-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

LEGENDE

A! IUKX ÏÏERMAN JOZBF

-y

-ocr page 6-
-ocr page 7-
-ocr page 8-

IMPRIMATUR.

Brxigis, in festo S. Rosiirii B. M. V. 7 octobris 1888.

J. A. Syoen, Can.

Lihr. Cens.'

IMPRIMATUR.

Haaren, 20 Febr. 1890.

F. A. L. Bronsgeest,

Lihr. Cens.

-ocr page 9-

INLEIDING VAN DEN SCHRIJVER.

Dit irerkje werd feed* voorlang, fegen mijne oorspronkelijke bedoeling door een vriendenhand ier perse gelecid. In de maand Mei geschreven , iraren deze hlaadjes bestemd tot eene nederige bijdrage ter viering van de Mariamaand en moesten eene rereeniging van arme zusters een klein genoegen, verscl/afj'en. Aan, dit tweevoudig doel heant-woordt het hoekje door eene reeks van overwegingen of toepassingen, in het verhaal — dikw jls los (/enoeg — ingevlochten. De legende zelve is eene vrije beiverking eener Latijnsche levensbeschrijving, die het beste dooi' de Bollandisten is- uitgegeven op den dag der maand April. Zij is herl'om-sfig van een prior, die in het klooster Steinfeld met den Zaligen Hernia)! zei ven leefde, en, dient tof grondslag aan het helaas! geschorste proces da' heilig verklaring. De geheele inkleeding verraadt duidelijk y dat de samensteller het vertrouwen van den Zaligen Herman Jozef verdiende en de parel van zijn klooster op haar echte waarde wist te schatte,)!. Ik voo)- mij zag geen kans doi eenvoud

1

-ocr page 10-

zoo van onzen dierbaren Zalige zeiven als can den schrijver op eene andere wijze tot zijn recht te dooi komen dan dooi' het c/eheel in de taal van vroeger tijd over te hrenyen. In dezen vorm heeft het boekje menujen vriend gekregen en mij veler liefde en gebed verworven. Nu het dan sinds eenigen tijd niet meer voorhanden is, voldoe ik fjaarne aan een dikwei'f uitgesproken verlangen en geef den tekst, wat de hoofdzaal' betreft, onveranderd, ten t/veeden male in 't licht. . . .

Moge het liefelijk beeld, in deze bladzijden je-teekend, zich weldra in de jeugd van Diiitschhmd afspiegelen, opdat het aankomend geslacht ons het geloof en den eenvoud der middeleeuwen te rug-schenke.

Dr. Fr. Kaulejs'.

Bonn, 2 Augustus 1880.

-ocr page 11-

EEN WOORD YAN DEN VERTALER.

Deu geleerden schrijver volgen, iu zijne overigens welgeslaagde poging om Herman Jozefs Latijnsche levensschets in een veronderden taalvorm over te brengen , dacht mij ietwat stont en daarbij wellicht minder geschikt om stichting en genot van sommige lezers te verhoogen. Men kan ook , meende ik , eenvoudig zijn in het Nederlandsch van onzen tijd. Daarin zette ik dus het boekje over. Is het noodig te verzekeren dat ik het verlangen door l )r. Ivaulen omtrent Dnitschlands jeugd geuit, gaarne uitstrek tot ieder der talrijke lezers die ik het Hollandsch werkje toewensch V

H. E.

-^7

-ocr page 12-

|J|AN BEN Zaligen «JKRMAN ^OZEF.

Herman Jczef, o hoe gaarne,

Zon quot;k een waardig lied n zingen;

Maar ik mis den zilvren harptoon En de stem Tan hemelingen.

In een hoekje met uw hoekje Hud ik keer op keer genoten . — Wie uw leven heeft beschreven Had een lusthof mij ontsloten.

.la uw leven is een gaarde,

Waar de schoonste bloemen geuren:

Beelden uwer rijke deugden.

Fijn van vormen, zacht van kleuren.

't Rozeknopje sprak van liefde,

Vurig als een gloeiend kooltje. 't Leliewit van euglenreinheid.

Van uw deemoed liet viooltje.

De open meibloem zong van blijheid, Zwaardkruid loofde uw moed in 't strijden» De vergeet-mij-niet uw trouwe. Passiebloem geduldig lijden.

En daar bloeiden. tierden . geurden Duizend , duizend andre bloemen ; Wie ter wereld kan uw deugden Alle roemen , alle noemen V

-ocr page 13-

— 9 —

D. hue gaurue, Herman Jozef.

Zou ik ii een loflied zingen;

Maar ik mis den zilvren harptoon En de stem Yan liemelingen.

Peinzend kwam ik op den inval;

— Zal men niet van driestheid spreken V — .'k Moest het kleine, reine boekje

In een Hollandsch kleedje steken.quot;

In het uitgespaard kwartiertje Sloop ik heen en werkte rustig In een hoekjen aan uw boekjen —

't Liep van stapel blij en lustig.

!Nu bleef mij nog één verlangen;

''t Boekje, hoe ook uitgevallen ,

U ter eere te verspreiden,

Mocht het zijn, bij duizendtallen.

In een hoekje met mijn boekje

— 'k Dorst het. Herman, stil vermoeden — 'Zou dan menig hart u prijzen

En mijn loflied u vergoeden.

Op het zedig, Hollandsch werkje Vraag ik dies uw milden zegen,

Dat de bloemen uwer liefde Geuren mogen allerwegen.

Mariëudaal.

H. Ekmank.

-ocr page 14-
-ocr page 15-

iScgmtitc

VAN DEN

ZALIGEN HERMAN JOZEF.

I.

Over de gebccrte van den Zaligen Herman.

Ten jare 1150 werd in de lieilige stad Keulen eeu knaapje geboren, wien inen bij den doop den naam Herman gaf. De ouders van dit kind behoorde in genoemde stad tot de welgezeten en deftige lieden; zij wilden daarom het zoontje, dat (lod hun schonk, tot hooge eer en rijkdom brengen. En dat was de reden, waarom zij het Herman heetten.

Want zij zochten in dezen naam, die een aanzienlijk man aanduidt, een goed voorteeken. Maar men zegt; „De mensch wikt en God beschikt,quot; en zoo ging'took met de bedoeling der ouders.

Met de komst toch van den lieven Herman liet de Heer nog een andere gast de woning binnentreden, namelijk een groote armoede.

-ocr page 16-

— 12 —

Misschien meent nu iemand, dat de Zalige Hermau zelf een schat was van grooter waarde dan alle goederen en rijkdommen der wereld, en dat God de Heer oordeelde: in dit kind zijn de ouders rijk genoeg. Ik voor mij echter geloot', dat Mod hierbij meer aan't kind dan aan de ouders gedacht heeft, en hen daarom tot armoede bracht. Immers juist omdat Hij van plan was den knaap met alle genaden te verrijken en in hem zijne [allerheiligste Moeder op eene ongemeene wijze te verheerlijken , stelde Hij hem onder de trouwste hoede, die op aarde gevonden wordt, en gaf hem aan de armoede ter bescherming. Ue leermeesters toch van het geestelijk leven zeggen, dat de armoede de beschermster der goddelijke genade is. Vooral echter, omdat Onze Lieve Heer zich de heilige armoede als bruid verkoos, schonk Hij haar 't vermogen iedere ziel op den weg der deugd te bewaren. En zoo heeft ook Gods lieve Moeder, die op aarde de zuiverste afspiegeling van Jezus was, den weg der armoede gekozen, en zijn haar op denzelfden weg vele heilige zielen gevolgd. Daar nu onze Herman aan de wereld moest toonen, welke groote gefiaden eu deugden hun ten deel vallen, die Maria trouw vereeren, wilde de goede Vader in den hemel, dat hij als een' ware dienaar van Jezus en Maria ook in hun armoede zou deelen. En aldus is het geschied, dat bij den aanvang van zijn leven zijne ouders tot armoede vervielen.

-ocr page 17-

-^^q fliiBÉaMwaMÉg?MigjMgwa»^»aBggMWMaMsa«iap«gr • -: ____________________

4 t;

ii.

Over Hermans vrome kindsheid.

Toen dan die eerste hoop der ouders vervlogen was, viel liet hun wel zwaar 't lieve kind niet dan in gebrek en ontbering te kunnen opvoeden. Want alle ouders zijn van nature zoo, dat zij hun kinderen gaarne alles schenken, wat het leven veraangenaamt, en dikwerf' vergeten zij, hoe overvloed van spijs en drank en genoegens in de zielen der kleinen ook een overvloed van booze lusten voortbrengt. En daarom zijn verstandige lieden van ineening, dat, als men de kinderen eenvoudiger opvoedde en niet verwende, ook de eenvoud van zeden onder de Christenen herleven zou. Terwijl de ouders van Herman verdrietig waren, dat zij hun zoontje niet zoo weelderig konden grootbrengen als zij 't hadden gevvenscht. verheugden zich de engelen des hemels, wijl aan de jeugdige ziel geen schade werd gedaan door vertroeteling. Het lieve kind toch groeide, zooals vroeger de H. Joannes de Dooper, in armoede en gebrek, bescheiden en eenvoudig op en kende de ij dele ingenomenheid met zich zeiven niet, die men in onze dagen zoowel bij kleinen als bij grooten opmerkt. Integendeel; wijl bij armoede het willen zich moet schikken naar het kunnen, leerde de kleine Herman al

-ocr page 18-

~ 14 —

zeer Troeg afstand doen van eigen wil en toonde hij weldra, dat in die kunst de aanvang van iedere deugd gelegen is. Hij was aan zijne ouders zoo gehoorzaam r dat hij 't voor onmogelijk hield iets anders te meenen of te doen dan hetgeen zij meenden eu voorschreven. Eveneens leefde hij met alle kinderen in ongestoorden vrede en eendracht, daar hij hun gaarne toegaf en zich naar hunne verlangens schikte. Ook was het goede knaapje bij God eu de menschen zeer geliefd om de bevallige zedigheid, die over geheel zijn wezen lag; want Herman geleek in voorkomen, spraak en gebaren op een engel. En evenals een engel vol glans eu vreugde is, was ook het hart van dit lieve kind blij en opgeruimd. Die blijheid straalde hem uit de oogen, en men bemerkte terstond hoe groot een vrede er in zijn hart bloeide. In Hermans levensschets staat opgeteekend. dat ieder die hem zag, vrede in de ziel voelde dalen en opgewekt werd te streven naar de eenvoudigheid der duif. En dit is zeer aannemelijk; want de H. Ambrosius zegt van O. L. Vrouw dat, toen zij een kind was, hare reine oogen eu haar zedig gelaat in elk hart liefde tot de reinheid kweekten en in hare tegenwoordigheid bij niemand eene onzuivere gedachte kon opkomen; en zoo geloof ik, dat de Moeder Gods ook aan Herman, wien zij bijzondere blijken van genegenheid wilde geven, zulk eene genade mededeelde. Het heilig kind echter liet niet alleen door zijn blik het zonnetje der vreugde stralen in het hart van ieder die hem zag, maar verblijdde ook allen door zijne zoete.

-ocr page 19-

lieve woorden. Al had hij zijue tong zoo o-oed in be-dwang, dat er nooit een overhaastig, ijdel noch belee-digend woord over zijne lippen kwam, toch hield hij veel van onschuldige en gepaste scherts, en al leefde hij met zijne gedachten meer in den hemel dan op aarde, placht hij toch met iedereen aangenaam te schertsen, zoodat allen, die ooit met hem omgingen, ondervonden hoe lief en aantrekkelijk de Christelijke deugd is. Tot de velen die meen en niet deugdzaam te kunnen zijn, als zij het hoofd niet treurig laten hangen, behoorde Herman niet: immers de plaats der neerslachtigheid is de hel, niet het hart van den Christen.

-ocr page 20-

Hcc dc Zalige Herman aanving; dc Moeder God-s te vereeren.

Reeds hier zal men de juistheid tiiu het spreekvvoord-opuierken: waarvan het hart vol is, daarvan loopt de mond over.

Toen Herman zeven Jaren oud was, brachten zijne ouders hem naar school, opdat hij zou leeren lezen, schrijven en ook zingen, zooals 't gebruik dat wilde. In die dagen was, evenals nog heden, de roede en de stok de geschiktste leer meester, en daarom stond de ouderwijzer verwonderd, dat hij den lieven kleine nimmer een tikje met de roede behoefde te geven, zóó vlug was het knaapje in 't leeren, zóó oppassend van gedrag. Oorzaak daarvan was de genade, die hem onderwees; want eene ziel, die door den H. Geest inwendig verlicht en onderwezen wordt, kan zich gemakkelijk tot alle uitwendige handelingen schikken. ]Omdat Herman getrouw met elke genade meewerkte, schonk de Heer hem gaarne meer en meer gunsten. Het begaafde jongs-ke streefde er vlijtig naar, de geschenken Grods wèl te gebruiken, zooals ik straks zal verhalen. Om die getrouwheid in het beantwoorden aan de genade verdient hij bijna

-ocr page 21-

— 17 —

evenveel lof als om de hoeveelheid der genaden zeiven die hij ontving; want niemand denke, dat alleen de genade Heiligen maakt. De H. Geest heeft Onze Lieve Vrouw zoowel door den engel Gabriël laten prijzen dat zij vol van genade was, gezegend onder alle andere vrouwen, als door de H. Elisabeth, wijl zij geloofd had aan 's Heeren woord. En toen de vrouw van 't Evangelie uitriep: , Zalig de schoot die u gedragen heeft en de borsten die gij gezogen hebt.quot; sprak de Zaligmaker : ,Zalig zij, die Gods woord aanhooren en het bewarenquot;, O als wilde Hij zeggen: indien gij mijn lieve Moeder zalig prijst om de waardigheid, waartoe zij door mijn hemelschen Vader verheven werd, niet minder moet gij haar loven, omdat zij zich die keuze heett waardig gemaakt. Want in Maria waren genaden en verdiensten buitenmate groot. Dat kan men ook van Maria's dienaar, den Zaligen Herman, zeggen. Van zijne jeugd af heeft hem de Heer met kostbare gaven verrijkt, maar het kind ving ook reeds in zijne kindsheid aan, zich zoo te heiligen als hij 't met de verleende gunsten vermocht. Hoe vroeg de kleine zich toelegde op de heiligheid kan men hieruit besluiten, dat hij reeds in de kinderjaren zich van den breeden weg, dien de meesten bewandelen, afzonderde en veel liever iu de eenzaamheid zocht wat boven ons is. Als de andere kinderen na schooltijd op straat bleven en zich vermaakten met het spel, trad het lieve jongske heimelijk de schoone kerk binnen, die in de nabijheid lag van 't ouderlijk huis .

1. Lnc. II. 25.

-ocr page 22-

— 18 —

eu vertoefde er geraiiuen tijd. Die kerk was toegeliei-ligd aan 0. L. Vr. eu staat daar nu nog. Men heet haar Sint-Mariu in 't Kapitool, omdat in den tijd der Romeinen daar het Kapitool, d. i. het raadhuis zou gestaan hebben. Nog bij 't leven van Herman was liet gewoonte de kerken den geheeleu dag open te laten, opdat iedereen, wanneer hij wilde, den Heer in het tabernakel bezoeken kon; in onzen tijd sluit men schier overal, zoodra het H. Misoffer is opgedragen, den Zaligmaker als in eeu vesting, die de vijanden op een afstand moet houden. Wie echter eeu of anderen Herman beletten zou eeu kerk binnen te gaan, zou, geloof ik, noch van God noch van Maria daarvoor dank iuoog-sten. Üe vrome knaap kou elk uur van den dag O. L. \ r. in de domkerk bezoeken. De reden, waarom hij t liefst naar die kerk giug, was deze: daar stond een zeer schoon beeld der Moedermaagd. Maria droeg het Goddelijk Kindje op de armen eu keek zoo minzaam en lief, dat de goedhartige knaap niet moede kon worden het aan te zien. Hij kende geen grootere vreugde dan uren en uren met gevouwen handjes voor deze beeltenis te staan. Omdat hij nu die lieve Vrouw en haar aanvallig Kind zoo schoon vond, dacht hij overal aan hen en verbeidde met verlangen het uur, dat de school geëindigd was eu hij het maal had gebruikt om weer naar de kerk te kunnen gaan; dikwerf gunde hij zich geeu tijd tot eten en nam zijn boterham of wat hij had met zich mede.

De vurige liefde voor Maria is oorzaak geweest, dat

-ocr page 23-

— 19 —

Hermau de heiligniakeude genade nooit verloren heeft en een grooteheilige is geworden. Misschien zegt iemand: het is zeer natuurlijk, dat dit kind zich aangetrokken gevoelde door die beeltenis; elk ander even schoon beeld zou dien invloed hebben uitgeoefend. Ik antwoord: een beeld van O. L. Yr, moet men zóó schoon voorstellen, dat schilder noch beeldhouwer iets schooners maken kan, en een ieder, die liet beeld ziet, Gods lieve Moeder bemint. Immers ook God de Vader heeft Maria zoo schoon gevormd, dat er buiten Hem niets heerlijkers in hemel eu op aarde te vinden is; alles wat er voortreffelijks en beminnelijks bij engelen en menschen wordt aangetroffen, is in ruimer mate in Maria. En dat heeft God gedaan wijl zij de Jacobsladder moest zijn, waarop Hij van den hemel ter aarde daalde en waarop wij van de aarde ten hemel zouden stijgen. Daarom zal hij, die Maria liefheeft, spoedig gloeien van liefde tot God den Heer: en wie maakt, dat anderen de H. Maagd bemin-men, heeft hun hart ook gewonnen voor God. Dit alles wordt bewaarheid in ons dierbaar knaapje.

Als hij met zijn boterham of met ziju appel voor het beeld der Moedermaagd stond, was hij droef, wijl hij alleen moest eten en Mana noch het Goddelijk Kind mede aten. Dikwerf bood hij nu Maria, dan den kleinen Jezus, zoo hartelijk en lief mogelijk, een gedeelte aan van hetgeen hij te eten had; maar tot zijne diepe droefheid wilde geen van beiden het aannemen. O. L. Vr. kon echter die zielepijn van liet jongste niet langer aanzien, want daar zij de Moeder van Barmhartigheid is,

-ocr page 24-

— 18 —

en vertoefde er geruimen tijd. Die kerk was toegeliei-ligd iuiu 0. L. \ r. en staat daar nu nog. Men heet haar Sint-Maria in H Kapitoul, omdat in den tijd der Romeinen daar het Kapitool, d. i. het raadhuis zou gestaan hebben. Nog bij 't leven van Herman was het gewoonte de kerken den geheelen dag open te laten, opdat iedereen, wanneer hij wilde, den Heer in het tabernakel bezoeken kon; in onzen tijd sluit men schier overal, zoodra het H. Misoffer is opgedragen, den Zaligmaker als in een vesting, die de vijanden op een afstand moet houden. Wie echter een of anderen Herman beletten zou een kerk binnen te gaan, zon, geloof ik, noch van God noch vau Maria daarvoor dank inoog-sten. De vrome knaap kon elk uur van den dag O. L. \ r. in de domkerk bezoeken. De reden, waarom hij 't liefst naar die kerk ging, was deze: daar stond een zeer schoon beeld der Moedermaagd. Maria droeg het Goddelijk Kindje op de armen en keek zoo minzaam en lief, dat de goedhartige knaap niet moede kon worden het aan te zien. Hij kende geen grootere vreugde dan uren en uren met gevouwen handjes voor deze beeltenis te staan. Omdat hij nu die lieve Vrouw en haar aanvallig Kind zoo schoon vond, dacht hij overal aan hen en verbeidde met verlangen het uur, dat de school geëindigd was en hij het maal had gebruikt om weer naar de kerk te kunnen gaan; dikwerf gunde hij zich geen tijd tot eten en nam zijn boterham of wat hij had met zich mede.

De vurige liefde voor Maria is oorzaak geweest, dat

-ocr page 25-

— 19 —

Hermau de heiligiuakende genade uooit verloren heeft en een grooteheilige is geworden. Misschien zegt iemand: het is zeer natuurlijk, dat dit kind zich aangetrokken gevoelde door die beeltenis; elk ander even schoon beeld zou dien invloed hebben uitgeoefend. Ik antwoord; een beeld van O. L. Vr, moet men zóó schoon voorstellen, dat schilder noch beeldhouwer iets schooners maken kan, en een ieder, die het beeld ziet, Gods lieve Moeder bemint. Immers ook God de Vader heeft Maria zoo schoon gevormd, dat er buiten Hem niets heerlijkers in hemel en op aarde te vinden is; alles wat er voortreffelijks en beminnelijks bij engelen en menschen wordt aangetroffen, is in ruimer mate in Maria. En dat heeft God gedaan wijl zij de .Tacobsladder moest zijn, waarop Hij van den hemel ter aarde daalde en waarop wij van de aarde ten hemel zouden stijgen. Daarom zal hij. die Maria liefheeft, spoedig gloeien van liefde tot God den Heer: en wie maakt, dat anderen de H. Maagd bemin-meu, heeft hun hart ook gewonnen voor God. Dit alles wordt bewaarheid in ons dierbaar knaapje.

Als hij met zijn boterham of met zijn appel voor het beeld der Moedermaagd stond, was hij droef, wijl hij alleen moest eten en Maria noch het Goddelijk Kind mede aten. Dikwerf bood hij nu Maria, dan den kleinen Jkzus, zoo hartelijk en lief mogelijk, een gedeelte aan van hetgeen hij te eten had: maar tot zijne diepe droefheid wilde geen van beiden het aannemen. O. L. Vr. kon echter die zielepijn van het jongste niet langer aanzien. want daar zij de Moeder van Barmhartigheid is.

-ocr page 26-

— 20 —

troost zij dadelijk iemand dien «ij treurig ziet. Toen dan het kind eens het beeld een appel aanbood, boog Maria zich en reikte zij Herman den kleinen Jezus toe. die de handjes uitstrekte en den appel met een zoeten lach aannam. En Maria knikte vriendelijk met het hoofd om voor de gift te danken. Hermans hart klopte van vreugde en beminde sinds dien tijd de H. Moeder Gods en 't Kindje Jezüs nog veel inniger dan tevoren.

.\EH(

SVolgt;NUSquot; ^

-ocr page 27-

-xir^ ■ —

I'V.

Hoe dc Kalige Herman met het Goddelijk Kindje speelde.

De H. Bernardiis zegt. dat onze goede Moeder Maria in niemands schuldboek wil staan, maar dat zij integendeel het geringste blijk van liefde met veel groo-tere liefde beloont. Zoo deed zij ook ten opzichte van Herman. Toen deze op zekeren dag volgens gewoonte in plaats van te spelen de kerk van O. L. Vr. bezocht, zag hij op 't koor, waar de lessenaar van 't Evangelie stond, eene overschoone maagd. Weldra erkende hij de Koningin der Maagden. O. L. Vr. Maria. Zij hield het aanvallig Kindje Jezus aan de hand, met wien de H. Joannes de Evangelist zich vermaakte, tot groot genoegen der Moeder. Toen nn Herman daar zoo stond en zich niet genoeg verlustigen kon in 't aanschouwen der verukkelijke vrouw en in de pret dei-twee kleinen, wenkte hem de goedige Koningin met de hand en zeide heel vertrouwelijk: „ Kom ook-bij ons boven, lieve Herman!quot; En het'knaapje zei:„I'fk kan niet, wijl iiet tralieschot van 't koor gesloten is en ik geen ladder lieb om er over te klimmen.quot;— , Beproef eens,quot; heraanf de allerzaligste Maagd, „of gij er over kunt;.ik zal u hel-

-ocr page 28-

— 22 —

peu en u de liaud geveuquot;. De knaap deed wat O. L. Vr. van liera vroeg, en toen hij zonder hulp er niet over kon komen, gaf Maria hem de hand en hielp hem met goed gevolg. Later toen Herman kloosterling was, verhaalde hij dat een ijzeren nagel hem onder het klimmen diep in de horst was gedrongen, zoodat hij dien wel voelen, doch niet zien kon. Die nagel was langen tijd in zijne borst hlijven steken en veroorzaakte hem groote smart. Die smart, zeide hij, was een voorteeken van 't lijden, dat hij later in het dragen van zijn dagelijksch kruis te verduren zou hebben. Want toen hij ouder was geworden , werd hij gedurig zoo door ziekten des liehaams als door zieleleed bezocht, 't Is toch een eigenaardig iets, niet waar, dat Jezus en Maria juist dengenen, die hen 'thartelijkst beminnen, het zwaarste lijden overzenden V Daarvan zal ik later in quot;t bijzonder melding maken; nu keeren wij tot den Zalige terug op 'toogenblik dat hij «ver het tralieschot klom. Toen hij er over was, zei de Moeder Gods; ,Zie, goede Herman, de zoete Jezus en de lieve Joannes willen met] u spelen.quot; Terstond begonnen die kleinen zich met den knaap lieftallig te vermaken. Eu O. L. Vr. plaatste zich in den koorstoel en zag met innige moedervreugde naar het spel, waaraan zij door opwekkende woorden deelnam. Nadat er zoo in wonderbare vreugde een ge-ruimen tijd verloopen was, luidde men de vesperklok. Dat was 't uur, waarop Herman naar zijne ouders moest terugkeeren. Gods lieve Moeder strekte weer de hand uit om hem over het tralieschot te helpen en zeide bij

-ocr page 29-

het afscheid, dat hij spoedig terug moest komeu om met haar dierbaar kind te spelen. Ook de kleine Jezus en Joannes uitten dien wensch. En zoo ging Herman blijmoedig huiswaarts. Van dien dag af speelde hij dikwerf met 't Goddelijk Kindje, en zoo kwam het dat de liefde tot Jezus en Maria iu zijn hart dermate toenam, dat er geen plaats meer was voor iets anders.

-ocr page 30-

quot;V.

MB

Hoe dc Xalige Herman aalmoezen van Maria ontving-.

De kleine dienaar van Maria kwam op een zeer konden winterdag zonder schoeisel in de kerk. Dat Icon de goede Moeder Gods niet aanzien en zij vroeg hem dns medelijdend: .Lieve jongen, waarom komt gij barrevoets, terwijl het toch zoo bitter koud is?quot; — ,Ik heb geene schoenenquot;, antwoordde het knaapje. Daar de aanminnige Koningin wist. dat Hermans ouders tot armoede vervallen waren, vroeg zij niet verder , maar wees met de hand naar een lossen steen in een hoek en zeide: „ Ga naar dien steen: daaronder liggen eenige geldstukjes ; gij moogt ze nemen en er schoenen voor laten maken. , Vertrouwend op dat woord, deed de vrome knaap zooals gezegd was. Hij vond 't geld en kwam vol blijdschap tot zijne gezegende pleegmoeder terug. Deze sprak nu : „Zoo dikwerf gij voortaan schoeisel, eene lei of griffel of wat ook noo-ilig hebt, moet gij naar dezelfde plaats gaan; daar zult gij telkens geld vinden, dat u uit den nood zal helpen.quot; O welk een goede moeder is toch O. L. Vrouw! Zij komt niet alleen in gewichtige aangelegenheden te

-ocr page 31-

— 25 —

hulp. maar zelfs liet kleinste hartzeer kan zij niet aan-zien, en als men haar maar hartelijk genegen is, dan wacht zij niet eens dat men haren bijstand inroept. Doch luister nu verder. Het leed niet lang of de andere knapen bemerkten, dat Herman alles wat hij noo-dig had ouder den bovengemelden steen vond. Zij gingen er ook heen en meenden een goede vondst te doen. Maar zij vonden geen enkele penning. Waarom uietV Mij dunkt, omdat zij den Zalige in vroomheid volstrekt niet nabij kwamen en veel liever op straat speelden dan de godsvrucht tot de H. Maagd in zich aan te kweeken.

-ocr page 32-

T7-I.

Hoe de gekruisigde Heiland aan Herman verscheen.

Een anderen keer kreeg onze Samuel eene verschijning van den Zaligmaker zelve) i , niet in de gedaante van een kind , maar in die van den gekruisigden Heiland. Heeft de Heer gezegd: ,Wat gij den geringste mijner broeders gedaan hebt. dat hebt gij Mij gedaanquot; ('), vooral de blijken van liefde voor zijne Moeder acht Hij aan Hem zeiven gegeven. Daarom stond de Zalige, die de lieve Moeder Gods bovenmatig vereerde , in gunst bij Jezus.

Niet ver van Hermans huis sloeg een vuurvlam uit, en weldra brandden eenige huizen lichterlaaie. Zooals 't in dergelijke gevallen altijd gebeurt, stroomde veel volk samen . meer om toe te kijken, dan om te blus-schen. Ook Maria's lieveling was daarheen gegaan. Te midden van de brandende huizen stond eene kerk, en ziet, deze bleef door Gods bescherming geheel en al ongeschonden, ofschoon de vlammen van alle kanten er om heen sloegen. Allen waren opgetogen over het wonder. Terwijl nu ook het lieve knaapje dit met ver-

1. Matth. 25, 40.

-ocr page 33-

hazing aanschouwde, verscheen hem hoog boven eene zijde der kerk onze Heer Jezus, hangend aan 't kruis. Herman begreep terstond, dat die zijde niet brandde om de tegenwoordigheid des Gekruisigden. Doch waarom brandt dan de kerk niet aan de andere zijde ? dacht hij in zijn kinderlijkheid. Hij ging nu naar den anderen kant, doch ziet, waar hij kwam, vond hij deu Heer, die met uitgebreide armen aan 't kruis hing en zijn tempel tegen 't vuur behoedde. Uit die wonderbare verschijning moest liet jeugdig kind door middel van de oogen des lichaams leeren, wat hij later in 't geestelijk leven zeer dikwerf ondervinden zon, dat de overdenking van den gekruisigden Heiland en de navolging van zijn allerheiligst leven eiken lust tot zondigen smoort eu alle lasteringen der wereld te niet doet, al omringen zij ons als vratig vuur. Zóó kon hij met den Psalmist zeggen; „Als ik wandel te midden van verdrukking dan zult Gij mij in 't leven behouden en uwe hand uitstrekken tegen den toorn mijner vijanden, en uwe rechterhand zal mij bevrijden ('V'

1. Ps. 137, 7.

-ocr page 34-

b

d

^ru.

Hoe dc Zalige Herman in het klooster te Steinfeld trad.

Het doet mij inuig leed, dat ik vau alle openbaringen en Tertroostingen, die Herman in zijne kindsheid liad, niet méér kan verhalen. Daar de Zalige namelijk, zooals alle deemoedige lieden, de gunsten van God geheimhield, is men er niet veel van te weten gekomen ; en als hij, die zijn leven geschetst heeft, niet zijn prior was geweest en hem niet 'teen en ander door middel van de gehoorzaamheid of' van een heilig bedrog had uitgevraagd, dan hadden wij bijna niets uit zijne kindsheid vernomen.

Hoe meer genaden Herman bij het toenemen dei-jaren ontving, des te ijveriger bevlijtigde hij zich ze goed te gebruiken en peinsde met des te grootere zorg na, hoe hij volmaakt en heilig zou worden. Daarom wilde de twaalfjarige knaap niet den breeden weg bewandelen, waarop zoo velen hun verderf te gemoet gaan, maar wilde veeleer God alleen toebehooren. Want hij had ingezien, dat de geheele wereld door het vuur der booze lusten was aangetast, en dat alleen zij zich redden kunnen, die in de armen des Gekruisigden vluchten. Dit had hij begrepen uit den brand der kerk. Daarom

c

-ocr page 35-

besloot hij na kort beraad, nu hij zélf' nog reiu was , de onreine wereld te verlaten en het klooster in te treden. Met eenige inwoners van Steinfeld bekend, kwam hij door Gods beschikking in het hoogberoemd klooster van het plaatsje, welk klooster in den Eifel ligt en toebehoorde aan de Premonstratensers. De vrome Wit-heeren zijn daar niet meer. Wel staat er nu een strafinrichting voor ondeugende knapen, die opgesloten worden om zich te verbeteren. Vroeger, toen men overal de Moeder Gods hartelijk vereerde, waren er vele kinderen , die oi) Herman geleken, maar wijl de Hemelkoningin in onze dagen niet geacht wordt, zijn er zoovele verdorvene kinderen, dat zij bij honderden naar het verbeterhuis moeten gebracht worden. Wie het kind reeds van den vroegsten leeftijd leert Gods Moeder lief te hebben, behoedt het zeker, dunkt mij, voor zulk eene opsluiting.

Doch wij dwalen van Herman af.

Te Steinfeld gekomen, moest hij, volgens wet eu gebruik, postulant zijn, alvorens 't habijt te mogen aantrekken. Het feest van den H. Michaël viel in dien tusschentijd. Deze groote aartsengel had in de hoofdkerk van Steinfeld vanouds eene kapel. Daar waren de bouwlieden juist iets aan 't herstellen en hadden inden muur eene opening bij wijze van een poort gemaakt. Toen nu op Zekeren dag de jongeling bij de kapel des engels stond, zag hij uit die opening een vuurvlam schieten. Ieder ander zou om hulp geroepen hebben, om den brand te blusschen, maar onze Samuel was van

-ocr page 36-

— 30 —

zijne teedere jeugd tot zijn hoogen ouderdom schroora-Viillio- als eeu meisje, zoodat hij niet durfde roepen, wijl de andere omstaanders 't ook niet deden. Tot zijne verwondering bemerkte hij daarenboven, dat niemand den brand zag of niet wilde zien. Daarom besloot hij zich stil te honden en den afloop af te1 wachten. Deze was echter geen andere, dan dat hij zelf van een onuitsprekelijk liefdevuur als dat van een aartsengel ontstoken werd. Vooral brandde hij zoo hevig van verlangen naar het klooster gewaad, dat hij dacht den aangenamen gloed uiet te kunnen uithouden tot den dag zijner inkleeding. Mij dunkt, dat hier Gods woord bij den Psalmist vervuld werd; „Gij maakt uwe engelen tot winden en uwe dienaren tot vlammend vuur C).quot; Want daar de Zalige door Jezcs en Maria zoo innig bemind werd, hadden ook de heilige engelen hem bovenmate lief, eu was het vuur, waarvan ik sprak, een geestelijk vuur, door de hemelgeesten in den knaap ontstoken. De zuivere engelen des lichts toch wen sch-ten dat Herman, die hun in reinheid zoo nabij kwam; ook in 't witte kleed van den H. Norbertus als een hunner zou zijn. Niets op aarde is immers den hemelgeesten meer gelijk dan de kloosterlingen; want evenals de engelen voor Gods troon staan, om immer den wil des Almachtigen te doen, zoo zingen de religieuzen dag en nacht Gods lof en volbrengen alles, wat de Heer door de overheid oplegt; ook zijn zij onder elkaar eensgezind gelijk de negen koren des hemels.

1

Ps. 103, 4.

-ocr page 37-

Hoe de Zalige Herman naar Friesland ging om te studeeren.

De dag brak eindelijk aau, waarop de goede Herman het witte kloostergewaad ontving. Was liij vroeger reeds een heilige, nu scheen hij een engel geworden.

In de orde van den H. Norbertus schrijft de regel voor, dat niemand tot de geloften mag worden toegelaten, die den vereischten ouderdom niet bereikt heeft. Daarom wilden de oversten, ofschoon de heilige jongeling boven allen door reinheid en deugd uitmuntte, hem niet in de orde opnemen, voordat hij den voorgeschreven leeftijd had. En hierin heeft de overheid groot gelijk. Want als men in eene orde uitzonderingen begint te maken, waarin 't ook zij, dan is het weldra met de kloostertucht gedaan. Om deze i-eden moet men zich immer aan de letter der regels houden en niets veranderen, al kwam er een engel uit den hemel. De overste van Steinfeld verlangde daarom dat Herman in de boeken zou studeeren, totdat hij wat ouder was geworden. Hij zond hem dan niet eenige anderen naar Friesland, waar de Premonstratensers een studiehuis hadden. Daar was de jongeling een wonder

li

fl

i

-ocr page 38-

— 32 —

vuu sticlitiug, zoodat de jongeren een leermeester in de volmaaktheid, zijne metgezellen een engel in hem zagen. En niet zooals menigeen, verzuimde hij zijne andere plichten om zich met bidden onledig te houden: neen, gezonden om te studeeren, legde hij een zeer grooten ijver aan den dag om in de wetenschap even groote vorderingen te maken als in de deugd. Ik denk dat zijne goede Moeder hem ook hierin vol bezorgdheid ter hulp kwam. Want daar Maria „Zetel der wijsheidquot; genoemd wordt, bestaat er voor iemand, die naar wijsheid en kennis streeft, geen mildere bron dan zij, Eu evenals de geleerde mannen, die zich kinderen der Katholieke Kerk mochten noemen, immer trouwe vereerders waren van Gods Moeder, zoo moet ook de studee-rende jeugd zich vooral wijden aan den dienst der Hemelkoningin om van haar, gelijk Herman, heiligheid en wetenschap te leeren. Onze Zalige bleef' in zijne studiejaren dezelfde als vroeger. Hij bleek altijd opgeruimd van geest, maar bovenal nam hij de liefde ter harte, 't Was hem daarom nimmer te veel zijn arbeid een poos te staken om een liefdedienst aan zijne broeders te bewijzen, en daarom vond iedereen er behagen in met Herman te spreken of eenig werk met hem te verrichten. De jonge student verstond ook de kunst om te midden van zijne studiën zich met hemelsche zaken bezig te houden. In alles wat hij deed, wist hij iets te ontdekken, waardoor hij zijn hart tot God en de Moedermaagd kon verheffen. Dat hij zich bekend moest maken met allerlei goden en godinnen uit de oudheid,

-ocr page 39-

— 33 —

zooals men dat ook mi nog doen moet, verdroot hem zeer. Tn zijn eenvoud vroeg hij zijne leermeesters, waarom hij in zulke heidensche geschriften moest stu-deeren, daar er toch zoovele andere boeken waren, waarin de namen van Jezus en Maria stonden. En toen men hem ten antwoord gaf, dat hij uit die werken der heidenen welsprekendheid en schoone gedachten kon opdoen, was zijne tweede vraag, waarom hij dan de lelie ouder de doornen moest plukken, terwijl dit toch niet geschieden kon zonder zich te bezeeren. Hij was zoo innig vroom, dat hij niets schoon kon prijzen, wat niet kwam van Jezus eu Maria. Het ware wellicht ook in onze dagen beter, dat men déV studee-rende jeugd andere boeken gaf dan die geschriften vol heidensche fabels. Hierover zou nog veel te zeggen zijn. Wij laten liet achterwege, wijl 't leven van den Zaligen Herman alleen voor eenvoudigen is te boek gesteld, die geene andere wetenschap kennen dan die des krnises.

-ocr page 40-

Hoe Herman van uitslag; aan het hoofd genezen werd.

Terwijl de Zalige Herman nog- iu Friesland op studie lag, overkwam hem iets vreemds, waaruit men veel treffends kan leereu. Was 'sjongelings reinheid de grootste eer voor zijne H. Moeder iu den hemel, zoo droeg O. L. Vr. ook zorg, dat hij geheel onverlet bleef, en wilde zij dat geheel het uitwendige van haar pleegkind zijne innerlijke schoonheid zou afspiegelen. Want waar 't harte zuiver is, moet ook het lichaam zuiver zijn. En daarom handelen zij niet goed, die volstrekt geen zorg hebben voor het uiterlijk, alsof de deugd alleen in iets onreins eu in onordelijkheid gedijen kan. De H. Catharina zegt naar waarheid, dat de reinheid van het lichaam een kenteeken is van de reinheid der ziel. Zoo dacht de lieve Moeder Grods er ook over. De H. Ambrosius immers getuigt van haar, dat zij altijd zeer rein en edel was in haar voorkomen, zoodat men 't haar kon aanzien welk eeue edele ziel zij had. Dit moest ook, wilde zij , met den Zaligen Herman 't geval zijn. Het gebeurde , namelijk , dat de heilige jongeling op eens aan het hoofd uitslag

-ocr page 41-

— 35 —

kreeg. Hierover werd hij door eenige zijuer makkers zeer beschaamd gemaakt. Want de jeugd deed toen, zooals zij nog heden doet. Eerst lachte men hem uit en zeide, niet naast hem te willen zitteu, daarna hegon men lasterlijk van zijne kwaal te spreken. Eu ofschoon de goede jongeling 't geduld en de lankmoedigheid zelve was, giug 't hem toch volgens het bekende gezegde : een stadig vallende droppel holt den steen uit. Want daar hij voortdurend kwade woorden moest hooren, werd hij zeer droefgeestig. Wijl hij daarenboven onschuldig was eu geen bewustheid had van wat onzuiverheid van ziel is, ging 't hem zooals anderen teeren zielen, die | alles vreezen wat maar op een schaduw van onreinheid gelijkt. Daarom klaagde Herman met innigheid zijn leed aan 0. L. Vr. Deze had langen tijd zoo lijdelijk toegezien, opdat God met 's jongelings geduld eerezou inleggen. Wijl Maria echter, gelijk Herman, de reinheid boven alles stelt en de kleinste smet niet dulden kan, wist zij weldra raad te schaffen. Den volgenden nacht voelde de zieke, dat er iets op het hoofdkussen zat. Of 't een vogeltje of een ander diertje was, wist hij niet. Het pikte heel den uitslag zuiver weg; er bleef niets van over, en Herman gevoelde volstrekt geen pijn. Het hoofd was weer genezen eu rein als vroeger. Toen de goede jongen 's morgens in de school kwam, stonden zijne gezellen vreemd op te kijken, en daar allen toeliepen om te zien eu wilden weten wie hem genezen had, moest hij, graag of niet, vertellen wat geschied was. Dit deed hij met den grootsten eenvoud en prees in zijn hart God en zijne lieve Moeder, dat zij zoo goed voor hem gezorgd hiidden. gt; .r .

quot;• ■quot; j L «y « ■j■■

-ocr page 42-

Sr-

2s:.

Hoe Herman door O. L.. Y. onderwezen werd.

ïoeu de lieve Herman in wetenschap en deugd groote vorderingen had gemaakt, werd hij door zijne oversten naar Steinfeld teruggeroepen, waar men hem last gaf met een anderen broeder de overige kloosterlingen in de eetzaal te bedienen. Dit deed hij niet de grootste liefde en zorg, wijl hij zich voorstelde in eiken ordebroeder Jhzus Christus zeiven te dienen. Toch speet het hem zeer, dat hij niet zooals de anderen naar de geestelijke lezing kou luisteren en niet veel tijd had om te overwegen, want zeer dikwerf moest hij de voor-geschrevene gebeden of uitstellen of geheel nalaten. Hoe gaarne had hij gelijk Maria Magdalena aan de voeten van den Zaligmaker gezeten! Nn was hem, zoo dacht hij, het beste deel dat hij verkozen had, ontnomen. Hij wist immers maar al te goed, dat de zoetheid des Heeren het deel is van een ieder, die zich losmaakt van uiterlijke zaken en zicli met het innerlijke bezig houdt. Want de wijze leermeester Hendrik van Augsburg zegt; „Wilt gij, o mensch, dat het u welga, dan moet gij met de oogen des harten zeven dingen beschouwen en ze dikwijls overdenken. Ten eerste; zie

-ocr page 43-

met rouwe, hoe groot het getal is uwer zonden. Zie vervolgens medelijdend op 't geheele lijden der heilige Christenheid. Zie ten derde, hoe deze wereld de men-schen jammerlijk bedriegt. Zie ten vierde met aandacht en daukbaarheid op de goedheid Gods en op al zijne liefdedaden. Zie ten vijfde met vreeze op de strenge rechtvaardigheid van den oppersten Rechter. Zie ten zesde met heilig verlangen uit naar alle beloften des Heeren. Sla ten zevende een verstandigen blik in uw eigen leven.quot;

Ook Herman wilde het inwendig gebed beoefenen., kon daarom niet dan moeilijk met het uitwendige bezig zijn en bad dikwerf met Koning David : , Ach, had ik toch vleugelen als eene duif, ik zou heenvliegen en gaan uitrustenquot; C1). Hoe loffelijk echter deze ijver en dit heilig verlangen ook mochten zijn 't was niet, zooals de H. Paulus zegt, ,volgens de wetenschapquot; (-).

Daarom wilde O. L. Vr. zelve hem dienaangaande onderrichten. Zij verscheen hem zooals zij dikwerf placht te doen en vroeg met die liefelijkheid, waarmee zij alle harten tot zich trekt; „Hoe gaat het, lieve Herman?quot; — ,0 goede Moederquot;, antwoordde de minlijke jongeling, „het gaat mij redelijk goed, maar ik heb zoovele bezigheden, dat ik niet meer, zooals vroeger, het gebed kan beoefenen en dikwerf de gebeden moet achterwege laten, die ik volgens voorschrift toch bidden moestquot;. — „Weet wel, lief kindquot;, sprak nu Maria, „dat er geen grooter gebod is dan dat der liefde jegens zijne broedersquot;.

1

Ps. 54. 7. - 2) Bom. 10, 'i

-ocr page 44-

— 38 —

Welk een zoete les heeft hierdoor de Hemelkouiugiu niet alleen aan Herman, maar ook aan vele andere vrome zielen gegeven ! Menigeen toch in 't klooster of in de wereld bedroeft zich, dat hij moet arbeiden als hij liever wilde bidden, en menigeen meent dat God het beste gediend wordt, wanneer men ieder oogenblik voor het altaar knielt, eiken dag de H. Communie ontvangt en immer opdrachten doet. Zulke zielen zijn wel te beklagen, als zij 's morgeus vol gevoelige godsvrucht er aan denken in den loop van den dag vele schoone gebeden te storten, maar dan hooren moeten: „Goede zuster, help vandaag eens aan de waschtobbe.quot; Ik geloof, dat dergelijke goede zieleu veel troost vinden iu de vermaning, die Maria aan'Herman gaf. Worden zij echter daardoor niet getroost, dan schijnt het wel, dat zij uit traagheid liever bidden willen dan anderen dienen. Dit laatste is niet toepasselijk op onzen Zalige. Want nauwelijks had Maria hem die zachte berisping gegeven, of al zijn leed was vergeten. Voortaan had hij eeu even groot verlangen naar het werkzame leven in de eetzaal als vroeger naar het beschouwelijk leven. Hierbij dient ook in 't oog te worden gehouden, wat de vrome bisschop Laurentius zegt, dat namelijk de allerzaligste Maagd, juist wijl de naastenliefde het eerste en laatste gebod is, zich boven alle menschen deze he-melsche deugd heeft eigen gemaakt en iu oefening gebracht. En omdat men God den Heer niet beminnen kan zonder den eveiimensch lief te hebben, kan men ook zeggen, dat hij die Maria bemint ook de evennaas-

-ocr page 45-

39

ten, wier Moeder Maria is, beminnen moet. En evenals men zich bij God zeer verdienstelijk maakt, wanneer men zijn broeder helpt, zoo verdient men ook Maria's liefde als men liefde kweekt jegens anderen. Verder overwege men, welk eene leermeesteres van 't inwendig leven de lieve Moeder Gods is, daar zij niet alleen onderrichten, maar tevens het begrip en de oefening verleeuen kan, zoodat onze zalige jongeling inéén oogenblik veranderd werd. Geheel anders is het met den biechtvader gelegen. Deze kan alleen aanraden en onderrichten. Kon hij iemand de geheele volmaaktheid zoo maar kant en klaar instorten, zooals menigeen schijnt te denken, dan zou hij ze, geloof ik, op de eerste plaats zichzelven geven. Maria echter is de voortreffelijkste leermeesteres der volmaaktheid, wijl zij Hem, die de volmaaktheid zelve was, onder het hart heeft gedragen en vol is van alle genaden, zoodat iedereen van hare volheid heeft ontvangen. Daarom moet iemand, ilie volmaakt wil worden, vurig tot Maria bidden.

-ocr page 46-

Z^I.

Hoe de Zalige Herman zijn broeders diende.

Toen de Zalige Herman door zijne gezegende pleegmoeder, zooals ik verhaald heb, was ouderwezen en de inwendige kalmte herkregen had, zag hij spoedig in, dat hij zich zonder reden had gekweld. Zoo gaat het immers altijd. Zoolang eene ziel droevig, angstig of verward is, kan zij nimmer het goede duidelijk inzien. Daarom schrijven de meesters van het geestelijk leven voor, dat men nooit een besluit, ware 't ook het heiligste ter wereld, nemen moet, wanneer men in een staat van droefgeestigheid of angstvalligheid verkeert. Dit bleek iu onzen beminden Heilige. Want zoolang hij naar de zoetheid der overweging haakte, ontging het zijn aandacht, met wat al eenvoudige bespiegelingen hij zich ook in den werkzamen dienst der kloosterbroeders bezig houden en wat al zoete vertroostingen hij daarin smaken kon. En wie weet niet, dat het der meesten zielen evenzoo gaat. Daar zijn er zeer velen, die meenen dat zij dan eerst den waren vrede zullen vinden, wanneer zij van deze of gene bediening ontslagen zijn of dit of dat gebrek hebben uitgeroeid of op deze en niet op die plaats wonen, enz enz. Zij denken er niet aan, dat de vrede in ons

-ocr page 47-

binnenste zetelt, aan geen plaats of ambt, aan geen bepaalden staat van volmaaktheid verbonden is, of liever, dat wij den vrede beboo ren te bezitten, waar, hoe en wat wij ook mogen wezen. Wij moeten niet zeggen: als ik maar volmaakt ben, zal ik ook vrede smaken; neen, als gij vrede hebt, zult*gij ook volmaakt worden.

Zóó is 't Herman ook gegaan. Want zoodra de opgeruimdheid was teruggekeerd, ging er, zoo verhaalde hij zelf vol heilige vreugde aan zijn prior, een licht voor hem op. Hij begon in te zien, dat hij door den hem opgelegden post aan Christus gelijk werd. Deze toch was niet gekomen om gediend te worden, maar om zelf te dienen. Daarom zag Herman den Zaligmaker als den allerootmoedigsten dienaar zijner dienaren voortdurend voor zijn geest, en was te midden zijner bezigheden zoo innig met Jezus vereenigd als 't hem in het uur der beschouwing ooit mogelijk was. En wijl het hem na aan 't harte ging het beeld van 0. L. Heer zooals deze op aarde verkeerd had, met de oogen des geestes niet alleen gade te slaan, maar dit in zijn handel en wandel uit te drukken, erlangde hij zulk eene blijmoedigheid en vurigheid, dat hij, waar 't gold een dienst aan zijne broeders te bewijzen, meende te moeten vliegen. Daar die innerlijke dienstvaardigheid hem ook voor het uitwendige geschikt en handig maakte, had hij in waarheid de vleugels gekregen, waarnaar hij vroeger verlangde. Te dezer plaatse vermaant de prior, die 't leven van Herman heeft te boek gesteld, dat allen zich aan dit voorbeeld moeten spiegelen en daaruit

-ocr page 48-

— 42 —

leeren iu elke betrekkiug zonder morren, zonder klagen en treuren anderen te dienen, opdat zij Jezus in anderen zouden eeren en in zich zelf uitdrukken, om zoodoende, evenals de Zalige Herman, aan Gods genaden deelachtig te worden. Onze beminnelijke kloosterbroeder werd met de vertroostingen van Jezus, die met hem vereenigd was, zoozeer verzadigd en overladen, dat hij als 't ware aan geen spijs meer behoefte scheen te hebben. Hij kon zich zulk een langen tijd van spijs en drank onthouden, dat het aan het ongeloofelij ke grenst. Door een vroom bedrog wist hij den broeder, die tegelijk met hem aan tafel dienen moest, te verschalken. Bijna altijd toch vond hij een of ander voorwendsel om vroeger of later dan die broeder den maaltijd te gebruiken. Buiten diens weten nam hij dan alleen water en brood; dat was zijn dagelijksch voedsel. Wat al woudereu werkte de goddelijke genade in hem uit! Ondanks die strenge onthouding werd hij geenszins te zwak voor zijn werk, noch verloor hij de zoetheid der godsvrucht. Wel een beschamend voorbeeld voor hen, die van de kleinste versterving een afschrik hebben, en zich verontschuldigen , dat zij dan niet werken noch hun godsvrucht oefenen kunnen.

gt;~!»r

-ocr page 49-

22:13:.

Hoe de Zalige Herman tot koster werd aangesteld.

Zooals reeds gemeld is, werd de uitverkorene des Heeren ook te midden Tciii het werkend leven met veelvuldige zegeningen vertroost. Het is Gods wil, dat men eerst met liefde arbeide, alvorens men tot de rust van het bespiegelend leven komt. Vandaar zegt de Bruid in 't Hooglied, dat zij verbruind was door de zon, en met de kinderen barer moeder heeft gestreden, eer zij geleid werd naar den wijnkelder der lietde. (')

Zoo ging het Herman ten laatste ook. Immers, nadat hij in den dienst zijner medebroeders de innigste liefde had beoefend, werd hij tot koster aangesteld. Nu kon hij zich naar hartelust met heilige bespiegelingen onledig houden. Maria, onze goedertierene Koningin, wenschte haar dierbaar pleegkind tot de hoogste volmaaktheid op te voeren, en daarom wilde zij dat hij, zooals men zegt, beide handen zou kunnen gebruiken, en niet, gelijk dit bij velen gebeurt, de arbeid onder de overweging noch de overweging onder den arbeid zou lijden. Velen die den

1) Cant. Cantic. 1, 5 : '2, 4.

-ocr page 50-

— 44 —

geest der beschouwing verkregen hebbeu, willen zicli zelf nooit meer verlaten noch bezigheden verrichten, die op de eerste plaats noodzakelijk zijn. Halsstarrig vluchten zij alles, wat maar op arbeid of uitwendige bezigheden zweemt. Het einde daarvan is, dat deze lieden in een toestand van lauwheid, dorheid en onverschilligheid komen, en dat hun gebed flauw en armzalig wordt. Daar nu de ijver, wanneer hij begint te verkoelen , juist door uiterlijke werkzaamheden opnieuw moet worden opgewekt, kunnen die zielen zich niet meer uit dien staat van lauwheid verheffen. Anderen zijn er, die uit gehoorzaamheid de uitwendige werkzaamheden verrichten, maar zich zoo geheel daaraan overgeven, dat zij de overdenking van geestelijke zaken niet meer zooals vroeger ter harte nemen, en dit zonder spijt noch verlangen naar grootere vurigheid. Het een en ander is verkeerd.

De geliefde Moeder des Heeren heeft ons zulk een voorbeeld niet gegeven. Hoezeer zij ook de overweging ter harte nam, ging zij toch, toen haar de engel Gabriël van Elizabeth sprak, onverwijld op weg om hare nicht te dienen. En toen haar dienstbetoon niet meer noodig was, keerde zij naar Nazareth terug, en hield zich uitsluitend bezig met het gebed. Evenals Maria wist ook onze goede Herman het ware midden te houden. W ant door de voortreffelijkste meesteres der volmaaktheid onderwezen, hield hij in het bedrijvige leven het celletje van zijn hart zorgvuldig gesloten, opdat zijne gedachten zich niet zouden verstrooien; maar onder de

-ocr page 51-

— 45 —

overweging vergat hij niet, dat zij hem niet ongeschikt mocht maken voor een of' ander werk van liefde. Om deze reden smaakte hij in het werkzame leven niet minder troost dan in het bespiegelend, en kon hij door heide zich zei ven en anderen allernuttigst zijn.

-ocr page 52-

3-ZXXX.

Welke strenge versterving' door den Zaligen Herman beoefend werd.

Eer ik verder ga, moet ik een ieder, die dit leest, den wijzen raad geven, niet alles te willen navolgen, wat ik van onzen lieven Heilige zal verhalen. Immers hoewel de zalige jongeling ons treffende voorbeelden van. deugd en godsvrucht heeft nagelaten en wij ons beijveren moeten, om Jezus en Maria zoo vurig als hij lief te hebben, is er toch over onzen Heilige veel te boek gesteld, opdat wij het zouden bewonderen en den Heer prijzen, die het door menschelijke krachten liet geschieden. Zoo iemand echter poogde den Heilige in werken, die zijne krachten te boven gaan, na te volgen, zou hij niet alleen geen godsvrucht smaken, maar diep' ongelukkig worden. Want het is eene ijdele poging te doen, wat de Heiligen deden, indien wij te voren niet worden, zooals zij geweest zijn, en niet zooveel genaden hebben als zij.

Velen integendeel hebben veel meer op met de uitwendige mirakelen dan met de innerlijke deugden dei-Heiligen en toch is aan dit laatste veel meer gelegen

-ocr page 53-

— 47 —

dan aan alle wonderwerken der wereld. Ik weet heel goed dat menigeen naar 't voorbeeld van Herman zeer gaarne met het Goddelijk Kindje zou willen spelen, maar er zich niet op toelegt zulk eene vurige liefde te bezitten als hij. Wees overtuigd, dat gij veel meer verdiensten inoogst als gij een kind , dat op straat is gevallen, uit liefde tot God opricht, dan wanneer gij speelt met den kleinen Jezus. Van den anderen kant waarschuw ik toch ook, dat wij ons niet tevreden moeten stellen, Herman te loven en de goddelijke genade in hem te prijzen; veeleer behoort een ieder, die al het schoone verneemt, wat van onzen Zalige verhaald wordt, bij zich na te gaan, op welke wijze hij zelf kan toenemen in de deugd en in de liefde tot God, opdat hij niet al te ver achtersta bij zulk een heilige. Vóór alles moet hij zich bevlijtigen O. L. Vrouw met innigheid en met de uiterste zorg te vereeren. Want heeft Herman ter verheerlijking van Maria op aarde geleefd, ook ter harer verheerlijking is dit boek geschreven.

Laten wij nu voortvertellen, wat de Zalige Herman als koster deed. Toen hem deze post, die zulk eene geschikte gelegenheid geeft om te overwegen was toevertrouwd, maakte de geest van ijver op wonderbare wijze zich van den jongeling meester: de dienaar Gods begon zich zelf te overtreffen. Men zou gezegd hebben dat hij zijn Heer nog niet gediend had, zoo vurig legde hij zich nu op de godsvrucht toe. Met de vigiliën en' getijden, die in zijne orde gebruikelijk waren, stelde hij zich niet tevreden; hij begon zelf allerlei zoete ge-

-ocr page 54-

— 48 —

bedeu en dankzeggingen op te stellen, die overeenstemden met zijn innige godsvruclit en deze voortdurend voedden. In die overwegingen riep hij zich voor den geest, wat God voor het mensehdom in 't algemeen en voor hem in 't bijzonder gedaan had.

De lieve Moeder des Heeren vooral was het voorwerp zijner vurigste devotie. Meestal herinnerde hij Maria aan de vreugdegeheimen, welke Clod haar had weggelegd eu groette haar bij elke Blijdschap met de woorden des engels zoo minzaam, als hem zijne liefde maar kon ingeven. Daarenboven deed hij bij elke groetenis eene kniebuiging, eu met zulke in- eu uitwendige oefeningen van godsvrucht bracht hij het grootste gedeelte van den nacht door. Niemand van de broeders, die hem heimelijk eu vol verbazing gadesloegen, kon begrijpen, hoe hij dat boveumenschelijk waken uithield. Maar omdat Herman zoo ongemeen grooten troost putte uit zijne gebeden, beschouwingen en openbaringen, vergat hij alles, waaraan het lichaam behoefte heeft, en was hij uitsluitend bezorgd voor de voeding en gezondheid zijns geestes. Daar het tot zijne bediening behoorde in het klooster de wacht te houden, had hij zich spoedig eigen gemaakt, onder het verrichten vau bovengenoemde zoete oefeningen van godsvrucht tot aan de metten te blijven waken. Was dit uur aangebroken, dau luidde hij voor het eerste teeken, eu nam daarna eenige rust, totdat op de slaapzaal het derde teeken gegeven werd. waarop hij zich tegelijk met de anderen naar het koor begaf'. Zeer dikwijls vermaauden hem

-ocr page 55-

zijne broeders toch geene lasten boven zijne krachten op zich te nemen; maar hij kou geen -weerstand bieden aan de zucht naar zulk een genot, en daar zijn lichaamsgestel stevig en sterk was, oordeelde hij, broeder Asinus (ezel), wel wat te kunnen opladen. Hierbij komt nog zijne harde legerstede; want het hoofd liet hij op een steen, de ledematen op harde planken rusten; wijl toch het leven hierbeneden maar een tijd van boete is, achtte hij het ijdel eu nutteloos zijn lichaam te ontzien.

-ocr page 56-

N.xl iiiililiilllii'lil'iiii'iiiliilll'l/

-31 _ ________

^I^I^YI^yiYfTITiTfiWTITPTITfTITK

Hoe de Zalige Herman in de kerk door een hemelsehen eeur verkwikt werd.

's Menschen lichaam en ziel hebben, dunkt mij, wel eenige overeenkomst met twee putemmers die in een bron worden neergelaten. Hoe dieper de eene daalt, des te hooger stijgt de andere, en zoo haast is de eeue niet aan 'trijzen of' de andere gaat naar beneden. Zoo ook: hoe meer men het vleesch onderdrukt, des te hooger kan de geest zich verheffen, en hoe darteier het lichaam wordt, des te trager zal de geest zijn.

Dit blijkt ook uit het leven van den Zaligen Herman.

Naarmate hij toch door den ijver zijns geestes er toe gebracht werd, zijn lichaam te onderdrukken, naar die mate steeg zijne ziel en verhief zij zich tot het toppunt der deugd; en naar gelang dat zijne eigene volmaaktheid toenam, vermeerderde ook de genade waarmee God hem beloonde. Het was als een wedstrijd, waarin Heer en dienaar, Meester en leerling streden en geen van beiden voor elkander wilden onderdoen. De lieve Heer en Meester Jezus Christus was er ijverig op bedacht het zijn dienaar en leerling door alle denkbare gaven

-ocr page 57-

— 51 —

en zegeniiigeu af te winnen, en de goede jongeling zelf zon er op, hoe hij aan ieder goddelijk gunstbewijs door getrouwheid in de deugd zou beantwoorden. En zoo geschiedde het, dat God hem niet vruchteloos met genaden overstelpte ; immers wie naar den geest waakzaam is en zich oefent in goede werken, maakt dat Gods genaden immer blijven toevloeien. Wijl Herman steeds aan 's Heeren roepstem gehoor gaf, maakte hij zich bij elke gave des hemels een kostbaarder geschenk waardig en ontving de zoetste vertroostingen. Telkens toch als hij na den maaltijd uit de eetzaal met zijne broeders in de kerk trad om het Miserere te bidden, werd hij reeds bij den ingang een zoo zoeten geur gewaar, dat hij meende het verblijf der gelukzaligen in te gaan. Men moet zich, zegt de levensbeschrijver van Herman, hierover niet verwonderen, want de kerk is waarlijk een bloemtuin des Heeren, waarin rozen en viooltjes, cipressen en nardus, mirteloof en balsemstruik bloeien en geuren. Al die planten verbeelden de heilige zielen, die een geestelijk leven leiden en God dienen in geur van deugd en godsvrucht. Zij zijn omgeven van engelen, die er behagen in vinden bij brave menschen te zijn, en dag en nacht voor het outer knielen, waar het Allerheiligste Sacrament rust. Boven alle bloemen en planten munt de sneeuwwitte lelie uit, de goede Moeder Gods, O. L. Vrouw, die altijd zijn moet waar Jezus is en veel welriekender geur verspreidt dan alle andere bloemen te zamen. Het schijnt, dat de geur der overige bloemen een uitvloeisel is van den hare. Daarom plaatst

-ocr page 58-

— 52 —

men iu de Meimaand Maria's beeld te midden van allerhande soorten van bloemen. Zij zelve is de schoonste bloem, die uit Gods hand is voortgekomen. Ieder die haar aanziet, bemerkt hoe schoon en bekoorlijk de deugd is en denkc bij zich zeiven: ,0, bloeide ook in mijne ziel de heerlijke lente en geurden er in mijn hart zulke schoone bloemen van deugd als deze hier! Ik zal maar blijven zitten aan de voeten der lieve Koningin, opdat van hare hemelsche schoonheid een straaltje op mij valle.quot; Doch de schoonheid dier bloemen is verwelkbaar. Indien echter de Heer onze oogen eens aanraakte, en wij met de oogeu des geestes inzagen, welk een paradijs de kerk is, waar Jezus woont, dan zou ons hart, geloof ik, versmelten van genot. En wanneer wij goed bedachten iu welk gezelschap wij ons bevinden, als w ij voor 't altaar knielen, en hoe de lieve Moeder Gods en de zalige geesten ouder de getijden met ons mede psalmodiëeren, dan zouden wij, dunkt mij, voor het tabernakel evenals Herman een zoeten geur genieten ware 't ook al niet met het zintuig, zooals onze heilige jongeling. Ik geloof, dat hij door God zoo buitengewoon vertroost werd, wijl hij der aardschgezindheid was afgestorven en van verlangen brandde, evenals Maria en de engelen, geheel aan God toe te behooren.

Verneemt nu echter verder, welk een lieve bloem van eenvoud de Zalige geweest is. Daar hij iu zijne nederigheid zich geenerlei verdienste bewust was, kwam het in zijne gedachte niet op, dat die hemelsche geur, waarvan ik sprak, voor hem alleen verspreid werd. Daarom

-ocr page 59-

— 53 —

zag hij de overige broeders met verwondering aan, als wilde hij vragen van waar die zoete geur toch kwam. Doch ziet! zoodra hij het gunstbewijs verraden had, verloor hij het, en zoo ging het hem meermalen, totdat ten laatste in hem het spreekwoord bewaarheid werd : door schade wordt men wijs. Want na dikwerf' van dat voorrecht blijk gegeven en het dan telkens verloren te hebben, bemerkte hij eindelijk, dat hij, om het te behouden, niets moest laten blijken. Hij was dus in 't vervolg op zijne hoede. Zoo moeten ook anderen doen.

-ocr page 60-

iT111f111T

221TTquot;.

Welk eene zoete vreugde Herman schepte in den zoeten naam van Maria. ,

Wij zullen nu verhalen, hoe de goedhartige Moeder Gods er op uit was, haren lieveling, voor wien zij van de eerste dagen zijner jeugd zorg droeg, ook met der-gelijken geur te verkwikken. De prior schrijft, dat hij het verhaal uit den mond zei ven van Herman vernomen heeft. Toch verloor de jongeling daardoor dat voorrecht niet. Want ofschoon men ieder huitengemeen gunstbetoon des hemels zorgvuldig geheim moet houden, moet men toch voor zijn overste zijn als een glas helder water, waarin hij tot op den bodem zien kan. En hoewel de deemoed het beste schutdak is, waaronder de genade schuilen kan, heeft toch O. L. Heer de gehoorzaamheid boven alle andere deugden gesteld. Daarom verdienen de teergevoelige zielen berispt te worden, die uit vreeze van de genade te zullen verliezen der overheid haar hart niet durven blootleggen.

Doch zetten wij ons verhaal voort.

In de orde van den H. Norbertus is het gebruikelijk, dat telkens, wanneer in de koorgetijden de zoete naam van Maria voorkomt, het geheele koor aan dien hoog-

-ocr page 61-

heiligen naam eer bewijst en wel op gewone dagen door te knielen, op feesten door een buiging met liet lichaam. De goede koster Herman deed, wanneer hij in het koor was, juist als de anderen. Want daar de echte geest der orde in hem leefde, had hij een afkeer van alles wat zonderling kon schijnen, al spoorde hem zijne godsvrucht aan om voor God altijd meer te doen dan zijne broeders. Was hij echter buiten het koor en, zoo hij meende, alleen, dan wierp hij zich bij het uitspreken van den eerbiedwaardige!! naam zijner Moeder plat ter aarde en bleef zoo lang liggen als hij kon. Wijl men dit meermalen van hem had afgeloerd, vroeg de prior hem waarom hij dit deed. — „O pater prior,quot; antwoordde de heilige koster, stelkenmale dat ik mij bij 't noemen van den zoeten naam van Onze Lieve Vrouw ter aarde werp, geurt mij zulk een zoete geur van allerlei bloemen eu kruiden tegen, dat ik wel zou willen in eeuwigheid blijven liggen. Daar ik nu bij het uitspreken van dien zoetluidenden naam op zulk eene geneugte hopen mag, werp ik mij dadelijk op den grond, doch omdat ik mij niet dan met moeite van zulk eene zalige verrukking kan losmaken, sta ik langzaam op.quot;

Ook hier ziju wij getuigen van een wedstrijd tusschen Jezus en zijne Allerheiligste Moeder, als wilden beiden beproeven, wie hunner den heiligen jonkman de meeste zielevreugde zou verschaffen. Als reeds de klank van Maria's naam Herman zoo in vervoering kon brengen, van welk eene zoetheid moet dan zijn hart vervuld zijn geworden, wanneer hij aan de persoon zelve van Maria

-ocr page 62-

— 5G —

dacht! Voor hem, die het beeld vau ,] ezus' Moeder in het harte draagt, is de gedachte aan haar zoet als balsemgeur en liefelijk als't reukwerk van den reukmenger. Tn iederen mond, die Maria's naam met godsvrucht uitspreekt, is die naam zoeter dan honig en maakt hij als dronken van den wijn der liefde. Waar men de schoonheid der Hemelkoningin op eene waardige wijze prijst, daar hoort men een muziek als bij een feestmaal, en daar wordt een geur verspreid als van bloeiende rozen op een lentedag en een wierooklucht als in den zomertijd. Wie onder den invloed staat van die hemelsche schoonheid, kan nimmer genoegen scheppen in aardschen lust, en zal eens door God overstelpt worden met geneugten geheel de eeuwigheid lang.

-ocr page 63-

Hoe de Xaligfe Herman onder de gfctijden de heilige engelen zag.

Welke de heilzame vrncliten zijn van de gehoorzaamheid, leeren wij uit het leven van den Zaligen Herman. Immers had hij zijn pater prior niet uit liefde tot die deugd menige bijzonderheid uit zijn leven geopenbaard, dan zouden wij veel stichtelijks moeten missen.

Tic heb nu iets aangenaams te verhalen, dat uit den mond van onzen dierbaren jongeling zeiven vernomen werd. Het is 't volgende. Telkens als bij de metten het Benedictus werd gezongen, verkwikte hem de Heer met dezelfde geneugten, waarvan ik reeds gesproken heb. Het was den Zalijie dan alsof hij den geur van brandenden wierook gewaarwerd. In de orde van den H. Xorbertus is 't anders gewoflnte, dat men alleen op de vier groote feestdagen, namelijk op Kerstmis, Paschen, Pinksteren en Kerkwijding, onder de metten wierook strooit. Onze Herman is dus wel gelukkig te prijzen, wijl 'tin zijn hart dag aan dag en zonder ophouden feest was, juist als in den hemel, waar zonder einde hoogtijd wordt gevierd. Dat was het gevolg van zijne godsvrucht en vurige liefde, die, als de gloed van een

-ocr page 64-

— 58 —

seraf zijn hart verteerde. Niet zonder reden, zegt de prior, smaakte Herman juist bij liet Bcnedictüs zulk een vertroosting. Want, staat er in genoemden zang, dat God zijn volk in zijne uitverkorenen bezoekt, zoo heeft de Heer daarmee te verstaan gegeven, dat Herman eveneens zijn uitverkorene was, in wien Hij de Kerk bezocht en haar zeer verblijd heeft.

Nu zal ik echter iets verhalen, dat nog veel schooner is. Herman zegt, dat het een broeder overkwam. Maar die broeder was ongetwijfeld hij zelf; dit verzweeg hij echter uit nederigheid. In de dagen dan toen onze heilige jonkman die zoete geuren gewaarwerd, zag die broeder twee engelen aan de rechter- en linkerzijde de broeders van het koor bewierooken. Eenigen naderden zij met teekenen van groote vreugde en bogen eerbiedig voor hen neer; bij anderen haastten zij zich klaar te komen ; eenigen gingen zij niet afgewend gelaat voorbij. Wat de heilige engelen daarmee wilden te kennen geven, werd weldra duidelijk, toen de broeder, die het gezien had, uit gehoorzaamheid aan pater prior de namen van die broeders noemen moest. Want zij, voor wie de hemelgeesten zoo eerbiedig negen, waren zeer heilige religieuzen, van wie men wist, dat zij God met hart en lippen loofden. Zij, bij wie de engelen niet lang wilden toeven, waren broeders, die graag heel spoedig met de getijden klaar wilden zijn en weinig acht sloegen op hetgeen zij zongen; het was bon maar te doen om gauw gedaan te hebben. Zij, die door de engelen misnoegd werden voorbijgegaan, waren zeer onwaardige klooster-

-ocr page 65-

59

lingeu, die de genaden van God verwaarloosden. Hier ziet men dus, hoezeer de goede, heilige engelen acht geven op onze handelingen en zich verhengen, als wij den Zaligmaker en zijne lieve Moeder beminnen, en op ons verstoord zijn wanneer wij misdoen. Daarom moeten wij vooral in het gebed ons beijveren, even godvruchtig als de hemelboden, die onzichtbaar aan onze zijde staan, den Heer te vereeren.

-ocr page 66-

rSCTTII.

Hoezeer Herman door O. L,. Vrouw bemind werd.

Nu ga ik zeer wonderbare en ongehoorde dingen verhalen, waaruit men zien kan, hoe alles, wat er van de barmhartigheid en teederheid der H. Maagd in geschriften of op den preekstoel verkondigd wordt, niets beteekent bij hetgeen de lieve Moeder des Heeren wezenlijk in het hart gevoelt. Want terwijl de vrome Herman niet moede werd Maria te groeten en te prijzen, werd ook 0. L. Vrouw niet moede hem onophoudelijk blijk te geven van hare gezegende tegenwoordigheid. Op de heele aarde zou men geen twee personen kunnen vinden, die zoo innig met elkaar verbonden waren als Herman en Maria. Immers bij haar zoowel als bij hem namen liefde en vertrouwelijkheid dagelijks dermate toe, dat de lieve Koningin den zaligen jonkman niet behandelde als een dienaar, doch als haar allerliefsten en uitverkoren vriend. Wanneer de godvreezende broeder op de galerij der kerk in gebed en overweging verzonken lag, hoorde hij menigmaal de stem zijner minnelijke Meesteres en Moeder, die hem van de andere zijde bij den naam noemde. Daar hij de stem goed

-ocr page 67-

61

leende, stond hij dan terstond op en gincr naar den anderen kant. Zoodra hij Maria gevonden had, zette hij zich heel vertrouwelijk aan hare voeten. Zij vroeg hem dan naar allerlei bijzonderheden: of' hij ook te lijden had, of hij geplaagd werd door bekoringen, hoe 't hem ging in 't gebed, of hii omtrent iets in verlegenheid was; dat alles moest hij openbaren en dan gaf zij hem goeden raad en onderrichtte hem; op alles wat hij zijne gezegende Meesteres vroeg, kreeg hij een vriendelijk antwoord. O, hoe ruimschoots werd de goede broeder voor iedere nachtwaak schadeloosgesteld ! En hoe zwaar moest het hem niet vallen rust te nemen, daar hij op zulke zoete vertroostingen hopen mocht! Niet van tijd tot tijd, maar ontelbare malen smaakte hij die vertroostingen ; de andere vrome broeders hebben dit dikwerf buiten zijn weten bemerkt. Wijl de Zalige Herman door zulk eene leermeesteres onderwezen werd, kan men licht begrijpen, welke zijn voortgang was in 't inwendig leven.

-ocr page 68-

Hoe Maria den Zaligen Herman haren „kapelaan'quot; noemde.

Wij erkennen Gods goedheid en menschlievendheid jegens ons, niet alleen uit de groote weldaden, lt;lie Hij ons in de schepping, verlossing en heiligmaking heeft bewezen, maar wanneer wij goed toezien, dan bemerken wi] dagelijks in zeer vele kleinigheden, hoe 0. L. Heer ons a'ls op de handen draagt. Dikwerf worden wij door die kleinigheden dieper getroffen dan door verhevene gunstbewijzen, en wel juist daarom, wijl wij danleeren. dat de Almachtige zelfs in de geringste zaken ons zijne liefde wil toonen. Ik geef er een voorbeeld van. Gij gaat naar buiten en ontwaart het meibloempje. De blaadjes glinsteren als groen van smaragd; het kelkje met zijn balsemgeur is zoo zuiver als de parel en dus een getrouw zinnebeeld van de onbevlekte schoonheid van Maria, de koningin van den Mei. Zie, de Lieve Heer heeft van eeuwigheid er aan gedacht dat bloempje voor u op de juiste plaats en te rechter tijd te laten bloeien en geuren, opdat gij u daarin zo ik It verlustigen.

Een ander voorbeeld. Gij wordt gekweld door booze bekoringen en kunt de slechte gedachten maar niet van u verwijderen. Hoor, daar wordt aan uw deur

-ocr page 69-

— 63 —

geklopt; iemand komt u iets vragen, daardoor krijgt gij andere gedachten. Dat heeft de goede God gedaan om u te helpen.

Zooals O. L. Heer, doet ook Maria. Daar zij Moeder is, denkt zij aan onze geringste behoeften en zorgt voor alles; niets is zoo klein of wij mogen er haar om vragen. Heeft zij in zeer vele wonderbare en grootsehe dingen in den Zaligen Herman getoond, hoe goed zij is, hare liefde en welwillendheid schijnen nog veel grooter, als wij vernemen, hoe zij ook in de nietigste zaken zorg droeg voor haren lieveling. De goede broeder moest eens naar een nonnenklooster gaan, dat ondergeschikt was aan het klooster te Steinfeld. Daar het zijne lieve Moeder aan 't harte lag, dat men'Herman met de welverdiende onderscheiding behandelde, wilde zij zelve hem een gastvrij onthaal verzekeren. .Met dat doel verscheen zij aan een zeer heilige kloosterzuster en zeide vriendelijk; .Gij moet weten, lieve zuster, dat mijn kapelaan vandaag bij u in 't klooster komt; zorg dus, dat hij met eerbied en liefde ontvangen worde.quot; Dadelijk ging de zuster dit aan de andere religieuzen vertellen. Allen deden nu wat O. L. Vr. bevolen had. De minzame Moeder Gods wilde Herman op die wijze te hulp komen, daar hij, bloode en bedeesd als een kind, zich op vreemde plaatsen immer verlegen en ietwat onbeholpen toonde. Daardoor heeft Maria ons geleerd, hoe hoog zij de bescheidenheid acht en dat de verlegenste haar welgevalliger is dan wie altijd haantje de voorste wil zijn.

-ocr page 70-

2CX2C.

Hoe O. L.. Vr. zorgt, dat den Xaligen Herman g-een ongeluk overkomt.

Wij /.ulleu nu nog méér over de goedheid der lieve Moeder Gods vernemen; ons hart zou bijna versmelten bij de zoetigheid van haar Moederhart.

Men deed den goeden broeder eens, zooals dat toen nog gebruikelijk was, eene aderlating. Toen hij zich ter ruste begaf, legde hij zich, zonder er aan te denken, op den gewonden arm, zoodat de geheele zwaarte van het lichaam daarop drukte, en het bloed opnieuw begon te vloeien. Herman zou zeker zijn doodgebloed, en die lating zou hem, in plaats van de gezondheid, den dood hebben veroorzaakt, als Maria het niet verhoed had. Niet zoodra bemerkte zij het ongeval, of' daar stond zij reeds bij het bed, wekte den broeder, die juist was ingeslapen, en sprak: „Wees voorzichtig, gij hebt n onbedachtzaam op den gewonden arm gelegd.quot; Toen wiesch zij met hare heilige handen den arm af en zeide hoe Herman moest gaan liggen, om geen gevaar te loopen dood te bloeden. Zij dekte hem vervolgens toe,

-ocr page 71-

— 65 —

zooals eene moeder haar kind en liet hem verder rustig slapen.

Wie zou dit alles gelooven, indien Herman het niet zelf' verhaald had ? In zijne eenvoudige liefde vertelde hij 't aan een broeder, die bij eene andere gelegenheid ook onvoorzichtig was en een ongeluk had kunnen krijgen. De nederige Herman zag er evenmin tegen op de buitengewone gunsten van Maria jegens hem bekend te maken, indien de broederliefde hem daartoe aanspoorde, als wanneer hij dit uit gehoorzaamheid doen moest.

-ocr page 72-

Hoe de Zalige Herman den naam van Jozef krijgt en verloofd wordt aan de Moeder Grods.

Mij dunkt, dat eeuige lezers zich reeds lauu- het hoofd brekeu met de vraag, waarom ik onzen lieven Heilige tot nu toe alleen den naam gaf van Herman, terwijl zij hem toch immer Herman Jozef hoorden noemen.

Dien weetlust zal ik nu voldoen. Wijl namelijk de goede broeder bij den doop Herman werd geheeten, kon ik hem tot dusverre geen anderen naam geven. Nadat eerst alles wat ik verhaald heb, geschied was, begonnen door Gods toelating eenige kloosterbroeders hun beminnelijken koster Jozef te noemen. Dat bedroefde Herman zeer, wijl Jozef de naam was van twee groote patriarchen. Jozef van Egypte en Jozef Maria's bruidegom , en Herman geen enkele deugd in zich vond, waardoor hij op zulke groote Heiligen geleek.

Hij besloot daarom op zekeren dag die broeders in 't kapittel aan te klagen, opdat zij gekapitteld zoudea worden. Hoor nu wat in denzelfden nacht geschiedde.

-ocr page 73-

— 67 —

Herniau waakte iu gebed en overweging, zooals hij plaelit te doen en bad met de innigste godsvrucht tot zijne zoete Koningin. Terwijl hij nu omstreeks middernacht in de laatste rij der koorstoelen stond en op zijne wijze buigingen maakte, zag hij op eens midden in 't priesterkoor voor de altaarsrede eeue jonkvrouw van onuitsprekelijke schoonheid. Zij was kostbaar gekleed als eeue vorstin. Aau beide zijden van die vrouwe stond eeu schoone jongeling, die haar diende. Herman begreep spoedig dat het engelen waren in den dienst der verhevene Koningin.

Toen nu de gelukkige broeder, die weldra nog gelukkiger worden zou, daar zoo stond en niet moede werd naar die schoone vrouwe te zen, hoorde hij een engel tot den andere zeggen; „Aan wien zullen wij deze maagd verloven?quot; Het antwoord luidde: , Wien anders dan aan dezen broeder?quot; Toen zeide de eerste engel; „Hij nadere dus.quot; Herman, hoorende dat hij geroepen werd , kwam terstond. daar de geest der gehoorzaamheid zoo levendig in hem was, dat hij nooit talmde. Hij trad nochtans met groote bedeesdheid en zedigheid toe en kon maar niet begrijpen, wat wonderbaars en ongehoords daar geschiedde. Toen hij vlak bij de Koningin gekomen was, sprak een der twee engelen tot hem; „Deze doorluchtige vrouw zal aan u verloofd worden.quot; 0, hoe schrikte de deemoedige broeder bij het hooren van zulk eene taal! Hij begon terstond te betuigen, dat hij de onwaardigste was van allen, en zette uiteen, wat al boosheid er in hem schuilde en welk

-ocr page 74-

68

een achande het zou zijn voor zulk eene bruid, wanneer zij met iemand als hij verloofd werd. En of' hem de engel al toesprak en bemoedigde 't hielp niet; ternauwernood kon zelfs de gehoorzaamheid zijn diepen ootmoed overwinnen. De nederige maakte allerlei bedenkingen en werd hoe langer hoe banger. De engel vatte toen zijn rechterhand en legde ze in die der allerzaligste Maagd, die de hare uitstak. Zoo werd de verloving aangegaan, terwijl de hemelgeest sprak : ,Zie, gij zijt evenals de H. Jozef aan deze Maagd verloofd en moet niet de Bruid nu ook den naam ontvangen van haar bruidegom; voortaan zult gij Jozef heeten.quot; Aldus moest onze lieve Heilige zich den naam laten welgevallen, en durfde de broeders daarover in 't kapittel niet aanklagen.

Ziedaar dan, waarom ook wij hem met denzelfden naam vereereu.

-ocr page 75-

Maria zelve keurt goed dat Herman den naam Jozef draagt. Zij legt het Goddelijk Kind in zijne armen.

Wanneer iemand nofr 'je'er bewezen wil zien, dat Herman met recht den naam Jozef draagt, dan luistere hij verder.

Jozef — want zoo heet hij vooi'taan — moest op zekeren dalt;£ in tegenwoordigheid van den prior en eenige andere broeders de waarheid van de zoo even verhaalde verschijning bevestigen. Bij die gelegenheid vernam de overste tot zijne grootste blijdschap uit den mond van den Zalige nog iets anders, waarover eenige broeders reeds gesproken hadden. Hij zeide dan tot den heiligen koster: .Nu moet gij ons ook vertellen, hoe O. L. Vrouw zelve op het hoogaltaar heeft goedgekeurd dat men n Jozef noemt.quot; De nederige broeder werd rood van verlegenheid en zeide glimlachend: „Ach, dat was maar een droomgezicht.quot; Zoo sprak hij echter uit ootmoed. Doch daarin nam de prior geen genoegen ; Jozef moest vertellen , wat er gebeurd was. Zijn ver-

-ocr page 76-

— 70 —

haal komt op het volgende neer. Toen hij s'uachts weer laug en vurig gebeden had en daarna op zijne harde legerstede rust was gaan zoeken en juist begon in te sluimeren, zag hij zich eensklaps op dezelfde plaats teruggevoerd, waar hij gebeden had. Terwijl hij nu naar het hoogaltaar keek, bemerkte hij de zoete Moeder Gods met haar aanvallig Kindje op de armen. Nadat hij eenige oogenblikken Moeder en Kind in stille verrukking had aangestaard, riep hem Maria heel vertrouwelijk tot zich. Jozef naderde en daar hij een sterk verlangen had naar het beminnelijk Kind, vroeg hij gemeenzaam als altijd: „O dierbare Moeder, geef mij uw Kindje.quot; Om dien wensch nog vuriger te maken, stelde O. L. Vrouw zijn geduld een wijle op de proef. Zoo handelen Jezus en Maria ook ten opzichte van ons; zij laten bidden en doen alsof zij niet hoorden, omdat zij een groot behagen scheppen in ons vertrouwen, en verlangen dat onze bede verdienstelijker zij, om ons rijker te kunnen loonen. Zoo handelde de teedere Koningin met haren bruidegom. Toen deze echter lang genoeg gebeden had, legde zij eindelijk den kleinen Jezus in zijn armen en sprak; „Gij moogt mijn Kindje dragen zooals mijn bruidegom Jozef het ook eens droeg toen hij naar Egypte toog, eu daar gij dezelfde rechten hebt ontvangen als hij , moogt gij ook op denzelfden naam aanspraak maken.quot; Hieruit ziet men hoe billijk onze heilige broeder den naam Jozef droeg. Wie hem dus met dien naam noemt, volbrengt den wil van O. L. Vrouw. Zij zelve maande hem, voortaan toe te laten.

-ocr page 77-

dat de broeders hem Jozef heetteu. Wijl hij niet ongehoorzaam mocht zijn, droeg hij in't vervolg dien eervollen naam zonder 't geringste blijk van tegenzin. Daaraan meen ik te erkennen, dat onze Jozef den echten geest van ootmoed en gehoorzaamheid bezat. Immers als iemand ondanks de stem der gehoorzaamheid terugschrikt voor eene bediening, waarmee hij eenige eer kan inleggen, of zich verontschuldigt, dat hem de geschiktheid ontbreekt om een grootsche taak, hem opgelegd , te volbrengen, dan mist hij de echte gehoorzaamheid en is volstrekt niet nederig. De ootmoedige wantrouwt zijn eigen oordeel en wanneer de oversten grooter vertrouwen in hem stellen dan hij in zich zeiven, dan berust hij in dat oordeel evengoed als wanneer zij minder op hem vertrouwen.

-ocr page 78-

Herman jjozcf ziet dc H. r.Iaagd in de gedaante eener oude vrouw.

0 hoezeer zullen wij gestielit worden door hetgeen ik nu verhalen ga! Daaruit kunnen vooral sommige zielen, die ontroostbaar zijn, wanneer zij zich eene wijle lauw gevoelen, grooten troost putten. Zij klagen altijd; -Ach, ik ga volstrekt niet vooruit; altijd blijf ik even onvolmaakt en zal nimmer tot rust komen,quot; en dergelijke klachten meer. Zulke zielen willen een graad van volmaaktheid bereiken, waartoe men op aarde niet komen kan. De Heiligen zeiven zijn niet vrij geweest van mensche-lijke zwakheden. Voor den goeden God was hun misstap eerder het middel om hen te volmaken, dan dat Hij daarover verstoord was. Dit is ook in Herman Jozef bewaarheid. Ook hij bad sinds eenige dagen met veel minder innigheid en ijver dan gewoonlijk. Ziehier de oorzaak. Daar hielden zich eenigen tijd in den Eifel booze roovers op; op lichtklaren dag verborgen zij zicb in de bosschen en 's nachts braken zij in bij kloosters en kerken en namen alles mee wat waarde had. Dit

-ocr page 79-

baarde onzen trouwen koster veel kommer, daar hij meende, dat het gespuis ook naar Steinfeld zou komen. Wijl hij met de zorg over klooster en kerk belast was, bracht hij niet meer. zooals vroeger, den nacht door in gebed en lofprijzing der H. Maagd, maar dwaalde door het huis rond en onderzocht alle deuren. Dat kon O. L. Vrouw niet lijden. Want al werd haar zonder ophouden door de lieve engelen lof toegezongen, wilde zij toch de schoone groetenissen van haren bruidegom niet missen, noch in liefdeblijken bij hem te kort komen. Terwijl dus Jozef niet meer voor Maria, maar voor het klooster waakte, vevscheen hem de Hemelkoningin in de gedaante van eene oude vrouw, niet een gelaat vol rimpels. Het spreekt van zelf, dat Herman haar niet herkende. Ja y.elfs schrikte hij hevig, daar hij aan niets dacht dan aan roovers en inbraak. ,Wie is daar?quot; riep hij. — . 1 k ben de beschermster van dit klooster en dat reeds overlangquot; gaf de H. Maagd ten antwoord. Jozef herkende Maria terstond aan de stem en zeide opgetogen: -Zijt gij het, mijn schoone roosVquot; — dien naam gaf hij dikwerf aan zijne heilige Bruid. — ,Ja,quot; antwoordde zij, „ik ben het.quot; — .Maar waarom ', vroeg Jozef verbaasd, .hebt gij zulk een leelijke gedaante als die van eene landloopster aangenomen Vquot; En O. L. Vrouw: „Wel, juist zooals ik ben in uw hart, verschijn ik voor uwe oogen. \ oor u ben ik oud geworden; gij hebt mij niet meer herinnerd aan mijne Vreugde, noch mij verheugd door de Groetenis des Engels; u we innigheid en ijver zijn heen. Verwondert het u, dat.

-ocr page 80-

— 74 —

terwijl ik vroeger door uwe hartelijke vroomheid als jengdio- was in uw hart, ik nu op eene bedelares gelijk? Verontschuldig u maar niet met te zeggen, dat gij over het klooster moest waken, want ik heb het reeds langen tijd zonder uwe hulp behoed en kan het nog wel lunger beschermen.quot;

Nu geef ik u te denken, hoe de goede Herman bij die woorden te moede was. Niet echter zooals zwakke zielen doen, verspilde hij den tijd met allerlei verontschuldigingen, nog minder gromde hij op zich zeiven, noch liet het hoofd treurig hangen, wijl hij misdreven had. O neen. veeleer vormde hij het vast besluit, nimmer zijn gebed na te laten en voortaan het klooster aan de zorgen van O. L. Vrouw alleen toe te vertrouwen. Toen herleefde de schoone Koningin in zijn hart weer zoo jeugdig en frisch als vroeger, en verscheen hem in 't vervolg in een veel aanvalliger gestalte, zooals ik later zal verhalen.

Hier moeten wij echter opnieuw gedenken, hoe goed onze dierbare Koningin voor ons is, en dat wij ons geen liefde kunnen voorstellen teederder dan die van haar zoet moederhart. Want ofschoon Maria in den hemel en op aarde door alle geslachten wordt zalig geprezen en onzen lof volstrekt niet noodig heeft, wil zij toch door ons vereerd worden, omdat zij ons zulk eene groote liefde toedraagt. En hoewel wij reeds overgelukkig zouden zijn, indien 't ons maar geoorloofd was haar te minnen, al sloeg zij volstrekt geen acht op ons, heeft zij toch zulk een groot verlangen door

-ocr page 81-

— 75 —

ons bemind te worden, als konden wij haar gelukkig-maken door onze liefde. Dat komt, wijl zij de Moeder der schoone liefde is en ons allen gelukkig wil zien. Zij weet immers, dat de Heer ons alle goed wil geven, zoo wij zijne Heilige Moeder zijn toegedaan, en daarom wenscht zij vurig, dat wij haar liefhebben en als Moeder erkennen. Eu iemand, die van goeden wil is Jezus en Mai'ia te beminnen, behoeft niet bang te worden . al valt hij ook soms iu eenige zonde of fout. Want over dien val bedroeven zich Jezus en O. L. \ rouw meer dan hij die de zonde bedreef. Staat er in de H. Schrift te lezen dat God de zonden der nienscheu in zijn hart verbergt, om die niet te zien, ook Maria snelt ons bij iederen misstap te hulp. Als wij van goeden wil zijn en niet iu zoude willen voortleven , dan brengt ons zulk eeu struikelen en vallen zelfs groote voordeden aan. Wij moeten ons dus uiet meer bedroeven en op ons zelve boos worden, wanneer wij een verkeerden stap doen, noch moedeloos zijn en zeggen; „Nu kan ik niet meer met vertrouwen bidden.'quot; Veeleer behooren wij ons te vernederen en hetgeen geschied is uit het hoofd te zetten en liever, zooals Herman Jozef, er op bedacht wezen iu 't vervolg voorzichtiger te zijn; dan zullen wij evenmin als hij schade lijden door onze zwakheden.

-ocr page 82-

-rz^zxxT.

Herman vjozef verliest twee tanden en Maria zet ze weer op hunne plaats.

Uit duizend audere ongenoemde gunstbewijzen, die Jozef van de allerliefste Moeder Gods ontving, zal ik nu een treffend wonder verhalen. De Zalige Herman Jozef was eens onder 't gaan onvoorzichtig en stiet met den voet tegen iets en viel smartelijk op 't aangezicht, zoodat er twee tanden uit zijn mond sprongen. Toen hij was opgestaan, nam hij vol verwondering de tanden in de hand eu scheen volstrekt niet te kunnen geloo-ven, dat zij in zijn mond waren geweest. En of hij ook al bittere pijn leed, stond hij toch eenigen tijd met de tanden in de hand, eer hij begrijpen kon, dat erop dezelfde plaats geen nieuwe tanden meer zouden groeien. Eindelijk toch waarschuwde hem het bloed, dat uit zijn mond vloeide, heen te gaan om het af te wasschen. Jozef ging dan naar de plaats, waar frisch water was en wilde het bloed doen stollen. Hoe droef hij om die gevoelige pijn en het verlies zijner tanden ook was, zijne droefheid was niet zoo groot als die van zijne

-ocr page 83-

— 11 —

teerhartige Moeder iu deu hemel. Zij kwam toch vol medelijden tot hem en vroeg zeer bezorgd; „Watdeert u, dierbare Jozef Vquot; Toen antwoordde hij, zoo goed hij met den gekwetsten mond het vermocht: „Ik heb mijne tanden verloren en veel hevige pijn.quot; — „Geef mij dan die tanden,quot; zei de schoone Koningin. En toen zij ze uit de hand van haren lieven bruidegom had aangenomen, sprak zij : „Open nu den mondquot; en toen zette zij de tanden weer op hunne plaats. Op hetzelfde oogenblik hield het bloed op te vloeien, was de pijn verdwenen en de mond zoo gezond en gaaf, dat er niets van de kwetsuur meer te zien was: de lieve Moeder Gods zij daarvoor innige dank gebracht.

-ocr page 84-

X^ ? | |j. i | j Ni.|^I ijl 11 Ni. 11^/

Cd9Sêoamp;si^ê(dm

^iTmTrrrrmmTrmTriTmTmx??r

ir^I^Tquot;.

De Zalige Herman krijgt veel te lijden.

Had de lieve broeder onder zulke vertroostingen en openbaringen den mannelijken leeftijd bereikt, ook zijne ziel was sterk en mannelijk geworden; het oogenblik was daar, dat hij veel grooter verdiensten zou verwerven dan men iu de vreugde van den genadentijd kan vergaren. Zóó handelt tocli de goede God met de zielen, die Hij tot het eeuwig leven bestemt. Eerst schenkt Hij in 't gebed en bij goede werken allerhande troost en vreugde, zoodat zij over zooveel zoetheid opgetogen, beloven Hem nimmer te verlaten. Maar dan wil de Heer ook beproeven of dat wel waar is. Hij onttrekt langzamerhand de vertroostingen en laat eenige moeielijkhe-den ondervinden; en als die zielen in armzaligheid moeten bidden en onder druk en lijden de goede werken verrichten dan kunnen zij toonen, dat de lieve Heer haar boven alles gaat en kan God haar zooveel loon geven, als Hij gaarne wil. Wijl nu Sint Herman Jozef bestemd was om zoowel op aarde als in den hemel een zeer groote belooning te ontvangen, daarom heeft de Hoer den vollen bitteren lijdenskelk over hem uitgestort

-ocr page 85-

— 79 —

Niet geheel ten onrechte verwondert men zich hier, rlat God onzen Zalige, die toch de bruidegom was van O. L. Vrouw en door Hem niet minder bemind werd , zooveel lijden overzond. De lieve Heer heeft echter zijne eigene zoete Moeder eu zijn heiligen pleegvader en den H. Joannes, zoowel den Dooper als den Evangelist en alle andere Heiligen niets anders toegezonden, dan wat Hij zelf op aarde heeft getorst en waardoor Hij de wereld heeft verlost, namelijk het H. Kruis. Door zijn eigen lijden heeft Hij gemaakt, dat het kruis rijk is aan troost en genaden, en daarom wilde Hij, dat evenals zijne liefste vrienden ook Herman Jozef liet zou dragen.

De trouwe dienaar van Maria kreeg van deu Heer een overvloed van smarten evenredig aan den overvloed zijner wijsheid en liefde, opdat hij deze deugden te midden van het lijden zou kunnen bewaren. Door al te groote inspanning en veelvuldig vasten werd zijn lichaam zeer verzwakt, en kon de arme maag niets meer inhouden. Wijl het matte hoofd door het langdurig waken bijna was afgeteerd en de goede broeder geen verster-kend voedsel Icon verdragen, moest hij dag en nacht onzeglijk zware hoofdpijn uitstaan en was geen oogenblik vrij van smarten. Het werd noodzakelijk, dat de overheden hem van alles ontsloegen, zoowel van zijn post als van 't koor en den regel; was hem dit nu zeer pijnlijk, het viel hem uitermate hard, dat hij nu tot niets nuttig kon zijn en in 't klooster tot niets diende. Vooral maakte hij er zich een streng verwijt van, dat hij op

-ocr page 86-

- 80 —

den raad vau anderen geen acht geslagen en zijn lichaam niet wat meer ontzien had. Van dien tijd af vermaande hij dikwerf zijne broeders hun ijver tematigen, en wanneer iemand in zijne oefeningen van godsvrucht enz. onverstandig was, wees hij op zich zei ven als o)gt; een waarschuwend voorbeeld. Pater prior zegt echter, dat God de Heer al dat lijden beschikte, daar Hij de volmaaktheid van Herman Jozef bijzonder ter harte nam, en niet wilde toelaten, dat de Zalige bij die groote menigte wonderen en openbaringen de heilige deugd van nederigheid zou verliezen. De lieve Heer weet uit ieder kwaad goed te trekken en zoo verandert Hij alles wat wij verkeerd doen in loutere genade en volmaaktheid.

-ocr page 87-

2s:3c-^-.

Hoe dc Zalige Herman door de Moeder Gods werd genezen.

Het geschiedde eens, dat onze lieve Jozef bijzonder zware pijnen moest uitstaan. Hij riep toen alle Heiligen te hulp, maar gevoelde niet de minste verlichting, omdat zijne Bruid zelve, O. L. Vrouw zich voorbehouden had hem te helpen. Toen hij namelijk onder on-dragelijke smarten door liet huis liep en voor 't hoofdaltaar kwam, zag hij daar eene voorname dame zitten, en meenende, dat zij een vrouw was uit de wereld, stond hij op 't punt boos te worden over zulk eene stoutheid. Maar de vrouwe haastte zich te zeggen, wie zij Avas, noemde hem vertrouwelijk bij den naam en sprak: -Zoo gij mij hadt aangeroepen, zooals gij de andere Heiligen aanriept, had ik u in uw lijden een weinig verlicht.quot; Toen Jozef zijn goede Bruid, die hem in langen tijd niet verschenen was, herkende, viel hij haar aanstonds te voet en bad om leniging in de smart. — „Gij zult weder genezenquot;, zei Maria, en van

-ocr page 88-

— 82 —

dat oogenblik waren de pijnen niet zoo vreeselijk meer. Zijn ziekelijke toestand echter bleef dezelfde; daarvan werd hij eerst door deu dood verlost. Hieruit ziet men, dat evenals Herman onder de hoede der heilige armoede was opgegroeid, de lieve Moeder Gods zijn deugd wilde bewaren onder de hoede van 't kruis.

-ocr page 89-

Hoe Herman 't zwaarst te lijden had op de feestdagen.

Dat onze goede Jozef liet lijden, waarvan ik sprak, alleen aan Gods liefde dankte, kan men nog verder bemerken. Het gebeurde soms dat hij heel wonderlijk werd genezen; waren dan de korte oogenblikken verstreken, waarin hij verpoozing in 't leed ondervond, dan moest hij weer zijn dagelijksch brood eten, d. w. z. dezelfde pijnen verduren. En het grootste gedeelte van het jaar was het voor hem regel, dat hij iederen keer, als er een feest ophanden was, veel meer smarten en ellende moest doorstaan dan anders. Het behaagde den lieven Heer dikwerf Jozef vóór een feestdag dnbbel te doen lijden en dan stond Hij hem op de feesten zelve eenige verademing toe. Daarom placht Jozef te zeggen: '„Vierdagen zijn mij vuurdagenquot;. Dat zal, dunkt mij, ten troost strekken aan menige arme ziel, die op de schoonste feesten de minste godsvrucht smaakt, terwijl zij zich toch daarop zoo gespitst had. Want als 't den

-ocr page 90-

— 84 —

lieveu heilige zoo ging , waarom dan niet ons, armzalige menschjes ?

Herman Jozef werd op iederen feestdag het zwaarste beproefd en daaruit kan men met recht opmaken, dat het lijden niets anders is, dan een liefdegaaf van God, in aanmerking genomen, dat de Heer zich met weldaden het vrijgevigste toont op kerkfeesten. Dewijl echter aan onzen Jozef vervuld werd, wat de H. Schrift zegt: -Ik zal uwe feestdagen in rouw veranderen Oquot;, daarom geloofden velen , die hem niet kenden, dat God hem verstooten en verworpen had. Nochtans toonde de Heer menigwerf, dat dit niet waar was. Herman bijvoorbeeld moest eens den dag vóór 's Heeren geboorte zoo onbarmhartig veel pijnen uitstaan , dat het allen, die 't zagen, door de ziel ging. Hij gevoelde een tweevoudig lijden: een hevige hartbeklemming wegens het feest en daarbij de koude koorts, die hem zoozeer deed huiveren, dat hij met alle mogelijke dekens niet warm kon worden. Op zijn verzoek legde men zelfs een stapel hout over zijne rillende ledematen: maar 't hielp niets. In-tusschen was het gezegende uur genaderd , waarop de Bruidegom uit zijn kamer, dat is het aanminnig Goddelijk kind uit den maagdelijken moederschoot te voorschijn kwam. In die ure stond ook de lieve Bruidegom van Maria zeer blijde op van 't bed van smarte; hij was geheel genezen. Toen ging hij met de anderen de metten zingen en las denzelfden dag de drie H. Missen met zoo groote vreugde en godsvrucht, dat men niet

]. Amos, 8, 10.

-ocr page 91-

— 85 —

alleen van lt;?een ziekte of hartbeklemming iets bespen-ren kon, maar veeleer duidelijk zag, dat de goede God keni voor al het uitgestane leed dubbel loonde. Evenals liet graan tussehen de beide steenen van den molen geschikt wordt gemaakt, om den mensch tot een aangenaam voedsel te verstrekken, zoo werd Hermans ziol onder de dubbele werking van vreugde en smart, droefheid en troost tot een voorwerp van welgevallen in de oogen van God. En hierin gelijken hem alle uitverkorenen.

-ocr page 92-

^L^z-^rxx.

Welke zoete vertroostingen Herman ondervond van de H. Ursula en hare gezellinnen.

Dusverre hebben wij aangaande Hermans vertroostingen vooral overwogen, hoevele gunstbewijzen hij van de Koningin der Maagden ontving. Maar de goede broeder heeft ook vele wonderbare en glorierijke openbaringen van eene heele schaar andere Heiligen gehad, namelijk van de H. Ursula en hare gezellinnen. Zegt de H. Schrift van 0. L. Vrouw: „Na haar treden de maagden voor den Koning zoo is de maagdelijke reinheid aller maagden, die onze heilige Kerk tot luister strekken, alleen te danken aan Maria, daar zij het eerst aan de wereld het voorbeeld van den maagdenstaat gaf, de zielen de liefde tot de zuiverheid inboezemde eu de zuiveren van harte boven alle anderen tot kinderen aanneemt. En omdat Herman Jozef' altijd een vlekke-looze onschuld heeft bewaard, werd hij niet alleen dooide teedere Maagd Maria bovenmate bemind, maar alle

1) Ps. 13.

-ocr page 93-

- 87 —

niaagdenreieu, die in den hemel zijn, beschouwden hem nis een der hunnen. En dewijl de aarde geen heerlijker voorbeeld te bewonderen heeft, dan dat vau Ursula's eerbiedwekkend gezelschap van elf' duizend maagden, die ter liefde voor de reinheid den marteldood leden, daarom was Jozefs liefde en genegenheid voor dien edelen stoet warm en oprecht, en meende hij nimmer genoeg te kunnen doen om zijn godsvrucht en eerbied jegens die Heiligen te toonen. Van haar kant waren deze zuivere maagden niet hem zoo ingenomen en vertrouwelijk, dat zij hem de diepste geheimen openbaarden ; velen vertelden hem hoe zij heetten en kwamen dikwerf troost brengen in zijn lijden. Om van zijne dankbare liefde blijk te geven, dacht Herman er aan een geheel nieuw, zeer schoon loflied op zijne weldoensters te dichten. Toen hij zich tot schrijven zette, kwam eensklaps een der heilige martelaressen in eigen persoon aan zijne zijde staan, en lichtte hem in, hoe hij schrijven moest. Ook zag hij een allerliefst duifje op zijn schouder zitten, dat hem, terwijl de jonge maagd het voorzeide, zijn snebje gedurig in 't oor stak. Hij begreep, dat dit duifje ook eene uit de heilige maag-denschaar was en daarom gaf hij in 't vervolg aan het geheele gezelschap en alle godgewijde zielen den naam van duiven, als zijnde de naam die haar voegde. Toen de lofzang voltooid was, wilde hij hem ook op muziek zetten; maar dat was eene heele zet voor hem. Telkens dat hij zich daarmee onledig hield, hoorde hij een breeden maagdenrei hoog in de lucht een welluidende melodie

-ocr page 94-

— 88 —

zin oen. die nauwkeurig paste op den tekst. De goede pater prior heeft dit vernomen uit Hermans eigen mond die nimmer liegen kon. Toen hij namelijk eens heel vertrouwelijk met onzen beminlijken Heilige zat te praten, noemde hij dezen schertsend een vermetele, daar hij zich verstout had een zangwijze samen te stellen, iets waartegen zelfs de bekwaamste toonkunstenaar opziet. De vrome Jozef werd nu bevreesd aanstoot te hebben gegeven, en begon daarom de geheele waarheid die hij dusverre met zorg verzwegen had, te openbaren. — ,Deze melodie,quot; sprak hij, .heb ik volstrekt niet alleen gemaakt; de godgewijde duiven hebben mij geholpenquot;quot;. En daar de andere er meer van wilde weten* ging de Zalige voort: „Toen het lied mij was voorgedicht, zat ik aangaande de zangwijze in de klem en begon daarover na te deuken. Eensklaps hoorde ik boven mij in de lucht een koor van maagden, die zel-veu de melodie voorzongen; toen schreef ik de noten boven de woorden.quot; Pater prior opperde daartegen de volgende bedenking: .Dat is toch wat al te kras eu moeilijk aan te nemen, dat iemand, hij moge nog zoo bekwaam zijn in de muziek, een gezang alleen van het hooren kan onthouden en opschrijven.quot; Nu moest Herman nog meer uit den hoek halen en sprak: ., Telkens als ik iets van deze melodie had vergeten en andere noten schreef dan die, welke ik had opgevangen, begon dat koor wederom te zingen en dan weer van den beginne aan en herhaalde de wijze, totdat ik ze meester was. Toen krabde ik de verkeerde noten uit en schreef

-ocr page 95-

— 89 —

ulles juist zoouls 't mij geleerd was.quot; Dikwerf zong Herman Jozef' den pater prior iets van dit schoone loflied voor en vertelde dan tevens, dat zijne leermeesteressen liet met bijzondere blij hartigheid zongen en het meermalen jubelend herhaalden, zoodat zijn hart onder het zingen vervuld werd van allerlei zoetheid. De overste prees innig den Heer. wijl Hij onzen Zalige dat genoegen had verschaft, en ook hij zelf dit alles uit Hermans eigen nijnd mocht vernemen.

amp;

-ocr page 96-

2C32:^7-XII.

Hoe Herman het hoofd van een der heilige Martelaressen ontving-.

Van de vurige liefde tusscheu den maagdelijken Herman Jozef en Sint Ursula's maagdelijk gezelschap zullen wij nog meer hooren. Ten tijde van onzen Zalige werd er uit een akkerland een schat en een parel opgedolven. waarvoor een koopman alles veil zou hebbe n. Men vond namelijk te Keulen in de aarde kostbare overblijfeelen van Ursula en hare gezellinnen, onder anderen het geheele lichaam van eene dier heilige maagden. Door Gods beschikking was de goede Jozef bij de opgraving tegenwoordig. Toen kwam een sterk verlangen bij hem op naar liet bezit van het maagdelijk hoofd dier jeugdige martelares eu hij zou er alles voor gegeven hebben, om eigenaar te worden van dit dierbaar kleinood. Daarom ging hij naar hen, die de relieken in bewaring hadden en inzonderheid naar de abdis van het Ursula-klooster en bad haar zeer deemoedig om het hoofd der bloedgetuige. Al wat hij liefs en zoets kon zeggen bracht hij te berde, maar zijne bede werd

-ocr page 97-

— 91 —

volstandig geweigerd. En of hij al aanhield, de overste bleef staan op haar stuk en zeide, wel iets van andere relieken van Ursula's gezellinnen te willen schenken, maar het heilig lichaam en vooral het hoofd dier ééne martelares immer in het klooster te zullen bewaren. Daarom was Jozef zeer mistroostig, en toen hij zag bij de menschen niets gedaan te kunnen krijgen, ging hij den hemel zijn nood klagen. Hij verzocht dus in de kerk van die heilige maagden volgens zijn gewoonte de H. Mis te lezen. Onder die verhevene handeling riep hij den Heer en de godgewijde maagden met zulk een vurigheid aan, dat hij ten laatste zekerheid kreeg, dat zijn wensch vervuld zou worden. Nauwelijks was hij van 't altaar teruggekeerd en had hij zich van het misgewaad ontdaan, of hij spoedde naar de abdis. Deze had het kostbaar hoofd der godgewijde maagd in hare kapel laten brengen, om het daar op eeue bijzondere wijze te vereeren. En zie. Herman opende ter nau-wernood den mond tot spreken, of de abdis was geheel en al van gevoelen veranderd, en daar de goede broeder zeer bescheiden en schroomvallig was, bood zij hem uit eigen beweging de dierbare reliek aan, die zij aanvankelijk hardnekkig had geweigerd. Jozef, nu in het bezit van dat kleinood, waarnaar hij zoo vurig verlangd had, maakte dat hij wegkwam, spoedde blij van harte naarStein-feld tot pater prior en de broeders, toonde hun zijn schat en zeide nit een openbaring te weten, dat de jonge maagd den. naam droeg van Gertrudis. Allen waren opgetogen over den kostbaren schat en over Hermans

-ocr page 98-

— 92 —

zielevreugde. Hier mogen wij wel de schooue overwe-ging doen, hoe aangenaam de eenvoud is in 't oog van God eu hoe rijk hij onze zielen maakt. Want de een-vondigen eu zuiveren van harte leven op aarde alsof'zij tot de engelen des hemels hehooren, zoo vertrouwelijk gaan zij om met God eu de Heiligen. Zij kunnen over alles beschikken, daar de Lieve Heer hun niets weigert, wat zij met eenvoudig vertrouwen begeeren.

-ocr page 99-

^r^zi^;.

Hoe iemand om zijne oneerbiedig-heid jegens de heilige reliquieën bestraft werd.

Omstreeks denzelfden tijd waarvan wij spreken, nam onze Jozef eens zijn intrek in een kasteel, waar een vrome en godvruchtige vrouw woonde. Wijl haar naam om de liefdewerken die zij deed overal een goeden klank had, waren haar de heilige hoofden van twee martelaressen nit Ursula's gezelschap geschonken, die zij in een keurige reliquieëukast bewaarde. Om welke reden weet ik niet, maar men had die kast op den grond geplaatst. Op 't oogenblik dat Jozef in de kamer was, waar de heilige overblijfselen zich bevonden, zag hij hoe een huisgenoot zich op die kast nederzette. Om de eer zijner goede „duivenquot; was Herman daarover zeer verstoord eu hij gloeide, zooals hij later zelf verhaalde, inwendig van toorn. Hij wenschte dat den persoon, die zulk eene minachting toonde ten opzichte van de heilige maagden, hetzelfde mocht overkomen als dien andere, die voor den H. Martinus niet wilde opstaan; deze werd daartoe gedwongen, doordat de stoel begon te branden.

-ocr page 100-

— 94 —

Nauwelijks kreeg Jozef die gedachte of' de vermetele huisgenoot voelde eensklaps zulk een hevigen gloed onder zich, dat hem het zitten allerpijnlijkst werd; hij meende dat er helle vuurvlammen uit de kast sloegen. Als onzinnig liep hij door de kamer en wist niet wat dat beteekenen moest. Onze Zalige echter helderde de zaak op. Dit voorval verhaalde hij daarna aan zijne broeders en schepte er veel vermaak in, wijl hij het wonder niet aan zich zelven maar aan de verdiensten der godgewijde martelaressen toeschreef.

-ocr page 101-

Hoe Jozef de schoonheid der schepselen te aanschouwen kreeg.

Wijl Herman Jozef' dag aau dag liet brood des lij deus eteu moest, troostte hem de Heer met de gunstbewijzen waarvan wij gewag maakten. Eu het is jammer, dat wij van de vele die hem ten deel vielen, er zoo weinige kennen; de nederige broeder verstond de kunst van zwijgen al te goed. Toch zullen wij nu, zooverre wij 't beseffen kunnen, vernemen hoe de liefderijke God hem ook door de redelooze schepselen verkwikte. Want terwijl de Zalige Jozef dagelijks door de hand des Heeren getroffen werd en evenals de H. Paulus inwendig het woord vernam; „Mijne genade is n genoeg, waut de kracht wordt in de zwakheid volmaakt (1),quot; zoo begon hij vol ijver aan de toekomstige belooning te denken en wenschte vurig iets van Gods beloften te smaken. Ik weet, dat het ook anderen zielen zoo gaat. Als zij een walging krijgen van de aarde, beginnen zij naar

1

2 Cor. 12, 0.

-ocr page 102-

— 96 —

deii hemel te zieu. In beschouwingen verdiept, stond Herman Jozef' een zekeren nacht bij het venster der sacristie naar het Oosten te kijken en kou daar den opgang der maan en van ettelijke sterren rustig beschouwen. Terwijl hij nu iu gedachten verzonken daar zoo stond, voelde hij een levendig verlangen iu zich opkomen om de schepselen te kennen zooals zij zijn voor Gods oogeu, en zeide tot den Schepper; „Ofschoon ik van U, o Lieve Heer en Schepper aller dingen, zoolang ik hier in Babyion woon, alleen maar als iu een spiegel een flauw begrip kan krijgen, wensch ik toch vurig dat Gij mij uwe schepselen doet kennen, opdat ik aldus U zeiven des te volmaakter kennen moge en beminnen.' Terwijl hij zoo bad, werd hij onverwachts op een wijze, zoo wonderlijk dat hij 't naderhand niet verklaren kou en ik uog minder, aan zich zeiven ontvoerd ; een geruimen tijd toonde de Heer hem de pracht eu de heerlijkheid van het uitspansel en van elk schepsel, zoodat de vurige wensch rijkelijk vervuld was. Toen hij weer tot zich zelveu was gekomen, kou pater prior niets anders uit hem loskrijgen, dan dat hij in die volmaakte kennis der schepselen zulk een onuitsprekelijke vreugde had gesmaakt, dat het een menschenverstand te boven ging, dit begrijpelijk te maken. Eu hieruit kan men besluiten, hoe de zalige Herman Jozef' waarlijk de vertrouwdste vriend des Heeren geweest is, wijl hem Gods geheimen werden geopenbaard , en hoe rein van harte hij moet geweest zijn. Immers, daar de Heiland zegt: „Zalig de zuiveren van harte, want zij

-ocr page 103-

— 97 —

zullen God zien (')zullen die onbevlekte zielen ook alles aanschouwen, waarin God de Heer zich openbaart. Aldus wordt ook vervuld, wat de ufoede Zaligmaker verder zegt; ,God heeft den grooten en wijzen der wereld veel verborgen gehouden, wat hij den kleinen en eenvoudigeu heeft meegedeeld (2).quot; Hij zij daarvoor eeuwig geloofd.

1. Matth. 5, 8. - -2. Matth. 11, -25.

-ocr page 104-

Z-ZZCZZT.

Hoe Jozef eene openbaring- kreeg omtrent het martelaarschap van den H. Kngelbertus.

Sedert ouzen dierbaren Jozef deschoonlieidder schep-seleu op bovengeuoenide wijze was geopenbaard, beschouwde hij met innige vreugde alles wat de Heer geschapen had, om in alles den Schepper te leeren kennen en beminnen. Ook daarom immers heeft de goede God alles zoo schoon en wondervol gemaakt, opdat wij in de eindige schoonheid van het geschapene den weerglans der oneindige schoonheid Gods zouden bewonderen. naar het woord der H. Schrift; „Alles heeft hij in 't leven geroepen ter wille van den nienschquot; d. w. z. opdat de mensch Hem zou leeren kennen, liefhebben en danken. Maar sinds de mensch in zonde viel, rust ook op de dingen, die voor hem gemaakt zijn, de vloek der zonde, en daarom trekken de schepselen iemand, die in zonde leeft, altijd verder en verder van den Schepper af. Hem echter, wiens harte rein en wiens handel en wandel oprecht is, spreekt alles van

-ocr page 105-

— 99 —

God. Zoo iemand laat zich niet door de schepselen verstrooien noch tot het kwade verleiden, maar wordt integendeel door alles meer en meer volmaakt. Zoo was 't ook met Herman Jozef gesteld en met zeer vele andere eenvoudige zielen, die de Algoede zelf door de geschapene dingen in de volmaaktheid heeft onderwezen. Want wanneer iemand zijn best doet God te beminnen dan is de Heer daarover zoo verblijd als wedervoer Hem zeiven het grootste geluk; en liever legt Hij zulk een mensch hemel en aarde voor de voeten, dan van diens liefde afstand te doen. Daarom zegt Von Kronenberg, een leeraar van Parijs: „God bezit alles wat Hij wil. Hem heeft nooit iets ontbroken op eéne zaak na. „Wat ontbreekt God danquot;, zegt men misschien, „daar Hij tocli over alles heerscht en almachtig is?quot; Zie, sinds de Alwijze de menschen schiep, vond Hij nimmer zoovele harten en zuivere zielen, aan wie Hij zich volkomen kon mededeelen, als Hij wel wilde. Want Hij zon zich gaarne aan alle menschen, zonder uitzondering, schenken, waren zij maar zuiver en rein d. w. z. geschikt om Hem op te nemen. Ziedaar wat God ontbreekt en anders niets. Vermits nu Herman Jozef, wijl hij zich steeds een trouw kind van Maria betoond had, zoo edel en zuiver gebleken was, als allen, die onder Maria's moederlijke hoede zijn, waakte ook de Heer nauwlettend over Hermans volmaaktheid. Daarvan zal ik een schoon voorbeeld verhalen.

Toen onze Zalige te Steinfeld was, stond de H. En-

-ocr page 106-

— 100 —

gelbertus aan het hoofd vau liet aartsbisdom Keulen. Deze was een streng en krachtdadig man, die met sterken arm het recht der kerk van Keulen verdedigde, koningen en vorsten weerstand bood en niemand vreesde. Daarover hield Herman zich dikwerf met allerlei gedachten bezig. Want ofschoon hij niemand wilde oor-deelen , had hij toch van de christelijke volmaaktheid zijne eigene opvatting. Meer behaagde hem de deemoed dan de kracht en hij stond liever zijne rechten af dan ze te handhaven, werd liever met voeten getreden dan anderen pijn te doen. Daarom besloot de Heer hem te onderrichten, hoe de volmaaktheid in iederen stand au-ders gedijt en niet overal op dezelfde wijze beoefend kan worden. Want evenals God, toen hij schiep, den boomen geboden heeft ieder overeenkomstig zijn soort vruchten te dragen, en er geen wijndruiven aan vijge-boomen groeien, zoo moet men ook in iederen stand de werken verrichten, die daaraan passen, en mag men hem, die niet hetzelfde doet als wij , geenszins veroordeelen. Voor menige brave vrouw in de wereld is het eene diepere vernedering, dat zij een zijden kleed moet dragen, dan voor eene kloosterzuster dat zij aalmoezen inzamelt. En menigeen die over anderen gesteld is, heeft een grootere overwinning op zich zalven te behalen om te bevelen en te straffen dan de anderen om te gehoorzamen. Zoo was 't gelegen met de heiligheid van Engelbertus, en de lieve Heer wilde zelf Herman daaromtrent terechtwijzen, opdat diens eenvoud geen schade zou lijden. Vier weken ongeveer, voordat St. Engelbertus vermoord

-ocr page 107-

— 101 —

werd, ging ouze Jozef tegen middernaclit in het vrije, om daar aandachtig den Heer in de schoonheid van het gesternte te bewonderen en te loven. Terwijl hij nu naar de maan keek, die ten Zuiden helder en liefelijk nederscheen, werd het eensklaps ten Noorden nog veel helderder en lichter, en toen hij zich omwendde, zag hij daar eene andere maan opkomen, die zoo helder was dat de glans aller sterren en de wezenlijke maan daarbij verbleekte. En terwijl Jozef dit vol verbazing beschouwde, ging ter rechterzijde de hemel open. Tus-schen die opening en het nieuwe luchtverschijnsel, dat altijd klom, verscheen een kort, breed zwaard , zooals de groote heeren in die dagen droegen. Dat zwaard trof de maan, terwijl zij naar die opening heensteeg, en nu gingen beide den ontsloten hemel binnen. Jozet begreep niet wat dit moest beteekenen. Intusschen vermoedde hij dat er iets gewichtigs zou gebeuren; daarom was hij zeer bevreesd, toen hij zich ter ruste begaf. Terwijl hij zich vol kommer nederlegde, hoorde hij eene groote menigte menschen voorI)ij het klooster trekken en luid en aanhoudend klagen; „De aartsbisschop Engelbertus is om het leven gebracht!quot; Nu kon de goede Jozef wel raden wat de verschijning beduidde ; toch was hij nog iu twijfel of hij er aan zou gelooven. — „Want,quot; sprak hij in zich zeiven, „hoe kau iemand, die zoo beroemd en machtig is en zoovele ruiters in zijn dienst heeft, vermoord worden? En wie kau, ingeval de bisschop gedood is, gelooven, dat iemand die uitsluitend voor de wereld leefde en van haar zoo-

l

-ocr page 108-

— 102 —

veel lof inoogstte en in die wereld zulke goede dagen had, onverwijld de eeuwige kroon ontvangt ?quot; Intus-sclien was, hetgeen de Heer hem getoond had, geschied : St. Engelhertus werd door het zwaard van bloedverwanten doorstoken.

Maar al kwam nu het eene gedeelte van het voorteeken uit, twijfelde toch onze Jozef, die zich zei ven immer mistrouwde, of St. Engelbertus werkelijk als martelaar zou gekroond zijn. En nu hoorde hij eensklaps eene stem, die zeide; „Wijl gij de verschijning niet hebt willen gelooven, daarom zult gij een oogziekte krijgen, waarvan gij niet eerder zult genezen , voordat gij op 't graf van den heiligen martelaar een paar wassen oogen hebt geofferd; dan zult gij de waarheid , waaraan gij twijfelt, inzien.quot; En zoo geschiedde het. Spoedig kreeg de goede Herman een smartelijke oogziekte, maar werd eensklaps gezond, toen hij de wassen oogen had geofferd. Evenals er in den bloemtuin Gods velerlei bloemen staan, die ieder volgens het soort, waartoe zij behooren, geur verspreiden, zoo wordt St. Engelbertus als een groote heilige en wonderdoener vereerd, daar hij in de wereld levende, geen wereldling was en niet schroomde den dood te ondergaan voor Gods eer. Nu zou wel menigeen willen weten, wat Jozef aanschouwd heeft, toen hij in den open hemel mocht zien. Maar pater prior, aan wien onze Zalige het verhaalde, heeft er geen melding van willen maken, zeggende , dat de voorname en hoogwijze lieden het toch niet gelooven, de kleinen en eenvoudigen het bijtijds zien en met St. Jozef, St. Engelbertus en alle Heiligen God en Maria eeuwig zullen prijzen.

-ocr page 109-

Hoe de Zalige Herman onder het H. Misoffer de groote genade van beschouwing' had.

Nu zullen wij van andere wondervolle gunsten gewagen, die onze dierbare Jozef' in de laatste jaren zijns levens van den Uitdeeler aller gaven onder het H. Misoffer ontving. Maar niemand, die niet zelf' een heilige is, moet datgene wat ik vertellen ga tot voorbeeld kiezen Ofschoon de vrome Herman van zijne priesterwijding

af' onder elke H. Mis, die hij las, de genade eener bui-

• • •

tengewone godsvrucht kreeg, werd hij toch in latere jaren ongelooflijk grootere gunsten waardig geacht. Telkens als hij het H. Misoffer opdroeg, geraakte hij in geestvervoering en stond dan langen tijd ten aanschouwen van allen bewegingloos aan het altaar. Velen, zoowel leeken als kloosterlingen waren over dat treuzelen zoo misnoegd, dat er niet dan met de uiterste moeite iemand gevonden werd, die hem de H. Mis wilde dienen. Sommige vrome broeders vermaanden en baden hem met dat talmen toch op te houden of' hun de oorzaak van dat onvergeeflijk sukkelen mee te deelen;

-ocr page 110-

— 104 —

maar zij konden hem geen woord daarover ontlokken.. Want de trouwe dienaar van Maria herinnerde zich, dat ook zijne allerheiligste Koningin de genade die zij ontving, verborgen hield en liever door haren Bruidegom den H. Jozef verlaten wilde worden dan aan haren ootmoed te kort doen. Eindelijk sprak ook pater prior Jozef er over aan en verzocht hem met aandrang, daar hij zichzelven onwaardig achtte de oorzaak van dat talmen te vernemen, ze bekend te maken aan een of anderen godvreezenden broeder. En toen Jozef daar geene ooren naar had, werd de goede prior ongeduldig, berispte hem en zeide dat iemand, die den toestand zijner ziel niet wilde openbaren, groot gevaar liep en misdeed. En aldus perste hij hem ten laatste dit antwoord af: ,(lij hebt volkomen gelijk, pater prior, en ik verdien bestraffing. Toch durf ik mijn geheim aan niemand mededeelen: want als ik dat doe, dan verlies ik de genade en wordt erbarmelijk gekweld.quot; Nu besloot de goedhartige prior Jozef voortaan met rust te laten, om niet den geest in hem uit te dooven en zoo de rol van den Booze te spelen.

Sommige broeders echter, die onzen dierbaren Zalige goed kenden , wilden weten, wat hij toch onder dat lange getalm en gedraal deed, en naderden het altaar, terwijl hij daar zoo stond. En toen zagen zij hem zoo roerloos en onbewegelijk, dat hij noch den mond om te spreken kon gebruiken, noch de oogen om te zien. Want toen een hunner vlak voor zijn aangezicht ging staan, zag Jozef hem niet, ofschoon hij de oogen wijd

-ocr page 111-

open had. Na een geruimen tijd haalde hij op eens diep adem eu kwam tot zich zeiven, zooals iemand die uit den slaap ontwaakt, en dan zette hij het H. Mis-■offer voort. Hieruit kunnen wij zien tot welk eenhoo-gen graad van beschouwing onze Jozef' moet verheven zijn geweest en van welk een zoetheid zijn ziel vervuld was, daar hij volstrekt geen acht kon slaan op hetgeen hem door de zinnen werd voorgesteld. Zulke genaden onder liet H. Misoffer vielen onzen Zalige jaren lang ten deel.

-ocr page 112-

2S:2^2CIII.

Hoe Herman Jozef zeer langzaam de H. Mis las, zonder meer waslicht te verbruiken.

Uit gehoorzaamheid leefde Herman Jozef eeuigejareu te Füssenich dicht bij Zülpig in een vrouwenklooster, dat onder het bestuur stond van de kloosterheeren te Steiufeld. Daar moest hij den dienst der kerk waarnemen en voor de zusters de H. Mis lezen. Al heel spoedig ontstond er geklaag en gemompel. Benige morden, dat haar werktijd verloren ging, andere dat het klooster verarmde, doordien de waskaarsen zoolang moesten branden, kortom alles werd ter tafel gebracht, wat vrouwen onderling zeggen, wanneer de Mis of de preek haar te lang geduurd heeft. Dat praten dei-zusters bedroefde een goedhartigen knecht, die Herman dienen moest; vooral echter deed hem dit pijn, wijl hij den Zaligen Jozef dikwerf hoorde verzuchten dat hij bij 't opdragen der heilige geheimen niet zoo godvruchtig was als de verhevenheid der handeling eischte. Die dienaar had den vromen priester innig lief en wilde

-ocr page 113-

daarom van de kaarsen het zijne weten. Het geschiedde dan, dat hij in een plaats, op twee uren afstand van Füssenich, zaken te doen had. 's Morgens nu nam hij alvorens te vertrekken twee kaarsen, die precies even lang waren; de eene zette hij op 't altaar, waaraan Jozef de Mis zou lezen, en de andere verstopte hij en ging, terwijl de godvruchtige Jozef de Mis hegon, zijne zaken afdoen. Toen hij echter terugkeerde, stond Jozef nog aan het altaar en had de Mis nog niet geëindigd. De dienaar wachtte dus, totdat de H. Mis uit was. Toen haalde hij ijlings de verborgene kaars te voorschijn en vergeleek ze met de andere, en zie.... deze was nog niet zoover afgebrand als anders onder eene mis van eeu half um-. Opgeruimd ging hij naar de zusters, vertelde wat hij gedaan had, en drukte haar , al was hij maar een knecht, met aandrang op het hart, dat zij voortaan tegen 's Heeren dienaar uiet meer zouden morren. De kloosterzusters waren daarom in 't vervolg eerbiediger jegens Herman Jozef en streefden er naar zooveel godsvrucht te smaken, dat haar de tijd nooit te langzaam verstreek.

-ocr page 114-

Hoe bij Herman Jozef de liefde des harten de zwakheid des liehaams te boven kwam.

Sprekend van de andere wonderen die er voorvielen, wanneer Jozef' de H. Mis las, willen wij ook iets zeggen van de woudervolle sterkte die aan zijn licliaam onder liet heilig Offer ten-deel viel. Want hoewel dermate verzwakt, dat hij geen enkel oogenblik overeind staan noch nuchter kon blijven zonder weldra in onmacht te vallen, stond onze Zalige toch onder 't opdragen der H. Mis uren lang recht aan het altaar en vermocht al dien tijd nuchter te blijven. En menigmaal gebeurde het, wanneer hij bij vrome lieden was, dat hij als geheel herleefde; dan sterkte het lichaam door de vreugde des geestes in ettelijke dagen zoozeer aan, dat Jozef zijn dagelijksch lijden niet eens onder het vasten gevoelde en de handen Hink uit de mouw kon steken. Hij had het horlogemakeu geleerd en daarom was er in de kloosters nog al vraag naar hem, hetzij wanneer een nieuw uurwerk vervaardigd of een dat niet op streek was aan den gang moest worden gebracht. Dit deed hij dan

-ocr page 115-

— 109 —

met zulke groote liefde en vriendelijkheid, dat zijn te-genwoordigheid niet alleen geen huis tot last was, maar veeleer overal vroolijkheid verspreidde. Want met de allergrootste minzaamheid wist hij zich naar de gewoonte en den aard van een ieder te schikken, en waren ook al in tegenwoordigheid van volmaakten zijne woorden vol van de hoogste wijsheid, toch was Jozef onder kinderen zelf een kind, zoodat de kleinen hem ouder huns gelijken telden. Bij zulk eene gemoedsgesteltenis eu opgeruimdheid verdween de zwakheid zijns lichaams geheel, zoozeer werd hij door de liefde zijns harten gesterkt. Hij voelde eene dergelijke kracht en wakkerheid telkens, wanneer hij er zich toe zette iets uit het geestelijk leven te overdenken en op papier te brengen, waartoe hij door eene bijzondere godsvrucht en genade dikwerf werd aangespoord. Alsdan kon hij meermalen tot het middaguur, somwijlen tot den vespertijd en tot den avond nuchter blijven. Eu kwamen de broeders , flie in de eetzaal dienden, hem uitnoodigen zijn lichaam iets te gunnen dan vergenoegde hij zich met één gerecht en gebruikte gewoonlijk een soepje.

-ocr page 116-

Hoe GPod de Heer Jozefs heiligheid aan den dag bracht.

Nadat wij tot hiertoe veel verhaald hebben, waaruit ieder zich een vroorstellinlt;j kan maken van Jozefs heiligheid, komen wij nn tot die openbarinpr, waardoor ook 0. L. Heer getuigenis wilde afleggen voor zijn dienaar. In het klooster Hoven, op drie uren afstand van Stein-feld gelegen, leefde eene zuster van de Cisterciënserorde zoo godvruchtig en stichtelijk, dat zij het geheele land met al zijne kloosters ten toonbeeld was. Die heilige maagd werd dikwerf door God met groote genaden en openbaringen begunstigd, zoodat de booze vijand tegen haar een grimmigen haat voedde; glorierijk sloeg zij echter telkens zijne aanvallen af. Toen zij gestorven was, schreef Jozef zelf haar leven. Zij stond in zulk een roep van heiligheid, dat geen verstandig man hare woorden in twijfel dorst trekken. Het gebeurde nu, dat een broeder van Steinfeld, die in de eenvoudigste vroomheid geleefd had, godvruchtig in den Heer ontsliep. De deugdzame kloosterzuster bad hartelijk voor de rust van den overledene, en vroeg ten laatste aan

-ocr page 117-

— UI —

O. L. Heer haar te openbaren, hoe het met de ziel van dien broeder stond. Na ettelijke dagen verscheen haar de gestorvene en verblijdde haar met de tijding, dat hij behouden was. Toen sprak zij tot denzelfden broeder: „Zeg mij ook eens, bid ik u, hoe Jozef bij God staat aangeschreven.quot; — „Zeer hoogquot;, antwoordde de ontslapene, „wijl hij hooge deugd bezit. Want gij moet weten, dat hij in deemoed, geduld , liefde en gehoorzaamheid alle menschen die nu op aarde zijn , overtreft.quot; Toen deze openbaring onzen Jozef ter oore kwam, sprak hij: „Dusverre heb ik aan de openbaringen va» zuster Elisabeth — zoo heette zij — altijd geloof geslagen, maar nu zij zulke dingen openbaart, weet ik dat zij door den duivel bedrogen wordtquot;. Dat Herman Jozef een heilige was, kan men uit deze woorden nog beter besluiten, dan uit de woorden van den overledenen broeder, want wonderen en openbaringen kunnen verdacht zijn, maar iemand, die nederig van harte is, bezit ook — weest er er zeker van — in ruime mate de andere deugden.

-ocr page 118-

is^xr^c^T-i.

Over de reinheid van den Xaligen Herman Jozef.

Nu wij eenmaal door gemelde heilige kloosteruoii omtrent de heiligheid van Herman Jozef' zijn ingelicht, willen wij verder verhalen, wat er uog meer van zijne deugden in zijn levensschets te lezen staat. Geene deugd was Jozef dierbaarder dan zijne engelachtige reinheid; in hem vooral kan men bewaarheid zien, dat de lieve Moeder (jods over dit onschatbaar kleinood harer getrouwe kinderen een wakend oog houdt. Want Jozef heeft het sneeuwblanke kleed, dat hij bij 't H. Doopsel ontving, niet alleen niet bezoedeld, maar zelfs door geen schaduw van onreinheid ontglansd. Hij was zoo kuisch en ongerept, dat hij volstrekt geen besef had van hetgeen voor de knischheid gevaarlijk kan zijn; zooals de zonnestraal door het glas, ging hij zorgeloos en rein door alles, wat anders de zuiverheid licht kan schaden. Dewijl hij immers van zijne teederste jeugd onder de bescherming der Moeder Gods had gestaan, maakte deze dat hij tot zijn negentigste jaar gelijk een kind bleef; wat echter bij kinderen onschuld heet, was bij Jozei

-ocr page 119-

— 113 —

verdienste. En zoo geschiedde 'took, dat wie hem zag door de onuitsprekelijke schoonheid van een maagdelijk hart en een smetteloozen levenswandel geboeid werd. Het was of in zijne tegenwoordigheid overal de geest van knischheid en bescheidenheid werd uitgestort, en dat ongedwongen en zonder gejaagdheid; deze toch is aan ware deugd vreemd. Men mag het er ook voor houden, dat in Jozefs reinheid de oorzaak moet worden gezocht, waarom de H. Maagd haren dienaar den naam Jozef wilde toekennen. Aangezien niemand haren kui-scheir bruidegom zoo gelijkvormig was als Herman, behoorde hij diens naam te dragen en diens voorrecht te, deelen.

-ocr page 120-

Over de nederigheid van Herman fjozef.

Wat zullen wij echter zeggen van Hermans nederigheid ? Al vertellen wij er nog zooveel goeds van, wij doen toch der waarheid te kort. De deemoed immers was de eigenlijke deugd van onzen Jozef, zooals zijn heilige Moeder, 0. L. Vrouw, de deemoed zelve was. En wijl haar allerheiligst Kind zelf gezegd heeft: ,Leert van mij, omdat ik zachtmoedig en nederig van harte benquot;, beijverde zich ook het pleegkind van Maria, in gedachten en woorden, in houding en kleeding, in doen en laten, de 'nederigheid zorgvuldig te beoefenen. O, hadt gij eens kunnen hooren, hoe bescheiden en eenvoudig hij in het spreken was, hoe bereidwillig om zich zeiven aan te klagen en ieder ander te verontschuldigen, en hadt gij eens kunnen zien, hoe rood hij werd, als hij iemand over iets moest berispen. Voorwaar gij zoudt dan moeten bekennen dat iemand, die zich zoo onder allen stelde, boven allen behoorde verheven te worden. Terwijl hij nooit melding maakte van het goede dat in hem was, roemde hij altijd het

-ocr page 121-

- 115 —

goede van anderen. Werd hij in zijne tegenwoordigheid geprezen, dan wist hij met een kwinkslag of door iets te vertellen wat tot zijn beschaming strekte den lof zoo fijntjes van zich af te wenden, dat de broeders zelve menigmaal niet meer geloofden, wat zij met hunne oogen gezien en met hunne ooren gehoord hadden. Wanneer hij ten oversïaan van andere religieuzen over zichzelven sprak, dan noemde hij zich iemand, die weinig in tel of eene nul in het cijfer of een last was voor het huis. Hetzij hij ging, stond of uederzat, het was alles eenvoud wat men aan hem zag; men bemerkte niet de minste gedwongenheid noch iets bijzonders. Zijn hoofd was als de kroon der lelie ootmoedig gebogen ; zijne oogen waren zacht en onschuldig als die eener duive; een waas van ootmoed en maagdelijke reinheid lag verspreid over geheel zijn wezen. Wanneer hij meende iemand beleedigd te hebben, wierp hij zich, onverschillig wie de beleedigde was, op de knieën en bad om vergeving. In zijn kleeding was hij achtzaam noch achteloos, maar toch eerder achteloos dan achtzaam. Jaren lang droeg hij dezelfde pij , doch om niet te doen denken dat hij dit uit nederigheid deed, zeide hij, dat nieuwe kleederen zijn zwak lichaam te zwaar waren. En ofschoon dit geen leugen was, zegt de prior wel te weten, dat Jozef het uit ootmoedigheid deed. Nu en dan trok hij nieuwe onderkleeren aan; meestal echter en het liefst droeg hij versletene met belapte mouwen. Zijn mantel dien hij sedert on-heuglijken tijd droeg, verstelde hij zelf en wel met

-ocr page 122-

— 116 —

wollen lappen, die even oud waren. Toen een broeder hem daarover wilde vermanen, dacht Jozef hem ten volle overtuigd en bevredigd te hebben door te zeggen: „Ik ben immers niets beters waard!quot; Wanneer zijne schoenen, altijd zeer grof en door anderen reeds afgedragen, hem wat deftig en nieuwmodisch toeschenen , dan klopte hij er op met een steen, om ze minder spits en eenvoudiger te maken. Eu zoo was er van het hoofd tot de voeten niets aan hem te bespeuren, waarop de nauwlettendste ijveraar voor de deugd eene aanmerking kou maken; veeleer blonk in alles zijne heiligheid uit. In zijn eiü-ene oogen was hij een niets geworden, en zoo deed hij zich ook aan anderen voor. Hoe zou hij dan lof najagen, daar hij zichzelven niets guude V Integendeel, niet geprezen maar geringgeschat wilde hij worden. Ik zal daarvan een sprekend bewijs geven. Jozef ontmoette eens op weg een landman. Hij, de priester Gods, knielde voor hem neer en sprak; „Ik bid u mij te doen wat ik u vragen zal.quot; —_O, zeer gaarnequot;, antwoordde de andere. — „Sla mij in het aangezichtquot;, smeekte de Zalige. De landman verschrikte, en vroeg naar de reden van zulk een ongewoon verzoek. — „Ik verdien niets beterquot;, luidde het antwoord, „dan in 't gelaat te worden geslagen.quot; De landman vertelde het geval aan een der heeren van Steinfeld. Deze werden over Jozefs eenvoud, dien zij een dwaasheid noemdenr zeer boos en toen zij hem verwijtingen deden, wist de nederige slechts dit antwoord te geven; „Verdien ik wel iets beters dan in 't aangezicht te worden geslagen ?quot;

-ocr page 123-

117

Ziedaar waarlijk de dwaasheid, die voor God wijsheid is, omdat de wijsheid dezer wereld als dwaasheid geldt in 't oog van God. Doch door zoo te doen en te spreken , kwam hij bij alleu in zulk een slechten renk te staan, dat zij hem geen enkel woordje van lofwaardig achtten; dat was juist zijn hartewensch. Want hij wildé liever voor een dwaas dan voor een heilige ge-honden worden. Zoo verstond hij de kunst de parel in de schelp, het koren onder de maat, het vuur onder de asch te verbergen.

8

-ocr page 124-

2s:3C2r.^rixi.

Over de liefde van Herman jjczef.

Wij zullen nu ook iets over de liefde zeggen, waarvan Jozefs harte brandde, eu liaar verheerlijken zooA'eel wij kunnen. Immers deze goddelijke deugd is de wortel ■en oorsprong aller andere deugden; dwaasheid, geen deugd, is alles wat niet uit dezen wortel groeit. Wat toch is nederigheid, die de liefde niet tot wortel heeft, •d. w. z. als men zich niet verootmoedigt om God, anders dan dwaasheid V Wat is kuischheid zonder liefde V Zijn de vijf maagden niet door den rechtvaardigsten Rechter veroordeeld, wijl haar de olie der liefde ontbrak ? Wat is dwazer dan geduld, als men het loon niet van God. maar van de menschen verwacht? Op de liefde had onze deugdzame bouwmeester Jozef liet geheele gebouw zijner heiligheid opgetrokken; daaraan kan niemand twijfelen, die maar een blik wil slaan op de volmaaktheid van zijn ootmoed. Want bij hen alleen die naar lof hunkeren, is de deugd enkel schijn en veinzerij. En wanneer een arme van Christus en een verachter der wereld zich oefent in de deugd zonder

-ocr page 125-

— 119 —

miar eenigeu lof' te streven, dau beoogt hij uiets anders dan de eer van zijn Schepper. En wie diens glorie zoekt eu niet zijne eigene, bemint waarlijk. Ja, de goede Jozef heeft God wel liefgehad, daar hij om Hem door de zuiverheid de aardsche lusten en door ootmoedigheid de eer der wereld versmaadde. Wel heeft hij God bemind, wijl hij Hem ter liefde den smalleu weg betrad en door de enge poort van nederigheid, armoede, pijn en lijden trachtte binnen te gaan. Wel heeft hij God bemind, wijl hij voor het verachten van elk genoegen en voor het dragen van elke wederwaardigheid geen ander loon verlangde dan U, Heer Jezds ! te aanschouwen. Wat zocht hij dan U ? Rijkdom noch genot, roem noch iets anders vergankelijks, maar U alleen. 0, hoe dikwerf brandde zijn hart van verlangen naar U, hoe smartelijk viel hem zijn verblijf hier in Babyion, en hoe klaagde hij van ü verwijderd te zijn! En aldus heeft hij gevonden wat hij zocht, is hij verlost van hetgeen hem pijn deed; want door zijne teedere liefde werd hij zoo innig met U vereenigd, dat hij uwe tegenwoordigheid nooit meer miste. Tevens gloeide hij zoozeer van liefde tot den naaste, dat hij het in waarheid verstond, met de verblijden zich re verheugen en met de weenenden te weenen. Wanneer iemand in 't lichaam of in de ziel iets te lijden had dan toonde Jozefs broederlijk en goedig hart zulk een mededoogeu eu weemoed, dat het als een weldadig toevluchtsoord voor allerlei droefgeestigen, bedrukten, kranken en zuchtenden scheen. Wanneer een zijner broeders hem over beko-

-ocr page 126-

— 120 —

rincren en andere wederwaaivligliedeu zijn nood kwam klagen, dan oevoelde Jozef zulk een medelijden en erbarming, dat zijn gelaat van kleur veranderde en hij bijna in onmacht viel. Zooveel als in zijn vermogen was trachtte hij om Christus' wet aangaande de liefde na te leven, door troost, raadgevingen, gebeden, met woord en daad den last der lijders te verlichten. De Heer had hem insgelijks eene lieftalligheid en geschiktheid verleend, waardoor hij gevallenen vermocht op te richten en in het goede krachtig te bevestigen. Kortom, wijl hij zelf dagelijks zooveel lijden moest, kende hij evenals O. L. Vrouw wier bruidegom hij was, 't beste, wat die lijders hebben uit te staan. De goede God liet ook Maria daarom zooveel leed verduren, opdat zij zich des te inniger zou erbarmen over de bedrukten.

-ocr page 127-

Over het geduld des Zaligen Herman Jozef.

Ook iu het geduld moest onze goede Jozef voortgang niaken, daar liij achter den gekruisigden Heiland het kruis dagelijks dragen moest. De twee balken van dit kruis waren uitwendige tegenspoed en inwendige smart. Want hoe onschuldig ook, was hij van kwellingen omgeven, zoodat hij overal geduld kon oefenen. De goede lt; rod wilde hem namelijk allerlei soorten van rampen •■li kwalen overzenden, opdat hij ook allerlei soorten van belooning en vreugden zou deelachtig worden. Daarom werd hij dag in dag uit, ja bijna onophoudelijk met velerhande lichaamspijnen geplaagd, met verzwakking der maag, hoofdpijnen, hartkrauipen, om niet te zeggen hoe dikwijls hij in onmacht viel. Verder beproefde hem de Heer. doordien Hij hem alles ontzeide, wat anders het arme lichaam verlichting aanbrengt, bijv. eten en drinken, op 't paard of in een wagen zitten of slapen op een zacht bed , zoodat Jozef meermalen honger en dorst gevoelde en toch de spijs noch den drank durfde aanraken waarin hij trek had; allen wa-

-ocr page 128-

— 122 —

ren dan verwonderd, dat hij at noch dronk van hetgeen iu 't klooster geoorloofd was. Als hij zich buiten hét klooster zeer vermoeid en afgetobd had, spreidde men he n dikwijls een ietwat zachter bed, opdat zijn ziekelijke en zwakke ledematen een weinig zouden uitrusten, maar dan wierp hij alles van zich af en legde zich neder op het stroo. En wanneer men hem vroeg , waarom hij in den zwakken staat van zijn gezondheid niet van de spijzen wilde gebruiken, die de orde toestond, of waarom hij niet op eene betere legerstede sliep, dan antwoordde hij : „Jezus heeft het verbodenquot;, of ,Jezus laat het niet toequot;. Of er sneeuw viel of regen, of het koud was of warm, geen enkelen keer in twaalf jaren tijds heeft hij een wagen of slede gebruikt; alle moeielijke wegen iu den Eifel legde hij te voet af eu stutte zijn zwakke ledematen met een stokje. Het was op Gods bevel, dat hij die strenge boetdoeningen verrichtte; zijne broeders zijn dit volgender wij ze te weten gekomen. Op zekeren dag wilde hij met een broeder die zijn vertrouwen genoot, de landhoeven rondgaan , welke aan het klooster toebehoorden. Beiden hadden maar één paard. Toen zij een eindweegs te voet met het paard aan den teugel waren voortgegaan, zei Jozef: .Nu kan ik niet verder; ik beu veel te moe.quot; — „Stijg te paard,quot; smeekte de broeder, „en rust een weinig.quot; Maar Jozef antwoordde: „Dat mag ik niet.quot; De broeder hield echter zoo dringend aan, dat Jozef eindelijk te paard klom. Maar nauw hadden zij eenige schreden gezet of het paard struikelde zoo erg, dat

-ocr page 129-

Jozef met moeite bleef zitten. — , Heb ik 'tu niet o-e-zeixdquot;, sprak hij, „dat ik niet rijden mag?quot; — -Beproeven wij 't nog eens,quot; hernam de broeder. Maar liet paard strompelde heviger dan te voren. Toen zei Jozef: . Laat mij te voet gaan, anders krijg ik een ongeluk. De broeder begreep er niets van, maar wijl hij niets vermoedde, sprak hij : .Laten wij het in Gods naam voor de derde maal wagen; ik zal u vasthouden . om te verhoeden dat gij valt.quot; Het woord was nog niet over de lippen, of daar struikelde het paard en viel op den grond, zoodat de ruiter, ondanks de hulp des broeders. er bijna niet zonder kleerscheuren afkwam. Tot nadenken gekomen vroeg nu de broeder aan Jozef hem dit geheim op te helderen. — -Ik zeg u.' antwoordde Jozef, .dat de Heer Jezus 't mij heeft verboden. Of denkt gij dan dat ik niet zou eten, drinken en rijden zooals andere lieden, indien het mij was toegestaan i Nu de Heer het anders wil. moet ik dergelijke geheel bijzondere vermoeienissen dragen. /(gt;o bleet bij tot zijn dood door dit verbod van Jkzus gebonden en heeft evenals de Zaligmaker noch te paard, noch in een wagen gezeten.

Sommigen, zelfs onder de broeders berispten hem dat hij wel kon eten maar niet arbeiden: die onverstandi-gen dachten er niet aan, hoe 't hem juist het moeie-lijkste was geene moeielijkheden te kunnen verduren , en 't hem harder dan al het vasten viel, niet te kunnen vasten. Ach, hoe dikwerf schaamde zich Jozef, omdat liij de versterving niet genoeg kon beoetenen, ook wan-

-ocr page 130-

— 124 —

lieer niemand hem daarvan een verwijt maakte! Ik geloof echter, dat 0. L. Heer hem den maaltijd in de vasten, de onthouding van arbeid en de verzorging van zijn lichaam even hoog, ja nog hooger dan aau anderen de versterving heeft vergolden; want God wil vóór alles door de verloochening van den wil geëerd worden. Wijl nu Herman Jozef er zulk een diep leed van had, dat hij niet vasten mocht en zich in acht moest nemen, heeft hij meer verdiensten dan zij die vasten, maar hun wil uiet gevangen geven.

Ten slotte willen wij ter eere van Jozefs geduld ook niet vergeten te zeggen, dat de booze geest scheen gezworen te hebben, den Zalige te kwellen. Nu eens kwam hij in de gedaante van een raaf, dan in die eener kat en stoorde hem in 't gebed en trok hem van achteren aan de kap om hem door schrik kwaad te berokkenen. Diensvolgens moest Jozefs geduld op verschillende wijzen de proef doorstaan. Intusscheu als een goed strijder van Christus overwon hij iederen keer en won aldus de kroon door God beloofd. Er zouden nog velerlei zaken te verhalen zijn over de menigvuldige deugden, die onzen Zalige sierden, maar in zijn levensschets wordt gezegd, dat men aan de vier opgenoemde genoeg ter overweging heeft en dat de andere deugden voldoend uitschijnen uit hetgeen wij reeds verhaald hebben en nog zullen verhalen.

-ocr page 131-

/^l11 ■ 1111 it i ■ i'iquot;fIfIquot;^4^11ft^ii^■f'11!■ ff

SZI_,.

Hce de Heiland zelf van Herman Jozefs heiligheid getuigenis gaf.

Aangaande de heiligheid van onzen goeden Jozef kunnen wij nog een getuigenis aanhalen uit de openbaringen van de bovengemelde kloosternon te Hoven. Hier behoeft men niemand anders te gelooven dan 0. L. Heer zeiven. Op zekeren tijd werd het klooster van Steinfeld, zooals elk huis, dat God aangenaam is, door groote wederwaardigheden bezocht: het gebed was bet eenige redmiddel. Daar uu de godvruchtige maagd, die Elisabeth heette, van den kant der religieuzen van Steinfeld veel geestelijken troost ondervond, ging haar die tegenspoed van het klooster zeer aan het hart; dag en nacht smeekte zij den Heer om uitkomst. Eu de goede zuster had de gewoonte, telkens als zij iets van (rod wilde verkrijgen, niet op te houden met bidden alvoreus zij door den Zaligmaker op eene stellige wijze vertroost was. Daardoor toonde zij (iods geest te hebben. Want dat verlangt de Heer van ons. Indien Hij

-ocr page 132-

— 126 —

ons in den beoimie niet verhoort, dan is het alleen, opdat wij des te vuriger zullen bidden. Zijne groote liefde is hiervan de reden. Immers wat Hij uit eigen beweging ons kan schenken, geeft Hij liever op ons gebed, om ons te noodzaken tot Hem te komen; daarmede leggen wij ook grootere eer in, omdat wij door het gebed Hem alles als 't ware kunnen afdwingen. En aldus heeft de Heiland, ofschoon hij almachtig is , ons door zijne liefde nog machtiger gemaakt. Want alle schepselen moeten doen zooals God wil, maar indien wij volharden in het gebed, doet God zooals wij willen. Dit openbaarde Hij ook aan de kloosterzuster. Nadat zij toch onder lieete tranen lang genoeg bij het zoete Hart van haren Bruidegom had aangeklopt, stond de goede Zaligmaker in zichtbare gedaante eensklaps voor haar en troostte haar zeggende : .Waarom roept gij mij aan voor het klooster van Steiufeld V Meent gij, dat ik dat huis vergeten kan? Weet wel, dat daarin een lelie bloeit, die u in volmaaktheid verre overtreft en zoolang die lelie daar geurt kan het klooster geen leed geschieden.quot; Méér zeide de Heiland niet, wijl de deugdzame zuster reeds wist dat Herman Jozef door den hemel een reine lelie werd geacht. Want een anderen keer had zij een engel Gods, die haar verscheen, aangaande Jozefs verdiensten ondervraagd en tot antwoord gekregen; ,Wat de lelie onder alle bloemen is, dat is Jozef onder al zijne broeders.quot;

-ocr page 133-

SCXjI.

Hce de goede Moeder Gods aan Herman Jozef onder het lezen der H. Mis bijzondere gunsten bewees.

Omdat het zeer aangenaam is zulke schoone getuigenissen over Jozefs heiligheid te vernemen, zullen wij voortgaan te verhalen, wat verder de Heer zelf hieromtrent aan vrome zielen heeft geopenbaard. Er leefde te Füssenich een andere godvreezende zuster, ook Elisabeth genaamd. Zij had nooit tegen Herman Jozef gemord, wanneer de H. Mis te lang duurde; daarvoor werd zij door God bijzonder beloond. Op zekeren kil-kouden winterdag stond de lieve bruidegom van Maria onder een stille mis met opgeheven handen aan 't altaar en was zoo verslonden in godsvrucht, dat hij niets hoorde noch zag en geheel buiten zich zeiven was. Bij de buitengewoon snerpende koude waren de zusters het wachten moede; de eene na de andere ging naar hare bezigheden. Bovengemelde Elisabeth echter wilde voor niets ter wereld het H. Offer missen. Van lieverlede kwam een gevoel van verbazing bij haar op, dat dc

-ocr page 134-

— 128 —

lieilige priester Gods gedurende zulk eeu laugen tijd aan liet altaar de koude volstrekt niet gewaarwerd, terwijl zij zelve liet bij die vorst haast niet kon uithouden. Toeu zij daarover begon te denken, opende de Heer haar op een wonderbare wijze de oogen, en daar zag zij aan Jozefs eéne zijde onzen goeden Zaligmaker staan en aan de andere O. L. Vrouw. Beiden hielden Jozef bij de hand en ademden hem aan, zoodat zijn binnenste als dat van den gloed eens serafs begon te branden. Indien dit vuur der goddelijke liefde hem niet ontgloeid had, zou zijn tenger en broos lichaam zeker geheel verkleumd zijn. Na de Mis naderde de vrome zuster den gelukkigen priester des Heeren en verhaalde hem, opgetogen van vreugde, wat zij gezien had. Jozef, die alles wat naar eer zweemde altijd zocht te ontvluchten, zeide : „Ik heb dat niet gezien; wijl ik echter geen koude gevoelde, dacht ik wel dat er iets dergelijks als hetgeen gij vertelt, plaats greep.quot; O, welke verhevene gunsten verkrijgt Maria voor ieder, die haar wezenlijk liefheeft! Maar vooral voor een priester, die het H. Misoffer opdraagt, wil zij haar moederhart openen. Wanneer deze haar met woord en daad oprecht vereert, dan geeft zij hem de kostbare genade van godsvrucht. Want dewijl zij zelve onder het kruis 't eerst het H. Offer heeft opgedragen, weet zij het beste, welk eene groote liefde Jezus ons bij die verhevene handeling toedraagt, en daarom verlangt zij ook, dat de priesters gloeien van liefde tot Jezus en zou zij eiken priester gaarne zoo godvruchtig zien als Herman

-ocr page 135-

— 129 —

Jozef'. Dat deze zijne gave van godsvrucht door Maria verkregen heeft, daarvan legde een voorbeeldig man bij pater prior een geloofwaardige getuigenis af. Die man zag namelijk dat 0. L. Vrouw voor Jozef stond, die haar ter eere de H. Mis las. Zij hield een gouden kelk in de hand, waarboven een kruis glinsterde. Tegen het einde der Mis o] eade zich de borst van haren .kapelaanquot;; de Moeder Gods ging met kelk eu kruis daarbinnen en de borst sloot zich weder toe. Men moet zich hierover, zegt de prior, niet verwonderen, aangezien Jozef de H. Maagd van den beginne in zijn zuiver hart eene welgevallige woning had bereid.

-ocr page 136-

^crjix.

Hcc de Heer het leven van den Zaligen Herman fjozef met neg'en jaar verlengde.

De goede Jozef werd, zooals wij reeds verhaald hebben, dikwerf' dour het klooster van Steiufeld uitgezon-deu om de evennaasten, zoowel leeken als religieuzen, geestelijke hulp te verleenen. Wijl zijne liefde in alles zoo hartelijk was als zijn verstand eenvoudig, ontving men hem overal met open armen. Op zekeren keer naar Zülpich gezonden, viel hij door Gods beschikking in een zeer zware, langdurige ziekte, die ten laatste zoo ernstig werd, dat niemand meer aan herstel denken mocht. De brave zuster Elisabeth te Füssenich vernam de treurige tijding, en ofschoon Jozef niet in een klooster, maar in het huis van een leek ziek lag, kreeg zij toch van haar overste verlof den kranke te bezoeken, om hem voor het laatst vaarwel te zeggen. Haar ziel was van droefheid even ziek als Jozefs lichaam, en bitter klaagde de godgewijde maagd, dat zulk een licht voor de wereld moest ophouden te schijnen, en zij zijn

-ocr page 137-

— 131 -

troostend woord zou derven op haar sterfbed. En toen zij hem daar nu zieltogend zag nederliggen, was hare smart zoo lievig, dat zij liever (iods barmhartigheid een heilig geweld wilde aandoen, dan Jozef laten sterven. Zij begon dus te bidden en verlangde van haren lieven Bruidegom Je:?üs Christus, dat hij Jozefs leven zou rekken. O. L. Heer kon zulk een onwrikbaar vertrouwen niet weerstaan en verscheen aan Elisabeth, toen zij lang genoeg gebeden en geweend had, en sprak; .Ik heb uw gebed verhoord en om uwentwil zal ik Jozef nog vijf jaren schenken.quot; — „Lieve Heer.quot; zeide de zuster, .als Gij mijn gebed verhoord hebt, verleng dan zijn leven niet met vijf jaren. want zoo weinig tijd heb ik U niet gevraagd; geef hem liever twaalf jaren.quot; En dewijl het beminnelijk Hart van Jezus niemand die zich vol vertrouwen tot Hem wendt, kan teleurstellen, antwoordde de Heiland; „Twaalf jaren kan ik hem niet meer op aarde laten; ik beloof u echter dat hij nog negen jaren zal leven.quot; Uitermate verheugd vertelde 's Heeren dienaresse deze blijde tijding heimelijk aan Jozef en haastte zich allen te zeggen, dat Jozef niet zou sterven. AVel wilde niemand het gelooven, maar Jozef herstelde van de ziekte en bleef dezelfde van vroeger. Zoo smaakte Elisabeth den troost, dat zij vóór den godvreezenden priester uit het leven mocht scheiden. Eenige jaren later stierf zij, terwijl Jozef de H. Mis las; hij zag hare ziel door twee engelen glorierijk ten hemel dragen.

-ocr page 138-

^nLiXii.

Hce Jozef bevel ontving; het Hooglied uit te leggen.

Gedurende die nefjen jaren nam Jozef een werk bij de hand, waarover de Hoeren van Steinfeld vreemd stonden op te kijken; hij wilde namelijk het Hooglied van Salomon uitleggen en de uitlegging in geschrifte brengen. Ofschoon hij vrij geleerd was, dachten de anderen alleen aan zijn eenvoud en oordeelden het onberadenheid of dwaasheid zoo iets te durven bestaan. Want bijna niemand in Steinfeld wist toen reeds, dat alles wat Jozef deed door Jezus of door O. L. Vrouw bevolen werd. Ook pater prior wist het niet. Weshalve oordeelde hij het raadzaam Jozef daarover liefderijk aau te spreken en uit kracht van de heilige gehoorzaamheid hem daarvan rekenschap af te vragen. Zoo was de vrome dienaar Gods genoodzaakt de waarheid te zeggen en sprak; .Niet onberaden noch eigendunkelijk ben ik aan dien arbeid begonnen, en heb hem ook niet licht opgenomen, maar hij is mij door de Moeder Gods opgelegd.quot; Deze bekentenis voldeed den prior maar half;

-ocr page 139-

— 133 —

zij prikkelde veeleer zijne nieuwsgierigheid; hij wilde nu alles weten aangaande dat bevel van O. L. Vrouw. Jozef zeide dau: „De H. Maagd is mij verschenen, met een schoonen witten schotel in de hand, waarop een weinigje olie lag.quot; Liefelijk lachend sprak zij tot mij : „Dit beetje is voor u bewaard, opdat gij hetzoudt uitscheppen.quot; En wijl ik haar niet terstond begreep, zeide zij verder: „Het Hooglied van Salomon is door de talrijke uitleggingen bijna x*eeds uitgeput; het weinige wat nog overblijft moet gij mij ter eere nog ophelderen.quot; Zoo heb ik dan dien arbeid ondernomen, daar ik liever den broeders, die er niets van begrijpen, wil mishagen dan der Moeder Gods.quot; Hier moeten wij overwegen,, boe goed onze Zalige gehandeld heeft met volgens Maria's bevel zulk een zwaar werk op te zetten; want wanneer de gehoorzaamheid iets oplegt, dan behoeft niemand te twijfelen of hij 't er goed zal afbrengen. Menige vrome /.iel zegt: „Helaas, wat zal er met mij gebeuren! Men beeft mij moeielijke zaken bevolen en ik beu er toch zoo ongeschikt toe; Ik moet andere zielen leiden en ik kan mij zeiven niet verbeteren!quot; en dergelijke klachten meer. Maar ziet! juist wijl gij ongeschikt zijt, daarom zijt gij zeer geschikt om moeilijke zaken ten uitvoer te leggen, en wijl gij u zeiven niet beter kunt maken iles te bekwamer zijt gij om anderen te leiden. Want alles is Gods werk en niet het uwe, en gij bederft Gods werk, wanneer gij oordeelt door uwe wijsheid en geschiktheid te kunnen verkrijgen dat het tot stand komt. Van al het goed dat geschiedt, wil God de eer inoogstei.Lgt;

9

-ocr page 140-

— 134 —

en zelf, ook zonder u, wil hij andere zielen tot de volmaaktheid opvoeren. Indien gij dus oprecht ootmoedio-zijt en niet meent, dat gij den Heer kunt helpen of dat Hij u noodig heeft, dan zijt gij voor Hem een uitmuntend werktuig. En zoo ootmoedig te zijn is gemakkelijk, als men werkelijk een klein verstand heeft en zich niet eerst behoeft te overtuigen, onder de dommen te hehooren; en dit valt nog veel gemakkelijker wanneer de gehoorzaamheid spreekt, want dan behoeft men niet te handelen volgens eigene kortzichtigheid.

-ocr page 141-

Hoe Herman Jozef onder het uitleggen van het Hooglied onzichtbaar werd om niet gestoord te worden.

Met betrekking tot Jozefs uitlegging van liet Hooglied herinner ik mij hier, wat een der wijze leeraars van Parijs gezegd heeft. Hij zeide; „Vraagt gij naar de bekwaamste leermeesters van geheel de aarde; zij bevinden zich aan de school van Parijs. Vraagt gij echter naar de geheimen Gods, dan zie ik om naar den behoef-tigsten mensch, die gaarne arm is, omdat, God het wil; deze kent Gods geheimen beter dan de geleerdste doctor van Parijs.quot; Want hoewel de verklaring van het Hooglied den schrandersten kop heel wat inspanning kost, werd in Jozef vervuld wat O. L. Heer heeft gezegd: „Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, dat gij dit voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en aan kleinen hebt geopenbaard (1).quot; Wat namelijk tot het inwendig leven behoort, kan niet met het verstand geleerd, maar moet veeleer met het hart bemind en met

(1). Matth. 11, 25.

-ocr page 142-

— 136 —

den wil beoefend worden, en daarom moest de goede Jozef', wijl hij zoo innig godvruchtig was, veel geschikter zijn om het Hooglied uit te leggen dan alle geleerde heeren uit de school. Omdat hij verder altijd gezeten had aan de voeten van Maria, die ,Zetel der wijsheidquot; genoemd wordt, heeft hij de hemelsche wijsheid uit de bron zelve geput, en kon dus gemakkelijk datgene schrijven, waarvan zijn hart vol was. En dat hij werkelijk niet door menschelijke geleerdheid, maar volgens de genade des hemels het bovengemelde goddelijk boek heeft uitgelegd, daarvan kan ik het bewijs geven. Als hij onder de uitlegging van het Hooglied bezig was zijne „schoone roosquot;, d. i. O. L. Vrouw, te verheerlijken, placht hij zich af te zonderen in eene afgelegene plaats, waar hij geen gedruisch kon hooren en door niemands bezoek gehinderd worden. Terwijl hij daar schreef, dacht hij volstrekt niet aan zijn bestendige krachteloosheid en ziekelijken toestand eu werd door de zoetheid der beschouwing geheel meegesleept, zoodat hij dronken van den wijn der liefde zijn arm lichaam geheel veronachtzaamde : hij vergat daarom ten eenenmale den tijd van het middag- en avondmaal, waarop hij anders bijna niet wachten kou. Als hij dan zelfs niet aan de tweede tafel kwam, waren de broeders, die in de eetzaal dienen moesten, menigwerf een weinig verstoord en gmgen naar het plekje, waar Jozef zich had teruggetrokken, doch vonden hem, of' liever zagen hem daar niet, want hij was er wel; maar door den gloed der liefde was hij als in een Serafijn veranderd, zoodat geheel zijn stofte-

-ocr page 143-

lijk wezen scheen verteerd en hij als een engel onzichtbaar bleef'. Op zekeren keer waren de broeders dat wachten en zoeken moede en lieten zich vinnig over hem uit. Doch zie, de goede Jozef kwam hen achterop, toen zij weer naar de eetzaal gingen, en toen het uur van uitspanning sloeg, vermaande hij hen over elk woord, dat zij gesproken hadden en berispte hen met zijne gewone zachtheid over hun gramschap, zeggende dat zij niet meer aldus moesten doen, want dat anders Jezus en Maria op hen verstoord zouden zijn. De broeders keken verbaasd op en zeiden; .Hoe weet gij, dat wij boos waren en wat wij gezegd hebben; en gij zijt er in het geheel niet bij geweest?quot; — ,lk zeg uquot;, hernam Jozef, „dat ik ulles met eigen ooren heb vernomen ; doet het voortaan niet meer, bid ik u.quot;

Y-

-ocr page 144-

amp;lt;—

-^Trrm nTniTi'TITTiTO

/ 1 T i i , I T T T I I T T i i T I I i i 1 1 i T T i I i T I T ! * T T i N

Hoe de Heer den Zalig-en Herman Jozef meermalen onzichtbaar maakte, opdat deze niet zou gestoord werden.

Niet enkel uu eu dau was Jozef, ofschoon tegenwoor-dig, ouzithtbaar; de vrome broeder, die liet toezicht over de eetzaal had, wist er meer van te vertellen. Daar Jozef' met hem op een goeden voet was, had hij met diens verlof in de eetzaal een plaatsje gezocht, waar hij des zomers na het middagmaal en des winters na het avondeten den geheelen tijd aan de beschouwing en de studie kon besteden. Hij werd daar dikwerf door den broeder, wanneer deze uit- en inging eu de deur achter zich sloot volstrekt niet opgemerkt, zoodat deze bij het binnenkomen zich ten hoogste verwonderde Jozef niet te zien, die toch binnen was toen de deur werd gesloten; eu even vreemd stond de broeder op te kijken, als hij hem aantrof, wanneer hij toch zeker meeude hem niet ingesloten te hebben. Want het slot was zoo gemaakt, dat niemand, die zich in de zaal bevond, het kou openen ; buiten weten van den broeder kon hij er dus uit-

-ocr page 145-

— 139 —

noch inkomen. Daarom gebeurde het eens dat de broeder. toen hij heenging en de deur wilde sluiten en Jozef niet zag, in de meening dat deze er toch wel kon zijn, luide riep: .Jozef, als gij hier zijt, vertoon u dan, anders sluit ik de deur, zoodat gij er niet uit kunt.quot; En toen hij niets vernam, maakte hij zich gereed om te vertrekken, doch op 't oogenblik dat hi] den sleutel in de deur stak, hoorde hij achter zich roepen: ,Wacht even; ik ga met u mee.quot; De andere zette groote oogen op en zeide; „Als gij u in 't vervolg niet laat zien, wanneer ik heenga, dan zult gij hier den gehee-len dag opgesloten blijven.quot; Jozef, die zoo veel mogelijk de genade wilde verbergen, bracht daartegen in: „Waarom hebt gii niet nauwkeurig acht gegeven; ik zat daar immers voor uwe oogen?quot; Aldus geschiedde liet niet zelden, om niet te zeggen eiken dag, dat de broeders onzen Jozef in alle hoekjes van het huis vergeefs zochten, en zie, dan zat hij op eens daar, waar zij wel twintigmaal waren voorbijgaan. Daarom waren in die dagen alle hoekjes en gaatjes te Steinfeld verdacht, wijl iedereen vreesde dat in een van die hoekjes een onzichtbare Jozef zou zitten, die zien en booren kon wat anderen deden en hen daarover zou kunnen berispen. Men kan zich voorstellen, hoe volmaakt de Novices in dien tijd den regel naleefden, daar zij nergens zeker waren niet gezien te worden. Ach, wij vergeten lichter dat Gods alziend oog ons ziet. dan dan dat een niensch onze gangen nagaat.

-ocr page 146-

Irij ïj | i^iquot;l^| Ij I

/ i i * i ; i i t r t i i i i t i i i i i i i i i i • • i i t i i i ? \

Hoe de Heer den Zaligen Herman Jozef meermalen onzichtbaar maakte, opdat deze niet zou gestoord worden.

Niet enkel un eu duu was Jozef', ofschoon tegenwoordig, onzichtbaar; de vrome broeder, die het toezicht over de eetzaal had, wist er meer van te vertellen. Daar Jozef met hem op een goeden voet was, had hij niet diens verlof in de eetzaal een plaatsje gezocht, waar hij des zomers na het middagmaal en des winters na het avondeten den geheelen tijd aan de beschouwing eu de studie kon besteden. Hij werd daar dikwerf door den broeder, wanneer deze uit- en iugiug en de deur achter zich sloot volstrekt niet opgemerkt, zoodat deze bij het binnenkomen zich ten hoogste verwonderde Jozef niet te zien, die toch binnen was toeu de deur werd gesloten; en even vreemd stond de broeder op te kijken, als hij hem aantrof, wanneer hij toch zeker meende hem niet ingesloten te hebben. Want het slot was zoo gemaakt, dat niemand, die zich in de zaal bevond, het kon openen ; buiten weten van den broeder kon hij er dus uit-

-ocr page 147-

— 139 —

noch inkomen. Daarom gebeurde het eens dat de broeder. toen hij heenging en de deur wilde sluiten eu J o-zef niet zag, in de meening dat deze er toch wel kon zijn, luide riep: , Jozef, als gij hier zijt, vertoon u dan, anders sluit ik de deur, zoodat gij er niet uit kunt.quot; En toen hij niets vernam, maakte hij zich gereed om te vertrekken, doch op 't oogenhlik dat hij den sleutel in de deur stak, hoorde hij achter zich roepen; .Wacht even: ik ga met u mee.quot; De andere zette groote oogen op en zeide; „Als gij u in 't vervolg niet laat zien, wanneer ik heenga, dan zult gij hier den gehee-len dag opgesloten blijven.quot; Jozef, die zoo veel mogelijk de genade wilde verbergen, bracht daartegen in: „Waarom hebt gij niet nauwkeurig acht gegeven: ik zat daar immers voor uwe oogen?quot; Aldus geschiedde het niet zelden, om niet te zeggen eiken dag, dat de broeders onzen Jozef in alle hoekjes van het huis vergeefs zochten, en zie, dan zat hij op eens daar, waar zii wel twintigmaal waren voorbijgaan. Daarom waren in die dagen alle hoekjes en gaatjes te Steinfeld verdacht, wijl iedereen vreesde dat in een van die hoekjes een onzichtbare Jozef zou zitten, die zien eu hooren kon wat anderen deden en hen daarover zou kunnen berispen. Men kan zich voorstellen, hoe volmaakt de Novices in dien tijd den regel naleefden, daar zij nergens zeker waren niet gezien te worden. Ach, wij vergeten lichter dat Gods alziend oog ons ziet. dan ■dan dat een mensch onze gangen nagaat.

-ocr page 148-

Hoe de Zalige Herman, krank van liefde, bevrijd bleef van alle mensehelijke behoeften.

Nu zullen wij verder vernemen, hoe de liefde Gods in den Zaligen Herman Jozef zoo vurig was, dat zij hem verhief boven de mensehelijke natuur en van al het mensehelijke ontdeed. Eens toch lag hij ziek, niet zooals de broeders meenden lijdende aan zijne gewone kwaal, maar gewond door de liefde Gods. Drie dagen lang hield hij het bed en geen sterveling kwam hem bezoeken. Want hem werden, zooals hij zelf pater prior toevertrouwde, menigmaal alle blijken van liefde en oplettendheid van den kant der menschen dermate onthouden , dat de een op alles wat hij deed, smaalde, en anderen om hetgeen hem overkwam zich niet bekreunden. Toen hij aldus, zonder eenige aanspraak daar gelegen had, vond hem eindelijk de broeder, van wien ik reeds ^gesproken heb, te bed. — „Waarom ligt gij daar zoo Vquot; zeide deze. — Jk ben ziekquot;, antwoordde Jozef. — .Hoelang reeds?quot; vroeg de andere. — „Sinds

-ocr page 149-

— 141 —

drie dagen ben ik niet van 't bed geweest,quot; luidde 't antwoord. „Voeldet gij dan,quot; hernam de broeder, , geen, enkelen keer behoefte om op te staan Vquot; — ,lk weet het niet,quot; zei de zieke, „ik weet alleen dat ik in drie dagen tijds niet ben opgestaan.quot; Toen bemerkte de broeder dat het hier eene bijzondere gunst des hemels gold en bad Jozef daarom met aandrang hem het geheim te openbaren. Toen sprak de zieke oprecht de waarheid en zeide: „Zie, wanneer ik aan eene natuurlijke ziekte lijd, dan ben ik evengoed als gij en anderen aan natuurlijke behoeften onderworpen; doch als de Heer Jezus mij eene ziekte overzendt, dan ben ik vrij van alle lichamelijke behoeften.quot; O, welk eene benijdenswaardige vrijheid, wanneer eene ziel geheel ontheven is van de banden des lichaams ! En hoe los moet de ziel van den goeden Jozef geweest zijn van alles, wat zoo menigeen inwendig geboeid houdt! Dat deed de liefde tot God, die een vuurvlam is door wier gloed alle onvolmaaktheden verteerd worden.

-ocr page 150-

^i^hóSpMè fe'-fvfe S^lrj.'

-^mT/rnxrA^lrnxn^rxTrnTrmrrmTf^-

/1 • i i i i i i t t i i i I t t i i t i i i i r i i i i t * i i i i i r ^

Hoe de Zalige jjozef uit eene ledige flesch drenk.

Ziehier nog een ander voorbeeld hoe de Zalige Herman Jozef boven de beperkte wetten der natuur verheven was. Dewijl de goede broeder wegens de zwakheid zijns lichaams van paard noch wagen gebruik kon maken, placht hij een fleschje bij zich te dragen , dat drie of vier mondvollen inhield, om door een teugje wijn verkwikt te worden, wanneer hij van vermoeienis en ellende niet verder kon. Zoo was hij eens, niet heel lang voor zijn afsterven, met een zeer vromen leekebroeder op weg eu zette zich bijna machteloos van uitputting neder en liet zich liet fleschje reiken. „Uit dit fleschje zult gij niet veel drinken,quot; zeide zijn reisgenoot, „want het is ledig.quot; — Geef mij dan, bid ik u,quot; hernam Jozef, twee halmen; ik zal ze door den hals van het fleschje tot den bodem steken; zoo vind ik misschien nog een droppeltje om mij te verkwikken; want ik ben ten eenenmale krachteloos.quot; De andere echter wist zeker dat er geen vocht meer in het fleschje was; maar uit eerbied voor den heiligen

-ocr page 151-

— 143 —

man gehoorzaamde hij en zocht de halmen. Jozef stak ze in het flesehje en zoog zooveel wijn op, als men met halmen kan opzuigen. Daarop sprak hij tot zijn gezel: .Neem ook een verf'risschmkje.quot; Toen dacht de andere, dat hij zich vergist had en er nog wijn in de flesch was geweest; hij zette ze dus aan den mond en beproefde te drinken. Maar hoe sterk hij ook zoog, daar kwam geen wijn uit. Hij zag dus zich niet vergist te hebben, en sprak: „Hoe kan men drinken, waar niets is?quot; — .Gij zijt ook zeer onhandig,quot; antwoordde Jozef, en nam het flesehje zeggende: „Gii moet het naar dezen kant houden, dan zult gij genoeg vinden.quot; En andermaal dronk hij zelf en gaf het flesehje toen aan den broeder. Wederom poogde deze te drinken maar kreeg alweer geen enkel droppeltje. Nu begon Jozef te schertsen en hem te plagen, omdat hij er niets wist uit te halen, en nam opnieuw het flesehje en dronk een derde maal. Dit geschiedde echter door de tusschen-komst van Hem, die alles uit niets heeft voortgebracht. Opdat de bruidegom zijner heilige Moeder geen leed zou verduren, wilde God de Heer een buitengewoon wonder doen. Want ofschoon de genezing van eene ziekte en de gaven der voorzegging en dergelijken onder de groote wonderen gerekend knnneu worden ; is 't toch grooter wonderwerk iets uit niets, dan iets wat reeds bestaat anders te maken. En wijl de vrome Jozef in zijne getrouwheid jegens God geloofde nooit genoeg te kunnen doen, was ook God den Heer niets te veel ten opzichte van Jozef.

-ocr page 152-

22:xj-viii.

Hoe Jozef de plaats zijner begrafenis bekend maakte.

Onder zoovele wouderTolle zaken , die wij verhaald hebben, naderde allengs de tijd, waarop de Heer Jozef' tot zich zou roepen. In het negende jaar nu, sinds de goede Heiland op verzoek van zuster Elisabeth hem genezeu had, was eens een broeder te Steiufeld verhinderd de Metten en Lauden mede te zingen; hij trad dus na de getijden de kerk binnen en bad zijne gebeden. Plotseling hoort hij naast zich midden in de kerk een oorverdoovend rumoer en geraas, zoodat hij rilde en sidderde van schrik, te meer wijl er niet het geringste te zien was, dat zulk een leven had kunnen veroorzaken. Haastig eindigde hij zijn gebed en ging peinzend heen. Toen gaf God hem in, naar Jozef te gaan of misschien deze de zaak kou ophelderen, 't Was tegen den morgen dat hij den vromen priester volgens Gods beschikking tegenkwam. De broeder vertelde terstond, wat hij gehoord had, en vroeg wat dit beduiden moest. Toen zei Jozef lachend : „Ik zal 't u zeggen. Op dezelfde plaats, waar dat gedruisch was,

-ocr page 153-

— 145 —

zal mettertijd iemand begraven worden en bij dat graf zal veel toeloop van volk en gedrang en rumoer ziju. Dit heeft de Heer door het geraas, dat gij hoordet, te kennen gegeven.quot; Dit is letterlijk vervuld; want op de plaats van dat gewoel werd Jozef' zelf ter aarde besteld. En bij zijne begrafenis stroomden de lieden in groote menigte toe en daar was een groot gedrang eu gedruisch, dat veroorzaakt werd door hen die van eene ziekte of kwaal wilden genezen worden of door hen die de vele wonderen wilden hooren en zien, door God den Heer op die plaats gewerkt.

-ocr page 154-

Hoe Herman vjozef allerlei verborgene zaken kende.

Kende de goede Jozef uit eeue openbaring de plaats zijner begrafenis, evengoed kende hij ook den tijd, waarop zij zou geschieden. Want denzelfden dag, dat hij den broeder bovengemeld gedruisch verklaarde, wendde hij zich tot eenige andere broeders die hij bijzonder hoogschatte, wijl zij ook bij God in hooge eer stonden; van iederen broeder toch iu het klooster wist hij, hoe 't met diens inwendige geschapen stond. Pater prior geeft hiervan een voorbeeld en zegt, dat Jozef eens bij een broeder kwam, die voor zijne intrede in de orde een wereldsch leven geleid had. De Zalige sprak tot hem: „ Zoo dikwerf gij het vers van den psalm bidt bonitatem fecisti cum servo tuo, d. i. Gij hebt uwen dienstknecht goedgedaan ('), dan moet gij u opwekken tot eene bijzondere godsvrucht.quot; De aangesprokene begreep dat niet en zeide zich te zullen beijveren niet alleen dit

1. Ps. 118. «3.

-ocr page 155-

— 147 —

vers, maar ook de overige verzen en het geheele officie zeer aandachtig te bidden. Toen wilde Jozef hem duidelijk de meening zijns harten openbaren en hem opwekken zoowel tot zelfkennis als tot dankbaarheid jegens God den Heer, en ging daarom voort; .Daar is nog een ander vers in een anderen psalm; gij moet dat vers iederen keer met buitengewone godsvrucht en stichting zingen; het luidt; ^qwia misericordia tua magna est super me et emvsti animam meam ex inferno inferiori.quot; Dit beteekent; want groot is jegens mij uwe goedertierenheid, en gij hebt mijne ziel gered uit den diepsten afgrond (^. Als wilde hij zeggen; „Gij moet erkennen dat Gods erbarming zulks aan u gedaan heeft. Hij verloste uwe ziel uit de diepte der hel, waarin gij reeds, ofschoon de pijnen nog niet lijdend, ingevolge uwer schuld reeds gevallen waart.quot; Heel lang daarna was de broeder nog niet van zijne verbazing bekomen, dat Herman Jozef zijn zondig leven kende , hetwelk de diepste plaats in de hel verdiend had; een mensch kon dit niet hebben geopenbaard.

Niet alleen met dergelijke broeders, maar ook met anderen die zuiver van harte en zeer godvruchtig waren, onderhield zich Jozef tegen het einde zijns levens en vroeg heel ootmoedig; s Ach! er zal binnenkort een priester, die met ons bevriend is, sterven; bij de liefde Gods smeek ik u, zijne ziel den Heere aan te bevelen.quot; Toen de broeders naar den naam vroegen, zeide Jozef niets anders dan; „Gij zult weldra zien wie het is.quot;

1. Ps. 85. 13.

-ocr page 156-

— 148 —

Zoo voorspelde hij ook , dat het klooster te Steinfeld met grooteu tegenspoed te kampen zou hebben en daarna weder gelukkige dagen beleven. Dit geschiedde kort na zijn dood. Het klooster wordt bovenmate door rampen bezocht. Nochtans droegen de abt en de kloosterlingen, Jozefs belofte indachtig, hun lijden met gelatenheid, en spoedig werd de belofte vervuld; de Heer veranderde alle droefheid in vreugde.

-ocr page 157-

n..

Over de laatste bekcringen van Herman jjozzï.

Nu wij dusver op velerlei wijze overwogen hebben, hoe onze dierbare Jozef' op aarde veeleer als een engel dan als een mensch leefde, zal wellicht menige ziel moedeloos zijn geworden en denken, hoe het met haar heel anders staat geschapen, daar zij dag aan dag door allerlei booze bekoringen gekweld wordt. Tk wil liever, denkt zij, alle pijnen van Herman lijden, als ik maar vrijbleef van slechte gedachten. Aan die zielen heeft ook de goede pater prior gedacht, toen hij het leven schreef van den dienaar Gods; hij maakte daarom, behalve van de tallooze genaden, waaraan Jozefs leven rijk is, ook gewag van diens bekoringen en kwellingen. Die aanvechtingen plaagden Jozef'vooral tegen het einde zijns levens , alsof' de Heer in hem wilde toonen, dat Hij zelfs de zuiverste deugd niet zeer hoogacht, als zij niet in het vuur der bekoring beproefd is. Daarover behoeft men niet verwonderd te zijn, wanneer men bedenkt, dat zelfs de goede Zaligmaker door den duivel

10

-ocr page 158-

— 150 —

bekoord werd. Ook Gods lieve Moeder, in wie g'een schaduw van onreinheid werd gevonden, vernam van den engel een aanbod, dat voor menige andere maagd eene bekoring zou hebben gegolden; Maria's geloof'zou niet zoo wondervol, hare reinheid niet zoo heerlijk zijn geweest, indien Gabriel haar niets te bepeinzen had gegeven. Dit gebeurt echter bij elke bekoring, die men weerstand biedt. De deugd komt naar 't woord van ^den H. Paulus daaruit veel liefelijker en heerlijker te voorschijn: „Hun die God liefhebben, werkt alles ten goede mede.quot; (1) Daarom moest Herman Jozef tegen den tijd dat hij zou geroepen worden naar het verblijf' der gelukzaligen, worden gekweld door onreine aanvechtingen, die hij nooit in zichzelven had ondervonden, ofschoon hij reeds negentig jaren telde. Deze bekoring was weliswaar in vergelijking van die, welke wij te lijden hebben, zwak en klein, maar toch scheen zij Maria's kuischen bruidegom, die de reinheid innig lief' had, allerverschrikkelijkst. Dat geschiedde, zegt pater prior, opdat in hem het woord der H. Schrift vervuld zou worden: ,Wie deemoedig is, worde nog deemoediger en de rechtvaardige nog rechtvaardiger. (-) , Ik geloof echter dat brave zielen, die de reinheid boven alles stellen en zich ongelukkig achten, wijl zij door vele onreine aanzoeken bezocht worden, uit Jozefs voorbeeld grooten troost kunnen putten. Want als deze uitstekende dienaar Gods, die toch door den Heer zelven een lelie werd genoemd, zulke bekoringen moest lijden,

(1). Hem. 8, -2». - (2). Apoc. 22, II.

-ocr page 159-

— lói —

dan behoeven wij niet bovenmate bedroefd te zijn over • onze bekoringen. En hoewel de reinheid van een kind onbekend niet het kwaad, zeer aantrekkelijk en beminnelijk is, moet men toch bedenken, dat dit wel schuldeloosheid heet maar niet de deugd van knischheid; de knischheid brengt niemand voordeel aan zoo zij niet door verdiensten verworven is. Wie bestendig weerstand biedt aan de bekoringen, heeft de ware engelachtige reinheid, en hij zal, in de felste aanvalle n beproefd, ten laatste evenals de H. Thomas, door een engel bevrijd worden van alle booze begeerten. Weshalve moet hij die bekoord wordt, zijn tijd uiet verspillen met daarover te treuren, maar zich liever blij van harte onder de hoede stellen van Juzus eu Maria, en indien hij volhardt, zal hij ook deel hebben tian de onschuld van den Zaligen Herman.

Voor dezen waren de onreine aanvechtingen niet genoeg ter beproeving; de goede (lod gedoogde, dat de heilige priester ook ouder het opdragen der H. Mis op allerlei wijzen gekweld werd; de duivel namelijk liet hem allerhande wonnen en spinnen van ontzettende grootte zien en bracht zijn geest daardoor in de war. Ook dit strekt menigeen tot troost, wien onder het gebed dingen door het hoofd spelen, waaraan hij op andere tijden volstrekt niet heeft gedacht. Dit is niet ons werk, maar dat van den Booze, en wij behoeven ons daarvan niet te beschuldigen, maar moeten maar rustig voortgaan met bidden. Herman .Jozef echter werd door die spiegelbeelden zoo lastig gevallen, dat

-ocr page 160-

— 152 —

hij bij wijlen uit nederigheid zich onthield van het lezen der H. Mis. Hij klaagde een broeder, die priester was, . zijn nood, dat hij met zulke verstrooidheid te kampen had, en zeide: „ Zie, ik ben tot u gezonden, opdat gij mij uit die nioeielijkheden zoudt redden.quot; Daar de broeder zich in heiligheid en verdiensten ver beneden .lozef' achtte, ontstelde hij en sprak: ,Wie ben ik, dat ik n van die bekoringen zou bevrijden ?quot; En Jozef antwoordde: .Zeer zeker; tot u beu ik gezonden, opdat gij mij uit des duivels bekoringen zoudt verlossen.quot; Toen herinnerde zich de andere eens gelezen te hebben, dat een zieke niet door den H. Petras, dien hij had aangeroepen, was genezen, maar door Abundius, die aan deugd veel armer was dan de prins der Apostelen. Wijl Jozef zijn verzoek telkens herhaalde, bezwoer de broeder, niet op eigen verdiensten maar op den Heer vertrouwend, den boozen geest, en zie, van stonde af bleef Jozef van alle aanvechtingen bevrijd.

Hieruit kan men leeren hoe goed het is, wanneer men terstond de bekoringen openbaart aan den persoon, dien God daartoe voor ons heeft aangesteld; want 0. L. Heer heeft bepaald, dat men bij twijfelingen en bekoringen niet bij zich zeiven te rade moet gaan, maar veeleer door het troostwoord en de onderrichtingen van anderen geholpen worden.

-ocr page 161-

XjI.

Over de bijzondere leiding van Gods Grenade ten opzichte van den Zaligen Herman Jozef.

Hoe o'oed het meuigwerf is, zicli aan anderen te

lt;

openbaren als de gelioorzaamlieid dit gedoogt, kan men uit het volgende opmaken. Het wordt in Jozefs levensbeschrijving eerst op 't einde verhaald, ofschoon het wel reeds vroeger zal gebeurd zijn. In een klooster van Cisterciënser-nonnen leefde een broeder, die de boodschappen moest doen eu den godvruchtige n Jozef de Mis diende, wanneer deze in het klooster vertoefde. Jozef had dien broeder vermaand hem na het opdragen der H. Geheimen nimmer aan te spreken noch iets te vragen, voordat hij zelf 't eerste sprak. Toen nu eens de vrome priester na het H. Misoffer van 't altaar ging, verloor hij eensklaps het gunstbewijs, namelijk dien woudervollen geur, waarvan wij boven melding maakten. Gaandeweg vatte hij wantrouwen tegen zich zeiven op en begon weldra ongerust te worden of hij misschien niet tegen den Uitdeeler der genaden in iets misdaan had; hij onderzocht daarom alle plooien van zijn ge-

-ocr page 162-

— 154 —

weten, alles ernstig wikkend en wegend om de oorzaak te ontdekken. Toen hij geen schuld in zich vond, dacht hij eindelijk of het niet Gods wil zou zijn den broeder het geheim te openbaren. Derhalve zeide hij tot 0. L. Heer; „Indien 't uw wil is , Heer, dat ik dit geheim aan uw dienaar bekendmaak , geef mij dan om zijne verdiensten de zoete verkwikking weder, die ik verloren heb.quot; Nauwelijks had hij deze woorden geuit of zie, daar keerde niet zacht geweld de wondervolle geur terug, die hem altijd ouder het vieren der H. Geheimen verkwikte. Toen sprak hij den broeder aan en vertelde wat er gebeurd was, maar drukte hem ten strengste op 't hart; , Vertel daarvan niets vóór mijn dood.quot;

-ocr page 163-

ILjII.

Over Herman Jozefs zaligen dood.

In den tijd, waarvan wij spreken, dat is in het negende jaar na de bede van zuster Elisabeth, onderhield de vrome Herman Jozef de groote vasten nop; zoo streng mogelijk; want gedurende die veertig dagen gebruikte hij, ondanks alle waarschuwingen zijner verbaasde broeders, niets dan droog brood, een weinig warm bier en eenige gebraden appelen. .En toch was hij toen zoo zwak als ooit te voren. Hij hield daarenboven niet op met overwegen, schrijven en dicteereu, zoodat niemand begreep waar hij de noodige kracht daartoe putte. Den Zondag, waarop de Mis begint met de woorden: Oculi mei semper, kwam tot den abt van het klooster een bode, die van wege de zusters van Hoven vriendelijk verzocht Herman Jozef gedurende den vastentijd af te staan om de godsdienstoefeningen te houden. De abt en de broeders wilden daarvan niets weten, wijl dit streed met de regels. Toen ging de goede Jozef, die het bij ingeving wist, zelf naar den abt en vroeg verlof naar die zusters te vertrekken, daar dit, zeide hij, de wil was van God. De overste, wetend

-ocr page 164-

— 156 —

dat de Zalige iuweudig verliclit werd, stoud hem tegen de gebruiken der orde liet verzoek toe; de broeders echter waren bedroefd en treurig, wijl zij vreesden, dat hij niet terug zou keeren. Toen Jozef dit bemerkte sprak hij : „Er bestaat maar ééne reden, waarom ik vertrek; weet echter dat ik na Paschen zonder eeuigen twijfel terugkom.quot; Volgens zijne gewoonte van vele jaren toog hij nu in groote haast te voet naar Hoven, en daar aangekomen, ging hij terstond naar den kloostergang en teekende met zijn stokje op den grond den vorm vau een graf en zeide tot de zusters, die er bij kwamen staan: ,Ziet, hier moet gij mij begraven.quot; Hij bleef dan gedurende de vasten in het klooster en voelde zich op Palmzondag tegen zijne gewoonte zoo krachtig, dat hij de geheele plechtigheid zonder vermoeienis kon bijwonen, daarenboven smaakte hij zooveel troost, dat hij de zusters opgeruimd uitnoodigde met hem God daarvoor dank te zeggen. Maar den volgenden Dinsdag kreeg hij de koorts, moest het bed houden en bleef nu negen dagen lang doodelijk ziek. Slechts twee uren had hij rust en scheen dan nauwelijks adem te halen; gedurende dat tijdsverloop verkeerde hij in geestverrukking. Tot zich zeiven gekomen, klaagde hij, dat hij niets kon uitrichten en Jezus zich doof hield voor zijne beden. Wat dit beteekende is niemand te weten gekomen. Kort daarop nam hij van de omstanders blijmoedig afscheid, beval zijne ziel in de handen van Jezus eu zijne lieve Moeder en ontsliep, hart en blik omhoog geheven, den 7dequot; April 1241. Volgens 's Heeren beschikking werd

-ocr page 165-

— 157 -

het stoffelijk overschot in genoemd klooster begraven op de plek door Jozef zeiven aangewezen. De onderprior van Steinfeld was overgekomen om den Zalige de laatste eer te bewijzen. Met aandrang smeekte hij de zusters den dierbaren doode aan het klooster van Steinfeld terug te geven. Daar echter de nonnen zeer goed wisten, dat er een Heilige bij haar begraven was, wilden zij er niets van hooren en zeiden, dat God, wijl Hij Jozef bij haar had laten sterven, zijn lijk aan haar klooster had geschonken. Toen dit den broeders te Steinfeld ter oore kwam, vormden zij bitter weenend het vaste besluit niet te zullen rusten en moeite noch kosten te sparen, voordat zij het dierbaar lijk dat hun toekwam, terugkregen. Aanstonds gingen zij naar den aartsbisschop van Keulen om hem te vragen recht te doen. Op diens bevel moesten de zusters het eerbiedwaardig lichaam aan Steinfeld afstaan. Uitermate verheugd groeven de broeders het lijk weder op, en toen bleek opnieuw in welk een heoge eer God den Zaligen Herman Jozef hield. Want hoewel de heilige man reeds op Donderdag na Paschen overleed en in een vochtigen en moe-rassigen grond had gelegen, was zijn lijk toch zoo geheel en al onverdorven, dat zelfs de huid nergens ongaaf bleek. Toen nu de broeders hun schat hadden opgedolven en hem blijde huiswaarts droegen, liep het volk met kaarsen en kruisen samen, loofde God in zijn Heilige en zong; „Gezegend hij, die komt in den naam des Heeren!quot; En terzelfder tijd begon de Algoede het eerbiedwaardig overschot door wonderen te verheerlijken;

-ocr page 166-

158

en daar grepen zooveel wonderwerken plaats bij het graf', dat zij tal van bladzijden in Jozefs levensbeschrijving innemen. Wijl wij echter omtrent de heiligheid van onzen Zalige uit zijn leven voldoend op de hoogte zijn gekomen, spreken wij van zijne wonderen niet. Wie ook nu nog te Steinfeld komt, ziet midden in de kerk Jozefs graf, eene tombe van marmersteen. Op dat grafteeken ligt de goede bruidegom van Maria in marmer gebeeldhouwd; en wie vertrouwen heeft, zal in die kerk, waar de lieve Moeder Gods aan haren getrouwen dienaar zoo dikwerf verschenen is en waar zij aan hem werd verloofd, bij zich zeiven ondervinden, dat O. L. Heer nog immer alle gunsten naar ziel en lichaam wil schenken op de voorbede van den Zaligen Herman Jozef.

0 God, die uw Belijder den Zaligen Herman Jozef, dermate met hemelsche zegeningen hebt begunstigd, dat hij reeds als kind zich in herhaalde verschijningen en vertroostingen der glorierijke Maagd Maria verblijden en door een engel aan haar mocht worden verloofd ; wij bidden U, verleen ons goedgunstig, dat ook wij ua zijn onschuldig en heilig leven te hebben nagevolgd, het hemelsch vaderland, waar hij zich in de glorie verheugt, mogen binnengaan door Jezus Christus onzen Heer. Amen.

-ocr page 167-

mmnu®:

Bladz.

I. — Over de geboorte van den Zaligen Herman. . .11

II. — Over Hermans vrome kindsheid ... . .13

III. — Hoe de Zalige Herman aanving de Moeder Gods te vereeren .......... 16

IV. — Hoe de Zalige Herman met het Goddelijk Kindje speelde........... 21

V. — Hoe de Zalige Herman aalmoezen van Maria ontving 24

VI. — Hoe de gekruisigde Heiland aan Herman verscheen 26

VII. — Hoe de Zalige Herman iu het klooster te Steinfeld Trad...........28

VIII. — Hoe de Zalige Herman naar Friesland ging om te studeeren...............31

IX. — Hoe Herman van uitslag aan 't hoofd genezen werd. 34

X. —- Hoe Herman door O. L. Vrouw onderwezen werd . 36

XI. — Hoe de Zalige Herman zijn broeders diende . . 40

XII. — Hoe de Zalige Herman tot koster werd aangesteld. 43

XIII. — Welke strenge versterving door den Zaligen Herman beoefend werd ......... 46

XIV. — Hoe de Zalige Herman iu de kerk door een hemel-sohen geur verkwikt werd ....... 50

XV. — Welk eene zoete vreugde Herman schepte in den zoeten naam van Maria ....... 54

XVI. — Hoe de Zalige Herman onder de getijden de heilige engelen zag ..............57

-ocr page 168-

— 160 —

Bladz.

XVII. — Hoezeer Herman door O. L. Vrouw bemind werd 60

XVIII. — Hoe Maria den Zaligen Herman haren „Kapelaanquot; noemde. .......... 62

XIX. — Hoe O. L. Vrouw zorgt, dat, den Zaligen Herman geen ongeluk overkomt ....... 64

XX. — Hoe de Zalige Herman den naam van Jozef krijgt

en verloofd wordt aan de Moeder Gods .... 66

XXI. — Maria zelve keurt goed dat Herman den naam Jozef draagt. Zij legt het Goddelijk Kind in zijne armen . 69

XXII. — Herman Jozef ziet de H. Maagd in de gedaante eener oude vrouw........72

XXIII. — Herman Jozef verliest twee tanden en Maria zet

ze weer op hunne plaats . . . . . . .76

XXIV. •— De Zalige Herman krijgt veel te lijden . .78

XXV. — Hoe de Zalige Herman door de Moeder Gods werd genezen .......... 81

XXVI. ■— Hoe Herman het zwaarst te lijden had op feestdagen ........... 88

XXVII. ■—• AVelke zoete vertroostingen Herman ondervond van de H. Ursula en hare gezellinnen . . . .86

XXVIII. — Hoe Herman het hoofd van een der heilige martelaressen ontving ........ 90

XXIX. —• Hoe iemand om zijue oneerbiedigheid jegens de heilige reliquieën bestraft werd ......93

XXX. — Hoe Jozef de schoonheid der schepselen te aanschouwen kreeg ......... 95

XXXI. ■— Hoe Jozef eene openbaring kreeg omtrent het martelaarschap van den H. Bngelbertus.....98

XXXII. — Hoe de Zalige Herman onder het H. Misoffer de groote genade van beschouwing had.....103

XXXIII. — Hoe Herman Jozef zeer langzaam de H. Mis

las zonder méér waslicht te gebruiken .... 106

XXXIV. — Hoe bij Herman Jozef de liefde des harten de zwakheid des lichaams te boven kwam . . . 108

-ocr page 169-

161

Bladz.

XXXV. — Hoe God de Heer Jozefs heiligheid aan den dag-bracht ....... . . . .110

XXXVI. — Over de reinheid van den Zaligen Herman Jozef 112

XXXVII. — Over de nederigheid van Herman Jozef . . 114

XXXVIII. — Over de liefde van Herman Jozef . . . 118

XXXIX. — Over het geduld des Zaligen Herman Jozef . ]21 XL. — Hoe de Heiland zelf van Herman Jozefs heiligheid. 125

getuigenis gaf ........ 127

XLI. — Hoe de goede Moeder Gods aan Herman Jozef onder

het lezen der H. Mis bijzondere gunsten bewees . . 130 XLII. — Hoe de Heer het leven van den Zaligen Herman Jozef met negen jaren verlengde ..... 132

XLIII. — Hoe Jozef bevel ontving het Hooglied uit te leggen ........... 135

XLIV. — Hoe Horman Jozef ouder het uitleggen van het

Hooglied onzichtbaar werd om niet gestoord te worden . 138 XLV. — Hoe de Heer den Zaligen Hei-man Jozef meermalen

onzichtbaar maakte, opdat deze niet gestoord zou worden 140 XLVI. — Hoe de Zalige Herman krank van liefde, bevrijd bleef van alle mensehelijke behoeften..... 142

XLVII. — Hoe de Zalige Jozef uit eene ledige flesoh dronk 144 XLVIII. — Hoe Jozef de plaats zijner begrafenis bekendmaakte. .......... 146

XLIX. — Hoe Herman Jozef allerlei verborgene zaken kende L. — Over de laatste bekoringen van Herman Jozef . . 149 LI. — Over de bijzondere leiding van Gods genade ten opzichte van den Zaligen Herman Jozef .... 153

LIL — Over Herman Jozefs zaligen dood .... 155

-ocr page 170-
-ocr page 171-
-ocr page 172-
-ocr page 173-
-ocr page 174-
-ocr page 175-
-ocr page 176-