-ocr page 1-

■4

-ocr page 2-
-ocr page 3-

I^__

-ocr page 4-
-ocr page 5-

DE TOEKOMST DES HEEREN

OF

DE LEER DER LAATSTE DINGEN.

-ocr page 6-

i

-ocr page 7-

Oe Toekomst des Hoorei

Se Leer Ier laatste Elnpn.

M. SIPKES,

predikant te Winter wijle.

-tv-TT—r at ____

• s.

\'J -0_y

■WINTERSWIJK,

BUL ENS.

1 8 7 7.

BIBLIOTHEEK RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

-ocr page 8-
-ocr page 9-

/

Voor eenige jaren reeds had ik geschreven, wat met dit hoekje ter lezing en overweging wordt aangeboden. Dat ik niet langer naliet het in druk te geven vond vooral zijn oorzaak in de laatste twee, van een zestal lezingen, dezen winter te Winterswijk gehouden, door den modernen predt. S. Lulofs, In die lezingen y die tot onderwerp hadden: 1/Israels pr of etenquot;, werd alle mogelijke moeite aangewend om de bijbelsche profetie van haar bovennatuurlijk karakter te ontdoen. Tal van profetieën, wier vervulling nog in de toekomst ligt, werd genoemd om te dienen als bewijs hoezeer de profeten zich zouden vergist hebben. Zulk een tdktiek zou een strik kunnen worden voor menig eenvoudig christen, die weinig inzicht heeft van hetgeen nog in de toekomst ligt. Om die oorzaak ziet

-ocr page 10-

deze korte beschouwing over de leer der laatste dingen het licht.

Zegene de Heer de lezing en overdenking derzelve tot verlevendiging der hoop door het geloof in onzen Heiland.

M, S.

Winterswijk, April 1877.

-ocr page 11-

1.

Een woord vooraf.

Meer dan wel vroeger komt thans de leer der laatste dingen ter spraak.

Dit is zeker een verblijdend teeken des tijds.

Het is waar, velen, en daaronder zelfs geloovige christenen, meenen nog altijd zich met die dingen niet te moeten inlaten, maar willen ze beschouwen als verborgenheden, die men stil moet laten rusten* De apostel Petrus echter zegt: »Wij hebben het profetisch woord, dat zeer vast is, en gij doet wel dat gij daarop acht hebt als een licht, schijnende in eene duistere plaats.quot;

Het opschrift toch boven het laatste Bijbelboek luidt niet: Verborgenheid, maar: De Openbaring van Johannes.

Ik voor mij geloof dat we de profetie hebben te onderzoeken. De Heer wil dat: „ Veracht de profetie niet.quot; nZalig is hij, die leest en zijn zij, die hooren de woorden der profetie dezes boeks.quot;

Het is o zoo waar, dat wij voor ons hart er steeds behoefte aan hebben stil te staan bij de leer des geloofs, en daarom het kruis niet uit het oog mogen verliezen; doch wij hebben evenzeer behoefte

-ocr page 12-

8

aan datgeen, wat onze hoop betreft. De Heer wijst er ons op. Hij zelf vestigde zijn oog op de hoop, toen Hij het kruis verdroeg en schande verachtte.

Zeker is het te betreuren, als de Schrift bij de hand genomen wordt om, tot bevrediging der nieuwsgierigheid, daarin te onderzoeken, wat er nog gebeuren zal. Dit leidt tot niets goeds. Maar toch is het heerlijk een woord Gods te hebben, dat ons, doodschuldigen, op Golgotha leidt, ons daar den stervenden Heiland doet aanschouwen, maar tevens van daar ons een blik geeft op de,, voor den christen, heerlijke hoop.

Mij dunkt, met het oog op zoo vele gebeurtenissen in onzen tijd, en op den toestand van Israël, de Gemeente, den afval en de rijken der wereld, is het een voorrecht, door den Heer zooveel ontraadseld te vinden, wat ons anders diep moedeloos zou doen nederzitten.

Dikwijls bekruipt mij de vrees, wanneer we, bij sommige geloovigen, afkeerigheid vernemen van het bespreken der toekomst van Jezus en van wat daarmede in verband staat, dat de vijand daarin eene, voor den christen, gevaarlijke rol speelt. Immers, de H. Geest maakt in zijn woord een\' voornamen hefboom van de leer der toekomst des Hee-ren, om ons daardoor op te wekken tot den strijd, los te breken van de wereld en ons hart te brengen tot het bedenken der hemelsche dingen.

De wereld echter heeft zooveel bekoorlijks, zoo

-ocr page 13-

9

Teel aantrekkelijks. Waar men nu, in heilige zelf-Terloochening, aan haar niet wil loslaten, daar zal men niet gaarne de toekomst willen peilen.

Wat heeft men, om rustig de profetie te kunnen laten liggen, niet al uitvluchten bedacht! Dan heet het: //Met die nieuwigheden mogen we ons niet inlaten.quot; Dan weer: Dat is //invir-giaanschquot; of: //darhystischquot;. Zelfs gebruikt men de woorden van Mozes: uDe verborgene dingen zijn voor den Heer.\'quot;

Laat ons hart daardoor niet afgetrokken worden, maar zetten we ons biddend neer, om een\' geloovi-gen blik te slaan in de heilige schrift, om met terzijdestelling van ijdele nieuwsgierigheid, te vragen: Wat heeft de Heer zijnen kinderen geopenbaard?

Al te vaak heb ik mij laten vragen om een enkel woord, tot opheldering van dit of dat punt der nog niet vervulde profetie. Ik geloof dat ik mij niet langer door een of ander mag laten verhinderen, aan dat verzoek te voldoen. Men vraagt van mij een\' dienst in eene allerbelangrijkste zaak. Dit moet mij genoeg zijn, althans pogingen aan te wenden, aan dat verzoek te voldoen, wetende dat wij elkander door de liefde hebben te dienen.

Mij dunkt, om eenigermate ordelijk te werk te gaan, en een helder overzicht te krijgen, moeten we vooral stilstaan bij het onderscheid tusschen Israël en de Gemeente. Laten we ons, op dat punt, door Gods woord kinderlijk onderwijzen, dan zullen vele

-ocr page 14-

10

andere zaken, voor ons van zelve opgehelderd worden.

Allereerst echter tracht ik in enkele punten samen te trekken, wat, mijns inziens, de Heer in zijn woord ons van de toekomst openbaart.

Dit doe ik slechts zeer kort, dewijl de behandeling derzelve volgt.

Zij de Heer met ons en al de zijnen! Geve Hij ons blijde zijne toekomst te verwachten.

Kort overzicht.

Ik begin met een kort overzicht te geven van eenige punten, die ons in den Bijbel, aangaande de toekomst, geopenbaard worden. —

De Heer liet het gevallen menschelijk geslacht niet aan zich zelf over: Hij had gedachten des vredes.

Langen tijd liet zich de Heer dan ook met de wereld in, zonder een of ander volk een voorrang te geven. De wereld echter heeft Hem niet gekend.

Niet met hot doel om haar op te geven en, ten einde toe, haar aan haar zelve over te laten, onttrok zich de Heer aan de wereld, maar riep, in en met Abraham, een afzonderlijk volk, om het, als een priesterlijk koninkrijk, ten zegen der wereld te doen strekken.

-ocr page 15-

11

Gedurende twee duizend jaar leidde de Heer dat volk als het Zijne; doch het nam Hem niet aan; Israël verwierp zijn Heiland.

Zonder ook dit volk op te geven, en het, ten einde toe, aan zich zelf over te laten, verzamelt de H. Geest de van eeuwigheid uitverkorene Gemeente, die bestemd is om de Bruid van Christus, en nu, op haar beurt, ten zegen van Israël te wezen.

Twee duizend jaar was de Zone Gods, als het Woord, in de wereld, doch deze heeft Hem niet gekend.

Twee duizend jaar was Hij onder Israël, doch Israël nam Hem niet aan. Zoovelen echter Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden.

Daar hebben wij drie klassen:

De Wereld,

Israël,

De Gemeente.

Zie nu van achteren naar voren:

De Gemeente is geroepen om Israël tot jaloersch-heid te verwekken.

Israël, om de wereld aan de voeten van Jezus te brengen.

Het onderscheid tusschen die drie klassen hebben wij in \'t oog te houden.

Het Christendom in ;t algemeen splitst zich in drie deelen:

De Gemeente, zijnde de Bruid van Christus.

Het verbasterd Christendom, en

-ocr page 16-

12

De algeheele afval; zoodat wij daar hebben:

1. De wereld, n. m. de volken in massa.

2. Israël.

3. De Gemeente.

4. Het verbasterd Christendom.

5. De afval.

Nu vragen wij natuurlijk: Wat zal er van dat alles worden? Het antwoord in hoofdzaak is;

1. De wereld wordt eens aan de voeten van Jezus gebracht.

2. Israël wordt tot God bekeerd en het hoofd der natiën.

3. De Gemeente wordt in den Hemel opgenomen.

4. Het verbasterd Christendom, Rome daar buiten gelaten, smelt op de Romeinsche aarde, zijnde het vierde profetische rijk, weg. Rome moet overblijven om geoordeeld te worden door den Antichrist en de tien koningen, die onder hem zullen regeeren. Overigens ondergaat het verbasterd Christendom, buiten het Romeinsche gebied, afzonderlijke oordeelen.

5. De afval, onder den Antichrist, wordt verdaan door de toekomst van Jezus met zijn Gemeente.

Nu zou men tot de meening kunnen komen, dat dit alles plaats vinden zal in volgorde dezer opgaaf. Dit is echter niet het geval.

Wij hebben te verwachten dat de persoonlijke Antichrist zal geopenbaard worden om zeven jaar te heerschen. De eerste helft dier jaren zal hij, op eene vleiende wijs, de Joden behulpzaam zijn in

-ocr page 17-

13

het optrekken naar hun land, en het opbouwen van den tempel. Gedurende de tweede helft zal hij zich, met behulp van den valsc/ien profeet, als God doen eeren, en zoeken te dooden, die hem tegenstaan, zoowel Rome als degenen, wier namen zijn in het hoek des levens des Lams. De afval zal daarom ook onder de Joden sterk toenemen; alleen een klein gedeelte uit hen, zal tot God roepen onder den vreeselijksten druk.

De voor de toekomst van Jezus bereide Gemeente wordt vóór die groote verdrukking, tegelijk met hen, die in Christus ontslapen, maar dan opgewekt zijn, tot den Heer opgenomen. — Evenwel blijkt, dat velen achterblijven om in de groote verdrukking om te komen.

De Antichrist zal eindelijk zijne legers verzamelen te Armageddon om te strijden tegen den Zoon des menschen en zijne Gemeente. Jezus echter, met zijne Gemeente verschijnende, zal, door slechts te spreken, zijne heirscharen verslaan.

De overgeblevene Joden den Heer ziende, worden bekeerd. Zij gaan uit onder alle heidenen, om de verschijning des Heeren en hunne verlossing bekend te maken; en deze brengen alle Israëlieten, als een spijsoffer naar hun land. De Israëlieten, teruggekeerd, en vervuld met den Geest der genade en gebeden, gaan uit om alle volken het Evangelie te prediken. —

De volken met hunne vorsten buigen zich voor den Heer.

-ocr page 18-

14

Israël is het hoofd der natiën.

De aarde is gezegend, de Duivel in den afgrond gesloten, de oorlogen hebben opgehouden.

De Gemeente is dan in den Hemel, en Jezus, vereenigd met haar, is de heerlijkheid van Israël.

Israël op aarde, is de heerlijkheid der volken.

Op het einde van dat tijdperk, hetwelk duizend jaar duurt, wordt de Duivel ontbonden. Hij verricht dan weder zijne gewone werk en verwekt een\' opstand tegen de geliefde stad, doch wordt nu geworpen in den poel, die brandt van vuur en sulpher.

Hierop volgt het laatste oordeel. Jezus geeft het Koninkrijk aan den Vader over en wordt onderworpen Dien, Die hem alle dingen onderworpen heeft, waarmede het eeuwige leven aanvangt.

Ziedaar een kort overzicht. In het vervolg staan we bij de onderscheidene onderwerpen afzonderlijk stil.

3.

Onderscheid tusschen Israël en de Gemeente.

Het onderscheid tusschen Israël en de Gemeente, hoe helder ook in den Bijbel voorkomend, is niet altijd in acht genomen.

Als we in het O. Testament gaan naspeuren, hoedanig het Vrederijk zich zal openbaren, en

-ocr page 19-

15

daarna in het N. Testament gaan onderzoeken wat het Vrederijk zal zijn, dan bemerken we dat bet eerste ons bekend maakt met den toestand van Israël in dat rijk, en het tweede ons dien der Gemeente doet kennen. Moest dit niet reeds genoeg zijn, om ons te doen erkennen dat er een groot onderscheid tusschen Israël en de Gemeente bestaat ?

Immers, het O. Testament spreekt steeds van zegeningen voor Israël op aarde; het Nieuwe daarentegen van geestelijke zegeningen in den Hemel. Het eerste noemt een tempel; het tweede geen tempel. Het eerste spreekt van huwelijken, van spelende kinderen op de straten, van zondaren en dood; het tweede kent geene huwelijken, geene zondaren, geen dood of rouw.

Dit neemt evenwel de belijdenis niet weg dat de, Gemeente geweest is van het hegin der wereld en tot het einde toe zijn zal, want wij gelooven dat de individu\'s, die onder Israël den Heer kenden, tot de Gemeente behooren, en daarom ook, in hunne godsvrucht, eenen weg bewandelden, die weinig in overeenstemming was met de O. Testamentische belofte.

Immers behelst het O. Testament beloften van aardse he zegeningen voor het volk, als het in des Heeren wegen zou wandelen.

Wij zien dan ook dat, waar Israël, als volk, in die wegen wandelde, het aanvankelijk eerstelingen van dien beloofden voorspoed genoot.

-ocr page 20-

16

Niet alzoo was het met de enkelen, die, onder mindere of meerdere afwijking van het volk, zich persoonlijk aan God toevertrouwden. Deze hadden verdrukking, plagen, kastijding, in één woord: de handelingan Gods met hen waren geheel in overeenstemming met die zijner Gemeente. Getuige ouder meer de Psalm.

Er was voor die kinderen Gods eene verborgene leiding. Hoewel zij met het volk de zegeningen op aarde niet konden beërven, waren zij toch niet verloren. Neen, zij gingen zelfs hooger op.

God heeft van eeuwigheid nog eene andere klasse: de Gemeente namelijk, uitverkoren en bestemd om de Bruid van Christus, en alzoo de meest bevoorrechte klasse te zijn. Deze vindt haar schat niet op aarde maar in den Hemel; daar is haar wandel, haar burgerschap; en daarom heeft zij hier den weg van zelfverloochening te bewandelen. In den Hemel is haar te huis, hier is zij vreemdelinge.

De geloovigen van den ouden dag behooren, naar het plan Gods, tot de Gemeente.

Vraagt gij hoe dat mogelijk is, naardien de grondslag der Gemeente nog niet gelegd, ja zelfs haar bestaan eene verborgenheid was, die eerst aan de Apostelen en Profeten des N. Testaments is geopenbaard? dan antwoorden we: Even als David, o zoo veel bouwstof verzamelde voor eenen tempel, wiens grondslag eerst na zijnen dood gelegd werd, evenzoo waren zij elementen, die door God beschouwd werden tot de, nog op te richten Gemeente te behooren.

-ocr page 21-

17

Zie hier den grondslag onzer bewering:

In Joh. 1 : 12 wordt van Israël gezegd dat liet zijn Heiland niet aannam. Er wordt echter bijgevoegd: maar zoovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Rij macht gegeven kinderen Gods te worden. Dit laatste- ziet kennelijlc op de geloovigen des O. Testaments, want behalve dat er staat: aangenomen hebben ; en: heeft hij gegeven , in den ver-ledenen tijd, wordt in het 14^ vers eerst melding gemaakt van de komst des Heeren in het vleesch, waaruit blijkt dat Johannes het oog heeft op de geloovigen des O. Testaments.

Sla nu ook op Hebr. 11. Nadat de Apostel daar had gesproken van zooveel geloovigen onder den Ouden dag, — uit welke beschrijving ons evenzeer blijkt, dat deze op aarde niet gezegend waren, maar dat hun leven in overeenstemming met dat der Gemeente was, — zegt hij vs. 39 en vervolgens : Deze allen hebben de beloften niet verkregen alzoo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden.

Zij hebben dan de beloften niet verkregen omdat Jezus zijne Gemeente zou stichten, om niet zonder haar , hen volmaakt te doen zijn.

Welk eene heerlijke gedachte! Zoo lang God met Israël, als volk, zijn doel niet bereikt, zijn toch de individu\'s, die persoonlijk zich op God verlaten , niet verloren. Neen, zij verwachten zelfs eene heerlijkheid, verre boven die van het volk in massa. I ot Daniël kon daarom gezegd worden:

-ocr page 22-

18

Maar gij, ga heen tot het einde , want gij zult rusten en zult opstaan in uiu lot, in het einde der dagen.

Van achteren kunnen we nu belijden : Hij vergadert zijne Gemeente van het begin der wereld tot het einde, zonder evenwel te meenen dat Israël de Gemeente was, of: dat het slechts Gods doel was, Israël te bezitten om daaruit enkelen tot de Gemeente te doen behooren , en het dan te laten liggen. Neen , Israël komt eens tot zijne bestemming, maar gaat evenmin in de Gemeente op, als deze in Israël opgaat. De Gemeente is van Israël geheel onderscheiden. Zij is eene nieuwe schepping , de meest bevoorrechte klasse der menschheid. Zij behoort niet tot deze wereld , maar zij is met Christus in den Hemel gezet. Alles hier beneden , is haar vreemd, en zoolang zij nog in het vleesch inwoont, is de leiding des Heeren met haar van dien aard, dat zij moet losgemaakt worden van wat aardsch is. Tot haar wordt daarom niet gezegd als tot Israël : Als gij in mijne wegen zult wandelen dan zult gij niet verdrukt word.en maar heerschen ; maar wel: Die mijn discipel wil icezen , neme zijn kruis op en volge mij. — In de icereld zult gij verdrukking hehhen. — Vermaan hen dat zij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het koninkrijk. Gods. — En ook allen, die Godzalig willen wandelen, zullen vervolgd worden. —

De Gemeente, bestaande uit Joden en Heidenen , was oudtijds eene verborgenheid. Het was in de andere eeuwen niet bekend gemaakt, dat de Hei-

-ocr page 23-

-1(J

clenen zijn mede erfgenamen. Deze verborgenheid maakte de H. Geest aan de Apostelen en Profeten des N. Testaments bekend.

Wel is de roeping der Heidenen geprofeteerd, maar deze profetie wordt eigenlijk vervuld als Israël toegebracht zal zijn , om voor de volken een priesterlijk koninkrijk , en alzoo het hoofd der natiën te wezen.

Het bekeerde heidendom gaat dan niet in Israël op , maar blijft steeds door hetzelve den Heer kennen.

Nu echter staan de geloovigen uit de Heidenen niet onder Israël, maar, met de geloovigen uit de Joden , tot één lichaam vereenigd, maken zij eene nieuwe schepping uit. De Jood verliest daarom ook, met zijn overgaan in de Gemeente, zijne nationaliteit en wacht, als lid der Gemeente, eene grootere heerlijkheid dan Israël als natie op aarde zal genieten.

Als Bruid van Christus, en gezegend met geestelijke zegeningen in den Hemel, heeft de Gemeente geene aardsche bestemming. Wel heeft de Heer haar toegezegd dat Hij haar deze woestijn doorhelpen , en in dezelve verzorgen zal, maar niet dat zij hier eene toekomst heeft. Israël heeft op aarde eene toekomst, de Gemeente niet. Zij moet los zijn van \'t aardsche.

Het verwondere ons dan niet dat zij hier verdrukking heeft. Deze dient immers tot onderdrukking van het vleesch, dat haar in den weg staat om de hemelsche dingen te bedenken. Dit wei te

3*

-ocr page 24-

20

verstaan is noodig én doet ons zeggen: Wij roemen ook in de verdrukking.

Laat dus onze pennen hier niet vastgeslagen zijn. Laat alles , wat dient tot verbreking van den nit-wendigen mensch, ons goed zijn. Dat we onder druk en lijden elkander toeroepen: Houd goeden moedl Verwacht hier niets, maar weet dat uw burgerschap in den Hemel is.

Het zij ons genoeg te weten, dat de Gemeente eenen anderen toestand wracht dan Israël, maar ook Israël eenen anderen dan de natiën der wereld, aangezien er een groot onderscheid is tusschen de Gemeente en Israël.

-X-

4.

Toevergadering der Gemeente tot den Heer.

Welke is dan de toekomst der Gemeente r Dit is zeker eene belangrijke vraag. Zoo kort en eenvoudig mogelijk hoop ik haar te beantwoorden.

Wij staan evenwel niet aanstonds stil bij de heerlijkheid , die de Gemeente, volgens hetgeen geopenbaard is, te verwachten heeft in het duizendjarig rijk. Daarop zullen we later terug komen.

Nu slechts een enkel woord over hare toe vergadering tot den Heer.

-ocr page 25-

21

Ik zal niet behoeven te zeggen dat wij door Gemeente niet bedoelen het Christendom in \'t algemeen , maar slechts de ge 1 o o vi gen , de kinderen Gods, de Bruid van Christus.

Wat er van het Christendom in Jt algemeen wordt, hebben we later te beschouwen.

Velen hebben gemeend dat de Gemeente, voor zoo veel zij verzameld is uit de Heidenen, de vervulling is dier O. testamentische profetiën, welke melding maken van de roeping der Heidenen.

Bedenken we echter wel dat die profetiën steeds in verband staan met Israels bekeer in g en we-deraanneming, en daarom hare vervulling nog wachten. De Gemeente daarentegen is ontstaan toen Israël viel; en hoewel die val niet is de oorzaak van haar bestaan, is zij toch de aanleiding tot hare verzameling. Dit behoeft geen betoog.

Haar bestaan, in de eeuwige verkiezing, was oudtijds eene verborgenheid, en is door eene bijzondere openbaring, vooral aan Paulus, bekend gemaakt.

De gemeente stamt, als Israël, niet af\' van Abraham, maar — en dit betoogt Paulus vooral in zijn brief aan de Romeinen , - — zij vindt haren oorsprong in God. Zij heeft geen aardsch begin , geen aardschen grond, maar zij stamt af van Hem, die de Heer uit de Hemelen is. Zij is der hetnelsche roeping deelachtig. Doch genoeg. Vergelijk hiermede het voorgaande.

De geestelijke zegeningen, voor zooveel Israël

-ocr page 26-

22

daarmede gezegend was, en eens zal wezen, zijn nu natuurlijk het eigendom der Gemeente.

Israels zegeningen zijn niet bloot aardsche, stoffelijke. Neen, Israël is eene natie, door God aangenomen, die Hij ten Koning was. Eene natie, bestemd om ten zegen te zijn van de aarde, uit welke de Messias is voortgekomen. In dat opzicht is de zaligheid uit de Joden. In alle beloften van geestelijken aard, die in het O. Testament voorkomen , deelt de Gemeente. Daarom ziet Petrus in de uitstorting des H. Geestes op het pinksterfeest, vervulling der profetie van Joël, welke profetie evenwel eigen lijk Israël betreft. De uitwendige zegeningen, in Joël vermeld, kwamen niet over de Gemeente. De letterlijke en algeheele vervulling dus van Joï-l 2 en o zal plaats vinden als God Israël weer aannemen zal.

De Gemeente, gezegend met geestelijke zegeningen, heeft haar te huis in den Hemel, en zai eens daar worden opgenomen en wonen.

Jezus komt wel met haar van den Hemel tot het verslaan van den Antichrist, en de redding \'van Israël, doch nergens lezen we dat zij op aarde zal blijve.n wonen om aardsche zegeningen te genieten.

Dat de Gemeente eens met Jezus zal geopenbaard worden, is niet noodig te bewijzen; dat lezen we op vele plaatsen in den Bijbel. Alleen stip ik aan, dat de komst van Jezus met de Gemeente, in verband staat met de verdelging van den Antichrist, de be-

-ocr page 27-

23

keering van Israël, het binden van den Satan, enz.

Nu kan echter Jezus niet verschijnen met zijne Gemeente als deze niet vooraf tot Hem opgenomen is.

Behalve de komst van Jezus met de Gemeente, verwachten we dus eerst de komst van Jezus om de Gemeente tot zich te nemen. Dit is op zich zelf duidelijk. I

Van die onderscheidene komst is spraak in den Bijbel. Eer ik dit aantoon, wijs ik het onderscheid in dezelve aan.

De komst van Jezus, om de Gemeente tot zich te nemen, staat niet in verband met teekenen der tijden. Wij hebben dus bereid te zijn, deze elk oogenblik te verwachten. De komst met de Gemeente kan natuurlijk nog niet plaats vinden, want de Gemeente is nog niet opgenomen, de mensch der zonde is nog niet geopenbaard, enz.

Nemen we dit wel in acht, dan zal het schrijven van Paulus aan de Gemeente van T/iessalonika ons niet meer voorkomen alsof de Apostel terug neemt, wat hij vroeger geschreven had.

De Thessalonicensische Gemeente meende, dat de dag van Christus al zóó aanstaande was. Deze meening bestrijdt de Apostel. Een valsch Apostel moge haar dit hebben kunnen zeggen of\'schrijven, Paulus niet. Hij maakt groot onderscheid tusschen de toekomst van Jezus om de Gemeente tot zich te vergaderen, en den dag van Christus. Deze dag begint als de Heer komt met de Gemeente om de heerschappij te aanvaarden.

-ocr page 28-

24

Die dag, zegt de Apostel, kan nog niet komen. De toevergadering echter tot Hem hebben wij elk oogenblik te verwachten.

2. In de toekomst des Heeren, om de Gemeente tot zich te nemen, vergezellen Hem de Engelen, tot opwekking der in Christus ontslapenen. 1 These. 4. 1(3. In zijne komst, tot het verslaan van den Antichrist, de redding van Israël, enz. vergezelt Hem de Gemeente. Col. 3. 4. Openb. 19.

3. Als Jezus komt, om zijne Gemeente tot zich te nemen, openbaart Hij zich in de lucht, waaide Gemeente Hem zal te gemoet gaan, 1 Thess. 4. Als Hij komt met zijne Gemeente, dan zal Hij op aarde zijn. Zach. 14: 4.

Nog meer punten van onderscheid zouden we kunnen noemen, doch we vertrouwen dat dit genoeg is om vele teksten te begrijpen, die anders wat donker schijnen.

Denken we nu eens eeu oogenblik na, hoe dikwijls wij van die onderscheidene komst in den Bijbel vinden gewag gemaakt.

In Joh. 14: o bijv. spreekt Jezus niet van zijne komst met de Gemeente, zooals Paulus daarop wijst Col. 3: 4, en zooals de geschiedenis daarvan wordt geprofeteerd in Openb. 19; maar van zijne komst om de Gemeente tot zich te nemen. Evenzoo ziet Paulus daarop als hij zegt: En wij bidden u broeders, door, (of aanyaande) de toekomst van omen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem.

-ocr page 29-

25

Het strekt ons tot troost dat wij Jezus elk oogen-blik mogen verwachten, om de zijnen uit deze wereld te verlossen, en nog te meer strekt ons dat tot blijdschap , als we denken aan onze, in den Heer ontslapene dierbaren. Deze blij ven niet achter. Hoe bemoedigend is het woord van den Apostel Paulus, 1 Thess. 4 ; 15-17: IVant dat zeygen loij u door het woord des Heer en, dat loIj, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heer en, niet zullen voor komen degenen, die ontslapen zijn. iFant de Heer zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuine Gods nederdalen van den Hernel, en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan: Daarna tv ij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met lien opgenomen worden inde wolken, den Heer te gemoet, in de lucht; en alzoo zullen loij altijd met den Heer wezen.

De geloovigen verwachten dus dat hun dierbare ontslapenen tot hen zullen wederkeeren, en dat zij, zonder den dood te zien, maar veranderd in een punt des tijds, met hen, den Heer zullen te gemoet gaan. —

Welk een heerlijke dag, als we, als Henoch de wereld kunnen verlaten, om met al de duizenden kinderen Gods die ooit op aarde waren, tot Jezus te gaan. Dan zullen we altoos hij den Heer wezen: ziedaar onze toekomst. Zij is eene hemelsche en geene aardsche.

Verwachten we echter niet dat dan de eigenlijke heerlijkheid der Gemeente: het heerschen met Christus, aanstonds aanvangt. Neen, er is voor

-ocr page 30-

2C

de Gemeente eene heerlijke opklimming. Als een kind van God sterft, dan is zijne ziel zalig en rustend bij Jezus. Zijn lichaam echter is in\'t graf, zoodat hij nog eene opstanding verwacht.

Het is waar, vele Christenen stellen zich voor dat het kind Gods, als het zijn aardschen tabernakel \' heeft afgelegd, geene hoogere heerlijkheid meer heeft te wenschen of te verwachten. Dit is eene dwaling. O ja, het is heerlijk van \'t vleesch verlost, en hij den Heer te zijn; doch in alles Hem gelijkvormig te zijn is beter.

Da heerlijkheid neemt toe. Wij zagen het: Die levend overblijven, zullen, zonder te sterven, veranderd worden, nadat de in Christus ontslapenen zullen opgestaan zijn; en samen zullen zij den Heer te gemoet gaan in de wolk. Doch het huwelijks-feest en daarmede de heerschappij der Gemeente, moet dan nog plaats vinden.

Daar echter de Gemeente, als ze wordt opgenomen, niet voltallig is, zoo kan het huwelijksfeest niet aanstonds plaats vinden. De eerste opstanding is dan wel begonnen, maar niet afgeloopen. Er zijn dan nog duizenden geloovigen op aarde, die, in plaats van zonder den dood te zien, en zoo tot den Heer te gaan, in de groote verdrukking omkomen. Als deze allen opgewekt en verzameld zijn, dan is de opstanding der rechtvaardigen, dan is de eerste opstanding, afgeloopen. Het bruiloftsfeest in den Hemel heeft dan plaats, en daarna komt Jezus met zijne Gemeente.

Wat heeft dan de, in den Hemel opgenomen, Ge-

-ocr page 31-

27

meente vóór dat bruiloftsfeest? Autvv.: Verkwikking.

Als de oordeelen, voorgesteld \'m zegelen, bazuinen en fiolen, over de aarde komen, en de verdrukkers der (xemeente verdrukt worden, dan heeft de Gemeente verkwikking. Zoo lezen we 2 Thess. 1:6, 7 Alzoo het recht is bij God verdrukking te vergelden dengenen, die u verdrukken; en u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring van den lleere Jezus van den Hemel met de engelen zijner kracht.

Wanneer heeft zij die verkwikking? Let wel. Niet als Jezus komt met de Gemeente, maar als Hij komt met de engelen zijner kracht, om de Gemeente tot zich op te nemen.

Op aarde ziet het er dan vreeselijk uit. De Antichrist is aan \'t woeden; de oordeelen zijn onbeschrijfelijk vreeselijk en groot. De Joden maken ze mede door, en duizenden geloovigen worden gedood; doch de Gemeente heeft verkwikking.

Het woord verkwikking drukt niet alles uit, wat de Gemeente nog wacht. Toch zegt het veel. Denk u een koninklijken bruidegom, wiens bruid, door verwoesting van haar huis of stad of wat ook, in hachelijke omstandigheden zou komen. Wat doet hij? Hij neemt zijne bruid tot zich in zijns vaders huis. Nu heeft zij verkwikking; doch hare koninklijke heerlijkheid begint als het huwelijk gesloten, het bruiloftsfeest plaats gehad heeft. Evenzoo wacht de Gemeente, als zij tot den Heer is vergaderd,

-ocr page 32-

28

hare koninklijke heerlijkheid, en daarmede vangt het duizendjarig rijk der Gemeente aan.

Nog van één punt wilde ik melding maken, dit n. m. dat de Gemeente vóór de groote verdrukking onder den Antichrist zal opgenomen worden. Ik eindig echter dit punt. In een volgend iets over hen, die in de groote verdrukking omkomen, of: de groote schare van Openb. 7. Bij die gelegenheid dan nog het nu ontbrekende.

Zij ons hart in den Heer verblijd, want Hij komt om zijne, met bloed gekochte Gemeente tot zich te nemen, opdat zij ook zij, waar Hij is.

-X-

5

De zielen onder het altaar of de groote schare van Openb. 7.

Dit onderwerp staat met vele omstandigheden en zaken in verband, en is daarom zeer belangrijk. In geen geval althans kunnen we het beschouwen zonder melding te maken van den niensch der zonde, den persoonlijken Antichrist, hoewel we bij dit onderwerp nog niet opzettelijk stilstonden.

Nu ter zaak.

Onderscheidene vragen doen zich hier voor: Hoe

-ocr page 33-

23

kan er spraak van wezen, dat alie, dan nog levende geloovigen, in de groote verdrukking zullen omkomen, daar toch de, tot in de toekomst van Christus lovend overgebleven geloovigen, zonder te sterven, den Heer te gemoet zullen gaan? Wie zijn die geloovigen? Zullen zij vóór het huwelijks-of bruiloftsfeest opgewekt, en bij den Heer zijn? Wat mag er de oorzaak van wezen dat zij niet verlost worden uit de groote verzoeking, en den Heer niet te ge-moet. gevoerd werden in de lucht? Laat ons bij de beantwoording dier vragen eenvoudig nagaan wat \'s Heeren woord ons leert.

Jezus komt zijne Gemeente uit deze wereld verlossen door haar tot zich te nemen en haar verkwikking te geven. Dit heeft plaats vóór dat de woede van den persoonlijken Antichrist haar kan treffen, en de oordeelen op aarde komen.

Eer ik nu verder ga moeten we hierbij in de eerste plaats stilstaan.

In voorgaand hoofdst. wees ik er op, hoe de levend overgeblevenen, tot de toekomst van Jezus, zonder den dood te zien , den Heer te gemoet gaan in de wolk. Dit moet plaats hebben vóór de groote verdrukking onder den Antichrist; want deze laat niet één der geloovigen leven , zelfs niet de twee laatste getuigen. Na de groote verdrukking kan er bij gevolg geene spraak meer zijn van levend over-geblevenen om veranderd te worden in een punt destijds, dewijl er geene meer zijn. Voeg hier nog bij dat aan de groote verdrukking een einde gemaakt

-ocr page 34-

ao

wordt door de toekomst van Jezus met de voltallige Gemeente. Ziedaar liet eerste bewijs.

Nu het tweede :

Als de oordeelen over de aarde komen , en den Antichrist en zijn rijk zullen treffen, zoodat de verdrukkers verdrukt worden , dan heeft de Gemeente verkwikking. Deze verkwikking geniet zij als de Heere Jezus van den Hemel komt met de engelen zijner kracht. Zie voorgaand hoofdst. De Gemeente is dus bij den Heer als de mensch der zonde op Aarde is.

Een derde bewijs vinden wij in den brief aan den Engel der Gemeente van Filadeljla, Openh. 3: 10. Omdat gij het ivoord mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zoo zal ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de geheele wereld komen zal, 07n te verzoeken, die op de aarde wonen.

Hier is bepaald spraak, niet van eene maar van d e ure der verzoeking, waarop aanstonds volgt vs. 11. Ziet ik kom haastiglijk. Wij behoeven alleen maar te lezen, hoe in hoofdst. 13 de woede van het beest uit de zee, en de verleiding van het beest met twee lamshoornen, wordt geschilderd, en het is ons duidelijk, wat door de ure der verzoeking wordt aangeduid.

Daaruit echter zullen zij bewaard worden, die het woord der lijdzaamheid bewaren. Nu zien we dan ook Openh. 4 en 5 de Gemeente, zooals zij daar voorgesteld wordt in vier en twintig ouderlingen en vier dieren, in den Hemel vóór dat

-ocr page 35-

31

op aarde de zegelen, die de oordeelen van het vreeselijke tijdperk van den Antichrist bevatten, geopend worden. De Gemeente is alzoo vooraf opgenomen.

Evenwel zijn niet allen bereid den Heer te ge-moet te gaan in de wolk om aan de groote verdrukking te ontkomen; en deze kunnen niet anders dan door vuur behouden worden.

Door zwaren druk geperst, zal de kracht des vleesches zóó zeer verbroken worden, dat in hen weggenomen wordt, wat hen weerhield los te zijn van de aarde, met God te wandelen en naar den Heer te verlangen. Zij zagen niet reikhalzend naar Jezus uit, maar konden het tamelijk aangenaam vinden in deze wereld. Zij leefden zóó zeer voor het vleesch, dat ze, in plaats van in de hemelsche dingen dierbaarheid te zien, véél op hadden met de aardsche dingen. Wel hadden zij Jezus gezocht en in Hem geloofd tot vergeving der zonden , doch, op de kracht des vleesches niet lettende, was het hun minder noodzakelijk voorgekomen den Heer te zoeken en bij Hem te blijven tot een leven van zelfverloochening en omgang met God. Jezus tot vergeving en de aardsche dingen tot genot: Ziedaar hun toestand.

De oorzaak daarvan ligt in de bedorvenheid der natuur. Hierbij komt dikwijls nog onkunde en verblinding.

Hoe gaarne zou onze natuur Adams geluk , dat is een aardsch heerlijk genot, terughebben. Nu echter is er eene nieuwe schepping. Het oude is

-ocr page 36-

32

voorbijgegaan en wordt niet hersteld. God schept wat nieuws , en dat nieuwe leven is Geestelijk en vindt zijn oorsprong in God door Christus. De Gemeente leeft bijgevolg in een toestand van geheel anderen aard dan die van de oorspronkelijke rechtheid. Het vleesch moet er onder en zijne kracht moet verbroken worden. Dit doet God door kastijding. De tucht des Geestes en de tucht des Vaders zijn noodig tot dat de geloovige het vleesch aflegt en buiten de oude schepping treedt. In plaats van dit in te zien , tracht men zoo dikwijls vleesch en Geest te vereenigen en voor beiden wat te zoeken. Werd de strijd aanvaard, overeenkomstig de vermaning des Heeren, dan zou men Jezus zoeken om zoowel in Hem de verlustiging als de vergeving te vinden; en den weg , dien God houdt, ter bereiking van dat doel, zou men goedkeuren.

Waar dit evenwel niet gebeurt, kan daar wel een heimwee zijn naar het huis des Vaders ? Neen, men kan het zoo goed op aarde uithouden. Er openbaart zich bij de zoodanigen geloof, maar geen werkzame hoop , geen reikhalzend uitzien naar den Heiland. In alles , zelfs in Godsdienstige verrichtingen, zoekt men zooveel genot voor \'t vleesch, dat het verlangen naar de toekomst des Heeren op den achtergrond ligt.

Zouden wij in zulk een toestand, als Jezus komt, om zijne, naar Hem reikhalzende, Gemeente tot zich te nemen, Hem wel te gemoet kunnen snellen ? We gelooven het niet, maar denken dat wij

-ocr page 37-

33

dan moeten achter blijven om behouden te worden, doch alzoo als \'door vuur; en dat Joh. daarom zegt: En nu kinderhens blijft in Hem, opdat, wanneer Hij zal geopenbaard zijn, ivij vrijmoedigheid hebben, en wij van Hem niet beschaamd gemaakt worden in zijne toekomst, 1 Joh. 2: 28. Hier staat niet gelooft, maar : b 1 ij f t in Hem. Even zoo spreekt de Heer tot de Gemeente van Filadelfia , Openb. 3; 10, Omdat gij het woord mijner lijdzaamheid beicaard hebt, zoo zal ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de geheele \'wereld, komen zal. Hier is de verlossing uit de ure der verzoeking afhankelijk gemaakt , niet van het geloof, maar van het b e-waren van het woord der lijdzaamheid. Denk hierbij ook aan een woord van Paulus, Hebr. 9; 28, Alzoo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen, zal ten andere maal, zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid. Hier heet het weder niet: Hij zal gezien worden van die in\'Hem geloove n, maar van die Hem verwachten tot z a 1 i 0-

O

heid.

Uit al deze plaatsen zien wij dat het, om, zonder te sterven tot Jezus te gaan, niet genoeg is te ge-looven, maar wij moeten in Hem blijven; door het geloof het woord der lijdzaamheid bewaren en Hem verwachten tot zaligheid. Is een Christen hierin nalatig, dan kan het niet anders , of de wrange vruchten daarvan moet hij plukken.

Gij bemerkt wel dat we hier niet zien op het

3

-ocr page 38-

34

min of meer bekend zijn met de profetiën. Och neen. Men zou o zoo goed te huis kunnen wezen in de leer der laatste dingen, en toch aan \'t stof verkleefd kunnen zijn. Daarentegen zou een ander heel weinig inzicht kunnen hebben in de profetie , — iets wat wel schadelijk is voor zijn troost en blijdschap , —■ en toch zou hij , met eene besliste keus, den Heer aanklevende, reikhalzen kunnen naar het zijn bij den Heer, en alzoo op de liefelijkste wijs verrast worden niet de komst des Heeren eu zijne toe vergadering tot Hem.

Maar wat is dan de toekomst dergenen , die achter-blij ven? Lees slechts Openh. 13, en gij ziet hoe verschrikkelijk het beest, uit de zee opkomende , woedt. Volgens vs. 6 en vervolgens,, opent het zijn mond tot laster tegen God, om zijnen Naam te lasteren, en zijnen tabernakel, en die in den Hemel wonen. Het doet den heiligen krijg aan, om die te overwinnen. Allen, die het beest niet aanbidden , en zijn merkteeken niet dragen, mogen niet koopen of verkoopen. Welk eene uitsluiting! Niets anders clan honger en dood heeft dit tengevolge. Dit martelen gaat zóó voort, dat niemand der kinderen Gods op aarde overblijft. Zelfs de twee laatste getuigen worden gedood. Nu is de tijd daar dat er geen voorbidder is voor Israël.

Vol een we nu verder Gods woord om na te speuren, wat het lot dier groote schare martelaren zal zijn aan de zijde Gods.

Op drie plaatsen in de Openb. van Joh. lezen wij

-ocr page 39-

van hen. Deze zijn hoofdst. 6; 9—11; 7; 13— 17 en 20.- 46.

Bij het lezen dier plaatsen zal het ons van zelf duiilelijk worden:

1. Dat in alledrie, dezelfde schare bedoeld wordt.

2. Dat deze schare in de groote verdrukking onder den Antichrist is omgekomen.

3. Dat zij in het duizendjarig rijk met Jezus heerscht.

1. In hoofdst. (5 komt zij voor als zielen onder het altaar, die gedood zijn om het woord Gods en om de getuigenis, die zij hadden, en aan welke lange witte kleederen werden gegeven.

In hoofdst. 7 herkennen wij hen aan hun gewaad. Daar heet het, vs. 13: Deze, die bekleed zijn met de lange witte kleederen, wie zij zij? En was in hoofdst. 0 gezegd dat zij gedood waren, om het woord Gods en de getuigenis, die zij hadden, zoo vinden wij dat hoofdst. 7 terug in het: Deze z ij n het, die u i t d e groote verdrukking komen. Hoofdst 20; 4 spreekt van dezelfden. Zij heeten daar, in overeenstemming met de vorige plaatsen: de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het woord Gods, en die het beest en deszelfs beeld niet aangebeden hadden.

2. Daarna blijkt, uit de vergelijking dezer plaatsen, dat zij omgekomen zijn in de groote verdrukking onder den Antichrist. Behalve

3*

-ocr page 40-

dat dit al duidelijk blijkt uit hoofdst. 7: 14, wordt het met ronde woorden gezegd in hoofdst. 20; 4. Ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om de qetuigenis van Jezus, en het woord Gods, en die het heest en deszelfs beeld niet aangebeden hadden.

Door de groote schare van Openh. 7 wordt dus niet bedoeld het groote getal martelaren van alle eeuwen, maar de, onder den Antichrist, gedoode heiligen.

o. Eindelijk blijkt ons uit hoofdst. 20: 4 zeer klaar dat de zielen van hoofdst. 6, of de groote schare van hoofdst. 7, zijn opgewekt vóór het begin van het duizendjarig rijk, want we lezen daar; En zij leefden en heerschten met Jezus de duizend jaar.

Door den smeltkroes der loutering, door ongehoord lijden heen, zijn die duizenden geloovigen gekomen tot een loslaten aan de wereld, tot een heimwee naar Jezus en tot de groote heerlijkheid met Christus. God laat de zijnen niet varen al moet Hij ze ook tot zich trekken door honger en dood.

Hoe zwaar dit ook valt, in \'t einde is het heerlijk.

-*-

6.

De mensch der zonde.

Als wij twee tegenover elkander staande personen zien streven naar een zeker doel, dat zij beiden

-ocr page 41-

37

willen bereiken, en toch maar door één tlerzelven bereikt kan worden, dan zullen we niet alleen beiden telkens met elkander in botsing zien komen, maar ook kunnen er belangrijke oogenblikken zijn, waarin het schijnt dat de eene of de andere het doel zon bereiken.

Pas dit toe op het streven van Jezus als de Vorst des levens, en op dat van den Satan als de vorst der duisternis en des doods.

Ieder dier personen heeft zijn gebied en onderdanen.

De volstrekte onafhankelijke heerschappij over de wereld te willen bezitten, ziedaar het doel en streven van den Satan.

In het Paradijs echter is reeds de eindelijke zegepraal van God, in en door Christus, God geopenbaard in \'t vleesch, verkondigd. Telkens is die verkondiging herhaald en meer duidelijk voorgesteld, zoodat de, in Christus blijvende geloovige, rustig de eindbeslissing kan afwachten.

Evenwel worstelt de Satan van den beginne af aan, om de plaats van God in te nemen en zich zeiven de heerschappij te verzekeren in en door een mensch, in wien hij zich zei ven zal kunnen belichamen, van wien zal kunnen gezegd worden: de Satan geopenbaard in \'t vleesch, en om dien mensch alzoo de plaats van Christus te doen innemen.

Hoe gaarne trok hij eens Jezus-zelven in zijn dienst om Hem den Antichrist te maken. Hij wenschte dat de Heer, door aanbidding, hem als God zou erkennen; en als zijn nederige dienaar

-ocr page 42-

38

zou Jezus dan de heerschappij verkrijgen over de koninkrijken der wereld.

Door de zonde is het dat de wereld ouder de macht des Duivels is gekomen. Haar toestand daaronder is hachelijk; doch een veel meer vreeselijk aanzien zou de wereld hebben zoo zich God niet had ontfermd, lm mers heeft God in de eerste plaats, een volk uit die wereld aan zijnen Zoon gegeven, om het aan des Satans macht te onttrekken, en vervolgens de koninkrijken der Aarde aan Jezus toegezegd. Zoo lang evenwel dit laatste nog niet is verwezenlijkt, voert de Satan zijne macht uit.

Het verwondert ons clan niet dat wij door alle tijden heen, personen aantreffen, die als typen van den Antichrist te beschouwen zijn. Het streven van den Satan is niet zoo zeer slechts een volk boven alle andere volken te verheffen, dat alle anderen zou moeten beheerschen; maar zijn doel is ren volk op zoodanige wijze te bereiden dat het een mensch voort-brenge, in wien hij zich zal kunnen belichamen, een mensch, die persoonlijke tegenhanger van den Zone Gods zal kunnen zijn en wien hij ten God zal kunnen wezen. Van daar ook, b. v. doorgaans in ieder machtig rijk een persoon, die eindelijk het geheele rijk zelf is.

Let er wel op dat de H. Schrift zulke personen ons, als tvpen van den Antichrist doet kennen. En evenzeer als Christus zijne tvpen heeft, van welke de H Schrift veel zegt, wat alleen op Jezus toepasselijk is, hc-?fk ook de persoonlijke Antichrist zijne

-ocr page 43-

39

typen van welke zij, op dezelfde wijs, veel zegt, wat alleen op dezen kan toegepast worden. Denk b. v. aan den Assyrier van Jesaia en den Syrischen Antiochus Epifanes van Daniël.

Nu zijn ons in de profetie vier rijken voorgesteld met en door welke de Satan, hoezeer hij het ook zocht, tot hiertoe zijn doel nog niet heeft kunnen bereiken; maar daarin ook menschen, vorsten, die hij bijna bad gemaakt wat hij beoogt, en daardoor typen zijn van den Antichrist. Daarvandaan dat Daniël op den Griekschen geitebok een kleinen hoorn, een koning zag, die dicht bij het doel kwam, en in overeenstemming was met den kleinen hoorn op het vierde dier, die den eigenlijken Antichrist voorstelt.

Wij zeiden dat het wel in de eerste plaats door den Duivel bedoeld wordt een groot wereldrijk te be-lieerschen en daar in zijn geest uit te storten, doch zulks alleen opdat dat rijk een menscli voortbrenge, die de tegenstander van Christus zij. Zoo zien wij ook in de Openb. van Joh. het vierde rijk, het Romeinse he, als een beest voorgesteld, doch ten laat-is dat beest één persoon, een mensch, een koning, die de macht in zich zeiven besluit en die aangebeden wordt.

God en Christus, of: de Satan en de Antichrist, ziedaar de groote tegenstelling.

Het\' gelukt eenmaal den Duivel de volken van ihunne vorsten afvallig te maken, en in het voormalig romeinsche gebied elk volk zijne eigene nationaliteit te doen verloochenen, om hen een vorst

-ocr page 44-

40

te doen eerbiedigen, die de zoon des verderfs zal zijn, die alles, wat hem op aarde tegenstaat, zal vernietigen om eindelijk, in zijn strijd tegen Christus en de Gemeente, om te komen.

Waarom bereikte de Duivel niet reeds lang zijn doel? Waarom niet, dan in het vierde wereldrijk, en dat nog wel in het laatst daarvan? Omdat God eerst zijn doel wil bereiken met de verzameling der Gemeente.

De Gemeente bidt steeds voor koningen en allen, die in hoogheid zijn, opdat zij een stil en gerust leven leide.

Deze bede is verhoord. Hoe nu ook de Duivel werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid, zoo heeft toch de Heer zoozeer zijne hand in de woelingen der volken , dat de Gemeente bestaat en, ais het voertuig des Geestes, kan werkzaam zijn tot hare uitbreiding.

Was, b. v. de overheersching van het Babylonische rijk door de Meden, de verlossing der Joden, evenzoo hebben opstand, omverwerping van troon en , enz., vooral ook in onzen tijd, daartoe moeten leiden dat het Evangelie zijnen loop hebbe. Denk aan de Italiaansche staten, aan Spanje. Hoe was niet de oorlog van Frankrijk met Pruisen de aanleiding dat Frankrijk, als bolwerk van den kerkelijken staat, moest vallen, zoodat de verspreiding van het woord ook daar kon plaats vinden. Zoo voert God zijn raad uit.

De staatkunde op de Romeinsche aarde leidt er toe, aan de eene zijde, dat de afval kan toenemen om te rijpen voor -het oordeel, maar ook, aan de

-ocr page 45-

41

andere zijde, dat de Gemeente kan verzameld worden. Die vuil is kan vuiler, en die rechtvaardig is kan rechtvaardiger worden.

De moderne volken rijpen sterk aan in \'t ongeloof, en openbaren daarin zoozeer hun revolutionair karakter, dat wij hen mogelijk weldra eigen nationaliteit zien verloochenen, om gemakkelijk in te stemmen met de terugkeering van het Romeinsche gebied, in een tientallig koninkrijk, met éénen vorst aan \'t hoofd, die als Antichrist zal optreden, en alles zal trachten te verdelgen, wat hem in den weg staat.

De rijken, waarmede de Satan zijn doel heeft zoeken, of nog zoekt te bereiken, zijn vertoond: eerst aanNebukadnezar in een kolossaal beeld, daarna aan Daniël in vier dieren.

Nebukadnezar zag de rijken der wereld, zooals een mensch van de wereld die slechts zien kan: Schitterend heerlijk. Het koninkrijk des Hee-ren daarentegen was in zijn oog slechts een steen.

Daniël ziet diezelfde rijken in een afzichtelijken toestand, als vier wilde dieren, maar liet Koninkrijk des Heeren ziet hij onovertrefielij k heerlijk. De Christen heeft dan ook eene andere beschouwing van de wereld en het toekomstige rijk des Heeren, dan de natuurlijke mensch. Nebukadnezar ziet het beeld eens menschen, van \'t welk het gouden hoofd wijst op het Babylonische — de zilveren borst en armen op het Persisch-Medische — de koperen buik en dijen op het Grieksche, —

-ocr page 46-

42

en de beenen van ijzer, vermengd, in de onderste deel en, met modderig leem, op het Romein sc. lie rijk.

Daniël ziet vier dieren, van welke het eerste, (een leeuw), het Babylonische, — het tweede, (een beer), het Persisch-Medische, —het derde, (een luipaard), het Griekse he, — en het vierde, (zonder naam, maar zeer wreed), het Romeinsche rijk aanduidt.

In het laatste tijdperk van dat vierde rijk ziet hij den menseh der zonde, den Antichrist, als een kleiae hoorn, te midden van tien hoornen, d. i. tien koningen, opkomen. Wij staan daarom alleen bij dat dier stil.

Het zal evenwel goed wezen een kort overzicht over de gezichten van Daniël te nemen, en daarin aan te wijzen, waar hij, in historische volgorde, regelrecht van den Antichrist spreekt en waar hij hem typisch aanduidt.

In het gezicht van het vierde dier, het Romeinsche rijk, zie hoofdst. 7: 1 en verv., komt de Antichrist historisch voor als kleine hoorn. Hier heeft in symbolische taal alles eene eigenlijke be-teekenis. Niet alzoo is het gezicht in hoofdst. 8: 5 en verv. Het derde, het Grieksche rijk, vertoont zich daar aan Daniël\'s oog als een geitebok, die den Pe r si sc h-Medi s chen ram overwint. In dat derde rijk komt een persoon, Antiochus Epifanes, voor, die het meest de hoogte scheen te bereiken, die de Satan voor had te beklimmen. Het is dus

-ocr page 47-

43

natuurlijk dat er eene bijna volkomene overeenkomst moet zijn tusschen dezen persoon en den eigenlijken Antichrist. Beiden worden dan ook als kleine hoornen voorgesteld. Hij is echter slechts eene type, maar eene type in en met welke Daniël ons den eigenlijken Antichrist beschrijft en nader leert kennen. Daarom eindigt hij ook met hem in den persoonlijken Antichrist.

In hoofdsf. 11. is van diezelfde type spraak. Ys. 3 en 4 vinden wij het Grieksche rijk. In vs. 5 en verv. wel hetzelfde rijk, doch verbrokkeld in vier deelen, van welke twee afzonderlijk worden aangewezen. Deze zijn Egypte en Syrië, voorgesteld als koning van het Zuiden en koning van het Noorden. Zij zijn dan ook, met het oog op de Joden, de voornaamste deelen, omdat Palestina, het land der Joden, tnsschen dezelve lag, en de Joden beurtelings, dan aan het eene en dan aan het andere rijk, onderworpen waren. De lotgevallen dier twee rijken worden geregeld verhaald, totdat de Engel komt in vs. 21 aan den beruchten Ant i ochus Epifanes, voorlooper van den eigenlijken Antichrist, en dien we hebben leeren kennen als kleine hoorn op den Griekschen geitebok. Deze was koning van het Noorden, doch daar waar de Engel, met zijn verhaal komt aan dezen persoon, noemt hij hem niet meer koning van het Noorden, maar beschouwt hem in zijn eigenaardig karakter als type van den Antichrist, en spreekt van hem als of hij de Antichrist zelf is. Nu heet hij: de koning, en

-ocr page 48-

4-i

komt ten laatste met een koning van het Zuiden en een koning van liet Noorden in botsing.

Lees nu alles, wat van hem gezegd wordt vs. 21 tot 45 en gij ontvangt daarin eene onderwijzing aangaande den persoon, dien Paulus noemt; mensch der zonde. Daarvandaan dat de Engel hem zijn einde doet vinden in Palestina, waar de Antichrist zal verslagen worden; daar toch Antiochus Epi-fan es in Persie gestorven is, zie 1 Mach. 6; 1—6.

Dat de Engel hem uit de rij der koningen van het Noorden uitneemt, en in hem ons den Antichrist vertoont, is klaar genoeg uit het geheele beloop zijner profetie, maar vooral blijkt dat duidelijk in vs. 40, waar wordt aangetoond dat op den tijd van het einde de koning van het Zuiden tegen hem met hoornen zal stooten, en de koning van het Noorden tegen hem zal aanstormen. Hier is hij dus een derde. Maar daaruit wordt het ons ook zeer duidelijk dat de koning van het Zuiden en die van het Noorden in vs. 40, niet meer zijn die, welke als zoodanig genoemd zijn vs. 5 tot 20, maar koningen, die in den tijd van het einde in strijd komen met den Antichrist, en van welke de koningen in vs. 5 tot 20, voorafschaduwingen waren.

Hoe schoon is de profetie ! Zij is niet slechts in woorden, — maar ook in geschiedenissen uitgedrukt.

Welk eene eenheid in de geschiedenis.\' Door alle tijden heen zien wij de wereldrijken geleid worden door den Satan, en dat altijd met één doel. Zien wij nu te midden dier rijken een volk Gods verzameld

-ocr page 49-

worden, dat bestemd is om eens met Christus te heersclien, dan vervvondere het ons niet, dat we dat volk in die rijken zien verdrukt worden. Daarbij komen nog al punten in de geschiedenis voor, waarvan wij, naar menschelijk inzien, zouden zeggen: Nu is het doel door een dier beide machten bereikt. In den tijd van Salomo zouden we misschien gezegd hebben: Het vrederijk begint; en in den tijd van Antiochus Epifanes: Daar hebt ge den Antichrist.

Na deze beschouwing zouden we kunnen bestaan met slechts nauwkeurig Dan. 7 te lezen, waar van den eigenlijken Antichrist gesproken wordt, en hoofdst. 8\'e7i 11, waar zijne type wordt voorgesteld; doch dan hadden we alleen nog maar den Antichrist in betrekking tot de Joden beschouwd. Wij hebben ook nog aan te toonen, welke beteekenis hij heeft voor de Gemeente. Wij wijzen daartoe op 2 Thess. \'2 en de Openh. van Joh. met terugwijzing naar Daniël. Dan nog moeten we eenige bijzonderheden nader in overweginu\' nemen.

o o

Ik hoop mij verstaanbaar te kunnen uitdrukken.

In 2 Thess. 2 zegt de Apostel dat de dag van Christus niet komt, tenzij eerst de afval gekomen zij. Dien afval meenden velen onzer vaderen te zien in het Pausdom, en weinig vermoedden zij dat er nog een veel vreeselijker aanstaande zou zijn, een afval zooals wij dien kennen. Deze afval brengt den persoonlijken Antichrist voort, waarom de Apostel laat volgen: En dat geopenbaard zij de mensch der zonde, de zoon des verderfs, die zich zeiven tegenstelt en verheft hoven

-ocr page 50-

40

al, wat God genaamd en als God yeterd wordt, alzoo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten.

Het is duidelijk dat de Apostel in deze beschrijving den profeet Daniël op \'t oog heeft. 7j\\q Ban. 11: 3(5. De Antichrist, hier mensch der zonde genoemd, zal den Joden bevorderlijk zijn in het optrekken naar Palestina, en het opbouwen van hunnen tempel te Jeruzalem. Doch hij zal jegens hen zoo veranderen, dat hij, in den opgebouwden tempel den gruwel der verwoesting zal plaatsen en daar als een God zal zitten.

Toen de Apostel dit schreef kou hij nog niet geopenbaard worden, omdat hij werd wederhouden door iemand, dien de Apostel niet noemt, doch van wien hij tot de Gemeente van Thessalonika persoonlijk gesproken had. Deze, zegt de Apostel, moet uit het midden weggedaan worden, en alsdan zal de ongerechiige geopenbaard worden. Wie is die iemand? Denk aan het gezicht van Daniël hoofdst. 7.

Daniël zag het vierde dier, liet Romeinsche rijk, als een tiental lig koninkrijk. In eene periode dus, die het, toen Paulus leefde, nog niet was ingetreden. Een dier met tien hoornen. Vers 23 en verv. lezen we: Het vierde dier zal hel vierde rijk op aarde zijn, dat verscheiden zal zijn van al die rijken; en het zal de ganse he aarde opeten, en het zal dezelve vertreden, en het zal ze verbrijzelen. Belangende nu de tien hooi -neu: hit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en een ander zal na hen opstaan, en dat zal verscheiden zijn van de vorigen, en het zal drie koningen vernederen.

-ocr page 51-

47

Toen Paulus leefde was het Romeinsche rijk wel bevestigd en beheerscher der wereld, maar het stond onder het gebied van zijnen keizer, en was niet tientallig. De tien teenen van Nebukadnezars beeld of de tien hoornen van het dier, waren niet aanwezig. Door revolutie zou die eenhoofdige regeering verbroken moeten worden om plaats te maken voor tien koningen. Het keizerrijk moest dus vallen.

Zal dus de Antichrist komen, dan moet dat groote Romeinsche gebied door tien koningen worden geregeerd, terwijl voor den, in hun midden opkomenden Antichrist, drie koningen zullen vallen. En, evenals Daniël, zegt ook de Apostel, dat de Heer hem , dien mensch der zonde, te niet doen zal door den Geest zijn monds en de verschijning zijner toekomst. In de Openb. van Joh. vinden we het vierde dier van Daniël in drieërlei vorm terug, zoodat wij met de onderscheidene lotgevallen van het Romeinsche rijk, door dat dier voorgesteld, nader worden bekend gemaakt.

Die drieërlei vorm van h \'t dier vertoont ons dat rijk in zijne drie voorname perioden, namelijk:

1. A ls heidensch Rome.

2. A Is pauselijk Rome.

3. Als antichristelijk Rome.

Het is dan ook altijd hetzelfde dier, maar, hoewel in hoofdzaak overeenstemmend met dat van Daniël, toch daarin verschillend, dat de drie voorgaande rijken in hetzelve zijn opgenomen.

-ocr page 52-

\'IS

In plaats van dat dit eene afwijking van Daniël zou zijn, is het veeleer met hem in overeenstemming. Immers, in het gezicht van Nebukadnezar worden alle vier rijken te gelijk door den, van eenen berg afkomenden steen vermalen. Opmerkelijk is het dat de steen, niet het hoofd, de borst of de dijen, zelfs niet de beenen, maar de voeten treft. Dus het Romeinsche gebied in zijn laatste tijdperk. Evenwel wordt het geheele beeld, tot het hoofd toe, verbrijzeld.

Eveneens zien we hoofdst. 7: 11, waar van de dieren spraak is, het laatste dier gedood worden, en daarmede wordt ook, vs. 12, de heerschappij der overige dieren, aan welke verlenging van leven was gegeven, weggedaan.

Behalve uit de geschiedenis dier rijken, blijkt ons derhalve uit de profetie derzeive reeds dat het Babylonische in het Persisch-Medische —, het Per-sisch-Medische —, in het Grieksche —, en het Grieksche in het Romeinsche rijk voortleven, zoodat met de vernietiging van het vierde rijk, allen vernietigd worden. Deze vernietiging vindt plaats met de verdelging van den mensch der zonde. Wij vinden het vierde dier van Daniël, terecht dus met inbegrip van de drie voor gaanden, beschreven in Openh. 13; 1, 2.

De beschouwing gaat hier, natuurlijk, van achteren naar voren. Eerst komt het Romeinsche rijk voor:

Zeven hoofden en tien hoornen.

-ocr page 53-

49

Dan liet Griekse he:

En hei beest was een pardel {luipaard) gelijk.

Vervolgens het Persisch—Medische:

En zijne voeten als eens beers voeten.

Eindelijk het Babylonische:

En zijn mond als de mond eens leeuws.

Dan nog wordt de bezieling van hetzelve voorgesteld: En de draak gaf het zijne kracht.

De drie dieren in de Openb. vertoonen allen hetzelfde rijk. In hoofdzaak komt hunne beschrijvine op hei zelfde neer. Zie hoofdst 12: 3. — 13: 1,2 en 17: 3. Altijd is het een dier met zeven Zioojden en tien hoornen. De beteekenis der hoofden en hoornen wordt in hoofdst. 17: 9, 10 aldus te kennen gegeven: De zeven hoofden zijn zeven bergen op welke de vrouw zit. En het zijn ook zeven koninqen: de vijf zijn gevallen , en de een is, de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een weinig tijds blijven.

Rome is eene stad op zeven bergen, en toen Johannes dit schreef waren er vijf regeeringsvormen gevallen, de zesde, de keizerlijke, was de toen bestaande; de zevende zou komen, en de keizerlijke opvolgen. Uit die zevende wordt de achtste geboren. De achtste is de antichristelijke. Hoewel in hoofdzaak hetzelfde dier, ontdekken wij toch een opmerkelijk verschil. In Openb. 12 en 17 is het een dier met tien, niet gekroonde hoornen. In hoofdst. 13 daarentegen zien wij tien koninklijke hoeden op de hoornen.

4

-ocr page 54-

50

In Jioofdst. 12 vinden wij het heidensch Rome, bezield, zonder tussehenkomst van een mensch, door den draak.

In hoofdst. 17 hetzelfde beest, met niet gekroonde hoornen, bereden door eene afvallige vrouw, voorstellende het pauselijk Rome.

Tot hiertoe hebben de tien hoornen nog geene beteekenis omdat zij tien koningen voorstellen, die het koninkrijk nog niet ontvangen hadden. Alleen merken wij op dat de kiem (revolutie), waardoor deze tien koningen moeten ontstaan, van den beginne af, in het Romeinsche rijk aanwezig was.

In hoofdst. 13 weer hetzelfde dier, maar nu met tien gekroonde hoornen, en in het midden derzeive, in overeenstemming met Daniël, den Antichrist opkomende. Hier hebben we het antichristelijk Rome.

Het heidensch Rome heeft plaats gemaakt voor het pauselijk Rome. In onzen tijd is het pauselijk Rome begonnen plaats te maken voor het antichristelijk Rome.

Wie oogen heeft om te zien, kan bemerken met welke rasse schreden het ongeloof en de afval, op de Romeinsche aarde, voortgaan: en wie weet hoe spoedig de omwentelingen, aangekondigd als eene woelige zee, plaats hebben om liet beest uit den afgrond, den mensch der zonde voort te brengen.

Dat in hoofdst. 13 het antichristelijk Rome en eerst in hoofdst. 17 het pauselijk Rome wordt vertoond , daarvan is de oorzaak dat die tweede of

-ocr page 55-

tussclien periode geheel op zicli zelve wordt beschouwd, zoodat hoofdst. 17, 18 en het begin van 19 ons bekend maken met den toestand en liet lot van het pausdom.

Wij staan nu alleen stil bij liet beest van hoofdst. 13, het beest met zeven hoofden en tien hoornen, voorstellende het antichristelijke Rome.

Dat tijdperk gaan we te gemoet; met kracht wordt hetzelve voorbereid.

Welk een vreeselijke tijd! Nooit heeft de aarde de verschrikkingen gekend, die er dan zullen zijn. De zegelen openbaren ons den grootan druk der kinderen Gods, dat tijdperk door. De bazuinen wijzen ons op den druk der menschheid in \'t algemeen, onder de oordeelen Gods, zoo onmiddellijke als middellijke door de tyrannieke heerschappij van het beest. De fiolen zijn bestemd om, in grimmigheid des Al-lerhoogsten, uitgegoten te worden op het beest en zijnen aanhang.

In drieërlei symbolen hebben wij hetzelfde tijdperk doch van drie zijden beschouwd. Vandaar ook dat we in elk derzelve den mensch der zonde vinden. In het laatste echter het meest duidelijk, omdat , als overgang van bazuinen tot fiolen, in hoofdst. 13 vooraf afzonderlijk het beest wordt geteekend.

Het kan weinig baten gedeelten van Gods woord af te schrijven om aan het vreeselijke van het tijdperk, dat we te gemoet snellen , te herinneren. Lezen we slechts de opening der zegelen, Openl. 6, het bazuinen der engelen, hoofdst. 8 tot 11, en het

4*

-ocr page 56-

52

uitgieten der fiolen of toornschalen, hoof dat, 16, en daarbij de teekening van de opkomst van het beest, en de teekening van liet beest zelf in hoofdsi. 12 en 13, zoo zal het ons duidelijk worden dat de aarde nooit een tyran droeg als het beest uit de zee.

Alles, wat hem hindert, zal hij uit den weg zoeken te ruimen. Rome, altijd met zijn onfeii-baren paus, hakende naar het terugbekomen van verloren heerschappij, wordt niet geduld. Be tien koningen, die op ééne ure de macht met het heest ontvangen, die zullen de hoer haten, en zullen haar woest viahen, en naakt; en zij zullen haar vleesch eten, en zullen haar met vuur verbranden; want God heeft hun in hunne harten gegeven, dat zij zijne meening doen, en dat zij eenerlei raeening doen, en dat zij hun koninkrijk het beest geven, tot dat de woorden Gods voleindigd zullen zijn, Openb. 17.\' 16, 17.

Evenzeer zal dat beest tegen allen, die den Heer kennen, krijgen, en allen dooden, die het niet aanbidden. Ook gedoogt het geen tusschentoestand tusschen Christendom en volstrekten afval.

Vreeselijke tijd! Het Christendom met al zijne inrichtingen verdwijnt. Aan het beest en zijn beeld wordt Goddelijke eer bewezen. In de kracht des Duivels doet het beest met twee lamshoornen, dat als valsche profeet optreedt, groote teekenen en wonderen, en maakt dat het beest aangebeden wordt.

De Duivel heeft nu zijn doel bereikt. Er is éénheid onder de koningen, maar eene ontzaglijke één-

-ocr page 57-

heid. Men eet en drinkt en jubelt en, in trotsch-heid des harten, meent men tot in den Hemel opgeklommen te zijn.

Helaas! ook in ons arme Ned ei-] and zien wij dien tijd voorbereid worden.

Dat schrikbewind echter duurt slechts een tijd en tijden en een halve tijd; twee en veertig maanden; duizend tweehonderd zestig dagen, dat is drie en een half jaar.

Misschien door de opvaart van de Uvee getuigen, die uit de vvplk, waar Jezus met zijne Gemeente is, de stem hoeren: komt hier op! (Openb. 11.), ontdekt de mensch der zonde eene macht, de macht van den Heer. Nu roept hij al zijne heirlegers samen om te strijden tegen den Zoon des menschen en de Gemeente. De koningen met hunne honderd duizenden komen bijeen en verzamelen zich te Armageddon, berg van Megiddo, ten noorden van Jeruzalem, Openl. 16. Van dezen strijd lezen we Joel 3. Daar heet de plaats eerst: Bal van Josafat, of vertaald: Bal van de oor deel en des Heeren; vervolgens: Dal des dorscJnvagens, of liever; dal der eindbeslissing. Waar Joel die menigten, menigten, ziet, roept hij uit: 0 Heer! laat uwe helden derwaarts nederdalen! Lees nu slechts Openb. 19, en gij ziet dat Jezus met zijne Gemeente ook werkelijk nederdaalt. Hij wordt geopenbaard en de Gemeente met Hem.

Met slechts te spreken verslaat Hij de menigte. Het beest, de persoonlijke Antichrist, en met hem de valsche profeet sterven niet, maar worden levend

-ocr page 58-

54

geworpen in den poel, die brandt van vuur en sul-plier. Daar zijn zij de voleindigers van het ongeloof. Alle overigen sterven en worden eerst duizend jaar later opgewekt , om bij hen te zijn in gemeenschap met den Duivel, die ook eerst dan zijn lot daar vindt.

Op het zelfde oogenblik als die strijd in het Joodsche land wordt gestreden, en Jezus, als Overwinnaar in zijne groote kraclit voorttrekt, Jas. 63, een strijd door gedruisch slechts, als in de dagen van Gideon, Jen. 9, barsten er groote oordeelen los over de geheele roraeinsche aarde, die te weeg gebracht worden door het uitgieten van de zevende fiool in de lucht, Openb. 16.- 17-21.

Ontzaglijk zijn de oordeelen Gods; doch door zijn gramschap heen, komt de heerlijkheid. Op het oogenblik dat Jezus verschijnt, worden de uitverkoren Joden bekeerd, de Satan gebonden; en het duizendjarig rijk neemt een aanvang.

Laat ons oog op den Heer zijn. Bidden en werken we tot redding van zondaren ! Dat we onze kinderen wijzen op Jezus, die onze schat en verzorging is. Dat de Gemeente los late aan de wereld en de zucht naar geld en goed! Met het oog op het gewicht van onzen tijd, den toestand der staten, de vreeselijke toekomst in het tijdperk van den Antichrist, dat we met rasse schreden te gemoet gaan, maar ook met het oog op het zijn der Gemeente bij Jezus in den Hemel, hebben we los te zijn van de aarde, en den goeden strijd des geloofs te strijden.

-ocr page 59-

De Heer vervulle zijne Gemeente met moed en kracht om in lijden en werken Hem te verheerlijken.

7

Israels to ekomst.

VVat ook Israël thans is, hoe verdreven en verstrooid ook over den ganschen aardbodem, het was eens, en zal weer zijn het voornaamste volk der der aarde.

Door God zei ven werd het in Abraham geroepen, van de andere volken afgezonderd en bestemd om ten zegen te zijn van al de geslachten der aarde. Een gezegend land werd het ten eigendom gegeven, een land, wegens zijne ligging, zoo geschikt voor een volk dat eens over de breedten der Aarde zal moeten trekken, om de wereld met zijnen God en Heiland bekend te maken; en tevens, om de onderscheidene volken, tot de aanschouwing van Gods heerlijkheid, in zijne hoofdstad te ontvangen. Geen volk ter wereld heeft eene geschiedenis en een toekomst, zoo belangrijk als Israël.

Van eeuwigheid door God geliefd, heeft hij het getrokken uit de wereld en, tot onder den grootsten druk toe bewaard, Lev. 26: 44. Zijne geschiedenis te beschrijven ligt niet op onzen weg; alleen vestigen wij ons oog op zijne toekomst.

-ocr page 60-

56

Wat het was, sedert zijne afzondering van de wereld tot op de komst van zijnen Messias, wordt in bijzondere hoofdtrekken duidelijk voorgesteld in de schriften des O. Testaments. Wegens zijne zonden, bestaande hoofdzakelijk in afgodsdienst en daaruit voortspruitende verachting van de woorden Gods, bespotting der van God gezondene profeten en verwerping van zijnen Heiland, is het een volk dat sedert eeuwen geplukt is en aan heftige vervolgingen steeds was blootgesteld.

De, van het huis van David afgevallene, tien stammen, bekend als koninkrijk van Israël, werden gevankelijk weggevoerd naar Assyrië en kwamen nooit in hun land terug.

De twee, aan het huis van David getrouw ge-blevene stammen, het koninkrijk van Juda, kwamen achtereenvolgens onder de overlieersching der Chaldeeën, Persen en Meeden, Grieken en Romeinen. Op de gruwelijkste wijs zijn de Joden verdrukt, ja gemarteld, vooral onder het laatste rijk.

De geschiedrollen zijn gevuld met de beschrijving van tallooze ellende en jammer, waarin de Joden leefden. Verdreven en verjaagd van volk tot volk, uitgestooten en veracht, vonden zij dikwijls geene plaats tot rust voor de zolen hunner voeten. Over geheel de aarde in alle winden verstrooid, zijn ze allewege vreemdelingen en dat, nog altijd voortlevende in de zonden hunner vaderen.

Toch blijven zij Joden. Nergens gaan zij in de volken op.

-ocr page 61-

57

Voorwaar! door niets wordt de waarheid der heilige schriften meer bewezen dan door Israël. Zijn toestand is voorspeld. Roerend zijn de bedreigingen, in de Goddelijke schriften uitgesproken over de Israëlieten en hun land. Roerend en treffend tevens vermeldt de geschiedenis de juiste vervulling dier bedreigingen.

Eene gansche reeks van profetieën, die aangaande, aan te halen acht ik niet noodig. Lees slechts de volgende plaatsen: Lev. 26: 14—39. Beut. 4: 27.— 28: 15—68. — 29: 19—28. — Jes. 5:6, 9, 10, 17. _ 6: 10—13. — 10: 23. — 17: 4-6. — 24: 1, 3, 11—13. — 27: 10, 11. — 32: 10-13. — 33: 8, 9. — 3er. 4: 20, 26. — 9: 15, 16. — 12: 4, 7, 10—13. — 15: 4, 7. — 19: 8. — 24: 9, 10. — 29: 18. — Ezech. 5 : 10. — 6: 3, 6, 14. — 7: 19, 24. — 12: 15, 19. — Eos. 3: 4, 5. — 9: 16, 17. — Joel. 1: 2—12. — 9: 3—5. — Mich. 1: 6.

Wilt gij weten hoe stipt deze, en veel meer andere profetieën vervuld zijn, lees dan slechts: Ba Co sta: Israël en de volken. Keil: de letlerlijke vervulling der profeliên. Looman, Gids voor den Bijbellezer.

Zooals Israëls rampen zijn voorspeld, wordt ook in de schriften des O. en N. Testaments gewag gemaakt van zijne herstelling.

Door de oordeelen heen zal God zich ontfermen, en, hoewel het grootste gedeelte der Joden mede zal afvallen, zoo zal toch een klein gedeelte van hen overblijven om het: Hosanna! gezegend is Hij,

-ocr page 62-

58

die komt in den Naam des 11 eer en, uit te roepen.

Niet alleen zal de Heer zijn volk weder aannemen,

maar ook zullen de verwoeste steden Israels weder opgebouwd worden. Wij noemen tot staving hiervan slechts deze plaatsen: Leut. 30: 1—-10. — Jes. 11: 12—16. — Hoofdst. 60 geheel. Jer. 3: 12, 17, 18. —

16: 14, 15. — 23: 3, 7, 8. — 31: 1, 32, 38—40. —

33: 7, 24—26. — Ezech. 34—37. — 39: 28, 29. — Hos. 1,2.— 3: 4, 5. — Amos. 9: 11—15. —

Zac/i. 8. — 12: 6. — 14: 11. —

In elk dezer plaatsen vinden we een of ander,

waaruit duidelijk blijkt dat zij hare vervulling nog nooit hebben bekomen, maar deze nog wachten.

Immers, sommige derzeive vermelden den terugkeer der tien stammen en de vereeniging van deze met Juda; dan is er spraak van de laatste dagen; \'i-

dan weer van zegeningen, die nimmer zullen weggenomen worden.

Israël zal, als het teruggekeerd is naar zijn land,

van hetwelk de vloek dan zal afgewend zijn, zeer gezegend worden en geene verstoring zal er meer wezen. God zal hunne ongerechtigheden wegdoen en hunne zonden niet meer gedenken.

Meer dan eens is de vraag gedaan: Zullen de Joden eerst bekeerd, en in dien weg teruggevoerd worden naar hun land? of zullen zij -bekeerd worden als ze weer in hun land wonen?

Wij hebben hier met onderscheid te antwoorden.

Ook op dit punt laat ons de Bijbel niet in het onzekere.

*

-ocr page 63-

59

Uit Zach. 12 en 14 blijkt dat de Joden , in Jeruzalem wonende, bekeerd zullen worden door het zien van Jezus. Deze zijn dus onbekeerd, en voortgaande in de verwerping van hunnen Messias, naar Palestina teruggekeerd. Hoevelen dit nu ook zijn mogen, zoo is het echter zeker dat Israël en Juda, in \'t algemeen tot den Heer zullen gebracht worden in de landen, waarin zij verstrooid zijn; en alzoo zullen zij met smeeking en geween komen tot hunne erve. Zie slechts Lev. 26. Leut. 30 en Zach. 10: 8—12. Hierin ligt dus niets duisters. Hoeveel Joden toch zijn reeds naar Palestina verhuisd! En weten we, onder anderen uit Zach. 12 en 14, dat een groot getal Joden, zonder den Heer te ken-

lt;n o \'

nen, in Kanaan zal wonen als de Antichrist heer-schen en Jezus verschijnen zal, zoo is het belangrijk voor ons op te merken dat de tijd daartoe schijnt te rijpen. Dikwijls toch is er spraak van, door Joden te stichten koloniën in Palestina.

Jeruzalem en de tempel zullen herbouwd worden, eer de Heer tot bekeering zijns volks verschijnt. De otïers, waarvan Jes. spreekt zullen in den tempel gebracht worden; doch daar deze offers de vrucht zijn van der Joden ongeloof, worden ze door God verfoeid, Jes. 66; 3. De gruwel der verwoesting zal in hot heiligdom worden geplaatst, en de mensch der zonde zal er als een God zitten. Dit alles geschiedt eer Israël door de toekomst van Jezus is toegebracht, want de verschijning des Hoeren maakt daaraan een einde, Jes. 66: 4, 5. 2 Thes?. 3.

-ocr page 64-

60

Wij weten alzoo, uit meer dan ééne plaats, dat vele Joden Jeruzalem en andere deelen van Palestina zullen bewonen, eer de algemeens bekeering van Israël plaats heeft; en dat velen, voortgaande in hunne zonden, en geholpen door den Antichrist, door het herbouwen des tempels en de instelling der oft\'ers, het zegel zullen zetten op hunne verachting en versmading van Jezus.

Niet allen echter zullen zich daartoe leenen. Bij Daniël heet het: En hij (Antichrist) zal velen het verbond versterken ééne week, en in de helft der toeek zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden. Daar zijn er, die, hoewel niet in Jezus hun Heiland geloovende, toch voor het woord Gods beven, en daarom niet mede kunnen doen in het offeren, zoo geheel in strijd met het woord Gods. Deze, door hunne broeders gehaat en afgezonderd, behooren tot het kleine getal, dat eindelijk uit den grooten druk, door de verschijning des Heeren zal verlost worden. -Jes. 66.- 2, 5.

Daar staan ze dan, die tot hun land wedergekeerde Joden in twee deelen. Het grootste gedeelte evenwel, getrouwe volgelingen van den mensch der zonde, die zich met zijne macht in Jeruzalem vestigt.

//Die zich met zijne macht in Jeruzalem vestigt.quot; Doch laat ons dit niet zoo terloops beschouwen. Er is te veel aan verbonden. Dit feit toch alleen doet ons reeds denken aan de verschrikkelijke rampen, die in de laatste dagen over Jeruzalem komen. Denk eens na: De verdruk ker, wiens toekomst

-ocr page 65-

61

is naar de werking der Satans, liet beest uit den afgrond, zetelt onder de Joden. Hij sleept de menigte met zich tot de eeuwige verwoesting; en het uitverkoren getal, — werden om z^nent wil de dagen niet verkort, en was het door God niet verzegeld, — het zou geheel omkomen

Niet alleen dit, maar, daar het beest te Jeruzalem zetelt, zoo is ook deze stad het mikpunt der koningen, die tegen haar zullen opkomen. l)an. li.- 40.

Dat de mensch der zonde, zich met zijne macht in Jeruzalem zal vestigen, openbaart metterdaad zijn antichristelijk karakter. De plaats, die God tot zijne woning koos, van welke Hij zeide: Hier is mijne rmtj de plaats, waar de heerschappij van Jezus vertegenwoordigd zal zijn, is het middelpunt van zijne macht, de stad waar hij zetelt. Hoe honend is zijn taal, Jes. 14.\' 13, 14.\' Ik zal in den Hemel opklimmen, ik zal mijnen troon loven de sterren Gods verhoogen; en ik zal mij zeiten op den berg der samenkomst aan de zijden van het noorden. Ik zal hoven de hoogten der wolken klimmen, ik zal den Allerhoogste gelijk worden. Geheel in overeenstemming hiermede is het woord van den Apostel Paulus. Hij zal in den tempel Gods als een God zitten, zich zeiven verloonende dat hij God is; alsmede dat in Dan. 11; 31 en vervolgens, waar gesproken wordt van zijne macht in het Joodsche land.

Met open armen zal hij door het grootste getal Joden ontvangen worden; en deze, door vleierij aan hem verbonden, en verhard in de zoude van on-

-ocr page 66-

geloof, zullen, zoowel als zij er toe kwamen om de offers te beginnen, Jjan. 9; 27, even gemakkelijk zien dat het beest, in de helft der week, liet slacht- en spijsoffer doet ophouden, om zijn eigen beeld, inde plaats des heiligdoms te doen vereeren.

Welk een vreeselijk tooneel! Niet slechts de volken op de romeinsche aarde in massa, maar daaronder ook de meeste Joden, buigen zich voor het beest. Die Goddeloosljk handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen doot vleierij, maar het volk, die hunnen God kennen, zullen zij grijpen en zullen het doen. Dan. 11; 32. Uit deze woorden blijkt ons tevens, aan welke verdrukking het getrouwe min-derdeel der Joden zal blootgesteld zijn. Hun druk is vreeselijk. Door hunne broeders worden zij gehaat en afgezonderd, Jes. 66. Bevende voor het woord, roepen zij tot God. Jezus echter kennen zij niet. Wel zijn zij genoemd uitverkorenen, doch ge-loovigen zijn ze niet. Hoezeer zal dan Psalm 102, dat profetisch gebed, de ontboezeming van hun hart zijn. Zephanja noemt hen een arm en ellendig volk, dat op den Naam des Heeren zal vertrouwen, hoofdü. 3; 12. Het is goed dit hoofdst. geheel te lezen, dewijl het ons wijst op het tijdperk, van hetwelk we nu spreken.

Evenzeer wijst ook Zacharia op dat kleine getal, en noemt het een derde deel, dat in het vuur gebracht en gelouterd zal worden gelijk men zilver loutert, maar ook dan den Naam. des Heeren aanroepen en behouden zal worden. Hoofdst. 13; 8, 9.

-ocr page 67-

63

Staan we nu nog even stil bij eene gelijkenis van Jezus, waarin Hij dat getal Joden aanwijst. Wij vinden haar Luk. 18; 1—8. Deze gelijkenis staat in verband met lietgeen in \'t voorgaande hoofdst. door den Heiland, van dit tijdperk gezegd wordt. Zij wijst, in eene verdrukte weduwe, die aanhoudend roept tot eenen rechter, die God niet vreest en geen mensch ontziet, doch eindelijk de weduwe helpt, op de, tot God roepende Joden. Dezen heeten hier uitverkorenen, dewijl zij, Jezus niet kennende, geen geloovigen kunnen heeten. In hun roepen tot God, worden ze eindelijk verlost. Doch de Zoon des menschen, als Hij komt, vindt geen geloof op aarde.

Hoe treffend is dit woord. Op aarde is er niemand die in Jezus gelooft. De Gemeente is reeds tot Hem opgenomen en wordt nu met Hem geopenbaard, en de overgebleven Joden leeren Hem eerst kennen in zijne verschijning.

Uit alles blijkt wel dat de nood op het hoogst komt. De smarten zijn onbeschrijfelijk groot, doch eindelijk breekt het oogenblik der verlossing aan. De zelfde Heiland, Dien hunne vaderen doorstoken hadden, en Dien zij ook steeds hadden veracht, komt van den Hemel. Hij komt tot den strijd met zijne Gemeente. Hij verslaat zijne vijanden en de verdrukkers der Joden, maar daaronder ook dat getal Joden, hetwelk de zijde van het beest had gekozen. Het kleine getal, dat voor Gods woord beefde, in den druk tot God riep, en ongehoorde smarten

-ocr page 68-

64

doormaakte, ziet Hem. Het woord van Jezus wordt nu vervuld: Voorwaar zeg ik u, gij zult my niet zien tot dat gij zeggen zult: Gezegend is Hij, die komt in den Naam des Ileeren. De verlosten slaan op de borst en weeklagen. De rouwklage is als die van lladadrimmon in het dal van Megiddon (Zach.).

Hoe roerend beschrijft Zach. het berouw der Joden hoofdsi. 11: 10—14. Geen wonder: Dezelfde, Dien zij gesmaad, veracht en verworpen hadden, komt tot hunne hulp. Hoe zijn ze beschaamd! Nu is hun heilzon opgegaan. De smaad is afgekeerd. Voor altoos is Israël verlost en Jeruzalem bevrijd.

Wat is nu het bedrijf deze hoog bevoorrechte Joden? In Jesaia 66, een hoofdst. geheel gewijd aan de beschrijving van dit tijdperk, vinden wij het antwoord: Vs. 19 lezen we: En uit hen, die het ontkomen zullen zijn, zal ik zenden tot de Heidenen, naar Tarsis, Pul en Lud, de boogschutters naar Tubal en Javan, tot de vergelegen eilanden, die mijn gerucht niet gehoord, noch mijne heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen mijne heerlijkheid onder de Heidenen verkondigen.

In vs. 20 zien we wat de vrucht is van het verkondigen dier heilmare: En. zij zullen al uwe broeders uit alle Heidenen den Heer ten spijsoffer brengen, op paarden, en op wag enen, en op rosbaren, en op muilen, en op snelle loopiers, naar mijnen heiligen berg toe, naar Jeruzalem, zegt de Heere, gelijk als de kinderen Israels het spijsoffer in een rein vat brengen ten huize des Heeren.

Verheugd in hunnen Heiland, en nu met te meer

-ocr page 69-

65

liefde tot Hem, naardien zij Hem zoolang veracht hadden, gaan zij uit, om het heil over de aarde, onder de volken bekend te maken. En de volken, getroffen door de kracht dier bekeerde Joden, brengen alle Israëlieten naar Palestina.

Dit is een werk Gods. De volken, die de Joden zoolang verdrukten, zijn nu alles voor hen. Met hoogachting beginnen zij hen te behandelen.

Uit reeds aangehaalde plaatsen is ons gebleken dat de bekeering der Israëlieten, in \'t algemeen plaats heeft, eer zij optrekken naar hun land, en dat God tot hunne bekeering dat kleine getal gebruikt, hetwelk vroeger onbekeerd heengegaan, na het doorstaan van tallooze ellende, door het aanschouwen van Jezus, bekeerd is geworden.

De tien stammen worden in hunne schuilplaatsen terecht gebracht. Efraïm wordt met zich zeiven bekend, en de Israëlieten van alle stammen, worden uit heel de wereld verzameld en trekken op. Zeer indrukwekkend beschrijft Jeremia de wederkeering van alle stammen. Lees hoofdsl. 30 en 31. Deze profetie is nog nooit vervuld. Zij zal hare vervulling bekomen in het laatste der dagen, hoofdst. SO; 34. Zij betreft geheel Israël, 31: 1 Tenzelven tijd, spreekt de Heer, zal ik allen geslachten Israels tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. De kindermoord te Bethlehem moet hare vervulling voorafgaan. Vs 15—17.

Allen zullen komen in den weg van waarachtige bekeering. Niet één blijft er achter. De beloften

-ocr page 70-

6fi

falen niet. Het uur der bevrijding van dat lang verjaagde en verdrukte volk is dan geslagen. Treffend zijn de woorden vs. 8—12. Ziet, Ik zal se aanbrengen uit het land van het Noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde-, onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwanger en en barenden te zamen; met eene groote gemeente zullen zij herwaarts ivederkomen. Zij zullen komen met geween, en met smeekingen zal ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de ivatérheken, in eenen rechten weg, waarin zij zich niet zullen stooten • Want Ik hen Israël tot een Vader, en Efra ïrn is mijn eerstgeborene. Hoort des Heeren xooord, gij Heidenen! en verkondigt in de eilanden,, die verre zijn, en zegt: llij, die Israël verstrooid, heeft, zal hen weder vergaderen, en hen bewaren als een herder zijne kudde. Want de Heere heeft Jakob vrijgekocht, en Hij heeft hem verlost uit de hand desgenen, die sterker was dan hij. Dies zullen zij komen en op de hoogte van Zion juichen, en toevloeien tot des Heeren goed, tot het koren, en tot den most, en tot de olie en tot de jonge schapen en runderen; en hunne ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zulleyi voortaan niet meer treurig zijn.

Hoe onuitsprekelijk groot is de ontferming en trouwe Gods. De toekomstige heerlijkheid van Israël zal dezelve eens helder aan \'t licht brengen.

Gansch Israël, zoo wonderbaar verlost, wordt nu vervuld met den Geest der genade en gebeden, (Joël) om, als een priesterlijk koninkrijk, ten zegen te zijn van alle volken.

-ocr page 71-

67

De Duivel, in den afgrond geworpen, kan hen niet hinderen. De oorlogen houden op. De volken loven God, de volken al te maal, de natiën verblijden zich, de aarde geeft haar gewas. Het duizendjarig rijk is begonnen.

Och daalde \'t heil uit Zion spoedig neer.

Voor Israël. Als God zijn volk uit lijden. En banden redt, zal Jakob zich verblijden. En Israël, al juichend, geven d\' eer. Aan zijnen Heer.

-H-

H.

Oordeel over Eome.

Hebben we gezien dat de afval zal geoordeeld worden door de toekomst des Heeren, en dat de redding van Israël daarin ligt opgesloten, zoo hebben we nu na te gaan welke oordeelen er komen zullen over het verbasterd, ver afgeweken Christendom, dat niet uit kracht van geloof, maar wegens afwijking van den Heer, met den afval niet zal kunnen medegaan. —

Wij hebben hier, in de eerste plaats, liet oog op het pausdom, en vervolgens op de Christelijke volken buiten de romeinsche aarde: den Koning van het Zuiden en dien van het Noorden.

De Bijbel maakt ons met hun lot bekend.

Het oordeel over Rome beschouwen we het eerst.

Slaan we daartoe op, Opmb. 17, 18 en hei begin van 19.

5*

-ocr page 72-

68

Dewijl in de Openb. van Joh., hoofdzakelijk het tijdperk van het anti-christelijk Rome wordt vertoond, en dat nog wel in zijn tweede helft, een tijdperk van twee en veertig maanden, zoo kunnen we niet verwachten dat de geschiedenis van het pauselijk Rome, op zich zei ven, daarin wordt voorgesteld. Alleen, voor zoo ver het in aanraking komt met den Antichrist, geeft ons de Openh. in hoofdst. 17 eene korte beschrijving van \'t pauselijk Rome. In hoofdst. 18 het oordeel over hetzelve. In \'t begin van hoofdst. 19 de vreugde over dat oordeel in den Hemel.

Het is ons dus van zelf aangewezen:

1. Eerst die beschrijving na te gaan.

2. Dan van zijn oordeel te spreken.

3. Eindelijk de vreugde, daarover in den hemel, te vernemen.

Uit elk dier punten zal ons blijken dat het gevoelen , volgens \'t welk de paus of het pausdom d e Antichrist zou zijn, met Gods woord in strijd is, en daarom schipbreuk lijdt.

Laat ons zien met welke duidelijke trekken het pausdom wordt afgemaald.

In hoofdst. 17 toont één der engelen, die de zeven fiolen hadden, aan Johannes eene vrouw, die aldus wordt beschreven;

1. De groote hoer.

2. Zittende op vele wateren.

3. Met welke de koningen der aarde gehoereerd hebben.

-ocr page 73-

69

4. Die de aarde bewonen zijn dronken geworden van den wijn harer hoererij.

5. Zij zit op een beest.

6. Zij is bekleed meb purper en scharlaken, en versierd met goud en kostelijk gesteente en paarlen.

7. Zij heeft in hare band een\' gouden drinkbeker, vol van gruwelen en van onreinigheid harer hoererij.

8. Zij draagt op haar voorhoofd eenen naam, namelijk: verborgenheid.

0. Zij is het groote Babyion, de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde.

10. Zij is dronken van het bloed der heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus.

Deze vrouw wordt voorgesteld, zittende op een beest: en dat beest wordt ook nader omschreven.

1. Het is scharlaken rood.

2. Het is vol van namen der Godslastering.

3. Het heeft zeven hoofden en tien hoornen.

Dat het pauselijk Rome hier wordt bedoeld, zal

uit de beschouwing dezer onderscheidene punten wel blijken. Evenwel dunkt het mij toch noodig te zijn dat vooraf aan te wijzen.

Het beest, waarop de vrouw zit, is in het wezen hetzelfde als dat van Openh. 12: 3, vertoonende het heidenseh Home, en dat van hoofdst. 13; 1, voorstellende het anti-christelijk Rome.

Tusschen het heidensch — en anti-christelijk Rome ligt eene tusschen periode: het pauselijk Rome. Die tusschen periode, het pauselijk Rome, wordt in hoof\'1st. 17 en 18 bedoeld.

-ocr page 74-

70

Dat blijkt duidelijk, niet alleen uit de beschrijving van de afvallige vrouw, de afvallige kerk, die het romeinsehe rijk in dat tijdperk beheerscht, maar ook uit de beschrijving van het beest, het romeinsehe rijk.

Zie vs. 8. liet heest, dat gij gezien hebt, was en is niet, en zal opkomen uit den afgrond. Eens was er een tijd dat het romeinsehe rijk was. Nu echter is het niet. Toch zal het weer opkomen mt den afgrond.

In het eerste tijdperk van het Christendom w a s het. Het bestond toen als heidenseh Rome, en wordt als zoodanig vertoond door het beest van Openb. 12. Het romeinsehe rijk bestond toen in zijn geheel het was nog niet ^orbrokkeld.

In het laatste tijdperk dezer bedeeling zal het zijn. Het zal uit den afgrond opgekomen wezen, en dan bestaan als anti-christelijk Rome. Als zoodanig wordt het voorgesteld door het beest van Openb. 13. Het romeinsehe rijk zal dan weer in zijn geheel wezen. In het tusschen tijdperk is het niet, hoewel het is. Het verbrokkelde romeinsehe rijk, zooals het nu is, wordt dus in Openh. 17 bedoeld. In dat tijdperk wordt het beheerscht door de vrouw, wier beschrijving gegeven wordt.

De tien hoornen op het beest, dat is de tien koningen, te midden van welke de Antichrist moet opkomen, hebben in dat tijdperk de heerschappij nog niet. De vorsten, die nu het romeinsehe rijk beheerschen, zijn niet de tien koningen, in de Openh.

-ocr page 75-

bedoeld, want de tien koningen, zullen eenerlei meenino- hebben. Dat hebben nu de vorsten niet.

O

Maar behalve dit staat er ook uitdrukkelijk dat de tien koningen, in het pauselijk tijdperk, de heerschappij nog niet verkregen hebben. Nu zullen we, om zooveel mogelijk de orde van het Ylde hoofdd. te volgen, de onderscheidene opgenoemde punten: eerst van de vrouw, en dan van het beest dat zij beheerscht, beschouwen.

De vrouw, die op het beest zit en het beheerscht is:

1. Be groote hoer, vs. 1. Niet zelden wordt in den Bijbel het afwijken van den Heer hoererij genoemd.

De Christelijke kerk verliet al spoedig den Heer. Verblind door den voorspoed, dien keizer Konstan-tijn haar bezorgde, keerde zij zich tot de wereld, nam een maatschappelijken, aan het heidendom ontleenden, vorm aan, en in plaats van, onder den uit-wendigen voorspoed, in de hemeische dingen zich te verlustigen, zocht zij haar te huis op aarde, klemde zich vast aan rijkdommen eu huwde aan de wereld.

2. Zij zit op vele wateren, vs. 1. Ia vs. 15 lezen we: De zvateren, die gij gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natiën, en tongen. De roomsche kerk zit op die wateren, dat is: zij be-heerschte niet slechts geheel het romeinsche gebied, maar liet haar invloed ook daarbuiten gelden. Zoo was het vóór de reformatie. In zijn paus was het pausdom beheerscher der wereld.

-ocr page 76-

73

3. De koningen der aarde hebben met haar gehoereerd, vs. 2. Zóó was de roomsche kerk verhoogd, dat de koningen der aarde hunne weelde en genot zochten in haar hoofd den paus. De koningen beefden voor hem, verzorgden hem, brachten hunne schatten tot hem: en zij vonden daarin wedeikee-rig hun steun. De pausen kroonden en ontkroonden de vorsten , zoo vielen de koningen van God af en zochten hunne sterkte in den paus.

4. Blz de aarde bewonen zijn dronien geworden van den wijn har er hoererij, vs. 2. De koningen niet alleen, maar ook hunne onderdanen, de volken, dronken den wijn der verlokking en verleiding. Zij vielen af van Jezus en bukten voor priesters. Zij brachten aan hen hunne eer en hun goed. De beker, waarmede zij tot afhoereeren van den Heer werden verlokt, bevatte alles, wat het vleesch kan streelen; aflaten, vergiffenis zonder boete, voor wat geld, verzekering dat in de kloosters voor de zonde van \'quot;t algemeen geboet werd, enz. Helaas! de volken werden dronken van den wijn harer hoererij.

5. Zij zit op een beest, vs. 3. De beschrijving van het beest volgt vs. 8. Het beest verbeeldt het ro-meinsche rijk. Zij beheerscht dat rijk geheel zoo als een rijder zijn paard beheerscht.

Tot welk eene afwijking is dë Christelijke kerk niet gekomen! In plaats van vreemdelinge op aarde te zijn, en het woord van Jezus te verstaan: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld, kwam geheel de romeinsche aarde onder haar gruwelijken invloed en

-ocr page 77-

beheersching. Allen liet zij voor zich buigen. De kerk is God, zij moet heerschen en geëerbiedigd worden. Zij perste de volken hun vermogen af en bracht dat in weelde door.

6. Zij is beklee-d met purper en scharlaken, en ver-sierd met goud, en kostelijk gesteente en paarlen, vs. 4. Purper en scharlaken zijn de kleuren van keizerlijk en koninklijk gewaad. Pausen en kardinalen kleedden zich met die kleederen. De Christelijke kerk matigde zich de koninklijke heerschappij aan. Zij leerde bukken voor een opperpriester met koninklijke macht, en omhangen met kostelijke klein-nooden.

7. Zij heeft in hare hand een gouden drinkbeker, vol van gruwelen, en van onreinigheid harer hoererij, ?•«. 4. Rome, de roomsche kerk, de geestelijken, zij baadden zich in overdaad van spijs en drank en genot. Die overdaad verkreeg de roomsche kerk door hare hoererij, door haren afval van God en Christus.

5. Zij draagt op haar voorhoofd eenen naam, namelijk verborgenheid, vs. 5. De heidenen hebben hunne mysteriën of verborgenheden, datgeen namelijk in hunnen Godsdienst, wat niet voor allen toegankelijk is. Dit heeft ook Rome. De leeken worden in alles niet ingeleid, de Godsdienst wordt niet in de volkstaal uitgeoefend, het volk heeft zich blindelings aan de geestelijken te onderwerpen.

9. Zij is het groote JBahylon, de moeder der hoererijen, en der gruwelen der aarde, rs. 5. De verborgenheid van Rome is geene verborgenheid der Godzalig-

-ocr page 78-

74

heid, maar, waar zij ontdekt wordt, daar blijkt dat zij is het geheimzinnige, wellustige Babyion, de moeder, de voortbrengster van alle afwijking van God, en daaruit voortspruitende gruwelen der aarde.

10. Zij is dronken van het hloed der getuigen van Jezus, vs. 6. Wat al slachtoffers zijn er niet gevallen op de bevelen van Rome. Het zong zijne te Deums, waar honderden getuigen te gelijk vielen. Rome werd opgeruimd, vroolijk, wellustig als van den wijn, waar men het bloed der heilige stroomen zag. Zie daar eene teekening der Christelijke kerk als afvallige voorgesteld. Wij vinden haar in het pausdom terug.

Volgen we nu de beschrijving van het beest waarop zij zit.

1. Het heest is scharlakenrood, vs. 3.

Herinner u hoe we reeds aantoonden dat door het beest het romeinsche rijk wordt aangeduid. Het is scharlakenrood, het heeft de kleur van koninklijke heerschappij.

Hoewel de tien koningen, die in het laatste tijdperk als vasallen van den Antichrist zullen heerschen, de heerschappij nog niet hebben, en bij gevolg de tien teenen van het beeld van Nebukadnezar en de tien hoornen van Daniel en de Opeuh., in het pauselijk Rome nog geene beteekenis hebben verkregen, zoo is toch, gedurende de pauselijke opperheerschappij, het romeinsche rijk onder een koninklijk bestuur. Nog meer: Het romeinsche rijk is steeds de beheerscher der wereld. Het heerscht in Oost en

-ocr page 79-

75

West. Niettegenstaande dezen toestand, is de macht der afvallige kerk zóó groot, dat zij het scharlaken rood beest, het onder koninklijke heerschappij staande romeinsche rijk, ja het rijk, dat zelfs de wereld belieerscht, geheel bedwingt. Zij heeft liet onder haar macht en invloed.

2. Het heest is vol van namen der Godslastering, vs. 3. Geheel het romeinsche rijk, onder den invloed van het pauselijk Rome, droeg het stempel van Godslastering, Vorsten en onderdanen waren, óf getrouwe — óf slaafsche onderdanen van Rome, zoodat het gansche gebied met roomsche kerken, kloosters, beelden, enz. bedekt werd. Zoo was het vóór de reformatie. Elke stad, elk dorp, elk vlek, bijna elk huis, droeg het kenteeken van de afvallige kerk.

3. Hel heest heeft zeven hoofden en tien hoornen , vs. 3. /Je zeven hoofden zijn zeven bergen, waarop de vrome zit, vs. 9. Rome, de hoofdstad van het rijk, de zetel der roomsche kerk, is gebouwd op zeven bergen. Plet is bekend dat die stad genoemd is geworden: de zeven bergige stad, of, de stad op zeven bergen.

De zeven hoofden van het beest hebben ook nog eene andere beteekenis: Bet zijn ook zeven koningen: de vijf zijn gevallen, de een is, de andere is nog niet gekomen; en ivanneer hij zal gekomen zijn moet hij een weinig tijds blijven. En het heest dat was en niet is, die is ook de achtste koning, en is uit de zevenden gaat ten verderve, vs. 10, 11. Het romeinsche rijk

-ocr page 80-

had reeds vijf regeeringsvormen gehad. Deze waren gevallen. Toen Johannes zijne Openbaringen ontving, bezat het zijn zesden regeeringsvorm: den keizerlijken namelijk. Deze eenhoofdige zoii plaats maken voor den zevenden regeeringsvorm. Deze is dan, in het wezen de laatste, doch hij moet slechts een weinig tijds blijven, omdat hij wel de krachtige voorbereiding is van den laatsten regeeringsvorm, en daarom ook eigenlijk de laatste heet, maar toch als zoodanig niet kan optreden. De achtste is de heerschappij van het beest zelf, de heerschappij van het rijk als volk. Dat volk kiest dan zijne tien koningen, te midden van welke de mensch der zonde als hoofd zal opkomen. Wij zijn mx onder den zevenden regeeringsvorm. Dit lijdt geene tegenspraak. De zesde, die er was, tijdens het leven van Johannes, heeft plaats gemaakt voor den zevenden. De zevende regeeringsvorm is, in zijn innerlijk wezen, de volksregeering, al is \'t ook dat daar, in sommige landen van het romeinsche gebied, koningen aan \'t hoofd staan, die dat zijn of heeten te zijn ,/bij de gratie Godsquot; en niet ./bij den wil des volks.quot; De \' achtste wordt sterk voorbereid. Het beest zelf, niet meer zijn beheerscher, is de achtste, en deze is uit de zeven. De volstrekte volksheerschappij hebben we te wachten. Laat ons opmerken hoezeer het van dag tot dag openbaar wordt dat de regeeringsvormen van onzen tijd er toe leiden, om den laatsten in \'t leven te roepen. Deze laatste zal plaats maken voor de heerschappij van Jezus.

-ocr page 81-

77

Het beest heeft niet alleen zeven hoofden maar ook tien hoornen. Zie hier de verklaring: En de tien hoornen, die gij gezien heht, zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen macht ontvangen op ééne ure met het beest, vs. 12. Het zijn tien, niet gekroonde hoornen. Die hoornen wijzen op tien koningen, die in het pauselijk Rome het koninkrijk niet ontvangen hebben, maar dat bezitten zullen in het antichristelijk Rome. Zij zullen als koningen macht ont vangen op ééne ure met het beest. Let wel: niet op ééne ure met de vrouw, die het beest beheerscht. Zij ontstaan dus uit de volksheerschappij. Het zijn de tien koningen, die onder de achtste heerschappij, die van het beest, optreden.

Alle volken, op de romeinsclie aarde, zullen in gemeenschappelijk overleg komen om het rijk in tien deelen af te palen, en voor elk deel een koning te nemen. Iteze (koningen) hebben eenerlei meening vs. 13. Hier is de eenheid, waarin de wereld zich dan zal verblijden, en waarnaar ze nu haakt. Helaas! zij is eene eenheid, door den Duivel doorgevoerd.

En zij zullen hunne kracht en macht hel beest over\' geven, vs. 13. Hoewel het romeinsclie rijk dan tien koningen heeft, zoo blijft toch het beest, dat is het Tolk zelf, regeeren. De koningen zullen den wil van het volk uitvoeren. Het volk zal hunne kracht en macht, niet aan hunne koningen, — maar de koningen zullen hunne kracht en macht aan het volk geven. Dat volk zal eenheid openbaren en

-ocr page 82-

78

komt eindelijk in één persoon ten voorschijn. Die ééne persoon is hun orgaan, het is de Antichrist, die tusschen de tien koningen moet opkomen, voor welke drie vallen, en die ten laatste het beest zelf is.

Die tien koningen zullen de hoer, de vrouw, die op het beest zat, Rome namelijk, haten, en woest maken, en zij zullen haar vleesch eten , en haar met vuur verbranden. Dit zal geschieden ouder de heerschappij, die onder den thans bestaanden, den zevenden regeeringsvorm ontwikkelt. Krachtig wordt dat voorbereid. Aanvankelijk haat de afval, onder room-schen en protestanten, Rome De afval zal zegevieren. Hij brengt het romeinsche gebied tot eene satanische eenheid, door welke zoo wel Rome als Gods kinderen vervolgd worden.

Als het romeinsche rijk op die wijs uit den afgrond zal opgekomen zijn, dan krijgt het woord be-teekenis: //Het beest dat is.quot; Denk hierbij terug aan het voorgaande óver den Antichrist.

Ik ben nu genaderd tot het tweede punt, het oordeel over Rome.

De tien koningen, die onder het pauselijk Rome, de heerschappij nog niet hadden ontvangen, maar op ééne i\\re met het beest de macht ontvangen, en in het midden van welke de kleine hoorn van Daniël, dat is de Antichrist, moet opkomen, zullen Rome haten. Het oordeel over • Rome wordt uitgevoerd door het beest met zijne tien koningen; en dat beest is vertegenwoordigd door den Antichrist.

-ocr page 83-

79

Dit is ons duidelijk gebleken. Het oordeel zelf wordt beschreven Openb. 18, en de vreugde in den hemel daarover hoofdd. 19 eerste gedeelte. Het oordeel over het beest en de tien koningen hoofdst, 19 tweede gedeeUe.

In hoofdst. 18 vinden we eene nadere beschrijving van de stad op zeven bergen in al haar pracht en weelde, maar daarbij eene treffende vermelding van de oordeelen over haar.

Vs. 4 en tervolgens lezen we: Gaat uit van haar, mijn volk! opdat gij aan hare zonden geene gemeenschap hebt, en opdat gij van hare plagen niet ontvangt. Want hare zonden zijn de eene op de andere gevolgd tot den hemel toe, en God is har er ongerechtigheden gedachtig geworden. Vergeldt haar, gelijk als zij nlieden vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel, naar hare werken\', in den drinkbeker, waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel.

Oppervlakkig deze verzen lezende, zou men kunnen meenen dat Rome geoordeeld zal worden door de, in zijn midden wonende geloovigen. Dit echter zou in strijd zijn met de overeenstemming der H. schrift, in welke de geloovigen allerwege vermaand worden af te zien van wraak en de vergelding aan den Heer over te laten. Het zou ook in strijd zijn met dat, wat in dit en het voorgaande hoofdst., aangaande het oordeel over Rome, wordt medegedeeld.

Wij hebben het gezien: Het heest uit de zee, en de tien koningen, die op ééne ure de macht met hetzelve

-ocr page 84-

80

onlvangen, zullen de hoer haten, en zullen haar woest maken en naakt, en zij zullen haar vleesch eten, en zullen haar met vuur verbranden. In de straks genoemde verzen zien wij eigenlijk: eerst het volk Gods opgewekt om uit het midden van Rome te gaan, ten einde aan de plagen te ontkomen; en vervolgens Rome overgegeven tot liet oordeel. Hier hebben we wel op te merken dat het woord ,/ Vliedenquot;, in vs. 6, niet in den oorspronkelijken tekst, maar op de kant gevonden werd, en in sommige vertalingen daarom is uitgelaten. In vs. 6. wordt daarom niet gezegd wie Rome zullen vergelden. Alleen zien wij er in dat God het loslaat en der verwoesting overgeeft.

Lees slechts hoofdst. 18 geheel, en gij ziet hoe ontzaglijk het oordeel is dat Rome zal treffen. Hare plagen zullen op éénen dag komen, namelijk dood, en rouw, en honger, en zij zal met vuur verbrand worden, want sterk is de Ueere God, die haar oordeelt. Wij voegen er niets bij. Dit hoofdst. is op zich zelf duidelijk. Merk alleen op dat de koningen dei-aarde, vs. 9 genoemd, niet de tien koningen zijn die het oordeel uitvoeren (17:16) maar de koningen die met haar gehoereerd en w eelde gehad hebben.

In welken tijd van het antichristelijke tijdperk dat oordeel zal plaats vinden, kunnen we niet bepalen. Wel weten we dat de Antichrist het zal uitvoeren. In hoofdst. 14: 8 zien wij in historische volgorde dat oordeel aangekondigd. Fs. 9 en vervolgens, nadat

-ocr page 85-

81

Rome verdelgd is, vernemen wij de ernstige waarschuwing om het beest en zijn beeld niet te aanbidden.

Gelukkig hij , die op den Heer vertrouwt en Hem dient. Deze zal ontkomen en in de openbaring van Jezus met Hem verschijnen.

Nu nog een enkel woord over de vreugde in den Hemel over dat oordeel. Zoo diep gezonken openbaart zich de afval, dat niet alleen degenen, die den Heer kennen worden gedood, maar ook Rome, het pausdom, vindt geene schuilplaats op aarde. De beginselen zien we. De moderne staten, uitwelke de achtste regeeringsvorm, de antichristelijke namelijk, zich ontwikkelt, staan in gelijke mate de ware Christenen en Rome tegen. Niet alles echter, wat geen steun vindt bij den afval, maar door dezen vernietigd wordt, vindt steun bij God. Wel zegt de Heiland: Zabg zijt gij, als u de menschen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreien, maar voegt daar bij: om mijnentwil. Hoe duidelijk blijkt dat in de verdelging van Rome. Het is Gods roede, die over het pausdom komt, al zien we die roede ook in de hand van het beest en de tien koningen. De eerste verzen van hoof dit. 19 a-even ons eene beschrijving, niet van het medelijden, maar van de blijdschap in den Hemel over dat oordeel. Jofiannes hoort eene groote stemme van eene groote schare in den hemel, zeggende: Halleluja! de zaligheid, en de heerlijkheid, en de eer en de kracht zijn den Heer onzen God, vmnt zijne oordeelen zijn ivaarachtig en rechtvaardig-, dewijl Hij de groote hoer geoordeeld heeft, die de

(5

-ocr page 86-

82

aarde verdorven heeft met hare hoererij, en Hij het hloed zijner dienaren van hare hand geio^oJcen heeft. En zij zeiden ten tweeden maal: Halleluja! En hun rook gaat op in alle eemoigheid.

God wordt alzoo in den hemel groot gemaakt over de volkomene verdelging eener afvallige kerk, die tot een ramp was der aarde, die haar van den Heer terug hield en aftrok, en de getrouwe dienaren des Heeren doodde. Met het lied dier groots schare, stemmen de vier en twintig ouderlingen en de vier dieren in. Zij vallen neder en aanbidden God, die op den troon zit, zeggende Amen, Halleluja!

Vreugde in den hemel over het oordeel van Rome, maar toch is met die blijdschap de afval, die het oordeel uitvoert, niet gebaat. In hetzelfde oogen-blik, waarin Johannes die vreugdetoren hoort, verneemt hij in den hemel het bruiloftsfeest van Jezus en de Gemeente, en ziet daarop het verschrikkelijk einde van den afval, dat teweeg gebracht wordt door de verschijning van Jezus en zijne toebereide vrouw.

Zalig is hij, die deel zal hebben aan de bruiloft des Lams. Laat ons Jezus aankleven, anderen tot Hem roepen, en daarnaar staan dat we zijnen Naam verheerlijken. In Hem alleen ligt de grond onzer zaligheid.

-ocr page 87-

lt;gt;

Oordeeleu over dec koning van iet Zuiden en den koning van ket Noorden.

Na de beschouwing van het oordeel over den Antichrist en zijn aanhang, als volstrekte afval, en het oordeel over Rome, hebben we nu na te gaan hoe buiten de romeinsche aarde het verbasterd Christendom geoordeeld wordt. Vroeger hebben we reeds opgemerkt dat in Dan. 11 de strijd der koningen van het Zuiden en die van het Noorden geregeld wordt voorgesteld, totdat de Engel komt aan den beruchten Antiochus Epifanes, type van den Antichrist, en als zoodanig bekend gemaakt als kleine hoorn op den griekschen geitebok. Zoodra de Engel begint met de profetische beschrijving van dien koning, houdt hij op hem koning van het Noorden te doen zijn, maar spreekt van hem alsof\' hij zelf de Antichrist is. Nu heet hij de koning, en komt met een koning van het Zuiden en een koning van het Noorden in botsing. Wij hebben niet noodig hier weer te bewijzen dat Daniel den tijd van het einde beschrijft.

Laat ons, als uitgangspunt onzer beschouwing, de profetie van Daniel kiezen, en daarmede andere profetieën, vooral Ezechiel en Zacharia, vergelijken.

Bij het lezen dezer godspraken komen wij tot deze

6*

-ocr page 88-

84..

slotsom; In den tijd van het einde zal tie Antichrist, vertegenwoordiger en beheerscher der romeinsche

O O

aarde, ziju verblijf houden in Palestina, waar ook de meeste Joden vrijwillig onder hem zullen bukken.

Zal nu de koning van het Zuiden toelaten dat deze dwingeland zijne heerschappij in dat land, zoo belangrijk wegens zijne ligging aan de Middelland-sche zee, uitoefent? Neen, de koning van het Zuiden zal tegen hem met hoornen stooten. Deze echter wordt door den koning van het Noorden aangevallen en vervolgd tot in de landen, die onder zijne heerschappij staan; en na hem overwonnen te bobben, keert hij terug naar Jeruzalem, en heeft in zijne gangen die van Libye en de Mooren, volken tot den koning van het Zuiden behoorende.

Nu wordt Jeruzalem vreeselijk geteisterd, totdat de koning van het Noorden door de oordeelen Gods verslagen wordt.

Tot de nadere ontwikkeling van dit een en ander keeren we nu naar Daniël terug.

Hoof dit. 11; 40—45 lezen we: En op den tijd van het einde zal de koning van het Zuiden tegen hem met hoornen stooten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aamstormea met wagenen, en Diet ruileren, en met vf.le schepen, en hij zal in de landen korren, en hij zal zal ze overdroomen en doortrekken. En hij zal komen in hel land des sieraads, en vtle landen zullen tei neer geworpen worden, doch deze zullen zijne hand ontkomen, Edorn en Moab, en de eerdelingen der kinderen Amnions. En hij zal zjne hand aan de landen leggen.

-ocr page 89-

85

oal zal het land van Hgypte niet ontlcomen. En hij zal heertchen over de verhorgene schaliën des gouds en des zilvers, en over al de gewenschte dingen van Egypte, en die van Lilye en de Mooren zullen in zijne gangen wezen. Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken; daarom zal hij uittrekken met groote grimmigheid, om velen te verdelgen en ie verbannen. En hij zal de tenten van zijn paleis planten iusschen de zeeën en den herg des heiligen sieraads; en hij zal tot zijn einde komen, en zal geen helper hebhen.

De koning van ket Zuiden zal tegen den koning (Antichrist) met hoornen stooten. Dit zal geschieden in den tijd van liet einde. De koning van het Noorden zal tegen hem (den koning van het Zuiden) aanstormen. De koning van het Noorden kan niet afzien van zijn vast gemaakt plan en lang gekoesterd voornemen, om het Joodse he land te bezitten en daarmede zijne macht tot aan de Middellandsche zee uit te breiden.

De mensch der zonde schijnt op dat tijdstip geene genoegzame legermacht bij een te hebben om deze koningen tegen te staan. De Heer wil dan ook zijn plan uitvoeren.

Vindt de koning van het Zuiden geen krachtigen tegenstand van den Antichrist, zoo kan hij toch zijn opzet niet rustig doordrijven. De koning van het Noorden stormt tegen hem aan met wagenen, ruiteren, enz. en vervolgt en overwint hem. Nu keert hij terug met onderdanen van den koning van

-ocr page 90-

86

het Zuiden in zijne gangen, na zich meester gemaakt te hebben van de schatten van Egypte.

Hoezeer Jeruzalem door deze overstrooming geteisterd wordt zal ons straks blijken.

De konine van het Noorden is evenmin voor-

O

spoedig als de koning van het Zuiden. De tijd zijns oordeels is aangebroken. Geruchten van hei Oosten en van het Noorden, opstand waarschijnlijk in zijn eigen land, (Ezech. 38: 21) verschikken hem. Hij trekt dien ten gevolge uit om velen te verdelgen en te verbannen. Inmiddels houdt hij zijn hoofdkwartier tusschen de Doode- en Middellandsche zee, aan den berg des heiligen sieraads, en komt daar aan zijn einde zonder hulp te hebben.

In deze profetie treedt op den voorgrond, niet de ellende over Jeruzalem, noch de verdelging van den koning van het Noorden, maar het oordeel over den koning van het Zuiden.

Ik kan mij voorstellen dat de vraag oprijst: u Wie is de kuniuy van het Zuiden, en wie de koning van het Noorden? We willen tusschen beide deze vraag trachten te beantwoorden, en dan vervolgens stilstaan bij het oordeel over den koning van het Noorden en over Jeruzalem.

Het is duidelijk dat hier, als vroeger, geene spraak meer kan zijn van koningen van Egypte en Syrië, die, met het oog op Palestina alleen, koning van het Zuiden en koning van het Noorden genoemd werden. Hier is het Romeinsche gebied middelpunt, waarvan Egypte en Syrië deelen zijn en dus

-ocr page 91-

87

beide behooren tot liet gebied van den Antichrist.

We worden er van zelf toegeleid om te denken aan machtige volken buiten het romeinsche gebied, en, die, met het oog op dit gebied, koning van het Zuiden en koning van het Noorden heeten.

Maar de Bijbel zelf geeft ook aanleiding tot deze gedachte. Bij Daniël worden genoemd Libye en de Mooren, bewoners van Afrika, beneden de Zuidelijke grens van het romeinsche gebied.

Wij nemen aan dat, in den laatsten tijd, zuidelijke volksstammen, tot een machtig volk vereenigd, een aanval zullen doen op den Antichrist, om hem, in zijne voortgaande overwinningen te stuiten. Hun oordeel hebben wij vernomen.

Van dien aanval is Jeruzalem natuurlijk het middelpunt.

De Zuidelijke volken, door den koning van het Noorden aangevallen, -worden gedeeltelijk verslagen en gedeeltelijk door dezen medegevoerd om onder diens banieren uit te voeren, wat hun mislukt was.

Het valt misschien niet te betwijfelen dat we door den koning van het Noorden Rusland hebben te verstaan. Velen vinden dat reeds bewezen in hetgeen Ezechiel, hoof eist. 38; 2, zegt: Hoofdvorst, of liever Vorst van Ros {Ruslatid) Mesech (Moskoii) en Tubal, (Tobolsk) maar vooral daarin dat Magog zich nederzette in het gewest, dat nu Rusland heet. Niet echter Rusland alleen, maar ook de Christenvolken, ten noorden van het Romeinsche gebied, of boven Donau en Rijn, waar Gom er en het huis

-ocr page 92-

van Togarma zich vestigden, worden betrokken onder den koning van het Noorden.

Welk een algemeene strijd! Heel het Romeinsche gebied staat onder den invloed en de macht van den Antichrist, die weldra, alle onder hem staande koningen, ten strijde naar Palestina roept. Tegen hem staan eerst de Zuidelijke volken op, daarna de Noordelijke, en met deze Persen , Mooren, Pateers en Libyers. Het is echter de laatste strijd, in welken geene dezer machtige volken, overwinnaar is. Ket eene na het andere wordt geoordeeld.

Worctt ons in Jjaniël het oordeel over den konino-

O

van het Zuiden verkondigd, Esechiel stelt dat meer op den achtergrond, hoewel we ook bij hem van de overwonnen Zuidelijke volken in de gelederen zien, maar wijst met duidelijke trekken aan het oordeel over den koning van het Noorden. Lees hoofcht. 38 en 39 in verband met Dan. 11; 40—45

Van denzelfden tijd, van dezelfde\'volken js bij hen spraak, en beide zien den strijd in het Joodsche land. Bij Daniël reeds vernamen wij dat geruchten uit het Oosten en Noorden den koninf van

D O

het Noorden zullen verschrikken. Geruchten van zijn eigen volk of van de volken, die onder zijne banier strijden. Verwarring in zijne staten. Lees nu Ezech. 38.quot; 21. Daar heet het: Want ik zal het zwaard over hem roepen op al mijne heryen, spreekt de 11 eere Heere: het zwaard van ieder zal tegen zijnen broeder zijn.

Het oordeel over die machtige volken is vreeselijk. Behalve dat zij zich zeiven verwoesten, treffen de

-ocr page 93-

MJ

ooi\'deelen des Heeren hen. In korte trekken vinden we dat beschreven rs. 22. En ik zal met hem rechten door pestilentie en door bloed, en ik zal eenen overstelpenden plasregen en groote hagelsteenen, vuur en zwavel regenen op hem, en op zijne henden en op de vele volken, die met hem zullen zijn.

Ontzaglijke gerichten! Het oogenblik echter van der Joden verlossing is gekomen. Doch ook dooide oordeelen heen ziet Israël zijn heil.

Wij gaan nu in \'t kort bezien welke oordeelen Jeruzalem en de omliggende plaatsen zullen treffen.

Op Israëls bergen, rondom Jeruzalem zal die laatste strijd gestreden worden. Wat al ellende en ongekende smart wordt daardoor aan de reeds teruggekeerde Joden niet teweeg gebracht. Het kleine, tot God onder de rampen roepende getal uitverkorenen, is ook daar. Om hunnentwil zullen die dagen verkort worden.

Bezien wij de ellende, die over Jeruzalem zal komen.

Wij slaan daartoe op Zach. 12—15.

Hier treedt op den voorgrond het laatste gericht over Jeruzalem. Alweer van denzelfden tijd en van hetzelfde land is hier spraak. Dit wordt duidelijk, zelfs bij eene oppervlakkige lezing.

Wel vinden wij in deze drie hoofdstukken het ontzaglijk oordeel over de volken, wier legers in ontelbare menigte op de bergen- van Palestina verzameld zullen worden, doch eigenlijk behelst deze profetie van Zacharia: den last van het woord des Heeren over Israël. (12: 1)

-ocr page 94-

90

Volgens deze profetie zal Jeruzalem gesteld worden tot eene drinkschaal der zwijmeling, tot een lastigen steen allen volken rondom, zoodat allen, die zich daarmede beladen, gewisselijk doorsneden zullen worden.

Vs. 6 lezen we: Te dien dage zal ik de leidslieden van Judo. stellen als een vurigen haard onder hel hout, en als eene vurige fakkel onder de schoven; en zij zullen ter rechter- en ter linkerhand alle volken rondom verteren; en Jenczalem zal nog blijven in hare plaats te Jeruzalem.

Wel zullen de volken vallen, dat zagen we reeds, doch zóó, dat Jeruzalem hunne drinkschaal,quot; hun lastige steen, dien ze opnemen, hun vurige haard zal zijn.

De volken vallen en worden verbroken in het aantasten van Jeruzalem; en wat Jeruzalem daaronder lijdt, wordt duidelijk beschreven hoofdst. 13: 8, 9, en 14; 1, 2. En het zal geschieden in het gansche land, spreekt de Heere, de twee deel en daarin zullen uitgeroeid worden, en den geest geven, maar het derde deel zal daarin overblijven. En ik zal het derde deel in het vuur brengen, en ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft; het zal mijnen Naam aanroepen, en ik zal het verhooren\\ ik zal zeggen-. Het is mijn volk\', en het zal zeggen-. Be Heer is mijn God. Ziet de dag komt den Heere, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, O Jeruzaleml Want ik zal alle Heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen, en

de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, \\

-ocr page 95-

91

en de vrouwen zullen geichonden worden, en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis, maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden.

De uitkomst is heerlijk, doch niet zonder diepe ellende komt Israels heerlijkheid aan het licht. Lees slechts de drie genoemde hoofdstukken aandachtig.

Ontzaglijk zijn de oordeelen Gods over de volken, den koning van het Zuiden en den koning van het Noorden, alsmede over Jeruzalem.

De Heer gedankt des verbonds met Abraham. De tijd breekt aan dat het lied zal gezongen worden: Ik dank u, Heer! dat gij toornig op mij geweest zijt, maar uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij. Jes. 12.

In alles zien wij dat de Heer goed is aan zijn volk en gaarne vergevende, hoewel wraakdoende over de zonden.

8.

De verschijning des Heeren.

Door de oordeelen heen openbaart God zijne groote goedertierenheid. Als Hij bedroefd heeft zal Hij zich ontfermen naar de grootheid zijner goedertierenheid. Eens sprak de Heer: Voorwaar zeg ik u, gij zult mij niet zien tot dal gij zeggen zult: gezegend is Hij, die komt in den Naam des Heeren.

-ocr page 96-

92

De toekomst des Heeren maakt een einde aan Israëls druk en de diepe ellende der wereld.

Het is reeds duidelijk geworden dat de Bijbel niet spreekt van een lichamelijk wonen van Jezus op aarde. Evenwel blijft liet waarheid dat Hij zal v e r s c h ij n e n.

Met drie woorden duidt de H. Geest dat groote feit aan. Deze zijn Verschijning, Openbaring, T o e k o m s t.

Van de vele plaatsen, waarin van des Heeren verschijning, openbaring of toekomst wordt gemeld, noem ik slechts de volgenden: Hand. 1: 11. I)eze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo komen, gelijkerwijs gij Rem naar den hemel heit zien heenvaren. 1 Cor. 1 : 7. Alzoo dat het u aan geene gave ontbreekt, verwachtende de openbaring van onzen Heere Jezus Christus. Filipp. 3: 30. Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus. Col. 3: 4. Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult gij ook met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. 1 Thess. 1: 19. Want welke is onze hoop of blijdschap of kroon des roems ? Zijl gij die ook niet voor onzen Jieere Jezus Christus in zijne toekomst? 1 Tess. 4: 15—18 Want dat zeggen wij u door het ivoord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn. Want de Heer zelf zal met een geroep, met de stern des archangels, en mei de bazuine Gods nederdalen van den hemel, en

-ocr page 97-

95

die in Chruim gestorven zijn, zullen eerst opslaan. Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hem opgenomen worden in de wolken, den Heer te gernoet in de lucht- en alzoo zullen vjij altijd met den Beer wezen. 2 Thess. 2; 8. Denwelken de Heer verdoen zal door den Geest zijns monds, en te niet maken door de verschijning zijner toekomst. 2 Tim. 4; 8. Toorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, ivelke mij de Heer, de rechtvaardige Rechter in dien dag geven zal, en niet alleen mij maar ook allen, die zijne verschijning lief gehad hehhen. Titus 2; 13. Verwachtende de zalige hooit en verschijning der heerlijkheid van den grooten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus. Hebr. 9; 28. Alzoo ook Christus , eenmaal geofferd zijnde, om veler zondert weg te ■nemen, zal ten andere maal zonder zonde gezien word,en van degenen, die hem verwachten tot zaligheid-. Hebr. 10: 37. Want: Nog een zeer weinig tijds, en Hij, die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven. 2 Petr. 1; 16. Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onzen Heere -Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geiveest van zijne majesteit. 1 Joh. 2; 28. En nu, kinderkens! blijft in Hem, opdat wanneer Hij zal geopenbaard zijn , wij vrijmoedigheid hebben, en wij van Hem niet beschaamd gemaakt worden in zijne toekomst. 1 Joh. 3; 2. Maar roij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen, want wij zullen Hem zien gelijk Hij is.

Ik voeg hier niets bij, die onderscheidene plaat-

-ocr page 98-

94

sen zijn duidelijk. We willen alleen de vragen beantwoorden :

1. Hoe zal Jezus verschijnen?

2. Waartoe zal Hij verschijnen?

0. Waar zal Hij verschijnen?

4. Wanneer zal Hij verschijnen?

1. Hoe zal J ezus verschijnen?

De Bijbel geeft op deze vraag een zeer beslist antwoord: Deze Jezni, die ran u opgenomen is in den hemel, zal alzoo komen, gclijkerwijs gij Hem naaiden hemel hebt zien heenvaren. Zooals Jezus opgenomen is, zóó zal Hij weder komen. Jezus voer lichamelijk en dus zichtbaar op: Hij voer op als Middelaar, als Hoofd der Gemeente. Lichamelijk en dien ten gevolge zichtbaar zal de Heer wederkomen. Als zijne voeten staan zullen op den Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt, dan zullen de Joden Hem aanschouioen, dien zij doorstoJcen hebben, en zij zullen over Hem romollagen als met de routvMage over een\' eenigen zoon. Zach. 12 en 14.

Jezus komt niet als de Zone Gods, in zijne, voor de menschheid, onzichtbare Goddelijke natuur, maar Hij komt als de zoon des menschen, als Middelaar, als het gezegend Hoofd der Gemeente. In één woord: Zoo als Hij opgenomen is, zóó komt Hij weder. ■ Als Jezus gekomen is, dan is Hij niet in den Hemel in de hoedanigheid, waarin hij dan op aarde is. De hemelen, moeien Hem ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller ditgen. Toen de hemelen Hem ontvangen hadden, was Hij niet meer

-ocr page 99-

95

op aarde, evenmin zal Jezus, als Hij wedergekomen is, in den hemel zijn.

Wij hebben vervolgens op te merken dat de Heer, als Hij komt, vergezeld zal zijn van zijne Bruid.

Er bestaat eene nauwe vereeniging tusschen Jezus en de Gemeente. Jezus is het hoofd des lichaams, en de Gemeente de vervulling van Hem, die alles in allen vervult. Ef\':ze 1. W\'iar ik hen, daar zal mijn dienaar wezen.

Wij hebben vroeger reeds nagegaan dat de Gemeente tot den Heer wordt opgenomen, als zij Hem te gemoet zal gaan in de wolk in de lucht, om altijd bij den Heer te wezen. Als in den hemel het bruiloftsfeest gevierd wordt, dan is de Gemeente voltallig. Alle, in Christus ontslapenen, zijn dan opgewekt, en de levend overgeblevenen zijn veranderd in een punt des tijds, in een oogenblik, en te zamen zijn ze tot den Heer opgenomen. Met die voltallige Gemeente komt de Heer. De Bruid wordt met haren Bruidegom verheerlijkt. Hoe beslist spreekt de Apostel dat uit als hij zegt: Waaneer nu Chridus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult gij ook met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid, Col. o: 4. Evenzeer zien we in Openb. 19 dat Johannes Hem, die genaamd was Getrouw en Waarachtig, zag komen op -een wit paard, vergezeld van de heirlegers in den hemel op witte paarden. Deze heirlegers heeten vs. 7 de vrouw des Lams.

Welk eene heerlijkheid! Jezus zal vergezeld

-ocr page 100-

96

wezen van zijne, met xijn bloed gekochte Gemeente. De Gemeente is heerlijk in haren Bruidegom en de Bruidegom is verheerlijkt in zijne Bruid. Gelijk de Gemeente hier hot beeld van den aarrlschen draagt, zal zij dan het beeld des Hemelschen dragen. 2. Waartoe zal Jezus verschijnen? Wij slaan weder den Bijbel op en lezen daar: Den ivelken de Heer verdoen zal door den Geest zijns monds, en te niet maken door de verschijning zijner toekomst 2 Thess. 2; 8. Doch Hij zal verschijnen tot idieder vreugde Jes. 66; 5. Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond al zijner heilige profeten van alle eeuwen Hand. 3; 21. Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult ook gij met hem geopenbaard ivorden in heerlijkheid Coloss. 3; 4.

Uit deze vier plaatsen zien wij dat de Heer zal geopenbaard worden:

a. Tot vernietiging van den afval onder den mensch der zonde.

h. Tot verlossing van zijn volk Israël.

c. Tot de oprichting aller dingen, welke God gesproken heeft, door den mond al zijner heilige profeten, en

d. Tot heerlijkheid van Hem en die der Gemeente. a. In de laatste tijden zal het ongeloof en de afval een vreeselijk toppunt bereiken. Niet alleen zal alle juk worden verbroken , maar de mensch der zonde zal zelfs zijne legers verzamelen te Ar-

-ocr page 101-

97

mageddon om den strijd te wagen tegen den Zoon des menschen en zijne heirlegers. Van uit alle oorden der roraeinsche aarde zullen de heirlegers bijeenkomen, en dat in opstand tegen den Heer. Jezus met zijne Gemeente zal verschijnen om hen te verdelgen.

Op onderscheidene plaatsen in den Rijbel wordt de toekomst van Jezus in verband gebracht met de verdelging van den afval. Zie hier eene enkele derzeive, van welke we verband en strekking kort nagaan.

Tot de Gemeente van Thes Salonika zegt de Apostel : I)e dag des Heeren komt niet tenzij eerst de afval gekomen zij en dat geopenbaard zij de mensch der zonde, de zoon des verderfs. De afval openbaart den mensch der zonde. Vóór den afval en de openbaring van den mensch der zonde, komt de dag des Heeren niet. Na de beschrijving, die de Apostel nu geeft van het karakter en de handelingen van den mensch der zonde, spreekt hij van zijne verdelging. Hij toont duidelijk aan dat die zal geschieden door de verschijning des Heeren als hij zegt: Denwelken de Heer verdoen zal door den Geest zijns monds en door de verschijning zijner toekomst.

Een tweede plaats is Openb. 19; 11—31. Vers 11—16 behelst eene beschrijving van Jezus en zijne Gemeente. De Heer wordt er voorgesteld als een, tot den strijd, aangegorde Held; en dasr reeds in het O. Testament dikwijls gesproken was van

7

-ocr page 102-

de geheele verdelging van Israels vijanden door den Heer, zoo verwondert het ons niet dat Hij hier heet: Getrouw en Waarachtig. Evenwel niet slechts als een ten strijde uittrekkende Held, maar als Overwinnaar, wordt Hij aan Johannes vertoond. Het witte paard is het symbool der overwinning; en op zijn hoofd zijn vele koninklijke hoeden. Hier vinden wij den Held van Jes. fio. Met een van bloed bezoedeld gewaad is Hij bekleed. Lees Jes. 63 en gij ziet, dat daar van denzelfden strijd spraak is, en niet, gelijk sommigen meenen, van Jezus\' lijden en dood. Toen Jezus, om te lijden en te sterven op aarde leefde, was in zijn hart niet de dag der wrake. Hij kwam toen niet om de wereld te veroordeelen, maar om haar te behouden. Toen was Hij een man van smart en verzocht in krankheid. Hier is Hij de Held, de Overwinnaar van den afval, die daar komt van Edom, dat is Esau, die, als verachter van het eerstgeboorterecht, het juiste-zinnebeeld is van den afval.

Jezus is niet alleen. De heirlegers in den hemel, gekleed met wit en fijn rein lijnwaad, volgen Hem op witte paarden.

Het scherpe zwaard, dat uit zijnen mond gaat, doet ons denken aan zijnen naam, die genoemd wordt; Het Woord Gods, vs. 13. Het woord doet alles af. Jezus spreekt slechts. Hoe ontzaglijk is zijn woord. Met den adem zijner lippen zal Hij den Godddooze dooden. Zijne stem is als de stem van vele ivateren en als zware donderslagen.

-ocr page 103-

99

Met dat woord zal Hij de heidenen hoeden. Deze aanhaling uit Psalm 2, is hier zeer opmerkelijk. Even als Jas. 63, beschrijft ook Fs. 2 het oordeel over den afval.

Het oogenblik is nu gekomen, waarin Jezus de heerschappij aanvaardt. Op zijn kleed en dije staat deze naam geschreven: Koning der koningen en Heer der heer en. Hij is de uit een ver land teruggekeerde Koning, die zijne vijanden oordeelt. De 97sife Psalm komt nu tot vervulling. De Heer regeert, de aarde ver heug e zich; dat vele eilanden zich verblijden. Rondom Hem zijn ivolken en donkerheid, gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid zijns troons. Een vuur gaat voor zijn aangezicht heen, en het steekt zijne tegenpartijen rondom aan brand. Zijne bliksemen verlichten de ivereld, het aardrijk ziet ze en het heeft. De hergen smelten als ivas voor het aanschijn des Heeren, voor het aanschijn des Heeren der gansche aarde. De hemelen verkondigen zijne gerechtigheid, en alle volken zien zijne eer.

Vreeselijk is nu het lot dergenen, die het beeld van het beest, den mensch der zonde, aanbidden. Zie dit in het 1de vs. van dien Psalm: Beschaamd moeten wezen allen , die de heelden dienen, die zich op afgoden beroemen. Israël nochtans wordt hier uit zijn druk gered: vs. 8. Zion heeft gehoord, en het heeft zich verblijd, en de docht eren van Juda hebben zich verheugd van ivege uive oordeelen, o Heer!

Wij keeren terug naar Openb. 19. De beschrijving van Jezus, als overwinnend Held, hebben we

-ocr page 104-

100

beschouwd. Nu volgt de strijd, vs. 17. Een Engel roept de vogelen des hemels samen tot het avondmaal des grooten Gods. De overwinning is des Heeren. Het is door God dat de, van het Christendom, afvallige legers en hunne lichamen een maaltijd zijn voor het gevleugelde. Vs. 19 zien we den opstand in het hoogste toppunt. Het beest en de koningen der aarde met hunne heirlegers, zijn vergaderd om krijg te voeren, tegen Hem, die op het paard zat en tegen zijne heirlegers. Doch hoe ontzaglijk is hun oerdeel: Het beest en de valsche profeet worden gegrepen en levend geworpen in den poel des vuurs, die met sulpher brandt.

Deze twee sterven niet. Duizend jaar vóór den Duivel zijn zij in de plaats der pijniging, terwijl alle overigen gedood worden met het zwaard desgenen, die op het paard zat.

Uit deze plaats biijkt ons dus duidelijk dat de toekomst van Jezus strekt tot verdelging van den afval.

Doch dit niet alleen, zijne verschijning moet ook strekken

h. Tot verlossing van Israël. Doch li ij zal verschijnen tot ulieder vreugde.

Het verdrukte, vervolgde, versmade en verachte Israël zal verlost worden.

Tot nog toe verachten de Joden hunnen Heiland. Dat zal zoo niet blijven. De Verlosser zal uit Zion komen en zal de Goddeloosheden afwenden van Jakoh. Dit is mij een verbond met hen, zegt de

-ocr page 105-

101

Heer, dat Ik hunne ongerechtigheden zal wegnemen.

Het is de roeping der Gemeente den Joden liet Evangelie te verkondigen; en ook draagt die prediking de li eerlijke vrucht, dat reeds velen zijn bekeerd; doch daarmede zijn ze als volk niet verlost. De dienst der Gemeente kan daartoe ook niet leiden. De toekomst des Ileeren zal Israël redden.

Even als we op vele plaatsen lezen dat Jezus komt om zijne vijanden te verdelgen, lezen we ook dat Hij komt om Israël te bevrijden. Te bevrijden van zonde en druk.

De volken, die zich opstellen tegen den Heer en zijnen Gezalfde, en eens door Jezus\' toekomst zullen geoordeeld worden, zijn de verdrukkers der Joden. Zij hebben Israël ontvoerd aan hun land, en dat land in bezit gehouden. Vooral onder de heerschappij van den Antichrist, zullen de getrouwe Joden, veel te lijden hebben. Dit beschouwden we reeds vroeger. Nu ligt het in den aard der zaak dat de volkomen verdelging hunner vijanden , hun tot verlossing strekt. Wij vinden in den Bijbel dat ook meer dan eens bijeengevoegd. Zoo lezen we Joel 3; 12—17 De Heidenen zullen zich opmaken en optrekken naar het dal van Josafat (vertaald: dal van het oordeel des Ileeren) maar aldaar zal Jk zitten om te richten alle Heidenen van rondom. Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp getvorden; komt aan, daalt henen af, want de pers is rol, en de perskuipen loopen over: Want hun lieder boosheid is groot. Menigten, menigten in het dal des dorsch-

-ocr page 106-

102

wagens: Candors vertaald: dal der eindbeslissing, omdat hier liet eindoordeel is van de wereldrijken) want de dag des Heeren is nabij:, in het dal des dorschwagens. De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haren glans ingetrokken. En de Heer zal uit Zion brullen, en uit Jeruzalem zijne stem geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar de Heer zal de toevlucht zijns volks, en de sterkte der kinderen Israels zijn. En gij lieden zult iveten, dat Ik, de Heer, uw God ben, \'wonende op Zion, den berg mijner heiligheid, en Jeruzalem zal eene heiligheid zijn, en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan. Lees ook Zefanja o: 8—20 en Zach. 14, waar de verdelging der vijanden van Israël en Israels verlossing, saamgesteld voorkomt.

Voortreffelijk is in dat opzicht de toekomst des Heeren. De weinige getrouw geblevene Joden zien, in hunne groote verdrukking, hun Messias komen. Hij is dezelfde, dien zij doorstoken hadden. Hij vervolgt hunne vijanden en zij worden verlost. ïe dien dage staan de voeten des Heeren op den Olijfberg. De Verlosser komt uit Zion, de Joden aanbidden Hem, roepen de Hozanna\'s uit en bedrijven misbaar van vvege hunne zonden.

Dit leidt ons van zelf tot ona derde punt:

c. Jezus zal geopenbaard worden tot wederoprichting aller dingen, welke God gesproken heeft door den mond zijner heilige profeten van alle eeuwen.

De nadruk valt hier op de woorden; Weder oprichting aller dingen waarvan de Profeten ge-

-ocr page 107-

103

sproken hehhen. Wij denken dus niet aan de herstelling der oorspronkelijke rechtheid des menschen vóór den val. Daarvan konden de profeten niet spreken; tot de herstelling daarvan is Jezus niet overgegeven.

Petrus, die deze woorden, Hand. 3: 21, uitspreekt, geeft er eene bepaling van, die ons den juisten zin doet kennen. In vs. 19 vermaant hij de ongeloovige Joden tot bekeering. opdat hunne zonden mogen uitgewischt worden; en spreekt dan van de tijden der verkoeling of verademing, die komen zullen van hst aangezicht des Heeren. Ook spreekt hij van de zending van Jezus Christus, die in den Hemel zal blijven tot de tijden der oprichting aller dingen. In hoofdzaak wordt hier Israels herstel uitgesproken, maar daarmede alles, wat Israels herstel in de wereld zal te weeg brenffen. Het is

O O

toch het plan Gods dat in Israël alle geslachten dei-aarde gezegend zullen zijn.

De Heer komt alzoo niet slechts om Israels zonden weg te nemen, maar tevens om Israël als natie te herstellen en het tot een gezegend hoofd der volken te stellen.

De Duivel, die de rijken bezielde, welke Israël onder den voet hielden, wordt gebonden en alzoo krachteloos gemaakt, Openb. 20. Israël, vervuld met den Geest der genade eu gebeden, zendt zijne boden uit over de aarde, en de volken worden alle voor den Heer gewonnen. En, daar de koningen met hunne onderdanen, door Israëls bediening, de

-ocr page 108-

104-

knieën voor Jezus, den koning des vredes buigen, zoo houden de vijandelijkheden, en mitsdien de oorlogen op. De koninkrijken der aarde zijn van onzen God en zijnen Christus, die, in en door Israël, ze bestiert. Dan. 7; 24—27. De aardsche zegeningen, die het deel der Gemeente niet konden zijn, omdat deze eens hemelsche bestemming heeft, komen over Israël en in hen over de wereld. Deze zegeningen bestaan onder anderen in een lang leven, Jes 65. In vruchtbaarheid over de aarde, Ps. 65 en 67. In vrijmaking van de dienstbaarheid der verderfenis. Rom. 8. Wij stippen dit slechts aan, om aan te toonen, hoe heerlijk de toekomst van Jezus, ook in dit opzicht zal zijn. Vervolgens hopen we liet meer uitvoerig te beschouwen.

Met het oog op zooveel ellende in de wereld, mogen we ons verheugen in de toekomst des Heeren. Laat de bede steeds in ons hart zijn; Kom Heere Jezus , ja hom haastelijk!

Staat nu de komst van Jezus met dat alles in verband, dan moet die komst wel strekken tot heerlijkheid van Hem en van de Gemeente. Dit is het laatste punt ter beantwoording der vraag: u Waartoe zal Jezus verschijnen V\'

d. Jezus wordt geopenbaard tot heerlijkheid van Hem en de Gemeente. Wanneer nu Christus zal geopen-haard zijn, dan zult gij ook met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.

Dit is niet allerminst het doel van de komst des Heeren. Zijne eer moet in alles worden geopenbaard.

-ocr page 109-

1 05

Da Vader gaf de wereld aan zijnen Zoon. Reeds van eeuwigheid sprak God tot Hem: Eisch van Mij en Ik zal de Heidenen geven tot Uw erfdeel en de einden der aarde tot Uwe bezitting. Als God wederom zijnen Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zullen alle engelen Gods Hem aanbidden. Hoe heerlijk en doorluchtig zal die toekomst zijn! De Gemeente, die met Jezus komt, is zijn kroon, en zij wordt met Hem verheerlijkt. Hier beneden was Jezus een man van smart en verzocht in krankheid. Hij was veracht en de onwaardigste onder de inenschen. Zijne Gemeente volgt daarin haar hoofd. Zij wordt miskend en veracht, doch in de toekomst des Heeren is de Bruidegom verheerlijkt met zijne Bruid en deze in haren Bruidegom. De heerlijkheid van Jezus is de blijdschap der Gemeente, maar ook is de heerlijkheid der Gemeente de blijdschap van haren Heer. Heerlijke dag als Jezus komt! Dat we reikhalzend uitzien en ons in het vooruitzicht verblijden!

3. //Waar zal Jezus verschijnen?quot; Ziedaar onze derde vraag. In \'t algemeen kunnen we zeggen dat Jezus zal verschijnen op aarde, maar bijzonder, in het land van dat volk, dat het zijne is, dat afgezonderd is om een priesterlijk koninkrijk te zijn.

De volken der aarde zullen gezegend worden door de toekomst, van Jezus, doch niet dan door Israël, dat door God is uitverkoren om ten zegen der aarde te verstrekken.

Even als het woord des Heeren van Jeruzalem is uitgegaan, zal het andermaal, uit dezelfde stad, en

-ocr page 110-

106

door hetzelfde volk, over de breedten der aarde gebracht worden. De heerlijkheid des Heeren zal dooide Joden worden verkondigd.

Het is dus, in de eerste plaats, om Israël vrij te maken, dat de Heer komt. Daarom zal Hij ook in hun middeu geopenbaard worden. Hij zal Israël verlossen.

Tegen Jeruzalem zullen de volken verzameld wor-den. Het is niet buiten het bestuur Gods dat Jeruzalem het mikpunt worden zal van den koning van het Zuiden en den koning van het Noorden: en dat de mensch der zonde er zijn verblijf kiest. De arenden worden verzameld waar het aas is. De heiden-sche legermachten komen daar, waar God ze ten oordeel zendt, doch daar moeten ook de machten verpletterd worden, die de Joden verdrukten. Daar zal de steen van den berg worden gewenteld om de voeten van het beeld te treffen, en te verbrijzelen het hoofd, de borst en armen, de buik en dijen en de beenen.

De drie wereldrijken, voortlevende in het vierde, zullen ten laatste, onder de heerschappij van den Antichrist, in de nabijheid van Jeruzalem, hunne ontzaglijke heirscharen bijeentrekken. Het is Ar-mageddon, berg van Megiddo, ten noorden van Je-ruzalem, dat een dal van \'s Heeren oordeel, of met andere woorden, een dal der eindbeslissing moet worden.

Palestina is, om zoovele gebeurtenissen reeds, bet merkwaardigste land der wereld. Het werd door Goil aan Abraham gegeven. De Heer woonde er op

-ocr page 111-

107

Zion, Jezus werd er geboren, leefde en stierf er, stond er op uit de dooden en voer van daar ten hemel. De H. Geest werd er uitgestort, en \'s Hee-ren woord ging er van uit. Doch wegens al wat er nog gebeuren zal, wordt het nog meer liet meest merkwaardige land der aarde. Jezus zal er wederom in de wereld ingebracht worden, doch dan als de Eerstgeborene, wien alle engelen Gods zullen aanbidden. De Joden zullen er verzameld en het meest gezegende volk der aarde zijn. \'s Heeren woord zal er van uitgaan over de geheele aarde.

ö O

De koningen en volken zullen er de heerlijkheid des Heeren gaan aanschouwen. In dat land zal Jezus verschijnen.

Nog meer in \'t bijzonder wordt door den profeet Zach. de Olijfberg aangewezen als de plaats, waar de voeten des Heeren zullen staan.

Staan we een oogenhlik stil bij die profetie. We vinden haar hoofdst. 14: 4. Vs. 1 en 2 behelzen eene beschrijving van de oordeelen, die over Jeruzalem zullen komen door de volken, die tegen haar zullen optrekken. Dit is, zooals we vroeger beschouwden, de laatste gerichtsoefening tegen de stad, die de profeten doodde en den Heer kruisigde. De Heer echter gedenkt des verbonds. Hij ontfermt zich naaide grootheid zijner goedertierenheid. In vs. 3 wordt daarvan melding gemaakt. En de Heer zal uittrekken , en Hij zal strijden tegen die Heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds. In vs. 4 wordt nu de plaats aangewezen waar de

-ocr page 112-

108

Heer zal gezien worden: En zijne voeten zullen ten dien dage staan op den Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt tegen het oosten. De profeet geeft eene aardrijks-knndige beschrijving van den berg, waarop de Heer zal staan. Wij voegen er slechts bij dat de berg , ongeveer vijftien minuten ten oosten van de stad liggende, afhelt aan de zijde der stad in een dal, dat door de beek Hedron besproeid wordt, zoodat voor eene haastige vlucht uit Jeruzalem die berg eene belemmering is.

Als de Heer komt zijn de volken onder den koning van het Noorden bezig Jeruzalem te plunderen en hare bewoners te benauwen. De volken worden verdaan, nadat ze vooraf twee deelen der Jolen in de stad zullen uitgeroeid hebben, zoodat het derde slechts zal verlost worden, doch hier door de vlucht, terwijl daarna de heiischaren van den Antichrist gedood worden door het tweesnijdend zwaard, dat uit den mond des Heeren gaat.

Door wonderen zullen ze worden verlost. De berg zal, door de tegenwoordigheid des Heeren, in tweeën splijten van het Oosten naar het Westen, zoodat, waar de eene helft naar liet Noorden en de andere helft naar bet Zuiden wijkt, er eene vallei ontstaat om door dezelve te ontvlieden.

Daar staan dus de voeten des Heeren niet te vergeefs. Zijne Majesteit, in het redden der verdrukte Joden, wordt hier het eerst openbaar.

Op den Olijfberg zullen de voeten des Heeren staan. Daar zullen de Joden aanvankelijk de Ho-

-ocr page 113-

I J \'J

sauna\'s uitroepen. Het is dezelfde berg, opwelken Jezus, in de dagen zijner vernedering, nachten in hetquot; gebed doorbracht, en aan wiens voet Hij, in Gethsemane den hangen zieiestrijd streed. De berg, op welken Jezus niet zijne discipelen, in het aanschouwen der stad, sprak over de toekomstige dingen, en waar Hij weende over Jeruzalem; van waar Hij zegevierend opvoer ten hemel, en waar de engelen het vertroostend woord uitspraken: Dese Jezus, die van u opgenomen is in den Hemel, zal alzoo komen gelijk gij Hem naar den Hemel hebt zien heenvaren. Van dien berg af zal Hij , omringd door zijne Gemeente, ten strijde uittrekken tegen den mensch der zonde. De heerlijkheid, welke daarop volgen zal, beschrijft de profeet in de volgende verzen van dit hoofdstuk.

Hoe verrassend voor de, in druk en lijden, roepende Joden, dat hun, door hen verworpen Heiland, tot hunne verlossing zal staan op dezelfde plaats, waar Hij eens over Jeruzalem weende.

Nu blijft nog over de vraag te beantwoorden:

4. Wanneer zal Jezus verschijnen?

Gij herinnert u hoe wij te voren het onderscheid aantoonden tusschen de komst van Christus cm zijne Gemeente tot zich te nemen, en zijne komst met de Gemeente. Van de eerste is hier nu geene spraak, wij hebben altijd voor dezelve bereid te zijn, dewijl die van geene omstandigheden afhankelijk is gemaakt. Wij spreken nu van de komst met de Gemeente, zijne komst tot oprichting der dingen.

-ocr page 114-

die God gesproken heeft door den mond zijner heilige profeten van alle eeuwen. In den Bijbel wordt de dag en ure niet genoemd.

\'t Is waar, men maakt veronderstellingen, en de een meent uit dit punt te mogen afleiden dat dit jaar, en een ander, dat uit dat punt moet worden afgeleid, dat een ander jaar er toe bestemd is, om een begin te zijn van het vrederijk.

Wij achten zulks gewaagd en onvoorzichtig. Onderscheidene bepalingen zijn er gemaakt, en telkens vergiste men zich. Hoewel dit nu den ge-loovige niet hindert, omdat de waarheid dezelfde blijft, en hij bij gevolg er niets bij verliest, zoo is dat toch niet het geval met degenen die zeggen: Waar is de belofte zijner toekomst?

//Jezus is niet gekomen op het tijdstip, waarop hij, die zooveel over zijne komst schreef. Hem verwachtte,quot; en dat is voor hen eene rede te meer om vast te houden dat Jezus niet zal komen, of althans niet vóór het laatste oordeel.

Merk echter wel op dat die vergissingen een vast en zeker geloof, aangaande de openbaring van den Heer, veronderstellen, en dat die geloovigen daarom ook blijven uitzien, in de zekere verwachting dat Hij, die te hornen staat zal hamen, al hebben zij zich ook over voorbarigheid te verootmoedigen.

Hoezeer nu ook alleen de Christen, die de toekomst van Jezus gelooft, zich op dat punt kan vergissen, zoo is het toch waar dat die vergissingen aan velen kwaad doen.

-ocr page 115-

Ui

Kan dan in geen enkel opzicht de vraag: Wanneer komt de Heer? beantwoord worden? Welzeker, want hoewel de tijd nu voor ons onbepaald is, zoo blijft hij dat niet altijd.

De Apostel Paulus zegt: De dag van Christus komt niet tenzij eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mensch der zonde, de zoon des verderfs, welken de Heer verdoen zal door den Geest zijns monds, en de verschijning zijner toekomst. De mensch der zonde zal geopenbaard worden, zijne heerschappij zal zeven jaar duren. Hij zal verdaan worden door de verschijning van de toekomst des Heeren. Dus zal de verschijning of openbaring des Heeren plaats hebben zeven jaar na het optreden van den Antichrist.

De afval openbaart zich reeds krachtig en leidt hoe langer hoe meer tot volstrekte volks-souvereiniteit. Hoelang evenwel dat proces zal moeten doorwerken , vóór het een crisis teweeg brengt op het voormalig romeinsche gebied, is ons onbekend. Alleen kunnen wij vaststellen dat, wanneer de heerschappij aan het beest, dat is aan het romeinsche gebied, gegeven zal zijn, en dat gebied tien koningen heeft gekozen, die den wil des volks zullen doen, en die tien koningen onder de leiding van éénen vorst, den mensch der zonde, zullen staan, zoodat het gansche romeinsche rijk weer één geheel uitmaakt, dat dan dat tijdperk zeven jaar zal duren. Daar nu dat rijk eindigt door de toekomst van den Zoon des menschen, zoo weten we dat de Heer zeven jaar na

-ocr page 116-

112

de openbaring van den Antichrist zal verschijnen. Dit is geene veronderstelling, maar wordt in den Bijbel ons duidelijk geleerd.

De zeventig weken van Daniël moeten vol worden. Die zeventig weken zijn de duur van het tijdperk der Heidenen, die Israël als natie b.eheer-schen. Wegens zijne zonde is Israël onder die over-heersching gekomen.

Deze toestand echter is afgebroken, omdat Israël zijnen Heiland verwierp, waarom het nu in ballingschap, niet onder het vierde wereldrijk, maar over geheel de aarde rondzwerft. Het vierde, het romeinsche rijk moet weder hersteld worden. De Joden moeten weder onder deszelfs invloed komen, en hiermede wordt de afgebroken profetische draad weer opgenomen. De zeventigste week, of de zeven laatste jaren van het tijdperk der Heidenen, moeten alzoo nog komen. Te voren hebben we reeds opgemerkt hoe de Antichrist, in dat tijdperk, een verbond met de Joden zal maken om hen naar hun land terug te voeren, doch slechts met het doel om hen als volk onder zijne heerschappij te nemen.

Opmerkelijk is \'quot;t dat het reeds in onzen tijd meer en meer de zucht wordt van vele Joden om naar Palestina te trekken. Werkt nu reeds een geest als zoodanig in hen, zoo kunnen we ons voorstellen hoe bereid ze zullen zijn zich daarin door den Antichrist te laten helpen. Zeventig weken, noemt de Engel, die bestemd zijn over het volk van Daniël en de heilige stad. Negen en zestig weken

-ocr page 117-

113

zijn daarvan voorbij, de zeventigste is versclioven. Deze laatste week wordt in tweeën gesplitst, namelijk in de eerste helft, waarin de Antichrist, als vertegenwoordiger en bestuurder van het vierde rijk, de Joden zal vleien, hen, in het optrekken naar Palestina, behulpzaam zal zijn, hun tempel zal bouwen en den tempeldienst zal herstellen. Eu in de tweede helft, in welke hij den gruwel der % erwoesting zal plaatsen in het heilige, en als verdrukker zal optreden.

Laat ons echter de tijdsbepaling van Daniël, in verband met die in de Openbaring van Johannes, meer van nabij beschouwen. Wij vinden haar Dan. 9; 24—27.

De Engel komt tot Daniël eu verkondigt hem, in korte trekken, wat het lot der Joden en der heilige stad zal zijn. Zeventig toeken zijn bestemd. Volgens den grondtekst eigenlijk: Zeventig zeventallen. Het is uit den aard der zaak duidelijk dat hier bedoeld zijn zeventallen van jaren, dus 70 maal 7 of 490 jaar. Deze zijn bestemd over de Joden en hunnen tempel.

Weet dan en versta: Van den uitgang des ivoonls om te doen wed.evkeeren en Jeruzalem te bouwen, tot op Messias den I orst, zijn zeven weken en twee en zestig weken. Twee punten worden hier genoemd, namelijk de uitgang des woords om Jeruzalem te bouwen, en Messias de Vorst, tusschen welke negen en zestig weken of 48b jaren verloopen moeten.

Het woord om weder te keeren, uit de Babylon-

8

-ocr page 118-

m

sche ballingschap, en Jeruzalem te bouwen, ging uit van Arthasasta, in het twintigste jaar zijner regeering. Het was zijn tweede edict, en gericht aanNehemia,-in de paaschmaand Nizan of\' Abib, Nek. 2. Cores gaf ook een bevel, doch alleen om den tempel te herstellen. Darius (Ezra 6) bekrachtigde slechts dat bevel. Arthasasta gaf daarna zijn eerste edict (Ezra 7) tot herstelling van den eeredienst. Niet één echter dezer bevelen kan hier bedoeld zijn, dewijl zij niet behelzen de wederkeering der Joden om Jeruzalem te bouwen.

Wij vinden het eenige bevel, dat op de vol-komene herstelling der stad betrekking heeft, in JVe/i. 2. Dit had plaats, zooals wij zeiden, in de paaschweek Nizan en wel, volgens bekwame tijd-rekenkundigen, in het jaar 454 of 455 vóór Christus.

Deze negen en zestig weken of 48o jaren worden door den Engel gesplitst in zeven weken of 49 jaren, en twee en zestig iveken, 434 jaren, terwijl de zeventigste of laatste week in het 24«\'« vers genoemd wordt.

Wij hebben hier te denken aan het opbouwen dei-stad gedurende de zeven weken. Van af de opbouwing der stad tot op Messias den Vorst zijn twee en zestig weken, dat is samen negen en zestig weken of 48o jaren. De uitroeiing van den Messias had plaats in het jaar 28 of 29. Tel deze jaren bij de 454 of 455 jaren, die verloopen zijn van den uitgang des ivoor ds om te doen wederkeer en en Jeruzalem te bouwen, tot op Messias den Vorst, en gij bekomt, tot aan den dood van Jezus, een tijdperk van negen en

-ocr page 119-

115

zestig weken of 483 jaren, en bijgevolg de juiste vervulling dezer profetie.

De zeventigste week^, of\' de laatste zeven jaar, behelst den duur van den Antichrist en eindigt met den ondergang van dien verwoester, Vs. 27. Die week moet nog komen. Wegens de verwerping van den Messias, gaf God de Joden, die nog altijd onder de macht der vier profetische rijken waren, als verstrooide ballingen, onder alle volken over. De draad der profetie brak af, doch wordt weder aangeknoopt, als het romeinsche rijk tot éénheid is gekomen, en de Joden, als volk, daar onder zullen optreden.

Die week is het tijdperk van den Antichrist, die het verbond zal versterken aan velen, doch in de helft der week het spijs- en slachtoffer zal afschaffen.

Vooral die tweede helft der week, zijnde drie en een half jaar, treedt in de profetie op den voorgrond. Het is dat vreeselijke tijdperk van groote verdrukking, waarvan de duur bepaald is op: een bestemden tijd, lestemde tijden en eene helft. I)an 12: 7. Duizend twee honderd en negentig dagen. Vers. 11. Luizend twee honderd en zestig dagen. Openb. 12. 6. Een tijd, tijden en een halve tijd. vs. 14. Twee en veertig maanden Openb. 11; 2.

Uit dit alles blijkt ons genoegzaam dat zeven jaar na het optreden van den Antichrist de tijd der openbaring van Jezus daar is.

Die tijd nadert met rasse schreden. De afval is aanwezig. De volksheerschappij groeit aan. De zucht

8*

-ocr page 120-

llfi

naar eenheid, op de romeinsche aarde, wordt sterker. Bij de Joden ontwaakt meer den wensch om naar hun land te trekken. Geve de Heer ons genade om biddend acht te slaan op de teekenen der tijden!

11.

Het duizendjarig rijk.

Een belangrijk punt is het, waarbij we nu hebben stil te staan. Wij zijn tot hiertoe, met de bespreking van onderscheidene onderwerpen, genaderd tot aan de beschouwing van het duizendjarig rijk.

Hoewel het quot;waar is dat deze benaming den weerzin van velen opwekte, iets, wat evenwel thans, naar ik geloof, minder het geval is dan vroeger, zoo mogen we ons niet ontzien van dezelve gebruik te maken, dewijl de grond derzelve in Gods woord ligt. Wij lezen immers Openh. 20: 4, 5, En zij leefden en heerschten als koningen met Christus de duizend jaren. Maar de overige der dooden roerden niet weder levend, tot dat de duizend jaren geëindigd waren. De Bijbel maakt melding van een tijdperk, dat duizend jaar zal duren, een tijdperk des vredes, waarin de aarde zeer gezegend zal zijn.

Laat ons evenwel niet meenen dat dit tijdperk tot stand kan komen door de Christelijke werkzaamheden

-ocr page 121-

117

op kerkelijk, staatkundig of maatschappelijk gebied. Is het tegen Gods woord zulks te meenen, zoo is het ook hoogst schadelijk voor den Christen zulk eene verwachting te hebben, en kan niet anders dan op bittere teleurstellingen uitloopen. De algemeene strekking des Bijbels is, dat het ongeloof en de afval zullen toenemen. De wereldrijken, aan Daniël vertoond, zullen weder in hun eigen wezen openbaar worden. De Gemeente zal, door hare toever-gadering tot den Heer, uit de wereld worden verlost, en ten slotte zal er geen geloof meer zijn.

Hoe schadelijk is het dan voor de Christelijke verwachting te meenen, dat liet Christendom, onder deze bedeeling des Geestes, eens de overwinning in de wereld zal behalen, en in een duizendjarig vrederijk zal opgaan. Smartelijke teleurstelling-moet dat baren.

De discipelen des Heeren, hoevaak Jezus ook sprak van zijn lijden en dood, verwachtten steeds dat de Heer, zonder door den dood heen te gaan, het koninkrijk zou oprichten. Daarom werden zij, toen de Heiland gevangen genomen en gekruisigd werd, geërgerd; en met het sterven van Jezus verging hun hoop. Zoo kan het nog gaan, wanneer we, in plaats van door den dood en de oordeelen heen, de heerlijkheid te verwachten, meenen dat de nu bestaande toestand de overwinning zal aanbrengen. Men vertrouwt dat de, in vele opzichten, gezegende beweging van Christelijke zondagscholen, jongelieden vereenigingen, enz. het begin zijn der

-ocr page 122-

118

overwinning. Weinig overweegt men dat deze een ander doel hebben. Zeker zien we in deze beweging , als ze niet ontaarden, een zegen. De Heer betoont er zijne liefde in; en waar ongeloof en afval toenemen en alles dreigen te verslinden, zorgt de Heer dat de verzameling der Gemeente liaren voortgang lieeft. Daarom zien we in al die bewegingen een teeken des tijds, waarmede de Heer zijn doel bereikt. Wordt men echter teleurgesteld als ook eens al die vereenigingen zullen ondergaan, dan zou ook dat op een geërgerd worden kunnen uitloopen. Daartegen hebben we te waken.

Wij hebben er te voren reeds op gewezen, dat door de toekomst des Heeren, als alles op aarde in diepe ellende verkeert, en er geen geloof meer gevonden wordt, het rijk des vredes zal worden gesticht. We treden hier niet in herhaling.

Wat nu de toekomst betreft, verkrijgen wij, bij het lezen van Gods woord, dit resultaat:

1. Er zal eens een vrederijk wezen, dat duizend jaar zal duren.

2. De Duivel zal, gedurende dat tijdperk, gebonden, en bijgevolg verhinderd zijn, de volken te verleiden.

3. Er zullen dan drie onderscheidene klassen van menschen wezen, die de knieën voor den Heer zullen buigen.

4. Ook uitwendig zullen er dien tijd groote zegeningen wezen.

5. Op het einde van dat tijdperk zal de Duivel

-ocr page 123-

119

ontbonden worden en een opstand verwekken tegen de geliefde stad, waarvan het gevolg is, dat hij zal geworpen worden in den poel, die brandt van vuur en sulfer.

6. Dit tijdperk gaat over in het laatste oordeel, en de overgaaf van het koninkrijk aan den Vader.

Deze punten, hoewel ze één geheel uitmaken, beschouwen we naar de genoemde volgorde.

1. Er zal eens een vrederijk zijn dat duizend jaar zal duren.

Een reeks van getuigenissen vinden we dieaan-

O O

gaande in den Bijbel. Zie hier eenige derzelve: Jes. 2:2, 3. En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des He eren zal vastgesteld zijn op den. top der hergen , en dat hij zal verheven worden hoven de heuvelen, en tot d.en-zelven zullen al de Heidenen toevloeien. En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den herg des Heer en, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons leere van zijne wegen, en dat wij wandelen in zijne paden. Want uit Zion zal de wet uitgaan, en des Heer en woord uit Jeruzalem. Zie ook hoofdst. 11 geheel, en 19; 18—25. 21: 6. In het toekomende zal Jakob wortelen schieten, Israël zal bloeien cn groeien, en zij zullen de wereld met inkomsten vervullen. 29; 19, 20. En de zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde héb-hen in den Heere; en de behoeftigen onder de men-schen zullen zich in den Heiligen Israels verheugen.

-ocr page 124-

120

Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat hef met den bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn. Zie hoofdst. o5 geheel. 49; 23. En koningen zullen uwe voedsterheeren zijn, hunne vorstinnen uwe zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof uwer voeten lekken; en gij zult weten dat ik de Heer ben, dat zij niet beschaamd zullen worden, die mij verwachten. 59; 19, 20. Dan zullen zij den naam des Heer en vreezen van den neder gang, en zijne heerlijkheid van den opgang der zon; als de vijand zal komen als een stroom, zal de Geest des Heeren de banier tegen hem oprichten. En er zal een Verlosser tot Zion komen, namelijk voor hen, die zich hekeeren van de overtreding in Jakob, spreekt de Heer. 65. 17. Want ziet ik schep nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. Micha 4: 1—4. Maar in het laatst der dagen zal het geschieden, dat de berg van het huis des Heeren zal vastgesteld zijn op den top der bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien. En vele Heidenen zullen henengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des Heeren, en ten huize van den God Jakobs, opdat Hij ons leere van zijne wegen, en wij in zijne paden wandelen\'. Want uit Zion zal de wet uitgaan en des Heeren ivoord uit Jeruzalem. En Hij zal onder groote volken richten, en machtige Heidenen straffen tot verre toe;

-ocr page 125-

121

en zij zullen hunne zwaarden slaan tot spaden, en hunne spiesen tot sikkelen, en het eene volk zal tegen het andere geen zwaard, opheffen, en zij zullen den krijg niet meer leer en. Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijnen zoijnstok, en onder zijnen vijge-hoom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke: want de mond des Heeren der heir schar en heeft het gesproken. Zach. 8: 21—23. En de inwoners der eene stad zullen gaan tot de inwoners der andere, zeggende\'. Laat ons vlijtig heengaan, om te smeeken het aangezicht des Heeren, en om den Heer der heirscharen te zoeken; ik zal ook heengaan. Alzoo zullen vele volken en machtige Heidenen komen, om den Heere der heirscharen te Jeruzalem te zoeken, en om het aangezicht des Heeren te smeeken. Alzoo zegt de Heere der heirscharen\'. Het zal in die dagen geschieden, dat tien mannen int allerlei tongen der Heidenen grijpen zullen, ja de slip grijpen zullen van eenen joodschen man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord dat God met ulieden is. 14: 9. En de Heer zal koning over de gansche aarde zijn; te dien dage. zal de Heere één zijn, en zijn naam één. Mal. 1 : 11. Maar van den opgang der zon tot haren ondergang zal mijn Naam groot zijn onder de Heidenen; en aan alle plaats zal mijnen Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer: want mijn Naam zal groot zijn onder de Heidenen, zegt de Heer der heirscharen. Zie ook Psalm 72. —

Wij zouden meer plaatsen kunnen noemen. Doch

-ocr page 126-

122

genoeg om ous te overtuigen dat er eens eene heerlijke bedeeling zal zijn.

De duur van dat tijdperk is ook in Gods woord bepaald. Openh. 20: 2. En hij greep den draak, de oude slang, welke is de Duivel en Satanas, en hond hem duizend jaren. Vs. ih. En zij leefden en heerschten als honingen met Christus, de duizend jaren.

Er bestaat, mijns inziens, volstrekt geen oorzaak om hier van de letterlijke beteekenis der woorden af te wijken. Duizend jaren zijn genoemd Met geene duidelijker woorden kon de H. Geest ons den duur van den dag van Christus, het vrederijk, hebben bekend gemaakt.

2. I)e Duivel zal gedurende dat tijdperk gebonden, en hijgevolg verhinderd zijn, de volken te verleiden.

Wij lezen Openh. 20; 1—3 En ik zag eenen E)tgel afkomen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds, en eene groote keten in zijne hand; En hij greep den draak, de oude slang, ivelke is de Duivel en Satanas, en bond hem duizend jaren; en wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde dien hoven hem, ojjdat hij de volken niet meer verleiden zou, tot dat de duizend jaren geëindigd zijn.

De Duivel bracht de zonde in de wereld. Door zijne verleiding viel de mensch van God af, en door het rechtvaardig oordeel Gods werd de wereld onder zijn invloed en macht overgelaten. ISaar zijne groote barmhartigheid gaf evenwel God zijnen Zoon, en maakte Hom tot eenen Heer en Christus om de

-ocr page 127-

123

werken des Duivels te verbreken. Hoewel er nu velen in Jezus gelooven en alzoo aan de macht des Boozen zijn ontrukt, laat toch de Duivel zijne macht gelden. Hij werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid. Hij gaat om als een brieschende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden. Hij heeft nog het geweld des doods. Hij is de overste van de macht der lucht, die aan het beest, het romein-sche rijk, zijne macht gaf.

Hoezeer de Duivel de kracht, de bezieling der wereld is, toont de Apostel aan als hij zegt: Wij hebben den. strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de ge-weldhebbers der wereld,, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Efese 6.

De Duivel heeft groote macht. Zijn invloed is sterk en steeds toenemend, en de wereld staat nog altijd onder zijnen invloed.

Welk een voorrecht moet het zijn als de wereld ontdaan zal wezen van hem, die haar leidt, in haar werkt, haar bezielt en haar in opstand houdt tegen den Zoon des menschen. Zijne omleidingen (methoden) zijn listig genoemd. Zij zijn van dien aard dat zijne gewillige slaven, door hem, zijn bestaan ontkennen. Zoolang de koninkrijken der aarde nog niet zijn van onzen God en zijnen Christus, bestiert de Vorst der duisternis dezelve. Ongeloof, revolutie, oorlog, en wat niet al, zijn de vruchten van zijn invloed en macht.

Zeker is het waar dat de mensch ganseh be-

-ocr page 128-

124

iorven is. Alle zonden komen uit zijn hart voort, en maar al te dikwijls worden die zonden op rekening van den Duivel gesteld , om zoodoende eigen verlorenheid te miskennen. Toch kunnen we ons verzekerd houden dat, wanneer, in ditzelfde oogenblik, de aanvoerder der menschheid krachteloos werd gemaakt, de gevolgen daarvan, én bij de geloovigen én bij de wereld, aanstonds ontdekt zouden worden. De Duivel is een hinderpaal aan de verbreiding des Evangelies. Hij tracht den zondaar te verhinderen in het kennen van en gelooven in den Heiland. Hij vecht Gods kinderen gedurig aan. Door zijn invloed zijn vroeger duizende geloovigen omgebracht. Door gebrek aan gebed en waakzaamheid aan de zijde cler Christenen, is door hem menige planting des Heeren bedorven. Hoe vaak bedierf hij alles, door twist en verdeeldheid te verwekken in de gelederen der geloovigen. Thans is door hem het grootste gedeelte van het Christendom afgevallen. Wat hij begon in het Paradijs zet hij nog altijd voort. Tot in de vallei des doods toe tracht hij hen, die den Heer toebehooren, te bestormen.

Als de aarde verlost is van die booze macht, dan zal zeker de heerlijke vrucht daarvan wel ontdekt worden

We lezen in den Bijbel van drieërlei val des Duivels. De eerste is zijne verbanning uit den Hemel, Openh. 12. De tweede is zijne verwerping in den afgrond, waarin hij duizend jaren zal opge-

-ocr page 129-

155

sloten zijn Openh. 20. De derde is zijne verwerping in den poel, die brandt van vuur en sulfer Openh. 20. Het is de tweede val, waarvan we nu spreken. De Duivel, in den afgrond geworpen, zal de volken niet meer kunnen verleiden, noch ook maar eenigermate zijn boos werk kunnen voortzetten. De boden des vredes, uitgaande om de volken met den naam van Jezus bekend te maken, zullen niet behoeven te klagen: „de Satan heeft ons verhinderd.quot; De groote tegenstander des Heeren, de kracht der wereld, kan, zoolang hij gebonden is, geen kwaad meer doen. Verleiding, aanvechting en tegenstand des Boozen hebben opgehouden. Dit is zeker een heerlijke zaak en behoort mede tot datgeen, wat de heerlijkheid van het duizendjarig rijk uitmaakt.

3. Er zullen drie onderscheidene klassen van menschen zijn, die de knieën voor den Heer zullen buigen.

De Gemeente, uit alle geslacht en taal en volk en natie, door den H. Geest tot Jezus gebracht, zal de eerste in heerlijkheid zijn. Zij is met alle geestelijke zegeningen gezegend in den Hemel in Christus Jezus. Waar Jezus is daar is zij. Zij wordt met Hem geopenbaard, en is met Hem in den Hemel. Van Christus en de Gemeente dalen hemelsche zegeningen steeds op aarde af. De Gemeente is niet bestemd om in Palestina te wonen. Nergens lezen we dat in den Bijbel. Palestina zou die duizenden en duizenden

-ocr page 130-

126

ook niet kunnen bevatten. De Gemeente is niet wedergeboren tot eene verderfelijke hoop, zoo als ook in het duizendjarige rijk al het ondermaan-sche nog verderfelijk isy maar zij is wedergeboren tot eene levende hoop, tot eene onverderfelijke en onbevlekkelijke erfenis, die in den Hemel bewaard wordt. Zij geniet niet de gezegende vruchten van de bergen Israels, maar zij geniet, in en met haar Hoofd Jezus, den levenden God in den Hemel, Gelijk zij het bééld des aardschen gedragen heeft zal zij ook het beeld des Hemelschen dragen.

Die hoop is heerlijk. Hier begint de Gemeente de spening aan de wereld en de verbreking van den uitwendigen mensch, om de beginselen van het he-melsche genot te smaken; daar leeft zij volkomen in de heerlijkheid.

In Openb. 21: 9—27 en hoofdst. 22: 1—5 vinden we eene schoone beschrijving van wat de Gemeente in het duizendjarig rijk zal zijn en genieten. De eerste acht verzen van lioofdst. 21 behooren nog bij het laatste gedeelte van hoofdst. 20.

Achtereenvolgens komt in dat hoofdst. voor: vs. 1—3. Het sluiten van den Duivel in den afgrond. vs. 4—6. De heerschappij der Gemeente in het duizendjarig rijk. vs. 7—10. De ontbinding van den Duivel op het einde van het duizendjarig rijk, het weeropvatten van zijn werk der verleiding en zijne verwerping in den poel, die brandt van vuur en sulpher. vs. 11—15. Het laatste oordeel. Hoofdst. 21: 1—8 geeft eene beschrijving van den nieuwen

-ocr page 131-

hemel en de nieuwe aarde na het laatste oordeel.

Nu wordt Johannes weer teruggevoerd. Een dei-Engelen, die de zeven fiolen hadden, vertoont hem de Bruid, de vrouw des Lams, zooals zij, niet na het laatste oordeel, maar in het duizendjarig rijk zich openbaart. Zie vs. 24 en 22: 2. Joh. ziet het Jeruzalem dat boven is, niet het aardsche, als eene schoone stad. Alles wat heerlijk is wordt van haar getuigd. Zij bevat geenen tempel, want de Heer, de almachtige God is haar tempel. Zij wordt niet verlicht door zon of\' maan, want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is hare kaars. En de volken, die zalig worden, sullen in haar licht wandelen\', en de koningen der aarde brengen hunne heerlijkheid in dezelve. Geene ellende of verschrikking is in haar. En geene vervloeking sal er meer tegen iemand zijn; en de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en zijne dienstknechten zullen Hem dienen; en zullen zijn aangezicht zien, en zijn naam zal op hunne voorhoofden zijn. En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van noode hebben; want de Ueere God verlicht hen; en zij zullen als koningen heerschen in cdle eeuwigheid.

Dit is de beschrijving van eene heerlijkheid, welke op aarde, noch door Israël, noch door de volken zal genoten worden. Daar te zijn, het Lam te volgen en de kroon voor Jezus neer te werpen, welk eene zaligheid!

De tweede klasse menschen in het duizendjarig rijk is Israël.

-ocr page 132-

128

Wij hebben het reeds gezien: Israël wordt toegebracht door het zien van Jezus. De beloften, aan de vaderen gedaan, zullen vervuld worden. Israël zal in het duizendjarig rijk het priesterlijk koninkrijk, het hoofd der natiën zijn.

Op meer dan eene plaats in den Bijbel wordt de voorrang van Israël ons aangewezen. De nakomelingen van Jakob zijn verlost om tot in eeuwigheid een bijzonder volk, een volk Gods te zijn. Zie hoe David dat vermeldt in zijn gebed 1 Kr on. 17: 21, 22. En loie is als uw volk Israël, een eenig volk op de aarde, hetwelk God heengegaan is zich tot een volk te verlossen, dat Gij U eenen naam rnaaktet van groote en verschrikkelijke dingen met de Heidenen uit te stooten van het aangezicht mvs volks, hetwelk Gij uit Egypte verlost hebt!1 En Gij hebt uw volk Israël U ten volk gemaakt tot in der eeuwigheid*; en Gij, Heer zijt hun tot eenen God geworden. In Jes. 61; 5, 6 zegt de Heer: En uitlanders zullen staan en uwe kudden weiden; en vreemdelingen zullen uwe akkerlieden en uwe wijngaardeniers zijn. I)och gijlieden zult priesters des Heeren heet en, men zal u dienaars onzes Gods noemen: gij zult het vermogen der Heidenen eten, en in hunne heerlijkheid zult gij u beroemen. Vooral zijn opmerkelijk de woorden in Jes. 31: 7. Want zoo zegt de Heer: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der Heidenen; doet het hoor en, lof zingt, en zegt\'. O Heer: behoud uw volk, het overblijfsel van Israël. Reeds in E.vod. 4: 22 lezen we: Alzoo zegt

-ocr page 133-

129

de Heer: Mijn Zoon, mijn eerstgeborene is Israël. Zie ook nog ZarJi. 8: 23. A lzoo zegt de Heer der heirscharen: Het zal in die dagen geschieden, dat tien mannen uit allerlei tongen der Heidenen grijpen zullen, ja de slip grijpen zullen van eenen joodschen ■man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord, dat God met ulieden is.

De Heer zal dus zijne heerlijkheid bijzonder aan Israël openbaren. Hij zal onder hen wonen, zoodat het als een priesterlijk koninkrijk zal staan tusschen God en de volken. Tot Israël wordt gezegd : En koningen zullen uwe voedsterheer en zijn, hunne vorstinnen uwe zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof uiver voeten lekken. Jes. 49 : 23.

De Joden zullen uitgaan over den ganschen aardbodem om het heil des Heeren bekend te maken. De volken zullen hen achten en hen noemen: Het zaad dat de Heer gezegend heeft. Zij zullen als boden des vredes allerwege bemind worden. Yele volken en machtige Heidenen zullen de heerlijkheid des Heeren te Jeruzalem gaan aanschouwen. Zach. 8: 20—23. 14: 16.

De gansche strekking der Oud testamentische beloften, aangaande Israël, is van dien aard dat zij ons liet geluk doet kennen van Israël; en ook in en door Israël, van de volken.

Eene derde klasse maken de volken en de natiën der aarde uit.

Door Israëls dienst tot den Heer gebracht, zullen

9

-ocr page 134-

130

t

de volken ook steeds in Israël gezegend zijn. De wensch en bede, in den tilxten Psalm uitgesproken, zal vervuld worden: God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe zijn aanschijn aan ons lichten. Opdat men op de aarde niven weg kenne, onder alle Heidenen uw heil. De volken zullen U, O God! loven, de volken, allemaal, zullen U loven. De natiën zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natiën op de aarde, die zult Gij leiden. De Volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zidlen U loven. De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen. God zal ons zegenen; en alle einden der aarde zullen Hem vreezen. Op nog een paar teksten, waarin van de heerlijkheid der volken wordt gewaagd, willen we wijzen. Deze zijn Ps. 68: 32. Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Moor en-land zal zich haasten zijne handen tot God. uit te strekken, en Ps. 72: 8—11. En Hij zal heerschen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde. De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijne vijanden zullen het stof lekken. De koningen van Thar sis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheha en Scha zullen vereeringen toevoeren. Ja, alle koningen zidlen zich voor Hem nederbuigen, alle Heidenen zidlen Hem dienen.

De profetie is vol van heerlijke toezeggingen, aangaande de volken, die in Israël gezegend zullen

O quot; O O

zijn. Als al die toezeggingen in vervulling treden.

-ocr page 135-

zal de wereld een ander aanzien verkrijgen dan zij nu heeft. Nu heeft de Duivel een machtigen in-vloed op de vorsten en volken. Dan zal de invloed va7i Gods volk machtig wezen. Hoe gezegend zul-

O O O

len de volken zijn in \'t kennen en dienen van den Heer. Psalmen van lof\' en dank zullen ter eere van Israels God op bergen en in velden gezongen worden. Geen volk zal er zijn dat den Heer niet zal kennen. Ook met het oog daarop ziet de Gemeente met verlangen uit naar het oogenhiik, dat de heerlijkheid des Heeren op aarde zal gezien en aange-geheden worden.

Ook uitwendig zullen er dien tij d gro ote zegeningen zijn.

De zonfle heeft zooveel ellende veroorzaakt. De aarde is in lijden. Mensch en dier zuchten. De doornen en distelen zijn aanwezig. De Apostel Panlus wijst ons op dat lijden als hij zegt:

Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openharing der hinderen Gods. Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft, op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijaemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods, Want wij weten , dat het ganse he schepsel te zanien zucht, en te zanten als in barensnood is tot nu toe. En niet alleen dit, maar ook wij zeiven , die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zeiven, zeg ik, zuchten in ons zeiven, verwachtende

-ocr page 136-

182

de aanneming tot kinderen, namelvjk de rerlossing omes UcJiaams, Rom. 8: 19—23.

In liet duizendjarig rijk zal er zooveel lijden niet wezen. Zeker zullen, zoolang de eerste schepping nog stand heeft, de gevolgen der zonde aanwezig zijn. De dood is niet vernietigd. Evenwel zullen de zegeningen door Jezus te weeggebracht, overvloedig wezen. Dat wijst de Apostel aan met de straksgenoemde woorden: Op hoop dat ook hef schepsel zelf sal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid, der kinderen Gods.

De zonde heeft van tijd tot tijd hnre gevolgen meer doen gevoelen, getuige de toenemende verzwakking van het menschelijke geslacht, en het korte leven van den mensch als noodzakelijk gevolg daarvan. In het duizendjarig rijk zal de leeftijd des menschen langer duur hebben. Dit is een voor-i-echt dat met vele andere voorrechten in \'t nauwst verband staat. Wegens zooveel jammer in onze bedeeling, kan het lange leven thans niet onvoorwaardelijk als een zegen worden beschouwd. In het vrederijk zullen de rampen, die nu het sterven dikwijls een voorrecht doen zijn, niet bestaan. Hoeveel is er daarbij ook nu nog dat aan den levenskiem knaagt, dat de gezondheid en kracht ondermijnt en een vroegtijdig sterven veroorzaakt. Van dat alles zal dan de kracht zijn gebroken. Veel zal er zijn wat genot en blijdschap aanbrengt, wat de lichaamskracht sterken en het leven onderhouden zal.

-ocr page 137-

188

Het lange leven, op zich zelf beschouwd, kan geen zegen zijn. De korte levensduur, in onze bedeeling is een oordeel, maar een oordeel door middelen uitgevoerd. Verzwakking, ellende, moeite, verdriet, ziedaar enkele derzelve. Nu kunnen we ons voorstellen dat het lange leven een zegen, een groote zegen zal zijn, naardien het in verband staat met zoovee! goeds dat middellijk den levensdraad rekt. Daarbij komt nog dat het leven, te midden van aangename omstandigheden wordt genoten. Het lange leven wordt dan ook in den Bijbel als een voorrecht aangekondigd en als een zegen in \'t duizendjarig rijk toegezegd. Zoo lezen we Jes. 65; 18—25. Maar weest gijlieden vroolijk en verheugt u tot\' in der eeuwigheid in hetgeen. Ik schep; want ziet, Ik schep Jeruzalem eene verheuging, en haar volk eene vroolijkheid. En Ik zal Mij verhengen over Jeruzalem, en vroolijk zijn over Mijn volk: en in haar zal niet meer gehoord worden de stem der weening, noch de stem des geschreeuws. Van daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinige dagen, noch een oud man, die zijne dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven, honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar, honderd jaren oud zijnde, zal vervloekt worden. En zij zullen huizen bouwen en bewonen, en zij zullen wijngaarden planten en derzelver vrucht eten. Zij zullen niet bouwen, dat het een ander bewone, zij zullen niet planten, dat het een ander ete: want de dagen mijns volks zullen zijn als de dagen eens booms, en mijne uitverkorenen zullen

-ocr page 138-

134

het werk hunner handen verslijten. Zij zullen niet te vergeefs arbeiden, noch baren ter verstoring: want zij zijn het zaad der gezegenden des Heer en, en hunne nakomelingen met hen. En het zal geschieden, eer zij roepen, zoo zal ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zoo zal ik hooren. De wolf en het lam zullen ie zamen weiden , en de leemv zal stroo eten als een rund, en stof zal de spijs der slang zijn, zij zullen geen kwaad doen noch verderven op mijnen ganschen heiligen berg, zegt de Heer.

Dit is evenwel niet alles. Wat lezen we veel in den Bijbel van uitwendige zegeningen over Israël, als de vrucht van een Gode verheerlijkend leven! Zie slechts Deut. 28. Die zegeningen zullen rijkelijk over Israël, maar ook over de volken uitgestort worden. Er zal overvloed zijn van koren en most. De aarde geeft haar geious. Men zal in rust en vrede nederzitten onder den wijnstok en vijgeboom. Uit de reeds aangehaalde woorden, Jes. 65, blijkt dat de hindernissen zullen ophouden. De wolf en het lam zullen te zamen weiden en de leeuw zal stroo eten als een rund, en stof zal de spijs der slang zijn. Zie ook Jes. 11. In onze bedeeling worden nog steeds verwoestingen aangericht door oorlogen. Tal-looze weeën zijn daardoor ontstaan, en nog altijd worden die weeën vermeerderd. Dan zal er geen strijd, geen onlust, geen oorlog meer wezen.

5. Op het einde van dat tijdperk zal de Duivel ontbonden worden, en een opstand verwekken tegen de geliefde stad, waarvan

-ocr page 139-

135

het gevolg is, dat hij zal geworpen worden in den poel, die brandt van vuur en sulplier.

Wij slaan, ter beschouwing van dit punt op Openh. \'20. We lezen daar vs. 1 en verv.: En wanneer de duizend jaren zullen geëindiifd zijn, zul de Sutauas uit zijne gevangenis ontbonden worden. Eu hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, den Gog en den Mc~ goij, om hen te vergaderen tot den krijg: welker getal is als het zand aan de zee. En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad\', en er kwam vuur neder ran God uit den hemel, en heeft hen verslonden. En de Duivel, die hen, verleidde, werd geworpen in den poel des vuurs en sulphers, alwaar het beest en de valse he profeet zijn; en zij zidlen gepijnigd worden dag en navht in alle eeuwigheid.

De Satanas zal uit zijne gevangenis ontbonden worden. Ontzaglijke gedachte! Toch wordt hij niet ontbonden om vrij te zijn maar om zijn eigen oordeel uit te werken.

Zoolang de Duivel gebonden is zal er geen openlijke opstand wezen. Wel zijn er vel311, die met hun hart den Heer niet dienen, doch zij onderwerpen zich, dewijl de kracht, 0111 zicli te openbaren, hun ontbreekt. Op het einde van het duizendjarig rijk, dus kort voor het laatste oordeel, wordt hun eigenlijke toestand openbaar. De Duivel, ontbonden zijnde, gaat uit om de volken te verleiden. De vroegere aanvoerder van de kinderen der ongehoor

-ocr page 140-

186

zaamheid vindt velen, in wie hij kan werken. Waren allen rustig toen hij gebonden was; onderwierpen toen allen zich aan de heerschappij van Christus, nu is liet zoo niet meer. Die des Heerefi zijn blijven bij Hem, en het is den Duivel niet mogelijk hen te verleiden. Hij werkt in degenen, die wel den schijn hadden van den Heer toe te behooren, maar toch het wezen daarvan misten. Nu losgelaten, voert hij, met degenen, die onder zijne leiding staan, aanstonds zijn vorig bedrijf uit. Opstand tegen den Heer, zooals hij in \'t Paradijs was begonnen en sedert had voortgezet, ziedaar zijn doel. Werktuigen vindt hij bij duizendtallen. Hij bezielt eene menigte, welker getal is als het zand aan de zee. Deze komen in opstand. De legerplaats der heiligen, de geliefde stad is het mikpunt. De nijd en hoogmoed, nog altijd aanwezig, maar tijdens de gevangenschap des Duivels sluimerende, worden opgewekt. Waarom zal er een volk zijn dat den voorrang heeft? Waarom moet Israël het hoofd dei-natiën, liet priesterlijk koninkrijk wezen? Het wordt niet beseft dat de voorrang van Israël in \'t duizendjarig rijk, juist ten zegen der wereld verstrekte, evenmin als men in de woestijn het als een voorrecht kon beschouwen dat Mozes begaafd was om een voorganger van Israël te zijn.

De menigte, die in \'t harnas wordt gejaagd, lieet Gog en Magog. Van den eigenlijken Gog en Magog is spraak Ezech. 38 en 39. Wij hebben daarop te voren reeds gewezen. Deze zal vóór het duizend-

-ocr page 141-

187

jarige rijk een aanval op Jeruzalem doen, doch zijne heirlegers zullen op de bergen Israëls verslagen worden. De volken op het einde van het duizendjarige rijk, komen op dezelfde wijze in opstand en worden zeer waarschijnlijk daarom ook Gog en Magog genoemd.

Doch niet alleen de opstand, maar ook het oordeel over deze volken, is in overeenstemming met dat, van den eigenlijken Gog en Magog. Even als zij, worden ook deze onmiddellijk door het strafgericht des Heeren verdelgd. Wij lezen: En er kwam vuur neder van God uit den hemel en heeft hen verslonden. Zij werken dus hun eigen oordeel uit.

Nu volgt het oordeel des Duivels. En de Duivel, die hen verleidde, werd geworpen in den poel des vuurs en des sulphers, alwaar het beest en de valsche \'profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.

Welk een vreeselijk lot! Zijne kracht is voor eeuwig gebroken, zoodat hij op geen tijd van uitkomst of verlossing kan hopen.

6. Dit tijdperk gaat over in het laatste oordeel, en de overgaaf van het koninkrijk aan den Vader.

Nadat aan Johannes het oordeel over de, in opstand gekomen volken en dat des Duivels was vertoond, ziet hij het laatste oordeel. In korte trekken wordt dat beschreven vs. 11—15. En ik zag eenen grooten. witten troon, en dengenen, die ^ daarop zat, van wiens aangezicht de aarde en de hernel wegvloden,

-ocr page 142-

138

en geene plaats is voor die gevonden. TÏh ik zaq de dooden, klein en groot, staande voor God; en de hoeken ■werden geopend; en een ander hoek werd geopend, dat des levens is; en de dooden \'werden geoordeeld uit hetgeen in de hoeken geschreven was, naar hunne werken,. En de zee gaf de dooden, die in haar toaren; en de dood en de hel gaven de dooden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar hunne iver-ken. En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs; dit is de tiveede dood. En zoo iemand niet gevonden werd geschreven in het hoek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs.

De dooden, klein en groot, staan voor God. Do algemeene opstanding heeft nu plaats. Allen staan op, die de eeuwen door niet in den Heer ware» ontslapen, en daarom geen deel hadden in de eerste opstanding. Daarbij allen, die in het duizendjarig rijk stierven. De eindbeslissing is aangebroken. De Zoon geeft het koninkrijk aan den Vader over en doet te niet alle heerschappij en alle macht en kracht. Hij zelf wordt onderworpen aan den Vader, opdat God zij alles in allen, 1 Cor. 15: 24—28.

Zalig hij, die Jezus kent, in Hem gelooft en in zijnen naam den goeden strijd des geloofs strijdt. Hij heeft eene heerlijke verwachting.

De tijd is zwanger van gebeurtenissen. Wij hebben gewezen op de groote teleurstelling als wij nog iets hier beneden verwachten. Ons burgerschap is boven. De .Heer heeft gezegd: Ik kom weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook moogt zijn, waar Ik

-ocr page 143-

139

ben. Dat is onze hoop, ons uitzicht, ons alles. Zoolang wij hier zijn hebben we, in gemeenschap met elkander, en elk in \'t bijzonder, eene roeping te vervullen. \'Zij ons oog op den Heer, opdat we getrouw zijn, en in do betrachting onzer roeping, Hem verheerlijken.

-ocr page 144-
-ocr page 145-

1 N H O U l).

Blz.

1. Een woord vooraf............7.

2. Kort overzicht................10.

3. Onderscheid tusschen Israel en de Gemeente....................14.

4. Toevergadering der Gemeente tot

den Heer..........20.

5. De zielen onder het altaar of de groote schare van Openb. 7. . . 28.

6. De mensch der zonde.....36.

7. Israels toekomst.......55.

8. Oordeel over Rome......67.

9. Oordeelen over den koning van het Zuiden en den koning van het Noorden....................83.

10. De verschijning des Heeren ... 91.

11. Het duizendjarige rijk.....116.

■ • ut i •—

-ocr page 146-
-ocr page 147-

Bij den Uitgever dezes zijn mede versclenen:

Eene Getuigenis voor de Waarheid,

Een woord naar aanleiding der eerste lezing op godsd. gebied.

GEHOUDEN DOOR DEN HEER S. LU L O ES,

P\'ed. der Doopsgezinde Gemeente ie Winterswijk.

DOOR

M S I P K E s

Prijs \'20 Cent.

Een woord naar aanleiding der tweede lezing van den heer S. LULOPS,

DOOK

M. S I P K R S.

Prijs 20 Cent.

Een woord naar aanleiding der derde en vierde lezing van den Heer S. LULOPS,

DOOR

11. N I P 14 JE Ü.

Prijs 80 Cent.

-ocr page 148-

BENIGE GEDACHTEN

IN BETREKKING TOT

HET SCHOOLWETSONTWERP.

DOOR

S. A. VAN DEN HOORN,

Predikant te Brenhelen.

Prijs 40 Cent.

rquot;

TUSSCHEN DE SCHOVEN OPGELEZEN,

C. H. SPURGEOIV.

158 pag. in postformaat.

Dit werkje, waarvan de prijs tot heden ƒ1,— was, wordt thans aangeboden voor

6 0 CENT.

Op SO Kx. na is dit schoone boekje uitverkocht.

-ocr page 149-
-ocr page 150-
-ocr page 151-
-ocr page 152-