ROMANTISCHE SCHETSEN
NOVELLEN EN FANTASIEN
Vervolg lt;gt;i» De Pastorie te Mastlüiui.
T \V K K I) E UIT (i A. V E.
ARXHE.Nf—Xl.lM KGKX
(;KiiRS, !■;. M' M. COIIKN
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
(Vervolg op de Pastorie te Mastland)
3U?DJ3p 3] 3l3]tSJ3AtanS5(fejJ sp i;Bt? 3[iu;::}j,3U3-j ua quot;IBeX aSPUBlJ3p9fvJ JOOA
SAOOA 3a ininijsu| TWEEDE UITGAVE.
A A N M IJ N' Vriend
BIJ ZIJN 50-JAKIG FEEST ALS UITGEVER. 1 November 1885.
Als het blonde knaapje 's Levens vreugd geniet.
En de heldere oogen
Rigt op H ver verschiet.!
Spreekt tot hem die toekomst, 's Levens ideaal;
En zijn kloppend harte, Het verstaat die taal.
Sterk en moedig voorwaarts, Lukt hem, wat hij doet,
't Geeft tot „Altijd verder!quot; Nieuwe kracht en moed.
Maar als daar de grijsaard Staart in V, ver verschiet,
H Is niet langer voorwaarts, Dat zijn oog het ziet.
V Is niet meer de Toekomst, 's Levens poezij,
Niet meer gouden droomen Zijner phantasie.
Hij staart in 't Verleden, Leunende op zijn1 staf;
En zijn tranen vallen Op zoo menig graf.
Toch jaagt ons nog 't leven, 't Leven — o! zoo kort!
Waar maar al te spoedig Hoop Herin'ring wordt.
„Werkt zoo lang het dag is!quot; Klinkt des Heer en Woord.
Zetten wij dan d'arbeid Ook aan d'avond voort.
De oogen zijn nog helder, Kracht nog niet vergaan;
Werkend vinde ons H einde Van de levensbaan.
Op des levens verkdag Volgt aan gindsche kust
Voor wie werkte op aarde De eeuw'ge Sahhatsrust.
ÜEX LEZER.
»Van vele hoeken te maken, is geen eindequot; zegt de knorrige Prediker: veel lezens is vermoeijing des vleesches.quot; — Maar zoo erg meende Mj 't niet; dan had liij zelf geen boek geschreven. En daar nu eenmaal die »vermoeijing des vleeschesquot; zóó is toegenomen, dat 't wel een wolfshonger naar gedrukte letters schijnt, mogen wij ons best wel doen, om gezonden kost te leveren, opdat die honger niet het onverteerbare en vergiftige verslinde.
De aanleiding, dat ik nog eens daartoe mijn best doe, is deze. Ka mijn zestigste jaar heb ik mij laten verleiden, om mede te doen aan die humoristische Speeches en Causeriën, — een Hollandsch woord is er niet voor: — die de oude, deftige Verhandelingen verdrongen hebben. Maai' de waarde of onwaarde mijner opstellen daar gelaten, gevoelde ik zelf, dat ik voor de vrije voordragt er van, 't acteren, wel wat oud geworden was. Men leert dat niet gemakkelijk meer met een' bril op, en na 40 jaren lang op geheel anderen toon tot zijn publiek gesproken te hebben. Toen ik nu de tachtig in 't verschiet kreeg, heb ik er dan ook maar een speldje bij gestoken; — of wel, in vertrouwen gezegd, men heeft 't voor mij gedaan, door den
7 Is niet meer de Toekomst, 's Levens poezij,
Niet meer gouden droomen Zijner phantasie.
Hij staart in H Verleden, Leunende op zijn'' staf;
En zijn tranen vallen Op zoo menig graf.
Toch jaagt ons nog H leven, 'lt; Leven — o! zoo kort!
Waar maar al te spoedig Hoop Her hl'ring wordt.
„Werkt zoo lang het dag is!quot; Klinkt des Heer en Woord.
Zetten wij dan d'arbeid Ook aan d'avond voort.
De oogen zijn nog helder, Kracht nog niet vergaan;
Werkend vin de ons 't einde Van de levensbaan.
Op des levens irerkdag Volgt aan gindsche kust
Voor wie werkte op aarde De eeuw'ge Sabbatsrust.
»Van vele hoeken te maken, is geen eindequot; zegt de knorrige Prediker: »e« veel lezens is vermoeijiny des vleesches.quot; — Maar zoo erg meende hij 't niet; dan had hij zelf geen boek geschreven. En daar nu eenmaal die »vemioeijing des vleesches'' zóó is toegenomen, dat 't wel een wolfshonger naar gedrukte letters schijnt, mogen wij ons best wel doen, om gezonden kost to leveren, opdat die honger niet het onverteerbare en vergiftige verslinde.
De aanleiding, dat ik nog eens daartoe mijn best doe, is deze. Na mijn zestigste jaar heb ik mij laten verleiden, om mede te doen aan die humoristische Speeches en Causeriën, — een Hollandsch woord is er niet voor: — die de oude, deftige Verhandelingen verdrongen hebben. Maar de waarde of onwaarde mijner opstellen daar gelaten, gevoelde ik zelf, dat ik voor de vrije voordragt er van, 't acteren, wel wat oud geworden was. Men leert dat niet gemakkelijk meer met een' bril op, en na 40 jaren lang op geheel anderen toon tot zijn publiek gesproken te hebben. Toen ik nu de tachtig in 't verschiet kreeg, heb ik er dan ook maar een speldje bij gestoken; — of wel, in vertrouwen gezegd, men heeft 't voor mij gedaan, door den
HEX TjEZEB.
ouden man eenvoudig t'huis te laten; — wat ik niemand kwa- n
Intusschen lagen daar die kinderen mijner phantasie uit te li
rusten; en soms, als ik ze weer eens onder de oogen kreeg, t(
dacht ik: »Zouden sommigen, die ze gehoord, en — wat im- g
mers iedere speech toekomt? — welwillend toegejuicht hebben, li
ze nog niet eens willen lezen? En zouden zij ook anderen, d — naar 't motto dat ik er voor koos, — niet lagchend de ivaar-
heid kunnen zeggen'! En zoo besloot ik, ze bij een te zoeken, g
de onbruikbare uit te schiften, en nog eens te geven, wat een v
tachtigjarige nog geven kan. o
Ik heb bij elk van deze mijne kinderen hun' geboortedag aan- b
geteekend. Misschien kunnen dan de recensenten, die toch, als t
patentbelasting voor hun beroep, iets moeten aanmerken, — tl
haarklein aantoonen, hoe met de grijze haren de fijne puntjes a
Maar hier staat in mijne verbeelding weer Cornelia achter mij, die de lezer nog wel uit de Pastorij van Mastland kennen zal, maar wier dubbelgangster helaas! reeds lang niet moer leeft.
Zij tikt mij op den schouder en zegt: »Hei, Willem! dat meent ge niet. 't Is u maar te doen om een complimentje, dat de fijne puntjes er bij u nog niet af zijn. Zoo zijn de oude heeren!
Geen ijdeler schepsel, dan een dametje beneden de 25 en een c
oude heer boven de 75. Die 't in de 50 tusschenjaren is, bij
\
hem of haar moet de ijdelheid al diep ingeworteld zijn!quot;
»Nu ja, misschien hebt ge gelijk, Cornelia. Doch 't staat er
vin
dex lezek.
nu eenmaal en zal er blijven staan. Ook zijt gij mij in de rede gevallen: want ik meende er juist bij te voegen, dat de eigenlijke reden was, het geheugen mijner vroegere hoorders wat op te frisschen. Dan kunnen zij zich herinneren, wanneer ze mij gehoord hebben, al heb ik hier en daar 't merk eener mondelinge voordragt uitgewischt, en 't vervelende «Toehoorders!quot; en de synoniemen maar stillekens weg gelaten.quot;
Maar hoe ook, ze gaan dan nu de wereld in, zonder te vragen om een versohoonencl oordeel. Dit alleen vraag ik: 't zal weldra (Julij 1888) vijftig jaar zijn, sedert ik als schrijver ben opgetreden. Ik heb zeker veel laten drukken, dat de wereld best missen kon; maar nog nooit iets, ook nu niet, om iemand te beleedigen. Mogt ik 't onbewust hebben gedaan, of althans den schijn er van op mij geladen, zoo vraag ik hiervoor nederig absolutie, als de kroon dier halve eeuw, — of liever als de hand. die de doornen uit die krans verwijdert.
C. E. VAN KOETSVELD.
's Ghavexhage , 24 Mei 1887.
NASCH BI PT.
Daar deze nieuwe druk uiets anders is dan eene herhaling van den vorigen, heb ik hier niets bij te voegen dan een heilgroet aan zoo vele bekende en nog meer onbekende vrienden en geestverwanten.
1 Januarij 1SS8. C. E. v. K.
ix
Ridendc dicere verum , Quis vetat?
I.
MUT YAN YOOE EENE HAL YE. EEUW.
Nagekomen Schets vit de Pastorij te Mastland.
1 Februaeij 1883.
EEN NANUT.
Ik ■wandelde eens van Emmerik naar Kloef, met 't oogmerk om 's avonds terng te rijden. Nu had ik wel midden in de stad op de diligence kunnen gaan, maar 't was aangenamer zitten vóór liet logement daar buiten. We keken goed toe, toen 'ttijd werd, en waren 't rijtuig tijdig op zij; maar het hield niet op, en de voerman keerde zich maar even om op den bok van zijn hooge rammelkast, om te roepen rKein PUfiz!quot; — Wijstonden verbluft, en moesten terug wandelen in den nacht, daar onze beurs liet nemen van een rijtuig niet toeliet. En daarbij was 't nog onze eigen schuld, omdat wij verzuimd hadden op de markt plaats te nemen.
'tls niet voor liet eerst en ook niet voor het laatst geweest, dat ik de beschamende teleurstelling had om te laat te komen. Hier in de hofstad heb ik mij getroost met 't verheven voorbeeld van den goeden Prins Frederik, die altijd en overal te laat kwam, bij den slag van Waterloo en op zijn' laatsten kerkgang en laatste diné. De brave vorst werd er oud mee. De dood scheen ook zijn zwak te ontzien, en — kwam laat.
Nu is 't wel iets geheel anders, maar toch ook weer hetzelfde als te Kleef, dat mij onlangs overkwam, lüjne eenvoudige Schetsen uit de Pastorij te Mastland zouden nog eens gedrukt worden, en nu drong zich aan mijn geheugen eene herinnering
EEN NAXUT.
op, die ik vroeger vergat mede op te nemen. Ik schreef die op, en zou 't niet hebben kunnen laten: zóó gebeurde dat alles weer en zag ik 't voor mijne oogen, als vóór een halve eeuw. Maar toen ik er nu mee bij den uitgever kwam, en deze ook een' welwillenden kritikus raadpleegde, vond men, dat 't bij de oude en beproefde Schetsen niet paste, 't Werk maakte nu eenmaal één geheel uit; 't was afgerond, geacheveerd zoo als men zegt, en de nieuweling had ook een' anderen tint. Green nieuwe lap dus op 't oude kleed, en geen surnumerair in den vollen wagen. Kein Plufz!
Eene moeder heeft 't meeste medelijden met het kind, dat door anderen wordt veracht en verstoeten; een schrijver ook. En zoo kon ik niet besluiten, dit kind mijner phantasie in den donkeren nacht te laten weg schuilen. Ik plaatste 't dus in den bijwagen, in 't vertrouwen, dat de lezers zich de personen uit Mastland nog wel zullen herinneren.
»Wat heeft Duifhuis 't weer druk, Cornelia! Yoor de derde maal heeft hij mij al geroepen en toegewenkt, dat hij mij noodzakelijk spreken moest, maar nu geen' tijd had.quot;
»'t Zal wat wezen!quot; antwoordde mijne vrouw lakoniek, en schonk mij mijn eerste kopje thee in.
En 't was wat. Daar komt onze oude Janus al. Gij kent hem immers nog, den Rentenier van het dorp? Hij heeft den zakdoek in de hand, om zijn zweet af te droogen, en 't naturelletje achterste voren, door de gestadige beweging van 't hoofd. Zijn eerste woord bij 't binnen komen is: »Nu heb ik een plannetje, Dominé! Daar zulje van staan te kijken. Dat hadt ge zeker van den ouden Duifhuis niet gewacht.quot;
»Ja! en wat ik niet gewacht had,quot; viel mijne Cornelia vrij
14
EE^T NANUT.
ondeugend in: »dat Mijnheer Duifhuis zou binnen komen zonder groeten en met zijn pruik achterste voren, terwijl hij niets dan blaamvsel zweet.quot;
Met schrik zag hij in den spiegel. Ja! 't was zoo. Van een' reizenden marskramer had hij een goedkoop stel zakdoeken gekocht, waar de verw wat los op zat. Een heerlijke gelegenheid om zijn vast principe nog eens te luchten, dat alle kooplui in den grond smousen en schelmen zijn!
Na deze expectoratie liet Duifhuis zich door mijne Cornelia lijdelijk opknappen; en ik moest weder bij mij zeiven bekennen, dat zij veel aardiger met hem kon omspringen dan ik; want zij sprak hem nooit tegen, en kreeg toch altijd haar zin. Maar daar was zij ook eene vrouw voor.
Terwijl zijn kopje kokende thee bekoelde, had de oude Janus zich al van zijn plan ontlast; en ik moet zeggen, dat ik er wel dwazer van hem gehoord heb. »Ik heb dan ontdekt,quot; sprak hij: »dat er hier op 't eiland nog een dozijn leden van 't Nut van 't Algemeen schuilen. Schuilen zeg ik, want vroeger is hier een Departement geweest; de Archieven heb ik toevallig in handen gekregen. Maar daar het tien jaren geslapen had, al vóór mijne komst, en de correspondent ook was ingeslapen — voor 't laatst, weet je? — is de zaak in 't vergeetboek geraakt. De contributies zijn niet geïnd, en vergaderingen zijn niet meer gehouden.quot; — Om kort te gaan, Adrianus Duif huis wilde die slapende wakker maken, en dacht daarbij: »Zoo'n verlicht man als onze Dominé, zal mij wel een handje helpen.quot;
Terwijl ik nog bij mij zeiven zat na te denken, of ik dit compliment van «verlicht te wezen,quot; in den zin van don spreker ten minste, mij wol mogt toeëigenen, viel Cornelia al met de naïeve vraag in: »Toen dat Nut nog wakker was. Mijnheer Duifhuis! deed quot;t hier zoo veel nut? Anders zou ik 't maar rustig laten slapen.quot;
15
1G KEX NAN UT.
Op deze vraag was hij niet verdacht. »Nnt? Ja wel zeker, '
Jufvrouw, 't Is immers 't Nut? En hier buiten brengt liet de 1
menschen tot elkaar, zie je?quot; 1
zijne Archieven eens zou opsporen, welke leden van het vroegere ]
Departement er nog in leven en in bonis waren, om dan dezen ^
te gaan spreken, en als de drukte van den oogst voorbij was, '
ze bij een te roepen.
Duifhuis was de man niet, om over zijne plannen gras te i
laten groeijen: eene nuttige eigenschap buiten, waar zoo veel gras is, en 't overal over heen groeit. De eerste korenschoof was dus nog niet gemaaid en opgezet, toen hij al met een lijst; der slapende leden niet alleen, maar met een half dozijn lijsten van mogelijke en onmogelijke nieuwe leden, ook uit andere dorpen,
aankwam: een achtbaar register van notabelen, drie uren inden omtrek, 't Waren allen verlichte mannen! Dompers natuurlijk geen één. Nu! die waren er voor een halve eeuw onder de notabelen niet veel. Dat geslacht was aan 't uitsterven, zeide men. Zoo'n paar bekeerde Joden nog, en de oude knorrepot Bilderdijk, — bah!
Nu neem ik den polsstok mijner verbeelding in de hand en spring over al de moeijelijkheden en bezwaren heen, in ons waterachtig land, toen vooral, aan iedere stichting en oprigting verbonden. Gelukkig had ik onzen Burgemeester Petrus Abraham van der Zanden op mijne hand. Eene vereeniging van notabelen, verlichte voorgangers van 't volk, dat lachte hem aan. Buiten af was mijn vriend en ambtgenoot Rusters — de ronde Zeeuw, dien ik vroeger schetste, — mijn ijverige medewerker. Zijn ijver voor de zaak bespaarde mij een half dozijn schetsen van zijne preken, die ik anders had moeten aanhooren.
Zelfs collega van der Ploeg, met zijn nagomaakto orthodoxie, liet zich vangen, tot groote ergernis der toongevers in zijne gemeente. Maar hij verhief zich daar in al zijne lengte boven; want juist lag hij er met eenigen overhoop, die hom de les wilden lezen, naar Psalm 119 vs. 99: »Ik ben verstandiger dan al mijne leeraars.quot; En zoo had eindelijk de eerste bijeenkomst plaats, 't Huishoudelijk Reglement werd gearresteerd, en in de Handelingen — niet der Synode, maar van 't Nut, — las men het verblijdend berigt van het Hoofdbestuur, dat een nieuw Departement: «Mastland cum annexisquot; mot een nog steeds aan-groeijend getal leden, was opgerigt.
Ik was natuurlijk president, en wel zonder toestemming mijner vrouw. Met dat zij iets tegen de zaak had: zij wist te weinig van het Kut, om er vóór of tegen te zijn. Maar zij vond het niet noodig, dat ik in eene zoo behoudende gemeente iets nieuws invoerde, en Duifhuis mij zoo doende de kastanjes uit 't vuur liet halen.
Dit maal stoorde ik mij aan mijne wederhelft niet. Nu er eens een Nut was, moest er immers een Dominé president zijn en een schoolmeester secretaris? Herman Baljon dacht er even eens over, en 't behoorde ook zoo in dien tijd. Maar wat zou nu ons pas ontwaakte Departement doen, om wakker te blijven ?
Wij hadden wel eens uit grootere plaatsen gehoord van departementale scholen, spaarbanken, volksbibliotheken enz.; maar dat alles vloog ons te hoog. Om u de waarheid te zeggen, ging mijn plan van nut te stichten met 't Nut vooreerst ook niet veel verder, dan dat van Duifhuis, — thans onzen thesaurier en Archivaris: — »de menschen tot elkander te brengen buiten.quot; — Dus, er moest eene vergadering geïmproviseerd worden, en dan, zoo als men dat toen noemde, na de vergadering, (die eigenlijk nergens voor vergaderde,) een Nanut met dames, voor verhandelingen, verzen enz.
EEN IfAÏTÜT.
Mastland Avas hiertoe liet aangewezen middelpunt, 't Lag wel midden in de klei, maar toch in een beschaafd land, waar dan ook de lokaliteit voor zoo iets wel te vinden was. Wie 't nog niet kennen mogt, stelle 't zich als 't n belieft toch vooral niet voor als een dorp in Twente, waar kamers en schoorsteenen een ongekende weelde zijn; waar baas en vrouw, meid en knecht, koe, paard en varkens allen te zamen rondom den deel slapen, terwijl daar boven do rook door 't dak zijn' uitweg zoekt. Toen in 't aangrenzend Drenthe de schoorsteenen werden ingevoerd, moest men van elk dezer artikelen van weelde den dominé twee oude kippen onder den naam van rookhoenders brengen, en denkelijk krijgt hij ze nog. Herman Baljon zwol de borst, wanneer hij dit verhaalde, en vooral, hoe zijn collega er met den baggerbeugel op den nok de school sloot, gevolgd door barre-voeter leerlingen met korte broekjes.
Als hij van die reis naar Twente verhaalde, zijn eerste en laatste reis, dan liet hij er triomfantelijk op volgen: «Gelukkig, dominé! dat wij in een beschaafd land wonen, waar met het verbeterd volksonderwijs de zon der verlichting is opgegaan!quot; en hij knipte met de oogen, als of die zon bij 't opgaan hem wat te sterk tusschen de oogleden schitterde. — Gelukkig, dat de man al lang rust. Nu zou ze hem op den kalen schedel branden.
Waar was ik ook weer? Och ja! dat is een gebrek van den ouden dag met zijn' schat van herinneringen. De eene roept de andere wakker; zij stoeijen met elkaar als kinderen, en wij dwalen van ons apropos af. 't Is waar ook, ik zocht een lokaal; of eigenlijk zocht ik 't niet. Het stond er al, en er was geen ander: ons Regthuis, waarin, nog zonder Vergunning, beneden werd getapt en boven de Raad vergaderde, de ontvanger zitdag hield, kermis werd gehouden: — kortom, alles gedaan, wat van 't gewone huiselijke en landelijke leven afweek.
18
EEN STASTJT.
De kastelein was een man als de moesten van zijns gelijken. Er zijn betrekkingen, waarin de mensch geheel opgaat; misschien nog juister gezegd: er zijn mensehen, die geheel in hunne betrekking opgaan. Eukt gij ze daaruit, ze zijn niets meer. Zoo was onze kastelein geheel en al Regthuis. Al bereikte hij Me-thusalcms leeftijd, hij zou 't er uithouden, als ten minste Mastland 't uithield. Mij ontving hij zoo als altijd: vriendelijk, maar eenigzins gereserveerd, als 't hoofd der oppositie; want kerken kroeg stonden, naar oud kalvinistische zeden, diametraal tegenover elkander. Zijne beste klanten waren mijne slechtste, en vice versa. Alleen met kermis scheen de geheele gemeente in voorraad absolutie te nemen. — Do duivel mogt toch ook zijn' heiligen dag wel hebben, eens in 't jaar!
Toen ik - — de man wachtte het en rekende al op zijn vingers uit, hoe veel hij mij af kon zetten: — toen ik dus begon met mijn plan voor avondvergaderingen in den winter, werden vuur en licht en bediening, ja zelfs 't gevaar van brand, zoo breed mogelijk uitgemeten. Maar anders — de bovenzaal was er uitnemend geschikt voor. Hij wilde er niet op bluffen, maar met de laatste kermis nog hadden er vijftig paren te gelijk op gedanst , en geen balk was uit de voeg geweken! Al wie weet, hoe boeren en boerinnen dansen op kermis, zal aan die proef niet gaarne één onzer nieuwste huizon bloot stellen.
Wij werden 't dan, na eenig loven en bieden, zamen eens. De kastelein, die behalve de kamerhuur, rekende op de vertering , wreef vergenoegd in de handen. Ik bleef zitten voor 't probleem, om eene danszaal, met een orchest op den achtergrond , in te rigten tot Nut van 't Algemeen.
Wat al conférenties hadden 't vrouwtje van onzen nieuwen chirurgijn, Pierre du Maux, en de mijne, eer 't orchest op den achtergrond der danszaal tot eene verheven zitplaats voor 't Bestuur en standplaats voor den redenaar was ingerigt! De laatste
19
EEN NAXTT.
had een tafeltje vóór zich, met een' lessenaar er op. Herman Baljon had wel geijverd voor een katheder, maar de zijne in de school was door ouderdom on vervoerbaar, en voor een nieuwe was er nog geen geld in kas.
Drie dagen vóór het bepaalde tijdstip was alles in orde. Het groene kleed zelfs over de oude lessenaar; waartoe het beste gordijn van mijne boekenkast, dubbel opgevouwen, dienst moest doen.
»Nu hebt gij de stoelen nog maar te zetten,quot; zeide Cornelia.
»En hoe veel denkt de jufvrouw wel?quot; vroeg de kastelein.
»quot;Wel, mij dunkt honderd twintig. Ik wacht nog al dames, als 't goed weer is.quot;
De man krabde achter de ooren: »Maar ik heb er maar vijftig. Waar krijg ik de andere van daan? Als de dominé 't goed vond, en de kerkvoogden wilden 't hebben.....quot;
't Gebeurde niet dikwijls, dat de kastelein van de kerk sprak, of er zelfs aan dacht. Maar 't was nu ook om de stoelen te doen, en 't gold dus alleen, zoo als de kerkelijke taal ze noemt: »de uitwendige belangen van de gemeente.''
»En ik dacht,quot; zoo brak Cornelia spottend 's mans zin af: »dat er vijftig paren bij u gedanst hadden op kermis, behalve de toekijkers?quot;
»Ja Jufvrouw! maar ziet u, dat is wat anders. Iedere jongen, die zijn wereld kent, vraagt maar éénen stoel. Daar is de leerling van den ouden chirurgijn voor twee jaar zoo om uitgelagchen. Die kwam met een meisje en vroeg twee stoelen?quot;
»En waar zaten de andere meisjes dan?quot;
»Wel, op de jongens der schoot natuurlijk.quot;
Cornelia kon niet nalaten harder in den lach te schieten, dan voor een dominé's Jufvrouw betamelijk was, bij 't denkbeeld van een' dans op een' heeten Augustusdag en in een gloeijende zaal, om daarvan uit te rusten met een dikke boerendeern op den schoot.
20
EEN NANÜT.
Maar nu 't verzoek om de stoelen uit de kerk. De kastelein ■waagde liet, en de Heer Duifhuis zette 't m zijne hooge kwaliteit van kerkmeester door. De anderen maakten alleen de conditie, dat er niet gedanst zon -worden. Dat kon hij gemakkelijk beloven. AVie denkt er aan, om tot nut van 't algemeen te dansen? Dat doet ieder voor zijn eigen pleizier, al is 't niet altijd tot zijn eigen nut. Zoo was het ten minste in den ouden tijd. Tegenwoordig loot men en speelt en danst men, en houdt komedie of bazar, en eoquetteert daarbij allerliefst, — alles ten algemeenen nutte.
Intusschen rustte reeds vroeger op mij de zwaarste zorg, en dat is: wat er dan toch wel gedaan moest worden. Eerst werd het Bestuur geregeld. Vijf leden was genoeg voor zoo'n klein Departement. Daar nu Mastland het Moderamen leverde, had de goede Ensters, als onze naaste buur, zich bereid verklaard met zijn' meester 't vijftal compleet te maken.
De plaats voor 't Bestuur was reeds door de dames georganiseerd, maar niet al te ruim. De muzijkanten hadden ook minder ruimte noodig, hoogstens twee violen en een blaasm-strument zonder naam, — minder ruimte dus, dan het edel achtbare Bestuur van het Departement, in een' halven cirkel achter den redenaar gezeten. Met wat schikken en plooijen werd dit bezwaar overwonnen, alles met mijne groene gordijnen bekleed en met eene draperie omgeven. Eindelijk werd er nog een trapje voor het optreden van den spreker aangezet, en alles was in orde.
Drie dagen vóór de groote vergadering met dames, kwam Duifhuis al in den vroegen morgen bij mij. Hij had een vondst gedaan, een onbetaalbare vondst. Onder de rommelzoo van een' uitdrager in de naburige stad, had hij een buste van Nieu-wenhuijzen ontdekt en voor een prikje gekocht Hij giste zelfs, dat die aan 't ingeslapen Departement had toebehoord; maar de
21
EEN NANUI.
identiteit was niet te bewijzen, liet eene kleine reparatie van den neus, was die nog best op te knappen. Tussclien groen, zoo veel er te vinden was, en een paar late bloemen, werd hij op een uitstek aehter 't Bcstoir gesteld. Vroeger had daar een oude klok gepronkt, maar die was gaan stil staan; zoo hardnekkig, dat zelfs de reizende klokkenmaker, die ons jaarlijks bezocht, haar niet meer op gang kon brengen, en zoodoende was ze overgebragt naar den rommelzolder.
Een uitgezochte plaats voor Nieuwenhuijzen! De kastelein stemde het gebruik er van gaarne toe. Maar hoe nu te doen, als de vergadering was afgeloopen? Bij 't dansen op kermis of eene rijke boerenbruiloft, paste de eenvoudige man niet; en dan nog wel een eerzame Mennist van de vorige eeuw! De spijkers en krammen weer los te maken iederen keer, en Nieuwenhuijzen tot weerziens in te pakken, dat ging toch ook niet. Eindelijk had Duifhuis, die in zulke dingen geld waard was, een' snuggeren inval. Hij liet voor eigen rekening een kastje maken, dat aan den muur werd opgehangen; vader Nieuwenhuijzen werd er in gezet, en de deurtjes wijd open. Zoo dra nu de vergadering was afgeloopen, met of zonder dames, ging de oude man achter slot, zag dus al de ongeregtigheden niet, die een dominé niet zien mag, en liep hot gevaar niet, om nog bespot te worden toe, — en misschien den gelapten neus weêr te verliezen.
Maar nu kwam nog de grootste zorg aan, of liever, zij had mij al lang zwaar gewogen; de zorg voor het geestelijk voedsel der vergadering met dames. Ik reserveerde voor mij zeiven de inleiding: een kort overzigt van de stichting en hot doel, den arbeid en de vruchten der Maatschappij. Daarna zou de lezing volgen; dan de pauze, en daarna eenige bijdragen: elk wat wils, in poëzij en proza, zoodat niemand onvoldaan naar huis ging.
Maar nu de lezer? Voor eene halve eeuw was dat nog
22
EEN NAMTTT.
geen vaste betrekking, waartoe — naar de oneerbiedige nit-drukking van één mijner vrienden; ik zal hem maar niet noemen! — »men voor zijn ambacht op reis gaat.quot; — Ieder las die lezen kon, of ten minste dacht hot te kunnen, 't Was huiselijker en dikwijls prettiger. Nu hebben do nachtegalen, — 't zij in alle nederigheid gezegd! — al de andere zangers van 't woud stom gemaakt.
Geen lezer van beroep dus, maar een allegaartje, en toch wat degelijks vooraf, 't Was beneden mijne waardigheid als president, die toch nog al wat te spreken had, om ook lezer te zijn; voor den eersten keer ten minste; geen der collega's had er zin in, en zoo viel de keus op meester Herman Baljon. Hij had van den beginne af wel gedacht, dat de bal zoo loopen zou, en nam 't dan ook gaarne aan, nadat hij eerst wat gecoquetteerd had met zijn opzien tegen eene zoo zware taak, even als een jong meisje, die in een groot gezelschap wordt verzocht, wat te zingen of op de piano te spelen.
Zoo was de lezer gekozen en had zich — zoo zegt men immers? — die keuze laten welgevallen. De bijdragers — dat werd aan mij overgelaten. Het moest eene verrassing zijn, zelfs voor 't Bestuur.
En zoo brak de plegtige dag aan, ingewijd door het transport der stoelen, wat nog niet zoo gemakkelijk ging. De timmerman moest ze eerst los werken uit het plankennet, — op zijn boersch gezegd »den polder,quot; — en daarna zweetten Keo den Bonk en nog een paar dito schoonmaaksters van 't afstoffen en boenen. Bij het overbrengen stonden de bewoners van Mastland, die ten minste nog bruikbare boenen hadden, allen op de straat. Men kon op de gezigton lezen, zelfs waar men 't niet zou gedacht hebben, dat de publieke opinie er tegen was. De mensch hecht nu eenmaal 't denkbeeld van iets heiligs, iets mystieks en bovennatuurlijks, dat ons allen van nature eigen is, aan zinnelijke
23
EEN NAISTJT.
dingen. Eon danspartij in do kork kan niet vrolijk zijn; een bijbel of gebedenboek gebruiken wij niet gaarne voor sclieur-papier. Er verbinden zich denkbeelden aan, die zoo iets tot lieiligscliennis maken. »'t Is fetisch /quot; zou de Neger zeggen.
En waartoe zouden die stoelen, waar moeder en grootmoeder al op gezeten hadden, nu ontwijd worden? Eenige eenvoudige vromen vroegen het aan onzen orthodoxen kleermaker Perkers, die bij al zijne hardheid in 't oordeelen, toch wat meer kennis had en verstand, dan de meeste leden van de vergaêring of oefening, ofschoon allen, naar de volksspraak, »voor het goedequot; waren. Zijn antwoord luidde: »'t Is een nieuwe strik van den Satan, of hij ook de uitverkorenen vangen kan. In de vorige eeuw, toen de waarheid verdonkerd werd en de kerktuchi: verslapte, zijn er van de wederdoopers en Lutheranen, met afvallige Gereformeerden, opgestaan. om eene Maatschappij op te rigten, waar de mensch op den troon werd gezet in plaats van God, nog erger dan bij de Arminianen. Onder den schijn van voor aller nut te zorgen, rigtten zij kettersche scholen op, en kwamen bij elkander, om zich zeiven en elkaar te verheerlijken, in jgt;laats van als verdoemelingen zich to vernederen voor God, en de geregtigheid van Christus te zoeken. Maar Hij, die een quot;Wreker is, heeft Napoleon, als oen' tweeden Nebukadnezar, doen opstaan. Zijne tuchtroede hebben zij gevoeld, maar ze slaan, de verzenen tegen do prikkels. En natuurlijk gaan de Baals-priesters en de valsche Levieten vóór.quot; — Ik was aan den eersten titel al gewoon; maar de arme Herman Baljon, die nu al van angst en inspanning geen' droegen draad meer aan 't lijf had, een valsche Leviet! Dat was toch al te erg!
Zijn publiek knikte Perkers toe, en zelfs de verdraagzame baas Klaver mompelde: »Daar had de domino zich niet mee moeten inlaten.quot; Maar als vreedzame Hollanders zag het volk de stoelen rustig passéren, en ging naar huis. De liberalen
24
EEN NAN ITT.
daarentegon, die voor een halve eeuw den boventoon hadden, juichten in blijde verwachting.
Niet minder dan mijn goede meester, zweette onze kastelein, en met nog meer regt, omdat hij — nis de type van zijn vak! — heel wat dikker was dan de schoolmeester. Gelukkig was voor de kermis-danspartij het noodige aantal lampen present, en natuurlijk ook de groote kroon in het midden. Aan Maaike, de oude getrouwe van het regthuis, werd de zorg voor de verlichting opgedragen, en zij kweet er zieli goed van. De zaal was in de perfektste orde; kroon en lampen blonken in elkanders licht.
Tegen zeven ure wandelde het Bestuur er deftig heen. Vergadering hielden we niet. 't Was dus eigenlijk geen Nanut. Niemand kende zelfs dit woord op Mastland. Nut was al vreemd genoeg. Maar 't eerste was toon toch de officiëele naam.
Herman Baljon had voor deze plegtige gelegenheid bijna de laatste wol van 't antieke zwarte pak afgeborsteld, en de MaiU'es al de haartjes van een' ongenooden baard afgeknipt. Verder kwamen allen in hun zondagspak. Alleen Arie Ploegstaart had met zekere (jrata neyligentia (in goed Hollandsch »opzottelijke achteloosheidquot;) 't daagsche pak aan. En toen hij nu de affiches las: »Plaatsen voor de Heerenquot; en «Plaatsen voor Dames,quot; eene attentie , van Duifhuis, vroeg hij, opzettelijk luid genoeg: »Wat weersem! waar is dan de plaats voor de boeren?quot;
Op een' bestraffenden blik van den Burgemeester, schikte hij zich evenwel onder de Heeren. Van de dames durfde er geene gaan zitten, voor de dominé's jufvrouw met een deftig-spot-tenden blik het voorbeeld gegeven had. Eenige heuselijke hoeren en dames van buiten af, bozotteden de gereserveerde plaatsen.
De helft der kerkstoelen bleef onbezet. De oppositie-partij morde buiten, en was toch te nieuwsgierig, om uit ergernis t'huis te blijven.
25
EEN NAinjT.
Ik opende de vergadering. De boeren namen den pot af. — Want een hoed beteekende te Mastland een' steek, en dien bewaarden de ouden van dagen voor plegtige gelegenheden; wat wij een' ronden hoed noemen, heette te Mastland, sans comjja-raison natuurlijk, een pot. — De vrouwen vouwden de handen in den schoot. Toen 't verwachte voorgebed uitbleef, namen allen weer hunne natuurlijke gedaante aan. quot;Want een over-maassche boer draagt den pot op 'frhoofd, zoo wel in eene vergadering of om 't hoekje van den haard, als achter den ploeg. Alleen bij 't naar bed gaan zet hij hem af. Het laatste geloof ik ten minste, maar heb 't niet gezien.
Mijne inleiding was beknopt: de keerzijde van de medaille tegenover het verhaal van Baas Perkers. Nadat ik don oorsprong , het doel en het werk der Maatschappij in 't kort had geschetst, stond ik mijne plaats af aan den redenaar.
Maar ik hield mijn hart vast, toen ik hem daar zag optreden, nadat hij nog eens 't zweet van zijn aangezigt had afgewischt. 't Was toch voor de eerste maal van zijn leven, dat hij voor een ander dan zijn dagelijks miniatuur-publiek stond. Als hij eens bleef steken? Met al zijne eigenaardigheden hield ik te veel van den goeden man, om hem de risee van 't publiek te zien. Gelukkig zitten de lachspieren van de boeren vast, zoo lang ze nuchteren zijn, en — ouder de lezing mogt niet worden getapt.
't Yiel mij waarlijk nog al meê. Alleen verloochende zich zijne behoefte aan beweging onder 't spreken, die hij zich op de school had aangewend, niet geheel en al. Daar stapte hij doorgaans, als hij niet op de katheder stond, op en neêr, en sloeg regts en links met de armen. Hier, aan alle kanten beperkt en ingesloten , wrong hij het ligehaam zoo koddig, dat Cornelia en hare vriendin, de chirurgijnsvrouw, meer dan eens kwansuis don neus snoten. Maar anders, wat hij zeide was zoo kwaad niet. Hij had er dan ook zijn geheele bibliotheek voor doorgestudeerd
2G
EEN NASTÜT.
en de mijne, zoo ver die voor hem toegankelijk was, er bij.
Zijn onderwerp, geheel in den geest van den tijd, was: »De voortreffelijkheid van den mensch.quot; Natuurlijk met woedende uitvallen tegen do apen-théorie, die toon al hier en daar een zwakke stem deed hooren. Alles aan den mensch werd ontleed: eerst de ligchaamsdeelen, dan de zielsvermogens, eindelijk de hooge bestemming van den mensch, en zijne heerschappij over de gansche aarde. Al kwam de goede man hier op mijn terrein, en haspelde hij do bijbelteksten wat door een, wat hij sprak was vroom en goed, en minder droog, dan 't anatomisch begin. En toen hij nu op 't laatst neerkwam op de edele taak van onderwijzer en opvoeder, om een menschdom aan te kweeken, dat in hoe langs zoo verhevener geest de roeping des Scheppers opvolgde „Vervult de aarde en onderwerpt ze!quot; toen was 't het volle hart, dat sprak, en dat den beschroomdstevrijmoedig, den eenvoudigste welsprekend maakt.
Ik gaf dan ook welmeenend het sein tot een algemeen handen voetgeklap, en Herman Baljon trad al buigende af, als een acteur, dien men heeft terug geroepen, en die natuurlijk het publiek den rug niet mag toekeeren. Alleen Duifhuis, die vlak achter hem en ook niet stil zat, vond 't minder aangenaam, dat meesters regterhak op zijn' grootsten eksteroog te land kwam; want van dat artikel was hij ruim voorzien.
Eene weduwe, wier kinderen Meester voor niet liet schoolgaan , omdat ze 't van de armen niet wilde vragen, fluisterde hare nicht, die van elders kwam, in: »Je mogt wel lijden, dat je zoo'n knappen meester had!quot; en nicht was beleefd genoeg om toe te stemmen, dat 't een «bovenste bestequot; was.
Een half uur pauze werd door mij geannonceerd, met vrijheid om eens aan te pijpen, maar liefst in de gelagkamer, om de dames. Het roeken geheel te verbieden, dat zou de populariteit van 't Nut eene onherstelbare schade hebben toegebragt.
27
EEN KANtTT.
Nu eerst zag men den kastelein, die al lederen keer op den achtergrond verschenen was, om te hooren, hoe ver we al niet de voortreffelijkheid van den mensch waren, in zijne volle kracht. Op den gezonden honger der boerinnen rekenende, had hij een' respectabelen stapel broodjes gereed gezet, en genoeg voorraad achter af, om dien nog eens weder op te bouwen. Bier was natuurlijk altijd voorhanden; wijn niet zoo veel en niet zoo goed; maar wat hij wist, dat nog al in den smaak viel, zijn roede jenever: daar had hij den naam van, uren in den omtrek. Ieder mensch moet iets hebben om trotsch op te zijn, zoo als ieder kind zijn speelgoed heeft. En even als kinderen met een stoof of klomp pret hebben, zoo wij menschen met 't stokpaardje, waar we trotsch op zijn: — al was 't maar het trekken van roode jenever. — Gij hadt eens aan 't welverdiende van dien roem moeten twijfelen! Hij had liever geheel den voordeeligen avond afgezegd, dan zóó in zijne eer getast te worden. — De afschaffer gelieve mij dan ook niet kwalijk te nemen, als ik zeg, dat ze heel goed was. Ik kan er zelfs tot verschooning bijvoegen, dat 't zwarte bessennat er de overhand in had, boven den alkohol. Bovendien, ik sprak alleen als referent van 't geen er voor een halve eeuw plaats had, altoos nog zonder vergunning.
De dames — die ten minste op dezen titel eenige aanspraak konden maken, — bleven boven, en lieten zich elk door haar galant bedienen. Maar de meeste boerinnen gingen liever zelve naar de gelagkamer, door menig grove bóeren-aardigheid vervrolijkt. Ik had den kastelein op het hart gedrukt, om goed toe te zien, dat er niet te veel »rood met suikerquot; en volstrekt geen klare jenever, bitter of brandewijn werd getapt, daar anders het Bestuur wel eens zijn' ernstiger collega op een naburig dorp kon begunstigen. Dit hielp. Die begunstiging was zijn Achilles-pees.
Nadat ik dus, altijd in zekere spanning, wel tien malen op 't horloge had gekeken, annonceerde ik met hameren en schellen,
28
EEN XAXCT.
3r op den dat 't half uur om was. 't Kostte eenige moeite, om allen weer
sal met de in 't gelid te krijgen. Een half dozijn liefhebbers bleef met
Je kracht. hunne meisjes beneden.
;d hij eenr Ik had de Menu voor het dessert met zorg gesteld. Boven aan
; voorraad stond een beschaafde boer, die even over de grenzen mijner ge-
■erwasna- meente woonde, en die een' natuurlijken aanleg had voor het
zoo goed; komieke, waarmee hij bij bijzondere gelegenheden een heel ge-
j roode je- zeischap in eene prettige stemming kon brengen. Overigens
Eek. Ieder was hij, als meer comici, een wel in goeden zin liberaal, maar
i als ieder ernstig man. Er lag zelfs een sombere tint over zijn karakter,
een stoof en hij gebruikte mot zekeren weerzin de gave, die de natuur
rokpaardje, hem geschonken had. Deze man heette Pieter Eokdam, maar
i van roode werd zelden anders genoemd dan »Grappige Piet,quot; of in ernsti-
idien roem ger stijl: »Piet van 't groene hekje.quot; quot;Want een van of familie-
jgen avond naam, die niets beteekent, viel niet in den smaak van onze
s afschaffer eilanders.
Eeg, dat ze Zoo dra dus ons plan beraamd was, wandelde ik naar hetbe-
Degen, dat kende groene hekje, en vond onzen celibatair — ook al eene
en alkohol. zeldzaamheid onder de boeren! — als gewoonlijk met een boek,
r voor een waarin hij bij mijne komst een vouwtje lei. Ik stak een pijp op. (De boeren waren al gewoon geraakt aan de ergernis, om
aanspraak mij altoos mijn eigen tabak te zien rooken.) Ik kwam met mijn
haar galant plan voor den dag, en verzocht, dat hij, die zoo goed kon voor-
zelve naar dragen, en toch zoo veel gelezen had, eens zelf wat opstellen
■vervrolijkt. zon. Maar de man schudde zeer verstandig 't hoofd en zeide:
ioe te zien, »De schoenmaker bij zijn leest, dominé. Ik lees veel, dat is
geen klare waar, en ik merk ook veel op, op deze dwaze wereld, maar
ts hot Be- als ik dan zal opschrijven wat ik zoo denk, voel ik, dat de
;• dorp kon vingers meer naar den ploeg staan dan naar de pen. Een brief
hilles-pces. te schrijven kost mij al moeite genoeg, en dan zoo'n stuk oin
i malen op voor te lezen... Als de dominé nog eens iets voor mij had...quot;
ni schellen, «Afgesproken, Pieter. Maar dan heb ik ééne conditie er bij.
29
EEN NANUT.
Wat gij leest, moet u niet vreemd zijn. Gij moet denken en opmerken. Ik zal 't stellen en gij leest 't voor.quot;
En zoo gebeurde liet. Na oen oogenblik bedenken, en tus-sehen een paar zware rookwolken in, gaf hij al dadelijk een onderwerp op, dat hem reeds lang voor den geest zweefde, en vertelde, hoe hij 't zou aanleggen als hij stellen kon. Ik schreef het te huis op. Met onderling overleg werd er nog iets aan veranderd, en zoo trad nu Pieter Eokdam 't eerst na de pauze op.
Dat optreden gaf al eene algemeens vrolijkheid, en 'tapplaus ging de rede vooraf. Maar 't werd althans niet minder, toen hij ann den gang was; terwijl hij bij de grappigste passages onnoozel rond keek, als of hij zeggen wilde: »Waar lacht ge om ?quot; Zijn onderwerp viel dan ook geheel binnen de bevatting van zijn publick, want hij phantaseerde: »Wat de koeijen. wel van de menschen moeten denken?quot; — Ik had zijne opmerkingen, al zeg ik 't zelf, goed ingekleed. En toen hij nu aan 't slot eene koe met veel bedaarde levenswijsheid aan een paar kalven les liet geven, en armen en beenen mee gesticuleerden met den ge-maakten ernst van zijn gelaat, gierde mijne Cornelia 't uit, en kon ik zelf niet laten om hard op in den lach te schieten, en hem aan 't eind uit aller naam hartelijk de hand te drukken.
Dit maakte liet echter voor zijne opvolgers niet gemakkelijker. De eerste was mijn collega Rusters. Hij was nog zoo wat uit den sentimcntcelen tijd, niet in zijn' dagelijkschen omgang, maar in de declamatie. Die tijd met al haar Wee! en Ach! gemaakte tranen., tittels en streepjes, was anders toen al in stroomen bloed ondeijjgaan, en het »Lijden van den Jongen Wertherquot; in 't wezenlijke lijden van omwenteling en oorlog verzwolgen, als een treurwilg in den woudstroom. Ik hield hot met Körners Leier und Schwert; maar mijn vriend Rusters, als een echte Zeeuw, was nog altoos op de hand van zijn' landgenoot Bellamy. Hij had dan ook op zich genomen, om »Het Roosjequot; te declameren,
30
EEN NAJSTTJT.
en deed 't goed. De boerenmeisjes vonden 't heel aardig; maar hare vaders, vooral het begin met al die kusjes, weinig passelijk voor een' dominé, dien men zich altijd liefst prekende en biddende voorstelde, met een gezigt, dat nooit uit de plooi gaat. En kussen, — dat zullen hier te land man en vrouw zelfs nooit doen als er iemand bij is. Foei! Maar 't aandoenlijk einde, als de lieve Eoosje verdrinkt in zee, met veel gevoel voorgedragen, maakte het weer wat goed. En zoo was 't publiek voldaan, of ook beleefd genoeg om te applaudiGeren, en de voorzitter natuurlijk, om hem hartelijk te bedanken.
Dit gaf onzen Hannes moed. Maar 't is waar ook, gij kent hem nog niet. 't Was de Mastlandsche ondermeester, van boer-sche afkomst, maar niet zonder aanleg. Dat nu een vierde-ranger, op 't punt van zijn examen te doen, verliefd was, sprak in den ondermeester even zeer van zelf, als dat de bovenmeester, hoe schraal bezoldigd, vrouw en kinderen had. Nu was natuurlijk de bezoldiging van een' ondermeester nog veel schraler. De moeder van Hannes kon daardoor don voorspoedigen groei van haar lieven jongen, de kroon van haren ouderdom, niet bijhouden. En 't gevolg hiervan was, dat de handen niet alleen, maar ook de polsen uit do mouwen van zijn jasje kwamen, en de knoopen op dit kleedingstuk reeds lang het sluiten verleerd hadden. De goede jongen maakte dus een vrij sober figuur, toen hij daar als een verliefde optrad, tot nog toe alleen op een idéaal meisje, zoo'n Chloë of Phillis, en met behulp van zijne lange armen begon te declameren. Herman Baljon, de bovenmeester, zat als souffleur achter hem: want ofschoon het minstens vijf en twintig maal 's morgens vroeg voor de leêge schoolbanken gebleken was, dat hij 't letterlijk van buiten kende, toch beefde, nu hij daar zoo verheven stond, al wat aan hem was. Evenwel, het ging. Met een overdreven pathos reciteerde hij:
31
EEN JTANÜT.
„Schoone maan! zeg, ziet gij heden,
Daar gij 't halve rond bespiedt,
Schoone maan, — schoone maan, —
Ocli! dat lüj ook op den naam niet komen kon! En juist nu begint het licht te verflaamven, zoodat hij 't boekje niet nemen kan, dat pour cas de besoin achter hem ligt, en even min de souffleur het kan lezen. Ware 't eene gasverlichting geweest, men zou hebben kunnen denken aan een kunstmatig temperen van 't licht, om de maan van Bellamy te accompagneren. Nu was 't verschijnsel onverklaarbaar. De kroon begon, de lampen volgden. Hannes zag niets, en merkte niets; want juist kwam hij op dien verwenschten naam, en declameerde, dat hem 't doodszweet uitbrak, nog eens;
Schoone maan! zeg, ziet ge heden.
Daar gij 't halve rond bespiedt,
Schoone maan! zeg, ziet gij heden Mijn geliefde Phillis niet?
Haar ja wel! de maan ging onder, en het publiek zat in de duisternis. Alleen een paar kleine looplampjes, bij den ingang der zaal gezet tegen 't uitgaan, wierpen nog een flaauw licht op 't doodsbleek gelaat van mijn' ondermeester, als of ze zeggen wilden; ;gt;Ga nu maar naar huis, jongen, 't Is donkere maan.quot;
Ik verhief, bang voor ongelukken, mijn kerktremblant, en vermaande allen om te blijven zitten. Zij deden dit dan ook. Alleen in den hoek, waar de jonge lieden zaten, hoorde ik na een onderdrukt gelach iets klappen, dat — ja! dat ergens op leek! — Maar ik durf er niet voor instaan; ik kon 't mis hebben. Bij de twee nachtpitjes kon niemand er in dien donkeren hoek iets van zien.
Juist kwam de kastelein om 't hoekje kijken, of er ook nog iets te verdienen zou vallen bij 't scheiden, maar liep terstond
32
EEN jSTANTT.
■\veg, al gillende: »Maaike, Maaike!quot; terwijl hij zelf alle draagbare lichten uit 't huis aanbragt en in de confusie een kan bier in plaats van olie, om de uitgebrande lichten weer aan den gang te krijgen. Zoo dra 't weer schemer geworden was, moest de schuldige komen om zich te verantwoorden: want de eer van den kastelein was er mede gemoeid.
De dikke schommel kwam binnen, minder verlegen dan menig hooggeleerde, die voor 't publiek moet spreken. »Maaike! waarom heb je de lampen niet vol gedaan?quot; donderde haar ver-toomde meester haar toe. Eu 't antwoord luidde zeer lakoniek: »Wel, zo dansen nooit langer als derdehalf uur.quot; — In zoo ver 't een prettige avond moest zijn, was dit eene prachtige bijdrage er toe. Want met een algemeen gelach werd de verantwoording der oude dienstmaagd begroet; zij had de quantiteit olie afgemeten naar 't kermisbal in den zomer, dat — naar de wijze verordening van onzen Burgemeester, — vóór middernacht moest afloopen, na tegen tien uur begonnen te zijn.
't Licht was nu, althans ter zijde, weer opgegaan: want de groote kroon, daar was de trapleer voor noodig, en dat kon niet. Na een paar woorden, met Baljon gewisseld, vond ik het beter, onzen Hannes van de pijnbank af en zijne verzuchting naar de maan te helpen. Ik voorzag toch, dat de regte ernst en orde voor dezen avond verdwenen waren, 't Was ook eigenlijk voor mijn publiek in gewone tijden, buiten kermis en bruiloft, al laat genoeg. Ik bedankte dus alleen nog met een kort woord allen, die tot 't genoegen van dezen avond hadden bijgedragen, — Maaike natuurlijk uitgezonderd! — en sloot de vergadering, met 't plan om die niet spoedig weer te openen.
»Ik heb in langen tijd zoo'n pret niet gehad,quot; zeide Cornelia, toen wij te huis waren: »maar waar blijft nu 't nut voor al H (je.meen, dat buiten stond?quot;
Ik beduidde mijne vrouw, zoo goed men dat een luchtig en
33
EEN NAsrm.
spotziek YTomvtje beduiden kan, liet onderscheid tusschen »al 't gemeenquot; en »het algemeen,quot; en vertelde haar, dat ik van plan was, nu de zaak maar eenmaal gang had, een leesgezelschap en eene volksbibliotheek op te rigten.
»'t Is mooi als 't lukt,quot; antwoordde zij: »maar gij weet 't, de boeren en de arbeiders vooral leggen de boeken op de plank in den schoorsteen. Ik bon benieuwd, hoe uwe volksbibliotheek er zal uitzien, als ze wat op gang is. Maar weet go wel, dat, met al uwe wijsheid, 't oordeel van Duifhuis nog 't wijste van allen is? »Het brengt de menschon tot elkander buiten,quot; zeide hij en dat is ook nuttig. Ik heb van avond met enkelen aangenaam kennis gemaakt, veel beter dan door stijve visites.quot;
Ik geloof 't ook, waarde lezers! en prijs daarom 't oude j^ut, op de dorpen althans, boven 't nieuwe. Maar daar ben ik ook een oud man voor.
34
II.
quot;Wat doet onze Janus tocli geheimzinnig! Ik begrijp de wenken en grimassen niet, wanneer wij elkaar bij anderen ontmoeten. quot;Valt daarbij 't gesprek op de laatste vergadering van 't Nut, dan fluistert hij mij toe: »Gij zult nog meer zien. quot;Wacht maar!quot; En eer ik hem uitleg vragen kan, is hij weg. Ik ben die -woelige bezigheid, dat geheimzinnig spreken en zwijgen wel meer van hem gewoon, en doorgaans is 't niet veel bijzonders; naar de oude spreuk: »een berg die een muis baart;quot; maar nu duurt 't toch wat lang. Daarbij is hij dikwijls al vroeg in den morgen het dorp uit, zonder dat iemand weet waar heen. quot;Wat hij toch wel in 't schild voert?
Daar komt hij al aan, en zal 't ons zelf zeggen. Maar eerst moet ik u een weinig inlichten omtrent plaatsen en personen, die den lezer van Mastland's Pastorij nog onbekend zijn.
Geen uur van daar ligt do Achterkant; zoo ten minste wordt het dorpje met zekere minachting genoemd, en do minsten weten, dat de officiëele naam Brigitta-Oord is. De Mastlanders houden dan ook niet van officiëele namen. Er is in hunne naamgeving een zekere oud-HoUandsche humor, die helaas! uitsterft. Het plaatsje bestaat voor een groot deel uit hutten, tegen den dijk aangebouwd en slechts nu en dan afgewisseld door een zwingelkeet, waarin nit het gedroogde en in de sloot gerootte
EEN KAJNTJT.
vlas de houtvezels worden weggeslagen, 't Is een broodje in den winter voor de nijvere vlaswerkers, al is 't fijne stof voor hunne longen niet voordeelig, en eiken avond dragen zij er een' zak luchtige brandstof van naar huis.
Maar te midden dezer hutten en tegenover de ledigstaande pastorij verheft zich boven den dijk het huis van den burgemeester Tadema, van oorsprong en nog van aard een stoere Fries. Hij is, bij zijn burgemeesterschap, notaris, secretaris, dijkgraaf, maar bovenal een welvarende vlasboer en daardoor een man van grooten invloed. Over zijne bekwaamheden is echter 't algemeene oordeel minder gunstig. Men heeft namelijk opgemerkt, dat hij over alle zaken van eeuig gewigt zich drie dagen bedenken moet, en juist in dien tijd de heer Bool, burgemeester van 't nabijgelegen Meppen, bij hem komt, of omgekeerd. 'tResidtaat is dan een geschreven advies, dat zeer goed in elkander zit. Eene tweede opmerking van het publiek is, dat sedert den vorigen winter de grijze jas van burgemeester Tadema niet meer wordt gezien, en op !t zelfde oogenblik burgemeester Bool zich er een heeft aangeschaft, die op 'tverdwenen kleedingstuk gelijkt, als de eene droppel water op den anderen.
Laat zulke opmerkingen u niet bevreemden, mijne lezers ! quot;Wij leefden toen in den tijd, dat het beginsel »de burgemeester moet op zijne plaats wonenquot; nog in volle kracht heerschte, terwijl toch 't bitter kleine traktement er niet toe uitlokte. Ik zelf — ik kan er getuigen voor bijbrengen — heb den burgemeester van een klein dorpje voor één mijner collega's mest zien kruijen voor een' stuiver den kruiwagen. Maar toen hij nu van zijne magt had gebruik gemaakt, om zich zeiven tot klapperman aan te stellen, ten einde dag en nacht zijne gemeente te bewaken, werd hem de keus gelaten tusschen de dag- en nachtdienst; en hij koos de laatste, die hem dan ook beter paste. In plaats van den Raad te presideren, waarin de secretaris hem trouw had bijge-
36
EEX NASÜT.
staan, zong hij nu en nog jaren lang, zonder vreemde Imlp: »Tien heit de klok, tien!quot; — De verklaring van quot;t raadsel is: de burgemeester moest op het dorp wonen, en de eenige fatsoenlijke man, de secretaris', was in don hofkring gehaat. Uit weerwraak droeg hij nu (ongezien) een zijner arbeiders voor.
Zoo erg was 't nu met onzen burgemeester Bool niet gesteld. Hij was de zoon van den schoolmeester, wiens eerzucht zich nooit verder had uitgestrekt dan de Achterkant, en die. nadat hij eenige generaties voor de Achterkantsche maatschappij had opgekweekt, even arm stierf, als hij er gekomen was. Moeder en dochter wonnen nu een sober broodje mot naaiwerk, en de eenige zoon was zoo gelukkig om als klerk bij den vorigen burgemeester en notaris van Meppen geplaatst te worden. Toen nu, na jaren, door sterfgeval deze dubbele post vakant kwam en voor notaris zich niemand aanbood, trok Bool de stoute schoenen aan, aanvaardde de hooge protectie van Tadema, en werd burgemeester van 't dorpje Meppen.
Tadema zelf was, als een vrije Fries, natuurlijk volbloed liberaal, en had daarom het opgerigte Departement met vreugde begroet. Dit belette hem echter niet, op 't vlasveld en in de keet Napoléontisch te regeren. Zelfs 't weldoen, waarin hij mild genoog was, deed hij met een bar gezigt. En bezocht hem collega Bool, dan vergat hij wel eens om den armen jongen man, nog wat hoekig, als vaders erfdeel, een lange pijp, ja zelfs een' stoel aan te bieden. (De sigaren-vriendschap bestond in dien tijd nog niet.) Natuurlijk was nu Bool ook liberaal, en zelfs utopist, waardoor de toekomst hem eenigzins vergoedde, wat het heden te kort schoot. Hot socialisme was toen nog niet in de mode; anders zou zijn schrale beurs en phantastische geest er hom misschien toe aangelokt hebben, al belette hem ook de verdere toenadering zijne waardigheid zoo wel als zijn natuurlijke blooheid. Nu verwarmden hem alleen de toenmaals gang-
37
EEN NAinTT.
bare droomen van toekomstig volksgeluk, als 't vuur aan den haard uitging en hij verkleumd onder de dekens kroop.
Nu wij het terrein verkend hebben, kunnen wij onzen Duifhuis volgen, die dit niet noodig had te doen, als eigen genoeg met de kaart van 't land, om er zijn plan op te bouwen.
Hij had berekend — of liever — hij had gelezen, dat in 't volgend jaar (1834) de Maatschappij haar vijftigjarig bestaan zou vieren, en vond dit eene schoone gelegenheid om haar meer populair te maken. In den zomer was door de week het volk niet bij een te krijgen; 't moest dus nog vóór Paschengebeuren, en wel in de kerk aan den Achterkant.
»Maar Duifhuis! hoe kom je daaraan?quot; vroeg mijne vrouw: »Gij weet toch wel, dat bij den minsten regen het pad onbegaanbaar is, en de boeren tot Paschen hunne wagens nog op zolder hebben.quot;
Duifhuis liet zich door mij nooit uit het veld slaan, maar was bang voor de spotachtige oogen mijner vrouw. Heden had hij zich echter in voorraad op alle aanvallen gewapend, en antwoordde: »Zoo onbegaanbaar niet. Jufvrouw! Ik ben er al meer dan eens heen geweest, en 't kantpaadje is vrij goed, zelfs van den lagen weg, natuurlijk bij dag of lichte maan. En naar den anderen kant van het eiland zijn de wegen nog beter. Daar wilde ik juist ons Nut bekend hebben. Het Departement moet door dit halve eeuwfeest nog eens zoo groot worden. Ook is 't eigenlijk geen dames-avond, zoo als laatst, maar een volksfeest voor »den zoogenaamden gemeen en man!quot;
Oudere hoorders weten, dat dit vóór een halve eeuw de geijkte term was van 't Nut voor »den minderen standzoodat de satirieke Ds. Krom van Gouda, wiens werk door 't Hoofdbestuur nog niet populair genoog was geoordeeld, hot voor eigen rekening uitgaf, met de vraag: «Blijft die zoogenaamde gein eene man altijd even gemeen?quot;
38
EEN NAUTJT.
Dat verder mijne goede vrouw in dit verhaal zoo standvastig Jufvrouw genoemd wordt, lag ook al in de zeden van den ouden tijd, die op zijn minst den dokters-rang bij den man eiseliten voor den titel van Mevrouw. Toen eens een burgemeester zich dien titel voor zijne ega aanmatigde, riep mijn tuinman verontwaardigd uit: :gt;Dat nooit! Daar is geen andere Mevrouw op 't eiland dan de ambachtsvrouw.quot; — En wat mij zelf betreft, ik was bijna twintig jaren getrouwd, toen mijne vrienden zamonspanden, om Cornelia ook zoo te noemen, in concurrentie mot eene zuster-collega, die haar was voorgegaan. En geen wonder! De titels dalen van eeuw tot eeuw, of de menschen klimmen, zoo als men 't nemen wil. Justus van Effen klaagde al in de vorige eeuw, dat eene burgemeesters-vrouw zich Jufvrouw liet noemen, terwijl hare voorgangsters Meutje heetten. AVat zou hij nu wel zeggen van al de Haagsche Jufvrouwen!
Waar was ik ook weer? Ja! op reis naar den Achterkant. Wat mij 't meest hinderde, was een feest van 't Nut in 't onbeschaafdste gedeelte van ons eiland, het broeinest der dweeperij, waar wij allen last van hadden. Maar Tadema was ons als lid veel waard. Hem zou menig een volgen, even zeer in 't uitgaan als in 't ingaan. Bij de laatste bijeenkomst, en tot verwezenlijking mijner leesplannen, had hij zijne beurs ruim geopend, en ook nu was hij bereid, de meeste kosten zelf te dragen, er althans voor in te staan. Eindelijk, daar er geen ander lokaal te vinden was, had hij, als president-ouderling en kerkvoogd in eene vakante gemeente, de vrije beschikking over de kerk; ten minste niemand durfde ze hem betwisten.
Ik kon dus 't plan, dat het Bestuur en de loden van ons Departement nog al toelachte, vooral nu 't geen geld kostte, niet keeren; maar besloot evenwel, mij zoo veel mogelijk op don achtergrond te houden. Ik vroeg dus alleen nog: »Maar de verlichting, hoe zal hot daarmee gaan? Er is aan den Achterkant
39
EEN XAXUT.
zelfs op Oudejaar geen avondkerk; en over dag krijgt gij de men-sclien niet bij een.quot; — Maar ik kreeg op die vraag alleen eeu geheimzinnig knikje tot antwoord, met een fluisterend: »Dat zal je zien!quot;
Duifhuis stond klaar om heen te gaan, zoo'n haast had hij, van nu tot half Maart een levensdoel rijker! — maar ik hield hem nog bij zijn' rok vast, met do vraag: »En de redenaar?quot; altijd nog in vrees, dat ik mij zou laten overhalen, wanneer alles bepaald en gereed, en niemand te vinden was.
»En de redenaar?quot; — »(gt;een zorg,quot; was 'tantwoord:»Tadema zegt, dat Bool 't doen zal.quot;
»En wat zegt Bool?quot;'
»Die zegt natuurlijk ja, als hij plegtig geïnviteerd wordt.quot; — Dit n a t u u r 1 ij k ging vergezeld van een veelbeduidend op en neertrekken der wenkbraauwen, een eigenaardige geste van Duifhuis, als hij zeggen wilde: gt;AVij verstaan elkander wel zonder woorden.quot;
Al de correspondenties, conferenties en vergaderingen, onder de rustelooze bewegelijkheid van Duifhuis en de onvermoeide pen van Baljon, zal ik maar met stilzwijgen voorbij gaan, en een paar maanden overspringende zeggen: »De dag brak aan en neigde ten avond, en wij gingen naar den ■gt;Achterkant.quot;
Als ik zeg »wijquot;, dan bedoel ik natuurlijk de Mastlandsche leden van quot;t Nut in plegtigen optogt, voor zoo ver zij de wandeling durfden of konden aanvaarden. Want ook wie rijtuig hielden, hadden 't nu op zolder. De rijweg was dan ook ontoonbaar. Maar de wind had de kanten van den weg droog gewaaid, en dit was 't bruikbare »kantpaechiequot; op den dijk, nog geen twee voeten breed en hier en daar met glibberig gras bezet.
Mijne Cornelia, gewoon mij op al mijne togten te vergezellen r was de eerste, die ons moedig volgde; zij leerde bij deze gele-
40
EEN ETAJTOT.
genheid onder luid gelach 't vrouwtje van den chirurgijn, als nieuweling in 't land, 0111 met over elkander slaande voeten te loopen; natuurlijk op ganzenmanier, achter elkander.
Van de collega's hadden er twee de reis gewaagd: Rutgers en van der Ploeg, ofschoon ze nog verder af woonden. De eerste zou dan des nachts hij ons blijven; de laatste moest volstrekt te huis zijn. Zijne vrouw zou anders over haar dominé doodelijk ongerust wezen. Ik heb vroeger niets van haar gezegd, omdat er niets van haar te zeggen viel. Zij was uit den kleinen burgerstand en had het ideaal van haar leven bereikt, door in eene eigen pastorij te zitten, en een'domino haar bijzonder eigendom te mogen noemen. Hij moest het daarom ook zijn, van dat hij opstond tot hij naar bed ging. Of hij orthodox was of liberaal, ging haar volstrekt niet aan; domino, dat was alles. En wel, zoo als zij zich altijd zulk een verheven wezen had voorgesteld: een steek op, een naauwsluitende witte das, een onberispelijk glad overhemd, uitgesneden rok en vest, een korte broek, zwarte zijden kousen en lage schoenen. Gelukkig had hij flinke kuiten; anders had zij er die zeker bij gemaakt. Wij andere predikanten behielden nog wol den steek tot stichting onzer gemeenten, maar droegen verder wat ons paste, zonder aan de wanverhouding te denken tusschen den stijl Louis quatorze en de libertijnsche dragt der revolutie.
Van der Ploeg zag er dus keurig uit; zelfs zijne stem behoorde bij zijne kleeding. Dit uiterlijk had er toe bijgedragen, om hem in den reuk van orthodoxie te brengen, die hij nn, — met de echte orthodoxen in onmin, — ten offer bragt aan den afgod der eeuw, het Nut van 't Algemeen. Ook hierin was hij zich zelf niet; maar hij wilde toch niet, met ;t jj/eamp;s, van de notabelen zich afscheiden, voor een halve eeuw de natuurlijke liberalen--even als nu wel eens omgekeerd.
Tadema, de koning van den Achterkant, ontving ons royaal.
41
EEX NASTTT.
Bij de thee — want we hadden vroeg gegeten, en waren meestal nog in 't genot van een' jeugdigen eetlust, — stonden stapels broodjes klaar, en de traditioneele bestellen met suiker, die over de Maas nooit mogen ontbreken. Alleen de arme redenaar kon niet eten. Hij was in de positie van een examinandus, en verdoofde 't inwendige vuur met glazen water.
Eindelijk sloeg 't lang verbeide uur, en de achtbare schare Nutsleden trok naar de kerk, waar de hondenslager — van ouds een post van invloed, allermeest op honden, katten en jongens,— met moeite de menschen buiten hield. Op den weg langs de ledige en vervallen pastorij, was de begroeting juist niet al te vriendelijk. Do jongens van 't dorp hadden pret, als overal, op eon' eerbiedigen afstand; maar de rijen zwingelaars, die wij doortrokken, niet hunne ingegroefde, krachtige trekken, zagen ons onheilspellend aan. 't Was of ik op die onwrikbare tronies en in die diepliggende oogen de geschiedenis van 't Nut las, zoo als die door baas Perkers beschreven was. Dat was dan 't publiek, dat Duifhuis zonder slag of stoot, door éénelichtjes-kerk — zoo als de boeren zeggen — meende tc beschaven; en de arme Bool, die als een martelaar tusschen ons in liep, was daartoe uitverkoren! Om n de waarheid te zeggen, toen ik de dweepzieke blikken zag, die vooral aan ons, priesters van Baiil, werden toegeworpen, was ik blij, dat ik met Rutgers achter den broeden rug van den magtigen Tadema schuilen kou; en ik keek telkens om naar van der Ploeg en Bool, of zij ons nog wel volgden. Wij hadden van de predikanten van een' anderen ring, die er de vacature bedienden, genoeg gehoord, om niet zoo geheel gerust te wezen. De dames waren stilletjes vooruit gewandeld, en zaten dus veilig.
Nu! onze Janus had zijn best gedaan. Ik was benieuwd, hoe hij aan den Achterkant eene lichtjeskerk zou improviséren; maar 't kon er best mee door. De twee groote hanglampen,
42
EEN NAjSTJT.
waaronder de achtbare gemeenteraad vergaderde, in vertromvelijke bijeenkomsten met de pet of blaamvc slaapmuts, en bij plegtige gelegenheden met den pot op, waren tegenover den preekstoel aan eene met groen versierde guirlande opgehangen. Op de vaste banken waren blokjes gezet, bij wijze van blakers. Inde gangpaden tusschen de stoelen waren houten standaards geplaatst, met vier armen van boven en op elk van dezen een driekant stukje blik, dat ook al een' blaker verbeelden moest. Met wat vet te druipen, stond de kaars vast. Men moet zich maar weten te behelpen.
De preekstoel was, als al zijne antieke familieleden, aan den linkerkant, naast den met koper beslagen' statenbijbel, voorzien, van een' sierlijken koperen arm, drager van den zandlooper, waar oudtijds do preken naar werden afgemeten, zoo wel als de eijeren gekookt; alleen waren de eersten niet zoo spoedig gaar. Was er aan den anderen kant ook maar zoo'n machine geweest! Xu kon 't weinig dienst doen, en waren op houten borden, stevig met touwen omsjord, twee zware vieren kaarsen gezet, waar-tusschen de gedaante van den redenaar voor zijne overburen uitkwam, als een heiligenbeeld in eene Eoomsche kapel aan den weg. Op zij moest men zich met een stuk van zijne gedaante behelpen.
In 't ruim der kerk was de nachtmaaltafel opgeslagen en met groene gordijnen bedekt. Ook 't voorlezersbankje was er mede bekleed. Op die tafel lag mijn hamer, dien ik met minder gerustheid dan te Mastland opnam en hanteerde. Vóór mij had ik de kakelbonte rijen stoelen en stoven, die tegenwoordig geld zouden doen op eene verkooping van antiquiteiten. Want de Achterkanters waren ook hierin van den ouden stijl. Elk bragt zijn' eigen' stoel in de kerk bij 't koopen eener plaats; en die stond daar dan van geslacht tot geslacht. Uniforme polders, zoo als te Mastland, behoorden tot den nieuweren stijl. Men had
43
EEgt;T JfAJSTT.
daarom ook nu de eigenaars niet kunnen berooven van liet voorregt, om op hun eigen stoelen te zitten. Maar achteraf was nog ruimte genoeg voor de staanders, tot de brandladders, het sto-vonhok en de plaats voor de klokkeluiders in den toren toe.
Dit was dan nu het tooneel, waarop de jeugdige Bool zijne eerste laauweren, als openbaar redenaar, plukken moest. Geen van ons twijfelde aan zijne kunde, maar wel twijfelden wij aan zijne geschiktheid, en nog meer aan die van zijn publiek.
Hij naderde dan ook, zijne lezing onder den arm, met al de onderworpenheid van een' martelaar. »Maar 't zal wel gaan, als hij eens op gang is!quot; fluisterde Tadema, voor deze gelegenheid mijn buurman aan de groene tafel. Ik klopte met mijn' hamer, opende met weinig woorden deze vergadering ter eere van een vijftigjarig Nut, en Bool betrad den preekstoel.
Ploegstaart, die ter zijde van het Bestuur op een' stoel zat, en van daar op de trappen van den kansel zien kon, fluisterde hoorbaar, ook voor den opklimmenden spreker: »Precies de laarzen van Tadema en zijn broek ook!quot; De arme redenaar beefde nog meer.
Toen 't bleeke gelaat van Bool tusschen de kaarsen zigtbaar werd, en hij den bundel papieren ontplooide, ontving hem een gekraak, dat in sterkte toenam, en in een' plof eindigde. De redenaar, die toch al beefde, sidderde nu over 't geheele lig-chaam, en wapende zich daarna met nieuwen moed. Toen ik omkeek, dacht 't mij, dat hij de koperen sloten van den Bijbel aangreep, om des noods met dit heilig boek zijne hooge vesting te verdedigen. Maar 't had geen'nood; zoo ver kwam't niet.
quot;Wat was dan het geval? Om de regten der stoelbezitters te handhaven, had men een paar sterke latten achter de laatste gespannen en aan vrij stevige houten palen vast gemaakt. Daar achter waren dus de staanplaatsen voor den »zoogenaamden gemeenen man.quot; De stoelen waren vrij schraal bezet, maar die
44
EEN NANTJT.
zoogenaamde was rijkelijk vertegenwoordigd. De donkere, onlieilspellende gezigton, die onzen optogt begroet en ver-■vvenscht hadden, vormden 't voorste gelid. Anderen, ook van elders, bezetten de overige ruimte. Zoo als 't doorgaans gaat, werden de voorsten tot stormrammen gebezigd door de achterste gelederen, vooral toen dezen zagen, dat er op het verboden terrein zoo veel plaatsen ledig stonden, 't Oude kerkgebruik stelt die voor allen beschikbaar, zoo dra de dominó op den preekstoel is. Van daar de aandrang. Hiertegen waren wel de palen, maar niet de latten bestand. Krakend berstten zij van een. De voorste staanders vielen met een' plof op en in de stoelen, en sleepten een paar kaarsenstandaards in hun' val mede. De veroverde plaatsen waren nu spoedig bezet, maar de duisternis van den achtergrond was ook toegenomen. Niet tegen den zin der tegenstanders. Nu kon het bliksemend oog van Tadema hen niet zoo gemakkelijk onderscheiden.
Bool begon te lezen, zeker tot groote verbazing van sommige vrome zielen op de voorvaderlijke stoelen, die hare kerkboeken hadden meêgebragt, en zich maar niet konden begrijpen, dat er ten minste niet één psalmversje werd opgegeven. Dat zou de lichtje skerk nog wat stichtelijkor hebben gemaakt. Yooral waren een paar bejaarde arbeiders uit hun humeur: want die waren gewoon, zonder aan den moester zich te storen, hot gezang te leiden. Zij zongen nog more majorum met triolen, elke noot met de terts en kwint er bij; — en de orgels haatten zij met een' geweldigen haat, »omdat dan een mensch zijn eigen luut niet hooien kan.quot;
Maar denken en wenschen hielp niet; de zilveren sloten der kerkboeken bleven digt. Bool begon met een vrij krachtige stem, terwijl hij de handen aan den rand van den preekstoel vast klemde, en gaf terstond zijn onderwerp op: »De verlichting en beschaving van den minderen stand, als de roem der negen-
45
EEIT NAIfUT.
tiende eeuw.quot; — Zoo iets viel in die dagen bijzonder in den smaak. Do eeuw was toen, op leven en dood de Idnderziekten doorgeworsteld, eene schoone en krachtige maagd. Nu is ze eene oude en knorrige bes geworden, 't Wordt tijd, dat ze weldra met ons begraven wordt.
Men spreekt wel eens van eene Société d' admiration inutuelle. Hot geslacht van 1830 had er, althans in ons vaderland, verbazend veel van. En onze spreker, zoo wel als zijn Maecenas, waren geheel op de hoogte, — sommigen zonden thans zeggen op de laagte — van hunnen tijd. Bool had dan ook con amore aan zijne taak gewerkt.
Het eerste deel; «Duisternis en onbeschaafdheid,quot; zat goed in elkaar. Alleen was het jammer, dat hij den preekstoel zoo krampachtig rogts en links bleef vast houden. De donkere woningen en weinige gemakken van vroeger, de roofridders en burgeroorlogen , de ellendige hokken der oude schoolmeesters en de vunze kloosterlucht: — alles kreeg zijn beurt. Als ver achter don rug geworpen, lag daar alle bijgeloof, dweepzucht en onverdraagzaamheid; of liever, ze lagen geteekend aan de voeten der tri-umférende negentiende eeuw. De geestdrift van den spreker klom. Hij liet den preêkstoel-rand los en zwaaide in heilig vuur, maar zonder eenige uitdrukking, de lange armen regts en links... Arme Bool! gij rust nu onder de groene zoden, maar hebt toch lang genoeg geleefd, om uw Utopia in de wolken te zien verdwijnen.
Gij begrijpt, dat de tegenstelling van den ouden tijd tot een voetstuk dienen moest, om 't standbeeld der negentiende eeuw op te plaatsen, en als zijn kroon 't vijftigjarig Nut. Maar nu begon er meer en meer een gemor en gebrom hoorbaar te worden in den donkeren achterhoek, waar het dringen, schuifelen en praten niet had opgehouden.
Velen verstonden even min Bools redevoering, als het doel
4G
EEN JTAJTUT.
der gelieele vertooning, maar besclioumlen die toch van den beginne af als eene invasie op het voorvaderlijk terrein. Vindicamus haereditatem patrum! quot;Waren zij niet afhankelijk van Tadema geweest, zij zonden hunne kerk tegen die heiligschennis verdedigd hebben. En nu begrexjen de knapsten wel zóó veel, dat Bool zich nn en dan eene satire veroorloofde op de »ond-kerkelijke orthodoxie,quot; die hij, met kloosters, monniken en Jezuïeten, als een nachtspook verdwijnen zag voor de opgaande zon. Do hoed van Bastiaan sprak hunne ergernis uit. Het was een oud boertje, die in een' bijzonderen reuk van heiligheid stond, en met zijn breed-geranden platten hoed 't sein in de kerk gaf van toestemmen of afkeuren.
O! die barometer der kerkelijke regtzinnigheid! quot;Wat wuifde zij regts en links. Geliefde kerkelijke scheldwoorden van Arminia-nen. Socinianen en Baaispriesters werden eerst gefluisterd, daarna onder voetgeschxiifel luide uitgesproken. In den achterhoek riep er een: »Wat doet die vent met zijn pooten op onzen preekstoel?quot; een ander zelfs: xSmijt hem de kerk uit!quot;.....
Ons brak 't zweet uit, maar de vent in quaestie was de eenige, die niets hoorde. Uit den toestand van angst in dien van enthusiasme overgegaan, gesticuleerde hij steeds geweldiger. Ongelukkig rigtte hij zijne armen daarbij te veel naar den reg-terkant, waar geen koperen arm hot staketsel beveiligde. Flap! daar gaat een krachtige geste midden door de lange vier, die op Ploegstaart's pot te regt komt. 't Waren nog de oude en echte vetkaarsen, met een' snuiter voor den spreker er naast; dito machines gingen rond in de banken. Een glimmend vette hand daarboven en een bedorven hoed beneden, waren 't gevolg van die ongelukkige geste. In den achterhoek riep een spotboef: »Booltje, hou je kaars vast!quot; Een ander: »Veeg je vette vingers toch af, nieuwerwctsche dominé!quot;
De nu half verlichte spreker verdubbelde zijne inspanning.
47
EEN NAITOT.
Hij moest immers voort, altijd voort, met of zonder zijn gehoor. Juist is hij aan een treffende passage en galmt uit; »Ook de mindere man van onzen tijd, gevormd door het verbeterd volksonderwijs, wordt door de stralen der verlichting beschenen, beschaafd in manieren, in taal en omgang.....quot;
. Maar Tadema kan 't niet langer uithouden. Hij springt op de tafel, die hij weet, dat sterk genoeg is om zoo veel achtbaarheid te dragen, en schreeuwt 't uit met een stentorstem: «Vervloekt gemeen, zoo onbeschoft als dom! zul je je moei houden of heen gaan? Jan, Arie (de beide veldwachters van Brigitta-Oord en Meppen) — Jan, Arie! arresteer terstond de belhamels; terstond zeg ik je, en nu achteruit, rakkers!quot;
De «beschaafde mindere manquot; deinst af. Do redenaar jaagt voort, als een klokje, waar de slinger is uitgevallen, en dat nu drie uren loopt in één. Gelukkig is hij er eindelijk, en klimt af. Hij wischt zicli het zweet van 't gezigt. quot;Wij geven hom zwijgend de hand, en gaan in queue, met de veldwachters voorop en de dames in ons midden, naar huis.
Naar huis gaan____ Ja! dat is gemakkelijk gezegd voor u, mijn
lezer! die oj) zijn allerergst van eene winteravond-vergadering een paar beslijkte laarzen te huis brengt of de sneeuw van de voeten schopt. Maar in een land, waar de wegen nog zoo primitief zijn, een of anderhalf uur over en door de Hei te worstelen in den nacht, daar behoort de kracht en de moed toe van een' buitenman; en dat maakt liet »naar huis gaanquot; tot een zware taak. Maar des te aangenamer is dan ook het »te huis komen.quot;
Duifhuis had uitgerekend, dat ook deze vergadering op lichte maan viel, maar vergeten, dat 't tegen 't laatste kwartier liep, en de maan eerst ten tien ure opkwam.
Toen nu te 8 ure de vertooning, die hoe langs zoo sneller ging, was afgeloopen, had niemand lust, om, tot de maan tegen
48
EEX JfASTIT.
half elf goed doorkwam, aan den Achterkant te blijven. Wij hadden er rijkelijk onze bekomst van; — onze gastheer ook.
Naar huis dus! Meester Baljon met één mijner ouderlingen, als geoefende slijktrappers, voorop; onze chirurg en mijn persoon met onze vrouwtjes daarna, en in do achterhoede onder anderen Eusters en van der Ploeg.
In den beginne ging het redelijk. Het eerste eind was een groene dijk, dat is, met gras begroeid tusschen de zes rijen hooge boomen. 't Viel ons wel niet mede in den donker, en de kluiten en graspollen, zoo wel als de wortels, die boven den grond uitstaken, gaven menigen misstap. De vrouwen vooral, die wel laarsjes aan hadden, maar altijd vrouwenlaarzen, bezeerden'zich de enkels, en volgden weldra, niet meer lagchend en spottend, maar zuchtend en steunend, de wakkere gidsen; daarbij knorrende op den armen Duifhuis, die 't tocli al kwaad genoeg had bij 't loepen, daar hij, zoo als men 't noemt, nacht blind was en dus volstrekt niets zag. Nadat hij een paar boomen vrij onzacht gekust had, nam ik hem onder den arm. quot;Want zoo er iets te zien was, zag' ik het. Mijne oogen waren jong en scherp.
Maar :t zwaarste werk kwam in het tweede half uur aan. De overmaassche en zeeuwsche polders zijn door zware dijken omgeven, die door dwarswegen met elkander in verbinding staan. Wie dus niet, meer dan een uur wilde omloopen, moest den polder dwars door. Op dien langen weg stak de grond maar even boven het water uit, en het wagenspoor was door het binnenbrengen der aardappelen geheel aan stuk gereden, vol kuilen, gaten en modderplassen. Over dag had dit ons niet gehinderd. Bij droegen wind wordt de kant hard, als 't randje van een schotel rijstenbrei. Zoo als gezegd is, wij kenden die »kant-paechies'' al, en wisten bij lederen stap hot eene been over het andere te slaan en zoo de voeten in ééne lijn te houden.
Maar toen wij den Achterkant verlaten hadden, was een fijne
4
49
T zijn gehoor, uit: «Ook de rbeterd volks-sschenen, be-
springt op de ^eel aclitbaar-orstem: »Yer-moel houden van Brigitta-ïle belhamels;
adenaar jaagt üillon, en dat dijk, en klimt i'en hem zwij-shters voorop
E voor u, mijn li-vergadering Eeeuw van de nog zoo pri-Idei te worde moed toe -aanquot; tot een het »te huis
Jng op lichte quot;wartier liep,
es zoo sneller =; maan tegen
EEN NANTJT.
motregen den wind opgevolgd. Onze gidsen hielden een oogen-blik te zamen raad. Was 't droog gebleven, dan zouden zij liet langs den kant gewaagd hebben. Plot water geeft altijd licht op. Maar nn raakte Baljon al, bij zijne eerste proefneming, met 't ééne been te water, en begreep, dat wij die minder bedreven waren, er spoedig met beide beenen in zouden liggen. Juist de harde Ideirand was 't gladste geworden.
»'t Gaet niet!quot; zeide mijn ouderling, met echt Overmaasch. flegma: »De kleêren opgestroopt, en dan midden door, vrinden! En dan één voor één. Ik ken den weg op mijn duimpje, en zal voorop gaan.quot;
Toen wij op de laatste groene zoodjes dit consult hielden, ontwaakte bij mijne Cornelia de oude spotzucht. De dames zagen er dan ook met de opgespelde rokken en japonnen gek genoeg uit. Ons heeren, gelaarsd en gespoord, viel het gemakkelijker, de broek op te stroopen, althans Eusters en mij, die een lange broek droegen. Maar toen Cornelia spotte: Kom, van der Ploeg! wil ik je ook eens opspelden?quot; keek de arme man haar vrij beteuterd aan. quot;Want zijne vrouw, die altijd en overal den dominé in hem wilde zien en laten zien, had hem niet anders willen laten uitgaan, dan met een korte broek cum an-nexis. Waartoe had zij ook anders een' dominé getrouwd?
Arme man! op den groenen dijk had ik al een paar maal gemerkt, dat hij bukte achter een' boomstam, de uitgeschoven schoenen weer goed aantrok, en dan zijn lange beenen hom dienst deden, om ons weder in te halen. Maar hoe zou 't nu gaan op den lagen weg?
Onze leidsman, met Baljon, — waarlijk hierin een praktisch man! —■ kozen de plekjes vasten grond tusschen de wagensporen , of anders ten minste de ondiepste gaten; en achter elkander als de ganzen, plasten wij hen na. 't Was of ;de weg, boos over ons waagstuk, ons bij de beenen vast hield, zoodat wij letterlijk
50
EEN NAJNTJT.
met al onze Icraclit moesten trekken, tot ze met een »patscli!quot; vrij kwamen, en 't slijk rondom zich spatten, om er bij een' volgenden stap weer even diep in te zinken.
Het duurde dan ook niet lang, of ik hoorde een benaamvde, maar nog altijd even deftige stem achter mij: «Collega! kan men niet even ophouden? Ik zit vast.quot; — «Kom, van der Ploeg!quot;
was mijn antwoord..... Want stilstaan was in zulk een geval het
ergste. Ik heb eens mijne vrouw met stompen en stooten, in werkelijk levensgevaar, opgejaagd; even als Xenophon zijne 10.000 in de sneeuw»Kom, van der Ploeg! Cour aye maai', en ruk je los; over een kwartier is 't ergste geleden.quot; —■ »l[aar mijn schoenen , mijn nieuwe schoenen! Ik durf zoo niet te huis komen!quot; — Ik verzocht de ijverige voormannen, die even voorzigtig als rustig aanstapten , een oogenblik halt te honden. De arme kerel stond, na eenige vergeefsche pogingen om zijne schoenen er uit te trekken, in hopelooze onderwerping stokstijf op de eigen plaats. Cornelia en haar vriendin vonden, dat hij er wel zoo kon blijven staan, tot de maan opkwam. Maar ik maakte mij werkelijk ongerust, dat hij van vermoeijenis en kou zou bezwijken, en dan in de klei een te zacht rustbed vinden. »Kom, kerel!quot; riep ik hem toe, want hij was te ver achteruit geraakt, om tot hom terug-te keeren; »Fiksch maar de beenen er uit, en de schoenen in de hand. Een paar vuile kousen is 't al. We zullen zoo lang wachten.quot; Zoo gezegd, zoo gedaan. En een oogenblik later waggelde van der Ploeg, nog onvaster dan straks, achter ons voort, elk zijner handen in een beslijkte schoen.
Niemand had in dat oogenblik lust om te praten. Door de duisternis geoefend, zochten onze oogou iedere waadbare plek en elk duimpje vasten grond op. Wij waagden 't zelfs met het eene been op de kantpaechie. Jlaar daar hoorde ik weer een' droeven uitroep achter mij: »Nu kan ik in 't geheel niet meer voort, Collega. Er sleept geloof ik een tak of hout achter mij. O wee!
51
EEN NANTjT.
ik val om. Collega, help!quot; Op dat hulpgeroep rukte Eusters, de sterkste van ons, zich uit de file los, en stapte met kracht door de diepte, om den drenkeling te redden. Maar 't was zoo erg niet. 't quot;Waren eenvoudig de zwarte kousen, die de gespen niet langer konden houden, en die nu, als twee zware vetlappen, bij iederen stap hem nasleepten en 't gaan bijna onmogelijk maakten. Rustors hielp hem, om ze verder uit te trekken en over de armen te hangen, die al door de schoenen bezwaard waren. Toen een weinig later de witte onderkousen denzelfden weg opgingen, schaamde hij zich, op nieuw hulp te vragen, en deed 't zelf. En zoo betraden wij eindelijk, — ja wel eindelijk! — de weinig minder beslijkte dorpsstraat, met in ons midden van der Ploeg, de armen regt uitgestrekt en elk met twee kousen en een schoen beladen; en onder de korte broek bloote beenen, bijna even zwart als of de kousen er nog om heen zaten.
Na kort overleg zonden wij onzen tuinman, om jufvrouw van der Ploeg gerust te stellen en andere schoenen en kousen te halen, en hielden dien nacht beide collega's te gast. En toen nu allen rondom een knappend vuurtje zaten en een glas punch dronken, zeide Cornelia; »Ziet ge niet, man! dat Duifhuis gelijk heeft? Zulk een Nut brengt de dorpsmenschen tot elkander, en dat is vooreerst al nut genoeg. Mijne veters zijn gebarsten, en er zit ook een laarsje van mij in de slijk; oude laarsjes gelukkig. Gij moet het maar eens laten omroepen. Maar ik verzeker u , dat ik van de voorspoedigste reizen in mijn leven nooit zoo veel napret zal gehad hebben. Is 't niet, van der Ploeg?quot;
Collega zuchtte en zeide niets. ïe beleefd om dames tegen te spreken, kon hij niet toestemmen, eer hij wist, hoe de bui thuis zou afloopen. Waarom had hij ook niet op de maan gewacht , de schoone maan van Bellamy, — de vriendin der geliefden en van onervaren wandelaars in de slijk?
52
19 December 1870.
EEN EEFHUIS.
Ik quot;wandelde op den Vijverberg en het was naclit. Zelfs de verdachte gedaanten, die vroeger in den avond soms van achter een' boom uitschieten, of ginds aan het eind van den korten Vijverberg hare geheimen aan het beeld van quot;Willem don Zwijger toevertrouwen, waren verdwenen; verdwenen als de spin, die in een' verborgen' hoek van hare webbe de gevangen vlieg on-meêdoogend pooten en vleugels uitrukt!
Hoe schoon was die nachtelijke stilte! Hoe plegtig dat maanlicht, dat weerkaatste op de opgezette vleugels dor slapende zwanen en op het lieve eilandje , waarna het vergeefs zich poogde te spiegelen in de verweerde en gebroken ruiten van het toen nog zoo vervallen binnenhof!
Maar vóór ik aan het eilandje kwam, stond ik stil, om eene kennis op te zoeken, met wie ik alleen in den nacht vrij uit spreken kon. Ik kende den boom, waarachter zij mij wachtte aan de overzijde van het water. Toch had zij niets gemeen met hare onreine zusters onder do mcnschen; — zij, de onsterfelijke Echo, de Nymphe plaintive.
't quot;Was zeker een gril van mijne nachtelijke phantasie, dat ik weten wilde, wat zij antwoorden zou op het grafschrift — is 't niet van Gellert? — »Hij leefde, nam eene vrouw en stierf.quot; Ik riep dan »Leven!quot; en do echo antwoordde duidelijk »Even
EEN ERFHUIS.
»TrouAvenquot; en zij antwoordde «Rouwen»Stervenquot; en zij zeide »Erven.quot; •— Ik stond daar nog een oogenblik te staren, als of zóó de droeve nymph mij verschijnen zou. Toen ging ik verder, zoo als vader Tollens zou gezegd liebben, »in diep gepeins verward.quot;
»Leven — Even!quot; — Och, 't is zulk een oud beeld, dat men het naauwelijks meer gebruiken durft: het leven een droom! of met Jakobus: „eene (lamp, die coor een loeinig iijds gezien icordt, en daarna verdwijnt.quot; En toch is het eene waarheid, die gedurig op nieuw zich onwederstaanbaar aan ons opdringt: 't is maar even, dat wij leven; veel te kort voor onze einde-looze plannen: — of heb ik zelf er nog niet voor drie men-schenlevens in voorraad? — Wij komen even kijken, hoe 't in de wereld gaat, en wat wij er al zoo kunnen uitvoeren. En ■wanneer wij er ons een weinig in te huis beginnen te voelen, dan bemerken wij met schrik, dat wij reeds behooren, zoo als de Prediker het noemt, tot het geslacht dat gaat, en met onze tijdgenooten verdrongen worden door het geslachte dat komt.
«Trouwen — Eouwen!quot; Of is niet de hoogste wensch van ons leven de bron onzer diepste smart? quot;Want wordt ons huis met bloemen getooid, ze zijn de voorboden van het rouwfloers, waarmee het eens zal omhangen zijn. En worden die bloemen met zilver, en vooral wanneer ze met goud gekroond worden, daarin ligt de profetie verscholen: »De tijd is nabij, waarop de trouw in rouw zal over gaan.quot;
»Sterven — Erven.quot; De verhevensto en meest tragische
poëzij, overgaande in liet meest naakte en kille proza____ Hoe
kwam het, dat terwijl de beide andere beelden als verdampten in de stille nachtlucht, dit laatste al meer en meer eene gedaante aannam, en daar weldra zigtbaar en tastbaar vóór mij stond? Eerst langzamerhand traden die beelden te voorschijn uit den nachtelijken nevel, terwijl de maan achter de wolken school,
56
EEN ERFHUIS.
als wilde zij zeggen: »Ik breng kalmte en vrede, ook in den nacht; maar van de aarde stijgen dampen, dio mijn licht benevelen.quot;..... Maar hoe donkerder het werd, te duidelijker zag
ik dat gewoel in het Sterfhuis, zoo dra het een Erfhuis
wordt..... Ik kan alleen vertellen, wat ik zie en niet vóór ik
't zie. Spoedig dan nu ook de schrijfstift opgevat, eer die vlugtige phantasie-beelden mij ontsnappen. En die dan nu in mijne potloodschetsen belang stolt, hij hoore en zie als ik, en doe er zijn voordeel mee, eer ook voor hem van het groote raadselwoord, het vraagteeken aan het eind des levens, zich de eerste twee letters afscheiden en Sterven wordt:
St! Erven.quot;
quot;Wij zijn weder op den Yijverberg, maar het is nu dag. Toch heerscht er zekere plegtige stilte. De paarden van de talrijke equipages der hofstad vertragen hunnen draf, en de raderen ratelen niet over de straatsteenen, die dik met stroo en zand zijn belegd.
quot;Wel is 't vrijdag, de dag waarop van oirds her afzigtelijke blinden hunne belasting van de zienden heffen, en schorre draaiorgels ons gehoorvlies op de proef stellen. Maar aan beide einden van den Vijverberg heft een agent zijn' stok hoog op, als zulk een pseudo-straatmuzijkant, die zelf alleen de muzijk der centen in zijn bakje verstaat, dreigend nadert. En wanneer de brutale jongen of meid, die de blinden leidt, aan dat hooge huis, het middelpunt van den stroo- en zandweg, zal aanbellen, wijst dezelfde stok hem of haar een huis verder.
En wie er, met het Bulletin op de huisdeur niet tevreden,
57
EEX ERFHUIS.
aausclielt, zijn trekken -wordt slechts door een dof geknars en gejengel van binnen beantwoord; want de bel is omwonden. En wanneer de deur eindelijk voorzigtig open gaat, als of men voor verraad vreesde, schijnt wel de tong van den ouden knecht ook omwonden te zijn, en hij deelt u fluisterend, als of 't een groot geheim was, mede, dat »'t niet al te best gaat met mijnheer, en de dokter er al voor de derde maal is van daag.quot;
Maar op eens gaat, tot zijn' grooten schrik, de deur der achterkamer wijd open, en stapt de dokter, zonder zich in 't minst te ontzien, den ouden trouwen Heinrich voorbij, terwijl eene snerpende stem hem naar achteren roept. De oude man staat versteld. Drie maanden lang heeft hij dien weerklank van voetstappen in den hollen gang en die luide stem der huishoudster niet gehoord. Zij moet zelve vóór komen, om hem uit den droom te schudden, waaruit hij ontwaakt met den uitroep: »0 God! is mijnheer dood?quot;
Maar de huishoudster laat hem geen' tijd voor zulk eene ontijdige droefheid. quot;Wanneer die te pas komt, zal wel nader geannonceerd worden, en dan zal zij ook weenen. Nu moet eerst het Bulletin van «Zorgelijke toestand, zonder noodzaak niet te bellen,quot; worden weg genomen, schoon de vier ouweltjes op de voordeur er nog eene treurige herinnering van bewaren. Daarna moet alle man aan het werk, om de gordijnen af te nemen en de blinden te sluiten. Of liever niet »alle man,quot; maar »alle vrouw,quot; en de luidruchtigheid waarmeê dit gedaan wordt, getuigt van het onnatuurlijk harnas, dat nu gebarsten is. Heinrich alléén, misschien omdat hij de oudste bediende is en zelf 't naast bij den dood, bewaart de plegtige stilte van het sterfhuis, ook op weg naar den Notaris.
quot;Want de huishoudster behoefde hem eigenlijk niet te herhalen, wat zijn heer hem honderd maal gezegd heeft; dat deze terstond moet gehaald worden, als de adem er uit is. En do adem is
58
EEJT ERFHUIS.
er uit. Welk eene magt heeft zulk een onzigtbare en bijna onmerkbare laatste ademtogt!
Daar wandelen twee heertjes den Vijverberg langs. De een is jongste klerk op een Ministerie, en kan daardoor nu zelf zijne sigaren en handschoenen betalen. De ander bekleedt sinds lang de waardigheid van sollicitant, dat eene uitstekende gymnastiek is voor de spieren van den rug.
Zij staan stil, en kijken op. »Hé! zie eens, Albert, die oude Nabob heeft 't ook al afgelegd.quot; — »'k Wou dat hij mij maar in zijn testament gezet had,quot; antwoordt de ambtenaar. — «Neen!quot; zegt de ander: »Maar ik wou liever, dat de dokter hem nog wat aan de praat had gehouden; want hij was oud-minister, zooals je weet____ Alles loopt mij ook tegen. Je moet maar voor
't ongeluk geboren zijn! Die had mij met een enkel woord kunnen helpen, en nu is 't uit. Ik kan mijn' kostbaren brief verscheuren. Net als de rest, wordt hij straks ook weg gedragen voor oud vuil.....Een sigaar, Albert? 't Zijn goede____quot;
»Yoor oud vuil.quot; Gij merkt, dat wij met een' cynisch wijsgeer te doen hebben, voor wien de spreuk geldt: „Beter een levende hond, dan een doode leeuw.quot;
En de notaris kwam. Een sterfhuis was zoo zijn gewone werkplaats, vooral wanneer liet tevens een rijk erfhuis was. Daarom liet hij er ook nooit een' traan achter, even min als de dood kistenmaker zijn werk, of de bedienaar der begrafenissen zijn lamfer en lijkkleed met dat zilte vocht besproeijen zal. Zijn gevoel was geheel opgegaan in dat plegtig decorum, dat wet en goede^ zeden voorschrijven, en dat toch ook zijne waarde heeft. Den dood van een oud vriend, zoo als hem de Baron van Sinzema sedert bijna een halve eeuw geweest was, vernam hij geheel in dezelfde stemming als dien van ieder ander, dien hij
59
EEN ERFHUIS.
bediende. En zoo zijne grijze haren en de graven zijner tijd-genooten hem soms herinnerden, dat ook zijne dagen geteld •waren, hot was alleen om te zorgen, dat hij zijne zaken in de volmaaktste orde achterliet. Want hij had het goed, de Notaris Alsing, en zat er warmpjes in. Zoo hij nog éénen onvervulden wensch had: 't was, dat hij zijn eigen executeur mogt kunnen wezen. Maar dat kon niet. Toch heeft hij al vast wat vooruit gewerkt, en is juist bezig, om zijn prachtig stel zilver en damast tafelgoed te completeren voor de verkooping. Men moet toch niet kunnen zeggen, dat de Notaris Alsing iets dat incompleet is achterlaat!
Mejuffrouw Jenny — niemand dan het Bevolkingsregister kent verder den naam der huishoudster: — geeft op het punt van decorum hem niets toe. Zij heeft de sleutels alle van een adres voorzien, in den vorm van een smal strookje perkament , opdat ze in geen verkeerd slot te regt komen; en zonder vrouwelijke spraakzaamheid, die de plegtigheid storen zou, reikt ze die één voor één den Notaris over, met een' eigenhandigen brief van den overledene, die hem als executeur magtigt, alles te bezorgen wat de dood noodig maakt; — want hij geeft werk aan de levenden!
Do schrijfcassette wordt het eerst geopend, en nadat de Notaris gevraagd heeft: »Komt woensdag gelegen voor de begrafenis? quot;Want de familie moet nog al van ver komen,quot; begint hij, op een goedkeurend woord van de huishoudster, terstond zijne notariëele mededeeling aan de familie, die bevoegd en geroepen is, om den overledene »de laatste eer te bewijzen.quot;—-De laatste eer! als of hij nog een nageregt van eer noodig had, hij, die in zijne diplomatieke en ministeriëele loopbaan sterren, kruisen en lintjes bij menigte had opgedaan, zoo niet als erkenning van zijne verdiensten, dan als fooijen voor politieke boodschappen; tijdingen, waaraan hij part noch deel had, of wetten, die door
60
EE'Squot; ERFHUIS.
ongeridderde geleerden en ambtenaren bedacht en uitgewerkt ■waren.
»Heeft de lieer van Sinzema, dat u bekend is, ook nog eenige bijzondere bepalingen gemaakt, of wenschen geuit nopens zijne begrafenis?quot; — Deze vraag werd, toen de laatste brief was digt gelakt, op den meest officiëelen toon aan Mej. Jenny gedaan, en even zoo beantwoord met de woorden: »Niets, zoo veel ik weet, als alleen, dat Mj altijd sprak van bij zijne vrouw op Eik en Duin te rusten.quot; — «Natuurlijk, natuurlijk!quot; besloot de man der wet; »liij lieeft daar een' eigen' grafkelder.quot;
»Hij heeft;quot; dus bezit lüj toch nog iets, de doode!
Eene stille drukte vervult intusschen het sterfhuis, alleen afgebroken door eene zee van kaartjes. De groote porceleinen schotel, die op een' standaard in den gang staat, wordt er door gevuld met eene deelneming, even koud als de droefheid zelve is. Intusschen is de huishoudster overal en nergens, in gestadige zorg om toch bij de aanstaande begrafenis de eer van haar huis op te houden; — haar huis, omdat het nog het huis van 't lijk is, dat er straks heer en moester werd genoemd 1
Het is avond. De Notaris is er nog, of is er weer. De waskaarsen branden in de rijk gemeubileerde binnenkamer. Het zwarte lak is bijna opgebrand. De Notaris kijkt ernstig rond.
Tot wat overpeinzingen geeft een sterfhuis al stof!..... Bij
voorbeeld, waar op dit oogenblik 'smans gedachten over gaan: de taxatie van het meubilair, en de duur der aanstaande ver-kooping.
Helder klinkt weer de schel, van haar omwindsel verlost. Die zich laat aandienen en binnenkomt, waar Notaris en huishoudster zitten, is een man in 't zwart. De rok is niet al te kaal, en de witte das volmaakt onberispelijk. Toch is er zoo
G1
EE^ EEFIItnS.
iets aan den man, als of hij straks zijn werkpak nog aan had, en zijne tegenwoordige uitrusting voor deze plegtige gelegenheid van een' kleêrkoop heeft gehuurd. Afgepast is zijne houding, afgepast zijn stereotyp compliment, waarmee hij »de eer heeft, om de betrekkingen te condoleren met het smartelijk verhes, dat zij ondergaan hebben.quot; — Gelukkig is er hier geene weduwe met een verscheurd hart, geen kind dat jammert om een onver-getelijken vader of moeder, om zich dood te ergeren aan een' valschen schijn van medegevoel in den man, die van de dooden leeft!
Op dit pseudo-poëtisch gevoel, door een ligt hoofdknikje van de huishoudster pro forma beantwoord, volgt dan ook een zeer prozaïsche handel, waarbij het den man volstrekt niet meevalt, dat hij niet te doen heeft met genoemde «betrekkingen,quot; maar met een' Notaris, die doorkneed is in 't vak. quot;Want hij kent den hyéna-aard van de mannen, die op lijken azen, (de goeden niet te na gesproken!) maar ook de lafheid der hyena's, waar zij niet met lijken, maar met levenden te doen hebben, levenden, die nog niets geleden hebben door de verschrikkingen van het graf.
Zoo als twee Joden, naar de oude spreuk, wel weten wat één bril kost, zoo bespreken die mannen de deftige begrafenis, maar waarbij het toch niet noodig is, die deftigheid te doen dienen tot een voorwendsel voor de schandelijkste afzetterij. Alles wordt besproken, tot de handschoenen toe, die al tien maal verkocht en betaald, maar nooit geleverd, alleen geleend zijn. De man in 't zwart gaat maar half voldaan naar huis. De huishoudster, wier principe is, dat men in een sterfhuis ieder moet te vriend houden, laat hem zelve uit.
Er wordt nog eens heel voorzigtig gebold, 't Is om de werkmeid te spreken, eene kloeke Geldersche deern met handen aan 't lijf. De bezoeker schijnt wel een timmermansknecht. Komt hij de maat van de kist nemen? Maar dan zou hij naar de meid
62
EEN ERFHUIS.
niet vragen. Hot raadsel lost zich opoeclig op. Er wordt gefluisterd aan de deur van hot onderhuis: »Zou je mij niet een draagplaats kunnen bezorgen, Mie?quot; — »Ik weet niet,quot; is 't antwoord; »maar ik geloof het wel. Ik zal er juffrouw Jenny eens over spreken; die mag u toch nog al lijden, omdat ge 't niet al te lastig maakt.quot;
De brave jongen frommelt zijn pet zoo wat in de hand; hij heeft nog meer te vragen, maar hot wil er niet uit. Eindelijk heeft hij er toch den regten vorm voor gevonden, en fluistert aarzelend; »Zul je nu nog naar een andere dienst uitzien, Mie?quot; — Maar Mie is zoo verlegen met de zaak niet en antwoordt; »Dat zal er van afhangen. Jan! of de oude heer mij genoeg bedacht heeft, om er ons huishouden van op te zotten. Daar is niets van uitgelekt in 't onderhuis, en ik durf er niet naar vragen.quot;
De gedachte aan een goed uitzet en een spoedig huwelijk maakt Jan zoo opgeruimd, dat, als hij dit wat al te hartelijk en luidruchtig toont. Mie hem de deur van 't onderhuis uitschuift, met de stichtelijke opmerking: »Denk dat er een dooije in huis is, Jan!quot; — Toch wischt ze met haar voorschoot, zoodra hij weg is, niet hare oogen, maar haar mond af.
Dieper in het onderhuis zitten de twee oude kostumieren der huishouding, keukenmeid en huisknecht, in vertrouwelijk gesprek. Heinrich wischt een' traan af, de trouwe ziel; en vertelt nog eens, en voor de honderdste maal, hoe de Baron, toen nog Jonker, hem voor een halve eeuw in een Zwitsersch hotel vond en mode nam; en wat hij al beleefd heeft in die jaren. En de keukenmeid antwoordt op hare eigenaardige hartelijke manier: »Ja! 't was een goed heer, een regt goed heer ook. Maar aan 't eten moest niets mankeeren. Daar was hij kreen op, den oudste. Mevrouw zaliger was gemakkelijker te bedienen. Dat verzeker ik je.quot;
Beiden drinken hun kopje uit, en Heinrich zucht. Hij leeft
63
EEN ERFHUIS.
nog zoo geheel in het verlëdene, en kan zich maar in het heden van een sterfhuis niet verplaatsen, terwijl de vrouwelijke vlugheid daar tegenover hem de toekomst al vooruit loopt.
»En wat denk jij nou te beginnen, Heinrich?quot; — De aangesprokene kijkt zoo verwonderd op, als of het al bepaald was, dat hij woensdag mee zou begraven worden, en nu eene onwelluidende stem hem nog eens in 't leven terug riep.
»Ik? ik weet 't niet. De oude heer heeft mij in vertrouwen gezegd, dat hij mij goed bedacht had, en u ook. Is dat genoeg, dan ga ik stilletjes in een kosthuis. Ik deug tocli nergens meer voor. Ik moet maar uitslijten zoo lang God wil.quot;
»AVel, ik ben nog wel tien jaren jonger, maar 't dienen staat mij toch ook niet meer aan. Ik zou er veel meer schik in hebben om een kook- en kosthuis op te zetten, met een open tafel bij voorbeeld voor de groote jongelui.quot;
»En zoudt ge mij ook in den kost willen hebben?quot; vraagt Heinrich met zijn goedmoedig Duitsch accent.
»Dat is te zeggen, als 't geen kwaad oog gaf voor de wereld,
of____quot; Heinrich wacht lang naar dit öf en staart de spreekster
van onder zijne grijze wenkbraauwen onbeweeglijk aan, tot ze moed vat en zegt: »of we moesten trouwen.quot;
Heinrich ziet verbluft op van deze deklaratie. Aan trouwen heeft hij nooit gedacht, als voor vijftig jaar, in 't Zwitsersch hotel; maar toen was zijn lief meiske gestorven, en hij daarom te williger met Jonker van Sinzema meegegaan. En dat meegaan was voor den trouwen Zwitser een overgeven van ziel en ligchaam aan 't adellijk huis, een vrijwillig lijfeigenschap, dat van zelf alle huwelijksplannen uitsloot.
»quot;Wel heere mijn tijd!quot; bromde de oude keukenmeid, toen Heinrich, zonder één woord te spreken weg ging en op den drempel nog een' traan afwischte: gt;AVel heere mijn tijd!quot; en bij dien dubbelen bastaardvloek zette zij haar handen in de zij:
C4:
EEN ERFHUIS.
»Kijk me zoo'n ouden snorrebaard. eens! Ik zei dat daar maar zoo langs mijn' neus weg, zonder 't te meenen; en als of 't een affront was voor zijn mooije liverei, stapt de oude mof op eens mijn keuken uit.quot;
De naam „(«o/quot;quot; was altijd bij de keukenprinses eene expressie van hevigen toorn. Tocli durf ik niet zeggen, dat er niet eens eene hartelijke verzoening zal plaats hebben, waarbij het blijkt, wat zij meent, en waar hij nog voor deugt. Want alléén is hij niets, maar als hij zoo goed als de keuken uit 't huis, uit zijn huis kan meê nemen, en daar aan 't hoofd staan... 't Klinkt hem nu nog te vreemd; maar vergeten doet hij 't daarom niet, en — zóó onverzoenlijk is zij ook niet.
De nacht valt. De Engel des doods zetelt aan den voet dier rijke sponde. Maar vergeefs sluit hij de vensters, om straks 't zonlicht af te weren, en heft den schepter op bij het minste gedruisch; — vergeefs! want door honderd reten dringt weer het leven binnen, het leven met zijne polypcn-armon, die rondom zich grijpen naar alle kanten; het leven, dat straks weêr uitbarst en woelt en strijdt om don buit, dien de dood niet kan mede nemen, terwijl 't hem alleen het stof gunt, dat wederkeert tot stof!.....
En niemand, niemand dan de oude Heinrich misschien, hoort daarbij de stem van dat zwijgend lijk: Heden ik en morgen
Het is Dingsdag-avond. Tijdig is er weêr de Notaris-executeur. Jufvrouw Jenny wischt zich 't zweet van haar voorhoofd. Gelukkig dat 't niet alle week voorkomt, zulk eene begrafenis! Zij is 't ook zoo heel anders gewend bij den Baron, die sedert
5
65
EEN EErirUIS.
den dood zijner vrouw nooit meer partijen gaf; — anders nooit meer, en nu voor 't laatst!
»Is de familie er allemaal, Jufvrouw?quot;
»Ja wel, mijnheer de notaris. Allen present in do groote achterkamer.'' — En zij veegt nog eens liet zweet van 't voorhoofd, de eenige plaats, die bij de bedaagde jonge jufvrouw voor de afscheiding van dit vocht schijnt bestemd te zijn.
quot;Wij gaan den gang door en do binnenkamer voorbij, waarvan de sleutel in het mandje van Jufvrouw Jenny zorgvuldig bewaard wordt. Al de andere kamers staan open. De groote achterkamer is rijk verlicht.
Aan de eene zijde der tafel zit hier de adellijke familie; aan de andere de bourgeoisie. De wortel dezer scherpe tegenstelling, die nog al sterk in 't oog valt, is eene onherstelbare mesalliance. quot;Want de overledene heeft de dwaasheid gehad van te verlieven op een beeldschoon boerinnetje. En schoon zij hem nooit kinderen schonk, hoeft hij er dertig jaren lang hoogst gelukkig mee geleefd; — tot groote ergernis natuurlijk van al zijne verwanten en vrienden, die gemakkelijker, ja! veel en oneindig gemakkelijker een dozijn onwettige liaisons van dien aard hem zouden vergeven hebben, — als die vergeving eens noodig ware! — dan ééne waarop de wet haar zegel zette. Maar nu 't eenmaal zoo is, helaas! nu moeten zij ook wel het lagerhuis tot deze gecombineerde vergadering toelaten.
Er wordt gebold. Er wordt geschuifeld. Jufvrouw Jenny loopt af en aan, eü fluistert eindelijk den Notaris wat in 't oor, die daarna op solemnélen toon zegt: »Als de familie bij het sluiten der kist wil tegenwoordig zijn, zal ik zoo vrij zijn haar voor te gaan.quot;
Eene goede gelegenheid voor ons, om gezegde familie eens te monsteren.
N°. 1 is een jongere Baron van Sinzema, met den bijnaam van
66
EEN ERFHUIS.
»tot den Uithoorn,quot; een krasse zestiger, die nog volstrekt geen plan lieeft, om liet in de eerste 25 jaren zijn' ouderen broeder na te doen. Hij is scliatrijlc en heeft vrouw noch kinderen; maar zwaait den scheptor van zijn testament, dat hij ieder jaar een paar malen verandert, over een heirleger van neven en nichten, die bij zijn leven liet voorregt hebben om hem allerlei attenties te bewijzen en kleine presenten te doen, zonder die te ontvangen..... Kleine loten in de loterij van den dood, — voorwaar geene loterij zonder nieten!
In het tweede gelid volgt Jonkheer van Dieveren en echtgenoot. Zij is eene zuster van den overledene; maar het huwelijk met een' armen Jonker en het voorregt van hem negen kinderen te schenken, heeft haar vrij wat doen afdalen van de weelde, waarin zij is opgevoed, 't Schijnt echter een gelukkig paar. Eimpols en grijze haren hebben zij zamon gemeen, maar ook den goedwilligen trek der innige liefde, en den lach der zaligste oudervreugde.
Hot eerste was tot voor weinige jaren ook het geval met die andere zuster, de Douarière van Hobbinga, behalve dat zij veel meer tranen heeft geweend: tranen over do dooden en tranen over de levenden. Niet dan met de grootste spaarzaamheid kan zij nog eenigzins haar stand ophouden. De bijzonderheden hiervan zou haar oudste zoon u beter kunnen vertellen, die blonde Jonker, al draagt zijn keurig toilet van hare armoede geen spoor.
Maar daaromtrent moet ik u eene kleine inlichting geven. Wijlen Jonkheer van Hobbinga was een pür sang liberaal. De overleden Baron haatte natuurlijk dit geslachte met een' geweldigen haat. En dit heeft eene zóó groote verwijdering gegeven, dat zelfs de weduwe haar eigen broeder haren nood nooit durfde klagen, om niet een' stroom van verwenschingen over de dwaze ondernemingen en oproerige beginselen van haar man, dien zij toch zoo innig lief had, ten antwoord te krijgen.
67
EEX ERFHUIS.
Maar wat den blonden Jonker betreft, deze lieeft genoeg Haag-sclie lucht ingeademd, sedert lüj klerk bij Buitenlandsche Zaken is, om voor perfekt royalist en zelfs anti-revolutionair te kunnen doorgaan; quot;waarom dan ook de oud-minister, al luidden de rapporten van 't ministerie niet altijd zoo gunstig, hem het best van zijne geheele familie lijden mogt.
Zie zoo! dat is met den adellijken tak der fiimilie afgerekend. Met de bourgeoisie zijn wij spoediger klaar. Zij wordt hier vertegenwoordigd door twee zwagers uit den achterhoek, waarvan de een Pietersen heet en de ander Jansen; dus beiden uit de primaire formatie van namen. Want in vroeger' tijd was altijd de zoon van Pieter Jansen Jan Pietersen geweest, en vice-ver sa, tot in het tiende en twintigste gelid. Maar toen was de C o r-sikaansche dwingeland — anders noemde de overledene hem nooit — gekomen, en had onder 't goede dat er toch ook van hem overbleef, hier een volk met familie-namen achter gelaten. Als of er het onweer in geslagen was, was de actueele Jansen met geheel zijn nageslacht Jansen gebleven, en ook de tijdelijke Pieter sens waren versteend. En zoo zaten dan nu hier de vertegenwoordigers van beide geslachten, met hunne respectieve echtgenooten. Dezen vormden een zonderling middelslag tusschen boerin en jufvrouw. Het eerste hadden zij aan hare afkomst te danken, en het tweede aan de parentage van hare moei, als gehuwd met een' rijken baron.
En had Pietersen, zelf rijk en zonder kinderen, den tijd gehad om op de schatten van tante te wachten, — Jansen, vader van een talrijk gezin en door de veepest verarmd, had er al vrij wat op geanticipeerd. Maar aan kleeding en voorkomen is geen verschil te zien, ten minste bij deze jrtegtige gelegenheid. Voor ons, stadsmonschen, mogt men de buitenlui, mitsgaders hunne koebeesten en zoo voorts, wel nommeren, om ze uit elkander te houden; vooral in het achterland.
68
EEN ERFHTIS.
Jufvrouw Jenny zoekt, met al de plegtigheid eener ontzegeling , den sleutel van de binnenkamer; en nu eerst zien wij, dat er ook een ander corps gereed staat in te rukken. Het zijn twee bedienaars ter begrafenis in plegtgewaad, met mantel en bef, geadsisteerd door twee timmermansknechts in gewoon tenü. Zij scharen zich rondom de kist, die daar, op schragen gezet en met het groote zwarte kleed bedekt, het pièce de milieu der kamer uitmaakt. De waskaarsen op de lusters aan den schoorsteen verspreiden er haar schemerlicht over uit; want de gaskroon te ontsteken zou tegen het decorum strijden.
Nadat de automaten zich aan de vier slippen van het kleed geplaatst hebben, neemt de familie van den baron aan het hoofdeinde hare plaats in, en aan het voeteneinde die van wijlen de barones. De dames zijn van eau de Cologne voorzien, de boerinnen niet.
De oudste groefbidder opent de vergadering met een echt Haagsch dialekt, en vertelt, dat 't hoog noodig wordt, de kist te sluiten. Dit blijkt ook al uit de benaauwde lucht, die alle praeservatieven der huishoudster niet uit de kamer konden verbannen; en 't blijkt nog meer, als op het kommando: »Toe mannen!quot; het kleed opgeheven wordt en op zij gelegd.
Hierop rijst de toon van den spreker weer tot al de plegtigheid van zijn ambt, en terwijl hij zegt; »Als de betrekkingen den overledene nog eens willen zien!'' trekken de twee ongekleede automaten het deksel zoo ver terug, dat de doode er uit kijkt,— als hij nog kijken kon! — Eerbied voor den dood, en geene spotachtige vergelijkingen bij die verschijning van een dood hoofd op 't satijnen kussen.
Geduldig wachten de automaten, en zouden nog een uur gewacht hebben, elk met de forsche hand om een' hoek van het deksel, tot een oogwenk van den president dezer vergadering hen weer in beweging brengen zal. De levende Baron wendt
69
EEN ERFHUIS.
na een' vlugtigen blik liet hoofd af. Do Jonkheer en zijne vrouw wisschen een' traan uit 't oog. De miskende Douarière legt snikkend de hand op 't lijk, en kust het koude voorhoofd. Do Jonker speelt met zijn lorgnet. Jansen fluistert Pietersen toe: Wel weersem, zuiveren schroeven en hengsels!quot; De huishoudster weent. Zij heeft die tranen wijselijk voor dit plegtig oogenblik bespaard, maar houdt er nog wat over voor morgen.
Maar daar ginds in de deur, daar staat de oude Heinrich op zijne teenen en schreit als een kind; en de keukenmeid, die hij weer gevoelig de hand drukt, wischt met het bovenvlak der andere hand een' traan uit de oogen, die anders al lang door 't gloeijend keukenvuur zijn opgedroogd...
De familie vertrekt. De huishoudster blijft ex officio. De timmermansknechts beginnen, onder het commando van de dienaren des doods, hun gewigtig werk, een' duren post op de lange rekening: het toedraaijen van een dozijn sierlijke zilveren schroeven. Maar als zij juist aan den eersten zullen beginnen, na de prachtige doos te hebben digt geschoven, daar rukken de oude getrouwen naar binnen. Heinrich voorop, die spreekt: »Ooh! laat mij hem nog eens, nog eens maar zien!quot; — De president is die aandoening gewoon, en ook gewoon ze te eerbiedigen, zonder er ooit in te deelen. Hij houdt dus de hand van den schroeven-draaijer tegen; het deksel wordt opgeschoven; de trouwe hand streelt nog eens het kille lijk. Half bezwijmd moet hij op zijne oude vriendin leunen bij 't weg gaan.
De mannen gaan aan 't werk. Een ligte arbeid, eigenlijk meer eene belasting op den dood. Nadat die is afgeloopen, wordt de wijnflesch ontkurkt, die hier den gewonen jenever vervangt. De glaasjes worden op de kist gezet. De gezellen leêgen die twee, drie maal en nog eens in éénen teug, schoon ze nog liever een paar borrels hadden. Maar de confraters slurpen den
70
EEN EKFHTJIS.
■wijn als kenners naar binnen, en drinken op eikaars gezond-lieid... Leven en gezondheid, toegcwensclit dwars over een lijk!...
De liuishoudster staat er bij, en ziet en hoort liet aan, maar zij lacht niet mee, als do jongste confrater een' groven kwinkslag over de doodkist heen werpt. Hoewel ze alles ex officio even onberispelijk doet, zelfs liet ontkurken van de tweede flescli, zou 't haar nu toch haast te veel worden. Want onder het offlciëele harnas van hare betrekking klopt nog een hart, een vrouwenhart, en 't is geen offlciëele traan meer, waarmee zij den sleutel besproeit bij 't weg bergen, nadat zij de kaarsen uitgebluscht, llesschcn en glazen weg geruimd en de deur weer gesloten heeft.
Yoór het weg gaan hebben de vier mannen nog eens hun ge-zigt in de plooi gezet, om het breede rouwkleed over de kist te leggen. Maar de ware stemming van don jongstenconfrater, die in den morgen al een notificatie had, en in den vooravond eene andere kist toe schroefde, breekt toch nog even door de wolken, als hij 't aardige linnenmeisje bij het uitlaten onder de kin strijkt en zij hem afweert met een' gesmoorden gil.
71
Engel des doods! nog zetelt gij wel op die kostbare kist, opgesierd om in uwe groeve te verrotten; maar daar in 't rond bespotten u de levenden, en dagen u uit, en sluiten u op in eene digt gesloten kamer. Nog één nacht is de uwe, maar morgen, morgen rukt gij uit.....
Ik zal de begrafenis maar niet beschrijven. quot;Wat zoudt gij er aan hebben? Gelukkig dat wij haar niet behoeven te betalen, en ook zóó niet behoeven begraven te worden, om zacht te rusten onder een' eenvoudigen steen, of nog liever onder de
EEN ERFHUIS.
groene zodon. Niets dat mij meer ergert, dan die koude statie en de grove afzetterij, die eeno laatste eer lieet, maar liever eene laatste schande van 't vaderlandsche familie-leven heeten mogt. De eerste Christenen schreven alleen een' naam op den steen; verder zinnebeelden van geloof en van onsterfelijkheid. De broeders, die den broeder uitdroegen, zongen een graflied, het lied der hope en des wederziens, en dan vierde men het avondmaal op den dekstoen der lijkkist, in de donkere diepte der katakomben, terwijl vijand en vervolger daar buiten op nieuwe slagtoffers loerden... Nu is er geen gevaar bij, en men zwijgt, als ware men hier alleen gekomen, om de zware zerk met het adellijk opschrift te bewonderen. Alleen daar ginds, op het vak der armen en der burgers, daar werd straks een hartelijk woord gesproken en een »Yrome, vroeg gestorven vrinden!quot; gezongen. Doch rondom den adellijken grafkelder was wel het corps diplomatique ter eere van den oud-minister vertegenwoordigd, maar het geloof en de hope hadden er geen stem; en wat in die prachtige rijtuigen gesproken werd, betrof nog wel hier en daar den doode, maar nergens den dood.....
Om de waarheid te zeggen, is de familie ook eigenlijk tot eene andere, meer interessante plegtigheid zoo voltallig bij een gekomen, eene plegtigheid, die het decorum niet toelaat, dat de prioriteit hebbe boven do begrafenis; misschien omdat anders de doode wel eens een' vloek kon mee krijgen in het graf! — Die tweede plegtigheid, waartoe op verzoek der ongeduldige erfgenamen de volgende dag werd bepaald, is de plegtige opening van het testament.
De Notaris is natuurlijk van zelf aanwezig, als voorzitter van deze vergadering. Hij leest de acte, die zoo veel vreugde of teleurstelling wekken kan, met dien eentoonigen dreun, die op
72
EEN ERFHUIS.
geen enkel woord eenigen nadruk legt, en waarbij alleen de cijfers distinctief worden uitgesproken. Verder gaat die dreun, even als een spoortrein, die eens liet station is uitgeschoten, hoe langs zoo haastiger voort. Zonder die interessante cijfers, waar ieder met ingehouden adem op wacht, zou 't een uitstekend slaapmiddel wezen.
En zoo rijden dan per spoor de namen van Kotaris en getuigen, de volkomen presentie van den patient en de herroeping van alle vroegere testamentaire bepalingen, onze ooren voorbij. Alleen de bijzonderheid, dat de testateur weduwnaar was van vrouwe Geurtje Knol, doet een paar adellijke erfgenamen nog eens den neus optrekken voor eenc zoo vreesselijke mesalliance. De twee Geldersche boeren kijken vóór zich en trachten de minst mogelijke plaats aan de tafel te beslaan; maar hunne respectieve echtgenooten, de dames Knol, steken de hoofden op, die dan ook aan goud en edelgesteente, de nek er bij gerekend, veel meer waard zijn dan die der Barones en Douarière.
De legaten worden eerst gelezen. Die aan de dienstboden zijn ruim, en de pretendent van Mie kan tevreden zijn; maar vooral geven de ƒ 5000 aan de huishoudster tot een fronsen der wenkbraauwen en zelfs een ligt hoofdschudden stof. Jufvrouw Jenny zelve beantwoordt ze met een' diepen zucht, en wijdt nog een' traan, — en een' grooten! — aan de dierbare nagedachtenis.
Maar er is niet veel tijd tot op-, aan- of bemerkingen: want nu moeten de erfgenamen volgen. Het testament heeft hier eene gemoedelijke herinnering, die anders weinig te huis is in den taaijen, notariëelen stijl. quot;Want de testateur verhaalt eerst, hoe hij, door onderling testament ten voordeele van den of de langstlevende , in 't bezit van den geheelen boedel gebleven is. Daarom wil hij, dat nu het van de legaten overblijvende kapitaal in twee gelijke helften zal worden gesplitst, voor de erfgenamen zijner vrouw en voor de zijne.
73
EEN ERFHUIS.
Weder een teeken van afkeuring op 't gelaat van den Baron van Sinzema..... De Imislioudster zucht, de boeren doen niets.
De verdeeling tussclien de twee gezusters Knol, als broers-kinderen van wijlen de baronnesse, is van zelf aangewezen.
Bij den anderen tak der familie is de zaak zoo eenvoudig niet. Wel is hun aandeel aan de nalatenschap in drieën verdeeld, maar de Douarière van Hobbinga ontvangt daarvan slechts het vruchtgebruik levenslang, nadat er eerst ƒ 3000 als buitengewoon erfdeel voor Jonker Henri zijn afgegaan. Men ziet, de arme weduwe wordt nog gestraft voor haar huwelijk met een' liberaal, en de Jonker beloond voor zijne bekeering door de Haagsche lucht.
Eene laatste bepaling houdt in, dat het geen sommige erfgenamen mogten schuldig zijn op het oogenblik van het overlijden des testateurs, terstond moet worden geconstateerd, om in mindering te strekken van hun erfdeel. Twee bewijsstukken, die hierop betrekking schijnen te hebben, liggen vóór den Notaris op tafel. Als zij, door het voorzigtig toevouwen van het testament, aan het licht komen, zucht éón der boersche erfgenamen, en de Jonker, die glimlachend met zijn lorgnet speelde, slaat er zijdelings een' blik op, waarbij zijne groenachtige katoogen glinsteren.
Na eenige oogenblikken blazens en snuitens en het afvegen van zijn' bril, als plegtig teeken van de volmaaktste neutraliteit, zegt de Notaris: »Ingevolge dit laatste codicil, heb ik hier gedeponeerd , ten einde daarvan het aanwezen te constateren: vooreerst eene schuldbekentenis van Jonker van Hobbinga, groot één duizend gulden, en in de tweede plaats eene hypothekaire inschrijving op de hoeve van den heer Pieter Jansen groot tien duizend gulden. De hier aanwezigen zullen wel tegen deze handteekeningen en de verrekening van het bedrag, naar den wil van den testateur, geen bezwaar hebben in te brengen.quot;
74
EEN ERFlrUlS.
«Wel degelijk heb ik daar tegon bezwaar,quot; sprak nu op stouten toon Jonker Henri: »ziet gij niet, mijnheer de Notaris! dat ik dit papiertje staande mijne minderjarigheid heb geteekend? Oom wist ook wel, dat 't geen' cent waard was; en heeft mij dikwijls gezegd: «Jongen! wij zullen dat ding maar stuk scheuren.quot; Ik voldoe dus aan den uitersten wil van mijn' braven oom, doorquot; — en eer iemand er aan dacht, rukte hij 't bewijsstuk den Notaris voor den neus weg, en scheurde het even haastig in vier stukken. Doch eer hij die stukken weer had opgeraapt, om ze nog verder te vernietigen, had reeds Jonkheer van Dieveren ze gegrepen en stelde ze don Notaris ter hand, die er nu die hand beter op hield, 's Mans stem verried, dat hij toch een weinig uit zijn fatsoen geraakt was, toen hij zeide: »'t Kan waar zijn, Jonker! dat deze schuldbekentenis geene waarde heeft; maar dan zal dit eerst door den regter moeten uitgemaakt worden. Uwe willekeurige handelwijze maakt de zaak niet beter. Men behoeft tocli niet te verdonkeren, wat volstrekt geene waarde heeft!quot;
»Wie spreekt hier van verdonkeren?quot; hervatte Jonker Henri: »Ik deed eenvoudig, wat mijn oom gewild had. Maar wenscht gij deze brokstukken als oen bewijs tegen mij te doen gelden voor de regtbank, wel uu! ik zal u afwachten.quot;
«Mijnheer de Notaris,quot; sprak de arme Douarière bedeesd: »miju zoon dwaalt, en is zeer onbescheiden; maar eer hij daarom voor de regtbank gedaagd wordt, zal ik liever deze ƒ 1000 betalen.quot;
»Mij onverschillig!quot; antwoordde de Notaris: »Maar laat ik u doen opmerken, dat gij slechts van een matig kapitaal vruchtgebruikster zijt, en gij van uwe intresten moeijelijk zulk eene som missen kunt.quot;
De heer Alsing had terstond weder zijnen toorn onder het Notaris-flegma bedekt, en kreeg er nu een genoegen in, den
75
EEX ERFHUIS.
weeldcrigeu en zedeloozou Jonker, al won hij er geen' cent bij, eens goed ten toon te stellen.
Maar intnssclien had de vrouw van Jonkheer van Dieveren hare nog altoos schoone oogen smeekende op haar echtgenoot geslagen, terwijl zij fluisterde: »Xoblesse ohlige.quot; Deze begreep dien wenk, legde do hand op de verscheurde schuldbekentenis en zeide: ;gt;Ik neem dit stuk in afkorting van mijn vrouws erfdeel.quot; Do Notaris reikte het hem met eene buiging over, en vroeg alleen schriftelijk recti. De baron van Sinzema klaagde met de oogen over eene zoo vreesselijke geldverkwisting van zijn' zwager. Hoe kon een vader van negen kinderen zóó onverantwoordelijk handelen!..... Maar de zaak was beslist. Er
viel dus niet meer over te praten.
Ook werd de aandacht afgetrokken door een rumoer van de overzijde. De zwagers, die sedert vijf en twintig jaren elkander altijd in 't vaarwater zaten, schenen zich nu niet langer te kunnen inhouden. Een ernstige blik van den man der wet bedwong echter beiden weder, — voor zoo lang het duurde.
»Mag ik eens vragen,quot; sprak eindelijk Pietersen, op denzelfden onverschilligen toon, waarmede hij op de markt vroeg of een paard van zessen klaar was, zonder spatten of gallon. »Mag ik eens vragen, mijnheer de Notaris, hoe het met de intrest van de hypotheek staat?quot;
Deze schijnbaar onverschillige vraag bragt den Notaris niet weinig in verlegenheid. Hij wist wel, dat eenige, ja bijna alle jaren verloopen waren zonder rentebetaling, maar hij wist ook, dat de oude man die nooit door dwang had zoeken in te vorderen, zoodat hij liever gezien had, dat alleen het kapitaal van Jansen's erfdeel ware afgetrokken. Maar 't was nu eenmaal gevraagd ; hij moest dus antwoorden. Hij zeide dan, dat naar zijne innitje convictie het invorderen van dien intrest nooit in den geest van den waardigen erflater zou gevallen zijn, en stelde dus voor,
7G
EEN ERFHUIS.
die intrestberekening maar na te laten. Doch hij rekende buiten den waard, zoo als men zegt. Er volgde dan ook een antwoord, dat gemoedelijk heeten moest, maar raauw en hatelijk klonk.
«Mijnheer! neem mij niet kwalijk, maar ik houd van de regt-vaardigheid, en wilde u alleen maar vragen: komt iemands intrest hem wettig toe of' niet?quot;
't Was moeijelijk, ook die tweede klip mis te zeilen en den armen Jansen verder te sparen; want in den wettigen vorm had de slimme boer volkomen gelijk. Alleen merkte de Notaris nog op, dat deze reclame toch slechts de vijf laatste jaren gelden kon, daar er nooit aanmaning of vervolging naar de wet had plaats gehad.
vQui se fdche a tort,quot; zegt men; omgekeerd maakt liet gevoel van ongelijk te hebben soms hevig. Zoo ging het ook Jansen, die met de vuisten op de tafel sloeg, maar niet met argumenten. Zwager redeneerde intusschen al even bedaard en lijmig voort. Maar plotseling brak hij af, zonder op een punt te wachten, toen hij een' stomp in de zij voelde, die hem deed opspringen en zijn' zwager te lijf gaan. Maar de ander was al even pootig, en gaf 't ontvangene dubbel weer. De beide vrouwen weenden, jammerden en keven. Baron en Jonkheer werden, door hunne poging om vrede te stichten, ook in den hoe langs zoo hooger loopenden twist betrokken. Den Notaris liep het al te hoog, en hij volgde het voorbeeld der voorzitters van andere achtbare vergaderingen, die zich minder achtbaar gedragen: hij zette zijn' hoed op. De Jonker alleen had er schik in, en glimlachte met zigtbare verachting.
Gaf ik een volledig verslag van deze steeds woestere zitting, ik zou het kunnen besluiten met 't gewone referein van een' Poolschen landdag, treuriger gedachtenis:
»Oncler dit helsch rumoer ging de vergadering uit een.quot;
77
EEN ERFHUIS.
De groote biljetten worden aangeplakt, en weldra zal liet zeil voor liet huis worden opgeslagen; want daar er aan geene vreedzame deeling te denken viel, hadden de erfgenamen aangedrongen op den meest mogelijken spoed, om zelve den verkoop nog bij te wonen. De boeren erfgenamen vooral, wantrouwig in de hoogste mate, hadden ieder voor zich besloten, allen goed op de handen te zien, den Notaris incluis, 't quot;Was gedurig voor hunne verbeelding, door de geldkoorts opgewonden, als of er zóó zóó een stel zilver of tafelgoed zou worden weg gegoocheld, wanneer zij er het oog niet op hielden. De kijkdag vooral hield hen in gestadige spanning. Dat ook maar ieder zoo vrij in en uit kon gaan, zonder dat zijne zakken gevisiteerd werden!
Alleen de twee adellijke dames waren vertrokken, en hadden hare belangen aan Jonkheer van Dieveren opgedragen.
Nu was dan het sterfhuis waarlijk een erfhuis geworden! Ik weet niet, hoe het elders is, maar in ons vaderland behoort zulk eene vendutie, zoo als men in onze koloniën zegt, tot de niet het minst gewilde amusementen, waarbij de laatste schaduw van den doodsengel van de woning eens rijken is geweken. Ik zie er nog altijd dien taxateur op aan, die eens —zeker als een compliment aan mijn' persoon of aan mijne pronkkamer — mij toevoegde: »Gij zoudt eens zien, als gij kwaamt te overlijden, hoe veel er nog van uw' inboedel komen zou!quot;
En dat het nu eene passie is voor taxateurs en uitdragers, om de erfhuizen te frequentéren, ik neem het die menschen even weinig kwalijk, als dat groefbidders en doodgravers over kwade tijden klagen, als er eene epidemie van gezondheid heerscht. Maar de dames, die een zoo prachtig erfhuis bezoeken, als er heden open staat, moet gij eens zien! Wat spijt het haar, als kinderen in een' snoep- of speelgoedwinkel, dat zij niet over nog veel meer geld te beschikken hebben! Dit zouden zij juist kunnen gebruiken; over dat andere hadden zij
78
EEN ERFirUIS.
al lang gedacht, en 't gindse lie meubel zou juist in hare salon passen. Er wordt gefluisterd met den taxateur; en de heeren echtgenooten en vaders, die niet zoo op hun gemak schijnen, worden gevleid en belezen. Als do spelers naar de affiches der Staatsloterij, zullen zij op den verkoopdag ongeduldig wachten op het rapport van haren commissionair____
En terwijl men den vloer bemorst, en do meubelen beduimelt, en alles met begeerige oogen om en om wendt, denkt niemand er aan, hoe voor weinige dagen en weken nog dat mollige tapijt voorzigtig betreden werd en die meubelen ontzien; hoe er eene levensgeschiedenis schuilt in al die duizend kleine en groote zaken, door vele jaren en uit alle landen bij een gebragt: — niemand!
Maar ja! één was er toch, wien die heiligschennis door het harte sneed, en wien weldra de hamer des afslagers dat hart bijna verbrijzelen zou: 't is die man met de dunne grijze haren, die daar onbewegelijk leunt tegen den post van de breede huisdeur, die hij heden voor geen' onwelkomen bezoeker sluiten mag: — 't is de oude, trouwe Heinrich.
De kijkdag is voorbij. De verwachtingen der koopers zijn hoog gespannen. De verwelooze tafel wordt op het plaveisel vóór het huis gezet, op dezelfde plaats, waar vroeger de prachtige equipage met het adellijke wapen stil stond onder het steigeren der moedige schimmels. Het vuile zeil wappert er over heen, en de grillige wind speelt met de neerhangende afgerafelde randen. Joden en uitdragers, de abonnés der vertooning, die op ongeregelde tijden steeds wordt voort gezet, nemen hunne vaste plaats op de waggelende banken in. De Notaris geeft den afslager de namen op van hen, die het laatst gekochte nog niet hebben betaald, en wien dus geen krediet, zelfs niet van een uur, mag gegeven worden.
De buitenzijde der verkooping, met het flegma der abonnés,
79
EEX ERFHUIS.
de hartstogten der andere koopers en de bedrijvigheid van mannen en vrouwen, die 't verkochte weg dragen, ziet elk voorbijganger; en de een bewondert de meubelen, de ander de onver-slijtelijke stem van den afslager, al naar men gemutst is. Maar achter de hoog opgeschoven ramen, in de kortelings nog zoo prachtige salon, zit de notaris met zijne klerken. In dit heiligdom worden alleen de regthebbenden met een' enkelen geprivi-ligeerden kooper toegelaten. Jansen en Pietersen houden er in een' ouden en smerigen almanak contraboek, terwijl de Baron en de Jonkheer tegen elkander opbieden, waarbij de laatste doorgaans bezwijken moet. Jonker van Hobbinga heeft geene betrekking op gedachtenissen uit de huishouding. Hij heeft andere plannen met zijne ƒ 3000, en heeft juist een verlof van drie weken — om familiezaken natuurlijk! — aangevraagd; maar slechts met veel moeite werd het hem verleend: want de breede schaduw van zijn' oom dekt zijne onbeduidende persoon niet meer.
De avond valt. De boelhuisvrouwen zijn moede, en nemen een snuifje. Er is werk op het Notaris-kantoor; maar het sterfhuis is nu eerst waarlijk uitgestorven. En de levenden, die er zijn iiitgegaan —
Een troep wolven verlaat hot bosch. Een hunner valt, doode-lijk getroffen. Een oogenblik schrikken de anderen; maar terstond daarop vallen zij den halfdoode aan, en vechten verwoed
om zijn lijk.....
Is er iets in den mensch van dien wolven-aard?..... Zou het
80
oude spreekwoord waarheid bevatten: Noem niemand uw' vriend, vóór gij eene erfenis met hem gedeeld hebt?
Vóór de wachtkamer der tweede klasse wandelt de Jonkheer van Dieveren op en neder, 't Is een waardig en in goeden zin echt adellijk gelaat, waar de krullende grijze haren boven het
EEN ERFHUIS.
liooge voorhoofd een sierlijke kroon op vormen. Maar de vriendelijke uitdrukking van het open oog is bewolkt, nog minder door rouw, dan door ergernis. En die uitdrukking schijnt nog somberder te worden, als hij daar Jonker van Hobbinga ziet heen sluipen, op den voet gevolgd door een beeldschoon meisje van meer dan verdacht voorkomen. Wel is haar reisgewaad modest, en hebben de trekken een' zweem van die hoo-gere beschaving, die nergens zoo tot den minderen stand afdaalt als in de hofstad; maar toch, de brutale uitdrukking der schoone oogen, het plat Haagsche dialekt, de prachtige maar overdadige ringen en zelfs de al te vrije gang waarschuwen ons, om op onze hoede te zijn, dat geen valsch goud ons voor het echte wordt in de hand gestopt. Zoo dra de Jonker plaats genomen heeft, vat zij met uitdagenden blik zijn' arm: maar geheel anders is de uitdrukking van zijn oog, als hij zijn' oom bijna rakelings voorbij gaat, en toevallig met veel belangstelling uitkijkt naar de magere vigilante-paarden aan de stadszijde van het station, om hem niet te zien.
In de wachtkamer der derde klasse zitten twee echtparen, die ook al niet bijzonder veel familiezwak toonen, en opzettelijk de twee uiterste tafeltjes schijnen gekozen te hebben, om hun «glaasje klare met suiker,quot; waar de vrouwen ook van meêproeven, er op te zetten. Onze vaderlandsche boerenstand heeft echter het voorregt, dat een diplomaat hem wel benijden mag, om onder een volkomen hartstogteloos gelaat, dat volstrekt niets uitdrukt, al zijne passies en plannen te bedekken. Ik zet 't ten minste den beste, om uit het drooge »Dag zaam!quot; dat eigen en vreemden geldt, tot eenige antipathie te besluiten.
Dat Jansen orthodox is en Pietersen zich do weelde gunt van modern te heeten, doet tot hun karakter niets toe of af. Het komt ook alleen in de kerk en kerkelijke zaken te pas. De eigenlijke grond van beider karakter is zelfzucht en hun
6
81
EEU ERFHUIS.
eenige hartstogt het geld. Eu deze passie, onverzadelijk als elke andere, wekt in den rijke hoogmoed en praal, maar inden arme nog veel meer nijd en afgunst. De aanmerkingen van vrouw Pietersen op de minste noodelooze uitgave van haren zwager, en de nijd van vrouw Jansen op den rijkdom en zelfs op de bloeijende gezondheid harer zuster, hebben bij de dames Enol reeds lang alle zusterlijke liefde verstikt.
Men versta mij echter wel, en houde deze vier beelden niet voor de onbehagelijke type van geheel den boerenstand. Er schuilt vaak ook innige vroomheid, reinheid van zeden en gezond verstand, altijd onder het zelfde voorkomen, uniform als de boerenkleeding.
De trein rijdt af. Het verschil van stand niet alleen, maar ook de onderlinge antipathie der erfgenamen heeft hen in verschillende wagens doen plaats nemen. In den achtersten waggon zit Pietersen en echtgenoot. Daarop volgt eene tweede klasse, waar de Jonker en zijne gezellin in plaats nemen. Dan eene eerste klasse met den Baron en zijne reisgenooten, terwijl digter naar de locomotief toe de Jonkheer, en nog nader de familie Jansen gezeten zijn.
Tot Utrecht gaat de reis voorspoedig, maar van hier af rijdt men door eenquot; zwaren mist heen, zoodat een weinig phantasie zich eene luchtreis door de wolken, a la Gamhetta, zou kunnen verbeelden.
Op eens doet een zware schok allen verschrikt opzien. Op een' weg, dien de spoor doorsnijdt, is een zwaar geladen boerenwagen de barrière doorgereden, die eigenlijk moest gesloten zijn, maar waarbij do wachter was ingedommeld. De locomotief, die als overwinnaar uit iederen strijd komt, dien hij niet met zijns gelijken voert, heeft den wagen verbrijzeld, den voerman over de sloot geslingerd, — gelukkig nog! — en den
82
EENquot; EEFIiriS.
opperlast als stof in den wind verstrooid. Maar daardoor is dan toch de locomotief zelf zoo met liet stroo der volle schoven omwoeld, dat de machinist een oogenblik stopt, om haar van die emballage te ontdoen, de brokstukken van den wagen weg te ruimen, en ook den armen voerman, die naauwelijks teekenen van leven geeft, terwijl zijne paarden over sloot en greppel voort hollen, op te nemen.
Intusschen is door dit oponthoud, waarvan de condukteurs aan de reizigers een geruststellend berigt geven, de tijd voorbij gegaan, waarop de trein aan het eerstvolgend station aankomen en van spoor wisselen moet.
Maar wat vliegen op eens de ontstelde condukteurs de wagens langs, en werpen zoo snel zij kunnen de portieren open, onder 't geroep: »Er uit! er uit!quot; terwijl de machinist al zijne kracht inspant, om den stilstaanden trein in beweging te brengen'? Enkelen gelukt hot uitspringen, en onder dezen den Jonkheer, die als ervaren reiziger zelf reeds 't portier heeft open gemaakt. Ook de Baron beproeft het, maar springen is zijn zaak niet meer, en terwijl hij uitstapt, wordt hij door een' geweldigen schok, waarmede juist de trein weer in beweging komt, om ver geworpen. Half bewusteloos en kermende blijft hij op de rails liggen. Zijn uéne voet steekt ongelukkig er over hoen, en wordt door de raderen verbrijzeld; maar hij voelt er niets meer van.
Ook do waggon, waarin de Jonker zit, krijgt een' geweldigen schok, die de reizigers op en door elkander werpt. Als zij zoo goed mogelijk uit het verbrijzelde portier en de ramen kruipen, — want de waggon is zijdelings omgevallen: — komen de wonden en builen aan liet licht. Do Haagsche helle hangt half buiten, half binnen, en komt er nog het beste af; maar haar beminde is onder den hoop geraakt, en door trappen en schoppen deerlijk gehavend. Het best van allen zijn Jansen en zijne vrouw er aan toe, en ook de knecht van don Baron. Zij zaten
83
EEN EKFJICIS.
in den voorsten waggon, en wel vóórin, zoodat zij alleen een paar reizigers uit den acliterkant op hun' schoot gekregen, en zich een' buil in 't achterhoofd gestooten hebben.
ilaar treuriger wordt het tooneel in de achterhoede, waar de eigenlijke aanval hoeft plaats gehad. Die aanval kwam van een' extra sneltrein, van 't naaste station juist tijdig afgezonden, om te gelijk niet, of even na dezen aan de volgende halte te zijn. Door het oponthoud heeft hij echter terrein gewonnen, en door den mist eerst zijn' voorganger in het oog gekregen, als het te laat geworden is om te stoppen. quot;Want de Remmington was nog niet uitgevonden. Zoo dra de botsing onvermijdelijk wordt, springen machinist en stoker er af, en komen behouden in de sloot te regt. Als een paard, dat den teugel onÜoopen is, rent nu de locomotief op de achterste wagens van den rustenden trein toe. Zij verbrijzelt er vijf of zes in één oogenblik, klimt stampend, hijgend, schuimend op 't puin, strooit haar vuur er over uit, en toont nog hare laatste ontzettende kracht door de overige wagens verre weg over de rails te slingeren. Door liet déral-liéren is gelukkig nog de schok gebroken en woelt de locomotief alléén nog dieper in het zand.
Maar op eens roepen de geredden: »Brand! Brand!quot; terwijl ook de kleinere sneltrein, schoon die minder geleden heeft, zijne gekwetsten ontlaadt. Daar aan geregeld blusschen niet te denken valt, haakt men de wagens af, en werpt de brandende stukken der achterhoede zoo ver mogelijk uit elkander en in de sloot. Gelukkig waren de twee achterste wagens met steenkolen geladen, dat den brand wel gevaarlijker, maar 't verhes van menschenlevens geringer maakt. De achterste waggon derde klasse is echter geheel, de twee volgende zijn half verbrijzeld. Jansen en zijne vrouw, die ook tot hulp toesnellen, zien juist de verscheurde en verminkte ledematen van zuster en zwager uit 't puin der laatste waggon halen. Jansen kan niet laten om
84
EEN EUFHÜIS.
hierbij op een' diepen preektoon te zeggen: »Wacht op het einde van 's Heeren icetjen, en gij zult zien, dat de r/ocldelooseii, hoe zij zicli ook trotschelijk verheffen, op gladde wegen gaan /quot; — Is 't niet vreemd, dat de gewijde bijbeltaal zicli zoo goed schijnt te eigenen, om hatelijkheden te zoggen ? — Ik moet echter tot eer van vrouw Jansen er bijvoegen, dat bij haar de natuur, en wel de goede natuur boven de loer ging. Zij stortte zich op quot;t misvormde lijk en kermde: »Zuster, zuster! och waarom hebben wij zóó moeten scheiden?quot; — Maar schreijen kon zij niet. Juist in die oogen zonder tranen schuilt een diep zelfverwijt!
In de voorhoede heeft intusschen Jonkheer van Dieveren, met den knecht van den Baron, dezen uit het gedrang en aan den slootkant gebragt. De gekwetste, met slootwater voor 't eerst van zijn leven rijkelijk besproeid, komt langzamerhand bij. Den knecht, niettegenstaande zijn adellijke liverei een' echten boer, viel juist op dit oogenblik één der paarden in het oog, dat aan de overzijde van de ondiepe sloot, na eerst verschrikt weg gegaloppeerd te zijn, met opgestoken ooren het vreemde schouwspel staat aan te zien. In een' oogwenk is hij de sloot over, grijpt het paard bij de manen, springt er op, en draaft naar het naaste station: want de locomotieven kunnen voor het oogenblik geen dienst doen.
Het duurt dan ook niet lang, of men komt mot draagbaar en ladders te hulp. De Jonkheer maakt zich van de beste meester, waarbij een handvol geld krachtig werkt. De oude Baron wordt er op gelegd, maar eerst nog een oogenblik rust gehouden, om hem met den in der haast door zijn' knecht medegebragten wijn te verkwikken. Toen hij de oogen opsloeg en de pijn weêr gevoelde, lag hij in de armen van van Dieveren. »Zijt gij 't, zwager?quot; vroeg hij pijnlijk: »mijn voet is geheel verbrijzeld en zal wel afgezet moeten worden. Laat mij toch niet alleen! Ik zal er uwe kinderen ruim voor bedenken.....quot;
85
EEN ERFHUIS.
Arme rijke, die in levenslust of stervensnood altijd 't eerst aan uwe schatten denkt, en of den tyran speelt, öf om vriendschap bedelt, die gij zelf niet waard zijt, altoos met liet sterke wapen van uw testameht in de hand!____
Ik kan zien, dat dit den waren edelman hindert, als deze met zekeren weerzin antwoordt: »Denk daarover later, Baron! en doe vooral onze arme zuster niet te kort. Maar nu moet gij u dood stil honden. Straks aan het station ben ik weer bij u, en dan blijf ik; maar een oogenblik moet ik ginds hulp bicden.quot; — En hij slaat 't oog op een paar aan den slootkant, waarin hij neef Henri en zijne helle herkend heeft.
Van Dieveren schuift de laatste op zij, en vraagt medelijdend: »Kan ik u ophelpen, Henri?quot; Maar pijnlijk en llaauw is het antwoord: »Ik kan niet, mijn been is gebroken.quot; De Haagsche vertoont hierbij eene uitbarsting van tooneeldroefheid; maar van Dieveren zorgt voor eene dragelijke baar, en rust niet vóór hij in het kleine stationsgebouw, waar alles in rep en roer is, zijn' neef een goede ligging bezorgd, en den geneesheer, die intusschen reeds is toegesneld, geraadpleegd heeft. Deze bevond het been niet gebroken, maar slechts zwaar gekneusd, en zelfs den Baron achtte hij onder de noodige voorzorgen vervoerbaar. De telegraaf heeft intusschen reeds een gemakkelijk rijtuig uit de naburige stad ontboden.
»En waar wilt gij nu heen, Henri?quot; vroeg de Jonkheer. Met afschuw woelde zich hierop de gekwetste uit de liefde-armen, die hem omklemden, los, greep beide handen van zijn' oom en fluisterde: »God heeft mij zwaar gestraft. Ik heb lang genoeg doorgehold. Wilt gij mij mijn laatste schurkenstreek vergeven, oom! en mij mede nemen ? Ik zal u in alles volgen voortaan.quot;
»Ik dacht het wel,quot; was 't antwoord: »ik dacht het wel, dat er een goed hart schuilde onder die wilde schors.'quot; En terstond
86
EEN ERFHUIS.
zich omwendende zeide hij koel weg; »Maar dan zal het zaak zijn, dat deze dame terstond plaats neme in één dor waggons, die straks de reizigers naar Arnhem zouden brengen. Ge kunt van daar met de spoor of stoomboot naar den Haag terug koeren. Mogt ge soms geld te kort komen, daar zal in voorzien worden.quot;
Op deze woorden was in een' oogwenk de theatrale houding vergeten, en de sentimentele stem opgegeven. Do opgeschikte dame is op eens weder eeno straatmeid geworden.
»quot;Wat?quot; Zoo schreeuwt zij, terwijl zij stampt met den voet ou de handen woest gesticuleeren: »quot;Wat? mij aan mijn lot over te laten, zoo ver van huis? Ik heb mij door dien kalen Jonker laten verleiden om eene goede positie te verlaten, en nu zou ik? Maar 't zal niet gebeuren. Mij komt do helft van ons reisgeld toe, of ik krab u, ouden grijskop! de oogenuithet
hoofd!quot;____ En toen zij nu zag, hoe kloek die grijskop daar
tegenover haar stond, viel zij op eens weer in 't sentimentele, en bezwoer haren Henri, toch niet zonder haar weg te gaan. Zij zou hem oppassen tot in den dood. En anders____
Hier volgden de toebereidselen tot oen coup de theatre, waartoe op den vloer nog net plaats genoeg was. Maar de forsche arm van den Jonkheer greep haar nog juist vóór 'tflaauw vallen, en schudde haar krachtig, terwijl hij zeide: »Als gij kunsten begint te vertoonen, Juffertje! laat ik u hier voor mirakel liggen; want mijn rijtuig staat vóór. Wees dus verstandig en neem deze twee tientjes reisgeld aan. Uwe positie in den Haag zal nog wel open staan. Maar ook geen woord méér!quot;— En zij strekte de hand naar de twee muntjes uit, terwijl de schoone oogon bliksems schoten op het offer, dat zij moest laten varen, zonder hem bijna nog eon veer te hebben uitgeplukt. En vergeefs zag zij in deze karavansera van doodolijk verschrikten en gekwetsten naar een ander offer uit!
87
EEN ERFHUIS.
Terwijl voor de gewonden alles in :t rijtuig zoo gemakkelijk mogelijk werd ingerigt, zocht van Dieveren vrouw Jansen op, wier hartstogtolijke uitval liem toch met liaar verzoend had. Zij kuste met tranen in de oogen de ringen, die zij van de doode hand had afgetrokken. Naast haar zat Jansen zelf te schrijven. Hij had daartoe pen en papier gevraagd; maar men kon zien, dat rogge maaijen hem gemakkelijker afging.
Met groote letters, die van Dieveren gemakkelijk over zijngt; schouder heen las, schreef hij:
Meneer de Notaris!
quot;We liggen hier in de station; mijn zuster en zwager dood, en wulli levendig. Nou komt de boel aan mij, zoo as je ziet. De Heer yeeft de nederig en (/ejiade. Zoodat ik maar zeggen wil, dat nou het dubbel transport van 't vaste goed kan worden uit êwonnen, en misgien ook de kolletraal.....
Maar van Dieveren hoeft genoeg gezien. Hij drukt vrouw Jansen de hand, zet de gekwetsten met den knecht in 't rijtuig, en zich zeiven naast den voerman op den bok.
De frissche Geldersche lucht speelt met zijne grijze haren, maar geen woord verhaalt, wat daaronder omgaat: gedachten, zoo weemoedig als ernstig en vroom. Beproeven wij, of wij er eenige van kunnen opvangen in de vlugt.
„7 Is (joed te gaan in H klaaghuis, heter dan in 't huis der maaltijden: ivant de levende leert er zijnen weg.'''' Neen, wijze Prediker! dien leert hij er niet, zoo hij niet leeren wil. Wie waarlijk mensch en Christen is, leert in 't leven den dood kennen, en in den dood liet ware leven. Maar de tijger aast juist op bloed, gier en hyena op lijken. Het dierlijke in den mensch leeft op door don buit der dooden. En waar de woeste levens-
88
EEX ERFHUIS.
lust soms door dood en doodsgevaar tot staan komt, nooit de zelfzucht, nooit de gelddorst, en allerminst hoogmoed en nijd, die den mantel des Farizeërs omhangen.....
»0 God! wat al onwaarheid ergert den Christen in 't Sterfhuis;
en in 't Erfhuis wat booze drift!.....Juist waar men den dood
van achteren ziet, bij 't heen gaan, denken zoo weinigen er aan. hoe zij hem weldra in 't aangezigt zien zullen.....quot;
Maar een stootend hotsen op de straatsteenen, beantwoord door een dof gekreun der gekwetsten, stoort deze alleenspraak. De telegraaf heeft intusschen reeds den gemakkelijker reiswagen naar 't Jonkheers buiten ontboden. De gekwetsten worden
overgeladen. Wij wenscheu hun een goede reis!..... Een goede
reis naar het kalme Geldersche rustoord, en eens eene goede reis naar de laatste rustplaats.
80
5 November 1SS3.
DE MAAN.
Ik heb altijd een' bij zonderen eerbied gehad voor den ouderdom, en heb dien nog. — »Dus eerbied voor u zelven ?quot; vraagt deze of gene, terwijl hij op mijne grijze haren ziet. — Yolstrelrt niet. quot;Wij zelven zijn het middelpunt onzer beschouwing, maar be-hooren daartoe niet. Verkleint den cirkel zoo veel gij wilt, nooit ligt het middelpunt in den omtrek. Hoogstens kunnen wij van ons zelf een beeld zien in den spiegel en face, strak vooruit kijkend, het regtsche links en viïe versa; en buigt gij voor dat spiegelbeeld, het buigt weerom. Maar ons zelven waarnemen, gelijk wij het anderen doen, 't gaat niet. Daarom kennen de meeste menschen ook zich zelven niet. Zij zien zich niet aan alle kanten, alleen hun eigen gelaat in zondagsplooi.
Zoo laat ik dan nu ook mijne eigen jaren buiten rekening, en zie volstrekt niet in, waarom ik den eerbied voor don ouderdom zou moeten opgeven, nu ik zelf oud word. Het hart blijft jong, en dat is het middelpunt van het leven.
Eu dan was mij altijd het liefelijkst beeld van den ouderdom, — geen ijzeren quot;Wilhelm, of zelfs een groote Humboldt, maar eene achtbare matrone, eene moeder en grootmoeder, of eene voor allen weldadige tante, die neefjes en nichtjes schept bij dozijnen... Oude wijven, — och! dat is een basterdras. Onder ons gezegd, men vindt ze onder de mannen ook.
DE MAAN.
Deze lange inleiding op eene vrij onbeduidende causerie, dient alleen om n te zeggen, dat ik over eene stokoude matrone spreken zal, zoo oud, dat niemand hare jaren weet; — eene matrone, dtfe ieder uwer herkent, al laat zij ook maar een tipje van haar neus zien. Die matrone nu is — de Maan.
Zij heeft, als iedere matrone, betere dagen gehad: want in hare prille jeugd, of liever die van het nienschdom, was zij eene Godin.
Eene Godin, — en waarom geen God? — Dat is zeker voort gekomen uit hare afhankelijkheid van de zon, aan wie zij haar licht ontleent. De vrouwen hadden weinig eigen licht in de oudheid; dat is nu heel anders. Toch was ze, als jeugdige maagd, in zekeren zin geëmancipeerd en had haar eigen terrein.
Hier zou nu eene heerlijke gelegenheid zijn, om met eene menigte vreemde namen te pronken: een waar doornbosch, daalde Goden van ieder land hun' eigen' naam hadden, en bij 't verhuizen die weêr met anderen verwisselden of verwarden.
Maar de geleerde zou glimlachen om mijne pedanterie, en de ongeleerde zou er niets aan .hebben. Ik wil er dus alleen van zeggen, dat de vereering der hemelligchamen in de oudheid algemeen was; en dat vooral in 't Oosten, waar zij zoo helder schijnt , de Maan als eene weldadige Godheid word geëerd. quot;Want niet de brandende zon, maar de milde regen is de vruchtbaarheid van hot Oosten. En waar die uitbleef, vergoedde de Maan, — zoo meende men ten minste, — dat gemis door een' weldadigen dauw. Den reiziger wees zij bovendien den weg door de wildernis, en den zeeman, waar hij nog zonder kompas omzwierf, over den onmetelijken oceaan. Ook hielp zij het wild opsporen in den nacht, waarom zij dikwijls als de Godin der jagt voorkomt. Want waar zij niet schijnt, is het verscheurend gedierte, dat zoo scherp ziet, meester van 't jagtterrein.
Eindelijk gaf zij het eerst eene geregelde tijdrekening aan de
94
DE MAAN.
hand, waarbij geen astronomische kennis noodig was. Israëlieten en Mahomedanen berekenen er nog hunne jaarlijksche feesten naar. Maar de Israëlieten, wier feesttijden van onds met den landbouw zamen hingen, brengen door eene schrikkelmaand telkens hun maan-zonnejaar weer in orde. De Mahomedanen hebben zuivere maanjaren, elf dagen korter dan de onze, zoodat 't nieuwjaar en alle feesttijden, steeds achteruitgaande, alle sai-zoenen doorwandelen.
Onder de Israëlieten werd het eerste wederverschijnen van de maan-sikkel door den priester aangekondigd en feestelijk gevierd, maar alle afgodische vereering was hun verboden. Job beroemt zich zelfs (H. 31: 2G—28), dat hij haar nooit een kushand had toegeworpen. En dat was toch zoo erg niet, zou men zeggen. Maar 't was in dien Heidenschen tijd; Principiis obsta! »Wacht u voor de beginselen!quot; Hoe ver die leiden konden, zien wij aan de vereering van Baal en Astarte, den Syrischen zonnegod en hun maangodin, die Achab bij Israël invoerde en Manasse in Juda. Daar was 't niet, zoo als de dichters in den sentimentélen tijd zongen:
De kuische maan, die stil en statig Daar heen zweeft, langs de azuren trans____
Want er werden wellusten gepleegd, die het daglicht niet mogten zien, en zelfs menschenoffers niet gespaard. Daarbij werd Astarte, met zinspeling op de maansikkel, afgebeeld als eene vrouw met horens, 't Was ook maar eene vrouw! Baill heeft men, zoo ver ik weet, nooit horens opgezet. En zoo bekleedde haar beeld, in 't allerheiligste des tempels, jaren lang de plaats van de arke des verbonds.
Later, in Jeremia's tijd, was 't denkelijk de Assyrischemaangodin Tanaïs, minder wreed en wellustig, die door de afgodische Israëlieten als Koninyin des Hemels werd vereerd. Vooral
95
f
DE HAAK
Ik heb altijd een' bij zonderen eerbied gehad voor den ouderdom, en heb dien nog. — »Dus eerbied voor u zeiven?quot; vraagt deze of gene, terwijl hij op mijne grijze haren ziet. — Yolstrelrt niet. quot;Wij zeiven zijn het middelpunt onzer beschomving, maar be-hooren daartoe niet. Verkleint den cirkel zoo veel gij wilt, nooit ligt het middelpunt in den omtrok. Hoogstens kunnen wij van ons zelf een beeld zien in den spiegel m face, strak vooruit kijkend, het regtsche links en vife versa; en buigt gij voor dat spiegelbeeld, het buigt weerom. Maar ons zeiven waarnemen, gelijk wij het anderen doen, 't gaat niet. Daarom kennen de meeste menschen ook zich zeiven niet. Zij zien zich niet aan allo kanten, alleen hun eigen gelaat in zondagsplooi.
Zoo laat ik dan nu ook mijne eigen jaren buiten rekening, en zie volstrekt niet in, waarom ik den eerbied voor den ouderdom zou moeten opgeven, nu ik zelf oud word. Het hart blijft jong, en dat is het middelpunt van het loven.
En dan was mij altijd het liefelijkst beeld van den ouderdom, — geen ijzeren quot;Wilhelm, of zelfs een groote Humboldt, maar eene achtbare matrone, eene moeder en grootmoeder, of eene voor allen weldadige tante, die neefjes en nichtjes schept bij dozijnen... Oude wijven, — och! dat is een basterdras. Onder ens gezegd, men vindt ze onder de mannen ook.
DE MAAN.
Deze lange inleiding op eene vrij onbeduidende causerie, dient alleen om u te zeggen, dat ik over eene stokoude matrone spreken zal, zoo oud, dat niemand hare jaren weet; — eene matrone, dfb ieder uwer herkent, al laat zij ook maar een tipje van haar neus zien. Die matrone nu is — de ilaan.
Zij heeft, als iedere matrone, betere dagen gehad: want in hare prille jeugd, of liever die van het menschdom, was zij eene Godin.
Eene Grodin, — en waarom geen God? — Dat is zeker voort gekomen uit hare afhankelijkheid van de zon, aan wie zij haar licht ontleent. De vrouwen hadden weinig eigen licht in de oudheid; dat is nu heel anders. Toch was ze, als jeugdige maagd, in zekeren zin geëmancipeerd en had haar eigen terrein.
Hier zou nu eene heerlijke gelegenheid zijn, om met eene menigte vreemde namen te pronken: een waar doornbosch, daalde Goden van ieder land hun' eigen' naam hadden, en bij 't verhuizen die weer met anderen verwisselden of verwarden.
Maar de geleerde zou glimlachen om mijne pedanterie, en de ongeleerde zou er niets aan .hebben. Ik wil er dus alleen van zeggen, dat de vereering der hemelligchamen in de oudheid algemeen was; en dat vooral in 't Oosten, waar zij zoo helder schijnt, do Maan als eene weldadige Godheid werd geëerd. Want niet de brandende zon, maar de milde regen is de vruchtbaarheid van het Oosten. Ea waar die uitbleef, vergoedde de Maan, — zoo meende men ten minste, — dat gemis door een' woldadigen dauw. Den reiziger wees zij bovendien den weg door de wildernis, en den zeeman, waar hij nog zonder kompas omzwierf, over den onmetelijken oceaan. Ook hielp zij het wild opsporen in den nacht, waarom zij dikwijls als de Godin der jagt voorkomt. Want waar zij niet schijnt, is het verscheurend gedierte, dat zoo scherp ziet, meestor van 't jagtterrein.
Eindelijk gaf zij het eerst eene geregelde tijdrekening aan de
94
DE MAAN.
hand, waarbij geen astronomische kennis nooclig was. Israëlieten en Mahomedanen berekenen er nog hunne jaarlij ksche feesten naar. Maar de Israëlieten, wier feesttijden van ouds met den landbouw zamen hingen, brengen door eene schrikkelmaand telkens hun maan-zonnejaar weer in orde. De Mahomedanen hebben zuivere maanjaren, elf dagen korter dan do onze, zoodat 't nieuwjaar en alle feesttijden, steeds achteruitgaande, alle sai-zoenen doorwandelen.
Onder de Israëlieten werd het eerste wederverschijnen van de maan-sikkel door den priester aangekondigd en feestelijk gevierd, maar alle afgodische vereering was hun verboden. Job beroemt zich zelfs (H. 31: 2G—28), dat hij haar nooit een kushand had toegeworpen. En dat was toch zoo erg niet, zou men zeggen. Maar 't was in dien Heidenschen tijd: Principiis óbsta! »Wacht u voor de beginselen!'' Hoe ver die leiden konden, zien wij aan de vereering van Baal en Astarte, den Syrischen zonnegod en hun maangodin, die Achab bij Israël invoerde en Manasse in Juda. Daar was 't niet, zoo als de dichters in den sentimentélen tijd zongen;
De kuische maan, die stil en statig Daar heen zweeft, langs de azuren trans....
Want er werden wellusten gepleegd, die het daglicht niet mogten zien, en zelfs menschenoffers niet gespaard. Daarbij werd Astarte, met zinspeling op de maansikkel, afgebeeld als eene vrouw met horens, 't Was ook maar eene vrouw! Baill heeft men, zoo ver ik weet, nooit horens opgezet. Eu zoo bekleedde haar beeld, in 't allerheiligste des tempels, jaren lang do plaats van de arke des verbonds.
Later, in Jeremia's tijd, was 't denkelijk de Assyrischemaangodin Tanaïs, minder wreed en wellustig, die door de afgodische Israëlieten als Koninyin des Hemels werd vereerd. Vooral
95
DE MAAN.
de vrouwen ■waren daarop verzot, en bakten op hare feesten maankoeken, zeker in den vorm van de wassende maan, die nog het veldteeken is der Mahomedanen. Maar de dames verdedigden zich tegen den profeet daarmede, dat zij 't niet zonder hare mannen deden. De kinderen lazen het hout op, en de vaders stookten het vuur aan, en de vrouwen kneedden het deerj. (.Ier. 44 :17—19; 7 :18.)
Bij de Grieken was Artemis of Diana de maangodin, beschermster der jagt en van alle geheime tooverkunsten. Reeds in overoude tijden had zij een en tempel te Ephese, die onder de zeven wereldwonderen geteld werd, en juist op den geboortedag van Alexander den Groote door Herostratus in brand gestoken , omdat hij geen andere kans zag, om zijn' naam te vereeuwigen. In Paulus' tijd was deze tempel reeds lang en nog schooner herbouwd; en het volk geloofde vast, dat Diana zelf haar welgelijkend beeld uit den hemel geworpen had, om er in te plaatsen.
Domme heidenen! Maar laat ons maar zwijgen. De Christenen hebben nog wel gekker dingen geloofd! — Toen nu Paulus drie jaren te Ephese vertoefde en er velen bekeerde, verbrandden dezen voor een' schat van gold aan tooverboeken; en de zilversmids, die den beroemden tempel in het klein namaakten, hadden weinig meer te doen; zoodat zij een oproer verwekten , en Paulus vlugten moest. En mijne leerlingen te Schoonhoven, dat ook van 't züver- en goudsmeden leeft, vonden dat ze gelijk hadden.
Intusschen verloor de Maan al meer en meer hare heerschappij als Godin, en moet ze zich nu met de vereering van enkele domme Negervolken behelpen, die bij zons-of maansverduistering een waarlijk heidensch leven maken, om den grooten draak te beletten, dat hij zon of maan opete. Maar met vrouwelijke slimheid verzette de oude Matrone de bakens, nu het getij verliep, en spekuleerde op het bijgeloof, dat onuitroeibaar is; aller-
9G
DE MAAN.
eerst op de natuurlijke zucht in den mensch, om in de toekomst door te dringen. De Godin werd Profetes.
De astrologie of sterrenwigchelarij was bijna overal de moeder der astronomie of sterrenkunde, gelijk de «fcAi/wi'e der goudmakers de moeder der chemie of scheikunde geworden is. Zij berustte op het geloof, dat de loop der bewegelijke hemelligchamen invloed uitoefent op 's menschen lotgeval. En ook toen dit bijgeloof zijn' eigenlijken grondslag, die in de oude wereldbeschouwing berustte, verloren had, bleef het bij overerving voortbestaan in het zoogenaamde planeet-lezen, of horoskoop-trekken. Eerst in de laatste jaren is dit van de kermissen gebannen; en ik wil er volstrekt niet voor instaan, dat :t nooit meer gebeurt: want het bijgeloof is zoo taai als een paling, die nog leeft, nadat hij gevild is en den kop verloren heeft.
»Gij zijt onder een gelukkig gesternte geboren!quot; zegt men nog dikwijls. En dit zeggen berust op het oude geloof, dat iemands lot bepaald wordt door de ster, die op 't uur zijner geboorte in het toppunt des hemels stond. De horoskoop wijst dit door 't lot uit, en al lagchen de jonge lieden, die hun horoskoop trekken, er om, zij hechten er soms moer aan dan zij wel willen weten. Jammer dat ik de mijne verloren heb! »Ik zou niet pnvertuinlijk zijn,quot; dat herinner ik er mij alleen van, en 't is uitgekomen ook.
Intusschen was er nog een andere kijker, om in de toekomst te lezen. De oudheid telde zeven planeten, en noemde daarnaar de dagen der week. Waar 't Hollandsch dit niet duidelijk aanwijst, doet 't Eransch, dat uit 't Latijn afstamt, ze u kennen. Volgen wij dus de orde der weekdagen, dan zijn de zeven planeten: de Zon, de liaan. Mars, Mercurius, Jupiter, Yenus en Saturnus. Elk der zeven heerschte één en dag, natuurlijk naar den aard der Godheid van dien naam. Vraagt gij, of dan Uranus, Ncptunus en de ongeveer 50 asteroïden niets te zeggen hebben
97
98 BE MAAH.
zoo is liet antwoord: »Dan hadden zij er maar bij moeten wezen, toen de rollen verdeeld werden!quot;
En wat het vreemdste is, 't waren vooral de oude Christelijke almanakken, die ieders lot zoo wel als zijn karakter beschreven naar den weekdag zijner geboorte, en dus naar den aard der planeet, die toen regeerde. quot;Wilt gij een voorbeeld? De in dei-tijd beroemde almanak van Magirus, anno 1556, zegt; »De kinderen der Maan (de op maandag geborenen) zag ik als olde verrokene wieven, thoveners, scippers ond visschers, ond allen, die mit onstedic werk omgaen. Die sullen redelijk passeren in geluck naer gelegentheyt.quot; — Nog beter komen de Maandagskinderen er af in een' Amsterdamschen almanak van 't jaar 1623 of iets later. »Dic op Maandag geboren is, onder de planeet Luna, zal zeer vriendelijk zijn, heeft veel geluk onder de jonkvrouwen, en zal een goed huwelijk doen.quot; Geluk er mede, jonge heeren, wie 't aangaat! 't Is ten minste vrij wat beter, dan de op Vrijdag, den dag van Yenus, geborenen, die, naar dezelfde autoriteit »zeer amoureus vallen, lieftallig, maar met een variabel geluk, meest in den huwelijken staat.quot;
Maar allengs gaf men minder om deze praegnosticatie. Eene onttroonde Godin geeft 't echter niet zoo spoedig op. Ouder en wijzer geworden en de kushandjes afgewend, strekte de Maan hare heerschappij uit over een ander, en wel allereerst over medisch gebied.
Eigenlijk zou ik een ander woord moeten gebruiken, dat minder populair is: pathologisch. quot;Want aan de Maan worden wel ziekten toegeschreven, maar zij geeft er geen recept tegen, of 't moesten tooverdranken zijn, in den maneschijn gekookt. Maar die helpen de maanzieken niet, wier toevallen, naar het oude volksgeloof, bij wassende maan telkens terug keeren. Of 't waar is, moet ge uw' dokter vragen. — Verder achtte men't in het Oosten gevaarlijk, bij het licht der volle Maan te slapen; maar de on-
f
gt;
DE MAAHquot;.
geloovige spotters zeiden, dat de nachtlucht er bij donkere Maan even gevaarlijk zijn kon. De geloovigen — bijgeloovigen zoo gij wilt — stoorden zich echter aan die ligtzinnigen niet, die alle oude wijsheid zoo maar weg wierpen, en voegden er in hoogen ernst bij, dat de Maan vooral gevaarlijk is, als zij een enkele maal in conjunctie komt met den oxiden Saturnus. Dan kan het niet missen, of allerlei ziekten en kwalen moeten de aarde bezoeken: Avant nadat Saturnus, zeker omdat hij zijne eigene kinderen verslond, door zijn' zoon Jupiter onttroond, en geen regerende God meer is, — zoo als in onzen tijd zoo vele vorsten, waarvoor men wel een oude-mannenhuis mogt oprigten, met Saturnus tot patroon, — staat hij in een kwaad blaadje.
Tot zoo ver het gezag der Maan over 'smenschen lot. Helaas ! Zij heeft haar bul verloren, of even als de dokters-bullen, die men vroeger op de kleinere akademiën van Duitschland kocht, verloor zij haar gezag, en het Diploma werd scheurpapier. Do dokters rijden rond, en de zieken genezen of sterven, en niemand vraagt meer naar de Maan. Sic transit gloria mundi!
Gelukkiger was de Maan in hare nederige betrekking van Presidentesse van den tuinbouw. De tuinman, — niet de bloemist, die telkens nieuwe soorten kweekt of invoert, en de bloemen schikt naar de mode, perkjes en bloemruikers als ha-ringsla; — neen! maar de echte tuinman van den ouden stempel is een door en door conservatief man. De aristokraten van het vak zijn onbepaalde heerschers over de moezerijen, bloemtuinen en boomgaarden eener voorname buitenplaats. Hun familienaam leggen zij bij het aanvaarden dier betrekking af, om dien te ver wisselen met den voorvaderlijken titel van Baas, wat natuurlijk vooronderstelt, dat zij één of meer knechts hebben. Hunne eerlijkheid is onkreukbaar, except de vruchten van moes- en tuinland, bakken en kasten; want die vruchten heeft God voor
99
DE MAAIT.
alle inenschen geschapen, en dus in de eerste plaats voor hun Baas. — Op dit aristokratisch beeld volgen de DU minorum gentium , die rond gaan om tuinen te bearbeiden. — Maar al deze bazen hebben boven den gemeenen wannoezier de eigenschap voor, van zich nooit te haasten; en daardoor, altijd in de lucht en goed gevoed, hebben zij allen den aanleg en het plan, om op zijn minst 80 jaar te worden. Wie zijn geld voordeelig plaatsen wil, neme dus eene lijfrente op zijn' tuinbaas, en een levensverzekering op zijn' dokter: want die leven te veel tusschen hunne zieken en de apotheek, om zelve oud te worden.
Spreken wij er eens één aan. 't Is volmaakt hetzelfde wien. »Wel Baas! hoe gaat 't met de bouwerij ?quot; — Dat 't best gaat zal hij nooit zeggen, even min als een boer; alleen: »'t Gaat nog al. Ik hoop maar op de Maan, die de meloenen en komkommers rijpen doet, als zij goed doorschijnt. En dan reken ik er op voor de late druiven.quot; — Dat een heldere Maan de druiven kleuren doet, kan er nog meê door; maar hoe die meloenen en komkommers kan doen rijpen, daar begrijpen wij niets van. 't Is ook niet noodig. Onze Baas denkt er over als vader Bilderdijk, knorriger gedachtenis. Toen eens zijn uitgever naast de proef schreef: »Dezen zin begrijp ik niet,quot; zette hij daar onder: »Dat hoeft ook niet.quot; — Maar wij willen den man niet boos maken, en vragen dus verder: »Eii moet het laatste gewas nog niet in den moestuin gezaaid en gepoot worden? De andijvie bij voorbeeld, de knollen en de late kropsla?quot; De man kijkt ons aan als of hij zeggen wil: »quot;Wat ben je toch onnoozel!quot; en antwoordt met eene vraag: »Ziet mijnheer dan niet, dat het laatste kwartier is?quot; En nu onderligt hij ons, dat hij altoos omstreeks eerste kwartier zaait. Zijn vader en grootvader hebben het steeds bij wassende Maan gedaan, en 't is altoos goed uitgekomen. Tegen dit argument is niets te zeggen. Het staat vast als een lantaarnpaal zonder licht. Maar terwijl wij met dezelfde vraag AVat zou de
100
DE MAAN.
Maan daaraan doen?quot; bij de Eazen rond gaan en telkens weder met een beroep op vader en grootvader worden afgescheept, ontmoeten wij er eindelijk één, over wien de geest des t'jds is neergestreken en die zich het air geeft van een wetenschappelijk man. Hij antwoordt met eene wedervraag: »En weet mijnheer dan niet, dat de ilaan de geheele zee optrekt in den vloed? Zou zij 't dan de vochten niet kunnen doen in al wat leeft?quot;
— »Groed geredeneerd Baas! Ik reken dit ook gansch niet onmogelijk; ik zou zelfs kunnen hechten aan het oude bakersprookje, dat er bij de ebbe meer menschen sterven, en bij 't opkomen van den vloed meer geboren worden. Haar of de Maan licht of donker is in ons oog, doet aan die werking niets toe of af. De donkere Maan trekt even goed het water der zee op.quot;
— De Baas keert zich om, verontwaardigd over zulk eene ketterij, en zegt: »Toch is het zoo, en het is altijd zoo geweest!quot; Een krachtig argument voor eiken volbloed conservatief.
Nu! de maan mag wel wat hebben, om zich te troosten over de onverschilligheid der aardbewoners, en vooral der stadsbewoners : want de eenigen, die zich in onze goede stad 's Gra-venhage nog om. de Maan bekommeren, zijn de lantaarn-opstekers. Zij moeten hun bed verlaten, als ze opkomt, om toch spoedig de lantaarns uit te dooven. Of de Maan schijnt, daar geeft het bestuur der stads verlichting niet om. Zij moet schijnen, dat is genoeg. Al is het stikdonker, het zou eene schandelijke verkwisting wezen, wanneer de lantaarns brandden, als de almanak zegt, dat de Maan schijnt. En verkwisten, — neen! da,t doet den Haag niet.
Maar geven wij, de lantaarn-opstekers uitgezonderd, niets meer om de Maan, buiten heeft zij nog hare oude betrekking van Reisgids behouden. Bij onze dorpsvergaderingen, die in den winter langs onbegaande wegen ons vereenigden, en bij de
101
DE MAAir.
liclitjeskerk, zoo als de boeren de avondgodsdienst noemden, werd altoos de tijd vóór of op volle Maan waargenomen: want liet laatste kwartier geeft alleen in den nanacht en den vroegen morgen licht, wat voor 't Engelsche parlement goed zou komen, maar niet voor eene dorpsvergadering.
Maar nog een' anderen titel heeft de Maan behouden, en zij verdedigt dien met hand en tand tegen alle aanvallen der verwaande en bemoeizieke wetenschap, die haar al zoo veel ontroofde. Gij hoort het in 't voorvaderlijke spreekwoord:
Door 't schijnen van de Maan Kunt gij het weer verstaan.
De Maan als Weer profetes: ziet daar een gebied, waaruit zij zich niet zoo gemakkelijk verdrijven laat.
Luisteren wij eens een gesprek af op een Hofje.
»Bimrvrouw, wat is 't slordig weer!quot;
»Ja Jufvrouw!quot; (De eerste was geen Haagsche. Daarom herinnert de andere haar den titel, die haar wettig toekomt.)
»Ja Jufvrouw Jansen! deze Maan maakt 't slecht. Ik zeide het al aan mijn' man, toen 't met de nieuwe Maan zoo regende. Maar morgen is het laatste kwartier. Daags te voren of daarna wil het nog wel eens veranderen.quot;
Ja, goede vrouw! binnen de drie en een halven dag, vóór of na één der kwartieren van de Maan, verandert het weer zeker, als 't verandert; maar wat juist die dag, waarop de Maan half verlicht is, tot het weer toe of af kan doen, vraag dat aan Don Antonio Magino, den ouden Spaanschen sterrenkijker, die in onze dienders-almanakken, perkamenter gedachtenis, in Augustus hette voorspelde, en in Januarij vorst.
Dat een kring om de Maan storm zou aankondigen of regen geven, gaat ook niet vast, ofschoon het natuurlijk bewijst, dat
102
DE MAAN.
de bovenlucht met dampen bezwangerd is. Daar dezen ecliter de Nachtgodin gemakkelijker kunnen benevelen dan de Koningin des daags, zegt hot oude rijmpje:
Een kring om de Maan Kan wel vergaan;
Maar een kring om de zou
Geeft water in de ton.
Dit is ten minste zoo dwaas niet, als een ander rijmpje, dat ge nog wel van schippers en boeren kunt hooren:
Een maandagsche Maan (nieuwe Maan op dien dag), Die moet met regen en wind vergaan.
Als of de Maan boos zou wezen, omdat zij op haar eigen' heiligen dag begon te schijnen!
Eindelijk kan ik tot troost, wol niet van de buurvrouwen op 't Hofje, maar van anderen, die gaarne nog iets aan de -Maan hechten, mede deelen, dat 't proces tegen haar als Weèrprofetes nog niet in het hoogste ressort verloren is. Het is in de eerste plaats volstrekt niet onmogelijk, dat de Maan, zoo wel in de luchtzee boven ons, als in den Oceaan in de laagte, door hare aantrekking ebbe en vloed verwekt, alleen minder merkbaar en minder geregeld, door de vele andere invloeden, die lucht en dampkring regeren. — En in de tweede plaats is 't vrij zeker, dat de volle Maan door de warmte, hoe gering ook, en mogelijk ook door 't licht, dat zij uitstraalt, de bovenste wolken verdunt of verstrooit, en 't daardoor zelfs hier beneden een paar graden kouder maakt, zoodat 't dan ook met volle Maan in den winter soms harder vriest. — Het •was dus niet gansch en al ongegrond, als wij er buiten op rekenden, dat de Maan wel geen' regen of mooi weer geeft, maar toch den regen ophoudt, zoodat die eerst begint of doorzet als de Maan ondergaat.
103
DE JIAAJSr.
Mijn pleidooi over 't weer is uit. Ik heb liet misschien te lang gemaakt, omdat ik de oude matrone nog eenige illusie wilde laten. Zij heeft er, als iedere bedaagde maagd, zoo vele verloren; — de laatste nog, en daarvan hebben wij nu te spreken, niet zoo lang geleden.
Het eind der achttiende eeuw was voor heel Europa de tijd der illusies. De snerpende geesel van Voltaire had de oude maatschappij en kerk gekastijd, en Rousseau stelde er het natuurleven in plaats, zoodat de volken dronken werden van liet ideaal: »Vrijheid, Gel ij kheid. Broederschap.quot; Dit ideaal ging wel in bloed en tranen onder, maar de zucht naar 't natuurleven niet geheel. In ruwen vorm dreef dit eene sekte van naaktloopers in mijne kindsche dagen; in beschaafder vormen de sentimentaliteit, die op ons, in onze realistische dagen, bijna als tartarus emeticus werkt. Al liggen ze ver achter het tegenwoordige geslacht, aan mijne kinderjaren grenzen de dagen, toen de zetters streepjes en tittels te kort kwamen, om al de zuchten en tranen der gelieven af te beelden.
»Hot Lijden van den Jongen quot;Wertherquot; deed menig meisje in tranen weg smolten. Geen jongeling sprak haar aan, zonder roosje of vergeet mij niet in 't knoopsgat. Ik geloof zeker, dat het nog de nawerking dier dagen was, als mijn eerste boerenmeid, zoo zij meende onbespied, vóór mijn duivenkooi stond, en zuchtte: »Och dat ik ook eens zoo gevangen zat!quot; En zij heeft 't ondervonden, als !t u belieft!
Yoor de lammeren waren het toen betere dagen, dan oudtijds tegen 't Israëlitische paaschfeest. De dame staat mij nog levendig voor den geest, — eene toen gevierde en nu vergeten schrijfster, — die met een jong schaap aan een blaauw lintje naar haar tuinhuis ging, om er te zitten mijmeren, zóó vol soms van gevoelj dat zij ééne zwarte en ééne witte kous aan had.
104
DE MAAN.
Dat was nog een tijd voor de Maan, als de Beschermgodin der d weepen de liefde! Zeiter omdat 's avonds haar licht zoo tooverachtig door de takken speelt, naar het oude liedje:
Wanneer dit bosclije klappen kon,
Wat klapte 't al vrijage!
Ik voor mij oordeelde, als een nuchtere Latijnsche jongen, er heel anders over. De Maan was voor mij niets anders dan een bleek, kond gezigt, met een scheeve koon als of er een kiespijndoek om zat: — gij ziet, ik was den reahstischen tijd al vooruit.
Maar in allen ernst gesproken, ik kan 't mij bijna niet als een natuurlijk gevoel voorstellen, wanneer Bellamy aan
de schoone Maan,
die 't halve rond bespiedt,
allerlei complimenten van haar Davos aan Phillis opdraagt, met verzoek, dat de Maan haar zuchtje in den vorm van een' lichtstraal hem terug brenge. Toch werd dit zoo mooi gevonden, dat er muziek bij werd gemaakt, te zingen Amoroso.
In een ander versje is het:
Vorstin des nachts, volschoone Maan!
Ei, doof een wijl uw' heldren luister,
En laat mij hier in 't somber duister.
Bij deze boomen staan.
Bedek u voor het oog der volken Met een gordijn van dikke wolken!
En waartoe die maansverduistering? Yrij pretentieus zegt het ons een ander dicht:
Zaagt ge dan, o Nachtvorstinne!
Dat ik droef te moede was?
Ja! uit enkel medelijden
Trokt gij toen het rouwkleed aan.
105
DE MAAN.
Maar zoo dra die sombere bui voorbij is, wordt ook 't embargo opgeheven, en is liet weder:
Laeli nu, Mane, lach nu vrolijk!
Lach mij van uw tranen toe, — et cetera.
Eere aan Bellamy, den bakkersjongen, die het eerst den moed had, om de altaren der Goden en Godinnen, der Kymphen en Najaden te verlaten, waarop onze orthodoxe vaderen zoo rijkelijk offerden. Had hij nu aan zijne poëzij het herdersklced van Davos en Phillis, van Chloë, Chloris en Dorinde ook maar uitgetrokken, en eenvoudig den goeden Poot nagezongen, of als vader van Alphen kinderen vervrolijkt, zoo hij Yondel en Hooft niet bereiken kon, of zelfs vader Cats! quot;Want — gelijk ik begon te zeggen, — ik kan mij zidke versjes niet als de natuurlijke uitdrukking van 't gevoel voorstellen, hoe velen er toen mee dweepten, 't Klinkt mij in de ooren als de oefening van eenquot; jeugdigen rederijker, die dicht naar de mode, tot de vrienden bravo! roepen, en er een flesch op drinken, zonder dat iemand bij 't naar huis gaan naar de Maan kijkt, — of ook wel kijken kan. — En wie er meê dweepten, toen de Maan onderging en do zon van 't werkzaam huwelijksleven juist in een' benaauwden tijd doorscheen, zoodat zij regt heet en broeijend werd; — toen leerden zij een ander voorvaderlijk spreekwoord uit nuchterder dagen verstaan: »Van rozengeur en maneschijn kan men niet leven.quot;
Maar 't is waar ook, de eeuo tijd kan moeijelijk den anderen begrijpen, en al ligt zullen ook onze achterldeinkinderen van ons zeggen: »Hoe heeft het voorgeslacht zoo dwaas kunnen zijn!quot;
En zoo kijken dan, voor zoo ver mij bekend is, geen smachtende oogen meer naar de Maan, en worden haar geen complimenten aan Phillis of Davos moer medo gegeven, die zij toch, koud als zij voor de aarde is, wel niet ter harte zal nemen.
106
DE MAAN.
Maar des te meer ziet liet versterkte oog van onze eeuw haar scherp in 't gezigt, en krijgt ze daardoor, zoo als 't met men-schen ook wel eens gaat, als men ze op de keper bekijkt, een geheel ander en waarlijk niet verliefd voorkomen.
Wanneer wij dan den teleskoop op de Maan rigten en ons oog aan de eerste flikkering gewend is, of als wij, wat voor velen gemakkelijker zijn zal, eene maankaart vóór ons leggen, hoe gaat er dan al het teedere en sentimenteele van af! Geen wonder! Laat eene mijner jeugdige lezeressen haar feeder handje eens aan een' hedendaagschen mikroskoop wagen, die tienduizend malen vergroot, en zij zal zelve schrikken van al de knoesten en kabeltouwen, de diepe naden en bulten, die er zigtbaar worden, en spoedig 't handje terug trekken. En hoe veel minder zullen wij ouden ons daaraan blootstellen, wij wier groeven en rimpels reeds zonder bril of vergrootglas in 't oog vallen!
Maar wat is dan de verandering, die wij aan de Maan opmerken? Bij eene matige vergrooting, schijnt haar gezigt wel met sproeten bezet te zijn. Yergroot het glas nog meer, dan worden het diepe pokkeputten, met naden doorsned- n; één van die gezigten, die wel schijnen gebroken, en weer aan één gelijmd te zijn. Maar gaat de vergrooting verder, dan worden die pokken ringgebergten, kraters, zoo als die van uitgebrande vulkanen, uit een' luchtbal gezien. Hun getal is bijna ontelbaar. Hoe scherper men ziet, hoe meer men er ontdekt, tot duizenden toe. Hunne onveranderde gedaante toont, dat zij als vuurspuwende bergen niet meer in werking zijn. Meestal hebben zij in hot midden van de holte nog eene kleinere verhevenheid, als of de laatste lava er in bevroren was. De hoogte kan men meten naar de schaduw, die zij afwerpen. Die afmetingen zijn reusachtig, vooral wanneer men bedenkt, dat do Maan dertien maal kleiner is dan de aarde. Bergen van 15 a 20.000 voeten,
107
BE MAAN.
met geopende kraters van elf mijlen in doorsnede, verbazen ons op eene zoo kleine planeet. De Tycho en Copernikus, de Plato en Archimedes moeten trotsehe gebergten zijn, terwijl de Ape-nijnen, wier vulkanische oorsprong minder in 't oog valt, een grillige bergketen vormen. Yan de voornaamste vulkanen gaan zoogenaamde rillen uit, lichtende strepen, die ver heenloopen naar alle zijden, en die de nieuwere sterrekundigen houden voor barsten, bij de snelle verkoeling en opdrooging der Maan ontstaan. Want het was een gezigtsbedrog der oudere sterrekundigen, toen zij die rillen voor beken aanzagen, en de lagere vlakten regenzee,nevelzee en zoo voorts doopten. De namen zijn gebleven, maar 't water is als weg getooverd, en algemeen wordt thans de Maan onder de droogerijen gerangschikt, zoo wel van water als van lucht beroofd.
Vraagt mij iemand, hoe men dit laatste is te weten gekomen, ik zou over de spectraal-analyse en dergelijke met veel vertoon van geleerdheid anderen kunnen napraten, en 't misschien nog vrij slecht doen. Daarom kies ik liever den eenvoudigsten weg.
quot;Wanneer er lucht was op de maan en water, zou er ook een dampkring wezen, die, even als rondom onze aarde, zich enkele uren ver uitstrekte en de Maan geheel omgaf. Daarvan zou liet onvermijdelijk gevolg zijn, dat wanneer eene ster achter de Maan ging schuilen, zij aan haar rand eenige oogenblikken beneveld werd. Hiervan is echter, ook door de scherpste kijkers, niets te bespeuren. quot;Wat achter de Maan heen gaat, verdwijnt op eens en geheel. Is er dus, toen de vulkanen nog in werking waren, vuur en water en lucht geweest, 't is alles verdwenen. Ook het leven, zoo 't er op dezelfde voorwaarden bestond als hier op aarde, is uitgebluscht. De vurige bol is langzamerhand afgekoeld en versteend: eene eeuwige doodenwereld, wier trotsch gebergte niemand meer betreedt; liet lijk van een planeet, ten eeuwigen dage nog rond wentelend in de eigen baan. En dan
108
DE MAAN.
voorspellen ons de sterrekuncligen, dat 't met onze aarde ook eens zoo gaan zal, als haar inwendig vuur verteerd is en de zee verdampt; maar daar hiertoe een onberekenbaar getal van millioenen jaren noodig is. kunnen wij gerust naar bed gaan: 't zal onzen tijd wel uithouden.
Intusschen is de Maan nog altijd een trouwe wachter voor onze aarde, waarom zij zich in 29 en een' halven dag, — 't klein geld aan minuten en seconden niet mede geteld, — beweegt. Haar eigenlijke [siderische) omloop is korter. Maar ■wij honden ons aan 't geen wij zien; en merken alleen op , dat de planeten, die ver van de zon haar omloop hebben, met nog meer zulke trawanten gezegend zijn. Zij hebben ze dan ook wel noodig, daar de zon op zoo grooten afstand tot eene ster inkrimpt. Jupiter is met 4 manen gezegend, Saturnus met 7 en een' breeden ring. Uranus heeft er G, en van Neptunus heeft men er al 2 gezien. Daar kunnen dus de gelieven dweepen in den maneschijn!
Nog ééne eigenschap van de Maan kan ieder opmerken. Zij keert ons altijd denzelfden kant toe, en laat zich nooit op den rug zien. 't Is, — plat uitgedrukt, — als of zij op een' stok gespijkerd was, en daarmede werd rond gedraaid. Zoo ziet men overal op aarde en altoos haar in 't gezigt. Heel beleefd van de oude matrone. Zou zij ook een bult hebben, en daarom zoo beleefd zijn? Hierover misschien later, als wij op 't veld dei-gissingen verdwalen. Nu zijn wij nog op dat der waarneming. En dan moeten wij onzen wensch bedwingen, om de Maan van achteren te zien. Daartoe zou een reisje naar Venus kunnen dienen, om van daar eene aardverduistering te zien. Maar de luchtspoorweg daar henen, waarop men aan de eerste halt al geen lucht meer hebben zou, zal er wel niet spoedig komen, even min als naar de Maan zelf. Ondertusschen heeft men bij hare verschillende phasen en standen en gedurende de zonsverduis-
109
DE MAAN.
tering, al even om 't hoekje gekeken, maar niets nieuws gezien; waaruit de sterrekuncligen opmaken, dat liet op dat onbekende 3/7 al wezen zal tout comma r.hez nous.
Door al dat gissen en raden: eerst naar de mannetjes in de Maan, die men al meende te zien, en daarna naar den gelieim-zinnigen achterkant, heeft de Maan nog eene andere en gezellige eigenschap gekregen, die wij nu eens rustig willen beschouwen, en waarmede ik hoop, uwe verveelde aandacht weer wat op te frisschen.
De Maan is namelijk de Rariteit kam er van de aarde geworden in den mond des volks; — het onbewoonbare magazijn, waar al wat onbruikbaar is in onze zamenleving, wordt heen gezonden; — zoodat men dan ook vooronderstelt, dat al wat spoorloos verdwijnt, naar de Maan is.
Gunt mij hierbij 't genoegen, om u iets te vertollen uit den rijken schat mijner levenservaringen. Oude lui doen dat graag. Ik beloof u, dat ik aan 't gebeurde niets toe of af zal doen.
De originélen raken de wereld uit. Alles wordt glad gestreken, genivelleerd door eene uitwendige beschaving, tot dit vernis door geweldige beroeringen in 't maatschappelijk en huiselijk leven open barst, en de ondergrond aan 't licht komt. Doch op kleine plaatsen vindt men die originélen nog meer, en vond men ze vooral toen ik er woonde, voor 40 en 50 jaar.
Zoo gaf het op een mijner vorige standplaatsen aan de kleine kibbelarijen en nietige nieuwtjes eene aangename afwisseling, toen eens een vlugt vogels van de vreemdste veren er kwam neder strijken, 't quot;Was eene Engelsche familie, dat wist men dadelijk. Een Engelschman is overal op 't vaste land kenbaar aan 't puntje van zijn' neus. Maar nu waren ook aller
110
DE MAAN.
oogen bespiedend op hen gerigt. Slager, bakker en melkboer, die zij natuurlijk terstond noodig hadden, werden op verkenning uitgezonden, en moesten, wilden zij hunne klanten niet verliezen, er iederen morgen wat van weten te vertellen.
En die rapporten klonken vreemd genoeg. De huisvader was een gepensioneerd Engelsch Majoor, wiens eigen naam nooit genoemd werd, zoodat ik hem dan ook niet noemen kan. Daar hij weldra in de kerk kwam, op de plaats der eere als hoofdofficier, ging ik er qnalitate qua een bezoek brengen. Maar nooit hoorde ik zulk eene Babijlonische spraakverwarring. De Majoor zelf was een Indisch Engelschman, die door zijn langdurige dienst in de tropische gewesten een mengelmoes van woorden had opgedaan, dat voor een Engelschman als Dutch, Yoor een' Hollander als Schotsch, en soms voor beiden als Sanskriet klonk. Het Fransch der beide dochters en van den zoon, — evenbeeld en schaduw van zijn' vader, ■— had drie maal de linie gepasseerd, en was met scheeps-engelsch vermengd. Maar 't minst van allen waren zij voor een' Hollander verstaanbaar, wanneer zij zoo beleefd waren om Hollandsch te spreken. De moeder was eene lersche, die als een steenen beeld 't gedurige „No popery!1' van haar echtgenoot verdroeg, zeker in verbazing, even als wij allen, dat hij haar toch eens getrouwd had.
Maar allen, Eoomsch en Onroomsch, muntten uit in 't verdragen van den alcohol. Toen ik het groote glas rooden gene-ver half uit had, om toch niet onbeleefd te zijn, stond er reeds eene nog grootere portie brandewijn vóór mij, die ik, — onder welk voorwendsel weet ik niet meer, — ontvlugtte, daar ik noch den trek, noch 't weêrstandvermogen der Engelschen bezit. quot;Want bij de heeren en dames had de drank geenerlei uitwerking. Hij verdween eenvoudig.
Nadere kennis maakte ik met de zusters, toen zij mij van eene hardnekkige koorts wilden genezen. Ten einde raad slikte
Ill
DE MAAN.
ik het mengsel door, dat zij mij bragten, schoon overtuigd, dat mijne nagels, die ik vooraf had moeten afknippen, er in gekookt waren. quot;Wat doe je al niet, als je de dubbele derden-daagsche koorts hebt! Maar 't hielp niet. Ze wilden, dat ik er een goed geloof bij hebben zou. En daar zag ik geen kans toe; wel daags na, maar niet daags vóór de genezing.
Nog eeno interessante ontmoeting was 't een jaar later, toen ik Mevrouw de Majoorsche mee ten grave bragt, en aan den rand der groeve van den ouden man de vertroostende mededee-ling hoorde, dat zijne vrouw, omdat zij de afgoden gediend had, naar de diepe hel ging. Hij had dus mijn' troost niet noodig, maar dronk alleen dien dag een glas brandy meer, zonder echter ooit dronken te worden.
Intusschen had mijn buurman de geldschieter — geen Jood als ; u belieft! — goede zaken met 't vreemde gezin gedaan. Hij had een zoo goed vertrouwen in de eerlijkheid van alle gepensioneerden, dat hij hun gaarne eenige vriendschappelijke voorschotten gaf. Natuurlijk was hij dan ook zoo goed, om voor hen de pensioen-akte te bewaren. Maar daar niemand voor hun leven kon instaan, zoo was het billijk, dat de intrest van't geen lang vooruit werd voorgeschoten, van 10 tot 25 percent klom. Noem dit woeker. Het staat u vrij. 't Is de afgrond, waarin reeds velen verzonken, al lager en lager, tot ze zich niet meer houden konden. Maar wie voorschiet op een onzekere kans, moet wel op mogelijk verlies rekenen, en die door anderen laten betalen.
Het Engelsch-Indische pensioen was intusschen reeds zoo vei geanticipeerd, dat de weldadige geldschieter toch wat ongerust begon te worden, vooral toen de oude Majoor door een' aanval van beroerte verlamd werd, zoodat hij niet eens een levensverzekering teekenen kon, als borgtogt voor de aanzienlijke voorschotten. Wel herstelde de zieke langzamerhand, maar moest nu eiken dag gaan toeren, zoodat hij zelden te spreken was.
112
DE JIAAIf.
'Want als oud Indiër ging bij hem alles in de vroegte, in bed en kussens ingepakt; en kwam hij 's avonds te huis, dan kwamen de dochters in den gang den bezoekei al te gemoet, fluisterden »Stt! Father slaapt!quot; schoven de gasten naar buiten en sloten de voordeur digt.
Eens op een' zondag morgen was mijn buurman aan hetklee-den, om naar de kerk te gaan. Zijn nieuwe laarzen waren wat naauw. Juist was de regter met moeite aangetrokken, maar het scheen, of de linker in het geheel niet wilde. Daar kwam een geroep 0111 't hoekje van de kamerdeur: «Mijnheer! mijnheer! kom eens gaauw. De Engelsche Majoor is naar de Maan!quot; De patroon liet zijn linker laars in den steek, en vloog de straat op. 't Was maar enkele passen. Ja wel! reeds had de burgemeester, —• toen melkboer, schoonmaakster en bakker geen gehoor kregen, — de voordeur laten open steken. Ze mogten eens verstikt of vermoord wezen. Geen nood! De hak van buurmans ééne laars klonk hol door de ledige ruimte, terwijl hij als een razende er door heen vloog, — of 't helpen kou! — Cliënt en pretensie zamen, met geheel den inboedel, — 't was niet anders: — alles naar de Maan!
Nu bleek 't, dat toen »Father sliep,quot; hij al lang elders inde rust was. Eiken dag was al wat maar eenige waarde had, 't laatst van allen de liefderijke dochters hem gevolgd. De zoon, dien wij in lang niet zagen, was zeker al vooruit gereisd. Waar heen? De meesten dachten naar de Engelsche stoomboot; maar toen alle nasporingen vruchteloos bleven en niemand iets meer van 't vreemde gezin hoorde, bleef het er bij: »Het was naar de Maan,quot; en de geldschieter, die nog geen' lust had om hen te volgen, berekende zuchtend, hoe hij dit bankroet op zijne andere cliënten zou verhalen; — wat immers niet meer dan billijk was?
113
DE MA AN.
Zulke eldipsen, als ik er daar ééne wat uitvoerig verteld heb, gebeuren overal, en meestal is alles naar de Maan. In mijne kindsche dagen wenschte men ieder, van wien men verlangde ontslagen te worden, »naar de Mokerheide,quot; treuriger gedachtenis. Maar nooit zeide men: »Hij zit op de Mokerheide!quot; Wie men dus er heen wenschte, zij kwamen er nooit. Maar anderen zijn er gekomen en hebben de heide ontgonnen, zoodat de woeste vlakte er niet meer te vinden is. — »Naar de Maanquot; wenscht men niemand. Ze gingen er vrijwillig heen, zij die voor altoos verdwenen, even als de brandende lantaarns in een' Londenschen mist; doorgaans in den nacht of anders vroeg in den morgen.
Een rijk bankierskantoor, voor duizenden en tienduizenden goed, opent iederen morgen welwillend zijne deur. De burgerman breng er zijn geld, sekuur als de bank. De rijken leggen in de veilige brandkast liever hunne effekten-trommels, dan dat zij er ongerust over slapen. Maar op zekeren morgen vinden de Merken den patroon niet. Gisteren avond is hij al vertrokken; de knecht weet niet waar heen. Geen orders achtergelaten. De boekhouder verstout zich, zijns meesters lessenaar open te maken. Hij vindt er een' sleutel van de brandkast in; den anderen bewaart de kassier. Maar deze durft niet verder gaan, en roept het geregt in, terwijl men alle cliënten tot morgen uitstelt.
Als een loopend vuurtje gaat 't door de stad. Eerst komen 's anderen daags de rijken, in doodelijken angst voor hun effekten-trommels; daarna do burgerman, de oude dienstmaagd, de strompelende weduwe met hare kleinkinderen. Allen die er regt op hebben, worden toegelaten. Do plegtige opening heeft plaats. Met een bevend hart staren allen in de ledige brandkast en op de opengebroken effekten-trommels. Men vloekt en weent en bidt; en 't volk, dat zich ophoopt
114
de maan.
toot de deur, zegt: »Znll£e groote heeren! Al eens anders geld en goed, met de dieven zelf naar de Maan.quot; En de zetter op rle drukkerij meesmuilt: :gt;A1 weer een! Worden de menschen dan nooit wijzer? Waarom bewaren ze zelf hun geld niet? Als ik 't had —quot; Maar hij heeft 't niet, en zet voort. En de courant vermeldt, dat de bankier X.X. zich heeft verwijderd, een aanzienlijk passief achterlatende; — ja! wel een passief, een bitter lijden voor afgeleefde ouden, voor weduwen en weezen..... Maar wat denkt de bankier daarsan, als hij op de
Atlantische stoomboot eene versche manilla opsteekt?
Een speler bezoekt eene roulette, die ter spijt der wet wel altoos in 't verborgen zal voort leven, zoo lang erhartstogtelijke spelers zijn. Gisteren won hij er duizenden guldens. Als hij nog eens zoo'n paar mooije dagen heeft, wordt hij een man in honis en gaat op zijne laauweren rusten. Hij durft nu wat wagen, en steekt zelfs eene hem toevertrouwde kas bij zich:---
niet om die te gebruiken, o neen! zóó maar.....
Te middernacht ziet men hem op de kanapé achter de speeltafel liggen, gelijk ik 't eens met ontroering zag, de gebalde vuist onder de kin, de trekken door hartstogt verwrongen, het
brandend oog op den zolder gerigt..... Daar hoort men een
pistoolschot. De croupiers annoncéren eene korte pauze om hem op te ruimen, en daarna is 't weêr, even droog en hartstogte-loos als altijd: Messieurs! faites le jeu! En men gaat weêr
voort..... Alles, ook het toevertrouwde geld en de man zelf,
alles naar de Maan!
En al zijn het zulke treurige eklipsen niet, van wien onzer zijn niet vele jeugdige illusies, droomen van vriendschap en liefde en geluk, voor altijd daar henen gegaan?
115
DE MAAST.
116
Zouden wij daar tocli niet eens kunnen gaan kijken, al was 't maar in onze verbeelding?
Nadat de kritiek gesproken heeft, — en zij heeft wat te zeggen! — wil ik het toch ook met de verbeelding eens wagen. 't Is er anders geen beste tijd voor. Kom maar eens bij een' uitgever met een bundel gedichten of sprookjes! En geen wonder. Een jongen van tien jaren steekt een sigaar op, om een vraagstuk omtrent den intrest van Integralen op te lossen. En een meisje van twaalf leert staathuishoudkunde, in hope op 't algemeene stemregt, ook voor vrouwen. Misschien zal zij op haar achttiende met andere studenten anatomie leeren, en eene rede honden over de verborgenheden der prostitutie. Alles zeer praktisch, maar voor een' man van het oudere geslacht, zoo als ik ben, toch wat al te realistisch. Ja! die naakte werke-lijkheid, die Zola cum suis rijk maakt, maakt mij kil en huiverig, dat de ouderdom toch al van zelf is.
Och laat ons, gij jong Holland, wie toch ook al de haren grijzen! Laat ons een weinig poëzij in 't leven, en onzen kinderen hun Eoodkapje. En als wij ons zoo gaarne eens mee geven aan de golfjes onzer verbeelding, in zoete droomen gewiegd en door onmogelijke phantasiën omgeven, — och! schudt ons niet zoo terstond wakker met uwe spreuk, die naar de olie der machines riekt: »Tijd is geld!quot;
En zoo vindt ge mij dan op een' schoonen zomeravond, in de gemakkelijkste positie van de wereld, rustende tegen de helling van een duin. Ik staar op de volle Maan, die juist is opgekomen; en zoo als kinderen altijd willen weten, wat zij niet kunnen of niet mogen weten, zoo peins ik op den geheimzinnigen
DE MAAN.
achterkant, clien niemand onit gezien heeft of zien zal, ten zij hij naar de Maan gaat. Maar dan komt hij nooit terug, en kan er ons dus niets van vertellen.
quot;Waarom keert toch de Maan ons altijd 't zelfde saaije gezigt toe ? En daar alle hemelbollen wentelen om hunne as, waarom de Maan niet? quot;Want haar omloop om de aarde kan men geen aswenteling noemen. En zoo er aan deze zijde lucht noch water is, is dat ook zoo aan den achterkant? Als de vulkanen aan deze zijde zoo vreeselijk huis gehouden hebben, was er toen toch vocht en lucht. Waar zijn die gebleven?
Onder al dat wat? en waar? en waarom? zonder antwoord, viel ik zachtjes in slaap. Ik moet in mijn gevoel lang geslapen hebben: want toen ik, —- misschien ook al in mijn verbeelding, — wakker werd, hoorde ik 't 12 ure slaan, dus middernacht. Maar zeker niet van den eigen nacht: want villa's en torens waren in dien tijd van alle kanten verrezen. Het was echter als of men, om toch eenige herinnering van vroeger natuurschoon over te laten, de duin gespaard had, waartegen ik rustte.
Terwijl ik verbaasd rond keek, werd op eens mijn oog gehooid door eene schitterende gestalte, die tot mij sprak; »Zoon der negentiende eeuw? Ik ben de Genius van 't jaar 2000, dat daar juist begonnen is. De wetenschap, in uwe dagen nog in hare kindschheid, heeft gedurende uw' langen slaap reuzenschreden gedaan. Is er ook iets, waaromtrent ik u onderrigten kan?quot;
»0 mijn goede Genius! gij komt juist als of gij geroepen waart. Ik zou zoo gaarne wat meer van de Maan willen weten. quot;Waarom wentelt zij niet om hare as? En wat is er te zien op den achterkant?quot;
»Dat zoudt ge niet beter kunnen zien,quot; is het antwoord:»dan op de sterrenwacht te Urk.quot;
»Urk in de Zuiderzee?quot; vroeg ik vrij onnoozel.
117
DE HAAN.
»Xu kan ik zien, dat gij lang geslapen hebt. quot;Wie spreekt er in 't jaar 2000 nog van do Zuiderzee! Urk is sedert lang hot centrum van Nedeiiandsch spoor-, telegraaf- en teleplioonnet. De laatste bot staat er, tot een aandenken aan lang vervlogen tijden, op sterk water, tussclien twee broekspijpen van een' Mar-kenschen visscher. Daar wordt op de sterrenwacht ieder jaar de wording der aarde en der Maan voorgesteld, met eene naauw-keurige berekening der billioenen en trillioenen jaren, die er toe noodig waren.quot;
»En kunt gij mij daarvan niet al vast iets vertellen?'' »0 ja! de kinderen leeren liet tegenwoordig op scliool. Eens was de maan een gloeijende bol, die met snelle vaart zicli om liare as wentelde, en daardoor veel gas ontwikkelde. Maar daar zij even snel bekoelde, barstte de opperhuid, de vulkanen verrezen, en door de buitengewone hoogte der bergen, werd de as-omloop ongelijk. De aarde trok die uitstekende hoogten te sterk aan. Op 't laatst slingerde de maan alleen nog, keerde haar hoogst gebergte naar de aarde, en zette zich van voren en van achteren een weinig uit. Kon men haar op zij gaan zien, zij zou iets meer van eene peer hebben dan van een' appel. En toen zij ten laatste altijd denzelfden kant naar de aarde toedraaide, is door de middelpuntvliedende kracht alle water en lucht naar den achterkant geslingerd, zoodat deze alleen bewoonbaar en ook bewoond is.quot;
Het duizelde mij wel een weinig van al die billioenen jaren en dat geweldige draaijen van den vurigen bol, maar 't slot bragt mij weOr geheel tot mij zelf. Ik had dan toch zoo gansch en al geen ongelijk gehad, toen ik mij een bult, of wel een elegant mutsje, zoo als onze dienstmeisjes dragen, daar achter dat bleeke gezigt voorstelde.
»Als men dat zoo goed weet,quot; vroeg ik verder; »is dan de weg om op de Maan te komen, al gevonden?quot;
118
DE MAAN.
»Ja en neen! Eon weg in den gewonen zin is niet te vinden : want de menscli kan nog even min zonder lucht reizen als in uwe dagen. Maar door ingespannen studie is 't gelukt, den magnetischen slaap tot die hoogte op te voeren, dat de geest reizen kan zonder het ligchaam. Door dit magnetisch spiritisme, weet men nu al wat men weten wil. Hebt ge soms ook lust in de reis? Zulk een phantastisch man is voor 't magnetisme zeer vatbaar. Maar vergeet vooral niet, den eersten maanbewoner, dien gij spreekt, goed te onthouden. Want hij moet u weer terug brengen, of onttooveren zoo ge wilt; als gij ten minste geen' lust hebt, om er voor goed te blijven.quot;
Ik knikte maar even, —• .niet op 't laatste natuurlijk: — want ik gevoelde, dat ik onder den sterken blik van den Genius al mooi slaap kreeg. Toen dat eerste gevoel voorbij was, kwam ik in eene mij geheel vreemde droomwereld. De gewone droo-men zijn als een kaleidoskoop van oude herinneringen en nieuwe phantasiën, die in wilden galop door elkander dansen. Maar dit was een soort van aotherisch leven, waarin ik wist, dat mijn ligchaam niet deelde; — ik zag 't rustig liggen tegen het duin; — en toch was 't ook weer, als of 't met mij mede ging. 't Was mij dus even eens, maar zeker aangenamer, als wanneer een patient na de amputatie wakker wordt met hevige pijn in de kuit van 't regterbecn, terwijl hij het toch, als een afgesneden lid van zijn ligchaam, naast zich ziet liggen.
Mot dat ingebeelde of aetherische ligchaam maakte ik de reis zonder vermoeijenis in minder dan een oogenblik, en veel gemakkelijker dan in Verne's reusachtige projektiel.
De maanschijf werd daarbij al grootei- en grooter, tot ze op 't laatst den geheelen hemel bedekte, en ik —nu met den hemel achter mij, —• op den grond te regt kwam. Gelukkig niet midden in een vulkaan, maar op de drooge regenzee. Doch ik had maar een oogenblik tijd, om, onder de stilte van den dood,
119
DE JIAAX.
over die trotsche woestenij het oog- te laten gaan. Want dezelfde magnetische kracht zette mij, over 't randgebergte heen, in 2 of 3 tellen midden op den bloeijenden achterkant.
Regt blij was ik, dat ik wcör eens leven zag en lucht kon inademen, 't Was juist de eerste morgenschemering, en 't hooggebergte, dat als een suikerbrood uit hot midden van den bewoonbaren achterkant der Maan zich verhief, werd reeds door de zon verlicht. Verder op rookte nog een vulkaan. Overigens zag alles er bloeijend en welvarend uit, maar verbazend eentoo-nig. 't Land geregeld afgekaveld en de huizen allen gelijk, de wegen zonder een enkele kromming.
Door 't gebrek aan eigenlijke aswenteling, wordt dag en nacht er alleen bepaald door den loop der Maan om de aarde, terwijl ons jaar er van weinig of geen' invloed is. Een dag of nacht op de Maan is dus ruim veertien etmalen lang. Op zich zelf is dit geene zwarigheid. De Eskimo's en poolreizigers hebben wel dagen en nachten van drie en meer maanden. En het gestel der maanbewoners is er beter dan het onze op ingerigt. Zij verdragen gemakkelijker eene lange rust, zoo wel als de gloeihette van een' eindeloozen dag. Zij slapen dus een halve maand lang, en begonnen nu juist, geeuwende on zich uitrekkende, wakker te worden, 't Zonderlingste was, dat de meesten uit de diepte schenen te komen; en nog vreemder, — zoo als 't gaat in den droom, — dat zij zich zoo min verwonderden als ik zelf, en we elkander dadelijk verstonden.
Ik sprak don eersten den besten aan, en na een' vriendelijken morgengroet was mijn eerste vraag naar zijn' naam. Want ik herinnerde mij, dat de eerste, mot wien ik sprak, mij mijn paspoort moest geven voor de terugreis. En hoe belangwekkend deze nieuwe wereld ook was, tot blijven trok ze mij nog niet aan.
»Ik ben Nquot;. 97.133,quot; was 't antwoord, dat mij versuft deed
120
DE JIAAX.
opzien. Ik had wel gehoord, dat de kloosterlingen hun' eigen' naam afleggen, om Pater Johannes of Gregorius of zoo iets te worden; ook agenten, weeskinderen en huurrijtuigen herkent men soms aan 't nommer; maar van eene genommerde menschenwe-relcl had ik geen begrip.
De aangesprokene bemerkte het, en zeide: -/Verwondert u dit? Wachttet gij een' eigen naam? Maar dien hebben wij niet meer noodig. Er is eens een tijd geweest, toen al de vulkanen nog in werking waren, dat onze vaderen ook in fami-liën zamen woonden, rijken en armen afzonderlijk. Maar toen, met 't uitbranden der vulkanen, ook de driften en hartstogten zijn uitgebrand, hebben onze wijzen het communisme ingevoerd, de ware ge 1 ij kheid, vrij heid en broederschap. Elk heeft zijne taak, en 't zware werk gaat bij beurten rond. En daar nu alle onderscheid ophield, heeft men de maanbewoners eenvoudig genommerd.quot;
»Het Eldorado van Communisten en Nihilisten op aarde!' hernam ik: »maar — met uw verlof, — toch verbazend eentoo-nig: geen weelde of ellende meer, geene misdaad of straf; maar ook geen medelijden, geene zelfopoffering, geen geestdrift; alles
genivelleerd, machinaal.....quot;
Een zweem van weemoed scheen over 't gelaat van den kouden maanbewoner heen te gaan, maar hij hernam zich terstond, en zeide: »Toch zijn wij — ik wil niet zeggen gelukkig, maar niet ongelukkig. Maar laat men 't bij u op do aarde maar niet beproeven. Zoo lang de menschen driften en hartstogten hebben, gaat elke Communistische republiek naar de Maan. Sedert 100 jaar hobbon wij veel last van dat woelige volkje, en ;t schijnt, dat zij nooit wijzer worden.quot;
Dit laatste stemde ik mijn' vriendelijken zegsman volkomen toe. »Maar,quot; vroeg ik; «behoort het dan ook tot uwe Communistische maatschappij, dat gij zoo in de diepte woont?quot;
121
DE MAAN.
«Verwondert n dat, aardbewoner? Wel, nadat de gelieele bewoonbare Maan bewoond was, en alle bloemperken in knol-tuinen veranderd, hebben wij eene onderverdieping gemaakt, en later nog eene. Zoo gaan wij voort, en is er nog plaats genoeg in de diepte, oer wij aan den achterkant komen. Dat zult gij op aarde ook wel ééns moeten doen, als zij vol is.quot;
»Ja! daar zijn we al eens ongerust over: niet waar alle mensehen zullen wonen, maar wat zij eten zullen.quot;
»En weet gij dan op aarde nog, niet, dat er geen atoom stof verloren gaat, en de voeding alleen stofwisseling is?quot;
»Nu ja! zoo ver zijn wij ook; maar wat zou dat?quot;
»quot;Wel! eenvoudig, dat men de stofwisseling zoo veel mogelijk moet tegengaan; en waar de stof toch schijnbaar verloren gaat, ze moet zoeken terug te krijgen. Daartoe dienen onze fabrieken van proteïne, ca mine en alle andere zuiver voedende bestand-deelen.quot;
Ik wilde daar, tegenover zoo'n bleeken maanbewoner, niet zoo dom staan als een schooljongen, en merkte dus op: »quot;Wat het eerste , hot vertragen der stofwisseling, betreft, daar gebruikte men in mijn' tijd op aarde de tabak voor. Als de soldaten dien rookten op marsch en de matrozen hem pruimden op zee, aten zij minder.quot;
»Juist, juist! zoo doen wij ook. Kinderen hebben nog altijd natuurlijk voedsel, brood vooral, noodig, en wennen eerst langzaam aan de extracten. Maar wie eens volwassen en doorvoed is, wordt in eene daartoe ingerigte rookerij genicotiseerd. Dan eten zij hoe langs zoo minder, en droogen met de jaren tot mummies uit.quot;
Ik staarde mijn' zegsman verwonderd aan. Hij had al wat van eene mummie. Maar ofschoon een onverbetelijke rooker, had ik in dat nicotiséren toch nog volstrekt geen' zin, cu in geheel dat mummie-achtige maauleven even min.
122
DE JIAAS'.
Wat mijn nieuwe vriend mij verder vertelde van geheel do staatsinrigting, of liever van 't liuisbestuur, tot de nieuwe tweekinderen-wet toe, — en wat ik nu alles maar oversla, — quot;besloot hij met de woorden: »Grij ziet, wij hebben hier een rustig leven, 't Lastigste zijn ons do aardbewoners, die van tijd tot tijd hier overkomen, 't Schijnen doorgaans de onrustigsten uwer ruste-looze wereld te zijn.quot;
Ik was, terwijl de zon begon te branden, onder die staathuishoudkundige verslagen al zoo wat dommelig geworden; maar nu werd ik weer geheel aandacht, en vroeg met belangstelling naar 't lot van hen, die op aarde naar de Maan gaan.
»'t Gaat hun niet te best,quot; was het antwoord: »Zij worden allen naar Half lucht gebannen, 't grensgebergte der bewoonde Maan. Of liever, zij gaan er van zelf heen; want hun grootste straf is, dat zij allen terug villen, en met uitgestrekte armen op de groote aarde staren, die zij op 't randgebergte aan de kimmen zien schemeren. Daarbij blijft hunne laatste gedachte, die hen vlugten deed, hun altijd bij, en eindeloos herhalen zij hunne laatste woorden. Men zegt, dat 't bij u er zoo ellendig op toe gaat, en toch moet die woelige aarde nog zoo begeerlijk zijn.quot;
»Mets akeliger dan de eentoonigheid!'' liet ik mij, niet heel beleefd, ontvallen. De maanbewoner keek mij veelbeteekeiyl aan, en vervolgde, als of ik niets gezegd had: :gt;Eu wat 't vreemdste is, zij praten altijd van dingen, clie niets waard en waar zij smoorlijk op verliefd zijn. Meestal klagen zij, dat zij ze op aarde of onder weg verloren hebben, maar brengen er ook wel enkele mee. 't Zijn ronde sclüjljes metaal, waarvan de kleinste en zwaarste 't meest waard moeten zijn; nog al aardig speelgoed voor onze kinderen. En wat vreemder is, soms ruilen zij die blinkende speelpenningen voor vuile papiertjes, met letters en cijfers, op zijn best goed genoog om kinderen lezen te leeren.
123
DE MAAN.
Als wij ze vinden, gaan zij in do voddenkamer van den papiermolen.quot;
Als 't niet onbeleefd geweest was, en ik mij toch ook niet een weinig over mijne aardsche gouddorst had geschaamd, zou ik wat van die speelpenningjes gevraagd hebben, en vooral den weg naar den papiermolen. Nu stelde ik dit uit, om toch ook eens den Mentor te spelen, en dien dommen maanbewoner in al de verborgenheden van ons aardsche ruilmiddel in te wijden. Maar 't gelukte mij niet. Zijne koude Communistische ziel was er onvatbaar voor. Waartoe zou 't hem ook gediend hebben? Op de Maan was niets te huur of te koop. Elk kreeg er, van zijne geboorte af, zijn deel voor geheel zijn leven. Het gehate kapitaal bestond er niet. Geen bezit en geen gebrek, geen begeerte en geen afgunst , maar ook geene inspanning naar omhoog, geen medelijden naar de laagte. Het was alles eene klok, eenestoommachine , waarvan al de raderen genommerd zijn en met dezelfde olie worden gesmeerd.
Intussehen trok mijn hart, zelfs nog meer dan naar de voddenkamer van den papiermolen, naar mijne natuurgenooten, die daar op Halflucht smachtend terug zagen naar de aarde. Ik hoopte er nog kennissen te ontmoeten: want om een klein anachronisme geeft men in droomon en gozigten niet. Anders had ik in 't jaar 2000 niet meer gezocht, wie er vóór 1883 waren heen gegaan. Maar eer ik den aangewezen' weg insloeg riep ik nog eens mijn' nieuwen vriend terug, doodsbenaauwd, dat ik hem bij mijne terugkomst niet weer zou vinden. »Zeg mij uw nommer nog eens?quot; »07.133!quot; klonk 't van verre; want hij was reeds met anderen op weg naar zijn fabriek.
Vrolijk scheen de zon, en er zongen toch nog vogels op de Maan, die, nog niet communistisch, elkander de beten uit den bek rukten, en dan woedend vochten. Dit gaf mij weer wat aardsch loven in 't hart, en ik sprong vrolijk verder. Maar
124
DE MAAIT.
hoe vreemd! Ik, die volstrekt geen akrobaat ben, sprong zes voet hoog en deed stappen als drie andere. Toen bedacht ik mij, dat de Maan maar een vijfde van de aantrekkingskracht der aarde heeft, en ik dus hier naamvelijks dertig pond woog. Een ving akrobaat zou hier, in evenredigheid van zijn ligchaamsgrootte, toeren kunnen doen, waartoe op aarde alleen de vlooijen in staat zijn, — tot onze groote ergernis!
Eer ik er aan dacht, had ik 't grensgebergte bereikt. Hier was ten minste leven, en mijn hart klopte weer vrij. quot;Want heb ik soms iemand op die kalme communistische republiek belust gemaakt, ,'t was waarlijk mijne intentie niet. De pessimisten, van Boëdha af tot Julius von Hartman' toe, noemen de eindelooze begeerten het ongeluk van 't leven. Ik noem het zijn geluk; mits niet, wat ik hier op Halflucht vond: sWenschen zonder hoop.quot;
Ja! hij is 't wel, onze Engelsche Majoor, met zijn onbeduidend evenbeeld en de twee stijve zusters. Hij strompelt den berg op, uitziende naar 't rijtuig, dat hem in allerijl moet weg voeren, tot hij, benaauwd geworden door gebrek aan lucht, terug keert. De zusters, uog bleeker op de Maan, leggen den vinger op den mond, en fluisteren tegen mij; Stt! Father slaapt.quot; En de oude man, wiens lippen smachten, smeekt in zijn gebroken brabbeltaal: „Jenny! Harriet! A Utile beetje hrandij. One jlaaslce nur, s1 il vous plait.'1' Helaas! er zijn geen branderijen op de Maan. Arme Tantalus! hij zal er nog, als de maanbewoners zelf, uitdroegen... En. daar er geen koortslijders zijn ook, kunnen de bedaagde jonge juffrouwen niet eens tot afwisseling hun wondertinktuur koken. De straf is toch wel wat zwaar voor eene verhuizing met de noorderzon!
Dan gun ik 't den van ouds ons bekenden bankier liever, wiens hart nog op zijn kantoor zit, al spelen er nu ratten en
125
DE MAAN.
muizen den baas. Hem drukt iets. Hij slaat zich op 't voorhoofd , of hij 't cr uit kon slaan. Natuurlijk, denkt gij: het berouw, de 'wroeging, dat hij 't geld van weduwen en weezen heeft zoek gemaakt. Maar hij denkt er niet aan. Dat deed de firma, hij niet: en de firma is een dood ligchaam, een phantoom. M aar wat hem kwelt? Zijne domheid! Hij heeft op de haime gespeculeerd, en 't was immers zoo helder als de Maan, dat alles naar de laagte ging? »Boekhouder! haast u, ,'t is nog een
oogenblik vóór beurstijd. Telegrafeer! Op de iasse, hoor!......quot;
Maar de boekhouder is er niet; de firma ging wel naar de Maan, maar hij niet. Hij zit nu rustig op een ander kantoor. Eu do arme bankier zinkt in zijn' leuningstoel neêr, om straks weer van voren af aan te beginnen.
Moer medelijden heb ik toch nog met dien speler, die zijn' hartstogt mede nam, maar niet het geld, dat hij verspeelde. Hij ziet de rouhitte. 't Geheimzinnige ballotje draait. Dit maal zou 't zeker gelukken. Dit maal — maar hij heeft niet en kan niets. Dat hij 't ook éénen zet te vroeg moest opgeven!
Enkelen uit velen noemde ik maar, omdat 't oude kennissen zijn. Maar behalve de personen, hoe vele zaken, die naar de Maan zijn! Schatten van verkwist goud en zilver doen hier 't gebergte schitteren. En, nog niet met de lagere plaatsen tevreden , liggen zij op den hoogsten bergtop, zwart geworden omdat niemand ze meer oppoetst: de kroonen en schepters van onttroonde en gemediatiseerde vorsten! Jeugdige illusiën en luchtkasteelen zweven rondom ons in de lucht..... En te midden van al dat gewoel hoor ik op eens de stem van een' maanbewoner, een' grenswachter zeker, die op knorrigen toon tot mij zegt; »Hebt gij 't gezien, mensehenkind! hoe dehartstogten uwer trotsche aarde de rust op onze lieve Maan verstoren? Als er nog meer van dat tuig komt, sturen wij ze door naar Mars
126
DE JIAA'S'.
en Jupiter: want op Yemis is 't veel te mooi en te rustig voor zulk volk. Daar verre zullen ze wel wat bekoelen. Als gij dus naar de aarde terug gaat, verzoek vriendelijk, dat men de Maan in 't vervolg met rust late.quot;
Deze onvriendelijke toespraak, waar ik 't zwijgen toe deed, lierinnerde mij, dat 't lioog tijd werd voor de terugreis. De wandeling ging even spoedig als straks. Ik was weêr waar ik was aangeland. De bewoners keerden juist van de fabriek terug. Ik herkende daaronder mijn' gids niet. Toen ik naar hem vroeg, was de wedervraag: »Zijn nommer? Anders kan niemand u helpen.quot; Dat verwenschte Nommer! was 't niet 9000? neen! 90.000; en dan nog een 1 en een 3; ik geloof ook een
7, 97.000; maar nu verder, 100 neen! 300.....»Helpt, helpt
toch, vrienden! ik mag, ik kan hier niet blijven. Zijn nommer, wie weet dat?quot; Hot angstzweet brak mij uit. Een nevel bedekte alles. Ik dreigde flaauw te vallen, maar quot;t gelukte mij, nog eenigo beweging te maken. In die benaauwdheid hoor ik eene stem aan mijn oor. Zou 't dat Nommer wezen? Maar neen! 't is eene aardsche stem, die mij zeer prozaïsch vraagt: »Meneertje! meneertje! zou je niet opstaen! 't Wordt kil, oor.quot;
Ik wreef de oogen uit, en keek den man, die tot mij sprak, vrij versuft aan. 't Was een echte Scheveninger. Hij vervolgde, toen hij zag, dat ik wakker was: »Meneer lei daer al zoo lang; en 't is gevaerlijk om in de Maen te slapen: voor stadsminsen wel te weten: een arme visserman mot overal tegen kennen. Yerstaeje me wel?quot;
Och ja! arme visscherman! je hadt niet eens met dat vaste slot van elke Scheveningsche redenering behoeven te eindigen. Ik versta heel wel, dat de hand van dien armen visscherman niet enkel uit de broek getrokken wordt, om mij op te helpen. En ik maak mij voor de honderd en zoo veelste maal knorrig
127
DE MAAN.
op de rijke vreemden, die ons kloeke zeevolk tot bedelaars steinpelen. Nu! dit maal was de wekker zijn loon waard. Met een' scliijn van domme verwondering, als of lüj zoo iets volstrekt niet verwacht had, deed hij 't kwartje in de wijde broekspijpen verdwijnen.
De Maan was al een heel eind vooruit gegaan aan den hemel, en de nacht op aarde ook. Ik was stijf van 't vochtig duingras, en ribbelde van de nachtlucht. Als men nu, wanneer er eene ligte verkoudheid op volgt, ook maar niet zegt, dat ik maanziek ben!
Maar 't is goed afgeloopen, en ik ben weer zoo gezond als een visch. quot;Wie die vergelijking uitvond, weet ik niet. Een Scheveninger zou u best kunnen zeggen, hoe hij dikwijls visch verkoopt, die in 't geheel niet gezond is, en 't misschien vóór zijn' dood ook niet was.
Mijne phantasiën zijn intusschen naar de Maan, en de wereld verliest er niets bij.
128
Eene Causerie.
MEN.
Ecne Causerie: — Wat is dat Franseli toch een prachtige taal! Wanneer ik op zijn plat Hollanclsch zeide, dat ik alleen een praatje kwam houden, of nog platter, dat ik wat kwam babbelen, wie zou 't boek niet gemelijk (ligt slaan? — Maar eene
Causerie, o! dat zal iets prettigs wezen, en zoo gezellig.....
Ik zeg 't niet, maar 't publiek.
Mag ik dus reeds terstond u uitnoodigen tot eene wandeling, en wel door den hartader van Nederland, het omgekeerde mas-tenbosch: — Amsterdam? Wie de stad goed wil leeren kennen en tegen wat loopen niet opziet, dien raad ik aan, dat hij doe zoo als ik, en met niet meer dan een algemeen schema van den platten grond in het hoofd, dwale waarheen zijne voeten hem dragen willen. Bij voorkeur in de oude stad: want de nieuwe uitbouwingen gelijken op elkander als zoo vele druppels water, 't Is niet do Dorische of Ionische, niet de Gothische of Arabische, maar eenvoudig »de kazerne-bouworde,quot; of wilt ge liever »de stoven-methode,quot; even uniform en vervelend, als geriefelijk voor de bewoners, zoo lang de huizen niet invallen.
Zoo dwalende kwam ik in de Joden-breedstraat, en verlustigde mij, als altijd, in de eigenaardige trekken en levendige spraakzaamheid van dit volk der vreemdelingschap, dat overal
132
te huis is en tocli overal liet aangezigt rigt naar Jeruzalem. Zelfs de uitliangbordjes met liunne Hebreeuwsche letters sclüjnen dien kant uit te kijken. Een daarvan viel mij bijzonder in 't oog. Het bengelde boven een somber en bekrompen keldertje, waar ik eenige kleinigheden tot dagelijksch keukengebruik opgetast zag. Ik poogde het te ontraadselen, maar 't lukte niet. De lezer zal weten — of niet weten, — dat 't Hebreeuwsche letterschrift alleen uit medeklinkers bestaat en van de regterzijcle begint. En zoo zat ik reeds terstond met 't eerste woord H J E, en toen met het derde ITN, want ik begon met de kleintjes. Yan de groote woorden, Nn. 2 en 4 kon ik niets maken. Die hadden in 't geheel geen' Hebreeuwschen vorm. Als een echt criticus, maakte ik allerlei conjecturen, — naar den regel, dien ik op de akademie geleerd heb, dat de gekste de beste zijn; — tot ik eindelijk op de gedachte kwam, of 't ook Hollandsch of basterd-Duitsch wezen kon, zoo als de Joden van Poolsche afkomst spreken. En nu werd op eens de zaak zoo helder, als het bekende:
IC IEST LEC HEM IJST DE SANES. — Heurèka! Gevonden! ilet een' oogopslag las ik nu: „Hier verkauft man solferstekken.''' Ik wil voor mijn geheugen niet instaan, — want het is al een poos geleden, •— of 't laatste ook schwevelstekken of zwavelstokhen was. Maar aan 't artikel zelf viel niet te twijfelen. Een bos, zoo groot en zoo rond als een hoepel, lag er onder. En zoo had ik tevens den sleutel gevonden tot andere even praktische annonces, als »Hier mangelt men,quot; »Hier gaat men uit porren,quot; enz.
Intusschen had ik te lang getmu-d op die geheimzinnige Hebreeuwsche letters MjST, die ik overal weder vond, om mij tevreden te stellen met het eeirwudige resiütaat, dat ik met eene zwavelstokken-vrouw had kennis gemaakt. De tijd van gezond verstand en eenvoud van stijl ligt ver achter ons. Onze
MEN.
133
MEN.
philosopMsche eeuw wordt best afgebeeld door een' jongen, die met een stokje de sloot omwoelt, en als hij alles regt troebel gemaakt beeft, zegt: »Ziet ge wel, hoe diep het water is?quot;
En zoo roerde mijne phantasie, waarvan ik altijd nog uit mijne jeugd een quantum sufficit, zoo als de recepten zeggen, heb overgehouden, — die twee letters met de gevonden vokaal zoo lang door een, dat het eene diepzinnige vraag werd, wie die MEN of MAN eigenlijk was, die hier zwavelstokken verkocht. Zij scheen gepersonifieerd in eene onbewegelijke gedaante, zittende op een wrak stoeltje, onder aan den keldertrap. 't quot;Was eene moeder in Israël, kenbaar aan 't gescheiden haar, dat onder de muts weg schuilde, als een overblijfsel van den Oosterschen sluijer, terwijl Israels dochters vrij pronkten met de ravenzwarte krullen.
Maar nu ik eenmaal op die Man of Men opmerkzaam was geworden, liep ik hem of haar — want het schijnt wel een hermaphrodiet te Avezen, — overal tegen 't lijf. Allereerst voor de glazen van een' sigarenwinkel in mijne geliefde hofstad, waar een papier binnen op was geplakt: On parle francais, een ander ISlan spricht Deutsch en een derde English spoken. Hierdoor wist ik nu, dat Mijnheer of Mevrouw Men in 't Duitsch Man heet en in 't Fransch On; en dat hij bij de Engelschen, die altijd wat kort van stof zijn, maar zonder naam als de groote Onbekende optreedt, ofschoon kenners mij verzekerd hebben, dat ook het Engelsche Man in even onbepaalden zin wordt gebruikt.
En daar nu de sigarenhandelaar, al zette hij er geen Hier voor, zoo als de voorzigtige zwavelstokken-vrouw, onmogelijk kan gemeend hebben, dat er ergens in de wereld Fransch, Duitsch of Engelsch wordt gesproken, of dat zijn keukenmeid het deed, zoo vereenigt hij zeker al die taalkennis van den grooten Men in zijn eigen' persoon, en maakt dit op die wijze
/
MEN.
bekend, ton dienste der vele trekvogels, die ieder jaar met de zwaluwen komen en gaan, en met hun' rooden Baedeker in de hand door onze hofstad zwerven. — Zou 't geen zaak zijn, dat ook voor het patent van sigarenhandelaar eens een vergelijkend examen word ingesteld in de tabak en in de talen? Het zou die talrijke verzoekingen voor onze jongens wat inkorten.
Maar dit daar gelaten. Eenmaal in mijn diepzinnig onderzoek naar den Onbekende verdiept, raakte ik telkens weder het spoor bijster; want ik vond Men overal, en kon hem nergens vast houden. Op mijne studeerkamer terug gekeerd, zocht ik hem in de oude talen, maar vond hem daarin niet, zoo ver ten minste mijn beperkte kennis gaat. Hebreen, Grieken en Latijnen schijnen het zonder dat woordje te hebben kunnen doen, dat in de nieuwere Grammatica geannonceerd wordt als »een onbepaald persoonlijk voornaamwoord.quot; Of ik hier nu al tegen in-bragt, dat het voornaamwoord juist dient, om den persoon (ik of gij, hij, zij of wij) te bepalen — dat dus een onbepaald persoonlijk woord eene contradictio in terminis, eene tegenstrijdigheid is, -—• de Grammatica bewaarde, na hare apodiktische uitspraak, een voornaam en hooghartig stilzwijgen. En toen ik nu in mijne verlegenheid schriftelijk aan een' professor in de Nederlandscho taal de doopceel van Men vroeg, den oorsprong van dien term, in 't Celtisch of Sanskriet misschien, vond zijn Hooggeleerde zeker de zaak verre beneden zich; — althans ook hij zweeg.
Ik moest dus maar zelf weer aan 't zoeken. En nu bemerkte ik spoedig, dat Men iemand is, die veel hoort en veel weet, zonder daardoor naar het schijnt ooit wijs te worden. Want ik krijg geen courant in handen, of een half dozijn zinnen op zijn minst beginnen met Men verneemt. Maar nooit las ik er in: »Men weet zekerquot; of »Men is eindelijk wijs geworden,quot; en nog minder: »Men heeft deze of die wetenschap beoefend.
134
ME3S'.
eene uitvinding of ontdekking gedaan.quot; In dat geval is liet altijd een bepaalde persoon. De groote en naar 't scliijnt overal tegenwoordige Men blijft altijd maar iets nieuws liooren en zeggen, precies als de Atlieners in Paulus' tijd. 't Is een wandelend oor, dat aan alle deuren luistert, en daarbij een mond, altijd geopend om er over te babbelen.
Men verneemt: — Ja! wat verneemt men al niet! — dat Zijne Majesteit op reis gaat of op 't Loo blijft; of dat er weer een nieuw stel ministers iu de maak is, doorgaans zilver of goud uit de oude kast, alleen wat opgepoetst en anders gegroepeerd tot een' nieuwen zondenbok. Of Men verneemt, dat de aardappelen duur zijn, en liet Iiooi sleclit is. Maar neen! dat verneemt men niet; dat ondervindt wie 't aangaat. Dus dat heeft mijnheer Men niet van hooren zeggen. Hot wordt eenvoudig als een feit vermeld, even als de aanslagen der Nihilisten in Eusland, de gele koorts in Amerika of de cholera in Azië. Achter dat Men verneemt, schuilt altijd iets geheimzinnigs. Het is afgeluisterd door het sleutelgat. De wandelende nieuwtjesjagers der courant hebben het, tegen zoo veel centen den regel, hier of daar opgevischt. 't Is dus nog in 't geheel niet zeker, vooral wanneer 't geannonceerd wordt onder den nog geheimzinniger term: Men zegt. Even als eene proef op de drukkerij, die haastig en slordig is gezet, moet zoo'n berigt een paar dagen later wel eens verbeterd of herroepen worden. Ja! de booze wereld zegt, dat soms de Eedactie in hare wanhoop, hoe in vredestijd het groote blad te vullen, zulke On difs verzint, om ze later weer te kunnen tegenspreken: dat is twee artikels winst, behalve dat het blad er meer gekruid, dus interessanter door wordt..... Men zegt dat, maar ik zeg 't niet.
Soms schuilt er in dat dagbladen-men wel eens venijn, vooral wanneer 't heftige partijbladen zijn; maar veel erger wordt dit, wanneer de On difs het vergankelijke blad verlaten, dat als
135
136
't haft maar éénen dag leeft, om met nachtuil-vleugelen rond te fladderen door de maatschappij. De men's zijn daarom even talrijk en even onzigtbaar als de bakteriën der nieuwste natuurleer. De lucht is er vol van. Zonder er op te letten, ademt ge ze uit en in.
Zie! daar staan twee heeren vóór een prachtig huis. Zij wijken uit voor een rijke equipage. De Graaf A of B —noem hem zoo als gij wilt, — stapt er uit met Mevrouw de Gravin, en een livereiknecht werpt eerbiedig de vleugeldeuren open.
»Eene prachtige vrouw!quot; zegt de goedhartigste der twee toeschouwers: »En even weldadig als schoon. Zij verdient haar geluk.quot;
»Ja, ja!quot; grijnst de ander: «Pracht en schoonheid genoeg. Maar anders — men zegt, dat de man jaloersch is, en er wel reden voor heeft.quot;
»Hoe dat?quot; vraagt de eerste verwonderd.
»Och ja! ik zou de zegsman niet willen wezen; maar de Bidder X — van de diplomatie, weet je? — maakt haar nog al 't hof. En nu wil Men, dat er dezer dagen een hevige sccne over geweest is daar binnen, al houden ze zich natuurlijk voor het publiek goed. Men sprak zelfs van een duel.....quot;
«Wie sprak er van?quot;
AVïe? Ja ieder een op de Soos, maar voor de waarheid kon niemand instaan.quot;
»En voor de onwaarheid ook niet, zeker; maar dan moest Men er liever in het geheel niet van spreken. En diejaloezij? En die hevige scène? Zijn er getuigen van?
«Getuigen? Wat weet ik 't? Ik vertelde maar, wat Men zoo algemeen zegt.quot;
»En van hare weldaden zegt men op de Societeit niets, schoon daar ook tegen haar zin wel eens iets van uitlekt.quot;
MEN.
137
■MEN.
Zoo besloot de eerste spreker en ging regts, omdat hij wist, dat de ander links moest.
Deze keek liem glitnlaehond na, en vroeg bij zich zeiven; »Zou hij soms ook van die weldaden genieten, dat hij zoo voor de schoone Gravin partij trekt? Men zegt, dat hij nog al krap zit. Enfin ! het een gaat mij eigenlijk even min aan als het ander.quot;
Dit maal had de alwetende Men het goed geraden, wat het »krap zittenquot; betreft, en de weldaad ook, maar van de jaloersch-heid was niets aan. De Gravin had op een bal een oude kennis ontmoet, sedert eenige jaren elders ambassadeur; en één der Heeren had schertsend gezegd: »Als ik zoo'n prachtig vrouwtje had, zou ik van eiken diplomaat jaloersch zijn.quot;—Een oogonblik later was hij dit gezegde al weer vergeten, maar niet een paar spijtige nufjes, die 't hadden opgevangen. En zoo was 't verder verbreid.
'tls verwonderlijk, hoe de overal vertegenwoordigde Men uit zulke fijne draadjes een kunstig weefsel weet te spinnen. En wat nog verwonderlijker is, hoe ieder er onwillekeurig aan voort spint. «Kwaadspreker? Lasteraar? 't Is het verfoeijelijkste wezen, dat Men kent, een pest dor Maatschappij.quot; Dat roepen allen als in
koor____Ei wat, mijnheer! gij die u zoo gedwee in dienst van den
alvermogenden Men stelt en zijne draden voort spint, al verder en verder, zonder er bij na te denken, alleen om wat te praten, tot ze misschien een' onschuldige hebben verstikt, zijt gij zoo geheel vrij van laster en kwaadsprekendheid? Geef dien Men een' schoenen, zuiveren draad: hij breekt spoedig af. Yertel hem iets goeds, iets edels: hij schudt 't hoofd en zoekt er lage beweegredenen achter, en anders zwijgt hij er van. 'tlsvreemd, zoo spoedig als do menschen moe worden, om het goede van een ander te hoeren. Yan 't voorgeslacht, dat gaat nog. Daar verdicht men zelfs de schoonste idyllen, de edelste legenden van. Maar tijdgenooten? 't Is als of het goede, dat gij er van ver-
MEN.
tellen moet, u zelf ontstolen is. quot;Wat in lion dwaas of bespottelijk, vooral wat gemeen en schandelijk is, daarop past de spreuk der ouden: Fama crescit eundo; met andere woorden: »Het vallend vlokje wordt een sneeuwval.quot; En dat eerste vlokje te vinden, — in eene Causerie, zoo als straks, gaat 't; maar in de werkelijkheid zet ik 't u in drieën, — in tienen ja!
Onze Men is ook bijzonder op akeligheden gesteld, en als zoodanig een trouw bondgenoot der school, die men bij voorkeur de realistische noemt, — als of 't schoone en goede ook geen realiteit ware!
Hij leeft in verschrikkingen, omringt zich met vlammen en puinhoopen, en baadt zich bij voorkeur in stroomen bloed. En dan gaat 't er mee, als met de kippenvoer in 't sprookje van Andersen, die in den nacht door een der slapendej. hoenders was afgeschud, en reeds in den morgen aangegroeid tot eene kip. die uit jaloerschheid op den haan zich geheel had kaal geplukt.
»11 en zegt, dat te Amsterdam van nacht zulk een brand is geweest, dat men aan den overkant van de gracht den gloed kon voelen.quot; Dit was nu wel zoo niet, maar men kon hem natuurlijk zien, en dat verschilt zoo veel niet.
Tweede editie. »Meii verhaalt, dat de brandweer zelf het er niet bij kon uithouden; ja! Men spreekt zelfs van één of twee dooden.quot;
Derde editie. »'t Schijnt zeker, dat een paar brandweermannen in den rook zijn gestikt. De gloed was zoo hevig____quot;
Maar hier valt op eens de telegraaf in, tikt den voortbabbelen-den Men op de vingers en geeft liet relaas van een' gewonen brand, waarbij, naar den geijkten term, geen menschenlevens te betreuren zijn, en gelukkig alles geassureerd was, zoodat Men — — Nu ja! wat Men in dat geval al ligt van iederen brand denkt, behoef ik niet te zeggen. Die prozaïsche Telegraaf!
138
139
MEN.
Men moet dus in onzen tijd verder gaan, om een ruim veld te vinden voor de pliantasie van den grooten Onbekende; en dan kiest hij bij voorkeur cle slagvelden, waarop de telegraaf hem nog niet vóór is. Als gij u in een' bloedigen oorlog, — zoo als ik er helaas! al zoo vele beleefd heb, — maar eens de moeite geeft, om de getallen der gesneuvelden en gekwetsten, die Men zegt dat gevallen zijn, bij één te tellen, zult ge haast tot de conclusie komen, dat even als de Hoi/acen en Curiacen bij de Eomeinen of de voorvechters van Juda en Benjamin bij de Israëlieten, allen elkander hebben verslagen, en alleen de generaals zijn overgebleven, om de praeliminairen tot den vrede te teekenen. En zoo ver hebben het toch de mitrailleuses., geschroefde kanonnen en achterladers nog niet gebragt.
Tusschen twee haakjes: ik heb altijd beweerd en beweer 't nog, al is 't mij dikwijls tegengesproken, dat de mensch het instinkt van alle dieren in zich vereenigt; natuurlijk niet den kunstzin van bevers, vogels of insekten, maar den dierlijken aard. Die sclmilt in ons allen, en het hangt slechts van karakter en omstandigheden af, welke eigenschappen zich het meest ontwikkelen, en op welk dier wij dus gelijken.
Is nu — gelijk ik gis, — Men van man of mensch, en in 't fransch on van homme afgeleid, zoo wordt hierdoor de groote Onbekende in zeker opzigt de personificatie der mensehen-menigte; niet de ideaal-mensch, maar het complex der eigenschappen en beginsels, die de groote menigte kenmerken en beheerschen. En zoo leerden wij Men reeds kennen in zijne nieuwsgierigheid en babbelachtigheid, die aan de apen denken doet; in zijne eeuwige onrust, den aard der trekvogels en eekhorentjes, en in zijnen bloeddorst, den waren tijger-a a v d. Heeft hij daarbij soms ook de list der slangen, — de opregtheid der duiven en do zachte aard der lammeren zijn hem doorgaans vreemd.
MEN.
Maar als de personificatie van den heer der schepping, is Men bovendien een autokraat, die wil gehoorzaamd worden op zijn woord, al weet hij, dat gij hem niet op zijn woord gelooft. Sic volo, sic jubeo; hetwelk is, overgezet zijnde: «Probeer 't eens mij togen te staan!quot; — quot;Wilt ge dit nu den leeuwenaard in den mensch noemen, 't is mij wèl; maar dan zonder de tradi-tioneele edelmoedigheid van den leeuw, — die ook in de poëzij beter op hare plaats is dan in de natuurlijke historie.
Van die autokratie nog enkele voorbeelden. Ik begin van mij zeiven, met uw verlof. Tot mijne deugden of gebreken behoort, dat ik niet meer dan den hoogst noodigen tijd voor mijne kleeding over heb. Ik ben tevreden, wanneer de groote Men mij op straat niet als eene rariteit aangaapt, of als een' zonderling met den vinger nawijst. Maar ik heb kinderen en kleinkinderen, die op mij passen; en wanneer ik aan mijn uiterlijk niet denk, omdat ik gewigtiger zaken in hoofd en hart heb, mij tot de orde te roepen.
»Grootvader!quot; roept één van de jongens: »wou u nu weer met dat oude jasje uitgaan?quot;
»0ud! wel jongen 't is bijna niet versleten, en ik kan 't van den zomer wel afdragen, door de week.quot;
»Maar u kunt zóó niet uitgaan, de menschen kijken u na.quot;
»Heel belangstellend! Maar wat is er dan bijzonders aan mij te zien?quot;
«Wel! zoo kort en zoo naauw! Men draagt ze zoo niet meer.quot;
»Maar van dezelfde snede hebben vroeger toch allen ze gedragen ?quot;
»0 ja! toen deed ieder een het!quot;
»En,quot; voegt mijn oudste er bij: »omdat elke lange jas toen een kuitendekker werd genoemd, durfde niemand lang en ruim in de kleêren wezen, en zijn de jacquetjes en zelfs de overjassen bijna buisjes geworden. Maar nadat het minimum
140
MEN.
bereikt was, begonnen ze op eens weêr te groeijen. Zoo gaat het in de wereld.quot;
Ik vind die aanmerking van mijn' oudste zeer pliilosophisch; maar begrijp toch nog niet regt, wie aan dien geheimzinni-gen Men de magt gegeven heeft, om ons gedurig uit en aan te kleeden naar willekeur. Haast zou ik gissen, dat hij of zij eigenlijk kleermaker of modiste was, en daardoor bij die gedurige verandering belang heeft.
En nu sprak ik alleen nog maar van mijn jasje, maar als ik aan de hoeden begonnen was! Wie zou zeggen, dat er zoo veel variatie mogelijk was aan en in dat onbehagelijke stuk kagehelpijp! En toch heb ik, in rand en bol, stellig wel meer dan vijf en twintig metamorphosen in mijn leven, ondergaan, 't Voordee-ligste zou misschien wezen, dat men ieder jaar zijn' hoed weg zette, tot na veel rijzen en dalen, uitbreiden en inkrimpen, hetzelfde model weer in de mode komt.
En durfde ik mij aan de dames wagen, nog meer dan wij afhankelijk van 't geen M e n mooi vindt en M e n draagt!... Nu eens vertoont de crinoline ons liet beeld van eene parachute, en kan men zich. zulk eene Venus voorstellen, als ongedeerd afdalende uit eene luchtballon. En dan zien wij weder de straat dwïjlen met eene sleepjapon, die voor dat gebruik toch te goed is. Of 'smenschen achterdeel wordt uitgezet..... Om nu niet te spreken van het decolleteeren, — een fatsoenlijk woord voor »naakt looper..quot;
quot;Wat spotten we in onze jeugd met dat alles, zoo als de onsterfelijke Men het droeg in de eeuw van Louis Quatorze! En nu heeft hij al die grillen weêr in het hoofd gekregen, en misvormt onze jeugdige schoonen eerst tot sjunneïlkoppen, en daarna tot sprinkhanen. Let maar op! wij krijgen de zwarte moesjes op 't gezigt ook nog en de gepoederde hoofden! Er is maar één middel, om aan die dwaasheden van 't groote pubhek, den
141
142
magtigen Men, voor 't oogonblik ten minste een einde te maken, en dat is het paskwil. Zoo zong men in die dagen van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, toen pruiken en prnikmakers bankroet gingen ;
Naaktheid zonder armoede,
Grijsheid zonder ouderdom,
Pleisters zonder wonden:
Zijn dat niet drie groote zonden?
En toen nu ieder deftig heer, die zich bleef poederen, behalve blom en poederkwast nog een' oud Hollandschen dukaat elk jaar betalen moest, — de quitantie heb ik nog in de papieren van mijn' vader gevonden; — toen kwam Men, in de gedaante van een' straatjongen, op een' ondeugenden inval. Wie 't uitgevonden had, wist niemand; maar wel weet ik, dat op zekeren morgen op alle straten, grachten en pleinen mijner vaderstad Rotterdam, Men die deftige heeren achterna riep: »Dukatenkop!quot; En de gezonde Hollandsche jongens-natuur won het op de hoogst-fatsoenlijke nagemaakte grijsheid. In grimmigheid dos harten betaalden zij den laatsten dukaat, waschten zich hoofd en aan-gezigt, en zonden den kleèrmaker de bemorste zwarte rokken, waar do witte beekjes over heen stroomden in den zomer; — en wij jongens kregen kwast en poederdoos, — die mooije groote ronde doos! — om mee te spelen.
Het eenige goede, dat van al die dwaasheden te zeggen is, zou zijn, dat er veel menschen van leven. Ik heb het ten minste nooit gehoord, dat een kleermaker naar de mode rijk geworden is op het eiland Marken, waar de kleine jongens meisjeskleêren dragen, en de groote de visschersbroek van grootvader; of op Rouveen en Staphorst, waar ik de schoolkinderen in korte broeken met lintjes en met bloote beenen door de plassen zag ploeteren. En gerust kan ik verzekeren, dat er
MEU.
MEN.
geen enkele modiste is op 't platte land van Twente, waar de kinderen, die ik doopte, geheel gekleed waren naar het model van haar overgrootmoeder, en even als deze in haar leuningstoel, moesten zitten, of liever hangen op moeders schoot. Gelukkig land, al noemt gij 't misschien primitief, waar het terstond na de geboorte uitgemaakt is, hoe men gekleed moet zijn tot het nur van zijnen dood! En quot;wij behoeven niet eens zoo ver te gaan. Al is Scheveningen eene Avijk van den Haag, het visschersvolk is van één onveranderlijk model, en heeft met de mode der hofstad niet het minste te maken.
Maar ik zie van woning en kleeding af. Er blijft nog een rijk veld, waarover de groote autokraat zijn schepter zwaait. Een enkel staaltje slechts uit vele.
't Is weer mijn jongste kleinzoon, die spreekt. Hij kijkt mij over den schouder, terwijl ik een opstel voor hem maak, en zegt op eens brutaal weg:
^Grootvader, dat is mis!quot;
Ik kijk hem verwonderd over mijn' bril aan, en vraag: »quot;Wat is er mis, jongen?quot;
»Wel, grootvader! verligten moet mot een ch wezen, en de kagchel even als de bogchel zonder g.
»5Iaar jongen! dan zou ik als goed Hollander spellen: k, a, ka; c, h, e, 1, chel: ka-chel.quot;
»Grootvader!quot; sprak de jongen op een' toon, als of hij mij les gaf: »31 en spelt niet meer.quot;
»Wel jongen!quot; antwoordde ik, wat knorrig: »al is je grootvader bij 't spellen opgevoed, denkje dat hij de klankmethode niet kent? Maar hoe je de klanken ontleedt en weer zamen voegt, altijd krijg je; ka-chel of kach-el. Ik weet niet wat die g, 't schibbolet, waar ge iederen Hollander aan kent, tegenwoordig voor kwaad gedaan heeft. In verligten geeft hij 't on-
143
derselieid aan tussclien iemand, die mijn beurs ligter maakt of mijne oogen verlicht: al gaat dat bij de tegenwoordige verlichting wel eens zamen.quot;
Maar de Ideine jongen, voor wien eigenlijk de laatste tirade niet bestemd was, antwoordde stout weg: »Ja Grootvader, ziet u? Dat was vroeger wel zóó, maar dat schijft IIen nu niet meer. 't Moet nieuwe spelling wezen.quot;
»En waarom is die nieuwe spelling dan beter, manneke?quot;
't Manneke legde zijn' wijsvinger naast zijn' neus en bedacht zich een oogenblik, keek op zijn huispak, dat al vrij wat wol verloren had, en zeide toen met een' snaakschen blik naar onderen:
•-AVel! omdat een nieuwe broek beter zou wezen dan deze oude broek.quot;
En nu wil ik wel gelooven, dat de achtenswaardige geleerden, die deze spelling hebben voorgesteld, daarvoor gewigtige redenen hadden. Maar de onzigtbare M e n, die haar, in do gedaante van eenige duizenden onderwijzers, tot »de nieuwe spellingquot; heeft geproclameerd, en vooral de groote menigte, die haar zonder slag of stoot heeft aangenomen, en de zetters, die u nu Tejwin-kelen, zoo als zij u vroeger Siege n beekten, weten van die redenen niets af. Ik heb liet zoo menig een gevraagd, maar in den grond geen ander antwoord gekregen dan mij mijn kleine jongen gaf; hoogstens gekruid door de banale aardigheid, dat door de nieuwe spelling de v r o o 1 ij k h e i d langer is geworden, en de benauwdheid korter. En toch begin ik, nu de eerwaardige Opregte Haarlemmer ook al Oprecht geworden is, zoo tamelijk alleen te staan; naar de geestige voorstelling van een mijner akademie-vrienden: als een soldaat, die klaagt, dat de geheele compagnie uit de pas is. Alleen voor het onderwijs heb ik mij wel moeten schikken; anders was ik er geheel buiten gesloten.
MEN.
MEN.
En zoo als 't met de spelling gaat, zoo met hetgeen gij spelt; met de woorden, die soms onder het autolcratisch bewind van het gebruik juist het tegendeel beteekenen van hetgeen ze zeggen. Laat een vriendschappelijk bezoek aan de deur afzeggen met de boodschap, dat gij het nu niet ontvangen kunt. Is dit niet in veler oog eene ernstige beleediging? Maar geef u »niet te huis,quot; geen mensch zal u dit voor eene leugen aanrekenen of zich beleedigd achten. In onze hofstad ten minste behoort het tot de goede zeden, die ik moeite heb, mijn eigen dienstboden af te leeren. Eens keek een livereiknecht mij aan, als of ik mijn wereld niet verstond, toen ik antwoordde: »Och vriend! als je die boodschap hebt van niet te huis, verzoek dan mijnheer den Baron, om niet zoo vlak voor de raam te gaan zitten.quot;
Nog een voorbeeld. Gij begint uw' brief aan een' onbekende »Greachte Heer!quot; en eindigt »Met hoogachting.quot; Gij kent den man niet; hoe kunt gij hem dan achten? Of gij weigert bot af een verzoek, en teekent u «Dienstwillige Dienaar.quot; — »Och ja!quot; zegt ge: »dat is Men zoo gewoon!quot; — Maar verwonder u dan ook niet als een Oosterling, terwijl hij zich diep ter aarde buigt, zich zeiven een' hond noemt, een hond, die misschien op hetzelfde oogenblik u in de beenon bijt. 's Lands wijs 's lands eer! Als M e n ons verbiedt, waar te zijn, dan maakt het ook weinig verschil, hoe die conventioneele leugens klinken. Ieder weet toch, hoe zwaar ze wegen.
Maar ik sluit voor 't oogenblik mijn schetsboek, om op 't woord terug te komen. De Dictiunnaire de 1'academie zegt, — en 't slaat even goed op onze taal, — dat men altijd vooraan staan moet en dan den derden persoon enkelvoud van een werkwoord achter zich heeft. Hieruit volgt, dat ge dien Men nooit kunt raken. Hij springt u altijd voor. Hij is, zoo als mijn kleine jongen in zijne zinsontleding zegt, altijd onderwerp en nooit voorwerp. Beproef 't maar eens. »M e n lastert u en vertelt—quot;
10
145
146
dat gaat. Maar »Ik zal dien Men tot zwijgen brengen, hem 't lasteren afleeren.quot; Dat gaat niet. Op zijn hoogst lean men het onderwerp zijn van een passief, maar dan zeer beleefd, en in algemeene termen. Bij voorbeeld in 't bekende: »Men wordt verzocht, hier niet te rockende Franschen zelfs nog beleefder »0)i est prié.quot; — De Engelschen verzoeken niet, en bidden nog minder; maar daarmede valt dan ook de Men weg, en het wordt een Militaire order. Yerzoeken gaat dus nog. Dat laat Men zich doen. Maar beproef nn eens: »Men wordt gestraft, ge-geeseld, gehangen.quot; — 't Gaat weer niet. Dat blijft, waar het nog in gebruik is, voor bepaalde personen over. De onbepaalde Men mag u zoo goed als gevangen zetten en geeselen; maar hem kunt gij niet aan de kleêren komen.
Doch nu ik hier aan een rustpunt van mijne Causerie ben gekomen, bekruipt mij eenige vrees. Na al wat ik van hem gezegd heb, zou Men zich wel eens kunnen wreken door mij van plagiaat te beschuldigen; want — ik zal 't liever zelf maar bekennen — lang vóór mij heeft de Oude Heer Smits, in den Spectator, eene dergelijke persifflarje van den groeten Onbekende gegeven. Ik moet er echter terstond bijvoegen, — of men 't gelooven wil of niet, — dat ik er niets van geweten heb, vóór ik mijne Causerie op touw zette, en ook daarna zijn opstel, dat vooral op de nukken en tegenstrijdigheden der publieke opinie slaat, slechts vlugtig heb door^eloopen. Les leaux esprits, — 't zij in alle nederigheid gezegd! — se rencontrent. En ik zie niet in, waarom men alle bloemen en vruchten, of ook doornen en distels van 't maatschappelijk leven zou moeten laten staan, omdat een ander er reeds van geplukt heeft. Zelfs de nalezing, vooral op liet veld van menschelijke dwaasheid, geeft nog altijd een' ruimen oogst.
Bij den Ouden Heer Smits heet het »Eene taalkundige
MEN.
147
les.quot; Zijn kleinzoon, aan eene zinsontleding bezig, vraagt hem, of m e n niet »een onbepaald voornaamwoordquot; is. En hij antwoordt: »'t Is integendeel wel een zeer bepaald en voornaam woord in onze taal.quot; — En hij blijft bij dit gevoelen, schoon de kleine jongen er op school een fout voor krijgt.
Onder alles, wat de oude Heer van 31 e n vertelt, en waarbij hij geheel vergeet, dat hij tot een kind spreekt, trok de volgende passage vooral mijne aandacht:
»Men roemt zeer de zelfstandigheid en de onafhankelijkheid van den mensch, maar slaat ieder onbarmhartig dood, die 't waagt, iets te doen, dat tegen zijn zin is.quot;
En als nu de kleine jongen vraagt: »Heoft die Reus ai vele menschen dood geslagen?quot; is het antwoord: »Zedelijk, ja! En hunne ontzielde ligchamen dwalen nog in de wereld rond, als dienaren van Xen, en helpen hem vlijtig, om ook anderen te gronde te rigten.quot;
Ik verzoek mijne lezers vriendelijk, deze laatste woorden te onthouden, als Motto voor de vertelling, waartoe deze Causerie de omslagtige Inleiding was, en waarin ik van die vrijwillig gedragen slavenketens en dien zedelijken dood u een voorbeeld schetsen wilde.
Eene Schets heb ik u beloofd, en kies daartoe mijne beelden uit het Haagsche leven, dat mij meest eigen is. Maar zet er als 't u blieft geen namen onder. Een dozijn zouden er misschien onder passen, en nog zou geen der twaalf bedoeld zijn.
Ik heb dan de eer u, die er vreemd in zijt, te introduceren in de ambtenaarswereld, het vaste en onmisbare raderwerk van den staat. De Minister is daarvan de veer; maar daar die zoo dikwijls er wordt uitgenomen om te reparéren, is de machine
MEN.
MEN.
zoo ingerigt, clat die ook zonder haar nog een' geruimen tijd op de zelfde wijs blijft voort loopen. De raderen werken door: in 't midden de secretaris-generaal, 't groote kamrad; daar omheen de referendarissen, en zoo gedurig kleiner raderen, tot den man toe, die de kagehels aanmaakt in den winter, 't Past alles netjes in elkaar, en gaat voort, door de eigen drijfkracht in 't midden, langzaam maar zeker.
Omnis comparatio claudicat. »Geene vergelijking of ze gaat hier of daar mank.quot; Zoo is 't in de machinerie ondenkbaar, dat een klein rad ooit een groot rad wordt, terwijl dit aan de ministeriën aller wensch is, uitgezonderd van hen, die 't niet meer behoeven te wensehen. Ik bewonder altijd het geduld dier verdienstelijke mannen, gedragen op de groote slak, die anciënniteit heet. Terwijl daar buiten, in de levendige en vrolijke menschen-wereld, jeugd en schoonheid de beste aanbevelingsbrief zijn, is 't in deze wereld van pennengekras en inktvermorsen de gekromde rug, zijn 't de diepe groeven in 't gelaat en de grijze haren; zoo als mij eens iemand zeide: »Wij krijgen eerst goed ons brood, als wij geen tanden meer hebben, om liet te bijten.quot; — Nu, in dat gemis is tegenwoordig ook al te voorzien!
Als ik nu eens een' zeemansterm gebruiken mag, zou ik de bevolking van het Ministerie verdeelen in die vóór en wie achter de mast staan. Yóór de mast staan de boden, waarvan er op zijn hoogst een enkele concierge of kamerbewaarder wordt. Verder blijven zij, die ze zijn; maar verslijten dan ook, in hunne bezige rust. zeer langzaam. Portier, schoonmaakster en de ministeriëele scheurder zijn geheel aard- en nagelvast.
Maar achter de mast werkt, als een elektrieke schok, het woord promotie. De Heeren ambtenaren, die gelukkig nog geen dames-concurrenten hebben, staan van copiïst en volontair, maar vooral van tweeden klerk af in de die soms een jaar of langer stil staat, oer zij een' pas opschuift. Maar men troost zien
148
MEN.
met het uitzigt, dat 't tocli, even als vóór het loket bij eene overdrukke spoor, altijd vooruit gaat, en nimmer achteruit. De jonge lieden, die natuurlijk den meesten honger hebben, krijgen 't minste eten. Dat houdt hen vlug en actief. En begint er nu tegen 't eind der file een oudje te waggelen, dan stoeten zij elkander aan, en zien hongerig uit, of hij nog niet valt, of als onbruikbaar op één der stoelen voor de gepensioneerden, 't laatste ideaal voor den ambtenaar, zachtkens wordt neergezet. In den beginne zit zulk een stoel ongemakkelijk; maar het went, men dommelt in, en droomt van zijn lang ambtenaarsleven. Intus-sehen brengen die dooden of droomend voortlevenden beweging in de file, en bij eenige teleurstelling toch veel vreugde; zoodat ik vast geloof, dat het oude spreekwoord: :gt;Den een zijn dood, den ander zijn brood,quot; op de bureaux van onze edel-achtbare vaderen is uitgebroed.
Tegenover deze geduldproef staat, dat de ambtenaar vrij is van alle onzekere kansen, alle angst en gejaagdheid eener vrijere betrekking. lEij dunkt, ik hoor 't mijn' vader, die in den Fran-schen tijd als koopman daar veel door geleden had, nog zeggen; »Wat zijt gij toch gelukkig, dat ge een vast inkomen hebt!quot; Een vast inkomen, 't was ƒ 700! Mijn stereotyp antwoord was dan ook: »Ja, vader! dan weet men vooruit, hoe veel men te kort komt.quot;
Ten slotte, alles heeft zijn vóór en zijn tegen, en de smaken verschillen. Waren de menschen als de mieren en bijen, die allen hetzelfde instinkt hebben en 't zelfde ambacht uitoefenen, er zou geene maatschappij van te maken zijn. 't Best is dus, dat alle standen elkander achten en aanvullen.
Verder hebben wij nu op 't Ministerie niet noodig, maar bezoeken liever den ambtenaar aan huis, waar hij mensch is en burger, en bijna altoos ook huisvader. quot;Wilt ge maar met mij meê gaan, de nieuwe stad in? Niet in de Oostindische buurt.
149
mes.
Java is te rijk voor onzen cliënt; Bali ook al; Sumatra alleen is in de Oost wel duur, maar in den Haag nog al goedkoop. Maar ruimer keus is er nog in de wijken der vaderlandsclie geschiedenis en letterkunde. Men kan er zien, dat Nederland op zijn groote mannen teert, van Tromp en de Ruiter af tot Bil-derdijk toe. 't Verwondert mij, dat niemand nog op de gedachte gekomen is, om eene vaderlandsclie geschiedenis en letterkunde in platte gronden uit te geven, voor de volksschool. Ook Amsterdam levert ruime stof. Maar anders, ik kan mij nog beter vinden in den hunw onzer vaderen, die het Groene Zoodje en den Krommen Elleboog, Achterom en Wijd en Zijd, Kikker straatje en Apendans hebben gedoopt.
Maar wij moeten voort. De Trompstraat dan maar in: Tromp is goedkooper dan de Ruiter. Kies er een hoogst bescheiden bovenhuisje, mits niet in een hofje, en schrijf op de deurpost den naam H. Bremer.
quot;Wij gaan naar boven. Ik heb de eer, — 't is zondag, — u den heer en mevrouw Bremer te presentéren: want »Jufvrouwquot; dat behoort in een' winkel te huis, en is reeds tot de keuken afgedaald; mijn klein loopmeisje noemen allen, die iets komen vragen, al »jonge jufvrouw.quot; Daar is de ambtenaarsvrouw dus ver boven verheven.
quot;Mijnheer en mevrouw dus zijn omringd door een bloeijend kroost: twee jongens en twee meisjes. Rondom de tafel eenige collega's, elk met een glas madera vóór zich, die nooit het eiland van dien naam heeft gezien, maar toch de heeren goed smaakt. Mevrouw heeft haar uiterste best gedaan, om al de kleine glaasjes vol te schenken; maar 't nog eens te doen, daar ziet ze geen kans toe: want de belangstelling was grooter dan zij had verwacht. Deze omissie wordt door een tweede sigaar vergoed. De gasten klinken en drinken op Bremers verdere promotie; en hun hart zou goed zijn, om nog meer te wenschen, als er nog meer
150
MEN.
te drinken was. Nn ■wordt het een ministerieel praatje, en daar hebben we niets aan; wij zouden er 'alleen uit kunnen leeren, dat alle ambtenaren precies het aanstaande lot van den minister, van zijne begrooting en zijne wetten kennen, tot zij soms op eens bemerken, dat zij er niets van wisten.
Een paar dames zijn mede gekomen, en praten natuurlijk over hare kinderen: want gij kunt zeker zijn, dat overal kinderen geboren worden, waar niet veel te eten is. Hier ten minste coneentréren zich acht levendige oogen op het beschuitblikje, en zien nijdig elk beschuitje na, als of 't hun ontstolen word.
De felicitatie gaat uit een, en nu praat de onzigtbare Hen, die op 't ministerie ook al is ingekwartierd, een weinig anders dan daar binnen. Men gunt 't Bromer wel. Nu ja! quot;t is een goede kerel, en hij heeft al vijftien jaren dienst. Maar anders, wat capaciteiten betreft, en dan zijn schrift, had Zijne Excellentie misschien eene betore keus kunnen doen. Bij dit oordeel van den onpersoonlijken Men, ziet ieder op zijn' eigen' neus, en taxeert zijn schrift en zijne dienstjaren. Jaloersch is men op 't Ministerie niet, o neen! en kabalen — kabalen in de eenvoudige ambtenaars-wereld, — wie denkt er aan? Al te maal fidéle broeders!
De vrouwen, die achteraan komen, hebben de beschuitjes geteld, het restantje madera met 't oog gemeten, en do kleêren der kinderen de revue laten passéren. Vloerkleed en meubelen hebben zij getaxeerd als uitdraagsters. Wat zullen ze er van zeggen? Men heeft al lang gemompeld, dat Bremer het niet al te breed had. Het medelijden zal bij den secretaris-generaal ook wel wat gewogen hebben. Anders — elk dacht met een' zucht aan haar eigen' echtgenoot.....
Aan 't verlaten huis wordt gescheld, en een forsche stap annonceert iemand, die te zwaarlijvig is en ook te vrijpostig voor een' ondergeschikt' ambtenaar. Bij 't openen der kamerdeur
151
MEN.
komt er een blos van blijdschap, dien wij straks bij al de ge-lulnvensehen misten, op 't gelaat der huismoeder. Tegenover dezen blos, steekt een vlugtige wolk over het voorhoofd van haar echtgenoot ongunstig af. Hij ziet Oom Barend, dien hij mede heeft aangetrouwd, zoo ongeveer aan als sommige ontvangers op 't platte land den controleur, als deze op een ongelegen oogenblik de kas komt opnemen. De kinderen omringen en verwelkomen den oudoom, en tasten al in zijne wijde zakken.
»Nu ja,quot; zegt de oude man: »Houdt maar wat rust, jou klein goed! Of — hier Betje, neem jij 't eene zakje maar, en Barend, die al een heele slungel wordt, 't andere. Anders laat ge mij toch met geen rust. Maar eerlijk deelen, hoor! en niet kibbelen of grimmen.quot;
Tusschen twee haakjes gezegd: Oom is nooit getrouwd,alleen omdat hij geen kind kon hooren huilen. Hij koopt daarom altijd de tranen af, en als dat nog niet lukt, neemt hij stok en hoed en gaat terstond heen.
Maar dit maal gelukte het. Er werd niet, althans niet hard op gekibbeld over den inhoud der zakjes. Vader was ook te huis.
Oom trok, zonder verder belet te vragen, zijn' wijden jas uit ? en nam zijn gewone positie aan: met de kin op den ronden ivoren knop van zijn' stok; — en keek toen nichtje aan, met het gezigt van een' regter van instructie.
»En Bremer is zoo adjunct-commies geworden?quot; zoo klonk het eerste verhoor, dat niets had van eene felicitatie, en terstond gevolgd werd door de tweede vraag: »Op 1200?quot; — In de ambtenaarswereld rekent men 't onnoodig te zeggen, of men van guldens of centen spreekt, van maanden of van jaren. Even als de lotelingen van de militie, draagt ieder eenvoudig zijn nommer op zijn' hoed, met Op er voor. Van daar dat eene Oost-indische dame mij op zoo'n mager ambtenaars-tafereeltje
152
MEN.
antwoordde: »Mij dunkt op 400, dat gaat toch nog al.quot; Zij meende bij de maand, zoo als men in de Oost rekent.
Oom Barend -wachtte he-1; antwoord niet af, want hij vroeg naar den bekenden weg. Hij vervolgde dus: :gt;Het land betaalt slecht, heel slecht, 't Is schande! Gelukkig, dat gij er nog wat bij hebt. Maar daarom begrijp ik uw' laatsten brief niet, Dientje!quot;
Den adjunct-commies brak het zweet uit. Oom Barend begreep niets van het oud-Hollandsche spreekwoord der »kleine potjes met groote ooren.quot; Hij beschouwde do kinderen, mits ze maar niet huilden, als aardig speelgoed, en zweeg voor het oudste meisje even min als voor haar pop.....Daar zijn er meer zoo.
»Zou je niet wat in de achterkamer gaan spelen, kinderen?quot; zeide Mevrouw Bremer met de gevatheid van een' diplomaat, die elke moeder eigen is; want liet zij Oom Barend eens doorslaan , dan was hij niet meer te stuiten.
Maar de kinderen — 't is de oude Adam, zeiden onze grootmoeders, — hebben nu eenmaal een' halsstarrigen trek, om juist daar te wezen, waar ze niet mogen zijn. Al het vaderlijk gezag was dus noodig, om aan het verzoek van moeder de kracht van een bevel te geven. En toen 't nu niet ging zonder eenige waterlanders, schudde Oom Barend van schrik al de centen uit zijn porie-inonnaie.
De kinderen spelen eigenlijk in de achterkamer niet. Dat gaat niet op commando. Zij pruilen en overleggen, niet zonder te kibbelen, zoodat vader nog eens een' forschen tik op de deur geeft, blij dat hij zijn' inwendigen wrevel ergens op koelen kan. Eindelijk wordt het stil. Na algemeen overleg is de kleine Barend uitgegaan met de centen, om lekkers te koopen, voor zich zelf natuurlijk sigaretjes. Hij is haast tien jaar!
»Maar nichtje!quot; valt nu Oom Barend uit: »dat je van ƒ 1000 niet vet kondt soppen, wil ik graag gelooven. Ik heb je genoeg
MEN.
gewaarschuwd, toen je op ƒ600 getrouwd bent. Maar de huur van het huis, dat u toekomt, en dan — al is het weinig, — de intrest van het Grootboek komt er toch ook nog bij.quot;
Nichtje zwijgt. Bremer neemt nu de vrijheid, om met alle bescheidenheid op te merken, dat de traktementen nominaal zijn; dat er van elke verhooging vijf jaar lang een vijfde gedeelte moet worden geofferd voor 't pensioenfonds, terwijl uit de leges het weduwfonds wordt betaald, behalve de gewone korting en fooijen.
»Och ja!quot; bromt Oom: »ik ken dien knoeiboel, beteekent
in 't Hollandsch wetten, en er is geen onwettiger ding dan die leges, die gij betaalt, en ontvangt en nog eens betaalt, terwijl het land nog niet eens voor afgeleefde ambtenaren, weduwen en weezen zorgt, zonder eerst een stukje van uw brood af te knijpen. Maar op huishuur en Grootboek is toch geen korting?quot;
Bremer stotterde, maar er kwam niets uit. Op zulk een oogenblik hebben de vrouwen meer moed dan wij, de moeders vooral. Met neergeslagen oogen antwoordde zij: »De nood heeft ons gedrongen. Het huis is verkocht en het kapitaaltje van het grootboek afgeschreven.quot;
»Zoo, zoo, nichtje! Van den hoogen boom af geteerd, en de kip geslagt, die de gouden eijeren legde. Heb ik daarom als voogd uw boeltje zoo zuinig bij een gehouden, en zoo goed vast gezet? Maar ik heb het al gevreesd. Dat ging ook veel te mooi gekleed. En dan lid van dit en lid van dat; en 'szondags natuurlijk met de tram naar Scheveningen.quot;
»Niet eiken zondag!quot; verbeterde de schuldige.
»Nu ja! eens of meer. Maar wie op een klein inkomen trouwt, moet wandelen of t'huis blijven, en kan geen publieke amusementen genieten, zoo ze niet gratis zijn. Dat heb je te voren kunnen weten, Dientje.quot;
Maar nu werd toch het eergevoel van den nieuwen adjunct-
154
MEN.
commies wakker. Zóó als een arme zondaar voor den regter van instructie te staan, zonder dat deze, die de Acte van beschuldiging aan zijne vrouw voorlas, hem eens aankeek! Er lag dus eene slechts met moeite bewongen bitterheid in den toon, waarop hij zeide: »Hoor eens, Oom! ik weet niet, wat mijne vrouw u geschreven heeft. Het is buiten mij omgegaan, en ik zou 't niet gedaan hebben, hoe ook het gebrek ons nijpt. Maar u vergeet, dat wij in een' heel anderen tijd leven, dan uwe jeugd was. Men moet met zijn' tijd mee; en al bekrimpt men zich binnen 'shuis, daar buiten moet men zijn fatsoen als ambtenaar ophouden. Toen ik trouwde, had ik wel weinig inkomen, maar ieder wist, dat mijn vrouwtje geld had. Men vergrootte 't zelfs, en om de waarheid te zeggen, ik sprak dat niet tegen. Elk houdt gaarne de eer van zijn huis op. En zoo moesten wij natuurlijk, in ;t uitzigt op promotie, boven ons inkomen leven. Men wil toch ook niet bij anderen achterstaan. Al de heeren van mijn bureau zijn van societeit en schaakgezelschap lid, en rijden met de tram naar Scheveningen. Als zij eens loopen, heen of terug, doen ze 't om den mooijen weg, zoo als zij zeggen, niet om de dubbeltjes. Wat zou Men er van zeggen op het Ministerie, als mijne vrouw met een katoenen japon naar 't strand wandelde, of de kinderen op een stadsschool voor den burgerman gingen. Men is nu eenmaal in de wereld.....quot;
»En omdat die vervloekte Men u op allerlei kosten jaagt, en u dwingt thuis gebrek te lijden, om buiten's huis een' bluf te slaan, daarom zijt gij uitgeteerd tot op quot;t gebeente, en staat zeker nog mooi in 't krijt, in de lommert misschien.quot;
Een traan sprong de moeder uit de oogen. Zij dacht aan den winterjas van haar man en haar eigen linnengoed. Binnen kort was het verkooping: hoe het nog te lossen ?
»Hoort eens, kinderen!quot; vervolgde Oom op zachter' toon: »gij
155
15(5
verbeeldt ii, dat die groote Men u voor ■welvarende, roijale mensclien lioudt, wanneer gij de gasten een heel Iclein glaasje Madera schenkt, terwijl uwe kinderen al lang den smaak van het bier A'ergeten zijn. Gij vraagt: gt;AVat zou Men er van zeggen?quot; als ge bij de geboorte van uw derde kind voor de dierentuin liadt bedankt, en nooit meer in de komedie, in de tram of op 't terras gezien waart; of gij, Dientje! katoen voor zij waart gaan dragen, met een veer minder op den hoed. En gij weet niet, dat dezelfde Men 't u achter uw' rug tot zonde en schande aanrekent, en mij zelf op mijn eenzaam buitentje is komen vertellen, dat uw kleermaker u al een nieuw pak, en de schoenmaker bottines heeft geweigerd.quot;
»Dat is zoo niet!quot; riep Bremer uit, die nu geheel rood werd.
Maar Oom hernam dood bedaard: »Dan ziet gij er uit, dat die Men een ondragelijke tyran is, die u eerst uitplundert en daarna belastert. Een koopman kan en moet zich soms groot houden, maar niet een ambtenaar, die zijn traktement op zijn voorhoofd draagt. Moet hij gewone leSren schoenen dragen voor bottines, en zijne kinderen op de goedkoopste school doen; ja! al moest hij op een Hofje wonen, dat is geen schande voor hem, maar voor 't land, dat hem zoo slecht betaalt.quot;
Maar de echtgenooten waren te warm, om zulk eene koele redenering te volgen; en er was nu zelfs in den toon der vrouw zekere ongewone bitterheid, toen zij zcide: »Enkel nijd en afgunst, Oom! omdat mijn man bij den Minister zoo goed aangeschreven staat, en anderen, die minder knap en actief zijn, over 't hoofd springt. Daar heb je bij voorbeeld dien langen Slaman en zijn vrouw, die straks alles hier zijn komen opnemen; en dan —--.quot;
»Houd die namen maar voor jequot;; ik ken ze toch niet. Ik dacht, dat enkel hartelijke broeders u gefeliciteerd hadden, en niet hongerige wolven of nijdige spinnen.quot;
MEN.
157
MEN.
»Ja! zoo leeft men op 't Ministerie,quot; merkte Bremer aan: »Tocli zijn Ave broeders, en helpen elkaar in nood. Maar ambtenaren zijn ook mensclien, vooral als de vrouwen partij trekken in 't geding.quot;
»quot;V\rel neefje!quot; sprak Oom, terwijl hij eenigzins verwonderd opkeek: »dat is 't eerste verstandige woord, dat ik van daag van je hoor. Maar kom aan! rijk ben ik niet, maar kan toch mijn pupil en petekind geen gebrek zien lijden. Ik begin dus met het schoolgeld voor den jongen te betalen; en dan — daar ge voortaan met zuinigheid en overleg kunt rond komen: — zijt ge met f 300 voor eens, uit den brand geholpen?quot;
Zoo als alle kwade betalers, luisterde Bremer alleen naar de beeren, die bromden, en telde de slapende niet. Yoor het oogen-blik was hij dus meer dan gered; het overige was van latei-zorg. Regt hartelijk waren dan ook de handdrukken en kussen, en Mevrouw Bremer rustte niet, vóór Oom Barend 't laatste kliekje Madera op do nu zoo vcol helderder toekomst had uitgedronken.
Bremer kreeg intusschen pen en papier, en begon als een accuraat ambtenaar, na eenige proeven met de pen, bedaard te schrijven, zoodat Oom, toen hij, met de wijnproef van een' kenner de Madera had afgekeurd en uitgedronken, verwonderd van de ivoren knop opkeek, en vroeg; »quot;Wat ga je nu doen, Bremer? Je hebt toch 's zondags geen bureauwerk?quot;
gt;:Als u de termijnen goed vindt. Oom! zes jaren lang ƒ50, en u verlangt geen zegeltje, wilde ik de zaak maar met een in orde brengen.quot;
»Ben je dol?quot; riep Oom, en stampte met zijn' stok op den grond, dat de kinderen in de achterkamer beefden: »Denk je, dat ik ook al korting op je traktement leg? Ik doe het liever op het mijne, dan dat ik je van den wal in de sloot help. Neon! maar ik heb een ander zegeltje op de schuldbekentenis. En dat
MEN.
is: trek nooit meer een' wissel op de toekomst; zet de tering naar de nering; en maak daartoe een' behoorlijken staat van begrooting. En of men daar nu de scliouders of den neus over ophaalt, als gij mve schulden betaalt en uwe kinderen goed opvoedt, zal Men eindigen met 't in u te prijzen.quot;
Nieuwe omhelzingen, waarbij ook de kinderen werden binnen geroepen, en de kleine Barend bijna zijn sigaretje inslikte.
Oom ging weg. Do f 300, de goede raad en de dankbaarheid bleven achter.
Ik wil niet zeggen, dat raad en dank even spoedig verdwenen, als de ƒ 300. De dankbaarheid allerminst: want men wist, dat Oom Barend zich kleine genoegens ontzeggen moest, om te doen, wat hij deed. Maar met Ooin's goeden raad raakte Bremer al spoedig geheel in de war. Een Staat van Begrooting, ja! daar werkte hij juist aan, met zijne gewone accuratesse ; maar voor het land natuurlijk; — om het voor 's lands ambtenaren te doen, daar zag hij geen kans toe. De post «Onvoorziene uitgaven,quot; was te onzeker, en naar vroegere ondervinding al te groot, en de waarschijnlijkheid van een vermoedelijk Nadeelig Saldo schrikte hem af..... Wie had ook ooit van
zoo iets op 't Ministerie gehoord? Men leefde er, zoo als Men leven kon: dat was veel eenvoudiger.
Maar wèl beschouwd, was 't ook niet noodig. »Wie leeft zoo als anderen in zijnen stand leven, leeft goed,quot; dacht de familie Bremer. En zoo werden wel eenige overtolligheden, waar Oom op gezinspeeld had, — 't Hoofdstuk van buitengewone uitgaven op do Begrooting, — wat ingekrompen; maar ook bij de gewone de maat wat ruimer genomen. Dat kon immers niet anders, nu hij adjunct-commies was? Een wat ruimer woning, een nieuw pak voor de audientie, en eene piano van /quot;25 benevens wat teekenpapier, met een paar goedkoope lessen, omdat de kinderen zoo'n bijzonderen aanleg hadden; — als of alle kinderen
158
MEN.
geen figuren krabbelden en wijsjes nadreunden! — Enfin, men moest niet kunnen zeggen, dat 't gezin van Bremer minder fashionable leefde dan dat van andere adjunot-commiezen, vooral die nog jong genoeg waren, om heel aan het eind der file het pensioen van hoofdcommies te zien schemeren.
Intusschen waren ook de slapende beeren gaan brommen, en wat er nieuw werd aangeschaft, moest wachten. En er was veel noodig, hoog noodig! De nieuwe woning, regt gezellig en gelegen, vroeg om kleeden, gordijnen, en hoogst noodige nieuwe meubelen. En de kinderen groeiden zoo voorspoedig, dat zij — zoo als eens mijne naaister zeide, — mooi «schadelijk werden in de ellemaat.quot;
Als de vijf jaren korting maar eens afgeloopen waren! — Maar zij liepen langzaam af, heel langzaam, veel langzamer dan de schulden opliepen, die hopend in die betere toekomst staarden, en alle te gelijk op den armen adjunct-commies aanstormden, toen zijn traktement met ƒ100 werd verhoogd, en er te gelijk eene nieuwe korting begon.
En weder — 't was ook juist op zijn' verjaardag — moest hij, als de gelukkigste der stervelingen, op 't bureau trakteeren, en te huis madera schenken; waarbij zelfs Barendje, de toekomstige adelborst, zijn eerste wezenlijke sigaar rookte, en waarlijk zijn laatste niet!
En Betje kwam schreijende bij moeder klagen, dat Men — de scherpziende Men der meisjeswereld — haar uitlachte, omdat haar hoedje geheel uit de mode was, en dat 't dochtertje van een' adjunct-commies!... quot;Welke moeder kan haar kind zulke tranen zien schreijen zonder ze te droogen?... Intusschen, — maar dat kwam er minder op aan, — waren de Bremers al lang weêr gedwongen vegetariërs geworden, behalve de meid, die 't overal vertelde.....Toch hield men zich goed!
MEN.
Wij gaan eenige jaren voorbij. De groote korting heeft opgehouden. Bremer heeft zelfs weer /100 promotie gemaakt; maar men kan 't niet merken. Want het kale jasje wordt hoe langs zoo kaler; de zijden japon is niet meer te reparéren; Betjes hoed is nu wel drie modes ten achteren, en don gedropen adelborst zijn nieuwe knieën op de oude broek gezet, — maar heel netjes; Men ziet 't haast niet, — haast niet.....
»Wat dunkt u van Bremer?quot; vroeg op de stoep van 't Ministerie de lange ambtenaar, dien wij Slaman hebben hooren noemen ; want al was hij wel eens jaloersch geweest, in den grond was hij goedhartig; vooral nu eindelijk ook zijne benoeming tot adjunct zoo goed als klaar lag.
Maar 't koele antwoord op die warme en belangstellende vraag was: gt;Wat ik van Bremer denk? Dat hij onder de bloedzuigers vervallen is, en nu de verloren bloedwarmte met spiritus aanvult.quot;
»Jongens, wat je zegt!quot; antwoordde de eenvoudige man, die nog zoo ver niet gekeken had: »Dat zou mij toch spijten. Hij wou altijd wel wat de eerste wezen, en zag op ons klerken neer, als of hij Minister was. Maar gul en hulpvaardig was hij toch ook weer op zijn' tijd. Zou er niets aan te doen zijn?quot;
»Men zegt van ja, met een paar bankjes van /1000.quot;
»Kom! ik meen zijne schulden niet. Schudt al de klerken van het Ministerie door elkaar, en er valt nog geen ƒ100 uit hunne zakken; — maar aan den drank meen ik: want daar komt alles uit voort.quot;
»Neen, mijn vriend de afschaffer! Daar komt niet alles uit voort, maar daar leidt alles naar toe. Let maar goed op, en gij vindt altijd den drank in het tweede gelid. Maar of hij Mei' voor de twee bankjes wijken zou, is nog de vraag. De Latijn-sche regel, dien ik op het Gymnasium leerde: Cessante causa cessat effectus, — dat is: »Waar de oorzaak ophoudt, houdt de
160
HEN.
uitwerking op,quot; gaat hier ganscli niet door. Neem de oorzaak weg, toch blijft de opgewekte behoefte naar den gedurigen prikkel.quot;
Gij ziet, onze spreker, een mislukt student, is iemand, die de menschenkennis als dilettant beoefent, en zich daartoe op een onzijdig standpunt buiten het menschdom stelt. quot;Waar zijn naaste valt, denkt hij er niet aan om hem op te rigten, maar berekent daarnaar de wetten der zedelijke zwaartekracht, en kijkt uiterst vergenoegd naar zijne voeten, die nog zoo stevig staan.
Gij weet niet, gij gevoelig geslacht! hoe gezond zulk eene onaandoenlijkheid is. 't Is het ware levens-elixer.
Intusschen gevoelde Bremer, meer dan hij zelfs voor zijne vrouw weten wilde, zijn ongeluk. Zijn geliefkoosde grogk kon 't hem naauwelijks voor eene korte poos doen vergeten. Hij leefde in gestadigen angst, geklemd tusschen dure leveranciers en nog veel duurder geldschieters. En nog altoos hield de arme man zich aan den stroohalm vast: »Als men er maar niets van merkt!quot; En die onbarmhartige Jlen, die hem eerst in armoede en ellende had gestort, stak nu geen hand uit om hem te helpen, maar vond er een boosaardig genoegen in, om als een openbaar geheim rond te fluisteren, dat er weldra beslag op Bremers traktement zou gelegd worden, zoo hij zelfs niet op wachtgeld werd gestold, omdat hij geen hoofd meer had om te werken.....
En de ongelukkige, als hij bij eene wanhopige moeder in den versleten leuningstoel bedwelmd neder viel, en hem de naakte wanden schemerden, troostte zich nog steeds met de gedachte: »31 en weet er niets van: want voor quot;t pubhek houden wij ons goed!quot; — Hij had er bij kunnen voegen, dat hij voor 'tpubliek zich regt op hield, met de vuist in den rug stijf voort stap-
11
HEX.
pende, als of hij op een streepje liep. Men kon niets aan hem
merken..... Treurig, onbegrijpelijk zelfbedrog! Jlo magtige reus
had hem zedelijk gedood; en zijn ontzield ligchaam waarde nog als dienaar van den 51 en in de wereld rond.quot;
»Heb je 't al gehoord?quot; vroeg eenigen tijd later de lange, nu eindelijk ook adjunct-commies geworden, en die, — 't zij tot zijne eer gezegd! — vergeefs beproefd had, het vertrouwen van Bremer tc winnen.
Maar de bespiegelende menschenkenner leefde heel eenzelvig, en had nog niets gehoord. Het was 's morgens op de stoep van hot Ministerie, dat beiden elkander ontmoetten.
De ander vervolgde dus: »Bremer wordt vermist; gisteren middag niet te huis gekomen. 51 en vreest, dat hij zich verdronken heeft.quot;
»Met te verwonderen. Zie! dat is altijd mijne opmerking geweest : verre weg de meeste menschen, maar vooral zij, die eene officiëele betrekking bekleeden, kunnen veel dragen, alleen de openbare schande niet. Zoo lang zij denken, dat de wereld er niets van weet, omdat die 't hun niet openlijk verwijt, houden zij 't uit. Maar nu er beslag op Bremers traktement is gelegd, en do commissarissen van de schaakclub hem de kas afvragen, nu geeft hij 't op; — want dat is de zelfmoord; M e n is den moed kwijt, en geeft 't op. De alkohol was zijn eerste zelfmoord, en het water de tweede. De uitersten raken elkander: voor do nattigheid drinkt men spiritus; en van den drank krijgt men 't water, uit- of inwendig.quot;
Maar de klok speelde reeds 't kwartier, en het was hoog tijd om naar binnen te gaan, waar in alle cellen der ministeriëele bijenkorf ieder wat van Bremer wist, veel meer dan waar was..
1C2
MENquot;.
En Oom Barend? Die goede man had lang en zwaar aan de rhnmatiek geleden, en strompelde nu eindelijk op een stokje door zijn' kleinen tuin. Het schoolgeld had hij trouw gezonden, doch na de mislukking van zijn petekind, die de ouders hem maar niet hadden gemeld, was hot daarvoor niet gebruikt, maar in den grooten zinkput verdwenen. Toch had de oude man wel eens zijdelings gehoord, dat 't niet al te best ging met het gezin. Op nieuwjaar en verjaardagen zond hij dan nog wel eens eene kleinigheid, en voegde er een hartelijk woordje bij; maar meer kon hij niet doen. Juist dacht hij er over, om zelf weer eens te gaan zien, vooral naar zijn' kleinen Barend, weldra adelborst zoo hij hoopte, — toen hij schrikte van een telegram: »B. wordt vermist. Ik ben radeloos. Kom spoedig. Dientje.quot;
Het ging wel niet vlug, maar het ging toch; en reeds dien eigen avond zat Oom Barend bij zijne gewezen pupil en hare schamele kinderen, als van ouds de kin op den ivoren knop, maar 't hoofd meer gebogen.
»Maar zeg mij eens, nichtje!quot; vroeg hij eindelijk, toen de eerste hartstogtelijke ontboezemingen voorbij waren: »Hoe komt 't toch, dat gij, bij 't vermeerderen van Bremers traktement, hoe langs zoo armer zijt geworden; en hij zelf — wat ik nooit geweten heb, — door zijne schuldeischcrs vervolgd, ten laatste aan den drank is geraakt?quot;
»Ja, Oom! wat zal ik u zeggen? Die vermeerdering geeft in de eerste jaren niet zoo veel. quot;Wij waren te veel ten achteren. En dan, m e n moet al veel doen, om zijn fatsoen op te houden. En zoo valt men van zelf in de handen van de bloedzuigers.quot;
»De bloedzuigers?quot; vroeg Oom verwonderd; want hij kende die beestjes alleen in hunne weldadige werking op zijn ontstoken been.
»Nu ja! zoo noemt men die heeren , die overal rond sluipen, waar schraal bezoldigde ambtenaren gebrek lijden. Zij schieten
163
MEN.
de traktementen voor: eerst drie maanden, dan een jaar, tot twee en drie jaren toe, met hoe langs zoo hooger intrest; en ten laatste nog eene korting voor de levensverzekering, waarde schuld mee gedekt wordt. Zoo leefden wij ten laatste van de kleinste helft van het traktement, dat over jaren eerst verdiend moest worden; en nog legden andere crediteuren daar beslag op. En toen... uit wanhoop... och, gij begrijpt mij wel, Oom!quot; — Zoo brak de arme vrouw af, terwijl zij in tranen uitbarstte.
Maar wat gaat daar een volk over de straten? Het gewone joelen en jubelen der straatjongens ontbreekt aan dien optogt, en de vrouwen, die overal bij zijn, gaan zwijgend of fluisterend uit den weg.
Daar er geen lijkbaar bij de hand was, heeft men maar een open burrie genomen, en den doode met een kleed los toegedekt. Hij wordt even neergezet. Er is een kroeg naast 't huis, en de dragers, wie 't onverschillig is, wat zij dragen, mits 'tniet al te zwaar is, moeten eene hartversterking hebben. In-tusschen speelt de wrind met het kleed, en toont ons een bol, onnatuurlijk opgezet en bleek gelaat, waarin de glazen oogen nog een' laatsten afscheidsgroet schijnen te brengen aan huis en
vrouw en kinderen..... 't Is de arme Bremer, uitgezogen,
1C4
vermoord, op weg naar 't lijkenhuis, en van daar naar het graf, waar niemand een woord spreken zal, — niemand dan de stormwind, die de dorrende bladeren er over strooit!
Na de begrafenis zat Oom Barend in den treurigen huiselijken kring. De kinderen snikten, de weduwe was wezenloos. De ivoren knop drukte zoo hard tegen de kin, dat deze zich naar den vorm boog, en de lippen zwellen deed. Een paar groote
ME.V.
tranen baanden zich over die brug eenen wog, en de oude man merkte 't niet.
Maar Oom Barend was veel te praktisch om lang te suffen. Hij was gewoon, de toekomst moedig onder de oogen te zien, en vroeg dus met eenigen nadruk: »En wat denkt gij nu te doen, Nichtje?quot;
De aangesprokene schrikte van die vraag. Zij ontwaakte daardoor voor het eerst tot het bewustzijn van te moeten leven; en dat is in den beginne een pijnlijk gevoel, al geeft 't later afleiding en troost. Voor 't oogenblik kon zij nog niets antwoorden, dan: »Och! ik weet niets, niets. Arme, arme kinderen!quot;
»Ja! maar er moet gehandeld worden. Vooreerst moogt gij de nalatenschap van uwen man voor uwe kinderen niet aanvaarden ; te meer, daar de levensverzekering bij zelfmoord denkelijk niet wordt betaald. De wet geeft u regt, om alles, met de schuld die er op rust, te repudiëeren. Alleen kleederen en ligging neemt gij er uit, en laat 't verder aan de bloedzuigers over, om zich zeiven te betalen.quot;
Nog eens gloorde een vonkje van het vroegere eergevoel bij de verlatene, en zij vroeg: »Ik had zoo gaarne de eer van Bremer opgehouden, ook na zijnen dood; en als ik nu zijne nagedachtenis onteer en verstoot, wat zal men daarvan zeggen?quot;
Maar nu daverde de houten vloer, waar reeds lang geen kleed meer op lag, van Oom Barends stok, terwijl hij uitriep: »Wel! die vervloekte Men mag zeggen wat hij wil. Hadt gij maar nooit aan hem gestoord. Maar dat is nu voorbij. Dus gij re-pudiëert. En Barend, die toch zoo'n lust in de dienst heeft, gaat naar Kampen.quot;
Barend durfde dien lust niet ontkennen, maar wenschte zijn' peetoom honderd zeemijlen ver.
»En dan,quot; vervolgde Oom: »komt Betje bij mij, om mij op te
1G5
MEN.
passen, en van mijn oudje de huishoudiug te leeren. 't Is wel een knorrepot, maar knap voor liare zaken.quot;
Betje zette niet minder een pruilend lipje, dan Barend een kwaadaardig gezigt. Niets, dat de kinderen minder gaarne missen, dan eene bandelooze vrijheid, al hebben ze 't daarbij nog zoo ellendig.
»En dan,quot; besloot Oom: »houdt gij de helft van uw mans traktement onbelast over, huurt een paar kamers, en leeft daar dood eenvoudig, tot dat 't kleine volkje wat kan gaan verdienen. En nu basta! Wilt gij anders, dan ga ik heen, en wensch u van harte een goed succes.quot;
quot;Wat zou de arme weduwe doen? Als Oom haar iu een' winkel had willen zetten, — winkelen kan ieder, zoo denkt elk die 't niet kan! — en zij had dan alles met den tijd af kunnen doen, zou ilen dat niet veel fatsoenlijker hebben gevonden? Zoo dacht ze, maar durfde 't niet zeggen.
Zes weken later stond eene dienstmeid, die in 't geheel geen' haast had, — al dacht haar Mevrouw er anders over, — te praten in een' kruidenierswinkel, waar 't op dat oogenblik ook niet bijzonder druk was.
»Hebt gij 't al gehoord van die Jufvrouw Bremer?quot;
«Gehoord ? Ik weet alleen, dat ze met de noorderzon verhuisd , of ten minste zonder iets te betalen er uit geloopen is, en dat ik er een leelijk bankroet aan heb.quot;
»Nu ja, ik heb er nog een' blaauwen maandag gediend, zoo als ge weet. Maar de wagen liep er niet regt, en daardoor was 't een dronken boel. En nu zegt men, dat ze door een' ouden heer onderhouden wordt.quot;
»Ei, ei! wie had dat van dat fijne Juffertje gedacht, dat mij en anderen de oogen uitstak, en per slot opligtte!quot;
166
MEN.
»Ocli ja, menscli! zoo is de wereld tegenwoordig. Mijnheer was niet kwaad, maar waar kan een vrouw een' man al toe brengen ? quot;Want 't oudste jongetje is 't petekind van dien ouden heer, en 't meisje heeft hij geheel voor zijne rekening genomen. Nu hoef ik er niets meer van te zeggen.quot;
En met een' zucht over de boosheid der menschen werd dit voor vrouwen altijd zeer interessante discours besloten.
De waarheid was, dat de meid om oneerlijkheid door Mevrouw Bremer was weg gejaagd; en de vrouw uit de kruidenierswinkel haar fooitjes pleeg te geven voor de klandisie, die voor-deeliger werd, hoe langzamer er werd betaald.
En de moraal, dat de groote Men nooit boosaardiger lasteraar is, dan in de gedaante van een' duren, maar ten laatste onbe-taalden leverancier, en van eene weggejaagde meid.
Nog een paar minuten. Wij leven in de eeuw der vrijmaking, der emancipatie; — eerst de emancipatie der slaven, zwarte en blanke: uitmuntend; — toen der vrouwen, nu ja! als ze maar niet te veel geëmancipeerd worden; — eindelijk de emancipatie van het huwelijk, van de godsdienst, van den eigendom en de
wet..... En de grootste vooruitgangers beginnen te roepen,
gelijk één van mijne professoren, wiens paard gedurig op hol ging: »Tol toe! Tol toe!'' — Misschien meent iemand, dat ik nu ook eene volledige emancipatie van den grooten Onbekende, die zich in zijn daagschc pak eenvoudig Men, maar in zijn feestgewaad »de publieke opiniequot; laat noemen, heb willen prediken?
't Lijkt er niet naar. Ik wil 't onmogelijke niet. Diogenes woonde in een ton, maar te Athene, waar al wat excentriek was, werd toegejuicht. Van de publieke opinie emancipeert
1C7
MEN.
niemand zich geheel, die zich ten minste in de zamenleving niet onmogelijk wil maken. Als wij Chinezen waren, zonden wij niet durven uitgaan zonder staart; en de dames in 't geheel niet, om niet den schijn te hebben, dat hare voetjes even groot waren als die van haar schoonmaakster, terwijl ze toch fatsoenlijk moesten zamen geperst zijn. En dat is zoo vreemd niet. Mijn grootvader droeg ook een' staart, en nog wel van eens anders haar, en zou voor geen f 100 staarteloos zijn uitgegaan. Trot-seeren wij dan niet noodeloos, wat 31 en nu eenmaal wil. Dragen wij in vredes naam onze staarten, mits 't niet meer dan staarten zijn. Maar geldt 't het hoofd zelf en het hart, hebben wij dan den moed, om ons zelf te zijn, en Men zal moeten eindigen met ons te achten.
En hiermede Punctum.
168
HET LEVEN VAN EEN' SOLLICITANT.
18 Januarij 1882.
I
HET LEVEN VAN EEN' SOLLICITANT.
Toen ik, als oud Rotterdammer, bij 't opmaken van mijn eerste wijkboek in deze gemeente, hoorde, dat er zoo veel Hotjes in mijn wijk waren, meende ik, dat de voorvaderen der tegenwoordige Hagenaars al bijzonder weldadig en vroom waren geweest, daar zij zoo menige toevlugt voor armen on ouden hadden gesticht. Want in mijne vaderstad word die naam, — althans in mijne jeugd, — alleen gegeven aan die weldadige stichtingen, bij testamentaire dispositie ten behoeve van arme oude vrouwtjes meestal, daargesteld, en die er zoo keurig net en vreedzaam uitzagen: — de vrouwtjes niet, maar de Hofjes. Maar spoedig werd ik ontnuchterd. Ik vond, in plaats daarvan, bijenkorven van uniforme kleine huurhuisjes, met oen vrij smerig pièce de milieu; in niets onderscheiden van andere gocdkoope huisjes, dan dat ze, even als een polyp, maar éénen ingang hebben, die tevens de uitgang is. Toch zien die Hotjes er over 't geheel nog al comfortable uit, en verdienen verre de voorkeur boven de donkere stegen en gaten, of op een gestapelde kamers en zoldertjes in 't hart der stad. Daarom verwonderde hot mij, dat ik er bij ieder bezoek nieuwe bewoners zag, tot ik eindelijk den sleutel dier gedurige afwisseling vond in de scherpe tongen der buurvrouwen; die er soms 't leven ondragelijk maken.
HET LEVEN VAX KEX SOLLICITANT.
^liddcti in zulk eon IIoljo staan wij clan. Eigenlijke bewoners schijnen wel alleen de moeders te wezen: want de vaders zijn op hun werk en de kinderen op school.
Daar staan er een paar, die 't zich niet al te druk maken in huis. Do eene tikt met twee vingers op de snuifdoos en opent die:
»En Theo gaat zoo van school, hoor ik?quot;
»Ja! en met een' prijs, de eerste van zijne klasse. Dat is nog een jongen, daar ik pleizier van heb! En Lena, al is ze een jaar jonger, zal ik er ook maar afnemen, als vader er ten minste niet tegen heeft. Zo kent haar behulp, en is een knap ding.quot;
»En wat denk je te maken van je kinders?quot;
»Ja! daar zit hem nu juist de knoop.quot;
Hier moest een snuifje haar geest wat opfrisschen eer zij vervolgde: »Je kont mijn' man. Geen woord of weerwoord heb ik met hem, en nooit komt hij onbekwaam te huis.quot; (Buurvrouw zucht, omdat zij dat niet kan nazeggen.) »En zijn loon, als vaste timmermansknecht, is genoeg voor quot;t huishouden, al moeten wij 't ook uitrekenen in dezen duren tijd. Maar waar hij eens zijn zinnen op gezet heoft, dat krijg je er niet uit. Yerbeeldje ! hij wil Theo tot een' krullenjongen maken, zoo als hij zelf is geweest! Maar ik zeg: 't is nu een heel andere tijd; jongens daar wat in zit, moeten hooger op. En dat wil hij maar niet aannemen. Maar wacht maar! ik heb den jongen op mijn hand, en zal 't wel doorzetten.quot;
»Of je gelijk hebt! Ik zou 't ook wel gewild hebben. Maar de jongens zijn wat grof van makelij; en mijn man, — je weet wat een straatmaker is. Niet veel meer gevoel als de keijon, die hij in den grond slaat. Maar ik heb toch gedaan gekregen, dat ze bij een' knappen smid in de leer zijn, en niet op straat. En hoe zal 't met uw Lena zijn?quot;
»Och! die wou hij ook al in een Idein dienstje hebben, om keukenmeid te worden. Maar we hebben nog wel een stuivertje
172
HET LEVEN VAK EEN' SOLLICITANT.
op de spaarbank, om wat beters van haar te maken. Maar 't is tijd. Goeden dag, buurvrouw.quot;
Maar voor buurvrouw schijnt het nog geen tijd te zijn, ofschoon daar binnen vrij wat op te ruimen en te reinigen zou wezen, als zij er maar eens aan beginnen wilde. Do vrouw heeft woorden genoeg tegen haar man, als hij soms dronken te huis komt • doch zij schijnt maar niet te kunnen begrijpen, dat een zindelijk en gezellig te huis het beste middel is, om een' man uit de kroeg te houden. Ze is anders zoo kwaad niet, vrouw Snel, en was vroeger een knappe keukenmeid. Maar straatsteenen zijn laag, ijzer is hard en kagchels zijn vuil; en zoo is dit gezin wat ruw geworden, geheel anders dan dat van jufvrouw van Baaten, die er nooit aan huis komt, maar toch in buurvrouw een' afleider vindt, om niet te stikken van 't zwijgen, den ganschenlangen dag.
Jufvrouw Snel, — pas toch op, vreemdeling! dat ge haar vooral geen «vrouwtjequot; noemt. Daar wonen niet anders dan Jufvrouwen op 't Hofje, al zou men ze soms met geen tang durven aanpakken. — Jufvrouw Snel dan is nog niet van zins om in huis te gaan. Voor haar waren de plannen eener ijdele moeder zoo vele schimp-schoten op haar huishouden, al dacht deze er in de verte niet aan. Zij klampt dus eene andere buurvrouw aan, die ook snuift, en verhaalt haar op een' vertrouwelijken toon, hoe »die Madam,quot; straks nog hare vriendin, op haar man smaalt, omdat hij een enkele maal vrolijk thuis komt; en tegrootsch is, om hare kinders een burgeropvoeding te geven. Nu! zij zal 't ondervinden. Met den man heeft ze medelijden; want die is een werkezel. Maar anders____quot;
En onder het nemen van een tweede snuifje verkneukelt ze zich al in het uitzigt op de mislukking van buurvrouws plannen , die eene beleediging zijn voor hare kinderen: want ze is geen haar minder als die grootsche Madam!..... Liefde en haat, waar
173
HET LEVEN VAN EEX' SOLLICITANT.
■wortelen zij dieper dan in een vrouwenhart? Toch moet ge u volstrekt niet verwonderen, als morgen de natuurlijke zucht tot gezelligheid de buren weer even vriendelijk zaraen brengt. En als vrouw Snel haar heimelijken wensch vervuld ziet, zal ze weer de eerste wezen, om buurvrouw te troosten en te helpen...
Wie peilt het menschelijk hart, vooral een vrouwenhart?
's Avonds opende Jufvrouw van Baaten hare batterijen. In 't voorbijgaan gezegd, zij had er den grondslag al voor gelegd bij den doop, — zoo als 't volk nog altijd naar oude herkomst zegt; maar eigenlijk bij de aangifte op den Burgerlijken Stand. quot;Want ze had een grootvader en grootmoeder gehad, die, — gelijk ze zeide — »zoo wat van den Franschen kantquot; waren. En daar nu de ouders van haar man Arie en Gemtje heetten, — regtboersch! — had ze net zoo lang gevleid en gedreigd, tot de kinderen naar de aanzienlijke afkomst Theobald en Madeleine werden genoemd. Dat was immers een goed voorteeken? quot;Want wie zcu een Theobald aan de schaafbank zetten, of eene Madeleine de straat laten schrobben?
Maar nu dan de eigenlijke aanval. Het was, of van Baaten er al tegen geharnast was. Zoo stug en kort af antwoordde hij: »Daar komt niets van in. Het kicken moet niet denken, dat 't meer is dan de hen. En daarmede basta.quot; — En hij stopte zijn zwart stompje en begon in den Bijbel te lezen, het gewone sein van 't einde der tegenspraak.
De vrouw zeide niets, maar dacht zoo veel te meer. Ik ben verzekerd, dat zij 't cjutta cnvat lapklem, non vi sed saepe cadendo, niet kende; in goed Hollandsch: »De druppel holt den steen uit, niet door kracht en geweld, maar door dikwijls te vallen.quot; Doch de praktijk van deze spreuk kent iedere vrouw van nature. Bij haar stond het einddoel vast; het kwam nu alleen nog maar aan op de middelen, en de volharding in 't gebruik daarvan. Maar om 't krachtigste dier middelen te leeren kennen, moeten
174
HET LEVEN VAN EEN' SOLLICITANT.
■we een ander Hofje in de buurt en een huisje van 't eigen model bezoeken.
Toen ik 't eerst huisbezoek deed, vroeg ik, om kennis temaken, aan eene vrouw wat haar man was, en kreeg het plegtige antwoord: »Ja dominé! we hebben 't nog al redelijk; want mijn man is de portefeuille van den Minister van Financie, en mogelijk wordt hij nog meer.quot; — De vrouw keek te ernstig om te denken, dat ze mij voor den gek hield. Toch heb ik altijd te veel eerbied gehad voor eene ministeriëele portefeuille, om die in een Hofje te zoeken. Zou hij haar ook den Minister nadragen, in de hoop van er eens zelf de tijdelijke eigenaar van te worden? Maar 't laatste was ondenkbaar, en 't eerste toch wel geene vaste betrekking.
En zoo bleef ik even wijs, alleen omdat ik mijne onkunde niet belijden Avilde, gelijk het ons menschen meer gebeurt; tot ik toevallig hoorde, dat zijn eigenlijke titel boute-feu was, en hij de kagchels op 't Ministerie aanmaakte. — Een volgend maal vond ik in een naburige straat een bordje ,T. Platte, Bode, en herkende er dezelfde vrouw; haar wensch was dus vervuld.
Die Mijnheer Platte nu was een verre neef van Mejuffrouw van Baaten. Ilij kwam in zijne tegenwoordige betrekking in aanraking met al de groote heeren van de Financie, en 't zou dus natuurlijk weinig moeite kosten, om een uitstekend jong mensch, die zoo'n fraaije hand schreef, met hot ééne been in den stiefbeugel te helpen, 't Andere zou van zelf wel volgen; en — hoe ver hij 't dan wel brengen zou'? — Maar manlief, wien zij die droo-men der toekomst ook voorspiegelde, was wat ongeloovig op dit punt, nam de vrijheid om te twijfelen aan den »veelver-mogenden invloedquot; van Neef den bode, en bewees dit door eenvoudig er op te zwijgen.
Dezen avond ging 't dus niet. Geduld maar! Nog zes weken
175
HET LEVEN VAN EEN' SOLLICITANT.
is er tijd vóór het schoolexamen; en dan — nu ja!—dan behoeft Theo nog niet zoo dadelijk op een ambacht.
Tegen aanstaanden zondag zijn er hulptroepen genoodigd. 't Is Neef Platte zelf, die aan 't Ministerie van werken tot afwachten is opgeldommen, en nu in de bodenkamer zijn pijpje rookt en naar de bel luistert, of opstaat om bezoekers aan te dienen, en zich alleen maar beklaagt, dat zijn pijp zoo dikwijls uitgaat en hij telkens een vouwtje in zijn boek moet leggen. Een mensch heeft ook nooit rust!
Hij ziet er echter nog al rustig en kalm uit, en is zijn rug nog wat krom van 't turf en steenkolen dragen, 't hoofd staat regt op en de oogen kijken vrijmoedig in 't rond. Men kan zien, dat hij deel uitmaakt van 't Gouvernement van liet koningrijk der Nederlanden!
Nadat hij dus zijne ligte zondagmorgendienst heeft waargenomen, viert Neef Platte den rustdag. Of hij dien heiligt, daar wil ik af wezen; want hij is een vrijdenker in zijn soort, — dat bij de meesten zeggen wil; »vrij om niet te denken.quot; Maar hij viert dien ten minste in 't nieuwe pak, waar de eerste maand van zijn salaris voor is opgenomen. Natuurlijk! Hij werd nu ook Mijnheer Platte.
Toch verwaardigt hij zich nog om bij Neef van Baaten, die digter bij 't Ministerie woont, nu en dan zijn koffij te gebruiken. Als een man van smaak vischt hij ook nu met 't lepeltje de bovendrijvende koffij op, en savoureert dan 'tliquide gedeelte, dat den drab bedekt, 't Kan er mee doorgaan, ofschoon eigenlijk een bode ze beter hebben moest.
De timmerman, zóó zóó koud uit de kerk gekomen, keurt niet, maar drinkt met smaak 't warme vocht. Moeder van Baaten bespiedt 't regte oogenblik, om de batterijen te openen. quot;Waarom ze 't nu nog niet doet? Zie! dat ijdele meisje met de weelderige blonde haarlokken, en dan die houten jongen, die
176
HET LEVEN VAX EEX' SOLLICITANT.
mot zijne lange armen verlegen is. Men kan toch niet over kinderen spreken, waar zij bij zijn!
Maar eene vrouw weet op alles raad. Madelaine, die met vrouwelijke nieuwsgier!glioid graag blijven wou, herinnert zij eene afspraak met een vriendinnetje, die eigenlijk volstrekt geen' haast heeft, en Theo stopt ze een' stuiver voor sigaren in de hand, 't beste middel om hem vooreerst niet weer te zien. Het terrein is geëffend. Do aanval begint. Neef lost 't eerste schot met los kruit.
»En uw Theobald komt zoo van school af na Paschen?quot; — Vroeger zeide hij Teetje en later Theo, maar toen was hij nog maar houte-feu.
't Is of de timmerman lont ruikt. Zoo kort af zegt hij; »Ja, en dan kan hij op een ambacht.quot;
»Hm! ja! 't is een eerlijk vak, een goede timmerman; maar anders, als ik jongens had onder mijn zes meisjes, en ze hadden dan op de Burgerschool gegaan..... hm! quot;Wij hebben die
opvoeding niet genoten, die onze landers tegenwoordig krijgen.quot;
't Komt er niet gemakkelijk uit. Onze bode is in 't spreken nog niet vlot. quot;We gelooven hem graag, dat hij geen hooge opleiding genoten heeft.
Do timmerman houdt niet van redeneren, vooral niet over dit punt. Hij klojJt zijn pijpje zoo hard op de kagchel uit, dat er de kop afvliegt, en zegt: »quot;Wel! de jongen heeft op geen Hoogere Burgerschool gegaan; alleen op een uitgebreide lagere school, zoo als ze dat tegenwoordig noemen; en daar hoeft hij een' mond vol Fransch geleerd; juist zoo veel, dat hij er in zijn ambacht mee toe kan. — Vrouw! geef mij een ander pijpje. —■ Neem mij niet kwalijk. Neef! ik moet nog even naar den winkel, om 't werk voor morgen af te spreken. Groet ze van mij.quot;
En daar zaten nu neef en nicht elkaar aan te kijken, 't Zal
12
177
HET quot;LEVEIï VAN EEN' SOLLICITANT.
niet gaan!quot; zei de eerste. »Laat dat maar aan mij over!quot; repliceert nicht. En wij zeggen: La femme recule seulement pour mieux xauter.
Moeder zweeg dan vooreerst, en Theo zelf werd aan 't werk gesteld. Hij trok een lip en zuchtte, natuurlijk als vader er bij was. Hij weigerde zijn boterham, en ging vroeg naar bed. En vroeg de bezorgde vader dan; »quot;\Vat scheelt er toch aan Theo?quot; dan was 't: »Wel kunt ge dat vragen? De jongen had er zóó zijn zinnen op gezet, om na 't examen op een kantoor te komen, en nu krullenjongen! Maar 't is nu eenmaal uw wil, daar zijt gij vader voor, en ik moet natuurlijk zwijgen.quot;
De taktiek gelukte. Juist door het te beschouwen als een afgedane zaak, een treurige noodzakelijkheid, waarin zij zich schikken moest, bragt zij van Baaten aan 't wankelen. Hij gaf wel aan een ambacht ver de voorkeur, en hoopte zijn' eenigen zoon, die tocli meer geleerd had van meetkunde en teekenen en al die dingsigheden, nog eens timmermansbaas te zien, veel liever dan een' kalen pennclikker; maar toch, nu 't op zijne verantwoording geladen werd, en de jongen er misschien iets van krijgen kon... 't Gaat meer zoo; tegen de forsche aanvallen in 't open veld was van Baaten bestand; maar al die speldenprikken, daar kon hij niet tegen. Hij gaf 't op, en zeide op den avond na 't laatste examen en 't ontslag van de school; »Volg uw keus, Theo! en praat er met uwe moeder over. Ik trek er mijn handen van af.quot;
quot;Wat ze nu op eens lief werd, vrouw van Baaten, nadat zij in. de laatste weken zoo effen gekeken had! Al de jufvrouwen op 'tHofje, buurvrouw 'teerst, moesten liet hooien; »hoe haar man, na rijj) beraad, tot het besluit gekomen was, om haar Theo op een beroo te doen.quot; quot;Want haar' man de kroon op 't hoofd houden, daar had ze slag van. In één opzigt kreeg vader van Baaten ten minste zijn' zin; dat Leentje — zoo als hij Madelaine
178
HET LEVEX VAN EEJï' SOLLICITANT.
altijd noemde, — nog een jaar op school zou blijven en zich wat stemmiger kleeden, om dan eene dienst te zoeken. Wel zeker! quot;waarom zon moeder dit niet toestaan? Een jaar is zoo lang; — ■wie weet? — Dienen, dienen! dat doet toch geen Haagsch meisje. Eene betrekking zoeken, dat wel.
Maar waar nu dat beroo te vinden? Jongens van 14 jaar, die van de school voor uitgebreid lager onderwijs komen en geen' zin in een ambacht of winkel hebben, loopen er zoo velen in den Haag! De markt is overvoerd, en daardoor de waar goedkoop en moeijclijk te plaatsen. Yader bromde en moeder zuchtte, toen er in de eerste zes weken nog geen uitzigt op was; — de eerste het meest, omdat nu 't zondagspak eiken dag aan moest, om zich goed voor te doen; en een nieuw te koopen, daar had vader, zoo lang hij er niet geheel uitgegroeid was, — er lagen nog opnaaisels in! — geen plan op. Eigenlijk zat hem hierin alleen de keus van Theobald. Niet tegen het werk zag hij op, maar tegen het werkpak. Een krullenjongen, op zijn hoogst
een bankjongen, wie kijkt dien aan?..... Maar toch, zes weken
lang zoo leeg te loopen, was ook een slecht ambacht. Hij had er maar écn ding mee gewonnen: dat hij aan 't eind der zes weken al drie sigaren achter elkander kon rooken, en dat is toch iets!
Maar moeder rustte niet. Onder alle geletterde personen, die zij er over kon aanspreken, van neef den bode af, behoorde ook de ophaler van het begrafenis-fonds. Even als alle fatsoenlijke Hagenaars, ook die nooit om hun' ouden dag, hunne weduwe of weezen na hunnen dood denken, zorgde Jufvrouw van Baaten trouw voor hare begrafenis en die van man en kinderen.
Zoo zijn nu eenmaal de menschen! Armenbrood te eten gaat er nog meè door; bij de meesten vrij gemakkelijk zelfs. Maar van de armen begraven te worden? Neen, dat niet! Zelfs wanneer de man geen tabak en de vrouw geen brood meer koopen
179
HET LEVEN VAN EEN' SOLLICITANT.
kan, leent men nog de centen, om op de lijst der aanstaande dooden niet geroijeerd te worden. En de levenden, die dit centen-fonds uitvonden, varen er wel bij.
't AVas een vriendelijk man ;gt;Koos de Ophaler,quot; en veel vriendelijker werd hij ook ontvangen op 't Hofje, dan de nitmaner, die de huurpenningen kwam ophalen, 't Is of de armen boven de aarde regt op eene woning hebben, maar onder den grond niet. De man was er dan ook zoo bekend en bemind, dat niemand zijn' eigenlijken naam wist, en zelfs de kinderen den goeden Koos de hand kwamen geven.
Maar nu fronste hij het voorhoofd over 't moeijelijke probleem, dat hij met de centen in 't geldzakje stopte; doch al spoedig bedacht hij wat, en kwam nog eens zonder centenzakje terug, met de belofte, dat hij er met den directeur over spreken zou. Zoo ging hij als onderhandelaar heen en weder, en bragt eindelijk aan Jufvrouw van Baaten de blijde tijding, dat haar zoontje als volontair op het beroo kon geplaatst worden. Maakte hij 't bijzonder goed, dan zou hij zelfs een kermis en nieuwjaar hebben. Ongelukkig dat de Haagsche kermis juist voorbij was, en nieuwjaar nog zoo ver!
»'tls een presentje!quot; bromde vader: »In plaats dat de jongen ons in de hand komt, kan ik nu zijn mooije kleêren betalen en hem den kost geven toe.quot; — Maar Neef Platte beduidde hem, dat dit de eerste sport was om een knap bureaulist te worden, en daarna ambtenaar! Als de man latijn verstaan had, zou hij zeker gezegd hebben: „Per aspera ad astra.quot;
Die aspera, de bezwaren, waren echter niet voor 't jongetje, maar voor zijne ouders: en de astra, de sterren, zoo ver en zoo hoog!
»Ja, ja!quot; zeide vader van Baaten: »was hij bankjongen, dan had ik hem onder mij; en nn wordt hij een^i kale jonker, die al gaauw zal denken, dat hij boven mij staat.quot;
180
HET LEVEN VAN EEN* SOLLICITANT.
»Maai' vader!quot; hernam zijne vrouw: »gij hebt 't immers zelf heslist. Ik liet 't aan n over.quot;
Eene kleine schaduwzijde van 't huwelijk, mijne lezers! — misschien weet ge er ook van meê te spreken! — als men ten laatste nog bekennen moet, dat men zelf heeft gedaan, wat vrouw lief deed bij procuratie! Maar daar ben je dan ook getrouwd voor.
quot;We zullen nu Theobald maar opzijn beroo laten, en niet luisteren naar al 't gepruttel van vader, die de ustra niet ziet, maar des te meer ondervinding heeft van de aspera, daar nu natuurlijk het schoolpak van den jeugdigen bureaulist wordt afgedankt, en voor de vernieuwing van kostuum zelfs het spaarbankboekje moet worden aangesproken. »Maar waar spaar je ook anders voor, vader!quot; vraagt zijne vrouw: »dan om je kinders tot eene goede bestemming te brengen?quot; — sWaar anders voor?quot; is 't antwoord; »quot;\\rel! voor den ouden dag.quot;
De oude man gaat heen, en Theo komt binnen, zoo deftig als een ambtenaar. Moeder stopt hom de eenten voor sigaren in de hand. De jongen moet ook zoo prakkeséren op al die cijfers! Maar hij heeft een goed hoofd, 't Kan er tegen. Zoo wordt men wat in de wereld! En weer droomt ze van haar ideaal: »Op
zijn minst Commies aan 't ministerie; mogelijk Referendaris.....
quot;Waarom niet? Zulke knappe koppen heeft 't land noodig. En wat een redenatie over kerk en staat, daar je van ijst en beeft! Waar haalt de jongen 't van daan?quot;
Die ontboezeming' in moeders alleenspraak doelde op een gesprek met neef Platte, den vrijdenker, waarbij natuurlijk Theobald, als elke verlichte jonge heer van vijftien jaren, zicli een'
1S1
HET LEVEN VAN EEJf' SOLLICITANT.
vrijdenker toonde in duplo, zoo als mijn apotheker zegt, als hij post en cijfer verdubbelt. Al 't bestaande werd daarbij, — natuurlijk met behoud van eigen traktement of uitzigten daarop in de toekomst, — als eene legkaart uit een genomen, om 't weêr in elkander te zetten, als een' volmaakten staat en kerk, — of liever, als »een' volmaakten staat zonder kerk,quot; waar moeder, zoo als ze zeide, van ijsde en beefde; zoo als zij zou gedaan hebben, als hij op 't dak was geklommen, of drie maal over zijn hoofd had gebuiteld. Want de kerk wou ze toch niet graag missen, en den koning even min.
De Nieuwjaar kwam, en de fooi niet alleen, maar ook de belofte van twee gulden 's maands. Of moeder nu triumfeerde! »Zie je wel, vader? Zoo begint 't al. Hij mag wel de helft voor zakgeld hebben. Van de andere zal ik zijn kleertjes wat opknappen, — de arme jongen!quot;
quot;Waarom hij nu juist arm was, nu hij voor 't eerst van zijn leven geld verdiende, weet ik niet regt. 't Schijnt eene natuurlijke behoefte van moeders te zijn, om hare kinderen te beklagen. Vader deelde er niet in, maar bromde: »Op den winkel zou hij 't dubbele krijgen, als hij wat vief was; maar daar is hij nu ook een verwaande pennelikker voor.quot;
Deze kritiek kostte den man, wien 't spreken altijd een arbeid was, vooral in drift, waarlijk weêr een pijpje, een'echten door-rooker, waar hij onder kameraden op blufte. Met een' zucht stak hij een' nieuwen op, en ging nog knorriger heen. Nu ver-plaatste moeder haar medelijden van den zoon op den vader: «Altijd even siekcneurig! Daar zit ook niets geen senie in den armen man!quot;
Tot haar troost kwam Neef Platte haar geluk wenschen. Daar hij onder zijne zes dochters altijd nog vergeefs naar een' zoon zocht, had hij zich Neef Theobald bijzonder aangetrokken, en roemde onder de boden, die nog al tijd voor conversatie over-
182
HET LEVEN VAJf EEN* SOLLICITANT.
houden, dat lüj zoo'n knappen jongen in de parmentatie had. »Daar zat me een kop op. En van de liberalen, hoor! Daar zal ik je een staaltje van vertellen.quot; — De oudste bode, die wat rumatiek was, kreeg van dit staaltje de kramp in 't kwade been, zoodat hij niet kon opspringen en naauwelijks opstaan op 't bekende belletje. Al voortsloffende door den gang van 't Ministerie zuchtte hij: gt;AVat is de jeugd regtevoordig! 't Kieken wil wijzer zijn dan de hen.quot;
Ik kan niet zeggen, dat de protectie van Neef Platte, — al belooft zij gouden bergen voor de toekomst, — mij voor 't oogen-blik bijzonder bevalt; even min als aan van Baaten. Want hoe weinig ontwikkeld de man in 't oog van zijne vrouw is, in da-gelijksche zaken heeft hij een goed en gezond oordeel, dat soms meer waard is dan 't sen ie van moeder de vrouw, al kan hij daar mot praten niet tegen aan.
Keef Platte dan heeft één gebrek, dat — zegt men — zich wel eens meer op de ministeriën voordoet, vooral in de lagere rangen, de Dii minorum yentium; van den bode af tot den commies bij anciënniteit toe. Ik zeg niet, dat hij een dronkaard is. Niemand zal hem zoo noemen. Dat is het voorregt van 't fatsoen, het ideaal der Hagenaars. Ecu sjouwer of ambachtsman, die wat boven zijn theewater is, schreeuwt zijn genot op straat uit, zingt zoo valsch als een mensch mot mogelijkheid zingen kan, of oefent zijn vechtlust, een aangeboren instinkt, dat men al bij jongens ziet. Maar een ministerieel man, van den noodhulp-bode af, loopt alleen wat stijver, met de hand in den rug, en schijnt, even als do haan die gebiologeerd wordt, een streep krijt voor zich uit te hebben, waarop hij met afgepaste schreden kijkt, om dan in huis te brommen en te knorren. Een vrolijke dronk is misschien studentikoos, maar ministeriëel zeker niet. Daarom wordt nooit iemand van 't ministerie opge-bragt, zoo als de wet zegt: »in kennelijken staat.quot;
183
HET LEVEN VAÏT EEN' SOLLICITANT.
Ook Theobald begint 't deftige grog^je te smaken, maar met mate — natuurlijk met mate! — En onder zijn tweede of derde, als zijne oogen al wat beginnen te schemeren, vertelt Neef Platte hem eene akelige geschiedenis van een' gemeenen dronkaard: — »Gemeen, zeg ik je! En dat is, tot algemeene ergernis, op 't Ministerie zelf gebeurd; maar in den kelder, weet je?quot;
.■gt;En wie was 't dan. Neef?quot;
gt;AVel! zoo'n dorstige schoenlapper, die door bijzondere voorspraak aangesteld was tot »Scheurder van 't Ministerie,quot; tegen zes gulden in de week. 't Is een post van vertrouwen, neefje. Als 't geschreven stukken zijn, moeten er de drie Y's op staan. quot;Wat ze beduiden, weet ik niet. Misschien een vrijmetselaars-teeken. En dan moet men nog wel weten, wat alleen midden door moet gescheurd worden of in snippers. Daar gaat je wat papier weg op 't Ministerie!quot;
Na deze opheldering volgt onder 't laatste groghje een verhaal a la Zola, regt gemeen! — quot;Wij slaan het over, en voegen alleen nog bij de onvolledige opheldering van neef den bode, dat de drie geheimzinnige Y's eene verkorting zijn van 't vonnis »Yoor vernietiging vatbaar,quot; ofschoon alle papier er eigenlijk even vatbaar voor is.
We gaan met beide heeren naar huis.
Uit hartelijkheid geeft Neef Platte aan Theobald den arm, en zakt wat regts over. Neen, lach niet! 't Is enkel hartelijkheid. Aan den ingang van 't Hofje blijven zij een oogenblik staan. Is 't geen schande? Daar wordt Snel de straatmaker door zijne beide zoons te huis gebragt. 't Gebeurt alleen bij extra gelegenheden ; maar toch, 't is oen schandaal, zoo als de man er uitziet, opgeraapt uit 't slijk, met berouw voor zes weken.
De jongens staan mij anders goed aan. Daar zit merg en bloed in, en moedig zien de heldere oogen ons aan, al zijn de krullende
184
HET LEVEN VAX EEIf' SOLLICITANT.
haren ongekamd. Ze doen een goed werk, als eens Sein en Jafet. Maar Theobald kijkt ze niet aan, en groet nog minder die gemeene smidsjongens!
Het is weer eenigen tijd later en feest op 't Hofje. Theobald is achttien jaar oud. Een schoone leeftijd, waarop een gezond en flink jong mensch, zich zijne kracht bewust, met moed en lust rond ziet in de wereld, en uitziet in de toekomst. Een weinig minder voor wie niet op zich zelf, maar op protectie rekent. Die protectie was aan Theobald zoo dikwijls, als iets dat van zelf sprak, voorgespiegeld, dat hij die reeds als zijn regt begon te beschouwen. Heden vooral was hij in (/loria. Van de centenbus was hij juist in deze weck naar 't kantoor van een' zaakwaarnemer gepromoveerd, met 't aanzienlijk honorarium van /'5 in de maand, — en met uitzigt op verdere promotie. Eigenlijk was 't geheele kantoor voor hem niet anders dan zulk een uitzigt. Een zaakwaarnemer neemt allerlei zaken waar. Dat spreekt. Eu hierdoor is men er best in de gelegenheid om uit te kijken naar vacatures, en er spoedig bij te zijn. »Die 't eerst komt, eerst maalt,quot; zegt de molenaar.
De gasten zijn ons al bekend: de statige Neef Platte, met een dood eenvoudig vrouwtje en twee van de zes dochters, de oudsten en kromsten: want regt haaksch zijn ze geen van allen. Dan Koos de Ophaler, — familie-naam onbekend. — Een vriend van Theo, ook een klerk, met een mooi zusje, op wie natuurlijk de achttienjarige smoorlijk verliefd is. En dan Madelaine. De laatste heeft toch moeten dienen. Dat heeft vader doorgezet. -Maar toen zij nu quot;t vaste uniform der Haagsche dienstmeisjes, de gestreepte katoenen japon, aan had, hing haar lipje, als zij andere schoolkameraden fraaijer gekleed zag, en heeft moeder 't kinder-
185
HET LEVEX VAN EEN' SOLLICITANT.
meisje in eene lonne gemetamorphoseerd, zoo als er dagelijks in 't Voorhout of op 't Plein 1813 bij een duwwagentje uitrusten zonder moe te zijn. Een amusement voor liefhebbers van de schoone natuur, die meenen, dat de mensch 't pronkstuk der schepping is, en daarom gaarne de kinderen bewonderen, — de kindermeisjes ook wel! — Maar toen moest Leentje ook weer Madelaine heeten, en natuurlijk wat mooijer gekleed gaan. »Zoo komt men hooger op,quot; zeide moeder.
Hooger op, of lager misschien____ 't Is mogelijk verbeelding,
maar de zestienjarige ziet er mij wat coquet uit. Zou zij ook tot 't heirleger der Haagsche meisjes behooren, die op een' Graaf of Baron, of op zijn minst op een' Officier azen? Ik weet 'tniet, maar wel weet ik, dat wanneer er één van allen een'P r ij s uit die loterij trekt, weer tien nieuwelingen een lot nemen, en de meesten een Niet trekken, — zoo 't nog maar een Niet is!
Maar geen sombere profetiën op zoo vrolijken avond. Moeder van Baaten hoeft haar man een fleseh wijn afgepraat, en met behulp van buurvrouw, die anders zelden meer in de gelegenheid is om hare kunst als ex-kcukenmeid uit te oefenen, een' tulband gebakken. Do wijn is met een dubbele portie water aangelengd, en daarna 't gebrek aan alcohol door notenmuskaat en kaneel vergoed. Toen dit nog niet genoeg hielp, deed buurvrouw cr nog een musje brandewijn door. Natuurlijk kwam aan deze nu het regt toe, om eens mee te komen proeven, en zij zette zich ongenood met haar snuifdoos aan 't lager eind.
Dat de man te gemeen geacht werd en dc jongens te grof, om zulk een net feest meê te vieren, spreekt van zelf; en dat buurvrouw er in stilte over mokte, al wilde ze zelve 't genot niet missen, dat spreekt ook.
Neef Platte was natuurlijk ceremoniemeester, al werd hij zco niet genoemd. Hij kwam opzettelijk wat later, om te kunnen zeggen, dat hij de eer genoten had, om Zijne Excellentie, die
186
HET LEVEN VAIS* EEIf' SOLLICITANT.
nog lang op 't Ministerie gebleven was, de portefeuille achterna te dragen. »Nu! Zijne Excellentie wist dan ook wel, wien hij best vertrouwen kon.quot;
De heeren staken een sigaar op, — geen manilla of havanna; — vader van Baaten zijn pijpje. Toen men door den rook elkaar niet helder meer zien kon, moest de deur op een kier gezet worden. De kamerdeur was ook huisdeur, en de kinderen van 't Hofje gluurden door de reet. De oudste jongen vertelde aan de kleine kleuters, dat Balletje — Theo's spotnaam op't Hofje —
de bruigom was; heusch! met dat mooije vreemde meisje.....
Of hij het gewild had! 3Iaar 5 gulden in de maand, daar vraagt men geen meisje op.
Wacht maar!
De vriend John Murray, — van Engelsche afkomst zoo als gij hoort, — staat eigenlijk een sport hooger, zoo als hij ook twee jaar ouder is. quot;Want hij is notaris-klerk, en ziet van verre de candidatuur schemeren, om mogelijk — mogelijk! —eer al zijne haren grijs geworden en al zijne tanden uitgevallen zijn, zelf notaris te worden. Zijn vader is onder-secretaris bij de Ambassade, zonder kans om ooit boven te komen. Ellen, de hier presente schoone, is natuurlijk niets.
Sigaren en pijp zijn uitgebrand, en de deur is weer gesloten. Buurvrouw laat er zich niet buiten sluiten, maar blijft bij haar' tulband. Wijn en brandewijn doen hun werk. Neef Platte houdt repetitie: want hij heeft de geheele week geprakkeseerd, wat hij zeggen zal.
De redenaar begint: «Vrienden, hier te zaam gezeten!quot; — Maar daar staan de mannen ook op, zoo wel als hij. Zij denken , dat 't zoo hoort. Dit brengt hom geheel in de war. Een geoefende toaster slaat maar door, raak of mis; hij weet, dat ook de grootste wartaal er mee door kan, wanneer 't eind, waar men op drinkt, maar goed is. Doch een bode is een accuraat
187
HEI LEVEX VAX F.EX SOLLICITANT.
man. Hij veegt 't zweet van zijn voorhoofd en herneemt: «Vrienden, die hier te zamen zijt!quot; dat kan niemand hem betwisten. Eu dan volgt eenige lof op den achttienjarigen, vrij duister, behalve dat hij hem oen' opgeschoten staak noemt, — waar hij gelijk in heeft, — en voorspelt, dat die nu weldra rijke vruchten zal dragen na de bloemen, dat nog te bezien staat. „Affijit /quot; zegt hij, zoo als allo menschen, die niet aan't eind weten te komen: »ik draag room oj) do parmentasie.quot; Daarop slaat hij met een salto mor tale door tot het slot, en drinkt op den heer Theobald van Baaten, den aanstaanden klerk op 't Ministerie.
»Bravo!quot; is 't van allo kanten, terwijl vader van Baaten met eenquot; diepen zucht zijn glas togen de lamp houdt. Maar dat stille protest stoort den dititax niet. Koos de Ophaler, die al iets gebruikt had eer hij binnen kwam, vindt den warmen wijn zoo lekker, dat hij met een zwaai van zijn' arm 't glas van Ellen omgooit en op den adjunct-commies drinkt. Vriend John, die ook 't glas van zijn zuster heeft uitgedronken. eer 't werd omgegooid, klimt nu tot c o m m i e s en r e f e r e n d a r i s op, en laat zelfs zoo wat van seoretaris-generaal schemeren in de verte. En moeder van Baaten drinkt 't minst en lacht 't meest, en ziet met verrukking op haar Theobald; — schoon die juist van daag, misschien omdat hij verliefd is, er verbazend houterig uitziet. Maar nu komt hij toch ook los, zoo als allen, 't Werd tijd, dat vader van Baaten, die maar even geproefd had, er een eind aan maakte.
Het Hofje was or de geheele week vol van. Buurvrouw, die nog 't laatste stukje van den tulband heeft opgegeten en de halfgeleögde glaasjes verder loog gedronken , vindt den volgenden dag, dat 't geheele Hofje er door geschandaliseerd is, zoo'n fèsoendelijke buurt! Dat zou bij haar nooit gebeuren, haar man
188
HET LEVEKquot; VAN EEN' SOLLICITANT. 189
mogt dan wezen \vie Mj wilde. Affijn! zeggen wij met Neef Platte: zoo was 't schip van stapel geloopen, en de werf weer stil. De reis begon; de reis van Theobald naar en daarna op de ministeriëele ladder. Tot welke sport hij 't brengen zal?
't Was met dat al een vrolijke verjaardag geweest; maar «'t Kan verkeeren,quot; zegt Breeders. Gaat maar eens met mij Theobald op zijn' twintigsten feliciteren.
't Is stil in het Hofje, op een paar babbelende buurvrouwen na. Want de mannen zijn op hun werk, en de vrouwen aan haar huishouden. Twee daarvan schijnen 't er zich echter zoo druk niet meê te maken. Een snuifje en een praatje kunnen er nog wel op overschieten. Do eene herkennen wij terstond als vrouw Snel, de ex-keukenmeid.
allob je 't al gehoord?quot; vraagt ze.
»Wel wat zou ik gehoord hebben?quot; zegt de andere. »Van Leentje van hier naast. Ze moest honne worden, ja! en pronkte met mooije veren, die weg gesloten werden als vader te huis kwam. En zoo is ze aan een' Jonker verslingerd, die der niets van meent, dat begrijp je, en uit haar dienst gejaagd. Ze willen wel zeggen, maar ik zeg 't niet—quot;
»'t Zou mij niets verwonderen,quot; is de repliek, en 't perkamenten gezigt ziet er ook wel naar uit, om voor geene verwondering meer vatbaar te zijn.
De buurvrouwen gaan aan 't werk, en wij onzigtbaar naar binnen.
Hij is verouderd, vader van Baaten, in die twee jaren, en zoo oud is hij toch nog niet. En dan te huis op dit ongewone uur. Och ja! hij heeft 't nog geprobeerd van morgen; maar die pijn in de zij, daar heeft hij tegenwoordig meer last van. Eigenlijk
1
HET LEVEN VAN EEN' SOLLICITANT.
was er ook weinig werk aan den winkel, en 't voornitzigt tegen
den winter is donker, heel donker ook. Andere jaren heeft
hij in den zomer vrij wat op de spaarbank gebragt, zoodat er .
gemakkelijk de winterpovisie af kon. Haar nu, hij weet niet, waar zijn geld blijft; of ja! hij weet 't wel, maar zegt 't liever niet, en daarom zegt hij niets.
»Is Theo geen twintig van daag?quot; vraagt Madelaine, die in een' hoek van 't vertrek zit te naaijen. Moeder knikt en vader zucht. Toch heeft zij hem een nieuwe das gekocht en vader
een pakje sigaren..... — »Stinkstokjes,quot; mompelt de jongen,
en deelt de anderen uit, nadat hij do eerste voor de leus heeft opgestoken. AYant hij is een kenner, hij!
Vader verbreekt eindelijk zijn somber zwijgen, om te vragen: •gt;Heeft Leentje nog geen andere dienst?quot; — En 't antwoord is; »Zij ziet al druk er naar uit; maar gij begrijpt toch, dat zeniet zoo overal gaan kan. 't Moet fèsoendelijk wezen.quot;
gt;Ieder eerlijk man en elke brave vrouw is fatsoenlijk,quot; zegt van Baaten, terwijl hij uit ergernis den steel van zijn pijp stuk bijt: »En dan is 't zeker ook fatsoendelijk, als haar zoo'nJonker achterna loopt, en zij er zelfs buiten ons weten mee uitgaat. Nu is ze een fatsoenlijke dienst kwijt, en krijgt er misschien een van valsch fatsoen in plaats, tot zij nog eens ongelukkig te huis komt.quot;
Terwijl van Baaten naar zijn' adem hijgt en do hand op de pijnlijke zijde houdt, heeft zijne vrouw het terrein vrij en maakt er gebruik van, om tamelijk scherp te zeggen: ».Ja! gij wilt de kinderen maar gemeen houden; dat weet ik wel, zoo als die ruwe jongens hier naast bij voorbeeld. En als nu zoo'n mooi meisje — want dat is ze toch! — de heeren in 't oog valt, en ze eens aardig tegen haar zijn, dan ziet gij er met één kwaad in. quot;Wie weet?quot;
De laatste woorden worden op wat lager' toon uitgesproken;
190
HET LEVEN VAN EEN1 SOLLICITANT.
maar vader van Baaten is niet doof. Hij heeft nu zijn' adem terug, en vangt den zin van zijne vrouw op indevlugt, terwijl hij vervolgt (Madelaine is liet intusschen ontvlugt); »AVie weet, of zij nog niet eens de maitres van een' Graaf of Baron wordt, of u een klein jonkertje te huis brengt. Ik zie 't wel. Je dwaze plannen brengen schande over mijn grijs hoofd.quot;
En om niet hevig te worden, draait de man en vader zich om, en houdt 't hoofd in de handen, terwijl er een paar tranen
tusschen de vereelde vingers druppelen..... Arme man, nog
zoo eenvoudig, zoo weinig op de hoogte van zijnen tijd!
De deur gaat open zonder kloppen. Theobald staat er in, de staak van Neef Platte's toast, maar nog zonder vruchten en met vei'flenste bloemen.
»Zoo, Theodoor! heb je vrij af gekregen met je verjaardag? Kom! dat is goed!quot;
En moeder verwelkomt hem met een' hartelijken kus, dien hij zich laat welgevallen, maar zonder repliek.
»Vrij af!quot; is 't knorrige antwoord: »Ja wel, voor van daag en voor altijd. Nadat we lang naar den patroon gewacht hadden op 't kantoor, is 't Geregt gekomen en heeft alles verzegeld. Maar er viel niet veel te verzegelen, althans geen geld of geldswaarde. Dat wisten wij klerken al lang. Wat er nog was, heeft de patroon als reisgeld mee genomen. En nu moest ik zoo lang op die zegels passen, tot do beëedigde bewaarder er was, die daar zijn geld mee verdient. Ik had anders dat baantje ook wel kunnen waarnemen, jandorie!quot;
Vader van Baaten ziet even op. »Ook alfatsoendelijk!quot; zegthij langzaam , en verzinkt daarop in een somber stilzwijgen, waarbij alles, wat om hem heen gebeurt, hem niet schijnt aan te gaan.
Er wordt geklopt, 't Is Neef Platte, die komt feliciteren. Dat geeft wat variatie: want moeder begon 't nu toch ook wat benaauwd te krijgen.
191
HET LEVEN VAN EEN5 SOLLICITANT.
»Greluk, vrienden! geluk met Thecrs 20sten verjaardag!quot;.....
Zoo is de aanhef, en 't vervolg; »Hoe? ik dacht hier een vrolijk huis te vinden, en je zet een gezigt als een verscheurde catechismus.quot;
Wat dit spreekwoord beduidt, heb ik nooit begrepen. Zeker is Platte's catechismus al lang verscheurd, en zet misschien in zijne herinnering nog ■vvel eens een somber gezigt.
»Och!quot;' zegt moeder, terwijl Theo zich lijdelijk de hand laat schudden; »:t kantoor waar de jongen op was, is in de war; en van de laatste maand heeft hij zijn geld nog niet.quot;
»Erger voor zijn' patroon als voor hem,quot; is 't oordeel van Neef; »Er zijn nog kantoren genoeg. Maar ik kom u eens wat anders vertellen, dat klinkt als een klok. Van nacht is onze jongste klerk op de secretarie om koud gegaan; en nu hoop ik binnen kort Theobald als Mijnheer van Baaten binnen te leiden. Dat is wat anders! Weinigen weten het nog; maar ik houd mij op de hoogte, en dat kan ik doen in mijn positie.quot;
Ik geloof niet, — tusschen ons gezegd; want toen ik 't hard op zeide, is 't niet weersproken, maar wel mij kwalijk genomen ; — ik geloof dan niet, dat er ééne plaats in de wereld is, waar minder tranen om de dooden geschreid worden dan op 't Ministerie. Als hongerige wolven valt men er op do lijken aan, en betwist elkander den buit; dat wil zeggen het gedeelte van quot;t traktement, dat, na aftrek van 't sobere salaris voor den nieuweling, vrij valt door den hoogeren rang, zoo de overledene dien bekleedde. Men gist en raadt, men hoort en fluistert, buigt eu kruipt, — tot de meesten nog onvoldaan naar hv.is
gaan..... Zoo is de mensch; en eerlijk gezegd, zoo moot hij
wel eens zijn.
Maar wij keeren op 't Hofje terug.
Terwijl moeder van Baaten in verrukking haar Theobald aankijkt, en hem bijna als den toekoinstigen ambtenaar geluk
192
HET LEVER' VAN EEN' SOLLICITANT.
Avensclit, ziet toch ook vader uit zijne mijmering op, en gaan nu allen, de patient zelf uitgezonderd, aan 't overleggen. AVant zie je!quot; zegt Neef: «bij Zijne Excellentie kunje buiten de audientie niet gaan; en de Secretaris-generaal is ook niet zoo maar voor ieder te spreken. Maar de Chef der Secretarie, dat is de man. Hij mag me nog al graag lijden, en morgen aan den dag zal ik liem zien te spreken. Want men moet liet ijzer smeden terwijl 't heet is.quot;
En den volgenden morgen bragt Neef Platte al de boodschap uit de Secretarie, dat de sollicitant maar eens een rekesje moest opstellen, en daarmede zaturdag bij hem komen: — verbeeld u, zelf bij hem komen! Men moet maar protectie hebben.
't Was een overleg, eer het request op zegel stond. Met liet vijfde concept werd een tweede zegeltje bedorven. Op het derde kwam eindelijk toch «Geeft eerbiedig-lijk te kennen —quot; en »'t Welk doende enz.quot; behoorlijk op zijn plaats te staan, in sierlijken lettervorm: want Theo schreef goed. Maar dat was bijna alles, wat hij van 't uitgebreid lager onderwijs had overgehouden. Te oordeelen over 't geen hij schreef, dat ging zijn verstand te boven. Gelukkig, dat voor copiëerende klerken het denken eene overtollige en soms gevaarlijke weelde is. ,
Eene kleine proeve in het voorbij gaan. Mijn voorganger, de eerwaarde Dermout, had ;t eens als Secretaris van de Synode zoo druk, dat Koning Willem de Eerste aan zijn: geliefden hofprediker een' copiïst van 't Ministerie tot hulp aanbood. Met zijne gewone naauwkeurigheid dicteerde hij nu, met de interpunctie er bij, en de ander schreef. Vader Dermout had in zijn hoofd alles zoo juist gesteld, dat hij een oogenblik vergat, waar hij met 't machinaal uitspreken was. »Wat was ook weer 't laatste woord?quot; vroeg hij. »Punt, Eerwaarde!quot; antwoordde de schrijfmachine. - en werd aan 't ministerie terug gezonden.
Maar wij keeren terug naar de vacante plaats van tweede
13
193
IIET LEVENquot; VAN KEN SOLLICITANT.
Merk. Als in den omtrek der Cordilleras 't lijk van een paard in 't open veld wordt gelegd, ziet men binnen weinige oogenblikken hier en daar stippen aan de lucht, die al grooter en grooter worden, tot zij gieren onder de wolken, en neerstrijken op 't aas. Even zoo gaat het mot de dooden op 't Ministerie: wolven er binnen en gieren er buiten. En dat ook hier de gieren niet uitbleven, ondervond Theobald, toon hij nog de eigen week, door oen' droegen bode ingeleid en door een' even droogen ambtenaar ontvangen, werd ingeschreven als Nommer GG.
»Maar staartnommers zijn gelukkig!quot; zeide moeder; en ik wil niet zeggen, dat de jeugdige vrijdenker van dit bijgeloof geheel vrij was. 't Gaat meer zoo.
Intusschen, vader was niet beter en de dokter moest op 't Hofje komen, 't Was gelukkig voor een' bosdokter een vriendelijk man, die niet vergde, dat de monschen bij hem kwamen, als 't hun moeilijk viel of kwaad kon doen. Moeder, die opstond en insliep met den naam van Theobald fluisterend op de lippen, kon niet laten, in 't gesprek met den dokter dien naam te doen. invloeijen. Gelukkig waren er niet veel zieken, en had de goede man dus geen' haast. Toen 't omslagtige verhaal was af-geloopen, vroeg hij nog eens: »En wie moet 't nu uitmaken?quot; — »AVel, natuurlijk Zijne Excellentie de Minister van finantiën,quot; zoido Theo op oen' plegtigen graftoon, dien hij van Neef Platte had overgenomen.
»Zoo?quot; bedacht zich do dokter: »Daar praktiseer ik juist aan huis. Ik kon 't wel eens op 't a propos brengen.quot;
Een glans van vreugde toog moeder over 't gelaat, en zelfs vader dood dit recept meer goed dan 't papiertje, dat op tafel log.
AVat er gepraat werd, toen de geneesheer weg was! Dat
moest Neef weten, en Koos de Ophaler..... Maar buurvrouw,
die door een kier van de deur had geluisterd, sprak er schande van, dat de dokter bij Mijnheer van Baaten aan huis moest ko-
194
HET LEVEN VAN EEN' SOLLICITANT.
men, terwijl zij er 'smorgens te acht ure aan de deur stond. En dan die verwaande houten Maas, dien zou de dokter protte-sjeren! Dat moest ze voor haar jongens eens vragen! Maar die hadden ook zoo'n Heidenschen naam niet, Petrus en Jakobus, en werkten als paarden.
't Laatste was waar, al was 't het getuigenis van eene moeder, die — is 't niet vreemd? — anders de meisjes altijd juist beoordeelt, en de jongens heel partijdig, 't Zullen flinke werklui worden, als ze zoo voort gaan, al zien ze er juist niet netjes uit. Een jongeling als Theobald zou zich ten minste met hen op straat niet durven vertoonen, of 't mogt zijn om zijn pakje te dragen of zijne schoenen te poetsen; op zijn hoogst om ze ter zijde een sigaar aan de zijne te laten aansteken.
Maar moeders lievelingen waren ze natuurlijk. Altoos jammer, dat Johannes niet gekomen was. De vrome vrouw had zoo vast op die drie apostelen gerekend. Daarom misschien telde zij 't kleine meisje minder, dat bedeesd en bescheiden na schooltijd een steekje zat te naaijen, en daarin haar kinderlijke wereld vond.
Intusschen zweefde in hooger' kring een jongeling van ongeveer gelijken leeftijd dagen lang tusschen leven en dood. Natuurlijk werd er toen over eens anders kinderen niet gesproken. De geneesheer deed al wat hij kon, de natuur deed het meeste en de knaap herstelde. Toen hij nu voor 't eerst de bezorgde ouders kon geluk wenschen, dat de crisis voorbij was, kwam den dokter die andere jongeling in de gedaclite, die slechts ee;i paar jaar ouder was. quot;Want hij stelde belang in van Baaten, dien hij altoos als een' trouwen en eerlijken werkman had gekend , en wist wel, dat eene benoeming van zijn' zoon het beste recept tegen de zenuwkrampen zijn zou.
„A propos!quot; met deze woorden brak hij de hartelijke dankbetuigingen af: »Ge zoudt mij misschien een kleine wederdienst
195
HET LEVEX VAX EEN' SOLLICITANT.
kunnen bewijzen. Ik praktiseer over een' zeer geschikt' werkman, on weet geen beter recept voor hem dan de benoeming van zijn' zoon, die solliciteert naar de vacante betrekking op uwe secretarie, 't Is geen overvlieger, geloof ik, maar hij schrijft prachtig. Doe mij nu dat genoegen eens.quot;
Het voorhoofd van den Minister betrok. »AVaarom hebt ge dat niet vroeger gezegd, dokter?quot; was 't antwoord: »Juist gisteren is er een lid van de Tweede Kamer bij mij geweest voor een neefje, 't Is niet veel bijzonders, geloof ik. Maar — dit geheel onder ons — nu de oppositie zoo sterk wordt, moeten wij neuzen tellen. Ik kan geen enkele stem missen, en vertrouw deze niet veel. Ik gaf hem de hand er op.quot;
»Zoo! Gaat 't zóó?quot; vroeg de dokter, die in de politiek gansch niet te huis was: Een volgend maal dus.quot;
»Dat beloof ik u,quot; zeide Zijne Excellentie, en gaf er hoogst
deszelfs hand op____ Tusschen twee haakjes, mijne lezers! ik heb
dien minisfriëelen handdruk ook wel eens gevoeld, en later____
Den volgenden dag deed dokter Honneker in 't Hofje zijne laatste visite. Eiken dag was er familieraad belegd, om te overleggen, of men den dokter niet zou durven vragen. Nu moest 't wel geschieden, nu of nooit. Moeder nam quot;t natuurlijk op zich. Wat zou eene moeder niet durven? Op haar schuchtere vraag, of hij den Minister al gesproken had, was een schouderophalen het antwoord.
»Dezen keer zal 't niet lukken. Het is ook zijne eerste sollicitatie. Maar een volgend maal reken ik er stellig op. 't Is mij beloofd. Waarschuw mij dan maar eens. Ministers zijn wel eens vergeetachtig. Zij hebben ook zoo veel aan 't hoofd.quot;
»Hij had ook op de audientie moeten gaan,quot; was 't oordeel van Neef Platte, toen dien eigen avond de courant eene andere benoeming bekend maakte.
»Wel! dat hebt gij niet gezegd. Neef!quot; zeide moeder.
196
UET I.EVEJT VAN EEN' SOLLICITANT.
»'t Sprak immers van zelf?quot; antwoordde Neef; — maar de ■waarheid was, dat hij eerst nu aan die wijsheid kwam. De benoeming' verraste hem. Hij had niet gedacht, dat 't zoo haastte.
Geen twee maanden later kwam Neef nog in den laten avond aankloppen. Alleen moeder was nog op. Een blijde tijding! »De nieuwe klerk had 't zoo bont gemaakt, dat hij zeker wel niet blijven zou, schoon hij goede kruiwagens had. Op dit oogen-blik wist men zelfs niet eens, waar hij was, schoon zijne crediteuren hem ijverig genoeg zochten.....quot; Er werd wat overlegd
dien nacht!
Te acht ure belde van Baaten reeds bij den dokter aan. Deze, gerust op de Ministeriëele belofte, haastte zich niet, maar reed tocli tegen vier ure even aan 't Ministerie aan pro memoria.
Alles had er een ernstig voorkomen; zoo iets van een sterfhuis) waar niemand durft lagchen, ook die hopen in het testament te staan. En die stemming, of dat decorum, ging crescendo. De portier keek effen bij 't binnen laten; Neef Platte, die de bodenkamer uitschoot, om den bekenden dokter voor te gaan, nog meer; en allermeest de kamerbewaarder, die hem aandiende. — 't Is jammer, dat »etïen kijkenquot; geen vergelijkenden en overtreffen-den trap heeft. Hen kan niet zeggen »eflenerquot; en »effenst.quot;
De Minister zat met de linkerhand onder 't hoofd. Werktuigelijk bewoog hij de regter, om den vriend zijner jeugd eene plaats te wijzen. »Hoe is 't?quot; vroeg deze: »'t Schijnt wel, dat ik juist van pas kom. Gij zijt niet wel.quot;
»Och vriend lief! voor politieke kwalen hebt gij geen recept. Alleen hartelijke deelneming misschien.quot;
»En wat is er dan toch?quot;
197
HET LEVEN VAN EEÏf' SOLLICITANT.
»Mijne begrooting gevallen, juist nu ik zulke uitstekende plannen liad. En die den doorslag gegeven heeft, en gaarne mijn opvolger worden wil, is juist 't lid, dat mij zijn'schobbejak van een' neef heeft opgedrongen.quot;
»Loon naar werken!quot; dacht de dokter, maar zeide het niet. Hij was ook geen diplomaat, — alleen een eerlijk man.
Den volgenden dag, toen Neof alles goed had uitgelegd, werd er gezucht op 't Hofje. Alleen niet door Madelaine, die kamenier was geworden bij eene verdachte dame, en van haar afval zich prachtig opschikte. De Jonker ten minste zeide, dat 't haar beter kleedde dan Madam: want hij bleef de kennis aanhouden, en ging zelfs heimelijk met haar uit; — natuurlijk in alle eer en deugd. — quot;Wel beschouwd is zij ook een sollicitant; haar broeder met zijn mooije hand, en zij met haar mooi gezigtje. quot;Wie 't winnen zal? En — wie het meeste waagt?
Theobald was intusschen in den toestand van een' matroos, die juist het zilveren horloge grijpt, boven aan den cocagnemast opgehangen, als hij uitglijdt, 't los laat, en zeer onzacht, met half gekraakte ribben, op den grond te regt komt.
Neef Platte weet niets beters te doen dan met hem te gaan wandelen.
Maar op eene wandeling mag men wel eens rusten; en in dat rust-uur smaakt een grogïje. Bij 't tweede kreeg Theobald weer moed; bij 't derde en vierde was hij, die zoo beelderig schreef. bijna zeker van zijne zaak, al kwamen er nog tien andere Ministers.
Maar vader van Daaten was diep neergedrukt, en zuchtte: »Zes en zestig sollicitanten! Hoe dikwijls moeten zij dan wel loopen schooijeren om oen ellendig baantje, als ze 't nog eindelijk krijgen? Was hij nog maar goed voor bankjongen,vooral nu ik 't zoo in mijn lenden heb. Maar nu is hij te oud.quot;
De goede man sprak als tot zich zeiven, en verweet niemand
198
HEI LEVEN VAN EEN* SOLLICITANT.
iets. Daarop gebeurde, wat nog nooit gebeurd was; moeder van Baaten liet liein liet laatste woord.
Maar Theobald lag wakker, en deed niet anders, dan de vraag tien en twintig maal en tot in 't oneindige herhalen; »Wat zal Ellen zeggen?quot; — quot;Want in de vreugde over zijne bijna zekere benoeming had hij eindelijk de declaratie gewaagd, die zij reeds sinds lang in zijne smachtende blikken las, en zij had ten minste geen Neen gezegd. Maar wat zal Ellen nu zeggen? — Arme jongen! Wat is grooter ramp in de jeugd dan een verbroken
levens-ideaal, waar de liefde in gemoeid is?____Ellen, Ellen! —
Och, beklaagt haar niet. Eene coquette gevoelt zoo diep niet, als zij ooit gevoelt.
Het is vijf jaren later. Ik wil mijne lezers niet vervelen niet alle telkens vernieuwde pogingen, om door voorspraak en kruiwagens de trappen van 't Ministerie te beklimmen, 't Gaat niet. Intusschen moet men leven; en daar Vader van Baaten, al zegt hij niets, nooit meer de vorige kracht en opgeruimdheid terug kreeg, valt dit hoe langs zoo moeijelijker. Ook Theo moet dus voor 't gezin meo werken, en do arme jongen doet 't zoo goed hij kan, nu hier, dan daar als schrijver, maar altoos zonder vast vooruitzigt. Intusschen offert moeder al wat ze maar missen kan op, om hem knap te houden. Men kan 't niet weten! Eene moeder wanhoopt aan haar kind nooit. Al drie keeren heeft hij na aan gestaan, en is — zegt Neef — de laatste maal zelfs op één na benoemd. Eiken dag kan zich wat voordoen. Dan moet hij er toch knap uitzien.
Intusschen is 't politieke rad Avecr een' slag omgedraaid en kwamen de eigen spaken weêr boven. Die voor vijf jaren door de oppermagtige volksstem onbekwaam verklaard werden tot de
199
HET LEVEN VAN EEN' SOLLICITANT.
regering, en daarom door Zijne Majesteit zijn op stal gezet, zijn. nu Aveer de uitverkorenen, en daaronder de Minister, wiens zoontje — nn een zoon, — wij in levensgevaar vonden. De geneesheer evenwel, die, naar den mensch gesproken, hem ;t leven redde, heeft, en voor goed, ongevraagd ontslag gekregen. Hij rust, met zoo velen zijner patiënten, op Eik en Duin.
Neef Platte, wiens neus hoe langs zoo rooder wordt, en die nog. meer dan goed is. Neef Theobald op grogjtjes trakteert, buigt weêr even diep voor de vernieuwde Excellentie, die vijf jaren lang niet excelleerde, en bespiedt met goedhartigen ijver alle waarschijnlijke of mogelijke vacaturen. Yoor zijne dochters kan hij 't niet doen. Memand heeft ze begeerd, en niemand verleid; en de eenvoudige moeder is verstandig genoeg geweest, om ze tot goede dienstboden of naaisters op te leiden.
Maar heden vroeg in den morgen klopt Neef al aan, dood nuchteren, dat hij anders zelden meer is, schoon ook nooit stom dronken.
»Een buitenkansje!quot; roept hij uit, zoo dra hij tot zijn' adem gekomen is: »Een buitenkansje. Nu is er op één der Afdeelingen eene vacature: dat is nog beter dan de Secretarie. Ik ben ;iog de eenige van ons Departement, die ;t weet. Als nu de Minister woord houdt, — gij weet nog wel, wat hij beloofd hooft? — dan is Theobald de man. Laat hij terstond een rekesje schrijven, en daarmeê overmorgen op de audientie gaan. Ik zal bij den kamerbewaarder doen, wat ik kan. Ja, ja! de aanhouder wint. Vierhonderd gulden om te beginnen, en dan altijd hooger op, terwijl ik een arme bode blijf.quot;
Neef wreef in de handen, 't Gezigt van moeder klaarde op. De liefde gelooft alle dingen en hoopt alle dingen, zegt Paulus, en dat mogt hij vooral wel van de moederliefde zeggen. Vader van Baaten schudde 't hoofd, sprak geen woord, maar dacht aan de 38 centen van 't zegel; want een van 21 was te min, vond Neef.
200
HEI LEVEN VAN EEN' SOLLICITANT.
Of moeder 't druk had met voor de zóó veelste maal de oude liandsclioenen te naaijen, en den vrij valen en kalen hoed op te borstelen! Het jasje, dat weinig en zeer zuinig gedragen werd, kon er nog even mee door. Alleen waren, onder 't gestadig grijpen naar 't onbereikbare, de armen gegroeid en de mouwen niet; ook knelt de broek erg, maar dat ziet men niet: 't staat wel netjes.
Alles was gereed, het request met onbegrijpelijke inspanning en netheid geschreven. Maar 's avonds stond er in de courant een regel, die voor 't oogenblik alles in duigen wierp: »De gewone audiëntie van den Minister van Finantiën zal deze week niet plaats hebben.quot;
Nieuw overleg, 't Request inzenden? Dan kwam het onder den groeten hoop. Een nieuw schrijven? Daar legde vader zijn Veto tegen in. Hij had al zoo menig zegeltje betaald. Den datum zoo laten? Dan accordeerde die niet met den dag der aanbieding.
Gelukkig trad men die week geen nieuwe maand in. Toen 't dus de volgende week zeker was, dat er audiëntie zijn zou, toonde Theobald, hoe vlug hij met 't radeermesje omgaan en den datum veranderen kon.
Eeeds vroeg in den morgen van den audiëntie-dag schreef hij zijn' naam op de lijst bij den kamerbewaarder. Het werd aan den invloed van Neef toegeschreven, schoon die er niets mee te maken had, maar alleen de klok, dat hij boven aan kwam te staan; natuurlijk onder de commissies en autoriteiten, die dit maal niet vele waren.
Eeeds een paar uren te voren stond hij gereed. Nu of nooit zal 't gelukken. In dat zalig uitzigt omhelst Theo zijne moeder en maakt daarbij een capriool van vreugde, — helaas! terstond afgebroken door een verdacht geluid. Krak, krak! en nog eens krak! 't Geheele kruis van zijn gespannen broek is open gescheurd.
201
HET LEVEN VAN EEN' SOLLICITANT.
Maar hoe nu moeder zich. haast, — en hoe, zoo veel de voor-zigtigheid het voor zijne broek toelaat, Theo zijne schreden versnelt, juist als hij den bekenden portier groet en Neef een haastig knikje toewerpt, wordt boven zijn naam opgelezen.
»Niet tegenwoordig,quot; zegt de kamerbewaarder, en 't gevolg is, dat zijn naam onder aan de lijst wordt gezet.
't Is geen aardig gezigt, zoo'n antichambre, waar Theobald nu al 't genot van heeft, terwijl hij om de vijf minuten zijn' hoed opstrijkt en naar don zijzak voelt, waar 't Request in zit. Diagonale wandelingen door 't niet groote vertrek, waar anderen den tijd mee korten, daar waagt hij zich niet aan, uit vrees voor 't kruis van zijn broek. En spreken — neen! dat gaat ook niet.
Wilt ge eene schilderij maken van 't wantrouwen en den heimelijken wrok der concurrerende menschenwereld van onze eeuw, neem dan zulk eene antichambre tot model. Van een dozijn voorgangers, al hadden zij heel wat anders te vragen, wachtte Theobald stellig, dat zij hem 't gras voor de voeten wilden weg maaijen. Ter sluiks mat hij ze van top tot teen, cf zij er ook voordeeliger uitzagen, dan hij. — »In de kleêren zeker!quot; dacht hij en trok weêr aan de te korte mouwen.
En komt er één met een vrolijk lagchend gezigt van binnen, dan krijgt hij een rilling van 't hoofd tot de voeten: want hij denkt zeker, dat de Minister hem de plaats heeft toegezegd.
De laatste lotgenoot is vertrokken. De schel gaat op nieuw. De kamerbewaarder leest plegtig af: »De heer Theobald van Baaten,quot; schoon 't niemand anders wezen kan, en opent voor de zóóveelste maal de tusschendeur. Theo strijkt nog eens in don haast zijn' hoed op, verbergt de armen zoo goed mogelijk in de mouwen, neemt 't Bequest in de hand en gaat naar binnen.
Hij heeft een paar uren tijd gehad, om elke minuut — dus ruim lionderd maal — zijne les op te zeggen; maar op den drempel staat
202
HET LEVER' VAK EENquot;' SOLLICITANT.
Mj even stil, hij beeft aan al zijne leden; 't wordt liem groen en geel voor de oogen, — weg vliegt de aanspraak! — Hij heeft alleen nog besef genoeg om te stamelen: gt;;Ik ben zoo vrij, Excellentie! een Request — Mag ik 't hier maar neer leggen?quot;
Die vraag komt er zoo onnoozel uit, dat Zijne Exellentie, als hij geen audientie gaf, zeker in den lach zou geschoten zijn. Nu vroeg hij alleen; »Mijnheer van Baaten! u verlangt waarschijnlijk op 't Ministerie geplaatst te worden? Althans die naam komt mij bekend voor onder de sollicitanten.
»Ja, Excellentie! En in den tijd waart u zoo goed te beloven aan dokter, — dokter —quot; Verbruid! een mensch moet maar ongelukkig zijn! Op eens ontschiet hom de naam. Gelukkig staat die in 't Eecpiest.
»Zoo? ja! dat zult ge dan zeker wel op schrift hebben, mijnheer van Baaten. Wij zullen u met de anderen in aanmerking nemen. Natuurlijk kan ik aan niemand vooruit de toezegging geven.quot;
Weer ging de schel; Theobald ging achteruit naar de kamerdeur; hij bonste zoo hard tegen den stijl, dat hij beefde voor zijn broek.
Moeder onthield van 't geheele verhaal alleen, dat de Minister hem in aanmerking zou nemen. Dat was toch al veel gezegd. Arme moeder! Zij kende 't ministeriëele spraakgebruik niet.
Helaas! de zaak traineerde, de hoop kwijnde. Neef Platte kwam eerst na eene maand rapport brengen. Dezen keer had hij 't echt, uit den eigen mond van den kamerbewaarder, daar de Minister uit vroegere kennis zeer eigen mee was. Zijne Excellontio herinnerde zich van dokter Honneker, in betrekking tot dezen sollicitant , niets; hij begreep dus niet, wat die zinspeling in 't Request beduidde. De hand was goed. Was 't Secretarie, dan zou 'tmisschien gaan; maar voor eene Afdeeling was hij te oud. Zoo oordeelde de Minister, en benoemde iemand, die een paar
203
HET LEVERT VAN EEN1 SOLLICITANT.
jaren ouder, maar nog niet door 't solliciteren, versleten was. Had hij er zijn geboorte-Acte maar bij overgelegd! Maar de jaren van een' sollicitant zijn campagne-jaren. Theobald's rug was gekromd, een kaal plokje sierde zijn kruin en een paar snijtanden hadden los gelaten, en dan de magere schrijfvingers, die uit de korte mouwen staken!
»Als 't nog op de Secretarie was!quot; Dat is nog een stroohahn voor de arme moeder. Maar 't duurde lang, heel lang eer er eeno vacature kwam op de Secretarie; zóó lang dat eene week te voren de Minister reeds weer was afgetreden, en, bij wijze van politiek oude-mannenhuis, in den Raad van State geplaatst.
Arme Theobald! Dubbel arme moeder!! Vader van Baaten was te versuft: »van al 't prakkesérenzeide moeder. En hij miste de kracht, dio moeder nog altijd staande hield. Hij hoopte niet meer, en word dus ook niet meer te leur gesteld. 2iijn levensdroom was verstoord. Waartoe leefde hij nog?
En Theobald zelf? Hij is althans wijs genoeg, om het ijdele zijner sollicitaties in te zien, en schrijft nu liever rcquesten voor anderen: dat geeft ten minste. Maar ook zijn levens-ideaal is
verwoest. Zijne Ellen niet meer de zijne.....
204
Hij zwijgt en werkt, beter huisgenoot in zijn' rampspoed, dan hij in zijn' voorspoed was.
Weer zijn zeven jaren voorbij gegaan. Wij hooren niets meer van de familie van Baaten. In den eersten tijd antichambreerde liet kale jasje nog een enkele maal op 't Ministerie, en boog Theobald hoe langs zoo dieper, en viel hoe lang zoo meer het licht op zijn kale kruin. Maar nu zien wij er hem niet meer. Zou 't jasje geheel versleten zijn, of misschien de jonge man zelf, die 't draagt?
HET LEVEJ.' VAN EEX1 SOLLICIT^VNT.
Wij willen eens gaan hooren en zien.
Het Hofje is nog hetzelfde; 't is geen artikel van weelde, en dan veranderen de dingen niet zoo spoedig. Ook liet linisje herkennen wij terstond, maar 't ziet er doodseh uit. Geen gordijntjes zelfs, die hij de armsten, zoo er ten minste eene knappe huisvrouw woont, niet ontbreken. Door de verweerde glazen zien wij in eene holle ruimte, en nu eerst treft quot;t ons, hoe klein die is. De buurvrouw schijnt nog de zelfde te wezen. en wij weten van ouds, dat ze gaarne praat, al haalt ze even graag de buren over den hekel als zij ze helpt.
»Zeg eens: woont van Baaten hier niet meer?'quot; Een diepzinnig snuifje moet de hersens opfrisschen bij zoo treurige herinneringen. »Van Baaten? En weet gij er dan niets van? 't Is een treurige geschiedenis.quot;
»Och neen! we kenden 't huisgezin van vroeger, maar hebben er in jaren niet van gehoord.quot;
Na nog een snuifje begint buurvrouw te vertellen, en nu gaat 't ook van een leijen dakje:
»Ja, wel een treurige geschiedenis! Ik mogt de menschen graag lijden, en heb ze in nood en dood bijgestaan. Daar zijn we Christen menschen voor, zeg ik altijd, ilaar ge weet wel, mijnheer! zij waren wat grootsig en hielden de kinderen niet
in hun' stand, zoo als mijn man en ik. Hij was't eigenlijk niet____quot;
Wij breken hier even af om op te merken, hoe in huwelijkszaken de vrouwen altijd genegen zijn tegen de vrouw partij te trekken, en den »armen manquot; in bescherming te nomen. Omgekeerd is dit zoo sterk niet.
»Hij eigenlijk niet: want van Baaten was een knappe en stille werkman; dat zal ieder op 't Hofje hem. nageven. Maar zij droeg 't hart wat hoog. Haar zoontje moest een jonge lieer worden. Voor mijn jongens, — werkezels, mijnheer! —trok zij den neus op. Zij zagen dan ook mooi zwart, als ze uit de smederij kwa-
205
HET LEVEX VAN EEN' SOLLICITANT.
men of uit 't kolenpaklriüs. Maar dat gaat er met zeep af, zeg ik altijd.quot;
»Nu ja! maar de droevige historie?quot;
AVel! dat was, dat de jonge hoer overal zijn' neus stootte, tot de duivel er de hand in kreeg. Wat hoefden zij hem ook zoo'n Heidenschen naam te geven?quot;
Wij begrijpen niet regt, wat de duivel met den naam van onzen jongen vriend te maken heeft. Misschien houdt ze Theobald voor oon' Griekschen afgod.
»En zoo wil ik maar zeggen, dat de jongen totaal verongelukte. Gij herinnert u dien neef nog wel, dien stijven hark van een portefeuille ?quot;
«Keef Platte, den bode! 0 ja!quot;
»Nu, die heeft Theobald heelemaal van den wal in de sloot geholpen. Want als 't weer mis was op 't Ministerie, werd er een borrel op gezet, zoo'n rummetje. En dan kwam de jongen soezerig thuis. Zijn beetje verstand zat in de rumflesch, en hij was niet presentabel meer op 't Ministerie. Ik zeg altijd tegen mijn man en de jongens____quot;
We zijn bang voor eene lange moraal, en vallen dus in: »En is die neef Platte nog op 't Ministerie?quot;
»Ook al niet. Op een klein pensioentje gezet, omdat hij wat sufferig werd. 't Zat er nooit diep. Weet gij, waarom hij bode was geworden? Omdat hij de pantoffels van den ouden Minister altijd op de kagchel zette; en heel voorzigtig ook, want de vorige knechts hadden er al van twee paar de zolen verbrand.quot;
Deze interessante bijzonderheid uit de Ministeriëele bijenkorf laten wij met een' lach passéren, om toch maar 't regte van de van Baatens te hooren.
»Nu! om dan op onze buren terug te komen, de oude man had er 't meeste verdriet van; want buurvrouw wilde er niets van
20G
HET LEVEN VAN EEN1 SOLLICITANT.
gelooven. En toen nn Leentje, — ze had eigenlijk ook al zoo'n naam uit een' modewinkel, maar wij zeiden maar Leen; — Toen dan nu Leentje met een kind thuis kwam, en haar Jonker naar Spanje was, heeft de oude man niet geknord en niet geklaagd, maar zich zoo verchagrineerd, dat mijn jongens hem voor een half jaar hebben afgesneden.quot;
»Afgesneden! Hoe dat?quot;
«Wel, hij had zich aan zijn' beddekwast opgehangen, en mijn
jongens, die op 't gillen toeschoten.....'t Zijn nu al kerels als
boom en, en ze hebben een ferme zaak opgezet: mijnheer moet maar eens gaan kijken.quot;
«Nu ja, maar?quot;
»Wel! zij kwamen net vijf minuten te laat, zeide de dokter. Buurvrouw was de schrik in 't hoofd geslagen. Yerleden week is zij begraven. Leentje is nergens te vinden. En tot lof van den jongen moet ik zeggen, dat hij na dien tijd heel fatsoenlijk leeft, en van Neef met zijn' rooden neus geheel af is. Enkel komt hij nog wel eens hier; dan praten wij over den ouden tijd, en een maal eten heb ik nog graag voor hem over. Ik zeg altijd maar: daar zijn we Christen menschen voor.quot;
»Hij heeft 't dan niet ruim?quot;
»,Ia! wat zal ik u zeggen? Nu eens wat en dan weer niets. Hij schrijft requesten, en maakt minnebrieven, verzen en zoo wat. Tegen Nieuwjaar bij voorbeeld heeft hij 't nog al druk. En dan boekt hij 's avonds in de winkels, of schrijft de nieuwjaars-rekeningen. Maar in den winter heeft de hals het toch koud op zijn zoldertje.quot;
»En drinkt hij niet meer?quot;
»Na vaders dood volstrekt niet. Tot dien tijd toe altijd, als hij op solsisteeren uitging, voor een hartsterking zeker, en als 't mis was voor een' troost. Maar daar is hij geheel af. Hij geeft 't op, en is tevreden. Wat er alleen nog aan mankeert, een
207
HET LEVEN VAN EEN1 SOLLICITAXT.
mensch is toch zóó niet, of lüj zou wel eens willen trouwen.
sMet Ellen?quot;
»Neen, zoo hiot ze niet. 'tls een naaistertje, een ordentelijk
burgermeisje____ Maar daar zijn net de jongens. Hé! kijk! dat
treft; van Baaten zelf is er ook bij.quot;
't Is vreemd, maar 't was net, of dat bezoek onze spraakzame vrouw uit eene groote verlegenheid redde. Zij stotterde; en was haar gozigt niet zoo groezelig geweest, ik geloof waarlijk, dat wij er oen blos op zouden gezien hebben.
De jongens, — forsehe mannen van ruim dertig jaar, mannen en vaders, maar voor de moeder nog altoos jongens; hoe steekt bij die open, mannelijke gezigten en vereelte handen, in 't grove werkpak, hoe steekt tusschen die beiden in, de gebogen, verhongerde gestalte af van Theobald; hoe langs zoo kaler, maar altijd nog even netjes glad gestreken, tot zijn haar toe, dat sluik en dun langs de slapen valt, terwijl bij de anderen iedere haarbos haar eigen weg schijnt te kiezen, in de lucht of over 't kleed, of met den baard samen gekruld. Toch ziet Theo er heden opgeruimd uit, en heft de kale kruin wat meer dan anders omhoog.
»Moeder!quot; zegt Petrus; »Daar zie je nu onzen nieuwen boekhouder. Gij weet, dat de zaken patent gaan, en we den winkel al hebben moeten uitbreiden. Maar letterwijs zijn we geen van beiden. Of 't van 't spijbelen komt, weet ik uiet. Maar vader had ook niet veel geleerd, en zoo waren we met een beetje tevreden. En dat ging ook best als knecht; maar een eigen zaak, die raakt er mee in de war. En zoo hebben we Balletje, — neem mij niet kwalijk, dat viel er zoo uit! —voor ƒ G00 als boekhouder aangenomen. quot;We hielden 't drie maanden stil, tot 't voor goed geklonken was. En de proef lukte boven verwachting. De geheele zaak staat te boek, met Memoriaal en
208
HET LEVENquot; VAN EEN' SOLLICITANT.
Grootboek, en zoo voorts. Als 't zoo vooruit gaat, zal hij nog ■wel meer verdienen. quot;We zullen je al vast wat beter in de plunje steken. Bal! want je bent een knappe en eerlijke vent in die zaken.quot;
Bijzonder kieseli vindt ge misschien dit compliment niet; maar 't was hartelijk gemeend. Bloost Theobald daarom zoo? iloet dat de rand van zijn1 hoed misgelden, waarvan zonder dat frommelen toch wel gaauw de bol zal loslaten? Ik versta waarlijk niet, wat hij stottert; maar moeder verstaat't en zegt: »Zoo!
was 't daarom te doen?..... Mina! kom eens benoden; daar is
iemand voor je.quot;
En 't naaistertje komt van den zolder, niet zoo elegant als Ellen, maar toch een knappe meid geworden, altijd nog even zedig, eenige jaren jonger dan haar broers. Zij is de eerste, die door den stijven bolster heen de degelijke kern van Theobald's karakter ontdekt heeft, — en hem heeft lief gekregen.
»Daar, kinderen!quot; zegt moeder: »Gaat nu maar je wereldsche driehoek. Ik weet, dat vader er niet tegen is, en wacht je dus zamen zondag avond.quot;
209
En nog eens bragt ze dien zondag haar oude keukon wijsheid, die anders zelden meer te pas kwam, in praktijk. En al was Neef Platte er niet bij om een' toast te slaan, 't hartelijke »Grod zegen je, dat mijn oude oogen en die van moeder't zien!quot; — de toespraak van den ouden straatmaker bij 't glaasje warmen wijn, — klonk beter dan al de bombast van Neef Platte. Mina was daarbij overgelukkig, en Theobald ook, nadat hij, bij de herinnering aan eene vroegere partij, een' traan aan zijne moeder had gewijd, die van 't »Leven van een' sollicitant,quot; liet einde niet had mogen zien. quot;Want van nu aan werd Theobald een Hinke boekhouder, raaar solliciteeren deed hij nooit meer.
U
HET LEVEN VAN EEN' SOLLICITAUT.
Mijn verhaal is uit. Hollanclsche jongens en Haagsche allermeest! spiegelt n aan 't leven en lijden van een' sollicitant. Hebt gij merg in de beenderen en hersens in 't hoofd, bouwt dan niet op invloed en protectie, en zet u op den kruiwagen niet, waarop men dommelend insluimert en hongerig ontwaakt. Maar wat ook uwe levenskeus is, hebt de kracht om u zelf te wezen, en iets te willen zijn. De stand alleen vereert den menseh niet. Hij moet zijnen stand eer aandoen. Velen zoeken er zich boven te verheften en zinken er beneden. Die er uitgroeit, doe 't van zelf, uit de natimr en niet door kunst. Eerlijk, vlijtig, volhardend kan men het in ieder vak ver brengen, met protectie, — maar van Omhoog.
En gij, ouders! voedt kinderen op, die op eigen beenen staan en niet aan een handje loopen. Daar is do wereld nog ruim genoeg voor.
210
10 December 1877.
DE HOOGMOED.
Neem voor lieden, mijn lezer! een oud reisverhaal voor lief, zoo oud, dat 't onder andere tijdgenooten reeds geel en do inkt rood geworden is. De reis — die men nu niet meer zoo noemen zou, — ging uit van Schoonhoven.
Yoor dag en dauw ben ik op. Mijne vrcuw nog vroeger. Eene vrouw op reis is een bagagewagen. Er is rijtuig besteld natuurlijk. Het kapwagentje is oud, 't paard weinig minder en de voerman nog ouder.
't Is één der donkerste dagen vóór Kerstmis. «Naar Gouda; dat weet je immers, voerman?quot; — »Zeer zeker, meneer! aan memorie mankeert 't mij Goddank nog niet.quot;
We hadden daar den man haast beleedigd; 't was immers hemzelf besteld? — Intusschen, als we zijn ingestapt, en nu op een sukkeldrafje voort rijden, zit mijne vrouw niet gerust. De weg is zoo smal, de bruggen zijn zoo glad, en de mist is zoo dik. »Zou je den ouden Barend niet wat wakker houden?quot; fluistert ze mij in 't oor: »de man wordt wat dutselig.quot;
»Hei, voerman! er is immers geen gevaar bij? 't Is zoo donker.quot;
»quot;Wel neen zeker niet, meneer! de jufvrouw kan zoo gerust zijn, of ze op haar bed lag. 'k Heb Goddank beste oogen en 't is van van daag of gisteren niet, dat ik dezen weg rij.quot;
DE HOOGMOED.
En zoo -weten wij nu weer, dat al wat deze man zegt, voor hem zeer zeker is; dat hij een goede memorie, beste oogen en eene langdurige kennis van den weg heeft. Zijn Goddank nemen we als een stopwoord op den koop toe. 't Zegt even veel of even weinig als 't dankgebed van den Farizeër, hoogmoediger gedachtenis. ]\Iet dat al, hij brengt er ons met horten en stoeten, en als ik een uur daarna zeg: »Dat heb je er goed afgebragt, oudje!quot; verdubbelt dit de fooi.
AVe komen dan vroeg genoeg aan de oude pijpenstad, om eens rond te kijken, en met dezen of genen een woordje te wisselen. Want de ellendige kroeg, waar de wagen afrijdt, antipode van een hedendaagsch stationsgebouw, lokt mij niet uit om naar binnen te gaan.
»Zeg er eens. Commissaris! is dat de postwagen? Hij ziet er heel anders uit dan verleden jaar. En wat staan daar voor krullen achterop?quot;
»Met uw verlof, mijnheer! weet u dan niet, dat er nieuwe wagens gekomen zijn? Daar hebben die oude rommelkasten met uw verlof geen hand water bij. U zult 't eens ondervinden. Daarom staat er ook Diligence achterop.quot;
Ah zoo! ja! nu wij 't weten, kunnen wij 'took lezen. We geven den man gaarne verlof, om zich daarbij zoo genoegelijk in de handen te wrijven; in 't volle genot van zijne waardigheid , tevreden om altijd in zijn huisje te blijven, terwijl hij ieder ander reizen laat. Alleen voel ik den arm van mijne vrouw wat beven, als zij ziet, hoe de imperiaal, nu 't een diligence is, zoo hoog wordt opgeladen, dat 't voertuig topzwaar is als een dronken man, en dat op dien hoogen en smallen IJseldijk!
»Is alles d'er in ?quot; Dat klinkt nog zoo wat op zijn oud Goudsch in 't portier, 'tls vrij oneerbiedig, om ons zoo onder een neutraal alles te betrekken, als of we pakgoederen waren. Nu, dat daargelaten. Laat ons ons gezelschap eens overzien.
214
DE HOOGMOED.
Een lieer, naar 't schijnt al hoog bejaard, met zoo iets van een' buitenman in voorkomen en kleoding. Naast liem eene jufvrouw, dood eenvoudig gekleed, met een klein meisje op den schoot. Aan hare andere zij een man, ook uit den burgerstand, en haar blijkbaar even vreemd. Dit zijn dus onze overburen en zullen, als 't vlotten wil, onze conversatie zijn. Op den achtergrond nog twee hoeren, met bont en plaid, door dit drietal van ons gescheiden. Zij schijnen wel zoo wat van de haute voice te zijn; want de postwagen kent geen standen of klassen, als de spoor of de boot.
De voerman legt do zweep op de paarden. De straatjongens jubelen. Dat ras sterft nooit uit, en leeft bij de verandering.
De commissaris heeft gelijk. Men kan buiten de stad elkander verstaan. Ik zit niet graag in gezelschap zonder te spreken, en zal dus maar beginnen met 't kind wat aan te halen, 't Ziet er nog al lief uit. gt;AVel jufvrouw! wat hebt u daar een aardige kleine! Hoe oud is ze wel? Een jaar of drie misschien?quot;
Een glans van genoegen komt op 't gelaat der goede vrouw. »Ja, mijnheer! 't is een engeltje van een meisje. Is 't niet. Mie? Moeders kindje. Maar drie jaar? Daar vergist u u in. 't Is pas 2 jaar en 9 maanden. Zoudt u dat wol zeggen?quot;
Ziet! hoe glinsteren die oogen! hoe lief is die kus op do kleine lipjes! Ik vond de vrouw straks bijna leelijk in hare onbeduidendheid, en vind ze nu bijna schoon. Edele moedertrots! quot;We zouden u ongaarne willen missen. Jammer maar, dat al zoo vele duizenden Adamskinderen daardoor bedorven zijn, en nog wel bedorven zullen worden. Arm kindje! zal 't ook uw ongeluk wezen, vooral wanneer gij zoo schoon opgroeit? Zullen die vleijende woordjes en kusjes uwer eenvoudige moeder misschien uwe luimen voeden, uwe zinnelijkheid opwekken? Nu zijt gij nog in uwe onschuld, en kent die gevaarlijke ijdel-heid niet.....
215
DE HOOGMOED.
Maar wat plukt en trekt de kleine Mietje aan hare kleeren? Hot schijnt, dat zij ons wat zeggen wil, en vlug tor taal is ze juist nog niet. »quot;\Vat is 't, lief kind?quot; — »Ooine, ponl pon! tata.quot; Ja! daar mag de knapste translateur uit wijs worden. »quot;\Vel jufvrouw! wat wil de kleine toch? Moeders verstaan alles.quot;
»Och, mijnheer! UE. moet weten, dat wij in Tergouw zijn geweest bij mijne zuster Breevoort. UE. hebt ze zeker wel hoo-ren noemen. Een knappe winkel op de markt.quot; — Hier volgt eene kleine paus, terwijl quot;t kind al blijft stamelen van pon en tata. 't Spijt mij waarlijk, dat we zuster Breevoort niet kennen. Ik wil geen Neen! en geen Ja! zeggen. Voor die gelegenheden heb ik een expedient bewaard van wijlen mijn' vriend Beijma. Toen die kort na mij op de akademie kwam, werd de Friesche boerenknaap, niet tot zijn voordeel, als een wonderkind overal te kijk gevraagd. En toen ik hem nu eens vroeg, hoe hij aan al die dames zijn compliment maakte, antwoordde liij: »Och ik ben net aan 't Grieksch begonnen, en daar zijn vier letters in, die mij overal doorhelpen, als ik ze maar gaauw genoeg half binnen 's monds uitspreek. Pi ro sigma tou! — dat vindt elke dame mooi, omdat ze 't niet verstaat, en vat 't als Mevrouw of Jufvrouw op naar haar keus.quot;
Ik maakte dan ook zoo'n onverstaanbaar geluid, en de moeder vervolgde: »Nu dan! we hebben 14 dagen bij zuster Breevoort gelogeerd, terwijl mijn man met een voornaam heer op reis moest. En tante — 't is een manufactuurwinkel, zoo als UE. weet, — heeft 't kind een nieuw jurkje gegeven. Daar is ze nu zoo grootsch op. Is 't niet, lieve? do mooije pon van tante.quot;
Och! wat hebben we ons vergist! De ijdelheid was al vóór don dorden verjaardag in dat kleine hartje geslopen. Maar 't is waar ook; het was een meisjeshart.
Een oogenblik zwijgen al de reizigers, 't Schijnt dat de grijs-
21G
DE HOOGMOED.
aard, mijn overbuurman, dit gunstig oogenblik heeft afgewacht om aan de beurt te komen. Althans hij steekt de hand uit, om van 't aanvallige kind ook een handje te vragen, en zóó zich in 't gesprek te mengen. Het is mij altijd aandoenlijk, als ik kind en grijsaard zoo zamen zie. Dat hoofdje, zoo bewegelijk, zachtkens overhellende met 't zijden haar naar de eene zij; die oogjes, nog wat drijvend en onbestemd, maar toch ai levendig
en sprekend....... En daar tegenover die kale schedel met
uitstekend gebeente en harde grijze haren, knikkend onder den last der jaren; de strakke, koude oogen, waarover de dikke wenkbraauwen dreigend hangen; 't gelaat, waarop zorg en arbeid
rimpels ploegden in 't perkament..... En nu zie! die dorre,
knokkige vingers, die zich bevend zamenvoegen om 't poezele handje: een perzik omsloten door eikenbast!
»Het reizen is voor kinderen en oude lieden lastig in den winter!quot; — Gij merkt wel, hij haalt den draad van 't gesprek zachtkens naar zich toe. Wij willen hem maar voort helpen. »Ja, dat is 't wel, oude heer! En je zult ook al wat jaren hebben.quot;
»Ja, mijnheer! hoe oud zie je mij wel aan?quot;
Een pijnlijke vraag, zoo op den man af. We zullen 't maar niet te grof maken. De moeder deden wij voor haar kind genoegen met wat opcenten; den ouden man — jammer dat 't woord bij de belasting nog niet in gebruik is: met af een ten. 3Ien kan er dan altijd nog wat opleggen.
»Me dunkt, vadertje! je zult de zeven kruisjes toch wel goed achter den rug hebben.quot;
't Gelaat van den ouden man klaart op: »De zeven, ja! dat zou ik denken! Ik ben al in mijn vier en tachtigstequot;..... Zonderling, dat bijna al onze oudjes reeds in voorraad 't jaar mede tellen, waar zij toch zoo weinig op rekenen kunnen. Yeiieden week werd hij S3, nu is 't: »m mijn Sé8'quot;!quot; — »Een heele ouderdom! En 'k heb Goddank! mijn gezigt en gehoor nog zoo
217
DE HOOGMOED.
goed als voor 25 jaar. Zou je wel gelooven, meneer! dat ik, en dat door dien niist, van morgen al een uur geloopen heb, om den eersten wagen te halen?quot;
Ik wil 't niet hard op zeggen, om den ouden man geen verdriet te doen; maar tusschen ons gezegd: liet uur loepen was maar een goed half uur. En niettegenstaande zijn goed gehoor en scherp gezigt, zou onze oude wandelaar veel kans gehad hebben, om in de sloot te raken, wanneer niet, hoe hij er ook tegen spartelde, zijn oudste kleinzoon hem gebragt had.
Maar we hebben van dien man, die daar schuin over ons zit, naast do jufvrouw met haar kindje, nog niets gehoord. Hij heeft wel een enkele maal zijne oogen geheel en zijn' mond half geopend, maar 't is hem nog niet gelukt, een gesprek aan te knoopen. Een hollandsche boer — en dat schijnt hij wel — vat gewoonlijk een gesprek zoo hardhandig aan, dat de draad terstond afbreekt.
Aha! daar komen wij aan 't eind van den gevaarlijken Ussel-dijk. Terwijl ik praatte en do diligence knikkebolde, lieefl mijne vrouw mij al een en ander maal in den arm geknepen: — of 't helpen kon! — We hebben ook ééns, met den ouden postwagen, door den ijzel halfweg van dezen dijk gelegen. Zij verlangde natuurlijk niet naar de andere helft.
Wc krijgen dan nu de Zcvenliuissche plas in 't gezigt, met de stoommachine die haar heeft droog gemalen. Dit doet eindelijk onzen buitenman van wal steken.
»'t Is hier al vrij wat veranderd bij mijn' leeftijd, mijnheer!quot; »Ja man! dat geloof ik. Ik ben nog zoo oud niet, en heb er toch ook nog over gevaren. En nu staat er 't winterkoren al te
veld; maar of het de kosten zal opbrengen.....quot;
Met dit woord was de lont in 't kruit gestoken, 't Ging in éénen adem dooi'. Beknopt en bondig berekende hij ons de morgentalen, als of hij ze van eene kadastrale kaart af las, en de
218
DE HOOGMOED.
opbrengst aan zaad en vlas en tarwe, als meette hij ze ons toe uit den zak.
»Zoo, zoo, vriend! ge schijnt nog al wat met de boeren te hebben omgegaan!quot; — Een ingewikkeld compliment, begrijpt ge.
«Omgegaan, mijnheer? Dat zou ik denken. Ik heb er mijn heele leven onder doorgebragt, en bomv zelf in den nieuwen polder een hofstee van 15 mergen. Ja, ja, mijnheer! je zoudt 't mij misschien niet aanzeggen. De boeren worden ook men-schen; zie je, man?quot; — En wat er intusschen langs zijn sigaar gaat, dat ons den vorigen naam van die m e n s c h e n herinnert, daar spreekt men in een groot gezelschap niet van.
Zonderling, dacht ik zoo bij mij zeiven: dat de mensch er de grootste eer in stelt, te zijn wat hij niet is. Een boor isgrootsch, dat men hem voor een' heer groet, en een onderwijzer, dat niemand hem voor een' schoolmeester aanziet, ilolière, die een uitstekend blijspeldichter was, wilde met geweld een slecht ak-teur zijn. Een' koning kan soms de lust aanwaaijen, omtetoo-nen, welk een knap sergeant hij voor de recruten zijn zou; en een dominé, om te praktiseren over de zieken, die hij komt troosten. En om met mij zeiven te eindigen, nooit ben ik misschien zoo grootsch geweest, als toen ik voor meer dan eene halve eeuw, nog student, in oen blaauwe kiel 't gebergte van Luikerland doorreisde, en te midden der kolenwagens eene zwarte sybille mij op zijn Luikerwaalscli vroeg: »Ce charriöt la, est ce de ven s?quot;
Intusschen is de sigaar van onzen buitenman door al 't praten uitgegaan. Misschien ook heeft hij er op gebeten, als of 't zijn gewoon kort stompje was. Maar met echte boeron-zuinigheid wil hij er toch alles van hebben, keert zich half om, en neemt met een «Asjeblieft, meneer!quot; een dor twee dandy's zijn manilla uit de hand, om er zijn eindje aan op te steken. Ik kan niet zeggen , dat de Jonker haar gaf: verrast en overbluft liet hij 't toe,
219
DE IinOGMOED.
meer niet. Maar na eenige vergeefsclie pogingen moet onze boer de manilla terug geven. Hij heeft de eene sigaar met de andere uitgemaakt. Weigeren durft de Jonker niet; maar ziet eens, hoe vies hij do pas opgestoken manilla aanvat, om ze straks ongemerkt uit 't raam te werpen. Wat beide heeren nu
fluisteren van de hourgoisie en jjaijsans____ Ik versta er niets
van. 'tFransch, dat toch zoo luchtig zamenhangt, verliest ook te veel woorden in de diligence.
Wij vervolgen den 's Gravcnweg, die er niets grafelijk meer uitziet, of 't mogt voor de hengelaars wezen; en wisselen van paarden in de Eerste Schuur. De kastelein heet nog altijd de Lange, en is nog steeds de dikke. Het mannetje op den schoorsteen, met een horologie in plaats van een hart in de borst, even als veel levende menschen, staat er nog als in mijn kind-sche dagen, 't Zal nu wel anders zijn!
Het gesprek kwijnt in den wagen. Ik begin mij te vervelen. Mijne lezers behoef ik 't niet to doen, en breng hen dus in een ommezien binnen dat onbehagelijke ding, dat aan dezen kant tot Botterdam den toegang geeft. In mijne kindsche dagen stond hier een poort, die de wreedheid van Bossu vereeuwigde; nu is 't niet eens eene barrière. Slechts twee kromme, met pleister en slijk bekladde muren, die den vreemdeling vertellen, dat 't oude Rotterdam een morsige stad is.
Menschen en goederen worden afgeladen. Ik reik de moeder haar kindje aan, en geef de buitenlieden een hand. Ze zal door die vereelte handen, die haar hartelijk drukken, niet besmet worden. We wachten op onze bagage. 3Iaar do twee rijke Jonkers gaan natuurlijk voor. Hunne paarden schudden, met trotsch ongeduld, 't prachtig hoofdstel. Do groote hond toont veel lust, om een' half naakten bedelaar in de beonen te bijten. Is 't niet vreemd, dat zelfs de dieren den trots der menschcn overnemen? Zoo pronken de vrije paarden der prairie niet; en de
220
DE HOOGMOED.
verwaarloosde hond van 't Oosten blaft niet eens, maar likt de zweren van den armen Lazarus.
Maar reeds verdringen ons de gedienstige geesten; en quot;t is maar best, er spoedig één te kiezen, om van de anderen af te komen. Hier! daar hebben wij al een' armen tobber, — als hij het doen kan, ten minste. Zie! quot;t is dat ventje met een'scheven nek, een' grooten bult, een' halven neus, opgetrokken lip en schele oogen. Zijne schoenen schijnen door zijn voeten voort geworpen te worden, als 't blok van een' geketende, en zijn ééne mouw is geheel open gereten, als of hij, zonder zijn buisje uit te trekken, eene lating moest ondergaan. Die man lijkt ons; want we wilden wel eens iemand ontmoeten aan 't eind van ons reisje, die niets, volstrekt niets heeft om op te roemen.
»Hier, manneke! ge kunt een kwartje verdienen, 't Is maar een paar straten ver, daar links om. Maar zie eerst eens, of je 't wel dragen kunt. Een koffertje, een hoedendoos en een pa-rapluie. Wacht! Hier is alles bij elkander.quot;
»Pha, meneer! Is er niets meer? Dragen? Kaaik! ik draag tegen den beste. Jan! geef mij 't koffertje maar eens op mijn pogchel. De rest is ligt als een veer. Dat draag ik in mijn hand.quot;
En daar Makken de losse schoenen, en 't manneke ligt do knieën hoog op, ons vooruit. De benaauwde borst hijgt en 't hart klopt, — klopt ook van trots, omdat hij als een drommedaris
een' bult heeft om vrachten te dragen..... En wij geven de
hoop op, om een mcnsch te vinden zonder hoogmoed, nu wij dien vonden op den weg, vóór 't commissarislmis en in den wagen, bij den rijkste en ellendigste, man en vrouw, boer en burger, van de 3 tot de 83 jaren, en zelfs bij de dieren die 't meest met menschen omgaan.
En terwijl ik nu op mijn verdere levensreis altijd weer 't zelfde opmerkte, werd ik meer en meer overtuigd, dat de hoog-
221
DE HOOGMOED.
moed in den mensch zit, en niet voort komt uit datgene waarop liij zich verheft: — dat alles is slechts 't ijzervijlsel, dat de magneet in den mensch tot zich trekt.
Nog ecne kleine proeve, hoe men op alles hoogmoedig zijn kan, tot besluit.
Als student werd ik bediend door eene meid, gelijk ze te Leiden allen waren: vuil, lui, een snoepster, en die daardoor al 't andere vergat; niet zoo gevaarlijk als de Haagsche voor onze goede zeden! Eens kwam ik thuis. Er was een student geweest, maar de meid was natuurlijk den naam vergeten; alleen kon ze, echt Leidsch, zeggen; »'t AVas de leilekste van al de heiren stoddenten, die bij me kwamme.quot;
De zaak helderde zich weldra op, maar nu onstond er oen kluchtige strijd. Een andere kennis pretendeerde de leelijkste te zijn dor G00 akademieburgers; — hem had de meid belee-digd; terwijl degene, die mij niet thuis gevonden had, beweerde, dat hij die kroon der leelijkheid verdiende; — en ik moet zeggen, ik wist 't moeijelijk uit te maken.
222
Mijne tijdgenooten zullen zich de namen misschien nog wel herinneren. Of de overgeblevene van beiden er nog roem op draagt ?
Verder nadenken en rijper ondervinding leerden mij . bij de algemeenheid van den hoogmoed, ook zijne verscheidenheid kennen. quot;Want als een andere Proteus neemt hij telkens ver-schillende gedaanten aan, zonder ooit zijn' oorspronkelijker aard te verloochenen. Onze taal, zoo rijk en juist van uitdrukking, geeft vele variaties op dit thema. Daardoor geleid, heb ik van tijd
DE HOOGMOED.
tot tijd eene collectie sclietseTi verzameld, die ik hoop, dat ge uwe aandacht zxdt waardig keuren. De portretten, heb ik maar niet meê gebragt. 't llogt soms iemand kwetsen. Ook de namen heb ik ultgewisoht, en er andere voor in de plaats gezet. Eindelijk heb ik ze in een drietal rubrieken geschift, die ik u maar dadelijk noemen zal: IJ d e 1 h e i cl, Inbeelding, T r o t s c h-heid; — met nog een amalgama aan 't eind.
Verbeeldt n dus nu vóór mij eene groote portefeuille; en als ik onder 't doorbladeren u de beelden beschrijf, doe maar even de oogen toe: dan ziet gij ze; — maar even, niet te lang als 't n belieft: dat is verleidelijk onder 't hooren of lezen.
Zie mij nu terstond die twee eerste schetsen eens aan. 'tSchijnt wel 't zelfde beeld, en toch niet 't zelfde, zoo als een landschap wezen zou, in de lente en in den nazomer geschilderd. Wc zullen beide Elise noemen. Als 't kind maar een' naam heeft.
't Eerste is een aardig kopje van 15 of 16 jaren. Maar 't hangt een weinig op zij; zoo omtrent of ze een vlek op 't fraaije kleedje zocht. Laten we 't eens wat regt zetten. Maar 't lukt niet. Nu valt het weer een weinig links. Er schijnt veel leven in de nekspieren te zitten: want 't lieve kopje is verbazend mobiel. Ook het neusje is een weinig opgetrokken; een weinig maar. quot;t Misstaat niet. En de lippen laten, zeker bij toeval, telkens een paar rijen parelwitte tanden zien. Dat staat mooijer dan hagelwit. Misschien weet Elise dit zelf wel. Do hielen zijn ook wat opgetrokken, zoodat 't vlugge dingetje meer op de teenen huppelt, dan wel loopt; — dat gaat ook slecht, nu de dames-hielen op stelten staan. En de schoone oogen, zo kijken meer dan ze u aanzien: nu regts en dan links; geen oogenblik
223
DE HOOGMOED.
in rust. Het toilet____ daar waag ik mij niet aan; de dames
mogten mij eens uitlagchen.
Liever wil ik eens afluisteren, wat Elise niet liare vriendinnetjes spreekt. Maar ja wel! dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het huppelt en trippelt en fluistert; en ik hoor zoo wat van papa en mama, van concert en bal. Ik meen zelfs van
amours, maar daar wil ik niet voor instaan..... Och kom, we
zullen maar niet onbescheiden zijn, en 't lieve kind hare kleine geheimen laten. Gevaarlijk voor staat en kerk zijn ze zeker
niet____ Ook niet voor haar zelf? Beneveld door den glans en
den wierook, bij hare intrede in de wereld, zou ze niet natuur en waarheid kunnen verliezen, en een spijtig nufje worden, of iets ergers nog? Nu is 't nog slechts kinderlijke behaagzucht, maar later?
Bekijken we onze tweede Elise eens: 't zelfde beeld in later en kalmer dagen. Hst hoofd heeft nog eene gratieuse helling naar op zij, maar 't is zoo bewegelijk niet meer. De oogen staan vaster en zien scherper, als wachters, die naar viiend of vijand uitzien. De bovenlip is nog meer opgetrokken, en de parelwitte tanden : ik weet 't niet; ik vertrouw ze niet regt. Ik weet een adres, waar ze ƒ 10 't stuk kosten. De vijftienjarige Elise had ze voor niet. De lach is minder natuurlijk. Hij moet in 't oogvallend bevallig Avezen, en is 't juist daardoor niet. (Zou hij ook een bittere teleurstelling verbergen?) Vooral wanneer 't oog valt op zoo'n »jong nest,quot; als ze eenmaal zelf was; — rozenknopjes, bewonderd bij 't open gaan!
Aan kleeding en toilet is bijzonder veel zorg besteed. Toch flatteert 't niet. 't Is of de grijze wenkbraauwen, — waarvoor nog geen nieuwe te koop zijn! — en de rimpels op 't voorhoofd, die geen blanketsel effen strijkt, twisten met de fraaije krullen en hooge toupet, ilaar 't vreemdste zijn gang en spraak. Er is iets bijzonder pijnlijks in 't half huppelend opligten der
224
DE HOOGMOED.
voeten: — Zou Elise exteroogen liobbeu? — En de spraak is verwonderlijk geartikuleerd en geaffecteerd; — quot;t stotteren en stamelen afgeleerd misschien?
Maar wij spotten niet langer. Een weemoedig gevoel bevangt
ons bij zulk een ijdei, mislukt leven..... Meelijdend leggen wij
liet weg, 't beeld der oude coquette, die nog zóó oud niet zou wezen, als ze niet coquet was.
Maar 't wordt tijd, dat de heeren aan de beurt komen. Elk wat, dat is billijk. We slaan dus een paar weesmeisjes over, die door de plooijen van muts en schort, waar ze expres een' nagel voor laten groeijen, eonige ékyance aan 't vaste uniform weten bij te zetten; — een overmaasch boerinnetje, dat aan de kurketrekkers op zij van haar hoofd één krul meer heeft dan haar buurmeisje; — en zoo komen we.....
A ja! ik zie 'tal, do jonge lieer Ciiarles, Uré a qnatre épinjles. 't Is al elegant wat er aan is. Of de kleèren ruim zitten en toch goed sluiten, of ze luchtig zijn in den zomer en in den winter warm, vraagt dat niet. Des noods zou hij in zijn' hemdrok loopen op Kerstmis en met een' duffel in de hondsdagen. quot;Want hij onderwerpt zich blindelings aan al do nukken van eone dame, die ergens te Parijs wonen moot, schoon ook daar niemand haar regte adres weet. Toch kent ieder haar naam: de Mode. Ik heb 't nu al zes maal geprobeerd, om van Charles een portret te maken. Maar bon ik aan de beenen, dan is 't hoofd wéér anders; en teekon ik 't hoofd goed uit, dan zijn on-dertusschen pantalon, souspieds en laarzen veranderd. Maar wat altijd blijft? Handschoenen, die bijna bersten van nieuwheid en naauwheid; en een figuur, dat aan een corset doet denken; een spraak, als of hij de woorden zeer zou doen..... quot;Wij zullen er maar fat onder schrijven. Wilt ge 't nog platter? Mo-
15
225
DE HOOGMOED.
degok. Eu meent niet, dat deze kwaal met de jaren overgaat. Eimpelig wordt ze, verschrompeld, maar overgaan doet ze niet. De regte fat trouwt niet. Dat zou anders een radikaal middel wezen. Geen getrouwde vrouw, die onder vier oogen haar man flatteert, ol' in quot;t publiek hem als een pop opkleedt. Daar waagt de fat zich niet aan. Ik heb een' neef gehad, — gelukkig maar een' verren neef! — die op zijn 70sto jaar nog oen elegant jong mensch was, met een jeugdig jaquetje, gelakte laarsjes en glanzend zwarte haren; tot hij even elegant gestorven is, zonder een plooi in zijn doodshemd..... Requkscat in pace!
Maar nu een beetje uit den weg als 't u belieft. quot;We zijn wel in een kleine stad, maar zien er toch een respectabel huis met grooto ruiten. Eu vóór dat huis staat een prachtige equl-paye. Do koetsier tikt de paarden cvon aan mot do zweep, dat ze trappelen, en trekt dan de teugels weêr in. De straatjongens zwermen er om heen: dat spreekt. Daar gaat do breede deur open. Er stapt een heer uit, prachtig gekleed, maar toch wel wat al te blinkend. De gouden horlogie-ketting ten minste en de diamanten doekspeld schitteren ons in de oogen, en de grove vingers passen slecht bij den enormen zegelring. Het gezigt staat anders goedhartig genoeg. Er ligt zeker air de protection in den groet, dien hij wisselt met zijne buren. Bij 't voorbij rijden buigen bakker, slager en kruidenier eerbiedig voor de eqnipaje., nog meer dan voor wie er in zit.
't Is tusschen ons gezegd een parvenu, die 't mot wijlen César pleizieriger vond, de eerste to wezen in een kle:ne stad, dan de tweede te Rome. En voor dat arme stedeke, — vraag 't maar aan leveranciers en armverzorgers! — is hij een zegen. Maar wee ook do kip, die een ei zou durven leggen, wanneer Mijnheer van Pronkenstein niet heeft gekakeld: want zijn kwaal is glorie.
22C
DE HOOGMOED.
Zie zoo! nu kunnen mj de eerste rubriek IJde 1 lieicl wel sluiten. Lastig is deze soort van hoogmoed soms, hatelijk zelden. Zij heeft ten minste éénen trek van de christelijke liefde : Ze denkt rjeen kwaad. quot;Want wie ijdel is, merkt niet ligt, dat hij achter zijn' rug, ja! soms in zijn aangezigt wordt uitgelagchen. Terder is de IJdelheid naauw verwant met de eerzucht. Ze heeft bewonderaars noodig. Ik zou wel eens willen weten, hoe de kluizenaar der woestijn of Robinson Crusoe op zijn eiland, ijdel zou kunnen wezen. Zekere honhommie behoort ook tot hare goede eigenschappen; maar 't zijn vliegen, die men met stroop moet vangen, niet met azijn. Open schalen en lijsten vinden er een goed onthaal; besloten bussen minder. De eenige, die een ijdel menseh niet verdragen kan, is zijns gelijke. Allerminst kan dit de oude coquette, in wie de suikerstof der liefde verzuurd is.
Intusschen doet 't mij genoegen, dat van de zes namen: behaagziek, nuffig, coquet, fatterig, modegek en vol glorie, er drie, als de echte havanna's en manilla's, geïmporteerd zijn. Die fijnere nuances hebben dus een' Fran-schen tint. De Engelschman is doorgaans te trotsch om ijdel te wezen. Maar anders, de ijdelheid zelve schuilt reeds in den natuurmensch, en wel met deze bijzonderheid, dat onder de dieren de mannetjes zingen en pronken, en onder demenschen, reeds op den laagsten trap, de wijfjes. Ik heb dit nooit sterker gezien, dan toen ik voor jaren eene familie Boschjesmannen bezocht, — echte boschjesmannen als 't u blieft, geen Amster-damsche Joden! — De man, dokter en toovenaar van zijn' kleinen en verarmden stam, was er trotsch op, dat ik hem met een krijtje zijn' naam leerde schrijven. Die was nog al gemakkelijk: Smoon. Maar het toonde toch een' goeden aanleg, en weersprak de reclame, dat 't diermenschen waren. Maar
227
DE HOOGMOED.
Mevrouw Smoon geboren Kakus hing kralen, ringen en speelgoed aan een touwtje om haar hals, en kon zich niet verzadigen aan haar eigen beeld in een spiegeltje____ En 't was de
moeite waard om te zien; zoo afschuwelijk leelijk! —
Zoo schuilde hier onder tijgervel en schapenvacht reeds de mannelijke trots en de vrouwelijke ijdelheid. Maar ook de moederliefde en de dankbaarheid schuilden daaronder. quot;Want de goede Kakus had maar één en wensch: hare kinderen aan de Kaap weer te zien, waartoe Smoon zijn geld opspaarde. Zij mogt daarvan de vervulling niet beleven. Uit Bremersha-ven liet de dankbare wilde mij zeggen, dat zijn vrouw gestorven was, en dat ze op zijn Hottentotsch hadden gedanst op haar graf.
quot;We openen onze portefeuille weêr en nemen er de tweede rubriek »Inbeeldingquot; uit. De naam zegt ons reeds, lat er minder waarheid en meer zelfmisleiding in schuilt. De ij d e 1 e is ten minste wat hij is. De paauw heeft werkelijk een' mooijen staart, al vinden wij 't wat ij del, dat hij er zoo mee pronkt. Maar de ingebeelde ziet zijn beeld in den spiegel niet zuiver: zijne oogen deugen niet, of de spiegel. Op hem past 't oude spreekwoord: »Elk meent zijn uil een valk te zijn.quot; Opmerkelijk is 't verder, dat bijna al de beelden, die ik er van heb kunnen verzamelen, mansportretten zijn. Zou de vrouw juister over zich zelve oordeelen? Of zou 't komen, dat zij minder in 'topenbaar optreedt? quot;Want dat behoort er bij.
Zie maar eens, hoe parmantig dat zesjarig knaapje al met zijn taschje naar school gaat. quot;Wat beeldt hij zich in, en hoe weinig is hij nog! Mon zegt, dat die parmantigheid velen eigen blijft, in wie geen groei zit, vooral die mismaakt zijn en krom gegroeid. »Wacht u voor de geteekenden!quot; zeiden onbarmhartig genoeg onze vaderen; onbarmhartig en onregtvaar-
128
DE ITOOCtMOEI).
dig: want menig helder hoofd stond op een mismaakt ligehaam, en onder een' hoogen mg klopte menig edel hart.
Maar de zoogenaamde parmantigheid gaat meestal over, of zij maakt plaats voor den meest gewonen vorm der inbeelding: de verwaandheid, die bijzonder op de stem-organen werkt. De schoolmeesters hadden daar van ouds den naam van; en voor zoo ver uw onderdanige dienaar sedert ruim een halve eeuw schoolmeester is, zal hij ook wel een' slag van den molen weg hebben. Een mensch gevoelt zijne waarde ook zoo, als hij de knapste van allen is, en die allen uit de diepte tegen hem opzien. Men behoeft daartoe nog geen professor te zijn: de kun-digste gevoelt 't meest zijne onkunde; de half of kwart of decimaal-geleerde 't minst. Ik zag in Drenthe 't schoolwezen zoo antiek, als ik niet dacht, dat quot;t in onze eeuw nog bestond. »Minimum-lijdersquot; is thans do vrij pedante naam. De een zat aartsvaderlijk met zijne barrevoeters, de jongens in korte broekjes , op een heuveltje onder den oudsten boom van zijn' boomgaard. Anderen ontmoette ik tusschen de schooltijden met een' baggerbengel op den nek, of op een' hooiwagen. Op eenzaam gelegen bijschooltjes zag ik één hulponderwijzer tobben met vijf klassen te gelijk. Maar allen waren even ingenomen met hun vak, reuzen van geleerdheid in 't oog der kleinen en .in hun eigen oog. Een der besten zong altijd gruwelijk valsch in de kerk, en klaagde ons dan zijn' nood, dat do boeren maar geen wijs wisten te houden.
229
Maar we willen het afgezaagde thema van »don verwaanden schoolmeesterquot; maar laten rusten. Ik heb te veel achting voor 't vak, om er mij kwade vrienden onder te maken. Zonder die ingenomenheid met zich zeiven en hunnen werkkring, hoe zonden zij 't ook volhouden?
quot;Wacht eens! hier heb ik oen ander beeld, 't Is geen portret
DE HOOGMOED.
maar een groepje, 't Is al lang geleden geteckend, maar de Meuren zijn nog frisch. Eene Eotterdamsclie groentvrouw met een snuifdoos in de hand, wijst aan eene fruitvrouw een lang man, geheel in 't zwart, met een' steek op, een bef voor, en een' mantel, bij wijze van wimpel, achteraan, 't Is haar oudste zoon, haar Janus. De goede vrouw is stovenzetster in de groote kerk; en daar is haar de ontembare lust komen aanwaaijen, om haar Janus nog eens met mantel en bef te zien, onverschillig in welke qualiteit: was 't geen collega, dan confrater; want studeren, daar is hij — de finantiëele quaestie nog daar gelaten — wat hardleersch voor. Gelukkig is haar de patentwet te hulp gekomen, en tot groote verontwaardiging der echte bidders en aansprekers van den ouden tijd, uitverkoren en aangesteld, kon nu ieder dat gewigtige ambt maar zoo met de handen grijpen, 't quot;Was, zoo als een oude, bijbelvaste bedienaar der begrafenis zeide; »Jerobeam maakte zich priesters uit de geringsten des volks, die niet waren uit de zonen van Levi.quot;
Onder die «geringsten des volksquot; was nu ook Janus. Zijn moeder heeft zóó lang haar stovengeld bespaard, en als een Indiaan van hare groenten geleefd, tot ze patent en kleeding kon bekostigen. En nu doet Janus zijn proefstuk. Als een paauw stapt hij daar heen, met confrater aan zijne zij. Den nieuweling kunt gij daaraan onderkennen, dat hij, op den winderigen hoek van eene straat, de eene hand aan zijn' mantel houdt en met de andere zoo ongemerkt zijn bof nog eens glad strijkt. Zie! wat beeft hij van verontwaardiging, als een troep straatjongens hem voor »Stoombidderquot; uitschelt, zoo als ik in die dagen dikwijls hoorde, bij mij zeiven vragende, of ze ook door de oude en echte
bidders waren opgestookt. quot;Wat zou Janus ze graag..... quot;Want in
't klappen geven is hij nooit hardleerse li geweest! — Maar nu — hij acht het infra dignitatem, uit zijn' plegtigen stap of van de groote straatsteenen af te gaan. Daar belt hij aan, en in
230
DE HOOGMOED.
't volle gevoel van zijne waardigheid begint hij, regt plat Eot-terdamsch.: xMalce bekend, als dat overleden is.....quot;
Wel beschouwd, is 't toch lastig, zulk een openbaar persoon te zijn. Toen Janus eenvoudig op zijn' kastenmakers-winkel werkte, bewoog hij zich veel gemakkelijker. In de kerk des winters, als moeder hem een' goeden stoel bezorgd en haar warmste stoof gegeven had, deed hij zijn' dooven buurman wel eens denken, dat zijn gehoor beterde, en den goodhoorenden aan den anderen kant, dat hij nog doof zou worden. Maar dit was dan ook de eenige keer, dat hij in 't publiek sprak. En dat zingen is voor den verwaanden mensch een genot sam gêne. Zoo bestrafte ik eens in mijne vorige gemeente een' man, die niet meer te kerk ging uit hoogmoed, omdat zijne kleêren in de lomberd stonden. Toen ik hem nu betoogde, hoe jammer dit was, antwoordde hij: »Ja, wel jammer, dominé! voor de gemeente natuurlijk; want ik zong nog met trammelanten en triolen; dat kennen ze zoo niet meer.quot;
Er is nog eene soort van verwaandheid, die een' meer klassieken vorm heeft, en zich, vroeger meer dan thans, pleeg te onderscheiden door zekere inyrata negligentia. 't Strikje van de das in den nek, een kale zwarte rok of jas, broekspijpen op een ouder of jonger broertje gemeten, en zoo verder, 't Is de echte pedanterie.
Yerbeeldt u maar eens weder eene kerk. Niet zoo als gij ze thans dikwijls zien kunt, hier een mensch en daar een mensch. Neen', maar gelijk ik ze voor een halve eeuw zag in het kerk-zieke Rotterdam, waar heeren en dames in regen en wind op straat stonden, of er nog een plaatsje zou open blijven; en de bankenknecht iederen aankomeling als dommekracht gebruikte, om wie er al in zaten nog digter in een te persen.
In die dagen dan preekte de beroemde Des Amorie van der
231
DE HOOGJIOEn.
Hoeven in eene stampvolle en dooclsbenaamvcle kerk. Wie er ^oeg heen ging, kon eene plaats veroveren op de losse banken der bovenste galerij. Verbeeldt u nn daar een jong mensch van 15 jaren, met opregte devotie wachtende op de dingen, die komen zonden. Met zorg houdt hij een klein perkamenten bockske in de hand. Naast hem heeft een eenvoudig burgerman plaats genomen. De groote redenaar treedt op en beheerscht als altoos zijn talrijk gehoor met de diepe, welluidende stem. Onder eene doodelijke stilte, na gebed en gezang, geeft hij zijn' tekst op uit 't Nieuwe Testament, 't Jonge mensch zoekt en leest, en zijn buurman vraagt, om 't ook eens na te zien. Maar hoe de goede man ook tuurt, of hij 't boek regt houdt of onderste boven, hij moet 't terug geven, terwijl hij fluistert: »Ik kan die letters niet lezen, jonge heer!quot;
Geen wonder! quot;t Is een Grieksch Nieuw Testament, en die pedante jonge heer, — dat was ik.
Ze is vrij talrijk, mijne collectie van die halfwassen brasems, die zoo verwaand over politiek en godsdienst redeneren, of wier pedanterie zich verlustigt in hun beetje Latijn en Grieksch. Maar we gaan ze allen voorbij, om eene andere nuance der inbeelding in oogenschouw te nemen. Dezen zijn ouder en missen den vrijen, ruimen adem der jeugd. Zie mij, bij voorbeeld, dien dikken burgerheer eens aan. 't Is toch geen bakker, die voor den oven gestaan hoeft? — In Januarij klaagt anders niemand over de hitte. »Haphu, haphu! Kastelein! is Jan er nog niet om in te spannen? Ha! daar komt hij al. Ja, mijne hee-ren! die schimmels kosten mij 1000 gulden, maar ik wil ze ook
wel eens zien, die er tegen loopen kunnen____quot; — Genoog, wij
merken 't al. De man heeft uit de loterij getrokken, en lijdt nu aan opgeblazenheid.
232
DE HOOGMOED.
Familie van dozo kwaal is do grootspraak, do bluf. Zij quot;vverkt ook op den adem, maar valt in hooger toonen. quot;Wat ik er van uit de couranten heb uitgeknipt, hoort hier eigenlijk niet te huis. 't Is speculatie, zoo als ik één dier boeken-uit-venters hoorde zeggen: »Bluf je niet, dan wordt ge gebluft.quot; Hoe die dingen, die van broeder Jonathan tot ons zijn overgewaaid, aan den naam van reclames komen, begrijp ik niet; maar wel, dat ze mij, als een' trouwen en geduldigen couranten-lezer, eene bron zijn van gedurige teleurstelling. Ik lees eene aandoenlijke beschrijving van een' teringlijder, en stuit op eens op teerpillen. Ik schrik van een spoorweg-ongeluk, waarbij alle dames flaauw vallen, en :t is niets als Eau d' A neer s.
Neen! de ware bluffer is anders: hij gelooft meestal zelf, wat hij zegt, waar en onwaar, zelfs al begrijpt hij 't niet. Hier heb ik bij voorbeeld twee schooljongens, waarvan de een bluft: »Mijn vader laat een nieuw dak op ons huis leggen!quot; en de ander antwoordt: »Maar de mijne legt er een zware hypotheek op.quot; — Daar eene dame, die in België reist en meent Fransch te kennen, en op de vraag aan wat voor station men is, antwoordt: »Aan.......quot; Maar ik lees dat bordje niet hard op; ik
zal 't u wel eens en petit comité zeggen.
Doch om den echten bluf te hooren, moet go op 't jagtvekl wezen, of aan 't vischwater. Daar kunt ge zien, dat wie dikwijls dezelfde grootspraak opdischt, eindigt met haar zelf te gelooven. Zie maar eens! Daar staan twee hengelaars op eene smalle kade tusschen twee sloten. »Als 't maar niet zoo geregend had,quot; zegt do een: »zou de baars wel bijten; want ik verzeker je, dat ze hier zitten. Laatst heb ik uit deze zelfde sloot er wel 50 uitgehaald, de minsten van 4 in een pond. Waar ze bijten is 't: kip, ik heb je!quot;
Op dit oogenblik voelt onze ervaren visscher een' ruk en slaat zoo krachtig op, dat een groote baars de voorste sloot uit en do
233
BE HOOGMOED.
achterste in vliegt. Maar een eclite bluffer staat nergens voor; hij roept den verloren' baars achterna: »Dat Icomt nu van dat mooije nieuwe tuig. Dacht ik 't niet? 't Is ook veel te ligt.quot;
Met minder lijdelijk geduld en meer inspanning worstelen daar ginds eenige jagers door 't geploegde veld. Er is een vreemde bij, en deze amuseert, terwijl de honden ijverig snuffelen, zijn' gastheer en diens vrienden niet Drentsehe jagtverha-len. »Daar is 't nog de moeite waard. Twee in een' schot, meneer! Meer dan eens gebeurd. Ik heb maar aan te leggen, om 't haas bij do lepels te vatten. Ga ik naar huis, dan komen de jongens van 't dorp al: »Helpen dragen, meneer Doffel?quot;quot; — Hier wordt zijn verhaal op eens afgebroken door een' hac.s onder schot. Hij zal aanleggen. Eere aan den gast! Maar liij moet eerst zijn lorgnet opzetten. Brutaal beest! waarom wacht je niet zoo lang? Yer achter den haas valt het schot, en da vrienden meesmuilen. Zoo gaat 't den ganschen tijd door. Hij zelf
kan 't zich niet begrijpen. In Drenthe..... Maar wacht! daar
wijst de jager zijn' gast een' haas in zijn leger; 't strijdt wel togen jagers-eer, — maar de avondzon beschijnt al zijn leêge weitasch, en niemand anders ziet hot. Paf! die zal het ten minste niet ontloopen..... Neen! dat zal die zeker niet: want
nader bij komende vindt hij een' dooden haas, met een adreskaartje aan zijn' poot: »Den AVelEdelen Heer Doffel.quot;
quot;We sluiten de rubriek Inbeelding, die genoeg cp onze lachspieren werkte, om ons niet boos te maken. Do volgende ziet ons donkerder aan. Ik lees er op: Trotschheid.
Het onderscheid valt ons terstond in het oog, als. we de betrekking onzer drie categoriën tot de eerzucht nagaan. De ij delheid jaagt de eer na en loopt daarom veel op de teenen; — de inbeelding meent stellig, dat ze geëerd wordt en loopt platvoets; — maar de trotschheid gevoelt zich zeivete
234
DE HOOGMOED.
veel, om te toonen, dat ze geëerd wil worden, ze loopt daarom op de Melen. »Hier ben ik! wat geel' ik om je?quot; En tocli geeft ze wel om ons.
Ik heb er heel wat beelden van mee gebragt: want deze kwaal is vrij algemeen. Waar men trotsch op is, we hebben 't op reis gezien, 't maakt weinig verschil. Do klimop op een' ouden muur is dezelfde als op een' eikenboom, en de schimmel op 't brood, als die op de kaas. De beelden zelf — ik durf ze waarlijk niet laten zien. — Zoo in de verte en bij 't lamplicht, mogt iemand eens moenen, dat 't zijn portret was, en ik wilde gaarne als goede vrienden scheiden. Jlaar wacht eens! daar heb ik er een paar. Daar is geen gevaar bij.
De scholen gaan uit, als dansende muggenzwermen. Ik kijk er dikwijls en gaarne naar: want ik heb de kinderen lief; maar soms ook sla ik een' weemoedigen blik op dat dartele goedje, onze opvolgers op aarde. Wie zijn daaronder de bloemekens voor 't kerkhof? Wie de vroeg ontzenuwde grijsaards of de krachtvolle mannen? de waardige grootmoeders of lichtekooijen? boeven en bedelaars of de morgensterren cener nieuwe eeuw?
't Laatste geloof ik ten minste van dat spijtig nufje niet, dat een ander meisje nawijst, die met 't voorschoot de tranen afwischt.
»Denk je, dat ik met een winkeldochtertje converséren wil?quot; Als dat trotsche nekje niet gebogen wordt, zou ik niet gaarne naderhand haar knecht en allerminst haar echtgenoot willen zijn!
Dat is de trotschheid in den vorm van grootschheid, hooghartigheid. In dien van pogcherij nadert ze den bluf, waarvan we reeds spraken. Maar nog een andere gedaante neemt ze aan als eigenwijsheid en eigenzinnigheid. Zie maar eens dat knaapje daar ginds, dat alles beter weet dan zijne makkers, en nu juist links wil gaan, omdat zij allen regts Avillen. Hij heeft kans om te worden, wat mijn vader altijd noemde «Jantje Contrarie.quot;
235
DE HOOGMOED.
Van trotseliheid gesproken, is 't niet vreemd, dat dit woord veel minder hatelijk wordt, als wij er den staart af knippen'? Trots, vooral in de zamenstellingen, drukt iets edels uit; zoo iets van 't Noblesse ohliye, al zijn de vormen soms hard en kwetsend.
't iliust van allen heb ik op met den krij gsmanstr ots; — vooral niet als Pruisische Stolz. Die heeft wat oen al te onaan-genamen indruk op mij gemaakt. Misschien dat ik te veel verwend bon, om door den korporaalstok gedrild te worden.
Ik was dan eens te Kleef eu wachtte den trein af. Ook 't spoorweg-personeel was er, als alles, militair ingerigt en gevoelde zijne waarde. Schoon quot;t de tijd nog niet was. vreesde ik toch, dat een trein die gereed stond, de mijne mogt zijn, en waagde hot dus, aan den stationschef, een' ouden snorre-baard, een bescheiden vraag te doen: „1st dues die Zuy nach Holland?^' — Maar nu posteerde hij zich met kracht op debielen, mat mij van 't hoofd tot de voeten en snaauwde mij toe; nEs ivird ahgerufen teerden!quot; — En als een bestrafte schoolknaap droop ik af.
Volkstrots: daar heb ik meer mee op, ik heb er prachtige beelden van in de portefeuille, meest antieken. Ons volk zet zich wel eens wat op de teenen, zoo als alle kleine menschen doen. 't Is of ze de grooten willen toeroepen: »Zie je me wel? Ik ben er ook!'' Daarom toont do Hollander zich doorgaans zoo hoog vereerd, als een vreemdeling zich de moeite geeft, om notitie van ons te nemen. En toch, 't zou regt jammer zijn, wanneer de Nedcrlandsche volkstrots, die reeds zoo veel geleden heeft, door een flaauw zeepsop van kosmopolitisme afgewasschen, alle kleur en geur verloor.
230
DE HOOGMOED.
En nu eindelijk de adeltrots. Op haar vooral doelt liet „noblesse ohUge.''' Ons vaderland dankte dan ook voor een goed deel twee maal aan de edelen zijne onafhankelijkheid. Tot de ijdelheid der parvenu's zal zich de echte adel nooit vernederen. Of zij daarom niet te veel zich van do bourgeoisie afsluit en haar afstuit?..... Of de adeltrots hierdoor niet ten laatste eene karikatuur worden kan?..... Ik zeg van den Haag niets, volstrekt
niets. Maar ik noodig u uit, om eens zeker middeleeuwsch slot te bezoeken, achter af in Gelderland. Daar woont de adeltrots sinds duizend jaren, en nog geheel in hare antieke gedaante, terwijl zij in de hofstad is gemoderniseerd.
Zij maakte er vroeger waarlijk een goede figuur. Maar nu?
In de oude, vervallen familiezaal, waar fiere ridders en ge-pruikte baronnen op ons neerzien van den wand, zit, hoestende en proestende, een kort, gedrongen mannetje. Zijn huisjas is kaal, doodkaal, maar zijn dunne haren zijn nog altijd met dezelfde zorg opgemaakt, als de staartpruiken van een vroeger geslacht. Zijn iegil zit tegenover hem, regt als een boonstaak, dor als een beukenboom, die nog maar van zijne oude bladeren niet scheiden kan; strak en geel van vel als do perkamenten band van 't adellijk stamboek. Aan 't eind der tafel zit Freule Ma-thilde, de laatste vrucht van den edelen stamboom: klein, vroeg gerimpeld en zwak, als de meeste late vruchten.
Mevrouw de Barones belt en belt nog eens en belt drie maal. Eindelijk komt een lange boerenslungel binnen. »Jan! waarom hebt ge uw liverei niet aan? Er komen menschen.quot; — »Ja, Mevrouw de Barones, ik was juist aan 't straatwieden; en ziet u? Ik meende dan nog wat turf af te halen, als — als er is.quot;
Er komt kleur op de perkamenten huid, als de Barones op hoogen toon herneemt: »Kom, kom! laat dat alles staan en kleed u. Gij zoudt den naam van onze familie schande aandoen.quot;
»Maar... mevrouw... mevrouw!... 't zal niet gaan. De lap,
237
DE HOOGMOED.
die Freule llathilcle verleden week pas genaaid hoeft, hangt er al weer bij____quot;
Maar spotten wij niet langer met het ongeluk, dat te gelijk den last te torschen heeft van dertig edele voorgeslachten en van nijpende armoede!
Aan 't eind van ons klaverblad »ijde 1 heid, inbeelding en trot soli he idquot; heb ik nog een amalgama beloofd: eenige losse potloodkrabbels, die ik onder geen der drie rubrieken te plaatsen wist. Maar dat brengt mij nu al dadelijk in een moeijelijk parket. AVant onder do eersten zie ik staan: G e e s t e 1 ij k e Hoogmoed. En telkens als ik daaraan beginnen wil, staat mij een prentje uit Yader Cats voor den geest, voorstellende een' man met een mes aan zijn' neus. »Daar groeijen, naar het schijnt, wel kleine neusjes aan!quot; zegt hij, en houdt op dat thema eene ellenlange redenering, zoo als sedert de schepping der wereld nog nooit iemand tegen zijn' neus gehouden heeft; alles tot een bewijs der onweersprekelijke stelling: »quot;Wie zijn' neus snijdt, schendt zijn aangezigt.quot;
Ik sluit dus liever dat cahier maar weer in de portefeuille, en zeg met vader Bgeling: »Ik ken geen' geestelijken hoogmoed; allo hoogmoed is vleeschelijk.quot;
Een tweede bundeltje is er wel wat aan verwant, en heet Nederige Hoogmoed. Daar kunt ge onder anderen eene jufvrouw in vinden, die ieder jaar mijne eerste gemeente in de war bragt. Bij de vromen was ze beroemd door hare nederigheid. Aan tafel zette ze zich op de laagste plaats, als de grootste zondares: — maar wee hem. die 't geloofde!
238
DE HOOGMOED.
Doch hier heb ik nog een paar tafereeltjes tot besluit, beide van logementen, waar niemand voor zijn pleizier logeert, al heeft hij 't er nog zoo goed.
't Eerste is eene herinnering van Leeuwarden, niet van de stad, maar van eene stad in do stad: met muren, wallen en grachten, en schildwachten, maar tegen den vijand van binnen, niet van buiten. Ik wandelde er door met den vriendelijken Directeur, maar onder 't verbod om tegen niemand der 70, die het strengst bewaakt werden, te spreken.
Nooit zag ik zoo veel boevengezigten bij een, glurend bij hun spinnewiel, als de tijger in zijn hok. Van de assen hadden sommigen vroeger dolken geslepen: daarom werd er nu zoo streng bij gewaakt. Ik zag ook de gestichtskerk, waar een evangeliedienaar van vrede spreekt, onder bescherming van eene wacht met geladen geweren, gereed om zijne gemeente, als ze soms oproerig werd, neer te schieten. De kerkboeken zelfs hadden zwarte schutbladen, en nog wisten ze er signalen door te wisselen van roof en moord.
En waar ze onder elkander spreken in hun bargoensch, — de dieventaal, die zelfs de bewakers niet verstaan, — daar heft hij hoogmoedig 't hoofd omhoog, die ten minste een paar moorden op zijn geweten heeft, en verzint er nog een paar bij, terwijl hij trotsch neêr ziet op den nieuweling, die nog maar een
gemeene zakkenroller is..... Zoo roomt do eene duivel tegen den
anderen, en spot en jubelt de hel!.....
God dank, dat het in ons vaderland slechts flaauwe schetsen in kroeg en knip en gevangenis, — enkele en betrekkelijk flaauwe schetsen van dien hoogmoed der zonde zijn, dien wij op de slagvelden van 't Oosten in zijne meest dierlijke woestheid kunnen zien. De Montenegrijn, die er roem op draagt, dat hij de meeste neuzen aan nog levende Turken heeft afgesneden; de Muzelmam, wiens glorie is, dat hij de kinderen der Chris-
239
DE lIOOGHOEn.
tenlioiulen spietste..... Jlaar de beelden worden mij te afschuwelijk..... Spotten kan ik niet langer..... Bidden kan iknaau-
welijks.....
Dus ons tweede gesticht, 't Is een Krankzinnighuis. Plaats het waar ge wilt; overal dezelfde verschijnselen, die, soms u doen lagchen om 't sclirille contrast, maar toch dan weer een' weemoedigen traan in de oogen lokken. Bij de vrouwen speelt meer de liefde haar rol, en de godsdienst, die de lioogste liefde is; bij de mannen stand en eer; maar hoogmoed is doorgaans de grondslag. Hier ziet ge een' godenzoon, die wonderen doen kan. Wees voorzigtig, dat ge er niet aan
twijfelt, 't Is mij eens bijna leelijk opgebroken.....Daar zelfs
betwisten twee vrouwen elkander de eer van de Satan te wezen. Een prins in 't armenkwartier is gansch geene zeldzaamheid; en even min eene vrouw, die hoogmoed en liefde combineert door een koninklijk huwelijk of ingebeelde vorstelijke afkomst. Elk heeft daarbij zijn eigen wereld, en kan zich in die van zijn' buurman niet denken. Daarom vallen ze allen op ons aan..... Wat
geheimzinnig verband bestaat hier toch? Wie is de moeder, wie de dochter? »Do hoogmoed maakt de menschen krankzinnig,quot; zegt men. Ik keer het om en zeg: »De krankzinnigheid, even als de zonde, maakt den mensch hoogmoedig.quot; Want zij ontketenen beide den hoogmoed, die door de rede werd bedwongen.
En zoo willen wij dan nu den hoogmoed, aan zonde en dwaasheid regts en links geboeid, uitgeleide doen, om te zien of hij zich ook beteren kan, en misschien in een gunstiger licht tot ons terug keeren.
240
DE HOOGMOED.
Gij zijt zeker wel te Brussel geweest? Wie zou dat niet, tegenwoordig! Men zou 't niet durven zeggen, als 't anders was. Ik wil niemand beleedigen, en koud liet er dus voor, dat gij er allen geweest zijt.
Dan hebt gij denkelijk ook 't Quartier Leopold beklommen, en daar in een stille achterstraat iiet Museum Wiertz gezien. Eu nu iioeme men dat eene onschatbare verzameling of eene Charletanerie; en quot;Wiertz zelf een genie of een' ingebeelden zonderling; zeker was hij geen gewoon mensch en zijn zijne schilderijen niet alledaagsch. Hoe excentriek ook, reeds de eerste maal, — hij leefde nog, en ik zag hem te midden van zijn werk: — trok zijn stout idealisme mij aan; en ik vond in een dubbel opschrift, binnen op de ruw houten deur, meer geklad dan geschreven, de zinspreuken, die den schilder geheel kenmerkten. Zij stootten mij beurtelings af en trokken mij toch weer aan. In den afgeloopen' zomer las ik 't op nieuw; en nu, schrijvende over den hoogmoed, stond mij die ruwe deur, met de groote kladden van letters, den heelen tijd voor den geest.
Op het paneel links staat;
Orgueil: Vertu, qui inspire les grandes oeuvres, et blessa Vamour propre d'a ut rui.
Op 't paneel regts:
Modentie: masque, qui flatte Vamour propre d'autrui, pour s'attirer la louange.
Nu, hoe men ook over quot;Wiertz denken moge, van dit laatste zal wel niemand hem beschuldigen, en even min de deugd van den hoogmoed hem ontzeggen. Kog minder zal iemand hem verdenken van bescheidenheid, — modesiie. —Waaromniet liever humilité, dat zuiverder tegenstelling tegen den hoogmoed oplevert? Is 't ook, omdat de verbitterde kunstenaar do nederigheid alleen leerde kennen in den vorm eener uitwendige bescheidenheid, waarin hij 't masker eener verborgen
241
DE HOOGMOED.
eerzucht zag, gemis aan 't fiere gevoel van eigenwaarde? Daar tegenover geeft hij nu zich zelf in de beschrijving van den hoogmoed. Yan der jeugd af had hij iu 't gevoel zijner kracht de ongunstigste omstandigheden doorgeworsteld. De eer, als iets dat hem toekwam, liet hem koud, maar de miskenning verbitterde hem. Zijne stukken worden hem, als proeven van een' beginnaar, telkens met eene vaderlijke vermaning terug gezonden. Xn neemt Wiertz een stuk van Eubbens, zet er stout weg zijn' naam op cn zendt het naar de tentoonstelling. Hot wordt niet herkend en ondergaat hetzelfde lot. Dat was zijn wraak op de kritiek!
Eu als hij nu, door nooit eene schilderij te verkoopen, zich zijn Museum heeft gesticht en daarin zijn ideaal van menschen-waarde en menschengeluk heeft uitgedrukt, vindt de kalme mensehenkenner het excentriek, en de schilder de uitvoering ge-maniëerd, theatraal, eigenzinnig; — maar wie doet 't hem na? Van zulk een' man kunnen wij 't aannemen, al is 't ook onder reserve: L'orgueil est une vertu, qui inspire les lt;jrundes oeuvres.
Laat mij hier het tegenbeeld tegenover stellen, dat in 't zelfde België mij trof, en een' diepen indruk achter liet.
Is Parijs eené vulkaan, België bloeit op denzelfden vulkani-schen grond. Alle elementen der moderne maatschappij woelen en koken in dien krater door een; maar de frissche lucht der vrijheid waait er over, en tot eene hevige uitbarsting komt het daardoor niet zoo ligt.
Zoo vindt men er, tegenover de nieuwe geuzen en de libres ■penseurs, de somberste mystiek. En zoo schonk een bezoek aan België, van de andere zijde af, mij op Wiertz een treffend contrast.
Volgt mij slechts over Utrecht op den Luikschen spoorweg.
242
DE HOOGMOED.
quot;Wij stappen af aan 't Belgisch grensdorp Achel, en bereiken in minder dan een mir wandelens het Trappisten-klooster d e C1 n ij s. Gij hebt misschien wel eens gehoord, dat die monniken in hun doodkist slapen, dat ze eiken dag spitten aan hun eigen graf en nooit iets anders mogen zeggen dan Memento Mort? — Lieve hemel! wat zou dio doodkist versleten zijn en dat graf diep, op de zeventig jaar!
In plaats van die oude praatjes, die de een den ander trouw napraat, volgt mij liever onder 't vriendelijk geleide van don patergastheer. Als u daarbij de adem niet beklemd wordt, hebt gij ruimer longen en sterker zenuwen dan ik; en ik heb anders niet te klagen. Verbeeldt u 50 mannen, die van 3 ure 's morgens af bidden en werken, zonder ooit met elkander te mogen spreken. — En er zijn ook Trappistinnen, nog wel in Frankrijk! — Slechts 2 maal daags eten zij meel en groenten, en krijgen clan nog met do monnikskap een geesel, om zich zelve ten bloede toe te kastijden, als ze soms al te weelderig mogten worden. En zoo als hunne voortreffelijk^ onderhouden boerderij eene oase is in de hei, zoo volkomen afgesloten zijn ze van de buitenwereld; zoodat misschien zeventigjarige grijsaards denken, dat Napoleon III nog rustig op zijn' troon te Parijs zit. Zou dat niet 't graf der hartstogten, ook van den hoogmoed wezen?
Men verhaalt, dat eens een vreemdeling in zulk een klooster werd rond geleid, toen de pater-gastheer hem voor één der broeders bragt en zeide: »Deze is een officier, die hier boete doet, omdat hij zijn vaandel verraden heeft.quot; De man boog zwijgend 't hoofd op de borst, zijn oog werd donker, maar er welde geen traan meer in op. De vreemdeling had hem bijna medelijdend de hand gedrukt, maar durfde niet. Doch hoe verbaasd hoorde hij, in 't hospitium terug gekeerd, de verklaring aan; »Wat ik u straks zeide, was onwaar, 't Is een dapper en verdienstelijk officier geweest, die hier zijne welverdiende
243
HE HOOUMOED.
ridderordes op 't altaar der zelfveiiooelieniug heeft gebragt. Zoo wordt hier de hoogmoed in den mensch vernietigd.quot;
Vernietigd? Eu zou er, dacht ik, in deze zwijgende wereld, waar 24 paters bevelen en 32 broeders blindelings gehoorzamen, geen trots zijn op 't gezag, geen nijd en eerzucht daar tegenover? Zou 't ook daarom niet noodig zijn, dat telkens van 't moederklooster te Antwerpen hier inspectie wordt gehouden; hier. waar men meent, met de bloemen van 't leven ook alle onkruid te hebben uitgeroeid?
En al was dit zoo niet, de persoonlijke hoogmoed wordt niet vernietigd; zij wordt slechts gecondenseerd, als de stoom inden ketel, op de Gesammtheit: — vergeeft mij dit germanisme! — De geheele Orde verhoovaardigt zich, breidt zich uit, heerscht en schittert, — en op ieder Nommer, elke eenheid van 't groote geheel, daalt eene schemering neder van dien stralenglans. Zoo wreekt zich de natuur, ook bij schijnbaar volkomen zelfvernietiging.
Schoon uit een geheel tegenovergesteld beginsel, wordt hetzelfde beoogd door 't communisme en socialisme. Het christendom verheft de individualiteit; 't communisme zoekt haar te vernietigen. Zijn Utopie is eene wereld zonder persoonlijken hoogmoed. Alle hooge boomen moeten vallen. De aarde wordt een effen grasperk of korenveld. De halmen roemen tegen elkander niet. Geen kapitaal, geen standen, de staat alleen; en de burgers — gelijk aan de mieren of werkbijen, maar zonder koningin en zonder het sociaal instinkt dezer diertjes____
Zegt mij iemand: »Maar dat is onmogelijk! Met die algemeene gelijkheid wijkt ook alle orgueil qui inspire les grandei oeuvres! In plaats van eene bijen- of mierenkolonie wordt het eene wereld van grafwormen, levende van 't lijk eener vroegere maatschappij.quot; — Ik geef het toe. 't Is onmogelijk. Maar reeds dat
244
DE HOOGMOED.
het mogelijk is in de verbeelding van duizenden, is een onbere-kenbaar kwaad. Van dit Utopia deins ik nog meer terug dan van het Trappisten-klooster, dat ten minste nog eene vrije wereld om zicli heen heelt en een' hemel in 't verschiet.
Met dat alles zijn wij nn toch wat zachter gestemd omtrent den hoogmoed, en bijna geneigd om te zeggen, dat hij wel 't grootste kwaad op de wereld is, maar te gelijk het hoogste goed; do grootste helft van ons ongeluk, maar dan toch ook meer dan do kleinste helft van ons geluk.
En zoo komen we ten laatste tot de eenvoudige vraag: »Wat is hoogmoed?quot; Vraag ik dit aan mijne kleinste leerlingen, dan steekt er één den vinger op, en zegt: »Wel! als een mensch hoogmoedig is,quot; en dan zijn we nog even wijs. Daar nu de definitie van 't geen ieder kent, ook van de eerste elementen der taal, zoo moeijelijk is, heb ik haar niet aan't begin maar aan 't eind gesteld. Zoo doen de natuurkundigen ook, als zij uit eene reeks van individuen besluiten tot de soort.
Hoogmoed is een hoog gemoed, eene verheffing dus van 't zelfgevoel. Is hij dan 't zelfde als eerzucht? Neen: want deze is juist do hartstogt, die uit dat gevoel voort komt. — Of is de hoogmoed zelfmisleiding? Met altijd: want die op een ton gouds trotsch is, weet best, dat hij geen millioen heeft; en dacht hij, dat hij dood arm was, gij zoudt hem niet nederig noemen, maar krankzinnig. — In quot;t oordeel schuilt de hoogmoed dus even min als in den hartstogt; en in 't gemis aan godsdienst ook niet: de Parizeer dankt God, en hij meent het, al gevoelt hij van die dankbaarheid misschien niets. — Neen! hoogmoed, in al zijne variëteiten en nuances, is eenvoudig zelfbe-h a g e n.
Voor mij lag, terwijl ik dit schreef, de in der tijd zoo beroemde Lof der Zotheid van Erasmus. Onder de vele bout-
245
DE nOOGJIOED.
sneden van dit merkwaardig boet is er een, waarop de zot zijn kap heeft in den nek geworpen, en met innig welbehagen in een handspiegeltje kijkt. En de dwaasheid, die hare zaak bepleit, spreekt daarbij — vrij vertaald — aldus: AVat is wel beschouwd zotter, dan dat de mensch zich zelf bewondert? Dit zelfbehagen is mijne trouwe zuster. En zie nu eens, wat het uitwerkt. quot;Wie zich zelvcn mishaagt, wat zal hij uitrigten? Als redenaar wordt hij koud, als dichter uitgelagchen, uitgefloten als tooueelspeler, en als geneesheer kan hij met al zijne medicijnen honger lijden. De natuur zelve heeft 't zoo geschikt, dat hoe minder gaven ze iemand schonk, zij er des te grooter dosis zelfbehagen bij voegde; zoodat de Noorman met den Italiaan niet zou willen ruilen, noch de zwervende Schyth met de bewoners der gelukkige eilanden, 't Zelfbehagen is eene gave der natuur, die aanvult, wat er aan hare overige gaven ontbreekt.quot;
En in der daad! een weinig van die levensspecerij (condimen-ium vitae, zoo als Erasmus 't zelfbehagen noemt,) schijnen wij geen van allen te kunnen missen. Gaan wij slechts 't leven in de natuur na. Hot eigen nc, schoon nog onbewust, is daarvan het eerste begin. Al wat leeft, is zich zelf 't middelpunt zijner wereld, en trekt daaruit alles tot zich, wat dienen kan om zijn loven te behouden en te versterken. De plant strekt daartoe de wortels uit, 't wild gedierte de klaauwen; en de mensch is de grootste spons, die al de levenssappen der natuur inzuigt.
Uit 't leven, in zijne hoogere vormen, ontstaat liet bewustzijn, en hieruit het zelfbewustzijn. Zoo bewondert het kind eerst de nieuwe wereld, die 't omringt; maar ziet weldra in die wereld den spiegel van zijn eigen beeld, als 't middelpunt, dat meer dan de omtrek is. Tan daar dat 't zelfbehagen, door bakers, moeders en kindermeiden beurtelings gevoed, reeds ontwaakt in het tweede, uiterlijk in het derde levensjaar. Roei
24G
DE HOOGMOED.
nu oons uit, wat or zoo vroeg en zoo diep is ingegroeid! Maar al ware dat mogelijlc, zou 't wel eens goed zijn? Ik noodig u uit, om eens te komen zien, hoe wij in ons Gesticht dit gevoel van eigenwaarde bij onze idioten, die er door de natuur van misdeeld zijn, zoeken op te wekken, en als 't ons gelukt, welk een levensprikkel het is. Wie zich zeiven niet acht, verlaagt zich zeiven, verliest alle zelfvertrouwen en zedelijke kracht. Yan daar dat voor den oosterling het zwijn en de hond 't embleem zijn der onreinheid, als dieren zonder kicschheid en zonder schaamte; de hond, die iot zijn eigen uithraaksel wederkeert, en de yewasschen ztult;j tot hare wenteling in V slijk.
Maar dat zelfbehagen moet een' zedelijken grondslag hebben in onze menschenwaarde als Gods geslachte, en zich dus bovenal verlustigen in 't geen schoon, waar en goed is. De zelfverachting kan er, als eene wolk voor de zon, over heen gaan; daardoor gelouterd moeten wij toch weder terstond den adel gevoelen van onze natuur. Zelfs een beetje ij delheid, een weinig inbeelding en wat edele trots kan in deze onvolmaakte wereld zoo veel kwaad niet, als ze slechts opgewogen worden door achting voor anderen, die de bron is der ware nederigheid, en door de menschenliefde, het ware optimisme, dat nog goud zoekt in 't slijk. Maar vooral wachte men zich voor de vleijerij, de parasiet, die op den hoogmoed welig tiert, en hem de edelste sappen uitzuigt.
Al genoeg geredeneerd, dunkt mij. Dus nog een klein tafereeltje tot besluit.
We keeren dan nog eens tot de school terug, 't menschelijk leven in den dop. Ik verheug me iederen namiddag te 4 ure, in de Mol- en Molenstraat, dat den Haag nog niet uitsterft. Maar dit maal zoek ik er een kennis, een jongen dien ik niet
247
DE HOOGMOED.
graag tot kleinzoon hebben zou: den jongenheer »'t Knn mij niet schelen.quot;
Ja! ik dacht 't wel; hij moest weêr schoolblijven. Om de kennisgeving, dat hij nu al de laagste was van zijne klasse, heeft hij gelagchon. »quot;\Vat kon 'them ook scholen?quot; En dat nam de meester kwalijk. Daar komt hij eindelijk aan, smerig en wel. Gisteren, met den zondag, zag hij er niet veel beter uit. »Wat kwam 't er ook op aan? Zijn boterham smaakte hem even lekker.quot; En nu zie ik hem met een paar havelooze straatjongens loepen. AVat kan 't hem schelen, als ze maar goed knikkeren?quot; Hij komt te laat thuis, en wordt door een on weder ontvangen, dat zelfs bij hem inslaat. Maar woorden doen geen zeer; en oen paar klappen »daar geeft hij niet om.quot; Toch heeft hij plei-zier gehad!
quot;Wil ik de horoscoop van dien knaap eens trekken? Terwijl zijn neefje, even oud en even fatsoenlijk groot gebvagt als hij, met nieuwjaar naar een kantoor gaat, blijft hij op school, tot hij er is uitgegroeid. »quot;Wat kan 't hem schelen? Do school is vrijer.quot; — Eindelijk moet hij toch wat worden. Ja, wat? Dat is hem al zoo dikwijls gevraagd; maar hij heeft nergens lust in of overal: liefst wat lui en wat vrij. In een' winkel geplaatst, werkt hij als eeno machine, die telkens hokt, als ze niet gesmeerd wordt, en hij is de olie niet waard. Ka nog een on andere vergeefscho poging, wordt hij soldaat. In de kazerne »kan 't hem niet schelen, met wie hij omgaat,quot; en daardoor loopen do slechtston op zijn' zak. Zonder hevige passies valt hij in 't gomeono. Zijne superieuren ergert hij door eene uitdagende onverschilligheid. Zoo wordt hij gepromoveerd tot 't strafbattal-jon. Daar bezocht hem met opzet zijn voormalige onderwijzer. De man had er de kosten en vermoeijenis der diligence voor over. De aandoenlijkste vermaningen, die hem nog konden opheffen uit 't slijk, hoort hij zwijgend aan, en geeft den man een' neus
248
DE HOOGMOED.
achter zijn' rug bij 'theen gaan, om te toonen, »clat 't hem niet schelen kanquot;.....
Die onderwijzer was ik.
Is dan die jongen een misgeboorte in Gods zedelijke schepping, zonder eenig zelfgevoel? Neen! maar stomp van gevoel en bevatting en kond van gemoed, begreep hij niet de liefde eener moeder, de leiding eens vaders, of ze begrepen hem niet; kij gaf zich toe in zijne traagheid, in de verstomping van zijn zedelijk gevoel; en nu — een bewijs, dat ook hij niet aan de algemeene kwaal van 't menschdom ontkomen kon: — nu is hij er trotsch op, dat hem »niets meer kan schelen;quot; — reeds meer dan rijp voor de Ommerschans.
't Is geen phantasie, wat ik u daar verhaalde. En deze treurige ondervinding bragt mij weder het snuggere antwoord in de gedachte van een' boerenknaap in eene vroegere gemeente. Ik vroeg: »Is de eerzucht den christen geoorloofd?quot; Hij bedacht zich een oogenblik, en zeide toen; Was er geene eer. dan was er ook geene schaamte.quot;
En ziet daar nu, wat ik over den hoogmoed te zeggen had. quot;We zullen er ons dus maar niet al te veel aan ergeren, zoo als die dwarskijkers, die geheel 't menschdom veroordeelen, en vergeten, dat ze zelve menschen zijn. Maar te verplanten, in te korten, te besnoeijen valt er aan den hoogmoed veel. Doen we dat bij onze kinderen vroeg. Daarmede is alles gezegd.
Maar wacht eens, nog niet weg gaan als 't n blieft. Ik heb nog een kort woordje. In Japan heerscht sedert minstens 25 eeuwen eene godsdienst van staat, die echter andere niet uitsluit. Men noemt haar de Sinto-dienst. Hare tempels zijn eenvoudige loodsjes van bamboes. Schoon zij meerdere goden
249
DE HOOGIIOED.
en geesten erkent, heeft de Sinto in haren tempel geen beeld, geen sieraad zelfs, en geen meubel, niet eens cene openbare godsdienstoefening. Er hangt alleen een klokje buiten. Die er op klept, hem doet de Sinto-dienaar open. En nn gaat de vrome aanbidder alleen in don tempel, waar hij niets vindt dan oen' grooten, mot zorg geslepen spiegel. Hier stelt hij zich voor, en doet zijn gebed. De Oosterling bidt nooit met gesloten oogen als quot;wij. Hij staart dus lang op dat metaal, het symbool van 't Alziend Oog, en zoekt zijn eigen beeld te doorgronden, of 't al de reinheid bezit, die de spiegel eischt.
quot;Wat dunkt n, heeren en dames! zoxi ook aan 't eind mijner causerie, zulk een bezoek in den Sinto-tempel ons kwaad doen? Den redenaar en schrijver allereerst is quot;t aan te bevelen: want 't is gevaarlijk, zoo nit de hoogte te spreken. Men wordt er ligt duizelig van.
Eu hiermede heb ik de eer, u allen te groeten.
250
DE HEBZUCHT.
2 Maart 18G9.
DE HEBZUCHT.
Ik had in mijn kindsche dagen een' oom, die juist wist, hoe alios moest worden aangevat, maar het zelf altijd verkeerd aanvatte. Onder zijn sobere nalatenschap — hij stierf doodarm in den vreemde, — vond ik onder anderen ook dit puntdicht: want puntdichten waren toen algemeen in den smaak, met echte of valsche, scherpe of stompe punten:
De plakker, wil hij gelden winnen,
Strekt altijd regt de vingren uit;
Lant zulks een financier beginnen:
Ik wed, de man verdient geen duitl
En daar nu eenmaal dit kreupel rijm mij als aan den binnenwand mijner hersenen vast geplakt zit, en het mij soms onwillekeurig in de ooreu dreunt, zoo deed het mij dikwijls even onwillekeurig de hand uitstrekken en zamentrekken, als het kunstigste van alle werktuigen, zelfs in onze eeuw van machinerie.
Ziet maar eens! Legt men de vingeren plat, dan schijnen zij geheel uit de maat: van de pink tot den middelvinger toenemend in lengte, om dan weder af te nemen en zelfs in den duim tot een kort stompje af te dalen. Maar breng nu de machine eens in werking. Neem bij voorbeeld een' bal of appel en sluit dien in de hand. De duim, gedrongen maar sterk, komt daarbij in
DE UEBZUCHT.
oppositie met zijne vier makkers, waarvan nu, door de ronding, do toppen bijna tot elkander komen en stevig- houden wat zij hebben. Neem dan weder een boek in de hand, middelvinger en duim drukken tegenover elkander en ;t ontvalt u niet. Of sla 't boek open en neem pen of potlood: nu werkt de duim weer met de twee voorste vingers, en de anderen dienen tot steun. Tel geld uit: uw duim is eene sohuifmachine geworden, en de fijnste schijfjes ontsnappen haar niet. Maak verder de omgekeerde hand hol: 't wordt een drinkbakje. Eindelijk laat uwe vingers, waar de gevoeligste zenuwen in de vingertoppen uitloopen, op vloer of tafel steunen, grijpen en zamen-harken wat er op ligt, en weêr concentreert zich de machine zoo, dat ze zelfs een speld of zaadkorrel opraapt, draaijende
naar alle rigtingen door de zaamgestelde gewrichten..... En
nu spreek ik nog niet eens van muziek of goochelspel.....Ja!
ver gaat de kunst, maar eene machine als do hand heeft zij toch nog niet uitgevonden!
Sta mij hierbij een kleine Seitenhieb toe op de cynische wijsbegeerte van onzen tijd, die met alle geweld den aap tot onzen overgrootvader, althans germain neef van onze stamouders maken wil, en de wormen tot onze universele erfgenamen. Ik heb voor die apenfamilie volstrekt geen pmchant, maar zou mij liefst houden aan het overbekende buit mot: »dat de apen geen vervloekte menschen zijn, maar dat men wel onder de menschen vervloekte apen vindt.quot; — Maar van handen gesproken : de apen hebben er vier, niet twee zoo als wij. En bezien wij die van nader bij, zoo zijn ze wel vlug en sterk, maai' voor grover werk geschikt. De duim staat bij hen vlak tegenover de vingers. Daardoor kunnen zij met veel meer krach: zich vast houden en veiliger klimmen, maar voor 't fijne werk is hun gereedschap niet gemaakt; — even min als hunne hersenen om na te denken, en de tong om te spreken.
254
DE HEBZUCHT.
Maar al repudieeren wij tlo familie, één trek van overeeu-liomst is er tocli; »'t grijpen eu vast iioutleu.quot;' Eu die trek is zoo algemeen in do natuur, dat wij slechts behoeven te vragen, hoe de machine heet, dio er toe dient. Ieder dier laat ons 't zijne zien. Leeuw en tijger, als zij de vreeselijke klaauw uitstrekken en den muil openen, die grijpt eu verscheurt en verbrijzelt met onweerstaanbare kracht, en de olifant, als hij zijn' siiuit laat rond wandelen in alle rigtingen, om stofjes weg te blazen of kruimels op te rapen. Gier en arend, die niets laten vallen in de vlugt, wat de kromme bek heeft aangevat; maar ook de kreeft, die de sterke scharen uitspreidt; ja! de oester zelfs, als hij zijne schelp toeklemt met eene spierkracht, die men hem niet zou aanzien. Zelfs de minst ontwikkelde polypen-soorteu hebben oor noch oog, kop noch staart, maar toch altijd eene opening, die inslokt en zich daarna toeknijpt, om het ingezwol-gene te behouden: — zoodat men, wel wat prozaïsch maar toch niet onwaar, zou kunnen zeggen, dat de grondtype der levende en bezielde schepping do nijptang is.
Doch onze opmerking gaat nog verder. Ook de onbezielde natuur gaat aan dit euvel mank. Niet alleen, dat de planten hare voedingsbuizen van zelve openen en sluiten, en dus de vochten daarin optrekken, maar naar de ontdekkingen van den jongsten tijd zijn er zelfs vleeschetende planten, die insekten of waterdieren aangrijpen, vast houden en uitzuigen. — Ja! zelfs onbewerktuigde ligchamen bezitten alle wat men noemt aantrekkingskracht. Eu daarbij gaat het even eens als onder ons mensehen: die het meeste heeft, wil het meeste hebben. De bergen trekken veel meer regen en sneeuw naar zich toe, dan de valleijen, die liet zoo veel meer noodig hebben. Ja! zelfs de groote en schitterende zon, die toch onzen kleinen en donkeren aardbol niet behoeft, trekt hem zoo sterk naar zich toe, dat hij reeds duizenden jaren rusteloos voort snelt, zoo hard hij kan,
255
DE HEliZUCHT.
om haar te ontloopen, of ten minste op een' eerbiedigen afstand van zijne gloeijende vriendin te blijven. Stond hij slechts een oogonblik stil, dan werd ons gansehe lieve vaderland, met Nut en onnut, ja! 't gansehe menschelijke geslacht, met huis en hof, met kunstwerken en graven, in den vuurgloed der zon gestort en verzwolgen.
Mijne bespiegeling over die inhaligheid der schepping, waarbij al wat bestaat alles naar zich toe wil trekken, bragt mij op mijn onderwerp: de hebzucht, als den grondtoon van het menschelijke leven.
Hebzucht; — dat is de zucht om te hebben, natuurlijk; maar wat is hebben? Bij deze doodeenvoudige vraag klonk mij gedurig weder 't voorvaderlijke spreekwoord in de ooren, en of ik de ooren al stevig met de hand bedekte, ik hoorde het nog: «Hebben is hebben, maar krijgen is de kunst.quot;' Het leert ons ten minste, dat reeds onze wijze en vrome vaderen het h e b b en als eene zóó begeerlijke zaak beschouwden, dat zij daarvoor de kunst van krijgen zoo ver mogelijk exploiteerden; — zoodat dit ook wel niet altoos naar de reinheid des heiligdoms zal gegaan zijn.
Maar veel wijzer werd ik anders met dit spreekwoord niet: — »Hebben is hebben,quot; — 't brengt ons geen' stap verder; alleen ligt er in opgesloten, dat ieder gaarne heeft, en dan van den modus quo zich niet altijd rekenschap geeft.
Ik raadpleegde dus mijne woordenboeken, en zij wilden mij wijs maken dat hebben hetzelfde is als bezitten. Maar ik ben op het punt van die zoogenaamde Synoniemen wat ongeloo-vig, en kan mij niet verbeelden, flat ergens twee woorden van dezelfde taal volmaakt en altijd 't zelfde zeggen. Zoo verkwis-
25G
DE HEBZUCHT.
tend zijn de volken met hunne woorden niet. Zij hebben er te véél noodig. Beproeven wij 't eens, door bezitten in plaats van hebben te stellen: »Ik bezit kiespijn,quot; bij voorbeeld. Maar dat gaat immers niet? Of om een achtbaarder beeld te gebruiken, verbeelt u een' redenaar. Hij heeft op zich genomen, eene lozing te houden. Maar waarover? Juist omdat hij alles kiezen mag, is 't hem moeijelijk iets te grijpen in de vlugt. Eindelijk, daar bezit hij een onderwerp voor zijne lezing: — neen! hij heeft 't. De hen — sans comparaison —heeft eijeren, zoodra zij ze legt, maar bezit ze pas, als zij er op gaat broeijen. En zoo — om eindelijk tot onze conclusie te komen, zoo staat hebben tusschen krijgen en bezitten in het midden, 't Is in den regel een bijzonder genot, dat eerste oogenblik, waarop wij zeggen kunnen: »'t Is mijn, ik heb 't!quot; — kiespijn natuurlijk uitgezonderd. — Al weder de nijptang, als grondtype van 't animale leven, ook in den raensch.
Ook de vorm van het woord wijst dit uit. Ik bestudeer gaarne den mensch in de taal. Dit is nog veel te weinig gedaan, on daardoor maar al te dikwijls 't skelet genomen voor het levend wezen. En wat leert ons hier de taalstudie? Dat er woorden zijn, door de eerste behoeften en neigingen van don mensch gevormd, en die hom daardoor overal bij zijne omzwerving op de aarde vergezellen; zoodat die woorden, dagelijks gebruikt, ook niet verroesten of verloren gaan, en daardoor ook niet, als zoo vele andere, vernieuwd of met andere klanken verwisseld behoeven te worden. Zoo is hebben verwant met happen, eene plastische beweging der lippen, als zij zich openen en sluiten, om iets te grijpen en vast te houden. Wat dan ook zeer opmerkelijk is, in minstens elf talen, van oud Indië tot IJsland toe, vindt men 't hebben met een klein verschil in de stembuiging terug. Gij zult mij wel op mijn woord gelooven, en aan 't fransche avoir en 't latijnsche habere vooreerst genoeg hebben.
17
257
DE HEBZUCHT.
Vraagt mij nu iemand, ■waartoe deze jgt;se«tfo-geleerde omhaal dient? Eenvoudig' tot een breed en weidsch voorportaal voor eeno reeks van aanschouwelijke tafereelen, waarin ik u de hebzucht als den grondtoon van het menschelijke en vooral van 't maatschappelijke leven wilde leeren kennen. Tafereelen zeg ik, zoo levendig en aanschouwelijk ik ze schetsen kan. Want daar de onzedelijkheid een zoo fraai verguldsel op den sierlijken zwijmelbeker legt en hare vergiftige spijs naar den smaak toebereidt, moet de moraal — die ik nog steeds als het hoogste doel van mijn denken en leven, spreken en schrijven beschouw, — ook hare vormen veredelen. De ondeugd moet ons een levende slang worden of een brullende tijger, niet de mathematische som van miswijzingen op quot;t levens kompas; — en de deugd een vriendelijke engel, die onweerstaanbaar ons tot zich trekt, geen meester die ons de les leest. De moraal voor onzen tijd moet ons omringen met schetsen uit 't dagelijksche leven, waar nu eens de gloed der hel doorschemert, en dan weder het licht des
hemels op terug kaatst.....
258
Maar genoeg van de eischen, die ik mij zeiven stel als spreker en als Novellist, om u aan mijne opregtheid te doen geloo-ven, wanneer ik besluit met de verzekering, dat ik mij nog altoos verre gevoel beneden mijn verheven ideaal, en dankbaar toch dat het mij van verre schemert.
Het eerst bezoeken wij de kinderkamer: die kleine wereld, met hare liefelijke beelden en idealen, hare onschuld eu haren eenvoud, maar ook reeds de kweekschool der begeerten, driften, hartstogten, die de groote wereld verwoesten; het voorspel van de vlugtige vreugd en de diepe ellende van 't menschelijke le-quot;ven. Zie maar eens! Juist vinden wij er de hebzucht in vol-
DE HEBZUCHT.
len gang. Een paar sclireemvencle kleinen trekken een pop ieder bij ééu been, met 't natuurlijk gevolg, dat liet ding breekt en onbruikbaar wordt; zoo als 't juist even eens gebeurt met het speelgoed van ons volwassenen.
Wij wenden ons dus liever tot den kleinste, die zoo vriendelijk ons toelacht en kraait, en even min nog verlegenheid kent als hartstogt..... Maar wat scheelt uw kind toch, goede moeder! dat het van daag zoo schreit en stampvoet, tot gij 't uit den stoel nemen moet en nog met moeite het sust op uwen schoot? Zijn het tanden of is 't het zuur, of wat anders, dat op de oude lijst der kinderkwalen staat? Niets van dat alles. De moeder heeft het spoedig geraden. Zij houdt den kleine weer den sleutelbos voor, en hij grijpt, wat onhandig nog maar toch stevig, tot hij hem schudt en rammelt, en dan weer weg werpt
om op nieuw te grijpen..... Daarin werd hij straks gestoord;
en van daar die toorn, even vlugtig als heftig, gelijk iedere kindersmart.....
Dat halfjarig kind met den sleutelbos, wat is er al veel in zijn hartje omgegaan! Toen het ter wereld kwam, en met den eersten levenskreet de longen had in beweging gebragt en uitgezet , voelde het al spoedig een zeker ledig; den prikkel van honger en dorst, die in de eerste kindschheid nog niet van elkaar te onderscheiden zijn, zoo min als van elk ander pijnlijk gevoel. Het schreeuwde om zijne smart lucht te geven. Toen legde eene teedere moeder of goedhartige voedster het aan de borst, en nu gevoelde het voor het eerst, schoon van dit gevoel zich zelf nog onbewust, dat de wereld schatten bezit, die het nog niet kende, en dat de eerste en edelste van al die schatten de borst eener moeder is.
Het kind was nog geen zes weken oud, toen de wijze baker al opmerkte: »Zie eens. Mevrouw! hoe 't de lamp nakijkt!quot; en ik voeg er als man van 't vak bij: »Geluk er mee, moeder!
259
DE HEBZUCHT.
■want zoo die blik vast is on juist, dan is mv kind niet idioot.quot; — Maar meent daarom niet, dat :t kind de lamp zelf ziet of er nieuwsgierig naar is. 't Zag eenvoudig de vlam, en dat was voor hem nog een ongekend genot. Dio vlam werd weg getrokken, en nu merkt 't bij toeval, na één of twee mislukte proeven, dat liet draaijen en goed pointeren van de oogen , des noods het omdraaijen van 't hoofdje, dit genot verlengt. En nu hij dat eens geleerd heeft, vergeet hij 't niet weêr, en kraait van vreugd tegen de heldere vlam.....
Arm blind kindje, dat alleen 't genot kent van de warme borst of 't zachte bont, van moeders stem vooral in 't zachtje wiegelied!
Maar het kind, dat ziet en hoort, zet met kracht zijne veld-ontdekkingen op dit nieuwe terrein voort. En wat is er voor beide die edele zintuigen bekoorlijker dan de sleutelbos'? Hij rammelt en blinkt te gelijk. De moeder weet dit ook '.vel. Zij hield er eens die twee pruilende kleinen mee zoet, dia nu dit speeltuig ontgroeid zijn. De kleinste, waarop de zelfde proef thans genomen wordt, staart en luistert eerst met verbazing naar die nieuwe verschijnselen in 't leven: »glans en gedruisch.quot; Bij toeval of door instinkt strekt hij de handjes uit, maar kan nog den afstand met 't oog niet meten. Hij grijpt, maar met de voile hand, even als de apen, daar de fijnere bewegingen der vingers hem nog vreemd zijn. Maar gaat 't grijpen vrij onhandig, wat hij heeft, houdt hij te vaster, 't Kind bemerkt nu, dat die sleutels door 't nader bij komen grooter worden in zijn oog, en in de vuist geschud rammelen. Hij schreeuwt het uit van pret bij
deze eerste proef..... quot;Waarlijk, moeder! gij ruktet daar uw kind
iiit zijn klein paradijs. Waarom moest ook juist de meid binnen komen en iets uit kast of kelder vragen, en gij den on-schatbaren sleutelbos noodig hebben?
Wij hebben wat lang op de kinderkamer vertoefd, omdat wij
2C0
DE HEBZUCHT.
er den eersten wortel der begeerlijkheid opmerkten, opgewekt door de zintuigen. Die prikkel wordt reeds in het tweede jaar versterkt door de verbeelding, den spiegel der zinnen, maar een o/tfiVa-spiegel, die de beelden vergroot. Wat wij nog niet bezitten, de boom der kennis van 't paradijs, is begeerlijk in ons oog boven alle boomen; en wat wij verloren in een vroeger tijdvak van ons leven, de verbeelding geeft er ideale vormen en kleuren aan. De jongeling, verrukt dat hij voor 't eerst een' ananas proeven zal, en de grijsaard, die den appelboom zijner jeugd terug vindt, staan hierin gelijk; de verbeelding prikkelt de begeerte, maar 't hebben zelf koelt ze af; — en de ananas is niet meer dan eene schoone vrucht, hier te land alleen nood-rijp en zonder de geur of smaak van 't Oosten; en de appel — ja! die is nog wel dezelfde, maar niet meer de tanden, die er in bijten, en de maag, die hem verteren moet!
quot;Wij verlaten de kinderkamer, die Avij eigenlijks reeds ongemerkt verlaten hebben, en bezoeken de school. Gewigtigeovergang in 't menschelijk leven, de grootste van alle misschien, met hijgend verlangen door het kind te gemoet gezien! Ik voeg er bij, dat ik hier van de school mijner kindsche dagen spreek, nog door geen bewaarscholen voorbereid. Daar toch, in de oude school, zullen wij :t geslacht moeten zoeken, waar van wij een geheel leven kunnen nagaan, en dat dus nu ook met mij oud geworden is.
Plet schoollokaal is nog in 't geheel niet op de hoogte en in de vrije ruimte van onzen tijd: een kinderpakhuis! weinig meer. quot;Want men wist toen nog niet, hoe veel kubieke meters lucht een mensch wel noodig heeft, om in 't leven te blijven; maar de lucht wist 't wel en drong, zelfs zonder ventilatie, in die be-
261
DE UEBZTCHT.
krompen lokalen door, en wij zijn toch blijven leven. Maar wat men toen ook al wist? Dat vader van Alphen het ideale kind op de ideale school in dezen éénen trek beschreven had:
„Mijn leeren is spelen,
„Mijn spelen is leeren!quot;
Och, vader van Alphen! als ik u daar op de oude prentjes van uw boekje zie zitten, met het goedige gezigt onder de deftige staartpruik, dan zou ik het u zoo toe kunnen roepen: »Zie! Ik schoolmeester ook al zoo wat sedert 50 jaren, en zoek 't mijne leerlingen zoo aangenaam mogelijk te maken; maar breng gij hen toch eens op de hoogte van uw spelend leeren en leerend spelen, de jongens vooral. Ik zie er geen kans toe.quot;
Al heeft men plak en schandbord naar de antiquiteiten-kamer gebannen, — waar ik volstrekt niets tegen heb, — al wie onderwijst staat nog steeds in zekere vijandige positie tegenover zijne schoolbanken. Er wordt geleerd in de school: — nu ja! maar er wordt nog veel meer gedaan en dat den kleinen veel grooter belang inboezemt, meer dan de meester zelf weet. Er wordt geleerd, maar daar wordt ook geleefd en gehandeld, verteld en
gespeeld, gestolen en gestreden, gebeden en gevloekt..... 't Is
eeue wereld in 't klein, die hare vrijheid zoekt te handhaven, oudtijds onder de plak, zoo als nu onder de schoolorde. En al wandelt de meester tusschen de banken door, of meent van zijn' hoogen zetel af alles te zien, er wordt onder de tafel en achter den rug om, uit en in den zak, zoo wel als in 't oor. zoo menig, menig geheim weg gesmokkeld, dat 't waarlijk wel een bewijs is van de kinderlijke vlugheid, als tusschen al die ge-
wigtige zaken door, de les nog zoo geregeld gaat____
sGewigtige zaken?quot; vraagt gij spottend. Ja zeker! even ge-wigtig als de Metallicken of Spoorweg-actiën in den woeligen effecten-hoek der Amsterdamsche beurs. Het spel is naar de spelers , hier als daar.
262
DE HEBZUCHT.
Ziot maar eens, hoe druk daar dat hoopje kakelt, 't Is een touwtje, een nieuw eindje touw, juist voor een' tol groot genoeg,
— en een prentje. — en een marmeren knikker; — en ginds onder de meisjes eene collectie bonte katoenen lappen, eenig in haar soort. Wat wordt er gefluisterd en gezwendeld, gevleid en gedreigd, om dat alles te hebben!.....
Daar is zelfs een nieuwe munt op deze beurs uitgevonden; want de duit is daartoe te groot, op do armenschool ten minste: wie heeft er de duiten zoo maar voor 't weg geven? De groote munt bij de jongens is dus de knikker; de kleine een griftje, zoo kort afgebroken, als de kleine handen het breken kunnen; en onder de meisjes wordt met spelden betaald.
quot;Wat woelt de hebzucht onder dat kleine goedje! Er gaat reeds — die vonden wij in de kinderkamer nog niet —berekening en bedrog mede gepaard. Hoe lief vleit dat meisje niet om een stuk koek! quot;Wat dreigt daar ginds een jongen, dat hij alles aan den meester verklappen zal, alleen om zich voor een
lialven appel te laten omkoopen!..... Toch is 't nog wuft en
onbestendig; 't zijn opkomende en wegzinkende begeerten, als de golfjes der branding aan het strand op een' liefelijken lentedag .....
Daar stormt de kleine troep van de trappen, nog druk pratende over den schat, dien zij niet verborgen kunnen houden,
— zoo pronken zij er meê! — twistende en vechtende, om de
nog hangende processen te beslissen..... Op eens roept er
één: »Jongens! een kat in 't water! een kat!quot; en lappen en spelden, griftjes en knikkers, touw en tol worden haastig weg gestopt, om misschien later als een geheel vergeten schat te worden terug gevonden, of minachtend weg geworpen.
Maar onder dien gonzenden kindertroep hebben enkelen onze bijzondere aandacht getrokken. In de eerste plaats dat bleek-
2C3
DE HEBZUCHT.
gele knaapje, met de gluipende oogen en 't ongunstig dievon-gezigt. Wij betrapten daar juist, onder 't gewoel op den trap, zijne hand in zijn buurman's zak. quot;Wat hij er uit haalde, was niet voel; een gebroken stuiter, die hem nergens toe dient; toch is 't winst.....
Ongelukkig kind! Uwe loopbaan behoeven wij niet verder na te gaan. Wanneer niet een ijzeren vuist uwen hartstogt neer slaat, en strenge tucht dien u ontwent, zoo roest het gebrek al dieper en dieper in, zoodat het u niet meer kan worden ontrukt, zonder ook uw hart te breken.
De regte dief is 't op zijn achtste jaar al, en blijft het op zijn tachtigste, 't Is of zijne handen voor eigen rekening werken, eer zijn hoofd tijd tot deuken heeft en zijn hart tot kloppen. Hij steelt zelfs een' bijbel, als hij vroom wordt; on zou op het schavot nog 't horologie van den beul kunnen stelen, dat
't uur aanwijst van zijnen dood..... Raadselachtig menschen-
hart, onvrij en toch schuldig; diep onrein en toch 't werk van
Gods hand..... Doch wij laten het beeld van den geboren' dief
varen: 't is ons al te treurig..... Ontmoet gij er, mijne lezers!
denkt aan de ijzeren vuist en de strenge tucht. De jeugd is toch nog »moorman of luipaardquot; niet.
Ik bragt eens zulk een' knaap van elf jaren naar een opvoedingsgesticht. Hij begon al ledige vigilantes of open huisdeuren binnen te sluipen, en was op school noch winkel te houden. Hijne aanbeveling was: »Deze knaap is een dief. Dat moet er met geweld uit. Is hij lui, laat hem uitslapen. Is hij brutaal, denk maar: »Hij is niet wijzer.quot; Straf hem alleen en straf hem zwaar, als hij steelt.''
In de eerste week had hij 't pennemes van den meester al in zijn' zak. Waartoe? Dat wist hij mij niet te zeggen. »quot;tKwara zoo bij hem op!quot; zeide hij. Intusschen volgde men, en niet
204
DE HEBZUCHT.
zacht, mijn voorschrift. Hij genas en werd scheepsjongen. En toon hij nu een' strengen winter aan wal doorbragt, was zijn grootste genot, dien tijd bij mij te leeren, »omdat ik zoo goed voor hem geweest was!!quot; — ^4 cjrands menux yrands remèdes.
Maar wij keeren tot de schooljeugd terug. Daar zijn een paar andere knapen en dan een meisje, die mij uitlokken om hunnen levensloop verder na te gaan.
Ziet gij dat hoopje daar over elkander heen op den grond buitelen? 't Is om twee duiten, die een voorbijganger onder den kindertroep wierp. Een paar kleinen, het digtst bij den grond, hebben ze gevat, de een om de hand van den ander heen. Maar ondertusschen komt grove Hein — we zullen de schoolnamen maar houden, — en met den uitroep; «Gevonden goed is allemans goed!quot; rukt hij ze de twee kleinen uit de hand. De een wil zich verdedigen, maar moet wijken voor de sterke vuist; en Hein ziet niet eens om naar den armen knaap,
wiens neus bloedt en die zoo jammerlijk kermt..... De ander
smeekt: »Och, geef er mij ten minste een. Mijne moeder heeft geen brood!quot; Maar Hein zegt koel; »quot;\Vat gaat mij uwe moeder aan?quot; En hij koopt voor zijne gevonden duiten een kort pijpje en een handvol tabak — tegenwoordig zou het een sigaar
zijn — en dampt met lust..... Neen! dat is te hard, te ruw,
te ongevoelig voor een kind!..... Waar zullen wij die woeste
en wreedaardige hebzucht later terug vinden?..... Onthouden wij dien gr oven Hein.
Een tweede beeld is dat kleine ventje, klein zelfs onder de kleinen. Zijn fijn besneden maar wat bleek gezigt, zijne sluwe oogen en gebogen neus, zijn kort, glooijend voorhoofd en 't zwarte haar, zijn sloffende en slepende gang eindelijk, alles verraadt
2G5
DE HEBZUCHT.
zijne Oostersche afkomst, al hoorden wij hem niet kleinen. Moz es noemen. Ziet! daar staat hij achter een' boom; kijkt eerst voorzigtig om, of grove Hein hem ook overvallen kan, en telt daarna zijne schatten, in eerlij keil handel gewonnen; een duit kreeg hij voor een mooi griftje, met de verzekering dat hij 't er ook voor gegeven had; maar hij koopt er twee voor bij Neef Samuel! Voor dien knoop maakte hij eene moeijelijke
som voor een' domoor af, omdat kop or toch altijd waarde heeft____
Noen, kleine ilozes! hoe aanvallig gij er anders uitziet en hoe vlug gij leert, altijd voorzigtig uit don weg gaande voor plak en schandbord, uwe hebzucht is te fijn, te berekend voor een kind. Hoe wij u later zullen terug vinden?..... Onthouden we kleinen Mo zes.
Nog één uit den troop, 't Is een meisje. Mooi Naatje hoorde ik haar noemen, en zij is het ook. Fijner gevormden leest, schooner kastanjebruine lokken, levendiger oog en teeder-der gelaatskleur zult gij niet ligt aantreffen. Maar wat zit zij daar met eenige andoren op dien kouden stoep, en dat in 't midden van den winter? Ik zal het u zeggen. Dat andere meisje daar, van dertien jaren, armoedig maar netjes gekleed en dat tot naaister wordt opgeleid, laat de kinderen prikken.
Weet gij niet, wat prikken is? Hoe is 't mogelijk? Maar ja! dat zal ook al uit den tijd wezen. De spelden zijn ook zoo
goedkoop tegenwoordig..... Ziet maar eens! Zij heeft een oiid
boek, waarin, tusschen de bladen, prenten, lappen of tulpenbladen en zelfs leesteekens gelegd zijn. Zij slaat het toe, en de kleinen steken op de gis haar speld tusschen de bladen, en met dien speld betalen zij Prijs of Niet, al naar er op die bladzijde iets te vinden is. De slimme adspirant-naaister zorgt wel, dat in het midden van het boek, waar de kinderen haar spelden doorgaans steken, het minst te halen is.
2G6
DE HEBZUCHT.
Ook ons mooi kind zit daar -weder, als gisteren en eergisteren, en voelt den kouden motregen niet en vergeet haar tijd; zij bedenkt alleen, onder welk voorwendsel zij nog meer spelden van moeder krijgen zal: want zij is achter het geheim gekomen; zij trok gisteren 't fraaiste tulpenblad, en berekent nu, waar 't flu-weelen lapje zitten moet. — Neen, mooi Naatje! al schijnt ge ook nog zoo'n lief engelenkopje, uwe hebzucht is te harts-togtelijk voor een kind. Hoe wij die later zullen terug vinden? Onthouden wij mooi Naatje.
Het eerste bedrijf van het menschelijke leven is gesloten, de eerste poëzij in proza overgegaan. De menschelijke hebzucht heeft zich geconcentreerd op het algemeene ruilmiddel, dat de wereld regeert, sinds Abraham in het midden der Ilothieten aan Ephron het zilver voorwoog, goed gemerkt en onJer den koopman (jci/Kjhuar. (Gen. 23 : IC.)
Het geld — 't is of 't voor kromme vingeren gemaakt was! Het lokt niet aan door den glans eu ontleent zijne waarde niet aan 't gewigt: want de leelijke, vuile en jammerlijk besnoeide geldstukken mijner jeugd, waren even gezocht als nu onze gerande en blinkende quot;Willems. 't Is ook geen goud- dorst alleen: want, — dcod jammer voor onze dichters! — de smerige muntbiljetten trekken even hard aan als de gouden tientjes. Neen! maar hot geld is de personificatie van alle bezit, en daardoor de sleutel tot alle genot. Men zou met Eobinson Crusoe op een onbewoond eiland moeten vervallen zijn, om het geld in een' hoek van zijn grot te werpen en er niet meer naar om te zien. En toch wierp ook Eobinson 't wel in een' hoek, maar niet in zee. Hot kon nog eens te pas komen! En toen
267
])!■; HKBZrCHT.
hij uit zijne gedwongen eenzaamheid werd verlost, liet hij 't zeker op zijn eiland niet!
Is dus de kinderlijke leeftijd voorbij, zoo krijgt de menschen-wereld iets van de tafel, waar in het rond de kinderen zitten te spelen. Zij hebben do pepernoten, die zij al spelende opaten, met blinkende paelitpenningjes verwisseld, die zij wel niet opeten, maar des te beter bewaren of togen geld inwisselen. En daar zit nu elk op zijne plaats aan die tafel, en houdt met de linkerhand zijn hoopje penningen vast, terwijl het oog loert op den pot, en de regterhand zich naar nieuwe winst uitstrekt; zoodat men nog onverwacht en onwillig opstaat, als de boodschap komt, dat 't tijd is om voor anderen plaats te maken en heen t3 gaan. Zoo is de kleine, zoo vaak de groote wereld!
Maar gij verlangt reeds, om in dit zoo geheel veranderde tijdperk onze oude kennissen van voor vijf en twintig jaren weer op te zoeken. Die spelende kindertroep, nadat de dood ei-zijne tiend van genomen heeft, het zijn menschen geworden: menschen, die zonder springen of zingen, regt over eind en regt door, de straten doorgaan, het hoofd vol van arbeid en zorg; menschen, geclassificeerd in verschillende standen, zoodat zij bijna zoo vele monschenrassen schijnen, die zich zoo veel mogelijk onvermengd houden; — menschen eindelijk, die zich maar volstrekt niet kunnen begrijpen, dat do tegenwoordige
jeugd zoo ondeugend en ongezeggelijk is..... Maar zijn zij zelve
nu zoo veel wijzer, zoo veel braver en vromer geworden?.....
Laat ons zien. Ik moot beginnen met u tot eene verre reis uit te noodigen, gelukkig binnen 's kamers. Vergeet daarbij niet, dat 't nog jaren vóór den Amerikaanschen oorlog is, vóór Uncle Tom en de emancipatie.
Ziet gij daar ginds, aan de Afrikaansche kust, dat groote schip? 't Is een koopvaarder, die de Fransche vlag voert en
2G8
])E HEBZUCHT.
vreedzaam voort stevent over 't rimpelend watervlak, ofscliooii de kapitein met een donker oog een Engelsclie brik bespiedt, die al nader en nader komt. De boevengezigten dor matrozen bevallen ons niet. — 't Is niet liet vrolijke, gulle gezang van Janmaat; — neen! maar 't gluipend oog is op de draaibassen gevestigd, die nog door eene geblindeerde verschansing voor
't oog van den vijand worden verborgen gehouden.....
Daar hooren wij een' kreet van diepe smart uit het ruim, en op dien éénen kreet wel honderd andere, 't Is of in een donker bosch oen enkele wolf al zijne makkers huilen doet. Stampvoetend roept de kapitein een' matroos toe: »Gooi toch dien zwarten hond, die zijn poot gebroken heeft, over boord!quot;..... Wij
huiveren..... Hot is een slavenhaler..... Daar beneden liggen
honderd van onze natuurgenooten op een gepakt, naakt, gekromd onder ijzeren boeijen, die in 't vleesch zijn ingeschaald, door de geduchte hondenzweep geteisterd. Een hunner heeft bij het naar binnen werpen in het ruim, hot been gebroken, en wil of kan niet zwijgen, en daardoor geeft hij bij zijne arme lotgenoo-ten tot dit algemeen gebrul het sein. En nu — wij huiveren nog eens en nog meer! — nu wordt hem eerst met een handspaak de hersenpan verbrijzeld: want die honden zwemmen zoo goed! en daarna zijn lijk over boord geworpen. En de kapitein ziet hem even na. zoo als gij een pakje zoudt nazien, of het wel aan zijn adres wordt weg gebragt, en zet dan de rumflesch
aan den mond, om er een frissche teug uit te nomen.....
Hebt gij den onmensch al herkend? Hot is grove Hein, onze schoolknaap, die nu man geworden is. En is er dan niets meer, volstrekt niets, dat dit steenen hart treffen kan? Zoker! Het ligt daar ginds aan dien blaauwen gezigteinder, naar den
kant van het westen..... Uw oog ziet daar niets, hoe scherp
het ook tuurt, liet zijne ook niot. Maar zijive verbeelding ziet er de slavenmarkt en de Spaansche matten en het bankpapier.
2G9
DE HEIiZüCIIT.
Nog één of twee zulke reizen; dan kan Mj op zijn lauweren
rusten..... Genoegelijk neemt liij een dubbele pruim in dat
Yooruitzigt..... Hij heeft geen hart meer. Het geld is er sedert
lang in plaats gekomen!
Yan een koopvaardijschip is de overgang nog al geleidelijk naar de Amsterdamsche beurs. Wat is 't daar een gegons, een gewoel, oen gedrang, op vechten af! Een oningewijde verstaat niets van al dat dingen en bieden, koopen en verkoopen. Er is ook eene nieuwe leening uitgeschreven, of eene conversie optil: juist weet ik het niet, maar de Amsterdamsche Joden weten het zoo veel te beter.
Eén vooral valt ons in 't oog. Hoe eenvoudig, achteloos bijna gekleed, men kan zien, dat hij hier goed te huis is. 't Is nog kleine 3Iozes, al is hij iets grooter; en zijn haar is nog even donker, al zweemt er een ligte sneeuwgloed over heen; alleen de gelaatstrekken zijn dieper ingegroefd en daardoor schijnen de neus en 't oog beide scherper.
Ziet eens, hoe hij enkel leven is, en schuifelt van den eenen naar den anderen hoek, waar bieders en koopers, in ernst of in complot, henen golven. Hij wipt op de teenen, om, zoo klein hij is, toch goed te luisteren. Onnavolgbaar, behalve voor de kinderen Israels, is do bewegelijkheid zijner handen en de vlugheid zijner tong, waardoor hij zijne positie als gevestigd effekt-handelaar goed weet te handhaven. Doch nadert hij dan weder dien dikken rentenier, voor wien hij speculeert, zoo wordt alles beleefdheid in gelaat en houding,^en zijne stem innemend zacht. Geduldig verklaart hij zijn' MiJ^ao^ias reeds voor de derde maal zijne aanteekeningon in het zakboekje, dat hij den dikken, al zet die er zijn' bril bij op, even goed 't onderste boven zou kunnen voorhouden.
Maar Mozes moet tijdiger dan anders naar huis. De rijke Levi
270
DE HEBZUCHT. 271
iomt straks zijne dochter voor zijn'zoon ten huwelijk vragen.....
Den ganschen avond wordt er over het gewigtige onderwerp gesproken: over 't huwelijk zelf wel niet; dat moeten de jonge lieden later zamen maar vinden; neen! maar over het geld, dat 't meisje mee ten huwelijk brengt, en 't veel grootere kapitaal, waaxmede de jongeling eigen zaken zal beginnen: — in do papieren natuurlijk! niets beter dan de papieren! En hij is een gannef, Levi's zoon..... Er wordt gedongen en geboden, geweigerd en toch weer aangeknoopt, als of 't hier te Amsterdam de slavenmarkt ware, en niet op Cuba of in de Zuidelijke Staten van Noord-Amerika. Eindelijk wordt men 't eens. T)e gelukkige vader berekent nog in den droom, hoe de rijke schoonzoon hem nieuwe handelswegen zal openen, — en dan: hoe duur hij wel eenige meubelen kan schatten, die zijne Kachel mede neemt; want Levi kan 't missen! —
Was de ruwe knaap een wreede geldwolf geworden, de zoo berekende kleine werd een listig speculant.....
Maar onze derde oude kennis, m o o i N a a t j e, waar is die gebleven? Gij zoudt haar bijna niet meer herkennen in die dame, zoo bevallig, zoo geestig, zoo lief voor man en kinderen, en wel wat zwierig, maar toch smaakvol gekleed.
Bespieden wij haar in haar huis, onder kinderen en dienstboden, niemand zal haar van karigheid beschuldigen. Zij bevestigt mij eene opmerking, die ik meer gemaakt heb: dat namelijk de gierigheid in eene omgekeerde rede staat tot de schoonheid, en dat nooit eene vrouw onkel leeft om te hebben, zoo lang zij nog leven kan om te behagen. Gierig is zij dus nog niet, daar is ze nog te schoon \roor!
Toch is mooi Naatje zoo mooi niet meer. De ziel spiegelt zich sterker af op het gelaat en in 't oog der vrouw, al zijn die trekken fijner dan bij den man; misschien juist omdat
DE HEBZUCHT.
ze fijnor zijn. Zoo is er iets op 't gelaat van deze schoone vrouw, — wat dan ook, maar dat ons niet bevalt.
Wij treffen ook juist bij haar eene speelpartij. Zie, met wat vurige drift die oogen over de tafel rollen; hoe haastig zich de bevende hand naar do behaalde winst uitstrekt; hoe schamper zij op de lippen bijt, en hoe scherp zij antwoordt, bij eene slechte kaart!
Een oud, achtbaar heer treedt ongemerkt achter haar. Juist moet zij zelve de kaarten geven, en ze gaan zoo vlug door hare handen, als of ze de tours d'adresse van Bamberg had bestudeerd. Maar toch heeft de oude heer genoeg gezien; hij schudt ongemerkt het hoofd en fronst de wenkbraauwen, en fluistert zijne dochter, die ook van de gasten is, in: »Laat ons gaan, Engeline!quot; — »En waarom nu al, papa? Ik amuseer mij altijd zoo bij die lieve Mevrouw Lovel.quot; — »Maak u maar gereed. Ik zal 't u straks zeggen.quot;
En wat het meisje, te huis gekomen, mot ontzetting hoort, en wat haar nog altijd onmogelijk schijnt, hebben wij reeds gegist...... Het kind, zoo hartstogtelijk reeds bij het prikken,
is eene valsche speelster geworden.
Hot tweede en langste bedrijf van het menschelijke leven loopt ten einde. Hot derde begint. Het zijn do kwade day en, waarvan de Prediker reeds zeide: »Ik heb yeen' lust in dezelve.'''' Weer zijn aanmerkelijk de gelederen gedund. De dood is, na de eerste tiend, tot zijnen oogst ingegaan; hij heeft reeds verre de meesten weg gemaaid, en zijne zeis raakt en wondt nu en dan de overigen. Nog weinige jaren slechts, en geheel dit geslacht is ten grave gedaald.
Men zou zoo oppervlakkig zeggen, dat er voor de 'nebzucht
272
DE HEBZUCHT.
geen plaats moor is in dat afgeleefde gebouw , dat straks wordt gesloopt, op dat korte eind wegs, dat zoo haast naar den meet-paal leidt. Maar men zou zich deerlijk bedriegen, en vergeten, dat de hebzucht geene berekening is, geen voorzorg, maar een hartstogt, blind en doof on verstandeloos als elke andere; een hartstogt, die invreet als de kanker, inroest als de diep ingeslagen nagel, en ten laatste niet anders meer, dan met het loven zolf is uit te rukken. Hoe anders verklaart gij de valsche speelster van straks, die haar goeden naam, hare vrijheid misschien, waagt voor een tiende deel van het geld, dat zij als eene gulle gastvrouw aan eene speelpartij ten koste legt? Of wat redenering en voorzorg is er na te gaan bij den tachtig- of negentigjarige, die zijne erfgenamen geene aalmoes gunt, en in-tusschen schatten voor hen oppot, die hem tot niets nut zijn?
Toch is juist dit laatste meestal het eigenaardig karakter, dat in het laatste tijdperk des levens de hebzucht aanneemt. Ik kom daarbij weder op onze eerste beschouwing van do hand terug. In den ouderdom verliest zij de fijnere bewegingen, de toppen der vingeren worden minder gevoelig, de hand wordt stram, en de aderen schijnen er soms boven op te liggen, 't Is om den ouden schilder verdrietig te maken, en den grijzen goochelaar tot quot;wanhoop te brengen. Maar even als bij de eerste krachtsoefening van het kind, — 't vermogen om met de volle hand vast te houden blijft het sterkste. Even stevig nog heeft de tachtigjarige arbeider spade of ploegstaart omklemd als in vroeger dagen, en even vast houdt de grijsaard den sleutelbos als voor zeventig of tachtig jaren, — maar nu niet meer om de muziek of den glans der sleutels!
De hebzucht, waar zij zoo lang inwoonde en regeerde, werd gierigheid. De oude man durft zich en het zijne niet meer wagen: hij heeft zoo veel ondervonden! Hij ziet ook tegen de moeite van handelen op, en kan 's nachts niet slapen, als
18
273
DE HEBZUCHT.
zijuo zaken wakker zijn. Daarom geeft liij de voorkeur aan het bewaren, hoogstens op een' zékeren intrest. De wandeling vermoeit, het vermaak verveelt hem; maar die blinkende hoopjes, die kostbare papieren, met do courant er naast om de koers te
berekenen..... Ze scheiden niet gemakkelijk, de oude en zijn
geld, en ook daarom is 't leven hem nog zoo zoet! — Heb een weinig medelijden, mijn lezer! met die karigheid van den ouden dag; een ouderdom zonder geld is ook zoo hulpeloos, zoo ellendig!
Toeli staan ook weder, tegenover die algcmeene type, do nuances van vroeger jaren, liet andere woorden: ieders hebzucht, al gaat ze langzamerhand in de zucht om te h o u d e n over, behoudt altijd iets van haar eigenaardig karakter. Bezoeken wij, om dat in voorbeelden te zien, nog eens onze oude kennissen.
Gaat dan eerst met mij dat vertrek binnen, ruim maar somber, rijk maar slordig, de kamer van een' ouden podagrist. Een scheepje hangt er aan den zolder, zeegewassen en polypen prijken op den schoorsteen; oostersche meubelen, maar slecht onderhouden, wisselen de vadeiiandsche en lang niet kostbare af.
En de podagrist zelf? Daar zit hij, grof van gebeente en norsch van gelaat, de flesch sherry naast de drankjesflesch, en een geknoeste wandelstok nevens het stooltje, waar 't regter been op rust, in jichtbaai gehuld. Hij belt al voor de derde maal, dat er toch wat kolen op den haard worden gedaan; en nu stampt hij ook met zijn' stok, en vloekt even hard als hij belt en stampt.....
De oude huishoudster komt binnen. Een vreeselijke storm barst los boven haar hoofd. »Oogenblikkelijk moet de meid worden weg gezonden. Zij legt liet vuur niet goed aan Zij maakt liet bed op, of 't een zak aardappelen was.quot; En als nu de brutale deern zelve komt en van huur en kostgeld spreekt, schoon
274
DE HEBZUCHT.
zij er pas 14 dagen is, — weinig korter clan al hare voorgangsters, — werpt de oude Nabob haar een paar rijksdaalders naar den kop.....
En dan zegt de dokter nog wel, dat sherry niet goed is voor jicht en podagra! Wie kan het ook, zonder eene hartsterking, uithouden onder dat vee hier in Holland?
Het glas wordt in eéne teug geledigd. Onze podagrist vervolgt den brief, dien hij begonnen was en die er nu niet mal-scher op wordt. Zien wij hem even over den schouder, 't Is eene bedreiging aan een' armen neef, dat hij hem terstond uit zijn testament schrappen zal, als hij hem nog eens zulk vodde-goed van flanel en baai levert, en dan zoo beestachtig duur.....
Gij hebt hem reeds herkend? Onze grove Hein van de kinderschool. Hij maakt nog altijd slaven, nu niet meer om geld, maar met zijn geld, — slaven, op wie hij zijnen ouderdom en zijne magteloosheid wreken kan!
Zouden wij onzen tweeden ouden konnis ook nog terug vinden? O ja! maar om hem oud te zien, moeten wij een tiental jaren later komen. Eene lijfrente op een goed financier is even min voordeelig voor de maatschappij, die haar op zich nam, als die op een' rentenier van burger- of minderen stand. Deze deukt te weinig, en gene, — de man van geldzaken — te veel. Hij leeft matig en werkt geregeld: beide perfekte middelen om oud te worden.
Al pratende hebben wij het huis gevonden, maar juist niet in de aanzienlijkste buurt, 't Is kleinen ilozes niet bijzonder voordeelig gegaan: want zijn schoonzoon was een schurk en is schoonpapa, bij zekere speculatie, te slim af geweest. Er stond ook niet in het anders zoo naauwkeurige huwelijks-contract, dat hij een eerlijk man moest zijn. Daar was dien bewusten avond geen woord van gerept. En nu zit de oude Mozes daar, de
275
DE HEBZUCHT.
magere handen in do gevoerde ka nierjapon gestoken, en de voeten schuifelend op de koperen stoof. quot;Want de thermometer teekent nog meer dan -lO0 Fahrenheit, en daar boven mag de meid nooit vunr aanleggen. Arme man! half verkleumd van de gure Novemberkou, en ook de levensvreugd verkleumd, verstorven : want zijne vrouw is reeds lang niet meer, en ook zijn eenig kind, zijne Rachel, verhandeld en geleverd zonder te vragen of zij ook een hart had, is gestorven van verdriet!____
Arme man! Toch schijnt hij 't nog zoo kwaad niet te hebben. Met den bril op den scherpen haviksneus staart hij op zijn grootboek. De oogen, nog altijd klein en scherp, schijnen uit de oogkassen en tusschen de zware wenkbraauwen voorwaarts te willen dringen. Ja, waarlijk! met het heimelijk beleenen van kostbare voorwerpen en 't koopen van erfenissen, die voor den losbol niet vroeg genoeg los komen; met voorschotten op kleine traktementen en hot uitzetten van kleine sommen tegen een' stuiver van den gulden iedere week, en met vele andere even eerlijke middelen, is hij in 't laatste jaar weer ruim duizend gulden vooruit gegaan. Tien malen nog zulk een batig saldo, intrest op intrest natuurlijk, en hij is de man weder, die hij geweest is......»Hanna! ge moest nu toch liet vuur maar aanleggen. 't Is wel 42°, maar ik kan niet raeer schrijven en dat
is ook schaquot;____ En als weldra de vlam opflikkert en de kolon-
gloed zich verspreidt, neemt de tachtigjarige man de kagchel tusschen de beenen en houdt de blaauwe handen regts en links van den haard , om toch ook van het vuur goeden Intrest te trekken.....
Maar terwijl wij hiermede voor goed van den kleinen Mo-z e s afscheid nemen, kan ik een kort intermezzo niet terughouden.
Men heeft zich nu en dan geërgerd aan mijn spreken over de Joden, en dien naam, waarop onder velen Mcrdechai zoo
27G
DE HEBZUCHT.
trotscli was, zell's als een scheldwoord opgevat. Die ik zoo noemde, zeide men mij, waren Nederlanders als ik, maar van 't Israëlitisch kerkgenootschap, zoo als anderen Roomsch zijn of
Protestant____ Israëlitisch kerkgenootschap! — Dat kenden Hozes
en de profeten niet, en ik ken quot;t even min. Ik ken alleen 'tvolk Israël, naar den aanzienlijksten stam, dien van Juda, Joden genoemd: een volk van den oudsten adel, met eigen taal en zeden, en overal op de wereld als volk kenbaar.
Ik eerbiedig zijne trouw aan de overlevering der vaderen, zijne werkzaamheid, matigheid, huiselijkheid en onderling broederlijken zin. Zelf ondervond ik hunne trouw en dankbaarheid. Speculanten, gierigaards, woekeraars, men vindt ze onder Christenen ook. En wanneer ik den Jood kies als de eigenaardige type daarvan, dan is dat eene ingewikkelde beschuldiging van u. Christenen! die door eeuwenlange onderdrukking, door uitsluiting van staatsdienst, landbouw en nijverheid, hen tot de geldmannen gemaakt hebt. Omdat hot geld nu hun eenig wapen, hun brood en leven was, is 't hunne ziel geworden. En toch dezelfde kleine Mozes, wiens vingeren er naar staan tot in den ouderdom, en die dus de type van den geldman is, ik weet, dat hij in den watersnood zijne negotie dreef zonder winst, ten voordeele der overstroomden, en dat hij zijne Eachel, die hij innig, al was 't op zijn Oostersch, lief had, niet aan Levi's zoon zou gegeven hebben, als daarbij niet een kapitaal voor de armen was vast gezet; zoo min als Rachel den liefsten van Israels zonen zou gehuwd hebben, zonder den onmisbaren vaderlijken zegen.
Maar wij hebben nog een laatste bezoek af te leggen. Als wij dat niet vooruit wisten, gij zoudt ze zeker niet herkennen, die oude dame met 't effen mutsje en eenvoudig kleed, met den tandeloozen mond en de holle oogen, met de beenige hand en
277
DE HEBZUCHT.
magere handen in do gevoerde kamerjapon gestoken, en de voeten schuifelend op do koperen stoof. Want de thermometer teekent nog meer dan 40' Fahrenheit, en daar boven mag de meid nooit vuur aanleggen. Arme man! half verkleumd van de gure Novemberkoü, en ook de levensvreugd verkleumd, verstorven; want zijne vrouw is reeds lang niet meer, en ook zijn eenig kind, zijne Rachel, verhandeld en geleverd zonder te vragen of zij ook een hart had, is gestorven van verdriet!____
Arme man! Toch schijiit hij 't nog zoo kwaad niet te hebben. Met den bril op den scherpen haviksneus staart hij op zijn grootboek. De oogen, nog altijd klein en scherp, schijnen uit de oogkassen en tusschen de zware wenkbraamven voorwaarts te willen dringen. Ja, waarlijk! met het heimelijk beleenen van kostbare voorwerpen en 't koopen van erfenissen, die voor den losbol niet vroeg genoeg los komen; met voorschotten op kleine traktementen en het uitzetten van kleine sommen tegen een' stuiver van don gulden iedere week, en met vele andere even eerlijke middelen, is hij in 't laatste jaar weer ruim duizend gulden vooruit gegaan. Tien malen nog zulk oen batig saldo, intrest op intrest natuurlijk, en hij is de man weder, die hij geweest is......»Hanna! ge moest nu toch het vuur maar aanleggen. 't Is wel 42°, maar ik kan niet meer schrijven en dat
is ook schaquot;____En als weldra de vlam opflikkert en de kolen-
gloed zich verspreidt, neemt de tachtigjarige man de kagchel tusschen de boenen en houdt de blaauwe handen regts en links van den haard , om toch ook van het vuur goeden intrest te trekken.....
Maar terwijl wij hiermede voor goed van den kleinen 31 o-z e s afscheid nemen, kan ik een kort intermezzo niet terughouden.
Men heeft zich nu en dan geërgerd aan mijn spreken over de Joden, en dien naam, waarop onder velen Mordechai zoo
27G
DE HEBZUCHT.
trotscli -was, zoll's als een scheldwoord opgevat. Die ik zoo noemde, zeide men mij, waren Nederlanders als ik, maar van 'tIsraëlitisch kerkgenootschap, zoo als anderen Eoomsch zijn of
Protestant____Israëlitisch kerkgenootschap! — Dat konden Mozes
en de profeten niet, en ik ken quot;t even min. Ik ken alleen 't volk Israël, naar don aanzienlijksten stam, dien van Jnda, Joden genoemd: een volk van den oudsten adel, met eigen taal eu zeden, en overal op de wereld als volk kenbaar.
Ik eerbiedig zijne trouw aan de overlevering der vaderen, zijne werkzaamheid, matigheid, huiselijkheid eu onderling broederlijken zin. Zelf ondervond ik hunne trouw en dankbaarheid. Speculanten, gierigaards, woekeraars, men vindt ze onder Christenen ook. En wanneer ik den Jood kies als de eigenaardige type daarvan, dan is dat eene ingewikkelde beschuldiging van u. Christenen! die door eeuwenlange onderdrukking, door uitsluiting van staatsdienst, landbouw en nijverheid, hen tot de geldmannen gemaakt hebt. Omdat het geld nu hun eenig wapen, hun brood en leven was, is 't hunne ziel geworden. En toch dezelfde kleine Mo zes, wiens vingeren er naar staan tot in den ouderdom, en die dus de type van den geldman is, ik weet, dat hij in den watersnood zijne negotie dreef zonder winst, ten voordeele der overstroomden, en dat hij zijne Rachel, die hij innig, al was 't op zijn Oostersch, lief had, niet aan Levi's zoon zou gegeven hebben, als daarbij niet een kapitaal voor de armen was vast gezet; zoo min als Rachel den liefsten van Israëls zonen zou gehuwd hebben, zonder den onmisbaren vaderlijken zegen.
Haar wij hebben nog een laatste bezoek af te leggen. Als wij dat niet vooruit wisten, gij zoudt ze zeker niet herkennon, die oude dame met 't effen mutsje en eenvoudig kleed, met den tandeloozen mond en de holle oogen, met de beenige hand en
277
DE HEBZUCHT.
den gebogen' rug. Wat is zij veranderd, ilooi Naatje, in- en uitwendig veranderd! Aan den devoten gang en den grooten bijbel, zoo wel als aan het kleindochtertje naast haar, dat geen goud en geen gekrulde haren dragen mag, en nooit, nooit kaarten in handen krijgt, bemerkt gij al, dat zij der wereld is afgestorven.
Ook zij heeft rampen gehad. Haren man en hare beide kinderen heeft zij verloren, en alleen de lieve kleine Mina overgehouden, die ons — als hare kleeding anders was, — sprekend 't mooije Naatje van vroeger zou voor den geest terug roepen. Na al die sterfgevallen heeft de oude vrouw die vrees voor dood en eeuwigheid aangegrepen, die 't bijgeloof zoo ligt met ware vroomheid verwart. Zij verwijt zich nu met bitteren angst het valsehe spel van vroeger. Mogt gij 't nooit weten, blonde Mina! waarom uwe vrome grootmoeder aan schoppenboer en hartenheer horens en bokspooten ziet!
Maar is haar berouw zelfs en hare vroomheid bekrompen en baatzuchtig, zij is daardoor dan toch voor goed van haren harts-togt, de hebzucht, genezen; en dat te meer, daar zij rijkelijk genoeg heeft, om dat lieve kind daar onbezorgd achter te laten? — Dat hopen wij ten minste. H Hart is zoo arglistig meer dan
eeni'j lt;Ung, zegt de Schrift..... Maar wij behoeven niet langer
te hopen. 2ij laat 't ons zien. Zie maar! de oude vrouw zet Mina aan 't naaiwerk en sluipt heimelijk naar de achterdeur, na eerst door een reet in de keuken gegluurd te hebben, cl' de meid er wel rustig zit met den aardappelbak. AVat zij gaat doen, de linkerhand mag 't ook van de rogter niet weten. Een arm man wacht daar achter reeds. Zij heeft geld in de hand. groot zilver, dat zij onbekrompen don arme overreikt..... Maar hoe?
Stopt hij haar daar niet ter sluiks een gedrukt rood briefje in do hand?.....
Ach! zij heelt de kaarten de voordeur uitgeworpen en met
278
DE HEBZUCHT.
don bijbel verwisseld; maar de loterij is door de achterdeur binnen geslopen!
Wat wij tot nu toe in 't klein hebben uitgemeten en onder de mikroskoop der menschenkennis gezet, opdat het eigenlijke ka-rakter der hebzucht en hare verschillende nuances — roofzucht, winzucht, speelzucht, — ons niet zouden ontsnappen, —ik zou het nog wel eens, als er de tijd voor was, a vol cVoiseau met u willen beschouwen, in onze verbeelding ons verheffende met arendsvlugt, om al die landen ver onder ons te zien voorbij gaan. AVat al gewoel op deze kleine aarde, van Nova-Zembla's ijskorst af tot het bloeddorstig Nieuw Zeeland toe! Waar heen woelt en keert en drijft en jaagt dat nietige kleine schepsel, dat 't hoofd zoo stout omhoog houdt, en zich als mensch »den Heer der scheppingquot; noemt? Ginds is 't een ijsbeer, daar een walvisch, elders een wild zwijn, dat men vervolgt. Waar de branding hoog tegen de rotsen slaat, zijn de zwaluwnestjes in den rotswand voor den mensch niet veilig, zoo min als op de onbereikbare sneeuwtoppen der Alpen het arendsnest. En op de golvende vlakten en op de zeeën zelfs, daar zien wij menschen zwermen, in bloedigen strijd om een kleine strook lands, om een al te ligte kroon —
Onbeschrijfelijk is die hartstogt, die woede. Onbegrijpelijk is die verrukking van 't eerste li e b b e n, als de overwinnaar zeggen
kan; »'t Is mijn!quot;____ En hoe zonderling! 't Is of altijd twee
hetzelfde willen hebben. Leg de grootste kamer van uw huis vol speelgoed, en zet er twee kinderen in. Geen uur, op verre na niet, of ze hebben reeds naar dezelfde fluit of trommel gegrepen, vernielen in 't gevecht wat zij begeeren, en slaan uu elkander met de stukken om de ooren— 't Gaat met volwassenen al even eens, behalve dat daar het mijn en dijn, het
279
DE HEBZUCHT.
denkbeeld van bezit, meer blijvend is. Zelfs onze huisdieren worden er mee besmet. De duiven, oudtijds het beeld van ecn-voiid en vrede, pikken den armen zwerveling, die bij hen logéren wil, bijna de oogen uit 't hoofd; en do hond begraaft zijn been, dat hij morgen wil afkluiven. Maar allen overtreft ze in hebzucht en houvastheid de mensch. Gansch de aarde wordt zijn buit,, bestreden, uit de hand gerukt, hoe langer zoo verder en sterker bezet; en weldra zullen alleen nog de Noord- en Zuidpool, met
hunne ijsschotsen en witte beeren, ter liquidutie owerschicten____
't Spijt me bijna, dat ik een zoo inhalig onderwerp gekozen heb, en ik vrees haast, dat mijne lezers niet anders dan van klaauw en kreeftschaar en nijptang droomen zullen dezen nacht, of zich misschien, terwijl zij rustig te bed liggen, door roovers-
overvallen zien of door jagers vervolgd____ O! hoe gelukkig zou
deze aarde zijn zonder al dat grijpen en jagen, dat krijgen en
hebben en 't strijden om den heb____ Mij dunkt, ik zie 't al: al
liet geschapene voldaan, verzadigd, zonder iets meer te begeeren. De tijger zich onverschillig nederleggende bij het lam; de roofvogel uitrustend op de duiventil; plant en boom zelfs schijnen versteend; en de mensch ziet vadsig rond over dat alles, en begeert het niet. Een onuitstaanbare rust verspreidt zich over al wat leeft; een doffe, loome slaap breidt zijne vleugelen uit over
gansch de schepping..... O neenl keer weder, gij rustelooze
begeerlijkheid, polsslag en ademtogt der natuur, hoe koortsig soms ook! Liever onrust, liever strijd, liever eindelooze wen-schen en teleurstellingen zelfs, dan die stomme rust, dan die sombere doodslaap van 't heelal.
De Opperste Wijslieid heeft een krachtig beginsel van werkzaamheid in alle hare schepselen gelogd. Al wat een eigen aanzijn ontvangen heeft, maakt zich zelf als 't ware tot het middelpunt van 't heelal, trekt naar zich toe wat 't kan, groeit aan of breidt zich uit en komt zóó eerst tot zijne bestemming. En
280
DE HEBZUCHT.
daar nu in den mensch het beginsel van liet oneindige is gelegd, zijn zijne begeerten ook grenzenloos. Zij spannen al zijne ziels-en liehaaraskraehten. Zij drijven de wetenschap met reuzenkracht vooruit, en brengen grootsche kunstwerken tot stand.....
Die schoone fabrieken bij voorbeeld, waarvan liet kolossale zoo wel als 't fijne mecanisme onze verbazing wekt: wie heeft ze uitgevonden in rustelooze nachtwaken, wie tot stand gobragt na tal van mislukte proefnemingen? quot;Wie bragt ze herwaarts over uit den vreemde, en deed er tal van werklieden aan toestroomen ? 't Is prozaïsch genoeg; maar ik wilde wol eens zien, dat alle menschelijke magt en wijsheid zoo iets tot stand bragt, indien niet haar hefboom de hebzucht was.
Zoo hebben wij eene hatelijke ondeugd tot in hare diepste schuilhoeken vervolgd en daar eene heilzame natuurwet gevonden. De oester zelfs zou niet leven, niet groeijen, als ze zich zoo vast niet toekneep; de monsch de aarde niet beheerschen, wanneer hij ze niet begeerde. Waar de natuur al te gemakkelijk die begeerten verzadigt, daar ontbreekt de krachtige en vindingrijke energie van het Noorden. Slechts is tegenover iedere kracht in de natuur een tegenwigt noodig; en alleen omdat de hebzucht den mensch regeert, en niet hij haar, wordt ze zijn kwelduivel, zijn tiran, zijn verderf.
quot;Wat is dus het tegenwigt der hebzucht? Dit is onze laatste vraag. Ik wil u ook daarop het antwoord doen zien; gij zult dit liever dan hooren. En weder behoeven wij niet buiten den kring onzer oude kennissen te gaan.
De brief van g r o v e n Hein — hij mag tot het eind toe zijn'
281
DE HEBZUCHT.
sohoolnaam behouden! — is gesloten en op den post gedaan, onder een' nieuwen aanval van podagra, die liein nog eens baai en flanel en zijn' armen neef er bij doet vervloeken.
Deu volgenden morgen wandelt één der vele Amsterdamsche brievenbestellers eene afgelegene winkelstraat door: — dood en leven, bittere smart en luchtige bruiloftsvreugd in de hand, maar omtrent beide even onverschillig als altijd. Op eens bedenkt hij zich. »Verliaardt, 't is waar! Ik was dat winkeltje al in gedachte voorbij gegaan, 't Is er ook net een winkel naar!quot; En de man keert op zijne voetstappen terug, drie huizen ver, en geeft voor de toonbank den brief tegen 't porto af, — want 't uniforme frankeerzegel is nog niet ingevoerd, enjOom heeft hem niet gefrankeerd. — Terstond neemt een knaap van vijftien jaren vaders plaats in, — die ook niet moeijelijk in te nemen is, — en vader zelf gaat met den brief, waarvan hij het adres herkend heeft, naar binnen. Een donkere wolk trekt over 't fijn gewelfde voorhoofd, maar dat al te hoog is door de naaktheid van den schedel, en vóór den ouderdom reeds van rimpels doorploegd. Hij weet, dat 't al of niet frankeeren de barometer is van Oom's humeur. Daarom liep hij zoo spoedig en zoo bezorgd naar binnen.
»Is er wat?quot; vraagt zijne vrouw, een klein kind op den schoot, terwijl vier anderen allen even hard en even hongerig dwingen om het sober ontbijt. »Is er wat!quot; Men kan aan den toon van die vraag hooren, dat de goede vrouw niet veel goeds en ver-blij dends van het leven verwacht.
»Och!quot; spreekt de man al lezende: »Een knorrige brief van Oom, omdat het laatste flanel niet naar zijn' zin was. Ik zal
't wel dadelijk moeten ruilen, al heb ik er scha bij!____ 't Is toch
een vreemde loyica,quot; — voegt hij er bij, terwijl hij voorzigtig den brief in zijn' zak steekt, om de bedreiging niet voor te lezen: — »vreemd ook, dat een rijke zijn' armen erfgenaam beknibbelt, daar hij 't toch voor niemand anders oppot.quot; — quot;Want de flanel
282
DE HEBZUCHT.
was dun, 'tis waar! Maar Oom had ook de goedkoopste gevraagd, daar dat vervloekte pootje hem toch al zoo veel geld kost.
De kinderen gaan naar school. Elke getrouwde man begrijpt, dat moeder binnen liet half uur daarna den brief in originali in handen had. .Ta wel! verberg eens wat voor uwe vrouw, dat zij met een' zweem gezien heeft! De vrouw kan dat nog doen. Mannen zien zoo scherp niet. Maar zij ? — quot;Wel! den halven brief hebben onze vrouwen al op ons gezigt gelezen. Het beste is dus maar, haar de andere helft ook te geven.
»Albert!quot; is 't nu: »gij moet er zelf heen; voor uwe kinderen moet gij 't doen. Och dat ik 't maar doen kon! Ik zou voor mij zelve niet verlangen naar dat goud, waar een vloek aan kleeft. Maar voor mijne kinderen begeer ik het, en ik vertrouw, dat 't gebed eener moeder er don vloek van zal weg nemen____quot;
De arme man aarzelt nog. Voor de vloeken van den ouden knorrepot te bukken, hem te vleijen om zijne erfenis: 't is hard
voor een' man van eer! Maar aan den anderen kant:..... de
duizend gulden, die de oude Mozes — enkel uit barmhartigheid! — hem tegen den matigen intrest van 20 percent op de
erfenis heeft voorgeschoten____En dan, wat eene moeder altijd
het eerst noemt, maar de vader niet altijd: zijne 6 kinderen!
Op den middag wordt alles voor de reis gereed gemaakt: de sobere kleeding, maar vooral 't beste flanel en baai, al legt hij er geld bij toe.... De huisvader zucht diep. Ook dat nog! Al reist hij derde klasse en draagt zijn eigen pak, dat reisgeld is het brood van zijne kinderen!
Daar wordt, te midden dier huiselijke bestellingen, op eens de deur der binnenkamer open gerukt, en de jonge Albert houdt bevende een couvert in de hoogte, wat groot voor den brievenpost. Vader herkent het terstond en scheurt het open. Zoo kalm doorgaans de brieven worden aangenomen en open ge-
283
DE HEBZUCHT.
kuipt, zoo haastig, — wanneer men de beurs en 't koopmans-knntoor uitzondert, — wordt de omslag- van een telegram stuk gescheurd. Geen hatelijker order, dan dat men terstond voor de goede ontvangst teekenen moet, en nog wel mot uur en minuut!
»Uit D., zeker van Oom!quot; roept de bezwaarde huisvader.
»Kent gij de hand?quot; vraagt moeder, naïef genoeg. Maar zonder antwoord af te wachten, leest ze over zijn' schouder, dat de Hoer Albert Verhaardt, als universeel erfgenaam, door den notaris-executeur verzocht wordt, dadelijk over te komen, aangezien zijn Oom, door verplaatsing van het podagra op de ingewanden
plotseling overleden is.....
Gij zult 't neef en nicht niet al te kwalijk nemen, dat zij hunne tranen niet behoeven te droogen; of het mogt een traan zijn van vreugde en dankbaarheid, en die droogt men idet.
Maar wat is er eene mengeling van aandoeningen, eene bijna jonkvrouwelijke verlegenheid te lezen op het edele gelaat van dien jongeling? Eindelijk vermant hij zich, en komt nader bij zijne ouders, om hun te kunnen toefluisteren: »Nu mag ik immers studeeren. Vader?quot;
»Ja , mijn jongen!quot; is 't antwoord; »als dat uwe keus is, en moedor het goed vindt.quot; — En moeder strijkt hem het blonde haar uit de oogen en kust hem. Zou zij 't niet goed vinden? Eene moeder niet goed vinden, dat haar kind knap wordt, geleerd, beroemd, — misschien nog wel dominé te Amsterdam— wat toen ter tijd begeerlijker was dan nu!! — En de jonge Albert springt naar zijn zolderkamertje, om 't aan zijne weinige boeken te zeggen, door zure ontbering en voor zwaren arbeid aangekocht, dat hij van nu aan geheel met en voor hen leven zal; kennis
opzamelen, zijn leven lang____ Want het studeeren is hem doel,
en geen middel____
Er is nog een uur tijd vóór de spoor. In do eerste helft er
284
DE HEBZUCHT.
van wordt alles haastig weer overgepakt; en in tie tweede kouten de eclitelingen nog wat zamen.
't Is zonderling! een groot en onverwacht geluk verrukt in 't eerste oogenblik, maakt in het tweede bezorgd.
»Woet gij, waarvoor ik nu maar bang ben, Albert?quot; zegt de bezige huisvrouw, nadat ze alles voor de reis heeft bezorgd, en bij ieder boordje eene instructie heeft gegeven, waarvoor ik niet insta, dat ze zal worden nagekomen; ja niet eens, dat ze goed begrepen is.
»En waarvoor dan, lieve?quot;
»Wel! dat wij met het geld van Oom ook zijne geldzucht zullen erven. Ze is zoo besmettelijk, zegt men. Op dit oogenblik verblijdt mij dat geld alleen nog om mijne kinderen; — ja! en dan ook voor zoo vele armen, en zoo nuttige instellingen, die wij moeten voorbij zenden. Maar — wie weet?quot;
»Vrouw!quot; zegt de man ernstig en bijna plegtig: »liet eenig afdoend tegenwigt tegen de geldzucht is de liefde. Die zal er ons voor behoeden; of liever, God zal 't doen: want God is liefde!quot;
ilijne finale zal kort zijn. Ik hoop, dat ge haar reeds vooruit begrepen hebt.
Toen ik van een tegen wigt sprak tegen de hebzucht, bedoelde ik dien doodschrik niet, die haar voor eenige oogenblikken verlamt. Onder 't woeden der cholera zag ik voor een' winkel de annonce; »Door de gedurige sterfgevallen verkoopt men hier niet meer!quot; En toen eens de jongste dag in mijne gemeente werd aangekondigd, wierp de inhaligste letterlijk goud en zilver weg. Maar toen de jongste dag uitbleef, raapte en schraapte men alles weer bij een, en na de cholera werd in denzelfden.
285
DE HEBZUCHT.
quot;winkel misschien met valsch gewigt gewogen, oin de schade in te halen. Zoo vlugten tijger en hert te zamen voor quot;watervloed of aardbeving: — maar daarna?
Neen! geen tegenwigt of teugel verlangde ik, om de hebzucht op te houden voor een oogenblik, maar om haar te leiden op een' beteren weg, om haar edeler goederen te doen be-geeren, waartoe het geld slechts middel wordt en geen doel. Daarom koos ik tot beeld de moeder met het teederste dat zij bezit: hare kinderen, hare armen en haren God: en den jongeling met 't edelste, dat hij kan genieten: kennis en wetenschap.
En nu — bezien wij nog eens onze hand. Onder de vele en zoo kunstmatige bewegingen, waarvoor zij vatbaar is, is ook die van besproeijen, van uitstrooijen, van zaaijen. „Daar is eenu hand,quot; zegt Salomo: vdie uitstrooit, en ivie nog meer toegedaan wordt; en eene hand, die inhoudt meer dan regt is, maar 't is tot gebrek.1'' — De hand, die uitstrooit en besproeit, en daartoe alleen eerst greep en tot zich trok; de hand, die slechts oogst om weer uit te zaaijen, te zaaijen voor 't nakroost, voor de eeuwigheid: — dat is de hand der liefde: — ook in ons geldziek vaderland. God dank! nog 't krachtig tegenwigt der hebzucht.
't Zij zoo en blijve zoo, meer en meer!
286
HUMEUR EN HUMOR.
24 Mei 1887.
I
a
s
HUMEUR EN HUMOR.
Het eclite dorpsleven verdwijnt, en voor zoo vor liet nog bestaan mag naar de wet, wordt liet meer en meer naar den achterhoek verschoven. Ze winnen er niets bij, de dorpen, dat zij armzalige kleine stadjes worden, met een' burgemeester in de verte, een' onderwijzer, die veel te knap, en eene school, die veel te kostbaar is; en een' dokter of arts, — zoo er een is!
— die bij visites en medicijnen wordt betaald..... Het slot is,
dat wanneer de menschen dan toch op zijn stadsch leven moeten, zij liever naar eene wezenlijke stad verhuizen.
Neon! dan was 't anders te Mastland; en mijn »plattelander,quot; zoo als de Doctoren hein minachtend noemden, genas ons even goed en veel goedkooper, al wist hij niet, wat logarithmen-tafcls waren; ja! al maakte hij in drie woorden latijn vier fouten. Toch gaf dit hem voor de boeren een air van geleerdheid; — en waartoe zou 't latijn ook anders dienen?
En Mastland was nog zijn' tijd vooruit. Hot had een' gestudeerden medicus, al kwam hij maar van de klinische school. Elders heb ik de avondschemering nog gezien eener vorige eeuw, en de Meesters gekend, bij wie 't scheerbekken uithing.
Ziet maar daar op den dijk, aan 't eind dor dorpsstraat, het antieke, met riet gedekte huis, waar aan een' verroesten ijzeren stang het koperen bekken bengelt in den wind. Ieder kind
19
irUilETJE EX HUMOR.
tan u zeggen, dat daar Meester Teevrwes woont, meester per excéllentiam. Want men had een' bnrgemeester en een' schoolmeester, een meester smid en timmerman; maar de Meester, dat is de oude Teeuwes alleen; en hoe onder lüj wordt, hoe liever men bij hem »to meester gaatquot; of zijn »nieesters goedquot; inneemt.
Gaat maar vrij naar binnen. Gij behoeft de Ming niet eens op te ligten. Want het is zaturdag avond, en Meester Teeuwes heeft 't druk. Een boer, al is hij schatrijk, laat zich maar eens in de week scheren en zit op denzelfden scheerstoel als zijn arbeider. En daar 't nu te koud is, om op den dijk vóór de smidse to staan praten, blijven do geschorenen nog wat in den achterhoek staan, tot het vertrek al te vol wordt.
Het schemerlicht dor walmende lamp verlicht al die forsche, diep ingegroefde gezigten. 't Is een kunst voor den man van 't vak, om tusschen die verharde rimpels de haren weg te nemen! 't Jonge mensch, dat daar vóór een kleiner scheerstoel het werk op eenige stokouden leert, schijnt er bijna even veel pijn van te hebben, als zijne patienten. En waarom worden dan ook juist de oudsten en meest gerimpelden door den leerjongen bediend? — Och! 't geeft zoo weinig. Want de Meester, die voor vijf en twintig caroli guldens in 't jaar de armen bedient en van medicijnen voorziet, moet voor 't zelfde gold de oude bedeelden nog op den koop toe scheren.
Bij 't open slaan der deur en den togt dien dit geeft, quot;bengelt er iets boven 't hoofd der gasten, 't Is do krokodil of kaaiman, die al vele jaren dienst telt, opgehangen aan den lagen zolder, en met de getande kaken gerigt naar 't doodshoofd daar op de kast. Wat beide vaste emblemata ons zeggen? 't Laatste, dat Meester gestudeerd heeft en den mensch van binnen bekeken; en de kaaiman, dat hij (of anders zijn voorganger , van wien hij hem erfde,) gevaren heeft. De Mees-
290
nraiETIB EN HrMOR.
ter, die zoo ver gereisd, en als eenige Aeskulaap aan boord de gebroken en geknensde leden dor matrozen gecureerd heeft, verdient dubbel vertrouwen. En dan zijn beide zinnebeelden van 't beroep een soort van politie, om de dorpsjeugd van de deur te houden. Die door het uilengekras van 't scheerbekken niet is afgeschrikt, blijft zeker voor krokodil en doodshoofd op den drempel staan.
't Slaat acht ure, en de menigte trekt langzamerhand af, met gladde tronies, zoo ver dit mogelijk is. Een enkele schram of snee geeft niets. »Dat komt van 't omkijken!quot; zegt de Meester, en legt er voor 't zelfde geld een' pleister op.
't Is half negen, en de leerjongen wil sluiten. »En kreupel Dolfje dan?quot; vraagt de Meester. — »'t Is waar ook.quot; Met dit woord laat hij den grendel weer los, en hoort buiten den armen ouden Adolf al strompelen; ook al één der ge aliment eerden, die gratis worden geschoren. Als hij geholpen is, krijgt Mj de vermaning meê, om in 't vervolg vroeger te komen, daar men hem anders met baard en al op straat zal laten staan. Dat is zoo de vaste finale van den scheeravond.
Eindelijk is de grendel op de deur geschoven, wordt de pit van de lamp nog wat opgehaald en steekt Meester Teeuwes zijn lekkerste pijpje van de geheele week op. Wee den armen zieke, — al was het de Jufvrouw van den schout («//as-burgemeester) of zelfs de Mevrouw van 't Hof, — die zaturdag avond na scheertijd ziek wordt, of 't zich verbeeldt! — Durft hij 't niet op eene andere wijs te toonen, dan verontrust hij den patient door een onheilspellend gelaat; en anders — de Meester is vroom genoeg, maar op zaturdag avond geeft hij zich zei ven absolutie van 't vloeken.
Maar dit komt nu niet te pas. Hij zet zich dus vergenoegd in den ouden scheerstoel, en zijn leerjongen in den kleineren. Natuurlijk rookt de jongen nog niet, althans niet in presentie
291
HTJUEUR Elf HUMOR.
van den ileester. »Een kind van zestien jaar!quot; — zoo zeide men toen.
Nu eerst kijken wij den jongen aan. Hij bevalt ons. 't Is één van die gezigten — ik zou ze niet weten te beschrijven, — daar eene toekomst in ligt. Als zoontje van den schoolmeester heeft hij al heel wat geleerdheid ingeademd; en voor zijn' nieuwen Meester, met doodshoofd en krokodil, gevoelt hij dien onbepaalden eerbied, dien het onbekende en raadselachtige der jeugd inboezemt.
Tot nu toe heeft hij zich hoofdzakelijk geoefend in de beginselen der praktijk : het baardscheren niet alleen, maar ook 't haarsnijden, naar vast model en met uitgeschoren nek. Er is geen mode in 't groeijen van het haar; ook bij 't intoomen daarvan kan men die weelde missen.
Meester telt de duiten, — zilvergeld is er niet onder. Hij schijnt nog al wel tevreden, vooral omdat er bij de verschillende provincie-munt van die dagen, ook een paar vreemde stukjes zijn voor zijne rariteiten-verzameling, een bont amalgama, — even als vroeger 't Mauritshuis.
De jonge mensch wacht. Hij weet, dat als 't geld geborgen is, Meester zijn theoretisch onderwijs begint. En onze knaap wil niet alleen iets worden in de wereld, maar ook iets weten. Hij brandt van kennisdorst, en kan dien nog alleen verzadigen bij de twee geleerden van 't dorp; zijn' vader eu zijn' patroon. Dit uur is hem daarom nog meer waard, dan de scheepjes- of bakerschelling aan 't einde der maand.
Zullen 't dezen keer de aderen zijn, die hij van de slagaders moet leeren onderscheiden? Want Meester heeft hem beloofd, als er weer een arme vrouw komt, om naar voorvaderlijk (als 't Hollandsch was, zou ik zeggen voormoederlijk) gebruik, zich half weg de zwangerschap wat bloed te laten afnemen, hij op haai- arm 't aderlaten mag leeren. Eén moet toch de eerste
292
iimiEün EN uraoE.
zijn, en dat primaat is het voorregt der armen, — toen en nu.
Maar neen! de Meester heeft gewigtiger dingen in 't hoofd Tan daag.
»Jongen!quot; zoo begint hij, nadat hij de blaauwe slaapmuts op één ooi' gesehoven heeft: »wat gij tot nu toe hier gezien hebt, is nog maar de practica ofte praktijk. Maar iedere praktijk moet eene theorie hebben, zoo goed als huis en toren een fondament. En om dat fondament te leggen naar :t gebouw, en het gebouw op te trekken naar 't fondament, is een vast systeem noodig. Verstaat gij dat?quot;
Op 't eerste hooren verstond de jongen 't maar half. Doch hij bezat den waren leerlust, die niet schroomt zijne onkunde te belijden, en met een paar vragen kwam hij er achter.
«Nu, van stelsel gesproken, daar moet eenheid in wezen; anders is 't geen systeem. Het een moet het andere niet tegenspreken of opheffen, noch de symmetrie verbreken.
»Nu heeft men in de heelkunst of de studie der medicamenten verschillende systemen. Het oudste is 't empirische, proefondervindelijke; zoo als de oude Egyptenaars hunne zieken op de markt bragten, en dan vroegen, of iemand wel eens zulk eene kwaal had of zag, en wat er met goed succes aan gedaan was.
»Maar de rede vergenoegt zich hier niet meê, en vraagt 't hoe en waarom. En zoo zijn er geweest, — met die geleerde partijnamen zal ik u maar niet vermoeijen, (misschien was de man er zelf niet vast op!) — die meenden, dat elke ziekte een eigen wezen had; iets vreemds was, even als alle vergiften. Is zulk een ens, 't ziektebeginsel, nu 't ligchaam ingegaan, dan moet men het tegengift zoeken.
xMaar de ziekte is niet iets, dat op zich zelf kan bestaan, even als quot;t vergift. *) Do koorts, de tering, en al wat men verder
*) De lezer ziet, dat meester de bacteriën eu bacillen nog niet kent, en redeneert buiten 't mikroskoop van onze eeuw.
293
HXTMEUR EN HUMOR.
noemen wil, is eene verstoring van de gezondheid, van de harmonie van 't ligchaam. Nn is maar do vraag, waar die stoornis Iniist: en in dit opzigt ben ik volbloed humorist. Begrijpt ge dat?quot;
Het jonge menscli kende dat woord niet, en begreep er dus niets van. Gij, mijn lezer! kent 't, en begrijpt 't toch niet. Hoort den uitleg maar van onzen Meester. Want zóó veel zult ge al begrepen hebben, dat onder die blaauwe slaapmuts wel eenige belezenheid, en vooral een voldoende dosis gezond verstand schuilt. Hij was ook vroeger bij een' stadsheelmeester in de leer, had daarna een paar Oost-Indische reizen gedaan, en nu hier zijn brood en zijne rust gevonden. Alleen heeft hij, als aandenken daarvan en teeken zijner scheepswaardigheid, den gebruikelijken vlaggestok uitgestoken.
Meester Teeuwes pijpte nog eens aan, en Johannes, wien deze lessen nooit te lang duurden, luisterde met al zijn verstand.
«Humorist is afgeleid van 't Latijnsche humor, dat vocht beteekent. Nu heeft de groote Galenus na langdurige studie bewezen, dat het verschil van temperament en karakter zijnen oorsprong heeft in verschillende vochtmenging. Er zijn vier zulke temperamenten: het sanguinische, waarin het bloed, en 't flegmatische, waarin het water de overhand heeft; het cholerische, dat door de gal wordt aangeprikkeld, en 't melancholische, waarin die gedrukt, zwartgallig is. Men zou er nog 't nerveuse of zenuwachtige kunnen bi:voegen, ofschoon omloop en werking van 't zenuwvocht nog in 't duistere liggen.
»Geen dezer temperamenten is eene eigenlijken ziekte, 't Is eenvoudig een modus vivendi, eene modificatie van 't leven. — Maar wanneer de vochten of humeuren op een of andere wijs bedorven zijn, wordt het ligchaam ziek en kan zijne gewone
294
HUJIEUH EX HPJIOK.
functies niet verrigten. quot;Wel zijn eu geleerden, die de ziekte zoeken in de vaste deelen. Maar ik bid u, lioe kan dat? Is de wijn slecht, omdat 't vat wormstekig is of verweloos? Even min kunnen de vaste deelen van 't ligchaam ziektekiemen voeden, of ziektegeleiders zijn. Zie maar eens!quot; — En bij deze woorden stond Meester Teeuwes op en opende een staande maar smalle kast, die Johannes van den beginne af met nieuwsgierige vrees had aangekeken. quot;Want in den scheerwinkel ging zij nooit open. En als nu de verroeste sleutel met moeite in 't slot was rond gedraaid, en de oude hengels kraakten, vloog Johannes onwillekeurig achteruit en gaf een' schreeuw, terwijl Meester Teeuwes schudde van 't lagchen: want uit de geopende kast stak een geraamte hem de dorre hand toe.
»Jongen, schrik niet!quot; zeide Meester Teeuwes: !gt;Zoo moeten we allen worden, of wij willen of niet, en ik zal er in 't vervolg u nog heel wat van moeten leeren. Nu wilde ik u alleen laten zien, dat 't leven onmogelijk in die vaste weefsels huizen kan, maar alleen in de vochten of humeuren, die er doorstroomen, als zoo vele beken van de levensbron. Het bederf dier vochten te voorkomen of te genezen, dat doet de Humoristquot;1)
295
Johannes bedacht zich even, meer op zijn gemak nu de geheimzinnige kast weer gesloten was. Zou hij 't vragen of niet? De weetgierigheid overwon, en met bescheidenheid deed hij de vraag; »Wat ik u al lang eens had willen vragen. Meester! komt, geloof ik , hierbij te pas. Mij kwam, toen ik laatst met vader in de stad was, een almanak in handen, grooter dan de onze. Er stond veel Ln van den sterrenhemel, en dan ook van
AVie van de Humoral- en Solidair-Paihologen, hunnen strijd en hunne overdrijving, meer wenscht te weten, raadplege de medische werken. Ik heb dit ook gedaan, maar, — na vroegere ondervinding! — waag ik mij niet op dit terrein.
HUJIETJE EU HUMOR.
de kwade linmeuren in 's monsclien ligchaam; en er was een plaatje bij met een nakend mensclienbeold, waarop door pijltjes en sterretjes aangewezen werd, op welke deelen van 't ligchaam zon, maan en planeten, elk in 't bijzonder, 't meeste werken. Heeft dit eenige beteekenis? Zouden waarlijk de hemelligchamen invloed hebben op ons gestel, of op iemand, die onder dat gesternte geboren is? Vader zeide, toen ik 't boekje koopen wilde: «Wat zon je hebben aan die malligheid?quot; En gij weet, als hij dat zegt is het uit.quot;
Het was waar, dat de paedagoog, wiens geleerdheid niet veel verder ging dan lezen, schoonschrijven en rekenen, dit aanvulde door apodiktische uitspraken, waar dan ieder stilzwijgend voor buigen moest, — even als de schoolkinderen.
Meester Teeuwes klopte zijn doorrookertje uit, en stopte het, tegen het slaan van tienen, voor de laatste maal. Toen keek hij naar den grendel van de deur, schoof de slaapmuts op 't andere oor, glimlachte en sprak: »Mijn jongen! AVat zouden die hemelligchamen gemeen hebben met onze vochten en ligchaamsdeelen; en dat juist alleen die planeten, waaraan de oude Heidenen den naam onzer werkdagen hebben ontleend? Daarin heeft uw vader gelijk: 't is malligheid, met een geleerd tintje gekleurd. Ik ben vast overtuigd, dat zon noch maan, en geen der planeten iets met onze humeuren en dus met onze gezondheid te maken hebben.
»Maar ik ben wat voorzigtig geworden. Sedert ik aan de maan niets meer hecht, vertrouwt de tuinman van 't Hof de zuiverheid van mijn geloof niet, en brengt mij zelfs bij de Mevrouw in verdenking. En toen onlangs een wijze boer aan de conjunctie der planeten besmettelijke ziekten bij menschen en beesten toeschreef, en ik daarom lachte, ben ik tot Armini-aan of Sociniaan gestempeld; en de Dominé, die mij niet noodig heeft, omdat hij zich zeiven scheert en zijn vrouw hem 't haar
29C
HTIMEUE EX HU1I0K.
knipt, vindt 't veiliger, ook niet meer dan noodig is, met mij ora te gaan. Dat zijn ook al booze humeuren! Wees dus voor-zigtig, mijn jongen.quot;
Maar op eens klonk het in de nachtelijke stilte: »Tien 'oit de do klok, do klok quot;eit tien!quot; — En Johannes haastte zich, zijn' Meester de hand te drukken: want alleen op zaturdag avond mogt hij te tien ure te huis komen, — tien met een prinsenkwartiertje.
En de oude Tecuwes, die kind noch kraai had en daarom aan den leergierigen jongen zich zoo hechtte, keek hem tot't schoolhuis na, sloeg toen 't oog op tot don tintelenden sterrenhemel, en zeide, als of hij 't aan de sterren vertelde, waar hij juist van gesproken had; «Vooruit maar, jongen! vooruit, en gij zult 't verder brengen dan uw meester. Ja! gij zult de dagen beleven , waarnaar mijne oude oogon nog vergeefs uitzien, dat de wetenschap vrij zal worden en doordringen tot de geheimen der natuur. Dan zal zij schaar en scheermes afleggen of aan haar knechts geven; en eerst dan zal zij meesteres, en de Meester waarlijk meester zijn.quot;
297
De oude Tceuwes is al lang geworden, wat hij zijnen Johannes voorspelde, maar zijne opvolgers hebben zijne profetie vervuld.
De oude Almanakken met de akelige astronomische anatomie zijn verdwenen, om voor sierlijke jaarboekjes plaats te maken. De Humoristen zijn van 't gebied der medicijnen op dat der letteren verhuisd. De barbier-heelmeesters zijn uitgestorven, en al in mijne jeugd schaamden zich de laatsten van 't gild, dat zij er nog waren. Bestaat op do dorpen nog altijd de scheer-' winkel, als de vrije societeit van don zaturdag-avond, — lancet en scalpeermes zijn er uit verhuisd met 't doodshoofd, den kaaiman,
HmiEUE EN IiriIOE.
de medicijnkast en vlaggestok. 't Is als het kleine vogelnestje, waarin de koekoek haar ei legde. Half volwassen heeft het daar uitgebroede jong 't nest verlaten, en roept uit de hoogte het nietig vogeltje, waardoor 't is opgekweekt, zijn «Koekoek!quot; toe.
Alles is veranderd, maar de humeuren zijn gebleven. Alleen zijn ze uit Meesters winkel en den ouden Enkhuizer Almanak naar de huishoudkamer en alle andere intieme kringen verhuisd, waar zij 't dagelij ksche levea kruiden of vergiftigen, al naar 't li u m e u r is. Of ze nog iets met de vier temperamenten en den omloop der vochten te maken hebben, dat laat ik liefst liet irritahile genus medicorum uitmaken, zoo zij ten minste liet beter dan de theologanten kunnen eens worden. — (Die geen Latijn verstaat, 't is veiliger, dat men deze drie woorden niet voor hem vertaalt.) — Maar zeker weet ieder een kwaad humeur van een goed te onderscheiden, en de domste boerenmeid, het kind en zelfs uw hond ziet dadelijk, of ge in of uit uw humeur zijt; — maar wat dat humeur eigenlijk is, heb ik nog van niemand gehoord.
Voor ruim een halve eeuw had een thans uitstervend geslacht voor zulke moeijelijke vraagstukken een' veiligen raadsman in Chomels Huishoudelijk Woordenboek, met de vervolgen van dien. De stijl is nog geheel uit den pruikentijd en taai genoeg, om u uit uw humeur te brengen. Toch is er opmerking en gezond verstand in, al weet zich dit niet kort en helder uit te drukken.
»Humeur,quot; zegt 't; »is een onduitsch woord, bij ons gebur-gerd, aanduidende de verschillende toestanden van de zisl, welke meer het uitwerksel van het temperament schijnen te zijn, als wel die der reden of van de gesteldheid.
»Menschen handelen uit humeur, wanneer de beweegredenen niet uit den aard der zaken voort komen. Soms ook is 't een schielijk opkomend verdriet, waarvan de zedelijke oorzaak onbekend is.
298
HUMEUR EK IIU1I0K. 299
»Een goed humeur is de ontluiking der vergenoegde ziel, voortgebragt door welstand van ligehaam en geest. Het is bedaarder als de vreugde, aangenaam voor anderen en bevordert de gezondheid tot in den ouderdom.
»Maar soms is het humeur buijig als hot weer on even on-verldaarbaar. Kon men die veranderingen maar vooruit berekenen naar de vaste wetten der natuur!quot; — En nu volgt er eene breede uitweiding over de voordeelen en genoegens van zulk eene onmogelijke wetenschap, die ik gaarne mijnen lezers bespaar.
Zoo veel stemmen wij terstond toe, dat goed of slecht humeur meer afhangt van hot temperament, dan van »de reden of de gesteldheid.quot; Over dezelfde zaak en onder de eigen omstandigheden raakt de een uit zijn humeur en de ander niet. 't Komt dus van binnen en niet van buiten. En zoo komen we haast weer bij 't humor isme van Meester Teeuwes er do temperamenten van Galenus te regt.
Merkwaardig vooral, en toch niet altijd opgemerkt, is het ■verschil tusschon h u m e u r en k a r a k t e r. Het eerste is de oppervlakte, 't andere de diepte van 't morele leven. De stemming kan wisselen, kan golven als de baren der zee, terwijl toch de zedelijke aard van den mensch dezelfde blijft, en het er in de diepte geheel anders dan op de oppervlakte uitziet.
Gunt mij ter wille van mijne betrekking de vrijheid, om een bijbelsch voorbeeld te kiezen, te merkwaardiger, omdat zelfs 't woord h u m e u r niet in den bijbel voorkomt.
Koning Achab heeft nu eenmaal zijne zinnen gezet op den wijnberg van Kaboth. quot;Welk een aanwinst zal 't voor de uitbreiding zijner tuinen zijn! Maar Kaboth is een Israëliet van den ouden stempel. Hij wil het erfgoed zijner vaderen niet afstaan of tegen beter verruilen. Te leur gesteld en verdrietig, en (wanneer hij zoo diep gevoelde,) vernederd door de trouw van
HTJltEUTv EX HUMOR.
zijn' onderdaan, is Achab uit z ij n li u meur en pruilt als een kind. Zonder eten -werpt liij zich op zijn bod; en als iemand hem toespreekt, keert hij zich naar den wand, — swrevelig en toornig.quot;
Eindelijk gelukt het do trotsche en ■wreede Izebel, hem de reden zijner onvergenoegdheid te ontlokken. Zij zegt: »Hoe? Zoudt gij een koning van Israël zijn, en die wijnberg u geweigerd worden ? Ik zal hem u geven. Geef mij slechts uw' zegelring.quot; En de karakteiiooze koning geeft hem haar, zonder te vragen, wat zij er mee doen wil, al kan hij zeer goed begrijpen, dat 't niet veel goeds wezen zal. En nadat de arme Naboth is gesteenigd, aanvaardt hij de vrucht der misdaad, die hij immers zelf 7iiet heeft gepleegd; — even kinderachtig blij met die nieuwe aanwinst, als hij later kinderachtig bang is en zich als gewoon soldaat verkleedt, in den strijd met de Syriërs.
Maar een krachtig karakter, als dat van Izebel, is voor zulke wisselingen op den thermometer van 't humeur niet vatbaar. quot;Wat zij doet, doet zij uit koelbloedigen trots en wreedheid niet alleen, maar met al de berekening der heerschzucht. Eu als alles verloren is, in plaats van de genade des overwinnaars af te smeeken of zoo mogelijk zich voor hem te verbergen, kleedt ze zich in al haai1 koninklijke pracht, en voor 't open raam staande beschimpt zij Jehu als den tweeden Zimri, koning van zeven dagen en moordenaar van zijnen heer!
Achabs bloed werd door de honden gelekt en Izebel door de honden verscheurd; niet om hunne afgoderij, maar om Naboths dood. Doch van Achab lezen wij ten minste eens, dat hij zich verootmoedigde voor den HEER zijnen God.
Mij dacht, ik kon niet beter dan door dit bijbelseh tafereel het onderscheid doen in het oog vallen tusschen karakter en h u m e ur. Het karakter kan edel of laag zijn, opregt of valsch; maar een edel of laag, een opregt of valsch humeur bestaat er niet. Onder die wisselende stemming schuilt het wezenlijke
300
HUMEUR EX HUMOR.
tarakter. En. het minst is er te beginnen met iemand, wiens karakter daarin bestaat, dat hij geen karakter heeft; — »een vaatdoek,quot; zeide de menschenkenner Heldring: »die elke kleur en geur aanneemt, en niets behoudt.quot;
Hebben wij 't niet dikwijls ondervonden, dat de gevolgtrekking van het humeur op 't karakter niet doorgaat? Ik ken men-schen, met wie 't gemakkelijk is om te gaan, aangenaam zelfs, en die toch een laag of gemeen karakter hebben, zoo zij er nog een karakter op nahouden. En daarentegen hoogst achtenswaardige menschen, vrome weldoeners der menschheid, maar die men op geen dag of uur moet aanspreken, als de barometer op storm of onweer staat.
En al kunnen wij nu de natuurwetten niet opsporen, waar Chomels Woordenboek zoo nieuwsgierig naar is, 't zal ons niet moeijelijk vallen, 't verschil tusschen de menschen, en tusschen den mensch van het eene en het andere oogenblik, naar den maatstaf van het humeur te bepalen.
De grenzen zijn moeijelijk aan te wijzen in de natuur. Dat een varken oen beest is en een ceder een boom, weet ieder, en verbeeldt zich dan, dat hij nog dommer dan dom zou moeten wezen, als hij een dier voor een plant aanzag of omgekeerd. Maar laat hem eens tot het laagste organisme afdalen, de plantdieren en dierplanten: waar zal hij den grenspaal zotten? — Even zoo is het met quot;t zieleleven van den mensch. In de wet op het krankzinnigwezen heeft men niet durven schrijven, wat krankzinnigheid is. »T)an vallen wij er misschien geen van allen buiten,quot; zeide mij de Referendaris, die de wet had geredigeerd, — en hij had gelijk.
Zoo kan men nu wel in 't algemeen den eenen mensch een goed en den anderen een kwaad humeur toeschrijven, en dit verschil reeds bij kinderen opmerken; maar als we gingen sór-
301
302 HXDIEUH EN imiOH.
téren, zouden we toch met de handen in 't haar zitten. Alleen waar het goede of kwade, 't meegaande of lastige in het oog springt, is de qualifleatie gemakkelijk.
»Lceringen wekken, voorbeelden trekken.quot; Nu ja, of ze stooten af. Een paar voorbeeldeu dus.
Een mijner ringbroeders, een excentriek man, maar die toch soms den spijker op den kop sloeg, wandelde rustig door zijne landelijke gemeente, als hij een lastig lid daarvan tegenkwam, die hem vrij barsch toeduwde; »Zoo! naar de stad toe! Een herder moest liever zijne schapen opzoeken.quot; — sVriend!quot; was het antwoord: »Gij zijt geen schaap; gij zijt een bok: want gij stoot.quot; — En toch had de man, hoe slecht gehumeurd op dit oogenblik, misschien een braaf en vroom karakter, en wenschte juist daarom meer bezoek. Ook mij is honderd malen zoo iets gezegd. In den tijd toen de dominé nog de man der geheele gemeente was, zeide de geestige Jan Scharp: »Een dominé is een schurk.quot; Want zoo noemde men, tijdens de bloei der kleine visscherij (zonderling dat d6' haringvangst »de grootequot; werd genoemd!) de walvischkaken in de weilanden, waar elke koe zich aan schurkte.
Toen ik jong was en prikkelbaarder dan nu, maakte zulk een compliment mij boos. Nu zeg ik eenvoudig: »Daar gij er zoo op gesteld zijt, doet 't mij genoegen, dat ik de eerste ben, die u een bezoek brengten dan is dat bezoek soms van de aangenaamste. Het kwade humeur moest zich maar even luchten, 't quot;Was lastig, en zat iemand zelf in den weg. Anders niet.
Zoo werd ook ééne mijner vorige gemeenten dikwijls bezocht door een' heer van zoo onaangenaam uiterlijk en bitsen toon, dat mijne rustige gemeenteleden hem den gansch niet liefelijken naam gegeven hadden van »Haat en nijd. Toorn en wraakgierigheid.quot; En toch was hij 't misschien, die zoo diep in de beurs tastte, dat de diaken wel tevreden over de buitengewone col-
HUMEUR EN HUltOR.
lecte naar huis ging. Even zoo is in mijno tegenwoordigo gemeente de herinnering nog levendig van een' edelen miliionair, wiens leven weldoen was, en die 't meeste gaf, als hij 'thardst bromde.
Met dat al zijn die kwade humeuren, waarvan ik de ergste nog niet beschreven heb, in vollen nadruk lastig, en verbitteren soms de zamenleving, vooral het huiselijk leven. Want daar is de mensch in negligé, en lucht dus zijn booze luimen zonder zich te generen.
Ik had op de akademie een' contubemaal (»een' student, waar ik mee zamen woondequot;), die een tiental jaren ouder was en zóó flegmatiek, dat hij nooit uit zijn humeur raakte; — het evenbeeld van Jodokus Heringa, die toen zijne oude huishoudster den inktkoker over zijn handschrift gooide, dood bedaard zeide: »Bregje! ga nu heen; ik zou anders boos worden.quot;
Maar om op mijn' vriend terug te komen, ik ben van jongs af een hardnekkig rooker geweest. De lange pijpen waren toen nog algemeen, en daarbij was 't een studentengrap, om, terwijl de rooker druk aan 't praten was, met den kop stil weg te loopen, zoodat hij met den steel in de hand zich nog verbeeldde te rooken. Hoe bedaard ik anders was voor mijne jaren, maakte mij die aardigheid geweldig boos. En nu deed mijn contuber-naal, die zelf nooit rookte, toen wij te huis kwamen, 't onverwachts nog eens. Ik stoof op en nam 't hem zeer kwalijk. »Hem pasten die grappen allerminst.quot; »AVel, vriendje!quot; antwoordde hij dood bedaard: »ik deed 't alleen, om u 't booze humeur af te leeren.quot;
Ik was ontwapend, en antwoordde alleen nog: »Nu ja! maar humeur is geen karakter, 't Zijn kleinigheden, die een mensch uit zijn humeur brengen; in gewigtige omstandigheden komt eerst 't karakter uit.quot;
303
304 HUMEUR EN I1U3IOR.
»Jmst zoo,quot; was 't antwoord: »Maar ons leven bestaat uit kleinigheden. Wat heb ik aan iemand, die mij uit vuur of water zou redden, waar ik nooit in denk te vallen, en die intusschen mijn dagelijksch leven verbittert?quot;
Ik wil mijne lezers niet uit hun humeur brengen door, zoo als wijlen de schrijver van »De ring van Gyges wedergeven-den,quot; een beroemd boek in mijne kindsche dagen, allerlei men-schen met dezelfde kwaal de revu' te laten passéren. Ik zal dus de variëteiten maar opnoemen: het gemelij k en knorrig humeur van iemand, die zich niet wèl of niet goed geplaatst in de wereld voelt. Het bitse, scherpe humeur, waar doorgaans jaloezij achter schuilt. Het kribbige en nijdige, gewoonlijk van vrouwelijk geslacht. Het kwaadaardige, de booze geest van Koning Saul, enz.
Liever dan over al die variëteiten uit te weiden, wil ik u eeu aangenamer tafereeltje schetsen, 't Staat mij zoo helder voor oogen, dat ik twijfel, of ik 't soms reeds elders heb afgebeeld. Ik kan 't niet uitmaken: want om mijn eigen werken na te lezen, zou ik cellulair moeten gevangen zitten, zonder eenig ander boek bij mij. En ook dan sta ik er niet voor in, dat ik niet liever touw zou pluizen. Maar al mogt 't zijn dat ik — zoo als Jean Paul zegt, — van een zoo talrijk gezin een gedoopt kind nog eens voor 't vont breng, — nu kan ik nog veiliger en duidelijker dan vroeger liet eind verhalen van een voor eene halve eeuw uitgestorven geslacht.
Mijne goede vrouw had eene tante te Amsterdam, en deze een' zoon, in wien het geslacht mijner schoonmoeder is uitgestorven. Met dien zoon woonde zij op eene bovenbovenkamer aan een der achtergrachten. Zij had niet voel genoegen gehad in haar leven, de oude ziel. Na een, zoo ik mij wel herinner, ongelukkig huwelijk, was haar slechts zoo veel overgebleven, dat zij hoogst zuinig leven kon. Daarbij kwam, dat haar zoon, de
iiuMErR EN mniOE.
mislukte stamhouder, een dier stille dronkaards., die eindigen met geheel te versuffen. In de laatste jaren had zijne moeder 't zoo ver gebragt, dat hij te huis bleef. Zij gaf hora hier liever zijn gewone ratioa, al ging hij dan, na een onbeduidend, laf discours, beneveld naar bed. En hij had zich naar dat diëet geschikt; zeker werd hij ook al te zwak of te lui, om naar de kroeg te gaan. En nu, — echt Amsterdamsch! — hield hij zich bezig met theologische studiën op zijn manier, en zond ons een volledige lijst der Amsterdamsche predikanten, met de aanteekening bij sommige namen: »Dit zijn de bollen.quot;
Ik had veel van de oude tante en haar ongelukkigen zoon gehoord; vooral roemde mijne vrouw hare tevredenheid en haar vriendelijk, opgeruimd humeur, zoodat ik, die voor 't volmaakte hier op aarde weinig geloof had, er wat op meende te moeten afdingen. We zouden haar wol eens eer bezocht hebben, doch eene reis naar Arasterdam was voor 55 jaren geen kleinigheid. Maar toen wij nu hoorden, dat zij, bij al hare rampen, nog 't ongeluk had gehad van bijna blind te worden, besloten wij tot de reis.
Het was eene kunst ora haar uit te vinden, en ook toen nog eene akrobatische oefening om haar te bereiken. Het smalle houten trapje op de straat, ■—zoo als ze nog in de Amsterdamsche achterbuurt te zien zijn, vooral boven bewoonde kelders, — bragt ons voor eene huisdeur, die dubbel toegevouwen moest worden, om op den binnentrap te komen. Naast dezen hing gelukkig een sterk touw. Op een donker portaaltje tastten wij op goed geluk naar een' tweeden trap, even steil en even donker. En zoo kwamen we eindelijk aan eene deur, die op 't gestommel reeds door 't vlugge oudje werd open gedaan, ilij, — die zoo de ruimte en de vrijheid gewoon was en lief had, — beving daarbij een weemoedig gevoel. Op twee kamertjes gevangen te zitten als waakster over een' dronkaard, tot uitzigt alleen de berookte kruin van een'
20
305
HUMEUR EX HUMOR.
liwijnonden boom; cn als 't raam open ging, de walm eener stinkende gracht en vuile buurt. Nooit de vrije natuur te zien, den ruimen Amstel en 't IJ, veel min Haarlemmer Hout of zeestrand. O God! is dat nu het deel van ééne uwer beste mensehenldn-deren, die in hare stilheid hier schuilt als eene parel in den nacht? En misschien kan ze nu niet eens meer den laten morgen zien of den vroegen avond; en om niet geheel te vervuilen en te verarmen, ijverig haar eigen werk doen als tot nu toe____
Maar 't viel mij meê. 't Huishoudkamertje was waarlijk gezellig ingerigt. Slechts een geoefend oog kon zien, dat het trijp der oude stoelen al dikwijls was bijgewerkt, en de dunne gordijnen hoog opgetrokken, om de doorgesleten naden niet te laten zien. 't Oude kabinet blonk van boenwas, en de matjes op den vloer toonden hunne beste stukken. In 't vensterraam stonden twee potjes bloemen, nergens beter gedrenkt en afgestoft, en een kanarievogel sprong vrolijk op de stokjes der oude kooi. Voor het andere raam zat de versufte dronkaard, »de oude heerzoo als de buren beneden ons gezegd hadden, — oud vóór zijn tijd.
Het liep naar den avond, het theegoed wachtte ons en op een hagelwit servet brood en boter, en — te onzer eere — een stukje kaas. Wij moesten eten en drinken, wat ons gulhartig aangeboden en bijna opgedrongen werd, en ondertusschen zoo veel van de familie en uit onze pastorie vertellen, dat er geen tijd was om over tante zelf te spreken, die dan ook zicli zelve op zulk een' gelukkigen dag volstrekt niet scheer, mede te tellen.
Tusschen het huishoudkamertje en de kamer van haar en haar zoon werd ons een klein vertrekje tot nachtverblijf aangewezen. Nu bemin ik de ruimte ook in den nacht, en zrg maar volstrekt niet, hoe we in de korte bedstede zouden kunnen liggen, zonder ons dubbel op te vouwen; om van mijn gewoon uitrek-
300
injMEUR EN HUMOR.
ken met eens te spreken. Maar bij nader onderzoek zagen we, dat de bedstee van onderen verder inliep, en we dus onze bee-nen in een soort van lade stopten. Een nadere inspectie den volgenden morgen overtuigde ons, dat dit letterlijk waar was. In de slaapkamer naast de onze stond een kabinet in den muur vast getimmerd. Do onderste lade alleen was vast gesloten. quot;Wie ze had kunnen openen, had gevonden — onze vier voeten, die dus eigenlijk in de andere kamer logeerden. Men moet zich maar weten te behelpen!
Tante kwam ons den volgenden morgen vrolijk roepen, en had alles al klaar. Haar zoon haastte zij niet. En toen we nu zamen ontbeten, roemde zij den goeden jongen, die nooit iemand kwaad deed, en zoo opgeruimd wezen kon, tevreden dat hij thuis drinken mogt, daar hij 't nu toch niet meer laten kon. 't Ellendige schepsel, dat zijn bekrompen verstand zoo wel als zijne toekomst verzopen had, om eene arme moeder tot last te zijn, maar haar altijd nog een lief en gezellig kind was gebleven; voor de buren quot;beneden »de oude heer,quot; voor haar »haar goeden jongen.quot;
»Maar tante!quot; vroeg ik toch eindelijk: »wij hadden gehoord, dat gij half blind waart geworden, en nu vinden wij u zoo vrolijk en opgeruimd, en 't schijnt ook, dat ge alles ziet.quot;
»Ja, kinderen! half blind en toch zie ik goed. Dat is gekomen , omdat ik van de winter brand had op 't linkeroog. Er een dokter of chirurgijn bij te roepen, dat kan de graauw niet trekken. En dan gebruikt men al zoo huismiddeltjes. Nu werd mij door eene buurvrouw aangeraden, om peen te schrappen, en er dat schrapsel 'savonds op te leggen. Of 't nu komt, dat ik mijn oog niet goed gesloten heb, eer ik het er op lei, of dat ik het in een doekje had moeten doen, maar ik had dien nacht zware pijn, en 's morgens was 't oog uitgezworen. Zie maar eens; er is geen licht meer in.quot;
En terwijl nu de oude matrone 't ooglid opligtte, om 't ons
307
humeur ex rrnror.
goed te laten zien, kon ik niet laten te zeggen: »Arme tante! als of alle ongelukken n treffen moeten. Waart gij toen niet kwaad op die stomme buurvrouw? Of hebt gij u daar ook al naar kunnen schikken?quot;
^lijne vrouw kroeg een' traan in 't oog; maar de oude matrone keek mij verwonderd aan, en zeide; »Wel, neefje! dat mensch had 't uit goedheid gedaan, en ik had zoo maar niet den raad van een vreemde moeten opvolgen; 't was dus mijn schuld. En mij schikken zegt gij ? Wel toen ik alles wel bedacht en zag, dat ik met één oog even goed zien kon als met twee, toen heb ik van harte gedankt: »Heere God! wat zijt Ge wijs en goed, om een' mensch nog een oog voor 't verliezen te geven. Tot de zeventig jaar heb ik blijmoedig aan uwe hand met twee goede oogen 't levenspad bewandeld. Bewaar mij nu maar dat éóne: dan zal ik er liet einde wel meê halen.quot; ■— Zoo bad ik, en ik ben in lange niet zoo in mijn humeur geweest als op dien dag.quot;
Wij hadden niets meer te zeggen, en keken beschaamd vóór ons. Nu weet ge, lezer! wat een bestendig goed humeur is; maar ook, dat er een teeder en innig geloof aan ten grond ligt, waarvoor misschien alleen de vrouw vatbaar is.
We hebben eenige variëteiten op het gebied van 't h u m e u r nagegaan; — enkele slechts: want het getal is legio; — maaier zijn ook variaties na te gaan bij een en denzelfden persoon. Zoo als men in 't algemeen het klimaat van een land kan beschrijven, maar dan toch de eene dag nog verbazend verschilt van den anderen.
»Hij is in zijn liumeurof »was verbazend uit zijn hu-meur van daag.quot; Dit hoort men honderd malen, en 't zijn zeker voor twee derden hij's; veel zeldzamer eene zu.
En wat is dat humeur, daar men in of uit is, nooit boven
308
HUMEUR EN HTJIOH.
of beneden, naar toe of van af: altijd in of uit? — 't Schijnt wel haast eene zekere middelgrootheid te wezen; een vaste maat, waar men of boven of beneden zijn kan. Ik stel mij daarbij iemands stemming voor als een' thermometer. (Natuurlijk Fahrenheit, zoo als alle oude Hollanders.) De gewone, normale toestand varieert tusschen 45 en GO graden. Maar nu stijgt de thermometer hooger en men is uit zijn gewonen doen; of hij daalt en men blijft er in.
3Ien zou zoo zoggen ; wanneer een slapend mensch op 't vriespunt van zijn humeur staat, en hij ontwaakt, dan moest hij , bij de stijgende ligchaamswarmte, hoe langs zoo meer in zijn humeur wezen. Ja wel! juist omgekeerd. Hoe Franschen, Span-jaarden en Italianen ontwaken, weet ik niet; maar voor de Gor-maansche volken sta ik in, de ontwikkelde standen vooral, dat zij meestal onaangenaam wakker worden, 't Is of de slechte humeuren van moester Teeuwes dan naar 't nog duizelend hoofd stijgen.
»A1 weêr een half uur te laat geroepen,quot; bromt een oude heer, die gerust den geheelen dag kon blijven liggen, daar hij niets doet en ook niets te doen heeft. »A1 weêrquot; herhaalt hij, terwijl zich de brombeer aankleedt: »gij weet nu eenmaal, dat ik te acht ure opsta.quot; Tusschen ons gezegd, hij doet 't nooit.
»Maar Vader!quot; repliceert een snerpende vrouwenstem, oud genoeg om van eene echtgenoot te zijn, en niet van eene dochter; »Maar vader! ik heb u precies acht ure geroepen. Uw kopje is al koud.quot;
»Dat is 't juist. Koude thee vind ik akelig, 't Ontbijt bederft den geheelen dag.quot;
Do courant geeft eenige afleiding; maar do mist is nog niet opgetrokken. De meid heeft 't bed geschud als een zak aardappelen. De stomme knecht heeft zijne boodschappen geheel verkeerd gedaan. Moederlief durft niet vragen, of ze ook verkeerd
309
irraiEUE EA' HUMOR.
gegeven zijn, en eet zuchtende haar boterham. De ziel heeft 't op de borst, en durft niet hoesten uit vrees van knorren te krijgen. Gelukkig gaat vader naar zijn studeerkamer, -waar hij nooit studeert. Ik zon niet precies weten te zeggen, wat hij er doet; maar wel, dat als ge hem eens op zijn kamer bezoeken wilt, de walmen tabaksrook u bijna terug drijven.
Is 't de kracht der nicotine? Ten minste onder de koffie staat de muts al beter. En onder 't smakelijk eten vindt vader, dat moeder wat karig is met vleesch en dessert voor do dienstboden , die hij onder 't ontbijt bijna hun dienst had ojigezegd. Dit lijkt wel haast, zoo als ons deftig Woordenboek zeide: »de dingen beoordeelen naar het temperament, en niet naar de reden en de gesteldheid.quot;
Spiegelt er u aan, jeugdige vrienden! die een morgen- en avondhumeur er op nahoudt; of — dat nog hatelijker is, soms in groote en beroemde mannen; — een humeur binnenshuis en buitenshuis, — of ook naar de verschillende standen waarmee men omgaat, beneden of boven den gemiddelden thermometer. Ik spreek tot de jongeren, omdat 't bij ouden gewoonlijk omütroeibaar is. Dit is zoo sterk, dat ik mij wel eens ongerust heb gemaakt, wanneer bij de oudjes de kwade humeuren door een zekere gemoedelijkheid vervangen werden, 't Was een veeg teeken! Als een schip op 't punt is van te vergaan, verlaten het de ratten en muizen.
En nu had ik in mijn hoofd nog eene Afdeeling: »Humeur en Alcohol;quot; maar waarlijk! 't is te rijk, te vreemdsoortig en ook weer te alledaagsch, te bespottelijk en toch al te droevig. Zoo dra de drank den mensch bedwelmt en opwindt, verliest 't humeur zijn gewone koers. Ongevoeligen worden gemoedelijk, geleerden kinderachtig vrolijk, goedhartige kerels woedend; en waar eenige stof er toe in de diepte verscholen ligt, broeit er moord en brand, en is die diepe wrok soms gevaar-
310
HIJMETJE EN HUMOR.
lijker dan de dierlijke woede van den volslagen dronkaard. Ongelukkig de vrouw, — en daar zijn er vele! — die dat alles dragen moet, en 't hollend achteruitgaan van 's mans zaken lijdelijk mag aanzien! Maar zij draagt liet, omdat zij liefheeft, zoo als eene vrouw alleen liefhebben kan. En :t is nog niet eens noodig, dat de man (of bij uitzondering de vrouw) dronken zij. Menig een komt in schijn volkomen nuchteren uit kroeg of societeit, en heeft toch zijn humeur zoo wel als zijn geld verdronken en begrijpt 't zelf nog niet eens. AVat al huiselijke geheimen en huiselijke smarten, als die sluijer eens wordt opgeheven!____Want met of zonder drank, het humeur is de wigge,
die tusschen de »gepaarde schelpenquot; van Vader Yondel zich indringt, en menig huwelijk, uit opregte liefde gesloten, tot eene hel maakt, waar men eens een' hemel Avachtte.
Ik heb een paar menschen gekend, beiden goed in hun soort, maar waar het driftig humeur van den man op de sarrende koelheid zijner vrouw afstuitte, ja! nu en dan splinters van de rots deed vliegen. Hij had vrij goede verdiensten, maar nog meer behoeften, en 't huishoudgeld rekende hij niet onder de eerste. Een vleijend, hartelijk woord zou hem, den voormaligen zeeman, de beurs geopend hebben, maar deze vrouw kon dat niet, en wilde 't niet. 't Huishoudgeld kwam haar immers toe? En zoo ontving ze hem op zekeren middag met een gedekte tafel, waar niets op lag dan een brood. »Als gij geen geld geeft, man!quot; zeide ze: »geef ik u geen middageten.quot; — Dit »quot;Welkom t' huis!quot; beantwoordde hij met een' vloek en een' rijksdaalder, beide zoo forsch haar tegen 't hoofd gesmeten, dat het stuk geld, dooreen ruit henen, in de boomen voor de hooge bovenwoning, en tusschen de takken door in de gracht te regt kwam —
Ja wel! spreek daar eens van »gepaarde schelpen, sinds jaar en dag aan een gegroeid.quot;
Met ééne bijzonderheid wil ik eindigen. Waar de booze hu-
311
nniEuit Elf HUMOR.
meuren niet verder gaan dan 't vaste maar lastige kibbelen, altijd 't eigen kringetje rond: van halsboord tot schoenen, van de thee tot hot licht in de kamer, en zoo voorts, daar is 't, als of leêge hoofden en koude harten dit tijdverdrijf niet kunnen missen. Ik kan mij zoo goed dien bedroefden weduwenaar in zeker blijspel verbeelden, die op 't tooneel komt en zegt: »Mijn lieve, lieve vrouw dood! Op wie zal ik nu knorren?quot;
Maar daardoor laat dan ook zulk gebrom en gekibbel weinig na, hoe lastig het ons schijnt, die dat amusement niet kennen. Hoe warm het in de Oost was en hoe koud op Nova Zembla, herinnert zich ieder, die er geweest is. Maar 't weer van verleden jaar, ja! van zes weken geleden, dat weten wij niet meer; en 't is goed, dat courant of maand- en jaarverslag 't ons nog eens herinneren. Zoo is 't ook met den thermometer van 't humeur. Yooral na den dood verdwijnen die buijen voor 't doorgaand leven, die vlekjes en stofjes voor 't beeld van een karakter, dat wij geacht hebben en lief gehad. Van iemands humeur spreken we naderhand niet meer, uit achting voor zijn karakter; maar omgekeerd verzacht het volstrekt de herinnering van ondeugd en bedrog niet, wanneer men ons zegt: »Ja! hij of zij was slecht, maar had toch een goed humeur.quot;
Maar daar nu toch, zoo als mijn contubernaal te regt zeide, het grootste deel van het leven uit kleinigheden bestaat, is het zaak, dat we van jongs af het humeur onder 't regime van een goed en vast karakter brengen. quot;Wordt maar één mijner lezers hiertoe opgewekt, — en 't is, als alle dressuur, maar de volharding eener vaste hand, — dan is mijne moeite dubbel beloond.
312
HUMEU-K EX irUMOE.
Humeur en Humor. Zoo keeren wij tot het oorspronkelijke woord terug, maar herkennen het naamvelijks. Het heeft eene geheel andere beteekenis gekregen, 't Is op het gebied der letterkunde verdwaald; maar als wij het daar zoeken, is liet of 't van den eenen in den anderen hoek springt, en zich ten laatste verschuilt, zoodat we 't in het geheel niet meer vinden kunnen.
Wie heeft niet wel eens van een opstel of gedicht gezegd: »Er zit humor in,quot; of den schrijver »humoristquot; hooren noemen, natuurlijk in geheel anderen zin dan Moester Teeuwes; maar vraag nu eens, waar de h u m o r zit, of w a a r d o o r die schrijver of dichter den naam van humorist verdient; ja wel! de oppervlakkige lezer of hoorder vond 't wel aardig, geestig zelfs, maar waarom nu die geest, die aardigheid dezen keer juist humor moest heeten en een andere aardigheid niet, dat weet men zoo precies niet te zeggen. Nemen wij de eerste de beste Almanak- of couranten-anekdote, do nieuwste bij voorbeeld, — dat een Amerikaansche dame scheiden wil, omdat zij door hare bijziendheid vóór 't huwelijk niet gezien had, dat haar man een Avrat op zijn' neus heeft; — ge zult dit misschien grappig vindon; zoo 't waar is, een proeve der excentriciteit van 't Anglo-Saxische ras. Maar humor? Dat vindt niemand in die wrat op den neus. quot;Waarom niet?
Ik heb mij, omdat mijne kennis van de nieuwere letterkunde beperkt is, gewend tot eene boven anderen bevoegde autoriteit, maar niet veel troost gevonden. »'t Vraagstuk was niet gemakkelijk te beslissen. Fallstaff zegt: Der Humor ist das umgekehrte Erhabene. Anderen anders.quot; En met de opgave van vrij wat auteurs sloot de vriendelijke geleerde zijne mododeeling.
Met de daar gegeven definitie stemt eene andere over een, waarvan ik den auteur vergeten ben, maar die mij nog beter i bevalt; »H u m o r is een lach met een' traan in het oog.quot; Daardoor ^ is hij onderscheiden van elke andere aardigheid, boert, kortswijl,
313
HmiEUR EIT HUMOR.
klucht, kortom al wat lach verwekt. Er ligt diepe ernst en weemoed tot grondslag. De bedoeling is niet alleen en niet in de eerste plaats, — om met één der schrijvers uit den pruikentijd te spreken — »de behagelijke stuip, die wij gewoon zijn lagclien te noemen.quot; En daardoor is ook de eclite humorist, al doet hij anderen lagchen, zelf meer melancholiek dan vrolijk. Eeeds de middeleeuwen, al kenden zij 't woord niet, drukten den humor der Germaansche volken uit in den bekenden doodendans.
Als letterkundig genre is de humor weinig meer dan eene eeuw oud, nog jonger misschien. Ik zou niet weten te zeggen, wanneer en door wien het woord voor het eerst in dezen zin is gebruikt; maar wel durf ik verzekeren, dat Engeland zijn geboortegrond is. quot;Wat in de Germaansche talen Luim (Laune) heette, werd door het Engelsche humor uitgedrukt, en dikwijls van »luimige invallenquot; gebezigd. Misschien was Thackeray de eerste, die bijzonder de aandacht vestigde op de humoristen, »de luimige schrijversquot; der achttiende eeuw, — de eeuw die men de worsteling van het verhevene met 't belagche-lijke zou kunnen noemen, en die dus daarvoor bijzonder geschikt was. In de Inleiding zijner lezingen hierover zegt hij: »Do humorist doet niet alleen het belagchelijke uitkomen, maar doet te gelijk een beroep op het medelijden. Hij is een lee-kenprediker.quot; — Maar is dit alles, dan is 't gemakkelijk een humorist te zijn!
En zoo is nu het woord Humor, gelijk het van 't vaste land gekomen was, weer hot kanaal overgestoken, en wordt in de Dictionaire UniverSel du 19quot; Siècle genoemd „ Gaieté pleine d' accent et d'originalité, mie tournure d' esprit a peu pres particidière aux Anjlais; en verder Gaieté se'rieuse et flegmatique, r aller ie pleine d' amertume, — melancholie qui tourne au sourire ironique.'''
De menigte woorden getuigt, dat de bepaling niet helder, niet juist afgebakend is. De schrijver zegt dan ook, dat men
314
nriiEUR en iroioE.
de geschriften lezen moet, om er zich een helder denkbeeld van te vormen, en — dat do h n m o r bij de Prauschen niet te buis is. Die komt, zegt hij, er alleen als houtade (een grillige inval) voor, maar vormt geen yenre in hunne letterkunde.quot; — Zeer juist opgemerkt. De Franschman kan vlug en geestig zijn, maar is niet melancholiek, ik zou bijna zeggen ook niet droog genoeg, om humorist te wezen.
Maar reeds vóór Thackeray er bijzonder de aandacht op vestigde (in 1852j en de Dictionaire zich de zaak aantrok, had in ons vaderland het oude r/enre, dat onder een' nieuwen naam optrad, fureter gemaakt. In mijne jeugd, toen men de schoolsche vormen van den stijl begon af te schudden, was het »jonge Hollandquot; verbazend humoristisch. Aran hier de geestige brief van Melchior aan Hildebrand in de Camera olscura. niet het besluit: »Ik bid u, ga niet onder de humoristen.quot; »Daar is,quot; zegt de schrijver (natuurlijk Hildebrand zelf): «tegenwoordig zulk eene ontzettende consumptie van humor, dat het artikel verschrikkelijk duur moet geworden zijn, en dan ook bij gevolg akelig wordt vervalscht.quot; En na eene breede opsomming, vooral van 't sentimenteele, dat er onder schuilt, is het: »Ik kan mij ondertusschen niet begrijpen, hoe 't bij zoo veel humor mogelijk is, dat er nog geen betere definitie van dat woord in de wereld komt. Lieve hemel! wij drijven in humor, en niemand heeft adem om te zeggen, wat het eigenlijk voor een vocht is. Ik zou dan haast gelooven moeten, dat wij er in verdrinken. Jean Paul pakt het verhevene bij de boenen, keert het met Eapponische krachten om en zegt: »Zie daar het humoristische: 't is niet anders dan hot verhevene met de voeten in de lucht.quot; Ik heb allen eerbied voor die kunstbewerking, maar Jean Paul was somtijds een zeer onduidelijk humorist.quot;
Tot zoo verre Hildebrand, die met al zijne satiren er op, zelf één der beste humoristen is en blijft.
315
IiriIETJR EX HUMOR.
Hij neme liet mij niet kwalijk, dat ik een' schrijver tegenover liem stel, die door zijne gelijkvloerscliheid (om met mijn' vriend Gunning te spreken) van liet verhevene, — of het op 't hoofd staat of op de beenen, — weinig idéé heeft, hoe veel Ideën hij schreef.
Volgens dezen (N0. 158) is Humor «eenvoudig het quot;weergeven der natuur, anders niet. »Dit is,quot; vervolgt hij: »zeer eenvoudig ; maar als het ingewikkeld was, zou 't niet waar wezen. Humor is dan het weergeven der natuur, omdat zij alleen, en zij altijd humoristisch is; en wat wij humor noemen, alleen 't weêrgeven daarvan in klanken, kleuren, vormen enz.
Eu waarin bestaat nu de humor der natuur? In hare domheid en hare algemeenheid.'''' En nu volgt eene geestige beschrijving van do machinale werking der natuur, die niets ontziet en niets spaart. »En die kracht beweegt zich te midden van een alios en allerlei, als een toko, waar geen orde of grens aan is. Die dit goed afbeeldt, den strijd onzer stemming met de natuur, is dan de echte Humorist: want de natuur is de noodzakelijkheid, en deze is alles.quot;
Zie daar de troostelooze leer van Multatuli, —en toch spreekt er zekere weemoed, h u m o r zoo men wil, in zijn slotwoord; «Liever dan met die eeuwige noodzakelijkheid had ik te doen met 'n God, die vatbaar was voor rede; maar dat kan nu eenmaal niet.quot;
Van definities hebben wij dan nu vooreerst genoeg; en al hebben wij zelfs van Multatuli geleerd, — waarom ook niet ? — toch willen wij boven zijne gelijkvloerscliheid ons zoeken te verheffen.
De H u m o r behoort tot het gebied van het geestige, dit staat vast; en wel, om in parlementairen stijl te spreken, tot de uiterste regterzijde. Heeft de satire, het paskwil, do sarkasme een bepaald en doorgaans onvriendelijk doel, de humor is meer de
31G
HmiEtTR E\ HUMOR.
uitdrukking van eigen gemoedsleven. Men kan humorist zijn in de eenzaamheid, wanneer die strijd van 't verhevene met het bespottelijke, van hoogen ernst en dwaasheid ons weemoedig stemt; maar in de eenzaamheid maakt men geen paskwillen of satires, of 't mogt zijn, om ze elders te debiteren. Hieruit volgt, dat men vooral zich niet moet toeleggen op 't geen van zelf uit een edel gemoed opwelt. Gemaakte humor is geen humor. Wie onedel en gemeen is, kan geen echte humorist wezen. Hij kan alleen spotten, maar niet te gelijk er om weenen.
De boomen waren er vóór de botanie, en de sterren schitterden, eer een geleerde haar loop berekende, of hare orakelen poogde te lezen. Zoo is er humor geweest, eer die zoo werd genoemd. Reeds in do oudste bijbelboeken vindt men er iets van, maar naar de streng morele opvatting des bijbels met hoogen, snijdenden ernst. Zoo is 't mij onmogelijk met de nieuwste, zeer geleerde maar ook zeer prozaïsche uitleggers, hot als letterlijk zoo gemeend op te vatten, wanneer God zegt na den val (Genesis 3:22): „Zie, de mcnsch is geivorden als Onzer één , kennende het goed en het kwaad. Nu dan, dat hij zijne hand niet iiitstelce en neme ook van den hoorn des levens, en ete, en leve in eeuwigheid!quot; — Dat hij toch door die kennis als God zou wezen, had wel de slang, maar niet God gezegd.
ïTog sterker spreekt de vernietigende humor op den berg Kannel, als vergeefs de Baaispriesters zich vermoeijen met tot Baiil te roepen om vuur op hunne offerande, en Elia zegt: vEoej)t met luider stem! Want hij is een God, maar hij is in gepeins, of heeft wat te doen, of is op reis. Misschien slaapt hij en zal wakker worden.quot;
Uit het Nieuwe Testament herinner ik mij geen zoo verpletterenden spot; maar wrel de goedhartige luim, waarmee Paulus tot de geestdrijvers zegt; Wie niet werken wil, dat hij ook niet ete: of tot anderen, die de afzonderina: van de wereld over-
317
inniETTR EN HUMOR.
drijven zoiiden: »quot;\Vie met slechte mensclien niets wil te doen liebben, die zou de wereld uit moeten gaan.quot; (2 Thess. 3 : 10; 1 Kor. 5 : 10.)
Maar zoo vroeg beginnende, zie ik, dat mijn onderwerp mij te magtig wordt. Ik wil hot dus besnoeijen, en geheel de oudheid verder onbesproken laten, ook de middeleeuwen en haar doo-dendans, om nog eens bij onze vaderen stil te staan.
Hot komieke, oigineele lag van ouds in den aard der quot;Vlamingen en Noord-Nederlanders. Hiervan spreken zelfs namen en gebruiken, getuigen van eene opgeruimde levensbeschouwing, maar daar telkens do ernst van 't leven doorschemert. Zelfs in dagen van vreeselijke geloofsvervolging, toen niemand goed en leven een oogenblik zeker was, en de uitgezoehtste martelingen op de pijnbank den dood op schavot en brandstapel voorafgingen, terwijl dood en verderf dreigden aan alle kanten, verloochende zich dit optimisme niet. De geuzenliederen zoo wel als do leekenpreken moedigden de hervorming aan, en steunden de zwakken in dien strijd. En 't is geen hooge ernst alleen, die er in spreekt. De oude joviale toon van het Duitsche volk komt weêr boven, te midden der ellende. Geen wraakpsalm, maar de hnmor van 't volk speelt in het Geuzenlied, dat onder 't beleg van Alkmaar de Eoomschen, die in hunne godsdienst veiligheid meenden te vinden, waarschuwt tegen de trouweloosheid der Spanjaarden waar zij amnestie beloven: want
Een Spaansch pardoen, dat houdt zoo vast Als een open hand vol vliegen.
en
Due d'Alba zal u scheren snel,
Gelijk men doet der schapen vel,
En vagen u de kist,
O pardonist!
318
irüMEtTR EN HUMOR.
Wel moeten het mannen geweest zijn van ijzer en staal en toch met een goed hart, die bij den dood van een' paus (denkelijk Pius den vijfde) zongen:
Daar is een Paus gestorven;
En 't is geen God en 't is geen mensch.....
en hem dan vergeefs laten aankloppen aan de deur van hemel en van hel, om hem daarna te bergen in het vagevuur, — »clen paus zijn tolhuis, dat hij bij zijn leven gaf om zijn huur.quot;
Dat is ten minste geen Elia's kreet tegen de baaisdienaars, even min als het na de Spaansche Furie (1576) een wraak-psalm was, dien men zong:
De Spanjaards werden lieeren,
Als zij kwamen in Braband.
Dat land wilden zij regeren,
Zij waren daar onbekand.
Dat land was haar gegeven van Due d' Alf;
Maar zij kregen dat niet half
Als de Spanjaards zijn verdreven Met hare Spaansche knap,
Zij moeten leeren weven Uf roepen ketellap,
Of schoorsteenvegen zonder leer.
Is dat niet scliand voor zulken heer?
De vrijheidsoorlog werd voldongen. Het Kalvinisme, dat 't volk daarin had gestaald, werd eene magt in en over den staat. Zijne sombere wereldbeschouwing dempte zoo veel mogelijk de nationale luim, zonder die ooit geheel te kunnen meester worden. Zij sprak in dicht- en schilderkunst, in geschriften, op luifels en uithangborden, in de namen van straten en wegen, zoo wel als aan de feestmalen, waar regenten en zelfs geeste-
319
mjinxn ex iitnroR.
lijken zich zeiven van menigen lossen kwinkslag absolutie gaven; om den eerstvolgend en zondag, onder een streng on lang ser-moon, weer boete te doen.
Rogt Jammer, dat op die wijze de vrije geest onder sombere vormen gebonden werd, en ernst en luim vijandig togen elkander werden over gesteld. Dat verstond de Eoomsche kerk beter, al ging zij hierin ook te ver. De kennissen, waarvan in 't Pro-testantsche noorden soms weinig meer dan de baechanaliën overbleven, zijn in 't Roomsch-Katholijke zuiden nog de oude kerkmissen, waarbij de geestelijken de uitspanning besturen en temperen.
Maar de Germaansche natuur verloochende zich nooit. Zelfs de burgertwisten werden soms door humor verzacht. En was de boert, ook in de populaire Almanakken, grof en gemeen geworden , de achttiende eeuw bragt een' beteren toon, vooral door de Spectators, van de Engelsehen nagevolgd. Alleen Justus van Effen is daarvan in aandenken gebleven, en al zijn zijne redeneringen wat taai voor onzen tijd, aan zijne tafereeltjes ontbreekt de echte humor niet.
Zijne geestverwanten hierin zijn de dames Wolf en Doken, en 't zuiverste juweeltje, dat zij nalieten, is niet de gerekte Willem Levend, maar de geestige brieven van Sara Burgerhard en hare omgeving. Er lag — al begrepen de ouderwetsche vromen het niet, — meer ernst en daardoor echte humor in Saartje, die de flensjes opat, die ze voor broeder Benjamin moest bakken, en in haar Oom, die den overwinnaar van Goliath voor geen «geestelijken sukkelaarquot; houden wilde, dan in al het gekwezel van den vromen oefenaar, die »de huizen der weduwen opal onder dm schijn van lang te hidden.''''
Zelfs in den bangen Franschen tijd vermaakte Arend Fokke Simonsz, onze vaderen met zijne soms grove, maar altijd onschuldige boert. Hem zeiven heb ik niet gekend, maar nog wel zijne
320
IimiEUK Egt;T IIÜMOIÏ.
trouwe hoorders, en tot zijne lezers behoorde ik ook. Zijn »Verlichting, Deugd en Tijdquot; en »De vrouw is de baas,quot; bevatten trekken van echten h u m o r. Green deftige redeneringen of preken hebben mijn jeugdig liberalisme zoo ingetoomd, als het karikatuurplaatje, waarop een geweldige brand het toppunt der verlichting is.
Na de restauratie —■ wij hebben 't reeds van Hildebrand gehoord — kwam de humor eerst regt in de mode. Hij werd vooral van buiten 'slands ingevoerd; — men denke slechts aan Sterne en Swift, Claudius eu Jean Paul, —• en daardoor, zoo als 't in ons landje gaat, al spoedig nagebootst. Eu nagebootste humor is geen humor meer. Wil men tegenover de charge van Hildebrand eens een gansch deftig man hooren, ik heb vóór mij liggen «Gedachten en Opmerkingen van Jean Paul (1846),quot; en lees in de voorrede van Lublink AVeddiilk: »ilen beweert hier en daar, dat de gansche Humoristische litteratuur als een uitwas aan den letterkundigen renzenboom of BSghab moest beschouwd worden; en voert ten bewijze aan, dat onder de Classici de Humor zoo goed als niet bekend is. Niet te wederleggen! Intusschen hebben de echte Humoristen niet geheel ongunstig op hoofd en hart gewerkt, en de smaak voor deze letterkunde is, vooral in de laatste tien of twintig jaren, zoo zigtbaar toegenomen, dat men zich wel een weinig naar dezen smaak schikken mag, in zoo verre aan de hoogere ontwikkeling der menschen daardoor niets wordt te kort gedaan.quot;
Dat is wel een Hollander, dien men zich niet anders dan met een' zwarten rok en witte das kan voorstellen! Een tamelijk linksche makelaar in humor, met alle achting voor 't geen hij op zijn' eigen' toon aan die »hoogere ontwikkelingquot; heeft bijgedragen. Als zulk oen man zelf eens een' humoristischen slag deed, zou men haast denken, dat hij wat op had.
Maar wij naderen zoo doende reeds onze tijdgenooten, die
21
321
iivMErn EX nmiOR.
't wel niet zullen kwalijk nemen, als ik hen prijs; maar als ik
't eens niet deed of dozen en genen voorbij ging..... Och! we
zijn ook al een irritabile genus____ :t Is dus genoeg, — daarmede boleedig ik zoker niemand — dat ik als algemeen bekend noem: den Sclioolmeester en den ouden Heer Smits, Hildebrand en Jonathan met den schrijver van de »Leekendichtjesdie allen, — behoort dit ook tot den echten humor? — met een' valschen pas reizen.
Ik hoop, dat nu — want anders heb ik vergeefs gewerkt, — si
de Humor, ook zonder eigenlijke definitie, mijne lezers wat di duidelijker zal geworden zijn, en wil er ten laatste mijn oordeel nog eens over zeggen.
Daar de luim de grondslag van 't humorisme is, zoo worden deze soort van sprekers en schrijvers allerminst in de
broeikas geteeld. Toen de beroemde Spurgeon, — ook een va
humorist, maar op den kansel, — hier gepreekt had, vroeg di
mij eene dame bij 't uitgaan; »En wat denkt nu Ds. Koetsveld m
er van?quot; ilijn antwoord was: »0! ik zou er wel zoo één in g-f onze kerk willen hebben, Freule! maar van den kouden grond.quot;
De echte humorist heeft 't uit de boeken niet; hij is van hi
nature een opmerker; en 't kan niet anders of hij merkt veel op, de
dat dwaas en verkeerd is. Maar in plaats dat hij hiertegen straf- h,
predikaties houdt, kleedt zijn luim die tafereeltjes in een Ideed, ei
dat nog meer het dwaze dan liet slechte e? van doet uitkomen. ge Yan daar dat het volk doorgaans den hoogan ernst niet begrijpt,
die er tot grondslag aan ligt. In mijne vorige gemeente had ik vo
met een weldadig doel «Fatsoen en Armoedequot; uitgegeven. Ik da
meende de diepe smart van die tegenstelling levendig geschetst w(
te hebben, om medelijden te wekken met die armen, die eer- ha
322
HUMEUR EN HTOIOE.
zucht en schaamte beletten, de weldadigheid in te roepen, terwijl zij ze toch meest van allen zouden behoeven. En toen ik nu bij eene vrome oude kwam, die mij trouw volgde, vond ik haar in heilige verontwaardiging. »AVat die booze vijanden al tegen u durven doen, dominé! Daar hebben ze nu op uw'naam een boekje uitgegeven, waarin staat van vrouwen met flapmut-sen. 't Is schandelijk.quot; Ik beproefde wel, mijn boekske voor de eenvoudige ziel te regtvaardigen, maar ik geloof niet, dat ik er iri geslaagd bon. Wij waren als die een verschillende taal spraken, en verstonden elkander niet.
Als de humor echt is, ligt er meer ernst en dieper smart in, dan in menige zedepreek, die wel eens 't vonnis verdient van de Genestet;
Verlos ons van den preektoon, lieer I Geef ons natuur en waarheid weêr.
Het kan de ernst zijn van den menschenvriend, maar ook van den menschenhater; van den geloovige, maar ook van hem, die kerk en godsdienst haat, — of haten wil: want de kerk kan men verlaten, maar zich van de godsdienst geheel los te maken, gaat voor den ontwikkelden mensch zoo gemakkelijk niet.
Door deze tegenstelling ontstaat er een bittere en een vriendelijke h u m o r, al naar men in vrede met God en de wereld leeft: de humor van den optimist en van den pessimist. Die bittere h u m o r is maar al te veel de weerklank van eene gekrenkte eigenliefde, die zich verbeeldt door de wereld miskend of niet genoeg geëerd te zijn.
Van goedhartigen en vromen h u m o r vindt men liet schoonste voorbeeld in den Wansheckev Bothe, die, al is hij reeds meer dan eene eeuw oud (1774), waarlijk niet verdient vergeten te worden. Ik sla hem open, en neem maar, wat mij voor de hand komt. 't Is een brief van den keizer van Japan, die bezig
323
HniETI! Egt;T imiOI!.
is ('t lijkt wel eone profetie van onze eeuw!) de verlichting in zijn rijk in te voeren. A itfklarany was toen in Duitseliland het algemeen aangenomen woord. Hier heette het in mijne jengd »ver-lichting en beschaving.quot; — Hij roemt, dat men bij hem dm Euro-paern ziemlicli imf den Hacken ist, vooral in het disputéren. Maar nu klaagt hij: Nur der Theil von meinen Unterthanen, an den dies (jelangt, ist mir immer doch yar zn klein und unbetracht-lich; und, was die Hauptsache ist, so tceisz nun zweer dieser Theil viele S ach en, die er vorher nicht miszte, somt aber ist er eher schlimmer als besser geworden. ïch möchte c/ern eine Aufkliirimg haben, dadurch Vater und Sohn, Mann und Frau, Herr und Knecht filr sich selbst und fiir ein ander, treuer und braver, und alle me ine Unterthanen beszre Unterthanen, und ich ein beszrer Itegent ivürden; und ich bin sehr begierig zu erfahren, wie iceit die Enropaischen Aufklarer es in diesem S'Uck gebracht haben. und wie sie. das anfangen.
En nu het tegenbeeld uit denzelfden tijd. quot;Wij allen hebben in onze kindsche dagen ons vermaakt met »Gullivers reis naar Lilliput,quot; en misschien eerst later begrepen, dat 't geen kinderboekje, maar eene bittere satire op zijnen tijd is, waarmee de Deken Swift in gestadigen strijd leefde. Scherper en bitterder nog is de humor van Heinrich Heine, dien mijne jeugdige lezers denkelijk beter kennen dan ik. Wanneer hij zijn leven vergelijkt bij eene tooneelvertooning, waarvan aan 't eind niet anders overblijft dan de vuile lucht der olielampen en de ratten op 't tooneel, dan is dit eene karikatuur der voorstelling van Chrysostomns, bij wien aan ;t eind de menseh zelf, die zijn rol heeft gespeeld, in zijn eigenlijke waarde of onwaarde overblijft.
Onder ons zou men Bilderdijk kunnen noemen, indien niet zijn humor het kwaad humeur van denmenschenhater ware geweest. Ik heb hem nog gezien, — gekend kan ik niet zog-
324
HTJirEUK EN HLItOl!.
gen — in mijn' studententijd, en mij nooit kunnen begrijpen, hoe hij ons :t model van den regtgeloovigen Christen zijn moest.
Maar liever laat ik over hem een' echtengoedhartigen humorist spreken, .Jacob Geel, als hij in zijne verbeelding Schiller en Bilderdijk wandelen ziet in de onderwereld. Beiden hebben in hun leven op de Hollanders gescholden; en nu staat Schiller stü en vraagt: »Is hier niemand, die voor uw volk pleiten wil?quot; Bilderdijk zwijgt. De ander zegt; »Mijn hart werd zoo warm, toen ik dat oude tijdperk uwer geschiedenis te boek schreef. Dat tijdperk van kracht en hooge eenvoudigheid hebt gij zeker ook dikwijls bezongen?quot; — Bilderdijk zwijgt. — »Uw volk is magtig en rijk geworden; liet heeft aan overvloed en weelde den tol betaald. Maar het werd ongelukkig en toen hebt gij 't getroost?quot; Bilderdijk: »AVillen wij niet wat voortwandelen?quot; — »Gij hebt bestraft, maar gij hebt ook minzaam vermaand en geholpen, en toon een gunstiger lot hun ten deel werd, toen hebt gij gejuicht, hebt gij niet? — Want gij hadt een groote
ziel, die kleine teleurstellingen kon vergetenquot;...... En zoo gaat
't voort tot eindelijk de schrijver op eens afbreekt: »Wat zie ik?____ Een traan van Bilderdijk____ Het gezigt is verdwenen.quot;
Wilt ge nog een voorbeeld van bitteren Humor tot besluit? 't Is tegen den ouden regel, om »met het goede eind alles goedquot; te maken, maar
Bitter in den mond Is voor 't hart gezond.
Hoort dan!
»Een kind is ziek. De vader heeft redenen om niet in persoon den armen lijder te bezoeken. Hij zendt een' vertrouwde. Deze
325
HOIEUU EN HTTMOK.
blijlt één oogcnblikje bij dc zieke, en zegt een en ander, dat tant bien qtu- mal wordt opgeschreven door de omstanders.
»Nu wordt liet kind behandeld op allerlei wijze. De een heeft »kwikquot; verstaan voor »znnrdoeg.quot; «Laxeren,quot; neen! «Stoppen;quot; «quot;wrijvenquot; roept de een; szweetenquot; heeft i gezegd. »Ik weet het,quot;
schreeuwt een zevende: »Pappen op de borst____ Hebt ge niet
gehoord, hoe de gezant des vaders sprak van zenuwen? Nu, dat wil zeggen: pap. quot; «Waarachtig niet,quot; beweert de dertiende; »hij verhaalde iets van liefde...quot;
— Liefde? Nu ja... en wat haalt ge daaruit?
— quot;Wel, heel eenvoudig... dat is... ja... liefde is branden.
— Precies.
»Eu ze brandden, blakerden, braadden 't kind. En ze papten 't kind. En ze deden :t kind zweeten en purgéren. En ze gaven het ijs op 't hoofd, en kwik in de maag. En ze wreven 't, en rolden het, en knepen het.
»En al die heeren hadden rang van doctor of professor. De kleine gemartelde patient werd begraven onder officie ole wetenschap.
»En toen kwamen er weêr andere »wetersquot;, even officieel als zoodanig erkend, even deftig, even getabberd, aan 't kind vertellen : »Wees vrolijk en verheug u! Ze hebben je nog al geplaagd— dat 's waar. Ge zoudt, wel beschouwd, wat regt hebben van klagen, maar wees tevreden. Troost u met do gedachte, dat je gedurende uwe ziekte brood, rang en vermaak hebt verschaft aan al de heeren, die u niet hebben genezen.
»En wij,... wij hebben de »boodschap uws vadersquot; naauwkeu-rig onderzocht, en bevonden, dat ze nooit goed begrepen was. quot;Wij verzekeren u op ons woord, — van doctor, dominé, professor, enz. — dat wij die boodschap goed zullen verstaan____
— »Ach,quot; kermde de zieke, »dat zeiden al die andoren ook! Sedert achttien eeuwen hoor ik die verzekeringen; zoudt ge zoo
326
HUMEUK EN HUMOR. 327
goed (willen) zijn, mij dien /.waren band af te nemen, die ze mij legden om den hals, en 't gewigt, dat zoo drukt op mijn hart?... Och, on wat lucht, wat licht, wat vrijheid... Staat dat alles niet in de boodschap van mijn' vader? Misschien zal ik beteren, als ge mij overlaat aan mij zelf—quot;
Hebt go den verteller herkend? Dan zegt gij misschien met mij: »Regt jammer, dat ilultatuli Douwes Dekker was, do man zonder ideaal, en toch weer tegen zijn wil niet geheel zonder.quot; Want zoo als de mensch is, zoo is zijn humor.
En hiermede neem ik afscheid, misschien wel voor altoos; want de avond is reeds lang gevallen, en het »werken zoo lang 't dag isquot; spoedt ten einde.
Wanneer ik al dat geschrijf van een halve eeuw nog eens overzie, dan vind ik quot;t toch gelukkig, dat er papiermolens zijn in onzen tijd, die oude lektuur weer tot stof voor nieuwe vermalen. Stond ik er bij, en zag 't meeste verdwijnen, dan zou ik, even als do Sibylle aan Tarquinius, voor het overblijvende hetzelfde loon vragen: want dat zal dan toch wel 't beste wezen! En vindt hot jonger geslacht er eenige sprankels in van 't heilig vuur, dat H u m o r heet, moge het do welwillende, goedhartige Humor wezen, opgeweld uit een hart, dat God en menschen lief heeft.
Instituut De Vooys voor Nederlandse Taal-' cquot;. Lertericunde aan de ■ versiteit te Utrecht
filz.
Aan mijn' vriend S. E. van Nooten..........v
Den Lezer.................
I. Eeu Nauut van voor eon halve eeuw.
Nagekomen Schets uit de Pastorij te. Mastland.
7 Fehruarij 1883 ........................11
II. Een Erfhuis. 19 December 1870..............53
III. Dg Maan. 5 November 18S3........91
IV. .Men. Eene Causerie. 23 October 1879 .... 129 V. Het leven van een' Sollicitant. 18 January 1882 . 169
VI. De Hoogmoed. 10 December 1877 ...... 211
VIL Do Hebzucht. 2 Maart 18G9........251
VIII. Humeur en Humor. 24 Mei 1887 ............287