-ocr page 1-

L

HET

Besluit der Synode,

IN ZAKE DE

BELIJDENIS-VRAGEN.

GODSDIENSTIGE VOLKSVOORLEZING.

gehouden In Musis Sacrum, SI November 1S70 .

DOOU

H. V. HO OER ZEIL,

Predikant te Arnhem.

ARNHEM. J. VV. amp; C. F. SWAAN. 1876.

-ocr page 2-

Letterlijk het gesprokene teruggeven , kan ik niet. Ik heb mijne aanteekeningen zoo trouw mogelijk uitgewerkt. Men zal licht een en ander vinden, wat ik niet of anders gezegd, en vergeefs zoeken, wat ik wel gezegd heb. Doch dit doel; weinig ter zake. In de hoofdzaak komt het gesprokene op het volgende neer. Ik voldoe door de uitgave gaarne aan het verzoek van velen, die mij uit gebrek aan plaats niet hebben kunnen hooren.

H.

-ocr page 3-

Geachte Hoorders en Hoorderessen l

Eerlijk gesproken, ik heb zeer geaarzeld. of ik deze bijeenkomst zoude aankondigen. Gij kunt vermoeden waarom. Voor een paar weken is hetzelfde onderwerp door mijn collega. Dr. Slotemaker, behandeld; en nu krijgt het al den schijn of ik tegen hem wil optreden. Niet dat ik een dergelijken kamp met hem zoude willen ontwijken: want ik geloof, dat wij beiden hem op humane wijze zouden voeren; maar zulk een strijd tusschen twee predikanten in dezelfde gemeente heeft toch zijne eigenaardige bezwaren. Hij wekt zoo licht eene zekere agitatie, welke voor den geestelijken wasdom der gemeente weinig bevorderlijk is; van een strijd voor de waarheid, ontaardt hij zoo spoedig in een onvruchtbaren partijstrijd; wat eene quaestie van beginsel is. wordt al gauw beschouwd en besproken als de zaak van mijnheer A en mijnheer B. En daarvoor is het onderwerp, hetwelk vele hoofden en harten in onze Kerk bezig houdt en waarover

-ocr page 4-

ik tot u wil spreken, veel te ernstig. Maar juist die ernst heeft mij ook bewogen, om over dit bezwaar heen te stappen. Het besluit der Synode in zake de belijdenisvragen, zoo heb ik mij zeiven gezegd, wordt door de modernen in dagbladartikelen, vlugschriften, advertentiën, volksvoorlezingen, ja op allerlei wijze, druk besproken; mogen wij zwijgen, alsof tegen hunne voorstellingen niets te zeggen is? Is het geen plicht om uit te spreken, waar het in deze quaestie op aankomt en met nadruk te waarschuwen, tegen wat naar onze overtuiging op den ondergang der Kerk moet uit-loopen ? En nu kan men wel zeggen: »Och het geeft toch niets. De modernen overtuigen de orthodoxen en de orthodoxen de modernen niet. Wie orthodox zijn, gaan met u mede; en die modern zijn, blijven tegenover u staan. Beeld u niet in, dat gij iemand zult overtuigen.quot; Ja, als de zaak zoo wanhopig staat, is alle spreken te vergeefs; dan, zou ik bijna zeggen, zijn onze toestanden het bespreken niet meer waard; maar houden wij dan ook den mond over liefde tot de waarheid, over onpartijdig onderzoek, over recht en vrijheid. Dat zijn dan groote woorden, holle phrasen. Ik ben gelukkig te weinig pessimist om te mee-nen, dat wij al zoo ver zijn gekomen. De waarheid verliest nooit hare kracht.

Daarom acht ik het plicht, om ook van ons standpunt op deze neutrale plaats — het schijnt toch dat ook gebouwen modern of orthodox kunnen worden — het jongste besluit der Synode in zake de belijdenisvragen te bespreken. En is dit nu niet zóó te doen, dat het genoemde bezwaar wordt vermeden ? Mij dunkt van ja; althans ik wil het beproeven.

-ocr page 5-

Het beste zal wezen om alles, wat de aandacht van de hoofdzaak kan afleiden, stil te laten rusten. Daar is veel over de Synode gesproken, laten wij spreken over haar besluit. Of men van de tegenwoordige Synode zulk eene beslissing had kunnen verwachten, wil ik niet beoordeelen. Het Zondagsblad van «De Standaardquot; verblijdt zich over den uitslag, maar is niet volkomen gerust. Het haalt een bekenden versregel aan, welke hierop neerkomt: »Ik ben altijd huiverig voor geschenken, wanneer die van zekere zijde komen.quot; De geschiedenis van onze Kerk in de laatste jaren, verklaart en rechtvaardigt die vrees. De modernen hebben de mannen van de middenpartij. die in de Synode van dit jaar den doorslag hebben gegeven, harde dingen verweten en duchtig doorgehaald. Dit acht ik onbillijk. Tot nog toe heeft deze partij het bovennatuurlijke karakter van het Christendom vastgehouden; en het is hun niet euvel te duiden, dat zij voor de altijd driestere eischen der modernen terug deinzen. Doch houden wij ons daarbij niet op. Niet de Synode, maar haar besluit is ons onderwerp. Van het bijkomstige moeten wij tot het algemeene, het principieele komen. En dat wel zonder hartstocht, want in overdrijving ligt nooit kracht.

In twee stellingen vat ik samen, wat ik u te zeggen heb. De modernen hebben ons willen plaatsen, waarvoor zij nu staan. Tegenover hun: » Wij kunnen niet,quot; staat ons: » Wij kunnen niet.quot; Dit is mijne eerste stelling; en de tweede: de Synode, gebonden door het karakter van onze Kerk, heeft niet anders kunnen en mogen handelen. Natuurlijk begin ik met de eerste.

Bij wat er in de Synode van dit jaar gebeurd is, be-

-ocr page 6-

6

hoef ik niet lang stil te staan. Ik kan het als bekend Ds

onderstellen. In \'t kort komt het hierop ueêr. De zij

Nederlandsche Hervormde Kerk schrijft in art. 39 van va

het Reglement op het Godsdienst-onderwijs, bij de he- Di

vestiging van lidmaten , deze drie vragen voor: oc

»Belijdt gij te fjelooven in God den Vader, den Al- P

mag tig en Schepper des hemels en der aarde, en in C

Jezus Christus, zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heer, d\'

en in den Heiligen Geest 9 gi

ygt;Zijt gij des zins en willens hij deze belijdenis door li

Gods genade te volharden, de zonde te verzaken, te o

streven naar heiligmaking, en uwen Heiland in voor- d

spoed en tegenspoed, in leven en in sterven getrouw v

te volgen , gelijk aan zijne ware belijders betaamt? s

»Belooft gij tot den bloei van het Godsrijk in hel c

algemeen, en van de Nederlandsche Hervormde Kerk in I

het bijzonder, met opvolging van hare verordeningen, f

naar uw vermogen volijverig mede te werken?quot; i

Vele moderne predikanten, waartoe het gebeurde /

met ds. Hooijkaas Herderscheê te Nijmegen inzonderheid aanleiding heeft gegeven, hebben zich tot de Synode gewend, met het dringende verzoek, deze vragen vrij te laten of te wijzigen. Na lange beraadslagingen is haar antwoord geweest: wij laten art. 39 van het reglement op het godsdienst-onderwijs onveranderd. Dit antwoord heeft, gelijk bekend is, een geduchten storm verwekt.

Oppervlakkig geoordeeld, moet dit bevreemden. De Synode heeft niets veranderd, maar alles bij het oude gelaten. Wanneer men hoort, hoe de modernen er zich over uitlaten, dan krijgt men een gansch anderen indruk. Ik heb hier voor mij eene advertentie van

-ocr page 7-

Ds. J. P. de Keyser en Dr. L. H. Slotemaker, waarbij zij hunne geestverwanten oproepen tot onderteekening van adressen aan de Synode en de Synodale Commissie. Daarin komt het volgende voor: vEven als wij, acht ook gij die besluiten strijdig met de beginselen van het Protestantisnius, met den geest van het oorspronkelijk Christendom; strekkende tot invoering van formulier-dwang; verkortende uiue rechten; belemmerend het godsdienstig leven uwer kinderen. Immers eene belijdenis — ook de beste — van leerstelligen inhoud, opgelegd, opgedrongen door kerkelijk gezag, miskent de vrijheid van den Protestant, drukt de vroomheid van den Christen, bedreigt het godsdienstig leven met stilstand, kwijning, verderf. Tegenover dien geloofsdwang hebben wij het onze gedaan; met meer dan honderd ambtgenooten hebben wij aan de Synode verklaard: Wij kunnen niet; het geweten verbiedt ons te gehoorzamen. Meer kunnen wij niet doen. Maar gij kunt nog veel doen. Aan u is het nu te verklaren: Wij willen geen formulierdwang; wij willen niet, dat met kerkelijk gezag ons eene geloofsbelijdenis worde opgedrongen , die niet de uitdrukking is van onze eigene overtuiging; wij willen niet, dat in onze Evangelisch-vrije Kerk het dorre leerstuk gesteld worde, in plaats van het levend beginsel; wij willen niet, dat onze kinderen in een der heiligste uren van hun leven door eene opgedrongene belijdenis tot huichelarij verzocht worden. Wij vorderen ons recht, wij eischen godsdienstvrijheid.quot;

Wanneer men dit onder de oogen krijgt, moet men dan niet denken, dat ik weet niet wat, is gebeurd; dat een geest van inquisitie zich van onze Synode heeft

-ocr page 8-

8

meester gemaakt, welke het ergste doet vreezen? Forraulierdwang, geloofsdwang, de godsdienstvrijheid in gevaar, waarlijk het is geen kleinigheid. Maar welke scherpe resolutie is er dan toch door de Synode van dit jaar uitgevaardigd, welke liet gebruik van zulke groote woorden rechtvaardigt ? Daar is niets gebeurd. Zoolang er in de Nederlandsche Hervormde Kerk is aangenomen en bevestigd geworden, zijn ei1 vragen gedaan, welke bij de wet waren voorgeschreven. De tegenwoordige redactie dagteekent van het jaar 1864. Men moet dus niet zeggen: de Synode van dit jaar heeft ze verplichtend gemaakt. Dat zijn ze altijd geweest. Iedere predikant, —men heeft het regiement op het godsdienstonderwijs maar even in te zien,— kon en moest dit weten. Aan art. 39 is door de Synode van dit jaar geen enkel woord toegevoegd. Zooals het nu voor ons ligt, bestaat het sints jaren. Wat spreekt men dan, alsof wij nu met den verschrikkelijksten formulier dwang bedreigd worden? Dat had men dan al voor jaren kunnen roepen.

))Ja. zegt men, naar de letter is alles wel bij het oude gebleven, maar er is toch veel veranderd. Tot nog toe deed iedereen met die vragen, wat hij verkoos. Zij waren wel verplichtend bij de wet voorgeschreven, maar men hield zich daar niet aan. Men lichtte op dit punt eenvoudig de hand met de kerkelijke wet, en wijzigde haar naar goedvinden. Do^h nü gaat dit niet meer.quot; Ik moet eerlijk bekennen, dat deze redenering een pijnlijken indruk op mij maakt. Hoe ellendig moeten toch onze kerkelijke toestanden zijn, dat zoo iets mogelijk is! Wij predikanten beloven plechtig als wij onze betrekking aanvaarden, dat

-ocr page 9-

9

wij ons aan de kerkelijke reglementen onderwerpen en ze zullen handhaven. En op een der belangrijkste punten, de toetreding dei1 gedoopten als lidmaten tot de Kerk, veroorloven wij ons er mede om te springen, gelijk wij verkiezen. Op welk ander gebied zoude zoo iets kunnen voorkomen. en een oogenblik worden geduld? quot;Waarlijk wij doen beter, het prestige dei-Kerk is toch al niet groot in onzen tijd, met er niet meer van te spreken- Neen, dan duizendmaal beter een mannelijk protest: «Ik kan die vragen niet doen; wijzigt ze, of gij dwingt mij heen te gaan.quot; En zoo ik mij niet bedrieg, is dit een der lichtzijden van den strijd, waartoe de synodale beslissing aanleiding geeft , dat hij onze toestanden meer waar kan maken. D\'. Kuyper heeft voor eenige jaren gesproken over de leugen in de Kerk. Vriend noch vijand is door hem gespaard. Ja, daar is eene onwaarheid in onze kerkelijke toestanden , waarvoor ik niet gaarne ééne richting uitsluitend verantwoordelijk zou willen stellen: maar waarover wij ons allen diep voor God moeten verootmoedigen, en die mei alle kracht moet bestreden worden. Daarom juich ik den tegenwoordigen strijd toe, in de hoop dat hij ons een stap verder zal brengen. Maar dan moeten wij ook beginnen met de dingen te nemen, zooals ze werkelijk zijn. Dan moeten wij niet spreken van formulierdwang, geloofsdwang enz., alsof de Synode van dit jaar, ik weet niet welk besluit had genomen. Velen die nu ijveren tegen de bekende vragen, hebben er zelf éénmaal Amen opgezegd. Men kan tot eene andere overtuiging komen, zoodat men het moet terugnemen; maar dat dit dan zonder ge-druisch, met heiligen ernst geschiede. Zoodra men.

i

-ocr page 10-

10

door allerlei groote woorden te gebruiken, gaat over- Ik

drijven, doet men zijne eigene zaak het meeste schade. w:

))Nu toegegeven, zoo zegt men, dat de Synode van da

dit jaar niets heeft veranderd: maar is het toch niet dc

ellendig, dat wij zulk een artikel in onze kerkelijke di

reglementen hebben? Het verkort onze rechten; het h(

belemmert het godsdienstig leven onzer kinderen; het d(

miskent de vrijheid van den Protestant; het drukt d(

de vroomheid van den Christen; het is onder geenerlei k;

voorwaarden langer te dulden.quot; Laten wij kalm blijven. di

Dit alles klinkt wel forsch, maar is het juist? Ik a

zou er mijne eerste stelling tegenover willen plaatsen: n

de modernen hebben ons willen plaatsen. waarvoor zij o

nu staan. Tegenover hun: «Wij kunnen nietquot; staat v

ons: »Wij kunnen niet.quot; k

Wat wil men ? De bestaande vragen moeten afge- v

schaft worden. Goed: maai\' wat dan? Niets. Doch ï

is het dan niet beter om de gansche aanneming en \\

bevestiging af te schallen? Men zou dan om lid van I

onze Kerk te worden, eenvoudig zijn naam, en meer \\

niet. hebben op te geven. Hoogstens zou men een examen a

kunnen vorderen, om te onderzoeken wat men van i

het Christendom af weet. Iedereen gevoelt, dit gaat (

niet. Wat zou dat voor eene Kerk worden! Als lidmaat krijgt men rechten, maar neemt men toch ook verplichtingen op zich. Altijd zal er eene voorwaarde moeten vaststaan, waaraan het lidmaatschap verbonden wordt. Ik geloof, dat bijna iedereen dit zal toegeven. Niets, dit gaat dus niet. Schaft art. 39 af, maar dan moet er iets anders voor in de plaats komen.

Wat? Ja daar komt het juist op aan. Kan dit aan de wijsheid van iederen predikant overgelaten worden ?

-ocr page 11-

11

Ik zou het zeer gevaarlijk vinden. Sommigen meenet!, wanneer de Synode de vragen in art. 30 facultatief stelde, dan was de moeilijkheid opgelost. Wie de vragen nog doen wil, die kan ze doen; en wie ze niet kan doen, die laat ze weg. Dus iederen predikant volkomen vrijheid? Maar dan kom ik voor het recht en de vrijheid der Gemeente op. Zulk eene willekeur is in strijd met de vrijheid van den Protestant. Verbeeldt u : wij predikanten zouden het recht hebben uwe kinderen, in een der heiligste uren van hun leven, naar onze verkiezing allerlei vragen voor te leggen. Maar dat kunt gij immers niet dulden ? Tegen zulk een klerikalisme moeten wij ons wapenen. Er is /eervrijheid, laat er geen vraag-vrijheid bij komen. Als ik onder eene preek zit, dan kan ik wegwerpen wat mij niet bevalt: maai\'op zulke vragen wordt het Amen van onze kinderen gevraagd. En zegt nu niet: «de predikanten zullen de vragen wel inrichten naar de behoeften van hunne omgeving.quot; Ik geloof niet, dat wij predikanten op dit punt gaarne voor elkander zouden instaan. Men zou zich op allerlei verrassingen, zoowel van orthodoxe als moderne zijde, moeten voorbereiden. En wat blijft er over van het denkbeeld Kerk. indien het aan de predikanten vrijstaat om de voorwaarden te bepalen, waarop men lidmaat kan worden ? Hier zou dit, en daar wat anders geëischt worden. De vragen zouden om de drie maanden kunnen variëeren. \'t Is immers te dwaas om er over te spreken. Laat het vrij, o dat klinkt zoo schoon, maar het loopt uit op de tyrannic van de willekeur.

Van modernen kant is dit ook gevoeld. Zulk eene vrijheid , ook daar stemt men het toe, neen, dat gaat

--

J

-ocr page 12-

12

niet. Daar moet iets vaststaan, waaraan het lidmaat- rei

schap voor de Nederlandsche Hervormde Kerk ver- ve\',

bonden wordt. Op verschillende wijzen heeft men in de

modernen geest dit pogen te omschrijven. Dus wel va

een art. 39 . maar in een anderen geest. Doch nu vraag oo

ik; Wil men dit, met welk recht spreekt men dan ™

toch van formulierdwang ? Heb ik geen gelijk met te we

beweren. dat de modernen ons hebben willen plaat- en

sen. waarvoor zij nu staan? Oordeelt zeiven. Op dit hc

punt stemmen de meeste modernen en orthodoxen ee

overeen: beiden willen het lidmaatschap aan eene flo

voorwaarde verbonden hebben. De orthodoxen willen oc

vragen, de modernen ook; de eersten stellen een of

grenslijn, de laatsten ook. Maar hoe kan men dan te- di

genover ons orthodoxen spreken van geloofsdwang ? Gij or

kunt u in onze vragen niet vinden. omdat zij in strijd or

zijn met uwe moderne wereldbeschouwing. Maar \'t staat Kj

gelijk. Wij kunnen ons in uwe vragen niet vinden, st

omdat zij in strijd zijn met onze christelijke wereld- lt;1(

beschouwing. Wanneer gij ons beschuldigt, met het in

oog op de bestaande voorwaarde, van formulier- zc

dwang, kunnen wij, met het oog op wat gij wilt. die w

beschuldiging eenvoudig omkeeren. d\'

Maar, zegt rnen: ))De modernen stellen de grenzen veel elt; ruimer.quot; Ruimer? dat zal te bezien staan. De mo-

dernen kunnen niet door de poort, welke wij open elt;

houden. Dat begrijp ik. Maar wij orthodoxen kunnen V

ook niet door de poort, welke zij open houden. Dat n

zullen zij ook begrijpen. Is onze poort hun te eng, is

de hunne is het ons. t(

»Maar de vragen in art 39 zijn zoo dogmatisch.quot; Zijn E

dat die der modernen niet ? Gaarne willen wij ze hoo- v

-ocr page 13-

1

43

ren. Kiest men eene formule als deze, daf men zich verbindt om iu den geest van Jezus het doel der Ne-derlandsche Hervormde Kerk, namelijk de uitbreiding van het Godsrijk, te bevorderen; mij dunkt daar zit ook nog al dogmatiek in. Laten wij toch niet schermen met woorden. Dogmatisch. dat is een leelijk woord , wanneer er mede bedoeld wordt, dat men belijdenis en leven van elkander scheidt; de godsdienst in het hoofd, en niet in het hart; wat men heet te gelooven een dor stelsel, maar geen leven in de ziel. Zulk een dogmatist kan men zijn met een lijvig boekdeel, maar ook met eene dogmatiek zóó groot, dat men haar wel op een stuivertje kan schrijven. Zulke dogmatisten, die den Godsdienst in het hoofd plaatsen, heeft men onder alle richtingen. zoowei onder de modernen als onder de orthodoxen. Doch nu vraag ik u onpartijdig; Kan dit als eene beschuldiging gelden tegen de bestaande vragen? Onderstellen niet juist die vragen de éénheid van belijdenis en leven? Is er niet een innig verband tusschen de eerste en tweede vraag, zoodat, wat men in de eerste belijdt, als de kracht wordt beschouwd tot het vrome leven, waarvan in de tweede gesproken wordt ? Willen deze vragen een dor leerstelsel opleggen , waaronder het leven des harten bevriest, of dragen zij niet het karakter eener levende belijdenis? Nu kan men wel beweren: Wij gelooven niet aan dat verband, en wij verwachten niets van zulk eene belijdenis; — op modern standpunt is dit zeer begrijpelijk; — maar men heeft geen recht tot de beschuldiging, dat met deze vragen «in onze Evangelischvrije Kerk het dorre leerstuk gesteld wordt in plaats van het levende beginsel.quot; Ik zou zeg-

-ocr page 14-

14

gen: het karakter dezer vragen is juist van dien or

aard, dat hem. die er een dor leerstuk in leest, ver- P£

hoden wordt, om er ja op te antwoorden. dj

Ik kan het nog niet vatten, dat de Synode van dit

jaar door art. 39 te laten, zooals het altijd geweest is, V1

de godsdienstvrijheid heeft aangetast. Eene belijde- V(:

nis opdringen, daar is immers geen sprake van. Door

zulk een kerkelijk gezag zich aan te matigen, zou zij h(

zich eenvoudig belachelijk hebben gemaakt. Waar zoude amp;

zij de macht aan ontleenen om het te handhaven? 61

Doch wij hebben daar niet van te spreken. Het staat oi

in onze Kerk er zoo mee, dat niemand kan gedwon- ei

gen worden . om lidmaat te worden. Kan men, om Zi

welke redenen ook, op de voorgeschrevene vragen w niet antwoorden, men is volkomen vrij, om het niet te doen.

«Schoone vrijheidquot;, zoo roept men uit, «welke daarop A

voor ons uitloopt, dat wij gedwongen worden de Kerk d

te verlaten. Geen modern kan deze vragen doen. en is

worden ze gehandhaafd, dan is dit ons vooruitzicht.quot; d

Maar wilt gij, modernen, ons niet plaatsen, waarvoor t(

gij zelf staat ? Keer het geval eens om. Gesteld art. 39 d

wordt in uw geest veranderd, wat moeten wij dan w doen? Het verbaast mij, dat men van modernen kant

zich geen oogenblik ernstig voor deze vraag heeft si

geplaatst. De toon, waarop de Synodale beslissing s

besproken wordt, zou dan geheel anders zijn. Drij- o

ven onze vragen de modernen de Kerk uit, de hunne g

zullen het ons doen. Of moeten wij eene dubbelzinnige z

formule gaan zoeken, waarop iedere richting ja kan n

antwoorden. «Geen dubbelzinnige formule,quot; zegt pro- z

fessor Rauwenhoff in zijne bekende brochure, ))kan n

-ocr page 15-

45

n ons helpen , geen compromis tusschen de verschillende partijen kan worden toegelaten.quot; Uitnemend: willen dat de modernen niet, wij evenmin.

it «Maar is het toch niet droevigquot;, zoo heeft men ge-

;, vraagd , »dat een modern jongeling, wiens hart gloeit

i- voor godsdienst en zedelijkheid, om zulke vragen zich r van onze Kerk moet afwenden ? Zijn geweten verbiedt

j hem om ze te beantwoorden.quot; En wanneer gij modernen

e gelijk krijgt, kunnen wij het omgekeerde ons dan niet

? even goed denken? Is het niet droevig, dat een

t orthodoxe jongeling, wiens hart gloeit voor godsdienst

en zedelijkheid, zich van de Kerk moet afwenden ? ti Zijn geweten verbiedt hem uwe vragen te beant-

i woorden.

t Hoe ik het ook beschouw, altijd kom ik tot deze

slotsom: de modernen willen ons plaatsen , waarvoor a zij nu staan. Ik wil hen daarover niet hard vallen,

c de macht van hun beginsel brengt dit mede; maar hoe

i is het toch mogelijk, zoo blijf ik vragen, wanneer men

de menigte niet wil opzweepen , zulke groote woorden r te gebruiken als formulierdwang, geloofsdwang, enz.,

} daar, wat men begeert en eischt, op hetzelfde uitloopt,

i wat men in anderen veroordeelt ?

t Ik geloof, wanneer men onpartijdig de zaak be-

t schouwt, dat men dit moet toegeven. De tegenwoordige j strijd brengt duidelijk aan het licht, hoe verward

onze kerkelijke toestanden zijn. De verschillende beginselen staan lijnrecht tegenover elkander, en waar zij zich doen gelden, moet het tot eene botsing komen. Wij kunnen daaraan niet ontkomen. Eene dubbelzinnige formule, gelijk ik zoo even opmerkte, zou beneden den ernst en de waardigheid van den strijd zijn.

-ocr page 16-

16

Ik hoop, dat eene buitengewone Synode, als zij samen wa!

komt, er niet aan denken zal, om zich daartoe te Kei

leenen. Doch wij hebben ons daar nog niet in te ver- de

diepen. (*) Art. 39 van het Reglement op het Gods- ter

dienstonderwijs is voorloopig onveranderd gebleven. wa

De modernen roepen daar wraak over. Ik meen be- kaï

wezen te hebben, dat wanneer het in hunne macht Ud

had gestaan, zij ons zouden hebben geplaatst, waar- kaï

voor zij nu staan. Voor hun: «Wij kunnen nietquot;, Va

moeten wij eerbied hebben; maar dit mogen wij dan hei

ook voor ons: «Wij kunnen nietquot; van hen vragen. aa

ge

Ik verwacht nu deze vraag; «Maar waarom krijgt

gijlieden gelijk, en worden wij modernen teleurge- bc

steld? Misschien is het juist, en zouden de orthodoxen, te,

wanneer wij onzen wensch verkregen hadden, in groote re

moeilijkheid zijn gekomen. Doch waarom moeten nu oc

wij juist het kind van de rekening zijn? Kan eene is

Synode naar willekeur hare gunsten uitdeelen?quot; di

Op die vraag wil ik door de ontwikkeling van mijne

tweede stelling antwoorden: vDe Synode, gebonden d(

door het karakter van onze Kerk, heeft niet anders h:

kunnen en mogen handelen.quot; zi

De vraag, welke ons tot de tweede stelling brengt, b

ligt voor de hand. Gaat men af op den indruk van s1

menig artikel, dat over de aanhangige quaestie ge- g

schreven is, dan heeft de Synode de modernen een p

groot onrecht aangedaan. Zij had hunne bezwaren Z

behooren weg te nemen. Laten wij zien, of die er- v

gernis billijk is. h

Wat geldt hier? De macht van den sterkste? Dan d

{*) M u is \'t beslist, dat zij uiet komt (1 Dec.) ^

-ocr page 17-

17

was ik liever overwonnen dan overwinnaar. Van eene Kerk, waarin geen hooger beginsel heerscht, is voor de zaak der waarheid en der vrijheid niets te verwachten. Van eene numerieke meerderheid hangt dan af, wat in haar als waarheid zal gelden, \'t Wordt eene kansberekening; eene lichte ongesteldheid van een lid der Synode, zoodat zijn secundus moet opkomen, kan de schaal naar een anderen kant doen overslaan. Van daag behaalt deze, morgen gene partij de meerderheid. Is er geen hooger beginsel, dan schaar ik mij aan de zijde der modernen en geef ik hun terstond gelijk.

Maar er is een hooger beginsel. De Synode is gebonden door het karakter van de Kerk, die zij vertegenwoordigt. Daarmede moet zij in de eerste plaats rekenen. Bij geen barer besluiten mag zij uit het oog verliezen, dat de Kerk eene belijdenis heeft. Dat is haar objectieve maatstaf. Laat ik hier even wat dieper mogen ingaan.

Eene Kerk moet eene belijdenis hebben. Die belijdenis moet uitdrukken, wat zij wil zijn, en hoe zij haar doel hoopt te bereiken. In die belijdenis spreekt zij haar raison d\'être uit. Tot welke richting wij ook behooren, mij dunkt hierover kan geen verschil bestaan. Noemt de Kerk — eene definitie die ik niet gaarne als de beste zou verdedigen — eene maatschappij tot bevordering van godsdienstig en zedelijk leven. Zij zal dit haar karakter altijd op de eene of andere wijze moeten uitdrukken. Gelijk iedere vereeniging hare statuten heeft, zoo heeft eene Kerk hare belijdenis. En het recht daartoe mag niemand haar betwisten. Alleen dan loopt de gewetensvrijheid gevaar,

-ocr page 18-

18

wanneer zij hare belijdenis met eene sterke hand wil dei opleggen. Dat mag geen oogenblik worden geduld. dei Eene Kerk heeft het recht, om wat zij voor waarheid de houdt, tot hare belijdenis testellen; maar ik moet vol- feu komen vrij blijven om die belijdenis te kunnen wei- W geren. Eerbiedigt zij die vrijheid niet, wil zij mij re( dwingen, dan zet zij den voet op den weg der gehate Ke inquisitie. Kwam het in het vrije Nederland ooit zoo- bo ver, wij zonden zonder onderscheid allen elkander he te wapen moeten roepen en steunen. Maar voor zoover mij bekend is. denkt de Synode der Nederlandsche W( Hervormde Kerk aan dien «geloofsdwangquot; nog niet. ho Wijd open staat de poort van onze Kerk, voor wie sc] haar willen binnentreden, maar ook voor wie haar af wenschen te verlaten. Eene kerk heeft het onbetwist- Ai bare recht eene belijdenis te hebben, maar deze lai mag niemand opgedrongen worden ; dit, meen ik, is va de Protestantsche vrijheid. be Zoodra nu eene kerk in strijd met hare belijdenis K handelt, tast zij haar eigen leven aan. Houdt gij die ni belijdenis voor eene leugen, weest dan niet zoo dwaas K om u bij haar aan te sluiten, maar gaat buiten haar ai staan, en bestrijdt haar met alle eerlijke wapenen, w welke u ten dienste staan. Ligt in die belijdenis eene st eeuwige waarheid, — want het stationaire is nooit een re ideaal — dan moet zij altijd dieper opgevat en steeds v( ruimer toegepast worden. Iedere ontwikkeling echter, ix en anders mag men dit woord niet gebruiken, moet ic liggen op de lijn der belijdenis. Maar eischt nooit h van eene kerk, dat zij zal doen, alsof zij geene belijde- n nis had. Het kan zijn, dat er eene periode in hare L geschiedenis komt, waarin de meerderheid harer le- d

-ocr page 19-

49

den zich van die belijdenis afkeert. Dan is de minderheid , die er aan vasthoudt, in haar recht. Als de meerderheid ei\' toe kwam de belijdenis af te schaffen, zou dit eene daad des ge weids moeten heeten. Wilt gij dit niet toestemmen, dan proclameert gij het recht van den sterkste als het hoogste beginsel in de Kerk. Maar wie zou dit willen ? Eene kerk is gebonden door hare belijdenis; voor de ware vrijheid is het noodig, ook dit in het oog te houden.

Dit in het algemeen. Is het opgemerkte juist, dan wordt het duidelijk, waaraan de Synode zich had te houden. In hare besluiten mag geen willekeur heer-schen. Niet van eene toevallige meerderheid mag het afhangen, in welke richting onze Kerk zal voortgaan. Aan geen gunst of ongunst mag de beslissing overgelaten worden. De Synode is gebonden door het karakter van onze Kerk. Dat karakter spreekt zij uit in hare belijdenis. Voor wie met de geschiedenis van onze Kerk bekend is, behoeft dit geen betoog. En zegt men nu: »dat behoort tot het verleden; wij hebben nu eene Kerk zonder belijdenisquot;, dan neem ik de vrijheid naar art. XI van het Algemeen Reglement te verwijzen , waarin de handhaving der leer aan alle kerkelijke besturen wordt opgedragen. Dit artikel, — hetwelk men reeds dikwijls uit onze reglementen heeft pogen te verwijderen en waarmede men beginnen moet . wanneer men onze Kerk tot eene kerk wil maken, waar binnen iedere richting recht van bestaan heeft, — spreekt, wil het iets beteekenen, duidelijk uit, dat de belijdenis nog niet is afgeschaft. En dit is het eenige niet. Laat ik u iets mogen voorlezen. van hetgeen wij predikanten, wanneer wij tot d6 bediening worden toe-

-ocr page 20-

20

gelaten, plechtig beloven en onderteekenen. In art. 27 van het Reglement op het Examen ter toelating tot de Evangelie-bediening, komt het volgende voor:

» Wij onderschrevenen, verklaren bij deze opredde-lijk . dat wij naar het grondbeginsel der Christelijke Kerk in \'t algemeen en der Hervormde in \'t hijzonder, Gods heilig Woord in de Schriften des Ouden en Niemuen Verhonds verval, van ganscher harte aannemen en oprechtelijk gelooven; dat wij des zins en willens zijn den geest en de hoofdzaak der leer, welke in de aangenomen formulieren van éénigheid der Nederlandsch Hervormde Kerk begrepen is, getrouwelijk te handhaven; dat wij mitsdien den ganschen raad Gods, inzonderheid zijne genade in Jezus Christus als den éénigen grond der zaligheid ernstig en van harte, naar de gave ons geschonken, aan de gemeente zullen verkondigen.quot;

Eene Kerk, die zulk eene verklaring van hare toekomstige predikanten vergt, kan waarlijk geen Kerk zonder belijdenis heeten. In het voorbijgaan moet ik even opmerken, dat het mij onbegrijpelijk is, dat men op modern standpunt zoo iets kan onderteekenen. Vele predikanten maken bezwaar om de voorgeschreven vragen in art. 39 aan hunne leerlingen voor te leggen en aan de oprechtheid van hun; »Wij kunnen niet!quot; wensch ik geen oogenblik te twijfelen. Doch hoe maakt men het dan met deze verklaring, welke toch vrij wat meer inhoudt dan genoemde vragen? Men zal, dunkt mij, nu men zich eenmaal op deze wijze heeft uitgesproken , nog een stap verder moeten gaan, door ridderlijk aan de Synode te verklaren: »Wij nemen onze plechtige belofte terug en achten er

-ocr page 21-

24

ons op geenerlei wijze meer rioor gebonden quot; Zoolang men dat niet doet, leeft men onder de verplichting om haar te houden.

Doch verliezen wij onze tweede stelling niet uit het oog. Met wat ik zoo even heb aangehaald, geloof ik duidelijk bewezen te hebben. dat onze Kerk nog eene belijdenis heeft. En staat dit vast, hoe kan men dan van de Synode eischen, dat zij haar eenvoudig op zijde zal zetten ? Gij kunt er u niet in vinden ? eilieve dat is de vraag niet; hier komt het op aan, of de Synode niet door haar gebonden is? Kan de Synode de eischen der modernen inwilligen, zonder het karakter onzer Kerk aan te tasten ? O ik beweer niet, dat de vragen, waarover de strijd loopt, onverbeterlijk zijn; ik stem terstond toe, dat bij de aanneming van lidmaten een en ander kan, ja moet gewijzigd worden, wat den geestelijken bloei onzer Kerk bevorderen kan. Om iets te noemen; het komt mij voor, dat de aanneming veel meer, dan dit tot nog toe het geval is, met den Doop in verband moet gebracht worden. Maar dit is de quaestie niet. De oppositie der modernen tegen de vragen heeft een geheel anderen grond. Het Godsbegrip, waarvan de eerste vraag uitgaat, is de steen des aanstoots; te belijden ))en in Jezus Christus zijn eeniggeboren Zoon, onzen Heerquot; kan men niet meer. Dat zijn denkbeelden, waarvoor in de moderne wereldbeschouwing geen plaats is. De supra-naturalistische en naturalistische opvatting van het Christendom staan hier tegenover elkander. Hier is het bezwaar; en ik denk er geen oogenblik aan, om de modernen op te dringen: «Gij kunt ook wel op uw standpunt die vragen doen.quot; Neen, zij hebben volkomen

-ocr page 22-

22

gelijk met hun: »Wij kunnen nietquot;; zij kunnen ze ook niet doen. Maar mag dit de Synode er toe bewegen, om in hunnen geest het bezwaar te wijzigen? Waarlijk geen geringe eisch. Ik laat nu het bezwaar rusten, dat de modernen ons dan zouden plaatsen, waarvoor zij nu staan; (dit heb ik in mijne eerste stelling ontwikkeld); maar heeft de Synode niet te rekenen, met wat onze Kerk tot nu toe geweest is en nog volgens hare belijdenis zijn wil? Want hoe men ook redeneeren moge, dat «geest en hoofdzaak der leerquot;, vage uitdrukkingen zijn; dat niemand zich aan de belijdenis houdt en deze eigenlijk zoek is; wie onpartijdig oordeelt, zal toch moeten toestemmen, dat onze Kerk overeenkomstig hare belijdenis eene Protestantsche, Gereformeerde, Christelijke Kerk wil zijn, en in alles van de bovennatuurlijke opvatting des Christendoms uitgaat.

»£n men heeft zich juist tegen het besluit der Synode op den geest van het Protestantisme beroepen ?quot; Ik stem dit toe, maar moet eerlijk bekennen, dat ik nog niet heb begrepen met welk recht. Had men gelijk, wij zouden bij de Synode moeten aandringen, om haar besluit nog eens te herzien ; want onze Kerk wil, volgens hare belijdenis, Protestantsch wezen. «En datquot;, zoo spreekt men, «brengt vrijheid medequot;. Ongetwijfeld; maar wat heeft dit met deze vragen te maken ? Moet dat beteekenen, dat het voor eene Kerk in strijd is met den geest van het Protestantisme om eene belijdenis te hebben, en van haar uit te gaan ? De geschiedenis leert het anders. En hoe hebben wij het toch ? De meeste modernen willen immers ook aan eene zekere voorwaarde het lidmaatschap der Kerk verbonden hebben. Is het nu wel in strijd met de Protes-

-ocr page 23-

23

tantsche vrijheid, wanneer die voorwaarde in onzen, maar niet wanneer zij in modernen geest gesteld is?

«Doch wij willenquot;, zoo antwoordt men, »geen stelsel, maar de godsdienst in het levenquot;. Tot nader bewijs blijf ik beweren, dat wij er niet anders over denken, en geest en strekking van art. 39 ook hiermeê overeenkomt.

))En is het dan niet in den geest van liet Protestantisme, onverbiddelijk te breken met de leugen, hoe eerwaardig zij ook moge zijn?quot; Dat is het; maar wat bij u een dor stelsel heet, is nog voor duizenden eene belijdenis der hoogste waarheid, welke hunne zielen met eene heilige geestdrift vervult, \'t Is er, Gode zij dank, nog verre van af, dat het oude Christendom zich voor overwonnen verklaart. Eu met de uitroep: «Weg met ieder gezag, geen plaats voor den leugen!quot; heeft men toch over den geest van het Protestantisme nog niet veel gezegd. Op het beginsel, waarvan men uitgaat, op den maatstaf, dien men gebruikt , komt het hier boven alles aan. Een materialist zou men allicht ook een ijverig Protestant kunnen noemen. Ook hij beweert, dat het hem alleen om waarheid te doen is. Wie wil beweren, dat het besluit der Synode met den geest van het Protestantisme in strijd is, zal eerst onpartijdig moeten aantoo-nen, op welke wijze de Protestantsche vrijheid er door is aangerand, en dat de inhoud der vragen, met Avat voor de Protestantsche kerken tot nog toe als waarheid heeft gegolden, niet overeenkomt.

Of is dat besluit in strijd met het gereformeerde karakter onzer Kerk ? Bij die vraag heb ik maar even stil te staan. Ik geloof niet dat de modernen, zoo dit het

-ocr page 24-

24

geval was, er zich het harnas over zouden aantrek- del

ken. Iets kenmerkend gereformeerds, dit zal iedereen wej

toestemmen, ligt in de drie vragen niet. Doch de Me

strijd loopt hierover volstrekt niet. Wij staan voor dot

de vraag: Moeten de vragen bij de bevestiging van wa

lidmaten in onze Kerk voor den eisch der modernen, dei

die het Bovennatuurlijke van het Christendom, waar- om

van deze vragen uitgaan, onmogelijk aannemen kun- ges

nen. prijsgegeven worden ? Dit is de quaestie; of de dit

vragen bij de bevestiging van lidmaten niet meer het de

kenmerkende van onze Kerk moesten uitdrukken, vii

dit punt laat ik rusten. De oppositie tegen de vra- be

gen heeft een ander uitgangspunt. En ware de Sy- Pa

node in dit opzicht den modernen ter wille geweest. zei

dan had zij zich aan het karakter onzer Kerk ver- nii

grepen. va

))Maar die Kerk wil toch in de eerste plaats Christe- nu

lijk wezen?quot; Geen twijfel daaraan. Juist daardoor kc

gebonden, mocht de Synode de eischen der modernen ga

niet inwilligen. Het omgekeerde is beweerd. Aan tn

vragen, als bij art. 39 worden voorgeschreven, zou het de

oorspronkelijke Christendom vreemd zijn en met den wi

geest van Jezus heeten zij bepaald in strijd. Dan mogen W(

zij in eene Kerk, die bovenal Christelijk wil wezen, di

geen oogenblik langer worden geduld; en de Synode, Bi

door ze op nieuw te handhaven, heeft hare dure sc

roeping vergeten. Doch het bewijs voor die bewering kt

moet eerst worden geleverd. Om te bepalen, of iets dlt;

al of niet Christelijk is, ken ik maar één zuiveren dt

maatstaf: men toetse het aan het oorspronkelijke d«

Christendom, zooals dit in de geschiedenis optreedt. 01

Zoodra wij onzen eigenen smaak gaan raadplegen, han- rr

£

-ocr page 25-

25

delen wij willekeurig en geraken wij op den dwaalweg. Welnu , wat is met dezen maatstaf het resultaat ? Men doet het voorkomen, alsof achter het Christendom, dat wij kennen, nog een ander Christendom ligt, waarvan het eerste de misvorming is. Het zal inzonderheid de verdienste der moderne theologie zijn, dit ontdekt te hebben. Het zij itoo, mits bet ons uit de geschiedenis worde aangetoond. Op gezag kunnen wij dit toch niet aannemen. Hoever ik ook intusschen in de geschiedenis terugga, dat andere Christendom vind ik niet. Men zegt: ))De vier Evangeliën zijn geen betrouwbare bronnenquot;; maar wat dunkt u dan van Paulus\' Brief aan de Romeinen? De echtheid van dezen Brief wordt algemeen erkend. Vinden wij hier niet dezelfde opvatting van het Christendom, als waarvan de belijdenisvragen uitgaan? En maakt Paulus nu in dezen Brief den indruk, dat hij iets nieuws verkondigt, hetwelk tot nog toe niet in de gemeente gangbaai\' is geweest ? Volstrekt niet. Maar wanneer treedt dat andere Christendom dan in de geschiedenis op? Men moet toch een tijdperk kunnen aanwijzen, al is het nog van zulk een korten duur geweest, waarvan men kan zeggen: Toen kende men die beschouwing over Jezus Christus nog niet. De Brief van Paulus is waarschijnlijk in het jaar 58 geschreven; de Christelijke Kerk was dus nog maar enkele jaren oud. En toch vinden wij in dien Brief reeds dezelfde belijdenis van den Christus, als in de eerste der belijdenisvragen omschreven wordt met de woorden : »En in Jezus Christus, zijn eenig geboren Zoon, onzen Heerquot;. Geeft dit niet veel te denken ? Ik vraag met nadruk: »Kan men een\' tijd in de geschiedenis van

*

-

-ocr page 26-

26

-

het Christendom aanwijzen, waarin deze beschouwing win

nog niet gangbaar was?quot; En zoolany men dit niet kan, moi

heeft men geen recht als onchristelijk te verwerpen, mei

wat altijd in de Kerk als Christelijk optreedt. gel:

»Het is echer niet in den geest van Jezusquot;. Hoe ger

weet gij dat ? De bronnen die wij bezitten, zul- ieei

len dit toch moeten uitmaken. Zijn die bronnen nu Per

zóó bedorven als men voorgeeft, laten wij dan eerlijk mo

bekennen, dat wij van Jezus Christus zoo goed als lijk

niets weten. (ïelooft men het tegendeel, dan zal ik

men het woord van den Apostel Johannes moeten eer- om

biedigen: «Hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gee

gezien hebben met onze oogen, hetgeen wij aanschouwd dai

hebben, en onze handen getast hebben van het Woord me

des levens, dat verkondigen wij uquot;. Doch het is on- rak

verdedigbaar en eene gevaarlijke methode, willekeurig eisi

eene of andere uitspraak van Jezus van het geheel Tui

af te zonderen. en dan te zeggen: Hierin spreekt Jez de geest van Jezus zich uit. «Bij Jezus komt het 1

maar op de liefde aanquot;, zoo Iroort men dikwijls beweren ; zie

))wat Hij predikt, is de liefde tot God en de liefde hie

tot den naaste; dat is zijn geest; Hij kent geen dal

anderen eischquot;. Ik vraag u echter, wanneer gij de ecl

Evangeliën doorleest, krijgt gij dan den indruk, dat te

daarmede alles is gezegd ? Gaat het aan, om eenvou- me

dig een en ander uit het gelreel uit te lichten en het zet

overige te laten rusten? Verminkt men juist niet an

daardoor, wat men zelf boven alles wil vasthouden ? ter

Om den geest van iemand te kennen. zal ik toch op het dei

geheel zijner- gedachten en daden moeten letten. En zij

doet men dit, dan vraag ik vrijmoedig: Hoe kunnen lijc

toch de modernen tot verdediging hunner beschou- va

-ocr page 27-

27

wingen zich op den geest van Jezus beroepen ? Zij moeten telkens bij Hem op voorstellingen stooten. waarmede zij onmogelijk vrede kunnen hebben. Het Evangelie dat Hij brengt, en waarvan ook de belijdenisvragen uitgaan, kan nooit het hunne wezen. Neemt alleen dit eene: Jezus Christus maakt altijd zijn eigen Persoon tot het middelpunt van het Evangelie ; dit is op modern standpunt eene dwaasheid. Ik kan natuurlijk daar thans niet dieper in treden; maar hierop zoude ik willen aandringen, dat men tocii eens duidelijk omschreef, wat men met die uitdrukking »iii den geest van Jezusquot; bedoelt. Doet men het onpartijdig, dan verwacht ik. dat men tot de slotsom zal komen : De Synode, gebonden door het Christelijke karakter der Nederlandsche Hervormde Kerk, heeft den eisch der modernen onmogelijk kunnen inwilligen. Tusschen hunne beschouwingen en het Evangelie van Jezus Christus bestaat eene diepe klove.

Dit laatste klinkt hard. Vele modernen dringen zich nog altijd op, dat het niet zoo is. Ik zie ook hierin de eenige macht van Jezus persoonlijkheid, dat men zich niet van Hem kan losmaken. Hoe meer echter de moderne theologie zich uitspreekt, des te dieper zal die klove blijken te zijn. Nu spreekt men het al openlijk uit, dat men wel vroom kan wezen, al gelooft men niet meer in een God; op welke andere, stoute uitspraken, die het wezen van het Christendom aantasten, hebben wij ons wellicht voor te bereiden ? En kan het nu van onze Kerk worden geëischt, dat zij om zulk eene richting ruimte te geven, hare belijdenis zal opofferen? Zijn er dan geene grenzen, die van weerskanten moeten geëerbiedigd worden? Nie-

-ocr page 28-

28

maud heeft het recht om den modernen op te leggen, ^

wat zij onmogelijk kunnen gelooven; maar zij hebben ey.

evenmin recht om hunne beschouwingen aan onze c|e

Kerk op te dringen. De Sijnode mocht niet wijken. eei

))Dus dan maar uitdrijvenquot;. Ik wensch daar niet aan vej

mede te doen. Ik hoop, dat de modernen, door de (re

kracht der waarheid gedrongen, onze Kerk zullen ver- m.

laten. In onze verwarde toestanden, hen er met c|0

geweld uit te zetten, zou ik geen geestelijke over- ^

winning noemen. Wij kunnen het echter onmogelijk n-e

lijdelijk aanzien, dat onze Kerk in haar karakter qc

wordt aangetast. Tot nog toe wonen orthodoxen ^

en modernen samen. Tot velerlei botsingen heeft dit ^

reeds aanleiding gegeven; doch wat onze Kerk wezen „g wil, spreekt zij noy voor iedereen in hare belijdenis

duidelijk uit. Nu men echter de oude vlag wil neer- m(

halen, om eene geheel andere van eigene kleur uit m(

te steken. is ernstig verzet dure plicht. Dit kan en en

mag niet worden geduld. na

En zegt nu niet: »Wat zijt gij orthodoxen toch or.- te verdraagzaam.quot; Zonder moeite kan het worden omge-

keerd. Maar doen wij niet beter met elkander zulke m verwijten te sparen ? Onze strijd is er te ernstig voor.

Geen partijdrift mag ons verleiden, om elkanders be-

zwaren gering te achten. Phrasen als formulierdwang, re

geloofsdwang, enz. doen geen ander nut, dan dat zij de ^

hoofden warm maken. Op eene principieele bespreking ^ der zaak komt het aan. Ook door dezen strijd komt het

uit, welke diepe klove de verschillende richtingen in ^

onze Kerk gescheiden houdt. Op den duur is het sa- ^

menblijven in dezelfde kerk eene onmogelijkheid. Tot ^

scheiding moet het komen. Voor beide richtingen is je

.

-ocr page 29-

29

dit noodig. De orthodoxen en modernen belemmeren elkander op allerlei wijze. Wat de een wil, houdt de ander tegen. De modernen zouden b. v. in den eeredienst overeenkomstig hun beginsel veel willen veranderen, maar zij kunnen niet. De orthodoxen gevoelen, dat de Kerk tegenover de vele nooden der maatschappij veel meer handelend moet optreden, doch zij stuiten gedurig op het samenzijn met de modernen in hetzelfde kerkelijke verband. Dit kan zóó niet blijven. Het verschil raakt de hoofdzaak. Het Godsbegrip der modernen. zoo men nog van een God spreekt; hunne beschouwing van Jezus Christus, van den mensch, van de wereld, van de toekomst, is eene gansch andere, dan wij in de belijdenis van onze Kerk vinden. Op ieder punt is er scherpe tegenstelling; en met de opmerking: »Dat raakt maar begrippenquot;, neemt men het bezwaar niet weg. Belijdenis en praktijk, geloof en leven zijn één. Daarom is de bestaande toestand naar onze innige overtuiging onhoudbaar. En ik koester1 de vaste hoop dat, wanneer wij niet meer als kerkelijke partijen tegenover elkander staan, wij ook een meer gezegenden invloed op elkander zullen uitoefenen.

Op welke wijze die scheiding tot stand moet komen, bespreek ik nu niet. Zeker nooit ten koste van de rechten der Kerk. Ik hoop, dat de tegenwoordige strijd ons een stap nader tot de oplossing zal brengen. Wanneer de modernen algemeen tot de overtuiging kwamen: «Met onze beginselen behooren wij in die Kerk niet meer te huisquot;, zou er vee! gewonnen zijn. Een ridderlijke strijd, en daartoe moeten wij elkander aansporen, kan tot eene gewenschte oplossing leiden.

...

-ocr page 30-

30

Weg met alle vooroordeelen en partijdige bekrompenheid! Ik wil volstrekt niet verdedigen alles, wat van mijn standpunt over de modernen geschreven wordt. Daar spreekt somtijds een geest uit, welke, met wat men heet te gelooven. in beslisten strijd is. Wie door Gods genade belijdt. dat hij in Jezus Christus de waarheid gevonden heeft, moet een ruim hart voor anderen hebben. Deze waarheid maakt vrij. Maar ook gij. modernen, doet ons dikwijls onrecht aan, door — ik zeg het zonder bitterheid — van ons een carica-tuur te maken. Gij doet het voorkomen, alsof wij de vrijheid tegenstaan, het vrije onderzoek vreezen, voor de wetenschap geen hart hebben , de ontwikkeling tegenhouden, een godsdienst van afgetrokkene begrippen voor den waren godsdienst houden. Dat doen wij niet. Zoolang gij ons op deze wijze bestrijdt, toont gij ons niet te kennen. Ik vraag niet, dat gij ons sparen zult, wanneer gij meent ons te moeten tegenstaan ; alléén, gebruikt waardige wapenen. Het vooroordeel, en dit geldt voor ieder standpunt, maakt altijd oppervlakkig en bekrompen.

Vergunt mij nog ééne opmerking te maken. Zouden wij in onze verwarde kerkelijke toestanden wel aan iets meer behoefte hebben, dan om waar te worden ? Dit zeg ik in de eerste plaats tot de voorstanders mijner eigene richting. Ook onder ons, — neemt alleen dit eene, dat de aanneming voor velen een doode vorm is — moet veel veranderen. Maar ook aan de modernen neem ik de vrijheid dit voor te houden. Wanneer ik in een verslag van den Protestantenbond lees, dat men op den 31sten October jl. hier in Musis Sacrum het bekende lied

-ocr page 31-

31

I

van Luther heeft gezongen, dan vraag ik: Hoe is dat mogelijk? Op een concert, waar het om de muziek te doen is, kan men alles zingen; maar op zulk eene vergadering moeten de woorden uitdrukken, wat men gelooft. En stelt u nu voor, dat in eene godsdienstige bijeenkomst van modernen wordt gezongen:

«Beef satan! Hij die ons geleidt Zal u de vaan doen strijken.quot;

Nog sterker is het wellicht, dat op het programma van dien avond ook staat Gez. 265 . 1 :

»Geest des Heeren! kom van boven.

Laaf met uw genadegoed Alle zielen, die gelooven.

Doe ze blaken van uw gloed!

Op het blinken uwer stralen

Buigt zich d\'aard voor Jezus neer,

Zaamlen zich van heind\' en veer.

Alle tongen , alle talen ,

Halleluja, U zij d\'eer!

U zij d\'eer , Halleluja!quot;

Zulk een lied in eene vergadering van modernen, uit wier midden een krachtig protest tegen de belijdenisvragen zal uitgaan ! Heeft men dan niet gevoeld , dat de dogmatiek der eerste vraag, waartegen men zoo fel optreedt, in dit vers zit?

Waar te zijn en het altijd meer te worden, dat is, tot welke richting wij ook mogen behooren. onze dure plicht. Wat wij niet meer kunnen zingen, moeten wij ook niet meer zingen; wat wij niet langer kunnen

i

-ocr page 32-

32

vieren, moeten wij ook niet meer vieren; woorden, die in onzen mond geen zin meer hebben, moeten wij niet meer gebruiken; met wat wij belijden, moeten wij in het leven ernst maken. Laten modernen en die tegenover hen staan, elkander op dit punt de hand reiken, om de leugen, bovenal de lee-lijke leugen in de Kerk, onverbiddelijk te bestrijden.

Geen nood, wanneer het ons om waarheid te doen is! Voorzeker, onze strijd is hoogst ernstig; en alleen oppervlakkige lichtzinnige naturen kunnen zich zeiven dit ontveinzen. Maar de Christen, die belijdt: «Ik geloof in den Heiligen Geestquot;, vreest niet. Die Geest is de Geest der waarheid. Nu kan het donker zijn, maar aan de vrijheid, aan de waarheid, aan het leven, dat is aan Jezus Christus, behoort de toekomst. Dit te mogen gelooven. bewaart den moed en doet met blijmoedig vertrouwen voortgaan. Het lied van Luther;

))Een vaste burgt is onze God,quot;

kan nóg gezongen worden.

En hiermede wil ik eindigen. Ik dank u voor de aandacht, waarmede gij de ontwikkeling mijner beide stellingen hebt aangehoord. Moge het gesprokene iets bijdragen, om u over denernstigen strijd, welke onze Kerk verdeeld houdt, een onpartijdig oordeel te doen vellen.