Een woord tot de gemeenten en hare kerkeraden
IN DK
DOOR
Hoogleeraar te Utrecht.
UTRECHT
(over de Domkerk) 1887.
HET HOUTEN EN HET IJZEREN JUK.
Houten jukken hebt gij verbroken, nu zult gij in plaats van die ijzeren jukken maken.
Jeremia.
In de laatste weken heeft men telkens in „de Standaard\'1\'\'
kunnen lezen: „Ook de gemeente.......heeft het juk
der Synodale hiërarchie afgeworpen.quot; Reeds van een dertigtal gemeenten der Nederlandsche Hervormde Kerk heeft de Redacteur dat kunnen berichten. Dat hij er in juicht, begrijpt ieder die hem kent. Men moet dan ook zeggen, er is reden om te juichen. Wie een vrijheidlievend hart heeft, moet zich wel verblijden, als hier of daar een ondragelijk juk wordt afgeworpen. En vooral, wanneer dat juk het juk is een er hiërarchie. Geen protestantsch hart kan dat met drooge oogen lezen. Wat hebben onze vaderen niet van de Roomsche hiërarchie moeten lijden! Hoeveel bloed heeft het niet gekost, voordat wij ons aan de ijzeren vuist, waarmede zij ons omkneld hield, hadden ontwrongen! Waarlijk, er is reden te over om eene gemeente geluk te wenschen, die den moed heeft gevonden, het juk der hiërarchie af te werpen. Wat moet zulk eene gemeente zich gelukkig gevoelen! Met geen priesters, bisschoppen, aartsbisschoppen, pausen, of hoe men
1*
4
die hiërarchen noemen moge, heeft zij iets meer te maken. Geen geestelijkheid meer, die zich als van God gezalfd tegenover de leeken plaatst! Geen onfeilbare kerkelijke Overheid meer, die in naam van God spreekt! Geen overheersching meer van het geloof! Yrije evangelieprediking! Vrijheid om God
naar haar geweten, overeenkomstig zijn Woord, te dienen!.....
Gelukkige gemeente!
„Maar hoe heb ik het nu met u? — hoor ik mij vragen. Gij weet toch wel, er is hier geen sprake van gemeenten, die zich aan de heerschappij der Roomsche hiërarchie ontworsteld hebben, maar van gemeenten, protestantsche gemeenten, gemeenten der Nederlandsche Hervormde Kerk, die het juk der synodale hiërarchie van zich hebben geworpen.quot;
quot;Werkelijk? Maar waarom brengt men mij dan, door te spreken van eene hiërarchie, op het dwaalspoor? Ieder denkt, als hij van hiërarchie hoort, terstond aan de kerkorde van Eome, of althans aan iets, dat op die kerkorde gelijkt. Maar wat is er nu in de kerkorde, of de „Reglementen,quot; waaronder onze Ned. Herv. Kerk leeft, dat aan zulk eene Roomsche of crypto-roomsche kerkorde doet denken?
Het zal eene synodale hiërarchie zijn, waaronder wij zuchten! Nu, ik geef toe, er kan ook eene hiërarchie zijn, waarin de synoden eene groote rol spelen. Dit leert ons de geschiedenis der Roomsche Kerk op menige bladzijde. Maar omdat de kerkinrichting synodaal is, daarom is zij toch zeker nog niet hiërarchisch.
En hoe staat het nu met de Ned. Herv. Kerk? Draagt hare synodale inrichting een hiërarchisch karakter? Maar waar vinden wij dan het onderscheid tusschen geestelijken en leeken? De Reglementen zijn er zóó afkeerig van, dat zij niet alleen in kerkeraden, maar ook in classicale, provinciale en synodale Besturen ouderlingen zitting laten nemen; wat meer zegt, aan alle stembevoegde lidmaten der gemeente recht geven om, desverkiezende, de kerkeraadsleden te benoemen.
Waar vinden wij bepalingen, die aan de eene gemeente een
5
voorrang verleenen boven de andere, en aan het ambt van den éénen predikant meer beteekenis geven dan aan het ambt van den anderen? De Reglementen weten er niets van. De kleinste gemeente kan even goed als de grootste, leden van haren kerke-raad in het hoogste Kerkbestuur zitting zien nemen. En er is geene enkele godsdienstige handeling, die niet door eiken predikant kan worden verricht.
Waar vinden wij aan de kerkeraden eene hun vreemde heerschappij opgedrongen? Nergens. Het zijn juist de kerkeraden (of liever, na de uitvoering van art. 23 van het Algemeen Reglement, de stembevoegde leden der gemeente), die den grondslag vormen der synodale organisatie. De kerkeraden vaardigen de leden der classicale vergaderingen af; dezen kiezen de leden der classicale en provinciale Besturen; en uit de laatsten wordt de Synode benoemd.
Waar blijft dan toch de hiërarchie? \'t Is waar, tot gehoorzaamheid aan de besluiten der Besturen is men verplicht. Maar is er ooit ééne kerkorde geweest, waarin dit niet het geval was?
Verscheidene bepalingen zijn er, die rechtstreeks ingrijpen in de belangen der individueele gemeenten. Maar dat ingrijpen geschiedt door of van wege Besturen, op wier samenstelling de gemeenten zeiven invloed hebben gehad. Nooit heeft dan ook onze Kerk daartegen bezwaar gehad. Men neme eens de „Synodale bepalingen der Christelijke Gereformeerde Kerkquot; ter hand!). Gelijk bekend is, ligt daaraan de kerkorde van Dordrecht a° 1618—19 ten grondslag. Welnu, hoevele bepalingen komen daarin voor, waarbij „meerdere vergaderingenquot; dan die des kerkeraads gerechtigd worden zich te bemoeien met de zaken der gemeenten, die tot haar ressort behooren! Men leze o. a. eens het „Reglement op de Kerkvisitatiequot;. Een kwaadwillige zou hier al licht van eene hiërarchische inquisitie gaan spreken.
1) Ik gebruik den door den Heer H. de Cock bewerkten tweeden druk van 1886,
6
Maar — zal men zeggen — nergens zult gij toch van Besturen gewag hooren maken; en allerminst van eene Synode „waarbij de hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende macht berustquot;1). Zoo is het. Maar maakt dit zooveel verschil? quot;Wat de rechtsmacht der Synode betreft, wordt deze niet beperkt door de bijvoeging „onder de verschillende waarborgen in dit Algemeen Eeglement en in bijzondere Reglementen vastgesteldquot;? Of zal men soms beweren, dat het toekennen van de „hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende machtquot; aan eene Synode het „koningschap van Jezusquot; te na komt? Maar kan men dat ernstig meenen? Kan dan een kind niet begrijpen, dat dat „hoogstequot; alleen gezegd is met het oog op de lagere kerkbesturen ? Moet het in het Reglement eener Christelijke Kerk geschreven staan, dat een Bestuur het hoogste gezag aan Jezus en zijn Woord toekent ? Dat spreekt immers van zelf. Men houde toch op, met groote woorden te schermen, die slechts op eene onkundige menigte indruk kunnen maken.
En wat nu den naam Besturen betreft, waarom zou dit aan hiërarchie doen denken? Men zegt: „De Gereformeerde Kerk kent alleen kerkelijke samenkomsten. Kerkelijke Besturen zijn haar onbekend. Het besturen van de gemeente is uitsluitend aan den kerkeraad opgedragen. Er zijn daarom dan ook geene hoogere of lagere vergaderingen, maar wel mindere en meerdere, d. i. er zijn vergaderingen waarin de opzieners van slechts ééne gemeente samenkomen, n.1. de kerkeraad, en er zijn vergaderingen waarin de opzieners van meerdere gemeenten samenkomenquot; (de Classicale vergaderingen, de particuliere Synode en de generale of nationale Synode)2). Maar is nu hiermede alles gezegd? Staat eene hoogere vergadering tegen-
Art. 61 van het Alg. Reglement der Ned. llerv. KerTc.
Aanieekeningen van den Heer H. de Cock op art. 30 vau de Kerkorde der Chr. Oeref. Kerk.
7
over eene meerdere vergadering noodzakelijk als eene hiërarchische tegenover eene niet-hiërarchische? Denken wij bij eene vergadering, die den naam heeft van Bestuur, terstond aan hiërarchie, en niet hij eene vergadering die wel bestuurt, maar den naam van Bestuur vermijdt?1) Over woorden te strijden, schijnt nog maar al te velen een voortreffelijk werk toe.
Hiermede is natuurlijk niet gezegd, dat onze kerkinrichting aan het ideaal, dat eene Gereformeerde Kerk zich voorstelt, getoetst, niets te wenschen overlaat. Maar het is geheel iets anders, dat te erkennen, en haar eene hiërarchie te noemen.
Men kome er rond voor uit. De grief, dien men tegen onze kerkinrichting heeft, is niet zoozeer dat zij nog zooveel heeft van eene hiërarchie, als wel dat zij de leeraars en leden niet meer bindt aan „de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, vervat in de 37 artikelen, den Heidelbergschen Catechismus, en de Leerregels vastgesteld in de Synode van Dordrecht van 1618 en 1619.quot; Ieder die de kaart van ons land kent, ieder die bekend is met hetgeen er in orthodoxe gemeenten, vooral in die, welke thans tot de „doleerendenquot; behooren, omgaat, weet dat men tienmaal meer hiërarchie, inquisitie, clericalisme verdragen zou (gelijk men die ook vroeger, onder de heerschappij der Dordsche kerkorde, heeft verdragen) wanneer maar als in vorige dagen de leertucht werd uitgeoefend. Terwijl er vroeger hiërarchische kemelen werden doorgezwolgen, is nu een hiërarchisch
Leerrijk is, wat in art. 3 van het Meglement op de inrichting en het bestuur der Ckr. Oeref. kerk in Nederland te lezen staat (t. a. p. bl. 98.) „Ingevolge de kerkorde, vermeld in art. 1, wordt het bestuur over de bijzondere gemeenten geoefend door de kerkeraden, met betrekking tot eenige gemeenten gezamenlijk, in een gedeelte van eene Provincie, door de Classicale Vergaderingen, voor zooveel al de gemeenten in eene Provincie betreft, door de Provinciale Vergaderingen; en wat aangaat de geheele Christelijke Gereformeerde Kerk, door de Algemeene Synode.quot; Al wordt hier het woord bestuur niet bij het spreken over de Classicale en Provinciale Vergaderingen, en de Algemeene Synode herhaald , het moet er toch telkens bij gedacht worden. Anders hebben de woorden geen zin. Ook de meerdere vergaderingen zijn dus hier besturende vergaderingen. Ik kom hierop later terug.
8
mugje in staat de harten te verbitteren, omdat de leer, in de genoemde Belijdenisschriften vervat, niet wordt gehandhaafd.
Als dit zoo is, laat men het dan zeggen, en niet meer spreken van een afwerpen van het juk der synodale hiërarchie, als men eenvoudig bedoelt het juk der synodale kerkinrichting, gelijk die uit de Eeglementen wordt gekend. Ik begrijp wel, wat men er mede op het oog heeft. Men wil den indruk vermijden, alsof men met het afwerpen van het genoemde juk de Nederlandsche Hervormde Kerk verlaat. Over het algemeen is men nog te zeer aan die Kerk gehecht, om haar prijs te geven. En als de burgerlijke rechter te beslissen heeft in de vraag; aan wie de kerken en fondsen der gemeenten behooren, is het van belang, dat men nog als lidmaat der gemeente bekend staat. Maar men bedriegt zich. Er is geene andere Nederlandsche Hervormde Kerk, dan die, welke uit hare Reglementen gekend wordt. Nu alle kerkeraden onder de synodale organisatie zijn samengesteld en werkzaam zijn; nu bijkans alle gemeenteleden het lidmaatschap der Kerk hebben verworven krachtens bepalingen, door de onder de synodale organisatie levende Kerk vastgesteld, nu gaat het niet meer aan, kerkeraden en leden der Kerk te blijven noemen, die zich aan de synodale organisatie hebben onttrokken. Van daar dan ook het merkwaardig verschijnsel (waarop ik straks nog hoop terug te komen), dat mannen van de meest verschillende richting, zelfs de meest orthodoxen, de handen ineenslaan om in de organisatie de Kerk te redden. Men gevoelt instinktmatig, dat met het losgaan van het tegenwoordig synodaal kerkverband ook de ïTed. Herv. Kerk te gronde gaat.
Maar hoe het ook zij, of men van eene synodale hiërarchie, of van eene synodale kerkinrichting spreke, in elk geval is het een juk, dat wordt afgeworpen. Dit zal toch niemand ontkennen !
Neen, zeker niet. De synodale kerkinrichting is werkelijk een juk. Ik kan mij niet voorstellen, dat iemand er anders over denkt. Ieder die lid is van eene vergadering, van eene
9
vereeniging, van eene kerk, loopt als zoodanig gevaar, onder een juk te komen, dat hij min of meer voelt knellen. Er moeten reglementen, wetten zijn, die de orde waarborgen , aan ieder zijne eigene plaats, zijn eigen gebied geven, en alzoo eene vruchtbare samenwerking mogeljjk maken. Drukken nu die wetten en reglementen geheel onze wenschen uit, dan zullen wij over geen juk klagen. Komt er echter iets in voor, waarmede wij ons niet kunnen vereenigen, waardoor wij ons in onze vrije beweging belemmerd zien, dan voelen wij het juk knellen. Dit is altijd zoo geweest, en zal altijd zoo blijven. Wie zicb aan anderen aansluit, om in vereeniging met hen eenig doel te bereiken, moet weten wat hem te wachten staat: het juk is in het verschiet.
Maar het ééne juk is niet het andere. Er is een juk, dat gemakkelijk gedragen wordt, en waarvan men het knellende weinig of niet gevoelt. En er is een juk, dat zoo ondragelijk is, dat men de uiterste krachten inspant om er van verlost te worden. Er is, om met Jeremia te spreken, een houten juk, en er is een ijzeren juk \').
Zie, dat de synodale organisatie een juk is, en dat het dragen van dat juk wel eens. lastig kan wezen, wie zal het ontkennen? Best kan ik begrijpen, dat er oogenblikken zijn, waarin gemeenten, predikanten, ouderlingen, diakenen er over meenen te moeten klagen. Men zou zoo gaarne dit of dat anders willen hebben; dit goede zou men willen tot stand brengen, dat kwade zou men willen keeren, maar.... men kan niet doen wat men wil, men heeft een juk om den hals.
Er is echter heel wat verschil tusschen een houten en een ijzeren juk. Ook een houten juk kan knellen, maar een ijzeren juk veel meer. Ook wie een houten juk te dragen heeft, kan klagen over een ondragelijken last; maar dan is het toch zeker aan hem zeiven te wijten. Wie van elk juk afkeerig is, en
1) Jeremia 28 : 13.
10
niet inziet, dat het noodig en nuttig is, begint spoedig te klagen. Hij vergeet zijne voorrechten, om alleen te zien op hetgeen hij mist.
Is dit ook niet het geval met hen, die het zoogenaamde juk der synodale organisatie afwerpen?
Ik stel mij een predikant in onze Nederl. Herv. Kerk voor, die een hart heeft voor zijne Evangeliebediening, wiens lust en leven het is aan zijne medezondaren den Christus naar de Schriften te verkondigen, en een medewerker te zijn van het geloof, de blijdschap en de heiligheid der gemeente. Mij dunkt, als deze art. 21 van het Reglement op de Kerkeraden leest: „Aan den Predikant of de Predikanten is opgedragen: 1°. de openbare verkondiging van het Evangelie; 2°. het bedienen van Doop en Avondmaal; 3°. de leiding der openbare godsdienstoefeningen; 4°. de huwelijksinzegening; 5°. het catechetisch onderwijs en het afnemen van belijdenis des geloofs, in tegenwoordigheid van één of meer Ouderlingen; 6°. de herderlijke zorg; 7°. het besturen van de vergaderingen des Kerkeraadsquot; — dan zal hij terstond zeggen: „ziedaar juist wat ik wensch! Daarnaar te handelen is mij geen last, maar een lust!quot; Zoo zal dat deel der synodale organisatie hem wel geen juk zijn, dat hem al te zeer knelt.
Of is hem soms voorgeschreven, in welken geest zijne prediking, zijne werkzaamheid wezen moet? Volstrekt niet. Dat van hem verwacht wordt, dat hij predikt en werkt in den geest en naar de beginselen der Kerk, die hij dient, spreekt van zelf. Maar rechtens is hij aan niets gebonden dan aan de belofte, bij de aanvaarding van zijn dienst door hem afgelegd. Is hij het volkomen eens met de oude formulieren van eenig-heid; kan hij alles wat er in staat naar de letter onderschrijven; wil hij in den geest, in den stijl en de taal der zeventiende eeuw prediken — hij is volkomen vrij. Geen kerkbestuur zal het hem moeielijk maken.
En wat de Ouderlingen betreft — om nu van de Diakenen niet te spreken — mij dunkt, als ik Ouderling was, en vernam,
11
dat mij opgedragen was „de belangen van de openbare Gods-vereering te behartigen, het godsdienstonderwijs te bevorderen en daarop toezicht te houden, medetoezicht te hebben op de leden der gemeente, inzonderheid door huisbezoek, en ijverig mede te werken met de Predikanten in alles wat aan de Christelijke opbouwing der Gemeente dienstig kan wezenquot;1), ik zou zeggen: „dit komt geheel overeen met hetgeen ik mij overeenkomstig de H. Schriften voorstel, dat de plicht van een Ouderling der gemeente wezen moet.quot; En als ik dan zag, hoe onafzienbaar het veld van werkzaamheid is, dat mij door de Reglementen op het godsdienstonderwijs en voor kerkelijk opzicht en tucht wordt vrijgelaten, zou ik waarlijk niet weten, waarom ik over een synodaal juk moest klagen.
Maar de gemeente! Die moet zich dan toch maar alles van haren kerkeraad laten welgevallen! Niet alleen moet zij zich hare predikanten, ouderlingen en diakenen laten opdringen; maar ook staat zij machteloos tegenover hen, als zij misbruik maken van hunne macht! ... quot;Wij weten wel beter. Zelve heeft zij het recht haren kerkeraad te kiezen. En tegen tyrannic is zij door de hoogere Besturen voldoende beveiligd. Waarom zou zij dan zuchten onder het synodale juk?
Maar dit is toch al te onnoozel — hoor ik sommige jukver-brekers zeggen — weet gij dan niet, dat er in de Ned. Herv. Kerk, zoowel buiten als in onze eigene gemeenten zoo ontzaglijk veel kwaads gebeurt, waartegen wij niets kunnen doen, en waarvan wij toch als dienaars der Kerk min of meer de verantwoordelijkheid dragen ? Hoeveel gemeenten zijn er, die van eene Christusprediking naar de Schriften en naar de leer onzer Kerk zijn verstoken, en waarin van een toezicht op de leden weinig of niets te bespeuren is? Hoeveel Besturen, waarin mannen zitting hebben, die zich zelfs met den geest en de hoofdzaak onzer Belijdenisschriften niet meer vereenigen kunnen!
Reglement voor de Kerker aden, art. 25.
12
En in onze eigene gemeenten — hoe velen moeten wij als medewerkers erkennen, die op een gansch anderen grondslag bouwen dan wij! Hoe dikwijls moeten wij eene akte van lidmaatschap uitreiken en het stemrecht verleenen aan menschen, die wij niet als ware leden der gemeente kunnen begroeten! Hoe menigmaal zijn onze handen gebonden, als wij de tucht naar Gods Woord willen uitoefenen! En wat wij nog met moeite hebben kunnen tot stand brengen, wie waarborgt ons dat dit blijven zal ? Onverwachts spreekt de stembus eene andere taal: de minderheid wordt meerderheid, en de kerkeraad haalt het gebouw van zijn voorganger tegen den grond. Is dat geen ondragelijk juk?
Dat er zijn, voor wie dat juk werkelijk ondragelijk is, geef ik gaarne toe. Maar ik voeg er bij: slechts voor hen, die de roeping, waarmede zij van Gods wege geroepen zijn, niet verstaan.
Allereerst moet ik opmerken dat het dragen van een juk iets anders is dan het leggen van een juk op een ander. Men zou o zoo gaarne alle Besturen, alle kerkeraden, alle leeraars en onderwijzers, alle gemeenteleden zien gelooven en belijden wat men zelf gelooft en belijdt. Dat is te begrijpen. En evenzoo is het van confessioneel standpunt te begrijpen, dat men niet rust, voordat de kerkorde die eenstemmigheid verplicht maakt, en de kerkelijke rechter die kerkorde overal handhaaft. Maar als men het nu zóóver nog niet heeft kunnen brengen, heeft men dan het recht, van een synodaal juk te spreken? Het is zeker niet aangenaam, een ander geen juk te kunnen opleggen, dat men voor zijn welzijn noodzakelijk acht. Maar het gaat toch wat ver, dat niet-kunnen opleggen van een juk zelf een juk te noemen. Doe uwen plicht in iederen kring, waarin God u plaatst; en wanneer gij dan uwen wensch niet verkrijgt, maar anderen het juk ziet afwijzen, wat gij hun zoo gaarne om den hals zaagt gelegd — gij hebt uwe ziel behouden. Uw eerste plicht is dan toch, voor uwe eigene gemeente te zorgen, \'t Is goed, prijzenswaardig; dat gij ook aan andere
13
gemeenten denkt.. Maar vóór alle dingen heeft uwe eigene gemeente aanspraak op uwe zorgen. Het apostolisch woord: „draagt elkanders lastenquot; moet ter harte genomen worden. Maar niet minder ook het andere: „een ieder zal zijn eigen pak dragen.quot; En als nu andere gemeenten nog maar geholpen werden door uw verbreken van het synodale juk! Maar zij komen daardoor in een veel sleehteren toestand, want voortaan zullen zij meer nog dan vroeger buiten uwen invloed geraken.
Ook zou ik toch in bedenking willen geven, de toekomst er buiten te laten, wanneer gij meent te moeten klagen over de zwaarte van het juk. Het juk van morgen kan u heden niet knellen. Dat later de toestand uwer gemeente geheel anders kan worden, vooral wanneer gij in eene groote gemeente, wier kerkeraad door een kiescollege benoemd wordt, werkzaam zijt, geef ik gaarne toe. Maar de verantwoordelijkheid daarvan rust niet op u, als gij voor het heden doet, wat gij doen kunt. De dag van morgen zal voor het zijne zorgen; iedere dag heeft genoeg aan zijns zelfs kwaad. Wees dan niet bezorgd, maar doe uw plicht. Klaag niet over het juk dat wellicht komen zal; werp het af, als het komt.
Anders is het, wanneer gij in uwe tegenwoordige werkzaamheid zóó belemmerd wordt, dat gij uwe roeping niet naar eisch kunt vervullen. Is dit werkelijk het geval? Het heeft er — ik moet het bekennen — al den schijn van. Op de handhaving van de leer onzer Kerk stelt gij den hoogsten prijs. En zie, gij moet in éénen kerkeraad zitten met mannen die naar uwe meening die leer verloochenen. Gij moet hen ongestoord laten werken, terwijl gij overtuigd zijt dat hunne werkzaamheid voor de gemeente schadelijk is. Gij moet de ergste ongeloovi-gen in de gemeente dulden, omdat de kerkelijke wet hen niet treffen kan. Gij moet tot lidmaten der gemeente personen aannemen, van wier onrechtzinnigheid gij overtuigd zijt, omdat de wet zegt dat bezwaren tegen de geloofsovertuiging der aan-nemelingen geen grond tot afwijzing leveren. Gij moet in het lidmatenboek inschrijven wie een wettig bewijs van aanneming
14
kunnen overleggen, terwijl gij weet dat zij door predikanten zijn aangenomen, wier gevoelens gij als verderfelijk bestrijdt. Gij moet attestaties aannemen van- en uitreiken aan menschen, van wie gij u overtuigd houdt dat zij niet onberispelijk zijn in de leer. Is dat geen juk?
Ja, dat is een juk; maar het is een houten juk; het kan soms knellen; maar het is ook met eenige welwillendheid best te dragen.
Vooral in gemeenten waar, zooals in de meesten die zich aan het kerkverband onttrokken, de overgroote meerderheid met den kerkeraad instemt in liefde voor de oud-gereformeerde belijdenis. Wat ter wereld kan het toch zijn, dat haar drukt? Prediking, onderwijs, huisbezoek, opzicht en tucht, het kan alles onbelemmerd geschieden. Het eenige is, dat men eene enkele maal bij de aanneming tot lidmaat en het inschrijven van inkomende leden in moeilijkheid komt. Maar ook die moeilijkheid heeft de Synode van 1886 uit den weg willen ruimen. Voor de aanstootelijke alinea 5, van art. 38 van het Reglement op het godsdienstonderwijs, volgens welke bezwaren tegen de geloofsovertuiging der aannemelingen geen grond kunnen leveren tot afwijzing, heeft zij met algemeene stemmen in de plaats gesteld: „Wordt de mate der verkregen kennis door de meerderheid van de afgevaardigden des Kerkeraads voldoende bevonden, dan heeft de aanneming voortgang, wanneer de aannemelingen zich bereid verklaren, toestemmend te antwoorden op de vragen, die hun naar art. 39 zullen worden gedaanquot; i).
Zoo heeft de Synode ook voorgesteld aan art. 14, 6° van het Synodaal Reglement voor de kerkeraden de volgende woorden toe te voegen: „Indien de kerkeraad bezwaar heeft de namen van lidmaten, van elders inkomende, of die der nieuwe lidmaten zijner woonplaats, elders aangenomen, in het lidmatenboek
1) Zie de Handelingen van de 71ste gewone vergadering van de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk ten jare \'1880, bl. 481.
15
zijner gemeente in te schrijven, omdat zij op eene andere wijze zijn aangenomen, dan de kerkeraad de leden zijner gemeente aanneemt, geeft hij daarvan eene verklaring, waarmede die lidmaten, als zij wonen in eene gemeente met één predikaat, zich wenden kunnen tot den kerkeraad eener naburige gemeente hunner keuze, waar hunne namen in het lidmatenboek kunnen worden ingeschreven. In gemeenten met meer dan één predikant, kunnen die lidmaten zich ook wenden tot een dier predikanten, die hen als lidmaten kan erkennen en hunne attestatiën aannemen.quot;
En aan art. 1 al. 2 van het Synodaal Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten wenscht zij dit te zien toegevoegd: „Indien de kerkeraad eener gemeente bezwaar heeft de namen van lidmaten van elders met attestatie inkomende, of die der nieuwe lidmaten zijner woonplaats, elders aangenomen, in het lidmatenboek zijner gemeente in te schrijven, omdat zij op eene andere wijze zijn aangenomen, dan de kerkeraad de leden zijner gemeente aanneemt, brengt hij de namen der manslidmaten onder bovenbedoelden op eene afzonderlijke lijst. Deze allen kunnen op de gewone wijze naar de bepalingen van dit en het plaatselijk Reglement hun stemrecht aanvragen en hun kiesrecht uitoefenen.quot; *)
Uit deze voorstellen blijkt het streven der Synode om aan gewetensbezwaren te gemoet te komen, en daardoor het juk, dat de kerkeraadsleden te dragen hebben, ietwat minder knellend te maken. Dat zij er niet door bevredigd zullen zijn, die de vrijheid, welke aan gemeenteleden en keikeraden er in verleend wordt, aan dezen niet willen zien toegekend, ligt voor de hand. Maar wij hebben thans niet te doen met menschen, die anderen een juk willen zien opgelegd, maar met menschen, die zeiven onder hun juk heeten te zuchten.
Dit moeten wij wel onderscheiden. Ook, en niet het minst,
1) t. a. p. bl. 481, 482.
16
wanneer het groote gemeenten geldt. Ik kan er zeer goed in komen, dat de thans in Amsterdam en Rotterdam „doleerendenquot; er over treuren en klagen, dat niet al de duizenden en tienduizenden die tot die gemeenten behooren, al hare predikanten, ouderlingen en diakenen, voorlezers en organisten, kerkvoogden en bankbewaarders, ouden en jongen, rijken en armen, geleerden en ongeleerden, ontwikkelden en eenvoudigen, precies als zij over de formulieren van eenigheid denken. Veel moeten zij daardoor hooren en aanzien, dat hen ten hoogste ergert. Maar is dat nu een reden om te spreken van een juk? De leertucht kunnen zij niet toepassen, zooals zij dat wenschen. Maar zouden zij nu werkelijk gelooven, dat de toepassing daarvan de eerste voorwaarde is om een beteren toestand in het leven te roepen, de eerste voorwaarde ook voor hen zeiven, om hunne bediening met ijver en trouw te vervullen? Zie, ik waardeer tot op zekere hoogte het confessioneele standpunt, al ben ik het zelf nooit toegedaan geweest, en al zie ik er hoe langer hoe minder heil in. Maar onverklaarbaar is mij, dat men liever heengaat en daardoor de gemeente prijs geeft, dan de anti-gereformeerde en anti-christelijke elementen in haar midden te dragen en te dulden. Onverklaarbaar, dat men telkens uitroept: ik wil de verantwoordelijkheid van dat alles niet dragen! en niet liever de handen ineenslaat om, een iegelijk in zijn kring, hervorming en verbetering aan te brengen. Onverklaarbaar, dat men niet ophoudt van te spreken van „gebonden handenquot;, terwijl men zulk een uitgestrekt veld van werkzaamheid voor zich geopend ziet. Men is toch waarlijk niet predikant, of ouderling of diaken, om allereerst ketterijen te bekampen. Men zij zoo confessioneel als men wil, ontkennen kan men niet, en zal men ook niet als er levend geloof in het hart is, dat de weg voor dogmatische eenheid eerst door eene zedelijke en godsdienstige hervorming kan worden gebaand; althans (wanneer dit soms te ethisch mocht klinken) dat het eene met het andere gepaard moet gaan.
O, hoeveel is er nog te doen, [en hoeveel kan er nog ge-
17
daan worden, zonder dat men met de Reglementen in botsing komt, door ieder die zijne roeping begrijpt. Nu verteert men zijne krachten in confessioneele twisten. Maar als men de banden eens ineen sloeg in betgeen gezamenlijk kan worden gedaan, en ieder yoor zicb deed wat bij kon op zijnen weg, in zijnen kring — mij dunkt, ik zie de nieuwe kerkgebouwen reeds verrijzen, het getal predikants-plaatsen toenemen, de evangelisten uitgaan\' om de vele duizenden op te zoeken, die als zonder God en zonder Christus leven. Ik zie de predikanten het eeuwen-oude Evangelie in den vorm en naar de behoeften van onzen tijd weder zóó verkondigen, dat ook beschaafden en ontwikkelden zich onder hun gehoor kunnen laten vinden. Ik zie de ouderlingen toezicht oefenen op de leden der gemeente, vooral door persoonlijke werkzaamheid, in den geest der zachtmoedige wijsheid. Ik zie de kerkeraden op hun post, waar volkszonden moeten worden bestreden, armoede geweerd , smarten gelenigd. Ik zie ze met woord en wandel getuigen tegen zooveel wat de vrije werking van den Heiligen Geest in de gemeente belemmert. Ik zie ze de overtuiging in de gemeente wakker roepen, dat alle lusten ook hunne lasten medebrengen, en dat men niet waard is met het licht des Evangelies bestraald te worden, zoolang men van de welvoorziene tafel slechts enkele kruimels der Kerke toewerpt.
Zegt men: dat alles is onmogelijk, zoolang de inrichting der gemeenten vooral in groote steden de vrije uiting van het eigenlijke gemeenteleven in den weg staat, welnu, dat men dan zicb beijvere om die hinderpalen uit den weg te ruimen. Het kerkverband verbiedt ons dat niet. Waarom zouden geen wijk-commissiën als kerkeraden kunnen optreden, en de onafzienbare gemeente, die eigenlijk alleen den naam van gemeente draagt, zich niet in tal van deelen kunnen splitsen, die wel den naam van gemeente niet dragen, maar toch bet werk der gemeente doen in alles wat de geestelijke belangen der gemeente betreft?
De Synode van 1886 heeft een voorstel in dien geest ge-
18
daan, dat ik nu niet beoordeel, maar waarop ik alleen met een enkel woord wijs, om te doen zien hoe zij er steeds meer op uit is te decentraliseeren, en daardoor aan vele bezwaren, ook aan gemoedsbezwaren van confessioneelen, te gemoet te komen.
Nu is het wel mogelijk, dat dit voorstel, gelijk de andere voorstellen, waarop ik zoo even wees \'), wordt verworpen. Maar daarmede is de zaak niet voor goed beslist. Meer en meer doet de openbare meening zich in onze Kerk ten gunste van meerdere vrijheid hooren. En als zij diep genoeg is doorgedrongen, is er niets in onze kerkinrichting dat verhindert haar tot wet te verheffen. Het gaat langzaam, haast al te langzaam zou men zeggen, maar toch het komt, op zijnen tijd.
Ja juist — hoor ik mij tegenwerpen — dien weg gaat het op. Maar dien weg willen wij nu juist niet op. Wij willen de vrijheid wel, maar niet in den zin, waarin men dat tegenwoordig verstaat. quot;Wij willen vrij zijn om te handelen overeenkomstig Gods Woord; maar wij willen anderen niet vrij laten om te doen wat tegen Gods Woord strijdt. Ten minste niet in onze Gereformeerde Kerk. Langer eene Kerk te dienen, die wel niet in hare Keglementen, maar toch in de praktijk volslagen leervrijheid toelaat — dat verbiedt mij Gods Woord.
Dat verbiedt mij Gods Woord! Zou ik u mogen verzoeken u een weinig anders uit te drukken? Zoudt gij niet liever zeg\' gen: dat verbiedt mij mijn door Gods Woord verlicht geweten Anders zoudt gij licht den indruk geven, alsof Gods Woorc (of liever de Bijbel, dien gij er toch onder verstaat) bepaalde voorschriften gaf aangaande de wijze, waarop de Nederlandsche Gereformeerde Kerk in den jare 1887 moet worden bestuurd En zoo is het toch niet. De toestanden der Christelijke Kerk toen en nu, zijn zoo verschillend, dat er alleen sprake kan zijn van eene inrichting onzer Kerk naar de beginselen, in de boeken des N. Testaments neergelegd. Of wij nu die be
1) Zie bl. 14—10.
19
ginselen goed weergeven, en goed toepassen, daarover kan discussie mogelijk zijn. Die discussie eenvoudig af te snijden met een beroep op Gods \'Woord, is wel gemakkelijk; maar — ook hier moet ik het herhalen — wie aan groote woorden niet genoeg heeft, wordt er niet door overtuigd.
Het is dus uw door Gods Woord verlicht geweten, of juister uitgedrukt, uwe op den Bijbel gegronde overtuiging, die u verbiedt onze Kerk te blijven dienen. Maar dan is de zaak ook uitgemaakt. Dan zijt gij verplicht hoe eerder hoe liever onze Kerk te verlaten. Geen oogenblik langer moogt gij dan wachten.
Vergunt mij dan echter, mijne verwondering te betuigen, dat gij nu eerst daartoe komt. Meer dan vijftig jaren bestaat er in ons land eene Kerk, die zich thans de Christelijke Gereformeerde noemt, waarin gij geheel terugvindt, wat gij naar Gods Woord plichtmatig acht. Waarom u bij die niet aangesloten? Waarom juist nu, nu gij u zooveel vrijer kunt bewegen, en de beginselen waarnaar de Christelijke Gereformeerde Kerk wordt bestuurd, zooveel dieper ziet doorgedrongen, waarom juist nu om dezelfde reden, als het voor vijftig jaren geschiedde, onze Kerk verlaten ? \'t Is wel vreemd!
Niet minder vreemd is het, dat de overgroote meerderheid uwer geestverwanten in de kerkeraden uwe daad zoo scherp veroordeelt, en, waar zij zitting heeft in de Besturen, niet aarzelt, de kerkelijke straffen op u toe te passen.
Reden te over, dunkt mij, om te onderzoeken, of uw geweten wel waarlijk verlicht is door Gods Woord; of niet onkunde, partijgeest, wrevel, haat en andere hartstochten u op een dwaalspoor hebben geleid.
Ik kan het niet helpen, maar ik zie in de geheele beweging bitter weinig eerbiedwaardigs, wat men toch verwachten zou van iets, waarin het geweten zulk eene groote rol heet te spelen. Als ik let op hen, die het kerkverband verbreken, op de wijze waarop dat geschiedt, op de zaak die er aanleiding toe gaf, op de middelen die aangewend worden om het zoo
2*
20
lang te voren beraamde plan te doen slagen, dan kan ik den indruk niet van mij weren van iets kleins, iets gekunstelds, iets opgeschroefds, iets dat mij doet zeggen: dat is menschen-werk, daarop kan God, die de God van recht en waarheid is, geen zegen geven! !)
Ik wil in geen bijzonderheden treden. Op één ding slechts wil ik wijzen, dat misschien de beste verklaring is van de anders zoo raadselachtige beweging — voorzoover hier althans nog van iets spontaans in de gemeente sprake kan zijn. Ik bedoel den haat (ik weet geen beter woord) tegen de Synode en haar bestuur, die dagteekont van de dagen dat zij tot de vervolging der „Afgescheidenenquot; medewerkte, en die door hetgeen zij tientallen van jaren heeft gedaan of nagelaten om de macht van de vrienden der „drie Formulierenquot; te fnuiken, altijd door is gevoed. Ik zal de laatste zijn om te beweren, dat ons synodaal Bestuur de handen in onschuld kan wasschen. \'t Is de vraag, of iemand dit thans wel beweren zal, hoe synodaal hij ook wezen moge. Men moge den tijd en de omstandigheden in rekening brengen, te ontkennen is het niet, dat de zoogenoemde „Gereformeerde partijquot; reden heeft om te klagen over de behandeling, haar aangedaan.
Maar zie, terwijl in de laatste jaren de houding van het synodaal Bestuur hoe langer hoe welwillender werd, is juist het vuur van den haat tot gloeihitte geklommen. Men schaamt zich zelfs niet van eene „door God tot driewerf toe gevloekte Synodequot; te spreken.
Kan het verwonderen, dat men eindelijk met die Synode breekt, en die breuk voor de verlossing van een zwaar juk gaat houden? Niet het minst behoort de haat tot die hartstochten, die het verstand benevelen, en tot daden leiden, waarover men later berouw heeft.
1) Men leze eens de geschiedenis van het ontstaan der Vrije Schotsche Kerk! Welk een onderscheid!
21
Zal ook het „afwerpen van het juk der synodale hiërarchiequot; zulk eene daad blijken te zijn?
In de eerste dagen zeker niet. Hoe heerlijk is de vrijheid die men thans geniet! Aan geen enkel Bestuur heeft men meer te gehoorzamen. Met geen enkel Reglement heeft men iets meer te maken. Men heeft de Dordsche kerkorde aangenomen, en leeft daaronder vrij en blij. Men heeft geen verantwoordelijkheid meer voor al het ongeloof, dat er in de Kerk is. Men kan zijne gemeente zoo zuiver houden als men verkiest. Men kan weren die men wil, de leertucht uitoefenen naar welgevallen. Heerlijk vooruitzicht!
Heerlijk vooruitzicht! O ja, o. a. voor den predikant, als soms later zijne goede verstandhouding met den kerkeraad en de gemeente wat te wenschen mocht overlaten. Zijne preeken kunnen minder goed gaan bevallen. Hij kan wat te „vrijquot; worden in zijne voorstelling van de evangelische waarheid. Hij kan zich verplicht zien de vooroordeelen van invloedrijke gemeenteleden aan te tasten. quot;Wie verzekert hem, dat dit geen onaangenaame gevolgen voor hem hebben zal, en hem den druk van leeraar te zijn in eene vrije gemeente niet levendig zal doen gevoelen?
Het ergste is echter, dat de kerkeraad, die nu goedgevonden heeft het synodaal kerkverband te verbreken en de Dordsche kerkorde (met eenige wijzigingen) aan te nemen, op zekeren dag kan goedvinden, zich aan die kerkorde weder te onttrekken, en óf zich geheel onafhankelijk te maken, of zich aan de Christelijke Gereformeerde Kerk aan te sluiten, óf (wie weet het!) onder het synodaal verband der verlatene Kerk terug te keeren. In het laatste geval is de predikant er het ongelukkigst aan toe, daar hij zijn radicaal als predikant in de Ned. Herv. Kerk heeft verloren, of het (zooals de predikant van Kootwijk) nooit heeft bezeten. In het eerste en het tweede geval heeft hij dan alleen over geen juk te klagen, wanneer hij met den kerkeraad mede gaat. Doet hij dat niet, dan heeft hij zeker vrijheid om heen te gaan. Benijdenswaardige vrijheid!
22
Men zegge niet, dat zulk eene verhouding tusschen den kerkeraad en den predikant onwaarschijnlijk is. Onwaarschijnlijk? Onlangs is eene gemeente\') gaan „doleerenquot; zonder den predikant. Waarom niet? Het is immers de meerderheid van den kerkeraad, die heslist. Aan die meerderheid moet de minderheid, al is deze ook de predikant, zich onderwerpen. Doet hij dat niet, dan wordt hij zonder veel omhaal op zij gezet. Heeft nu de kerkeraad thans dat recht. dan kan hij ook later van dat recht gebruik maken, als hij aan het „doleerenquot; een einde wil maken. En dan is zeker het lot van zulk een predikant, die immers, ook finantieel, geheel afhankelijk is van de gemeente, dubbel treurig.
Maar is het geen ij del schrikbeeld, dat eene gemeente zoo spoedig weder van kerkorde zal willen veranderen? Spoedig of niet, het gevaar bestaat. Er is misschien geen volk, dat meer dogmatiseert, dan het gereformeerde volk van Nederland. En heeft dat dogmatiseeren zijne lichtzijde, het heeft ook de schaduwzijde, dat het tot partijschappen en scheuringen aanleiding geeft. Daarenboven moet men ook met de voorliefde van ons volk voor conventikels rekenen. Dat dezen een separatis-tischen geest in de hand kunnen werken, weet ieder. En waar die geest eenmaal ontwaakt, daar is de verwarring niet te overzien. Heeft men nu een flinken kerkeraad, dan worden die separatistische woelingen wel bedwongen. Maar — niet alle kerkeraadsleden, vooral niet in dorpsgemeenten, ook al hebben zij de „drie Formulierenquot; onderteekend, hebben de gave der scherpzinnigheid, der zelfstandigheid en der kracht. Licht worden zij meegesleept — en eene nieuwe scheuring heeft plaats. Ongelukkige predikant! Misschien klaagt hij wel eens, dat hij een houten juk voor een ijzeren heeft verwisseld.
Dat met den predikant ook de ouderlingen en diakenen, die in de minderheid zijn, op die wijze hun afscheid kunnen krij-
1) Randwijk.
23
gen, spreekt van zelf. Ja, zij behoeven daartoe niet eens in de minderheid te zijn.
Te Oude en Nieuwe quot;Wetering belegt de predikant (nog geen twee jaar in dienst!) om het Classicaal Bestuur van Leiden , dat hem provisioneel schorsen zal, voor te zijn, eene kerkeraadsvergadering. Van de vijf ouderlingen en diakenen (één ouderling was kort te voren gestorven) hadden zich drie in eene vorige vergadering, waarin ook gecommitteerden van het Classicaal Bestuur tegenwoordig waren, ten gunste van de synodale kerkinrichting verklaard. Voor de nieuwe kerkeraadsvergadering tot tweemaal toe opgeroepen (zonder opgave van de te behandelen onderwerpen) verschenen zij niet. De predikant constateert de wettigheid der vergadering, gaat met de twee andere kerkeraadsleden over tot het benoemen van een ouderling, en — de Dordsche kerkorde wordt aangenomen. Niet lang daarna kon men in „de Standaardquot; lezen; „Ook de kerke-raad van Oude en Nieuwe Wetering heeft het juk der synodale hierarchië afgeworpen.quot; De kerkeraad, dat is hier: de predikant met twee kerkeraadsleden! Voortaan zal dus de helft van een kerkeraad, ofschoon wetende, dat de andere helft protesteert, eene gansche gemeente van kerkorde kunnen doen veranderen. Misschien zullen die kerkeraadsleden, die dan op hunne beurt protesteeren, reden vinden om terug te denken aan den goeden ouden tijd, toen zij leefden onder een Eeglement, dat hen tegen tyrannie beschermde !).
Maar men zal misschien zeggen, dat de „doleerendequot; kerkeraad toch zeker voortaan niets doen zal, als hij zich niet verzekerd kan houden van den steun der gemeente! Dat wil ik gaarne gelooven. Maar er zal immers ook in die „doleerendequot; gemeente licht eene meerderheid en eene minderheid wezen. Die minderheid kan, zooals te Leiderdorp, zeer aanzienlijk
1) Wat ik hier mededeel van eene gemeente, in welke ik zelf drie jaar lang met groote opgewektheid het Evangelie mocht verkondigen, is uit eene officieeU bron geput.
24
zijn. Moet nu die, misschien aanzienlijke, minderheid zich alles laten welgevallen, wat de kerkeraad (soms slechts de meerderheid, soms alleen de helft der kerkeraadsleden) goedvindt te besluiten? Wel zeker. Gelijk haar nu van wege den kerkeraad wordt bekend gemaakt, dat zij voortaan zich niet meer heeft te beschouwen als behoorende tot de Ned. Herv. Kerk, zoo kan zij ook later verrast worden door de mededeeling, dat zij voortaan niet meer „doleerenquot; mag. Zou er ook voor haar reden zijn om te klagen over een „ijzeren juk?quot;
Ja, ik weet niet, waarom de kerkeraad van de meerderheid in de gemeente zou moeten verzekerd wezen, om van kerkorde te veranderen, of ook geheel zonder kerkorde te leven. Te Rotterdam kon de kerkeraad het zeer waarschijnlijk achten, dat het grootste gedeelte van het kiescollege met zijn besluit van uit het kerkverband te treden zou instemmen. Maar op de vraag, of het meerendeel der gemeente, opzettelijk daarover ondervraagd, zou meê gaan, zou hij ongetwijfeld geen bevestigend antwoord gegeven hebben.
Zoo kan dan, volgens het nieuwste kerkrecht, eene kleine meerderheid in den kerkeraad (of ook de helft der kerkeraadsleden), zonder van de goedkeuring van de meerderheid der gemeenteleden verzekerd te zijn, aan eene gemeente de kerkorde opleggen die zij verkiest. En bleef nu voor de onder dat ijzeren juk gebogen gemeente de gelegenheid maar bestaan om zich dat juk van den hals te schuiven! Maar die gelegenheid is haar door de Dordsche kerkorde benomen. Deze kerkorde kent geen kiescollege, kent geen verkiezing van kerkeraadsleden door de gemeente. De kerkeraad mag de gemeente raadplegen, ook wel twee of meer leden voordragen, opdat de gemeente daaruit eene keuze doe; des noods ook wel in dezen tijd van overgang het bestaande kiescollege laten stemmen. Maar ter laatster instantie is hij het, die beslist. De vrije stemming der gemeente is eene gunst, die hij ieder oogenblik kan terugnemen. Als hij vreest, dat er een verkeerde geest door komt in zijn midden, houdt hij de keuze aan zich, en doet dan ten hoogste
25
eene voordracht van twee of meer personen, waarbij hij natuurlijk wel toeziet, dat er geen anderen dan die den kerkeraad aangenaam zijn worden voorgedragen. Wie dat weet, heeft dan ook zeker een glimlach niet kunnen onderdrukken, toen hij in de nieuwsbladen las, dat de door een „doleerendenquot; kerkeraad opgeroepen leden van het kiescollege elkander gelukwenschten met de groote vrijheid, die de Dordsche kerkorde gaf, dat zij hadden mogen meestemmen bij de verkiezing van nieuwe kerkeraadsleden. Ja, nu werd hun dat voorrecht verleend. Maar tot hoelang ? Nu werd het juk nog niet gevoeld, maar later ?
Mij dunkt, dat ieder die onpartijdig is zal moeten toestemmen, dat de gemeente, wat het dragen van een juk betreft, er niet op vooruit gaat met de nieuwe orde van zaken.
Maar die nieuwe orde van zaken zal maar kort duren — hoor ik mij zeggen. In Juni komt het Synodaal Convent te Rotterdam samen. Dan zullen er allerlei maatregelen tegen verwarring en tyrannie genomen worden. En tot dien tijd toe zal er wel gezorgd worden, dat er geene buitensporigheden plaats hebben. Weet gij niet, dat er te Amsterdam een comité is, dat de gansche beweging leidt? Weet gij niet, dat ona op het Amsterdamsche Congres gezegd is, wat wij doen moeten om het „doleerenquot; met het meeste succes te doen plaats hebben? Weet gij niet, dat er instructien van allerlei aard aan de belanghebbenden zijn toegezonden, waarin tot in de kleinste bijzonderheden de weg wordt aangewezen, dien wij te bewandelen hebben? Weet gij niet, dat wij telkens, zoodra wij in verlegenheid zijn, maar hebben te telegrafeeren naar Amsterdam , Keizersgracht 162\')?
ich de adt lad ieft
zoo zij
aar
eid
! te lót-dat rau de ver 3nd
ine m), ite-jen juk dat aar een de Dok •uit mg ster geen, zijn jste
Zeker, dat is een groot voorrecht, wel te waardeeren door mannen die het juk eener „hiërarchiequot; hebben afgeworpen of willen afwerpen, maar nog niet in staat zijn, van de vrijheid een behoorlijk gebruik te maken, en daarom buiten een ander juk nog niet kunnen.
1) Adres der „Vrije Universiteit op gereformeerden grondslag.quot;
26
Evenwel, zoodra het gevoel van zelfstandigheid sterker wordt, kan men wel eens gaan klagen, dat ook dat juk meer knelt, dan men had gedacht, en over de afwerping er van ernstig gaan denken. Gelukkig dus, dat het „Synodaal Conventquot; ophandenis!
Ja, wanneer dat Synodaal Convent maar werkelijk verandering in den toestand hrengt. Ik vrees echter, dat daarvan niet veel zal komen, als ten minste de leiders der beweging hunne beginselen niet verloochenen. Herhaaldelijk, bij verschillende gelegenheden, hebben zij verzekerd dat er nooit eene regeling van hen te wachten is, waarbij eene gemeente niet de vrijheid zou hebben uit het kerkverband te treden met behoud van hare goederen. „Elke plaatselijke kerk moet voor wat haar stoffelijke belangen aangaat, zonder eenige tusschenkomst van derden, uit eigen hoofde en niet als behoorende tot eene soort algemeen genootschap en deel daarvan, burgerrechtelijk door den Staat bevoegd worden verklaard volgens art. 1 van de Wet van 53 1).quot; Op die „stoffelijke belangenquot; komt het natuurlijk aan. In ons vrije Nederland kan een grooter of kleiner deel der gemeente zich vrijelijk afscheiden. Geen dragonders zullen hunne afzonderlijke samenkomsten meer belemmeren. Hat kan alleen de vraag zijn, of de kerkeraad, wanneer hij namens de gemeente het kerkelijk verband verbreekt, de kerkelijke goederen mag medenemen. Dit nu wil men buiten quaestie zien gesteld, door iedere gemeente op zich zelve door den Staat als genootschap te zien erkend. Nooit kan dus te Amsterdam (Keizersgracht, N0. 162) goedgevonden worden, dat men in een kerkverband treedt, waarbij het recht der plaatselijke gemeente te dezen opzichte maar eenigszins zou worden verkort. Men wil daarom ook alleen gesproken hebben van eene ver-eeniging van plaatselijke kerken, die door vrijwillige toetreding tot de Dordsche kerkorde met elkander verbonden zijn, maar niet van ééne kerk, in den zin van één kerkgenootschap,
Heraut, 23 Jan. 87.
27
waarvan iedere gemeente een deel uitmaakt; en evenzoo wél van een bestuur van den kerkeraad over de gemeente, maar niet van een Bestuur, dat over alle gemeenten gaat. Anders zou men weer terugkeeren tot die treurige „synodale hiërarchiequot;, waaraan men zich zoo even had ontworsteld.
Nu is er echter eene groote moeilijkheid gerezen ten opzichte van de verhouding, waarin men staan zal tot de Christelijke Gereformeerde Kerk. Zoo gaarne zou men in de innigste betrekking tot die Kerk treden, en zoo al geen samensmelting, dan toch zulk eene vereeniging tot stand brengen, dat er
(eigenlijk maar van ééne Kerk sprake kan zijn. Men gevoelt wel, dat er voor eene Christelijke Gereformeerde Kerk en voor eene Nederduitsche Gereformeerde Kerk, die beiden onder de Dordsche kerkorde staan, op den duur in ons vaderland geen plaats kan wezen.eigenlijk maar van ééne Kerk sprake kan zijn. Men gevoelt wel, dat er voor eene Christelijke Gereformeerde Kerk en voor eene Nederduitsche Gereformeerde Kerk, die beiden onder de Dordsche kerkorde staan, op den duur in ons vaderland geen plaats kan wezen.
Maar — en dat is het groote, haast onoverkomelijke bezwaar — de Christelijke Gereformeerde Kerk kan volgens hare statuten aan de eenige voorwaarde, onder welke de vereeniging mogelijk is, niet voldoen. Zij heeft, behalve de Dordsche kerkorde, ook een Reglement op de inrichting en het bestuur der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland!), waartoe de verschillende gemeenten, op eenige uitzonderingen na, zijn toegetreden. Dat Reglement is een doorn in het oog van het Amsterdamsche comité, dat de beweging leidt. Want 1° wordt daarin van eene Christelijke Gereformeerde Kerk als één geheel gesproken; terwijl een echte gereformeerde altijd van kerken spreekt. En (in verband daarmede) 2° is het een Reglement op het bestuur dier Kerk; terwijl een echte gereformeerde slechts weten wil van een bestuur, dat de kerkeraad over de plaatselijke gemeente voert. En hoezeer het de Christelijke Gereformeerde Kerk met die afwijking ernst is, blijkt uit het derde artikel, waarin het Bestuur der Kerk verdeeld wordt over de Kerkeraden, de Classicale Vergaderingen, de Provinciale
1) Zie de op bl. 5 reeds door mij genoemde uitgave van H. de Cock.
28
Vergaderingen en de Algemeene Synode De volgende artikelen zijn geheel daarmede in overeenstemming. Ach! wat kan die booze „hiërarchiequot; zelfs aan de vrienden der Dordsche kerkorde toch parten spelen!
Maar wij zijn er nog niet. Er zijn nog bedenkelijker dingen te vermelden. In 1879 is een Algemeen Reglement op het beheer der goederen en fondsen voor de gemeenten der Christelijke Gereformeerde Kerk aangenomen, waarvan art. 1 aldus luidt: MElke Gemeente der Christelijke Gereformeerde Kerk, als zoodanig door het bevoegd Kerkbestuur naar de vigeerende Kerkorde erkend 1), is eigenares harer goederen en fondsenart. 6, al. 1 : „Leden van den kerkeraad, naar kerkorde afgetreden, in hunne bediening geschorst, of uit hun ambt ontzet2), onthouden zich van eenigerlei inmenging in het beheer van de goederen en fondsen;quot; art. 8: „De classis, waaronder de Gemeente ressorteert, heeft het recht inzage te vragen van de administratie der goederen en fondsen, die het eigendom der gemeente zijn.quot;
Niet te verwonderen, dat er op de synodale vergadering, waarop dit Reglement werd aangenomen, sommige leden waren, die er bezwaar in zagen „om het eigendomsrecht van de Gemeente op hare goederen voor altijd te verbinden van haar blijven in het Kerkverbandquot;2). Maar evenmin te verwonderen, dat „daartegen werd opgemerkt, dat daarin toch de meeste waarborg lag voor de voortdurende aanwending dier goederen in \'t belang van het doel, waartoe zij gegeven waren 2). Het laatste gevoelen heeft de overhand behouden. En al minder en minder blijkt de Christelijke Gereformeerde Kerk daarvan te willen afwijken.
I k spatieer.
Handelingen van de Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland gehouden van 19 tot 30 Augustus 1879 te Dordrecht, bl. 130—1Ó3.
29
Geen wonder dat de leiders der „Gereformeerde bewegingquot; dat offeren op het altaar der synodale hiërarchie niet alleen ten hoogste afkeuren, maar ook alle vereeniging met de Christelijke Gereformeerde Kerk voor onmogelijk houden, zoolang die aanstoot niet verwijderd wordt. Echter zijn zij vol vertrouwen, dat de groote overeenstemming, die er door de aanneming derzelfde Dordsche kerkorde bestaat, wel tot eene opheffing van het verschil leiden zal.
Ik hoop het van harte. Evenwel niet in den geest van de leiders der „Gereformeerde bewegingquot;, maar in den geest van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Niet zoozeer omdat deze de oudste brieven heeft, als wel omdat zij, vooral in de tegenwoordige omstandigheden, den meesten waarborg geeft tegen losbandigheid en willekeur. Het liefst zag ik natuurlijk, dat de vele gemeenteleden, die nu de dole erendequot; kerkeraden volgen, tot de Kerk, die zij verlaten hebben, terugkeerden. En zeer zou ik wenschen, dat onze Besturen dien terugkeer buiten noodzaak niet moeilijk maakten. Maar zoo die terugkeer niet geschiedt, dan hoop ik om hunnentwil, dat zij zich bij de Christelijke Gereformeerde Kerk zullen aansluiten. Alleen die Kerk heeft naast onze Nederlandsche Hervormde Kerk eene toekomst. En als zij bloeit, waarlijk, ik zal het niet met leede oogen aanzien. Zoozeer ik het betreuren zou, dat de Nederlandsche Hervormde Kerk, om hare zusterkerk te winnen, of eene hereeniging met haar mogelijk te maken, hare statuten in den geest der Dordsche kerkorde ging wijzigen, zoozeer wensch ik hartelijk, dat die zusterkerk steeds grooten invloed oefene op het zedelijke en godsdienstige leven van ons volk. Gelijk er duizenden zijn die zich in geene andere Kerk thuis gevoelen, dan in die, waarin de leertucht op de wijze van Dordt wordt gehandhaafd, zoo zijn er ook duizenden, die met mij zulk een terugkeeren op de oude paden voor hoogst schadelijk houden voor het geestelijke leven van ons volk, en daarom, in protestantschen geest voortbouwende op den grondslag door onze gereformeerde vaderen gelegd, geen ooren hebben voor iets, dat zweemt
30
naar een juk, dat ook die vaderen niet hebben kunnen dragen. Tegenover het „non-possumusquot; van de ééne zijde, staat het „non-possumusquot; van de andere zijde. Is het uittreden uit het synodaal kerkverband eene zaak des gewetens, niet minder is het eene zaak des gewetens, dat kerkverband met alle kracht te handhaven. Waarlijk, dat zoogenaamde vervolgen, dat aanklagen, schorsen en afzetten van „Gereformeerde broedersquot; is nog geen bewijs van gemis aan broederzin, geen bewijs dat een enghartig synodalisme de stem van den beteren mensch tot zwijgen brengt. De nood is ons opgelegd om de Kerk, die wij liefhebben, en van welke wij nog veel verwachten voor onze maatschappij en ons volk, voor ontbinding te bewaren. Men geloove het vrij, er zouden onder die „vervolgersquot; niet zoovele Orthodoxen zijn, en daaronder tal van besliste aanhangers van de „drie Formulierenquot;, als het niet in hunne zielen leefde: het moet. God wil het!
Maar moeten en willen wij nu, met de kracht, die God ons geeft, de vrijheden en rechten, die ons toekomen, handhaven, wij willen ons ook verblijden, als zij die, mede om des geloofs wil, niet meer met ons kunnen samenwerken, zulk een kerkelijk leven leiden, als het meest de komst van het Godsrijk kan bevorderen. Concurrentie kan ook op kerkelijk gebied gunstig werken, als zij maar niet in partij-ijver ontaardt. Eene Kerk, waarin de leertucht streng wordt gehandhaafd, mist veel wat haar voor de beschaafden en ontwikkelden tot eene Kerk maakt van onzen tijd; maar er zijn vele volkskringen waarin zij een uitnemende zegen kan wezen. Zoo ook moet eene Kerk die meer ruimte geeft aan de individualiteit, van menige illusie zich spenen; maar zij zal meer met onzen tijd medeleven, eene vriendelijke houding tegenover de wetenschap aannemen, en meer invloed hebben op den bloei van het maatschappelijk leven. Zoo kunnen zij elkander helpen en steunen.
Zal dit echter werkelijk de toekomst wezen, dat de Christelijke Gereformeerde Kerk in zielental en invloed toeneemt? Zullen dus de leiders der „Gereformeerde bewegingquot; over de
31
genoemde bezwaren heenstappen, en hun eigenaardig kerkbegrip opgeven? Dat nooit — zeggen zij. En wij verwachten ook, dat zij zich daaraan houden zullen. Zij zouden al eene droevige figuur maken, als zij op dit cardinale punt toegaven.
Maar wat dan? Zal de Christelijke Gereformeerde Kerk een anderen weg gaan bewandelen, dan dien zij sedert 1869 heeft betreden ? Geloove wie het wil. De Christelijke Gereformeerde Kerk zal zich wel tienmaal bedenken, voor dat zij den band, die de gemeenten aan elkander verbindt, verbreekt, en alzoo de orde doet plaats maken voor de anarchie. Reeds zijn er onder hare leeraren, die zich met beslistheid in dien geest hebben uitgelaten.
Zoo zal dan, als de „doleerendequot; gemeenten zich aan hare leidslieden houden, het ijzeren juk, waarvan ik boven sprak, op haar, op de minderheden in hare kerkeraden, en vooral op hare predikanten blijven rusten. Op den zoeten droom der vrijheid zal een droevig ontwaken volgen.
Maar — is het zoo zeker, dat zij hare leidslieden zullen blijven volgen ? Boven schreef ik, dat er drieërlei mogelijkheid was voor de „doleerendequot; gemeenten, namelijk van zich te maken tot vrije gemeenten, of terug te keeren tot de Nederlandsche Hervormde Kerk, of over te gaan tot de Christelijke Gereformeerde Kerk. Voor het meerendeel geloof ik, dat zij den laatsten stap zullen doen. Tegenover de tientallen, die dweepen met zulke los samenhangende Kerken, staan de honderd- en duizendtallen, wien het volmaakt onverschillig is, onder welk Reglement zij leven, als zij maar leven in eene Kerk, waarin de oude leer wordt gepredikt, en de oude tucht wordt gehandhaafd. Dat is het juist, wat hen in de Christelijke Gereformeerde Kerk aantrekt. En het is alleen de natuurlijke gehechtheid aan de Kerk, waarin zij geboren zyn, die hen zoo lang van de afscheiding heeft teruggehouden. Nu hun echter wordt diets gemaakt, dat zij in de Kerk hunner Yaderen blijven kunnen, terwijl zij de Reglementen der Kerk verwerpen, en de door die Kerk afgezette predikanten volgen, nu doen zij met een gerust geweten, wat hun
32
vroeger tegen de borst stuitte. Lang zal echter die zelfver blinding niet duren. quot;Weldra zal het dubbelzinnige, het oneer lijke van dat standpunt openbaar worden. Dan zal wellich bij menigeen de liefde voor de verlatene Kerk weer boven komen. Maar zoo niet, dan wendt men het oog naar de Christelijke Gereformeerde Kerk, waar men vindt wat men zoekt. Het verwante kan niet op den duur gescheiden blijven. Wa bij elkander behoort, moet eindelijk vereenigd worden. De tegenzin der predikanten tegen een beboeren tot de zoogenaamde ,Afgescheidenenquot; heeft geen reden. Waar zij thuia behooren, daar moeten zij ook hun te huis vinden. Zóó alleen zullen zij dan ook vrij blijven van het ijzeren juk van willekeur en anarchie.