^ ^ ^ -d ^ ^ -i :■-• r o- ?■-quot;' r-f' r -■ ^-.v r -rgt; .
li^ ^ i /i^
: ■S''1
AMSTERDAM, HÖVEKEit amp; ZOON.
M
''t\ ■^y
P
i f]
:d
iV
■vt ^
^ rrgt; C?^ j
Hi
||p5
LEVENDE BRIEVEN VAN CHRISTUS.
lüfniTESAFëRfnRl
NAAR HET HOOGDUITSCH
DOOR
AMSTERDAM, HÖVEKER amp; ZOON.
BtBLlOTHEFK DER RiJKSUNIVdRSlTÊll UTRECH T.
Druk van P. Groenendijk.
Bladz.
I. De stoute hoop.............1.
1. „Regern habemusquot;..........1.
2. Ons uitzicht.............8.
3. Wat wordt bedoeld met het beeld des
4. Wat is het beeld des hemelschen ? 20.
5. Wij worden naar hetzelfde beeld veranderd . 26.
6. Van heerlijkheid tot heerlijkheid.....34.
7. Geene eenvormigheid.........39.
II. Het levensideaal en het levenselement .... 42. | 1. Het eerste woord van Jezus — het woord
2. „Laat ons zijne voetstappen navolgen!quot; . . 52.
III. Dat de mensch van Gods Woord leeft .... GO.
1. 's Heilands wortelen in de Schrift.....60.
P 2. Wat hebt gij aan uw Bijbel?......71.
3. De juiste gesteldheid des harten bij het hoo-
4. „Zijt daders des Woordsquot;........82.
5. Verband tusschen Schriftgebruik en gebeds
Bladz.
IV. De biddende Jezüs en wij.........92.
1. De hooge beteefcenis van de binnenkamer . 92.
2. Dat de biddende Jezus niet in alle opzichten
3. Bidden wil zeggen: de gemeenschap met God
4. De voorbede van den vernederden en den '
verheerlijkten Christus........108.
5. Hoe staat het met onze voorbidding? . . . 113.
6. „Te veel verlangd.quot;..........119.
V. „Ik moet werkenquot;........., . 122.
1. De werklust en de werkkracht van Jezus . . 122.
2. Ons werken naar Christus' voorbeeld . . . 129.
3. Werken en worden..........135.
VI. „God wil mijne spijzequot;..........139.
1. Jezus' zalige onderwerping aan den wil zijns Vaders...............139.
2. Volgelingen van Jezus zijn alleen zij, die Gods ' wil doen..............146.
3. Droevige en vertroostende gedachten . . . 150.
VII. Hu is verzocht gelijk als wij.......157.
1. De strijd van Jezus tegen de zonde .... 157.
2. Des Christens strijd tegen de zonde .... 176.
VIII. Levensvreugde.............195. i
1. Jezus' levensvreugde..........196.
2. Delevensvreugde van den natuurlijken mensch. 199.
3. De levensvreugde van Christus' discipelen . 205.
IX. Jezus, de natuur en het menschelijk leven . . . 2!(j. |
1. Toch en nochtans. — God in de natuur . . 216.
2. Wat ons het dagelijksch leven leert .... 224.
3. De gelijkenissen onzes Heilands van het koninkrijk Gods.............. 233.
4. De gelijkenissen betreffende het persoonlijk Christendom............. 240.
inhoud.
bladz.
X. Jezus Christus en de vaderlandsliefde .... 246.
2. Des Christens verhouding tot den staat, tot
de overheid, de politiek en de partijen. $ Welke heteekenis heeft het voor ons? . . 255.
XI. Jëzus en de genoegens, de genietingen en de goederen des levens...........2fi3.
1. Hij nam de dingen zooals zij zijn..... 203.
2. Dehemelsche gezindheid in het aardsch bedrijf. 267.
3. Het Evangelie en het. persoonlijk bezit. . . 273.
4. Drie zuilen, waarop de wereld rust .... 2S4. 6. Het Evangelie en de genoegens van het leven. 287. 6. De zin van Christus en de geest van het
XII. Hoe liefderijk de Heere is........ 305.
♦ 1. Jezus' liefde tot de menschen...... 305. *
2. Gods liefde tot de menschen wil liefhebbende menschen van ons maken.......317.
3. Groote kleinigheden.......... 325.
XIII. De waarde en het gebruik van den tijd. . . . 332.
1. De tijd is kort............ 332.
I 2. De waarde van den tijd........ 336.
j 3. Allerlei jammerlijk misbruik....... 342.
4. Koopt den tijd uit.......... 346.
5. Hemel of aarde. — Wat verkiest gij? . . . 353.
XIV. De rust temidden van de onrust.......3')7.
*. 1. De rust zoekende Heiland........ 357.
ƒ
2. „Rust een weinigquot;.......... 365.
3. Eenige weinige gezondheidsregelen . . . .371.
vii
I
Het was in den spoortrein tusschen Hamburg en Lubeck. Ik was verkouden en moest toch in den loop van den dag der volgende week in onderscheidene zalen spreken, die voor de kracht mijner stem rijkelijk groot waren. Daarom wilde ik ze nu sparen en zwijgen. Maar tegenover mij zat een zeer beweeglijke en spraakzame heer. Hij vertelde mij, ondanks ik gestadig door bleef lezen, van alles wat ik niet verlangde te weten, vau de wonderlijke uitkomsten in zijn vak, namelijk in de natuurgeneeskunde, van de Jezuiten, van de belastingen, enz.
Maar de spraakzame man maakte dat ook ik zou spreken. Als een m a n praatzuchtig is, is hij praatzuchtiger dan de praat-zuchtigste vrouw, en als een man nieuwsgierig is, is hij nieuwsgieriger dan de nieuwsgierigste vrouw. Toch had hij om genoemde redenen een harden dobber met mij. Op zijn vraag, waar ik vandaan kwam en waar ik heenging en wat het doel van mijn reis was, — kreeg hij slechts zooveel te hooren, dat mij door een zeer voornaam heer deze reis was opgedragen en dat ik den volgenden dag in de gehoorzaal te Lubeck zou spreken met het onderwerp: Hoe men tot ware b 1 ij d s c h a p in het leven komt.
Het is te begrijpen dat zijne nieuwsgierigheid door deze vluchtige geheimzinnige mededeelingen slechts nog meer werd op-
INLEIDING.
gewekt. Een nadere verklaring kon ik hem niet geven, daar wij reeds het Lubecksche station binnenreden. Ik noodigde hem echter uit de voordracht te komen hoeren. Bij het uitstappen hoorde ik hem slechts nog mompelen: „Nu, dat is nog eens een onderwerp! Wie dat iemand zeggen kon hoe men in deze ellendige wereld tot blijdschap in zijn leven komt! Ik heb altijd beweerd dat men pas in het graf zich over zijn leven verblijden kan.quot;
Of de heer de voordracht is komen hooren weet ik niet. En of hij voldaan geweest is, zoo hij ze heeft bijgewoond, weet ik dus ook niet. Misschien echter oordeelt nu menig lezer dat ik den man toch eigenlijk bedrogen heb, door verkeerde verwachtingen bij hem op te wekken; mogelijk zegt men ook dat ik het onderwerp zoo scherp heb uitgedrukt opdat het „trekkenquot; zou. Maar die dat denken doen mij ongelijk. Voorloopig behoef ik, gelukkig, de menschen niet door allerlei kunstmiddelen onder mijne voordrachten te lokken, en wanneer dat eens noodig wordt houd ik geene voordrachten meer. Maar ik zou dien man en mijn wezenlijke hoorders toch slechts dun zand in de oogen gestrooid hebben, zoo mijn voordracht niet geloo-pen had over hetgeen de titel beloofde. Dat zij daarover ging houd ik echter staande en zal ik staande houden tot mijn laatste oogenblik. Ik beweer dat degene, wien het ernst is Christus te volgen, den weg der ware en bestendige blijdschap heelt ingeslagen, en ik beweer ook dat deze weg de e enige weg tot die blijdschap is, welke dezen naam verdient.
En wanneer ik zoo vrij mag zijn het te zeggen, dan geloof ik dat niet alleen alle predikers, maar ook alle Christenen, die op de meer van verre staanden willen werken, juist di t oogpunt meer moesten doen uitkomen: Bij de oprechte navolging van Christus komt de mensch tot blijdschap in zijn leven. Want dan eerst en zoo slechts komt hij in zijn ware element,
X
INLEIDING.
en dan slechts en zoo alleen geraakt hij instaat om zich onbelemmerd in zijn element te bewegen. Hier komt het tot een nieuwe, zalige wording, hier tot een heerlijke werkzaamheid en wegens die beide tot de ware levensvreugde.
Vangen niet tallooze godsdienstleeraars en predikers van het Evangelie hun onderricht hierrneê aan, dat zij terstond het geloof aan allerlei bovennatuurlijke wonderbare zaken en gebeurtenissen willen inprenten? Ware het niet wijzer hierrneê aan te vangen, dat hel bij het Christendom er om te doen is, een mensch te worden zooals een mensch behoort te zijn om gelukkig te kunnen wezen en dat al de groote wonderen Gods enkel en alleen tot dit doel beschreven zijn'? Zouden de ongelooflijke dingen er niet geloofwaardig door worden, indien men dit redelijke doel inzag?
Het bewijs voor de waarheid van het Evangelie — een bewijs, dat door elk eerlijk mensch begrepen wordt — ligt in de eerste plaats niet hierin dal het van groote wonderen melding maakt, maar in h e t wonder dat men zelf beleeft, daarin namelijk dat het diegenen gelukkiger en beter maakt, die den wil van Christus doen, ja zelfs maar ernstig willen doen. Naar geluk strekken alle menschen, naar beter worden alle dieperzienden zich uit. Zij weten dat gelukkig zijnen goed zijn hetzelfde is.
En inderdaad, Jezus Christus wil menschen hel goddelijk welbehagen deelachtig maken; allereerst voorzeker door hetgeen Hij voor he n gedaan heeft. Maar dit is ook niet het doel. Neen, het is slechts de voorwaarde, die volstrekt noodzakelijke voorwaarde voor hetgeen Hij in hen doet. De boetvaardige ongeloovige zondaar zal niet door een goddelijke verklaring, door een goddelijke rechtsspraak reeds geschikt gemaakt worden voor de wereld der eeuwigheid. Neen, in de feitelijke navolging van Christus en door de uit-
XI
INLEIDING.
vloeiing zijns Geestes moet hij naar het beeld van Christus veranderd worden, zóo, dat de heerlijke deugden van Jezus Christus werkdadig in hem openbaar worden. Zoo wordt hij dan „licht en zout der wereld,quot;' zoo wordt hij dan den naam van een kind Gods waardig, zoo wordt hij dan „bekwaam gemaakt om deel te hebben in de erve der heiligen in het lichtquot;: zoo wordt hij dan een Christelijk beeld, een Christelijk karakter.
Mijns inziens moet op dit punt veel meer nadruk worden gelegd, indien men de van verre staanden winnen zal. Het is waar, de onverschilligheid ten opzichte van de inwendige en bovenaardsche dingen is ontzettend groot in onze stoffelijke, wereldschgezinde wereld en tijd. En deze onverschilligheid is moeilijker tekeer te gaan dan de openbare vijandschap tegen de goddelijke waarheid. De Fransche staatsman Guizot heeft eens gezegd: „De onverschilligheid ten aanzien van den godsdienst, die tegenwoordig zoo algemeen is, is een veel gevaarlijker kwaad dan de goddeloosheid. Hierin ligt de grootste belemmering, die de vrienden van het Christendom ontmoeten. De aanval roept den tegenstand tevoorschijn; de strijd eischt de tewerkstelling der meest verschillende krachten. De godsdienstige onverschilligheid echter valt niet tegen te gaan. Zij is als de Doode Zee, waar geen levende visch in bestaan kan of als een groote woestijn, waar geen zaadje ontkiemt.quot; Wij stemmen deze woorden volkomen toe. En hoe treurig het ook klinke, toch is de toestand der onverschilligheid aangaande den godsdienst, waarover zij spreken, toch nog veel treuriger.
Maar moeten wij daarom die tallooze onverschilligen verloren geven ? Zouden er toch niet velen onder hen zijn, die te winnen waren, wanneer men hun het Evangelie van die zijde voorhoudt, die aan hun innigsten wensch en verlangen beantwoordt?
Op het jaarfeest van een jongelingsvereeniging hield onlangs
XII
INLEIDING.
een door mij hooggeacht man eene toespraak. Hij zeide daarin onder andere: „Wij willen de deuren van onze vereeniging zoo w ij d mogelijk maken, om dan tot de binnenkomenden te zeggen dat de poort ten leven — e n g is. Ik was het niet eens met deze woorden in de overigens voortreffelijke rede. Dat de poort eng is, moet en mag gewis niet verzwegen worden. Maar dat is toch niel het Evangelie; „De poort is engquot; en dat moet daarom ook niet de aanvang zijn, maar dit, dat het Koninkrijk van Jezus Christus vrede en vreugde is in den Heiligen Geest.
Het is zes en dertig jaar geleden. Ik zat in de tweede klasse op het gymnasium te Gutersloh. Ik had destijds eerder alles kunnen gelooven dan dit, dat men werkelijk vreugde in zijn leven kon hebben, en dat men het leven, in den besten zin van het woord, eerst geniet, wanneer men hel Christendom ernstig ter harte neemt. Daar trad op een morgen toen wij voor de huiselijke godsdienstoefening bijeen waren met den director een man binnen, die er als een vorst in het rijk des geestes uitzag. En als een koning schreed hij naar den catheder. Het was de waardige Ds. Wichern, uit Hamburg. En nu nam hij het woord. Zijne toespraak was nu eens als een rollende donder, dan weer als het stille zachte suizen van de lente. Op treffende wijze hield hij ons, jongelieden, voor, hoe ongelukkig in onszelven, hoe ontevreden met onszelven, hoe onmachtig in onszelven wij waren om onze hartstochten en begeerten te bestrijden. Vervolgens schilderde hij ons met aangrijpende woorden de zedelijke heerlijkheid van Jezus Christus, hoe zij zich door zijn geheeie leven heen en vooral bij zijn kruislijden geopenbaard had, en vermaande ons om ons ernstig met Hem bezig te houden en Hem van ganscher harte en blijmoedig te dienen. — Ik kan hier de bijzonderheden niet herhalen. Maar heden nog verkeer ik onder de kracht dier toespraak,
XIII
INLEIDING.
die meer indruk op mij maakte dan alle vroeger gehoorde preeken samen genomen. En ik durf zeggen dat van deze toespraak een invloed uitging, die bij mij en eenigen mijner vrienden tot in de wereld der eeuwigheid zal doorwerken. Wichern heeft het groote geheim verstaan om niet slechts ons geweten te raken, maar het geloof in ons te wekken, dat ons diepst en innigst verlangen in de gemeenschap met Christus in vervulling komen zou.
Ook dit boek is, evenals bijna al mijne geschriften uit mijne preeken ontstaan. Ik verontschuldig mij niet dat ik al weèr een boek uitgeef. Ik geef mijn toehoorders het beste wat ik te geven en vooraf van den Heere gebeden heb. Waarom zou ik het gesproken w o o r d niet ook als een geschreven woord aan anderen geven, die nu eenmaal met mijn bijzondere wijze van behandeling ingenomen zijn? Niemand is immers gedwongen het boek ook maar in de handen te nemen. Ik verontschuldig mij dus niet wegens de uitgave.
Nochtans moet ik mij verontschuldigen. Niet hierover dat het zeer onvolmaakt is. Dat spreekt vanzelf en behoeft niet nog gezegd te worden. Maar het is niet volledig geworden. Ieder denkend lezer zal verwachten dat in een boek, waarin Christus als ons voorbeeld wordt voorgesteld, zijn be t rek k i n g tot de menschen (de geloovigen en de ongeloovigen, de onverschilligen en de twijfelaars, de zieken en de gezonden, de Joden en de heidenen, de ouden en de jongen, de mannen en de vrouwen enz.) uitvoerig besproken wordt. Maar dit deel was vol alvorens ik deze belangrijke stof behandelen kon. Zoo God mij leven en gezondheid schenkt zal een tweede deel dat bevatten. Opdat echter degenen, die dat tweede deel niet
XIV
inleiding.
lezen kunnen of willlen, toch ook iets omtrent Jezus'omgang met de menschen zouden hooren, heb ik in het tegenwoordige deel een hoofdstuk ingelascht, dat over de m en sc hl ie ven d-heid van Jezus handelt. Dat is niet stelselmatig maar mensch-lievend.
En nu genoeg voor een inleiding. Ik maak van deze gelegenheid nog slechts gebruik om al mijn geliefden vrienden van nabij of in de verte een hartelijken groet te doen toekomen en een warmen handdruk te bieden. Zijn wij in de liefde en de navolging van Christus verbonden, dan zijn wij werkeli]k verbonden, zoodat geen macht der wereld of der hel ons scheiden kan. Do tijden zijn ernstig en dragen een karakter, dat beslissing eischt, ja beslissing en beslistheid. De krachtige Schot Buchavan, die een uitverkoren werktuig van Jezus Christus geweest is, was weleer een lichtzinnige jongeling. Nu trof hij in de Hooglanden eens een boer aan, die hem naar zijn godsdienstige overtuiging vroeg. Het luchthartige, ja met fierheid gegeven antwoord luidde: „Ik heb geen godsdienstige overtuiging; mijn hart is in dat opzicht als een onbeschreven blad papier.quot; — „Zie dan toe,quot; antwoordde meer oprecht dan hoffelijk, de landman — „zie dan toe dat de duivel er zijn naam niet op schrijve!quot; Dit scherpe woord werd voor Buchavan do prikkel, waar hij niet tegen in kon gaan.
Nu waarlijk, onze tijd is van dien aard, dat het voor of tegen Christus wellicht spoedig bij allen, ook bij degenen die nog weifelen, beslist moet worden. Zoo moge God in den hemel genadig geven, dat de Heere Christus, wanneer Hij komt, om de wereld te oordeelen, in ons aller harten z ij n Naam vindt, en dat ook deze bladzijden daartoe bijdragen.
Bremen, De Schrijver.
Februari 1891.
kv
I.
Gelijkerwijs wij het beeld des aardschen gedragen hebben, alzoo zullen wij ook het beeld des hemelschen dragen.
1 Cor. XV : 49.
1. „REGEM HABEMUS.quot;
Het was voor drie eeuwen, dat de wereldberoemde admiraal de Coligny de kleine Fransche vesting St.-Quentin tegen de vreeselijke bestorming der Spanjaarden verdedigde. De weg naar Parijs stond voor de vijanden van Frankrijk open, wanneer deze plaats in hunne handen viel. En ach, reeds waren de verschansingen van St.-Quentin vernield; onder de bezetting woedden honger en koorts ; de beangste bevolking drong op de overgave aan; verraders slopen overal in de duisternis rond. Kortom de toestand was verschrikkelijk.
Daar schoten op zekeren dag de Spanjaarden pijlen over de stadsmuren, waaraan linten gebonden waren. Eu op die linten stond geschreven, dat den bewoners goed en bloed zou gewaarborgd zijn, wanneer zij zich vrijwillig overgaven.
Inplaats van eenig antwoord, zoo verhaalt een Spaansch officier, nam de Coligny een reep perkament en schreef daar alleen deze twee woorden op: „Regem habemus.quot; (Wij hebben een koning.) Daarna bond hij de perkamentreep aan een werp-
2
spies en slingerde die eigenhandig midden in het leger der vijanden.
„Regum habemus,quot; dit was de heldhaftige uitdrukking van het geloof aan zijn vaderland, hetwelk zijn getrouwe ziel in den koning belichaamd zag.
Ik heb dit voorval den godvreezenden Parijschen predikant Bersier naverteld. Het heeft mij diep getroffen, te meer omdat de koning, Hendrik II, op zichzelf een onbeduidend mensch, de vader was van Karei IX, die de moordenaar van den grooten de Goligny werd.
„ Wij hebben een koning!quot; zeide de Goligny met edelen trots, , en aan dezen onzen koning komt onze dienst, onze kracht, ons lichaam en ons bloed toe; hem behoort ook deze stad; van overgave kan geen sprake zijn.quot;
Wel ons, Duitschers, dat wij, niet als de Goligny met een onderdrukten zucht, maar met jubelende vreugde, met een verblijd hart, met heiligen trots, met warmen dank aan den almachtigen God zingen en betuigen kunnen: „Wij hebben een koning! wij hebben een keizer! — Wij hebben een keizer, die ons niet in Gods toorn, maar door Gods genade en gunst gegeven is, — een barmhartig man, een man, die voor al zijne onderdanen, zelfs voor den armsten, een landsvader wil zijn, een man, die zich voor God buigt en zijn koningschap als een dienst beschouwt, dien God hem heeft opgedragen. Ja wij kunnen wel met groote blijdschap uitroepen: „Regem habemus.quot;
Maar is de afstand van dien ongelukkigen koning uit het huis van Valois tot de edele spruit uit den Hohenzollern-stam reeds groot, — van den grootsten en besten aardschen vorst — hij moge heeten zooals hij wil — tot den Koning Jezus Ghristus is de afstand oneindig groot. Het is dus in werkelijkheid geen schrede, het is ook geen reuzenschrede, het is ook geen wijdte en breedte, die door de vlucht van een adelaar, ja zelfs geene
3
die door de vlucht van een engel overspannen kan worden. Hier houdt elke maatstaf op. Het oneindige kan op geene manier met het eindige gemeten worden.
De edelste vorst der aarde is aan dwaling onderhevig; zelfs in het reinste hart dringen onreine begeerten binnen; ook de hoogste aardsche macht staat overal machteloos voor grenzen, waar zij niet over heen kan. Het grootste vernuft smeekt bij zijn dood: „Meer licht! Meer licht!quot; en zelfs een zoo door God begaafd onderzoeker als Izaak Newton zegt bij den blik op den arbeid zijns levens: „Al de arbeid van mijn geest was slechts als het spelen met de schelpen aan het strand der zee, terwijl de oceaan der waarheid nog ondoorzien voor mijne oogen golft.quot; En als, duizend jaar na dezen dag, menschelijke kunst en wetenschap nog oneindige triomfen zullen gevierd hebben, dan zal de gelukkigste en eerlijkste en scherpzinnigste aller aardbewoners nog evenzoo spreken.
Hoe geheel anders is dit met onzen Koning Jezus Christus! Zelfs de lichtvaardige Rousseau, die echter een groot mensch-kundige was, besluit zijne vergelijking, die hij tusschen Socrates, den grootsten aller Grieken, en Jezus van Nazareth gemaakt had, met de woorden: „Indien het leven en sterven van Socrates dat van een wijze was, dan is het leven en sterven van Christus dat van een God.quot;
Van dezen Koning wordt gezegd dat voor Hem zich buigen zal alle knie dergenen, die in den hemel en op de aarde en onder de aarde zijn en dat alle tong belijden zal dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid Gods, des Vaders. En — zoo voegen wij er naar de Schrift bij •— tot hun eigen zaligheid; want dat buigen zal het buigen des geloofs en der liefde zijn en het zal gepaard gaan met een volkomen deelneming aan zijne heerlijkheid.—Terwijl alzoo de grooten der aarde niets grooters kunnen doen dan hun kronen en lauweren ootmoedig aan zijne
4
voeten neder te leggen, en zijne genade en gunst af te smeeken — is Hij het alleen, die alles geeft en allen voor eeuwig gelukkig maakt.
„Jezus Christus is gisteren en heden en tot in eeuwigheid dezelfde,quot; verklaart de schrijver van den brief aan de Hebreën. Wel bewust en zeker van de overwinning schrijft hij dat in een tijd, toen de Christenen als slachtschapen werden geacht, toen elke macht in het heelal was opgestaan om den naam van Jezus Christus uit te delgen; toen elk staatsman, elk wijsgeer, elk wereldkenner voorspeld zou hebben, dat de verachtelijke naam van den Nazarener weldra nergens meer genoemd zou worden. Toch en desniettegenstaande schrijft hij met heilige kalmte: „En dezelfde in eeuwigheid.quot;
Te allen tijde zijn er geesten op aarde geweest, die den geheelen tijdkring waarin zij leefden, onbeperkt beheerschten. Alexander de Groote bijvoorbeeld, was zulk een man. Het is ongelooflijk wat deze jonge vorst der Grieken in de weinige jaien van zijne regeering tot stand bracht. Zijn voorkomen werkte inderdaad betooverend op de menschheid, en zijne tijdgenooten kwamen er dan ook bijna toe, hem als een god te aanbidden. Maar nauwelijks was zijn graf over hem gesloten of zijn rijk ging onder en zijn naam behoorde tot de geschiedenis. Hij was er geweest. — Het is overbodig te herinneren dat het met Karei de Groote en met Napoleon 1 niet anders gegaan is.')
Ja, al het menschelijke heeft zijn tijd. Er blonken sterren aan
') Ik kan niet nalaten hier de woorden te vermelden, die Napoleon op St.Helena tot graaf Montholon gesproken heeft: „Alexander, Gesar, Karei de Groote en ik hebben groote rijken geslicht. Maar waar hebben wij de scheppingen van ons genie op gegrondvest? — Op het (jeweld! — Jezus alleen heeft zijn Rijk op de liefde gegrond en nog ten huidigen dage zouden millioenen menschen voor Hem sterven.quot;
De Schrijver.
5
den hemel der menschheid. Hun glans was wonderbaar in hunne dagen. De edele Boeddha beproefde de versteende Bramaansche godsvereering van binnen uit te vernieuwen. En hij had inderdaad grootsche gedachten. Doch sinds lang is het Boeddhisme in een geesteloosheid en verstijving verzonken, waar tegenover zelfs het Brahmaïsme nog leven is.
En al staren wij ook op zulke koningen in het rijk des geestes, die zelfs nu nog als sterren schitteren, hoewel zij zelf sedert lang gestorven zijn — evenwel, wie verwacht daarom van een Aristoteles leven en zaligheid? Wie toch zou met een Goethe in een persoonlijke levenwekkende gemeenschap kunnen treden ? Deze allen zijn er geweest; zij hebben aan de menschheid hun diensten bewezen. Niemand mag ze hun betwisten. Maar het menschdom hongert voort naar waarheid, licht, leven en zaligheid.
Allen daarentegen, die Jezus Christus in het hart geschouwd hebben, bekomen in Hem de gewisse vervulling van al hunne verwachtingen. Op de vraag: „Wat is uw eenige troost in het leven en sterven?quot; antwoorden nog tegenwoordig millioenen bij millioenen in alle streken der aarde: „Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben.quot;
Wel kon men het heilige beeld van Jezus verduisteren en mismaken. Ja, men kan wel zeggen dat alle wijsheid en alle macht der wereld een verbond gesloten hebben om zijn beeld te verminken, nadat het onmogelijk geworden was, het kortweg te vernietigen. Men veranderde de herdersgestalte van den Heiland nu eens in een wereldbeheerscher, dan eens in een met bloed bezoedelden inquisiteur, of wel in een onhandelbaren stelseldrijver; in onzen tijd losten groote wijsgeeren de heilsfeiten in vage denkbeelden op. Doch de wijsheid, het licht en de kunst dezer wereld bleken, tegenover de heilige hemelsche gestalte van Jezus, even machteloos als te zijner tijd het ruw geweld. Ingevolge de oor-
6
spronkelijke levenskracht, die in het ware beeld van Christus woont, treedt dit gestadig weder tevoorschijn. En tegen den donkeren achtergrond van alle vervalschingen en verduisteringen, schittert het tegenwoordig helderder dan in eenig ander tijdperk.
Ik zeg dit niet als geloovig Christen, niet als kerkelijk partijman, niet als predikant der zoogenaamde Bijbelsche richting; neen, ik zeg dit als een die de geschiedenis der wereld een weinig kent. En ik zou wel eens iemand willen zien, die de vrijmoedigheid bezat, om dit tegen te spreken.
Deze waarneming nu doen wij, wanneer wij den Heiland niet met „groote, schrandere menschen'quot; vergelijken, maar wanneer wij het Evangelie i$ de wereld met andere belangrijke bewegingen des t ij d s vergelijken. Hoe oneindig verschillend is toch het voorkomen der tijden ! Wij zien tijdperken van geduchte oorlogen, waarin de machtigste volken hun krachten meten. Met ademlooze spanning verbeiden de bewoners van den ganschen aardbol hoe de teerlingen vallen zullen. En voorzeker is het van onberekenbaar belang hoe zij vallen. — Een ander tijdperk, bijvoorbeeld de vijftiende eeuw, wordt geheel en al door uitvindingen en ontdekkingen beheerscht. Do uitvinding der boekdrukkunst en van het buskruit; de ontdekking van Amerika en van den zeeweg naar Indie en zoo voorts, brachten een volslagen omkeering in de toestanden. Een nieuwe wereld daagde temidden van de oude op. En inderdaad, — die gebeurtenissen werken tot op dezen dag door en zij zullen haar golfslagen voortzetten tot op den laatsten dei-dagen. — Of nemen wij onze eigen eeuw. Hoe de tijden veranderen, dat verhalen ons de dagbladen. Laat men nu eens een of ander blad uit de jaren 1848 en 1870 en uit ons jaar 1890 nemen. Telkens maar een twintig jaar, dus bij lange na niet de jaren van een menschenleeftijd, liggen er tusschen het drukken der onderscheidene'bladen. En toch vertoont elk dier drie ons een geheel anderen tijd. In 1848 riep het geheele volk om grooter
7
staatkundige vrijheden. Men meende dat daar het heil der wereld mee gemoeid was. Nu, men verkreeg ze ook; ik bedoel de vrijheden. In 1870 eischten alle Duitschers een sterk, vereenigd Duitsch rijk. Men verkreeg het ook, heerlijker dan men het vermoed had. Men had de vrijheden en het rijk. Zoo had men dan het toppunt van alle geluk bereikt? Jawel! o. Men leze maar éene courant uit het jaar 1890 en men zal zien dat reeds weder een geheel nieuwe wereld in de oude is ingetreden. En niet juist een verblijdende. Neen, het maatschappelijk vraagstuk, dat thans de grootste vorsten der aarde niet minder bezig houdt dan den geringsten daglooner, — de sociaal-democratische revolutionaire beweging, waar elk blad in het jaar 1890 vol van is, dreigt zoowel die vrijheden als het rijk te vernietigen. Maar wat er ook uit voortkomen zal, — het zal blijken dat zelfs zij slechts een voorbijgaande golf in de zee der tijden was.
Zoo veranderen de tijden en de menschen veranderen met de tijden. Maar uit al het gebruisch der wereldzee, hoog boven alle bouwvallen en nieuwe bouwgewrochten uit, verheft zich gestadig weer het altaar der verlossing en verzoening, dat Jezus Christus heeft opgericht. Na alle loopen en draven, tieren en razen, juichen en weeklagen komt de menschheid, die zich in haar eigen wegen afgeplaagd heeft, er telkens weer toe, bij Hem het heil te zoeken. Zoo is het geweest; zoo zal het zijn; — „het water van Siloah, dat zachtkens gaatquot; is door niets wat in deze wereld en van deze wereld is, te vervangen. Die wonderbare stem: „Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt.quot; kan nooit door de bruisende wateren der wereldgeschiedenis verdoofd worden. Waarom niet? Omdat in Jezus Christus de eeuwigheid verschenen is in den tijd, de Godheid in de menschheid, datgene hetwelk de menschheid maakt tot hetgeen zij zijn moet.
Genoeg! Die oude voorspelling; „Zij zullen komen rouwkla-gend en kermend en Hem aanschouwen, dien zij doorstoken
8
hebbenquot;, zal — hoe ook de eeuwen voortschrijden — steeds weer nieuwe vervulling beleven, en waar zulk een vervulling geschiedt, daar zal zij zijn wat zij was: een wedergeboorte der volken. Ja, degenen, die in persoonlijke, levendige gemeenschap des geloofs met Jezus staan, zien met verrukking den dag aanbreken, waar Gods hand boven geschreven heeft: „Nu zijn de koninkrijken der wereld geworden onzes Heeren en zijnen Christus, en Hij zal als Koning heerschen in alle eeuwigheid. Alles wat adem heeft love den Heere!quot;
Maar, zoo vragen wij na dit algemeen overzicht, welke is dan nu de persoonlijke betrekking der ziel op zichzelve tot Christus en waar wijst zij op ? Wanneer wij aan de majesteit van onzen hemelschen Koning denken en wanneer wij onzen eigen jammerlijken toestand bedenken, dan moesten wij vreezen dat er tusschen ons en Hem in alle eeuwigheid een onmetelijke afstand moet blijven bestaan, — dat er van een gelijkvormigheid tusschen Hem en ons nooit sprake kan zijn.
Het tegenovergestelde is het geval. ^ Hoort wat de apostel Paulus aan de Corinthiërs schrijft (1 Cor. 15:49): „Gelijker-
') Om misverstand te voorkomen, maak ik de opmerking dat, door alle tijden en eeuwigheden heen, niet alle onderscheid tusschen Christus en de zijnen kan en zal ophouden te bestaan. Het'principieële onderscheid tusschen de Goddelijke natuur en de menschelijke, die grenslijn die nooit uitgewischt kan worden, komt hier natuurlijk niet ter sprake. Maar ook bovendien zal er altijd onderscheid blijven, riet slechts in zoo verre dat Hij uit den hemel kwam, terwijl wij van beneden komen, — niet slechts dat Hij nooit in eenige zonde bewilligde, terwijl zelfs de reinsten onder de menschen zich bezwaarlijk uit het lage tot het licht opheffen, — neen, in alle eeuwigheid zal' Hij alleen den roem des Verlossers dragen, Hij, die alles was voor
9
wijs wij het beeld van den aardschen (mensch, Adam) gedragen hebben, alzóo zullen wij ook het beeld van den hemelschen (mensch, namelijk Christus) dragen.quot; Dit is dus het groote, zalige vooruitzicht:
De discipelen van Christus zullen het beeld van Christus dragen.
Wel zouden hier velen (en waarlijk niet de slechtsten) den apostel in de rede willen vallen: „Paulus, gij raast, de groote geleerdheid brengt u tot razernij! Hoe zou ooit mogelijk zijn hetgeen gij beweert? — Hoe? Wij, door de zonde vergiftigd, zoo vergiftigd dat zelfs in onze reinste gedachten nog iets onreins sluipt, — wij zouden aan Jezus gelijk worden in zijn geestelijkheid en heerlijkheid? Onmogelijk!quot;
Doch Paulus zou gewis kalm blijven en zeggen; „Ik spreek verstandige en Christelijke woorden.quot; In elk geval zegt hij d i k w ij Is wat hij hier zegt, namelijk dat wij zijn heerlijk beeld gelijk zullen zijn, dat wij het beeld van den Zone Gods gelijkvormig zijn zullen (Rom. 8 :29), ja dat wij (bij aanvang nu reeds) naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd worden van heerlijkheid tot heerlijkheid (2 Cor. 3 : 18).
Bijna huiveren wij bij zulke woorden. Wij weten niet of ons deswege meer vreugde dan schrik overkomt. Hier krijgen wij achting voor onszelven en zouden toch ook weer zeggen; „Ik geloof, Heere, kom mijn ongeloovigheid te hulp.quot; Het strekt ons tot troost, dat de discipel, die in den schoot van Jezus aanzat en 's Heilands gedachten en plannen gewis het zekerst begrepen heeft, het strekt ons 'tot troost dat hij geheel op dezelfde wijze
de zijnen, alles werd in de zijnen, en zonder wien zij allen niets zouden zijn dan stof en aseh. En nochtans zullen zij zijn beeld dragen, en schaamt Hij zich niet hen broeders te noemen.
De Schrijver.
10
spreekt. Of zegt hij niet feitelijk hetzelfde als Paulus, als hij (1 Joh. 3 : 1) juichend uitroept: „Ziet, hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden.quot; En dan weder; „Geliefden, nu zijn wij kin--deren Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk zijn.quot; — Hij denkt dus in wezenlijken zin aan kinderen Gods.
Een H i n d o, die voor een zendingsvereeniging den eersten brief van Johannes vertaalde, vond de uitdrukking dan toch veel te sterk. Inplaats dus van in zijn taal te schrijven: „dat wij kinderen Gods zouden genaamd worden,quot; zette hij: „dat wij God de voeten zouden kussen.quot; Het scheen hem reeds een buitengewoon voorrecht voor 't uit het slof geboren menschenkmd, dat het den eeuwigen God de voeten mocht kussen. Doch hoe treffend deze bescheidenheid ook zij, toch is zij in dit geval te bescheiden. Met het worden van een kind van God en dus ook met de erfenis en de heerlijkheid is het gansch en al heilige ernst.
Reeds in het Oude Testament wijst alle Goddelijke belofte op de herstelling van Gods beeld in den mensch. Dus geenszins alleen op de verzoening. Deze legt alleen den grondslag waarop nu de vernieuwing zelve geschieden kan, waarop zij alleen geschieden kan, waarop zij echter ook geschieden moet, zoo de mensch behouden zal worden. De bedoeling der belofte is toch overal dat God een nieuw hart en een nieuwen geest in het binnenste der geloovigen wil geven ; dat Hij zulke menschen uit hen maken wil', die naar zijne geboden wandelen, zijne woorden liooren en er naar doen.
En is dat ook niet de belofte, die Jezus aan de zijnen geeft? Loopt zij er niet op uit, dat Hij komen wil in de harten dergenen, die Hem liefhebben en woning in hen maken. „Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook die bij mij zijn, die Gij mij gegeven
11
hebt, opdat zij mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij mij gegeven hebt;quot; zoo bidt de Heiland in het aangezicht van den dood met ten hemel geheven oogen. En Hij wordt daarbij geenszins in verwarring gebracht door de onbevattelijkheid, de vleeschelijke zwakheid en het onverstand der discipelen, die rondom Hem zijn. En is het niet hetzelfde, als Hij zijnen discipelen belooft: „Wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal Ik ze allen tot mij trekken.quot; Ja, ligt niet in zijn telkens herhaalden eisch: „Volg mij na!quot; het uitzicht opgesloten, dat wij tot den zedelijken staat des levens zullen komen, dien Hij bezit?
Ik ga nog verder; ik zeg ook: „Metminderwarenwijniet g e r e d.quot; Laten degenen, die het vermogen, zich een heerlijkheid en zaligheid voorstellen, waaraan de volmaakte reinheid en heiligheid ontbreekt, — ik kan het niet; ik wil het ook niet. God zij geloofd, ik behoef het ook niet. Wie het heilige beeld van Christus recht begrepen heeft, komt nu noch ooit tot het genot der zaligheid, voor en aleer hij geheel en al gezind is zooals Jezus Christus was; — voor en aleer de groote deugden van Jezus Christus geheel en al ook zijne deugden zijn; — voor en aleer aan het beeld van den verheerliikten Christus ook bij hem geen trek ontbreekt. Elk gebrek sluit een verstoorde zaligheid in, want het beeld van Christus, waar wij over spreken, wijst op de geheel en al van God doorademde menschheid. Met minder nu kunnen wij ons ook niet tevreden stellen, zoo onze zaligheid volkomen zal zijn.
„Jezus neemt de zondaars aanquot;—dat blijft zonder twijfel het Evangelie, de blijde boodschap, waarnaast geen andere bestaat, waarnaast ook geen andere meer noodig is. Wie dit Evangelie misvormen, beperken, of wel aan de menschheid ontrooven wilde, zou haar grootste vijand zijn. En in alle diepten van ellende, in alle holen der ondeugd moet deze boodschap klinken. Wij willen nooit een Kaïn aan zichzelven overlaten, als hij zegt: „Mijne
12
zonde is te groot!quot; Wij willen nooit de Farizeërs ontwijken, wanneer zij eischen dat de zondaar een zeker deel eigengerechtigheid meê moet brengen. Neen, zonder floers of omhulsel wap-pere deze banier: ,Jezus neemt de zondaars aan.quot; En nog in het hart van een Judas moet klinken: „Jezus neemt de zondaars aan.quot; Doch Hij neemt de zondaars geenszins aan opdat zij zondaars hl ij ven zouden. Hij neemt hen geenszins aan om hun slechts vergeving te schenken en hen dan in den hemel binnen te laten, — die toch geen hemel zijn zou zonder hemelsche gezindheid. Hij neemt de zondaars aan, omdat Hij de barmhartige Hooge-priester, de eeuwige Ontfermer is; maar omdat Hij dat werkelijk is, zoo heeft zijne aanneming de strekking, om uit de zondaren ware en wezenlijke kinderen Gods te maken en hen te veranderen naar zijn beeld. In éen woord, gelijk de apostel Ps.ulus schrijft: „Gelijk wij het beeld des aardschen gedragen hebben, zoo zullen wij ook het beeld des hemelschen dragen.quot;
Laat ons deze belangrijke zaak nader onderzoeken. Laat ons vragen, wat beteekent het en
3. WAT WORDT BEDOELD MET HET BEELD DES AARDSCHEN.
Van alle menschen uit alle tijden en uit alle streken der aarde, zegt de apostel, dat zij het beeld van den aardschen Adam gedragen hebben en dragen. Nu is liet beeld des menschen buiten allen twijfel eindeloos onderscheiden. Wij zien ter éenre zijde menschen van een wezenlijk betooverende bevalligheid en schoon-heid; aan den anderen kant zien wij gedaanten zoo verschrikkelijk afzichtelijk en ruw, dat wij ons met weerzin er van af wenden. Hier zijn menschen, wier stem als liefelijke mu.ziek klinkt, daar dezulken die alleen wanklanken kunnen voortbrengen. Eenerzijds vinden wij menschen met grooten aanleg voor weten-
13
schap, dichtkunde, muziek en allerlei edele kunst, anderzijds ontmoeten wij menschelijke wezens zoo onvatbaar, dat zij ons toeschijnen meer aan de dieren dan aan die ideale geesten verwant te zijn. — En zijn wellicht onder de menschen de z e d e 1 ij k e verscheidenheden geringer dan die van het lichaam en van de ziel? Zeker niet. Er zijn menschen van zoo groote zedelijke schoonheid en beminnelijkheid, dat de verder af staande geneigd is ze voor vlekkeloos en onberispelijk te houden. En daar tegenover menschen, die de samenvatting van alle ondeugden zijn en die aan de hoogste en meest ongebreidelde zinnelijkheid nog een schier duivelsche boosheid paren. Ja, hier zijn hoogten en diepten van verscheidenheid onder de menschen, die onmetelijk schijnen.
Doch ik noem nog iets anders. Het menschelijk beeld, dat ieder persoonlijk draagt, is in meer dan éen opzicht afzonderlijk bepaald, eigenaardig gevormd. Men zou er boeken over kunnen schrijven, en men heeft ze ook geschreven, hoe 's menschen aard bepaald wordt doordat hij lid van dit of dat ras is. Ik wil er mij niet nader over uitlaten, wat het met zich brengt of bijvoorbeeld iemand tot het Mongoolsche of tot het Indo-Ger-maansche ras behoort. En welk een verschil ontstaat er verder door het onderscheid der nationaliteiten. Men spreekt niet slechts van een bijzonderen aanleg, van een bijzonder temperament, maar ook van bijzondere deugden en ondeugden der Franschen. En terecht kan men dat ten opzichte van elk volk doen.
Doch al deze verscheidenheden zijn toch nog kleinigheden in vergelijking met de verscheidenheden, die hieruit voortvloeien dat wij de kinderen van zoo oneindig verschillende ouders zijn. Duizendmaal treffen wij bij menschen die wij ontmoeten gaven, hoedanigheden, eigenschappen aan, — en wel in goeden zoowel als in slechten zin — waarvan wij bij hunne ouders en voorouders niet het geringste spoor vinden. Wij zijn gedwongen, bij elk mensch in het bijzonder toch ook weder een bijzondere
scheppingsdaad van den grooten eenigen God in de hoogste hemelen aan te nemen. Alleen oppervlakkige geesten kunnen zeggen dat de mensch het natuurlijke en vanzelfsprekende product zijner ouders is. Welk denkend mensch kan toch in ernst Martijn Luther voor „het natuurlijke en vanzelfsprekende productquot; van de eenzijdige en eenvoudige bergwerkers in Eisleben houden, die zijne ouders waren?
Maar desniettegenstaande ligt er ten deele waarheid in de spreuk: „De afkomst laat zich niet verloochenen.quot; Het valt niet te ontkennen dat gewoonlijk in een of ander het beeld der ouders in hun kinderen uitkomt. Het valt niet te ontkennen dat dit beeld zich dikwijls op onmiskenbare wijze ook daar ten slotte nog vertoont, waar men er gedurende tientallen van jaren geen spoor van ontdekt had.
En nu eindelijk het onderscheid van het geslacht! Het is zoo groot, dat bij de meeste volken de vrouw tot zulk een lage trap vernederd werd, dat zij naast den man nauwelijks nog als mensch optrad. Het was een verlossingsdaad van het Christendom dat het de grootsche stelling uitsprak: „Hier geldt geen man of vrouwquot;; maar de vergelijking tusschen man en vrouw zal steeds zeer groote verscheidenheden vaststellen, hetzij meer ten gunste of ten ongunste van het eene of het andere geslacht.
Zoo zien wij dat de verscheidenheden onder de menschen van even menigvuldigen als ingrijpenden aard zijn. De apostel houdt zich hiermede in het geheel niet bezig. Niet in verwarring gebracht door de oneindige kloven, die er van nature tusschen menschen en menschen bestaan, — niet in verwarring gebracht door de wellicht even groote, die zij euvelmoedig tusschen elkander gemaakt hebben, — vat hij nochtans alle menschen in éen opzicht samen, als hij schrijft: „Gelijk wij het beeld des aardschen gedragen hebben, zoo zullen wij ook het beeld des hemelschen dragen.quot; Niet alsof hij van meening was, dat alle
15
levende wezens, die het beeld des aardschen gedragen hebben, ook het beeld van den hemelschen Christus zullen dragen. Maar het valt niet te betwijfelen, dat ieder die mensch heet, het beeld van den aardschen Adam draagt. Wat bedoelt hij daar nu mede?
Laat ons een weinig onderzoeken en dieper graven, want de zaak is van groote beteekenis! Wanneer wij de ontelbare menigte schepselen op aarde gadeslaan, dan komt zonder twijfel de mensch als de laatste sport aan een oneindige ladder voor, ja als een top, waar al het lagere op wijst. Wij zullen hem echter beter begrijpen, als wij hem in zijne betrekking tot de lagere trappen beschouwen. Ik wil mij van eene vergelijking bedienen, die men dikwijls gebruikt heeft, daar men de massa aller geschapen dingen naar de trappen eener piramide rangschikte.
De onderste trap, die de groote, breede menigte van schepselen omvat, wordt dan ongetwijfeld door het d e 1 f s t o f f e n r ij k gevormd. Hier heerscht de dood, de onbeweeglijkheid. De delfstof nu moge stof of steen, goud of vette aarde zijn, zij is dood. Zoolang deze wereld niet van uit een hoogere wereld bevrucht wordt, blijft hier alles zooals het is. Geen delfstof kan uit zich-zelve leven teweegbrengen; geen delfstof kan zich door eigen kracht ontwikkelen of van hare plaats bewegen.
Boven deze wereld des doods verheft zich nu als tweede, hoogere trap, de plantenwereld. Het doet er niets toe, dat hier oneindige verscheidenheid bestaat. Maar ook het geringste plantje dat uit de spleet van een rots opschiet en maar een enkelen dag bloeit, om dan te verwelken, heeft evengoed leven en hetzelfde leven als de krachtige eikenboom, die de eeuwen verduurt. Overal in de plantenwereld vinden wij de vier teekenen van het leven: den wasdom, de voeding, de afscheiding en de voortplanting. Al geschiedt dit alles bij de onderscheidene planten op de veel-vuldigste wijzen — nochtans komen alle planten hierin overeen, dat wij deze vier teekenen des levens bij haar vinden.
16
Doch liet leven der planten is toch slechts een lage trap van leven. Niet slechts dat de plant aan de plaats waar zij staat gebonden is en zich niet voortbewegen kan, — neen, maar bovenal ontbreekt haar het gevoel. Eerst bij de d i e r e n w e r e 1 d vinden wij een leven der zinnen. Ook de geringste worm in het stof voelt diep de smart, als zij vertreden wordt; de leeuwerik juicht de opgaande zon toe; zelfs de logge walvisch is op zijn wijs verblijd, als de geweldige zeegolf hem weer van de zandbank afhaalt, waar hij tijdens de ebbe op vastgeraakt was. Ja, hier is een verblijding in het leven, een smart in het lijden en den dood. Hier is genot in de voeding, in den wasdom, in de werkzaamheid en zoo voorts. Hier is de vrijheid om zich voort te bewegen, hetzij door de lucht, hetzij in het water, hetzij op de aarde. Ja, hier eerst is leven, dat dien naam verdient.
Neen, ook dit leven verdient dien naam niet; wanneer wij het in vergelijking brengen met dat leven, hetwelk wij bij den mensch vinden, die de top van de piramide is. Of zou demensch geen hooger trap uitmaken ? Zouden diegenen gelijk hebben, die hem slechts „een hooger bewerktuigd dierquot; laten zijn.
Wij hebben geen lust te strijden met dezulken, die, dronken van den wijn eener gewaande wetenschap, 's menschen hoogeren aard en hoogere natuur loochenen. Er zijn beweringen, die men te veel eer aandoet, wanneer men ze ernstig opvat. Men komt verder, zoo men zich daar tegenover op het menschelijk instinct en op het menschelijk gezond verstand beroept. In alle tijden en in alle streken der wereld heeft de mensch zich van bet dier onderscheiden. Het is nog nooit gehoord dat de laagste soort van menschen er ergens of ooit aan gedacht heeft met de hoogste diersoort een echtverbintenis aan te gaan.
Waarlijk, dat de menschen zoo gaarne over het onderscheid tusschen mensch en dier spreken en strijden, bewijst reeds de oneindige grootte van dit onderscheid. De mensch heeft zelf be-
17
wustzijn; hij is de denkende, hij is een persoonlijkheid. En omdat hij de denkende is, is hij de koning in de wereld; en omdat hij de denkende is, klimt zijn geest op tot God, den oorsprong aller geesten. Is het — om het oneindig onderscheid tusschen mensch en dier aan te toonen — noodig, op de geschiedenis der ontwikkeling en der beschaving te wijzen, die ons het men-schelijk geslacht als oneindig vooruitgaande doet kennen, terwijl elke soort van dieren hoogstens 1 i c h a m e 1 ij k e veranderingen vertoont? o. Ik meen dat elke schreeuw van een hart naar God, den levenden God, — elke angstige, verlangende vraag: „Wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen?quot; — teekenen zijn van een trap, die even hoog boven de dierenwereld verheven is, als het dier verheven is boven de plant, de plant hoven de delfstof.
Zonder twijfel, dat wij het beeld van Adam dragen, wijst op onzen adel tegenover alle overige schepselen. Wanneer men daaruit nu echter de hoogst schrandere gevolgtrekking maken wilde, dat men dus bij den mensch ook in alle -opzichten het hoogste welzijn, het hoogste geluk, de volkomene harmonie vinden zal — dan zou men de smartelijkst denkbare teleurstelling beleven. Ach, het beeld van den aardschen Adam sluit niet alleen 's menschen adel, — neen, het sluit ook zijne verdorvenheid in: Adam, de eerste mensch, de vader van allen, was ook de eerste zondaar en vermaakte zijne zonde aan al zijne nakomelingen.
Men kan het bestrijden, en men heeft het nooit zoo ernstig bestreden als in onze eeuw, waarin men alles bestrijdt. Koelbloedig beweert men dat de mensch is zooals hij zijn moet en dat hij niet anders kan zijn dan hij is. En toch zien wij dat juist in den mensch, de koning aller schepselen, „het na m e 1 o o s w e e n e nquot;, dat door de gansche schepping heen weerklinkt, — dat het juist bij den mensch tot een merg en been doordringende weeklacht wordt. Deze koning is de samenvatting van alle hart-
2
18
zeer, dat in liet heelal gevonden wordt. En ware het alleen lichamelijke smart! Neen, veel verschrikkelijker nog is de inwendige verscheurdheid des menschen, die hieruit is voortgekomen, dat hij den band met God heeft doorgesneden, o. Welk een armzalig, welk een disharmonisch wezen is de mensch! Ik spreek dus niet van hetgeen men misdaad noemt. Ik denk nu niet aan de hooze geesten, die in het bloed der volken waden en dan, zonder een spier te vertrekken, kunnen zeggen: „Dat brengt de oorlog meê.quot; Ik denk nu niet aan die snoode wellustelingen, die, om den schuimenden beker der zinnelijkheid te ledigen, een menschelijke ziel bederven en verwoesten en haar dan laten liggen en versmachten in het stof. Neen, ik richt mijn woord tot de reinste, edelste leden van het menschelijk geslacht. Ik vraag u: Zijt niet juist gij het, die met bevende stem klaagt: .Het gansche hart is krank, het gansche hoofd is mat!quot; — Zijt niet juist gij het, die er over treurt, dat zelfs in uw reinste gedachten het vergift der zelfzucht binnendringt? Zijt niet juist gij het, die de ondervinding opdoet, dat gij niet kunt wat gij wilt; dal gij het goede niet kunt, hoewel gij het wilt; dat gij het kwade doet, hoewel gij het niet wilt ? Gij wilt u boven het wereldsche en vleeschelijke beginsel verheffen, u opheffen tot God, uwen Oorsprong, maar ach, gij voelt, gij vindt eene macht, eene wet in u, die u telkens weer naar beneden trekt.
Hoe? Zoo zou God den mensch geschapen hebben? Neen, zeg dan met Schoppenhauer: „Ik zou die God niet willen zijn.quot; Hoe? Het menschdom zou altijd zoo geweest zijn en altijd zoo blijven? Dan sluit ook ik mij bij den pessimist aan en laat voor altijd alle hoop varen.
o. Gij, die zegt; „De menschen moeten zijn zooals zij zijn en blijven gelijk zij zijn,quot; — o, zwijgt toch, zwijgt! De geheele menschheid van alle tijden en streken der aarde antwoordt u met een schreeuw om verzoening. Waarlijk, het is onmogelijk.
19
dat God de menschheid geschapen heeft zooals zij is. Er moet een vreeselijke ramp geschied zijn. En inderdaad, iets ontzettenders kan men zich niet voorstellen dan dat de mensch, het hoofd van alle schepselen, zich losmaakte van den Schepper, van den Oorsprong van alle leven, van Hem, naar wiens beeld hij geschapen was. Dat is hetgeen de Schrift ons vermeldt, wat het geweten bevestigt, wat het verstand bijna e i s c h t, zoo wij bovenal nog van een verstand in de wereld zullen spreken.
Kortom, er heeft een gruwzame verwoesting en verderving van het menschlijk beeld plaats gehad. Het beeld van den aard-schen Adam is op verre na niet meer wat het was. Ik zeg niet dat het beeld Gods in den mensch vernietigd is. De Schrift leert niet dat de mensch na den zondeval een steen en blok geworden is. Zoo hebben wel allerlei predikers geleerd en gemeend God te verheerlijken, wanneer zij den mensch nog dieper vernederden dan hij helaas reeds vernederd is. Maar de Schrift zegt, dat Gods beeld in den mensch wel verdorven, maar niet uitgedelgd is; hoe kon God de Heere anders, waar Hij na den zondvloed verbiedt menschenbloed te vergieten, — hoe kon Hij, zeg ik, dit verbond bekrachtigen met dit woord: „Want God heeft den mensch naar zijn beeld gemaakt.quot; Ook de Schrift maakt onderscheid tusschen geloo vigen en ongeloovigen, rechtvaardigen en goddeloozen, kinderen Gods en kinderen der wereld. Niet dat de éenen aldus en de anderen alzoo zijn moesten. Het onderscheid ligt in den wil. En wat hen onderscheidt is dit, dat de eenen aan de trekkingen en aansporingen, die naar boven, tot de goddelijke heiligheid leiden, toegeven en dat de anderen ze weerstaan.
Maar ach, ook van de kinderen Gods, van de godvreezenden, van de rechtvaardigen getuigt de Schrift, dat zij v 1 e e s c h zijn, onbekwaam om zich aan den geest der wereld en der zelfzucht te ontwringen, ongeschikt dus ook uit en in zichzelf voor de
20
levensgemeenschap met God, die zij toch zoeken. Allen, ook de besten, „derven de heerlijkheid Gods.quot;
Maar evenals de delfstof op zichzelve dood is, maar toch geschikt voor de aanraking van een hoogere wereld, — ik zeg, evenals de doode delfstof geschikt is om de bezaaiing en bevruchting in zich op te nemen en te verwerken, — zoo is de naar God dorstende ziel voor het goddelijke geschikt. Hij, die — om met den apostel te spreken — „dood is in zonden en misdaden,quot; kan wedergeboren worden, zoo hij den Heiligen Geest Gods macht en gezag over zich laat. Dezelfde Heiland, die tegenover Nicodemus hoogst ernstig betuigt dat een mensch, uil een vrouw geboren, v 1 e e s c h is,—getuigt ook : „Tenzij iemand wedergeboren is, hij kan het koninkrijk Gods niet zien.' Klinkt in dit „tenzijquot; niet reeds zacht: „Het kan zijnquot;, „het zal zijnquot;, „er is een wegquot;, „Ik ben de wegquot;? God zij geloofd, wij hebben niet verkeerd gehoord: „Gelijk wij het beeld des aardschen gedragen hebben, zoo zullen wij ook het beeld des hemelschen dragen.quot;
4. WAT IS HET BEELD DES HEMELSCHEN?
Boven de pyramide, die wij beschouwden, openen zich de hemelen, en zie, uit de hoogte der hemelen daalt iemand neder als eens menschen zoon. Zoo werd de Heiland reeds aanschouwd door den grooten Israelietischen ziener, die aan den Eufraat leefde (Daniël 7). En dit beeld is zoo veelzeggend, dat het ons geheele boekdeelen met godgeleerde verklaringen over den persoon van Christus vergoedt. Twee zaken liggen daarin : ten ejrste dat Hij, die daar komt, het reinste beeld der hemelen is of, zooals Hij zelf later zegt: de „Zoon Godsquot;; ten tweede dat Hij, die uit de hemelen komt, nochtans volkomen en geheel een mensch is.
Maar dat is ondenkbaar, dat is wonderbaar, hoor ik zeggen.
21
Ja, gewis is het wonderbaar; het spreekt vanzelf dat het wonderbaar is. Elke hoogere trap is wonderbaar voor de lagere. Wonderbaar is de plant tegenover de delfstof; wonderbaar is het dier tegenover de plant; wonderbaar is de mensch tegenover het dier; wonderbaar is en moet de hemelsche, uit God geboren Menschenzoon zijn, tegenover den aardschen en zondigen mensch.
Maar wij staan voor de vraag: Wat is het beeld van den hemelschen? Wij hebben reeds geantwoord: het is het beeld van den Wonderbare. Daarin ligt opgesloten dat wij onze zucht tot kennis moeten laten breidelen. Het kan dus niet mijn voornemen zijn te dezer plaatse de verborgenheid van den persoon van Christus in het licht te stellen en te verklaren. Dat zou mijn krachten ver teboven gaan. Wel is waar, dat het mijne kracht teboven gaat, wil wreinig zeggen. Maar ik beweer dat het elke menschelijke kracht en bekwaamheid teboven gaat. Wat de engelen met gebogen hoofden wilden aanschouwen en toch niet konden, dat zal ook den grootsten en edelsten geesten onder de menschen hier beneden niet geheel onthuld worden. Bibliotheken kan men met boeken vullen, die zich uitsluitend er meê bezighouden, de groote verborgenheid te doorgronden. Dat men tegenwoordig de oplossing van het goddelijk raadsel wezenlijk meer nabij zou zijn gekomen, laat zich moeielijk verdedigen. Aan het schrijven, strijden en verketteren is nog altijd geen einde, o, Ik ben het zoo moede het strijdgeroep te hooren over den naam van den Eenige, die toch de vrede in persoon was en die gekomen is om den vrede te brengen op aarde. Als broeders begroet ik allen, die, tot welk volk of welke belijdenis ook behoorende, in Jezus den Heiland der wereld, den Redder van zonde en dood erkennen en wier innigste begeerte het is, door zijnen Geest naar zijn beeld verheerlijkt te worden
Ja, hier is meer dan Salomo, meer dan Mozes, dan Jesaia, dan Socrates, — meer, wat zijn Wezen betreft meer, — of er
22
is in het geheel niets. Maar omdat Hij meer is en meer zijn moet dan het gansche heelal kan aanbieden, zoo is hier ook en moet hier zijn en blijven — een verborgenheid. Een mensch, in wien God is, is wonderlijk. Maar deze Wonderlijke is wezenlijk, anders zouden wij nu niet over Hem spreken. Op het denkbeeld zou nooit een menschelijke geest gekomen zijn, indien het feit niet vooraf bestaan had.
Wij nu willen ons in deze beschouwingen niet bezighouden met de geheimzinnige en verborgene diepten in het Wezen van Christus, maar met zijn „beeldquot;, in zooverre het in de menschelijke verschijning getreden is. Wij willen de bijzondere karaktertrekken van Jezus beschouwen uit het oogpunt dat zij ons ten voorbeeld zijn; want d a t is immers het groote uitzicht dat voor ons ligt: „Wij zullen het beeld des hemelschen dragen.quot;
Wat de apostel daarmede bedoelt schijnt mij niet raadselachtig toe. In allen gevalle is er geen sprake van het lichamelijk beeld, dat Jezus op aarde droeg. Van zijne lichaamsgestalte vernemen wij nooit en nergens iets. Terwijl de Evangelisten ons duizend kleine trekken uit zijn omgang met de menschen, uit zijn spreken en doen, uit zijn liefdebetoon en lijden mededeelen, verraadt ons geen aanwijzing hoe de Heiland er heeft uitgezien. Wij vernemen niet of Hij schoon of niet schoon, groot of klein was; wij hooren niet welke oogen, welk haar, welk gelaat Hij had. Men heeft het dikwijls betreurd dat wij te dien aanzien zoo geheel zonder berichten zijn. Maar de Heilige Geest, die de Schrift heeft ingegeven, openbaart zijne wijsheid niet minder in hetgeen Hij verzwijgt dan in hetgeen Hij zegt. Ik bid u, tot welke dwaasheden zou het in de Christenheid hebben geleid, zoo men van Christusoogen, Christushaar, Christusgestalte, Christusgelaat en zoo voort had kunnen 'spreken! Ik wil dit om gegronde redenen niet verder uiteenzetten. Elk kind echter weet tot welk een bijgeloof het geleid heeft, dat men beweerde stukken hout en nagels van zijn
23
kruis, zijn rok zonder naad en dergelijke te bezitten. Wat zou er van worden, zoo men de li u t nog had, die Hij in Nazareth bewoonde, den beker waaruit Hij dronk, den staf waarvan Hij zich bij zijn rondreizen bediende en zoo voort. — Zoo zou het ook alleen tot vervreemding van het Christendom leiden, indien men zijn beeld bezat.
Wanneer derhalve de apostel zegt dat de Christenen het beeld van Christus zullen dragen, heeft hij niet iets lichamelijks op het oog. Maar toch bedoelt hij ook iets lichamelijks, dewijl de discipelen van Christus evenzeer als Hijzelf te zijner tijd ook 1 i c h a-melijk verheerlijkt zouden worden tot onvergankelijke schoonheid. Maar niet, dat ten laatste alle Christenen er zouden uitzien, zooals Hij er uitzag of uitziet. Dat ware een ongerijmd denkbeeld. En het zou een eentonige hemel zijn, waar het zoo ware. De rijkdom der schepselen Gods is onmetelijk. En juist in dezen rijkdom openbaart zich zijne almacht en zijne wijsheid. Deze menigvuldige rijkdom der geschapen wezens is het, die ons hier beneden verrukt en tot aanbidding beweegt. En nergens is de menigvuldigheid grooter dan onder de menschen. Dat zal in den hemel ook zoo zijn.
Evenmin als degenen, die het beeld van Adam dragen, 1 i c h a-m e 1 ij k aan hem gelijk zijn, — evenmin is een lichamelijke gelijkheid aan Jezus bedoeld, wanneer er gezegd wordt: „Wij zullen het „beeld des hemelschenquot; dragen.quot; Er wordt gesproken over het inwendige beeld, of als ik mij zoo mag uitdrukken, over het zedelijke beeld van Jezus Christus. Dit geestelijk-zedelijke beeld van Jezus Christus nu wordt ons in de Evangeliën met een duidelijkheid voor oogen gesteld, die volstrekt niets te wenschen overlaat. Wij willen in den loop van dit geschrift op de afzonderlijke trekken van dit beeld het oog vestigen. Hier zeggen wij alleen, dat dit beeld zich te allen tijde en onder alle volken, waar het juist beschouwd werd, zich heeft doen kennen
24
als het beeld der menschheid zooals zij behoort te zijn. Men kan wel zeggen (en men zegt het ook): „De Christus, dien de Evangeliën beschrijven, heeft nooit bestaan.quot; Of men kan zeggen: ,Onverschillig of Hij bestaan heeft of niet, in elk geval kunnen w ij niet worden en nooit gezind zijn, zooals Hij was.quot; Men kan nog verder gaan, — men kan ook zeggen: „Ik wil zoo niet gezind zijn; ik wil een leven naar de begeerlijkheid des vleesches en de genietingen dezer wereld leiden.quot;
Ja, dat alles kan men zeggen. Maar onmogelijk kan men betwijfelen dat dat d e ware mensch is, die ons daar voor oogen gesteld wordt. Neem een Eskimo of een Europecschen wijsgeer, laat een Nieuw-Zeelander of een Hindoe er hun oordeel over uitbrengen, — zoo het eenigermate waarheidlievende en oprechte lieden zijn, zullen zij zeggen: „o, Gij Heere Christus, die hemelhoog boven ons verheven zijt, — mochten wij toch gezind worden zooals Gij! Zalig de man, in wien uw Geest woont.' o. Welk een wonderbare harmonie aller deugden in U, die altijd éen zijt met den Vader! o. Welk een zalige reinheid van zonde en daarbij toch die teedere, heilige barmhartigheid jegens den zondaar! o, Welk een heerlijke vereeniging van majesteit en zachtmoedigheid, welk een vrijheid ten opzichte van alle menschen en daarbij die begeerte om te dienen ten aanzien van de diepst ellendigen! o, Hoe kunt Gij in deze wereld alles hebben, en alles ontberen. Voor elk bloempje aan den weg dankt Gij met bewogen hart den Vader in den hemel, en toch vergeet Gij geen oogenblik dat de wereld vergaat met hare begeerlijkheid. Op welk een verblijdende wijze zijn toch al de tegenstellingen en tegenstrijdigheden, die ons leven beroeren, in U opgelost. Gij kunt toornen en liefhebben tegelijk; Gij kunt met de tranen in het oog, met het gebed op de lippen den geesel zwaaien, — Gij kunt ontroerd zijn over het lot van uw volk en toch tegelijk een open oor hebben voor het Hosianna van eenige kinderen. Ja,
in U vinden wij overal dien God, dien wij zoeken, en tegelijk den Broeder, die met ons medegevoelt.
Dikwijls heeft men nagesproken wat de oude goede Wands-becker Bode in zijne brieven aan Andries over de verscliijning van Christus zegt en ook ik wil niet te hooghartig zijn om het hier af te schrijven: „Niemand heeft ooit zoo liefgehad; en iets zoo goeds en zoo groots als de Bijbel van Hem zegt en verzekert , is nooit in eens menschen hart opgekomen. Het is een heilige gestalte, die den armen pelgrim als een ster in den nacht verschijnt en zijn innigste behoefte, zijn geheimste verwachting vervult, (o. Zie Hem slechts goed aan!) Een Verlosser uit allen nood, van alle kwaad! Een Verlosser van den Booze! Een Helper, die rondging en weldeed en zelf niets had om zijn hoofd op neder te leggen; — die geen moeite of smaad achtte en geduldig was tot den dood aan het kruis toe, opdat Hij zijn werk voleindde; — die in de wereld kwam om de wereld zalig te maken, en die daarin geslagen en mishandeld werd en met een doornenkroon weder heenging! — Andries, hebt gij ooit iets dergelijks gehoord, en vallen u de handen niet langs het lijf neer? Zeker is het een verborgenheid en wij begrijpen het niet; maar de zaak komt van God en uit den hemel, want zij draagt het zegel des hemels en vloeit over van barmhartigheid Gods. Men zou zich voor het denkbeeld alleen wel kunnen laten brandmerken en radbraken, en wie het in de gedachten kan komen te spotten en te lachen, die moet krankzinnig zijn. Wie zijn hart op de rechte plaats heeft, die ligt in het stof en juicht en aanbidt.quot;
En wij moeten juichen en aanbidden, want wij weten dat het hier geen „bloot denkbeeldquot; geldt, maar een levende en lichamelijke Heilandsgestalte. Waar ter wereld ware ook de persoon geweest, .die zulk een beeld had kunnen uitdenken, zonder dat zijn eigen onrein hart hem daarbij elk oogenblik bedrogen had. Niet alleen echter dat Hij werkelijk leefde en leeft, voor ons
2G
leefde en voor ons leeft, — neen, ook wij zullen zijn beeld dragen. Zijne inwendige heerlijkheid des levens zal de onze worden; de uitwendige schoonheid zal dan vanzelf volgen. Wij zullen niet eeuwig als arme begenadigde zondaren bestaan, wien „een plaatsje in den hemelquot; is ingeruimd, maar die er eigenlijk niet in passen. Wat baatte ons den hemel, zoo wij zelf niet he-melsch waren? Wat baatte ons de heerlijkheid Gods, zoo de behuizing onzer ziel, waarin wij deze heerlijkheid opnemen, niet heilig was? Neen, wij zullen zijn beeld dragen, zoodat wij ons voor het gansche heelal, voor alle engelen en aartsengelen, ja voor de oogen van den heiligen God met opgeheven hoofde kunnen laten zien als Gods liefhebbende en geliefde kinderen.
Is dat niet een ideaal, dat het leven waard is? Is dat niet een ideaal, dat duizendmaal waard is dat men er zijn leven voor geeft? Is dat niet een ideaal, dat zóo hoog boven alle aardsche idealen verheven is als de hemel boven de aarde? In welke diepten van duisternis en droefheid, van nooden naar lichaam en ziel, van verlatenheid of smaad gij ook neder moogt zitten, arm menschenkind, — sta op, stem de harp en zing: „Gelijk ik het beeld des aardschen draag, zoo zal ik het beeld des hemel-schen dragen.quot;
5. WIJ WORDEN NAAR HETZELFDE BEELD VERANDERD.
Alleen wie de trouw, de liefde en het geduld van Jezus Christus kent, kan in het algemeen gelooven, dat het groote doel, waarvan wij spreken, met ons arme, zondige menschen eenmaal bereikt wordt. Maar hoewel ook ons gansche vertrouwen op Jezus' wondermacht moet gevestigd zijn, zou er toch niets dwazer zijn dan wanneer wij Hem maar zoo wilden laten begaan. Belachelijk bijgeloof zou het zijn, te denken dat de mensch zoo maar in zijn oude gezindheid kon voortleven en dat dan te zijner tijd,
27
hetzij bij den dood of na den dood de verandering naar Christus' beeld geschieden zou. Neen, zulke wonderheden leert de Schrift niet, maar zij betuig', overal, dat daarboven slechts voltooid wordt wat hierbeneden is aangevangen. Volgens de Schrift staat de tijd tot de eeuwigheid als het zaad tot den oogst.
Zoo klinkt dan dit woord door het geheele Nieuwe Testament: ,Een iegelijk zij gezind gelijk ook Jezus Christus gezind was.quot; Begrijpen wij het wel: niet eerst daarboven moeten wij zoo gezind zijn, — dat toch ware veel te laat — neen, nu, thans, terwijl wij dit hooren, moet het aanvangen. Of: .Doel aan den Heere Jezus Christus;quot; doet dat in dezelfde mate als waarin gij den ouden mensch met zijne werken aflegt. — „Laatquot;, aldus vermaant de apostel, „de vrucht van den Geest van Jezus aan den boom van uw inwendig leven gezien worden, zachtmoedigheid, liefde, vrede, blijdschap, geduld, in dezelfde mate als waarin gij de werkingen des vleesches doodt. — „Gij zijt,quot; zoo schrijft Petrus, „een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom.quot; Hoe echter moeten wij dat openbaren? Misschien hierdoor, dal wij ons op onze voorrechten beroemen en anderen verachten? Och neen. Dat zou immers dezelfde dwaasheid zijn als wanneer personen van ouden adel zich beroemden op hun „blauwe bloedquot; en toch niet adellijk in hunne gezindheid en wandel waren. En inderdaad, zoo dwaas zijn ook vele Christenen geweest en hebben de wereld groote en rechtmatige ergernis gegeven. Neen, gij zijl hel koninklijk geslacht, opdat gij zoudtverkondi-gen (natuurlijk metterdaad) de deugden Desgenen, die u uit duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht (1 Pelr. 11:9).
Derhalve komt het er op aan het leven van Christus werkdadig voort te zetten in een wereld, die er weinig oog en nog minder dank voor heeft. En hetzelfde wordt bedoeld, wanneer de apostel zoo eenvoudig en verheven schrijft: „Wij
28
worden naar hetzelfde beeld (van Christus) in gedaante veranderd als van des Heeren Geestquot; (2 Cor. III: 18). Niet over een wereldperiode of hemelperiode spreekt de apostel. Waarlijk, het zou een groote vervalsching zijn, hem dat te laten zeggen. Neen, hij spreekt over den tegenwoordigen tijd, die hiermee is aangevangen, dat gij zeidet: „Ik heb den Heere Jezus lief.quot;
Is dat niet een onuitsprekelijk ernstige zaak ? Ghristenen zijn dus menschen, die geen hooger ideaal hebben, dan gezind te zijn, gelijk ook Jezus Christus was. Christenen zijn menschen, die elk oogenblik zijne stem hooren ; „Volg mij na!quot; Menschen, die er hun levensgeluk en eer in zoeken, zijne deugden te verkondigen en inmiddels veranderd te worden naar zijn beeld. Is dat geen ernstige zaak? Is deze vrijmoedige verklaring: „Wij worden veranderd naar het beeld van Christusquot; niet een goddelijk groot vraagteeken, dat met vurige letters in uw hart en in uw geweten geschreven is?
Ja, dat is iets anders dan wanneer men zegt; „Ik geloof alles wat de Schrift zegt,quot; of; „Ik laat mij geen volzin, ja geen letter van mijn Catechismus ontrooven.quot; Dat is iets anders dan dat men zich bij de rechtzinnige kerkelijke partij houdt; iets anders dan dat men soms zeer handig een lans breekt voor het Evangelie en de spotters en andere wereldlingen „eens terdege terecht zet, zoodat zij er levenslang aan denken zullen.quot; Dat is iets anders dan dat men met gemaakte nederigheid over zijne zwakheid zucht en er zich meê troost, dat de goede Heiland alles te rechter tijd wel in orde zal maken.
Ons voornemen is om in de volgende bladzijden de b ij z o n-dere karaktertrekken, of zoo gij wilt, de afzonder-lijke deugden van Jezus te schetsen en dan, zonder weeke-lijke zelfverblinding, ons beeld in dat beeld te spiegelen en ons-zelven af te vragen, hoe wij van ons beeld af en tot zijn beeld geraken. Eerst willen wij er slechts eenige lichtstralen.
29
op laten vallen en ons de vraag stellen, hoe deze verandering in het algemeen geschiedt.
Zoo de groote meester Goethe eens een eenvoudigen verzenmaker toegeroepen had: „Span al uwe krachten in om gedichten te maken aan de mijne gelijk,quot; dan zou dat zonder twijfel zeer wreed geweest zijn, gezwegen nog dat het een bespotting geweest ware. Of als Rafaël een rappen verver in de Abruzzen den raad gegeven had om zich zijne schilderstukken in de zaal van het Vaticaan tot model te stellen, zoo zou dat den armen man (indien hij maar een weinig verstand had) slechts vertoornd hebben. En wreeder nog zou het zonder twijfel zijn, wanneer de heilige Christus zijn discipelen toeriep: „Volgt mij na!quot; en Hij hen daarbij op hun eigen kracht, hun wilskracht, hun zedelijke pogingen gewezen had. Tot eene verandering naar het beeld van Christus te geraken, was den vurigen Petrus even onmogelijk als den diepzinnigen Johannes; Johannes even onmogelijk a Is den hoogbegaafden Paulus, die nochtans schrijft: „Wij worden veranderd naar hetzelfde beeld.quot; Doch hij voegt er bij : „a 1 s van des Heeren Geestquot;. De veranderende kracht gaat van Hem uit, naar wiens beeld wij zullen veranderd worden. Zijn eigen Geest is het, die alles doet en zonder dit ware de gansche zaak een spotternij.
Ik ben een „self made manquot; — met deze woorden meldde zich onlangs een jonge man bij mij aan, dien ik vóór twintig jaar bevestigd had. Hij was indertijd als een arme jongen naar Amerika gegaan en nu was hij een rijk man en liet dadelijk een deel van zijn rijkdom aan zijne met kostbare ringen omzette vingers schitteren. Zulke „eigengevormde mannenquot; boezemen de wereld buitengewone achting in. En inderdaad, zij verdienen ook onze opmerkzaamheid. Er moet een degelijke kern in hen zijn. Zoo zij niet hun aangeboren talenten met groote trouw en met stalen ijver behoorlijk hadden aangewend, zouden zij, ondanks
30
het ,blind geluk, dat hun toelachte,quot; niet zoover zijn gekomen. Jammer maar, dat zulke „self made menquot; in den regel zeer hoogmoedig zijn; hoogmoedig en ook hardvochtig, want zij plegen op allen, wien het in de wereld „niet meelooptquot;, met sou-vereine minachting neder te zien.
Zullen er nu zulke „self made menquot; ook in den hemel zijn? Zullen daar menschen zijn, die door hun verdiensten en inspanningen zoover gekomen zijn? Wij weten het tegenovergestelde. „Uit genade zalig en niet door de werkenquot;, dat weerklinkt door al de oorkonden van het Nieuwe Testament. De heilige en verheerlijkte gemeente voor Gods troon, die Johannes aanschouwd en gehoord heeft (Openb. Vil), verkondigt alleen den roem van den Eénige, die voor haar in den dood gegaan is.
De verlossing zoowel als de heiliging is eeniglijk en alleen het werk van Jezus Christus zeiven: „als van des Heeren Geest.quot; — Doch het is toch ook nietzóo, dat degenen, die in het land der heerlijkheid zijn, „zicli verwonderd de oogen wrijven en in het geheel niet weten, hoe zij er gekomen zijn.quot; Aldus heeft iemand geschreven, die zeker meende, dat het zeer vroom was. Ik kan het daar echter niet voor houden. Integendeel, zaligheid en verheerlijking moeten hierbeneden reeds aanvangen of het ziet er slecht meê uit.
Er kan evenwel niets in ons geschieden zonder dat wij den Geest in ons plaats geven. Een kind behoeft niet zelf voor zijne opvoeding te zorgen; dat is de zaak van zijn ouders. Maar de ouders — al waren het ook de wijste en liefderijkste opvoeders — zijn volstrekt onmachtig iets te doen, wanneer hun kind hunne gedachten niet ter harte neemt, ja wanneer het zijn hart niet gaandeweg vrijwillig overgeeft, wanneer het zich dus zelfs niet van oogenblik tot oogenblik opgeeft en laat varen. Zoo is ock de almachtige genade Gods machteloos ten opzichte van den discipel van Christus, wanneer hij Hem geen plaats in zijn hart
31
geeft. Kalme rust moet daarin heerschen, wanneer de Zon der hemelsche genade zich daarin spiegelen zal. Boven alle andere wenschen, begeerten en verlangens moet d i t verlangen gaan: „o, Woon in mijn harte, kom, maak 't op aarde reeds U ten blijvend heiligdom; blij ontplooien zich de bloemen in der zonne gloed, mocht ik zoo met blijden moed, me in uw stralen sterken en U laten werken.quot;
Dat is de rechte stand van een kind Gods op eiken trap van ontwikkeling. En telkens weer moet het zich uit het rusteloos, uitwendig wereldsch drijven en uit alle golving der inwendige begeerten, gedachten en hartstochten tot dezen stand opwerken. Dat het der zonde alzoo moet gestorven zijn, dat het met haar op geen wijze gemeenschap hebben en verstandhouding zoeken wil, spreekt daarbij vanzelf. Dat is de reinheid van h a r t, die Jezus bij ons zoekt; niet dat de zonde ons niet meer belaagt en ons aankleeft, — ach, waar is de mensch bij wien het zoo zijn zou? — maar dat wij ze als eene vijandin beschouwen, die tegen onzen wil ons overvalt, die tot onze diepste smart nog dikwijls heerschappij over ons krijgt.
Ik zeg dat alles in weinige woorden en het klinkt inderdaad zoo eenvoudig, zoo natuurlijk, dat wij der zonde gestorven moeten zijn, gelijk de apostelen overal en altijd weer betuigen. Hoe zouden wij niet? — zegt wellicht iemand — daar wij toch de zonde als het grootste kwaad hebben leeren kennen? Maar ach, wie zijn hart kent, wie het weet hoe de zonde met ons gansche gedachten- en gevoelsleven samengegroeid is, wie het weet, hoe aangenaam zij vaak is, ja hoe beminnelijk zij dikwijls schijnt en hoe bemind zij vaak maakt, — wie het weet welke groote voorrechten en voordeelen men dikwijls in de wereld gewint, wanneer men zich maar een weinig buigt en bukt voor de „oriënten dezer wereld,quot; — die weet, dat hij de kracht tot zulk een „dood-zijnquot; alleen bekomt, zoo hij altijd weer zijn blik op
32
den Heiland vestigt, die om onzentwil gegeeseld en gefolterd in den dood ging, maar die ook door zijne opstanding de levenskrachten gewonnen heeft, die den dood in ons dooden.
Niet derhalve onze inspanningen, maar de uitvloeiingen des levens uit den verheerlijkten Christus, de toevloeiingen des levens die uit Hem zich in ons hart uitstorten, — zij alleen zijn het waardoor de verheerlijking naar zijn beeld geschiedt. Op de wereldberoemde schilderij van den grooten meester Correggio, die den „heiligen nachtquot; voorstelt, gaat alle licht v a n h et G h r i s-tuskind uit. Niet alleen de herders, ook Maria en Jozef, ja zelfs de engelen, die in het luchtruim zweven, ontvangen hun licht alleen van den Heiland. Dat is een krachtige prediking. Kinderen des lichts worden wij menschen tot in het einde der dagen alleen door de innige verbindtenis met den Eénige, die het licht der wereld is. Maar zoo worden wij het ook, al moge het nóg zoo langzaam gaan. Breng een stukje ijzer dichtbij een magneet, zoo zal het door dezen niet slechts aangetrokken worden, maar het ontvangt ook magnetische krachten van hem, zoodat het nu zelf kleine lichamen aan kan trekken. Indien het aanhoudend met den magneet verbonden bleef, zou het ook voortdurend de eigenschappen van den magneet verkrijgen. Het beeld laat zich natuurlijk gebruiken voor de betrekking van de geloovige ziel tot Christus. Alleen moet de menschelijke ziel v r ij w i 11 i g tot den Heere komen. De eischen, die daarbij aan onze offerwilligheid gesteld worden, zijn waarlijk groot genoeg. Maar zoudt gij wen-schen dat het anders ware ? Zoudt gij ooit achting voor uzelven kunnen hebben, indien de zaligheid — ik spreek dwaselijk — u overkomen ware, gelijk de regen op het veld valt? Waar gaven zijn, daar zijn ook altijd eischen; waar rechten zijn, daar zijn ook plichten. Dat is zoo in het gewone leven. Een volk gaat ten onder — en al ware het voorshands nog zoo machtig, toch verkeert het reeds in het tijdperk van verbrokkeling — wanneer
33
de rijken, de machtigen, de aanzienlijken hunne voorrechten alleen als middelen tot levensgenot beschouwen; wanneer zij niet beseffen dat daar hooge en heilige verplichtingen uit voortvloeien. Ons volk gaat ten onder, wanneer de „werkliedenquot; maar altijd, gelijk het thans gaat, meer loon bij minder en slechter werk willen eischen; wanneer zij alleen eischen stellen om slechts meer te kunnen genieten; wanneer zij hunne burgerlijke rechten alleen willen gebruiken om mede te regeeren, maar zich-zelven niet willen beheerschen.
Op geestelijk gebied is het juist eerst recht zoo. Hoe meer de Heiland ons aanbiedt, des te meer eischt Hij ook van ons. Wel is waar niets meer dan dit: „Mijn zoon, geef mij uw hart!quot; maar dat is ook bovenmate veel. Want nooit heeft iemand zijn eigen vleesch en bloed gehaat. Dat is op eiken trap een werking der hemelsche genade.
Kortom derhalve: Hij is de scheppende kracht, en Hij is het alleen. Het doet er daarbij niet toe, hoe het leven is, dat gij voor de verbintenis met Jezus geleid hebt. Het doet er daarbij ook niet toe, of gij een koel of een driftig gestel hebt. Het doet er daarbij niet toe, of gij man, dan wel vrouw, of gij hoog begaafd, dan wel weinig begaafd zijt. Het maakt geen onderscheid of gij tot het Mongoolsche- of tot het Indo-Germaansche ras behoort. Alle menschen zijn tot Jezus geschapen. Allen zijn evenzeer geroepen om veranderd te worden naar zijn beeld. Hij is de eenheid van het menschelijk geslacht, Hij is de vrede. Hij het doel voor allen, en totdat zij in Hem vereend zijn, blijven zij van elkander vervreemd door wederkeerig wantrouwen, ja door vijandschap en wrok van duizendvoudigen aard. Wie daarom lachen kan doe het; nochtans staat het vast: „Een zalige kudde wordt het alleen onder den éenen goeden, zaligenden Herder Jezus Christus.quot;
3
34
6. VAN HEERLIJKHEID TOT HEERLIJKHEID.
„Als van des Heeren Geestquot;, ziedaar de kracht der verandering naar het beeld van Christus. „Van heerlijkheid tot heerlijkheidquot; wijst er ons op, dat het een geleidelijk en langzaam werk is. Hier beneden zien wij slechts den aanvang van hetgeen boven voltooid zal worden; den aanvang der liefde, die onze harten vervullen, den aanvang des g e 1 o o f s, dat in aanschouwen verwisselen, den aanvang, ach, den geringen aanvang der heiligmaking, die boven volkomen ontluiken zal. „Daarboven, daarboven eerst loopt de weg des rechtvaardigen op den vollen, eeuwigen dag uit.quot; — Hebt gij er reeds over nagedacht, vrat dat wezen zal; verlost te zijn van den Booze! Geen zonde, geen verzoekingen, geen booze neigingen, geen inwendige strijd meer! De vrede in het licht, het geluk in de zaligheid. Onze verrukte ziel wordt niet moede zich in deze schitterende uitzichten te verdiepen. Zij heeft een voorgevoel van de eeuwig nieuwe voldoening harer diepste behoeften; zij ziet in de verte de volkomen herstelling van haar oorspronkelijk wezen, met kracht strekt zij zich daarnaar uit, temidden der bezoedeling en der smarten van dit tegenwoordige leven. Zoo schrijft de edele graaf De Gasparin in zijn boekje: „Woorden des harten.quot; Ja, groot is de zaak, groot boven alle bevatting, maar dit staat vast; „Hierbeneden zien wij alleen den aanvang.quot; Wie bij zichzelven meer ziet, moge zich daarover verblijden; ik gevoel echter geene begeerte hem nader te leeren kennen. Gelijk ons weten — naar de uitspraak van Paulus, den dienstknecht van Christus, die het meeste wist — stukwerk is, zoo is ook al onze heiligmaking stukwerk. Het zou hopeloos stukwerk zijn, indien niet de almachtige Jezus de bouwmeester ware, die deze armelijke stukken nochtans tot een tempel zijner heerlijkheid samenvoegt.
Wij denken er niet aan, het op te nemen tegen de aanhan-
35
gers van Pearsal Smith, die beweerde dat de volkomen heiliging, de volmaakte verlossing van de zonde door een enkele krachtige werking des geloofs geschieden kan. Ik wil niet schertsen, maar wat ik van deze „volkomen heiligenquot;, die van dien en dien dag af, „niet meer gezondigd hadden,quot; gezien heb, heeft bij mij geen trek „naar meerquot; opgewekt. De zaak is toch ernstig genoeg. Indien men door een zet heilig kon worden, dan ware het een schande en een dwaasheid tegelijk, ja het zou een soort van zelfmoord zijn, zoo wij van deze onze macht geen gebruik maakten. Dan staat het niet goed met al degenen, die het niet zoover gebracht hebben. Ziedaar het onzinnige van dezen „ ziel-zaligende leer!quot;
Houden wij ons echter niet met deze schijngeestelijke en over-geestelijke Engelsche dwaasheden op. Wij zouden er in het geheel geen gewag van gemaakt hebben, indien zij onder ons niet maar al te veel wortel geschoten hadden. Het leven der ge-trouwste kinderen Gods leert ons toch iets geheel anders. En geheel anders spreken daar de apostelen van Jezus Christus over_ Zij hebben zich niet slechter voorgesteld dan zij waren, wanneer zij belijden: „Wij struikelen allen in vele.quot; En als Paulus schrijft: „Ik sterf dagelijks,quot; dan heeft dat niet enkel betrekking op de smarten, die hij om des Evangelies wil te verduren had. En Johannes, dien wij geneigd zijn voor den reinste van allen te houden, betuigt: „Indien wij zeggen dat wij geene zonde hebben, zoo misleiden wij onszei ven.quot;
Zoo zien wij dan ook hoe een Petrus, de rots, waar de gemeente van Christus op zou gebouwd worden, nochtans tot huichelarij komt. Wij zien zoowel tot onze droefheid als tot onzen troost, dat er tusschen mannen als Barnabas en Paulus eene verbittering ontstaat, zoodat zij van elkander scheiden. Welke hardheden zien wij voorts bij den voortreffelijken geloofsman Luther, terwijl wij bij Mglanchton dikwijls een schroomvalligheid
36
en een kleinmoedigheid waarnemen, die met de ideale heldhaftigheid der kinderen Gods weinig overeenstemmen.
Het is waar en verklaarbaar, dat vele menschen reeds van nature op bijzondere wijze op het beeld van Christus aangelegd schijnen, terwijl anderen moeielijkheden te overwinnen hebben, die in alle eeuwigheid onoverwinnelijk schijnen. Ik zie voor mijne oogen menschen, die zich oprecht naar Christus uitstrekken, bij wie echter de wellust ten eenenmale tot vleesch en bloed schijnt geworden te zijn. Ik zie anderen, die hel niet minder oprecht meenen, en bij wie zich toch op vreeselijke wijze de gierigheid genesteld heeft. Ik zie anderen, die nog aanhoudend door eerzucht verteerd worden, niettegenstaande zij daar reeds tientallen van jaren tegen strijden. Ik hoor hen met betraande oogen zingen:
Ik vind mij, Heer, zoo broos, zoo zwak van aard, Verleid, vervoerd, en van uw weg geweken;
Och, help mij. Heer! der zonden boeien breken,
Verbreek het juk, dat mij zoozeer bezwaart.
o. Breng mij weer terecht door uw gena.
Die is 't begin, de voorgang en het ende
Van 't pad des heils; al waar ik elders ga,
Verzink ik, ach! nog dieper in ellende.
Maar wees getroost, mijn broeder! Moge de wereld u miskennen, mogen u ook de Christenen miskennen, — de Heere kent de zijnen. Geef slechts nooit den duivel plaats, zoodat hij u doet zeggen: ,Mijne zonde is te groot,quot; maar weersta hem mot het woord van den apostel: „Waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest.quot; Wees ervan verzekerd, dat daar waar van nature de grootste bezwaren bestaan, het geduld, de lankmoedigheid, de menschen-liefde, de macht en de liefde van Christus de grootste triomfen zullen behalen. Altijd weer alleen op Hem zien en niet op zich-
37
zeiven; altijd weer alleen aan Hem zich vasthouden en niet aan eigen kracht.
Dit is dus de groote doordringende eenheid van al de discipelen van Christus op aarde, bij alle op zichzelf beschouwd zoo ontzaglijke verscheidenheden, dat hun aller innig verlangen is, door den Geest van Christus hoe langer hoe meer naar het beeld van Christus veranderd te worden en zoo alles ten doode over te geven, wat hen daarin hindert. Allen begroet ik als broeders, die alzoo gezind zijn, tot welke belijdenis of groep zij ook behooren mogen.
Mijn grootvader was een jong predikant te Grafrath, toen in 1813 de Russen kwamen. Gedurende zijne somwijlen voorkomende afwezigheid was er een Kozak in de pastorie ingekwartierd. Deze man gedroeg zich zeer woest en wild, liep als een razende rond, wierp het voedsel, dat hem gebracht werd, op den grond, enzoovoorts. Toen mijn grootvader terugkwam, ging men hem tegemoet en klaagde men over den onbehouwen gast. De jonge prediker begaf zich kalm naar den woesteling en zeide hem in het weinige Russisch, dat hij geleerd had: „Meent gij dat Jezus Christus ook zoo gedaan zou hebben?quot; En wat was de uitwerking van deze eenvoudige gewetensvraag ? De man barstte in tranen uit, viel op de knieën en verzocht zijn gastheer ootmoedig als een kind om vergeving. En van dat oogenblik af was hij de bescheidenheid en de vriendelijkheid in persoon. — Is dat geen treffende geschiedenis? En voor haar waarheid kan ik beslist instaan. Mijn grootvader was eerder alles behalve een dichter. Niet waar, geachte lezer, met zulk een mensch valt iets te beginnen. Hij had een ideaal, hij strekte zich uit naar het hoogste ideaal en hij boog zich en veroordeelde zich, omdat hij zich schandelijk van den weg naar zijn ideaal had afgewend.
Moge het dus een ruwe Rus van de oevers van den Don of
38
een gevierd kerkvader als Augustinus zijn, dit is het eigenaardig kenmerk van het Christendom, dat men gezind wil zijn gelijk Jezus Christus was. En hoe levendiger, zuiverder, inniger, bewuster, hoe meer alle terreinen van het leven heheerschend deze begeerte is, die haar grond in de genade vindt, des te beter is het met het Christendom gesteld. En boven hen, die alzoo gezind zijn, staat met vurig, hemelsch schrift geschreven: „Hij, die in u een goed werk begonnen heeft, zal dat voleindigen tot op den dag van Jezus Christus.quot; Op den grooten dag der openbaring zal de voleinding plaatshebben; eerst dan, maar dan ook gewis. Jezus Christus, de Getrouwe en Waarachtige staat er zelf borg voor. Gelooft gij dat? — Ja? — Grijp dan de harp en zing!
7. GEENE EENVORMIGHEID.
Het is echter niet zoo gelegen, dat de verandering naar het beeld van Christus alleen een geloofsartikel zijn zou. Neen, de zaak laat zich hierbeneden reeds bespeuren bij de ware volgers van Jezus Christus. Wie bijvoorbeeld de discipelen van Christus, die zichzelven in de Evangeliën zoo treffend naar waarheid schilderde, — wie hen vergelijkt met de mannen, die ons in de Handelingen der apostelen tegemoet treden, bemerkt hoe de trekken van Christus' beeld overal doorschemeren. Een glans van den hoogen adel en de koninklijke vrijheid van Jezus Christus blinkt op hun voorhoofd. Hoe vrij toch (geheel in tegenstelling met vroeger) zijn zij geworden van de ellendige menschenvrees, van de slaafsche onderworpenheid aan de menschen, en nochtans tevens in den zin van Christus blijmoedige dienaars van alle menschen! En even groot als hunne liefde voor de menschen nu is, even weinig hebben zij zichzelven op het oog. En ofschoon zij ook nu nog afkeerig van lijden zijn, zijn zij toch elk oogen-
39
blik van harte bereid, om Christus' naams wil zich alles te laten welgevallen. Bovenal is het nu de geestelijke beschouwingswijze van het Koninkrijk Gods, die hun zielen beheerscht en de vleesche-lijke gedachten geheel tot zwijgen gebracht heeft.
En zien wij niet tot op den huldigen dag en overal, dat bij de menschen die bij den Heere Jezus ter school gaan, de trekken van zijn heilig beeld nu eens langzamer, dan eens sneller door de uitdrukking van den aardschen Adam heenschijnen? Als Pau-lus aan de Galaten schrijft: „De vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid, — dan noemt hij daarmeê de groote deugden van Jezus Christus zeiven op. Zij schemeren echter ook overal bij zijn ware discipelen door, al bleef het ook, wat dezen en genen betreft, voorshands bij het enkele en schijnbaar mach-telooze streven. In deze „onmachtquot;, zoo zij duurzaam is, is nochtans de kracht van Christus.
Het is waar, wij ontmoeten Christenen, wier oogen voor enkele donkere deelen van hun zedelijk leven volkomen gesloten schijnen. Ach, wie weet, misschien behooren wij zelf daartoe! Het zal dan in den regel niet zonder eigen toedoen zoo zijn, dat bijvoorbeeld iemand gierig is en het volstrekt niet weet. Maar ook hier is het: „Alles heeft zijn tijd.quot; Ook hier is het: „Van heerlijkheid tot heerlijkheid.quot; Op den duur kan er natuurlijk geen trek van Christus' beeld ontbreken, evenmin als aan een volkomen menschelijk lichaam een vinger of een oog ontbreken kan. Het geheele Christusbeeld moet ten laatste in al de zijnen tot onbelemmerde verschijning komen.
Daarmede is echter niet bedoeld, dat de verschillende karakters of eigenaardigheden in de school van Christus zouden worden teniet gedaan. Het tegenovergestelde is het geval. Het aantrekkelijke der menschelijke gemeenschap bestaat niet voor het kleinste gedeelte in den menigvuldigen rijkdom der karakters en
40
afzonderlijke personen. Hoe zouden wij ons nu kunnen voorstellen dat de genade, die immers alleen een nieuwe en heerlijker schepping aan het licht wil brengen, — hoe zouden wij ons nu kunnen voorstellen dat zij alles gelijk en eenvormig zou maken? Dat toch zou een vervelende hemel zijn. Neen, het is met de Zon der genade als met de aardsche zon, die voor alle schepselen dezelfde is en hun toch een verschillenden glans verleent. Daar ziet het meer in haar licht er als zilver uit; hier vertoont zich het bosch donkerblauw; de heide ginds strekt zich goudbruin uit; de verre sneeuwtoppen glinsteren als purper, en de kleine en groote wolken, die aan den hemel drijven, dragen afwisselend alle genoemde en nog andere kleurschakeeringen. Zoo viert ook de genade in de verschillende persoonlijkheden haar bijzondere triomfen.
Overal geldt het de heiliging, reiniging, verheerlijking der door God geschapene en door de zonde verdorvene natuur. Niet evenwel moet het karakter vernietigd en daarvoor een nieuw, bij allen gelijk, in de plaats gesteld worden. Zoomin als Petrus ooit een Johannes zal worden, zoomin zal Chrysostomus aan Augusti-nus, Bernard van Clairveaux aan Savanarola, Calvijn aan Zinzen-dorf gelijk zijn. Neen, de rijkdom der persoonlijkheden zal dooide genade nog slechts rijker worden.
Op besliste karakters doelt de Heere Christus. Ik weet wel dat wij hier op aarde in den regel eenigszins vreesachtig zijn, kennis met „besliste karaktersquot; te maken. De meeste menschen voelen een lichte huivering wanneer men in een gezelschap onverwachts tot hen zegt: „Gij zult binnen enkele oogenblikken tegenover een beslist karakter staan.quot; En inderdaad, het gebeurt maar al te vaak dat sterke, zelfstandige, oorspronkelijke karakterontwikkeling met een zekere barschheid van voorkomen, met eenzijdigheid van belangstelling, met een voorbarigen aard, met gebrek aan goedheid, nederigheid en zachtmoedigheid verbonden
41
is. Dat is echter niet zoo in de school van Hem, die gezegd heeft: „Ik ben zachtmoedig en nederig van harte.quot; En nochtans, waar was ooit zulk een beslist karakter als het zijne? En Hij wil de zijnen tot oorspronkelijke karakters vormen, — ja tot oorspronkelijke, hoewel zij allen zijn beeld dragen, allen van zijn Geest doorademd zijn. Nochtans zal het bijzondere aangeboren karakter van een iegelijk, nochtans zal het bijzondere temperament van een iegelijk, nochtans zullen de bijzondere gaven en vermogens van een iegelijk op volkomen wijze ontwikkeld zijn.
Een ieder zal zijne harp opnemen en zijn bijzonder loflied zingen; doch niet zóo dat hij op zichzelf zingt of zelfs tegen anderen in of uit afgunst en nijd tegen anderen. Ja, zoo gaat het, helaas, hierbeneden slechts al te dikwijls. Daarboven evenwel zullen nijd, hoovaardij, afgunst voor eeuwig verdwenen zijn. Ieder zal met blijdschap erkennen, hoe anderer aard en aanleg, hem aanvult, en ieder zal er slechts op uit zijn, om met zijne geaardheid te dienen, tot vreugde van allen. Elke stem, elke harp wil niets zijn en niets teweegbrengen, dan een vermeerdering der eeuwige en volmaaktste harmonie. God alles in allen. Alles wat adem heeft love den Heere! Halleluja!
II.
HET LEVENSIDEAAL EN HET LEVENSELEMENT.
Wist gij niet, dat ik moet zijn in de dingen mijns Vaders?
Lukas II ; 49.
1. HET EERSTE WOORD VAN JEZUS - HET WOORD ALLER WOORDEN.
De diepzinnige Grieksche sage verhaalt ons van een reus An-taios, die de zoon van den god Poseidon en der moederaarde was. Hij was volstrekt onoverwinnelijk zoolang hij met zijne voeten de aarde, het element van zijn oorsprong, aanraakte. Hij zoog daarom voortdurend uit dit zijn element krachten voor zich, die elke andere kracht in het heelal gemakkelijk weerstonden. Zoo kon dan ook Hercules hem alleen daardoor overwinnen, dat hij hem voor een poos zwevend in de lucht hield en hem in den tijd, dat hij van zijn levenselement gescheiden was, worgde.
Het scherp tegenovergestelde van dezen zoon van den geest der wereld nu is de heilige Zoon des menschen, die uit den hemel is nedergedaald en een beeld des hemels is. Gelijk de eerste onoverwinnelijk was, zoolang als hij met het element van zijn oorsprong, de aarde, in verbinding bleef, zoo was en bleef de levens- en de overwinningskracht van den Heere Jezus
43
hierdoor gewaarborgd, dat Hij in voortdurende, levende verbintenis met zijn eeuwig hemelsch vaderland — zeggen wij liever met God, zijn Vader, bleef. Ik zeg niet dat deze gestadige verbintenis vanzelf sprak, o Neen, wij zullen bij gelegenheid zien, hoe er meer dan éen Hercules was, die haar met duizend listen en lagen verzwakken en verbreken wilde. Wij zullen zien dat Jezus haar dikwijls alleen onder gebed en tranen onderhouden kon. Wij spreken op het oogenblik echter alleen hierover dat deze voortdurende verbinding van Jezus met den Vader het leven van zijn leven was, — van zijn geloofsleven, en dat wil zeggen van zijn leven.
En ik weet geen woord uit Jezus' mond, waardoor Hij de diepste kracht zijns levens zoo geheel en volkomen heeft uitgedrukt , als door het even diepzinnige als geheimzinnige woord: „Wist gij niet, dat Ik moet zijn inde dingen mijns Vaders?quot; Dit is wel naar den vorm slechts een vraag, een wedervraag op de vraag van zijne moeder: „Kind, waarom hebt gij ons zóo gedaan?quot; Doch gelijk de vraag van de moeder feitelijk een klacht, ja een aanklacht is, zoo is het woord van den twaalfjarigen Jezus een door den vragenden vorm slechts versterkt getuigenis. Het is een getuigenis aangaande zichzelven, betreffende zijn stand in de wereld, omtrent zijne verhouding tot God.
Ik keur het af, den jongeling (want een twaalfjarige knaap is in het Oosten een aankomende jongeling) — ik keur het af, hem te verdedigen tegen de aanklacht, dat hij zijn ouders hier billijke aanleiding tot berisping zou gegeven hebben. Noch hun noch hem valt iets te verwijten. Men beeft er den genialen Socrates nooit een verwijt van gemaakt, dat hij onder een krijgsmarsch naar Thebe, toen hij naar de ondergaande zon gekeerd, door een diepe gedachte werd aangegrepen, vier en twintig urenlang bleef staan. Zelfs de officieren van het Atheensche regiment vonden er iets geheel anders dan een minachting van de krijgstucht en de militaire orde in. Zij lieten hem stil begaan.
44
En meer dan Socrates is hier! Hier zien wij den verlievensten godsdienstigen geest. Ik weet, Hij was veel meer dan een godsdienstig genie. Doch om onze geschiedenis te verklaren, is het reeds voldoende dat Hij een weergaloos godsdienstig genie was.
Een heilige verrukking (houdt mij dit woord ten goede) heeft Hem in den tempel van Jehovah aangegrepen. Hij is 'naar den geest geheel geboeid door hetgeen Hij hier ziet en hoort en heeft de geheele wereld vergeten; ja de gansche geschapen wereld is voor Hem verdwenen wegens de eeuwige wereld, die zich hier aan het oog zijns geestes voordoet. De hooge galerijen, de gewijde priesters in feestgewaad, die heen en weer gaan; de wierookwolken, het zinnebeeld des gebeds, die onverpoosd opstijgen in de blauwe lucht, de offers van den meest verschillenden aard, die worden gebracht, de heilige psalmen die weerklinken, de rabbijnen, die het heilbegeerige volk Gods heilig Woord verklaren, — alles, alles wijst en trekt Hem naar boven, hemelwaarts ; alles, alles spreekt van den onzichtbaren en toch tegenwoordigen God ; alles, alles getuigt van de wereld' der onzichtbaarheid, die toch alleen eeuwige werkelijkheid is.
In deze wereld verdiept en verzonken, is Hij boven alle regelen van het gewone leven verheven. Daarom zet Hij tegen de beschuldiging zijner moeder geene verontschuldiging over. De spiegel zijner ziel is niet door de lichtste schaduw verduisterd. Hij kan er zich alleen over verwonderen, dat zij zich verwondert Hem hier te vinden. Geheel * onschuldig als een kind openbaart Hij nochtans in zijn antwoord de diepste waarheid zijns levens.
Ik denk er niet aan te gelooven dat de twaalfjarige Jezus zich hier b e w u s t is de zinspreuk zijns levens uit te spreken. Ik denk er niet aan te gelooven dat Hij van het groote gewicht van zijn woord iets vermoedt. Maar het is des te grooter omdat het de meest onmiddellijke ware uitdrukking van zijn diepste gevoel
45
is. En het standpunt dat Hij hier teekent, is zoo hoog en majestueus, dat er ook voor Hem nooit, zelfs niet in zijn kruislij-den, een hooger bestaan kon.
Men heeft beweerd dat in deze woorden van den twaalfjarigen Jezus voor de eerste maal het bewustzijn van zijne geheel éénige betrekking tot den Vader, van zijn Godszoonschap, ja van zijne Messiaansche bestemming, bij Hem levend werd. Ik spreek het niet tegen ; ik stem het zonder meer ook niet toe. Wij letten hier alleen op d i e zijde van het woord, die v o o r b e e 1 d e 1 ij k is voor ons allen. En dat is dit, dat Hij zegt: „God is het eigenlijke element mijner ziel; hemellucht inademen dat is leven voor mij.quot;
Ik verzoek den lezer, wel op te merken dat dit woord het eerste woord is, dat ons van Jezus is overgeleverd, de eerste uitdrukking van zijn mond, waar wij van weten, o. Bewonderenswaardige, aanbiddenswaardige wijsheid des Heiligen Geestes, die ons juist dit woord bewaarde, dit woord alleen uit de eerste dertig jaar van zijn leven, — dit woord, dat nochtans zijn ge-heele leven in het licht stelt.
Ongeveer twintig jaren nadat dit woord gesproken werd, zat in Bethanië een edele jonkvrouw aan de voeten van Jezus en luisterde naar hetgeen Hij sprak. Maria was geheel verdiept in Jezus' woord. Geen wonder, want zij had zichzelve daarin gevonden. Zij bekommerde zich op dit oogenblik niet om de huishoudelijke zorgen. Hare zuster Martha, geheel met de plichten der gastvrouw vervuld, berispte Maria en trachtte den Heiland daarin als bondgenoot te krijgen. Deze echter houdt integendeel zijne beschermende hand over Maria en geeft haar den hoogen lof, dat zij het beste deel gekozen heeft. Men dient Jezus het best, men dient ook ten slotte de menschen het best, wanneer men wegens de tegenwoordigheid van Jezus zichzelf en de menschen en de geheele wereld vergeet.
Jezus prijst echter in Maria alleen wat zijn eigene hoogste
46
deugd is. Het is de deugd al zijner deugden, dat Hij altijd voor God staat, steeds luisterend naar zijn Woord, zijn gebod, zijn wenk, gestadig wachtend op zijn adem, op den luchtstroom uit de hoogere wereld, — altijd bereid om Gods wil te volbrengen, hetzij Hem die licht of zwaar moge vallen, ja Hem zelfs zijn hartebloed kosten. Als een eerbiedige zoon — ik druk op het woord eerbiedige (want ofschoon Hij ook de eeniggeboren Zoon Gods was, zien wij dat Hij steeds in heiligen, aanbiddenden eerbied naar de stem des Vaders luistert), dus als een eerbiedige zoon wacht Hij op zijne gaven en genadegiften, zijne openbaringen en bevelen waar Hij gaat en staat. Hetzij de wereld Hem vleie of vloeke, hetzij de menschen Hem tot koning willen maken of als een Godslasteraar veroordeelen, hetzij zijn eigen hart juiche of met afschuw vervuld zij, steeds is zijne zinspreuk: „Wist gij niet dat Ik moet zijn in de dingen mijns Vaders?quot;
En het gevolg daarvan? Het is dit, dat Hij nooit alleen is, dat zijn Vader altijd bij Hem is; dat de engelen Gods opklimmen en nederdalen op Hem; dat Gods welbehagen altijd op Hem rust. Meermalen wordt vermeld dat een verneembare stem uit den hemel dat welbehagen uitsprak; maar ook dan, als geen menschelijk oor deze stem hoorde, klonk zij toch in den grond zijner heilige ziel door. Hij vernam deze stem, toen Hij als knaap de weinige stuks klein vee van zijne ouders op de weiden van Nazareth hoedde; Hij vernam ze tot op het oogenblik, dat Hij stervend aan het vloekhout, zijn geest in 's Vaders handen beval.
In deze gestadige verbintenis van Jezus met God liggen de sterke wortelen zijner kracht. Al het overige komt daaruit voort. Wanneer een gezond mensch in een krachtige lucht leeft, dan geniet elk deel van zijn lichaam het nut van dit voorrecht. Het oog krijgt daardoor zijn glans en zijn kracht; de huid erlangt daardoor haar frissche kleur ; de geheele houding van het lichaam, elke beweging van zijne spieren, de klank van zijne stem — alles
47
wordt daardoor bepaald. Voor Jezus' inwendigen mensch nu was de adem Gods de allesbepalende macht. Zijne woorden vol geest en leven en zijn niet minder van geest en leven getuigend zwijgen, zijn moed en ootmoed, zijne zachtmoedigheid, zijne onwrikbaarheid, zijn gebedsleven, zoowel als zijne wonderen, zijn inwendige zalige vrede zoowel als zijn heilige toom tegen de huichelarij, zijn nooit vermoeide barmhartige liefde tot de menschen, zoowel als zijn verzet tegen hun dwaasheden en eischen, zijn strijden, zijne berusting, zijne majesteit, zijn lijden, — alles, alles was alleen een gevolg van zijne onafgebroken levensverbinding met den Vader.
Hier was voor de eerste maal de menschelijke ziel een heilige, zuiver gestemde harp, die door den vinger des Eeuwigen met onvermengde vreugde kon bespeeld worden, o. Welke tonen, welke accoorden, welke harmoniën ontlokte Hij haar! Tonen, klanken, waar de menschheid sedert van leeft, waar zij van leven zal zoolang als er een menschheid bestaat; tonen, klanken, die in de wereld der veranderlijkheid een onveranderlijke wereld inschuiven. Ja, hier gevoelt men met verrukking wat een mensch is, wiens hart rein en vrij geheel voor den Geest Gods geopend is.
Ik behoef er wel niet eerst op te wijzen dat in deze betrekking van Jezus tot den Vader niets hoegenaamd o n n a t u u r 1 ij k s of ook slechts vreemdsoortigs is. Juist het tegenovergestelde is het geval. Onnatuurlijk is het als de menschelijke ziel zich geheel of gedeeltelijk voor God sluit. Niets is voor de onbedorven menschelijke ziel natuurlijker dan zich tot God op te heffen en zich van Hem te laten doordringen. , Heere, Gij hebt ons tot U geschapen, en ons hart is onrustig totdat het in U rust,quot; zegt de groote Augustinus. De mensch is dus niet alleen door God geschapen, maar ook tot God. Ook de bloemen, ook de vogels zijn schoone scheppingen Gods. Zij prijzen Hem, die hen schiep. Maar zij zijn slechts voor een tijdlang geroepen. Hem onbewust te verheerlijken. De lelie groeit, bloeit, verwelkt, buigt stervend het
48
hoofd, en — dan is alles uit. De mensch echter is tot God geschapen als voor zijn levenselement. Met bewustzijn moet hij Hem loven, met bewustzijn Hem zoeken, met bewustheid zich van Hem laten doordringen. Bij hem wijst alles op het doel eener verbinding van persoon tol persoon, op eene verbinding, die uiteraard boven den dood verheven is, want „God heeft den mensch de eeuwigheid in het hart gelegd.quot; Uit den aard der zaak wordt het verwoest zoo het zich met de dingen des tijds vergenoegt. Daarom zegt zelfs een Grieksch dichter: ,Wij zijn van Gods geslacht,quot; en ook een Socrates kent niets hoogers dan de stemme Gods in zijn borst te beluisteren. Door al de heilige oorkonden der Schrift heen nu klinkt deze ééne toon: „Het is mij goed nabij God te wezenquot;; „Heere, wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op aardequot;; „Mijne ziel dorst naar God, naar den levenden God, gelijk een hert schreeuwt aan de, waterstroomenquot;. Dat zijn wezenlijke, oorspronkelijke klanken der menschelijke ziel. Elk menschenhart dat zich niet reeds ten verderve heeft overgegeven, stemt ze toe en spreekt: „Ja, dat is het, wat mij gelukkig zou maken, wanneer ik het geheel eens ware met mijn God; Hij zou het leven van mijn leven zijn.quot;
Wij kunnen dat nog eenigermate bij onze kleine kinderen waarnemen. Hier sluimert de kracht der zonde nog; de roest der twijfelzucht heeft het gevoel der jonge zielen nog niet bedorven, de onreine begeerlijkheden der wereld hebben ze nog niet verstikt. En merk nu eens op, hoe eenvoudig zij alles aannemen wat gij tot hen van den Vader in den hemel zegt, hoe blijde, hoe gelukkig zij deswege zijn, hoe zij leven van de groote gedachten Gods. Daarom zegt ook de Heiland: „Hunner is het koninkrijk der hemelen.quot; De deur voor de hemelsche dingen staat bij hen nog open. Bij ons is zij meer of minder versperd, en daarom moeten wij eerst t e r u g k e e r e n tot de onschuld, de argeloosheid, de eenvoudigheid en nederigheid der kinderen. Wie is
49
niet vaak door hen beschaamd, — beschaamd door hun geloof; beschaamd door hunne hoop?
Zoo iemand soms vrome kinderen ontmoet, die iets overspannens, ziekelijks en oudachtigs over zich hebben, dan is dat waarlijk niet het gevolg van godsvrucht, maar van een ongezonde, onverstandige bewerking en overgeestelijke opwinding. In het algemeen is niets zoo geschikt de kinderen bij den heiligen en zaligen eenvoud te bewaren als dit dat men hun leert voor God en met God te wandelen.
Wanneer wij op den twaalfjarigen Jezus het oog slaan, zien wij alles eerder dan wat men een vroegrijp, broeikasachtig ontwikkeld kind noemt. Ook in den tempel voerde Hij geen geleerde gesprekken; neen, uitdrukkelijk wordt er gezegd, dat Hij alleen gevraagd en geantwoord heeft. Wat zou de Heiland van kinderen tusschen de negen en elf jaar gezegd hebben, die op de spreekplaats van groote godsdienstige bijeenkomsten in Londen of Edinburg staan, hun bekeeringsgeschiedenis verhalen en in het openbaar om de bekeering van hun ouders bidden? Dat zijn stuitende mismakingen van het Christendom.
Hoe door en door eenvoudig is het antwoord, dat Jezus aan zijne moeder geeft! Nochtans verwondert deze zich daarover ; het beste teeken dat ook deze uiting van zijn godsdienstig inwendig leven iets verrassends voor haar had en dat derhalve zulke gevallen volstrekt niet alledaagsch waren. En ook wordt ons in aansluiting aan dit voorval van een gestadigen en harmonischen wasdom van Christus molding gemaakt (Lukas 2:52).
Gelijk een bloem in goeden grond en zuivere lucht zich ongestoord ontwikkelt, van trap tot trap ontplooit en eindelijk in betooverende schoonheid zich vertoont, zonder dat een men-schelijke hand er iets toe doet, — misschien wel juist o m dat geen menschenhand er aan tobt — zoo was de ontwikkeling van Jezus.
4.
50
Wel is waar wij mogen het beeld geen geweld aandoen. De bodem, waarop een menschelijke ziel groeit, is nooit geheel gezond; de lucht, waarin zij ademt, is nooit geheel zuiver; de plant zelve der menschelijke ziel, draagt reeds allerlei verderfelijke gifstoffen in zich. Dit laatste was nu gewisselijk bij Jezus niet het geval. Maar ook zijne ziel was toch o n t v a n k e 1 ij k voor de onreine stoffen in de haar omringende lucht en voor de verderfelijke invloeden der wereld. Daarom mocht ook zijne ziel de opvoeding niet ontberen. Zij was aan de trouwste, reinste, wijste moederhanden opgedragen, die er ooit bestonden. Maria was geene hemelkoningin; zij was ook niet zondeloos; maar zij was volgens Gods getuigenis, „de gezegende onder de vrouwenquot;, eene zoo reine, oprechte en eenvoudige verschijning als geen vrouwelijk wezen voor en na haar. En de wijsheid harer opvoeding bestond hierin, dat zij de hemelsche plant zooveel mogelijk liet geworden en God zeiven zijn werk en zorg in haar overliet. Zij deed slechts alles wat zij kon om verderfelijke invloeden te weren en haar zuivere levensstoffen toe te voeren. De bede harer ziel was aanhoudend hierop gericht dat zijzelve voor haren Zoon wandelde als een geheiligde en gezegende „dienstmaagd des Heeren.quot; Zoo liet zij het heilig beginsel, dat God als kiem in de jonge ziel gelegd had, tot zijn volle en vrije ontplooiing komen.
o. Hoort dat, gij die altijd bezig zijt de jonge zielen te snoeien en te zuiveren, te rekken en te buigen — gij die wonderwijs waant te zijn, als gij het alle oogenblikken met nieuwe methoden, nieuwe beginselen, met eindeloos nieuwe geboden, verboden en onderrichtingen beproeft! Hoe kunt gij u verwonderen, wanneer er later van eigenaardige karakters en geheiligde origineelen niets gevonden wordt? o. Dat gij toch aan God zijn werk in de zielen wildet overlaten!
Doch keeren wij tot den persoon van Jezus terug, zoo blijven
51
wij erbij dat menschen zoo weinig mogelijk aan Hem opgevoed hebben. Hijzelf echter moest levenslang s t r ij d e n en werken om steeds in het goddelijk middelpunt te blijven. Wij spreken over dezen strijd in een afzonderlijk hoofdstuk. Hier zeggen wij slechts dit, dat de geestelijke wasdom bij geen mensch zonder aanhoudende zedelijke inspanning geschiedt. Ook bij Jezus was het niet mogelijk zonder strijd, zonder arbeid, zonder afwering van hetgeen schaden kon. Zoowel tegen de eerste ge-meene woorden, die Hij als kind uit den mond van de knapen in Nazareth hoorde, als tegen den uitdagenden spot, die het hart van den Gekruiste doorvlijmde; — zoowel tegen de verlokkingen door zeer geliefde discipelen, als tegen de listige satanische verzoekingen (om van andere te zwijgen) moest Hij altijd biddend en strijdend op de wacht staan, altijd het zwaard des Geestes zwaaiend tegen de groote slang der rondom Hem loerende zonde. Het Goddelijk-grootsche bij Jezus was, dat Hij aanhoudend, bij eiken stap en in eiken toestand in zijn leven verklaarde: „Ik wil, ik moet zijn in de dingen mijns Vadersquot;; „wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op aarde.quot; Op zijne lippen zweefden voortdurend gebeden, zooals wij ze in het lied van Tersteegen — „God is tegenwoordigquot; — vinden:
«
Lucht, die 'l al vervult,
Waar wij steeds in zweven,
Alier dingen grond en leven, —
Grond- en eindelooze zee,
Aller wondren wonder,
In U zink ik gansch ten onder.
Laat me in U, en Gij in mij,
Gansch en al verdwijnen.
Laat slechts naar U mij smachten,
Laat me uw aanzicht schijnen!
52
Gij doordringt het alles!
Laat, o Heer, uw schoonsle licht
Schijnen voor mijn aangezicht,
Evenals daarbuiten
Zich de teedre bloemen
Voor de zon ontsluiten,
Stil haar tegenblikken.
Laat zoo mij, stil en blij,
Me in uw stralen sterken
En U laten werken.
Heer, kom in mij wonen.
Maak U tot uw heiligdom.
Hier op aarde reeds mijn hart;
Heer, die nabij zijt, kom, o kom!
Openbaar me uw Wezen,
Dat 'k U lieve en eere.
Waar ik ga, zitte of sta;
Laat uw aanschijn voor mij blinken.
Laat mij voor U nederzinken.
Zoo hebben wij Jezus' standpunt ten opzichte van zijnen Vader aangewezen, — een standpunt dat Hij nooit verlaten heeft. Het eerste woord van Jezus, dat ons bewaard gebleven is, teekent zijn levensideaal en den wortel zijns levens. Maar hoe hoog in allen gevalle dit zijn standpunt boven het onze is, nochtans wordt aan ons de eisch gesteld:
2. „LAAT ONS ZIJNE VOETSTAPPEN NAVOLGEN!quot;
Ik wend mij ten eerste tot de ouders en tot alle opvoeders, o, Hoeveel diep betreurde dwaalwegen zouden wij vermijden , hoeveel namelooze smarten zouden wij ons en den ons ter opvoeding toevertrouwden besparen, zoo het ons steeds voor oogen stond, dat dit het ideaal is, waartoe wij de jonge zielen moeten
leiden; „te zijn in de dingen huns hemelschen Vaders.quot; Welke geheel andere idealen hebben toch de meeste opvoeders, ook dezulken, die volstrekt den godsdienst niet missen willen ! De kinderen moeten in allen gevalle in de wereld en voor de wereld iets bijzonders worden. Zij moeten uitmunten door schoonheid, beschaving, talenten. Men waant met de meisjes zijn doel te hebben bereikt, als zij mettertijd „een schitterende partijquot; maken. De jongens echter moeten er toe geleid worden, dat zij tot eer, aanzien en ruime middelen geraken. Tallooze ouders meenen het beste voor hun kinderen te doen, zoo zij hen boven hun eigen stand verheffen. Dus altijd maar opvoeding, altijd maar vorming! Reeds op de school worden zij aangespoord te zorgen altijd de eersten te zijn. De eerzucht wordt hun vormelijk ingeprent.- Op schaamtelooze wijze kunnen vaak ook ernstig gestemde menschen hun kinderen leeren, dat men voor alle gevallen de invloedrijke lieden voor zich moet winnen. Dat nu is de klare aanbeveling der behaagzucht, vleierij, huichelarij, lafhartigheid, onbarmhartigheid en karakterloosheid. Zekere aansporingen tot godsvrucht komen dan achteraan hinken en zijn eigenlijk een bespotting van de zaak.
Waar blijft echter het ware ideaal, het ideaal van den Heiland: „Ik moet zijn in de dingen mijns Vaders?quot; En toch is hier het ideaal voor allen, om het even of het boeren- of ministerskinderen zijn. En hier, hier alleen is de weg tot geluk voor allen, — niet alleen de weg tot het eeuwige, neen ook die tot het tijdelijke geluk, o. Waarde ouders, die uwe kinderen zoo drilt en dresseert om hen voor „het levenquot; af te richten, — hoort gij dan het stille, sprakelooze en toch zoo hartroerende smeeken der kinderlijke ziel niet: „Weet gij niet dat ik zijn moet in de dingen mijns Vaders?quot; o. Gij vader, gij moeder, als gij met blijdschap uw kind in de kalme, vredige oogen ziet, — bespeurt gij dan niet, hoe een aandoenlijke bede daaruit tot
50
Wel is waar wij mogen het beeld geen geweld aandoen. De bodem, waarop een menschelijke ziel groeit, is nooit geheel gezond; de lucht, waarin zij ademt, is nooit geheel zuiver; de plant zelve der menschelijke ziel, draagt reeds allerlei verderfelijke gifstoffen in zich. Dit laatste was nu gewisselijk bij Jezus niet het geval. Maar ook zijne ziel was toch o n t v a n k e 1 ij k voor de onreine stoffen in de haar omringende lucht en voor de verderfelijke invloeden der wereld. Daarom mocht ook zijne ziel de opvoeding niet ontberen. Zij was aan de trouwste, reinste, wijste moederhanden opgedragen, die er ooit bestonden. Maria was geene hemelkoningin; zij was ook niet zondeloos; maarzij was volgens Gods getuigenis, „de gezegende onder de vrouwenquot;, eene zoo reine, oprechte en eenvoudige verschijning als geen vrouwelijk wezen voor en na haar. En de wijsheid harer opvoeding bestond hierin, dat zij de hemelsche plant zooveel mogelijk liet geworden en God zeiven zijn werk en zorg in haar overliet. Zij deed slechts alles wat zij kon om verderfelijke invloeden te weren en haar zuivere levensstoffen toe te voeren. De bede harer ziel was aanhoudend hierop gericht dat zijzelve voor haren Zoon wandelde als een geheiligde en gezegende „dienstmaagd des Heeren.quot; Zoo liet zij het heilig beginsel, dat God als kiem in de jonge ziel gelegd had, tot zijn volle en vrije ontplooiing komen.
o, Hoort dat, gij die altijd bezig zijt de jonge zielen te snoeien en te zuiveren, te rekken en te buigen — gij die wonderwijs waant te zijn, als gij het alle oogenblikken met nieuwe methoden, nieuwe beginselen, met eindeloos nieuwe geboden, verboden en onderrichtingen beproeft! Hoe kunt gij u verwonderen, wanneer er later van eigenaardige karakters en geheiligde origineelen niets gevonden wordt? o. Dat gij toch aan God zijn werk in de zielen wildet overlaten!
Doch keeren wij tot den persoon van Jezus terug, zoo blijven
51
wij erbij dat menschen zoo weinig mogelijk aan Hem opgevoed hebben. Hijzelf echter moest levenslang s t r ij d e n en werken om steeds in het goddelijk middelpunt te blijven. Wij spreken over dezen strijd in een afzonderlijk hoofdstuk. Hier zeggen wij slechts dit, dat de geestelijke wasdom bij geen menscli zonder aanhoudende zedelijke inspanning geschiedt. Ook bij Jezus was het niet mogelijk zonder strijd, zonder arbeid, zonder afwering van hetgeen schaden kon. Zoowel tegen de eerste ge-meene woorden, die Hij als kind uit den mond van de knapen in Nazareth hoorde, als tegen den uitdagenden spot, die het hart van den Gekruiste doorvlijmde; —zoowel tegen de verlokkingen door zeer geliefde discipelen, als tegen de listige satanische verzoekingen (om van andere te zwijgen) moest Hij altijd biddend en strijdend op de wacht staan, altijd het zwaard des Geestes zwaaiend tegen de groote slang der rondom Hem loerende zonde. Het Goddelijk-grootsche bij Jezus was, dat Hij aanhoudend, bij eiken stap en in eiken toestand in zijn leven verklaarde: „Ik wil, ik moet zijn in de dingen mijns Vadersquot;; „wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op aarde.quot; Op zijne lippen zweefden voortdurend gebeden, zooals wij ze in het lied van Tersteegen — „God is tegenwoordigquot; — vinden:
•
Lucht, die 't al vervult.
Waar wij steeds in zweven,
Aller dingen grond en leven, —
Grond- en eindelooze zee.
Aller wondren wonder,
In U zink ik gansch ten onder.
Laat me in U, en Gij in mij,
Gansch en al verdwijnen.
Laat slechts naar ü mij smachten,
Laat me uw aanzicht schijnen!
52
Gij doordringt het alles!
Laat, o Heer, uw schoonste licht
Schijnen voor mijn aangezicht,
Evenals daarbuiten
Zich de teedre bloemen
Voor de zon ontsluiten.
Stil haar tegenblikken,
Laat zoo mij, stil en blij,
Me in uw stralen sterken
En U laten werken.
Heer, kom in mij wonen.
Maak U tot uw heiligdom.
Hier op aarde reeds mijn hart;
Heer, die nabij zijt, kom, o kom!
Openbaar me uw Wezen,
Dat 'k U lieve en eere.
Waar ik ga, zitte of sta;
Laat uw aanschijn voor mij blinken.
Laat mij voor U nederzinken.
Zoo hebben wij Jezus' standpunt ten opzichte van zijnen Vader aangewezen, — een standpunt dat Hij nooit verlaten heeft. Het eerste woord van Jezus, dat ons bewaard gebleven is, teekent zijn levensideaal en den wortel zijns levens. Maar hoe hoog in allen gevalle dit zijn standpunt boven het onze is, nochtans wordt aan ons de eisch gesteld:
2. „LAAT Ox\S ZIJNE VOETSTAPPEN NAVOLGEN!quot;
Ik wend mij ten eerste tot de ouders en tot alle opvoeders, o. Hoeveel diep betreurde dwaalwegen zouden wij vermijden , hoeveel namelooze smarten zouden wij ons en den ons ter opvoeding toevertrouwden besparen, zoo het ons steeds voor oogen stond, dat dit het ideaal is, waartoe wij de jonge zielen moeten
53
leiden; „te zijn in de dingen huns hemelschen Vaders.quot; Welke geheel andere idealen hebben toch de meeste opvoeders, ook dezulken, die volstrekt den godsdienst niet missen willen ! De kinderen moeten in allen gevalle in de wereld en voor de wereld iets bijzonders worden. Zij moeten uitmunten door schoonheid, beschaving, talenten. Men waant met de meisjes zijn doel te hebben bereikt, als zij mettertijd „een schitterende partijquot; maken. De jongens echter moeten er toe geleid worden, dat zij tot eer, aanzien en ruime middelen geraken. Tallooze ouders meenen het beste voor hun kinderen te doen, zoo zij hen boven hun eigen stand verheffen. Dus altijd maar opvoeding, altijd maar vorming! Reeds op de school worden zij aangespoord te zorgen altijd de eersten te zijn. De eerzucht wordt hun vormelijk ingeprent.- Op schaamtelooze wijze kunnen vaak ook ernstig gestemde menschen hun kinderen leeren, dat men voor alle gevallen de invloedrijke lieden voor zich moet winnen. Dat nu is de klare aanbeveling der behaagzucht, vleierij, huichelarij, lafhartigheid, onbarmhartigheid en karakterloosheid. Zekere aansporingen tot godsvrucht komen dan achteraan hinken en zijn eigenlijk een bespotting van de zaak.
Waar blijft echter het ware ideaal, het ideaal van den Heiland: „Ik moet zijn in de dingen mijns Vaders?quot; En toch is hier het ideaal voor allen, om het even of het boeren- of ministerskinderen zijn. En hier, hier alleen is de weg tot geluk voor allen, — niet alleen de weg tot het eeuwige, neen bok die tot het t ij d el ijk e geluk, o, Waarde ouders, die uwe kinderen zoo drilt en dresseert om hen voor „het levenquot; af te richten, — hoort gij dan het stille, sprakelooze en toch zoo hartroerende smeeken der kinderlijke ziel niet: „Weet gij niet dat ik zijn moet in de dingen mijns Vaders?quot; o. Gij vader, gij moeder, als gij met blijdschap uw kind in de kalme, vredige oogen ziet. — bespeurt gij dan niet, hoe een aandoenlijke bede daaruit tot
54-
u doordringt: „Hef mij hooger, lief mij hooger op! Ik moet zijn in de dingen mijns Vaders?quot; — Of wilt gij wachten tot dat eens voor Gods troon der kinderen mond u aanklaagt en zegt: „Wist gij dan niet dat ik moest zijn in de dingen mijns Vaders? Gij hebt er alleen voor gezorgd dat wij in de aardsche wereld vooruit zouden komen, en zie, nu hebben wij de hemelsche wereld verloren en het aardsche geluk hebben wij ook niet gevonden.quot; — Hoe verschrikkelijk zou het zijn, wanneer wij zulke klachten en aanklachten eenmaal hooren moesten! o. Dat wij toch onze kinderen naar binnen, naar huis, naar boven leerden zien, terwijl wijzelf voor hen wandelen als begenadigde, gelukkige, vreedzame kinderen Gods.
Ja, met de opvoeding van anderen zal het wel vanzelf in orde komen, wanneer wij slechts de ware zeifop vo e'din g betrachten. Tot welken stand gij ook behoort, welk temperament gij ook hebben moogt, van welk volk gij ook afstamt, — uw levensideaal moet zijn: „Ik moet, ik wil zijn in de dingen mijns Vaders!quot; En dat blijft zoo voor eiken trap en voor elk tijdperk van uw leven. Tot dat levensideaal moeten wij telkens weer terugkomen, of ons leven is verloren. En al ware uw leven voor de menschheid nog zoo gelukkig geweest, — voor u zeiven is het dan verloren.
Wij hebben allen onze idealen; dat is tenminste te hopen. Wanneer de maagkwestie en de bevrediging van zinnelijk 'genot alles beheerschen, dan zinkt de mensch tot het peil van het dier. Nu, in d e jeugd althans hadden wij onze idealen. Het was eerst misschien slechts het bezit van een stokpaard of een kleine pop. En dagenlang kon het gewenschte, lang verwachte bezit volkomen gelukkig maken. Maar slechts dagenlang, toen kwamen er andere idealen voor in plaats. Verder, steeds verder strekte het hart zich uit. Misschien heeft eene huwelijksliefde en de stichting van een eigen haard u een langen tijd doen
55
gelooven dat uw geluk volkomen was. Doch hoe groot het ook ware — weldra liet de ledigheid van uw hart zich weer gevoelen; de mond uwer ziel, die een tijdlang gesloten was, schreeuwde om leven. Niet anders was het met andere idealen, met de vaderlandsliefde, met de geestdrift voor de natuur of vóór allerlei edele kunst en wetenschap. Dat is alles lief en goed. Maar niets voldoet de ,ziel voortdurend en in den grond, voor en aleer zij zich verheugd opheft en in aanbidding, ten aanzien van den eeuwigen God, durft zeggen: „Abba, lieve Vader!quot; Niets schenkt den mensch zulk een adel als de uitstrekking naar dit doel, — dit: „Ik moet zijn, ik wil zijn, — ik wil het, al zou de gansche hel en de geheele wereld zich tegen mij opmaken, — ik wil zijn in de dingen mijns Vadei-s !'quot;
En indien dit ideaal de ziel beheerscht, dan dalen de andere idealen niet, maar r ij zen zij juist. Toen ik nog een jongeling was, verkeerde ik ook een tijdlang in de. dwaling, die duizenden gevangen houdt. Ik waande dat, wanneer ik het Evangelie ernstig ter harte nam, het voor altijd met wijsheid, levensgenot en aardsch geluk, uit was. Doch toen ik den Eénige vond, die mij te allen tijde had liefgehad, toen ontdekte ik tot mijn groote blijdschap, dat al wat ideaal verdient te heeten, eerst nu een levende ziel, een eeuwig karakter kreeg. Nu werd al wat groot was op aarde een gelijkenis en tegelijk een profetie van iets oneindig grooters en eeuwig blijvends, dat over de grenzen dezer wereld ligt. Nu eerst kon ik mij over de aardsche dingen verblijden, zonder dat het gevoel van ledigheid en treurigheid er op volgde; nu eerst kon ik geestdrift voeden voor hetgeen op aarde is, zonder gevaar van in schepselvergoding te vervallen, naardien de betuiging: „Ik moet zijn in de dingen mijns Vadersquot;, de wensch aller wenschen, de leidende gedachte was.
Ach, ook de besten (ik spreek dus niet meer van mijn per-
56
soon) — ook de besten hebben bij den besten wil den rechten weg naar den hemel maar al te vaak verlaten. Ook de edel-sten werden aan hun ideaal duizendmaal ontrouw. Hoe dikwijls trok ons de zonde van den ingeslagen weg; hoe dikwijls uit onze gemeenschap met God! Nu eens waren het slechte boeken, die den alles verzengenden geest des twijfels verspreiden, dan eens waren het de woorden en voorbeelden van m e 11-schen, die het hart vergiftigden; anders weer kwam uit ons eigen vleesch en bloed de lucht, die don dood in zich droeg.
In de „jaren van ontwikkelingquot; doen zich bij tallooze jongelingen tijden van afzwerving voor, waarin zij zichzelven en hun God verliezen. Bij de jongedochters is het duizendmaal niet anders, wanneer zij in het huwelijk treden of tevergeefs daarnaar uitzien. „Ik heb een man getrouwd, daarom heb ik God laten varen,quot; is nog vaker waar dan de verklaring: '„Ik heb eene vrouw getrouwd, daarom....quot; En wie zou ze allen tellen en optellen kunnen, de verleidingen, de begeerlijkheden, de machten, die ons uit de kinderlijke betrekking tot God losrukten!
o, Hoe menigmaal stonden wij voor een verwoeste geesteswereld! En hoe moesten wij onder heete tranen ons-zelven bekennen, dat zij verwoest was niet buiten onze eigen schuld. Door ontrouw, door onkunde, door onoprechtheid, door begeerlijkheid, door wereldsche betoovering hadden wij onzen God, onszelven en ten slotte ook do wereld verloren. Gelukkig hij, wien het dan niet aan reddende handen ontbrak, die hem hielpen' van nieuws af weer te beginnen. Gelukkig die den moed had zich weer van het element der duisternis en des doods af te keeren en de hulp te zoeken waar zij is.
„Hier legt mijn geest zich voor u neder,
Mijn hart, Heer, zoekt zijn oorsprong weder;
Laat uw vertroostend aangezicht Op mijn ellende zijn gericht.quot;
57
Gelukkig die in zulke tijden de roepende stem van den zoekenden God vernam en verstaan wilde:
Als ge uzelven hebt verloren,
o, Keer weer, o, keer weer.
Kniel ootmoedig, biddend neder Met uw last voor uwen Heer!
Dit steeds weder omkeeren, dit steeds weder inkeeren in zijn levensideaal, — dat is de ware eenheid des levens in liet bonte veelsoortige; dat is de vaste grond in de wisseling des tijds, de harmonie in de disharmonie. Telkens is het noodig met al de kracht zijner ziel te besluiten: „Ik moet zijn, ik wil zijn, ik zal door Gods genade ook eindelijk geheel zijn in de dingen mijns Vaders.quot;
En juist dit, dat de ziel zoo telkens weder God zoekt en tot God doordringt, dat is g e 1 o o v e n. Men spreekt zooveel over het geloof. Millioenen spreken er met verachting over; zij meenen dat het geloof eene zaak is, die een met verstand begaafd en beschaafd mensch onwaardig is. Dat God hen verlichte! Zij weten niet wat zij doen, zij weten niet wat zij zeggen. — Anderen achten het geloof hoog. Maar wat verstaan zij daaronder ? „Ik geloof den B ij b e 1spreekt deze, en hij is overtuigd dal het nu met hem in orde is. Hoe dwaas! Wel „geloofquot; ook ik „den Bijbel,quot; en ik weet ook volstrekt niet hoe het God zoekend geloof vasten grond, stand en wezen bekomen kan, indien niet uit Gods openbaring in den Bijbel. Maar zonder twijfel kan toch iemand — in den gangbaren zin van het woord — den Bijbel gelooven en van het ware, vaste, vrijmoedige, levende en levendmakende geloof nog volstrekt geen begrip hebben. En dat kan niet slechts zoo zijn, neen, helaas, het i s ook ontzettend dikwijls zoo.
Een ander zegt: „Ik geloofaan wondere n.quot; Hij meent daardoor een vast standpunt te hebben. En werkelijk, indien hij weet, wat hij zegt, dan heeft hij ook reeds iets van belang in
58
zijn wondergeloof. Wie niet gelooft dat God wonderen kan en wil doen, heeft in het algemeen geen toekomst en geen hoop.
Want — afgezien van al het andere — hoe zou ik dan kunnen gelooven, ooit een zalig, rein kind van God te worden, zoo God de Heere niet een w o n d e r aan mij doet? Maar het „geloof aan wonderenquot; is toch niets meer en niets minder dan een e i s c h van het ware geloof.
Niet beter is het, zoo iemand zegt: „Ik sta voor mijn Luther-sche of Gereformeerde geloof in,quot; of: „Ik ben uit overtuiging Baptist of Methodist.quot; Daar valt niets tegen te zeggen. Het is in allen gevalle uitnemend, wanneer men hetgeen men is, uit overtuiging is. Maar groote dwaasheid is het, wanneer men meent, dat men in het geloof staat, omdat men de bestaande geloofsbelijdenis van een bepaalde kerk met ijver verdedigt. Elke geloofsbelijdenis is slechts een poging om de eeuwige waarheid in tydelijke vormen te vervatten. En ook al is de belijdenis nog zoo voortreffelijk, dan is het geloof aan die belijdenis nog .»
niet het levende geloof.
Het ware geloof is alleen daar aanwezig, waar 's menschen inkeer in God heeft plaatsgevonden en bij voortduring plaatsvindt, en evenzoo de inwoning Gods in den mensch. Zulk een geloofsgemeenschap van den mensch met God is in vollen zin alleen mogelijk, waar vooraf God de wereld met zichzelven verzoend heeft en waar dus de scheidsmuren zijn weggenomen.
Dat was bij Jezus niet noodig, omdat er voor Hem geen muren bestonden. Bij ons echter blijft de angst, blijft het mistrouwen bestaan, totdat wij door de verzoening in Christus een vrijen toegang tot den Vader verkregen hebben.
Zijn wij daarvan verzekerd, dan kan het geloofsleven in z;jn volle beteekenis pas beginnen. Nu pas kunnen ook wij zeggen: „Ik moet zijn in de dingen mijns Vaders.quot; Nu eerst kunnen wij juichen: „Abba, lieve Vader!quot; Nu eerst bidden; „Laat mij
- , --------
_
__
59
als de engelen, steeds voor U staan en U aanschouwen !quot; Ja, nu eerst kunnen wij.
Doch het is de vraag of wij ook willen. Nu hebben wij het koninklijk voorrecht met God als met onzen Vader te verkeeren ; maar het is de vraag of ons zijn gestadige tegenwoordigheid niet te ernstig, niet te heilig, niet te drukkend is. Men zou zeker wel denken dat een halverwege Godvreezend mensch zich niets heerlijkers en zaligers kan voorstellen dan de goddelijke
tegenwoordigheid, maar....... Toen ik voor eenige jaren te
Berlijn een voordracht hield, werd ik midden in mijn rede gestoord door het zacht gefluister: „Houd even stil, de k ei z e r i n komt.quot; Het was maar loos alarm. Doch de aanwezigen meenden dat zij werkelijk kwam. Nu hadden mijn lezers eens moeten zien welk een — ik zou zeggen electrische — schok de geheele groote vergadering beving. Het is onmogelijk dat te beschrijven. Niemand zou mij gelooven, behalve misschien een Berlijner. Het was, alsof men betooverd geworden was; de kleinen rekten zich uit om te kunnen zien, de kleinsten gingen op banken en stoelen staan; de dofste oogen glinsterden; de spanning der gemoederen overweldigde iemand onwillekeurig. Ik raakte bijna buiten adem. — Zooals gezegd is, de geheele stoornis berustte op een loos alarm. Maar hoe, indien nu onze geliefde keizerin eens werkelijk binnengetreden ware ? Wat kon zij dan den aanwezigen geven ?
Hoe oneindig veel verhevener is toch de tegenwoordigheid van den eeuwigen God, buiten wien ook een keizerin slechts stof en asch is! En Hem verwachten wij niet tevergeefs, indien wij Hem w e r k e lij k verwachten. Hoe gelukkig zouden wij zijn, zoo wij ons dit steeds, als ons hoogste adelijk recht, herinnerden: „Ik moet zijn in de dingen mijns Vaders!quot; Zoo ongeveer sprak ik destijds te Berlijn; zoo zeg ik ook nu, want iets beters weet ik niet.
III.
DAT DE MENSCH VAN GODS WOORD LEEFT.
De menscli zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.
Matth. 4 : 4.
1. 's HEILANDS WORTELEN IN DE SCHRIFT.
Een Zwabische boer komt met een vollen zak tot zijn leeraar. „Ik heb hier een beetje geld voor de Zending,quot; zegt hij, „gij kunt het toch bezorgen, dominee?quot; Toen de vraag toestemmend beantwoord werd, tastte hij in zijn gelen zak en haalde er achter elkander vijf en twintig gulden uit (het was namelijk toen nog de guldenstijd). De predikant wenschte hem deswege Gods zegen toe. De boer echter antwoordde: „Dien heb ik al; dag dominee!quot; en ging goedsmoeds heen.
Naar ik hoop is er geen onder mijne lezers, die deze geschiedenis niet begrijpt. Het is ten volle waar, dat wij ons gelukkig en rijk gevoelen, wanneer wij den wil van God doen; hetzij dat wij — evenals hier de boer — den „onrechtvaardigen mammonquot; ten gunste van Gods koninkrijk een wond toebrengen; hetzij wij onzen hoogmoed den doodsteek geven, doordien wij den vijand, die ons zwaar beleedigde, met vergeving en zegen beantwoorden. Maar ik heb de kleine geschiedenis aan het begin van hel hoofdstuk geplaatst, waarin ik over het gebruik
61
van de Heilige Schrift wil spreken. Ik wilde terstond bij den aanvang zeggen, dat de rechte Bijbellezers niet behoeven te wachten, dat hun de goddelijke zegen, ik weet niet op welken tijd of eens in de eeuwigheid, ten deel wordt, maar dat zij blijmoedig met den Zwabischen boer kunnen zeggen: „Dien heb ik al.quot;
„De mensch leeft bij Gods Woord,quot; zegt de Heiland. Wat wil men meer ? Hij duidt het aan als een voedingsmiddel voor den inwendigen, voor den geestelijken mensch.
Elk levend wezen moet voortdurend voedsel gebruiken, zoo het groeien, ja zoo het ook maar bestaan zal. De distel zoomin als de palmboom, de leeuw zoomin als de worm — kunnen leven van hetgeen zij in zichzelven hebben. Zonder voedsel vallen zij aan het verderf ten deel. Met den mensch is het in lichamelijk opzicht niet anders gesteld. Wie dat nog niet weet, moet maar eens ter afwisseling twee, drie dagen in bedorven lucht en zonder voedsel doorbrengen. Veerkracht, werkkracht, levenskracht is dan geweken. Zoo afhankelijk zijn wij van de voeding.
Maar geldt dat ook van den inwendigen, den g e e s t e-1 ij ken mensch? Geldt het ook van het onzichtbare, geheimzinnige werk Gods in ons? Ja zeker, van deze nieuwe schepping Gods geldt het in geheel bijzonderen zin. Stel u een waar Christen voor, die eenige dagen lang noch gebeden heeft, noch Gods Woord gebruikt, noch Christelijke gemeenschap onderhouden heeft. Ach, wellicht behoeft gij u dezen Christen volstrekt niet voor te stellen; misschien waart gij zelf eens deze man, terwijl gij onder deze of gene misdaad gebogen gingt, of door wereldsch-gezindheid of wereldsche begeerlijkheid verblind, schipbreuk leedt van uw geloof. Ja, schipbreuk was het, en het is een wonder der genade, zoo het scheepje uws geloofs niettemin weer zeil-reê werd.
62
De inwendige mensch moet voedsel hebben, indien hij leven zal. Hij is niet als een gedenkteeken van metaal, dat eenmaal afgewerkt is en eens voor altijd de stormen en onweders verduren kan. Neen, hij is als de plant, waarbij zich uit het zaad de kiem, uit de kiem de halm, uit de halm de are en daarna in de are zelve de vrucht ontwikkelt. Het gaat van trap tot trap. Maar op welken trap zich ooit uw inwendige mensch bevinden moge — voedsel uit den hemel heeft hij te allen tijde noodig.
Het is niet genoeg, zoo men zegt dat het geloofsleven in dezelfde verhouding tot den goddelijken levenstoevoer staat, als het kind tot de moederborst. Het beeld is sterk en toch nog le zwak. Want het kind is niet bestemd altijd aan de moederborst te blijven; integendeel, de voeding, die aan het kind ten deel valt, dient er toe dat bet weldra aan de moederborst o nt-w e n d kan worden, op eigen beenen staan en ten slotte zelf voor zijn voeding zorgen. Het inwendige leven echter is tot op zijn hoogste voltooiing toe, aan de gestadige goddel ij ke tegenwoordigheid en inwerking gebonden, gelijk de rank — daar hebben wij het rechte beeld — aan den toevoer uit den stam van den wijnstok. De afhankelijkheid houdt dus niet óp. De volstrekte volmaking van den geestelijken mensch bestaat juist daarin, dat God alles in allen zal zijn, — in allen, die Hem alles willen laten zijn; want hier heerscht het geweld niet.
Welke nu zijn de voedingsmiddelen, waardoor Hij zichzelven aan de ziel mededeelt? Zij zijn van onderscheiden aard. Maar een der voornaamste is zonder twijfel zijn Woord. Daarom zegt de Heiland: „De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaE.t.quot;
Wij leggen allereerst den vinger op de twee woordjes: „de m e n s c hquot;. Dus ieder mensch, niet alleen de onontwikkelde
63
en arme! Het tegenovergestelde zeggen tegenwoordig, opgeblazen van geest, velen, die dronken zijn van de „vorderingen der moderne wetenschapquot; en betooverd door de gaven der kunst. Zoo zegt ook een van onze Duitsche dichters:
„Wie wetenschap en kunst bezit,
Die heeft ook godsdienstzin;
Wie dezen echter niet bezit,
Die... hebhe godsdienstzin.quot;
De v o r m is al slecht genoeg; maar nóg slechter is de z i n, die daarop neerkomt, dat slechts diegene zich met godsdienst zal ophouden, wien het aan kunst en wetenschap ontbreekt; wie deze bezit heeft daarin een meer dan rijke vergoeding. Och, arme! Hoe spoedig zal hij den wandelaar gelijk zijn, die in het gloeiend zand der waterlooze woestijn van dorst versmacht. Dan is toch Lenau nader aan de waarheid, wanneer hij zingt en zegt;
„De wijzen der Hellenen kenden
Het licht niet, dat de Heiland biedt,
En daarom schertsten zij en noemden Des afgronds diepste ellende niet.quot;
Met een grijnslach zetten de Hellenen zich over de ellende van de wereld en hun eigen hart heen, bedoelt de dichter. Zoo was het bij de Grieken vóór eeuwen, en zoo is het tegenwoordig bij Duitschers en Franschen, al zijn zij ook hoogleeraren, ministers of kardinalen. De mensch leeft niet van brood alleen; hij leeft ook niet van de gaven, die de beschermgeest der kunst heeft aan te bieden; hij leeft in het algemeen niet van iets hoegenaamd, dat deze vergankelijke wereld verschaffen kan. En wel daarom niet, omdat zij een vergankelijke wereld is en omdat hij, de mensch, naar het blijvende, eeuwige leven hongert.
Hij leeft alzoo in het algemeen geen mensch waardig leven.
64
geen leven dat dien naam waard is, zoo hij zich van de goddelijke levensbronnen afkeert. Hij zinkt dan van zjjn waren adelstand tot het dier neer, hetzij tot het hoogst ontwikkelde dier of tot het lage wilde beest. Ach, men behoeft zelfs niet ver Ie gaan en men zal voorbeelden genoeg vinden (niet slechts in de kroegen, maar ook in de voorname gezelschapszalen) dat hij zelfs diep beneden elk dier kan zinken.
Dus leven, in den vollen zin van het woord, doet de mensch pas dan, als hij van Gods zijde gevoed wordt. In het Woord van God nu is — aldus verklaart de Heiland — goddelijk leven vervat, wezenlijk goddelijk leven, even wezenlijk en werkelijk als er in den dauw en den zonnestraal leven voor de plant is.
En van hetgeen er in Gods Woord is, leef Ik, zegt Jezus. Mijne lezers weten, naar ik hoop, allen bij welke gelegenheid Hij alzoo sprak. Veertig dagen lang had Hij in de woestijn gevast en nu hongerde hem. Toen kwam de verzoeker tot Hem en sprak: „Indien Gij Gods Zoon zijt, zegt dat deze steenen brooden worden.quot; De verzoeking was groot. Zij was daarom zoo groot, omdat zij volstrekt geene verzoeking scheen te zijn. Het was toch ontwijfelbaar juist, dat Hij brood uit steenen kon tevoorschijn brengen, indien Hij Gods Zoon was. En indien Hij het kon, waarom zou Hij het dan niet doen? Wat is toch ten slotte onschuldiger dan zijn honger te stillen, zoo men het doen kan zonder iemand te schaden?
Wij doorzien nu al het verschrikkelijke van deze verzoeking. Jezus zou, gelijk wij bij een andere gelegenheid grondiger zullen aantoonen, den Heiland in den Heiland gedood hebben, zoo Hij de stem des Satans gevolgd ware. Zijne wonderkracht was Hein gegeven om zich daardoor als den Heiland te doen kennen, die niet gekomen was om zich te laten dienen, ook niet om zichzelven voor haar op te offeren. Hij zou dus van meet af aan zijn roeping gemist en zijn weg bedorven hebben, indien Hij aan de
65
listige stem van den Satan gehoor had gegeven. Daarom wijst Hij hem*er dus op, dat Hem de behoefte om zijne betrekking met God te bewaren boven elke andere behoefte gaat. Het beslissende woord nu vindt Hij door zich op een aloud Schriftwoord (Deut. 8:3) te beroepen: „dat de mensch niet alleen van het brood leeft, maar van alles wat uit des Heeren mond uitgaat.quot; En hiervan leeft hij werkelijk.
De Heiland duldt alzoo de Schrift als de geestelijke s p ij s-katner van den geloovige aan. En daarvoor moet ook gij, geachte lezer, uw Bijbel houden. Ik zeg niet dat de Bijbel n i e t s anders is dan een spijskamer voor den inwendigen mensch. Hij is ongetwijfeld ook een geschiedboek zonder wederga. Hij is ontegenzeggelijk ook een mijn voor de meest verschillende wetenschappen, bijvoorbeeld voor de taalwetenschap, voor de volkenkunde, voor de aardrijkskunde, voor de geschiedenis der beschaving en de wereldgeschiedenis enzoovoorts. Maar zijn godsdienstige beteekenis (en dat is zijn eigenlijke be-teekenis) bestaat daarin, dat hij een goddelijke spijskamer is voor het hart, dat naar goddelijk leven schreeuwt.
In Gods Woord vinden wij het antwoord, het onbedrieglijke en duidelijke antwoord op al de vragen, die elk god-vreezend menschcnhart te allen 'tijde en op alle plaatsen hebben beziggehouden. Niet dus het antwoord op de vragen, die ons verstand beantwoorden kan, of moet leeren beantwoorden, bijvoorbeeld hoe men partij kan trekken van de krachten der aarde, hoe men wind en stoom dienstbaar maken kan, hoe men den bliksem onschadelijk maakt, hoe men een „perpetuum mobilequot; (eeuwigdurende beweging) vindt, hoe men klierziekte teboven komt en zoo meer. Wat ons verstand vinden, kan, dat moet het ook vinden en het verstand alleen. Gods openbaring wil op dit gebied den menschelijken geest niet voor-uitloopen. Hem voorkomen zou hetzelfde zijn als hem verlammen.
5
60
Daarom kan er redelijkerwijze van een tegenstelling tusschen geloof en wetenschap evenmin sprake zijn als van een tegenstelling tusschen de muziek en de scheikunde. De Bijbel wil niets leeren wat onder het bereik van het men-schelijk onderzoek valt. Hij wil bijvoorbeeld (ondanks Jozua 10: 13) er niets over zeggen of de zon stilstaat, dan wel zich beweegt. De wetenschap echter maakt zich belachelijk, zoo zij bewijzen wil, dat wonderen onmogelijk zijn. Wat den almach-tigen God mogelijk of onmogelijk is, daarvan weet zij volstrekt niets.
De vragen die het menschelijk hart te allen tijde bezighielden, en die het — zooals de geschiedenis leert — te geener tijd voldoende beantwoorden kon, zijn de vragen omtrent den oorsprong en het doel aller dingen, bovenal naar den oorsprong, het doel en de bestemming van den mensch. Vanwaar is de wereld gekomen, wier voornaamste deel ik ben? Waar vind en hoe vind ik Hem, die haar in het aanzijn riep? Welke gedachten heeft de Schepper aller dingen, in betrekking tot mij, den mensch ? Waarom ben ik het machtigste en t e v e n s onzaligste schepsel in het gansche heelal ? Hoe komt het, dat ik inwendig zoo verscheurd ben, zoo vurig verlangend naar God en toch zoo wederstrevig tegen God? Hoe wordt mijn schreeuwend verlangen naar leven, naar eeuwig leven bevredigd? Hoe word ik vrij? Hoe word ik verlost? enzoovoort.
Neem nu, geachte lezer, de letterkunde van alle volken en alle tijden ter hand; doorzoek alles met vorschenden geest, en gij hebt op al die vragen niet zooveel antwoord gevonden als het enkele kleine woord van den Heiland geeft: „Alzoo lief
heeft God de wereld gehad, dat Hij......doch dat kennen
mijn lezers wel van buiten. Ja, den weg tot eeuwige volmaking en zaligheid in deze wereld vol onvolmaaktheid en onzaligheid te vinden, dat is de hoogste bestemming van den mensch. Gods
67
Woord nu wijst dezen weg ter zaligheid. Zonder het voedsel van Gods Woord kan de mensch niet leven.
Was dat echter ook b ij Jezus alzoo ? Zonder twijfel, zoo zeker als Hij een waar en volkomen mensch geweest en ons in alles, uitgenomen de zonde, gelijk geworden is. Vroeger reeds hebben wij gezien, hoe het Woord van God in Hem leefde en Hem ten leven was. Door dat geloof werd Hij sterk om den Satan te overwinnen en volstandig in God te blijven, en niet slechts volstandig te blijven, maar zich te verdiepen in zijnen God en zich inniger bij Hem aan te sluiten. Is dat niet 1 e v e n door het Woord? — En niet anders is het ten opzichte van de beide andere verzoekingen, die ons in Luk. 4 ; 8 en 10 vermeld worden. Ja, overal op zijn aardsche loopbaan is het zoo, hetzij Farizeën en Schriftgeleerden, hetzij zijn geliefde discipelen of „de begeerlijkheid der wereldquot; Hem uit zijnen God losscheuren willen. Altijd is dit zijn wapen: „Daar staat geschreven.'- — Daarom moet het alzoo geschieden.
Dat de Heiland geheel wezenlijk in de Schrift leefde, hebben wij reeds in een voorbeeld gezien. Hetzelfde nemen wij overal waar. Zonder twijfel is Hij van zijn prille jeugd af in de heilige voorhoven der Godsopenbaring binnengeleid geworden, en wel voornamelijk door zijne moeder. Deze is overal wel zijn leermeesteres geweest; nauwelijks bestond er in Nazareth iets van hetgeen wij thans een school noemen. Boeken waren destijds zeldzaam en al te kostbare dingen. Iets geschrevens schijnt er toch wel in de woning van Jezus' ouders geweest te zijn. Hoe zou Hij anders hebben moeten leeren lezen (hetgeen Hij volgens Lukas 4 : 10 en vervolgens, machtig was)? Maar een afschrift van de gezamenlijke boeken van het Oude Testament was er hoogstens in de synagoge.
G8
Men onderwees derhalve de Schrift door voorlezen en voorzeggen en men leerde ze door aanhooren. Zoo leerden in Griekenland honderden al de zangen van Homerus van buiten. Grooter nog was in Israel de ijver om Gods Woord te leeren kennen en dus ook van buiten te leeren. Zoo had dan de rechtgeaarde Israëliet zijn Bijbel altijd bij zich. Het onthouden en overdenken van Gods Woord viel natuurlijk ook gemakkelijker in een tijd, toen hart en zin nog niet door nieuwsbladen en romans verward en verwoest werden.
In hoe rijke mate nu Gods Woord juist in het hart van Maria leefde, blijkt uit het wonderbare, heilige lied, dat zij gezongen heeft (Lukas 2 : 46—55) en waardoor zij de voorzangster van alle Christelijke dichters en dichteressen geworden is. De eigenaardigheid van dezen lofzang bestaat daarin dat het wel een geheel nieuw lied van geheel nieuwen inhoud is, maar dat nochtans alle heilige oude liederen daarin samenstemmen. Wie in de Psalmen en in de andere Oud-Testamentische schriften tehuis is, begrijpt wat ik zeg.
Een zoo Schriftkundige moeder was dus de eerste leermeesteres des Heeren. Ik zie in den geest een knaapje, dat op haar schoot zit of wel naar Oosterschen trant op den grond gehurkt is. In het jonge hart prent Maria het eerste gebed, misschien dit: „Heere, leer mij uw welbehagen doen; uw goede Geest geleide mij in een effen land!quot; — Ik hoor het knaapje's avonds bidden, als zijne moeder hem naar zijne legerstede heeft gebracht: „Ik zal in vrede nederliggen en slapen, want Gij, o Heere, alleen zult mij doen zeker wonen.quot; En 's morgens als het ontwaakt, heft het zijne oogen op naar de bergen, vanwaar de hulpe komt, en spreekt: „Als ik mij nederleg denk ik aan U, als ik ontwaak, spreek ik van U.quot; Wij hooren hoe de moeder den opwassenden knaap onder den dagelijkschen arbeid „alle woorden der wetquot; inprent, maar niet minder de geschiedenis
69
der aartsvaderen en de groote daden Gods uit de dagen van ouds.
En op den sabbat gingen moeder en zoon hand aan hand naar de synagoge. Daar werden altijd groote gedeelten van de Oud-Testamentische Schrift voorgelezen. Wat kan men zich natuurlijker voorstellen dan dat Maria des namiddags onder haren vijgenboom en wijnstok met haren zoon het gehoorde weer herhaalde? Wat is natuurlijker dan dat wij ons beiden voorstellen, zooals zij, door de prachtige landouwen en palmbos-schen wandelende, de oude Psalmen van hun stamvader David zongen ?
Gelukkig hij, die in deze schildering een gedeelte van de geschiedenis zijner eigen geschiedenis gevonden heeft! Gelukkig ook de ouders, die zich door het gehoorde laten aansporen om nu ook hunnerzijds in de harten der hun aanvertrouwde jeugd op liefderijke wijze het goddelijk Woord te planten.
Hoe men zich overigens het onderwijs van Jezus voorstelle, vast staat in elk geval dat de Heiland een geheel buitengewone Bijbelkennis bezat. Al zijne woorden bewijzen dat de Oud-Testamentische Godsopenbaring onophoudelijk en in schitterend licht voor zijne ziel stond. Zijn inwendige mensch is er geheel van vervuld en daarom kan Hij er elk oogenblik het treffendst gebruik van maken. Wanneer Hij ons aanmaant: „Onderzoekt de Schriftenquot; (Joh. 5:39 en 46) dan eischt Hij slechts dat wij zullen doen wat Hij altijd gedaan heeft, en Hij belooft ons alleen daarom dat wij er het „eeuwige levenquot; in vinden zullen, omdat Hij zelf het er in gevonden heeft.
Wie zich de moeite wil geven — en het loont waarlijk die moeite! — eens al de plaatsen uit de Evangeliën uit te schrijven, waarin de Heere Christus rechtstreeks of slechts zinspelende naar de Schrift verwijst — die zal een zeer merkwaardig boekje bijeenkrijgen. Alle mogelijke personen en gebeurtenissen, waar de Oud-Testamentische oorkonden gewag van maken, wor-
70
den door den Heiland aangehaald; Adam en Abel; Noach en de menschen ten tijde van den zondvloed; de aartsvaders Abraham, Izak en Jakob; ook Lot wordt niet vergeten; Mozes, David, Salomo, rijzen voor onze oogen op; Elia met de weduwe van Sarepta; Elisa met den Syriër Naaman; Jona met de inwoners van Ninevé; Daniël die over den gruwel der verwoesting van de heilige stad spreekt, — maar neen, ik mag niet langer voortgaan. Overal nu verwijst de Heiland naar de Schrift, hetzij Hij het volk onderwijst en leert, zooals in de bergrede, hetzij Hij rnet de Farizeën, Sadduceën en Schriftgeleerden of zelfs met den Satan strijden moest. Op hetzelfde oogenblik gebruikte Hij Gods Woord als den hamer, die steenrotsen verbrijzelt, als het tweesnijdend scherp zwaard, dat door merg en been gaat, — op hetzelfde oogenblik doet Hij dat Woord de zachte balsem en verkwikkende hemeldauw zijn. Het is onmogelijk dit hier in bijzonderheden aan te toonen en voor den kenner van de Evangeliën is het ook niet noodig. Deze weet hoe de vraag: „Hebt ge niet gelezen?quot; steeds uit zijnen mond klinkt. Hoe Hem zelf nu de Oud-Testamentische Schrift een bron des levens en dei-vertroosting was, kan op het duidelijkst hieruit blijken, dat de stervende Heiland nog, temidden van zijn kruislijden, zijn klaaggebed uit in de Schriftwoorden; „Mijn God! mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten!quot; — „Mij dorst!quot; — „Vader, in Uwe handen beveel ik mijnen geest!quot;1)
Alles samengenomen, zoo zien wij dat de Heiland in Gods Woord en van Gods Woord leefde en dat dus dit, als ik mij zoo mag uitdrukken, een niet onbelangrijk deel zijner sterkte en mitsdien ook van zijne grootheid uitmaakte. Hoe staat het echter met onze betrekking tot Gods Woord?
') Ik maak ook nog opmerkzaam op Lukas 24 : 13 en 14 en 45.
De Schrijver.
71
2. WAT HEBT GIJ AAN UW BIJBEL?
Wanneer de Heere Christus de Schrift noodig had ten leven, hoeveel te meer dan w ij! Deze gevolgtrekking is wel onweerlegbaar. Men zou zich nog misschien kunnen voorstellen (ofschoon ik het mij niet voorstellen kan) dat de Heiland het geschreven Woord Gods had kunnen ontberen. Daarmede was evenwel voor ons nog niets bewezen. Daar Hij nu niet eens buiten de Schrift kon leven, hoeveel te minder wij. Vanwaar zouden wij dan ook, zonder tot geestdrijverij, onzekerheid en willekeur te vervallen, licht omtrent de gewichtigste vragen, — vanwaar zouden w ij het voedsel voor onzen dorstenden geest bekomen, indien niet uit de Schrift? Men zou dus verwachten dat men overal in de Christenheid, waar de godsdienstige behoeften ook maar aanvankelijk zijn opgewekt, een buitengewonen ijver zou aantreffen om in de Schrift in te dringen. Helaas, daarvan valt weinig te bespeuren.
Bij den profeet Amos lezen wij (hoofdstuk 8: 11): „Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere Heere, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te hooren de woorden des Heeren.quot; Ik wil niet beslissen of deze voorspelling wellicht in een vroeger tijdperk vervuld is geworden; maar dit staat vast, dat ons tegenwoordig geslacht dezen honger niet kent. Een kind kan zien dat bij de groote massa der menschen de honger naar geheel andere dingen uitgaat, naar geld, naar genot, naar eer, naar ontwikkeling, kunst enzoovoorts. Legio is het aantal dergenen, die van den Bijbel volstrekt niets willen weten en die van het goddelijk manna minachtend zeggen: „Onze ziel walgt van dit zeer lichte brood.quot;
Nu, met dezulken hebben wij hier niet te doen. In hun han-
72
den komen deze bladzijden niet. Maar ook de groote menigte van hen, die nog niet van het kerkelijk leven vervreemd zijn, hebben meerendeels weinig aan hun Bijbel. Wel zingen zij met een zekere geestvervoering; „Zij zullen 't Woord ons laten staan,quot; — inzonderheid wanneer even tevoren een bulderende redevoering tegen Rome van stapel gelaten is. Maar in het wezen der zaak is het met hun honger naar het hooggeloofde „Woordquot; toch slecht gesteld. Ja, zij laten het Woord „staanquot; waar het staat, namelijk op de boekenplank. Zij voeden zich met allerlei godsdienstige boeken, waarin de gedachten der Schrift op een treffende en boeiende wijze „verwerktquot; zijn. Als zij hooren hoe de Oud Testamentische geloovigen zich met juichende, dankbare blijdschap over Gods Woord doen hooren; als zij een psalm lezen zooals den 119den; als zij dezen hooren betuigen dat Gods Woords hun dierbaarder is dan goud en veel goud, zoeter dan honig en honigzeem, — ik zeg, als zij hooren hoe de ouden, wien toch het beste, het Evangelie, nog ontbrak, over het bezit van Gods Woord jubelen, — dan moeten zij eerlijkheidshalve erkennen dat hun dit een weinig overdreven en overspannen toeschijnt. Zij moeten erkennen dat zij er hunnerzijds slechts geringen zegen uit trekken.
Doch niet alleen de uit gewoonte „kerksche Christenenquot;, maar ook dezulken, die inwendig leven bezitten, klagen vaak dat Gods Woord zoo weinig indruk op hen maakt. En hiermeé zullen ook vele lezers dezer bladzijden instemmen. Wel is waar, zoo zeker als zij inwendig leven hebben, zullen zij ook verklaren, dat het niet altijd zoo was. Er waren ook andere dagen, toen zij juichten over het Woord Gods als dorstigen, die plotseling in de woestijn het ruischen van de bron vernemen. In zulke tijden hebben zij ondervonden wat het zeggen wil: „Indien uw Woord niet al mijne vermaking geweest ware, ware ik in mijn druk vergaan.quot; Ja, ik beweer dat ieder, die verborgen leven
73
met God kent, er een boek over kon schrijven hoe in deze of gene tijden het Woord van God zijne levenskracht in hem getoond had.
Goed! Wij houden ons aan die toestemming. Wat volgt dan daaruit? Mij dunkt dat is eenvoudig. Wanneer gij de stemmen van geliefden om u heen plotseling niet meer verstaat of misverstaat, dan zult gij als verstandig mensch toch niet meenen dat aan deze stemmen, maar dat aan uw gehooide fout ligt. Wanneer de spijzen, die u altijd verkwikten en voortreffelijk voedden, niet meer smaken willen, dan moet de oorzaak in u liggen; uw maag moet van streek zijn. Zou het niet evenzoo gelegen zijn in betrekking tot het brood Gods en de hemelsche spijs? En zoo gij aan deze gevolgtrekking niet ontkomen kunt, is het dan niet zaak de oorzaken der inwendige onklaarheid en ziekte op te sporen en weg te nemen?
De oorzaken van de genoemde onklaarheid kunnen voorzeker van zeer verschillenden aard zijn. Het kan zijn dat gij u aan bepaalde zonden (zij het ook vergoelijkte zonden) hebt overgegeven. Dan ligt er een o orde el op u en een scheidsmuur is er tusschen u en uw God. Eer Adam gezondigd had, was het de aangenaamste muziek in zijne ooren geweest, wanneer hij de stem Gods hoorde. Later, toen hij den wil zijns Gods met bewustheid overtreden had, deed diezelfde stem hem enkel ijzen en hij verschool zich voor God. Voor ons nu is die stem onzes Gods in het geopenbaarde Woord en wij doen juist dezelfde ondervinding op als Adam, namelijk dat ons deze - stem angst en schrik verwekt, indien wij onzen wil tegenover den wil van God gezet hebben. Zoo is het dus geen wonder, wanneer wij geen genoegen in Gods Woord hebben.
Doch het is niet noodig dat men zich aan een bepaalde zonde heeft overgegeven, om deze droeve ervaring op te doen. Er is een fijne wereldschgezindheid, waarin juist in onze zoo
74
veelszins bewogen tijd zelfs degenen die God vreezen zeer licht en meerendeels ongemerkt verstrikt raken. Nu eens zijn het de zorgen, de lasten en de bezigheden des levens, die de ziel zoozeer in beslag nemen, dat zij voor al hel hoogere ontoegankelijk is. Men kan aan zulk een wroeten in de aardsche dingen wel een zeer vromen glimp geven. Maar het blijft toch wat het is. — Dan weer geraken wij door gebrek aan waakzaamheid in de wereldsche genotzucht verward. Ik bedoel niet in gr oven zin, maar zoo dal op zichzelf reine en edele genoegens des levens de ziel geheel vervullen. Men kan zoo tot een bedekte wereldvergoding of tot allerlei menschendienst vervallen, zonder dat men het zelf bemerkt. — En nu ten slotte, wat bederft de veellezerij van onzen lijd den smaak in hel goddelijk Woord! Ik wil nog niet eens spreken over boeken, die hel geloof bestrijden, den twijfel in de zielen verwekken en waar ook de meeste geloovigen niet tegen opgewassen zijn. Neen, deze zijn volstrekt niet noodig. Voldoende is het heillooze „trouwequot; lezen van de dagbladen, de van platen voorziene tijdschriften, — voldoende is hel romanlezen en het lezen van zoovele partijen strijdschriften, om de ziel afkeerig te maken van Gods Woord.
Noch op den vaslgelreden weg — zoo zegt de Heiland in Mallheus 13 — noch op den sleenachtigen grond, noch tus-schen de doornen en distelen kan hel zaad van Gods Woord wortel schieten, opwassen en vrucht dragen, maar alleen in de „goedequot; aarde. De goede aarde nu is die, welke in de diep geploegde, vruchtbare voren aan hel zaad een veilige plaats biedt. Op de aarde komt het dus aan, zoo hel zaad lot vrucht zal worden. Dal verklaart de Schrift zelve overal. Hel Woord Gods nu wordt hier, en dikwijls ook op andere plaatsen, vergeleken met het zaad. Zaadkorrels zijn levende lichamen. Zij openbaren echter pas wal in haar sluimert, wanneer zij met cie rechte aarde in aanraking komen.
75
Laat dus uw Bijbellezen niet een lezen, maar een zoeken naar zaadkorrels zijn, naar goddelijke zaadkorrels, waar een stem Gods in sluimert, die levend en sterker wordt, zoo gij het Woord goed in een eerlijk en goed hart bewaart (Luk. 8 : 15). Gij moet dus het Woord Gods eigenlijk nooit lezen, maar altijd h o o r e n, — het hoeren als een levend woord van den levenden God. o, Hoe weinig menschen lezen den Bijbel zóó, dat zij met open oor hooren naar de stem van God, ,wandelen de in den hof.quot;
3. DE JUISTE GESTELDHEID DES HABTEN BIJ HET HOOBEN VAN GODS WOOBD.
Er zijn menschen te over, die den Bijbel lezen om er stof voor hun onreine verbeelding en voor hun verwarde zinnen in te vinden. En zij vinden die ook. Dwaze menschen hebben gemeend dat men de gedeelten, waar men zulke stof kan vinden, geheel uit den Bijbel verwijderen moest. Zij denken er niet aan, dat men de belangrijkste geschiedenissen des Bijbels verzwijgen zou, wanneer men bijvoorbeeld over den strijd van den kuischen Jozef tegen Potifars vrouw en van Davids overspel met Batseba niets meer lezen wilde. Voor de schooljeugd is - dat immers toch niets en voor hen moet men een uittreksel maken. Maar voor volwassenen, die onreinheid zoeken valt niets te doen. Hun staan duizend wegen open om hun behagen in onreinheid bot te vieren.
Er zijn anderen, die den Bijbel alleen met bedilzieke oogen lezen. Zij willen er hun vernuft aan toonen, hun scherpzinnigheid er op oefenen; zij zijn gelukkig als zij er, naar hunne meening, onoplosbare tegenstrijdigheden in ontdekt hebben.
Weer anderen, beter gezind, zijn werkelijk eerbiedige lezers. Het behoort tot hunne gewoonten, 's morgens (misschien ook nog
76
's avonds) een hoofdstuk uit den Bijbel te lezen. Maar zij lezen het uit, zooals men een n i e w s b 1 a d leest, behoudens dat, wanneer zij het eerlijk zullen erkennen, het blad hen meer boeit. Zij zijn er niet op uit, een stem van den levenden God onder het lezen te hooren; en omdat zij iets van dien aard niet verwachten, laat zij zich door hen ook werkelijk niet vernemen.
Anderen zoeken inderdaad iets in de Schrift, namelijk onderricht omtrent goddelijke dingen. Dat is ook zeer prijselijk. Waar anders zouden zij onderricht kunnen erlangen dan hier? Maar het is, helaas, bij duizenden zoo, dat zij eigenlijk toch niet zoeken, niettegenstaande zij zoeken. Zij zoeken namelijk niet den hen persoonlijk ontmoetenden persoonlijken God, maar zij zoeken in Gods Woord het bewijs voor de juistheid van h u n catechismus en ook hun leerstellige beschouwingen. Zij wringen dan het Woord een weinig om, totdat het zich daartoe gebruiken laat. Zij dachten immers altijd dat zij op den rechten weg waren.
Meer medegevoel wekken die menschen bij ons op, die met betraande oogen naar den Bijbel grijpen om er troost in te zoeken. Ja, steun en troost — wij hebben ze zoo noodig! En de Bijbel, zoo spreken zij, is een troostboek zonder wederga. — Om troost roept de geheele wereld; troost in duizendvoudig lijden, troost bij de graven, troost in het sterven, — dat is het wat men wil. En wie zou het niet willen? Het Christendom nu — zoo zegt men — is de godsdienst van den liefelijksten troost; het Evangelie geeft troost waar alle troost ophoudt. — Wie zou dat tegenspreken ? En hoe zou i k zoo dwaas en zoo wreed kunnen zijn, tegen deze ernstige woorden iets in te brengen? En toch breng ik er iets tegen in, zoo men meent dat men maar zoo terstond met den troost beginnen kan en dat Gods Woord alleen ten doel heeft troost te bereiden en al het andere overslaat; — en hoe vaak doen dat degenen, die
77
troost zoeken, dat zij al het andere, wat niet in hun troostsfcel-sel past, overslaan! — De landbouwer echter vangt zijn werk niet aan met zaad te strooien, maar met te ploegen. En een bekwaam heelmeester , wien de zieke zijn gezwollen ledematen toont, begint niet met verzachtende zalf voor te schrijven. Dat doet wel een kwakzalver. Maar God in den hemel is geen kwakzalver, maar een echte heelmeester. Hij begint met de oorzaken op te sporen, hel bloed te verbeteren, allerlei doelmatige onthouding te verordenen, en bittere medicijnen te geven, misschien moet Hij wel naar het mes grijpen, om de kwade stoffen, die zich in het lichaam hebben opgehoopt, met kracht te verdrijven.
Daarom, zoo zeker als het is, dat het Woord Gods een verzachtende balsem is, even zeker is het ook dat het het tweesnijdend scherp zwaard is, dat doorgaat tot de verdeeling der ziel en des geestes (Heb. 4 ; 12). En alleen degene, die zich aan dit zwaard onderworpen heeft, kan den „liefelijken troost'quot; genieten. Het volk, dat verslagen is door het zwaard, heeft „genade gevonden in de woestijn,quot; zegt de mond Gods bij den profeet Jeremia. Wij moeten dus het oordeelende, ja het vernietigende Woord Gods over ons laten heerschen.
Men beroemt zich zoo dikwijls en zegt: „Wij hebben het zuivere Woord.quot; Ja, geliefde lezer, dat is nog niet voldoende, dat gij het Woord hebt; het komt er op aan dat het Woord u heeft, dat het u geheel in zijn macht heeft. Gij moet in het Woord Gods de stem uws Gods hooren, die u zoekt, niet om u in uwe tijdelijke smart te troosten, maar om u te veranderen naar zijn beeld. „Si m on , ik heb u wat te zeggen,quot; — sprak de Heiland tot den Parizeer. En Simon antwoordde: „Meester, zeg het.quot; — Dat was het verstandigste wat hij den ganschen dag gesproken had. En nu kwam het. Het was juist niet aangenaam; het was
78
als een operatie (lees slechts Lukas 7)! Maar het was de weg tot genezing. En gij moet in de plaats van „Simonquot; uw eigen naam zetten en dan ook — maar dan met meer eerlijkheid dan die Simon — zeggen: „Meester, zeg het!quot; Zöo staat dan persoon tegenover persoon, de zieke tegenover den geneesheer. De verklaring: „Gij zijt die man!quot; die de onverbiddelijke hofprediker Nathan koning David in het aangezicht slingerde, die moet gij altijd — dus niet slechts als het om troost te doen is — hooren. Overal en altijd moet gij, ook wanneer het de smartelijkste openbaringen geldt, met Samuël kunnen zeggen: „Spreek, Heere, uw dienstknecht hoort.quot; Hij zwijgt dus, want hoe zou men kunnen hooren, wanneer men doorpraat? Neen, hij zwijgt in heilige schuchterheid en eerbied, hij is geheel voor U, o God, beschikbaar, — hoorend, luisterend en bereidwillig om te gehoorzamen.
Ja, wanneer zoo de ziel open staat voor God, wanneer zij zich gebogen heeft onder zijn rechtsprekend woord, dan vangt de „liefelijke troostquot; aan, dan beginnen de sterren der belofte te schijnen. „Mijne ziel kleeft aan het stof, — maak mij levend naar uw Woordquot; — zoo bidt de heilige zanger (Ps. 119 : 25). In het stof — ja, dat is het ware standpunt of liever, de rechte toestand der ziel voor God. Is zij daartoe eerst gekomen, dan zal zij niet tevergeefs roepen: „Maak mij levend naar uw Woord.quot; Nu worden woorden van kracht als: „Ik zal de dorstige ziel verzadigen, en de hongerige ziel met goed vervullenquot;, of: „Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.quot; Nu leeft men bij zulke woorden, ja men wordt er eerst levend door.
Den twee en veertigsten Psalm: „Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzoo schreeuwt mijne ziel tot U, o God,quot; enzoovoorts, heb ik reeds als kind gekend en later nooit vergeten. Ik vond hem ook zeer schoon, ja aandoenlijk. Maar het
79
zou belachelijk zijn, als ik zeggen wilde dat hij mij ten leven geworden is. Nu ging ik naar Coblenz voor mijn eerste theologisch examen. Ik was vier en twintig jaar oud. Inderdaad, ik was ijverig geweest; ik had flink gewerkt. Al mijn studiemakkers, ja ook professoren, die mij van nabij kenden, waren van meening dat ik een „schitterend examenquot; zou doen. En niemand was vaster overtuigd dan — ik zelf! De eerste examendag was afgeloopen. Maar, o wee! God had mij zoo verward en mijn verstand beneveld, dat ik volstrekt niets uitvoerde, in het geheel niets. Mijne vrienden waren even ontzet als ik en de examinatoren schudden bedenkelijk het hoofd. Zoo zat ik des morgens van den tweeden dag, voor hel examen weer begon, op een steen. Ik was diep vernederd; neen, ik had mij diep veront-moedigd. Mijne ziel lag werkelijk in het stof. Ik was ontzet over mijne ijdelheid. Ik was bereid om al wat er komen mocht als een verdiende straf en heilzame kastijding uit Gods hand te aanvaarden.
Terwijl ik met zulke gedachten bezig, op mijn steen zat, werd er een zachte hand op mijn schouder gelegd en klonk in mijn oor een stem: „Wat buigt gij u neder, o mijne ziel, en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven. Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts en mijn Godquot; (Psalm 42). Het was niet de stem van een engel, het was de stem van mijn vriend, die te dier tijd met mij geëxamineerd werd, en die nu sinds, over alle examens heen, voor den troon van God staaf. Het was niet de stem van een engel, het was echter ook niet de stem van mijn Godvreezenden vriend, neen, het slotwoord van Psalm twee en veertig, was nu, voor mij althans, de stem van God zelf. En zij maakte mij naar lichaam, ziel en geest vroolijk, ja, levend, — want ik was immers gestorven. En ik wist op dit oogenblik dat God mij ook in het examen helpen zou; zooals dan ook geschiedde.
80
Toen mijne ziel in het stof lag, maakte Gods Woord haar levend. En duizenden, die dit lezen, zullen iets dergelijks kunnen verhalen.
Izaak Newton, de groote Engelsche natuurkundige, heeft eens gezegd: „Wij moeten het Evangelie niet lezen zooals de a d v o-caat een testament leest, maar zooals de rechtmatige erfgenaam het leest. Wat Newton daarmee zeggen wil, kunnen wij licht begrijpen. De advocaat leest terecht het testament met oordeelkundige oogen, maar zonder hart. Hij toetst de oorkonde ten opzichte van haar echtheid; hij neemt elke zinsnede, elke letter onder het vergrootglas en onderzoekt wal er eigenlijk staat en wat er niet staat en of men het en hoe men het misschien betwisten kan.
Ach, lezen niet millioenen ook den Bijbel zoo koel, zoo bedillend! Dat zij bij zulk lezen geen ware blijdschap hebben, ligt voor de hand.
Gelukkig daarentegen degene, die het Evangelie in de vaste overtuiging leest, dat hij de e r f g e n a a m is. De erfgenaam klapt bij elke zinsnede van blijdschap in de handen en zegt: ,0 a t is voor mij! Dat is voor mij!quot; Hij looft den erflater als zijn weldoener en wordt zelf levend door het geluk dat hem ten deel valt. De groote beloften Gods, de groote daden Gods in Christus, de berichten aangaande de vergeving der zonde, die geschied is, en omtrent het goddelijk Vaderhuis, dat nu openstaat, — zij verwekken bij hem niets dan vroolijk gejuich. Ja, het is de rechte lezer van het Evangelie, die het zoo leest.
Het ligt echter voor de hand, dat gij het Evangelie niet eerder als een erfgenaam lezen kunt, voor gij het werkelijk zijt. Wat daartoe nu behoort, dat heeft de Heiland duidelijk en verstaanbaar genoeg in de zeven zaligsprekingen gezegd, waarvan de eerste luidt: ,Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen.quot;
81
Dikwijls hoort men zeggen, dat Gods Woord 's menschen ziel eerst verlicht als zy in allerlei beproeving en tijdelijken nood gebracht is. Men beroept zich daarbij op de uitspraak van Jesaia (28 : 19), dat „het gerucht te verstaan enkel beroering wezen zalquot;, of, naar Luthers vertaling, „dat de beroering alleen op het Woord leert letten.quot; Nu, het is aan geen twijfel onderhevig, dat dit woord bij duizenden en nogmaals duizenden zoo gebezigd kan worden. Zooals de mensch eenmaal is, wordt hij zeer dikwijls, wellicht zelfs in den regel, eerst uit zijn we-reldsche begoocheling opgewekt, wanneer hij in de schipbreuk van het aardsche de volslagen nietigheid en onvertrouwbaarheid der aardsche dingen en betrekkingen ondervindt.
Maar toch doet het de tijdelijke druk niet, want koning Saul leerde door de ellende niet op het Woord te letten, maar veeleer bracht zij hem tot zwaarmoedigheid en ten slotte tot zelfmoord. En overal ontmoeten ons menschen, die juist temidden dei-ellende op de heftigste wijze zeggen: „Ga heen met uw Woord van God; daarvan vooral willen wij nu niets weten!quot; Anderzijds zyn er ook, Goddank, menschen, die zonder datgene wat men ellende noemt, tot een even blijmoedige als oprechte aanneming van de boodschap der goddelijke genade komen. Beproevingen of geen beproevingen, — waar het op aankomt is dit, of de mensch zich verootmoedigt voor God, of hij tot zichzelven inkeert, of hij aan zichzelven en de wereld (in de ware betee-kenis van het woord) sterven wil en de eeuwigheid in zich levend wil laten worden. Hoe iemand daartoe komt is onverschillig, zoo hij er maar toe komt.
Of iemand daartoe gekomen is, zal men altijd daaraan bemerken, of hij er van ganscher harte op uit is het Woord Gods te doen.
6
82
4. „ZIJT DADERS DES WOORDS
en niet alleen hoordersquot;, vermanen de apostelen telkens weder. En zij zijn geen strenge mannen, wanneer zij onverbiddelijk dezen eisch stellen ; want dan moest onze Heiland Jezus Christus streng zijn geweest. Hij toch heeft op telkens nieuwe wijze uitdrukkelijk verklaard, dat alles hierop aankomt, dat de geloovige den wil des Vaders in den hemel doet; en dien heeft Hij een van Godvervreemden dwaas genoemd, die zijn Woord hoort — misschien zelfs met groote „ingenomenheidquot; of „aandoeningquot; lloortj _ maar het niet doet (bijvoorbeeld Matth. 7 : 24—27).
Derhalve: alle erkennen en weten van het Woord, dat niet tot doen leidt, is onzinnig zelfbedrog.
Ja, maar wat beteekent het toch: Gods Woord doen? Wij zagen reeds dat alleen hij Gods Woord recht leest, die daarin de stem van den hem zoekenden en roependen God verneemt. Het verdere is bij een eerlijk mensch, dat hij den alzoo erkenden goddelijken wil in daad omzet. Deze daad nu is in den diepsten grond een Godegevallig leven overeenkomstig den wil der liefde Gods, waartoe men alleen langs den weg der bekeering komt, door boetvaardigheid en geloof. Wij moeten dus overal in Gods Woord den eisch tot afkeering van de zonde en tot inkeering in Hem, de bron van alle liefde en waarheid, zoeken.
Nu ligt zulk een eisch bij tallooze woorden ook vlak voor oogen. Elk kind kan begrijpen wat het zeggen wil, dat wij anderen behandelen moeten zooals wij wenschen dat zij met ons doen. En elk kind begrijpt ook wat de bedoeling is van; „Gij zult geen valsch getuigenis spreken tegen uw naaste.quot;
Ja, voor het verstand zijn deze en andere geboden en verboden Gods hoogst eenvoudig. Anders is het ten opzichte van de werkelijke opvolging in het practische leven. Ach,
83
clan komt onze „goede wilquot; — ik neem dus het gunstige geval dat de wil goed is — in de ergste botsing met den ouden mensch. Men moet dan ondervinden, dat men Gods Woord alleen volbrengen kan, wanneer men zich in de aanwezigheid der goddelijke genade verheugen mag.
Maar geenszins alleen daar waar bepaalde geboden bestaan, komt het op het doen aan. Welk bijbellezer kent bijvoorbeeld de verpletterende woorden niet, waarmeê de Heiland de Parizeen en Schriftgeleerden van zijn tijd op de kaak stelde (Matth. 23)? Het zijn als zoovele bliksemstralen en donderslagen. De ongeestelijke lezer nu zal de heilige strafrede van Jezus als het welverdiende vonnis beschouwen, dat over een verdorven schijnheilige groep, die nu sinds lang onder den grond ligt, is uitgesproken. HijzeK blijft „buiten schotquot;. „Want,quot; zoo zegt bij, „niemand kan toch van mij zeggen dat ik op de markt sta te bidden, of dat ik munt en dille en komijn vertien, dat ik mijne schotels uitwendig schoon houd, maar dat ze van binnen vol doodsbeenderen zijn, dat ik de graven der profeten versier en inwendig een profeten-doodenden aard heb enzoovoorts. Ja, deze Farizeërs waren een bedorven bende, maar i k....! ? En terwijl men zoo zegt: „maar ikquot;, wordt men onvoorziens een Farizeër met de Farizeërs!
W aarlijk, dit hoofdstuk moet juist de k e r k- en godsdienst-1 i e ven d e menschen tot ernst stemmen. De kwaal der Farizeën was dat het hun meer om het vroom schijnen dan om het vroom zijn te doen was. En wanneer w ij zóo — onszelven beproevend deze woorden over dille, munt, komijn, gedenkcedels , profetengraven, offers en andere lang afgedane dingen hooren, dan, ja dan zullen die woorden ons toonen dat er bij ons even zooveel te doen als te laten is.
01 nemen wij eens een bekende geschiedenis, namelijk die van den barmhartigen Samaritaan. Daarin geeft ons
84
de Heiland blijkbaar iets te d o e n. De voorstelling sluit toch met de woorden: „Ga henen en doe gij desgelijks,quot; namelijk evenzoo als de Samaritaan deed. Het is reeds iets, als men d i t woord behoorlijk ter harte neemt. Maar zou dit het eenige woord in deze gelijkenis zijn? Waartoe dient dan dat over den priester en den Leviet? „Tegen den donkeren achtergrond van deze hardvochtige kerkedienaars moet de lichtgestalte van den liefderijken heiden des te sterker schitterenquot;, — schrijft een uitlegger. Juist, maar zou dat alles zijn? Neen, zegt iemand, wij moeten hier leeren, hoe wij niet moeten doen, dus dat wij niet zoo moeten doen als de priester deed. Juist! Maar nog meer! Hoe, wanneer wij hier eens leerden, dat wij vaak, ach, zeer vaak zoo gehandeld hebben als deze „stuursche priesterquot;? Ja, dan eerst zouden wij de geschiedenis begrepen hebben; dan zou het eerst tot het rechte doen komen, namelijk tot het boete doen. En het zou ons zeer dienstig zijn, zoo wij eens al de slechte gestalten, die Gods Woord ons voor oogen stelt, op deze wijze wilden beschouwen, van Kaïn af, die uit nijd tot moord verviel, tot op Herodes toe, die zich liet vergoden; van de menschen ten tijde van den zondvloed af, die maar van den éenen dag op den anderen leefden, tot op de heden in Efeze, die in naam der beschaving uitriepen: „Groot is Diana der Efeziërs!quot;
Wat ik bedoel is derhalve dit: Er schuilt in Gods Woord overal een aansporing tot doen, ookdaar waar het niet zoo s c h ij n t. Een eerlijk Christen , wiens kinderen allen in éene week aan de scharlakenkoorts gestorven waren, werd door een vriend, die anders niet waagde iets te zeggen, herinnerd aan de woorden: „En Aaron zweeg stilquot;. Aaron zweeg stil, toen namelijk zijn twee zonen op éenen dag door het goddelijk strafgezicht gedood waren. En die eerlijke Christen leidde daar de goddelijke aanmaning uit af.
85
dat ook h ij niet klagen, maar stil zwijgen en stil zijn moest, hetgeen, gelijk alle kenners weten, dikwijls de allergrootste daad is. En meent gij dat die man Gods Woord verkeerd begrepen heeft wanneer hij het zóo heeft opgevat?
Maar ook zulke plaatsen uit de Schrift, die volstrekt niet meer voor onzen tijd schijnen te passen, geven aan de ziel, die in eenvoudigheid onderzocht, dikwijls versassende wenken; want het is het eigenaardige van Gods Woord dat het een inderdaad wonderbare rekbaarheid bezit en tot een uitzetting of uitbreiding instaat is, die met elke beschrijving spot. Zoo lezen wij in de Wet: „G ij zult den d o r s c h e n d e n o s n i e t m u i 1-banden.quot; Nu, wat gaat ons dat aan, zou men kunnen zeggen; ossen dorschen immers tegenwoordig niet meer. De Bijbel-kundigen weten echter dat de apostel Paulus uit deze woorden de gevolgtrekking maakt, dat de arbeider in Gods Koninkrijk eerst recht zijn loon waard is. Zouden ook niet nog andere gevolgtrekkingen te maken zijn? Zou niet menige huisvrouw voor haar gedrag jegens hare dienstboden, zou niet menig fabrikant voor zijn betrekking tot zijne werklieden er veel uit kunnen leeren? In allen gevalle heb ik een landeigenaar leeren kennen, bij wien het Oud-Testamentische verbod; „Gij zult geen vogel met de jongen of op de eieren nemenquot; eerst pijnlijke en vervolgens goede gedachten verwekt heeft. Hij had namelijk het recht, ook de vrouwen zijner daglooners op te roepen. Wat las hij voor zich nu uit die „verouderdequot; verordening? Hij las dit: „Gij moogt de jonge vrouwen, die kleine kinderen hebben, niet met werk bezwaren, maar moet ze stil thuis laten!'' Of de man nu wel een wijs man of een dwaas geweest is?
Nog een voorbeeld. Toen mij vóór bijna dertig jaar mijn zeer jonge vrouw, zeer plotseling, na de geboorte van het eerste kindje, door den dood ontrukt was, schreef mij een eigenaar-
86
dige oudere ambtsbroeder uit E. inplaats van eenig verder rouwbeklag slechts: „Thans behoort gij te doen naar Ezechiël 24 : 15—18!quot; Punt, of liever uitroepingsteeken! Geen woord meer; geen woord van troost. Ik was verdrietig, ja verontwaardigd. Nochtans sloeg ik den aangeduiden tekst op. En wat staat daar geschreven? Hoort; „Het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende; Menschenkind, zie, Ik zal den lust uwer oogen van u wegnemen door eene plage; nochtans zult gij niet rouwklagen noch weenen, en uwe tranen zullen niet voortkomen. Houd stil van kermen, gij zult geen (openlijken) dooden-rouw maken; bind uw hoed op u en doe uwe schoenen aan uwe voeten; en de bovenste lip zult gij niet bewinden, en zult der lieden brood niet eten.quot; — Dit sprak ik tot het volk in den morgenstond, en mijne huisvrouw stierf in den avond; en ik deed in den morgenstond gelijk als mij geboden was.quot;
De lezer kan zich voorstellen hoe deze aloude woorden mij troffen. Ik was zoo wijs ze uit het Semietisch in het Jafetietisch over te brengen en toen werden zij mij tot een leidstar en een grooten zegen. Ik werd daardoor voor groote verkeerdheden bewaard, die bij mijn gevoeligen aard zeer voor de hand lagen.
Ik verhaal dat echter slechts opdat ook andere leeddragen-den er iets uit leeren mogen. De „rouwklagenquot;, zooals ook duizenden oprechte Christenen die houden, brengen deze dikwijls in volslagen duisternis en onteeren den naam van Hem, dien wij toch anders als den wijzen en liefderijken Vader loven.
„Dochquot;, zoo hoor ik zeggen, „doch wanneer het zoo staat, dan vordert het Bijbellezen wel een groote zedelijke inspanning.quot;
Inderdaad doet het dat. Gij moest toch echter ook weten, dat zonder zedelijke inspanning vooral op zedelijk en godsdienstig gebied niets verkregen wordt. Ja, zedelijke inspanning vordert
87
het en — hetgene daartoe behoort — groote waarheidsliefde, ja de stellige wil, u Gode te wijden, u Gode te offeren. Alleen wanneer gij bereid zijt, u Gode te geven, alleen dan geeft Hij zich ook aan u. Maar dan ook zeker en geheel! En juist dit brengt mij tot het laatste punt, namelijk tot het innig
* 5. VERBAND TUSSGHEN SGHRIFTGEBRUIK EN
GEBEDSLEVEN.
Het is de ondervinding van alle geloovigen, dat wij door niets zulk een sterke en gezonde opwekking tot het gebed ontvangen als door het rechte gebruik van Gods Woord; zooals dan ook anderzijds het gebed weder naar het Woord drijft. Waar geklaagd wordt over dof gebedsleven (ach, waar wordt deze klacht niet vernomen!) daar zal meestal ook de rechte blijdschap in Gods Woord ontbreken. — Deze ondervinding , staat vast. Alzoo is het niet noodig ze eerst te bewijzen.
Ook heeft dit feit niets verwonderlijks. Zoeken wij niet in het gebed én in Gods Woord denzelfden God? Zal dus niet in het eene en in het andere geval dezelfde gesteldheid des harten noodwendig zijn?
Wij willen echter toch een weinig dieper graven; wij willen het verband tusschen gebed en Gods Woord aantoonen, om zoo den lezer dezer bladzijden meer moed en lust voor beide in te boezemen, zoowel voor het lezen van de Schrift als voor de gebedsgemeenschap met God.
^ „De Bijbel is eengrootprentenboe k, enh ij geeft
ons enkel gebedsgestalten te zienquot; — heeft iemand gezegd. Nu de Bijbel is zeker ook nog iets anders dan een prentenboek, en hij laat ons ook geenszins alleen gebedsgestalten zien. Maar dit is waar: gewijde, Gode zich wijdende gebeds-^ gestalten treden ons hier tegemoet. Van Abel af op den drem-
88
pel van de geschiedenis der menschheid tot op den ziener Johannes, die op de rots van Patmos de laatste dingen aanschouwt; van Noach af, die voor eene den dood tegemoet gaande wereld bidt, tot op Stefanus, die, stervende, voor zijne vijanden tot Jezus roept — overal heilige gebedsgestalten. En wanneer wij hen aanschouwen, een Abraham, een Jakob, een Samuël, een David, een Salomo, een Elia, een Jeremia, een Daniël, tot de apostelen van Jezus Christus (om hier van den Heiland nog niet te spreken), — ik zeg, wanneer wij hen aanschouwen, zooals zij worstelen met God, zooals zij voor Hem hun hart uitstorten in verlangen en hoop, in klaaglied en lofzang, moet dat ons zelf niet drijven tot het gebed ?
En als wij er nu verder naar luisteren wat zij gebeden hebben, wanneer wij de hartroerende gebedspsalmen lezen, wanneer wij de vurige verzuchtingen van een Abraham, van een Jeremia, van een Daniël en nu zelfs van de heilige apostelen in ons hart laten doordringen, krijgen wij dan niet de heerlijkste gebeds g e d a ch t en, de volkomenste stof voor ons gebed? Zullen wij, wanneer wij onze ziel met die gebeden gedrenkt hebben, voortaan nog kunnen zeggen: „Wij weten niet wat en hoe wij bidden moeten?quot;
Waarlijk, deze gebedsgestalten des Bijbels zijn op zichzelf, zijn door hun bestaan alleen reeds de krachtigste aansporing tot het gebed. Want zij bidden niet slechts; neen zij leven door hun gebed; zij zijn er gelukkig door. En zij worden alt ij d verhoord, zelfs wanneer zij niet verhoord worden naar h u n bedoeling. Nochtans getuigen zij dat zij verhoord zijn; want door het gebed is hun gang meer vast geworden in hunnen God en in zijn Woord (2 Cor. 12 : 7—10). Zoo dringen zij ons krachtig tot het gebed. De man, die ziek was en gezond voor ons staat, drijft de zieken het sterkst tot den geneesheer, die hem gezond gemaakt heeft. Hij doet dat ook zon-
89
der een woord te zeggen; hij doet liet eenvoudig hierdoor dat hij zich gezond vertoont.
Maar het ontbreekt ook niet aan tallooze plaatsen in de Heilige Schrift, waar God rechtstreeks en op de dringendste wijze tot het gebed aanspoort en den waren bidder de gewisse verhooring toezegt. Dit laatste, dat God de gebeden verhoort, moest eigenlijk voor ons vanzelf spreken. Hoe zou het mogelijk zijn dat God tot het gebed aanspoorde en daarbij n i e t gezind ware onze smeeking ter harte te nemen? — Doch ondanks zulk een goddelijk hooren en verhooren vanzelf spreekt, wordt het ons nochtans telkens weêr door Gods Woord op de ernstigste wijze verzekerd. Moet het ons dan niet de grootste opgewektheid tot het gebed verleenen, wanneer de Heiland zegt: „Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.quot; Moet het ons niet tot blijdschap strekken, dat wij, armen en onreinen, het hoogste verkrijgen zullen, wanneer Hij ons een vader voorstelt, die wel „boosquot; is, maar nochtans er niet aan denkt om zijn biddend hongerend kind een steen inplaats van brood, een slang inplaats van een visch te geven? —- Is het geen verrukkelijke gevolgtrekking, wanneer de Heiland nu verder zegt: „Zou dan de hemelsche Vader niet den Heiligen Geest geven aan degenen, die Hem bidden?quot;
En in vele gelijkenissen en telkens weer in zijn spreken moedigt de Heere Christus ook den meest vermoeide en neder-gedrukte aan om de gebedsklok te luiden en daar niet in te „vertragen.quot; Overal wekt ons Gods Woord op uit onze traagheid in het gebed; drijft ons, om zoo te spreken, met zachten drang tot den troon, waar barmhartigheid en heiligheid wonen.
Maar wij gaan nog verder. Ons gebed, wanneer het niet door Gods Woord vruchtbaar gemaakt en bezield i s, is in den regel zeer dwaas, zeer ongeestelijk, eenzij-
90
dig, eigenzinnig, wereldsch, vleeschelijk. Het is wanneer men liet gebed, zooals het gewoonlijk is, nagaat, duizendmaal alsof de menschen het gebed slechts voor een geschikt middel aanzien om hun wil door te dr ij ven, om van hun leed en druk bevrijd te worden en de vervulling van hun aardsche wenscben te bekomen. God de Heere moet zoo goed zijn om als 1 o o n d i e n a a r, en bovendien nog zonder betaling, hen te dienen.
Zoo is het geen wonder, dat men overal over „onverhoorde gebedenquot; hoort spreken. Zoo dikwijls men echter dit verscbrikkelijke woord gebruikt, zegt men (in den regel zonder het te vermoeden) iets dat aan Godslastering grenst; want men spreekt dan zoo over God alsof Hij dood of een onbarmhartig vader ware, of wel een leugenaar, die zijn woord niet houdt.
Wie daarentegen waarlijk in Gods Woord leeft, die zal ondervinden dat hij altijd gehoord en verhoord wordt. Zijn gebed zal van goddelijke gedachten doortrokken, het zal niet van eigenzinnigheid vervuld, maar goddelijk-wijs zijn. GodsWoord brengt in ons de ware inwendige stemming en verhouding teweeg ten opzichte van alle aardsche dingen en tijdelijke aangelegenheden. Het wekt in ons „de eeuwige behoeftequot; onzer ziel. Het toont ons bovenal wat iets is en wat niets is. Het openbaart ons dat het geenszins tot ons „gelukquot; behoort, dat wij in wereldschen zin „gelukkigquot; zijn. Het toont ons op alle bladzijden, dat God ons dikwijls op het heerlijkst zegent, wanneer Hij ons bijwijlen alles onthoudt wat ons hart begeert. Het toont ons dat in hetgeen de menschen kwaad noemen, dikwijls de kostelijkste paarlen Gods verscholen zijn. Het loont ons, dat bovenal de blik op het eeuwig blijvende alles beheerschen moet.
Zoo wordt door het leven in het Woord Gods de harp der
91
biddende ziel eerst zuiver gestemd. Zoo doet zij nu zuivere tonen en woorden hooren. „Heer, indien ik U maar heb,quot; is nu de grondtoon, en de bede: „Schep in mij een rein hart!quot; is nu het slot, — of zooals de muziekkenners zeggen, „de finale.quot;
Er gaat een gebedsadem door de gansche Heilige Schrift heen, en er stijgt een g e b e d s g e e s t op uit de Schrift, gelijk een levenwekkende lucht opstijgt uit de wiegelende, zouthoudende golven der zee. Zoo brengt ons dus de rechte omgang met de Schrift in den heiligen dampkring van het gebed. Zoo kan men dan ademen in de lucht der eeuwige ruste en der onvergankelijke blijdschap. En het uit zijn aard zoo opgeblazen en vreesachtige hart komt tot eene vrijmoedigheid en een ootmoed, tot een levensvreugde en een stervensvreugde, ■waarvan de wereld geen begrip heeft.
„Wiens éenig doel was bij dag en nacht In U te zoeken zijn vreugde en kracht,
Hij kon gestaag van geluk gewagen,
Met lijf en ziel moest hij altijd vragen:
Wie is als Gij?quot;
IV.
En Hij bleef den nacht over in het gebed tot God,
Lukus 6 : 12.
1, DE HOOGE BETEEKENIS VAN DE BINNENKAMER.
„De afval begint in de binnenkamerquot;; zoo luidt het woord van een ouden man Gods. o, Dat ik de macht be-zate, u, geachte lezers, dit woord zoo diep in de ziel te prenten, dat het u gestadig verontruste! Wat die oude Godsgetuige wil zeggen, is duidelijk. Wanneer wij op grovere of fijnere wijze van God afvallen, wanneer het met ons inwendig leven den kreeftengang gaat, dan ligt de oorzaak in de binnenkamer of, juister gezegd, zij ligt daarin dat wij de binnenkamer verwaarloosd hebben. Ja, dat wilde de man zeggen. En wie moet er zijn amen niet over uitspreken; wie zou er — ach, onder tranen! — niet zijne uitlegging van kunnen schrijven?
Wij zijn in den toon en den geest der wereld geraakt, — wij die toch wandelen moeten als kinderen des lichts; wij, die i n de wereld moeten zijn en toch niet van de wereld, — wij hebben een verdrag met de wereld gesloten; waar ligt de oorzaak? Wij hebben den smaak verloren in het eenvoudige Woord van God, in de openbare godsdienstoefeningen, in de Christelijke gemeenschap — waar ligt de oorzaak? Wij zijn
93
traag en slap geworden in den strijd tegen onze zwakheden en kwade begeerten; wij zijn tengevolge daarvan weer in allerlei oude zonden vervallen, die wij reeds lang onder den voet meenden te hebben; waar ligt de oorzaak? Onze ijver in de medewerking aan den opbouw van het koninkrijk Gods op aarde is verkoeld; wij laten ons de gelegenheden ontsnappen om goed te doen, en zijn er later niet eens bedroefd over, dat zij ons ontgaan zijn; waar ligt de oorzaak? Wij laten bij de geringste wederwaardigheden, die wij ontmoeten, het hoofd hangen als een bies, zijn troosteloos en ontmoedigd, inplaats van Gods hand te kussen; waar ligt de oorzaak? Van de tien gevallen zal zij negenmaal, misschien zelfs tienmaal daarin liggen, dat wij de binnenkamer veronachtzaamd hebben. Ja, de afval begint in de binnenkamer.
Maar daar, waar de afval begonnen is daar moet en zal hij ook eindigen; juist daar moet het ook weer tot een nieuwe opstanding komen. De binnenkamer is de gezondheidsbron, waar de verwoeste ziel weer genezen kan. Hier moet de verbintenis met God, de oorsprong van alle liefde, van alle kracht, van alle blijdschap weer hersteld worden. Begrijpt gij dat ook, geëerde lezer? Kunt gij ook hierover een verklaring schrijven, hoe de verbintenis met uwen God weer hersteld is?
Wellicht vraagt men mij: „Ja, hoe staat het dan bij m daarmee?quot; Nu, ik wil eerlijk zijn. Dikwijls heb ik reeds over het gebedsleven gepredikt en ook geschreven. Later heb ik dan wel eens uitdrukkingen vernomen als deze; „Wat moet die man een gebedsleven leiden!quot; En bij zulke woorden ben ik hevig verschrikt. Het dringt mij hier tot de belijdenis, dat ik juist over het gebrek aan gebedskracht en gebedsvreugde diep, diep bedroefd ben, en juist aan dit gebrek bemerk ik het meest wat het zeggen wil: „Ik ben vleeschelijk, verkocht onder de zonde.quot; Maar juist deze omstandigheid beweegt mij ook om
94
gedurig weer op dit punt terug te komen. Indien ik van de belemmeringen van het gebedsleven spreek, dan spreek ik van „de mijnequot;. Ik denk evenwel dat het anderen gaan zal gelijk mij. — Ziezoo, nu is het van mijn hart af, en men zal mij voortaan niet voor godvruchtiger houden dan ik ben.
Tot de belemmeringen van het gebed behoort in de eerste plaats dit, dat wij — het is verschrikkelijk om te zeggen, — meenen dat wij er geen t ij d toe hebben. Wij liegen ons voor, dat hoe eerder wij ons aan onze werkzaamheden begeven hoe meer wij uitvoeren. Als ik zeg „wijquot;, dan bedoel ik geen menschen, die het gebed in het algemeen verachten, hetzij omdat zij het onzinnig of wel nutteloos achten (hetgeen ten slotte hetzelfde is, want is het nutteloos dan is het onzinnig). Neen, menschen, die in het algemeen volstrekt niet zonder gebed willen leven, zeggen duizendmaal in bijzondere gevallen dat zij geen tijd hebben. Natuurlijk, alleen voor het oogenblik, alleen vandaag niet. Wij zullen het inhalen, voegen zij er bij. Jawel, daar lacht de duivel over in zijn vuist.
„Bidden en eten zijn geen verlet,quot; — zegt een Engels spreekwoord. Toegestemd! — Ja? — Nu, ten opzichte van het eten ongetwijfeld! Iedereen zou hem voor een dwaas houden, die bijvoorbeeld zeggen zou: „Ik heb zooveel te doen, ik kan geen tijd missen om te eten.quot; Of iemand een straatveger of een dichter is, — hij zal, als hij met een ledige maag aan zijn werk gaat, spoedig bemerken dat hij mat, machteloos en ongeschikt voor den arbeid is en dat het zich vreeselijk wreekt als hij voedsel en drank veronachtzaamde om tijd te sparen. Neen, neen, „eten is geen verlet.quot;
Maar ook het bidden niet? Dit, dat het bidden geen tijdverlies is, kan men niet zoo bewijzen als het andere. Op gees-telijk gebied beslist de geestelijke ondervinding. Zeker zou men iemand uitlachen, die zeide: Ik heb geen tijd om adem te
95
halen.quot; Indien hem dat ernst is, zal hij binnen weinige minuten gestikt zijn. Nu, „bidden wil zeggen ademhalen in de wereld der eeuwigheid.quot; Ik ben er op verdacht dat velen mij hierop antwoorden: „Dat is een vroom praatje.quot; En tegenover degenen, die zoo spreken, ben ik volslagen weerloos, want de natuurlijke mensch kan de dingen des Geestes niet begrijpen. Hij k a n niet en de geestelijk-gezinde mensch kan ze hem ook niet uiteenzetten, voor en aleer de eeuwige behoeften gewekt zijn.
Allen daarentegen, die ooit recht hun hart voor het goddelijk levensbeginsel openstelden, zullen toestemmen en zeggen: ,1a waarlijk, bidden wil zeggen ademhalen in de wereld der eeuwigheid en dit ademhalen is voor den inwendigen mensch evenzeer noodig als de inademing van zuivere natuurlijke lucht voor het 1 i c h a m e 1 ij k samenstel.
Hoe zou men dus geen tijd tot bidden hebben! Men bewondert het woord van den eersten Duitschen keizer uit het Hohen-zollernsche huis. Wilhelm I: „Ik heb geen tijd om vermoeid te zij n.quot; Dat was ook op de lippen van een stervenden vorst een groot woord. Maar nog belangrijker ware het te zeggen: „Ik heb geen tijd om moede te zijn van het gebed.quot; Neen, waarlijk, het is nooit de tijd om het gebed moede te zijn. Wat zou wel — om hier van den Heiland zelf te zwijgen —• wat zou wel een M o z e s, de „meestgeplaagde onder alle men-schen,quot; — wat zou wel een Paulus, die „meer gearbeid had dan al de anderequot; (apostelen), — wat zou wel een Luther op wiens schouderen een wereld van arbeid drukte, — wat zouden zulke mannen wel gezegd hebben, zoo men hun gevraagd had: „Hoe komt gij aan den tijd om te bidden.quot; Zij zouden degenen, die hun dit gevraagd hadden, verwonderd hebben aangezien en tot hen gezegd hebben: „Geen tijd is beter voor den arbeid gebruikt dan de tijd voor het gebed. Juist uit de uit-
96
storting des harten voor God vloeit, zooals uit niets anders, ons moed, kracht en opgewektheid voor het aardsche werk toe.
De belemmeringen, die zich dus hier aan ons voordoen, bestaan alleen om overwonnen te worden. „Waar een wil is, is een weg.quot; Hoe gemakkelijk ruimt de bruidegom dedingen uit den weg, die hem beletten kunnen om naar zijne bruid te gaan of briefwisseling met haar te houden! En indien zij inderdaad onoverwinnelijk zijn, zoo is het innigste verlangen ook reeds een gedachtenwisseling. Het is onnoodig dat eerst op het gebedsleven in het bijzonder toe te passen; een hart dat er naar verlangt te kunnen bidden, bidt reeds.
In den regel echter verdienen de beletselen dien naam in het geheel niet. Wij zouden ze zoo niet noemen wanneer het daarbinnen in het hart maar behoorlijk brandde. Ik kwam bij eene vrouw, wier kinderen bij mij op de catechisatie gingen. In den loop van het gesprek vroeg ik haar of zij ook 's morgens, vóór de kinderen naar school gingen, met hen in den Bijbel las e.i bad. Op geraakten toon antwoordde zij; „Daar heb i k natuurlijk geen tijd toe.quot; Mijn scherp oog had onderwijl aan den spiegel een seisoenbiljet voor den schouwburg opgemerkt. Ik vroeg haar, op de kaart aan den spiegel wijzende: „Hoe staat het dan daarmeê?quot; Zij antwoordde: „Die heb ik present gekregen.quot; — „Ik zeide: „Hebt gij dan tijd om van het biljet gebruik te maken?quot; — Zij antwoordde, en wel heel koelbloedig: „Natuurlijk, ik zal mij toch het genot niet ontzeggen!quot; — Dat kon zij dus schikken, omdat zij het ernstig wilde. En wij zouden de belemmeringen van het gebed duizendmaal als kaartenhuizen op zij kunnen schuiven, wanneer het er ons om te doen ware. Wie moet, die moet.
Ach, de gebedsgeest — dat is het wat ons ontbreekt. Wij moeten dicht aan het hart van Jezus zijn! De discipelen hebben wijselijk en dwaselijk allerlei dringende verzoeken aan den Hei-
97
land gedaan; maar zeker is geen hunner beden zoo uit ons aller hart gesproken als deze; „He ere, leer ons bidden!quot; Zij leggen door deze bede allereerst de eerlijke bekentenis af, dat het met hun tot hiertoe geleide en tegenwoordige gebedsleven nog niet is zooals het behoort. Zij zijn er zeer ontevreden over, en zij zijn er verdrietig om dat het daarmede is zooals het is. Het inwendig gebrek drukt hen zwaar, en zij zijn vol verlangen, zóo uit den Geest te leeren bidden, als zij het van hun Heer en Meester zien. En daaraan wanhopen zij ook niet, ondanks alle nog heerschende macht des vleesches. Zij zijn van meening dat de Heiland ook hun datgene geven kan, wat Hij zelf in zich en aan zich heeft. Dat alles ligt in het eenvoudige gebed; „Heere, leer ons bidden!quot;
En dit alles stemmen wij hun uit den grond des harten toe. Of is er soms iemand onder onze lezers, die over zijn gebedsleven tevreden is? Anderzijds is er ook geen geestelijk gezind mensch, die niet weet dat alles, alles beter wordt in zijn inwendig leven, wanneer het eerst met het gebedsleven in het reine gekomen is. Ja waarlijk, dan moeten geloof, hoop en liefde alle drie tot groei en bloei komen. En eindelijk, wanneer wij met de apostelen Jezus beschouwen, dan erkennen wij gereedelijk dat Hij buiten allen twijfel macht en kracht heeft om ons gebrek te verhelpen.
Zoo laat ons dan verder den blik op den biddenden Heiland vestigen,
2. DAT DE BIDDENDE JEZUS NIET IN ALLE OPZICHTEN ONS VOORBEELD IS.
Het klinkt veel te zwak, zoo wij zeggen zouden: , Jezus was een gebedsmensch als niemand vóór Hem en na Hem.quot; Indien reeds overal, dan straalt juist in zijn gebedsleven vooral iets
98
bovennatuurlijks door, dat wij wel gevoelen, dat wij ook gewaar worden, maar dat wij niet onder woorden brengen kunnen. De vermaning van den apostel: „Bidt zonder ophouden!quot;' blijft, in den vollen zin van liet woord opgevat, ook ten aanzien van de grootste „heiligenquot; een „vrome wensch.quot; Alleen bij Jezus bestond in werkelijkheid deze onafgebroken gemeenschapsoefening met zijnen Vader in den hemel. Zelfs wanneer Hij zich temidden van het drijven en woelen der wereld bevond, zelfs wanneer Hij door vijanden bestormd, door vrienden toegejuicht werd, bleef de kalme golfslag zijner heilige ziel bestaan. „Altijd hemelwaarts! Wist gij niet dat ik moet zijn in de dingen mijns Vaders?quot;
Maar buiten dit dikwijls wellicht onbewuste en in elk geval dikwijls woordelooze gebed, had Hij toch ook zijne uren, waarin Hij zich aan alle menschen en aan allen arbeid onttrok, alleen om met zijnen Vader te spreken. Nu eens was het de woestjn, dan eens de eenzame berghoogte, waar Hij biddend vertoefde, waar Hij somtijds gansche nachten in vertrouwelijk gesprek met zijnen Vader doorbracht. Eu bij gelegenheid van de belangrijkste gebeurtenissen zijns levens wordt ons bericht dat Hij gebeden heeft.
Toen Hij na zijn doop uit de rivier de Jordaan steeg, bad Hij; en boven den aldus biddende werd de hemel geopend (Lukas 3 : 21). Zoowel na de onthoofding van zijn vooiiooper Johannes den Dooper, als ook menigmaal na de verrichting van groote wonderen, trok Hij zich in de woestijn terug om te bidden en kracht te vergaderen (Lukas 5 : 16). De keuze van de twaalf apostelen, deze handeling van oneindige gevclgen voor al de tijden van Gods koninkrijk, volgde op een nacht, dien Hij in het gebed bad doorgebracht (Lukas 6 : 12). Zuchtend en smeekend ziet Jezus bij menig wonder dat Hij verricht naar den hemel op, en bij de opwekking van Lazarus (Jon. 11)
99
bidt Hij zelfs in hoorbare woorden. — De groote belijdenis die Petrus mede uit naam van zijne medeapostelen aflegde; „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Godsquot;, wordt, om zoo te spreken, gedaan als eene gebedsverhooring van den Heiland; want zij geschiedt nadat Jezus alleen was geweest om te bidden (Lukas 9 : 18). En het geschiedde als Hij bad, dat de gedaante zijns aangezichts veranderd werd (Lukas 9 : 28). Uit de aanschouwing van den biddenden Heiland voorts kwam op de lippen der apostelen deze bede: „Heere, leer ons bidden!quot;
En inzonderheid toen de donkere golven des lijdens begonnen te ruischen! Toen stortte de Middelaar biddend zijne beangste ziel uit voor den Eénige, die Hem verstond, in onuitsprekelijke zuchten. Wij komen later op het „hoogepriesterlijk gebed'quot; terug. Ik herinner hier alleen aan de gebedsworsteling in Gethsémané en aan zijne woorden aan het krui s, die immers ook meeren-deels gebedswoorden waren — woorden niet tot menschen maar tot God gesproken.
Welk een ontroerende vermaning tot ijverig gebed nu ligt daarin voor ons! Wanneer Hij zelfs niet zonder gebed kon en wilde zijn, hoeveel te meer moet het ons dan een levensbehoefte zijn!
Niets is valscher dan wanneer men zegt — en er zijn wezenlijk godvreezende menschen die zoo spreken —; Jezus heeft voor zichzelven geen behoefte aan het gebed gehad; Hij had zich buitendien op zijne hoogte kunnen handhaven; Hij heeft echter gebeden om ons een voorbeeld te geven!quot; Vanwaar deze schoonschijnende en toch heillooze bewering afkomstig is, is gemakkelijk te doorzien. Zij is in zwang gekomen in de kringen dergenen, die het Godszoonschap van Jezus zoo eenzijdig drijven, dat Hij eigenlijk God op aarde en dat zijne mensch-heid, op den keper beschouwd, slechts schijn was.
Zij, die zoo denken, moeten wel meenen dat Jezus het gebed
100
wel had kunnen ontberen en mitsdien alleen gebeden heeft om ons een goed voorbeeld te geven. Ja, zij moesten eerlijkheidshalve zeggen dat Jezus in het geheel niet heeft kunnen bidden. Hoe toch kan God tot God bidden? En hoe moest men het noemen wanneer iemand ook den schijn aannam, met een ander te spreken, maar in werkelijkheid slechts met zichzelven sprak? Ik smoor het woord op mijne lippen, dat hierop toepasselijk is.
Inderdaad, indien het gebed van Jezus niet een wezenlijk gebed tot God was, dan was dit voorbeeld geen voorbeeld. Zijn gebed was geen voorbeeld voor ons, indien Hij het voor zijn inwendig leven niet werkelijk noodig had. Wij echter weten dat de Godmensch in alles ons gel ij k geworden is, uitgenomen de zonde.
Maar daaruit, dat Hij voortdurend de zonde zegevierend afweerde, volgt zeer zeker dat zijn gebed niet in alles aan het onze g e 1 ijk was.
Bij Hem was nooit een inwendige ontsteltenis of zelfs verwarring, die Hem tot den Vader dreef. Hoe geheel anders is dat bij ons! Zelfs de oprechtste Christenen, ja juist zij voornamelijk, gevoelen den verpletterenden last des vleesches en zuchten over de gebondenheid des geestes onder vele tranen. Nu is het dat zij schijnbaar tevergeefs tegen een enkele zonde strijden, dan dat zij tot hun diepe droefheid weer in een oude zonde gevallen zijn. En anderzijds stijgt hun gebed tot een luiden juichtoon, als zij zingen en getuigen kunnen van Gods vergevende genade: „Mij is barmhartigheid geschied, die 'k gansch en al onwaardig ben.quot;
Zóo kon Jezus niet bidden, zóo kon Hij niet danken. Hij kon den 51 s'en Psalm in het geheel niet, den 103den slechts gedeeltelijk zingen. Hij behoefde niet te smeeken: „Heere, sla 't oog op mijne keetnen, zie mijn worst'len tegen 't vleesch, hoor mij
101
om verlossing zuchten van de zonde en van haar kracht.quot; Hij behoefde niet tot God te naderen met de bange vraag: „Mag ik wederkomen met mijn oude schuld?quot; Hij behoefde niet te zeggen: „Reinig mij van de verborgen afdwalingen!quot; Hij kon ook niet voor zich het „Onze Vaderquot; bidden. Hoe had Hij, dien niemand van eenige zonde overtuigen kon, kunnen zeggen: „Vergeef ons onze schulden!quot; Neen, zoo moet gij bidden, zegt Hij met sterken nadruk. En gelijk Hij zoo niet met ons bidden kon om verlossing van den booze, zoo wilde Hij de vervulling van aardsche wenschen en de verlossing van aardsch lijden niet voor den Vader brengen. Bij ons vervuilen juist deze dingen in het gebedsleven een zeer voorname — een, helaas, maar al te voorname rol. De Heiland daarentegen liet dat alles met kinderlijke gezindheid aan 's Vaders wijsheid en liefde over.
Maar is het dan met het gebedsleven uit, wanneer de vraag naar de zonde heeft afgedaan of wanneer wij in de aardsche dingen niets meer te wenschen hebben-? Was dat wel een biddend mensch, die tot mij zeide dat hij sedert geruimen tijd niels anders bad dan: „Heere God, laat alles bij het oude blijven.quot; Mij dunkt het ware gebedsleven bestaat toch niet hierin dat wij dit en dat bij God zoeken , maar dat wij H em z e 1 v en zoeken, zijn hart,- de gemeenschap zijner liefde, waar dan al het andere en alles in het bijzonder vanzelf uit volgt.
Men heeft gezegd, en niet ten onrechte gezegd, dat het gebed uit het gevoel van afhankelijkheid van God voortvloeit. Geheel juist, dat is zoo. Wij zijn en blijven, als ik zoo spieken mag, ten opzichte van God slechts waterbakken. Hij daarentegen de eeuwig wellende bron, waaruit deze waterbakken gevuld moeten worden. Doch deze afhankelijkheid is toch geenszins een gevolg van den zondeval; deze afhankelijkheid is geen tee-ken van den verdorven, maar evenzeer van den volmaakten
102
mensch; niet slechts het teeken van den mensch, die God verloren, maar evenzeer het teeken van den mensch, die God wezenlijk gevonden heeft. Juist het kind van God w i 1 afhankelijk zijn van God en wil het ook eeuwig blijven. Deze afhankelijkheid sluit tevens de aanhoorigheid in.
3. BIDDEN WIL ZEGGEN: DE GEMEENSCHAP MET GOD ZOEKEN.
Juist dan is ons gebed tot zijn toppunt gekomen, wanneer wij ons „met heilig verlangen der liefde tot Hem vervuld, aanbiddend in God verdiepen, in God verkeeren.quot; Hoe zelden is ons gebed op deze hoogte. Millioenen menschen zien het gebed slechts voor een plichtpleging aan, die zij meenen Gode te moeten bewijzen, om Hem welgezind jegens hen te houden. Wij vinden het verschrikkelijk, wanneer in de Roomsche kerk soms het afraffelen van zoo en zoo veel dozijn Paternosters of Onze Vaders aan een „zondaarquot; als straf wordt opgelegd. Maar is ook niet voor tallooze Protestanten — ik spreek over degenen, die over het algemeen bidden — is niet ook het gebed dikwijls slechts als een straf, en ademen zij niet weer ruim als zij maar weer tot hun krant of tot hun werkzaamheden of uitspanningen terug kunnen keeren? Hoe kan men dat gebed noemen? — En hoe kan men het verder gebed noemen, zoo iemand alleen dan de toevlucht tot den hemelschen Vader neemt, wanneer hem ergens in aardsche zaken de schoen wringt? Zou het. een aardschen vader niet diep grieven, indien zijn zoon nooit tot hem kwam dan alleen wanneer hij een bijzonderen aanval op zijns vaders geldbeurs wilde doen?
Reeds hier is het zoo, dat de vader om zichzelfs wil gezocht wil zijn. En hoeveel te meer God! En dan eerst zullen wij recht in zijne gemeenschap verkeeren, zoo wij om zijns zelfs
103
-wil tot Hem komen, om zijn hart te zoeken, zijn adem gewaar te worden.
Menschelijke gemeenschap is gewis een uitnemende zaak, wanneer zij van den rechten aard is. Stroomen van zegen kunnen daarvan uitgaan. Doch wij mogen er toch niet te veel op vertrouwen, wij mogen ons niet onvoorwaardelijk op hen verlaten. Hoe vaak beoordeelen ons zelfs de beste menschen met den besten wil te streng of te zacht. Hoe dikwijls is hun raad en troost van verkeerden aard. Mij overvalt altijd een rilling, wanneer iemand zegt: „Wat die en die zegt en aanraadt, dat zou ik onvoorwaardelijk doen; ik verlaat mij geheel en al op zijne wijsheid.quot; Dat is menschvergoding. Zij wreekt zich spoedig genoeg. Juist in onze diepste nooden — misschien ook in onze hoogste heiligste blijdschap — moeten wij meermalen ondervinden dat de menschen, ook de edelste Christenen, ons alleen laten staan. Zij begrijpen ons niet; en al begrepen zij ons ook toch zouden zij, die zelf hulpelooze schepselen zijn, ons niet kunnen helpen.
Zoo wordt dus de ziel in haar moeielijkste en in haar ver-hevenste oogenblikken er toe geleid zich tot God te richten:
Heer, bij U wil quot;k redding zoeken.
Als de wereld krenkt me en plaagt;
In uw schoot wil 'k ruste vragen.
Van de zondeboei ontslagen.
Die de zwakke ziel hier draagt.
Een ouden eigenaardigen Christen, dien ik in een zeer moeilijken toestand aantrof, vroeg ik of hij ook dikwijls bezoek ontving. Hij schudde het hoofd en zeide met een ernstigen glimlach: „Ik moet mij met den Heere God behelpen, en dat gaat ook.quot; En wie zou niet van tijden in zijn leven kunnen spreken, dat ook hij niet begrepen en zelfs verlaten
104
door alle schepsel, alleen aan Gods nabijheid genoeg moest hebben ? En het zijn waarlijk de slechtste tijden niet, wanneer Gods mond ons zegt: ,Mijne genade is u genoeg.quot;
Bij Jezus nu echter was deze behoefte om de onmiddellijke nabijheid Gods te zoeken, nog veel dringender en dwingender dan bij ons. Hij had de gemeenschap des Vaders niet misschien minder maar meer noodig dan wij, juist omdat Hij de volmaakte Zoon was, juist omdat Hij, zooals niemand anders wist, wat Hij aan de gemeenschap des Vaders had; maar anderzijds ook omdat dit zijn eigenlijke, ja, wel beschouwd, éenige hulpbron was. Want „niemand kent den Vader dan de Zoon, en niemand kent den Zoon dan de Vader.quot;
Niemand kent den Vader dan de Zoon. Maar Hij kende Hem ook. En o hoe heerlijk was het voor zijn beangste ziel, wanneer Hij ver van het drijven en woelen der wereld, voor Hem zijn gansche hart mocht uitstorten! Hoe zalig was Hem het gevoel der innigste deelneming, die Hem van uit den hooge ten deel viel! En deze ondervinding bewaarde Hem ook, in weerwil van al de Hem omringende ellende der wereld, in weerwil van alle gemeenheid , boosheid en botheid der menschen, voor de moedeloosheid van een Elia: „Het is genoeg, — het is te veel, — neem nu, Heere, mijne ziel!quot; — Maar evenals alleen de Zoon den Vader kende, zoo kende ook alleen de Vader den Zoon. Alleen Hij; anders begreep Hem niemand. Ook de diepzinnige Johannes niet. Wel kon Johannes zijn hoofd aan Jezus' borst leggen; maar Jezus kon niet eveneens zijn hoofd aan Johannes' borst laten rusten. Ook in dat opzicht had de Heiland niets, om zijn hoofd op neder te leggen. Er was voor Hem geen menschelijk hart, waarvoor Hij liet zijne had kunnen uitstorten. Nooit. Met aandoenlijke, ja ontroerende waarheid verhalen ons de apostelen hoe grovelijk zij hun Meester verkeerd begrepen en hoe zij Jezus juist alleen lieten, toen Hij
105
het meest aanspraak behoefde. Zij allen spraken Hem tegen als eenen waanzinnige, als Hij van zijn noodwendig doodslijden sprak. En toen Hij later dezen weg opging, wat gebeurde er toen, in weerwil van al hunne verzekeringen van liefde en trouw ? In Gethsémané sliepen zij; spoedig daarna verlieten Hem allen en vloden. Ook Johannes vlood. En Petrus verloochende Hem, en Judas sneed zelfs den laatsten band door en verried Hem. Toen werd vervuld: „Ik heb de pers alleen getreden.quot; Toen restte alleen dat éene: „De Vader is met Mij.quot;
Kortom, als nooit een mensch vóór Hem en na Hem drukte Jezus de gemeenscha]) des Vaders in zijn gebedsleven uit. Wanneer Hem op den Thabor Mozes en Elia verschenen, zoo was dat toch slechts een voorbijgaande gemeenschap. En wanneer de personen, die vertrouwelijk met Hem spreken konden „over zijn uitgang, dien Hij zou volbrengen in Jeruzalem,quot; wanneer zij uit do andere wereld moesten komen, dan stelt juist deze omstandigheid op aangrijpende wijze het feit in het licht, dat Hij op aarde eenzaam, geheel eenzaam was en niet begrepen werd. Hetzelfde duidt de stem uit den hemel aan, die zich bij den doop liet hooren, waar zelfs de geestrijke Johannes de Dooper weifelend bij stond. Hetzelfde blijkt ook uit de sterking, die een engel Hem brengen moest in Gethsémané, terwijl de discipelen, in weerwil van al 's Heilands waarschuwingen, in een onverantwoordelijken slaap verzonken waren.
Maar terwijl Hij, door de geheele wereld aan zichzelven overgelaten, nu zijn gansche hart aan den Vader bracht, en terwijl de Vader wist dat de Zoon in Hem alleen vrede, kracht en rust moest zoeken, was ook de vertroosting, die Hem uit het hart des Vaders toestroomde, vol overvloeiende kracht en zaligheid.
Onlangs vond ik een lied, dat over den zegen des gebeds handelt, over de omzetting, die de ware bidder in zijn omgang
106
met God ondervindt. Het is een Engelsch vers, dat ons herinneren zal aan de beste — ach, helaas, slechts te zeldzame uren van ons leven. Het zal ons echter zeggen wat de Heiland a 1-t ij d beleefde en ondervond, als Hij zijn bewogen hart aan het hart zijns Vaders ontlastte. Maar hoort nu het gedicht.
Heer, welk een omkeer in de korte pooze,
Die ons gebukt zag voor uw aangezicht,
Hoe spoedig had de kommer ons verlaten
Bij 't troostwoord uil uw mond tot ons gericht.
Wij knielen neder, diep terneergebogen,
Doch als wij opstaan — zie, het zonlicht lacht; Een nieuw bestaan is in ons waak geroepen.
Wij voelen 't: Gij zijt onze levenskracht.
Hoe hebben wij ons zelf de smart gedaan.
Ons hart met zorg en kommer te beladen;
Door angst en zorg en zelfstrijd neergedrukt?
En konden toch de ziel verkwikkend baden
In uwe liefde, te aller tijd bereid,
Om ons tot U te nemen in genade.
Ja, zoo ondervond de Heiland wat het gebed vermag, o. Dat wij eens dat gesprek tusschen Jezus en den Vader hadden mogen beluisteren! Wij kennen wel eenige gebeden van den Heiland, bijvoorbeeld het hoogepriesterlijk gebed, zijne smeekingen in Gethsémané, zijne beden aan het kruis enzoovoorts. Zij alleen wegen duizendmaal op tegen alle gebedenboeken uit de gehaele wereld. — Indien wij echter geheel getuigen hadden kunnen zijn van die ontroerende uitstortingen des harten in zoo menigen nacht, als Hij in de huiveringwekkend-stille woestijn of op een eenzame berghoogte onder den schitterenden sterrenhemel neder-knielde en door onuitsprekelijke zuchten zijn hart verlichtte!
Wij wagen het niet, zelfs slechts bij wijze van proeve, zulk
107
een gebed op te stellen, zooals wij het ons ongeveer denken. Het zou ons vermetel voorkomen. En niemand zou er mee bevredigd zijn, zelfs dan niet, indien inplaats van mij, arm mensch, een Paulus of een Luther zulk een gebed wilde leveren.
Maar dit is zeker; 's Heilands gebeden betroffen steeds dat de reinheid en onschuld van zijn inwendigen mensch, ondanks alle onreinheid der Hem omringende wereld vlekkeloos bewaard mocht worden. Het beoogde ongetwijfeld dat Hem nooit liefde en geduld mocht ontbreken, ondanks al de schandelijkheden en stompheid der menschheid, die Hem omgaf; dat Hij echter ook nooit voor de verlokkingen en bedreigingen een haarbreed wijken mocht ten koste van de eeuwige waarheid; dat Hij steeds volhouden mocht in de inwendige rust, standvastigheid en vrijheid, die op God alleen ziet. — Hoe zal Hij verder den Vader gebeden hebben om steeds nieuwe krachten om te helpen, redden en zegenen, om de rechte gedachten en woorden vol wijsheid en waarheid in het leven! Hoe zal Hij Hem gesmeekt hebben om levenskracht tot het uitstaan van de ondraaglijke lasten, die op Hem lagen! Dit was zonder twijfel de diepste inhoud van Jezus' gebed, dat Hij kracht mocht hebben om op alle wijzen den naam des Vaders te verheerlijken, — zooals het dan ook de roem aan het einde van zijn weg is: „Ik heb U verheerlijkt op aarde!quot;
Moeten wij nu in het bijzonder bewijzen dat in al deze opzichten het gebed van Jezus een voorbeeld was voor ons? Is ons niet dezelfde weg van strijd door kruis tot kroon aangewezen? Is het niet ook onze roeping naar onze geringe mate den naam des Vaders op aarde te verheerlijken? Moeten ook niet de discipelen van Jezus een licht in de wereld zijn, uit kracht hiervan dat Hij het Licht der wereld was?
Evenwel kunnen wij nog niet van dit onderwerp scheiden, want een voorname zijde van het gebedsleven hebben wij nauwelijks aangewezen; ik bedoel de voorbidding.
108
4. DE VOORBIDDING VAN DEN VERNEDERDEN EN DEN VERHEERLIJKTEN CHRISTUS.
Het woord „voorbiddingquot; wijst ons op het geheimzinnige binnenste heiligdom van het gebedsleven. En vooral de voorbiddende Jezus doet ons aan zijne voeten neerbuigen in het stof. Hoe menigmaal wordt door de Evangelisten vermeld dat Jezus met innerlijke ontferming bewogen werd, als Hij op de duizendvoudige verborgene en openbare ellende der mensch-heid zag, die Hem omringde! Deze zijne ontferming ging in zijn Verlossershart allerwegen in v o o r Ij i d d i n g over. En als Hij, de Heiland, die zich voor ons opofferde, voorbiddend voor de menschen tusschenbeiden trad, dan was deze zijn persoon de oorzaak en de kracht, die zijne voorbede onwederstaanbaar maakte. Zoo was dan zijn geheele leven als Verlosser een gestadige voorbede voor ons. Hij was immers de mensch voor allen; hoe had dan niet ook zijn leven een voorbidding voor allen moeten zijn ? Dat is een uitgemaakte zaak voor ieder, die eenigermate in het hart van Jezus gezien heeft.
Maar menigmaal laten ons toch ook de Evangelisten iets van zijn b ij z o n d e r e voorbidding h o o r e n. Zoo geeft Hij den wel trouwhartigen maar hooggevoelenden Petrus op zijn eigen gekozen gevaarlijken weg de belofte mede: , Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude!quot; (Lukas 22:35). Aan dit woord moest zich de man als aan een reddingsanker vasthouden, wanneer later zijn scheepje begon te zinken. Zijn eerste woord aan het kruis voorts is een woord van voorbidding, en zij omvat allen, ook de overpriesters, die Hem in dit bittere kruislijden gebracht hebben (Lukas 23 ; 34; Hand. 3 ; 17). Zoo heeft Hij ook voor de overtreders gebeden (Jes. 53 ; 12). En het is wel niet te stoutmoedig, wanneer wij vermoeden, dat
109
die voorbede in de ontvankelijke ziel van den eenen moordenaar het geloof wekte.
En nu het verheven voorbeeld zijner voorbidding in hel hoogepriesterlijk gebed (Joh. 17). Allereerst bidt Hij voor zich zei ven. Hij bidt den Vader dat Hij nu, terwijl de wateren der hel over Hem heen bruisten, terwijl het schel geluid van het satanisch triomfeerend gelach Hem in het oor klonk, terwijl alle menschen Hem verlieten, terwijl zelfs zijn eigen hart Hem verliet, — Hij bidt dat ook nu, ja juist nu, de Vader zijnen naam in Hem verheerlijken en zijn werk in Hem voleinden moge.
Daarna echter gaat Hij verder: „Ik bid voor hen, die Gij mij gegeven hebt, die in de wereld zijn en toch niet van de wereld, die Ik tot nu toe bewaard heb, maar die nu alleen staan temidden van de duisternis en de bestrijdingen! — o, Bewaar Gij hen voor den booze!quot; — Maar nog hooger gaat zijne vlucht; „Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij gelooven zullen.quot; Gaat u dat niet door merg en been'? Hier, mijn vriend, moogt gij, zoo gij althans een discipel van Christus zijt, de hand op u w mat hart leggen en spreken: „Dat ben ik; voor mij heeft Hij alzoo zijn biddende stem verheven.quot; Ja, voor u, mijn geachte lezer. Voor alle geloovigen heeft Hij gebeden: „Dat zij allen één zijn, gelijker wijs Gij, Vader, in Mij en Ik in U !quot; Hij besluit eindelijk met de koninklijke bede: „Vader, Ik wil dat waar Ik ben ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt.quot;
Hebt gij, waarde lezer, wel eens gezien wat er gebeurde als er een steen in het spiegelvlak van een stil meer geworpen werd? Het water spatte op en er vertoonden zich kringgolven ; en de eene stuwde den anderen voort, steeds verder en verder, totdat eindelijk de laatste, zacht klotsende op het zand van den verren
110
oever liep. — Zóo is het voorbiddend gebed van Jezus. Verder en verder breidt zich zijn kring uit, totdat het het eenzaamste kind der eenzaamste moeder bereikt, dat aan het einde aller dagen alleen overgebleven is.
Nu is dit zeker: z ó o als wij het in Johannes 17 hooren, kon alleen de Heiland voorbidding doen. Alleen Hij, die voor de menschheid in de diepte des doods ging, kon de bede uiten: „Vader, Ik wil,quot; — een bede die bijna als een eisch klinkt en waardoor de biddende, om zoo te spreken, in de regeering Gods trad. Het legt een bovenaardschen glans op den persoon van den aldus biddende, — ja een bovenaardschen glans, ofschoon hij tevens van de huivering eens doods vervuld is, zooals er nooit een dood was.
Zelfs op den troon Gods kan zijne voorbidding geen hooger vlucht nemen, dan er in dit „Ik wilquot; ligt uitgedrukt. Dat is namelijk een punt van groot gewicht, en de apostelen leggen er allen nadruk op, dat die Jezus, die ter rechterhand Gods zit, alt ij d leeft om voor ons te bidden. (Heb. 7 : 25; Rom. 8 : 34). De voorbidding van Jezus is derhalve een kenmerkende zijde van zijn persoon, die Hij uit den staat der vernedering in den staat der heerlijkheid heeft medegenomen. Er ligt overigens een geheimzinnige sluier over gespreid, hoe wij ons het werk van Jezus in de hoogere wereld hebben voor te stellen. Maar dit wordt duidelijk getuigd dat Hij, ook de aan de rechterhand Gods Verhoogde, een Voorbidder is, gelijk Hij het was in zijne knechtsgestalte. Hij brengt in den hemel de door Hem volbrachte verzoening in toepassing ten onzen gunste. Het is als hoorden wij Hem zeggen; „Vader, hier zijn degenen, voor wie Ik gestorven ben en die hunne zonden betreuren. Beschouw hen dus nu alsof zij niet gezondigd hadden; wees hun genadig. Gij, Heilige, om Mijnentwil!quot; Welk een bron van troost welt er in deze
woorden voor bekommerde en schuchtere zielen, voor ontroerde gewetens, die in en om zich heen nergens troost vinden en het durven wagen met hun gebed tot God te naderen.
Kortom, de voorbiddende Jezus is onze troost. En het offer zijns levens is de kracht zijner voorbidding. Omdat Hij is wie Hij is, werkt zijne voorbidding zooveel uit. Als ik hier op aarde bij een vermogend man een goed woord doe voor een onvermogende — hetzij dat ik een geschenk, kwijtschelding van schuld of vergeving verzoek — kan ik zulk een voorbede alleen wagen, indien ik in het oog van dengene, tot wien het verzoek gericht wordt, een vertrouwd man, of wat nog beter is, een geacht man ben. Hoemeer ik dat ben, des te krachtiger zal mijn voorspraak zijn.
„Ja, maar juist omdat dat zoo isquot; — zeggen nu oprechte en ernstige menschen — „juist daarom kan het voorbeeld van den heiligen Jezus voor mij, arm, onrein zondaar, in dit geval geen voorbeeld zijn, en kan ik het niet wagen voor anderen te bidden. Hoe zou ik mij zulk een vertrouwelijkheid ten aanzien van God kunnen aanmatigen ? Hoe zou ik kunnen gelooven, dat Hij mij waardig keurde, aan mijne voorbede gehoor te verlee-nen, er zijn hart voor te openen? Zou Hij niet kunnen antwoorden: „Gij zijt nog zoo ver ten achteren, zijt zelf zoo arm en zoo onrein, hebt waarlijk genoeg met uzelven te doen, gij komt er immers slechts schoorvoetend toe voor uzelven te bidden, en nu vermeet gij u nog voor anderen tusschenbeiden te komen?quot;
Ja, dat zou God kunnen zeggen; maar zoo spreekt Hij niet. Hij zegt het tegenovergestelde. Hij vordert dat zij, die Hij in Jezus Christus tot zijne kinderen gemaakt heeft, die Hij geroepen heeft tot het geestelijk priesterdom, dit hun ambt ook voorbiddend vervullen zullen. Hij toont ons in zijn Woord dat zijn groote knechten onder het Oude Verbond juist het grootst sfijn,
112
wanneer zij voorbiddend optreden. Ik herinner aan N o a c h, die niet moede werd voor eene van God afgevallen wereld tot God te roepen (Ezech. 14 : 14 en 20). Ik herinner aan Abraham s gebedsonderhandeling met God, ten aanzien van het ten ondergang gedoemde Sodom (Gen. 18). Ik herinner aan de edele vaderlandsliefde van M o z e s, die Jehovah bad liever zijn naam uit het boek des levens te delgen dan liet volk Israel te verwerpen (Exod. 32 : 32). Ik herinner aan het hartroerend gebed, dat de koning David voor zijn zoon en opvolger deed (1 Kron. 30 : 19). En wie denkt hier niet aan de inwijding des tempels, waarbij Salomo alle volken der aarde in zijne voorbede insloot (1 Kon. 3 : 41—43)? Wie denkt hier niet aan de zichzelf vergetende vurige voorbede van een E1 i a, een J e r e m i a, een Daniël?
Gelijk wij echter onder het Oude Testament alleen de uitverkoren getuigen op de geestelijke hoogte der voorbidding vinden , zoo wordt zij in het Nieuwe Verbond aan alle discipelen van Christus opgedragen. Zoo vermaant de Heiland in de Bergrede niet alleen: „Hebt uwe vijanden iief!quot; maar: „Bidt voor degenen, die u geweld aandoen en u vervolgen.quot; Hij had ook kunnen zeggen: Bidt zelfs voor hen, die u geweld aandoen en u vervolgen. Want dat wij ook voor onze vrienden moeten bidden spreekt vanzelf, wanneer Hij het gebed voor de v ij a n d e n vordert. Menigmaal zullen wij ook voor onze vrienden in het geheel niet anders kunnen doen dan voor hen bidden. Juist hieruit echter zal ons dan de kracht toevloeien, hun in den waren zin van het woord liefde te bewijzen. Stéfanus, de eerste Christelijke bloedgetuige, is een troostrijk bewijs dat zulk een voorbidding voor de vijanden in nE.volging van Christus mogelijk is. De spoedig daarop volgende bekeering van Saulus, van den vijandelijksten van Jezus vijanden, toch heeft men steeds als eene v e r h o o r i n g zijner voorbede beschouwd.
113
En als de Heiland wil, dat wij ons gebed aanvangen met de beden; „Uw naam worde geheiligd; uw koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op aarde,quot; — wijst Hij ons dan niet juist op het beginsel der voorbidding? — Dat nu de apostelen, de mannen die, buiten eenigen twijfel, de gedachten van Jezus het beste begrepen hebben, gedurig op voorbidding aandringen, weten alle Bijbellezers. Niet alleen dat zij de belijders van Christus vermaanden „voor al de heiligenquot; te bidden (Ef. 6 :8), neen, maar Paulus vermaant „dat er gedaan worden smeekingen en gebeden, dankzeggingen voor alle menschen, voor koningen en allen, diein hoogheid zijn, opdat wij, een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid'' (1 Tim. 2 : 1 en 2). Ik verzoek op deze uitdrukking „opdatquot; wel te letten; men zal dan beseffen hoeveel de apostel van de voorbidding der Christenen verwacht. Zoo spreekt hij ook tot de Corinthiërs de stoute verwachting uit dat hij door hunne voorbidding (uit de gevangenis) hoopt verlost te zullen worden (2 Cor. 1 : 10 en 11).
Kortom, dat God van zijne kinderen verwacht dat zij als voorbiddende menschen hun geestelijk priesterschap zullen uitroepen, is volkomen duidelijk. De vraag is slechts:
5. HOE STAAT HET MET ONZE VOORBIDDING?
Ja, hoe staat het met uwe voorbidding voor anderen, geliefde lezer? En ik hoor van vele lippen het antwoord: „Slecht, door en door slecht!quot; Ik hoor echter ook duizend tegelijk gereed zijn zich omtrent dit „slecht!quot; te verontschuldigen en het aldus te vergoelijken. Sommigen zeggen: „Ik ben zoo arm. ik ben een bedelaar voor God, en zou dan voor anderen bidden?quot; — Anderen voeren hun onwaardigheid en onreinheid aan. En inder-
114
daad, niets is meer waar dan dat gij onwaardig zijt. Maar niets is meer onwaar dan de gevolgtrekking, die gij daaruit maakt. Gij zijt, op uzelven gezien, niet waardig, in het geheel voor Gods aangezicht te verschijnen. Dus ook niet voor uzelven. Maar indien gij door Jezus een kind van God geworden zijt, zoo zijt gij door Hem een „menscli des welbehagensquot;. God ziet ons aan in Hem; God heeft ons begenadigd in Hem, gelijk de apostel schrijft: „Hij heeft ons begenadigd in den Geliefde.quot; Doch wanneer wij dat ook slechts een oogenblik vergeten, wanneer wij bij onze onwaardigheid blijven staan, — ik bid u, wat ware dan geschikter om begenadigd te worden, dan juist een zelfverloochenend voorbidden voor anderen? Wanneer het kleine zusje, dat zelf gebreken genoeg heeft, voor haar broeder die misdreven heeft, een goed woord bij haar vader doet; als zij met tranen in de oogen en bevende lippen haar vader verzoekt vergeving te schenken aan haar broeder, —• is dat dan niet edel en treffend? Welke vader zou zoo ontaard zijn om te zeggen; „Bemoei u met uzelve en pas zelf maar goed op! Gij hebt met uzelve genoeg te doen.quot; o Neen, dat zal de vader niet antwoorden. De stem van het onwaardige kind zal als een verzoenende kracht in zijne ziel dringen — in de ziel van den vader, die toch „boosquot; is. En nu de Vader in den hemel! — En evenzoo verkeerd is het, wanneer gij uwe armoede opwerpt. Wat zoudt gij zeggen van een man, die op de volgende wijze wilde redeneeren; „Al wat ik heb, heb ik alleen door Gods barmhartigheid; elk oogenblik kan Hij mij alles ontnemen; hoe zou ik het nu wagen voor anderen te bidden, anderen te helpen?quot; Huichelaar, die gij zijt! zoudt gij antwoorden. En gij hadt gelijk. Maar zou het niet even huichelachtig zijn, wanneer gij niet voor anderen bidden wildet, omdat gij toch zelf slechts een bedelaar voor God zijt?
„Maarquot; — dus toch nog meer nieuwe bedenkingen? „Ja,
115
maar,quot; zoo zeggen anderen, „hoe laat zich dan de voorbidding vereenigen met de vrijheid van den mensch voor wien ik bid? Bijvoorbeeld: ik bid tot God dat Hij mijn vriend, die nog geheel op de wegen der wereld wandelt, tol het geloof moge brengen. Kan dan God een mensch bekeeren, als hij' zich niet bekeeren wil ? Alles komt toch op zijn vrijen wil aan. W i 1 hij, dan zal hij God wel vinden ; wil hij niet, dan wil God hem toch ook geen dwang aandoen.quot;
Dat is een zeer verstandige opmerking, maar gelukkig is datgene wat men gewoonlijk 'verstand noemt, niet de maatstaf' voor alle dingen. Dat de mensch een vrij wezen is, is wol op zichzelf genomen waar. Wie zich echter inbeeldt dat de mensch om zoo te zeggen alleen onder eigen invloed staat, is toch volslagen op den dwaalweg en kent de menschelijke natuur slecht. Wij verkeeren allen onder sterke, zij het al niet onweerstaanbare invloeden en wel niet alleen onder zulke, die wij kennen, maar ook dikwijls onder zulke, die onbewust op ons werken. Er zijn invloeden van booze geesten, er zijn huiveringwekkende invloeden van booze menschen. Er zijn echter ook heiligende invloeden van het eene menschelijke hart op het andere en nog meer van het harte Gods op het menschelijk hart. Dat zijn geheimzinnige dingen, die men niet op een schaal, al is het ook een goudschaal, wegen, die men ook niet met letters of cijfers aanduiden kan, maar die niettemin even wezenlijke krachten zijn als electriciteit. De vrijheid wordt daarom niet benomen, maar veeleer in werking gebracht. Of meent iemand, dat de vrijheid van Petrus er onder geleden heeft, dat de Heiland tot hem zeide: „Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet op-houde.quot; Of meent iemand dat Saulus toch niet in het ongeloof had kunnen volharden, omdat hij Stefanus' voorbede vernomen had? En ofschoon Augustinus gevoelde, dat de voorbidding van zijne moeder Monica een sterk op hem werkende kracht was, was toch zijne bekeering een geheel vrije zaak.
116
Voorzeker is liet waar: er bestaat een toestand van verharding, waarin de mensch zich niet bekeeren wil en ook niet liekeeren kan. Voor zulk een mensch te bidden is tevergeefs en mitsdien ook ongerijmd. Johannes spreekt daarover in zijn eersten brief (5 : 16): „Indien iemand zijnen broeder ziet zondigen. . . . eene zonde tot den dood; voor die zonde zeg ik niet dat hij zal bidden.quot; De woorden klinken vreeselijk. Wij laten ze in hun vollen ernst staan. Maar of wel ootmoedige Christenen het dikwijls wagen te zeggen; „Van dien en van die weet ik zeer zeker dat zij zich niet bekeeren willen, dat zij verhard zijnquot;' — ? Ik bezie misschien alles wel van de goede zijde en wil het ook blijven doen. In allen gevalle heb ik in mijn dertigjarige ambtsbediening nog nooit de droefheid beleefd, dat ik ooit ten opzichte van een mensch de volkomen zekerheid kreeg: „Met hem is het voor alle eeuwigheid uit. Hij is verloren.quot; Ja, de Heiland kon wel van Judas zeggen: „Het ware dien mensch beter, niet geboren te zijn geweest.quot; Daardoor sluit Hij de deur dor hope toe. Maar moogt g ij dat ook wagen ?
Of meent gij daartoe recht te hebben, wanneer gij lange, lange jaren vergeefs — juister gezegd, zonder dat g ij verandering bespeurt — voor een mensch gebeden hebt ? Hoe, wanneer Monica zoo gedacht had en in hare voorbidding verzwakt ware ? Of dan de gemeente des Heeren wel een Augustinus zou hebben? — Voor eenigen tijd zeide iemand, die zich tien jaar na den dood van zijn godvreezenden vader werkelijk bekeerd had: „Het zijn de gebeden van mijn vader, die mij als een vuurbrand uit het vuur gerukt hebben.
Maar wat beteekenen al deze bespiegelingen en redekavelingen? Het Christelijk leven levert het beste bewijs voor het recht en de kracht der voorbidding. Gij zelf, indien gij althans geestelijk levend zijt, levert dit bewijs en maakt in de practijk al uw twijfel zelf te schande.
117
„Hoe zoo?quot;' — Wel, laat mij eene vraag toe. Zoudt gij het niet vreeselijk vinden, indien gij wist dat niemand op aarde voor u bad? Zoudt gij u niet onuitsprekelijk eenzaam, verlaten en troosteloos gevoelen ? Onlangs verhaalde mij een Amerikaan, dat hij bij Baltimore op een grafsteen zonder naam het volgende opschrift gelezen had: ,Die hier ligt wil niet bekend en niet genoemd zijn. Hij begeert niet dat iemand naar hem vraagt, om hem weent of voor hem bidt.quot; Huivert gij niet van zulk een verwoed menschelijk hart? Do voorbidding verachten is de verbinding met het menschdom verachten. Ik weet dat velen, die zelf niet bidden, zich verheugen dat anderen voor hen bidden. En bijzonder zij, die zelf biddende menschen zijn. — Ik althans moet verklaren dat ik het nooit wagen zou de trap van den kansel te beklimmen, wanneer ik niet overtuigd was dat er in en buiten het kerkgebouw menschen waren, die voor mij baden. En ik hecht daar niet alleen zulk eene waarde aan, omdat ik er liefde in erken, waardoor ik gedragen word; ook niet hierom slechts, omdat de harten der voorbiddende hoorders juist door hun voorbidding eerst recht toebereid worden voor het woord, dat ik tot hen kom spreken; — neen, ik ben ook overtuigd dat juist deze voorbidding een onbeschrijflijken stroom van goddelijke kracht en goddelijk licht voor mij ontsluit. Wat echter ten opzichte van den prediker van het Evangelie doorgaat, gaat in zijne mate door voor ieder Christen.
En verder. Evenals het u verheugt dat anderen voor u bidden zoo moet gij, ondanks alle redekunstige en zielkundige tegenbedenkingen, gedwongen door een onmiddellijken innerlijken drang, voor anderen bidden. Een godvreezende moeder, onverschillig of zij een vorstin of een dagloonersvrouw is, moet wel voor haar van God afgedwaald kind bidden. Zelfs de wereld vindt dit aandoenlijk. Ik vraag echter: Is wel ooit een geestelijk gezind mensch op de gedachte gekomen dat dit „moetenquot; door
den invloed van een boozen geest teweeg wordt gebracht of dat het een soort van waanzin is? Iedereen zal van het tegenovergestelde overtuigd zijn.
Doch ook op dit gebied is de ondervinding, dus de ondervinding van den zegen en de zegepraal der voorbidding, de beste leermeesteres. Bijvoorbeeld, gij hebt menschen, die door den aard der omstandigheden in nauwe betrekking tot u geplaatst zijn en met wie gij goed- of kwaadschiks veel moet omgaan. Deze menschen nu zijn u zeer ongenegen; zij maken het u dikwijls zeer lastig, het komt telkens tot botsingen, en het treurigste is, dat gij er door tot zonde komt en er uw vrede door verliest. Ik denk aan jongere of oudere kinderen, die u ter opvoeding zijn toevertrouwd, of aan dienstboden, of aan vak-genooten, of aan verwantschapsbetrekkingen, zooals die van stiefkinderen tot hunne stiefmoeder. Hoe menigmaal hebt gij u voorgenomen dat het beter zou en moest worden! Hoe menig-maal hebt gij een goed begin tot verbetering gemaakt 1 Maar telkens deden er zich nieuwe hindernissen voor.
Hoe echter, wanneer gij het nu eens met geduldige, volhardende voorbidding voor den bedoelden mensch beproefdet, waarbij gij u evenwel voortdurend moet voorstellen dat Jezus voor hem zijn leven in den dood heeft overgegeven, en dat dit „onuitstaanbarequot; mensch toch ook te zijner lijd met u voor Gods troon zal staan ? o, Geloof vrij, dat dit een heerlijke weg is om wonderen te beleven — ja te beleven, ofschoon, gelijk wij ■weten, de wereld het voor uitgemaakt houdt, dat er tegenwoordig geen wonderen meer gebeuren.
Gisteren las ik iets aangaande den eigenaardigen Zwabischen prediker F lat tich. Tot hem kwam op zekeren dag een opper-baljuw en bracht hem zijn veertien jarigen zoon, opdat hij hem onder zijne leiding nemen en opvoeden zou. „Hij is geheel onverbeterlijkquot;, zeide de vader op somberen toon. „Welke
119
proevenquot;, vroeg Flattich, „hebt gij al met hem genomen om hem beter te maken?quot; De vader deed hem nu een verhaal van de hardste en meest verschillende straffen, die hij op den knaap had toegepast. Flattich vroeg echter telkens opnieuw naar andere proeven, totdat eindelijk de drossaard zeide: „Iets anders wist ik niet.quot; — Hebt gij danquot;, vroeg Flattich op bewogen toon, „ook niet voor het ongelukkige kind gebeden?quot; — De drossaard was eerlijk genoeg om zijn hoofd te schudden, „o. Danquot;, zeide Flattich, „is er nog niets verloren.quot; — Wat de vader verzuimd had, deed nu Flattich des te ernstiger, en het duurde niet lang of de jongen was, naar zijns vaders eigen getuigenis, geheel veranderd. — Wellicht kunnen verscheidene lezers hier veel uit leeren.
G. „TE VEEL VERLANGDquot;
te zijn, schijnt het evenwel in het oog van vele godvreezende menschen dan toch, wanneer de apostel verlangt dat wijzelf bidden „voor alle menschen, voor koningen en allen, die in hoogheid zijn.quot; Met prijzenswaardige eerlijkheid hebben geachte menschen mij dikwijls gezegd, dat zij niet anders dan voor diegenen bidden konden, die hun na aan het hart lagen, maar dat als het verder ging, hun voorbede verflauwde.
Dat gaat ons ook zoo, zeggen nu vele lezers. Goed dat gij het zegt, maar verkeerd is het, dat het zoo i s. In den pols der Christenen klopt de pols der menschheid, of anders is de pols van deze „Christenenquot; ziek. Of meent gij dat gij en eenige anderen de wereld uitmaakt, waar Gods welgevallen op rust? o. Geloof dat gij een schalmpje zijt in een oneindige keten en dat gij niet kunt en zult zalig worden zonder de andere. Het is, oprecht gezegd, een gebrek aan geloof; dat, indien het echt is, de wereld omvat, — een gebrek aan liefde tot den
120
naaste, die alle medeverlosten liefheeft; een gebrek aan hoop, die ook voor den slechtste bet beste hoopt, — het is een gebrek aan dat alles, indien uwe voorbidding zich tot verwanten en vrienden bepaalt. En als uw geloof, uwe liefde, uwe hoop niet van wereldomvattenden aard zijn, dan kunt gij noch de eerste noch de tweede noch de derde bede van het Onze Vader bidden. Wijlen D r. C h r. B a r t h te Galw stond eens met mij voor een groote globe midden in zijn werkkamer. Hij zeide met bevende lippen; „Zoo menigmaal als ik deze globe beschouw, moet ik naar den hemel opzien en vragen; „Heere, wanneer bloeit uw gansche aardrijk?quot; En wij, waarde lezer, wanneer wij dagelijks hooren van de in- en de uitwendige slavernij, waar de heidenen onder zuchten, van den angst, de troosteloosheid en hopeloosheid, waar zij in leven, — moest dat ons dan niet altijd het oog naar den hemel doen richten, moest dat niet de levendige voorbede bij ons wekken: ,Heere, uw Koninkrijk kome!quot; — En wanneer d i e voorbede werkelijk levendig is, moesten er dan ook geen daden uit voortkomen ?
En nu nog een woord over de door den apostel zoo ernstig begeerde „voorbede voor de koningen en allen, die in hoogheid zijn.quot; Wie eenigermate weet welk soort van mannen, ten tijde toen de apostelen daartoe vermaanden, op de vorstelijke tronen zaten en de hoogste ambten op aarde bekleedden, zal mij toestemmen, dat het ons thans veel gemakkelijker valt voor onze overheid te bidden. Men zou dus tot de gevolgtrekking komen dat het tegenwoordig algemeener, machtiger en blijmoediger gedaan werd.
Of dat wel zoo is? Ik wil niemand te na komen; maar ik betwijfel het ten ernstigste. Wij leven in een tijd, waarin iedereen er eer in stelt ook een weinig aan politiek te doen. De maatregelen der regeering worden reeds door halfwassen knapen aan een strenge beoordeeling onderworpen.
121
Nu wil ik u, geachte lezer, uw genoegen in het bespreken van staatkundige aangelegenheden niet bederven, ofschoon het misschien goed ware eens ernstig na te gaan of gij door alle krantlezen wel ooit tot een zelfstandig oordeel komen zult. Ik ben ook geenszins van meening dat men blindelings op al wat van boven af geschiedt ja en amen zeggen moet. Een kind van God behoort waarlijk niet te hebben wat men het „beperkte onderdanenverstandquot; pleegt te noemen. Hij weet dat God alleen onfeilbaar is, maar dat degenen, wien God macht en gezag verleend heeft, dikwijls zeer groote en deerlijke fouten begaan.
Maar zouden deze niet misschien hierdoor het best voorkomen worden, zoo alle bidders in den lande ijverig en eendrachtig licht en wijsheid, kracht en ootmoed voor de overheid wilden afsmeeken? Zou dit niet de beste en veiligste weg zijn om datgene te doen, wat wij zoo gaarne willen, namelijk een weinig mederegeeren? De apostel Paulas, die toch een groot kenner van wereldlijke en goddelijke zaken was, schijnt tenminste deze meening gekoesterd te hebben. Hij vermaant ons — gelijk wij hoorden — dat wij bidden zullen voor de koningen en allen die in hoogheid zijn, en gaat dan voort: „opdat wij een rustig en stil leven leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid. Welk een verrassend, bijna treffend „opdatquot; is dit! Zooals ik hoop, zegt nu niemand: „Paul us, gij raast.quot;
Waarop liet bij het geheele gebedsleven aankomt, is ongetwijfeld dit, dat de zin van Christus hoe langer hoe meer ons hart ver-vuile. Dan, en dan alleen zullen wij leeren bidden gelijk het behoort. Dan zal de rechte blijdschap en wijsheid bij het gebed niet uitblijven. —■ Daarom moeten wij altijd allermeest bidden om zijnen Heiligen Geest; al het overige komt dan wel terecht. Is het met de bron in orde, welt die maar zuiver, helder en krachtig, dan zullen de beekjes, die do bron ontspringen, ook wel hun weg vinden.
V.
Ik moet werken de werken Desgenen die mij gezonden heeft, zoolang het dag is; de nacht komt wanneer niemand werken kan.
Joh. 9 : 4.
1. DE WERKLUST EN DE WERKKRACHT VAN JEZUS.
De groote toonkunstenaar Jozef Haydn bevond zich eens in gezelschap van voorname vakgenooten. Men sprak er over wat wel de uitgeputte werkkracht het spoedigst herstellen kon. De eene noemde dit, de andere dat. Haydn zweeg. Toen men echter bij hem er op aandrong, toch ook eens mede te deelen welk versterkend middel hij bij zijn veelvuldigen arbeid gebruikte, zeide hij: „Ik heb in mijne woning een kleine huiskapel; daar ga ik heen en bid, zoo menigmaal als ik mij vermoeid gevoel, en dit middel heeft bij mij zijn sterkende werking nog nooit gemist.quot; Al de aanwezigen moesten erkennen dat de werkzaamheden van Haydn bewezen dat zijne werkkracht de gvootste was. Hij daarentegen zeide ootmoedig: „Het is niet mijne, — het is Gods kracht.quot;
Wat de oude geliefde Haydn daar van het uitstekend middel bij hel werk zegt, konden wel duizenden der edelste en uitne-mendste geesten bevestigen. De kleine, hier verhaalde trek wijst op een voorname algemeene wet. En daarom alleen deelde ik
123
hem mede. Eten en bidden (zoo hoorden wij de practische Engelschen zeggen) zijn geen verlet van onze plichten en werkzaamheden. Zij zijn het tegenovergestelde. „De afval begint in de binnenkamer,quot; het opstaan begint evenzeer hiermede, dat wij de binnenkamer weer lief gaan krijgen; wij bedoelen het geraken tot levenslust en werkkracht.
Kortom, bidden en werken behooren bijeen. Het is dus geenszins zoo gesteld dat do Christen e e n e r z ij d s een biddend en anderzijds een werkend mensch is. Want bidden en werken staan niet tol elkander als een bron en een huis, dat hij de bron is opgetrokken, maar dat evengoed ergens anders staan kon. Neen, zij staan tot elkander als de bron en de beek, die er uit voortvloeit. Het inwendig gebedsleven bewaart ons voor alle verstrooiing, veruitwendiging, vervluchtiging en uitputting onder het werken. Anderzijds echter d r ij f t hettotwerken aan en is het de kracht in het werken. Hierop willen wij nu de aandacht vestigen.
Slaan wij allereerst het oog op het voorbeeldvanJezus, wiens woord: „Ik moet werken zoolang het dag is,quot; wij reeds gehoord hebben. Gelijk elk zijner woorden, zoo is ook dit een woord vol kracht en majesteit. Maar het krijgt nog een bijzonderen zin, zoo wij het verband nagaan, waarin het gesproken is.
Het is een treffend tooneel. Aan een van Jeruzalems poorten staat een bedelaar, die smeekend de hand uitsteekt, zoodra hij den stap van menschelijke voeten gewaar wordt. Het is een blindgeboren man. De apostelen — ongetwijfeld de beste en oprechtste zonen Israels, maar toch ook kinderen van hun tijd — vragen den Heiland: „Meester, wie heeft gezondigd, deze of zijne ouders, dat hij blindgeboren is?quot; Zij re dene er en koelbloedig over de ellende, die voor oogen is. (Ja dat redeneeren, dat navraag doen naar de mate der schuld bij den
154
ongelukkige, schrandere beschouwingen over het verband tus-schen het menschelijk lijden en de goddelijke gerechtigheid — dat voegt ons ook beter dan het medelijden en toeschieten om te helpen)!
En wat antwoordde de Heiland ? o, Hoe hemelhoog staat zijn woord weder boven het woord van de besten! Hij antwoordt: „Noch deze heeft gezondigd, noch zijne ouders, maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem (den blinde) zouden geopenbaard worden.quot; Met dit éene woord doet Hij een eeuwenoud vooroordeel teniet, een vooroordeel, dat den nacht der lijdenden schier tot een hel maakte. Nog meer, door dit eene woord veranderde Hij de duistere diepte der ellende in een voorhof des hemels. — „De ellende bestaat opdat de werken Gods aan de ellendigen openbaar zouden worden;quot; en voorts; „Ik ben het die gekomen is om de wereld te verlichten en de onzaligen tot de kennis en tot het bezit van de heerlijkheid Gods te brengenquot; (vers 5). En terstond is Hij gereed om aan den blinde, die bevend voor Hem staat, zijn woord tot daad te maken. „Ik moet werke n,quot; zegt Hij, en Hij begint te werken
„Ik moet werken,quot; — dat is een woord, hetwelk het geheelc leven van Jezus beheerscht. Wellicht herinnert iemand er mij nu aan dat ik hetzelfde zeide van het eerste ons beschreven woord van Jezus: „Ik moet zijn in de dingen mijns Vaders.quot; Nu, dat ben ik niet vergeten. Het zeggen van toen en het zeggen van nu zijn de twee kanten van dezelfde munt. Hij moet werken, omdat Hij zijn moet in de dingen zijns Vaders. Het „moetquot;, waarvan Hij spreekt is geen uitwendig, maar een inwendig „moetquot;, evenals iemand die liefheeft, dit do'en en dat laten moet, omdat hij liefheeft. Het werken van Jezus is de wil zijns Vaders, met wien éenswillend te zijn het doel zijns levens is. Daarom is het noodig „den tijd uit te koopen,quot; want weldra strekt zich de nacht des doods met zijn zwarte vleugelen
123
over Hem uit. De aanduidingen daarvan vermeerderen met elk uur, want de vijandschap tegen den Heiland trekt zich onder zijne oogen bijeen. Dat is dus voor Hem geenszins een reden om de armen slap te laten hangen, maar om des te ernstiger en ijveriger te werken.
„Ik moet werken de werken Desgenen, die Mij gezonden heeft,quot; zegt de Heiland. Waar Hij stond wist Hij door zijnen Vader geplaatst te zijn. En dat Hij daar diep van overtuigd was, — juist dat gaf Hem dien werklust, die bekwaamheid om altijd met zijn gansche hart bij de zaak te zijn, altijd opgewekt te blijven, alles op de volmaaktste wijze te doen en in weerwil van alle schijnbare mislukkingen nooit ontmoedigd te worden.
Zijn werk bestond daarin, om onder do moeilijkste omstandigheden, die men zich kan voorstellen, een volmaakt, Gode-gelijkvormig menschelijk leven te leiden en ten slotte deze zijne verheerlijkte menschheid als een heilig, Godegevallig zoenoffer voor de verloren wereld over te geven. Eenerzijds vertoont zich dus zijn levenstaak als een zich voortdurend overgeven aan zijnen Vader; anderzijds vertoont het zich als een dienen van de menschheid tot zijn laatsten ademtocht. Wij houden ons in dit hoofdstuk met het dienen bezig.
Van Jezus' eerste dertig levensjaren weten wij, gelijk bekend is, slechts weinig. Op veelbeteekenende wijze wordt tweemalen uitdrukkelijk vermeld, dat Jezus aan zijne ouders onderdanig geweest is e n dat Hij toegenomen is in leeftijd, wijsheid en genade bij God en de menschen. Wij zien hier een volkomen harmonische, onafgebrokene ontwikkeling. Hij is op eiken trap zooals Hij zijn moet — als kind, als knaap, als jongeling.
Nauwelijks opgegroeid, werd Hij de helper van zijn pleegvader en na diens vroegen dood de verzorger van liet gezin. Hij heet nu eens de zoon van den timmerman, dan eens de timmerman. Hij heeft er zijne eer in gezocht, de getrouwheid in het
kleine — die Hij later zoo nadrukkelijk aanbeveelt — in zijn persoon en in al zijn doen te betoonen. Deugdelijk, vertrouwbaar werk stipt af te leveren; niets te beloven wat Hij niet volbrengen kon; alles te verrichten wat Hij beloofd had: alles zoo volmaakt mogelijk te maken, — hetzij het een hut of een hark, een stal, een schutting, een ploeg was — was zijn toeleg. In het zweet zijns aangezichts heeft Hij zijn brood gegeten. Hij was een man met een door de zon gebruind gelaat en met eelt in de handen.
Dat moeten degenen onthouden, die zich hun eelt schamen of zich er over beklagen. Zij moeten weten dat het eelt van Jezus' dagen af geadeld isj als men het met eere draagt. Dat moeten niet minder die heeren bedenken; die op de harde handen van den werkman, — dat moeten die „jonge damesquot; bedenken, die op de dikke roode handen van de dienstbode met een voornamen glimlach nederzien.
Onder de „geringequot; werkzaamheden in Nazareth gevoelde Jezus zich evenzeer in zijn hemelsche roeping en in den dienst zijns Vaders als later, toen Hij predikend, leerend en wonderen doende optrad voor gansch Israel. Nu voorzeker kwam juist het m o e i 1 ij k s t e gedeelte van zijn leven. Degenen, die zich met bijzondere fierheid „werkliedenquot; noemen, meenen en zeggen vaak ten onrechte, dat dezulken, die alleen met hun hoofd en door het woord of met de pen werken, niet weten wat inspanning is. Zij zouden ook zeggen, dat Jezus van zijn dertigste jaar af niet meer gewerkt heeft.
Wie echter weet wat werken is ziet hier eene inspanning van alle geestelijke en zedelijke krachten, — eene inspanning, die zoo sterk is dat Jezus ze ook in betrekking tot zijn lichaam niet had kunnen uitstaan, indien Hij niet, zooals nooit een ander, uit de onzichtbare bron Gods geput had.
Zietdaar een man, die met het diepste medelijden met het
127
lijden van anderen vervuld is! Neen, dat is te weinig, — de waarheid is dat Hij „andererquot; lijden stap voor stap tot het zijne maakt, het op zich neemt. En terwijl Hij het op zich neemt, heeft Hij de macht om het te doen ophouden. Gelijk de magneet het ijzer tot zich trekt, zoo trekt Hij alle lijdenden tot zich. Het wemelt rondom Hem aanhoudend van bezetenen, van blinden, van lammen, van doofstommen enzoovoorts. Zietdaar een man, die geen schrede doet, zonder dat Hem de ernstigste, hartroerendste vragen worden voorgelegd ! En zoo dikwijls Hij antwoordt, is Hij zich bewust dat zijne woorden eene wereld in beweging brengen en eeuwige beteekenis hebben. Hoe moest dat de ziel aandoen! — Zietdaar een man, die overal van menschen omringd is, welke gevaarlijk voor Hem zijn. Sommigen plagen Hem door hun onverstand en dwaasheid; anderen weer — en onder dezen zijn ook dikwijls de getrouwe discipelen — trachten Hem op een vleeschelijken Messiasweg af te leiden; weer anderen, verslagen tegenstanders, spannen Hem met veel list overal strikken en zoeken Hem met zichzelf in tegenspraak te brengen.
Ik geef slechts een schets in enkele sprekende trekken. De ruimte veroorlooft mij niet, hier maar een enkele dagtaak van Jezus in haar gansche verpletterende zwaarte voor te stellen. Maar de lezers kunnen dat zelf doen. En als zij zich zoo in het werk van Jezus indenken, zoo zullen zij zich over dat werken aanbiddend verbazen. Ja, wij begrijpen hoe Hij dikwijls zich in de eenzaamheid moest terugtrekken om weer kracht te vergaderen; wij begrijpen hoe Hij, nauwelijks op het scheepje zijner discipelen gekomen, insluimert en in zulk een diepen slaap verzinkt, dat niet eens de loeiende stormen en de bruisende golven Hem kunnen doen ontwaken. Wij begrijpen hoe Hij in zulk een hooge geestdrift verkeeren kon dat zijne naaste verwanten de handen ineensloegen en uitriepen: ,Hij is uitzinnig!quot;
128
Ja, dat alles begrijpen wij. Wat wij echter niet begrijpen is dit, dat Hij in weerwil van bovenmenschelijke verlokkingen tot het tegendeel nooit de zachtmoedigheid, de liefde, het geduld verloochent. Niet begrijpen wij dat Hem nooit een werk te veel is, en dat Hij nooit, bij dag of nacht, weigert te helpen, hetzij het een inwendige of uitwendige hulp betrof, hetzij het een vriend of een vijand gold. Niet begrijpen wij dat Hij alles wat Hij doet tot in het geringste voltooit; dat Hij het kleine niet om het groote vergeet. Hij vergeet niet de overgeschoten stukken bijeen te laten zamelen nadat Hij toch duizenden verzadigd heeft; Hij vergeet niet Jaïrus aan te bevelen, zijne dochter, die zooeven door Hem uit den dood is opgewekt, te eten te geven.
Wat wij arme menschen niet begrijpen is dit, dat Jezus ondanks ook duizendmaal zijn werk vergeefs schijnt te zijn, nooit ontmoedigd wordt, ja dat alle schijnbare mislukking alleen tot een hoogere inspanning van alle zielskrachten ïeidt. Wat wij niet begrijpen is dit, dat zelfs de tergendste huichelarij Hem nooit tot drift vervoert. Altijd blijft Hij de mensch zooals Hij zijn moet, die het werk zijns Vaders volbrengt en die daarom werken moet zoolang het dag is en eer de nacht aanbreekt.
Slechts met weinige woorden wil ik hier er op wijzen, dat de werken van Jezus toenemen naarmate de dag des doods nadert. Terwijl bij de overige menschen het 1 ij d e n in den regel zooveel beteekent als het einde van alle werken, is het bij Jezus het hoogste werken. En niet alleen wegens de geneim-zinnige, oneindige waarde, die het offer zijns bloeds heeft; niet alleen wegens hetgeen Hij, de barmhartige Hoogepriester, in zijn persoon is, — maar ook wegens hetgeen Hij doet. Juist in zijn hoogste lijden viert zijne zorg voor de zielen zijn hoogsten triomf. Ik herinner hier alleen aan zijne houding ten
129
opzichte van zijne discipelen in de avondmaalszaal of op den weg over de Kidron; ik herinner er alleen aan, hoe Hij met de slapende discipelen in Gethsémané, ja hoe Hij zelfs tot Judas spreekt, hoe Hij den onzinnigen ijver van die discipelen, die er met het zwaard op inslaan, betoomt en voorts, terwijl Hij Mal-chus heelt, voor hen optreedt. Ik herinner aan den blik der genade, dien de verloochenende Petrus ontving. En nu zelfs deze zorg voor de zielen aan het kruis! Denk slechts aan de eerste drie „woordenquot; van den bloedenden Lijder, aan het gebed voor de kruisigers, aan den troost, dien Hij den moordenaar, aan den wenk, dien Hij aan zijne moeder en Johannes geeft.
Ja, tot op zijn laatsten ademtocht toe blijft het: „Ik moet werken.quot; Zijn geheele leven was een onophoudelijk even harmonisch als ingespannen werken. En wat ooit zijn aardsche werk was — ten allen lijde en overal erkende Hij daarin het goddelijk werk en de hemelsche roeping. — En nu wij!
2. ONS WERKEN NAAR CHRISTUS' VOORBEELD.
„Ik moet werken zoolang het dag is,quot; dat is ook de levensleus van Christus' volgelingen. Het is zoo, of hij is geen echte volgeling. En als iemand zegt: „Ik moet werkenquot;, dan wil dat allereerst zeggen: Ik moet werken en mag mijn tijd en mijne kracht niet verspillen. Niemand is in de wereld om zijn tijd met b e u z e 1 a r ij e n en nietigheden door te brengen , — niemand, hij zij man of vrouw. Niemand is in de wereld om de dingen der wereld slechts te beschouwen en te genieten. Niemand is er, om zich slechts te laten bedienen en alleen voor zich te leven; ieder moet ook voor anderen leven, anderen dienen. Tot dienen zijn wij allen geroepen! Allen moeten wij helpen dat de wereld in stand blijve, — neen, dat het beter worde in de wereld. Niemand heeft recht op uitspanning en
9
130
genot, wanneer die niet op voorafgaanden arbeid berusten. „Wie-niet arbeidt, dat hij ook niet etequot;, zegt de apostel. En: „zes dagen zult gij arbeiden,quot; (zes van de zeven) klinkt het van den eersten beginne uit Gods mond.
Het Christendom ontzegt dus den trage, den dagdief, het recht van beslaan. Het Evangelie heeft eiken eerlijken arbeid geadeld; het Evangelie heeft onverbiddelijk op allen ook nóg zoo schitterenden lediggang het schandmerk gedrukt.
Men zegt: „Dat is de nieuwe wereldbeschouwing, die het Christendom gebracht heeft.quot; Zeer juist; zij is geheel nieuw. Onder het oude en onder het hedendaagsche heidendom wordt de arbeid veracht. Maar het is, helaas, ook waar, dat er tot op den huidigen dag temidden van de Christelijke volken duizenden bij duizenden zijn, die alleen genieten, heerschen en leeg-loopen willen, zoodra zij, hetzij door een erfenis of door eigen verdiensten, genoegzame middelen hebben. Hun geef ik den raad; werpt uwe millioenen liever in de zee dan dat gij er u door laat verleiden tot nietsdoen. En wanneer de bezitters van een hoogen stand en groote voorrechten juist daardoor in verzoeking komen om „uit de hoogtequot; op hun medemenschen neer te zien, deden zij beter hun voorrechten en de rechten van hun stand met voeten te treden. Zij — ik bedoel die voorrechten — zijn dan het oog dat moet worden uitgetrokken. Uit die koude zelfzucht en norsclie hooghartigheid van de zoogenaamde hoogere klassen is onze vreeselijke maatschappelijke toestand ontstaan. En het maatschappelijk vraagstuk wordt alleen opgelost door een algemeenen terugkeer tot de gedachten van het Evangelie.
„Ik moet werkenquot; — dat gaat allen aan. Of gij met de-naainaald of met de pen, met de bijl of met het penseel, met den hamer of met den beitel, met de handen of met het hoofd te werken hebt, dat is bijzaak. Maar het blijft er bij: „Gij moet
131
werken.quot; Als huisvrouw, als dienstmeisje, als vorst, als dag-looner, als staatsambtenaar, als kerkelijk beambte, als wasch-vrouw, als opvoeder, als geneesheer, als landhuishoudkundige, als officier, — om het even, gij moet werken! Als gij echter recht werken wilt, moet gij de gaven en krachten, die God in u gelegd heeft, recht ontwikkelen en tot zijne eer aanwenden. Dat is wederom een ernstige zaak, waarbij ons geweten klopt.
Laat mij u een fabel mededeelen, die van Perzischen oorsprong is. Een man wandelde aan het strand der zee en vond daar een kistje met edelgesteenten. Onbekend met hun waarde, nam hij er het eene na het andere uit en wierp er meê naar de meeuwen, die nu en dan hier en daar over de zee zweefden. Slechts éen van de steenen nam hij meê naar huis. Toen hij het, als bij toeval, aan een juwelier liet zien, bood deze hem er een groote som gelds voor en legde hem de waarde van den steen uit. Hevig verschrikt sloeg de lichtzinnige zich thans voor het hoofd en riep onder heete tranen: ,o. Ongelukkige, die ik ben, hoe onzinnig heb ik gehandeld! Hoe rijk had ik kunnen zijn! Maar nu....!quot; Ja, maar nu was het te laat! Hij kon met al zijn tranen de diamanten niet meer uit de zee terugroepen.
Bespeurt gij waar de gelijkenis heen wil? Hoort gij nu niet duizenden menschen, mannen en vrouwen, in troostelooze smart klagen: „Wee ons, onzinnigen! Daar staan wij nu aan het einde van ons leven, en zie, het is verloren. Gaven en bekwaamheden heeft God ons geschonken, maar ach, in werkeloosheid, onmatigheid en wellust hebben wij ze verspild en verdorven! Wij hebben den roest op het ijzer laten komen; nu is het verteerd I Hoe rijk had ons leven kunnen worden, zoo wij trouw geweest waren!quot; — Zoo klagen zij. En inderdaad, hoe geheel anders zou het er in deze arme wereld uitzien, wanneer de menschen al hun van God ontvangen krachten besteden wilden.
132
Doch het is niet genoeg, dat de krachten ontwikkeld worden; het komt er op aan ze ten dienste van God en demen-schen te stellen. Anders is wederom alles verloren, dan namelijk wanneer wij ze alleen besteden in den dienst der zelfzucht. En in dit opzicht komen weer talloozen ten val. Een hooge vorstelijke stand is een gave Gods; men kan daardoor velen tot nut zijn: maar wee dengene, die er alleen partij van trekt om zichzelf te verheerlijken. Een schoone zangstem is een kostelijke gave Gods. Wel hem, die ze in heiligen eenvoud tot verheuging zijner medemenschen en ter eere Gods gebruikt. Maar hoevele van de gelukkige bezitters van dit talent of van eenige andere kunstgaven besteden ze alleen om lauweren te oogsten! —■ Gindsche man heeft een grooten handelsgeest; hij wint schatten op schatten; maar ach, hij wint ze alleen voor zich, terwijl hij er bonderden gelukkig meê kon maken! — Ik zie een ander, een man van uitnemende schoonheid en beminnelijkheid. Dat is ongetwijfeld een gave Gods. Maar hij gebruikt zijne „onweerstaanbaarheidquot; om zich op sluwe wijze alles onderdanig te maken; ja, meer dan éen ontroostbaar en verscheurd meisjeshart heeft hij op zijn geweten.
Ik kan lang zoo voortgaan. Maar ik moet dat voortgaan en voorbeelden bijbrengen — en wel in het belang der zelfkennis — overlaten aan degenen, wien hun leven dierbaar is. o. Dat toch geen van ons behoeve te verbleeken, wanneer het eens zijn zal: „Geef rekenschap van uw rentmeesterschap! Doe rekenschap van de toevertrouwde ponden! o, Laat ons de gaven opwekken en besteden, die in ons zijn, zoolang het dag is, eer de nacht komt, wanneer niemand werken kan!
Werken dus moet ieder met de hem toevertrouwde kracht. En werken moet ieder met vreugde op den post, waar God hem op gesteld heeft; met vreugde, zeg ik. Wij moeten
133
niet wangunstig staren op degenen, die meer talenten of een meer aangename plaats ontvangen hebben. De post, die u toevertrouwd is, moet voor u hoog en vereerend zijn, omdat de hand van den Almachtige en Alwijze, de hand van Hem, die uwe behoeften en uw waar geluk beter kent dan gijzelf, u daarop gesteld heeft.
In werkelijkheid zijn overal slechts diegenen gelukkig, die hun stand in de wereld uit dat oogpunt beschouwen. En zoo bestaan er gelukkigen en ongelukkigen, zoowel onder de hoogst-geplaatste staatsbeambten als onder de aardwerkers.
Het is waar, het verschil tusschen de aardsche standen is ontzaglijk groot. En oppervlakkig bezien biedt het leven den een duizendmaal meer dan den ander. Ik moet toegeven dat dit onverdraaglijk is voor degenen , die slechts een t ij d e 1 ij k leven kennen en willen kennen. Wie echter weet dat het tijde-lil'k beroep slechts een rok is, dien men voor een wijle draagt,— wie het weet dat de aardsche betrekkingen slechts de vergankelijke hulsels zijn, waar zich de eeuwigheidsmensch onder vormt, de mensch „die naar God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheidquot;, de mensch, die Gods heerlijkheid beërven zal, — wie dat weet, die is stil en tevreden onder zijn geringe hulsel en looft God in het geloof.
Derhalve, de grootte en de waarde van alle aardsche werk bestaat niet in hetgeen de wereld grootte en waarde noemt, maar zij bestaat daarin dat men weet in den dienst van den eeuwigen God te zijn. Wie daarvan doordrongen is heeft achting voor zijn eigen werk; hij heeft echter natuurlijk ook achting voor el k a n d e r w e r k. Allen, die alzoo gezind zijn, beschouwen zich als gelijkwaardige leden van hetzelfde lichaam en dienen, steunen en helpen elkander naar hun beste vermogen.
„Bij de gratie Gods koning van... zoo schrijven de Christelijke vorsten in hun staatsstukken. Dat is zeer juist — en wee
134
onzer, als het eens wordt: Bij de genade des volks.quot; In die uitdrukking „bij de genade Godsquot; ligt voor den vorst, zoo hij ze goed opvat, een groots kracht zoowel om hem te verootmoedigen als om hem te bemoedigen. Dat „door Gods genadequot; izegt hem allereerst dat het niet om zijn verdienste of zijn innerlijke waarde is dat hij zulk een hoogen rang bekleedt. Het zegt hem evenwel ook dat hij voor Gods aangezicht eenmaal rekenschap moet afleggen. Wij denken er dus niet aan om aan het woord te tornen.
Onlangs nu ontving ik een brief, die met deze woorden aanving : „Schrijver dezes is door Gods genade schoolon-derwijzer op een klein dorp aan den Wolga.quot; Hoe vinden mijn lezers dat? Zouden er eenigen onder zijn, die dat revolutionair of wel kinderachtig vinden ? Ik voor mij had den man wel om den hals kunnen vallen. Dat is juist het rechte standpunt! De vorst zoowel als de dorpsonderwijzer, de bisschop zoowel als de schoenlapper, — zij moeten er diep van doordrongen zijn dat zij door de genade van den almachtigen God zijn hetgeen zij zijn, — keukenmeid, koningin, geneesheer, postbode, moeder van zeven kinderen enz. Zoo zullen zij dan allen licht en zout voor de wereld zijn.
Het moet toegestemd worden dat het voor een volk van oneindig hoogere beteekenis is dat een vorst zijne positie recht opvat en inneemt, dan dat een bediende op zijne plaats hetzelfde doet; — toegestemd moet worden dat het voor een Christelijke gemeente, ja voor het geheele koninkrijk Gods op aarde van meer belang is dat de prediker zijn ambt goed vervult, dan dat. de orgeltrapper zijn betrekking alle eer aandoet. Maar voor den mensch op zichzelven, voor u, die nu dit leest, voor uw eeuwig geluk is er alles aan gelegen, dat gij getrouw bevonden wordt.
H ij zal te zijner tijd over het hoogste gezet, h ij zal met het
135
hoogste begiftigd en verblijd worden, die het getrouwste was. Zoo kan het dus gebeuren, dat de schoenlapper te zijner tijd hoog boven den verst en de arme naaister hoog boven de ■vergoodde eerste zangeies komt te staan.
WERKEN EN WORDEN.
Wij maken slechts de gevolgtrekking uit het zooeven gezegde, wanneer wij de stelling opperen, dat wij door het werken tot het worden komen. Elk is zooveel en niet meer, als hij voor God is. Wat de menschen van hem maken, of zij hem met lauweren omkransen dan wel met slijk werpen, is voor de wereld der eeuwigheid volkomen onverschillig. God ziet het hart aan; Hij ziet aan wat zich daar in dat hart boven al het aardsche drijven vormt, of zich daar een vat vormt, waarin Hij den rijkdom zijner genade en heerlijkheid kan uitstorten.
Hetgeen wij op de wereld medegebracht hebben, is dus-evenmin van blijvende beteekenis als hetgeen wij voor de wereld gelden. Ook de aard van het aardsche beroep maakt niets uit. De vraag is of wij op Gods school zijn en of wij hier, naar zijnen wil werkend, iets worden. Nu, worden wil zeker ieder wel iets. Niemand is tevreden met hetgeen hij heeft en hetgeen hij reeds is. En al is het nog zooveel — het is niet toereikend voor zijn geluk. Wat wij van onszelven zijn en hebben, dat alles houdt toch ook geen stand, maar laat ons vroeg of laat in den steek.
Wij moeten dus eerst worden, of alles is verloren. Onder het hulsel van den ouden mensch moet zich een nieuwe vormen, die het karakter der eeuwigheid draagt, omdat hij het eeuwige, goddelijke leven uit de volheid der genade van Ghristus ontvangen heeft. Zulk opnemen van Christus nu geschiedt niet door allerlei vreemdsoortige oefeningen en zuiver
136
geestelijke inspanningen. Neen, het geschiedt juist zoo, dat wij in het dagelijksche leven en werk God dienen en den mensch dienen door trouw en geduld en bovenal daardoor, dat wij er ons op toeleggen de deugden van Christus werkdadig te toonen.
Dat was Jezus' werk, dat Hij al de goddelijke gedachten des vredes tot haar recht liet komen in deze vredelooze en verscheurde wereld en wel zoodanig, dat Hij ze tot uiting-bracht in zijn persoon. Als een persoonlijke zegen doorwandelde Hij de wereld vol vloek en strijd, en overal dropen zijne voetstappen van leven. Wij toch zijn onreine, arme en zwakke schepselen. En toch, zoovelen van ons volgelingen van Christus zijn, die zullen ook in hunne mate een persoonlijke zegen zijn. Zij zullen ook allen er zich op toeleggen, in navolging en in den geest van Jezus het verlorene te zoeken en terug te brengen, waarover wij op een andere plaats meer uitvoerig spreken. Maar een door God geliefd en de menschen liefhebbende Christen is op zichzelven een krachtige prediking. Moge men een voornamen of een nederigen, een geestes- of een lichamelijken, een wereldlijken of een geestelijken arbeid hebben, — moge men over aanzienlijke middelen beschikken of arm zijn, moge men vader of moeder van een groot gezin zijn of wel eenzaam op een dakkamertje leven, — het voorbeeld van trouw en van heilige tevredenheid, het voorbeeld van liefde en geduld, van ootmoed en van blijmoedigheid kan men onder allerlei toestanden en omstandigheden des levens geven. En het is volstrekt onberekenbaar, hoe wijd en hoe hoog zulk een voorbeeld — al moge het ook dat van den nederigst geplaatsten man zijn — vaak uitwerkt; maar dat, hoeveel het uitwerkt, gaat hemzelven niet aan. Hij gaat stil zijns weegs als een gezegend en zegenend kind van God, zoolang het dag is. En voor den nacht is hij dan ook niet bang.
137
„De nacht kom tquot;, zegt de Heiland. Voor zijne oogen streek hij zwart en duister neer. Hij wist dat deze nacht der vijandschap tegen God aan zijn werk op aarde weldra een einde maken zou. Des te mear beijverde Hij zich den nog overigen tijd aan te wenden voor de wereld der eeuwigheid. — Ja, maar wanneer komt de nacht voor ons, voor u en voor mij? — Op dit w a n n e e r bestaat geen antwoord. Geen mensch op aarde kan het ons te kennen geven, en God in den hemel wil het ons niet openbaren. Goddelijk wijs is het echter, als gij niet bij tientallen jaren rekent, maar u voortdurend de woorden: „Wie weet hoe nabij mijn einde is!'' in de ooren laat klinken.
Een ouden, eigenaardigen onderwijzer werd door zijn leerling gevraagd wanneer het tijd was om zich te bekeeren. — De oude man antwoordde: „Bekeer u een dag vóór uw dood!quot; — Opgeruimd ging de jongeling heen; zijn eerste gedachte was dat hij dan nog ruimschoots den tijd had. Spoedig evenwel kwam hij tot bezinning, keerde terug en sprak tot zijn meester: „Maar nu weet ik toch nog niet wanneer ik sterven moet.quot; — „Juist daaromquot; — luidde het antwoord — „juist daarom moet gij u n u bekeeren.quot;
Nu, ik wil deze geschiedenis niet beoordeelen. Ik vind maar, dat de geheele vraag: „Wanneer moet ik mij bekeeren?quot; verkeerd gesteld is. Zij gaat van de door en door dwaze voorstelling uit, dat de bekeering een droeve zaak is, die men zoo lang mogelijk moet uitstellen. In werkelijkheid wil „zich bekeerenquot; niets anders zeggen dan levend worden, en wel niet slechts voor de toekomende, maar ook voor deze wereld, — een karakter worden, niet slechts voor deze, maar ook voor de toekomende wereld. Ons geslacht is zoo arm aan karakters, omdat de kinderen van onzen tijd het meerendeels verachten zich door den geest der eeuwigheid te laten doordringen en omzetten.
138
Wat nu ons werken in deze wereld betreft, zoo moeten wij nooit iets aan de toekomst overlaten. Wij moeten hetgeen gedaan behoort te worden, niet alleen zoo goed, maar ook zoo vaardig doen als het slechts mogelijk is. Of het ons dagelijksch beroep aangaat, of onze plaats in het huiselijk leven, den gezel-ligen kring of den arbeid in Gods koninkrijk in onze nabijheid of in de verte betreft, — altijd behooren wij ons werk te doen met de gedachte, dat wij er wellicht niet weer aankomen; allijd behooren wij zoo met de menschen om te gaan alsof wij hen op aarde nooit weer zouden zien.
Ja, weldra komt de nacht! Laat ons daarom werken! Niet in woelige gejaagdheid, niet in verstrooiende drukte, — neen, laat ons werken met de gerustheid van Jezus, met de zachtmoedigheid en kalmte van zijn geest, met zijne barmhartigheid bezield, met zijne hoop vervuld. Laat ons werken als dezulken, die door Hem geliefd zijn en nu niet anders kunnen dan weder-keerig liefhebben; als dezulken, die door Hem begenadigd zijn en zich nu als kinderen des vredes doen kennen op al hunne wegen, ais geredden, wier gansche gezindheid op redding uit is.
Dan moge de nacht komen, waarvan de Heiland spreekt. Hij zal dan voor ons geen nacht zijn, maar de deur tot den dag!, tot den eenigen dag, die dien naam verdient, — tot den eeuwigen, zaligen, zonnigen dag, dien God bereid heeft voor degenen, die Hem liefhebben. „Er blijft dan eene rust over; maak u op, vermoeid hart, en wordt verlicht!quot;
VI.
Hij zeide tot hen: ,Mijne spijze is, dat ik doe den wil Desgenen, die mij gezonden heeft, en zijn werk volbrenge.
Joh. 4 : 34.
1. JEZUS' ZALIGE ONDERWERPING AAN DEN WIL ZIJNS VADERS.
Een klein meisje sprak met hare moeder over den hemel en vroeg welke personen zij daar vermoedelijk weer zou aantreffen. Vader en moeder en broeders en zusters waren haar een van-zelfsheid. Zij achtte het ook zeker, dat allerlei andere personen, aan wie haar hart gehecht was, daarboven met haar samen moesten komen. Maar plotseling werd zij benauwd en vroeg met bevende stem: „Hoe zal het dan met tante gaan?quot; — Deze tante was vóór weinige weken gestorven. Zij was de schrik van het kind geweest. En met recht. Wel rekende deze tante zich onder de „geloovige Christenenquot;, ja zij maakte veel ophef van haar „besliste belijdenisquot;. Maar ach, zij had een zeer harden aard. Bij elke gelegenheid berispte zij het kind op scherpen toon, maakte op alles aanmerking, en wist geen einde aan haar onophoudelijk gebieden en verbieden te vinden. — Dat stond het kind nog levendig voor den geest. En toen nu hare moeder ondanks dat alles, meende, dat haar tante ook in den hemel zou
140
zijn, barstte het kind in tranen los en zeide snikkend: „Lieve moeder, dan wensch ik er niet in te komen.quot;
Dat is een kindergeschiedenis; en niet alleen een ware, maar ook een zeer ernstige. Hebt gij ook niet eens zulke menschen, ja niet ook reeds zulke „besliste Christenenquot; ontmoet, bij wie gij u juist zoo gevoeldet als dat kind? De hemel zou ophouden een hemel voor u te zijn, wanneer gij u dezen en genen aan uw zijde dacht. En is er onder de lezers niet menigeen, die eerlijkheidshalve erkennen moet, dat hij twistziek en vitterig of zoo ongeduldig en zelfzuchtig is, dat reeds hierbeneden de menschen bang voor hem zijn? En nu geheel in het reine licht des hemels!
Gij rekent misschien op het v a g e v u u r, dat u tusschen deze en gene wereld in, beminnelijk zal maken. Maar deze hoop zou toch zeer bedriegelijk blijken. Beminnelijk moeten wij in de school van Jezus worden. Daar is de gelegenheid. Elke hoop op een ander is op een zandgrond gebouwd. Evenals Gods liefde tot de menschen in Christus Jezus verschenen is, moet er ook bij zijne volgelingen een afschijnsel van te vinden zijn.
Wat echter is de eigenlijke kracht en bron geweest, waaruit deze bekoorlijke, hemelsche beminnelijkheid van Jezus, ondanks zijn nederigen en, gelijk men zegt, vernederenden staat, telkens weder vernieuwd werd? Ik geloof niet te dwalen, wanneer ik antwoord: „Dat geschieddealleendoordevoortdu-rende vr ij willige onderwerping van zijn wil aan den wil zijns Vaders.quot; Vestigen wij daarop thans ons oog.
Het is een even nederig als majestueus woord, dat wij zooeven den Heiland over „z ij n e s p ij z equot; hoorden zeggen. En het wordt nog treffender door het verband, waarin het gesproken is.
Vermoeid van de reis zit Jezus naast de van ouds vermaarde Jakobsbron tegenover de stad Sichem. Hij is niet aJeen vermoeid, Hij heeft ook honger en dorst. Om spijs voor den honge te koopen, zijn de discipelen naar de stad gegaan. Zij moeten
141
weldra terugkomen. Om den dorst te lesschen scheen zich echter reeds vroeger gelegenheid aan te bieden. Doch het scheen ook slechts zoo. Wel kwam er een Samaritaansche vrouw om water te putten. En Jezua is ook niet te hooghartig om haar een dronk te verzoeken. Maar de vrouw maakt Hem in dweepzieken volkshaat een smadelijk verwijt van zijn verzoek.
En de Heiland? Vrij van de minste ontstemming, werpt Hij terstond den gouden hengel der goddelijke liefde uit naar het verduisterde hart van de vrouw. Nu is de moede niet meer vermoeid, de hongerige niet meer hongerend, de dorstige niet meer dorstend. Met de hoogste inspanning zijner ziel is Hij nu alleen op dit éene bedacht, het verdoolde schaap uit de doornen te redden en thuis te brengen. En Hij brengt haar werkelijk thuis. En wie van beiden nu blijder was, de getrouwe Herder of het geredde schaap, dat zou moeielijk zijn uit te maken.
Onderwijl komen de discipelen terug en sporen Hem aan om te eten. Maar Jezus is daar nu niet meer toe instaat. Hij zegt: „Mijne spijs is dat Ik doe den wil Desgenen, die Mij gezonden heeft, en zijn werk volbreng.quot;
Wie een geestelijk oor heeft, die hoort in deze betuiging geen klaagtoon, dat Hij Gods wil volbrengen moet en niet zijn eigen wil volgen mag. Neen, die hoort hier den juichtoon van een ziel, die in haar element is, omdat zij den goddelijken wil, „te zoeken en zalig te maken wat verloren isquot; volbracht heeft. Dit is, zoo zegt de Heiland, de s p ij z e, waar Ik eigenlijk van leef. Elk ander genot kan daarmede bij mij niet in vergelijking komen.
Ik heb alleen deze éene plaats uit het Evangelie gekozen. Inderdaad vinden wij overal denzelfden toon: „Ik ben uit den hemel nedergedaald, niet opdat Ik mijnen wil zou doen, maar den wil Desgenen, die mij gezonden heeft.quot; Reeds het oude Psalmwoord kenteekent den Messias in deze woorden: „Ik heb lust, o mijn God, om uw welbehagen te doen, en uwe wet is in mijn hart.quot;
142
De wil zijns Vaders stond voor Jezus geloofsoog als de hoogste, onaantastbare majesteit, als het beginsel aller wijsheid en goedheid. Dit was niet een standpunt, dat Hij zich eerst met moeite veroveren moest. Neen, in overweldigende heerlijkheid stond deze wil Gods Hem voor oogen, en onvoorwaardelijk gaf Hij er zich met al de liefde zijner ziel aan over. Hij deed het ook dan, als deze wil Hem in duisternis en nood bracht. Evenals het roer het schip stuurt, zoo bestuurde de wil des Vaders alle gedachten en besluiten van Jezus. De inwendige zekerheid van met God in overeenstemming te zijn, was het hoogste geluk voor Hem, was voor Hem spijze, vreugde en vrede. Juist dit gaf Hem ook de wonderbare, nooit wankelende zekerheid in zijn werken onder de menschen.
En wanneer Hij nu om zich heen zag; wanneer Hij opmerkte hoe de menschenkinderen Gods wil overtraden; wanneer Hij zag hoe arm, hoe ongelukkig, hoe verward, hoe verscheurd zij daardoor waren, dan drong Hem dat zooveel te sterker om zich aan dezen wil van ganscher ziele aanbiddend over te geven. — Ik heb eens gelezen van de vrouw van een edelen Schotschen martelaar. Nadat hij ter dood gebracht was liet men zijn beschimpt en verminkt lijk aan de weduwe over. Deze nam hem in hare armen, streelde hem en sprak: „Altijd heb ik u liefgehad; maar nooit waart gij mij zoo schoon en beminnelijk als op dit oogenblik, daar alle menschen u vervloekt en vertrapt hebben.'quot; — Evenzoo werd den Heiland Gods majesteit slechts te majestueuser, doordien zij van alle menschen veracht werd.
Wij hooren nauwgezette zoons en dochters vaak zeggen: „Dit en dat was de wil van mijn stervenden vader. Ik moet hem onder alle omstandigheden eerbiedigen en uitvoeren,quot; Ik heb menschen gekend, die zelfs dwaze en afgrijselijke wilsbeschikkingen van een stervenden vader (bijvoorbeeld dat de zoon nooit in het huwelijk zou treden, dat de dochter in geene omstandig-
143
heden diacones zou worden) met bloedend hart getrouw vervulden. — Nu, hooger. heiliger dan voor de meest liefhebbende kinderen de wilsbepaling van een stervenden vader kan zijn, was voor Jezus steeds de wil zijns Gods. Immers wist Hij, dat deze wil niets anders ten doel had, dan de verlossing en de behoudenis der wereld. Immers aanschouwde Hij — terwijl Hij dezen wil uitvoerde — in den geest de miilioenen, ja de duizenden millioencn, die door zijne zelfopoffering uit den nacht des doods tot het eeuwige licht der zaligheid geraken zouden. Daarom beurde zich zijne ziel ook telkens weder uit alle afgrijzen en uit allen angst op tot het woord: „Zou ik den drinkbeker niet drinken?quot;
Ik zeide: „uit alle afgrijzen.quot; Deze opmerking kan alleen dengene bevreemden, die de menschelijke natuur niet kent, of die betwijfelt, dat Jezus gansch en al der menschelijke natuur deelachtig is geworden. Hij wilde met zijn ganschen wil den wil zijns Vaders; maar zijne menschelijke natuur deinsde vaak terug voor den weg, dien Gods hand Hem leidde. Als Hij er bijvoorbeeld over spreekt, dat het tarwegraan in de aarde vallen en sterven moet, hooren wij Hem uit de diepte zuchten: „Nu is mijne ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos mij uit deze ure?quot; Doch nauwelijks is Hem het woord over de lippen gekomen, of Hij laat er op volgen: „Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen! Vader, verheerlijk uwen naam!quot; Hij plooit dus terstond de wieken van zijn eigen wil voor den wil der goddelijke majesteit. Maar dat gaat niet zonder tranen. — En onder gebed, tranen en bloedzweet heeft Hij zich in Gethsémané tot volkomen overeenstemming met den wil van God moeten doordringen. Ja, het is een worstelen, een worstelen met zichzelven, een ontroerend worstelen. Hoe smeekend klinkt het: „Mijn Vader, indien het mogelijk is!quot; — Mijn Vader, indien het niet mogelijk is!quot; — „Mijn Vader, is het niet mogelijk?quot;
144
Maar terstond trekt Hij zijn wil in —: „Niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt!quot;
En nu, nu de Vader niet wil zooals Jezus wil, nu trekt er geen diepe droefheid over zijne ziel; Hem overkomt ook niet „liet doffe gevoel der gelatenheidquot;, zooals men gewoonlijk zegt. Neen, juist nu ervaart Hij een wonderbare blijdschap. Een afschijnsel van de goddelijke majesteit rust op Hem, die nu, de donkere schaduw der olijfboomen verlatend, gelijk de lichte maan uit de duistere wolken, zijn vijanden tegemoet gaat.
Ik ben zeer geneigd om aan te nemen dat er zulke oogen-blikken, waarin Jezus al strijdend tot overeenstemming met den goddelijken wil moest komen, v e 1 e geweest zijn, en dat de stille woestijn en de eenzame berghoogten, waar Hij nachtenlang in het gebed met God doorbracht, ook te dezen opzichte aangrijpende dingen konden vermelden, indien zij een mond kregen om te spreken. Mij schijnt het ook toe een slechte roem voor den Heiland te zijn, dat het Hem vooruit zoo licht zou gevallen zijn den wil zijns Vaders te volbrengen. Zijn zedelijke grootheid bestaat daarin dat Hij tegen vleesch en bloed in, altijd en overal Gode de eer geven. God in eere houden, zijns Vaders heiligen wil volbrengen wilde; want „uw wil is de beste al vat ik 't ook niet.quot;
Gelijk echter de zon nooit schooner glanst dan wanneer zij zich door den nevel heeft heengeworsteld, zoo was ook Jezus' vreugde het grootst, als Hij alle hindernissen overwonnen, als zijn wil zich in liefde en aanbidding in het goddelijk Vaderhart verdiept en verloren had. Op het „Eli, Eli, lama sabach-tani!quot; waarin een diepte van ellende besloten ligt, die geen menschelijk hart peilen kan, — op dit „Eliquot; volgde weldra het „Volbrachtquot;, dat wel verre van een klacht te zijn, veeleer alle gejuich van tijd en eeuwigheid in zich bevsi.
Het gevoel van overeenstemming met God schonk Hem alzoo
145
een onuitsprekelijke blijdschap. En deze overeenstemming was niet alleen de vreugde, maar ook de kracht zijns levens.
Uit deze volstrekte overeenstemming zijn bijvoorbeeld ook zijne wonderen te verklaren. Het kind, dat met den wil zijns vaders vereenigd is, kan ook over het eigendom zijns vaders beschikken als over zijn eigen. Zoo is het bidden van den Heiland altijd éen met de v e r h o o r i n g , en Jezus kon helpen gelijk God helpt, puttend uit de hemelsche bron. Aan het graf van Lazarus (Joh. 11) laat Hij ons in dit zalig geheim een blik slaan. Bij het ontbindende lijk gekomen — zoo verhaalt Johannes — hief Jezus de oogen opwaarts en zeide: „Vader! ik dank U dat Gij mij gehoord hebt.quot; („Gehoord hebt,quot; zegt Hij, ofschoon de doode zich nog niet bewoog. De bede, die Jezus in het hart droeg, stond voor zijn geloofsoog reeds als vervulling). En dan voegt Hij er karakteristiek bij, dat Hij weet dat God Hem a 11 ij d hoort en dat Hij alleen ter wille van het volk dat rondom stond, zijne bede ook in woorden heeft uitgedrukt.
Kortom, de nederige onderwerping aan den wil zijns Vaders leidt juist tot het zalig genot zijner gemeenschap, ja, tot het deelgenootschap der goddelijke wereldfegeering. Zoo kon de Heiland, wien het kruis en de doornenkroon wachtten, nochtans bidden : „Vader, Ik wil dat waar Ik hen, ook diegenen bij Mij zijn, die Gij mij gegeven hebt.quot; Dat schijnt wel niet willoos. Neen, goed begrepen i s het ook niet willoos. Maar het toont ons dat Jezus wil volkomen éen geworden is met den wil zijns Vaders. Wanneer dat nu eerst bij ons geschied zal zijn, dan zijn wij niet meer willoos, maar Gods wil is dan feitelijk onze wil geworden ; dat nu is de hoogste vrijheid, want kunnen en moeten, moeten en willen, willen en volbrengen, komen dan onderling overeen. Ach, hadt Gij ons reeds zoo ver, o Vader aller geesten! Maar tot daartoe is het nog een moeielijke weg.
10
146
2. VOLGELINGEN VAN JEZUS ZIJN ALLEEN ZIJ, DIE GODS WIL DOEN.
Een der schoonste Duitsche kerkliederen bevat het volgende gebed: „Gelijk uw wil, o heiige Jezus! zich immer boog voor 's Vaders wil, gehoorzaam tot de stervensure, maak zoo ook mij gehoorzaam, stil; laat hart en wil tot U zich neigen en Iaat mijn eigen wil gansch zwijgen!quot; — Welk Christen moet op deze woorden niet ja en amen zeggen? En toch komt de zaak ons moeielijk voor. Doch — moeielijk of niet, wij moeten die richting uit.
Met nadruk betuigt de Heiland telkens weder, dat alleen diegenen recht hebben zich zijne volgelingen te noemen, die den wil zijns Vaders in den hemel willen doen, bijvoorbeeld: „Wie den wil doet mijns Vaders, die in de hemelen is, die is mijn broeder, mijn zuster. Of: „Niet een iegelijk, die tot mij zegt: „Heere, Heere!quot; zal ingaan in het koninkrijk der hemelen, maar die den wil mijns Vaders doet.quot; En nogmaals: „Zoo iemand den wil Desgenen doen wil, die Mij gezonden heeft, d i e zal van deze leer bekennen of zij uit God is.quot; Uit den geest van Christus schrijft daarom ook de apostel Johannes: „De wereld gaat voorbij met al hare begeerlijkheid, maar wie den wil Gods doet blijft in eeuwigheid.quot; En zoo waarschuwen al de apostelen telkens weder dat wij wakend en biddend onderzoeken moeten „welke de heilige wil Gods zij,quot; en ons dan zonder tegenspreken onderwerpen.
Dat moest ons toch ook spoedig duidelijk zijn. Elke vader verwacht immers van zijne zonen, elke heer van zijne ondergeschikten, dat zij zijn wil doen. En toch! — Wij willen het niet ontkennen dat Gods wil dikwijls wonderlijker is dan de wil van den zonderlingsten vader, en dat God vaak afgrijselijker schijnt te zijn dan de wreedste gebieder.
147
De n a t u u r 1 ij k e mensch bekommert zich om Gods wil zoo goed als in 't geheel niet. Dat is ook niet te verwonderen. Zoolang de geest van Christus niet onze geest geworden is, kunnen wij de blijdschap, die Hij smaakte in het volbrengen van den wil zijns Vaders, niet eens begrijpen, laat staan er in deelen. Den natuurlijken mensch schijnt niets slaafscher en verschrikkelijker toe dan zijn wil naar Gods wil te voegen. Niets schijnt hem natuurlijker toe dan dat hij voor zich zeiven leve en zijne besluiten laat afhangen van zijn eigen gedachten en plannen, luimen, wenschen, begeerten en hartstochten.
Wij nemen dezen trek reeds bij kleine kinderen waar. Nog voordat zij kunnen spreken, weten zij reeds op volstrekt niet onverstaanbare wijze door bewegingen en gebaren, door afwering met de handen, door stampen met de voeten te kennen te geven, dat zij niet willen wat zij moeten. En zoodra zij de taal machtig zijn, bestaat in den regel het eerste gebruik dat zij daarvan maken, hierin, dat zij zeggen: „Neen!quot; of: „Ik wil niet!quot; Zij verlangen dat de wil hunner ouders, broeders en zusters zich voor hun wil buigen. (Helaas, helaas krijgen zij ook maar al te dikwijls wat zij verlangen).
Wat nu bij een kind in een vaak nog lachwekkenden vorm openbaar wordt, dat komt bij de volwassenen en ouden op steeds onaangenamer, ja op goddelooze wijze tevoorschijn. Ofschoon wij gedurig ondervinden moeten hoe kortzichtig wij zijn, hoe weinig wij weten wat wij willen en wat tot onzen vrede dient; — ofschoon wij telkens weder met onzen onfeilbaarheidswaan en onze eigenzinnigheid „in de klemquot; geraken; nochtans verheffen wij er ons steeds opnieuw op, dat het juist in dit geval ons geluk is als het naar onzen zin gaat. ,'s Menschen wil is zijn hemelquot;, zegt een oud spreekwoord. Het is zeker dat dit een onzinnige bewering is. Maar even zeker is het, dat van de tien menschen altijd negen daarbij zweren. De „Mohamedaan-
148
sche hemelquot; zit ons allen van nature in het hoofd, alleen maar dat wij hem reeds op aarde willen hebben (dus nog zinnelijker dan de Mohamedanen). En al moeten wij ook duizendmaal de dwaasheid van onze eigenzinnigheid erkennen, toch loopen wij telkens weer met het hoofd tegen den muur — natuurlijk tot'schade van ons arm hoofd.
Deze gezindheid krijgt nu wel is waar een d o o d e 1 ij k e n slag bij dengene, die werkelijk en oprecht dien Christus begint na te volgen en zich door zijnen Geest wil laten behéerschen. Ik neem eens aan, dat al mijne lezers tot deze orde behooren. 01' liever, daar dit een te gewaagde veronderstelling is, — ik spreek eens alleen tot degenen, die Christus volgen willen; (de overigen willen voorshands toch niet naar mij luisteren).
Bij hen is nu zonder twijfel dit een uitnemend kenmerk, dat zij er uit alle macht naar streven hun wil naar den wil des hemelschen Vaders te schikken en alzoo zichzelven te onderwerpen; of laat ons zeggen: hun wil met Gods wil in overeenstemming te brengen, evenals men (om een eenvoudig beeld te gebruiken) een slecht gaand uurwerk gestadig regelt naar een dat goed loopt. Ja, de volgers van Christus zijn in den diepsten grond van hun bestaan overtuigd, dat hun ware leven en hun eeuwig geluk alleen in deze overeenstemming gelegen is.
En toch,' en toch! hoe vreeselijk bitter is het ook voor hen vaak, de hand Gods te kussen en Hem voor al zijne leidingen te danken! Wat zeg ik: „te danken?quot; Ach, hoe moeielijk is het dikwijls, ook maar stil te zijn voor God en zijne hand stil vast t e h o u d e n. Juist daaraan, dat ons dat zoo zwaar valt, bemerken wij zoo duidelijk den strijd tusschen vleesch en geest, die er nog in ons is; bemerken wij zoo duidelijk ons gebrek aan geloof, dat, wanneer het dien naam verdient, inplaats van op de zienlijke dingen, op de onzienlijke en toekomende ziet.
149
Daar komt bijvoorbeeld de liefste dergenen, die gij op aarde hebt, zwaar ziek te liggen, o, Hoe gaat uw gansche hart nu uit in gebed. Zoo kondt gij voorheen nooit bidden. Wel bidt gij niet on voorwaar del ij k om genezing. Hoe zou een volgeling van Christus — men denke aan Gethsémané — zoo eigenzinnig en eigenwillig kunnen zijn! Neen, gij komt telkens weer neer op het: „Niet mijn wil, maar uw wil geschiede!quot; Maar in liet: „Indien het mogelijk is, zoo laat toch, o, laat toch den drinkbeker voorbijgaan!quot; smelten toch al uwe gedachten samen. En het komt u voor als de dood, zoo gij hem moest drinken, en de hand, die u tot staf en tot schild was, verstijft, en „'t liefste dat in liefde u eens bewaakte, ligt in 't graf.quot; — Nu moet het blijken of gij geloof hebt.
Of gij bespeurt aan uzelveu, mijnentwege aan een lichamelijk lijden of aan een gemoedslijden, dat u overmant, — hoe uw levenskracht en werklust wegslinken, hoe het met het werken ten einde loopt, hetzij ten doode of, wat wellicht nog zwaarder valt, tot een „machteloos, nietsbeduidend bestaan.quot; En gij wildet toch zoo gaarne nog werken en van nut zijn. Ach, hoe moeielijk is het dan tot berusting te komen in Gods wil.
Of gij hadt een levensdoel. Er werd voor u het uitzicht geopend op een uitgebreiden werkkring. Hier, ja hier, meendet gij eerst al uwe krachten in het werk te kunnen stellen. Ja, gij „wist zeer zekerquot;, dat dit juist was, wat u paste. En gij wildet alles ook alleen tot Gods eer doen, alle mogelijke lauweren aan zijne voeten leggen. En zie, reeds raaktet gij de bekoorlijke vrucht aan, — en eensklaps schoot, door een onzichtbare hand bewogen, de tak in de hoogte. Met tranen zaagt gij hem na. Ja, dat verwekte tranen! — of wel morren?
En hoe licht komen bij degenen die eenzaam en onopgemerkt hun weg bewandelen moeten en die toch ook weten wat zij waard zijn, — hoe licht komen bij hen (ook zoo
150
zij onder strijd, reeds vaak lot heilige willoosheid geraakt zijn) gedachten op als deze: „Waarom moet i k dan ook juist eenzaam en verlaten zijn? Waarom moet mijn trouwe liefde versmaad worden? Waarom mag ik dan niet ook, gelijk tallooze anderen het heerlijk genot van een rijk huiselijk leven genieten.quot; o, Zie dan toe, dat gij op geen dwaalspoor geraakt!
3. DROEVIGE EN VERTROOSTENDE GEDACHTEN.
Ja, zwaarmoedige, sombere gedachten komen dikwijls bij ons, arme menschenkinderen, op en doen zich op hartstochtelijke wijze gelden. Maar de oprechte. God zoekende ziel rust niet, voor en aleer zij tot de bron haars levens gekomen en aan het hart der eeuwige liefde gezonken is. Zij rust niet, voor dat zij zichzelve ten offer gebracht en in die zelfopoffering zich-zelve gevonden beeft. En bet is een oneindig geluk, dat dan deze ziel vervult, — een geluk, zoo weinig in het oogvallend en toch zoo innig en zoo zeker als geen aardsch geluk. Het is het geluk van den vrede, bet geluk van de eenheid met God, daar men nu weet: „Hoe het ook ga en waarheen het ook ga, er zullen op geen wijze meer smartelijke teleurstellingen zijn, het moet en bet zal ten slotte alles op leven, zegen en heerlijkheid uitloopen.quot;
De discipel van Christus, die na langen zwaren strijd, eindelijk, eindelijk in de kracht van den levenstoevoer uit het hart van den medelijdenden Heiland z ó o ver gekomen is, dat bij zeggen kan: „Mijne ziel is stil tot God,quot; — kan dan ook geloovig, vol vertrouwen vervolgen: „Van Hem is mijn h e ilquot; (Ps. G2). Hij weet dat het de hoogste waarheid is: „In stilheid en vertrouwen zal uwe sterkte zijn.quot; — Ja, hier is vrede, bier is de voorsmaak der zaligheid temidden van alle leed, en men
151
hoort daar de hemelsche klokken van de bergen der eeuwige hulp uit de verte luiden.
De tegenstelling ligt in allen gevalle voor de hand; of vanwaar komt alle onvrede? Vanwaar komt alle ellende in de wereld'? Vanwaar de duizendvoudige smart onder de menschen? Is het niet daarvandaan dat de eene wil zich tegen den anderen kant en verheft? Ongelukkige huwelijken, onbevredigende huwelijken — ach, hun aantal is legio! — zij komen daar vandaan, dat ieder van de echtelingen gedurig op zijn stuk en hoofd blijft staan, dat geen van hen toegeven en voor den ander wijken wil. Niet anders is bet tusschen ouders en kinderen of onder degenen, die eens zoo hartelijk bevriend waren en elkander nu geen woord meer gunnen. Niet anders is het onder vakgenoo-ten, ambtgenooten enz. Waar wij ook heen zien, merken wij geknakte verhoudingen op. En zoo wij de oorzaken grondig onderzoeken, is het in de meeste gevallen de weerspannige eigenwilligheid, de halsstarrige eigenzinnigheid, die niet wijken wil.
Is dat nu reeds zoo tusschen den eenen mensch en den anderen, — hoe verschrikkelijk moet het dan wel zijn, wanneer de mensch zich tegen zijn God verheft! Dat Adam zijn weg verkoos naar eigen goeddunken tegenover God; dat hij zijn eigen kompas volgde op wegen, die God verboden had, — dat stortte de geheele wereld in jammer en ellende. Kaïn nu, zijn eerstgeborene, werd een moordenaar, omdat hij zich door God niet wilde laten raden. Petrus werd, in weerwil van al zijn liefde tot Jezus, de man, die] Hem schandelijk verloochende, terwijl hij met drieste hand den slagboom opende, dien Jezus op zijn weg gesteld had. Judas eindelijk, werd de verrader van den Heilige des hemels, omdat hij rijk wilde worden, waar Jezus toch armoede van hem eischte.
Overal en altijd weder komt de wil des menschen in botsing
152
met Gods wil. En telkens weder moet de arme verdoolde mensch de waarheid ondervinden van het woord: „Wee hem, die met zijn Formeerder twist!quot; Ja, waarlijk, wanneer er reeds nameloos onheil door ontstaat, dat de eene mensch den anderen wederstreeft, hoeveel te erger is het dan, wanneer de mensch God weerstreeft. De eensgezindheid onder de menschen is alleen daardoor te hereiken, dat de eene den anderen ter wille is in alle redelijke zaken. Den eenigen weg nu, die tot vrede leidt, wanneer de menschelijke wil met den goddelijken in botsing komt, behoeven wij niet eerst te schetsen. Ernstig te vragen, of God voor den mensch, of dat de mensch voor zijnen God moet wijken, ware aireede Godslastering. Dus, de mensch moet zich gewonnen geven, of, indien hij dit halsstarrig weigert, dan moet hij door Gods toorn verpletterd worden.
Reeds het Oude Testament biedt ons treffende voorbeelden aan, dat en hoe dit in den weg des geloofs mogelijk is. ik herinner slechts aan de gestalten van een Noach, aan een Abraham, een Jozef, een Elias enz. Doch het eenig volmaakte voorbeeld is toch dat van den Heiland. En dat is meer dan een voorbeeld, o. Zalig hij, die in zijne voetstappen treedt; zalig, die zich aan Hem vastklemt! — die zal ook krachtig ondervinden, dat er van Hem ook lichtkrachten uitgaan, die ons bereidwillig en sterk maken om onzen wil aan Gods voeten te leggen. Die ondervindt dan ook in deze school, dat juist dit de hoogste vrijheid en vreugde is, en bij glimlacht om degenen, die dat voor slavernij houden. Hij is de vrede en het geluk desgenen, die met het eeuwige ideaal m overeenstemming is.
Daarentegen is er volstrekt geen troost en gee i licht voor hem, die tegen zijnen God ingaat. Alle glans der uitwendige omstandigheden, alle voorspoed in aardsche werkzaamheden, alle bijval van menschen kunnen de ziel niet troosten, die voor-
153
heen de zaligheid van Gods nabijheid heeft gesmaakt en nu met God oneenig geworden is. Ach, dan schijnt de zon duister te zijn geworden, het gezang der nachtegalen klinkt als wangeluid, dan — ja, dat was het wat Judas, terwijl hij nog den kus zijns Meesters op de lippen voelde, den strop in de hand gaf.
Verstaat gij, mijn vriend, wat ik zeg? Ach, menigeen wischt zich nu een traan van het oog en zucht: „Daar kan ik droeve geschiedenissen van verhalen.quot; En anderen verkeeren juist nu nog in dezen toestand, o. Die bezweer ik: „Keert weder, keert weder, gij die zijt afgedwaald! Breekt met uzelven en breekt met den trotschen waan uws harten. Verbreekt de ketenen, die u tegen Gods wil in aan bepaalde begeerten en hartstochten binden. En werp u dan op genade en ongenade aan het hart des Vaders. Zoo alleen komt gij weder in het ware element uws levens. Zoo alleen komt gij tot ware overeenstemming met uzelven, wanneer gij in overeenstemming met God komt.
Ja, dat is een zalig bewustzijn, wanneer de oprechte ziel eens-willend met den grooten God in den hemel is, alles aan Hem overlaten en Hem in alles danken kan. Dan verdwijnt elk gevoel van ledigheid, elk gevoel van onzekerheid, elke vrees voor toekomstige teleurstellingen. Ja, juist hier krijgt men dan, in den rechten zin van het woord, achting voor zich zeiven.
Ons leven kan ons vaak zoo onbeduidend, zoo inhoudloos voorkomen, onbeduidend tot walgens toe. En waarlijk, enkel op de wereld gezien, is het ook werkelijk onbeduidend, onbeduidend tot walgens toe. Maar dat, naar de wereld gesproken, inhoudlooze leven komt tot een eeuwige beteekenis, doordat het met den eeuwigen en almachtigen God vereend is. Dan steekt er „iets achterquot;, — zooals men pleegt te zeggen, maar in een anderen zin, dan men het in de wereld bedoelt. Er is dan een uitzicht zonder einde, een rijkdom, die bronnen heeft, welke niet uitdrogen.
154
Ziedaar dezen armen tapijtwever of tentenmaker uit Tarsen. Hij is ter oorzake van liet Evangelie van het éene land naar het andere verjaagd cn zit nu in kerker en ketenen, en de eenige weg, die hem in deze wereld nog openstaat, loopt op het moordschavot uit. „Hoe beklagenswaard!quot; hoor ik roepen. Beklagenswaard? Hoort, wat de gebonden man nu zijn schrijver voorzegt: „(Wij zijn) als stervenden, en ziet, wij leven; als droevig zijnde, doch altijd blijde; als arm, doch velen rijk makende; als niets hebbende, doch alles bezittende.quot; Duizenden echter, die „hunnen God verlatenquot; hebben, — al moge uiterlijk alles „voor den windquot; gaan, al mogen de tijdelijke omstandigheden nog zoo rooskleurig zijn, ja, al mogen volken zich voor hen buigen, — zouden, eerlijkheidshalve aldus moeten spreken: „Als levenden zijn wij, en ziet, wij sterven; als gezonden, doch doodziek; wij genieten alles en hebben van alles een walg; wij zijn vrij, ja wij heerschen, eu zijn toch ellendige slaven; wij bezitten alles, en verheugen ons in volstrekt niets.quot;
Er valt nu eenmaal niets tegen te zeggen, — alle heerlijkheid des menschen is ijdel, totdat de mensch weer met zijn God vereenigd is. Dan eerst begint datgene, wat groot verdient te heeten. Bij Paulus begon het op het oogenblik, toen zijn ge-heele oprechte ziel in de vraag lag: „Heere! wat wilt Gij dat ik doen zal?quot; En bij ons is het niet anders. Zijn wij ook arme, gebrekkelijke schepselen, met welke de eeuwige God oneindig geduld moet hebben, — dan mogen toch ook wij niet rusten, alvorens wij, met den Heiland, zeggen kunnen: „Mijne spijze is, dat ik doe den wil mijns Gods en zijn werk volbreng.quot;
Zoo laat ons dan met elkander een verbond sluiten, dat wij eiken morgen, dien God ons hierbeneden nog laat aanbreken, den worstelstrijd tegen den draak der eigenwilligheid opnieuw aanvaarden en eenvoudig in den heiligen, zaligen wil Gods opgaan willen. En 's avonds willen wij ons nooit aan den slaap
155
overgeven, alvorens wij eerlijk, onpartijdig en getrouw onderzocht hebben, of het de wil van God of onze eigen wil was, die ons dien dag bestuurd heeft.
Ik besluit met eenige verzen van een lied, dat ik eens, na een tijd van vreeselijken strijd, neerschreef. Daarin is alles samengevat, wat wij op deze laatste bladzijde besproken hebben :
Hoe zalig is 't, als onze wil Zich voegen kan naar 's Heeren wil,
Als 't trotsche hart aan Jezus' hart Zich vastklemt kinderlijk en stil;
Als 't alle lusten heeft verloren En slechts dit éene lied verkoren:
„Al wacht mij. Heer, ook smart en kruis Voer mij toch naar uw heerlijk huis!quot;
Wel kost het duizend bitt're tranen Voordat het harte God leert zwijgen.
Voor wenschen , hopen en verlangen In Jezus' Geest vervulling krijgen;
Voor men zijn Izak naar 't altaar.
Zijn Rachel stom leidt naar de haar.
Slechts sterft met droefenis en nood De zondige natuur den dood.
Toch is het zalig, als ons willen Alleen naar 's Heeren wil zich richt En 'thart, de morgenster verbeidend,
Voor 's Heeren wenk ootmoedig zwicht.
Want boven alle leed van 't leven Reikt Gods triomfboog, hoog verheven;
Hij spreekt; „Mijn kind, wees stil, is niet Een eeuw'ge Sabbat in 't verschiet!quot;
Uit 't heiligdom hoor 'k klanken ruischen,
't Zijn feestlijke avondklokketonen,
Het hooglied van de zaalge koren Zij, die in 't land der tranen wonen.
156
Hallelujah! prijs te ieder uur,
Hem, die ons voert door zee en vuur, Hem, die door droefheids duistren nacht Ons heeft tot heerlijkheid gebracht.
Ruischt, golven in de zee der smarten. Die uwen weg neemt naar Gods hart, o. Voert mij meê, al streefde ik tegen, Al vlied ik sidderend, vol smart!
Neemt, ondanks kruis en doornenkroon; Mij mede naar mijns Heilands troon! o, Jezus, Gij alleen, die 't zijt,
En die het blijft in eeuwigheid.
HIJ IS VERZOCHT GELIJK ALS WIJ.
Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. In hetgeen Hij zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij degenen, die verzocht worden, te hulp komen.
Hehreën 4 : 15 en 2 : 18.
1. DE STRIJD VAN JEZUS TEGEN DE ZONDE.
Terwijl ik dit schrijf, is onze goede Hansestad Bremen hoogst opgewekt. Duizenden fakkels zijn aangestoken, al wat muziek heet weerklinkt, tallooze menschen zien en luisteren toe. Eén naam is in hun aller hart, éen naam op aller lippen. En zooals hier is het overal op Duitschen bodem.
En welke is de naam, wie is de man, van wien ik spreek'? Het is de groote veldmaarschalk G r a a f v o n M o 11 k e, die viert heden ') zijn negentigsten verjaardag. Onze jonge keizer heeft dezen grijsaard vereerd, zooals nog wel nooit een vorst een zijner onderdanen vereerd en verheven heeft. En nauwelijks is er in geheel Europa een mensch, die zeggen zal: ,Dat is te veel eer!quot; Integendeel getuigt ieder: „Hij is het waard, dat men ze hem bewijst.quot;
') Deze regelen werden den 26 October 1890 geschreven. In den avond van den 24 April 1891 ontsliep de door gansch Duitschlaud geëerde Hellmut von Moltke.
158
Alleen h ij zelf was van een ander gevoelen, en juist daarom is hij die eer waard. Hij zelf heeft zich altijd aan eerbetoon onttrokken en alle pluimstrijkerij vond hij steeds afschuwelijk. Zichzelven niets achten en Gode alle eer geven, dat was altijd zijne gewoonte. En dat is zijne grootheid voor God en voor alle dieper ziende menschen.
Ware hij alleen een groot veldheer gelijk Napoleon I, ware hij een man, die koelbloedig tienduizenden ter slachtbank had gevoerd om eere voor zich en zijn volk te behalen, dan zou ik hier geen gewag van hem maken, al had hij ook tienmaal meer ten goede van Duitschland uitgewerkt. Maar waarlijk, deze grootste veldheer en krijgsheld der Duitsche natie is tevens de grootste v ij and van den oorlog. , Ook een gelukkige oorlog is een vreeselijk ongelukquot;, heeft hij menigmaal gezegd.
Waarlijk, wij Duitschers moeten er niet hoogmoedig op zijn, dat deze man ons toebehoort. Wij moeten in diepen ootmoed God danken, dat Hij hem ons gegeven heeft.
Niet altijd behoorde hij ons toe. Hij was eerst een Deensch officier. Hoe nu, indien de twee-en-twintigjarige man, die in Denemarken weinig kans had om vooruit te komen, — hoe, indien hij, inplaats van in Pruisischen, in Oostenrijkschen dienst getreden ware? De geheele wereldgeschiedenis zou wel een andere richting genomen hebben, zoo hij in 1866 het aan Duitschland vijandige leger had aangevoerd, of wanneer hij in 1870 niet Duitschlands man ware geweest.
Nu echter heeft God aan Duitschland dezen man geschonken , dezen man, in wien alles vereenigd was, wat een groot man maakt en wat een man groot maakt. Een genie, een wonderbaar talent, en tegelijk een man van zeldzame vlijt; een man op het hoogst getrouw aan zijn plicht, en daarbij de gunstigste omstandigheden, die om zoo te spreken, op hem wachtten. En daarbij vorsten en ministers, die zijne beteekenis erken-
159
den en zonder benijding waardeerden. Daarom heeft men wel gezegd, dat hij een gelukskind geweest is, zooals er nauwelijks een in eeuwen geboren wordt.
Hijzelf échter beschouwde het steeds als het grootste geluk zijns levens een Heiland te bezitten. Ik zeg het met blijdschap : deze teedere, reine,. ingetogene, edele held, die niet alleen aan de Duitschers, maar aan de menschheid toebehoorde, was een deelnemend, levend Christen, die van zijn geloof geen geheim maakte en die zich ook niet schaamde in den arbeid der bin-nenlandsche zending gaarne mede te werken. Zijn eenige troost in leven en sterven was niet de „onverwelkelijkequot; lauwerkrans, dien hij met zijn zegepralend zwaard behaald heeft; — neen, zijn roem, zijn troost, zijn hoop in leven en in sterven, bestond daarin, dat hij naar lichaam en ziel het eigendom zijns getrouwen Heilands Jezus Christus was, die voor hem zonde, dood en hel overwonnen heeft. Deze Held, die zegevierde, terwijl Hij z ij n bloed vergoot, — Hij is het, voor wien d i e man zich boog, over wien heden de wereld spreekt. De negentigjarige grijsaard wist, dat al zijn strijden slechts kinderspel was in vergelijking met den strijd, dien Jezus streed.
Zoo leid ik dan nu den lezer voor het beeld van den lijdenden Jezus. Zijn strijd tegen den duivel en de zonde zal ons nu bezighouden.
A. kan men wel in ernst en waarheid over een strijd van jezus tegen de zonde spreken?
Antwoord: neen, zoo diegenen gelijk hebben, die zeggen, dat elke verzoeking der zonde op Jezus' heilige ziel van meet af aan is afgestuit als een rieten pijl op een „diamanten muurquot;'. Neen, nogmaals neen, zoo Jezus van zijn geboorte af ver-
160
vuld was van een voltooide heiligheid, die dus noch wassen noch verstoord worden kon.
Inderdaad, er zijn vele geachte Christenen, die, in de meening van den Heiland te eeren, zijn lichte hemelsche gestalte zoo schitterend kleuren, dat er van eene verzoeking tot zonde geen sprake kan zijn. Derhalve ook van geen strijd. Zij kunnen zich Jezus wel voorstellen als den zegenende, den liefhebbende, den genezende, den lijdende, — niet echter als dengene, die — gelijk Luther ergens schrijft — moeite had, den satan van zich af te houden. Met wezenlijken schrik zeide nog gisteren een godvreezend man tot mij: „Wat zou er toch van de wereld geworden zijn, zoo Jezus gezondigd had?quot; Neen, neen, deze mogelijkheid wil ik niet toegeven!
Nu, ik deel in dien schrik van dien geliefden Christen. Goddank, behoeven wij er ons niet in te verdiepen, wat er van de wereld geworden ware, zoo Jezus niet iu het geloof had volhard. Mijnerzijds evenwel schrik ik niet minder voor deze gedachte, dat het rijk van den booze in het geheel geen ontmoetings- en aanrakingspunt bij Jezus zou hebben kunnen vinden. Ware dat zoo, dan zou Jezus' verzoeking door den duivel (Lukas 4 : 1—12) een tooneelvertooning zijn. Is het echter niet onwaardig, te veronderstellen, dat God ons in de heilige Evangeliën een tooneel-spel voor oogen gesteld heeft? En wat moeten wij dan zeggen aangaande zulke woorden, die te allen tijde den hoogsten troost van alle geestelijke strijders uitmaakten; — ik bedoel woorden als deze; „Hij is in alles verzocht geworden gelijk als wijquot; en: „Waarin Hij verzocht is, kan Hij degenen, die verzocht worden, te hulp komen!quot;
Dit staat vast: Wanneer Jezus alle verzoekingen van den satan en de zonde, om zoo te spreken, vanzelf afschudde, dan zouden diegenen misschien gelijk kunnen hebben, die in Hem een wezenlijken God en een schijnbaar mensch zien. Hoe men er
161
dan echter nog van spreken wil dat Christus ons voorbeeld is, en dat wij — gelijk de apostel zegt — zijne voetstappen moeten volgen, dat moge een ander begrijpen. Ik zal het nooit vatten. Mij komt toch een of ander zondig mensch, die echter oprecht tegen het kwade strijdt, meer geschikt voor om ons tot voorbeeld te dienen dan zulk een ongenaakbaren Christus.
Is nu de Heiland op dit gebied ons voorbeeld niet, dan is Hij het in het geheel niet. Om den strijd tegen de zonde heeft zich te allen tijde het geheele leven dergenen, die God vreesden bewogen. Hier liggen de grootste bezwaren, hier de grootste verootmoedigingen en smarten onzes levens. Hoe zal ik denken, hoe zal ik gelooven kunnen, dat Jezus met mij medegevoelen kan, als de barmhartige, medelijdende Hoogepriester (Hebr. 4 : 15), zoo Hij altijd op zulk een onbereikbare hoogte van heiligheid stond, dat Hij slechts glimlachend en zegevierend op de branding der hel nederzag?
Voorzeker, zijn natuur was rein en al zijne genegenheden gingen — gelijk wij vroeger zagen — naar God uit. Het was voor Hem n a t u u r 1 ij k te gelooven, lief te hebben, te hopen. Deze lichtgestalte van Jezus temidden van de zondige mensch-heid is ongetwijfeld een wonderbare schepping van den eeuwigen God. Zij is wonderbaarder dan het gansche heelal met al zijne heerlijkheid. En 't is onwaarschijnlijk, dat wij ooit dit wonder Gods in Jezus volkomen begrijpen zullen. Hier is het niet begrijpen, maar aanbidden! En als er over zijne verzoekbaarheid tot zonde en over zijn strijd tegen de zonde gesproken zal worden — is de hoogste, heiligste teederheid en voorzichtigheid noodig. Laat men het voorkomen, alsof Jezus ook vatbaar was om te zondigen, dan overkomt het ons zondigen menschen zoo licht, dat wij, ofschoon tegen onzen wil, iets zondigs in zijn reine natuur stellen. Anderzijds is het gansche menschel ij ke beeld in Jezus vernietigd, wanneer wij de beteekenis der verzoekbaarheid
162
en mitsdien de noodzakelijkheid van den heiligen strijd ontkennen.
Het blijft er dus bij: Hoewel de akker zijner ziel volkomen zuiver van onkruid was, was Hij toch ook vatbaar het zaad des onkruids op te nemen. Hoe de satan zich beijverde, slecht zaad op dezen akker te zaaien, en hoe Jezus hem terstond vernietigd heeft, zullen wij in de eerste plaats zien. En voorts, hoe sterk Hij ook bestreden werd door eigen vleesch en bloed, waarvoor ik reeds vooruit — teneinde alle misverstand te voorkomen — den strijd in Gethsémané noem. Doch genoeg, wat algemeene beschouwingen betreft. Gaan wij thans over tot elk in het bijzonder en hoeren wij allereerst wat ons de Schrift verhaalt aangaande
B. DE VERZOEKING VAN JEZUS DOOR DEN DUIVEL.
De Evangelisten verbalen ons dat Jezus door den Geest in de woestijn geleid werd, opdat Hij van den duivel verzocht wierd. De satan is de groote geest in het rijk der boosheid, ja het levende, alles bewegende middelpunt van dit rijk. Een enkele groote gedachte is het, die hem bezielt en waaraan hij nooit ontrouw wordt; het is deze: de werken Gods op aarde te verderven. Zoo had hij indertijd het menschdom in de ellende van den inwendigen en den uitwendigen dood gestort. Niets ligt meer voor de hand dan dat hij nu zijn ,rusting van gruwel en bedrogquot; tegen Hem richt, die gekomen was om het verlorene te zoeken en hem, den satan, den kop te vermorselen en hem zijn buit te ontnemen.
De verzoeking nu, waar de Schrift het eerst melding van maakt, geschiede naar aanleiding van Jezus' doop. Inderdaad, geen tijd kon den verzoeker geschikter voorkomen. En wel, niet ondanks, maar omdat Jezus daarbij de stem vernomen had,
163
die het volkomen welgevallen des Vaders in zijn tot nu toe voortge-zetten strijd en loop uitsprak; niet ondanks, maar omdat Hij hielden Heiligen Geest .ot het vervullen van zijn Messiaansche roeping en dus ook tot het verrichten van wonderen ontvangen had.
De tijd, wanneer God een mensch in bijzondere mate zegent en begenadigt, brengt altijd het gevaar met zich, dat de alzoo verhoogde zich boven zichzelven verheft en de om hem heen geldende wetten terzijde zet. Op hel. zuiver werèldlijk terrein bezwijkt de mensch bijna voor dit gevaar. Toen bijvoorbeeld Napoleon I zoo hoog steeg, dat hij in Frankrijk alle macht in handen had, ontzag hij zich niet, zijne gemalin Josephina te verstooten, teneinde een Oostenrijksche keizerlijke prinses te trouwen. En hoe in den tijd der Hervorming de nieuw verworven vrijheid door duizenden ten dienste des vleesches gesteld werd, is wel bekend. In bijna eiken roman voorts kan men het lezen, dat een mensch van genie niet aan de algemeene maatschappelijke bepalingen gebonden is, dat voor kunstenaars de gewone zedeleer niet verbindend is, en dat aan de schoonheid alles geoorloofd en reeds vooraf alles vergeven is.
Wij zien echter ook, dat op het terrein van het koninkrijk Gods, hoogbegenadigde geesten juist de hoogte waar zij op geplaatst waren, niet verdragen konden. De vroeger zoo nederige Saul werd bedwelmd, toen God hem al zijne vijanden in zijne hand gegeven had. Daar hij de aangebeden koning van zijn volk was, hield hij op zijnen God in ootmoed te aanbidden. En zelfs koning David kon, door zijne van God ontvangen macht bedwelmd, een echtbreker en moordenaar worden. En hij zou in de duisternis verzonken zijn, zoo hij niet met oprecht berouw den terugweg tot God had ingeslagen. Petrus heeft het ook niet kunnen verdragen dat Jezus hem de rots noemde, maar zich meer dan eens ernstige misgrepen veroorloofd. En Luther, dit uitverkoren werktuig Gods op Duitschen bodem
164
— hoe vaak heeft hij in zijn strijd het vleesch laten heerschen; hoe dicht is hij er dikwijls bij, de door God hem geschonken geestesmacht te misbruiken! Ja, een ieder, wien God iets groots toevertrouwde, gelukken liet of zal laten gelukken, moet er vreezend en bevend voor waken, dat hij in zulke tijden niet in overmoed zijn eigen weg ga, niet de goddelijke gaven tot zijn eigen eer gebruike en dus misbruike.
Nemen wij nu de menschlieid van Jezus waarlijk ernstig op, dan was juist die tijd van bijzondere zegen en verhooging ook een tijd van bijzonder gevaar. En de Vader wendt dit gevaar niet af. Integendeel, Hij is het, die Jezus er in leidt. Juist nu moet het lil ij ken of Hij ook onder alle omstandigheden, datgene is wat Hij zijn wil en moet. — Zoo begrijpen wij in het algemeen de verzoekingen in de woestijn.
Natuurlijk moe'.en zij, wanneer zij althans dien naam verdienen zullen, zeer tee der van aard zijn; zij moeten onschuldig schijnen. Reeds voor een man van eer en edelen aard is het volstrekt geen verzoeking, zoo men hem op ruwe wijze tot een lage daad verleiden wil.
En hoeveel te meer bij Jezus! Satan ware een slecht meester in zijne kunst geweest, indien hij onverholen Jezus had willen overhalen om Gods geboden te overtreden, of zooals Judas, ter wille van aardsch gewin, eene laagheid te begaan, of, gelijk Petrus, zich lafhartig tegenover de menschen te gedragen om een of ander leed te ontgaan. Zulke pijlen waren voorzeker dadelijk op 's Heilands goddelijke rusting afgestuit.
Maar zoo onhandig gaat satan ook niet tewerk. Zijne voorstellen schijnen zeer onschuldig. Hij zegt tot den Heiland, die na een veertigdaagsch vasten door honger gekweld werd; „Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dat deze steenen brcoden wordenquot; (Matth. 4). Wat is onschuldiger dan dat een hongerige zijn honger stilt? — Wat is duidelijker dan dat de Zoon Gods
165
steenen in brood veranderen en alzoo datgene voort kan brengen wat den honger stilt? Hoe lag toen voor Jezus het besluit voor de hand: ,Waarom zou ik niet mogen wat ik toch kan? Waarom zou ik niet te mijnen gunste doen — zij liet ook slechts deze enkele maal — wat ik kan, terwijl ik er toch niemand schade meê doe?quot; Inderdaad, de verzoeking was zoo zwaar, omdat zij zoo moeielijk te doorzien was, ja omdat zij zelfs geene verzoeking scheen te zijn. „Is liet ook dat God gezegd heeft?quot; fluisterde de satan den eersten mensch toe. .Is het ook dat God U dit gebruikmaken van uwe macht verboden heeft?quot; fluisterde hij Jezus toe. Ach, wij allen weten er droeve geschiedenissen van te verhalen, hoe het ons verging als wij er eerst over gingen redeneeren of dit en dat — wat ons gevoelen veroordeelde — toch wel werkelijk zonde was.
Hoe zegeviert nu de Heiland? Eenig en alleen hierdoor, dat Hij zich op Gods Woord en wil beroept en zijn wil daarmede vereenigt. Hij laat zich in geen redetwist uit over hetgeen Hij als Gods Zoon kan of niet kan of welke gevolgen zijn doen voor anderen hebben zal. Neen, Hij zoekt het middelpunt; het hart, den wil zijns Vaders. Niet daarop — zoo zegt Jezus tot den verzoeker — komt het aan, den honger te stillen, maar Gods wil te doen, wat er dan ook uit voort moge komen. Het ware leven der ziel bestaat niet in het eten van brood voor het lichaam, maar in de ongestoorde gemeenschap met God, de bron van alle leven.
Het Woord en de wil van God nu zijn voor Jezus niet verborgen. De vraag, tot welk doel de Vader Hem de wondermacht verleend heeft, is voor Jezus geen vraag. Klaar en duidelijk staat voor zijn geest de goddelijke opdracht, dat Hij de wondermacht ontvangen heeft om den naam zijns Vaders op aarde te verheerlijken en tot niets anders.
Jezus zou dus — wanneer Hij aan de stem van den verzoeker
166
gehoor had verleend — reeds bij den aanvang van zijn Veiios-sersweg den Verlossersweg verlaten hebben. Doordien Hij zich echter geheel en al met Gods wil vereenigt en elke andere overweging laat varen, behaalt Hij de glansrijkste overwinning.
Niet anders gaat het bij de tweede verzoeking toe. De satan wil Hem weder tot misbruikmaking van zijne macht bewegen, terwijl hij Hem aanspoort, zich zwevend, in verhevene, Gode-waardige majesteit van de tinne des tempels neder te laten dalen. De verzoeking was slechts daardoor veel zwaarder, omdat hier het gevolg van het wonder veel grootscher zou geweest zijn. Daar ging het slechts om stilling van een zinnelijke behoefte; hier daarentegen zou „de groote heilige uitslagquot; worden verkregen, dat het verbaasde Israel Jezus als zijn Messias erkende en aannam. Juist daarnaar strekte Jezus zich immers uit en moest Hij zich uitstrekken. Wel is waar, dit „aannemenquot; was dan wel meest iets uitwendigs. Maar hoevele kerkvorsten, die zich naar den naam van Christus noemden, hebben gedacht, dat wanneer men de menschen maar eerst onder zijn invloed en het bereik zijner macht had, het inwendige wel vanzelf zou volgen. Satan verzuimt ook niet zijn aansporing door de Schrift te ondersteunen. Hij herinnert Jezus aan een heerlijk woord der belofte, dat over de bescherming van de engelen Gods spreekt.
Ja, dat was een sluw opgezet spel des duivels. Het ziet er zoo onschuldig uit. Maar in werkelijkheid loopt het er echter op uit dat de betrekking tusschen heer en dienstknecht zou worden omgekeerd. De dienstknecht op aarde moet den Heer in den hemel dwingen hem zóo te dienen gelijk als hij, de dienstknecht, het goedvindt. Dat ware dan een uitdaging, een verzoeken van God geweest. Daarom tast Jezus terstond door, als Hij zich wederom op Gods Woord en wil beroept; „Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken.quot;
De kracht zijner zegepraal bestaat dus ook nu daarin, dat Hij
167
zich vereenigt met den wil Gods, die Hem den langzamen weg van arbeid, van strijd, van vernedering, van ootmoed had aangewezen. Hij verklaart, dat Hij dezen met doornen bedekten weg wil bewandelen, wat Hem daar ooit op ontmoeten moge. Deze wil van God — zegt Hij — is mijne spijze; deze wil is mijn lieil en het heil der wereld. En elke afwijking van den weg Gods is onheil, al moge zij eerst ook al een wereld vol rozengeur verschaffen.
Zwaarder is misschien nog de verzoeking, wanneer zijn geliefde Petrus Hem op vertrouwelijken toon waarschuwt, niet den weg van het kruis te bewandelen. (Matth. 16 : 22). Jezus had over zijn aanstaand lijden gesproken; Petrus echter had geantwoord: „Heere, wees U genadig!quot; Do stem van den waren vriend, die ons van de gedachten Gods wil afkeeren, is in allen gevalle de gevaarlijkste stem. Het oude spreekwoord: „God beware mij voor mijne vrienden; voor mijne v ij a n d e n zal ik zelf mij bewarenquot; — heeft een diepen zin. Op dit gebied hebben wij allen misschien wel bittere ondervindingen opgedaan. Petrus' vermaning aan Jezus was des te gevaarlijker, vooreerst omdat men in het woord van een vriend altijd het meeste vertrouwen stelt; ten tweede omdat die vermaning Hem de ontzettende zekerheid gaf, dat dit zijn grootste offer door zijn trouwste volgelingen niet begrepen zou worden.
Doch Jezus, geheel berustend in den wil zijns Vaders, herkent in de stem van den trouwhartigen Petrus nochtans onmiddellijk den geest van denzelfden satanas, die Hem had willen bewegen, zich van de tinne des tempels neer te laten dalen en een eigen weg in te slaan. „Ga achter Mij, satanas!quot; luidt daarom het ernstige, ja bijna scherpe antwoord. Ook hier behaalt de Heiland de overwinning weer, doordien Hij zijn wil aan den wil Gods ondergeschikt maakt, hoewel Hij, naar zijn menschelijke natuur voor dezen wil van God huivert.
168
En of Jezus niet ook zware verzoekingen beleefde, wanneer -zijn innig geliefd volk Hem uitbundigen bijval betoonde? o, Er ligt iets onbeschrijfelijks bedwelmends in de hartstochtelijke toejuichingen van een opgetogen menigte! Hoe licht komt men bij zulke gelegenheden er toe, nu ook zijnerzijds de denkbeelden van zulk een menigte een weinig te bewierooken. Hoe lag het bij Jezus voor de hand zich een weinig te schikken en het volk een en ander in te willigen, al ware het slechts geweest dat Hij in vurige, heftige taal den ondergang van de heerschappij der Homeinen geprofeteerd had. Maar neen, iets dergelijks heeft Hij nooit gedaan. Integendeel, als het volk Hem op het schild wilde heffen, dan ontvlood Hij het. Meent gij echter dal Hem dit ontvlieden zoo licht gevallen is? Meent gij niet dat zulk een vlucht ook een vlucht voor zichzelven was ? Mij dunkt de grootheid eener Godegewijde ziel bestaat niet daarin, dat het haar altijd licht valt, bij Gods wil te volharden, maar daarin dat zij zich aan dien wil vastklemt, niettegenstaande hij voor haar als een dood is.
Wij konden deze voorbeelden gemakkelijk vermeerderen. Doch zij kunnen volstaan om aan te toonen welke zware verzoekingen er van buiten af tot den Heiland kwamen en hoe Hij ze alleen overwinnen kon, doordien Hij zich in allen deele met blijdschap aan Gods wil onderwierp, — met een blijdschap, die den diepen klaagtoon en ontelbare tranen niet uitsluit.
Doch niet alleen van buiten af, maar — wij durven het nauwelijks uitspreken —
C. OOK VAN BINNEN UIT, DOOR ZIJN EIGEN VLEESCH EN BLOED, IS DE HEILAND VERZOCHT GEWORDEN.
Geen zondige neigingen waren het, die in zijn reine ziel opkwamen. Hoe zouden er onreine neigingen uit een reine ziel
169
kunnen ontstaan? Maar wij allen weten hoe gedachten en gewaarwordingen, die op zichzelf natuurlijk, rechtmatig zijn, zondig worden kunnen (en ach, zoo vaak worden) wanneer wij er op eenzijdige wijze aan toegeven. Wanneer wij bijvoorbeeld tegen een aanstaand lijden huiveren, of wanneer wij afkeer en afschuw gevoelen van de huichelachtige gedragingen van deze en gene menschen in onze omgeving — dan is het eene en het andere volkomen rechtmatig. Wanneer wij echter bij de huivering b 1 ij v e n staan, dan wordt het weldra tot weigering of zelfs tot morren tegen God. De op zichzelf heilige toorn tegen de laagheden der menschen echter, gaat — wanneer wij hem niet in het juiste spoor houden — licht in farizeïsme of menschenhaat over. Er zijn wel zeer schoone waarheden, die uitgedrukt worden in de spreekwijzen: „Men moet zich over de zonde verbazen, maar niet opwinden; men moet medelijden met den zondaar hebben, maar men mag niet boos op hem worden.quot; Zeer schoon gezegd! Maar wij weten wat er gewoonlijk van deze wijsheid wordt, als het in ons binnenste kookt.
Zelfs de Heiland heeft in zulke gevallen alleen daardoor de overwinning behaald, dat Hij „gebeden en tranen ofïerde voor God.quot; De strijd, dien Hij in Gethsémané streed, wordt ons op het uitvoerigst beschreven. Maar deze is slechts éen van de vele geweest.
Wat wij in Gethsémané zien is dit, dat het Hem onmogelijk scheen datgene te doen en datgene te lijden wat toch Gods raad besloten had. Elke druppel bloed die in Hem is, zegt tot Hem: „Gij kunt dat niet.quot; Wanneer Hij driemaal den Vader met de smeekbede bestormt, zoo mogelijk den drinkbeker voorbij te laten gaan, — wanneer Hij onder bloedzweet en tranen met God worstelt, — dan komt dat voort uit zijn diepe overtuiging dat Hij niet kan wat Hij toch moet. Als echter de zwijgende God Hem door dit zijn zwijgen betuigt, dat de dingen
170
hun voorbestemden weg moeten gaan, dan staat zijn wil vast tegenover zijn hart, dan geeft Hij vleesch en bloed over in deu dood: „Kom ik om, dan kom ik om. Nochtans, Heere, blijf ik steeds bij U. Niet mijn wil, maar uw wil geschiede!quot;
Ontzetting grijpt ons aan, wanneer wij denken dat Jezus aan zijn gebed een andere richting gegeven had; — dat Hij zich over wreedheid aan Gods zijde te beklagen had; — of dat Hij, als zooveel groote heiligen, gezegd had: „Zend wien Gij zenden wilt;quot; of dat Hij geklaagd had: „Alles, alles wil Ik, o Vader! wat Gij wilt; alleen niet dezen weg, waarop Ik door Uzelven verlaten word!quot; Maar zoo spreekt Hij niet. Doch wij doen den Heiland slechts oneer aan, zoo wij meenen dat de overwinning Hem terstond als een rijpe vrucht in den schoot gevallen is.
Wat echter nu verder Jezus hart en gemoed het d;epst ontroeren moest, was de ongeschiktheid en boosheid der rnenschen om Hem heen. Wie aan de zielen der menschen arbeiden moet, weet welk een neerslachtigheid het veroorzaakt, wanneer men door de vreeze overvallen wordt, dat alle werk tevergeefs is. Deze vrees is op zichzelve iets zuiver natuurlijks. Zij wordt echter tot een zondige moedeloosheid, zoo men haar plaats geeft in de levende ziel.
Nu bid ik u, welke verzoekingen moest den Heiland de ongeschiktheid der twaalf discipelen bereiden, die Hij toch zelf als de besten en verstandigsten had uitverkoren. Er is in de letterkunde van alle volken niets zoo aangrijpend eerlijks en daarom ook diep roerends, als de beschrijving, die de Evangelisten van hun eigen ongeschiktheid tegenover hun grooten Meester geven. Nü hebben zij Hem in het geheel niet begrepen, dan, als zij meenen Hem begrepen te hebben, hebben zij Hem verkeerd begrepen; eindelijk, als zij Hem wezenlijk begrepen hebben, was het gevolg dat zij Hem tegenstonden.
o, Hoe zwaar moet dat den Heiland gevallen hebben! Moest
171
niet menigmaal het ongeduld Hem overmeesteren? Moest moedeloosheid Hem niet bekruipen, ala de meest verlichten toonden nog zoo verduisterd te zijn? — Wat er te dien opzichte in zijne ziel omging, wordt ons zelden verhaald. Hij heeft dat meest inwendig doorworsteld. Eéns evenwel voor vele malen heeft Mattheus ons een eigenaardigen klaagtoon opgeteekend, die er over zijne lippen kwam, toen de discipelen weer loonden hoe weinig z ij in zoo langen tijd geleerd hadden. ,o, Ongeloovig en verkeerd geslacht,quot; roept Hij in Mattheus 17 uit, „hoe lang zal Ik nog met ulieden zijn? Hoe lang zal Ik u nog verdragen?quot; Het is alsof verontwaardiging en ongeduld den groo-ten Meester willen overmeesteren. Nog éen schrede verder en Hij had kunnen zeggen: „Gaat heen. Ik geef het met u op! Onmogelijk is het dat zulke verwarde schepselen ooit naar het zuivere beeld Gods vernieuwd worden.quot; Ja, dat ware slechts nog een kleine schrede geweest. Maar deze éene kleine schrede doet Jezus niet. Had Hij ze gedaan, dan ware zijn werk verloren geweest. Een moedeloos mensch is in elk terrein een verslagen man.
Wat evenwel den Heiland deed overwinnen, was dit, dat Hij zijn ontroerde ziel ten hemel hief en sprak: „o. Vader! het is uw wil dat geen van hen verloren ga.quot; Ook Jezus hoopte waar niets te hopen was. Hij triomfeerde over eiken prikkel tot ongeduld, doordien Hij zijne ziel in de heilige diepte der goddelijke raadsbesluiten dompelde.
In allen gevalle echter waren toch de twaalven — met uit-, zondering van éen. Judas Iskarioth — trouwe zielen. Waren zij ook al zwak, zedelijk zwak en zwak in verstand, toch wist de Heiland dat zij Hem met oprechte liefde aanhingen. In zulk een geval kunnen de gebreken onzer medemenschen wel een groot en drukkend bezwaar voor ons zijn, maar zij kunnen ons niet vertoornen.
172
Geheel anders staat het met de zaak, wanneer een man, die het weet dat hij zich geheel en al voor de menschen opoffert, als antwoord daarop, overal en altijd uitgezochte boosheid ontmoet. Op slechts vier soorten van boosheid, die den Heiland overal belaagde, wil ik hier opmerkzaam maken, namelijk: ondankbaarheid, laster, huichelarij, bespotting. Dat zijn vier monsters van gruwelijken aard. Eén daarvan is reeds voldoende om zelfs den beminnelijksten mensch in toorn te ontsteken. Alle vier nu hebben tegen den Heiland gewoed als nooit tegen éenig mensch. En hoe heeft Hij gestreden? Hoe heeft Hij gezegevierd ?
W ij meenen in den regel volle recht te hebben, wanneer wij een mensch, die onze weldaden met snooden ondank beloont, aan zijn lot overlaten. Wij trekken ons hart van hem af. Maar verbittering maakt zich licht van ons meester, wanneer menschen ons belasteren, wanneer zij onze woorden verdraaien of kortweg slechte geruchten aangaande ons in omloop brengen. Het schijnt ons toe dat ten opzichte van zulke nietswaardige booswichten alle overweging ophoudt en elk middel geoorloofd is. Het schijnt ons uitgemaakt, dat zelfs vergiftige wapenen niet te verachten zijn, zoo bij den laster de huichelarij komt, wanneer onze vijanden hun boosheid in een schoo -nen mantel hullen. Wat ons echter het meest in het harnas jaagt, dat is de spot. Inderdaad, de spotter is er op uit ons belachelijk, ons voor de menschen onmogelijk te maken, onze zedelijke persoonlijkheid te vernietigen. Mogen wij daar dan ook onzerzijds geen verdelgingsoorlog voeren ?
Zien wij nu op Jezus! Elk kind, dat de Evangeliën kent, weet hoe afgrijselijk die monsters op den Heiland aangevallen zijn. „Het was een meesterlijk plan van den hellevorstquot; om bij den Heiland de driften te ontvlammen. Hoe ondankbaar waren de meeste menschen tegen Hem, die het land doorging goed-
173
doende, en enkel goed deed zijn leven lang! Ach, wij zien dat de door Hem genezenen vaak met slaanden trom tot het leger zijner vijanden overgingen. Van lasteraars ten slotte is Jezus op al zijne wegen omringd. Den Zone Gods stellen zij als een Godslasteraar voor; Hij, die de werken des duivels verbreekt, zou dat doen door Beëlzebul, den overste der duivelen; Hij zou een sabbatschender, een tempelverwoester, Hij zou een muiter, een oproermaker, een opruier zijn.
Dat was op zichzelf verbitterend genoeg. Maar sarrender en tergender werd de laster toch nog hierdoor, dat zij met h u i-chelarij gepaard ging. Terwijl de vijanden van Jezus met enkel haat en nijd bezield zijn, geven zij zich het voorkomen alsof zij voor Gods eere ijveren. En nogmaals, zij zoeken Hem ten val te brengen, zoeken Hem met de Mozaïsche wet of met de wereldlijke overheid in botsing te brengen, terwijl zij schijnbaar op nederige wijze onderricht bij Hem zoeken.
En nu nog de spot. o, Hoe heeft juist toen de spot zijn hart verscheurd, toen Hij het zwaarste leed, toen Hij leed voor de menscben. En de menschen voor wie Hij leed, bespotten Hem, omdat Hij leed. Herodes, de misdadiger onder de vorstenkroon, zendt Hem tot Pilatus in een blinkend kleed om Hom als een dwaas ten toon te stellen. De dienaars van Kajafas slaan Hem, dien zij overdekt hebben, in het aangezicht en tarten Hem dan om te verklaren wie van hen Hem geslagen heeft. De krijgsknechten stellen Hem tot een bespotting door een purperen mantel en een doornenkroon.
Dat alles echter is nog kinderspel bij den duivelschen spot, waardoor de overpriesters en schriftgeleerden het hart van den Heiland verscheuren: „Indien Gij de Zoon van God zijt, kom dan af van het kruis!quot; „Anderen heeft Hij verlost, zichzelven kan Hij niet verlossen!quot; Hoe tergend was het, dat juist zijn heilige zelfopoffering voor de zonde der wereld, die zelfopofïe-
174
ring, waaronder Hem het hart brak, ja waarbij Hij in de donkere diepten der verlatenheid van God verzonk, — dat juist dat het voorwerp van den afschuwelijksten spot werd.
Wat nu Jezus bij dat alles gevoeld en doorstreden heeft, kan geen mond uitspreken. Of meent gij, geachte lezer, dat het Hem niet zoo bange geworden is? Meent gij niet, dat zulke bestrij-dingen — zoowel als de strijd in Gethsémané — Hem het angstzweet uitgeperst en de hoogste zedelijke inspanning zijner ziel gevorderd hebben? Waarlijk, wanneer Hij ten opzichte van zulke aanvallen geen storm in zijn binnenste te stillen had gehad, dan ware Hij geen mensch geweest. Ik hóud zelfs staande dat er nooit zulk een teedere, gevoelige ziel geweest is als deze, nooit een ziel die elke soort van liefdeloosheid en boosheid zoo diep, zoo pijnlijk gevoelde als Hij.
Wij hooren zelden dat Jezus de diepste smart zijner ziel geuit heeft. Iedere man, die het er op toelegt zich te beheerschen, vermijdt de woorden, zoo lang hij zich opgewonden gevoelt. En ook Jezus is verzocht geworden g e 1 ij k als w ij. Maar het kwam nooit tot zond e. Hoe droevig echter klinkt zijn klacht, als van tien genezen melaatschen er slechts éen terugkeert: „Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen?quot; Hoe smartelijk klinkt zijn weeklacht over zijn ondankbaar volk: „Jeruzalem! Jeruzalem! hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijeen vergaderen, gelijk eene hen hare kiekens onder de vleugelen, maar gij..... hebt niet gewild!quot; — Over de huichelarij en
den laster werd zijn heilige ziel op het diepst ontroerd. In een enkele rede kan Hij drie en twintig keeren wee roepen over de huichelaars. Hij roept hun de verpletterende woorden toe: „Gij zijt uit den vader den duivel en wilt de begeerten uws vaders doen.quot; Eenmaal lezen wij: „Als Hij hen (namelijk de huichelende lasteraars) met toorn rondom aangezien had.quot;
Ja, zijne ziel kon in haar diepsten grond bewogen worden.
175
Dan was zijn spreken als het rollen van den donder en de bliksemende toorn flikkerde uit zijne oogen. Dat alles nu is op zichzelf geenszins zondig. Maar wel gaat licht, ja ontzettend licht, de toorn tegen de zonde in haat tegen den zondaar over. Hoe zwaar moest het ook Jezus vallen, 's menschen boosheid te verafschuwen en toch tevens medelijden met hem te hebben, omdat hij een slaaf der zonde was. Hoe zwaar moest het Jezus vallen aan de redding van zulke geesten niet te wanhopen, die, zooals wij zagen, door de hel waren aangestoken. Wij wagen het niet een schets van Jezus' inwendigen strijd te ontwerpen. Dat deze bestaan heeft is zeker. Dat ook bij Hem (zoo Hij niet heldhaftig had gestreden) toorn en verontwaardiging tot haat en afkeer, ja tot verachting van den mensch had kunnen leiden, — dat ook Hij tot wraakzucht had moeten komen, wanneer Hij zich niet gestadig aan den wil zijns Vaders aansloot, wanneer Hij zijne ziel niet gestadig van Gods gedachten des vredes doordrongen had — houd ik voor gewis.
Hij is in alle dingen verzocht gelijk als wij, doch zonder zonde. Geen woord is Hem ontgaan waardoor het heilig beeld der liefde bezoedeld zou zijn. Wij weten alleen dat zijne woorden (zoodra Hij zich weer in woorden uit) de volle zegepraal der liefde over den haat, der barmhartigheid over de gerechtigheid, der zachtmoedigheid over de strengheid openbaren. „Vader! vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen!quot; In dit gebed van den gepijnigden Heiland juicht de zegevierende zon zijner heilige liefde over al het onrecht, dat Hem aangedaan is.
Zoo heeft de Heiland tegen de zonde gestreden; zoo heeft Hij de zonde ten opzichte van zijn inwendig bestaan beheerscht. „Zie, de Leeuw uit Juda's stam heeft overwonnen!quot; En doordien Hij overwonnen heeft, is Hij het Hoofd eener nieu\ve
176
menschlieid geworden, die van zijn verzoenende, zegenende, genezende, heiligende kraclil doordrongen wordt. Hier nu is de onbeweeglijke rots, waartegen de golven der helsche macht krachteloos breken. Wie op deze rots staat, die is verlost.
Maar wie staat nu daarop? Zonder twijfel de geloovige. En geloovig, in den waren zin des woords, is al 1 e e n degene, die gelijk Jezus, naar zijn voorbeeld en door de uitvloeiende kracht van zijnen Heiligen Geest, den strijd tegen de zonde wil voeren.
2. DES CHRISTENS STRIJD TEGEN DE ZONDE.
Er is een lied van een eeuw oud, dat aldus aanvangt:
Help overwinnen, Gij Vorst van het leven,
Jezus! — de duisternis dringt op ons aan!
Zie hoe zij, niet tevergeefs, hare scharen,
Machten der hel, oproept om ons te schaan, enz.
Evenals in deze eerste regels, klinken de krijgsklaroenen en het trompetgeschal van den strijd door al de zestien verzen van het heilige lied. Elk woord spreekt van den heeten, zwaren strijd, dien de ware volger van Christus te voeren heeft en elk vers begint met de smeekbede: „Help overwinnen, o Jezus!quot; Uit het gewoel van den strijd gaat telkens weer de angstkreet op: „Help overwinnen, o Jezus!quot;
Het bedoelde lied nu is uit de ervaring van alle ware kinderen Gods gezongen. Dat het er op aankomt te strijden met alle kracht die in ons is, — dat onze strijd alleen door de innigste verbintenis met Jezus tot zegepraal wordt, — het eene zoowel als het andere getuigt ons de geheele Schrift Gods. Derhalve;
A. ER MOET GESTREDEN WORDEN.
Een onzer geestelijke dichters zingt: „Genade zelf voert te aller tijd den zwaren strijd.quot; Dat is een dierbare waarheid voor
177
lien, die „uit de waarheid zijn.quot; Maar het zou een heilloos misbruiken van de genade zijn, wanneer men de zaak zóo wilde •opvatten, alsof de Christen zijne handen in den schoot leggen en ■er maar op wachten moest totdat het leven Gods ons, om zoo te •zeggen overweldigt en ons — hetzij in deze, hetzij in de toekomende wereld — als het ware door een onweerstaanbaar natuurproces tot menschen maakt, zooals wij zijn moeten. Wee hem, die daarop wacht. Neen, er komt in u, o mensch, niets nieuws tot stand, zoo gij niet gewillig elke kracht die in u is, voor het werk Gods in werking stelt. — Wij spreken er nu niet over of deze kracht groot of klein is. Hetzij ze groot of klein zij, moet zij zich Loch in den dienst van God stellen; of het blijft alles bij het oude, ondanks alle schijnvroom vertrouwen op de, goddelijke genade.
Jezus heeft op de aangrijpendste wijze gedurig weder verklaard dat de mensch, dat elk mensch, zooals hij is, volstrekt -ongeschikt is voor het eeuwig koninkrijk. De eerste gedachte, die Hij den verbaasden Nicodemus inprent, die Hij hem met een „Voorwaar, voorwaar!quot; inprent, is deze: „Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien! — Hoe Hij het zoo hoog geprezen menschelijk hart beschouwt, blijkt zonneklaar, als Hij zegt: „Uit het hart (uit elk hart) ikomen voort kwade gedachtenquot; enz. Door het vijftiende hoofdstuk van L u k a s, — neen, door al de hoofdstukken van al de Evangeliën weerklinkt het aangrijpende woord „verlorenquot;. Verloren is de mensch zoolang hij op zichzelven staat. En Jezus biedt ons alleen den é e n i g e n troost, namelijk ■dat „de Zoon des menschen gekomen is, om te zoeken en zalig te maken wat verloren is.quot;
Hoe dieper dus deze kennis der verlorenheid in liet hart eens menschen is, des te dichter is hij bij de verlossing. Daarom prijst Hij den tollenaar zalig, die niets anders wist te zeggen
12
178
dan: „o God! wees mij, zondaar, genadig!quot; Daarom verblijdt zich zijn hart over de „groote zondares,quot; die in stomme en toch zoo welsprekende tranen haar dwaalweg beweent. Daarom heeft Hij in het h e i 1 i g A v o n d m a a 1 het doel van zijn leven en zijn sterven om zoo te spreken in den vorm van een monument voorgesteld en samengevat in de woorden: „Tot vergeving der zonden.quot; Uitdelging der zonden, — dat is het waar het op aankomt.
Waarlijk, nog nooit hebben diegenen het Evangelie met open en eerlijke oogen gelezen, die tot ons zeggen: „Jezus heeft niet zulk een ruwe en ongunstige beschouwing van de mensche-lijke natuur gehad als de apostelen.quot;
Maar noch Jezus, noch de apostelen waren van oordeel dat de verloren en verdorven mensch slechts een blok of steen .is. Hoe had Jezus anders kunnen zeggen: „Strij d t om in te gaan door de enge poort!quot; „Trek het oog uit, houw af de hand, die u ergert Iquot; Hoe had Hij anders den kinderen zijns volks kunnen toeroepen: „Gij hebt niet gewild!quot; Hoe had Hij anders gedurig op „bekeeringquot; kunnen aandringen? — Eveneens roepen alle apostelen den „mensch Godsquot; op tot den heiligen strijd. Zij moeten den „goeden strijdquot; strijden, „die ons voorgesteld is,quot;, en afleggen al wat hun loop belemmert. Zij moeten „het zwaard des Geestesquot; grijpen en de „wapenrusting Godsquot; aannemen.
Alzoo staat niets vaster, dan dat er gestreden moet worden. En dan kan het iemand wel bang temoede worden, wanneer men ziet
B. HOE VREESELIJK EN MENIGVULDIG DE ZONDE IS;
hoe zij ons gansche bestaan vergiftigd heeft; hoe zij het :'s die ons van alle zijden omgeeft en omsingelt; wanneer men persoonlijk ondervindt wat de profeet zegt: „Het gansche hoofd is krank, het gansche hart is mat.quot;
179
Men heeft de zonden onderscheiden in zonden der gedachten, der woorden en der werken. Zoo bijvoorbeeld nijd, leugen, diefstal. Maar deze onderscheiding omvat niet alles; zij heeft alleen betrekking op werkdadige zonden, maar niet op z o n d e n van nalatigheid. Diensvolgens hebben wij terstond een andere onderscheiding. Het was een werkdadige zonde dat David Uria doodde, een nalatigheids-zonde dat de priester en de leviet den man, die onder de handen van moordenaars gevallen was, voorbijgingen. —■ Men spreekt verder van geestelijke en vleeschelijke zonden. De groote zondares (Lukas 7) had vleeschelijke zonden, in de grofste beteekenis van het woord, bedreven; de farizeër Simon, die de ongelukkige vrouw veroordeelde, beging een geestelijke zonde. — Valsch en verwarrend is de onderscheiding van zonden tegen God (bijvoorbeeld morren over zijne wegen) en zonden tegen menschen (bijvoorbeeld bedrog). Ik zeg, dat is verwarrend; want elke zonde wordt allereerst tegen God bedreven. Eerder kan men de onderscheiding toegeven in zwakheidszonden envoorbedachtezon-d e n. Het maakt inderdaad een groot verschil of Petrus in den angst zijns harten den Heiland verloochent, dien hij tot in den diepsten grond zijns harten liefheeft, dan of Judas met bepaald opzet Hem verraadt, van wien hij zich sedert lang had afgekeerd.
De Schrift zelve noemt twee soorten van zonde, waar zij zegt dat het hart een hoogmoedig en moedeloos ding is. Ja hoogmoed en moedeloosheid — dat zijn twee vreeselijke bronnen der zonde. Maar de bedoeling is niet, dat deze beide bronnen ver van elkander verwijderd zijn. Neen, evenals de beide tegenovergestelde polen elkander raken, zoo is het met deze tegenovergestelde afdwalingen van den menschelijken geest. Pijlsnel slaat menigmaal de moedeloosheid in hoogmoed, de hoogmoed in moedeloosheid om. Dezelfde Kaïn, die zich door zijnen
180
God niet wilde laten waarschuwen, die trotsch op zijn weg voortgaat, totdat Abel bloedend aan zijne voeten ligt, — wij hooren hem spoedig daarna in de diepste wanhoop uitroepen: ,Mijne misdaad is grooter, dan dat zij vergeven worde.quot; Ik zal zwervende en dolende zijn op aarde. En evenals bij Kaïn is het bij ons gesteld.
Laat ons dus afzien van de poging om de zonde in zekere rubrieken te rangschikken. De verschillende soorten van zonde vloeien alle samen, ja de eene soort heeft haar kiem in de andere. Uit de zondige gedachte wordt in den regel, indien ik zoo spreken mag, met natuurlijke noodzakelijkheid het zondige woord en de zondige daad geboren.
Zoo is het dan ook dwaas, te zeggen dat de eene zonde erger is dan de andere, bijvoorbeeld het zondige woord erger dan de zondige gedachte, de zondige daad erger dan het zond.ge woord. Men meent daarmede iets onweersprekelijks te zeggen; want _ zoo zegt men — het zondige woord richt toch in de menschelijke maatschappij meer onheil aan, dan de gedachte, waar niemand van weet, en een slechte daad is toch erger dan een slecht woord.
Reeds naar het uitwendige is dat niet juist. Een mensch, die mij belastert, kan mij misschien meer krenken en ook meer schaden, dan een die mij besteelt. Maar op het uiterlijke komt het hierbij in het geheel niet aan. Niet door de gevolgen, die een zonde heeft, wordt zij zoo slecht, maar door hetgeen zij op zichzelve is. De gevolgen liggen geheel buiten uw bereik.
Als gij een slecht woord zegt, dan is de zaak er niet grooter door, doordat het in de krant komt en tot een ergernis of slecht voorbeeld voor duizenden wordt. Anderzijds wordt de zonde er niet minder door, wanneer degene, tot wien gij het slechte woord zegt, er in het geheel niet verder door wordt bezig gehouden, ja wanneer hij het verafschuwt en tot geen mensch
181
er over spreekt. — Wanneer een handelaar door allerlei lage kunstgrepen zijnen mededingers hun klanten tracht af te troggelen, dan komt het ter beoordeeling van de zonde, er geheel en al niet op aan of hem dat gelukt of niet. Wanneer een mensch zichzelven het leven tracht te benemen, en bijvoorbeeld in den bruischenden stroom springt, dan is hij een zelfmoordenaar, zelfs dan, als er in het hachelijk oogenblik een redder opdaagt.
Het doemwaardige ligt dus altijd in den wil, niet daarin, of deze wil bereikt wat hij op 't oog heeft. Voor de menschelijke rechtbank moge het een groot verschil uitmaken, voor den heiligen, alwetenden God maakt het geen verschil; het maakt niet eens voor ons eigen geweten iets uit. Kortom, wij tasten, wanneer het op de beoordeeling der zonde aankomt, volslagen in het duister, wanneer wij niet tot op
G. DEN WORTEL DER ZONDE,
wanneer wij niet tot haar oorzaak teruggaan. En wat is dat? Nu, tegenwoordig nog en te allen tijde en bij elke zonde hetzelfde als bij de eerste zonde, waarvan ons gemeld wordt. De zonde van Eva ware ondanks duizend verzoekende duivelen niet geschied, wanneer de vrouw niet aan het wantrouwen tegenover God, wanneer zij niet aan den valschen vrijheidszin, die zonder God handelen wil en zonder God gelukkiger waant te zijn, plaats in haar hart gegeven had. Hierin ligt het wezen van de zaak. De zonde is afval van God. De zondaar scheurt zich los van God en zijn heiligen wil. Men ver-hoovaardigt zich op zichzelven, laat het vleesch den vrijen teugel en denkt verder te komen, zoo men zelf voor „zijn gelukquot; zorgt, dan wanneer men het in Gods hand geeft.
Daarom bidt David in den bekenden boetpsalm (Psalm 51); „Tegen U, U alleen (o, God!) heb ik gezondigd!quot; Hij bidt
182
zoo, ofschoon liij door het overspel met Bathséba en door het vermoorden van Uria ook in het menschdom groot onheil veroorzaakt en aan zijn volk een hoogst verderfelijk voorbeeld gegeven had. Nochtans verklaart hij uitdrukkelijk: „Tegen U alleen, o God!quot; Het andere is de beek, die uit de giftbron voortvloeit. En onze Heiland laat den terugkeerenden verloren zoon spreken: „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemelquot;, en dan eerst volgt er: „en voor u.quot;
De afval derhalve van God, die uit het ongeloof ten opzichte van God en uit den valschen vrijheidszin voortkomt, dat is de zonde der zonde. Is de band, die ons aan God bindt, doorgesneden, buigt eerst de mensch zich aanbiddend voor zichzelven neer, — dan is het hart aan een door storm beloopen schip gelijk, dat ballast, roer en kompas mist.
Waarheen dit van God losse hart nu drijft, h o e de zonde zich voordoet, of zij zich als een vergrijp tegen de liefde, of tegen de k u i s c h h e i d, of tegen de waarheid, of tegen de gerechtigheid openbaart, of men door de zonde dan alleen zichzelf schaadt of ook anderen — dat hangt af van de verzoekende machten, van het eigen temperament, van den toestand waar men zich in bevindt, en van duizend dingen die niet in onze hand liggen. Altijd en overal vloeit de enkele zonde uit den openbaren of verborgen afval van God, die de bron aller deugden is, voort.
Dat deze beschouwing van de zonde met Gods Woord en met de ondervinding van alle verlichte menschen Gods overeenkomt, is even zeker, als het droeve en heillooze feit, dat de meeste opvoeders er veel meer op uit zijn om de gevolgen der zonde te brandmerken, dan om haar diepsten wortei bloot te leggen.
Uit het gezegde blijkt verder dat een zonde des te zon-diger wordt, naarmate de mensch zich van zijne
183
wanverhouding tot God meer bewust is. Zoo heeft, koning Saul met helder bewustzijn en beslist overleg Gods bevel overtreden; terwijl de Nieuw-Testamentische Saul, die de Christenen vervolgt en nameloos onheil sticht, meent Gode daarmede een dienst te doen. Zijne onwetendheid is niet onschuldig; maar niettemin is het onwetendheid; daarom is hij redbaar. De Oud-Testamentische Saul stelt zich trotsch tegen God over, die hem zoo hoog verheven heeft.
Zoo was ook de zonde van Ananias en Saffira (Handelingen 5) niet daardoor zoo zwaar, doordat zij misschien zulke kwade gevolgen in de apostolische gemeente had kunnen hebben. Veellicht moest hunne bestraffing op dezen grond zoo in het oogloopend zijn. De zwaarte der zonde ligt echter hierin, dat zij geschiedt op een tijd toen de Geest Gods zoo krachtig in de hen omringende gemeente werkte. De bewuste opstand tegen dezen Geest, — die is liet, welke het echtpaar schuldig maakte.
o. Dat wij toch toezien niet in een geheim wederstreven van God te vervallen! Het kan geheel inwendig en voor de men-schen verborgen zijn en nochtans onzen inwendigen mensch ten eenenmale vergiftigen. Er behoeft juist niet iets voor te vallen, waarover de menschen de handen in elkander slaan, om toch geheel onder het oordeel te komen.
Voor mij ligt een oude brief van eene dame uit verren lande, die reeds sinds lang overleden is. Zij schrijft, dat zij in den tijd barer kerkelijke belijdenis werkelijk tot opwekking gekomen was en vrede had gevonden. Tien jaren later traden drie barer zusters achtereenvolgens in het huwelijk. Om haar bekommerde zich, naar haar vroeg.... niemand. En wie zou niet kunnen begrijpen, dat dit voor een gemoed, dat aan liefde behoefte had, zeer hard was en dat er veel te verloochenen en te strijden viel?
184
Maar nu deed zich iets verschrikkelijks voor; zij morde tegerr God en zijne leidingen; zij wilde zich niet verloochenen, zij wilde niet strijden. Anderzijds werd zij tegen haar bevoorrechte zusters onvriendelijk en begon hun doen en laten scherp na te gaan en hard te beoordeelen. Dat het toen over en weer ging kan ons te minder verwonderen, omdat de zusters en hun mannen geheel tot de „wereldquot; behoorden. Het gevolg was dat de „verlatene'quot; zuster zich hard behandeld en onrechtmatig verwaarloosd achtte. Zoo kwam zij tot een bittere stemming en onder een donkere wolk. Alle opgewektheid lot gebed, alle be-liagen in Gods Woord, alle troost der goddelijke belofte ging bij haar verloren, totdat op zekeren dag een uitdrukking in „Bunyans Ghristenreisquot; de dwalende de oogen opende. Nadat zij toen weenend en biddend tot haren God teruggekeerd was, ging haar hart ook weer open voor de menschen. En de harten der menschen openden zich weldra ook voor haar. Zoo werd zij een even gelukkige als geluk om zich heen verspreidende zuster en tante, een zegen voor velen. — In den genoemden brief schrijft zij: „Mijn wrevelige stemming scheen mij destijds zoo onschuldig en zoo rechtmatig toe. En toch was zij niets anders dan ingaan tegen God, weerstreving van zijn heiligen wil. Nooit had ik gedaan wat de wereld een „verkeerde ofleelijke daadquot; noemt. En toch was ik een afgrijselijk mensch, want de liefde tot God en menschen was uit mijn hart verdwenen.
Ja, dat wij den Geest des Heeren geen plaats in ons laten , — is reden genoeg om verloren te gaan. De ontelbare menigte zonden van nalatigheid komt uit dit gebrek voort. Ik breng alleen Mattheus 25 : 41 —46 in herinnering, waar gezegd wordt, dat hetgeen wij niet gedaan hebben de oorzaak is van het niet zalig worden. Ik herinner aan de verschijningen van den priester en den leviet (Lukas 10), die de Heiland als een waarschuwend teeken voorstelt. Zij hebben den man, die-
185
onder moordenaarshanden viel, geen kwaad gedaan. Maar hun misdaad is, dat zij dien niet hielpen, dien zij hadden kunnen helpen. Ik herinner aan de verschijning van den rijken man, dien wij eerst in aardsche weelde en later in de hel en de pijn zien. De oorzaak van deze ontzettende verandering ligt niet in hetgeen hij gedaan, maar in hetgeen hij niet gedaan heeft.
De kinderen dezer wereld meenen inderdaad een uitgemaakte waarheid uit te spreken, als zij zeggen: „Mijn geld, mijne middelen, mijne krachten, mijn tijd behooren mij toe; daarmede handel ik zooals ik wil, en niemand heeft zich daarmede te bemoeien.quot; Juist, niemand, geen rijksambtenaar, geen rechter! — Niemand, op het oogenblik nog niet; ofschoon uit het misbruik van de middelen en krachten reeds bij millioenen een stelregel is ontstaan: „Eigendom is diefstal; persoonlijk bezit is misdadig een stelregel, die wellicht onze tegenwoordige beschaafde wereld nog eens in een puinhoop veranderen zal. Maar voorloo-pig is de regel: „Mijn geld is mijn geld,quot; door de menschelijke rechters nog niet betwist. Anders evenwel zal het zijn, in de tegenwoordigheid van den eeuwigen Rechter, gelijk Mattheus i25 ons leert. Dan zal het de vraag zijn of de eeuwige liefde, die in Jezus uit den hemel is nedergedaald, plaats gekregen heeft in onze harten en of.wij daarnaar gehandeld hebben. — En zoo niet — dan zijn wij (onverschillig of wij „orthodoxquot; of „liberaalquot; heeten) goddeloos en onbekwaam voor het koninkrijk der liefde en des lichts.
Zoo is men gewoonlijk ook geneigd, de g e e s t e 1 ij k e vreesachtigheid zeer versehoonend te beoordeelen. Voorde meeste Christenen schijnt zij meer een lijden dan een zonde te zijn, en veeleer medelijden dan afkeer te verdienen. Nu ja, met de vreesachtigen moeten wij ook wel medelijden hebben, temeer wanneer lichamelijk lijden en zenuwaandoeningen de oorzaak hunner vreesachtigheid zijn. En verafschuwen moeten
186
wij nooit iemand. Wel echter de zonde. En de vreesachtig-lieid is zonde, is een zeer gevaarlijke zonde. „Wee degenen die aan God wanhopen,quot; zegt een wijze van den ouden dag. En in de Openbaring (hoofdstuk 21) worden de vreesachtig e n op éene lijn gesteld met de afgodendienaars, toovenaars, hoereerders, doodslagers en dergelijken. De vreesachtige logenstraft door zijne moedeloosheid Gods Woord en belofte; hij ontneemt den Heiland zijne eerekroon, want inderdaad legt hij Hem te laste dat Hij hem verwaarloosd of zelfs verworpen heeft. — Hetzij nu de vreesachtigheid of moedeloosheid uit zwaar lichamelijk en zenuwlijden of uit troetelzonden ontstaat of wel hieruit, dat de Heere zich verbergt en ons niets van het genot zijner genade schenkt, of hieruit voortkomt, dat de strijd tegen de zonden vruchteloos schijnt te wezen, — het doet er niet toe: Vreesachtigheid is een zeer gevaarlijke toestand. De vreesachtige scheurt zich los van God en dan heeft de satan een gemakkelijk spel met zijne ziel. Daarvan moeten alle vreesachtigen zich helder bewust worden en daarom hun hand des geloofs — al ware hel slechts een zwakke, sidderende hand, uitstrekken naar God.
Eén woord moet ik hier nog bijvoegen.
D. OVER DE BIJZONDEKE TROETELZONDEN.
Het is een erkende waarheid, dat ieder zijn zwakke zijde heeft. Zoo in het algemeen stemt ieder deze stelling toe. Maar men doet merkwaardige en treurige ondervindingen op, als men tot B gaat zeggen: „Uw zwakke zijde is vrekkigheidquot; en tot G: „Uw zwakke zijde is verwaandheid.quot; Ofschoon ik veronderstel dat in dit geval alle vrienden en verwanten het omtrent B en G eens zijn, zullen z ij zelf er toch hoogstwaarschijnlijk met kracht tegen opkomen. Met andere woorden, de menschen hebben niets tegen de stelling, dat ieder zijn lievelingszonde heeft.
187
maar zijn eigen zonde erkent men in den regel niet. En toch, juist deze lievelingszonde te erkennen, is volstrekt noodig, zoo er althans een strijd tegen onze zonde ook maar ernstig aangevangen, laat staan met goed . gevolg gevoerd zal worden.
Het is hier evenals op lichamelijk gebied. Niemand, ook de gezondste niet, kan zeggen dat hij voor eenige ziekte gevrijwaard is. Doch de meeste, ja wel alle menschen, hebben een bijzonder zwakke plaats, — hetzij de long, het hart, de maag of iets anders. Is nu zelfs bij den gezondste elke ziekte mogelijk, dan is het bij die zeker, dat het zwakke lichaamsdeel weldra de oorzaak van hun dood zal zijn, indien zij juist dat deel niet trachten te beveiligen en te versterken.
De vergelijking met hef zedelijk terrein ligt voor de hand. Daar zie ik een jongen Christelijkgezinden man, die een bijzondere, hevige neiging tot zinnelijke zonden heeft. Het kan zijn dat zij ten deele in zijn lichamelijke gesteldheid ligt; ook kan het zijn, dat hij in vroeger dagen die booze neiging door het zien van slechte platen of door het lezen van lichtzinnige romans versterkt heeft. (Ja, het is wel mogelijk zijne verbeelding te bezoedelen ; het is echter onmogelijk voor een mensch ze weer te reinigen). Genoeg, de sterke neiging bestaat. Op dit punt brengt de satan hem telkens weer in verzoeking. Op dit gebied heeft hij reeds vreeselijke nederlagen geleden en was hij menigmaal de wanhoop nabij. — De lievelingszonde van zijn vriend, die door eerzucht verteerd wordt, lokt hem niet aan, evenmin als die vriend zijnerzijds veel tegen de zinnelijkheid te strijden heeft. Gewoonlijk is het zoo gelegen dat degene, bij wien éen zondige neiging bijzonder scherp en sterk uitkomt, in andere opzichten een naar verhouding lichten strijd heeft. Ik ken onbeschrijfelijk driftige menschen, maar die ik niet tot onoprechtheid instaat zie. De listige en sluwe kan zich misschien in het
188
geheel niet voorstellen, hoe men zich door drift tot een soort van wild dier kan laten maken.
Het gevaarlijke bij de lievelings- en temperamentszonde nu is dit, dat men er licht toe komt om ingewikkeld of ronduit haar zondigen aard te ontkennen. Hetzij door haar een godsdienstig manteltje om te hangen, of door haar een weinig te verdoopen, zoodat de gierigaard in een spaarzame veranderd wordt of door (bijvoorbeeld van de neiging tot wellust en drift) te zeggen dat zij aangeboren, ingeschapen en dies bepaald onwederstaanbaar is. Nu zou het inderdaad wreed zijn, zoo men ontkennen wilde, dat menigeen ter oorzake van zijn bijzondere gesteldheid een gedachten strijd te voeren heeft, waar anderen geen begrip van hebben. Het is werkelijk waar, dat het niet hetzelfde is wanneer twee hetzelfde doen. Wij moeten in onze beoordeeling van een ander zeer voorzichtig zijn. Maar deze zijnerzijds moet niet den zelfmoord begaan, zichzelven te verontschuldigen. Hij moet beseffen dat hij verloren is, zoo hij niet juist zijne lievelingszonde met alle kracht des geestes bestrijdt. Hij moet handelen gelijk de veldheer in een belegerde vesting, die juist op dat punt, waar de verschansingen het zwakst zijn, gestadig het oog houdt en zijn beste troepen posteert. Want juist daarop — dat weet de veldheer ook — zal de vijand met de meeste kracht zijn aanval richten. — Deze beschouwing leidt ons ten slotte tot de belangrijkste vraag;
E. HOE MOETEN WIJ STRIJDEN EN IN WELKE KRACHT ZULLEN WIJ DAN OVERWINNEN?
Het antwoord luidt; „Jezus leidt ter overwinning.quot; Laat ons op Jezus zien, den leidsman en voleinder van ons geloof! Ja, in de aansluiting aan Hem ligt de eenige borg onzer zegepraal. Derhalve niet daarin, dat wij aldoor op onze zonden staren en.
189
om zoo te spreken, in onze ellende omwoelen. Gewis moeten wij onze zonden erkennen. Maar verkeerd is het, daarbij te blijven staan. Waar heeft ooit een veldheer overwonnen door maar uitsluitend zijn oog op de vreeselijke krachten van zijn vijanden gericht te houden ? Er komt een oogenblik, waarin het heet: „In Gods naam voorwaarts!quot;
Wij moeten dus ook geen droeve bespiegelingen houden over de mislukkingen en nederlagen, of over de langzame vorderingen, waarvan wij tot dusverre gewagen kunnen. Dat drukt maar neder. De generaal, die na een verloren slag, de strijdbanier weer goedsmoeds opheft, is de hoogste eer waard. Jezus nu is het, die ons niet alleen ten strijde oproept, maar die ook de kracht in den strijd is. Hij kan en wil de oprechte ziel niet laten wegzinken. — Hij brengt ze eindelijk tot vlekkelooze heiligheid.
Het is ontroerend, als wij Luther hooren bidden:
't Is midden in den angst der hel
Dal ons de zonden drijven;
Hoe ons gered, waarheen gevlucht.
Waar wij in vrede blijven?
Alleen tot U, o Christus, Heer!
Vergoten is uw dierbaar bloed,
Dat voor de schuld verzoening doet,
o, Heilig God, o, sterke God!
Barmhartig Heiland! Eeuwig God!
o. Laat de troost van het geloof Toch nimmer van ons wijken.
Niet waar, daarin vinden wij een verpletterend besef van de vruchtbaarheid der zonde en toch tevens een blijde vergewissing: „De Heiland, aan wien wij ons vastklemmen, helpt ons ten slotte uit.quot; En omdat de kinderen van onzen tijd, omdat, helaas, ook wij, zoo zelden dezen angst over de zonde kennen, — daarom is ook zoo zelden in ons de vergewissing en de ondervinding der zegepraal.
Uit Jezus vloeit de kracht ter overwinning voort. Men kan een mensch, dien men opvoedt, wel een afkeer van het
190
lage inboezemen. Maar men brengt liet in het gelukkigste geval niet verder, dan dat hij voor de grofste uitingen der zonde bewaard blijft. Wij hebben echter gezien hoe weinig daarmede gewonnen is. — Dat voorts beschaving en ontwikkeling niet vrijmaken van de zonde weet tegenwoordig iedereen. De „ontwikkeldenquot; zelf hebben er voor gezorgd dat dit oude, veel gezongen liedje nu eindelijk verstomt. Vóór mij ligt een nommer van een courant, het nieuwste. In dit éene nommer wordt van drie graven melding gemaakt, die zware misdaden bedreven hebben. Ja, in hetzelfde nommer kan men lezen hoe de schrijver Paul Lindau (wiens geschriften door tienduizenden der ,ontwikkeldenquot; verslonden worden) en andere letterkundigen elkander hun zwart register voorhouden. Ook de wilskracht doet het niet. Het is zonder twijfel een aandoenlijke verschijning als een man er beslist en oprecht zich op toelegt zijn booze driften en hartstochten in toom te houden, ja te overwinnen. Eerbied voor zulk een strijder, om het even of hij Christen, Jood of Mohammedaan is. Maar juist in de moeie-lijkste dagen, dan, als het er het meeste op aankomt, laat ons de zedelijke wilskracht in den steek. Dan ondervinden wij wat de dichter zegt:
Als 'k mijzelven wilde helpen Zonder U het wilde wagen,
Ach, dan vielen mij de vleugels Slap terneer, in bang versagen.
Gewis is er geen overwinning zonder de uiterste inspanning van onzen wil. Maar de hoogste daad van den wil bestaat hierin dat hij schuile en opga in den wil van God, — dat hij zich verlieze in de kracht van Christus, die in den zwakke machtig is. Wat voor den onkundige het einde van alle daden toeschijnt, dat is in het wezen der zaak de hoogste daad en de geboorteplaats van alle daden, die dien naam verdienen.
191
Wij hebben ons slechts te herinneren hoe de Heiland zelf gestreden en overwonnen heeft. Het was, doordien Hij ondanks alle listen, alle sluwe lagen van den satan, ondanks allen afkeer, alle tegenkanting, allen weerzin, alle gedruktheid zijner natuur, — zijn wil met den wil zijns Vaders v e r e e n i g d e en op liet gaan in den Goddelijken wil. Zoo werd het anders onmogelijke mogelijk, het onduldbare draaglijk, en de heerlijkste overwinning faalde nooit.
Welaan, voor ons is God in Christus verschenen en nabij. Mogen onze leerstellige beschouwingen verschillen — zoo velen onder ons Christenen zijn, stemmen zij toch hierin overeen, dat God ons in Christus geopenbaard en toegankelijk is. Hij is ons verschenen niet alleen als het licht, dat Gods hart en ons hart en onzen weg door den tijd naar de eeuwigheid te aanschouwen geeft, maar ook als de voor alle vermoeiden en belasten openstaande bron der genade, waarin Gods leven zelf ons toevloeit. De vereeniging met Jezus geeft ons dus de vergewissing van onze volkomene overwinning. Zij geeft ons echter ook de wapenen en krachten tot den strijd.
Daarom loopen alle vermaningen van Jezus aan zijne apostelen — hoe verschillend ook de uitdrukking zijn moge — uit in den éenen eisch (die tevens de heerlijkste vergunning is): B1 ij f t in Mij ! Blijft in Mij — ni e t als een klis aan het kleed. Ik moest in mijn jeugd een lied leeren, waarin onder meer voorkwam: „Laat, Heer, mij aan U kleven gelijk een klis aan 't kleed!quot; Daar kon ik destijds maar niets van begrijpen. Nu begrijp ik heel goed mijn bezwaar van toen. Tusschen de klis en het kleed bestaat geen innerlijk verband; het zijn twee elkaêr geheel vreemde voorwerpen. De Bijbelsche vergelijking is die van den w ij n stok met de ranken. Gelijk de rank in den wijnstok blijven moet, — gelijk zij uit den wijnstok haar oorsprong nam, gelijk zij uit den wijnstok aanhoudend alle kracht
192
voor haar wasdom trok en moet blijven trekken, — zoo moet de geloovige in betrekking tot Jezus staan. Al onze zorg moet ten doel hebben dat wij met Hem verbonden blijven en dat de vereeniging met Hem op geene wijze en door niets gestoord worde.
Dat nu s c li ij n t een lichte en gemakkelijke zaak. Ja, — licht en gemakkelijk. Maar alleen voor dengene, die ze niet kent. o, Mijn broeder, — liefhebben beteekent sterven, zoo het een heilig liefhebben is. De eenswillendheid met Jezus sluit den weerzin in tegen alles wat van beneden is. Opdat de kracht van Christus in ons kunne varen, verzoenend, genezend, heiligend, verlichtend, vernieuwend, moet er in ons — geene kracht zijn. Neen, als Jezus datgene bij ons zocht wat Hij kracht noemt, dan waren wij verloren. Wat Hij zocht zou Hij niet vinden. Maar Hij zoekt dat ook niet. Integendeel, Hij zegt: „Mijne kracht wordt in uwe zwakheid volbracht.quot;
Wat Hij echter beslist bij ons zoekt is de haat tegen de zonde en dus de wil om er onder alle omstandigheden vrij van te worden. De groote kerkvader Chrysostomus zeide eens: „De zonde is het eenige kwaad.quot; Dus: lichamelijk lijden, verlies van vermogen, verlies van eer, vervolging door menschen, — dat alles zou geen kwaad zijn ? — neen, dat komt menigeen wel wat al te kras voor. Doch Chrysostomus wist wel wat hij zeide. Hij had zich op de vreeselijkste wijze in al die nooden bevonden, en toch zegt hij: „De zonde is het eenige kwaad quot; Al die beproevingen zijn zeker voor het oogenblik hoogst onaangename dingen. Maar er ligt een zekere mate van onverwel-kelijke heerlijkheid in besloten, wanneer wij ons — zooals het toch mogelijk is en behoort te zijn — aan God, den oorsprong van alle leven, des te inniger aansluiten. En wat de bron van eeuwige heerlijkheid kan en moet zijn, dat kan men toch in ernst geen kwaad noemen.
193
Anders staat het met de zonde. Zij is liet kwaad dat den mensch voor tijd en eeuwigheid onzalig, rampzalig maakt, omdat het de kern van zijn leven bederft. — Zoo heeft dan een mensch Gods het innigste verlangen om in alle gevallen van de zonde verlost te worden. Hij heeft dat, onverschillig welke gedaante zij ook hebben moge; hij haat ze, al prijst haar de geheele wereld; hij wil er zich van laten verlossen, welke pijnen en opofferingen die verlossing ook kosten moge. Hij is een mensch Gods, omdat hij weet dat het de eenige en zekere weg der verlossing voor ons is, als Gods wil in ons triomfeert.
De daad der zonde en de inwoning Gods in ons komen echter alleen tot stand door de aansluiting aan Jezus, den Zone Gods en den Overwinnaar des doods; daardoor, dat de door de macht der duisternis gedrukte en beangste ziel zich losrukt van zich-zelve en van de gansche wereld en in Jezus schuilt: Doe Gij mij overwinnen, mijn Heiland en Heer!quot; Hier bereiken ootmoed en geloofsmoed beide hun toppunt. Hier ondervindt de moede, bevende ziel, wat het zeggen wil; „Hij, die in den zwakke machtig is, geeft ons de overwinning door Jezus Christus!quot;
Ik roep hieromtrent de ondervinding in van alle geloovigen uit alle tijden der Christenheid. Ziet Stéfanus. Wat doet hij als hij in de woedende hel der dweepzucht getrokken wordt? Hij roept Jezus, den Vorst des levens aan! Hij rust niet voor en al eer Jezus hem verschenen is en nu kan hij met een schitterend gelaat zeggen: „Ik zie de hemelen geopend en de Zoon des menschen, staande ter rechterhand Gods.quot; En nu volgt al het andere vanzelf: blijdschap onder het dulden van het bitterst lijden, kracht en liefde om den snooden vijanden te vergeven ; ja, voor hen tot God te bidden, de kracht om zich als een arend naar de schitterende parelpoorten boven de wolken te verheffen.
En die zalige schare in blinkend wit gewaad voor den troon van God, waarvan de Openbaring (hoofdstuk zeven) spreekt, —
13
194
•waardoor hebben zij overwonnen? Wij hooren het antwoord: „Zij hebben hun lange kleederen gewasschen en hebben hun lange kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams.quot; Wat wil dat — wanneer wij de beeldspraak daarlaten — anders zeggen: dan dat zij heilig zijn en overwonnen hebben door de ver-eeniging met den Heiland, die voor hen geleefd, liefgehad, geleden heeft, voor hen gestorven en opgestaan is en nu zijne levenskrachten hun heeft laten toevloeien?
Een arme vrouw in mijn eerste gemeente wekte mijne verwondering op door haar onverstoorbare blijdschap en vriendelijkheid. En toch was zij een kruisdraagster zooals ik er zelden eene gezien had. Ik vroeg haar eens naar de geheime bron harer kracht. En wat was haar geheim? „Ik houd mij altijd dicht bij Hem.quot; Wien zij met „Hemquot; bedoelde hield zij voor overbodig te zeggen. — o. Gij arme en toch zoo rijke vrouw, hoe dikwijls zijt gij mij voor den geest gekomen in donkere oogenblikken en hebt mij gered met uw eenvoudige vermaning van mij maar dicht aan Jezus aan te sluiten.
En nu onze ondervinding? Ja — hebben wij er een op dit gebied? Ach, zelfs de besten onzer hebben er weinig van, veel minder dan zij hebben moesten en konden, indien het wél ging. Evenwel, allen die iets van de overwinning op de zonde weten, zullen ook toestemmen en zeggen; Dan hadden wij het gewonnen, als wij onszelven opgaven en ons verborgen in Hem; „Sta Gij slechts aan mijne rechterhand, wees Gij slechts mijn troost, en laat het voorts gaan zooals het wil, —• neen, niet gelijk ik wil, maar gelijk Gij wilt!quot;
Kortom, de strijdleus, de kracht tot den strijd, de overwinning in den strijd, is en blijft; „Jezus doet overwinnen.quot;
VIII.
Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat mijne blijdschap in u blijve en uwe blijdschap vervuld worde.
Joh. 15: 11.
1. JEZUS' LEVENSVREUGDE.
Indien ik mijn lezers vroeg of Jezus een man van smarten ot een man van vreugde geweest is, zouden zeker slechts weinigen zich bezinnen. Zij zouden bijna eenparig zeggen; „Natuurlijk was hij een man van smarten.quot; Ik denk er ook met aan dit tegen te spreken. Men behoeft zich slechts te herinneren, hoe reeds naar het pasgeboren Kindeke moordenaarshanden werden uitgestrekt; hoe Johannes de Dooper van Hem, die pas in het openbaar was opgetreden, tot Israel sprak; „Ziet het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemtquot;; men behoeft zich slechts te herinneren, dat Hij onze smarten gedragen heeft en dat Hij met de doornenkroon bezet, aan het vloekhout in den dood ging.
En toch zou het een eenzijdige beschouwing zijn, zoo wij meenden dat het Jezus aan vreugde ontbroken heeft. De Room-sche kerk heeft te allen tijde bijna uitsluitend den lijdenden, zwoegenden, den geest gevenden Christus aan hare leden voor oogen gesteld. Millioenen Protestanten hebben dit van haar
196
overgenomen en houden bet byna voor eene verkleining van Christus' verdiensten wanneer men over zijn blijdschap spreekt. Maar Hij zelf doet het. En daarom mogen ook wij het doen.
„Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat mijne blijdschap in u blijve, en uwe blijdschap vervuld worde,quot; zoo spreekt de Heiland in zijn afscheidsrede tot zijne discipelen (Joh. 15: 11). En zij verwonderen zich niet over zijne woorden. Zij maken geene bedenkingen, zooals anders dikwijls; zij vragen niet: „Wat is dat, dat gij zegt van uwe blijdschap. Wanneer hebben wij iets van uwe blijdschap bemerkt ? Zagen wij U niet altijd neerslachtig en treurend uw weg bewandelen? — Neen, zoo spreken zij niet. Zij kunnen het zich volkomen verklaren dat Jezus over zijne blijdschap spreekt. Eu het is hun een voortreffelijk vooruitzicht, dat z ij n e blijdschap hunne blijdschap worden zal.
Maar waarin bestond dan deze b 1 ij d s c h a p van Jezus? Gewis was Hem tot blijdschap al het scboone en liefelijke dat de wereld aanbood. De lelie op het veld verkwikte zijn oog, en meer nog verblijdde het Hem, wanneer Hij een kind aan zijn hart mocht drukken. Hij vond blijdschap in echte gezelligheid, en onttrok zich niet aan eene uitnoodiging; met dankzegging en blijdschap genoot Hij ook spijs en drank, waarom zijn lasteraars Hem zelfs een vraat en wijnzuiper scholden. Maar deze [en andere verheugingen hadden hem toch nooit een blijvende levensvreugde kunnen verschaffen. De diepten der ellende, waarin Hij met onbenevelde blikken schouwde en die Hij voor en onder de menschen ervoer, zooals nooit iemand vóór of na Hem — zij zouden de blijdschap van laster natuurlijker aard volkomen verduisterd hebben.
Wij moeten haar dus hooger zoeken. Ongetwijfeld bestaat de blijdschap van elk levend wezen hierin, dat het i n z ij n e 1 e-ni ent is en zich onbelemmerd daarin bewegen kan. Het eigen-
197
]ijke element van den menschelijken geest nu is God, de Vader der geesten, — de God naar wiens beeld en gelijkenis de mensch geschapen is. Dit beeld was. sedert Adams val in alle menschen bedorven. Alleen in Jezus was het in volkomen zuiverheid aanwezig en Hij bewaarde het ook rein en onbevlekt door aanhoudenden strijd onder gestadig gebedsleven. Daarom kon Hij zeggen dat de Vader altijd bij Hem was, en dat de engelen Gods boven Hem opklommen en nederdaalden. Hij was van de tegenwoordigheid des levenden Gods onafgebroken verzekerd, en anderzijds steeg zijne ziel onophoudelijk op in de lucht der eeuwjge bergen, gelijk een arend zijne vleugelen uitslaat in het reine zonlicht. De verbrijzelende klacht — die wij allen kennen: „Ik heb mijn God verloren,quot; bestond bij Hem niet; en zelfs wanneer er oogenblikken kwamen dat Hij zich van God verlaten gevoelde, gaf Hij toch zijnerzijds de verbintenis niet op, maar riep dien God, die Hem verlaten had, als z ij n God aan.
H ij was dus a 11 ij d in z ij n e 1 e m ent. Daarmede hangt nauw samen dat Hij steeds den wil van God volbracht. Hij betuigt het op allerlei wijze dat de s p ij z e, waarvan Hij eigenlijk en wezenlijk leefde, bestond in het doen van Gods wil (Joh. 4 : 34). Hij was dus steeds in de meest verblijdende overeenstemming met zijn goddelijke roeping. En zijn laatste woord aan het kruis is nog een vreugdekreet: „Het isvolbracht!quot; Ik heb het werk voleindigd, waartoe Ik gezonden was.
En deze zekerheid, dat Hij zijn werk zegevierend voleinden zou, verliet Hem nooit onder zijn werk op aarde, hoe ontzettend de duisternis en vijandschap der wereld ook op Hem aandrongen, hoe afgrijselijk ook de huivering des doods zich deed gevoelen.
Moest zulk een overwinningsgevoel geen blijdschap zijn ? Moet het zijne ziel niet onuitsprekelijk verheugd hebben, wanneer aan zijn lippen een woord ontging, waarvan Hij verwachtte, ja wist,
198
dat het van nu af aan een bron des levens voor millioenen zou zijn? Is het daarbij voor ieder edeldenkend mensch niet reeds een groote blijdschap, wanneer hij den treurigen een b 1 ij d e boodschap brengen kan? Waar werd echter ooit een boodschap vernomen zoo heerlijk als deze: „De Zoon des menschen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verlorenis?quot; Jezus bracht die boodschap en Hij zelf was ook de vervulling van die boodschap. Was het dan geen blijdschap, toen Hij de groote zondares kon oprichten uit den dood der zelf-veroordeeling en den eeuwigen vrede in haar hart kon uitstorten? Toen Hij den stervenden moordenaar aan het kruis de deur van het hemelsch paradijs kon openzetten? Was het geen blijdschap, als Hij in de doode wereld nochtans hier en daar een onverwachte vatbaarheid voor het Goddelijke aantrof, zoodat Hij zich over het geloof verwonderde? En waar Hij enkelen vond, die van het eeuwige dat in Hem was, besef hadden, daar waren voor Hem die enkelen slechts de eerste boden der lente, die voor het gansche menschdom aanbreken zou. Bijvoorbeeld; achter den Romeinschen hoofdman te Kapernaüm, wiens kinderlijk geloof Hij bewondert, ziet Hij gansche scharen van ge-loovige heidenen uit alle volken, die het koninkrijk Gods binnengaan. En als Petrus, de eene en de eerste, de groote belijdenis aflegt: „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods,quot; dan hoort Hij de stemmen van millioenen, die dat getuigenis uitspreken en bereidwillig zijn het met hun bloed te bezegelen. Was dat geen blijdschap? En als Hij het land doorging en troostend, genezend, reddend, zegenend weldeed, als Hij zich daarbij mocht voorstellen dat deze tijdelijke hulp slechts het zwakke voorspel was eener eeuwige en blijvende genezing en verheerlijking van de uit duizend wonden bloedende mensch-heid, — was dat dan geen blijdschap? Kunnen wij dan niet begrijpen, wat wij in den brief aan de Hebreen (12 : 2) lezen:
199
„Die om de vreugde, welke Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen?quot; En moest de ondervinding van zulk een reine vreugde, de verspreiding van zulk een dui-zendvoudigen zegen en eindelijk deze „vreugde, welke Hem voorgesteld wasquot; niet een hooge en zalige levensvreugde in Hem wekken ?
Nadat wij zoo de levensvreugde van Jezus hebben leeren kennen, willen wij ons nu afvragen hoe het met onze levensvreugde staat. Stellen wij ons allereerst de vraag, hoe het met
2. DE LEVENSVREUGDE VAN DEN NATUURLIJKEN MENSCH
gesteld is. Deze bestaat zonder twijfel hierin, dat hij zich onbelemmerd in zijn element bewegen kan. Dit element nu is de wereld. De mensch verblijdt zich in zijn leven als hij kan zooals hij wil, als, gelijk de zeeman zegt, „alles voor den wind gaat.quot; Verblijdt men zich in een ongeschokte gezondheid, zijn de lichaamsdeelen om te werken en te genieten in goeden staat, zijn de toestanden ons gunstig, vinden wij liefde, bijstand, eer bij de menschen, hebben wij voorspoed bij ons werk, — dan zal het niet aan levensvreugde ontbreken.
De eischen, die de onderscheidene menschen stellen om vreugde in hun leven te kunnen hebben, zijn zeer verschillend. Vele menschen schijnen alleen z i n n e 1 ij k e, dat is alleen d i e r 1 ij k e behoeften te hebben, en zij verlangen niets meer dan dat de maagkwestie op bevredigende wijze worde opgelost. Hooger is buiten allen twijfel de levensvreugde, die uit doen en werken voortvloeit. Het is een onschuldige vreugde in het leven, als de landman ziet dat zijne moeite om een vroeger woest land in vruchtbaren akker te veranderen, met gewenscht gevolg bekroond is. Het is een reine vreugde, als de kunstenaar
200
ziet dat het ruwe marmerblok onder zijn bekwame handen in een engelengestalte verandert. Het is een reine levensvreugde, als de ontdekkingsreiziger nieuwe meren en nieuwe gebergten in verre wereldstreken ontdekt en zoo den gezichtskring der menschheid in het algemeen verruimt. Ja, elke arbeid —• al ware liet de vuilste en onaanzienlijkste, die er toe bijdraagt dat de wereld in stand blijft en dat men voor zich en de zijnen een eerlijk bestaan heeft, schept vreugde in het leven.
Maar of zoo langs den weg van genot en arbeid wel een duurzame en gegronde levensvreugde kan verkregen worden? Bij alle waardeering van den rijkdom der wereld moeten wij daarop toch beslist neen antwoorden. En niet alleen die God vreezen, maar ook de van God vervreemden, indien zij maar een weinig menschenkennis bezitten, zullen mij dat toestemmen; eveneens niet alleen de verschovelingen en lijdenden, maar ook degenen, die men gelukskinderen noemt.
Ach, millioenen zijn er, bij wie van al die eischen tot levensvreugde er nooit é e n enkele geheel vervuld wordt. Allen echter doen de ondervinding op, dat de wereld hen bedriegt, dat zij niet doet wat zij belooft. Overal vindt men teleurstelling en ontnuchtering, duizend smarten waar men vreugde verwachtte, valschheid, waar men liefde zocht, mislukking op mislukking, waar het eerst zoo vlot voor den wind ging. De jongeling, die den eersten Januari in zijn dagboek schreef; „Met moed ga ik de wereld in, om het lief en leed der aarde te ervaren, mij door wind en golven heen te slaan en in de schipbreuk het hoofd op te houden,quot; ach, hij zal wellicht reeds na eenige weken troosteloos en hopeloos op een afgebroken plank in den oceaan ronddrijven. Het jonge, elkaêr liefhebbende paar dat eens, ja dagen en weken lang een hemel op aarde had, moet
het invallen van dien hemel ontzettend spoedig beleven..... Het
is een algemeene klacht der menschen uit alle tijden, dat het
201
leven weinig ware voldoening schenkt. Maar door zoo te spreken legt men ook den grafsteen op de uitdrukking „levensvreugde.quot; Het zijn woorden van Lenau, die juist in onzen tijd tallooze malen herhaald worden:
Wat menschenhart is uw geluk? —
Een telkens weer geboren,
Nooit wederkeerend oogenblik,
En nauw begroet, verloren.
Zelfs zulk een erkend gelukskind als Goethe schrijft in het laatst van zijn loven: „Ik kan wel zeggen dat ik in mijn vijf en zeventig jaar geen vier weken eigenlijk genoegen heb gehad. Het was het eeuwig rollen van een steen, die telkens opnieuw moest worden opgetild.quot; Menig arme daglooner zou zeker zeggen: „Dan heb ik het toch heter gehad.quot; Niet dat hij het w e r-k e 1 ij k heter gehad zou hebben, — neen, zijn ideaal was niet zoo hoog als dat van den grooten meester Goethe.
Doch waar ook het levenslot in alle opzichten zoo gelukkig mogelijk is, daar blijft toch altijd de eene groote bezordheid, dat namelijk alles slechts aan een dunnen draad hangt en dat deze draad elk oogenblik breken kan. En hij breekt dan ook werkelijk. Hoe dieper inzicht een mensch in de erbarmelijkheid van dezen draad heeft (en hoe meer de mensch een eerlijk en een denkend mensch is, des te meer heeft hij dit inzicht) dos te kommerlijker en pijnigender is het gevoel der onzekerheid van alle aardsch bezit en aardsch geluk. Van dit gevoel bevrijd te worden is onmogelijk, zoo men geen afstand van het gebruik van zijn verstand wil doen.
Maar ook afgezien van deze droeve onzekerheid aller aardsche dingen, — aangenomen zelfs, dat het niet zoo ware — zou nochtans al wat de aarde aanbiedt de menschelijke ziel niet in den grond gelukkig maken. Alle goederen en genietingen der
202
wereld zijn veel te weinig om een menschenhart waarlijk gelukkig te maken; dit kleine hart is te groot, want hoe klein het ook is, is het tot God geschapen; God is zijn element. „Het leven in deze wereldquot; — heeft een scherpzinnig Nederlander gezegd — „verdient dien naam niet, wanneer het niet verlicht en vervuld wordt door iets dat meer is dan deze wereld,quot; — wat zou het anders zijn dan die God, van wien Augustinus zegt: ,o God! tot U hebt Gij ons geschapen en ons hart is onrustig, totdat het rust vindt in U.quot; Zoo is het, en daarom is ons hart steeds op een dwaalweg, wanneer het zijn geluk in de wereld zoekt.
Zoo verwondert een menschkundige zich geen oogenblik, wanneer hij ziet hoe de wereldliefde geheel plotseling in wereldverachting, ja in wereldhaat overslaat; hoe de zinnendienst gaandeweg overgaat in walging, in walging van de wereld, in walging van zichzelven. Bij honderdduizenden loopen zij tegenwoordig op alle wegen rond, menschen zonder levenslust, zonder werklust, zonder liefde, zonder hoop, zonder geloof, — menschen die Goethe reeds teekent met de woorden: „Zij duizelen van begeerte tot het genot en versmachten in het genot naar de begeerte.quot; Dat de wereld door en door slecht is, is tegenwoordig de meest gevierde beschouwing, inzonderheid onder de bezittende klassen. Deze leer echter is de natuurlijke dochter van de verwerping der Godsopenbaring en natuurvergoding, zooals zij tegenwoordig in tallooze romans — ik noem van de schrijvers enkel Zola, Lindau, Ibsen — aan ons arme volk gepredikt wordt. Het dwepend schermen met het tegenwoordige leven en het spotten met een betere toekomende, gaat over in een gloeienden haat tegen het tegenwoordige. De philosoof E. von Hartmann meent daarom, dat de menschheid het best aan hare roeping beantwoordt door een ontploffende stof uit te vinden, die de gansche wereld in een puinhoop verandert. — Daar deze stof
203
nu ,helaasquot; nog niet uitgevonden is, blijft voor de mensclien in het bijzonder alleen het middel van den zelfmoord over. En daarvan maken dan in onzen tijd ook zoovele menschen gebruik, dat men onze eeuw — dezelfde eeuw, die een ongekende ontwikkeling der beschaving toont — de eeuw van den zelfmoord genoemd heeft. Ik houd deze uitdrukking voor te hard, maar dit is wel waar, dat de levensvreugdequot; heden ten dage een waar is die men zelden aantreft. Toen in het jaar 18701871 door Gods barmhartigheid een heerlijk, vereenigd Duitsch rijk tot stand kwam, toen ruischte er een frissche adem der levensvreugde door het gansche volk. Maar weinigen erkenden de zegenende hand Gods. De eersten stelden nu eerst recht vleesch tot hun arm. De dans rondom het gouden kalf werd waanzinniger dan ooit. Vergoding van het Staatsidee en van den Germaanschen geest traden inplaats van den dank aan God; weldra kwamen er teleurstellingen op teleurstellingen op elk gebied; de eene fmancieële slag volgde op den anderen; confessioneele geschillen verscheurden het volk; nu is het het maatschappelijk vraagstuk dat loodzwaar op de gemoederen drukt.
Somberheid, verdriet, vreesachtigheid, lagen op het gelaat van den eenen ; begeerlijkheid, nijd, klassenhaat, verteerden de harten van anderen. Hoe zeldzaam zijn de menschen, die vreugde in hun werk hebben! Onder de zoogenaamde „werkliedenquot; die de meerderheid van het volk uitmaken, zijn er weinigen, die hun arbeid voor het werk aanzien, dat de hand van don wijzen en goedertierenen God hun heeft aangewezen. Arbeid is enkel een noodzakelijk kwaad, een noodwendig middel van bestaan en genot. En de voorname leuze is: ,Zoo weinig mogelijk werk voor zooveel mogelijk loon.quot; Van levensvreugde is geen sprake. Levensvreugde hebben die lieden enkel als zij droomen van de bereiking van hun ideaal, dat toch nooit vervuld kan worden.
204
En is het met de levensvreugde beter gesteld bij dengenen, die in uitgezochte weelde leven, wier bestaan een aaneenschakeling van zwelgerijen, allerlei vermakelijkheden en zoogenaamd kunstgenot vormt? Wij behoeven, om het antwoord te vinden, enkel de bladzijden van de statistiek der zelfmoorden op te slaan. Er zijn er naar evenredigheid weinigen, die uit gebrek en nood een einde aan hun leven maken. Hier is een koning, daar de kroonprins van een groot rijk, die na een leven vol waanzinnige uitspattingen zich in den afgrond van den zelfmoord storten; daar jonge dames, die wegens een roman van Zola zich vergeven. Hier een millionair, die, hoewel hij nog schatrijk is, wegens een mislukte onderneming den kogel gekozen heeft; daar een beroemd hoogleeraar, die geen nadere oorzaak van zijn zelfmoord opgeeft dan : „Het leven is hol.quot; Hier is het een rijke wellusteling, die den beker der zonde tot op de heffe geledigd heeft, die hem ook verder nog ledigen kon, maar geen lust meer tot den wellust heeft, daar hij zich bedrogen vindt; daar zijn het schoolknapen, die niet werken en toch schitteren willen en nu ter oorzake van een ongunstig examen naar den strop grijpen.
Wellicht zal men mij tegenwerpen; ,o. Het aantal zelfmoordenaars is in verhouding tot liet aantal overige menschen, zoo oneindig klein; hoe kunt gij er zooveel ophef van maken?quot;' Nu, dat dit aantal naar evenredigheid klein is, is juist; maar niemand die de wereld kent zal mij tegenspreken, zoo ik zeg, dat er achter ieder die den laatsten stap tot zelfmoord doet, altijd duizenden staan, die even levensmoede z ij n als hij, maar die door een onwillekeurige afschrik of wel door een overblijfsel van geloof voor het uiterste bewaard worden.
Volgens een bericht van een Engelsch dagblad had men onlangs — ik weet niet meer waar — uit de Clyde het lijk van een goed gekleeden jongen man opgehaald. In zijn vestzak vond
205
men een reep papier mei deze woorden: „Vraag niet wie ik ben. Doe geen onderzoek naar mijn persoon. Ik sterf als het slachtoffer der dronkenschap. Mijn leven is nutteloos verloren.quot;' -- Zoover het schrijven van den zelfmoordenaar. Toen nu de politie nochtans het vinden van het onbekende lijk publiek maakte, ontving zij tweehonderd en drie — brieven van bezorgde ouders, die zulk een einde voor hun verdwenen zoon vreesden en om eene beschrijving van het lijk verzochten. Deze allen achtten het dus mogelijk dat hun zonen op deze wijze omgekomen waren ; want zij kenden hun levenszatheid. •— Evenals men echter een hoofdstuk schrijven kon over de slachtoffers der dronkenschap, kon men dat over de slachtoffers van het opiumgebruik, over de slachtoffers der ontucht, der genotzucht van allerlei aard, der onzinnige vermaakzucht, — over de slachtoffers der winzucht (die, helaas, door loterijen van den „Christelijken Staatquot; beschermd en erkend wordt!) over de slachtoffers der speculatie woede en allerlei razernij, die onze eeuw boven andere gemaakt heeft. Welke zucht het echter ook zij, — de walging van het leven s 1 u i m e r t a 1 t ij d i n h e t m i s-b r u i k van h e t 1 e v e n. Zoodra een mensch in dezen of genen vorm, op fijner of grover wijze een slaaf van de vergankelijke goederen dezer wereld wordt, is het met de ware levensvreugde uit. De stof verslindt degenen, die haar aanbidden. De stofvergoding is de verderfengel der menschheid.
Waar is dan hulp? Waar is redding? Hoe kunnen de wegstervende menschen in een wegstervende wereld tot een gezonde en bestendige levensvreugde geraken? Eeniglijk en alleen door het geloof; eeniglijk en alleen door het Evangelie!
3. DE LEVENSVREUGDE VAN CHRISTUS' DISCIPELEN.
Toen ik onlangs onze rivier de Weser langs ging, zag ik daar twee schepen liggen. Het eene was blijkbaar een Nederlandsch
206
schip, want het droeg den fleren naam: Onderneming; de naam van het andere verried zijne nationaliteit. Hij was aan een taal ontleend, die thans nergens meer gesproken wordt. En toch verstaat elk ontwikkeld mensch de beteekenis van den latijnschen scheepsnaam; hij luidt: „Memento moriquot;! („Gedenk te sterven!quot;) Vlak naast elkander lagen de beide schepen en de golven van dezelfde rivier klotsten rondom beide heen. „Jean qui rit et Jean qui pleurequot; (Jantje huilt en Jantje lacht) zeide een vriend, die naast mij ging, toen ik hem op de scheepsnamen opmerkzaam maakte, en hij had niet zoo geheel ongelijk.
Mij trof het dat in deze beide namen tweeërlei levensleus, tweeërlei levensbeschouwing uitgesproken was. „Onderneming!quot; — Dat is de leus van den mensch, die krach'; en moed gevoelt, die den drang om iets te worden, te werker,, en tot stand te brengen in zich draagt. Met zwellende zeilen zien wij het schip de schuimende baren doorklieven: „Onderneming!quot; „Memento mori!quot; — roept de huiveringwekkend ernstige kapitein van het andere schip. „Klippen rondom heen, gevaren rondom heen, vijanden rondom heen, gevaren en vijanden aan boord. Elk oogenblik kan alles uit zijn.quot;
Zonder twijfel verdeelen zich de menschen in deze twee soorten. In de wereld altijd weder iets nieuws te ondernemen, te bereiken, te verkrijgen, dat is hun lust en daarin gaat al hun bedenken op, totdat zij, helaas maar al te vaak, uitgeput, teleurgesteld neerzinken of wel in het leger dergenen overgaan, op wier vaandel het „Memento mori!quot; staat. Dat alles, alles in de wereld ijdel en onzeker is, dat niets waard is geliefd te worden, dat een ieder altijd de dood voor oogen moet staan, dat is hun wijsheid. Zoo was en is het in het monnikendom, zoo zijn zekere poëtische richtingen, zoo zijn de pessimisten.
Welke wereldbeschouwing nu is die van het Evangelie? Er
207
zijn menschen genoeg, die deels uit strafwaardige onwetendheid, deels uit boosheid het Christendom lasteren alsof het „ V a n i t a s vanitatum!quot; (Alles is ijdelheid) of het „Mem e n t o m o r i!quot; zijn voornaamste leus zou zijn. Ware dat zoo, zoo zou het een afgrijselijke godsdienst zijn; liever beet ik mij de tong af dan dit te prediken en zoo den menschen nog hun weinigje vreugde in het leven te ontrooven. — Doch Goddank, het Christendom is iets geheel wezenlijks. Het wil niet nemen, maar geven en ons slechts ontnemen wat ons drukt en verderft. Op de vraag echter, welke van de beide zooeven aangeduide levensbeschouwingen door het Evangelie gehuldigd wordt, luidt het antwoord : Geen van beide. Het behoeft geen betoog, dat het Evangelie ons ten ernstigste waarschuwt onze zielen niet in aardsche, wereldsche ondernemingen te laten opgaan. Maar evenmin bestaat de ware Christelijke geest daarin, dat men mijmert over den dood en zich in sombere beschouwingen over de nietigheid en ijdelheid aller dingen verdiept. De Christelijke geest strekt er zich naar uit, om in den tijd een leven te gewinnen, dat boven allen tijd verheven is — dus het eeuwige leven. De apostelen prediken niet: „Memento mori!quot; maar: „Grijp naar het eeuwige leven, dat u in Jezus Christus verschijnt.quot; Laat dit uw eerste en belangrijkste onderneming zijn; alle andere zullen dan daardoor geregeld worden en niet tekort komen. Over den dood echter behoeft hij niet meer te rede-neeren en voor den dood behoeft hij niet meer te sidderen, die van het eeuwige leven verzekerd is. Levensvreugde is onzin, zoolang ik geen stervensvreugde heb; stervensvreugde echter is ondenkbaar, zoo ik niet verzekerd ben van een leven, dat boven den dood verheven is. Dus leven alleen kan levensvreugde verwekken. En inderdaad, leven wil Hij ons geven, die gezegd heeft: „Ik ben het levenquot;.
Het doel van zijn spreken tot zijne jongeren en van zijn
208
omgang itqgL hen, was, dat z ij n e b 1 i] d s c h a p in hen zijn, in hen blijven en vervuld worden zou (Joh. 15; 11). Deze blijdschap is wezenlijk iets anders, dan hetgeen men in de wereld blijdschap noemt. Wanneer reeds in het algemeen (gelijk Ernst Moritz Arndt zegt) de ware blijdschap „een ernstige zaakquot; is, dan geldt dit natuurlijk het meest van de hoogste blijdschap, van de blijschap die Jezus den zijnen geeft. Gelijk Hij tot hen zegt dat Hij hun een vrede geeft,niet zooals de wereld geeft, zoo gaat het ook door, dat Hij een b 1 ij d s c h a p schenkt, niet zooals de wereld geeft.
Nemen wij een voorbeeld. Toen de Heiland ten hemel gevaren was, keerden zijne discipelen van den Olijfberg terug naar Jeruzalem, met groote blijdschap en volhardden daar ook in (Luk. 24:52, 53). Wat was er dan van zoo verblijdenden aard? Oogenschijnlijk zeer weinig, ja, minder dan niets. De natuurlijke inensch verblijdt zich, als hij zijn wil verkrijgt. Wat nu de discipelen betreft, zoo had de Heere Christus juist vóór zijn opvaart aan hun innig verlangen, aan den vurigen wenscli huns harten, dat Hij namelijk het koninkrijk Israel zou oprichten, den bodem ingeslagen. — De natuurlijke mensch voorts verblijdt zich, wanneer hem een vooruitzicht op glans, winst, eer of genot in de wereld geopend wordt. De Heiland echter had zijn discipelen een arbeid opgedragen, die het tegenovergestelde van dat alles te verwachten gaf, namelijk spot, hoon, vervolging, lijden van allerlei aard en ten slotte den marteldood. Hij zond hen uit als schapen onder de wolven. Hij zeide hun uitdrukkelijk dat zij in de wereld zouden zijn, zooals Hij daarin geweest was; dat zelfs godsdienstige menschen meenen zouden God te dienen, indien zij hun het leven benamen. En bovendien ging Hij nu van hen en liet hen naar het uitwendige beschouwd — alleen.
Dat was geen verblijdend vooruitzicht voor het leven. En
209
nochtans waren zij „grootelijks verblijd.quot; Zeer verblijd zijn en blijven zij als de donkere golven der demonische vijandschap tegen Christus na het Pinksterfeest zich weder verheffen (Hand. 5 : 33, 40, 41 en 42). Stéf'anus' gelaat blinkt zelfs als het aangezicht van een engel, als de hel rondom hem woedt. (Hand. G). De kamerling uit het Moorenland „reisde zijn weg met blijd-s c h a pquot; (Hand. 8) nadat hij in den naam van Jezus gedoopt was en nu eenzaam en alleen den ondoordringbaren nacht van het Ethiopische heidendom inging. Nochtans „met blijdschap!quot; En overal wordt ons in de Handelingen gezegd, dat de nieuw geworven Christenen met g r o o t e b 1 ij d s c h a p vervuld zijn geweest, niettegenstaande de tijden zoo zwaar en gevaarlijk mogelijk waren.
Wat was dat dan voor een zeldzame blijdschap? Wel, hel was de blijdschap van Jezus; dat wil niet alleen zeggen de blijdschap over Jezus, maar dezelfde blijdschap, die Jezus had en die wij hebben leeren kennen. Gelijk Hij wist éen te zijn met den Vader, zoo weten ook zij door Jezus onafscheidelijk met Hem vereenigd te zijn; zij weten dat niets hen scheiden kan van zijn zaligende liefde. Zij weten dat Hij, die in hunne zwakheid nochtans zijn werk begonnen heeft, het ook ondanks hun zwakheid voleinden zal tot op zijn grooten dag. Zoo zijn zij van Gods genadige nabijheid verzekerd; zoo zijn zij verzekerd van het hoogste doel.
En wat hun arbeid in de wereld — de verbreiding van het Evangelie — aangaat, gewis was die zeer zwaar; hij was zelfs onmogelijk, zoo zij daarbij op zichzelven zagen en aan zich-zelven dachten. Maar juist dat hadden zij afgeleerd; juist dat moesten en wilden zij hoe langer hoe meer afleeren. „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aardequot;, zoo had hun Koning tot hen gesproken. Daar hielden zij zich aan, en zij hielden voor onmacht, wat de wereld macht noemde, en zij achtten gewin,
14
210
■wat de wereld schade noemde. Zij waren er vast van overtuigd, dat juist door lijden en verdrukking heen de weg tot groote, eeuwige zegepraal liep.
En was dan de arbeid geen blijdschap, wanneer men hem zoo beschouwde? Een dood ruw blok marmer in een schoon beeld van een mensch te kunnen veranderen, dat moet een groote blijdschap zijn. Doch hoe oneindig veel grooter is het toch, wanneer men er aan mede mag helpen, de doode wereld een nieuwe ziel in te ademen! Niet alleen Johannes maar al de apostelen zagen aanhoudend bij hun zendingsarbeid met liet oog des geestes de schare uit alle volken en tongen, die niemand lellen kan, voor den troon van God staan (Openb. 7:9), — door hun arbeid geworven! Is dat geen blijdschap? Verschaft dat geen oneindige levensvreugde?
Ik zeg: „Is dat geen blijdschap?quot; Want de Christenen van alle tijden moeten dezelfde blijdschap hebben als de Christenen uit den eersten tijd. Het is dezelfde zekerheid des heils, dezelfde hoop, dezelfde aardsche arbeid — namelijk dat elk op zijn post zielen voor den Heere wint — thans zooals vóór achttienhonderd jaar en over achttienhonderd jaar zoóals thans. De vrucht des Geestes is blijdschap eens voor altijd. „Het koninkrijk Gods is vrede en blijdschap in den Heiligen Geest.quot; Dat er bij staat: „in den Heiligen Geestquot; is geenszins een beperking of inkrimping van de zaak. Integendeel, daardoor juist heeft deze blijdschap het karakter der eeuwigheid, dat zij door den Heiligen Geest van Jezus verwekt is en dat deze Geest haar element is, — de vreugde waar de geestelijke mensch in ademt.
Alles samengenomen, bestaat dus de blijdschap van een Christen daarin, dat hij weet een kind van God te zijn, dat hij weet een genadigen God te hebben. Daardoor nu wordt hem al het schoone in de wereld dubbel lief en waard, want hij vindt
211
daar den zegen en het voetspoor zijns Gods in. Anderzijds kan hij ook alles ontberen zoo God het wil, want die God, die dat wil, vergoedt het hem duizendvoudig. Hij kan alles hebben; hij kan ook „nietsquot; hebben en behoudt toch altijd het beste. Hij kan genieten met dankbaarheid en blijdschap, maar laat zich door niets gevangennemen.
Zoo geniet hij een koninklijke vrijheid en oefent een heerschappij over de wereld, ofschoon hij, in wereldschen zin genomen, niets in de wereld te zeggen heeft. Hij is vrij van alle menschen, ofschoon hij allen gaarne dient. Hij weet dat hij van goddelijken adel is, al mogen de menschen er om lachen of .er tegen razen. Zoo kan de gevangene, geketende Paulus met edelen trots zijn koninklijken rechter de woorden toevoegen: „Ik wenschte wel van God dat gij werdt, gelijk ik ben, uitgenomen deze banden.quot; Zoo vinden wij bij Luther in de donkerste tijden een wonderbare blijdschap in zijn leven. Zoo bij elk gezond Christen. Hou zou het ook anders kunnen, wanneer men van Gods nabijheid verzekerd is ?
Deze zekerheid van Gods nabijheid was reeds de kracht der Oud-Testamentische dienstknechten Gods. Daarom was Abraham een blijmoedig man; daarom kon Jozef „zijn hoofd zalvenquot; in de droefste dagen. Daarom zong David lofliederen, toen de gansche wereld zich tegen hem keerde. Maar als Elia, vol weerzin tegen het leven, in de woestijn neerzijgt en onder den jeneverboom die droeve bede doet hooren: „Het is genoeg, neem nu Heere, mijne zielquot;, ja hoe komt hij daartoe? Hoe is hij tot deze levenszatheid gekomen? Wel, eeniglijk en alleen daardoor, dat hij de verblijdende tegenwoordigheid Gods verloren heeft, dat hij in elk geval niet meer aan Gods tegenwoordigheid onder ziju volk gelooft. Zoodra hem daar beter inzicht in gegeven wordt heft hij zijn hoofd weder met levensvreugde op en zijne hand is weer sterk tot den arbeid en strijd.
212
Zoo was het reeds onder het Oude Verbond. Hoeveel te meer moeten wij, kinderen des Nieuwen Verbonds, aan wie God in Christus zoo vaderlijk verschenen is, levensvreugde hebben. Zij bestaat dus daarin dat gij een verzoend kind Gods zijt. Zoo kan zij dan ook door niets verstoord worden dan door uw eigen zonde, door aanhoudende verlating van uwen God. Anders door niets en door niemand. Deze levensvreugde hangt derhalve niet af van de wisselende toestanden om u heen, anders ware zij immers zoo veranderlijk als deze zijn. Zij hangt er niet van af of het „levenquot; u veel of weinig aanbiedt; hoewel ik gereedelijk toegeef dat somwijlen de vreugde daardoor zeer bevorderd of bemoeilijkt wordt. Nochtans daarvan afhangen kan zij niet, want „wat ons doet zingen is hetgeen in den hemel isquot;. Tot zoo hoog reiken de stormen der aarde niet, ofschoon zij ons hart kunnen doen beven en onze oogen met tranen vullen. De b 1 ij d s c h a p kunnen zij niet ontrooven. De barmhartige en lankmoedige God, die weet welk maaksel wij zijn en die onze zwakheid kent, beter dan wijzelven, versmaadt zijn zwaar beproefde kinderen zeker niet, als hun soms het hart ontzinkt en de levensmoed bezwijkt. Wij moeten onszelven echter deswege berispen en zeggen: „Als het goed stond met uw geloof, kon het zoo niet gaan.quot;
De vraag derhalve, of het mogelijk is de blijdschap des levens te bewaren, als God iemand langs zulke eenzame, verlatene wegen leidt, of als men een ongelukkig huwelijk beleeft, of als men in zwaar lichamelijk lijden verkeert, of als men, met betrekking tot zijn aardsch beroep op zulk een zwarea post gesteld is, — deze vraag is geen vraag, want zij is feitelijk beantwoord. Zij is feitelijk beantwoord niet alleen door de kinderen Gods, waar de Schrift ons van verhaalt, neen, zij wordt gestadig beantwoord door levende Christenen, die in de moeilijkste toestanden verkeeren.
213
Wie twee eenvoudige oogen heeft, behoeft niet ver te gaan en hij zal er de levende voorbeelden van vinden dat het lijden dezes tijds heerlijkheid baart en dat het tengevolge daarvan mogelijk is, te „roemen in de verdrukkingquot;. Nochtans wil ik hier iets verhalen. Daar was een dienstmeisje, een weeskind, dat reeds vroeg den Heiland van harte had liefgekregen. Toen zij zestien jaar oud was, verhuurde zij zich in het huis van een dame, die zenuwlijdend, zeer wantrouwend, altijd knorrig en nooit tevreden was. Daardoor had nog geen dienstbode het langer dan een half jaar bij haar kunnen uithouden. Men zeide dat ook waarschuwend tot onze Maria. Maar wat antwoordde deze? „Die arme vrouw! Hoe noodig heeft zij iemand om zich heen, die opgeruimd is, — iemand die liefheeft. Ik zal niet rusten voordat de arme vrouw zich ook gelukkig gevoelt.quot; En werkelijk rustte zij niet. En zie, het was uit te houden; ja, het werd gestadig beter. En toen zij na twaalf jaar het huis verliet om een weduwnaar met vijf kinderen te huwen, toen bad de dame haar dienstbode Gods zegen toe en zeide: „Door u heeft God mij het leven geschonken, het tijdelijke en het eeuwige.quot; — o, Gij mijn vriend, die bij uzelven zegt: „Ik ben zoo verlaten, zoo miskend, nooit erkend, zoo weinig bemind, — wreek u daardoor dat gij uit kracht van de vreugde des levens, die Jezus geeft, dubbel liefhebt. En al zoudt gij daardoor niet meer dan éene ziel voor de wereld der eeuwigheid winnen, welk een zegen voor u en voor deze ziel!
Zoo heb ik fabrieksarbeiders gezien, wier werk even zwaar als eentonig was, en die desniettemin met groote levensvreugde vervuld waren door de rust, die overblijft voor het volk van God. Ook leidden zij een gelukkig huiselijk leven.
Wie de „Reisbrievenquot; van den beroemden hoogleeraar Gelzer bezit, vindt daar de mededeeling in over een ontmoeting met een blinde. Doch laat ons hemzelven laten spreken.
214
„Mevrouw E. te Hofwijl, in Zwitserland, heeft een arme oude blinde ter verpleging bij zich opgenomen, die vele jaren lang te Bern, wegens haar innige, oprechte godsvrucht onder den naam van de „blinde Eisyquot;, een zekere vermaardheid gekregen had. Op mijn verzoek verscheen de twee en zeventigjarige ook bij ons met de guitaar, en nadat zij mij als een ouden bekende gegroet had, zong zij voor mij zonder den minsten schroom enkele van haar lievelingsliederen met nu en dan trillende stem, maar met een treffende uitdrukking. Het eerste lied, dat zij voor mij zong, had zij als kind reeds in haar prille jeugd geleerd en wonderbaar was zij daar vaak door vertroost geworden. Ik schreef het voor mij op, omdat het in zijn eenvoudigheid een diepen indruk op mij maakte, evenals het ook aan de grijze zangster vele tranen ontlokte.
Daarboven, omhoog, in den hemel is 'tgoed!
Geloof en betracht dit, het staalt uwen moed.
Daarboven, omhoog, iicht een eeuwige dag;
Geen nevel of smarte die daar iets vermag.
Geen heimwee, geen zuchten, geen weenen of druk;
Slechts loven en danken , in hemelsch geluk.
Daarboven, omhoog, is het bruiloft. Hoe schoon
Is de erve des pelgrims, den bedelaarsloon!
Wees vroolijk, mijn ziel, want ook ik ben genood.
Voor mij ook de feestdisch, — genade, hoe groot!
Schenk , Heere ! mij vleugels om opwaarts te stijgen ,
Hosanna, mijn ziele, gij zult het verkrijgen!
Grooter genoegen, verklaarde de briefschrijver, had men mij dezen avond niet kunnen bereiden, dan door dit kunstelooze gezang van de blinde Eisy, dat van 't reine altaar van een ongeveinsd hart als een wierookwolk rechtstreeks opsteeg naar den verborgen troon van den Algoede.quot;
Ja, dat moet ik erkennen, dat het mij een verkwikking was.
215
Dat was een sprekend bewijs, dat men levensvreugde hebben kan in den ouderdom, ja in den nacht der blindheid, dat men rijker kan zijn dan een koning, ondanks men bij menschen het „genadebroodquot; eel. Dat was anders dan wanneer men in den schouwburg een vergode primadonna hoort, die een „verrukkelijkequot; stem heeft en wier hart toch wellicht door eerzucht, jaloerschheid en wulpschheid verteerd wordt, en die morgen wellicht door levenszatheid gekweld een hoeveelheid rattenkruid inneemt. Bij de blinde was leven, dat geen dood verslinden kan, en daarom ook levensvreugde, — eeuwige jeugd in weerwil van de twee-en-zeventig jaar.
Gij kunt ze ook hebben, zoo gij, evenals zij, van het „erfdeel der heiligen in het lichtquot; zeker wordt. „Wat wij n o o d i g hebben in het leven, dat is moed en ootmoed,quot; zegt de hoogleeraar Hilty. „Elk op zichzelf werkt schadelijk.quot; Zeker, ootmoed zonder geloofsmoed loopt op vreesachtigheid uit; geloofsmoed zonder ootmoed — nu die bestaat in het geheel niet; indien hij echter bestond, zoo zou hij tot hoogmoed leiden . — tot dien hoogmoed, die steeds vóór den val komt, ja die den val reeds in zich sluit. Moed en ootmoed behooren bijeen. De rechte geloofsmoed en de ware ootmoed z ij n ook altijd samen. Zij vloeien uit dezelfde bron voort, — uit de ervaring van de genade Gods. „Alles uit genade — dat wekt ootmoed; uit genade tot liet kindschap Gods verheven, dat wekt den moed en de blijdschap des levens, die door niets wat de wereld oplevert, op den duur geschokt kan worden. Want „niets kan ons scheiden van de liefde Godsquot; (Rom. 8 : 38, 39). „In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, die ons liefgehad heeft.quot;
Wie in die verzekerdheid leeft, die is in de „eeuwige jeugdquot; overgegaan. Hij heeft de blijdschap van Jezus in zich. Hij heeft „levensvreugd e.quot;
IX.
JEZUS, DE NATUUR EN HET MENSCHELIJK LEVEN.
Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren, en uw hemelsche Vader voedt ze nochtans. — Aanmerkt de leliën des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet en spinnen niet. En Ik zeg u dat ook Salomo in al zijne heerlijkheid niet is bekleed geweeist gelijk een van deze. (Matth. 6 : 26, 28 en 29.)
1. TOCH EN NOCHTANS — GOD IN DE NATUUR!
Het is in den herfst dat ik dit schrijf. De vogeltjes, die ons met hun vroolijke bewegingen en hun welluidend gezang verheugden, zijn wijd, wijd heengevlogen naar verre landen of hebben zich anders verscholen. Niemand weet waarheen. Uitgebloeid zijn de bloemen, die de lust onzer oogen waren en ons zulk een aangenamen geur verschaften. Hard en streng loeit de Novemberstorm over de velden, die ons voor korten tijd nog het beeld van zegen en volheid vertoonden. De bladeren, die nog aan de boomen gezien worden , zijn slechts nog door een zwakken vezel aan de twijgen verbonden; eigenlijk zijn zij reeds dood. En de lichtste windvlaag maakt duizenden van die dunne lijken los en doet ze ritselend op den aardbodem nederstrijken.
217
Kortom, deze schoone wereld, die ons omringt en ons op zoo menigvuldige wijze verblijdde en verkwikte, zinkt in den dood. Het is alsof een trouwe vriend ons verliet. Hoe zou ons dat niet weemoedig stemmen! Daarom sluiten de menschen zich nu dichter dan vroeger aaneen, om elkaêr wederzijds te vergoeden wat hun op een ander gebied ontnomen wordt. In den vertrouwelijken huiselijken kring en in alle soorten van gezelschap, in de beoefening der muziek en menigerlei kunst, in onderhoudende of leerrijke voordrachten enz. zoekt men een vergoeding voor de wegstervende natuur. En zonder deze vergoeding zou het herfstgevoel ons nog veel meer neerdrukken dan het buitendien reeds doet.
Wat echter alle meer teeder gevoelende en godvreezende menschen het meest bezwaart is niet dit, dat hun nu allerlei schoons en wat de zinnen verheugt ontnomen wordt, maar dat hun voor lange maanden een groot, heerlijk boek, waardoor God zelf tot hen spreekt, meer of minder toegesloten wordt. Niet alleen het uitwendige leven, maar ook het inwendige verliest een zijner bronnen. Het is eenigermate zoo, als wanneer men een groot minnaar van muziek, die piano of viool bespeelt, voor een tijdlang zijn instrument ontneemt.
Wel weet ik dat millioenen menschen van deze stem Gods in de natuur niets willen weten. Zij zien daarom niets dan stof, die in eeuwigen omloop is. Zij zeggen: „Wij hebben de geheele natuur doorzocht en er geen God in gevonden. De aardbol bestaat in zijn kern uit een gloeiende massa. In de schors zijn vele soorten van steen, zout, lood, kolen, koper, ijzer, zilver, goud; op de oppervlakte is water, lucht en licht.quot;
Dat alles kan men door middel van de wereldverbazende uitvindingen der tegenwoordige wetenschap, in de fijnste deelen ontleden of oplossen; doch altijd heeft men alleen stof voor zich en nooit God. Ook de planten, dieren en menschen be-
218
staan uit dezelfde stoffen, en niet anders is het gesteld met de zoogenaamde hemellichamen, zon, maan en sterren, hoe schitterend zij ook van verre schijnen mogen. Van een ons ter-fel ij ken geest is nergens iets te vinden; nergens iets van een God, nergens iets van zijne liefde en goedheid of van zijn hart.quot; Men maakt daar de gevolgtrekking uit: „Omdat wij het niet vinden, is het er ook niet.quot;
Dit betoog, dat door tallooze geleerde mannen gevoerd wordt, brengt zelfs vele godvreezende gemoederen in verlegenheid, terwijl de groote massa der menschen het met uitbundige instemming begroet. In werkelijkheid rust dit betoog op een grove, ja waarlijk ruwe barbaar se h hei d. Geen grooter barbaarschheid en wreedheid kan er bestaan, dan dat men tegenover de uit duizend wonden bloedende menschheid het hart der liefde Gods, die alles ten goede bestuurt, uit de wereld wegredeneert. Ja, dan is werkelijk het leven in dezen tijd onverdraaglijk, wanneer het enkel een troostelooze strijd om het bestaan is.
Maar ook uit het oogpunt van het verstan d beschouwd is dit betoog ontzettend ruw. Omdat men met vergrootglas en peilstift noch God noch geest kan vinden, daarom zal van het bestaan van God en geest geen sprake kunnen zijn! Voor een doove schrijft men op een lei: „De geheele kamer is vol van de liefelijke tonen van het lied, dat zooeven gezongen is.quot; Deze echter glimlacht eigenwijs en spottend en zegt: „Ik zie niets van die tonen, ik hoor er ook niets van, gij zijt dwepers en droomers.quot; Hoe? Zullen nu degenen die ooren en mu zikaal gevoel hebben, zich daardoor in de war laten brengen'? Bestaat dan werkelijk alleen datgene, dat ik met mijn vijf zinnen kan waarnemen?
Voor mijne oogen staat op een ezeltje een teekening, een lust om te zien. Bonte vogeltjes brengen aan den bloeiendeu
219
tak van een perzikboom een bezoek en zijn blijkbaar over hetgeen hier te zien, te proeven en te ruiken valt zeer tevreden. Deze teekening heeft mijn kind, dat in de verte toeft, voor mij geteekend en mij toegezonden. Ik zie uit het kleine kunststuk niet alleen den goeden smaak en de bedrevenheid van de jonge teekenaarster; neen, ik zie meer; ik zie er den vriendelijken toeleg in om haar vader te verblijden. Ik zie het hart der liefde dat daarin klopt; ik zie hoe dit hart de vingers van mijn kind in beweging brengt; ik zie hoe het haar onder hare vermoeiing gestadig tot nieuwe verbeteringen aanspoort. Ik hoor hoe zij eindelijk in de handen klappend uitroept: „Zoo, nu is het goed. o, Hoe zal dat mijn vader verheugen! Als ik het hem maar zelf overhandigen en den kus zijner liefde ontvangen kon!quot; Dat alles zie en hoor ik. Anderen, die voor het ezeltje staan, zien daar slechts „een aardige teekening, maar waar nog veel aan te verbeteren valt.quot; Of wel zij zeggen; „Dat is maar een gelukkig gegroepeerde stof; kleuren en karton, dat is alles.quot; Van mijn gevoel en inwendige gewaarwordingen hebben zij geen begrip. En toch zal ieder, die verstand heeft, mij toegeven, dat i k gelijk heb, als ik de liefde en het hart van mijn kind in de teekening zie.
Welnu, gij vindt noch God, noch Gods liefde in de wereld, — maar volgt daaruit dat zij niet een gewrocht van zijn wijsheid en macht kan zijn? Volgt daaruit dat niet de adem zijner-liefde de wereld doortrekt en voor degenen die Hem zoeken en liefhebben alles ten goede bestuurt? Kan dan niet het stoffelijke, het zinnelijke, het vergankelijke een spiegel zijn van het onvergankelijke en onzichtbare, wanneer reeds de kleine teekening op mijn ezeltje mij zooveel van onzichtbare dingen kan verhalen? — En verder: kunnen niet dezelfde wetten, die ons in de zichtbare dingen openbaar worden, ook in het rijk des geestes heerschen? Ja, moet niet ieder die bovenal van
220
een God en Schepper gelooft, reeds vooruit vermoeden, dat dezelfde wetten in de zinnelijke wereld en in de wereld des geestes gelden, daar immers beide werelden aan Hem, den eenen grooten Meester, haar oorsprong danken?
Onze Heiland heeft daar het antwoord op gegeven en wel een bevestigend antwoord. Hij heeft er wel nooit een rede over gehouden, dat de wereld om ons heen nog iets anders is dan doode stof. De menschheid was toen nog niet zoo laag gezonken, dat zij den adem des Eeuwigen in de geschapene dingen niet meer bespeurde; zij was toen nog niet zoo diep gezonken, dat zij het gansche heelal slechts als een scheikundig toebereidsel beschouwde. De Heiland ziet overal de wereld met God verbonden; de wereld looft Hem, den Meester, en in het werk bespeurt Hij de gedachten en plannen des Meesters.
Ergens in de nabijheid van het Vienvaldstadtermeer las ik: de volgende woorden onder het standbeeld van Nikolaus von der Flüe: „Door de invallende en terugkaatsende lichtstralen Gods kwam hij (namelijk Nikolaus) tot de erkentenis dat alles uit God komt en weder tot God terugkeert.quot; Nu, indien dat reeds van den geloovigen Zwitser gezegd kon worden, dan nog duizendmaal meer van Hem, die niets heerlijkers en zaligers kende, dan te zijn „in de dingen zijns Vaders.quot; Met een oog dat gedrenkt was met het wonderlicht der eeuwige Zon, ontdekte Hij nu de stralen Gods in alle geschapen dingen. Anderzijds bevond Hij dat z ij weder de eeuwige gedachten Gods verklaarden. Hij vond in de natuur een heerlijke schatkamer van gelijkenissen om de gedachten Gods, die voor het verduisterde menschenhatt zoo zwaar zijn om te verstaan, voor het luisterende volk verstaanbaar te maken. Hij vond in de Godsregeering in de natuur echter ook een rijke bron van stichting en troost, bijvoorbeeld zegt Hij: „Ziet de vogelen op het dak! Aanschouwt de leliën op het veld! Gaat ze toch niet voorbij,
221
alsof het doode en troostelooze dingen waren. Neen, hier moeten de oogen geopend worden; hier is iets te zien!quot; Ja maar wat dan? Hoort: „De God, die het gras bekleedt, dat toch heden bloeit en morgen wordt afgesneden, — de God, die de lelie zoo schoon siert, niettegenstaande zij morgen verwelken moet, — de God, die voor de musschen zorgt, ofschoon zij van zoo geringe waarde zijn, dat men er twee voor een penning koopt, — die God zou niet voor u, menschen, zorgen, voor u, die Hij schiep naar zijn beeld en tot het kindschap Gods? o Gij kleingeloovigen!quot;
Dat is geen vernuftig spelen met woorden. Neen, dat is een w e z e n 1 ij k e troostgrond, dien de Heiland daar in de natuur ontdekt. Wie bovenal nog een verbinding met God kent, dien moet de genoemde uitspraak van den Heiland toeklin-ken alsof een trouwe moeder tot haar beangst kind zegt: „Zie toch hoe trouw ik de bloemen in het venster verzorg en nooit vergeet haar water te geven: hoe zou ik nu «, mijn kind vergeten, dat ik met mijn hartebloed heb opgevoed en dat ik meer liefheb dan mijn eigen leven.
De ongestoorde vereeniging van Jezus met den Vader is derhalve de èene bron van zijn diepzinnige onmiddellijke vertrouwdheid met de natuur. De andere bron is deze, dat Hij van der jeugd af de natuur met een liefhebbend gemoed had beschouwd. Jezus was een dorpskind. Hij leefde temidden van een landbouwende bevolking. Er was in Nazareth geen school behalve het godsdienstig onderricht in het ouderlijk huis. Van natuurkundig onderwijs was in elk geval allerminst sprake. Boeken waren er niet, en ook buitendien was er weinig, waardoor Hij zijn geest had kunnen ontwikkelen. Zoo drong dan alles in de natuur zijn God zoekenden geest binnen. In dit groote boek Gods heeft Hij gelezen (wij zullen dat weldra op-
222
merken) gelijk nooit een mensch vóór Hem en na Hem. Aan de kennis die Hij daaruit opdeed, heeft Hij zijne zinnebeelden en gelijkenissen ontleend. Niemand begrijpt ze recht, tenzij hij den eeuwigen God in de schepselen gezocht en gevonden heeft — de wet des geestes in de wereld der vergankelijkheid.
o Dat wij ons toch met meer liefde in de natuur verdiepen wilden! Is zij niet het werk van denzelfden God, die onze zielen voor de eeuwigheid schiep? En zijn de geschapen wezens ons niet eenerzijds verwant? Zij en wij zijn uit dezelfde stoffen gevormd. En niet alleen bij de dieren is geboren worden en sterven, voeding en wasdom, voelen en gewaar worden, welstand en pijn geheel hetzelfde als bij ons. Neen, ook de planten ontstaan, groeien, bloeien, verwelken volgens dezelfde wetten aJs de menschenkinderen in deze wereld. Daarom zegt de godvruchtige zanger: „De dagen des menschen zijn als het gras, gelijk eene bloem des velds alzoo bloeit hijquot; (Ps. 103 : 15). Ja zoo is de mensch. Des te heerlijker steekt daartegen af het verheven lied van de genade Gods, die van eeuwigheid en tot in eeuwigheid is over degenen, die Hem vreezen (vs. 17).
Echter blijft het toch zoo, dat wij naar de aardse he zijde van ons bestaan kinderen der natuur zijn; daarom wordt elk kinderlijk gemoed door de vernieuwing der natuur bij den aanvang van de lente op krachtige wijze mede opgewekt, eveneens als het medelijdt wanneer het in den herfsttijd temidden van een wegstervende natuur staat. Licht en leven, duisternis en dood worden in de Heilige Schrift niet alleen als beelden van geestelijke toestanden en machten genoemd; neen, in het aarsche licht en leven is iets belichaamd van het hemelsch licht en leven, evenals duisternis en dood een duivelsch karakter dragen (Joh. 1 : 1 —10). Schoon zegt de godvreezende Karl Gerok ergens: „Ook de natuur is een duizendbladige platen-
223
bijbel, die ons van den grooten God in den hemel verhaalt. De vier jaargetijden zijn als vier groote en de twaalf maanden als twaalf kleine profeten, die ons, elk op zijne wijze, den Schepper aller dingen prediken. En de vier gedeelten van den dag zijn als vier evangelisten, die ons op onderscheiden toon, maar alle even indrukwekkend, van de liefde en goedheid Gods verhalen. — Wie heeft niet reeds bij het rollen van den donder een hnivering gevoelt van de heiligheid van Jehova en bij het suizen van de lentelucht zich beademd gevoeld van de vriendelijkheid en goedertierenheid Gods? Wie aanbidt niet reeds bij den aanblik van den sterrenhemel de almacht, en bewondert niet bij de beschouwing van een bloempje de wijsheid des Scheppers, die alles tot op het kleinste vezeltje toe zoo wijselijk geordend heeft? Wien heeft niet reeds een heldere morgenstond tot moedig vertrouwen op God opgewekt en een zacht schemerende avond tot stille overdenking gestemd?quot; En, zoo ga ik voort, is dan de zegepraal des lichts bij den opgang der zon enkel een prachtig schouwspel voor onze zinnelijke oogen ? Spreekt die zegepraal niet tot ons van den grooten dag der heerlijkheid, als wanneer het nieuw geschapen hemelsch licht alle duisternis voor eeuwig verdrijven zal. Spreekt die zegepraal ons niet van het licht, waarvan een dichter zoo schoon zingt.
o Heiland, Zon mijns levens, die mijn ziel verblijdt,
Geen donkre nacht breekt aan zoolang Gij bij mij zijt.
Jezus althans doet ons zien dat de natuur ons zeer veel te zeggen heeft over de eeuwige dingen, over het ontstaan en den wasdom van het inwendige leven. Hij heeft geen onoverkomelijke klove gesteld tusschen de zinnelijke wereld en de wereld van den hemelschen geest.
Voorzeker is deze zinnelijke wereld wel bedorven en ten doode gedoemd. Maar waarom is zij dat? Omdat de mensch haar met zich in den dood heeft medegesleept. Daarom is het dus
224
rechtmatig dat zij ook met den raensch verlost wordt. Het Evangelie toont ons aan het einde der dingen niet alleen een nieuwe menschheid, maar ook een nieuwen hemel en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont (Openb. 21 ; 1; 7 : 16 en 17), en waarin dood en rouw, gekrijt en moeite niet meer zijn zal. Op aandoenlijke wijze schrijft de apostel Paulus (Rom. 8) over het onbewuste heimwee en het diepe zuchten en verlangen der schepping naar de heerlijke vrijheid van de kinderen Gods. — Dat zijn zekerlijk geheimzinnige, zinnebeeldige woorden, wier verborgen zin ons eerst geheel ontraadseld kan worden, wanneer de vervulling gekomen is. Maar zij wijzen ongetwijfeld op het innig verband tusschen het tijdelijke en eeuwige, zooals Jacobi zingt:
't Laat alles zijne tranen vloeien,
Tot waar de verste sterren gloeien,
't Weent uit alle adren der natuur.
Al 't schepsel zucht naar de openbaring,
Smacht worstlend naar de vrijverklaring.
Verteerd door angst en liefdevuur.
Nooit echter heeft een mensch dit verband zoo gevoeld en zoo duidelijk uitgedrukt als onze Heer en Heiland. Geen wonder! Immers was door het Woord, dat in Jezus vleesch geworden is, de wereld geschapen! (Joh. 1:1,2, 3, 14). En door Hem, denzelfde, is de wereld verlost.
2. WAT ONS HET DAGELIJKSCH LEVEN LEERT.
Wanneer het ons niet zoozeer verwonderd doet staan dat de Heiland zijne zinnebeelden en gelijkenissen aan de natuur ontleent, dan moest het ons toch in het oog vallen, dat Hij hat ook geenszins versmaadt ze uit het d a g e 1 ij k s c h e m e n s c h e-lijke leven te nemen. Men kon meenen dat dit door de zonde zoo verdorven is, dat er tusschen het Goddelijke en het menschelijke geen betrekking meer kan gevonden worden.
225
En inderdaad, de Heiland geeft van het menschelijk hart — gelijk wij reeds elders hebben opgemerkt — een zeer ongunstige beschouwing. Is nu het menschelijk hart op zichzelf verdorven, dan staat het niet beter met het leven der mensch-heid in zijn geheel. Dat is aan geen twijfel onderhevig. De machinerie, die men de maatschappelijke orde noemt, is groole wanorde. — Doch, hoewel Gods beeld in den mensch verdorven is, toch is het geenszins vernietigd. Een schaduw van het Goddelijke is ook hier nog te vinden. In het Oude Verbond betuigt God: „Gelijk een vader zich ontfermt over de kinderen, ontfermt zich de Heere over degenen, die Hem vreezen.quot; Of: „ik zal u troosten, als een dien zijne moeder troost.quot; In den-zelfden zin vraagt nu ook de Heiland: „Welk vader onder u, wien de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven?.... Hoeveel te meer zal de hemelsche Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden!quot; Hij gaat dus uit van een gelijkenis tusschen den aardschen vader en den hemelschen Vader. Zoo wijst Hij er nu in een andere plaats op dat zelfs het hart van een onrechtvaardigen rechter door de onvermoeide en aanhoudende bede van een arme vrouw vermurwd wordt, en nu — zoo vervolgt Hij — en nu God! — Hij toont ons verder een man, wien een onbeschaamde vriend des nachts om brood voor zijn plotseling verschenen gasten verzoekt. De man staat ongaarne op; hij is geen blijmoedige helper, maar toch helpt hij. En nu God!
Kortom, wij zien dat de Heiland voortdurend in zinnebeelden spreekt, die Hij aan het leven en het bedrijf der menschen ontleent, zoo goed als aan de natuur. Het leven en het bedrijf der menschen was alzoo, bij gemis van andere boeken, het tweede groote boek, dat Hij las en waaruit Hij de stof voor zijne gelijkenissen nam. Het ligt echter voor de hand van welke buitengewone kracht deze wijze van leeren is. Wat goede a f-
15
226
beel dingen in een geschiedboek zijn, dat zijn de zinnebeelden en gelijkenissen, die Jezus gebruikte, in de Evangeliën. Een goede teekening stelt ons met éen oogopslag een landschap of eene gebeurtenis voor oogen op eene wijze zooals lange beschrijvingen het niet vermogen, en prent ze zoo diep in ons geheugen, dat wij ze niet vergeten kunnen, of wij willen of niet. Wie Rottmanns platen van Griekenland te Munchen of Kaulbachs „verwoesting van Jeruzalemquot; te Berlijn gezien heeft, weet van de dingen meer dan degene, wien ze met vele duizenden woorden beschreven zijn.
Zoo is het met de zinnebeelden, die Jezus gebruikt. Daaria worden de zichtbare dingen tot openbaarders van hetgeen onzichtbaar en eeuwig is. „De trage geest wordt door het in werking gestelde oog en oor aangespoord en het trage geweten wordt uit zijn sluimer gewekt, wanneer het ziet hoe de aardsche dingen een mond bekomen en tot hem spreken van de wetten en schatten des hemels.quot;
Nemen wij eenige voorbeelden. „Niemand, die zijn hand aan den ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het koninkrijk Gods.quot; Het beeld is ons terstond duidelijk. Het is klaar dat een landman, die ploegende is, maar onderwijl, achterom ziende, naar de voorbijtrekkende marktgangers kijkt of naar boven naar een zwerm vertrekkende ooievaars ziet — het is klaar dat die onmogelijk een rechte vore trekken kan. Hij is niet geschikt om te ploegen, zoo hij niet al zijne opmerkzaamheid en kracht aan dit werk wijdt. — Nu, zegt de Heiland, is het reeds zoo gelegen met den arbeid op den akker, inzonderheid is het dit met den arbeid in het koninkrijk Gods. Hier is het: geheel of in het geheel niet; een onverdeeld hart of volslagen onverschilligheid. — Ieder mensch toch, die een gezond menschelijk verstand heeft, moet het duidelijk zijn, hoeveel krachtiger zulk een zinnebeeld wordt, dan wanneer
227
de Heiland gezegd hed: „Wie het koninkrijk Gods wil binnengaan, moet het met volle beslistheid doen!quot;
Een ander voorbeeld. Het was een grove dwaling van het Farizeïsme, dat het groote overtredingen, zooals liefdeloosheid tegen de ouders, gering achtte en daarentegen vormelijke overtredingen, zooals het niet vertienen van moesgroenten, hoog aanrekende. Om nu de onoprechtheid in deze handelwijze duidelijk te maken, gebruikt Jezus een beeld: „Gij blinde leidslieden , die de mug u i t z ij g t en den kemel doorzwelg t.quot; Hoe onvergetelijk prentte Hij niet door zulk een zinnebeeld datgene wat Hij zeggen wilde in de harten zijner hoorders! Men stelle het zich slechts levendig voor! Muggen, de kleinste fijnste diertjes, zorgvuldig uitzijgen, opdat de melk, die men drinken wil, toch niet verontreinigd worde, •— maar tegelijk de kolossale onreine kameelen doorzwelgen alsof het niets ware! Welk een verpletterende tegenstelling.
Of, om zijn discipelen te waarschuwen, dat zij dezen nieuwen geest des Evangelies niet met de verouderde wet moesten vermengen, zegt Hij: „Niemand zet een nieuwen lap op een oud kleedquot;' enz. Het gezond verstand van elk mensch stemt dat terstond toe. Het is duidelijk dat het slechts verkwisting is, zoo men een sterken nieuwen lap in een oud versleten kleed zet; hij vindt daar geen houvast en daarom wordt de scheur weldra erger dan tevoren. Wacht u dus voor vermenging! Duizendvoudig gebruik konden de discipelen en kunnen nog tegenwoordig de Christenen van dit zinnebeeld maken.
Hoe onvergetelijk is het beeld van den man, die een balk in zijn eigen oog heeft en die er toch met voogdelijke zorgzaamheid op uit is om een splintertje uit het oog van zijn buurman te halen! Ja, wij zien, zoo wij ons dit satirieke beeld voor oogen stellen, terstond een gansche menigte mannen en vrouwen, op wie het voortreffelijk past. Dat is een belang-
228
rijke studie. Doch heilzamer is het, zoo wij o n s z e 1 v e n in dezen spiegel aanschouwen en ons eerlijk afvragen wat het tot ons zegt. Ja „elk vege voor zijn eigen deur!quot;
Welk een schat van wijsheid ligt er in de aangehaalde zinnebeelden ! En toch heb ik slechts het eerste het beste uit de groote schatkamer genomen. Elk Christelijk leeraar, ja elk opmerkzaam lezer van het Woord Gods leert telkens opnieuw de onuitsprekelijke rekbaarheid en veelzijdigheid van zulke zinnebeelden kennen. Binnen een en hetzelfde uur, waarin ik dit neerschrijf, heb ik het beeld van den onbezonnen man, die een toren wil bouwen, maar de kosten niet berekend heeft en zijn aangevangen werk niet voltooien kan en nu ten spot der lieden wordt (Luk. 14 ; 28—30), — ik zeg, binnen een uur heb ik dit beeld tweemaal op geheel verschillende wijze kunnen gebruiken. Namelijk aldus: Een acht-en-twintigjarig meisje trad bij mij binnen en zeide: „Wees zoo goed, dominee, mij toch raad te geven hoe ik ziekeverpleegster, hoe ik diacones kan worden. Tot een huwelijk zal ik toch niet komen, zooals ik bemerk, en dan ben ik toch goed bezorgd.quot; Zij beschouwde de betrekking van diacones als een behoudende haven. Ik moest haar tot het inzicht brengen dat die betrekking een zeer oneffen zee is, en dat zij, een verwend en zelfzuchtig meisje, niet instaat was de beweging van die zee te verdragen. — Nog had deze mijn huis niet verlaten, toen een ander binnenkwam. Het was een jong meisje, dat wel reeds de liefde van Christus had leeren kennen, maar een al te gevoelig en meegaand karakter heeft. Met van vreugde schitterende oogen deelde zij mij mede dat zij verloofd was geworden. Toen ik haar naar de godsdienstige gezindheid van haren verloofde vroeg, antwoordde zij blozend: „Ja, dominee, van godsdienst wil hij niets weten. Maar geloof mij, hij is als een engel. En ik weet zeer zeker dat God het mij zal doen gelukken, hem
229
al spoedig tot den Heers Jezus te leiden.quot; „Zeer zeker,quot; zeide ik, „er zijn twee dingen: ten eerste dat gij gaarne met hem trouwen wilt en ten tweede dat gij een toren begint te bouwen, zonder dat gij de kosten berekend hebt.quot; Zij ging pruilend heen. Trouwen zal zij natuurlijk. Of echter het meisje gelijk zal krijgen of niet — dat zal blijken. Ik hoop in dit geval zeer dat ik ongelijk krijg ; maar ik vrees, dat mijn voorspelling maar al te juist zal uitkomen.
En weinige maanden is het pas geleden, dat een handelaar in koloniale waren, die niet in Bremen woont, maar dien ik toch zeer goed ken, mij schreef: „Ik heb nu besloten mijn winkel gedurende den geheelen Zondag te sluiten, ofschoon geen van mijn medehandelaars er aan denkt het óok te doen.quot; — Ik wist dat de jonge handelaar een „mensch van het oogen-blikquot; is. Daarom ried ik hem aan, te bedenken of hij wel de kosten van den op zichzelf heilrijken torenbouw berekend had. Ach, dat had hij niet gedaan. Gisteren hoorde ik dat hij zijn winkel ook Zondags weer openstelde. Hij had gehoopt, dat Gods zegen hem gedurende de zes weekdagen des te rijkelijker ten deel zou vallen, indien hij Zondags niet verkocht. Hij wilde met zijn „geloofquot; een uitmuntende zaak maken. Toen dat niet zoo terstond gebeurde was het met dit geloof, dat geen geloof was, gedaan. Hij is aan zijn God beginnen te twijfelen en dat is nog veel erger dan de bespotting van het publiek. — Eveneens hield ik een „opgewektquot; man, die de Sociaal-democratische vergaderingen wilde gaan bijwonen en „de op een dwaalweg geleide menschen overtuigenquot;, het beeld van den onbezonnen torenbouwer voor. Ik zeide hem, dat men zeer goed toegerust moest zijn, om de denkbeelden van de Sociaal-democraten ook maar te b e g r ij p e n, laat staan te weerleggen. Ik maakte er hem opmerkzaam op, dat hem de noodige kennis van zaken en voorbereiding geheel ontbrak. Doch hij beriep zich „met heiligen trotsquot; op 's Heilands woord: „Het zal u in die ure
230
gegeven worden wat gij antwoorden moet.quot; Ach, de arme is jammerlijk te schande geworden, hij werd eerst uitgelachen en later uitgeworpen. Hij had de bouwstof niet om zijn bouwplan uit te voeren.
Ik heb dit éene zinnebeeld gekozen, om te doen zien, hoe practisch deze leerwijze van den Heiland is. Hij spreekt bijna nooit in afgetrokken gezegden, maar meestal in zulke aangrijpende beelden. En Hij doet dat ons ten voorbeeld. Alle menschen, die de jeugd onderwijzen, ja allen, die tot het volk willen spreken, moeten zinnebeeldig spreken, zoo zij niet spoedig vermoeien willen. Afgetrokken voorstellingen zijn droog, afmattend en vervelend. En nu heeft men als onderwijzer en leeraar terstond zijn spel verloren, als men vervelend wordt. Langwijligheid, verveling, is een vloek; zij verlamt de geestelijke inspanning. Daarentegen scheppen de menschen adem en luisteren toe, als men hun door geschikte beelden uit het dage-lijksche leven redelijke of geestelijke waarheden voor oogen stelt.
In deze kunst steekt de ongehoorde bijval van den Baptisti-schen predikant S p u r g e o n, die noch als godgeleerde uitmunt noch rijk aan nieuwe denkbeelden is, maar die de gedachten der eeuwig goddelijke waarheid met wonderbare bekwaamheid door trekken uit het menschelijk leven en door zinnebeelden uit de natuur in het licht weet te stellen.
De lezer zal mij zeker tegemoet voeren: „Ja, ik ben geen Spurgeon, en ik kan het ook niet helpen dat ik het niet ben.quot; Dat is juist. En een zekere natuurlijke aanleg doet hier inderdaad veel. Maar niet alles! Ieder heeft in dit opzicht een gave; men heeft ze maar op te wekken en te oefenen. Men moet ze wekken en besteden, terwijl men vol liefde en ernst het leven om zich heen gadeslaat; zoo zullen iemand clan de heenwijzingen op de inwendige dingen dra in het oog springen. Natuurlijk, wie zich in zijn studeerkamer en tusschen zijn stoffige
231
folianten opsluit, die zal nooit in zijn taal den frisschen onmid-dellijken adem des levens gewaar worden; hij zal nooit den „gouden toom des levensquot; grijpen, nooit practisch zijn en prac-tisch leven. Men gevoelt het aan de woorden van den Heiland, dat zijn pols warm klopt met den pols van den gemeenen man ; dat Hij met open oogen en ooren midden in den stroom des levens staal. Daarom zijn zijne woorden onvergetelijk en onmetelijk is hunne kracht. Snel en scherp als een pijl dringen zij in het hart en het geweten door en het is onmogelijk er zich van te ontdoen. — Ook wij moeten „in hel 1 e v e nquot; leeren. Dat de binnenkamer nog daarboven gaat spreekt vanzelf; eveneens, dat bij de „geleerdenquot; de studeerkamer haar recht van beslaan heeft. Maar niemand, ook de professor niet, is voor de studeerkamer geboren. Wie op de menschen werken wil, moet ook in levende verbintenis met de menschen van allerlei soort en rang en stand blijven. Vele Christenen letten, helaas, op geen van 's Heilands geboden zoo weinig als op dil: „Ziet op de vrouw met haar penninkske! — Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt! — Aanschouwt de vogelen ! Ziet op de leliën des velds!quot; enz. Ja, dat dunkt hun zelfs geen gebod te zijn; zij meenen al bijzonder vroom te wezen, als zij er in het geheel geen acht op geven. Evenzoo komt het hun volstrekt niet in de gedachten, dat God hun door hetgeen hen in het dagelijksch leven ontmoet, iets te zeggen kan hebben en dat niet slechts menschelijke, maar ook goddelijke wijs-lie id op dezen weg kan gevonden worden. En toch wil de Heere Jezus onze oogen en ooren openen voor de stemme Gods, die door alle schepselen heengaat.
Eenvoudige boerenlieden vernemen deze stem van God dikwijls op verrassende wijze. Ik dank God dat ik zes jaar lang onder arme landbewoners, maar waarvan velen het goddelijk licht deelachtig waren, gewoond heb. En ik zie met verlangen
232
den tijd tegemoet, dat ik weer meer in de natuur en met de natuur zal kunnen leven dan het thans mogelijk is. Gisteren nog, toen ik buiten het gewoel van het stadsleven met vermoeid hoofd en hart de eenzaamheid opzocht en naar een kleine heide ging, heeft een vlierboompje een indrukwekkende preek voor mij gehouden. Vroeger had er van dat hout meer gestaan, men zag dat aan de worteleinden, die er overgebleven waren. Nu echter stond onze kleine vlierboom geheel eenzaam. Hij stond temidden van den storm, die geducht om hem heen woei en gierde. Nog maar weinig bladeren bleven zich aan de twijgen hechten; ook van dezen werd het eene na het andere afgereten en in de grauwe sombere lucht weggevoerd. Op het oogenblik zat er nog maar éen blad vast; het toonde veel weerstandsvermogen; — het was alsof het zich tot geen prijs van de moederlijke twijg, waar het van uitgegroeid was, wilde scheiden. En mij bond het als magnetisch aan mijn plaats. Ik moest het lot van het laatste blad zien. En zie! nu kwam er een geduchte windvlaag; de tak werd sterk neergeslagen; hij zwiepte en kraakte, — toen brak het blad af en de stormwind voerde het, ja — wie weet waarheen! Het boompje was daardoor nu geheel kaal, geheel ontbladerd.
En dat is u w lot in deze wereld, sprak een inwendige stem tot mij. Het boompje, dat zijt gij. Zie, zoovelen, die vroeger uw trouwe verbondenen waren, hebben u sinds lang alléén gelaten. Blad na blad valt af, het eene vermogen na het andere ontzegt u zijn dienst; het eene orgaan na het andere sluimert in; zoo gaat het van armoede tot armoede, van zwakheid tot zwakheid. En eindelijk komt het laatste blad — de levensdraad. Ja al moge bij nog zoo taai en stevig zijn, eindelijk breekt hij toch stuk. En dan? o, Hoe ontzettend ware ons gansche bestaan, zoo wij over het verdwijnende leven even weinig wisten te zeggen als over dat laatste blad, dat door den storm werd weggevoerd.
233
Doch het wordt hoog tijd, dat wij nu eindelijk
3. DE GELIJKENISSEN ONZES HEILANDS VAN HET KONINKRIJK GODS
beschouwen, nadat wij tot hiertoe bij voorkeur over de zinnebeelden gesproken hebben. Wekken deze reeds onze bewondering, de gelijkenissen gaan eerst recht alle menschelijke wijsheid verre teboven. Bij deze volheid der hemelsche gedachten halen geene vroegere, en geene latere hebben ook maar het plan opgevat Hem daarin te evenaren. „Gelijk de pyra'miden van Egypte hoog boven de landstreek van het Nijldal uitsteken; evenals de glanzende toppen der Alpen zich boven de vlakten verheffen — zoo schitteren de gelijkenissen des Heeren boven zijne gesprekken en toespraken uit.quot; De volheid van alle goddelijke gedachten des levens is hier in zulk een eenvoudigen en toch zoo algemeen verstaanbaren vorm blootgelegd, dat de menschheid er voor alle tijden een onuitputtelijke bron van goddelijk licht in bezit. Dienaangaande zegt de Schotsche prediker William Garden Blaikie: ,Toen aan de aarde haar baan werd voorgeschreven met de nauwkeurig bepaalde grootte, snelheid en afstand van de zon, die noodig was om ze zonder eenige afwijking in beweging te houden gedurende duizenden van jaren; toen dieren en planten op aarde in zulk eene betrekking tot elkander gesteld werden, dat van eeuw tot eeuw de eene tot voorziening in de behoeften van de andere dienen kon; toen de mensch en de dieren zóo werden toebereid, dat zij met onverminderde kracht en werkzaamheid in staat waren, zich van geslacht tot geslacht voort te planten; — toen kwam in dat alles een wonderbaar werk van scheppend beraad en macht tot stand. Maar juist dit ontzaglijk werk van een planmatige denkkracht werd door dat onzes Heeren in de schaduw gesteld, toen Hij de waarheden
234
uitkoos, die noodig waren om de gemoederen en de harten der menschen voor alle tijden den rechten stand te geven, tegelijk met dien vorm, die het mogelijk zou maken, deze waarheden op de gunstigste wijze in werking te brengen.quot;
En werkelijk, in de gelijkenissen hebben wij een wonder van op den geest gerichte scheppingskracht. Het goddelijk verlichte versland des Heilands dringt rechtstreeks door tot de ellende der natuur en laat dan de natuurlijke dingen getuigenis afleggen aangaande de eeuwige. — Zoo merkt Hij op dat de aarde, het delfstofienrijk, op zichzelf geen leven kan voortbrengeiT. Op zichzelve zou zij tot den eeuwigen dood veroordeeld zijn. Leven ontstaat alleen uit leven; derhalve kan de aarde geen leven voortbrengen. Maar zij is instaat om het zaad, dat is: het wezen met het sluimerend leven, in zich op te neme n. En als zij dat doet, dan is zij bekwaam om het leven te w e k k e n en te v o r m e n. Deze overwegingen zijn het, die er Hem toe leiden, dat Hij lot Nikodemus zegt (in Johannes III) dat de menschelijke natuur op zichzelve vleesch is, uit vleesch geboren en derhalve onbekwaam voor de eeuwige wereld des Geestes. Wanneer echter '(zoo gaat Hij voort) een nieuwe wereld van boven over haar komt, wanneer de Geest des Eeuwigen haar bevrucht, dan kan de vleeschelijke natuur in een geestelijke worden omgezet, die voor de wereld der eeuwigheid geschikt is. ,Tenzij iemand wederom (of van boven) geboren worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien.quot;
En als Nikodemus over deze boodschap in gedachten verzinkt en angstig vraagt, hoe dit toch geschieden kan, is voor den Heiland de nachtwind, die onzichtbaar, geheimzinnig in zijn herkomst en uilloop, het huis langs waait, weder een gelijkenis van de onzichtbare, geheimzinnige en almogende kracht van den hemelschen Geest (Joh. III).
Zoo staat Jezus voor den zaadkorrel. Hij ziet dat de
235
tarwekorrel geen vrucht voortbrengt, zoo zij niet door dood en verderf heengaat. En terstond wordt voor Hem de korrel tot een levenden prediker, die zegt: „Niet anders dan met mij, is het gelegen met u, o menschenkind: alleen door den dood der bekeering, alleen doordien gij uzelven opgeeft, kunt gij tot het leven Gods gerakenquot; (Joh. Xll : 24).
Hij had waargenomen hoe alle levensontwikkeling bij dieren en planten vier kenmerken heeft, namelijk de voeding, den wasdom, de afscheiding van vreemde stof en de voortplanting. Wij kunnen hier, beknoptheidshalve, niet uiteenzetten hoe zoovele gelijkenissen door deze gedachte beheerscht worden. Maar elk doordenkend lezer van de Evangeliën zal licht opmerken, dat Jezus dezelfde kenmerken ook voor de ontwikkeling van het geestelijk leven eisclit.
Over „organische ontwikkelingquot; spreekt de Heiland niet, voor zoover 't het w o o r d betreft. Nochtans vordert Hij voor het geestelijk leven overal datgene, wat wij in tegenstelling met het werktuiglijke er, ééns voor altijd voltooide, onder organische ontwikkeling verstaan. Hij heeft alle ongeduldig, drij-verig en dweepziek bestaan eens voor altijd veroordeeld, door zijn woord: „De aarde brengt vanzelf vrucht voort, eerst den stengel, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.quot; Zoo waarschuwt Hij steeds dat wij in het geestelijk leven niet terstond vrucht zoeken, maar geduldig wachten moeten; anderzijds echter ook dat wij er acht op moeten geven of er zich werkelijk vrucht vertoont en er soms geen doodelijke stilstand bestaat. Hij vermaant de echte voeding te zoeken, omdat daardoor alleen wasdom mogelijk wordt. Hij vermaant ons er aan te denken, dat op de vrucht ten slotte alles aankomt, want de boom die geen vrucht voortbrengt, beslaat alleen „nutteloos de aardequot; en „aan de vruchten kent men den boomquot; en zijne waarde.
236
Hoe dikwijls vangen de gelijkenissen aan met de woorden: „Het koninkrijk der hemelen is gelijk aanquot; enz. De zaadkorrel, die zoo onaanzienlijk en klein is en zich nochtans tot zulk een ontzaglijke plant ontwikkelen kan, moet zijnen discipelen alle bezwaar hierover ontnemen, dat het koninkrijk der hemelen bij zijn aanvang niets is voor de wereld, dat het niets beteekent, maar zelfs verachtelijk is. Door alle tijden heen moeten zijn volgelingen blijmoedig en getroost zijn, indien het werk des Heeren, dat zij ondernemen en doen, er nietig en gering uitziet. Zoo zij maar weten dat het het werk des H e e-ren is, dan mogen zij, ook in den geest des geloofs roemen in de heerlijkheid waarop het uitloopt. ')
') Wie de geschiedenis van liet Koninkrijk Gods zelfs maar een weinig kent, weet dal al het groote in het Koninkrijk der hemelen zich altijd en overal naar de wet van den zaadkorrel ontwikkelde. Ik herinner alleen aan de schamele kribbe te Bethlehem en aan het smadelijke kruis op Golgotha. Ik herinner aan de H e r-vorming, die hiermede begon, dat een arme Augustijner monnik, in heiligen toorn ontgloeid, een blad papier met vijf en negentig stellingen aan een kerkdeur hechtte. Ik herinner alleen aan het tegenwoordige wereldomvattende werk der zending onder de heidenen. In de onopgemerkte en verachte bijeenkomsten van arme vrome schoenlappers, kleermakers en daglooners, heeft het zijn aanvang genomen. Ik wil er aan herinneren op welk een wonderbare wijze het werk van het groote Britsche Bijbelgenoot-schap, dat aan bijna alle volken der aarde Gods Woord in Je hand gegeven heeft, ontstaan is.
Het was in het jaar achttienhonderd, toen een zeventienjarig meisje genaamd Marie Tones, op een lentedag uit het dorp Tynydal in Wales naar de tien uren vandaar gelegen stad Bula wandelde. Zij droeg haar schoenen in de hand, om ze te sparen, en ging op haar bloote voeten: Zij was dus arm. Niettemin had zij eenige schellingen in den zak, die zij met moeite in den loop van verscheidene jaren stuiver voor stuiver bijeengegaard had. En nu wilde zij daar-
237
Hoe ernstig en treffend is voorts de gelijkenis, waarin de Heiland ons de ontvangst van Gods Woord in de wereld voor oogen stelt. Een deel van het zaad dat de trouwe zaaier had uitgestrooid, valt bij den weg en wordt een prooi van het gevogelte. Een ander deel valt op den rotsgrond en had geen aarde om er wortel in te slaan. Een ander deel dat in de doornen viel werd door deze verstikt. Nog een ander deel valt in goeden grond en brengt rijke vrucht voort. — Hoe kan een mensch dat nu lezen of hooren, zonder zich af te vragen: „Op welke grondgesteldheid gelijkt nu toch mijn hart?quot; — Hoe, voorts, kan een geestelijk zaaier het zaad van Gods Woord strooien, zonder daarbij te bedenken dat er veel zaad verloren moet gaan ? En — hoe verschrikkelijk bedroevoor in Bula bij een leeraar, dien men haar genoemd had, een bijbel in de eigenaardige taal van Wales koopen, want het volk van Wales spreekt zijn bijzondere taal. Sedert vele jaren reeds was Marie Tones alle weken bij elk wéér naar een op een uur afstands wonenden boer gewandeld, den eenigen in de gehecle streek, die een Bijbel bezat. Daar had zij zich dan verlustigd in de schoone geschiedenissen en woorden der Heilige Schrift.
En nu, terwijl de torens van Bula voor hun oogen opdoemden, klopte haar hart van sterk, blijmoedig verlangen. Zij zou nu weldra zelve in het bezit van den heerlijken schat geraken. Maar ach, de president tot wien zij zich wendde, verklaarde haar, dat er nog maar twee Bijbels in de taal van Wales voorhanden waren en dat hij die reeds aan anderen beloofd had. Doch toen hij de tranen van het meisje zag, toen hij hare geschiedenis hoorde, — toen verkocht hij haar nochtans een Bijbel. Hij wilde liever op een andere wijze zijn woord aan de eerstgekomenen gestand doen dan de blijde verwachting van het meisje teleurstellen. En wié was nu gelukkiger dan Marie, die met hare schoenen in de eene, met haren Bijbel in de andere hand hare tien uren naar Tynydal terug wandelde.
Twee jaar later verhaalde de predikant van Bula in een kring van
238
vend het ook zij — hoe moet het hem niet troosten en voor ontmoediging behoeden, dat de Heiland dat alles voorzegd heeft. Hoe moet het hem ook troosten, dat Hij voorzegd heeft, dat de vijand niet zonder groote uitwerking onkruid onder het goede zaad zal strooien en dat wij het aan den Heer des oogstes mogen en moeten overlaten het onkruid van de tarwe te scheiden. Een dergelijke gedachte stelt Hij zijnen discipelen voor de aandacht, als Hij hun — die zelf visschers waren — aantoont, dat zelfs de bekwaamste visschers niet verhoeden kunnen, dat zij in hun net nevens de goede visschen allerlei slib, wier, slangen en afschuwelijk gedierte uit het water ophalen. De tijd der afzondering en scheiding komt pas als de visscherij afgeloopen en het bruikbare met het onbruikbare aan land ge-
ernstige en werkdadige Christenen met bewogen hart de geschiedenis, die wij reeds kennen. Vervolgens wekte hij hen op den Bijbel in Wales te verspreiden.
En nu stond een edelmoedig Christen op en riep in hooge geestdrift: „Waarom alleen in Wales? Waarom niet in ganse h Gr oo t-B rittaniëV Waarom niet in de geheele wereld?quot; Op dit oogenblik was het groote Britsche Bijbelgenootschap gesticht. — Wie was nu de eigenlijke stichter? Zonder twijfel het arme meisje dat, hongerend en dorstend naar Gods Woord, Jaar aan Jaar tweemaal 's weeks den een uur van haar af wonenden dorpeling bezocht om zijn Bijbel te lezen! Zonder twijfel het arrae kind, dat met haar schoenen in de hand en met haar zuur bespaarde zes schellingen in haar zak tien uren ver naar Bula ging om een Bijbel te koopen.
Tegenwoordig nog staat de te Bula gekochte Bijbel als een kostbaar kleinood in de bibliotheek van het Britsche Bijbelgenootschap te Londen, en verklaart aan allen, die ooren hebben om te hooien, wat het zeggen wil; „Het Koninkrijk der hemelen is als een zaadkorre l.quot;
De Schrijver.
239
bracht is. En zoo wordt een alledaagsch voorval, dat den discipelen uit eigen ondervinding zoo goed bekend is, tot een verheven gelijkenis van het laatste oordeel.
Wij kunnen niet verder in bijzonderheden treden. Maar de geheele ontwikkeling van het Koninkrijk Gods op aarde, zijn wonderbare oorsprong, zijn gedeeltelijk zichtbare, ten deele onzichtbare uitbreiding, zijn oneindige waarde, de werkende krachten, de gevaren die het dreigen, de belemmerende machten, die het in den weg treden — alles wordt in den vorm van gelijkenissen voorgesteld. En wel eensdeels als leer, anderdeels als profetische aankondiging.
En alleen in dezen v o r m kon Jezus zijne discipelen aangaande deze groote dingen onderrichten. Het was onmogelijk uit de geschiedenis der menschheid op iets overeenkomstigs te wijzen, want de Gemeente van Christus is een volstrekt nieuwe, eigenaardige verschijning. Zij is met niets anders te vergelijken, evenmin als de bovenmenschelijke verschijning van Christus met eenig ander persoon vergeleken kan worden. Een corporatie, die zich over alle volken uitstrekt, die over alle verschil van rassen, van godsdiensten, die over alle onmetelijk verschil van geboorte, van geslacht, van stand, van ontwikkeling heen, stoutmoedig haar brug legt; — een corporatie, bijeen-vergaderd uit de meest verschillende leden van het menschelijk geslacht, eeniglijk en alleen verbonden door een geestelijken band, — een corporatie, die in den tijd dezer wereld slechts haar wortelen en haar begin, in den tijd der toekomende wereld hare voltooiing en heerlijkheid zal hebben, — zulk een corporatie is er nooit geweest, zelfs niet eens schijnbaar. Het zijn dus geheel nieuwe gedachten, die hier in de wereld worden uitgesproken.
En toch heeft de Heiland ze in een vorm uitgedrukt, dat een kind ze reeds aanvankelijk begrijpt, hoezeer ook anderzijds
240
de schranderste, scherpzinnigste, godvreezendste menschen ten aanzien van deze gelijkenissen machteloos staan, moeten leeren wachten, — wachten op den dag dat van de dingen de sluiers worden afgenomen.
Wanneer nu echter de Heiland ons zoo in groote en krachtige trekken de geheele ontwikkeling van het Koninkrijk voor oogen stelt, dan toont Hij ons door
4. DE GELIJKENISSEN BETREFFENDE HET PERSOONLIJK CHRISTENDOM,
dat Hij den weg der zaligheid, die ieder voor zich bewandelen moet, niet voorbij ziet. Heeft Mattheus ons voornamelijk die soort van gelijkenissen te boek gesteld, in de eerste plaats hebben wij aan Lu kas een grooten schat van z u 1 k e gelijkenissen te danken, die ons op de vraag: „Wat moet ik doen opdat ik zalig worde?quot; duidelijk antwoord geven.
In de gelijkenis van den verloren zoon wordt eens voor altijd en voor alle menschen de vraag beantwoord, die voor den vorst zoowel als voor den bedelaar in den hoogsten zin van het woord de levensvraag is. Namelijk d e vraag hoe de eeuwige, almachtige, heilige God jegens den van Hem afgevallen mensch gezind is. Het antwoord is dat Gods hart met ontferming vervuld is, met eene ontferming, die geen grens kent. Het antwoord is, dat waar de zonde machtig geworden is, daar de genade nog veel machtiger is. Geen zoon eener moeder, geen zondaar is uitgesloten van deze genade, zoo hij zich maar oprecht tegen zijn eigen zonde gekeerd en den terugweg naar zijn God heeft ingeslagen.
Hoe uiterst eenvoudig en tevens diepzinnig toch wordt in de gelijkenis van den farizeër en den tollenaar de toestand geschilderd van het menschelijk hart dat voor de godde-
241
lijke genade vatbaar is! Al moge iemand nog zoo diep gezonken zijn, — hier vindt hij blijde bemoediging. Niet minder echter gevoelt hij in het diepst zijns harten, dat het alleen door sterven ten leven gaat. — Het is dus niet in tegenspraak met deze gelijkenissen, die de vrije genade ten opzichte van den boetvaardige voorstellen, — het is slechts een aanvulling, wanneer de Heiland door den ontdekker van den begraven schat, die de éene kostbare parel vindt, aantoont, dat men alles op moet offeren, zoo men het eenige wat eeuwig gelukkig maakt, bekomen wil.
Dat evenwel de ontferming Gods voor ons raenschen a 11 e e n in Jezus te vinden en te verkrijgen is en dat dus op onze persoonlijke verhouding tot Hem alles aankomt, — dat weerklinkt door al zijn spreken heen. Hij heeft echter ook juist deze gedachten in diepzinnige gelijkenissen uitgedrukt: „Ik ben de wijnstok, g ij zijt de ranke n.quot; In den geest zien wij den Heiland voor een wijnstok staan. Hij behoeft slechts weinig woorden om zijn discipelen aan te toonen dat een rank alles wat zij is en heeft, alleen is en heeft door de organische en onafgebroken verbinding met den wijnstok, maar dat een afgesneden rank alle leven en mitsdien ook alle waarde mist. Terstond wordt voor den Heiland de wijnstok met zijne ranken tot een gelijkenis; het stomme gewas krijgt een levende stem. Met eene duidelijkheid, die niets te wenschen overlaat, toont Jezus, de hemelsche Wijnstok, aan, dat zijne discipelen alles zijn, alles hebben, alles doen kunnen alleen door onwrikbaar in Hem te blijven, maar dat zij alle hooger leven verliezen, zoo zij Hem loslaten. Het Christenschap of de nieuwe mensch is derhalve niet iets dat in een of ander schoon of vreeselijk oogen-blik in het leven tot stand of half tot stand komt, — het is niets meer of minder dan in verbinding met Christus te zijn. Tot aan het einde der wereld kunnen geen boekdeelen, die
lü
242
met de scherpzinnigste maar afgetrokken beschouwingen over de betrekking tusschen Christus en zijne discipelen gevuld zijn, den eenvoud en de diepte van deze gelijkenis weer te geven.
Aan een geheel andere wereld schijnt de gelijkenis ontleend, die aanvangt met de woorden; „Ik ben de g o e d e H e r d e r.quot; En toch komt ons de verbintenis van Jezus met zijne discipelen hier alleen onder een ander beeld voor. De ranken blijven om zoo te zeggen met een natuurlijke gedwongenheid in den wijnstok. De schapen daarentegen kunnen den herder verlaten. Zij moeten naar hem zien en hooren, zij moeten hem gehoorzamen, volgen, bij hem blijven. Dat alleen geeft hun den waarborg dat zij te allen tijde op een groene weide uiten ingaan en dat zij nooit van de verkwikkende waterstroomen gescheiden worden. — De eenvoudigste mensch nu, die ooit een schaapherder en zijne kudde beschouwd heeft, kan hier op onbedriegelijke wijze den weg der zaligheid leeren kennen.
Wat is echter nu onzerzijds datgene, wat het vloeiend leven van den wijnstok voor ons in werking brengt ? Het is vóór alle dingen het gebed. Om ons de noodzakelijkheid en de kracht van het gebed voor oogen te stellen, om ons aan te toonen dat de zucht, die uit het hart des menschen opgaat, de almacht Gods in werking brengt, ons ten goede, — neemt de Heiland niet uit den kring der natuur, maar uit het menschelijk leven zijne gelijkenissen. Wij hebben reeds in een ander verband er op gewezen, hoe Hij door de gelijkenis van den vader die zijnen zoon, van den man die zijnen buurman niet tevergeefs laat bidden, — hoe Hij verder door de geli)-kenis van de weduwe, die zelfs den onrechtvaardigen rechter door haar [lastig aanhouden dwingt, — ons wil aanmoedigen de gebedsklok ijverig te luiden en niet „te vertragenquot; al duurt het ook tot in den nacht en weder tot den morgen.
Dat nu de verbintenis met den Heiland, in wien de liel'de
243
Gods verschenen is, ook in de discipelen zelfverloochenende liefde en dienstvaardigheid verwekken moet en dat dit de vrucht is, die de hemelsche Hovenier ten slotte aan den boom onzes levens zoekt, — deze gedachte wordt in vele gelijkenissen ontwikkeld. Waarom is de rijke man, die den armen Lazarus voor zijne deur liet liggen zonder hem te helpen, — waarom is hij na zijn sterven in de hel en de pijn? Hierom, omdat hij nagelaten had de liefde te bewijzen, die hij zoo gemakkelijk had kunnen betoonen. Hierom, omdat het aardsche leven een zaad is voor de wereld der eeuwigheid en mitsdien niemand, die aan deze zijde des grafs zelfzucht gezaaid heeft, verwachten mag dat hij aan gene zijde liefde en ontferming zal oogsten. — Nauwkeuriger echter wordt de liefde, die Jezus bij ons zoekt, beschreven in de schoone en roerende gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan. Dat hij liefheeft zonder een oogenblik naar den persoon te vragen, dat hij liefheeft alleen omdat de geliefde zijne liefde behoeft, dat hij in zijn liefde zichzelven geheel vergeet en zichzelven niet geheel voldoen kan, dat hij niet vraagt naar loon of dank, — dat maakt hem tot een toonbeeld voor alle tijden. De groote schilderij nu, die Jezus ons in de gelijkenis van het laatste oordeel (dat tevens het eerste volmaakte oordeel is) in Mat-theus XXV, drukt dezelfde gedachten uit.
Ik moet besluiten. In de bibliotheek van mijn lang ontslapen grootvader bevond zich een zeer oud boek, dat mij als knaap, reeds door zijn merkwaardigen varkenslederen band aantrok. Maar weldra was het nog meer de i u h o u d, die mij boeide. De titel dan luidde: „Duizend bekeeringsgeschiedenissen, die aan de gelijkenis van den verloren zoon haar oorsprong danken.quot; Helaas, bij de opbreking van de huishouding is het merkwaardige boek zelf een verloren zoon geworden. Het is weg-
244
geraakt en ik weet niet waar liet gebleven is. Anders kon ik nu wellicht beter dan in mijne jeugd nagaan of de daarin verhaalde meerendeels zeer romantische geschiedenissen op waarheid of verdichting berustten.
Doch het zij met die geschiedenissen zooals het wil, — dit staat vast, dat er feitelijk niet duizend, maar honderdduizend ware geschiedenissen zijn, waarin deze gelijkenis den spoorslag tot inkeering, omkeering en terugkeering gaf. Wist men deze geschiedenissen, zooals zij eens in de hoogere wereld aan den dag zullen komen, zoo zouden zij vele boekdeelen vullen. En elke bladzijde daarvan zou een luide verheerlijking van de kracht van Jezus' woord zijn. En hetzelfde zou men van andere gelijkenissen, bijvoorbeeld van de gelijkenis van den barmharti-gen Samaritaan, kunnen aantoonen.
Ja, het oude Bijbelboek, inzonderheid het woord van Jezus, verricht eiken dag wonder op wonder in de wereld. Mogen er tegenwoordig in alle klassen der bevolking duizenden en mil-lioenen zijn, die dit woord verachten, nochtans is het een groote mogendheid, meer dan andere. En het zal nog een groote mogendheid zijn, als van al de Europeesche en Aziatische ,groote mogendhedenquot; niets meer dan de naam bestaat, — als ook die dingen, die thans als groote wereldmachten optreden, zooals het „kapitaalquot; of de „persquot;, door geenmensche-lijke ziel meer geteld worden.
Veellicht zijn echter juist de gelijkenissen van den Heiland het best geschikt, om ook aan degenen, die van verre staan, de heerlijkheid en den goddelijken oorsprong der Heilige Schrift voor oogen te stellen. Mochten deze bladzijden bij ons allen ten minste dezen dienst bewezen hebben; mochten zij ons bereidwilliger en geschikter hebben gemaakt om Jezus' woord niet alleen te hooren, maar ook om in het licht van dit woord de natuur en het menschel ij k leven te
beg r ij pen en wederkeerig, door de kennis van het menschelijk leven en de natuur, hetgoddelijk Woord dieper op te vatten. Hebben zij daartoe mogen dienen, dan wil hij, die deze bladzijden geschreven heeft, volgaarne vergeten worden.
X.
JEZUS CHRISTUS EN DE VADERLANDSLIEFDE.
Geeft den keizer wat des keizers is en Godes wat Gods is.
Matth. 22 : 21.
1. DE VERHOUDING VAN JEZUS TOT DEN KEIZER, HET VOLK, HET VADERLAND EN DE STAATKUNDIGE PARTIJEN.
Het was de 2e September van het jaar 1890. Die dag ligt nu, terwijl ik dit schrijf, nog niet ver achter ons. De bevolking van Bremen vierde de gedachtenis aan den grooten dag van Sedan en was bij vele, vele duizenden op het marktplein samengekomen. Er is zeker in geheel Duitscliland (te Neurenberg wellicht uitgezonderd) geen plein dat zich tot zulke feesten beter leent. De reusachtige, hoogeerwaarde domkerk gewaagt van een tijd, toen voor elfhonderd jaar voor het eerst op de zandduinen van den Wezer het kruis geplant werd. Het wonderbaar schoone stadhuis, een meesterstuk van middeleeuwschen bouwkunst, verhaalt van de, Gode zij dank, vervlogen dagen, toen Duitscliland inwendig verdeeld was en de op zichzelf staande stammen, ja de alleen staande steden, zichzelven moesten helpen en ook op verwonderlijke wijze werkelijk zichzelven hielpen. Ernstig en vragend staarde het metalen standbeeld van Willebrord op
247
de bonte menigte. Het verdachte steenen beeld van den grooten Roland daarentegen scheen vroolijk te lachen.
Met muziek en zang bij een helderen aangenamen zonneschijn trokken de scholen, de militairen-vereenigingen, de roei- en gym-nastiekvereenigingen en wat weet ik welke vereenigingen al meer — naar hunne plaats op. Toen weerklonk de muziek. En weldra weergalmde de lucht van het krachtig aangeheven gezang: „Komt, dankt nu allen God!'' en „Heil u met zegekransquot; enz.
Wat mij betreft: ik was er met mijn gansche hart bij. Welk Duitsch hart zou ook niet sterker kloppen op den dag, waarop God aan onze machteloosheid en verdeeldheid een einde gemaakt en ons eerst een Duitsch, blijmoedig hart gegeven heeft.
Temidden van al het vroolijk gejuich maakte zich de gedachte van mij meester: „Wat zou wel de Heiland van dit feest zeggen? Wat zou Hij wel gevoelen, indien Hij plotseling in ons midden trad'?''
Deze gedachte: „Wat zegt Jezus daarvan?quot; is wel geen bijzondere gedachte. Zij moest bij den Christen altijd opkomen bij al wat hij onderneemt of ondergaat. Nochtans bedrieg ik mij zeker niet wanneer ik veronderstel dat menig lezer door de genoemde vraag zonderling wordt aangedaan. Of Jezus een vaderlander was? Wat onze vaderlandsliefde in zijn oog is ? Hoe Hij zich wel in betrekking tot den p a r t ij s t r ij d onzer dagen zou gedragen hebben? — daarover denken, geloof ik, zelfs de Christenen weinig na. En toch is het een punt van hooge beteekenis. En wij mogen dat niet over het hoofd zien.
Om tot het juiste begrip te geraken, moeten wij ons in de toestanden verplaatsen van den tijd, waarin Jezus leefde. De Joden van den ouden dag waren zoo trotsch op hun nationaliteit als nooit eenig ander volk op aarde. Zij hadden ook in zekeren zin grond daarvoor. Zelfs de Heiland zeide: „De zaligheid is uit de Joden!quot; En iedere Jood wist dat — bijna had
248
ik gezegd: maar al te goed. De Israelieten hadden hun vaderland lief zooals nooit eenig ander volk het zijne. En zij hebben voor hunne onafhankelijkheid stroomen bloeds doen vloeien en heldenstrijden gevoerd, waar de geheele wereld zich over verbaasde. Ik herinner alleen aan de vrijheidsoorlogen van de Mae-cabeeën. En het wereldbeheerschende Rome heeft met de onderwerping van geen ander volk op aarde zooveel moeite gehad als met die aan het kleine Joodsche volk. Israel boog zich pas, nadat het in het jaar 70 van onze tijdrekening — achttienhonderd jaar voor onzen Sedandag — nagenoeg vernietigd, ja nadat het als volk volkomen vernietigd was. Men zou den ouden Joden dus grootelijks onrecht doen, zoo men denken wilde, dat zij op hun moderne afstammelingen, wier hoogste ideaal meestal de mammon is, geleken.
Wat echter aan de Joden boven alle volken der wereld zulk een vaderlandschen heldenmoed, wat hun tegenover de Romeinen zulk een onwrikbare volharding schonk — dat was hun geloof. Zij geloofden dat zij Gods volk waren en dat God hen daarom niet verlaten kon. Daarom hoopten zij waar niets te hopen was. Helaas, zij zagen daarbij over het hoofd, dat het volk Gods reeds sedert lang zijn God verlaten had. — Zij geloofden, dat God uit hun volk den Messias verwekken zou. Zij hadden ook reden om dat te gelooven; God heeft ook gedaan wat zij geloofden. Maar helaas, zij hadden de heilige Messiasverwachting geheel en al in het vleeschelijke laten opgaan. Zij hadden zich een Messias voorgesteld naar hun beeld, daarom sloegen zij den waren Messias aan het kruis. Hij, dien zij verwachtten, moest een tweede Judas deMaccabeër zijn; die zijn zwaard tot aan het gevest in het bloed der Romeinen zou doo-pen, Israel tot een wereldregeerend volk maken zou.
Met souvereine verbitterende minachting zagen de patriotten van dien tijd uit de hoogte op al de niet Joodsche volken neer.
249
Ontzettend was de sombere gloed van den haat en de dweepzucht, die hen inzonderheid tegen de Romeinen vervulde. En elk oogenblik vlamde dit dweepzieke patriotisme met geweld op. Verschrikkelijke dingen hadden er plaats en het menschenbloed stroomde als water, als de Joden in hun verwaande halsstarrigheid weigerden belasting te betalen, of als de Romeinen zich soms een kleine inbreuk op hun godsdienstige instellingen veroorloofden, of wel als een valsche Messias „de banier der vrijheidquot; opstak. Kortom, het geheele volksleven was ten tijde van Jezus als een gloeiende, kokende vulkaan. De vreeselijke afloop van het jaar 70 werd voorbereid.
Wel bestonden er ook toenmaals verschillende partijen. De Esseërs waren stille, wereldschuwe menschen, die als monniken leefden en zich door uitwendige en inwendige reiniging op den toekomstigen tijd der verlossing zochten voor te bereiden. Hun aantal was echter slechts klein. En niet groot was ook de partij der Sadduceën. Het waren de „voorname tienduizendquot;, de bezitters en beschaafden, die „hun leven genietenquot; wilden. Zij hadden de Hope Israels laten varen en achtten het verstandig zich ten opzichte van de onoverwinnelijke Romeinen vriendelijk te gedragen. Maar de groote heerschende partij waren de F a r i z e ë n. En hoe men overigens over hen moge oor-deelen — in elk geval waren zij met lichaam en ziel vurige vaderlanders.
Temidden van deze drukkende toestanden nu trad de Heiland op. En hoe gedroeg Hij zich daarin? Wanneer het Hem te doen was om tot eiken prijs en zoo spoedig mogelijk het hart van het volk te winnen, dan moest Hij een staatkundige en vaderlandslievende daad verrichten. Het ontbrak ook niet aan dezulken, die Hem daartoe trachtten over te halen Men trachtte Hem te bewegen zich voor het bijeenvergaderde Israel als den Redder te openbaren door zich van de tinne des
250
tempels, zwevend als een god, neder te laten. Het was echter geen ander dan de duivel, die Hem tot dit opzienbarend en indrukwekkend bedrijf verleiden wilde. En daarna, kort nadat Hij zijn eerste wonder had gedaan, wilde het volk Hem koning, dat wil zeggen tot een opstandeling en tot aanvoerder tegen de Romeinen maken. Maar Hij ontweek hun handen meer dan eens. In een politieke onderneming liet Hij zich niet verwikkelen. Wel stierf Hij ten slotte onder de aanklacht dat Hij zichzelf voor koning had uitgegeven, dat Hij gepredikt had dat men geene belasting moest betalen. Maar iedereen, Pilatus, zijn rechter, niet uitgezonderd, wist dat het tegenovergestelde waar was. Waar wij den Heiland ook ontmoeten, nergens laat Hij zich met staatkunde in. Hij houdt geen politieke toespraak; Hij sticht geen staatkundige partij; Hij sluit zich niet aan bij een van de bestaande partijen; Hij heeft het ook nooit als zijne taak beschouwd de dwingelanden, die Israel onderdrukten, te bestraffen.
Met de enkele verklaring: „Mijn Koninkrijk is niet van deze wereldquot;, wijst Hij dat alles af. En dat Hij van al wat de hartstochten van zijn volk gaande maakte, niets weten wilde, was hetgeen Hem den haat van het volk berokkende. — Het behoorde tot de grootste smarten van zijn leven, dat Hij ook in dit opzicht een weg te bewandelen had, die allen tegenstond, die allen (zijn geliefden discipelen niet uitgezonderd) als dwaas toescheen.
Waarlijk, Hij was een getrouwe zoon zijns volks. Maar Hij wist ook dat de zon der goddelijke genade alleen dan over Israel lichten kon, wanneer Israel zijne gezindheid veranderde, zijne eigengerechtigheid veroordeelde en zich tot God bekeerde. Hierin was redding, of zij was nergens. Daarom was dan ook de Heiland er met al de macht zijns geestes op uit om Israel tot inwendige vernieuwing te doen geraken.
Hoe meer Hij echter ontwaarde, dat Israel van schuldbelijdenis
251
en bekeering niets weten wilde, dat het de verlossende genade in zijn persoon verwierp, — des te duidelijker en onweerstaanbaarder zag Hij ook de vreeselijke wolk der oordeelen Gods over zijn volk opkomen. Onuitsprekelijk is zijne droefheid over het lijden dat zijn volk te wachten staat. Nooit zijn uit het hart van een vaderlander, nooit zijn van de lippen van een Kassan-dra zulke aandoenlijke klaagtonen gevloten als de woorden van den Heiland: ,Jeruzalem! Jeruzalem! gij die de profeten doodt en steenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs eene hen hare kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, en gij hebt niet gewild! Zie, uw huis wordt u woest gelaten, omdat gij niet erkend hebt wat tot uw vrede dient!quot;
Moet ik nog spreken van het w e e n e n van Jezus, dat zich met het „Hosanna!quot; van het Hem toejuichende volk paarde? Ach, die dagen der verschrikking, als wanneer er eene ellende over Israel zou komen, zooals er sedert het begin der wereld geen geweest was, wanneer men de kinderlooze vrouwen zalig zou prijzen, wanneer men tot de bergen roepen zou: „Valt op ons!quot; en tot de heuvelen: „Bedekt ons!quot; — zij stonden maar al te duidelijk voor zijn wijd geopende zienersoogen.
Wij moeten echter — als wij over Jezus' verhouding tot de nationale en staatkundige aangelegenheid handelen — elk oogen-blik in het oog houden dat Hij niet alleen de Verlosser van Israel, maar de Verlosser der wereld was. Hij was de „Zoon des menschenquot;, die voor allen uit den hemel kwam, de Heiland voor allen. Wanneer Hij zegt: „Mijn Koninkrijk is niet van deze wereldquot;, dan wil dit geenszins zeggen, dat Hij in liet geheel geen koninkrijk wilde stichten. Integendeel, Hij spreekt over zijn koninkrijk met hoog vertrouwen. Hij is vast overtuigd van de eeuwige zegepraal zijns rijks, krachtens de daarin heer-schende waarheid. En als Hij zegt dat het geen koninkrijk
252
van deze wereld is, zoo is het toch een koninkrijk voor deze wereld, en alle koninkrijken dezer aarde zullen eens provinciën van dit koninkrijk der waarheid zijn. Aller menschen Heiland wil Hij zijn. En dat beheerscht dan ook zijne houding tegenover allen.
Van allen nationalen eigenwaan en kleingeestigheid is Hij evenver af als van alle partijzucht. Zoo doet Hij zijne reizen middendoor het land der door de Joden zoo fel gehate Samaritanen en laat zich niet belemmeren door den toom zijner landgenooten noch door de dweepzucht der Samaritanen. En als de laatsten Hem eenmaal weigeren te ontvangen en de ,zonen des dondersquot;, naar het voorbeeld van Elias, vuur van den hemel willen laten nederdalen, wijst Hij hen met het heilig ernstige woord af: „Gij weet niet van welken geest gij zijt.quot; Als de Grieken komen en reikhalzend verlangen Hem te zien, ziet Hij juichend daarin een heerlijk teeken van de lente des Geestes. Niet minder verheugt Hem het even kinderlijk als volhardend geloof van de „Kananeesche vrouw.quot; Den Romein-s c h e n hoofdman, die Hem om hulp smeekt voor zijn knecht, geeft Hij niet ten antwoord: „Hoe komt gij mij om hulp vragen, daar gij toch een Romein zijt en ik een Jood ben ?quot; — Neen, Hij is terstond bereid tot ontfermend liefdebetoon. En hoe juicht zijn hart als de heidensche hoofdman nu zulk een teedere, ootmoedige en geloovige ontvankelijkheid aan den dag legt, die alle geloof, dat Hij in Israel gevonden heeft, in de schaduw stelt. En onbekommerd over het oordeel van gansch Israel, geeft Hij deze zijne ontdekking ook op de krachtigste wijze te kennen (Mattheus VIII).
Kortom, Jezus is de eerste mensch, die alle menschen met dezelfde liefde omvat. Het verschil van huidkleur, van taal, van zeden is in zijne oogen van even weinig beteekenis als het verschil in stand, ontwikkeling en ge-
253
slacht. Voor Hem is diegene de naaste en de voornaamste, die liet meeste hongert naar het heil Gods.
Men heeft het als een gebrek laten voorkomen, dat Jezus nooit in éen zijner toespraken de dweepzucht der Joden gegeeseld heeft. Maar was niet zijne geheele houding de verpletterende strafprediking ? Als Hij met Romeinen, Grieken en Samaritanen zoo broederlijk omging en als Hij bijvoorbeeld een Samaritaan als een toonbeeld van dankbaarheid, een anderen als het beeld der barmhartigheid, als Hij een Rorneinschen hoofdman als het heerlijkste verschijnsel des geloofs roemt, — heeft Hij daardoor dan de diepe verdorvenheid zijns volks niet doodelijk getroffen? Ja, doodelijk! Maar op zedelijk gebied wordt niemand gedood, die zich niet wil laten dooden!
En nu nog een woord over zijne houding ten opzichte van de overheid, die destijds in Israel de macht in handen had. Wij hebben zijn woord: ,Geeft den keizer wat deskei-zers isquot; boven dit hoofdstuk geplaatst. En het behoort daar ook. Ach, welk een onbeduidende keizer was die Tiberius! Hij was, zoo mogelijk, onbeduidender dan de landvoogden, die in zijne plaats in Israel regeerden, kan men nauwelijks zeggen: het juiste woord is h u i s h i e 1 d e n. En toch: „Geeftden keizer wat des keizers is!quot;
Wij weten de gelegenheid, waarbij Jezus dit gewichtige woord sprak. Toen zijne vijanden bemerkten dat Hij zich niet liet misbruiken om de oproervaan te planten, zochten diezelfde lieden Hem in botsing te brengen met de openbare macht, om Hem zoo in het verderf te storten (Matth. XXII : 17). Met welbedachte, vleiende woorden komen zij tot Hem: „Gij zijt een man van blanke waarheid; gij kruipt niet zooals anderen voor de machthebbers ; wat gij denkt, dat zegt gij ook. En gij zijt den minderen man genegen, en weet ook hoe schandelijk, hoe afgrijselijk, hoe onrechtvaardig het bij de heffing der belasting toegaat.
254
en nu, zeg ons open en vrij: Is het geoorloofd den keizer schatting te geven of niet?quot;
Voor een man, die naar de gunst van het volk dong, ware het antwoord moeielijk geweest. Niet echter was het dit voor Jezus. Hij hakte den gordiaanschen knoop met éen slag van het zwaard zijns Geestes door. „Gij geveinsden,quot; zeide Hij in heiligen toorn, want „Hij bekende hunne boosheid.quot; Hij zou echter hetzelfde antwoord, dat terstond volgt, ook dan gegeven hebben, indien oprechte en argelooze menschen het Hem gevraagd hadden. Hij liet zich door hen een schattingpenning brengen en liet de verzoekers zelf zeggen, dat het beeld en het opschrift van den keizer waren. Daaruit nu maakt hij het besluit op : „Geeft dan den keizer wat des keizers, en Gode wat Gods is.quot; Dat wil zeggen: „Dat deze munt met de beeltenis en het opschrift des keizers onder u in omloop is en erkend wordt, toont duidelijk aan dat God hem tijdelijk macht over u gegeven heeft en dat gij u in de bestaande orde te schikken hebt.quot; Een twintig jaar later leidt dan ook de apostel Paulus uit het woord van Christus den volgenden eisch af: „Alle ziele zij aan de machten over haar gesteld onderworpen; want er is geene macht dan van God, alzoo dat wie zich tegen de macht stelt, de ordinantie van God wederstaatquot; (Rom. XIII : 1).
Ja, maar wanneer de overheid,quot; die een instelling Gods is en mitsdien zijne dienaresse moet zijn, zich openbaar tegen God verheft, — wanneer zij van de onderdanen eischt wat God verboden heeft en hun verbied wat God van hen vordert? Ja, dan is de mensch Gods van de gehoorzaamheid ontheven, wan', de „goddelijke instellingquot; heeft dan zichzelve teniet gedaan, zij heeft haar eigen grondslag weggegraven. Daarom voegt de Heiland aan zijn bevel: „Geeft den keizer wat des keizers isquot;, terstond dit andere toe: „en geeft Godes wat Gods isquot;. Dit wil allereerst zeggen, „Geeft niet den keizer wat God toekomt,quot; —
255
geene aanbidding, geen volstrekte onderwerping — want, dat is aanbidding. Aan God behoort ons hart, onze wil. „De koningquot;, zegt Petrus, „behoort geëerd te wordenquot;; geëerd moef hij zelfs dan nog worden, als hij een slecht koning is. Maar gevreesd moet alleen God worden. De mensch Gods is een vrij mensch. Hij heeft in den grond der Zaak niet meer dan é e n Heer, namelijk den Heere in den hemel. Alle heeren op aarde kunnen slechts in zooverre gehoorzaamd worden, als zij den Heere in den hemel niet weerspreken.
Ach, zij hebben Hem maar al te dikwijls weersproken. En millioenen Christenen hebben in den loop van achttienhonderd jaar zoo dikwijls, zoo dikwijls met een bloedend hart de overheid gehoorzaamheid moeten weigeren en zeggen: „Men moet Gode meer gehoorzamen dan den menschen.quot; Dit leidt ons tot onze verhouding te dezer zake.
2. DES CHRISTENS VERHOUDING TOT DEN STAAT, TOT DE OVERHEID, DE POLITIEK EN DE PARTIJEN. WELKE BETEEKENIS HEEFT HET VOOR ONS?
„Geeft den keizer wat des keizers is.quot; — Dat beteekent wat het altijd beteekend heeft, alleen met dit onderscheid , dat het ons tegenwoordig, Gode zij dank, duizendmaal lichter valt den keizer en alle overheden te eeren. De tijden, toen de vorsten afgodische vereering eischten, toen zij maar al te vaak eischten dat de onderdanen hun wil en hun verstand aan hen ten offer brachten, zijn onherroepelijk voorbij. En niet licht zullen de tijden ook terugkeeren, dat de vorsten naar hartelust met het goed en bloed hunner landskinderen tewerk gaan. Wij danken God in den hemel voor de beperking van die onnatuurlijke macht in de handen van enkele menschen.
Maar des te bereidwilliger behooren wij nu ook aan de macht-
256
hebbenden te geven wat hun toekomt. Niet alleen de schatting of belasting; daartoe zouden wij eenvoudig gedwongen worden, als wij niet wilden. Jammer echter dat ook vaak onder redelijke lieden over de, helaas, zeer hooge belastingen geklaagd wordt op een wijze, alsof de regeering ze voor haar genoegen en om het volk te plagen had uitgedacht en afperste. En wij behooren niet alleen gewillig de belasting te betalen, maar moeten op alle wijze de regeering steunen en anderen daartoe aansporen. Wij moeten met eerbied over haar spreken en eerst dan aanmerking maken en tegenstreven, wanneer wij vast overtuigd zijn, dat hare maatregelen verkeerd en verderfelijk zijn. En zelfs in dit geval mogen wij het ontzag en den eerbied niet uit het oog verliezen.
Ik zeg dus niet dat de Christen een man is, die altijd met de regeering meegaat en blindelings alles goedkeurt wat „van hooger-handquot; bevolen en beschikt wordt. Dat zou niet Christelijk maar karakterloos zijn. Een Christen kan evengoed tot de partij der oppositie als tot de regeeringsparty behooren, zoo hij de verschuldigde hoogachting maar niet vergeet. Z ij n geweten kan hem zelfs dwingen de meest 1) e s 1 i s t e oppositie te voeren. Natuurlijk kan hij nooit in de gelederen der opstandelingen staan.
Daarentegen is het volstrekt niet Christelijk, te meenen, dat „het alles bij het oude moet blijven.quot; De Christen kan vurig verlangen het volk groolere vrijheden te verzekeren, maar alleen langs wettigen weg. En wanneer de Socialisten naar waarheid verklaarden, dat zij hun toekomstigen staat alleen langs den weg van het recht, dat is van de wetgeving, tot stand wilden brengen, dan zou daar mijns inziens van Christelijk standpunt evenmin iets tegen te zeggen zijn als indertijd tegen de vrijmaking der boeren of tegen de vrijheid van de pers en het gesproken woord en hel kiezen van de volksvertegenwoor-
257
diging. Duizenden dergenen, die vandaag nog hevige vijanden, van de Socialisten zijn, zouden morgen zelf Socialisten zijn, zoo zij morgen tot den toestand van straatvegers waren afgedaald. Ik zou zelfs zeer hooggeplaatste personen kunnen noemen, die zich in dien zin geuit hebben. Waartoe dan die huichelachtige afkeer? Ook met die Socialisten, welke hun plannen langs den weg des vredes en der wettelijke orde wenschen uit te voeren, behoort men vreedzaam en kalm te werk te gaan.
Maar dit staat vast; altijd bewijst een Christen de overheid de eer en de gehoorzaamheid, die haar toekomt. Doch omdat hij een Christen is doet hij nog meer. Wat dan? „Hij bidt voor de overheid.quot; Reeds bij een andere gelegenheid hebben wij de opmerking gemaakt hoe de geschriften der apostelen, die toch zooveel van onrechtvaardige overheden te lijden hadden, ademen de gestadige opwekking: „Bidt voor koningen en allen die in hoo gh ei d zijn.quot; En wij zien ook dat de apostelen het niet voor een godsdienstigen vorm hielden, maar zich groote zegeningen daarvan beloofden. Zij achtten dus zulke voorbidding een vaderlandslievende daad. De voorbidding brengt ons het zekerst in de rechte verhouding tot de menschen voor wie wij bidden en zoo ook tot de overheidspersonen. Zij trekt echter ook de zoo hoognoodige krachten des lichts van de hoogere wereld tot zich.
o. Dat wij toch getrouwer waren in de voorbede voor koning, keizer en alle overheid, de volksvertegenwoordiging niet uitgesloten! Het is een ziekte van onzen tijd dat elk zoo een weinig staatkundige wil zijn. ')
') Ik zou volslagen verkeerd begrepen zijn, indien men tnii zóo begrepen had, dat ik de Christenen geheel van het staatkundig gebied wilde afhouden. Het zou een groote ramp voor het volksleven in bet algemeen en voor de gemeente in het bijzonder zijn, indien de Christelijke lieden zich terugtrokken. Op ons rust bijvoorbeeld de plicht
17
258
En toch, van nabij beschouwd is er onder honderd mannen nauwelijks éen, die een duidelijke zelfstandige meening heeft. Zonder het wellicht te weten zijn de meesten slechts slaven van hun krant en hun partij. En de vrouwen oordeelen in den regel eveneens als de mannen. Maar door getrouwe voorbede voor regeering, volk en vaderland, kunnen wij een krachtigen en heil-zamen invloed oefenen op de staatkunde. Wie dat niet gelooft, gelooft in het geheel niet.
En de biddende vrouw is hier even sterk als de biddende man. En misschien is zij nog sterker op een ander gebied, dat zeer weinig met staatkunde uitstaande schijnt te hebben en waarin toch de geheele toekomst van ons vaderland besloten ligt. Ik bedoel dat mannen en vrouwen het vaderland den grootsten dienst bewijzen, wanneer zij hun gezin tot een edele kweekplaats van den echten Cbristelijken geest, van den echten volksaard, het echte volkskarakter en de echte nationale kunst maken; wanneer zij hun huis tot een tempel van heilige, hemelsche blijdschap, tot een vasten burcht tegen den wassenden stroom van de stofvergoding maken. Ik bedoel dat zij het vaderland den . grootsten dienst bewijzen, zoo zij kinderen opvoeden, die Christelijke karakters zijn, menschen, wier hoogste ideaal is Jezus te volgen, Jezus te dienen. Dat zullen ook degenen zijn, die het vaderland het beste dienen.
om aan staatkundige en gemeentelijke verkiezingen deel te nemen; op ons rust de plicht om de keuze tot eere-amblen, die op ons valt, aan te nemen, zoo hoogere belangen daardoor niet benadeeld worden. En wij hehooren op dit gebied, evenals op elk ander, datgene wat wij doen met ijver en volkomen te doen. — Wat echter de hoogere politiek aa ngaat: er zullen er altijd maar weinigen zijn, die genoeg kennis van zaken, begaafdheid en ruimte van tijd hebben om tot een zelfstandig oordeel te geraken. En ook dezen behoort men voor dweepzucht en onfeilbaarheidswaan ernstig te waarschuwen.
De Schrijver.
259
Daarmede bedoel ik niet, dat de man zich binnen de vier muren van zijn huis moet opsluiten. Als reeds de profeet der Joden in de Babylonische gevangenschap ernstig vermaant: „Zoekt het goede voor de stad waarin gij zijt,quot; — dan geldt dat ons, die in veel vrijer en gelukkiger tijden leven, des te meer. Al is de armste ook een pelgrim hier beneden, toch moet hij een „licht en zoutquot; der wereld zijn. Monnikendom en wereldschuwheid is niet in den geest van Jezus Christus. Wij behooren onze kracht te besteden ten bate van het algemeen welzijn en overal waar en zooveel wij kunnen er toe mede te werken, dat het lijden vermindere en dat het geluk, de welvaart en de ware vrijheid toenemen. Christenen zijn evenmin mollen, die onder den grond wroeten, als uilen, die in het donker zitten. Zij behooren hun licht te laten schijnen voor de menschen, — aldus beveelt de Koning des hemels.
Of zij daarom echter aan den strijd der staatkundige en k e r k e 1 ij k e p a r t ij e n deel moeten nemen, is een andere vraag. Of zij zich in den zelfvergodenden volkstrots en of zij zich in de Farizeesche en verwaande minachting van andere volken moeten verloopen, — dat is in elk geval geen vraag. Onze Heiland zou het gewis niet afkeuren, als bijvoorbeeld de Duit-scher voor zijn vaderland gloeit, als hij zich grootelijks verheugt, een lid van zulk een groot, machtig en nu eindelijk ook onderling vereenigd volk te zijn. Maar wij moeten nooit de groote gebreken, fouten, zwakheden en ondeugden van ons volk uit het oog verliezen. Wij moeten nooit ons oog sluiten voor de voortreffelijkheden en nationale deugden van andere volken, ook van die niet, die ons voor het oogenblik vijandig gezind zijn. Hoeveel konden bijvoorbeeld de Duitschers leeren van de Franschen, hoeveel van de Engelschen! Inplaats daarvan schetsen zekere dagbladen een beeld van de Engelschen alsof zij niets dan zelfzuchtige en geveinsde handelaren waren. De Franschen daaren-
260
tegen zouden een door en door lichtzinnig, ijdel en oppervlakkig volk zijn.
En daarbij komt nog de rassenhaat, die tegenwoordig temidden der „Christelijkequot; volken voortwoekert en woedt. Weet gij dan niet welks geestes kinderen gij zijt?quot; Laat ons toch bedenken dat elk bijzonder volk (en inzonderheid elk afzonderlijk ras) zijn bijzondere bestemming heeft, zoowel voor het wereldrijk als voor het Godsrijk! Zij moeten hun gaven en goederen op vreedzame, niet wangunstige wijze met wederzijdsche erkenning ruilen en elkander waardeeren, maar niet haten en verachten. Bovenal mag de Christen nooit vergeten dat het doel der wegen Gods op éen groot volkerengezin uitloopt, waarin evenmin Franschen en Duitschers, Russen en Engelschen, als mannen en vrouwen zijn, maar allen éen in Christus.quot; Bij die zalige menigte, die Johannes van verre rondom den troon van God aanschouwde (Openbaring Vil), bij die ontelbare schare uit alle volken en talen, is de roem der afzonderlijke natie opgegaan in het groote halleluja, dat ter eere van onzen Heiland en Koning weergalmt. Dan is God alles in allen. En allen zijn broeders in hun God. Dat zal hier beneden reeds aanvangen. En de Christen moet het bevorderen, waar hij gaat en staat, naar zijn beste vermogen.
Zulke stemmen echter, die éen volk boven alle andere willen verheflén, moet men als uitingen van het Farizeïsme tegengaan. En daar ik in de eerste plaats tot mijn Duitsche landslieden spreek, wil ik niet ontkennen dat het mij met vreeze en droefheid vervult, als zelfs Christelijk gezinde menschen vaak spreken alsof de Duitsche natie een soort van zendings- en bemiddelingsrol voor al de volken der aarde had, en alsof de wereld gered ware, indien de Germaanse he geest maar overal de overhand kreeg. Ik bid u, ik bid u, — hoogmoed komt voor den val!
De ware discipel van Jezus Christus wacht zich van „dit zuur-
261
deeg der Farizeën en Sadduceën.quot; En dat, gaat niet minder door van het booze zuurdeeg der p a r t ij d r i ft e n. Terwijl de Duit-sche eigenwaan, die sedert 1870 groote kringen bevangen heeft, reeds een kwaad ding is, is de hatelijkheid en de leugenachtigheid der p a r t ij e n, die in den boezem van ons volk tegen elkander woeden, een nog verderfelijker vergift. Met wat leugens en listen strijdt bijvoorbeeld de Roomsche kerk tegen de Protes-tantsche! En ach, dat onze wapenen maar altijd rein, dat ons schild maar altijd blank ware! — En temidden van de Pro-testantsche kerken — hoe stuitend is vaak de strijd tusschen de zoogenaamde rechtzinnigen en vrijzinnigen! Dezen schromen dikwijls niet te beweren dat de „streng rechtzinnigenquot; zelf niet ge-looven wat zij met hun mond belijden. De „rechtzinnigenquot; echter schieten in hun strijd dikwijls in liefde tekort en zeggen ronduit dat degenen, die bezwaren en twijfelingen ten aanzien van het Evangelie opperen, v ij a n d e n van de waarheid zijn.
En nu nog de staatkundige en maatschappelijk staatkundige partijen! Als men de bladen van de conservatieve richting leest, zou men denken dat al de staatkundige tegenstanders openbare of ten minste geheime vijanden van vaderland en vorst zijn. Hoort men de bladen der liberalen, dan moeten de conservatieven allen huichelaars zijn, die hun geestdrift voor „troon en altaarquot; slechts als scherm gebruiken, waar niets dan platte zelfzucht achter schuilt. Moet ik ook nog spreken over den vinnigen strijd tusschen de werkliedenpartij eenerzijds en de partij der werkgevers en kapitalisten anderzijds? Als twee aaneengesloten legerscharen staan zij tegenover elkander. Giftige pijlen vliegen over en weder. De zucht en de toeleg om elkander te verstaan, te waardeeren, tegemoet te komen, wederkeerig te steunen, — och, er wordt zoo zelden iets van gezien!
Waar moet dat heen? Wat zou de Heiland daarvan zeggen? o, Hij heeft reeds zijne gedachten te kennen gegeven, toen Hij
262
tot zijn dwepende discipelen op bestraffenden toon sprak: „Gij weet niet van welken geest gij zijt.quot; En ik vrees dat Hij over het partijkrakeel van den tegenwoordigen tijd evenzeer zijn luid „wee!quot; zou uitroepen, als eens over de veinzerijenen drogredenen der Farizeën. En Hem, den Heiland voor allen, den Heere uit den hemel, voor een bepaalde partij op te eischen, zou on-noozel zijn, zoo het geene ongerijmdheid ware. En toch, hoe menigmaal wordt het openlijk of bedekt beproefd!
Ik heb niemand voor te schrijven of hij zich bij een staatkundige partij moet aansluiten of niet. Ik heb in het geheel geen voorschriften te geven. Maar in Christus'naam waarschuw ik voor de heillooze verblinding alsof waarheid, wijsheid en recht alleen aan é e n e zijde zouden worden gevonden. In de liefde van Christus waarschuw ik er voor, dat gij uwe ziel en uwe vrijheid toch niet aan eene partij verkoopt of u met smaad en laster inlaat. „Niemand denke kwaad van zijn naaste.quot; Niemand schrijve aan zijn medemensch onzuivere beweegredenen toe, voordat hij er ten stelligste van overtuigd is dat zij onzuiver zijn. Overal in Gods koninkrijk is vrede, en tot vrede zijn wij geroepen.
1?
.
XI.
JEZUS EN DE GENOEGENS, DE GENIETINGEN EN DE GOEDEREN DES LEVENS.
Wat baat het een tnensch, zoo hij de ge-heele wereld gewint, en lijdt schade aan zijne ziel?
Matth. 16 : 26.
1. HIJ NAM DE DINGEN ZOOALS ZIJ ZIJN.
Lodewijk XIV van Frankrijk is een man van treurige gedachtenis, vooral voor de Duitschers. Maar toch heeft deze zichzelven vergodende dwingeland menigmaal in goede oogenblikken een goed woord gesproken. Zoo zeide hij eens tot den beroemden M a s s i 11 o n, die inderdaad een hofprediker was bij Gods genade; „Ik heb in mijn kapel onderscheidene redenaars gehoord en was zeer tevreden over hen. Watw echter aangaat, ik was ontevreden over mij zeiven, telkens als ik u hoorde.quot;
Nu ben ik, helaas, geen Massillon en naar ik hoop gelijken mijne lezers niet op Lodewijk XIV. Nochtans leg ik er mij altijd en vooral bij deze mijne beschouwing op toe dat mijn lezers mij denzelfden lof geven, dien de Fransche koning zijn hofprediker toekende. Ik hoop dus dat door hetgeen ik ditmaal wensch te zeggen mijne lezers ontevredenzullen worden over zichzelven. Of zij dan over mij tevreden of ontevreden zijn is vrij onverschillig.
264
Op het eerste gezicht wel is waar, schijnt ons het voorbeeld -van Christus — in zoover het het levensgenot betreft — geenerlei bezwaren op te leveren. Letten wij er op hoe Hij inde w e-r e 1 d geweest is, dan is het opmerkelijk dat er eigenlijk niets opmerkelijks bij is. Ontegenzeggelijk stelde Hij zich ten doel, de geheele wereld in al hare verhoudingen te veranderen, de gansche menschheid als ware het een nieuw hart te geven. Niettemin nam Hij de dingen zooals zij waren. Hij aanvaardde al de betrekkingen des levens zonder er aan te wrikken. Om over den tijd zijner jeugd hier niet nogmaals te spreken, nam Hij als jongeling het gereedschap zijns vaders en arbeidde in de timmermanswerkplaats, alsof Hij tot niets anders in de wereld ware. Het kwam ook niet bij Hem op in zijn o u d e r 1 ij k huis nieuwe regelen, gebruiken en instellingen in te voeren. Op den sabbat begaf Hij zich met de leden van het gezin naar de synagoge; op den gewonen tijd sloot Hij zich bij de feestelijke karavanen aan, die naar Jeruzalem trokken. Ook onderwierp Hij zich aan de b u r g e r 1 ij k e inzettingen, gaf den keizer wat des keizers was, betaalde belasting enz. Hij nam alles zooals het was.
En toen de tijd voor zijn openbaren arbeid gekomen was, bleef ook alles zoo eenvoudig en natuurlijk mogelijk. Johannes de Dooper was in een kemelsharen kleed opgetreden, hetgeen tot op den huldigen dag nog tienduizenden monniken en nonnen in hun zonderlinge gewaden nadoen. De Heiland daarentegen trad in de kleeding op, die iedereen droeg. Johannos de Dooper onderhield zich met sprinkhanen en wilden honig en vermeed alle ander voedsel. Ook hierin zijn hem tallooze menschen in de Christelijke kerk, zij het ook met verstandige, beperkende bedachtzaamheid nagevolgd, terwijl zij spijswetten en vasten-geboden in groote menigte opstelden. Jezus at en dronk wat Hera voorgezet werd. Hij stelde het grondbeginsel vast dat
265
niets den mensch ontreinigt wat zijn mond ingaat. Hij sloeg zelfs, voorzoover wij weten, nooit een nitnoodiging tot een middag-of avondmaal af, om het even of een tollenaar dan wel een Parizeer de gastheer was. Hij verblijdde zich ook in de gave van den hart-sterkenden wijn. Daardoor was het mogelijk dat zijne vijanden lasterend van Hem beweren konden; „Hij is een wijnzuiper, een vriend van de tollenaren en zondaren.quot; In heilige blijdschap des gemoeds nam Hij deel aan het gezellig verkeer, ja zelfs aan een bruiloft, waar het toch niet aan zang en muziek ontbrak. Eens wordt ons dat verhaald; het is zeer goed mogelijk dat het meermalen geschied is. In allen gevalle heeft Hij dien éenen keer do bruiloftsgasten zelfs van even overvloe-digen als voortreffelijken wijn voorzien, — een groote misdaad in de oogen van zekere nieuwerwetsche Farizeërs, die zelfs het matigst gebruik van wijn veroordeelen. Aan de eigengerechtigen, die van Hem verlangen, dat Hij zijn discipelen zal laten vasten, antwoordt Hij vragender wijze: „Hoe kunnen de bruiloftskinderen vasten, terwijl de bruidegom bij hen is?quot; Zelf moet Hij zich dan toch ook als een bruidegom gedragen hebben.
Wat de onderscheidene levensbetrekkingen betreft, moet ieder opmerkzaam lezer van zijne toespraken en gelijkenissen terstond bespeuren dat Hij ze alle met hooge belangstelling en waardeering beschouwd heeft; landbouwers, werklieden in het bouwvak, visschers, herders, kleèrmakers, mijnbouwers, kooplieden, tolbeambten, soldaten enz. Maar nooit maakt H ij e e n o p m e r k i n g , w a a r d o o r H ij aan h e t e e n e b e-roep de voorkeur geeft boven het andere. Nooit waarschuwt Hij de menschen er voor om dit of dat beroep te aanvaarden. Hij waarschuwt niet voor den krijgsdienst; Hij waarschuwt ook niet voor het tollenaarschap, ofschoon deze betrekkingen bijzonder veel zedelijke gevaren met zich brachten. Als Hij den stand der Schriftgeleerden (dat is der godsdienstleeraren)
266
veroordeelt, dan doet Hij dat niet omdat zij Schriftgeleerden zijn, maar omdat zij Gods Woord ver valse hen. Als Hij de tafels der wisselaars omkeert, dan doet Hij dat alleen omdat zij hunne tafels in het heiligdom van Jehova geplaatst hebben. Overigens schat Hij elk beroep, dat nuttig en noodig in de wereld is, gelijk.
Dat Jezus — om mij in hedendaagschen trant uit te drukken — een groot vriend van de natuur, een scherpzinnig en ernstig beschouwer van de scheppingswerken Gods was, valt terstond ieder in het oog, die de Evangeliën leest. Wij hebben daar in een afzonderlijk hoofdstuk over gesproken.
Over het huwelijksleven spreekt de Heiland met zulk een achting, ik mag zeggen met zulk een eerbied als geen mensch voor Hem (Matth. XIX : 16). Men heeft soms dwaas betreurd dat wij het voorbeeld van Jezus als echtgenoot en vader moeten missen. Echter toonen ons de Evangeliën dat Hij met de harten van de ouders en met echtgenooten, zoowel als met die der kinderen, innig medegevoelt. In alle gevallen is er niets in al zijn spreken aan te wijzen, waardoor Hij het ongehuwde leven aanprijst en op Roomschen trant den ongetrouwden staat met den lof eener hoogere godsvrucht siert en vereert. Immers leefde Petrus, dus juist die apostel, op wiens door God hem geopenbaarde erkenning van den Christus, de Heiland zijne ge-heele gemeente bouwen wil (Matth. VIII : 14) in den echtelijken staat.
Kortom, Jezus neemt het leven zooals het is, en laat alles op zijn plaats. Hij heeft zich niet over elk gebied van het leven uitgelaten. Zoo heeft Hij met geen woord aangeduid hoe H:j over wetenschap, wijsbegeerte, kunst, poëzie, muziek en dergelijke oordeelde. Het is waar. Hij heeft zich om deze dingen niet bekommerd. Doch het zou verkeerd zijn te meenen, dat Hij ze daarom veracht had. Als een trouw en zeer bezet geneesheer, in een tijd van een groote besmettelijke ziekte, zoo ge-
267
heel door zijn werk in beslag wordt genomen, dat hij van alle gezellig verkeer afziet en zich zelfs om zijn huisgezin niet bekommert, dan volgt daar toch waarlijk niet uit, dat hij zijn gezin en den gezelligen omgang minacht. Als een veldheer vlak vóór een grooten slag, geheel verzonken in het ernstige van den toestand, ingespannen bezig met zijne kaarten, plannen enz., de muziek doet zwijgen en afwijst degenen, die hem belangrijke tijdingen uit China of Indië wenschen over te brengen, welke hij op dit oogenblik niet noodig heeft te weten, dan kan alleen een dwaas daaruit afleiden, dat hij van deze dingen volstrekt niets weten wil. Nu, Jezus was de groote heelmeester, voor wiens oogen de gansche aarde als éen ontzettend ziekenhuis uitgebreid lag; Jezus was de veldheer, die gekomen was om de bolwerken des duivels te vernietigen. En zijn tijd is kort; Hij moet werken zoolang het dag is; weldra komt de nacht. Het is dus geen wonder, dat Hij, die alles voor allen wil zijn, geen bijzondere aandacht gewijd heeft aan die dingen, waarvan het genot slechts aan weinigen beschoren is.
Vatten wij het tot hiertoe gezegde samen, dan zeggen wij: Hij neemt het leven. Hij neemt de dingen der wereld geheel natuurlijk op, alsof alles zoo behoorde te zijn, als het eenmaal is. Hij, die toch alles door en door veranderen wil, neemt nergens het breekijzer ter hand om de steenen, waaruit het gebouw van het dagelijksch leven is opgetrokken, te sloopen. Neen, uitwendig niet. Maar zooveel te meer inwendig.
2. DE HEMELSGHE GEZINDHEID IN HET AARDSCH BEDRIJF.
Het is ongetwijfeld waar, — Jezus was op verre na niet wat men bekrompen noemt; Hij was ook geen waanwijze; geen wereldverachter; Hij was geen ontevredene; Hij had een open oog voor al wat schoon en liefelijk is in deze wereld en in het
268
tijdelijk leven. Dit alles is aan geen twijfel onderhevig. Ik ben zeer geneigd dat te erkennen en in te zien. Naar mijn natuurlijken aard ben ik daar wellicht al te zeer toe geneigd.
Maar het is evenmin aan eenigen twijfel onderhevig, dat de geheele wereld met al haar bezit en genot volstrekt geen waarde, volstrekt geen beteeken is heeft tegenover de verrijking, heiliging, verlossing der ziel. Hij stelt het overal en altijd als de grootste dwaasheid voor, wanneer wij de goederen en genietingen van den tijd iets laten zijn, wat ons in de verkrijging van het eeuwige leven hindert. Zoodra de besliste keuze moet gedaan worden, tusschen het winnen van de wereld en het verliezen van het eeuwige, of omgekeerd, zoodra wij feitelijk voor deze besliste keuze geplaatst worden, dan kan het voor den mensch die zijn leven liefheeft, geen keuze meer zijn. De dwaasheid om zich naar het tijdelijke uit te strekken ten koste van het eeuwige, is te groot om ze in woorden te kunnen uitdrukken. Dat is het oordeel van Jezus.
,Wat baat het een mensch, zoo hij de geheele wereld gewint en schade lijdt aan zijne ziel?quot; Ja, wat baat het hem? Wat baat het iemand, die veel kennis vergaderd heeft, en dan plotseling zijn verstand verliest? Wat baat het iemand, die met het oogmerk om alles te genieten, rijkdom op rijkdom getast heeft en dan den maagkanker krijgt? Ach, die armen! Doch armer toch nog zijn zij, die hunne ziel, welke het éenig mogelijke orgaan van het eeuwige leven is, veronachtzaamd, verwaarloosd, verdorven hebben en nu, als al het aardsche ondergaat voor den ontzettenden afgrond staan van het niets, of wel voor een h e 1 s c h e p ij n , of ten minste voor een onuitsprekelijke gewetenswroeging! Ja, wat baat het dan den mensch of ook al millioenen hem prijzen als iemand, die het grootste „gelukskindquot; in deze wereld geweest is?
269
En omgekeerd: wat schaadt het den mensch, en wat heeft hij verloren, zoo hij, gedurende de weinige jaren van zijn aard-sche leven, van ontbering tot ontbering, van strijd tot strijd, van lijden tot lijden gevoerd is, maar ondanks dit alles in de gemeenschap van Jezus het eeuwige leven gewonnen heeft?
Deze gedachte klinkt bij Jezus door alles heen. Telkens weder troost Hij zijne discipelen over al de hen wachtende verliezen, vervolgingen en droefenissen, door hen op het eeuwige leven, op het loon in den hemel te wijzen. Steeds opnieuw waarschuwend, stelt Hij al zijne discipelen in den geest voor den troon van den Rechter der wereld, voor z ij n troon, waar het woord gesproken wordt dat de laatste en eeuwige beslissing inhoudt (Matth. Vil: 22 en verv.; Matth. XXV : 31). Door de aangrijpendste beelden toont Hij ons, dat deze alleen de ware wijsheid is, die het laatste zalige doel, de verkrijging van het eeuwige leven, boven elk ander doel stelt.
En — dat verheelt Hij ons niet — tot dit doel leidt een m o e i e-lijk, steil pad en een enge poort. „De poort is engende weg is nauw, die tot het leven leidt.quot; Hij laat ons niet in twijfel hoe dat bedoeld is. Z o o a 1 s d e m e n s c h e e n-m a a 1 is, kan hij alleen een mensch des geestes en des levens worden, indien hij aanhoudend zich zei ven verloochent. De vermaning tot zelfverloochening keert telkens weder terug. Zelfverloochening nu wil zeggen aan zijn oude i k en zijn neigingen, lusten en begeerten den dood verklaren, zoo menigmaal zij in botsing komen met den wil van God. Z o o a 1 s de wereld eenmaal is, zoo vol onreinheid, zoo vol vergift, zoo vol verleidelijke, verblindende krachten, komt het er voor ieder op zijn plaats op aan, de wereld te verloochenen. Niet dat men er uit loopt. Neen, maar „in de wereld en toch niet van de wereldquot; is de leus. In de wereld alles hebbende, voorzoover God het geeft, alles genietende wat niet
270
bepaald zondig is, — zoo temidden van de wereld nochtans d e wereld ontvliedend. Ontvloden moet de verlokking dezer wereld, de overschatting van hare goederen, de dienstbaarheid en de slavernij, hetzij dat men den mammon dient of allerlei lusten en begeerten, of dat men de menschen vreest, of de gunst van menschen najaagt. Wij moeten de wereld van binnen u i t overwinnen, dat wil zeggen allereerst de wereldschgezind-heid in ons eigen hart. De voornaamste dienaar van Christus, de apostel Paulus, heeft dit in deze woorden uitgedrukt: Wij moeten hebben als niet-hebbende, blijde zijn als niet-blijde zijnde, alles hebben en toch ons onder geene macht laten brengen. „Alles,quot; zoo zegt hij, „is uw; doch gij zijt van Christus.quot;
Dat zijn geen denkbeelden, die eerst in den geest van P a u-1 u s zijn opgekomen. Neen, maar zoo was Christus in de wereld, en daarom moeten wij zoo in de wereld zijn. Den Heiland stonden de eeuwige dingen aanhoudend als de hoogste en als de eenige w ezenl ij k heden voor oogen. Al het vergankelijke was slechts een voorbijgaand, ijdel iets, in het gunstigste geval een g e 1 ij k e n i s van het eeuwige. Hij kon het gebruiken, Hij genoot het met dankbaarheid; maar zijn hart was er niet aan verbonden. Hij was elk oogenblik bereid het op te offeren, zoodra slechts het geringste gevaar bestond dat het Hem in de vereeniging en gemeenschap met zijnen Vader hinderde.
Alleen het eeuwige Koninkrijk was naar 's Heilands gevoelen een rijk, dat dien naam verdient. Dit „Koninkrijk der hemelenquot; staat Hem onophoudelijk in schitterend licht voor oogen-Wat zijne ziel v e r b 1 ij d t is de zekerheid, dat elk m e n s c h e n-k i n d voor dit hemelsch koninkrijk bestemd is, en dat ook alle hartzeer dezer wereld alleen hiertoe dienen moet, dat aan den mensch Gods heerlijkheid openbaar worde. Deze wetenschap, deze kennis maakt zijn inwendige blijdschap uit; het schenkt Hem een opgewekte levensvreugde temidden van het duizend-
271
voudig bitter lijden, waarin nooit een mensch zoo deel nam als Hij. — Wat echter anderzijds zijne ziel met den diepsten ernst vervuld, is de wetenschap dat de mensch sterven moet, inwendig sterven moet, voor hij het leven kan deelachtig worden, — dat hij opnieuw, dat hij van boven weder moet geboren worden (Joh. III : 3 enz.), alvorens hij het Koninkrijk der hemelen kan ingaan, dat derhalve niemand zijne ziel vinden zal, die niet bereid is ze te verliezen (Matth. XVI ; 25); — dat het water dat tot in het eeuwige leven springt niet in onze harten opwellen kan voordat wij (ach, meestal onder droevige, ja ontzettende ondervindingen) hebben leeren beseffen dat alle aard-sche bronnen tezamen veel te weinig aanbieden om ook maar voor een enkelen dag den hevigsten dorst onzer ziel te lesschen (Joh. IV : 14).
Welke aanwijzingen geeft Hij nu aan zijne discipelen, zijne volgelingen, ten opzichte van hun verhouding tot de wereld? Het antwoord luidt, zooals wij reeds vroeger te kennen gaven: volstrekt geene. „Volstrekt geenequot; moet men antwoorden, indien men onder aanwijzingen bijzondere regels van gedraging verstaat; dat zij H e m n a v o 1 g e n zullen, daarin ligt alles opgesloten. Daarin ligt opgesloten dat zij Hem liefhebben, Hem gelooven, Hem vertrouwen. Hem gehoorzamen moeten, en wel Hem alleen. Daarin ligt opgesloten dat zij — gelijk wij reeds zagen — zichzelven en hun zelfzuchtige begeerten verloochenen, dat zij zich op den weg tot het hoogste doel door niets en niemand ter wereld zouden laten ophouden.
Maar tevergeefs zal men naar bijzondere gedragsregelen zoeken. De rechte houding ten opzichte van de goederen en do genietingen der wereld in te nemen valt den volgelingen van Christus daarom zoo moeilijk, omdat Hij alles schijnbaar zoo gemakkelijk maakt, of laat ons zeggen omdat Hij alles — vr ij gelaten, in bijzonderheden niets geboden en niets verboden heeft. Alleen,
272
dat wij in alles zijn ernstige vraag hooren: „Hebt gij Mij lief?quot; Alleen, dat wij overal zijn opgeheven vinger zien: „Menschenkind, menschenkind, éen ding is noodig.quot; — Alleen, dat Hij overal en bij alle wereldsch genot ons straks in het oog en het hart ziet en vraagt: „Is dat tot heil uwer ziel? Baat of schaadt dat uwe ziel?quot;
Dat is het groote, ruime en toch zoo beperkt gezichtspunt. En daarin ligt de moeielijkheid. Millioenen Christenen zouden zich liever aan den leiband laten leiden, lieten zich liever in alles, waarin een kleine of groote beslissing genomen moet worden, zeggen, hoe en waarheen zij hun voet moeten zetten.
Zoo heeft de paus een lijst van verboden boeken laten opmaken. N u weet ieder Roomsche: „Het boek, dat daar niet verboden is, dat mag ik lezen.quot; Ja, waarlijk dat is gemakkelijk. En even gemakkelijk is het den Roomsche op andere terreinen van het leven gemaakt. Heeft de paus er zich niet over uitgelaten, dan zegt hem toch de priester, al ware het de onoe-duidenste dorpskapelaan, of het hem geoorloofd is of niet om dit of dat te doen en te genieten.
Wie het zoo gemakkelijk hebben wil, die moet Roomsch worden. De Heere Christus doet dat niet voor hem. Hij wil noch kinderen noch slaven kweeken, maar v r ij e menschen. Maar eeuwigheids menschen, temidden van den tijd. Ja, daarin ligt de moeielijkheid temidden van den tijd en toch eeuwigheidsmenschen; eeuwigheidsmenschen en toch in den tijd, middenin het leven. — Hoe men zich in elk bijzonder geval ten opzichte van de goederen, de eer, het genot de vreugde, den arbeid des leven te gedragen heeft, — dat hangt van den bijzonderen persoon af. Ieder heeft zijn bijzonder temperament, zijn bijzondere zwakke en sterke zijde, zijn bijzondere bestrijdingen, verzoekingen en gevaren. En daarnaar regelt zich nu zijne verhouding tot de dingen dezer wereld. Niemand kan
273
hem zeggen wat hij doen of laten, aanvaarden of vermijden moet.
Ach! zoo zuchten nu velen en wel zeer velen — dat is een ingewikkeld vraagstuk, wie kan daaruit wijs worden? — Niets is onjuister dan deze meening. Zal een liefhebbend kind, dat geheel met zijne moeder meeleeft, in den regel niet zeer goed weten hoe zij over alle dingen denkt, die het kind aangaan, en zou die moeder haar kind niet met éen enkelen wenk onderrichten, zoo het soms in twijfel verkeerde? En denkt gij dat de Geest des Heeren niet even duidelijk spreken zou tot dengcne. die wezenlijk naar Hem luisteren wil? Waarlijk, Hij openbaart het den oprechte, dat is dengene, wien de gemeenschap met Hem, den Levensvorst, werkelijk boven alles gaat — te rechter tijd en bij de juiste gelegenheid.
De vraag is maar: Zijt gij oprecht? Gaat by u werkelijk de verandering naar het beeld van Christus boven alles?
Wij zullen het gezegde beter begrijpen, wanneer wij er opletten welke gedragslijn de Heiland ten opzichte van de bijzondere terreinen van het leven volgde en wat Hij daarvan gezegd heeft.
3, HET EVANGELIE EN HET PERSOONLIJK BEZIT.
Jezus was tijdens zijn leven op aarde een arm man. Deze zaak is aan geen twijfel onderhevig. Jezus was geen zoon uit een huis, waar er voor gezorgd was dat er in tientallen van jaren geen gebrek kon binnendringen. In het geringe huisje te Nazareth moest men vandaag werken om morgen iets te eten te hebben. Hoe de opbrengst van den kleinen akker, van de weinige vruchtboomen zou uitvallen, of de paar geiten, die op de berghelling weidden, voldoende melk zouden leveren, — dat waren hier belangrijke vragen. Er zullen menigmaal wel ernstige beraadslagingen zijn gehouden als het er overging of
18
274
men dit of dat nieuw kleedingstuk aanschaffen of deze of die eenvoudige ontspanning zich vergunnen kon. En op de belastingpenningen, die aan de onbarmhartige Romeinsche ambtenaren moesten betaald worden, zal wellicht menige traan gevallen zijn.
Dat bleef ook met den Heiland zoo tot op het einde zijns levens. „De Zoon des menschen,quot; zegt Hij, „heeft niet, waarop Hij het hoofd nederlegge.quot; Nochtans is hot niet bij Hem opgekomen, te vorderen, dat zijne volgelingen een ieder van zijn eigenen rijkdom afstand zou doen.
Men wijst er mij misschien op, dat Hij dien eisch toch aan den „rijken jongelingquot; stelde (Matth. XIX : 21 en 22). Maar dat was volstrekt geen algemeene eisch. Een dokter moet ook menigen zieke het genot van koffie of wijn verbieden. Hij denkt er daarom echter niet aan, koffie en wijn in 't a 1 ge m e e n voor schadelijke dingen te verklaren. Jezus kwam met vele bemiddelde lieden in aanraking, en toch maakt Hij het in de verste verte niet tot een vereischte van het discipelschap, da t zij hun persoonlijk eigendom ten bate der armen afstonden. Hij zegt dus tot Nik o der.au s niet, dat hij zijn eer, zijn waardigheid en inkomen als lid van don hoogen raad ten offer moet brengen, Hij zegt dat niet, ofschoon die hooge raad een zeer slecht en gevaarlijk gezelschap was. Evenmin eischt Hij van den hoofdman te Ka-pernaüm dat hij zijn epauletten afleggen, zijn dienst verlaten en zijn vermogen afstaan zou. En toch was de hoofdman-blijkbaar een rijk man, want anders had hij voor de Joden in Kapernaüm geen synagoge kunnen bouwen. De Heiland prijst het geloof van den rijken hoofdman zeer en zegt van zijn goud.... niets. Eveneens handelt Hij in het huis van den rijken Zacheüs enz. Hij moet vele bemiddelde discipelen hebben gehad. Gedurende de drie jaren van zijn openbaren arbeid leefde Hij van hunne gaven. En zelfs in den dood en in het graf kwam Hem — menschelijker wijze gesproken — hun rijkdom te stade. Ik
275
herrinner alleen aan Nikodemns en Jozef van Arimathea. Kortom, Hij vordert niet, evenals de Roomsche kerk van de monniken, de gelofte der armoede, evenmin als Hij de gelofte van den ongehuwden staat eischt.
Hij eischt ook niet, dat al zijne discipelen hetgeen zij hebben tot een gemeenschappelijk vermogen vereenigen en dat zij alles, wat zij door werken verkrijgen bij dit gemeenschappelijk vermogen voegen.
In den eersten tijd' der Christelijke gemeente nam men een proef met de gemeenschap van goederen; maar zij was vrijwillig, niet algemeen, en ging spoedig weer teniet. De zaak bleek onuitvoerbaar te wezen. De apostelen onderwezen ook allerlei rijke en voorname personen, zooals bijv. den kamerling uit Moorenland, den hoofdman Cornelius, den stadhouder Sergius Paulus enz. Maar zij denken er niet aan, van hen te vorderen, dat zij van hun vermogen of van hun wereldlijk beroep afstand zouden doen. Zij prenten hun alleen do groote gedachten van Jezus in het hart.
Anderzijds is het echter ook zeker, dat een wereld, gelijk de tegenwoordige, waar over het algemeen de verachtelijke zelfzucht heerscht, waar het kapitaal een wreede en verpletterende macht uitoefent, waar de strijd om het bestaan allerwegen met een onuitsprekelijken wrevel en verbittering gevoerd wordt, — staat het vast, dat deze wereld, dat deze maatschappelijke inrichting niet overeenkomstig z ij n e gedachten is en dat zij ook op den duur niet bestaan kan.
Ik heb dezer dagen een boek gelezen, dat door een Amerikaan , met name Bellamy, geschreven is. Het draagt tot titel: „In het jaar 2000.quot; Het zou weinig zijn, zoo ik zeide dat het mij belang had ingeboezemd; neen, het heeft mij diep geroerd. En ik wensch er een woord over te zeggen, want de Heiland heeft ons bevolen op de teekenen des tijdstelet-
276
ten. En dit boek is zonder twijfel een belangrijk teeken des tijds. Reeds dit is een teeken, dat men ziet, hoe het verslonden wordt. In millioenen exemplaren, in alle talen der beschaafde wereld wordt het gelezen, door ontelbaren als een nieuw evangelie. En niemand kan het lezen en er onverschillig onder blijven. Zonder twijfel zal het voor den maatschappelijken Staat der toekomst tallooze vurige aanhangers werven.
En wat is de inhoud? Nu, het wil ons de wereld laten zien, zooals zij zich in het jaar 2000 zal voordoen. Een bemiddeld man, die in het jaar 1887 door een verstijvende kramp overvallen is, ontwaakt in het jaar 2000 uit zijn verdooving, vindt nu een nieuwe wereld en beschrijft ze ons, terwijl hij aanhoudend het nieuwe met het oude (dat wil zeggen met. de tegenwoordige) vergelijkt. Ik maak er u vooruit opmerkzaam op dat het nieuwe niet door een gewelddadige bloedige omwenteling en regeeringloosheid ontstaan is, maar langs den weg des vredes, door vrijwillige beslissing der natiën. Der natiën — zeg ik, want hoewel deze schoone nieuwe wereld het eerst in Noord-Amerika het licht aanschouwd heeft, zijn toch ook de andere beschaafde volken gevolgd, zijn tot een groot vredebond vereenigd en hebben alle geen legers meer.
Ja, maar wat is dat dan nu voor een nieuw menschdom? In het kort: het persoonlijk eigendom is afgeschaft, en geld beslaat er niet meer. Alle tot werken geschikte menschen in dezen staat arbeiden — ieder op de plaats, waar hij liet best past — voor de algemeene welvaart. Overeenkomstig een voortreffelijke inrichting geschiedt zoowel de voortbrenging als de verdeeling der goederen onder de afzonderlijke personen. De uitslag van deze eendrachtige samenwerking van alle menschen is bovenmate heerlijk. De middelen voor een onbezorgd, gezond en aangenaam leven, zoowel als voor een grondige ontwikkeling van allen, zijn in rijke mate aanwezig.
277
Geen wonder! Van staatsschulden, van belastingen, van legers is geen sprake meer. Het ontzaglijk aantal ambtenaren, die zulk een geduchte menigte van krachten verbruiken, bestaat niet meer. De tusschenhandel, die tegenwoordig alle levensbehoeften zoo vreeselijk duur maakt, heeft opgehouden te bestaan. De concurrentie in de nijverheid, die niets anders is dan een gestadige verdelgingskrijg der industriëelen onderling, heeft uitgediend; mislukte ondernemingen, waardoor verbazende vermogens van de natie teloor gingen, zijn er niet meer. Overproductie en de daaruit voortkomende handelsongelegenhedeii, werkeloosheid bestaat er niet meer. Elke kracht is voorldnrend zegenrijk werkzaam ten algemeene nutte, en de grootheid van het aldus door vrijheid, gelijkheid en broederschap verworven nationaal vermogen is niet te schatten.
Is de stoffelijke welvaart verbazend groot, niet minder groot is de z e d e 1 ij k e. Nu eindelijk, terwijl allen vreedzaam en eendrachtig elkander in de hand werken, (in plaats dat allen, evenals in de negentiende eeuw, er op uit zijn, elkaêr te vernielen) ; nu eindelijk, terwijl allen zich in gelijke welvaart verheugen ; nu eindelijk doet de liefde weder haar intrede in het menschelijk geslacht. Nu eindelijk kussen gerechtigheid en vrede elkander op aarde. Van jaloerschheid, haat en nijd — en al de verschrikkelijke dingen, die daaruit voortkomen — is nu bijna geen sprake meer. De menschen kunnen blijmoedig het hoofd opheffen tot God, die nu eindelijk, nu wezenlijk als de Vader van alle menschenkinderen erkend wordt.
Zoo is deze uitgedachte ideale wereld. Het is maar de vraag of dit ideaal in dezen tijd bereikt kan worden. Wie dat gelooft, — ik geef het toe — moest een nietswaardig mensch zijn, zoo hij geen vurig apostel van dit nieuwe evangelie werd. Inderdaad in vergelijking met zulk een wereld is onze eeuw een eeuw der duistere barbaarschheid.
278
Ja, maar de hoofdzaak: „Zalhet daar ooittoe komen? Nu, dat de tegenwoordige toestanden tot een verschrikkelijke ontknooping moeten leiden, indien vele dingen niet anders worden , r— dat alles volslagen ondermijnd is, dat behoeft nauw bevestiging. Gewis hebben nooit, zoolang de wereld bestaan heeft, zoovelen van de machtigen en de rijken dezer wereld zich ernstig beijverd, om aan het lijden en de ontevredenheid een einde te maken en de kloven tusschen de menschen aan te vullen, als thans. Dat is een treffend en bemoedigend schouwspel. Maar de sombere en zelfzuchtige krachten, die alles verderven, zijn veel machtiger. De met inspanning naar boven gewentelde steen rolt telkens weer naar de laagte, tenminste tot nu toe.
Ja, maar hoe zal het tot deze wereld komen, waarin de ware menschlievendheid overal en in alle omstandigheden den schep-ter zwaait? Ik sta waarlijk niet aan de zijde dergenen, die om Bellamy's beeld der toekomst lachen; om er om te lachen is de zaak veel te ernstig. Wel echter is het belachelijk, wanneer men meent, dat de menschen in het wezen der zaak aan elkander gelijk geworden zijn, zoodra het verschil van vermogen hee.^t opgehouden te bestaan. Die dat denkt is inderdaad een gebrekkig kenner van het menschelijk leven. De allergrootste verscheidenheid bestaat er in de aangeborene, lichamelijke en geestelijke eigenschappen. En zij maken elke poging tot gelijkmaking te schande. Maar afgezien daarvan, is en blijft het boek een d r o o m-b e e 1 d. De bezwaren , die zich voor elk denkend mensch ten opzichte van Bellamy's toekomstigen staat ophoopen, zijn inderdaad ontelbaar. En wat voor mij hel grootste bezwaar tegen dit beeld der toekomst uitmaakt, is dit, dal de goedaardige schrijver een te gunstige beschouwing van den mensch heeft. Hij kent de ontzettende schuilhoeken van het menschelijk hart niet. Wel heeft hij gelijk, dat er veel aanleiding tol
279
boosheid vervalt, wanneer alle menschen in dezelfde aangename omstandigheden verkeeren. Maar hij heeft helaas ongelijk, ach, groot ongelijk, wanneer hij meent, dat de mensch, in den grond beschouwd, goed is, en dat hij pas slecht wordt door de slechte, drukkende en verbitterende verhoudingen. Ach, nijd, haat, wraakgierigheid, zelfzucht, begeerigheid, hoogmoed, heerschzucht, onoprechtheid, onreinheid en dergelijke, liggen zoo diep in den mensch, dat zij door gunstige uitwendige omstandigheden niet weggenomen worden. Het dierlijke, dat er in demenschelijke natuur sluimert, zal zich slechts zooveel te vreeselijker op ander gebied openbaren, wanneer het zich op het gebied van het mijn en dijn niet meer kan doen gelden.
Zoo is dan het geheele gebouw op een waggelenden g r o n d, ja op een luchtfondament opgetrokken. Het mensch-dom van Bellamy heeft geen Verlosser noodig; het verlost zich zei ven door nieuwe, verstandige en menschlievende regelen in te voeren. De prediking, die wij „in het jaar 2000quot; le hooren krijgen is een ware bespotting van het Evangelie. Zij spreekt er niet over hoe God de wereld, maar hierover, hoe het menschdom zichzelf verlost heeft. Zij schept, zoo al niet een nieuwen hemel, dan toch een nieuwe aarde, die echter metterdaad reeds een „hemelquot; is. — Ja, het menschdom van Bellamy kan dat, maar het menschdom zooals het w e r k e 1 ij k is, kan dat niet. üaar moet de sterkere den sterke overwinnen, de Heiland den redding zoekenden zondaar verlossen, de Geest heerschen over het vleesch; anders is alles verloren. En als ik lees, wat de Heiland aangaande de toekomende tijden — aangaande d i e tijdsruimten, welke zijne wederkomst voorafgaan, dus van die tijdsruimten, welke voor ons liggen, zegt, dan gelijkt dat helaas niet veel op znlke paradijs-toestanden.
Maar indien het al niet zoo volmaakt worden kan als Bellamy
280
meent, zoo is het daarom toch nog lang niet bewezen, dat alles bij het oude moet blijven. Integendeel, ik houd mij overtuigd, dat in Bellamy's voorstelling vele hervormingsgedachten liggen, die ook te zijner tijd haar vervulling zullen erlangen. Het menschdom gaat te gronde, zoo niet het denkbeeld van menschlievendheid (dat ongetwijfeld ook de gedachte van den Heiland is) op geheel andere wijze dan tot hiertoe heer-schende wordt. En al heeft ook de Heiland ia zijn prediking en voorzeggingen nooit de schets van een toekomstigen staat ontworpen — toeh is zonder twijfel niet de gelijkheid, wel echter de liefde, de eciidracht, de eenheid, de vrijheid en de broederschap juist datgene wat Hij wil. Dat Hij bedroefd het hoofd zou schudden over de tegenwoordige maatschappelijke inrichting, waarin het kapitaal alles beheerscht, staat bij mij vast.
Doch, om van Bellamy weder tot het Evangelie terug te keeren, — het is duidelijk dat Jezus den rijkdom en het persoonlijk bezit niet verboden heeft. Maar overal hooren wij Hem den eisch uitspreken, dat zijne volgelingen hun rijkdom in den vrij willigen dienst der liefde zullen stellen, maar dat zij zichzelven slechts als rentmeesters Gods zullen beschouwen, die Hem, als den eeuwigen Rechter, rekenschap van hun rentmeesterschap moeten geven. ')
Maar Hij schijnt van meening te zijn, dat een mensch zeer bezwaarlijk tot dat gezichtspunt en standpunt geraakt. En daarom spreekt Hij — wij kunnen het niet ontkennen — over
') Dat de dienst der liefde in allen gevalle allereerst aan de leden van het gezin ten goede komt. wordt niet in het bijzonder gezegd. Het behoeft ook niet gezegd te worden; reeds de natuur zegt het iedereen. Maar volstrekt onchristelijk is het, wanneer een hemiddeld man denkt dat hij zijn rijkdom alleen voor zich en de zijnen bezit. God zal den oprechte hierin wel den weg wijzen.
De Schrijver.
281
den rijkdom met een bijna aangrijpenden ernst. Hoe bezwaar-lijk zullen degenen die goed hebben in het koninkrijk Gods ingaan; want het is lichter dat een kemel ga door het oog van een naald dan dat een rijke inga in het koninkrijk Gods.quot; — Wel verklaart Hij later dat onder rijken dezulken te verstaan zijn, die „op hun goed hun vertrouwen zettenquot; en er met hun hart aan hangen. Maar blijkbaar is het zijn bedoeling dat dit gevaar zeer, zeer groot is, — het gevaar om den afgod M a m-mom te dienen, omdat men zooveel aardsche goederen heeft. Maar al te licht gebeurt het, dat degene, wien rijkdom ten deel valt, er met zijn hart aan hangt en altijd slechts naar meer hunkert en giert. De „gierigheid nu is de wortel van alle kwaadquot;, gelijk de Schrift zegt, en het dagelijksch leven bewijst. De rijkdom verschaft de middelen ter voldoening aan alle v 1 e e s c h e 1 ij k e begeerten, het geld is een macht, het geld geeft eer ; „geld regeert de wereldquot;; hoe licht gebeurt het dus, dat de rijke op de eene of andere wijze een „wereldschquot;; een in de wereld opgaand, een van God vervreemd mensch wordt.
De Heiland toont ons hoe arm zulke rijken zijn. Hoe arm is die rijke landheer, die met het oog op zijn volle schuren, zegt: „Mijne ziel, eet, drink, wees vroolijk!quot; Dat is alles, wat hij uit de zegeningen Gods geleerd heeft. Een dier, indien het een enkele minuut spreken kon, zou zich op dezelfde wijze verheugen. En toch spreekt deze man uit, wat er in de harten van tallooze gegoede menschen omgaat. Verpletterend klinkt hem dus van boven toe: „Gij dwaas, in dezen nacht zal men uwe ziel van u afeischen, en wat gij bereid hebt, wiens zal het zijn?quot; En —• zoo hoeren wij het naklinken: „Wiens zal uwe eigen ziel zijn? Waar zal uw van God vervreemde ziel zijn?
Een ander maal stelt Hij ons een rijken man voor oogen,
282
die eiken dag vroolijk en prachtig leeft en daarentegen den armen, met zweren bedekten Lazarus voor zijne poort laat liggen en er niet aan denkt hem barmhartigheid te bewijzen. Dat laat hij aan de honden over.
Deze heer is nog niet een van de ergste soort. Jezus zegt niet dat hij zijn vermogen door bedrog of woeker of op een andere onbehoorlijke wijze verkregen heeft. Neen, hij kan het eerlijk verdiend of „naar 's lands wet en rechtquot; van zijn voorzaten geërfd hebben. Maar hij heeft het. En omdat hij het heeft, draagt hij er ook de v er an t w o o r d elij k he i d voor. Want dat is een gedachte, die bij Jezus telkens wederkeert, dat alles wat wij hierbeneden hebben ons slechts in beheer gegeven is, en dat wij te zijner tijd aan dien God, die het ons heeft toevertrouwd, er rekenschap over afleggen moeten. Rekenschap dus hierover, of wij liet overeenkomstig zijn wil en in zijn geest, — dus in den zin en den geest der liefde, die niet het hare zoekt, de liefde, die 's naasten welzijn en geluk bedoelt — bestuurd en gebruikt hebben.
Juist dat echter is een gedachte, die nooit bij den rijken man is opgekomen. Het is immers zijn geld, zijn „eerlijk verkregenquot; geld. Kan hij er niet mee doen wal hij wil? Wie heeft het recht hem wetten te stellen? Hoe licht had het den rijke gevallen, zijn nood te lenigen! „ Maar,quot; zoo spreekt hij bij zichzelven, tenminste indien hij het in het geheel de moeite waard achtte, zich met zulke gedachten bezig te houden — hij zegt bij zichzelven: „Wat zou dat baten, zoo ik den man hielp? Daarbij blijven er toch nog tallooze armen en zieken over. Het is nu eenmaal zoo gesteld, dat er armen en rijken in de wereld zijn, dat was altijd zoo en zal ook altijd zoo blijven. Bestaat er een God, dan is het zijn eigen schuld dat de wereld zoo ellendig isquot;.
Zoo stelt de rijke man zich gerust, — indien hij, gelijk wij
283
reeds zeiden, in het geheel ooit zoo ver kwam om zich met de zaak te bemoeien. En evenzoo stellen zich tot op den huldigen dag duizenden en nogmaals duizenden rijke lieden gerust, hetzij zij aan de Teems of aan de Seine, aan de Elbe of aan den Weser wonen.
De rijke man in het Evangelie kwam zichzelven misschien reeds zeer barmhartig voor, doordien hij Lazarus veroorloofde voor zijn poort te liggen en 'de kruimels, die van de tafel gevallen waren, uit de handen van medelijdende bedienden aan te nemen.
■Jezus echter beschouwt de zaak anders: „Als hij in de hel zijn e oogen opsloeg, zijn de in de pijnquot; , zegt de toch zoo teedere Heiland ten opzichte van den gestorven rijke. Hij zegt dus, alsof dat geheel vanzelf spreekt, dat deze nu in de hel en in de pijn was, nadat hij zoo geleefd had als hij had geleefd. Niet dat hij „laagheden en misdadenquot; gepleegd had! Maar hij had voor zichzelf geleefd, had zichzelven vergood. De zonden van nalatigheid zijn het, die hem in de hel brengen. „Slechts zonden van nalatigheidquot; — zegt de wereld. Doch niets is onzinniger dan dit woord ,slechtsquot;. Het kan de grootste misdaad zijn, het goede dat wij doen kunnen, te verzuimen. En zoo is het hier. Het hart van den man die voor de wereld leeft, is versteend geweest voor zijn mede-menschen; daarom gaat er nu een onbarmhartig oordeel over hem. Een verdere toepassing is overbodig.
Het is mogelijk, dat de wereld het beleven zal, — misschien beleven wij het nog — dat hier op aarde reeds het onbarmhartige oordeel over de onbarmhartigen komt. Het vat is tot overloopens toe vol, ondanks, zooals gezegd is, tegenwoordig liet aantal barmhartig® onder de rijken veel grooter is dan ooit tevoren. Ontevredenheid, haat, wrok, wraakzucht, begeerlijkheid zijn bij de groote menigte tot een vuurzee geworden.
284
die alle bestaande vérhoudingen dreigt te verslinden. Wat dan komt, weet ik niet; dat de dingen zoo vreedzaam en onbloedig zullen afloopen als in het genoemde boek gezegd wordt, waag ik niet te gelooven. En als het oordeel aanbreekt, dan zal het ook degenen treffen, die met een deelnemend en liefderijk hart als rentmeesters Gods hunne middelen in den dienst der liefde besteed hebben. Dat is eenmaal zoo in de wereld. Maar dat maakt ook niets uit; de Heere Christus zal dat licht vereffenen en hen wel eeren. Wie zich maar bewust is, dat hij het hem toevertrouwde goed van welken aard ook gebruikt als een dienaar van dien God, die de liefde is, gebruikt met het oog op de eeuwige rekenschap —• die kan hetgeen er komt, rustig en in heilige gelatenheid afwachten. Nooit zijn wateren zoo hoog gestegen dat zij niet weer daalden. De vraag is slechts voor iedereen: Zijt gij u bewust zulk een rentmeester te zijn ? Is het uw toeleg, u — niet alleen genot maar bovenal vrienden te maken uit den onrechtvaardigen mammon, uit den mammon, waaraan zoo' oneindig veel onrecht, zonde en schande kleeft ? Is het uw verlangen u e n uwen God daar vrienden uit te maken?
4. DRIE ZUILEN, WAAROP DE WERELD RUST.
Drie zuilen zijn het, waarop elke verstandige inrichting der menschelijke samenleving te allen tijde gerust heeft Wie een van deze zuilen omverwerpt, werpt ze alle drie omver, want zij zijn op het allernauwst met elkander verbonden. Deze drie zuilen nu heeten; bidden, werken, lief heb oen.
Vooreerst het bidden! Een volk zonder gebed, zonder geloof, zonder God, is als hout zonder merg. Nooit heeft een volk nog langer kunnen bestaan, wanneer het het geloof verworpen had. Alle zedelijkheid, alle deugd vloeit voort uit het geloof.
285
Wat mij bij de tegenwoordige wereldberoerende socialistische beweging de grootste zorg inboezemt, is niet de eisch van een normalen werkdag, niet de eisch van een billijkere belasting-verdeeling, algemeen kosteloos onderwijs, andere verdeeling van het bezit enz. Over deze en andere dergelijke dingen kan men zich nog beraen. Neen, wat mijn hart met bange zorg vervult is de v ij a n d s c h a p tegen God in deze beweging. Men wil het geloof aan God uit het hart scheuren. Men schrijft met duizend pennen, men predikt met duizend tongen, dat het geloof aan God en aan de eeuwigheid te allen tijde de menschen in onwaardige dienstbaarheid gehouden heeft en nog houdt. — „Met den dood is alles uit.quot; „Den hemel laten wij aan de engelen en de grappenmakers over.quot; „Wij willen ons niet met een wissel op de eeuwigheid laten afschepen.quot;
Met een bloedend hart moet men ja, nu wel toestemmen, dat de machtigen en rijken maar al te dikwijls den godsdienst misbruiken en tot een werktuig der dienstbaarheid gemaakt hebben. Men heeft het volk geloof in God, ootmoed, berusting, hoop op een betere toekomst na dit leven aanbevolen en ingeprent pm het gedwee en afhankelijk te houden. In stilte lachte men dan om den uitslag. Zij, die zoo handelden hebben het koninkrijk Gods meer schade berokkend dan de duivel en al zijne engelen samen. Zij hebben den godsdienst gehaat en verachtelijk gemaakt. Ach, zelfs vele dienaars der kerk hebben zich tot het arme volk gekeerd, heesch geschreeuwd, terwijl zij altijd door „Gehoorzaamheid ! Nederigheid! Zelfverloochening!'' predikten, in-plaats dat zij den rijken en machtigen der aarde in klemmende taal hun plichten inscherpten.
Maar het misbruik doet het gebruik niet teniet. Het blijft daarom toch zoo, dat het menschdom zonder geloof in God en zonder geloof aan de eeuwigheid zijn levenskracht verliest.
Met het gelooven en bidden staat het werken in nauw ver-
286
band. Eerst door het Evangelie is de arbeid, alle en elke eerlijke arbeid geadeld geworden, en het Evangelie stelt aan allen, die zich naar den naam van Christus noemen, den arbeid tot een heiligen plicht. Of iemand voor zijn brood werken moet of niet, komt daarbij volstrekt niet in aanmerking. „Die niet werkt, zal ook niet eten.quot; Het is duidelijk dat met deze gedachte in de oude wereld, die den arbeid verachtte, een nieuw licht opging.
Wij verwonderen ons echter niet, dat de nieuwerwetsche socialisten, die de gebedszuil omver willen werpen, er op uit zijn, ook de tweede zuil omver te werpen, die arbeid heet Zij prediken dat men den arbeid tot op het uiterste toe beperken moet, dat men hoe langer hoe liooger loon moet eischen en tot hoe langer hoe korter werktijd dwingen moet, want dat bestemming en het doel des levens is genot. Dat is de rechtstreek-sche gevolgtrekking van het materialisme, dat alleen van het tegenwoordige leven wil weten ! „Laat ons eten en drinken en vroolijk zijn, want morgen sterven wij!quot; De eerste zuil sleept in haar val de tweede met zich mede.
De discipel van Christus daarentegen weet dat hij goedsmoeds en rustig werken moet om met eere zijn brood te eten en „opdat hij kunne mededeelen aan dengene die behoefte heeft.quot; Niet om schatten op te leggen voor zich, moet de Christen werken, maar om hetgeen hij heeft in den dienst der liefde te stellen. Daar hebben wij dus de derde zuil.
Niemand kan iets hoegenaamd van zijn aardsche goed in de eeuwigheid medenemen. Wij hebben — zooals de apostel zegt — niets in de wereld gebracht; het is duidelijk dat wij er ook niets kunnen uitdragen. Daarom is het aardsche goed echter geens-zinsnietsbeteekenend. Integendeel, het krijgt een eeuwige bcteekenis, zoo het in den dienst der liefde gesteld wordt. Ik herinner alleen aan het treffend tafereel dat de Heiland ons in
287
Mattheus XXV : 31—46 van den grooten dag des oordeels schetst. De arbeid moet zijn gezegende kracht uit den hemel ontvangen op het gebed; hij moet echter den ontvangen zegen op aarde openbaren in kracht der liefde. De door God gezegende mensch moet zich doen kennen als een rentmeester van God, die liefde is.
Geen prediking heeft ooit zooveel kwaad bloed gezet als de prediking der vergenoegdheid, wanneer zij namelijk van de lippen kwam van dezulken, die zeif overvloed hadden en anderen vermaanden, met het oog op de eeuwigheid, de goederen en de genietingen van dezen tijd te verloochenen. „De godzaligheid is een groot gewin met vergenoegdheid,quot; — doch alleen diegene mag tot „tevredenheidquot; vermanen, die naar zijn beste vermogen de helpende liefde laat heerschen en voor zichzelf vergenoegdheid aan den dag legt.
Ja, de liefde is de derde zuil, waar het leven in de wereld op rust. En wel onder de armen zoowel als onder de rijken. Het leven van het leven is de liefde, die niet liefheeft om dank en vergelding van welken aard ook in te oogsten, — die niet den levenswaardige maar den liefde-behoevende liefheeft, —• die dus op goddelijke wijze liefheeft, die liefheeft om levend te maken, wat dood is of op sterven staat. Wie niet slechts zijn inwendi-gen mensch heiligen, — neen, ik zeg ook, wie de instandhouding der wereld bevorderen wil, die smeeke van den hemel die hemelsche liefde; dan zal alle aardsch bezit hem niet schaden, maar een bron van eeuwigen zegen voor hem worden.
5. HET EVANGELIE EN DE GENOEGENS VAN HET LEVEN.
Wij zijn een weinig uitvoerig geworden bij het vraagstuk aangaande het bezit, want dit is het vraagstuk, dat thans juist de
288
wereld bezighoudt, meer dan ooit tevoren. Doch niet minder belangrijk dan het vraagstuk omtrent het bezit, is het vraagstuk betreffende het genot, betreffende hetgeen men „genoegenquot; noemt, en betreffende het jagen naar eer en aanzien bij de menschen enz. Dat de Heiland niet tegen de blijde en reine genoegens des levens gekant was, hebben wij reeds gezien. Maar de verklaring: „Een ding is noodig,quot; klinkt als een klokgelui uit de wereld der eeuwigheid ernstig op alle wegen van Christus' volgelingen door. „Een ding is noodig — vergeet dit éene niet, verlies uw parel niet. — Verlies nooit uit het oog dat gij, waar gij u ooit bevindt, wat gij ooit genieten moogt, wat gij ook zoekt of najaagt, — dat gij altijd zijn en blijven moet in de dingen uws Vaders!quot; — Dit is de maatstaf, die zich volstrekt niet buigen laat.
Zoo bijvoorbeeld zegt de Heiland: „Hoe kunt gij gelooven, die eer van elkander aanneemt en de eer die van den eenigen God komt, niet zoektquot; (Joh. V : 44). De Heiland wil niet zeggen, dat men vooral geen eer van menschen aannemen zal, dat bijvoorbeeld een man, wien zijn vorst wegens werkelijke verdiensten ten opzichte van zijn vaderland, een orde verleent, die weigeren moet. Maar wie gelooft, dat wil zeggen wie als een arm zondaar tot Christus, den Heiland, de toevlucht heeft genomen, kan naar zulke dingen niet jagen. Onmogelijk is het, dat hij, aan de wereld gelijkvormig, hunkert en jaagt en reut naar orden, titels, eerbewijzen, onderscheidingen. Onmogelijk is het, dat hij zich bezighoudt met dat stelsel der leugen, der veinzerij en der vleierij, waarbij men anderen prijst en eert alleen om wederkeerig geëerd te worden. Hij gaat rustig zijn weg, is tevreden en blijde, wanneer hij zijn plicht doet. Oneindig veel hooger dan alle eer, die menschen hem bewijïen kunnen, gaat hem de „eer,quot; dat hij genade bij God heeft gevonden. En dit geluk is zoo groot, dat hem zelfs de verachting der
289
geheele wereld hem zijn vrede niet ontrooven kan. Maar waar zijn zij, die kinderen des vredes, wien het voldoende is, wanneer de Heere hen als de zijnen erkent? Zijt gij, mijn lezer, éen van die? Of zoekt gij ook de eer bij de menschen?
Evenzoo is het bij de „genoegens en de genietingenquot; des levens: „Alles is uw — maar gij zijt van Christus.quot; Daar hebben wij de vrijheid en de gebondenheid van den Christenmensch. Zegt iemand; „Ik kan driemaal 's weeks naar den schouwburg of naar een concert gaan en tweemaal een groot diner bijwonen, zonder dat hel mijne vereeniging met den Heiland schaadt, dan spreek ik hem niet tegen. Ik vind het zeer twijfelachtig, maar ik antwoord hem; „Gij doet dat op uw verantwoording. Ik begrijp wel niet hoe dat met de plichten van uw aardsche beroep rijmt. Maar de karakters zijn zeer verschillend. Het komt voor uw verantwoording.quot;
Ik geloof echter dat in dit opzicht zeer vele Christelijke lieden (van anderen spreek ik hier in het geheel niet) zich geheel schaamteloos bedriegen. Zij hebben de Christelijke vrijheid — die waarlijk geen mensch mag aantasten, tot een dekmantel van een vleeschelijk bestaan gemaakt. Zij zijn „er van overtuigdquot; dat God hun zulk een ruime mate van vrijheid verleend heeft, dat zij — „den heinel zij dank!quot; — zeer ruimhartig zijn, dat zij alles genieten kunnen en toch door niets gevangengenomen worden. — Ja, zoo het maar waar is. Wanneer hun de duivel maar niet bedrogen en hen lot een Christelijke „vrijheidquot; gebracht heeft, die niets anders is dan een vroom gekleurde liefde tot de wereld.
Het is volkomen waar dat voor A iets geoorloofd kan zijn wat aan B verboden is. Het is niet minder waar dat voor B op zijn vijftigste jaar iels onschadelijk kan zijn, dat op zijn twintigste jaar verderfelijk voor hem was. Het is niet minder juist dat wij ons nu in het belang van anderen dit of
19
290
dat genot ontzeggen moeten, dat ons in een anderen kring geoorloofd is.
Het is alzoo op dit gebied alles, het meeste althans, zooals men zegt, van persoonlijken aard, dat wil zeggen, men mag niet alles over éen kam scheren. Maar overal en boven alles staat de goddelijke waarschuwing geschreven: „Hebt de wereld niet lief!quot; dat wil zeggen: „Geeft uw hart niet aan de wereld; geeft u niet over, gelijk de kinderen dezer wereld, aan de begeerte des vleesches, en de begeerte der oogen en de grootschheid des levens. Onttrekt uwe liefde — ook een deel uwer liefde — niet aan Hem, wien zij alleen toekomt en die door zijn leven alleen u gelukkig kan maken.'
„Houw af de hand, die u ergert! Paik uit het oog, dat u ergert!quot; — Ja — zegt iemand — wat wil dat zeggen? Wie kan dat begrijpen? — O gij huichelaar, vraag dat riet. „U ergertquot;, naar de bedoeling van den Heere Jezus, alles wat uwe gemeenschap met Hem belemmert. Bij den eene is het de geneigdheid tot „eerzuchtquot;; bij den andere is het een loom, behaaglijk, onbekommerd genotsleven; bij den derde is hel een nooit rustende ondernemingsgeest; bij den vierde een overdreven begeerte naar gezelligheid of naar boeken en kranten enz. ')
') Een bang voorgevoel bevangt vaak mijne zie), als ik twee dingen opmerk, die echter in nauw verband met elkander staan. Ik bedoel eenerzijds de als een lawine zich uitbreidende zucht naar vermaak, en anderzijds de schier waanzinnige en slechts al te krachtige pogingen tot steeds nieuwe streeling van de zenuwen, tot steeds nieuwe zinnelijke opwekking. Dank zij de hedendaagsche hulpmidde'en is het reizen tegenwoordig zoo gemakkelijk en goedkoop, dat het ons verbazend veel geld kost; dat is het geringste; het voornaamste is, dat het de menschen der onderscheidene landen en volken precies door elkander mengt. Er zijn telkens nieuwe „congressenquot; en „dagen.quot; juristendagen, blikslagers-, logementhouders-, journalisten , schoor-steenvegersdagen enz. Er zijn gedurig nieuwe nationale en interna-
291
Er kunnen geheel onschuldige dingen zijn, die evenwel ons, zooals wij juist zijn, in het verderf storten, wanneer wij er ons niet van onthouden. Zoo verbood de Heiland dien kleinmoe-digen volgeling wat Hij duizenden anderen geboden zou hebben,
tionale muziekfeesten en schuttersfeesten. Beschouwt men de zaken op den keper, dan is het in den regel weinig om de zaak te doen, — de uitspanning is het eigenlijke. En nu de plaatselijke, de nationale en de internationale „tentoonstellingenquot; van alle soort. Die konden wel veel goeds stichten, maar of zij het doen ? Of zij voor negen en negentig van de honderd menschen iets anders zijn dan een zee van verstrooiing? Ik denk verder aan al de „virtuosenquot; en ,kapellenquot; van alle mogelijke natiën, die van de eene stad naaide andere trekken. „Dat is nog nooit vertoond, dat mag men zich niet laten ontgaan,quot; — zeggen dan ook maar al te veel anders Christelijk gezinde menschen. En fluks loopt men om biljetten alsof het een gewetenszaak uitmaakte. En de gewetensvraag moest toch veeleer zijn of men onder al die woelige drukte in een goddelijk middelpunt blijft.
In hooge mate stuitend echter komen mij de vele nieuwmodische tentoonstellingen van menschen uit andere wereldstreken voor. Nu eens zijn het Samojeden uit het koude Noorden, dan bruine Arabieren, straks de zwarte zonen van Afrika; kort geleden leidde Buffalo Bill de Indiaanscbe zonen en dochteren der wigwams door Europa om ons „het wilde Westenquot; in den oorlog en op de jacht voor te stellen. Te Parijs is men ook reeds tot de stierengevechten gevorderd. Welliclit zal dat weldra niet meer voldoen en komt men, indien de politie het toestaat,, tot de vertooning der zwaardvechters uit den tijd der Romeinsche keizers terug. Het ware toch bijzonder merkwaardig; ook eens menschenbloed te zien stroomen.
AI deze buitensporigheden brengen de kinderen van onzen tijd in „geestdrift.quot; Ja, zij maken hen hoe langer hoe zenuwachtiger, hoe langer hoe onverschilliger, hoe langer hoe minder ingenomen met den arbeid en het dagelijksche leven. En de krankzinnigengestichten en de gevangenissen en de ziekenhuizen worden op schrikbarende wijze bevolkt.
Helaas zeggen ook duizenden, die dieper zien konden : „ Dat is zeer
292
ramelijk zijn vader te begraven. Jezus wist dat deze man daardoor gevaar zou loopen zich te laten afleiden. „Niemand, die zijne hand aan den ploeg geslagen heeft en achterom ziet, is geschikt voor het Koninkrijk Gods,quot; zoo scherp ant-
belangrijk, daar kan men een nieuw gedeelte der wereld door leeren kennen.quot; Maar al gaven wij dit ook toe, hetwelk wij niet toegeven, want „Buffala Billquot; bijvoorbeeld zou ongetwijfeld de Berlijners en de Bremers uitlachen, die zoo onnoozel zijn, zich te verbeelden, dat zij nu wisten hoe het in het „wilde Westenquot; werkelijk toegaat; —maar al ware het ook zoo, zou dan de zaak ook niet geheel andere gezichtspunten aanbieden? Kan dan een verstandig inensch er aan twijfelen, dat deze wilde vreemdelingen, die men voor jaar en dag uit hun volksleven rukt en in een woest landloopersleven temidden van de Europeesche „beschaafde wereldquot; overzet, — kan bet aan eenigen twijfel onderhevig zijn, dat zij naar lichaam en ziel bedorven worden en dat degenen, die in hun land terugkomen een ware pest voor hun vaderland zullen zijn? En indien dat zoo is, kan dan een Christen, kan dan in het algemeen een mensch, die menscbelijk gezind is, ets van dien aard door zijn deelneming ondersteunen?
En nog een ander gezichtspunt! Al die groote toebereidselen eij telkens nieuwe uitspanningen kosten zeer veel geld. De groote menigte der kinderen onzes volks is daarvan verstoken. Zij lezen de aankondigingen en de aanlokkelijke beschrijvingen in de nieuwsbladen, zij zien aan den hoek van elke straat en op de aanplakborden en re clame-zuilen de afbeeldingen, die de aandacht trekken, zij hooren van verre het gejuich, de muziek, het schieten. Maar z ij moeten buiten blijven. Wat is bet gevolg? üat begeerigheid, nijd, standen-haat, verbittering, voortdurend stijgen, — stijgen en stijgen als een donkere zee, totdat de vreeselijke dag komt, dat de dammen en dijken scheuren.
o, Dat men toch niet slechts vrage: „Is het op zichzelf zonde, aan zulke dingen deel te nemen?quot; De Juiste inkleeding van de vraag is: „Hoe werken deze dingen op de ziel van 't volk?quot; en daarnaar vorme men zijn oordeel.
Dk Schrijver.
293
woordt de teedergevoelige Jezus dien goedhartigen man, die Hem volgen en slechts eerst afscheid nemen wilde van zijne huisgenooten (Lukas IX; 61 en 02). Wat de strenge Elia zijn volgeling Eliza gaarne veroorloofde (I Kon. XIX: 2Ü), dat verbood de zachtmoedige en milde Jezus den vrager. Ja, dat was juist geen Eliza, dat was geen man met een standvastig hart. Aan honderd anderen had Jezus het ook toegestaan. Maak gij, geëerde lezer, nu de toepassing voor uzelven en uwe omstandigheden. Maar zie toe, ga niet te toegeeflijk te werk.
De laatste voorbeelden nu hebben ons- reeds op een terrein gewezen, dat hier van groote beteekenis is, — ik bedoel het huiselijke leven.
G DE ZIN VAN CHRISTUS EN DE GEEST VAN HET HUISGEZIN.
In beide genoemde gevallen acht de Heiland blijkbaar d e n geest van hel huisgezin als een belemmering voor het Koninkrijk der hemelen. En niet alleen in deze beide. Hij zelf is met den huiselijken geest meer dan eens op onaangename wijze in aanraking gekomen. Jezus was ongetwijfeld het toonbeeld van een zoon. „Hij was hun onderdanigquot; wordt van den knaap en den jongeling tweemaal vermeld. En stervende aan het kruis, zorgt Hij nog voor zijne moeder, door haar aan Johannes aan te bevelen. Maar Hij is er verre van af zich aan den huiselijken geest te onderwerpen.
Reeds hel eerste woord uit Jezus' mond, dal ons vermeld wordt: „Weet gij niet dat ik zijn moet in de dingen mijns Vadersquot; (Lukas II: 42), wijst ons op een botsing met zijne toch zoo godvreezende moeder. En bij gelegenheid van h e t eerste w onder, dat Hij te Kana deed, moest Hij haar binnen hare perken houden, door de opmerking: „Vrouw, wat heb Ik mei
294
u te doenquot; (Joh. II: 4). Van zijne broeders wordt uitdrukkelijk vermeld: „En ook zijne broeders geloofden niet in Hem.quot; Jezus gaat hun wensehen, ofschoon zij wel gegrond schijnen, met beslist afwijzende woorden tekeer. (Joh. VII: 3—8). Bij een andere gelegenheid wordt vermeld dat de zijnen, juist de z ij n e n , meenden dat Hij uitzinnig was en men hem met geweld van verdere handelingen moest weerhouden (Mark. III : 20). En als de menschen Hem op zijne betrekking met zijne familieleden wijzen, dan stelt Hij deze natuurlijke verbind-tenis als een ondergeschikt verband voor. De vrouw, die in vervoering uitriep: „Zalig de borsten, die gij hebt gezogen!quot; antwoordde Hij: Zalig zijn zij, die Gods Woord hooren en bewarenquot; (Luk. XI: 27). Een andere maal zeide men tot Hem: „Uwe moeder en uwe broeders staan buiten en wensehen u te zien.quot; Doch Jezus, inplaats van haastig op te staan om hen te ontmoeten, laat zijn blik zwijgend over zijne discipelen gaan, die in een kring om Hem heen zitten en zegt; „Ziedaar mijne moeder en mijne broeders! Want wie den wil van God doet, die is mijn moeder en zuster en broederquot; (Mark. III: 32—35). Dat wil blijkbaar zeggen: duizendmaal hooger dan bloedverwantschap staat bij mij de gemeenschap met degenen, die in navolging van mij, er naar jagen kinderen Gods te worden.
Daar valt niet aan te wrikken. Wel is waar, wrikken sommigen er toch aan, door te zeggen: „Ja, dat was met Jezus iets anders; Hij was de Heiland voor allen en moest zich daarom van de liefelijke banden der familiebetrekking vrij maken. Maar bij ons is dat niet zooquot;. — Nu, er is een korreltje waarheid in deze bewering. Maar toch slechts een korreltje. Inderdaad moet ook gij u vrij maken van den geest des gezins en van de familiegebruiken, zoodra zij u op eenige wijze konden belemmeren in uw wedloop om het hemelsch kleinood. Juist dit heeft Jezus uitgedrukt in woorden, die aan duidelijkheid
295
en bepaaldheid niets te wenschen overlaten. Nadat de Heiland eenmaal gezegd had welke bezwaren de aardschgezindheid tegen de uitnoodiging tot het hemelsch avondmaal inbracht, vervolgt Hij: „Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijn vader en moeder, en vrouw en kinderen, en broeders en zusters, ja, zelfs zijn eigen leven, hij kan mijn discipel niet zijn. (Luk. X: 2G). Aan vele lezers zal dit woord onbekend zijn. De meeste predikers, wanneer zij het hier besproken onderwerp aanroeren, gebruiken liever een ander woord, dat in den grond hetzelfde uitdrukt, maar in zachter vorm is uitgesproken, namelijk: „Wie zijn vader of moeder liefheeft boven mij, is mijns niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven m ij is mijns niet waardigquot; (Matth. X : 37).
Het is aan geen twijfel onderhevig of de Heiland in beide gevallen hetzelfde bedoeld heeft. Dat Hij, die, stervend, nog voor zijn woedende en dweepzieke v ij a n d e n bidt, — dat Hij, die den haat en wrok onder eiken vorm, veroordeelt (Mattheus V : 22), — dat Hij niet wil dat wij onze ouders en kinderen haten, — moet terstond ieder duidelijk zijn, die het eene Schriftwoord uit het andere verklaart. De haat heeft geen betrekking op de personen, maar op de zonde van deze personen. Wij moeten den huiselijken geest haten, waar en hoe hij zich als een scheidsmuur tusschen ons en Jezus stellen wil. Jezus wil boven alles en boven allen, zelfs boven vader en moeder, zoon en dochter, bruid en bruidegom geliefd zijn. En waar er een besliste keus moet gedaan worden, waar de vereeniging met hen de gemeenschap met Jezus in den weg staat, daar moet het lot een stellige scheiding komen. „Vader, — moeder, — echtgenoot, — zoon, — verloofde, — w a t heb ik met u te doen?quot;
Ik begrijp dat menig lezer nu ruimer ademhaalt, in de gedachte dat dit geval toch, althans bij ons in de Christe-
296
lijke wereld, uiterst zeldzaam voorkomt. Maar ik bid, haal niet zoo spoedig ruimer adem! Het is de bedoeling van den Heiland, het is ook de ondervinding van allen, die het leven om ons heen kennen, dat tot op den huidigen dag aan den volger van Christus door zijn familie zeer dikwijls de grootste en zwaarte hindernissen bereid worden. Waarom zegt anders de zachtmoedige Heiland: „Ik ben gekomen om te verdeelen den zoon tegen zijn vader, en de dochter tegen hare moeder, en de schoondochter tegen hare schoonmoeder; en 's menschen huisgenoot en zullen zijne vijanden zijnquot; (Mattheus X : 13).
Wij brengen hier een der treurigste hoofdstukken uit de geschiedenis van het Godsrijk op aarde ter sprake. De meeste menschen vinden het gemakkelijk geheel de overige wereld tegen te staan, — zij kunnen het beter verdragen met het geheele menschdom in botsing te zijn, dan een weg in te slaan, die in de oogen van hun bloedverwanten verachtelijk of onzinnig is. En talloozen, die het scheepje huns geloofs gelukkig tusschen duizend klippen doorgestuurd hadden, leden ten slotte schipbreuk op de zoo onschuldig schijnende klip van den familiegeest.
Er bestaan allerlei gevaarlijke geesten. Over den geest van den mammonsdienst spraken wij reeds. De geest (beter zou men zeggen; de duivel) der zinnelijkheid in zijn velerlei gedaanten is niet minder verleidelijk. Men spreekt ook veel over den geest de tijds. Dat is inderdaad een verschrikkelijk monster; en het is zoo verschrikkelijk, omdat het zoo buiten bereik is. Te allen tijde heeft de groote menigte dezen afgod aangebeden. Aan het juk der mode, hetzij de mode in het kleeden, gevoelen of denken, plegen zich slechts weinigen te onttrekken. Men verstaat onder geest des tijds het kortbegrip der denkbeelden en eischen, die den tijd bezighouden. De troon van dezen afgod heet „de verkregen rechten der eeuwquot; en de
297
„onschendbare uitkomsten der hedendaagsche ontwikkelinp; en wetenschap.quot; Te allen tijde werd het voor hoogst loffelijk gehouden, als iemand iets deed, „wat aan de denkbeelden van den verlichten geest des tijds beantwoordde.quot; Wee echter den-gene, die zich aan dien afgod niet onderwierp ! De besten waren de besten, omdat zij het niet deden. Zij werden daarom gemarteld, gekruisigd of wel krankzinnig verklaard.
En toch — de familiegeest was ook voor deze besten, (is ook tegenwoordig voor hen) nog gevaarlijker. Weet gij waarom? Hierom, omdat hij op zichzelf beschouwd in zijne mate iets zoo schoons, zoo heilzaams, ja voor de instandhouding der wereld hoognoodigs is. Zonder twijfel is het evenzeer echt menschel ijk — menschelijk in den besten zin van het woord
— als het naar den wil van God is, dat de leden van een gezin door trouwe, innige, zelfverloochenende liefde verbonden zijn. Wat bijv. kan aandoenlijker zijn, dan de onvermoeibare, nooit wanhopende liefde van ouders tot hun kinderen? En welk gebod wordt in Gods Woord den kinderen sterker ingeprent dan dit: „Eert uw vader en uw moeder.quot; Hoe lieflijk ook als broeders en zusters eendrachtig samenwonen! „Reine liefde tusschen verloofden en tusschen echtgenooten mag men veilig, zonder zich belachelijk te maken, een hemelschen gloed noemen. Ook in Gods Woord wordt zij hoog geroemd. — Gelukkig het volk, zeg ik daarom, waar nog in hooge en lage standen een onveranderlijke getrouwe huiselijke geest heerscht. Daarin ligt het pit en de kracht van het volk.
Dit alles zeg ik uit diepe, inwendige overtuiging. Maar juist daarin, dat de leden van een gelukkig, in liefde verbonden gezin zoo innerlijk samengegroeid zijn, zoodat allen op zichzelf slechts als leden van een levend lichaam voorkomen, — juist daarin, waarin de kracht der zaak ligt, ligt ook het gevaar,
— het gevaar dat het gezin de afgod wordt, dien men aanbidt.
298
Het gunstigste geval is natuurlijk dit, wanneer een gezond en opgewekt, liefelijk en vreedzaam Christelijk huiselijk leven al de leden van het gezin omvat. Ja, dat is iets heerlijks!
„Welzalig 'thuis, o Heiland onzer zielen!
Waar Gij de vreugd, waar Gij de vriend van zijt;
Waar allen saam voor God als Vader knielen,
En aan zijn dienst zich ieder heeft gewijd;
Waar aller oog blijft aan uw wenken hangen;
Waar aller hart voor U van liefde slaat;
Waar aller mond U groot maakt met gezangen;
Waar aller voet op uwe wegen gaat!quot;
Ja allen, hoe heerlijk is dat! Maar hoe zeldzaam ook! Hoe vaak, dat ook daar waar de moeder een levend geloof deelachtig is, de vader verdrietig of wel spottend de schouders optrekt, zoodra er een godsdienstig onderwerp besproken wordt.
Maar nemen wij het gunstige geval! Wij slaan het oog op een gezin, waar het Christendom niet als een stijve rechtzinnigheid, maar als wezenlijk Christelijk leven bij beide ouders heerscht, — waar de godsvrucht niet als een keten, maar als de hoogste vrijheid bij nauwgezette plichtsbetrachting, — niet ais het einde, maar als het begin en de oorsprong van ware levensvreugde openbaar wordt. Nemen wij dit gunstige en zeldzame geval. Hoe licht worden daar ook de kinderen met den krachtigen, aanhoudenden stroom mede tot het hart van Jezus gevoerd!
Doch ook hier mag de wenk der waarschuwing niet ontbreken. Of gebeurt het niet licht dat in zulk een huis zoowel de kinderen als de dienstbaren het Christendom mede o v e r n e-m e n als iets dat zoo bij het leven behoort, zooals allerlei goede zeden en manieren, en dat zij meenen gereed 'te zijn omdat zij met den goeden lieerschenden geest medegaan ? En toch — niemand kan het Christelijke leven erven, zooals men een stoffelijk vermogen erft. Ook hier is het woord van den dichter
299
toepasselijk: „Hebt ge iets geërfd van uwe vaderen, verwerf het om het te bezitten.quot; Van Samuel, den zoon van godvreezende ouders, van hem, die zelf een godvreezend jongeling was, wordt toch gezegd: „Samuel kende den Heere nog niet. „Het moest eerst nog tot een persoonlijken omgang met God komen. Nog is het niet anders. Ieder moet zijn str ij d voeren, ieder moet zijne tranen over zichzelven weenen, ieder moet zoeken om te vinden, ieder moet vinden om te bezitten.
Ik geef toe dat het leden van Christelijke gezinnen in den regel veel lichter valt dan anderen. Menige wederwaardigheid, die anderen moeten doorleven, kan hun bespaard blijven. Maar ook het kind van de beste ouders moet, eer het in waarheid den grond gevonden heeft, waarin zijn anker eeuwig houdt, dikwijls bedroefd ten hemel, bedroefd rondom zich op aarde, bedroefd in zijn eigen hart staren.
Vreemd kan het menigeen voorkomen, als ik beweer dat het ook leden van een geheel van G o d v e r v r e e m d gezin n i e t zoo zwaar valt, een zelfstandige richting in te slaan en den familiegeest te trotseeren. Wie in een huisgezin leeft, waar nooit of slechts hoogst zelden een lichtstraal uit een hoogere wereld in binnendringt, die zal ook beseffen, dat hier een vreeselijke leegte en gevoelloosheid der geesten, een volslagen hopeloosheid heerscht, een verborgen lijden, dat ten laatste openbaar wordt, als de aardsche dingen ons in den steek laten of als wij door de vatbaarheid voor genot in den steek worden gelaten. En er is daarbij geen onderscheid of het huis waar ik over spreek van sterkedranklucht of van de fijnste geuren vervuld is, of het van leem of van marmer gebouwd is.
Wie nu in een zoo van geest ontbloot leven is opgegroeid en op deze of gene wijze het blijmoedige en vreedzame leven van het Christendom leert kennen, die zal, zoo slechts iets van de goddelijke levensvonk voorhanden is, de tegenstelling zoo o v e r-
300
weldigend vinden, dat hij de tegenspraak, ja den haat zijner geheele familie verdragen kan. Hij zal niet zoo licht gezind zijn, dien haat te sussen door de eene kostbare parel, die hij zoo pas gevonden heeft, ten offer te brengen. Zoo hebben in de eerste eeuwen van het Christendom tallooze jonge Christenen ter wille van de juist gevonden parel des Evangelies niet alleen de pijnbank en den marteldood ondergaan, maar zelfs, hetgeen misschien nog veel zwaarder viel, de verachting en de gramschap hunner geliefde heidensche bloedverwanten. Hoe zwaar dat ook viel, zij konden toch niet weifelen wat zij kiezen moesten. En het is thans niet anders bij degenen, die tot een geheel in her stoffelijke opgaande familie behooren en de heerlijkheid van Christus leeren kennen.
Ik heb een man gekend, een geleerde, die opgevoed was in een huis, waar alle weelde en genot, maar geen zweem van den vrede Gods werd aangetroffen. Eens kwam hij door een goedertierene beschikking Gods op een van zijn onderzoekings-reizen ernstig ziek te liggen in de woning van een zendeling. Deze vreemde menschen verzorgden hern als een geliefden broeder. En hij ontwaarde spoedig dat zij, ofschoon zij het schraal hadden, nochtans den hoogsten rijkdom bezaten, en insgelijks dat zij velen rijk maakten. Lang kwam hem de zaak geheimzinnig, ja verdacht voor, totdat hij eindelijk in het woord van Jezus de verklaring van het raadsel vond. Het was op Kerstavond, toen men hem in een stoel onder den kerstboom gedragen had. Terwijl nu de schoonste liederen rondom hem ruischten brak het ijs. Onder tranen riep hij uit: „Zoo lang heb ik geleefd en was ik toch dood; nu eerst bespeur ik wat leven is. Eeuwig leven, ik laat u niet los. o. Dat de mijnen het ook mochten leeren kennen! Maar ik vrees dat zij niet willen. En indien zij niet willen — en indten zij mij dan ook allen verlaten willen — dan wil ik mij dat duizendmaal liever getroosten, dan mijn
301
schat te laten varen.quot; — En het geschiedde, helaas, zooals hij gevreesd had. Hij is echter vastberaden en onwrikbaar zijn weg gegaan, eenzaam en toch niet verlaten, want ieder discipel van Christus was zijn broeder.
Ach, helaas is het velen, die in een ruw of fijn modern heidendom zijn opgegroeid, nooit ten deel gevallen in een huis te worden opgenomen, waar zulk een door Gods Geest beademde vredesatmosfeer bestaat. Indien dat echter het geval is, dan erlangen zij eer de kracht om zich aan den aangeërfden familiegeest te ontworstelen, dan anderen, over wie ik nu spreken wil.
Het gevaarlijkst en moeilijkst namelijk is het daar gelegen, waar het leven een vrome en deugdzame kleur heeft, — ik bedoel in gezinnen, waar eerbaarheid en goede Christelijke zeden en gebruiken heerschen en al wat slecht en laag is geweerd wordt; waar ook, naar ik veronderstel, een hartelijke liefde de leden onderling vereenigt. Ik neem verder aan dat het een degelijk gezin is, dat bij voortduring werkzaam is geweest en dat daar een eer in stelt en er mede ingenomen is. Van oudsher is het hier zoo geweest, dat men op hetgeen men Christendom en kerk noemt evenzeer gesteld is als op netheid, reinheid, arbeidzaamheid, eer bij de menschen en dergelijke. Wat daar echter boven gaat is uit den booze. Kerksch is men „natuurlijkquot;, maar met de „nieuwerwetsche vertooningquot;, zooals inlandsche zending en nog wel zending onder de heidenen, wil men niets te doen hebben. Het is voldoende, dat men zijn bijdragen voor allerlei liefdadige inrichtingen geeft, daarmee uit! Éénmaal 'sjaars, en wel op een van ouds gebruikelijken dag, gaat men ten Avondmaal. Hel lid van het gezin, dat ook nog bij andere gelegenheden daaraan deel wilde nemen, zou met vragende, ja schuinsche blikken worden aangezien. — Des morgens van eiken dag wordt er een hoofdstuk uit de Schrift gelezen, — het gebeurde van-
302
ouds zoo, — maar woorden als: „Tenzij iemand wederom geboren wordequot;, — staan voor de lieden, over wie ik nu spreek, niet in den Bijbel. Natuurlijk wil men godsdienstig zijn, maar om alles ter wereld mag geen „schijnheiligheidquot; in zwang komen; daarmede bedoelt men eigenlijk wat de Schrift „b e-k e e r i n gquot; noemt. Voor niets is men meer bevreesd dan voor overdrevenheden en overdrijvingen, dat wil zeggen van een doordringing van 't geheele leven van den Geest van Jezus Christus. Men is in den grond zooals men behoort te zijn, — natuurlijk, kleine verschoonlijke zwakheden uitgezonderd, — en men is eigenlijk altijd zoo geweest.
Dat zulke gezinnen een zegen voor volk en vaderland zijn, dat zij aan de burgerlijke gemeente en aan den Staat getrouwe, eerzame burgers leveren, is even zeker als dat zij in het binnenste heiligdom van het koninkrijk der hemelen nooit, zelfs niet van verre, een blik geslagen hebben.
Deze gansche gemoedsgesteldheid is niets anders dan h e t Farizeïsme in eenigszins bevalliger vormen. En indien het oude Farizeïsme dweepziek en onverdraagzaam was, zoo is het nieuwe het niet minder. En wat de Heiland van de oude Farizeën zegt, dat is ook toepasselijk op de nieuwe, namelijk dal de openbare zondaren eerder het koninkrijk der hemelen zullen binnengaan dan zulke personen. Hier is het niet: „Zalig zijn de armenquot;, maar „Zalig zijn de r ij ken, de rijken in deugd, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.quot; Hier is het niet: „Zalig zijn die hongeren en dorstenquot;, maar: „Zalig zijn die zoo verzadigd zijn als wij.quot; Niet: „Zalig zijn die treurenquot;, maar: „Zalig zijn die over z i c h-zelven tevreden zijn.quot; De gezinsgeest trekt in onbewuste dweepzucht een scherpe lijn en zegt: Zóóver en niet verder heeft de godsdienst zeker recht. Beklaagd, bespot of geheel gebannen wordt echter degene, die deze lijn overschrijden wil.
303
bijv. wanneer een zoon des huizes zendeling wordt, wanneer een dochter op de zondagsschool werkt of wel diakones worden wil.
In zulke gezinnen vindt de Geest Gods, wiens eerste werk de beproeving is, zelden toegang. Wanneer nu echter toch langs dezen of genen weg eene ziel wordt aangedaan en nu met vreezen en beven hare zaligheid zoekt, — ja dan heeft zij het moeial ijk. Wanneer bij zulk een mensch de droefheid over de zonde het hart verscheurt en tranen in de oogen doet opwellen; wanneer hij bespeurt en ook schuchter uitspreekt, dat hetgeen men in den familiekring godsdienstigheid noemt, niets anders is dan de wijze van leven, die iemand het aangenaamst valt, — ja dan heeft hij het moeielijk. Hij komt er nog zacht af, als men hem voor ziek houdt, — ach, hij moet maar al te vaak uitzinnig heeten. In elk geval krijgt hij het zeer eenzaam. Men schudt bedenkelijk het hoofd over hem, die zegt: „Ik moet vrede hebben met God, ik moet vergeving mijner zonden hebben.quot; en als hij of zij nu geen vrede meer vinden in het eindeloos gaan naar gezelschappen, schouwburgen, concerten, bals, — dan heet het: „Wat zijn zij hoogmoedig! Zij beelden zich in dat zij beter zijn dan wij! Zij willen hervormer spelen!quot; enz.
Geen misdrijf wordt scherper beoordeeld dan verzet tegen den geest der familie, tegen het „oude gebruik naar vaderlijken trant.quot; En helaas hebben dan ook weinigen den moed tot zulk een zwaren strijd. De meesten troosten er zich gemakkelijk mede, dat hun huisgenooten toch zulke brave en door ieder geachte menschen zijn. Alsof er voor God iets aan gelegen was wat de wereld van ons zegt! Maar zij laten zich in slaap zingen. Zij maken zich diets dat het toch Gods wil niet kan zijn, dat zij vader en moeder aanstoot geven. Zij hebben daadwerkelijk vader en moeder, kinderen, broeders en zusters meer lief dan den Heiland, die nu voor hen staat en
304
zegt: „Volg mij na!quot; — En ach, hoe menige geestelijk-ontwaakte verloofde of vrouw, die eenmaal in die familie komt, of er in trouwt, bezwijkt na langer of korter tijd onder den heer-schenden geest van zulke familiën. Eerst schikt zij zich een weinig naar haar hartelijk geliefden man, die toch zoo „onbe-sf.hrijfelijk goed is,quot; vervolgens nog een weinig, komt ongemerkt tot een verfijnde menschvergoding en verdrijft zoo, zonder dat zij het zich bewust wordt, den Geest Gods.
o, Hoe zwaar valt het — wanneer wij nu op alles terugzien — den geest der wereld te wederstaan, als hij in godsdienstige gedaante tot ons komt! Hoe moeilijk valt het om met zachtmoedigheid en vriendelijkheid, met vrijmoedigheid en standvastigheid zijn weg te gaan en daarbij op niemand te zien dan op Jezus alleen. Waarlijk, het is moeilijk „in de wereld de wereld te ontvlieden.quot; Het is — wegens de overal liggende voetangels — zóo moeilijk, dat het onmogelijk zou zijn, indien wij niet wisten dat Jezus Christus in onze zwakheid machtig wi! zijn. Zien wij op al de bezwaren, die hel. bezit, die het genot, die het familieleven aanbiedt, — dan zou iemand het hart moeten ontvallen, zoo hij Hem, den goeden en al machtigen Herder, niet kende. Maar wel moeten wij, temidden der woelige drukte van de dingen des tijds, altijd door, bij avond en morgen, de dingen bedenken die boven zijn, anders zijn wij spoedig verloren.
XII.
Wanneer de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker, en zijne liefde tot de menschen verschenen is.
Titus III : 4.
1. JEZUS' LIEFDE TOT DE MENSCHEN.
„Het geschiedt zeldenquot;, zegt een groot godgeleerde, „dat degenen, die de bronnen van een groote rivier opsporen, daar iets vinden, wat tot de grootte van den stroom in zichtbare verhouding staat. De wonderlijke bronnen van den Nijl, waarvan Herodotus spreekt, zijn nog door niemand, die er naar gezocht heeft, ontdekt. De bronnen van den Rijn en den Donau, de grootste Duitsche rivieren, zijn uitermate onbeduidend. En zoo gaat het dikwijls. Gewoonlijk neemt een rivier hiermeê een aanvang, dat er water op een weeke, modderige plek samenloopt en het eerste kabbelen van de rivier is nauwelijks te bespeuren. — Desniettemin is voor den aardrijkskundige de bron van een rivier een verschijnsel van het hoogste belang; want de waterstraal, die zoo traag op een moerassige plek begint, is de oorsprong van een diepe en breede rivier die voor den handel de wegen tot in het midden van koninkrijken opent en aan hare oevers steden doet bloeien, door hare betrekkingen met den ganschen aardbol te onderhouden.quot;
20
306
Wanneer wij nu de openbare werkzaamheid van onzen Heer en Heiland tot op haar beginselen nagaan, dan deelen wij wellicht het gevoel van den ontdekkingsreiziger en zien ons eeniger-mate teleurgesteld, door daar niets te vinden wat eenigermate een grootschen indruk maakt. Onze Heiland schijnt slechts zoo geheel van lieverlede in zijne werkzaamheid te komen. Geenszins bestijgt Hij zijn troon en zwaait Hij zijn schepter terstond. Men kon meenen dat Hij zijn openbare werkzaamheid te Jeruzalem, het middelpunt van allen godsdienst en alle kerkelijk leven, zou aanvangen; — men kon denken dat Hij, door de almacht en majesteit Gods omschenen, terstond daden zou verrichten, waardoor Hij de oogen der geheele wereld op zich vestigde. Het was toch werkelijk zijn doel, hemel en aarde te vernieuwen en de gansche menschheid te verlossen. Inplaats daarvan is zijn optreden zoo eenvoudig en bescheiden mogelijk. Hij werd gelijk als een ander mensch en in zijn voorkomen als een mensch bevonden. In stilte vangt Hij zijn arbeid aan, volkomen tevreden met eenige weinige zielen te winnen en op te leiden. Maar een ding valt ons terstond in het oog: deze eenvoudige man is wel als een mensch, maar een mensch van hartveroverende vriendelijkheid. Zijne gedragingen zijn bij uitnemendheid vriendelijk. Hoe kon het ook anders, daar „Gods goedertierenheid en liefde jegens de menschenquot; in Hem verschenen is?
Op deze menschlievendheid van Jezus willen wij nu het oog vestigen. Zij is volstrekt niet wat de wereld grootsch noemt en toch is zij van onschatbare beteekenis tot op den huidigen dag en voor alle tijden tot op den jongsten dag.
Dat do goden der heidenen niet menschlievend waren, weet ieder, die iets van de geschiedenis der godsdiensten weet. Wie de beelden der oostersche afgoden ziet, huivert voor deze sombere vertooningen. En zoo afgrijselijk als hun uiterlijk is,
307
zoo afgrijselijk waren ook de eischen, die zij aan de menschen stelden. Diegenen mijner lezers nu, die in de tegenwoordige heidenwereld verkeerd hebben, zullen daarvan vooral weten te spreken. — Zelfs de ijverzuchtige goden van Griekenland waren niet menschlievend. Zij waren er minder op uit, de menschen voorspoedig te doen zijn en hun geluk te bevorderen, dan wel om hen ten eigen bate te gebruiken. Onverzoenlijk was hun haat, onverzoenlijk hun wraakzucht tegen d i e menschen, door wie zij zich beleedigd achtten; noodlottig was hun nijd voor degenen, wien het bijzonder wèl ging.
Op het terrein van het Oude Verbond is het natuurlijk reeds anders. Ja Gods liefde tot de menschen vertoont zich hier dikwijls op de treffendste wijze. Hoe liefderijk is het, dat de eerste tot wie een engel gezonden wordt — en wel een zeer vriendelijke engel! — een weggeloopen slavin is! Hoe liefderijk handelt God verder door zijne engelen met den profeet E1 i a, die, neerzinkende in de woestijn, om zoo te spreken, weigert Jehova langer te dienen en nochtans met zijne gunst overladen wordt. — Op bijna Nieuwtestamentischen toon hooren wij in Psalm drie en twintig David zingen: „De Heere is mijn Herder; mij zal niets ontbreken!quot; En als wij die heidensche mannen tot hun verslagen vorsten hooren zeggen: „Wij hebben hooren zeggen dat de koningen van Israel barmhartige lieden zijnquot;, — dan was die barmhartigheid slechts de schaduw der barmhartigheid, die zij in hun God gevonden hadden. Ja, van Gods barmhartigheid weerklinken de Psalmen.
Doch nevens dezen toon is toch ook een andere; en over het geheel genomen is in het Oude Test am ent de hemel nog duister omdat de verzoening nog niet volbracht is. Bezwaarlijk dringt hier en daar de zon door de donkere wolken. Ja, meermalen, zooals bijv. in het boek Job en in de Klaagliederen van Jeremia, verlicht nauwelijks een bliksem-
308
straal den nacht. Men denke verder aan de vreeselijke plagen van Egypte; men denke aan de wetgeving op Sinaï onder het rollen van den donder, het beven der aarde en het flikkeren van den bliksem; men denke aan de geduchte oordeelen, die er over Israel in de woestijn trokken, en hoe ten slotte het gansche volk tot straffe voor zijne zonde in de woestijn moest uitsterven.
Ik herinner den lezer verder, hoe streng God in het Oude Verbond met zijne dienaren handelt. Koning Saul wordt na zijn afval onherroepelijk verworpen en daarna zijn gansche geslacht uitgeroeid. Zelfs de getrouwe knecht Gods M o z e s moet wegens een oogenblik van zwakheid aan deze zijde van het zoo verlangend tegemoet geziene Kanaan op den .STebo sterven! En de man naar Gods harte, David, moet tot aan het einde van zijn leven de gevolgen van zijn dwazen val dragen, ofschoon hem de zonde zelve vergeven is. Kortom, de tijd was nog niet gekomen, dat de zon der liefde Gods met ongebroken stralen het menschdom beschijnen zou. „Wanneer — of: toen — de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker, verscheen! — Wat beleekent dat ,wanneerquot; of „toenquot;? Dat wil zeggen: ten dage toen Jezus voor de wereld openbaar wierd. Toen verscheen „de zaligmakende genade Gods allen menschen.quot; In Christus openbaart God zich als de Zaligmaker. In den Zaligmaker Jezus Christus onthult God zijn ware bestaan als liefde en goedertierenheid jegens de menschen. Nu weten wij hoe wij ons God hebben voor te stellen. Zóoals Jezus jegens ons is, zoo is de Eeuwige zelf. En wie dat weet, gelooft en vasthoudt, kan nooit droevig zijn; die kan door geen last verpletterd worden.
De liefde van Jezus wenschte ik mijn lezers levendig voor te stellen, ja in de harten te prenten. En ik ben geenszins van meening. dat deze liefde alleen in het binnenste des harten
309
van den Heiland woonde, en dat Hij in zijn uitwendig voorkomen een droefgeestig, bijna somber man geweest is. Wanneer wij de schilderijen beschouwen, die in de meeste museums en dientengevolge in de meeste huizen het beeld van den Heiland voorstellen, dan zien wij den 1 ij d e n d e n Christus met een kommerlijk gelaat. En ongetwijl'eld waren er zulke tijden, dat Hij onder de ellende der wereld en der zonde bijna bezweek, zooals bijv. in Gethsémané. Maar even zeker is het ook, dat deze tijden een uitzondering vormen en dat zijne discipelen Hem dan bijna niet herkennen.
Doorgaans heeft een lief der ij k en hl ij moe dig uitzicht Hem gekenmerkt. Do blijde boodschap, die Hij aan de menschen bracht, heeft zich ook op zijn aangezicht, in zijn oog en in den klank zijner stem, in al zijne gebaren, in zijn gansche houding weerkaatst. Hij was in zijn uiterlijk de verpersoonlijking van de blijde boodschap die Hij bracht. Op zijn voorhoofd stond het geschreven dat Hij de zondaren aannam en dat God liefde was. Hemelsbreed verschilde zijn beeld van het beeld van den Roomschen heilige, die geen oog heeft voor al het schoone en liefelijke in de wereld om hem heen ; die met minachting op de onschuldige blijmoedigheid der menschen neerziet en voortdurend gebeden prevelende en kruisen slaande zijn gang gaat! Geheel anders de Heiland. Hij wil niet, „dat de bruiloftskinderen vasten, terwijl de bruidegom bij hen is,quot; en Hij zelf heeft zich als een bruidegom gedragen en niet als iemand die tot een begrafenis uitnoodigt.
Of zou het wel een sombere Heiland geweest zijn die, voor zoover wij weten, nooit een noodiging tot een gezelligen maaltijd heeft afgewezen. Hij, die de kinderen zoo magnetisch aantrok, die ze omhelsde en zich over hun Hosanna zoo verblijd toonde'? Zou zijn gelaat steeds betrokken, de toon van zijn stem verdrietig geweest zijn? Zou een bedrukte, bedroefde ziel wel
310
aan de vogelen des hemels denken, wier behoeften vervuld werden, ofschoon zij noch zaaien, noch maaien, noch in de schuren verzamelen? Ligt er niet iets van een opgewekte stemming in, als Jezus op de leliën des velds wijst en ons toont dat zij schooner bekleed zijn dan een Salomo in al zijne heerlijkheid? En zelfs als Hij van het gras spreekt, „dat heden bloeit en morgen in den oven geworpen wordt,quot; dan doet Hij dat niet om ons de nietigheid der dingen voor oogen te stellen, maar juist om zelfs aan dit droeve beeld een lichtzijde te doen waarnemen. Hij zegt: „Wanneer nu God voor zulk nietig gras zorgt, hoeveel te meer zal Hij het dan voor u doen! „Op dit woord legt Hij den klemtoon in zijn spreken, en de ernstige vermaning: „Weest niet bezorgd!quot; klinkt door al zijne woorden heen. Hoe mat zou echter deze waarschuwing geweest zijn, zoo Hij zelf een man ware geweest, die toonde onder zorgen gedrukt te gaan!
Dezelfde geest van blijmoedige liefde is in zijn gansche leer te vinden. Wie de ontroerende aanspraak kent, waarmede Jehova het Oud Testamentisch verbond sloot (Ex. XX), weet dat zij weergalmt van de betuiging: „Vervloekt zij die de woorden dezer wet niet zal bevestigen.quot; Daarentegen vangt de Heiland zijn eerste groote prediking aan met de woorden: „Zalig zijn de armen van geest; zalig de hongerenden, de dorstenden, de treurenden, de zachtmoedigen !quot; Als hemelsche zilveren stroo-men vloeien zijne woorden het arme, uil duizend wonden bloedende rnenschelijke geslacht binnen. — En gelijk hier, zoo is het altijd, zelfs in zijn afscheidsrede — dus ten tijde toen Hij het kruis bijna reeds met de handen tasten kon, toen de hand van den verrader met Hem aan tafel was. Nochtans zijn deze afscheidswoorden vol troost van den liefderijkslen aard: „Uw hart worde niet ontroerd en zijt niet versaagd;quot; — „in het huis mijns Vaders zijn vele woningen;quot; „mijnen vrede laat
311
Ik u, mijnen vrede geef Ik uquot;; „zoo wat gij wilt zult gij be-geeren, en het zal u geschiedenquot;; „in de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.quot; — Ja hier begrijpt men gemakkelijk wat het zeggen wil: „Smaakt en ziet dat de Heere goed is!quot;
Wij konden er uren lang over spreken, hoe Jezus in zijne leer enkel liefde en goedertierenheid was. Ik herinner slechts nog aan de gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan, waarin zijn menschlievende geest zich uitput in de meest afwisselende uitdrukkingen, om ons de teedere dienende liefde voor oogen te stellen, ik herinner slechts aan de gelijkenis van den verloren zoon; met welk een liefde tot de menschen stelt Hij ons het feest voor oogen, dat de vader voor den teruggekeerden zoon bereidt en laat Hij ons zelfs den toon van het beurtgezang hooren. Streng en scherp wordt het woord van den Heiland pas dan, wanneer Hij tegenover veinzerij staat. Anders is het overal: „God heeft Hem gezalfd met vreugdeolie!quot; — gelijk Psalm vijf en veertig reeds zegt.
En nu zijn handelingen, zijn leven zelf! Er wordt ons verhaald dat Hij eens bij een stormachtige zee in het beweeglijke schip trad, waarin zijne discipelen zich in liet nachtelijk uur bevonden. Er wordt ons gezegd dat de golven terstond stil werden toen Jezus aan boord kwam. Dat nu is een gelijkenis en een voorbeeld van zijn gansche leven; vreugde en vrede treden binnen overal waar zijn vriendelijk aangezicht verschijnt. Met weinige woorden teekent de apostel Petrus 's Heilands ganschen levensloop, als hij zegt: „Hij ging het land door goeddoende.quot; Dat is des te treffender, wanneer wij zien dat de menschen alles doen om Hem te krenken, ja om zijn leven uit te delgen. Doch het ontmoedigt Hem niet; het ontstemt, het verbittert Hem niet. Willen zij zijn leven uitdelgen, dan bestaat zijn gansche toeleg, zijn gansche wraak,
312
hierin, om dit zijn leven voor hen op te offeren tot op den laat-sten bloeddruppel toe.
Het ware veel te flauw uitgedrukt, zoo men zeide dat Jezus een zacht, week hart bezat. Er zijn menschen genoeg, die een teedergevoelig hart hebben en die zich toch wel wachten waarlijk in het lijden van een ander te deelen. Het kenmerkende bij Jezus is echter juist het werkdadige diepe medelijden. Het is alsof Hij geen lijden zien kan en geen rust heeft alvorens het weggenomen is. Hij maakt het tot zijn eigen lijden en dan worstelt Hij met den Vader om de macht om het te doen eindigen.
Deze zijne goedertierenheid en liefde treedt alzoo bij de wonderdadige genezingen op overweldigende wijze aan het licht, en wel niet daarin dat Jezus verlost, maar bijna nog meer door de wijze h o e Hij verlost. Onbegrijpelijk is het daarom, hoe zelfs menig goedgezind prediker het wagen durft te zeggen: „Wij zouden niet veel verliezen, zoo de „wonderverhalenquot; uit het Nieuwe Testamentquot; werden weggelaten. Doch wij kunnen daarover hier niet uitwijden.
Om de goedheid van Jezus te zien, heeft men slechts hoofdstuk voor hoofdstuk van het Evangelie van Johannes te lezen, het Evangelie van dien discipel, dien Jezus liefhad en die Hem dus het best begrepen heeft. Het eerste wonder dat Jezus gedaan heeft was dit, dat Hij op een bruiloft water in wijn veranderde (Johannes 2). Jezus qp een bruiloft, — Jezus water in wijn veranderende, — in een even kostelijken als de behoefte ver tebovengaanden wijn, — en dat alles enkel om de beschaming van het jonge echtpaar te voorkomen, welk een menschlievendheid! — En in het volgende hoofdstuk wordt ons een inderdaad ernstige geschiedenis medegedeeld, hoe Niko-demus bij nacht tot Jezus komt. Wie echter tusschen de regels in kan lezen, bewondert juist hier de menschlievendheid van Jezus, die met geen letter te kennen geeft dat Nikodemus op
313
een verkeerden tijd komt; die niet schijnt te bespeuren, dat het de beschroomdheid is, die Nikodemus bij nacht en niet overdag tot Hem doet komen. — En nu Johannes vier! De Samari-taansche vrouw weigert den vermoeiden voetganger een dronk koud water. En wat is de straf, die Jezus haar oplegt? Hij zegt: „Al wilt gij mij niet geven, hoe gaarne wilde Ik u geven! En zoo gij wist wat Ik te geven heb, hoe spoedig zoudt gij 't mij vragen!quot; Geen wonder dat de dweepzieke Samaritaansche door de onweerstaanbare kracht van zulk een goddelijke goedheid weldra overwonnen wordt. In Johannes vijf wordt ons verhaald hoe de Heiland een zaal van het badwater Bethesda binnentreedt. En wien zoekt daar zijn oog? — Den armste onder de armen, den meest terugstootende onder de hopeloozen. Tot hem, die het zelfs niet meer waagt te hopen en te bidden, — juist tot hem wendt zich de Heiland met de vraag: „Wilt gij gezond worden?quot; — En wanneer wij het tafereel zien dat in Johannes acht voor onze oogen ontrold wordt, waar de Farizeërs met geveinsden afkeer van de zonde ecne overspeelster tot Hem brengen, — kan men zich iets verheveners en tegelijk vriendelijkers voorstellen, dan dat Hij al hare vijanden doet afdeinzen door de zoo eenvoudige als verpletterende vraag: „Wie van u zonder zonde is, werpe het eerst den steen op haar!quot; — In Johannes negen nu staat Hij met zijne disci-gelen aan de poort van Jeruzalem voor een blindgeborene. De discipelen spreken er over, wie wel de oorzaak van deze ramp is, de ouders of de lijder zelf. Jezus echter heldert deze duistere zaak met een duidelijk woord op, door te zeggen dat alle lijden alleen bestaat om Gods heerlijkheid openbaar te doen worden.
Wij behoeven niet verder voort te gaan. Evenals het Evangelie van Johannes zijn de overige Evangeliën doorloopende, treffende en krachtige getuigenissen voor de menschenliefde van Jezus Christus. En zelfs dan, wanneer Hij zich een enkele maal
314
onvriendelijk voordoet, zooals bijv. tegenover de Kananeesche vrouw, aan wie Hij in den beginne hulp weigert — is ook hier deze schijnbare onvriendelijkheid en hardvochtigheid slechts een opvoedingsmiddel voor het geloof der beproefde, dat daarna zooveel te heerlijker geroemd en beloond werd.
Het kan ons niet verwonderen, dat de liefde en goedheid van Jezus, die ten opzichte van het lichamelijk en uitwendig lijden der menschen zoo groot was, zich zoo mogelijk in nog schitterender licht doet aanschouwen in betrekking tot de ziel, in betrekking tot de angsten van het geweten. Het gramstorig woord der Farizeërs: „Jezus is een vriend van zondarenquot; is niettegenstaande de schoonste teekening van zijn leven. De eigengerechtigen uit alle lijden namen en nemen er de hoogste ergernis aan, dat de Heiland zonder verdere bedingen te maken, zonder bijvoeging van vermaningen, den zondaren hun misdaad vergeeft. Hij weet echter wel, dat wanneer zich over een verscheurde ziel de hemel vol goddelijke genade opent, wanneer de barmhartigheid roemt tegen het oordeel, — dat daardoor de zondaar grondiger verbeterd wordt dan door alle harde woorden. Zoo kan Hij die groote zondares, die voor Hem in het stof bukt en zijne voeten met hare tranen bevochtigd, het he-melsche woord in de ziel doen prenten: „Uwe zonden zijn u vergeven; ga heen in vrede.quot; Maar levens spreekt Hij ook zeer zachtmoedig en innemend met den ingebeeklen Farizeër Simon en tracht hem dooi- zijn vriendelijke terechtwijzing te overtuigen (Luk. Vil).
Ik kan niet ophouden deze vriendelijkheid van Jezus te roemen, en toch moet ik spoedig eindigen, opdat dit hoofdstuk niet overmatig lang worde. Slechts op éene zijde wil ik nog wijzen, namelijk hierop, hoe Jezus temidden van zijn 1 ij d e n zijne goedertierenheid en menschenliefde niet heeft verzaakt. Als een mensch in zwaar lijden verkeert, houdt hij zich ge-
315
woonlijk geheel en al met zichzelven bezig. Vooral als zijn lijden hem door menschen aangedaan is, als hij door men-schen geplaagd wordt,, ja dan vooral laat de vriendelijkheid hem licht in den steek! Dat zien wij bij alle menschen, tenzij de Geest van Jezus Christus tot overwinning en zegepraal gekomen is Want deze Geest maakt inderdaad het onmogelijke mogelijk.
Aanschouwen wij zijn beeld. Hier is een mensch, wien enkel kwaad ten deel viel voor al zijne weldadigheid; en nochtans het Hij geen oogenblik zijn menschenliefde varen. Ik wil er hier niet over spreken, hoe Hij zich door een Judas nog kussen laat en hem alleen bestraft met het zachtmoedige woord: „Judas, verraadt gij den Zoon des menschen niet een kus?quot; — Ik wil er niet van spreken, hoe Hij den zwakken Pilatus nog verontschuldigt; „Die mij aan u heeft overgeleverd, heeft grooter zonde.quot; — Ik wil er voorts niet bij blijven staan, hoe zijn eerste kruiswoord een voorbede inhoudt voor al zijne vijanden, de ergste niet uitgezonderd; dat Hij door het tweede woord voor zijne moeder zorgt en voor zijn Johannes; dat Hij door het derde woord een stervenden misdadiger de deur der heerlijkheid ontsluit. Neen, ik wenschte voornamelijk op zijn gedrag jegens Petrus te wijzen, die Hem juist daarom zoo oneindig veel smart veroorzaakte, omdat hij zooveel boven anderen ontvangen had. Vermetel en hoogmoedig betuigt Petrus op den weg naar Gethsémané, dat hij g e t r o u w zou blijven, ook indien allen Jezus verlieten: En wat is 's Heilands antwoord? — „Ik heb voor u gebeden, opdat uw geloof niet ophoude.quot; En in Gethsémané verschoont Hij den slapenden discipelen, die Hem zoo spoedig aan zichzelven overlaten, met de woorden: „De geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak.quot; Niet lang daarna redt Hij den onbezonnene, die met het zwaard slaat, door het oor van den gewonde te heelen. En van de wanhoop redt de genadige blik van den verloochenden Heiland den verlooche-
316
renden discipel. — Nadat de Heiland is opgestaan, beveelt Hij de vrouwen: „Zegt het mijnen discipclen en Petrus.quot; Petrus wordt nog afzonderlijk genoemd, omdat Jezus vreest dat hij meenen kon dat hij niet meer onder de discipelen gerekend werd. Welk een hemelsche glans van liefde en goedheid straalt er ten slotte in de „strafpredikingquot; door, die Jezus bij het meer van Genesaretli voor zijn Petrus houdt! Dat hij Hem driemaal verloochend heeft, wordt alleen herinnerd door de drievoudige vraag: „Hebt gij Mij lief?quot; Moest zulk een gloed van mensch-lievendheid zijn hart niet doen smelten?
Ja, het is verrukkelijk wat ons hier te aanschouwen wordt gegeven. Moest niet elk hart zulk een Heiland tegemoet vliegen? Ik weet wel, ook de lezers van deze bladzijden hebben niet allen dezelfde voorstelling van Jezus persoon. Sommigen zeggen: Jezus was God; anderen: God was in Christus; nog anderen: Jezus heeft ons God geopenbaard, enz. Verre ber. ik verwijderd van de meening, dat het onverschillig is of men het eene dan wel het andere zegt. Maar om het even of gij het eene of het andere zegt, — in elk geval weten wij nu allen welk een goddelijk hart voor ons boven de wolken klopt, namelijk een hart vol bezielende beminnelijkheid, vol goedertierenheid en menschenliefde. En moesten wij niet al onze zorgen, al onze angsten, al onze bekommernissen laten varen, omdat wij zulk een God hebben? Want aan deze zijne goedertierenheid en menschenliefde, zijn almacht en heerlijkheid verbonden, zoodat Hij zijn gunstrijke gezindheid ook in daad en leven uitdrukken kan en omzetten zal, zoodra het daartoe de tijd is.
Het zou licht vallen, hier onze beschouwing te besluiten. Maar dan zou ik ontrouw aan mijn lezers zijn. De Christenen dragen het beeld van den Christus, zij het ook slechts in zwakken weerschijn. De goedertierenheid Gods is ons niet verschenen, opdat wij ons slechts zouden verheugen in dat licht; neen.
317
2. GODS LIEFDE TOT DE MENSGHEN WIL LIEFHEBBENDE MENSCHEN VAN ONS MAKEN.
De Heiland zelf heeft zijn discipelen niet uitdrukkelijk tot mensclilievendheid vermaand. Het zou overtollig zijn geweest, daar zijn geheele gedrag de sterkste vermaning was. De schriften der apostelen van Jezus Christus daarentegen zijn rijk aan vermaningen tot liefdebetoon. Door de ondervinding van de goedertierenheid des Heeren moeten de Christenen, gelijk Petrus schrijft, kracht erlangen om alle boosheid en geveinsdheid af te leggen en het tegenovergestelde te openbaren (1 Petr. II; 1—3). „Weest jegens elkander goedertieren,quot; vermaant de apostel; „de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, goedertierenheid, zachtmoedigheidquot; (Ef. IV : 32, Gal. V : 22). In het hooglied der liefde (1 Cor. XIII) noemt dezelfde apostel de goedertierenheid als een van de kenteekenen der ware liefde, en wederom vermaant hij (Col. 111: 12): „Doet dan aan als uitverkorenen Gods, innige ontferming, goed ertierenheid, zachtmoedigheid.quot; Aan zijn geliefden Timotheus schrijft hij: „Een dienstknecht des Heeren moet vriendelijk zijn jegens allenquot; (2 Tim. II: 24). En is hij dat, dan beschikt hij over een groote kracht. Vele raenschen, ach, ook vele Christelijk gezinde menschen, meenen wonder wat vrooms te zeggen als zij in allerlei toonaard ditzelfde lied zingen: „Wij zijn niets, wij kunnen niets, wij zijn onbekwaam om eenigen goeden invloed op anderen te oefenen.quot; En het is ook werkelijk waar, dat gij niets kunt, ingeval gij gelooft dat gij niets kunt. In werkelijkheid hebben wij het duizendmaal in de hand, onze mede-menschen gelukkig te maken, en dikwijls zijn daartoe in het geheel geen geldelijke middelen en in het algemeen zelfs geen ander materieel noodig dan een oprechte hartelijke deelneming. Dat wij daar ook voor onszelven zeer goed bij varen.
318
— dat wij nooit zoo gelukkig zijn, als wanneer het ons gelukt anderen te verblijden, weet iedereen, — dat wil zeggen, ieder die ooit de vreugde genoten heeft anderen te verblijden. Ja wie de gebogene ziel opricht uit het stof, die heeft de onmiddellijke, nooit teleurstellende ondervinding, dat de hemel boven hem geopend is en dat hij Gods welgevallen geniet. Geen wonder! Het is toch een feit, dat niemand ontkent, dat wij reeds het hart van een aardschen vader — hij moge een minister of een gevangene in het tuchthuis zijn — het zekerst winnen, wanneer wij zijn kinderen weldoen. En hoe dan de Vader in den hemel! Hem gaat het geluk zijner in den druk verkeerende kinderen nog meer ter harte dan den meedoogendsten mensche-lijken vader.
De betooning van ware menschlievendheid, hetzij ze in groote opofferingen of in kleine vriendelijke oplettendheden besta, brengt ons in overeenstemming met God, of, juister misschien, zij open-haart onze overeenstemming met God. Om het even hoe gij het opvat, — in elk geval, hierin, dat is in het belangloos gelukkig maken van anderen, bestaat het aardsch geluk. Ach, ach, hoe weinig menschen hebben daarvan ook maar een flauw vermoeden. Dal jaagt alles naar winst en bezit, naar genot en naar eer! En of zij krijgen wat zij zoeken of het niet verkrijgen, — het hart wordt al woester en lediger. Zij denken dat wie heerschen kan gelukkig is, en in waarheid maakt toch niets gelukkig dan het dienen. Zij roepen; ,Zalig is de bezitter !quot; en toch staat in den Bijbel geen meer waar woord dan dit: ,Geven is zaliger dan ontvange n.quot; Wel hem, die dat vat! En waarlijk, wie het niet vat in de gemeenschap van den goedertierenen, menschlievenden, barmhartigen en lankmoe-digen Zaligmaker — voor dien bestaat er geen hoogeschool waar hij het leeren kan.
Ware Christenen alzoo moeten menschlievende menschen zijn,
319
geen sombere monniken, geen pruilers, geen schijnheiligen. Zonneschijn moet hun wezen doordringen en van hen uitstralen. Een donker, somber Christendom is geen gezond Christendom; het stoot de menschen af. Elk mensch zoekt vriendelijkheid bij den anderen, en vriendelijkheid is in elk geval een kenmerk van den wezenlijken, onvervalschten en gezonden mensch, — vriendelijkheid als weerschijn der blijdschap, die in het binnenste heerscht.
De mensch is een wezen, dat oorspronkelijk tot blijdschap geschapen is. Deze neiging is hem ingeschapen. Al wat leeft haakt naar blijdschap. Niemand houdt het lang zonder haar uit. Een vreugdeloos leven is als de dood. Zelfs de kranken in het ziekenhuis, de gevangenen in den kerker, de slaven op de suikerplantage trachten in weerwil van de moeielijkste toestanden zich vreugde te bereiden. Vreugde echter en liefde tot de menschen hangen samen als licht en straal. Als de kinderen der wereld zien dat het Christendom vroolijke en liefhebbende menschen maakt, dan zijn zij reeds half voor het Evangelie gewonnen.
Het spreekt echter vanzelf dat de vriendelijkheid waar, eerlijk en niet gemaakt en schijnbaar moet zijn. De vriendelijkheid van ons gelaat, van ons woord, en van ons gansche bestaan is niet iets dat op zichzelf staat, zij is de uitwendige openbaring van inwendige eigenschappen. Wie vriendelijk wil zijn moet eerst vroolijk wezen. De blijdschap nu, die de Christen altijd heeft, is deze, dat hij door Christus tot den hoogen adel van het kindschap Gods geroepen is. Dat kan geen vijandschap en geen nood ter wereld hem ontrooven, en daarom heeft de Christen altijd blijdschap, altijd vrede; daarom kan hij altijd vroolijk zijn. Wanneer nu Christus in hem woont, dan woont ook de liefde van Christus in hem, en zij breidt zich naar de menschen, naar alle menschen uit.
320
Daarom kan de blijde Christen ook altijd v r i e n d e 1 ij k zijn. Dezelfde apostel, die in ketenen en boeien liggend, vermaant: ,Verblijdt u in den Heere te allen tijde; wederom zeg ik u, verblijdt u,quot; vervolgt: „Uwe bescheidenheid, of welwillendheid, zij allen menschen bekend.quot; Deze welwillende liefde is de wereldtaal, die de Zoeloekaffer even goed verstaat als de visch-vröuw op de markt te Bremen.
Het is duidelijk dat de vriendelijkheid van het ware kind Gods oneindig verschillend is van die vriendelijkheid, welke in de wereld geprezen wordt. De wereldsche opvoeders vermanen hun leerlingen om overal vriendelijk te zijn. Maar waarom? Opdat zij iedereen aangenaam zijn en voornamelijk hun (dat wordt hen ingeprent) die hun tot nut kunnen zijn. Daar zien wij de vriendelijkheid in den dienst der.... zelfzucht. — Een fijn beschaafd maar wereldschgezind mensch zal zich aan de belangen van anderen laten gelegen liggen; in den grond echter is hij toch slechts met zichzelven bezig. De belangstelling in anderen is gemaakt en hij wil er zich slechts bemind door maken. Alweder dus die zelfzucht. De Israelietische prins Absalom „kuste degenen die tot hem naderdenquot; (2 Sam. XV : 5). Hij deed het echter alleen om zich onder het volk gezien te maken en het hart van de mannen Israels te stelen. De „vriendelijkequot; heer had het volk niet lief; hij wilde het slechts gebruiken en misbruiken. — Koning David had twee generaals, die elkander zeer vijandig waren. Hij had gewichtige redenen om te wenschen dat zij zich verzoenden. Zoo kwamen zij dan bijeen. Joab omarmt Amasa; maar terwijl hij hem op ooster-sche wijze omarmt en kust, doorsteekt hij hem van achieren met zijn zwaard. Ach, hoe menigmaal is het bij ons, inzonderheid in vrouwelijke kringen, niet beter gesteld ! De kus, die een teeken der liefde is, is in werkelijkheid dikwijls een verraad. Hoe vaak hoort men A, nadat hij even tevoren B de
321
hand heeft gedrukt, achter zijn rug ongunstig over hem spreken. O, hoe smartelijk valt het ons, te vernemen dat menschen, die zoo vriendelijk jegens ons waren, in het geheim ons bespotten of uitlachen, kwaad van ons spreken of ons belasteren. Dat is verraad, het is lang niet zoo smartelijk als iemand in harde, heftige, ja toornige woorden tegen ons uitvaart. Dan weet men althans, waaraan men zich te houden heeft. — Laat ons voor God ons verbinden dat onze vriendelijkheid steeds oprecht zal zijn, een uitdrukking van inwendige genegenheid. Wanneer echter eenmaal onvriendelijkheid moet betoond worden, dan beter in woord en houding dan in den diepen grond des harten!
Er zijn toch gevallen, waarin het niet dienstig is voor het uitwendige vriendelijk te zijn. Ook de Heiland heeft ten opzichte van de Parizeen harde woorden gebruikt; Hij heeft geen vriendelijk uitzicht getoond, toon Hij met den geesel in de hand de geldwisselaars uit den tempel verdreef. Ja zelfs zijn Petrus moest Hij eens „Satanquot; noemen. En deze Petrus zelf sprak harde woorden tot den toovenaar Simon, en Paulus is niet zachter tegen den bedrieger Elimas. Maar in weerwil van de hardheid hunner woorden was het toch bij Jezus en bij zijne dienaren de wensch huns harten die menschen tot de z a 1 i g-heid te leiden. Een dichter heeft eens gezegd:
Vriendelijkheid is wel een uiting
Van liet edelste gemoed.
Maar soms werken harde woorden Zoo verf'risschend en zoo loutrend Als een krachtig onweer doet.
Ja er doen zich gevallen, vele gevallen voor, waarin een onbeleefdheid of zelfs spot, of waarin, gelijk men gewoonlijk zegt, een emmer koud water beter voegt dan vriendelijke woorden. Als er in het hart maar liefde woont! Ik wil een voor-
322
beeld uit mijn eigen leven aanvoeren. Als candidaat had ik eens in Elberfeld gepredikt. Daar kwam een dame in de kosterij en zeide tot mij: „Zulk een preek is van dezen kansel nog nooit gehouden.quot; Achter haar kwam een oudere ambtsbroeder aan. Of hij iets had opgevangen van hetgeen de dame mij toefluisterde, — kortom, hij zeide scherp en bits: „Mijnheer de candidaat, deze preek heeft de duivel der verwaandheid u ingegeven.quot; Ja, dat was onbescheiden. Het was hard, het was zelfs te hard. Het was ook juist niet noodig zoo hard te zijn. En toch zuiverde dat harde woord de lucht van mijn hart als een onweersbui.
Maar zoo iets is toch eene uitzondering. Ook als wij moeten bestraffen, als wij ernstig moeten berispen, als wij aan onze broeders leven en dood moeten voorhouden, behooren wij ons door het woord van den psalmdichter te laten leiden; „De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn ; en hij bestrafte mij, het zal olie des hoofds zijnquot; (Psalm CXLI: 5). Waarlijk, een zeer belangrijk woord. Wanneer men bestraft, berispt, van schuld overtuigd en geslagen wordt, dan is dat op zichzelf genomen onaangenaam, ja pijnlijk. De oprechte verdraagt het echter gaarne; ja het beurt hem op en sterkt hem inwendig, wanneer hij bemerkt dat een vriendelijke geest den bestrafter bestuurt; dus niet een geest, die zich boven anderen verheft, wien het genoegen doet hen te vernederen en door te halen; maar wien het hard valt dat hij straffen moet, die er zich inwendig toe dwingen moet en alleen ter wille van de liefde en de waarheid er toe kómt. Ja, dat is als balsem, ofschoon het pijnlijk valt.
Versta mij wel, lezer! Wij onzerzijds, wij moeten de waarheid te onzen opzichte laten gelden, ook wanneer zij ons op gramstorigen, beleedigenden toon gezegd wordt; ook dan moeten •wij ons alleen afvragen of het waar is wat wij moesten aan-
323
hooren. Wij moeten toegeven, al is het ook een vijand, die de waarheid spreekt. Wij zelf echter, als kinderen des vredes en der liefde, moeten er ons op toeleggen niet om de waarheid te bemantelen, maar om ze in een ootmoedigen, vriendelijken geest, wien het alleen om verbetering te doen is, voor te stellen.
De vriendelijkheid, die wij zoo hoog verheffen, moet dus uit de liefde en de waarheid van Christus voortvloeien, moet uit de ware menschlievendheid ontspringen. Zij moet de wezenlijke uitdrukking der heilige welwillendheid zijn, die er alleen op uit is om den naaste voort te helpen, hemelwaarts. Indien nu iemand het groote geluk geniet, door Christus geliefd en een kind van God te zijn, zal hij niet alleen vroolijk, maar ook vriendelijk zijn. En gelijk ik reeds aanduidde, die vriendelijkheid is een ontzaglijke kracht in de wereld.
Wanneer wij op den apostel Paulus letten, hoe hij op zijn lange zeereis niet de ruwe zeelieden, soldaten en gevangenen omgaat — hoe hij, die zelf een gevangene is, met hen handelt, dan hebben wij een treffend voorbeeld van de echte menschlievendheid, die eigen nood vergeet en daardoor kracht verkrij'gt om licht en vreugde in de sombere harten te brengen (Hand. XXVII en XXVIII). De apostel heeft van zijn Heiland geleerd aan alle menschen, ook aan de diepgevallenen, op argelooze, eenvoudige wijze vertrouwen te betoonen. Dat hij daarbij de oogen openhoudt en zich niet door onverstandig blind vertrouwen door hen laat overrompelen, leert dezelfde geschiedenis ook. Maar hij komt alle menschen met goed vertrouwen tegemoet, in de hoop, dat zij zich willen laten redden en dat zij te redden zijn. En dit bewijzen van vertrouwen is de eenige weg om vertrouwen te w i n n e n. Ook het meest verharde gemoed opent zich het gemakkelijkst en begint hoop voor zichzelf te koesteren, als het bespeurt dat een ander er hoop voor heeft. Mistrouwen, argwaan, verdenking daarentegen, dooden uw in-
324
vloed op anderen in de kiem en den wortel. De ware arge-looze vriendelijkheid is een groote kracht in het leven, in het groot zoowel als in het klein.
De Bijbel is vol voorbeelden, die dit aantoonen. Maar het is goed niet alleen Bijbelsche voorbeelden aan te voeren. De voorbeelden uit het leven om ons heen werken vaak meer uil. Wie ooit een groet van de Duitsche keizerin ontvangen heeft, vergeet het zijn gansche leven niet. Die groet gaat iemand door het hart, en men ziet daarbij op den bodem van haar menschlievend hart. Ik kan het goed begrijpen dat zij, volgens zekere mededeeling, in EIzas-Lotharingen tienduizenden menschen, die den keizer en het keizerrijk ongenegen waren, enkel door haar groet van morrenden in opgetogenen veranderd heeft. — Zoo had ik onlangs de gelegenheid, een der hoogste officieren van het Duitsche leger dagen achtereen van nabij gade te slaan. Het was werkelijk hartverheffend, welk een innemende vriendelijkheid hij jegens iedereen toonde, jegens de bedienden die zijne kleederen schoonmaakten, evengoed als jegens de officieren en jegens de kinderen van den schrijver dezer regelen. Hij wist echter ook wat de liefde van Christus is. — Zoo bezocht ik ook in de vacantie een voorname dame, eene gravin, die sinds jaar en dag onder naar lichaam en ziel verwaarloosde Pom-mersche visschers woonde. Door de liefde van Christus gedrongen, had zij besloten aan deze verachte en vroeger gevreesde lieden haar leven te wijden. Wat mij echter nog meer trof dan het groote offer dat zij gebracht had en voortdurend bracht, was de hartinnemende vriendelijkheid, waarmede zij allen in het bijzonder behandelde, leder noemde zij bij zijn naam, met ieder sprak zij Platduitsch, en als een zuster leefde zij in al hun gedachten, smarten en genoegens mee. Het verwonderde mij niet dat zij deze vijf-en-dertigjarige dame „onze moederquot; noemden.
325
Nu, op zulk een ruime schaal kunnen maar eenigen werken. Maar vriendelijkheid kunnen allen bewijzen. En vriendelijkheid is in alle betrekkingen een groote kracht.
3. GROOTE KLEINIGHEDEN.
Het is een veel gebruikt woord: „Het leven bestaat uit kleinigheden,quot; als gij dan al die kleine aangelegenheden van uw leven maar met goedheid en vriendelijkheid waarneemt, dan zijt gij een man, een werkzaam man. Welk kind wordt niet gewonnen door een vriendelijken blik en een vriendelijk woord'? Hoe goed doet het iemand als hij ergens heeft aangescheld en een dienstbode opent met een opgeruimd en vriendelijk gelaat de deur. Hoe goed doet het den zieke als de dokter of kranken-bezoeker, — hoe goed doet het den leerling als zijn onderwijzer een vriendelijk gelaat meebrengt. Hoe goed doet het den werkman, als zijn patroon de werkplaats binnenkomt met een vriendelijken, hartelijken groet; hoe vergenoegd worden de soldaten, als hun officier hen met innemende vriendelijkheid begroet.
Het is wel waar, de eene heeft van nature iets bijzonder minzaams en vriendelijks; de andere heeft van nature een onvriendelijk en somber voorkomen. Menschen met die aangeboren vriendelijkheid zijn wel bevoorrechte karakters. Maar zij moeten wel toezien dat hun vriendelijkheid geen bloote vorm en alzoo iets onwaars worde. Ook slaat zulk een aangeboren vriendelijkheid dikwijls, wanneer onaangename ondervindingen zich voordoen, in vlak hel, tegenovergestelde om. Aanhoudende, ware menschenliefde, vriendelijkheid, die zich tot allen uitbreidt en die onder alle omstandigheden voortduurt, is alleen daar te vinden, waar de Heiland iemands hart gewonnen heeft. En dan zal men ook bij dezulken, die van nature iets sombers hebben, aldra de inwendige welwillendheid uit zien komen. Wie
326
in ieder mensch, — ook in dien, die nog verre van het koninkrijk Gods verwijderd is, een medemensch ziet, juist als hij zelf tot verheerlijking van Gods naam geroepen, kan ook jegens iedereen vriendelijk zijn en niet alleen jegens dengene met wien hij Bgeestverwantquot; is. Wanneer u een mensch ontmoet van wien gij verneemt dat hij weldra uw zwager zal worden, zal het u niet moeielijk vallen, hem vriendelijkheid te bewijzen. En hier geldt het meer dan een zwager.
Natuurlijk moet de vriendelijkheid, evenals alle Christelijke deugden, in de allereerste plaats binnen de vier muren van het eigen huis en jegens de eigen huisgenooten blijken. Dat is wei niet zoo romantisch als dat men in een Mag-dalena-stichting werkzaam is of in een vergadering van de Middernachtzending gloeiende toespraken houdt. Het betoon van vriendelijkheid binnen de vier muren van het huis wordt beschouwd als iets dat vanzelf spreekt. En dat moest ook eigenlijk zoo zijn. Zeker, maar dat is voor de meesten niet genoeg, te doen wat zij moeten. Zij moeten er ook iets voor hebben» erkenning, lof. En daarom sparen zij hun kruit voor bijzondere gelegenheden. Ik heb bijwijlen jonge meisjes leeren kennen, wier vriendelijkheid en goedheid „in gezelschapquot; hoog geroemd werd. Maar ach, haar eigen huisgenooten wisten er niels van, kregen er niets van te genieten. Zulk een vriendelijkheid heeft geen waarde. Overal en jegens alle menschen behooren wij onze welwillendheid of ,bescheidenheidquot; aan den dag te leggen; maar binnen de vier muren van het huis moet zij aanvangen. En daarna moet zij het sterkst uitkomen ten opzichte van 1 ij-d e n d e n, treurenden en veriatenen. Mij wordt geregeld een Zwitsersch blad toegezonden, waarin de redactie allerlei giften verantwoordt, bijv.: „Wij hebben ontvangen 10 francs van N. voor de zending onder de heidenen; 5 francs van X. voor het Doofstommengesticht.quot; Dan komt de volgende rubriek:
327
,50 francs voor daar waar 't het noodigste is.quot; Dat is zeker niet taalkundig uitgedrukt; maar er ligt een schoone gedachte in. De inzender laat het den redacteur over aan zijn gift een bestemming te geven; maar hij moet haar geven waar 't het meeste noodig is. Zoo moeten ook wij onze vriendelijkheid en beminnelijkheid niet in gezelschap laten uitkomen om er mee te pralen, maar behooren ze aan den dag te leggen waar zij het noodigst is.
o, Welk een kracht is voor treurenden en veriatenen een hartelijke groet, een vriendelijke blik, een 'deelnemend woord! Ja deelnemend, dat is de zaak. Het doet ieder mensch goed, wanneer hij bemerkt dat zijne zorgen en gedachten begrepen worden, dat een ander zich de moeite gegeven heeft zich zijn hart en zijn toestand voor den geest te stellen en met hem mede te gevoelen en reeds op zijn gelaat te lezen wat er in het treurende hart omgaat. Het is aandoenlijk hoe de aartsvader Jozef, met wien het toch zoo „kwalijk gesteldquot; was, op de aangezichten van de beide gevangenen de droefheid huns harten las. En hij las ze niet alleen, hij vroeg ook; „Waarom zijn uwe aangezichten heden kwalijk gesteld?quot; En hij vroeg dat niet slechts zoo, hij was er ook met alle macht op uit, hun droefheid te doen ophouden.
Jozef was dus niet ontstemd, ofschoon hij er, menschelijker wijze gesproken, alle reden toe had. Ach, hoe vaak treft men menschen, zelfs Christelijkgezinde menschen aan, die ontstemd zijn. Dat een ontstemde piano of een ontstemd orgel een onbruikbaar speeltuig is, en dat het een ware straf is daarop te moeten spelen, weet zoowel de muzikant als degene die zijn muziek moet aanhooren, maar al te goed. Maar hoeveel erger is een ontstemd menschel ij k hart, een mensch die „kwaad gehumeurdquot; is! Ja de slecht geluimden en ontstemden richten veel meer onheil aan dan zij vermoeden; want
328
terwijl zij het aanrichten, zijn zij al te zeer in zichzelven gekeerd, dus veel te ongeschikt om ook maar te bespeuren wat zij veroorzaken. En als het niet zoo ongelukkig was, zou het belachelijk zijn, door welke kleinigheden vele menschen ontstemd kunnen worden, vooral wanneer zij „zenuwachtigquot; en dientengevolge zeer prikkelbaar zijn.
Maar ook wanneer u dingen van belang overkomen, is het toch wreed als gij daar anderen voor laat boeten. Wie aan het weldadig bestuur Gods gelooft, werkelijk gelooft, heeft nooit het recht ontstemd te zijn, slecht gehumeurd te wezen. Wij verloochenen daardoor onzen God en veroorzaken zoowel ons-zelven als anderen veel verdriet.
In het binnenland van Afrika woont, naar mij een „zendingsmanquot; verhaald heeft, een volksstam, die een voortreffelijke gewoonte heeft, welke van hooge beschaving getuigt. Zijn daar namelijk echtgenooten kwaad geluimd, dan gaan zij zwijgend ieder in een afzonderlijken hoek van de hut zitten. De eerste die tot bezinning komt — naar wij hopen de man — begint dan opeens te zingen: „Ik ben domquot;; daarop antwoordt de vrouw: „Ik ben domquot;; daarop beiden tegelijk: „Wij zijn beiden dom.quot; En nu omhelzen zij elkander en alles eindigt in de beste harmonie. Ik heb dit recept somtijds, bij gelegenheid van een tafelgesprek, aan jongeechtparen, als toekomst-muziek aanbevolen. Ik beveel het Afrikaan-sche recept ook aan de Europeesche echtparen en andere volken aan.
Mag ik er nu nog een woord bijvoegen over de vriendelijkheid, die zich in het be w ij zen van weldaden openbaren moet? o. Dat wij er toch altijd aan dachten, dat geven zaliger is dan ontvangen ! Ontvangen is zwaar, drukkend, ontmoedigend! Hier is dus de grootste teederheid noodig! Gouden appelen moeten in zilveren schalen gegeven worden en niet in een korf van
329
doornen. De gave beleedigt meer dan zij verblijdt, als men ze met een genadigen glimlach uit de hoogte en van vele vermaningen verzeld, aanbiedt. Een wijze uit den ouden tijd heeft eens gezegd: „Geef den hulpbehoeftige zóo, alsof gij de ontvanger waart en zelf te bedanken hadl.quot;
Wat ons echter dikwijls verhindert in liefderijke verstandhouding tot anderen te staan en in hun vreugde en droefheid te deelen is de afgetrokkenheid. Men houdt afgetrokkenheid in den regel niet voor iets berispelijks. „Ik was afgetrokken,quot; zegt men verontschuldigend, evenals men zegt: „Ik had kiespijn.quot; Maar is de afgetrokkenheid werkelijk zoo onschuldig? Menigmaal ja. Als ik uit een huis der ellende kom en mijne ziel in gedachten verdiept is hoe ik het lijden lenigen kan, en ik vergeet een vriend te groeten die voorbijgaat, — ja ik zag hem in het geheel niet — clan valt dat wel te verontschuldigen. En zoo kunnen er vele omstandigheden zijn, waarin afgetrokkenheid verschoonbaar is. Want wat wij afgetrokkenheid of verstrooidheid noemen, is zeer dikwijls niets anders dan de diepste bepeinzing. Wij zijn terecht of te onrechte geheel en al in een gedachte verdiept en slaan tengevolge daaraan geen acht op hetgeen er rondom ons voorvalt; hooren niets, zien niets, bemerken niets, of hooren, zien en bemerken slechts ten halve. Wij zijn niet waar wij zijn, wij zijn in een andere wereld. En omdat wij afwezig zijn van de menschen, die om ons heen zijn, worden wij koud, onverschillig, onrechtvaardig. Wij slaan geen acht op hunwoorden; wij letten niet op de zorg, die op hun gelaat ligt, op de hoop, de vrees, die hen vervult, op den traan die in hun oog glinstert. „Hij heeft geen oor, geen oog voor mijquot;, luidt dan de droeve klacht. Zoo begaan wij dan veel kwaad, leder heefl dat vaak gedaan, en ieder heeft menigmaal ondervonden, hoe smartelijk het valt, wanneer hij zoo door anderen behandeld wordt, voor
330
wie hij zijn hart wilde openen en toch geen hart vond, dat hem aannam. Moet gij zoo afgetrokken zijn, vermijd dan zooveel mogelijk, u onder de menschen te begeven, opdat gij niet onmenschelijk handelt. De afgetrokkenheid heeft dikwijls haar oorsprong hierin, dat wij in 1 ij d e n zijn. De meeste menschen althans, wanneer zij door lichamelijk lijden of andere nooden getroffen worden, meenen alle recht te hebben om geheel in zichzelf gekeerd hun weg te gaan. Met de deelnemende en toeschietelijke vriendelijkheid jegens hun medemenschen is het dan uit. En het m a g daarmede uit zijn, naar zij meenen. Inderdaad is het gevaar voor zulk een valsche meening zeer groot. Wij moeten ons dan ook wel wachten diegenen te veroor deelen die in lijden zelfzuchtig, onvriendelijk en zonder deelneming worden. „Wie in een glazen huis woont moet anderen niet met steenen werpen.quot;
Dit echter is duidelijk dat wij ons op het voorbeeld van onzen Heiland in dit geval niet beroepen kunnen. Wij hebben reeds gezien dat zijn zachte vriendelijkheid en zijn hart-veroverende deelneming in de nooden en gevaren van anderen, haar schoonste triomfen vierde juist in den tijd toen zijn eigen angsten en jammeren op het hoogst gekomen waren. — Sn denzelfden eisch stelde Hij ook aan zijne discipelen. Of bedoelt Hij niet juist dit, als Hij zegt: „En wanneer gij vast, zoo toont geen droevig gezicht, gelijk de geveinsden, maar zalft uw hoofd en wascht uw aangezichtquot; ? — Ja, wanneer wij in lijden zijn, moeten ook wij daarnaar streven, om in weerwil van het lijden, liefde en vriendelijkheid te bewijzen. Juist dat maakt een tref-fenden en heilzamen indruk op anderen en overtuigt hen van de hemelsche macht der liefde, die in Christus is. „O, dat hij nu nog aan mij gedacht heeft, terwijl hij zelf zoo in het nauw zit! Ja, nu geloof ik ook aan eene liefde, die van den hemel is.quot; Zulke woorden heb ik meer dan eens gehoord.
331
Ik voeg hier nog aan toe, dat wij ons er het beste b ij zullen bevinden, wanneer wij ons verheffend boven ons eigen lijden, trachten anderen uit hun druk op te beuren door zachte vriendelijkheid en blijken van liefde. Juist deze weg is de zekerste om het eigen leed in zijn kiem te dooden.
Ik moet besluiten. Het kon den schijn hebben, dat ik over alle mogelijke dingen geredeneerd heb, doch dat is ook niet meer dan schijn. Alles is in dit éene besloten: „Laat de vriendelijkheid, die Jezus aan menschen bewees, in u wonen, zoo zult ook gij een vriendelijk mensch worden in den edelsten zin van het woord. Laat Christus de zon uws levens zijn, dan, en ook dan alleen, zult gij in alle betrekkingen zijn wat gij zijn moet: een licht der wereld, een zegenbrengende verschijning onder de menschen.
Zoo komt dan ten slotte dit alles neer op de bede:
Ontsteek in mijne ziele,
o God! uw liefdegloed,
Opdat 'k U eeuwig minne
Uit 't diepst van mijn gemoed.
En naar uw welbehagen Steeds 't rechte pad moog gaan Op mijne levensbaan.
XIII.
DE WAARDE EN HET GEBRUIK VAN DEN TUD.
En Jezus zeide: „Och of gij ook bekendet ook nog in dezen uwen dag, wat tot uwen vrede dient!quot; (Luk. XIX ; 42). Koopt den tijd uit (Ef. V : 16).
1. DE TIJD IS KORT.
Het is een gedachte, die in den Bijbel overal en altijd weer opduikt, dat de tijd, namelijk onze levenstijd, kort is. Men kan met een schijn van recht hiertegenover beweren, dat korten lang begrippen zijn, die niets beteekenen, omdat zij elk oogen-blik van beteekenis veranderen. Van Berlijn naar Moskou is bijvoorbeeld een aanmerkelijke afstand, die nagenoeg eindeloos voorkomt, aan wie hem te voet moet afleggen. En toch met de lengte en breedte van het heelal vergeleken, is het slechts een onmerkbare stip. Ieder uur heeft zestig minuten en een minuut zestig seconden, en toch is dikwijls een uur als een seconde en een seconde als een uur. Als kinderen hooren, dat de grijsaard, die voor hen staat, negentig jaar lang geleefd heeft, dan komt hun die tijd eindeloos voor, maar de negentigjarige zelf zal u verzekeren, dat dit leven als voorbijgevlogen is. Voor de moeder daarentegen, die aan het ziekbed van haar lieveling zit, wachtende op de arts, schijnt het, of het kwar-
333
tieruurs, dat zij angstig wachtende doorbrengt, wel een eeuwigheid is.
Dit alles is waar. De begrippen lang en kort worden in elk afzonderlijk geval bepaald door onze gewaarwordingen en stemming, door het verband, waarin wij de dingen beschouwen. En toch betuigt Gods Woord voortdurend, dat de tijd kort is: „De mensch, van eene vrouw geboren, is kort van dagenquot;, zegt Job, en de oude Jakob betuigt voor Farao, ondanks zijne honderd dertig jaren; „Weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest.quot; — „Zij zijn gelijk een slaap,quot; zegt Mozes van de levensdagen des menschen. „Gij hebt mijne dagen een handbreed gesteld,quot; klaagt David, — Zoo zegt ook de Heiland, klaarblijkelijk onder den indruk van den korten duur des levens ; „Ik moet werken, zoo lang het dag is, voor de nacht komt, waarin niemand werken kan.quot; En Petrus troost de verdrukte en vervolgde Christenen, wien hij in dit leven geen beteren toestand voorspellen kon, met de woorden, dat het slechts „een weinig tijdsquot; is. Paulus schrijft aan de Corinthiërs: „Dit zeg ik, dat de tijd voorts kort is.quot; En Johannes noemt de geheele periode, tot op de wederkomst des Heeren : „de laatste ure.quot;
Nu, wie geestelijke dingen geestelijk beoordeelt, begrijpt zeer wel hoe dit bedoeld is. Wat lan'g en wat kort is, bepaalt Gods Woord niet met de el, noch met de klok, noch met den kalender. Maar hoe dan? Antwoord: In verhouding tot de e e u-wigheid. Omdat de eeuwigheid er achter staat, daarom is de tijd kort. Elke leeftijd is kort, om het even of hij honderd jaren telt of slechts de weinige dagen van het nauwelijks op-luikende en dan weer wegstervende leven van een jonggeboren wicht. Het leven is dus kort, ook wanneer het „langquot; is.
Maar wat is dan die „e e u w i g h e i d,quot; die achter den tijd ligt? Ja, wat is zij? Waarlijk, hier kan een dwaas veel vra-
334
gen en een wijze slechts weinig antwoorden. Wij weten van het eeuwige niets dan wat d e Eeuwige geopenbaard heeft. Geheel valsch, hoewel zeer algemeen, is echter de voorstelling, alsof de eeuwigheid slechts een oneindige verlenging van den tijd ware. Zoo vergelijkt men de eeuwigheid bij een onberispelijk ronden ring, waaraan begin noch eind te zien is. Deze ein-delooze tijd nu zal velen eentonig en vervelend toeschijnen, terwijl anderen de gave hebben, om die leegte met de beelden hunner phantasie aan te vullen, die dan in de jeugd natuurlijk weer anders zijn dan in den ouderdom en die natuurlijk nooit eenige vastigheid aan de ziel kunnen geven.
Wij zullen ons hier van alle philosophie onthouden, maar d i t staat vast, dat tijd en eeuwigheid op twee werelden betrekking hebben, die in haar diepste wezen geheel onderscheiden zijn. De toestanden en verhoudingen dezer beide werelden hebben een volstrekt onderscheiden natuur. De tijd staat stil; tijdelijke verhoudingen nemen een einde, waar de eeuwigheid aanvangt. Zoo hoort de ziener Johannes dat bij het intreden van de voleinding der verlossing een engel zweert, dat er voortaan geen tijd meer zijn zal.quot; Hij is geweest, eens en voor altijd geweest.
In den tijd is het worden en g r o e i e n en v e r k w ij n e n. Dan is het: „het geschiedde,quot; — „dit of dat werdquot;, — „dit neemt een aanvang,quot; — „dat heeft zijn voortgangquot;, — weer iets anders „neemt een eindequot;, enz. De eeuwigheid daarentegen duidt den eeuwigen Sabbath aan. Hier is geen wisseling en volstrekt geen strijd tusschen duisternis en licht. Hier is de wereld van het gewordene; van heilige, levensvolle rust; een volzalig genieten van hetgeen voor verbetering niet meer vatbaar en aan wisseling of verlies niet onderhevig is. Wat leven, wat rust, wat geluk, wat heerlijkheid is, zal eerst hier gekend worden, waar geopenbaard wordt, wat geen oog gezien
335
en geen oor gehoord heeft, wat in geen menschenhart is opgekomen, wat God evenwel bereid heeft voor degenen, die Hem liefhebben. Deze eeuwigheid kan met geen enkelen tijdelijken maatstaf gemeten worden. Maar wel hem, wien ze altijd voor den geest staat; wel hem, dien zij in den tijd altijd doorschijnt, zoodat hij in het licht der eeuwigheid zijn tijd leert verstaan en gebruiken!
Dat alzoo in vergelijking met de eeuwigheid den tijd onzes levens kort is, ligt voor de hand. Het ernstigste van dien toestand is echter, dat de draad des levens elk oogenblik afbreken kan. Bij al het ongewisse van dezen tijd is dit éene in elk geval gewis, dat niets bestendig is; dat wij zelfs niet over het einde van het uur, dat wij reeds ingetreden zijn, beschikken kunnen. Gode heeft het niet goed gedacht ons ook maar eenigen tijd te waarborgen. In aanmerking genomen de lichtzinnigheid onzer natuur, is deze onzekerheid ongetwijfeld noodig, opdat wij niet te aardschgezind zouden worden, en niet tot schade van ons eeuwig erfdeel ons aan de tijdelijke dingen hechten zouden. De koning van Israel, wien onder bijzondere omstandigheden nog vijftien levensjaren verzekerd waren, is daardoor (ofschoon hij een Godvreezend man was) tot zijn groote schade zijn vertrouwen op de dingen der wereld gaan stellen. Het zou ons zeker niet beter vergaan.
Nu, het moge ons aangenaam zijn of mishagen, het is zoo, dat wij over geen enkelen dag levens beschikken kunnen. Een lieve zuster mijner gemeente stierf onlangs midden onder het schrijven van een brief; die brief was nog met vaste hand geschreven, alleen de onderteekening ontbrak er nog aan. Maar sneller dan zij die onderteekening had kunnen voltooien, sneller dan zij ook maar aan den dood had kunnen denken, was zij door een aderbreuk in de wereld der eeuwigheid overgeplaatst. Dat is een benijdenswaardig genadegeschenk, althans in een
336
geval als dit, indien de wortel van het tijdelijke leven in de wereld der eeuwigheid ligt.
Men zegt wel eens: „Oude lieden moeten sterven en jonge lieden kunnen sterven.quot; Het is echter maar al te waar, dat zoowel jonge als oude lieden de waarheid van dit woord weinig ter harte nemen. De jonge zelfs wanneer zij ziek zijn, weten duizend redenen te noemen, waarom zij niets te vreezen hebben. En degenen, die zelfs reeds de uiterste mozaïsche grens, dus hun tachtigste jaar overschreden hebben, denken er liefst niet aan, dat hun tijd voleindigd is; zij vragen, waarom zij „bij zulk een voortreffelijke gezondheidquot; niet evengoed negentig of meer worden kunnen, als deze en die. Kortom, het is een merkwaardige aandrift in de menschelijke borst, om zich in zekerheid te wiegen. Misschien gaat het menigen lezer als mij, dat ook hij zich zijn eigen sterven in het geheel niet voorstellen kan, ook dan niet, wanneer hij volgens zijn eigen overtuiging doodelijk ziek is.
Doch dit alles verandert niets aan het feit, dat wij van den duur onzes levens volstrekt niets weten. En evenzoo is het onbetwistbaar, dat de tijd, die voorbij is, door geen macht ter wereld kan worden teruggeroepen. Weg is weg. Verloren kapitaal, verloren eer, verloren gezondheid, verloren huiselijk geluk, dat alles is soms nog terug te winnen ; maar verloren tijd nooit. En wanneer ge ook den nog overgebleven tijd zoo trouw mogelijk uitkoopt en besteedt — ook dan doet ge toch niet meer dan ge schuldig zijt te doen. De verloren tijd is en blijft verloren. Doch deze overwegingen leiden ons tot een ander punt:
2. DE WAARDE VAN DEN TIJD.
Men zou den tijd van ons leven kunnen vergelijken bij een kapitaal, dat ons gegeven is. Ieder heeft een bepaald kapi-
337
taal ontvangen; door den wil van den almachtigen God is onze levensduur bepaald. Maar niemand kent de grootte van dit kapitaal. Vast staat alleen dat wij allen voortdurend op dat kapitaal teren. Iedere dag is om zoo te zeggen een guldenstuk, of echter na het tegenwoordige heden nog een heden, of nog duizend of tienduizend andere zullen volgen, dat blijft geheel en al voor ons verborgen. Uit dezen stand van zaken nu kan men zeer onderscheidene gevolgtrekkingen maken. Men kan zeggen: „Is het leven iets zoo onzekers, dan is het waardeloos; het loont de moeite niet, iels van beteekenis te beginnen. Het sterven is het beste van heel het leven.quot; In dezen zin zeide dan ook reeds een der groote heidensche dichters: „Het beste is: niet geboren te zijn, of eenmaal geboren, spoedig aan het einddoel des levens te staan.quot; Dat is het standpunt der pessimisten. Anderen, de meer levenslustigen, zeggen: „Is het leven zoo kort en zijn duur zoo ongewis, dan moet men trachten zich eiken dag zooveel genot te verschaffen, als maar mogelijk is; schept vreugde in 't leven, zoo lang nog het lampje brandt.quot; Spoedig is het uitgebrand. — Dat is ook een standpunt. Maar hoe als het eens bleek, dat de tijd een zaadkorrel is, die, goed gebruikt, eeuwig geluk en eeuwige vreugde kan voortbrengen? In het eerste geval heeft de tijd hoegenaamd geen waarde; in het tweede slechts een geringe, in het derde geval echter een oneindige.
Ongetwijfeld heeft Jezus Christus den tijd beoordeeld als een zaad, dat voor d e e e u w i g h e i d is uitgestrooid. De vreugde, die Hem voorgesteld was, die was het welke zijn tijd verhelderde ; het eeuwig heil zijner medemenschen bewoog Hem voortdurend zijn tijd voor hen aan te wenden. Dat dreef Hein, zooals wij reeds vroeger zagen, tot onvermoeid arbeiden, zoolang de dag des levens duurde. En ik zou inderdaad ook niet weten, hoe men, bij de vluchtigheid van den tijd en de nietigheid van
22
338
het aardsche leven in zichzelf, dikwijls den tegenzin in het leven zou ontgaan, als men niet wist, dat in den tijd de kiem ligt voor de eeuwigheid. Is dit echter zoo, ja dan krijgt het leven een waarde, een prikkel, een inhoud, een tooverkracht, die niet met woorden te beschrijven is. En dat geldt dan ook van het — menschelijkerwijze gesproken — onbeduidendste leven, dat in de stilste eenzaamheid gesleten, onder louter lijden doorgebracht, nauwelijks eenigen invloed op een menschelijke ziel heeft. Wel schijnt voor de wereld in haar geheel het leven van A. niets te beteekenen, terwijl dat van B. millioenen in beweging stelt; maar voor A. zelf is zijn tijd even gewichtig als voor B. In elk geval ligt voor ieder in zijn tijd de kiem voor zijn eeuwigheid. Dit bedoelde ook Jacob Böhm, toen hij zong:
Wien de eeuwigheid is tijd,
De tijd is eeuwigheid,
Die is bevrijd Van allen strijd.
En zoo heeft het ook een andere wijsgeer begrepen, toen hij zeide: „De tijd is de ingewikkelde eeuwigheid in den losgewik-kelden tijd.quot;
Nu moeten wij echter tot onze groote droefheid het feit erkennen, dat degenen, die de zaak zoo beschouwen, zeer dun gezaaid zijn. Millioenen menschen gaan met niets zoo lichtzinnig om, als met den tijd. Ik ken menschen genoeg, die elk dubbeltje tienmaal omkeeren voor ze het uitgeven; die geen stukje bladtin, geen oude kraal, geen gestempeld postzegel, geen puntje van een sigaar zullen veronachtzamen, doch die het edele goed, den tijd, op de beuzelachtigste wijze verkwisten, hetzij doordien zij veel langer slapen dan noodig is, of onredelijk veel tijd aan eten, drinken en kleeding besteden, hetzij
339
doordien zij in allerlei publieke vermakelijkheden, die slechts een ledig en onvervuld hart achterlaten, hun tijd dooden. Er zijn menschen, die bij uitstek de gave bezitten om dag bij dag door te brengen, zonder dat zij zelf zouden kunnen zeggen, wat ze nu eigenlijk gedaan hebben. De tijd heeft in het geheel geen waarde voor dezulken. Voor tijdverdrijf wordt dit of dat door hen ondernomen. Een verschrikkelijk woord: ,tijdverdrijf.quot; Alsof de tijd er was om verdreven te worden! Het geldt als een hooge lof voor een gezellige bijeenkomst, als men kan zeggen: „De tijd ging als een droom voorbij; de uren vlogen om.quot; Nu, ik heb er niets tegen, als dat van bepaalde uitspanning s uren gezegd wordt — maar wanneer het een gezet levensprogram wordt den tijd te v e r d r ij v e n , dan is dat in éen woord verschrikkelijk.
En er zijn, helaas, onder degenen, die met aardsche goederen gezegend zijn, duizenden bij duizenden, wiens levensprogram nagenoeg gevuld wordt met de woorden: „Vermaken! vermaken! en altijd weer vermaken!quot; Deze ongelukkige en heillooze kunst wordt vooral door de ongehuwde, vrouwelijke leden van de zoogenaamde ,hooge standenquot; beoefend. Zij houden het voor zeer natuurlijk, dat de geheele wereld haar dient; de dienstboden in huis, de naaisters, modemaaksters, huurkoetsiers, muzikanten, tooneelspelers, enz. Dat ook zij haar verplichting jegens de menschheid hebben, dat zij evenals ieder rechtgeaard mensch tot dienen geroepen zijn, komt zelfs niet in haar gedachten op. Zij zijn, al is het dan ook met veel bevalligheid en innemendheid, toch niets anders dan dagdieven. En zijn ze eenmaal een weinig „verwelkt,quot; dan worden ze al spoedig sta-in-den-wegs.
Nauw verwant met deze soort van menschen, die het zeer wijs keuren, den tijd alleen aan „vermaakquot; te besteden, zijn de menschen, die zich vervelen. Men verveelt zich, wanneer
340
men met zijn tijd niets goeds weet uit te voeren. Ach, en zulke menschen vindt men overal. Dat een mensch die zich verveelt, zeer vervelend is; dat een vervelend mensch een onaangenaam gezicht oplevert; dat ieder, zelfs die zich verveelt, toch meteen vervelend mensch, liefst niet te maken heeft, — dat stemmen wij allen toe.
Maar ik zeg ook dit: menschen, die zich vervelen zijn zedelijk evenzeer aan gevaar blootgesteld als zij gevaarlijk zijn. Wat zeg ik: „Zedelijk aan gevaar blootgesteld?quot; Ach, het is immers reeds onzedelijk dat zij zich vervelen? Men ontsteelt God, men ontsteelt ook den menschen den tijd, als men niet iets nuttigs doet. Wie echter iets nuttigs doet, die verveelt zich niet. — Nietsdoen echter leidt tot kwaaddoen. De zucht tot bezigheid is den mensch zoo diep ingeplant, dat hij er op den duur geen weerstand aan bieden kan. Doet men dus niet iets goeds, dan doet men wat kwaads. Ledigheid is de moeder der ondeugd, — en alzoo niet de moeder van niets. En al gaan de kwade gedachten, die in den modder der verveling tot ontwikkeling komen, ook niet altijd, ja zelfs maar zelden in daden over, toch verpesten zij daarom niet minder de zielen.
Ik griezelde er telkens van, als ik in den vorigen zomer de groote menigten w e r k s t a k e n d e arbeiders zag, die, zich doode-lijk vervelende, van den morgen tot den avond in de lucht staarden. Het zou te verwonderen geweest zijn dat er niet een menigte van boosdoeners uit zijn voortgekomen, indien men niet wist dat de vrees voor politie en rechterlijke macht zoo groot was. Dat de menschen echter door werkstaken en zich te vervelen er minder op worden, daarvan kunnen over het geheel de vrouwen der werkstakende mannen een welsprekend getuigenis afleggen. — Het is iets, maar niet veel beter gesteld met de mannen van den „hoogeren standquot;, die niets doen. Er zijn mannen, die juist genoeg hebben, om te kunnen leven zonder
341
te werken. Zij maken daar de zelfmoordende gevolgtrekking uit, dat zij nu ook zonder werken hun leven mogen slijten. Ja, als zij nog dachten; „Ik wil mijn tijd en mijn krachten ten alge-meenen nutte van de burgerlijke of kerkelijke gemeente of van Gods Koninkrijk opofferen.quot; Zulke menschen zijn er. Goddank, en zij zijn onmisbaar. Maar ik spreek hier over degenen, die laat opstaan en dan toch nog hun middagslaap als een zaak van belang beschouwen; die dertigmaal daags tusschen den thermometer en den barometer heen en weer loopen en won-derwat meenen gedaan te hebben, als zij uitrekenen dal er op het weer eigenlijk toch niet te rekenen valt; die aan het lezen van couranten onverantwoordelijk veel tijd besteden, en heel gelukkig zijn, als zij in de leesbibliotheek weer een leugen-achtigen roman van zes deelen ontdekt hebben, die hen dienen kan om zes dagen lang hun tijd te dooden. O, hoe onwaardig is toch zulk een leven! Deze menschen „staken het werkquot; eigenlijk voortdurend, misschien wel niet naar het oordeel der menschen, maar des te zekerder naar het oordeel van Hem, wiens oordeel alleen geldt en alles beslist. Menschen, die geen werk hebben, moesten er in de wereld geheel niet bestaan. Toen ik eens in Londen verdwaald was, vroeg ik een heer, die voorbijkwam, naar de straat die ik zocht. „Ik heb geen tijd,quot; antwoordde hij en ijlde voort; zoo ook een tweede, zoo een derde. Eindelijk bijna ontmoedigd, vroeg ik het een vierden, fijn gekleeden heer, die zeer langzaam voortdrentelde. Hij verklaarde zich bereid, mij in die straat te brengen, ofschoon het ruim tien minuten ver was. Ik antwoordde dat ik het zeer vriendelijk vond maar niet noodig achtte, en dat ik hem zijn tijd niet ontrooven wilde. Toen zeide hij: „Geen nood; mijntijdheeftgeen waarde.quot; — Ik liet mij ontvallen: „Maar dat is wel verschrikkelijk! Uw tijd zou niets waard zijn?quot; — Hij hernam echter: „Ik leef van
■
342
mijn renten.quot; Nu verwonderde het mij niet dat hij mij onderweg naar Philpot-Lane 6 verhaalde dat hij het leven geheel moede was. Och, hoe zou iemand het leven niet moede worden, als de tijd en dus ook het leven geen waarde meer voor hem heeft? Hoe schoon is daarentegen het woord van den ouden stervenden keizer Wilhelm 1; „Ik heb geen tijd om moede t e z ij n.quot; Hij had altijd tijd om voor anderen te werken. Hij zou mij, den verdwaalde, niet toegevoegd hebben: „Ik heb geen tijd om u den weg te wijzen.quot; Hij zou evenmin gezegd hebben: „Mijn tijd heeft geen waarde.quot; Hij had het woord van den Heiland leeren verstaan: „Ik moet werken zoolang het dag is; de nacht komt, waarin niemand werken kan.quot; Daarom had hij geen tijd om moede te zijn, wanneer het de belangen van zijn volk gold. Inderdaad, dit woord van den stervenden grijsaard zou voor niet weinige onderdanen van zijn rijk een woord ter opwaking worden, wanneer zij het recht ter harte wilden nemen. En voor een groot deel zou het maatschappelijk vraagstuk ook eensklaps zijn opgelost, zoo de „werkende klassequot; zich niet meer te ergeren had aan het schouwspel van zooveel menschen, die niets of ten minste niets degelijks uitvoeren.
3. ALLERLEI JAMMERLIJK MISBRUIK.
Er is niemand onder mijne lezers, die niet alle reden heeft om de vermaning van den apostel: „Koopt den tijd uitquot; (Ef. V : 1G) ter harte te nemen. In een ander hoofdstuk zal ik over den plicht tot het nemen van rust en uitspanning spreken. (Het rusten op zijn tijd behoort mede tot het recht gebruik van den tijd). Maar het is zeker dat de menschen, die over het geheel vlijtig zijn, ook nog veel tijd verbeuzelen. De Heiland, die overal door woord en daad getrouwheid in het kleine predikte (wijl
343
daarin de kiem voor het groote ligt) gebood na de wonderdadige''spijziging der vijf duizend: „Vergadert de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga!quot; Het zij mij vergund dit woord ook op de kleinen t ij dbrokken, die bijna dagelijks overschieten, toe te passen. Bijvoorbeeld gij komt thuis; het is tijd om te eten; maar de tafel is nog niet gereed. Dat is niet aangenaam. Maar nu drentelt gij heen en weer, wacht en wacht; de tijd valt u zeer lang; gij raakt ontstemd. Dat is nog veel erger. Ontstemd komt gij aan tafel, zijt ontevreden en bederft door uw ontstemdheid wellicht den geheelen dag voor uzelven en misschien ook nog voor anderen. Zou het niet beter zijn, indien gij, als eenmaal het parool: „Wachten!'quot; gegeven is, terstond de eene of andere bezigheid ter hand naamt? „Ja, maar wat?quot; antwoordt gij. „Wat?quot; o Gij trage, dat gij zoo iets vragen durft! Zijt gij dan zoo arm van geest en zoo weinig vindingrijk? Leer een schoon lied (hetzij van Gerhard of van Goethe) van buiten en vermeerder daarmede uw inwendigen schat, of smeer een paar krassende of knarsende deuren, die al dagenlang de zenuwen van al de huisgenooten getergd hebben ; of schrijf een vriendelijk briefje aan een ouden vriend, waarvoor gij nog altijd „geen tijdquot; hebt gehad; (gij hadt dan meteen een mooien aanvang: „De verschrikkelijke maar in elk geval niet toevallige omstandigheid, dat de aardappelen nog niet gaar zijn, moet u een briefje bezorgen, dat ik u al lang had moeten schrijvenquot; enz.) ; of sla anders eenige spijkers recht, die scheef zitten; of ontdoe de bloemen in uw venster van de verwelkte bladen; ja vang liever de vliegen in uw kamer dan dat gij u ergert en ongeduldig wordt.
Dit is ook een belangrijk punt in de opvoeding van de kinderen. Er zijn toch kinderen, die altijd met iets bezig zijn en het is verwonderlijk om te zien wat zij op die wijs soms afdoen. Maar er zijn ook heel wat jongens en meisjes, die een
344
sterke neiging hebben om hun tijd te verspillen. Zij hebben uren, waarin zij met hun tijd geen raad weten. Zij verspillen dien niet alleen, maar komen dan ook gewoonlijk tot verkeerde dingen. Hier is het van grooten invloed, hoe zij van der jeugd aan gewend worden; en de opvoeding moet zich daar ernstig mede bezighouden. Het eigen voorbeeld helpt hier het beste. Maar men moet er ook niet tegen opzien zulke naturen met steeds nieuw geduld te vermanen om overal en altijd in het kleine en niet het minst in het gebruik van de kleine lijd-snippertjes getrouw te zijn.
En daartoe behoort ook wat men stiptheid noemt. Er zijn menschen, die altijd te laat komen. Zij erkennen dat ook wel, maar troosten zich dan hiermee dat dit nu eenmaal in hun aard ligt. Alsof onze aard iets ware, dat wij zorgvuldig in wezen moesten houden en waardoor wij ons moesten laten be-heerschen. Alsof onze natuur een ding ware dat eens voorgoed in orde gebracht is, zooals bijvoorbeeld een kanonskogel. In den grond der zaak is gemis aan stiptheid een zeer berispelijke ondeugd. Gij ontsteelt daardoor den tijd aan uwe mede-menschen, hetzij dat een vergadering, een voordracht of een maaltijd niet kan aangevangen worden omdat gij er nog niet zijt, of wel dat zij op tijd beginnen en gij daarna als een rustverstoorder binnenkomt. En gij benadeelt daardoor ook uzelven, niet alleen omdat gij met een verontschuldiging moet beginnen, maar ook omdat gij dan niet thuis zijt in hetgeen er gedurenoe uwe afwezigheid behandeld is. Maar bovenal hinderlijk is het te laat komen in godsdienstige bijeenkomsten, waardoor men niet alleen anderen stoort, maar ook zelf van den beginne aan in een gejaagde, verstrooide gemoedsstemming verkeert.
Mag ik nog op een gevaarlijk misbruik van den tijd wijzen? Ik bedoel het uitstellen. Wanneer men iets uitstelt, verschuift men datgene wat men op het oogenblik doen kon, tot
345
een later tijd. Ik spreek hier natuurlijk niet over dingen, die niet zoo terstond gedaan kunnen worden als hart en geweten wel zouden willen. Zulke dingen zijn er ongetwijfeld. Neen, maar ik bedoel hier dat jammervol uitstellen van dingen omdat zij onaangenaam, lastig, smartelijk of vernederend zijn, en die desniettemin geschieden moeten. In spijt van het spreekwoord dat uitstel geen afstel is, blijkt het toch duizendmaal dat iets uitstellen feitelijk op nalaten neerkomt. Ik vind nergens in de Evangeliën vermeld dat onze Heer en Meester, die toch waarlijk zeer veel te doen had, ook maar een enkele maal iets wat Hij terstond wilde doen heeft uitgesteld. Hij handelde altijd overeenkomstig het woord van Salomo's Prediker: „Alles wat uwe hand vindt om te doen, doe dat met uwe macht.quot;
Ach, wat al jammer wordt er door uitstel teweeg gebracht! Hoe menigeen stelt een onbeduidende kunstbewerking uit, enkel uit overgevoeligheid of uit even onverklaarbare als dwaze vreesachtigheid. Het gevolg daarvan is dat hij later honderdmaal meer lijden of wel sterven moet. — Hoe menigeen stelt het uit, een noodlijdende te helpen, en als hij er eindelijk toe komt, — dan is het te laat: de arme is gestorven, gij gevoelt deswege gewetenswroeging. — Gij kunt er altijd maar niet toe komen, iemand dien gij beleedigd hebt, om vergeving te vragen. Of neen, besloten hebt gij er wel toe, maar onder allerlei nietige voorwendselen stelt gij het uit en draalt zoo lang dat het te laat is. — Hoe menigeen verzuimt het, zijn testament le maken en zijn zaken voor alle gebeurlijkheden te regelen, en zie, plotseling verrast hem de dood en er ontstaat jammerlijke verdeeldheid, die geheele familiën voor tientallen van jaren van elkander vervreemdt!
o, Hoe licht vele menschen (vaak zelfs zeer godsdienstige menschen) het uitstel ook tellen mogen — nochtans is het een zeer kwaad ding, een bron van veel smartelijks. Er bestaat zoo
1
346
een leger van dagelijksche spreekwijzen, die zelden weersproken worden en die men toch ten zeerste bestrijden moet. Bijv. ,Toestanden en omstandigheden verhinderden mijquot;, of: „Ik heb er tol hiertoe niet toe kunnen komenquot;, of: „Ik had geen tijdquot;, of; „Ik had het maar uitgesteld.quot; Ja, waarom? „Waar een wil is, is een weg,quot; zegt de Engelschman, En inderdaad de ernstige, oprechte wil doet al die onhebbelijke zegswijzen teniet, evenals een pietwerktuig een vermolmd hout.
De korte rede van al het verhandelde is:
4. KOOPT DEiN TIJD UIT.
Zoo schrijft de Apostel Paulus in zijn brief aan de Efezen. Zich „schikken naar den tijd,quot; mits welbegrepen, is van groot belang. Men moet er echter niet onder verstaan, dat men te huilen heeft met de wolven in het bosch, en ook het niet opvatten alsof men met den wind van den geest des tijds en van de „openbare meeningquot; mee moet gaan. Dat zou waarlijk een schoon, heldhaftig Christendom worden! Neen, wat wij in Romeinen XII : 11 in den Bijbel lezen, maant ons aan dat wij van de tijdsomstandigheden gebruik hebben te maken, dat wij van deze wereld, die nu eenmaal in het booze ligt, niet te veel moeten verlangen, maar de duizendvoudige moeiten, miskenningen, vernederingen en teleurstellingen mede hebben te aanvaarden.
Doch dit daargelaten; misschien kan men het ook anders verstaan. Buiten twijfel echter vermaant Paulus in zijn brief aan de Efezen dat wij den tijd moeten uitkoopen. Zijn de dagen in deze wereld boos in vergelijking met het zalige leven in den hemel, dan is het des te meer zaak, deze aardsche dagen vol licht en liefde te doen zijn, ons en anderen tot heil. „Wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien.quot;
347
Dit Godswoord wordt evenzeer door het verstand, als door het geweten en de ondervinding bevestigd. Dus niet pas in de t o e-komende wereld zal men ondervinden dat de oogst overeenstemt met het zaad. Een trouwe zoon, een trouwe scholier, kortom, een mensch, die zijne jeugd behoorlijk besteedt, zal reeds in d i t leven, naar het inwendige en het uitwendige en de grootste zegeningen van ervaren dat hij trouw was. „Wat men zaait in zijn jeugd, maait men in zijn ouderdom.quot; Men moet niet ophouden dit de jeugd in te prenten en door vele voorbeelden — die overal voor het grijpen liggen — duidelijk te maken.
Maar men moet toch nooit bij het aardse he blijven staan! Anders wordt zelfs het uitkoopen van den tijd licht dienstbaar aan een heel gewone zelfzucht. De Amerikaan zegt: „Tijd is geldquot;. En inderdaad, over het algemeen is de Yankee er op bijna koortsachtige wijze op uit den tijd in geld om te zetten. Maar daarom is de echt Amerikaansche aard ook weinig beminnelijk en daarbij weinig diep. Oneindig hoog boven de wijsheid dat tijd geld is, staat het woord: „Tijd is eeuwigheidquot;, dat wil zeggen: In het zaad van den tijd sluimert de oogst van de eeuwigheid. En daarom is de tijd zoo belangrijk. Niet dus alleen d i t behooren wij bij die waardeering van den tijd op het oog te hebben, dat ons eenmaal een vredige, onbezorgde oude dag ten deel valle, maar dat wij eenmaal erfgenamen der eeuwigheid worden.
De aardsche tijd is g e n a d e t ij d , dat wil zeggen een tijd, ■waarin oos de eeuwige genade Gods wordt aangeboden, en alzoo komt het er op aan dat wij ons daarnaar regelen. „Och, of ook gij erkendet, ook nog op dezen uwen dag, wat tot uwen vrede dient.quot; — Dat is een woord van Jezus, dat tot ieder mensch gericht is, dat elk hart treft: „op dezen uwen dagquot;. Deze tijd is u w tijd; de beslissing over de eeuwigheid is dan Gods zaak, en zijn oordeel richt zich hiernaar, hoe gij „dezen
348
uwen tijdquot; besteed hebt, of gij dien verkwist hebt in de dingen van deze wereld, dan of gij dien gebruikt hebt om vrede, innerlijke rust langs den weg van vereeniging en verzoening met God te vinden. Den vrede erlangt gij door aanvaarding der goddelijke genade, die u nu wordt aangeboden; „nu is het de welaangename tijd, nu is het de dag der zaligheid.quot; Deze genade afwijzen is het eeuwige leven verliezen. De aanvaarding dezer genade uitstellen, omdat men nog eerst zichzelven en de wereld en de zonde dienen wil, is bijna even erg als haar af wijzen. „God laat zich niet bespotten.quot;
Die Romeinsche landvoogd, wiens hart de apostel Paulus ontroerd had en die des ondanks „hoogst goedgunstigquot; zeide: „Ga voor ditmaal heen, en als ik gelegen t ij d bekomen heb, zal ik u tot mij laten roepen,quot; — ach, hij heeft dien „gelegen tijdquot; nimmer gevonden. W ij moeten t ij d voor God hebben, als Hij tijd voor ons heeft, of anders kan het licht gebeuren dat Hij voorbij gaat, dat Hij doorgaat tot dezulken, die voor zijne genade een dankbaar en ontvankelijk hart hebben.
„De tij d is kort,quot; — daaruit volgt allereerst dat de aardsche dingen de liefde van ons hart niet mogen hebben en wij er niet in m o ge n o p gaa n. De Apostel trekt er het gevolg uit: (1 Cor. VII: 29—31): „Dat zij die vrouwen hebben, z ij n alsof z ij ze niet h a d d e n.quot; Dit kan slechts somber en hard klinken voor dezulken, welke hem niet kennen, die zoo spreekt en die toch over het huwelijk zulke groote en heerlijke dingen gezegd heeft als nooit een mensch vóór of na hem. Hoe vermaant hij de mannen tot teedere liefde; hoe vermaant hij de vrouwen tot ootmoed, zachtmoedigheid en geduid! Hoe ernstig vermaant hij de ouders, eenerzijds om bij de opvoeding der kinderen ernstige tucht te oefenen, anderzijds om de kinderen niet door hardheid te verbitteren. Maar dat is het, dat echtgenooten elkander moeten beschouwen met het oog op
349
de eeuwigheid en dat zij elkander ten goede van de wereld der eeuwigheid moeten leven, want „de tijd is kort.quot; Dus niet dat men elkander hier in den tijd aangename en gemakkelijke dagen bezorgt, maar dat men vrouw en kinderen zoo behandelt dat zij in den hemel daarvoor erkentelijk zijn. Vrouw en kinderen te hebben „alsof men ze niet had,quot; wil zeggen, er bevorderlijk aan te zijn dat in de eerste plaats de Heere- hen hebbe, dan eerst zullen ook wij ze eeuwig hebben.
Ach er zijn tallooze huwelijken, waarin men elkander genomen heeft en toch niet innerlijk heeft. Het is slechts een uitwendig nevens elkander leven; maar er is geen band der liefde; geen verlangen om elkander te dienen en gelukkig te maken. Dat is een valsch „hebben alsof men niet had.quot; — Er zijn echter ook zoogenaamde gelukkige huwelijken, die in waarheid alleen op een wederkeenge vertroeteling en vergoding uitloopen. Er zijn huwelijken, waarin men elkander bedriegt, elkaèr ten opzichte van de wederzijdsche gebreken misleidt, en dat, wat toch alleen verraad is, noemt men dan nog met den schoonen naam van liefde. Wij moeten elkander in den Geest van Christus liefhebben, dan zal het noch aan lankmoedigheid, geduld, zachtmoedigheid en nederigheid, noch ook aan heiligen ernst ontbreken. En wat van het huwelijk geldt, geldt evenzoo van alle vereenigingen onder menschen.
Nu begrijpen wij ook licht wat de apostel verder zegt: „Die w e e n e n alsof z ij niet weenden, en die hl ij de z ij n alsof zij niet Ij 1 ij de waren, en die koopen alsof zij het niet bezaten.quot; Dit alles „omdat de tijd kort is'?-' Gewis moeten wij ons verblijden, wanneer God ons blijdschap geeft; gewis mogen wij treuren, wanneer God ons en anderen lijden toezendt. De Apostel wil niet dat de Christenen ongevoelige, onverschillige menschen worden, die zonder hart door het leven gaan. Omgekeerd! „Verblijdt u met de blijden; weent met
350
de weenenden,quot; is zijne vermaning. Maar wij moeten steeds onder het oog houden dat „de gedaante dezer wereld voorbijgaat.quot; Dat wil niet zeggen; „De wereld is niets waard.quot; Integendeel, zij is zeer veel waard; maar zij is niet waard dat wij afgoderij met haar bedrijven, haar ons hart geven, onze ziel om haar verliezen. Neen, dat is zij niet waard; want zij vergaat; zij laat ons in den steek, en wij moeten haar verlaten. Wie weet hoe spoedig! Daarom moet ons als eeuwig-heidsmenschen altijd liet kleine klein zijn en het groote groot. Wat groot is en klein, wordt alleen uitgemaakt door de blijvende waarde. Datgene, waarover de meeste menschen zich verheugen gaat snel voorbij. Hecht uw hart daar niet aan! Datgene waarover de menschen w e e n e n, gaat ook snel voorbij. Laat u er niet te zeer door beheerschen! Wellicht lacht gij morgen reeds over hetgeen, waar gij nu over weent. Ach, wellicht moet gij ook vele tranen weenen over de dwaze, ijdele tranen die gij geweend hebt. Daarom, „zalf uw hoofd en wascht uw aangezichtquot; ten dage des treurens, terwijl gij u levendig den tijd voor den geest stelt, wanneer God (o bedenk dat!) wanneer God, uw God, de almachtige, barmhartige God voor eeuwig alle tranen van de oogen wischt dergenen, die Hem liefhebben. Ja, bedenk dat en leer glimlachen onder tranen.
En laat zoo ook door uw aardsch beroep, door koopen en verkoopen, door winst en verlies, door eer en smaad uwe ziel niet in verwarring brengen. De tijd voor al deze dingen is kori. Gij kunt niet trouw genoeg zijn in uw aardsche beroep. Maar rustig gaat de Christen zijn weg. Hij vindt onder al de wanklanken van het leven in de wereld de rechte inwendige harmonie. „Alles is uw, en gij zijt van Christus.quot; Wij mogen ailes gebruiken, maar niets mag ons beheerschen. Wij moeten in allen deele getrouwe arbeiders en rentmeesters zijn, maar altijd het eeuwig vaderland voor oogen houden. Gelijk Tersteegen zingt:
351
, Gelijk een pelgrim moet men wandelen,
Vrij, open en van al ontbloot,
't Verzaamlen, houden en behandlen
Maakt ons den last der reis slechts groot.quot;
Dus de wereld gebruiken, doch zoo dat wij haar niet misbruiken,quot; — dat is de zaak. Aan al wat het leven in deze wereld werkelijk ten goede kan strekken, ernstig, krachtig, hartelijk deelnemen, — dat is de wereld „gebruiken.quot; Dat is niet alleen niet zondig, neen, het is onze plicht. Wie echter niets verder zoekt, wie hiermee alleen zijn tijd doorbrengt, die „m i s-bruiktquot; de wereld. Hij verliest zijne voor de eeuwigheid geschapen ziel in de ijdelheid. Ach, boe onverstandig is dat! Hoe kan de ijdelheid toch een naar de eeuwigheid smachtende ziel vervullen en gelukkig maken? De dingen dezer wereld hebben een onophoudelijk wisselenden koers, en ten slotte geraken ze alle tezamen geheel buiten koers.
Daarom, gij voor de eeuwigheid geschapen ziel, tracht naar de dingen die boven en die eeuwig zijn. Bedenk zonder ophouden hoe gij datgene, wat u in u en buiten u belemmert de eeuwige goederen te gewinnen, — bedenk hoe gij deze hindernissen te-boven kunt komen. Bedenk hoe gij met Gods Woord en sacrament, hoe gij door het gebed, hoe gij door wezenlijk Christelijke gemeenschap krachten der eeuwigheid in uwe onmacht moet opdoen en uw inwendigen mensch met leven en Geest van boven vervullen.
Wij hebben in voorafgaande hoofdstukken er over gesproken hoe dat geschiedt, hoe men Gods Woord recht gebruiken, hoe men een leven des gebeds leiden moet, hoe men door het een en het ander den voor de eeuwigheid bestemden mensch moet sterken. Ik wil dat hier niet herhalen. Maar waarlijk „het ge-heele Christelijk leven is een gestadig worden en niet een geworden zijnquot; gelijk Luther zegt. Ja, het aardsche leven
352
is de tijd der inwendige wording, der wording, der geboorte voor de wereld der eeuwigheid. Hij alleen koopt den tijd recht uit, die hem uit dat oogpunt beschouwt en hem daartoe gebruikt, dat het eeuwige zijn erfdeel wordt, dat het beeld van Christus hoe langer hoe meer een gestalte in hem verkrijge.
Deze wording is hier reeds eeuwig leven. En waar die wording werkelijk bestaat, leidt zij ook overal tot blijmoedige opgewekte werkzaamheid zoowel in het dagelijksch leven als in het Koninkrijk Gods. Eeuwigheidsleven is Christusleven, liefdeleven. Hoe zou dus iemand dit deelachtig kunnen worden zonder door den vurigen ijver bezield te zijn, om nu ook zijnerzijds mot zelfverloochenende, getrouwe liefde te werken? Van den Ro-meinschen keizer Titus wordt verhaalt, dat hij menigmaal 's avonds in tranen uitbarstte en klaagde; „Ach, deze dag is verloren, want ik heb er niets goeds op gedaan!quot; Dat is treffend en een teeken van een edele ziel, die hare bestemming begrepen had.
Het woord van den heiden kan menigen Christen beschamen. Ik bedoel daar niet mede dat men er boek van houden moet wat goeds men gisteren en heden gedaan heeft. Dat zou tot een zeer verkeerd Farizeïsme kunnen leiden. Maar d i t slaat vast, dat in de discipelen van Christus ook eenigermate de zin van Christus is en dat zij niet louter voor zichzelven leven k u n ii e n. De hoogste wensch van den mensch, die zijne roeping in deze wereld en dezen tijd begrepen heeft is deze: eigendom en woonstede van Christus te worden, is dit verlangen vervuld, dan rest hem dit als tweede: „o. Dat ik een zegen worden mocht voor anderen, voor vele anderen, die nog verre zijn!quot; Al het overige kan hij dan zijnen hemelschen Vader licht en getroost overlaten.
353
5. HEMEL OF AARDE — WAT VERKIEST GIJ?
Onlangs ging ik langs een drukke straat van onze goede stad. Het was op een kcuden avond, en het zou niet in mij opgekomen zijn ergens te blijven staan, ook omdat ik, zooals men gewoonlijk zegt, „geen tijdquot; had. Maar als men moet neemt men den tijd, dien men niet heeft. Voor een grooten platenwinkel namelijk stond een jonge man met wijdgeopende oogen, en met een uitdrukking op het gelaat, die van groote ontroering getuigde. Hij was blijkbaar magnetisch geboeid door de voorstelling, die hij aanstaarde. En mij weder boeide „magnetischquot; niet de voorstelling, maar de jonge man, die door de voorstelling geboeid werd. Zoo had ik den tijd en beschouwde ook eerst de voorstelling. Zij was inderdaad bezienswaard. Vermoedelijk was de schilderij van Engelschen oorsprong, want er stonden de woorden onder; „D i a n a o r G h r i s tquot; (Diana of' Christus). En blijkbaar wilde de schilderij aanduiden, dat het hier de keuze tusschen Diana en Christus gold.
Het midden van de schilderij stelde een schoone, schier ma-jestueuse jonkvrouw voor, in wit gewaad. Zij staat blijkbaar gereed om een geweldigen strijd aan te gaan. De menschen om haar heen toonen de levendigste belangstelling en schijnen allen aan de zijde van Diana te staan. Bevallige jonge meisjes, waarschijnlijk priesteressen van Diana slaan de strijderes met gespannen aandacht gade. Een tempeldienaar, die een schaaltje met wierook in de hand houdt, noodigt haar uit om door een kleine „onschuldigequot; gave de godin haar deel te geven. Een schoone jonkman, die klaarblijkelijk de jonkvrouw innig liefheeft, lluistert haar vriendelijke woorden toe en smeekt haar haar dierbaar leven te ontzien. Wat haar te wachten staat, wanneer zij in haar Christelijk geloof volhardt, dat zeggen duidelijk de koude gelaatstrekken van de gewapende mannen, die ongeduldig de
23
354
beslissing verbeiden. Uit den rijzigen hoog opgetrokken tempel op den achtergrond meent men den lofzang der geestdriftige volksmenigte te hooren.
Dat van de schilderij. Toen de jonge man bespeurde dat ook ik er mijn aandacht aan schonk, vroeg hij mij bescheiden; „Zoudt gij mij ook kunnen en willen zeggen, mijnheer, wat die schilderij beduidt?quot; Natuurlijk voldeed ik aan zijn verzoek en legde hem uit dat de jonge Romeinsche op dit oogenblik verklaren moest of zij do oude goden of den Heere Jezus Christus dienen wilde; ik voegde er bij, dat zich voor haar, in bet eerste geval, een wereld vol glans en jubel opende, maar dat haar in het andere geval, de marteldood te wachten stond. Ik sprak opzettelijk zoo, dat ik mijn eigen beschouwing niet verried.
In de grootste spanning echter vroeg nu de jonge man; „Hoe denkt gij wel, mijnheer, dat zij besluiten zal!quot; Ik antwoordde: „Dat weet ik niet, blijkbaar is zij nog met zichzelve in strijd, maar ik hoop dat zij haar overtuiging en alzoo baar Christelijk geloof getrouw blijft.quot; De jonge man stampte driftig met den voet en riep uit: „Zij zal toch niet zoo waanzinnig zijn en voor de nieuwe leer haar jonge leven laten!'' En eensklaps, voor ik antwoorden kon, was hij onder de voorbijgangers verdwenen.
Ik kon het hem niet euvel duiden dat hij zoo oordeelde. Inderdaad, indien het slechts over oen nieuwe leer ging, dan zou het ook niet de moeite waard zijn er voor te sterven. Maar de jonge Romeinsche of in elk geval de millioenen men-schen van elk geslacht, eiken stand en elk volk, die werkelijk voor het Evangelie gestorven zijn, en allen die in waarheid den Christus beleden hebben, tot op den tegenwoordigen dag toe, zagen en zien de zaak geheel anders in. Het gaat ten aanzien van Christus niet om een nieuwe leer, maar om een nieuw
355
leven, om een eeuwig leven, dat alleen door Hem en ia Hem kan verkregen worden.
Ja, dat verandert de zaak. Wie dat begrijpt, wie daarvan overtuigd is, voor dien wordt de wereld en al wat in de wereld is klein in vergelijking met dit éene, dat hij Christus gewint. Voor hem ligt de hooge waarde van den tijd hierin dat ons daarin de eeuwige genade wordt aangeboden. Eu de rechte waardeering van den tijd bestaat daarin, dat wij ons deze genade toeëigenen.
Dat gaat echter bij niemand zonder zwaren strijd, al wordt hot ons tegenwoordig ook al niet zoo moeilijk gemaakt als aan die jonge Romeinsche. Hier, in den tijd, ofschoon hij zoo vluchtig voorbijgaat, dingen nochtans hemel en hel naar uwe ziel, naar elke menschelijke ziel, al leidt zij ook het meest verborgen en onbeduidend leven. En niemand kan zich aan die mededinging onttrekken al wilde hij ook nog zoo gaarne. Hebt gij, o menschenhart, deze mededinging reeds bespeurd? Ach, dat demonische krachten en machten uwe ziel omstrikken, ze in lief of leed verstikken, u nu in vermetelheid dan in vreesachtigheid verwarren, u nu in zelfvergodende eigengerechtigheid, dan in sombere wanhoop aan uzelven willen doen verzinken, — dat moet gij opgemerkt hebben. Maar hebt gij ook reeds iets bespeurd van Gods werk aan uwe ziel, van Jezus' kloppen aan de deur uws harten, van het werken, wenken, leiden en leven des. Heiligen Geestes? Dit werk is van een teederen aard en er behoort een teedere opmerkzaamheid toe. Het is niet moeilijk er zich van te ontdoen. Gods genade dringt zich aan niemand op.
Maar hoezeer ook deze strijd van twee werelden, van de geestelijke en de vleeschelijke wereld, om uwe ziel, van een ge-heimzinnigen en verborgen aard is — hij is nochtans de hoofdzaak van het geheele leven. Elke dag draagt iets bij lot beslis-
356
sing voor éen van beide. En elke dag brengt nader tot het doel. Ja de eeuwigheid schuilt in den tijd, en daarin bestaat de be-teekenis van den tijd. Niet alleen onder die Engelsche schilderij, maar ook onder u w afbéelding staan de drie korte woorden „Diana of Christus.quot; En voor u staat er een groot, sprekend vraagteeken achter: Diana of Christus? De geest der wereld of de Geest Gods? De beslissing is aan u overgelaten.
XIV.
DE RUST TEMIDDEN VAN DE ONRUST.
Jezus ontweek wederom op den berg, Hij bleef alleen. Joh. VI .15.
En Hij zeide tot zijne discipelen: „Komt gijlieden in een woeste plaats bier alleen, en rust een weinigquot; (Markus VI: 31).
1. DE RUSTZOEKENDE HEILAND.
Er zijn dagen in het huiselijk leven dat alles schijnt samen te spannen om iemand zijn kalmte en opgewektheid te doen verliezen. Om duidelijk te spreken wil ik persoonlijk spreken. Duizenden lezers zullen dan spoedig aan dergelijke voorvallen denken.
Op zekeren morgen in den harden winter van het vorige jaar kwam ik uit mijn slaapkamer, waar ik ditmaal, helaas, weinig slaap genoten had. Zoo stond dan de dag met zijn vele werkzaamheden als een onafwijsbare plicht mij voor mijn vermoeide oogen. — Ik was echter nog niet halverwege de trap gekomen, toen mijn jongste kinderen mij reeds toeriepen: ,o. Vader, vader, daar is van nacht de waterleiding gesprongen en zooeven is het pas ontdekt. In den kelder kan men wel met een bootje varen, het water staat er een halven meter hoog. Turf, aardappelen, groenten, hout, flesschen, manden, tobben — alles drijft in het rond.quot; En het was zoo. Maar heigeen de kleinen zoo uitstekend vermaakte, verbeterde natuurlijk mijne stemming niet. Hoeveel
358
ik ook te doen moclit hebben, — nu moesten er werklieden opgezocht worden, die alles weer in orde brachten. Daarbij was de schade groot en de dienstboden zetten bedenkelijke gezichten. — Nauwelijks zat ik aan mijn schrijftafel of er kwam iemand om ondersteuning verzoeken, die alle teekenen van leugen en huichelarij vertoonde. En ik kan het niet helpen, — maar reeds op gewone dagen stuit elke soort van huichelarij mij tegen de borst, — en dan nu ! — Terwijl deze nog sprak, kwam een van de kinderen aanhinken; liet was op den gladden vloer gevallen en had zijn voet verstuikt. Maar niet genoeg. „Goeden morgen, dominee!quot; zei de brievenbesteller. Hij bracht veel meer brieven dan ik wenschte; nu, dat is hij gewoon te doen. Maar onder de vele brieven, die ik niet wenschte, waren er twee met boete voor ontoereikend port bezwaard en daarom kwam de man binnen; en een derde brief, die mij deed gruwen, was van een deerlijken, ergerlijken inhoud. Hij was er geheel op ingericht om den droppel te leveren, die den vollen beker doet overloopen.
En deze zou inderdaad zijn overgeloopen, toen zich een achtenswaardig man aanmeldde, die eerst ook juist niet gewenscht was. ,Dominee,quot; zeide hij. „gij hebt den laatsten Zondag zoo krachtig over het geloof gepreekt...quot; Aha, dat raakte mij. Dus, ik had krachtig over liet geloof gepreekt, en nu, o wee, stond ik op liet punt om te gelooven dat... de duivel de wereld regeerde. Theorie en practijk! Ik wil hier slechts nog bijvoegen, dat de man mij verzocht hem een door mij aangehaald vers over te schrijven. Het was dit:
„Groote Gever van al 't goede.
Geef ine een vast geloof in 'i hart Zoo onwrikbaar als een zeerots,
Die de kracht der golven tart.quot;
En ik schreef. „Een mooie zeerots, gij!quot; zeide ik in mijn ge-
359
dachte tot mijzelven en moest meewarig glimlachen. Gode zij dank! Zulk lachen over zichzelven is meer dan goud waard, ja het is dikwijls evenveel waard als tranen, die men over zichzelven weent.
Toen mijn goede verzenverzamelaar, die mij ditmaal, zonder het te vermoeden , engelendienst bewezen had, de deur achter zich had, sloot ik ze en deed ze niet zoo spoedig weer open. En toen ik ze weer opende, was er zonneschijn in mijn werkkamer, ofschoon het buiten sneeuwde. Nu was ik zoo opgeruimd alsof onze kelder vol kostbaren wijn geloopen ware. Ik kon nu schertsen over de kleine tegenheden, die mij tevoren, dwaselijk, zoo groot waren voorgekomen en toch in werkelijkheid tegenover de eeuwigheid, die ik nu gezocht en gevonden had, belachelijk klein waren. — Had ik evenwel niet mijn rust in God gezocht, wie weet wat er dien dag nog voorgevallen ware; want een ontstemd mensch is een gevaarlijk wezen; ik kan in het geheel niet zeggen hoe gevaarlijk.
Als wij derhalve bemerken dat hel ons in de wereld te hoog loopt, moeten wij ijlings temidden van de wereld, de wereld ontvluchten en de heilige stilte zoeken. Wij behoeven ons deze behoefte ook geenszins te schamen. Het was immers zelfs onzen Heiland zeer dikwijls (ja, zeer dikwijls, gelijk ieder weet die met de Evangeliën vertrouwd is) een diepe behoefte, in de wereld de wereld te ontvlieden, ook den arbeid te ontvluchten, en naar lichaam en ziel daar rust te zoeken, waar alle stemmen van menschen zwegen en waar Hij nog alleen de stem des Eeuwigen hoorde. Of dat in een stille binnenkamer of op een eenzame berghoogte, of het op de rustige watervlakte of in een woestijn was, komt daarbij niet in aanmerking.
Het doet mij telkens levendig aan, als ik lees dat de Heiland het noodig achtte de eenzaamheid te zoeken. Hij, die werkte zooals niemand, en juist omdat Hij werkte zooals niemand,
360
vlucht werkelijk in de stilte. Ik zie in den geest een vermoeiden man langzaam een der groene heuvels bestijgen, die het meer van Genesareth omringen. Terwijl de glans der ondergaande zon op Hem valt, stijgen onuitsprekelijk diepe zuchten uit zijne ziel op, — een naklank van de duizendvoudige inwendige en uitwendige jammeren, die Hij in den loop van den dag aanschouwd had en die ook Hij toch slechts ten deele verdrijven kon. Zijn heilige ziel zwoegt in zijn binnenste. Vreeze en vreugde, verlangen en bange verwachting worstelen ook hier met elkander. Ook Hij bemoedigt zich met de woorden van zijn stamvader: „Wat buigt gij u neder, o mijne ziel, en zijt onrustig in mij ? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven!quot;
En nu, terwijl Hij er zeker van is, alleen te zijn, knielt Hij neder op een steen, en heft het smeekend oog ten hemel op. En al het prangen zijns harten en de geheele wereld. die zich onder Hem uitstrekt, heft Hij in zijn zuchten op naar den scl it-terenden... sterrenhemel? Neen, wij willen niet overgevoelig zijn! Niet naar de „eeuwige sterrenquot; heft hij ze op, maar tot het hart zijns Vaders. Aan het hart zijns Vaders legt hij alles wat zijn hart ontroert. En Hij rust niet alvorens van boven he iige, zalige rust zich over zijn lichaam en over zijne ziel uitbreidt. Ik stel mij voor dat het ook in zulke eenzame oogen-blikken was dat de Heiland in den kelk eener bloem kon staren, dat Hij de rondvliegende vogelen met brood kon voeden, of dat Hij zijn oog lang kon laten rusten op het schouwspel der ondergaande zon of op de heerlijkheid van don sterrenhemel boven Hem. Daarbij kwam het lichaam tot rust en effenden zich de golven zijner bewogen ziel.1)
') Ik spreek niet alleen over de z i e 1, maar ook over het lich a am. Ook het lichaam heeft rust noodig; ook de zorjj voor hel lichaam is een heilige plicht. Vele menschen denken wel is waar alleen aan de verzorging van het lichaam; dat is dierlijk. Anderen echter min-
301
Voorzoover ik zie, heeft men aan deze bijzonderheid, dat Jezus zoo dikwijls voor lichaam en ziel rust zocht, weinig opmerkzaamheid geschonken. Het is echter een karaktertrek van zijn leven op aarde; en het is een v oo rbe el dige tr ek. Daarom is het ook de moeite waard, de Schriftuurplaatsen, waar van den rustzoekendeu Jezus gesproken wordt, nader te beschouwen.
Vestigen wij althans eens de aandacht op de woorden uit Markus VI : 31, die wij boven dit hoofdstuk geplaatst hebben; „Komt gijlieden in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig.quot; — Laat ons vragen: In welk een samenhang komen deze woorden voor? Nu, onmiddellijk daarbij aansluitend lezen wij: „Want er waren velen, die kwamen, en die gingen, en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten.quot; Dat zijn merkwaardige woorden. Zij dniden aan hoe omsingeld de Heiland was, hoe Hij lichamelijk en naar den geest in beslag werd genomen.
Maar de eigenlijke oorzaak waarom thans Jezus de rust zoekt moet toch niet minder in datgene liggen wat vooraf gaat. Onmiddellijk vooraf nu wordt ons verhaald dat de apostelen Hem de tijding van den afgrijselijken marteldood van zijnen vriend Johannes den Dooper gebracht hadden. D a t is het wat Hem de stilte doet zoeken, en ook zijne discipelen moeten in die hoognoodige rust deelen. Hij moet deze gewichtige gebeurtenissen inwendig verwerken. — Niet dat Jezus een rouw-klage houden wil over zijn zoo vroeg verscheiden vriend.
achten het lichaam; dat is een misdaad die zich ernstig wreekt. Zij gaan onder het rusteloos jagen naar gewin, en arbeid, en vermaak, met hun lichaam om alsof het geen opmerkzaamheid verdiende. Vroege verzwakking, zenuwlijden, soms zelfs zielslijden zijn daarvan de gevolgen. De Heiland was van beide dwalingen verre verwijderd. De Schrijver.
362
o Neen, ik denk dat Hij, menschelijker wijze gesproken, het hem eerder heeft benijd, dat hij nu zijn werk reeds volbracht had en tot de ruste van het volk Gods was ingegaan, ik denk dat Hij eerder den honderd-zes-en-twintigsten Psalm dan een klaagpsalm over hem heeft aangeheven.
In het feit zelf, dat thans geschied was, aanschouwt de Heiland het ondoorgrondelijk karakter der wereld in het algemeen, — gelijk men uit den klauw den leeuw kent. Wat.was er dan gebeurd? Johannes was eeniglijk en alleen in de gevangenis geworpen, omdat hij (hetgeen, helaas, zoo zelden geschied) het scherpe zwaard der waarheid ook tegen de voor naam sten van het land gekeerd hnd. Hij had koning Herodes zijn schandelijke echtbreuk voorgehouden; dat bracht hem in den kerker.
En toch was deze Herodes anders geen zoo „kwade man.quot;' Hij zou Johannes niet gevangen hebben laten zetten, zoo de boosaardige Herodias hom daar niet toe gedreven had. Maar dat was het: hij li el zich drijven ondanks zijn „goedhartigheid.quot; Hij hoorde den gevangen Johannes gaarne, liet zich gaarne door hem raden, en als hij hem hoorde „deed hij vele dingenquot;, — ja dat deed hij. Maar dat verhinderde toch niet dat hij hem ten slotte — vermoorde. Hij moest het verschrikkelijkste doen, niettegenstaande hij Johannes „in waarde hield.quot; Hij moest het doen, omdat hij niet met alle beslistheid het goede wilde. Hij moest het doen, omdat hij zich onder de heerschappij van een vrouw begeven had, die haar helsche doel met alle kracht najaagde.
Wie de geschiedenis van den aan Johannes den Dooper ge-pleegden moord aandachtig nagaat, doet een groote leering op, namelijk dat de beslisten a 11 ij d zegepralen over de onbesliste n, dat de „heelenquot;' altijd de „halvenquot; met zich meesleepen. — Het „dochtertjequot; met haar lieftalligheid, met
363
haar aanvalligheid, met haar „behaaglijkenquot; dans, — het dochtertje, dat gewis liever alles anders gewenscht had dan het hoofd van den gekerkerde.! profeet, — het, moet nochtans de afschuwelijke Herodias dienstbaar zijn. De koning moge zoo bedroefd zijn als hij wil, hij moge met ontzetting vervuld worden bij de gedachte de moordenaar van zulk een man te worden; de a a n-zienlijke gasten mogen nog zooveel medelijden met den verbleekenden sidderenden vorst hebben, hetgeen zij evenwel uit vreeze voor Herodias niet eens wagen te doen blijken; — zij allen, allen die niet recht weten wat zij willen, moeten wel goedschiks of kwaadschiks dansen naar de pijpen van die eene, die zeer goed weet wat zij wil.
Dat is het wat de Heiland in de stilte overdenkt. In deze éene geschiedenis opent zich de afgrond der wereld voor Hem. In de vermoording van Johannes den Dooper onthult zich voor Hem zijn eigen toekomst. Hij ziet wel is waar de tienduizenden kinderen zijns volks, die Hem met oprechte geestdrift toejuichen. Maar ach, wat hen in geestdrift brengt is niet de Verlosser van zondaren, maar de Wonderdoener. — Daar zijn anderzijds groote menigten, die nog op twee gedachten hinken. Zij weten nog niet wat en hoe zij over dezen Nazarener moeten denken. — Daar zijn, ten slotte, zijne besliste vijanden. Zij maken wel slechts een uiterst kleine minderheid uit, maar zij zijn toch de „beheerschers van den toestand,quot; want zij zijn zich hun doel geheel en volkomen bewust: „Hij moet sterven, het koste wat liet wil.quot; — En de Heiland ziet met helderen gees-tesblik, hoe al deze „geestdriftigenquot; en al deze weifelenden ten slotte door de hun doel in het oog houdende vijanden op het sleeptouw genomen worden.
En Pilatus, de plaatsbekleeder van den Romeinschen keizer, de handhaver van liet recht en de gerechtigheid, moet ook meedoen aan den helschen dans, waarbij de duivel zelf voor-
364
speelt. Het baat hem niets dat hij niet gaarne wil, — het baat hem niets dat hij zeer ongaarne wil, — het baat hem alles niets, omdat hij niet in allen gevalle en tot eiken prijs de waarheid wil. Wie ooren heeft om te hoeren die hoore!
De meeste goedhartige menschen kunnen maar niet van een zekere gevoelsbedwelming afkomen. Zij hebben geen denkbeeld van de macht en de heerschappij der boosheid in de wereld. Zij laten liet zich niet ontpraten dat er maar weinig geheel bedorven menschen bestaan, slechts weinigen, die beslist zijn in de boosheid. En daarin hebben zij op hun wijze gelijk. Maar zij vergeten dat die weinigen den toon aangeven en bepalen.
Doch keeren wij tot het beeld van den Heiland terug, wien het een behoefte is om hetgeen Hem zoo diep treft, in de eenzaamheid te overpeinzen. Ja Hij moet het doordenken om niet den moed te verliezen, den moed en de verzekerde hoop, dat ook zulk een wereld gered moet worden. En Hij kan dezen moed alleen vinden, wanneer Hij zich tot de eeuwige bronnen der almacht en der liefde spoedt en uit dezen onzichtbaren springader scheppende, lichaam en ziel sterkt.
Maar daar vindt Hij ook wat Hij zoekt, de rust temidden van alle onrust, o, Hoe groot en heerlijk is het, rust temidden van de ontzettende disharmonie dezer wereld! Ja, dat is het wat Hij zoekt. Als Hij in de zee van hartzeer gestaard heeft, dat de zonde in Gods schoone wereld gebracht heeft, — als zij in menigte voor Hem gestaan hebben, de menschen die door hun zonden naar lichaam en ziel in het verderf zijn gestort, — als Hij met afgrijzen in den afgrond der leugen en huichelarij van het menschelijk hart heeft geschouwd, — wanneer Hij nu door de boosaardige beleedigingen, dan door de stompe onvatbaarheid der menschen diep ternedergeslagen is, — als de kunstgrepen der hel door het gewoel der menschen heenschijnen als een
365
onheilspellend vunr; — als angst en vrees voor hetgeen Hem te wachten stond zijne verbeelding wilden bezighouden, — als de duizendvoudige eischen, die de lichamelijk lijdenden aan zijn dienstwilligheid stelden, zijn zenuwstelsel hadden aangedaan, —• ja dan vond ook Hij geen uitkomst dan hierin, dat Hij zich terugtrok in de stilte en daar de rust voor lichaam en ziel, het herstel van alle krachten, de verzekering van de eindelijke zegepraal weervond aan het hart zijns Vaders.
Maar daar vond Hij ze dan ook altijd weer. Daarvoor is zijn geheele leven éen groot getuigenis, tot op het verheven oogen-blik toe, dat Hij stervende aan den martelpaal, zijn hoofd boog met het kalme avondgebed op de lippen; „Vader, in uwe handen beveel Ik mijnen geest.quot;
2. „RUST EEN WEINIG.quot;
Een lied uit de zeventiende eeuw vangt aldus aan: „Rust is, onder 's levens schat, wel het edelst goed; naar den hemel voeren rust, stilte en blijde moed. Zoek haar, zij is niet te vinden, dan bij God; kom tot Hem; God is de rust. — Alles, maar een Christen 't meest, alles zoekt naar rust; jaag haar na waar gij ook moogt zijn, 'tzij in leed of lust. Zoek de rust, ze is niet te vinden, dan bij God; kom tot Hem; God is de rust fquot;
Is het niet zoo? Er waait ons een eigenaardige lucht toe uit dit lied. — Vele kinderen onzer eeuw zullen glimlachen en zeggen: „Dat is een ouderwetsch verlangen.quot; De waarheid is dat wij, juist wij dit ouderwetsche verlangen het meest noodig hebben, zoo wij, kinderen van de gejaagde negentiende eeuw, geen oppervlakkige, geestelooze en hartelooze menschen zullen worden.
Als diegenen onder onze lezers, die begonnen zijn ernstig acht te geven op de wezenlijke behoeften van hun hart, — als
3G6
dozen, zeg ik. er voor uit willen komen, zullen zij erkennen, dat zij in liun binnenste een vurig verlangen naar stilte, rust en vrede ontdekt hebben. — Ach, de meeste menschen van onzen tijd schijnen zich voorgenomen te hebben alles te doen om niet tot zichzelven te komen. En dat is niet alleen zoo bij degenen, die van de wereld der eeuwigheid niets weten willen. Neen. ook vele menschen, die den godsdienst tot geen prijs zouden willen missen, ja beslist kerkelijke en zelfs „rechtzinnigequot; menschen, luisteren zelden naar de vermaning van den Heiland: „Rust een weinig!quot; —• „Rust is er nog genoeg in het graf!quot; antwoorde mij onlangs een overigens welgezind, volgens zijn eigen zoggen, „door alle honden gejaagdquot; man, toen ik hem den plicht om te rusten voor oogen hield.
Men verheft er zich uiterlijk een weinig op, dat men nooit tot rust komt, omdat men zooveel to doen heeft. In werkelijkheid ontbreekt aan dat vele werk de levende ziel, omdat men geen rust zoekt. In werkelijkheid zijn deze nooit rustende zielen het dan, die later onze, ach zoo talrijke krankzinnigengestichten bevolken of wel door langdurig verblijf in allerlei herstellingsoorden van hun sombere zwaarmoedigheid, menschenhaat en levenszathoid tot een menschwaardig bestaan terug moeten gebracht worden. In werkelijkheid leidt dit jagen niet maar tot zelfmoord; neen, het is reeds een inwendige zelfmoord, al komt het er uitwendig niet toe dat iemand de hand aan zichzelven slaat.
„God zij geloofd! Hij beeft mij thans de rust geschonken, die ik in mijn zoo vreeselijk druk loven niet vond. Ik moest achter kerkermuren komen, opdat ik tijd zou vinden om mij met mijzolven on met mijnen God bozig te houden,quot; — zoo schreef mij een man, die na een aan winzucht en zingenot gewijd leven in de gevangenis pas weer loerde waarvoor hij geschapen was. — Ik zelf heb eenige malen in mijn leven van
3C)7
mijnen God tijd ontvangen, om zulke opmerkingen te maken. Wel was mijn werk van geestelijken aard, arbeid aan de zielen van anderen. Maar dat was hel juist, dat ik zonder het-zelf te bemerken, vergeten had brood voor mijzelven te bakken, terwijl ik van vroeg tot laat er op uit was om voor anderen te zorgen. Toen kwam de barmhartige Menschenhoeder. Schijnbaar onbarmhartig maakte Hij mij ongeschikt voor den arbeid, en in de stilte der ziekekamer of in de stilte van een eenzaam dorp in het gebergte fluisterde Hij mij dan toe: „Rust een weinig!quot; Het waren bijna altijd de schoonste en heilzaamste tijden in mijn leven. En het duurde gewoonlijk niet lang of ik kon „bloemen uit de woestijnquot; vergaderen, — bloemen, die mij door hare nieuwheid en schoonheid verrukten. — Ik schrijf dat, opdat mijne lezers uit hun eigen ervaring verder schrijven.
Ach, d at w ij toch den Schepper en Bestuurd er van ons leven niet altijd bedilden! Hij heeft gewild dat lichaam en ziel na den arbeid des daags rust zonden genieten in den slaap! Het wordt vreeselijk gewroken als men door allerlei dwangmiddelen den slaap verdrijft of verdringt. Dwangmiddelen noem ik echter niet slechts zekere artikelen uit de apotheek, die men daartoe misbruikt, maar evenzeer het ge-druisch en gewoel van het „maatschappelijk levenquot;, dat eerst laat na den dagelijkschen arbeid begint en den vermoeiden mensch wel zenuwachtig opwindt, maar alleen tot zijn verderf.
De Schepper van ons leven toch wil niet slechts dat wij zeven tot negen uren van de vier en twintig aan den slaap zullen wijden, — neen, maar Hij heeft ook verordend dat er op zes werkdagen een dag van volkomen rust voor lichaam en ziel zal volgen. De geneeskundigen, godsdienstleeraars, staathuishoudkundigen enz,, om het even of zij overigens in het geloof staan of niet, — bewijzen de noodzakelijkheid van dezen rustdag op onweersprekelijke gronden. Kn de volken, die de zaak
368
ernstig opvatten, zooals de Joden, de Engelschen, de Amerikanen, zijn levende bewijzen, voor de wijsheid van het goddelijk gebod. Maar de Duitscher is de „ongeloovige Thomas,quot; die noch met de goddelijke noch met de menschelijke bewijzen rekening houdt. — Waarlijk, wie zijn volk lief heeft, moet alle pogingen, die de verkrijging en bezieling van den Zondag ten doel hebben, toejuichen. Wie daarbij zijn gezin waarlijk liefheeft moet het naar zijn beste vermogen een zonnigen Zondag verschaffen. En eindelijk, wie zichzelf waardeert zal er ernstig naar streven dat zijn Zondag werkelijk een Zondag en Sabbathdag verdient te heeten.
Waarlijk men had (om zoo te spreken) in elk ander tijdperk van de geschiedenis der menschheid dezen Rustdag eerder kunnen missen dan in het tegenwoordige. Nooit tevoren was de wereld in zulk een sterke beweging als thans. Dat is een gevolg van de ontzaglijke vooruitgaande wetenschap en beschaving. De rusteloos bezige geest des menschen brengt voortdurend diep ingrijpende veranderingen van dllerlei aard teweeg. Alle krachten des hemels, der aarde en der zee worden door den mensch dienstbaar gemaakt. Onder onze oogen verandert onophoudelijk het gelaat des aardrijks en elk oogenblik rangschikken zich de dingen op een andere wijze.
Om maar éen voorbeeld bij te brengen: de stoomkracht heeft ongetwijfeld al onze nijverheidsverhoudingen ondersteboven gekeerd. Gisteren echter las ik in de verhandeling van een Engelschen geleerde, dat men de stoommachines weldra alleen nog in kabinetten van oudheden vinden zou. De e 1 e c t r i-citeit is de groote kracht der toekomst. — En hoe lang zal ook zij het slechts zijn? Ik weet het niet. Kortom, de beweging naar die zijde is groot. Niemand kan er zich aan onttrekken.
Nauw daarmede hangt de maatschappelijke beweging samen. Ik behoor niet tot degenen, die bij elke gelegenheid het
369
Sociaal-democratische spook laten verschijnen. Ik behoor niet tot degenen, die het „zeker wetenquot; dat de Sociaal-democratische springvloed weldra als een nieuwe zondvloed over de beschaafde volken uitbreiden en alle dammen en dijken verscheuren zal. Voorspellen valt wel zeer gemakkelijk en maakt iemand ook belangwekkend. Maar wie van de vervulling zijner onheilsprofetieën niet zoo vast als een rots verzekerd is, is een vermetel man als hij ze uitspreekt. Hij beneemt aan de menschen den lust in het worden en werken, hij ontrooft hun het weinigje levensmoed en levensvreugde, dat zij hebben. En ik geloof dat er in dit opzicht veel gezondigd wordt ook door Godvreezende menschen en in den vermeenden dienst der vroomheid. Ik zeg, God de Heere, die het wereldbestuur in handen heeft en houdt, kan nog allerlei wegen en uitwegen hebben, waarvan wij tegenwoordig nog niets vermoeden. Hij zal ook, in spijt van alle hedendaagsche profeten, het laatste woord behouden.
Maar zooveel is in elk geval zeker, dat het zóo als het thans is, niet voort kan gaan, en dat wij diep ingrijpende veranderingen van onze levensverhoudingen in het algemeen tegemoet gaan. Dit uitzicht nu is natuurlijk niet bijzonder geschikt om het hart gerust te stellen.
Nemen wij daarbij de part ij schap van onzen tijd op elk terrein, de worsteling, de bitterheid, de onwaarheid der partijschap, — nemen wij daarbij, dat heden ten dage (in tegenstelling met voorheen) ieder man, zelfs de straatveger, een weinig staatsman, een weinig wereldregeerder, een weinig staathuishoudkundige, een weinig rechtsgeleerde, een weinig dokter, on wat weet ik al nog een weinig, zijn wil, dan blijkt, wat ook ieder ondervindt, namelijk dat wij in een waren heksenketel leven.
Men versta mij niet verkeerd! Men denke niet dat ik „den goeden ouden tijdquot; roem, ten koste van den tegenwoordi-
370
gen. Ik ken geen „goeden ouden tijd.quot; Hij is een spel der verbeelding, een droombeeld. Wie zich de dagen voor den geest stelt, toen men honderdduizenden menschen om hun godsdienstige overtuiging vermoordde; — toen men tallooze onschuldige meisjes en vrouwen als „heksenquot; verbrandde; — toen de ridders den koopman beroofden, den boer zijn oogst ontnamen en zijn vee wegdreven; — toen elk werkgever het recht bezat, zijne ondergeschikten half of geheel dood te slaan; — toen de vertegenwoordigers van staat en kerk meer werkten met stokslagen en folteringen dan met de kracht van recht en waarheid ; — wie, zeg ik, dezen „goeden ouden tijdquot; wil roemen, moge liet doen. — Ik verblijd mij dat er veel vrijwat beter geworden is en dat de meeste onzer medemenschen tegenwoordig een meer den mensch voegend bestaan leiden dan vóór honderd vijftig jaar.
Wat ik echter beweer is dit, dat het karakter van onzen tijd vreeselijk onrustig is en dal hel daarom vooral noodig is, voel rust te zoeken, zoo wij onszelven niet verliezen willen. Wat ik beweer is dit, dat onze tijd er zoo geheel op uit is om alles gelijk te maken, al het oorspronkelijke uit te wisschen en dat hij alleen hierdoor gered kan worden dat wij dikwijls met onszelven en met onzen God alleen zijn. De spreuk; „Rust ik, dan roest ikquot; — bevat een groote waarheid. Men kan echter ook zeggen: „Rust ik niet, dan raas ik spoedig.quot;
Geliefde lezers, wij kunnen onzen tijd niet veranderen. Wij kunnen ons geen eeuw terugbrengen. Doch wat nu te doen cm in dit onrustig gewoel de rust niet te missen? Ja, daarin valt moeielijk raad te geven, wanneer niet ieders gezonde mensciie-lijke verstand hem raad geeft! De omstandigheden van alle menschen in het bijzonder zijn zoo verschillend, dat het onmogelijk is, die ergste en jammerlijkste misverstanden te vermijden, zoodra men algemeene regelen stelt. Het zij mij dus vergund, slechts
371
3. EENIGE WEINIGE GEZONDHEIDSREGELEN te noemen.
Wat vooreerst den arbeid betreft, kan, zooals men wel zegt, een mensch nooit te vlijtig en in allen gevalle nooit te getrouw zijn. Dat is juist, als het goed begrepen wordt. Wanneer men echter onder werkijver een rusteloos jagen verstaat, dat over korter of langer tijd de werkkracht, den werklust en de blijdschap der ziel belemmert, — dan is men nog dwazer dan die houthakker, die zoo vlijtig was dat hij zich niet eens den lijd gunde om zijn zaag te vijlen. De lieden van den socialis-tischen toekomstigen staat willen genot en uitspanning tot hoofdzaak, den arbeid daarentegen tot bijzaak maken. Dat zal ieder onzinnig achten die de menschelijke natuur en de verhoudingen in deze wereld kent. Maar dit is juist, dat geen werk den mensch aangenaam kan blijven, wanneer er geen behoorlijke ontspanning van lichaam en ziel mede gepaard gaat.
Dus ontspanning. Hoe moet die ingericht zijn? Och, dat is zeer eenvoudig, — ontspanning moet ontspanning zijn. Men moet zich dan na de inspanning van den arbeid herstellen, men moet dan lichaam en ziel verfrisschen, men moet dan kracht vergaderen voor nieuwen arbeid. Ja, maar welke genietingen en genoegens zijn ontspanning? — Dat hangt van de omstandigheden af en is voor de verschillende menschen zeer onderscheiden. Voor den wijngaardenier is het natuurlijk geen ontspanning, wanneer hij in den wijnberg hakt en snoeit; voor mijn geëerden leermeester professor Tobias Beck was dat echter de aangenaamste uitspanning. Voor den postbode is het gewis geen ontspanning als hij zijn lange wegen aflegt, maar voor mij sterkt het krachten als ik mij moé loop.
Al naar gelang dus van onze levensroeping kan hetgeen men ontspanning noemt iets verschillends, ja zelfs iets tegenover-
372
gestelds zijn. Eéne zaak echler noem ik, die voor ieder gezond denkend en gezond gevoelend mensch ontspanning is, — ik bedoel het huiselijk leven. Dat is een behoudende haven voor het door storm beloopen scheepje. Hier houdt alle dwang, hier houdt alle gemaaktheid op. Hier regeert de liefde nevens den vroolijken humor; hier geeft ieder ten beste wat hij heeft, en niemand verwacht van hem wat hij niet geven kan. Hier moeten zang en muziek tot hun recht komen; hier moet men schoone en hartverheffende boeken met'elkander lezen; hier moet men het zeggen zooals het .op het hart ligt; hier mag ook de geleerde professor en de zorgzame huisvrouw met de kleine en groote kinderen zich met onschuldig spel vermaken. En voorts zoeke men op behoorlijken tijd de noodlge nachtrust. Dat is ontspanning en verkwikt.
Ik wil ook iets anders niet minachten. De gezelligheid buitenshuis heeft ook haar recht. Men behoort op zijn hoede te zijn dat men niet op e e n z ij di g e wijze een „huiselijk menschquot; worde. Maar de gezelligheid, zooals zij zich meestal voordoet, heeft een diep ingrijpende hervorming noodig. Zij is in vele streken van het land erg ontaard. Er is te veel weelde, te veel eterij en drinkerij (om mij zacht uit te drukken) en vooral te weinig geest bij. — Het kon zeker zeer schoon zijn, als zoo allerlei menschen van allerlei soort bijeenkomen. Maar er komt feitelijk meestal bitter weinig van terecht. Den volgenden dag moet men zich dan ontspannen van de „ontspanningquot; van den vorigen dag. Dat is onzinnig.
Doch zoo zeker als een mensch geen dier is, maar een kind Gods en een erfgenaam des eeuwigen levens moet zijn, zoo zeker moet ook zijn voornaamste rust hierin bestaan, dat hij in de gemeenschap met God verkeert. Dus stille uren met God — zooals wij dat in het voorbeeld van den Heiland zagen. De oogenblikken achter de gesloten deur zijn de beste in
373
het leven. Maar toch alleen dan, wanneer men daar iets mede weet te beginnen. En dat weten, helaas, 90k velen derzulken niet, die zich onder de godsdienstigen rekenen. Zij moesten in de binnenkamer de wereld der eeuwigheid zoeken, maar ach, zij nemen er de tijdelijke gedachten mee naar toe. Dat is kwaad. Maar nog kwader is het, dat zij deze niet, wanneer zij nu den geest omzweven, verdrijven. — Nu behoudt men ze dus, en dan voorzeker, — ja dan is de eenzaamheid als een kerker, want de aardsche gezindheid ontvangt hier de rechte levenslucht, de noodige stof niet. De eenzaamheid is verschrikkelijk, wanneer men niet aan de tegenwoordigheid Gods gelooft, en nog verschrikkelijker, wanneer men deze zijne tegenwoordigheid beseft, maar ze gaarne ontvlieden wil, zijne stem niet hooren wil, niet met Hem wil spreken.
Met Hem spreken! Ja dat is de zaak. Ach, van wat ijdel is, is niets ijdeler dan hetgeen de meeste menschen b i d-den noemen. Het komt niet verder dan het droef gevoel van den mensch, die over een beek wil springen en in het beslissend oogenblik er toch den moed niet toe bezit. Ik zeide reeds: m e t God spreken zooals een kind met zijn vader spreekt, zooals een kind, een zeer zwak, van zijn zwakheid bewust, veelszins dwalend, ja verdwaald, over zichzelf bedroefd, maar van de oneindige wijsheid en liefde zijner moeder volkomen overtuigd kind met zijne moeder spreekt. Zegt met de psalmist; „Stort uw hart uit voor z ij n aangezicht.quot; Ja, dat is de zaak (denk aan het kind) — het hart uitstorten. Dus alles geopenbaard wat u beroert, wat u benauwt, u kwelt, verootmoedigt, hoogmoedig maakt; openbaar alles wat u met hoop, met verlangen, met vreeze vervult.
Bedenk dat gij nu juist aan de bron zijt waar redding is uit allen nood. Ach, gij stuit in uw leven telkens weer op zekere zwakke of wel onreine, onlrustende zijden. Spreek het uit! Ver-
374
heel niets, vergoelijk niets, maar wanhoop deswege niet. Neem n
in uwe onmacht biddend de toevlucht tot de eeuwige kracht V
Gods. Onderzoek uwe verhouding tot uwe medemenschen, tot u uwe huisgenooten, tot uw vakgenooten. Stel u de menschen
afzonderlijk voor. Stel biddend ieder afzonderlijk voor God en p
vraag u af of gij u te zijnen opzichte als een licht en zout hebt n
leeren kennen. — Ach, dat zal u menigen zucht kosten. o
Bovenal, plaats in het licht der eeuwigheid al wat u onaan- k
genaams en verblijdends is voorgekomen. Aardsche eer, geluk, ^
schande, mislukking, gewin, verlies, opoffering, ontbering zijn jj
dingen, die zich overal in het dagelijksche leven doen gelden. v
Ja zij kunnen en zullen ons de richting naar de eeuwigheid ^
geheel doen verliezen, zoo wij ze niet met ons in de binnen- o kamer nemen en ze in betrekking tot de eeuwigheid beschouwen.
Geliefde lezer! Geen mensch op aarde kan uw zieleherder e
zijn, zoo gij u niet ernstig er op toelegt het zelf te zijn; — dus e
gij uw zieleherder! Gelijk de geëerde oud-vaders moeten ook n
wij doen. Zij spreken tot hunne eigen ziel: „Wat buigt gij u o
neder, o mijne ziel en zijt onrustig in mij?quot; Dat wil zeggen: z
„Lieve ziel! is het werkelijk de moeite wel waard, dat gij u ];
over deze zaak zoo ontrust? Zult gij ze inisschien over korten s
tijd niet geheel anders beoordeelen? Ja, zult gij u misschien in de ^
eeuwigheid er niet zeer over verheugen? Laat uwe bedrukt- r
heid en neerslachtigheid dan varen en zeg getroost: Het komt e
van God, en wat God doet is welgedaan, in weerwil van al 1
hetgeen voor oogen is. En ik wil met den boozen geest der i
zwaarmoedigheid niets meer te doen hebben.quot; — Of zij hielden c zich in een lange reeks al de groote dingen voor, die God de
Heere tot daartoe aan hen gedaan had; en dan kwamen zij i
ten slotte tot een groot halleluja. — Of zij hieven zelfs midden (
in het duistere dal luide het halleluja aan: „Loof den Heere, ( mijne ziel!quot; o. Gij schuchtere ziel, sluipt gij zoo voort en weet
375
niet wat gij wilt? Hef toch terstond uw lof- en danklied aan! Vergeet het goede niet, dat God u bewezen heeft! Hij, die al uwe zonden vergeeft, hoe- zou Hij u niet alle dingen schenken!
Doch wij moeten het bij deze vingerwijzingen laten. De Geest Gods zal u meer openbaren. Hierop echter komt het aan, dat men in de binnenkamer zich altijd van het veranderlijke tot het onveranderlijke, van het voorbijgaande tot het eeuwig blijvende keere. Wij worden voortdurend door dequot; wereld bedrogen, zoo wij niet aanhoudend de aardsche dingen in het licht der eeuwigheid beschouwen. Er zijn instrumenten om de dichtheid en de waarde van liet goud te onderzoeken; de tijdelijke dingen in het algemeen leert gij slechts dan werkelijk in hun waarde en onwaarde kennen, als gij ze uitbreidt voor het aangezicht Gods.
„Het tijdelijk leven,quot; zegt Schalier, „is een ontzaglijk raadsel en ik kan mij geen andere oplossing voorstellen dan het — eeuwige leven.quot; Dat is zeer waar. Maar dit eeuwige leven mag niet eerst iets toekomstigs zijn. Het kan, het zal, het moet ons hier reeds bij aanvang worden medegedeeld; want, aldus zegt de Heiland, „dit is het eeuwige leven, dat zij U (o, Vader!) kennen, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.quot; De oplossing van alle raad:-elen vangt hier beneden reeds aan bij de kennisse Gods door Jezus Christus, — bij de kennisse Gods, die niet een werk van het verstand, maar een liefdesbetrekking is, eene betrekking of vereeniging, die in alle dingen van het dage-lijksche leven hare kracht toont en die geboren en telkens opnieuw geboren wordt door het rusten in de tegenwoordigheid Gods.
Dit rusten schenkt dan ook de onwrikbare zekerheid dal er nog een rust overblijft voor het volk Gods. En wie dat weet, die heeft, hoe het overigens stormen moge, —- rust temidden van de onrust.
-
■. --
I» 1
%•
■' 't''
-• ' l## ■ k''
fe ■ •f ^r'V; ■
1 -x '
■ ■
t^;-
I 1