-ocr page 1-

X 396

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

OVERWEGINGE N

OVER HET

BITTER LIJDEN

ONZES HEEREN.

-ocr page 6-

Al gemene Provincie Kataioo^ Minderbroederskiooster

Alverna Gld

-ocr page 7-

OVERWEGINGEN

OVER HET

BITTER LIJDEN

0II1S lllill

voor eiken dag der Vasten.

DOOR

J. G. H. C. ESSINK,

Kan. Deken en plebaan der Metropolitann kerk te L'lrecht.

Derde druk.

UTRECHT,

DEKKER amp; VAN DE VEGT. 18 9 8.

-ocr page 8-

IMPRIMATUR:

Dr. I. A. van Os,

Libr. Cens.

RIJSENBURG, io Januarii 1898.

-ocr page 9-

VOORWOORD.

IV// nu, zegt de //. Paulus, verkondigen den ge-kruis ten Christus, voor de yoden wet is waar eene ergernis en voor de Heidenen een-: dwaasheid: doch voor hen, die uit de yoden en Heidenen geroepen zi/n : Christus, de kracht Gods en de -wijsheid Gods.

Kr was wellicht nooit een tijd, -waarin het den christen meer pastte zich dit woord van Paulus steeds in hei geheugen te roepen dan deze tijd, -waarin on-gelooj en goddeloosheid zoo zeer aan het Kruis van Christus zich ergeren en zoo luide spotten met de kracht en de -wijsheid Gods.

Den christen, die onze hoogmoedige, zinnelijke en aardsehgezinde eeuw eenigszins heeft gadegeslagen, moet het eene behoefte zijn zich te verkwikken in de ov er-weging van 's Ifee ren lijden en aan den voet van 'slleeren Kruis met verduhbelden ijver te leeren, hoe uien de -wereld overwinnen moet.

-ocr page 10-

De .overwegingen, die ik den godvruchtigen lezer hier aanbied voor eiken dag der Vasten, bevatten gedachten, gevoelens en begeerten, die yes lts' lijden en Kruis bij mij opwekten. Hetere, se hoon ere en meer verheffende zullen er in andere, over dezelfde stof geschreven boeken, gevonden worden; misschien zac de godvruchtige lezer door eigen overwegingen zich zeiven meer kunnen stichten^ dan door het lezen van dit boekske. Doch ook in dit geval zelfs zal mijn arbeid niet geheel vruchteloos zijn. De welwillende lezer beschouwe hem dan slechts als eene bevestiging van hetgeen hij zelf ondervonden heeft: dat het lijden en de wonden van yesus voor elkeen en in alle omstandigheden eene bron zijn van troost, bemoediging, kracht en sterkte, van licht en vrede in het gewoel der wereld, van een vast geloof, onwrikbaar vertrouwen, vurige liefde en oprechte droefheid over de zonde; kortom, van alle gevoelens, die den strijder van Christus en het kind Gods betamen.

Daar ik, wegens het mij voorgestelde doel, aan een bepaald getal overwegingen mij te houden had, en aan elke ovetweging slechts eene beperkte ruimte kon geven, terwijl ik toch den loop der lijdensgeschiedenis zooveel mogelijk wenschte te volgen, zag ik mij genoodzaakt, daar eerst een aanvang te maken^ waar Jesus uitgaat naar Gethsemani.

Ik eindig met den wensch, dat de godvruchtige lezer niet alleen in dit boekske eenige stichting vinde, maar dat hij meer en meer moge opgewekt worden tot de ovenueging van het lijden des Heeren en, steeds weder-

-ocr page 11-

hecrende tot de ïvcnden en het Kruis van Jesus, daar vinden moge ivat Gods dienaren en heiligen er altijd gevonden hebben.

liet gunstig onthaal, 't -oclk .?lt;?;/ de eerste uitgave van dit werkje te beurt viel en waardoor een herdruk werd veroorzaakt, heejt mij in de overtuiging bevestigd, dat de overweging van het lijden des 11 eer en de meest geliefkoosde oefening is dei' vrome Christenen.

Met innige voldoening bied ik daarom deze derde onveranderde uitgave den vromen lezer aan.

-ocr page 12-
-ocr page 13-

Aschdag.

Hajc cum dixisset Jesus, egressus est cum discipulis sui.-; trans torrentem Ccdron.

Joan. XVIII : i.

Toen Jesus dit gezegd had, is Hij met zijne leerlingen uitgegaan over de beek Kedron.

Het laatste avondmaal spoedde ten einde, toen Judas zijn goddelijken meester verliet en zich naar de Joden begaf, ten einde de laatste beschikkingen te maken, die nog noodig mochten zijn tot voltrekking van het verraad. Terwijl de trouwelooze leerling zich geheel ter beschikking stelde van de gezworen vijanden des Heeren en met de Joden de laatste maatregelen beraamde, besloot Jesus de groote plechtigheid van het avondmaal met de zielroerende vermaningen door den Evangelist Joannes opgeteekend en met het hoogepries-terlijke gebed voor de apostelen en voor allen, die op hunne prediking eens in Hem zouden gelooven. Daarna ging Hij met zijne leerlin-

-ocr page 14-

2

gen uit Jeruzalem over de beek Kedron. Laat ons heden den Verlosser beschouwen, die daar uitgaat zijne vijanden en zijn kruis te gemoet!

Dat Jesus vrijwillig uit gehoorzaamheid jegens den hemelschen Vader en uit liefde tot ons menschen geleden heeft, welk Christen weet dit niet ? En toch zeg ik zonder aarzelen, dat deze waarheid niet diep genoeg gegrift is in ons hart, niet helder genoeg staat voor onzen geest. Nimmer mogen wij Hem zien geslagen, bespogen en vertrapt, nimmer mag Hij voor onze oogen staan door geeselslagen verscheurd en met doornen gekroond, nimmer mogen wij een blik werpen op den Meester, die aan het kruishout sterft, zonder dat wij in liefdevolle smart het woord van den Evangelist herhalen : Egressus est. daartoe is Hij uitgegaan.

Het was nacht; de nacht door den verrader uitgekozen; de nacht door de Joden met ongeduld verbeid; de nacht, waarin de boosheid hare verzamelde krachten zal ontplooien om de gruwelijkste misdaad in duizend vormen te plegen; de nacht eener helsche duisternis, zoo als er geen tweede geweest is, noch komen zal. Jesus kende dien nacht in al zijne verschrikkingen. Hij wist wat Hij te gemoet ging; de lijdensweg lag open voor zijn oog, aan diens einde zag Hij reeds het kruis. Judas neemt met de Joden nog vele voorzorgen om het verraad te doen gelukken, zij vreesden nog; maar Jesus wist wat aan niemand bekend was : den geheelen afloop van den aanslag. Hij hoorde den verrader zeggen ; dien ik kussen

-ocr page 15-

3

zal. die is het, grijpt Hem en leidt Hem voorzichtig weg; Hij zag de touwen, stokken en zwaarden, die men bestemde tot den aanval, en dit alles gaat Hij vrijwillig te gemoet. Hij gaat ter plaatse, waar de bende zal komen, als hadde Hij deelgenomen aan de afspraak der Joden; Hij gaat er henen, alvorens zijne vijanden nog gereed zijn; Hij zal hen afwachten, te gemoet gaan.

Eenige oogenblikken voor datjesus Jerusalem verliet, sloeg Hij zijne oogen ten hemel en sprak : Vader het uur is gekomen. Wanneer gij dan nu den goddelijken Verlosser uit feru-salem over de beek Kedron ziet trekken en de lust u bekruipt om Hem te vragen : Heer, waarom gaat Gij daarheen, weet Gij dan niet dat de Joden U daar zullen zoeken ? Jesus antwoordt u : venit hora, het uur is gekomen.

Als kind heeft Jesus zich aan de vervolging van Herodes onttrokken, omdat het uur nog niet gekomen was; tijdens zijn openbaar leven onttrok Hij zich meermalen aan de aanslagen der Joden, want het uur was niet daar, maar thans, nu het uur gekomen is, begeeft Jesus zich naar Gethsemani, eerder gereed om den verraderlijken kus te ontvangen, dan Judas om het verraad te voltrekken. Judas, zoo luidden de laatste woorden, welke Jesus tot den verrader sprak, toen deze van Hem henen ging. Judas wat gij doet, doe dat spoedig; alsof Hij zeggen wilde : Judas. Ik zal daar eerder zijn dan gij. Zie dan Jesus, nu het uur gekomen is, daarhenen trekken, zijne vijanden vooruit,

-ocr page 16-

opdat gij weten moogt, dat Hij een grooter verlangen heeft om te sterven voor het heil der wereld, dan zijne vijanden hebben om Hem te dooden.

Wanneer wij Jesus in de nachtelijke stilte Jerusalem zien uitgaan naar den Olijfberg, dan houden wij onze aandacht uitsluitend op die handeling gevestigd; onze bekrompen geest ziet dan slechts dezen uitgang, die een einde maakte aan dat moeitevol leven, 't welk Hij begon, toen Hij van den Vader uitging en op de aarde kwam. Doch wanneer was Jesus zonder kruis, zonder lijden? En bij al zijn honger en dorst, bij alle vermoeienis, verlatenheid en tegenspraak, bij allen smaad en hoon, die Hij van de Joden ondervond, stonden nog zijn laatste uitgang en het kruis van Golgotha steeds dreigend voor zijne oogen; Hij wist, dat elk oogen-blik van zijn leven eene schrede nader bracht tot het uur, waarin wij Hem thans gekomen zien. Niet alleen heeft Hij dit geweten, maar Hij heeft het ook gewild. Hetzij gij Jesus aanschouwt gedragen op de armen zijner moeder; hetzij gij Hem al leerende en weldoende het land ziet rondtrekken, hetzij gij Hem zijne vijanden ziet ontgaan, steeds kunt gij zeggen ; mijn Jesus is op weg naar Gethsemani en Golgotha. Ja dit moet gij wel beseffen; Jesus wil dat gij er van doordrongen zijt. Waarom toch sprak Hij gedurig tot zijne leerlingen over het vreeselijk uur, waarin wij Hem nu gekomen zien; waarom wees Hij hen naar Jerusalem als de plaats waar Hij de laatste eu bitterste

-ocr page 17-

5

droppelen uit den lijdenskelk drinken zou; waarom sprak Hij zoo uitvoerig tot hen over de bijzonderheden van zijnen dood ? Opdat zij nooit zouden vergeten, dat Hij zijn kruis steeds voor oogen had en het in liefde heeft gezocht.

Sla thans echter uitsluitend uw oog op Jesus. die met zijne leerlingen Jerusalem uittrekt om vrijwillig den geheelen kelk te ledigen. Neerslachtig gingen de leerlingen aan'sHeeren zijde. Hoewel zij de voorspellingen van hunnen Meester niet begrepen hadden, zij gevoelden toch dat zich een zwaar onweder boven hunne hoofden samenpakte, dat er vreeselijke dingen stonden te gebeuren: bij elke schrede werd hun de toekomst donkerder. Jesus had hun in de laatste oogenblikken over niets gesproken, dan over het verraad, de aanstaande ergernis, de verstrooide schapen, den geslagen herder, zijn lijden en dood; al die woorden kwamen gestadig, als zoo vele schrikbeelden voor hunnen geest; treurig gingen zij naar den Olijfberg, en toch begrepen zij dezen uitgang niet. Jesus alleen zag wat voor de oogen der leerlingen verborgen was. Hij konde ook hier herhalen : wat ik thans doi\ weet gij niet. later zult gij het begrijpen. Later, ja, binnen eenige uren zal de gordijn geheel worden weggerukt, en de verbaasde leerlingen zullen in diepe verslagenheid zien welk een onmetelijk lijden Jesus is ts gemoet gegaan. Maar zullen zij het dan begrijpen ? Nog niet. Later, wanneer de verrezen Meester hun de kalmte heeft teruggebracht, wanneer zij genezen van hunne ver-

T

4

-ocr page 18-

6

slagenheid, dien laatsten uitgang in stilte overdenken, dan eerst zullen zij begrijpen wat de goede Jesus hier doet, dan zullen zij ons verhalen ; Hij wist alles en ging zijne vijanden te gemoet; Hij heeft ons bemind en Zich zeiven Toor ons overgeleverd; Hij heeft Zich overgeleverd. omdat Hij het Zelf gewild heeft.

O, die nacht, die treurige duisternis, die laatste uitgang, steeds stonden zij den leerlingen voor den geest! Men verhaalt van Petrus, dat hij, op raad en door de hulp der Christenen uit de gevangenis ontvlucht om de handen van den wreeden Keizer Nero te ontkomen, j uist toen hij Rome uitging Christus ontmoette; de verbaasde leerling vroeg : Heer waar gaat gij henen, en de Heer antwoordde : ik ga naar Rome om weder gekruisigd te worden. Welk een ontzettende indruk maakte dit woord op den vluchtenden apostel! In een oogwenk stond de akelige nacht, de laatste uitgang, de vrijwillige overgave van Jesus in den dood voor zijnen geest. Hij zag zich de matelooze liefde des Heeren door dat eenvoudige woord te binnen gebracht, en had nu geen andere begeerte dan voor Jesus zich over te geven in den dood; onmiddellijk keerde hij naar de gevangenis weder.

Lieve Christen denk heden, den eersten dag van de h. Vastentijd, aan 's Heeren laatsten uitgang. Heden toch verschijnt u de goddelijke Verlosser en zegt tot u, wat Hij aan de poorten van Rome tot Petrus zeide ; Ik ga gekruisigd worden. Gelijk Ik eens vrijwillig aan het lijden

-ocr page 19-

Mij overgaf, üoo zullen thans mijne getrouwe leerlingen aan lijden, versterving, vasten en boete zich overgeven, opdat Ik in hen mijn lijden voortzette. Ik ga gekruisigd worden ! O mocht de herinnering aan 's Heeren laatsten uitgang, aan Jesus vrijwillig lijden ons nopen, dwingen en aanhoudend drijven tot vasten, versterving en zelfkastijding.

Hebt gij al bij u zeiven besioten, wat gij in dezen tijd u wilt opleggen ? Natuurlijk zult gij de vastenwet nauwkeurig onderhouden, indien wettige redenen u niet ontslaan; maar zult gij het ook met liefde en blijdschap doenr Zult gij ii buitendien ook nog in andere zaken versterven; zult gij uwe hartstochten meer beteugelen; zult gij meer arbeiden, waken en aalmoezen geven; meer bidden en minder uitspanning nemen ? Treed in overleg met u zeiven, maak bepaalde voornemens, wat gij doen zult en ga dan met Jesus uit.

-ocr page 20-

Donderdag na Aschdag.

Tunc dicit illis Jesus : Omnes vos scandalum patiemini in me in ista nocte ; scriptum est cnim percutiam pastorem et dispergentur oves gregis. Math. XXVI : 31

Toen zeide Jesus tot hen : gij allen zult in dezen nacht aan Mij geërgerd worden; want er staat geschreven : ik zal den herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden.

Gisteren hebben wij den laatsten uitgang van Jesus naar den Olijfberg overwogen. Wij zagen de leerlingen treurig en neerslachtig aan zijne zijde voortgaan, hoewel slechts een donker voorgevoel van de dingen, die komen zouden, hen ter neer drukte ; want Jesus alleen wist wat Hij vrijwillig te gemoet ging en hoe bitter een lijden Hij op zich nam. Binnen eenige uren nu zal de gordijn worden weggerukt, dan zullen de schapen den herder zóó geslagen zien, dat zij allen aan Hem geergerd worden. Ontsteltenis zal hen aangrijpen, verwarring zal zich van hen meester maken, akelige schrikbeelden zullen hen het hoofd

-ocr page 21-

9

doen verliezen, dichte nevelen zullen hen omgeven, zij zullen als radeloos niet meer weten wat te denken of te doen. Kortom ; in de ure der duisternis zullen wij hen zien dwalen als schapen zonder herder.

Het geloof der leerlingen was noch helder, noch krachtig genoeg om hun licht te geven in de duisternis van dezen nacht en sterkte tegen het geweld van 's Heeren vijanden. Uit de ergernis, waaronder de leerlingen bezweken zijn, kunnen wij de diepte van 's Heeren lijden en vernedering afmeten zoowel als de zwakheid van ons menschelijk hart en de bekrompenheid van onzen geest, want wacht u wel te denken, dat gij sterker zijt dan de leerlingen waren en dat uw geloof krachtiger is dan het hunne.

Toen de meeningen omtrent den persoon des Heeren verschilden en men zich de zonderlingste denkbeelden over Jesus vormde, toen vroeg de Verlosser aan zijne leerlingen : maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben r Simon Petrus antwoordde zonder aarzelen ; Gij zijt de Christus, de Zoon i'an den levenden God. Eenvoudige, maar verhevene getuigenis ! Als in heilige opgetogenheid staart Jesus Petrus dan ook aan, en zegt ; Zalig zijt gij, Simon Bar-Jona, want vleesch en bloed hebben u dit niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is. De diepe en kalme overtuiging, waarmede Petrus sprak, de heldere blik, die hem in de gestalte van den dienstknecht den Zoon Gods deed onderscheiden, konden slechts

-ocr page 22-

10

vruchten zijn van de openbaring des Vaders. Simon Petrus had wel is waar de almacht, de goddelijke wijsheid en goedheid van Jesus in duizende werken en wonderen aanschouwd, maar ook dagelijks zag hij de zwakheid des Heeren in den aangenomen menschelijken natuur : hij zag zijn Meester in alles aan ons gelijk geworden behalve in de zonde ; hij zag Hem hongeren en dorsten, onderworpen aan hitte, koude en vermoeienis; hij zag Hem behoefte hebben aan rust en slaap. De heldere blik des geloofs deed hem echter de almacht in de zwakheid, de ongeschapene glorie in de vernedering, de onveranderlijkheid van den Schepper in de nooddruftige behoeften van het schepsel aanschouwen. Heerlijk geloof! En sinds zijne eerste getuigenis heeft Simon Petrus dat geloof niet verloren. Nooit week hij van Jesus' zijde; toen anderen aan den Heer zich ergerden en henengingen om niet terug te keeren, toen sprak Petrus : Heer, tot wien zouden wij gaan ? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.

Het geloof van Petrus en zijne medeapostelen was krachtig genoeg om menige beproeving het hoofd te bieden. Zalig zij, die aan mij niet geërgerd worden ; aldus sprak Jesus reeds in de dagen, toen Hij onder vele teekenen het land doortrok, en de apostelen konden die zaligspreking met recht op zich toepassen. Nog nooit waren zij in den Heer geërgerd. .Zij hadden hunnen Meester door de priesters en schriftgeleerden gehoond en ge-

-ocr page 23-

11

lastere! gezien, zij waren er bij tegenwoordig, toen Jesus door eene woedende menigte werd aangegrepen en buiten de synagoge gesleurd, zij hadden opgemerkt welke hinderlagen de Joden aan Jesus legden en hoe de Heer de booze aanslagen ontvluchtte, maar van 'sHee-ren zijde weken zij niet. Hun geloof was krachtig genoeg om met Jesus te deelen in de moeielijke tochten, in de ontberingen, in de vervolgingen en in den haat der Joden. Ja, thans nog, als de Heer hun zegt, dat zij aan Hem zullen geërgerd worden, antwoorden zij volmondig : Heer, wij zijn bereid met U den dood in te gaan. Deze laatste verzekering was wel vermetel, doch zij was oprecht gemeend en bewijst, dat hun geloof nog niet geleden had.

Ook is het uur der duisternis hen niet onverhoeds overvallen. Hoe meer het naderde, des te dringender werden de waarschuwingen des Heeren ; Jesus' laatste vermaningen waren eene herhaalde zinspeling op de zware beproevingen, welke de leerlingen op het punt waren van te ondervinden. En toch zijn de leerlingen geërgerd, en toch was hun geloof niet helder en krachig genoeg om die hevige stormen weerstand te bieden. Wanneer gij hen nu doodsbleek en sidderend ziet vluchten, wanneer gij Petrus slechts in de verte zijnen geboeiden Meester ziet volgen en hem, in het toppunt der verwarring, Jesus met vreeselijke eeden ziet verloochenen, denk dan niet, dat Petrus en zijne medeleerlingen lafaards waren.

-ocr page 24-

12

Lieve Christen, zij hadden meer moed dan gij en ik ; zij hadden moed genoeg om offers te brengen, waaraan wij nog nooit hebben gedacht; zij hadden alles verlaten om zich onverdeeld aan Jesus te hechten, en tot nu toe hebben zij zonder morren in alle vermoeienissen en ontberingen van hunnen Meester gedeeld. Ziet gij de leerlingen in dezen nacht geergerd, vergeet niet dat de beproeving ontzettend was, en leer daaruit, dat Jesus vrijwillig een lijden omhelsde, 't welk alle verbeelding te boven gaat.

Jesus zelf geeft aan de apostelen den lof der standvastigheid. Eenige oogenblikken, voor Hij met de zijnen Jeruzalem uittoog, sprak Hij tot hen : Gij zijt het, die standvastig in dc beproevingen aan mijne zijde hleejt. Zien wij dan de standvastigen geërgerd vluchten, laat ons, alvorens hun gedrag te veroordeelen, eens overwegen, hoe velen Jesus' zijde reeds verlaten hadden, toen deze pilaren nog onwrikbaar pal stonden.

Wil ik de vlucht der leerlingen verschoo-nen ? Dat zij verre ! Zij hadden, gewaarschuwd als zij waren, tegen de buitengewone beproeving door waakzaamheid en gebed buitengewone kracht moeten zoeken. Maar als de sterksten niet veilig zijn zonder aanhoudend gebed, wat zal er van ons, lafhartigen worden, indien wij de wapenrusting des geloofs niet aantrekken en onze smeekende handen niet aanhoudend opheffen tot den God van alle sterkte ?

Wij leven in eene diep bedorven wereld,

-ocr page 25-

13

de verwarring van ongeloof, zedenbederf en dwaling wordt steeds grooter; wij zien den herder geslagen in zijne bruid, de H. Kerk. Zijne leer, zijne voorschriften en geboden, zijn gezag, zijne h. sacramenten, zijne dienaren en zijne getrouwe leerlingen worden met de uiterste woede aangevallen. Laster en hoon, bedreigingen en spot worden bij de listigste verleidingen gevoegd. In geheime zamenzwe-ringen en in openbare bijeenkomsten,bij monde en in geschriften zonder tal, onder het mom der schijnheiligheid, zoowel als met afgrijselijke godslasteringen, worden deugd, godsvrucht en waarheid aangerand. Zelfs het kind is niet meer veilig onder de ouderlijke hoede. Indien wij ons thans nog verheugen oprechte kinderen van Jesus' bruid te zijn, indien wij de leer der Kerk met hart en ziel omhelzen, hare geboden zonder eenige menschenvrees stipt onderhouden, hare sacramenten ijverig ontvangen, hare feestdagen godvruchtig vieren gt; indien wij vluchten, wat de Kerk veroordeelt, haten wat zij haat, liefhebben wat zij bemint; indien jesus ook thans tot ons kan zeggen : gij ziji het, die in de beproevingen siandvastig aan mijne zijde bleef t; wie verzekert ons, dat wij zullen volharden ten einde toe, en nimmer aan Jesus zullen geërgerd worden ?

In het gebed, lieve christen, in gebed en waakzaamheid is alleen veiligheid voor ons te vinden. Laat ons de gevaren niet gering achten. Ook in onze dagen zijn er gevallen, die sterker waren dan wij. Zij vielen, de een

-ocr page 26-

14

omdat hij zich liet misleiden door vleierij en bedriegelijke beloften, de andere, omdat hij de loftuitingen eener bedorvene wereld zocht, een derde, omdat hij de bespotting vreesde, een vierde, omdat hij voor schade en benadeeling beducht was, doch allen, omdat zij niet op hunne hoede waren tegen de gevaren, en geen sterkte zochten in het gebed.

ü lieve Jesus, ik draag er roem op, een kind uwer h. Kerk te zijn ; de verwarring en de duisternis, die de wereld beheerschen, doen mij nog duidelijker inzien, hoe groot een voorrecht het is, aan hare zijde te staan. Maar dit voorrecht ben ik niet aan eigen kracht verschuldigd. Neen, ik zag er vallen, die veel sterker waren dan ik; aan uwe genade is het te danken, dat ik nog sta. Leer mij, lieve Jesus, leer mij waken en bidden, opdat ik U nimmer verlate, en indien het noodig is, met U ga tot in den dood. Amen.

Onderzoek waar, wanneer en hoe de wereld u van Jesus poogt af te trekken. Door vleierijen en schoone beloften, of wel, door bedreiging, benadeeling en spot; prikkelt zij uwe ijdelheid of lokt zij u door gevaarlijke vermaken ; ergert zij u door slechte voorbeelden en gesprekken, of nadert zij tot u met slechte boeken en dagbladen; hebt gij reeds uit men-schelijk opzicht eenig goed werk achtergelaten of iets gedaan wat uw geweten veroordeelde ? Onderzoek met ernst, opdat gij kunt waken tegen de gevaren en aangespoord moogt worden tot bidden.

-ocr page 27-

Vrijdag na Aschdag.

Tunc ait illis : Tri.stis est anima mea usque ad mortem, sustinete hic et vigilate mecum.

Matth. XXVI : 38.

Toen zeide Hij hun : mijn ziel is bedroefd tot den dood, blijft hier en waakt met Mij.

Toen Jesus met zijne leerlingen bij de hoeve kwam, die Gethsemani genoemd werd en op den Olijfberg lag, sprak Hij tot hen : zit hier Ier neder, terwijl ik ginds henen ga en bidde, Petrus, Joannes en Jacobus nam Hij met Zich en Hij begon bedroefd en treurig te worden. Hij sidderde, Zijn gelaat werd bleek en klagend zeide Hij tot de drie ; mijne ziel is bedroefd tot den dood, blijft hier en waakt met Mij.

Stel u de verbazing der leerlingen voor. Zoo iets hadden zij nog nooit in Jesus opgemerkt. Nog nooit hoorden zij uit 'sHeeren mond eene klachte over eigen smart en angst. Slechts twee malen zagen zij Hem weenen, maar over het ongeluk van anderen. Zijn heilig gelaat, hoe ernstig ook, was altijd opgehelderd en vriendelijk, maar thans? zij zien Hem beven. Ontsteld staarden zij den diep bedroefden

-ocr page 28-

16

Meester aan, doch zijne woorden begrepen zij niet. Van waar die plotselinge droefheid; waarom is zij zoo groot in Jesus, die toch vrijwillig den dood te gemoet gaat? Ziedaar twee vragen, die de leerlingen in deze oogenblikken niet konden oplossen en waarop wij thans het antwoord moeten zoeken.

Van waar dan die plotselinge droefheid ? Merk hier in de eerste plaats op, dat ^ij geheel vrijwillig was. Zij overviel Jesus niet zooals ons tegen onzen wil en ondanks elke poging tot weerstand, angst, vrees en droefheid overmeesteren kunnen. Jesus sidderde, omdat Hij wilde sidderen, zijne droefheid maakte Hem doodsbenauwd, omdat Hij het toeliet, want steeds was Hij meester over al de aandoeningen zijns harten, over al de krachten van zijne ziel en zijn lichaam. Gelijk Hij niet wilde sterven alvorens zijn uur gekomen was, zoo wilde Hij ook niet, dal die overgroote droefheid zich vertoonen zou, alvorens Hij het strijdperk inging, waar de laatste strijd een aanvang moest nemen. Ccepit contristari zegt de Evangelist, Hij begon bedroefd te worden. Waarom nu eerst? Omdat nu eerst zijn uur daartoe gekomen was. Bestonden er vroeger voor Jesus geene redenen tot droefheid ? Zij bestonden niet alleen, maar dezelfde redenen, die Hem nu bedroefden, waren altijd voor zijnen geest. Hij kende zijn lijden en zijn kruis, geene zijner toekomstige smarten was Hem verborgen. Steeds zag hij in het verschiet de droefenis en verlatenheid zijner moeder, de

-ocr page 29-

17

vlucht der apostelen, de verloochening van Petrus, het verraad van Judas, het ongeloof der Joden, hunne verwerping en het treurige lot van tallooze zondaren, die in onboetvaardigheid zouden sterven. Denk ook niet dat Jesus vroeger zonder droefheid was. Ach, hoe kon Hij genoegen vinden op eene aarde, die dagelijks als overgoten werd met zonden, in eene wereld, die geheel aan den dienst van Satan zich overgaf; onder menschen, die slechts het onkruid van zonden, ondankbaarheid, hardnekkigheid en verblinding opleverden ? Hoe kon Hij genoegen vinden, daar overal in duizend rampspoeden, ellenden en smarten de sporen van den vloek des Vaders zich vertoonden ?

Wie zal ons verhalen de verborgen zuchten en klachten, de geheime tranen en smarten van Jesus, waar Hij, in stilte voor den Vader neergeknield, genade en barmhartigheid voor de verstokte zondaren vroeg ?

Hoe kon de minnelijke Jesus zonder droefheid zijn ? Hij die de tranen eener ongelukkige moeder niet kon zien, maar onverwijld zeide ; noli flerc, vrouw, wil niet meer weenen ; Hij die zijne blikken niet over eene hongerende menigte kon laten weiden, zonder getroffen uit te roepen ; Misereor super tnrham. Ik heb medelijden met de schare'.

Met onze zwakheid heeft Hij zich omgeven, om met ons te kunnen treuren en lijden, hoe kon Hij dan een oogenblik zonder droefheid zijn ? Maar Hij heerschte over de smarten van

-ocr page 30-

18

zijn goddelijk hart. Hij wilde niet, dat de sporen zijner droefheid zich in de klank zijner stem en in de trekken van zijn gelaat zouden vertoonen: Hij wilde voor ons de vriendelijke Jesus zijn, die allen aantrekt door den liefe-lijksten ernst en die zelfs de kleinen in verrukking brengt.

Gelijk eene moeder uit teederheid de smart van hare ziel en de pijnen des lichaams verbergt, ten einde hare kinderen niet te bedroeven, zoo onderdrukte Jesus zijne droefenis en toonde een opgeruimd gelaat, zelfs als Hij sprak over zijnen dood. Doch thans wil Hij Zijne leerlingen bekend maken met de geheimen van zijn hart; Hij laat de droefenis, tot hiertoe verborgen, te voorschijn treden; zijn aangezicht ontstelt, zijne ledematen sidderen, zijn mond opent zich in klachten, opdat het eenmaal ten minste voor ons zichtbaar worde met hoe groote droefenis zijn goddelijk hart steeds werd verzadigd.

Wanneer gij een mensch, die gewoon was met onverstoorbare kalmte vele tegenspoeden en rampen te verdragen, ten laatste toch in tranen ziet losbarsten, dan besluit ge daaruit dat zijn lijden ontzettend groot moet wezen. Welk een oordeel moeten wij dan nu vellen over het lijden van Jesus, die daar eensklaps voor ons staat, bleek, sidderend en op klagen-den toon sprekend : Mijne ziel is bedroefd tot den dood! En let wel op, daar ligt in deze uitdrukking geene overdrijving, zoo als men ze bij klachten gewoonlijk aantreft. Jesus is in

-ocr page 31-

19

letterlijken zin doodsbedroefd. Straks zal Hij in onmacht nederzijgen, zijn gelaat zal zich kleuren door een bloedig zweet, Hij zal een doodstrijd ingaan.

Wat zag de goede Meester, wat beangstigde en benauwde zijn goddelijk hart ? Hij zag den verstokten Judas, den verraderlijken kus, de geërgerde leerlingen, zijne doodsbedroefde moeder. Hij zag verder al de smarten en vernederingen, al den smaad en hoon, die Hem wachtten. Hij zag zijne wonden, zijne doornen kroon en zijn kruis. Maar du alles was slechts een klein deeltje zijner smart. O, die boosheden en gruwelen, dat aanhoudend overtreden van alle geboden des Vaders, die verachting der opperste Majesteit, dien strijd tegen Gods goedheid en barmhartigheid, waaraan de kinderen van Adam, zijne broeders ns.ar het vleesch, zich schuldig maakten, de blindheid der Joden, de dwaasheid der Heidenen, de ondankbaarheid der christenen, den eeuwigen ondergang van ontelbare millioenen zag Hij, en de wanhoopskreet der verworpelingen drong door tot zijne ooren.

Daar staat Hij, de eeuwige Middelaar tus-schen God en de menschen. Den Vader heeft Hij zijne bemiddeling aangeboden, en nu strekt Hij de handen uit naar het Kruis, 't welk gereed vóór Hem ligt; maar zoovelen. die de vruchten zijner Verlossing moesten genieten, weigeren om gered te worden !

Neen, het verbaast mij niet meer, dat mijn Jesus bevend klaagt; Mijne ziel is doodsbedroefd.

-ocr page 32-

20

Wanneer men dagen, weken, jaren den zondaar vermaand, gesmeekt en gebeden heeft, dat hij toch aan zijne arme ziel zou denken, wanneer men duizend middelen heeft aangewend om hem den weg der bekeering zoo effen en gemakkelijk mogelijk te maken en alle pogingen onvruchtbaar bleven, welk herder is dan niet bedroefd ? Wie kan niet de smart van den apostel begrijpen, wanneer hij ons betuigt, dat hij weent over de zonde van sommige Christenen en dat zijn hart tot in de diepste diepte gewond is wegens de verstoktheid der Joden? Wat moest dan Jesus niet gevoelen, die de eenige ware en goede herder is, die de bron is van alle herderlijke liefde en die alleen zijne dienaren tot herders maken kan; wat moest Jesus niet gevoelen, die de verstoktheid van alle verleden, tegenwoordige en toekomstige zondaren zag ?

O, herders der zielen, wanneer uw harte gewond is door de onboetvaardigheid en hardnekkigheid der zondaren, die gij onder uwe schapen telt, slaat uwe oogen op Jesus, die klagend uitroept ; Mijne ziel is doodsbedroefd, drinkt dan in heilige onderwerping uit den Kelk van Jesus, wiens dienaren gij zijt!

Vaders en moeders, wanneer een ondankbare zoon, eene ondankbare dochter uwe lessen veracht, uwe vermaningen bespot en uwe ouderlijke waarschuwingen door zonden en hardnekkigheid in de zonde beantwoordt, slaat uwe blikken op Jesus, hoort hem bevende, maar zachtmoedig klagen ; Mijne ziel is doodsbedroefd,

-ocr page 33-

21

cn drinkt in heilige onderwerping uit den Kelk, waaruit uw Meester het eerst gedronken heeft.

Lieve Christen, gij leeft misschien in het midden van zondaren, die uwe ziel bedroeven; zoo gaarne wildet gij hen redden, omdat zij u dierbaar zijn; vurige gebeden zendt gij voor hen ten hemel op, doch tot heden heeft hunne bekeering u niet verkwikt; welaan, wordt niet moedeloos, gij drinkt uit den Kelk van den goeden Jesus, dit is ook eene groote gunst.

Zie den Koning der martelaren, die aan duizenden de kracht schenkt om voor Hein te lijden en te strijden tot in den dood. Hij siddert en klaagt over zijne matelooze droefheid, opdat wij, wetende dat Hij onze zwakheden en droefenis bij ondervinding kent, zonder schroom tot Hem zouden naderen om aan zijne voeten te weenen.

O gij allen, die daar zwoegt in dit dal van tranen, die gebukt gaat onder rampen en tegenspoeden, wier harten gebroken zijn van smart, gaat tot Jesus, bij Hem zult gij rust en verkwikking vinden. Hij is niet onmeedoogend, uwe tranen zal Hij niet veroordeelen en uwe zuchten niet laken: Hij zelf weet wat lijden en droefheid is. Ziet Hem sidderen, hoort Hem klagen, herinnert u aan zijn angst in Gethsemani en roept zijnen bijstand in. Hij zal u troosten en indien Hij het lijden al niet wegneemt, het zal u zoet zijn aan zijne voeten te weenen en aangenaam met den goeden Meester te lijden.

-ocr page 34-

23

Onderzoek of gij niet dikwijls treurig zijt en bedroefd. Spoor de redenen uwer droefheid op. Zijn die redenen niet zondig maar geoorloofd, denk dan dikwijls aan Jesus, die zoo bedroefd was in Gethsemani; vereenig uwe smart met de angsten van Jesus; met uwen goeden Meester zult gij dan drinken uit denzelfden Kelk, Hij zal uwe tranen heiligen en uwe zuchten niet onbeloond laten. Mocht uwe droefheid echter uit luim, hartstocht, jaloerschheid of uit andere zondige redenen voortkomen, denk aan de heilige droefheid van Jesus en gij zult genezen worden.

-ocr page 35-

Zaterdag na Aschdag.

-

Et progessus pusillum procidit in faciem suam orans; et dicens : Paler mi, si po.ssibilc est, transcat a me calix isle, verumtamen non sicut ego volo, sed sicut lu. Math. X ; 6.

En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij neder op zijn aangezicht, biddend en sprekend ; Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze Kelk van Mij voorbijgaan, nochtans niet zoo als Ik wil, maar zoo als Gij wilt.

Doodsbedroefd liet Jesus ook zijne drie leerlingen achter, nadat Hij hun vermaand had tot waken en bidden, en nu, een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op zijne knieën, boog het aangezicht ter aarde en bad. Zijn gebed was langdurig, twee keeren onderbrak Hij het, om zijne leerlingen te wekken en aan te sporen tot waakzaamheid en gebed; doch onmiddelijk keerde Hij terug, om de angsten en de droefheid zijner ziel uit te storten voor den Vader.

Wat sprak de bedroefde Jesus tot den Vader ? Hij sprak over den Kelk, die overvloeide van bitterheid. Zijne smarten en wonden, zijne

-ocr page 36-

u

vernedering en verlatenheid, zijn kruis en dood waren nog slechts eenige droppelen uit dien Kelk; op den bodem lag het verraad van Judas met de hardnekkige onboetvaardigheid der Joden, de boosheid van de gansche wereld met de ontrouw en de zonden van tal-looze Christenen, de verwerping en het eeuwig ongeluk van millioenen, die Hij vrijkocht door zijn bloed. O, zie Hem sidderen, zie Hem bevend strijden voor onze zielen, Hij drukt zijn aangezicht in het stof, want Hij weet, wat een ongeluk ons dreigt : door God voor eeuwig verlaten te worden en gevloekt.

Stel u alles levendig voor den geest. Daar, in het holle van den nacht, onder het dicht gebladerte der Olijfboomen, ligt de eenige Middelaar tusschen God en de menschen met zijn aangezicht op den grond ! Hij siddert, zucht, bidt, en de Vader alleen hoort de begeerten van zijn treurig hart, doch van tijd tot tijd doet Hij ook ons eenige verstaanbare klanken hooren. Gelijk een bliksemschicht in den stikdonkeren nacht een akelig licht werpt op de dreigende onweerswolken, zoo werpen de weinige verstaanbare woorden, die Jesus sprak, een vreeselijk licht over de droefheid en de smarten zijner ziel. Vader, zoo bidt Hij luide, indien het mogelijk is, laat deze Kelk van Mij voorbijgaan ; nochtans niet zoo als Ik wil, maar zoo als Gij wilt.

Wanneer een mensch door hevige angsten overvallen wordt, dan is hij dikwijls zich zeiven niet meester; hij weet niet meer, wat hij

-ocr page 37-

25

zegt of doet, althans, hij begrijpt de beteekenis zijner woorden en daden niet. Doch Jesus, die de minste beweging van zijn hart be-heerschte, wist wat Hij sprak en deed, en als gij Hem luide dit en geen ander gebed hoort spreken, gij moet daaruit besluiten, dat Hij ons door dit gebed wilde onderrichten. Dat het eenen ontzettenden indruk maakte op de leerlingen, dat zij dit gebed in kalmere oogen-blikken dikwijls overwogen hebben, lijdt niet den minsten twijfel. Het zal dan ook wel onze plicht zijn. dit woord van Jesus in diepen ernst te overwegen.

Hoor dan Jesus in doodsangst zuchten; luister naar de weinige woorden, die Hij luide genoeg sprak, om gehoord te worden ; druk ze diep in uw hart, want Hij sprak ze, toen Hij streed voor uwe ziel; dan zult gij ongetwijfeld met den H. Bernardus uitroepen ; gt;: de » Kelk, dien Gij gedronken hebt, het werk » onzer verlossing, o goede Jesus, maakt U » boven alles beminnelijk voor mij. Dit werk » eischt met zoet geweld al onze liefde. Dit » is het, wat onze godsvrucht èn zoo liefelijk » uitlokt, èn zoo rechtvaardig vordert, èn zoo » nauw omsluit, èn zoo krachtig aangrijpt. » Hierin heeft de Verlosser veel gearbeid. 3 De Schepper sprak en alles ontstond. Hij » beval, en alles was geschapen. Doch hier on-» dervondHijèn tegenspraak bij zijne woorden, » èn boosaardige opmerkingen bij zijne daden, -gt; èn bespotting in zijne smart, èn verwensching » in zijnen dood. Ziet, zóó heeft Hij lief gehad.quot;

-ocr page 38-

26

Gij ziet Hem beven en het doodsbleek gelaat voor den Vader buigen in het stof, gij hoort Hem zuchten en onverstaanbare klanken voortbrengen, doch om u eenig denkbeeld van zijne zielesmart te vormen, moet gij één woord van zijn geheimzinnig gebed verstaan, één woord, dat u alles verklaart; Jesus zal het luide spreken, Hij zal het herhalen, zoo dikwijls Hij die akelige stilte afbreekt. In dien eenzamen hof, in die sombere duisternis, in dien stillen nacht, waar geen levend schepsel zich doet hooren, verheft zich de klagende stem van den Zoon Gods, die roept : Vader, indien het mogelijk is, laat deze Kelk van mij voorbij gaan. Vindt die klacht weerklank in uw hart; gevoelt gij, wat uw Jesus lijdt ? Welaan, bewaar dan dien indruk, opdat gij later, wanneer gij Jesus in de grootste kalmte de bende ziet te gemoet gaan, wanneer gij Hem, gedompeld in eene zee van smarten, geen klacht meer hoort uiten, opdat gij dan moogt beseffen, hoe mateloos groot zijn lijden is.

Vader, zoo bad de Verlosser, indien het mogelijk is, laat deze Kelk van mij voorbijgaan, nochtans niet zoo als Ik wil, maar zoo als Gij wilt. Kende Jesus dan den wil des Vaders niet; wist Hij niet, dat Hij gekomen was om den Kelk tot den laatsten druppel te ledigen ? Maar wat baatte dan een gebed, 't welk toch niet zoude verhoord worden r Lieve Christen, vergeef mij, dat ik deze vragen stel; gij kent Jesus en de eigenschappen van een waar gebed al te goed, dan dat dergelijke gedachten bij

-ocr page 39-

27

u zouden opkomen ; maar wat wij goed kennen, brengen wij niet altijd even goed in beoefening, het is daarom niet overbodig de eenvoudigste waarheden ons opnieuw voor den geest te brengen.

Jesus wist dat Hij den Kelk tot den bodem moest ledigen ; Hij kende den uitdrukkelijker! wil des Vaders en niettemin bad Hij luide ; indien het mogelijk is, laat deze kelk van mij voor-bijgaan. Hij bad aldus èn om ons de droefheid van zijn goddelijk hart te openbaren, èn om er even luide te kunnen bijvoegen ; nochtans niet zoo als Ik wil, maar zoo als Gij wilt. Uit dit laatste woord moesten wij leeren, wat bidden is.

Bidden! Dat is zijn hart uitstorten voor God; dat is : met kinderlijken eerbied en ootmoed zijne angsten en bekommeringen, zijn lijden en zijne droefenis, zijne gevaren en begeerten uitspreken voor Gods aangezicht; dat is : zijn nood en zijne zwakheid klagen aan den besten der Vaders, zijne onderwerping betuigen aan zijnen Schepper en Heer. Bidden! Dat is : betuigen, dat men geen ander Opperheer erkent dan God, dat men in alles tevreden is, met Gods heilige beschikking en onvoorwaardelijk zich overgeeft aan zijnen heiligen Wil. Bidden! dat is niet eene poging om den heiligen wil des Scheppers te buigen naar den wil des schepsels, maar den wil des schepsels geheel ter beschikking stellen van God. Hieruit volgt dan ook, dat er geen geschikter tiid-stip is voor het gebed, dan de oogenblikken

-ocr page 40-

28

van groote kwelling en droefenis. Hoe hooger de golven der tegenspoeden stijgen, hoe meer de rampen zich vermenigvuldigen, en hoe bitterder de Kelk is, dien de Heer aan onze lippen zet, des te schooner en krachtiger is het gebed der onderwerpingen gehoorzaamheid.

Wordt dit begrepen? Geenszins. Vele Christenen bidden met ijver en vuur, zoo lang zij nog hope hebben, dat de Heer het lijden en den tegenspoed zal wegnemen en de begeerte van hun hart vervullen; doch als de hemel zwijgt, het kruis niet wordt weggenomen en het lijden eer toe- dan afneemt, dan staken zij hun gebed. Het is duidelijk, dat zij geen begrip hebben van een christelijk gebed. Zij willen als grillige kinderen, den Heer dwingen, om hunnen wil te doen, in stede dat zij van God kracht en sterkte vragen tot volbrenging van zijn heiligen wil; zij eischen dat de Heer hen diene, in stede dat zij in ootmoedig gebed aan God hunnen dienst aanbieden.

Wordt er ie mand uwer bedroefd, zegt de apostel Jacobus, dat hij bidde. Inderdaad, sla uwe blikken op den sidderenden en doodsbe-droefden Jesus, Hij pxoeft al de bitterheid van den Kelk en zegt: Vader, niet zoo a/s ik wil, maar zoo als Gij wilt. Konde de goede Meester een geschikter oogenblik kiezen om den Vader openlijk zijne onderwerping te betuigen r Welaan volg dan het voorbeeld, 't welk Jesus hier geeft. Het is goed, dat gij in blijdschap den Heere dankt en in uwen voorspoed den Gever

-ocr page 41-

29

van alle goede gaven belijdt; het is goed, dat gij bij eiken angst en nood tot God uwen toevlucht neemt, doch wanneer het lijden grooter wordt, de angsten zich vermenigvuldigen en de tegenspoeden loodzwaar op u drukken, dan is de schoonste tijd van gebed aangebroken, dan kunt gij aan God het grootste offer uwer onderwer-ping brengen! Indien gij u dan nederwerpt voor den Heer, uwen God, en met Jesus roept; Vat/er niet zoo als ik, maar zoo a/s Gij wilt, dan zult gij een gebed storten, dat zelfs voor de engelen benijdenswaardig is. Ook is er geen gebed, 't welk met meer kracht door de wolken dringt dan dit gebed. Met de liefde van den teedersten der Vaders zal de Heer op zijn lijdend kind nederzien, zijn arm schepsel zal Hij versterken in de beproeving, en terwijl het lijden aanhoudt en toeneemt, zijn de engelen Gods op bevel des Heeren bezig om de kroon der overwinning te vlechten.

O, kleingeioovig mensch, wat laat gij moedeloos het hoofd hangen, wat zucht gij in lijden alsof de Heer u verlaten heeft, sla de oogen op Jesus, die zoo nederig zich buigt en zoo luide zijne droefheid openbaart! Heeft de Vader het gebed versmaad van den Zoon, in Wien Hij zijn behagen gesteld heeft? Ongetwijfeld, neen. Zie een engel daalt neder en wijst den bedroefden Jesus op het welbehagen, 't welk de Vader in zijn nederige bede stelt, op de vreugde der engelen, die dit gebed mochten hooren, op de millioenen menschen, die door Hem zullen verlost worden. Wanneer

-ocr page 42-

30

ook geen engel zichtbaar nederdaalt om u te betuigen, dat de ootmoedige zuchten van uw lijdend hart, zijn verhoord, het geloof leert u dat hij, die met Jesus leed en bad, ook met Jesus zal vertroost worden.

Onderzoek lieve Christen, hoe gij gebeden hebt, wildet gij door uw smeeken God dwingen uwen wil te volbrengen, of zocht gij daardoor aan God uwe onderwerping te betuigen en voor u kracht te verkrijgen, om 's Heeren wil ook in droefheid en lijden met getrouwheid te volbrengen ? Welaan, dat Jesus u heden leere hoe gij in droefheid, angst en tegenspoed bidden moet, dat Hij u leere den tijd van droefenis te beschouwen als den kostbaarsten tijd, die het meest geschikt is voor een ootmoedig, onderworpen en krachtig gebed.

-ocr page 43-

Eerste Zondag in de Vasten.

Et factus in agonia prolixius orabat. Et factus est sudor ejus, sicut guttae sanguinis decurrentis in terram.

Luc. XXII : 43 — 44.

En in doodstrijd geraakt zijnde, bad Hij te meer. En zijn zweet werd als droppelen bloed, nedervloeiend op de aarde.

Jesus bad. In de nederigste houding betuigde Hij den Vader zijne volkomene onderwerping; Hij boog zijn aangezicht op den grond. Doch zijne angsten stegen en zijne droefheid nam gedurig toe; zijne krachten verlieten hem dermate, dat Hij nederzeeg op den grond. Toen kleurde een bloedig zweet zijn voorhoofd; Hij was een stervende gelijk geworden, geen verstaanbaar woord deed Hij hooren, doch zijne beangstigde ziel bad te meer.

Factus in agonia, zegt de Evangelist, in nood-strijd geraakt zijnde. Die doodstrijd was dus geen schijn, maar werkelijkheid. Jesus geleek niet slechts op een stervende, maar in die

-ocr page 44-

32

oogenblikken was Hij een stervende en zoude gestorven zijn, indien de verloren krachten door zijne almacht niet hersteld waren. Hij kwam in doodstrijd door de hevige angsten en droefenissen, welke Hij vrijwillig leed. Wat Jesusbedroefde en beangstigde hebben wij reeds opgemerkt. De bitterheid van zijn Kelk, die gevuld was met naamlooze smarten en, niet het allerminst, met de snoodheid onzer misdaden, deed Hem sidderen, klagen en in doodstrijd vervallen.

Gelijk zijn angst en zijne droefheid zoo was ook zijn doodstrijd geheel vrijwillig, daarom is er niets in te vinden wat overdreven, wat onredelijk is, wat niet kan onderwijzen, opwekken en stichten. Alles is daar licht en waarheid. Hij, die daaraan slechts eenige oogenblikken van overweging wijden kan, moet vele opwekkingen en onderrichtingen, die Jesus door zijn doodstrijd ons geeft, voorbij gaan, om slechts op eenige zijne aandacht te vestigen.

Lieve Jesus, het is wel vermetel de geheimen van uw goddelijk hart te willen raden , maar Gij weet, het is geene nieuwsgierigheid, welke mij doet vragen, wat U in uwen doodstrijd het meest heeft bedroefd en gekweld; Gij zelf roept ons in Gethsemani, opdat wij den doodstrijd van onzen Verlosser zouden aanschouwen ; welaan Heer , hier zijn wij. Zeg ons dan, waarom is uw doodsbleek gelaat door bloed gekleurd, waarom is uwe ziel zoo bedroefd, waarom ligt Gij machteloos neer en kunt Gij geen verstaanbare klanken meer uiten?

De angst en droefheid, die Jesus in doodstrijd

-ocr page 45-

33

brachten, namen een aanvang, toen de Verlosser den hof Gethsemani intrad. Daar kwam Hij, om den verraderlijken kus te ontvangen en om als het Lam, 't welk de zonden der wereld wegneemt, vrijwillig zich over te geven tot den dood. Daar kwam Hij, om dat groote werk te beginnen, waardoor Hij de beleedigde Majesteit des Vaders voldoening zou schenken en den zondigen menschen verlossing aanbrengen. Den hof binnentredende sloegjesus, deeenige Middelaar tusschen God en de menschen, zijne oogen ten hemel en werd ontsteld over den smaad die den Vader was aangedaan; Hij liet zijne blikken weiden over de aarde en werd bedroefd over onze snoodheid, verblinding en hardnekkigheid. Zichtbaar werd Hij bedroefd, luide klaagde Hij over zijn angst. Hij verviel in doodstrijd, opdat wij zouden zien hoe snood en bitter het is de zonden te bedrijven. Hier was het tijdstip aangebroken, waarop Jesus ons in duidelijke en scherpe kleuren de boosheid der zonde wilde afschilderen, waarvoor Hij ging sterven; hier was de geschikte plaats, om ons in levendige trekken te toonen, hoe schrikkelijk het is in de handen van den rechtvaardigen God te vallen en hoe dwaas van niet te beven voor de wrake Gods.

Ik nader tot den Verlosser die uitgeput, sidderend ter neerligt in doodstrijd; maar elke zucht die Hij slaakt, elke beweging zijner lippen, elke bloeddroppel, die zijne bleeke wangen kleurt, roept mij, roept ons allen toe: komt kinderen. hoort vlij, ik zal u de vreeze des Heeren lee-

-ocr page 46-

.31

ren. Ik zal u leeren wat het is, op te staan tegen God, het juk van uwen Heer af te werpen, zijne geboden te versmaden en in ongerechtigheid te leven! ik zal u leeren sidderen, beven en ineenkrimpen van angst voor den goddelijken toorn! Ziet uwen Verlosser als een worm kruipen in het stof, Hij zal u leeren hoe nietig, hoe machteloos gij zij t tegenover den Almachtigen, dien gij trotseert!

Hebt gij, lieve lezer, wel eens hooren verhalen van de boetplegingen der heilige boet-vaardigen ? Van hunne strenge verstervingen en lichaamskastijdingen, van hun nachtwaken, hunne tranen en smeekingen? Wat dachten /.ij wel na jaren gewoed te hebben tegen hun zondig vleeschr— Zij sidderden en beefden nog altijd over de snoodheid hunner zonden en schenen slechts in boete en versterving rust te vinden voor de wroeging van hun geweten. De beleedigde Majesteit van den ontzaggelijken en driewerf heiligen God stond dreigend voor hunnen geest, zij gingen nog gebukt onder den last van zonden, die reeds lang vergeven waren, het was hun eene behoefte geworden, om steeds aan God te betuigen, dat zij verslagen waren over de vermetelheid van hunne overtredingen.

Wat moest Jesus dan niet gevoelen, toen Hij, voor het aangezicht des Vaders zich buigende, al onze zonden op zich nam, toen Hij den Kelk onzer ongerechtigheden aan zijne lippen zette en boete ging plegen voor onze boosheden, als waren zij zijne eigene zonden? Hij kende

-ocr page 47-

35

de oneindige Majesteit van God, zoo als geen schepsel haar kennen kan; Hij wist hoe groot een afschuw de Heilige God van onze boosheden heeft; en daar verschijnt Hij nu voor den Vader om ten goede te spreken voor de menschen, die nooit moede worden God te hoonen, te verachten en te tergen, die het juk des Heeren hadden weggeworpen en steeds weigeren hun trotschen nek te buigen voor den Almachtigen. Ach, wat zal Hij zeggen, wanneer Hij spreekt voor de halstarrige Joden en de verdwaasde heidenen, wanneer Hij optreedt voor de Christenen, die afgewasschen in zijn bloed, steeds terugkeeren tot hunne oude misdrijven, het woord verbreken, 'twelk zij gegeven hadden en te ondankbaarder zijn. naarmate zij de goedheid van hunnen Heer meer ondervonden hebben? Wat zal Hij zeggen, wanneer Hij spreekt voor u en voor mij ? Wij zijn misschien blind genoeg om de lange keten van ongerechtigheden niet te zien, waaraan wij eiken dag van ons leven nieuwe schakels smeden; maar Jesus zag haar, en wat moest Hij zeggen? Ach neen, Hij spreekt niet meer, Hij siddert, zucht, drukt zijn aangezicht in het stof, 't welk Hij bevochtigt met een bloedig zweet; Hij valt in doodstrijd!

Zijt gij nooit geroerd en tot tranen bewogen geworden, wanneer gij den goeden Jesus snikkend naar Jeruzalem zaagt optrekken en uit zijnen zachtmoedigen mond de teedere klach-te hoordet; Jeruzalem, Jeruzalem, hoe dikivijls heb Ik uwe kinderen willen verzamelen, gelijk

-ocr page 48-

36

eene hen hare kuikens onder hare vleugelen verzamelt? Misschien hebt gij al het teedere wat cr in 's Heeren woorden lag, niet begrepen? Welnu, gaat dan tot Jesus, die onder den last uwer zonden in doodstrijd ligt. Hij zag u zitten in de schaduw des doods; gij waart beroofd van Gods genade en een afschuw geworden voor het oog van den heiligen God; het zwaard der gerechtigheid hing boven uw hoofd, gij waart der vervloeking nabij en gij beefdet niet; terwijl Satan reeds wachtte op het oogenblik, waarop gij voor eeuwig de zijne zoudt worden, liept gij nog in dollen drift achter de ijdelheden der wereld. Daar valt Jesus nu in doodstrijd aan uwe voeten. Hij siddert, zucht, zweet water en bloed. Gelijk eene hen angstig roept en sidderend met hare vleugelen slaat om de jongen te waarschuwen dat het loofdier boven hunne hoofden zweeft, dreigend met ondergang en dood, zoo zucht Jesus door zijne angsten, zijn bloedig zweet en zijn doodstrijd ons allen toe; komt kinderen, hoort mij, ik zal u de vreeze des Heeren leeren; vlucht, schuilt onder de vleugelen van uwen A^erlosser, siddert en beeft met Hem, want dood en ondergang dreigen u van nabij. Wie kan deze ernstige en toch zoo teedere vermaning weerstaan, wie kan onbekommerd en zorgeloos voortleven als Jesus siddert? Nu begrijp ik den ijver der boetelingen, hunne tranen, hunne lichaamskastijdingen en hunne ootmoedige smeekingen. Hij, die in vrome aandacht gedurig naar Gethsemani wederkeert, zal nooit

-ocr page 49-

37

moede worden te sidderen over zijne zonden.

Lieve lezer, ga, ten minste in dezen heiligen vastentijd, dikwijls naar Gethsemani, om uwen Jesus in zijn doodstrijd te aanschouwen, daar zal eene heilzame vrees uw harte wonden, gij zult het gewicht uwer ongerechtigheden gevoelen en eene vrome begeerte tot boete zal rijpen in uw hart. Wanneer een weerspannig vleesch klachten doet hooren over de lasten der vasten, over de inspanning, welke uwe gebeden en andere vrome oefeningen vorderen, keer terug naar Gethsemani en gij zult volharden in alles, wat gij u in dezen heiligen tijd hebt opgelegd. Kniel thans echter naast Jesus neder, buig met uwen goeden Verlosser uw aangezicht voor den Vader: betuig uwe droefheid over de misstappen uwer jeugd en over de zonden van gansch uw leven en zeg: O God, treed niet in het gerecht met uw zondig schepsel, maar wend uw gelaat van mijne boosheden af en aanschouw Jesus uwen Zoon. Zie Hem sidderen en beven, aanschouw zijn bloedig zweet en zijn doodstrijd. Ach Heer, al te lang heb ik de zonden verschoond, waarover Jesus slechts kan zuchten en beven, maar versmaad thans den zondaar niet, die in ootmoed en verslagenheid op uwe barmhartigheid hoopt. Amen.

-ocr page 50-

Maandag na den eersten Zondag in de Vasten.

Dederat autem traditor eis signum dicens, quemqumque osculatus fuero, ipse est; lenete eum et duciie caute.

Marc. XIV : 24.

De verrader nu had hun een teeken gegeven,zeggende: dien ik een kus zal geven, Hij is liet, ,Lrrijpt Hem en leidt Hem behoedzaam weg.

Reeds hebben wij opgemerkt dat Jesus twee keeren zijn gebed onderbrak om zijne leerlingen die telkens van droefheid en verveling insliepen, te wekken en te vermanen tot waken en bidden. Thans staat Jesus voor de derde keer op; zijn gelaat, hoewel hoog ernstig, draagt niet de minste sporen meer van angst. Zijne ledematen sidderen niet meer, met zachte stem zegt Hij tot de zijnen; slaapt nu en rust. ziet het uur is gekomen, en de Zoon des men-schen zal in de handen der zondaren worden overgeleverd. Staat op, laat ons gaan, die Mij verraden zal is nabij.

Jesus sprak nog, toen Judas, aan het hoofd eener groote bende, den hof binnendrong, want hij kende de plaats waar zijn Meester gewoon

-ocr page 51-

39

was te bidden. Tot de soldaten en dienaren, dit gewapend waren met stokken en zwaarden, touwen, lantaarnen en fakkels, had de verrader gezegd : dien ik een kus zal geven, Hij is het: grijpt Hem, en leidt Hem behoedzaam weg.

Wie is de verrader, die zonder blozen zulk een teeken kan uitkiezen en geven r Hij is een leerling, een vertrouweling, een dischge-noot van Jesus. Hij zelf heeft gezien, hoe zijn Meester alle aanslagen der Joden steeds verijdelde, toen zijn uur nog niet gekomen was. Hij heeft meermalen ondervonden, hoe de Heer de geheimen der harten kende, zoodat het onnoodig was Hem tegen iemand te waarschuwen. Voor eenige uren nog, aan het laatste avondmaal, kon hij duidelijk zien, dat jesus bekend was met de geheimen van het verraad. Hoe kan hij nu nog hopen zijnen Meester door een kus te misleiden ; heeft Hij dan alles vergeten ? Och, de gierigheid heeft zijn hart overmeesterd ; deze hartstocht, door haat en afkeer tegen Jesus versterkt, drijft hem voort, nu heeft hij al zijne gedachten en begeerten op de beloofde som gevestigd, deze te verliezen is zijn eenigste vrees. (Jok is hij sinds lang in de verstoktheid geoefend, want aan de zijde van den armen Jesus hoeft hij de gierigheid aangekweekt en alle edele gevoelens verstikt. Van hem kan men zeggen : hij wilde niet begrijpen ten einde het goede niet te doen, waartoe de teedere vermaningen van Jesus hem opwekten ■. hij was gewoon het hoofd af te wenden, op zijne tanden te knar-

-ocr page 52-

40

sen en te verachten, wanneer de arrae Verlosser over de nietigheid van de goederen dezer wereld sprak. Thans is Satan in hem gevaren, de nacht heerscht in zijn hart, hij ziet niets. Doch neen, ééne zaak is al te diep in zijn hart doorgedrongen, hij zal ze niet vergeten, hij zal ze zien, zelfs in het uur der duisternis. Zijn haat, zijn afkeer tegen Jesus kan zoo groot niet zijn, of Judas zal zich nog herinneren dat zijn Meester goed is, al te goed om zelfs den kus van een laaghartigeu verrader te weigeren.Ziedienbooswichtschaam-leloos voortgaan aan het hoofd der bende, vol zelfvertrouwen nadert hij tot Jesus; hij vreest geen oogenblik dat het afgesproken teeken zal verijdeld worden door den toorn van Jesus, want hij kent de goedheid van zijnen Meester.

De goedheid des Heeren geeft hem eenen treurigen moed. Vastberaden nadert hij, met een ijskoud hart, gevoelloos als een steen valt hij Jesus, de oneindige liefde, om den hals, geeft Hem een kus, en zegt: Wees gegroel. Meester. Het zal u misschien bevreemden, dat de apostelen, die dit hoorden en zagen, geen enkel blijk van afkeuring gaven; dat zelfs de voortvarende Petrus, die straks zijn zwaard zal grijpen, niet gloeiend van verontwaardiging, zijn toorn aan den verrader deed gevoelen. Maar de boosheid van Judas, de snoode onbeschaamdheid van dien kus was te groot; de leerlingen konden zoo groot een gruwel niet doorschouwen. Zij stonden ver-

-ocr page 53-

41

pletterd en begrepen niets van de handeling des verraders. Jesus alleen kende volkomen de beteekenis van den kus, en weigerde hem niet. Hierin had de blinde Judas zich niet bedrogen; zoo als altijd, zoo stond nu de goede Meester vol liefde voor hem en sprak met de uitdrukking van eene onbeschrijfelijke smart ; Vriend, n'aarioe zijt gij gekomen P Judas, verraadt gij nu den Zoon des menschen door eenen kus r

Lieve lezer, laat ons hier een oogenblik verwijlen en den snooden verrader in de armen van den liefdevollen Jesus beschouwen. Werp uwe blikken nu eens op het gelaat van den Meester, uit wiens oogen eene ernstige en treurige liefde schittert, dan weder op het schaamtelooze, hardvochtige en koude gelaat van Judas. Mijn God, welk eene tegenstelling!

Twee omhelzingen worden ons in de Evangeliën geschilderd. De eerste is die van den goeden Vader, die den verloren zoon te ge-moet snelt en om den hals valt, de tweede is die welke de lijdende Jesus aan den verrader niet heeft geweigerd. Hoe menige zondaar is door de voorstelling van de eerste niet tot in het diepst zijner ziel geroerd geworden; en inderdaad,, wie kan zijne liefde onthouden aan den goeden Vader, die zelfs geen tijd vindt om de nederige schuldbekentenis van zijnen zoon aan te hooren, maar aanstonds de vaderlijke liefde van zijn hart gaat uitstorten in teedere omhelzing ? Wie kan zijn vertrouwen weigeren aan een Vader, die bij de eerste

-ocr page 54-

teekenen van berouw zijne armen uitstrekt tot den terugkeerenden zondaar ? De smaad, dien hij van den weerspannigen zoon ontving, de droefheid, welke zijn vertrek hem veroorzaakte, de verkwisting van zoovele goederen, de havelooze kleeding, waarin hij terugkeert, alles wordt door den Vader over het hoofd gezien, het is hem genoeg, dat zijn zoon leeft en terugkeert onder het ouderlijk dak. Welk zondaar, die hoort dat hij in Jesus zulk eenen Vader vindt, kan nog weerstaan aan den trek der hoop en der liefder Kan ons 'sHeeren goedheid en zachtmoedige barmhartigheid nog krachtiger worden afgemaald? Het zij verre, dat ik de roerende schoonheid der gelijkenis in het minst zoude verkleinen. Mocht ieder zondaar zijn aandacht wijden aan den Vader, die den terugkeerenden zoon omhelst, aan zijn boezem drukt en met de schoonste blijken zijner liefde overlaadt! Doch wilt gij groo-tere liefde zien, ga naar Gethsemani en aanschouw Judas in de armen van Jesus, wanneer hij zijnen Meester den verraderlijken kus aanbiedt. In Gethsemani doei Jesus meer, dan Hij ons in de gelijkenis van den goeden Vader heeft afgebeeld.

Stel u den verloren zoon voor. die omhelsd wordt door zijn Vader. Hij was een eigenzinnige, ondankbare, moedwillige verkwister; hij heeft zijn Vader onteerd door zijn schandelijk gedrag en bedroefd door zijne afdwalingen, hij draagt nog de sporen zijner losbandigheid in de verscheurde kleederen en het vermagerd

-ocr page 55-

4.3 '•

gelaat: hij komt terug, omdat de honger hem dwingt en de nood het hoogste punt bereikt heeft, maar hij komt toch terug en vernedert zich door ootmoedige schuldbekentenis. Judas echter komt verstokt in de boosheid, vast besloten om alle vermaning te weerstaan; hij komt met opgeheven hoofd en schaamteloozen blik en terwijl Jesus zich bereid toont den booswicht te omhelzen, drukt dezen den verraderlijken kus op 'sHeeren aangezicht. Lieve lezer, ik vraag het u, zal Hij, die aan den verrader zijne omhelzing niet weigerde, ooit een zondaar van zich kunnen stooten, wanneer deze in rouw en droefenis tot den goeden Meester wederkeert? Indien Hij den verrader nog den naam van „vriendquot; wilde geven, kan de rouwmoedige zondaar dan twijfelen uit den mond van Jesus te zullen hooren : mijn zoon, uwe zonden zijn u vergeven : Zie den zoeten en minnelijken blik, welken Jesus op Judas werpt, terwijl Hij den kus van den verrader ontvangt. Welaan, Jesus leeft nog en is altijd dezelfde, och, dat wij toch allen tot Hem gaan, wij zullen ondervinden, dat Hij zachtmoedig en ootmoedig van harte is. Maar hoe zullen wij tot Hem gaan ? Zullen wij boos zijn, omdat de Heer goed is, zullen wij onze zonden vermenigvuldigen, omdat de Heer zoo lankmoedig onze boosheden verdraagt ? Zie eens hoe koud en schaamteloos de verrader in het vriendelijk oog van Jesus staart; wilt gij op dezen gelijken ? Ach, Heere Jesus, zal uwe buitensporige liefde ons hart niet roeren; zal

-ocr page 56-

44

uwe zachtmoedigheid en uw ootmoed ons lot onbeschaamdheid voeren ? Zullen wij U verachten omdat Gij de roede van uwen toorn ons niet doet gevoelen ? Vriendelijke Jesus, Gij wacht ons in het Sacrament van boetvaardigheid om ons den kus des vredes te geven, zullen wij komen om door onwaardige biecht U te bespotten ? Gij woont in onze tabernakelen om ons in heilige omhelzing aan uw Goddelijk hart te drukken, zullen wij komen om door onwaardige Communie met schaamteloo-zen blik in uw vriendelijk oog te staren ? Ach Heer, laat niet toe dat uwe goedheid oorzaak worde van onze boosheid.

Lieve lezer, wanneer gij nadert tot het Sacrament van boetvaardigheid, stel u Jesus voor, die zoo vriendelijk staart op den schaamteloozen Judas, deze voorstelling zegt u meer dan alle gelijkenissen over Gods lankmoedige barmhartigheid, zij zal u alles doen hopen, zij zal alle mistrouwen wegnemen en uw hart doen gloeien van liefde. Wanneer gij nadert tot de tafel des Heeren, stel u den goeden Meester voor, die den boosaardigen verrader aan zijn boezem laat rusten, opdat Hij dezen, indien het nog mogelijk is, de treurende liefde van zijn Meester doe gevoelen; die eéne voorstelling zal u een denkbeeld geven van de warme liefde en hartelijke omhelzing, waarmede Jesus zijne kinderen aan de heilige tafel ontvangt.

-ocr page 57-

Dinsdag na den eersten Zondag in de Vasten.

Ut ergo dixit eis : Ego sum, abierunt relrorsum et ceciderunt in terram.

Joan. XVIII : 6.

Zoodra Hij dan tot hen zeide ; Ik ben het, weken zij achterwaarts en vielen op den grond.

Het hart van Judas was te verstokt om door de liefde van Jesus getroffen te worden, ook was de verrader te boos om in de armen van zijn Meester te kunnen rusten; het minnelijke oog, de vriendelijke toespraak van Jesus stootten hem af: plotseling wendde hij het hoofd om, en voegde zich bij de bende, waar hij zich beter op zijne plaats gevoelde. Nu ging Jesus eenige schreden vooruit de bende te gemoet. en zeide hun : ivien zoekt gij? Zij antwoordden : Jesus van Nazareth. Jesus herneemt : Ik hen het. Zoodra Hij dan tot hen zeide ; Ik ben het. weken zij achterwaarts en vielen op den grond.

Wat moest de menigte, wat moesten de priesters en oversten, die de bende vergezelden, denken, toen zij zagen, dat de Verlosser zijnen verrader zoo kalm en minzaam ontving; wat

-ocr page 58-

46

moesten zij oordeelen, toen zij Jesus na den verraderlijken kus niet alleen geen poging zagen doen om te ontvluchten, maar Hem, als ware Hij zonder argwaan, vooruit zagen treden ? Die blinden ! Hoe licht konden zij later de gevangenneming des Heeren aan hun overleg en hunne listen toeschrijven, hoe licht konden zij zich in den waan brengen, dat zij Jesus verschalkt hadden door een apostel tot hun leidsman te nemen !

De barmhartige Jesus zal evenwel aan de bende en hunne aanvoerders zijne vermaning niet onthouden; Hij zal hun een middel tegen de verblinding geven en hun, ook in dit uur der duisternis, toonen, dat Hij het is, die macht heeft zijn leven te geven, maar niet minder om het te behouden. Alvorens zich over te geven, werpt Hij zijne belagers op den grond ; Hij overwint hen, alvorens hun gevangene te worden; Hij slaat hen ter neer door zijn woord, alvorens hunne boeien te ontvangen.

Jesus zegt; Ik ben het. Dit woord sprak Hij niet met de gramschap van den rechter, maar met de kalme majesteit en vriendelijke goedheid van den Verlosser, waardoor Hij reeds zoo menigmaal zijne vijanden aan den grond had genageld en hunne dreigende armen machteloos had doen neerzinken. Op dit eenvoudige : Ego sum, Ik ben het, weken de boosdoeners achteruit en vielen op den grond. Dit woord was als een schitterende lichtstraal, die den Verlosser plotseling in al zijne grootheid deed zien; als een felle donderslag die den schrik

-ocr page 59-

47

door de leden zijner vijanden joeg. Zij, de gewapenden, de sterken, de listigen vielen voor den éénen, ongewapenden, vriendelijken Jesus op den grond. Welk eene les ! Waarom maakte zij geen indruk op hun gemoed r Als zondaren werden zij op den grond geworpen, waarom stonden zij niet als boetvaardigen op ? Ach, zij hebben hunne oogen gesloten : daar is niemand die in zijn hart overwegen wil.

Toen de rijke, in de hel begraven, zijne oogen sloeg op Lazarus die rustte in Abrahams schoot, toen verzocht hij Abraham als laatste gunst om Lazarus te zenden tot zijne (des rijken) broeders, opdat hij deze zoude waarschuwen voor da straffen, die hen wachtten, indien zij zich niet bekeerden. Abraham echter antwoordde : zij hebben Mo zes en de profeten, indien zij deze niet gelooven, zij zullen evenmin gelooven, ivanneer iemand uit de dooden tot hen komt. Inderdaad, de kracht der zelfverblinding is onbegrijpelijk groot. Zij is een afgrond : wanneer de mensch daarin afgevallen is, dan veracht hij alles. Heeft Jesus zelf niet van de joden gezegd, dat zij tot het licht niet kwamen, omdat hunne werken boos waren r Zij wilden niet begrijpen, om ongestoord het booze te kunnen doen. Het is aan God alleen bekend, hoe vele inspraken der genade, hoe vele onderrichtingen en vermaningen, hoe vele wroegingen en angsten des gewetens de zondaar heeft onderdrukt en weerstaan, alvorens hij tot die ontzettende verblinding vervalt, welke meestal de voorbode der eeuwige ver-

-ocr page 60-

48

werping is ; maar elkeen kan tot dit uiterste komen, zelfs een Judas, een leerling des Hee-ren. Neen, wij moeten niet denken, dat de blinden alleen gevonden worden onder de Joden, die Jesus haatten, overal treflen wij zondaren aan even blind als de Joden; zondaren, die eertijds in het volle licht der waarheid wandelden, doch langzamerhand zoo ver afweken, dat zelfs zichtbare wonderen hunne oogen niet meer konden openen. Helaas, hoe velen zijn er op den weg der vrijwillige zelfverblinding ! God spreekt door hun geweten het Ego sum, Ik ben het, uw Koning, uw Heer, uw Schepper, dien gij hoont. Ik ben uw rechter, die u eens zal vonnissen ; dan schrikt de zondaar op, hij siddert en staat verslagen stil, doch bevangen door den roes der hartstochten sluit hij weder zijne oogen, en indien de angsten des gewetens niet wijken, zoekt hij in de verstrooiing der wereld en der zonde, den doodslaap der verblinding. De barmhartige God houdt aan. Hij spreekt door die onzichtbare kwelgeesten, welke de zonden altijd op de hielen volgen; dan drukken onrust, teleurstelling, verveling, onvoldaanheid en walging den zondaar dan treedt de Heer hern vriendelijk tegen, Ik ben het, zoo spreekt Hij door den mond des herders of van een wel-meenenden vriend, Ik ben het, die alleen uwe wonden kan heelen en vrede schenken aan uwe onrustige ïiel, kom, werp u in mijne armen : doch de zondaar wendt het hoofd af en verstokt zijn gemoed. Dan tuchtigt de Heer

-ocr page 61-

49

hem met de roede eens vaders. Rampen en smart, ziekten, kwellingen van allerlei aard slaan zijne hoop den bodem in, of breken een voor een al zijne verwachtingen af; ondanks zich zeiven moet dan de zondaar erkennen, dat alles hier beneden ijdelheid is, terwijl de Heer hem te gemoet treedt en zegt; Ik ben het, die de zonden kastijd, maar die ook de wonden van den boetvaardigen genees, kom tot Mij, en gij zult rust voor uwe ziele vinden, doch de zondaar mort en antwoordt ? Misschien met een vloek ! Zijne voorgangers in de zonde, zijne medgezellen worden de een na den anderen weggerukt door den dood. De zondaar siddert, zijn hart krimpt in een van schrik, en de Heer treedt Hem te gemoet en spreekt; Ik ben het, die uwe medgezellen ten oordeel riep en aan u nog den tijd tot bekeering schonk, kom en werp u in mijne armen; maar de boosdoener, wanneer hij tot de diepte gekomen is, veracht.

Gij vraagt, lieve lezer, hoe kan een mensch den strijd volhouden tegen den liefdevollen God Dat hij het volhoudt ziet gij in Judas, in de bende en in de geschiedenis van dui-zende zondaren; maar vraagt gij naar het hoe. de ongelukkige verblinden alleen zouden u kunnen verhalen hoe hard de strijd was en welke moeielijke wegen zij bewandelden om tot de verblinding te geraken. Somtijds openbaart de arme zondaar onwillekeurig wat er omgaat in zijne ziel. Dan is hij neerslachtig, moedeloos, treurig en gedrukt, de herinnering

-ocr page 62-

50

aan zijn toekomstig einde doet hem zichtbaar schrikken; somtijds geeft hij ondubbelzinnig te kennen dat de vromen in armoede en verlatenheid veel gelukkiger zijn dan hij, die in niets gebrek lijdt. Maar zijn inwendig lijden openbaart hij het meest, wanneer zijn voorhoofd zich rimpelt, zijne gramschap ontvlamt en zijn mond scheldt of vloekt bij de liefderijke vermaningen die hem gegeven worden. Wie siddert niet, wanneer hij den ongelukkigen al wat vroom en deugdzaam, al wat eerbiedwaardig en heilig is, hoort vloeken en bespotten ? Wie noemt dit niet goddeloos r Maar die goddeloosheid is ook een aanval van waanzin, waartoe zijn inwendig lijden hem voert. En hoevele hulpmiddelen gebruikt hij daarenboven niet om zijn zielelijden te verzachten en in stille rust zich zeiven te verblinden ! Met genoegen spoort hij de zonden en ergernissen van anderen op, de boosheden der bedorvene wereld aanschouwt hij met welgevallen, hij laat geen drogredenen, waardoor de wereld hare zonden verschoont, verloren gaan, want zijne halstarrige boosheid wil hij billijken door de zonden en de redeneeringen van hen, die even boos zijn als hij. Judas zou met zoo groot eene onbeschaamdheid Jesus niet zijn te gemoet getreden, indien hij geen steun gevonden had in de priesters, de overheden en de bende die hem volgden ; zoo schept ook de zondaar moed voor zijn noodlottigen strijd uit de menigte der zondaren, die hem vergezellen en volgen. Menigeen zoude nooit tot

-ocr page 63-

51

de uiterste verblinding gekomen zijn, indien hij geheel alleen had moeten strijden tegen de liefde van zijnen God.

De H. Joannes, die ons verhaalt hoe Jesus de bende deed neervallen, merkt uitdrukkelijk op, dat Judas bij hen stond. De apostel dacht ongetwijfeld, toen hij dit ter neer schreef, met weemoed aan Judas, die voor eenige dagen nog aan de zijde der leerlingen ging en tot de uitverkorenen van Jesus behoorde. En inderdaad, welk een ontzettende omkeer heeft er plaats gehad 1 Judas, de leerling van Jesus, de vriend, de dischgenoot van den Meester, met wien de apostelen zoo vertrouwelijk omgingen, ligt daar als een verstokte zondaar onder de zondaren 1 Welk een les, voor u en voor mij, lieve lezer! Wanneer men in de heiligste omgeving een zondaar worden kan, wanneer men zich kan verblinden in de on-middelijke nabijheid van het Licht, dat de gansche wereld verlicht, wie is dan veilig, wie is zeker? Laten wij dan altijd ons zeiven mistrouwen, God gedurig bidden, dat Hij ons verstand verlichte om ons zeiven te kennen, om steeds in dankbaarheid elke vermaning en onderrichting aan te nemen, ja vooral zulke vermaningen, die ons het pijnlijkst treffen, omdat zij ons hoofdgebrek aanranden ! Laat ons nooit de liefde en de inspraken der genade weerstaan en vooral nooit ons gedrag versehoonen door de oordeelvellingen, redeneeringen en voorbeelden van personen, die weinig deugd en vroomheid bezitten.

F

k f

1 ♦

-ocr page 64-

Woensdag na den eersten Zondag in de Vasten.

Videntes autem hi, qui circa ipsum. erant quod futurum erat, dixerunt ei : Domine si per-cutimus gladio? Luc. XXII : 49.

Als nu zij , die bij Hera waren , zagen, wat aanstaande was, zeiden zij tot Hem ; Heer, zullen wij er met het zwaard op inslaan ;

De bende was weer opgestaan en de orde in zoo verre hersteld, dat zij Jesus verstaat! konden, toen de Verlosser voor den tweeden keer vroeg : JVüu zoekt gij ? Zij hernamen ; Jesus ran Nazareth. Jesus antwoordde : Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Indien gij dus Mij zoekt, laat deze gaan. Opdat het woord, dat Hij gezegd had. zou vervuld worden : van degenen, welke Gij Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren.

Als zij nu, die bij Hem waren, zagen wat aanstaande was, zeiden zij tot He)n : Heer, zullen wij er met het zwaard op inslaan r Simon Petnis, zonder het auHooord af te wach-

-ocr page 65-

53

ten, sloeg daarop reeds toe, trof eenen knecht des Hoogepriesters en hieuw hem het rechter oor af.

Wat zien wij iii de apostelen ? Was het verwarring, die ons medelijden moet opwekken of onversaagdheid, welke onze bewondering waardig is ? Zij waren gering in getal, beschikten slechts over twee zwaarden en stonden tegenover eene groote, welgewapende en goed geoefende menigte ! Angst is een slechte raadsman, hij drijft tot onberaden stappen, en doet hij den gewonen soldaat ook met wanhopigen moed strijden, somtijds zelfs overwinnen, den waren christelijken moed brengt hij nooit voort. Wanneer wij Petrus, met zijne gewone voortvarendheid, het zwaard zien grijpen en gebruiken, dan moeten wij zijne handeling niet geheel aan verwarring toeschrijven; neen, de moed van een gewoon soldaat kan hem niet ontzegd worden. Indien Jesus hem niet bevolen had, het zwaard in de schede te steken, hij zou tot het uiterste gestreden, en des noods zijn leven voor Jesus gelaten hebben. Hij had moeds genoeg om met het zwaard in de hand den dood te trotseeren, doch de christelijke moed, die ongewapend en weerloos, die met de grootste kalmte den dood in de oogen ziet, ontbrak aan Petrus en zijne mede-apostelen. Kortom : de kreet der apostelen, die riepen : Zullen wij er met .het zwaard op inslaan r de voortvarendheid van Petrus, die het zwaard reeds hanteerde, zijn niet toe te schrijven aan angst en verwarring alleen, maar ook aan hunne gramschap en veront-

-ocr page 66-

waardiging over den schandelijken aanslag tegen den geliefden Meester gepleegd, üe apostelen hadden ijver en moed, doch niet volgens de christelijke wetenschap.

Bij gelegenheid, dat de heilige Remigius Koning Clovis voorbereidde tot het heilig doopsel, verhaalde de heilige op roerende wijze het bittere lijden van den Heer aan den onwetenden heiden. De Koning was zichtbaar getroffen door de zachtmoedige liefde vanjesus en den gruwelijken moedwil der Joden. Terwijl hij met gepannen aandacht luisterde steeg zijn medelijden, gemengd met diepe verontwaardiging, ten top. Onwillekeurig sloeg hij de hand aan het zwaard, 't welk aan zijne zijde hing, en riep uit ; O, was ik daar geweest met mijne Franken ! De arme heiden begreep nog niet, dat Jesus van de zijnen een geheel anderen, een veel grooteren moed vordert, dan den moed van een krijgsheld ; hij dwaalde, zooals Petrus dwaalde in den hof.

Samson was een krachtig strijder en David een moedig krijgsman, doch beider moed bezweek voor een vijand, dien de ware Christen overwint, zij vielen tegenover hunnen hartstocht. Velen, die met doodsgevaar spotten en hun leven in ongelijken strijd verachten, sidderen voor een glimlach, voor een spottend woord, voor de minachting eener dwaze wereld, en zijn lafhartig genoeg tegen hun geweten te handelen, ten einde eene beleedi-ging te ontgaan. De christelijke held vergiet

-ocr page 67-

55

niet het bloed van anderen, maar, als het zijn moet, zijn eigen bloed. Hij strijdt voor waarheid en deugd, voor plicht en gebod. Zijn moed behoeft niet opgewekt te worden door gramschap, niet aangevuurd door toejuiching en bewondering der wereld; hij is krachtig genoeg, om minachting en bespotting, hoon en smaad onbezweken te verdragen. De christelijke held is grooter dan de machtigste Koningen en de grootste veroveraars, hij overwint alles, ook zijne eigene hartstochten, en niets kan hem scheiden van de liefde des Heeren.

Hadden de apostelen, had Petrus zulk eenen moed bezeten, aan Jesus' zijde zouden zij gestreden hebben, zoo als hun Meester streed; doch thans begrepen zij niet eens het voorbeeld, 't welk Jesus hun gaf. Zie eens, met welk eene hemelsche Majesteit Jesus zich vertoont te midden van allen, die Hem omringen. De bende vloekt, raast, tiert en is geheel in verwarring; aanvoerders en geleiders, soldaten en dienaren dringen naar Jesus toe, die in de grootste kalmte hen afwacht; ook de apostelen deelen in de verwarring, en Petrus vermeerdert ze nog door zijn zwaard. Jesus alleen is daar meester en beschikt over allen. Hij geeft zijne bevelen aan de bende. Indien gij Mij zoekt, zegt Hij. laat dan deze gaan ; Hij beveelt aan Petrus ; steek het zwaard in de schede, want die het zwaard gebruiken, zullen door het zwaard omkomen; Hij staat de bende toe om hem te binden. Hij geneest het oor van Malchus en bestraft de snoodheid

-ocr page 68-

56

der Joden door een zachtmoedig verwijt. Allen zijn buiten zich zeiven, Jesus alleen is, zoo als Hij was, toen Hij leerde in den tempel, of toen Hij al weldoende het land doortrok.

De wereldling kent de edele schoonheid der zachtmoedigheid niet; het schijnt hem lafhartig te zijn, om onrecht, beleediging en hoon zwijgend te verdragen, hij roemt er op, dat hij nooit voor iemand geweken is, dat men hem nooit ongestraft beleedigde, dat hij de kracht en den wil heeft om zijne eer zoowel als zijn recht te wreken; doch wanneer er in den wereldling nog iets van den christen is overgebleven, ik wijs hem naar den hof van Gethsemani, ik toon hem Jesus in al de Majesteit zijner goddelijke zachtmoedigheid, en, indien hij dan niet nedervallende aanbidt, en aanbiddende de zachtmoedigheid liefheeft en bewondert, hij is niet ontvankelijk meer voor de edele gevoelens van de waarachtig christelijke deugd.

Indien gij eens den christelijken moed hebt aanschouwd, dan ziet gij hoe klein de moed der wereldlingen is; zij weten slechts éénen vijand door geweld te verslaan, maar worden zelve door duizend vijanden overwonnen. Beleediging en minachting, hoon en laster, tegenkanting en verongelijking, teleurstelling, een klein verlies, eene onbeduidende vernedering doet die helden aanstonds het evenwicht verliezen, zij vallen, verslagen door gramschap, ontevredenheid, ongeduld en vele andere hartstochten, waarvan zij de slaven ,zijn.

-ocr page 69-

Ik hoor u vragen, lieve lezer, hoe zal ik den christelijken moed verkrijgen, die zelfs aan de apostelen ontbrak, hoewel zij drie jaren lang door Jesus onderwezen waren ? De Apostelen betoonden zich lafhartig in de uren des gevaars, omdat zij niet met Jesus gewaakt en gebeden hadden. Indien zij de vermaning van hunnen Meester hadden opgevolgd, zij zouden gestreden hebben met den moed eens christens, niet met den moed des wereldlings. De christelijke moed wortelt in het geloof. Waak dan tot Jesus en overweeg de schoone lessen, die de Heer u daaromtrent geeft. Ik zal u toonen, zegt Hij, gij te ireezen hebt. Vreest niet degenen die uw lichaam kunnen dooden, maar vreest veeleer Hem, die ziel en lichaam kan werpen in de hel. Zalig gij, indien gij om Mijnen 't wille vervolging lijdt; verheugt en verblijdt u dan, want irw loon zal groot zijn in den hemel. Vreest niet, ziet. Ik heb de wereld overwonnen. Het moet u niet verwonderen dat de wereld u haat en alle kwaad van u zegt; rekent daarop, want zij hebben Mij gehaat eer dan u. Waak tot Jesus en beschouw den god-delijken Meester dikwijls zoo als Hij in al de Majesteit van zijn zachtzinnigen moed tegenover de bende stond, die Hem gevangen nam, dan zult gij opgetogen van bewondering eene sterke begeerte in u gevoelen om Jesus uwen Heer na te volgen. Doch waken is niet genoeg, gij moet ook bidden, want in u zeiven vindt gij de kracht niet, welke tot den christelijken moed gevorderd wordt. Indien gij niet

-ocr page 70-

58

bidt, gij zult nooit zijn, wat uwe ziel bewondert en liefheeft. Uwe eigen ondervinding zal u daarvan wel overtuigen. Hoe menigmaal hebt gij uit vrees voor bespotting het goede niet achtergelaten ? Somtijds hadt gij zelfs den moed niet een plicht te vervullen, gij vreesdet daardoor eenen mensch te mishagen of zijnen spotlust op te wekken. Wellicht hebt gij somtijds iets gesproken of gedaan, wat uw geweten ten strengste afkeurde; de behaagzucht of de vrees van eenen vriend te vergrammen had u dan tot het kwade vervoerd. Niettemin in al deze gevallen schaamdet gij u over u zeiven, gij hadt achting voor elkeen, die fnoedi-ger was dan gij, maar gij hadt de kracht niet tot den schoonen christelijken moed. Welnu, ga dan dikwijls tot den goeden Jesus, zeg Hem : Heer, ik wensch met U in oneer en schande, in beleediging en smaad, in verongelijking en miskenning, in kerker en dood te gaan, als zulks noodig is. Neen, Heer, niets zal mij van uwe liefde scheiden, geen vrees of angst zal mij ooit tot zonde voeren, moedig wil ik U volgen in den strijd, doch Heer, ik ben zoo zwak, versterk mij door uwe genade, geef mij den christelijken moed.

-ocr page 71-

Donderdag na den eersten Zondag in de Vasten.

Ca'licem quem dedit mihi Pater, non bibam ilium ? Joan. XVIII : n.

Den Kelk, welken de Vader Mij gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken :

Petrus trok het zwaard en hieuw Malchus, een dienaar des Hoogepriesters, het rechter ooi-af. Doch Jesus sprak: laat af', niet ven/er! En Hij raakte het oor aan en genas hem; daarna vervolgde Hij ; of meent gij dat Ik den Vader niet kan bidden en Hij Mij niet aanstonds meer dan twaalf legioenen engelen ten dienste stellen zal ? Hoe zullen dan de Schriften, dat het aldus moet geschieden, vervuld worden r Den Kelk. welken de Vader Mij gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken .J

Er zijn omstandigheden, waarin eene gematigde zelfverdediging tegen onrechtvaardigen aanval geoorloofd is. Doch de handelwijze van Petrus was zeer onberaden, hier kon het geweld niet door het zwaard worden gekeerd,

-ocr page 72-

60

de overmacht was te groot. De apostelen mochten ook het woord en voorbeeld van hunnen Meester niet vooruitloopen, zij moesten volgen. Nu zagen zij duidelijk, dat Jesus zich wilde overgeven; de wijze, waarop Hij de bende te gemoet ging en toesprak, liet daaromtrent geen twijfel over, terwijl de laatste onderrichtingen van den Heer over zijn lijden en dood hun hiervan eene verklaring gaven. Maar zij hadden niet gewaakt en gebeden, zij begrepen niet, terwijl de kracht eener moedige doch christelijke onderwerping hun ten eenen-male ontbrak Met gramstorig oog, gloeiende van verontwaardiging, zagen zij de dreigende stokken en zwaarden, geen hunner staarde naar den hemel of dacht aan den Vader, die den Kelk overreikte.

Indien wij, lieve lezer, een blik op onze gedachten, begeerten, woorden en handelingen slaan, moeten wij dan niet erkennen, dat wij veeleer navolgers zijn van de toornige leerlingen dan van den zachtmoedigen Meester r Hoe zeldzaam denken wij aan den Vader, die ons den lijdenskelk overreikt; zelfs dan wanneer zonder eenige menschelijke tusschen-komst, lijden of tegenspoed ons treft r Hoe zeldzaam zien wij den vinger Gods in ziekte, in den dood onzer nabestaanden, in kwellingen, die niet afhankelijk zijn van eenig mensch ? Dan zijn wij ontevreden op het toeval, op de kwaal, op de noodlottige omstandigheden en op den samenloop van tegenspoeden; wij zijn neerslachtig, treurig, lastig voor ons zeiven en

-ocr page 73-

61

voor anderen, wij morren, klagen en zuchten den ganschen dag; de hemelsche Vader, die over alle toeval heerscht en ons met eigen hand den kelk des lijdens overreikt, wordt geheel vergeten, en toch zond Hij ons dit lijden, opdat wij zijne hand gevoelen en ons Zijner herinneren zouden in ootmoed en liefde. O wij kleingeloovigen ! Wat zal er van ons geworden, wanneer God niet zoo onmiddellijk tot ons nadert, maar aan de kwaadwilligheid van anderen vergunt om ons te schaden?

Ja, waar booze hartstocht van een vijand ons in lijden dompelt; waar wij onrechtvaardig gehoond, bespot en mishandeld worden ; waar onze welwillendheid, onze goede diensten, onze zuivere bedoelingen kwalijk worden uitgelegd : waar men ons met ondank beloont, in onze plannen, ondernemingen en handelingen ons dwarsboomt, moedwillig ons van onze eer en goeden naam berooft, onze vrienden van ons afkeerig maakt en onzen huise-Üjken vrede stoort, daar vooral is een krachtig en helder geloof noodig; daar moet het geloof ons niet eens, maar eiken dag. maar zoo dikwijls ons gemoed eenige verbittering ontwaart, naar den Vader in den hemel wijzen, naar den Vader die toelaat, dat wij, kleinen en zwakken, geplaagd, getergd, gekweld en vernederd worden. Daar moeten wij ons den Vader herinneren, die ons lijden ziet. maar zijne engelen niet afzendt om ons te helpen ; die er behagen in schepv, dat wij geoefend worden in ootmoed, geduld, zachtmoe-

-ocr page 74-

62

digheid, onderwerping en geloof. Kleingeloo-vig zijn wij, die steeds ontevreden zijn op den broeder, die ons kwelt; kleingeloovig, die steeds onuitputtelijk zijn in klachten over den naasten en altijd even arm in onderwerping aan God. Zeer zeker, het valt zwaar verongelijkt, miskend en veracht te worden; ongemeen zwaar is de beproeving, wanneer het onrecht met halstarrigheid wordt, voortgezet en door nieuwe miskenningen vermeerderd ; onze brooze natuur is niet bestand tegen zoo groote beproevingen, maar wat de mensch niet vermag, dat kan de christen, die het voorbeeld van Jesus voor oogen houdt en versterkt wordt door de genade van zijn Verlosser. De christen, zegt de H. Augustinus, is gelijk aan een volmaakt vierkante steen ; werpt dien steen heen en weder, wentelt hem duizendmaal om, hij staat altijd overeind. Zoo zal ook de ware christen door geen kwelling of beproeving verslagen worden. Men slingere hem heen en weder door verongelijking en lijden, altijd staat hij weder overeind en ziet hij op tot den Vader, die den kelk heeft overgereikt.

Moet ik dan alles verdragen, alles zwijgend aanzien en elkeen laten begaan, die lust gevoelt om mij te verongelijken en te beleedi-gen r Zoo spreekt de ongeduldige, toornige en wraakzuchtige mensch. Hij weet zeer goed dat het wel christelijke volmaaktheid kan zijn alles te verdragen en zich niet tegen onrecht te verzetten, doch geen christelijke plicht. Hij weet zeer goed, dat het den christen niet

-ocr page 75-

63

verboden is zich met rechtvaardige en geoorloofde middelen op eene geoorloofde wijze te verdedigen tegen onrecht en verongelijking, maar hij wil smaad met smaad, laster met laster, onrecht met onrecht vergelden; de lust bekruipt hem, zijnen broeder de uitwerkselen van zijnen toorn te doen gevoelen, in de bitterheid des harten zint hij op wraak, en als hij zich verdedigt, hij doet zulks zoo hartstochtelijk en op zulk eene buitensporige wijze, dat hij eer een aanvaller dan verdediger kan genoemd worden. Deze onchristelijke handelwijze wil hij nu verschoonen door de on-noozele vraag; moet ik dan alles verdragen?

Wanneer wij, hetzij door de macht onzer vijanden, hetzij door hunne listen, hetzij dooiden samenloop van omstandigheden, verhinderd zijn om ons op geoorloofde wijze en door geoorloofde, niet zondige, middelen tegen verongelijking te verdedigen, dan kan God alleen ons helpen door de gewone of buitengewone middelen zijner Voorzienigheid. Aan God moeten wij dan onze zaak toevertrouwen ; komt de Heer niet tusschenbeide, wij vinden daarin een zeker bewijs, dat ons lijden een kelk is, dien de Vader ons te drinken geeft.

Sla eens aandachtig uw oog op Jesus, die daar weerloos voor de dringende, vloekende en dreigende bende staat. Hij ziet de opgeheven stokken en zwaarden. Hij weet voor wien de koorden en boeien bestemd zijn. Hij kent den haat der priesters en oversten, die

-ocr page 76-

64

de bende aanvuren en leest in de ruwe blikken der soldaten en dienaren zoowel als in hun hart hoe wreed een geweld zij zullen plegen, zoodra Hij in hunne handen zal gevallen zijn. Al de bijzonderheden van het gruwelijkste onrecht, dat men tegen hem zal plegen, staan voor zijnen geest, doch Hij slaat zijne oogen ten hemel, en zegt: de Kelk. dien de Vader mij gegeven heeft, zal Ik hem niet drinken r Durven wij Jesus van dwaling beschuldigen ; durven wij tot Hem zeggen : Heer, Gij vergist U, niet de Vader, maar de booze Joden hebben U den Kelk bereid, zij zijn het die hem aan U overreiken ? Geen christen zal dergelijk eene taal tot Jesus durven voeren. Waarom wijten wij dan ons lijden en onze verongelijking aan den broeder; waarom vergeten wij den hemelschen Vader, die onze beproevingen toelaat r Is het niet veel aangenamer, veel zoeter, met kinderlijke onderwerping tot den Vader op te zien, dan in bitterheid des harten te morren en te klagen over den broeder ?

Den Kelk, dien de Vader Mij gegeven heeft, zal Ik hem niet drinken ? O hadden wij het gelaat aanschouwd van Jesus, toen Hij deze woorden uitsprak ; hadden wij den toon van liefde, gehoorzaamheid en blijmoedige onderwerping gehoord, waarop Jesus hier, in dit uur, in deze omstandigheden den zoeten naam van „Vaderquot; noemde! ^let Jesus zouden wij de handen uitstrekken tot eiken kelk dien de „Vaderquot; ons aanbiedt; nimmer zou over onze lippen de koude klacht komen ;

-ocr page 77-

65

moet ik dan maar alles verdragen ? Wij zouden gevoelen, dat God ons nooit naderbij is, dan in lijden en verdrukking; wij zouden met vreugde den kelk ledigen, overtuigd, dat de goede Vader met welbehagen nederziet op de liefdevolle onderwerping van zijn zwak kind.

Zie eens, lieve lezer, welk een verschil er is tusschen den wereldling en den navolger van den lijdenden Jesus. De wereldling scheidt, woedt, strijdt in dollen drift, en kan hij het ongelijk niet afweren, hij zoekt eenige verzachting van lijden in wraakgierige gedachten. Zijn gemoed is verbitterd, zijne rust is vervlogen, en wanneer het onrecht, 't welk men hem aandeed, reeds lang vergeten kon zijn, bloedt de wonde zijner ziel nog voort, omdat hij ze steeds openrijt door zijne bittere herinneringen. üe ware christen daarentegen is gelijk aan den vierkanten steen, waarvan de H. Augustinus spreekt; hoe ook door onrecht heen en weer geslingerd, altijd staat hij kalm overeind, hij ziet op naar den hemel en denkt met kinderlijke vreugde aan den goeden Vader, die zich gewaardigde met vaderlijke hand den kelk over te reiken, die in booze bedoelingen door anderen gevuld was. Op wien gelijken wij, lieve lezer; op den navolger van Christus ? Laat ons opzien tot Jesus, ons toonbeeld, en voortaan naar Hem ons richten.

5

-ocr page 78-

Vrijdag na den eersten Zondag in de Vasten.

Tune discipuli ejus relinquentes eum, omnes fugerunt. Marc. XIV : 50.

Toen verlieten Hein zijne leerlingen en namen allen de vlucht.

Petrus was terechtgewezen en stak, zijnen Meester gehoorzamend, het zwaard in de schede. Nu richtte Jesus zich tot de bende en sprak : lt;r/s tegen een moordenaar zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken, om Mij te vangen. Dagelijks zat Ik bij u in den tempel en leerde Ik u; en gij hebt Mij niet gegrepen. Doch dit is uw uur en de macht der duisternis. Dit alles nu is geschied, opdat de Schriften der profeten vervuld zouden worden. Zachter verwijt konde de Heer aan die booswichten wel niet toevoegen. Het was minder een verwijt dan eene waarschuwende onderrichting. De bende soldaten en dienaren, doch inzonderheid de priesters en oversten, die de bende vergezelden, werden gewezen op de voorspellingen der profeten en op de mislukte aanslagen tegen Jesus, toen zijn uur nog niet gekomen was en Hij zich zonder

-ocr page 79-

67

inspanning aan hunne handen onttrok. Zij echter waren blind en maakten zich gereed, om Jesus te binden.

De apostelen dit ziende, werden door groote vrees bevangen. Hunne verschrikte verbeelding zag niets dan de touwen, stokken, zwaarden, woeste blikken en dreigende gebaren der bende. Zij vergaten Jesus, zijne voorspellingen, zijne Macht en Grootheid, zij vergaten het woord, 't weljc zij den geliefden Meester gegeven hadden, toen zij zeiden : Heer, wij zijn bereid met Uin den dood te gaan. De Herder werd geslagen en de schapen verlieten Hem en namen allen de vlucht. Zie hen daar verdwijnen in de duisternis van den nacht en in de schaduw der boomen, van nu af staat Jesus alleen omgeven van bloeddorstige vijanden.

Alleen omringd van vijanden! Alken als speelbal van een laaghartig gespuis ! Alleen, waar de macht der duisternis in ongetemde woede heerscht! Alleen en toch zoo groot! Nu zal zijne grootheid in den vollen middag zich vertoonen, want nu zal blijken, dat Hij, van alle menschelijkè hulp verstoken, niet alleen, maar bij den Vader is. Zijne vijanden zullen woeden, maar Hij zal zwijgen, om met den Vader te spreken, zijne vijanden zullen Hem binden en kluisteren, maar Hij zal gehoorzamen aan den Vader; zijne vijanden zullen Hem lasteren en alle kwaad van Hem spreken, maar Hij zal opzien tot den Vader, zijne vijanden zullen Hem dooden, maar Hij zal stervende zijn hoofd buigen voor den Vader.

-ocr page 80-

68

Ook wij zullen eens geheel alleen zijn; dan zal men ook van ons kunnen zeggen : toen zijn allen gevlucht en hebben hem verlaten. Het zal een uur van duisternis zijn, het doodsuur! Dan zijn alle vermaken, al de droombeelden der jeugd, al de verwachtingen van eene gehoopte toekomst voor altijd verdwenen; gelijk eene schaduw gingen zij voorbij. Wat ons uitlokte tot den arbeid, wat ons scheen te beloonen voor onze inspanningen, wat ons rusteloos voortdreef in onze gezonde dagen : eer en achting, vriendschap en rijkdommen, zij bekoren ons niet meer, want zij zijn onmachtig om ons te helpen. Ons gelaat, eertijds misschien geprezen wegens zijne schoonheid, draagt de afzichtelijke teekenen van den naderenden dood. Indien onze oude vrienden en kennissen ook al niet ontrouw worden aan de vriendschap, wij boezemen hen afschrik in, en zij zijn onmachtig ons te helpen. Ja, het uur komt, waarin gij op het bed van smarten uitgestrekt, door den dood, die u niet loslaat, alvorens hij zijnen prooi geheel meester is, zult worden uitgeschud erger dan de ongelukkige, die, van Jeruzalem naar Jericho reizende, in de handen der roovers gevallen was. De dood zal uw lichaam afbreken en niemand zal u hulp bieden tegen zijn geweld, gij zijt alleen met den vijand. Uwe voeten verstijven, uwe handen worden machteloos en laten het kruisbeeld ontvallen, 't welk men u overgaf; uw oog, dat her- en derwaarts dwaalt, als zocht het hulp, is uitgedoofd en onderscheidt met

-ocr page 81-

69

moeite de meest bekende voorwerpen; uwe tong beweegt zich, maar kan geen verstaanbaar woord meer uiten, uwe borst hijgt naar adem, terwijl uw hart nauw merkbaar klopt. Is dat nu de mensch, wiens blik zoo vurig, wiens tong zoo vlug, wiens handen zoo krachtig, wiens gezondheid zoo sterk was ? Alles heeft hem dus verlaten! Maar zijn geest? Misschien is hem het gebruik van rede en vrijen wil reeds ontnomen, doch, indien in dit uur der duisternis uwe ziel nog helder ziet, wat zal zij aanschouwen ? Zij zal al het akelige van hare eenzaamheid, al het schrikwekkende van haren toestand overzien.

Ik hoop, lieve lezer, dat gij in dit verschrikkelijk uur niet gekweld zult worden door treurige herinneringen van een zondig verleden. Mocht gij evenwel het ongeluk hebben gehad van veel en zwaar te zondigen , dan wensch ik u hartelijk, dat gij door oprechte boete uwe ongerechtigheden hebt uitgewischt, alvorens het uur genaakt, dat op zich zelf reeds zoo vreeselijk is.

O hoe nietig, hoe nooddruftig blijkt de mensch in zijn doodsuur I Zie ze op hun sterfbed, de machtigste vorsten der aarde; zij, die als godheden gediend, gevreesd en geëerbiedigd werden, zij zijn als machtelooze wormen, die door den voorbijganger vertreden worden. Hunne paleizen wemelen thans van dienaren, welke bereid zijn elke begeerte van hunne gebieders te voldoen, maar in dit uur is ook de vorst alleen, alleen tegenover den dood !

-ocr page 82-

70

Wat kan de macht van den machtige, de wetenschap van den geleerde, de rijkdom van den rijke tegen den dood ? Zijn niet allen even hulpeloos, even eenzaam, even verlaten in het uur der duisternis, wanneer de zon des levens voor altijd ondergaat ?

Gelukkig de mensch, die in deze bange uren zeggen kan : Non sum ego solus, ik ben niet alleen. God is mijn helper en mijn Verlosser; de goederen der aarde ontvallen mij, maar op deze heb ik nooit mijn vertrouwen gesteld; de vermaken hebben voor mij een einde genomen, doch mijn hart was nooit daaraan gehecht; mijne vrienden hebben mij verlaten en staan geheel radeloos van verre, maar God heb ik bemind, zijn welbehagen heb ik boven alles gezocht, de Heer verlaat mij niet; mijne krachten begeven mij, maar God is mijne sterkte; mijne oogen zijn uitgedoofd, maar God is mijn licht in eeuwigheid; mijne tong kan niet meer spreken tot de menschen, maar aan God zijn de zuchten mijns harten bekend ; mijne ooren zijn doof geworden, maar mijn ziel luistert naar de stem van haren God. Laat de wereld voorbijgaan. Hij die bij mij is, blijft in eeuwigheid; Hij zal mij vleugelen geven, opdat ik in jeugdige kracht mij verheffe om te rusten in zijnen schoot!

Jesus alleen omringd van wreede vijanden ! Ziet gij die smadelijke boeien en banden, welke Hem worden aangelegd; die opgeheven zwaarden en dreigende gebaren ? Hoort gij die ruwe kreeten en goddelooze verwenschingen, welke

-ocr page 83-

71

de bende uitstoot? Bemerkt gij dat stooten en slaan, dat duwen en schoppen, waaronder men uwen Verlosser voortdrijft? Welk eene ellende, maar ook welk eene grootheid ! Onder allen, die daar voorttrekken naar Jeruzalem, is slechts een, die geheel kalm is en weet wat Hij te ge-moet gaat; den dood. Die Eene is Jesus. Zie, Hij spreekt tot den Vader, Hij bidt. Zóó zal het sterfbed zijn van allen, die Jesus navolgen. De stervende christen ondervindt al de broosheid van den menschelijken natuur, al de smarten en angsten, die den dood voorafgaan en vergezellen. Zoo groot is zijne ellende, dat niemand hem onbewogen kan aanschouwen, maar hij betoont zich grooter dan de dood, sterker dan zij, die hem weenende omringen; want hij is niet alleen. De kunst bezweek voor het geweld van den dood, de geneesheer ging henen om niet terug te keeren. De nabestaanden hebben alle hoop op herstel verloren, zij weenen en zijn geheel in verwarring. Zij, die den stervenden nog bijstaan, doen wanhopige pogingen om de smarten des doods te verzachten, maar de kelk moet tot den laatsten droppel geledigd worden. De stervende echter is kalm; hij voelt zijn einde naderen en hij weet waar hij henen gaat; zijne ziel spreekt en zijn hart verzucht, want hij is niet alleen : God is hem nabij. Zijn strijd is hevig, zijne benauwdheid is groot, maar de vertroostingen des Heeren maken hem den doodstrijd zoet. Hij werpt een blik van liefde op het kruisbeeld, hij lispelt den zoeten naam van Jesus

-ocr page 84-

72

en roept de lieve moeder van Jesus aan. De omstanders zien hem verpletterd onder de slagen van den wreeden dood, maar hij geeft in blijde gehoorzaamheid zijnen geest in de handen des Vaders over, hij gaat ter bruiloft.

Dat mijne ziel den dood der rechtvaardigen sterve, en dat mijn uiterste gelijk zij aan het hunne! Ik zal dan niet langer op krachten en gezondheid bogen, zij zullen gebroken worden als een riet; ik zal niet roemen op machtige vrienden, op eer en aanzien, zij gaan als eene schaduw voorbij; ik zal mijn vertrouwen niet stellen op de goederen der aarde, de dood zal mij alles ontrukken; ik zal roemen op Hem, die bij mij blijft in eeuwigheid; Hem zal ik zoeken ten allen tijde. Hem zal ik dienen al de dagen mijns levens, en als de dood mij nadert om mij uit te schudden, ter neer te werpen en met zijne wreede pijlen te doorboren, dan zal mijn gebroken oog den vriend mijner ziel ontwaren, en Hij zal hare bede verstaan en antwoorden op de verzuchtingen van mijn hart; dan zal ik weten waar ik henen ga ; naar de bruiloft van het lam ! Mijn laatste woord zal zijn : Vader. in uwe handen beveel ik mijnen geest.

-ocr page 85-

Zaterdag na den eersten Zondag in de Vasten.

At illi tenentes Jesum, duxerunt ad Caiphani principem saccrdotum, ubi scribae et seniores convenerant. Matth. XXVI : 57.

Doch zij, die Je-sus in hunne macht hadden, voerden Hem naar den Hoosepriester Kaï-phas, bij wien de schriftgeleerden en ouderlingen vergaderd waren.

Met welk eene woede de gevangenneming van Jesus plaats had, verhaalt ons het Evangelie in die krachtige eenvoudigheid, welke alleen aan de H. Schrift eigen is. T)e H. Joannes zegt ; de krijgsbende dan Diet den Iwofd-man en de dienaren der Joden grepen Jesus en boeiden Hem. Niemand bleef dus achter, niemand wilde de laatste zijn. De hoofdman vergenoegde zich niet met de noodige bevelen, aan de soldaten overlatende om ze uit te voeren, ook hij sloeg de handen aan Jesus. De dienaren der Joden wedijverden op hunne beurt met de soldaten als waren deze niet talrijk en sterk genoeg om den éénen Jesus te boeien,

-ocr page 86-

74

Een ieder had zijn zwaard, zijn stok of koord voor Jesus bestemd, en wenschte nu ook zijnen ijver te toonen. Hoe wreed werd de Verlosser gebonden, gestooten, voortgestuwd en gesleurd! Een vroom verhaal zegt, dat Jesus in de beek Kedron viel, toen Hij dooide bende werd weggesleurd naar Jeruzalem ; doornat en beslijkt stond Hij weder op, men voerde Hem verder onder godslastering en spot.

Bij Kaïphas waren de schriftgeleerden en ouderlingen vergaderd, daar moest Jesus voor den Raad verschijnen om het vonnis te hoo-ren, dat reeds te voren was vastgesteld. De booswichten, die er gezeten waren, wachtten in de grootste spanning de tijding van 's Hee-ren gevangenneming af. Allerwaarschijnlijkst kwam men hun deze berichten eenen gerui-men tijd voor dat de geboeide Verlosser werd aangebracht. Met ongeduld werd Jesus afgewacht; het duurde lang eer de snoodaards zich in den aanblik van 's Heeren boeien konden verlustigen, want de bende hield zich eenigen tijd op bij Annas, den schoonvader van Kaïphas. Welke was de reden van dit oponthoud ? Aan Annas moest het genoegen gegeven worden van den geboeiden Jesus te zien, de voldoening om met den Verlosser en zijne vernedering te spotten. Had Annas om die voldoening gevraagd ? Had hij aan de bende eene belooning toegezegd, indien hun aanslag gelukte en kwamen zij nu reeds die belooning vragen ? Of had de Hooge-

-ocr page 87-

75

priester bevolen, dat men aan zijnen schoonvader het genoegen om den gevangen Jesus te zien zoo spoedig mogelijk zou doen genieten ? De Evangelist zegt het ons niet, maar de bende wist in elk geval dat zij den grijzen booswicht eenen dienst bewees door hem den vernederden Jesus te toonen. Kortom : alles, wat wij zien, is willekeur, ruw geweld, ongetemde woede en gloeiende haat.

Wat bewoog toch die bende om zoo tegen Jesus te woeden, wat voerde hen tot die razernij en wreedheid ? De soldaten en dienaren hadden Jesus nooit gezien, of althans niet met opmerkzaamheid gadegeslagen ; zij kenden den Verlosser misschien door den faam zijner wonderen, doch in ernstige aanraking kwamen zij met Hem niet. Van waar dan die haat, die wreede woede, die buitengewone mishandelingen, waaraan zij zich schuldig maakten ? Kaïphas en Annas, opperpriesters, schriftgeleerden en ouderlingen dragen daarvan de schuld. Deze hebben Jesus gelasterd, gevloekt, met de zwartste kleuren afgeschilderd. Door beloften, loftuitingen en kunstmiddelen waarvan de boosheid alleen de kracht kent, hebben zij woede en razernij in de onverschillige harten geplant. Sommige opperpriesters, overheden des tempels en ouderlingen waren zelfs met de bende uitgetrokken, om door hunne tegenwoordigheid, door persoonlijke aanmoediging en beloften de woede der soldaten en dienaren gaande te houden. Wanneer wij zien dat de grijze Annas in 't holle van den nacht

-ocr page 88-

76

Jesus' gevangenneming afwacht, om zoo spoedig mogelijk zich te kunnen verheugen in den smaad en het geweld den Verlosser aangedaan ; wanneer wij zien, dat de bende, zonder noodzakelijkheid en alleen om den grijzen booswicht voldoening te schenken, met den gevangen Jesus naar Annas trekt, dan behoeven wij niet meer te vragen wat de oorzaak was van de woede en den haat, die wij bij de soldaten en dienaren opmerken.

De bende was in dienst der Joden; zij was bezield met den geest dergenen, die haar hadden afgezonden, zij zocht hunne goedkeuring, gunst en belooning. Soldaten en dienaren wedijverden, om uit te munten door overmoed en wreedheid, overtuigd dat de mate der boosheid ook de maat van de welwillendheid hunner meesters jegens hen bepalen zou.

Lieve lezer, zie eens met aandachtig oog hoe zij Jesus duwen, slaan , schoppen en voorttrekken ; luister eens naar hunne spotternijen, hun goddeloos gelach en al de smaadredenen , die zij voortbrengen; beschouw hunne blijdschap, die daarin alleen haren oorsprong vindt, dat zij nu hunne booze meesters kunnen bevredigen !

Helaas, is het dan niet genoeg, dat er onder de menschen goddeloozen gevonden worden, die, met hart en ziel verkocht aan de zonde, geheel hun leven toewijden aan de boosheid ? Moeten er naast die snoode priesters en schriftgeleerden nog gevonden worden, die niet uit haat of hartstocht, maar geheel

-ocr page 89-

77

koelbloedig, uit hoop op winst en belooning, de zonde plegen, als ware zij een handwerk, een middel van bestaan! Ach, troffen wij zulke lage zielen slechts aan in dezen nacht! Maar hoevelen worden er thans nog gevonden, die in niets voor de soldaten en dienaren uit de bende onderdoen ! Lage zielen, die bereid zijn tot alle kwaad, indien er voordeel, gunst der menschen, belooning en eer mede te behalen is. Steeds vindt men hen bereid om goddeloosheid en ongeloof te bevorderen door alle middelen, inzonderheid door slechte boeken en geschriften ; zij juichen de ongebondenheid toe en maken voor de onkuischen en dronkaards den weg om Jesus te mishandelen effen en gemakkelijk. Onvermoeid in den dienst der wereld, achten zij zich genoeg beloond, wanneer hun eenig geld wordt toegeworpen, schoone beloften worden gegeven, eene heerlijke toekomst wordt voorgespiegeld of wanneer zij een goedkeurenden glimlach van nietswaardige stervelingen mogen ontvangen.

Toen een zekere heilige op een der pleinen van Alexandrië eene tooneelspeelster zag, die door onzedige kleederen en gebaren de toejuiching eener zinnelijke menigte bedelde, toen begon hij bitter te weenen. Wee mij, ongelukkige, zoo riep hij snikkend uit, deze doet zooveel om de menschen te behagen, en ik, wat heb ik gedaan om aan God te behagen ? Lieve lezer, wanneer gij u heden levendig de bende voor oogen stelt, die Jesus

-ocr page 90-

78

mishandelt, vertrapt, bespot en voortsleurt, om zich de gunst en goedkeuring der priesters en schriftgeleerden waardig te maken, dan hebt gij gewichtiger reden om te weenen en onder een vloed van tranen uit te roepen : Wee mij trage, lafhartige christen, de soldaten en dienaren vermoeien zich in boosheid om Jesus te mishandelen, en ik heb nog niets gedaan om Hem te eeren en zijn welbehagen te verdienen !

Word dan heden niet verontwaardigd over de koelbloedige boosheid der bende, noch over de goddeloosheid der zondaren, die niet minder laaghartig zijn in het versmaden van hunnen Verlosser; laat ons veeleer beschaamd de oogen ter neerslaan over onze onverschilligheid in den dienst van God. Zie hen wedijveren in goddeloosheid, zie hen onvermoeid den nacht doorbrengen in de baldadigste uitspattingen, zie hoe zij vreezen de een door den anderen overtroffen te worden in godslasterlijke spotternijen, zie, hoe zij zich gelukkig en beloond achten voor hunne booze handelingen, wanneer zij een glimlach, een teeken van goedkeuring, eene aanmoediging ontvangen van hen, die nog boozer zijn dan zij, en vergelijk daarmede uw eigen gedrag. Gij zegt, of denkt althans uwen God te dienen, gij stelt er prijs op een christen te heeten, doch waar is uw ijver ? Waakt gij tot God zoo als de godde-looze bende waakte tot hunne booze meesters ? Zijt gij onvermoeid in goede werken, in gebeden en lofzangen, in het vervullen uwer

-ocr page 91-

79

plichten zoo als zij onvermoeid waren in hunne uitspattingen ? Begeert gij de goedkeuring, het welbehagen en de belooning Gods, zoo als zij het welbehagen en de tevredenheid der booswichten begeerden ? Wedijvert gij met de braven naar den prijs der deugd en der volmaaktheid, zoo als de boozen onderling dingen naar den eerloozen palm der goddeloosheid ? Of zouden de dienst, de liefde en de belooning van God niet kunnen opwegen tegen den dienst en de vriendschap eener zondige wereld ?

O mijn Jesus, ik zie U omgeven van snoodaards, die wedijveren in woede en wreedheid om U te mishandelen, ik hoor hen juichen en lachen bij iederen slag, dien Gij ontvangt, bij elke godslastering die men U toeduwt. Waarom Heere Jesus, doet Gij mij getuige zijn van zoo veel snoodheid ? Is het niet, om mij op te stooten uit mijne traagheid, om mij te dwingen minstens evenveel ijver te betoenen in uwen dienst, als de goddelooze bende betoont in den gewetenloozen dienst der wereld ? Geef mij dan de genade, dat ik geen rust vinde, alvorens ik U diene met al de krachten van mijn lichaam en al de vermogens mijner ziel.

Wat doet gij lieve lezer, wanneer gij de boosheid het hoofd ziet opsteken, de goddeloosheid rondom u ziet woeden ? Gij treurt daarover en zijt hartelijk bedroefd, dat God zoo zeer wordt miskend. Dit keur ik niet af, doch er schiet nog iets anders over te doen. Scherp uwen ijver, treur over uwe traagheid, en begin een wedstrijd niet in de boosheid, maar in de

-ocr page 92-

80

deugd. Loof en prijs den Heer in al uwe gedachten, begeerten, woorden en werken even ijverig als de goddelooicen Hem honen. Zoek het voorbeeld, de opwekkingen en de hulp der braven, gelijk de zondaren elkander weder-keerig zoeken en steunen in de boosheid.

-ocr page 93-

Tweede Zondag in de Vasten.

Si male locutui sum, testimonium perhibe de malo, si autem bene quid me ca;dis?

Joan. XVIII : 23.

Indien Ik kwalijk gesproken heb, geef getuigenis van het kwaad; doch indien goed, waarom slaat gij Mij ?

De raad was vergaderd bij Kaiphas en wachtte met ongeduld op den geboeiden Verlosser. Eindelijk- openen zich de poorten van het goddelooze huis, en onder groot gejoel en getier wordt Jesus binnengesleurd. Onmiddellijk wordt de Verlosser met al de sporen der geledene mishandelingen, met al de boeien en teekenen der vernedering voor de verzamelde priesters en ouderlingen gevoerd. Eene beweging van wraakgierige vreugde, eene bespottende glimlach vertoonde zich aan alle zijden. Men zweeg om zich een wijle tijds te verlustigen in de smaadheid des Heeren. Ook Jesus zweeg en dronk met vreugde uit den kelk der vernedering.

Eindelijk neemt Kaïphas het woord op. Hij

-ocr page 94-

82

ondervraagt Jesus over zijne leerlingen en zijne leer op dien toon van minachting, welke den hoovaardigen zoo eigen is. Jesus antwoordde

hem : Ik heb openlijk tot de wereld gesproken, Ik heb altoos geleerd in de synagogen en in den tempel, waar alle Joden bijeenkomen, en in het verborgen heb ik niets gesproken. Wat ondervraagt gij Mij r Ondervraag hen die Mij gehoord hebben; zie, deze weten wat Ik gezegd heb.

Welke bittere en scherpe verwijtingen had Jesus hier tot Kaïphas kunnen richten ? Jesus wist, dat het onderzoek niet ernstig gemeend was, dat de verdediging hier niets kon baten, daar het vonnis reeds lang te voren was bepaald. Hij had den Hoogepriester kunnen herinneren aan diens eigen woorden, die voor eenige dagen door hem gesproken waren, toen hij in denzelfden raad zeide : Het is nuttig dat één mensch sterve, opdat niet het gansehe volk omkome. Hij had al de aanslagen, afspraken, listen en omkoopingen van Kaïphas en zijne aanhangers aan het licht kunnen brengen en door één woord kunnen toonen, dat al de kronkelpaden hunner huichelarij Hem bekend waren. Doch Jesus vernedert zich en geeft een ernstig antwoord, als of Hij met ernstige rechters te doen heeft; Hij wil liever voor onwetend en bedrogen gehouden worden dan zijne bittere vijanden door scherpe verwijtingen krenken. Toch lag er in 's Heeren antwoord eene terechtwijzing, maar eene zachtmoedige, die te lichter ingang kon vinden.

-ocr page 95-

83

omdat zij de eigenliefde der booswichten zoo veel mogelijk spaarde. Jesus beriep zich op getuigen, die in overvloed te vinden waren, ja velen der priesters en overheden hadden Hem met de uiterste opmerkzaamheid gehoord en gadegeslagen: zij waren zelfs afgezonden en uitgegaan om den Heer te bespieden en in zijne woorden te vangen. Dat zij nu opstaan, zegt Jesus, dat zij opstaan, die Mij gehoord hebben, dat zij spreken en alles verhalen, wat zij uit mijn mond vernamen in de Synagogen en in den Tempel.

Hoe zachtmoedig ook de vorm was, waarin Jesus deze terechtwijzing gaf, zij was al te waar en te billijk, zij maakte Katphas verlegen; hij zweeg in zijne verlegenheid. Een dienaar, die naast den geboeiden Jesus stond, bespeurde dat 's Heeren antwoord zijnen meester niet aangenaam was; hij geeft daarom den Verlosser eenen slag in het aangezicht. Hem toe-duwende ; anhiwordt gij aldus den ff oogepriester r Hoe durfde een dienaar, een geringe knecht daar in den vollen raad, bij een plechtig rechtsgeding het woord opnemen r Hoe durfde hij in tegenwoordigheid van de vorsten des volks eene handeling verrichten zoo ruw, dat ieder welopgevoed mensch zich onteerd acht als dergelijke daad in zijne tegenwoordigheid voltrokken wordt ? Die laaghartige ! hij moest wel goed zijn meester kennen, om zoo iets in diens bijzijn te ondernemen ; hij moest wel diep overtuigd zijn van den gloei-enden haat, dien Kaïphas en al de gewaande

-ocr page 96-

84

mederechters Jesus toedroegen, daar hij hier iets tegen Jesus durfde, wat nooit een gerechtsdienaar wagen zal tegen den ellendigsten misdadiger, zoolang deze voor zijne rechters staat. En hij bedroog zich niet. Geen woord van afkeuring wordt er gesproken, niet het minste teeken van verontwaardiging wordt er gegeven. Zoo diep waren die rechters gezonken, dat zij zelfs het onbetamelijke van des dienaars handelwijze niet gevoelden. Zij zwegen. Maar als zij hier zwijgen, dan hebben zij ook goedgekeurd, dan hebben zij ook den glimlach niet onderdrukt, die tot aanmoediging van latere mishandelingen dienen moest.

Smadelijk klinkt de kaakslag in ieders oor, onbeschaamd staart de knecht in het vernederd gelaat des Heeren, de rechters zwijgen en onderdrukken den glimlach van goedkeuring niet. Wat doet Jesus ? Als met beide handen neemt Hij den kelk der versmading en drinkt hem met volle teugen. Ja, Jesus vernedert zich nog dieper, want Hij richt met de uiterste zachtmoedigheid het woord tot dien ruwen knecht zeggende: Indien Ik hiuil/jk gesproken heb, geef getuigenis van het kwaad, doch indien goed. ivaarom slaat gij Mij z3

Wist de Verlosser dan niet, dat hij geen antwoord zou ontvangen; zag Hij niet, dat de onbeschofte nog overmoediger geworden door de goedkeuring van zijn meester. Hem grijnzend uitlachte ? Jesus wist alles, en toch sprak Hij tot dien ellendeling om zijne versmading in geheel hare uitgestrektheid te proeven.

-ocr page 97-

85

Smaad met smaad beantwoordende , zouden wij in diepe verachting ons hoofd van den knecht hebben afgewend ; wij zouden den Hoo-gepriester gevraagd hebben, wie de dienaar en wie de meester was? Om ons gekrenkt eergevoel te wreken, zouden wij in bittere verwijtingen lucht gegeven hebben aan de uitbarsting van een zoogenaamden rechtmatigen toorn.

Lieve lezer, erkent gij Jesus als uwen Heer en Meester r Is zijn woord ; Ik ben de weg. de waarheid en het leven. Die mij volgt 7oandelt niet in duisternissen voor u etne wet ? Zie dan op tot Hem, wiens gelaat kleurt, niet van toorn, maar van den smadelijken skg, dien Hij ontvangen heeft; zie hoe vriendelijk, hoe welwillend Jesus den schaamteloozen dienaar aanziet; hoor den zachtmoedigen toon, waarop Hij zich verdedigt, en leer dan van Jesus zachtmoedig en ootmoedig van harte te zijn.

Vergelijken wij ons gedrag met het voorbeeld, 't welk de Heer ons hier gegeven heeft. Jesus bemint de vernedering en omhelst haar met liefde. Hij, die de loftuitingen der menigte eertijds ontvlood. Hij neemt niet slechts de versmading aan, maar gewaardigt zich te spreken tot een ruw en schaamteloos mensch, hoewel Hij weet slechts verachting en spot tot antwoord te zullen ontvangen. Wij, daarentegen zijn geheel vol van ons zeiven, het is ons ondragelijk met menschen om te gaan, die ons niet met alle voorkomenheid behandelen en met groote onderscheiding eeren. Met de uiterste omzichtigheid verbergen wij alles,

-ocr page 98-

wat ons eenigszins in de achting van den naasten kan doen dalen, met groote zorg richten wij onze woorden en daden zóó in, dat alles tot onze eer moet strekken. Welk eene teleurstelling wanneer wij bij sommige gelegenheden minder worden opgemerkt en aangesproken dan wij verwacht hadden ! Gedurig overwegen wij bij ons zeiven, niet hoe wij de glorie Gods zullen zoeken, maar hoe wij den naasten zullen dwingen ons te bewonderen en te hoogachten. Niets van alles, wat ter onzer verheffing dienen kan, wordt verborgen gehouden. Wij roemen op onze afkomst, onze kennissen en vrienden; wij spreken over onze bekwaamheden, onze verdiensten en werken; wij sporen met uiterste nauwgezetheid alles op, wat ons kan doen stijgen in het oog der wereld. Die ons vleien zijn onze vrienden; die ons de waarheid zeggen rekenen wij onder onze tegenstanders; dwaas van hoogmoed, laten wij het ons gaarne welgevallen, dat er hoedanigheden en verdiensten in ons geprezen worden, die wij zeiven weten niet te bezitten. Kortom wij aanbidden ons zeiven en begee-ren, dat elkeen eenige wierookkorrels van lofprijzing aan ons ten offer brenge.

Hoe neerslachtig is onze geest, hoe onrustig ons hart, wanneer onze zwakke zijde werd opgemerkt; met welk een angst onderzoeken wij dan, wat men over ons geoordeeld en gesproken heeft; wij vinden geen rust, zoolang wij ons niet kunnen vleien, dat de herinnering aan onze zwakheid is uitgewischt. Wij schamen

-ocr page 99-

87

ons niet tot dubbelzinnigheid, leugen en huichelarij onzen toevlucht te nemen, ten einde den kwaden dunk weg te nemen, waartoe wij aanleiding gegeven hebben. Hoe kan een hoo-vaardig mensch God lief hebben uit geheel zijn hart, uit geheel zijne ziel en uit al zijne krachten, daar hij zich uitsluitend met zich zeiven bezig houdt r

En als wij onrechtvaardig beschuldigd worden, als onze beste bedoelingen ten kwade worden uitgelegd, als men cns met spotternij en hoon vervolgt, hoe kleurt dan ons gelaat, hoe klopt ons hart van verontwaardiging, weike bittere verwijtingen vloeien er over onze lippen ! O Christen mensch, zie naar het gelaat van uwen Jesus, het kleurt nog van den smade-lijken kaakslag; hoor den zoeten toon, waarop uw Verlosser tot den ruwen en baldadigen dienstknecht spreekt. De onverlaat ziet Jesus grijnzend aan, hij begrijpt niet wat de Heer hier doet, maar gij ten minste, gij moet het begrijpen, gij moet weten, dal: Jesus den Kelk der vernedering in liefde en met volle teugen drinkt.

Zóó zijt gij verlost; wilt gij nu door uwe eigenliefde en hoovaardij het werk der verlossing voor u krachteloos maken ? Of meent gij, dat hij, die verlost is door 's Heeren vernedering, kan zalig worden door zelfverheffing en hoovaardij ? Onderzoek hier, lieve lezer, maar onderzoek ernstig hoever de hoovaardij nog over u heerscht. Sla uwen blik op uwe gedachten, begeerten en plannen, op alle uwe

-ocr page 100-

88

werken. Vraag u af, wat gij nu eigenlijk tot in uwe goede werken zoekt : de eer van God of eigen eer ? Wat gaat u het meest ter harte, waarover zijt gij het meest bedroefd; over den smaad die God wordt aangedaan of over de minachting die gij zelf hebt ingeoogst r En opdat gij u niet moogt vergissen in hetgeen Jesus van u verlangt, werp eeren blik opjesus, die met een gelaat nog kleurende van den smadelijken kaakslag, vriendelijk den boozen knecht toespreekt.

-ocr page 101-

Maandag na den tweeden Zondag in de Vasten.

Blasphemavit, quid adhuc egemus testibus? ecce nunc audistis blasphemiam, quid vobis videtur? At illi respondentes dix-erunt : Reus est mortis

Matth. XXVI : 65 — 66. _ Hij heeft God gelasterd! Wat behoeven wij nog getuigen? Ziet nu hebt gij zijne godslastering gehoord! Wat dunkt u? En zij antwoordden en zeiden : Hij is des doods schuldig.

Hoe boosaardig de Joodsche Raad tegen den Verlosser ook gestemd was, hoe vast hij ook besloten had, dat Jesus moest sterven, hij zorgde toch, dat de uiterlijke vorm van een rechtsgeding zoo veel mogelijk onderhouden werd; hij wilde den schijn der rechtvaardigheid. Wel is waar was het eene grove afwijking, dat een dienaar aan Jesus een kaakslag gaf, omdat de Verlosser zich beriep op de getuigenis dergenen, die Hem gehoord hadden, maar de Raad konde zich in schijn verschoo-nen, omdat de kaakslag niet op zijn bevel gegeven was. Kortom ; de uiterlijke vorm werd in acht genomen voor zoo verre de gloeiende haat zulks niet onmogelijk maakte.

-ocr page 102-

90

Er werden dan ook getuigen voorgebracht. Natuurlijk had men bij tijds gezorgd, dat er getuigen aanwezig waren, want het was nacht, er was geen tijd om ze van verre te roepen. Natuurlijk had men getuigen bijeengebracht, die bezield waren van haat tegen Jesus, of die door geld en beloften waren omgekocht, zoodat men op hen kon rekenen. De Evangelisten noemen hen dan ook valse he getuigen. Wat zij al tegen Jesus inbrachten wordt niet gezegd, maar de een sprak den anderen tegen. Hunne getuigenis was overigens zeer onbeduidend, want de Evangelist zegt : Ten laatsten stonden er twee op die verklaarden : Wij hoorden Hem zeggen ; Ik zal dezen tempel dooi' handen gemaakt afbreken en een ander niet door handen gemaakt ui drie dagen opbouwen. Daar Jesus zweeg, stond nu de Hoogepriester in huichelachtige deftigheid op zeggende : antwoordt Gij niets op hetgeen U door deze wordt tegengeworpen ? Jesus echter bleef zwijgen. Wat zoude de Verlosser er ook op antwoorden? Waarom zich verdedigen op eene beschuldiging, die zelfs te belachelijk was om ernstig te worden opgenomen r Daarenboven, de rechters kenden hunne getuigen, zij wisten wie en wat hen deed spreken.

Nu verhief Kaïphas andermaal zijne stem. Op plechtigen en diep eerbiedigen toon, waarvan elk, die het ongeloof en de goddeloosheid van den Hoogepriester kende, het huichelachtige moest opmerken, sprak hij ; ik bezweer U bij den levenden God. dat Gij ons zegt of Gij

-ocr page 103-

91

de Christus dc Zoon Gods zijt. Jesus zeide hem : gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg u: van nu af zult gij den Zoon des menschcn zien, gezeten aan de rechterhand van de kracht Gods en komend op de wolken des hemels. Toen scheurde de Hoogepriester zijne kleederen, zeggende : Hij heeft gelasterd'. Wat behoeven wij nog getuigen Ziet, gij hebt zijne godslastering gehoord'. JVat dunkt u r En zij antwoordden en zeiden ; Hi] is des doods schuldig.

Merk hier op, dat de Hoogepriester en allen, die daar met hem zaten, zeer goed wisten, dat Jesus zich meer dan eens den Zoon Gods en den Christus genoemd had. Was het hem werkelijk ernst om deze verzekering nog eens uit den mond des Heeren te vernemen, waarom deed Hij niet aanstonds deze vraag, dan had hij de getuigen geheel kunnen ontberen r

De booswichten haatten Jesus, omdat Hij zich den Christus, den Zoon Gods noemde en als zoodanig hunnen slechten wandel veroordeelde. Vast besloten op hunne booze wegen voort te wandelen, wilden zij Jesus niet als Zoon Gods erkennen; zij wenschten echter hunne verwerping van Jesus en hunne aanslagen tegen den Heer voor het oog des volks te rechtvaardigen. Zij hadden getuigen noodig, die in een schijnbaar rechtvaardig rechtsgeding den Heer eene misdaad ten laste legden, zoodat een ieder, die de verwerping van Jesus hoorde, ook de gronden konde vernemen, waarop de Heer veroordeeld was. Doch de Heer liet toe, dat de valsche getuigen in hunne

-ocr page 104-

92

eigen strikken zich verwarden en dat de rechters met hen verlegen werden. Het was, om een einde aan de verlegenheid te maken, dat Kaïphas den Verlosser bezwoer te verklaren of Hij de Christus, de Zoon Gods was. Roept hij daarna uit : Hij heeft God gelasterd'. Wat behoeven wij nog getuigen r Men zoude hem kunnen antwoorden : juist nn hebt gij getuigen ncodig, die door zekere feiten bewijzen, dat Jesus niet is, wat Hij zegt te zijn : de Zoon Gods.

Bewonder hier de leiding Gods. De Joden haten Jesus, omdat Hij zich den Christus noemt, doch zij bedekken de oorzaak van hunnen haat, zij willen den schijn, dat zij Jesus veroordeelen wegens misdaden in zijn wandel of wegens dwalingen in zijne leer. Om hun doel te bereiken treden zij herhaalde keeren in overleg. Valsche getuigen worden omgekocht en afgericht, doch niets baat. Ten laatsten zijn zij genoodzaakt de geheimen van hun hart te openbaren en Jesus om geene andere reden te veroordeelen, dan omdat Hij zich den „ Zoon Godsquot; genoemd heeft. Nog eens zullen zij hetzelfde spel zoeken te herhalen en nog eens zal het mislukken. Voor Pilatus zullen zij Jesus betichten van vele misdaden, doch het zal hun niet gelukken den landvoogd tot het doodvonnis te dwingen, alvorens zij gezegd hebben : //ij moet sterven, omdat Hij zich den Zoon Gods genoemd heeft.

Zij sloegen geen acht op de wonderen door Jesus gewrocht, op de reinheid van 's Heeren leer en wandel, op de kennis der verborgenste

-ocr page 105-

93

zaken, welke de Verlosser ten toon spreidde, op de voorspellingen der profeten, in Jesus vervuld, noch op de getuigenis die de he-melsche Vader aflegde var. zijnen Zoon. Het stond vast, onherroepelijk vast bij hen : Jesus mocht de Christus, de Zoon Gods niet zijn, want zij wilden zich niet onderwerpen aan zijne leer, noch zijn juk op hunne schouders nemen^ zij wilden zijne bedreigingen niet vreezen ; noch zijne bestraffingen dulden; trotsche leermeesters wilden zij blijven, in plaats van ootmoedige leerlingen te worden, het scheen hun verkieslijker slaven te zijn van lage hartstochten, dan vrienden en dienaren van den Zoon Gods. Zij sidderden van woede, toen zij uit 's Heeren mond hoorden ; Fa/t //// af zult gij den '/.oon des menschen zien, gezeten aan de rechterhand van de kracht Gods, en komend op de wolken des hemels. Zij begrepen, dat zij Jesus óf als rechter moesten eerbiedigen, óf als godslasteraar moesten verwerpen.

Wanneer de profeet zegt : waarom beefden dc natiën, en zonnen de volkeren op dwaasheden, waarom stonden de koningen der aarde op, en kwamen de vorsten zamen tegen God en zijnen Christus r dan doelt hij niet slechts op de vorsten en oversten van de Joden, noch op Pilatus en Herodes, maar op allen, die in den loop der eeuwen Christus verwerpen, dewijl Hij zich „den Zoon Godsquot; noemt.

Is Jesus de Zoon Gods, dan heeft Hij alle macht in den hemel en op aarde, dan is Hij Rechter over levenden en dooden, dan duldt

-ocr page 106-

94

zijn woord geen tegenspraak en is alle schepsel Hem onderworpen ; dan moet elkeen zijne leer onvoorwaardelijk aannemen, en is zijn Rijk, zijne Kerk, onafhankelijk van alle men-schelijke willekeur. Hij, die begint met de Kerk te versmaden moet eindigen met den Zoon Gods te verwerpen. Zien wij zulks niet onder onze oogen gebeuren f Om de leer en het gezag der Kerk te kunnen verwerpen, om aan Jesus de gehoorzaamheid van een ootmoedig geloof te kunnen weigeren, randt men thans de Majesteit zijner goddelijke afkomst aan.

En wij, lieve lezer ? O, laat ons het oog slaan op den geboeiden en mishandelden Jesus ! Zie Hem daar voor zijne trotsche rechters. Hij herhaalt, wat Hij onder wonderen en teekenen zoo dikwijls zeide : dat Hij de Zoon Gods is, de Rechter over levenden en dooden. Hij wist dat zijne getuigenis door de Joden niet zou aangenomen worden. Hij wist, dat zijn woord den kaad zou verbitteren en opwekken tot verdubbelden haat, maar geen smart is voor Hem te groot, geen dood te wreed om ons te belijden als zijne schepselen, zijne dienaren, zijne kinderen ! Want let wel op, wanneer Jesus zich „Zoon Godsquot; noemt, dan belijdt Hij daardoor dat wij zijne schepselen zijn ; wanneer Hij in het aangezicht des doods zich „den Christusquot; noemt, dan belijdt Hij gekomen te zijn, om ons tot zijne dienaren en kinderen te vormen. Mijn Jesus heeft mij beleden in vernedering en mishandeling,

-ocr page 107-

95

in smart en in dood, zal ik op mijne beurt Hem niet belijden in oneer en schande, in spot en vervolging, in lijden en smart r

Opdat het blinde schepsel zijnen Schepper mocht erkennen en het dwalende schaap zijnen herder, daarom heeft Jesus zich geheel prijsgegeven aan den haat der Joden. Werp u dan voor den geboeiden Jesus neder en zeg uit de volheid des harten ;

Gij zijt mijn God, door U ben ik voortgebracht ; ik, met al het mijne, ben uw eigendom. Sta niet toe, lieve Jesus, dat ik ooit de banden verbreke, die mij aan U binden. Gij zijt mijn herder en ik ben het schaap uwer weide; toen ik dwaalde hebt Gij mij opgezocht; sta niet toe, dat ik U ooit weder verlate. Eens zult Gij wederkomen op de wolken des hemels om levenden en dooden te oordeelen, met blijdschap blik ik deze toekomst tegemoet, daar Gij, o zoete Jesus mijn Rechter zijt. Zie Heer, ik neem uw juk op mijne schouders, ik omhels uwe leer, die door den mond uwer Kerk mij verKondigd wordt; kom mij te hulp, opdat ik alles met zorg beoefene, wat ik met het hart geloof en met den mond belijd. Ach, lieve Jesus, ik betreur het, dat zoovelen U verwerpen, terwijl Gij in vernedering en in lijden, in tranen en in bloed tot allen roept ; Ziet uwen God, uwen Verlosser en uwen Rechter; vurig bid en smeek ik U om barmhartigheid en genade voor die blinden, opdat zij toch eens mogen erkennen wat hun tot vrede verstrekt. Amen.

-ocr page 108-

Dinsdag na den tweeden Zondag in de Vasten.

Et viri, qui tenebant ilium, illudebant et csedentes. Luc. XXII : 63.

De mannen nu, die Hem vasthielden, beschimpten en sloegen Hem,

Hij is des doods schuldig, zoo luidde de uitspraak van den Joodschen Raad. Nu werd de vergadering opgeheven en Jesus ter bewaking aan de dienaren overgelaten. Met woeste vreugde namen de dienaren Jesus mede, zij vonden thans de gelegenheid hunne wreedheid den vollen teugel te vieren. Als dolle honden, met duivelachtig genoegen omgaven zij het goddelijk Lam. Zij bonden Jesus een doek voor de oogen, sloegen Hem in het aangezicht, roepende en krijschende : Zeg ons wie heeft Ugeslagen; anderen bespogen het goddelijk gelaat onder bitteren spot.

Zie den Verlosser daar staan geheel alleen en schijnbaar onmachtig te midden der wreedaards; zijn aangezicht kleurt en zwelt van de slagen, bloed vloeit er over zijne gezegende lippen, want zijn mond werd gekwetst; zijne

-ocr page 109-

97

oogen zijn bedekt met een doek en afzichtelijk uitwerpsel besmeurt zijn gelaat. Zoo drijft men den spot met de alwetendheid en almacht, met de wijsheid en majesteit van Gods eenigen Zoon. En Jesus zwijgt!!! Prent diep in uw geheugen, wat gij hier aanschouwt en nimmer zal het u verbazen, wanneer gij geloof en deugd, heiligheid en zuiverheid van zeden bespot ziet. Zóó heeft men gewoed tegen den Zoon Gods, wat wonder dat men thans nog tegen zijne dienaren, zijren plaatsbekleeder op aarde, zijne Kerk en zijne leer woedt ? Wees bedroefd, maar nooi: ontsteld, wanneer gij koelbloedig, schaamteloos en godslasterlijk hoort uitvaren tegen alles wat de godsdienst heiligs en eerbiedwaardigs heeft. Zeg nooit : hoe is het mogelijk, dat God zulks kan ge-doogen, maar herinner u het huis van Kaïphas en wat daar is geschied. God is lankmoedig, omdat Hij eeuwig is; Hij haast zich niet, omdat Hij steeds den tijd heeft om zijn laatste woord te spreken.

Doch waarom zouden wij ook begeeren, dat het vuur des hemels nederdaalde over de booze dienaren en over allen, die hunne werken herhalen. De geest van Jesus is geen geest van wraak. Zie, Hij zwijgt, de goede Jesus, en zijn laatste woord was eene waarschuwing. Va/i nu af. sprak Hij, zult gij den Zoon des men-schen zien, gezeten aan de rechterhand van de kracht Gods, komend op de wolken des Hemels. Dit woord, zoo kort en ernstig en in het huis van Kaïphas door geen ander woord gevolgd,

7

-ocr page 110-

98

zal onwillekeurig voor den geest der booze dienaren terugkeeren; wie weet of het, na eenigen tijd, wanneer de roes der wreede razernij heeft opgehouden, geen vruchten zal voortbrengen bij sommigen dezer knechten, want Jesus lijdt ook voor hen.

Groot is de snoodheid der dienaren, maar in driedubbele zwaarte valt zij op Kaïphas en den Raad terug. Deze hebben hunne dienaren aangemoedigd, opgeruid tot de misdaad en bezield met al den haat waarvan zij zelve gloeiden. De knechten hebben van hunne meesters geleerd Jesus te haten en op hunne wijze geven zij lucht aan dien haat. Het is mogelijk, dat Kaïphas niet wist wat de dienaren tegen Jesus ondernamen, maar deze wisten wat hunnen boozen meester aangenaam was. Hadden zij niet gezien, dat de Hoogepriester zweeg, toen een hunner Jesus den eersten kaakslag gaf? Allen wisten wat Kaïphas tegen Jesus begeerde, allen waren daardoor aangestoken van haat, verachting en woede tegen den Verlosser. Het gansche huis des Hooge-priesters is bedorven, zelfs de dienstmeiden woeden er tegen den Heer; maar iedere godslastering daar uitgesproken, elke kaakslag aan Jesus toegebracht, elke smaadheid Hem aangedaan is meer het werk des Hoogepriesters dan der dienaren. Hij, de Hoogepriester, ergert zijn volk; hij, de meester, ergert zijne knechten ; hij ergert door zijn voorbeeld, door goedkeuring en aanmoediging, door de opgewekte woede niet te breidelen en door Jesus

-ocr page 111-

99

over te laten aan de willekeur van een ongetemd gespuis. Kaïphas is heengegaan, toen hij het doodvonnis over Jesus uitgesproken had; hij meende dat hij zijne misdaad, althans voor dezen nacht, voltrokken had; maar zijn laatste woord was slechts een begin van duizend gruwelen, welke alle nederdalen op zijn hoofd.

Ontzettend groot en uitgestrekt kan de zonde der ergernis zijn. Wee den mensch, door wien de ergernis komt. Zeer velen misleiden zich in dit opzicht. Zij meenen dat hunne zonde voltrokken werd en een einde nam, toen zij hun laatste woord gesproken, hunne laatste daad verricht hadden en het was nog slechts een begin der gruwelen. Hunne woorden waren als vuurvonken die naar alle zijden rondspatten om dood en vernieling onder de zielen voort te brengen. Het onkruid, 'twelk zij door hunne verleidelijke gesprekken en daden zaaiden, woekert voort en zal nog booze vruchten van vloeken en godslastering, van onkuischheid en dronkenschap, van haat en vijandschap, van ongeloof en goddeloosheid voortbrengen, wanneer zij van het tooneel der wereld reeds verdwenen zijn, om aan God rekenschap van hunne ergernis af te leggen.

Hoe meer de mensch in boosheid toeneemt, des te grooter wordt zijne begeerte om ergernis te geven ; het voldoet hem niet meer zich zeiven te verderven; anderen wil hij medeslepen in het verderf, hij rust niet, alvorens hij vrienden gevonden heeft, die met hem denzelfden weg bewandelen. Die hem weerstaan

-ocr page 112-

100

en door hun gedrag zijnen boozen wandel veroordeelen, beschouwt hij als zijne vijanden, en vervolgt hij door hoon, spot en laster. Zijne booze gesprekken en daden schieten te kort, hij ziet uit naar andere hulpmiddelen om in ruimer kring dood en verderf te zaaien; door slechte boeken en dagbladen zoekt hij de goddeloosheid te verspreiden, zelfs de onschuld van het kind wordt hem ondragelijk. Het was dan ook geen toeval, dat er in het huis van Kaïphas geen enkele vriend van Jesus gevonden werd, dat allen daar bedorven waren en zelfs de dienstmeiden tegen den Verlosser ijverden. De bedorvenheid des meesters had de onderdanen aangegrepen; die daar niet boos was moest het worden of het booze huis verlaten, want Kaïphas konde geen braven dulden op zijnen weg. Van hem gaat een bederf uit, dat zich nog verder uitstrekt dan de ruimte der hoogepriesterlijke woning, een bederf. dat ook duizenden daar buiten zal aansteken.

Daarentegen, hoe braver en deugdzamer de raensch is, des te grooter zal zijne vrees zijn om anderen te ergeren. Hij zoekt met allen ijver zijne eigene ziel te behouden, hoe zou hij dan de ziel des broeders in gevaar kunnen brengen ? Hoe zou hij eene ziel kunnen verderven, voor welke Jesus gestorven is ? Hij geeft acht op zijne woorden en daden, want hij weet, dat men zelfs door onbezonnenheid ergernis geven kan. Één woord is niet zelden voldoende om het vuur van twist en twee-

-ocr page 113-

101

dracht te ontsteken, om verwijdering te brengen tusschen vrienden en bloedverwanten, om wanorde te stichten in een huisgezin. Eén lichtzinnig woord, ééne onvoorzichtige daad kan aanleiding geven tot booze gedachten en begeerten, tot zware overtredingen. De deugdzame kent de uitspraak der Schrift, die zegt: hij, die door zijne tong niet zondigt is een volmaakt niensch, hij waakt daarom zorgvuldig over de woorden zijner tong. Hij weet, dat Jesus met zooveel nadruk waarschuwt tegen de verergernis der kleinen, daarom is hij uiterst voorzichtig, om niet het onschuldig oog en oor der kinderen te kwetsen. Hij vraagt zich niet slechts, hoe ver hij in woord en daad gaan kan zonder schuldig te worden aan de zonden, die anderen naar aanleiding zijner handelingen plegen; hij wil zelfs gaarne eenige opoffering zich getroosten, eenig genoegen of voordeel derven, meer doen of laten dan strenge plicht vordert, wanneer hij daardoor misschien eene zonde van den broeder voorkomen kan. Hij volgt den apostel, die zegt, dat hij in eeuwigheid geen vleesch zoude eten, indien hij wist, dat een zwakke broeder door zijn eten zou geërgerd worden.

Werp een blik op u zeiven, en vraag u, hoe gij tot nu toe over de ergernis hebt gedacht. Was het woord der wereld : „ elkeen „moet weten wat hij doet; ik dwing niemand „ tot de zonde, die mijne slechte voorbeelden „ volgt, moet zijn eigen last dragen, zoo als „ik den mijnen,quot; ook het uwe ? Of kunt gij

-ocr page 114-

102

met Paulus zeggen ; wie is zwak terwijl ik niet zwak worde, wie wordt er geërgerd terwijl ik niet brande r

Welaan, sla nog eens uw oog op den geslagen, bespogen en gehoonden Jesus; onder allen die Hem omgeven is er niemand, die geen deel neemt aan de gruwelijke mishandeling, zij wedijveren in slaan, in spuwen en godslasteren, alsof zij vreesden zich geen waardige dienaren te betoonen van een godde-loozen meester. Is het te veel gevergd van de dienaren des Heeren, indien men verlangt dat zij zich even ijverig betoonen in het afweren der smadelijke beschimpingen, welke Jesus ondergaat, als de dienaren van Kaïphas ijverig waren in de goddeloosheid ? Iedere zonde is een smaad den Verlosser aangedaan; elke zonde is een kaakslag in zijn heilig en goddelijk aangezicht, mag een Christen zonder ontroering en droefheid daarvan getuige zijn ? .Maar indien de zonden zonder ons toedoen bedreven, de zonden die wij niet in staat zijn te verhinderen, ons reeds moeten bedroeven, hoezeer behooren wij dan te vreezen door woord of daad, door schuldige nalatigheid aanleiding te geven tot overtredingen? Welk een geluk ware het voor ons geweest, indien wij de smadelijke kaakslagen hadden mogen afweren van Jesus' aangezicht, of het gelaat des Heeren reinigen! Hoe zouden wij dan eenig deel kunnen nemen in de zonde, welke onzen goddelijken Meester hoont ?

O goede Jesus, het is U alleen bekend hoe

-ocr page 115-

103

dikwijls ik door woord, daad en nalatigheid schuldig ben geweest aan den hoon, die U werd aangedaan. Ootmoedig vraag ik vergeving voor alle ergernis, die ik ooit gegeven heb. Zie, Heer; voor uw heilig aangezicht maak ik het vaste besluit om alle zonden zooveel mogelijk te beletten en nimmer door woord of daad mijnen naasten te ergeren. Zegen, o Heer, dit mijn voornemen, opdat ik het getrouw vervulle. Amen.

-ocr page 116-

Woensdag na den tweeden Zondag in de Vasten.

Petrus autem sequebatur eum a longe usque in atrium principissacerdotum.

Matth. XXVI ; 58.

En Petrus volgde Hem van verre tot in het voorhof des hoogepriesters.

Petrus was in den hof met de andere leerlingen gevlucht, doch spoedig ontwaakte bij hem een gevoel van schaamte over zijne lafhartigheid ; hij keerde, hoewel schoorvoetend, op zijne schreden terug en volgde de bende, die Jesus naar het huis van Kaïphas sleurde; maar hij volgde op zoo groot een afstand, dat hij van de woestelingen niets te vreezen had. De lijdende Verlosser was reeds in de woning van den hoogepriester gevoerd en de poort was gesloten, toen Petrus daar aankwam. Treurig en peinzend ging de apostel heen en weder, totdat hij een leerling des Heeren, die in het huis van Kaïphas bekend stond, aantrof. Door bemiddeling van dezen leerling werd de poort geopend voor Petrus, die nu

-ocr page 117-

105

het voorhof des Hoogepriesters binnen ging. Daar was een vuur ontstoken, Petrus zette zich er naast anderen bij, om zich te verwarmen.

Men kan zich voorstellen, dat het in dit voorhof zeer luidruchtig toeging, allerlei verhalen over Jesus en zijne gevangenneming werden er opgedischt, elkeen roemde op het aandeel, dat hij daarin genomen had, en dit alles werd vermeld onder een stortvloed van godslasteringen; zoo levendig en woest ging het er toe, dat Petrus wel een oogenblik onopgemerkt kon terneerzitten; te meer, omdat in dezen nacht buiten de huisgenooten nog vele anderen, die of tot de bende behoord hadden, of als valsche getuigen dienen moesten, daar aanwezig waren. Doch langen tijd kon Petrus niet onopgemerkt blijven. Zijn hart was gebroken van droefheid wegens de mishandelingen zijnen geliefden Meester aangedaan ; ieder woord, hetwelk hij over Jesus hoorde spreken was hem een slag in het aangezicht; hij sidderde van vsrontwaardiging terwijl de angst zijn mond gesloten hield. Neen, hij kon daar niet lang onopgemerkt zitten, hij zweeg immers, terwijl de anderen luide spraken, zijn gelaat was bleek, terwijl de aangezichten van al de overigen gloeiden van haat en boosaardige vreugde; spoedig zal men de vreemde houding van Petrus opmerken, en dan naar de redenen vragen van zijn stilzwijgen en zijne smart.

Ach, waarom ging Petrus de goddelooze

-ocr page 118-

106

woning binnen ! Schaamte over zijne lafhartige vlucht, liefde voor zijnen goddelijken Meester, eene zekere hoop van nog iels voor Jesus te kunnen doen, misschien ook nog een zwak verlangen om met den Heer te lijden en te sterven voerden hem in het noodlottige voorhof. Daarbij was hij geheel in verwarring, de voorspelling zijner verloochening hem door Jesus gedaan, stond niet levendig voor zijnen geest. Reeds in den hof begonnen zijne misslagen, toen hij verzuimde te waken en te bidden.

Nauwelijks is hij hier bij het vuur gezeten, of de dienstmeid die hem binnen liet, kwam tot hem, dewijl zijne vreemde houding hare opmerkzaamheid getrokken had; zij staarde hem in het gelaat en sprak : ook gij ivaart bij Jesus van Nazareth. Nu schrikte Petrus uit zijne mijmering op, geheel in angst zeide hij : Ik nlt;ect en begrijp niet wat gij zegt. Na deze eerste verloochening ging de apostel buiten het voorhof als om adem te scheppen, want hij gevoelde, dat hij niet op zijne plaats was. Bij de deur werd hij echter door eene tweede meid opgemerkt, en deze zeide tot die bij haar waren : ook deze was met Jesus van Nazareth. En nu ontkende Petrus voor den tweeden keer, doch met grooteren nadruk, Door de tweede verloochening nog meer in verwarring gebracht, beging Petrus de groote onvoorzichtigheid van terug te keeren naar het voorhof. De arme apostel hoopte misschien nog de gelegenheid te hebben zijne misstap-

-ocr page 119-

107

pen eenigszins te herstellen. Wat er van zij, hij keerde terug en werd nu omstreeks een uur lang ongemoeid gelaten. Het schijnt dat de snoode en woeste dienaren juist in dit uur Jesus mishandelden, sloegen en bespogen ; hierin moet wellicht de reden gezocht worden, dat Petrus zoolang ongemoeid werd voorbijgegaan. Ten laatsten echter valt het oog eens dienaars weder op Petrus, hij zej^t tot zijne makkers : Deze was ook met hem, wan/ hij is een Galile'ér. Petrus ontkent, doch de anderen bevestigen en roepen ; uwe spraak verraadt. dat gij een Galile'ér zijt; ja, een dienaar, een verwant van Malchus, wiens rechteroor Petrus had afgehouwen, voegt er zelfs bij : Heb ik u niet met Hem in den hof gezien ? Petrus, van alle zijden aangevallen en in het nauw gebracht, vloekt en betuigt onder zware eeden en verwenschingen, dat hij Jesus niet kende!! Onmiddelijk daarop kraait de haan voor den tweeden keer, Jesus wendt zich naar Petrus en ziet den ongelukkigen apostel aan. Terwijl het gekraai van den haan bij Petrus de voorspelling van den Heer in het geheugen roept, wordt het hart des apostels gewond door den lijdenden en droeven blik van zijnen goddelijken Meester. Petrus vlucht uit het gezelschap der boozen, hij spoedt zich naar buiten en begint bitter te weenen.

Wie, lieve lezer, wie is er veilig en op wiens deugd kan men vertrouwen, wanneer de ceders van den Libanon in eenen nacht als rietstok-ken gebroken worden r Veiligheid ? Zij is al-

-ocr page 120-

108

leen te vinden in mistrouwen op eigen krachten, in waakzaamheid en gebed. Zal de val van Petrus voor ons geen krachtige waarschuwing zijn ? Zullen wij uit dien val niet leeren, dat wij verloren zijn, waar wij ophouden met waken en bidden ? Ik wil aannemen, dat gij reeds vele bewijzen van trouw en gehechtheid aan Jesus gegeven hebt, maar vermetel ben ik niet, wanneer ik zeg : Petrus gaf er meer. Ik wil volstrekt uwe liefde en offervaardigheid niet in twijfel trekken, maar Petrus had reeds alles verlaten, om zijn Meester in de kwellingen te volgen. Gij zult aan vele bekoringen reeds het hoofd geboden hebben, gij zijt reeds gehard in den strijd, maar Petrus was een beproefde strijder, hij wist bij ondervinding welk een harden kamp de booze wereld aan Jesus en zijne leerlingen bood, en toch is Petrus gevallen. Hoor dan de ernstige les, die dezelfde apostel ons na zijnen val gegeven heeft; hij schrijft aan alle christenen, dus ook aan ons : beijvert u om in zorg eti vrees uwe roeping te verzekeren.

Petrus viel zeer diep. Zoude hij zoo diep gevallen zijn, indien hij het booze huis van Kaiphas niet was ingegaan? Hij heeft evenwel niet met booze bedoelingen zijne schreden daarheen gericht. Hij kwam daar om zijne lafhartige vlucht eenigzins te herstellen, een blijk van belangstelling aan zijn geliefden Meester te geven, een stille traan over het lijden van Jesus te weenen, misschien om voor Jesus nog iets te doen. Hij viel evenwel, hij viel in weer-

-ocr page 121-

109

wil zijner beste bedoelingen. Wat zal er dan geworden van hen, die de gezelschappen der zondaren opzoeken, om aan hunne zijde te spelen en te schertsen, om hunne uitspanningen te deelen, eene dwaze nieuwsgierigheid te bevredigen of zelfs om nauwe betrekkingen met hen aan te knoopen ? Hunne zonden keur ik af, zoo spreken sommige lichtzinnige en dwaze christenen, maar hunne uitspanningen, hunnen omgang, hunne gesprekken en hunne vriendschap, voor zoo ver zij niet zondig zijn, kan ik toch genieten? Zalig de man, zegt de H. Geest, die niet inging in den raad der boosdoeners, en niet stilstond op den weg der zondaren. Waarom zalig ? Zie op Petrus en gij hebt het antwoord. De apostel wilde geen deel nemen aan de zonden der boosdoeners, hij verfoeide hunne snoodheid, maar hij ging den raad der zondaren in, hij stond eene wijle stil op hunnen weg en ondervond dat de zondaren den braven niet in hun midden dulden, tenzij dat hij eenig deel neme aan hunne snoodheden. Daar blijft dan voor den Christen geen andere keuze over : hij moet of het gezelschap der zondaren vluchten, of deel nemen aan hunne overtredingen.

Wij leven echter te midden der wereld, en zijn door beroep, stand en duizende omstandigheden, van onzen wil onafhankelijk, genoodzaakt met onderscheidene zondaren in dagelijksche aanraking te komen. Welnu, laat ons behoedzaam zijn. Iaat ons waken en voorzichtig onderscheiden tusschen een noodzake-

-ocr page 122-

no

lijk verkeer en eenen innigen, vriendschappe-lijken omgang.

Twee leerlingen naderden tot Jesus in het uur zijner vernedering. Petrus, die viel, omdat hij, hoewel zonder slechte bedoelingen, zich nederzette naast de boosdoeners, en Joannes, die staande bleef naast het kruis, omdat hij in het gezelschap van 's Heeren moeder was. Gevoelt gij uwe zwakheid tegenover het bederf der wereld, gij zult dan ook niet ontkennen, dat gij behoefte hebt aan opwekking, aansporing, bemoediging en bijstand der braven-, dat dan de noodzakelijke aanraking met de boozen, u een spoorslag worde, om in de vriendschap en den vertrouwelijken omgang met de braven een tegengift tegen de verleiding te zoeken.

En zien wij dan ook niet, dat juist in deze dagen, waarin het bederf der wereld uiterst gevaarlijk wordt, de brave jongelingen en jonge dochters, mannen en vrouwen zich nauwer aaneensluiten door middel van Congregatiën en vereenigingen ? Vee Solt. wee den eenzamen, zegt de H. Geest, en Petrus leert ons door zijne treurige verloochening, hoe vreeselijk dat wee zijn kan; hij viel, omdat hij alleen stond onder eene schare van booswichten. Onderzoek, lieve lezer, in welk een toestand gij verkeert, wat gij te hopen en te duchten hebt van uwe omgeving. Het is u niet mogelijk alle ergernissen te ontvluchten, maar 't is u wel mogelijk te bidden en te waken, wel mogelijk om u aan de vriendschap der zondaren te onttrekken, en hen

-ocr page 123-

Ill

slechts tot vrienden te kiezen, wier voorbeeld u sticht en opwekt, u bemoedigt en sterkt, wier gesprekken u in Gods getrouwen dienst bevestigen en wier bijstand u groote kracht schenkt om te wederstaan aan de verleiding der wereld.

-ocr page 124-

Donderdag na den tweeden Zondag in de Vasten.

Surgens omnis multitude) eorum, duxerunt illum ad Pilatum.

Luc. XXIV : i.

Eu de geheele menigte van hen stond op, en voerde Hem naar Pilatus.

De Joodsche Raad had zijne taak nog niet volbracht, toen hij Jesus den dood schuldig verklaarde. Opperpriesters, Ouderlingen en Schriftgeleerden waren niet zonder zorg, want het doel van hunnen aanslag was nog geenszins verzekerd. In de eerste plaats moesten zij Pilatus, den romeinschen landvoogd, bewegen om het doodvonnis uit te spreken en te voltrekken ; want sinds geruimen tijd werd Judea door de Romeinsche Keizers als een wingewest overheerscht; een landvoogd voerde daar, in naam des Keizers, het hooge bewind en hem alleen was het recht over leven en dood voorbehouden. Vervolgens was de Raad niet zeker van de gezindheid des volks, 't welk, voor een

-ocr page 125-

113

deel althans, ten gunste van Jesus kon optreden en bij Pilatus op vrijspraak aandringen. Velen toch uit het volk hadden in de laatste dagen duidelijke blijken gegeven van hunne ingenomenheid met den Verlosser, die nog onlangs den blindgeborenen te Jeruzalem genezen en in de onmiddellijke nabijheid dezer stad Lazarus uit het graf had opgewekt; om niet te gewagen van de vele andere teekenen welke Jesus aldaar gedaan had. Ook was het aan geen der inwoners van Jeruzalem onbekend, hoe onze goddelijke Verlosser zijne heilige leer met hemelsche wijsheid meermalen verkondigd had in den tempel, alwaar Hij steeds de aanslagen zijner bitterste vijanden beschaamde. Wij zien dan ook uit het Evangelie dat er te Jeruzalem, vooral in de laatste dagen, veel over Jesus gesproken werd, zelfs zoo veel, dat de priesters en schriftgeleerden daarover verontrust tot elkander zeiden : Wat zullen wij beginnen, daar deze mensch i'ele teekenen doet ? Indien wij Hem laten begaan, zullen allen in Hem gelooven. Hierbij moet men nog in aanmerking nemen, dat er ter gelegenheid van het Paaschfeest duizende vreemdelingen te Jeruzalem waren, onder dezen waren er niet weinigen, die Jesus bij zijne omwandeling in het Joodsche land gezien en gehoord hadden, die getuigen waren geweest van vele zijner wonderen en ondubbelzinnige blijken van hunnen eerbied aan den Heer gegeven hadden. Met welk een geestdrift was de Verlosser voor eenige dagen niet ingehaald, toen Hij, gezeten op eene ezelin,

S

-ocr page 126-

114

Jeruzalem binnentrok ! De juichende menigte bestond allerwaarschijnlijkst voor een deel uit vreemdelingen, die gekomen waren om het paaschfeest te vieren, en deze vreemdelingen waren nog te Jeruzalem. De joodsche Raad was dan ook niet zonder zorg. Voor eenige dagen maakten zij zelfs het besluit om den voorgenomen aanslag tegen Jesus niet op den feestdag ten uitvoer te leggen, opdat er geen oproer onder het volk zou ontstaan. Zien wij, dat zij later weder van plan veranderd zijn, dan is dit vooral toe te schrijven aan Judas, wiens verraad hen in de gelegenheid stelde om de gevangenneming des nachts te voltrekken. Tot nu toe waren zij door niemand gestoord ; zij hadden in den nacht gehandeld en geene andere personen tot den aanslag gebezigd, dan die op welke zij onvoorwaardelijk konden rekenen. Thans moeten zij openlijk optreden, het gansche volk zal getuige hunner handelingen zijn : nieuwe voorzorgen worden noodzakelijk. Zeer vroeg in den morgen belegden de opperpriesters met de ouderlingen en de schriftgeleerden op nieuw eenen Raad. Hoewel zij den ganschen nacht nagenoeg slapeloos hadden doorgebracht, bleef toch niemand achter; alle krachten zal men inspannen om den Landvoogd vrees aan te jagen en het volk ontzag in te boezemen. Nadat zij nu in den haast het vonnis, reeds des nachts uitgesproken, bevestigd hadden — en dit achtten zij noodig, dewijl elk vonnis na zonsondergang uitgesproken krachteloos was vol-

-ocr page 127-

115

gens de wet — stonden zij allen zonder uitzondering op, om Jesus aan Pilatus over te leveren. Het ware voldoende geweest, indien eenigen uit hun midden tot Pilatus zich gewend hadden om hem de aanklacht en het oordeel van den Raad te beteekenen, maar zij wilden indruk maken, ontzag inboezemen, en vrees aanjagen, daarom gingen zij allen.

En inderdaad, welk een opzien moest het baren, toen vroeg in den morgen geheel onverwacht, de gansche Raad, in plechtigen optocht naar den Landvoogd zich begaf; welk een opzien, toen zij voorafgegaan van een gewapenden troep op de straat verschenen, welk een ontzettenden indruk moest het te weegbrengen, toen men Jesus, die zoovele teekenen nog in de laatste dagen gedaan had, die zoovele vrienden en aanhangers scheen te hebben, over wien zoo veel gesproken en getwist was, toen men Jesus in de handen der opperpriesters zag ! Hij was smadelijk geboeid, zijne kleederen waren gehavend, zijn gelaat droeg de teekenen van verregaande mishandelingen en met woeste baldadigheid werd Hij voortgesleurd. Het konde niet anders, of de mare van dit alles ging als een loopend vuur door de gansche stad, overal zag men groepen, die met belangstelling luisterden naar hetgeen verhaald werd, ontelbare valsche geruchten kwamen in omloop en elkeen spoedde zich, om met eigen oogen te zien hetgeen verhaald werd.

Toen men het gerechtshof genaderd was.

-ocr page 128-

116

werd Jesus daar binnengevoerd, doch de opperpriesters, ouderlingen en schriftgeleerden bleven buiten. De schijnheiligen, die gruwelen pleegden, veinsden eene groote vrees van verontreinigd te worden door de intrede van het huis eens heidens. De menigte, welke voor het gerechtshof zamenstroomde en daar elk oogenblik aangroeide vond er den geheelen raad bijeen, en wachtte met ongeduld op Jesus, die reeds voor den landvoogd stond.

Vestig uwe aandacht, lieve lezer, op die bonte en nieuwsgierige menigte; tot hiertoe is zij onschuldig aan alles wat tegen Jesus ondernomen werd. Is er iets goeds van haar te hopen; zal zij hare stem ten gunste van Jesus doen hooren ? In haar midden zijn er ongetwijfeld niet weinigen, die Jesus steeds verachtten, den spot met zijne heilige lessen dreven en Hem nimmer een gewillig oor leenden; gelijkgezinden vindt men altijd in eene groote en diepbedorven stad ; dezulken staan steeds vooraan en doen het luidst hunne stem hooren. Ook mag men aannemen, dat er onder de menigte nog zeer velen waren, die zich geheel onverschillig jegens den Verlosser betoond hadden, dewijl Jesus aan zijne volgelingen niet schonk wat vele menschen uitsluitend zoeken : geld, eer en vermaak. Dezen morgen hebben zij hunne onverschilligheid afgeschud, niet omdat zij partij trekken voor of tegen Jesus, maar omdat zij iets buitengewoons verwachtten en hunne nieuwsgierigheid bevredigen wilden. Behalve de opgenoemden waren er

-ocr page 129-

117

toch ook zeer velen, die blijken van eene groote ingenomenheid met Jesus gegeven hadden. Daar verzamelden zich voor het gerechtshof van Pilatus menschen, die door den Verlosser genezen waren of eene andere weldaad van hem ontvangen hadden ; men vond er verwanten, vrienden en kennissen van onge-lukkigen, die bij Jesus troost en hulp gevonden hadden; men vond er, die den Heer op zijne tochten somtijds gevolgd waren en in geestdrift hadden geroepen; Hij heeft alles wel gedaan, de blinden deed Hij zien en de stommen spreken; men vond er die God hadden verheerlijkt, toen zij Jesus zijne hemelsche leer hoorden verkondigen met eene wijsheid en een gezag, waarbij de Pharizeën verstomden ; men vond er eindelijk, die voor eenige dagen Jesus plechtig hadden ingehaald onder het geroep : Hosanna den Zoon van David.

Deze allen verzamelden zich voor het gerechtshof van Pilatus en hun aantal groeide elk oogenblik aan, terwijl Jesus voor den landvoogd stond. Vol ongeduld wachtten zij naar den afloop, zij brandden van verlangen om Jesus te zien, te hooren en getuigen te zijn van hetgeen hij thans doen zal tegenover zijne machtige vijanden. Deze staan echter niet werkeloos. Smaadredenen, lasteringen, hoon en spotternijen doen zij hooren, zij roemen op hunne overwinning en wijzen met overmoed op de schijnbare machteloosheid van Jesus; zegevierend verzekeren zij dat Jesus thans hunne handen niet zal ontkomen.

-ocr page 130-

118

En welk een indruk maakte dat alles op hen, die nog het best jegens den Heer gezind waren ? — Zij zwegen, sidderden en waren als verpletterd 5 nog eenige hoop bleef hun over; zij hoopten, dat Jesus door een schitterend wonder zich zoude redden en daarvan zal het afhangen of zij partij voor of tegen den Verlosser zullen trekken, want dit staat bij de meesten hunner vast : zij willen geen Verlosser, geen Koning, geen Meester, die eenen schandelijken dood gaat sterven. Misschien zullen sommigen uit gevoel van dankbaarheid niet het „Kruisig Hemquot; mederoepen, maar dan zullen zij zwijgen, en ten laatste henengaan, zich schamende dat zij vroeger zoo zeer voor Jesus geijverd hebben.

Indien gij uwen Verlosser in de dagen zijner omwandeling had aanschouwd, indien gij getuige geweest waart van zijne goedheid en wonderen, van de geestdrift der duizenden die Hem volgden en voor Hem ijverden, zoudt gij ooit geloofd hebben, dat het mogelijk was hetgeen gij hier aanschouwt ? Jesus eenzaam en van allen verlaten ! ! Hij echter heeft zich niet bedrogen, het was niet noodig dat iemand Hem onderrichtte, want Hij wist wat er in den mensch is. Hij, die de ergernis der apostelen voorspelde, wist wat er worden zou van de geestdrift der menigte. Toen deze juichte en riep ; Hij heeft alles welgedaan, toen zag Jesus zich reeds geheel verlaten; toen Hij nacht en dag zich vermoeide in zijn hemelsch onderricht, toen Hij al weldoende

-ocr page 131-

119

het land doortrok, stonden de onverschilligheid en ondankbaarheid des volks helder voor zijne oogen. En toch girg hij voort met te zoeken hetgeen verloren was. Dit verwondert ons, maar zijn wij niet getuige van dezelfde onuitputtelijke goedheid des Heeren ? Wat heeft Hij niet voor ons gedaan ? Wandelt Hij niet steeds al weldoende in ons midden ? Hij is de geneesheer onzer zielewonden, het licht onzer oogen, de sterkte in onze zwakheid; Hij draagt ons met meer dan moederlijke teederheid ; zoo zeer vermenigvuldigt Hij zijne weldaden, dat wij niet eens in staat zijn ze allen nauwkeurig op te merken. Geene moeder ging zooveel en zoo aanhoudend om met haar kind als Jesus met ons. Het licht zijner waarheid is steeds ontstoken voor onzen geest, en de stroom zijner genaden stroomt altijd voort in de heilige Sacramenten; terwijl Hij steeds in het heilig Misoffer voor ons den hemelschen Vader bidt. Wij denken wellicht, dat wij aan zooveel liefde eenigszins beantwoorden, maar Jesus weet wat er in de menschen is. Ook in ons vindt Hij ondankbaarheid, ongevoeligheid, ontrouw.

O mijn Jesus, wat zoude er van mij worden indien de ergernissen zich vermenigvuldigden en de stormen der bekoringen heviger opstaken ? Ach, het arme hart, dat ik u schenken kan, is uwe liefde niet meer waardig, maar ik dank uwe goedheid dat Gij mij gezocht hebt; laat niet toe dat ik ooit van U gescheiden worde. Amen.

-ocr page 132-

Vrijdag na den tweeden Zondag in de Vasten.

-----

Et projectis argenteis in lemplo recessit, et abiens laqueo se suspendit.

Matth. XXVIII : 3.

En hij wierp de zilverlingen in den tempel en vertrok; en heengaande verhing hij zich met een strop.

Wie kent niet Judas en diens verraad ? Is hij niet tot een afschrikkend voorbeeld geworden voor eiken Cliristen ? zoo lang het geheim der liefde, het lijden van onzen Heer, overwogen wordt, zal de akelige gestalte van den verrader optreden voor den geest, om waarschuwend te leeren, dat elkeen zich voor eeuwig kan verderven, in weerwil van Gods oneindige barmhartigheid. Geene roeping is zoo verheven, geen staat zoo heilig, dat zij zonder onze medewerking onze zaligheid verzekeren.

Judas was een der twaalven, die uit den mond des Heeren hoorden ; zalig de oogen, die zien ivat gij ziet; zalig de oor en, die

-ocr page 133-

121

hooren wat gij hoort, en toch is hij verloren gegaan. Denk niet, lieve lezer, dat Judas altijd even slecht geweest is ; in den beginne was hij evenmin in staat het gruwelijke verraad te plegen als gij thans zijt. Maar hij had eene booze neiging, zoo als ieder mensch er eene heeft, eene booze hoofdneiging, welke hij niet bestreed, waaraan hij dagelijks toegaf. Hij was gierig, beminde bovenmate de tijdelijke rijkdommen, en meende daarin een geluk te kunnen vinden, dat alleen in God te vinden is. De goede Jesus riep den blinden Judas, om hem in de eerste plaats van zijnen hartstocht te genezen. En welke krachtige geneesmiddelen werden den apostel niet toegediend ? Hij zag Jesus tevreden, opgeruimd, blijmoedig in de meest volslagen armoede. De Zoon des menschen bezat geen steen, waarop hij zijn hoofd kon neerleggen, en toch deelde Hij aalmoezen uit van de gaven die vrome menschen Hem schonken. Opdat dit niet aan Judas zoude ontgaan, werd het aan hem opgedragen, de aalmoezen van den Meester uit te deelen.

Niet door voorbeeld alleen, maar door herhaalde onderrichtingen en vermaningen bestreed Jesus de gierigheid van Judas. Onophoudelijk hoorde de apostel hoe zijn Meester de gierigheid veroordeelde en de ijdele nietigheid der aardsche goederen verkondigde. Zoekt geen schatten, die de roest verteert, de motten opvreten of de dieven uitgraven, zoo sprak de Heer tot de zijnen, en deze les

-ocr page 134-

122

herhaalde Hij in tallooze gelijkenissen, spreuken en uitdrukkingen. Judas zag ook hoe de Heer zich bij voorkeur tot de armen wendde, dewijl Hij deze bijzonder geschikt keurde voor het Rijk der hemelen.

Welk een indruk maakte dit alles op het hart van Judas ? Gaf hij zich over aan de waarheid, waarmede de Heer zijnen geest verlichtte; liet hij zich leiden door het zoete geweld, waarmede Jesus hem tot de verachting der aardsche goederen voeren wilde? Ach, de leerling streed een hardnekkigen strijd tegen zijnen Meester ! Wie, die Judas in het gezelschap der twaalven aan de zijde van Jesus zag, had het kunnen denken ? Ook Judas had alles verlaten om Jesus te volgen, maar in de heimelijke verwachting van groote rijkdommen te zullen ontvangen voor het weinige dat hij verlaten had. Het woord, de vermaningen, het voorbeeld van Jesus sloegen deze verwachting steeds meer den bodem in, maar des apostels begeerte naar rijkdommen won onophoudelijk in kracht. Ook voor Judas gold het woord, dat God weleer tot den eersten broedermoor-der sprak : gij zult heerschen over uwe begeerlijkheid; zoo niet, dan staat de zonde voorde deur. De verrader heerschte over de begeerlijkheid niet. Wrokkend en morrend gaat hij aan 's Heeren zijde; hij klaagt dat er geen zorg gedragen wordt voor den buidel die hem is toevertrouwd; hij wordt een dief, dat is : hij zoekt door onrechtvaardigheid eene begeerte te bevredigen, die bij den dag rnateloozer wordt.

-ocr page 135-

123

De gierigheid bracht bij hem eenen zekeren afkeer voort tegen Jesus, deze afkeer deed hem minachtend neerzien op de dringende vermaningen des Heeren; zijne gewoonte om weerstand te bieden aan de woorden en voorbeelden van Jesus maakte hem koel en gevoelloos voor elk liefdeblijk, hardnekkig tot in den hoogsten graad; nu is eene zwakke aanleiding genoeg om hem tot de uiterste misdaad te voeren.

Lieve lezer, ieder mensch heeft in zijn hart eene booze neiging, welke hem ten verderve voert, indien zij niet bestendig bestreden wordt. Zij heet niet altijd gierigheid. Bij den eenen is zij eigenzinnigheid, ingenomenheid met zich zeiven, hardnekkigheid en ongehoorzaamheid ; bij den anderen heet zij ijdelheid, praalzucht en onmatige begeerte om te behagen, of de oogen en het hart van anderen te boeien; bij een derde heet zij zucht naar zinnelijk genot en vermaak, bij een vierden vertoont zij zich in den vorm van vadsige traagheid, bij een vijfde is zij lichtgeraaktheid en gramschap. Een ieder, die zijne ziel lief heeft, beproeve zich zeiven. Elkeen vrage zich af, wat boeit mij het meest, wat brengt mijne begeerte het lichtst in beweging, wat is de gewone oorzaak van mijne droefenis en onrust, van mijne zonden en overtredingen? Laat ons niet rusten, alvorens wij die oorzaak gevonden en een volhardenden strijd tegen haar aangevangen hebben. Jesus zal ons zijne hulpe bieden, gelijk Hij aan Judas zijnen bijstand geboden heeft.

-ocr page 136-

124

De afkeer dien Judas tegen zijn goddelijken Meester in zijn hart aankweekte, bracht hem nader tot quot;s Heeren vijanden, Hij was er getuige van hoe priesters en schriftgeleerden rusteloos zijnen Meester vervolgden en hij keurde het niet zoo streng meer af: tot zekere hoogte werd hij het eens met hen. In de laatste dagen bespeurde hij, dat de Joden zich gereed maakten eenen geweldigen slag te slaan; hij vernam, dat zij in hunne vergaderingen beraadslaagden hoe zij Jesus zouden gevangen nemen, toen dacht hij, dat hem eene schoone gelegenheid geopend werd om zijne gierigheid te bevredigen, hij ging tot hen en sprak : lVlt;i/ wilt gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren ?

Met open armen werd Judas ontvangen, men prees zijne wijsheiden zijn doorzicht; daar hij niet langer eenen Meester wilde volgen, die slechts onder de geringste klasse zijne aanhangers vond; de vriendschap en bescherming van de aanzienlijken des volks hadden toch veel grootere waarde, en daarop konde hij voortaan rekenen. Dertig zilverlingen werden den verrader voorloopig aangeboden, doch de gierigheid van Judas ontving zonder twijfel nog veel schoonere vooruitzichten. De oversten des volks waren toch zoo vriendelijk en gemeenzaam met hem, zij schonken hem het grootste vertrouwen, hij zou uitgaan aan het hoofd eener bende, die zich in alles naar zijne bevelen te voegen had.

Ach, hoe velen hebben in den loop der tijden het voetspoor van Judas gedrukt! Hoog

-ocr page 137-

125

stonden zij aangeschreven in Gods heilige Kerk, zij schenen zuilen te zijn van waarheid en deugd, doch in hun hart knaagde de worm der hoovaardij, der ijdelheid der hebzucht, der zinnelijkheid; hunne liefde verkoelde, maakte plaats voor afkeer en wrok, zij vielen en hun val werd toegejuicht door de vijanden van Jesus en zijne bruid. Die blinden ! zij begrepen niet, dat de wierook, door eene bedorvene wereld hun toegezwaaid, de strengste veroordeelir.g was van hun gedrag. O, lieve lezer, God behoede u, maar als de vijanden van God en de Kerk u de hand vriendelijk drukken, uwe woorden en daden prijzen, beef voor u zeiven, want daarin vindt gij een der zekerste teekenen, dat gij reeds ver gevorderd zijt op den weg des verderfs.

Toen Judas zijne misdaad voltrokken had, stond hij plotseling alleen; men had zijne hulp niet meer noodig en liet hem gaan met zijne zilverlingen, men schaamde zich zelfs hem langer te erkennen. O wat angsten heeft hij in dien akeligen nacht, toen Jesus in het huis van Kaïphas stond, doorgestaan ! Ik zie hem dwalen door de eenzame straten en stegen van Jeruzalem. In ieder persoon, dien hij ontmoet, vreest hij een apostel te vinden, die hem vloeken zal; voor elkeen wijkt hij ter zijde. Het woord des Heeren : wee den mensch, die mij verraden zal, staat nu dreigend op voor zijnen geest; de vriendelijke blik van Jesus, het laatste woord van Jesus : vriend, waartoe zijt gij gekomen ; Judas, ver-

-ocr page 138-

126

raadt gij den Zoon des mensc hen door een kus r doorboort en foltert zijn hart. Eindelijk breekt de dag aan, Judas hoort, dat Jesus na vele mishandelingen ter dood is veroordeeld en nu door de Joden wordt overgeleverd aan Pilatus, die het vonnis bevestigen en voltrekken moet. Ontzettend was de indruk! Hij wordt als een wanhopige.

Maar had hij er dan niet op gerekend, dat het zoo ver komen zoude ? Was hem niet alles door Jesus voorspeld? De booze begeerlijkheid had geheel zijn hart ingenomen, hij heeft aan niets gedacht dan aan zijne dertig zilverlingen en aan de schoone toekomst, die hij meende tegemoet te gaan.

Wat is er zekerder dan de dood, die niemand spaart en meedoogenloos alle verwachtingen, alle begeerten des zondaars verijdelt en omverwerpt, doch welk zondaar denkt daaraan, welk zondaar denkt aan het vreese-lijke uiteinde ? Zoo blind zijn zij allen, de blindheid van den verrader moet ons dus niet bevreemden. Thans echter ziet Judas, wat hij nimmer wilde zien en hij is radeloos; hij ziet zich schuldig aan het bloed van Jesus ! Zijne haren rijzen te berge, zijne verwilderde oogen toonen wat er omgaat in zijn hart; hij snelt tempelwaarts, waar priesters en ouderlingen, die hem het bloedgeld toetelden, zich bevonden; ik heb gezondigd, zoo roept hij, onschuldig bloed overleverende ! IVat gaat ons dat aan r gij moogt toezien krijgt hij ten antwoord. Ach nu ziet hij, dat hij geheel verlaten

-ocr page 139-

127

is ; zijne vrienden van gisteren verachten hem reeds en zenden hem met kouden glimlach weg. Ontzettend is de indruk, welke dit koude en spottende antwoord op den radeloozen apostel maakt. Razend van spijt en wanhoop werpt hij het bloedgeld voor de voeten der trouweloo-zen, gaat henen en verhangt zich aan een strop!!

Terwijl Judas een eind maakte aan zijn rampzalig leven door een nog rampzaliger dood, overleggen priesters en ouderlingen doodbedaard, wat zij met het bloedgeld zullen aanvangen; het bloedgeld was het eenigste overblijfsel van Judas, dat zij nog hun aandacht waardig keurden.

Lieve lezer, zie Judas daar hangen en worstelen met den dood, daar is geen mensch, die zich zijner aantrekt, en gisteren nog ging hij aan het hoofd eener bende, gisteren luisterde men nog met aandacht naar zijne voorslagen, prees men zijne wijsheid en zijnen ijver ! Zóó is de wéreld, zij vraagt alles, tot het offer van deugd, geweten en ziel; niets geeft zij in ruil, tenzij bedrog en lage vleierij, zoo lang zij daarmede haar voordeel denkt te doen. Op denzelfden dag verwerpt zij Jesus, den Zoon Gods, en den verrader Judas, die laaghartig haar diende. Wil toch de wereld niet beminnen, noch alles wat in de wereld is. Want alles, wat in de wereld is, is begeerlijkheid der oogen, begeerlijkheid des vleesches, en hoo-vaardij des levens. Haar haat kan wel het lichaam dooden, doch hare vriendschap, hare eerbewij-zingen en toejuichingen zijn trouweloos en dooden de ziel.

-ocr page 140-

Zaterdag na den tweeden Zondag in de Vasten.

Ait antem Pilatus ad principes sacerdctum et turbas : nihil invenio causae in hoe ho-mine. Luc. XXIII ; 4.

Pilatus zeide nu tot de opperpriesters en de scharen : ik vind geen schuld in dezen mensch.

Jesus was het gerechtshof van Pilatus binnen gevoerd; de Joodsche Raad stond daarbuiten, want de schijnheiligen vreesden verontreinigd te worden door het betreden van het huis eens heidens. Daar de landvoogd in geenen deele tegen Jesus was ingenomen, scheen hij volkomen in staat zonder vooroordeel een vonnis over den Verlosser te vellen. De Joden vreesden dit, en lieten, zoo als wij in den loop der lijdensgeschiedenis zien zullen, niets onbeproefd om den zwakken Pilatus tot een onrechtvaardig vonnis te dwingen.

Nauw had Pilatus gehoord, dat de beschuldigers van Jesus buiten stonden, of welwillend ging hij tot hen en sprak ; Welke beschuldiging brengt gij tegen dezen mensch in ? De Joden antwoordden ; Indien Hij geen boosdoener was.

-ocr page 141-

129

wij hadden Hem niet aan a overgeleverd. Pila-tus hernam : Neemt gij Hem dan en oordeelt Hem volgens uwe wet. Wij mogen, zoo antwoordden zij, niemand ter dood brengen. Daarna begonnen zij Jesus te beschuldigen, zeggende ; Wij hebben bevonden, dat Hij het voik opruit, verbiedend aan den Keizer schatting te betalen en zeggend, dat Hij Christus de Koning is.

Nu ging Pilatus het gerechtshof binnen, hij wist wat hij te onderzoeken had, en vroeg Jesus : Z/jt Gij de Koning der Joden r Jesus antwoordt ; Zegt gij dit uit u zeiven of hebben anderen het u over Mij gezegd P Welk eene goddelijke wijsheid ligt er in die weinige woorden Zij zijn voldoende om de gansche aanklacht te niet te doen en den Landvoogd, daghelder te toonen, dat Jesus gelasterd is.

Heeft Pilatus de kracht van 's Heeren verdediging gevoeld ? Ongetwijfeld, hij moest ze gevoelen. Daar staat Jesus geboeid, mishandeld en machteloos vóór hem; Pilatus vraagt in schijnbaren ernst : Zijt Gij de Koning der Joden r Jesus antwoordt ; Zegt gij dit uit u zeiven r dat is : vindt gij in Mij eenig teeken van een aardsch vorst, hebt gij de dienaren opgemerkt, die voor Mij streden, hebt gij gehoord van gevechten, die Ik leverde om een vergankelijken troon ? Gij zelf voert in Judea het hoogste gezag; gij int er belastingen in naam des Keizers, heb ik dit ooit belet ? Gij spreekt er recht, heb Ik u ooit daarin gehinderd ? Gij onderhoudt er krijgsvolk, heb Ik

9

-ocr page 142-

130

er ooit tegen gestreden ? Neen, uit u zeiven kondet gij zoo niet spreken, anderen hebben het u over Mij gezegd. Gij hebt het gehoord uit den mond der priesters en schriftgeleerden, die gij zeer goed kent als de vijanden van uw en des Keizers gezag. Zij, uwe en des Keizers /ijanden, zouden dan ijveren voor de Romeinen en bekommerd zijn voor hun gebied; terwijl gij, de plaatsbekleeder des Keizers, in niets wordt verontrust! O Pilatus, uit den mond van hen, die met grooten weerzin schatting betalen, die geen oogenblik zouden aarzelen u en al de Romeinen te verdrijven, indien zij slechts konden, die het juk der Romeinen als den grootsten gruwel beschouwen, uit hun mond moest gij hooren, dat Ik een oproermaker en vijand des Keizers ben !

Hoewel de landvoogd de kracht van 'sHee-ren antwoord begreep, hij gevoelde zich daardoor in zijne eigenliefde niet weinig gekrenkt: want hoe zwak en lafhartig ook tegenover bedreigingen, hij betoonde zich niet minder overmoedig tegenover de schijnbaar zwakke onschuld. Wrevelig voegt hij Jesus toe ; Ben ik een Jondr Uw volk en uwe opperpriesters hebben U aan mij overgeleverd, wat hebt Gij gedaan r Thans verklaart Jesus zijn reeds gegeven antwoord en zegt : Mijn rijk is niet van deze wereld; indien het van deze wereld was, mijne dienaren zouden voorzeker gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden werd overgeleverd, nu echter is mijn rijk niet van hier. Dus ziji Gij een Koning, hervatte Pilatus, en Jesus ant-

-ocr page 143-

131

woordde : Gij zegt hef. Ik ben Koning. Daartoe ben Ik geboren e?i daartoe in de wereld gekomen om der waarheid getuigenis te geven, al wie uit de waarheid is. hoort naar mijne stem. Pilatus nu zeide : Wat is waarheid r en dit zeggend ging hij heen. Het scheen hem niet belangrijk genoeg om een antwoord op zijne vraag af te wachten. De Zoon Gods verklaart daartoe geboren en in de wereld gekomen te zijn om getuigenis der waarheid af te leggen, en de blinde, kortzichtige en dwalende mensch wil geen oogenblik stilstaan, om naar die getuigenis te luisteren ! ! De landvoogd was een heiden en vindt daarin nog eenige verschooning, maar de Christen, hoe is hij te verschoo-nen, indien hij niet naar de getuigenis des Heeren luistert ? De waarheid ! Zij is God zelf, de eeuwige, de onveranderlijke, de oorsprong van alles wat is; zij is Gods Opperheerschappij over alle schepsel, zijne heilige Voorzienigheid, de geboden en voorschriften die Hij geeft; zij is Jesus Christus, God en mensch, die van Zich zeiven getuigt ; Ik ben de weg. de waarheid en het leven; zij is de genade, die Jesus ons verdiende en aanbiedt, de voorschriften en raadgevingen, die Hij ons gaf; zij is de heilmiddelen die Jesus instelde, de Kerk. die Hij stichtte en de H. Geest, welken Hij haar schonk om haar voortdurend alle waarheid te leeren. De waarheid, zij is de godsdienstige waarheid, de waarheid des ge-loofs; van haar zegt Jesus : dit is het eeuwig leven, dat zij U kennen den levenden en waren

-ocr page 144-

132

God en dien Gij gezonden hebt, Jesus Christus.

Er zijn nietige, beuzelachtige waarheden, die nauwelijks de vluchtige aandacht van een nietig sterveling waardig zijn. Duizenden evenwel houden zich met die ellendige beuzelingen bezig en vinden geen lust en tijd om naar de getuigenis van de waarheid te luisteren. Er zijn andere waarheden, die zeker niet te versmaden zijn. want zij doen meer dan onze nieuwsgierigheid bevredigen; met lof worden zij in verschillende wetenschappen aangeleerd; doch wat baat het mij den loop der sterren, de ingewanden der aarde, de krachten der natuur, de geschiedenis van landen en volken te kennen, indien ik onwetend blijf in de eeuwige waarheid, waarvan Jesus getuigenis geeft. Deze is een licht voor mijne voeten, een fakkel op mijne paden, zij wijst mij den weg naar de eeuwige rust. O lieve lezer, bedenk het wel, de Zoon Gods is niet daartoe geboren en gekomen om u de schatten te wijzen, welke de aarde in haren schoot verborgen houdt, niet om u de lotgevallen van de volken der aarde te verhalen of om onderricht te geven in de krachten der natuur, evenmin om u de gedaante en den loop der hemellichamen te doen kennen of de geheimen der menschelijke talen; van dit alles heeft Hij gezwegen; hoe schoon de kennis van al deze dingen ook zijn moge, het was den Zoon Gods onwaardig u daarin te onderrichten. Hij had eene grootere taak te vervullen. Niet van ver-

-ocr page 145-

133

gankclijke waarheid, maar van de waarheid, die eeuwig blijft, legt Jesus getuigenis af. Hij kwam in de wereld om haar te verkondigen ; 4 geen hoon of bedreiging, geen laster of haat,

getn onverschilligheid of verachting der men-schen hielden Hem terug. Onvermoeid trok Hij het land door, om haar te prediken, Hij beleed ze in het aangezicht: des doods en verliet de aarde niet, alvorens Hij zijne leerlingen bevolen had om haar aan alle schepselen te verkondigen tot aan het einde der wereld. Hij verliet de aarde niet, zonder zijn woord te verpanden, dat Hij aan zijne leerlingen der-Geest der waarheid zou zenden, die ten allen tijde door hunnen mond getuigenis der waarheid geven zoude.

Wanneer gij Pilatus ziet henengaan zonder een antwoord af te wachten op zijne allerbelangrijkste vraag ; ]\'at is waarheid; als gij de Joden grimmig en vertoornd buiten ziet staan en op hun aangezicht den haat tegen de waarheid leest; als gij Jesus geboeid en mishandeld en verworpen ziet, omdat Hij getuigenis van de waarheid aflegt, dan ziet gij de geschiedenis der Kerk en van hare lotgevallen in den loop der eeuwen met krachtige kleuren afgeschilderd. Zij, de bruid van Christus, verricht het * werk van Christus ; zij legt getuigenis van de

waarheid af; alle schepsel hoort hare stem, doch ontelbaren volgen Pilatus, halen de schouders op, vragen wat is waarheid en gaan henen; ontelbaren ballen hunne vuisten, gloeien van haat en toorn, barsten in hoon en bedrei-

-ocr page 146-

134

ging uit en slaan de handen aan den bode des vredes; doch al wie uit God is, hoort naar de stem van Christus' bruid, overlegt hare woorden, tracht ze te verstaan, bewaart ze in zijn hart en richt er zijn leven naar in. Lieve lezer, indien gij het gewicht der waarheid kent, gij zult hier in droevige verbazing met den Psalmist uitroepen : Kinderen der mcnschen, hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen en den leugen zoeken!

Alles gaat voorbij, hemel en aarde zelfs ; doch de waarheid, 's Heeren woord, blijft in eeuwigheid. Het zal mij op mijn sterfbed niet baten, dat ik al de talen der menschen sprak, dat de verborgen krachten der natuur voor mij geen raadsels meer hadden, dat ik den loop der sterren nauwkeurig wist te bepalen en dat ik bekend was met de geschiedenis der volkeren en de wetenschap der wijsgeeren ; maar de waarheid zal nog schitteren voor mijn oog, wanneer het licht der wereld voor mij is uitgedoofd; zij zal mij steunen als de krachten des lichaams gebroken zijn; zij zal mij voeden en troostea, wanneer de aarde geen verkwikking meer aanbiedt, en dan zal mijne laatste ademhaling nog eene dankzegging zijn aan mijnen Jesus, die in de wereld kwam om getuigenis van de waarheid af te leggen.

Pilatus ging dan henen en zeide tot de opperpriesters en al het volk : Ik vind geene schuld in dezen nicnsch; daar de Joden niet genegen waren, in deze verklaring van den landvoogd te berusten, deed Pilatus Jesus voor-

-ocr page 147-

135

brengen. De aanblik van hun slachtoffer vuurde den haat der Joden nog aan, in hartstochtelijke woede hoopten zij beschuldiging op beschul-ging. Jesus echter antwoordde niets. Pilatus nu sprak : antivoordt Gij niets ? Ziet Gij niet, welke zware beschuldiging zij tegen U inbrengen P Jesus bleef zwijgen en sprak geen enkel woord; zoodat de landvoogd zich ontzettend verbaasde.

Waarom sprak Jesus niet meer? Omdat het geheel overbodig was. De landvoogd had zijne onschuld erkend, en de dwaasheden, die de Joden voortbrachten, de woede waarmede zij spraken, de tegenspraak, waarin zij vervielen, maakten elke wederlegging overbodig. De landvoogd bleef dan ook van 'sHeeren onschuld overtuigd.

Jesus zwijgt. Welk eene grootheid! Door twee woorden bewees Hij zijne onschuld, en nu dwingt Hij door zijn zwijgen eerbied en bewondering af. Zie eens, met welk een ontzag Pilatus tot den geboeiden Jesus opziet. Zwijgend staart hij den zwijgenden Jesus aan ! Zoo veel eenvoud en zoo groot eene Majesteit heeft hij zelfs niet op den troon aanschouwd. Wilt gij deel hebben aan de grootheid van uwen Koning ? Omhels dan de waarheid met al de krachten uwer ziel. Zij zal u vrij maken van alle vrees en angst; zij zal u verheffen boven de 2wakheid van uwen natuur, zij zal u wijs maken te midden der dwazen, sterk in de bekoringen en onoverwinnelijk in den dood. Zij zal u leeren spreken en zwijgen, zoeken en vluchten, omhelzen en verwerpen, beminnen en haten, zij zal een licht zijn op uwe paden, tot dat het eeuwig licht u daarboven beschijne.

-ocr page 148-

Derde Zondag in de Vasten.

Herodes autem viso Domino gravius est valde. Luc. XXIII; 8.

Herodes nu was bij het zien van den Heer zeer verblijd.

Onder de beschuldigingen, die de loden bij Pilatus tegen Jesus inbrachten, was ook de volgende : Hij ruit hei volk op. kerende door geheel Judea, begonnen zijnde van Galilea, tol hier toe. Als nu Pilatus hoorde van Galilea, vroeg hij of de mensch een Galile'ér was. En zoodra hij vernam, dat Hij uit het gebied van Herode: was, zond hij Hem tot Herodes, die ook zelf in die dagen te Jeruzalem was.

Deze handelwijze van Pilatus was onrechtvaardig en wreed. Zij was onrechtvaardig want in het rechtsgebied van Pilatus was Jesus gevangen genomen, daar werd hij beschuldigd de wetten van dat gebied overtreden te hebben. De landvoogd was derhalve de rechter, en mocht zich niet van de rechtspraak ontslaan ; daarenboven had hij het geding reeds

-ocr page 149-

137

begonnen en 's Heeren onschuld erkend, hij mocht den Verlosser niet overgeven aan de grillen van Herodes, wiens wreedheid hem niet onbekend konde zijn.

Zijne handelwijze was ook wreed. Zonder noodzakelijkheid liet hij den weerloozen Jesus in de handen zijner bloeddorstige haters: hij stond toe, dat Jesus gesleurd werd langs de straten van Jeruzalem, blootgesteld aan den smaad en de mishandelingen van een opgeruid gemeen. Zie den Verlosser gestooten, geslagen en gevloekt, zie Hem blootgesteld aan duizende spotternijen, beschimpingen en bijtende opmerkingen. Van dit alles draagt de landvoogd de schuld, want hij weigerde de onschuld in bescherming te nemen, hij weigerde uit lafhartige menschenvrees ! Hebt gij nooit uit menschelijk opzicht gezwegen, waar gij spreken moest ter verdediging van waarheid en deugd ? Zijt gij nooit door lafhartigheid schuldig geworden aan den smaad, die der waarheid en deugd, die Jesus werd aangedaan ?

Herodes was bij het zien van den Heer zeer blijde. Waarom ? verheugde hij zich, dat hem de gelegenheid geschonken werd om Jesus in bescherming te nemen r De booswicht was niet vatbaar voor zulk eene ernstige gedachte. Dat Jesus tot hem gezonden werd, beschouwde hij als eene gunst van Pilatus, waarvoor hij den landvoogd dankbaar was. Sinds langen tijd begeerde hij den Heer te zien, omdat Hij veel over Hem gehoord had en hoopte eenig wonderteeken door Hem te zien ver-

-ocr page 150-

138

richten. Om dit wel te verstaan, moeten wij weten, wie Herodes was.

Herodes, een zoon van Herodes, die de kinderen te Bethlehem deed ombrengen, betoonde zich zijnen vader waardig. Hij leefde in overspel en bloedschande. Door den heiligen Joannes over zijn ergerlijk gedrag onderhouden, liet hij den boetgezant in den kerker werpen Lichtzinnig en dwaas, zoo als ieder wellusteling, beloofde hij onder eede aan zijn dochtertje, 't welk voor hem danste en hem uitermate behaagde, alles te zullen geven wat het vroeg. Het kind raadpleegde de moeder en vroeg daarna het hoofd van Joannes. Deze eisch bedroefde Herodes wel eenigszins, maar hij ging niettemin over tot den moord. Voor dezen lichtzinnigen, wulpschen en wree-den Herodes nu werd Jesus gebracht.

Dc vleeschelijke me use h. zegt de apostel, begrijpt niet wat des geestes is. Deze uitspraak zien wij verduidelijkt in Herodes. De wellusteling toonde niet het geringste besef te hebben van rechtvaardigheid en deugd, van waarheid er godsvrucht; hij toonde zich gelijk aan een vogel, die met gebroken wieken in het slijk spartelt zonder de minste kans om zich omhoog te begeven; of liever, gelijk aan een redeloos schepsel, 't welk zelfs niet gist dat er waarheid, deugd en godsvrucht bestaat. Het viel Herodes niet in, dat hij hier de onschuld te verdedigen had, hij had zelfs geen ernst genoeg, om te luisteren naar de aanklacht der Joden. Deze stonden naast den

-ocr page 151-

139

geboeiden Jesus en waren onuitputtelijk in klachten, doch de koning had daarvoor geen aandacht. Met oogen die van zelfvoldoening vlamden, met onverzadigbare blikken staarde hij op Jesus, die nu geheel in zijne macht was. Zoo lang had hij begeerd den Verlosser te zien en thans zijn zoo onverwacht zijne wenschen vervuld ! Dan opent hij zijn mond en spreekt. Wat spreekt hij ? Vele woorden, een vloed van woorden, doch geen droppel wijsheid; hij spreekt om een wonder van Jesus uit te lokken. De dwaze meent, dat zijne waardigheid, zijn aanzien, zijne rijkdommen, zijne macht wel aanspraak hebben op eenig wonder; hij meent, dat Jesus al zeer gelukkig moet zijn, indien Hij door een tee-ken de gunst des vorsten verdienen kan; hij gelooft, dat de wonderen vrij wat beter besteed zijn aan de nieuwsgierigheid en het vermaak van een koning, dan aan het heil der zielen en aan het verkondigen der waarheid.

Het was vroeg in den morgen toen de Verlosser in het huis van Herodes gevoerd werd, doch deze liet zich geen oogenblik wachten, zoo zeker was hij, dat de Heer eenig teeken tot zijn genoegen doen zou; hij kon zich niet voorstellen, dat de geboeide en verlatene Jesus zijne dwaasheid zou beschamen, daarom wilde hij, dat zijne dienaren getuigen zouden zijn van hetgeen Jesus ten genoegen van hun vorst ongetwijfeld ging doen. Stel u dan dien dwaas voor, wiens

-ocr page 152-

140

gelaat niet minder van zelfvoldoening schittert dan zijne kleederen van goud en edelgesteenten. Met een voornaam medelijden opent hij den mond. Eerst houdt hij eene lofrede op zich zeiven, hij spreekt van zijne gematigdheid en rechtvaardigheid, van zijn doorzicht en zijne schranderheid ; hij betuigt, dat hij macht heeft om te straffen of vrij te spreken, het staat nu aan Jesus, om door eenige teekenen te bewijzen dat Hij „Zoon Godsquot; is.

Jesus, die het hart van Herodes tot op den bodem doorschouwde, die in dezen poel van ontucht niet de minste liefde voor waarheid en deugd, zelfs geen geloof aan God en eeuwigheid vond, Jesus zweeg. De dwaasheid en laagheid van Herodes schenen Hem eene groo-tere kwelling te zijn, dan de huichelarij der Joden en de lafhartige ongerechtigheid van Pilatus ; althans tot dezen heeft Hij gesproken, tot Herodes echter geen enkel woord.

En wat zoude de Verlosser ook zeggen ? Was een diep stilzwijgen niet de beste les, en het geschiktste teeken, dat aan Herodes kon gegeven worden ? Hij, Herodes, gewoon aan de loftuitingen en kruipende vleierijen zijner hovelingen, zag daar Jesus voor zich staan, in onoverwinbre grootheid. De glans van 's konings rijkommen, de menigte zijner dienaren, de macht, die hij ten toon spreidde, maakten niet den minsten indruk op Jesus. De geboeide Verlosser versmaadt de bewondering, de achting, de bescherming van Herodes; Hij toont dat waarheid en deugd,

-ocr page 153-

141

godsvrucht en geloof, het heil der zielen, oneindig meer waarde hebben, dan het vermaak zelfs van eenen koning; voor gene deed Hij tallooze wonderen, voor dit heeft Hij zelfs geen woord veil.

Heeft Herodes de kracht en de beteekenis van 's Heeren zwijgen gevoeld ? Hij was alleen aan het woord, en hoe langer hij sprak, des te zouteloozer werden zijne woorden. Hij, zoo gewoon aan vleierijen, werd beschaamd, maar de beschaming voerde hem niet tot zelfvernedering en boetvaardigheid. Hij stond als een dwaze voor Jesus, de glans zijner rijkdommen verbleekte voor de edele Majesteit van Hem, die zweeg; hoewel omgeven van krijgsvolk, hij gevoelde zijne onmacht tegenover den geboeiden Verlosser. Zijne hovelingen zagen, dat zijn gekwetste hoogmoed hem deed bersten van spijt en om hunnen dwazen meester weder in goede iuim te brengen, werd Jesus als een dwaas bespot. Een wit kleed werd den Verlosser aangetrokken, en toen begon Herodes met zijn krijgsvolk Jesus te verachten, en op de onwaardigste wijze te bespotten.

De evangelist verhaalt ons de bijzonderheden dezer bespotting niet; doch hij, die bij ondervinding weet hoe schandelijk, goddeloos en hemeltergend de zedelooze en inzonderheid de wellustige en verdierlijkte menschen den spot kunnen drijven met het heilige; hij, die dit bij ondervinding weet, kan zich een denkbeeld vormen van hetgeen Herodes en zijn

-ocr page 154-

142

krijgsvolk tegen Jesus durfden. Zijne woorden en heilige lessen werden verwrongen en zoo dwaas mogelijk voorgesteld, zijne wonderen werden nagebootst en gemaakt tot een voorwerp van spot; zijn armoedig kleed, zijne nederige geboorte, zijne eenvoudige leerlingen, zijn goddelijk koningschap, zijn rijk, niets werd vergeten om de eeuwige wijsheid te doen doorgaan voor den grootsten dwaas. Dan barstte Herodes met de zijnen in hoonend schaterlachen uit, en om nog meer lucht te geven aan zijnen spijt, keurde hij goed en juichte hij toe al de mishandelingen, die het krijgsvolk Jesus deed ondergaan.

Welaan, stel u den Verlosser voor, die daar in een wit kleed de speelbal is van een wellustig en verdierlijkt gespuis ; als waanzinnigen omgeven zij Hem ; de dwazen, zij woeden tegen de Wijsheid ! En zij weten, dat zij tegen de Wijsheid woeden! En zij hebben er behoefte aan, om tegen de Wijsheid te woeden, want zij gevoelen dat zij dwaas zijn !

Ja, lieve lezer. Herodes gevoelde dat hij een dwaas was. Immers, indien hij zich zeiven voor wijs, en Jesus voor dwaas gehouden had, hij zoude niet vertoornd zijn geworden, want tegen eenen zinneloozen kan men niet woeden, men mishandelt hem niet, en maakt hem tot geen voorwerp van spot. Indien Herodes Jesus voor waanzinnig gehouden had, hij zoude zijne gramschap tegen de opperpriesters gekeerd hebben, die eenen waanzinnigen in ernst beschuldigden, hij zoude het

-ocr page 155-

143

den landvoogd ten kwade geduid hebben, dat hij hem Jesus in allen ernst had toegezonden ; nu echter zien wij juist het tegendeel, hij was vertoornd op Jesus, en dankbaar jegens Pilatus.

In deze tijden, waarin zoo velen zich het zingenot als hun levensdoel voorstellen, waarin zoo velen geene andere verlichting en beschaving kennen dan een teugelloos genieten van de genoegens der aarde ; waarin de voldoening aan de schandelijkste lusten als eene verschoonbare zwakheid beschouwd wordt, in deze tijden vindt Herodes niet weinige navolgers. De vreeze des Heeren, geloof en godsdienst, versmading van rijkdom en zingenot, ootmoed en ernstige zorg voor de eeuwigheid is hun eene dwaasheid. Met hoon en spot, met verbittering en woede smaden zij het heilige ; zij vinden geen rust, zoolang er nog braven aan hunne zijde leven ; doch de hartstocht, waarmede zij strijden, de vreeselijke godslasteringen, die zij in verbitterde woede uitstooten, toonen genoegzaam, dat zij niet overtuigd zijn van hetgeen zij zeggen. Indien zij waarlijk meenden, dat de godsdienst eene hersenschim is, indien zij de godvreezenden voor dwazen aanzagen, zij zouden den godsdienst niet haten en de vromen niet vervolgen. Neen, men haat geene hersenschim, men vervolgt de dwazen niet. Gelijk Herodes gevoelen zij hunne nietige geringheid tegenover de Majesteit van Jesus' leer, en de deugd der braven.

-ocr page 156-

144

Welaan, laat ons nederknielen voor de eeuwige Wijsheid. De godslasteringen, welke Herodes en duizenden na hem tegen haar uitstooten, zijn slechts een bewijs dat de stralen barer Majesteit te sterk zijn voor de oogen der dwazen.

O goede Jesus, doe een straaltje uwer goddelijke wijsheid nedervallen op onze ziel, opdat wij altijd, in het licht uwer waarheid wandelend, dwaas zijn voor de wereld en wijs voor U.

-ocr page 157-

Maandag na den derden Zondag in de Vasten.

Quem vullis dimittam vobis, Barabbam an Jesum, qui dicitur Christus ?

Malth. XXVII : 17.

Wien wilt gij, zal ik u vrijlaten : Barabbas of Jesus, die Christus genoemd wordt ?

Toen Herodes zijnen spijt in bitteren spot voldoende had lucht gegeven, deed hij Jesus terugvoeren naar Pilatus. De menigte, die den Verlosser op dezen tocht voorafging, vergezelde en volgde, was ontzettend aangegroeid en de nieuwsgierigen of kwaadwilligen stroomden nog onophoudelijk toe. De landvoogd, toen hij Jesus zag teruggevoerd, was volstrekt niet op zijn gemak ; eensdeels, omdat hij nu opnieuw door de onrechtvaardige eischen der Joden werd lastig gevallen, ten anderen omdat hij bespeurde, dat de menigte aangroeide en eene dreigende houding begon aan te nemen. Hij vreesde te meer een oproer, omdat hij weinig krijgsvolk ter zijner beschikking had. Hij riep nu de opperpriesters en de overheden en het volk bijeen en zeide tot hen : Gij hebt

10

-ocr page 158-

146

mij dezen mensch als een volksopruier overgeleverd, en ziet, in uwe tegenwoordigheid Hem ondervragend vond ik m dezen mensch niet de minste schuld aan alles, wat gij Hem ten laste legt. En Herodes evenmin, want ik zond u tot hem en ziet Hij is in niets den dood schuldig geoordeeld. Ik zal Hem derhalve na eene kastijding vrijlaten.

Dit voorstel, Pilatus zag het aanstonds, beviel den Joden niet, daarom verzon de landvoogd een ander middel, waarvan hij beteren uitslag hoopte. Sinds geruimen tijd was het de gewoonte, om ter gelegenheid van het Paaschfeest, wegens de groote plechtigheid, een gevangen misdadiger vrij te laten. Het volk, reeds in opgewonden stemming zijnde, vroeg thans, ongetwijfeld met nog grooter aandrang, dat aan deze gewoonte voldaan werd. De landvoogd meende nu hierin eene schoone gelegenheid te vinden, om zich aan eene onrechtvaardige veroordeeling van Jesus te onttrekken. Ten einde nog beter in zijne plannen te slagen, deed hij een beruchten roover, die zelfs aan een moord plichtig was, uit de gevangenis te voorschijn brengen; dezen stelde hij naast Jesus en vroeg : IVien wilt gij, dat ik u loslate, Jesus of Barabbas ? Dit voorstel had zeer veel van eene bedreiging die luidde ; Indien gij voortgaat met Jesus ten dood te eischen, dan zal ik u Barabbas, den schrik en den geesel des volks loslaten.

Lieve lezer, waart gij daar geweest, zoudt

-ocr page 159-

147

gij uwe oogen hebben kunnen gelooven, Jesus ziende naast Barabbas ? Wie toch is Jesus, wie is Barabbas ?

Jesus is het eeuwig Woord des Vaders, door hetwelk alles gemaakt is en zonder hetwelk niets gemaakt is van aL wat er gemaakt is. Al wat kostbaar, al wat schoon, zoet en beminnelijk is, kwam voort uit zijne handen: al wat er jubelt en juicht in den hemel of op aarde is gelukkig, omdat de zegenende hand van Jesus er op rustte. Hij vormde de harten der braven, wier liefde en goedheid ons verkwikt, Hij leerde de ouders hunne kinderen beminnen. Hij deed de harten der heiligen van een hemelsch liefdevuur branden. Hij vormde de gelukzalige en reine engelen, en de hemel is een hemel, omdat Jesus er heerscht. Hij is de vreugde der engelen, Hij was de hoop der aartsvaders, het licht der profeten. Hij is de vrede van alle menschen, die van goeden wil zijn. Jesus, een welluidend gezang in ons oor, honig in onzen mond, vreugde in ons hart, Hij is de glans, het levend beeld, de eenige en eeuwige Zoon des Vaders. Voor Hem buigt zich alle knie in den hemel en op aarde. En Jesus staat naast Barabbas !

Barabbas ! een berucht roover, een moordenaar, een mensch gewoon, overgegeven, met hart en ziel verkocht aan de boosheid ! Hij was de schrik der zwakken, de bedreiger van rust en veiligheid, de geesel der samenleving. Boosaardig in zijne daden, nog schuldiger

-ocr page 160-

148

in zijne begeerten, verstokt van harte, draagt hij op zijn gelaat de teekenen van een geoefend misdadiger. Uitdagend is zijne houding, woest en schaamteloos zijn blik, zijn voorhoofd als van staal. En hij staat naast Jesus! Beide zijn het land doorgetrokken : Jesus al weldoende, Barabbas roovend en plunderend; Jesus de tranen der ongelukkigen droogend, Barabbas de gelukkigen dompelend in rouw; Jesus de wonden genezend, Barabbas wonden slaande. Wie gloeit niet van verontwaardiging over de handelwijze van Pilatus, die het durfde wagen om, al was het voor een oogenblik, Jesus naast Barabbas te stellen r De landvoogd wijst nu op Jesus, dan op Barabbas en vraagt; IVten wilt gij dat ik u vrij late, Jesus of Barabbas? O die vraag was zoo vernederend, zoo wreed ! Zal de goede Verlosser dan genade en barmhartigheid vragen aan een misdadig volk; zal Hij met een Barabbas dingen naar barmhartigheid ? Wie onzer zou op zulk eene voorwaarde zijn leven willen redden ? Doch laat ons hier geen lucht geven aan eene billijke verontwaardiging over Pilatus' handelwijze, want wij hebben iets beters te doen, wij hebben de oneindige goedheid des Heeren te bewonderen, en in eerbiedige stilte te aanbidden. Hij zelf heeft zich dieper vernederd, dan zijne vijanden het konden, al spanden zij hunne krachten samen. Gij zijt verbaasd, wanneer gij Jesus naast den wreeden Barabbas ziet, doch alvorens Pilatus hem daar plaatste, heeft hij zich zeiven naast mij en naast u

-ocr page 161-

149

gesteld. Mochten wij ook al zoo schuldig niet zijn als deze moordenaar, wij zijn toch niet minder dan hij, kinderen van éénen vader; de sporen van het oorspronkelijk bederf zijn ook wel bij ons te vinden, en door eigen schuld weken wij steeds verder af. En de Zoon des eeuwigen Vaders is mensch geworden om aan onze zijde de vermoeienissen des levens te dragen en al de kwellingen te ondervinden, die aan den omgang met ons zondaren onafscheidelijk verbonden zijn. Zie Hem handelen en spreken met de zondaren, zie Hem hunne woningen binnengaan en aanzitten aan hunne tafel; zie Hem gekweld, vermoeid en bedroefd door hun ongeloof, hunne verblinding en verstoktheid; zóó diep heeft Hij zich vernederd, dat de Joden Hem zelfs een zondaar noemden, dewijl Hij de zondaren opzocht. Waarlijk de afstand, die Hem van Barabbas scheidt, is zoo groot niet meer; Hij zelf heeft dien afstand vernietigd.

Ik zal de snoodheid van Pilatus niet ver-schoonen, die het wagen durfde Jesus naast Barabbas te stellen, maar Gij, mijn goddelijke Verlosser, uwe oneindige ontferming, draagt veel meer de schuld van uwe vernederingen. Gij hebt door uwe matelooze barmhartigheid ons geleerd, hoe men den Zoon Gods, die in de gestalte van een dienstknecht onder ons wandelt, vernederen kan. Ach, Heere Jesus, wij zijn overmoedig en onhandelbaar geworden, omdat Gij zoo gemeenzaam en vertrouwelijk met ons zijt. Uw woord klinkt ons dagelijks in

-ocr page 162-

150

I

de ooren, Gij spreekt tot ons, als waren wij aan U gelijk, en wij achten uw Woord niet meer, wij bewaren het niet in ons hart om ons leven er naar in te richten; Gij zoekt ons door uwe -i

genade. Gij nadert tot ons door uwe heilige Sacramenten en, vergeef dat ik het zegge, Gij wordt ons tot last. Gij, de Koning der glorie woont in ons midden en het is ons te veel,

dat wij U eerbiedig begroeten, U de hulde onzer aanbidding aanbieden. Ach, Heerejesus, ik smeek U bij de oneindige ontferming, waarmede Gij tot ons nederdaalt, schenk ons de genade uwen zoeten omgang voortaan zoo te waardeeren, dat wij U in alle eeuwigheid voor uwe goedheid mogen dankzeggen.

Indien Jesus zich niet vernederd had tot de gestalte van een dienstknecht; indien Hij daarenboven niet de uiterlijke teekenen zijner almacht had afgelegd en niet vrijwillig de boeien had ontvangen Hem door de Joden bereid,

Pilatus zou Hem niet naast Barabbas hebben gesteld. Zijne liefde heeft het mogelijk gemaakt dat de boozen zijne goedheid konden misbruiken.

Maar er is nog meer. Jesus wist, dat Hij de welbeminde Zoon des Vaders was, en dat wij daarentegen van nature kinderen der gramschap zijn; daarom heeft Hij zich naast ons, dat is: f

naast u, naast mij, naast eiken zondaar ge-plaatst, opdat wij zouden gespaard worden om zijnen 't wille. Zijne gehoorzaamheid wilde Hij stellen in plaats onzer ongehoorzaamheid, zijne vernedering in plaats van onze hoovaardij. Als

-ocr page 163-

151

gij Jesus naast Barabbas ziet staan, vergeet den landvoogd, vergeet de Joden, die daar woeden, maar sla uwe oogen op Jesus alleen, die zijne oogen, zijn goddelijk hart opheft tot den Vader en ten goede spreekt voor Barabbas, voor u, voor mij.

Wat vraagt Jesus voor Barabbas? Hij biedt zich aan om te sterven, opdat Barabbas leve; opdat die schuldige, die hardvochtige en schaamtelooze moordenaar den tijd hebbe om de genade te ontvangen tot eene oprechte bekeering. Heeft Barabbas later begrepen, wie daar naast hem stond, en met welk eene liefde Jesus zich voor hem heeft aangeboden tot den dood ? Indien hij het begrepen heeft, dan moest hij wel een monster geweest zijn, wanneer zijn hart niet is gebroken geworden van smart bij de herinnering aan al het lijden, 't welk de Heer vrijwillig voor hem heeft ondergaan; wanneer zijn hart niet gloeide van dankbaarheid en liefde jegens Jesus, die hem ten koste van zoo veel lijden tegelijk een tijdelijk en een eeuwig leven aanbood; wanneer hij niet al de krachten van ziel en lichaam aan den dienst des Heeren heeft toegewijd.

Maar mocht Barabbas ook niet begrepen hebben watjesus voor hem deed; ook wij stonden naast Jesus; voor ons niet minder dan voor Barabbas heeft de Heer zich gegeven tot in den dood. Ook wij droegen de boeien, onverbreekbare kluisters, waarmede Satan ons gebonden hield, wij waren veroordeeld om te sterven een eeuwigen dood; aan ontvluchting

-ocr page 164-

152

viel niet te denken en ons vonnis was onherroepelijk; zonder ons toedoen, zonder onze verdiensten ja zelfs zonder dat wij het gevraagd hadden, heeft Jesus zich naast ons geplaatst en zich tot zoenoffer aangeboden. Hij ging in den dood en zie, wij leven en wij weten dat wij leven omdat Hij gestorven is. Is ons hart bedroefd over het lijden 't welk Jesus voor ons onderging, denken wij dikwijls aan 'sHee-ren smartelijk lijden ? Zijn wij brandende van liefde en dankbaarheid; wat doen, wat lijden en verdragen wij om Jesus onze liefde te be-toonen ? Gevoelen wij hoezeer wij verplicht zijn alleen te leven voor Hem, die voor ons gestorven is, dienen wij Hem met ijver? Laat ons onderzoeken, overwegen en besluiten wat ons ontbreekt en te doen staat.

-ocr page 165-

Dinsdag na den derden Zondag in de Vasten.

Tolle hunc et dimitte nobis Barabbam.

Luc. XXIII ; 18.

Weg met dezen en !aat ons Barabbas vrij.

Toen Pilatus Jesus naast Barabbas stelde, kwam er een bode tot hem, die namens de vrouw van den landvoogd hem boodschapte : vergrijp u niet aan dezen rechtvaardigen, want heden heb ik veel wegens Hem in een gezicht geleden. Deze waarschuwing maakte een diepen indruk op Pilatus ; nu begeerde hij meer dan ooit, dat het volk Jesus' vrijlating zou vragen. Zal dit verlangen vervuld worden ? Het verschil tusschen Jesus en Barabbas is oneindig groot! zoo blind kan toch de menigte niet zijn, dat zij zich hier nog in hare keuze vergist ? Helaas, het volk is opgewonden, en zijne woede wordt meer en meer opgewekt door de opperpriesters en schriftgeleerden. Zie eens, hoe zij en hunne handlangers in alle richtingen door de menigte dringen, hoe

-ocr page 166-

154

zij door hunne toespraken, bedreigingen en lastertaal elkeen opruien : hoor eens, hoe zij roepen -en schreeuwen, en hoe zij, geholpen door het geschreeuw hunner huurlingen, de gemoederen opzweepen. Wie zal in dit uur der duisternis de blinden onderrichten, terechtwijzen en tot kalmte brengen ? Zij, die de vijanden des Heeren niet geloofden, waren moedeloos ; verpletterd gingen zij henen om niet langer getuigen te zijn van zooveel boosheid ; ach, wij zagen de Apostelen reeds vluchten in den hof, en behoeven dus hier niet te vragen, waarom er niemand voor Jesus sprak. De vijanden waren meester, en de vleeschelijke Joden gaven gehoor aan hunne inblazingen; zij riepen ; iveg met dezen en laat ons Bar abb as los.

Jesus, wij hebben het gisteren reeds gezien en overwogen, wenschte achter Barabbas gesteld te worden, maar dit verschoont de Joden niet, want van hunne zijde was de verwerping des Heeren eene allergruwelijkste misdaad. Eene misdaad, waarvan de gruwel niet werd weggenomen door hunne verblinding, want zij konden Jesus gekend hebben, indien zij hadden gewild.

Geef ons, zoo roepen zij in dolle woede, geef ons Barabbas, dat is ; den roover, den moordenaar; geef ons hem, die de tranen deed vloeien, de weerloozen beroofde, de zwakken verdrukte; geefons den onbeschaamde, die onze veiligheid bedreigt en ons leven. Zoo schreeuwen zij, terwijl naast Barabbas de

-ocr page 167-

155

oorzaak van alle blijdschap en vreugde staat, Jesus, het licht onzer oogen, het heil onzer zielen, de levende bron van alle geluk, de liefdevolle herder, de eenige Verlosser der wereld, de Zoon des Vaders! Hij heeft hunne zieken genezen, hunne bedroefden getroost, hunne dooden opgewekt, op hunne wegen heeft hij gewandeld om de onwetenden te lee-ren, de zwakken te sterken, de dwalenden terecht te brengen !

Verstomt, o hemelen, en dat uwe poorten ontroeren, want Mij, de bron van het levend water, hebben zij verlaten en zich 'waterbakken gegraven, die geen water kunnen honden. Zoo klaagt God reeds in het oude Verbond over de kinderen Israels. Mij, hun God, hun Schepper, hun Heer, hun beschermer en redder in allen nood, den God hunner vaderen, die met machtige hand hen voerde uit Egypte, hen spijzigde met het brood des hemels; Mij, hunne glorie en hun roem, die hen vormde tot een koninklijk volk, die in hun midden woonde en hen voerde de schoonste toekomst te gemoet; Mij hebben zij verworpen, zij verbraken mijnen bond, mijne tegenwoordigheid heeft hen verveeld, zij zochten de afgoden op, zij dansten voor het werk hunner handen, en zochten hulp bij hen, die handen hebben en niet werken, voeten en niet gaan. Toen de Heer deze klacht uitte, was de Zoon des Vaders nog niet verschenen onder zijn volk; Hij had nog niet in de gestalte eens dienstknechts gewandeld op hunne straten, onder-

-ocr page 168-

156

wezen in hunne Synagogen. Hun blik had den zachtmoedigen, liefdevollen, goeden Jesus nog niet ontmoet; zij hadden de hand van zijn barmhartig mededoogen nog niet gevoeld; zij hadden de heilige ontferming nog niet aanschouwd, waarmede Hij nederzag op de scharen, die als schapen zonder herder waren; zij hadden nog niet gezien hoe Hij hunne zieken genas, hunne melaatschen zuiverde, hunne hongerigen spijzigde; zij hadden Hem nog niet zien weenen over de ellenden van zijn volk.

Maar thans ? — Zijn gelaat is hun bekend, Zijne stem hebben zij gehoord, Hij kwam onder de zijnen om met hen al de lasten en vermoeienissen des levens te dragen, Hij trad hunne woningen binnen en zette zich neder aan hunne tafel, doch zij hebben Hem niet ontvangen, zij hebben Hem afgewezen, en toen Hij naast Barabbas stond, hebben zij Hem verworpen om den moordenaar te behouden. Zij hebben hem niet verlaten, maar verworpen, niet vergeten, maar veracht, niet miskend, maar gevloekt. In afkeer, in haat wendden zij het gelaat van Jesus af; weg met Hem, zoo schreeuwen zij, geef ons liever den moordenaar, den onbeschaamden roover, geef ons Barabbas !!

Kon de dolle woede der boosheid nog hoo-ger stijgen ? Zoude het mogelijk zijn, dat de misdaad van Israel, 't welk zijnen Verlosser verworpen heeft, in den loop der eeuwen werd herhaald ? Ik geloof, lieve lezer, dat een

-ocr page 169-

157

en ander niet alleen mogelijk is, maar zelfs onder onze oogen gebeurt. God geve dat wij niet medeplichtig zijn aan die gruwelen. Ach, dat de hemelen verstommen en hunne poorten ontroeren over de zonden van het christenvolk ! fin ons midden woont Hij, de God van goedTTeid en oneindige ontferming. Zijn woord is ons bekend en zijne stem is als de stem van den vriend onzer jeugd. Onder zijn oog zijn wij opgegroeid, in de schaduw van het heiligdom waar Hij altijd woont: wanneer wij baden. Hij bad met ons mede in het H. offer der Mis; wanneer wij treurden, Hij troostte ons door zijne wonden en zijn kruis; Hij zegende onze tranen, en maakte ze vruchtbaar voor God. Hij omsloot ons in zijne armen en drukte ons aan zijn hart, wanneer wij van de wegen der ongerechtigheid tot Hem wederkeerden. De goede herder kende al zijne schapen ; met nauwkeurigheid had Hij ze geteld, Hij riep ze bij den naam en zocht de zieken en zwakken in hunne woningen op. En toch heeft zijne tegenwoordigheid vele christenen verveeld.

Moest ik de blinde en booze Joden ver-schoonen, ik zou nog eenige verzachtende omstandigheden kunnen aanvoeren. Ik zou zeggen ; slechts drie jaren heeft Jesus openlijk voor de Joden gepredikt; de meesten hunner hadden slechts zelden de gelegenheid, om Hem te zien en te hooren ; verreweg de meesten hadden nooit zijne zegenende hand gevoeld ; doch wat ons betreft, zijne liefderijke

-ocr page 170-

158

hand heeft ons aangeraakt, alvorens wij uit eigen beweging tot Hem konden naderen; onder zijne oogen zijn wij opgegroeid en het zaad van zijn heilig woord werd uitgestrooid in ons hart, alvorens de vijandige mensch het onkruid daarin konde nederleggen. Nooit heeft Hij ons verlaten, steeds werden wij gekoesterd door de stralen zijner genade en waarheid. Hij bleef het licht onzer oogen, de spijs onzer zielen, de heelmeester onzer wonden, de vertrooster in ons lijden, de weg door de woestijn dezes levens. Hij was de vriend onzer kindsche jaren, de raadsman onzer jeugd en blijft steeds de goede en minzame Ver-losserj En toch, o gruwel! Hij heeft ons verveeld, vermoeid, mishaagd ; afkeerig werden wij van zijne woorden en ernstige vermaningen, wij zochten de dwaze, lichtzinnige, nietswaardige redeneeringen der wereld. Zegt de H. Bernardus dat geen gesprek hem behaagt, twelk niet over Jesus handelt, dat elk boek hem vermoeit, waarin hij den naam van Jesus niet vindt, wij moeten belijden dat elk gesprek, elk onderhoud, elk boek over Jesus, zijne liefde, zijne lessen, zijne vermaningen en zijne waarschuwingen ons verveelden; de nabijheid van Jesus was ons een last, wij ontvluchtten zijn huis, zijne heilige Sacramenten en zijne tegenwoordigheid. Misschien ging onze verveling en onze afkeer zoo ver, dat wij in waanzin, in goddelooze boosheid ons geheel van Hem afwendden, dat wij met de Joden riepen : weg met Hem, wij willen Ba-

-ocr page 171-

159

rabbas, den roover, den moordenaar, de zonde, die de ziele doodt, die het kleed der eeuwige bruiloft ons ontrooft, die ons uitschudt en met wonden overdekt, die ons geweten verontrust en ons vervolgen zal tot op ons sterfbed, tot in de eeuwigheid.

De Joden verwierpen Jesus, maar velen hunner deden zulks in eene oogenblikkelijke verblinding, velen hebben hunne dwaling ingezien en beweend; wij echter hebben wellicht met veel beraad en overleg gezondigd; de hemel weet hoe lang wij in de zonde hebben volhard, hoe lang het duurde, alvorens wij wederkeerden tot Jesus, dien wij verworpen hadden.

Lieve lezer, zie Jesus naast Barabbas staan, aanschouw de uitdrukking der diepste verachting, waarmede de Joden Jesus verwierpen, hoor hunne woeste en wreede kreeten ; weg met Hem, geef ons Barabbas. Ach, indien de Joden den zachtmoedigen en minnelijken Jesus eens goed in het gelaat hadden gezien, indien de gramschap en opgewondenheid hen niet verhinderd hadden om eene vergelijking tusschen Jesus en Barabbas te maken, zouden zij wel zulk eene slechte keuze hebben gedaan ? Maar wij hadden al den tijd om de minnelijke goedheid van Jesus waar te nemen, want steeds treedt Hij ons te gemoet, zijne armen naar ons uitstrekkend; wij hadden al den tijd eene vergelijking tusschen Jesus en de wreede zonden te maken; doch in blinde hardnekkigheid wierpen wij ons als zinneloo-

-ocr page 172-

160

zen op het kwaad. En toen wij gezondigd hadden, toen wij de slavenketenen der zonde reeds droegen en gebukt gingen onder den last van haren vloek, toen trad Jesus ons weder te gemoet; vriendelijk en barmhartig was het gelaat van den goeden herder, die het verloren schaap opzocht, maar nog eens wendden wij onze oogen af, wij vluchtten henen, wij kozen nogmaals de zonde; ja, de hemel alleen weet, hoe dikwijls wij zulks herhaalden.

Welaan, het is wel laat, doch werpen wij ons thans voor den goeden Jesus neder, roepen wij in diepen rouw : Heer verbrijzel mij niet in uwen toorn en straf mij niet in uwe gramschap; wend uw gelaat niet van mij af, omdat ik zoo dikwijls mijn gelaat van U heb afgewend.

Lieve lezer, laat ons heden eenig bijzonder werk van boete doen om vergeving te vragen, dat wij zoo dikwijls Jesus hebben miskend.

-ocr page 173-

Woensdag na den derden Zondag in de Vasten.

Tune ergo apprehendit Piiatus Jesum et

fiagellavit. Joan. X!X : i.

Teen dan nam Piiatus Jesus en geeselde Hem.

Geheel verslagen stond IJilatus daaar wegens het geschreeuw des volks, 'twelk riep : weg met dezen, laat ons liarabbas vrij. Zoo groot eene woede, zoo vinnig een haal had hij, ten minste bij de menigte, niet verwacht Doch de moed ontbrak hem om zijne verontwaardiging over zoo slecht eene keus uit te drukken. De lafaard neemt de houding aan van een smeekende en zegt; IVa/ wilt gij dan dat ik met Jesus doen zal, die de Christus genoemd wordt r Allen antwoordden ; dat Hij gekruisigd worde. De landvoogd herneemt; maar wat kwaad heeft Hij dan gedaan r En nu roept men nog met grooter geweld : Kruisig Hem, kruisig Hem. Toen dan nam Piiatus Jesus en geeselde Hem.

-ocr page 174-

162

Merk hier in de eerste plaats op, dat de Evangelisten de wreede smarten der geeseling zoo min als die der kruisiging beschrijven. Stomme verbazing, heilige ontroering weerhielden hen om te beschrijven, wat overigens ook onbeschrijfelijk is. Moeten wij om de geeseling te kennen, ons dan bepalen tot dat ééne woord; en hij geeselde Hem, of zullen wij onze verbeelding te hulp roepen met gevaar van te dwalen ? Geen van beide. Wij hebben in de H. Schrift zekere en ontwijfelbare aanduidingen omtrent de geeseling; deze aanduidingen zullen wij volgen en ophelderen.

De profeet Isaias beschrijft ons, wanneer hij het lijden des Heeren voorspelt, in de volgende woorden de wreedheid der geeseling: Wij zagen Hem. maar Hij hadgeene gestalte, en wij begeerden Hem, den verachte en den minste der tnen-schen. den Man van smarten, die de ellende kent, In waarheid. Hij heeft onze kwalen gedragen en onze smarten getorscht, en wij hielden Hem voor eenen melaatsche, door God geslagen en vernederd. Maar om onze ongerechtigheden is Hij verwond, om onze misdaden is Hij verbrijzeld ; de straf onzes vredes is op Hem en door zijne striemen zijn wij genezen. Nog vele andere voorspellingen zouden wij hier kunnen bijvoegen, maar is het aangehaalde niet voldoende om ons te overtuigen dat de geeseling allerwreedst geweest is ? Merk vervolgens op, dat Jesus zelf, zijn lijden voorspellend, steeds van de geeseling zoowel als van de kruisiging spreekt; zij moet dus allerwreedst geweest zijn, die

-ocr page 175-

163

geeseling, daar de Heer zelf haar onder zijne grootste smarten telt.

En konde zij wel anders dan allergruwelijkst zijn ? Wie heeft ze voltrokken ? Soldaten zoo wreed, dat de geeseling hunne wreedheid en hunnen bloeddorst niet kon koelen, want na de geeseling vierden zij hunne duivelachtige wreedheid nog den teugel in de gruwelijkste bespotting en de onmenschelijke kroning. Zoo wreed waren zij, dat de Verlosser bij den psalmist klagend zegt: vele honden hebben mij omsingeld. En door niets werden deze woestelingen weerhouden, geen enkel bevel scheen hun gegeven, tenzij het bevel tot de geeseling, geen enkele stem sprak voor Jesus.

Waarmede waren de armen dezer wreedaards gewapend ? Wij weten uit de geschiedenis, dat de Romeinen bij de geeseling niet slechts gebruik maakten van roeden, maar ook van zweepen, riemen en koorden, die niet zelden met looden ballen of puntige ijzers waren voorzien; menig lijder bezweek onder dergelijke strafoefening. Wat moeten wij nu denken van de geeseling des Heeren ? Zoude zij minder wreed geweest zijn dan de wreedste, die ooit heeft plaats gehad ? Terwijl de woestelingen door geen vrees of gebod, door geen voorspraak of tusschenkomst van eenig persoon werden tegengehouden, vond hunne wreedheid nog aanmoediging in de bloedkreeten der Joden en in het geduld des Heeren. Die on-menschen, gewoon om zich te verlustigen in het bloed en de tranen der ongelukkigen,

-ocr page 176-

164

hadden het bovennatuurlijk en goddelijk geduld van Jesus aanschouwd, zij stelden er eene eer in, om een geduld te overwinnen, waarvan zij de grootheid niet kenden of waardeerden; het was hun eene behoefte om tranen te zien en jammerklachten te hooren; het zwijgen, de onoverwinbare zachtmoedigheid des Heeren deed hunne woede verdubbelen, zij rustten niet zoo lang zij geen smartelijke kreeten hoorden; kortom : zonder ons in gewaagde gissingen te verliezen, kunnen wij zeggen, dat Jesus, wegens het ontzettend bloedverlies in de hevigheid der smarten zoude bezweken zijn, indien zijne almacht niet in zooverre de krachten had hersteld, dat het verbrijzelde lichaam nog bewaard bleef voor het kruis.

Nauw hebben de soldaten het bevel ter geeseling ontvangen, of met helsch genoegen grijpen zij Jesus aan en voeren Hem ter straf-plaats, daar rukken zij den Verlosser de kleederen uit en binden Hem aan de kolom. Stel u den lijdenden Verlosser voor, die daar gebonden, op het punt staat de eerste slagen te ontvangen. Hij heft de oogen ten hemel en biedt zijne smarten en zijn bloed der goddelijke rechtvaardigheid aan.

Terwijl de hemelsche geesten in ontroering hunnen God aanschouwen, grijpen de wreede krijgsknechten de geduchte werktuigen aan; zij wisselen met elkander een onheilspellenden glimlach, alsof zij wilden zeggen : laat ons door smaad en smart zijne zachtmoedigheid meten en zijn geduld op de proef stellen.

-ocr page 177-

165

Dan vallen de eerste slagen op het maagde-^ lijk lichaam en laten bloedige strepen op de sidderende ledematen achter; als in een oogwenk is het heilig vleesch verscheurd, wonde valt op wonde; de geeselroeden, de kolom, de handen der wreedaards zijn met het kostbaarst bloed geverfd, en zij gaan nog voort, die woestelingen ! Daar staat dan de Verlosser in zijn bloed, geen klacht komt er over zijne goddelijke lippen, geen zucht doet Hij hoeren. In stilte spreekt Hij tot den Vader, Hij vernedert zich wegens onze zonden, Hij zucht over onze misdaden.

Herinnert gij u nog hoe de welbeminde Zoon des Vaders, sidderend, doodsbleek, tot den Vader bad in den hof: Daar wierp Hij zich zoo ootmoedig op de knieën, daar boog Hij zoo nederig zijn hoofd, daar betuigde Hij de diepste gehoorzaamheid; zijn angst was groot, zijne droefheid mateloos, in doodsangst zweette Hij water en bloed, doch Hij hield niet op met roepen : Vader, niet mijn wil, maar Uil' wil geschiede. Toen verscheen er wel een engel die Jesus versterkte, maar de hemel was niet verzoend, de vernedering van den welbeminden Zoon des Vaders moest dieper, de smarten moesten grooter zijn. Verschenen de boetelingen des Ouden Verbonds voor God, gekleed in ruwe zakken, Jesus verschijnt hier voor den Vader, gehuld in bloed en wonden, zóó herhaalt Hij nu de bede van Gethsemani, zóó treedt Hij nu op, om zijne onderwerping den Vader te betuigen en voor onze onge-

-ocr page 178-

166

hoorzaamheid te boeten. O, mocht ik u en mij, alle christenen, de geheele wereld het beeld van den gegeeselden Verlosser levendig voor oogen kunnen stellen, dan zouden wij begrijpen, wat zoo weinig door ons begrepen wordt : Gods gestrenge rechtvaardigheid en zijne onuitputtelijke barmhartigheid.

Deze beide volmaaktheden Gods stelt men zich niet zelden voor als twee tegenstrijdige eigenschappen, die niet met elkander te verzoenen zijn. Men meent, God doet zijne barmhartigheid te kort, wanneer Hij de rechten der rechtvaardigheid doet gelden ; of, God houdt op rechtvaardig te zijn, wanneer Hij de rijkdommen zijner barmhartigheid over ons uitstort. In den gegeeselden Jesus nu zien wij, dat de barmhartigheid niet bestaat zonder strenge rechtvaardigheid, dat de beide volmaaktheden Gods elkander niet buiten sluiten, maar omhelzen. Het is van het uiterste belang dit op te merken en goed te beseffen, want eene dwaling in dit opzicht wordt de oorzaak, hier van vermetel vertrouwen, ginds van wanhoop.

Velen verweekelijkt door zingenot en dooide voldoening der lage lusten, schijnen geen begrip meer te hebben van deugd en liefde voor de gerechtigheid. Het is hun onbestaanbaar met Gods barmhartigheid en oneindige goedheid, dat Hij de zonden zijner schepselen straft. Zelfs daar, waar hun de bedreigingen Gods in duidelijke woorden worden verkondigd, zijn zij geneigd eerder aan Gods waar-

-ocr page 179-

167

achtigheid te twijfelen, dan aan te nemen, dat de toorn der gerechtigheid den zondaar zal verpletteren. O, hadden zij hunne blikken gevestigd op den gegeeseklen Jesus, dan zou ik hen vragen ; wanneer de rechtvaardigheid niet strafifen mag, waarom wordt Jesus dan zoo bloedig gekastijd? Is Hij niet de welbeminde Zoon des Vaders ? Zijn de zonden, waarvoor Hij boet, geen vreemde zonden, welke Hij uit zuivere liefde op zich nam ? Was zijne gehoorzaamheid niet onbeperkt, zijne droefheid over onze misdaden niet mateloos, zijne vernedering niet oneindig diep ? Waarom lijdt hij dan, waarom ontvangt Hij zoovele wonden, waarom verwerft Hij voor ons geen vergeving zonder die vreeselijke bloedstorting? De barmhartigheid kan hier de krachtigste redenen doen gelden en toch voorkomt zij de wreede geeseling niet. .Mijn God! wij koesteren ons schuldig vleesch en weigeren niets aan onze zintuigen, die als dwingelanden over ons heerschen en ons voeren tot ontelbare overtredingen ; onze ledematen zijn verouderd in de zonden en zij morren nog, wanneer hun de overvloedige spijs, de zachte kleederen en de uiterste gemakken des levens worden ontzegd ! Misdadig, schaamteloos en overmoedig durven wij het een onrecht noemen, wanneer ziekte, smart, verachting en verlatenheid ons deel worden; met het aangezicht gebogen in het stof moesten wij in tranen en zuchten de goddelijke barmhartigheid inroepen, en wij achten de zelfvernedering

-ocr page 180-

168

overbodig, wij beweren recht te hebben op Gods barmhartigheid!

Is God dan niet barmhartig ? Hij is oneindig barmhartig, daarom komt Hij ons in onze verblinding te hulp, wijst ons op Jesus en roept ons toe ; Ik heb Ilon geslagen wegens de zonden van mijn volk. God is oneindig barmhartig, daarom rukt Hij den blinddoek van onze oogen weg, wijst ons op de gapende wonden van den gegeeselden Jesus en roept ons toe ; Wanneer er aldus gehandeld wordt met het groene hout, wat zal er dan met het dorre geschieden ? God is oneindig barmhartig, daarom schonk Hij ons Zijnen eenigen Zoon, opdat wij door de genade van Jesus eene ware boetvaardigheid konden plegen en gereinigd worden in zijn bloed. Wie kan de wonden van Jesus aanschouwen en daarna vragen : is God niet barmhartig? Wat heeft den Verlosser bewogen om zoo veel voor ons te lijden, zoo niet zijne oneindige ontferming? Maar God is barmhartig zonder dat zijne oneindige rechtvaardigheid schade lijdt; Jesus bloedt opdat de zonden gestraft en de zondaar tevens kan gespaard worden.

Welaan, lieve leüer, sla dikwijls uwe oogen op den gegeeselden Jesus en aanschouw in heilige ontroering zijne wonden. Deze wonden roepen u toe, dat God u wil sparen; zoo zeer wil sparen, dat Hij zijnen eenigen Zoon voor u laat lijden. Denk echter niet dat Jesus zich laat geeselen, opdat gij zonder berouw en boete veilig zoudt zijn voor Gods toorn,

-ocr page 181-

169

Hij kwam onze ongenoegzaamheid te hulp, niet onze onbeschaamde hardnekkigheid; als gij zijn bloed ziet vloeien, als'gij weent over zijne smarten, dan roept Hij u toe ; Indien er aldus met het groene hout gehandeld wordt, wat zal er dan met het dorre geschieden r

-ocr page 182-

Donderdag na den derden Zondag in de Vasten.

Milites autem duxerunt eum in atrium pra;-torii et convocant totam cohortem et induunt eum purpura et imponunt ei plectentes spineam coronam.

Marc. XV : 16 — 17.

En de soldaten leidden Hem in het voorhof van het rechthuis en riepen de geheele krijgsbende samen ; en zij bekleedden Hem met purper en plaatsten eene doornen kroon, die zij vlochten, op zijn hoofd.

De wreedaards gingen nog met de geeseling voort, toen, volgens eene vrome overlevering, een der soldaten toeschoot en de koorden, waarmede Jesus gebonden was, doorsneed uitroepend : zult gij Hem dooden, alvorens Hij veroordeeld is? Jesus, toen de koorden doorgesneden waren, zoude machteloos in zijn bloed zijn neergezegen. Wat er van zij, de onmenschen waren wreed genoeg om zoo ver te gaan. Want na de geeseling sleurden zij Jesus naar het voorhof van het rechthuis en riepen daar de geheele krijgsbende samen, dan wierpen zij eenen purperen mantel over

-ocr page 183-

171

'sHeeren verscheurde schouders, vlochten eene kroon van doornen, drukten ze op Jesus' gezegend hoofd en gaven Hem eenen rietstok in de rechterhand. Daarna kwamen zij tot Hem, knielden spottend neder en riepen :

IVees gegroet Koning der Joden ; dan naderden zij, staarden grijnzend in zijn pijnlijk gelaat en spogen Hem in het aangezicht, waarlangs dikke bloeddroppelen rolden; en, als waren de smarten niet groot genoeg om den smaad te evenaren, als vloeide het bloed te traag over 's Heeren wangen, de wreedaards grepen den rietstok uit Jesus' handen en sloegen daarmede op zijne kroon.

Laat ons, lieve lezer, niet verontwaardigd worden over zulk eene helsche wreedheid. Herinneren wij ons liever het woord van den profeet: om onze ongerechtigheden is Hij ver-vond, om onze misdaden is Hij verbrijzeld.

Wij allen dwaalden als schapen, iedereen doolde zijns weegs, maar de Heer legde op Hem de ongerechtigheid van ons allen. In waarheid. Hij heeft onze kwalen gedragen en onze smarten getorscht. Ofschoon de wreede soldaten den smaad in zulk eene mate bij de smarten voegden, dat men waarlijk de vernedering, verdrukking en vertrapping, welke Jesus ondergaat, nog ondragelijker zou noemen dan zijne pijnen ; ofschoon de soldaten dit deden, wij weten dat de hemelsche Vader deze vernedering uitdrukkelijk gewild heeft. Waarom zoo diep eene versmading gewild; waarom moet Jesus zoo verguisd en zoo vertrapt wor-

-ocr page 184-

172

den ? Hij stond in onze plaats, Hij leed voor de hoovaardigen en moest vernederd worden. Mateloos, ondragelijk is onze hoovaardij, daarom zal Jesus' vernedering mateloos zijn. Helaas, wij begrijpen niet, hoe groot een gruwel onze hoovaardij is in de oogen van Hem, die alleen Heer is, en wien alleen alle glorie toekomt. Het was dan noodig, dat de Vader zijnen Zoon vernederde voor het oog der wereld, opdat wij zouden kunnen begrijpen wat alleen rust aan onze ziel schenken kan : nederig te zijn in onze oogen.

Opgeblazen van hoogmoed gaan wij daarheen, onzen naasten verachtend en onzen Schepper niet ontziende. Vol van ons zeiven, zijn wij altijd met ons zeiven bezig, en zouden wij wel durven eischen, dat elkeen ons diende en ontzag. Ons woord moet eene wet zijn voor anderen, tegenspraak dulden wij niet; wij vorderen gehoorzaamheid, maar weigeren ze aan onze overheden om de nietigste redenen ; wij bewonderen ons verstand, onze wijsheid, onze bekwaamheid en kunnen niet dulden, dat wij door anderen niet bewonderd worden ; met onverschillig oog zijn wij getuigen van de beleedigingen, die de goddelijke Majesteit ontvangt; doch onmiddellijk vatten wij vuur, wanneer wij ons in onze eer wanen aangerand. Met een dwaas welbehagen openbaren wij onze zoogenaamde edele gedachten, begeerten, plannen, woorden en werken, doch bedekken met de grootste zorgvuldigheid, hetgeen ons tot schande verstrekt; wij leven en

-ocr page 185-

173

gedragen ons als waren wij geschapen om ons zeiven te dienen en te verheerlijken en om alle schepselen tot onzen dienst te bekeeren. Wij tooien ons lichaam met de uiterste zorg en zijn steeds bekommerd, dat er iets in onze kleeding en houding, in onze taal en ons voorkomen gevonden worde, wat de algemeene goedkeuring niet wegdraagt. O mensch, zie op Jesus die daar boet voor uwe schuldige hoovaardij. Aanschouw den purperen mantel, welken over de bebloede schouders hangt en de gapende wonden slechts half bedekt; hoor, hoe de onmenschelijke wreedaards de grofste beleedigingen aan Jesus toevoegen ; zie, hoe zij Hem naderen, grijnzend aanstaren en met de uiterste verachting Hem in het aangezicht spuwen. Aldus wordt Jesus behandeld wegens uwe hoovaardij, die een gruwel is in de oogen van God; de Vader wil u in Jesus toonen wat gij zijt en wat er van u overblijft, wanneer het klatergoud der uiterlijke vertooning, schoonschijnende woorden en daden, mooie kleederen en alle wereldsche ijdelheid u wordt afgerukt. Dan zullen de gapende wonden uwer ziel zich vertoonen, dan zal uwe armoede aan verdiensten en goede werken blijken, dan zult gij eenzaam en verlaten daar staan te midden van vijanden, die u nog zullen bespotten over de dwaze ingenomenheid met u zeiven. Zoude het niet voorzichtig zijn bij tijds onze ellende te belijden, ons zeiven voor God en de men-schen te vernederen en nederig te worden in eigen oogen ?

-ocr page 186-

174

In den rietstok, dien mijn Jesus draagt, zie ik al de dwaasheid mijner hoovaardij en al de uitzinnigheid van mijn zelfvertrouwen. Zie eens, lieve lezer, hoe de soldaten met bitteren spot op de wonden, de zwakheid en den rietstok van Jesus wijzen, hoe zij neder-knielen en schaterlachend uitroepen : IVees gegroet Koning der Joden. Zoo diep eene verachting, zoo groot eene versmading was onmogelijk geweest, indien wij ze niet verdiend hadden door onze onzinnige hoovaardij. Wij dwazen ! Nauwelijks waren wij door Gods almacht in het leven geroepen of wij beurden onze hoofden op, als waren wij oppermachtige koningen. Wij hielden het bijkans voor eene schande den Opperheer te erkennen en onderworpen te zijn aan zijnen heiligen wil. Elk woord door Hem gesproken, of namens Hem door ouders en overheden tot ons gericht, moest met eerbied door ons ontvangen worden, en het wekte slechts onze weerspannigheid op. De krachten van ons lichaam, de hoedanigheden van onzen geest, de goederen der aarde, de genietingen des levens en alles wat ons hart verheugde, moesten ons met dankbaarheid vervullen jegens den gever van alle gaven, en zij maakten ons onhandelbaar voor den naasten en weerspannig tegen God. Wij dankten niet, maar snoefden op de gaven Gods, alsof wij ze niet ontvangen hadden, en in den waanzin onzer hoovaardij vertrouwden wij op ons eigen doorzicht, op onze wijsheid, krachten, rijkdommen en vrien-

-ocr page 187-

175

den ; wij vertrouwden op onze deugden en goede werken en smeekten Gods hulp en genade niet meer in ootmoed af. Opdat wij nu weten mogen, hoe ondragelijk onze hoo-vaardij in Gods heilig oog is, laat de Vader zijnen Zoon bespotten met eenen spot, die door den hoovaardigen alleen wordt verdiend. Zie Jesus daar staan voor de baldadige soldaten, Hij draagt eene doornenkroon; een purperen mantel bedekt slechts ten halve zijne verscheurde ledematen; Hij houdt in zijne rechterhand eenen rietstok. Nog is de vernedering niet groot genoeg; Hij moet vertrapt worden, omdat Hij boete pleegt voor onze hoovaardij. Daar naderen de soldaten. Zij spuwen in zijn heilig aangezicht, en opdat de smart den smaad vermeerdere, opdat Hij ge-voele welk eene kroon Hij draagt, grijpen zij den rietstok en slaan daarmede op zijn hoofd. Ach, mijn Jesus, wist Gij dan niet, dat uwe kroon eene doornen was ? Ja, Gij wist het, maar wij wisten niet, dat wij groot gaan op onze schande en roem dragen op onze ellende; op U heeft de Vader onze ongerechtigheden gelegd, opdat wij zien zouden hoe ellendig wij zijn.

Lieve lezer, aan God is alles bekend; Hij ziet onze ongerechtigheden en onze misdaden kunnen wij niet voor zijn oog verbergen, laat ons dan den eenig veiligen weg inslaan en in ootmoed voor den Heer onze ongerechtigheden belijden. Waarom zouden wij roemen op onze werken en deugden, waarom zorg-

-ocr page 188-

170

vuldig onze zonden bewimpelen, verschoonen, verdedigen ? Indien wij niet in ootmoed onze schuld willen erkennen, dan zal de Heer in zijnen rechtvaardigen toorn ons doen gevoelen, dat wij geene kroon van eer en glorie dragen, maar eene kroon, door onze zonden gevlochten, eene kroon van oneer en schande. Deze vernedering heeft de Vader voor zijnen Zoon bereid. Opdat wij 10ijs zouden worden en nederig. Maar laat ons nu ook eens de aandacht vestigen op hetgeen Jesus hier doet.

Wat deed de minnelijke Jesus, toen Hij gekroond met de kroon der verdrukking, verpletterd onder de vernederingen, daar stond, omsingeld van dolle honden r O, Hij boog zich zoo diep onder de slagen der goddelijke gerechtigheid. Hij dronk met zooveel liefde uit den kelk der vernedering; geen bloed-droppel vloeide over zijne gezegende wangen, geen slag ontving Hij op de smadelijke kroon, welke Hij niet met de volmaaktste onderwerping den Vader aanbood. Hij zag den gruwel onzer hoovaardij en wenschte zoo diep mogelijk vertrapt te worden, ten einde herstel te geven aan de beleedigde Majesteit. Hij zag onze verblinding en de diepe wonden door de hoovaardij in onze zielen geslagen, en wenschte zoo hartelijk ons te genezen. Hij was niet tevreden met ons te waarschuwen tegen den gruwel van eigenwaan en trotsch-heid ; neen. Hij wilde meer, Hij wilde ons de nederigheid doen hoogschatten, liefhebben, omhelzen. Welaan, laat ons nederknielen voor

-ocr page 189-

177

Jesus en in stille ontroering opzien tot zijne wonden, zijn purperen mantel, zijn rietstok, zijne kroon. Hier zullen wij een woord begrijpen, 't welk Hij eertijds sprak, maar dat nog nooit door ons begrepen is. Hij ziet ons aan, lieve lezer, terwijl zijn lijdend oog half verduisterd is door de bloeddroppelen, die nog traag over zijn voorhoofd vloeien; Hij ziet ons aan, alsof Hij zeggen wilde : leert van Alij\ dat Ik zachtmoedig en ootmoedig van harte ben.

O, lieve Jesus, ik begrijp U. Gij zijt mijn Koning; ik moet derhalve uwe livrei en uwe eereteekenen dragen; ik moet beminnen wat Gij bemint, ik moet hoogachten wat door U geprezen wordt. Neen, de ijdelheid en praalzucht, de eigenwaan en eerzucht, de trotschheid en hardnekkigheid mogen in mijne ziel niet huisvesten. O, hoezeer moet Gij toch de nederigheid liefhebben, daar Gij geen smaad en smarten schuwt om ze mij te leeren. Geef mij nu de genade om U met liefde in de nederigheid en onderwerping te volgen ; maak, dat ik mij verheuge door hoon en smaad, door verguizing en spot aan U gelijk te worden, dat ik elke miskenning, elke vernedering mij aangedaan beschouwe als een gewin. Heere Jesus, de moed ontbreekt mij om met de heilige Catha-rina de doornenkroon op mijn hoofd te zetten. maar met den heiligen Augustinus bid ik U : Heer, geef wat Gij beveelt en beveel dan wat Gij wilt. Amen.

-ocr page 190-

Vrijdag na den derden Zondag in de Vasten.

Exivit ergo Jes.is po/tans coronam spineam et purpjreum vestiinentu:ii. E; dixit ei» : Ecce homo. Joan. XIX : 5.

Jesus kwam dan buiten, dragende di doornenkroon en he: purperen klesd. Ei hij (Pilatusj /.eide tot hen : ziit dea mensch.

Na de wreede mishandelingen, welke de lijdende Verlosser had doorgestaan, werd Hij in den beklagenswaardigsten toestand naar Pilatus teruggevoerd. De landvoogd ging dan andermaal naar buiten en zeide tot de Joden ; ziel ik breng Hem tot u naar huiten, opdat gij weten moogt, dat ik geen schuld m Hem vmd. Met waggelende schreden trad Jesus te voorschijn, dragende de doornenkroon en hel purperen kleed. En Pilatus zeide tot de Joden ; Ziet den mensch. Doch als de priesters en dienaren Hem zagen, schreeuwden en zeiden zij : kruisig' Hem; kruisig Hem. Pilatus zeide hun : Neemt gij Hem en kruisigt Hem, want ik vind geen schuld in Hem. De Joden antwoordden : Wij hebben eene wet, en volgens de wet moet Hij

-ocr page 191-

179

sterven, omdat Hij zich tot Zoon Gods gemaakt heeft.

Stel ii den Verlosser voor, wanneer Hij onder lijden en smaad verpletterd, met waggelende schreden te voorschijn komt. Ter neer-gebukt onder de smarten, draagt Hij den spotmantel en de even wreede als smadelijke kroon ; het bloed valt in dikke droppels langs zijn bemorst gelaat; zijn oog is verduisterd van zwakheid en smart. Pilatus zelf huivert op het gezicht der afgrijselijke wonden; hij wijst op Jesus en zegt met ontroerde stem ; Ziet den mensch. Het is hier de plaats niet om onze aandacht te wijden aan het wreede en bloeddorstige geroep der Joden, laat ons hier den vinger Gods erkennen, die, wel is waar, alles leidt en bestuurt, doch in het lijden des Hee-ren zoo zichtbaar is, dat zelfs de gedachte aan toeval bij den christen niet mag opkomen. Jesus drinkt uit den beker, dien de Vader Hem te drinken geeft: uit de hand des Vaders ontving Hij de doornenkroon, omdat de liefde Hem bewogen had koning te worden van zondaren. Wegens onze zonden heeft de Vader Hem geslagen, zegt de profeet, wegens onze misdaden is Hij verpletterd. Wanneer de landvoogd onzen lijdenden Verlosser naar buiten voert en Hem vertoont aan het volk, zeggend ; Ziet den mensch. dan geschiedt zulks, dewijl de Vader wilde, dat Jesus in dien be-klagenswaardigen toestand door al het volk zou gezien en aan alle geslachten der aarde zou voorgesteld worden; het geschiedde, opdat

-ocr page 192-

180

vervuld zoude worden het woord van den profeet ; Wij hebben Hem gezien^ maar Hij had geene gestalte, en wij begeerden Hon, den verachte en den minste der menschen, den Man van smarten, die de ellende kent.

Welaan dan, lieve lezer, zie den mensch ; nauwelijks kunt gij den mensch wedervinden in den mensch, die daar voor u staat gekroond met doornen en omhangen met eenen purperen mantel, welke kwalijk de gapende wonden bedekt; zie Hem in zijne ellende en zijne verlatenheid. Wat zeg ik ? Ach, ware Hij nog verlaten ! Maar met dreigende gebaren staat eene bloeddorstige menigte om Hem henen. Zie den Mensch, en vestig al uwe aandacht op Hem, want Hij is de eenige Mensch van wien aller menschen heil afhangt. Geen ander naam is ons gegeven, waarin wij zalig kunnen worden dan de naam van dien éénen mensch. Gelijk wij allen in Adam gestorven zijn, kunnen wij allen slechts verlevendigd worden in Jesus Christus.

Ik zou hemel en aarde wel willen uitnoo-digen om met blikken van teedere dankbaarheid den lijdenden Verlosser steeds te aanschouwen; maar ik weet dat de zaligen das.r boven, den troon van het Lam omgeven, hunne kronen aan zijne voeten nederleggen en in een eindeloos danklied juichen : Gij, o Heer, hebt ons vrijgekocht in uw bloed. Doch wij, stervelingen, wij, die aan alles onze gedachten wijden, die tijd vinden om met duizende beuzelingen ons bezig te houden, wij hebben er

-ocr page 193-

181

behoefte aan, dat ons met klem en nadruk wordt toegeroepen : Staat stil, geeft acht en ziet den Mensch in Wien, uit Wien en door Wien alleen gij eeuwig leven moet. O gij, die door het bad der wedergeboorte van de erf-smet zijt bevrijd, die uit de bronnen des Zaligmakers onschatbare genaden put, en in het licht en de vrijheid der kinderen Gods u verheugt, ziet den Mensch, die uwe kluisters verbroken heeft en niet ophoudt stroomen van licht en genade over u uit te storten! En gij, o zondaar, zie den éénen Mensch, die alleen u redden kan, geef acht op zijne smarten, opdat zijne wonden vertrouwen, liefde en berouw opwekken in uw hart. Ziet den Mensch, allen, wie gij ook zijt, want Hij is het, waaruit het bovennatuurlijke leven van ieder mensch moet voortvloeien. Hij is doorwond, opdat onze zielen zouden genezen worden; Hij draagt eene doornenkroon, opdat wij de kroon der zaligheid konden ontvangen; Hij is geslagen, verpletterd en vernederd, opdat wij zouden verheven worden onder de reine engelen; Hij gaat gebukt onder naamloos lijden, opdat de gramschap Gods over onze schuldige hoofden niet zou ontbranden; Hij wordt gehoond en verguisd, opdat wij niet eeuwig zouden bespot worden door Satan, den vijand onzer zielen.

Hebt gij wel opgemerkt dat de lijdende Verlosser ons zoo dikwijls wordt afgebeeld in de gedaante, waarin Pilatus Hem vertoonde voor het volk ; gekroond met doornen, omhangen met eenen purperen mantel r Deze

-ocr page 194-

182

beeltenis wordt dan ook de Ecco homo, ziet den mcnsch. genoemd. Welk een indruk maakte ze steeds op u ? Wanneer gij uwen Verlosser zoo oververzadigd zaagt van onze ellende, welde er dan ooit een traan op in uw oog, herdacht gij in nederige liefde hoe duur gij zijt vrijgekocht ? .

De geschiedenis van ons geslacht is eene eindelooze worsteling tegen ongeluk en smart, ziekte, kwelling en dood. Zoovele menschen er leefden, zoovelen namen er deel aan deze worsteling; elkeen gevoelt zich aangevallen, vervolgd tot in den dood ; niemand leeft in ongestoorden vrede, want allen zijn onder de zonde verkocht, en het loon der zonde is de dood met alles wat hem voorafgaat en vergezelt. Een ieder gaat in dezen strijd des levens zijn eigen weg. Deze zoekt zijn heil in kennis en wetenschap, gene in aanzien, macht en heerschappij, een derde in het verzamelen van rijkdommen, een vierde in de voldoening van zinnelijke lusten, maar niemand slaagt in zijn zoeken naar geluk en vrede, terwijl de dood zijne sporen steeds dieper drukt in het vleesch. Er is slechts ée'n mensch, die ons den weg tot redding wijst en tevens ons de hand der redding biedt : de Godmensch Jesus Christus. Ecce homo, zoo roept ons de hemelsche Vader toe in oneindige barmhartigheid jegens de zwoegende kinderen van Adam ; Ziet den Mensch. Dat de geleerde niet op zijne wetenschap boge, maar op de nederige kroon van Jesus; dat de machtige niet vertrouwe op

-ocr page 195-

183

zijne krachten, maar op den zwakken rietstok van Jesus; dat de rijke niet steune op zijne goederen, maar op de armoede van den armen Jesus; dat de weelderige geen vrede zoeke in zingenot, maar in de wonden van Jesus.

Ecce homo, ziet den Mensch. Hij is van het hoofd tot de voeten doorwond, Hij treedt ons tegemoet, dragende eene doornenkroon, eenen rietstok en eenen purperen mantel, opdat, indien iemand roemen wil, hij roeme in den Heer. O christen ziel, kent en erkent gij dien eenen Mensch als uwen eenigsten Verlosser ? lïelijdt gij, dat u geenen anderen naam gegeven is, waarin gij zalig worden kunt dan de naam van Jesus ? Gelooft gij, dat gij rijk zijt door zijne armoede, opgebeurd uit het stof door zijne vernedering, genezen door zijne wonden? Verloochen dan ook uwen oorsprong niet; zie op tot Kern door Wien en uit Wien gij leeft;. roem niet langer op uwe wijsheid en uw doorzicht, op uwe kennis en uwe wetenschap, want niet door deze zijt gij, wat gij zijt; ga niet groot op uwe uitgestrekte bezittingen, op uwe schoone gestalte, prachtige kleederen en vele bekwaamheden, want deze brachten u den vrede niet; roem niet op uw gezag en aanzien, op de menigte uwer dienaren en de kracht van uw woord, want zij brachten u geen heil; steun niet op uwe deugd en goede werken, indien zij waarde hebben, hunne kracht vloeide uit de wonden van Jesus.

Quigloriatur in Domine glorietur. Die roemt,

-ocr page 196-

184

dat hij roeme in den Heer, zegt de apostel, maar ik heb dit woord, hoewel duizendmaal door mij gehoord, uitgesproken en gelezen, nooit zoo goed begrepen als thans, nu ik mijne blikken vestig op Jesus, die daar uitgaat, dragend eene doornenkroon en een purperen kleed. Ik moet roemen op de wonden van Jesus, op zijne smadelijke en smartelijke kroon, op zijne vernedering en verlatenheid, op de versmading, die Hij wegens mij onderging. Indien ik den dood niet vrees; indien ik sterk ben tegen den duivel; indien de hoop op een eeuwig leven mijne ziel verkwikt; indien ik als kind kan omgaan met God ; ik dank alles aan de wonden van Jesus. Indien deze ééne mensch mij niet was geschonken, ik zoude nog zuchten in de slavernij des duivels, onderworpen aan al de gevolgen mijner zonden. Is het dan niet een dure plicht, dat ik dankbaar tot Jesus opzie, en reeds hier in dit tranendal met de zaligen belijde ; O Heer, Gij hebt mij vrijgekocht in uw bloed? Laat de wijze in zijne wijsheid roemen, en de rijke in zijne rijkdommen, ik mag in niets anders roemen, dan in God, mijn heil. Nooit mag ik vergeten, hoe ik gered ben en hoe duur ik werd gekocht. Wat moest men toch over mij oordeelen, indien ik met minachting op de armoede nederzag, indien ik de nederigheid versmaadde en in ijdele praalzucht mijne grootheid zocht r Dan verdiende ik een strengere beoordeeling dan een kind, 't welk zich zijner ouders schaamt.

-ocr page 197-

] 85

want door de armoede, de schande, den smaad van Jesus ben ik alles wat ik ben. Lieve lezer, wanneer er eenig zelfbehagen in u opkomt: wanneer de wereld u prijst wegens uwe goede hoedanigheden, uwe deugden en goede werken; wanneer men u met eerbewijzingen overlaadt, omdat gij rijk, wijs, geleerd of machtig schijnt te zijn, zie dan op tot den met doornen gekroonden Verlosser, herinner u, dat gij zonder Hem een afzichtelijk mensch, een verworpeling zijn zoudt voor God, roem dan in Jesus en zeg uit den grond uws harten ; niet aan mij, o Heer, maar aan U komt alle glorie toe. Indien gij u beijverd hebt om God getrouw te dienen; indien gij met zorg alle zonde vlucht; indien gij door vele werken van godsvrucht, versterving en naastenliefde God zoekt te behagen, dan zal de be-koorder tot u komen, hij zal u zeggen, dat gij iets zijt en veel lof verdient: maar zie dan op naar Jesus, die voor u staat gekroond met doornen, dragend een purperen kleed, dit zal voldoende wezen om de hoovaardij niet alleen te verstikken in uw hart, maar ook om u vol schaamte de oogen te doen neerslaan wegens uwe geringe wederliefde jegens Hem, die u het eerst en zoo zeer heeft lief gehad.

Ecce homo, zie den Mensch. Indien door het lijden, de vernedering en de gehoorzaamheid van dien éénen mensch voor alle men-schen heil en redding werd bewerkt, leer dan daaruit hoe groot eene kracht in een gehoorzaam lijden gelegen is. Hoe! gij leeft door

-ocr page 198-

186

het lijden en de wonden van Jesus. en gij vraagt, alsof gij niets had gehoord en gezien, waarom gij lijden moet en waartoe uw lijden dient! Het valt niet te ontkennen dat lichamelijke smarten, armoede, smaad en vernedering zeer zwaar vallen aan den menschelijken natuur; maar indien gij met ernst en aandacht opziet tot Jesus, dien de Vader u toont, gekroond met doornen en dragend een purperen mantel, dan zal het een onbeschrijfelijke troost voor u zijn, dat gij aan uwen Goddelijken Meester gelijkt.

O, goede Jesus, Gij, die U eens zoo zeer hebt vernederd, dat Gij voor een spottend en woedend volk verschenen zijt met een rietstok in de handen, eene doornenkroon op uw hoofd en omhangen met eenen purperen mantel, zonder gedaante of schoonheid, van het hoofd tot de voeten met wonden geslagen en badend in uw bloed, gewaardig U in deze ellendige gestalte op te treden voor mijnen geest, zoo dikwijls de zinnelijkheid mij prikkelt, de eigenwaan mij verblindt, de hoovaardigheid mij opblaast, het lijden mij doet morren of de liefde in mij verkoelt. O, roep mij dan toe, zoo krachtig dat ik het hoore : Zie den Mcnsch. Amen.

-ocr page 199-

Zaterdag na den derden Zondag in de Vasten.

Nescis quia potestatem hsbeo crucifigere te, et potestatem habeo dimittere te ?

Joan. XIX : 10.

Weet Gij niet, dat ik macht heb U te kruisigen, en macht heb om U vrij te laten ?

De verklaring der Joden, dat Jesus zich „ Zoon Gods quot; genoemd had, maakte een diepen indruk op den landvoogd. Hij had zooveel buitengewoons in Jesus opgemerkt, dat hij nu werkelijk vreesde in Jesus een of andere Godheid aan te randen, want als heiden had Pi-latus geen zuivere en heldere denkbeelden over den éénen levenden en waren God. Verschrikt ging hij wederom het rechthuis in, en sprak tot Jesus ; van waar zijt Gij r Doch Jesus gaf hem geen antwoord. Dit zwijgen trof hem uitermate; hij begreep niet hoe de Heer, zoo mishandeld, zoo vertrapt, zoo van allen verlaten en geheel overgegeven aan de willekeur van zijn rechter, niet de minste poging deed om diens gunst te winnen. Was Hij ook ongevoelig en als zinneloos geworden

-ocr page 200-

18S

door de menigte zijner smarten ? De landvoogd zal Hem opwekken en zegt : Spreekt Gij niet tot mij r Weet Gij niet dat ik macht heb U te kruisigen en macht heb om U vrij te laten r Jesus antwoordde ; Gij zoudt volstrekt geen macht tegen Mij hebben, tenzij het n van boven gegeven ware. Daarom heeft hij. die Mij aan ii overleverde, grootere sonde. Om te begrijpen welk een ontzettenden indruk dit laatste woord des Heeren op Pilatus maakte, moet gij u voorstellen in welken toestand Jesus daar voor Pilatus stond. Van het hoofd tot de voeten gewond en geverfd in zijn bloed, met bleek en ingevallen gelaat, dragend eene doornenkroon, tot het uiterste vervolgd door de bloedige moordkreten der Joden, hangt Jesus, menschelijker wijze gesproken, nog slechts af van één wenk, van één bevel des landvoogds. Zal Pilatus dien wenk, dat bevel geven ? De Joden eischen en dringen, Pilatus is reeds herhaalde keeren voor hun geweld geweken, niemand is er die voor Jesus spreekt! En in deze oogenblikken doet Jesus niets om medelijden op te wekken. Hij herinnert den hoog-moedigen heiden aan diens onmacht om iets tegen Gods wil te volbrengen. Hij wijst Hen op zijne verantwoordelijkheid en spreekt als een rechter, die zonde van zonde onderscheidt. Geen wonder, dat Pilatus, door zoo veel grootheid geschokt, weder opnieuw pogingen aanwendde, om toch niet schuldig te worden aan 's Heeren dood.

Merk hier opy lieve lezer, met welk eene

-ocr page 201-

ISO

zachtmoedgheid de lijdende Jesus den landvoogd terecht wijst, aan wiens lafhartige wreedheid Hij zoo veel smart en smaad te danken heeft. De goede Jesus wil den landvoogd redden. Hij vermijdt daarom alles wat Pilatus kan verbitteren; wel is waar, zegt Hij harde waarheden, doch Hij drukt ze uit in zulk een zachten vorm, dat de dwaze eigenliefde van Pilatus niet kan gekwetst worden. Indien Jesus met eenige scherpte had willen spreken, hoe diep zoude Hij den landvoogd vernederd en gegriefd hebben ! Deze vroeg : I!'eet Gij niet, dat ik macht heb Ute kruisigen, en macht heb om U vrij te laten r Indien gij macht hebt, zoo had Jesus kunnen antwoorden, waarom kruipt gij dan zoo lafhartig voor de Joden ; indien gij macht hebt, waarom bidt en smeekt gij dan het volk, dat het Mij moge vrijlaten; indien gij macht hebt om Mij vrij te laten, waarom laat gij Mij dan niet vrij, daar gij herhaalde keeren verklaard hebt, dat Ik onschuldig ben? Lafhartige! Schaamt gij u niet op eene macht te wijzen, welke gij misbruikt om een onschuldigen te vertrappen ; bloost gij niet op eene macht te wijzen, welke gij door uwe lafhartigheid onteert; zijt gij daarom geplaatst aan het hoofd van een volk, om van diens laagste driften een speelbal te worden ; zijt gij daarom ;;oo hoog in eere gesteld om u te onteeren voor het oog van geheel Jeruzalem door eene slaafsche vrees, welke het allerminst aan een landvoogd, een plaatsbe-kleeder des Keizers past? Maar de waarheid

-ocr page 202-

190

is voor den zondaar hard genoeg, Jesus wil ze niet harder maken door bittere uitdrukkingen. In zachte vormen spreekt Hij haar uit, opdat Pilatus, die reeds door vrees geslingerd werd, niet door gramschap en spijt tegen Jesus nog verder zoude gevoerd worden. O, mochten wij allen in het vermanen en het terechtwijzen der zondaars de zachtmoedigheid van onzen Verlosser volgen !

Zonder te bloozen wees Pilatus op zijne macht, welke hij niet wist te gebruiken; Jesus stond bloedend voor hem, en elke droppel, die uit 'sHeeren wonden vloeide, verkoncligde het schromelijk misbruik, 't welk Pilatus van zijne macht gemaakt had. Pilatus evenwel schaamde zich niet; hij, die voor de Joden op onwaardige wijze kroop, hief zijn hoofd op, toen hij tegenover den vertrapten en mach-teloozen Jesus stond; met zichtbaar welgevallen wees hij op zijne groote macht. De Verlosser zeide hem, dat de macht, waarop hij boogde, niet zijn eigendom was, maar een, hem van God toevertrouwd talent, over welks gebruik hij eenmaal rekenschap had af te leggen. Deze zoo eenvoudige waarheid mocht wel aan den landvoogd worden voor oogen gesteld; en buiten den landvoogd zijn er nog ontelbaren, die de grootste behoeften hebben daaraan herinnerd te worden. Van ons zeiven zijn wij een niet; ons lichaam met zijne krachten, bekwaamheden, zintuigen en schoonheid is het werk van God: onze ziel met hare eigenschappen en hoedanigheden kwam voort

-ocr page 203-

] 91

uit de handen Gods, onze geheele persoonlijkheid met hare goederen en vrienden, met haar aanzien, invloed en macht, met hare duizende betrekkingen is een maaksel Gods. Op niets mogen wij roemen, daar wij alles ontvangen hebben. Eene groote zorg om de talenten door God ons geschonken goed aan te wenden, is het eenigste wat ons past, en die zorg moet gepaard gaan met eene blijvende herinnering aan de verantwoording, welke wij eens hebben af te leggen over het gebruik en het misbruik der geschonken talenten.

God deelt zijne gaven in verschillende mate uit, doch niemand wordt er gevonden, die niet zijn talent ontvangen heeft. Elk zondaar is te beklagen, doch hij die het meest van God ontving, is ook het meest te beklagen, indien hij een slecht gebruik maakt van zijne gaven. Prijs daarom nimmer een mensch gelukkig, omdat hij vele goederen, buitengewone bekwaamheden, uitgestrekte macht en schitterend aanzien geniet; bewonder niemand, omdat hij slaagt in al zijne ondernemingen, omdat hij vele vrienden en dienaren heeft. Hij alleen is gelukkig, die zijne talenten aanwendt tot het doel waartoe God ze hem geschonken heeft. Uitstekende gaven in de handen eens zondaars zijn als een gevaarlijk wapen in de handen van een kind. Zeg echter ook niet, dat het beter is geen uitstekende gaven van God ontvangen te hebben; zij zijn uitmuntend, omdat zij uitmuntende middelen zijn in den dienst van God. Hoewel Pilatus slechts

-ocr page 204-

192

een landvoogd was, een plaatsbekleeder, een dienaar des Keizers; de Voorzienigheid heeft hem eene macht gegeven zoo ais er nooit aan een Keizer of Koning geschonken werd. Hij had werkelijk macht om Jesus te beschermen, tegen de woede der Joden, en Hem in groote eere vrij te laten. Deze zijne roeping was inderdaad benijdenswaardig. Indien de Heer een dronk koud water in zijnen naam gegeven niet onbeloond laat, hoe groot eene belooning zou Pilatus ontvangen hebben, wanneer hij geen misbruik, maar een goed gebruik van zijne macht gemaakt had ! Aan de vervulling van zijn plicht waren groote moeielijkheden verbonden, doch wat beteekenen die moeielijkheden, wanneer zij vergeleken worden bij de groote en verhevene daad, welke hij ten opzichte van Jesus te vervullen had ? Deze moeielijkheden waren juist geschikt om de daad van rechtvaardigheid, die God van Pilatus vroeg, nog kostbaarder te maken in- 'sHeeren oog. Kortom : Pilatus is niet te beklagen, omdat hem zoo groot eene macht geschonken werd, maar beklagenswaardig is hij, dewijl hij zijn gezag misbruikte.

Stel u den landvoogd voor, die tegenover den lijdenden Jesus staat, en zegt : JVect gif niet, dat ik macht heb om U te kruisigen, en macht om Ü vrij te laten r De grootste macht staat daar tegenover de schijnbaar grootste onmacht. De machtige Pilatus misbruikt zijne macht tot eigen verderf, en Jezus doet afstand van het gebruik zijner almacht om in onmacht

-ocr page 205-

193

en lijden de geheele wereld te verlossen. Wat schittert in het oog der wereld dient hier tot verderf van hem, die deze grootheid draagt, en wat verachtelijk is in het oog der wereld: de armoede, de wonden, de verlatenheid en de schande, wordt door Jesus aangewend tot heil en verlossing van alle menschen. Alzoo, armoede, wonden, verlatenheid, schande zijn een kostbaar talent tot heil in handen van hen, die ze in onderwerping en gehoorzaamheid aan God weten te dragen. Het is derhalve eene groote dwaling, te denken, dat men God niet kan dienen in ziekte, in tegenspoed, in armoede en rampen van welke soort ook; het is eene groote dwaasheid zijne bekeering uit te stellen tot den tijd dat de omstandigheden gunstiger zijn zullen. In welk eenen toestand gij u ook bevindt. God plaatste u daarin, opdat gij voor het oogen-blik in dezen en in geenen anderen uwe zaligheid zoudt bewerken. Het is dan eene onomstootelijke waarheid, dat de dwaasheid des zondaars zelfs de grootste gaven van God misbruikt, terwijl de wijsheid van hem, die den Heer vreest, zelfs de tegenspoeden in een kostbaar goud verandert.

Laat dan de geleerde op zijne wetenschap roemen, en de rijke op zijnen rijkdom, dat de sterken bogen op hunne krachten en de aanzienlijken op afkomst en gezag; wij , christenen, weten dat alles, wat in de oogen der wereld schittert, voorbijgaat als eene schaduw, terwijl de strenge verantwoording over

13

-ocr page 206-

19 A

het gebruik van Gods gaven, eerst na dit leven volgen zal. Dan zal elk mensch of goedkeuring of veroordeeling van den Heer ontvangen, naarmate hij een goed of slecht gebruik van zijne talenten gemaakt heeft. Diep beklagenswaardig was Pilatus, die zijne macht zoo schandelijk misbruikte. Terwijl hij voor den mishandelden Jesus staat, heft hij zijn hoofd nog in trotschheid op ; doch ee-nigen tijd later trof hem de gramschap Gods, zijne macht werd verbrijzeld, zijn rijkdom in armoede, zijn aanzien in schande en verlatenheid verkeerd, van zijne eerste grootheid' bleef hem niets over, dan de verantwoordelijkheid over het misbruik van zijn gezag. Innig medelijden moet men hebben met de nietige stervelingen, die zich verheffen op de gaven Gods, als waren deze hun eigendom, waarover zij naar willekeur te beschikken hebben. Verre zij het van ons hen ooit te benijden.

Het is ook den christen onwaardig zich te verwonderen, wanneer hij den goddelooze in macht, eer en voorspoed ziet; het is een blijk, dat hij het lijden des Heeren niet ernstig overwogen heeft, wanneer hij in verbazing uitroept : hoe kan God gedoogen, dat de zondaar in weelde zich baadt, terwijl de brave in nijpende armoede leeft; dat de goddelooze in eere juicht, terwijl de vrome, vergeten en veracht, stille tranen stort ? Neen, de ware christen heeft nog geheel iets anders gezien ; hij zag Jesus met doornen gekroond.

-ocr page 207-

195

veracht, met wonden geslagen, badend in zijn bloed voor Pilatus staan, die in trotschen overmoed op zijne macht en grootheid wee?. Dit heeft hij gezien, en alles, wat nu op aarde nog kan voorvallen, zal slechts een schaduwbeeld zijn van de groote ongelijkheid, welke hij in Jesus en Pilatus aanschouwde. En deze ongelijkheid is voor hem geen raadsel meer, want Jesus zelf heeft haar verklaard. Hij weet nu, dat de ware grootheid en het ware geluk niet in de talenten bestaan, maar in het goede gebruik, 't welk er door den mensch van gemaakt wordt.

O lieve Jesus, hoe grooter uwe smarten zijn, en hoe dieper wij U vernederd zien, iles te meer erkennen wij uwe aanbiddelijke grootheid. Gij hebt niet uwe almacht, maar uwe machteloosheid, niet uwe glorie maar de schande en de bespotting, niet uwe wonderen maar uwe wonden en smarten gekozen als middelen onzer verlossing. Leer ons alles, voor- en tegenspoed, gezondheid en ziekte, eer en oneer, leven en dood, aan te wenden tot uwe glorie en tot ons eeuwig heil. Amen.

-ocr page 208-

Vierde Zondag in de Vasten.

Jesum auteru tradidit voluntati eorum.

Luc. XXIII . 25.

Jesus echter gaf hij aan hunne willekeur over.

Nog eens beproefde Pilatus de woede der Joden te doen bedaren. Gelijk een riet, hetwelk door den wind wordt heen en weer geslingerd, zoo wendde de landvoogd zich links en rechts, om èn Jesus te redden èn de Joden te bevredigen ; doch hoe langer hij zich hiermede bezighield, des te onstuimiger werd de woede des volks. Het volk zag steeds duidelijker, dat Pilatus een lafaard was, en nam daarom eene nog dreigender houding aan. Zie den landvoogd daar staan voor het volk, hij is nogmaals met Jesus wedergekeerd en heeft het voorkomen niet van een gebieder, maar van een smeekende. Zietdaar uw Koning, zegt hij. Doch de Joden roepen : Weg met Hem, ïvcg met Hem, kruisig Hem I Pilatus herneemt : Zal ik dan uw Koning kruisigen?

-ocr page 209-

197

De opperpriesters antwoorden ; Wij hebben geenen anderen koning dan. den Keizer. Toen gaf hij Jesus aan hunne willekeur over.

In Pilatus vindt gij den slaaf van het men-schelijk opzicht met sterke kleuren geschilderd. Hij erkende reeds in de eerste oogenblikken de onschuld des Heeren, doch hij heeft den moed niet, Jesus tegenover de Opperpriesters vrij te spreken: hij geeft den Verlosser aan de mishandelingen der Joden en de baldadigheid van Herodes over. Toen Jesus ten tweeden male voor hem gebracht werd, erkende Pilatus wederom openlijk 's Heeren onschuld, maar riep niettemin de barmhartigheid in van het volk; hij wilde liever Jesus vernederen en naast eenen moordenaar stellen dan gebruik maken van zijn gezag, en een rechtvaardig vonnis vellen. Toen hij niet slaagde, deinsde hij er niet voor terug, Jesus ten derden male aan de willekeur der hartstochten over te leveren; de Verlosser werd ge-geeseld, met doornen gekroond en gruwelijk bespot. Daarna brengt hij den mishandelden en vertrapten Verlosser weder voor het volk, zoodat de willekeur der hartstochten nog eens uitspraak doen kon. Eindelijk geeft hij geheel aan den eisch der Joden toe. Ofschoon Pilatus ook nu 's Heeren onschuld openlijk erkent, en zelfs de handen wascht, ten einde te betuigen, dat hij Jesus met weerzin veroordeelt, dezen keer onderhoudt hij toch den vorm van het rechtsgeding en doet plechtig het vonnis voorlezen, waarbij Jesus tot het

-ocr page 210-

198

kruis verwezen wordt, omdat Hij zich Koning genoemd heeft. Maar de uitvoering van het vonnis werd wederom aan de willekeur der hartstochten overgelaten ; het werd den Joden vergund, Jesus zoo smartelijk en smadelijk mogelijk te doen sterven. Kortom ; de misdaad van den landvoogd is door het éene woord van den Evangelist uit te drukken ; Jesus echter gaf hij aan hunne willekeur over.

Daar het menschelijk opzicht zich steeds vertoont in de gedaante van vreesachtige zwakheid en meer op een lijden dan op een handelen gelijkt, ziet men dikwijls den gruwel der boosheid niet, welke in deze zonde gelegen is. Vestig echter met aandacht uwe blikken op Pilatus en gij zult sidderen van verontwaardiging over de boosheid van het menschelijk opzicht. Zijn verstand was niet beneveld door hartstocht, zijn gemoed werd niet bewogen door gramschap en haat. Met helderen blik heeft hij de onschuld van Jesus gezien en koelbloedig gaf hij den Verlosser aan de willekeur der Joden over. De wonden en het bloed des Heeren lokten geen traan uit zijn oog, en toen Jesus in den beklagens-waardigsten toestand voor hem stond, toen sidderde Pilatus, niet uit medelijden, maar uit vrees voor eigen leed. Het deerde hem niet. dat Jesus in smaad en smarten stierf, wanneer hij, de lafhartige landvoogd, slechts de gunst der menschen behouden kon. Jesus mocht wel bloeden zooveel de Joden begeerden, indien hem, Pilatus, maar geen leed geschiedde;

-ocr page 211-

199

ja, hij was bereid om zich door de uitgezocht-ste wreedheden tegen Jesus, macht, aanzien en rijkdom te koopen. Als een wanhopige, als een leeuw zoude Pilatus zich verdedigd hebben, indien de woede der Joden tegen hem zeiven ware gericht geweest, doch nu het Jesus en de gerechtigheid geldt, nu is hij een zwakkeling.

Zoo is het menschelijk opzicht. Die gebukt gaat onder zijne heerschappij is bereid, deugd en gerechtigheid, geloof en godsvrucht, het heil des naasten en de eer van God, alles op te offeren, alles, uitgenomen zich zeiven en wat het zijne is. Hij lacht en keurt goed, hij prijst en leent de behulpzame hand, wanneer de waarheid wordt aangevallen, de deugd bespot, de godsvrucht gescholden, de misdaad verschoond, de losbandigheid aangeprezen, de onschuld geërgerd en de Kerk vervolgd wordt, doch wee dengenen, die hem durft aan te randen, deze zal het volle gewicht eener ongetemde gramschap op zich laden.

Maar hoe misdadig de slaaf van het menschelijk opzicht ook zijn moge, hij is en blijft een slaaf. Die dc zonde doet. zegt Jesus, is een slaaf der zonde. Deze uitspraak vindt eene bijzondere toepassing op Pilatus en op hen, die den landvoogd in zijne lafhartigheid volgen; zij zijn slaven niet van één mensch, maar van zoovelen, als waarmede zij omgaan of in aanraking komen. Angstig moeten zij al de lusten en luimen, al de grillen en hartstochten van hunne ontelbare meesters opmer-

-ocr page 212-

200

ken om zich daarnaar te voegen. In hunne woorden en handelingen, in de uitdrukking van hun gelaat, in hunne begeerten en genoegens zijn zij genoodzaakt zich te voegen naar de buitensporige eischen van cene bedorven wereld. Zij zwijgen, waar zij moesten spreken, en spreken waar zij zwijgend moesten bloozen, zij juichen toe wat hun geweten afkeurt, zij spotten met hetgeen hunne ziel hoogschat en eert; wat zij gisteren met ingenomenheid deden, moeten zij heden met minachting venvaarloozen ; en wat zij hier prijzen, moeten zij ginds laken. Zij zijn genoodzaakt te leven als menschen, die zonder verstand en oordeel, zonder deugd en neiging, zonder geweten en overtuiging zijn. Men kan hen het best vergelijken bij een speeltuig, 't welk de schrilste wanklank voortbrengt, omdat het in handen is van hen, die spotten met de muziek.

Misdadig en schandelijk is de slavernij van het menschelijk opzicht, en evenwel is er helaas geene slavernij zoo algemeen als zij ; zij heerscht onder alle rangen en standen, zij houdt rijken en aanzienlijken, machtigen, zelfs vorsten in hare boeien.

Welke middelen gebruikt de wereld om duizenden te doen kruipen voor hare voeten, als waren zij verachtelijke slaven ? — Lofprijzing en hoon, vriendschap en haat, beloften en bedreigingen, bewondering en minachting, bescherming en vervolging wendt zij beurtelings en naar omstandigheden aan. Maar wat

-ocr page 213-

201

is dan de wereld, dat men haren lof en hare vriendschap, hare beloften, bewondering en bescherming zoo hoogschat ? Zij is eene trou-welooze, op welke men nimmer rekenen kan. De landvoogd heeft het ondervonden. Toen de Joden van hem verworven hadden, wat zij begeerden, gingen zij henen den lafaard verachtend, en toen de oordeelen Gods ook aan Pilatus voltrokken werden in de ongenade des Keizers, die hem spoedig te beurt viel, was niemand, die hem eenig medelijden betoonde. Wat is de wereld, dat men haren hoon en haat, hare bedreiging en minachting zoo zeer vreest? Zij is eene schaduw, een schrikbeeld, 't welk bij het licht des geloofs verdwijnt. Zij kan mijne tranen niet droogen, mijne rampen niet wegnemen, de onrust van mijn gemoed niet stillen, mijn leven niet verlengen, mijne zonden niet uitwisschen, mijne verwerping niet verhinderen, mijne eeuwigheid niet gelukkig maken. Wat ik ben, ben ik voor God. Hetzij de wereld mij prijst, hetzij zij mij laakt, hetzij zij mij bewondert of veroordeelt, ik blijf wat ik ben voor God. Voor God, die oordeelt zonder aanzien van personen, die ook de wereld voor zijn rechterstoel dagen zal. Wat baat het mij, dat de menschen mij wijs en verstandig noemen, wanneer God eens zeggen zal: gij dwaas; dat de menschen mij deugdzaam en zeer verdienstelijk noemen, wanneer ik uit den mond des Heeren moet hooren ; gij booze knecht; dat de menschen mij alle eerbewijzing waardig keuren, wanneer

-ocr page 214-

202

de rechter van levenden en dooden tot mij zeggen zal; ga van Mij, vervloekte, in het eeuwige vuur! Wat schaadt het mij als de menschen minachtend mij voorbijgaan, mij onnoozel noemen, bespotten en verachten, wanneer de Heer mijne wegen goedkeurt en tot mij zeggen zal: treed binnen in de vreugde mus Heeren r

Treed binnen in de vreugde invs Heeren! Hoe vele millioenen hoorden dit woord en gingen binnen ? Zij kwamen uit eene wereld, die hen verguisde, miskende, bespotte, vervolgde, wellicht tot in den dood. Maar zij hadden hun hoofd niet gebogen voor het geweld, noch hun oor geneigd naar bedriegelijke beloften; zij hadden het geloof behouden, het geweten vlekkeloos van deze wereld bewaard, zij hadden hunne ziel in lijdzaamheid en onthouding bezeten. O,, hoe schitteren thans de martelaren, die hunne beulen overwonnen in de smarten en, overdekt met wonden, hunne rechters beschaamden; hoe schitteren de belijders en maagden, die uitgekreten, bespot en als vreemdelingen door de wereld behandeld, geen anderen roem zochten, dan den roem van een getrouwe knecht en dienstmaagd des Heeren !

Ik kan, zoo spreken sommige christenen, ik kan God toch wel dienen, zonder mij hatelijk of bespottelijk te maken voor de wereld. Deze hebben zeker nooit nagedacht over het woord des apostels : de dierlijke mensch begrijpt niet wat des geestes Gods ii; want het is hem eene

-ocr page 215-

203

dwaasheid en hij kan het niet begrijpen; noch over het andere woord van denzelfden apostel ; die godvruchtig in Christus Jesus willen leven, zullen vervolging lijden. Neen, de wereld kan geen vrede hebben met de deugd, want alles^ zegt de H. Joannes, in de wereld is, is begeerlijkheid der oogen, begeerlijkheid des vleesches en hoovaardij des levens. Het is mogelijk, lieve lezer, dat gij in gunstige omstandigheden leeft, en zeer zeldzaam met het bederf dezer wereld in aanraking komt; dank God daarvoor, want dit is een groot geluk ; maar slaap niet in, want zoo lang gij op aarde leeft, staat gij bloot aan de aanvallen der wereld, die zeker in een of anderen vorm tot u naderen zal, ten einde u slaaf te maken van het menschelijk opzicht. Waar bedreiging en spot niet baten, zal zij door vleierijen, gebeden en beloften uw hart trachten te overmeesteren; waar geweld niets vermag, zal zij list aanwenden. Duizenden, die braver en sterker waren dan gij, lieten zich overhalen om den eersten stap op den breeden weg te zetten, uit louter zucht om anderen genoegen te geven of de goedkeuring van een vriend te verwerven; toen de eerste stap gezet was, gingen zij den weg van Pilatus, zij hebben Jesus gekruisigd. Om eenen vriend genoegen te geven, ging men naar een gevaarlijk gezelschap, genoot men een bedenkelijk vermaak; om met anderen nog wat meê te doen, werd men slapper in zijne godvruchtige oefeningen liet men sommige goede gewoonten achter, las

-ocr page 216-

2 0 J.

men boeken en tijdschriften, die alles behalve stichtend waren; om geen uitzondering te maken mengde men zich, hoewel schoorvoetend in lichtzinnige gesprekken, die allengs bedenkelijker werden voor de onschuld ; om geen misnoegen op te wekken liet men vrijheden toe, die het geweten veroordeelde. Doch •wie zal de sluipwegen aanwijzen, langs welke de wereld tot ons naderen kan ? Waak, lieve lezer, waak, en opdat uwe waakzaamheid niet bezwijke, houd niet op met bidden.

Denk echter niet, dat ik u eene stugge en stroeve deugd wil aanprijzen. De deugd is liefde en de liefde is niet stug. Wees vriendelijk, voorkomend, toegevend, verschoonend, bewijs alle mogelijke diensten aan uwen broeder, zoo lang hij niets anders vraagt dan het uwe. Offer uw genoegen, uwe denkbeelden en eigenzinnigheden, uwe vermaken en uwe uitspanningen, uwe grootheid, uwe goederen aan het heil van uwen broeder op, zooveel als de voorzichtigheid zulks gedoogt; maar wat het uwe niet is, moogt gij aan niemand, zelfs aan uwe naaste betrekkingen niet schenken. Welnu, uwe deugd, uw geweten, uw plicht, uwe ziel zijn het uwe niet, zij behooren aan God. Geen vriendschap, geen menschenvrees mag u ooit tot zonde bewegen; gij moet eiken band verbreken, die gevaarlijk wordt voor uwe ziel; geen belofte of bedreiging, geen hoop of vrees mag u tot zonde voeren. Indien gij de deugd behoudt en uw geweten onbezoedeld bewaart, hebt gij genoeg, al stond de geheele wereld ook tegen

-ocr page 217-

205

u op. Wanneer God met u is, wie zal dan tegen u zijn ? Schaam u nimmer of nergens over uw geloof, verheug u veeleer, wanneer gij waardig gekeurd wordt, om Jesus' wille smaad te ondergaan. Keur nooit de zonde goed, bespot nooit den deugdzamen om aan de booze wereld te behagen, maar verdedig de waarheid en, indien gij dit niet kunt met woorden, doe het ten minste door uwe houding en uw gelaat.

Indien gij onder de menigte hadt gestaan, toen Pilatus op den verguisden Jesus wees, zeggende ; '/.ietdaar ine koning; indien gij dan de bloedkreten der Joden gehoord hadt, zoudt gij niet gaarne voor Jesus zijn nedergevallen, en om den smaad te herstellen Jesus aangedaan, zoudt gij niet gaarne hebben uitgeroepen : O Jesus, Gij zijt mijn Koning in eeuwigheid. De Joden hadden u dan wellicht mishandeld, maar gij waart gelukkig geweest, Welaan, vrees dan nu ook den spot en de bedreiging der wereld niet, maar nedervallende voor Jesus' kruis, zeg met blijdschap : Heer, Gij zijt mijn Koning in eeuwigheid.

-ocr page 218-

Maandag na den vierden Zondag in de Vasten.

Et postquam illuserunt ei, exuerunt illum purpura et induerunt eum vestimentii suis. Marc. XV : zo.

Nadat zij Hem nu bespot hadden, deden zij Hein het purper af en trokken Hem zijne kleederen aan.

Stel u Jesus voor omringd van onmenschen aan wier willekeur Hij geheel is overgegeven. Pilatus heeft het vonnis uitgesproken en zal niet meer omzien naar den lijdenden Verlosser; willekeurig zal dit vonnis worden uitgevoerd ; de wreedheid der beulen en de haat der Joden zullen de vernederingen en de smarten bepalen, welke Jesus nog zal ondergaar.. Geen bloed, geen wonde, geen vernedering kan in de versteende harten een vonk van medelijden opwekken; de wreedaards rukken den mantel van 's Heeren verscheurde schouders en, wanneer zij niet met onverschillig oog de gapende wonden aanschouwen, dan wijden zij met spottenden glimlach op den met zooveel wreedheid geslagenen Jesus. In

-ocr page 219-

207

onverschilligen en gevoelloozen haat worden onzen Verlosser zijne kleederen uitgetrokken, oude wonden worden opnieuw opengereten, doch in de naamlooze smarten bleef Jesus zwijgen; zwijgend wacht Hij op zijn kruis. Let wel: Jesus wachtte op zijn kruis. Hij, die niets op aarde bezeten heeft, die zelfs geen steen, waarop Hij zijn hoofd konde nederleg-gen, wilde bezitten, Hij beschouwt toch het kruis als zijn eigendom. Met vurige liefde heeft Hij het kruis bemind, aan het kruis heeft Hij zijn hart gehecht. Nooit hoort gij den Verlosser spreken over de kribbe van Bethlehem, nooit over de armoedige woning van Nazareth, doch zijn kruis liet Hij afbeelden in het Oude Verbond, Hij liet het voorspellen door de profeten en Hij zelf heeft dikwijls met ingenomenheid daarover gesproken. Reeds in de eerste dagen van zijn openbaar leven hoorden wij Hem tot Nicodemus zeggen ; Gelijk Aiozes de slang heeft opgeheven in de woestijn, zoo moet de Zoon des menschen omhoog geheven worden, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren ga, maar het eenwig leven hcbbe. En hoe dikwijls heeft Hij later niet gewezen naar zijn kruis. Zoo zeer heeft Jesus het kruis omhelsd, dat zijn naam niet kan verkondigd worden, zonder dat men aanstonds gewaagt van zijn kruis. Wij echter, zegt de apostel, prediken Jesus en Dezen gekruisigd.

Wanneer gij de bloedkreten hoort van een opgeruid en zinneloos volk, wanneer gij de wreede razernij van de woeste beulen aan-

-ocr page 220-

208

schouwt, wanneer gij leest, dat Pilatus Jesus aan de willekeur zijner haters overgeeft, dan zoudt gij kunnen vergeten, dat Gods vinger hier werkzaam was, dat Jesus steeds uit den kelk drinkt, dien de Vader Hem overreikt. God bedwingt de baren der zee en geleidt de opgezweepte golven waarheen hij wil, ook dan wanneer Hij schijnt te slapen. Indien noch het toeval, noch de moedwil der menschen een haar van ons hoofd kan krenken zonder toelating en leiding Gods, hoeveel te minder vermag dan de willekeur der Joden iets tegen Jesus, den Zoon Gods? De Joden mogen zegevierend hun hoofd opheffen in den waan, dat zij den landvoogd overwonnen hebben ; de Oppperpriesters mogen denken, dat zij hunnen wil met stout overleg aan Pilatus hebben opgedrongen ; de beulen mogen zich spoeden in het vervaardigen en aanbrengen van het kruis; Jesus weet, uit wiens handen Hij het kruis aanneemt. Zie, hoe zij den spot drijven met den gewonden en geheel veriatenen Jesus, hoor welk een gejuich er onder de menigte opgaat, als het kruis wordt aangesleept en Jesus op den schouder gelegd, maar wijdt uwe aandacht niet aan de zinre-loozen, sla veeleer een blik op Jesus, die den Vader dankt, dat Hij tot dit uur gekomen is; met vreugde ontvangt Hij het kruis cp zijnen schouder. Hij wil het dragen, al moet Hij het met inspanning voortslepen, al moet Hij onder den last bezwijken, want het is zijn kruis, zijn eigendom. Hij heeft er zijn hart

-ocr page 221-

2-09

aan gehecht. Hij wil het dragen niet in vreemde, maar in eigen kleederen, opdat elkeen Hem kan kennen en onderscheiden, als Hij uitgaat met zijn kruis. Ach, Hij heeft geene gedaante, geene schoonheid meer. Hij is onkenbaar geworden wegens de menigte zijner wonden, maar aan zijne kleederen zal men zien, dat dezelfde Jesus, die eens al weldoende het land doortrok, de vriend der ongelukkigen, de goede herder, thans zijn kruis naar Golgotha sleept

Toen de H. Andreas, veroordeeld om gelijk zijn Meester te sterven aan het kruis, in de verte het kruis aanschouwde, riep hij in heilige vervoering : » O, goed kruis, dat uit de ledematen van den Heer uwe schoonheid hebt ontvangen, zoo lang zijt gij begeerd, zoo zorgvuldig bemind, zonder ophouden gezocht : eindelijk wordt gij aan de verlangende ziel geschonken ; neem mij weg van de men-schen en geef mij aan mijn Meester weder, die mij door u heeft vrijgekocht.quot; Indien het gezicht van het kruis zulke verhevene ontboezemingen aan den leerling ontlokte, wat heeft de goddelijke Meester niet gedacht en tot den Vader gesproken, toen Hem zijn kruis werd aangebracht! ! Ja, het is zijn kruis, Hij wil het beklimmen, om als eenige Middelaar tusschen hemel en aarde te sterven; Hij wil het beklimmen, opdat elkeen den losprijs kan aanschouwen, welken Hij voor ons geeft; opdat de Hemel zie, hoe Hij alleen, van alles en allen verlaten, den geheelen

'4

-ocr page 222-

210

last onzer zonden draagt, en in de volkomen-ste onderwerping sterft; opdat de wereld Hem aanschouwe en zie, hoe Hij bemint, vergeeft, zegent en sterft. Hij wil zijn kruis beklimmen, om stervende zijne armen uit te strekken tot allen, zelfs tot die Hem vloeken en haten. Hij wil het kruis beklimmen, om stervende alle afdwalingen, boosheden en rampen dezer wereld nog eens te overzien, te betreuren en om met krachtige stem genade en vergeving voor ons af te smeeken.

Aanschouw nog eens uwen Jesus, die geheel verstoken is van menschelijke hulp en omringd van wreede vijanden; zijne smarten zijn onbeschrijfelijk, zijn gelaat is doodsbleek, en slechts gekleurd waar het geverfd is in zijn bloed ; gruwelijk zijn de spotternijen dei-beulen, die met ongeduld wachten op het kruis, om de misdaad te voltrekken. Jesus echter is kalm en ongevoelig voor allen smaad, want al zijne begeerten zijn op het kruis gericht, Hij dankt den Vader, dat het uur gekomen is, waarop Hij gehoorzaam zal worden tot aan den dood des kruises, En, wat vooral zijn hart vervult met blijdschap en liefde voor zijn kruis. Hij ziet in den geest ontelbare martelaren, die met het oog op het kruis van Jesus, in geestdrift uitgaan om den smaad en de smarten van hunnen Heer te dragen. Hij ziet millioenen belijders en maagden in heilige verrukking staren op zijn kruis. Aan den voet van het kruis brengen zij hunne angsten en kwellingen, hun lijden en hunne

-ocr page 223-

211

droefenis. Daar vinden zij het voedsel voor een heldhaftig geloof, een onwrikbaar vertrouwen, en bovenal voor eene vurige liefde ; daar heiligen zij al hunne gedachten en begeerten, hunne werken en offers, hunne zuchten en tranen. Van den voet des kruises ziet Jesus hen opstaan als overwinnaars der wereld, geducht voor de hel. Hebt gij de heiligen, bijv. eenen heiligen Alouisius, wel eens afgebeeld gezien met een kruis in de handen, waarop zij onafgebroken hunne vrome blikken gevestigd hielden : Uit de innige, brandende en allervurigste godsvrucht, die straalde in hun oog, hebt gij dan eenigszins kunnen afleiden, wat er omging in hun hart gedurende de dagen en nachten, waarin zij met niets en met niemand zich bezighielden dan met den gekruisten Jesus. Welk een troost was het dan voor den lijdenden Jesus, deze vrome gevoelens en wenschen, deze zuchten en liefdetra-nen van zijne heiligen te aanschouwen !

Hoewel omgeven van vijanden, Jesus ziet in den geest de vermoeide en afgetobde zondaren, die overal ruste zochten en nergens vonden, wier zielen door wroegingen verscheurd. reeds tot den afgrond der wanhoop genaderd waren, komen tot zijn kruis; Hij ziet hen daar weenen en smeekend de handen uitstrekken naar Hem, die nu het kruis gaat beklimmen om voor hen te sterven ; Hij ziet hoehoopen vrede wederkeeren in hunneharten, nu zij weenende zijn kruis omklemmen. Welk een troost was dit voor de lijdenden Jesus!

-ocr page 224-

212

In den geest ziet Hij gansche scharen van arme, ongelukkige, verlatene en beklagenswaardige menschen nederknielen. Zij schenen geschapen om te lijden en te weenen, en het lijden viel hun zoo zwaar, doch nu hebben zij het kruis van hunnen Verlosser gevonden en daaraan klemmen zij zich vast. Dat kruis is hun eenigste troost. Jesus ziet, hoe zij het met zorg bewaren in hunne woningen, hoe zij opzien tot het kruis, zoo dikwijls de smart een traan uit hunne oogen perst, hoe zij uit zijn kruis eene sterkte en een geduld putten, 't welk zij elders tevergeefs zouden zoeken. Welk een troost was dit voor den lijdenden Jesus !

In den geest ziet Hij millioenen stervenden uitgestrekt op het bed van smarten, niets ter wereld kan hunne smarten lenigen, noch hunne angsten wegnemen ; hunne beste vrienden en naaste betrekkingen zijn radeloos, doch nu houden zij het kruisbeeld in de reeds ijskoude handen, zij staren op de wonden van Jesus die overvloeien van liefde; het kruis doet het uitgedoofde oog nog een straal van liefdevolle hoop uitschieten, voor het laatst beuren zij het matte hoofd op, drukken hunne lippen op de wonden van den gestorven Meester, en gaan getroost de eeuwigheid in.

In den geest ziet Hij .... Zoude Hij ook ons, u en mij, gezien hebben, lieve lezer, zoude Hij in het uur zijns lijdens gezien hebben, hoe wij, aan den voet van zijn kruis

-ocr page 225-

213

neergeknield, onze zonden hartelijk beweenden ; hoe wij al onze zorgen, smarten en droefenissen, neerlegden voor zijn kruis; hoe wij gedurig in vrome aandacht wederkeerden tot zijn kruis, om zijne wonden te beschouwen, zijne liefde te overwegen, ons hart te verwarmen, vrome begeerten op te wekken en heilige besluiten te vormen r Welaan, laat ons onderzoeken of het kruis dikwijls onze aandacht trekt en welk eenen indruk de aanblik van het kruis op ons harte maakt. Haten wij de zonden met eenen grooten haat; zijn wij bereid met alle inspanning en ten koste van alles de bekoringen te weerstaan ; gevoelen wij eene innige behoefte de liefde van Jesus met liefde te beantwoorden; boezemt het kruis ons een onmetelijk vertrouwen in op Gods goedheid en barmharigheid; leert het ons eene blijmoedige offervaardigheid en eene groote overgeving aan Gods heilige beschikkingen ; is het kruis het voornaamste sieraad in ons slaapvertrek, en een oude kennis, waarmede wij steeds den levendigsten omgang houden r

O lieve Jesus, ik zie u met heilig verlangen wachten op uw kruis; wreed zijn de smarten, die Gij lijdt, nog wreeder zullen de smarten zijn, welke het kruis U zal veroorzaken ; maar uwe liefde is oneindig grooter Gij zult het kruis aan uw harte drukken, zelf zult Gij het dragen naar Golgotha, omdat het u zoo dierbaar is ; geef mij de genade, dat ik ook het kruis van mijnen Verlosser

-ocr page 226-

214

liefhebbe, dat ik des morgens en des avonds eenen vromen blik op uw kruis moge werpen en daardoor steeds troost vinde in lijden; ijver in lauwheid, kracht in bekoringen en tevredenheid met Gods wil. Geef, lieve Jesus, dat uw kruis mij den Geest van boetvaardigheid en een waar berouw over mijne zonden mededeele, boven alles echter eene hartelijke liefde. Geef, dat ik moge sterven met het kruisbeeld in de handen en versmaad dan den blik van vertrouwen en liefde niet, dien ik voor het laatst op uwe heilige wonden vestigen zal.

-ocr page 227-

Dinsdag na den vierden Zondag in de Vasten.

Et bajulans sibi cracetn , exivit in eum , qui dicitur Calvariae locum. Joan. XIX: 17.

En zijn kruis dragend, ging hij uit naar de plaats, die Kalvarië gene eind wordt.

Wanneer wij zien, dat Jesus zijn kruis zoo hartelijk bemint, zoo liefdevol begroet en zoo gewillig op zijne schouders neemt, om het als zijnen schat naar Kalvarië voort te slepen, dan verliezen wij, kortzichtige en bekrompene men-schen, zoo spoedig de smarten en den smaad van het kruis uit het oog. Dit mag evenwel niet geschieden. Opdat wij de lengte en breedte, de hoogte en diepte van Jesus'liefde eenigs-zins waardeeren, moeten wij ons levendig voorstellen wat zijn kruis aan Hem heeft gekost.

Herinner u dan in welk een deerniswaar-digen toestand Jesus zich bevond, toen Hij beladen met het kruis, naar Kalvarië toog. Geene gezondheid was er in zijn vleesch, van zijn hoofd tot zijne voeten ziet gij niets dan

-ocr page 228-

216

bloed en wonden, de smarten hebben Hem overstelpt, met moeite staat Hij overeind, zijn gelaat is doodsbleek en ingevallen. In één woord : Hij is verpletterd, gedaanteloos en met moeite te herkennen. Geen voetstap kan Hij zetten, geene beweging maken zonder de reeds ondragelijke pijnen met nieuwe te vermeerderen. Wanneer een lidmaat van het lichaam krank is, komen de andere ledematen te hulp om de smarten te verzachten en elke verdere beleediging af te wenden; het gansche lichaam siddert bij de voorstelling, dat het kranke lidmaat onzacht zal worden aangeraakt. Hier echter zijn al de ledematen in pijn, allen zullen bij eiken voetstap ondragelijke smarten gevoelen en nu wordt de kruisbalk nog op den gewonden schouder gelegd; een allerzwaarste last, zelfs voor een mensch, die gezond is en zonder wonden !

En zijn kruis dragend ging Hij uit. Welk een kruis ! Hoe zwaar een balk ! Hij ging uit, maar hoe ? Waggelend, bij iederen voetstap sidderend van naamlooze smart. De balk stoot en schokt onophoudelijk op den grond, rijt den gewonden schouder van een, stoot het bloedende hoofd! Wanneer de vrome overlevering ons verhaalt, dat Jesus tot drie keeren op den Kruisweg gevallen is, dan behoeven wij dit herhaalde vallen noch aan de zwaarte vdn het kruis, noch aan de verzwakking des Heeren toe te schrijven, de smarten toch waren groot genoeg om den sterksten mensch in bezwijming te doen vallen. O, hoe onmetelijk

-ocr page 229-

217

groot moest de liefde zijn van Jesus, die dit wreede kruis voor zich heeft uitgekozen en gezocht; die het zoo hartelijk heeft omhelsd en het zelf naar Kalvaric draagt, opdat de zondaar aan de voeten van het kruis zoude weenen, opdat de stervende door een blik op het kruis getroost worde en gesterkt, opdat de ongelukkige in de schaduw van het kruis zijne zuchten heilige, en de rechtvaardige daardoor in steeds klimmende liefde ontviamme. En gij lieve lezer? O, ik smeek u, schenk uwe opmerkzame aandacht aan het kruis, 't welk door Jesus met zoo veel smart gedragen wordt. Om u te dwingen, dat gij zijne smarten en in de smarten zijne liefde zoudt opmerken, heeft Jesus zoo wreed willen lijden. Indien iemand u beminde met eene liefde, welke de liefde van Jesus evenaarde, het zoude nog dragelijk zijn, dat gij Jesus zooveel vergeet. Helaas, was het dan noodig dat mijn Jesus in eene zee van smarten zich dompelde, dat zijne wonden onophoudelijk werden opengereten, en dat Hij bij elke schrede bloedige sporen achterliet, opdat ik aan zijne liefde zou denken en Hem liefhebben, die mij zóó heeft bemind ? Ach, dit was tot heden niet eens genoeg ! Het beeld van mijn lijdenden Verlosser komt dagelijks onder mijn oogen, en ik merk het niet op. De smartelijke kruisweg wordt mij in roerende tafereelen afgeschilderd, ik zie zulks, doch vervolg mijnen weg als hadde ik niets gezien. Ik ben als een vreemdeling voor Jesus, zijn kruis, zijne smarten en zijne liefde ! Deze pre-

-ocr page 230-

218

diken mij onophoudelijk de boetvaardigheid, de versterving, de vlucht der zonde en den strijd tegen de bekoringen, en ik gedraag mij, alsof ik er niets van begrijp. Deze prediken mij onderwerping aan Gods heiligen wil, blijmoedige offervaardigheid, en tot heden ga ik voort met gemor over mijne geringe kwellingen en kleine ontbeeringen. Deze prediken mij Jesus' liefde en den duren plicht om Hem weder te beminnen, doch mijn hart blijft onbewogen. Voor alles en voor allen heb ik tijd in overvloed, behalve voor Jesus en zijn kruis; 'smorgens heb ik gewichtigere bezigheden, 'savonds heb ik andere zaken te verrichten, dan te denken aan Jesus, zijne liefde en zijn kruis. Ja, in de kerk, waar het kruis altijd onder mijne oogen gebracht wordt houd ik mij nog onledig met beuzelingen; ook daar geen hartelijken blik voor het kruis ! Hoe lang, lieve Jesus, hoe lang zal die toestand nog voortduren ! O, geef, dat uw kruis mij voortaan het dierbaarst kleinood zij, dat het irij leere mijne zonden te beweenen, mijne plichten te vervullen, mijne smarten geduldig te dragen, mij aan uwen heiligen wil te onderwerpen en U hartelijk lief te hebben ; geef, dat uw kruis mijn huisvriend zij, die 's morgens spreekt tot mijn hart en 'savonds mijne laatste groeten ontvangt, dan zal het op mijr sterfbed ook een oud bekende zijn. dien ik met vertrouwen en liefde omhels.

De smaad en de schande, waaronder Jesus Zijn kruis droeg, kunnen wij ons veel moeie-

-ocr page 231-

219

lijker voorstellen dan zijne smart. Van onze eerste jeugd leerden wij het kruis met gods-dienstigen eerbied beschouwen ; waar wij het kruis ontmoetten, zagen wij het niet als een teeken van schande, maar van glorie en verheffing ; het heeft de eereplaats in onze huizen en kerken ; daarom kunnen wij ons zoo moeielijk verplaatsen in die tijden, toen het kruis, eene dwaasheid voor de heidenen en eene ergernis voor de Joden , het krachtigste zinnebeeld van oneer en schande was ; zoodat de Romeinsche wetten verboden een Ro-meinsch burger te kruisigen, hoe zwaar zijn vergrijp ook zijn mocht, en de Joodsche wet den vloek uitspreekt over hen, die veroordeeld waren te sterven aan het kruis.

Zie Jesus, den Zoon Gods, dan uitgaan; zie Hem uitgedreven, met het teeken der schande op zijne schouders; twee booswichten vergezellen Hem ; aan 's Heeren zijde zullen zij op het vloekhout sterven, opdat het te duidelijker blijke, tot welk een smadelijken dood Jesus veroordeeld is. Wie zal de gruwelen tellen, die tot hiertoe door het kruis gestraft werden ; wie kent al de booswichten, die gevloekt door God en de menschen, met godslasteringen op de lippen en haat in het hart, hunne goddelooze ziel uitbliezen op het kruis, 't welk zij met een onzuiver bloed hadden bevlekt; en zulk een kruis draagt Jesus; daarmede gaat Hij uit, midden op den dag, gekleed in eigen kleederen, omgeven van eene onafzienbare menigte ! ! Velen waren er

-ocr page 232-

220

onder deze menigte, die uit blinden haat Jesus verguisden, beschimpten en voor eenen boosdoener uitkreten ; maar allen waren ge-ergerd, toen zij Jesus zoo vernederd zagen en toen zij de bijtende spotredenen hoorden van priesters en schriftgeleerden, die juichend en snoevend op den smaad des Heeren wezen.

Herinner u, om de maat der ergernis te kennen, aan hetgeen er voorviel, toen Piiatus onzen Verlosser gekroond met doornen, omhangen met eenen purperen mantel, aan het volk voorstelde onder den uitroep ; '/.iet uwen Koning. Toen kende de woede geene palen meer, men schreeuwde en brulde : weg. weg met //(•;«, kruisig Hem. De Joden achtten zich beleedigd, omdat de landvoogd hun Jesus in dien toestand durfde voorstellen als hunnen Koning, hunnen Verlosser, den roem van hun volk. Zij beefden van woede tegen Jesus, aan wien zij dezen gewaanden smaad toeschreven, dewijl Jesus zich „Zoon Godsquot; en „Koningquot; genoemd had. Zij, die eertijds gehoopt hadden, dat Jesus de „groote Koningquot; zijn zou, waren verontwaardigd tot het uiterste, omdat zij zich in Jesus bedrogen waanden. Hoe groot werd nu niet de ergernis, nu zij Jesus met het allerschandelijkst kruis beladen zagen ! Die vleeschelijken en zinnelijken kenden geene andere grootheid, dan eene aardsche; thans was het voor hen uitgemaakt, dat Jesus niet de Verlosser, maar een bedrieger was; de herinnering aan 's Heeren wonderen en groote daden was hun een droom geworden, waarvan

-ocr page 233-

zij zich niet de moeite gaven eene verklaring te zoeken; de spotternijen door de opperpriesters tegen Jesus gerichi:, verbitterden hen, omdat zij zich schaamden ooit aan Jesus geloofd te hebben. O, hoe weinigen waren er onder die menigte, die nog achting voor Jesus hadden ; hoe weinigen, die oordeelden, dat de Heer zoo diepe vernedering niet had verdiend ! Kortom, zoo hoog jesus eertijds in de schatting van velen stond aangeschreven, zoo diep, ja, nog dieper was Hij vernederd, nu Hij uitging, beladen met zijn kruis.

Uitgeput van vermoeienis en pijn kan Jesus zijn kruis niet meer dragen ; elkeen zag, dat Hij moest bezwijken, indien niet iemand Hem te hulpe kwam, doch de schande van het kruis was te groot. Zij, die nog medelijden hadden, hielden zich voor onteerd door de aanraking van het kruis. De soldaten, die Jesus naar Kalvarie voeren moesten, waren verlegen, maar geen hunner sloeg de behulpzame hand aan het kruis. De verbitterde Joden vreezen, dat Jesus den berg niet bereiken zal, en dat zij het genoegen zullen derven van Jesus te zien hangen aan het kruis, doch zij vonden geenen gewilligen dienaar, die zich voor het oog des volks onteeren wilde door de aanraking van het kruis. Simon van Cyrene gaat nu toevallig voorbij, hij komt van de landhoeve en heeft geen deel genomen aan hetgeen tegen Jesus is gedaan : de machteloosheid, de wonden, het lijdende voorkomen van Jesus trekken ongetwijfeld zijne aandacht en ont-

-ocr page 234-

9 9 0

roeren Hem bovenmate, doch verschrikt springt hij terug, wanneer men hem het verlangen te kennen geeft, dat hij Jesus zal te hulp komen; de oneer, de schande, gelegen in het dragen van het kruis, is te groot, hij vreest een voorwerp van spot te worden voor het volk, en later nog met den vinger te worden aangewezen als de mensch, die een kruis gedragen heeft tusschen twee moordenaren. Met geweld moest Simon worden aangegrepen, hij bukt slechts voor de overmacht der soldaten, en wie weet, hoevele klachten en verwijten hij hadde uitgesproken, toen hij voortging onder het kruis, indien de genade des Heeren hem in dit uur niet had verlicht.

P^n de schande van dit kruis heeft Jesus gezocht en omhelsd. Terwijl Hij uitging, gebukt onder het kruis, hoorde Hij de bittere spotternijen van zijne gezworene vijanden; in ontelbare stooten, schoppen en verwen-schingen ondervond Hij de verachting, waarmede de soldaten op Hem neerzagen; Hij hoorde de meest beleedigende uitdrukkingen uit den mond van het volk, 't welk Hem vergezelde ; ja, tot in de harten der geërgeroe menigte las Hij, hoezeer men Hem verachtte, hoe vertoornd men op Hem was en hoezeer men Hem zijner vernedering waardig keurde. Nooit is een mensch zoo zeer beroofd geweest van de achting zijner medemenschen, als Jesus beroofd was van de achting dergenen, die Hem dreigend en scheldend vergezelden naar Kalvarië ; nooit heeft iemand zoo diepe

-ocr page 235-

2*3

verachting ondervonden als Jesus, toen Hij beladen met zijn kruis uitging.

Men kan met waarheid zeggen ; Jesus werd door het volk verfoeid. Hij, de Zoon Gods ! Wanneer duizendmaal duizende engelen, eene geheele eeuwigheid neergebogen voor 's Heeren troon. Hem alle mogelijke eer en glorie geven; wanneer de ontelbare zaligen steeds den troon van het Lam omgeven, en, eerbiedig hunne kronen aan Jesus' voeten neerleggend, zonder ophouden in eeuwig danklied Hem prijzen, nimmer zal de Heer eene vergoeding ontvangen voor de vernedering op den kruisweg Hem aangedaan. En deze vernederingen heeft Hij vrijwillig omhelsd !

Lieve lezer, wij moesten er eene eer in stellen, indien wij somtijds vernederd worden, met vreugde moesten wij die droppelen uit den kelk des Heeren drinken en met den psalmist zeggen ; Heer, 7 is goed dat Gij mij vernederd hebt. Maar wij, die nooit bedroefd waren over den smaad Jesus aangedaan, die nooit met dankbaarheid dachten aan de liefde des Heeren, dewijl Hij geheel vrijwillig zoo diep zich vernederde, wij morren nog over de geringste minachting ons betoond ! Welaan, laat ons nu het kruisbeeld aan ons harte drukken, en terwijl wij de wonden van Jesus eerbiedig kussen, laat ons zeggen : Lieve Jesus, voortaan zal ik de beleedigingen en verongelijkingen met gelatenheid verdragen, en indien ik te zwak ben ze met vreugde te ontvangen, ik zal mij Uwer herinneren, en ten minste

-ocr page 236-

224

geen gramschap en afkeer koesteren in mijn hart. Amen.

-ocr page 237-

Woensdag na den vierden Zondag in de Vasten.

Sequebatur autem illum muha turbn populi ei mulieruin, quai planreb^nt e'. lamenta-bantur eum. Luc. XXIII : 27.

Hem nu volgde eene crro menicrte van volk. en vrouwen , welke Hem beklaagden en beweenden.

Wij beschouwden tot hiertoe nog slechts het uitwendige lijden van den kruisdragenden Jesus; wij geleken op de vrouwen van Jeruzalem, die, ontroerd over zooveel ellende en smart, jesus beklaagden. Maar zeg ik niet te veel ? Zijn wij wel in het diepste onzer ziel geroerd geworden, hebben wij wel eenige tranen aan Jesus' smarten gewijd ? Terwijl ik aan u, lieve lezer, het antwoord op deze vragen overlaat, haast ik mij te zeggen, dat er meer van ons gevraagd wordt dan een weemoedigen blik op de uiterlijke smarten en vernederingen des Heeren. Wij moeten overwegen wat er omging in Jesus' Goddelijk hart; zijne inwendige droefenis, zijne vurige smeekingen, zijne heilige verzuchtingen, zijn innig medelijden met de zondaren vorderen onze aandacht.

-ocr page 238-

Ü26

Zwijgend vervolgde Jesus zijnen smartelijken en smadelijken tocht naar Kalvarië; Hij sprak in dit plechtig uur tot den Vader alleen, wien Hij zijne onderwerping aanbood als eene vergoeding voor onze weerspannigheid5 gewillig torschte Hij den zwaren kruisbalk, omdat wij het zoete juk des Heeren hadden weggeworpen. Terwijl Hij dan biddend en zich vernederend voortging, werd Hij gevolgd door eene groote menigte van volk en vrouwen; deze laatste beweenden en beklaagden Hem; doch zij begrepen niet, waarom Jesus leed en wat Hem in dit uur bezig hield. De goede Verlosser staat daarom plotseling stil, Hij wendt zich tot de vrouwen, en wil haar onderrichten. Dochters van Jentzalem, zoo roept Hij haar toe ; weent niet over Mij. maar weent over u en uwe kinderen! I Va ut ziet. er zullen dagen komen, dat men zal zeggen, gelukkig de onvruchtbaren, en de schoot, die niet gebaard heefl, en de borsten, die niet gezoogd hebben'. Dan zal men tot de bergen roepen : Valt op ons ! en tot de heuvelen : bedekt ons. Want zoo zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden !

Wanneer, lieve lezer, konden tranen van medelijden gepaster zijn dan in dit uur.' Wanneer zal men nog uit deernis mogen weenen, indien men zijne tranen niet mag wijden aan zooveel smart en smaad ? Zie het bloed uit tallooze wonden vloeien; bij elke schrede sidderen de verscheurde ledematen van smart; de bloedige sporen van het onschuldig Lam staan ingedrukt op den ganschen weg, en het slacht-

-ocr page 239-

237

offer van zooveel wreedheid wordt gescholden, mishandeld en geslagen, terwijl het geen enkelen verdediger vindt. Zouden de tranen voor het gewonde hart des Heeren geen balsem zijn, bieden zij Hem niet de minste verkwikking ? Ieder lijder vindt toch troost in welgemeend medelijden ? Hoewel Jesus niet ongevoelig was voor het medelijden van Jeruzalems dochters. Hij wenschte dat zij in dit uur over iets anders zouden weenen, want Hij begeerde dat hare gevoelens overeenkwamen met de zijnen. Terwijl de vrouwen slechts oogen en aandacht hadden voor 's Heeren lijden, dacht de goede Verlosser aan de zonden van zijn volk, aan hunne onboetvaardigheid en aan de verwerping, welke daarvan het onvermijdelijk gevolg zijn moest. Hij noodigt allen uit daarover met hem bedroefd te zijn. Zoo diep was Hij bedroefd over het ongeluk der zondaren, dat het Hem griefde, wanneer er eene traan vergoten werd, die niet gewijd was aan dit ongeluk. Hij weigert de tranen der vrouwen niet. Hij zal ze aannemen, doch onder ééne voorwaarde, onder voorwaarde dat zij gestort worden, niet over zijn lijden, maar over de zonden, de onboetvaardigheid van de Joden en van allen, die de Joden navolgen.

Wat zweefde den Verlosser voor den geest, daar Hij de vervloeking der Joden niet schijnt te hooren; wat vervult zijne ziel met bitterheid, daar Hij gevoelloos is voor al de slagen, die Hij op den kruisweg ontvangt: wat denkt Hij toch, waarmede houdt Hij zich bezig.

-ocr page 240-

228

wanneer Hij zwijgend voortgaat op den bloe-digen weg, daar Hij niet aan zijne smarten denkt, en zelfs niet wil dat anderen daarover weenenr Ach, Hij ziet de zware zonden van het volk, dat in blinde razernij zijnen Verlosser verwerpt, Hij ziet de straten van Jeruzalem geverfd door het bloed zijner zonen en doch-teren. Hij hoort reeds de jammerkreten der zondige stad; Hij ziet het altaar omvergeworpen, den tempel verwoest, het volk door God verworpen ! En in den gruwel dezer verwoesting ziet Jesus nog slechts een flauwe beeltenis van de algeheele verwerping, welke de onboetvaardige zondaren eens treffen zal; Hij hoort reeds bij voorbaat den wanhopigen kreet der vervloekten : Bergen valt op onsHeuvelen bedekt ons I

Zie eens, hoe diep Hij zich vernedert, hoe smartelijk Hij lijdt, hoe gewillig Hij zich aan alles onderwerpt! Hoe onmetelijk moet zijne liefde niet zijn ! En die liefde wordt gekweld, gefolterd door de hardnekkige onboetvaardigheid van velen, die geen deel willen hebben in de overvloedige verlossing des Heeren.

Het woord des Heeren is onbedriegelijk. Wanneer Hij ons zegt, dat de dag der wraak verschrikkelijk zijn zal voor den zondaar, dan is het onze taak te sidderen. Doch op velen maken de ernstigste waarschuwingen, door God zeiven gegeven, weinig indruk; men hoort ze en gaat henen, als hadde men niets gehoord. Ach, ware het mij gegeven aan de verstokte zondaren Jesus te toonen, op het oogenblik

-ocr page 241-

229

en in den toestand, toen Hij beladen met het kruis, tot de weenende vrouwen sprak ; Weent niet over Mij. maar weent over u en uwe kinderen.

Ofschoon ik, lieve lezer, de beste gedachten over u koester en u in het minst niet rangschik onder de onboetvaardige zondaren, ik geloof toch. dat het voor ons allen zeer nuttig is, ons somtijds te doordringen van vreeze voor Gods gestrenge oordeelen. Sta dan hier een oogenblik met mij stil; werpen wij eenen blik op Jesus, die zich omkeert en zoo wel-meenend, zoo ernstig en weemoedig tot de \ rouwen zegt: Weent niet over Mij. maar weent over u en uwe kinderen.

'sHeeren oog is als uitgedoofd van smart, zijn gelaat is ingevallen en doodsbleek, zijne stem is verzwakt, met moeite wendt Hij zich tot de vrouwen; de angsten des doods hebben Hem omgeven, nog eenige oogenblikken en, met handen en voeten aan het kruis genageld, zal Hij hangen tusschen hemel en aarde, tot dat Hij, gebroken, verpletterd door de smart, zijnen geest in de handen des Vaders zal overgeven. Wie zou niet verwachten, dat Hij gretig de geringe verkwikking aannam, Hem door het medelijden der vrouwen geschonken ? Hoe welkom moesten Hem die tranen niet zijn, daar Hij reeds zoo lang was blootgesteld aan de koude blikken en de wreede spotternijen van een goddeloos volk ! Hij opent zijnen rnond en spreekt. Wat zegt Hij r O, vrouwen van Jeruzalem, laat vrij uwe tranen vloeien.

-ocr page 242-

230

gij kunt ze aan niets beters wijden dan aan mijne smarten; ziet eens welke wreede wonden men Mij sloeg, hoort de vloeken en verwen-schingen, die men tegen Mij uitbraakt, mijne wreede kroon , mijne verscheurde ledematen, mijn zachtmoedig geduld, zelfs de smarten, die Mij wachten aan het kruis, kunnen de wreedheid niet verzadigen; men vervolgt Mij met bitteren haat en dit alles wordt Mij aangedaan door hen, die Ik zoo teeder bemin en aan wie Ik zoo vele bewijzen van liefde schonk? Neen, zoo spreekt Jesus niet; de liefde is niet getroffen door eigen smart; zij treurt over het matelooze lijden, dat den on-boetvaardigen zondaar wacht. Jesus spreekt tot de vrouwen met bevende stem, met medelijdend gebaar; gelijk eene hen, die angstig hare jongen roept, opdat zij zich tegen den dreigenden dood verbergen onder hare vleugelen, zoo spreekt Jesus tot de vrouwen; Hij ziet niets dan de toekomstige angsten der zondaren, Hij hoort niets dan hunne bange jammerkreten; Hij vreest niets dan de slagen der rechtvaardigheid, die hen zullen treffen. O, zie het gelaat van uwen Verlosser, nooit was eene moeder zoo beducht voor het gevaar dat hare kinderen bedreigt, als Jesus zich angstig toont voor het ongeluk der zondaren.

Vraag dan niet langer wat Jesus dacht, begeerde en bad, toen Hij zwijgend zijnen smar-telijken weg vervolgde. Hoor Hem zuchtend smeeken ; Spaar Vader, spaar de zondaren, heb medelijden met die Mij vloeken en ver-

-ocr page 243-

231

werpen; dat mijn bloed en mijne wonden hen beschermen tegen uwe gramschap. Ach, Vader, zij zijn blind en zien den schat van toorn niet, dien zij zich vergaren voor den dag der wraak; geef, dat zij in mijne wonden uwe gerechtigheid lezen; kastijd Mij en vermenigvuldig mijn lijden, opdat n] mogen begrijpen wat er eens met het dorre hout zal geschieden, wanneer er aldus met het groene gehandeld wordt.

Bedenk wel, lieve lezer, dat niets voor Jesus verborgen is. Hij kent de mate der rampen, die over den onboetvaardigen zondaar zullen nederkomen : Hij kent de zwaarte der vervloeking, die op het schuldige hoofd zal nederdalen. Wanneer wij Jesus, hoewel gedompeld in eene zee van lijden en vernedering slechts zien sidderen voor de smarten, die den zondaar onvermijdelijk treffen zullen, indien hij in onboetvaardigheid volhardt, dan zal er toch voor ons wel reden zijn om te sidderen en te beven.

Weent niet over Mij, maar weent over n zelve en moe kinderen, zoo sprak Jesus tot de vrouwen. Hebben zij de vermaning begrepen en in acht genomen r Hebben zij gesidderd, toen zij Jesus ontroerd zagen over rampen, die nog komen moesten ? Hebben zij uit den angst, uit het teedere en bezorgde oog van Jesus gelezen, dat de straffen Gods onmetelijk groot zijn zouden ? — Het is te denken dat 's Heeren woord in vele harten weerklank gevonden heeft, dat die angstige blik, die

-ocr page 244-

232

teedere waarschuwing, te midden van zoo veel eigen wee en lijden, gedurig wederkeerden voor den geest van velen, en dat zij menige traan van boetvaardigheid hebben voortgebracht. Doch hoe velen hebben gezien en gehoord zonder de minste ontroering ; hoe velen hebben de schouders spottend opgehaald en de liefderijke vermaning met hoon beantwoord ! Zoo als het toen was, zoo is het ook thans. Helaas, velen vreezen Gods oordeelen evenmin als' zij Gods liefde willen kennen. Laat ons wijzer ^ijn, lieve lezer, laat ons de vermaning, welke de Heer hier geelt, ter harte nemen. Eertijds, toen Jesus nog het land doortrok, het Evangelie des heils verkondigend, waarschuwde Hij meer dan eens voor de gestrenge oordeelen Gods. De ernstige woorden, die Hij dan sprak, waren wel in staat om indruk te maken; doch hier op den Kruisweg moet 's Heeren woord ons veel dieper treffen. Bedenk het wel, Jesus koos het oogenblik, waarop zijn lijden bijna het hoogste toppunt bereikt had, waarop de vrouwen van Jeruzalem hare tranen niet konden weerhouden en luide weeklaagden over 's Heeren smarten, dit oogenblik koos Jesus uit, om de waarschuwingen te herhalen, welke Hij vroeger menigmaal gegeven had.

Laat ons dan treuren over onze zonden, laat ons vreezen Dengenen, die ziel en lichaam kan verderven in de hel, laat ons weenen over onze blindheid, die ons met zoo veel lichtzinnigheid deed zondigen; maar laat ons

-ocr page 245-

233

ook beweenen de blindheid en verstoktheid van zoo vele zondaren. Wij leven te midden eener dwaze en bedorvene wereld, wij zijn getuigen van vele zonden en van groote onverschilligheid en verstoktheid des gemoeds. '/.alig. zegt Jesus, zij die weenen. want zij zullen vertroost worden. Laat ons dan weenen over eigene zonden en over alle boosheden der wereld, dan zullen wij den wensch van Jesus vervullen en in ons gevoelen, wat in Christus Jesus was, toen Hij beladen met zijn kruis in zwijgende smart naar Kalvarië toog.

Kniel dan heden nog eens neder voor het kruis, en terwijl gij de wonden des Heeren kust, vraag vergeving voor uwe zonden en voor de zonden van anderen.

-ocr page 246-

Donderdag na den vierden Zondag in de Vasten.

Et postquam venerunt in Iccum, qui vocatur Calvariau, ibi crucifixerunt eum. Luc. XXIII : 33.

Toen zij nu op de plaais, die Kalvarië genoemd wordt, gekomen waren, kruisigden zij Hem daar.

Toen Jesus tot de vrouwen gesproken had, vervolgde Hij weder zwijgend zijnen weg. Gelijk een Lam, dat geene wederspraak in zijnen mond heeft, laat Hij zich ter slachtbank leiden. Hij zwijgt bij iederen slag of stoot, bij elk smaadwoord, bij elke mishandeling. Zwijgend valt Hij, zwijgend staat Hij weder op, en ik betreur liet niet, dat mijn Jesus zwijgt, want Hij spreekt niet tot de menschen, omdat Hij zoo veel aan den Vader te zeggen heeft. Wie zou den Hoogepriester willen storen, nu Hij met het kruis beladen het heilige der heiligen binnengaat om onze voorspreker te zijn ? Ach, Hij heeft zooveel aan den Vader te zeggen, want onze misdaden zijn zoo groot

-ocr page 247-

235

en menigvuldig; onze ondankbaarheid is mateloos, onze vermetelheid kent geene perken, wij zijn verouderd in de boosheid en een gruwel geworden in de oogen van den heiligen God. Jesus zag al de boosheden eener goddelooze wereld, Hij doorschouwde al onze zielewonden en kende de volle zwaarte onzer schulden. Hij zoude het nooit gewaagd hebben voor ons ten goede te spreken, indien Hij niet geweten had, dat de Vader met oneindig welbehagen nederzag op de smeekingen van zijnen Zoon.

Wij, ellendige zondaren, wanen reeds veel te doen, wanneer wij, vermoeid van zondigen, ophouden de boosheid te plegen ; wij achten ons reeds der vergeving waardig, wanneer wij verschrikt voor Gods oordeelen. sidderend op onze schuldige borst kloppen; wij juichen ons zeiven toe, wanneer wij getroffen door Gods genade, met een traan in ons schuldig oog, openhartig onze zonden beleden hebben; wij gelooven en belijden wel is waar, dat de vergeving, die op onze boetvaardigheid volgde, niet is toe te schrijven aan eigen verdiensten en berouw, doch al te zeldzaam denken wij aan hetgeen Jesus deed om ons terug te voeren tot den Vader en ons veilig te doen staan voor zijn aangezicht Zie nu Jesus met moeite den berg beklimmen, Hij is reeds dicht genaderd tot de plaats waar het kruis zal worden geplant, nog altijd bidt Hij; spaar Vader, spaar uwe misdadige schepselen, wees niet in eeuwigheid vertoornd, maar

-ocr page 248-

236

zie neer op de wonden en liet bloed van uwen Zoon. Zij zijn weerspannig. Ik zal gehoorzaam zijn tot in den dood; zij zijn nog onboetvaardig, maar het hart van uwen Zoon is gebroken van droefheid en smart; zij beminnen nog niet, maar Ik zal hun mijne wonden toonen : mijne armen zal Ik stervend tot hen uitstrekken, Ik zal hen tot liefde dwingen.

P'.indelijk is Jesus op den top des bergs aangekomen. Men nadert Hem en spottend wordt Hem wijn met gal gemengd aangeboden, Jesus proeft, maar drinkt niet; Hij proeft om zich ook met deze vernedering te verzadigen. Daarna rukt men Hem de kleederen uit. Hoe wreed dit geschiedde behoeft niet te worden aangestipt, want de hardvochtigheid der beulen is ons bekend. Zie Jesus daar staan met opengereten wonden, zijne matte oogen rusten op het kruis, 't welk aan zijne voeten ligt. Alvorens zich op den kruisbalk uit te strekken, betuigt Hij den Vader dat Hij gaarne sterven wil, opdat wij mogen leven ; dat Hij in alles Zich onderwerpt, omdat wij in alles wederspannig waren; dat Hij in de grootste verlatenheid gaarne wil sterven, opdat wij niet langer verlaten zijn van God; dat Hij gaarne tusschen moordenaren wil hangen, opdat wij mogen opgenomen worden onder Gods engelen; dat Hij gaarne de bittere spotternijen wil verdragen, opdat de duivel niet steeds over ons kunne roemen. Daarna strekt Hij Zich vrijwillig op den kruisbalk uit. Met onbeschrijfelijke wreedheid worden nu zijne armen

-ocr page 249-

237

aangegrepen en uitgespannen op het kruis. Achtereenvolgens worden grove nagelen met geweld door zijne gezegende handen en voeten gedreven. De smart te beschrijven is onmogelijk, doch luister ; Aan 's Heeren zijde liggen twee moordenaren, elk op zijn kruis : ook zij ondergaan de wreede marteling, maar zwijgen niet; de wreedheid der smart dwingt hen in de hartverscheurendste jammerkreten uit te barsten; men kan hunne kreten niet hooren, zonder dat de haren te berge rijzen; hoe groot hunne schuld ook wezen moge, uw hart zoude van medelijden gebroken zijn, indien gij hunne smeekingen en klaagtonen hadt gehoord. En dezelfde smarten ondergaat ]e-sus, de Zoon Gods, en zwijgt. Doch neen, Jesus lijdt oneindig meer. Hij was reeds van het hoofd tot de voeten gewond, alvorens de wreede nagelen Hem doorboorden; Hij alleen werd bespot, gehoond, gegriefd op alle bedenkelijke wijze; en zijn heilig hart was zoo gevoelig, omdat het zoo teeder beminde! Daarenboven is zijne ziel gedompeld in eene zee van droefenis, wegens de angsten zijner lieve moeder, de ergernis zijner leerlingen, de boosheid van zijn volk en de misdaden van de gansche wereld.

De smarten des lichaams kunnen zoo hevig zijn, dat de mensch het bewustzijn verliest en daardoor minder lijdt, zoodat de jammerkreten, die hij dan onwillekeurig slaakt, niet altijd den maatstaf aangeven van de grootte des lijdens. Wij kunnen veronderstellen, dat de moorde-

-ocr page 250-

238

naren, wegens ck* hevige folteringen der kruisiging, in zulk een toestand kwamen, indien zij hun bewustzijn niet reeds verloren hadden door den bedwelmenden drank, welke ook hun buiten twijfel werd aangeboden, en waarvan Jesus niet wilde drinken. Doch de goddelijke Verlosser, het zal wel niet noodig zijn dit te bewijzen, had zijn volle bewustzijn en overzag al de oorzaken zijner droefheid, zoowel als Hij al zijne smarten gevoelde. Aanschouw dan het lijdend gelaat van uwen Verlosser, terwijl de beulen hun wreede werk vervullen. Zijn oog is steeds ten hemel gericht, want zonder ophouden biedt Hij den Vader zijn laatste offer aan. De zon verduistert, de aarde verstomt, nooit zag zij de boosheid der menschen zóó handgemeen met de liefde Gods; de engelen staken hunne lofgezangen en staren verteederd op een schouwspel, zoo als er in de gansche eeuwigheid geen tweede kan gevonden worden. En wij ?... Als aan den grond genageld moesten wij staan, onze oogen onbewegelijk gevestigd op Jesus en zijn kruis. Geene gebeurtenis moest nog onze aandacht trekken. Bij alles, wat wij zagen, moesten wij zeggen ; ik heb grootere dingen aanschouwd, ik heb Jesus gezien op zijn kruis; bij alles, wat men ons verhaalde, moesten wij antwoorden, ik heb wel andere dingen gehoord, ik hoorde hoe de Zoon Gods zich liet nagelen aan een kruis. Tranen van dankbaarheid en wederliefde moesten aanhoudend uit onze oogen vlieten, tranen die niets of niemand kon doen

-ocr page 251-

239

opdroogen dan de verrezene Jesus, die zijne glorie is ingegaan. Het kruis van Jesus moest zoo diep ons hart hebben gewond, dat de herinnering aan zijn smart en liefde, door niets was weg te nemen; de gehoorzaamheid van Jesus moest zoo levendig staan voor onzen geest, dat het ons onmogelijk werd om de minste ongetrouwheid tegen God te bedrijven. Het kruis van Jesus moest zoo diep een indruk maken op ons gemoed, dat wij de zonde, waardoor Jesus gestorven is, haatten met een onverzoenlijken en onmetelijken haat, dat wij het ons nimmer konden vergeven, indien wij slechts eens de zonde bedreven hadden. Het kruis van Jesus moest zoo krachtig spreken tot ons hart, dat wij het lijden, de tegenspoeden en rampen des levens niet slechts met onderwerping, maar met vreugde omhelsden; met den apostel moesten wij uitroepen ; wij roemen in onze verdrukkingen. Helaas ! wat zie ik ? De engelen zijn verteederd en de men-schen zijn ongevoelig, en toch is Jesus voor ons menschen gekruisigd! En wij, die ons christenen noemen, aan wie het kruis zoo lang reeds getoond en gepredikt is, die zoo dikwijls de gehoorzaamheid van Jesus aanschouwden, die gelooven en openlijk belijden, dat wij alle heil van Jesus en zijn kruis ontvangen hebben, wij gaan het kruis zonder aandoening, zonder ontroering voorbij !

Alles is gereed, het Lam is reeds genageld aan het kruis, de kuil is gegraven, het teeken tot de opheffing van het kruis wordt gegeven.

-ocr page 252-

240

Onder oorverdoovend getier en geschreeuw, onder vloeken en woeste verwenschingen wordt Jesus met zijn kruis in de hoogte getild, en onder het gejuich zijner verbitterde vijanden aan aller oogen vertoond. Terwijl de boosheid hier haar meesterstuk levert, geeft Jesus het grootste bewijs zijner liefde. Eertijds zocht Hij de zondaren op, en zij ontvluchtten hunnen herder. Hij was ontroerd over hunne verblinding en poogde hen te verschrikken door bedreigingen, doch zij dreven den spot met Hem; Hij heeft hen uitgenoodigd tot Hem te komen en bij Hem ruste voor hunne ziel te zoeken, doch zij hebben Hem versmaad; wat blijft Jesus nog overig te doen ? Opgeheven van de aarde zal llij zich overdekt met wonden, aan ieders blik vertoonen; stervend zal Hij zijne armen tot elkeen uitstrekken of Hij de hardnekkige verstoktheid nog overwinnen kan. O, vraag niet langer waarom Jesus zooveel lijden moest! Vraag liever, waarom er zooveel blinden zijn en onboetvaardiger), die voor het kruis des Heeren gestaan hebben en henen gingen alsof zij niets gezien, niets begrepen hadden. Wilt gij weten, hoe ellendig de mensch en hoe diep hij in de boosheid verzonken is, zie dan, hoe hij zich gedraagt, terwijl het kruis voor zijne oogen staat. Ik denk hier nog niet eens aan de Joden, die spottend en hunne vuisten ballend, rondom het kruis liepen, zij wisten niet wat zij deden, de razernij der hartstochten maakte hen onzinnig. Maar wat doen wij, die zeggen eerbied te hebben voor

-ocr page 253-

241

het kruis en in Jesus te gelooven, die ons door het kruis verloste? Ja, het kruis staat voor onze oogen en wij zondigen, wij hervallen in de zonde en kunnen zeiis niet dulden, dat wij gewaarschuwd worden tegen de zonde, waarvoor Jesus gestorven is. Wij schamen ons niet alleen der zonde niet, wij roemen somtijds nog op onze overtredingen! Wij zien Jesus gehoorzaam tot in den dood en wij verwonderen ons, dat er van -ons eene gehoorzaamheid en onderwerping gevraagd wordt, die eenig offer kost. Wij belijden dat het kruis van Jesus ons leven is, en wij morren bij ieder kruis ons opgelegd, als ware het een vloek. Wij zien Jesus in liefdeblijken zich uitputten en tot nu toe weten wij nog niet wat wederliefde is. Waar zijn onze tranen aan den voet van het kruis gestort; waar de vrome gevoelens door het kruis van Jesus bij ons opgewekt; waar de goede voornemens door Jesus' kruis in ons hart gevormd; waar is de liefdegloed, waar zijn onze offers, waar de vrome werken door het kruis bij ons voortgebracht?

Wat is toch de mensch, o goede Jesus, daar Gij op hem nederziet, en de zoon des men-schen dat Gij voor hem gaat sterven aan een kruis ? Is het geen verkwisting, dat Gij zoo oneindig veel geeft om zoo weinig terug te ontvangen ? Ach, lieve Jesus, mij dunkt, Gij moet wel teleurgesteld en beschaamd staan voor uwe engelen, die zien, dat Gij, groote God, alles geeft en niets terug ontvangt. Maar Gij hebt onze boosheid gekend. Gij zaagt,

16

-ocr page 254-

242

toen Gij uwe handen naar ons uitstrektet, dat wij ondankbaren waren. Ja, wij zijn ondankbaren, gaarne erkennen wij zulks. Doch er is voor onze kranke zielen geen ander geneesmiddel dan uwe heilige wonden. Ons neder-werpend voor uw kruis en uwe wonden kussend, roepen wij tot U: Heer genees ons, want bij U alleen is redding en genezing, maak dat uw kruis onze zielen wonde en die gevoelens in ons uitstorte, welke het aan uwe heiligen mededeelde. Amen.

-ocr page 255-

Vrijdag na den vierden Zondag in de Vasten.

Jesus au tem dicebat : Pater dimitte illis ; non enim sciunt quid faciunt.

Luc. XXIII : 34.

Kn Jesus zeide : Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.

Het kruis is opgeheven en in den grond geplant; Jesus hangt tusschen twee moordenaren en ziet van zijn smartelijk kruis neder op de menigte welke Hem omgeeft en tot welke Hij zijne armen in de hevigste smarten uitstrekt. Wat ziet de stervende Verlosser ? Hij ziet in de verte eenige doodsbleeke leerlingen en her- en derwaarts dwalende apostelen. Zij zijn bedroefd, geërgerd en ontmoedigd, omdat de Herder zoo wreed geslagen is. Hij ziet zijne Moeder, die, verscheurd van angst, verpletterd van smart, en toch zoo geduldig, naast zijn kruis zich plaatst en weent. Hij ziet de Opperpriesters en Schriftgeleerden met onverzadigbare blikken staren op zijne

-ocr page 256-

244

wonden en zijne vernederingen : Hij ziet, hoe zij het hoofd schudden en de handen dreigend naar Hem uitstrekken, zij roepen elkander toe ; Anderen heeft Hij gered, zich zelvcn kan Hij niet redden. Indien Hij de Koning, de Christus, de uitverkorene Gods is, dat Hij af dale van het kruis en 7vij gelooven in Hem. Zoo spraken zij, en het volk hoorde de smaadredenen en spotte mede. En in tegenwoordigheid van allen hing Jesus opgeheven als een weerlooze, verlatene en smeekende! Ja, als een smeekende! Zijne houding zegt ons reeds, dat aan zijn mond geen beter gebed voegt, dan een smeekgebed om barmhartigheid, genade en medelijden. Inderdaad, Jesus, opent zijn mond; Hij bidt; luister met aandacht naar het eerste woord, dat op het kruis van zijne goddelijke lippen vloeit; Vader, zoo roept Hij. Ach, lieve Jesus, Gij hebt wel redenen, den zoeten naam van Vader op uwe lippen te nemen ; zie, Gij zijt van tijgers omringd. Vlucht, vlucht tot den ,.Vader,quot; opdat Hij uwe wonden heele, uwen smaad wegneme, U in eere herstelle en U verheerlijke in de oogen des volks. Gebruik den zoeten naam van „Vader,quot; opdat de Vader zich ontferme over zijnen Zoon en zijne liefde toone aan Hem, in wien Hij zijn eeuwig welbehagen gesteld heeft. Doch neen, Jesus vergeet zich zeiven. Voor wie zal Hij dan medelijden inroepen ? Voor zijne leerlingen, die Hij zoo moedeloos en geërgerd ziet ronddwalen ? Ach, zij zijn zoo ongelukkig en zij leden zoo veel

-ocr page 257-

245

op deze dagen ! Of voor zijne lieve Moeder, die zoo bitter weent, omdat zij zoo vurig bemint: Zij is zoo verlaten in hare droefheid, haar lijden is mateloos !

Jesus' eerste en zoetste bede is voor die Hem haten en vervolgen tot in den dood. Terwijl zij zegevierend 's Heeren kruis omgeven en met ijzingwekkende wreedheid op Jesus' wonden wijzen, roept de minnelijke Verlosser genade en barmhartigheid voor hen af. Ontzaggelijk groot is de misdaad, raaar veel grooter de kracht van Jesus' gebed. Zijn eerste woord herinnert den Vader, dat het de Zoon is, die vraagt: zijn eerste woord doet een beroep op het hart en de liefde des Vaders. Vader, zoo roept Hij, vergeef het hun, uuint zij weten niet, wat zij doen.

Maar, mijn God, wisten de Joden niet wat zij deden ! ? Voor hunne oogen hangt Jesus aan het kruis; zijne vernedering, zijne verlatenheid, zijne smarten, zijne wonden worden als uitgestald voor hunne blikken ; zij wijzen met boosaardige wreedheid op het goddelijk Lam, wiens beenderen zij kunnen tellen ! Niet in eene plotselinge opwelling van hartstocht hebben zij Jesus geslagen, maar in steeds klimmenden haat hebben zij Hem gewond. Hoe lang hebben zij gezocht naar eene misdaad om Jesus met eenigen schijn van recht te kunnen dooden ; hoe dikwijls hoorden zij uit den mond van Pilatus, dat Jesus onschuldig was, met hoe groot een geweld hebben zij den landvoogd het doodvonnis niet afgeperst!

-ocr page 258-

246

Heere Jesus, mag ik hier eéne opmerking maken ? Ik hoorde U zeiven voor eenigen tijd nog zeggen : Indien Ik niet gekomen was en tot hen niet gesproken had. zij zouden geene zonde hebben, maar nn hebben zij geene verschooning. Toen Gij die woorden gesproken hebt, waren de Joden op verre na zoo schuldig niet als thans, en nu verschoont Gij hen ! Hebt Gij het gansche land niet vervuld met den roep uwer wonderen, moesten zij niet meermalen erkennen, dat Gij de Christus, de Zoon Gods zijt ? Maar ik weet ook, lieve [esus, dat er in uwen mond geen bedrog is ; leer mij dan hoe ik deze zonderlinge tegenspraak moet verklaren, daar Gij hen nu wegens onwetendheid verschoont.

Toen Jesus aan de Joden hunne zonden verweet, toen sprak Hij niet tot den Vader, maar tot de schuldigen zeiven. Ten einde hen op te wekken tot boetvaardigheid, stelde Hij hun de snoodheid van hun gedrag voor oogen en de straffen, welke zij daarvoor verdienden. Hij handelde, gelijk eene moeder met hare schuldige kinderen handelt, welke zij op de gramschap des Vaders wijst en op de g:-oote schuld, waardoor zij die gramschap hebben opgewekt. In die oogenblikken spreekt zij waarheid. Doch als de Vader komt, om in rechtmatigen toorn te straffen, dan verzwijgt de moeder, wat zij tot de schuldige kinderen gesproken heeft, en voert alles aan, wat maar aan te voeren is om de schuld der kinderen te verlichten. Ook dan spreekt zij waarheid.

-ocr page 259-

217

Hier aan het kruis spreekt Jesus niet tot de Joden, hadde Hij tot de 'joden gesproken, Hij hadde het woord herhaald, wat Wij op den kruisweg tot de vrouwen richtte ; weent over u en uwe kinderen. Maar Hij spreekt tot den Vader, en daarom zegt ij ; Zij weten niet wat zij doen. (Jm dit woord goed te vatten moet gij u den Verlosser voorstellen, die zijne stervende oogen vallen laat op de zondaren, welke in blinde, woede zijn kruis omgeven. Ach, Jesus heeft deernis met hen. Moe schuldig zij ook zijn, zij zien de ontzettende uitgestrektheid hunner misdaad niet; het moge ook al hunne schuld zijn , dat zij Jesus verwerpen, zij konden toch nog schuldiger wezen.

De strenge rechtvaardigheid, welke oordeelt zonder verschooning, merkt op, dat er eene onwetendheid is, die de misdaad verzwaart, omdat deze onwetendheid de vrucht is van vele zonden en vrijwillige dwalingen ; omdat zij een voortbrengsel is van haat en andere hartstochten, die men vrijwillig aankweekte, onderhield en versterkte; doch de barmhartigheid wendt hare oogen af van de schuld en roept ; 't is toch onwetendheid! Deze barmhartigheid deed Jesus eens tranen storten en uitroepen ; O, mocht gij op dezen uwen dag erkennen wat n tot vrede strekt: maar het is voor uwe oogen verborgen ; deze barmhartigheid doet Hem thans uitroepen ; Vader, vergeef het hun. want sij weten niet wat zij doen. Mocht dit woord vernomen worden door eiken zondaar, door ieder mensch ! Dit woord

-ocr page 260-

248

toch leidt ons binnen in het minnelijk hart van Jesus, die zelfs jegens den grootsten zondaar, geen verbittering kent. Waar is de zondaar, ilie Jesus griefde, hoonde, vervolgde en wondde, zooals zij dit deden, die als dolle honden zijn kruis omgaven? En Jesus verschoonde dezen; zal Hij dan niet eiken zondaar ver-schoonend behandelen ? Hier zien wij den goeden herder, die de negen en negentig schapen achterlaat om in al zijne goedheid het ééne verloren te zoeken, want hier vergeet Hij de tranen zijner moeder, de verslagenheid zijner leerlingen, om te bidden voor zijne vijanden. Hij bidt voor hen juist op het oogen-blik, dat zij de kroon op hunne boosheid zetten, dat zij, na de misdaad voltrokken te hebben, roemen op hunne gruwelen. Hij verschoont hen op het oogenblik, dat met recht van hen kan gezegd worden : zij hebben alles gezien en wilden niets begrijpen. Zoudt gij, lieve lezer, na dit gezien en gehoord te hebben, nog kunnen denken, dat er zonden zijn, die Jesus niet verschoonen, niet vergeven wil; dat er zondaren zijn, die te vergeefs zich zouden werpen in de armen van den goeden Jesus ?

Wij hebben eenen voorspreker, zegt de H. Joannes, Jesus Christus, den Rechtvaardigen. Hoe Jesus voor ons ten goede spreekt, wanneer Hij nederdaalt op het altaar en aan zijn hemelschen Vader, zijn bloed en zijne wonden toont, hooren wij niet; hoe Hij, in den hemel, aan de rechterhand des Vaders, voor ons om genade roept, verstaan wij niet met onze ooren;

-ocr page 261-

iU9

doch wat Hij gesproken heeft op het kruis, zijn eerste smeekgebed., verklaart ons, wat Hij hier beneden op het altaar en daar boven in den hemel voor ons doet. Dwaas zoude het zijn I indien wij zeiven het beproefden onze zonden te verschoonen; Jesus verschoont ze waarlijk genoeg, aan ons de taak overlatend van in bitterheid des harten ons zeiven te beschuldigen. Zullen wij de Joden navolgen, die, terwijl Jesus voor hen. de barmhartigheid inriep, de rechtvaardigheid tergden door te spotten met 's Heeren goedheid, als hadden zij aan haar geen behoefte. Mijn God, welk eene verstoktheid! Mijn Verlosser Jesus Christus, is ontroerd, verslagen van vrees voor de straffen, die reeds hangen boven mijn schuldig hoofd, sidderend roept Hij voor mij : Vader vergeef, en op datzelfde oogenblik verschoon, bewimpel en bedek ik mijne zonden, bewerende, dat ik geen vergeving noodig heb ! Vergeving, o mijn God, vergeving ! Ach, ik belijd, wel is waar, dat ik der vergeving onwaardig ben, maar ik omklem het kruis van Jesus, die voor mij om vergeving roept. O Vader, zie het stervend gelaat van uwen Zoon; aanschouw zijne matte oogen, waaruit de teedere liefde van den goeden herder straalt: zie hoe Hij in heilige onderwerping de laatste droppelen van den lijdenskelk drinkt. Zóó spreek ik met het volste vertrouwen, en dit mijn onwankelbaar vertrouwen kan geen vermetelheid zijn, daar het alleen op de goedheid en de ver-diensten van mijn Jesus steunt.

-ocr page 262-

250

Gelukkige zondaren, die zulk een voorspreker gevonden hebben I Zij zijn gered, onfeilbaar gered, indien zij zich slechts onder zijne hoede stellen. Wat u aangaat, lieve lezer, gij hebt reeds lang besloten uwe zonden niet te verschoonen, maar om u, in het volle bewustzijn van eigen onmacht en schuld, te werpen in de armen van den barmhartigen Jesus. Ik wil u hier dan nog slechts eenen raad geven, dezen opvolgend zult gij u van Gods genade en barmhartigheid verzekeren ; Merk hier op wat in Christus Jesus is en kweek zijne gevoelens aan in uw hart. Wees barmhartig en verschoonend jegens anderen, zoo als Hij barmhartig en verschoonend was. Hij zelf roept u toe : Oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden, veroordeelt niet, en gij zult niet veroordeeld worden; vergeeft en u zal vergeven worden. IVeest barmhartig, gelijk uw hemel-sche Vader barmhartig is. Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven. Neen, wij mogen de overtredingen van onzen broeder niet zoo breed uitmeten; wij mogen demisslagen, welke hij tegen ons begaat, niet op alle bedenkelijke gronden in ons eigen oog en m 'net oog van anderen zoo zwart mogelijk afschilderen. Jesus konde nog verschooning vinden voor zijne allerwreedste vijanden, en zouden wij dan niets kunnen vinden, wat de schuld des broeders lichter maakt. Laat ons opzien tot en handelen overeenkomstig het toonbeeld, 't welk ons op den berg is voor oogen gesteld. Zijn wij belee-digd, verongelijkt en mishandeld, laat ons de misstappen van onzen broeder toeschrijver, aan

-ocr page 263-

onwetendheid, aan opwelling van hartstocht, waarvan hij meer het slachtoffer dan de bewerker is, of aan vergissing, overijling en .onbedachtzaamheid. Zelfs, wanneer wij geen enkele reden kunnen vinden, die den broeder verschoont, laat ons dan een blik op het kruisbeeld werpen en tot ons zeiven zeggen ; Het is aan mij te wijten, dat ik niets ter verdediging van mijn broeder zeggen kan; doch Jesus verschoont hem, ik zal mij dus wel wachten hem te beschuldigen en te vervolgen tot onder het kruis, waar ik mijn eigen heil hoop te vinden.

Laten wij ons nu voor het kruisbeeld neder-werpen en onderzoeken, of wij al onze hoop gesteld hebben op de verdiensten van Christus, dan of wij liever onze eigene voorsprekers zijn en even stout als onbeschaamd onze zonden verschoonen. Onderzoeken wij, of ons vertrouwen op den goeden Jesus wel vast en krachtig genoeg is, zoodat wij ons gedurig en met blijdschap werpen in zijne armen. Omhelzen wij het kruisbeeld en drukken wij den grond van al ons vertrouwen met dankbaarheid aan ons hart. liesluiten wij. en leggen wij dit besluit aan de voeten van Jesus neder, om voortaan elkeen, die tegen ons misdoet, met de uiterste verschooning te behandelen.

-ocr page 264-

Zaterdag na den vierden Zondag in de Vasten.

Noli scribere, Rex Judaeorum : seel quia ipse dixit rex sum Judaeorum.

Joan. XIX : 21.

Schrijf niel : de Koning der Joden, maar: Deze heeft gezegd : Ik ben de Koning der Joden.

Heden wensch ik u twee waarheden ter overweging voor te stellen, in de eerste plaats: de standvastige volharding waarmede Jesus zich zeiven „Koningquot; noemt; in de tweede plaats : de hardnekkigheid, waarmede de Joden zijn koningschap verwerpen.

De beloofde Verlosser werd door de profeten gedurig aangeduid onder den naam en het beeld van een Koning; ja, volgens de profeten zou Hij bij uitnemendheid „de Koning quot; zijn, zoodat al de Koningen der Joden, die Hem voorafgingen, slechts schaduwbeelden waren van Hem, die komen moest. Sprak men onder de Joden van „ den Koning,quot; elkeen begreep wien men onder dezen naam

-ocr page 265-

bedoelde. Toen de wijzen uit het Oosten te Jeruzalem kwamen met de vraag ; [Vaar is de Koning der Joden, die geboren is begreep elkeen, zelfs Herodes niet uitgezonderd, wien zij onder dien naam zochten. Onmiddellijk riep Herodes de opperpriesters en schriftgeleerden des volks bijeen en ondervroeg hen waar de Christus moest geboren worden. Jesus trad dan ook dadelijk als Koning op. Reeds de engel, die de boodschap aan Maria bracht, sprak : En de Heer zal Hem den troon zijns vaders David geven^ en Jiij zal Koning zijn over Jacobs huis in eeuwigheid, en zijns Ko-ninkrijks zal geen einde zijn. Zoo duidelijk trad Jesus als de „Koningquot; op, dat de joden geene andere beschuldiging tegen Hem bij Pilatus wisten vol te houden, dan : Hij noemt zich Koning, en die zich Koning noemt, weerspreekt den Keizer. Wij hebben dan ook gezien, dat Pilatus aan Jesus vroeg ; Zijl gij Koning r en hoe Jesus antwoordde : Gij zegt hef; Ik ben het. Jesus verklaarde toen wel, dat zijn Rijk niet van deze wereld was, en Pilatus begreep ook zeer goed, dat het koningschap des Heeren volstrekt niet in strijd kon zijn met het gezag des Keizers; doch daar hij den Verlosser tegen zijn geweten tot het kruis veroordeelde, was hij genoodzaakt in zijn vonnis eenige reden der veroordeeling op te geven. Jesus werd daarom veroordeeld als een oproermaker, die, tegen het gezag des Keizers, zich den titel van Koning gegeven had. Volgens bestaand gebruik werd deze

-ocr page 266-

254.

reden van veroordeeling Jesus vooruit gedragen en op Golgotha aan het kruis gehecht, opdat elkeen, die Jesus zag hangen aan het schandhout, de oorzaak van zijn smartelijken en smadelijken dood konde lezen.

Laat ons weder opgaan naar Kalvarië en ons plaatsen voor het kruis, waaraan Jesus in zooveel smarten hangt. Ziet gij dat opschrift boven het gezegend hoofd des Heeren r Het is in drie talen geschreven en luidt : Jesus van Nazareth. Koning der Joden. Ook de Joden hebben het gelezen en zij beefden van woede ; zij hielden het voor een ondragelijken spot, dat iemand, die aan het kruishout stierf, hun Koning, hun Christus, hun Verlosser genoemd werd. Zij konden zich niet tevreden stellen met de gedachte, dat Pilatus zich wel zoude vergist hebben en dat het der moeite niet waardig was, om voor de weinige oogenblik-ken, dat Jesus nog leven zou, eene verandering in het opschrift te brengen. Neen, zij gaan naar den landvoogd, zeer misnoegd zeggen zij hem, dat het opschrift hunne goedkeuring niet kan wegdragen. Schrijf niet, zoo spraken zij, de Koning der Joden, maar : Deze heeft gezegd : Ik ben de Koning der Joden. Pilatus, die tot hiertoe niets geweigerd had, antwoordde kortaf ; Wat ik geschreven heb, blijft geschreven. Dit schijnbaar onbeduidend voorval is ons uitvoerig door den Evangelist opgeteekend, opdat wij den vinger Gods zouden opmerken tot in de kleinste bijzonderheden van 's Heeren lijden, en der Koning

-ocr page 267-

255

erkennen, die, hoezeer door de Joden verworpen, toch heerscht aan het kruis.

Welk een schouwspel! Daar hangt Jesus aan /,ijn kruis. Hij zwijgt en uiterst zeldzaam opent Hij zijnen mond om eenige woorden te spreken, doch boven zijn hoofd is een opschrift, dat spreekt en niet wil zwijgen; een opschrift, dat de gansche menigte toeroept : zietdaar. meen Koning. Clods vinger heeft dit opschrift daar geplaatst, en het zal gelezen worden, zoo lang de stervende Jesus zijne armen uitstrekt tot het volk, 't welk Hem verwerpt. Dat opschrift wordt gelezen en wekt de razernij der Joden op; zij ballen hunne vuisten, zij vloeken Jesus, omdat Hij zich hun „ Koningquot; durft noemen, liegrijpt gij dit fchouwspel r liegrijpt gij, waarom de Joden met zooveel woede Jesus verwerpen en waarom Jesus, nu Hij sterft aan het kruis, zoo krachtig verkondigt, dat Hij Koning is r Ik zal trachten het te verklaren.

De Joden waren zinnelijk en aardschgezind. zij wisten zich niet te verheffen boven het stof en droomden steeds van aardsche grootheid en genot. Zij stelden zich den beloofden Verlosser voor als een Koning machtiger dan David en rijker dan Salomon. Met grooten weerzin droegen zij het juk der romeinsche Keizers, doch in hunne vernedering troostten zij zich met de hoop, dat weldra de beloofde Koning komen zou, die hen moest wreken over al hunne vijanden. De hoop op dezen Koning deed hunne borst van hoogmoed

-ocr page 268-

25(3

zwellen; Hij, zoo meenden zij, zoude hun volk verheerlijken en verheffen boven alle volkeren der aarde, onder zijne regeering zouden zij zich in wellust en weelde baden. Aan rouw en boete, aan zelfvernedering en ootmoedige vervulling van Gods heiligen wil, aan kruis en lijden, aan glorie en vreugde, die eerst na dit leven op vernedering en lijden volgen zou, werd door de vleeschelijke Joden, zelfs in de verte, niet gedacht. Toen Jesus optrad met de woorden : doet boetvaardigheid want het rijk Gods is nabije toen sprak Hij een, voor de Joden, onverstaanbaar woord. Toen Jesus sprak : Zalig zij, die weenen^ want zij zullen vertroost worden, begrepen zij Hem niet. Toen Hij zeide : Die zijn kruis niet opneemt en Mij niet navolgt, is Mijner niet waardig, verkondigde Hij hun een raadsel, 's Heeren nederige geboorte, arme verwanten en leerlingen maakten hun de gedachte, dat Hij „de Koningquot; zijn zou, onuitstaanbaar. Onder éene voorwaarde zouden zij Jesus nog als „den Koningquot; kunnen aannemen ; onder voorwaarde, dat Hij de teekenen zijner armoede aflegde en in glorie aan het oog der wereld zich vertoonde. Doch Jesus bleef arm en nederig, en zelfs, hoe dieper zijne vernedering werd en hoe meer zijne smarten stegen, des te luider verkondigde Hij dat Hij „ de Koningquot; was. Ziedaar de oorzaak van de woede der zinnelijke Joden. Hunne lusten, hunne hartstochten en lage begeerten wilden zij als opdringen aan den hemel; z;j wilden

-ocr page 269-

/i57

geen Koning die hen beter, maar die hen gelukkiger maakte, die hun het vette der aarde aanbracht. Toen Jesus tot Pilatus sprak; mijn Rijk is niet van deze wereld, toen zeide de heidensche landvoogd ; ik vind geen schuld in Hem. Maar de Joden vonden juist daarom schuld in Jesus, omdat zijn Rijk niet van deze wereld zijnde, Hij evenwel niet ophield zich „ den Koning quot; te noemen.

Mijn Rijk is niet van deze wereld, zoo sprak Jesus tot Pilatus, doch veel luider verkondigt Hij deze waarheid, nu Hij daar hangt aan het kruis. Indien de zinnelijke en aardschgezinde mensch nog vatbaar is voor genezing, dan moet hij hier voor het kruis des Heeren wel genezen worden. Daar hangt „de Koningquot; in smaad en lijden; alle hoop op aardsche grootheid is vervlogen, zijn dood is nabij, in schande zal Hij sterven. Terwijl eene kroon van doornen zijne slapen drukt, terwijl er geen gezondheid in zijn vleesch gevonden wordt, en Hij, van alles beroofd, met vervloekingen en ver-wenschingen verzadigd wordt, roept het opschrift van zijn kruis ons toe ; Hier is uw Koniig. Vraagt gij, waarom „ de Koningquot; zoo ellendig sterft, gij krijgt tot antwoord ; omdat zijn Rijk niet van deze wereld is.

Dewijl zijn Rijk niet van deze wereld is, hebben de Joden Hem verworpen, dewijl zijn Rijk niet van deze wereld is, hebben zijne dienaren niet voor Hem gestreden ; dewijl zijn Rijk niet van deze wereld is, heeft Hij zich vrijwillig overgegeven aan de mishandelingen

17

-ocr page 270-

258

der wereld; dewijl zijn Rijk niet van deze wereld is, heeft Hij gevlucht wat de wereld zoekt : aardsche grootheid, rijkdom en geluk; heeft Hij omhelsd wat de wereld vlucht : de vernedering, de armoede en het kruis. Hef dan, christen mensch, hef uw hoofd omhoog en zie hoe uw Koning sterft. Gij behoort toch niet tot hen, die zeggen ; schrijf niet: Koning der Joden, maar dat Hij zelf gezegd heeft : Jk ben de Koning der Joden, Gij erkent Jesus als uwen Verlosser, vergeet dan ook nimmer, dat zijn Rijk van deze wereld niet is; dat Hij niet hier beneden zijne dienaren kroont, noch hun het vette der aarde schenkt. Het zoude minstens eene groote onbeschaamdheid zijn, dat wij van den armen Koning de goederen der aarde, van den vernederden Koning wereld-sche grootheid, van den gewonden en in smarten stervenden Koning aardsche geneugten begeerden. Hoe schaamteloos overigens de Joden ook waren, zoo schaamteloos waren zij niet, zij begrepen dat zij van zulk een Koning geen zinnelijke voldoeningen mochten vragen; zij begrepen, dat zij Jesus moesten verwerpen, indien zij in de voldoening hunner lusten hun geluk bleven stellen.

Wanneer gij heden voor het kruisbeeld ne-derknielt, wijd dan eens eene bijzondere aandacht aan het opschrift van het -cruis. Zeg tot u zeiven : mijn Koning sterft in armoede en verlatenheid, in oneer en schande, in ondragelijke smarten, van het hoofd tot de voeten geslagen met wonden. Is de kneciit beter dan

-ocr page 271-

259

de meester, de onderdaan boven den Koning ? Indien ik minder lijd dan mijn Jesus, dan geschiedt zulks niet, omdat mij minder toekomt, maar omdat Jesus mijne zwakheid spaart. Mag ik dan ooit morren over oneer en versmading, over gebrek, lijden en verlatenheid r

Wij, christenen, lieve lezer, knielen allen neder voor één kruis, want aan dat kruis hangt onze Koning; maar, hoe verschillen de gevoelens van hen, die daar nederknielen ! De heiligen staren op de wonden van den stervenden Koning, en treuren, dat zij nog zoo weinig deel hadden in de smarten en de vernederingen van Jesus. of danken God, wanneer hun grooter deel geschonken wordt in het kruis van Jesus. De vromen zien hunnen lijdenden Koning en verwonderen zich niet meer over eenig kruis, 't welk hun wordt toegezonden. Indien hun hart ook gebroken wordt van smart, indien hun oog ook vochcig wordt onder de slagen des lijdens, zij drukken het kruisbeeld aan hunne lippen en zuchten ; o goede Jesus, Gij zijt mijn Koning in eeuwigheid : gesterkt door 's Heeren kruis, onderwerpen zij zich aan Gods heiligen wil.

En wij, lieve lezer, wat doen wTij r — Goede Jesus, het zij verre, dat ik U ooit zou verwerpen, omdat Gij in oneindige barmhartigheid voor mij gestorven zijt aan het smadelijk kruis. Voor uw kruisbeeld nedervallend, zeg ik uit de volheid des harten ; Heer, Gij zijt mijn Koning; dit woord ben ik bereid, duizendmaal te herhalen, te herhalen tot mijn laatsten snik.

-ocr page 272-

2(51)

ofschoon ik weet, dat daaruit voor mij de verplichting volgt, mijne hartstochten te beteugelen, armoede, vernedering en lijden met geduld te dragen en slechts een geluk te zoeken, wat niet van deze wereld is. Geef mij, goede Jesus, mijn eenigste Heer en Koning, geef mij de genade, dat ik steeds een getrouw onderdaan van U moge zijn. Amen.

-ocr page 273-

Passie-Zondag.

Et stabat populus spectans et deridehant eum principes cum eis.

Luc. XKriI : 35.

Het volk nu stond toe te zien en met hetzelve beschimpten Hem de oversten.

Welk een schouwspel! daar hangt Jesus in onuitsprekelijke smarten aan het kruis ; zijne breede wonden vertoonen zich voor ieders oog; de laatste bloeddroppelen vloeien traag uit zijne handen en voeten, zij verkondigen zijn naderend einde. Zijn stervende mond breekt het stilzwijgen af, Jesus roept met luider stemme : Vader, vergeef het hun, nnint zij weten niet, wat zij doen. En onder de menigte wordt geen deelneming, niet de minste ontroering gevonden. Het volk stond toe te zien en de oversten beschimpten Hem met hetzelve, zeggende : anderen heeft Hij gered; dat Hij zich zeiven redde, indien Jlij de Christus is, de uitverkorene Gods I En ook de soldaten kwamen nader en bespotten Hem, terwijl zij Hem azijn aanboden en zeiden : zoo Gij de Koning der Joden zijt. red L' zeiven I

-ocr page 274-

262

Jesus antwoordt niet; doch, terwijl Hij den kelk van smaad en smarten ledigt, houdt Hij zijne armen uitgestrekt tot de razende menigte! Ach, hoe is zoo groot een haat, zoo gruwelijk eene spotternij toch mogelijk ! Zie, daar hangen twee boosdoeners aan 's Hee-ren rechter- en linkerhand, zij zijn gehaat bij het volk, wiens schrik zij uitmaakten door hunne euveldaden; zij zijn met recht veroordeeld, doch in hun laatste uur worden zij niet bespot. Hunne pijnen zijn te wreed, dan dat men smaad bij smart zou voegen, het is reeds veel, dat men hen koelbloedig ziet worstelen met den dood, het menschelijk gevoel maakt het zelfs den hardvochtigsten onmogelijk om hen te bespotten; maar hoe kon men Jesus dan zoo wreed hoonen, terwijl Hij zoo zachtmoedig en geduldig in den allerbeweenlijksten toestand hangt aan het kruis ! Hoe konden de oversten het volk tegen den stervenden Jesus ophitsen, hoe konden zij het ondragelijk lijden nog door hoon en spot verbitteren ?

Zij hebben de duisternis lief en haten het licht. Hoe meer het goddelijk licht hun in de oogen straalt, des te feller wordt hunne razernij. Er werd vervuld, wat er geschreven staat : De zondaar zal zien en toornen. Voor het oog der menschen hadden de oversten gezegepraald; Jesus hing aan het kruis, de landvoogd was geweken voor hunne bedreigingen en het geërgerde volk had zich van den Verlosser afgewend. Doch hoe groot

-ocr page 275-

263

hunne zegepraal ook scheen, de vijanden des Heeren zagen, dat zij nog zeer ver van de overwinning verwijderd waren, zij moesten nog steeds strijd voeren tegen God en hun geweten, en deze strijd bracht hen tot razernij. De teekenen, door Jesus gewrocht, waren niet uit hun geheugen gewischt, zij keerden voor hunnen geest terug en deden hen vreezen, dat zij zich vergrepen aan den Zoon Gods. Deze teekenen heeft Jesus nog op den lijdensweg vermeerderd ; zelfs Pilatus was getroffen door 's Heeren woorden en daden, zouden ze de opmerkzaamheid der Joden zijn ontgaan ? Onmogelijk ! Het eenvoudige opschrift des kruises trok hunne aandacht en hinderde hen dermate, dal zij daarin eene verandering wilden aanbrengen. Welk een indruk moesten de wonderen, die Jesus in het uur des lijdens nog wrochte, de woorden die Hij sprak, zijn onuitputtelijk geduld, zijne hemelsche wijsheid, zachtmoedigheid en liefde niet maken op de Joden ? Alles, wat zij zagen en hoorden, riep nog luider dan het opschrift des kruises ; Jesus ran Nazareth, de Koning der Joden. Indien dan de oversten en het volk zich niet gevangen geven aan de barmhartigheid, welke hen roept tot geloof en bekeering, zij zullen genoodzaakt zijn te strijden tegen het licht der genade en dezen strijd kunnen zij slechts voeren in razernij. Want het is eene vaste wet, dat de genade Gods den mensch niet in den toestand laat, waarin zij hem vond. Die de lichtstralen der genade

-ocr page 276-

261.

weerstaat en zich verzet tegen hare vermaningen, om niet te doen, wat God van hem vraagt, is gedwongen in onwil zijne oogen te sluiten en het harnas aan te trekken tegen de roepende liefde. Hoe krachtiger de liefde roept, des te heviger wordt de strijd van den on-boetvaardigen, des te dichter nadert hij de razernij. Zie de Joden dreigend en hoonend het kruis van Jesus omringen, hoor hunne vervloekingen ; merk op hoe zij door hunne woede zelfs de soldaten medesleepen om Jesus te hoonen. Wat zij daar tegen Jesus deden, zouden zij tegen de booswichten, die met Jesus sterven, niet kunnen doen ; maar zij deden het tegen den Verlosser, omdat zij tegen de onmetelijke liefde des Heeren den strijd niet kunnen volhouden, zonder dat de boosheid hen voert tot razernij. Het is eene vaste wet, dat de weerstand, die niet zwicht, heviger wordt, naarmate de aanval geweldiger is. Welnu, op zijn lijdensweg doet Jesus het uiterste om de harten te treffen en de verstokte gemoederen te overwinnen. Hij zelf zegt : wanneer ik van de aarde zal opgeheven zijn, zal Ik alles tot Mij trekken. Hier is Hij opgeheven, hier geeft Hij de grootste blijken zijner liefde; Hij trekt met zulk een onweerstaanbaar geweld, dat een ieder, die zich der genade niet gevangen geeft, zal opzien en vloeken tegen de goddelijke liefde. Wilt gij de goedheid, de barmhartigheid, de lankmoedigheid van uwen stervenden Verlosser aanschouwen, gij vindt hare kracht, het zoete

-ocr page 277-

265

geweld, waarmede zij poogt de harten te overmeesteren, zelfs duidelijk uitgedrukt in de woede der Joden. Hoor de vervloekingen, de verwenschingen en spotternijen der Joden ! Zoo krachtig spreekt de minnelijke en stervende Jesus tot hun hart, dat zij niet kunnen weerstaan, tenzij rnet dreigende gebaren, gebalde vuisten en vreeselijke vervloekingen.

Hetgeen wij op Kalvarië zien, kunnen wij dagelijks in meerdere of mindere mate opmerken. De zondaar, die door liefdevolle onderrichtingen, door hartelijke vermaningen en vrome voorbeelden zich niet tot bekeering voeren laat, onderhoudt een strijd tegen God en tegen de betere gevoelens van zijn hart; in onrust en wroeging weerstaat hij de roepende liefde, en waar deze zich uitput in de middelen tot redding, vermoeit zich de hardnekkige zondaar in een tegenstand, die steeds hartstochtelijker wordt en nadert tot razernij. Hierin vinden wij de verklaring van den vree-selijken strijd, die er sinds achttien eeuwen gevoerd wordt tegen Gods Kerk. Geen misdadiger of booswicht, die zoo vervolgd wordt als de bruid van Jesus. Hare heiligen, hare getrouwste dienaren, hare vroomste kinderen zijn het meest blootgesteld aan den haat en de vervolging der wereld. Vuur en staal, kerker en verbanning, berooving, kwelling van allen aard, leugen en laster worden aangewend tegen de Kerk van Ghristus. Haar leven en lijden brengen ons steeds Kalvarië voor den geest. Men spot met hare zwakheid en toch

-ocr page 278-

2G6

balt men van woede tegen haar zijne vuisten ; men verkondigt haren ondergang en toch siddert men van woede over de kracht, die in haar woont; als zij spreekt haalt men medelijdend de schouders op en toch beeft men van gramschap. Was de Kerk inderdaad zwak en haar einde nabij, de woede harer vijanden ware niet mogelijk, zij zou medelijden opwekken, geen haaf, doch de glans van hare onveranderlijke eenheid werpt schitterende stralen in de oogen der verblinden De heiligheid, welke haar, in spijt van alle vervolging, krachten schenkt om te bloeien in eene zondige wereld; het onuitputtelijk geduld, waarmede zij de leer van den gekruisten Jesus aan weerspannige zondaren verkondigt, kunnen niet in koelen bloede, maar slechts in razernij bestreden worden.

Sla nog eens uw oog op de menigte, die tergend en spottend loopt rondom het kruis van den stervenden Jesus. Neen, zoo strijdt men niet in de overtuiging van zijn recht. Slechts hij, die zijn ongelijk gevoelt, die tegen de stem des gewetens, tegen het licht der genade worstelt, kan tot zulk een boosaardig woeden zich verlagen. Welnu, wat met Jesus geschiedde, wordt herhaald aan de Kerk. De razernij, waarmede zij vervolgd wordt, is een blijk, dat haar licht de oogen getroffen heeft, dat hare kracht in de harten grijpt, hare heiligheid de zonden veroordeelt en haar woord indruk maakt op de ongeloovigen.

Simeon zeide reeds van het goddelijk Kind

-ocr page 279-

267

Jesus : Zie, deze is gesteld tot val en opstanding van velen in Israël, en tot een tee ken. dat zal worden tegengesproken. Wie had kunnen denken, dat dit woord zulk eene vervulling hebben zou ? Tesus zeide later van zich zeiven, dat Hij de steen was door den Vader tot hoeksteen gesteld en dat de bouwmeesters, die hem zouden verwerpen, over Hem zouden struikelen en door Hem zouden verbrijzeld worden. Wie had kunnen denken, dat het woord des Heeren op deze wijze zoude in vervulling treden? Wij echter hebben Kalvarië gezien, wij zijn getuigen van het wonder der liefde en ven het monster der boosheid, dat grijnzend den stervenden Jesus aanstaart; wij vragen nu niet meer, hoe kan het grootste geschenk .des hemels, de Verlosser der wereld tot ondergang v-an velen en tot teeken van tegenspraak worden ? Hij stierf in smarten, zijne liefde overtrof de smart in oneindige mate, van zijne stervende lippen vloeiden woorden van verzoening en vergeving, en toch werd Hij gevloekt en bespot; naarmate zijne liefde zich uitputte in blijken van onoverwinbare goedheid, heeft de boosheid zich uitgeput in razernij. Zegt de apostel, dat, waar de boosheid overvloedig was, de genade nog overvloediger werd, van velen kan men zeggen, dat hunne boosheid bleef voortwoeden, toen Jesus al zijn bloed vergoten had.

Ik val neder voor het kruisbeeld, ik overweeg hoe de minnelijke Jesus ook tot mij zijne armen uitstrekt; terwijl ik zijne wonden aan-

-ocr page 280-

268

schouw, hoor ik het woord der liefde ; Vader vergeef. Ach, mijn Jesus, zou het mogelijk zijn, dat zooveel smart en liefde voor mij geen voordeel aanbracht. Zie,, ik kus uwe wonden, ik omhels uw kruis, ik druk het beeld uws lijdens aan mijn zondig hart; zoudt Gij ook voor mij ten ondergang kunnen strekken ? Ach, Heere jesus, bewaar mij tegen den eeuwigen ondergang, tegen den dreigenden afgrond, tegen het geween en geknars der tanden, doch als ik ooit mocht verloren gaan, ik betuig van ganscher harte, dat het mijne schuld zijn zou: ja, lieve Jesus, dan zoü zulks geschieden, omdat ik uwe liefde had miskend, uwe genade weerstaan en uw kruis vergeten. Geef mij dan, dat ik steeds in den geest mij naar Kalvarië begeve. dat ik daar weene over mijne zonden en mijn hart vervvarme door eene vurige liefde. Geef dat het kruis al de gevoelens in mij opwekke, welke Gij door uw kruis in onze zielen wilt planten ; gevoelens van geloof, hoop en liefde, van berouw en boete, van de vreeze des Heeren, dan zal uw kruis mij eene overvloedige bron van genade zijn. Amen.

-ocr page 281-

Maandag na Passie-Zondag.

Et crucifigentes eum d'viserunt vestimenta ejus, mittentes sortem super eis quis quid tolleret. Marc. XV : 24.

En nadat zij Hem .^ekruisisrd hadden, verdeelden zij zijne kleederen. het lot daarover weipend, wat ieder bekomen zou.

Ziet gij de ruwe krijgsknechten daar neergezeten onder het kruis ? Zij hebben hunne taak volbracht, zij klonken Jesus aan het kruis en richtten, onder toejuiching der verbitterde Joden, den kruisbalk op. Zij zien niet op naar Jesus, die zijne armen tot allen uitstrekt, zij geven geen acht op het zoete woord, 't welk van 's Heeren stervende lippen vloeit, zij zijn voor het oogenblik zelfs doof voor de ver-wenschingen en smaadredenen door de menigte tegen Jesus uitgebraakt. De kleederen, die zij den Verlosser met zooveel wreedheid uittrokken, wekken hunne aandacht. In deze kleederen zagen zij de bloedige sporen van 's Heeren wonden, doch deze trokken ook hunne opmerkzaamheid niet. En toch zijn zij

-ocr page 282-

270

in druk gesprek, het schijnt, dat eene allergewichtigste vraag hen bezig houdtquot;, zoo luid is hunne woordenwisseling, zoo blind en doof zijn zij voor alles, wat rondom hen geschiedt. Na vrij levendigen redetwist worden zij het eens, nu gaan zij dobbelen; ja zij dobbelen over de kleederen, wat ieder daarvan bekomen zal; en daarover dobbelen zij onder het kruis, terwijl het kostbaar bloed des Heeren aan hunne zijde ne-derdruppelt!!! Ziet gij dit, lieve lezer, stelt gij u dit levendig voor den geest ? Ik verzoek u echter uwe verontwaardiging te beteugelen; want als ik soldaten onder het kruis van den stervenden Verlosser zie dobbelen over zijne kleederen, dan komt mij een soort van men-schen voor den geest, die wellicht veel schuldiger zijn dan de heidensche krijgsknechten; veel schuldiger, omdat zij den naam van christenen dragen en evenwel onder het kruis van Jesus geene andere bezigheid kennen, dan het vergaren van aardsche schatten. Ach, hoe grievend, hoe smadelijk en tergend voor Jesus is deze handelwijze der soldaten ! Onder de oogen des Heeren verdeelen zij zijne kleederen ; zij spreken zoo luide, dat de Verlosser, die in zoo vreeselijke smarten voor hunne oogen hangt, elk woord van hunnen redetwist verstaat. Niet met opzet, niet om Jesus te grieven, handelen zij aldus, maar wat zij zeggen en doen, toont toch hoe gevoelloos en onverschillig zij voor de smarten des Heeren zijn.

De hebzuchtige en aardschgezinde christe-

-ocr page 283-

271

nen grieven Jesus nog meer. Zij zijn christenen, d. i. zij zijn geboren en opgevoed onder het kruis des Heeren. Zij zijn er geboren, want het bloed des Heeren viel op hunne schuldige hoofden, om hen in het heilig doopsel te reinigen van de erfsmet en hen te maken tot kinderen Gods en erfgenamen des hemels; daar zijn zij geboren uit het water en den H. Geest; daar begon aan hen het groote geheim voltrokken te worden, waarvan Jesus tot Ni-kodemus sprak toen Hij zeide : Gelijk Mo zes de slang heef! opgeheven in de uwestijn, zoo moet de Zoon des mensehen worden opgeheven, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar het eeuwig leven hebbe. Zij zijn opgevoed onder het kruis: want het kruisteeken werd hun in hunne eerste jeugd geleerd ; in huis, in de kerk, overal stond het kruisbeeld voor hunne oogen : hun geloof, hunne hoop, hunne liefde werden opgewekt door de aanhoudende prediking van den gekruisten Jesus. Indien er nog een vonk van bovennatuurlijk leven in hen is, zij danken het aan het kruis des Heeren ; indien zij levend water uit de bronnen des Zaligmakers schepten ; indien zij genezing voor hunne zielewonden, sterkte voor hunne geestelijke zwakheid zich verwierven, alles ontsprong aan den voet des kruises. Met hoeveel recht, hoe beteekenisvol vertoont de H. Kerk op Goeden Vrijdag het kruisbeeld aan de verzamelde geloovigen, hun toeroepend, en tot drie keeren herhalend: Zietdaar het hout, waaraan het heil der wereld gehangen

-ocr page 284-

272

heeft, komt, laat ons aanbidden. Waar is de christen, die den zin dezer roerende plechtigheid niet vat, die dan niet ontroert en tot in het binnenste zijner ziel bewogen wordt ? Maar, helaas! duizende begrijpen den gekruisten Jesus niet, zij dobbelen onder 's Heeren kruis! Ja, zij gelijken op de soldaten, die onder het kruis, in scherts of in gekijf, de kleederen des Heeren verdeelden, want zij zijn even ongevoelig als deze voor het lijden van Jesus, wiens bloed nog onophoudelijk voor hen vloeit in de genademiddelen der Kerk, wiens kruis hun steeds getoond en gepredikt wordt. Indien zij schreien, indien hun hart ontroerd is, indien zij in zak en asch gezeten zijn, gij kunt er op rekenen, dat zij niet aan het kruis van Jesus denken, maar dat een tijdelijk nadeel, een verlies van de goederen dezer aarde hen kwelt. Zie hen zwoegen en tobben, arbeiden en zorgen om tijdelijk goed te behouden en te vermeerderen. Hunne beste uren hun krachtige leeftijd, ja, zelfs hun hooge onderdom worden uitsluitend aan het vergankelijke besteed. Spreek hun van de waarheid, waarvoor Jezus zijn leven gaf, van de genade, die uit de wonden des Heeren ons ontsprong, van de onvergankelijke rijkdommen ons door den dood des Heeren verworven, gij verveelt hen, zij hebben tijd noch lust om naar u te luisteren; wat geld afwerpt, groote winsten oplevert, schatten voortbrengt, dat alleen kan hunne belangstelling gaande houden. Nooit worden zij moede, daarover te spreken en na

-ocr page 285-

273

te denken. Zelfs dan, wanneer Jesus tijdens de H. Mis, op het altaar nederdaalt om ons zijne wonden en zijn bloed te toonen, en ons te verhalen hoe Hij ons ten einde toe heeft bemind, pijnigen zij hun hoofd met zorgen over tijdelijk gewin.

De oogenblikken, waarop Jesus in de H. Mis, zijne smeekende handen ten hemel richt, opdat de verdiensten van zijn lijden in kostr bare gaven ons worden medegedeeld, die oogenblikken vervelen hen nog; koud en gevoelloos staan zij daar bij het kruis, en, ofschoon zij rne: hunnen goeden Meester niet mede bidden, zij verlangen naar het einde van het ontzaggelijk offer, omdat de aardsche zorgen hen kwellen en drijven naar hunne beuzelachtige werkzaamheden. Zij vinden niet alleen geen tijd voor het gebed, voor vrome oefeningen, heilige overwegingen en het lezen van een goed boek, maar zoozeer zijn zij verblind, dat zij den spot drijven met elkeen die godvruchtig opziet tot het kruis, die den kruisweg houdt, zijn gebed spreekt in aandacht neergeknield voor het kruisbeeld, of de H. Mis gaarne bijwoont om met Jesus' liefde en kruis zich bezig te houden. Wat doen zij anders dan dobbelen onder het kruis ? Zie Jesus daar in vreeselijke smarten hangen. Hij zwijgt, maar zijne wonden en smarten herhalen ons het woord, 't welk eertijds van zijne goddelijke lippen vloeide, zij roepen ons luide toe : If'af baat het den mensch, indien hij de geheele wereld wint, wanneer hij schade lijdt

18

-ocr page 286-

274

aan zijne ziel r De hebzuchtige christenen verstaan het niet, zij begrijpen niet dat de waarheid, voor welke Jesus sterft, meer waarde heeft dan alle schatten der aarde ; zij begrijpen niet, dat de goddelijke genade een edelgesteente is, dat men ten koste van alles moet bewaren. Jesus is hun in zijn sterven niet minder onbegrijpelijk als Hij voor de soldaten was ; even als deze staan zij onder het kruis, en zien niet op, zij verdeelen er de kleederen, dat is : de aardsche goederen. Zij zullen lachen en juichen, wanneer een goed deel hun te beurt valt, zij zullen vloeken en toornen, indien het geluk hun niet gunstig is.

O, wanneer Jesus een anderen troon gekozen had dan het arme en smartelijke kruis •, indien Hij eene schitterende vorstenkroon droeg; indien zijne handen gevuld waren, niet met den prijs van zijn kostbaar bloed, maar met de goederen der wereld, hoe aandachtig zouden zij nederknielen, hoe smeekend tot Hem opzien, hoe geduldig zouden zij wachten, totdat zij een weiwillenden blik en eene ruime belofte van Hem ontvangen hadden. Maar nu heeft het gebed voor hen geen waarde, is het bezoek van Jesus hun , louter tijdverlies, en somtijds schamen zij zich niet op spot-tenden toon te zeggen, dat de mensch van de vreeze des Heeren niet leven kan. Zie, hoe zij dobbelen onder het kruis ! Zij begrijpen zelfs niet, dat men somtijds eene tijdelijke winst moet derven, om zijne ziel niet

-ocr page 287-

275

met onrechtvaardigheid te bezoedelen. Zij staan onder het kruis en gaan er, om tijdelijk gewin, verbintenissen aan, die de ziel in de boeien van Satan brengen; zij staan onder het kruis, en om hunne onrechtvaardigheden te ver-schoonen, schamen zij zich niet, in het aangezicht van den stervenden Jesus te zeggen : die in de wereld vooruit wil, kan zoo nauwgezet van geweten niet zijn.

Ook gij, lieve lezer, staat onder het kruis van Jesus. Hoe staat gij daar ? Ofschoon ik u volstrekt niet wil rangschikken onder de hebzuchtigen, het zoude toch wel mogelijk zijn, dat gij u iets in dit opzicht te verwijten hadt. Vestig eens uwe aandacht op de soldaten, die de kleederen des Heeren verdeelen; barmhartigheid en medelijden zijn geheel bij hen uitgedoofd, zij hebben oog noch hart voor alles wat Jesus lijdt. Tot zelfs de kleederen, die zij verdeelen, verkondigen hun het onmetelijk lijden des Heeren, maar het wekt hunne aandacht niet. Indien de hebzucht eenige heerschappij over u voert, dan hebt gij ook in meerdere of mindere mate de gevoelloosheid der soldaten nagevolgd. Jesus vraagt u wel is waar geen water om zijn dorst te lesschen, zoo als Hij het aan de soldaten vroeg, maar Hij zegt u toch : Wat gij den minsten der mijnen gedaan hebt, dat hebt gij aan mij gedaan. In den persoon der armen komt Jesus tot u. Hij vraagt door hunnen mond uw medelijden, uwe barmhartigheid en hulp. Hebt gij niet geweigerd ? Men vindt

-ocr page 288-

276

somtijds Christenen, die volstrekt niet ongevoelig schijnen voor Jesus, zijne liefde en zijn lijden ; die de zonde haten en ook veel doen en laten ten einde niet in zonde te vallen, doch wat de barmhartigheid aangaat, daarvan schijnen zij geen begrip te hebben. Wanneer zij het lijden van Jesus overwegen, zijn zij bedrukt, dat de goede Verlosser zoo weinig deelneming vond ; wanneer zij de koude onverschilligheid, de verachting en den haat opmerken, waaamede Jesus in de uren des lijdens bejegend werd, dan betreuren zij het, dat zij er niet bij tegenwoordig waren, zij zouden den Verlosser eenige vergoeding hebben aangeboden. Hèbt gij ook zulke gevoelens in uw hart gekoesterd ? Welaan, lieve lezer, de goede Jesus wil uwe begeerten voldoen ; Hij komt tot u in den persoon der ongelukkigen en armen; Hij nadert tot u hongerend en dorstend, arm, ziek en verlaten. Toen Hij hing aan het kruis zweeg Hij en uiterst zeldzaam kwam er eene klacht uit zijnen mond, doch thans komt Hij tot u, schreiend, klagend, uwe hulp inroepend door den mond der ongelukkigen : wees dan niet ongevoelig, zoo als de soldaten, maar geef en kom te hulp naar uw beste vermogen. En als gij later voor zijnen rechterstoel staan zult, om rekenschap van uwe daden af te leggen, gij zult met vertrouwen kunnen zeggen : Heer, ik stond onder uw kruis en weende, ik zag uwen honger en dorst, uwe armoede en smarten, en was bewogen tot in

-ocr page 289-

277

het diepste mijner zie). Welaan, laat ons nu nederknielen voor het kruis, laten wij ons zeiven onderzoeken en heilzame besluiten vormen.

-ocr page 290-

Dinsdag na Passie-Zondag.

Unus autem de his, qui pendebant latronibus, blasphemabat eum.

Luc. XXIII : 39.

• Ook een van de moordenaars, die daar hingen , lasterde Hem.

Met Jesus worden twee moordenaren gekruisigd, de een aan 'stleeren rechter- de andere aan zijne linkerhand. Zoodat de Schrift vervuld werd die zegt ; en met de boosdoeners is Hij geteld. Ook hier derhalve was de vinger Gods, die vooraf had bepaald hoe Jesus sterven zou. Hadden 's Heeren vijanden eertijds gezegd : Hij ontvangt de zondaren en Hij eet met hen. thans zien zij, dat Hij in het gezelschap der boosdoeners sterft. In hunne verblinding zagen de Joden evenwel niet, dat Jesus het laatste even vrijwillig deed als het eerste; zij schreven het aan hun eigen haat toe, dat Jesus tusschen twee moordenaren hing ; wij weten beter, laat ons dan met godsvrucht het groote geheim overwegen, 't welk ons hier getoond wordt.

-ocr page 291-

279

Wanneer Ik van de aarde zal opgeheven zijn, zal Ik alles tot Mij trekken, zoo heeft Jesus gesproken, en hier zien wij, hoe Hij zelfs groote booswichten trekt. Het was eene onwaardeerbare gunst, die aan de moordenaren gegeven werd ; aan de zijde van Jesus en met Jesus te mogen sterven ! zie eens, hoe Jesus zijne armen beschermend naar de ongeluk-kigen uitstrekt; hoe Hij de laatste droppelen van zijn kostbaar bloed vermengt met het onreine bloed der moordenaren; hoe Hij hen bijstaat, troost, sterkt en opwekt door zijn onuitputtelijk geduld, zijne zachtmoedigheid en heilige onderwerping. Zij lijden veel, onbeschrijfelijk zijn hunne smarten; doch hun hoofd draagt geen doornenkroon, hunne ledematen zijn niet verscheurd, en wanneer er niemand ook hun eenig medelijden betoont, men bespot en vervloekt hen toch niet in hun uiterste. BarabbaS' is om Jesus' wille vrij gelaten, maar hadde hij geweten hoe groot een geluk aan deze twee moordenaren geschonken werd, hij zoude hen benijd hebben. Zie eens, hoe de goede Meester het bitterste deel van den lijdenskelk voor zich behoudt. Ja, ook zij lijden veel, maar millioenen christenen, die nooit aan zware misdaden zich schuldig maakten, zouden het als een groot geluk beschouwd hebben, indien zij aan Jesus' zijde den dood dezer moordenaren hadden kunnen sterven.

Welk een gebruik maakten de moordenaren van eene zoo buitengewone gunst ?

-ocr page 292-

280

Daar hing aan Jesus' linkerhand een booswicht, die, hoewel rechtvaardig veroordeeld en overtuigd van zijne schuld, ontoegankelijk bleef voor de edele gevoelens van inkeer en berouw. Hij vervloekte zijne rechters, zijne beulen en zijn kruis. Als een getrapte worm kromp hij ineen van smart en doodsangst, maar hij vloekte de hand der gerechtigheid die op hem drukte ; hij vloekte den arm der barmhartigheid, die zich tot hem uitstrekte. Het geduld, het stilzwijgen, het zoete gebed van Jesus, die riep : Vat/er vergeef het hun. want zij weten niet wat zij doen, boesemden hem een afkeer in, want toorn, haat en nooit beweende misdaden koesterde hij in zijn hart. Hij zondigde in de schaduw van zijns Verlossers kruis en in het aangezicht des doods! De zwakste begeerte om in onderwerping de welverdiende straf te ondergaan, bleef hem vreemd. Geene vergeving der zonde, 'geene verzoening met God werd door hem gewenscht. Indien hij iets zal vragen, dan is het verlossing van het kruis, bevrijding van den dood en verlenging des levens, niet om daarna andere wegen te bewandelen, maar om zijne misdaden te vermeerderen en een nog groo-ter booswicht te worden.

Kortom : aan 's Heeren linkerhand vindt gij een mensch, zooals men nauwelijks ge-looven kan, dat er gevonden worden, een mensch verhard in de boosheid en onboetvaardig ten einde toe. Noch de slagen der gerechtigheid, noch de verschrikkingen des

-ocr page 293-

281

doods, noch het roerendste voorbeeld van geduld en onderwerping, noch de meest buitengewone genaden, welke Jesus hem aanbiedt, maken indruk op zijn versteend gemoed. Hij lasterde tot in zijne laatste oogenblikken, hij lasterde zelfs de barmhartigheid Gods. Zie, hoe hij in de diepste verachting, zijn oog op Jesus werpt. Het geduld des Heeren ergert hem, het zwijgen van Jesus verbittert hem, de zachtmoedige liefde van het goddelijk Lam wekt zijne gramschap op. Indien Gij, zoo spreekt hij spottend, dc Zoon Gods zijt, red dan U ze/ven en ons.

Wat in het hart van vele stervenden omgaat is meestal een geheim; het is evenwel zeker, dat het Kruis des Heeren, 't welk men hun in de laatste oogenblikken toont, niet op allen denzelfden indruk maakt. Aan allen predikt het boetvaardigheid, geduld, onderwerping en tevredenheid met Gods wil, tot allen spreekt het woorden van barmhartigheid, verzoening en vrede, maar niet allen zien met oprecht berouw, vurige godsvrucht en innige liefde tot Jesus op. Lieve lezer, indien ik u zeide : God behoede u voor verblinding en verstoktheid des gemoeds, ik zou geen slechte wensch uitspreken, maar ik begeer toch iets beters voor u ; ik wensch u van ganscher harte, dat gij in de oogenblikken van den bangen en laatsten strijd al uwen troost moogt vinden in de wonden van Jesus, dat gij, met de oogen op het kruis, in heilige blijdschap lijden en dood aanvaarden

-ocr page 294-

282

moogt uit Gods handen, dat het kruis van Jesus u thans reeds leere om zoo te sterven, dat gij allen, die u op uw sterfbed verplegen en bezoeken, moogt stichten door die stille onderwerping, dat blijmoedig geduld en dien geest van boetvaardigheid, welke den dood der rechtvaardigen kostbaar maken in Gods oogen, en benijdenswaardig in de oogen der menschen.

De moordenaar was een groote booswicht, maar de genade hem geschonken was meer buitengewoon dan zijne misdrijven het waren; hij stierf, toen Jesus voor hem zijn kostbaar bloed vergoot; hij stierf aan 's Heeren zijde, die in oneindige liefde hem trok. Daarbij had hij den dood in al zijne verschrikkingen voor oogen, hij zag daghelder, dat er aan geen redding te denken viel. Ook was hij geheel verlaten, niemand gaf hem eenig uitzicht op troost en verkwikking, uitgenomen Jesus, en toch wendt hij afkeerig het hoofd van Jesus af; hij vloekt en lastert! In dezen moordenaar zien wij, hoe de mensch Gods goedheid en liefde kan weerstaan. Maar vergeten wij ook niet, hoe de moordenaar tot dit uiterste der boosheid gekomen is. Een lange keten van misdaden, die zijn hart als ontoegankelijk maakten voor de edele gevoelens van zachtmoedigheid, vreeze des Heeren en berouw, sleepte hij met zich mede en bracht hij tot op het kruis. Hij was volstrekt onbekend met de roerende waarheden en deugden, welke het Kruis' van Jesus ons verkondigt.

-ocr page 295-

383

Wilt gij, lieve lezer, een zeker middel om op het sterfbed door het Kruis des Heeren getroost en gesterkt te worden, draag zorg, dat het kruis u niet vreemd zij in uwe gezonde dagen; sla dikwijls een blik van godsvruchten liefde op uwen gekruisten Jesus; bewaar in uw hart en overweeg met aandacht alles, wat het kruis des Heeren u verkondigt, en vooral: omhels het kruis, wanneer het op uwe schouders gelegd wordt in tegenspoeden en smarten, die ook u zullen treffen. Wanneer wij nu reecis morren en klagen bij eiken tegenspoed, dien de Heer ons overzendt, wanneer wij nu reeds in ontevredenheid vragen : waarom zoude ik die ziekte, dien tegenspoed, dat lijden meer verdiend hebben dan anderen, wat heb ik misdaan dat God mij zoo bezoekt ? Indien wij ons thans aan Gods ondoorgrondelijke raadsbesluiten niet willen onderwerpen, maar onzen wil aan God pogen op te dringen; indien wij thans bidden niet om geduld en onderwerping, maar om verlossing uit de kwellingen; zie, dan bewandelen wij den weg, waarop wij den onboetvaardigen moordenaar in zijn doodsuur aantreffen; hij zeide : red u zeiven en red ons.

Voor ons waren het lijden, de smart, de kwelling en de dood, want wij zijn zondaren, voor Jesus de vreugde, de glorie en het leven, want Hij zelf is de oneindige vreugde, de onvergankelijke schoonheid en het leven. Nochtans, Jesus is aan ons in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonden. Het was veel.

-ocr page 296-

284

dat Hij de zondaren ontving en met hen aan tafel zich nederzette; maar dit voldeed zijne goedheid niet. Met de zondaren wilde Hij sterven, opdat de dood zoet, aangenaam en blijde voor ons zondaren zijn zou. Jesus heeft tusschen twee boosdoeners willen sterven, ik behoef dus niet meer te vragen of zijn kruisbeeld, wel in de handen van een stervenden zondaar past. In tegenwoordigheid der zondaren heeft Jesus den bitteren dood geproefd, door zijn voorbeeld wil Hij dan ons zondaren opwekken, in heilige onderwerping den dood te smaken.

Lieve lezer, slechts eenmaal zullen wij sterven, wij kennen noch dag, noch uur; niemand geeft ons de verzekering, dat ons de gelegenheid zal gegeven worden om ons stervend oog op het kruis van Jesus te vestigen; doch nu reeds, in onze gezonde dagen kunnen wij aan Jesus' zijde sterven, wij kunnen, met den apostel ons oog op den gekruisten Jesus steeds vestigend, in ons zeiven aanvullen wat er ontbreekt aan het lijden des Heeren : onze navolging. Dat het kruis van Jesus onze leermeester, onze trooster en onze vriend zij ; onze leermeester, die ons geduld, onderwerping en tevredenheid met Gods wil onderwijst, onze trooster, die, wanneer het lijden zwaar en drukkend wordt, ons herinnert aan den goeden Jesus die geleden heeft, om ons lijden kostbaar en verdienstelijk te maken en om met innig medelijden onze zuchten te aanhooren en onze tranen af te droogen; onze vriend.

-ocr page 297-

285

die getuige is van al ons lief en leed, omdat wij, neergeknield aan zijnen voet, de geheime angsten en kwellingen van ons hart openbaren. Laat ons gemeenzaam omgaan met Jesus' kruis, dan zullen de tegenspoeden en smarten van onze ballingschap ons niet ter nederslaan, in de wonden van Jesus zullen wij opwekking en kracht vinden ter beoefening van alle christelijke deugden, inzonderheid van geloof, hoop, liefde en boetvaardigheid; het kruis zal ons den sleutel geven voor al de raadselen dei-goddelijke Voorzienigheid; geen ziekte of tegenspoed, geen lijden of droefenis, geen bedreiging of gevaar, zelfs de dood zal ons niet ontstellen, want het kruis heeft ons geleerd hoe nuttig en noodzakelijk het lijden voor ons is. En wanneer God ons dan later de genade schenkt, om met volkomen kennis, gesterkt door de heilige Sacramenten, de eeuwigheid in te gaan, wij zullen het kruis als een oude kennis en een getrouwe vriend in onze stervende handen vatten; wij zullen zijne stille en roerende taal verstaan; onderwerping en geduld, nederige gehoorzaamheid, hartelijk berouw, levendig geloof, vast vertrouwen en vurige liefde, deugden, die het hart van den stervenden christen tot een eeuwigen tempel des Heeren wijden, zullen in ons binnenste bloeien, wanneer wij den laatsten kus op de wonden des Heeren drukken.

O, lieve Jesus, duizendmaal dank, dat Gij met ons zondaren hebt willen sterven. Voltrek in mij wat Gij met zooveel goedheid begon-

-ocr page 298-

ase

nen hebt en geef, dat ik steeds gemeenzaam omga met uw heilig kruis, dat ik in alle lijden mijn oog op uw kruisbeeld vestige, dat ik in de schaduw van uw kruis dagelijks mij on-derwerpe aan Gods heilige beschikkingen en mij zonder ophouden oefene in die deugden, welke uw kruis leert en opwekt, in die deugden, welke mijn dood kostbaar maken in uwe oogen. Amen.

-ocr page 299-

Woensdag na Passie-Zondag.

Amen dico tibi ; hodie mecum eris in

paradiso. Luc. XXII : 43.

Voorwaar Ik zeg u : heden zult gij met Mij zijn in het Paradijs.

Ook een der moordenaars, die daar hingen, lasterde Hon en zeide: indien Gij de Christus zijt, red U zeiven en ons! Doch de andere antwoordde en bestrafte hem, zeggende: vreest ook gij God niet, daar gij toch dezelfde straf ondergaat r En wij zeker met recht, ivant wij onh'angen wat onze daden verdienen; maar deze heeft niets kwaads gedaan. En tot Jesu% zeide hij: Heer! gedenk mijner, als Gij in uw Rijk zult gekomen zijn ! En /esus sprak tot hem : voorwaar Ik zeg u ; heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.

Overheerlijke getuigenis, die de andere moordenaar aflegde ! Jesus is onschuldig zegt hij ; maar hij gaat nog verder: Jesus is Heer van het Hemelrijk, zoo belijdt hij, want hij roept Jesus' barmhartigheid in, niet voor den

-ocr page 300-

288

tijd maar voor de eeuwigheid. Waarom zag deze moordenaar, wat zelfs de priesters en schriftgeleerden, wat de Joden niet zagen ? Het is toch zeker, dat de Joden veel meer teekenen gezien hebben dan de moordenaar. Deze heeft Jesus waarschijnlijk het eerst ontmoet op den lijdensweg, toen Hij, van schoonheid en gedaante beroofd, de uiterste zwakheid vertoonde. Konde de moordenaar toen nog de teekenen van Jesus' grootheid en heerschappij onderscheiden, waarom konden de Joden dit niet, zij waren toch getuigen geweest van vroegere wonderen, zij hadden den Verlosser op den ganschen lijdensweg gadegeslagen, terwijl door niets hunne aandacht werd afgeleid ?

De moordenaar opende zijn hart voor de goddelijke genade, hij werd boetvaardig; zijn medgezel en de Joden volhardden daarentegen in onboetvaardigheid. Er is niets wat den mensch meer verblindt dan gehechtheid aan de zonde en onboetvaardigheid. Niet zelden maakt de onboetvaardigheid den geloovigen ongeloovig, hoeveel te meer kon zij de Joden verhinderen te zien, wat de boetvaardige moordenaar zag. Die de zonde doet. haat het licht en komt tot het licht niet.

Werp uwe blikken op dezen moordenaar. Hij lijdt onbeschrijfelijk veel, hij zucht, slaakt smartelijke kreten, krimpt ineen van pijn; hij keert en wendt zich zooveel zijn toestand hem vergunt, doch te vergeefs zoekt hij eenige verpozing; elke beweging veroorzaakt hem

-ocr page 301-

289

nieuwe smarten, niemand troost hem of biedt hem hulp, en zijne smarten zijn zelfs te groot om naar de omstanders te zien en te luisteren; zijne pijnen dwingen hem om te kermen en met zich zeiven alleen zich bezig te houden. En toch denkt hij aan Jesus, verdedigt hij Jesus, want hij is boetvaardig. Laat ons aannemen, dat zijne misdaden gruwelijk en menigvuldig waren, want hij was een roover ; laat ons aannemen, dat hij, in de uitoefening van zijn schandelijk bedrijf, de boosheden vermenigvuldigde boven de haren van zijn hoofd, wij zien hier des te duidelijker wat de boetvaardigheid vermag en hoezeer zij den grootsten booswicht in een oogwenk kan verheffen boven duizenden, die niet zoo diep gevallen zijn. I,uister eens naar de edele taal, die hij spreekt. Hij hoort, dat ook zijn metgezel Jesus hoont en het lijden vloekt, 't welk hem rechtvaardig overkomt. Het is hem ondragelijk zulk eene taal stilzwijgend te aan-hooren; in diepe verontwaardiging voegt hij den onboetvaardigen toe : Hoe, gij vreest God niet, daar gij toch dezelfde straf ondergaat. Het is ontwijfelbaar dat wij met recht lijden, onze daden hebben het verdiend.

Wij lijden met recht, zegt hij, terwijl zijne haren te berge rijzen van smart, terwijl zijn gelaat de pijnlijkste trekken vertoont, en de toon zijner stem, die schuld belijdt, nog verraadt, hoe hevig de folteringen zijn ! Daar hangt hij, wachtend op den wreeden dood, die zeker, maar dreigend en met trage schre-

19

-ocr page 302-

290

den nadert; zijn hart is beklemd, zijne ademhaling moeielijk, en met inspanning kan hij nog eenige klanken voortbrengen, hij roept; wij lijden met rechlIs het wonder, dat hij in deze schoone gemoedsstemming Jesus kende, begreep en beleed als den Zoon Gods r Hij heeft zijn hart geopend voor de genade, die de Verlosser op onzichtbare wijze hem bood, hij heeft in de bitterheid des harten zijne schuld erkend, nu is het oogenblik daar, waarop Jesus zich geheel aan hem openbaart ! Nadat hij zijne schuld beleden had, wendde hij zich tot Jesus voor wien hij zijn hart reeds had ontsloten; Heer! zoo sprak hij. gedenk mijner, a/s Gij in uult; rijk zuil gekomen zijnHoe verkwikkend, hoe aangenaam was dit woord voor Jesus! Zou de goede Verlosser op zijn ganschen lijdensweg wel één woord gehoord hebben, 't welk Hem zoo groot een genoegen gaf als het woord van den boetvaardigen moordenaar r Ons hart wordt reeds geroerd, onwillekeurig neigt het zich in bewondering en liefde tot hem die zóó sprak in zijne smarten, wat heeft het minnelijk hart van Jesus niet gevoeld voor den moordenaar r ü, zie den goeden herder, die het verloren schaap met zoo veel zorg steeds zocht, met zooveel blijdschap opnam; zie den goeden vader, die den verloren zoon tegemoet snelt en aan zijn harte drukt; thans vergiet Hij zijne laatste bloeddruppelen voor den zondaar; hij kent slechts éénen angst ; dat de zondaar niet zal komen, zich niet zal

-ocr page 303-

291

werpen in zijne armen ; doch nu komt hij,, de zondaar, zijn hart is verscheurd van rouwe, gaarne wil hij erkennen, dat hij den aller-wreedsten dood verdient, in ootmoed en vertrouwen wendt hij zich tot den goeden herder, tot den minnenden Vader. Hoe zoet klinkt zijne stem in het oor des Vaders als hij zegt: Heer, ik lijd rechtvaardig, maar wees mijner gedachtig !

lieve lezer, indien gij uwen Verlosser kent, indien gij weet, wat Jesus voor de zondaren is, dan zal uw hart opspringen van vreugde wegens den troost, die de boetvaardige moordenaar aan den stervenden Jesus biedt. Te vergeefs had de goede Verlosser zijne armen tot de Joden uitgestrekt, tevergeefs had Hij hun betuigd, dat Hij bereid was hunne boosheid met de uiterste verschooning te behandelen, zij wilden niet in rouw tot Hem komen, zij dreven den spot met Hem, en hunne verbittering klom, naarmate Jesus zich uitputte in liefdeblijken ; doch daar opent de moordenaar zijnen mond; de boetvaardigheid treedt op van den kant, waar wij haar het minst verwachten, zij vertoont zich op de lippen, zij treedt voort uit het hart eens boosdoeners; en zie, wat is zij schoon, de edele boetvaardigheid, de oprechte bekentenis van schuld ! Ach, de armen van Jesus zijn aan het kruis geklonken, de goede Verlosser kan den rouw-moedigen niet omhelzen en drukken aan zijn hart, doch zijne stervende lippen zullen getuigen hoezeer Hij den rouwmoedigen lief-

-ocr page 304-

292

heeft : heden, zegi Hij, zult gij met Mij zijn in het Paradijs! Heden nog! Van het kruis in de rust, van de diepste schande in de heerlijkheid, van de vreeselijkste foltering in de eeuwige vreugde; meer dan een gastmaal zal voor den verloren maar teruggevonden zoon worden aangericht, hij zal deel hebben aan eene eeuwige bruiloft!

O, wat is de boetvaardigheid schoon ! zij maakt den grootsten booswicht tot een kind Gods; zij verandert den vloek des lijdens in een eeuwigen zegen; zij vlecht eene schitterende kroon uit de doornen van eene welverdiende straf; ^ij verkwikt het hart van den met bitterheid verzadigden Verlosser. De misdaden deden den moordenaar in schande klinken aan het kruis, maar de boetvaardigheid doet hem daar hangen als een belijder en sterven als een martelaar!

Zoodra de moordenaar zijne schuld erkende en in ootmoed de folteringen des kruises als eene rechtvaardige straf aannam, deed hij het werk der belijders, die in boete en versterving aan God vergeving vragen voor eigene en vreemde zonden. Zoodra hij zich wendde tot zijnen verstokten metgezel en dezen vermaande tot boete, deed hij het werk der belijders, die door woord en voorbeeld anderen opwekken tot bekeering.

Doch er is meer, de boetvaardigheid bezorgde hem de kroon der martelaren. Ofschoon de evangelisten het niet verhalen, wij moeten het aannemen, (want het ligt al te zeer voor

-ocr page 305-

293

de hand) dat de boetvaardige moordenaar in zijne laatste uren door de Joden vervolgd werd, wegens zijne openlijke belijdenis van Jesus. De Joden hoorden hem uitroepen, dat Jesus onschuldig was; zij zagen, hoe hij zich tot den Verlosser wendde. Hem erkennend als Koning van een onvergankelijk Rijk, hunne woede werd opgewekt, zij knarsten op hunne tanden, en, indien zij ook al geen middel gevonden hebben om de smarten van den boet-vaardigen moordenaar te vermeerderen, zij zullen ongetwijfeld door smaad en verguizing lucht gegeven hebben aan hunnen toorn.

Gelukkige boetvaardigheid, die zoo groote en schitterende kronen wist te veroveren in zoo korte oogenblikken ! Zie den moordenaar nu aan Jesus' zijde hangen, nadat hij zijn hart geheel had opengesteld voor de goddelijke genade en uit den mond van Jesus zoo groot eene belofte ontvangen had. Welk eene rust heerscht er in zijn hart, welk eene kalmte ligt er op zijn gelaat! Hij lijdt ontzettende smarten, doch zijn oog is niet van Jesus afgewend; alles, wat Jesus zegt of doet, troost, versterkt en bemoedigt hem, zijn hart is brandend van liefde, hij smaakt een geluk, dat hij nooit te voren heeft gekend. O, ware het ons gegeven geweest uit den allerzoetsten mond van Jesus gehoord te hebben : Heden zult gij met Mij zijn in het Paradijs'. Wij zouden ons een denkbeeld kunnen vormen van het geluk des moordenaars. Hoe liefelijk en medelijdend werd dit woord gesproken. Ja, het was de vader, die

-ocr page 306-

294

zijnen zoon aan den boezem drukte, maar aan den gewonden boezem; aan dat hart door zooveel droefheid doorboord, doch thans met zooveel blijdschap vervuld, wegens den terugkeer van den verloren zoon.

Lieve lezer, laten wij ons toeleggen op de boetvaardigheid. Te lang hebben wij deze fleugd veronachtzaamd. Zijn onze zonden dan zoo ver te zoeken, dat zij ons hart niet met rouwe kunnen vervullen ? Of heeft de Heer ons niet duizendmaal, en dikwijls op gevoelige wijze, herinnerd, dat er nog veel te boeten is ! Helaas, hoevele tegenspoeden ondergingen wij met weerzin, hoevele tranen stortten wij vruchteloos, hoevele smarten zijn wij zonder eenig nut doorgeworsteld, omdat wij niet wilden erkennen, dat God ons in zijne rechtvaardigheid kastijdde. Dat wij ons toch vernederen onder de machtige hand Gods: dat wij in oprechte rouwe tegen ons zeiven onze zonden belijden; dat wij ons toch nimmer verstouten te morren en te klagen alsof ons onrecht geschiedt, wanneer de hand des Heeren ons treft. Indien wij werkelijk de boetvaardigheid beoefenen dan zullen onze zonden helder staan voor onzen geest, in het lijden zullen wij God danken, dat Hij ons bij al de smarten nog tot verademing laat komen door ontelbare weldaden en dat Hij ons in zijne barmhartigheid niet behandelt overeenkomstig onze zonden. En als de Heer zijne slagen verdubbelt, wij zullen doen, wat de moordenaar deed, wij zullen ons lijdend gelaat tot het kruis

-ocr page 307-

295

van Jesus wenden en in ootmoedige onderwerping zeggen ; Heer. wees mij gedachtig in imlt; Rijk. Alsdan zal ook het antwoord van den goeden Jesus niet uitblijven, wij zullen hooren ; gij zult met Mij zijn. Rust, kalmte, heilige blijdschap zullen de eerste vruchten onzer boetvaardigheid zijn en eens zullen wij met de boetvaardige zondaren deel hebben in het Rijk van Jesus.

Overweeg welke gevoelens van ootmoedig berouw en bereidwillige boetvaardigheid in uw hart gevonden worden. Onderzoek met welke gevoelens gij tegenspoed en lijden uit Gods hand hebt aangenomen; of gij ook met den romvmoedigen moordenaar gezegd hebt: -u'ij lijden met recht; of gij ook in lijden, uw oog op het kruisbeeld vestigend, gezegd hebt; Heer gedenk mijner, in uw Rijk en ik heb genoeg. Vorm aangaande de boetvaardigheid die voornemens, die gij meent u te passen.

-ocr page 308-

Donderdag na Passie-Zondag.

Stabant autem juxta crucem Jesu mater ejus et . . . Joan. XIX : 55.

Bij het kruis van Jesus nu stonden zijne Moeder en . . .

Naast het kruis des Heeren stond zijne Moeder; onmetelijk was hare smart; een ieder die haar zag, kon in haar de Moeder kennen, welke leed met haren Zoon. Hoe bleek was haar gelaat, hoe vloeiden hare tranen, hoe diep bedroefd was hare houding! Geen woord kwam over hare lippen, geene klacht deed zij hooren ; zij was eene stervende gelijk en gansch verslonden door de smart. Zij zag, hoe de doornenkroon het hoofd van haren Jesus kwelde, en vermocht haar niet weg te nemen ; zij zag, hoe de verscheurde ledematen door een ruw hout werden gepijnigd, en zij kon geene verzachting aanbieden ; zij zag het gelaat van haren Zoon met bloed en stof overdekt, en zij kon het niet reinigen ! Hoe gaarne had zij het lichaam van Jesus gesteund, dat aan zoo wreede nagelen hing,

-ocr page 309-

297

hoe gaarne had zij Jesus' dorstende lippen gelaafd, maar zij mocht het niet!

Stel u eene teedere moeder voor aan het sterfbed van haar kind. Hoe put zij zich uit in liefderijke zorgen, om de angsten van haar kind te verminderen ! Wie zou het wagen de lijdende liefde der moeder te storen r Wie zou de handen der moeder durven binden, die nog het onmogelijke beproeven om het kind eenige verkwikking te bieden r Maria echter wordt door de wreedheid van Jesus' vijanden teruggehouden. Zij mag Jesus' wonden zien, maar op voorwaarde, dat zij geene helpende hand tot Hem uitstrekt; zij mag getuige zijn van Jesus' dood, doch onder beding, dat zij zwijgend de godslasteringen en verwenschin-gen hoore, waarmede men haren stervenden Zoon vervolgt. Het is haar slechts vergund te weenen en te sidderen over de smarten van Jesus, spreken mag zij niet, want elk woord van moederlijke liefde zou slechts voedsel geven aan de woede der Joden.

Wat het lijden van Maria buitengemeen vergrootte, het was hare kalme onderwerping, hare gelatene sterkte. Elke andere moeder zou hare kalmte, zelfs haar bewustzijn verloren hebben, zoodat het matelooze der smart juist de oorzaak ware geworden, dat de smart minder werd gevoeld. Waar vreemde vrouwen, dochters van Jeruzalem, niet meer in stilte konden weenen, maar in jammerklachten uitbarstten over het onmetelijk lijden des Hee-ren, daar bewaarde Maria hare kalmte, zwijgend

-ocr page 310-

298

stond zij naast het kruis van Jesus en overzag met schreiende oogen het gansche lijden van haren Zoon. Elke doorn, die Jesus' hoofd doorwondde, doorstak het hart der Moeder; de wreede nagelen deden haar sidderen. Jesus' dorst en verlatenheid, Jesus' oneer en schande zag zij met helderen blik; geene vervloeking, geene godslastering werd tegen Jesus uitgebraakt, waarvan Maria den vollen weerslag niet ontving. Naast het kruis stond Maria geheel verzwolgen in eene zee van lijden, maar toch in staat die uitgestrekte zee te overzien en hare gansche bitterheid te proeven. Maar wie zal ons de angsten en smarten van de teederste Moeder verhalen, de smarten, die zij leed onder het kruis van haren Goddelijken Zoon ?

De H. Geest vergelijkt Maria's smart bij een zwaard, 't welk haar hart doorboorde. Om de kracht dezer uitdrukking te begrijpen, moet gij u Maria voorstellen, terwijl het zwaard gericht is op haar moederlijk hart, liet zwaard dringt steeds verder door bij iedere vernedering, bij elke nieuwe foltering Jesus aangedaan, en als de Zoon aan het kruis geklonken en omhoog geheven is, is het hart der Moeder geheel doorboord; daar staat zij dan met volle bewustzijn de folteringen der wreedste wonde dragend.

Eene vrome overlevering verhaalt, dat Maria na de hemelvaart van haren Zoon gedurig nog de plaatsen bezocht, waar Jesus zoo smartelijk geleden had. Indien wij het voor-

-ocr page 311-

299

recht genoten hadden, Maria op deze vrome wandelingen te vergezellen, wij zouden beter begrijpen wat Jesus aan en Maria naast het kruis geleden hebben. Met welk een weemoed, onder hoe groot een tranenvloed zou -Maria ons het lijden s'an Jesus beschreven, en de droefheid, de angsten der Moeder ons geschilderd hebben. Is het te verwonderen , dat de Kerk zoo schoon en aandoenlijk tot Maria zegt : Heilige Moeder, ééne bede ! Maak, dat de wonden van den gekruisten Jesus mijn hart doorboren, dat ik godvruchtig met u weene en dat de smarten van Jesus mij bedroeven zoolang ik leve : wil toch met mij de smarten deelen, die gij onder het kruis geleden hebt: met u naast het kruis te staan, mijne tranen met de uwe te mengen is mijn hartelijke, wensch.

Maria is niet slechts de Moeder, zij is ook de heiligste onder alle schepselen. Zij is de Moeder, omdat zij de heiligste en wederom de heiligste, omdat zij de Moeder is; van haar kunnen wij in elk opzicht het best lee-ren, wat ons te doen staat onder het kruis. Zag zij met de oogen des lichaams de wonden van Jesus, gevoelde zij met haar moederlijk hart al de folteringen van haren Zoon, zij zag met de oogen des geloofs, zij gevoelde met al de teederheid der bovennatuurlijke liefde door den H. Geest in haar hart uitgestort, wat door bijkans niemand gezien en gevoeld werd, en door geen enkele in die mate werd opgemerkt als door haar; zij zag

-ocr page 312-

300

en gevoelde de diepe gehoorzaamheid van haren Zoon jegens den hemelschen Vader, de blijmoedige offervaardigheid, waarmede Jesus voor de zonden der wereld ging sterven. Zij begreep de onmetelijke droefheid van Jesus over de zonden der wereld, en over de hardnekkigheid van het joodsche votk. Kortom : naast het kruis van Jesus gevoelde zij wat er in Christus Jesus was. Met haren. Zoon was zij gehoorzaam en onderworpen aan den wil des Vaders, met Jesus bad zij voor het heil der wereld en de bekeering der zondaren, met Jesus betuigde zij den Vader eene diepe droefheid over de snoodheid der zonde, met Jesus leed zij en gevoelde zij al de angsten des doods. Kal-varië was voor haar de berg der bittere myrrhe en van den geurigen wierook; want zij leed er de hevigste smarten en bad er haar schoonste gebed, terwijl zij haren Zoon voor het laatst den Vader aanbood als het aangenaamste offer.

Zie dan Maria naast het kruis van Jesus. Welke schoone gedachten, welke verhevene gevoelens bezielen haar, terwijl zij onder een vloed van tranen al de bitterheid des lijdens proeft! In heilige verrukking ziet zij Jesus eene oneindige eer en glorie aan den Vader brengen, zij bidt mede met haren Zoon en verslonden door den geest der liefde, ziet zij Jesus met onmetelijke liefde alles ten offer brengen; ook zij brengt haar groot offer met eene liefde zoo als er geene tweede bij eenig schepsel gevonden wordt. Onder alle schep-

-ocr page 313-

301

selen, zelfs de engelen des hemels niet uitgezonderd, is er geen, dat Jesus begrijpt zoo als Maria. Zij verstaat elk woord van haren stervenden Zoon, elk woord van Jesus brengt haar in de hoogste verrukking van aanbidding, dankbaarheid en liefde. Wanneer wij de leerlingen die naar Emaus opwandelen, hooren zeggen : JVas ons hart niet brandend in ons ; terwijl Hij op den weg sprak en ons de Schrift verklaarde: dan kunnen wij ons tenminste een Hauw denkbeeld vormen van den heiligen brand der liefde, die elk woord van Jesus in het hart der Moeder ontstak, toen zij naast het kruis stond en weende. Ja, hoe onmetelijk ook de smart der Moeder was, zij genoot niet slechts het voorrecht met volle bewustheid uit den kelk der smarten te drinken, en het Goddelijk Lam te aanschouwen, 't welk uitgestrekt op het altaar des kruises den Vader het oneindig offer opdroeg, maar ook het onwaardeerbaar voorrecht met helder oog een diepen blik te werpen in het ootmoedig, geduldig en minnend hart van Jesus. Maria begreep Jesus zoo als nooit eenig schepsel Hem begrijpen kan, zij verstond elk woord, dat Jesus stervende sprak, in zijn wonden, in zijne klachten, in zijne beden zag zij en de bittere myrrhe des Üjdens en den geurigen wierook van de allernederigste aanbidding. Zij leed veel, de bedroefde Moeder, zij leed onbegrijpelijk veel, maar niet minder heeft zij daar gebeden en met haren Zoon zich den Vader onderworpen.

-ocr page 314-

302

Wilt gij weten, welke gevoelens het meest uw hart behooren te sieren, wanneer gij voor het kruisbeeld nedergeknield, de wonden van Jesus beschouwt; wilt gij weten, welke gevoelens Jesus het liefst bij U opwekt, wanneer Hij, als het ware zijn kruis voor uwe oogen opslaat, dat is: wanneer Hij nederdaalt op het altaar om in uwe tegenwoordigheid het bloedig kruisoffer op onbloedige wijze te vernieuwen, ga dan in den geest naar Kalvarie, plaats u met Maria onder het kruis; Maria zal u door hare tranen, hare angsten en haar snikken leeren, hoe gij treuren moet over het lijden van Jesus, hoe gij al de wonden, al de vernederingen en smarten van uwen Verlosser moet opmerken; zij zal u leeren met hoe groot eene liefde het Lam Gods uwe zonden wegnam; door haar voorbeeld zal zij u toonen hoe gij u aan God te onderwerpen hebt, welk een eerbied u bezielen moet voor de oppermachtige Majesteit, die naar welgevallen over u beschikken kan, hoe gij den wierook van aanbidding en dankzegging vooral dan aan God moet opdragen, wanneer de myrrhe des lijdens uw hart met droefheid vervult.

Bij Maria stonden ook Joannes en eenige vrome vrouwen. Wat deden zij daar ? Geheel verslagen en ontroerd zagen zij den lijdenden en stervenden Meester; van tijd tot tijd wierpen zij ook een blik op de diep bedroefde Moeder en zij weenden zonder ophouden. Doch Maria boezemde hun moed en sterkte

-ocr page 315-

303

in. De Moeder leed duizendmaal meer dan zij en toch was zij zoo kalm en gelaten ! Zij zagen, hoe zij hare betraande oogen ten hemel sloeg en daarna in de volste onderwerping het hoofd boog; zij zagen, hoe zij sidderde over het lijden van Jesus en toch geheel verslonden bleef in het gebed; zij zagen haar doodsbleek gelaat, maar het was getint door den niet weer te geven bios van sera-fijnsche liefde ; kortom ; zij zagen Maria onder het kruis en hadden genoeg gezien om een geheel leven te besteden in het aankweeken der verhevene gevoelens, die zij in Maria hadden opgemerkt. Zij dachten- en herhaalden later dikwijls wat de Kerk ons thans leert bidden : Maak. o maagd der maagden, dat ik den dood van Christus drage, geef mij deel am zijn lijden, dat ik gewond door zijne wonden, verzadigd worde door het kruis en het bloed van uwen Zoon, opdat ik, na hier met u onder het kruis gestaan te hebben, door uwe hulp tot den palm der overwinning kome.

Morgen, lieve lezer, vieren wij het feest der zeven weeën van Maria; dat dit niet onopgemerkt voorbijga; laten wij reeds dezen middag, de eerste Vespers van het feest, en inzonderheid morgen de goede Moeder smee-ken, dat zij ons de genade verwerve van eene groote godsvrucht jegens het lijden des Heeren, de genade om met Paulus te kunnen zeggen : niets te we ten dan Jesus en Jestn gekruist.

-ocr page 316-

Vrijdag na Passie-Zondag.

Dicit mitri sua;: Muiier ecce filius tuus. Dei.ide dicit discipulo : ecce mater tua.

Joan. XIX : 27.

Hij zeide tot zijne moeder : vrouw zie uw Zoon. Daarna zeide Hij tot den leerling : zie uwe Moeder.

Bij het kruis van fesi/s nu stonden zijne Moeder en de zuster zijner Moeder, Maria van Kleophas. en Maria Magdalena. Toen dan Jesus zijne Moeder en den leerling, dien Hij lief had. zag staan, zeide Hij fot zijne Aioeder: Vrouw, zie uw Zoon'. Daarna zeide Hij tot den leerling: Zie, uwe Moeder'. En van dat uur af nam de leerling haar tot zich.

Wanneer alle geslachten der aarde zich vereenigen op Kalvarië en in stomme bewondering staren op het kruis van den stervenden Jesus, zij zullen het geheim der geheimen niet doorgronden, waarin de strenge rechtvaardigheid den zoeten vrede omhelst, noch de volle beteekenis vatten der woorden, die daar van 's Heeren stervende lippen vloeien; want elk woord is een stroom van licht en

-ocr page 317-

305

waarheid waarvan wij, nietige stervelingen, slechts een straaltje kunnen opvangen. Bij het kruis staat Maria. Hoewel in tranen badend, hoewel verzwolgen door eene zee van smarten, zij ziet, hoort en verstaat meer in één oogwenk dan wij allen te zamen na alles gewikt en gewogen te hebben. Groote Moeder ! Zij is omstraald door het licht van haren Zoon, haar blik peilt afgronden, die wij nauwelijks gissen !

Wij zien de leerlingen dikwijls onder elkander twisten over den zin van 's Heeren woorden, gedurig zien wij hen totjesus gaan om nadere verklaring te vragen, zoo deed Maria nooit; zij hoorde, verstond en bewaarde in haar hart, om in heilige overweging de rijke waarheid te proeven en te genieten. Op de bruiloft te Kana sprak Jesus eenige woorden. Voor een ieder, die ze hoorde, waren zij raadselachtig, voor Maria niet, geen twijfel kwam bij haar op, zij was overtuigd dat Jesus doen zou, wat anderen meenden, dat Hij geweigerd had. Ook op het kruis sprak Jesus eenige woorden tot Maria, slechts vier. want weinige zijn voor de Moeder genoeg, Vrouw, zie uw Zoon. zoo sprak Hij. Zoekt gij naar de beteekenis dezer woorden ? Bedenk dan, dat zij gesproken zijn niet tot u, maar tot Maria. Het was genoeg, dat Maria ze verstond, zij zal ze des noods aan Joannes en aan ons verklaren.

Hoe verstond Maria ze dan ? Zeker niet als een bekrompen mensch, die niet verder

20

-ocr page 318-

306

ziet, dan aardsche en stoffelijke belangen reiken ; ook niet zooals de getrouwe leerlingen, wier oogen nog te zwak waren voor zooveel licht en waarheid als er afstroomt van het Kruis. Aanschouw Maria. Hoe staat zij daar onder het Kruis ? Diepbedroefd, doch volkomen onderworpen, aanbad zij de raadsbesluiten der godf'elijke barmhartigheid en rechtvaardigheid. Zij zag het Lam Gods, op het smartelijk altaar uitgestrekt, voor het heil der wereld sterven; zij zag millioenen van alle tijden, stammen en volkeren gereinigd door het bloed van haren Zoon, 't welk nog aanhoudend druppelde aan hare voeten; deze millioenen zag zij niet slechts in den geest, zij vond ze reeds afgebeeld en vertegenwoordigd in Joannes, die naast haar stond ; hem zag zij nu reeds geteekend met het teeken van het goddelijk Lam; in den ijver van Joannes, in zijne onderwerping, in zijne maagdelijke kuischheid, in zijn ge.oof, zijne hoop en zijne liefde vond zij den leerling gevormd, opgekweekt en gevoed door de leer en het voorbeeld, het lijden en het bloed van haren Zoon; in Joannes, den apostel, eene grondzuil der Kerk, eenen vader der geloovigen, zag zij ook ons,.

Vraag dan aan Maria wat het woord van Jesus : Vroini), zie uw 'Zoon. beteekent. Zij zal u geleiden naar Kalvarië en u voeren onder het kruis, zij zal u Jesus wijzen, die doorwond, gevloekt en gehoond, zijne armen tot allen uitstrekt en biddend roept : Vader,

-ocr page 319-

307

vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen ; of zij zal u wijzen op den moordenaar, die nu zoo tevreden en blijmoedig lijdt, omdat hij uit den mond van Jesus hoorde : lieden 'zult gij met Mij zijn, in het Paradijs. Daar, zoo zal zij er bijvoegen, heb ik alles gevoeld, wat er in Jesus, mijn Zoon, was. Met Hem heb ik gesmeekt en gebeden : Ach. Vader, vergeef; in heilige verrukking heb ik zijn woord herhaald : Heden nog'. Ik deed er wat eene moeder doet voor schuldige kinderen : lijden, zwijgen, verschoonen en vergeven; ik deed er wat eene moeder doet, die het kind behouden heeft, dat zij reeds verloren waande : van blijdschap wee-nen en in moederlijke liefde den lieveling drukken aan het hart. Ook zag ik Joannes weenen en van angsten overstelpt, ik was diep bewogen over zijne droefheid, toen jesus tot mij zeide : Vrouw, zie uw Zoon. Dit woord was eene verklaring, eene bevestiging, eene goedkeuring van hetgeen ik bezig was te doen. Het was, als hoorde ik : .Moeder, wat gij doet, is welgedaan, het is een werk, dat uw stervende Zoon u achterlaat, dat gij op Kalvarie in zooveel smarten begint, om het in blijdschap voort te zetten ; u Moeder te betuigen van al mijne leerlingen.

Daarna zeide Hij tot den leerling •. Zie uwe Moeder. Ongetwijfeld was er, buiten Maria, niemand beter in staat, de beteekenis van dit woord te vatten, dan Joannes, tot wien het onmiddellijk gesproken werd. Hij toch zag

-ocr page 320-

808

van zoo nabij wat Maria leed, ter wille van het groote werk der Verlossing. Hoe kan hij Maria in die bange oogenblikken gadeslaan, hare tranen zien vloeien, hare moederlijke angsten aanschouwen, hare onderwerping en haar hemelsch geduld opmerken zonder in zijn hart eene liefde jegens Maria te gevoelen, die de teederheid en de kracht eener kinderlijke genegenheid had ? Joannes moest toch bij zich zeiven zeggen : ook om mijnentwille weent Maria en zij uit geene klachten ! Vriendelijk ziet zij de vijanden van haren Jesus aan, zij vergeeft en bidt; welke zorgvuldige blikken werpt zij op mij en toch ook om mij moet zij Jesus in zoo gruwzame folteringen zien r Het Lam Gods neemt de zonden der wereld niet weg, zonder dat het hart der Moeder wordt doorboord en toch houdt zij niet op met beminnen !

Kortom ; naast Maria stond de leerling; beide stonden in de schaduw des kruises, terwijl het volle licht der goddelijke waarheid hen omgaf. Mocht Joannes evenwel niet volkomen begrepen hebben wat de Heer bedoelde, toen Hij tot hem sprak : 7.oon, zie uwe Moeder. Maria was daar om het hem te verklaren, op eene even eenvoudige als krachtige wijze. Want de liefde, inzonderheid de moederlijke liefde, heeft geen woorden noodig om zich te openbaren, zij gaat van hart tot hart. Joannes beminde Maria, zooals een kind zijne moeder, alvorens Jesus sprak : Zoon. zie mve Moeder. Maria beminde Joannes, zoo als nooit eene

-ocr page 321-

309

moeder haar kind, alvorens zij Jesus hoorde zeggen ; Vrouw, zie uwen Zoon. Het woord van Jesus was slechts eene bevestiging, eene goedkeuring, eene laatste wijding der heilige banden, die Maria met den leerling verbonden, en die hare uitdrukking vonden in de kinderlijke liefde van Joannes, veelmeer nog in de moederlijke liefde van Maria.

Zie nu, hoe Maria de laatste en bondigste uitlegging van Jesus' woorden aan Joannes geeft. Zij zegt hem niet, ik ben uwe Moeder, gij zelf hebt het nu gehoord uit Jesus' mond. Neen, zoo spreekt eene Moeder niet. Zij omgeeft het kind met duizend zorgen, zij laat het lezen in haar minnend oog, zij koestert het met eene opmerkzaamheid, die alleen door eene moeder gekend wordt, en het kind antwoordt ; MoederZoo handelde Maria met Joannes. Zij kwam niet tot hem met klachten over hare armoede, verlatenheid en zwakte; Maria kende geen dergelijke klachten, zelfs niet onder het kruis. Zij sprak met Joannes over Jesus' lijden, zijne wonden en zijn dood; zij stelde hem gedurig voor oogen wat zij op Golgotha hadden gezien en gehoord; zij verhaalde en verklaarde met onnavolgbare teederheid wat zij van Jesus wist, en de leerling luisterde met onverzadigbare aandacht. Maria's gelaat schitterde van moederlijke voldoening, wanneer zij het hart van den leerling meer en meer ontvlamde in ijver en liefde tot Jesus; dan wees zij hem de geschiktste middelen om Jesus te dienen en te behagen; geen greoter genoegen voor de

-ocr page 322-

310

Moeder, dan dat zij den reinen leerling zag voortgaan van deugd tot deugd. De geheele omgang van Maria met Joannes, hare gesprekken, de toon barer woorden, de duizende zorgen waarvan de heiligste Moeder alleen de geheimen kende, waren zoowel eene verklaring als eene vervulling van het woord des Hee-ren ; Vrouw, zie uwen Zoon. Kinderlijke liefde, eerbied en vertrouwen bloeiden in het hart van den leerling steeds krachtiger op; hij had Maria tot zich genomen. zooals een kind zijne moeder; hij maakte haar deelgenoot van zijn lijden en strijden voor de glorie vanjesus; bij haar zocht hij raad, troost en verkwikking, zich dankbaar herinnerend aan het woord van den stervenden Meester : Zoon, sic uwe Moeder.

Gelijk Maria aan Joannes den zin vanjesus' woord verklaarde, zoo verklaart zij het thans aan ons. Want wij weten, lieve lezer, dat het ook voor ons zijne beteekenis heeft; wij weten dat Jesus in den persoon van Joannes zijne Moeder aan ons schonk. Indien gij echter vraagt, hoe Maria ons het woord des Heeren uitlegt, ik wijs u nogmaals op Maria's moederlijke zorgen. Nog steeds betoont zij zich de Moeder der vrome en heilige zielen, de toevlucht der ongelukkige zondaren, de troosteres der bedrukten, den bijstand der christenen. Zoo krachtig betoont zij zich aller Moeder, dat millioenen monden dagelijks tot haar roepen : Moeder ! In lijden en kwelling, in gevaar en bekoring, in droefenis en verlatenheid, in ziekten en dood herhalen zij het zoete woord

-ocr page 323-

311

van Moeder. Dat woord sterkt den zwakken en verheugt den sterken; het is een woord, dat zoo wel den angst van het kind, als zijne blijdschap uitdrukt. Nooit zal het sterven op de lippen der Christenen, omdat het kinderlijk gevoel jegens Maria niet te rukken is uit hun hart, en Maria zal nooit ophouden te antwoorden op den kreet van kinderlijke liefde en vertrouwen.

Lieve lezer, welke zijn onze gevoelens jegens Maria; hoe is onze omgang met haar? Wij zouden de liefde van Jesus niet volkomen begrepen hebben, indien wij uit zijne handen Maria niet tot Moeder hadden aangenomen. Laat ons thans eens nederknielen voor het kruis en Jesus beschouwen, die zijne smarten vergeet om aan ons te denken. Hij ziet ons zwoegen in arbeid en lijden, in bekoring en gevaren, in ziekte en dood, Hij ziet ons beangstigd, sidderend en weenend, zooals Hij Joannes zag bij zijn kruis; Hij opent dan zijn mond en herhaalt wat Hij met zooveel medelijden tot Joannes zeide : Zoon, zie uwe Aioeder. Laat ons Maria met warme dankbaarheid jegens Jesus aannemen, laat ons jegens Maria kinderlijke liefde eerbied en vertrouwen aankvveeken in ons hart. Ja voortaan zal Maria getuige, deelgenoote zijn van onze vreugde en droefheid, van onze hoop en vrees, van onze godsvrucht en ai onze werken. Vertrouwelijk zullen wij met haar omgaan, gedurig tot haar ons wenden, wij zullen altijd jubelen over hare voorrechten en hare glorie.

-ocr page 324-

Zaterdag na Passie-Zondag.

Et circa horam nonam clamavit Jesus voce magna dicens : Eli, E.i, lamina sabactani ? Malth. XXVII; 46.

En omtrent het negende ui.r riep Jesus met luide ^tem, zeggend; mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten :

Het was omstreeks twaalf uur in den middag, toen Jesus aan het kruis werd omhoog geheven. Zwijgend bracht Hij drie allersmartelijkste uren door; want slechts drie malen sprak Hij eenige woorden. Zichtbaar namen Zijne krachten af, men zag dat het uur van scheiden daar was. Men verwachtte dan ook niet meer, dat Jesus nog weder spreken zou, en scheen te betwijfelen, of Hij nog verstaanbare klanken kon voortbrengen, toen Hij omstreeks drie uren, dus kort voor zijn dood, wederom zijne stem deed hooren. Plotseling, geheel onverwachts, onderbrak Hij de diepe stilte, die toen zijn Kruis omgaf en die slechts gestoord werd, door de laatste spotternijen

-ocr page 325-

313

zijner vijanden. Hij onderbrak de stilte met een kreet, die volstrekt niet geleek op dien van een stervende; een kreet, die krachtig over Golgotha klonk en de aanwezigen deed sidderen. Hij riep met luide stem ; Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten r Geheimzinnige woorden ! Zij vorderen eene buitengewone opmerkzaamheid. Zalig de mensch, die ze begrijpt; want die van hunnen zin doordrongen is, zal niet meer zondigen.

In de eerste plaats moeten wij hier opmerken, dat deze woorden den aanhef wedergeven van den een en twintigsten psalm, die eene uitvoerige voorspelling en beschrijving inhoudt van het lijden des Verlossers en inzonderheid van den smaad en de smarten door Jesus op het kruis ondergaan. In dezen psalm wordt ons Jesus voorgesteld tot den Vader klagend dat men zijne handen en voeten doorboorde, dat men Hem vertrapte als een worm en behandelde als een verworpeling onder het volk, dat een ieder die Hem aanschouwde Hem hoonde, en spottend het hoofd schudde, dat men met wreeden wellust zijne wonden beschouwde en zijne beenderen telde, dat men zijne kleederen verdeelde en over zijn opperkleed het lot wierp ; dat men als woedende honden Hem omgaf en boosaardig Hem omsingelde. Den aanhef van dezen psalm, die door de Joden zeer goed gekend werd en dien zij beschouwden als eene voorspelling omtrent den Verlosser, sprak

-ocr page 326-

314

Jesus luide, om de Joden te herinneren aan de duidelijke voorspelling en om ben nogmaals te overtuigen, dat Hij het was, over Wien de profeten gesproken hadden. Hij sprak deze woorden evenwel niet alleen luide, maar met sterke stem ; Hij sprak ze uit op klagenden toon; Hij deed ze hooren als een kreet van smarte, opdat ze, doorgedrongen tot in het diepste onzer ziel, het voorwerp onzer godvruchtige overweging zijn zouden.

Om nu deze klacht des Heeren wel te vatten, moeten wij twee waarheden ons duidelijk voor oogen stellen. De eerste: Jesus lijdt niet in zijn goddelijken, maar in zijn menschelijken natuur; de tweede : Jesus lijdt niet wegens eigen schuld, maar wegens onsc zonden. Hij lijdt als Middelaar tusschen God en de menschen ; terwijl Hij door den Vader getroften wordt wegens de zonden der wereld, bidt, smeekt en klaagt Hij voor het heil der zondaren. Ofschoon Hij altijd de Zoon is, in wien de Vader zijn eeuwig eu onveranderlijk wrelbehagen gevestigd heeft, stelt Hij zich zooveel als mogelijk is in de plaats der zondaren, wier vloek Hij op zich nam. Daarom verschijnt Hij als een schuldige voor den Vader, daarom doet Hij boete als hadde Hij zelf het kwaad bedreven, daarom wendt Hij zich tot den Vader met eene klacht, die slechts in den mond des zondaars hare volle beteekenis hebben kan, in den mond van den verloren zoon, die zijne oogen niet durft op te heffen, wanneer hij om ontferming smeekt.

-ocr page 327-

315

Nog eene andere opmerking is hier noodig. Door Godverlaten zijn heeft eene betrekkelijke beteekenis; niemand kan in den volstrekten zin geheel van God verlaten zijn, want indien God zijne hand volkomen van het schepsel terugtrok, zou het ophouden te bestaan. Het verlaten zijn van God laat derhalve een meer en minder toe. Een zieke is in zoo verre verlaten van God, dat de bron des levens, welke God is, zoo mild niet meer voor hem vloeit; hoe meer de aardsche kwellingen stijgen, des te meer kan hij, die ze ondergaat, gezegd worden, door God verlaten te zijn, ofschoon hij een kind Gods kan zijn, en in andere opzichten duizendvoudige vergoeding van God kan ontvangen hebben, voor de tijdelijke kwellingen die hij ondergaat. Alsdan wordt het woord vervuld : dat God nooit dichter bij is, dan wanneer Hij zijn kind schijnt verlaten te hebben. Met welk een oneindig welbehagen zag de Vader niet op Jesus, toen de goede Verlosser door Hem was overgelaten aan de wreedheid zijner vijanden, toen Hij met wonden overdekt, gehoond, gevloekt en veracht daar voor het oog zijner haters hing aan het smadelijk kruis ! Hoe dicht was de Vader bij Jesus, toen Hij voor het oog der wereld geheel verlaten scheen. Heeft Jesus nu over deze schijnbare verlatenheid geklaagd ? Misschien, doch dan geschiedde zulks, om ons voor het laatst opmerkzaam te maken hoe ontzettend groot zijn lijden was, dan geschiedde zulks, opdat wij, van het kruis huiswaarts keerende, den kreet

-ocr page 328-

;3ic

van smarte, welke Jesus nog voor zijn scheiden deed hooren, diep in ons hart zouden prenten, om ons steeds te herinneren, hoe duur wij zijn vrijgekocht.

. Mijn God, mijn God. waarom hebt Gij Mij verlatenr Deze klachte heeft, zooals ik reeds opmerkte, hare volle beteekenis in den mond des zondaars. De zondaar is van God verlaten zooveel als een schepsel, 't welk op aarde leeft, zulks kan zijn. Er is een scheidsmuur opgetrokken tusschen God en den zondaar, elk vriendschappelijk \ erkeer tusschen God en den zondaar heeft opgehouden, de stroom der genade is door de zonde gestremd, de loutere barmhartigheid Gods kan den ongelukkigen nog de genade der bekeering doen toekomen en alzoo verhinderen, dat de scheiding eeuwig zij. Begrijpt de zondaar dit r Helaas, neen. De ondervinding leert dat hij meer treurt over tijdelijke rampspoeden dan over de grootste ramp, zijne scheiding van God door de zonde. Het geloof leert ons daarenboven, dat de zondaar zijn ongeluk niet begrijpen kan, zonder de verlichting van den H. Geest, welke reeds eene genade is van Hem, die den dood des zondaars niet wil, maar dat hij leve en zich bekeere. Welnu, Jesus bekleedt aan het kruis de plaats der zondaren, want Hij is daar onze Middelaar. Jesus ziet, wat de zondaar niet ziet, noch zien kan; Jesus ziet het ongeluk des zondaars in al zijne uitgestrektheid. Hij ziet het en siddert; Hij roept met een kreet van smarte : mijn God. mijn God. ivaaroni hebt Gij

-ocr page 329-

317

Mij verlaten, opdat wij, geschokt, geroerd en ontsteld, met Hem dien smartelijken kreet zouden herhalen. O bron des levens, Gij hebt mij geschapen, waarom wendt Gij het aangezicht van het werk uwer handen af ? Eeuwig licht, waarom is uw gelaat van mij afgewend, waarom breng ik mijne dagen in duisternis door ? Eenigste verkwikking, rust en vreugde mijner ziel, waarom ben ik thans een gruwel voor uw oog ? Heer, verbrijzel mij, maar verlaat mij niet; het is mij beter dat uwe hand zwaar op mij drukke dan dat Gij afkeerig uw gelaat van mij afwendt! Zonder U is alles leugen en duisternis, kwelling en eeuwige dood. O hoe bitter is het U door de zonde verlaten te hebben. Mijn God, mijn God, keer U tot mij, toon mij uw heilig gelaat. Zoo moet de zondaar zuchten, en om dergelijke klachten bij hem op te wekken laat jesus ons zijn kreet van smarte hooien.

Welk onderscheid is er tusschen de verlatenheid, waarin de zondaren zich bevinden en die, waarin de verdoemden der hel schreien en tandeknarsen ? — Het is dezelfde verlatenheid , behalve dat die der verdoemden den stempel der onveranderlijke eeuwigheid draagt. Welke hartverscheurende kreten gaan er steeds uit den eeuwigen jammerpoel op, zij dringen niet door tot onze ooren, wij verstaan ze niet, maar veel luider moest hier de zondaar roepen, dewijl er voor hem nog kans is om weder te keeren in de armen van God, dien hij zoo snood verliet. Wat baat het den rijke, die in

-ocr page 330-

ais

de hel begraven werd, dat hij de eeuwigheid door uitgilt; ik woni gepijnigd in de vlam ; wat baat het hem dat hij een lafenis vraagt, die hem altijd zal geweigerd worden, omdat hij de bron van het levend water voor altijd verlaten heeft ? Maar mochten de zondaren hier op aarde, de luide klacht van hun stervenden Verlosser hooren, dan zouden zij van alle zijden, over de gansche wereld en uit millioenen monden denzelfden jammerkreet doen opgaan; ieder zondaar zou sidderend^ en bevend uitroepen : A/i/n God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten

Ziehier nu, lieve lezer, waarom Jesus zoo luide en zoo smartelijk klaagt; Hij wil dat de zondaren Hem hooren en beven ; Hij wil dat zij gevoelen hoe bitter het is, door God verlaten te zijn. Gij zult dan nu ook begrijpen met hoeveel recht Jesus deze klacht bezigde. De volgende geschiedenis zal het u evenwel nog veel duidelijker maken. Kene zekere K.ananeesche vrouw kwam tot Jesus en riep Heer, Davids '/,0011, ontferm U mijner, mijne dochter wordt erg door den duivel gekweld. Daar Jesus haar geen antwoord gaf, vermenigvuldigde zij hare jammerkreten. Ten laatste naderde zij den Heer, viel voor Hem neder en zeide ; Heer. help mij. Hare dochter werd gekweld, doch in overmaat van moederlijke smart vroeg zij barmhartigheid voor zich zelve 1 hare dochter had behoefte aan 's Heeren hulp, maar (le moeder vraagt hulp voor zich, dewijl zij het

-ocr page 331-

319

lijden en den nood der dochter als eigen lijden en nood zich voorstelde. Aan het kruis vindt gij meer dan eene moeder. Indien eene moeder ongevoelig kon zijn voor het ongeluk van haar kind, Jesus kan niet ongevoelig zijn voor onze rampen ; want Hij is onze liefdevolle Middelaar. Hij droeg onze zonden als waren zij de zijnen. Hij beschouwt de verlatenheid der zondaren als de zijne. Wanneer de Kananeesche vrouw over het lijden harer dochter kon klagen op zulk een toon, dat het den schijn had alsof zij zelve de hevigste smarten leed. met hoeveel meer recht kon Jesus, jammerend over de verlatenheid der zondaren, uitroepen : Mijn GW, mijn God. waaroHi hebt Gij Mij verlaten r

Welaan, lieve lezer, sla uwe blikken op het kruis, hoor den hartverscheurenden jammerkreet uit den mond van den stervenden Jesus, dat die kreet doordringe tot het diepste uwer ziel, opdat gij levendig gevoelen moogt, hoe ongelukkig gij waart, toen gij in zonden leef-det; hoe ongelukkig gij zoudt worden, indien gij wederom tot de zonde u gingt wenden ; hoe diep ongelukkig, indien gij eeuwig van God verlaten werdt. Maar heeft Jesus zoo hartroerend geklaagd over het ongeluk der zondaren, dan wil Hij ook niet, dat wij ongelukkig zullen worden. Werp u dan met vertrouwen voor Hem neder en zeg ; o goede Jesus, verlaat mij nimmer.

-ocr page 332-

Palmzondag.

Po.stea sjieni Jesus quia omnia consummata sunt, ut consummaretur Scripiura, dixit, sitio. Joan. XIX. 28.

Daarna zeidc Jesus; wetend dat alles vervuld was, opdat de Schrift zou volbracht worden, ik heb dorst.

Ziedaar de eerste klacht van Jesus over zijne lichamelijke smart 5 Hij uit deze klacht, wanneer het reeds te laat is om de smart te verlichten /csi/s. ivetcudc dut cillcs vei ould was. zeidc : Ik heb dorst. Hoe ontzettend groot de dorst des Heeren geweest 1?, kan men afleiden uit de omstandigheden van zijn lijden. Sinds zijne gevangenneming is Hem niet de minste verkwikking in spijs of drank aangeboden, ook was Hem geen oogenblik eenige rust gegund, ontzettend groot was dus zijne vermoeienis. Voortgestuwd , geslagen , mishandeld, gekweld van zijne gevangenneming tot zijn jongsten snik, had Hij daarenboven uit ontelbare en allersmartelijkste wonden gebloed. Daar aanmerkelijk bloedverlies altijd dorst veroorzaakt, hoe groot eenen dorst moeten wij dan niet bij Jezus veronderstellen !

-ocr page 333-

321

Daarenboven, terwijl onbeschrijfelijke smarten, aan een verslindend vuur gelijk, zijne heilige ledematen verschroeiden, veroorzaakten zijne wonden brandende koortsen, die zijnen dorst steeds vermeerderden. Zijn mond is droog en dor geworden, zijne tong kleeft aan zijn gehemelte ; hooren wij Hem nog met sterke stem roepen : Mijn God, mijn God, waarom heht Gij Mij verlaten? wij moeten dien kreet aan een wonder der almacht toeschrijven, maar de almacht, welke Hem krachten schonk om zooveel voor ons te kunnen lijden, verminderde zijne smarten niet.

Waarom klaagde Jesus over zijnen dorst, terwijl Hij over al zijne andere smarten een diep stilzwijgen bewaarde? Dezen dorst, hoe ontzettend groot ook, is toch slechts een deeltje van het onmetelijk lijden des Heeren, een deeltje, dat voor ons oog verzwolgen wordt in de smarten van Jesus' lijdenskelk, en waarschijnlijk niet zou zijn opgemerkt, indien de Heer er zelf niet over gesproken had ! Waarom klaagt Jesus over den dorst, nu Hij tot het einde van zijn lijden gekomen is, en Hem de tijd ontbreekt om nog eenige lafenis te genieten ? De evangelist geeft ons het antwoord ; opdat de Schrift zou vervuld worden^ de Schrift welke zegt In mijn dorst hebben zij Mij met azijn gelaafd. Daar stond nu een vat met azijn. Jesus had er nog niet uit gedronken, dit ontbrak nog aan zijn lijden, Hij wil niet sterven alvorens alles vervuld geworden is. Hij zegt : Ik heb dorst.

21

-ocr page 334-

322

Overweeg dit, lieve lezer ; stel u Jesus voor, die in diepe gehoorzaamheid die lange reeks van smarten en kwellingen overziet, welke Hij geleden heeft. Alles is volbracht, slechts eene kleinigheid ontbreekt er nog; Hij wil niet wederkeeren tot den Vader, alvorens die kleinigheid vervuld is. Zijn stervend oog rust op het vat azijn, 't welk voor Hem staat. Sitio, zegt Hij, //■ /ie/gt; dorst, als wilde Hij verzoeken, dat Hem nu de laatste smaad mocht worden aangedaan. Het was dus niet de dorst naar water, die Jesus het meest kwelde, maar de dorst naar de vervulling van 's Vaders wil en naar onze Verlossing. Hier geeft Jesus de verklaring van een woord, 't welk Hij vroeger tot de leerlingen gesproken had en deze toen niet begrepen; van een woord, 't welk niet voldoende kon begrepen worden, alvorens men Jesus zag sterven aan het kruis.

Eens, het was nog in de eerste dagen van Jesus' openbare prediking, zat Jesus vermoeid aan Jacobs bron ter neder. De goede Meester had quot;honger en dorst, zijne leerlingen verwijderden zich om brood te koopen. lerwijl Jesus daar dan alleen gezeten is, komt eene Samaritaansche vrouw om water te halen. Jesus vraagt haar te drinken, doch onmiddellijk toont Hij aan die vrouw, dat Hij een dorst heeft, die niet door water gelescht wordt en die veel grooter is dan de lichamelijke : de dorst naar hare bekeering en zaligheid. Inmiddels zijn ook de leerlingen teruggekeerd.

-ocr page 335-

323

zij vonden Jesus in druk gesprek met de vrouw, doch den honger van Jesus kennende, boden zij Hem het medegebrachte brood aan, zeggende : Meester, eet nu. Jesus antwoordde hun ; Ik heb eene spijs te nuttigen die gij niet kent. Verwonderd zagen de leerlingen elkander aan en zeiden ; '/.oude Hein iemand te eten gebracht hebben r Jesus nu zeide hun: Mijne spijs is den wil te doen van Hem, die Mij gezonden heeft, opdat Ik zijn werk ver-vuile. Deze woorden bevatten wel is waar eene verklaring van 's Heeren honger en dorst, doch de leerlingen konden toen nog niet begrijpen hoe groot, hoe hevig die honger, die dorst was. Hetgeen de apostelen toen niet konden vatten, kan door u, lieve lezer, begrepen worden, indien gij aandachtig neerknielt voor het kruis des Heeren en het woord van den stervenden Jesus overweegt, 't welk Hij sprak, opdat de wil des Vaders in alles zoude vervuld worden. Hij dorstte niet naar water, maar naar den zuren azijn; Hij dorstte naar den laatsten smaad, dien de soldaten Hem zouden aandoen, opdat de Schrift vervuld werd; Hij dorstte naar den laatsten druppel uit den lijdenskelk Hem door den Vader aangeboden. Hoeveel smarten, hoeveel vernederingen en smaad had Hij niet gedronken en toch dorstte Hij nog, dewijl er een druppel ontbrak, de zure azijn, de versmading in zijn uiterste.

Jesus brandde van verlangen om in alles den wil des Vaders te volbrengen ; Hij brandde

-ocr page 336-

824

ook van begeerte naar de zaligheid der zielen. Als gij Hem opgeheven ziet, zijne armen uitstrekkend tot die Hem hoonen, biddend voor zijne haters, den rouwmoedigen moordenaar troostend met de schoonste belofte, die ooit eenig mensch uit den mond Gods hoorde, dan zult gij opmerken dat Hij het is ; de Verlosser der wereld; maar dan zult gij ook verstaan, wat Hij bedoelde, toen Hij in zijn uiterste riep ; Ik heb dorst, dan zult gij begrijpen hoe vurig Hij onze zaligheid begeert.

Daar staat een vat vol azijn; als de soldaten de klacht des Heeren hooren, springen zij lachend toe ; met bitteren spot doopen zij eene spons in den azijn en brengen haar door middel van eene hysopstengel aan 's Heeren mond. Zuurder drank heef'; Jesus nooit geproefd, want deze drank was de vrucht der onboetvaardigheid, der laatste versmading. Ach ! wat kostte het den goeden Verlosser van zoo vurig te beminnen en in zijne liefde niet begrepen, miskend te worden ! Zoo hartelijk naar de bekeering der zondaren te verlangen en hen onbekeerd te zien tot het uiterste toe!

Veronderstel eens, lieve lezer, dat Jezus u iets van zijnen geest mededeelde, iets van den geest des goeden herders, die zijn schaap met alle inspanning opzoekt, elk oogenblik bereid om voor hetzelve zijn leven te geven, Welk eene droefheid zou dan uw hart vervullen, wanneer gij de u zoo dierbare schapen

-ocr page 337-

325

zaagt verloren gaan, hoezeer zoudt gij hongeren en dorsten naar hunne bekeering, zoolang zij niet reddeloos verloren waren ! Begrijpt gij dit ? Begrijpt gij b. v. de tranen eener Monica, die jaren achtereen te vergeefs wachtte op de bekeering van haren Augustinus? Welnu dan hebt gij een flauw denkbeeld van den dorst, die Jesus verteerde, toen Hij, op zijn kruis reeds al zijn bloed vergoten hebbende, nog zoovele onboetvaardigen zag. Zie eens hoe medelijdend Hij ons aanziet; Ik heb dorst, zegt Hij; zoudt gij den boozen moed kunnen hebben van den zuren azijn aan 's Heeren verschroeide lippen te zetten ?

Ik ben overtuigd, lieve lezer, dat gij althans nu uwen Jesus niet meer verzadigt met den azijn der onboetvaardigheid en der doodzonde, maar hebt gij daarom het geheele verlangen van uwen stervenden Meester vervuld i Ook u ziet Hij aan, wanneer Hij klagend zegt ; J/i heb dorst. Zie eens op naar het kruis, zie welk eene liefde er blinkt in Jesus' stervend oog ! De goede Meester dorst naar uwe wederliefde; ja vurig wil Hij door u bemind worden, eene flauwe liefde kwelt en pijnigt Hem. Herinnert gij u het woord van Jesus : Zalig dj, die hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid, ivant zij zullen verzadigd liwrden r Welnu, dan begrijpt gij ook, welk een dorst de Heer in u wil opwekken. Dorst gij dan naar de onthechting der aardsche goederen, naar de uitroeiing, of ten minste , naar de onderdrukking uwer ijdelheid, uwer lichtgeraaktheid, uwer eigen-

-ocr page 338-

326

zinnigheid, uwer gramschap, uwer traagheid ? Dorst gij naar versterving uwer zinnelijke lusten, naar boete over de menigte uwer zonden ? Dorst gij naar het verbreken dier boeien, die u nog steeds beletten geheel en onverdeeld aan Jesus te behooren? Dorst gij naar het oogenblik, waarop Jesus zoozeer het voorwerp van uwe gedachten, begeerten, woorden en werken zijn zal, dat niets u meer kan behagen, boeien en trekken buiten Jesus? Dorst gij om met Paulus te kunnen zeggen, dat niet gij meer leeft, maar Jesus leeft in u.

Luister, lieve lezer, luister naar het laatste woord, 't welk Jesus op zijn kruis tot de men-schen spreekt. Ik heb dorst, zegt Hij, en hiermede sluit Hij zijn hemelsch onderricht. Welk kind onthoudt niet het laatste woord van een stervenden Vader en overweegt het niet dagelijks in zijn hartr Tot in den dood heeft Jesus gedorst, zijne wonden en smarten verzadigden Hem niet; Hij blijft dorsten tot in den dood, zoo hevig was zijn dorst, dat hij het onderwerp zijner laatste klacht uitmaakt. Overweeg dit en gij zult begrijpen, hoe groot een dorst naar de rechtvaardigheid Jesus in u begeert.

Gij zult tijdens uw leven vele begeerten laten varen, vele verlangens zult gij in u zien uitgedoofd, doch eene begeerte, een verlangen mag u nimmer ontvallen; die begeerte moet de ziel van al uw streven zijn, zij moet iede-ren dag aangroeien, en wanneer uw einde daar is, moet gij nog in waarheid kunnen zeggen, dat de dorst naar hooger deugd, volkomener

-ocr page 339-

327

gehoorzaamheid aan God en vuriger liefde tot God uwe ziel vervult.

O goede Jesus, geef ons de genade, in vrome godsvrucht steeds neer te knielen voor uw kruis, en daar uwen heiligen dorst te overwegen ; trek or.s door de banden uwer liefde, doe ons gevoelen, hoezeer Gij dorst naar onze boetvaardigheid, godsvrucht en deugd; maak dat wij met U dorsten en begeeren, opdat niets in staat zij ons van U te scheiden, maar dat nieuwe banden ons dagelijks meer aan U hechten. Geef, dat ook wij dorsten naar de bekeering der zondaren en bereid zijn daarvoor groote offers te brengen. Zie, lieve Jesus, dan zullen wij in waarheid gevoelen, wat in U, onzen minnelijken Verlosser was. Amen.

-ocr page 340-

Maandag in de Goede week.

Cum ergo acceppisset Jcsus aceclum dixit; Consummatum est. Joan. XIX : 30.

Toen dan Jesus den azijn genomen had, zeide Hij, het is volbracht.

Vestig wederom uwen blik op het kruis. Reeds drie uren heeft de Verlosser in allerwreedste smarten en allersraadelijkst lijden daaraan gehangen. Levendig staat Hem voor den geest alles wat in het leven der aartsvaders, in de geschiedenis van het volk Gods, in de plechtigheden en offers van het Oude Verbond aangaande Hem, zijn leven, lijden en sterven was afgebeeld, alles wat over Hem door de profeten was voorspeld, alles wat de Vader over Hem besloten had. Zijn stervend oog zal zich niet sluiten, alvorens Hij den laatsten druppel uit den lijdenskelk gedronken heeft; niets mag onvervuld blijven. Daar stond bij den profeet ; In mijnen dorst laafden zij mij met azijn, dit moet nog vervuld worden, daarom zegt Jesus: Ik heb dorst. De soldaten nu doopten eene spons in den azijn en brachten

-ocr page 341-

329

haar door middel van een hysopstengel aan 's Heeren mond. Toen dan Jems den azijn genomen had, seide Hij: het is volbracht.

Volbracht is de moeilijke tocht, die liep van de kribbe tot het kruis. Wat al honger en dorst, vermoeienis en uitputting heeft Hij doorstaan; wat al miskenning en verachting, hoon en smaad heeft Hij ingeoogst! En in zijne laatste levensuren hebben smarten en smaad als bergen zich opeengestapeld boven zijn gezegend hoofd. De profeten schilderen Hem als eenen man van smarten, die uit ontelbare wonden bloedt en omgeven is van vijanden, die als woedende honden Hem pogen te verscheuren; als een sprakeloos Lam, dat ter slachtbank geleid wordt; als eenen worm, dien men in het slijk der schande dood trapt. Aanschouw uwen stervenden Jesus en zie hoe alles nauwkeurig is volbracht. Er is niets, waarin Jesus konde lijden, en waarin Hij niet geleden heeft. Hij leed in zijne ziel, zij was bedroefd tot den dood toe, zij klaagde zoo bitter in den hof, terwijl zij aan het kruis nog een smartelijken kreet deed hooren. Hij leed in zijn lichaam, wiens beenderen men kan tellen; zie eens, hoe Hij aan wreede nagelen hangt, nu eens legt Hij zijn mat hoofd tegen het kruis, maar dit is ondragelijk, want de doornenkroon dringt daardoor dieper in het hoofd, dan weder ter rechter- of ter linkerzijde, ook dit is ondragelijk want de stervende Jesus vindt er geen steun. Zijne lieve Moeder ziet onder het kruis

-ocr page 342-

330

dat wreede lijden en is onmachtig haren god-delijken Zoon te helpen, zij schreit en hare tranen vermeerderen het lijden van Jesus. Hij lijdt in zijne eer, want Hij ondergaat den schandelijksten dood in tegenwoordigheid van eene spottende menigte en hangend tus-schen twee moordenaren. Hij lijdt in zijnen goeden naam, want de schandelijkste lasteringen zijn tegen Hem uitgestrooid en vonden geloof bij het volk. Hij lijdt in zijne leerlingen, die bedroefd en geërgerd ronddolen als schapen zonder herder; en wie weet, hoe velen in het uur des lijdens de zijde van Jesus verlaten hebben cm nooit tot Hem terug te keeren ! Hij lijdt onmetelijk veel wegens de hardnekkigheid en de verwerping der Joden. Wij moesten het woord des Hee-ren : Jeruzalem. Jeruzalem, hoe dikwijls heb ik uwe kinderen willen vergaderen gelijk eene hen hare kuikens onder hare vleugelen verzamelt, wij moesten dit woord begrijpen ; of liever, wij moesten de liefde en het medelijden van het allerheiligst hart des Heeren kennen, om te kunnen beseffen wat Jesus inwendig geleden heeft, wegens de onboetvaardigheid der Joden en der zondaren van de geheele wereld.

Hij was wel oververzadigd van smart, smaad en droefenis, alvorens Hij zeggen kon : Het is volbracht. Maar, gelijk de Vader zijn welbehagen in den Zoon stelde, zoo heeft de Zoon zijn welbehagen gesteld in de onderwerping aan den Vader. Nu zijn lijden vol-

-ocr page 343-

3:31

bracht is, houden niet slechts zijne smarten op, zoowel als zijne droefheid, maar met eene onbegrijpelijke, onmetelijke, oneindige verkwikking en vreugde, legt Hij alles aan de voeten des Vaders neer.

O, lieve lezer, mochten wij op ons sterfbed een druppeltje dier blijdschap smaken, die Jesus' hart vervulde, toen Hij tot den Vader konde wederkeeren met het schoone woord : het is volbracht; een enkel druppeltje van het goddelijk genoegen, zou ons van vreugde doen opspringen bij onzen jongsten snik, maar dit geluk is alleen voor hen, die, het voorbeeld van Jesus voor oogen houdende, den heiligen wil van God getrouwelijk pogen te volbrengen. Indien ons dan de belooning uitlokt, dat de moeite van den arbeid ons niet afschrikke. Eens, wij welen het zoo goed, eens zal het uur genaken, waarop elkeen zeggen moet: nu is alles volbracht. Ook voor den zondaar is dan het einde aangebroken. Geëindigd zijn alsdan de vermaken en de genietingen der rijkdommen; geëindigd alle eerbewijzingen en loftuigingen der menschen, alle wereldsche verwachtingen en begeerten ; die groote en ongekende wereld, welke men eeuwigheid noemt, gaat beginnen en in die wereld geldt geen andere munt dan de deugd en de verdiensten der deugdzame werken. Wel zalig de mensch, die in de laatste oogen-blikken kan zeggen ; ik heb nooit mijn hart aan de aarde gehecht, ik zag de ijdelheid van de goederen dezer wereld in en vergat

-ocr page 344-

33a

niet, dat ik voor het onvergankelijke geschapen was 5 ik stelde mijn geluk niet in de rijkdommen, en het doel mijns levens niet in het verzamelen van schatten ; in alles zag ik op het einde en vertrouwde niet op eene bloeiende jeugd, noch op de krachtige gezondheid van verderen leeftijd ; ik zag alles voorbijgaan, maar God blijven in eeuwigheid*, thans is de wereld machteloos, mij te helpen; o hoe gelukkig ben ik daar ik Gods wil steeds heb gezocht, daar ik geen grootere begeerte koesterde, dan om Hem te behagen. Helaas, ik had het ongeluk mijnen God door zonde te beleedigen, maar opgewekt en geholpen door zijne genade, heb ik in ootmoed en berouw mijne schuld beleden en vergeving gevraagd. Mochten allen, die den spot dreven met mijne gebeden en godvruchtige oefeningen, met mijne vrees voor de zonde en met mijne zorg om God te dienen, nu eens om mijn sterfbed staan, zij zouden zien hoe gelukkig ik nu ben, zij zouden mijn geluk benijden. Volbracht zijn nu alle opofferingen en ontberingen, alle vernederingen en miskenningen, alle pijnen en smarten, alle lijden en strijden. Kom, lieve Jesus kom, opdat ik bij U uitruste en uw heilig aangezicht mij verblijde.

Het is volbracht. Niet slechts de wil des Vaders, maar ook onze verlossing is volbracht; of liever : door den wil des Vaders te volbrengen heeft Jesus ons verlost. O, hoezeer heeft Jesus o n onzentwille naar dit uur ver-

-ocr page 345-

333

langd! Hij vond geen rust, Hij werd als samengeperst, zoolang Hij niet van de aarde opgeheven alles tot zich trok. Nu is zijne vurigste begeerte volbracht; Hij zelf zal als vredebode ter helle nederdalen om den aartsvaders en profeten, den vromen afgestorvenen te verkondigen, dat aan den eisch der rechtvaardigheid is voldaan. Hij zal zijne boden naar de vier hoeken der wereld zenden met de blijde boodschap : Alles is volbracht, het Lam is geslacht, komt ter bruiloft. Duizenden, millioenen zullen nu gaan optrekken naar den heiligen berg en juichen; de winter is voorbij, de slagregen hield op. de stem der duif werd gehoord in ons land. Ja, de duif, de Geest des vredes zal nu komen en getuigen aan onzen geest : gij zijt kinderen Gods.

Alles is volbacht 1 Van de hoogte des kruises ziet Jesus zijne leerlingen, bekleed met de kracht uit den Hoogen, het Evangelie verkondigen aan alle schepselen : Hij ziet hun geloof zich openbaren in teekenen, hun ijver zich oefenen in lijden en tegenspraak; tal-loozen ziet Hij met tranen van berouw zijn kruis besproeien, gansche scharen ziet Hij den smaad van zijn kruis met vreugde omhelzen ; Hij ziet de aarde, door zijn bloed bevochtigd, de schoonste vruchten dragen van onschuld en maagdelijke kuischheid, van godsvrucht en de vreeze des Heeren, van onwankelbaar geloof, van onverwinnelijk vertrouwen, van brandende liefde tot God; Hij ziet de heilige Kerk verrijzen als eene bruid sierlijk

-ocr page 346-

331.

getooid door de deugden harer Heiligen, als eene vruchtbare moeder van ontelbare mil-lioenen, als eene rijke vorstin, die in overvloed het brood van genade en waarheid uitdeelt aan de haren.

Kom, lieve lezer, laat ons opgaan naar den heiligen berg en het wonder der liefde aanschouwen, want het is volbracht. Zie, hoe de hel siddert en de hemel juicht. De zon, die bij de kruisiging in een rouwfloers zich hulde en haar gelaat verborg, blikt vriendelijk door de nevelen, als een zoete glimlach dien de hemel aan de aarde nu schenkt, zij giet een stroom van licht over Golgotha, opdat gij in heilige verrukking Jesus zoudt aanschouwen, die nu zijn hoofd buigt en sterft. Later hopen wij in den hemel neer te knielen voor den troon des Lams, en met alle Heiligen te jubelen : Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en de Godheid, en de wijsheid, en de sterkte, en de eer, en de glorie, en de zegen; maar thans kunnen wij reeds op den berg zijne wonden beschouwen, die de zaligen in vervoering brengen ; thans kunnen wij uit zijnen mond het Consummatum est reeds hooren, laat ons nu reeds, nedervallende voor het kruis van Golgotha, het danklied der zaligen aanheffen.

O lieve Jesus, dank, duizendmaal dank dat Gij ons verlost hebt; geef, dat wij nimmer vergeten hoe Gij alles volbracht hebt om ons gelukkig te maken, geef dat het woord der dankzegging nimmer sterve op onze lippen,

-ocr page 347-

335

maar dat wij hier beneden zoo vurig, zoo oprecht U dankzeggen, dat wij waardig bevonden worden in alle eeuwigheid U te loven met uwe Heiligen. Goede Jesus, laat ons in de grootste onderwerping rusten op het bed van smarten zoo als Gij eens gerust hebt op het harde kruis ; geef dat ons geheele leven eene oefening van gehoorzaamheid zij aan den wil des Vaders, opdat, wanneer het uur van scheiden naakt, wij met U kunnen zeggen : Het is volbracht. Geef ons een deugdzaam leven gekroond door een heiligen dood. Amen.

-ocr page 348-

Dinsdag in de Goede week.

Pater in manub tuagt; commend.j spiritum meu.n. Luc. XK-III : 45.

Vader in u.ve handen beveel ik mijnen geest.

Nadat Jesus gezegd had : Hei is volbracht. riep Hij met luide stem ; Vader in uwe handen beveel ik mijnen geest. Niet met de onverstaanbare klanken van een zieltogende, maar met zoo krachtige stem, dat zijn laatste woord over Kalvarië klonk, en de honderd-man, die bij het kruis stond, geheel ontsteld uitriep : waarlijk deze mensch was Zoon Gods! Geen wonder, dit woord was de zegekreet van den Zoon, die na alles volbracht te hebben, gaat uitrusten bij den Vader.

Uitrusten bij den Vader! lieve Lezer, begrijpt gij dit r — Onmogelijk, want om de zoetheid der rust te kennen, moet men de zwaarte van den arbeid ondervonden hebben ; om te weten wat het is ,,bij den Vader uit te rustenquot; moet men de onmetelijke liefde kennen van den Zoon tot den Vader en van

-ocr page 349-

den Vader to!: den Zoon. Laat ons echter onder het kruis van Jesus deze laatste woorden overwegen om ons ten minste een zwak denkbeeld te vormen van de grenzelooze vreugde, waarmede Hij uitriep : Fat/er in uwe handen beveel I/: mijnen geest.

Indien gij u alle mogelijke vermoeienissen onder eiken vorm voorstelt, gij zult u nog geen denkbeeld vormen van de vermoeienissen door Jesus tijdens zijne omwandeling hier op aarde geleden. Ik zal er u niet op wijzen, hoe de liefderijke Verlosser werd uitgeput door honger en dorst, door de slapelooze nachten en onophoudelijke tochten, door langdurige onderrichtingen van een lastig volk, door de wreede smarten in de geeseling, de doornenkroning en de kruisiging; slechts op één punt wil ik uwe aandacht vestigen : op de vermoeienissen van zijn goddelijk hart.

Wanneer gij den vriendelijken Jesus ziet neergezeten, omringd van huichelende Phari-zeën, die Hem bespieden en ondervragen, ten einde Hem in woorden of daden te vangen : wanneer gij den barmhartigen Samaritaan in vertrouwelijken omgang met de zondaren gadeslaat; wanneer gij ziet hoe Hij zich uitput in liefdeblijken om de genegenheid en het vertrouwen te winnen van men-schen, verouderd in de zonde en ongevoelig voor heiligheid en waarheid; wanneer gij opmerkt, hoe de scharen Hem in geestdrift volgen, zoolang Hij zieken geneest en brood vermenigvuldigt, doch zich afkeerig van Hem

-ocr page 350-

33S

verwijderen, zoodra Hij hun het brood des levens aanbiedt; wanneer gij opmerkt, hoe weinig Jesus begrepen werd als Hij sprak over de deugd, de waarheden des heils en het Rijk der hemelen, dan kunt gij u niet voorstellen, hoezeer Jesus in zijn goddelijk hart gekweld en vermoeid werd door de vleeschelijke gezindheid, het onverstand en de blindheid, de onverschilligheid en traagheid, de boosheid en de hardnekkigheid van hen met wie de Verlosser dagelijks omging; gij kunt u dat niet voorstellen te meer omdat Jesus zich zoo welwillend en vriendelijk, zoo geduldig en zachtmoedig steeds betoonde. Somtijds hoort gij wel eene klacht uit zijnen mond, somtijds zelfs eene bedreiging en een IVee, doch deze zijn zoo zeer een uitvloeisel van zijn minnend hart, dat gij er niet eens aan denkt, wat uw Jesus in zijn binnenste lijdt.

Veronderstel eens, dat gij veroordeeld waart uw leven door te brengen in het gezelschap van boosdoeners, die niet het minste besef hebben van al wat edel, goed, prijzenswaardig en schoon is, die alles verachten wat u dierbaar is, die in hunne gesprekken en handelingen u zullen vermoeien door al wat afzichtelijk en walgelijk is; welk een lijden voor u! En dit lijden is slechts een flauw beeld van de vermoeienissen, die Jesus in zijn goddelijk hart ondervond. Welke overeenkomst, welke gemeenschap is er, tusschen Christus en Belial r vraagt Paulus. Welnu, Christus, de eeuwige Zoon des Vaders, is op aarde, waar het Rijk

-ocr page 351-

339

van Belial gevestigd was, nedergedaald. Hij heeft gewandeld op eene aarde, waar de duivel Hem kon naderen, de kinderen en de slaven des duivels Hem kwelden en vermoeiden. Kan het u verwonderen, wanneer gij Hem hoort klagen : Ongeloovig en boos geslacht. Jwe lang zal Ik bij u zijn, hoe lang sal Ik u verdragen 1 Verwondert het u niet veeleer, dat gij Jesus eerst in den hof doodsbleek en sidderend hoort klagen : Mijne ziel is bedroefd lot den-dood r Verwondert het u niet dat gij Hem eerst in zijn laatste uur hoort roepen ; Mijn God, mijn God waarom hebt Gij mij verlaten r Jesus zegt : Zalig zij die weenen, want zij zullen vertroost worden. Het past derhalve aan den christen om hier beneden te treuren en te weenen. Hij moet deze aarde beschouwen als een oord van ballingschap en lijden, als een oord, waar men niet gelukkig kan zijn, wegens de menigvuldige zonden en ergernissen. En inderdaad, wat lijdt de brave christen niet bij het aanschouwen van zooveel ongeloof, hemeltergende boosheid en verachting van God en godsdienst! Maar wat heeft Jesus dan niet geleden; Hij die het menschelijk hart en de geheimste schuilhoeken der boosheid doorschouwde r Wat heeft Jesus niet in zijn goddelijk hart geleden, wegens de ongeloovige hardnekkigheid en den wreeden haat der Joden? Wat heeft Hij niet in zijne ziel geleden, toen Hij brandende van liefde aan het kruis hing en zoo bitter werd miskend, zoo smadelijk verworpen ? Den wil zijns Vaders te doen

-ocr page 352-

340

was zijne spijs ; hoezeer begeerde Hij, dat die heilige wil door elkeen werd volbracht, welk eene wreede marteling was het dan voor zijn goddelijk hart alle dagen tot in zijn uiterste te zien, dat Gods wil zoo misdadig werd veracht !

Zie eens op naar het kruis, hoor wie daar zegt ; Vader in uwe handen beveel Ik mijnen geest; hoe deerlijk is Hij in zijn maagdelijk lichaam gewond, er is geen gezondheid in zijn vleesch: maar hoe groot ook het lijden van zijn heilig lichaam is, de smarten zijner ziel zijn grooter ; zijn beangstigde, vermoeide en door naamlooze droefenissen gekwelde geest hijgt naar verlossing, geen wonder, dat Hij bij zijn scheiden met een zegekreet zijnen geest den Vader aanbeval.

Wij moesten het oneindig welbehagen kennen, 't welk de Vader stelt in zijnen Zoon ; wij moesten weten met welk eene brandende liefde Jesus den Vader bemint, om ons eenig begrip te kunnen vormen van de vreugde, waarmede Jesus uitriep : Vader in mee handen beveel Jh mijnen geest. De vreugde van een kind, dat zich na eene lange en pijnlijke afwezigheid, aan den boezem des Vaders werpt, is slechts een flauw beeld van de blijdschap, waarmede Jesus zijnen geest in de handen des Vaders beveelt.

Welk een indruk maakt het woord van den stervenden Verlosser op u r Regeert gij ook in navolging van Jesus, aldus op uw sterfbed te kunnen spreken ? Zie den H. Stephanus,

-ocr page 353-

341

zijn lichaam is gekneusd, verscheurd en verbrijzeld onder eene hagelbui van steenen, maar zijn geest geeft hij met blijdschap over aan God; Heere Jestis, zoo roept hij : ontvang mijnen geest. Na Stephanus treden millioenen martelaren op, zij juichen in de smarten, omdat zij hunnen geest gekweld, bedroefd en gemarteld maar onbezweken en onbesmeurd konden overleveren in de handen Gods. En dan die tallooze Heiligen en rechtvaardigen ! [n honger en dorst, in armoede en verlatenheid, in oneer en schande, in ziekte en smarten bleven zij vol moed en vreugde; zij kenden het laatste woord van hunnen stervenden Meester en begeerden niets anders dan dit woord in hun uiterste te kunnen herhalen. Zij hebben het herhaald en ondervonden op hun sterfbed, hoe rein en mateloos de vertroosting is voor hen, die godvruchtig weenen. Lieve lezer, begeert gij deze vertroosting, deze vreugde ? Wees dan niet bekommerd voor uw lichaam, het bederfelijke zal wel de onbederfelijkheid aantrekken, indien gij uwe ziel maar rein en onbesmet in deze wereld bewaart. Hoe grooter uw lijden, hoe langduriger uwe smarten zijn, des te ruimer zal uwe vertroosting wezen. Is de rust niet zoeter, naarmate de arbeid, die vooraf ging, zwaarder was. Welnu, na den dood komt de rust. Dan zullen wij uitrusten van den arbeid en de vermoeienis, geen bekoring zal ons meer kwellen, geen hartstocht meer verontrusten ; met ons lichaam zullen wij alle smarten en zorgen, alle teleur-

-ocr page 354-

342

stellingen en vrees, alle gejaagdheid en onrust afleggen. Welk een overgang! van het lijden in het verblijden, van de tranen in het gejubel, van het sterfhuis in de eeuwige bruiloftszaal !

Toen de H. Alouisius van de geneesheeren vernam, dat hij nog slechts weinige uren te leven had, riep hij in vervoering uit : Ik heb mij verheugd in hetgeen mij gezegd is. ik zal dan ingaan in het huh des Heer en, daarna verzocht hij de aanwezigen met hem het „Te Deumquot; aan te heffen tot dankzegging voor zulk eene blijde tijding. Wat de H. Alouisius deed is slechts een naklank van het woord zijns stervenden Meesters : Vader, in uwe handen beveel Ik mijnen geest. God geve, dat ook ons laatste woord een ongekunstelde en oprechte zegekreet moge zijn van onze ziel, die hare boeien verbreekt om te gaan uitrusten bij den Vader ! Maar de H. Alouisius was een onschuldige en wie zijn wij ?

Aan de rechterzijde van den stervenden Jesus hing een boetvaardige moordenaar ; hoewel zijn lijden vreeselijk was, moest hij erkennen, dat hij alles had verdiend; maar de goede Herder, die gekomen is om te zoeken 7C'at verloren was. heeft tot hem woorden van vrede en verzoening gesproken. Zie eens in welk eene kalmte hij nu hangt aan het smartelijk hout. Wat gevoelde hij, toen hij zijnen Meester hoorde uitroepen : Vader, in uwe handen beveel Ik mijnen geest I Hij wenschte ontbonden te worden om Jesus te volgen en

-ocr page 355-

343

met Hem te zijn in het Paradijs. Ook voor den moordenaar was dus de dood een gewin, hem was het zelfs gegeven om het eerst den zegekreet te herhalen, welken de stervende Jesus aan ons allen geleerd heeft 5 den zegekreet eener ziel, die gaat uitrusten bij den Vader. Zijn wij dan ook al zondaren, ons sterfbed zal troostvol en verkwikkend zijn, indien wij boetvaardigheid plegen en godvruchtig onze zonden beweenen. Laat ons derhalve moed houden in ons lijden en strijden, in druk en bekoringen, in al de otters welke de deugd van ons vraagt, want het uur der verlossing is nabij. Hoe meer wij lijden, hoe menigvul-diger onze tranen zijn, des te luider zullen wij in het laatste uur juichen : Vader in uwe /landen beveel ik mijnen geest.

-ocr page 356-

Woensdag in de Goede week.

-o

Et inclinato capite tradidit spiritum.

Joan. XIX ; 30.

En zijn hoofd gebogen hebbende, gaf Hij den geest.

Gisteren hebben wij 's Heeren laatste woord overwogen, heden zullen wij zijne laatste daad met aandacht beschouwen; gisteren hebben wij gezien, hoe Jesus zijnen geest met vreugde aanbeval in de handen des Vaders, heden moeten wij overwegen, hoe Hij met nog groo-tere vreugde zijn hoofd boog voor den Vader en stierf.

Gehoorzaamheid aan den wil des Vaders was voor Jesus de zoetste spijs ; hoezeer Hij ook verlangde bij den Vader te zijn. Hij wilde het uur van scheiden uit deze wereld geen oogenblik verhaasten ; m'jn uur, zoo sprak Hij vroeger, is nog niet. gekomen ; Ik moet werken, zoolang het dag is. Wat moest Jesus werken ? Hetgeen de Vader Hem had opgelegd. Hij vluchtte den dood, toen de

-ocr page 357-

345

Vader wilde, dat Hij werkte, Hij ging den dood te gemoet, toen het laatste uur, volgens den wil des Vaders daar was.

In het céne woord ., gehoorzaamheid quot; ligt de gansche geschiedenis van Jesus' leven, werken, lijden en sterven. Gij kunt in geen kortere en betere trekken het leven des Hee-ren schilderen, dan door de woorden van den Apostel: Hij heeft zich vernederd, de gestalte van een dienstknecht aannemende en gehoorzaam geworden zijnde tot den dood en tot den dood des krnises. Zijne laatste daad was een nederig en gehoorzaam hoofdbuigen. Zoolang zijn gestorven lichaam met gebogen hoofd nog hangt aan het kruis, zal het n verhalen wat Jesus deed in zijn uiterste; zoolang gij hooren of lezen zult: En na zijn hoofd gebogen te hebben gaf Hij den geest. zoolang zal u de gehoorzaamheid aan God op de zoetste en krachtigste wijze verkondigd worden.

Een zonderlinge wensch rijst er op in mijn hart; ik dacht : mocht het gestorven lichaam des Heeren nog met gebogen hoofd hangen aan het kruis, dan zou ik mij naar Kalvarië spoeden en voor mijn goddelijk toonbeeld neergeknield, in vrome overdenking leeren hoe billijk en zoet hel is, zich voor Gods heiligen wil te buigen en gehoorzaam te zijn tot in den dood. En ik zou niet de eenigste zijn die zich naar Golgotha spoedde, zelfs de grootste zondaren zouden hunne zonden staken en de hardnekkigsten hunne onboetvaar-

-ocr page 358-

346

digheid afleggen ; wij allen zouden, in tranen smeltende, uitroepen : O gehoorzaamheid wat zijt gij schoon, o gehoorzaamheid wat zijt gij zoet! Maar deze wensch is in alle opzichten dwaas. Het is volstrekt niet noodig, dat wij staan onder het kruis en met onze lichamelijke oogen het gebogen hoofd des Heeren aanschouwen ; indien wij in ons hart overwegen wat Jesus in zijn uiterste deed, kunnen wij al de vruchten plukken door zijn heilig voorbeeld ons aangeboden.

Daar een enkele zucht, een enkel gebed van Jesus genoegzame waarde had om de zonden der wereld weg te nemen, kunnen wij in waarheid zeggen, dat de strenge rechtvaardigheid Gods gemakkelijker te bevredigen was, dan de liefde, welke Jesus voor de gehoorzaamheid had. Deze liefde was niet bevredigd door eene nauwgezette vervulling van al de werken, die de Vader zijnen Zoon had opgelegd, zij begeerde het: smartelijkste lijden en zelfs dit lijden verzadigde haar niet; slechts de hoogste daad der gehoorzaamheid, het hoofdbuigen in den dood kon haar bevredigen. Indien er nog eene grootere daad van gehoorzaamheid ware mogelijk geweest, Jesus zou die daad hebben gesteld, doch wat zal men nog geven, wanneer men in de volmaaktste onderwerping zijn leven heeft weggeschonken ? Oneindig verheven zijn al de daden des Heeren ; al de geheimen van zijn goddelijk leven hier beneden zijn vol van genade en waarheid, doch Jesus schijnt alles

-ocr page 359-

347

over het hoofd te zien, als stelde Hij slechts waarde in zijn gehoorzaam sterven. Hij heeft geen gedenkteekenen van zijne armoedige geboorte, van zijne vermoeienissen, zijne armoede, zelfs niet van zijne geeseling en doornenkroning bewaard, maar in zijn verheerlijkt lichaam draag'; Hij nog de teekenen van zijne gehoorzaamheid aan het kruis, van zijne onderwerping tot in den dood. Hoe groot ook de verandering was door de heerlijke verrijzenis des Heeren in zijn heilig lichaam teweeggebracht, de glorie des verrijzenis nam de teekenen van 's Heeren gehoorzaamheid niet weg. Eeuwig zullen de teekenen zijner kruiswonden schitteren, want Jesus wil dat zij zonder einde verkondigen, hoe het zijne spijs was den wil des Vaders te volbrengen en den geheelen lijdenskelk te ledigen.

'/.iet mijne handen cn voeten. zoo sprak Jesus tot zijne leerlingen toen Hij hun na zijne verrijzenis verscheen, daar Ik het self hen. en na dit gezegd te hebben toonde Hij lam zijne handen en voeten. Zóó moest zijne gehoorzaamheid tot in den dood ook na zijne verrijzenis nog blijken en het teeken zijn, waaraan de Verlosser altijd te herkennen is.

De gehoorzaamheid tot in den dood, zijn nederig hoofdbuigen aan het kruis was het toppunt van Jesus' wenschen. Terwijl Hij zijne apostelen opdraagt zijne leer aan alle schepselen te verkondigen, wilde Hij aan hen niet uitsluitend de prediking van zijn kruis en van zijne gehoorzaamheid overlaten ; Hij

-ocr page 360-

348

zelf belast zich daarmede en zoolang de wereld staat, zal de Zoon Gods aan de kinderen der menschen verhalen, dat Hij met blijdschap gehoorzaam was, tot in den dood. Hij zal op het altaar nederdalen, als wilde Hij nog steeds het zoete der gehoorzaamheid proeven en zich verzadigen met een eindeloos hoofdbuigen voor den hemelschen Vader. En op het altaar nedergedaald staat Hij niet alleen. Hij roept ons tot zich om ons zijn lichaam en bloed te too-nen, ons op het krachtigste te herinneren aan zijnen dood ; om ons te doen zien, hoe Hij in hemelsche wellust zijn hoofd boog en stierf. O mochten wij. de H. Misofferande bijwonende, beseffen wat er omgaat in het goddelijk hart van Jesus, die zich op onbloedige wijze den Vader aanbiedt, hoe Hij op het altaar in onmetelijke geneugten zich verzadigt aan de herinnering van zijn gehoorzaam sterven, dan zouden wij nimmer ontbreken het woord des Apostels te vervullen en den dood des Heeren te verkondigen totdat Hij wederkeert om ons tot zich te nemen in den hemel, waar wij de teekenen van Jesus' gehoorzaamheid met ongesluierd oog zullen aanschouwen.

Waarom was de hoogste daad der gehoorzaamheid : „het nederig hoofdbuigen en sterven,quot; zoo zoet en aangenaam voor Jesus ? Omdat niets zoo billijk en zoo rechtvaardig is. God, lieve lezer, is onze Schepper, onze volstrekte en onbeperkte Heer en Meester; wij zijn, zonder het minste voorbehoud, zijn eigendom. Hij kan volgens welgevallen met

-ocr page 361-

349

ons handelen ; zijn woord, zijn wil is voor ons eene onverbreekbare wet. Hoewel God aan niemand rekenschap heeft af te leggen van zijn woord en zijne bevelen, er is toch niets willekeurigs in zijne geboden : alles wat de Heer beveelt, is goed, wijs en heilig. Indien wij weerzin gevoelen in de vervulling van Gods geboden, dit is niet te wijten aan de geboden zelve, maar aan het verderf dal in ons is. Die weerzin is voor ons eene waarschuwing, dat er iets in ons hart schuilt wat minder recht, minder goed is. Waren wij reine engelen, het zou steeds voor ons een genoegen zijn, in alles Gods wil ce volbrengen. Hieruit kunt gij afleiden met welk eene blijmoedige bereidwilligheid Jesus den wil des Vaders volbracht; een hongerige kan met zoo groot een genoegen de synjs niet nuttigen, als Jesus het werk verrichtte. Hem door den Vader opgelegd ; 's Heeren zoetste spijs was, aan het kruis zijn hoofd te buigen en in de grootste onderwerping te sterven. Deze was zijne hoogste daad, aan deze daad herinnert Hij steeds de engelen en heiligen, deze daad verkondigt Hij onophoudelijk aan ons men-schen hier op aarde. Wat volgt hieruit? Hieruit volgt, dat geen mensch ooit een beter werk verrichten kan, dan het werk hem door God opgelegd. Indien gij den wil Gods doet, hebt gij genoeg gedaan: maar indien gij den wil Gods verwaarloost, gij doet niets, al trekt gij ook de aandacht van alle menschen, al deedt gij de geheele wereld in bewondering over u spreken.

-ocr page 362-

350

Vestig eens uwen blik op Jesus, die daar met gebogen hoofd, zielloos hangt aan het kruis. Sommigen, die Jesus zagen sterven, klopten op hunne borst en spraken eenige woorden van berouw; enkelen bekeerden zich, doch dit geschidde, dewijl de aarde beefde, steenrotsen scheurden, dooden uit het graf opstonden en Jesus stervend getoond had, dat Hij vrijwillig zijn leven gaf; maar niemand der Joden dacht er aan, dat de Verlosser in den dood zijne hoogste daad verricht had. Zijne hoogste daad was voor de vleeschelijke joden : het genezen van zieken, het bevelen aan storm en onweder, het opwekken van dooden. Voor de meesten was de dood des Heeren zelfs eene ergernis. Zóó mogen wij niet oordeelen, wij, die weten, dat Jesus ons zijnen dood met zooveel liefde verkondigt en met zoo groot eene kracht ons steeds voor oogen stelt. Laten Jood en heiden hunne oogen afkeerig van het kruis afwenden, wij behooren niets te kennen dan den gekruisten Jesus, en steeds in heilige bewondering te staren op onzen Verlosser, die met gebogen hoofd en zielloos hangt aan het kruis. Maar onze kennis en bewondering mogen niet onvruchtbaar zijn. Daarom spreekt ons de goede Verlosser zoo dikwijls over zijnen dood, opdat wij Hem, die voor ons gestorven is, zouden beminnen en navolgen. Ook wij moeten op het voorbeeld van Jesus, met eerbied luisteren naar Gods heiligen wil, en dezen nauwgezet volbrengen, het moet ons een gruwel zijn, Gods wil in

-ocr page 363-

het minste te weerstreven, eene onmogelijkheid om in de ongehoorzaamheid te volharden ; het moest ons eene spijs wezen den wil van den hemelschen Vader te volbrengen, en wanneer het zwakke vleesch zucht onder pijnen, ziekten en tegenspoeden, de gedachte : „het is Gods wilquot; moet ons terughouden- vaneen onwillig gemor, zij moet ons het lijden verzoeten.

Ach, lieve lezer, waarom mag ik niet meer zeggen ? Aanschouw nog eens het gebogen hoofd van Jesus. Waarom mag ik niet zeggen ; volg in alles uw goddelijk toonbeeld, verheug en verblijd u, wanneer de hemelsche Vader u groote smarten, ontzettende rampen overzendt ; juich en verblijd u als de dood nadert, dewijl gij dan uwe grootste daad van gehoorzaamheid verrichten kunt ? Gij huivert?... Ja, wij zijn zwak en de Heer zal in zijne goedheid onze zwakheid sparen. Doch laat ons gedurig tot Jesus opzien en zijne gehoorzaamheid overwegen. Iaat ons onophoudelijk de genade afsmeeken om Gods wil in alles te volbrengen; dan zullen wij ondervinden dat het juk des Heeren zoet en zijn last licht is, en hoe grooter de offers zijn, die de Heer van ons vraagt, met te meer liefde en vreugde zullen wij ons hoofd buigen in gehoorzaamheid.

Allerzoetste Jesus, zie ons neergeknield voor uw heilig kruis, wij danken U, dat gij ons door uwen dood hebt verlost en ons tevens zoo krachtig de gehoorzaamheid hebt geleerd.

-ocr page 364-

;i52

Helaas, wij zijn zwak, maar wij zijn toch de schapen uwer weide en willen U in alles volgen; zie; wij zijn tot de gehoorzaamlieid bereid; en wij geven ons in alles over aan uwe heilige beschikking, opdat wij in ons laatste uur ook in gehoorzaamheid ons hoofd kunnen buigen. Amen.

-ocr page 365-

Witte Donderdag.

Umis militum lancea latus ejus, aperuit et continuo exivit smguii et aqua.

Joan. XIX ; 34.

Een der soldaten opende met eene lans zijne zijde, en terstond vloeide er bloed en water uit.

De Joden dan (li'ant het was voorbereidingsdag). opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den sabbath (want deze was een groote sabbath dag), vroegen Pilatus, dat hunne beenen verbrijzeld en zij afgenomen zouden worden. De soldaten kwamen dan en verbrijzelden wel de beenen van den eersten en den tweeden, die met Hem gekruisigd waren, doch toen zij tot Je sus waren gekomen en zagen . dat Hij reeds dood icas. verbrijzelden zij zijne beenen niet. maar een der soldaten opende met eene lans zijne zijde en terstond vloeide er water en bloed uit. En hij, die het gezien heeft, heeft er getuigenis van gegeven; en zijne getuigenis is waarachtig, en hij weet, dat hij waarheid spreekt, opdat ook gij gc-looven moogt. IVant dit is geschied, opdat de Schrift zou vervuld worden: geen heen zult

-ocr page 366-

35

gij van hetzelve verbreken. En weer eene andere Schriftuurplaats zegt: zij znllen zien op Hem, dien zij doorstaken hebben.

Het was eene gewoonte om de beenen der gekruisigden te breken, ten einde hunnen dood te bespoedigen. Wisten de joden, die naar Pilatus gingen met het verzoek om de beenen der gekruisigden te mogen breken, wisten zij niet, datjesus reeds gestorven was r Misschien hadden zij reeds voor den dood des Heeren Kalvarie verlaten; doch indien zij ook getuigen zijn geweest van Jesus' sterven, zij waren hardnekkig genoeg om de oogen te sluiten voor de teekenen, die den dood des Heeren vergezelden, blind genoeg om niet te gelooven, toen de aarde beefde, steenrotsen scheurden en dooden opstonden uit het graf; ook was hun haat groot genoeg om het gestorven lichaam des Heeren door eene smadelijke beenbreking te mishandelen. Wat er van zij, op verzoek der Joden, zond Pilatus soldaten met den last de beenen der gekruisigden te breken. De soldaten vonden Jesus reeds gestorven en volvoerden daarom den hun opgedragen last niet. Dat het hun hiertoe niet aan wreedheid ontbrak, blijkt uit de handelwijze van een der krijgsknechten, die de zijde des Heeren doorstoken heeft; maar God wilde niet, dat de beenen van Jesus gebroken werden, Hij weerhield de handen der soldaten, opdat vervuld zou worden, wat over het goddelijk Lam in figuur geschreven stond : Geen been zult gij van hetzelve breken. En dezelfde

-ocr page 367-

.355

soldaat, die in wreede baldadigheid de zijde van Jesus doorboorde, vervulde slechts wat God door den profeet voorspeld had : Zij zullen zien op Hem. dien zij doorstoken hebben.

Stel u dan het gestorven lichaam vanjesus voor oogen; het hangt zielloos aan het kruis en draagt nog al de teekenen van het wreedste lijden; er schijnt geen plaats meer te zijn voor nieuwe wonden, doch het voorovergebogen hoofd wijst naar het hart, het hart is nog ongewond, het hart moet nog doorboord worden. Dit is geen ijdel spel der verbeelding, de evangelist merkt op, dat de opening van 's Heeren zijde door God uitdrukkelijk is gewild. Welaan, laat ons de oorzaak, de reden daarvan overwegen. Waarom werd nu het hart des Heeren doorboord? Omdat zijn goddelijk hart, de eerste en de ware schuldige is aan al zijn lijden, aan al zijne wonden, aan zijn smadelijken dood. Het is doorboord, opdat de kinderen der menschen, wanneer zij in ontzetting den mishandelden en gestorven Jesus aanschouwen, niet in wanhoop vervallen wegens de boosheid waarmede zij tegen hunnen Verlosser woedden, maar hunne aandacht vestigen op het goddelijk hart, 't welk de eerste en grootste oorzaak is van Jesus' lijden.

Toen Jozef zich bekend maakte aan zijne broeders, die hem zoo wreedaardig verkocht hadden, waren deze niet weinig ontsteld ; zij vreesden, dat het uur der wedervergelding voor hen was aangebroken; doch Jozef, hunne ontsteltenis ziende, bemoedigde hen zeggende:

-ocr page 368-

356

Vrees/ niet en laat het u niet hard schijnen, dat gij mij naar deze landstreken verkocht hebt. want God heeft mij voor uw heil naar Egypte gezonden ; niet ten gevolge van uw besluit, maar door den wil Gods ben ik hierheen gezonden. O, laat ons opzien tot het doorboorde hart van Jesus, het spreekt tot ons eene taal oneindig zoeter dan de taal van Jozef. Vreest niet, zoo spreekt het tot de 'loden en heidenen, tot eiken mensch, die door zijne zonden oorzaak was van 's Heeren dood; vreest niet, wanneer gij mij zielloos ziet hangen aan het smadelijke kruis ; wordt niet ontsteld, wanneer gij mijne tallooze wonden aanschouwt, of u herinnert aan de wreede geeseling en smartelijke kroning; geef u niet aan wanhoop over, wanneer Gij de tranen mijner Moeder en de zachtmoedige klachten van den lijdenden Jesus herdenkt; want mijn hart draagt de schuld van alles; niet tengevolge van uwe aanslagen, maar door de begeerte van mijn hart ben Ik in zooveel smarten gestorven. Mijn hart is de schuldige, want daar het bemind heeft, heeft het ten einde toe bemind.

Het zij verre, lieve lezer, dat ik de god-delooze wreedheid der Joden en hun hardnekkig ongeloof wil verschooren, evenmin wil ik de boosheid onzer zonden, die Jesus' dood veroorzaakten, verontschuldigen. Een allernederigste rouw over 's Heeren lijden en sterven is onze plicht; maar het is een nog veel zwaarder plicht de oneindige liefde van

-ocr page 369-

357

Jesus' goddelijk hart te verkondigen. Dat hart stelde zijn vermaak in het volbrengen van den wil des Vaders ; dat hart vond geen rust alvorens het groote offer van aanbidding en verzoening op het kruis voltrokken was ; dat hart omhelsde met vreugde alle lijden, opdat wij vrede en verzoening zouden vinden. Jesus stelt er prijs op, dat wij dit weten. Daarom zeide Hij zoo uitdrukkelijk, dat Hij vrijwillig zijn leven geven wilde, daarom toonde Hij in het uur zijns lijdens, dat het Hem niet de minste moeite zou kosten om den dood te ontgaan, daarom toonde Hij, dat Hij alles wist wat Hem zou overkomen.

Wanneer gij dan op dezen plechtigen dag den ganschen lijdensweg van Jesus doorloopt, gij zult, bij de overweging van elke smart, die Jesus onderstond, uw oog moeten vestigen op de doorboorde zijde des Heeren, en in zijn goddelijk hart de laatste oorzaak van zijn lijden vinden. Geen kaakslag heeft de goede Meester ontvangen, geen geeselroede heeft zijn maagdelijk vleesch verscheurd, geen scherpe doornen hebben zijn goddelijk hoofd gepijnigd, geen nagelen zijne gezegende handen en voeten doorboord, waarvan de liefde zijns harten de schuld niet draagt. Zijne boeien, zijne vernederingen en verlatenheid, zijne schande, de smaad van zijn kruis, zijne klachten en droefheden, zij zijn gewild, gezocht en omhelsd door zijn heilig hart. Reeds hadden zijne wonden opgehouden te bloeden, toen zijn hart ons het laatste bloed nog

-ocr page 370-

358

schonk; reeds had zijn mond opgehouden te spreken, toen zijne geopende zijde ons nog van verzoening en liefde sprak.

Ecu der soldaten opende met eene lans Zijne zijde, en terstond vloeide er bloed en water uit. Water ter reiniging onzer zielen, bloed om ons te voeden en in liefde te ontsteken. Gij zijt door het heilig doopsel van uwe zonden gereinigd, gij leeft door de liefde van Jesus' hart: gij wordt gevoed, gesterkt en in liefde ontstoken door het heilig vleesch en bloed des Heeren, gij zijt derhalve geheiligd en gesterkt door het liart van uwen Jesus. Welaan, volbreng dan ook den wil Gods en zie in dankbare liefde op tot het gewonde hart van uwen Jesus.

Ik twijfel niet, of gij zult heden met de geloovigen in godvruchtige aanbidding neder-knielen voor het heilig Sacrament der liefde. Gij zijt dan zoo dicht bij uwen goddelijken Verlosser, niet zoo als Hij zielloos hing aan het kruis, toen water en bloed uit zijne geopende zijde vloeide; maar zooals Hij verrezen van den dood, heerlijk leeft in den hemel. Hetzelfde hart, quot;t welk doorboord werd aan het kruis, klopt voor u in het heilig Sacrament ; ja, het klopt voor u in het heilig Sacrament, omdat het doorboord werd aan het kruis. Misschien begrijpt gij dit niet, welnu, ik zal mij nader verklaren.

Alvorens Jesus stierf, sprak Hij ; het is volbracht. Wat was volbracht ? Zijn lijden, maar niet zijne liefde; ook als Hij van het

-ocr page 371-

359

kruis zal zijn afgenomen zal Hij zijne armen nog uitstrekken naar de kinderen der men-schen; bij den dood, zullen smaad en smarten eindigen, maar de liefde des Heeren zal niet in het minste verkoelen. Om allen te verkondigen hoe standvastig zijne liefde is, iaat Hij na zijnen dood nog zijne zijde openen ; den geheelen schat van zijn goddelijk hart deelt Hij ons dan mede; zijn hart kon eenigen tijd ophouden te kloppen, maar geen oogenblik ophouden ons toe te behooren. De liefde van Jesus' hart was groot genoeg om ons altijd te beminnen, groot genoeg, dat Jesus zich ook na zijn dood geheel aan ons wegschonk. Ik zie dan op tot mijn doorboorden Jesus en in zijn goddelijk hart vind ik al de liefde, die Hij in zijn heilig Sacrament voor mij uitstort.

Wanneer het hart der moeder verteederd is over haar kind, dan neemt zij het in hare armen en drukt het aan haren boezem, ook het hart van mijnen Jesus is verteederd over mij; Hij neemt mij op in de heilige Communie, Hij drukt mij aan zijn gewonden boezem, want de liefde heeft zijn hart gewond. Ziet gij nu, hoe nauw het heilig Sacrament verbonden is met de iiefde van Jesus' goddelijk hart; hoe het Sacrament van 's Heeren vleesch en bloed een onmiddellijk en rechtstreeksch uitvloeisel is van 's Heeren geopende zijde? Zijn hart werd gewond, omdat zijne liefde, sterker dan de dood en door geen smarten uit te putten, voortduurt in eeuwigheid. Niet in zijne handen en voeten, maar in zijn hart zijn wij

-ocr page 372-

360

geschreven. Hij vergeet ons nimmer. Wegens den overvloed zijner liefde heeft Hij er zijn vermaak in gesteld bij de kinderen der men-schen te zijn en was het voor Hem eene behoefte, Zich zeiven aan ons weg te schenken en ons steeds aan zijn hart te drukken; dezelfde liefde, welke zijn hart doorboorde, doet Hem voor ons verblijven in het heilig Sacrament. Gij kunt Jesus niet met de oogen des geloofs in het heilig Sacrament aanschouwen, gij kunt er zijne liefde niet met vrome godsvrucht overwegen, zonder dat de geopende zijde van Jesus zich vertoont aan uwen geest; gij kunt Jesus niet godvruchtig ontvangen in de heilige Communie, of het hart des Heeren vloeit voor u van liefde over. Stel u heden, neergeknield zijnde voor het heilig Sacrament. Jesus voor, die u zijne geopende zijde toont, waaruit voor ons het water der reiniging en het bloed der goddelijke liefde vloeit; zóó beminde Hij, toen Hij ging lijden, zóó bemint Hij ons ook na zijnen dood. Volg dan den H. Joannes na, die van zich zeiven zegt: En Hij, die het gezien heeft, heeft er getuigenis van gegeven, en zijne getuigenis is waarachtig. Ook gij moet getuigenis afleggen van Jesus' liefde; uw mond moet den dood en de liefde des Heeren verkondigen, waarvan gij het levend gedenkteeken vindt in het allerheiligst Sacrament; uw hart moet, ontstoken aan het hart van Jesus, in eeuwige liefde branden. De liefde moet u aan Jesus boeien, aan Hem moet gij steeds denken, met Hem moet gij werken en

-ocr page 373-

361

lijden, voor Hem moet gij sterven. Neergeknield voor het heilig Sacrament moet gij kunnen zeggen : ziedaar mijne liefde, ziedaar al mijne liefde.

-ocr page 374-

Goede Vrijdag.

Hie accessit ad Pilalum a petiit corpus Jesu.

Math. XXVII : 58.

Hij (Jozef van Arimathea; ging tot Pilatus en verzoeht om het lieh^am van Jesus.

Het gestorven lichaam des Heeren hing nog aan het kruis met neergebogen hoofd; Maria, de Moeder van Jesus, eenige vrome vrouwen en leerlingen stonden daar en weenden toen de soldaten, gewapend met wreede werktuigen, verschenen om de beenen der gekruisigden te verbrijzelen. Ach, hoe beefde Maria, hoe sidderden de vromen bij het verschijnen der woeste krijgsknechten ; maar hunne tranen en smeekingen vermochten hier niets; zij zwegen en onderdrukten eiken kreet van onsteltenis; doch de Heer verhinderde door de schikking zijner almacht de gruwelijke heiligschennis, die de Joden nog aan den gestorven Verlosser wilden plegen. Een soldaat doorstak evenwel de zijde des Heeren onder het oog van Maria; de bedroefde Moeder zag het bloed en het water uit Jesus' zijde vloeien, maar zij kende het hart van haren Zoon, zij

-ocr page 375-

363

wist met hoeveel liefde Jesus alles, ook dit laatste gaf. Nochtans leed Maria hier onnoemlijk veel; zij zag de hardvochtige en bar-baarsche wreedheid van den krijgsknecht, de onverschilligheid waarmede hij Jesus' laatste bloed deed vloeien, de verachting, waarmede hij het hoofd afwendde van de breede wonde des harten, welke bij uitnemendheid de wonde der liefde is. Ach, wanneer de soldaat en al de omstanders naar de Moeder van Jesus hadden willen luisteren met welk eene zoete overreding zou de diepbedroefde Moeder over de matelooze liefde van haren Zoon gesproken hebben. Doch zij kan hier niets doen dan weenen, niets dan haar heilig hart laten doorboren door de onboetvaardigheid van Jesus' vijanden.

De soldaten verwijderden zich spoedig, en Maria bleef de wacht houden bij het kruis van haren Zoon, bij het gestorven lichaam van Jesus. Zij wenscht het lichaam te begraven, doch zij mag hare handen nog niet naar Jesus uitstrekken, zij mag de wreede nagelen niet uit zijne handen en voeten rukken, de kroon niet wegnemen van Jesus' hoofd. Haar Zoon is gestorven, maar zijn lichaam is nog geheel in de macht der Joden, en deze zullen zeer zeker niet aan de Moeder vergunnen, iets voor Jesus te doen. Wat hebben de Joden dan besloten, wat willen zij met het lichaam des Heeren doen ? Wij hebben het reeds gezien, zij wilden het met spoed afnemen en daarna...., o gruwel! Zij wilden het behande-

-ocr page 376-

364

len zooals zij gewoon waren te doen met de lichamen der boosdoeners, en Maria vermag dit noch door tranen, noch door smeekingen te verhinderen. God echter komt de onmacht der Moeder te hulp door Jozef van Arimathea op te wekken tot eene moedige en roemrijke daad. Deze Jozef was tot hiertoe een geheim leerling des Heeren. De evangelist zegt ons, dat hij, braaf en rechtvaardig zijnde, niet had ingestemd met de geheime raadslagen der Joden tegen Jesus; het is zelfs mogelijk, dat hij zijn invloed ten gunste van Jesus heeft aangewend, doch daar hij, uit vrees voor de Joden, een geheim leerling des Heeren was, had hij Jesus niet verdedigd met die kracht, waarmede hij nu voor het gestorven lichaam des Heeren optreedt.

Stoutmoedig nadert hij 1'ilatus. En inderdaad, buitengewone moed was er noodig voor de daad, die Jozef nu voor het aangezicht van geheel Jeruzalem ging verrichten. Openlijk, zonder omwegen meldt hij zich bij den landvoogd aan. Iedereen kan zien of hooren hoe diep een eerbied hij Jesus toedraagt, hoezeer hij den haat der oversten en de woede des volks afkeurt. Openlijk gaat hij voor de eer des Heeren strijden; één tegen allen, tegen de machtigen, aanzienlijken en rijken zoowel als tegen de menigte. De haat was nog even fel, de woede had zich niet neergelegd, toen Jozef -tot Pilatus ging; hij liep gevaar de Joden bij den landvoogd te ontmoeten en daar te moeten twisten over het lichaam van Jesus. Maar

-ocr page 377-

365

Jozef trotseert het volk en zijne aanvoerders, hij trotseert bedreigingen, spotternijen en smaad, hij trotseert het misnoegen van Pila-tus: want tot op dit uur ging niemand het huis van den landvoogd binnen, tenzij om Jesus te beschuldigen en het vlekkeloos bloed te eischen, en ofschoon Pilatus de onschuld des Heeren openlijk en meermalen erkend had, hij heeft toegegeven aan den eisch der Joden, en daarom moest het hem alleronaangenaamst zijn, dat Jesus nu in zijne tegenwoordigheid verdedigd werd. Elke verdediging, elke verheerlijking van Jesus was eene beleediging voor den landvoogd, eene scherpe beschuldiging en een hard verwijt. Door dergelijke bedenking laat Jo/,ef zich evenwel niet afschrikken 5 hij biedt het hoofd één aan allen.

Jozef was wel is waar aanzienlijk en rijk 5 zijn aanzien schonk hem toegang tot Pilatus en een zekeren invloed bij den landvoogd ; maar zijn hooge stand maakte hem het werk, dat hij nu verrichten wil, in ieder opzicht uiterst moeielijk. Toen Pilatus het verzoek van Jozef hoorde, moest hij wel verbaasd staan ; Jozef, de rijke, de aanzienlijke, vroeg de gunst om het lichaam des Heeren dat nog tusschen twee moordenaren aan het smadelijk kruis hing, te mogen begraven.

De schande van Jesus' lijden en sterven was nog niet weggenomen door eene heerlijke verrijzenis ; men kon in die uren niet over de straten van Jeruzalem gaan zonder de schan-lijkste smaadredenen tegen Jesus te hooren ;

-ocr page 378-

366

het was genoeg dat men bekend stond, als een voormalig aanhanger van Jesus, om nu het voorwerp te zijn van bitteren spot. De ge-trouwste leerlingen van Jesus zijn geschokt, terneergedrukt en geërgerd, zij onttrekken zich zooveel mogelijk aan het oog der Joden. En daar treedt nu de rijke en aanzienlijke Jozef openlijk op als een ijverig leerling des Hee-ren. Zal zijn aanzien hem beschermen tegen de bijtendste opmerkingen en den grimmigsteu haat ? Juist het tegendeel is te wachten. Hoe hooger zijn stand is, des te grooter opschudding zal zijne daad veroorzaken. Elkeen kent Jozef van Arimathea, waar hij komt wordt hij gadegeslagen en opgemerkt. Indien een arm en onbekend leerling met vergunning van den landvoogd het lichaam des Heeren van het kruis afgenomen en begraven had, de oversten en het volk zouden er in kunnen berusten, en de naam van dien leerling zou niet op aller lippen komen. Doch Jozef van Arimathea !

Waarom vergenoegde Jozef zich niet met Pilatus te vragen, dat hij aan de Moeder en de leerlingen van Jesus vergunde om het lichaam des Heeren af te nemen en te begraven ? — Hij begeert een deel in den smaad van 's Heeren kruis. Jozef denkt, waar de naam van den Heer en Meester zoo gruwelijk ont-eerd is, past het niet, dat men nog bezorgd is voor eigen naam. Zijnen naam en zijne eer zal hij gaarne ten offer brengen om de eer en den naam des Heeren te wreken. Hij meent het aan Jesus, aan zijne bedroefde Moeder,

-ocr page 379-

367

aan zijne ontstelde leerlingen schuldig te zijn, dat hij met eigen handen het lichaam des Heeren afneemt van het kruis. De Joden zullen hem ziende wel is waar op hunne tanden knarsen, doch zij zullen ook gedwongen zijn te erkennen, dat Jesus nog vurige vrienden heeft, en eenigen onder de misleide menigte zullen misschien tot betere inzichten komen.

O, wie zal ons zeggen met welk eene tee-derheid de Moeder des Heeren Jozef ontving, die op Kalvarié kwam. om Jesus met den diepsten eerbied te begraven ! Wie zal ons zeggen, hoe de vrouwen en leerlingen van blijdschap weenden, toen zij Jozef de laatste eer aan het gestorven lichaam des Heeren zagen geven ? Wie zal ons zeggen met hoe groot een geloof, hoe vurig eene liefde en hoe warm eene godsvrucht Jozef begiftigd werd, toen hij het offer van zijne eer aan Jesus bracht ?

Lieve lezer, heden, de sterfdag des Heeren, kleedt de Kerk, zijne bruid, zich in rouwgewaad, alle hare plechtigheden en gebeden dragen den stempel van diepe droefheid. Wanneer de priester het kruis ontbloot en aan het volk de beeltenis van den gekruisigden Verlosser toont, roept hij allen toe ; zietdaar het hout, waaraan het heil der wereld gehangen heeft. Dit alles is slechts een flauw beeld van hetgeen er op Kalvarië plaats had, toen Jozef liet lichaam des Heeren afnam. Aller blikken waren toen gevestigd op het lichaam van Jesus, iedere wonde lokte nieuwe tranen, niemand waagde het eene stilte te storen, die

-ocr page 380-

368

slechts onderbroken werd door een aanhoudend gesnik. De bedroefde Moeder ontving het lichaam van haren Zoon in haren schoot, en besproeide het met tranen, zooals de heiligste der moeders ze slechts vergieten kon : zij kustte zijne doorboorde handen en vooral zijne doorboorde zijde, welke van Jesus' mate-looze liefde zoo luide sprak. Rondom de Moeder stonden de overigen geschaard, zij voegden hunne tranen bij die van Maria; allen waren vervuld van liefde en smart. Waren wij hier bij tegenwoordig geweest, welke diepe indrukken zou ons hart er ontvangen hebben ! Goede Vrijdag zou alsdan nimmer wederkeeren, zonder dat wij in ons binnenste geschokt en ver-teederd, de oprechtste blijken gaven van droefheid, liefde en vurige godsvrucht. Welke zijn thans uwe gevoelens? Hebt gij er werkelijk behoefte aan, om heden voor het kruis des Heeren neder te knielen en met godvruchtige aandacht de wonden van uwen Jesus te beschouwen; hebt gij er behoefte aan, het kruis heden aan uwen boezem te drukken en eerbiedig de wonden van uwen Verlosser te kussen ?

Nadat de prieeter het kruisbeeld aan de geloovigen vertoond heeft, legt hij het eerbiedig voor het altaar neder, ontdoet zich van zijn schoeisel, knielt tot drie keeren voor de beeltenis van zijn gestorven Meester en kust daarna de heilige wonden. Ik veronderstel, dat gij zulks in den geest wel eens hebt medegedaan, of dat gij, indien de omstandig-

-ocr page 381-

369

heden u zulks vergunden, hetzelfde werkelijk gedaan hebt; maar wat beteekent dit nog bij de vurige liefde, de warme godsvrucht van hen, die bij de afneming aanwezig waren ? Wilt gij deze inderdaad navolgen, omhels dan het kruis niet slechts in de Kerk, niet in de eenzaamheid van een gesloten vertrek, maar openlijk, voor het oog der wereld. Dat uwe godsvrucht zoo warm, uwe liefde zoo vurig zij, dat gij u niet alleen niet schaamt voor Jesus' kruis, maar gelijk Jozef van Arimathea, Hem openlijk en met vreugde belijdt. Dat de liefde en de wonden van Jesus u dringen om voor Jesus te ijveren, te spreken, te werken, ook dan wanneer men u ter wille van Jesus bespotten en hoonen zal. Dat heden en voortaan al de dagen uws levens uw hart slechts bloede wegens den smaad, de vernedering en het lijden door Jesus ondergaan ; zeg heden in godvruchtigen eenvoud : Heer, ik wil uw kruis omhelzen, ik wensch met U in vernedering en smaad te gaan. Indien de Joden zich ergeren aan uw Kruis, indien de onge-loovigen het eene dwaasheid noemen, ik zal het des te vuriger omhelzen,' opdat ik met U gehoond en versmaad worde. Geef, o liefdevolle Jesus, geef, dat uw kruis steeds mijne eer, mijne vreugde zij. Amen.

-4

-ocr page 382-

Paasch Zaterdag.

Venit autem et Nicodemui, qui venerat rd Jesum nocte primum, ferens mixturam myrrhae et alcës. Joan. XIX ; 39.

En ook Nikodemus, die voorheen des nachts lot Jesus gekomen was, kwam en bracht een mengsel van myrrhe en aloë.

Nikodemus, die voorheen zeker niet minder vreesachtig was dan Jozef van Arimathea, want hij was dezelfde, die in den beginne, uit vrees voor de Joden, des nachts heimelijk tot Jesus kwam, Nikodemus was Jozef behulpzaam in het afnemen en begraven van 's Heeren lichaam. Bestond er afspraak tusschen deze beiden ? Of kenden zij elkander als leerlingen van Jesus ? Het evangelie geeft geen antwoord op deze vragen, maar het is geenszins onwaarschijnlijk, dat Jozef en Nikodemus ten gevolge van hunne liefde voor Jesus reeds met elkander in zekere betrekking stonden. Immers, de liefde tot Jesus brengt de leerlingen van Jesus tot elkander en verbindt hen met een heiligen band. Daaraan, zegt de Verlosser, zal de wereld zien, dat gij mijne leerlingen zijt, zoo gij elkander lief hebt.

Geen tijdstip was echter geschikter om den

-ocr page 383-

371

band en de kracht der broederlijke liefde beter te waardeeren, dan dit uur. Wij hebben gisteren reeds gezien, hoe Jozef, om de laatste eer aan 's Heeren lichaam te kunnen bewijzen, geheel alleen stond tegenover den haat van een geheel volk, wij hebben overwogen wat hij moest trotseeren, alvorens hij zijn wensch bevredigen en Jesus begraven kon. Hoe groot de moed, hoe vurig de ijver van Jozef ook was, in Nikodemus vond hij een onwaardeerbaren steun, en zoo deze laatste Jozef ook niet heeft aangemoedigd om zich tot Pilatus te wenden, zijn toetreden heeft ongetwijfeld er veel toe bijgedragen, dat Jozef met kracht voleindigde, wat hij met moed begonnen had. Raadpleeg hier uw eigen hart, lieve lezer. Schenkt het u geen moed en kracht, wanneer gij ziet dat er nog anderen zijn, die de deugd liefhebben, de waarheid met hart en ziel omhelzen en moedig strijden tegen de booze wereld ? Wordt uw moed niet opgewekt, ontvangt uwe deugd niet als een nieuw leven, wanneer gij het geluk hebt schoone voorbeelden te zien en vrome gesprekken te hooren ? Voor velen zijn het goede voorbeeld en de heilzame opwekkingen van anderen eene bepaalde behoefte. Ofschoon niet kwalijk gezind, hoewel uiterst vatbaar voor goede indrukken, zijn zij te zwak en te lafhartig, om onder de oogen eener bedorven wereld openlijk aan deugd en waarheid hunne hulde te brengen. Zij vreezen altijd, dat zij alleen tegenover velen zullen staan en aldus een voorwerp zullen worden van

-ocr page 384-

372

spot. Hun moed wordt slechts opgewekt door voorbeelden; hunne zwakke begeerten kunnen slechts tot geestdrift overslaan door woord en opwekking van ijverige voorgangers. Behoort gij tot die vreesachtigen ? Zoek dan brave vrienden, verbindt u met hen, die u een steun kunnen bieden tegen het bederf en de verleiding der wereld. Gij doet wel, gij vervult een plicht, wanneer gij gevaarlijke gezelschappen vlucht en geen nauwe betrekkingen aanknoopt met personen, die God niet vreezen en de boosheid liefhebben, maar deze vlucht is u niet genoeg; de mensch kan in den regel niet alleen staan, hij heeft behoefte aan personen, welke hij niet slechts kan raadplegen maar die hem opwekken, sterken en aanmoedigen tot den goeden strijd. Door het voorbeeld van anderen aangemoedigd en gesterkt kan zelfs de zwakste op zijne beurt een moedige voorganger worden. Mocht gij werkelijk een voorganger zijn '

Lieve lezer, wanneer gij u toevallig in een gezelschap bevindt, waar de goddeloosheid den hoogen toon voert om godsvrucht, geloof en deugd te bespotten, laat u dan niet ontmoedigen ; denk dan ook niet, dat alle aanwezigen goedkeuren wat er gezegd wordt. In zulk een gezelschap zijn meestal zwakken, die lafhartig genoeg zijn om toe te juichen, wat zij in hun hart afkeuren, maar gij, toon wie gij zijt, wat gij hoogschat en met geheel uwe ziel lief hebt; gij zult door uw moedig gedrag de vijanden des Heeren doen verstommen, zooals Jozef

-ocr page 385-

373

van Arimathea, en indien er ook niet aanstonds een Nikodemus opstaat, die met u strijdt, velen zullen in hun hart goedkeuren, wat gij voor Jezus in woord of daad doet, sommigen zullen zich schamen over hunne lafhartigheid en wellicht tot nadenken komen, en in elk geval zult gij de eer genieten van den smaad des Heeren te dragen, wegens den spot die u te beurt valt.

Welk eene verandering heeft er plaats gegrepen op Kalvarië I De menigte, die Jesus tot zijn uiterste bespotte, is vertrokken, geheel ontsteld door de wonderen., die den dood ties Heeren vergezelden. Hoewel tie bittere vijanden van den Verlosser niet tot bekeering kwamen, zij durfden voor het oogenblik met zoo groot een geweld niet meer optreden, hun invloed op de menigte was niet machtig genoeg om thans den strijd vol te houden tegen God, die door teekenen tusschen beide kwam ; bij het beven der aarde en het barsten der steenrotsen hebben zij gesidderd en zich aan het oog des volks onttrokken. Hun schoot niets anders over dan spijtig op de tanden te knarsen toen zij hoorden, dat Jozef en Nikodemus met vergunning van Pilatus het lichaam des Heeren de laatste eer bewezen. Op Kalvarië was nu alles doodstil. Men hoorde er slechts het snikken van Jesus' vrienden en • eenige zeer spaarzame woorden, die uit eerbied half fluisterend werden uitgesproken. Met de grootste voorzichtigheid werd het heilig lichaam afgenomen, met de grootste zorgvul-

-ocr page 386-

374

digheid werden de wreede wonden gereinigd. Alles moest met spoed geschieden, want men kon niet over veel tijd beschikken ; doch Jozef en Nikodemus hebben door hun ijver aangevuld, wat er aan den tijd ontbrak. Jozef had gezorgd voor fijn lijnwaad waarin het lichaam van jesus gewikkeld werd ; Nikodemus bracht een mengsel van Myrrhe en Aloë, ter zwaarte van honderd pond, mede, om nog vóór de begrafenis het heilig lichaam te kunnen balsemen. Allen betreurden het echter, dat men thans niet meer ter eere van Jesus kon doen, en de vrome vrouwen die bij de begrafenis tegenwoordig waren, maakten toen reeds het besluit om de balseming, na aHoop van den Sabbath, met zorg te herhalen; nauwkeurig zagen zij daarom toe waar Jesus gelegd werd. Op Kal-varië, in de onmiddellijke nabijheid van de plaats, waar de Heer gekruisigd werd, bezat Jozef een tuin, en in dien tuin had hij een nieuw graf, waarin nog nooit iemand gelegd was. In dat graf werd Jesus met den diepsten eerbied begraven. De gevoelens te beschrijven, die de harten vervulden van allen, die aan de begrafenis deelnamen, is ondoenlijk. Ik spreek niet eens van de bedroefde Moeder, noch van den H. Joannes, noch van Maria Magdalena, doch wanneer ik u met de woorden van den profeet zeg, dat zij over Jesus weenden, zooals men weent over een eenig-geborenen, dan geef ik slechts een allerflauwst beeld van aller droefheid. Op één punt wil ik slechts uwe aandacht vestigen.

-ocr page 387-

375

Wanneer een gewoon menschenkind gestorven is, die nauwe betrekkingen achterlaat, dan hoort men deze nog gedurig spreken over de smarten die de overledene gedurende zijne laatste ziekte doorstond; onder een vloed van tranen spreekt men van zijne benauwdheid, zijne pijnen, zijne klachten en doodsangsten. Ach, men betreurt het dan zoo innig, dat men van dit alles getuige was zonder in iets te kunnen helpen ! Hoe levendig moest nu dit leedgevoel bij de vrienden van Jesus zijn, toen zij Hem van het kruis afnamen en ten grave voerden : Alles wat de goede Jesus tijdens zijn leven ondervonden had, al de bitterheid, al de versmading ert miskenning, stond de bedroefde Moeder voor den geest; voor de anderen was het genoeg, de roodgeweende oogen van Maria, den droeven blik, dien zij onafgewend op haren Jesus gevestigd hield, te zien, om in heilige ontroering te weenen. Maar allen zijn ook getuigen van Jesus' smarten en vernederingen geweest ; hun hart werd als vaneen gereten, toen zij de wreede nagelen uit 's Heeren handen en voeten moesten rukken, toen zij van zoo nabij zagen hoe de doornenkroon was doorgedrongen in zijn gezegend hoofd ; elke wonde werd aangeraakt en gereinigd en nu eerst zagen zij van nabij hoe vreeselijk hun Jesus mishandeld was ; ach, kon zijn half geopende mond nog spreken, hoeveel klachten zouden zij vernemen ! Konden zijne ooren nog verstaan, hoeveel smartelijke vragen zouden zij

-ocr page 388-

376

tot Hem richten! De vervloekingen en ver-wenschingen, de smaadredenen en lasteringen, waarmede de Joden hunnen goeden Meester tot in zijn uiterste vervolgden, de verlatenheid, waarin Jesus stierf, zoodat niemand Hem troosten, verdedigen en helpen kon, dit alles ontlokte een stroom van tranen uit hunne oogen. Kéne gedachte, ééne begeerte overmeesterde aller hart ; ach, waarom is het ons nu eerst gegeven om voor de versmading, voor den haat en de gruwelijke mishandeling eenige geringe voldoening te schenken. Dan kusten zij Jesus' handen, dan wierpen zij zich weenend voor zijne voeten, dan vermengden zij hunne tranen met den balsem, waarmede zij Jesus' wonden zalfden. En toen de treurige plechtigheid voltrokken en het graf gesloten was, keerden allen weenend en zwijgend huiswaarts; maar niemand is voldaan met hetgeen hij voor Jesus deed, allen overleggen bij zich zeiven wat zij nog voor Jesus in het vervolg doen kunnen.

Heden, lieve lezer, is het de laatste dag van den H. Vastentijd. Hebt gij in dien tijd Jesus' lijden godvruchtig gevolgd en overwogen ? Welnu, gij keert dan heden met Jozef, Nikodemus en de vrome vrouwen van het graf terug. Ik hoop dat u thans dezelfde gevoelens bezielen, waarmede zij Kalvarië verlieten ; ik hoop dat gij dezen tijd niet eindigt zonder het ernstige besluit te vormen veel voor Jesus' eer te doen. De goede Jesus wordt ook thans gruwelijk gehoond, bespot en ver-

-ocr page 389-

■377

volgd in zijne leer, in zijne Kerk, in zijne heilige geboden. Wanneer de goddeloosheid der wereld toeneemt, laat uwe liefde niet verslappen; integendeel, neem toe in ijver, wreek de eer van Jesus door openlijk zijne leer te belijden, zijne geboden te onderhouden en zijne Kerk te eeren. Verheug en verblijd u, wanneer gij ter wille van Jesus eenigen smaad moogt lijden. Bemin den luister van s' Heeren huis en draag blijmoedig bij, opdat de Kerk, waar Jesus' heilig lichaam rust, schoon en heerlijk zij. Verheug u in al de godsdienstige plechtigheden, want deze zijn slechts eene herhaling en voortzetting van hetgeen Jozef en Nikodemus deden toen zij Jesus' lichaam eerden. Treur over alle oneerbiedigheid tegen het allerheiligst Sacrament en bereid u steeds met de grootste zorgvuldigheid voor tot de H. Communie. Verheug en verblijd u, dat het u gegeven is zoo van nabij het gewonde en mishandelde lichaam van uwen Jesus te eeren.

-ocr page 390-
-ocr page 391-

INHOUD.

Bl.idz.

Aschdag. Jesus gaat met zijne leerlingen naaiden Olijfberg. De vrijwillige versterving ... i

Donderdag Jia Aschdag. Jesus voorspelt aan zijne leerlingen hunne ergernis. Mistrouwen op eigen krachten ; christelijke behoedzaamheid tegen de

gevaren der wereld..........8

Vrijdag na Aschdag. Jesus gaat Gethsemané binnen en wordt bedroefd. Kr is eene heilige en ook eene zondige droefheid. Jesus geeft ons

een voorbeeld der eerste........15

Zaterdag na Aschdag. Jesus bidt in den hof. Ons gebed moet nederig en onderworpen zijn

in droefenis. ... ........23

Eerste Zondag in de Vasten. Jesus' doodstrijd.

Eene heilige vrees voor Gods oordeelen ...31

A/aan dag na den eersten Zondag. Judas voltrekt het verraad door een en kus. De zachtmoedigheid van Jesus jegens de zondaren . , . . 38

Dinsdag na den eersten Zondag. Jesus doet de bende nedervallen. De hardnekkige verblindheid der zondaren is een gevolg van hun verzet tegen de inspraken der genade, die niet ontbreekt. . 45

Woensdag na den eersten Zondag. Petrus strijdt voor Jesus met het zwaard. De ware christelijke

moed...............5 2

Donderdag na den eersten Zondag. Jesus wijst Petrus terecht hem herinnerend aan den wil des Vaders. Overgeving aan Gods heiligen wil . . 59

-ocr page 392-

380

Black.

J ~rij dag nu dcji eersten Zondag. De vlucht der leerlingen : Jesus staat nu alleen. De grootheid van Jesus in zijne verlatenheid. De grootheid van den waren christen op zijn sterfbed ... 66

Zaterdag na den eersten Zondag. Jesus wordt in het huis van Kaïphas gevoerd. De samenspanning en de ijver der goddeloozen om Jesus te hoonen beschamen de traagheid der christenen. 73

Tiueede Zondag in de Vasten. Jesus ontvangt den eersten kaakslag. Hij leert ons zachtmoedig

en ootmoedig van harte te zijn......81

Maandag na den tweeden Zondag. Jesus wordt door de Joden den dood schuldig geoordeeld, omdat Hij zich „den Zoon Godsquot; noemt. Hoe wij Jesus als ..den Zoon Godsquot; moeten erkennen en belijden...........89

Dinsdag na den tweeden Zondag. Jesus wordt door de opgeruide dienaren der Joden mishandeld. De zonde der ergernis.......96

IVoensdag na den tweeden Zondag. De verloochening van Petrus. Het gevaar der slechte gezelschappen en de noodzakelijkheid zich daartegen te wapenen...........1O4

Donderdag na den tweeden Zondag. Jesus wordt openlijk naar Pilatus gevoerd. De grootheid en de goedheid van Jesus wordt door de geërgerde

menigte niet meer begrepen.......112

Vrijdag na den tweeden Zondag. De zonden, de teleurstelling en de wanhoop van Judas. De

trouweloosheid der wereld........120

Zaterdag na den tweeden Zondag. Jesus getuigt voor den landvoogd dat Hij gekomen is om getuigenis der waarheid af te leggen. De waarde der geopenbaarde waarheid, hoezeer zij miskend

wordt door de wereld.........128

Derde Zondag in de Vasten. Jesus voor Hero-

-ocr page 393-

381

Blad «.

lt;ies. Hij leert den dwazen de Wijsheid door zijn zwijgen, en ontvangt daarvoor bitteren spot tot

loon...............136

Maandag na den derden Zondag. Jesus wordt naast Barabbas gesteld. Deze vernedering heeft Jesus niet slechts gewild, maar gezocht en omhelsd, alvorens Pilatus er aan dacht . . . • 145

Dinsdag na den derden Zondag. Jesus wordt achter Barabbas gesteld. De zwarte ondankbaarheid der Joden wordt in nog ergere mate door

vele christenen herhaald........153

VVoensdag na den derden Zondag. De wreede geeseling. De rechtvaardigheid en barmhartigheid hebben elkander omhelsd. opdat wij noch zouden wanhopen noch vermetel vertrouwen . . iói

Donderdag na den tweedeit Zondag. De doornenkroning. Jesus vernedert zich voor den Vader wegens onze hoovaardij. Nederigheid en vernedering passen voor ons zondaren.....170

Vrijdag 7ta den derden Zondag. Jesus, dragend de doornenkroon, wordt aan het volk voorgesteld, opdat wij, den mishandelden Jesus ons levendig voor oogen stellend, in ootmoed zouden denken, waaraan wij ons ware geluk te danken

hebben..............17S

Zaterdag na den derden Zondag. Pilatus wijst op zijne groote macht. Jesus herinnert hem aan Wien hij die macht te danken heeft en aan de verantwoordelijkheid, die hij op zich laadt. Niet de talenten, maar het gebruik der talenten beslist

over de grootheid der menschen......187

Vierde Zondag in de Vasten. Pilatus geeft Jesus over aan de willekeur der Joden. Het men-schelijk opzicht. Hoe men tegen het menschelijk

opzicht moet strijden.........196

Maandag na den vierden Zondag. Jesus, om-

-ocr page 394-

382

Bladz.

ringd van eene spottende menigte, wacht met heilig ongeduld op zijn kruis. Waarom Jesus zijn kruis zoo zeer bemint en welke gevoelens het kruis bij ons moet opwekken ..... 206

Dinsdag na den vierden Zondag. Jesus draagt zijn kruis naar Kalvarië. De groote schande van liet kruis, en die schande wordt met zoo groot eene liefde door Jesus omhelsd. Welk een oordeel moet nu de christen vellen over oneer en schande, die hem buiten zijne schuld worden aangedaan? . 215

Woensdag na den vierden Zondag. Jesus spreekt tot de weenende vrouwen en predikt haar de

boetvaardigheid. Zalig zij, die weenen, want zij

zullen vertroost worden.........225

Donderdag na den vierden Zondag. De krui-siging. Jesus hangt aan het kruis, opdat de zondige kinderen van Adam allen tot Hem en zijne wonden mogen opzien.........234

Vrijdag na den vierden Zondag. Jesus spreekt zijn eerste woord aan het kruis en vraagt vergeving voor zijne vijanden. Vertrouwen op Jesus en vergevingsgezindheid jegens onze vijanden . 243

Zaterdag na den vierden Zondag. De Joden zijn geërgerd in het opschrift van Jesus' kruis en verzoeken den landvoogd om het te veranderen. De christen , die Jesus als Koning erkent, mag nooit vergeten hoe zijn Koning gestorven is 252

Passie-Zondag. Het volk bespot met zijne oversten den gekruisigden Jesus. De boosheid, die door Gods genade niet overwonnen wordt, wordt

steeds boozer............261

Maandag na Passie-Zondag. De soldaien ver-deelen de kleederen van Jesus. Gierigheid en hebzucht verblinden den mensch zoo zeer, dat hij

niets van Jesus' liefde begrijpt......269

Dinsdag na Passie-Zondag. Twee boosdoeners

-ocr page 395-

383

Blad z-

hiugen naast Jesus aan het kruis. Die aan de linkerhand van Jesus hing bleef verstokt in de schaduw van 'sHeeren kruis. Hoe wij moeten leven opdat het kruis ons zeker trooste en sterke op

het sterfbed............278

IVoeusdag na Passie-Zondag. Jesus belooft het Paradijs aan den boetvaardigen moordenaar. De boetvaardigheid schonk den moordenaar de kroon der belijders en der martelaren . .... 287

Donderdag na Passie-Zondag. Naast het kruis van Jesus stond Maria zijne moeder. De smarten en de verhevene deugdsoefeningen van Maria onder het kruis. Maria leert ons hoe wij tot het

kruis moeten opzien......... 296

Vrijdag na Passie-Zondag. Jesus beveelt Joannes aan Maria en schenkt den leerling in Maria eene Moeder. Maria openbaart steeds de gevoelens eener teedere Moeder; wij moeten jegens haar

kinderlijke gevoelens openbaren......304

Zaterdag na Passie-Zondag. Jesus klaagt luide over zijne verlatenheid. Jesus klaagt luide, opdat wij, zondaren, met Hem zouden klagen over onze verlatenheid, want Hij lijdt in onze plaats . .312

Palm-Zondag. Jesus klaagt over zijnen dorst. Hij verlangt bovenmate naar onze verlossing en heiliging. Het verlangen naar de rechtvaardigheid. 320 Maandag in de Goede Week. Jesus zegt : het is

volbracht. De zalige dood........328

Dinsdag in de Goede Week. Jesus roept met luide stem : Vader in uwe handen beveel ik mijnen geest. Te sterven is een gewin, een zegepraal

voor den christen...........336

Woensdag in de Goede Week. Jesus buigt zijn hoofd en sterft. Gehoorzaamheid en onderwerping aan Gods heiligen wil is de grootste daad des menschen.............344

-ocr page 396-

3B4

Bladz.

in/h- Dondentag. Jesus' zijde worH Joor eene Ums geopend. De liefde van Jesus ha. . ■ • .i5j

Goede Vrij dag. quot;lozef van Avimathea vraagt van den landvoogdquot; het lichaam des Heeren. De üieilige moed om den smaad des Heeren te ^

5!ragen........... V ' lt;■

Paasch-Zaierdag. Nikodemus helpt Jozef van Arimathea bij de begrafenis van Jesus. De Kracht der goede voorbeelden. De indruk die het lijden van Jesus bij ons moet achterlaten.....37°

-ocr page 397-
-ocr page 398-
-ocr page 399-
-ocr page 400-