EN'
DOOK
J. H. G U N N I N G JR.
TWEEÜK, VERMEERDERDE DRUK.
AMSTERDAM,
B. VAN DER LAND. iSyó.
'-O
t
J. H. GUNNING Jr.
tweede, vermeerderde druk.
BiBLIOTHEtIK D3R «IJKGUNIVE^ iTSlT u t n c ! - t
AMSTERDAM,
VAN DER LAND. IS70.
B.
Jesus, confirm my heart's desire To work, and speak, and think for thee:
Still let me guard the holy fire, And still stir up thy gift in me.
Ready for all thy perfect will, My acts of faith and love repeat.
Till death thy endless mercies seal, And make the sacrifice complete.
(John Wesley.)
/
(d. Chantepie de la Saussaye, Gest. 14. Febniarij iSj/f.)
Op het krankbed rustte mijn oog op Uwe beeltenis, en de zwakke die Uw woord nog niet dragen kon, liet zich prediken door de wijding van Uw gelaat. Zoo verjaarde de dag van Uw heengaan uit ons midden. Diepe rouw heeft slechts een sober woord. Een later geslacht zal de gave Gods, in U aan kerk en wetenschap verleend, waardeeren ook zonder dat wij hare uitnemendheid verheffen; en de smart van hen die U van nabij mochten
kennen is een heiligdom, naar boven, niet naar buiten open. Alleenlijk wete wie dit boekje leest: Zoo ik iets van de diepte van den »eenigen Troost in leven en stervenquot; versta, de Heer heeft het mij door U gegeven. »Lijden en heerlijkheidquot; was de grondtoon van Uw leven, denken en prediken. Zoo durf ik hopen dat er in deze bladzijden is wat Gij zoudt beaamd hebben, en wijd ze Uwer nagedachtenis in stille, eeuwige dankbaarheid.
's Hage, September 1875;
Hoofdgedachte dezer bladzijden is, dat het «lijden als een Christenquot; iets anders is dan het lijden buiten de gemeenschap des Heilands: namelijk iets actiefs, een werken, een arbeid. Kortom, een verloochenen van ons zelve waarbij het kruis opgenomen, niet slechts opgelegd wordt. Een vervulling, in onze kleine mate, van Jezus' woord: «niemand neemt mijn leven van mij af, ik leg het van mijzelven af: ik heb macht, het af te leggen, en macht het wederom te nemen.quot; Omdat alzoo dat lijden een daad is, een aanbieden aan den dood van 't geen hij komt nemen, daarom heeft dat lijden de heerlijkheid in zich. Ik zeg in zich. Immers men zal zien dat, al wordt eerst meer van lijden, daarna van heerlijkheid gesproken, deze twee gedachten toch niet gescheiden zijn, maar elkander steeds doordringen. Dit alles heeft een persoonlijke aanleiding. Wat ik schrijf is uitbreiding van wat ik, zeer aanvanklijk, in voor mij onvergetelijke weken ervaren heb. Ik teeken niet wat ik zelf ben, maar wat ik tracht te worden. Niemand kan een ideaal waarlijk aanhangen of het moet in beginsel bij hem werklijkheid geworden zijn. Maar ook niemand teekent het ideaal, of hij richt
daarmee tot zichzelf een stille, scherpe boetprediking. Mijn ideaal is, niet een bepaalden toestand van het leven maar het leven zelf te stellen tot een offer van zelfverloochening om het ware »zelfquot; te winnen. Wat nu de persoonlijke aanleiding betreft, eene zeer zware ziekte van veertien weken bracht mij in den winter van 1874/75 ^ c^e nabijheid des doods. 1) Toen ik mijne aanteekeningen uit den tijd van herstel, met nog bevende hand geschreven, later herlas en de gedachtenreeksen doorliep die aan deze losse fragmenten samenhang geven, gevoelde ik begeerte ze verder uit te werken. Schreef ik nu voor ^het publiek,1' ik zou wel de behoefte gevoelen om »wat mij verblijdde of kwelde of hoe dan ook bezig hield, in een beeld of gedicht om te zetten en zoo voor mijzelf daarmede tot klaarheid te komen, zoodat al wat ik schrijf, slechts brokstukken van eene groote confessie zouden zijnquot;; echter zou ik die behoefte niet durven vervullen voor wijder kring. Doch ik schrijf voor de gemeente. In haar geldt niet talent of gewicht des persoons: ook de eenvoudigste mag zich haar mededeelen indien werkelijk de Heer hem iets te zeggen gaf. Want het doel is dan niet, de litteratuur te verrijken, maar de harten van Gods kinderen te sterken en Zijn Naam te verheerlijken. jK Een ongenoemd Grieksch soldaat wilde na de overwinning bij Marathon aan zijn vaderstad spoedig de blijde tijding brengen. Gewond en afgemat liep hij echter met snelle schreden voort, en stortte in de poort dood neder; doch het wuiven van den palmtak
Mogen allen, bekend en onbekend, wier liefde mij destijds in daad, woord en voorbede gesterkt heeft, voor dat alles wat bij mij in onverganklijke herinnering blijft, nog eens mijn innigs ten dank aannemen!
in zijne hand was den bewoners een genoegzaam ! duidelijk teeken. Ook ik heb gezien dat de Heer overwon, en in Zijne kracht een weinig uit de verte mee gestreden. Nog niet gestorven naar het lichaam maar weer opgericht, wensch ik ook in mijne mate met den palmtak te wuiven, opdat wie het zien, mijn naam even als dien van dezen krijgsman vergeten, en zich verblijden in de overwinning van Hem die nog steeds in de Zijnen, gelijk Hij het voor zichzelf volbracht, door lijden tot heerlijkheid ingaat.
Met blijdschap zie ik van dit boekjen een tweeden druk verschijnen. Hij is vermeerderd en verbeterd vooral ook uit opmerkingen van geestverwante lezers. Want deze bladzijden hebben mij met velen in den lande in een mij zeer liefelijk verband gebracht. Uit de historie, vooral uit de heerlijke geschiedenis der martelaren, voegde ik hier en daar nog een verduidelijkend voorbeeld in. Een groote sterking is de gemeenschap der heiligen die ons door lijden tot de heerlijkheid zijn vóórgegaan.
Aan eene lezeres wier oordeel voor mij veel waarde heeft, vroeg een ander: »of mijn boekjen geschikt was om aan iederen lijder in handen te geven?quot; Zij andwoordde: »het zal bij velen na eerste lezing een gevoel van teleurstelling wekken, en het is te vreezen dat enkelen bij dien eersten indruk zullen blijven. Maar wie, met den Schrijver, de macht der zonde als het zwaarste lijden gevoelt, zal er zeker door getroost en gesterkt worden.quot; Ik verlang niets meer, dan dat dit waar moge zijn. J. H. G.
I.
HET VERLOREN PARADIJS.
Wij hebben behoefte aan het Ideaal, en wij kunnen het niet bereiken. Deze algemeen menschelijke ervaring laat zich in de taal des geloofs, d. i. der hoogste waarheid, aldus uitdrukken: wij zijn in het Paradijs geweest, en wij zijn er nu niet meer. Ziedaar al onze ellende. Wat het beteekende in het Paradijs te zijn, dat kunnen wij niet meer ervaren, daarom gaat het ook onze bevatting te boven. Maar willen wij het ons bij vergelijking duidelijk maken, letten wij dan op den dood. Deze vergelijking is ons door de Schrift zelve gegeven, s Ten dage als gij van het verbodene eet, zult gij den dood sterven.quot; De dood is dus het gevolg der zonde, en de verdrijving uit het Paradijs was ook het gevolg der zonde.
12
Dus is, hetgeen die verdrijving beteekent, voor ons te kennen uit den dood. Beide zijn de overgang uit een toestand van leven en kracht tot een schaduwachtig verminkt bestaan. Alleen, bij beschouwing van het eerste, van die verdrijving, faalt ons de ervaring van het vroegere, het Paradijs; en bij het laatste, bij ons sterven, ontbreekt ons de ervaring van het latere, den toestand na den dood. Maar dit toch weten we, beide overgangen hebben met elkaar overeenkomst, ja verwantschap. Hier ligt clan nu het vaalbleek lijk. Welke is nu de toestand waarin hij, hijzelf, zoover de van het lichaam gescheiden geest althands »hijquot; verdient te heeten, is overgegaan? Afgezien van de tegenstelling der zaligheid of rampzaligheid hier namaals, den staat der afgeschei-quot; den zielen alleen op zichzelf beschouwencte,
gelijk wij het zoo dikwijls in het Oude Testament vinden, wat moeten wij dan van dien toestand na den dood zeggen? Dat hij wel voor Gods kinderen aanvanklijk zalig is, maar toch noch lichaamloos. Dit laatste wel niet volstrekt; want reeds hier op aarde wordt in ons het hooger lichaam der heerlijkheid toebereid. Maar toch eerst de opstanding zal volkomen lichaamlijkheid met zich brengen; en tot dien tijd toe is het leven des menschen in vergelijking van het aardsche dat hij verliet en van het vol-
13
komene dat hem wacht, een schaduwachtig bestaan. Het rijk waarin hij is neergedaald, is veel minder lichamelijk dan dit aardsche. Al de werkzaamheden des geestes missen daar dus de kracht, de werkelijkheid, welke een geschikt lichaam er hier op aarde nog aan kan bijzetten. Onvoltooid, schaduwachtig is alles.
Welnu, een dergelijke overgang is met ons geschied als wij uit het Paradijs zijn verdreven. Wij zijn door onze schuld onder de heerschappij der natuur geraakt, welke wij bestemd waren te beheerschen. En wat deze overheersching over ons beteekent, dat kunnen wij wederom aan den dood zien die, als bezoldiging der zonde, openbaar maakt wat eigenlijk gedurende den ganschen tijd van ons leven, terecht in ons Doopsformulier 3*een gestadig stervenquot; genoemd, zich in ons voorbereidt. Dit ons leven is de nog niet ontvouwde dood, gelijk de dood is het ten volle ontsluierde, geopenbaarde aardsche leven. De noodlottige gave des Satans die wij, wel is waar bedrogen zoodat wij nog verlost kunnen worden, maar toch vrijwillig in ons opgenomen hebben, beheerscht nu ons natuurlijk bestaan. Het kwade heeft nu in ons den natuurlijken bodem van dit lichaamlijk leven op het goede vooruit. Al wat verkeerd is, vindt een sympathetischen grond, waarop het gezaaide snel tiert, al
14
het goede daarentegen willen wij wel in ge
het diepst onzer ziel, maar wij kunnen Mi
het niet, het vindt geen steun in ons- all
Het s bedenken des vleeschesquot; is vijandschap to tegen God, hetzij onze wil zich met deze
natuurlijke begeerte vereenige, of niet. Het te
goede zeilt als het ware met moeitevolle vr
inspanning tegen den wind, het kwade w
drijft snel en gemakkelijk vóór den wind af. v(
In Dante's Hel ademen de boozen vrij en sl
natuurlijk, maar als een bewoner der hoogere 5
streken daar in afdaalt, kucht hij en wuift le
met de handen vóór zich uit, om lucht te ii
scheppen. Ja het goede en edele zelfs kan if
hier op aarde alleen snelwerkende kracht I
hebben wanneer het met zekeren zinlijken d
hartstocht gemengd, daardoor gekleurd is ii
en verwarmd, van levenstoon verhoogd. t Niet alleen b.v. een Voltaire zou, indien
hij zich bekeerd had, het aantreklijke zijner 1
schalke gemeenheid, een Musset het be- l
tooverende zijner wankelingen tusschen hemel i
en hel hebben moeten prijsgeven; maar zelfs, « ware b.v. Schiller een geloovig christen geweest, zijn poëzy zou ongetwijfeld daaronder geleden hebben (i). Die niet met God heeft
fi) Deze beweering heeft velen bevreemd. Ik houd haar echter voor juist. Het christelijk ideaal staat zoo hoog dat de kunst het nooit volkomen kan uitdrukken: zij blijft dus steeds in smartelijke onvoldaanheid, de vorm is altijd voor den inhoud te gering.
15
;1 in geworsteld, stapt veerkrachtig daarheen,
nen Maar wie een Pniël kent, zijne heup blijft
ons. altoos min of meer verwrongen, zijn gang
quot;hap toont iets manks hier beneden.
deze Dat is de ellende, de vernedering van ons
Het tegenwoordig bestaan. Voor de koninklijke
/olie vrijheid tot welke Gods beelddrager bestemd
vade was, is de arbeid in 't zweet des aangezichts,
i af. voor de heerschappij over de wereld de
j en slavernij onder den aardschen nood en de
gere svreeze des doods met welke hij al zijn
vuift leven der dienstbaarheid onderworpen isquot;,
it te in de plaats gekomen. De kunst, die hem
kan iets natuurlijks moest zijn en het in het
acht Paradijs ook inderdaad was, de harmonische
jken doordringing van de stof door den geest,
1 is is den mensch nu iets exceptioneels, iets
Dgd. bijzonders, iets feestelijks geworden. De
ijner Het Grieksch ideaal daarentegen is lager, de kunstenaar
i kan het volkomen bereiken, dus vrolijk voldaan rusten: vandaar de betooverende aantreklijkheid, de
imel harmonie der Grieksche, en in 't algemeen der niet-
elfs christelijke, uitdrukking van het ideaal. Als Sainte-Beuve in het derde deel van zijn Port-Royal de schoonheden
° ' van Pascal's stijl beschrijft, ontzegt hij hem terecht
ader Wat hij dus uitdrukt: Entre tant de divinités charmantes
leeft ct coupables que le christianisme a détronées et qu'il n'a pas toutes anéanties, il en est une qu'il a bien décidément immolée et qui tenait a l'age premier du
houd monde, a l'allégresse facile des esprits: c'est un
staat certain éclat naturel et rianl, c'est Aglaé la plus jeune
i uit- des Graces. Ook onze van Alphen zegt hetzelfde in
ayol- zijn ten onrechte vergeten »Predikt het Evangelie aan
rmg* alle creaturen.quot;
16
moeite en strijd van dit aardsche leven is nu een ophouden, een tegenhouden van den val naar beneden, die onvermijdelijk volgen zou indien er niet een zeker tegenwicht werd gesteld, als een dikke atmosfeer die een vallend lichaam in zijn nederstorten ophoudt. Nu heeft de mensch nog tijd om de hemelsche krachten aan te grijpen en dus zijn val in een opstijgen te veranderen. Maar ook dat opstijgen is door dezelfde dikke middénstof dezer gevallen wereld zeer belemmerd. Zoo is de mensch ongelukkig en verlaagd. Doch schrikkelijk wordt deze ellende nog vermeerderd door dat de val den mensch ook in zijn geestelijk besef heeft verdonkerd, zoodat hij het smadelijke van zijn toestand niet eens gevoelt, het »zuchten der kreatuur die om zijnentwille der ij delheid mede onderworpen is,quot; niet verneemt. De hoogere wereld, welke de mensch bestemd was in zich op te nemen, is van hem verwijderd geworden. Hij liet haar los, zoo kon zij hem ook niet vasthouden. Nu is die hoogere wereld dus voor den mensch iets a fw e z i g s geworden, een bleek gedachtending. Daaren-tegen werd deze wereld der zichtbaarheid voor hem het voornaamste, het duidelijkste. Dat wij zelve leven en elkander en boomen en huizen en alle aardsche dingen zien, dat dunkt ons vast en zeker, en wie het be-
17
twijfelt of ontkent, is voor ons aan een krankzinnige gelijk. Maar God en de eeuwige dingen van het bovenzinlijk gebied, dit alles, zeggen wij, is iets onzekers, een voorwerp van s geloofquot; (waaronder wij dan mindere zekerheid als die van het weten verstaan!) en wie deze dingen ontkent is in 't minst niet krankzinnig, wellicht is hij een zeer verstandig, wijsgeerig man, waarschijnlijk zelfs heeft hij recht in de voornaamheid met welke hij zich boven de »voorstellingenquot; der goedgeloovige menigte verheft. Eerst in den hemel zullen deze ontkenningen krankzinnig heeten: hier op aarde noemen wij ze diepziende philosophic, of medegaan met het licht dezer eeuw in s het weemoedig voorrecht van te denken.quot;
Al deze vernedering en ellende is ons niet verborgen. In zijn beste oogenblikken althands is de mensch zich daarvan bewust, en gevoelt zijn smadelijke slavernij. Dit is onzer aller voornaamste lijden. Het wordt dieper schande wanneer wij het niet weten en de smart daarover voor ongegrond, althands voor overdreven verklaren. Maar het wordt ook scherper pijn. wanneer wij het beseffen en erkennen. Hier ligt de a 1 g e m e e n e grondslag waar alle bijzonder lijden, voor dezen meer voor genen minder, op rust. De meesten weten het niet, en leven dus daarheen zonder van deze omkeering der oorspronklijke orde
2
18
iets te gevoelen, zonder le beseffen hoe zij zich ontadelen door alzoo het zichtbare boven het onzichtbare, het verganklijke boven het eeuwige te stellen : dus ook zonder pijn daarover. Ze zijn, indien ze slechts niet in grove zonden vallen, vrij wel met zichzelf en met de wereld tevreden. Alleen voor diepere geesten zijn de edele, maar ook vlijmende smarten dezer kennis. Michelangelo zeide schertsend van zijn vriend en middelmatigen kunstgenoot Bugiardini, dat hij een gelukkig mensch was, altijd tevreden met hetgeen hij tot stand had gebracht, terwijl hij zelf nooit één werk tot geheele eigen voldoening had geëindigd. Wanneer zulke menschen als Michelangelo door anderen worden geprezen, . drukt hen het besef dat de gedachten der menigte hen even ver doorgronden, als hun eigen gedachten de waarheid, de eeuwige schoonheid zelve — namelijk ongeveer als de diepste bergwerken die het hart der aarde meenen te bereiken, en ter nauwernood haar uiterste schors doorboren.
11.
VREEZE DES DOODS EN ZELF VERTEERING.
Dat lijden zal altoos duren zoolang deze aarde staat, en de historie der menschheid zich voortbeweegt. Want het karaktermerk dezer historie is lijden, naar Gods oudste belofte: »Ik zal vijandschap zetten tusschen uw zaad, o slang, en dat der vrouw. Dat-zelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.quot; Dat wil dus zeggen dat, behalve den dood en alle natuurlijke ellende die zijn noodzaaklijke voortocht en achterhoede is, er ook nog door de zonde een onophoudelijk lijden zal blijven, hetwelk de menschen elkander aandoen. Ten slotte zal het goede overwinnen, maar niet dan ten prijs van voortdurende smarten, nimmer ophoudende verbrijzeling der verzenen. Aan dit tweeledig lijden raken de menschen ge-
2'
20
wend. Zij kunnen het niet veranderen, en zien het ten slotte als een noodzaaklijkheid, niet slechts van onzen zondigen toestand, maar van het mensch-zijn op zichzelf aan. Het meeste, bijkans alles wat in de stelsels van wijsbegeerte en wetenschap der samenleving verkeerdelijk gezegd wordt, laat zich aldus verbeteren dat men zegge: dit wat gij beschrijft en bewijst, geld' voor den tegenwoordigen, zondigen staaf der mensch-heid, maar s van den beginne af is het zoo niet geweestquot; en als wij Christus aannemen, zal het zóó niet blijven. En vruchteloos put dan ook het verstand der. op elkaar volgende geslachten zich uit, om die ellende te verbeteren. »De menschelijke rede kan wel van illusiën genezen, maar zij kan het lijden niet heelen. God heeft haar tot een goede huishoudster, maar niet tot een zuster van liefdadigheid gemaakt.quot; Dit leven, gelijk het is, kan den mensch niet bevredigen. Het bezwaart en verveelt hem. In den onop-houdelijken strijd heeft hij de kennis van het eigenlijk doel dezes levens verloren, en leeft nu slechts omdat hij er nu eenmaal is, en leven moet. Hij s existeert er op los,quot; naar de tragisch-komische uitdrukking van Heine. Want wat hem oppervlakkig maakt, verhindert tot de diepte en dus de volle kennis des levens door te dringen, dat is niet zijn beperktheid, maar zijn vreeze des doods.
21
Door haar is hij »al zijn leven der dienstbaarheid onderworpen.quot; O kondt gij het begrijpen, mijn broeder die u gt;; amuseert,quot; die van het eene genoegen naar het andere haakt, hoe diep treurig in den grond uw leven is. Kondt gij dit woord van Pascal verstaan: j wie er lust in heeft, alleen het ijdele en onbeteekenende van de vermaken der menschen te bewijzen, die kent wel een deel hunner ellende, want het is een groote ellende, in zoo lage en nietswaardige dingen genoegen te vinden. Maar hij kent toch den grond niet die deze ellende voor henzelven noodzaaklijk maakt. Namelijk aleer zij van hun inwendige ellende bevrijd zijn, vermogen zij den aanblik van zichzelf niet te verdragen. Dat is de grond waarom de menschen het geraas en de drukte der wereld zoo liefhebben, waarom de gevangenis een zoo vreeselijke straf is, en zoo weinigen de eenzaamheid kunnen dragen.quot;
De man van studie, van kunst en gewichtige staatszorg, de man der edelste philan-thropie en toewijding aan een voor duizenden heilzaam doel staat, zoo hij buiten God leeft, met zulk een beuzelaar gelijk in den diepsten grond van zijn werken, hoe onmetelijk ook het verschil tusschen de voorwerpen van beider bemoeiing zij. Ook hij toch vreest den dood, gelijk ieder die hem niet door Christus overwonnen heeft, dat moet doen — ook de
22
held als hij zich onversaagd den dood in de kaken werpt, ook Sokrates die met verheven kalmte den gifbeker drinkt, omdat, de eigenlijke diepte des doods, de vloek der zonde, hem onbekend is. Om deze doodsvreeze blijft ook de diepstdenkende toch, door het instinkt des zelfbehouds, aan de oppervlakte gebonden. Om deze vreeze deinst hij voor den diepsten bodem, aleer hij op hem tasten zou, terug, opdat hij niet een onverwinlijke verschrikking aanrake. En nu blijft hij dus oppervlakkig, maar zijn leven verliest dan ook de ware éénheid, die alleen in het vreugdevol vasthouden van het hoogste doel bestaan kan. In eindelooze verscheidenheid van streven werpt hij zich van het eene genot in het andere. Doch ook het edelst geestelijk genot bevredigt hem niet op den duur. Hij moet alweder een ander zoeken. Veelkleurig, rijk afgewisseld, s c h ij n t alzoo het ieven, maar in den grond is het een-toonig en vermoeiend. Want de ware verscheidenheid openbaart zich eerst aan hem die de ware éénheid, d. i. Gods raad en wil, kent. Lager opgevat, is alle rijkdom van verscheidenheid des levens toch een onbevredigend éénerlei, en de vijfenzeventigjarige ■Goethe moet verklaren dat hij in zijn lang en gelukkig leven toch altijd maar den steen van Sisyphus heeft op den berg gewenteld om hem altijd op nieuw weer te zien
23
daaraf vallen en op nieuw te beginnen. De besteding des levens kan laf, gemeen en lichtzinnig zijn, of in de hoogste ontwikkeling van wetenschap en kunst, ja in de eerbiedwaardigste zedelijke bemoeiing zichzelf verteerend, h.et blijft, ondanks het groot verschil dezer richtingen, een leven zonder vrede.
Zichzelf verteerend noemden wij zulk een leven. Inderdaad, zoo de vlam ■onzes levens niet voortdurend van boven gevoed wordt, verbruikt dat leven zijn eigen merg en verteert zichzelve. Het trekt niet de krachten der eeuwigheid als een voedsel des onverganklijken levens tot zich, maar het verwerpt, verstrooit, verkwist zijn eigen voorwaarden des bestaans, en zinkt al dieper en dieper in den eeuwigen dood, die reeds hier op aarde begint.
In Februari des jaars 324 voor Christus vierde Alexander de Groote te Susa het feest zijns huwelijks met de dochter van den Perzischen koning, en tegelijk de verbintenis van 80 zijner rijksgrooten en van 10,000 gewone Macedoniers met Perzische vrouwen. De pracht van dit feest en der toegevoegde spelen overtrof alles wat tot nog toe zelfs in het weelderig Azië gezien was. Maar tegelijk voelde de wijze Brahmaan Kalanos, die bij het leger en den koning in hooge eere stond en nu op zijn Soste jaar voor het eerst krank
24
was, begeerte om volgens den eisch van zijn godsdienst die de diepzinnigste zelfver-teering is, zich naar Indische zede te verbranden. Zoo besteeg hij dan den brandstapel en deed den koning, die er niet bij had willen zijn, de boodschap ovejbrengen s dat-hij hem weldra in Babyion hoopte weder te zien.quot; Vijftien maanden later lag Alexanders lijk op het praalbed te Babyion. Ziedaar in deze twee mannen, Kalanos en Alexander, een schijnbaar wereldwijde verscheidenheid. En toch is ée'n grondtrek aan die woeste drinkgelagen en aan die verheven daad des edelen wijze gemeen, namelijk de zelf-verteering.
Gij gevoelt het niet, mijn broeder die in fatsoenlijken eenvoud, als een man van de wereld, zonder u met beginselen te moeien maar ook zonder tegen de gewone zedelijkheid en de wetten der samenleving te zondigen, daarheen leeft. O weet gij wat de vreeselijkste straf over uw ongoddelijk leven is ? Uw ongestoorde voorspoed. Wellicht zouden felle slagen u tot bezinning, tot een aanvang van kennis des levens brengen. Maar gij hebt u met een lieftaligen glimlach verhard tegen den ernst der roepstemmen Gods, en nu rest Hem niets anders, dan u in voorspoed en ongestoord levensgenot beminlijk en onberispelijk te laten ter helle varen. Begrijpt gij waarom Thackeray in zijn s Ker-
25
mis der ijdelheidquot; de snoode Rebekka, na een leven vol misdrijven, als een fatsoenlijke, liefdadige, kerksche weduwe tot aan haar einde laat voortleven r
Zoo is dan de schrikkelijke toestand der wereld. Op dezen achtergrond des geestelijken doods, der heerschappij des Satans, het sterkst daar waar hij zich geheel weet te bedekken ja zich door de oppervlakkige menigte te doen loochenen, — verheft zich de onmetelijke massa des menschelijken lijdens. Waartoe zal ik er een breede lijst van opmaken ? AVaartoe optellen al die smarten, geestelijk en lichaamlijk, zienlijk en onzienlijk, beschrijfbaar en onbeschrijfbaar, in menschheid en maatschappij, in kerk en huisgezin, persoonlijk en voor hen met en in wie wij leven, van den eersten dag der zonde af tot op dit oogenblik toe door de geheele menschheid verduurd en ieder onzer wel bekend ?
Niet dit, maar iets anders is het wat wij willen teekenen.
Er is een gedeelte der menschheid dat anders lijdt dan de overigen. Anders, niet m i n d e r. Zij die in Christus gelooven — want die zijn het welke wij bedoelen — lijden integendeel meer, dieper, aanhoudender dan de menschheid welke haar Heiland niet kent. Maar zij hebben een wonderbaar voorrecht, en het is dit wat wij beschrijven willen. Zij hebben de genade ontvangen dat zij hun
' 26
lijden tot een 1 ij d e n met Christus weten te maken. In hun midden wordt getuigd: » kinderen, erfgenamen Gods, medeërfgenamen van Christus zijn we, zoo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.quot; Tot hen is gezegd: » gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, alzoo verblijdt u, opdat gij ook in de openbaring Zijner heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen.quot; Wat beteekent dat groote woord: » met Christus te lijden ?quot; Welke heerlijkheid volgt daaruit ? Ziedaar wat de volgende bladzijden willen ophelderen.
III.
HEÏ LIJDEN VAN CHRISTUS.
gt;gt; Met Christus lijden,quot; die uitdrukking toont twee dingen. Eerst,, dat er eene gemeenschap met Christus mogelijk is, waarvan eene kracht tot ons uitgaat, de kracht om ons tot heerlijkheid te brengen, want er volgt: gt;; opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.quot; Hij moet dus diegene zijn die, als men Hem aanvat, als men door het geloof met Hem één wordt, een goddelijke macht op ons oefent. Want eene mindere macht dan de goddelijke kan ons niet tot heerlijkheid brengen, aangezien wij menschen veel te hoog staan ■dan dat onze heerlijkheid niet ons eigen werk zou moeten zijn. En nu, ons zoover te brengen dat wij zelf onze eigene zaligheid en heerlijkheid werken, dat vermag geen schepsel maar God alleen, namelijk de Menschge-
28
wordene, wiens werking op ons dus van den Mensch zeiven uitgaat, van den mensch Jezus Christus. Deze brengt alzoo een nieuw leven, waarin de oude zonde, het oude doodsHjden overwonnen is, in ons voort. Met andere woordenquot;, Hij is het Hoofd der nieuwe menschheid.
Ten tweede ligt in de uitdrukking » met Christus lijdenquot; dit opgesloten, dat Hij zelf eerst door lijden het Hoofd der menschheid geworden is. Door lijden alleen heeft Hij tot Zijn heerlijkheid, in welke Hij ons Hoofd is, kunnen ingaan.
Waarin heeft dan dit lijden van Jezus bestaan ? Laat ons het ernstig overwegen. De meeste christenen houden eene algemeene leerstellige formule ^Hij heeft voor onze zonden geleden, de straf onzer zonden gedragenquot; voor voldoende. Zij zien daarbij geheel van de werklijke geschiedenis af, zoodat slechts afgetrokken woorden overblijven, die de heerlijkheid van dit offer evenmin uitdrukken als wanneer ik, in plaats van het lijden, de zelfverloochening, den strijd, de jarenlange smarten en gevaren van Willem I historisch te doen kennen, mij vergenoegen wilde met aan mijn kind zonder nadere bepaling mede te deelen dat hij s voor het vaderland gestorven is.quot; Doen wij zoo niet. Zien wij eerbiedig en met ernstige liefde het levensoffer des Heilands aan, opdat wij èn Zijn lijden leeren kennen, èn in 't algemeen daaruit verstaan wat eigenlijk lijden is, ook voor ons zoo
29
wij er toe verwaardigd worden. Eerst dan toch zullen wij helder zien wat het beteekent smet Christus te lijden,quot; aan Zijn hoogheilig lijden werkelijk deel te verkrijgen.
Jezus is het hoofd der nieuwe menschheid, omdat Hij is de Christus, de Koning Israels.
De menschheid heeft tot bestemming, de wereld te beheerschen en haar Gode als een heilig offer toe te brengen. Zij heeft daarin gefaald. Nu is Israël gesteld, om die groote taak der menschheid uit te voeren. Ook Israël heeft gefaald in deze roeping. Zoo komt dan nu Jezus om Israëls taak op zich te nemen, en Hij heeft haar ten slotte vervuld. Hij alle'én is van de algemeene onreinheid geheel onbesmet, en daarom kan Hij alleen zich ook geheel in dien toestand vrijelijk begeven, er in verzinken als het ware, om hem bij den bodem aan te vatten en weêr reinigend op te heffen. AVant de zondige me'nsch, wij zagen het in ons voorgaand hoofdstuk, kent zijn onreinheid nooit geheel, is altijd min of meer onbewust, kan dus ook zichzelf noch anderen verlossen.
Jezus kent het doel Israëls, en wil het volk verlossend derwaarts leiden, zijn Koning wezen. Maar des volks onreinheid wortelt in Israëls geheele verleden, gelijk dit wederom in de zonde der menschheid. De botsing tusschen deze schuldige onreinheid, die als een snelle stroom tegen Jezus aangolft, en
30
de tegengestelde richting naar welke Hij met sterken arm dien stroom wil leiden, die vree-selijke tegenstelling moet Hij eerst inwendig doorleven, daarna uitwendig. Bij zijn doop in den Jordaan heeft Jezus zich met het zondige Israël vereenzelvigd, en nu drijft Hem dan de Geest, daar ontvangen, naar de woestijn uit om dien inwendigen strijd te doorleven. Namelijk in de woestijn was vroeger ook Israël verzocht. God had het volk daar op de proef gesteld of het geheel van de natuurlijke, wereldsche bemiddeling, die zondig geworden is, wilde afzien en uit Zijne hand alle'én leven. Want de mensch heeft het wereldsch goed zich buiten en tegen God toegeëigend in den aanvang, in het Paradijs. Alle volgende geslachten hebben hun wil met dien eersten ongehoorzamen wil vereenigd. Er moet dus nu een wil komen, die dit aardsche goed geheel en vrijwillig laat varen om zich geheel aan God te houden. Zal Israël dit zijn en aldus de Verlosser der menschheid worden ? Helaas het bezwijkt in de verzoeking, murmureert tegen God in de woestijn. Nu komt dan Jezus, laat alle wereldsche goed varen, en stelt zich alzóó tegen den God dezer wereld, dat Hij de goederen, de koninkrijken der aarde over welke de mensch bestemd is te heerschen, niet uit de hand des vijands maar alleen uit de hand Gods ontvangen wil. Door deze onvoorwaar-
31
delijke overgave aan God is, als door een vrije oorspronklijke daad, de stroom van het zondig verleden gebroken en een nieuwe toekomst geopend. Maar reeds bij zijn eerste openlijk optreden, bij de tempelreiniging te Jeruzalem, ziet Jezus en spreekt het terstond ook duidelijk uit, dat Hij op den weg der openbaring zijner heilige macht, langs den weg der daad, niet tot het bezit van zijn koninkrijk zal komen omdat dezer menschheid het verstand, de geestelijke ontvanklijkheid daarvoor ontbreekt; en dat Hij dus beslist is, er te komen langs den weg van het 1 ij d e n des gewelds. Namelijk de zonde, de verhardheid dei1 menschen is door Jezus langs den weg der daad, der mededeeling van zijn heerlijke gaven en wonderen, niet te genezen. Nu zal Hij dan aan die boosheid geheel vrij spel laten, haar zich laten uitwerken tot volkomen ontplooiing toe, zoodat zij zich op Hem breekt en aldus overwonnen wordt, daar toch de volle openbaring van het booze tevens altijd zijn veroordeeling en zedelijke vernietiging is. Jezus onderwerpt zich dan tot den dood toe, en houdt terwijl de wereld hem uitspuwt en daarin God hem verlaat, aan God en de wereld beide vast. Zoo maakt Hij het geweld des doods, de macht des vijands, zich tot werktuig; overwint niet alleen den tegenstand, maar doet hem dienen tot zijn heerschappij. Hij zal dus zijn rijk cjoor zelfverlooche-
32
ning grondvesten. Van den beginne af, voorzeker, ziet Jezus zijn lijden vóór zich. Dat dit lijden noodzakelijk is, dat de mensch-heid niet anders dan door lijden verlost worden kan, deze waarheid gevoelt Hij telkens beter en voller, naar mate Hij in den voortgang des levens zijn eigen eeuwig goddelijk wezen telkens volkomener in bezit neemt. Deze noodzakelijkheid zijns lijdens is echter niet fatalistisch, maar ethisch, d. i. zij ligt niet in een afgetrokken besluit Gods, in een regel door God gesteld, maar in de zonde der menschheid. Daarom houdt Jezus haar dan ook op elk tijdstip nog voor overwin-baar. Elk oogenblik, tot het laatste toe, beproeft Hij nog aan dit lijden te ontkomen; om zijnszelfs wille daar zijn vleesch er tegen schrikt, en om der menschheid wille, opdat zij niet het toppunt der zonde bereike. De beslistheid om te lijden en te sterven, en de ernst om te werken zoo lang het dag is om zoo mogelijk er aan te ontkomen, deze twee zijn bij Jezus niet met elkander in tegenspraak, maar eischen elkander. Want zonder den ernst om er aan te ontkomen, ware de bereidheid om te sterven een lijdelijkheid, een wanhoop, een zelfmoord. En zonder den wil ter overgave in lijden en dood ware het werken niet heilig, want het ware niet de arbeid der liefde die de zonde draagt, slechts die der macht welke den
33
zondaar verplettert. Zóó kan de Heer b.v. bij zijn intocht in Jeruzalem gaarne en hoopvol gebruik maken van de geestdrift des volks, als hefboom om het zoo mogelijk nog uit zijn zondige verharding omhoog te lichten: en toch tevens tranen storten over Jeruzalem's ondergang dien Hij voorziet. Het is hiermede als met de voorbeschikking en voorwetenschap Gods in betrekking tot 's menschen vrijheid. Voor het afgetrokken, d. i. buiten de ervaring des harten omgaande,' ongeheiligde, denken zijn deze twee niet met elkaar overeen te brengen. Alleen de ervaring der liefde leert verstaan hoe Gods oppermacht niet is de beperking, maar juist de schepping der menschelijke vrijheid. Zijn voorkennis niet een vernietiging maar een opheffen en bezielen van 's menschen eigen beslissing: alweder omdat Gods macht en werking niet naturalistisch, als een fatale noodzakelijkheid, maar ethisch, i) als de absolute triomf der Liefde, moet worden gekend.
I) Ethisch, d. i. z e d e 1 ij k. Het vreemde woord heb ik, ondanks een vriendelijken brief, hier laten staan, omdat deze opvatting staat tegenover het heer-schend naturalisme. «Ethischquot; beteekent dat de van God gegeven, en dus bovennatuurlijke waarheid ook tevens geheel en al menschel ij ke waarheid is. Van wege de Vleeschwording des Woords, door welke God mensch is geworden, blijkt nu voortaan dat «godsdienstigquot; en «zedelijkquot; één zijn. Het goddelijke is echt menschelijk, omdat de mensch zelf als goddelijk, bovennatuurlijk van aanleg door God geschapen is.
34
Zoo houdt Jezus, terwijl de menschheid Hem uitwerpt en God Hem verlaat, in liefde en geloof aan beide vast, en verzoent zóó Godheid en menschheid. Eerst in zichzelven; want daar aan het kruis, in de diepte zijner vernedering, daar eerst is Hij volkomen de Zoon van God. Vervolgens in de menschheid. Want in Hem is de zonde der oude wereld weder goedgemaakt, de aanvang eener nieuwe menschheid is d^r. In Hem ingesloten, mag ieder onzer zich van den ban, den vloek, den last der oude doodsschuld verlost weten. In dezen mensch kan de zondige mensch nu, zonder te sterven, God zien. In Hem blijkt dat de mensch in God kan wonen, met Hem één worden, daar Gods eigenlijk wezen niet is de ontoegankelijke Almacht, maar de Liefde die indaalt en levend maakt. In Hem blijkt eveneens dat God in den mensch kan wonen, dus dat de mensch niet als een plant of dier, slechts doorgangspunt voor goddelijke krachten is, maar als beelddrager Gods geschikt om Hem waarlijk te ontvangen en met Hem één te zijn!
Zoo brengt ons de geschiedenis tot de leer; de aanschouwing van den levenden persoon des Heilands tot de diepte zijner beteekenis, evenals het met de Apostelen zelve geweest is. Door de Evangelieverhalen komen wij tot hetgeen die verhalen verklaart, de eerste verzen van het geschiedboek van Johannes
en van zijn eersten brief, en tot de verheven leer van den brief aan de Colossensen omtrent Christus als het Hoofd der Schepping, in wien alles, naar Gods raad, wederom als s onder één Hoofd vergaderdquot; moet worden. In, door en tot Hem is alles en inzonderheid de menschenwereld geschapen. Hij is de Eerstgeborene aller kreatuur, en Hem behoort dus de menschheid als zijn wettig eigendom. Hij alleen kan allen als Hoofd vertegenwoordigen, zoodat Paulus omtrent Hem betuigen kan: indien één gestorven is voor allen, zoo zijn dan allen gestorven. Want in Hem was de menschheid saamgevat en de Gemeente uitverkoren van den aanvang af; en door de vleeschwording heeft Hij ook onze zwakke levensgestalte in zich tot een Tempel Gods geheiligd, zoodat het nu ook in ons kan geschieden, en de apostel ons kan toevoegen : weet gij niet dat uw lichaam een tempel des Heiligen Geestes is, dien gij van God hebt, en dat gij uwszelfs niet zijt ? In Jezus als het Hoofd der menschheid komt in verhoogde mate de aanvanklijk gestelde scheppingsorde weder te voorschijn, of liever de profetie die in deze scheppingsorde lag, tot vervulling. In Adam, den eersten mensch, is de mensch en de menschheid samen. Hij is de eerste menschelijke persoon, en tevens de som, de samenvatting van het in hem besloten geslacht. De vrouw wordt nu buiten hem gesteld,
3*
36
doch uit hem genomen. Hier is nu eene tweeheid die toch éénheid is, en uit welke de menschheid zich verder ontvouwt. Zoo bevat de tweede Adam. als de Zoon, in wien de Vader een welgevallen heeft, de geheele hoogere, geestelijke menschheid in zich en vertegenwoordigt haar. Uit Hem wordt op den Pinksterdag de Bruid in hare eerste gestalte geschapen, en uit deze tweeheid die toch éénheid is, ontvouwt zich nu verderde christenheid. Man en vrouw toch, sdeze verborgenheid is groot, doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de Gemeentequot;.
Het is deze innige éénheid die wij ons steeds moeten vertegenwoordigen, als wij willen verstaan wat het»lijden met Christus beteekent.
IV.
HET SACRAMF.NTEELE LEVEN.
Krachtens deze gemeenschap met Christus als ons Hoofd is het gansche leven sacramenteel. Dat is, het bestaat in den overgang des levens van Hem tot ons.
Tot ons niet alleen, maar ook tot de geheele wereld. »Het brood Gods is Hij die uit den hemel nederdaalt, en der wereld het leven geeft.quot; Deze gift van het leven komt tot de wereld door de vleeschwording des Woords gelijk die in het geheele leven des Heeren, met de uitstorting des Heiligen Geestes als hoogtepunt, zich werkzaam betoont. Het schepsel, de wereld, is uit zichzelve zonder licht, ondoordringbaar, duister. Maar het is geschapen in den Zoon, en daarom bestemd om in Zijn heerlijkheid te deelen, in Zijn goddelijk leven opgenomen te worden.
38
Daarom is in Jezus' dood de geheele oude wereld gestorven, in Jezus' opstanding de nieuwe wereld geboren. Hij is afgedaald tot de laagste diepte: waar zonde en dood haar krachten toonen, heeft Hij de kiem des levens geplant in overwinnende aangrijping. En Hij is »doorgegaan door de hoogste hemelenquot;, ook het hoogste der schepping heeft Hij door Zijn persoonlijke mededeeling geheiligd. Zoo is door Hem de geheele schepping in haar volle uitgestrektheid omvademd, en daardoor verlost, geheiligd. Zij is aanvank-lijk tot troon, althands tot woonstede Gods gemaakt. God is nu overal in de schepping te naderen; Hij kan nu, door dat Jezus de schepping er toe heiligde, in elk deel der schepping, overal, in geest en in waarheid gediend worden. De Heer, wien de wereld door het recht van schepping en verlossing toebehoort, kan haar Zijn leven mededeelen. Dit geldt inzonderheid van de menschheid in welke Hij zijn lichaam, de Gemeente, vormt, door Zijn leven in haar te doen overgaan. Die overgang geschiedt geestelijk, in den weg der aanneming, des geloofs, der vrijheid. Niet magisch, tooverachtig, buiten'ons geloof, onzen wil om. De Roomsche dwaling wordt juist door de beteekenis van »Sacramentquot; buiten gesloten. Dit woord toch duidde bij de Romeinen aan de daad, waarbij iemand zijn leven aan eene persoon of zaak ten dienste wijdde. Zoo
39
doen wij het aan Christus op grond van hetgeen Hij eerst aan ons deed, zich aan ons wijdende en overgevende. Sacramenteel is dan onze gemeenschap met Hem. Niet gelijk die van leerlingen met hun meester, of van krijgslieden met hun bevelvoerder. Als de gemeente een geestelijke tempel heet, dan is het niet in den zin van een gewoon aardsch gebouw dat blijft staan ook als zijn bouwmeester sterft, ja met dien bouwmeester verder, als het eens voltooid is, geen verband heeft dan enkel van oorsprong. Want onze gemeenschap met Christus is die des levens. Wij leven niet zonder Hem. Tenzij wij het vleesch van den Zoon des Menschen eten en zijn bloed drinken, wij hebben geen leven in ons zei ven. De rank heeft buiten samenhang met den wijnstok geen leven noch groeikracht. De Heer toch is »de Geestquot;. (2 Cor. 3, 17) Geest is dat geheimzinnig waarachtig levensbeginsel waarin al de bijzonderheden des levens hare éénheid hebben.
In Christus leven is begrepen zijne leer, zijn voorbeeld, zijne wonderen, zijn lijden, en al wat men afzonderlijk noemen kan: maar de Geest is zijn persoon, de éénheid die dit alles samenvoegt, de levensbron waaruit dit alles voortvloeit en alzoo kracht en beteekenis heeft. De geheele levensloop des Heilands diende' om den Geest in Hem
40
te doen heerschen over het vleesch, om dit vleesch Gode onstraflijk te offeren. Nu i s Hij »de Geestquot; en zulks naar het lichaam zoowel als naar den geest. Hij is geheel Geest, en kan zich, lichaam en geest, mede-deelen. Hij heeft het begonnen toen de Gemeente, als Hij zelf, op den Pinksterdag uit den Heiligen Geest geboren werd. Hij zet het voort in iederen geloovige.
Het leven dat Hij mededeelt, is zijn eigen leven, dus de Liefde. Liefde is zich geven, dus plaats-innemen, plaatsbekleeden voor hen die lijden, voor hen die schuld hebben. Plaatsbekleeding is het mysterie der liefde. Daarom is de liefde zelf het hoogste raadsel, het groot mysterie des levens, het wonder. Wat is wonder anders dan de vijandsliefde op physisch terrein, namelijk het openbaren van de krachten der hoogere, der liefde-wereld te midden van de lagere, vijandige woelingen, om deze lijdende en schuldige wereld op te heffen, te genezen, levende te maken? De plaatsbekleedende liefde gaat in vreemde nooden in, om die te dragen; en ook in vreemde schuld, om die weg te nemen. Zoo lijdt eene edele zuster voor een gansch schuldig en ellendig gezin, en offert er zich voor op in stillen verteerenden arbeid. Zoo offert een staatsminister zich voor zijn zinkend vaderland op door toewijding van al zijne krachten; Zoo deed het de
41
Heer, beginnende met den doop in de Jor-daan door Johannes, waar Hij den last van Israels schuld en dood op zich nam. Het verstand kan deze* dingen niet begrijpen, want het kent slechts het afzonderlijke, het op zich zelf staande. Maar het hart dat de liefde kent, verstaat den Geest, de alles samensmeltende en tot nieuw leven verhoo-gende éénheid.
Wat Hij aldus gedaan heeft, dat heeft Christus gewrocht «door den arbeid Zijner zielquot;, in doodssmart der toewijding. Desgelijks kunnen dan ook wij het van Christus niet blootelijk slechts overnemen, zoo min als Hij onze schuld en dood slechts uitwendig verstandelijk, zonder smart, overgenomen heeft. Neen, alleen s door den arbeid onzer zielquot;, door te sterven met Hem. Daarom kan de wereld, die Jezus en zijn wonderwerk éérst verstandelijk wil begrijpen, ook aan zijn opstanding, zijn verheerlijking niet gelooven. Het is altijd: »terwijl de wachters sliepen, de lichtgeloovige menschen geen rechte kritiek oefenden, hebben zijne discipelen Hem gestolen, de eenvoudige geloo-vigen zijne opstanding als bij overrompeling genomen en der wereld opgedrongen. »De visioenen eener dweepster hebben aan de wereld een uit het graf verrezen Heiland gegevenquot;, zegt het gerucht in de wereld tot op dezen dag, tot Renan toe. Maar er is
42
eene Gemeente die »gemeenschap heeft aan het lijden van Christusquot;, zich verheugende dat zij ook sin zijn heerlijkheid zal deelen.quot; Haar geloof in Christus is: met Hem één te zijn, zoodat de bewegingsbeginselen van ons leven worden: Christus in ons. Als het leven van Christus in ons is, zoo werkt liet in ons op dezelfde wijze als in Hem toen Hij hier op aarde was. Namelijk als afsterving aan het vleesch, als kruis. Het kruis vervult zijn gansche leven. Op den laatsten dag van dat leven kwam het slechts te voorschijn. Zoo is ook onze heiliging een voortdurend 1 ij d e n; en dat is door Gods genade een slijden met Christusquot; geworden. Namelijk het leven heeft nu deze éénheid, deze hoofdrichting verkregen dat alle ervaringen van lijden, krankheid, armoede, laster en smaad, strijd van allerlei aard, slechts dienen tot afsterving van het vleesch. Dat is het lijden met Christus, ja het is het lijden van Christus zelf in ons. Want onze nieuwe mensch is eigenlijk niets anders dan Christus zelf, de verheerlijkte, die als Hoofd en als Geest in ons woont, leeft, lijdt, strijdt en overwint. sDe liefde van Christus dringt ons, als die dddrvan uitgaan, dat, indien één voor allen gestorven is, dan allen gestorven zijn.quot; Eerst reëel, in Christus zeiven; daarna zedelijk, in ons herhaald en herteeld. Eerst is in Hem, als het Hoofd, de geheele wereld
samengevat en dus werkelijk in Hem gestorven. Ja dit sterven der wereld in Christus is werkelijker dan het daar op en daar uit volgende zedelijk sterven van den geloovige; want het is er de geestelijke grond van, en een grond heeft altijd hooger werkelijkheid dan hetgeen er op gegrond is. Even als wanneer Jezus zegt: ik heilig mij zelf voor hen opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid, als wilde Hij zeggen; hun heiliging is in mijn offerande reëeler, meer waar, dan in hun eigen afsterven aan de zonde dat daarna en op dezen grond volgen moet. Maar als Paulus die woorden gezegd heeft, welke wij aanhaalden (i Cor. 5) dan gaat hij voort: »opdat zij die leven, nu niet meer zich zeiven zouden leven, maar den Heere.quot; En dat door het geloof. Het geloof in Christus is het in ons opnemen van deze liefde, die voor allen stierf. Dus daardoor houdt ons afzonderlijk leven, ons voor onszelf leven op, en het leven der liefde komt er voor in de plaats. Het leVen dei-liefde, dus het leven des lijdens.
Zoo valt dan op het geheele leven dit licht, dat het een leven des lijdens is. Zelfs voor den allergelukkigste, reinste, hoogst ontwikkelde (zoo het eerste dezer drie dingen met de twee volgende kon samengaan!) zelfs voor hem zou het geheele leven, indien hij Christus kende, in den hoogeren zin
44
enkel lijden zijn. Immers eerst ïwie afgestorven is, die heeft opgehouden van de zondequot;, en dus van het lijden. Wanneer schoone poëzy ons omhoog heft tot een verrukking die de borst doet hijgen en een traan in het oog doet wellen, dan wil dit zeggen dat wij juist in deze oogenblikken der hoogste verheffing beschaamd en bedroefd gevoelen dat het slechts oogenblikken zijn. Dat niet het geheele leven er van vervuld is, dat deze oogenblikken, dat de dagen van elke feestviering, welke ook, en de zaligste allermeest, slechts uitzonderingen zijn in plaats van de gewone toestand des gan-schen bestaans, dit is een lijden hetwelk in ons klimt naarmate wij hooger ontwikkeld zijn. En dat wij niet rein zijn, en dat de wereld rondom ons nog vol rampzaligheid is, dit gevoelen wij allermeest in onze hoogst opgeheven oogenblikken en als wij om zoo te zeggen in een middelpunt ademen van waar een straal van paradijsvreugde naar alle zijden getrokken staat. Wij hebben nu eenmaal, aanvankelijk, de eeuwige heerlijkheid gezien, en nu kan niets op aarde ons meer voldoen. Wij hebben een weinig, zeer vluchtig, helaas! aan het hart des Heilands gerust, en door iets van zijne liefde te kennen, ook iets van zijne smart over een zondige wereld begrepen. Dit kunnen wij niet meer geheel vergeten. Een vroeger gansch onge-
45
kende diepte heeft zich voor ons ontsloten. Een vermogen van eeuwige liefde tot God en de menschheid is in ons ontboeid. Zou het ons niet doen lijden ? Helaas! zoo wij de volle liefde Gods jegens ons wilden gevoelen en in liefde tot Hem en den naaste teruggeven, dit vernederd lichaam zou haar bij lange na niet kunnen dragen, wij zouden terstond vergaan!
Doch een zwakke aanvang er van is toch aanwezig. De hand der almachtige Liefde heeft den bodem der menschelijke ziel omgewoeld en 's menschen leven vatte van toen af wortel in het gebied der eeuwigheid. Zijne vatbaarheid om te genieten en dus ook om te lijden werd van dien tijd af oneindig verhoogd, gelijk de geschiedenis toont en de aard der zaak het bevestigt i). Want nu is de pijngevoeligheid tegenover het verderf der zondige wereld voor den mensch, die de eeuwigheid in zich gevoelt, onuitsprekelijk verhoogd geworden. Of liever, de gevoeligheid voor de smart, die veel hooger
i) »De idealen der oude wereld (zegt zeer schoon Dr. A. Pierson «Eene levensbeschouwingquot;, pag. 220) de idealen der wereld vóór Christus stonden boven de werklijkheid, er tegen over, en dus buiten het menschelijk gemoed. Maar hier, in het kruis, is een ideaal dat die werkelijkheid zelve in zich opneemt en het lijden verheerlijkt, zoodat het niet meer is verheffing boven, maar verzoening met de werklijkheid; hier baart het niet, maar het is zedelijke kracht.quot;
46
dan pijn is. Pijn is slechts lijdelijk: smart ontstaat uit de kracht waarmee wij den druk der wereld overwinnen. En het geloof s overwint de wereld,quot; dus het draagt, als een Atlas, haar gansche gewicht van smart. Bovendien, het geloof is liefde, en de liefde is niet blind, maar de scherpziendheid zelve. Op de liefde bouwt zich de wetenschap, en deze is niet anders dan strijd met de duisternis. »Die wetenschap vermeerdert, hij vermeerdert smartquot; en Gods kinderen weten alle dingen, door de zalving van den Heilige.
Maar in dat lijden is Christus ons Hoofd. Hij zelf moest door lijden tot hooger leven komen, wedergeboren worden tot het he-melsch bestaan, waarin Hij niet langer, als om onzentwille de s Slang, in de woestijn verhoogdquot;, voor ons »tot zonde gemaaktquot; is — wij zouden dit nooit durven zeggen, ware Paulus ons niet voorgegaan! — maar waarin Hij »rechtvaardigheid voor Godquot; is, naar lichaam en ziel Gode welbehagelijk. Hier op aarde was Hij dat wel in zich-zelve, maar dit is des Vaders en zijne eigene oneindige liefde, dat Hij hier niet heeft willen aangezien worden gelijk Hij rein was in zich zelve, maar gelijk Hij de zonde der wereld droeg, de zonde van welke Gods heilig oog zich met afschuw wendt! Om onzentwille, om onzentwille is dit geschied. Een als een zoon des menschen is met de
47
anderen in den vuuroven van Gods toorn: en de reden waarom die anderen niet branden is omdat Hij, de heilige, voor hen den verteerenden gloed in zijn hart opvangt, draagt en overwint!
Toch zijn wij in dien gloed des lijdens, en moeten hem doorstaan, door Jezus er toe bekwaam gemaakt. Waarom ook wij r Omdat de oude mensch, het gevallen natuurlijk leven, in ons ten doode moet gewijd worden. De zonde moet hare bezolding, haar natuurlijk beloop, tot den einde toe hebben. Op dat wij daartoe dan zullen in staat zijn, moet er door de gemeenschap met Christus een nieuwe mensch, dat is Christus zelf in ons ontstaan. Ja Christus zelf: want zijne taak is, den ouden mensch in ons te dooden, wat wij zelf niet kunnen doen. Dat is nu het lijden en daarom sprak reeds de Heer zelf in de dagen zijns vleesches: zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zich zeiven en neme zijn kruis op alle dagen, en volge mij.
V.
DOOP EN AVONDMAAL.
Hoe treden wij in die gemeenschap met ]ezus? Door het Doopverbond, en dan door quot;het geloof, dat dit verbond in ons tot levende werkelijkheid en kracht brengt. Eerst de vrije genade onzes Gods, dan ons geloof, een voortarbeiden van die genade in ons waardoor zij inderdaad ons eigendom wordt.
5 Gij zijt allen (spreekt Paulus tot de Gala-tiërs) gij zijt allen zonen Gods door het geloof in Jezus Christus. Want zoovelen uwer gedoopt zijn, die hebben Christus aangedaan.quot; In de eerste gemeente volgde de doop op het geloof, om de eenvoudige reden dat de prediking des Evangelies zich tot volwassenen richtte, die eerst hoorden en geloofden, en dan daarna gedoopt werden. Bij de volgende geslachten echter en bij ons is
49
die verhouding eene andere. De kinderdoop is niet in de letter maar in den geest des evangelies gegrond. Men voert tegen hem aan dat de kinderen dan reeds vooraf onder een geloofsverband gelegd worden, waar hun vrije keuze wellicht in het vervolg, als zij volwassen zullen wezen, zich tegen verklaart. Wij andwoorden; ach ja, wellicht zal dit kind later het allernatuurlijkste, het volkomen menschelijke, het geloof, verzaken en onnatuurlijk worden. Maar wij beginnen niet met deze treurige onderstelling, neen met die van het tegendeel. Niet in Christus te gelooven, dat is zich dood te laten hongeren. Omdat de mensch nu de behoeften zijner ziel niet zoo duidelijk als die zijns lichaams gevoelt, omdat de dood der ziel hem, van wege zijne verstomping door de zonde, geenzins met die ontzetting vervult waarmee hij den dood des lichaams ontvliedt, daarom zal dit kind wellicht later ongeloovig worden. Maar omdat het zich later, op volwassen leeftijd, zal laten doodhongeren, moet daarom de moeder dan nu het kind niet aan haar borst leggen en laven ? Omdat hij later mogelijk de onnatuur en den dood zal kiezen, mag zij hem daarom nu niet het natuurlijke, het leven doen genieten ? Zij doet. het trouwens niet buiten zijn eigen toestemming. Het sacrament der moederborst gaat niet magisch buiten het geloof om. Zie
4
50
hij strekt de armen weenend naar deze lafenis uit. Hij begeert, d. i. hij gelooft. Zoo gij de fijne roerselen des levens in het kind kondt zien, gij zoudt er den aanvang des geloofs in merken, zoo goed als iemand wiens geestesblik scherp genoeg ware, in den zuigeling die te Ajaccio in de wieg lag te weenen, den wereklveroveraar had kunnen zien die, schoon ingeplooid, daar reeds aanwezig was.
Zoo velen uwer dan gedoopt zijn, die hebben Christus aangedaan. Gelijk een kleed de naaktheid bedekt, den ganschen mensch omringt en siert, zoo ook Christus den mensch die tot Hem wordt gebracht en nu voortaan niet meer te zien is dan door Christus. En zoo weinig wordt hier met »kleedquot; iets bloot uitwendigs bedoeld dat dezelfde Apostel, aan de Colossensen schrijvende, den geheelen ouden mensch een kleed noemt dat afgelegd worden moet. In Christus zegt hij, zijt gij besneden met eene besnijdenis die zonder handen geschiedt: in Hem hebt gij de ware, wezenlijk heiligende, verbondsstichting. Zij bestaat in de uittrekking, het uitdoen van het lichaam der zonde, des vleesches. Het lichaam, d. i. het levend saam verbonden geheel van de zonden des vleesches is als een oud, versleten kleed afgelegd. Dit hebt gij door de besnijding. Christi. Christus heeft u besneden niet gelijk een priester het Israëlitisch
51
kind besnijdt, namelijk zóó dat slechts een deel van het vleesch weggenomen werd, slechts eene zinnebeeldige reiniging gegeven was. Neen, niet slechts een stuk van den ouden mensch, uw geheele zondebederf is door Hem te niet gedaan. Want gij zijt met Hem begraven in den Doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, die Hem uit de dooden opgewekt heeft. Dit is dus de be-teekenis des Doops. De gansche kracht des doods, en daarom ook der opstanding van Christus wordt u geschonken, medegedeeld tot persoonlijk eigendom van 's Heeren wege. En zulks door het geloof, uwe opstanding, gewerkt van God die Hem heeft opgewekt uit de dooden. Want de doop is, naar dezelfde Apostel den Romeinen verzekert, een doop tot Christus dood. In zijn dood worden wij door den doop mede ingewikkeld, er mee in begraven, er volstrekt en onlosmaak-baar mede vereenigd: opdat, gelijk Christus door de heerlijkheid, de majesteit en kracht des Vaders is opgewekt, wij nu ook in nieuwheid des levens wandelen. Is één voor allen gestorven, zoo zijn dan allen gestorven, hebben geen eigen leven meer dan den drang der liefde van Christus, door welke Hij in den dood gegaan is, en die nu ook ons dringt, vervult, beheerscht. Ik ben met Christus gekruist, spreekt hij, en ik leef,
4'
52
doch niet meer ik, Christus leeft in mij: en wat ik nu leef in het vleesch, dat strekt zich niet meer uit naar de wereld, heeft geen vertrouwen, geen geloof meer in haar, neen dat leef ik door het geloof in den Zoon van God die mij liefgehad en zich voor mij overgegeven heeft. Dit alles is reeds tegenwoordig: maar het is eveneens nog toekomstig wat zijn volle werklijkheid betreft. Paulus betuigt aan de gemeente te Philippi dat hij alle dingen voor schade en vuilnis acht om Christus te winnen en in Hem bevonden te worden niet hebbende zijne gerechtigheid uit de wet, maar die door het geloof in Christus is, de gerechtigheid uit God door het geloof: ten einde ik Hem kenne en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap zijns lijdens, zoodat ik zijn dood gelijkvormig word, of ik misschien zal komen tot de opstanding uit de dooden. De gemeenschap zijns lijdens! zie, de wonderheerlijke troost van Gods kinderen is dat v hun lijden het lijden van Christus zeiven is, hetwelk Hij in de Zijnen lijdt, gelijk letterlijk alzoo in den tweeden brief aan de Corinthiërs gezegd wordt dat het lijden Christi overvloedig is in ons. Of aan de Colossensen dat Paulus in zijn vleesch de overblijfselen der verdrukkingen van Christus vervult. Ook gij wist het, heerlijke Felicitas, die met Per-petua in den kerker te Karthago den martel-
53
dood om Jezus wil wachtende, onder zware geboortesmarten op de vraag des vijands »wat er dan wel van u worden moest als men u eerlang den wilden dieren voorwerpen zou?quot; tot andwoord gaaft: nu lijde ik wat ik lijd: doch dadr zal een ander in mij zijn die voor mij lijden zal, gelijk ik voor Hem ga lijden.quot;
Alzoo wordt, langs den weg der zelfverloochening, de reëele sacramenteele doops-gemeenschap van zelve een gezindsheids-gemeenschap, een levensverbinding. Wie den Heer aanhangt, is één geest met Hem. Zelfverloochening is niets anders dan het geloof aan de éénheid met Christus, die ons door Hem geschonken is. Het Copernicisme op geestelijk gebied. Sedert Copernicus weten wij dat niet de zon om de aarde wentelt, maar dat het omgekeerde waar is. Zoo wentelt zich de waarheid en het geheele bestaande niet langer rondom den mensch die zijn eigenbaat voor het geloof in Christus heeft laten varen. Nu is de Zon der gerechtigheid het middelpunt geworden, en niet langer wij zelve. In deze kracht vermogen wij alle dingen. Het zondige Ik (of eigenlijk het zondige niet-Ik) wordt opgegeven. Met Christus te lijden beteekent, de goederen dezer wereld niet eerder te willen genieten dan wanneer de tijd der wedergeboorte aller dingen zal gekomen zijn; niet eerder in heerlijkheid
54
geopenbaard te willen worden, eere en blijdschap te willen ontvangen, dan wanneer Christus, die ons leven is, geopenbaard zal worden. Want eigenen wij ons vroeger de goederen dezer wereld, macht, eer, rijkdom, gemak, enz. toe, dan maken wij ons afhanklijk van den Vorst dezer wereld, en onze strijd tegen hem verslapt. Daarom een iegelijk die om den eeuwigen prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Niet willekeurig, maar zoo als de waarachtige ernst des levens het van zelf met zich brengt; noch ook droefgeestig njaar met blij gelaat, gelijk bij eigenwillige onthoudingen niet mogelijk is. Zoo komt de liefde als 's menschen innigst wezen uit dit Offer (zoo ver mogelijk van zelfmoord en zelfkwelling verwijderd!) te voorschijn, en blijkt de vervulling der wet te wezen, omdat iii haar de mensch geheel zichzelf is, door niets dan zijn eigen waarachtig oorspronklijke natuur geleid.
Want het kruis, waaraan de liefde den triomf harer hoogste en volledige verschijning viert, is de meest menschelijke van alle waarheden, of liever is het heerlijk middelpunt van alle waarheid. Het kruis, d. i. de plaatsbekleedende liefde, want een tot bloot martelaarschap verlaagd kruis is geen kruis meer — het kruis, door het rationalisme een onverduwbaar dogma gescholden, is juist het meest natuurlijke, dat te voorschijn komt op
55
de edelste hoogtepunten des menschelijken gemoedslevens. In eene Antigone, die zich vrijwillig in den dood geeft om haren broeder rust te geven na zijn sterven ; in eene Iphigenia, die voor het heil der Grieksche vloot geofferd wordt, in eene Cordelia, koning Lear's dochter, die niet door eigen schuld, maar als offer sterft, in deze zijn schoonste scheppingen toont de dichterlijke geest een voorbesef van de waarheid des kruises. Het kruis is niet eene van vele waarheden welke het Evangelie leert: het is de waarheid, alles wat het Evangelie bovendien bevat en leert, is slechts uitlegging van het kruis, of wel, zelf uitgelegd, ontvouwd, toont het ons het kruis als laatste gevolgtrekking. Al de eischen van het Evangelie' zijn raadselen, tenzij ze gezien worden in het licht van het kruis i). Wie toch verstaat zonder het kruis woorden als b. v. het voorschrift om vader en moeder en het eigen leven om Jezus' wil te haten, of te bidden zonder ophouden, of den wandel,
l) Ook de kritische eischen. Het christelijk geloof onderstelt de waarachtigheid der evangelische geschiedenis naar de Schriften. Maar wie het kruis miskent, staat machteloos tegenover de ontkenning dezer feiten (niet de feiten toch zijn bevestiging der leer. maar omgekeerd) of ontkent ze zelve: evenals op het gebied der zedeleer de ontkenning of verzwakking van het kruis al het bovennatuurlijke in dezen wegneemt, en slechts een stoïsche moraal doet overhouden.
56
het burgerschap in de hemelen te hebben, en dergelijke? Want den eisch der heiligheid die in deze voorschriftei) ons ter aarde werpt en wanhopig maakt, zien wij in het leven van Christus, waarvan het kruis de kroon is, verbonden met de macht der liefde die tot deze heiligheid bekwaamt. De geheele wet Gods wordt niet verstaan dan hier bij het kruis. Wat eischt Gods wet van den mensch ? De liefde. Maar wat is de liefde ? Zie nog eens de verhevenste, de roerendste voorbeelden van liefde aan, welke fantasie of historische herinnering u kan voorstellen. Denk u de reinste, aandoenlijkste zelfverloochening die onder ons het oog der engelen met verrukking boeien kan. Welnu, dit alles is toch nog niet »de liefdequot; zelve, hoe dicht het er toe naderen moge. Bedenk nu, dat slechts de liefde, enkel de liefde, enkel deze hoogste spanning des mensche-lijken adels, enkel zij » den naaste geen kwaad doet.quot; Al wat beneden haar ligt, hoe laag het dale of hoe hoog het stijge, hetzij de menschen het verafschuwen hetzij ze het als edele onbaatzuchtigheid of ook als schoone liefde verheffen, dat alles »doet den naaste kwaadquot;, want alléén de liefde ontkomt aan den blaam van den naaste geen kwaad te doen: alleen zij is »de vervulling der wet.quot; Waar zien wij dan de liefde, waar kunnen wij ons haar toeëigenen en dus behouden
57
worden, dan enkel bij het kruis van Golgotha ? Waar elders wordt de liefdeloosheid die diep, diep in ons hart zetelt, ontdekt en overwonnen ? Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Christus zijn leven voor ons gesteld heeft: door zijn kruis worden wij met de liefde bekend maar tegelijk verzoend, terwijl de volkomen liefde anders, buiten dat kruis, den volstrekten haat van het eigenbatig, zelfbehoud zoekend hart des zondaars zou opwekken. Kan derhalve, gelijk het rationalisme verzekert, de leer van het kruis onnatuurlijk zijn, zoodat men, als men tot den waarlijk natuurlijken godsdienst wilde terug gaan, een Verlosser zou moeten stellen die enkel door voorbeeld en leer den mensch bekeerde ? Neen, deze leer is een verlaging van den mensch. Het is laag en knechtelijk, de menschelijke kracht trouwfbos te vleien, haar voor te spiegelen wat zij toch niet kan, namelijk zich door den invloed van eene leer of een voorbeeld bekeereni En bovendien, als er geene vleeschwording ware, naar deze leer het wil, zoo ware Gods werking op ons, door het voorbeeld en de leer van Nazareth's Wijze, bloot deïstisch, uitwendig, gelijk op de planten en dieren; de adel des menschen ware verloochend. Dus in naam van dien adel, in naam van de * ware menschelijke hoogheid, eischen wij het kruis. En Gods Woord geeft het ons. Niet
58
in een afgepaste leer. Die komt weinig in de Schrift voor als afzonderlijke stelling; maar des te meer is het kruis allcsbezielend beginsel, daar de geheele betrekking van God tot den mensch die van een verzoend Vader is geworden. Want het kruis, nog eens, is niets anders dan liefde. Zoo doorwandelt het ook het gansche leven van Jezus, om aan het eind te voorschijn te komen. Liefde toch is de heilige band die Jezus vroeger wonderdadig en krachtvol w e r-k e n met zijn laatste 1 ij d e n tot eenheid samenknoopt. In zijne wonderen verzinkt de liefde in het lijden der menschheid en werkt door zuchtend, biddend en worstelend geloof de hulpe voor velen: en in zijn doodslijden verzinkt diezelfde liefde, nog dieper, in de zonde der menschheid die van al haar lijden de oorzaak is, en werkt alzoo bezwijkend de hulpe voor allen. Zoo is Jezus dood in den grond slechts een verhoogd wonder. Een wonder is de lijdende en strijdende indaling van het hooger leven in het lagere, om het te verlossen. In zijn doodslijden is dat wonder meer bedekt, daarna in de Opstanding plooit het zich uit, komt glanzend te voorschijn. Ddirom, juist daarom wil de » natuurlijke menschquot; het kruis van Jezus niet. Geenzins omdat het tegen zijne philosophie, maar omdat het tegen zijn baatzucht strijdt. Kan hij dat kruis afschillen en verdunnen
59
totdat het een martelaarsdood wordt, o ja, dan wil hij het aannemen. De martelaar J ezus wekt weemoedige bewondering: doch de schuldverzoener wekt ergernis. Den Grieken is hij dwaasheid, den Joden ergernis. De heiden toch beschouwt de verzoening als reeds tegenwoordig, door dat hij het ideaal nedertrekt, geene volstrekte volkomenheid maar slechts een leven overeenkomstig de natuur wil — een deugd »zoover het ons menschen mogelijk isquot;. De Jood daarentegen, hooger verlicht, erkent wel het ideaal maar beschouwt de verzoening als toekomstig, de klove tusschen God en mensch nog niet als gedempt, maar toch eens, door men-schelijke deugd, te dempen. Beide dus miskennen het feit der verzoening in Christus, maar de Jood het hevigst, met ergernis. En zoo tot op den huidigen dag. De meer lichtzinnige noemt het dwaasheid, de dieper ziende, ernstiger eigengerechtige noemt het ergernis.
Doch ons die gelooven is het de kracht en de wijsheid Gods. Dien die geene zonde heeft gekend, heeft God tot zonde voor ons gemaakt: en op grond daarvan noodigen ons nu zijn gezanten uit om ons met God te laten verzoenen. God is met u verzoend, o mensch, laat gij u nu ook met God verzoenen. Helaas, de meesten willen, in plaats van de wereld met God, God met de wereld
60
verzoenen op hunne, niet op Gods wijze. Namelijk door God te verkleinen tot eene onheilige, toegeeflijke goedigheid. Terwijl Hij toch juist hierin zijne oneindige heiligheid en majesteit heeft geopenbaard. Maar die Gods Woord van zijn gezanten hoort, die geeft Gode recht tegenover zich zeiven. Die erkent in het lijden van Christus den godde-lijken toorn tegen de zonde, dien hij zelf verdiend had, maar in welken zijn Heiland voor hem en voor allen is ingegaan. Die veroordeelt, verloochent zichzelven. Zoo wordt bij het kruis van Christus en nergens elders, de waarachtige zelfverloochening uit de smarten der zelfveroordeeling geboren. In het ongeheiligd natuurlijk leven (zoo leerde ons het tweede hoofdstuk) is onbewuste vreeze des doods en zelfver-teering. In het leven door Christus is bewuste overwinning des doods en zelfverloochening.
Dit alles wordt bezegeld in het tweede Sacrament, dat des Heiligen Avondmaals. Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed, zegt Christus, en deelt ons mede zijn eigen liefdeleven, zichzelven in zijn opstandingskracht. Indien wij in dit licht wandelen, zoo reinigt het bloed van Christus ons van alle zonde. Het bloed van Christus, ook en vooral in het Avondmaal toegeëigend, heeft niet slechts op zijn dood betrekking maar op zijn leven.
61
zooals het door het doodslijden bevrijd en nu opgestaan is. Gelijk op den Grooten Verzoendag van Israël niet het slachten van het offer, maar het sprenkelen van het bloed op het verzoendeksel, dus het toewijden van het door den dood heengegaan leven, de hoofdzaak was.
/ Zoo treden wij, door deze toewijding aan Christus, weder in de rechte orde in, welke is die der Liefde. Al de hemelbollen van het onmetelijk heelal (zegt Pascal) evenaren niet in waarde ééne menschelijke gedachte; want de orde der gedachte is hooger dan die der stof. En al de heerlijkheid der menschelijke gedachten samen evenaart niet in waarde één enkele beweging van liefde ; want de orde der liefde is hooger dan die der gedachte. God is liefde, daarom is Hij j de God van orde.quot; Waar geen orde is, daar is ook geen juiste onderlinge schikking der dingen. Dus botsen zij tegen elkander, hebben pijn en haat. Daarentegen is liefde de toestand der volkomen orde in alles, wanneer de dingen zich harmonisch samenvoegen, en één geest door alles onbelemmerd heen stroomt. In die orde stonden wij oorspronkelijk met alle geschapen dingen: maar wij zijn uit haar gevallen. Oorspronklijk heeft alles in het zichtbare en onzichtbare zijn Hoofd, zijn Koning, en in die juiste, welgevoegde orde openbaart God zich als de God der liefde.
62
De aarde met haar sterren heeft een hoofd of koning, de zon; planten, dieren eji alle dingen op deze wereld hebben een hoofd, den mensch. De verschillende legerscharen der engelen hebben tot hoofd elke haren Vorst, haren Aartsengel. Alles, het zichtbare en het onzichtbare, het aardsche en het he-melsche samen, heeft zijn hoofd in den eeuwigen Zoort. En eindelijk heeft ook deze, de Zoon, zijn Hoofd onrriiddelijk in den Vader, in God zeiven, die » het Hoofd van Christusquot; is. Sedert nu de mensch uit deze orde viel, is wanorde overal ingekomen. Dé natuur is tegen zich-zelve en tegen den mensch verdeeld. De volken zelve zijn tegen elkaar verstoord, krijgende geweest van den aanvang der geschiedenis af, omdat het rechte éénige Hoofd ontbrak. Dit Hoofd is gekomen. Als vervulling en bevestiging van het Verbond door hetwelk God van de oudste tijden af den vrede heeft trachten te herstellen, is de Zoon Gods gekomen, zonder wien niets gemaakt is dat geworden is, en voor wien alles is geschapen, op wien alles is aangelegd. Hij is in de wereld, in ons vleesch, ingedaald. In Hem zijn alle dingen tot één systeem saam-gevoegd, dit is de kracht van het Grieksche woord Col. 1,17; alle dingen moeten sonder Hem als onder één Hoofd vereenigdquot; (Ef. 1, 10) worden. In Hem heeft dus alles zijn ware orde weer. Ook ons leven
63
wordt, door invoeging in Christus, weder in het geheel harmonisch ingevoegd en wordt ook in zichzelf weder één, van de smarten der inwendige tweespalt tusschen verstand en hart, tusschen vleesch en geest aanvanklijk verlost. Hiertoe echter komen wij niet anders dan door de smarten der zelfverloochening. Dit nu komen wij in het Avondmaal betuigen. Daartoe komen wij aan de heilige tafel de kracht ontvangen. Sakrament beteekent krijgseed. Wij verbinden ons aan het Avondmaal om in deze verheven orde der stervende en opstaande Liefde als krijgslieden in het gelid te staan. Koning Leonidas zeide bij den bergpas der Thermopylae tot zijne Spartanen, toen zij zich ter dood wijdden : komt broeders, eten wij nu nog samen hier welgemoed ons avondmaal, morgen zullen wij in de onderwereld middagmalen. Maar Gods kinderen zien niet een sombere onderwereld, neen een heerlijk nieuw, hooger leven, ook reeds hier op aarde vooruit. Daarom zeggen zij bij hun Avondmaal: komt broeders laat ons welgemoed hier aan dezen disch ons tot den dood des vleesches, des zondigen levens wijden: morgen, d. i. terstond na en door het Avondmaal, treden wij in het hooger leven, het leven der orde, der liefde in. Ook dit behoort tot den snieuwen wijnquot; die in het koningrijk Gods met Jezus wordt gedronken. Dit is het sverkondigen van den
64
dood des Heerenquot; — ons mede ingevoegd worden in dien dood. Door deze gemeenschap aan den dood van Christus, die ook gemeenschap aan zijn opstanding is, hebhen wij de krachten der eeuwigheid in ons.
Ja mijn broeder, bij deze dingen leeft uwe ziel en uw lichaam. Hierin, en hierin alleen, is uwe sterkte./ Door de kracht dezer spijze kunt gij voortwandelen, en het onverganklijk leven van Christus in u bewaart u voor uitputting, voor overvloeiing van uw geestelijk bestaan in de wereld die u omringt en doordringt, ja die als een steeds zuigende draaikolk u wil verslinden.
Gij toch verliest in den voortgang des levens li zeiven onvermijdelijk. Niemand van ons leeft op den duur zich zeiven noch sterft zich zeiven; wij leven altijd voor een ander, en dit willens of onwillens. God en Mammon hebben beide een trekkende kracht; naar boven of naar beneden worden wij getrokken. Want ook aan de wereld kunnen wij ons verliezen, ja den meesten gebeurt het. Tennyson spreekt in zijn s In Memoriamquot; den essenboom aan, wiens wortelen het stof van zijn begraven vriend aanraken. Hij voelt het gevaar van als het ware door de macht der droefenis zich uit zich zeiven weg te begeven, en met dien boom vereenzelvigd te worden;
65
And gazing on thee, sullen tree,
Sick for thy stubborn hardihood, I seem to fail from out my blood, And grow incorporate into thee.
Treffend beeld van het inzwelgend vermogen dezer wereld over den natuurlijken mensch. In de wereld en haar verderf worden wij ingelijfd, tenzij wij in Christus ingelijfd worden. Ingelijfd, opgelost worden, sterven in den j strijd om het bestaanquot; waarin het lagere voor het hoogere plaats ruimt, dat is de wet des heelals, des stoflijken en geestelijken levens. Wat wij stofwisseling noemen, is niets anders dan een onophoudelijk voort-g tand sterven om te herleven. Ons lichaam-lijk leven doet dat zonder tegenspraak: het wil noch kan tegenstreven, en zoo neemt het gehoorzaam het Alleven der omringende natuur in zich op. Maar onze geest wil dat niet. Hij sluit zich voor den grooten, alge-meenen Geest af. Hij wil een leven dat niet door sterven heengaat. Hij wil niet sterven, dat is- hij wil niet verjongd worden, en wordt dus onwillig oud en zelfzuchtig, zinkt in een dood die geen leven in zich draagt. Als een schoone vrouw die zich tegen het rimpelen des gelaats en de vergrijzing der lokken in pijnlijk-vruchtelooze worsteling verzet, niet inziende de schoonheid der levens-rijpte en de heerlijkheid des lichts dat uit
5
66
de hoogere wereld, slechts door een dun floers nog getemperd, op den grijzen schedel straalt. Er is geen derde: of Christus en met Hem de hoogste goederen des geestelijken levens moeten wij verloochenen, of ons zelve verloochenen. Bij het Avondmaal nu, bij dit toeëigenen van den geheelen Christus, bevestigen wij de twee momenten der bekeering. Namelijk ziende met het oog des geloofs op Jezus aardsch leven van lijden en kruis, sterven wij aan den ouden mensch af. Ziende op Jezus verheerlijkt leven, doen wij den nieuwen mensch aan. Want Jezus'verheerlijkt leven heeft kracht: de verhoogde Heiland deelt zich mede »naar de kracht des onvergank-lijken levens.quot; Zijn leven is liefde, mededeeling, vruchtbaarmaking zelf. Zijn leven is voorbede, voorspraak, zegen, optrekking uit den dood tot het leven. Als Hij van de aarde verhoogd is, trekt Hij alles tot zich. Zoo is het aardsche leven van Gods kinderen een overwinnen, een opgaan. Die overwint, Jezus geeft hem te eten van den boom des levens die staat in het midden van Gods Paradijs. Het geheele geestelijk leven, dit gansche aardsche bestaan dóór, is een overgang van de wet tot het Evangelie, van het kruis tot de opstanding; van het gevoel dat de smart ondergaat, tot den wil die er zich boven v e r h e f t; van het anorganisch bestaan waarin wij, e n wat aangaat de bestanddeelen van ons
67
eigen geestelijk leven, e n wat onze betrekking tot de menschheid betreft, slechts een los, egoïstisch aggregaat zijn, tot het organisch leven der eenheid waarin wij en met ons zeiven harmonisch één worden,' en met de menschheid in liefde verbonden onder Christus het Hoofd. Wat nu het geheele leven dóórgaat, dat vindt zich in het heilig Avondmaal als op één punt saamgedrongen, geconcentreerd. Het is_ de stille wijding ter dood door het nemen en eten van het Teven, het ontvangen van genadekracht ter zelfverloochening.
5
VI.
ZELFVERLOOCHENING.
Zelfverloochening, algemeen geëerd woord, door weinigen gekende zaak! De wereld, in wier geweten het Evangelie van Christus altijd een medegetuige heeft, wil ook vanzelfverloochening, en wel door eigen kracht der rpenschelijke natuur buiten het kruis om, spreken. Maar zij brengt het niet verder dan \ tot zelfbeheersching, ook in hare uitne-mendsten i). Want alleen het kruis leert den vollen zin der zelfverloochening, namelijk
l) Wie breeder ontwikkeling dezer waarheid begeert, kan haar, in toepassing op niemand minder dan Goethe, vinden in mijne studie «Goethe's Faustquot; bij den uitgever dezes voor twee jaren in 't licht gegeven.
Men leze overigens over de zelfverloochening en het hooger geestelijk leven de heerlijke hoofdstukken I 6—9 in het 3e boek der Institutiën van den doorgaands. ' zoo dor en koud geachten Joh. Calvijn.
69
dat zij o]o_j:elfv e r oor d e e l i n g gegrond is. '
De Christus Gods hangt daar, naakt uitge- J schud, aan het kruis. Wat beteekent die -y naaktheid? Gij, o mensch, hebt u alle goederen dezes levens, en dit leven zelf, toege-eigend buiten God, in ongehoorzaamheid aan Zijn wil, daar hij u ftlles had willen geven langs den weg der gemeenschap met Hem door gehoorzaamheid. Zoo is dus al wat gij hebt en het leven zelf door u te vroeg genomen, gestolen, geanticipeerd. Om dit te boeten, daartoe heeft Gods Heilige zich alles laten ontnemen, bezit, eere, en eindelijk 'naakt ontkleed, ook het leven. Als gij dit inziet en met ernst vasthoudt, dan verliest deze gansche wereld voor u haar prikkelenden schijn, haar verleidende schoonheid. Gij ziet nu dat zij u bedriegt door zich u ten huwelijk te willen opdringen. Gij erkent dat zij Gods Eengeborene uitwierp, en dus den dood die in haar is, den dood der zelfzucht, der zonde openbaart. Gij wordt omtrent haar, en omtrent u zeiven die ook tot haar behoort,
onttooverd. De zelfbegoocheling valt, de groote ontdekking der nieuwe wereld, der wereld van de waarheid dóór den dooden schijn dezer leugenwereld heen, vormt het beslissend keerpunt van uw leven. Met andere woorden, dit leven wordt voortaan één groote,
samenhangende zelfverloochening om tot de waarheid, de reëele, de zedelijke (en
70
dus ook, zoover het denken uwe taak is, de wetenschaplijke) waarheid te komen.
Ontzaglijke ontdekking, als gij begint in te zien hoe uw gansche leven één doorloopend vooruitgrijpen, één diefstal geweest is, ja uw geheele leven tegen u opstaat om u overtreder des gebods s gij zult niet stelenquot; te noemen. Als gij erkennen moet; dit leven behoort mij niet toe, ik heb het verbeurd, en het is mij in leen tot 's Heeren dienst en niet tot eigen bezit gegund — maar ik heb het mij toegeëigend en moet het dus teruggeven. Ik moet er mij van ontkleeden, en als ik dat zal volbracht hebben, als ik gansch naakt zal staan, dan heb ik niet iets verdienstelijks gedaan, noch reeds iets werkelijks verkregen, maar slechts den grond gewonnen waarop ik voortaan leven kan. Als ik het zal volbracht hebben! Doch, mij zelf te verloochenen, helaas hoe zal ik het kunnen, tenzij er een nieuw leven, een hooger Ik in mij zij, dat overblijft nadat ik mij, volgens den eisch, geheel zal hebben afgelegd! Zelfverloochening. Ja de geheele mensch moet in dezen dood ingaan, want onze ziel, het zwaartepunt van ons geheel leven en wezen, heeft zich,.helaas! ten kwade geneigd, en dus moet ook het geheele leven aan de zonde onttrokken worden. Van de zonde is niemand waarlijk gerechtvaardigd^ dan die gestorven is.
71
Zelfverloochening is de wet des heelals, overal onbewust en dus oneigenlijk, gebrekkig ondergaan, maar in den mensch tot zijne bewustheid gekomen. Al wat bestaat, wordt door God geofferd; want offeren is niets anders dan opheffen tot een hooger en reiner vorm van bestaan, hetwelk geschiedt door vuur en lijden. Ër is eene opklimming in de rei der geschapen dingen, zoodat het lagere door het hoogere wordt gebruikt, er voor geofferd wordt, gelijk de plant voor het dier, het dier voor den mensch, de mensch voor de mensch-heid. Dit kan in de geschiedenis der mensch-heid ons troosten over het verval en den ondergang van zooveel schoons dat de loop der tijden als een onbedwingbare bergstroom met zich naar de diepte voert. Met weemoed zien wij b. v. in de Grieksche geschiedenis van de tijden van Perikles tot aan Alexander den Groote de oplossing der oude heerlijke orde zich voltrekken. De vroegere schoonheid verwelkt, de verruklijke harmonie der vorige tijden verdwijnt, maar toch, het nationale wordt aan 'het humane, het onmiddelijk-r.atuurlijke wordt aan den geest opgeofferd. De geest, die aan den Eufraat, aan den Ganges, aan den Nijl, zoo langen tijd met de natuur in harmonie maar dan ook door dit verbond onderdrukt en onmondig gehouden was, begint zich nu wel, minder schoon, van de natuur te scheiden, maar ook
72
tevens haar te kennen en te beheerschen. Het onbewust leven maakt voor nadenken plaats. De Heidensche Stalen verliezen wel haar godsdienstigen grondslag, daar wijsbegeerte en sofistiek het aloude geloof ondermijnt: maar toch ook wordt de godsdienst vrij van den beknellenden band des staats en de wereldgodsdienst des Geestes, het christelijk geloof wordt mogelijk en toebereid. Evenzoo zien wij met weemoed den heerlijken bloeitijd onzer geschiedenis, van Willem tot Frederik Hendrik, voorbijgaan. Maar wij gevoelen toch dat die overgang noodzaaklijk is opdat Nederland aan het algemeen Euro-peesch leven, aan de worstelingen des nieuwen tijds, zijn wettig aandeel verkrijge. De gan-sche schepping wordt alzoo der verheerlijking te gemoet gevoerd en kan zeggen: »ik vaar op!quot; als Jezus tot Maria Magdalena. Zelfverloochening is daarom het geheim van alle ware levensbeweging. Zoo b. v. is de kracht, de ideale heerlijkheid der eerste gemeente, en voorts van het leven van zoovele groote mannen (wij noemen uit velen slechts Augu-stinus en Frans van Assisi) bovenal gelegen in hun verloochening van alle aardsche goed; een verloochening, al is het dan niet in dezelfde vormen, dan toch in haar wezenlijke kern door ons na te volgen indien wij waarlijk vrij en krachtig willen zijn. Evenzoo is het in de wetenschap. Zonder bereidheid
73
om vooropgevatte meeningen prijs te geven, liever langs moeielijken weg het ware dan met sprongen het blinkende te zoeken, en niet der menschen welbehagen maar hun nut te begeeren, is toch geen echte wetenschap mogelijk: waarom Plato terecht de wetenschap een sterven genoemd heeft. In de kunst desgelijks is het werk eerst dan volkomen wanneer het ons den persoon des kunstenaars om de bewondering voor zijn werk evenzeer vergeten doet, als hij zelf bij den arbeid zichzelf om het voorwerp van zijn streven vergeten heeft. En zoo in het geheele leven. Gezegend wie dat verstaat. Hij heeft den moed om te vergeten wat achter is, en zich uit te strekken tot het geen vóór is. Dat is, bij al het andere wat het beteekent, ook dit: te vergeten onze eigen gedachten waar onze fantasie zoo gaarne teruggaande over heen speelt, gelijk over onze goede daden en voortref-lijkheden, en ons naar voren uit te strekken tot het kruis, d. i. tot het doel om geheel met Christus te leeren sterven en werkelijk niets anders dan dat te begeeren, het waarlijk te willen!
Want van nature willen wij het niet. Niet zelfverloochening maar zelfontvouwing schijnt ons groot en heerlijk toe. Het ideaal van zedelijke volmaking heeft geen gevaarlijker vijand dan het ideaal van werkzaamheid en
74
sterkte, wanneer daarbij aan zelfzucht en hoogmoed de kracht niet ontnomen is.
Er is een ware idealiteit en eene valsche, hierin van elkaar onderscheiden dat aan de eerste alle zelfzucht vreemd is, de tweede in den grond enkel uit zelfzucht bestaat. In deze valsche idealiteit des levens, waarbij de fantasie onophoudelijk over het onbereikbare, dus ongeoorloofde heen speelt, bedrijven wij voortdurend een geestelijk overspel, aanziende om te begeeren eene levens-ontvouwing die schoon, prachtvol en edele krachten ontboeiend, maar niet in Christus geheiligd is. Wij zweven over den grond op de wieken van een verlangen dat grenzeloos voortgaat, doch de nauwe poort, door welke wij niet dan 'gebukt en gebroken heen kunnen gaan, hebben wij met opgerichte gestalte zijwaarts ontweken.
Maar God brengt er ons genadig weder bij en dóór. Hij overtuigt ons van de volstrekte verbeurdheid, verdorvenheid van dit leven, en werkt alzoo in ons het heerlijk ■wonder der wedergeboorte, dat voorts alle andere wonderen waarborgt. Want als de valsche glans van dit leven, ook van onze eigen deugd en waarde verbleekt is, eerst dan verschijnt in zijne volle stralende schoonheid het kruis van Christus voor ons oog. Maar dan is dat kruis ook onwederstaanbaar, alle tegenredenen zwijgen, de waarheid, de
75
eeuwige waarheid bewijst zich zelve door het leven dat zij wekt. De hoogere wereld wordt ontsloten, de wedergeboorte doet Gods Koningrijk zien, en de Heilige Geest verleent moed om die hoogere wereld te naderen en vast te grijpen.
Hebt gij Mozes gezicht van het brandende braambosch verstaan?
Een diepe zin ligt in het vuur
. . . . 't alwerkend vuur Dat staag zich voortschept uit zichzelve.
En omvlamt over de aarde in zon en
(stargewelve. En leven wekt: door zijn natuur.
Zijn licht en glans en gloed, zijn kracht (en eindloos branden Ons naar zijn Schepper wijst en zelf zich
(Hemwaarts keert;
Of — wat het loutert en doorgloeit als
(offeranden,
In vlam Hem toewaait en verteert. . . Het levend element dat op Gods machtig
(wenken
Verdelgend uitgaat van den zetel waar Hij
(troont,
Verzoening schenkt en liefde, en eeuwig ons
(zal schenken.
Het vuur waar God in wreekt, en liefde (wekt en kroont, i)
l) Gedichten, enz. door E. Tiroere en P. van der Ploeg.
76
Dat element is ook veraanscliomvlijking van den voortgang des levens der natuur zelve, voortgang die als een inwendig vuur haar bestaan verteert. Waar geen zelfverloochening is, daar, gelijk het tweede hoofdstuk ons leerde, is noodzaaklijk zelfverteering, die ten slotte uitbreekt in het vuur des gerichts, waarin ook deze bestaande wereld, naar de profetie, brandende zal vergaan. Wat is ook de levenswarmte van ons eigen lichaam anders dan een verbrandingsproces?
Het geheele natuurlijke leven der wereld brandt aldus, ongemerkt voor ieder ander dan een van God verlicht oog, in een vuur dat haar verteert. Die verteering wordt niet terstond gezien. Voor het oogenblik schijnt het braambosch niet te verteeren. En ook werkelijk verteert het niet zelf, maar slechts hetgeen aan hem onrein en daarom verganklijk is. De kern zelve, de eigenlijke schepping Gods, wordt niet verteerd maar gelouterd en ten slotte verheerlijkt. Dit zag Mozes in zijn visioen op Horeb, waar hij reeds «geheiligd landquot; aanschouwde. Het wonder is ook hier de vooruitgenomen vertooning van de toekomst, ontsluiering van het eigenlijk wezen der dingen gelijk het eenmaal voor aller oogen openbaar zal zijn. In het natuurlijke te zien het goddelijke, datgeen wat God bedoelt, is de profetische daad des geloofs. Een mensch
77
kan daar bijvoorbeeld toekomen door nadenken gedurende gedwongen werkeloosheid des lijdens in krankheid of eene andere stremming des gewonen levens. Dan, afgezonderd van het gewone woelen der wereld, ziet hij dieper in de beweegkracht aller dingen. Wat hij bij zulk een toestand in zich zeiven ervaart, is hem de sleutel ter verkla-, ring van alle dingen buiten hem. Hij ziet zijn eigen doodsschuld over de geheele wereld uitgebreid. Met hem zeiven is het gelijk Elihu beschrijft; jzoo zij, gebonden in boeien, vastgehouden worden met banden der ellende, geeft hun God hun werk te kennen, en hun overtredingen omdat zij de overhand genomen hebben. En Hij openbaart het voor hunlieder oor ter tucht, en zegt dat zij zich van de ongerechtigheid zullen bekeeren. Indien zij hooren en Hem dienen, zoo zullen zij hun dagen eindigen in het goede, en hun jaren in lieflijkheden. Maar zoo zij niet hooren, gaan ze door het zwaard door, en geven den geest zonder kennis. En die met het hart huichelachtig zijn, leggen toorn op; zij roepen niet als Hij hen gebonden heeft. Hunne ziel zal in de jonkheid stervenquot;. Dit spreekt de heilige God in zulk een nederwerping tot hem, en stelt hem opnieuw bij den tweesprong. Hij vraagt hem : deze krankheid, dit gevaar, deze verbreking die over u is, zal zij u ter loutering
78
of ter verteering zijn? Dit vuur, waar Ik u doe door heengaan, zal het u reinigen of ten oordeel ontbinden? Zal het u dienen om smet vuur gezout te worden,'' om in heilzame vreeze Gods en zelfverloochening u vrijwillig ten offer te stellen (Mark. 9, 49) of moet het slechts voorspel zijn van de eeuwige pijn j waar de worm niet sterft en het vuur niet uitgebluscht wordtquot;? Want óf het een, óf het ander is noodzakelijk. Maar op dienzelfden tweesprong, voor déze zelfde vraag ziet hij nu ook de gansche wereld gesteld. Ook in haar brandt een vuur, doch niet een zedelijk-onverschillig vuur gelijk de diepzinnige He-raklitus er van spreekt. Neen het vuur van Gods heiligheid, dat in de wereld van lieverlede al verder en verder, scheiding maakt tusschen hetgeen zich niet laat reinigen en dus in het oordeel verzinkt en tusschen het geen zich der verheerlijking te gemoet laat leiden.
Dit alles echter, hoe goed en waar ook, is slechts voorbereidend. De volle waarheid leeren wij niet uit een krankheid of iets dergelijks dat ons alleen de gehoorde waarheid verlevendigen of tot de nog niet gekende nader leiden kan. De volle waarheid in dezen leert ons .alleen de prediking van het kruis, zooals zij voltooiing is van het evangelie der Vleeschwording des Woords. God schenkt Zijn Zoon, dat is: zich zeiven. In deze ne-
79
derdaling, in dit geven van zichzelven uit grondelooze liefde, ligt niet alleen het voorbeeld maar de grond# zelf van onze zelfverloochening. Want door de vleeschwording, en al wat uit haar verder volgt, is Christus verhoogd, en kan nu in almachtige kracht die ons, zoo wij tot Hem komen, aanvat en opheft, ons tot het nieuw leven helpen. Die van Christus zijn, hebben het vleesch gekruist met de lusten en begeerlijkheden. Zij hebben dit gedaan, zegt Paulus. Het is een feit, een voldongen feit, een gebeurde zaak, namelijk TrT Christus ons Hoofd. In Hem toch is (zie Bladz. 43) onze heiliging reëeler dan in ons zelf. Wij hebben dus door het geloof de overwinning van Christus aan te nemen. Dat nu dit geloof ons zóó innig met Christus vereenigt, ligt niet in de innigheid, de kracht van ons geloof. Wacht u van dat te meenen, want daarmede zinkt gij in onzekerheid en verliest allen troost. Neen, de kracht en werklijkheid dezer vereeniging met Christus ligt in de hemelsche verbondstrouw van Christus die tot de rechterhand Gods, dat is tot het middelpunt der Almacht, verhoogd werd. Hier openbaart zich de heerlijke werking des Doopverbonds waar ons vijfde hoofdstuk van sprak. De eeuwige Liefde heeft zichzelve gegeven, en onze zelfverloochening is niets anders dan ons andwoord op die gave, zoo wij haar waarlijk aannemen. Wat God voor
80
ons doet in de Vleeschwording, datzelfde doet Hij in ons zoo wij ons zeiven verloochenen. uiT: dat is Zijn zelf-_ overgavé m Christus._ Hij ademt weder in: dat fs onze zelfovergave.'^ De gave der liefde daaltquot; af tot ons en zij zelve wordt. weder omhoog teruggezonden.) Het werk des Vaders en des Zoons heeft tot noodzakelijk gevolg het werk des Heiligen Geestes in ons. Heerlijke harmonie ! Gelijk de schepping als zoodanig reeds op zich zelve naar de verheerlijking wijst, omdat namelijk God, de God des vollen levens, haar niet kan gemaakt hebben of het moet op die slotsom uitloopen: evenzoo leidt het geloof in den Schepper, schijnbaar een koud stuk der natuurleer, ons wettig tot de zelfverloochening, door het middel-lid van de Verzoening heen. Een wonderschoon licht valt ons hier op de leer der Voorzienigheid. De hoogste idealiteit is in de dingen der wereld verscholen liggende. De strekking tot de verheerlijking is hun eigenlijk wezen. De ware natuur-kenner is hij die niet slechts aan het wonder gelooft, maar die het ziet gelijk het schier ongeduldig van onder de oppervlakte der dingen wil doorbreken zoo als het paard met den hoef graaft en de manen schudt om heerlijk ter overwinning te snellen. Deze idealiteit is door de zonde gestremd, doch door Christus verkrijgt alles weder zijn vrijheid terug, zijn
81
vlucht wordt weer ontboeid, de wieken slaan uit, de wereld beweegt zich weer naar de hoogte, de ware vooruitgang, welke is een opgang, streeft hoopvol voort. Nu verstaan wij hoe reeds onder de eerste bedeeling, zelfs bij het tanen van haar licht, de moeder van de zeven zonen in het tweede boek der Makkabeën (7, 28, 29) haar éénig overgebleven zoon toespreekt; 2 ik bid u mijn kind dat gij ziende naar he- I mei en aarde en al wat daarin is, wilt erkennen dat God dit alles uit niet gemaakt heeft. 1 Daarom vrees dezen beul niet, maar ontvang waardiglijk den dood.quot; En het 1 christelijk ^tegenbeeld dezer moeder, de Ro-meinsche Felicitas met hare zeven zonen, beroept zich tot hetzelfde doel op de schepping, doch zij ziet op dien Troon wat de Hebreeuwsche nog niet zien kon, den Zoon aan de rechterhand des Vaders. «Verheft het oog, mijne kinderen, en ziet den hemel aan. Daar wacht u Christus met de kroon der overwinning!quot; — en Publius, de stadsprefect, laat ze allen wegvoeren ter dood. Deze moeders troosten zich dus met de waarheid der Schepping, omdat in haar de zekerheid ligt der verlossing en der verheerlijking. Van de drie groote artikelen. onzes geloofs bevat het eerste, het »ik geloof in God den Vaderquot;, naar noodzaaklijke gevolgtrekking de beide anderen in zich. Wie in
6
82
God den Vader gelooven wil, maar niet in den Zoon noch in den Héiligen Geest, die heeft ook van het geloof in den Vader niet dan den krachteloozen klank. Wie gelooft in den Schepper, ge'ooTt ook aan de verheerlijking, en heeft daarin kracht om zich-zelven te verloochenen.
VIL
OPENBARINGEN DER ZELFVERLOOCHENING.
Wij zijn dan door het bloed, dat is de levensovergave, van Christus gekocht. Met andere woorden: ons geheel bestaan is gegrondvest op een eeuwige Liefde. Deze is het fundament waar wij op staan, de levens-grond die ons draagt, de warme, bezielende, sterkende bodem waarop wij wandelen. Niet de natuurkracht, de koude natuursamenhang, de noodzaaklijke wet (gelijk de menschen zeggen) maar een eeuwige Liefde. Deze eeuwige liefde roept, in ons, als an^jvoord op hare stem, de energie der eeuwige zelfovergave in het leven. Wij verstaan het heerlijk lied: Ich bete an die Macht der Liebe Die sich im Staube offenbart; famp;S?-' Ich geb' mich hin dem ewigen Triebe Mit dem ich Wurm geliebet ward. Ich will, anstatt an mich zu denken, In 's Meer der Liebe mich versenken.
6'
84
2 In plaats van aan mij zelf te denken.quot; Ja hier ontvangen wij kracht om niet meer aan ons zelf te denken, maar ons te verloochenen. De groote proef dus of gij waarlijk in die zelfverloochening staat, is hierin dat gij u onderzoekt of zij, in antwoord op de liefde van Christus, u niet meer een pijnlijke plicht, maar een blijdschap is geworden. Bij voorbeeld, zoo gij een man van studie zijt, is het u een lust, zoo noodig uwen tijd aan onderwijs, armenbezoek of tijdroovende beslommeringen te geven en wetenschap, kunst, en alles wat uw geest verheft en ontwikkelt, daarvoor te verzaken? Geeft gij met blijdschap den aanleg, de gaven die gij tot die laatstgenoemde dingen hebt, om 's Heeren wille prijs, verzekerd in Zijne trouw dat het eigenlijk wezen, het eeuwige daarin, niet verloren gaat? O indien deze vraag u nog beschaamt, weet dat de Heer dit alles geven wil, niet door stoischen strijd en zelfkwelling, maar als hartverkwikkende gift Zijner genade. Met uwen God springt gij over dezen en over eiken muur van hindernis.
Of zijt gij onzeker of gij al of niet op dezen weg der zelfverloochening wandelt, onderzoek u omtrent de bijzondere, bepaalde openbaringen waarin dit ééne groote beginsel zich behoort tot werklijkheid te brengen. Zien wij dus daartoe dezen eisch des levens in eenige
85
bijzonderheden aan, om dan deze in één beginsel samen te vatten en zoo beter te begrijpen.
In de zelfverloochening liggen alle karak-termerken des waren geestelijken levens opgesloten. Zij is een wettig vooruitgrijpen, het tegendeel van wat wij bladz. 69 veroordee-len moesten; het vooruitnemen van de heerlijkheid op grond van Gods werking en belofte ; het aanvanklijk erfgenaam zijn van God, op grond van het laten varen van de wereld. Wanneer een mensch alzoo in de aanschouwing des geloofs het wezen der dingen ziet, de eeuwige toekomst vooruitneemt, dan ontvangt hij moed tot den strijd des levens, eenvoud, gebedskracht, zekerheid des geloofs, blijdschap in verdrukkingen, humaniteit, nederigheid en elk dergelijk karakter des levens.
Vooreerst dan, zoo de mensch op grond van Gods vergevende genade tot zelfverloochening besloten is, kan hij den s t r ij d des levens waarlijk aanvaarden. Dan toch is hij van alle bezwaring vrij; geen overlevering belemmert hem, alle schuld is uitge-delgd. Bij de Olympische spelen riep vooraf een heraut de namen der Grieken uit, die zich ter mededinging hadden aangemeld, en vroeg dan met luider stem: kan iemand dezen mannen verwijten, slaven te zijn geweest of eene onteerende handeling te hebben gedaan ? Eerst als er niemand andwoordde, werden
86
zij toegelaten. De christen verstaat de profetie, in die Grieksche gewoonte nedergelegd. In het worstelperk des levens daalt niemand waardiglijk af, die niet door Christus' gemeenschap vrij en onbevlekt van geweten werd. Dan is er • bereidheid tot overgave in het lijden, tot verliezen van het schijn-leven om het waarachtige leven te winnen. De ware bereidheid hiertoe is kenbaar aan de verheven kalmte die de Heer onder dat lijden schenkt. Gelijk Perpetua in het worstelperk te Karthago, door den woedenden stier neergeworpen, haar verscheurd kleed samenplooide en het losgereten hair in orde bevestigde om in waardig kalme houding de martelaarskroon te ontvangen, zoo biedt ook nu nog Christus den Zijnen gelijke hulpe tegen den wilden stoot der smarten. Wij verbijten dan evenmin onze pijn, als wij haar door hartstochtelijke overgave lucht geven. Want wij dragen en lijden dan niet alléén. De Heer zelf neemt eerst den last van ons af, daarna heft Hij ook ons zelf mede op. Wij houden dan onze smart niet als ons eigendom vast, maar geven haar Gode in handen: zoo kan zij ons niet schaden. Ook niet ontveinzen of verachten wij haar in Spartaansch-wettelijke hardheid, noch beschuldigen wanhopig het noodlot of de tijden, in onbeleden machteloosheid tot het vervullen van de taak die deze mpeielijke tijden ons opleggen. Niets
87
van dit alles. Zelfverloochening, dat is eenvoudigheid, waarheid. God zelf opent ons het oog, om de heerlijkheid des waren levens te zien, zooals het zich in dit gewone dage-lijksche leven ontplooit voor hem die heeft geleerd, de heilige harmoniën van Gods orde in zich op te nemen. Wij maken dan geen eigen levensplan meer; wij zien en volgen het plan Gods dat zich, al helderder en helderder, voor ons oog des geestes teekent vol onuitputbare, onuitsprekelijke wijsheid en liefde. In deze aanschouwing ligt de ware frischeid en vrede des levens. sHeer, waart Gij hier geweest, mijn broeder ware niet gestorvenquot; — in dat woord ligt een schoone waarheid. In Jezus' tegenwoordigheid kan niets sterven. Evenmin past het dat iets in ons vervvelke terwijl Hij, in ons wonende, daar bij is. De planting toch die anders ontbladerd verkwijnen zou, wordt tot nieuwe bekrachtiging en genezing naar de hoogere atmosfeer der aanbidding opgeheven. Want in dit lijden begint ook de eigenlijke wijding en kracht des gebeds. Het gebed, als het waar en oprecht is, werkt zich uit in de daad des levens, heeft daarin zijne voortzetting en bevestiging, gelijk de bron in den stroom. Wordt dus dat uitwendig handelen door lijden gestremd, dan moet het gebed verlevendigd worden, gelijk de afgedamde stroom des te levendiger brui-
88
send opwaarts schiet. In zwaren strijd zijnde, bad Jezus des te ernstiger; en in elk Gethse-mané de Zijnen met Hem. Dat gebed draagt zijn verhooring in zich ; want te leeren zeggen : jüw wil geschiede!quot; dat alléén geeft geboorte aan de rechte blijde zekerheid des ge-loofs. s De Geest is het die getuigt dat de Geest de waarheid is.quot; Namelijk het vleesch met zijn werkingen maakt ons onzeker; wordt nu dat vleesch door het lijden geofiferd, dan ontstaat er des te grooter gewisheid; evenals in de diepte van een donkeren put op klaar lichten dag de sterren worden gezien, die anders door het blinken der zon verborgen zijn. De lichtende zekerheid, hier verkregen, is niet die van dweepzucht of zelfverheffing, maar die des op Christus hopenden ootmoeds. Het Stoïcisme doet den mensch heldhaftig zichzelf samenvatten om de smart te overwinnen door eigen kracht. Het is de leer, of de praktijk, der verdienstelijkheid onzer werken, het versmaden van de rechtvaardiging uit het geloof, van het ontvangen van ons leven enkel uit de hand der reddende genade. Dit Stoïcisme kan eene heldhaftige berusting werken, die op zelfverloochening gelijkt, doch inderdaad zeer van haar verschilt. j Zoo de aarde schrikkelijk is om aan te zien in die streken, het uitspansel brengt in de bekoorlijkste tafereelen vergoeding aan.quot; Aldus beschrijft Maupertuis zijn verblijf ter
89
graadmeting te Forneo, een halven graad bezuiden den poolcirkel, en schildert dan verder in opgetogen bewondering het noorderlicht. Ja, als de aarde tot ijs en sneeuw is bevrozen, als de schoonheid en bloei der wereld ons in het lijden te loor ging, dan opent dikwerf voor een kloeken wijsgeerigen geest de hemel zijn lichtschatten. Maar wat bewerkt deze vertroosting? Het is in den grond een wegvluchten uit dit leven, gelijk de Buddhist zich uit alle menschelijke wen-schen en willen, ja uit het leven zelf- in de Nirwana, een ledig afgetrokken niet-bestaan terugtrekt. Moediger is de ootmoed van Gods kinderen, die op Christus hopen. De zonde af te stooten tot haar geheele verdwijning toe, het leven Gods aan te nemen tot onze volkomen vervulling toe, dat roept de hoogste energie onzer persoonlijkheid wakker. »Voel en geniet u zelvequot; roept de Griek, j Verloochen u zelvequot; roept de Christus. De Griek sterft krachteloos, de Christus leeft en doet leven.
Is daarom de christelijke levenssfeer inhumaan omdat zij aldus tegen de Grieksche, dat ideaal onzer beschaving, overstaat ? Neen, zij is integendeel de voorwaarde tot alle echte beschaving. Deze toch bestaat bij individu en volk in niets anders dan in de macht om wilde, ruwe, oogenbliklijke begeerten te kunnen opofferen voor eene hoogere wereld die men als de ware erkend heeft. Hier
90
is de ware idealiteit, onderscheiden van de valsche welke wij bladz. 74 beschreven. Zij is niets anders dan behoefte aan het volmaakte. Het vlijtig polijsten en voortdurend gladder maken van de oppervlakte, wat men doorgaands beschaving noemt, mist elk verheven doel: maar de ware idealiteit is behoefte om het geestelijk beeld dat men in zich draagt, ook zichtbaar vóór zich te zien en er blijdschap in te scheppen als eindelijk vorm en inhoud elkaar beginnen te dekken. Zij beginnen het pas. Want ja, boven elk werk wat wij doen, en allermeest boven het volmaaktste dat onze arme kracht vermag te scheppen, zweeft een veel hooger beeld en roept ons toe dat wij nog slechts aanvangers zijn. Maar als wij dan onbevredigd ons afwenden van iederen arbeid dien wij tot stand brachten om weder een nieuwen, mocht het zijn een hoogeren te bereiken, dan gevóelen wij toch dat wel telkens ons beeld onvoldoende bleeü, maar niet de wezenlijkheid die wij in dat beeld trachtten uit te drukken. Niet het ideaal zelf is een droomgestalte, maar slechts de vorm waarin wij telkens poogden het te vatten. Het wezen, de kern zelf stijgt met elke dergelijke ontkleeding slechts hooger en hooger, en de voortgang onzes levens wordt als die van den jongeling in de Arabische nachtvertelling, wien de schoone wondervogel met zijn heerlijk gezang telkens
91
verder lokte, gedurig weer verder vluchtende als hij hem meende te grijpen, totdat hij hem bij zijne bruid had gebracht. De ware humaniteit is de menschwording des Zoons in ons, en al de leerbepalingen waarin de Kerk de eenheid der goddelijke en der menschelijke natuur in den Heiland irachtte te beschrijven, laten zich ook als beschrijvingen van ons inwendig leven verstaan. Ja ook de historie bewijst, dat van het leven der waarachtige humaniteit de kern niets anders is dan zichzelf te verloochenen, niet voor zichzelf te leven. Zij bevestigt wat Bunsen in de opdracht van zijn Hippolytos zoo schoon zijn Richard Rothe toezingt: Was nur sich gelebt, muss sinken unbetraurt
(in Todes-Fluth, Doch was Menschheit ausgepraget, schwimmet
(in der Arche Hut. Was im Bilde, was im Tone, was im Worte
(Gott verklart,
Leuchtet durch der Erde Nachte, spatesten (Geschlechtern werth.
En die hoogste humaniteit is niet weeke-lijke verfijning, maar kracht en levensmoed. Wij hebben, zoo wij waarlijk in Christus leven, over den ganschen omtrek van ons natuurlijk bestaan ontdekt eene verlammende zorgeloosheid, onverschilligheid, weten van de waarheid en toch niet gelooven. Op grond van deze dagelijks vollediger ontdek-
92
king beginnen wij ons zeiven te haten met een volkomen, doch niet meer vruchteloozen haat. In de kracht van Gods rechtvaardigende genade, door welke wij van den ban des ouden levens zijn vrijgemaakt, kunnen wij nu ook ons hiervan vrijvechten. In Christus vatten wij door het geloof ons zelve aan, daar Hij de ideale waarheid van ons eigen leven is. En in hetgeen Hij deed, zijn verzoenend en vrijmakend liefdewerk, vatten wij dus door het geloof de eigen daad onzes levens aan. De uitwendige mensch vergaat, doch naar de mate dier verdwijning wordt de inwendige vernieuwd van dag tot dag. De lichte verdrukking, die zeer haast voorbij gaat, werkt een gansch zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid. Ook dit weder naar de mate des geloofs. Want in onzen moed verwezenlijkt zich de eeuwige verkiezing Gods: moed is de werking dezer verkiezing in ons gemoed. Gelijk Chrysostomus, op aanstoken van keizerin Eudoxia levenslang verbannen, zijner gemeente te Konstantinopel toeriep: 5 de zee bruise, zij spoelt de rots waarop wij staan, niet weg. Golf stapele zich op golf, het scheepje van Jezus zinkt nimmer. Wat zou ik vreezen? den dood? Christus is mijn leven. Verbanning? de aarde is overal des Heeren. Verlies van aardsche goederen ? Ik bracht niets op de wereld, wat zou ik uit haar willen medenemen?quot; En deze verkiezing
93
heeft trappen. De eene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster. Zoo zijn er e e r s t e-1 i n g e n die door lijden tot een eerder afleggen van den ouden mensch komen en zoo tot de heerlijkheid geschikt en voor de * eerste opstandingquot; toebereid worden. Met Paulus moeten wij streven »of wij misschien tot deze heerlijke wederopstanding uit de dooden, tot dit voorrecht der eerstelingen, kunnen komen.quot; Dit is het wettige, éénig wettige eergevoel: want het bedoelt, dat Christus te eerder en te schooner in ons verheerlijkt worde, Zijn glans der liefde gelegenheid hebbe om in ons te stralen. Verkeerde eerzucht wordt nergens beter door uitgesloten, dan door dit van God gewerkt eergevoel, het besef onzer bestemming als christenen, d. i. als menschen. Wie eergevoel slechts in den vorm van zondige eerzucht; kent, die verstaat niet waarom de Vader den Zoon op den berg seer en heerlijkheid ontvangenquot; deed; noch waarom de de Heer de vermaning »de meeste van u zij aller dienaar' verbond aan de belofte: ik verordineer u het koningrijk! (Luk. 22, 24—30). Wij redden de waarheid van ons wezen uit den leugen dezer wereld door sde eer die bij God alléén is, te zoeken,quot; en dus onze jagende eerzucht niet te dooden, maar te reinigen. De waarheid van ons wezen ligt in het zoeken niet van eigen maar van Gods eere. Anders trekken wij ten gevalle van onze
94
ijdelheid de werklijkheid scheef of loochenen haar. Slechts als wij geen eerzucht meer voeden, hebben wij geen belang bij eenige onware wending van het bestaande, hebben den moed om op God te vertrouwen en alleen de waarheid, d. i. eenvoudig het bestaande, Gods wil, te willen. Dit is daarom dan ook de waarachtige, van God bevolen z e 1 f-liefde, namelijk het prijs geven van onzen persoon gelijk hij thans, in het vleesch, is om onze ideale, ware, eeuwige, eigenlijke persoonlijkheid te winnen. Hier leert men dan dit verheven »welbehagen in smaadhedenquot; waarvan Paulus getuigt. Geen ziekelijk behagen in zelfgekozen martelaarschap. Die achter mij wil komen, neme zijn kruis op, spreekt de Heer. Z ij n kruis, dat inderdaad geen gestolen of eigendunkelijk opgenomen, maar door Gods leiding opgelegd, dus waarlijk z ij n kruis is. Tijdens de vervolging der Christenen ' onder keizer Decius beteugelde bisschop Cyprianus van Carthago terecht het onstuimig verlangen van velen naar marteling en dood, en schreef der gemeente in een brief: 3» de Heer verlangt niet ons bloed, maar ons geloof.quot; — Schoon hij zelf later, toen het n o o d i g bleek, met vreugde zijn bloed voor Jezus' Naam heeft laten stroomen. Immers indien het dan noodig is, leeren wij het met Jakobus »voor groote vreugde achten.quot; Want wij beseffen dan de noodzakelijkheid
95
des lijdens opdat wij geheiligd worden, en zouden het, nu wij deze bedoeling inzien, niet willen missen. Gelijk op Dante's Louteringsberg de zielen door een heilig verlangen naar volle reinheid zich laten weerhouden van hun lijden te snel te ontgaan i). En het groote alles omvattende lijden der afsterving aan ons zelve in den ernst der bekeering leert elk gedeeltelijk, bijzonder lijden gemakkelijker dragen. Deze ééne groote smart doodt alle andere smarten, althans ontneemt er den scherpsten prikkel aan. De dringende noodzakelijkheid van het leven in Christus overstemt alle andere gedachten. Vroeger geloofden wij in Christus min of meer omdat onze persoon, ons wezen door dat geloof veredeld werd. Het christelijk geloof werd aan onze levensphilosophie als eene verhooging, reinigende voltooiing, toegevoegd. Nu echter zien wij in dat wij volstrekt wanhopig zouden staan, dat wij niets overhielden, noch voor de kennis, noch voor het leven, zoo wij Christus niet hadden. Op Hem, op zijn leven in ons, wordt nu voorts de wetenschap, de wijsbegeerte, het levensinzicht, alles gebouwd. Hij is niet langer de kroon, de versiering van den natuur-
l) Zie »Het leven der menschheid en des mcnscheu eene divina Commediaquot;: verl. jaar bij de H. H. Höveker amp; Zoon in 't licht verschenen, bladz. 41.
96
lijken grondslag. Neen Hij zelf is de grondslag, en de geheele wereld der wetenschap en des levens is daarop gebouwd. In hoogeren zin zal Hij eenmaal ook de k r o o n, de spits, het toppunt zijn. Maar nu is Hij de grondslag, en al wat tusschen dezen grondslag en die bekrooning in ligt, het geheele werkelijke leven, moet Hem als zijn eigendom worden toegebracht.
En overzien wij nu al de hier opgenoemde bijzondere zijden des geestelijken levens, om ze tot één beginsel saam te vatten en zoo beter te begrijpen, dan kunnen wij in deze verschillende vormen der zelfverloochening niet anders zien dan het overwinnen van vleeschelijk-natuurlijke zelfbevestiging, van het leven voor ons zelve, het stellen van ons zelve als doel van ons streven, van ons zelve namelijk buiten God beschouwd. Immers wij menschen begeeren van nature. Wij hebben een »hart dat eindloos blijft begeeren.quot; En zulks omdat wij jn Godsbeeld, tot Gods gelijkenis geschapen, tot heerschappij over de wereld bestemd zijn. Deze koninklijke aanleg heeft nu, helaas! daar de mensch in de zonde viel, een verkeerde richting genomen. Namelijk nu leeft en streeft de mensch niet meer, gelijk zijn oorspronklijke aanleg was, voor God, maar voor zichzelf. Zichzelf te bevredigen, in lage, of in hoogere, edele, 'alleredelste opvatting van dat woord, voor
97
de ontvouwing van het eigen zijn, de oefening van eigen vatbaarheden te leven, dat is zijn doel. Al het natuurlijk streven en bedenken des menschen, alles wat van zelf de beweging van zijn geestelijk zijn is, behoorde, gelijk het oorspronklijk in beginsel was, op God gericht te zijn, in de gehoorzaamheid der volkomen liefde jegens God te geschieden, Gods eere te bedoelen. Maar nu is het doel, de van zelfs volgende, natuurlijke beweging van dit alles niets anders dan zelfbevrediging. Wie de zonde ontkent, vindt dit ook zeer naar de orde; zegt dat inderdaad de mensch op aarde is om zich te ontwikkelen; om te worden wat hij naar zijn natuurlijken aanleg worden kan. De thands zeer algemeen heerschende zedeleer van het empirisme, van de «wetenschap der ervaringquot; predikt, dat alles ten slotte op het onderscheid van aangename en onaangename indrukken neerkomt. mensch kan van
het bovennatuurlijke niets weten, geen eeuwige beginselen tot richtsnoer nemen, slechts het betreklijke is hem bekend, slechts de aandoening van wel of wee, behoorlijk geregeld en verklaard, kan hem tot maatstaf dienen. Hij voldoe dan, leert men, .aan zijn neigingen. Alleenlijk, hij doe het met mate, met juiste, door zedelijkheid en schoonheidsgevoel geleidde, tempering van die neigingen, zoo dat dus de lagere aan de hoogere ondergeschikt
7
98
worden. Ja men voegt er ook welbij dat hij dan, alzoo geordend, met dit alles God moet dienen. Doch hierbij wordt het groot bedrog der zonde, het leven voor ons zelve, het »begeerenquot; dat in het tiende gebod verboden wordt, vergeten. Toch komt alles dddrop aan. Ons streven, begeeren, arbeiden, genieten, is niet alleen zonde wanneer het onmatig, hartstochtelijk, of op andere doeleinden gericht is. Neen, reeds op zich zelf is het zonde. Namelijk het is door den val ten kwade geneigd, immers van God af en naar ons zelve heen. En om te voldoen aan het woord »hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, of iets anders doet, doet het al ter eere Godsquot; — daartoe is bepaaldelijk herschepping, wedergeboorte noodig. Want uw eten en drinken, uw diepzinnig studeeren, uwe ideale kunstbeoefening, uw eerbiedwaardig strijden tot heil van 't algemeen, uw arbeiden en lijden waardoor gij van het dankbaar nageslacht een standbeeld en een blijvende eereplaats in de historie verdient, dat alles is zonde, niet omdat en wanneer het onmatig wordt of ongeregeld ter zijde afdrijft, maar onder alle omstandigheden en ten allen tijde, omdat het de zelfontvouwing van uw grooten of kleinen, edelen of onedelen aanleg is. In één woord omdat het is leven voor uzelve, in lagen of in zeer verheven zin. En alleen wanneer gij niet voor u zelf
99
maar voor God leeft, Hem liefhebt met geheel uw hart, met geheel uw verstand en al uwe kracht, alleen dan voldoet gij aan Gods wil en dus aan uwe eigenlijke ware bestemming. Met in den beschaafden, edelen zin dien wij beschreven, voor uzelf te leven, voedt en bevestigt gij slechts den dood, ja den dood der zonde die sedert den val in u is. »Zullen wij iets wordenquot; —- dus schrijft Th. Harms in het verhaal des levens van zijn broeder, den machtigen man Gods te Her-mannsburg i) — j zullen wij iets worden, zoo moet de Heer ons eerst geheel tot niets maken. Ik heb nooit een mensch gekend die in zijn natuurlijk wezen zóó geschikt scheen om veel uit te richten in Gods koningrijk, als mijn broeder. Met een buitengewone volheid van gaven in lichaam en ziel toegerust, kuisch en rein voor de menschen, het hart vol liefde voor al wat schoon en edel is, van ijzeren wil, wien nooit hindernis te groot zou hebben geschenen, helder en bepaald in willen en handelen, een vijand van alle zonde — zóó was hij toch voor het koningrijk Gods niet te gebruiken. De eigen kracht, de eigen verdienste moest geheel opgegeven, hij zelf te schande gemaakt worden voor Gods oogen, om iets, ja iets groots te worden in het rijk Gods. Dit ging
l) Hermannsburg, 1874, bladz. n6.
100
echter bij zulk een man niet anders dan altijd lijnrecht tegen eigen verstand en wil
in.....sOmenschgij moet wederom geboren
worden om het Koningrijk Gods te kunnen zien: gij moet uzelf verloochenen gansch en volkomen, indien gij waarlijk leven wilt. Dat is, den dood van Christus moet gij in u opnemen, met zijn dood samengroeien door voortdurende overgave, ééne plant met Hem worden door toewijding van uwen wil, gelijk gij het aanvanklijk zijt door de genade die u in het Doopverbond met Hem vereenigde en in Zijn dood ter opstanding begroef.
VIII.
STRIJD EN OVERWINNING.
Eéne plant met Christus in de gelijkmaking zijns doods! wij keeren telkens tot die hoofdgedachte terug, want steeds sluit zij ons nieuwe diepten open. Indien het tarwegraan, zoo sprak Hij van zich zeiven, in de aarde niet valt en sterft, zoo blijft het alleen. Maar indien het sterft zoo brengt het vele vruchten voort. Hij droeg onzen vloek, liet er zich van doordringen gelijk de graankorrel in de zwarte vervloekte aarde (die oorspronklijk licht was en het aan het einde weer zal zijn) zich laat oplossen in den dood! Zoo trekt de graankorrel de ontvanklijke bestanddee-len van dien bodem tot zich om ze naar het licht boven den grond in opstanding en verheerlijking omhoog te heffen. En aldus zijn ook wij ééne plant met Christus geworden
102
in de gelijkmaking zijns doods. Dit te geloo-ven, dit in het leven over te brengen is onze bekeering, ons afsterven' aan den ouden mensch, ons aandoen van den nieuwe. In ons Hoofd zijn wij boven de natuur verheven : boven de zwakke en bedelachtige eerste beginselen dezer wereld, over welke Hij in zijn opvaart triomfeerde. Met Christus te sterven dat brengt mede, ook met Hem verheerlijkt te worden.
Wanneer een mensch eens waarlijk geleerd heeft bij Christus kruis te staan en daar, door het gericht der oude wereld (in en rondom zich) heen de opstanding, de nieuwe wereld te zien aanbreken, dan treedt hij op een nieuwen bodem dien hij, nedervallende, als Columbus, eerbiedig kust, daarna een kruisvaandel plantende . voor zijn Koning in bezit neemt. Het is de bodem der heerlijkheid, des hier op aarde aanvanklijk verheerlijkten levens. Niet anders dan door het lijden brengt God ons daar. Anna Boleyn schreef den avond vóór haren doodsdag aan haren gemaal: gt;jgij hebt mij van eene eenvoudige jonkvrouw tot markgravin en van daar tot koningin verheven, en nu, daar gij mij op aarde niet verder verhoogen kunt, wilt gij mij tot den hemel bevorderen opdat ik eene heilige worde.quot; Wat zij, in den verheven humor des geloofs, aan den goddeloozen Hendrik VIII toeschreef, wordt in hooger
103
zin de dankstof des geloovigen aan zijn God en Heer. Hem mag hij er voor loven dat Hij hem door doodslijden, hier beneden reeds, in de hoogte voert. Want eene nieuwe, innerlijke wereld ontsluiert zich, waar wij in de dagen des schijngeluks, der oppervlakkigheid des ongeloofs, geen besef van hadden. Geheel nieuwe diepten des harten worden ontdekt. Gelijk toen de Kennemers rondom aan Wil-lebrord en zijne vrienden water weigerden, hij in de diepte graven liet en de put te Heilo werd gevonden, zoo werdt in ons hart een diepte van levend water, Jezus genadegift, openbaar wanneer de wereld rondom ons haren troost weigert.
Dit is het onmetelijk groot verschil tus-schen den geloovige en hem die, moede van het lijden, zich wanhopig den dood, hetzij der werkélijke scheiding van lichaam en ziel, hetzij der troostelooze onverschilligheid voor het leven in de armen werpt. De droefheid naar de wereld werkt onder alle vormen den dood: droefheid naar God een onberouwlijke bekeering, dus blijde hoop en overwinning. Hoe vele malen waren, naar de oude sage, de zeven Atheensche jongelingen en jonge dochters niet troosteloos in stomme wanhoop den Minotaurus op Creta in den muil geworpen. Maar Theseus beklimt vol moed het schip met de zwarte zeilen, en waar zij allen die blootelijk met onderwerping gekomen waren.
104
den dood hadden gevonden, daar wint hij eer en leven ten prijs zijner toewijding in den geloove.
Want in het lijden voegt geen stille berusting. Dit wordt gestadig gezegd, doch 1 het is onwaar. Althands berusting is het hoogste niet. Als het hoogste kan zij dddr alleen gelden, waar de eeuwige gerechtigheid Gods in hare eenheid met Zijn liefde nog niet aan 't licht gebracht is, in de heidensche wereld. Hoor Sokrates in de gevangenis tot zijn weenende vrienden zeggen: woudt gij dan liever dat ik schuldig leed, dan onschuldig? Voor Job daarentegen is ditzelfde, dat ook hij namelijk onschuldig lijdt, eene oorzaak van smart en verscheurenden twijfel. Sokrates verheugt zich in zijn onschuld bij het lijden, want hij kent geen hoogste gerechtigheid. En daar nu Job deze hoogste Rechtvaardigheid, dezen levenden God kent, is juist zijn lijder hem een verbijsterend raadsel, totdat God het hem nader opheldert en zijn verscheurd gemoed tot rust brengt. Dit nu is bij den Christen nog sterker. Gij weet voorzeker, mijn broeder! dat krachtens Gods volkomen gerechtigheid en liefde het lijden zijner kinderen Zijn laatste bedoeling niet kan zijn:' dat God dus ook u niet gesteld heeft tot toom, maar tot verkrijging der 1 zaligheid. Daarom berust gij in uw lijden j niet als ware het op zichzelf Gods wil. Wel
105
voor dit oogenblik moet gij dat lijden aanvaarden. Ja zelfs kunt gij uwe smart niet beter overmeesteren dan door haar éérst geheel en werkelijk in bezit te nemen. Gij moet haar zonder voorbehoud als eene voltooide zaak beschouwen, haar in al hare gevolgen aannemen en doordenken. Eerst dan zult gij haar ten eigendom hebben en beheer-schen: want onze grootste pijn komt eigenlijk niet van de smart zelve, maar van ons tegenstreven tegen haar, ons niet volledig aannemen. Op elk punt waar wij dus de verzenen tegen den prikkel slaan, vermeerderen wij onze pijn, en op elk punt waar wij haar inderdaad oprechtelijk aanvaarden en met haar medegaan, wordt die prikkel door weldadige kalmte vervangen. Maar wij moeten de smart aannemen niet om haar zeifin handen te houden; ach, dan bederft zij en keert zich wrekend tegen ons. Neen, maar om van God de hulp tegen- haar te wachten: om haar Gode in handen te kunnen geven; hetgeen wij niet kunnen doen dan wanneer wij haar zelf eerst inderdaad in handen hebben. Wat is dat, haar God in handen geven ? Dat is; erkennen dat het lijden niet rechtstreeks van God komt, maar van den Satan en de zonde. God kastijdt wel dien Hij lief heeft. Hij verdrukt wel uit getrouwheid, tot ons nut. Hij beschikt alzoo wel het lijden als middel: Hij bestuurt het wel en gebruikt het naar
106
Zijn heilig doel, en overwint het aldus op geestelijke wijze, oneindig heerlijker dan door het eenvoudig te verhinderen, wat in den grond geen overwinning wezen zou. Maar toch. God wil het niet als doel. Hij heeft geen lust in den dood des zondaars, noch in éénige voorbereiding of gevolgen van den dood, als onze smarten en ons lijden zijn. Neen, alleen in onze bekeering en ons leven, dus in de blijdschap heeft Hij lust. Daarom nog eens, geen stille berusting maar overwinning van het lijden, door het kruis in den geloove over te brengen tot de opstanding, tot de heerlijkheid.
Toch, wij weten het, b 1 ij f t er altijd lijden hier beneden. De overwinning is nooit volkomen. Wij dragen, als Koning Lodewijk IX van Frankrijk na zijn mislukten kruistocht, steeds het kruis aan ons om te toonen dat wij Jeruzalem nog niet veroverd hebben en dus van onze gelofte nog niet los zijn.. Maar in die smarten zelve is de aanvanklijke zegepraal. Ze zijn geboorteweeën tot een hooger leven. In den arbeid des barens van hem die later als Hendrik IV beroemd werd, zong de moedige Jeanne d'Albret een lofpsalm aan God. Desgelijks Gods kinderen die de bedoeling des lijdens verstaan. Wonderlijke alchemie Gods, om uit onze droefenissen, zwakheden, dwalingen, ja zonden, het goud eener hoogere levensgestalte te bereiden, j De vrede komt
107
gt;p van den oorlogquot;, riep Epaminondas zijn The-m banen toe: »indien gij rust neemt naar it Meneklides trouwloozen raad, zult gij slaven i. worden!quot; En Maxiniiliaan I hing derzelfde 1. wijsheid aan, toen hij tot ridderlijk wapen i- nam een rad met zwaarden en strijdkolven bedekt, met het opschrift: per tot dis-n criminal); en tot devies: »gaat het u meest naar wensch, zoo hebt gij meest van t het ongeluk te vreezen.quot;
e Doch het moeielijkst lijden is van wege
, de taaie levenskracht onzer zonde. En ook i in dit lijden is, door den levenden Christusdie in ons strijdt, de overwinning verzekerd, i De Heer geeft moed om het eigen Ik in zijn edeler of onedeler gestalte ten onder te ü brengen. Ja moed: want gebrek aan moed,
, vreesachtigheid is tegen den Heer. Zij is
t geen gebrek, geen onvolledigheid, maar zonde.
i In elke gestalte is zij slechts een sterke wil
des vleesches om zich te handhaven: dus is zij geen zwakheid, maar eene kracht ten kwade. Toen Keizer Ferdinand in Duitschland de ketterij vervolgde, wilde Kepler liever honger lijden en de gelegenheid tot arbeid missen, dan afvallen van zijn belijdenis, j Dat is mijn geloof', schreef hij 2 ik heb er reeds veel voor geleden, en versta niet de kunst van veinzen.quot; Deze godvruchtige
l) D. i. door zoovele gevaren (ben ik heengekomen).
108
geleerde nam dus met blijdschap het uitwendig lijden aan. Doch ook het inwen-d i g lijden der zelfoverwinning eischt gelijken moed. Zoo schrijft omtrent Faraday, den grooten natuuronderzoeker die tevens een nederig en oprecht Christen was, zijn vriend Tyndall: »Er gloeide onder dat kalm en vriendelijk uiterlijk het vuur van een vulkaan. Oorspronklijk had hij een prikkelbaar, opvliegend gestel; maar het was hem gelukt het vuur dat in hem brandde tot een cen-traalvuur te maken, waardoor zijn verhevenste krachten naar buiten gedreven werden en dus, in stede van zich zelf in nuttelooze drift te verteeren, een heilzame werking oefenden.quot; Een der heerlijkste overwinningen van Christus in ons is die over onze eerzucht en jaloersch-heid, als wij met koningin Karolina van Denemarken het gebed kunnen herhalen dat zij op het venster van hare bidkapel schreef; geef mij een rein hart, o God! maak anderen groot! of met Richard Rothe niets liever willen dan in eigen en aller oogen zóó nietig wezen als wij het in Gods oogen zijn; als wij met Vauvenarguesleeren zeggen; »die moed hebben weten te leven en te sterven zonder roemquot; — of nog schooner met Novalis;
109
Wenn ich Ihn nur habe,
Lass' ich Alles gem:
Folg' an meinem Wanderstabe
Treugesinnt nur meinem Herrn;
Lasse still die Andern
Breite, lichte, volle Strassen wandern.
Ja, zoo is het met elke bijzondere zonde, want uwe bijzondere zonde, mijn broeder, die u telkens opnieuw beschaamt en pijn doet, u vernedert en door hare hardnekkigheid tot vertwijfeling dreigt te brengen, zelfs zij kan juist de poort zijn door welke de hemelsche Koning intrekt. Juist op die wondeplek wil God u zeer tastbaar van den afgrond uwer zonde, van uwe volstrekte verdoemlijkheid voor Hem overtuigen, en u aldus in allen ernst zelfverloochening leeren. Juist door deze engte heen wil Hij u leeren een wijden blik te heffen naar zijn Koningrijk en naar de prachtvolle éénheid der nieuwe wereld, die u anders door uwe zondige bepaling bij u zelve ontgaat. Gij leert dan slechts in een bijzondere toepassing, onder een bepaald licht, de groote waarheid kennen dat het gansche leven een samenhang van zonde, een »lichaamquot; d. i. een in orde gevoegd geheel — der zonde en daardoor dan ook één geheel van lijden i is en wezen moet.
De Heer vormt in deze oefenschool andere »heldenquot; dan welke Carlyle «vereert,quot; als hij meent dat in de negentiende eeuw geen
110
helden meer mogelijk zijn, en daarom Napoleon den »armen laatsten grooten man der wereldquot; noemt. Zulke helden zijn slechts slaven van hun eigenbaat en worden rijk door armoede rondom zich te scheppen. Daarentegen de grootheid des geloovigen, die zijn eerzucht en jaloerschheid overwint, bestaat in zichzelf te verzaken en daardoor zich met het geheel, met de wereld, bovenal met de gemeente, in levenden samenhang der liefde te verbinden. Hij ziet dat geheel der natuurlijke en der geestelijke maatschappij aan met het oog van dien edelen vorst die geloofde dat door ieder man of vrouw die werkeloos was, de een. of ander in zijn rijk honger moest lijden. En in den strijd des levens wederstaat hij den duivel, ook daardoor bemoedigd, door dat hij weet hoe hetzelfde lijden aan de broederschap die in de wereld is, volbracht wordt; maar ook hoe de Heer zijn volk krachten geeft. Zijn volk, de als één lichaam geordende gemeente, die door dit gemeenschaplijk leven sterk is; gelijk de handvol Grieken bij Marathon en Salamis de honderdduizenden vijanden overmochten -—■ niet omdat er bij die vijanden niet overvloed van talent en dapperheid was, maar omdat zij slechts een saamgebrachte hoop, en de Grieken een volk waren. Immers het kruis, het middelpunt van alle waarheid, is niet anders dan de volkomen liefde. En het wordt
ook alleen verstaan door de liefde die anderer leed zelve draagt gelijk Christus onze smarten gedragen heeft. Wie dat doet, en dus aan de gemeenschap zijn leven geeft, die alleen begrijpt de leer der verzoening, en vervult de wet van Christus. Gelijk de Heer »geleden heeftquot; en daardoor »te hulp komen kanquot;, door zijn lijden niet verloren maar een mededeelbare kracht gewonnen heeft, zoo is Gods doel als Hij ons smarten toevoegt, ongetwijfeld dikwerf dit, ons te leeren voor anderen ten zegen te zijn. In de onge-heiligde wereld isoleert het lijden de menschen van elkander: komt iemand in lijden, terstond trekt de menigte zich schuw terug, om den storenden aanblik te ontgaan of om niet ter hulp aangesproken te worden. Maar in het geheiligd verband is het lijden juist een kracht tot samenknooping. Ook is het gedwongen isolement dat het lijden ons in de wereld doet ondergaan, eene bron van lateren zegen, gelijk een edele oranjeboom, wanneer hij een tijd lang afgezonderd in den somberen kelder stond, daarna in malschen regen en zonneschijn des te heerlijker bloeit en vruchten draagt. Ja reeds dadelijk zien wij ons, zoo wij die smart waarlijk gebruiken naar Gods wil, tot den adel der hoogere wereld opgeheven. Immers dit lijden in de gemeenschap met Christus en zijn volk stelt ons niet alleen met de aardsche, maar
112
evenzeer, en vooral, met de h e m e 1 s c h e wereld in betrekking. Gij derft wellicht aardsch genot, gezelligheid, geestverwante vereeniging: maar gij zijt gekomen tot den berg Sion en de stad des levenden Gods, tot het hemelsch Jeruzalem en de vele duizenden der engelen; tot de algemeene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen die in de hemelen zijn opgeschreven; en tot den Rechter, aller God, en de geesten der-* volmaakt rechtvaardigen. Zalige gemeenschap ! door Christus' dood sterven u alle dingen, door Christus' opstanding worden u alle dingen nieuw voor het oog des geloofs. De hoogere wereld, de volmaakte wereld is u de eigenlijkste werkelijkheid geworden. Gods onveranderlijkheid, daarin gegrond dat Hij alle dingen te zamen ziet, als éénheid en dus niet door den te sterken indruk van het tegenwoordige beneveld, die onveranderlijkheid Gods wordt de grond uwer vastheid van karakter. De Schepping, bij welk punt ook aangevat, leidt u tot haar verheerlijking, enkel omdat zij j Scheppingquot; is en dus het doel Gods, de eindelijke verheerlijking, in zich draagt.
Zoo is voor u aanvanklijk de toekomstige en de tegenwoordige wereld één geworden. De scheidsmuur tusschen die beide is verbroken. Lijden en heerlijkheid, dood en opstanding waren in Jezus' leven en zijn
113
in ons ook, wel is waar, historisch op elkaar volgende toestanden. Op Gethsemané volgde Golgotha, daarop de verrijzenis. Zoo ook bij ons na het lijden de blijdschap, na den, dood de opstanding. Maar toch ook zijn ze in elkander. Elke levensstrijd van Jezus was Hem een nederdalen tot den dood. gelijk Hij het in klaar besef bij de tempelreiniging uitsprak: en tevens een opstijgen tot de op- 1 standing, zooals Hij, te dier z elfder ure, van den wederopbouw diens tempel gewaagde. Totdat voor Hem het volle lijden, de diepste diepte, en daarbij dan ook de hoogste hoogte, die der opstanding, gekomen was. Lees de Afscheidsgesprekken des Heeren, Joh. 14—16, en hec daaraangesloten hooge-priesterlijk gebed. Jezus heeft zijn vleesch en bloed in het avondmaal gegeven, dus getoond dat hij werkelijk over al het aardsche heerscht, dat hij al het uitwendige aan zijn heiligen wil dienstbaar maakt, zoodat hij aan het eind in heiligmachtige beteekenis kan bidden; »Vader, Ik wil.quot; Nu aan Judas zijn lichaam ten verraad is aangeboden, kan hij zijn vleesch en bloed den discipelen geven. Zoo ook aan ons. Dus worden ook wij door Hem bekwaam gemaakt, ons over te geven. Juist daarin bestaat Jezus' macht over alle vleesch, dat Hij ons langs dezen weg »het eeuwige leven kan geven.quot; In die kracht» sterven ook wij alle dagenquot; en staan alle dagen op.
8
114
Deze ervaring is een wonderbaar heerlijke f sterking des geloofs. Zich zelf over te geven is toch schijnbaar een gewaagde sprong in eene onbekende toekomst in. Maar het blijkt ; elk oogenblik te zijn een vallen in de armen 1 van Jezus. Onze overwinning, onze heiligmaking, is toch Zijn werk. En dat is zeker, zoo waarlijk Hij getrouw is. In 's Heeren almacht is de voltooiing onzer heiligmaking gewaarborgd. Indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, hoeveel te meer zullen wij, nu verzoend zijnde, behouden worden door zijn hemelsch leven. In dit vertrouwen leeren wij Vinet naspreken:
Oh, pour me rendre Fidéle et tendre,
Mon Père, ne m'épargne pas;
Que sous ta flamme Un or sans blame Se dégage d'un vil amas.
Sous ton ciseau, divin Sculpteur de l'ame Que mon bonheur vole en éclats! \ Want dit weten wij nu, ons lijden is een 1 lijden ter heiligmaking. En de Geest der heiligmaking was in Christus, en zal in ons zijn, de Geest der opstanding, in welke het eigenlijk doel dezes levens bereikt is. Hij toch, de Trooster, leidt ons door de gerichten over de oude wereld in ons heen, tot die »waarheidquot;, die het hoogere leven is. Door
115
het negatieve, altijd nog min of meer wettelijk, tot het positieve: door den haat tegen ons zelve heen tot die hoogere liefde voor ons zelf »met innerlijke bewegingenquot; d. i. met de teederheid, van Jezus Christus (Phil, i, 8) waarin de toorn tegen onze zonde altijd toch door de macht der genade verzwolgen wordt. Hij verleent ons die onbeschrijfbare hoogere wijding wier geheim eigenlijk in niets anders bestaat dan in het losgeworden zijn van zichzelf, in die scheiding tusschen het lagere en hoogere leven, door welke in ons het eigenlijk doel des levens, de opstanding, wordt toebereid.
8*
IX.
HOOPVOLLE MOED.
Ja opstanding, opstanding is het doel des levens! Eerst dan zijn wij ten volle kinderen Gods, als wij skinderen der opstanding'' zijn, naar het de Heer den Sadduceën te gemoet voert. Voor Hem, den Heiland zeiven, was eerst zijn opstanding de volle geboorte tot den stand waarin God den mensch zien wil. In dit vleesch toch zijn wij nog altijd onrein voor Zijn oog. Eerst het verheerlijkt leven is de toestand waarin Gods wet de regel van ons geheel, ook lichamelijk, leven geworden is. Daarom heeft Jezus geduldig geleden, niet als een roof haastig gegrepen Gode even gelijk te zijn, maar den langen weg der vernedering betreden. Geduld is een der noodzakelijkste kenmerken van hem die niet zich zeiven, maar een edel en hoog doel beoogt.
117
De zelfzuchtige, die eigen eer of voordeel zoekt, wil spoedig bevredigd worden. Want op den aard der zaak, op Gods wil die zich in den gang der dingen van zelf openbaart, kan hij niet rekenen. Daarom, als hij tegenspoed ervaart, laat hij zich ook licht neder-slaan. Maar wie volhardend en geduldig lijden kan, bewijst daarmede dat hij iets hoogers zoekt dan zich zeiven, dan dit leven; ja dat hij in zijne mate de opstanding verstaat.
Haar toch verwachten wij, en niet voor ons zelve alleen, ook voor de geheele natuur, het zuchtend schepsel dat niet gewillig der ijdelheid onderworpen werd. Ook voor de natuur verwachten wij verlossing en verheerlijking. Gelijk toch de zinnelijke natuur i n den mensch, door de zonde verstompt, hem de dienstbaarheid weigert tot welke zij bestemd was, zoo wil evenmin de natuur rondom hem gehoorzaam werktuig des geestes zijn. Zij vertoont nog wel sporen van die onderwerping welke hare en 's menschen oorspronkelijke bestemming was. Nog is de mensch duidelijk de geboren koning der natuur. Maar overal zijn toch de sporen van den opstand. Niet alleen in de zengende zandwoestijn of aan de barre poolstreken heeft de natuur den mensch in hare macht. Ook waar zij voor zijn levensontwikkeling het gunstigst aangelegd schijnt, en hij het heerlijkst
118
door hare krachten gedragen wordt, b.v. in het oude Griekenland en wat er ook thans mede te vergelijken is, ook daar heerscht de wet der verganklijkheid en des doods. Ja niet alleen in hare verhouding tegenover den mensch, maar ook tegenover zich zelve, is de natuur verstoord. Nevens de heerlijke regelmaat die den natuuronderzoeker verrukt en die hij menigmaal alléén zien wil, zijn overal teekenen van disharmonie, een donkere, verraderlijke achtergrond, een werking van daemonische krachten. Onwillekeurig grijpt het gevoel dezer verwildering ons aan als wij de huiveringwekkende physionomiën van sommige dieren aanzien; daar toch het dier als het hoogste natuurwezen het naast tot den mensch opklimt. Zoo spreekt in de gansche natuur ons als het ware een gebonden macht toe, die zich zelf niet begrijpende noch beheerschende, den mensch om verlossing schijnt te vragen; gelijk in het schoone verhaal van Homerus' Odyssea, waar de lot-genooten van den held, op een eiland door een listige godin in dieren veranderd, zich rondom hem dringen en, zonder te kunnen spreken, als door eene smeekende houding hem bidden; verlos ons van den schrikkelijken ban die ons gevangen houdt. De mensch, de ware Mensch, Jezus de Koning, zal het doen in zijn toekomst, al gelooft de wereld er niet aan. Aldus verkondigt het Gods
119
Woord, de profetische ervaring der gemeente, en ook de droomende sage der volken. Te Uitgeest, zoo verhaalt Hofdijk in zijn sohoone Kennemer ballade, zat de oude Nekker, de stroomgeest van den vliet die daar langs vloeit, en zong aan den oever zijn weemoedig lied. De dartele lijfknaap ging uit de burcht naar beneden en zeide hem; gij kunt toch nooit zalig worden. Op dit verwijtend woord zweeg hij treurig, gelijk zulke geesten dan plegen te doen. Maar de vrome edelvrouw trad daarop naar beneden, en sprak liefdevol tot hem:
Heur stem klonk zoet, als 't koeltje
Dat door de popels beeft:
Gij grijze geest der wat'ren.
Ook uw Verlosser leeft!
En dankbaar glimlachend met een glans op het gelaat, greep hij weer naar de harp en hervatte zijn zang.
De verganklijkheid der dingen dezer natuur rondom ons is als het ware een onbewust, een droomend egoisme, daar zij het middelpunt van hun bestaan niet in God maar in zichzelve hebben. Daarom kunnen zij ook niet eeuwig blijven bestaan. Het goed en kwaad dat in de dingen, als dooreengeschudde olie en water, vermengd is, moet van elkaar gescheiden worden. Het bezinksel moet verwijderd, opdat de verheerlijkte, reine wereld te voorschijn* kunne treden. Soort komt bij
120
soort, het heilige bij het heilige, het onheilige bij het onheilige. En dit werk geschiedt door den j\[ensch die zichzelf opoffert om dan, •daardoor, ook de natuur te kunnen verlossen. Aan Jezus is macht gegeven om gericht te houden, omdat hij in den vollen nadruk dien het 1 ij d e n eerst daaraan gaf, des menschen Zoon is. Door Hem staan ook wij zóó tegenover de Natuur. Slechts de mensch die niet voor zich zelf leven en bestaan wil, kan haar verlossen en zelf dan ook aan hare \\;et der verganklijkheid ontkomende, eeuwig blijven. Dat heeft de Zoon des Menschen aanvanklijk gedaan, en om zijn werk vorrt te zetten moeten wij ook alles ten offer geven wat ons van God scheidt. Dit geldt voor elk gebied. Niet slechts voor dat van liet praktisch handelen, maar ook voor ons denken. Ook op dit gebied moeten wij afstand doen van het koningrijk der leven-looze .afgetrokkenheden waarin de mensch ■de waarheid meent te bezitten door eenzijdig ten troon heften van het ongeheiligd verstand; en vGods werkelijkheid, het door Hem ge-qpenbaarde, eenvoudig en ootmoedig aannemen. .Zoo komt de mensch, hier beneden aanvanklijk en eens volkomen, van de heerschappij der v e r s c h ij n s e 1 e n los en dringt door rtot het ware wezen der dingen in de aanschouwing van God die hun grond is.
Jn ide Toekomst van Christus is deze
121
overwinning verzekerd. En van het licht dier toekomst uit hebben wij dus alle dingen te zien. Hierin ligt de blijdschap en kracht des waren levens. Wat Johnson op wereld-.sche wijze zegt; de gewoonte om de zaken van den heldersten kant te bezien, is veel meer waard dan een inkomen van tienduizend guldenwat Spinoza schoon en verheven in pantheistischen samenhang van gedachten leert, dat »het is volgens de natuur der rede, alle ■dingen onder een zekeren glans der eeuwigheid te beschouwenquot; — dit wordt door het geloof in Christus vervuld. De helderste zijde der dingen is de zijde der toekomst die des Heeren is: en ook de glans der eeuwigheid as in Hem alleen gewaarborgd.
Door dat geloof zijn wij gerechtvaardigd, •d. i. vrijgesproken van den ban der schuld en van de vreeze des doods. Nu valt een feestelijk licht op alles. Rechtvaardiging door \ het geloof is eigenlijk niets anders dan de i macht om zich te plaatsen op Gods stand- 1 punt. En van dit standpunt af gezien blijkt goed wat van beneden gezien, dus half ; gezien, kwaad schijnt. In dat geloof dus vermogen wij te midden der smart gelukkig 1 te zijn.
Wij spraken bladz. 22 van de eentoonig-heid der ellende van het schijnbaar zoo vrolijk bontgekleurde leven buiten God. Hoe heerlijk is het tegenbeeld daarvan in het leven
122
des geloofs! Gods wil is de spijze van Gods kinderen. En die wil leeft in alle dingen, daar Hij de Schepper en Heer is. Dien wil dus op te sporen is indringen in het wezen van het bestaande, dien wil tot gelding te brengen wordt de majestueuze, oneindig afgewisselde, taak des levens. Daar is dan éénheid, geen eentoonigheid. God sprak tot zijn volk: hoor Israël, de Heer uw God is een éénig Heer, daarom zult gij Hem liefhebben met uw gansche hart en met al uwe kracht. Dat is: God is een éénheid, uw leven zij óók een eenheid. Gods eenheid is de drieéenige, ver boven de bloote getalseenheid verheven, in welke de Mohammedaan de eenheid van zijn Allah opvat. Daarom is ook het leven van den christen boven de leven-looze eentoonigheid van het mohammedaan-sche verheven. Eén doel heeft uw leven: en alle bijzondere werkzaamheden en stemmingen van uw dagelijksch zijn, van uw huiselijk, persoonlijk, ambtelijk leven zijn daarmede in harmonie. En dit uw persoonlijk levensdoel is voor u in harmonie met het doel der geheele maatschappij; en dat der maatschappij met het koningrijk Gods. Zoo hangt alles heerlijk samen, en uw leven toont die éénheid in verscheidenheid, welke een kenmerk van het schoone is. Een gelukkiger, rijker leven is niet denkbaar. Voorzeker is het een leven van strijd. Maar ook in ons
123
gebrek aan moed daartoe voorziet de genade onzes Gods. Komt de tijd van bijzonder moeielijke worsteling, dan, niet éérder maar dan ook gewis, schenkt de Heer wat noodig is om niet in de verzoeking te bezwijken. Zooals Barton, onder Karei I om vrijmoedige getuigenis tot den schandpaal, het verlies zijner ooren en altoosdurende gevangenschap veroordeeld, op het schavot sprak: »mijn hart is niet zwak, en zoo ik meer kracht noodig had, zou God mij dien geven.quot;
Moed is niets anders dan het geloof aan Gods almacht. »Zoo God vóór ons is, wie of wat zal tegen ons zijn?quot; De gemeenschap met God geneest van die aanhanklijkheid aan de aardsche goederen welke, daar hun eb en vloed ons gestadig omlaag of omhoog medevoert, de eigenlijke bron van vreesachtigheid is. In de wereld zegt men dat de stoutmoedigen de wereld hebben, en dat het lot hem dienstbaar wordt die het in krachtig handelen al dadelijk van te voren als zijn bondgenoot rekent. Ontdoe deze kloekheid van het vermetel vertrouwen op s het gelukquot;, stel er het steunen op Gods trouw voor in de plaats, en gij hebt wat wij bedoelen. In angst der ziele over zijn vijand Maxi mus,, die zijn bisschoppelijken zetel bedreigde, wandelde Gregorius, bisschop van Nazianze, aan het strand der zee, en fluisterde het psalmwoord: «verlos mij o Heer, want de
124
wateren zijn gekomen tot aan de ziele. Ik ben gezonken in grondeloozen modder waar men niet kan staan: ik ben gekomen aan de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.quot; Daar merkte hij al wandelende op hoe de voortrollende golven allerlei schelpen, hoorntjes, zeegewas en dergelijke dingen op het strand wierpen om ze na korten tijd weêr in de zee terug te rollen: terwijl de rotsen rondom hem onbeweeglijk stonden hoe sterk ook de golven er tegen aan klotsten. Op dit gezicht greep hij moed, gedenkende aan de rotsvastheid van Gods trouw. Laat ook ons gedurig daaraan gedachtig zijn. De gevaarlijkste vijand aller geestelijke werkzaamheid is dat slappe neder-\gt; hangen van de vleugelen, waardoor wij onbekwaam worden om de edele smarten op ons te nemen die met den strijd voor de waarheid, met de zelfopoffering voor een groot en heilig doel, gelijk het leven in God is, gepaard gaan. Dwaling en zedelijke verkeerdheid zijn gevaarlijke vijanden, maar men kan ze treffen; niet de karakterlooze slapheid die, als de ijle lucht, zich laat slaan en toch dezelfde blijft. Van waar de moed, de kracht hiertoe ? »Bied den God die in u is een manlijk wezen aan, een burger, een krijgsman op zijn post, gereed om van het leven te scheiden zoodra de trompet klinkt.quot; Uw woord is schoon, edele Markus
125
Aurelius! Maar de •gt; God die in u woontquot; is een hoog gevoel van eigen kracht, dat u verlaten moet als het meest noodig zal zijn. Een beteren grondslag legt de Heer als hij met de schoone (vaak misverstane) gelijkenis van den onrechtvaardigen rentmeester ons vermaant: s zoo gij in den Mammon der ongerechtigheid niet getrouw zijt geweest, wie zal u het ware vertrouwen ? en zoo gij in eens anders goed niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe geven rquot; Namelijk deze aardsche dingen, goederen, vermogens, kortom alles wat aan u is en niet gij zelf, alles wat gij slechts hebt en niet z ij t, al deze tijdelijke en geestelijke dingen baten u niet: gij zijt er slechts rentmeester over en moet ze eerlang afstaan. Maak dan uw inwendigenquot; mensch los van het schijneigendom dat u inderdaad tot slaaf maakt, dat het uwe niet kan zijn omdat uwe voor God geschapen natuur het zich niet waarlijk kan eigen maken, er niet onverganklijk één mede kan worden. Dat kan alleen met het ware geschieden. Wie van alle aardsch bezit, van goederen, gemak, eere, van alle bevrediging der begeerten vrij geworden, dat alles koninklijk verloochenen kan om des eeuwigen schats wille dien hij in zich draagt, alleen hij kan zoon, erfgenaam, bezitter zijn in de ware, eeuwige wereld. Want hem is zijn geestelijk bezit in waarheid eigen, zoodat het hem niet kan
126
ontvallen; even als men den waren kunstenaar wel uitwendige vormen van gedachten, die algemeen eigendom zijn, ontrooven kan, maar ■niet wat hem meest eigenlijk kenmerkt, en wat niemand hem ontnemen, hem nadoen kan al zou hij het ook zelf willen vergunnen. Hem vervult dan ook in heiligen zin een krachtig zelfgevoel dat naar de erkenning der wereld niet vraagt. Ik ga het onmogelijke mogelijk maken, sprak Frederik de Groote vóór den zevenjarigen oorlog, toen alle kansen tegen hem stonden. Hetzelfde zegt de geloo-vige, doch hij bouwt niet op zijn natuurlijke kracht, enkel op Christus in hem. Staat dan alles tegen ons, bezielt ons een drukkend gevoel van dorheid, levenloosheid, terugwijking der geloofswarmte, dan openbaart zich juist hier de geheel zedelijke aard des geloofs. Want niet door voelbare ervaring van Gods zalige nabijheid alleen wordt het hart vast en sterk, maar door dat gij met volhardenden, ootmoedig op God steunenden wil het ongeloof dat uwe zinnen en uw gevoel u prediken, voor niet ontvanklijk in zijn eischen verklaart. Zoo is het geloof eene zaak van den wil: ik vermag alle dingen in Christus die mij kracht geeft. Ja Hij maakt sterk om, vertrouwende op Zijn inwoning, er niet naar te vragen of de wereld rondom of in ons het bestaan erkent van 't geen voor ons zelf de hoogste werklijkheid is geworden. Bij de
127
onderhandeling over het vredesverdrag van Leoben schrapte Bonaparte in de voorwaarden die de Oostenrijksche keizer hem bood, het artikel van de erkenning der Fran-sche republiek uit, zeggende; »de republiek behoeft geen erkenning, ze is zoo zichtbaar als de zon aan den hemel, slechts blinden kan het in den zin komen haar bestaan te betuigen: en ook is het Fransche volk vrij zich in zijn eigen huis een regeeringsvorm te geven naar welken geen andere staat recht heeft te vragen.quot; Dit was ijdele hoogmoed al werd het door geluk bekroond. Maar voor Gods kinderen is inderdaad, door de genade huns Heilands, het onmogelijke mogelijk gemaakt, en hun eeuwig huis, hun heilstaat is zoo zichtbaar voor het oog des geloofs als de zon aan den hemel. In deze verheven zekerheid vragen ook zij dan naar de erkenning der wereld niet. De moed der wereld is de hoogste spanning van 's menschen zelfgevoel. De moed des geloofs, de ware moed, rust op de verbrijzeling des harten, op het sterven aan zichzelve bij het kruis. Want daardoor is de geheele wereld voor mij gestorven en vrees ik niets meer omdat ik op niets meer hoop dan op de eeuwige, ware wereld. Als ik op haar hoop en vertrouw, wordt de overwinning juist de vrucht van het geloof aan de onfeilbare zekerheid der overwinning ; want »dit is de overwinning die de
126
ontvallen : even als men den waren kunstenaar wel uitwendige vormen van gedachten, die algemeen eigendom zijn, ontrooven kan, maar niet wat hem meest eigenlijk kenmerkt, en wat niemand hem ontnemen, hem nadoen kan al zou hij het ook zelf willen vergunnen. Hem vervult dan ook in heiligen zin een krachtig zelfgevoel dat naar de erkenning der wereld niet vraagt. Ik ga het onmogelijke mogelijk maken, sprak Frederik de Groote vóór den zevenjarigen oorlog, toen alle kansen tegen hem stonden. Hetzelfde zegt de geloo-vige, doch hij bouwt niet op zijn natuurlijke kracht, enkel op Christus in hem. Staat dan alles tegen ons, bezielt ons een drukkend gevoel van dorheid, levenloosheid, terugvvijking der geloofswarmte, dan openbaart zich juist hier de geheel zedelijke aard des geloofs. Want niet door voelbare ervaring van Gods zalige nabijheid alleen wordt het hart vast en sterk, maar door dat gij met volhardenden, ootmoedig op God steunenden wil het ongeloof dat uwe zinnen en uw gevoel u prediken, voor niet ontvanklijk in zijn eischen verklaart. Zoo is het geloof eene zaak van den wil; ik vermag alle dingen in Christus die mij kracht geeft. Ja Hij maakt sterk om, vertrouwende op Zijn inwoning, er niet naar te vragen of de wereld rondom of in ons het bestaan erkent van 't geen voor ons zelf de hoogste werklijkheid is geworden. Bij de
127
onderhandeling over het vredesverdrag van Leoben schrapte Bonaparte in de voorwaarden die de Oostenrijksche keizer hem bood, het artikel van de erkenning der Fran-sche republiek uit, zeggende: »de republiek behoeft geen erkenning, ze is zoo zichtbaar als de zon aan den hemel, slechts blinden kan het in den zin komen haar bestaan te betuigen: en ook is het Fransche volk vrij zich in zijn eigen huis een regeeringsvorm te geven naar welken geen andere staat recht heeft te vragen.quot; Dit was ijdele hoogmoed al werd het door geluk bekroond. Maar voor Gods kinderen is inderdaad, door de genade huns Heilands, het onmogelijke mogelijk gemaakt, en hun eeuwig huis, hun heilstaat is zoo zichtbaar voor het oog des geloofs als de zon aan den hemel. In deze verheven zekerheid vragen ook zij dan naar de erkenning der wereld niet. De moed der wereld is de hoogste spanning van 's menschen zelfgevoel. De moed des geloofs, de ware moed, rust op de verbrijzeling des harten, op het sterven aan zichzelve bij het kruis. Want daardoor is de geheele wereld voor mij gestorven en vrees ik niets meer omdat ik op niets meer hoop dan op de eeuwige, ware wereld. Als ik op haar hoop en vertrouw, wordt de overwinning juist de vrucht van het geloof aan de onfeilbare zekerheid der overwinning : want »dit is de overwinning die de
128
wereld overwint, ons geloof.quot; En komt er dan toch nog wankelmoedigheid in mijn zwak vleesch te voorschijn, zie zelfs deze struikelingen doet de Heer ten goede dienen hun die Hem liefhebben. De Noord-Afrikaansche martelaars Castus en Aemilius verloren op den brandstapel, onder de wreede martelingen, door de beulen aan de vlammen toegevoegd, een oogenblik den moed, dien zij weldra herkregen en tot het einde behielden. En nu zegt Augustinus in zijn herinneringsrede aan hen terecht, dat de Heer als een wijze arts eerst met de pijnlijke snede dezer verootmoediging alle zelfvertrouwen uit hen wegnemen moest, opdat zij daarna in Zij n kracht volstandig zouden blijven.
Dit is de hoopvolle moed van Gods kinderen. Jeugdige kracht hoopt dikwerf groote dingen, en wereldsche bezadigdheid schudt dan het hoofd en raadt haar, den toon wat lager te stemmen. Maar God zegt: uw hoop, o bruisende jongeling! is veel te laag: stel haar op het hoogste, op het oneindig hooge alléén.
DE STRIJD OM HET GELOOF.
Het geloof aan het kruis, zooals het zich in deelgenootschap aan Christus lijden en heerlijkheid uitspreekt, is levensvoorwaarde voor al wat door zedelijken en geestelijken grond gedragen wordt. In het huisgezin ontbreekt de edelste band, zoo plaatsbekleedende liefde niet wordt verstaan. In de school is zonder het kruis de opvoeding krachteloos, het historisch onderricht ontzield. De staat gaat te gronde wanneer de maatschappij overgeleverd wordt aan hen die het kruis versmaden, d. i. zonder plichtsbetrachting genieten willen. En evenzoo wordt door de zelfverloochening, die uit aanvaarden van het kruis volgt, alle waarheid van Gods Woord in beteekenis, diepte, kracht voor ons verhoogd. Het Pniél des lijdens, de worsteling met
9
God is voor ons als voor Jakob de rechte plaats waar wij zelve, en ook onze God, voor ons een nieuwen Naam ontvangen, ons eigen wezen en de heerlijkheid Gods ons dieper ontdekt wordt. In dezen strijd wordt de ziel gered, want wie zonder strijd op leven en dood, enkel uit weetgierigheid, verstandelijk afgetrokken God zien wil, die zal niet leven voor Zijn aangezicht.
Hoe onbeteekenend en oppervlakkig zijn de beschouwingen die van j verschillende richtingquot; van rechtzinnige of moderne of andere » denkwijzequot; onder de menschen spreken ! Alsof hier het denken den doorslag gaf in plaats van gelijk overal en altijd, slechts de beschrijving van het leven te zijn, dat daaronder op den bodem der ziel ligt! Er is geen »richtingquot; of »kleur'' of wat dies meer zij. Er is slechts verschil van levenservaring. Nergens komt dit duidelijker uit dan waar wij de vuurproef des lijdens, der zelfverloochening hebben te ondergaan. Wat ontbreekt toch hun die in een flets deïsme wel van »liefde tot God en den naaste,quot; maar niet van Christus middelaarschap en verzoeningswerk willen weten? Hun ontbreekt de volle tegenwoordigheid Gods, de gemeenschap met God door den Heiligen Geest. Want zoo God de zonde vergaf zonder Middelaar, gelijk deze leefwijze (richting genoemd) leert, dan bleef de mensch buiten God, gelijk
131
ook wij menschen, onzen kinderen de zonde vergevende, hun die zonde daarmede niet uit het hart wegnemen kunnen. Evenzoo ware er dan een vergeving zonder wegneming der zonde, en de gemeenschap met den Heilige bleef onmogelijk. En is er geen volstrekte rechtvaardiging in Christus, moet dus de mensch zalig worden door goed te doen »zooveel in zijn vermogen isquot;, dan wordt de zaligheid gemeten aan hetgeen de mensch doet, niet aan hetgeen hij is: dat is, aan een doen zonder een gereinigd en vernieuwd z ij n waaruit het kan voortvlpeien. Met andere woorden er is geen ware zaligheid bereikbaar. Maar in den waarachtigen Christus, den Christus der Heilige Schrift te gelooven, dat en dat alléén is een opgeven van zich zelf, een sterven aan zich zelve. Geen zelfverloochening derhalve dan door het geloof in den Christus der Heilige Schriften.
Maar ook omgekeerd, geen Christus der heilige Schrift is anders te bereiken, dan door zelfverloochening en lijden. Door studie en onderzoek kan men zijn gedachtenbeeld vinden, maar Hemzelven alleen langs den weg dezer ervaring.
Gij spreekt van den i strijd des geloofs.quot; Gij zegt, en naar waarheid, dat alleen de Heilige Geest, die in de waarheid, dat is in de werkelijke ervaring leidt, ons Gods Woord en wil kan doen verstaan. Maar nu, welk
9*
132
is in dien strijd des geloofs uw wapen r Bij al de andere deelen der rusting, waarmee de gëloovige zich, naar het zesde hoofdstuk aan de Efeziêrs, te wapenen heeft, noemt de Apostel »het zwaard des Geestes, Gods Woord.quot; Gods Woord is een kracht tot zaligheid, tot behoudenis van den geheelen mensch, omdat het ons niet afzonderlijk een godsdienstleer, een zedeleer of iets dergelijks, maar een geheel nieuw waarachtig leven voorstelt waarin het religieuze, het zedelijke, het aesthetische, het wetenschaplijke, kortom alles wat tot het volle leven behoort, in nog ongescheiden eenheid verbonden liggen, zoodat eerst het aftrekkende nadenken dit alles van elkaar scheiden en dan afzonderlijk beschouwen kan.. Daarom kan het ons niet waarlijk een persoonlijk eigendom, een levenskracht zijn, vóór wij het door arbeid der ziele, door vereeniging onzes levens met het leven dat daar ademt, ons zijn heilgeheim hebben zien opensluiten. Welnu mijn broeder, Gods Woord zooals de Heilige Schrift het ons overlevert, zooals de levende gemeente van alle eeuwen het geloofd heeft ■— is het u een levend wapen, een zwaard des Geestes, een waarachtig bezit r
Mijn broeder, gelooft gij dat Woord Gods ? Ach, de «geestelijke boosheden in de atmosfeer'' van welke diezelfde brief getuigt, de, phrasen en leugenleuzen die onzen
133
geestelijken dampkring verpesten, hebben in onze dagen zoo velen de vrijmoedigheid des geloofs benomen.. Hoe zult gij u de heilige vastheid, de vreugde en kracht bewaren, die van dit geloof het noodzakelijk kenmerk zijn ? Wederom niet anders clan langs den weg der zelfverloochening. Laat mij het u trachten uit te leggen. Het is een groote, ontzachlijke taak, de christelijke waarheid voor onzen tijd, in overeenstemming met zijn wettige eischen, zich juist voor te stel-, len. Wat men de moderne beschouwing noemt, heeft veel recht in de behoefte die aan haar ten grondslag ligt. Zij is een kreet, een beroep op de natuur tegenover den veelzins willekeurigen God, gelijk de gevestigde orthodoxie Hem aan ons geslacht predikt. Gelijk Prometheus, die der menschheid het vuur des vooruitgangs had willen verzekeren, in den sterkeren Zeus het tot God verklaarde vooroordeel, een God die hem slechts met zijn overmacht be-heerschte, tegenover zich zag.' Er zijn in die moderne beschouwing, die ons geloof verwerpt, wettige behoeften der menschelijke natuur die nog haar juiste uitdrukking niet gevonden hebben. Eene ware moderne theologie wordt nog gezocht; en is het dat velen die zeggen haar gevonden te hebben, in haar naam een kaal en flets pantheisme prediken, zoo is daarom toch de behoefte zelve
134
even wettig al wordt ze door dezulken niet vervuld. Het baat niet, hier slechts met »getuigenisquot; der waarheid tegenover te staan, eerbiedwaardig vast, onbeweeglijk als een rots te midden der schuimende baren die komen aanklotsen, gelijk een Cato als verdediger der oude overleveringen tegenover Cassar, het kind der eeuw. De rots staat wel stevig, maar de golven krullen rondom, en vloeien achter haar voort. Neen, iets anders is noodig. Ook hier moeten wij in de branding ingaan. Door de pijn der ontkenningen van ai wat ons heilig is moeten wij ons laten kruisigen, deze dingen tot op den bodem zien waar de dood der leugen ligt nevens de geboeide waarheid. Die waarheid moeten wij ontboeien, uit haar verkeerd verband verlossen, er de juiste uitdrukking voor trachten te vinden: om alzoo den weg der zelfverloochening 'te maken, en uit de smarten en gevaren dezer kruisiging in Gods kracht op te staan tot het nieuwe leven des bevestigden geloofs. Dat geloof bestaat in een meer en meer afzien van eiken steun, van eiken bodem, die niet is de goddelijke Genade. Van dit hangen aan de genade alléén zegt het ongeloof, dat het een traagheid des geestes is. Maar wie hierin ervaring heeft, weet dat voortdurend de hoogste spanning der zedelijke kracht er toe noodig is, omdat het is een voldoen aan
135
zedelijke eischen die onophoudelijk het vleesch verscheuren. Dat geloof is dus een lijden, maar het brengt tot heerlijkheid. Want het doet in Gods Woord de éénige ware poezy kennen. Het proza behoort tot de wereld der dagelijksche verschijnselen, d. i. tot de wereld des schijns. De poëzy beschrijft de dingen in hun hoogere waarheid, in hun wezenlijke noodzaaklijke gestalte. Dit nu blijkt de aard van Gods Woord te zijn zoo wij zelfverloochenend, de hoogere wereld der waarheid zoekende, daar in gaan.
O heerlijke zalige zekerheid die langs dezen weg ons deel wordt! Hoe blijkt Gods Woord dan te zijn het kostelijk goud dat uit zevenvoudige loutering slechts des te reiner te voorschijn treedt! En gelijk wij tot dit bevestigd geloof aan de heilige Schritt in den strijd onzer dagen slechts door zelfverloochening kunnen komen, zoo eveneens leert ons wederom niets de ware zelfverloochening, dan de heilige Schrift alleen. Hier is een cirkel des levens. Elke voortgang in zelfverloochening leert ons de Schrift beter kennen en gelooven, elke bevestiging in het geloof aan Gods Woord stelt ons te beter tot zelfverloochening in staat. Het geloof in Jezus als den Christus naar de Schriften, waarom is het de waarheid r Omdat dit geloof alleen werkelijk in staat stelt tot zelfverloochening, d. i. tot het ware leven.
136
Is dit onbillijk gezegd? Verongelijken wij de velen die buiten dezen Christus zijn, maar toch in reine zedelijkheid leven en ook den weg der zelfverloochening niet schuwen willen? Heeft niet, om van Zeno van Elea, die alleen het lage vreesde, van Socrates' schoonen dood, van zoo menigen anderen held uit de heidenen te zwijgen, de fiere .geest van den wijsgeer Campanella (uit velen grijpen wij slechts enkelen) zeven en twintigjarige gevangenschap en allerlei lijden, gelijk Vanini om zijn pantheïsme den brandstapel, Spinoza uitsluiting en ontbeering getrotseerd? Vindt men in de laatste tijden der oude wereld zelfs bij de zoo ontaarde Romeinen niet voorbeelden van onversaagde •doodsverachting, ja wegwerping van het leven ? Is er zoo ook in onze dagen niet •overvloed van toewijding aan schoone en verheven doeleinden waarvoor alles wordt •opgeofferd, ook bij hen die Christus' woord: =gt; zonder Mij kunt gij niets doenquot; als een ongerijmdheid door de daad huns eigenen levens willen wederleggen ?
O ja, het is een bewijs voor de waarheid dat Christus ook is waar Hij niet gekend wordt. In het eeuwige Woord is de wereld geschapen, daarom is niet alleen nog iets .van Zijne heerlijkheid in alle dingen overgebleven, maar bovenal elk mensch, die :aog niet de menschelijkheid geheel uitschudde,
137
heeft iets van Christus in zich. Doch bedriegen wij ons deswege niet. Er is veel toewijding die met opofferen van alles, alleen niet van het hoogmoedig Ik gepaard gaat. Ja een overgave, een liefde, een heldhaftige zelfwegcijfering, achter welke zich, zonder dat men het zelf weet, de van God vervreemde mensch in zijn hoogmoed terugtrekt, en liever te gronde gaat dan zich zelf op te geven, zich te verloochenen. Zij die het geluk hebben, in Jezus als den Christus naar de Schriften te gelooven, zeggen ■dikwerf met het oog op hun tegenstanders; smet een geloof zonder den Christus der 1^ Schrift kan men wel leven, maar niet sterven.quot; I Dit is in den gewonen zin doorgaans onwaar. Het is zoo, bij het sterven ontwaakt in menigeen de eenvoud, de behoefte aan werk-lijkheid: hij werpt de kunstig of kunsteloos verdichte fabelen van het modernisme weg en laat zijn ware, eeuwige behoeften aan 't woord komen —■ d. i. hij keert zich tot den Christus der Schriften. Maar dat is lang niet altijd het geval. Da begoocheling wijkt niet-voor den dood, het dal der schaduwen spreidt geen licht. Christus heeft het zelf voorzegd dat er zelfs in het oordeel, dus na den dood, velen zullen zijn die ter goeder trouw zullen zeggen: »Heer, wij hebben immers in Uwen naam groote krachten gedaan!quot; en tot welke Hij toch zal mosten zeggen: Ik heb u nooit
138
gekend. Hoe veel te meer dan zullen diegenen die ter goeder trouw m e e n e n Gode een dienst te doen door de belijders te dooden, bij den overgang des doods verblind blijven! Derhalve het is niet waar dat men in den gewonen zin des woords buiten den waar-achtigen Christus wel zou kunnen leven, maar niet sterven. Doch in een anderen, hoogeren zin is het waar. Het sterven van alle dagen, het sterven der zelfverloochening dat tot het waarachtig leven leidt, dat sterven kan . men niet buiten den waren Christus doorgaan. Want het is (de instinctieve haat der ongeloovigen noemt het ook zoo, onder dezen of anderen naam) het is een zelfmoord zichzelf geheel weg te werpen, tenzij alleen wanneer er een h o o g e r, nieuw leven in ons gewekt is, hetwelk dit geheele oude leven kan afwerpen door innerlijke groeikracht, gelijk de boom zijn doode schors afwerpt.
Deze ervaringen des harten, deze keu se v a n den w i 1, en waarlijk niet slechts het onvooringenomen verstandelijk onderzoek, bepaalt de richting van ons denken, beslist er over of wij den waren Christus zullen aannemen of niet. Het doen is voorportaal van het k e n n e n, zegt Gregorius van Na-zianze. En daarom is ook het vormen van uwe geloofsovertuiging een »strijd om het leven.quot; Hoe men ook het wetenschap-
139
lijk Darwinisme beoordeelen moge, voor het tot stand komen van uwe geloofsovertuiging teekent dit stelsel een beeld van de diepste waarheid. Uit den nevel ontstaan zekere aantrekkende middelpunten, dan cellen als oorsprong van organisch leven, dan natuur-keus, strijd, het niet-levensvatbare gaat te gronde, het sterkste overwint en teelt het hoogere leven — dit alles herhaalt zich met aangrijpenden ernst op het gebied van het leven uws harten. Daar is nevel, onbepaalde sympathie, dan enkele groote middelpunten van gedachte, dan uitgangspunten voor groote reeksen van beschouwingen, wrijving, strijd des gebeds en des onderzoeks — het sterkste overwint, het leven klimt van lager tot hooger. De Darwinist laat het ontstaan van den oor-spronklijken nevel en van de cel onverklaard. Gij ook : alleen de oorsprong die daar achter ligt is voor u, zoo gij den rechten weg gaat die tot den Christus leidt, geen donkere x, geen ondoordringbaar raadsel, maar de persoonlijke God, die wel van Zijn daden niet andwoordt, doch zulks niet omdat deze daden te hoog, te ver afliggen, maar integendeel omdat die daden te overstelpend dicht bij tl, te innig uw eigen leven zijn, m. a. w. omdat ze zijn de verkiezing der eeuwige Liefde. Want God is ondoorgrondelijk niet omdat Hij te donker is om dóór te zien, maar omdat Hij licht is, eeuwig licht, welks
140
glans slechts het verheerlijkt oog zal kunnen dragen. Hij alléén kan daarom zichzelf verklaren. Maar Hij openbaart zich aan het hart dat Hem zoekt. Die de waarheid d o e t, komt tot het licht. Elke lichtgave Gods is eene taak, een strijd. Zij heeft eene kern, tot welke niet dan na de moeite van de schaal te doorbreken, toegang is. De volle waarheid bestaat in »niets te weten dan Jezus Christus en dien gekruisigd.'' Dit is eerst een lijden, immers een beperking: daarna een h e e r 1 ij k h e i d, want wij zien dan ook dien Christus overal in natuur en geschiedenis als in Zijn eigendom heerschen ter bevrijding. En de schrikgestalte van den zoo veel besproken strijd tusschen »gelooven en wetenquot; lost zich in onschadelijken nevel op, want elke voortgang in kennis, elke wijziging van ons denken is slechts het afvallen van een sluier te meer van het beeld van Jezus Christus die zóó telkens in stralender schoonheid als de waarheid zelf openbaar wordt.
In één ' belangrijk opzicht blijft hierbij echter de voortgang der kennis een strijd. Wij snellen namelijk met de belijdenis van ons geloof de werklijkheid van ons leven veelvuldig vooruit. Daarom zien wij dan ook dikwijls een levenstijdperk van beslissend gewicht, of wel het geheele leven, door een groote boete, een al het vroegere veroor-
141
deelende zelfverloochening besloten. Job zegt, als de Heer zich hem volledig openbaart: met het gehoor des oors had ik U gehoord, nu ziet U mijn oog, daarom verfoei ik mij en heb berouw in stof en assche. Paulus noemt zich in zijn laatste geschrift den voornaamste der zondaren, wien genade geschied is. Augustinus heeft in de laatste tien dagen van zijn leven niet anders dan de boetpsalmen onder vele gebeden en tranen gelezen. En Alexander Vinet vroeg op zijn sterfbed dat men voor hem om alle genadegaven, zelfs de alleraanvanklijkste, zou bidden. Namelijk alvorens vóór den Heilige te verschijnen wordt dan al het gestolene teruggegeven ; vóór de intrede in het volle Licht wordt elke nog aanklevende smet in een bad van volstrekte verootmoediging achtergelaten.
XI.
DE ZEGEN DES LIJDENS.
Neem dan, mijn broeder! uw lijden uit Gods hand aan. Ja uit Gods hand; immers even zeker als God het lijden niet wil als doel, (bladz. 106) even stellig wil Hij het als middel. Want eerst uw lijden doet u Hem waarlijk kennen. Het doet u zijn Woord, zijne leidingen en uw eigen hart beter begrijpen. Verborgen zedelijke krachten worden te voorschijn gebracht uit de diepten van het binnenste. God weet en wil dat; en de strengheid zijner leidingen met ons is doorgaands de maat van de liefde zijner bedoelingen. ïDe Heer doet ten grave nederdalen en Hij doet daaruit opkomen.quot; Dat Schriftwoord bedoelt dat de diepte des grafs waarin gij afdalen moet, de maat is der hoogte tot welke Hij u op wil voeren. Zoo wordt uw leven, zijnde eene leiding Gods, u eene hei-
143
Hge zaak, en gij verstaat het eenvoudig verheven woord van Calvijn i) dat salie dingen der wereld ons den rechten weg wijzen.quot; Welke is die weg? Zijn voortgang wordt b.v. 2 Cor. 3, 18 beschreven. De Heer die »de Geestquot;, de levendmakende is, neemt al meer en meer het deksel des vleesches waardoor de waarheid, Hij zelf, ons iets uitwendigs blijft van ons af: Hem aanschouwende, worden wij »van heerlijkheid tot heerlijkheid opgevoerd, gelijk van den Heer. die Geest is, te wachten staat.quot; De aanschouwing van Jezus toch heeft een reinigende, aan Hem gelijk makende, verheerlijkende kracht. Met den voortgang des levens naar de grijsheid heen herhaalt zich dan in ons de geschiedenis van Simeon. In 's grijsaards lichaam verstijft alles van lieverlede, slechts het hart blijft kloppen en het leven trekt er zich in samen. Zoo verstijven, verdwijnen in ons van lieverlede de valsche idealen, en zondesmart, levenservaring, maakt ons meer en meer ont-vanklijk voor het ware beeld des Messias. Wij komen »door den Geest in den tempelquot;, daar toenemende eenvoudigheid ons de stem des eenigen Herders leert kennen en volgen. Dan wordt kruis en opstanding noodzaaklijk verbonden, gelijk in Christus zoo in u. Het kruis, want gij zijt Christus' eigendom.
l) In zijn Institutie, ie Boek, 5e Hoofdstuk, § 14.
XI.
DE ZEGEN DES LIJDENS.
Neem dan, mijn broeder! uw lijden uit Gods hand aan. Ja uit Gods hand; immers even zeker als God het lijden niet wil als doel, (bladz. 106) even stellig wil Hij het als middel. Want eerst uw lijden doet u Hem waarlijk kennen. Het doet u zijn Woord, zijne leidingen en uw eigen hart beter begrijpen. Verborgen zedelijke krachten worden te voorschijn gebracht uit de diepten van het binnenste. God weet en wil dat; en de strengheid zijner leidingen met ons is doorgaands de maat van de liefde zijner bedoelingen. sDe Heer doet ten grave nederdalen en Hij doet daaruit opkomen.quot; Dat Schriftwoord bedoelt dat de diepte des grafs waarin gij afdalen moet, de maat is der hoogte tot welke Hij u op wil voeren. Zoo wordt uw leven, zijnde eene leiding Gods, u eene hei-
143
lige zaak, en gij verstaat het eenvoudig verheven woord van Calvijn i) dat salie dingen der wereld ons den rechten weg wijzen.quot; Welke is die weg? Zijn voortgang wordt b.v. 2 Cor. 3, i8 beschreven. De Heer die »de Geestquot;, de levendmakende is, neemt al meer en meer het deksel des vleesches waardoor de waarheid. Hij zelf, ons iets uitwendigs blijft van ons af: Hem aanschouwende, worden wij »van heerlijkheid tot heerlijkheid opgevoerd, gelijk van den Heer. die Geest is, te wachten staat.quot; De aanschouwing van Jezus toch heeft een reinigende, aan Hem gelijk makende, verheerlijkende kracht. Met den voortgang des levens naar de grijsheid heen herhaalt zich dan in ons de geschiedenis van Simeon. In 's grijsaards lichaam verstijft alles van lieverlede, slechts het hart blijft kloppen en het leven trekt er zich in samen. Zoo verstijven, verdwijnen in ons van lieverlede de valsche idealen, en zondesmart, levenservaring, maakt ons meer en meer ont-vanklijk voor het ware beeld des Messias. Wij komen sdoor den Geest in den tempelquot;, daar toenemende eenvoudigheid ons de stem des eenigen Herders leert kennen en volgen. Dan wordt kruis en opstanding noodzaaklijk verbonden, gelijk in Christus zoo in u. Het kruis, want gij zijt Christus' eigendom.
i) In zijn Institutie, ie Koek, 5e Hoofdstuk, § 14.
1-U
Gij zijt dood in u zelf, en moet, om door Hem geregeerd te kunnen worden, eerst door het kruis vernietigd zijn. De o p s t a n d i n g, want Christus is evenzeer uw eigendom, met al de krachten des nieuwen levens die in Hem zijn, met al de heerlijkheid die Hij zelf geniet. Zoo is van kruis tot opstanding en wederom van de gedeeltelijke opstanding tot een verder kruis, de gestadig als het ware golvende voortgang des levens. Deze voortgang des levens bestaat dan daarin dat gij u steeds meer en meer persoonlijk door den Heer laat leiden. »Vrees niet, Ik ben met u,'' spreekt de Heer. Het natuurlijke leven, het zien van de dingen met het oog des verstands, leidt bij de onzekerheid van alle deze dingen tot gestadige vreeze. Maar het zien van alles met het oog der Rede, des geloofs, anders gezegd het zien op de persoon van den levenoen Heer, doet de vreeze vlieden en ons tot vastheid komen, want Hij is de sterke, de Almachtige. Het zien op Hem doet over den twijfel, de droefgeestige onzekerheid, zegepralen. »Dat hij die geen licht heeft en in duisternis wandelt, vertrouwe op den Naam des Heeren en steune op zijn God.quot; Toen ik van U afdwaalde was ik onredelijk, verloor alle menschelijke waardigheid, zegt Asaf: daarom zal ik gedurig bij u zijn, sLijd-zaamheidquot; doet »de ziel bezitten:quot; en wie het woord der lijdzaamheid van Christus
145
bewaart, die wordt wederkeerig door Hem in de ure der verzoeking bewaard. Onder keizer Diocletianus werd de edele Spaansche martelaar Vincentius te Saragossa gepijnigd op eene wijze die de pen weigert te beschrijven. Doch in het van ongehoorde foltermiddelen vervulde moordhol drong een he-melsch licht door, en vlamde helderder dan de zon in wonderbaren glans rondom hem. Het zware blok viel van zijn voeten af, de glasscherven op welke hij geworpen was, veranderden in een geurig bloembed, zoodat de wachters, die door een geheime spleet Vincentius moesten bespieden, hem met diepe ontroering een lofpsalm hoorden aanheffen. Hier moge de sage versiering hebben bijgevoegd, de kern is historisch gewaarborgd. Maar dezelfde Heer leeft nog, en houdt ook over u zijn machtige hand gestrekt. Zoo leert gij den troost des Heeren kennen, dien de meeste menschen niet vinden omdat zij niet den troost in het lijden, maar de ontheffing van het lijden zoeken. Zoo ziet gij de heerlijkheid uwer levensroeping in. Namelijk gij leert beseffen dat het lijden niet is een afgebroken worden van uwe roeping, (gelijk de ongeduldige mensch zoo licht vermoedt) maar eene quot;andere, betere wijze van die roeping te vervullen. Reeds daarom — behalve om honderd andere redenen — omdat de zelfverloochening u leert, u in de
IC
14«
blijdschap, den voorspoed, de eere van anderen te verheugen: een reuzenwerk van Gods liefde in u, dat bijkans nooit zonder lijden gelukt. Maar hij bij wien het gelukt, heeft dan ook duizend en duizend aanleidingen tot blijdschap, waar de zelfzuchtige niet van droomt. Een gedempt, tam levenquot; (zegt de oppervlakkige die het ware heröisme niet verstaat): »een leven als van vrouwelijke passiviteitquot;! Inderdaad, het leven van Christus zelf, den mensch die in den allerbepaaldsten zin »van eene vrouw geborenquot; was, is een leven vooral van passieve krachtsontwikkeling, als van vrouwelijke virtuositeit in het 1 ij d e n geweest. Hij was de man van smarten, in krankheden verzocht, omdat Hij de onze droeg. Toch heeft Hij, en Hij alleen, door het kruis, de hoogste passiviteit, de machten der helle uitgetogen en overwonnen. Hij is uit den dood opgestaan. De wereld die Hem verwerpt blijft in den dood steken, en komt tot de opstanding niet, gelijk talloos velen in onze dagen de opstanding des Heeren dan ook moeten loslaten, omdat ze zijn kruis niet verstaan. Israël gaat dóór tot den anderen oever, maar Aegypte verdrinkt in de Roode zee. In het spoor der diepte, waar Gods volk tot opstanding door heen gaat, moet de wereld blijven steken. Gedenk daaraan, gij geroepene ter eeuwige heerlijkheid. Als versaagdheid u overmant op den moeilijken
147
weg, zoodat gij zucht: het ware mij beter in Aegypte dienstbaar te blijven, dan in deze woestijn te sterven ! —hoor dan naar den hemel-schen Leidsman die tot de zijnen spreekt: vreest niet, staat vast, en ziet het heil des Heeren dat Hij aan u doet. Aegypte dat u heden twijfelmoedig maakt, zult gij niet weder zien in eeuwigheid. De Heer zal voor ulieden strijden, en gij zult stille zijn!
Laat Gods doel aan u bereikt worden. Het lijden dezer wereld is onbeschrijfbaar groot. Het moet Gode wel ernst, ontzachlijk ernst zijn met ons menschen ter heerlijkheid te willen leiden, anders zouden al deze smarten Hem onmogelijk van het hart kunnen. Toch wordt dat doel bij de meesten niet bereikt. Schrikkelijk is het woord, maar de eeuwige Liefde heeft het gesproken: eng is de weg, smal is de poort die ten leven leidt, w e i n i-gen zijn er die haar vinden. Zoo gij dat inziet, bereid den Heer de blijdschap van bij u zijn doel te bereiken. Houd vast aan Hem, ook al zijn de wegen, op welke Hij u voert, gansch onbegrijpelijk.
»Lazarus is gestorven, en ik ben blij-dequot; sprak de Heiland. Hoe kan dat zijn ? Hoe kan de Heer blijde zijn, als de dood het dierbaarste wegneemt? Ik ben blijde om uwen t-wil, opdat gij gelooven moogt. Daartoe dient dan het lijden, om ons tot geloof j te brengen. Geloof, dat is volle zelfbewust-
10'
148
heid, volgroeide menschelijkheid, zelfverwerkelijking. En wij weten dat tot die zelfverwerkelijking niemand komt dan langs den weg der zelfverloochening. Het lagere, zondige Ik moet voor het hoogere, eigenlijke Ik worden prijsgegeven. Wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil, spreekt de Heer, die zal het vinden. Om Mijnentwil. Hij is onze eigenlijke mensch, ons Hoofd. Zoo Christus in ons is, zegt Paulus, dan is wel het lichaam dood om der zonden wil, maar de geest is leven om der gerechtigheid wil. Gij leeft voor de eigenlijke, hoogere wereld, die onzichtbaar opgebouwd wordt onder voortgaanden voorbijgang van deze wereld. Daarom wordt dan ook alles wat gij doet onverganklijk, en heeft zijn resultaat. »Wie een mijner geringen te drinken geeft alleenlijk een beker koud waters, in den naam eens discipels, voorwaar ik Jezus zeg u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.quot; Wat gij voor de zedelijke, hoogere wereld, de wereld der liefde doet, het gaat niet verloren, het is quot;onverganklijk, het is eeuwig. De machtigste daden van het genie, de wereldschokkende veroveringen, ze zijn in blijvende vrucht nietig in vergelijking van de kleinste daad der liefde, die door den geringste verricht wordt. Nu, uit deze wereld van den daverenden en blinkenden schijn gaat gij tot de stille wezen-
149
lijke wereld der liefde over door lijden. De eerste wereld is die der wet, de tweede die des evangelies, der levende liefde, der waarheid. Wees getrouw in het kleine, in het u geleende hier beneden, ook met het belangrijk talent der smarten, laat het zijn rente brengen, en u zal het ware, het uwe, uw wezenlijk eigendom, dat niet weer weggenomen wordt, ten deel vallen. Ik ben Gods tarwegraan, sprak Ignatius in het gezicht des marteldoods: ik wordt door de tanden der wilde dieren vermalen om als een zuiver brood Gods bevonden te worden. Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Eigenlijk worden zij zelve gezaaid: want »het goede zaad zijn de kinderen des koningrijks.'' Zij laten zich in de zwarte aarde ontbinden, om in hooger levensvorm boven dien bodem op te rijzen en vrucht te dragen in de atmosfeer der vrijheid. Zie gelijk Israël als volk een afgesloten, beperkt, omheind, onmondig (Gal. 4) schijnbaar eentoonig leven had — maar om later zijn leven in vruchtbare uitbreiding over de geheele wereld te brengen; zoo zijt ook gij wellicht b. v. door tallooze praktische bemoeiingen en tijd-roovende vermoeienissen verhinderd om tot hooger ontwikkeling van uwen aanleg te komen. Als eene wet houdt de noodzaak-lijkheid des levens ook u onmondig. Maar dit alles dient (ja het is niet vruchteloos
150
verloren tijd, het dient) om in stilte de vrucht des hoogeren levens te doen rijpen.
Blijft het dan hierbeneden altijd lijden ? Ja voor zoover de dood des vleesches niet voltooid is dan wanneer wij in het niemve lichaam Gode volkomen welbehagelijk zullen zijn. Nog eens komen wij tot het vuur terug, waar wij bladz. 75 van spraken. In zijn diep woord Luk. III, 16, 17, zegt u Johannes de Dooper, dat gij tusschen de twee vuren te kiezen hebt. Houdt gij het vuur der loutering n u van u af, het vuur der verbranding verteert u later. Met vuur moet gij of gedoopt, of verbrand worden. Maar toch, o indien wij ons waarlijk geheel overgaven, zou God eerder met ons gereed zijn. Wij zouden niet meer behoeven te lijden, de volle vrede zou bij ons inkeeren, de blijdschap die »niemand wegnemen kan.quot; Daarheen, naar dien vrede, naar die blijdschap laat ons trachten; niet om te mogen genieten maar om den liefdewensch onzes Heeren te vervullen. En ook omdat wij dan eerst, van uit die zaligheid, waarlijk voor anderen kunnen nuttig zijn, liefde en barmhartigheid oefenen. Hier is een hooger dan kunstgenot en geestdrift voor het schoone. Wel te doen is nog verruklijker dan een wegslepend kunstwerk.
Zóó laten wij de opstanding des vleesches niet lijdelijk tot ons komen als een gebeur-
151
tenis 5 maar in den strijd om aan het Woord geheel gehoorzaam te zijn, in het aanvaarden, zoo noodig, van de smart laten wij die opstanding zich in ons voorbereiden. Niet somber noch met strak gelaat, neen vrolijk als bisschop Ridley die onder koningin Maria ten brandstapel gaande, de vrouw van den stedevoogd die over hem weende, voor den volgenden dag tot zijn bruiloft noodigde: wel moest hij dezen morgen een bitter ontbijt nemen, maar des te heerlijker vreugde-maal wachtte hem 's middags
Heerlijke roeping tot blijdschap en vrijheid ook in dit leven. Zalig wij zoo wij deze roeping verstaan. Naar mate wij haar begrijpen, willen wij niets meer voor ons zeiven, en ons eigendom wordt het majestueuze, alles omvattende gebed dat, om van menschelijke lippen te kunnen vloeien, den bloedigen strijd van Gethsemané gekost heeft — het gebed: jUw wil geschiede!quot;'
XII.
DE HEERLIJKHEID.
Zoo bleek het ons dat alleen de weg des lijdens in alle opzichten den toegang tot het leven en de kennis des levens geeft. De weg des lijdens in den ruimsten zin, zoo als hij in gedurige zelfverloochening betreden wordt. Hieruit leeren wij het recht gebruik van wat wij menschen gewoon zijn, voorspoed te noemen. Geluk en voorspoed des levens moeten wij dankbaar aannemen, kinderlijk eenvoudig uit Gods hand genieten; maar wij hebben ons daarin te bereiden voor den strijd die komen kan en zal. In de zeven jaren des overvloeds, in de tijden der verfrissching, in de dagen der geestelijke opheffing moeten de korenschuren worden gebouwd om later een hongerend land te voeden. Alleen hem verlicht des nachts
153
de vuurkolom, die in het daglicht der blijdschap niet vertrouwt op de natuurlijke zon, maar op de wolkkolom Gods.
Het leven des geloofs toch is een leven van heilige geestdrift. Nu is er niets dat zoozeer die geestdrift dempt als het werk der gewoonte, die vooral in dagen van voorspoed en blijdschap onze kracht rooft. Heilzaam wordt dan door het lijden de ernst onzer eigen geestelijke werkzaamheid verhoogd, en het vernederend werk der gewoonte in ons verbroken. Veelvuldig, helaas! handelen wij uit gewoonte, d. i. wij zelve handelen eigenlijk niet, maar zijn doorgangs-punten voor de invloeden die rondom en in ons plegen te werken. Augustinus beschrijft in zijn »Bekentenissenquot; zeer juist het juk der gewoonte; »Mijn wil was in de macht van den vijand, en hij had er eene keten van gemaakt die mij gebonden hield. Want uit een verkeerden wensch ontstond eene begeerte: de begeerte, wanneer 'er aan werd toegegeven, werd gewoonte. En de gewoonte werd behoefte zoo zij niet onderdrukt werd. Door deze schakels, als het ware tot eene keten aaneengehecht, hield een harde slavernij mij in boeien.quot; Dit kan zelfs het hoogste bederven. Zelfs het leven des geloofs kan in zeker opzicht eene gewoonte worden. Dan volgen wij in den grond niet meer Christus, maar ons zeiven. Nu noemt het
154
de wijsgeer Locke met recht een der voornaamste doeleinden der zedelijke vorming, zulk eene geestkracht in den mensch te scheppen en te bewaren, dat hij in staat zij zich tegen de macht zijner gewoonten te verzetten. Maar hetgeen hij eischt is noch door zijne, noch door eenige andere wijsbegeerte te bereiken. Alleen het zien op Christus' kruis, het medesterven en herleven met Hem, gelijk wij het ontvouwd hebben, kan ons levend maken. Hier behoudt de ziel hare veerkracht, en wordt heiliglijk belet om in te slapen. Gelijk John Bunyan in zijn » Heiligen oorlogquot; ons beschrijft hoe de stad Mensch-ziel, in handen van Diabolus gevallen, nu door haar eigenlijken heer Immanuel belegerd werd die haar tot eiken prijs wilde redden. sDe alarmen die deze Vorst daartoe maakte voor de poort, kwamen vooral wanneer de nachten op zijn langst waren en het weder allerkoudst.quot; Ziedaar de zegen van den winter des lijdens, als Immanuel alles wat nog in ons onder de macht des yijands gebleven is tot zich, tot de vrijheid, terugbrengen wil. En hier ligt ook de weg tot de waarachtige geestdrift, van welke wij spraken. Er is een diepe zin in het Celibaat des roomschen priesters. Het maakt hem los van aardsche banden, geestdriftvol toegewijd aan de heilige kerk alléén. Deze instelling is echter willekeurig gekozen, en
155
tegen Gods ordening. Maar er is een ander celibaat, dat van God gewild is. Wij allen hebben in de eerste ontwaking der aardschen levens een eigenmachtig huwelijk met de wereld, hare schoonheid en aantreklijke blijdschap, gesloten. Hier maakt God scheiding door zijn heilige tuchtigende leidingen. Hij zegt tot ons en tot de aarde: het is nog de tijd niet voor uw huwelijk. Gij zijt beide nog ongeheiligd. Ik zal u van elkaar scheiden, al valt het u hard. Ik zal u beiden opvoeden, reinigen tot aan de verheerlijking toe: dan breng Ik u.weêr samen, en zalig onscheidbaar zal dan uwe verbintenis zijn.
Wie dit verstaat, neemt in blijde geestdrift den pelgrimstaf op, en wandelt de nieuwe wereld in, die zich voor het geloofsoog opent. Wanneer wij in die hoogere wereld des geloofs wonen, dan wordt het evangelie ons wat het, naar Jezus' eigen verkondiging, steeds wezen moet doch wat maar al te zeer in de gemeente uit het oog verloren is — het evangelie des koningrijks. Wij zien dan namelijk alle dingen in verband met den Raad, het geopenbaarde plan Gods, namelijk om den Zoon te verhoogen tot Hoofd boven alle dingen. Zeer groot is het gewicht van deze waarheid voor ons geestelijk leven. Want daarom hebben wij doorgaands zoo weinig geloofskracht, omdat gebrek aan kennis van het openbaringsplan Gods ons te onzeker
156
maakt om ten allen tijde en in elk geval den wil Gods te kunnen zien. Zoo wij daarentegen des Heeren koningrijk verwachten, zien wij nu voortaan de dingen, ook dezer wereld, niet meer a fz on d e rl ij k. In dit afzonderlijk zien ligt de eigenlijke oorzaak van onze onkunde, en daardoor dan ook van onze veel te groote blijdschap of smart over de dingen. Maar zoo wij «gestorven zijnquot; voor deze wereld, zoo wij dus beginnen »al wat wij doen met woord of werk, te doen in den naam des Heeren Jezus, dankende God en den Vader door Hem,quot; dan knoopen wij alles aan het koningrijk van onzen Heer vast, zien het dus in zijn samenhang en beoordeelen daarnaar zijn waarde. Die samenhang der dingen ligt in hun middelpunt. Strauss zegt in zijn »Oud en Nieuw Geloof:quot; Vergeet geen oogenblik dat gij en alles wat gij om en in u waarneemt, dat wat u en anderen wedervaart, niet brokstukken zijn zonder samenhang, niet een wilde baaiert van atomen en toevalligheden, maar dat alles naar eeuwige wetten uit de eenige bron van alle leven, rede en goedheid voortkomt — ziedaar uwe godsdienst.quot; Deze woorden bevatten een kostbare, door de meeste geloovigen al te zeer verwaarloosde waarheid, die van den samenhang aller dingen. Alleenlijk, voor de beschouwing welke Christus niet kent is die samenhang der dingen zonder middelpunt.
157
een golvende zee zonder oevers, een komen en gaan zonder begin of eind. Doch in Christus kennen wij niet slechts een eindigen samenhang der dingen met elkander, maar een samenhang met hun beheerschend Middelpunt; dat is Christus de Heer. Nu zijn ze dan ook niet meer een overstelpende massa. Er is orde in, ondanks de verstorende wanorde der zonde en des vloeks. Eene heerlijke, zalige orde die in de Toekomst van Christus triumfeeren en zichtbaar worden zal. Deze wetenschap wekt geestdrift en hoogverheven blijdschap.
Een «jammerdalquot; kan men de wereld slechts noemen wanneer men haar beschouwt als de wereld van het individu, en niet als die des Geheels, d. i. buiten de liefde, dus ook buiten het geloof en de hoop.
Wat men gewoonlijk optimisme en pessimisme noemt, zijn slechts eenzijdige halfwaar-heden. Beide afzonderlijk zijn onwaar, beide vereenigd zijn waar. Het pessimisme, de leer dat deze wereld te slecht is om te bestaan, is volkomen waar; doch niet omdat zij zoo geschapen zou zijn, maar omdat ze zoo geworden is door de zonde. Wij weten dat de volle openbaring des kwaads nog aanstaande is, en reeds met groote schreden nadert. De Antichristus moet openbaar worden. De wereld die zichzelve vergoodt kan evenmin nu als in de tweede en derde eeuw,
op den duur hen dulden die met hun ver kondiging van een hooger Vaderland hare god verloochening wederleggen.
Evenwel het optimisme is eveneens waar, oneindig meer wzlar dan lichtzinnige opgeruimdheid vermoedt. Wij »hopenquot; en verwachten niet, in goedkoope oppervlakkigheid, dat » alles nog wel beter zal gaan dan zwartgallige lieden meenenquot;. Neen, wij weten zeker, naar Gods belofte, dat een onuitsprekelijk heerlijke toekomst de menschheid en de wereld wacht. Als de Antichristus overwonnen is verschijnt de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont. Niet deze wereld zelve gaat voorbij, maar wel haar gedaante, haar tijdelijke verschijning, die plaats zal ruimen voor de openbaring van haar eigenlijk wezen, waarop God haar van den beginne af heeft aangelegd; voor de verheerlijking, door Zijn Scheppingswoord bedoeld. Niemand houde dus deze verwachting van de toekomst des Heeren voor een afzonderlijk «leerstukquot; nevens andere. Neen, zij is een beginsel van de hoogste beteekenis. Namelijirivré~3it gelooft, houdt de wereld en zichzelve voor een werk Gods, door den Booze verleid maar van God bestemd en aangelegd tot eene heerlijkheid die door almachtige genade te voorschijn geholpen wordt.
Deze heerlijke verwachtingen omtrent het Koningrijk Gods en het einddoel aller dingen
159
behooren ons veel meer te vervullen, dan gewoonlijk het geval is. Omdat wij daar niet genoeg in leven, is ons geestelijk bestaan zoo zwak en neerslachtig niet zelden. Wij hebben het ideaal uit oog en hart verloren, zoodat het geen kracht meer op ons oefent. Gelijk de menschen door langdurige gewoonte eindelijk de verschijnselen des doods kalm kunnen aanzien en voor normaal, voor van God gestelde natuurnoodzakelijkheid in plaats van voor bezolding der zonde houden, evenzoo kunnen wij den toestand van maatschappij en gemeente aanzien gelijk hij is, en dien toestand dan vöor normaal, althans voor vrij goed en van zelf beter wordende houden, in die stompe onderwerping die voor de lijdzaamheid des geloofs gehouden wordt. Het is omdat wij vergeten wat een Strauss ons zoo even (bladz. 156) herinneren moest, namelijk in den samenhang aller dingen te leven. Wij defiken ieder aan onzen dood en onze zaligheid, zorgen »ieder voor zich en God voor ons allen,quot; en laten alzoo dit Geheel, waarop ons elke bede van het Onze Vader toch wijst, buiten ons omgaan. Wij zijn onbekwaam geworden tot die machtige opheffing des geestes welke het gebed; »Uw Koningrijk kome!quot; onderstelt. Helaas, alle christelijke kerken belijden als hun geloof de wederkomst van Christus, maar welke houdt haar vast als hare h o o p ? In de lange
160
tusschenpoos is men, als de dwaze maagden, in slaap gevallen. Men rekent, in onbepaalde verwachting, daarop dat, »het levenquot; zal volgen op de sterfelijkheid, maar hoopt er niet op dat het leven de sterfelijkheid, naar de heerlijke zekerheid die Gods Woord ons geeft, zal verslinden (2 Cor. V, 4, 1 Thess. IV, 17.) quot;Van daar dan ook hel min of meer lamme, onmannelijke dat aan vele geloovige christenen tegenover de wereld, die dat zeer wel opmerkt, eigen is. Zij durven zich niet kloek te verdedigen, zij hebben geen moed tot de frissche veerkracht van hen wier deel in deze wereld is. Hier komt voorzeker allereerst bij in rekening wat wij bladz. 15 van de »verwrongen heupequot; gezegd hebben. Maar toch is er ook onze schuld in groote mate bij. Wanneer een christen niets anders kent dan den dood als het eind dezes levens, en alzoö, ondanks leerstellige erkenning van Christus' opstanding, toch eigenlijk s alleen voor dit leven op Hem hoopt,quot; (1 Cor; 15) zoo is hij de ellendigste van alle menschen, heeft geen kracht, geen frisschen vleugelslag in zijn leven, en mist de elevatie die de kinderen dezer wereld in hun ongeheiligde kunst en wetenschap, industrie en maatschaplijken •vooruitgang onmiskenbaar bezitten. Doch de Heilige Schrift laat ons niet zien op den dood, maar op de verheffendste, edelste realiteit die er kan zijn, het ko n i n gr ij k Gods!
t
Christus heeft ons verlost. Ons, dat is niet den geest alleen, maar het lichaam evenzeer, ja den geheelen mensch, lichaam, ziel en geest, elk vermogen, alle bestanddeelen onzes wezens. Zoo wij dit gelooven, wordt in onze uitzichten alles heerlijk en vrij, en de blijde veerkracht der wereld zullen wij dan ook, ja op oneindig schooner en heter gegronde wijze bezitten. Hoe spreken de men-schen veelvuldig over de regeeringen hunner staten! gt;gt;Ach wij moeten toch eene betere maatschappij hebben, alle toestanden zijn ellendig verward, gespannen, het kan niet langer zoo duren!quot; En de dienstknechten der ongerechtigheid beloven elkander vrijheid op allerlei wijze, doch kunnen het niet volbrengen. Welnu, wij die de profetien van Gods Woord gelooven, wij verwachten den rechten Koning en met Hem den rechten maatschaplijken toestand, het ware regeerings-beleid! »Ziet, een koning zal regeeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heerschen naar recht. En die man zal zijn als een verberging tegen den wind, en eene schuilplaats tegen den vloed, als waterbeken in eene dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land. Ziet, de dagen komen spreekt de Heere, dat ik aan David een rechtvaardige spruit zal verwekken. Die zal Koning zijnde regeeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtig-
11
162
heid doen op de aarde. En Hij zal heerschen van zee tot zee, en van de rivier tot aan de einden der wereld. Hij zal hun zielen van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar wezen in zijne oogen. En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden groote stemmen in den hemel zeggende : de koningrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heerschen in alle eeuwigheid.quot;
Dat zal zijn de heerschappij van de orde der Liefde, welke wij bladz. 61 beschreven. Eens zal God seen iegelijk vergelden naar zijne werken.quot; Het zal dan blijken dat er niets te vergeefs geweest is; dat geen poging, geen nederige arbeid onnut verkwist werd, hoe onopgemerkt en schijnbaar vruchteloos hij ook bleef in den voortsnellenden stroom der dingen. Hier in deze wereld geldt nog veelvuldig de maatstaf des afgetrokken verstands, of der macht, of der zinnelijke schoonheid. Doch ééns wordt de z e d e 1 ij k e maatstaf, die van de orde der Liefde, als oordeelsbeginsel aangelegd, en dan komt alles, alles tot zijn eigenlijken cisch, verkrijgt zijn recht, waar de ingeschapen aard het toe bestemde.
De Geest, die alles uit Jezus' volheid neemt en de toekomende dingen verkondigen zal, zoodat het dus waarlijk geen ij dele nieuwsgierigheid maar heilige plicht is, op die toekomst te letten, de Geest leert
163
de gemeente in groote majestueuze trekken de «laatste dingenquot; vooruit zien. Aan de ge-heele Gemeente is de weg der zelfverloochening, even als aan den enkele, toegewezen. Namelijk in de wereld zal de afval toenemen. De gewone zoetvoerige droom der menschen is, dat »de aarde zal yol zijn van de kennis des Heeren gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.quot; Deze heerlijke verwachting, die n a de komst van Christus, in het vrederijk, zal vervuld worden, vatten zij op als zullende door den geleidelijken loop der wereld, zonder de wederkomst van Christus, allengs in werklijkheid treden. De geheele wereld, denkt men, zal christelijk worden, seene gestaltelooze republiek van liefde, zonder Hem die ons liefgehad heeft.quot; Maar wij weten dat, als de volheid der heidenen zal ingegaan zijn en ook Israel zich zal bekeerd hebben, daarnevens de groote afval, die reeds in onze dagen zoo reusachtige afmetingen heeft, zich voltooien zal. » De Koningen der aarde zullen de hoere haten, met welke zij geboeleerd hebben.quot; De staat, de maatschappij, die sints Constantinus dagen een overspelig g e a n t i-c i p e e r d verbond met de kerk gesloten heeft, zal dien band moede worden, en de kerk niet alleen verlaten, neen haar met haat, met woede de heerschappij vergelden met welke zij zoo lang op de conscientiën gedrukt, ze tot vermenging van wereld en Godsrijk verward heeft.
ii*
164
Die afval zal zich concentreeren in den Antichristus, de verpersoohlijkte vijandschap tegen God en Zijn gezalfde. Hem zal, wanneer zijn tegenstand ten hoogsten top zal zijn gestegen, de Heer te niet doen door den adem zijns monds, als Hij zal verschijnen in heerlijkheid om zijn koningrijk op te richten en al de verruklijke beloften, zoo even (bladz. 161) aangehaald, te vervullen.
Thans zijn wij reeds midden in den tijd des Afvals. Zijn duidelijkst kenmerk is de heerschappij der empiristische levensbeschouwing, van welke wij bladz. 97 spraken.. Volgens haar is het aardsche aanzijn in vervulling, verwerklijking van het begrip der soort het éénig doel des levens. De hoogste wet is dus niet de liefde, maar de »strijd om het bestaanquot;. Het zedelijk beginsel der daaruit volgende wereldbeschouwing is, in volstrekte tegenstelling tot de zelfverloochening, het egoisme, waarop dan ook de geheele zedewet in den grond rust. Deze beschouwing moet met die des geloofs een strijd op leven en dood aangaan. Zij is de godsdienst van beneden, en staat als zoodanig tegenover den godsdienst die van boven is. Alle weten-schaplijke, politieke en maatschaplijke vragen zijn dan ook in onze dagen godsdienstige vragen geworden, en zulk een blootliggen van den wortel der dingen is een stellig teeken dat wij geduchte beslissingen te gemoet gaan.
165
In dien strijd zal de gemeente, naar de profetie, het onderspit delven. Reeds herhalen zich veelvuldig de oude beschuldigingen uit de dagen van Decius en Diocletianus. Op nieuw, als onder Nero, worden de christenen, om met Tacitus te spreken, »niet zoozeer (nog) van brandstichting als wel van haat tegen al het menschelijke beschuldigd.quot; Op nieuw tracht de maatschappij hen, als eertijds Juliaan, met verachting en bitteren haat van de al-gemeene beschaving uit te sluiten. Deze is dan de tijd der breede gemeentelijke zelfverloochening die, gelijk we zeiden, in het groot voorstelt wat de levensroeping van den enkele ten allen tijde is. Zelfverloochening is (blad/,. 69) teruggave van het ges tol ene. De gemeente van Christus heeft de heerschappij over de wereld te vroeg genomen, gestolen. Met ruwe hand, met felle vijandschap (die in beleefde weten-schaplijke bestrijding, algemeene tolerantie enz. begint) zal dit gestolene haar weder ontnomen worden. Zij heeft dit te aanvaarden, met ernst in dien afval hare schuld te erkennen en er in de kracht Gods door heen te gaan. Hare verwachting van bij de verschijning van 's Heeren toekomst tot Hem te worden opgenomen, »den Heer te geraoet in de lucht'' — die zalige verwachting neemt van hare roeping tot zelfverloochening niets af. Integendeel, deze roeping verkrijgt daardoor juist een
dubbel gewicht. Immers wie deze heerlijke
166
opneming verwacht, moet met ernst lichaam en ziel daartoe bereiden. Hij moet zóó beslist »allen last afleggenquot; en, op die toekomst ziende, zich van wereld en vleesch losmaken, dat hij inderdaad bereid, geschikt, vlug en opgeheven genoeg zij om, zoodra het eerste bazuingeklank zijn oor treft, vreugdevol den Heer te gemoet te snellen.
Ziehier de eigenlijke reden waarom de zelfverloochening der kinderen Gods niet een sombere zelfkwelling of wereldverachting is, maar de blijdste hope, een opgang tot het heerlijkste licht, tot den vollen dag wiens klaarheid alle schemering of donkerheid, die thans nog heer-schen, verdrijft. Ook de geheele Gemeente zal, in ontzaglijken zin, n met Christus gekruistquot; moeten worden. Maar wie waarlijk in dezen' dood ingaat, ervaart in dezelfde mate de krachten der opstanding, der eeuwig frissche levenshoop. Hieraan kunnen wij ook het gehalte onzer klachten over de schuld en de ellende dezer tijden beoordeelen. Wie deze ellende het diepst, het waarachtigst gevoelt, zal ook het meest in de gewisheid der zalige, welhaast naderende, uitredding zich verheugen.
Wij roemen in de verdrukkingenquot;, zegt Paülus, »wetende dat de-verdrukking volharding werkt, en de volharding beproefdheid, en de beproefdheid hope.quot; In die hope
werken wij met blijdschap. Onze geestdrift •
167
is hooger dan die der poëzy. De kunst overbrugt slechts den afgrond, maar Gods wonderkracht zal hem dempen. Ook het lijden schaadt ons niet, want het brengt tot verheerlijking. Het lijden schijnt een vermindering van het werken, zoodat het de verheerlijking, die toch daardoor mede komen moet, dreigt te belemmeren. Maar dat is slechts schijn. Tijdelijk wordt wellicht ons werken door het lijden verhinderd, maar wat wij worden heeft geen krachtiger voortgang dan door datzelfde lijden. En door te worden wat wij zijn moeten, werken wij wat God wil dat wij werken zullen. Christus ons Hoofd heeft in zijn aardsche leven zeer weinig rondom zich gewerkt, maar Hij is de almachtige Heer van hemel en aarde geworden. En zijn werk is daarom het grootste dat de wereld heeft gezien en zien zal.
Zijn werk, en daarin het onze, zal voltooid worden, sik zag den nieuwen hemel en eene nieuwe aarde: want de eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer. En ik, Johannes, zag de heilige stad. het nieuw Jeruzalen, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als eene bruid die voor haren man versierd is. En ik hoorde eene groote stem uit den hemel, zeggende: zie de Tabernakel Gods is bij de menschen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God zelf zal
168
bij hen en hun God zijn. En God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen, en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan. — En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in haar zouden schijnen: want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is hare kaarsquot;.
De heerlijkheid Gods verlicht het nieuw Jeruzalem. Heerlijkheid is nog iets anders dan verheerlijking. Het schepsel wordt verheerlijkt door de heiligmaking, d. i. de geest komt in het geschapene tot zijn volle uitdrukking en verschijning. God daarentegen heeft heerlijkheid, en Hem komt ook geen heiligmaking maar alleen heiligheid toe, als de volle verschijning, uitdrukking van Gods wezen. Zal het dus zijn dat het nieuw Jeruzalem van God uit den hemel nederdaalt, en de Tabernakel Gods bij de menschen is, dan beteekent dit dat het wezen en de verschijning, het eeuwige en het tijdelijke ten volle vereenigd, harmonisch verbonden zullen wezen in dier. voege dat de verschijning, hetgeen men ziet, de volledige uitdrukking van het wezen zal zijn. Hier op aarde is dit nog zoo niet. Wel zijn de verschijnselen die wij zien, niet geheel zonder het wezen dat daar achter ligt. Immers juist omdat het wezen daar achter ligt, bewijst de verschijning het
169
bestaan van het wezen. Maar tevens bedekt zij het, en de algemeene klacht is, dat de dingen ons hun eigenlijk wezen niet openbaren. Dit is niet iets dat in de natuur der dingen en van ons kenvermogen ligt, gelijk Kant en andefe denkers beweeren. Neen, het is om de zonde zoo geworden: eens was het zoo niet, en eerlang zal het ook niet meer zoo zijn. Thans echter moet de mensch dat wezen der dingen, aan welks kennis hij behoefte heeft, door het denken veroveren. Hij doet dit door van het toevallige, bijkomstige der verschijning af te zien, de algemeene, wezenlijke kenmerken van haar te abstraheeren, en zoo de »Ideequot; over te houden. Maar hebben wij aan die Idee genoeg ? Neen »de werklijkheid moeten wij hebben, geen afgetrokken gedachtendingen !quot; roept elk om strijd in onze dagen. Ja gewis, andwoorden wij: de wejklijkheid! Maar welke dan? De verschijnselen ? neen, het w e zei), dat de hoogste werklijkheid is 5 en wel dat wezen niet buiten de verschijning, als Idee of begrip, maar in de verschijning, zóó dat deze verschijning het wezen niet langer voor ons verbergt, maar het ons toont en openbaart.
Het denken is reeds een zeker ontwaken; een ontwaken uit den droom der lage werkelijkheid tot het hooger, edeler leven der gedachte.
Maar wat baat dit ontwaken, indien het
170
denken toch geen leven geeft? Indien hier het woord des profeeten geldt: » gelijk wanneer een hongerige droomt, en zie, hij eet; maar als hij ontwaakt zoo is zijne ziel ledig; of gelijk een dorstige droomt, en zie hij drinkt, maar hij ontwaakt en zijne ziel versmacht nog.quot; Ach neen, dat ontwaken baat niet. Maar van een hooger, heerlijker ontwaken zingt de dichter: ik zal uw aangezicht aanschouwen in gerechtigheid; ik zal verzadigd worden van Uw beeld, als . ik zal ontwaken ! i) Wat is dat ontwaken anders, dan de overgang uit den schijn in het wezen, uit de gevallen en verdonkerde in de ware, eeuwige wereld. Als wij in God leven, dan leven wij in de liefde. Zoo gevoelen wij dan medelijdend het lijden der wereld, en haar verheerlijking wordt onze wensch. Christus heeft ons door Zijn verlossingswerk het oog geopend voor den vloek die op menschheid en aarde rust, voor het nameloos lijden dezer wereld van welke wij deel uitmaken. Een levend christen bestaat niet buiten dien samenhang, die eenheid, dus is zijn bestaan ook niet denkbaar zonder lijden, het lijden der liefde. Zoo verlangt dan zijne ziel niet alleen naar zijn persoonlijke zaligheid, maar ook naar de verlossing
i) Von Zezschwitz, zur Apologie des Christenthumsj Leipz. 1866, pag. 371 enz.
171
der zuchtende kreatuur, naar de verheerlijking der wereld door nederdaling der heerlijkheid Gods in haar.
Dan zal God alle tranen van de oogen afwisschen. Er is dus ook een komen in dat nieuwe Jeruzalem friet nog een traan in het oog over onopgeloste raadselen dezer aarde, met voor deze wereld al te zware smarten! Ja, maar die tranen worden dan door God zeiven, als door teedere moederliefdi, dus tot de innigste volkomenheid der blijdschap, afgewischt. Wij noemen, ter aanvulling van wat wij vroeger over den strijd des denkens hebben gezegd, hier slechts ééne moeite, die des denkens, de verheven smarten over de ondoorgrondelijkheid van Gods openbaring. Het middelpunt van alle waarheid is h.et mysterie der Vleeschwor-ding. Is dat doorgrond, dan is alles in beginsel verklaard, want de geheele wereld hangt daaraan. »In Hem zijn alle dingen tot een stelsel saamgevoegdquot; leert Paulus den Kolossensen. De hope dus van dat beter te begrijpen werd met recht door den stervenden Melanchthon als de voornaamste zaligheid des hemels, dien hij binnenging, geroemd. Maar als nu het ongeloof verklaart dat de vereeniging van God en mensch gelijk de Vleeschwording haar toont, een ongerijmdheid is, heeft het dan geheel ongelijk ? Neen voorwaar niet. Eerst de vol-
172
komen geworden, verheerlijkte menschheid en wereld, wij zagen het, kan de heerlijkheid Gods ontvangen. Wij die in den Christus naar de heilige Schriften gelooven, wij weten dat van den beginne der vleeschwording af de heerlijkheid Gods begonnen is in Hem te wonen. Maar dat die heerlijkheid thans volkomen in Hem troont, dit kan eerst ten volle blijken als Hij verheerlijkt verschijnen zal. Tot zoolang zien wij het in den geloove, maar voor de wereld die het niet ziet, moeten wij het lijden dragen der beschuldiging van een dwaasheid, een ongerijmde inbeelding te gelooven. Dit is een lijden, ook eenigzins om onzes zelfswille, maar vooral om der wille van hen die dezen vollen beker van genade van hun lippen wegstooten; en die daarom, schoon zij het begrip »liefdequot; vergoden, toch haar zelve, de wezenlijke volle Liefde, niet ervaren, dus niet zalig kunnen zijn.
Eens echter dekken elkaar volkomen het geheel geopenbaarde wezen en de ten volle ontvouwde verschijning. Dan zal de wonde geheeld zijn die wij in den aanvang onzer beschouwing als den eigenlijken grond van onze smarten leerden kennen. Wij zagen bladz. i 2 hoe onze val zich daarin openbaart, dat wij, onder de heerschappij des doods, een schaduwachtig leven leiden. Immers zijn deze zichtbare en tastbare dingen die voorbij-
173
gaan, de zekere realiteit geworden op welke wij ons verlaten. Hierin ligt al onze ellende als in kiem besloten: onze zwakheid, onze dwaling, onze gebondenheid aan het ijdele, en daardoor al onze smarten, komen er uit voort. Door het geloof wordt deze wonde aanvankelijk genezen. De Heilige Geest, als Trooster, waarborgt ons de realiteit der hoogere wereld, of der »waarheidquot;; daarom is Hij de Geest der waarheid. Hij is de »Helperquot;, die ons door het gericht heen helpt, dat de oude wereld in ons moet doorgaan om de nieuwe te kunnen baren. Doch van dien Geest hebben wij nog slechts de eerstelingen, en zuchten daarom nog, want de wereld rondom ons, de wereld tot welk wij zelve nog voor een groot deel behooren, kan, naar 's Heeren woord, dien Heiligen Geest niet ontvangen. Zij kan den geest des tijds ontvangen, vertrouwd zijn met de verschijning, met de verschijnselen, maar niet met het eeuwig wezen. Om den Heiligen Geest te zien in de dingen der wereld, en in haar middelpunt, in Christus zeiven, daartoe is de smart der begeerende liefde noodig. Ziedaar dan de groote smart van Gods kinderen, de uit de binnenste diepte gewelde tranen die hier beneden niet ophouden te vloeien.
Doch ook deze en alle andere tranen zal God zelf van de oogen afvvisschen. Alle lijden neemt een einde, niet door dat het
vernietigd, maar door dat het tot heerlijkheid opgeheven wordt. Gij hebt nu droefheid, spreekt de scheidende Heiland, maar uwe droefheid zal tot blijdschap worden. Niet door blijdschap wordt zij vervangen, maar zij zelve wordt blijdschap. Die op den Troon zit, zegt: Ik maak alle dingen nieuw. Alle dingen, dat is: ook uw hart en geest, die voortaan eene oneindige zaligheid zullen kunnen bevatten, en diepten, hier volkomen onpeilbaar, doorgronden. De schepping is vernieuwd, maar in dezelfde mate ook alles wat in u is, om koninklijk over haar te kunnen heerschen, priesterlijk haar en u zeiven Gcde te kunnen offeren. Dit vangt hier reeds aan. Zoo iemand in Christus is, zie eene nieuwe schepping! het oude is voorbijgegaan, het is alles nieuw geworden! Mijn lijdende broeder, kom tot den Gekruisigde, en gij zult het ervaren. Laat zijn leven door het geloof uw leven worden.. Dan wordt uw lijden een »lijden met Christus,quot; gelijk wij van deze dingen, die wij uit de verte beginnen te zien, in de voorgaande bladzijden iets hebben trachten aan te duiden. Sedert ik ze schreef, zijn er weder eenigen heengegaan die ze hebben gelezen en in hooggewaardeerde geestverwantschap beaamd. Met diepen weemoed sluit ik de herinnering aan hen in mijn hart weg, en nauwelijks weerhoud ik mij van
175
hun namen hier te melden, en hulde te brengen aan het heerlijk leven Gods, in hunne harten gewekt en in een wandel van reinheid en liefde ook door mij aanschouwd. Het voorbeeld van ieder hunner trekt mij als een der gestalten waarin de Heer zijn onuitsprekelijke volheid van leven en schoonheid voor mij heeft willen veraanschouwlijken; en het ledig dat hun verscheiden in mijn hart laat, verhoogt den glans van het nieuw Jeruzalem waar ze mij wachten. O zalige vertroosting, dat »vrienden des Heeren elkander nooit voor het laatst zien.quot; Ik'wil daaraan gedachtig zijn, en gelijk Nonna, de moeder van Gregorius van Nazianze, achter de lijkbaar van haren zoon ging niet in treurkleedij maar in het witte feestgewaad omdat zij den dood als een geboorte tot hooger leven kende, en hare droefenis door heilig psalmgezang overwon, —■ zoo wil ook ik den tijd, die voorts kort is, in stille blijdschap achter hen aan wandelen. Met dit voornemen des harten leg ik de pen neder. Dit Troost-boek is ten einde. Het werd geschreven in mijn eigen vormen, en zóó als het is, werp ik het op nieuw in het gewoel des lijdens der strijdende gemeente zoover zij er van zal willen kennis nemen. Door ieder die het leest, worde hei in zijn eigen bijzondere persoonlijkheid opgenomen, en in die wrijving ontdaan van het bepaalde, m ij en m ij n e r ervaring al te
176
zeer eigeneliet boek sterve in ieders handen voor wat mijn persoon betreft, en sta op voor ieder lezer als tot zij n geestelijk eigendom herboren, — het ga zelf aldus »door lijden tot heerlijkheidquot;. Dat wil zeggen, het make met zijn arme woorden plaats voor den Geest zeiver die alleen tot de waarheid, ook tot de waarheid des lijdens en der heerlijkheid, brengen kan. Ja Hij zelf, de Heilige Geest, die de volkomen Trooster is, brenge tot ons hart Zijn onuitsprekelijke woorden en leere ons ze te_ verstaan en er ons aan vast te houden tótdat de Dag aankomt en de schaduw en vlieden.