierson verklaarde evenzeer voor zich zelf als voor alle moderne theologen de positie in de kerk onhoudbaar, A. Pierson, Aan zijn laatste gemeente, 1865. Busken Huet, „die niets ten halve doetquot;, brak in zijn Ongevraagd advies, 1866, geheel met zijn verleden. Dit bracht toen veel opschudding te weeg. Réville schreef terstond tegen de voorstelling van Pierson zijn Nous maintiendrons en in 1866 Notre foi et notre droit. Van Kuenen verscheen Het goed recht der Modernen. De orthodoxie vestigde haar hoop op het volk achter de kiezers en Groen van Prinsterer, Parlem. stud, en schetsen, XVII, 21, achtte kerkrechtelijke uitdrijving der modernen een eerste plicht van de Confessioneele Vereeniging.
416
§ 312. De moderne predikanten begeerden hun gevoelens niet te bemantelen zelfs niet onder de wijze van zeggen, in don kanselstijl tot dusver gebruikelijk. Dit bracht een geheele omkeering niet alleen in de preekmethode maar ook in de liturgie te weeg. Immers zij maakten geen bezwaar om hun prediking te richten tegen al, wat zij verouderd en onhoudbaar achtten, en veroorloofden zich de vrijheid belangrijke wijzigingen in de kerkelijke plechtigheden aan te brengen door andere doopformulen uit te spreken, de vragen bij de aanneming tot lidmaat en bij de voorbereiding tot het avondmaal naar hun opvatting te verbeteren, de meeste liturgische formulieren naar tijdsgelegenheid in een anderen toon om te zetten. Deze nieuwigheden verwekten groote ergernis en tegenspraak bij hen, die hoogen prijs op de letterlijke voordracht stelden. Over al deze dingen zijn toen vele onaangenaamheden voorgevallen en is geregeld een penne-strijd ontstaan. De cvangelischen onderhielden met eenige wijzigingen het ouderwetsche gebruik en verdedigden het, maar begeerden niemand den dwang op te leggen. De anderen daarentegen, telkens nieuwe snoodheden van de „moderne kerkverwoestersquot; ontdekkende, sloegen de handen ineen over zulk een bandelooze vrijheid, koesterden de grootste verwachtingen aangaande het invoeren van leertucht en vonden steeds feller grieven tegen een kerkbestuur, dat tot geen maatregelen ter beteugeling van deze euvelen te bewegen was. Want de synode weigerde o. a. in 1864 en vervolgens de leervrijheid op te heffen, al erkende zij die toen slechts in beperkte mate, voor zoover zij „bepaald was door het karakter van onze Nederlandeche Herv. kerk, zooals die ook in hare reglementen is omschrevenquot;.
Een protest van kerkeraadsleden van den Haag over een aanneming van lidmaten door ds. Hoeveks bewoog in 1872 den hoogleeraar Diesï Lougion, lid der synode, om het voorstel te hernieuwen, dat „al de artikelen in de reglementen, welke betrekking hebben op de leer, zoodanig worden gewijzigd, dat daaruit verwijderd worde, wat aanleiding kan geven tot bestrijding van de bestaande leervrijheidquot;. Voorloopig werden zelfs enkele bijzondere voorstellen tot verandering van zoodanige uitdrukkingen aangenomen. Doch verder kwam dit niet, omdat de synode van het volgende jaar aan het dringende verzoek om een reorganisatie van kerk en kerkbestuur gehoor gaf. Zij benoemde uit de drie hoofdpartijen een commissie van advies tot het ontwerpen van regelen en bepalingen, waardoor aan den steeds meer gespannen toestand een einde mocht komen en het samenzijn der onderscheidene richtingen in één kerkelijk verband verzekerd werd. Den 2 September 1873 begonnen do vergaderingen onder voorzitting van baron van Lynden van Sandenburo en zij duurden mot eenige tusschonpoozen
417
voort tot den 14 November. Het resultaat van den arbeid der negen mannen, hoe ernstig zij ook hun taak opvatten, was teleurstellend. Zij konden met hun uiteenloopende opvatting van het beginsel van kerkverband niet komen tot een collectief advies, zoodat er uit hun raad een verzameling van vier ontwerpen geboren werd: vier, omdat de moderne adviseurs onderling ook niet eenstemmig waren en derhalve twee concepten hadden opgesteld.
Feitelijk bestond er in de kerk leervrijheid sedert de beslissing der geschillen over het quia en quatenus. De adressen van 1864 waren gericht tegen de leeringen der modernen in het algemeen en enkele tegen de prediking van ds. Zaalberg in het bijzonder, Handel, der synode, 1864, p. 236—251, 309—314. Ook in het volgende jaar was de synode eenstemmig in het besluit om aan verzoeken tot strengere handhaving der leer e. d. geen gevolg te geven, Handel, der synode, 1865, p. 226—238, 261—263, Toen kwam reeds het denkbeeld ter sprake „om al wat op de handhaving der leer betrekking heeft, uit de reglementen weg te laten. Zie verder Handel, der synode, 1872, p. 20—22, 195—203, 219611 vlg. De synodale commissie bracht het plan van reorganisatie ter tafel in de synode van 1873, en toen deed ds. L. Overman van Spijke-nisse dat voorstel om negen raadgevers te kiezen. Handel, der synode, 1873, p. 101, zie verder p. 59—108 passim, 143—150, waar ook de namen der gekozenen voorkomen. De notulen van deze commissie en hun vier ontwerpen zijn afzonderlijk naast de synod, handelingen uitgegeven.
De bijeenroeping en het samenzijn van deze mannen, al hebben zij den waren modus vivendi niet kunnen formuleeren, was de belangrijke openbaring van een streven om bij verdrag scheuring in de kerk te verhoeden, een teeken des tijds, dat vertegenwoordigers van zeer verschillende belijdenis toch het herstel van de rust en den vrede in de kerk verhieven boven partijbelang of de zegepraal van hun richting.
§ 313. Do synode, die in den zomer bij reces was uiteengegaan, hervatte haar vergaderingen den 11 Februari 1874. Zij had het oprechte voornemen aan de wensehen der verschillende partijen te gemoet te komen, doch kon evenmin als de commissie der negen adviseurs ten aanzien van de hoofdzaak slagen in een ontwerp tot vredig samenzijn in één kerkverband. Wel verklaarde de meerderheid zich voor een plan tot facultatieve kerspelvorming om langs dezen weg de minderheden in de gemeenten tot hun recht te doen komen. Maar de invoering van dezen maatregel, die een nieuw beginsel in het kerkelijk organisme zou hebben ingelascht door een gelegenheids-wet, stuitte af op de eindstemming der provinciale kerkbesturen. De Dr. Rkitsma, Kerkgesch. 27
418
aangewende moeite was evenwel niet geheel vruchteloos, want ten aanzien der reorganisatie van het kerkbestuur kwam eindelijk een wetsherziening tot stand, die den 31 Maart 1875 in werking gesteld, menige verbetering aangebracht heeft en juister het vertegenwoordigend karakter van het kerkbestuur uitdrukte.
De synode had in de veelbewogene jaren, die de kerk toen doorleefde, een ondankbare taak te vervullen. Omdat de groote meerderheid barer leden van erkend gematigde richting was, verwekten haar meestal bemiddelende besluiten ontevredenheid bij de modernen en kreten van afkeer bij de rechtzinnigen in den lande.
In vele gemeenten heerschte een zeer onaangename verhouding tusschen de aanhangers der onderscheidene partijen, die elkander den voet dwars zetten. Geen kerkelijke wetgeving is bij machte verdraagzaamheid of vriendelijke samenwerking bij verschil van geloofsovertuiging te reglementeeren. Waar do antimoderne rechtzinnigheid het roer in handen kreeg, was zij tot geen concessie aan de vrijzinnige minderheden in de gemeente te bewegen. En weer gingen vele modernen vrijwillig heen, omdat zij van de kerk geen bevrediging verwachtten of er zich niet langer op hun plaats voelden. Een deel hunner sloot zich bij de Remonstranten aan en enkelen bij de Evangelisch-Luther-schen. Het voorbeeld van den predikant had steeds ook den overgang van oen aanzienlijk getal gemeenteleden ten gevolge. In Amsterdam verrees zelfs een geheel nieuwe vereeniging, de Vrije Gemeente onder leiding van ds. P. H. Hugenholtz, een gevolg van den toestand dezer groote gemeente, die door het drijven van de ultra-orthodoxo fractie bedorven werd. Doch langzamerhand kwam ook deze uittreding weer tot staan.
In de kerk werden nog altoos quaesties behandeld, die in verband stonden met de belijdenis. Jaar op jaar hield de synode zich dan bezig met langdurige beraadslaging over talrijke voorstellen en adressen van weerszijden en met het aanbrengen van allerlei wijzigingen of amendementen in do daarop betrekkelijke wetsartikelen. Doorgaans eischte weer een andere beweging de aandacht, voordat de afdoende oplossing van de voorgaande was gevonden. Dit geschiedde achtereenvolgens met de quaestie over het recht der ouderlingen, de vragen bij de bevestiging van lidmaten, het onderteekeningsformulier dor proponenten na afgelegd examen, het niet erkennen der attestaties van kerkelijk lidmaatschap, waarover telkens groote spanning in de gemoederen geheerscht heeft. Toch verminderde zichtbaar de opgewektheid om deze netelige geschillen voort te zetten. Alleen de partij der onverzoenlijken beraamde een sprong, die al haar heele en halve tegenstanders zou ter neder werpen.
419
De synoden van 1873 en 1874 hadden een belangrijken wet# gevenden arbeid te verrichten, waarvan de ernst verhoogd werd door de spanning tusschen de uiterste richtingen. Het regelen van een modus vivendi bij de wet bleek onuitvoerbaar te zijn, getuige de schipbreuk van elke volgende poging om rechten der minderheden reglementair vast te stellen. De meest belangrijke verbeteringen in de herziening van 1874 waren: driejarige zitting van de leden der synode en vermeerdering van het getal ouderlingen in dat bestuur, samenvoeging van Limburg met Noord-Brabant tot één provinciaal ressort, onderwerping van alle synodale voorstellen ook aan de consideraties van de classikale vergaderingen, eindstemming over aangenomene wetsvoorstellen door de leden van de provinciale kerkbesturen, enz., zie de IIcm del. der synode op die jaren. Van de uitvoering der in 1874 ontworpene en aangenomene regeling op het beheer heeft de synode zich laten weerhouden. Ten aanzien van de Friesche fioreenplichtigen werd echter doorgetast: den 1 Januari 1875 expireerde hun tot dusver bij de predikantsberoepingen te platten lande uitgeoefend recht, zie § 308.
De quaestie over het ouderlingenrecht en de bevestigingsvragen kwam in 1880 tot rust. Daarna kreeg de proponentenformule haar beurt. Den 15 Januari 1883 werd een nieuw formulier ter vervanging van dat van 1816 ingevoerd. Dit wekte zooveel verzet, dat nogmaals een wijziging moest worden aangebracht: deze laatste formule is sedert 1888 in gebruik, zie de Handel, der synode op die jaren.
De tweede exodus der modernen omstreeks dien tijd had een ander karakter dan de vorige. Het was thans een ernstig verschijnsel, dat een deel der gemeente de kerk verliet. Ongeveer tien predikanten gingen tot de Remonstranten over: nieuwe gemeenten ontstonden o. a, te Meppel, te Amsterdam door dr. van Gorkom in 1875, te Groningen onder aanvoering van ds. Mosselmans, te Arnhem onder leiding van dr. Slotemaker, beide in 1878, enz. Het getal der Remonstranten, tot dusver ongeveer vijfduizend, steeg blijkens de volkstelling van 1880 tot 9678 en belie]) 14844 in 1890. Ook was het niet ongewoon, dat theologische studenten om de donkere vooruitzichten en den onzekeren toestand in de kerk nog een ander vak van studie kozen. En zeer velen werden onder deze verwarring geheel vervreemd van kerkelijk leven, een verschijnsel, dat steeds grooter afmetingen aannam onder den invloed van de vele theorien, die zoo weelderig opschieten in het brein der kinderen van deze naar het einde neigende eeuw. Sedert de laatste jaren is nochtans bij verlichte jongelieden de lust om theologie te studeeren weer aan het opkomen. Dit verschijnsel mag toegeschreven worden niet alleen aan betere vooruitzichten op plaatsing, maar ook aan een goeden indruk van de laatste overwinning der kerk op haar felste bestrijders, aan de afschaffing van
27»
420
de vroegere, al te confessioneele proponentenformule, aan meer opgewekte belangstelling in godsdienst, aan de ontwapening van het oude confessionalisme. Daarom hebben de warme, aanbevelende woorden, door dr. Meijboom jr. in 1887 en prof. Oort daarna tot de gymnasiasten gericht, ingang kunnen vinden.
De gebroeders P. R. en P. H. Hugenholtz, beiden predikant in de hoofdstad, namen hun ontslag en stichtten in November 1877 met hun geestverwanten de Vrije Gemeente, die van het kerkwezen volkomen geëmancipeerd is en ten aanzien van de godsdienst zich boven elke geloofsbelijdenis en verbindenden vorm plaatst. Sedert 1879 heeft zij in de Stemmen uit de Vrije gemeente haar orgaan.
§ 314. Inmiddels had er een zeer belangrijke gebeurtenis plaats; de nieuwe regeling van de wet op het hooger onderwijs. Door verdere toepassing van het beginsel der scheiding van kerk en staat had zij voor de eerste gewichtige gevolgen. Deze ingrijpende verandering werd door de Kamers in Maart en April 1876 behandeld. Achtereenvolgens werd daar besloten tot het behoud der drie rijksuniversiteiten, tot de erkenning van het Amsterdamsche atheneum als stedelijke hooge-school, tot het behoud der vijf faculteiten onder den ouden titel en wat betreft de godgeleerdheid tot zoodanige regeling der te doceeren vakken, dat van de lijst geschrapt werd, wat geacht werd tot speciaal kerkelijk onderwijs te behooren. Omdat voortaan van staatswege slechts een gedeelte der vakken zou worden onderwezen, terwijl van den beginne af tot dusver de theologische leerstoel had gediend ten behoeve van de Hervormde kerk, en het te verwachten was, dat ook voortaan bijna alle theologische studenten aan \'s lands hoogescholen tot de Hervormden zouden blijven behooren, was het billijk en noodzakelijk de kerk bij deze veranderde inrichting te erkennen. Door de regeering werd haar het recht verzekerd om aan elke universiteit twee hoogleeraren aan te stellen voor het onderwijs in die vakken, welke in de nieuwe wet ter zijde gelaten waren.
In 1877 kreeg een synodaal reglement op het kerkelijk hooger onderwijs het aanzijn en reeds in December vergaderde de commissie van voordracht om de drietallen samen te stellen, waaruit het hoogste kerkbestuur een maand later de eerste zes kerkelijke hoogleeraren benoemde. Het duurde tot October 1882, voordat de Hervormde kerk gelegenheid kreeg eveneens twee professoren van harentwege te Amsterdam aan te stellen. Ook werd sedert 1880 aan deze hoogleeraren een examen in de door hen onderwezene vakken opgedragen, het „kerkelijk voorbereidend examenquot;.
C. Sepp, Bibl. van Ned. kerkgesch. schrijvers, p. 371, 372, geeft eenige literatuur. Zie verder ook C. P. Hofstede de Groot,
421
Het kerkel. professoraal, 1878, inaug. rede; J. H. Gunning JHz., Het Protest. Nederland, p. 13—15; e. a. De aanstelling en positie der kerkelijke hoogleeraren zijn geregeld bij art. 104 en 105 van de wet H. O. Hun bezoldiging is op vasten voet gebracht bij kon. besluit van 9 Februari 1880, Handel, der synode, 1880, bijl. A, p. 46—50. Zie ook de Handelingen van 1877 en vooral der buitengewone vergadering in Januari 1878. Tot kerkelijk hoogleeraar werden toen benoemd: te Leiden dr. J. G. R. Acquov, predikant te Zaltbommel, en M. A. Gooszen van Schiedam, te Utrecht dr. J. H. Gunning van den Haag en dr. E. H. Lazonder van Leeuwarden, te Groningen dr. C. P. Hofstede de Groot van Kampen en dr. E. F. Kruijf van Leeuwarden. Omdat dr. Gunning bedankte, werd in zijn plaats gekozen dr. T. Canne-gieter, predikant te Tjum: de ontevredenheid te Utrecht over zijn aanstelling uitte zich in dezen vorm, dat de predikant A. W. Bronsveld, de bekende redacteur der Stemmen voor Waarheid en Vrede, belast werd met het houden van een privaatcollege dogmatiek. Te Amsterdam werden in 1882 benoemd dr. J. Knappert van Leiden en wederom dr. Gunning, voor wien toen de reden om te bedanken niet meer bestond.
Door de splitsing van het candidaats voor de faculteit in twee gedeelten en de instelling van het examen voor de kerkelijke heeren is het getal der examina voor den theologant met twee vermeerderd. Het laatstgenoemde heet officieel kerkelijk voorbereidend: de titel kerkelijk candidaats drukt juister het karakter daarvan uit, of het mocht zijn, dat dit examen moet gelden voor propaedeuse van het proponents, zoodat dan uit dien naam kan worden afgeleid, dat de provinciale kerkbesturen eischen hoogste klasse hebben te stellen voor de vakken, waarin de hoogleeraren naar den maatstaf lagere klasse examen hebben af te nemen. Men is bezig dit zoowel in de politieke als kerkelijke wet zeer slecht geregelde punt ter verbetering te overwegen. Zie ook van Manen, Het proponentsexamen in Bijblad van de Hervorming, 1893, no. 2.
§ 315. In het kamp ter rechterzijde, waar de rechtzinnige traditie heerschte of voortleefde, was evenwel minder eendracht dan velen, die buitenaf stonden, vermoedden of zich konden voorstellen. Onder den invloed der Utrechtsche hoogleeraren Doedes en van Oosterzee bestond daar een tamelijk gematigde partij, die op den duur afkeerig bleek te zijn van de eischen der streng confessioneelen. Lang nog leefden zij samen, steunden zij elkander zelfs naar hot uiterlijke, maar het verschil kreeg steeds scherper begrensde lijnen. Scheiding kon eindelijk niet meer uitblijven. Doch ook zelfs onder hen, die aan de school van het Sticht gevormd waren en zich tegenover de zware
422
orthodoxie stelden, openbaarde zich allengs weer verschil van richting in twee groepen, die beiden wederom hun afzonderlijken weg kozen en daarop verder gingen, al naardat zij zich meer aan een apologetisch-bijbelsch standpunt bleven houden, of een speculatieve strooming volgden. De laatsten, zich ook kenmerkende door hun op den voorgrond stollen van „het geloof der gemeentequot;, hadden in de la Saus-saye sr. cn Gunning sr. hun eerste en invloedrijke woordvoerders. Dat was do ethische partij, voor welke de benaming „moderne orthodoxiequot; geen innerlijk tegenstrijdige samenvoeging van bestanddeelen behelst: hoewel het rechtzinnige vaandel nog boven hun hoofden wappert, bestaat daar in \'t algemeen geenszins de begeerte om zich onverzoenlijk, zelfs niet om zich aggressief aan te kanten tegen de methode noch tegen de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek der moderne theologen. Daar is de opkomst te zoeken van een nieuw centrum, dat in staat van vorming verkeert, zich krachtig en snel onder het jongere geslacht uitbreidt en in vervolg van tijd zich misschien geheel buiten de confessioneele orthodoxie het best op zijn plaats zal voelen. Dit alles heeft echter niet plaats gehad zonder onvriendelijke verbreking van vroegere banden en broederlijke samenwerking.
Onder de rechtzinnige afdeeling in de kerk vormden zich dus van lieverlede deze vrij sterk gescheidene groepen: Neocalvinisten, streng-confessioneelen, gematigd-confessioneelen, rechtzinnigen naar den geest van de Utrechtsche theologen, ethisch-orthodoxen.
Het verschil tusschen Chantepie de la Saussave, den vader der ethische richting, en Doedes dagteekent reeds van den tijd, toen hij alleen het tijdschrift Stemmen voor ernst en vrede, het orgaan der spoedig verdwenene ethisch-irenische richting, redigeerde. Daarna gaf hij met zijn geestverwanten het tijdschrift Protestantsche bijdragen uit, dat slechts vijf jaargangen heeft beleefd. In 1867 werd hij te Groningen opvolger van Pareau, doch was daar als wachter op een buitenpost: ook is hij reeds in 1874 gestorven. Tot zijn meest bekende geestverwanten uit dezen tijd behoort prof. J. H. Gunning, sedert 1890 te Leiden als opvolger van Rauwenhof. Zie over de verschillende nuances van de nieuwere orthodoxen J. H. Gunning JHz., Het Protest. Nederl., p. 37— 42, 48—54; van Toorenenbergen , Levensber. van D. Chantepie de la Saus say e in bijl. der Maatsch. van Ned. Letterk., 1874.
§ 316. Eerst naast, al spoedig in verbitterden twist vooral met de ethische orthodoxie greep de neocalvinistische schare onder de con-fessioneelen naar de riemen om met alle vergaderde kracht op te roeien tegen den stroom des tijds. De man, die de oudkerkelijke rechtzinnigheid verjongd leven en onverdrotene volharding wist in te
423
storten, was dr. Abraham Kuyper, de zeer begaafde, geslepcne leider dor reactionairen in kerk en staat. Door naarstige studie van Calvijn werd hij verklaard voorstander der beginselen van dien kerkstichter. Kort na zijn optreden als predikant te Utrccht aanvaardde hij reeds zijn hardnekkigen strijd tegen de inrichting en de besturen van de naar zijn voorstelling geheel „verleugendequot; kerk. Dat geschiedde daar in den vorm van een weigering des kerkeraads om de vragen der gewone schriftelijke kerkvisitatie te beantwoorden, in 1868. Te Amsterdam gaf zijn komst het sein tot ernstige opschuddingen. Ouderlingen weigerden onder het gehoor van onrechtzinnige predikanten to zitten. De geheime vereeniging Beraad beheerschte en verlamde weldra den geheelon kerkeraad. Onder allerlei ongenoegen en hevigon twist gelukte het hem de moderne en vrijzinnige partij in de hoofdstad geheel te overvleugelen, en omdat van toen af de beroepen steeds in den geest van Kuyper met zijn aanhang werden uitgebracht, versmolt de invloed der meer gematigde predikanten met hun afnemend getal.
Zoo verhief zich niet langzamerhand maar bijna plotseling de gestalte van dezen machtigen worstelaar, zich door de verwarring der disputeerende scholen en groepen een weg slaande, wie zich niet aansloten vergramd op zijde tredende, om met een forschen sprong over alles heen den sterken aartsvijand te bereiken. Het was al spoedig duidelijk, dat een gewelddadige botsing met de kerkelijke besturen niet zou kunnen uitblijven: de stoute voorvechter dezer reactie onversaagd had een persoonlijken en rechtstrcekschen aanval op de geheele synodale organisatie op het oog. Doch er kwamen gebeurtenissen van anderen aard tusschenbeide, die veroorzaakt hebben, dat het dreigende conflict eerst later uitgebarsten is. Kuvper, de hoofdredacteur van Heraut en Standaard, word in Januari 1874 door samenwerking van de Roomschen met de antirevolutionairen in het district Gouda tot lid van de Tweede Kamer gekozen. Echter heeft zijn openbaar politieke loopbaan maar kort geduurd, omdat hij het beter oordeelde buiten de sfeer van het Binnenhof leider van den staatkundigen strijd te zijn.
Dr. Kuyper, geboren te Maassluis 29 Oct. 1837, was van 1863 tot 1867 predikant te Beest. Zijn lidmaatschap van de Kamer legde hij in 1877 neer. W. H. de Savornin Lohman jr, laat in Mannen van beteekenisy 1889, p. 1—72, sterke lichtstralen vallen op de waarlijk encyclopedische kennis en de verheerlijkte beginselen van den vereerden leider, dr. Vos daarentegen op de door den boozen belager der kerk aangewende middelen om zijn doel te bereiken, in Groen van Prinst. en zijn tijd, II, en Het keerp. in de jongste gesch. van kerk en staat. De persoon zelf maakt door de rol, die hij speelt, een juister oordeel over deze schel
424
gekleurde beelden van volkomene verheerlijking of lang weerhouden haat zeer moeielijk. De rauwe toon, die inzonderheid tegen zijn voormalige vrienden alle denkbare modulaties van smaad, verdachtmaking en boos humeur doorloopt, heeft meer schade gedaan dan met fluweelen zalving of de grootste driestheid goed te maken is. Zich zelf te hoog en den tegenstander te laag te schatten is een fout, die na vruchteloozen kamp in de nederlaag brengt, of met een aftocht door den engen bergpas der secte moet eindigen.
Verbazend vruchtbaar is de pen van dezen kerkelijken volkstribuun. Zie voor het hier behandelde o. a. Kerkvisitatie te Utrecht 1869; Het vergrijf der zeventien ouderl., 1872; en ook Handel, der synode, 1868, p. 133, 134, 140; 1869, p. 29, bijl. B, p. 79.
§ 317. In den kring der geestverwanten van Kuyper, in wien Groen van Prinsterer niet alleen een medestander raaar „den gemalen leider der antirevolutionairenquot; begroette, werd de vorming van leeraren buiten den besmetten dampkring der academie noodzakelijk geacht. Met dr. F. L. Rutgers en prof. de Geer van Jutfaas ontwierp hij in 1878 de statuten der Vereoniging voor Gereformeerd hooger onderwijs. Daarna werden directeuren, curatoren en zes docenten benoemd. Tegenover dr. Bronsveld en anderen werd het recht van zulk een stichting door particulieren en de aanspraak op het voeren van den titel universiteit en hoogleeraar verdedigd. De hoofdzaak was niettemin nevens de schijnvertooning van rechtsgeleerd, letterkundig en ander onderwijs de stichting eener opleidingsschool op seminaristischen leest voor een bepaald soort van godsdienstleeraars. In October 1880 had de plechtige inwijding der vrije „universiteitquot; te Amsterdam plaats met openbare godsdienstoefening, gevolgd door een rectorale openingsrede, alles in de Nieuwe kerk, met geestdrift begroet ook door velen, die later bekoeld zijn. Dit gesticht werd voortaan het hoofdkwartier van de antisynodale samenspanning. Vandaar zouden weldra de kerkelijke beroerten uitgaan, die in den lande zooveel scheuring en verbittering hebben gezaaid.
Reeds werd in 1882 aan de synode, evenwel niet rechtstreeks en officieel door de bestuurders of verzorgers zelf maar door anderen, het voorstel gedaan om Kuypers voedsterlingen op vertoon van een can-didaatsacte der vrije „universiteitquot; toe te laten tot het proponentsexamen van de Ned. Herv. kerk. De synode legde dat aanzoek ter zijde. Doch intusschen werd een aantal jongeren dezer kweekschool na afloop hunner studiën beschikbaar voor het leeraarsambt. Met grooten aandrang is toen in 1885 uit orthodoxe kringen het verzoek om zich over hen te ontfermen herhaald: al wederom bewaarde de vereeniging zelf daarbij een norsch stilzwijgen. Er was behoefte genoeg aan predi-
425
kanten, maar te recht weigerde de synode rondweg zulk een bijzondere bevoorrechting der volgzame leerlingen van haar besliste vijanden en bestookers. Toen was het tijdstip voor een openbare breuk gekomen en sloeg de partij der neocalvinisten haar lang bedoelden slag om de gehate en versmade synodale organisatie uiteen te doen spatten.
Met de stichting der vrije „universiteitquot; staat in verband A. Kuvper, De Leidsche profess, en de exec, der Dordsche nalatenschap, 1879; Bede om een dubbel corrigendum, 1880; Het recht tot universiteitsstichting, 1880, e. a. Dit waren ten deele verweerschriften tegen dr. Bronsveld en prof. van Toorenenbergen. De vrije „universiteitquot; heeft later ook verliezen geleden, het zwaarste in dr. Hoedemaker , eerst medestander en zelfs professor, die in 1888 weer gewoon predikant bij de Hervormde kerk geworden is, eerst te Nieuwland, daarna te Amsterdam, toen het hem duidelijk werd eens anderen geestes kind te zijn.
Het voorstel van 1882 werd gedaan door dr. F. W. Merens en andere predikanten (later tegenstanders), ook met sterke aanbeveling door den heer Segers van Leiden, zelf lid der synode. In 1885 zijn er ruim zestig adressen ingezonden, Handel, der synode, 1882, p. 124—158; 1885, p. 261—297. In weerwil van het zorgwekkend groote aantal der vacaturen en de tot op haar laagste peil gedaalde opgewektheid voor de studie der theologie werd de kerk het meest gebaat en voor allerlei ellende, hatelijkheid en woelingen behoed door dit „non tali auxilioquot;. Opmerkelijk is het, dat juist sedert deze jaren een toeneming van het getal der theologische studenten dagteekent.
§ 818. Een uitgebreid verzet tegen de goddelooze synodale hierarchie en haar aanhangers werd georganiseerd. Niet alleen de ethischen maar ook zelfs zeer conservatieve rechtzinnigen werden in keur van bewoordingen als afvalligen aan de kaak gesteld. Reeds was de afgelegene, kleine gemeente Kootwijk in het hartje van de Veluwe belezen om een leerling der kweekschool tot herder en leeraar te beroepen. De attestenquaestie werd in tal van gemeenten gebruikt om ontevredene geesten te prikkelen en in Amsterdam, waar zij eveneens veel ergernis gezaaid had, behendig „samengekoppeld met een zeer ingewikkelde zaak, rakende het beheer der kerkelijke goederenquot;. Zoo zou vandaar het sein tot den opstand gegeven worden: door een met veel overleg beraamde manoeuvre zou de voornaamste en machtigste gemeente van het geheele land op eens buiten het verband van de „synodale kerkquot; worden gezet en dat voorbeeld moest gelijktijdig in andere gemeenten worden nagevolgd. Zonder twijfel zou dit een schromelijke verwarring veroorzaken. Aan het hoofd der tegenstanders van
426
den heer Kuyper plaatste zich dr. G. J. Vos, predikant te Amsterdam, tevens scriba van het classikaal bestuur, een geschikt wachter op dezen meest bedreigden post, die de bewijzen zou leveren geheel tegen elke overrompeling op zijn hoede te zijn. Reeds was bijna de geheele kerkeraad van Amsterdam voor de bedoelingen van den heer Kuyper c.s. gewonnen en daartoe besloten, doch juist voordat de toeleg kon worden uitgevoerd, kwam het waakzame classikale bestuur tusschen beide en schorste den 4 Januari 1886 alle predikanten, ouderlingen en diakens, die hadden willen medehelpcn om de gemeente van Amsterdam buiten de synodale wet te stellen. Door deze energieke daad van een kerkbestuur, zoo kloekmoedig door hen veracht, zagen zij zich tegen hun geloovige bedoeling gevangen in een gewone kerkrechtelijke procedure. De onverwachte nederlaag der keurbende reeds bij dc eerste ontmoeting met den vijand bewoog de leiders der partij Rutgers, Kuyper en de Savornin Lohman nu tot het stoute stuk om met eenige „pootigequot; handlangers de kosterij en de kerkelcamers van de kerk aan den Dam binnen te dringen en te bezetten, ten einde zich ten opzichte van de archieven en eigendommen in houders \' hand te stellen, een gewaagde onderneming, die aanvankelijk in het gansche land veel sensatie te weeg bracht, maar aan hun zaak in gevolgen slechts afbreuk hoeft gedaan. Ook de moreele indruk was slecht. Velen, die tot nog toe het streven der Kuyperianen wel genegen, maar onbekend waren met hetgeen er te Amsterdam in den kerkeraad broeide, werden door dit alles afgeschrikt en veranderden zelfs in tegenstanders van de aanrichters van dit kerkelijke oproer.
Dat door den loop der omstandigheden de uitbarsting vervroegd werd, was dadelijk zeer in het nadeel der aanleggers van het conflict. Kr volgden in dit voorjaar van tijd tot tijd wel eenige afzonderlijke ontploffingen van de aangelegde mijnen: in het afgelegene Kootwijk, waar de jonkman der vrije „universiteitquot;, het verzet van het classikale bestuur niet achtende, zich in den dienst drong en de pastorie ging bewonen, te Voorthuizen, in het kleine Reitzum der vrije Friezen. Er heerschte een zenuwachtige onzekerheid bij velen, die wel genegen waren mede te doen. Het werd onrustig in de classes Dokkum, Utrecht, Rotterdam. Maar de fout was begaan en de gevolgen bleven niet uit.
Het is uit deze dingen gebleken, dat dr. Kuyper c.s. de synodale organisatie voor zulk een vermolmd en gebrekkig samenstel hebben aangezien, dat zij met één enkelen, wel toegebrachten stoot in duigen zou moeten vallen. Intusschen bleek dat kerkverband taaier levenskracht en weerstandsvermogen te bezitten, dan waarop zij hadden gerekend.
I
427
De predikanten, ouderlingen en diakenen die geschorst bleven, zoolang de kerkelijke procedure aanhield, konden nu toezien, dat door deze wending de macht over de gemeente op eens weer in synodale handen was geraakt. Want hetzelfde classikale bestuur, dat hun plannen door toepassing van dit tuchtmiddel zoo wreed had bedorven, bezette hun plaatsen in den kerkeraad, omdat de leden verminderd waren beneden het volgens de wet benoodigde getal. De gewelddadige inneming van de kosterij en archiefkamers der hoofdkerk den 6 Januari moest dienen om te herwinnen, wat na het door de synodalen behaalde voordeel dreigde verloren te gaan, zoodat zij zich daarbij ook door twee advocaten lieten vergezellen. Al deze gebeurtenissen te Amsterdam in den kerkeraad, het classikale bestuur, de Nieuwe kerk enz. worden uitvoerig behandeld in G. J. Vos, Het keerpunt in de gesch. etc., p. 88—150 en verder; een memorie van het class, bestuur, Waarom de tachtig kerkeraadsleden te Amst. voorl. geschorst 1 (zie daarover ook Handel, der buit eng. synode, 1886, p. 30), waartegen Kuvper en Rutgers een Contramemorie in zake het Amst. conflict uitgaven; A. Kuyper, Het conflict gekomen; J. H. Gunning JHz., Het Protest. NederL, p. 68 vlg.
§ 319. De aanklacht tegen de tachtig geschorsten kwam voor het Noord-Hollandsche kerkbestuur, dat evenwel van meening was deze tuchtzaak te moeten overdragen aan de synode, die daartoe in buitengewone vergadering den 9 Februari bijeengeroepen werd. De zaak zelf werd ter behandeling in den eersten aanleg teruggezonden aan het provinciale kerkbestuur, maar wegens de ernstige troebelen, die thans verwacht konden worden, was het raadzaam en noodzakelijk de zitting voort te zetten tot het beramen van geschikte maatregelen tot verweer. Bovendien drong het lid Tinholt aan op het ontwerpen van een modus vivendi of interim, bijv. door kerspel vorming, een plan, dat echter in de kerk zelf zulk een ongunstig onthaal vond, dat het zijn welmeenenden voorsteller niet lang overleefde.
Den 1 Juli werden de kerkeraadsleden van Amsterdam bij vonnis van het provinciaal kerkbestuur afgezet. Zij kwamen terstond in hooger beroep. Intusschen hadden de aanhangers van dr. Kuyper reeds in eenige gemeenten „de reformatie der kerke ter hand genomenquot; door de Dordtsche kerkorde van 1619 in te voeren en het verband met de „synodale genootschapskerkquot; te verbreken. Voor zulke ver-eenigingen was de titel gekozen van „Nederlandsch Gereformeerde kerk (doleerende)quot;. Waar een predikant met kerkeraadsleden en een deel der gemeente dezen weg gingen bewandelen, daar bleven zij zich beschouwen als beboerende tot de echte, thans weer herstelde
428
Hervormde kerk. Op grond van deze fictie legden zij, waar zij dat vermochten, beslag op de goederen en inkomsten en behielden kerken, pastorien enz. voor hun gebruik. Zoo veroorzaakte het doleeren even als weleer de Afscheiding allerlei plaatselijke ongeregeldheden, die veel verbittering kweekten en van zeer onstichtelijken aard waren, vooral wanneer gedurende den tijd der schorsing de uitoefening van de kerkdienst aan dc ringpredikanten lastig, zelfs gevaarlijk werd gemaakt. Dan moest dc openbare macht, die de synode in het handhaven der wettige orde haar steun had toegezegd, handelend tusschen beide komen, zooals te Leiderdorp, waar de woelzieke doleerenden in dien zomertijd vooral des Zondags door militairen in bedwang gehouden moesten worden. Elders zooals te Kollum werd een voor-loopige overeenkomst gesloten tusschen de kerkvoogden en de anti-synodale partij. In sommige plaateen waren de kerkelijke autoriteiten eenstemmig revolutionair, en te Reitzum e.a. gingen zelfs alle ingezetenen man en vrouw, oud en jong doleeren.
Langzamerhand kwam de synode, die zich onder de thans oprijzende moeielijkheden door bekwame rechtegeleerden als adviseur liet • ter zijde staan, tot het inzicht, op welke wijze de gevaarlijke beweging moest worden aangevat. Want in de volgende maanden breidde het doleeren zich voortdurend uit: in enkele oorden hadden de anti-synodalen een tijdlang zelfs vrij spel, wanneer zooals in de ressorten Dokkum en Harderwijk het classikale bestuur door aftreden, onwil of vreesachtigheid der leden in het ongereede raakte. Doch omdat vele inferieure medestrijders nog eerst van de ontsteltenis over de Amsterdamsche katastrofe moesten bekomen, zoo kwamen zij met hun hoopjes volgelingen achter elkander het hoofdleger versterken en kon in zulke gevallen van wege de Hervormde kerk zonder verwijl en met beleid worden gehandeld. Weldra waren alle kerkbesturen volkomen toegerust tegen hen, die overgingen tot afwerping van „het synodale jukquot;.
De langdurige beraadslagingen over den voorgestelden modus vivendi schonken het kortstondig levenslicht aan een „reglement houdende tijdelijke bepalingen ter bevordering van den vrede in de Ned. Herv. Kerkquot;, dat voorloopig door de synode aangenomen werd in de zitting van 15 April: de zeven orthodoxen stemden tegen, Handel, der buiteng. synode, 1886, p. 180—202 en passim. Het oordeel der kerk luidde zoo ontmoedigend, dat de synode het geheel introk, Handel, der synode, 1886, p. 213—266, 368. Ds. Lambertus Tiniiolt, predikant te Koudum in Friesland, overleed onverwacht den 22 Februari te Amsterdam.
In het voorjaar van 1886 ontving de synode (pres. dr. J. K, Koch, predikant te \'s Hertogenbosch en secretaris L. Overman, broeder
429
van zijn voorganger, die in het vorige jaar was afgetreden), een serie adressen van kerkeraden en gemeenteleden, waarin de sympathie met het streven van dr. Kuvper vrij duidelijk uitkwam. Handel, der buit eng. synode) 1886, p. 66—68. Dit was in vele gevallen de voorbode van een spoedig gevolgde doleantie.
De leiders dezer beweging brachten door hun daden en redeneeringen den indruk te weeg, dat het verleden hun n;ets had geleerd, dat zij ook in dezelfde illusie verkeerden, die de eerste afscheiders zich in hun eenvoud hadden gemaakt. Althans zij deden zoo en trachten aan hun scheuring het voorkomen van een herstelling der ware Hervormde kerk te geven. Mr. de Savornin Lohman en dr. Rutgers leverden in hun geschrift De rechtsbevoegdheid onzer plaatsel. kerken een pleidooi voor het recht der doleerenden op de goederen. Hun voorstelling werd bestreden en wederlegd vooral door dr. Kleijn eerst in een brochure Feiten of Verzinsels, 1886, en later in zijn omvangrijke studie Algem. kerk en plaatsel. gemeente. Over andere geschriften in deze quaestie zie Vos, Het keerpunt, p. 367—370 e. e. De eerste rechtsgeleerde adviseurs der synode waren de advocaten mr. W. Thorbecke en mr. A. M. van Stipriaan Luiscius, later anderen, Handel, der buit eng. synode, 1886, p. 25, 36, 39; Handel, der synode, 1888, bijl. B, p. 217.
§ 320. De procedure tegen de revolutionaire predikanten, ouderlingen on diakenen te Amsterdam was zeer tij droovend. Na afloop van het getuigenverhoor zond de synodus contracta aan de appellanten de oproeping om in den Haag voor haar te verschijnen. Het bleek bij onderling overleg besloten te zijn, dat maar één van de tachtig gedaagden aan dien last gehoor zou geven. Want slechts op den dag der ouderlingen, den 16 September, verscheen dr. Kuyper , de eenige van allen, om zijn kerkelijke tegenpartij in het aangezicht te zien. Doch dewijl het hem niet gelukte der synodale vierschaar de aanhangige rechtshandeling als een zaak in geschil op te dringen, liep deze merkwaardige ontmoeting voor hem zonder het beoogde resultaat ten einde. Den 24 van dezelfde maand werd het vonnis uitgesproken, dat de beklaagden niet alleen van hun kerkelijke betrekkingen maar ook van het lidmaatschap der Hervormde kerk ontzette. Zij vroegen herziening daarvan bij de volle synode, doch dit gaf geen verandering: den 1 December werd ook in den laatsten aanleg het vonnis van de contracta bekrachtigd. Tevens werd een manifest aan alle kerkeraden en leden uitgevaardigd met een ernstige waarschuwing tegen deze nieuwe afscheiding, en alle kerkbesturen ontvingen een missive om bij de thans komende moeielijkheden streng de reglementen te handhaven.
430
Op het groote proces tegen den staf van het leger der doleantie volgde een heele reeks rechtsgedingen van nagenoeg denzelfden aard tegen predikanten, kerkeraden, gemeenteleden, die zich voor deze „reformatiequot; verklaarden. Kuyper en de zijnen belegden den 11 Jan. 1887 een groote vergadering te Amsterdam, blijkbaar met het doel om een propaganda te organiseeren. De uitwerking van dat „Gereformeerd congresquot; werd spoedig merkbaar door de aansluiting van velen, die tot nog toe geweifeld hadden.
Na afloop van de kerkelijke rechtzaken, die de verschillende besturen nog geruimen tijd bezig hielden, brak de tijd aan van de pleidooien voor den burgerlijken rechter over het kerkegoed: een noodelooze verspilling van kracht en geld, omdat de aanspraak der Doleercnden op de gebouwen, goederen en inkomsten der kerk, die zij bestreden en vloekten, eiken gangbaren en wettigen rechtsgrond miste en het derhalve niet twijfelachtig kon zijn, hoe zulke procedu-ren moesten afloopen.
Op denzelfden voormiddag, dat dr. Kuyper in de Willemskerk voor de synode verscheen, zat de aanvoerder der Nederlandsche anarchisten, eveneens gewezen predikant, voor het Hof van \'s Gra-venhage op de bank der beschuldigden in appèl van een vonnis wegens zijn vergrijp tegen het hoofd van den Nederlandschen staat: deze werd ook een week later veroordeeld tot een jaar cellulaire opsluiting. Dr. Kuyper gaf zijn indrukken van het verhoor terug\' in een brochure, die met bekwamen spoed het licht zag: dr. Kuyper voor de synode. De uitspraak van 24 September zie Handel, der synode, 1886, p. 550—584; de bekrachtiging daarvan door de geheele synode, ib. p. 524—537, alsmede de openbare brief aan de kerkeraden enz., ib. p. 538—543, 545, 546. Door een commissie uit de bezwaarde Amsterdamsche kerkeraadsleden werd opgesteld een uitvoerige Memorie van rechten in cas van revisie aan de algem. synode van de Ned. Herv. Kerk met een groot getal bijlagen, bevattende ook het vonnis der contracta en andere ofticieele stukken. De synodale vonnissen komen ook voor bij Vos, Hei keerpunt, p. 30S—355-
Den 3 November hield op aanschrijving van het provinciale kerkbestuur de classis Dokkum een buitengewone vergadering, waardoor dat ontredderde bestuur weer aangevuld kon worden.
Een der eerste gevolgen van de veroordeeling der Kuyperianen was, dat zij de bezetting van de Nieuwe kerk moesten opgeven: den 6 Januari 1887, juist een jaar na den aanslag, konden de wettige kerkmeesters daar weer hun intrek nemen en de kerkvergaderingen op de gewone plaats gehouden worden. Vos, p. 293 vlg.
In het begin van 1887 werd het juk der „synodale Hierarchicquot; afgeworpen te Heeg, Klundert, Hijlaard, Bunschoten, Zuidwolde
481
bij Groningen, Barendrecht, Wetsinge en Sauwerd, Aarlanderveen, Zevenhoven, Zwartsluis, Tienhoven enz.
§ 321. De doleerende volgelingen van den heer Kuyper werden door dit alles gedwongen hun eigen weg te gaan. Gesteund door eenige rijke aanhangers maar vooral door de haast onuitputtelijke, doch ook telkens aangespoorde offervaardigheid van de menigte der „kleine luidenquot; verrezen achtereenvolgens in de hoofdplaatsen en daarna ook in vele dorpen kerken of eenvoudiger lokalen voor godsdienstoefening. In de eerstvolgende drie jaren kon dien ten gevolge de vrije „universiteitquot; meer dan dertig van haar vormelingen bij Gereformeerde kerken (doleerende) geplaatst krijgen. Ruim vijftig predikanten verlieten de Hervormde kerk en ook enkele Christelijk-Gereformeerde leeraars stelden zich beschikbaar om de dienst bij de antisynodale kerkgroepen waar te nemen en mede te werken aan de organisatie van dit nieuwe genootschap, dat de geliefde drie formulieren van eenigheid tot grondslag van belijdenis en prediking legde en haar inrichting regelde naar den maatstaf van de kerkorde van Dordrecht ten jare 1619. Omdat de gansche opschudding onder andere formulen en op uitgebreider schaal een herhaling was der daden van de Cock en Scholte, omdat leer en kerkbeginsel nagenoeg op hetzelfde neerkwamen, was het volstrekt geen onverwachte wending maar een natuurlijk gevolg van den loop dezer zaak, dat al zeer spoedig het plan tot vereeniging met de broeders der Afscheiding ter sprake kwam. Langdurige onderhandelingen werden tusschen Amsterdam en Kampen gevoerd: de bezwaren werden vooral gemaakt door een deel der Christelijk Gereformeerden, die het niet begeerlijk achtten om zulk een groote en machtige schare, nagenoeg even sterk in aantal als zij zelf, te ontvangen. Doch eindelijk werden aannemelijke voorwaarden van vereeniging getroffen. De groote dag werd vastgesteld, waarop de synoden der beide kerkgenootschappen, te Amsterdam samengeroepen, zouden overgaan tot een gemeenschappelijke vergadering. Den 17 Juni 1892 heeft die samenvloeiing der twee groepen van Gereformeerde kerken tot één kerkverband plaats gehad. Doleantie en Afscheiding hadden haar taak afgedaan. Zelfs de oude namen worden met het oude kleed afgelegd. Het thans optredende genootschap voert den meervoudigen titel „Gereformeerde kerkenquot; en begint zijn loopbaan met een ledental van ruim driemaal honderdduizend.
In 1890 waren bij de doleerende gemeenten 37 leerlingen van de vrije „universiteitquot;, 55 voormalige Hervormde predikanten, en ook eenige oefenaars, evangelisten, leerende ouderlingen als voorganger in dienst.
432
Behalve in de officieele partijbladen Heraut en Bazuin zijn de acten en bescheiden betreffende de samenvloeiing ook opgenomen in M. W. L. van Alphen, Nieuw kerkelijk handboek, 1893, p. 368—395. Aan de regeering werd toen opgave gedaan van zevenhonderd kerken d. i. gemeenten, doch dit is de ruimste berekening, o. a. omdat in meer dan honderd plaatsen, waar de geheele samensmelting nog niet tot stand is gekomen, de gemeente een dubbelstel gebleven is, aangeduid als Gereformeerde kerk met het volgcijfer A, B (en zelfs C te Leiden en Middelburg). Dit onderscheid is voorloopig, in afwachting dat de volle vereeniging van lieverlede haar beslag zal krijgen. Het officieele orgaan van deze samengevoegde Gereformeerde kerken voert den titel Kerkblad, geredigeerd als bijvoegsel tot de Bazutn. Er was ook van den beginne af eenig verzet tegen deze massieve samenvoeging. Reeds in de volgende maand riep ds. van Lingen van Zetten te Utrecht een vergadering bijeen ter instandhouding van de Christelijk-Gere-formeerde kerk. Tot nog toe hebben acht gemeenten hun voornemen te kennen gegeven om op den ouden voet te blijven voortbestaan. Van meer beteekenis is het feit, dat van den weg der doleantie reeds voor en na eenigen zijn teruggekeerd tot de Hervormde kerk, niet alleen leden der gemeente maar ook enkele voorgangers. Doch al deze dingen behooren tot het tijdperk, dat thans nauwelijks is begonnen. Moge de geschiedenis daarvan later meer goed dan kwaad te vermelden hebben.
Ook openbaart de neiging tot uittreding uit de Hervormde kerk in het laatst dezer eeuw zich nog in een geheel andere richting: bij de volkstelling op 31 December 1889 is het getal dergenen, die zich aangegeven hebben als tot geen kerkgenootschap te behooren, op eens tot het cijfer 82,366 gestegen, waartoe vooral Friesland en Noord-Holland te samen veel meer dan de helft hebben bijgedragen. Toch blijft de Hervormde kerk nog een groot lichaam in den staat, dewijl daartoe blijkens de laatste volkstelling 2,210,218 Nederlanders behoorden.
§ 322. Zoo trok ook weder deze opwelling zich tot haar bestemde, meer bescheidene plaats terug en stuwde haar allengs bedarende golven langs de eigene bedding, door het beloop der gebeurtenissen aangewezen.
Door het krachtig handelen der besturen had de Hervormde kerk een dam kunnen opwerpen tegen den schok, dien sommigen haar poogden toe te brengen. Kort, maar hevig en vaak pijnlijk was die worsteling geweest. Zij werd onder deze gevaarlijke beroerte gezuiverd van haar meest woelzieke, bitter vijandige geesten: de doleantie kwam haar te staan op het verlies van omstreeks honderdduizend
433
zielen, die in het gevolg der leiders mede uittogen. Toch was dit gemis wel te dragen. Immers daartegen kon ruimschoots opwegen het onmiskenbare voordeel, dat de behoefte aan kerkelijke eenheid sterker dan ooit gevoeld word. Het heerschzuchtige drijven der anti-synodalen, die geen andere opvatting van kerkorde en belijdenis naaat de hunne duldden noch erkenden zelfs, veroorzaakte een schokkende verwijdering. De niet zeer waardige of eerbiedwekkende vorm, waarin de strijd voor een verouderde kerkinrichting en niet langer bevredigende confessie weer een herhaling beleefde, werkte derhalve ook terugstootend op vele rechtzinnigen. Zij sloten zelfs voor een wijle die doos van Pandora en verleenden liever hun bijstand om de verwarring, die de kerk te gronde zou richten, af te weeren. Moge dit jongste keerpunt in de geschiedenis der kerk al niet de belofte van eenheid en volmaakten vrede in zich bevatten, het heeft toch in eenige opzichten veel goeds gebracht: toenadering tusschen de bezadigde mannen van weerskanten, samenwerking van velen, die elkander voorheen scherp bestreden, persoonlijke waardeering bij verschil van geloofsopvatting, liefde voor een kerk, die niet in één maar in tal van richtingen nog een eervolle en noodzakelijke roeping onder de kinderen dezes tijds te vervullen heeft.
De ervaring heeft geleerd, dat de kerk niet de belichaming van een leerstellig begrip kan zijn: zij is een historisch bestaande, in staat van ontwikkeling en voortdurende actie verkeerende, nog altoos met meer of minder nadruk optredende, godsdienstige en zedelijke vereeniging. Allen, die zich aan haar houden en haar niet verlaten, waardeeren haar niet bovenal om de letter der leer maar om de religieuse gedachte en de Christelijke levensbeginselen, waarvan zij een waardige draagster is. Indien het waar is, dat in de geschiedenis der kerk zich een deel van ons volksleven weerspiegelt, dan vertoonen zich in de samenleving thans teekenen des tijds, welke onze Hervormde kerk meer dan ooit indachtig maken aan de ernstige, veel-beteekenende taak om op dat door geesten van allerlei slag bewerkte veld de gezonde kern bijeen te houden en te versterken, de christelijke machtseenheid te zijn, die alleen de maatschappij voor toenemend bederf kan bewaren. Zij vervulle ook in de naaste toekomst die heilzame roeping onder het Nederlandsche volk tot eere van het christelijke evangelie.
28
Dr. Rkitsma, Ktrkgtsch.
: m ..........■■ ^
|
Acquoy, J. G. f?,, kerkelijk en daarna gewoon hoogleeraar te Leiden, 421. Acronius, Johannes, ined. hoogleeraar te Basel, 74. Acronius, Johannes, predikant te Groningen, enz., 161, 1Wgt;, 199, \'218, \'219. Acronius, Ruardus, predikant te Leeuwarden, 160, 161. Adams, Thomas, Engelsch puritein, \'291. Ae.gev van Calcar, Hendrik, prior van Munnikhuizen, \'24, 28. Acmilius, Anlonius, hoogleeraar te Utrecht, \'266. Acmilius, Theodorus, priester te Utrecht, opvoeder van .1. Arminius, 169. Aerssen van Sommelsdijk, Frans van, 197. Aerssen van Sommelsdijk, Lucia van, 298, \'299. A(jricola, Rudolf, de humanist, 47, TiO, 51. Ar/ricola, Hudolphus, Frisius, student te Bologna, 51. Albada, Ai/geus, aanhanger vanSchwenck-feld, 101. Albert, wedeidooper van Maastricht, gedood te Aken, 74. Alherti, Johannes, hoogleeraar te Leiden, 323, 324, 325. Aldegonde, Philips Marnix van Hl., zie Marnix. Alkmaar, Johannes van, ketter, 17, 18. Alphen, Johan van, predikant te \'s Hertogenbosch, 326. d\'Alphonse, keizerlijk intendant-generaal binnenl. zaken, 345. Alphonsus van Portugal, ketter te Rijssel, 17. |
Alting, Henricm, hoogleeraar te Heidelberg enz., 277. Altinq, Jacobus, hoogleeraar te Groningen, \'272, 277, 278, \'280, \'286. Alting, Menzo, predikant te liinden, 100, 127, 131, 142. Alva, Ferdinand Alvarez hertog van, 58, 105, 106, 107, 114, 115, 116, 121. Amesius, Willem, hoogleeraar te Fi aneker, 218, 261, 265, 276, 291. des Amorie van der Hoeven, zie van der Hoeven. Ampsing, Johannes, predikant te Haarlem, 156. Amsho/f, Maurils Mhrechl, predikant te. Groningen, 385. Amstcl, Ploos van, zie l\'loos v. A. Amsterdam, A Hard van, aanhanger van Agricola, 51 Amsterdam, Johannes van, monnik, 50. Andala, liuardus, hoogleeraar wijsbeg. te Franeker, 308. Angularius, zie Hoek. Anna, gravin van Oostfriesland, 89. Anlonides, Henricus, zie H. A. Nerdenus. Antwerpen, Nicolaus van. Hervormd martelaar, 63. Appeltere, mr. A. W. van, bestrijder der Afscheiding, 380. A portanus, George (Jurjen van der Duere), hervormer van Emden, 88. Arbore, Johannes ah, schoolrector te Deventer, 35. A remberg. Jan de Ligne, graaf van, stadhouder van Friesland, 99. Arents, Jan, hageprediker in Holland, 101, 102, 103. Arminius, Jacobus, 141, 143, 153, 157, |
28»
436
|
163, 165, 168—175, 177, 178, 180, 182, 184, 193, \'240. Arnoldus, Nicolaus, lioogleeraar to Fra-nokei\', \'261, 264, 268. Assche, Aemilins van, rector van het fra-torhuis te Deventer, 34. Augustinus, aanhangers der loer van, 46, 47, 64. Baden, F reder ik van, bisschop van Utrecht, 38. Jiahlcr, C. D. h., predikant to Aalst, 388. Tiahler, L. M., Waalsch predikant te Zwol, 366. Bah ley—Despar, II. VV., echtgenoote van L. M. Biihler, 366. Bakker, Erasmus, prediker hij de .lacobs-gemeente te Utrecht, 149, 150. Bakker, Jan de (.1. Pistorius), Hervormd martelaar, 64, 65, 87. Balcanqual, dr. Waller, voor de Schotsuhe kerk Mil der synode van Dordrecht, 203. Balck (Trabius), IJsbrand, prediker te Antwerpen, Norwich enz., 100, 101, 134, 135, 160. Balsem, N. C., predikant te Langezwaag, 366. Bardowitz, hoofd eener secte te Amsterdam, 206. Barlaeus, Caspar, 203, 212, 229, 230, 230. Bartholomeus, ketter, 16. Bar net h, Johannes, predikant te Dordrecht, 331, 332. Basel, Nicolaus van, hoofd der Gottes-freunde, 23, 24. Basnaqe, Jacques, Waalsch predikant te Rotterdam, enz., 306. Busselen, Heylwig van der, moedei\' van G. Groot, 28. Bastingius, Jeremias, predikant te Dordrecht, enz., 160, 161. Batenburg, Jan van, Anabaptist, 78. Baudarl, Wilhelmus, predikant te Zutfen, 171, 180, 251. Bayle, Pierre, Waalsch predikant en professor te Rotterdam, 245, 306, 308. Beek, Egbert ter, rector van het fraterhuis te Deventer, 34, 35. Bects, Nicolaas, 401, 402. Beyeren, Hendrik van, bisschop van Utrecht, 58. Bekker, Balthasar, 269, 271, 272, 273, 278, 286. |
Bekker, Elisabeth, zie K. Wol tl\'. Bell, F. W. B. van, hoogleeraar te Groningen, 403. Bellcrt, zie Oostendorp. Berwil, Elie, Waalsch predikant te Del ft, 307. Berg, A hazuerus van den, predikant te Arnhem, 349. Bergen, Adriaan van, boekdrukker te Antwerpen, 62. Bernard, Jacques, Waalsch predikant enz. te Leiden, 308. Bernsau, Henricus, hoogleeraar te Frane-ker, 308. Berlins jr.. Petrus, regent van hetstaten-collegie te Leiden, 180,192,193,230,231. Bertius sr.. Petrus, leeraar te Rotterdam, en/.., 168. Bcukels, Jan, zie J. van Leiden. Beuningen, Koenraad van, burgemeester van Amsterdam, 243, 300. Beuningen, W. van, 412. Beverwijk, Vincent Dirks van, Dorninikaan te Dordrecht, 69. Beza, Theodorus, opvolger van Calvijn, 99, 151, 157, 161, 167, 169, 170. Bilderdijk, Willem, 365, 366, 372,378,401. Bisschop, Egbert Remmerts, vader van S. Episcopius, 184. Bisschop, Bern, broeder van S. Episcopius, 195. Blankenheim, Frederik van, bisschop van Utrecht, 31. Blau, Theodorus Brunsueld de, predikant te Groningen, 328. Bloccius, Petrus, scholarch te Leiden, 87, 88, 100. Bloemaerts, Hedwige (vulgo Bloemardine), ketterin, 7, 15, 16, 22. Blom, Cornelis, predikant te Leeuwarden, 327. Boekbinder, Bartolomeus, Anabaptist, 76. Boekbinder, Gerrit, Anabaptist, 75. Bodes, P., predikant te Noorddijk, 380. Bodes, mr. W. B. S., vicepresident van \'t Hof te Leeuwarden, 412. Boendale, Jan van, schrijver van Evangeliënharmonie, 39. Bogaerdt, Johannes, predikant te Haarlem, 160, 166. Bogaert, Justus van den, pietist, predikant te Utrecht, 291. Bogerman, Johannes, 161, 166, 167, 193, 196, 197, 204, 206, 207, 210, 213, 216, |
437
|
218, 221, 226, 227, 228, 238, 250—252. Ho/mie, Jacoli, 300. Bommel, Hendrik van, schrijver der Summa der Godl. schrift., 6i, 62. Bonnet, Gisbertus, hoogleeraar te Utrecht, 327, 328, 352. Boom, J. A. G., Rernonstr. predikant te Boskoop. 240. Boom, Theodonm, Rernonstr. gevangene op Loevestein, 233, 238, 240. Booms, Marinas Adriaamz, Hattemist, 316. Hoon, dr. C., student te Oroningen, 386. Borr/er, Elian Anne», hoogleeraar te Leiden, 352. Borre, Adriaan van den, Remonstrant, 212. Borstius, Jacohun, predikant te Dordrecht, 289, 290. Bosveld, Paulus, predikant te Dordrecht, 353, 354. Houfire, Bohert le, zie Robertus. Bouma, Gelikts Faher de. Hervormd prediker, 59, 81, 88. Bourfiondie, David van, bisschop van Utrecht, 42, 4«, 48, 50. Bouraondie, F Hips van, bisschop van Utrecht, 58, 70. Bourignon, Antoinette, hoofd der mystieken te Amsterdam, 306. Boutkamp, aanhanger van ,1. Eswijler, 312. Boyng, Cistercienser abt van Menterne, 25. liraband. Jan I, hertog van, 14. Brahe, J. ./., predikant te Vlissingen, 326. Brakel, Theodoras d, predikant te Mak-kum, 249, 291, 292. Brakel, Willem d, predikant te Leeuwarden, enz., 286, 291, 292, 299. Brandt, Gerard, de kerkhistorieschrijver, 203. Braunius, Johannes, hoogleeraar te Groningen, 286. 287, 309. Bray, Guy de (Guido de Brés), 95, 96, 98, 102, 105, 144. Breckling, Friedrieh, Giehteliaan, 300. Brederodc, Hendrik graaf van, hoofd van het verbond der edelen, 105. Breedenburg, Johannes, Rhijnsburger col-legiant, 243. Br eedenburg, Paulus, Rhijnsburger colle-giant, 243. Brill, Jacob, Hattemist te Leiden, 316. Brink, A., predikant te Leeuwarden, 348. Brinck, Henricus, predikant te Joure, Utrecht, 284, 285. |
Brinckerinck, Johannes, leerling van G. Groot, 29, 30, 32. Brinxma, Hendrik, schoolmeester te Hoo-gebeintum, 330. Broek, J. J. Ie Sage ten predikant te Rotterdam, 330. Broes, Broërius, hoogleeraar te Leiden, 332. Broes, Willem, predikant te Amsterdam, 363, 364. Bronsveld, dr. A. IV\'., predikant te Utrecht, 421, 424, 425. Browner, L. Meijer, predikant te Uithuizen, 376. Brouwer, P. W., predikant te Maassluis, 364. Brown, Engelsch puritein, 294. Brugman, Johannes, de volksprediker, \'35, 35, 39, 41. Bruining, Albert us, predikant te Pieters-bierum, 353. Brummelkamp, Antony, Afgescheiden leeraar, 379, 380, 394. Brully, Pierre, (P. Brulius), Calvinistisch prediker, 85, 96. Bueerus, Gerson, predikant te Veere, bijbelvertaler, 251. Budding, H.J., hoofd eener Afgescheidene secte te Goes, 393. Buitendijk, Gosuinus van, hoofd der latere Hattemisten, 316. Bukken, Henricus (H. Bnlckius), predikant te Montfoort, 150, 153, 154. Bullinger, Henricus, de opvolger van Zwingli, 86, 100, 101, 155, 157, 158. Bulthuis, Johannes, predikant te Sneek, 334. Bunderius te Gent, bestrijder van Anast. Veluanus, 86. Burman, Franciscus, hoogleeraar te Utrecht, 270, 273, 278, 321. Burmannus secundus. Petrus, hoogleeraar klass. talen te Amsterdam, 331, 332. Busch, Herman, scholarch te Wesel, 90. Busch, Johannes, de Windesheimer reformator, 25, 31, 32. Buscop, Wermbold van, hoofd der Gerar-dinen, 30, 31, 40. Busken Huet, C.. 403, 414. 415. Bysterus, Simon Lucae. Remonstr. gevangene op Loevestein, enz., 233, 240, 241. Calcar, Gerrit van, rector van het fraterhuis te Zwol, 41. |
438
|
Calcar, Hendrik van. zie H. Acger. Cnlvijn, Johannes, 85, 110, i)5, 118,145, Vi V, 170, \'207, ;t75, 4\'2;i, Campen, .lacoh van, predikant te Mijns-lieercnland, 140. Camphuyzen, Dirk Raphaëlsz, predikant te Vleuten, enz., \'2152, \'237, 242. Canirivus, zie F. Homlebeke. Cannerjieter, 7\'., keikelijk hoogleeraar te Utrecht, 408, 412, 421. Cnnter, Jelmcr, secretaris van Groningen, 67. Cantor, Aegidius, ketter, 16. Canzius, mr. J. H. Onderdewijnyaerl, stichter van Christo Sacrum, 347, 348. Capndose, dr. Abraham, 365, 366, 374, 388, 402. Capelle, dr. F. van, rector to Poetinchpin, 407. Capellen, baron van der, minister van Binnenl. Zaken, 344. Cartetor, Dudley, Engelsche gezant, 196, 197, 198. Karleton. George, bisschop van Landalf, 204. Carlesius, Renatus (Rénc Descartes), 264— 271, 275, 278, 284, 307, 319. Carlhusianm, Üionysius, zie van Leeuwen. Cnssander, George, irenisch Kath. theoloog, 86, 87. Cats, Jacob, raadpensionaris, 258. Cele, Johannes, schoolrector te Zwol, 23, 33, 43. Ceulen, Pietervan, Doopsgez. leeiaar, 161. Chantepie delaSamsaye, D., zie Saussaye. Christiaan 11, Peenscii koning, 71. Christina, koningin van Zweden, 266. Clarisse, Joannes, hoogleeraar te Leiden, 352, 369. Clarisse, Theodorus Adrianus, hoogleeraar te Groningen, 385. (\'Ié, dr. //. JV. la, student te Groningen, 386. Clemens V, paus, 14. Clercq, Willem de, de improvisator, 366. Cloux, A. [\'. A. du, predikant te Vierhuizen, enz., 376. Coccejus, Johannes, 275—282, 285, 292, 309, 310, 319. Cock, Gerardus Theodorus de, predikant te Harig, 326, 327. Cock sr., Hendrik de, hoofd der Afscheiding, 368, 369, 375—382, 393. Cock jr., Hendrik de, leeraar der theol. school te Kampen, 376. |
Cock, Timaii, secretaris van Bremen, vader van J. Coccejus, 276. Coddaeus, Wilhelmus (W. v. d. Codde), hoogleeraar te Leiden, 230, 242. Codde, van der, familie, stichters van het collegie der Rhijnsburgers, 241, 243. Codde, Maria van der, vrouw van Frans Oudaen, 242. Colenis, Balthasar, predikant te Nijega, Labadist, etc., 299, 300. Coligny, Louise de, weduwe van prins Willem van Oranje, 167. Comenius, Johan Amos, 261. Comrie, Alexander, predikant te Wou-brugge, 306, 311, 319, 321, 324, 325. Comestor, Petrus, schrijver der Ilist. Scholast., 39. Conradi, Petrus, hoogleeraar te Franeker 308. Coolhaes, Caspar Jansz, 100, 101,119,134, 135, 152, 153. Cooltuyn, Comelis, schrijver van het Evangelie der armen, 100, 101. Coornhert, Dirk Volkerts, 100, 101, 146— 148, 170. Cordatus, Adriaan, Hervormd priester te Middelburg en Amsterdam, 71, 72, 82, Comelii, A rnoldus (Aernt), zie A. C. Crusius. Comelis, Adriaan, Hervormd priester te Mijnsheerenland, 149. Comelisz, Pieter, hagepreeker in Holland, 101. Comelisz, Willem, kettersch kanunnik, 12, 13. Corput, Hemlrik van den, predikant te Dordrecht, 118, 134, 141, 155, 160. Corranus Bellerive, Antonius, de smoderaet theoloogquot;, 100, 101. Corvinus, Jelle, oefenaar te Leeuwarden, 348, 349. Corvinus, Johannes Arnoldi, predikant te Leiden, enz.. Remonstrant, 178, 180, 188, 235. Costa, Izaak da, 365, 366, 368, 369, 378, 385, 389, 391, 400, 402. Courcelles (Curcellaeus), Etiennc de, opvolger van S. Episcopius, 240. Cranmer, Thomas, aartsbisschop van Canterbury, 91. Cremer, Bernard Sebastiaan, hoogleeraar te Harderwijk, 302, 310, 317, 321. Crocius, Ludovicus, predikant cn hoogleeraar te Bremen, 213, 217. |
439
|
Crusius, Arnoldua Cornelii, predikant te Delft, -HS, llö, -121, 134, 130, 141, -147, 160, 163, 166, 170, \'251. Cupus, Petrus, Remonstr. gevangene op Loevesteln, 212, 240. Curtenius, Petrus, hoogleeraar tc Leiden, 332. CurtiuH, H. li. Donker, zie Donker Curtius. Ctisa, Nicolaus de, de kardinaal-legaat, 25,35. Dacgens, Grietje, non te Diepenveen, 31. Daendels, generaal der Bataafsche republiek, 341. Damman, Sebastiaan, scriba der nationale synode van Dordrecht, 201, 204. Danaeus, Lambertus, professor te Leiden, enz., 139, 152. Dane, Dina Jans vrouw, aanhangster van P. van Hattem, 316. Dathenus, Petrus, 96, 07, OH, 99,102,103, 104, 111, 121, 122, 123, 124, 126, 134, 135, 146, 148, 350, 382. Deinse, Antonius van, predikant te Middelburg, 362. Detenus, Petrus, predikant te Londen, 92. Delenus, Wouter, predikant te Londen, 91. Dermout, /.eerste secretaris der synode, 348, 362. Deurhof, Wilteni, hoofd der Deurhovianen, 302, 303, 308, 317. Dibbits, afgewezen cand. te Arnhem, 366. Diest Lorgion, E. ./., zie Lorgion. Dirks, Willem, martelaar te Utrecht, 64. Dirutius, Remigius, eerste bisschop van Leeuwarden, 95. Dittelbach, Petrus, afvallig Labadist, 299. Doedes, J. /., 401, 402, 421, 422. Doitsma, Jacobus, predikant te Zwol, 324. Dongen, Cornelisvan, predikant te Jutfaas, enz., 185. Donker Curtius, dr. /ƒ. II., predikant te Arnhem, 362, 364, 3G7, 369, 377, 382. üonteclock, Reginaldus, predikant te Delft, 147, 154, 160, 170, 178. Dom, Gijsbert, volksprediker te Amsterdam, 40. Douwes, Heere, priester te Teroele, 82. Douwes, J., predikant te Leens, 405. Driessen, Antonius, hoogleeraar te liro-ningen, 306, 308, 310, 313, 320, 321, Drusius, Johannes, hoogleeraar te Frane-ker, 163, 164, 184. |
Duere, Jurjen van der, zie G. Aportanus. Duif/mis, Hubertus, prediker van St. Jacob te Utrecht, 123, 126, 127, 148—150. Dwinglo, Bernardus, predikant te Leiden, enz.. Remonstrant, 203, 210, 221, 235. Dijk, Grietje van, aanhangster van J. Verschoor, 301. Dijk, J. van, hoofd der stichtingen te Doetinchem, 406, 407. Eduard VI, koning van Engeland, 91. Edzard, graaf van Oostfriesland, 6!, 88. Egmond, Karei van, hertog van (lelre, 58, 69, 70, 90. Egmond, Lamoraal graaf van, onthoofd, 106. Elconius, Uemiannus, predikant bij de Jacobsgeineente te Utrecht, enz., 150,151. Eliaous, Martinus, Hervormd prediker te Leeuwarden, 101. Eliasz, Gerardus, vader van D. Erasmus, priester, 52. Elisabeth, koningin van Engeland, 91, 92, 140. Elisabeth, prinses van de Pfaltz, Labadiste, 297. Elout van Soeterwoude, P. J., een der zeven Haagsche heeren, 388. Eist, Claes van der. Hervormd priester te Amsterdam, 65. Emmius, Ubbo, rector, later hoogleeraar te Groningen, 161. Engelhard, Nicolaus, hoogleeraar wijsbeg. te Groningen, 308, 328. Engelrave, Petrus, predikant te Boskoop enz., 231. Engels, R., predikant te Nieuwolda, 369, 388. Ens, Johannes, hoogleeraar te Utrecht, 309. Episcopius, Simon, 153, 183, 184,187, 195, 203, 205, 208, 209, 210, 212, 229, 235, 236, 239, 240, 251. Epo of Edo van Haarlem, leek en volksprediker, 17, 45, 46. Erasmus, Desiderius, van Rotterdam, de humanist, 37, 43, 51—54, 59, 62, 66— 68, 70, 74, 86, 89, 100, 148, 158. Essen, Johannes van, eerste martelaar der Hervorming, 63. Essenius, Andreas, hoogleeraar te Utrecht, 264, 265, 276, 278, 283, 291. Estius, Guilielmus, R. K.ath, hoogleeraar te Douay, 117. |
440
|
Esmjler, Johannes, weeshuisvader te Hoorn, 295, 312, 315. ICverwacher, aanhanger van Tanchelijn, 9. Ewsum, Onno van, humanist, 50. Faber, Engelbertus, superintendant van de Pfaltz, 122. Faber de Bouma, Gellius, zie Bouma. Faille, Bernard la, predikant in den Haag, 160. Faukelius, Hermannus, predikant te Middelburg, 204. Féburé, J. Ie, oefenaar te Leiden, 367. Feith, Rhijnvis, 349. Felix, J. W., predikant te Utrecht, 406. Feugueray, Guillaume, hoogleeraar te Leiden, 119, 147, 152. Filips II, koning, 80, 92, 93, 94, 106,107, 119, 121, 128. Flacius Illyricus, Mathias, verblijf te Antwerpen, 102. Floh, L. H., burger-representant, 346. Fockens, Aylard, reformator van Benedictijner kloosters, 25. Fokkens, Lucas, predikant te Sneek, 366. Fontanus, Johannes, eerste predikant van Arnhem, 123, 175, 895. Franco, eerste prior van Viridis Vallis, 22. Frederici, Izaak, predikant te Utrecht, geciteerde te Dordrecht, 206. Frederik, aartsbisschop van Keulen, 10. Frederik I, bisschop van Utrecht, 8. Frederik III, keurvorst van de Pfaltz, 91, 103. Frederiks, Willem, persona te Groningen, humanist, 50, 51, 53, 67, 68. Frericx, Sicke, (S. Snijder) eerste martelaar der Nederl. Anabaptisten, 75. Fruytier, Jacobus, predikant te Middelburg enz., 301, 306, 308—310. Fijne, Paschier de, predikant te Jaarsveld, enz., 232, 233, 242, 243. Gabriel, Pieter, hagepreeker in Holland, 102, 103. Gallus, Carolus (de Haan), prediker te Deventer, enz. 96, 97. Gansfoort, Johannes Wessel, de voorlooper der Hervorming, 19, 47 —51, 54, 59, 66, 67, 158. Geel, Jan van, Anabaptist, 76, 77. |
Geer van Jutfaas, B. J. L. de, jur. hoogleeraar te Utrecht, 424, Geesteranus, Arnoldus, Remonstr. gevangene op Loevestein, 240. Geesteranus, Johannes, predikant te Alkmaar enz., 218, 219, 242. Geesteranus, Petrus, predikant te Egtnond enz., 218, 219, 242. Geldenhauer, Gerard, (G. Noviomagus), pastoor te ïiel en hervormer, 70. Geldorp, Gosuinus, predikant te Sneek, 161. Geldorp, Hendrik, rector te Sneek enz., 87. Gelre, Karei van, Geldersch stadhouder van Groningen, 82. Genestet, P. A. de, 403. Gentman, Cornelis, predikant te Utrecht, 265, 299. Gerardsz, Gerard, G. Rogerii, 52, zie Erasmus. Gerardus, bisschop van Kamerijk en At-recht, 9. Gerbrand, chirurgijn en ketter te Kampen, 16. Gerrits, Albert, hagepreeker in Holland, 101, Gerrits, Herman, hervormde te Utrecht, 64. Gerson, Johannes, hoogleeraar te Parijs, 15, 23. Geselius (Gesel), Cornelis Simons, predikant te Rotterdam, 186, 187. , Geulhuc, Arnold, hoogleeraar wijsbeg. te Leiden, 269, 270. Geuns, Mathias van, hoogleeraar te Utrecht, 243. Gevers, M. B. H. (V., een der zeven Haagsche heeren, 388. Gezette Meerburg, G. F., zie Meerburg. Gichtel, Johann George, hoofd der Gich-telianen, 299, 300. Giffen, David Flud van, predikant te Sneek, enz., 284, 286, 294, 312. Gnapheus, Wilhelmus (W. de Volder, W. Fullenius), hervormer, 64, 65. Goch, Johannes van, abt te Aduard, 50. Goch, Johannes van, student te Praag, 47. Goch, Johannes Pupper van, prior van ïhabor bij Mechelen, 46, 47, 61. Goclenius, hoogleeraai te Leuven, 53. Godfried met den baard, graaf van Vlaanderen, 10. Goens, van, hoogleeraai\' te Utrecht, 330. Gomarus, Franciscus, 123, 163, 164, 165, |
441
|
166, 170—175, 177, 180, 183, 184, 205, \'216, 217, 218, 261, 263, 264, 276, 277. Goodricke, //., ingezetene van Groningen, 327, 328. Gooszen, M. A., kerkelijk hoogleeraar te Leiden, 421. Gurkom, dr. G. van, Remonstr. predikant te Amsterdam, 410. Gorter, S., redacteur Nieuws van den Dag, 366. Goszfort, Wesselim, 47, zie Gansfoort. Gosuinus, Thomas, predikant te Kampen, geciteerde te Dordrecht, 229. Goud, Arte, lid van de secte der Zwijn-drechters, 373. Goude, Hendrik, broeder des gerneenen levens te Zwolle, 41. Goulart, Simon, Waalsch predikant te Amsterdam, 192, 198, 208. Goutsmit, Hugo de, priester te Haarlem, 40. Grabow, Mathias, bestrijder der Broederschap des gemeenen levens, 34, 35. Grange, Pérégrin de la, leeraar te Valenciennes, 96, 105. Granvelle, Antonius Perrenot, de kardinaal, 93, 94. \'Grapheus, Cornells, secretaris van Antwerpen, Hervormde, 46, 61. Grauels, Jan, de inquisiteur, 93. Gregorii, Martinus, kanselier van Gelder-land, 204, 221. Gregorius VH, paus, 11. Gregorius XVI, paus, 396. Greuve, F. C. de, hoogleeraar logica etc. Groningen, 397. Greve, Egbert Jan, hoogleeraar te Frane-ker, 352. Grevinchoven, Caspar, predikant te Rotterdam, vader van Nic., 186. Grevinchoven, Nicolaus, de Remonstrant, 186, 199, 208, 212, 214, 229, 235—237. Gr cuius, Johannes, predikant te Heusden, 199, 264. Groen van Prinsterer, mr. G., 366, 379, 380, 388, 390, 392, 402, 406, 415, 424. Groenewegen, Henricus, predikant te Enkhuizen, 285. Groenewegen, mr. M. W. van, lid van Christo Sacrum te Delft, 348. Gronde, Johannes van dm, broeder des gemeenen levens te Deventer, 41. Groot (Groote), mag. Gerrit, van Deventer, 16, 19, 20, 23, 24,27—34,38,42,43. ür. Reitsma , Kerkgcsch. |
Groot, Werner, vader van G. Groot, 28. Groot, C. P. Hofstede \'le, kerkelijk hoogleeraar te Groningen, 403, 421. Groot, Petrus Hofstede de, 368, 369, 385— 391, 399, 405. Grotius, Hugo, (H. de Groot), 148, 189, 190, 191, 198, 225. Gruterus, Thomas, 74. Guido II, bisschop van Kamerijk, 14. Gulik, Johannes van, schoolre\'jtor te Deventer, 35. Gulik, Willem van, hertog van Gelre, 58, 82. Gundulf, hoofd eener kettersche secte, 9. Gunning, ./. //., kerkelijk hoogleeraar te Amsterdam, enz., 421, 422. Guthrie, William, Engelsch puritein, 294. Haan, Karei de, zie Car. Gallus. Haar, Bernard ter, 395, 402, 405. Haarlem, Epo van, zie Lpo. Haastert, haak van, leeraar bij Christo Sacrum te Delft, 347, 348. Habbema, Johannes, predikant te Rotterdam, 330. Hackius, Petrus, predikant te Leiden, 153. Hadewijch, zuster, zie Bloemardine. Haemstede, Adriaen van, (A. Hamstedius) predikant te Londen enz., 64,92,100,101. Halen, Gosewyn van, rector van het fraterhuis te Groningen, 50, 68, 89. Hall, mr. A.M. C. van. Afgescheidene, 379. Hall, van, minister van Binnenl. Zaken, 396. Hales, John, kapellaan van gezant Carleton, 203. Hamerken, Thomas, zie a Kempis. Hardenberg, Albertus Rizaeus, prediker der Hervorming, 48, 49, 89. Hasselt, S. F. van, secretaris vau do synode der N. Herv. kerk, 409. Hattem, Pontiaan van, leider der Hatte-misten, 296, 301, 302, 315, 316. Hatzfeld, von, deïstisch schrijver, 308. Heber, Theophilus van, Verschorist, 301. Hegius, Alexander, schoolrector te Deventer, 35, 42, 43, 50. Heinecken, mr, W., 412. Heldring, O. G.,\' predikant te Hemmen, 390, 402, 406. Hellenbroek. Abraham, predikant te Rotterdam, 292. Helmichius, Werner us, predikant te Ut- |
29
442
recht en/.., 119, 123, «9, 148, 151, 163, I 166, 167, 170, 172, 251.
Hehdingen, Stephanus, Utrechtseli raads- I heer, 209.
llemsterhiiis, Tiberiwi, 323. I
Hendriks, Willem, prediker te Amersfoort, i 40.
Henricus, Franciskaan te Groningen, be- -
strijder der Hervorming, 69.
Herberts, lierman, predikant te Gouda,
154, 155, 177.
Herberts, Theodorus, predikant te Gouda,
later Remonstrant, 155.
Herder, Adrianus de, afgezet predikant
van Bleiswijk, 20().
Heringa Ez., Jodocus, hoogleeraar te Utrecht, 352, 369-371, 374.
Herp, Hendrik van, Minoriet en mystiek
auteur, 23, 41.
Herwerden, dr. C. 11. van, predikant te
Groningen, 385.
Hcrxen, Oirk van, rector van het fraterhuis te Zwol, 35.
Hesener, Johannes, predikant te Wieuwerd,
Labadist, 299.
Heshusius, Tileman, hoofd der Luther-
schen te Heidelberg, 86.
Hessels, Joannes, hoogleeraar te Leuven, 100.
Heusde, Philip Willem van, hoogleeraar gesch. en Grieksch te Utrecht, 385, .198. Heydanus, Abraham, hoogleeraar te Leiden, 269, 270, 272, 276, 282, 283. Heydanus, Caspar (Gaspar van der Hey-den), prediker bij de gemeenten ondjjr \'t kruis, 96, 97, 113, 117, 119, 270. Heyngius, Theodorus, ouderling, lid dei-
synode van Dordrecht, 202. *
Heynsius, Daniël, secretaris der Staten-commissarissen op de synode te Dordrecht, 204.
Hildemissem, Willem van, ketter, 16. Ifillenius jr., Cornelius, predikant te Alkmaar, en/,., 181, 182, 186, 195.
Hillenius (van Hille) sr., Cornelius, schrijver van de »Sieckentroostquot;, 182.
Hincart, Jan, kanunnik te Brussel, 22. Hoedemaker, dr. Ph. ./., predikant te
Amsterdam, 425.
Hoek, Jacob, (ook Angularius), deken te
Naaldwijk, 50, 66.
Hoekstra, S., Doopsge/,. hoogleeraar, 399, 400.
Hoen, Cornelius, (C. Honius), advocaat in
den Haag, 64, 66, 67.
Hoeven, Abr. des Amorie van der, Re-
monstr. hoogleeraar, 240, 364.
Hoevers, W., predikant in den Haag, 416. Hofman, Melchior, hoofd der Wederdoo-
pers, 75, 76.
Hofstede, Petrus, predikant en laatste hoogleeraar te Rotterdam, 245, 306, 326, 328—331, 334.
Hofstede de Groot, zie de Groot. Uogendorp, T). van, een der zeven Haag-
sche heeren, 388.
Hollingerus, Henricus, predikant te Grave,
geciteerde te Dordrecht, 206.
Holmannus, Johannes, hoogleeraar te Leiden, 152.
Hollander, Walter de, zie Walter. Holleheek, Ewaldus, hoogleeraar te Groningen, Leiden, 327, 328.
Holtius, Nicolaus, predikant te Koudekerk,
306, 310—312, 319, 324—326.
Honwiius, Festus, predikant te Leiden, 166, 167, 172, 180, 188, 189, 201, 204, 218, 230, 231, 250, 251, 252, 253. Uondebeke, F reder ik,{V. Canirivus), school-
rector te Delft, 64.
Honert, Johannes van den, hoogleeraar
te Leiden, 312, 314, 321, 323 326. Honert, Tako Uajo van den, hoogleeraar
te Leiden, 303, 317, 321.
Hongarije, Maria van, zuster van Karei V,
landvoogdes, 73, 74, 84.
Hooft, Pieter Cornelia, geestverwant van
Coornhert, 147, 148.
Hoogerbeets, Rombout, pensionaris van
Leiden, 198, 225.
Hoogstraten, Jacob van, inquisiteur, 17. Hooker, Thomas, Engelsch puritein, 291. Hoornbeek, Johannes, hoogleeraar te Utrecht, en/,., 264, 265, 283, 291.
Hoorne, graaf van, onthoofd, 106.
Hotzes, Jelle, zie Geil. Snecanus.
Houten, A. J. van, predikant te Ooster-wijk, 388.
Houtzager, Pieter, Anabaptist, 75, 76, 81. Hooyer, C., predikant te Zaltbommel, 363. Hooij kaas Herderschee, Johannes, predikant te Nijmegen, 403.
Hove, Berthold ten, medestichter van
Windesheim, 32.
Huber, Ulricus, jur, hoogleeraar te 1\'ra-neker, 272, 273.
443
|
Hubertus, bisschop van Terwaan, 10. Huhrechts, Jan, schout te Amsterdam, 65. lluel, C. Busken, zie Busken Iluet. Huet, P., gewezen leeraar in ile Transvaal, 400. Hugenhollz, I\'. If., leiiier der Vrije Gemeente te Amsterdam, 418, 420. Huc/enlioltz, P. /(., medestictiter der Vrije Gemeente, 4\'20. Hulst, Frans van der, keizerlijk kettermeester, 69. Husz, Johannes, aanhangers van, \\1. Iluysman, Roelof, zie Agricola. Hyperphragmus. Petrus, zie P. de Zuttere. Imbijze, volksmenner te Gent, 124. Jacobs, Hat-men, vader van J. Arminius, 160. Jacobus, koning van Engeland, 183, 180. 100, 103. Jan I, hertog van Braband, 14. Jans, Dina, zie vrouw Dane. Janssen, J. D., hoofdcommies voor de Zaken van Eeredienst, 344—346, 348, 358, 362. Jarcfhes, Evert, ingezetene van Groningen, 67. Johannes, broeder, lid der secte des Vrijen geestes, 16. Jolles, mr. J.A., laatste minister van Eeredienst, 384. Joncourt, Pierre cle, VVaalsch predikant in den Haag, 308, 300. Jong, Jan de, oefenaar te Leeuwarden, later predikant, 348, 340. Jordaens, Willem, monnik in Viridis Vallis, 23. Joris, David, hoofd eener Anabaptisten secte, 74, 77, 78. Joubert, generaal der Bataafsche republiek. 341. Jung, Herman, Gichteliaan, 300. Junius, Franciscus (Frangois du .Ion), 06. 07, 00, 103, 144, 160, 170, 172, 173. Jurieu, Pierre, Waalsch predikant en professor te Rotterdam, 245, 306. Kampen, Jacob van. Anabaptist, 75—77. Kantelaar, Jacobus, predikant to Almeloo. patriot, 331. |
Karei V keizer, 54, 58—60, 60, 70, 72, 80, 83, 84, 00, 02, 03. Reiser, I. Bnsch, predikant te Wcsterwijt-wert, enz., 385. Kemp, mr. C. M. van der, een der zeven Ifaagschc heeren, 366, 360, 388. Kemp, Didericus van der, hoogleeraar te Leiden, 327, 328. Kemp, J. T. van der, oprichter van het Nederl, Zend. Genootschap, 340. Kempen, Johannes van, prior van Agneten-berg, 30. Kempis, Th mms Hamerken a, de schrijver der Navolging van Chr., 24, 32, 33, 47, 265, 291. Keti\'l, Juriaan, Anabaptist, 77. Kei/nkamp, Wernerus, schoolrector te Kampen, 16. Keyser, J. P. de, predikant te Arnhem, 306. Kicherer, J. ./., eerste Nederlandsche zendeling, 340. Kimedoncius, Jacobus, president der Haag-sche synode, 139. Kinker. .ƒ., 366. Kist, Ewaldus, predikant te Arnhem, Dordrecht, 346, 353. Klarenbach, Adolf, Hervormer te VVesol, 90. Kleman, David, predikant te Voorburg, 320. Klemens, If. G., predikant te \'s Hertogen-bosch, 326. Klegn, H. G., hoogleeraar te Utrecht, 420. Klingebijl, Hendrik, medestichter van Windesheim, 32. Kloppenburg, Johannes, predikant te Amsterdam, 230, 270. Knappert, dr. kerkelijk hoogleeraar te Amsterdam, 421. ■Knfif, Johannes, bisschop van Groningen, 05. Koeh, dr. ./. K., president van de synode der N. Ilerv. kerk, 428. Koe, S.S.de, predikant te Buitenpost, 409. Koelnwri, Jacobus, gewezen predikant van Sluis, 268, 269, 270, 203, 294, 209. Koenig, Samuel, hoogleeraar wijsbeg. te Franeker, 308. Kohlbriigge, Ilerm. Friedr., 380,393—305. Kooten, Theodoras van, hoogleeraar gcsch. te Franeker, enz., 341, 342. Krause, K. C. F., 300. Krieger, \\V. /,., eerste president van de synode der N. Herv. kerk, 362. Krugf, dr. K. F., kerkelijk hooglceraar te Groningen, 421. |
444
|
Kuenen, Abraham, 398, 399, 403, 414, 415. Kw/per, dr. Abraham, 423—431. Kuypers, Gerhardus, predikant te Nijkerk, enz., 314, 315. Labadie, Jean de, hoofd der Labadisten, 296—\'•298. Lambertus, bisschop van Terwaan, 10. Lampe, Friedrich Adolf, 309, 310, 312, 315, 321, 324, Lang, Hcinrich, 404. Langen, Rudolf van, Munstersch edelman on humanist, 50. Lansbergen sr., Franciscus, predikant te Rotterdam, 154, 186. Lansbergen jr., Samuel, predikant to Rotterdam, 186. Lasco, Johannes d, de Hervormer, 77,88— 92, 99, 138, 158. Laurensen, Laurens, (Laurentius Rufus), prior der Dominikanen te Groningen, 68. Lazonder, E. 11., kerkelijk hoogleeraar te Utrecht, 421. Ledeboer, L. G. C., hoofd eener Afgescheidene secte, 393, 394. Leenhof, Frederik van, predikant te Zwol, 308, 317. Leer, Maria, aanhangster van Stoll\'el Muller, 373, 374. Leeuwen, Dionysius van, de Karthuizer, prior te Roermond, 24, 25. Leeuwen, Johannes van, monnik in Viridis Vallis, 23. Leibnilz, Go!fried Wilhelm, 307, 308,328. Leiden, Jan van, (Jan Beukels), koning van Sion te Munster, 70, 77. Lennep, Jacob van, vereerder van Bilder-dijk, 366. Leo XIII, paus, 41. Leo, Henricus, predikant te Zaltbommel, geciteerde te Dordrecht, 228. Lesdorp, Nicolaus van, schoolrector te Groningen, 50, 67, 87. Leycesler, Robert Dudley, graaf van, 139, 140, 142, 143, 150, 207. Ley dekker, Melchior, hoogleeraar te Utrecht, 317. Lidwina of Liedewjde, van Schiedam, heilige, 41. Liefde, J. de, hoofd eener Afgescheidene secte te Amsterdam, 393. |
Liesveldt, Jacob van, boekdrukker te Antwerpen, 62. Lignon, Pierre du, aanhanger van de Labadie, \'297. Limborch, Philippics van, Remonstr. hoogleeraar, 203. Lindanus, Willem, (W. Damasz van der Lindt), inquisiteur, 86, 94, 95. Linden, van der, het geslacht, 127. Linden, J. van der, predikant te Kantens, 369. Lindenius, Paidus Jansz, Remonstr. gevangene op Loevestein, 240. Lingen, F. P. L. C. van, predikant te Zetten, 400. Locke, John, 308. Lodenslein, Jodocus van, 291—295,297, 311. Lader, Hendrik, Windesheimer reformator, 31. (.odewijk, (Louis Napoleon), koning van Holland, 340, 343, 344. Locne, Hendrik, oefenaar in Zeeland, 349. Loenen, dr. J. van, predikant te Harde-garijp, 412. Loejf, dr. A. Rutgers van der, predikant te Noordbroek, enz., 388, 391. Lohman, mr. A. F. de Savornin, 426, 429. Lokman, mr. W. II. de Savornin, 423. Loman, Willem, predikant te Haringhuizen, 182. Loo, Jacob van, (Jacques de Lo), prediker en martelaar te Rijssel, 96. Loon, Jhr. mr. J. W. van, 406. Loot, Kleasar, predikant in den Haag, 259. Lorgion, E. J. Diest, hoogleeraar te Groningen, 386, 410. Lotharius, Keizer, 13. Lotze, Anthony, hoogleeraar te Kraneker, 353, 354. Love, Engelsch puritein, 294. Loyseleur de Villiers, Pierre, hofprediker van Willem van Oranje, 128, 160, 161. Lubbertus, Sibrandus, professor te Kraneker, 127, 131, 142, 163, 164, 166, 167, 175, 183, 191, 205, 216—219, 260, 261. Luther, dr. Maarten, geschriften van, 53, 59, 60—64, 66, 69—71, 74, 80. Lydius, Balthasar, predikant te Dordrecht, 204, 218. Lydius, Martinus, professor te Franeker, 127, 131, 142, 148. Lynden van Sandenburg, mr. C. Th. baron van, 384, 416. |
|
MaccoviUs, Johannes, hoo^lceraar te Fra-neker, 205, 218, 210, 260, 261. Maerlant, Jacob, de rijmbijbel van, 39. Mahusius, Johannes, eerste bisschop van Deventer, 95. Manasse, aanhanger van Tanchelijn, 9. Mande, Hendrik, Windesheimer auteur, 21, 23, 32. March, Johannes a, hoogleeraar te Frane-ker, en?,., 286. March, Frederih Adolf van der, jur. hoogleeraar te Groningen, 328, 329. March, Lumen graaf van der, stadhouder van Holland, 116. Ma resins, (des Marets), Samuel, hoogleeraar te Groningen, 245, 261—264, 2C8, 277— 281, 283, 320. Margaretha Petrus dr., moeder van Erasmus 52. Maria Tudor, koningin van Engeland, 91,92. Marmier, Ste.phan, prediker bij de gemeenten onder \'t kruis, 97, 103. Marnix van St.. Aldecjonde, Philips, 93, 103 —107, 113, 115, 120, 121, 122, 163,166. Mnronier, J. II., Remonstr. predikant te Rotterdam, 403. Marot, Clement, psalmen van, 99. Marlens, Clement, predikant te Hoorn, 155, 156. Martinius, Mathias, hoogleeraar te Bremen, 217, 218, 220. Masnian, II. Vden, predikant te Meppel, enz., 389. Mathenesse, heer van, curator van de Leid-sche hoogeschool, 230. Matthaeus, (ook Mieuwes), ketter te Gouda, 16. Matthaeus, Ahtonius, predikant ts Groningen, 279, 280. Matthaeus, Johannes, rector van het fraterhuis te Deventer, 34. Malthisius, Assuertis, predikant te Kampen, geciteerde te Dordrecht, 199, 229, Matthijs, Jan, de Anabaptist te Haarlem en Munster, 76. Mazereeuw, Jan, hoofd eener secte te Opperdoes, 372, 373. Meer, Jacob Jacobs van der, uitgever van den eersten bijbeldruk, 40. Meerburg, G. F. Gezette, Afgescheiden leeraar, 379. |
Meerman, Willem, burger van Leiden, 40. Mellel, Victor, predikant te Aigle, 381, 389. Mensinga, J. A. M., predikant te Sijbe-karspel, enz., 363. Menuret, Franfois, aanhanger van de La-badie, 297. Merens, dr. F. W., predikant te Utrecht, 423. Mersennm, Jezuiet, 267. Merswin, Ruleman, mystiek auteur, 24. Merula, Anr/elus, pastoor te Heenvliet, 85, 86, 100. Merula, Paulus, aanhanger van Erasmus, 53, 86. Meteren, Emanuel van, de historieschrijver, 93. Mets, lid van de secte der Zwijndrechters, 373. Meurs, Godfried Toorn van, rector van het fraterhuis te Deventer, 34, 35. Menrsius, Johannes, professor te Leiden, 152. Mejboom, dr. H. U., predikant te Assen, hoogleeraar te Groningen, 420. Meijboom. dr. L. S. P., predikant te Amsterdam, 397, 407. Meijer, Lodevnjh, aanhanger van Spinoza, 273. Meijer Brouwer, L., zie Brouwer. Meynerts, Cornelis, zie C. M. Spruyt. Michaëlius, Jonas, eerste predikant op Manhattan, 257. Micron, Marten, leeraar te Londen, 91, 92, 138. Moded, Herman (H. Strycker), 96, 97, 99, 102, 103, 104, 112, 123, 150. Molenaar, Dirh, predikant in den Haag, 367. Mollerus, minister van Eeredienst, 343,344. Momma, Willem, predikant en hoogleeraar te Middelburg, 280, 282. Mommers, Johannes Maurits, predikant te Hemmen, 310, 311. Montanus, aangenomen naam van Dathe-nus, 124. Montanus, hagepreeker, zie Jan Mnnt. Monte, Aegidius del, bisschop van Deventer, 95. Moorrees, B., predikant te Wijk, 384, 387, 388. Mosselmam, li. C. J., Remonstr. predikant te Groningen, 419. Midler, Stoffel, hoofd der Zwijndrechters, 373, 374. |
446
447
|
Overhfuig, Pieter, zie P. de Ziitteie. Ovennan, L., secretaris van de synode der N. Herv. kerk, 417, 428. Pacis, Adriaan, Spaansch gezant, Uliijns-burger, \'24^. Paine, Thomas, voorstander van de godsdienst der rede, 347, Pallandl van A\'e/jpei, baron van, directeur-generaal van Hervormde Keredienst, iiO\'i, 307, 377. Palm, J. II. van der, hoogleeraar te Leiden, 334, 341, 352. Pannelius, Michael, predikant t( Middelburg, \'134. Pareau, Louis Gerlach, hoogleeraar te Cïro-ningen, 377, 385—387, 422. Parker, Thomas, student te Franeker, 219. Parma, Alexander Farnese, hertog van, 124, 127, 128, 139, 1G0. Parma, Margaretha van, de landvoogdes, 93, 95, \'103, 104, 105. Paulas IV, paus, 93. Paulus, priester te Medenblik, 40. Paulas, Pieter, president der vergadering van volksrepresentanten, 340. Pelantinus, Paulus, geneesheer te Aduard, liumanist, 50. Pell, Joannes, Franciskaan, later Luth. predikant te Bremen, 65, 89. Perm, William, dr Kwaker, 299. Penninga, Everardus, predikant te Garijp, 315. Perkins, William, hoogleeraar te Cambridge, 291. Perrenot, Antonius, zie kardinaal Granville. Peters, Gerlach, Windesheimer auteur, 23, 32. Peter*, Niclaas, de Minoriet, 61, 62. Petri, Cunerus, bisschop van Leeuwarden, 95, 123. Petrus, grootvader van Erasmus, 52. Petrus, broeder van Erasmus, 52. Pfaltz, Johan Casimir, graaf van de, 123. Philips, Dirk, teeraar der Doopsgezinden, 77, 78. Philips, Oh he, leeraar der Doopsgezinden, 77, 78. Pierson, A Hard, 400, 414, 415. Pieters, Doen, boekdrukker te Antwerpen, 62. |
Piscator, Johannes, hoogleeraar te Horborn, 251. Pistorius, Johannes, zie Jan de Bak kei\'. Pitts IV, paus, 93. Pius IX, paus, 395. Plancius, Petrus, predikant te Amsterdam, 160, 162, \'165, 170, 172, 182, 184, 187, 191, 195. Ploos van Amstel, burgerrep-esentant, 341. Poelgeest, Gerrit van, heer van Hoogmade, 153, 154. Poelman, A. L., predikant te Noordbroek, 403. Poiret, Pierre, aanhanger van A. Uourig-non, 306. Poli/ander sr., Johannes, predikant te banden, 114, 153, 154, 205. Pobjander jr., Johannes, theol. hoogleeraar te Leiden, 183, 184, 230. Poppius, Eduard, Remonstr. gevangene op Loevestein, 205, 210, 235, 240. Poppius, Menzo, priester te Oosterzee en prediker der Hervorming, 82, 96. Porrete, Margaretha, kettersche begijn, 1 i. Portugal, Alphonsus van, zie Alphonsus. Posthumus, Rime, predikant te Waaxens, 384. Pours, Jeremias de, Waalsch predikant te Middelburg, 204. Praedinius, Regnerus, rector van de Maartenschool te Groningen, 87, 88, 100. Praepositus, Jacohus, hervormer te Antwerpen, 63, 64, 88. Priestley, Joseph, physicus, Sociniaan, 333. Proustynck, Arend, prior te Buurloo, 155. Pruystink, Eloy, profeet eener secte te Antwerpen, 74. Pupper van Goch, Johannes, zie Goch. Quadratus, Petrus, geestelijke en hervormd prediker te Amsterdam, 82. Kaalte, A. G, van, Afgescheiden leeraar, 379, 393. Radewijns, mag. Florens, vriend van G. Groot, 29—36, 40. Raedt, Alla.rd de, professor te Harderwijk, Gichteliaan, 300. Rahmird, geen ketter, 11. Ramus, Petrus, (Pierre de la Hamée), 168. |
448
|
liauwenhof, L. W. E., hoogleeraar te Leiden, 403, 422. liavensperger, Hemumnus, hoogleeraar te Groningen, 184, 279. Beddingius, dr. G. Bentham, predikant te Assen, 370. Bees, Henricus van, abt van Adnard, vriend van Gansfoort, 50, 51. Beekamigt;, Johannes, abt van Aduard, 51,80. Begenhocjen, Johan Hendrik, hoogleeraar te Franekor, 352—354. Begins, Henricus, med. hoogleeraar te Utrecht, 260, 207. Beiners, Geertrui, Windesheimer non, 53. Beüsma, dr. A. T., predikant te Groningen, 405. Rembrandt, de schilder, zwager van Mac-covius, 219. Renan, Ernest, 404. Renerius, Henricus, hoogleeraar te Utrecht, 200. Rennenberg, George Lalain, graaf van, 123, 126. Repelaer van Driel, -Ihr. O., commissaris-generaal van Eeredienst, 358, 300—302. Requesens, Luis de, opvolger van Alva, 117, 120. Reuchlin, Johannes, de humanist, 47. Réville, A., Waalsch predikant te Rotterdam, enz., 404, 414, 415. Rhee, J. van. Afgescheiden leeraar, 379, 380. Rhenanus, Beatus, vriend van Erasmus, 53. Ithijn, L. J. van, Kemonstr. predikant te Kriedrichstadt, 240. Richardol, Franfois, bisschop van Atrecht, 105. Ridderus, Franciscus, predikant te Rotterdam, 281, 292, 293. Mes, Hans de, Doopsgezind leeraar, 147. Bippertus, Sixtus, predikant te Twisk, enz., 130, Rivetus Andreas, (Andró Rivet), hoogleeraar te Leiden, 230, 201, 270. Babertus, Robert le Bougie, inquisiteur. 11, 12. Bode, Hinne, (Johannes Rodius), school-rector te Utrecht, 04, 00, 07, 87, 88. Bodigenus, schoolrector te Deventer, 30. Rodiyenus, Johannes Arnoldi, predikant te Hoorn, 192, 227. Bodius, Johannes, rector te Sneek, 87. Boëll, Herman Alexander, hoogleeraar te |
Franeker, enz,, 272, 273, 280, 310, 321. Bogge, C., Remonstr. predikant te Leiden, 341. Boggeveen, mr. Jacob, aanhanger van P. van Hattem, 302, 310. Boggius, Johannes, predikant te Hoorn, 103. Bol, Hendrik, Anabaptist, 74. Bolandus, Jacobus, predikant te Amsterdam, 204. Boldanus, J. ./., predikant te Nijkerk, 314. Bomundt, (ook Ruremunde), Hans van, boekdrukker te Antwerpen, 02. Booijaards, Hermannus, hoogleeraar te Utrecht, 245. Rosaeus, Henricus, predikant in den Haag, 192, 239. Bothmann, Bernt, Anabaptist te Munster, 77. Rousseau, Jean Jacques, 331. Roy, J. J. Ie, predikant te Oudetonge, 307 388—390. Royenburgh, Johannes, prediker bij de Jacobsgemeente te Utrecht, 149—151. Ruardi, Feite, Hervormd prediker te Groningen, 90, 131. Rufus, Laurentius, zie L. Laurensen. Rutgers, dr. F. L., 424, 420, 429. Rütz, F. G. C., Luthersch predikant in den Haag, 330. Ruysbroeck, Jan van, de vader der Neder-landsche mystiek, 15, 19, 22—24, 28,30. Rijhove, Jan van, volksmenner te Gent, 124. Rijswijk, Herman van, sceptisch humanist, 17. Saganus, George, Hervormd prediker, 04,00. Sapma, Domini cms, predikant te Hoorn, geciteerde te Dordrecht, 227. Saravia, Adrianus, Waalsch predikant, later prof. te Leiden, 96,97,139,147,152. Sartorius, Johannes, Hervormd leeraar, 04, 05, 07, 87, 88, 100. Saurin, Jacques, Waalsch predikant in den Haag, 300. Saussaye, D. Chantepic. de la, 399, 401, 405, 405, 422. Savornin Lohman, de, zie Lohman. Scharjj, Jan, predikant te Rotterdam, 341. Schenck van Tautenburg, George, keizerlijk stadhouder in Friesland, 71, 75. Schimmelpenninck, Bulger Jan, graaf, 339, 343. |
449
|
Schleicrmachcr, F. D. E., 300, 402. Schoenevelcl, Eylard, inquisiteur, 31. Schol, IJsbrand, hervormd martelaar, 05. Scholte. Hendrik Peter, leider der Afscheiding, 377—382, 385, 392, 393. Scholten, Johannes Henricus, 397—402. Schoock, Martinus, hoogleeraar te Groningen, 263, 207, 208. Schoonhoven, Johannes van, monnik van Viridis Vallis, 23. Schoor, Theophylaclus van, aanhanger van J. Verschoor, 301. Schorcr, Nicclaus, predikant te Middelburg, 304. Schortinfihuis, Wilhelmus, predikant te Midwolda, 313—315. Schotanus, Barnardus, hoogieeraai te Fra-neker, 271. Schotanus, Mei/nardus, hoogleeraar te Utrecht, 204. Schntler, Johannes, predikant te Kampen, Remonstrant, 199, 219. Schotsman, Nicolaus, predikant te Leiden, 341, 365, 366. Schultens, Albertus, hoogleeraar te Fra-neker, Leiden, 321—323. Schultens, Hendrik Albert, hoogleeraar te Leiden, 324. Schultens, Jan Jacob, hoogleeraar te Leiden, 323—325. Schurman, Anna Maria van, Labadiste, 291, 298, Schut ken, Joho.n, Windesheimer auteur, 32. Scultetus, Abraham, hoogleeiaar te Heidel-berg, 217. Segers, E. C., predikant te Leiden, 425. Selb ach. Joh an van, drost van Drente, 70. Senden, G. H. van, predikant te Zwol, 363. Senserf, legaat van, te Rotterdam, 333. Simonides, Simon, predikant in den Haag, 282. Simons, Menno, hoofd der Doopsgezinden, 59, 67, 77, 78, 81, 161. Singendonck, J. A., een der zeven Haagsche heeren, 388. Sintius, Johannes, leeraar te Deventer, 43. Sixtus IV, paus, 48. Slutius, Henricus, predikant te Bleiswijk, Remonstrant, 200, 233. Slotemaker, dr. L. II., Remonstr. predikant te Arnhem, 419. Smit, Jelle, 59, zie Gelllus Faber de Bouma. |
Smitt, J. G., hoofd eener Afgescheidene gemeente te Amsterdam, 393. Smout, Adriaan Jorisz, 180, 186, 238, 239, 279. Smytegelt, Bernardus, predikant te Middelburg, 312. Snecanus, Daniel Johannis, rector te Sneek, 199, 232, 240, 241. Snecanus, Gellius, geestverwant van Bul-linger, 100, 101, 115, 135,155—157,162. Snellius, leeraar te Utrecht, leidsman van ,1, Arrninius, 109, Snyder, Stofte, de Anabaptist, zie S. Frericx, Soetemelk, Johannes Timans, zie J, Timans. Sonnius, Franciscus, de inquisiteur, Ü3,106, Sopingius, Godefridus, predikant te Utrecht, 123, 148, 100. Spangenberg, Cyriacus, verblijf te Am- werpen, 102. Spanheim, Frederik, hoogleeraar te Leiden, 209, 270. Speenhoven, Johannes, predikant te Utrecht, 185. Spengenberg, Tileman, Franciskaan te Groningen, 50, 50. Spieghel, Hendrik Laurens, geestverwant van Coornhert, 147. Spinoza, Benedictus, 273, 274, 302, 307, 316, 317. Sprenger, Jacobus, zie .L Praepositus, Spruyt, Cornells Meynerts, predikant te Hoorn, 155, 156, Stesser, Petrus, boekdrukker, 65, Stevens, Johannes, monnik van Viridis Vallis, 23, Stinstra, Johannes, Doopsgezind leeraar te Harlingen, 314, 321, 322, 326, 327, 328, Stipriaan Luiscius, mr. A. M., adviseur der synode, 429. Stalker, Adriaan, Remonstr. predikant tc Rotterdam, 233, Stoupa, gouverneur van destad Utrecht, 294, Stralen, H. van, secretaris van Binnenl, Zaken, 360. Stransz, David Friedrich, 396, 397. Strooband, Philippus, predikant te Hoek, Verschorist, 301. Strycker, Herman, zie IL Moded. Suzo, Henricus, de mystieker, 24, Sivaiue, dr, Otlo, secretaris van Leeuwarden, 127, 130. Sivammerdam, Johannes, aanhanger van A, Bourignon, 306. |
450
Swerinchuysen, vroegere naam van Casp.
Grevinchoven, quot;186.
Sybrants, Taco, \'prediker bij de Jacobs-gemeente te Utrecht, enz., ITiO 152,155. Si/Ivanun, George, (.Joris Wibo), leeraur te
Antwerpen, Londen, 00, 07, 103.
Sylvius, Cornelius, jur. hoogleeraar te
Leiden, 230.
Sylvius, Stephanus, pastoor te Leeuwarden en prediker der Hervorming, 82, 85, 80, 100.
Taats, B. J. II., predikant te Harderwijk, enz., 380.
Taffm, Jean, 00, 07, 102, 114, 154, 157,
160, 168, 170.
Tanchelijn, lioofd eener kettersclie secte, 0—11.
Tapper, Runrd, lt;le inquisiteur, 83, 87, 03. Taulcr, Johannes, de mystieker, 23, 24. Taurinus, Johannes, predikant te Utrecht,
Remonstrant, 185, 100, 106, 108.
Taylor, Thomas, docent te Cambridge, 201. Teellinck, Cornelia, dochter van Ewoud
Teellinck, 200.
Teellinck, Ewoud, ontvanger-generaal van
Zeeland, pietist, 265, 200.
Teellinck, Johannes, predikant te Utrecht,
pietist, 200, 201.
Teellinck, Maximiliaan, predikant te Middelburg, 200.
Teellinck, Willem, predikant te Middelburg, 276, 200, 201.
Teellinck, het geslacht, 202, 203, 311. Telle, Reinier, schrijver van Remonstr.
pamfletten, 164.
Teyler van der Hulst, stichting van,
Haarlem, 333, 351.
Thielt, Thomas van, (T. van Til), prediker bij de gemeenten onder \'t kruis, enz., 06, 147.
Thomas, Jan, Doopsgezind leeraar te
Knijpe, 322.
Thorbecke, mr. J. R., 380, 305.
Thorhecke, mr. W., adviseur der synode, 420.
Thoren, Lamhertus, Hervormd martelaar, 63.
Thuynen, dr. Theodorns van, predikant
te Dokkum, 313, 321, 326.
Thysius, Antonius, theol. professor te Harderwijk, enz., 02, 123, 144,205,230,245.
Tideman, Joannes, Remonstr. hoogleeraar, 300,
Til, Salomo van, hoogleeraar te Leiden, 300. Timans, Johannes, (J. ï. Soetemelk),
Luthersch prediker te Bremen, 88, 80. Tindal, William, Engelsch vertaler van
het N. T., 62.
Tinga, Eelco, hoogleeraar te Franeker,
Groningen, 352, 353, 385.
Tinholt, Lamhertus, predikant te Koudum, 427, 428.
Titelman, Petrus, de inquisiteur, 03. Toorenenhergen, J. J. van, hoogleeraar te
Amsterdam, 401, 402, 425.
Toorn van Meurs, Godfried, zie van Mours. Torrentinus, Hermannus, leeraar te Zwolle, 50.
Trabius, IJsbrand, zie IJ. Balck.
Trelcatius sr., Lucas, theol. hoogleeraar
te Leiden, 170, 270.
Trelcatius jr., Lucas, hoogleeraar te Leiden, 270.
Trigland, Jacobus, 112, 148, 158,100,101,
203, 218, 230, 240.
Trommius, Abraham, predikant te Haren, enz., 252.
Trypmaker, Jan Volkerts:, Wederdooper
te Amsterdam, 74, 75.
Tuinman, Carolus, predikant te Middelburg, 316.
ü.
Ueberfeld, Johann, opvolger van J. G.
Gichtel, 300.
ütenhove. Jan van, medewerker van a Lasco en Micron, 01, 02, 00, 100.
V.
Val, Simon du, inquisiteur, 13.
Valk, Dirk, schout te Waddingsveen,
Zwijndrechter, 373, 374\'.
Veen, (ook de Veno), Ludolf van, vriend
van Gansfoort, 48, 50.
Veen, R. Bolleman van der, predikant te
Eernewoude, 400.
Velde, Abraham van de, predikant te
Middelburg, 282, 201.
Velthuysen, Lambertus, medicus te Utrecht, 270.
Veluanus, Anastasius, ziq .1. G. Verstege. Velzen, Cornells van, hoogleeraar te Groningen, 313.
451
|
Velzen sr., S. van, Afgescheiden leeraar, 370, 382. Venator, (de Jager), Adolf, predikant te Alkmaar, 181, ISiJ, 180. Venema, Hermannus, hoogleeraar te Fra-neker, 308, 319—322, 324, 325,328, 329, 351. Verhoeff, dr. J. C., predikant te Utrecht, 406. Verschuil\', Joiian, predikant te Zeerijp, 312. Verschoor, Jacobus, leider der Hebreen of Verschoristen, 296, 300, 301. Verstege, Jan Oer rits, (Anast. Veluanus), schrijver van der Leecken Wechwyser, 85, 86, 100. Verwey, Bernard, emer. predikant van den Haag, 367. Vezekius, Bemerus, eerste predikant te Deventer, 130. Vezekius, Bemerus, predikant te Echteld, geciteerde te Dordrecht, 229, 240. Virneburg, Hendrik van, bisschop van Utrecht, 14. Vitringa sr., Campegius, hoogleeraar te Franeker, 272, 273, 284, 286, 310, 319, 351. Vitringa jr., Campegius, hoogleeraar te Franeker, 319, 351. Vlak, Johannes, predikant te Zutfen, 273, 285. Vloten, J. van, feestredenaar over Spinoza, 274. Foes, Hendrik, eerste Hervormde martelaar, 63. Voetius, Daniel, hoogleeraar te Utrecht, 264. Voetius, Gisbertus, 202,218,261,263—268, 270, 272, 277. 279—281, 283, 291, 292, 297, 299, 311. Voetius, Paulus, hoogleeraar te Utrecht. 264, 267. Voget, Albert, hoogleeraar te Groningen, enz., 286. Voidow, (Woidowski), Andreas, gebannen Sociniaan, 159. Volder, Willem de, zie W. Gnapheus. Volkertsz, Jan, de Anabaptist, zie .1. V. Trypmaker. Voltaire, Fr. Marie Arouet, 331, 332. Voegt, H. I,. de, predikant te Amsterdam, 396. Voorst, Johannes van, hoogleeraar te Leiden, 352. |
Vorstins, Conradus, hoogleeraar te Stein-furt. Leiden, enz., 153, 183, 184, 191, 220, 236, 237. Vorstius, Willem Conradi, Remonstr. predikant te Leiden, 241. Vos, dr. G, ,/., predikant te Amsterdam, 423, 426. Vos van Heusden, Johannes, prior van Windesheim, 30. Voskuyl, Everardus, predikant te Kampen, Remonstrant, 199, 219. Vossius, Gerardus Joannis, regent van \'t Statencoll. te Leiden, enz., 193, 229, 230, 239. Vrede, Willem, schoolrector te Deventer, 35. Vrij, Frans de, burgemeester van Amsterdam, 203. Vijgeboom, Johannes Willem, oefening houder, 366, 367, 374, 375. Waalkes, Pieter van Borssum, predikant te Usbrechtum, 389. Waeijen, Johannes, hoogleeraar te Franeker, 273, 276,279,280,282,284,285,299. Wagenaar, Jan, de geschiedschrijver, Rhijnsburger, 243. Walaeus, Antonius, hoogleeraar te Middelburg, enz., 205,230,245,251,261,276. Walesius, Johannes, predikant te Hoorn, Remonstrant, 192, 227. Walter de Hollander, hoofd eener ketter-sche secte, 15. Water, Jona Willem te, hoogleeraar te Leiden, 344, 351. Welsing, haak, predikant te Hoorn, lie-monstrant, 227. Wendelmoet Claes dr., martelares te \'s Hage, 74. Wesel, Johannes van, voorlooper der Hervorming, 48. Westberg, Petrus, Remonstr. predikant te Rotterdam, 240. Wevelinckhovm, Floris van, bisschop van Utrecht, 16, 21. Wibo, Joris, zie Sylvanus. Wiclef, John, aanhangers van, 17. Wied, Hermann von, aartsbisschop van Keulen, 89. Wiggerts, Cornelis, predikant te Hoorn, 150, 155, 156, 157. Wille, Ambrosius, prediker hij de gemeenten onder \'t kruis, 96, 97, 103. Willem, aartsbisschop van Rheims, 12. |
452
|
Willem I, koning der Nederlanden, 345, 358—363, 367, 377, 380, 383, 306. Willem II, koning der Nederlanden, 392. Willem III, koning der Nederlanden, 395. Wilsem, Hendrik, medestichter van Win-desheim, 32. Willigen, P. van der, predikant te Tiel, 364. Winqen, Godfried van. Calvinistisch prediker, 96, 97, 90. Winkel, Jan te, hoogleeraar Nederl. te \' Amsterdam, 366. Winwood, Raoul, Engelsche gezant, lOO, 107. Withaker, William, hoogleeraar te Cambridge, 29-1. Witt, Jnhann de, 258, 28\'!, 282. Witteveen, II. W., hoofd der Zendingsge-meente te Ermeloo, 303. Wittichius, Christophorus, hoogleeraar te Leiden, 260, 270, 308, 32-1. Witzius, Hermannm, hoogleeraar te Fra-neker, enz., 271, 272, 286, 200, 309, 312, 322. Wolff, Christian, Duitsch pliilosoof,307,308. Wolff—Dekker, Elisabeth, de schrijfster, 332. Wolzog en, Ludovicus, hoopleeraar te Utrecht, 270. Wouter, »de l.uthersche monnikquot;, 59, 04, 74. |
Wouters, Cornelia, Hervormde te Dordrecht, 63. Wouters, Frans, prediker te Bremen, 89. Wouw, de erven van, uitgevers te Leide», 251. Wubbena, Johannes, hoogleeraar te Fra-neker, 271, 272. Wttenhogaert, Johannes, 135, 141, 143, 150, 151, 154, 157, 158, 163, 165, 167— 171, 175, 177, 180, 182—184, 187—195, 197—109, 203, 208, 214, 220, 234—240. Ypeij, Anneus, hoogleeraar te Groningen, 385. Yvon, Pierre, opvolger van J. de Lahadie, 207—209. Zaalberg, J. C., predikant in den Haag, 403, 417. Zul fen. Hendrik van, hervormer te Bremen, 88. Ziittere, (Overhaag, Hyperphragmus),Pieter de, prediker te Gent, etc., 100—102,150, 153, 154. Zuylen van Nijevelt, Willem van, medewerker aan de kerkorde van 1501, 141. Zuylen van Nijevelt, Willem van, dichter der Sonterliederen, 87, 99. Züiingli, Ulrich, de Ilervormor, 89,100,158. |
Herman van Naarden op pag. 17 regel 4 v. b. moet zijn Nicolaas van Naarden. De jaartallen 1574 en 1577 op pag. 28 onderste regel moeten zijn 1374 en 1377. Het jaartal 1583 op pag. 30 regel 2 v. o. moet zijn 1383.
Bonnet Maury op pag. 38 regel 4 v. o. en 43 regel 13 v. b. moet zijn linnet Maury. Adas op pag. 38 regel 2 en 3 v. o. en pag. 39 bovenste regel moet zijn aetas. Ootmarsmn op pag. 38 regel 7 v. b. moet zijn Almelo.
Btnvaarde hem voor het kloosterleven op pag. 47 regel 19 v. o. moet zijn hield hem terug van het kloosterleven.
George Sylvanus op pag. 64 regel 18 v. o. moet zijn George Saganus.
Eloy Ruystink op pag. 74 regel 5 en 24 v. b. moet zijn Eloy Prwjstink. F. Piper op pag. 79 regel 6 v. o. moet zijn F. Pijper.
Vermeldt 15 op pag. 84 regel 20 v. o. moet zijn vermeldt 14.
Besteeg op pag. 85 regel 15 v. o. moet zijn zou bestijgen.
Het jaartal 1878 op pag. 130 regel 6 v. b. moet zijn 1578.
4 April 1578 ib. regel 9 v. o. moet zijn 7 April.
Belijd op pag. 142 regel 3 v. o. moet zijn beleid.
Stolkwijk op pag. 190 regel 7 v. o. moet zijn Stolwijk.
Daniel Johannes op pag. 190 regel 20 v. o. moet zijn Daniel Johannis. J. H. Regenboog op pag. 203 regel 16 v. o. moet zijn Jae. Regenboog, mr. W. Thorbecke op pag. 380 regel 21 v. o. moet zijn mr. J. B. Thorbecke. de Lemmer op pag. 386 regel 10 v. o. moet zijn Bolsward.
Veroordeeld tot op pag. 430 regel 23 v. o. moet zijn veroordeeld, mttar tot,. Van de opmerkingen omtrent enkele feiten, personen en werken, die door mij over hot hoofd gezien\'waren maar vermeld moesten worden, hoop ik dankbaar gebruik te maken.
r ■• ?
BIBLIOTHEEK NED. HfcRV. KERK
ji «r ■ ■■ •.
BIBLIOTHEEK
NtD. HERV. KER