-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

quot;V

.

.

-

-

\' v.

v?

- * -

.

■ • . • ... *-•

\' ■ •

:

.5c

,

■\' gt;■ \' v •

t\'

-

.. ■ .vquot; : .Kvt\'

-ocr page 4-

/5V - ZJl/

Een winteravond.

\'t Is -winteravond. Een buitengewone winteravond. De menschen die zich op straat bevinden, loopen allen zoo bijzonder haastig, alsof ze bang zijn te laat te zullen komen.

De groote torenklok bromt juist het achtste uur na den middag, de gas vlamt helder in de straatlantaarns, maar, \'t is alsof de ontelbare hemellichtjens dat kunstlicht bespotten, zoo kringelen en flikkeren zij.

Ginds, aan \'t einde van \'t plein, ziet ge daar dat groote gebouw? Hoor.... orgeltonen klinken u in de ooren. Volg mij, wij zullen er binnen gaan.

Indrukwekkend! — Die hooge gewelven, dat geheimzinnige licht, kampende met de duisternis in de tempeldiepten; dat orgel, zoo majestueus, en het beeld van den gewijden harpenaar daarop geplaatst; die hooge kruisramen — indrukwekkend! maar— \'t is ook het Heiligdom waarin het schepsel den eeuwigen Schepper dient.

Aandoenlijk! — Die honderden daar vereenigd; allen zwijgende; slechts een die spreekt. Van Wien? Van Hem die licht schonk en leven, en kracht en welvaart, en beproeving en troost, en____ in den Zoon Zijner liefde, den weg ten eeuwigen leven.

Aandoenlijk! — Allen, zooals zij daar zijn gezeten, ze buigen met den spreker het hoofd, hunne harten zeggen: „ja en amen,quot; op de verootmoedigende en i:huld belijdende en vergeving smee-

-ocr page 5-

2

kende en trouw verzekerende woorden, die de leeraar — in den geest op de voetbank des Heeren geknield — tot Hem, den Vorst van hemel en aarde opzendt.

Gewis! tranen in alter oogen. Voorzeker! fel bonzende harten in aller boezem. Onbetwistbaar het lied door allen aangeheven, éene biddende gelofte:

Ik zie mijn tijd daar henen snellen,

O Heer van tijd en eeuwigheid!

Leer mij mijn oogenblikken tellen.

En houd mij tot Uw komst bereid:

Elk stipje van mijn levenstijd Zij U geheel alleen gewijd!

Een zin der liefde. Een wil ter bekeering. Éen bede om heiligmaking. Een zin, éen wil, éen bede____op____oudejaarsavond?

Ik weet zeker, waarde lezer, dat mijn grootvader in de dingen die het hoogere betroffen, geen ongeloovige was, maar toch weet ik, dat hij, bij vele zaken die hem weiden voorgesteld, de woorden : „het is te wenschen,quot; of „wij zullen zien,quot; ten bescheid gaf.

„\'t Mag koel, ja, koud klinken, maar onverstandig was het niet, althans, ik geloof zulks, daar men mij meermalen verzekerde, dat mijn grootvader goed zijn verstand had.

Een zin, éen wil, éen bede op oudejaarsavond; mijn grootvader zou gezegd hebben: „het is te wenschenquot; en wij.... „wij zullen zien.quot;

Voor de laatste maal was de gemeente in den jaarkring die henenvlood, onder de tempeldaken vereenigd geweest. Afscheids-tonen ruischten van liet groote orgel door het allengs ledig wordende kerkruim, en, uit de groote en kleinere kerkpoorten stroomde de Christenschare naar buiten.

Naar buiten: ook hij, die, om het ambt dat hij bekleedde — slechts om die bediening alleen — op de gewone dagen des jaars niet ter kerke ging, maar \'t kostte wat het wilde, den

-ocr page 6-

EEN WINTERAVOND.

oudejaarsavond niet oversloeg, omdat____ omdat het zoo\'n oud

gebruik was, omdat____ enfin, omdat het oudejaarsavond was;

ook hij treedt naar buiten.

„Wij zien u straks Alfred; Louise komt ook,quot; fluistert naast den geneesheer een dame, juist op het oogenblik dat zij den weesjongen in de kerkpoort voorbijgaat, toevallig de bus niet bespeurende die hij voor zich houdt.

„Ha! ik heb het genoe.....Mevrouw Delange.....zeer vriendelijk— nog twee patienten____ over een uurtje____ met veel

pleizier____quot;

„Alleen Louise, verder en fa m i 11 o, behalve een nichtje uit

A____Fameus vol____lieve preek. Ha! Delange! Is de koetsier____?

Tot straks Alfred. Adieu!quot;

„Blikskaters bon jij d\'r ook Fred? Nog even een schietgebedje vóórdat de oude den aftocht blaast en dan versch man, hé? Je komt op de kroeg? Beest moet op twaalf flesschen champagne trakteeren, omdat Krans, ondanks zijn mooie promotie, bij freule Fetsel \'n blauwtje liep. Je komt hé?quot;

„Na twaalven.... misschien.quot;

„Ben je mal! Na twaalven? A! reclameert je de liefste?quot;

„\'k Passeerde mijn woord aan mevrouw Delange en ja, Louise zal er ook zijn.quot;

„Vervelende moschl Zonder jou is Beest geen cent waard. Die weergasche gek! Ik lach me dood als \'k de flesschen zie aanrukken; — een aardige ui op oudejaarsavond. Veel moois in de kerk hé? De freule Van Hul! verduiveld! Eeuwig gracieus. Kom je dan vast nog na twaalven ?quot;

„Zoo mogelijk, ja.quot;

„Nee vast! nee vast! wij rekenen op je. Adieu, adieu.quot;

Door den laatsten spreker verlaten, vervolgt Alfred zijn weg. Den kruidenierswinkel binnentredende, waarboven hij kamers heeft, groet Alfred des kruideniers echtgenoot, die, evenals hij uit de kerk komende, weinige seconden eerder den winkel is binnengestapt.

„Frisch weertje mijnheer, voor \'t laatst van \'t jaar.quot;

„Van belang juffrouw. Mag ik den blaker?quot;

3

-ocr page 7-

EEN WINTERAVOND.

„Trien!!! breng den blaker eens. Mijnheer getempeld? hi hi hi! \'n hartig woordje!quot;

„Nog al. Wanneer er soms iemand komen mocht, juffrouw, ik ga dezen avond bij den heer Delange in de D.-straat.quot;

„Kostelijk mijnheer, Dominé Tak slaat den spijker niet mis; is \'t wel mijnheer?quot;

„Neen, waarlijk niet.quot;

„\'k Dacht dadelijk aan Harmssen van twee deuren ver, u weet wel, toen \'t over de verkwisting liep. Boontje komt om zijn loontje. Nu zit hij fout achter gesloten luiken, zoo gaat het er mee. \'k Zag er zijn vrouw in de kerk nog op aan — hoe durft ze er komen! Maar dadelijk keek ze voor zich, toen ze bespeurde dat de preek over haar liep. Verkwistend, geen orde en slordig in den hoogsten graad,quot; besluit de Jcruideniersche, en sprekende heeft ze haar geel zijden hoed afgezet, en fleurt de gloeiende roosjes op, die er in prijken, maar, ziende dat de winkeldeur wordt geopend, een grijs hoofd om het hoekje gluurt en een hand mede te voorschijn komt, terwijl de laatste woorden van een onverstaanbaar gefluister: „oudejaarsavond als je blief,quot; haar in de ooren klinken, werpt ze handig haar eenvoudig hoedje op de toonbank, waarboven de knecht zooeven olie verkocht, en trapt ze de deur dicht, met de woorden:

„Eeuwig gebedel, daar zou een mensch razend van worden. Trien!!!!! waar blijft mijnheers blaker dan____?quot;

quot;Waar mijnheers blaker bleef kwam voor \'t oogenblik niet aan \'t licht, want Trien stoof den winkel binnen met de bewering, dat ze \'t niet wist, en dat de juftrouw \'m zeivers gebruikt had, toen ze toulet voor de kerk maakte, en de juffrouw beweerde dat ze \'m toen toch „ergersquot; had neergezet, maar dat de meester \'m zeker nadien gebruikt had, en dat de man ook ijselijk onordelijk en schrikkelijk slordig was, maar wacht, dat ze mijnheer wel lichten zou, hier, met de winkellamp, en — vlug wipte zij de trappen op en lichtte, en mijnheer nam, op zijn kamer gekomen, eenig geld uit de secretaire en verzocht dat men zijn haard zou warm houden, terwijl hij heengaande de juffrouw voor de moeite bedankte, de juffrouw, die weinige oogenblikken later schimpte op de slordigheid van den knecht, die olie op de toon-

4

-ocr page 8-

EEN WINTERAVOND.

bank liet, en op de slordigheid van den echtvriend, die den blaker had verstopt, zoodat ze door \'t bijlichten met de lamp, een gulp olie over haar sjaal had gekregen, een gulp, zoo dat ze die sjaal wel voorgoed adieu kon zeggen.

„De freule thuis?quot; is de vraag van onzen jongen dokter, nadat een bejaarde dienstmaagd, over de onderdeur heen, verlangd had te weten wie daar schelde.

„O! dokter is uwes daar; de freule ligt juist op de canapé; k zal \'t haar aanstonds zeggen, wacht, kom binnen.quot;

En de oude strompelt de gang in, en de dokter wacht niet, maar volgt haar.

„Dieu merci! dat ge daar zijt,quot; lispt een teedere stem, nu de eigenaresse van die stem den geneesheer ziet binnentreden.

„Freule, \'t was mij dezen morgen volstrekt onmogelijk te komen; ik____quot;

„Men wordt niet gaarne en bagatelle getracteerd; de malaise is heden verschrikkelijk! Ik had zoo vast op iets kal-meerends voor den kerkgang van dezen avond gerekend. Geen Hoffman of Eau des car mes kon mij baten en waarlijk, op.... dit.... oogen— blik ben ik a perdre haleine; mijne zenuwen hebben fameus gesouffreerd.quot;

Alfred knikt driemalen met het hoofd, ten bewijze dat hij \'t verstaan en ook begrepen heeft.

De pols____? — (Onverbeterlijk.)

De tong____? — (Als scharlaken.)

„Kalm, vooral kalm blijven; streng diëet; die kerkgang heeft zeker kwaad gedaan, en dat met oudejaarsavond, wel onplei-zierig!quot;

„Droppels____?quot;

„Volstrekt niet.quot;

„Pillen....?quot;

„In geenen deele. Ik zal u zenuwpoeders voorschrijven.quot;

De freule zucht en slaat een pijnlijken en diep ongelukkigen blik naar den zolder. Alfred treedt op het licht toe en — een

5

-ocr page 9-

EEN WINTERAVOND.

vervaarlijk gejank doet de veertigjarige lijderes van hare rustplaats opspringen, terwijl zij den zich verontschuldigenden Alfred aperdre haleine, met verwijtingen overlaadt, en met haar Azortje op den arm, a perdre haleine en a perdre geduld, door de kamer loopt, alsof er van geen zenuwpoeders sprake ware geweest.

Eindelijk zwijgt het jankende diertje en komt ook de freule tot rust; het beestje slaapt op den schoot der zwakke dame, die ten slotte den arts pardonneert en tevens met een pijnlijk „adieuquot; gelast; om morgen toch vooral weder te komen, want ze weet nu reeds dat ze dan hevige hartkloppingen hebben zal.

Alfred geeft zijn wedergroet en vertrekt, doch nauwelijks in de gang gekomen, klinkt hem de stem der freule opnieuw in de ooren, die hem terugroept:

„Tiens, dokter, zal u binnenkort Neeltje ook bezoeken?quot;

„Ik dacht er juist heen te gaan.quot;

„Superbe, heb dan de goedheid aan hare ouders te zeggen, dat ik niet van plan ben een sous meer te geven.\'t Is indigne en onwaardig volk. Al mijn weldaden worden om niet gerekend. Mij dunkt, de man krijgt eiken Maandag een dubbeltje, en hoe

dikwijls soep voor Neeltje____? ligt eens of tweemalen in de

viertien dagen. Een gansch jaar____\'t bedraagt heel wat, en dan,

verbeeld u: zoo\'n perceel durfde mij bij \'t uitgaan van de kerk den nood nog klagen, eilieve zeg \'t hem de ma part, en herinner hem aan de woorden van dominé Tak: „zijt uwen weldoener dankbaar.quot; Ayez la bonté, cher docteur! Adieu! Adieu! N\'oubliez pas les poudres.quot;

„Is Neeltje te bed, vrouw Driessen?quot;

„Och ja, dokter, goed dat gij komt, \'t was erg benauwd; dat akelige hoesten.quot;

„Hebt gij garstenwater met suiker gegeven?quot;

„Och Heere.... ja dokter, wat zou men niet doen, ziet gij, voor zoo\'n ongelukkig schepsel, voor zijn eigen kind dokter, maar, sedert de winkel van Harrnssen fout is, kunnen die goede men-

6

-ocr page 10-

EEN WINTERAVOND.

schen geen korrel garst of suiker meer geven, en geld—! goede God, geld dat is er niet.quot;

Alfred ziet om, want daar het vrij donker in het armoedige kamertje is, heeft hij den man niet ontdekt die in een hoek zit en bij de laatste woorden zijner vrouw een vloek tusschen de

lippen bromt. „Vervl.....!quot; herhaalt de man luider; „\'t zegt niets

arm te zijn en met een gezond hart minder te eten dan men zou begeeren, neen— maar een kind te hebben dat lijdt en langzaam wegkwijnt, dat gelaafd en verkwikt moet worden, zonder dat ouders die het liefhebben, haar het noodige kunnen verschaffen; zie! dat is hard, maar harder nog, ja, om des satans te worden is het, wanneer men met zijn bevoorrechten even-mensch op oudejaarsavond van de Christus-liefde als een dringend voorbeeld ter naleving heeft hooren spreken, om weinige oogenblikken later door die koets- en canapé-Christenen bespot te worden! Zie dokter,quot; vervolgt de man, terwijl hij de vuist balt, „dan gaat men vragen waarom die overmacht aan gene en dat slaafs en ellendig zijn aan deze zijde? Zie! dan begint dat onderscheid ondraaglijk te worden, en zou men ze toewen-schen, dat ze ook eens zoo ellendig werden en wegkwijnden als het lieve Neeltje!quot;

7

De arts is inmiddels de bedstede, waarin de jonge zieke ligt, naderbijgetreden; \'t is zijn gewoonte niet om zich, vooral in de achterbuurten, met redeneeringen op te houden; wellicht had hij anders, alvorens de zieke te beschouwen, den man, die de plichten der Christelijke liefde zoo gaarne zag naleven, een kalmeerend woordje toegesproken, maar nu... hij beschouwt het meisje, ziet haar droevigen blik, alsof ze zeide; „Ach! ik zou nog zoo gaarne wat leven,quot; voelt den flauwen pols kloppen; beveelt nogmaals garstenwater met suiker, steekt, ofschoon ook dit zijn gewoonte niet is, bij den afscheidsgroet, der moeder de hand toe, en \'t kind — had nog geen half uur later garstenwater met suiker.

Weldadig is de warmte die Alfred te gemoet stroomt, nadat

-ocr page 11-

EEN WINTERAVOND.

de huisknecht der familie Delange hem de salondeur heeft geopend.

Alfred kan niet manquéren van mevrouws allerliefst...e...e... invitatie...e...e... — en hij buigt zeer beleefd. Hij buigt, en nog eens voor dochter Nelly; en nog eens voor het vreemde dametje, dat hem als het A... sche nichtje wordt voorgesteld en dat er... fameus goed uitziet. De heer Delange wordt de hand gedrukt, diens zoon dito, en eindelijk drukt hij een zoen op \'t voorhoofd van Louise — van zijne Louise, die reeds naast hem stond, toen hij voor N0. een, twee en drie buigende was.

Aan de eene zijde naast zijn Louise en aan de andere naast het nichtje geplaatst, vindt Alfred, met het dampende glas punch vóór zich, dat dit laatste avondje van \'t jaar nog eens recht genoeglijk kan worden; hij is genegen om alles toe te stemmen, en alles lief te vinden en geeft dus een bevestigend antwoord op mevrouws verzekering: „\'t Is een lief kerkje met menschen geweest.quot;

quot;Wellicht zou onze geneesheer ook hebben toegestemd: dat het een kerkje met lieve menschen geweest was.

„\'t Is altijd mijn Favorite-avond,quot; zegt Nelly en kijkt naar

de piano en neuriet: „Pour tant d\' amour____quot;

„Waarachtig, een aardige kerkgang,quot; spreekt de zoon des huizes, die scheel ziet en met het linkeroog den punchketel, en met het rechter den schotel met oudejaarsgebakken beschouwt.

„\'t Deed mij pleizier, dat ik Van Muize weer met zijn vrouw zag,quot; hervat mevrouw Delange; „als er van aan is geweest, wat de kwade wereld verhaalde, dan zal hem die preek wel getroffen hebben; \'t was fameus toepasselijk en inderdaad, ik zag duidelijk dat hij een kleur als vuur kreeg, toen Tak de woorden: „die

een vrouw aanziet____etcetera etcetera sprak.quot;quot;

„Maar Elma, dat praatje is geheel uit de lucht gegrepen,quot; zegi de heer Delange, „een meidenverzinsel en anders niet. Mevrouw Van Muize moet ernstig ongesteld zijn geweest en, met een vrouwszuster, die tot assistentie ten hunnent was, heeft de man een paar malen gewandeld.quot;

„Die lasterlijke wereld!quot; zucht mevrouw: „en weet gij wie \'t mij verhaalde?quot;

8

-ocr page 12-

EEN WINTERAVOND.

„Geertruide ?quot; vraagt Nelly.

„Neen, ■waarlijk niet!quot; herneemt de mama. „Entre nous soit dit: \'t was mevrouw Thok, die \'t mij in vertrouwen heeft meegedeeld; \'k vertrouwde \'t maar half, want iedereen weet toch wie mevrouw Thok is____quot;

Zes gezichten, die wel op vraagteekens gelijken.

„Mevrouw Thok!! wel, nog minder dan nul. Enfin, Delange, je weet wel!quot;

Delange haalt de schouders op.

.Mevrouw Delange tot haar zoon en de jonge dames:

„Nu kinderen, jelui kunt samen wel praten!quot; tot Alfred zacht, maar toch verstaanbaar voor allen: „men zegt: jadis main-tenée, \'n heele geschiedenis! Kom Nelly, schenk eens in en presenteer de oblieën eens.quot;

Er wordt punch geschonken en punch gedronken, en er worden oblieën geknapt en mevrouw wil de stemmen opnemen, of \'t ook nog tijd voor een partijtje zou wezen, die kerkgang heeft den avond danig gekort, — maar, terwijl Louise geheel met mevrouw Thok is vervuld, die zoo intime met haar overledene moeder was, en in gedachten op de vraag der gastvrouw: „verplichtquot; antwoordt, roept Nelly, dat ze zich in de kerk ziek heeft geërgerd over het valsche zingen der dames Collard; vooral over Suze, die haar heel overschreeuwde en schrikkelijk met zich zelve was ingenomen. Vooral bij de twee hooge G\'s in de regels:

Elk stipje van mijn levenstijd Zij U geheel alleen gewijd,

had ze Suze wel een klap in het gezicht willen geven; want ze zong niet zóo; — en Nelly kraaide de G maar zóo: — en Nelly maakte een kattengeluid.quot;

Eenigen lachen, mijnheer Delange schatert.

Eerst met haar Favor i te-a vond en nu met de hooge G\'s, heeft de bruine Nelly op een delicate wijze het gezelschap aan hare zanggaven herinnerd, maar ziende dat papa zich de handen wrijft, waarschijnlijk met een denkbeeldige vóle, waarmede hij \'t jaar wil besluiten, voor oogen, roept hij haastig: „Foei! kaar-

9

-ocr page 13-

EEN WINTERAVOND.

ten. Op oudejaarsavond...! Dat gebeurt nergens. Wat dunkt je Louise, is dat comma il faut?quot;

„Ik kan het niet gelooven,quot; zegt Alfreds beminde, en, die haar antwoord hooren, vinden dat antwoord wel raar, maar ze weten ook niet dat Louise nog altijd aan die ernstige en lieve mevrouw Thok denkt, daar ze zooveel van houdt, maar wier bevallige dochter, haar trouwe vriendin Gonne, eenige maanden geleden — schoon \'t heel niet publiek was geworden — den schelen Herman Delange een blauwtje liet loopen, zoodat ook sedert dien tijd de conversatie der Thokken met de Delanges zeer was verminderd. „Zou \'t niet schandelijk gelogen zijn... ?quot;

Om zich te troosten, terwijl hij de piano reeds ziet ontsluiten en de bougies opsteken, slaat papa Delange een glas warme punch naar binnen, maar moet nog lachen als hij denkt aan dat „stipjequot; van den „levenstijdquot; en aan de hooge G.

Behalve de oude lui, staat het oudejaarsavondgezelschap alras vereenigd bij het instrument van Erard. \'t Is fameus vleiend zooals de bruine Nelly de blonde Louise opwekt om, „al is het nog zoo weinigquot;, te zingen.

De blonde, op den arm van haar beminde geleund, welke laatste, langs de flikkerende waskaars heen, de lange zwarte plimpers en het albasten teint van \'t A. . .sche nichtje bewondert, verontschuldigt zich met de woorden: „Heusch! ik ken niets.quot;

„Och, van „En vérité ma voisinequot;, dat zing je zoo aardig met dokter.quot;

„Neen, heusch niet!quot;

Algemeen: „Och, toe maar.quot; Een drukje aan den arm door Alfred; de geruststellende woorden van Nelly.

„Ik zal je partij wel helpen,quot; en, Louise zet zich, om te bewijzen, dat ze heusch niets kent (?).

Eenige akkoorden: vloeiend. Een beverig en zacht, maar lief stemmetje: „En vérité ma voisinequot;, maar, bij de „sinequot; vangt een hulp aan, waar het nichtje de zwarte plimpers van omlaag slaat, welke hulp Alfreds hoofd tot een roode kool maakt, en waardoor de blonde zoo krachtig geassisteerd wordt, dat ze bij den derden regel het verstandiger oordeelt, zich niet noode-loos te vermoeien.

10

-ocr page 14-

EEN WINTERAVOND.

Welstaanshalve zingt Alfred door, en \'t stuk geëindigd hebbende, roept Nelly beschermend: „Wel, is dat niet allerliefst? Wat meer courage, wat kracht, dan zal het charmant zijn,quot; en Louise die opgestaan is vervangende, gilt ze — uit de Robert — om grace, zoo verschrikkelijk alsof de beul vóór haar staat, en zoo akelig, dat, ware Alfred Robert geweest, hij reeds bij den eersten regel weerom zou geschreeuwd hebben: „Tais-toi de grace.quot;

Alweder allerliefst en charmant!!!

Nelly verzekert dat zij niet zoo goed als gewoonlijk bij stem is; verkouden.... kuch! kuch! kuch!. ... die kerkgang.... \'s avonds... . kleine hoedjes.... Bespottelijk! de dochters van den spekslager in de kerk ook al, ja — groen fluweel met blondes en bloemen van binnen. De oudste mosrozen met madeliefjes, en de jongste korenbloemen.... men zou zeggen! Inderdaad ergerlijk, precies als Antje de naaister, verleden oudejaarsavond nog met een poesje en nu met een marterboa, verheel! en een flacon ook —, zak uit, zak in, nu eens ruiken en dan weer presenteeren, van \'t begin tot het einde, zonder een oogenblik op de preek te letten: „\'t was aardig,quot; besluit Nelly, „ik had er expres den geheelen tijd mijn aandacht op.quot;

Mevrouw Delange die hare dochter in stilte heeft bewonderd, begrijpt echter dat het onbeleefd is, indien men nichtje niet terstond in de gelegenheid stelt, hare talenten insgelijks aan \'t licht te brengen: Adèle a toi,quot; zegt ze vriendelijk; gij doet er immers ook aan?....quot;

„Heel weinig, tante!quot;

„Komaan, ieder vogeltje zingt zooals het gebekt is; \'t behoeven altijd geen opera-stukken te zijn. L a B r i g a n ti n e of F1 e u v e du Tage.. ..quot;

Nelly glimlacht. Alfred ziet een lief blosje op Adèles wangen. Adèle gevoelt iets, als heeft men haar op het voetje getrapt. De schele Herman toont zich gereed om Fleuve du Taaage met zijn driemaal overgehaalde basstem te accompagneeren; want, in het keelgat, waarin een oogenblik vroeger een glas punch werd uitgestort, gorgelt het: „Fléüffe.quot;

Louise krijgt den rug van Alfred te zien, van haar beminde.

n

-ocr page 15-

EEN WINTERAVOND.

die zich beijvert om het piano-stoeltje voor de zwartoogige naar boven te schroeven en het afglijden van \'t muziekboek zoekt te voorkomen; die er ook in gluurt, terwijl het meisje blad voor blad naziet, en bij „Je t\'aimerai,quot; ditte...? vraagt, en bij: „Glaube mich, ich liebe dichquot; datte....? zegt, natuurlijk zonder eenige bijbedoeling, totdat Adèle eindelijk een bekend stuk gevonden heeft, en met de aanmerking: „na al het gehoorde durft men haast niet. ...quot; begint te fantaiseeren — meesterlijk! — zoodat Alfred zijn Louise over dat talent een verrukten blik toewerpt en te gelijk met dien blik bespeurt, dat Louises hals veel magerder is dan.... een andere, waarop hij zooeven het oog had.

Adèle zingt----zij zingt van „L ar mesquot; en van „Divine

oeautés,quot; zoo schoon en zóo betooverend, dat zij Alfreds hart nog sneller in beweging brengt dan de piano-hamertjes; zóo schoon, dat zij 1 arm es toovert in de oogen van Louise, die van ter zijde iederen blik van Alfreds goedkeurende bewondering opvangt; zóo schoon, dat Nelly dermate wordt aangedaan, dat ze bij een teeder pianissimo allerijselijkst haar neus snuit — eerstens, omdat zij erg verkouden is, en anderens, dewijl ze vreest, dat het gezelschap al te zenuwachtig zal worden; zóo schoon, dai, Herman, begrijpende, door niemand te worden betracht, haastig Adèles glaasje opslurpt, om daarna zeer behoedzaam al wat leeg staat uit den ketel weer te vullen, en, bij Adèles laatsten triller, die hoog in de lucht zweeft, zijn zesde — naar binnen werkt. Het meisje zingt, en zingt zóo betooverend, dat, toen zij haar lied heeft geëindigd, die laatste woorden:

„La terre adieu! Ma vie adieu!

Alfred nog als hemeltonen in de ooren klinken, en — hoewel de lof in aller mond geheel bestorven ligt — hij uit moet roepen:

„Goddelijk! goddelijk!quot;

De tafel wordt gedekt. Nelly heeft met mama de kamer verlaten. Adèle, zich eener schitterende zegepraal bewust, stemt Alfred toe, dat de muziek — vooral de zang — de verhevendste kunst is, en dat er maar weinig talenten zijn; tevens verzekerende

42

-ocr page 16-

EEN WINTERAVOND.

dat ze niet zingen kan, wanneer ze maar het geringste gebruikt heeft, en althans niet, wanneer zij zich met een vreemde piano moet accompagneeren. — Louise staat nog achter hem, die haar zoo teeder bemint; zij heeft een hoogroode kleur, volgens Herman, zeker van de punch; waarop spoedig met vlammende blikken zijn vraag volgt: of ze wel oesters lust?

Oesters! Ongelukkige wezens! op den oudejaarsavond wordt ge bij duizenden vermoord, en van het aantal dat binnen Delan-ges woning werd gedragen, zijn wij verzekerd, dat de schele Herman er, minst genomen, aan driehonderd den dood heeft toegezworen.

Op vriendelijke invitatie van mevrouw zetten zich de vriendjes aan tafel, en er wordt ook ale gedronken en over het smakelijke van baarden gesproken, en met bevreemding gezien, dat Louise niet éen oester slurpt.

\'t Spijt mevrouw danig, en Louise wordt een boterhammetje met ossetong gepresenteerd en niemand beseft, wat moeite het haar kost om dat boterhammetje door te slikken, en mevrouw zou er anders niet van gesproken hebben, maar, nu Louise geen oesters eet, nu moet ze toch zeggen, daar het haar leed doet, er geen vijf en twintigtal aan de oude juffrouw Tenger gezonden te hebben; ze hangt niet gaarne aan de klok wat ze doet maar „entre-nous —quot; ze zendt op oudejaarsavond aan die goede sloof altijd een trommeltje oblieën met „een papiertjequot; weet je — niet om er dank van te hebben, maar, omdat de man van mejuffrouw Tenger inderdaad nogal zeer bevriend met papa was.

Alfred heeft vroeger wel eens gehoord, dat mevrouws papa mooi in de pruimen zat, toen de heer Tenger zijn vriend werd — maar praatjes zijn.... praatjes en. . . . Adèle zit zonder oesters:

die linksche is blank en groot en hij heeft het pleizier om me____

en stoot door overmaat van galanterie Louises glas om, en vindt, toen hij zich bij haar verontschuldigt, dat haar hals toch verschrikkelijk geel ziet en hare oogen ijselijk waterig en flauw staan.

Wie een plakker zijn moge, het jaar is er geen. Niet éene seconde toeft het over zijn tijd; en, daar de ruiter-pendule onge-

13

-ocr page 17-

EEN WINTERAVOND.

lukkig is blijven stilstaan, wordt het aanzittende gezelschap eensklaps door een keukenviertal gestoord, dat verschrikkelijk gejaagd met den eersten slag van twaalven binnenstormt en als uit een mond schreeuwt: „A.1 wat wenschelijk is!!!quot;

Met een oester in den mond, gilt Herman ook zijn; „Al wat wenschelijk is;quot; en terwijl papa en mama Delange opstaan, om elkander de sinds vier en twintig jaren gebruikelijken nieuwjaarszoen te geven, en de dokter benevens de dames mede van de zitplaatsen verrijzen, om den dischgenooten; „Alle heil en zegen,quot; „dat heb ik je afgewonnen,quot; en wat dies meer zij, toe te roepen, pakt Herman van den schotel aan \'t hooger eind die grooten met sapeursbaarden, welke hem zoo lang reeds hebben toegelachen en in dezen oogenblik voor hem al wat wenschelijk is zijn.

Het oude jaar is voorbijgegaan. Het nieuwe is ingetreden. In het oude jaar zaten ze aan den disch — zóo als ze er zaten... \'? In het nieuwe jaar zetten ze zich, na de confusie, aan denzelfden disch — zóo.... als ze zijn opgestaan.

Ze zetten zich weder, om met een glaasje petilleerend vocht uit een zilverhals het nieuwe jaar in te wijden.

De heer Delange om evenals straks in \'t oude, nu in \'t nieuwe jaar nog eens te schateren om die hooge G.

Mevrouw om evenals straks nog eens van mevrouw Thok te spreken, die ze de lieve Louise toch voor de conversatie niet aanraadt, om daarna de goede sloof te herdenken die — de vriendjes weten het toch, maar moeten er liefst van zwijgen — voor het papiertje zoo dankbaar zal zijn.

De bruine Nelly, die vast heeft besloten om zoo lang als nichtje blijft, het piano-sleuteltje te verstoppen, en — zoo de smid al mocht komen — haar muziek uit te leenen.

Louise, die iets voelt knagen van binnen, evenals in de laatste oogenblikken van het vervlogen jaar, en evenals straks in de oogen van Adèle iets vindt. ... iets.. . . mins.... iets communs, en in de trekken om Alfreds mond iets. ... dat valsch is, evenals toen het jaar aan de piano ten einde snelde.

Alfred, wien evenals straks — ja meer nog — het waterachtige in Louises oogen hindert, die haar teint geler, haar

14

-ocr page 18-

EEN WINTERAVOND.

geheele gelaat wel een jaar verouderd vindt; die voor het heerlijke avondje hartelijk dank zegt, en aan Adèle belooft, haar het air: „Pendant la fête une inconnue, vintl\'an dernier charmer ces lieux,quot; uit de Guido et Genévra, morgen te zullen aanreiken; die eindelijk van allen een hand krijgt, ook van Adèle met een lief „adieuquot; en met Louise vertrekt om haar, en passant, even thuis te brengen.

Een zin der liefde, éen wil ter bekeering, een bede om heiligmaking? Allen op den oudejaarsavond: éen in Christus, éen in God!....? Wij hebben gezien — en — leefde mijn grootvader nog, mij dunkt ik hoorde hem haastig op die vragen het antwoord geven: „Het ware te wenschen!quot;

Misschien schudt gij het hoofd, lezer, omdat gij u de stemming herinnert waarin gij de u geschonkene twintig, of dertig, of vijftig, of zeventig oudejaarsavonden hebt doorgebracht. Gij huppeldet als aan de hand van uwen Heer, u zeiven minachtende om hetgeen achter u was, en juichende, dat een nieuwe bane daar voor u lag, vol moed om dankbaar en wakker, met den staf der godsvrucht in handen, daarop voort te treden; bereid, om wie ook wankelen mocht of bezwaarlijk voortgaan, te steunen en voor vallen te behoeden. Gij herinnert u, hoe gij Psalmen en Gode welgevallige liederen opzondt; hoe gij inkeerdet tot u zeiven, of, met het boek der boeken vóór u, lessen gaaft, die voor de eeuwigheid winst geven; hoe gij uw warm vertrek verliet, en henengingt om hem, die ü beleedigde, de verzoenende hand te reiken; hoe gij uw geldlade opendet en er uitnaamt— ? hoeveel.... ? gij weet het zoo juist niet... . om het te zenden aan. ... maar niemand weet het, en niemand behoeft het te weten.... uw loon is in de hemelen; hoe gij.... doch neen, gij weet het te goed, hoe blank van gemoed, en hoe rein van ziel, en hoe vervuld met liefde voor God en de menschen gij in het Godshuis waart, om later vol geloove en hope den nieuwen

jaarkring in te treden. Verschooning lezer---- wij hebben

respect.. ..! Wij feliciteeren u.

Maar glimlacht gij mijnheer, en herinnert gij u den laatsten

avond van \'t vorige jaar, toen gij zoo draaierig thuis kwaamt----

en die lamme kerel u____en die nuf dit zei en gij dat zoudt?

15

-ocr page 19-

EEN WINTERAVOND.

Herinnert gij u, lieve schoone, hoe gij insluimerdet met de heerlijke bepeinzing, wat gij voor den warmen nieuwjaars-druk met den kouden weerstuit — morgen van papa, en mama, en grootpapa, en grootmama, u zoudt aankoopen, \'t zij een gouden soutiens of een hemelsblauwe sortie? Eilieve, dan zult gij — ik ga voorop — nog wel even Alfreds kamer willen binnentreden, om meer van nabij een bloempje te beschouwen, \'t welk door een bastaardzoontje der beschaving op Hollandschen bodem werd overgeplant; een bloempje, dat veel wordt gekweekt en veel geschonken, doch welk wezenlijke waarde slechts zelden, en \'t allerminst in de lucht waar het te huis behoort, wordt onderzocht en op prijs gesteld; een bloempje, waar zelfs de duiveltjes mee spelen, niet wetende welk een zielenartsenij in zijn kern besloten ligt; een bloempje, dat wij zouden verachten cm de valschheid zijner kleuren, maar u en ons aan den boezem wen-schen te drukken om zijn innerlijke en veel beduidende waarde.

Zeer koud is Alfred op zijn kamer gekomen — een heel eind om.... met Louise, \'t Is morgen nieuwjaarsdag, en Trien heeft gezorgd dat dokter nog vuur aan den haard vindt.

„Brr. ...! — de kamerjapon. Brr. ...! nog een paar turfjes. Bit. ...! nog een heel klein dropje Jamaica.... die weergasche oesters!quot; En Alfred zit in zijn voltaire bij het vlammende en knappende vuur, en denkt.... niet aan Beest of de vrienden, die, steeds champagne drinkende, in de kroeg op hem wachten, maar denkt aan... Adèle en ziet... hare oogen; en hoort haar stem; hoor! hoor!

„Adieu la terre. Ma vie adieu,quot;

Schoon! betooverend! goddelijk! En zie.... zie daar ontwikkelen zich te midden der vlammen en rookwolkjes en vonken die in den haard stoeien, een aantal vreemde wezens. Wat afschuwelijke aangezichten en toch. ... de meesten lachen vriendelijk,____

zie. ... zij maken knipoogjes.... hoe aardig.. .. hoe vroolijk.... ze zijn toch zoo heel leelijk niet; hoor, ze roepen elkaar bij namen: Laster. Haat. Nijd. Ondank. Jaloezie. Ontrouw!.... Wat

-16

-ocr page 20-

EEN WINTERAVOND.

vreemde namen, en hoor........ hoe vele andere nog.

De vlammen worden grooter, en de vonken spatten wilder, en de rookwolkjes Worden rookzuilen, die hem geheel omringen, en zie.... daar werpt een zuinige en ordentelijke kruideniersche voor den armen grijsaard de deur van den welgevulden winkel toe. Daar zit, verontwaardigd over soep- en dubbeltjes-ondank, een freule, die de haar geschonkene gave, de uitnemende gave der gezondheid, zoo hoog waardeert, en Gode er dank voor weet (?). Daar balt de arme, die liefde wil en Christenzin, de vuist, maar wil het niet verdragen dat z ij n lot geen lot van zegen en welvaart is. Daar gilt een bruine de hooge G, en terwijl er in haar oog een balk zit, een vervaarlijke balk — wel twee voet dik — zoekt ze naar splinters, bij groen fluweelen hoedjes, flacons en boas. Daar schettert het en, \'t is de bruine die haar neus snuit en heenloopt met piano-sleuteltje en muziekboek. Daar valt een trommeltje met vijf en twintig oblieën en een papiertje er in — een papiertje, zeer klein.... waarop een: „betaalbaar met ƒ1,235quot; te lezen staat; het valt, en voor de voeten van haar, die een sloof is, maar betere dagen kende; dagen, toen \'t haar en den waardigen echtvriend een lust was den handenwringenden broeder te redden.

Daar vliegt een giftige pijl om de reine te treffen, die haar kind, het eenige wat ze op aarde heeft, gelukkig wil zien—\' gelukkig! en niet geketend aan een man, die slechts denkt: „Wat zal ik eten, wat zal ik drinken....?quot;

De rookkolommen worden ontzettend dik en zwaar; benauwd! benauwd!! maar op Alfreds knie dartelt ook een van die lieve schepseltjes, die nog steeds in aantal toenemen; \'t kruipt hem zoo aardig tegen de borst op; benauwdl! benauwd!!! Maar \'t lonkt toch vriendelijk; och! zoo vriendelijk, en \'t lacht: „Ha!

1 ha! ha!quot; — Phu! benauwd! vreeselijk benauwd!!!! en het drukt zijn kopje vast aan zijn boezem, en smeltend klinkt het:

„La terre adieu! Ma vie adieu!quot;

Die tonen, zij ruischen zachtkens voort. O! zoo schoon, maar zie: de vlammen worden kalmer; de vonken spatten minder, de

17

-ocr page 21-

een winteravond.

rookwolken worden dunner; twaalf doffe slagen hoort hij achter zich, en te gelijk:

„Adieu la terre.quot;

En daar boven de vlammen leest hij in gulden letters: „Vaarwel gij wereld.quot;

En ook hoort hij:

„Ma vie a Dieu.quot;

En daar boven de vlammen staat:

„Mijn leven aan God!quot;

Het spartelende monster aan zijn borst rukt Alfred met, beide handen omhoog en werpt het van zich in het vuur— Z ij n e Louise lacht hem vriendelijk toe... en, den blik naar boven slaande, ziet hij een fraaien engel, die hem biddende toefluistert:

„Ta vie a Dieu!quot;

Een ijdel adieu, ziedaar het vreemde doch genaturaliseerde modebloempje.

Steek het niet langer in ruikers die spoedig verflensen, werp het niet achteloos van u, maar behoud het om den elders ge-minachten kern.

18

En nu, geen bloempjes meer, maar, met de hope, dat zich voor u de zaligste herinneringen aan den laatsten oudejaarsavond zullen verbinden, besluiten wij, niet met een vaarwel, maar met een hartelijk:

a dieu!

-ocr page 22-

Mijn oude Jakob.

Daar begint zich in den donkersten hoek van mijn bovenkamer iets te bewegen, lezer; het nadert, treedt allengskens meer in \'t volle licht en — ik zie hem — ik zie den kleinen man weder, wiens beeld mij in zoovele jaren niet voor den geest was getreden. Daar staat hij... „Dag ouwe jongen, je bent nog precies dezelfde als toen je me voor \'t laatste „goeje reisquot; wenschte, geen dag schijn je ouder geworden; vetter vind ik je niet, magerder — dat kan ik niet zeggen. Je kent me niet meer, is \'t

wel ? Bedenk je eens, kerel! V..... straat, N0. 18, waar die

vriendelijke juffrouw achter de toonbank stond, die de zachtblauwe oogen zoo goedig ten hemel kon slaan, als ze getroffen was, en ook nu al lange is, waarheen ze eertijds de oogen wendde. Kerel! ken je \'t portaal van de eerste verdieping niet meer, waar je de laarzen van een lid der tweede kamer poetste en z\'n broekspijpen boenderde, met de zucht: „\'k Wou dat ie meer vieselantes nam!quot; Zeg, ouwe jongen, en dan nog zestien trappen hooger;\'t was \'n stijl getal, inzonderheid voor jou paar beenen, „die weten wat rimmetiek isquot; — zestien trappen hooger — dat kamertje rechts....? Je bent er! je bent er! ik zie het. Je kent je heer nog, al is hij meer mans geworden; \'t is ook al ruim dertien jaar geleden, Jakob, dat je dien heer voor \'t eerst, en twaalf jaren, dat je hem voor \'t laatst zaagt. „Geen visch en geen vleesch,quot; dacht je toen voorzeker, zeg, dee je niet? al zei je onderdanig:

-ocr page 23-

MIJN OUDE JAKOB,

„is er ies van je ordes, Meheer?quot; Meheer! zie, ouwe jongen, jij bent nu juist de eerste — de allereerste geweest, die verstand genoeg had om te begrijpen, dat iemand van negentien jaren toch eindelijk ook eens Mijnheer moet wezen. Ik dank je, Jakob! dat je toen Meheer hebt gezegd, dank je waarachtig! dat dee me plezier; dat dee me goed; maar bovenal, dat schonk me een steun, Jakob. Ik zou op me zeiven staan, op kamers leven; al kon ik geheel op de beurs van mijn ouders rekenen, zoodat ik van die zijde geen meerderen steun behoefde; al zweefden mij als engelen de duizend goede lessen en vermaningen mijner lieve ouders voor den geest, ik behoefde nog een anderen steun, en, oude Jakob! dien gaaft gij, met je streelend en verheffend en welluidend: Meheer!

Zie je, \'k was nog al bloode voor een knaap, en anderen — zelfs de kaartjesman in den spoortrein, zelfs de eigenaars mijner nieuwe kamers — ze hadden \'t zoontje naast den papa ziende, altemaal zeer vriendelijk maar vernederend of beter kleinhoudend „jongenheerquot; gezegd. —-Jij Jakob, nog eens, jij alleen! toondet een menschenkenner te wezen; jij zei: „Meheer.quot; Kom hier

ouwe, arme kerel, daar heb je m\'n hand en \'n gul...quot;.....Waar

dwaal ik____? Je staat me wel levendig voor den geest, Jakob,

maar toch levend sta je er niet, enfin, je zei: Meheer, en ik besefte voor de eerste maal dat ik nu werkelijk ook geen kind meer te huis was, maar een heer op zijn kamers. Weinige oogen-blikken later, liep ik dan ook werkelijk reeds met een zekere

deftigheid mijn kamertje op en neder en zocht____ en zocht____

mijn kleine valies en____schelde— waarlijk ik schelde — voor

\'t eerst om mij te gerieven; — zonder jou, Jakob, zou ik naar beneden zijn geloopen om mijn wensch aan de goede juffrauw kenbaar te maken; maar- nu, nu had ik gescheld, en — toen ik gedraaf op de trap hoorde, toen werd ik wel purper, maar — ik snoot mijn neus — vreeselijk hard.

„Meisje, waar is m\'n valies?quot; zei ik zoo heerig als mij mogelijk was.

„Uwes valliesie, Meheer? Uwes valliesie____? da weet\'knie...

\'k zal reis hoore!quot; en klats—klets—kliets—klots, ging het op haar muilen de trap weer af.

20

-ocr page 24-

mijn oude jakob.

Zie je, ouwe Jakob, door jou toenadering was die eerste veroverd, de tweede volgde, de derde evenzeer en — \'t ging zoo immer, al beter en verder.

Ga zitten, ga rustig bij me zitten, oudje, \'k heb nog \'t een en ander van je te vertellen — aan hen die er naar luisteren willen.

Eerst je signalement:

Je haar — heb ik nooit gezien, want je draagt een oranjegeel pruikje, van achteren hoog opgewipt en onbarmhartig omgekruld in den vorm van een komma die op den rug ligt.

Je voorhoofd — heb ik maar eens gezien; bij verrassing; toen je den rood-zwarten hoed te vast op je hoofd hadt gedrukt, en \'t oranje-geel bij mijn onvoorziene aankomst, in der haast mee naar boven ging. Dat oogenblik was echter te vluchtig om er een voorhoofd — \'t welk toch aan een schedel is verbonden — met juistheid afmetend in op te nemen. Zooals ik je toen dagelijks zag en nu weder zie, is het tot even boven de wenkbrauwen bedekt door je kunstharen. — Waarom het ding niet omgekeerd, oudje, dan hadt je een aardig kuifje en bovendien een goede dekking voor de nekspieren gehad? Maar nu — \'tis te laat!

Je oogen, — al zat ik op water en brood, ik zou niet kunnen beslissen welk een kleur ze hebben. Hoe had ik ze ook goed kunnen opnemen, \'t meeste toch waart ge in mijn dienst, wanneer ik nog achter de gordijnen lag, terwijl mijn eerste „ordesquot; — brief bezorgen of iets dergelijks — van \'t bed gegeven, door jou (ik jonge luilak — jij ouwe tobber) zeer bescheiden tusschen deur en drempel werden afgewacht.

Als je voor de tweede maal — tegen den middag — naar mijn „ordesquot; kwaamt hooren, na voorafje gewoon rik-tikker-detik op de deur te hebben geslagen, dan keek ik bij het: „Binnen!quot; niet naar je oogen, maar met een zekere „dieptequot; op boek of werk en zeide haastig, zonder op te zien alsof ik geen seconde te verliezen had:

„Yoor \'n kwartje • sigaren; zware, van de vijf.quot;

„Nog ies, Meheer!?quot;

„nog ies, Meheer!?quot;

„Wallief.... ? Nee, Jakob, nee, sigaren anders niets.quot;

21

-ocr page 25-

MIJN OUDE JAKOB.

Als je dan rechtsomkeert maakte, dan keek ik op, en zag; je wippend pruikje, je versleten stropdas, je schrikkelijk kale twee-dekamersrok, je zomerstofbroekje — ook in den winter — en je schoenen, die bewezen dat ze den kamp met de straatkeien al lang gestreden, en gezworen hadden, dien niet te zullen opgeven totdat ze er aan flarden bij neer zouden vallen. Ik zag dat alles zeer goed, en ook, hoe je mager en klein waart en voorovergingt — maar je oogen — natuurlijk, die zag ik dan niet. — En nu?

Nu kijkt ie naar mijn voeten, evenals vroeger, zeker om zich te overtuigen hoe glanzend zijn poetswerk voldoet.

Je neus, mond en kin, — Jakob? — neem mij niet kwalijk, maar die zijn te onbestemd van vorm en kleur om er veel van te zeggen; de eerste heeft de meeste overeenkomst met een kurk, in den vorm van een neus gesneden; de tweede, met de opening van een zeer kleinen geldbuil, waar zelden iets inkomt en nimmer groote munt; en de derde, je kin, met een overtolligheid op een schrijftafel of in een werkdoos; \'t blijft tot de groote schoonmaak en dient — om er eens mee in de hand te zitten; mooi is \'t niemendal, maar, \'t is er.

Een vreemd signalement! Geen mensch, ouwe vrind, die je daaruit herkennen zal. Inderdaad een bewijs voor de deugdelijkheid, zoo behooren signalementen te zijn en — zoo zijn ze.

Zie, lezer, we hebben samen nooit woorden gehad. Jakob hield Meheer zijn laarzen en kleeren schoon, deed een enkele boodschap — want Meheer deed ze in den regel graag zelf -—• en Meheer betaalde \'s Maandags morgens twee kwartjes; niet zoozeer in overeenstemming met de „Zaterdag-avond-werkvolk-weekgeld-niet-uitbetalings-vereeniging,:\' maar omdat hij Jakob \'s avonds nooit zag, en dan zei de dienaar: „Nies meer van je ordes?quot; en dan stempelde hij de trap weêr af.

„Moest ie daar van leven?quot; zoo\'n domme vraag doet natuurlijk geen lezer, maar, nadat ik in mijn gedachten den gulden van het kamer-lid en de drie kwartjes van nog een „andere Meheerquot; er bij had gevoegd, kwam ik met een soortgelijke vraag tot mijn vriendelijke hospita, en het weinige wat ik verder, ook in antwoord op die vraag, van haar vernam, ga ik hier mededeelen.

22

-ocr page 26-

mijn oude jakob.

Van zijn lotgevallen voor het bereiken van zijn achttiende jaar had Jakob Stip nooit iets kunnen of willen vertellen. Als „konskriequot; was ie met Napoleon voor tamboer d\'r mee uit gemoete, hij overal voorop omdat ie zoo klein van gewas was. Den Franschen roffelslag had ie gehad zoo goed als de beste — nóg hoorbaar in zijn deur rik-tikkerdetik — maar, wat ie volstrekt niet gehad had, \'t was de liefhebberij voor \'t handwerk geweest. Er was te weinig bloed in zijn lichaam om het zonder erg leedgevoel te kunnen aanschouwen, dat er zooveel van die edele vloeistof nutteloos werd uitgestort. Het echt militaire: „dat mot je hebbenquot; had hij ook niet beet kunnen krijgen, ten Ist0 omdat ie veel te klein was, ten 2(le dewijl ie noch door insmeeringen, noch door afschrapingen op zijn gelaat had kunnen te voorschijn brengen, \'t geen den grenadieren dierbaar boven \'t vaderland, en den sappeuren waardig boven den vorst is: het aangezichts-haar, en ten 3(le dewijl ie de r niet had; de militaire r, in besjoerr of in zooveel anders.

Waar Jakob Stip gezworven en welke campagnes hij heeft medegemaakt, dat verhaalde hij niet. Nergens echter had hij het „mooiquot; gevonden, en \'t eenige wat ie van zijn ontmoetingen verhaalde was, dat ie overal „lange gezichtenquot; had aangetroffen.

We volgen den kleinen man niet op zijn roffelende loopbaan, alleen vermelden wij \'t gebeurde bij de laatste schrede: „Daar kwam bij Leuven een nijdige geweerkogel, heel toevallig, heel toevallig,quot; — zei Stip, „langs m\'n linkerhand vliegen, die voor een groot gedeelte de drie achterste vingers meenam; ik, naar \'t hospitaal en, op pensioen, hoor!quot;

Zonder de drie vingers en met dat pensioen, \'t welk een dikke honderd gulden zal bedragen hebben, kwam Stip in zijn geboorteplaats, \'t vorstelijk \'s-Gravenhage, terug.

Stips ouders waren in dien tusschentijd gestorven, en Saar Grootendonk, de waschvrouw, was de eenige die zich den kleinen Jakob Stip wilde herinneren. Saar had nog \'n hokkie leeg, als ie zich daar mee behelpen wou en \'n daalder in de week betalen, dan mocht ze \'t lijden. Jakob was toen een stapje de veertig voorbij, en de weduwe Saar had een Griet die doorsloeg, wanneer men een vier-en-dertiger tegen haar in de schaal zette. Stip —

23

-ocr page 27-

MIJN OUDE JAKOB.

door iedereen vergeten, uitgezonderd door de waschvrouw en \'t dankbare vaderland, het laatste, vanwege Stips geroffel en zijn geschonken drie vingers — nam den voorslag der eerste volgaarne aan, en betrok het hokje. quot;Wat mijn goeden Jakob echter altijd had geplaagd, dat kwelde hem nu ontzettend, het denkbeeld, van een nutteloos wezen te zijn. Zijn ouders, die God hadden gedankt, dat ze Jaapje nog voor tamboer wilden meenemen, hadden hem laten opgroeien — zoo weinig als \'t geweest was — onder \'s hemels hoede. De hemel had gewaakt en \'t jongske was geen straatschelm geworden, maar, dat hij een domoor gebleven was, een nietskenner, daaraan had de hemel geen schuld, zij alleen, aan wier harten Hij dat tee tl ere wicht had toevertrouwd.

Bij zijn gewonen roffel had Jakob veelal uit zijn instrument de negatieve lofspraak op zijn persoon hooren klinken:

„Dom! — Dom! — drom mels dom!

Dom mer dan de stom me trom!

Stom! — Stom! — ■won der stom!

Trom len niets dan — stom rond-om!quot;

Alles behalve flatteus, maar ons kleine ventje had het gevoeld; en \'t was hem hoe ouder hij werd, een doorn in \'t vleesch geworden: o jammer! juist dit gevoelen bewees dat hij nadacht en voor meerder ontwikkeling ware vatbaar geweest. Was een trommelslager — volgens Jakob — een nul in \'t cijfer, — naar zijne schatting was de geheele militaire macht in \'t hooge afreken-boek een kwaad cijfer, een gepensioneerd tamboer, met drie vingers minder dan ieder ander mensch, een gepensioneerd trommelslager, die behalve zijn gewezen handwerk niets ter wereld verstond, hem noemde hij een nul buiten \'t cijfer, \'n Heel knappe korporaal, gewezen ondermeester, had Stip eens, met de punt van zijn schoen in \'t zand schrijvende, een denkbeeld van cijfers en getallen en hunne waarde gegeven, om later \'t een en ander met voorbeelden op te helderen: „Zie je ouwe snorrebaarrrd,quot; had ie gezegd, „nou zijn dat 1. 2. 3. 4 5. 6. 7. 8. je kameraads; 9 is je korporaal en de nul ben jij. Sta je in d\'armea, dan ben je nul in \'t cijfer, iets, maar \'t minste; buiten d\'armee: nul en heelemaal nul.quot; — „Dankje korporaal!quot; had Jakob gezegd en de

24,

-ocr page 28-

MIJN OUDE JAKOB.

getallen-beeldspraak, met vermeerdering van eigen vinding en toepassing op zich zeiven, bleef hem getrouw. Nu was hij bepaald een nul buiten \'t cijfer.

De gepensioneerde rookte pijpjes van den morgen tot den avond en wandelde; had hij maar kracht in de beenen gehad hij zou turfdrager of opperman zijn geworden, maar bij \'t gemis van drie vingers kon hem niemand gebruiken en hij wandelde. Als \'t slecht weer was, dan zat Jakob thuis en dan keek ie naar de magere armen van Saar Grootendonk en de roode armen Grietje haar dochter, die dag aan dag bij de waschkuip stonden te plassen, en Jakob dacht: ten bewijze dat de wereld vol vuiligheid blijft.

Belangrijke daden had Stip nooit gedaan; noch edele en verstandige, noch slechte of extra domme. In den vijfden herfst dien hij onder Saartjes dak doorbracht, rees er voor de eerste maal een stoute gedachte bij hem op. — Griet had een goedig gelaat. Jawel, lezer, gij begrijpt het al. \'t quot;Was dwaas hé? Maar aanzien doet gedenken, en Griet had Jakob in die vijf jaren dikwijls aangezien, heel dikwijls, door den zeepwalm heen. Als Griet eens \'t een of ander van vrijerij of trouwerij praatte, dan knipte moeder Saar den kommenzaal toe en zei: „Die Griet, die Griet, \'t is \'n rare,quot; en zei Stip in zijn eenvoud eens een woordje over Grietjes armen of over haar „viegvigheid,quot; dan knipte moeder haar dochter toe en zei: „Die Stip, die Stip, altijd „sefletjesquot; maken. Ik weet niet, maar Stip, je zal m\'n deur uit moete.quot;

Daar had mijn Jakob geen trek in, en — toen ie de vijf en veertig achter den rug had, toen was ie, wat ie nog nooit was geweest — getrouwd met Griet Grootendonk.

Domme kerel!

Arme Jakob, je had toch ook behoefte aan een slot in de wereld, aan een wezen dat je van liefde sprak, dat je den arm — al was \'t een roode — om den schouder sloeg en je de hand drukte, en immers je had een jaarlijksch inkomen van honderd gulden met je trommelen overgewonnen. Griet kon blijven was-schen en Moeder Saar was nog niet te oud, en, goed voor haar brood.

Zoo ijselijk dom was het niet, onnatuurlijk evenmin, maar goed.... ? We hebben nog meer te vertellen.

25

-ocr page 29-

MIJN OUDE JAKOB.

Een groot jaar na dato stond Grietje Stip niet aan de wasch-tob, ze lee in \'t kraambed; ze had Stip een Stipje geschonken, \'t evenbeeld des vaders in miniatuur, behalve dat de kleine voluit tien vingertjes had. Wat was ie gelukkig! Wat was ie gelukkig, die rijke vent! hij had de gansche buurt wel bij elkaar willen trommelen om zijn blijdschap te luchten, maar sust! er mag geen leven gemaakt worden waar pas een nieuw leven gekomen is. „Hoe gaat \'t moeder? — Zie is grootmoeder, da\'s nou \'n jongen van mijn en van haar! ik wist niet — dat er in de wereld zoo iets te voelen was.quot;

Jakob, die in den laatsten tijd om, nog iets te verdienen getracht had netten te breien, en ze ook kon kwijt raken, zoo ongeveer voor niemendal, liet den knoopsteek glippen; hij had de handen vol werk, want moeder Grietje, die van vier en dertig, veertiger geworden, dat vierde kruisjes- of kroonjaar, gerust oen campagne-jaar mocht noemen, kan vanwege haar jonge Stipje in heel wat weken het bed niet verlaten.

Waarlijk, die goede Jakob slaafde als een vrouw, en oefende, door den nood er toe gedrongen, zijn „armelijk zevengebergtequot; zoodanig, dat hij zich ten laatste haast niet begrijpen kon, waarvoor een mensch tien vingers ontving, terwijl er zeven toch voldoende waren.

Na verloop van twee maanden stond Griet weer aan de waschtob en ging alles den ouden gang. Jakob at een snee roggebrood minder, opdat Griet er een meer zou kunnen nemen. De kleine viel nog niet mee in den pot, die gebruikte het manna dat uit zijn hemel viel, en de nieuwgekomene gaf slechts vreugde en geen zorg; grootmoeders spaarpotje ■— waarin Griet zei dat wel vijftig gulden waren — had in de kleertjesbehoef-ten voorzien, en vanwegens de kraamgelden, dito dito.

Tien jaren na deze laatste gebeurtenis, de merkwaardigste die er in \'t leven van mijn goeden Jakob plaats greep, brak het tijdstip aan waarin hij mij tot den rang van „Meheerquot; verhief.

In dat tijdsverloop was mijn vriend er toe geraakt om zijn diensten als heeren-oppasser aan te bieden. Er moest wat verdiend worden, want — Grietje had het bij \'t eene Stipje niet gelaten, een teeder Saartje had ze een paar jaren later het leven ge-

26

-ocr page 30-

MIJN OUDE JAKOB.

schonken, terwijl de magere armen van grootmoeder geen dienst meer deden; die hadden rust gevonden in het stille graf.

Drie heeren slechts kon Jakob, met zijn toenemend rheumatisme, naar eisch bedienen; reeds zes jaren lang had hij er drie eerlijk en trouw gediend, even eerlijk en trouw als \'t vaderland. Hoe kwam het dat ik terstond als oppasser over hem „dispeneeren\' kon ? Ga met mij eenige dagen terug, lezer.

\'t Is Sinterklaasavond. Natuurlijk is het mistig en koud, want — koud en mistig, of sneeuwerig, of althans alles behalve „mooi weer,quot; was het op Sinterklaasavond zoolang het mij heugt. We gaan den grooten kerktoren om, en we slaan straten en stegen in, rechts en links en rechts en weer links en komen eindelijk aan een poortje dat we binnengaan. In \'t vijfde huisje ter linkerzijde woont: Stippie Trom. Daar heerscht armoede, maar orde, meer willen w\'r niet van zeggen. Bij een zeer spaarzaam lichtje zit moeder Grietje wollenkousen te stoppen. De tienjarige Gilles staat bij de tafel en leest met veel juistheid, hardop, uit het hoogste leesboek van \'t armenschool voor, terwijl de zevenjarige Saartje met een bot mesje de banden van boordjes en chemisetjes ontrafelt, welke moeder Zaterdag schoon moet thuis bezorgen,

De deur gaat open, Jakob treedt binnen.

„\'t Is koud op straat,quot; zegt Jakob, „\'t trekt me weer erg door den slagband-schouder geen weer om voor pleizier d\'r uit te gaan.quot; Drie gezichten in \'t kamertje \'zien vragend den vader aan.

„Alweer niet d\'r uit. .. met de Sinterklaas. .. ?quot; vraagt de moeder, „maar Stip, \'t is alsof je de kinders elk genot misgunt. Toen ze heel klein waren, toen namen we ze ieder op \'n arm en nou daar ze groot zijn en loopen, nou wil je ze thuis houden; verleden jaar ook al om de jachtsneeuw; ik ken je niet meer.quot;

„Hè! vader...!!quot; zegt Saartje.

27

„Ja, toen ze klein waren,quot; prevelt Jakob.

!) Slagband is de technische benaming voor den band of riem, waaraan de tamboer de trommel draagt.

-ocr page 31-

MIJN OUDE JAKOB.

„Nou, daar ze er veel meer aan hebben____nou thuis blijven,quot;

pruttelt de moeder.

„Veel meer aan hebben.... hm! ja,quot; herhaalt de vaderen fluistert zachter: „zien en mooi vinden is pieizier, maar zien en mooi vinden, en lekker weten en niet krijgen kunnen, da\'s.. .. zie je, da\'s geen pieizier, dat noemen z\'in dienst „temtazie.quot;

„Kom loop!quot; bromt Griet.

„Zei je wat.... ?quot; vraagt Jakob.

Grietje staat op, treedt met haaste op haar Jakob toe, en zegt, terwijl haar gelaat een vriendelijker plooi bekomt: „\'t Was zoo niet gemeend, Jakob, hier is m\'n hand; maar ziet gijquot; fluistert ze voor het kroost onverstaanbaar, „dat thuis houden lijkt mij ook al te streng. Hoe velen gaan er niet kijken met de kinders die geen stuiver kunnen besteden, en gij, en gij dan Jakob, zou je voor elk geen dubbeltje te „splinderequot; hebben....? Nee... .? Lieve hemel! maar dan weet ik toch niet waar het geld blijft; als ik bij me zelfs reken dan hou je over — ja — of je nou ongeduldig wordt, ik zeg — je moet overleggen, bij \'n zuinigheid als de mijne; ik heb drie gulden vijftig voor \'t huishouden in de week, gaat de andere verdienste schoon door je handen ? Je bent te eerlijk, Jakob, om het vrouw en kinders te ontstelen voor eigen graanpikkerijtjes, of de hemel weet wat er meer is; ma-ar ik wil geen rekenschap, Jakob, ik weet dat alles duur is, wat je te betalen hebt; alleen \'n kleinigheid tot pieizier voor je kinders kon je wel uitzuinigen, — om van je vrouw niet te spreken, \'k Dacht: Stip zal met de Sinterklaas wel met de nieuwe schuif-gordijntjes aankomen, dacht ik, om z\'n vrouw te pleziere en voor de kinders... . maar jawel, geen twee dubbeltjes nog.quot;

Griet kon woordenrijk zijn. Jakob zeer laconiek.

„Kinders, wou je graag gaan kijken?quot; vraagt Stip.

„Nou of we, vader!quot; klinkt een duo.

„En zonder te proeven van al het lekkers, dat ge zien zult?quot;

„O zeker vader!quot; stemt het weder.

Jakob trekt de schouders op en zegt: „\'t Zij zoo.quot;

Een half uur later bevindt ons gezin zich te midden der massa\'s die zich op straat bewegen.

\'t Is mooi in de winkels! O zoo mooi! Wat schitteren die

28

-ocr page 32-

MIJN OUDE JAKOB.

sinterklaaspoppen zoo stijf in \'t goud, alsof ze diplomaten zijn in \'t gala-Gostuum. „Alles voor kinderen!quot; schreeuwt die sierlijke uitstalling van wagentjes, en paardjes, en honden, en poesjes, en sabels, en geweren, en speeldoozen, en knikkende en oogen-draaiende poppen en beeldjes. „Alles voor kinderen!quot; en honderden van kleinen verdringen er zich voor, maar — een dienaar van \'t gerecht doet ze verstaan, dat het al zeer wel is, dat ze kijken mogen, dat moois is eigenlijk voor kindertjes van rijke menschen. „Op zij, smeerpoet!quot;

„Kijk is, Maemae, dat vieze jongetje laet \'r me haes niedoor!quot;

„George, zorg dat de jongenheer. ... \'t is lastig dat plebs op de stoepen.quot;

quot;Wie hebben er pleizier op zoo\'n avond?

- De verkoopers van cadeaux en sinterklazen.

De nichten en vriendinnen, die verzocht zijn om met de j,vreeselijke druktequot; eens mee in den winkel te helpen, en goechelen en lachen en meer bederven dan ze nut aanbrengen.

De bemiddelde ouders van niet verwende kinderen, en de niet verwende kinderen; en bovenal:

De Heeren dokters, die droomen van magen en banketletters en ijs geconfijt, van suikeren geraamtetjes in chocoladen doodkistjes.

Te zitten in een grooten confiseur-winkel vinden er sommigen ook heel pleizierig. Men zit er, men eet er vettigheid en drinkt er sterkigheid; men hoort er — vettigheid eten en sterkigheid drinken, men ziet er — vettigheid eten en sterkigheid drinken. Ba! \'k wil er uit! Wie er pleizier hebben laat ik loopen, maar mijn ouden Jakob willen we volgen; hij heeft geen plezier.

Gilles loopt aan zijn hand. Gilles is een snuggere, verstandige, leergierige jongen; meest altijd tevreden, maar nu — nu geeuwt ie gedurig. Griet volgt met Saartje. Saartje zit op moeders arm, want — ze was zoo getrapt.

Stip wordt aan zijn rok getrokken.

„Zul je nou niet eens voor ieder \'n Klaaspopje koopen.....?quot;

„Had toch gezwegen, Grietje; ik kan.... heus, ik kan niet.quot;

„Gierigaard!quot; zegt de moeder, „\'t is schande, dan ga \'k naar huis toe.quot;

29

-ocr page 33-

MIJN OUDE JAKOB.

\'t Zweet breekt den armen vader de leden uit; al wel hon-derdmalen hebben zijn twee vingers van de linkerhand, de dubbeltjes en centen bevoeld, die zich in den broekzak bevinden. „Nee, nee!quot; prevelt hij bij zich zeiven; „nee \'t kan niet. — Moeder!quot;

„Wat heb je.... ?quot;

„Wees niet boos. Grietje; ga jij dan met Saartje in vrede naar huis toe. Meheer Van Thienen heeft me gezegd dat ik nog eens zou aankomen van avond; dat zeit ie nooit, weet je; \'k zal er met Gilles heengaan, wie weet. ... Op zij vrouw! de lui uit dat rijtuig kunnen den winkel niet in.... Atjuus, tot straks, dag Saartje, dag kind!quot; zacht tot zich zeiven: „Gierigaard!? kinders geen Klaaspopje koopen? We zullen zien.quot;

Jakob met Gilles aan de hand vervolgt zijn weg en bereikt de woning van den heer wiens oppasser hij is.

„Wat kom jij doen?quot; vraagt de meid die de deur opent, baloorig dat ze niet mag „gaan kijken.quot;

„Meheer heeft gezegd, dat ik nog eens aankomen zou.quot;

„Zoo...,? O ja, om de messen te slijpen, kom maar achter.quot;

„Als ik je helpen kan, met plezier. Zei je \'t Meheer gaan zeggen ?quot;

„Menheer? die is uit.quot;

„Zoo.... en mevrouw?quot;

„Wèl! die draait waar hij dribbelt.quot;

„Uit.... ? allebei uit ?quot; en Jakob slijpt: sliep, slap, sliep, slap; „en hebben ze niets gezegd.... ?quot;

„Gezegd....? Ja, dat ze d\'r zoo weer zouden zijn, en dat, als er pakjes kwamen, ik die heel voorzichtig in de zijkamer neer moest zetten; d\'r is wat gekomen ook, hoor! \'n heele doos van de peketbakker. Weergaas wat rook \'t. \'k Heb \'r eens ingekeken, allemaal boterletters.. .. wi\'j reis kijken.... ?quot; en wip is ze weg, en Gilles ziet Betje na, en Jakob slijpt: sliep, slap, sliep, slap; maar denkt alleen, dat er geen andere boodschap is.

„Hier, ouwe roffelslag,quot; roept Betje, terwijl zij met een vervaarlijk groote doos terugkeert; „kijk en ruik eens. ... Daar zou je van watertanden, hè?quot; — tot Gilles: „Wat zeg jij er van, manneke? Waar laten ze \'t, zou je zeggen! dat smult en vreet.

30

-ocr page 34-

MIJN OUDE JAKOB.

en wellui menschen kunnen de messen slijpen en de borden ■wasschen. Kom, we lusten ook wat, niewaar m\'n jongske; die niet sterk is moet slim wezen; heb ik \'t mis of heb ik \'t recht____?quot;

Jakob slijpt: sliep, slap, slim, slecht!

„Van die M \'n N zal wel lukken. Wacht...quot;

„\'k Zou \'t laten!quot; roept Jakob.

Daar draait de sleutel in het sleutelgat der voordeur.

„Heerejénig! daar zijn ze!quot; roept Betje, en vuurrood geworden grijpt ze de doos en schuift haar onder een kastje.

„Is \'r niets gekomen, Betje----?quot;

„Grut nee. Mevrouw.quot;

„Heelemaal niets?quot;

„Nee — nies Mevrouw.quot;

„Da\'s vreemd! Wie slijpt daar?quot;

„Jakob, Mevrouw.quot;

„Ah juist! Jakob, zul je zoo eens binnenkomen?\'\'

„As je blieft. Mevrouw.quot;

Eenige oogenblikken later treedt Jakob, na bekomen verlof, de huiskamer binnen en vraagt:

„Wat is er van je ordes, Mevrouw?quot;

„Jakob, je zult met je kinders niet veel Sint-Nicolaas kunnen houden?quot;

„Nee Mevrouw!quot;

„Kijk eens.... Mijnheer is vrijwel over je tevreden en we hebben daarom een pakje voor jelui klaar gemaakt, in de hoop dat je verder je best zult doen.quot;

Wat verheldert dat aangezicht; wat komt er iets fraais op dat anders zoo weinig belangrijke „klein-mannetjes gelaat.quot; Wat is dat lachje vriendelijk dankbaar en wat klinkt die stem bewogen:

„God zal \'t u loonen. Mevrouw. quot;Vragen doe ik nooit, want, Gode zij dank! we lijden geen gebrek, maar, met de Sinterklaas voor de kinders, dat is wat anders. Zie, ik dank Meheer en Mevrouw ten hoogste, en als ik Meheer en Mevrouw plezieren kan met Zondags eens op de kinders te passen, vrij dispeneere.quot;

De meid komt binnen.

31

-ocr page 35-

32

„Mevrouw, van den peketbakker, of die doos hier moes wezen ? \'k Heb den jongen \'n mooi repplement gegeven, dat ie zoo laat kwam.quot;

„Dat behoefde juist niet. Zet de doos maar neer, Betje.quot;

„Wei! is dat Mevrouw ook duupjeere; \'kzei straks nog tegen Jakob, \'t is \'n schande, zei ik, dat de peketbakker Mevrouw zoo laat wachten.....quot;

Betje had een vreeselijke kleur toen ze de kamer verliet. Ze voelde nu eerst dat ze zich leelijk verpraat had, maar, gelukkig voor haar — Mevrouw gaf er geen acht op.

„Zooals dan gezegd is. Mevrouw,quot; herneemt Jakob, „ten hoogste dankbaar voor m\'n kinderen. Ik was juist met \'r lui de straat op, maar van koopen kon niet komen. M\'n jongetje staat in de keuken, mag ie Mevrouw en Meheer is bedanken?quot;

„Zoo, is ie daar? anders, Jakob, daar hou ik niet van — maar nu — enfin, laat \'m maar eens hierkomen.quot;

Jakob heeft spijt van zijn voorstel, ofschoon het is aangenomen; evenwel, hij gaat, strijkt het jongske het haar op, en neemt hem met zich, naar Meheer en Mevrouw.

Op \'t oogenblik dat Jakob met zijn Gilles weer binnentreedt, snijdt Mevrouw \'n boter-D voor haar Diederik. Gilles is bedremmeld, maar zegt toch, dat hij Mijnheer en Mevrouw voor zijn deel aan het geschonkene vriendelijk bedankt. De vader voegt er een paar woorden bij, waarop de Heer en Vrouwe eenige vriendelijke vermaningen ten beste geven, en op zijn gewoon: „Nog ies van je ordes, Meheer of Mevrouw?quot; ten antwoord bekomende: „Nee, anders niets,quot; maakt hij zijn gewone beweging en vertrekt met het jongske.

Mijn goede Jakob, wat loopt hij haastig met zijn Gilles door de straten. „Gauw maar ventje, nou zul je ook wat hebben.quot; Wat vindt hij de winkels mooi; wat vindt hij de rijkemenschen goed. Wat is hij tevreden, dat hij een gierigaard is gebleven, en niet zwak is geweest. „Kom, Gilles, kom.....quot;

Daar hebben zij ten laatste het bekende poortje en de vijfde woning ter linkerzijde bereikt. De deur wordt geopend.

„Hier, moeder, hier!quot; klinkt de vroolijkequot; stem van den ver-neugden vader, en ijlings nabij de tafel getreden, legt hij het

-ocr page 36-

MIJN OUDE JAKOB.

tamelijk lijvige pak er op neder, en laat zich op een stoel vallen, want de rimmetieke beentjes zijn erg vermoeid.

„Wat....? wat is dat?quot; zegt Grietje langzaam, terwijl ze de hand hoven haar oogen houdt, om \'t licht af te sluiten, maar inderdaad om een zeker „voel je wel wat?quot; te bedekken, dewijl ze nu gedwongen is het voorgenomen besluit vaarwel te zeggen, om den heelen avond geen woord tot haar gierigen echtgenoot te spieken.

„Van mijn goeden Meheer en zijn vrouw uit de Houtstraat,quot; zegt Jakob, „\'n Sinterklaas voor de kinders en voor ons misschien ook wat. Het lee me zoo bij. Griet! waar heb je Saartje?quot;

„Wel! die is van \'t plezier in slaap gevallen.quot;

Jakob springt weder op, loopt op de plaats toe waar \'t meisje ligt, om ook haar tot de vreugd te wekken, maar — \'t is onnoo-dig, de zevenjarige heeft al gehoord wat er gaande was, ze zit overeind irf haar kribje en staart met een paar glinsterende oogen naar de tafel, waarop het pak ligt, dat vader heeft medegebracht.

Wie zou er niet gedeeld hebben in de vreugde van den goeden Jakob; in de vreugde om zijn lieve kinderen eens gelukkig te zien; in de blijdschap van dat knaapje en zijn zusje, die zoo hoogst zelden iets ontvangen wat ze ontberen kunnen; in de vreugde ook der moeder, die niet meer stroef kan kijken, dewijl ze heerlijk verrast werd?

Zie die oogen! Jakob is bezig met de touwtjes los te knoopen -— kapotsn\'yden daar houdt hij niet van: ze kunnen wel te pas komen — zie die oogen!! Het groote papier wordt ontvouwen. Vader neemt het eerste voorwerp dat zijn oogen treft en toont aan die glinsterende oogen: — een oude, zwarte pantalon van meheer Van Thienen, met sleetjes op de knieën en scheurtjes ter plaatse waar zij dagelijks in aanraking met den kantoorstoel gekomen was.

„Dat is voor vader,quot; zegt Saartje.

„Hier is wat anders,quot; herneemt Jakob vroolijk, want de aanwinst van het povere kleedingstuk doet. hem genoegen, al schonk hem ook de eerste aanblik er van iets wat we teleurstelling zouden noemen.

33

-ocr page 37-

MIJN OUDE JAKOB.

Daar is wat anders: een rolletje, met een bandje er om; weder wordt het laatste ontknoopt, weer glinsteren de oogen en: — twee volslagen vrouwenhemden, sinds eenige jaren door mevrouw Van Thienen op nonactief gesteld, bevredigen (?) de hooggespannen verwachting.

„Die zullen jou nog wel vleien, moeder,quot; zegt Stip, en Grietje vat de stukken en beziet ze, en zet een vies gezicht, \'t Is voor \'t eerst dat ze afgelegd ondergoed zal dragen.

„Hemden!?quot; zegt Gilles, en zijn stem getuigt van negatieve verrukking.

„Nies voor mij____?quot; vraagt Saartje.

„Stil, stil,quot; hervat Jakob, en zijn hand beeft een weinig, terwijl hij een vierkant doosje opneemt, waarin zich de sinterklaas voor zijn kroost zal bevinden. De kartonnen doos houdt luttel aaneen — zij dient ook slechts om een afscheiding te bezorgen, — weer glinsteren de oogen, doch — als weerkaatsend de laatste vonken van een vuurwerk, dat mislukt is.

Zeven oneffen kinderkousen uit de maasmand van mevrouw Van Thienen! \'n Rood-groen schotsch vijfjarig jongenskieltje, ter rechterzijde overvloedig besproeid met het mysterieuze vocht, \'t welk de schooljongens gebruiken om kleeren en schrijfboeken mee te bemorsen, en nog: drie paren — hier en daar gebsxsten erg versleten — kinderschoentjes of laarsjes, te klein voor Gilles., te klein voor Saartje.

Is dat alles----? Da\'s alles!!

„Wel allemachtig!quot; roept moeder Grietje met de grootste verontwaardiging, „dat schriele, dat akelig schriele rijkeluisvolk, \'t is waarachtig____quot;

„Stil! stil!! vrouw,quot; zegt Jakob, „\'t is om niet gegeven; was het geen Sinterklaas en de verwachting niet wat groot geweest,

we zouden____quot; en hij prevelt nog iets onverstaanbaars, doch

een zekere trek om zijn mond getuigt van innige spijt.

„En wat krijg ik nou?quot; vraagt Saartje met een traan in haar oogjes.

„Ja! wat krijgen ze nou, die bloeien?quot; roept demoeder. „Moest dat schaap daarvoor nog wakker gemaakt en uit d\'r slaap worden gehouden. Ouwe rommel en prullenboel! is \'t geen schande!

34

-ocr page 38-

MIJN OUDE JAKOB.

breng het bij Salomo, dan krijg j\' er \'n kwartje voor. Kom, kind, ga jij maar slapen,quot; en Saartje opnemende, die nu begint te huilen, kust ze haar — \'t kind begint natuurlijk nog harder te huilen — en legt haar weer in \'t kribje.

Ge zoudt zeker medelijden met mijn armen Jakob hebben gehad, indien ge hem met zoo\'n droevig oog, op de zeer particuliere Sinterklaasgeschenken hadt zien staren; nog meer, indien gij de onaangename redenen hadt aangehoord, welke vrouw Grietje van stapel liet loopen. Grietje was altijd „knakquot; over Stips „inhaligheid.quot; Of hij al zeide, dat ie \'t niet doen kon, zij rekende zoo dikwijls, dat ie wel eens wat meer kon doen, voor een noodzakelijkheid in \'t huishouden, of voor haar, óf voor de kinders, van versnapering wou ze niet spreken. Stellig had ze gedacht, dat Stip nu dezen avond eens „over de brugquot; zou komen, \'t Was mis geweest. Die blijde verrassing! Te grootere teleurstelling. Grietje had een najaarsachtig humeur, en nu — ze had ijselijk het land, doch, tot haar eere, alleen om de kinders.

Stip zit nog altijd treurig te kijken. Gilles schijnt iets te gevoelen van \'t geen vader voelt, en hij gaat aan zijn zijde, legt de hand op zijn schouder en zegt eenvoudig: „\'\'t Is niemendal, vader. Joost Murf heeft me een prentje beloofd, \'k zal \'taan Saartje geven, en ik, ik mag op school aan \'t optellen met breuken.quot;

„Zoo jonske,quot; zegt Stip, „jij bent \'n beste,quot; en zachter prevelt hij: „Salomo,quot; en later: „ik kan \'t ook niet velen!quot; en nog iets later: „\'t moet maar,quot; en — hij grijpt Van Thienens pantalon met de kinderschoentjes, zet den hoed op en zegt: „Tot zóo Griet,\'quot; en verlaat de woning.

\'t Is een klein uurtje later, dat Jakob nogmaals terugkomt. Salomo heeft uitkomst bezorgd, zeven en twintig centen heeft hij voor \'t „oude spulquot; gegeven. Stip is met zijn rijkdom naaiden bakker gesneld en nu — daar liggen op tafel: tien sinterklaasjes en drie kleine suikerletters, twee G\'s en \'n S. Bij moeder Griet breekt een Novemberzonnetje door. Gilles ontvangt zijn deel met kinderlijke blijdschap. Saartje, nu door moeder gewekt, knabbelt, met half geslotene oogjes, op een zoet poppeke en Jakob, mijn oude Jakob, hij lacht weer, hij lacht tevreden: ze hebben wat, en toch — hij bleef een gierigaard!

35

-ocr page 39-

MIJN OUDE JAKOB.

Maar, nietwaar, ik zou verhalen hoe het kwam dat Jakob bij mijn aankomst zonder zijn derden heer was, zoodat ik terstond over hem „dispeneerequot; kon? Welnu, \'t bleef niet onopgemerkt dat Jakob steeds in zijn grijze en niet in de pas ontvangen zwarte pantalon bij den heer Van Thienen zijn werk kwam verrichten.

„Hoe is het____draag je mijn broek niet ?----— Zeg 1 ?quot;

„Eigenlijk nee, Meheerlquot;

„Waarom niet?quot;

\'n Kort verslag der zuivere waarheid. — \'n Roffel, als van een dozijn tamboers.

„Nog ies van je ordes, Meheer?quot;

„Van m\'n ordes____? van m\'n ordes? dat je niet weer hoeft

te komen, hoor je; kwanselaars wil ik in mijn huis niet. Daarbij,

het arme Betje krijgt de kroon op \'r hoofd----versta je...

letterdieven duld ik evenmin, daar is je geld! voort maar!quot;

Mijn ouden Jakob een letterdief! — Och, of er geen ergere waren!

En Jakob verdedigde zich niet, maar ging, en toen hij des anderen daags zijn dienstwerk bij het kamerlid hervatte, en van mijn goede hospita met de blauwe oogen, in het voorbijgaan vernam, dat ze een jongenheer op de tweede verdieping had gekregen, toen verzocht hij om de gunst, en kreeg die, en verhief mij tot den rang van: Meheer.

Nog zie ik hem naast mij loopen. In de rechterhand droeg hij mijn bruin valiesje, onder zijn linkerarm een houten kistje. „Zou \'t nog tijd wezen, Jakob?quot;

„Als Meheer naar de groote klok regelt, zal \'t wel gaan.quot; „Als \'t eens te laat was....!quot;

„Dan kwam Meheer niet, waar ie graag wezen wou.quot; „\'t Zou me eeuwig spijten, en toch, \'t was m\'n schu\'d niet.quot; „Mijn schuld, Meheer....?quot;

„Dat zeg ik niet. Misschien wat langzaam ontbeten.quot; „Nog eens omgedraaid!quot;

„Wat harder aanloopen, Jakob.quot;

„Beter laat gedraafd, dan.......hoor! \'t laatste gelui.quot;

36

-ocr page 40-

MTJN OUDE JAKOB.

„Gelukkig, ik ben er; hier — nog \'n kwartje. — Gezondheid !quot;

„Nies meer van je ordes, Meheer.... ? Gezondheid! Goeje reis!quot;

„Goeje reis!quot; dat waren de laatste woorden, die ik uit den mond van mijn ouden Jakob vernam; de laatste woorden van ons laatste gesprek, het eerste en eenige tevens, dat belangrijk mocht heeten.

„Belangrijk....! waarom ?quot;

Vindt gij \'t niet, lezer; \'t spijt me. „Goeje reis!quot; \'t warende laatste woorden, die hij tot mij sprak, want, toen ik zes weken t later van mijn reisje terugkeerde en aan mijn hospita verzocht om Jakob morgen van mijn terugkomst kennis te geven, toen richtten zich haar vriendelijke oogen droevig naar boven, en zeide zij bewogen:

„Och u weet het dan niet dat de arme Jakob gestorven is! Nog slechts veertien dagen geleden stond hij boven op \'t portaal, de laarzen\' van mijnheer Van N. te poetsen, zoo gezond als ik of uwe op \'t oogenblik, en den volgenden morgen kwam zijn vrouw hier schreiende zeggen dat ze haar Jakob verloren had; rheumatiek over \'t hart, och! ik was er zoo akelig van, dat ik den heelen dag geen eten kon zien. Wat is de mensch!?quot;

„Jakob — dood! mijn goede Jakob dood!quot; herhaalde ik langzaam, en, in mijn ziel weerklonken die woorden der gevoelige juffrouw: „Wat is de mensch! ?quot;

Een gepensioneerd tamboer, met zeven vingers, die nietig is en dom; die trouwt, en kinderen krijgt, en oppasser wordt; die karig is voor de zijnen, die niets verricht wat men belangrijk kan noemen

en eindelijk sterft, ziedaar de held uwer vertelling, ziedaar.........

Stil, wat ik u bidden mag stil! lieve lezers; d^e schim van den armen Jakob toeft nog in mijn kamer. Zie hem aan, daar is niets op zijn wezen wat u zelfs in dezen oogenblik kan verrukken of boeien, en toch terug! een paar sclu-eden terug; duidt het ons niet ten kwade dat we een weinig gebiedend zijn, \'t is eerbied,

31

-ocr page 41-

MIJN OUDE JAKOB.

\'t is bewondering; terug dan! evenals ik; hoeden af! Hoort ge die doffe trommeltonen niet in de verte:

„Dom! — Dom! — drom mels dom!

Dom mer dan de stom me trom!

Stom! — Stom! — won der stom!

Trom len niets dan — stom rond-om!?quot;

Gij hoort ze. Welnu, die tonen ze hebben den armen Jakob niet alleen als tamboer in de ooren geklonken, maar ook als invalide; bovenal — toen hij vader van een zoon was geworden.

Stil! nog een schrede terug, en ik zal u verhalen wat hij belangrijks, wat hij edels verrichtte:

Hij rookte pijpjes van den morgen tot den avond, \'t was zijn lust, zijn eenig genoegen; toen hem een zoon was geboren, — toen rookte hij niet meer, noch des morgens, noch des avonds, geen enkel pijpje. Somwijlen nam Jakob bij Gerrit Horst — \'n kameraad van 30 — uit ouwe vriendschap \'n wippertje en soms nog \'n „halfiequot;; toen Griet hem een jongen had geschonken — toen schonk Gerrit hem geen wippertjes meer, en ook geen halfles.

Als het Zondags mooi weer was, dan kuierde Jakob, de kommenzaal, met ouwe Saartje en haar dochter naar een „verzetjequot; en dronk er een kruikje bier; regende het, dan trakteerde hij op brokken !), en soms ook op knapkoek. In de eerste huwelijks-maanden repte Grietje — die nogal voor \'t uiterlijke was — ternauwernood van: „de schoorsteenval zoo verschoten,quot; of Jakob kwam spoedig daarna met een paar ellen chits aan; ze sprak niet van muurbloemen of balsemijnen, of Jakob bracht ze mee en zette vrouwliefs wenschen te pronk voor de glazen; toen Gilles was geboren — toen vond de vader het gaan naar verzetjes en \'t bier drinken onnoodig; trakteerde noch op brokken noch op knapkoek, en werd voor alle wenschen van eenige Weelde doof, potdoof.

\'t Was geen inhaligheid, \'t was zorgende liefde.

38

Menigen zweetdroppel heeft het den arme gekost, menigen

\') Balletjes.

-ocr page 42-

MIJN OUDE JAKOB.

strijd heeft hij moeten strijden om van die geboorte af, tot aan zijn einde — ruim tien jaren lang — te doen hetgeen hij bij zich zeiven had gezworen, met Gods hulp te zullen volbrengen.

Stil! Twee-en-vijftig-malen in \'t jaar bracht hij honderd centen naar de spaarbank; honderd uitgespaarde, uitgezuinigde, op eigen genot en dat zijner lieven, beknibbelde centen. Eerbied voor mijn armen Jakob! hij heeft zijn eed niet geschonden. Het geld zoo geregeld in de spaarbank gebracht moest — in tien jaren tijds, interest op interest gerekend — wel een beduidende som worden.

Die som, zij zou aan zijn lieve kinderen schenken — aan den zoon bovenal — wat hun vader had moeten missen: een opleiding tot meerdere kennis, tot bereiking van een hoogeren trap van ontwikkeling, dan dien waarop hij gestaan had.

\'t Was de hoofdonderwijzer der armenschool aan wien Jakob zijn streven en vurigen wensch had kenbaar gemaakt. De hem zoo dringend aangeboden voogdij, indien Jakob, zooals hij gezegd had, eens onverwacht naar \'t groote garnizoen moest marcheeren, had hij niet willen afslaan. Die hoofdonderwijzer heeft volbracht hetgeen hij beloofde. De rijkdom van den arme heeft alree de heerlijkste vruchten opgeleverd. De bijna achttienjarige Saartje is derde juffrouw in de Stadsbewaarschool, en Gilles — de zoon van den armen oppasser -— is, als eerste secondant, vol ijver werkzaam op een uitmuntend instituut. Voor ieder knaapje wordt er duizend gulden betaald; méér daarvan te zeggen is overbodig.

Keurt gij \'t vuile citadelvaandel van „\'t zevendequot; uw aandacht niet onwaardig, lieve lezers; vindt gij \'t misschien zelfs fraai, vooral nadat het een medaille ontving? dan, ja dan voorzeker klopt uw harte vol vuur bij het zien van mijn nietigen ex-trommelslager.

Ziet, daar zit hij nog, mijn ouden vriend. Alsof hij ook nu nog den druk zijner onbeduidendheid gevoelt, staart hij bij voortduring naar omlaag. Sla de oogen vrij op, brave kerel! Wij zien naar beneden. Niet éen is er meer die u een kwanselaar, een inhalige, een gierigaard of een domoor zal noemen. Zelfs uw Grietje, al kon zij het in den aanvang niet verkroppen, dat gij zonder haar medeweten, zoovéél op \'t noodzakelijkste had beknibbeld, zij zegent u voor die terughouding; ze zou uw handel-

39

-ocr page 43-

MIJN OUDE JAKOB.

■wijze destijds dwaas en bespottelijk genoemd, en u voorzeker van \'t ware heil voor haar kroost hebben afgetrokken.

Arme Jakob! brave kerel! trouwe vader! Zijn er veel zulke vaders als gij? Zullen er velen doen wat gij eenmaal deedt?

ieder in zijn stand, op deze, of op een andere wijze____? Veel,

zeer veel hebt gij gedaan. Nog iederen avond danken Gilles en Saartje den goeden God dat ze u tot vader hadden. En ik, arme Jakob, — die nu rijk zijt in den hemel — ik dank u, ik dank u van harte, dat ge mij nog eenmaal ten dienste woudt zijn.

40

-ocr page 44-

Wouter Linge.

Wij zijn op reis, mijne lezers. Op reis in de dagelijksche be-teekenis van het woord.

Waarheen ?

Ik aarzel inderdaad om u de plaats onzer bestemming te noemen. Parijs is het niet. Brussel — Weenen — Londen .... ? Pardon, wij reizen naar Fredriksoord.

Wat blief!?

Om u te dienen, naar Frederiksoord.

Ei! doe mij \'t genoegen om rustig te blij ven. Gij zit daar kostelijk op de achterste bank der lompe maar van binnen recht con-fortable diligence. De conducteur heeft reeds zijn „Wilhelmusquot; binnen de muren der Ovenjselsche hoofdstad doen weergalmen en ten loon voor zijn keurig obligaat eenige lonkjes van straat-schrobbende of fruitventende maagdekens opgevangen. De zwaar beladen wagen vervult reeds met een dof gebrom de gewelven der oude poort; robbelt over de houten brug, en terwijl de voerman er met het voorwerp klapt, dat vooral bij diligence-paarden zeer weinig in achting staat, gaat het in stevigen draf over den Hinken straatweg. Nietwaar, die zachte beweging der veeren kussens is niet onaangenaam. Ha! ik zie het, gij blijft rustig, maar — al wildet gij ook terug, de portieren zijn goed gesloten; langs de breede wielen heen uit het hooge rijtuig op den beslijkten straatweg te springen, dat zou wat erg roekeloos wezen. Maar immers, ik zie dat gij rustig, heel rustig blijft zitten.

-ocr page 45-

quot;WOUTER LINGE.

„En mijnheer gaat naar Frederiksoord...?quot; vraagt een mager heertje die, tegenover mij gezeten, achteruitrijdt. „Dat is die strafkolonie nietwaar? Ei, ei, gaat u daar naartoe.... Och, mag ik uw sigaar eens ? — ik meende dat geen fatsoenlijk mensch — pam! — geen fatsoenlijk mensch die kanten uitging, — pam, pam! — land met geen land er achter. — Dank je.quot;

Het magere heertje had mijn vuur zóo gemaltraiteerd, dat bij het aanhalen der sigaar mij een paar vonken op de hand vallen, \'t Doet eventjes pijn.

„Zeer fatsoenlijke lieden hebben mij verzekerd dat Frederiksoord in een lieve landstreek ligt, en \'t land dat er achter is heet Friesland, mijnheer.quot;

Mijn geographische opmerking schijnt het heertje eenigszins uit het veld te slaan, want hij prevelt iets van woordvitterij en vraagt wat later aan een hoogroode dame, die twee donkere vratjes op het voorhoofd en pensé-lint op den hoed heeft: of haar het rooken ook hindert, \'t Is alsof de jonge dame — die ook achteruitrijdt — het heertje met vier oogen beschouwt en zegt: O neen! en dat ze zeer veel van rook houdt, want, pa houdt er dol van.

Pa is een zwaarlijvig heer die bij \'t instappen beweerd heeft, dat achteruitrijden het best is, want dat je dan buiten „de scheutquot; blijft. Een opmerking vol waarheid! Lies, zoo noemde hij de jonge dame, heeft hij als een parel in \'t goud, tusschen zich en het magere heertje in, op N0 12 doen plaats nemen. „Ha hal honneur aux dames!quot; „Je praat van die kankermaatschappij, meneer!quot; roept hij met een kolossale basstem, terwijl hij zijn dochter in een dikke rookwolk hult... dol prettig! en tevens de oogen sluit, zoodat ik niet weet wie de aangesproken meneer is: „daar heb ik het mijne van, zie je. Toen mijn vrouws vader stierf toen bleek het dat de goeje man lid van de hemel weet hoeveel quasie philanthropische instellingen was geweest en bleek het ook uit zijn testament, dat zijn kinderen die contributies zouden blijven voldoen. Onder dat mooie deel van de erfportie kreeg ik alle jaar, weet je, een postje van twee gulden zestig voor aie\'zoo-genaamde maatschappij van weldadigheid op mijne rekening. Wat weerlich zei ik tegen m\'n vrouw, alle jaren een zeeuw om het

42

-ocr page 46-

WOUTER UNGE.

uitvaagsel van je natie vet te mesten, daar geef ik de maan van. Als het gouvernement boeven en schorremorrie in de doos wil stoppen, dan laat het die zelf onderhouden, maar, om ons en \'n ander met zoo\'n weldadigheidsnaampje de centen uit den zak te kloppen, daar past Gijsbertus Hol voor.quot;

„Met uw welnemen, de maatschappij van weldadigheid is.. valt een heer in, die, tegenover Gijsbertus en nevens mij op de middelbank gezeten, vóoruitrijdt, doch de basstem vergunt hem niet den zin te volënden, want, met kiem herneemt de dikke, terwijl hij alweder als een kraaiende haan de oogen sluit: „Dat zal ik je blikskaters kort komen te zeggen, meneer: Een ouwe slof dat is ze; een dol wijf dat bedelt langs \'s heeren wegen, dat alles verteert en schuld maakt; dat morgen zoo dood als een pier in de kist leit en met ketelmuziek wordt begraven.quot;

De juffrouw met de vratjes zucht: „Ja, ja!quot;

De heer Gijsbertus neemt echter van dien zucht niet de minste notitie, en, evenmin het goedkeurend knikken van het heertje als het smadelijk glimlachen van mijn nevenman bemerkend, vervolgt hij, terwijl hij zijn dochter opnieuw door een rookwolk totaal eclipseert: „Zie je, toen ze mij verleden jaar weer om die twee gulden zestig aan boord kwamen, toen heb ik eens royaal van me afgesproken en getoond dat Gijsbertus Hol zich allemachtig lastig in de luren laat leggen: Weet je, zei ik tot dien pedel, compliment aan je boevenmaatschappij en dat ik geleerd heb met werken den kost te verdienen; dat ik bedroefd weinig lust heb om ten pleiziere van \'s lands geldzak een troep boeven te onderhouden, of wel, er renteniers van te maken en — dat ze voor mijn partje Ommerschans en Frederiksoord, of hoe ze heeten, voor afbraak kunnen verkoipen. Verwarde boel! Alle jaar zestig duizend gulden te kort! Compliment. Ha, man! wat die pedel \'n gezicht zette.quot;

Juffrouw Lies met de vratjes zegt: ofoei! en het magere heertje, die met een verheerlijkt gelaat de redeneering van den dikke heeft aangehoord, herneemt, terwijl hij om niet in \'t water te vallen aan zijn stem de meest mogelijke kracht zoekt bij te zetten: „Ja, de oprichter van die maatschappij moet een opgewonden persoontje geweest zijn; hij was----quot;

43

-ocr page 47-

quot;WOUTER LINGE.

Maar zie, de heer die naast mij zit en reeds gedurig teekenen van onrust heeft gegeven, vergunt het achteruitrijdend heertje niet om verder te spreken: „Een genie! hij was een genie!quot; roept hij met vuur; „de graaf Van den Bosch, mijnheer, was een man van wiens grootsche stichting in gansch Europa de wedergade niet werd gevonden. Engeland, Frankrijk en Duitsch-land noemden zijn naam met bewondering; zoo hij een fout had, het was deze, dat zijn liefdevol hart te veel wilde bevatten. In Nederland .zou het pauperisme de nekslag worden toegebracht. Ten zuiden van Drenthe en in \'t noorden dier provincie verrezen gestichten, waarin het schuim der vrije natie zou opgevoed en zoo mogelijk in werkzame menschen herschapen worden; zij verrezen, maar er verrezen ook v r ij e kolonies; kolonies waaraan de vorsten van Oranje hun namen leenden; waarin valide armen en weezen door veld- en ten deele door fabriek-arbeid het brood zouden verdienen; zie, mijnheeren,quot; vervolgt de spreker met warmte, terwijl hij nu eens den blik op de gesloten oogen van den dikke of op het dubbende hoofd van het magere heertje vestigt; „zie, ik kan niet dulden dat een maatschappij die met de edelste bedoelingen werd opgericht, waaraan — gedurende een reeks van meer dan veertig jaren — hoogwaardige mannen belangloos hunne krachten wijdden en waarin duizenden onge-lukkigen een toevluchtsoord vonden, wordt gehoond en gelasterd. Ik weet wel,quot; vervolgde hij haastig, als vreesde hij dat men Wem in de rede zou vallen, „ik weet wel dat haar van den beginne af gebreken hebben aangekleefd die den lande schatten gelds en weldadige Nederlanders groote, zeer groote offers hebben gekost; maar ik weet evenzeer dat die gebreken als van zeiven uit het te grootsche doel der maatschappij werden geboren. Bedelaarsgestichten behooren aan de zorg eener regeering; zie, een maatschappij van weldadigheid..moest een zuiver philanthropische zijn; dat was ze niet, maar — dat is zij geworden.quot;

De spreker houdt even op om te nauwkeuriger de uitwerking dier laatste woorden op het gelaat zijner medereizigers te kunnen gadeslaan, of ook, om even tot verademing te komen, want het luide spreken in een diligence, zelfs in eene van Van Gend en Loos, is tamelijk vermoeiend. Bekomt hij die verademing.

u

-ocr page 48-

WOUTER LINGE.

voldoening zijner woorden ondervindt hij alleen van mijn zijde. Nu hij ophoudt met spreken opent Gijsbertus, die steeds de oogen gesloten hield, den mond ten halve om te toonen dat hij geheel is ingeslapen; de roode juffrouw ontwikkelt een waterbroodje aan een grauw stuk papier en doet bescheidenlijk den eersten hap, terwijl het magere heertje met het dubbende hoofd door het portierglas heen naar buiten ziet, en slechts oogen heeft voor hetgeen wij voorbij zijn.

„Gij reist naar Frederiksoord, mijnheer?quot; herneemt de laatste spreker op zachteren toon, terwijl hij zich ter zijde wendt en mij nauwkeurig beschouwt.

„Men heeft mij gezegd dat de kolonie der bezichtiging over-waardig is,quot; luidt mijn antwoord.

„En ik verzeker u dat gij voldaan zult wezen!quot; spreekt hij weder met klem. „De maatschappij van weldadigheid, onlangs van hare onhoudbare bestanddeelen ontdaan en door vroegere ervaring geleerd, heeft met vernieuwden ijver hervormingen tot stand gebracht, zooals die alleen van jeugdige krachten kunnen geëischt worden. Sedert 1859 werd de maatschappij van weldadigheid als een nieuw monument op het voetstuk van vroegere liefdadigheid en belangloozen ijver opgetrokken; \'t is zoo jammer, mijnheer, dat men ondanks de daartoe aangewende pogingen dei-nieuwe directie nog zoo weinig hiermede bekend is; nog altijd meent men ten onrechte, dat het gouvernement zijn jaarlijksche subsidies aan de maatschappij blijft schenken; dat de strafkolonies Ommerschans en Veenhuizen haar nog toebehooren, en weet men te weinig dat — voor een groot gedeelte althans — het geluk der vrije kolonisten alleen van hun lust tot den arbeid afhankelijk is.quot;

Maar — de spreker werpt snel den blik naar buiten; de diligence heeft voor het hek eener fraaie buitenplaats stil gehouden ; de conducteur opent het portier. Met een haastig: Goede reis, heeren! stapt mijn nevenman uit den wagen. De conducteur voelt iets in de hand, werpt met een: Dank je dokter, het portier weder digt. Hort! en wij rollen weer voort.

Verschooning, mijne lezers, verschooning! ik ben wat erg vrijpostig geweest; ja waarlijk, het is wat vermetel om u maar

45

-ocr page 49-

WOUTER IJNGE.

zonder verlof in een rookerige diligence te stoppen, en u te doen hoeren hetgeen u vermoedelijk reeds lange bekend is. Verschooning, ik was zoo ingenomen met mijn tochtje; maar gij — gij hebt recht iets anders van mij te eischen. Een verhaal, nietwaar? Welnu, ik heb een verhaal en dat verhaal heet Wouter Linge.

\'t Is een koude Decemberavond. De noordenwind loeit langs de grachten van een onzer eerste steden; giert door de straten, fluit door de stegen en jaagt het stof der breede pleinen in digte wolken omhoog.

Zelfs in de voornaamste gedeelten der stad is de drokte niet zoo groot als gewoonlijk, maar in de afgelegene buurt die wij, betreden is het als uitgestorven. Geen wonder; bijna een half uur geleden sloeg de klok van den gróoten toren reeds elf en — de wind is zoo koud! Maar toch, wanneer wij den blik in die nauwe steeg slaan, die slechts door een fladderende gasvlam wordt verlicht, dan zien wij een knaap van omstreeks twaalf jaren, met het hoofd schuin tegen den wind in, haastig \\oor-waartstreden.

\'t Is een arme jongen. Wat is hij schamel gekleed. Zie, nu beschijnt hem het licht der flikkerende gasvlam. Arm ventje, wat ziet hij bleek, mager en bleek! Daar toeft hij; zijn blik moet iets ontwaard hebben dat op de stoep eener zeer armoedige woning werd achtergelaten, \'t Is een paar klompen. Zie, hij tuurt rechts en links, en — maar neen! weder gaat hij voort terwijl hij ten halve de oogen sluit voor den snijdenden wind. Tien passen ver, daar houdt hij nogmaals stand; hij keert terug, terug tot bij de woning waar die schoone buit hem in de oogen blonk; nadert — nadert behoedzaam het stoepje; strekt hij de hand

uit........ maar neen, ook nu deinst hij terug. Zie, zie hem

loopen. Arme, brave jongen! Tegen den snijdenden wind in, ijlt hij voort. Aan het einde der steeg gekomen snelt hij den hoek om en bereikt in weinige seconden de ouderlijke woning.

De ouderlijke woning! Vijf gemetselde trappen daalt gij af en

46

-ocr page 50-

WOUTER LINGE.

eene kleine verllooze deur verleent u toegang tot een vochtig kelderverblijf. Het vlammetje van een keukenlamp verlicht maar ten deele dat lage vertrek. Zie het salpeter parelt er op de wanden. Orde en netheid heerschen er wel, maar ook armoede, bittere armoede. — De zwakke moeder, die al sedert verscheidene maanden het slachtoffer eener afmattende anderdaagsche koorts is geweest, zit nog aan de kleine tafel en haastig drijft zij de naald door het sleetsch verstelwerk, want — heden is het haar vrije dag, en morgen zal de koorts, in weerwil der quina-poeders van bos-dokteiy haar den lust en de kracht tot den arbeid ontnemen.

„Aafje, gij moet naar bed gaan,quot; zegt een man van omstreeks zes en vijftig jaren die, tegenover haar gezeten zich met het liniëeren van kantoorboeken heeft bezig gehouden, maar in het laatste kwartier reeds dikwijls zijn arbeid heeft gestaakt om — te luisteren, en dan naar de deur is gegaan, en naar buiten heeft gezien, terwijl er onrust op zijn gelaat was te lezen: „Aafje, gij moest naar bed gaan.quot;

„Roelof blijft zoo lang uit en de wind is zoo koud,quot; antwoordt de vrouw ontwijkend. „Zijn handwerk bevalt mij niet, Wouter.quot;

„Roel doet wat hij kan,quot; herneemt de vader zichtbaar afgetrokken; en weder gaat hij naar de deur en herhaalt terwijl hij er luistert: „Aafje, ga dan naar bed toe.quot;

Zie, daar wordt de deur geopend. Een blijde lach teekent zich op het vermagerde gelaat der moeder nu zij haar jongen ziet binnenkomen. Ook de vader werpt hem een vriendelijken blik toe, en zegt dat moeder al ongerust werd, maar vraagt ook terzelfder tijd wat er gebeurde, want. Roelof hijgt naar den adem en ziet er uit alsof hem iets bijzonders weervoer.

„Zeg Roeltje, wat overkwam je dan toch?quot; vraagt ook de moeder, terwijl zij op den jongen toegetreden diens verkleumde handen vat en hem met bezorgdheid blijft aanstaren.

„Niets, moeder, niets,quot; zegt Roelof hijgend; „ik heb twee dubbeltjes met wegwijzen verdiend, en bij de komedie zestig endjes sigaren geraapt; — mijn ooren doen zoo zeer want \'t is erg koud, moeder.quot;

„Och! zoo koud!quot; zegt de vrouw en drukt haar gloeiende han-

•47

-ocr page 51-

WOUTER LINGE.

den tegen de schier bevrozen ooren van haar jongen. „Wouter, ik wil hem \'s avonds niet zoo laat op de straat hebben,quot; vervolgt zij tot den man; „Roelof is te jong en te zwak; zie hem eens beven.quot;

„Ja ja, \'t wordt te laat,quot; stemt de vader, doch de toon waarop hij spreekt geeft duidelijk te kennen, dat de afgetrokkenheid die hem vóór de tehuiskomst van Roelof beheerschte, nog niet geweken is. „Met die kou, zie-je,quot; en hij staart naar den grond en legt de vlakke hand op het voorhoofd.

„Ben je weer duizelig. Wouter?quot; vraagt Aafje, terwijl zij niet langer de ooren van haar jongen koestert, omdat het zoo zeer deed!!

„Nee, Aafje, Goddank nee,quot; is het antwoord, en de man, als uit een droom ontwakend, doet de hand van het voorhoofd weg, neemt de twee dubbeltjes die Roelof op de tafel heeft gelegd, en werpt een blik in het zakje waarin zich de bijeengeraapte sigaar-endjes bevinden.

„Daar zijn er maar veertig, vader,quot; zegt de jongen die nog gedurig naar de pijnlijke ooren tast, „maar -— ik heb er twintig aan Wal Prim moeten geven, omdat ie me een kunstje zoulee-ren dat net zoo goed als geld was, zeidie.quot;

„Hier Roeltje,quot; spreekt de moeder terwijl zij den knaap, die middelerwijl weer bij adem is gekomen, een snede roggebrood in de handen stopt, en vragend: „Wat was het____?quot;

„\'t Was een gauwigheid, zeidie,quot; antwoordt de jongen, „en Wals vader had er erg om gelachen; maar zie je, ik wou dat ik de twintig endjes maar niet had gegeven; vier waren er bij die nog veel meer dan half waren.quot;

„Zoo goed als geld! en wat had ie____?quot; vorscht de vader,

een weinig opmerkzaam geworden.

„Als ik \'s avonds een loonwachtje deed — zei Wal, dan moest ik altijd een half centje en een brabander in den zak hebben,quot; antwoordde Roelof; „als de lui dan aan d\'r huis waren gekomen en een dubbeltje of soms een vijfje fooi gaven, dan moest ik ze eerst half naar binnen laten gaan en — naar gelang van een dubbeltje of vijfje het halve centje of den brabander laten zien zeggen en dat ze zich vergist hebben; dan brommen ze wel

48

-ocr page 52-

WOUTER LTNGE.

eerst, zei Wal, maar zie je — dan kreeg je \'t toch meestal nog eens.quot;

„En zul je dat doen, Roeltje? vraagt de moeder haastig, terwijl zij haar kind beteekenend in de oogen ziet. Over het bleeke gelaat van den jongen verspreidt zich een zachten blos: „Nee, moeder, nee!quot; zegt hij even haastig en zijn blauwe oogen — heldere kijkers — glanzen haar tegen ; „nee moeder, ik zei tegen Wal dat het bedrog was en dat gij en vader mij altijd geleerd hebben dat ik niemand om een aalmoes mocht aanspreken, maar niewaar moeder, dit kunstje zou nog erger zijn — ? en ik zei ook dat hij de twintig endjes weerom moest geven, want dat ik het kunstje niet hebben wilde, maar, toen lachte Wal en zei dat ik een gek was.quot;

Ik weet niet waaraan de vader denkt nu hij zijn lieven Roelof hoort spreken. Wouter is zoo vreemd van avond; dat heeft moeder Aafje ook gevonden, doch nu — nu bemerkt zij niet eens dat Wouter geen teeken van vreugde geeft en schielijk heeft zij gesproken: „En ik zeg, dat ge braaf dacht, mijn jongen, heel braaf, mijn Roelof! Wat met bedrog wordt verkregen

is diefstal en — die een dief wordt.....quot; Doch zie hoe eensklaps

een vuurrood het bleeke gelaat van den knaap overdekt. Toen hij drempel betrad toen beefde hij nog, en nu, nu beeft hij weder, want dat laatste woord doet een sombere snaar in zijn binnenste trillen: hij denkt aan het oogenblik — aan het oogenblik waarin wij hem in die nauwe steeg bij het schijnsel der gaslantaarn bespiedden, en — terwijl de tranen hem in de oogen springen, drukt hij het hoofd tegen de moederborst en krijtend hikt hij: „Nee, moeder, nee! een dief ben ik niet; ik dacht toen ik die klompen zag staan, hoe vaders voeten— zoo dikwijls k^ud op den steenen vloer worden.... dat hij dan duizelig wordt..., maar____ moeder, beste moeder, ik heb ze laten staan, nee, weggenomen heb ik ze niet.quot;

Een gloeiende kus op zijn voorhoofd is moeders eerste antwoord. Schuldelooze eenvoud! Hij wist wel dat moeder hem ginder niet zag, hij weet wel dat vaders oog hem daar niet bereikte, maar toch, het was hem alsof die beiden in zijn ziel hadden gelezen. Nu heeft hij zijn hart ontlast, nu gevoelt hij zich vrij; nu

49

-ocr page 53-

WOUTER LINGE.

siet hij zijn moeder aan alsof hij haar zegt: Moeder, lieve moeier, ik ben nog uw jongen!

En Wouter — ? De vader staat daar alweder met de hand ian het voorhoofd en hij ziet zóo vreemd in \'t ronde dat vrouw A-afje, die den blik op hem vestigt, hem haastig toeroept; „Wouter, ga zitten; ge wordt zoo bleek, Wouter.quot;

Maar neen, Wouter gevoelt zich wèl, bijzonder wel; want zie, Eds uit een droom ontwakend breidt hij de armen uit en drukt zijn lieveling aan het hart: „Roel! mijn brave Roel!quot; roept hij in verrukking en weder: „mijn beste jongen!quot;

\'t Is een half uur later. Ginds in het hokje dat met dit verblijf de geheele kelderwoning uitmaakt, heeft moeder Aalje zich ter ruste begeven. Roelof slaapt reeds. De bedstede daar in den hoek van het grootste vertrek deelt hij met zijn twee jongere broertjes, en zie — hij lacht in den slaap.

Wouter Linge heeft zich overtuigd dat de moeder zich te bed begaf; de beide meisjes, Anna en kleine Santje, sliepen ginds reeds lange naast moeders bedstede, en Anna, zijn oudste — dertien jaren nu — het mooie kind met haar blauwe oogen en zwarte haren — Wouter heeft haar in \'t voorbijgaan de bleeke wang gestreeld en een kus op de fijne lipjes gedrukt.

Nu staat de vader opnieuw in het woonvertrek.

„\'t Moet nog afgemaakt wat ik te doen had!quot; heeft hij tot Aafje gezegd, en — of de vrouwe gemeend heeft dat zulks even goed morgen kon geschieden, Wouter heeft gezegd: „Ik moet het afmaken;quot; daarbij bleef het. Maar, Wouter zet zich niet tot den arbeid; met de linkerhand op de tafel geleund blijft hij er staan en tuurt in het kleine lichtje dat hij zoo aanstonds nog kleiner gaat maken, \'t Is een donkere wolk die zijn gelaat beeft overtogen. Wat wil hij? Waaraan peinst hij.....?

Gij hebt het geraden. Ja! — al zaagt ge daar brood in die woning; al hebben u geen klaagtonen het harte bedroefd; al noemden die ouders het woord niet dat hen als een akelig spooksel gedurig voor den geest staat; gij hebt het geraden: Wouter Linge worstelt met de zijnen tegen armoede en gebrek.

Eertijds, ja! toen was hij een flinke borst, en zijn ambacht

50

-ocr page 54-

WOUTER LINGE. 51

verstond hij zoo goed als de beste. Hij was metselaarsknecht en altijd ijverig en altijd trouw. Als vrijgezel had hij meer dan zijn brood en, omstreeks veertig jaren oud, toen meende Wouter dat blonde Aafje nog wel de zijne kon worden. — Ze waren gelukkig, o zoo gelukkig in het kelderhuis, al was het er vochtig; ze hadden hun brood en — God schonk hun kinders. Lieve kinders! Maar — aardsch geluk is niet bestendig. Zie, acht kinders dat is veel; drie er van, ofschoon zeer jong, te verliezen valt toch hard. Sinds haar laatste moederwording is Aafje zwak en sukkelend gebleven. — Vijf kinders in leven; zieke moeder en dezelfde verdienste, niets meer.....!?

Maar erger! Sedert de laatste jaren heeft vader Linge vreemde pijnen in \'t hoofd gehad; \'t kon hem soms zoo duizelig maken; \'t zou wel rheumatiek in \'t hoofd wezen heeft men gezegd, maar •wat het ook zijn mocht, \'t was lastig, heel lastig.

Reeds in den verloopen zomer heeft Wouter bij \'t beklimmen der steigerladder veelal de oogen gesloten en zich zooveel mogelijk gewacht om van een hoogte naar beneden te zien. \'t Was somtijds onvermijdelijk.

De eerste van October staat met een zwarte kool in zijn levensboek geteekend. \'t Was een stormachtige dag; somwijlen brak even de zon door, doch telkens ook dook zij achter zwarte wolken terug. Op het hooge staketsel heeft Wouter Linge met vaste hand de voeten gesneden. Nu en dan heeft hij even de hand die den voegspijker bestuurde aan het voorhoofd gebracht; \'t was hem dan als liepen al die voegen dooreen, alsof ze nu eens____ slangetjes en dan weder----cirkeltjes maakten; duizelig! erg duizelig! Daar slaat liet schoftuur. Hij moet naar beneden, \'t Is een verbazende hoogte. Op den steiger treedt hij voort maar grijpt zich gedurig aan een der palen vast. De zon heeft zich achter een donkere wolk verscholen. De hand ter dege aan de ladder geslagen, daalt Wouter behoedzaam de bovenste sporten af. — Daar breekt de zon weder door; nu blinkt hem iets vreemds

in de oogen..... hij wankelt..... „O God!quot; — Zie nog wil hij

zich grijpen, maar neen, hij zakt, en stort naar beneden.

Dat was verschrikkelijk! doch de God dien hij had aangeroepen heeft hem wonderbaarlijk gered. Wouter is op een grooten hoop

-ocr page 55-

WOUTER LINGE.

kalkzand terecht gekomen. In den beginne bewusteloos, heeft men hem aanstonds naar zijn woniiig gebracht. Spoedig bijgekomen is het gebleken dat hij geen ander letsel bekwam dan een lichte kneuzing aan den arm. — Wonderbaarlijk gered! Nochtans: het is hem ernstig geraden zijn — voor hem — gevaarlijk ambacht te laten varen. Maar wat, maar wat dan? Zijn ambacht kent hij uitmuntend, doch anders verstaat hij niets. Reeds vroeger was het vaak armoe, maar nu... ? — Voor zijn gezondheid wandelen, wandelen in de vrije lucht... ha! dat heet den draak steken met de behoeften van zulk een gezin; dat is om te lachen, neen, om te schreien. — Kom, den steiger weer op!

Terug, Wouter, herstel van uw kwaal, of gij maakt uw vrouw tot een weeuw en uw kinders tot weezen.

En nu — twee maanden reeds heeft hij met de armoede gekampt. Neen, onderstand vragen, dat wil en dat kan hij niet. Met boeken liniëeren is zoo weinig te verdienen. De lieve Anna heeft het hare gedaan. Van de stadsschool teruggebleven, heeft zij ginds bij dien voornamen schilder tot model gediend, en ze heeft twee gulden thuis gebracht; maar ook, men heeft haai1 de kin gestreeld en gezegd dat zij een beeldig gezichtje had en daarmee wel door de wereld zou komen; doch tevens meelijdend; dat ze te mooi was om slecht te worden en zich maar goed en maar braaf moest houden. Met zoo\'n beeldig gezichtje wel dooide wereld komen! Ze hebben gebeefd die ouders. Anna is weer naar de school gezonden. Liever gebrek!

En Roelof, kleine Roelof... ? Ja, ook hij doet het zijne. Het zijne! Maar dezen avond... Verleiding! Een dief...?

Wouter Linge tuurt nog in het lichtje. Eensklaps schrikt hij

op. Hij luistert....... Neen, hij heeft zich niet bedrogen; het is

de ratel van den nachtwacht dien hij nogmaals uit de verte verneemt, \'t Moet omstreeks een half uur na middernacht wezen. — De voetstap van den nachtwacht wordt hoorbaar; hij nadert; hol klinkt zijn tred door het nauwe straatje; ■—• nu gaat hij de kelderwoning voorbij; weder die rauwe ratelklank; — een schorre doch luide stem die het nachtelijk uur verkondigt; — \'t geluid sterft weg; met dat geluid de voetstap des wakers, \'t Wordt alles weer stil daar buiten..... alleen de wind fluit

52

-ocr page 56-

WOUTER L1NGE.

nog. En terwijl Wouter daar binnen heeft geluisterd, klopte het hart hem voelbaar in de borst en stond hij roerloos als een marmeren beeld.

Nu is het voorbij. Zijn voornemen moet en zal hij volvoeren. De pet wordt opgezet en diep op de oogen gedrukt; een wollen bouffante dubbel om den hals geslagen. Alles slaapt...? Ja, alles

slaapt.....Roelof ook. Roelof, zijn jongen! — Het olievlammetje

wordt uitgedoofd; zachtkens treedt Wouter op de deur toe; behoedzaam, uiterst behoedzaam wordt zij geopend. Even blaast de wind in het kleine vertrek; nu niet meer; de deur is weer digt en Wouter op straat.

Waarom zoo schichtig. Wouter? Gaat gij iets kwaads verrichten? — Arme, zie toe. Als ge nu valt, dan, dan zal God u niet redden; neen Wouter, dan stort gij te pletter.

Daar gaat hij; de steeg uit; nü rechts een hoek om; dan links een smalle kade op en — weder links, een nauwe, een zeer nauwe gang in.

Ten deele in een donkeren hoek verborgen, met den rug tegen een hoogen muur geleund en een kleine ladder stijf tegen een eenigszins vooruitspringenden wand gedrukt, staat een persoon die er reeds een groot kwartier den snijdenden wind heeft getart. De tijd valt hem lang, erg lang, en de mogelijkheid bestaal dat „die kleingeestige Wouter, nu het op handelen aankomt, hem in den steek zal laten.quot;

Wat vreemd geluid____ ha! \'t is ellendig kattengemauw dal

een mensch waarachtig aan \'t schrikken zou maken. Maar nu — zou het wel Wouter zijn die daar nadert...? Ja, hij is het.

„Vervoerd laten wachten!quot; bromt de eerste, maar terwijl hij dit zegt, vat de nieuw aangekomene hem haastig bij den arm.

Hoe! verraad! Is het Wouter dan niet, heeft hij zich in het duister bedrogen? „Kerel, wie ben je—?quot; Doch ja, het is de verwachte wel.

„Stil, Jakob, men mocht ons hooren,quot; fluistert Linge, en zachter fluistert hij meer; wij hooren niet wat; alleen nog dit laatste: „Ik moest je dat zeggen en daarom bleef ik niet achter: liever armoe dan aalmoes, maar beter nog aalmoes dan zonde!quot;

53

-ocr page 57-

WOUTER LINGE.

„Wat weerga, wat kwezel je nou...?quot; bromt Jakob haastig: „da\'s diakengezanik, zie je: wou je me nou in den steek laten, zeg ?quot;

Wanneer een arme in den kamp met de deugd de zege heeft behaald; wanneer hij het lokaas der zonde: brood, nooddruft voor de zijnen heeft verworpen om rein te blijven voor God en de wereld; wanneer het boos ontwerp — hem als onschuldig voorgespiegeld — verbannen is uit zijn ziel; wanneer de nacht donker en koud is en hij juicht dat zijn voet dat pad — dat akelige pad ter misdaad niet hoeft te betreden; maar toch, wanneer die arme de kans trotseert om verdacht en bespied te worden en henensnelt om den ongelukkige die hem verzocht, te smeeken, te bidden, dat ook hij terug zal keeren op zijn weg, dat ook hij de armoe zal verkiezen boven de zonde, ■— neen! dan mag hij dat niet „in den steek latenquot; noemen; zie, dat is broederliefde en — de stormwind die loeit is het vreugdelied der hemelen.

Een dof geuite doch ruwe vloek klinkt ten antwoord op Wouters herhaalde wekstem ten goede. Mij dunkt, die schorre stem beeft van teleurstelling nu hij Wouter schamper afvraagt; Of hij — vrome Jozef — ook soms de politie op wacht heeft gezet, maar tevens er bij voegt: „En ik zal mijn gang gaan; loop naar den duivel!quot;

Of Jakob zijn gang ging? Ik geloof het niet, want den volgenden morgen was er in de groote stad geen sprake van inbraak of diefstal.

En Wouter — niet met den booze maar met den hemel in het hart, spoedt hij zich huiswaarts; daar gekomen ontsteekt hij weder zijn lampje. Zie, nu treedt hij haastig op de bedstede toe waarin zijn Roelof slaapt; de gordijn een weinig ter zijde geschoven, beschijnt het roode lichtje den bleeken jongen; nu drukt de vader op Koeltjes heldere voorhoofd een kus vol innige liefde; zie, met diep gevoel slaat hij den blik naar boven en — slechts een hoort zijn stem: „O Vader, ik dank U, ik dank U voor dit dierbare kind; hij bracht mij weder tot U, U w almacht kan helpen!quot;

54

-ocr page 58-

WOUTER LINGE.

Ruim tien jaren zijn er voorbijgegaan. Wij bevinden ons verre van de groote koopstad. Den zuiderpias staken wij over en zijn op het land, in het lieflijke Drenthe.

\'t Is een schoone Septembermorgen. Ze kunnen zoo schoon zijn die najaarsdagen op het land. Een koesterende zonne: breede schaduwen langs bosschen en velden; zachte, blauwe tonen in \'t verschiet. Ja — daar lacht wel het beeld van den herfst des levens in.

\'t Is een schoone Septembermorgen. Aan het einde van dezen eenigszins glooienden zandweg, door fraaie beuken overschaduwd, wacht u een treffend gezicht, \'t Is een zijweg waarop gij u thans bevindt; een opgeworpen hoogte ter rechterzijde biedt u een droog en gemakkelijk plekje tot rusten aan.

Wat aardige huisjes treffen uw blik. Ter rechter- en ter linkerzijde ziet gij de rieten daken boven het akkermaalshout te voorschijn komen, of wel — zooals ginds — daar valt die kleine boerenwoning u geheel in het oog; proper en net; de heldere voorgevel ten halve achter zwierige wijngaardranken verscholen; groen en rood op de luiken. En zie, het roode schijnsel achter die ruitjes doet u wel raden, dat de vrouwe daarbinnen den middagpot reeds te vuur heeft en dat de groentenmoes er reeds aan \'t broetsen en proetsen is. — Maar verder, wat bekoorlijk landschap! Ginder langs dat sparrenbosch heen daar ziet gij de rosse bussels boekwijt nog op den akker en — juist daarneven, daar is de aardappelenoogst in vollen gang. Mij dunkt: vier, vijf personen zijn er bijeen; onderkennen kunt gij ze niet; maar zie, ze delven en rooien en rapen, en, van ter zij komt de lage kar met den rooden os bespannen, langzaam den akker opgereden, om straks weer even statig, de zakken met eters en pooters en kriel naar de huizing te voeren.

Lieflijk landschap! en de zonne beschijnt het zoo vroolijk, gij kunt er lang zitten turen eer het u zal vervelen. Neen, het verveelt u niet, maar toch, die ruste bevredigt u weinig bij het zien van gindsche werkzaamheid.

En nu — opgestaan en nabij de wieke of vaart gekomen, die het veld van den zandweg scheidt, nu bespeurt gij over die wieke een kleine ophaalbrug. De roode sterke os trekt er zijn

55

-ocr page 59-

WOUTER LINGE.

vracht overheen en stapt u — altijd statig — naast zijn geleider voorbij.

Die geleider is een grijsaard. Zijn wezen en eenigszins gebogen houding doen u vermoeden dat hij den leeftijd van zeventig jaren reeds te boven is, ofschoon hij inderdaad eerst zijn zes en zestigsten zomer beleefde. Al zijn die haren ook grijs en de groeven op zijn gelaat ook dieper geworden, ongetwijfeld, gij hebt dien oude wel aanstonds herkend, \'t Is Wouter Linge. Neen — niet tevergeefs heeft Wouter in den nacht toen hij die schoonste overwinning behaalde, de Almacht om hulpe gesmeekt; al weet hij dat God niet ieder gebed kan verhooren, het zijne, ja het zijne is toen verhoord geworden. Liefdevolle armen hebben zich uitgestrekt en het behoeftig gezin uit den vochtigen kelder naar het lieflijke Drenthe verplaatst. Een kleine maar vriendelijke woning is er hun aangewezen. Uit de groote maatschappij waarin zij zoo behoeftig waren maar geen armen wilden zijn, werden zij in een kleinere overgebracht, in een maatschappij waaraan het echt Nederlandsch woord weldadigheid is verbonden.

Ze zijn er gekomen op het land, in de vrije natuur, en — brachten er twee van de kinders, met de lijkkleur op de kaken, de kiemen van een vroegen dood met zich mede — toch hebben die jongskens, alvorens te scheiden, er nog met bloemen gespeeld en het lachen gezien eener heerlijke lente. Santje, de jongste van het meegebrachte vijftal, mochten zij ja behouden, maar, zij is tenger en zwak van gestel, zeer zwak; arme Santje!

Dat heengaan der knaapjes heeft wel tranen gekost aan den man die daar voortgaat naast den statigen trek-os, maar toch, hij zal u dankbaar zeggen dat het die kleinen aan niets heeft ontbroken, toen ze langzaam de ure te gemoet gingen waarin ze naar een der vele woningen des Eeuwigen werden overgebracht.

En vraagt gij hem verder, hij zal u nog meer verhalen, met een lach op het trouwhartig gelaat zal hij u zeggen hoe Aafje, zijn lieve vrouw, al spoedig in deze dreven, ofschoon ze wel zwak bleef, van hare koortsen werd verlost; hoe Roelof, zijn brave jongen, er tot een krachtigen knaap is opgewassen; hoe Anna, zijn oudste, zijn lieve dochter, er is ontwikkeld tot een bekoorlijke maagd en ja hoe hij zelf, ofschoon wat heel vroeg oud en minder

56

-ocr page 60-

WOUTER LINGE.

krachtig, in den akkerbouw een onbegrensd genot gevonden en met het frissche buitenleven zijn gezondheid herkregen heeft. O! God schonk hem dien zegen en God moet hij danken.

Ziet gij dat mandje met dien staak? Wanneer het naar beneden wordt gelaten dan heeft voor den arbeider dezer kleine maatschappij het schoftuur geslagen, \'t Mandje zakt naar beneden.

En zie nu, zoo hier als elders spoedt zich de kolonist naar zijn woning. Ginds trekt een troepje mannen en vrouwen, waarvan sommigen spaden en anderen manden of zakken met zich dragen, luid koutend daarheen. In de verte ziet gij een hoogbeladen kar

met boekweit in een zijlaan verdwijnen. En hier.....maar luister,

achter het elzenhout klonken stemmen. Men toeft er. Zie nu, dat is een lief tafereel:

Vriendelijker oogen zaagt gij maar zelden dan die van de schoone Anna Linge. In de stad heeft men het reeds gezegd dat zij een beeldig gezichtje had; maar thans — ik zou u haar schilderen willen zooals zij daar staat, met den ronden schouder tegen de borst van een kloeken knaap geleund die hare hand in de zijnen gedrukt houdt. Prachtig boerinnetje met uw blauwe, heldere oogen en uw zwarte golvende haren, die zich echter voor \'t grootste deel in het hagelwitte mutsje verschuilen; aanvallige maagd met mv paars katoenen jakje om de welgevormde leden en — maar genoeg: er zijn wel knapen die stokstijf beweren dat Anna hooghartig en trotsch op haar schoon is, doch Willem, de flinke jongen weet het beter: Anna heeft geen liefde kunnen schenken aleer die zuivere gloed in haar boezem ontvonkt was. Willem weet het dat zij kan minnen, minnen met vuur, doch rein en geduldig. Rein en geduldig evenals hij, want — de toestand in deze maatschappij opent den minnenden knaap, die nog broeders en zusters en ook een oude moeder heeft, geen lachend verschiet. Wanneer — wanneer zal de ure slaan dat hij zijn dierbare Anne in een der nederige hoeven als de zijne kan binnenvoeren... . ? Helaas! daar zijn bezwaren, droevige bezwaren; hun beider toekomst is nog door een wolke verduisterd.

Maar — geen wolkje zweeft er op dit oogenblik langs beider voorhoofd. Neen, zij staan er zoo nog een wijle met de handen ineen; dan buigt Willem zijn hoofd wat ter zij en drukt de lieve

57

-ocr page 61-

WOUTER LINGE.

een zoen op haar blozende wang. En dan, als hij haar loslaat dan zegt hij zoo heel eenvoudig: „Dag Anne!quot; \'t Meisje ziet hem recht liefdevol aan — ze hebben maar weinig te praten — zij zegt er: „Dag Willem!quot;

En hij weer met sprekende blikken: „Dag lieve Anne!quot; En zij: „Dag beste Willem!quot;

Er volgt weer een zoen op. Nu zal de jongen zich verwijderen, want straks wordt het mandje weer opgeheschen, maar — nogmaals blijft hij staan, geniet met zijn blik de schoone gestalte in haar geheel en dan — nóg een zoen en weder, alsof het wat nieuws is: „Dag beste Anne!quot; Nu spoedt hij zich voort, want Anne is aan de andere zijde den wiekheuvel langs de elzestruiken afgesneld en ijlt er met ligten tred naar het ouderlijk erf toe.

Aan de achterzijde der kleine woning, die ons straks meer bijzonder in \'t oog viel, heeft middelerwijl een ander tooneel plaats gegrepen.

Drie personen zijn er nog in dezen oogenblik bijeen. Gij ziet er den grijzen Wouter Linge, die met behulp van zijn Roelof den rooden os aan het uitspannen is, terwijl een aardig meisje aan gene zijde van het krachtige dier u over zijn breede rug schijnt toe te lachen. Ja ze lacht en — als zij dat doet dan groeven zich in haar mollige wangen twee donzen kuiltjes, die Roelof zoo snoeperig vindt.

„Roelof, jongen!quot; hooren wij den oude spreken, terwijl er iets trillerigs in zijn stem is en hij zijn oogen strak op den krommen dissel van den wagen houdt gevestigd waaraan hij zooeven het tuig van den roode heeft opgehangen: „Jongen, gij hebt gelijk; moeder is nooit sterk geweest, en ik — ofschoon Gode zij dank! nog gezond, ik heb de krachten van vroeger niet meer. \'t Is waar, sedert het vorige jaar hebben de zaken in de kolonie een anderen keer genomen, daar moet meer gewerkt en meer opgebracht worden, maar ook, die werken wil en kan zal beter vooruitkomen..... Ja, Roel, ik weet wel, gij hebt ons zoo lang reeds

gediend----en moeder en ik, wij wel zouden willen dat de hoeve

op uw naam werd overgeschreven — zie, als de heeren bestuurders er maar niet tegen zijn.quot;

De kuiltjes in Lena\'s wangen groeven zich dieper, en Roelof—

58

-ocr page 62-

WOUTER LINGE.

voor een oogenblik verlaat hij den os wiens hoofdstel hij juist wilde losgespen, en zegt, terwijl hij de ruwe hand van zijn vader grijpt: „Vader! daar zal God je voor zegenen; ja, moeder en u. Zie, Lena en ik wij zullen voor u zijn wat we kunnen — nie-waar, Lena.....?quot;

De kuiltjes lachen: ja, en twee traantjes blinken dat mede.

Gij weet het vader,quot; vervolgt de jongen, „we hebben nu zes

jaren lang verkeering gehad en--er nooit van gesproken____

is \'t wel vader.....?quot;

„Nee, nee, jongen,quot; zegt de oude.

„Maar zie je, vader,quot; herneemt de knaap, „gij zelf had gezegd dat de zorg u wat zwaar viel, en zie je, als de hoeve op mijn naam was overgeschreven en Lena mijn vrouwtje wasquot; — hij werpt op het meisje dat nu aan zijn zijde staat een verrukten blik — „zie je, dan zouden we samen nog eens zoo hard werken en gijlieden, bij ons besteed, gij zoudt ook nog helpen wat ge kondt; gij hadt minder zorg op uw ouden dag, en wij, zoo gelukkig — niewaar Lena? — we hadden dan dubbelen lust en dubbelen ijver.quot; O, zie nu die kuiltjes!

Het moet wel eenigen strijd aan die ouders kosten om de hoeve die zij zoovele jaren als de hunne beschouwden, ter bestiering af te staan aan hun kind; aan den knaap die toch hun kind is. Het besluit moet der moeder wel strijd kosten, om weldra door een vreemde haar huisvrouwelijke rechten te zien ingenomen, al is die vreemde dan ook de liefste van den geliefden zoon; om er — maar genoeg in die maatschappij wordt de zelfverloochening gepredikt opdat zij beoefend zou worden; en — Wouter Linge heeft alreeds sedert lang tot zijn Aafje gezegd: „Moeder, dat moesten wij zoo maar schikken met Roelof en Lena — zie, als de heeren bestuurders het willen.quot;

Dat heeft Wouter gezegd, en nu — nu hebben ook de jongelieden dat blijde nieuws vernomen: de ouden zullen zich gaan verheugen in het geluk hunner kinders en Roelof zal evenals Lena, arbeiden met dubbelen vlijt.

„Vader, beste vader, ik dank u,quot; roept Roelof met vuur nadat de oude het koene besluit nóg eens herhaald heeft; „vader, gij waart altijd zoo goed voor uw kinders. Lena zal u liefhebben als

59

-ocr page 63-

WOUTER LINGE.

ik.... is \'t niet Lena?quot; — „Ja!quot; lacht ze schreiend. — „En moeder zal ze niet minder in eere houden, en altijd toegeven evenals ik — niewaar Lena....?quot; Ze kan immers niet anders dan schreiende Ja lachen. En straks — straks zullen vader en hij naar den directeur gaan en vragen of alles zoo geschikt kan worden en — heel in verrukking: „Hier vader, hier zijn we allebei en we danken u, en moeder gaan we ook danken, kom Lena, kom!quot;

Maar wacht, de roode trek-os heeft wel een oogenblik o-edul-dig staan kijken, doch nu — nu is hij zoo vrij om even den breeden hals op den loggen kop te draaien en Roelof den jongen baas, met den krommen hoorn zachtkens tegen de mouw te schuren: affaires gaan voor. „Da\'s waar!quot; zegt Roelof, en als hij den roode bezorgd heeft dan — dan volgt hem zijn liefste naar moeder.

Wanneer gij aan den avond van dienzelfden dag het ruime, heldere keukenvertrek der kleine hoeve van Wouter Lino-e betreedt, dan treft er u de vreugde niet die u in \'t middaguur zou verblijd hebben.

Ach, Wouter en Roelof zij ontvingen van de bestuurders dier schoone kolonies een gansch ander antwoord dan ze gehoopt, of zelfs verwacht hebben; zij moesten daar woorden vernemen die — hoe welwillend gesproken — hen bitter geschokt en hun de blijde verwachting voor de toekomst, het heil der liefde, of de ruste des ouderdoms, als met een tooverslag hebben ontroofd.

Maar — zie en luister: \'

De ondergaande zon werpt ter rechterzijde een rooden gloed op Jen wit gepleisterden wand van Linges woonvertrek, en spiegelt ei zich in de glasruiten waarachter de portretten van eeni^e beminde vorsten uit het huis van Oranje zijn tentoongesteld; die gloed, hij kleurt er de vaasjes en kommetjes die op het open hoekkastje werden uitgestald, en verhoogt er de kleurenpracht der beide schuin opstaande pauweveeren.

De avondgloed aan deze zijde van het vertrek doet de andere

60

-ocr page 64-

WOUTER LINGE.

zijde als in een donker grauwen toon wegzinken. In dien schaduwkant ziet gij de zwakke moeder van \'t gezin aan de witgeschuurde tafel zitten; naast haar — nog eenigszins in \'t roode licht — het ziekelijke nu veertienjarige kind, het bleeke Santje. De laatste zit haar goede moeder meelijdend aan te staren, want vrouw Aafje moet straks geschreid hebben en nu nog brengt zij gedurig den boezelaar aan heur oogen en hoort gij somtijds een zachten snik.

„Ziezoo, nu zijt gij verstandig, Aafje,quot; spreekt Wouter die aan hare zijde staat en de hand op haar schouder legt, „de goede God die ons zoo dikwijls uit den nood redde, zal ons ook nu niet verlaten. Schrei niet langer, mijn oudje, dat is kinderachtig...... Och! alles zal wélgaan;quot; en hij drukt haaide hand.

„Ja moeder, ik zal wel vragen of gij hier moogt blijven,quot; spreekt het ziekelijke kind op zachten toon; „die heeren waren immers niet boos, al zeiden zij dat gij en vader zoo weinig kunt verdienen. Ik kan niets verdienen, dat weet ik wel, maar ziet

gij — ik zal wel gauw dood zijn en dan.....quot;

De moeder begint weer eensklaps te schreien en Wouter zegt haastig: „Stil, Santje, stil! zoo moet je niet spreken, dat bedroeft moeder nog meer; twee jaar geleden waart ge veel slapper;quot; — tot Aafje: „Niet opnieuw met die tranen, moeder; de droevige voorstelling van hetgeen ons kan gebeuren is nog geen zekerheid geworden.quot;

„Nee, Goddank!quot; stemt de vrouwe, „maar de kans dat wij van hier moeten schijnt zoo groot, wij beiden zijn immers met Santje ongeschikt voor ons brood genoemd, en zeker, zéker is het dan toch dat er voor dien armen Roel en nog minder voor

de goede Anna aan trouwen te denken valt.....quot;

Door de lage deur is er eene naar binnen gekomen.

„Maar moeder, dat is zoo erg niet!quot; roept de schoone Anne, terwijl zij haar best doet om luchthartig te schijnen, „als wij maar hier mogen blijven, dan zal dat andere wel volgen; Willem is jong en ik niet te oud, wij kunnen wel vrijende wachten, en

Roelof____? ja — maar Roelof heeft immers zelf aan de heeren

gezegd: „Laat alles maar bij het oude, wij hebben geduld!quot;

61

-ocr page 65-

WOUTER LINGE.

Daar klapt een zoen in die kamer; het was er een die Wouter aan zijn lieve dochter gaf; iets later fluistert hij zacht tot zijn Aafje: „Zulke kinders! Vrouw, God is toch goed....quot;

Met die woorden op de lippen en in het hart treedt de grijze naar buiten, \'t Was hem toch wat eng binnen zijn wonino-. Ha! hoe verkwikkend is dat zachte koeltje, hoe schoon dat landschap, hoe prachtig die hemel! Mij dunkt er blinkt een traan in zijn oog, -nu hij zich aan de voorzijde der woning onder den wingerd -- waaraan hij reeds een paar trossen ziet rijpen —opeen klein houten bankje ter neder zet. Dat is een geliefkoosd plekje. Zoo dikwijls zat hij reeds daar na de volbrachte dagtaak ter neder, na den arbeid die den voormaligen metselaarsknecht wel eens zwaar gevallen, doch nooit te veel is geweest. Een luttel bloemhofje, waarin nog stokrozen en laterussen en gouds- en zonnebloemen prijken, strekt zich — slechts weinige voeten breed — tot aan de greppel uit, die het tuintje van den zandweg scheidt. Ter rechterzijde rust het oog op het donkere looi der breede lariksen die de schoone kweekerij der kolonie Frede-riksoord omgeven; daarneven in de laagte ligt het kleine kerkhof; het kerkhof met den lagen steenen muur er omheen; de akker waar slechts het smalle voetpad de asch der kinderen van eenen Vader scheidt; der kinderen, die bij hun leven onder verschillende vormen dien Vader wilden dienen en wel eens twistten over die vormen, maar thans ontdaan van het aardsche, niet meer twisten in een reineren werkkring, zoomin als ze twisten op gindschen akker. — En waant gij misschien dat daar slechts de armen der aarde ten groeve daalden, o neen, daar werden ook rijken begraven, rijken die reeds bij hun leven verstonden, dat er geen afstand meer zijn kan wanneer voor de reinen van geest de ure des doods heeft geslagen.

Maar wie er in de groeve zonken, ook zij werden er aan de aarde weder gegeven, die Wouter Linge nóg zijn lieve kinderen noemt. Huibert en Frits zij rusten er mede, en wanneer zijn oog des avonds op dat plekje gestaard heeft, dan wordt het al verder, zooals nu, naar ginder getrokken, naar het schoone verschiet. Recht voor hem uit, over rosse velden en langs groene bosschages, tuurt hij dan naar den pittoresken kerktoren van het

62

-ocr page 66-

WOUTER TjINGE.

nabijgelegen dorpje Vledder; hij tuurt er naar den eigenaardig plat-vierkanten en slanken toren die er uitziet als behoorde hij tot een oud kasteel; en dan in \'t einde, dan blijft zijn oog niet zelden aan den hemel geboeid, \'t zij dat er wolken drijven, \'t zij zooals nu, dat de zonne vol gloed aan dit halfrond schijnt te ontzinken.

En nu bij de droefheid zijner ziel treft hem dat vreedzame landschap en de gloed van den hemel te dieper; een gure najaarsavond zou hem het harte niet zoo week gemaakt — misschien wél ernstig gestemd hebben.

„En dat staat ons wel mogelijk te wachten!quot; zucht hij bij zich zeiven. „Terugkeeren in de groote maatschappij, waar zelfs geen vriend ons welkom zal heeten; waar de oude Wouter geen brood kan verdienen voor zijn vrouw en zijn ongelukkig kind. Daar terugkeeren en Roelof zal elders den kost moeten winnen. In dien grooten steenklomp kan hij niet met ons wezen. Op den akker ligt zijn bestaan. Ver van ons en ver van zijn Lena; arme jongen! En Anne — nu lacht ze nog blij, maar daar —• daar zal ze treuren misschien om haar braven Willem. Wat zal haar lot zijn? Anna, zoo schoon, nu kind van het land, in die stad, die groote stad! Weggaan van hier, en nimmer het plekje meer zien waar ik ze heenbracht die knaapjes. O God! te scheiden van dit vreedzame oord, dat is toch verschrikkelijk! Het brood te moeten bedelen langs de straten, of wel het deel der armen te moeten ontvangen uit stugge handen, omdat er reeds armoe genoeg is in die groote maatschappij. Neen, neen, dat laatste ware erger dan het eerste. Goede God! en daar, daar kan ik niets, maar hier — ik doe er wat de krachten mij gunnen. Harder werken, o ik wil het; ik zal het, totdat in \'t einde mijn grijze hoofd weer duizelt en ik neerzink ginds in de groeve. — O, er ging mij een rilling door de stramme leden toen in den namiddag dat wreede woord mijn ooren trof; toen ons het uitzicht werd verdonkerd om in dit goede land de weinige jaren te slijten die God ons nog schenken mocht. Is het wreedheid...? Neen! de stem die er sprak beefde ook en — hij wendde zich af; ik geloof dat zijn oogen ook vochtig werden; hij zou ons willen be-

63

-ocr page 67-

WOUTER LTNÖE.

houden, maar neen, hij kan niet. Hier moet gewerkt worden. Ach! de hoop is gering, en — als zij van hier moet de goede moeder, dan zal zij \'t besterven, en \'t arme Santje zal wegkwijnen, en.....quot;

Wouter peinsde voort. — Het licht des hemels daalde al dieper en dieper. Heb deernis met den grijze. En nu — nu is de zon achter \'t Vleddersche kerkje verdwenen.

En de nacht is koud geworden en de gure dagen die er gevolgd zijn vlogen voorbij, even snel als de zwaluw die heentrok naar warmere luchten.

In \'t einde breekt er weer een morgen door de nevelen. IJzelachtige draden hangen nu, waar in den zomer het groene lover lacht; het dorre gras bezijden den landweg schemert hier en daar door het ijle rijplaagje heen waarmede de nacht het dekte. Over de breede nu verlaten velden blaast de oostenwind en het dorre akkermaalsloof ritselt en knirt en vlucht voor zijn adem.

Op \'den zandweg tegenover de kleine hoeve die Wouter Linge ruim tien jaren mocht bewonen, staat een kar; de bruine merrie in het langharige winterkleed wacht geduldig en de adem die zij uit de breede neusgaten blaast teekent zich met die koude, alsof zij rookzuilen blies. Uit de schouw der kleine woning stijgt geen rookzuiltjen opwaarts. Het vuur aan den haard is er uitgedoofd. De woning is gansch van haar huisraad ontdaan; wat Wouter behoorde werd op die karre geladen en — drie zitplaatsjes zijn er nog open: voor moeder en Santje en Anne.

„Kom, Aafje, kom.quot; spreekt Wouter met doffe stem, „knoop den doek wat hooger, en Santje, trek den mantel wat digt om

den hals, \'t is zoo koud____Kom, Aafje, kom, \'t is buiten nu

klaar.quot;

Zij antwoordt niet; ze kan niet spreken; schreien kan ze ook niet in dezen stond; ze staat daar, en, roerloos staart ze op de plek waar ze altijd zat bij het kleine venster, en waar ze niet meer zitten zal, nimmer, nimmermeer!

„Kom, Aafje, kom!quot; spreekt Wouter nogmaals en Aafje ziet hem aan — hoe akelig strak! — en dan, dan ontglipt haar een

64

-ocr page 68-

WOUTER LINGE.

snik; maar, als hij haar zachtkens bij den arm vat en haar weder aanspoort om nu te vertrekken, dan treedt ze langzaam, zeer langzaam de kamer. ... en straks de kleine deur der hoeve uit, maar — spreken doet ze niet en schreien ook niet.

Roelof staat bij de kar; meelijdend ziet hij zijn goede moeder aan; zij wankelt, maar hij helpt haar met stevige hand het voertuig beklimmen, — daar, daar zit ze toch goed beschut door het blad van die tafel, en achter haar kan Santje plaats krijgen, zie in dat hoekje.

Hu! wat koude morgen! Er staan veel menschen bij de kar, maar allen zien wit —■ bestorven alsof ze lijken waren. Lena! — Och, Lena schreit zoo; en zie — aan \'t einde van den weg ontwaart ge nóg twee personen: Anna is de kar vooruitgegaan. Ze heeft haar wee niet getoond; nu gaat ze langzaam voort aan de zij van haar Willem. Voor \'t laatst.... ja, ja, voor het laatst.

Het voertuig komt in beweging, maar Wouter blijft nog terug. Hij heeft... iets vergeten; ja, er moet nog iets in die woning zijn achtergebleven. .. Nog eens dat duizendmaal betreden paadje op; nog eens dat lage deurtje binnen en. ... die woonkamer ingetreden. O! de smart grijpt hem nu met geweld in de borst: immers, het geluk in die woning kan hij niet met zich voeren:

„quot;Vaarwel! vaarwel stom maar dierbaar verblijf!quot; zucht zijn ziel, „die dagen zijn voorbij!quot; en — als hij zich vastklemt aan de zijplank der ledige bedstee: „Had ik hier mogen sterven, mijn God!quot; en dan — nog éen blik naar den dooden haard;... éen blik door het gansch ontredderde venster naar buiten... op den Vledderschen toren; een weeklacht vol smart, en — hoor dan dat schreien des grijzen.

Hoe vele dagen, of weken of maanden er sedert dien kouden morgen zijn verloopen, dat kan Wouter Linge u niet zeggen; die weken of maanden — het konden wel jaren geweest zijn; diepe wonden hebben zij geslagen.

Over den breeden plas gestoken is Wouter met de zijnen teruggekeerd in zijn vroegere woonplaats. Voorheen was daar drukte en gewoel, thans is het rumoer er ontzettend geworden: Gerij, getier, o vreeselijk geraas.... en verré.. .. dat stille land!

65

-ocr page 69-

WOUTER LINGE.

Schoone gebouwen zijn er verrezen; maar die huizen zijn er altemaal zoo groot! en zoo ontzettend hoog! Wat tegenstelling

bij die kleine woningen. . . . ginder----op het land 1 Maar voor

de armen zijn die groote woningen niet; dat behoeft ook niet, doch — met weerzin ontvangen worden in die groote maatschappij; met weerzin omdat hij het brandmerk der armoede medebrengt, dat is zoo hard voor den oude die nog wil werken wat hij kan, maar hier nog te meer onvermogend is om het brood voor een arme vrouw en een erg ziekelijk kind te verdienen.

En zie, daar is zelfs geen geschikte woning voor hen in die groote gemeente, reeds zoo zeer met armen overladen. De oude kelderwoning....! Zij zou nog een lustoord geweest zijn bij hetgeen hen nu kan worden aangewezen. In de nauwste gang der groote stad — weet gij \'t nog waar Jakob in dien nacht met de ladder heeft getoefd — daar, daar is nog een schamel verblijfje.

En — blijf dan maar dankbaar en vertrouwend als ge uw goede, brave vrouw, die evenals haar kind gewend was aan lucht en aan zonne, ziet wegkwijnen op het schamele stroo; als ge ginder uit dien hoek dat akelig hijgen van de beklemde borst uwer jongste verneemt, en maar blijven moet in dat sombere vertrek, waar geen zonnestraal ooit door de verweerde en half toegeplakte ruiten boort, om er te zorgen voor die beiden; wanneer ge — slechts karig bedeeld — die lieven maar weinig kunt geven om het armzalige leven te rekken en schier nooit een verkwikking. — 01 en als het dan nacht is, en de grijze er met kloppend harte zijne zorg tusschen de moeder en zijn dierbare jongste verdeelt, dan denkt hij aan zijn braven jongen, aan Roelof, die vader en moeder niet heeft verlaten, die mee is getrokken naar de drukke wereld, ver van zijn Lena, om er zooveel hij vermag te werken voor die ouden en zwakken; die er het vroegere ambacht van zijn vader heeft aangegrepen en er opperman is geworden, dewijl hij toch binnen die muren den akker niet bouwen kan.

Ja, met een zucht op de lippen denkt Wouter aan den goeden Roelof, die, onbedreven, van den hoogen steiger is gestort, en — niet zooals hij in vroegere jaren, wonderbaarlijk gered — met afgebroken en gekneusdo leden in het gasthuis te kermen ligt.

66

-ocr page 70-

WOUTER L1NGE.

„Wat is dat zoo laat?quot; Daar wordt de deur geopend. „Wie treedt er binnen.. ..?quot; Ha! zij.... zij is het, de engel! de goede, de lieftallige Anne; zijn kind, zijn oudste! Komt ze weer een versnapering brengen zooals nu eenige dagen geleden ? Ja, ja, dat doet ze; zij houdt iets onder den breeden omslagdoek verborgen. Opnieuw heeft zij in de burgerwoning, waar het landmeisje als noodhulp werd toegelaten, een karig verval ontvangen, en daarvan iets voor haar lieve zieken gekocht.

„Anna, engel! gij zijt zoo goed. God zal \'t u loonen.quot; Maar Anna ziet zoo droevig voor zich neder. Geen wonder! Wat ze daar zag moest haar \'t harte wel breken: dat bittere leed onder zilveren haren; die lijdende moeder; die kwijnende zuster!

Wat Anna daar onder den doek hield geborgen ligt thans op de tafel. De vader beziet het, terwijl de engel haar moeder en straks ook de zuster een kus op de wang drukt.

Hoe! druiven! heerlijke druiven zooals er zelden maar rijpten aan dien wingerd.. .. daar verre.... verre op het land! En dan — vier blanke rijksdaalders. Vier, vier rijksdaalders! Is dat een verval uit die burgerwoning in zoo korten tijd! „Anna, kind, bedriegen zich mijn oude oogen. ..?quot;

Het schoone meisje — toch wat vervallen — geeft den vader geen antwoord; maar weder dringt hij; doch zij, ze houdt de oogen ten gronde gericht — en hij, bijna smeekend: „Toch niet genomen..! ?quot;

„Neen vader, neen, zoo waar ik u liefheb.quot;

Daar brandt hem een kus op de koude wang. Zij mag niet toeven! Hemel! wat ziet ze toch vreemd uit haar oogen; haar wangen zijn zoo purperrood. — Daar snelt ze weer heen. — De deur valt toe.

Gerechte hemel! die vruchten! dat geld! Hij moet het weten. — Een aarzeling van weinige seconden. — Een blik op de kranken. —

Ook hij het deurtje uit. — De steege door. Nu rechts, en--

ginds ijlt zij voort!

Die stramme beenen! Toch snelt hij haar na. \'t Is alsof hij niet voort kan. Zie, daar blijft ze staan als aarzelt zij om haar pad te vervolgen. Haast heeft de stramme grijze zijn kind achterhaald. Nog weinige schreden en hij heeft haar bereikt:

67

-ocr page 71-

WOUTER LINGE.

„A.nne, lieve Anne!quot; roept hij met pijnlijke stem.

Zie hoe ze opschrikt. Een snelle wending; hij wil haar vatten, doch — met een naren kreet is zij heur vader ontvlucht.

Waar blijft ze.... waar? — Aan de overzijde van die gracht is de burgerwoning waar Anna huisvesting bekwam; links snelt ze voort een steeg in. In \'t midden dier steeg brandt een roodachtig licht.... onder dat licht verdwijnt ze; en daar, daar.... o zonde, o schande! — De arme oude knikt in zijne knieën en de beide handen slaat hij voor het duizelend hoofd.

Daarheen! ? ach! hij kan het niet. Aan een boom bij de gracht grijpt hij zich vast.... \'t water is zwart.... heel zwart— maar toch die schande! „O God, wees genadig!quot;

Hoor, daar klinkt van ter zij een stem. Wie... wie is er...?quot;

Hoe! zij — zij staat daar, Anne, zijn lieve kind!?

En — is hij dan niet... ? Goede God, neen! N e e n I! Hier, hier zit hij nog op zijn bankje; ja, op zijn geliefkoosd plekje onder den wingerd. Zie, zie •— daar lachen ze nog die bloemen aan zijn voeten; neen, dat is geen begoocheling. — Van verre daar rijst nog de slanke toren van het Vleddersche kerkje, en Anne, zijn brave, zijn reine Anne, ja, ja, zij staat er, en lacht er hem toe. O God, wat verrukking!

Het duurt nog een geruimen tijd eer de grijze Wouter volkomen tot het begrip der werkelijkheid is teruggekomen. Zijn opgewekte verbeelding — met de droeve ervaring of de bittere voorstellingen van vroegere jaren verbonden — heeft hem ook al te sombere beelden voor den geest getooverd. Anna heeft in den beginne niet begrepen hoe vader zoo vreemd was. Nu begrijpt zij het wel; „Vader, gij zult gedroomd hebben,quot; zegt het meisje, „en moeder was al zoo bang dat gij zoudt inslapen, omdat de avond zoo koel wordt.quot;

„Geslapen — neen, geslapen heb ik niet,quot; suizelt Wouter, „want ik hoorde je best, en ik voelde ook wel dat het koud werd. Ziet ge — ik was aan het denken en had een droevige voorstelling; maar de hemel zij dank! dat is nu voorbij.quot; Opstaande, terwijl hij de hand op den arm zijner dochter legt: „Anne, als

68

-ocr page 72-

WOUTER LINGE.

dat éene moest gebeuren en wij..... terugkeeren in den stad

waar ge kind waart, dan zoudt ge toch braaf____ wel braaf

blijven, niewaar.....?quot;

„Ik — waarom niet, vader!quot; zegt ze onschuldig en —wijzend op den wingerd: „Zaagt ge wel, vader, hoe die druiven al aardig gaan kleuren?quot;

„Ja kind, ik zag ze nog vóór dat ik zitten ging,quot; is het antwoord; „later heb ik weer druiven gezien, maar toen —quot; en terwijl hij nog huivert: „Dat is voorbij.quot;

En de oude, al vreesde hij weder, ziet nog eens om naar het

Vleddersche kerkje____ ja, ja, het is er, maar zachtjes schuilt

het weg in den sluier des avonds; en — zijn lieve Anna volgend, betreedt Wouter____ dat smalle paadje naast zijn woning;

gaat er naar binnen; vindt er nog allen bijeen, die hem lief zijn. — Ha! goede hemelsche Vader, aan U dankt Wouter het heden; aan U beveelt hij de toekomst.

Maar ach! te loochenen valt het niet dat die toekomst\' toch donker kan worden, al wordt zij ook niet zoo nachtelijk zwart als de droeve verbeelding hem die hêeft voorgespiegeld.

Ja, de kans op een gevreesde lotsverwisseling is wel groot! En de bestuurders dier schoone, vrije kolonies kunnen het onheil niet afwenden. Zij gaan er onder gebukt om dat harde woord te spreken: „Keer terug in de groote maatschappij, want deze kleine mag zich niet langer met schulden beladen.quot; Zij gaan er onder gebukt — maar toch hunne krachten schieten te kort, en wilt gij \'t dan weten: de naam van Wouter Linge staat in het noodlottige boek geschreven. Hij mag niet blijven; hij moet vertrekken.

Hij moet!?

Vertrekken____! Neen, neen!! dat zal niet gebeuren, zoolang

ik u, mijne lezers, daar nog vooruit zie rijden op de zachte kussens van den immer voortsnellenden reiswagen. — Weg met een beeld dat ge oud vindt— ik zeg, dat zal niet gebeuren zoolang uw harte nog klopt van liefde tot den broeder die uw Jiulpe behoeft; zoolang gij erkent nooit hooger zielsgenot te heb-

69

-ocr page 73-

WOUTER LTNGK.

ben gesmaakt, dan toen gij den arme gevoed, den schamele gekleed, den zwakke gesteund hadt. Dat zal niet gebeuren, wanneer mijn eenvoudig verhaal een oogenblik uw deernis kon wekken. En deed het dat niet, dan ligt de schuld wel aan mij, want de waarheid is treffend genoeg en waarheid — waarheid heb ik u gemeld, al hulde ik haar in het kleed der novelle.

„Ik zag, gevoelde — en schreef; en, trof ik u niet: gaat zelf — gevoelt er — en geeft.

Geven! Gij geeft reeds zooveel. Ja, dat doet ge; gansch Neêr-land staat er bekend voor, en — doet ge te veel____ verschooning, ü vraag ik dan niet. U inzonderheid niet die vroeger of later reeds mild de hand heeft ontsloten om die stichting, in den aanleg zoo grootsch, doch ten deele in haar werking gefaald, te steunen en te behouden: ü roep ik niet nogmaals ter hulpe; maar wel, wèl smeek ik u om niet te vergeten, dat sedert eenige jaren die schoone stichting een geheel nieuw tijdperk is ingetreden; dat ook de Staat zijn wettig deel — de strafkolonies Veenhuizen en Ommerschans — heeft tot zich genomen, maar tevens ook ophoudt om, zooals vroeger, de groote tekorten der vrije kolonies te dekken. U herinner ik nog, dat de maatschappij van weldadigheid thans een zuiver philanthropische is geworden, en, gezond in haar begrippen, slechts door arbeid naar krachten het tijdelijk geluk harer leden wil bevorderen. En

dan--maar vraag mij niet meer; er zijn er die metbelang-

loozen ijver u gaarne vertellen wat ik niet vermag. Wat was, ken ik ten deele of wilt ge schier niet; alleen, ik mag eerbied eischen voor een vroeger beheer, of anders: bestuur mij het on-gescherpte en vurige ros wanneer het den veel te zwaar geladen wagen over de ijsbaan zal trekken. Wat is, ja, dat zag ik: Daar zijn frissche krachten bij den ligteren last, maar toch, daar is hulpe noodig; hulpe, zoo die maatschappij haar liefdewerk-op den duur volbrengen en zonder schulden bestaan zal. Omstreeks twee duizend leden telt dat groote gezin, en — daar zijn niet „de bedelaars met hunne brandbrieven,quot; waarvan wel eens met minachting wordt gesproken, neen, daar zijn— maar gaat er heen en ziet, en, mocht gij \'t niet kunnen of erger — vergeten, o! geloof mij bij voorraad: Ik heb er

70

-ocr page 74-

WOUTER LIN GE.

den stokouden man het hoofd zien ontblootcn, met dank aan den Gever der gaven, met dank voor den zegen die nu nog zijn deel was. Ik heb er de oude moeder van angst zien schreien, omdat ze wellicht het oord moet verlaten, dat haar zoo onuitsprekelijk dierbaar is geworden; ik heb er den knaap en het lieve meisje gezien, die vurig maar rein elkander beminnen, ofschoon er toch voor hen geen uitzicht bestaat dat de wensch hunner harten verhooring kan vinden. Ik heb er gezien — geen engelen, maar menschen, menschen, die, teruggekeerd in de groote maatschappij, er armen zullen worden; armen, want ziet ge, nu zijn ze landlieden — slechts kinderen en zwakken besturen er het weefgetouw — en dan, dan keeren die zonen van \'t land voor \'t grootste gedeelte terug — in de steden!

Ongaarne mijne lezers, zou ik mij bij uitsluiting voor éene weldadige stichting partij willen stellen, maar — nu ik deze zag, nü moest ik voldoen aan de inspraak mijns harten; nu moest ik beproeven of de mij verleende gave iets vermocht, om de uwen en die van nog velen onzer landgenooten te winnen. Zijt gij leden der stichting, o, blijft hare leden! zijt gij het niet; wordt hare leden! gij, die zoo gaarne waarachtig weldoet en daarvan een grooter genot zult smaken, dat ik u kon schenken -voor uw offer aan dit boekske gebracht.

En wilt ge iets méér doen, gij rijken: daar zijn welwillende handen die met belangloozen ijver uwe gaven zullen overbrengen in de schatkist eener maatschappij, die reeds een deel van haar gronden te koop gaf, opdat zij geen schuld meer zou maken!

En wilt ge nóg meer doen, gij boven zoo velen gezegend:.... welnu, als uw stof daalt in \'t graf en uw geest leeft bij God — dat dan uw liefde nog ginder getuige.

En nu — daar hangt een breede gordijn voor de toekomst; doch zie, ik grijp een tip van dat kleed en ligt dien op voor uw oog.

Dat is schoon, dat is roerend:

71

-ocr page 75-

WOUTER LINGE.

Een zonnige lentemorgen lacht over het Drentsche landschap. De blijde vogels tjilpen en zingen in groene zalen; duizenden mugjes baden zich in het koesterend zonlicht; de kever snort langs u heen; het bijtje gonst door de lucht; met dauw nog bepareld glanst de zeegroene akker. Hoor ook den kwak-ker — hij kwakt in de wiek; de koe loeit ginder zoo vroolijk in de weide en zie ook den rooden trek-os hoe hij nevens haar graast.

\'t Is Zondag en rustdag op \'t veld.

Gij kent nog die kleine woning, den voorgevel door het loof van den sierlijken wingerd gedekt.

Wat wemelt daar bij die deur?

\'t Zijn ouden en jongen. Zij hechten een breeden slinger van lariks- en eikeloof aan de posten der deur; sering en gouden regen prijkt er op dat groen.

Boven den ingang der deur wordt door een aardig blond kind een kroontje gehangen. Halve hoepeltjes over elkander gelegd vormen dat kroontje; met rood en sits papier werd het netjes beplakt; palmtakjes en meizoentjes zijn er almee op bevestigd; in \'t midden het pronkstuk der kunst: een uitgeblazen hoenderei, heel prachtig verguld.

Binnen het vertrek dier hoeve zijn ook vreemden, maar tevens bekenden genoeg. Het Zondagskleed dat allen nu dekt, is feestkleed geworden. Ziet gij dien lach onder zilveren haren: dat is de stille, doch blijde lach van Wouter Linge, zooals gij van hem nog geen lach mocht bespieden.

Er moet iets ernstigs, iets plechtigs op til zijn, want, al stralen al die aangezichten van blijde verwachting, er wordt slechts half luide gesproken, en Wouter, hij fluistert tot Aafje: „Vrouw, dat we dit nog beleven!quot; en Aafje: „Och Wouter, ik ben zoo gelukkig!quot;

- Ziet gij Anna daar, de schoone, de bloeiende maagd? Aan haar zij staat Willem, heur vriend, straks haar man; en hij: „Anne, nog eer dat de zon op het hoogst is, ben jij al m\'n wijfje!quot;

Buiten de woning gaat er een vreugdekreet op. Een kleine stoet ti\'eedt op den landweg naar voren; ze komen al nader en

72

-ocr page 76-

WOUTER L1NGE.

nader. Zij hebben de woning bereikt. Nóg een vreugdekreet. Een deel van het troepje treedt er onder het kroontje naar binnen. Die vooruitgaan zijn Roelof en Lena. Roelof ziet bleek en Lena ziet i\'ood, omdat — omdat sommigen rood zien en anderen bleek — dat is zoo, maar, beider oog en glanzen vol vreugd. Ze worden begroet met kus en met handdruk. Het woordje li e fh eb-ben ruischt er door de kamer.

Hoor, daar luidt de klok van het kerkje.

Zie, ze scharen zich twee aan twee; Roelof en Lena voorop; dan Willem met Anne; de grijze Wouter volgt met zijn Aafje, en Santje — het zwakke kind nog gespaard voor deez\' lente — aan moeders zijde.

Willems moeder — goede ziel met haar krukje, en geleund op den arm van haar oudste dochter — treedt mede voorwaarts. Nog volgen er velen, zoo ouden als jongen. Aardige stoet! Het kerkje roept en -—- zij gaan met verrukking.... de kerkdeur

binnen____ de beide jonge paren naar voren.

Stilte!

Er klinkt een loflied. Die zang is wel schoon.

Nu stijgt het gebed tot den Vader der Liefde.

Nu wijst er de herder zijn kudde den heilweg ten hemel.

Nu kloppen vier harten zoo fel in den boezem; ja! zij werden vereend, voor hier en voor eeuwig!

Het danklied ten hemel.

Het Amen tot slot.

Het Amen tot slot; en ginder in die kleine hoeve: vrede en liefde en dank zal er wonen; ook daar, waar de brave Roelof zijn Lena als vrouw aan het harte mag drukken. Hier en daarginder zijn ze gelukkig, ze danken er God en naast God —

Maar zacht! De gordijn ontglipt aan mijn hand. Dat was de toekomst____ die toekomst is nog geen werkelijkheid geworden.

Neen! van ü hangt zij af! naast God, van ü, mijne lezers!

Ziet, bij deze novelle behoeft de auteur uw medewerking aan het slot. Gij hoordet hoe hij haar weuscht te voltooien; helpt hem! Helpt met uwe gaven: daar zal gejuich zijn in veler

73

-ocr page 77-

WOUTER LINGE.

woning; — daar zal een woolijke zonnestraal u lachend toefluisteren: „Hij, de bron van liefde en licht, ziet met een oog van ■welgevallen op u neder!quot; Daar zal vreugde en zaligheid uw eigen boezem doorstroomen.

En ik — ik zal God danken voor die uitkomst; en u danken omdat gij die armen woudt helpen.

Nog eens: Gedenkt Wouter Linge.

74

-ocr page 78-

Wat vader Harmen vertelt.

Ge vraagt me wie daarginder in dat nette huisje woont; in dat aardige wit gepleisterde huisje met die groen bemoste pannen van onder, en het grauwe riet van boven gedekt, \'t Ligt er aardig nietwaar, juist aan den grintweg; die twee appelboo-men in vollen bloei voor de lage deur en vensters; dat blauwe rookzuiltje zooals het uit den kleinen schoorsteen naar boven kringelt, \'t geeft te zamen een mooi gezicht en ge vraagt wie daar woont, hê! Dat zal de ouden Harmen u zeggen.

Ja, dat zal ik u eens vertellen, want weet je, zonder grootspraak daar woont mijn eigen dochter Geurtje. Kijk maar niet naar mijn oogen, want zie je, het gemoed schiet mij altijd vol wanneer ik van Geurtje vertel.

Wat voel je, zal ik eens veronderstellen, wanneer je je kleinsten jongen boven op \'t nokje van een dak ziet zitten, wat zeg

je____? maar dan als ie weer behouden op den grond staat,

vat je\'m?

Ik mag wel zeggen dat Geurtje, al is zij mijn eigen, een mooi kind was.

Haar moeder zei dikwijls tegen me, Harmen, zei ze dan, zie Geurtje eens, \'t lijkt wel een rijkelui\'s kind; Glanzig krulhaar, en alles zoo fijn en zoo blank, en zoo\'n appelbloesemkleurtje, en oogen — man! wat mooi blauwe oogen.

Ja Wimpke, zei ik dan, \'n mooi kind dat is ze, en jammer

-ocr page 79-

WAT VADER HARMEN VERTELT.

dat ze zuur roggebrood moet eten en werken met de schop of \'t hakmes in de klei.

En moeder Wimpke vond dat ook; maar zie, toen Geurtje grooter werd en d\'r nog meer springers ook kwamen, toen dachten we aan geen rijkelui\'s kind meer, en Geurtje lustte \'t roggebrood best en ze werkte in de klei, en haar glanzige haren werden wel rossig van de zon, maar heur oogen, die bleven \'t zelfde, versta je----?

Nu wou het geval — \'k weet wel \'t was in \'t jaar 50 — daar komt me zoo\'n schildermeester in \'t dorp en zat er \'n poosje achter de kerk bij de sloot te teekenen met verf, van geweld, dat de kerk er op stond alsof \'t niemendal was.

Hij zat er van \'s morgens tot \'s avonds toe en at boterhams uit z\'n zak, en, als de kinders uit de school kwamen dan wreef hij ze knevels onder de neuzen en smeerde ze rood op de wangen. Potsierlijk!

Nu was \'t de andere dag dat ie bij ons aan kwam loopen.. We zaten aan \'t eten; ikke hier. de vrouw daar, en Geurtje hier za\'k maar zeggen. Gegroet zeidie; wij zeiën, van \'sgelijke, en ik sting op en gaf \'em \'en stoel; maar, dat wou ie niet. Nu kwam \'t eigenlijk voor den dag; de schiklermesjeu had Geurtje gezien en zei dat ze zoo mooi was en zulke mooie oogen had, en — dat ie \'n een dubbeltje gaf als ie \'t kind — ze was toen zestien — op z\'n papier mocht afschilderen.

Moeder Wimpke wou \'t niet, nee man! want dan kwam Geurtje in de stad achter de glazen van \'n boekwinkel te hangen, begrijp je?

Wimpke had gelijk \'en ik zei ook nee, maar de teekenmesjeu zou met kracht en geweld Geurtje in z\'n boek hebben, en, achter \'t winkelglas kwam ze zeker niet, dat zeidie.

Veel niet genoeg — eindelijk daar begon ie____ achter de

deeldeur, hij zat hier za\'k is zeggen en dan stond Geurtje zóo in \'t schuine. En wijlui, wij stonden er ook bij: Mooi oogen! zeidie dan;, hier heenkijken, zóo, fijn neusje.....al zoo gekkigheid meer. Maar ze kwam d\'r op hoor; precies alsof ze \'t zelf was. Toen ie \'t af had toen streek ie ze onder de kin, en zei nog wat, en kreeg z\'n beurs en gaf haar tien stuivers. Wat ze

76

-ocr page 80-

WAT VADER HARMEN VERTELT.

lachte en wijlui lachten ook en bedankten den schiklermesjeu voor Geurtje, en toen zeidie, g\'en dag samen, en tegen Geurtje* dag mooi bekske, niet te veel in de zon loopen. Zoo ging ie.

Vier weken later was \'t kermis. Moeder had het geld van Geurtje in \'n papiertje gevouwen en in haar pepermuntsdoosje bewaard. Geurtje mocht er voor koopen wat ze wou, en — eerdat we \'t gewaar werden had ze \'n spiegeltje gekocht, zoo\'n kleintje van vijf stuivers; voor \'t geen ze over had kocht ze koek om aan de kleintjes te geven, kraakamandels voor moeder, n\' vuursteen bij \'t slag voor mijn; dat was aardig.

We hadden nooit geen spiegeltje in huis gehad, maar Geurtje had \'r nu een, vat je, \'t was in \'t jaar 50.

Van \'t roggebrood — hoe \'t kwam wisten we niet — kreeg Geurtje al heel gauw pijn in de maag, en van \'t werken, als de zon scheen, dolheid in \'t hoofd. Ze was te zwak, zei ze, om in \'t land te werken, dan deejen de handen haai1 zeer.

Wimpke begreep \'t niet en ik ook niet. \'t Was dom misschien-

De rentmeester van de Uilenkamp zei eens tegen me — \'t was in \'t jaar 53 — Hannes, zeidie, je dochter Geurtje is te zwak kind en te mooi kind om hard te werken, je moet ze maar op \'t kasteel sturen zeidie, dan kan ze de melkerij leeren, weet je.

Asjeblief rentmeester, zei ik, en nam de pet af.

Toen Geurtje naar \'t kasteel ging, toen nam ze \'t spiegeltje mee, begrijp je?

\'t Was op \'n Zondag-achtermiddag dat. Geurtje eens bij ons aankwam. Moeder zag — en ik zag het ook — dat ze veel witter dan vroeger was, en ze had een rood lintje op d\'r muts gekregen. Beter de kleur op de wang dan op de muts zei moeder zonder erg, en Geurtje wier toen zoo rood als \'t lint op haar muts en later akelig bleek. Dat was raar. Toen ik haar vroeg of de rentmeester nog al tevreden over haar werk was, toen — toen sloeg ze de oogen neer, stotterde wat, en moeder, en ik, we keken elkander eens aan. \'t Was wonderlijk!

\'s Avonds brachten we Geurtje naar \'t kasteel weerom, maar we spraken bijna niemendal; de een wou voor den ander niet uitkomen; ik had zoo\'n stroevigheid in de keel. Nacht vader,

-ocr page 81-

78 WAT VADER HARMEN VERTELT.

nacht moeder, zei ze. Nacht Geurtje! zeiën we ook en zij liep de grachtbrug op, en wijlui we keerden naar huis weerom.

Twee stappen ver daar kon \'k het niet houwen, ik draaide me om; en, \'t kind achterop.

Heel zachtjes: Geurtje. Ze schrok. „Geurtje____ God ziet

alles!quot; Meer niks. —

\'s Nachts sliepen we weinig, moeder en ik. Om \'t kasteel was zoo\'n diepe gracht en in \'t spiegeltje hadden we vroeger geen erg gehad; onnoozel!

De maan scheen helder op de diepe kolk, waar ze van \'t kasteel zoo dikwijls in visschen. Ik had al een poos bij \'t hooge lies gestaan, toen ik \'t geklots van roeiriemen hoorde.

Zeker Arie, die nog een fuik zet, dacht ik bij mezelf en keek naar de plek, maar — op eens werd \'t heel donker, want een dikke wolk schoot juist voor de maan. Onnatuurlijk donker! Eigenlijk was \'t zoo onnatuurlijk niet, want weet je, er was onweer aan de lucht en \'t lies begon ook te zwiebelen en te zwah-belen en al meer en meer kwam de wind opsteken en \'t riem-klotsen kon ik heel niet meer hooren.

Of ik moeite deed of niet, \'t was me onmogelijk om naar huis terug te keeren, want de voeten zaten als met klemmen aan den grond. De wind werd hoe langer hoe woester; t water van de kolk stoof op tegen den oever, en, van de roeiboot zag ik niks, niemendal.

En, van de plek kon ik niet wegkomen, en de pet woe me

van \'t hoofd— in \'t water____ik wilde haar grijpen, doch —

een gil trof mijn oor. „Vader! vader!quot; riep ze gij weet wel wie.

De boot was omgeslagen! éen er uit gevallen: zij lag in mijn armen: „Goddank, lieve vader,quot; zei ze, en ik: „Geurtje! arme Geurtje.quot; —

Weet je, dat was \'n droom geweest.

Maar zie je, toen \'t weer avond was, toen sliep ze niet meer in de zijvleugels van \'t kasteel, — nu meen ik Geurtje — nee, ze sliep gerust in de bedstee op onze vliering met drie van de kinders Jans, Mie en Netje. Ja, ze was de mooiste van allemaal, maar, de kleinen hadden rozen op de wangen, die had Geurtje niet. Geurtje zag wit, erg wit, maar zie je, heur zieltje was ook

-ocr page 82-

WAT VADER HARMEN VERTELT.

wit gebleven. — \'t Is onnoozel, nou heb ik weer zoo\'n beving in de onderlip, en \'t gemoed schiet me op eens in de oogen.....

quot;Wat ik zeggen wou, je vraagt wie daar woont in dat witte huisje? Ja dat wou ik je zeggen:

Hannes had met Geurtje op school in dezelfde klas gezeten, Gelijk op! Hannes verdiende, nu hij vijf en twintig jaar was, vier gulden in de week: aardig voor \'n arbeidsmensch. Arie ploegde zoo goed met de vier als met de drie. Op \'n goejen middag kwam ie achter bij de put — Geurtje putte \'n emmer — en toen zeidie: \'t ging met ons in school altijd gelijk op. Geurtje; wat dunk je van verder ?

Als Geurtje nog aan \'t kasteel en — \'k zal maar zeggen aan den lakenschen heer had gedacht, dan was \'t nee! geweest. Maar \'t was j a!

Zondag-avond, die weken na den droom, zaten moeder Wimpke en ikke onder den wingerd op \'n bankje, en liepen Hannes en Geurtje voor \'t eerst twee aan twee door den bongerd. — Dat was in \'t jaar 55.

Als ik niet dadelijk gezeid had wie in dat huisje woont dan moest je \'t eens raden. Nu hoeft dat niet meer.

Mijn kind, mijn eigen kind, ze woont er met Hannes al vier jaren lang, want we schrijven nu 60.

O, \'t is er zoo aardig in dat kleine huisje; \'k zit er heel dikwijls \'s avonds n\' uurtje bij \'t vuur, en dan zie ik dat Geurtje

weer appelbloesem op de wangen heeft, en laatst.....laatst

kwam ze heel dicht bij m\'n oor en zei ze: Vader! Goddank dat ik verlost wier van den booze. U dank ik naast God! dat zei ze. Toen ze dat gezeid had toen kuste ik Geurtje, o ik kuste haar zoo, en Geurtje ze nam heur kleine Harmen van den grond, en zette \'t jongske op deze knie en kuste hem ook. Toen kwam Hannes binnen.

„G\'en avond,quot; zei Hannes, en zonder erg: „Heb je \'t nieuws

al gehoord____ ze zeggen de rentmeester van \'t kasteel is naar

huis toe gejaagd; \'n schaamteloos mensch!quot;

Geurtje verschoot; of Hannes \'t zag dat geloof ik nieten, toen hij had uitgesproken van den rentmeester die weg was gejaagd, toen stak Geurtje hem \'t jongske toe en riep: „Zie Hannes,

79

-ocr page 83-

WAT VADER HARMEN VERTELT,

\'t is zoo mooi in die oogjes te zien. Heldere spiegeltjes, heel reine spiegeltjes!quot;

Een glazen spiegeltje is er in \'t kleine huisje niet te vinden-Een andere spiegel: \'t Beste Boek? Ja dat is er, en de groote Meester die wist het wel;

De kaars des lichaams is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is zoo zal uw geheele lichaam verlicht wezen.

Maar indien uw oog boos is, zoo zal geheel uw lichaam duister zijn \').

80

De groote Meester die wist het. Ja dat wist ie!

\') Mattheus TI: 22 en 23.

-ocr page 84-
-ocr page 85-