DE SCHOONSTE IER MEIMAANDEN. ^
y
DOOR DEN H. KERKLEERAAR
bevattende;
eene godvruchtige overweging met een of meer voorbeelden en gebeden
voor lederen dag der maand, benevens cene handleiding tot de gemeenschappelijke devotie der bloemendeugden.
■'in het Hollandsch bewerkt onder toezicht van en met eene voorrede veijrijkt door den
K. I'r.Gch. Kamerheer van wijlen Z.H.Pius /A', oud-Hoogleer aar enz.
KERKELIJK GOEDGEKEURD.
Derde Druk.
AMSTERDAM. — G. BORG. 1878.
|
Amstelodami, IS April 1(374, |
,1. A. VAN DEN AKKER Libr. Cens. Imprimatur |
Niet zonder beteekeiüs heeft de Verlosser, hoezeer hij den toestand van het bruidspaar te Cana iu Galilea kende en ook reeds voornemens was, in hun gebrek aan wijn te voorzien, door zijne Moeder op de behoefte zijner vriender. als opmerkzaam willen gemaakt worden :en verrichtte Hij, op hare voorbede, zijn eerste wonderwerk. Hoe liefelijk toch openbaar! zich in dit voorval Maria's moederlijke zorg voor de dienaren van haren god-delijken Zoon, en tevens de magt harer gebeden! Dieper nog leidt de Evangelist onzen geest in den zin dezer gebeurtenis binnen, terwijl hij, de H. Joannes, de aangenomen zoon van Maria, hij, die de geheimenissen des levens zijner moedernaar het hart van zoo nabij kende, zijn verhaal van dit wonder sluit met de woorden: ^En zijne leerlingen geloofden in Hem,quot; in Jesus.
De Zaligmaker had in al zijne daden, ook in zijne wonderen ten behoeve van dor mensehen lig-ehamelijk welzijn, steeds het groote doel voor oogen, waarom Hij mensch geworden was, de verheerlijking Gods en dc zaligheid der mensehen, Tot onze onderrigting wordt dan, op goddelijke ingeving, reeds aan zijn eerste wonderwerk de
|
Amstclodami, -13 April 1874. |
.1. A. VAN DEN AKKER Libr. Cens. Imprimatur |
Niet zonder beteekcnis heeft de Verlosser, hoezeer hij den toestand van het bruidspaar te Cana in Galilea kende en ook reeds voornemens was, in hun gebrek aan wijn te voorzien, door zijne Moeder op de behoefte zijner vrienden als opmerkzaam willen gemai,kt worden ;en verrichtte Hij, op hare voorbode, zijn eerste wonderwerk. Hoe liefelijk toch openbaart, zich in dit voorval Maria's moederlijke zorg voor de dienaren van haren god-delijken Zoon, en tevens de magt harer gebeden! Dieper nog leidt de Evangelist onzen geest in den zin dezer gebeurtenis binnen, terwijl hij, de H. Joannes, de aangenomen zoon van Maria, hij, die de geheimenissen des levens zijner moeder naar het hart van zoo nabij kende, zijn verhaal van dit wonder sluit met de woorden; ^En zijne leerlingen geloofden in Hem,quot; in Jesus.
De Zaligmaker had in al zijne daden, ook in zijne wonderen ten behoeve van der menschen lig-ehamelijk welzijn, steeds het groote doel voor oogen, waarom Hij mensch geworden was, de verheerlijking Gods en de zaligheid der mensehen. ïot onze onderrigting wordt dan, op goddelijke ingeving, reeds aan zijn eerste wonderwerk de
VOORREDE.
roem gegeven, dat het, behalve de tijdelijke weldaad, nog een veel hooger, een geestelijk nut bewerkte.
l)ocli nog op iets anders maakt ons hier de H. Schrift opmerkzaam. De H. Geest doet den Evangelist uitdrukkelijk vermelden, dat dit eerste wonder, zoo heilzaam in zijue werking, op verzoek der Moeder van Josus verrigt werd, en ongetwijfeld heeft de H. Joannes deze goddelijke leiding, welke bij voorkeur aan hem was voorbehouden gebleven, met bijzonder welbehagen gevolgd, omdat hij daarmede Maria in eene waarde voorstelde, waarin hij, bij uitsluiting van de andere Apostelen, haar onder het kruis van Jesus had leeren kennen, als de Moeder der geloovigen.
Het verhaal dier gebeurtenis op de bruiloft van Caua in Galilea is, namelijk, eene voortzetting-der hooge lofspraak, door den H. Geest in het Evangelie aan Maria gegeven. Eeeds zagen wij daar, hoe uit den hemel haar een Engel werd toegezonden en van Godswege haar toesprak: ^ Wees gegroet, gij, vol van genade, de Heer is met u,quot; en haar tevens aankondigde, dat zij waardig bevonden was, de moedor van den Zoon des Aller-hoogsten te worden. Hier en zoo dikwijls er vervolgens in liet Evangelie sprake van haar is, wordt ons telkens eene nieuwe parel uit haren grooten schat van heiligheid geopenbaard. Nooit heeft iemand zoo vele en zoo groote eeuwige raads-bésluiten des Hemels in vervulling zien komen. Doch hoe is Maria bij al die geheimenissen te-
IV
VOORREDE.
genwoordig? O, verre is zij diiarbij boven het peil der andere getuigenvorheven.Haaralleengeet't het Evangelie herhaaldelijk den roem: „Maria bewaarde al deze woorden in haar hart.quot; Herinneren wij ons hier uiï onze eigene ondervinding, hoe het onbegrepene onsonverschillig laat en spoedig de gedachtenis ontvliedt; het wélbegrepene daarentege belangstelling vindt en ons bijblijft; dit alleen doet ons reeds beseffen, dat door eene buitengewone inlichting Gods, aan Maria's volheid van genade ook eene volheid van wetenschap en van liefde voor de hemelsche waarheid moet beantwoord hebben, ea zoo vereeren wij haar niet slechts als een spiegel der gerechtigheid, maar als een zetel van wijsheid tevens.
Doch er is meer. God wilde ons niet alleen de persoonlijke verhevenheid van Maria doen bewon-deren, maar ons met dankbare Liefde ook doen erkennen, wat zij voor ons is. In Maria is eindelijk die vrouw verschenen, welke in haar zaad den kop des serpents zal verpletten; welke reeds bij de eerste beloften eener verlossing als mede werkster tot dat heil aangeduid is. Zie hier nu \oor den aarstengel Gabriël: komt hij haar dat aangekondigde moederschap o pdr in gen? Chris tusis de Zoon, niet der slavin, maar der vrije vrouw. Niet als slavin wordt Maria tot de uitvoering van dat raadbesluit gedwongen, maar als de vrije vrouw zal zij met vrije medewerking daartoe bijdragen, en de gezant des hemels wacht op haar toestemmend antwoord. Zij heeft echter nog eene
V
VOORREDE.
VI
deugdliovende bedenking.Deze wordt gewaardeerd en genadiglijk opgelost door eeue nieuwe openbaring van het verhevene der aangekondigde geheimenis. Dus gerustgesteld, zegt Maria: „Ik ben de dienstmaagd des Heerenjmij geschiede volgens uw woord,quot; en nu eerst is des Aartsengels zending volbragt, treedt onverwijld Gods raadsbesluit in vervulling; heeft de mensehdom zijn Verlosser. Dit moederschap was voor Maria zelve eene nieuwe bron cn verhooging van genade. Maar als moeder van Hem, in wien alle geslachten zullen gezegend worden, leeft Maria niet enkel meer voor zich-zelve: zij weet, dat zij genade gevonden heeft bij God, doch niet alleen voor hare eigene ziel, maar ook ten heile van anderen, en op aandrang van boven haast zij zich, om zoodra mogelijk daaraan deelachtig te doen worden diegene, wien God dit voorregt bestemd had. Door hare tusschenkomst nadert nu de Verlosser zijn toekomstigen Voor-looper, verrigt aan hem, men kan zeggen, zijne eerste verlossingsdaad na zijne mensohwording, heiligt hem met de genade der regtvaardigmaking. Maria, namelijk, ging hare nicht Elisabeth bezoeken, ,/en,quot; zoo verhaalt de evangelist Lucas, ^het geschiedde als Elisabeth den groet van Maria 1.9orde,~lat het kindje opsprong in haar lig-chaara; en Elisabeth werd vervuld met den H. Geest, cn zij riep met luider stemme enzeide; „Gij zijt de gezegendste der vrouwen,eugezegend is de vrucht uws iigchaams. Eu vc-n waarquot; (geschiedt) „mij dit, dat de Moeder mijns Heeren
'voorrede.
vii
3rd. tot mij komt! Want, zie, toen de stem van uwen ba- groet in mijne ooren kwam, sprong liet kindje van ei- vreugde op in mijn ligchaam.quot; — Aan Joannes jen den Dooper werd vervuld de voorzegging en be-dhs lofte des engels: „En met den H. Geest zal hij sn- vervuld worden, reeds van het ligchaam zijner uit * moeder af,quot; en zijn gtest was, gelijk die van ler. Maria, verheugd in God, Zijnen Zaligmaker. ,we Deze wondervolle gebeurtenissen zeggen aan ons ler geloof en leeren duidelijker aan onze overdenking, ;nd dot God aan Maria, als Moeder des Zaligma-eh- kers, eene voorname plaats toegedeeld heeft in liet bij werk onzer verlossing. Destijds echter was deze aar geheimenis nog aan de kennis der mensehen, ook ?an harer vereerders, missolden nog geheel onthouden: ian trouwens, de grootheid van Christus zeiven, zijne dit waardigheid als Messias, zijne godheid was voor cnst de meesten, die Hem persoonlijk kenden, nog verier- borgen, en voor zijne bevoorregte vrienden, met jne uitzondering van slechts weinigen, nog niet hel-ng, der ontsluijerd. Maar door dit zijn eerste wonder, ng. te Cana in Galilea verrigt, doet het Evangelie be- ons opmerken,„openbaarde Hij zijne heerlijkheidquot; cas, (//als des Eeniggeborenen van den Vaderquot;), //enquot; kla- voegt het er hij, „zijne leeilingen geloofden in lig- Hem.quot; Desgelijks mogen wij in het wooder eene H. openbaring eerbiedigen der voorregten van Maria, de; als Moeder Gods, als Moeder der genade, als end Moeder der geloovigen., als medewerkster tot ons .ge- heil. Onmisbaar vertoonen zich hier bare moeren ( derlijke zorg voor de dienaren van haren godde-
VOORREDE
vut
lijken Zoon, hare oplettendheid op hunne behoef ■ teni hare bereidwilligheid om tussohen beiden te komeHj de magt harer voorbede. En hoe vertrouwelijk wendt zij zich tot de barmhartigheid vau Jesus; met zijne gunsten in te roepen gevoelt zij zich als in haar regt; immers zij spreekt tot haren Zoon, die zelf is de Algoede, de Almagtige; zij spreekt voor zijne vrienden, die aan de liefde beantwoorden, waarmede Hij mensch geworden is, tot wier heil het haar vergund is, ah zijne moeder mede te werken, en de weldaad, die zij verlangt, zal bij al de aanwezigen ter verheerlijking Gods verstrekken, zal niet slechts hunne ligcha-men verkwikken, maar vooral het zooveel hooger leven hunner zielen sterken. Zie dan ook hoe vast zij op Jesus'hulpvaardigheid rekent: hare woorden bevatten geene uitdrukkelijke vraag ; zulks acht zij niet noodig; het gebrek waarin voorzien moet worden, slechts met deelneming te noemen, dit is bij een Zoon, als Jesus is, voor zijne moe der reeds genoeg. Neen, zijn antwoord is geen verwijt, is ook geene weigering. Waarmede toch kan zij liet eerste verdiend hebben ? Haar verzoek is enkel liefde, komt uit een e stemming van hart, gelijk aan de zijne, bovat daarenboven eene belijdenis zijner almagt, zijner godheid, en in dit zalig geloof ook anderen te bevestigen zaldevrucht zijn der gevraagde weldaad. En wat gebiedt ons in 's Hoeren woorden eene weigerkg aan zijne moeder te zien ? De uitkomst integendeel verzekert ons, dat de Verlosser volstrekt niet voorne-
VOOKREDE.
IX
mens is, de bede zijner moeder te beschamen. Maria is dan ook zeker van hare zaak: is evenwel het juiste eu bepaalde oogenblik van het wonder nog niet gekomen; zij maakt zich deze tussclien-poos ten nutte, om, ten einde alle wanbegrip en sloornis voor te komen, de tafelbedienden er op voor te bereiden, dat er iets buitengewoons te gebeuren staat en hun welligtbevelen zullen gegeven worden, waarvan zij het doel niet begrijpen: „Doet alles, wat Hij u zeggen zal.quot; Doch om welke reden verhielp Jesusniet terstond, ja, reeds voor dat Maria het opmerkte, dit gebrek aan wijn? Dit geheim is ons niet geopenbaard geworden, tenzij misschien voor een gedeelte. Eén nut althans zien wij ons onmiskenbaar door dit uitstel aangebragt: het heeft ons de voorregten van Maria leeren kennen; hierdoor, namelijk, heeft God aan de Moeder van Jesus do gelegenheid verschaft, om hare moederlijke liefde voor ons menschen, het vermogen harer gebeden, het hooger doel harer tijdelijke weldaden tetoonen. Beschouwen wij haar eindelijk nog op Golgotha onder het kruis ; bedenken wij, hoe zij ook daar verschijnt als dn dienstmaagd des Heeren: hoe zij dÈlar, even als bij de menscliwording van Jesus, ook bij zijn dood, thans echter als zijne moeder, haren wil met dien des Hemelschen Vaders in het lijden en sterven van dien beminden Zoon vereenigt; hoe zij ook van haren kant deze gezegende vrucht naars ligchaams voor de zaligheid den menschen overgeeft eu deel neemt in de ver-
VOORUEDE.
lossersliefde, in de zelfopoffering vim het L;im Gods voor de zonden der wereld; ja, dim kunnen wij liet den H. Augustiuus mot dezelfde geloovige overtuiging nazeggen; „Naar liet ligehaam is Maria de moeder van ons lioofd, Christus; maar .naar den geest is zij de Moeder zijner ledematen, wat wij zijn; omdat zij met hare liefde daartoe heeft medegewerkt, dat de geloovigen in de Kerk geboren werden.quot;
Altijd heeft onder de geloovigen een hooge dunk aangaande de Moeder des Verlossers bestaan; naarmate de indruk des heidendoms uit de ver-nieuwe wereld verdween en daarmede het gevaar der afgoderij geweken was, is in de Kerk, onder den bijstand des H. Geestes, het leerbegrip omtrent den aard en de waarde van Maria's grootheid en bemiddeling, allengs verhelderd, ontwikkeld, al meer en meer in beoefening gebragt. In iedere behoefte neemt de christen met alle vertrouwen zijne toevlugt tot de Moeder van Jesus, welke hij te gelijk als zijne geestelijke moeder beschouwt en vereert. Is de nood algemeen, de gebeden tot de algemeene Moeder der geloovigen worden vermenigvuldigd, worden openbaar, door al talrijker vergaderingen met al vuriger aandrang en hartegloed van godsvrucht ten hemel opgezonden. — In den tegenwoordigen druk der Kerk zullen de godvruchtige oefeningen der Meimaand ongetwijfeld met levendiger gevoel eer behoefte aan eene zoo maglige voorspraak en boschermster bij God, ais Maria is, aanvaard, talrijke bijgc-
X
VOOKllEDE.
woond, met vuriger ijver volbragt worden, dan ooit te voren.
Met te grootcr geestcrift begroeten wij daarom de hollandsche bewerking van „De Toevlucht der zondaren, de schoonste der Meimaanden,quot; eene pennevrucht, of liever de vrucht der overdenkingen van den II. kerkleeraar en bisschop Alphon-sus Maria de Liguori. Wie toch zal niet gaarne onder de leiding van dien grooten vereerder der H. Moedermaagd, dien veiligen gids op het pad der deugd, dien, zoo oordeelkundigen, als vlijti-gen beoefenaar en leermeester der christelijke volmaaktheid, deze oefeningen ter eere van Maria verrigten? Werkelijk is z.jne ^Schoonste der Meimaanden,quot; gelijk dit vau dien uitmunten schrijver te verwachten was, eene handleiding tot de verdienstelijke vereering en aanroeping van Maria.
De eer, trouwens, die wij aan Maria bewijzen, mag evenmin, als het inroepen van hare bescherming in, eene ijdele, bloot wereldlijke pligtple-ging ontaarden, maar moet eene godsdienstige oefening zijn ; dat wil zeggen : beiden de vereering en aanroeping van Maria moeten ter verheerlijking Gods strekken. Dan slechts kan onze hulde haar aangenaam zijn, wanneer wij van haar willen leeren, haren en onzen God en Heer te beminnen, te prijzen, getrouw te gehoorzamen; dan slechts zullen wij met vrucht haar aanroepen, wanneer wij door hare tusschenkomst vragen wat ons ter zaligheid gedijt, wat ons dienstig is, om don wil Gods al beter, al volmaakter te volbren-
XI
voorrede.
xit
gen. Kortom, Maria vercoren en aan roepen is : haar navolgen en hiertoe hare hulp verzoeken. Met dit doel worde deze „Schoonste der Meimaanden'' gelezen en overwogen. De hoogwaardige schrijver, thans kerkleeraar, was niet alleen één uitstekend geleerde, maar wat hem hier, als leidsman ter godsvrucht, nog sterker aanbeveelt, daarbij een man van verhevene overdenking, Hem, zelf een heilige, zelf zoo leedergevoelig voor de inspraken des H. Geestes, zelf een zoo naauwlettend beoefenaar der volmaakte deugd, hem, die daarenboven met een zoo hoogen graad van gebed begenadigd was, hem is het vergnnd geworden, met eene bon onderenswaardige helderheid in Maria's binnenste, dien spiegel der gerechtigheid, te zien, hare volheid van genade in den geest te aanschouwen, de voornaamste bijzonderheden daarvan na te gaan, te bewonderen, te vereeren. Laat het inwendig gebed des H. Alphonsus'het onze worden ; laat ons trachten, zijne liefdeaandoeningen van hem over te nemen; laat ons vooral zijne goede voornemens ons toeëigenen en ze, gelijk hij, van stonde aan met standvastiger ijver volbrengen, en zijne „Schoonste der Meimaanden''zal dit in waarheid voor ons mede zijn, en ons, onder Maria's hoede in verdiensten cn behagelijkheid bij God helpen opklimmen.
Utrecht, 14 April 1874. J. H. WENSING.
Handleiding tot de devotie der bloemeudeugden
Twaalf akten van deugden.......
Andere kleinere akten van deugden ....
De meest gewone manier om de oefening van de geestelijke bloemen der Meimaand te doen .
Blz. 1. 4.
ü.
|
XXXe April. Over de nooflzakelijkheid van Maria' | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
INHOUD.
Biz
Xlle DAG. Hoezeer ons vertrouwen op Maria moet vermeerderen, omdat zij onze Moeder is.........94.
XHIe „ Over de groote liefde, die deze
XlVe » Maria is de Moeder der rouwmoedige zondaren.......110.
XVe „ Maria is ons aller Hoop .... 117,
XVIe „ Maria is de Hoop der Zondaren . 124.
XVIIe „ Over de bereidwilligheid van Maria in het bijstaan van hen, die haar aanroepen........ 13'2.
XYIIIe „ Over de grootheid en de macht van Maria om hen te beschermen, die door den duivel bekoord worden . 14i.
XlXe „ Maria is een Voorspreekster, die
allen kan redden.......148.
XXe „ Maria is eene zoo teedere Voorspreekster, dat zij zelfs de zaak van den meest ellendigen zondaar niet weigert te bepleiten......155.
XX Ie 53 Over de grootheid van de Goeder-
tierendheid en het lijden var. Maria. !(i3.
XXIIe ,, Maria is geheel on al oog, om medelijden met ons te hebben en om ons in onze noodwendighedenbij te staan. 171.
XXIIIe „ Maria is de Vredestichtster tus-
schen de zondaars en God . . . 177.
XIV
INHOUD.
XV
|
XXIVe DAG. HESLUlï Over voorspraak v Opdracht voor |
Maria is onsleven;omdat zij ons vergiffenis verwerft voor onze zonden. 180. Maria is ook ons leven ; omdat zij ons volharding verwerft . . . IM4. Over de Zoetheid van den naam van Maria gedurende ons leven. '204. Over deZoetheid vanMaria's naam in het uur van onzen dood . . 210 Maria verzoet het stervensuur van hare beschermelingen.....216. Maria bevrijdt hare dienaars van de hel...... . . 221. Maria staat hare dienaars in het vagevuur bij.......22ïJ. Maria leidt hare dienaars ten Hemel..........-3G. de Noodzakelijkheid van Maria's oor onze zaligheid...... 242. den laatslen dag der Meimaand. 2igt;0. |
HANDLEIDING TOT DE DEVOTIE DER J BLOEMENDEÜGDEN.
Gelijk de godvruchtige dienaars van Maria dagelijks drie tijden hebben om haar in 't bijzonder te eeren, des morgens, namelijk, des middags en des avonds; en wekelijks eenen dag, namelijk den Zaturdag, zoo is het ook billijk jaarlijks haar eene geheele maand bijzonderlijk toe te wijden.
En gelijk men gewoon is het beste wat men heeft ten geschenke te geven, is ook niets billijker dan dat de Meimaand met hare bloemenpracht ons uitnoodigt om de Koningin des Hemels met daden van oprechte deugd te kroo-nen. De beoefening nu van deze godsvrucht kan men op de volgende wijze stichtend, aangenaam en tevens afwisselend maken.
Men plaatse in zijn huis een beeld van Maria in het vertrek, waarin het huisgezin gewoon is hare gezamenlijke gebeden te verichten, of ergens in eene kerk of bedehuis en mensieredit beeld zoo goed mogelijk als de middelen het toelaten, als bijv. met kaarsen, of met bloemen, die het jaargetijde in ruime mate aanbiedt.
Het is minder geschikt om hiervoor de plaats te nemen waar men studeert, speelt, zich vermaakt of werkt, tenzij dat men zich daarmede
2
voorstelt om alle handelingen te verrichten als onder de oogen van de allerzuiverste der maagden.
Den avond vóór den eersten dag der Meimaand verzamelt men de geheele familie voorliet genoemde altaar met ontstokene liehten en bidde gezamenlijk den Eozenkrans of hetrozen-hoedjen en daarna de Litanie der H. Maagd. Men kan hier nog andere gebeden bijvoegen, volgens de gewoonten of omstandigheden der familie.
Mén waclite zich er echter wel voor om het getal dezer gebeden bovenmatig te vergrooten, en daardoor de godsvrucht te doen verminderen, of om ze achteloos te doen opdreunen door oververmoeide kinderen en dienstbare personen.
Na afloop van deze gebeden trekt ieder door het lot voor dezen eersten avond eene der Geestelijke bloemen, die hieronder worden opgegeven, en die men te voren moet overschrijven en als briefjes opvouwen. De bloem, die men op deze wijze trekt, moet ieder voor zich afzonderlijk voor de geheele maand in beoefening nemen.
Daarna trekt ieder insgelijks door hot lot eene van de kleine bloemen, die onder in eene tweede reeks worden opgegeven en die alleenlijk voor den volgenden dag moeten dienen. Daarna leest men de overweging voor den eersten dag der Meimaand met het bijgevoegde Voorbeeld, en het Gebed.
3
ils Al hetgeen voor den eersten avond is gezegd
n. moet iederen volgenden avond herhaald worden,
ii- met uitzondering van het trekken van die bloe-
or men, welke voor de jeheele maand ter beoefe-
en ning zijn aangewezen, nogthans drage men er
n- zorg voor om deze evenzeer te beoefenen als de ;d. ' anderen, die men 'quot;an dag tot dag cp nieuw
:n, trekt; men denke een weinig bij ziehzelven
fa- na over de punten der Overweging, en herhale gedurende den dag uu en dan het Gebed, dat
iet bij de Overweging is aangegeven.
;n. Daarenboven kwijt,e men zieh alle acht, of
;n, minstens alle veertien dagen van zijne godsdien-
sr- stige plichten, door namelijk met meer dan gewone godsvrucht te biechten en te kommnnicee-
jor ren. Dagelijks wanneer gij uitgaat, zoo kom
es- niet weder thuis zonder, als 't mogelijk is, eene
ge- aan Maria toegewijde kerk of altaar te hebben
'en bezocht.
ten Gedraag u verder gedurende de geheele maand
3n- zoodanig en verricht alle uwe handelingen op
ing zulke wijze, dat gij vermijdt, om in iets aan de
allerzuiverste oogen van Maria te mishagen.
ene Bij het einde der maand maakt men van
ene zijn hart eene opdracht aan Maria tolgens het
lijk voorbeeld, dat men daarvoor aan het einde van
rna dit werkje vindt.
iag
4
om gedurende de geheele Meimaand beoefend
te worden en waarvan ieder lid der familie of
der vereeniging op den vooravond van den
eersten dag er eene door het lot trekt.
I. Als het uur van ontwaken is gekomen sta vlug op, om den dag niet met eene handeling van traagheid te beginnen; kleed u vervolgens met zedigheid en doe een of ander schietgebed.
II. Woon dagelijks godvruchtig de H. Mis bij en bid dan de Getijden der H. Maagd en andere godvruchtige gebeden ter harer eere.
III. Lees dagelijks een kwartier uurs in een geeste-telijk boek, bijv. het leven van een Heilige, eene verhandeling over de vier uitersten enz.; onthoud u geheel en al van het lezen van wereld-sche boeken, zoo uw beroep er u niet toe dwingt.
IV. Ontzeg u dagelijks een of ander klein, in zich zelf onschuldig genoegen, dat u bijzonder behaagt, zoo als het genieten van eene of andere spijze, het voldoen eener nieuwsgierigheid, het ruiken van eene bloem, het hooien van muziek, enz.
V. Wees mededeelzaam jegens den arme, geef hem nu en dan vrijwillig eene aalmoes, of anders een gedeelte van uwen maaltijd.
VI. Kniel dagelijks voor gij u naar uwe zaken begeeft, voor gij u tot studeeren of tot werken zet, een oogenblik neder en roep met een en-
5
kei „Wees gegvoetquot; de bijstand in van de Heiligste der maagden.
VII. Wanneer gij door den dag nn en dan uwe kamer verlaat of die binnentreedt, vereer dan de beeltenis van Maria en groet haar met een „Wees gegroet.quot;
VIII. Oefen u in liet stipt en met blijmoedigheid
gehoorzamen aan uwe oversten en dat wel met iig den meesten spoed, zoo ten minste hetgeen zij
an u zeggen niet onbehagelijk is aan God.
iet IX. Vermijd om van uwen evennaaste kwaad te spre
ken of hem te laken, ook in kleinere zaken en om u op deze wijze te oefenen van liet in
;re grootere nog minder te doen.
X. Tracht dagelijks een in den godsdienst verflauwd ite- persoon door uw woord en voorbeeld tot een ;ne of ander goed werk over te halen, bijv. liet bent- zoeken eener kerk, het bidden van den Rozen-Id- krans, tot biechten, tot kommuniceeren, of iets gt. dergelijks.
ich XI. Versterf u dagelijks in uwen eetlust, door ge-be- heel of gedeeltelijk die vleeschsprijzen te laten, dre die u het beste toeschijnen, door bijv. aan tafiet fel, of wanneer gij dorstig zijt, niet te drin-tiu- ken, enz.
XII. Onthoud u deze geheele maand van vrijwillige em dagolijksche zonden.
ers
be-cen en-
ANDERE KLEINERE AKTEN VAN DEUGDEN.
om op iederen dag der Meimaand door liet lot getrokken te worden.
I. Vereer godvruchtiglijk die boeken, waarin de H. Naam van Maria geschreven staat.
II. Hoor eene H. Mis voor die ziel uit het vagevuur. die de grootste devotie tot Maria heeft gehad.
III. Wanneer gij de klok hoort slaan zoo bid een „Wees gegroet.quot;
IV. Zoodra gij zijt opgestaan en ook des nachts keer u zooveel mogelijk naar eene kerk heen, of naar een beeld, dat daar het meest wordt vereerd en vraag de H. Maagd om haren zegen,
V. Bewijs eene vriendelijkheid aan iemand tegen wien gij een afkeer hebt, of die in u iets heeft beleedigd.
VI. Bewaar uwe zintuigen en vooral uwe oogen met meer dan gewone zorg.
VII. Bid vijf tientjes van den Rozenkrans, en besteed daartoe eenigen tijd van ontspanning.
VIII. Bid driemaal de „De profundis' voor die ziel van het vagevuur, die de grootste godsvrucht heeft tot de H. Maagd.
IX. Hoor de H. Mis met ter neder geslagene oogen.
7
X. Tracht ter cere van Maria geen enkelen rege van uwen staat te overtreden en vooral niet die, welke ii gewoonlijk het lastigste vallen.
XL Onthoud u van iemand te beleedigen en wanneer gij zelf beleedigd wordt laat u dat geduldig welgevallen.
XII. Wees stipt in uwe studie, in uwe gebeden en in alles wat u door uwen staat wordt voorgeschreven.
XIII. Draag bij den aanvang van den dag, te gelijk met alle zintuigen van uw lichaam, de daden, welke gij dien dag zult verrichten, aan de H. Maagd op.
XIV. Houd gedurende een kwartier uurs eene kleine overweging.
XV. Doe eene geestelijke kommunic gedurende de H. Mis door de oefeningen; i. van Geloof; 2. van Aanbidding; 3. van Berouw; 4. van Goed voornemen; 5. van Begeerte om Jezus te ontvangen.
XIV. Zoo gij eenige ijdelheid hebt in uwe kleederdracht, neem deze weg en geef de waarde er van aan den arme.
XVII. Verwek gedurende den dag twee akten van Berouw en kus tweemaal het kruisbeeld.
VIII. Sta des morgens vlug op, om den dag niet met eene handeling van traagheid te beginnen.
XIX. Ontzeg u een of ander geoorloofd vermaak, dat gij op het oog hebt.
XX. Lees gedurende een kwartier uurs een godvruchtig boek.
XXI. Onderzoek dezen avond, voor gij naar bed gaat, uw geweten.
XXII. Eet en drink gedurende den dag niets dan hetgeen noodzakelijk is.
XXIII. Versterf dezen dag driemaal uwen wil en offer deze drie handelingen aan Maria op.
XXIV. Bewaar een gedeelte van uw middag- of avondeten voor een of anderen arme.
XXV. Bezoek, wanneer gij dit kunt, een gevangene of een zieke, of wel troost op eene of andere wijze een bedroefde.
XXVI. Beveel godvruchtiglijk aan Maria de zielen dergenen die in doodstrijd zijn.
XXVII. Doe eene daad van uitwendige nederigheid, om aan Maria te behagen.
XXVIII. Doe eene of andere lichaamsversterving, welke uw biechtvader raadzaam oordeelt.
XXIX. Vermijd alle traagheid in geestelijke en godvruchtige zaken.
XXX. Bid zevenmaal het „Glorie zij den J-Wt'rquot; mei gekruiste armen, ter eere der zeven smarten van Maria.
XXXI. Vraag aan Maria om vergeving voor alle nalatigheden gedurende deze maand door u begaan.
Waar de trekking dezer bloemen door liet
lot niet wel kan geschieden kan men er ook
dagelijks eene nemen in de volgorde, waarin zij
9
geplaatst zijn. Zoo men ze echter bij het lot trekt is het goed uit deze een-en-dertig slechts die te kiezen, welke geschikt zijn voor de personen, die deze maand te zamen houden: men schrijft ze dan op briefjes en trekt ze iedereu avond voor den volgenden dag, gelijk in de inleiding tot deze devotie is gezegd.
De meest gewone manier om de oefening van de geestelijke bloemen der meimaand te doen.
Het kan niet twijfelachtig zijn dat de meest gewone oefening en de meest behagelijke eerbetuiging aan Maria is eene godvruchtige en ge-loofvolle oefening van deze geestelijke bloemen.
Om echter deze devotie tot grooter troost in het stervensuur te doen zijn, neemt men een blad papier en schrijft daarop boven aan:
„Een bloemkrans door mij N. N., den grootsten der zondaars, geplukt, o7n aan de H. Maagd in het uur mijns doods te worden aangeboden. Begonnen in het jaar.... op den eersten dag der maand Mei.quot;
Hieronder schrijft men alle de dagen der Meimaand in de volgende orde.
Eerste dag.
Tweede dag, enz. enz.
10
Aan den avond nu van iederen dag onderzoekt men, of men de twee geestelijke bloemen, namelijk die welke ons door het lot voor de geheele maand en voor dien dag afzonderlijk is aangewezen, geplukt heeft en zet daarvoor dan een 4* achter den dag. Voor iedere bloem, die men verzuimd heeft, zot men een O en maakt daarbij het voornemen dit den volgenden dag te verbeteren.
Wanneer men op deze wijze daarvan dagelijks aanteekening houdt heeft men op het einde der maand een overzicht over allen. Dan offert men die op den eersten zondag van Juni aan de Allerheiligste Maagd, besproeid met het bloed van haren Goddelijken Zoon, op en vraagt de Moeder der Barmhartigheid, om voor deze kleine gift in het uur des doods eene belooning te mogen ontvangen. En wie zou er aan kunnen twijfelen, dat de H. Maagd, die zoo vrijgevig en edelmoedig is met de gloriekroonen, die zij ter harer beschikking heeft, er ook niet eene enkele zal afzonderen voor den gene, die zich met onafgebroken volharding heeft beijverd, om haar dc bovengenoemde kroon aan te bieden.
Inleiding voor den SOsten dag der maand April.
Over de noodzakelijkheid van Maria's voorspraak voor onze zaligheid.
Het is een geloofsartikel, dat het niet alleen 1 o f f e 1 ij k maar ook nuttig is, om de Heiligen en op de eerste plaats de Koningin der Heiligende Allerheiligste en s.ltijd gezegende Maagd Maria, te bidden, om ons de genade Gods te verkrijgen. Deze waarheid is door verschillende algemeene Kerkvergaderingen vastgesteld tegenover ketterijen, die haar hadden veroordeeld als beleedigend voor Jesus Christus, die onze cenige Middelaar is. En hoe ook, indien Jere-mias na zijn dood voor Jeruzalem bad; indien De Ouderen vau de Openbaring de gebeden der Heiligen aan God aanboden; indien de H. Petrus aan zijne leerlingen beloofde dat hij hunner na zijnen dood zou gedenken, indien de H. Ste-phanus voor zijne vervolgers en de H. Paulus voor zijne metgezellen bad, in een woord indien de Heiligen voor ons kunnen bidden; waarom zouden wij hen niet mogen verzoeken om onze voorsprekers te willen zijn? De H. Paulus zelf beveelt zich in de gebeden zijner leerlingen aan; „broe-
12
dors bidt voor mij,quot; De II. Jacobus vermaant ona om voor elkander te bidden; „bidt voor elkander, opdat gij zalig wordt,quot; en waarom zouden wij dan niet datzelfde mogen doen?
Niemand zal ontkennen, dat Jesus Christus onze eenige Middelaar der Beolitvaardigheid is en dat Hij door zijne eigene verdiensten onze verzoening met God heeft verkregen. Maar van den anderen kant is het goddeloos te beweren dat het Gode niet behagelijk is om ons genade te geven door de voorspraak van zijne Heiligen en wel bijzonderlijk van zijne Moeder Maria, die Jesus zoo gaarne van allen bemind en geëerd ziet. Van daar dat de geleerde Suarez zeer juist aanmerkt, dat het geen wantrouwen is in de goddelijke goedheid, wanneer wij O. L. Vrouw vragen om ons eene gunst te verkrijgen, maar eerder dat wij, onze eigene onwaardigheid en slechte gesteldheid kennende, ons aan Maria aanbevelen, opdat hare waardigheid onze ellende moge goed maken. Dat het nuttig is en heilig om zijne toevlucht te nemen tot de voorspraak van Maria, kan slechts betwijfeld worden door hen, die geen geloof hebben; maar hetgene wij van plan zijn hier te bewijzen is, dat de voorspraak van Maria zelfs noodzakelijk is ter zaligheid, dat wil zeggen, niet volstrektelijk maar z e d e 1 ij k gesproken.. Deze noodzakelijkheid vloeit voort uit den wensch van God zeiven, dat alle genaden, die hij geeft, ons mogen toevloeien door de handen van Maria, zooals de
13
H. Beruardus reeds leerde en zooals wij he{ nu veilig de meening mogen noemen van alle godgeleerden en bekwame mannen.
Doch laat ons nagaan, wat de heiligen over dit punt zeggen. De H, Bernardus zegt: „datquot; „God Maria zoodanig heeft vervuld met alle „genaden, dat door hare handen, gelijk door „eene leiding, alle goed tot ons komt. „Zij isquot; „zegt hij, eene overvolle waterstroom, uit wiens „overvloed wij allen kunnen ontvangen.quot; Hierover maakt deze Heilige de volgende aanmerking vol beteekenis: „vóór de geboorte der H. Maagd werd er voortdurend verlangd naar een bron van zegen, omdat deze nog niet bestond; maar nu Maria aan de wereld is geschonken, overstroomt ons voortdurend een vloed van he-melsehe zegeningen. Om deze reden ook wordt zij de Maan genoemd, volgens hot woord van den H. Bonaventura, „gelijk de maan die tus-sohen de zon en de aarde staat, aan deze het licht geeft, wat zij van gene ontvangt, zoo ook stort Maria op ons stervelingen de hemelsche genaden uit, die zij van de Goddelijke Zon der Gerechtigheid ontvangt.quot; Daarom ook noemt de H. Kerk haar de Gelukkige Deur des Hemels, zooals weder de H. Bernardus opmerkt: „gelijk iedere gunstbewijzing van een koning moet gaan door de deur van zijn paleis, zoo ook gaat iedere genade, die van den Hemel tot do aarde komt, door de handen van Maria.quot; De H. Bonaventura zegt: „Maria wordt daarom de Deur des
14
Hemels genoemd, omdat niemand dat gezegend Koninkrijk kan binnentreden tenzij door Haar.quot; Daarom ook zegt Vader Suarez, dat het alge-meene gevoelen der Kerk is, dat de tussclien-komst en de gebeden van Maria, boven alle anderen, niet alleen nuttig, maar zelfs noodzakelijk zijn, noodzakelijk in den zin, waarin wij dat boven zeiden, doch niet als onvoorwaardelijk noodzakelijk, (omdat de tussehenkomst van Christus alleen onvoorwaardelijk noodzakelijk is;) maar alleen zedelijk gesproken noodzakelijk; omdat de H. Kerk met den H. Bernardus gelooft, dat God besloten heeft geene genaden te geven dan door Maria's handen. God wil, zegt deze Heilige, dat wij niets zouden krijgen dan dooide handen van Maria. En vóór den H. Bernardus beweerde reeds de H. Ildefonsus hetzelfde, toen hij de H. Maagd met de volgende woorden toesprak: „O Maria, God heeft besloten, om alle goede gaven, die hij voor het mensehdom bestemd heeft, aan uwe handen toe te vertrouwen en daarom heeft hij alle schatten en genade-rijkdommen aan u gegeven.quot; De H. Petrus Damianus beweert, dat God niemand wil bezitten zonder toestemming van Maria, ten eerste, opdat wij ons tegenover Haar ten hoogste mogen verplicht gevoelen, en ten andere, opdat wij zouden begrijpen, dat de zorg voor aller zaligheid aan de H. Maagd is toevertrouwd. De H. Bonaventura de woorden vaa den profeet Isaïas lezende: ,/daar zal een stam uit
15
I den Wortel van Jesse opschieten, eene bloem
zal op dezen stam groeien en de H. Geest zal daarop rusten,'' maakt daarover deze sehoone opmerking: ,/AVie de zevenvoudige genade van den i H. Geest verlangt te bezitten, hij zoeke deze
bloem op den stam, dat wil zeggen, hij zoeke Jezus bij Maria ; want door den stam vindt hij de bloem en door de bloem God zelf,quot; en hij voegt er bij; ,/Zoo gij de bloem wenseht te bezitten, buig dan door uw gebed den stam, die haar draagt, neder en gij zult haar verkrijgen.quot; Op dezelfde wiji'.e zegt ook de Strafijn-sche Vader : „vruehteloos zullen wij Jezus zoeken, zoo wij Hem trachten te vinden zonder Maria.quot; En dc H. Ildelonsus spreekt: „ik wensch de dienaar van den Zoon te zijn, maar dewijl niemand dit ooit kan zonder de Moeder te dienen, wensch ik ten eerste de dienaar van Maria te worden.quot;
In Uuitschland viel iemand in eene zware zonde, die hij uit schaamte niet durfde biechten. Van den anderen kant de knaging van zijn geweien niet kunnende uitstaan, besloot hij zich te gaan verdrinken. Hiertoe op weg zijnde begon hij te wankelen en smeekte God met bittere tranen om hem deze zonde zonder biechten te
16
willen vergeven. Den volgenden iiaeht schudde iemand hem bij den arm wakker en sprak: ^ga ter biecht,quot; Hij ging daarop naar eene kerk, maar nog durfde hij zijne misdaad niet belijden. Den volgenden nacht hoorde hij weder die stem en ging nogmaals naar diezelfde kerk ; maar daar gekomen besloot hij liever te sterven dan zijne zonde ooit te belijden. Alvorens echter naar huis terug te keeren, knielde hij voor Maria's beeld neder en beval zich aan hare voorspraak aan; maar nauwelijks was hij nedergeknield, of eensklaps gevoelde hij zich geheel veranderd, stond op, riep een biechtvader en beleed zijne fouten ouder tranen van dankdaarheid voor de genade door IVlaria hem geschonken, terwijl hij later verklaarde, dat hij daardoor grooter genoegen had gesmaakt dan zoo hij alle schatten der we-relcl had verkregen.
Zie, o mijne ziel, welke zekere hoop op de zaligheid en het eeuwige leven God in zijre goedheid. u heeft gegeven door u vertrouwen te schenken op de bescherming van Maria, Zijne H. Moeder, en dit niettegenstaande gij zoo me-nigwerf door uwe zonden Zijn toorn en de hel hebt verdiend. Dank uwen God, dank Maria, uwe beschermster, die zich heeft verwaardigd
17
ii met haren mantel te bedekkenj want hiervan moogt gij, na de vele genaden, die gij van haar hebt ontvangen, wel overtuigd zijn. Dank dan, innige dank, mijne lieve Moeder, voor alles wat gij gedaan hebt voor mij zondaar, die voor de hel bestemd was. Van hoevele gevaren, o mijne Koningin, hebt gij mij niet bevrijd. Hoevele goede ingevingen, hoevele gunsten hebt gij niet voor mij van God verkregen. En welken dienst, welke eer hebt gij ooit vaa mij ontvangen, dat gij zooveel voor mij moest doen.
Ja, ik moet het erkennen, het is enkel uwe goedheid, die u heeft aangedreven. Ach, al te weinig zou het zijn, bij 't geen ik u verplicht ben, zoo ik mijn bloed voor u vergoot, zoo ik mijn leven gaf voor u, die mij van den eeuwigen dood hebt gered. Gij hebt mij zoo als ik hoop, weder geschikt gemaakt, om de goddelijke genade te verkrijgen; aan u ben ik alles verplicht wat ik ben en wat ik bezit. O allerbeminnelijkste Vrouwe, ik, arme, ellendige die ik ben, wat kan ik u voor dit alles wedergeven dan dat ik u altijd bemin en prijs. Ach, versmaad, bid ik u, de teedere genegenheid niet van een armen zondaar, die door uwe goedheid in liefde tot u is ontstoken. Is miju hart onwaardig om u te beminnen, omdat het onzuiver is en vervuld met aardsehe genegendhedeu, o, neem het aa* en verander het, verander het naar uwen wil. Hecht mij aan mijnen God cn hecht mij er zoo aan, dat ik niet meer in staat ben mij van
18
zijne liefde te scheiden. Gij verlangt dat ik mijn God zal beminnen; welnu, verkrijg voor mij dat ik Hem altijd moge liefhebben en dienen, dit is al wat ik van uwe goedheid vraag. Amen.
Gelijk de Gezegende Maagd de Moeder is der heilige liefde en hoop, zoo is zij ook de Moeder van het Geloof, „ik ben de Moeder der ware liefde, van de vrees, der kennis en van de heilige hoop.quot; En met reden is zij dit, zegt de H. Ireneus; „het kwaad door Eva's ongeloovig-heid gedaan is door Maria's geloof hersteld.quot; Dit bevestigt ons ook Tcrtulianus wanneer hij zegt, dat, gelijk Eva, in strijd met Gods verzekering de slang geloovende, het kwaad in de wereld heeft gebracht, zoo ook onze Koningin de zaligheid in de wereld heeft gebracht; omdat zij den Engel geloofde toen hij zeide, dat zij maagd blijvende tegelijk Gods Moeder zou worden; want de H. Augustinus zegt, dat „toen Maria toestemde in de monsehwording van het Eeuwig Woord, zij door haar Geloof voor den mensch den hemel opende.quot; „Pator Suarez zegt,
19
dat Maria meer geloof had dan alle mensehen en engelen te zamen. Zij zag haren Zoon in de kribbe van Bethleem en geloofde Hem den Schepper der wereld; zij zag Hem voor Herodes vluchten en geloofde Hem den Koning der Koningen; zij aag Hem geboren worden en geloofde Hem Eeuwig; zij zag Hem arm zijn en in broodsgebrek en geloofde Hem den Koning van het heelal; zij zag Hein op stroo liggen en geloofde Hem Almachtig; zij zag hem stilzwijgen en geloofde Hem do oneindige Wijsheid; zij hoorde hem weenen en geloofde Hem de eeuwige Vreugde van het Paradijs; eindelijk zag zij hem sterven gekruist en veracht en, hoewel de anderen in het geloof wankelden, Maria bleef standvastig iu het geloof dat Hij Grod was. Over deze woorden van het Evangelie: „bij het kruis stond Maria de Moeder van Jezus,'' zegt de H. An-tonius; „Maria stond daar gesteund door haar onwankelbaar geloof in de Godheid van Jcsus Christusquot;. Daarom ook verzekert ons de zalige M-bertus de Groote, dat „Maria toen waarlijk volmaakt geloofde; want toen de leerlingen zelfs twijfelden twijfelde zij niet.quot; Daarom verdiende Maria door haar groot geloof, om „het licht van alle geloovigenquot; te worden, gelijk de H. Methodius haar noemt en de „Koningin van het ware geloof,quot; gelijk de H. Cyrillus vau Alexandrië zegt. De H. kerk zelve schrijft aan Maria's gelooi de vernietiging van alle ketterijen toe: ^verheug u, o Maagd Maria; want
20
gij alleen hebt alle Ketterijen de geheele wereld door verstrooid.quot; üe li. Thomas van Vellanova de woorden van den II. Geest uitleggende: „Gij hebt mijn hart gewond, mijne zuster, mijne bruid,. . . met een van uwe oogen,quot; zegt, dat „die oogen het geloof van Maria zijn, waardoor zij zoo grootelijks aan den Zoon Gods behaagde,quot; Üe H. Ildefonsus vermaant ons om Maria's geloof na te volgen. Maar hoe kunnen wij dit? Geloof is te gelijker tijd eene gave en eene deugd. Het ia eene gave Gods voor zoo verre het een licht is, dat Hij in onze zielen stort, en eene deugd voor zoo verre de zfel zich moet oefenen in de uiting daarvan; hierom moet liet geloof niet slechts de richtsnoer zijn van ons gelooven, maar ook van onze handelingen en daarom zegt de H. Gregorius: „waarlijk hij gelooft, die hetgeen hij gelooft in beoefening brengt.quot; De H. Augustinus zegt, „gij zegt te gelooven, welnu doe wat gij gelooft en dan is het geloof. „Dit is een levend geloof hebben om volgens dat geloof te leven: „de regtvaardige mensch leeft door het geloof.quot; Zoo leefde de H. Maagd zeer verschillend van hen, die niet leven volgens hetgeen zij gelooven en wier Geloof dood is, gelijk de H. Jacobus zegt: „Geloof zonder de werken is dood.quot; Diogenes zocht op aarde naar een mensch: maar God schijnt onder dc vele geloovigen naar een Christen te zoeken; want er zijn er weinigen, die de goede werken Lebben, het grootste deel heeft er slechts
21
den naam van. Op dezulken moet men de woorden toepassen, die Alexander eens een vreesachtig soldaat toevoegde: „of wel verander uw naam, of wel uw gedrag.quot; Maar, gelijk Pater Avila gewoon was te zeggen, „het ware beter om deze arme schepselen als krankzinnigen op te sluiten, die, levende als geloofden zij aan niets, nogthans meenen, dat er ecne zalige eeuwigheid bereid is voor hen, die hier een gemakkelijk leven leiden en eene ongelukkige eeuwigheid voor hen, die hier een raoeielijk leven hebben. De H. Augus-tinus vermaant ons dus om de dingen met de oogen eens Christens te zien, dit is met oogen, die alles in het licht des Geloofs zien; want, gelijk de li. ïeresia dikwijls zeide, alle zonden komen door gebrek aan geloof.
De H. Stanislaus, die geheel en al aan de liefde van Maria was toegewijd, had op den Isten Augustus 1568 het geluk om eene preek van den Z. Pater Petrus Canisius te hooren, die de novicen der sociëteit vermaande, om iedere maand zoo te leven alsof dit de laatste huns levens zou zijn en alsof zij in deze voor Gods rechterstoel zouden moeten verschijnen, Na deze preek verhaalde de H. Stanislaus aan
22
zijne gezellen, dat deze raadgeving voor hem in het bijzonder de stom van God was geweest; want dat hij in den loop dier maand zou sterven en uit hetgeen volgde is het duidelijk, dat God hem dit had geopenbaard, of len minste, dat Hij hem daarvan een zeker inwendig voorgevoel had gegeven. Vier dagen daarna ging hij met Pater Eramanuel naar de Kerk der H. Maria de Meerdere; het gesprek viel op het naderende feest van Maria's Hemelvaart en de Heilige zeide: „Pater ik geloof, dat op dien dag-het Paradijs met een nieuwe vreugde vervuld wordt, wanneer daar de glorie van de Moeder Gods tot Koningin des Ilemeis gekroond en naast God boven allo koren der engelen te zien is, en daar dit feest, zooals ik zeker geloof, telken jare vernieuwd wordt, hoop ik het den eerstvolgenden keer te zien. De roemrijke martelaar Laurentius was hem die maand, (gelijk men dit in de Societeit gewoon is te doen,) door het lot toegewezen. Men zegt dat hij een brief aan zijne Moeder Maria schreef, in welken hij haar om de gunst vroeg van bij hare eerstkomende feestviering in den hemel tegenwoordig te mogen zijn. Op den feestdag des H. Laurentius ontving hij de H. Kommunie en verzocht daarna den Heilige om dezen brief aan de Moeder Gods aan te bieden en het verzoek met zijne tassehen-komst te ondersteunen; opdat de H. Maagd het genadiglijk mocht aannemen en toestaan. Tegen het einde van dienzelfden dag werd hij door
23
u ecnc koorts iiaiigetast, cn, hoewol deze licht was,
; meende hij zekerlijk de gunst, die lüj had ge
vraagd, te hebben ontvangen, zooals hij met ,t vreugde zeide terwijl hij met een opgeruimd ge-
laat naar bed ging: „van dit bed zal ik niet meor opstaan.quot; Aan Pater Claudius Aquaviva ij ' zeide hij: ,/Pater, ik gelooi', dat de H. Lauren-tius mij de guust reeds van Maria heeft verkregen om het feest harer hemelvaart in den e licmel te vieren.quot; Niemand echter sloeg veel acht
g op deze woorden; want daags voor den feestdag
d soheen zijne ziekte nog weinig beduidend, hoe-
ir wel de Heilige aan den ziekenbroeder verzekerde,
;t dat hij dien nacht zou sterven. „Maar broeder,quot;
jj antwoordde deze, „het zou grootcr wonder zijn
om aan eene zoo geringe ziekte te sterven dan n om er van te genezen.quot; Niet te min viel hij in den
namiddag in eene doodelijke bezwijming, het k koude zweet brak hem uit en hij verloor alle
ir kracht. De overste ijlde tot hem en Stanislaus
;f verzocht op den barren vloer gelegd te mogen
,r worden, om als een boetvaardige te sterven. Om
e t hem te voldoen werd dit toegestaan en legde i- men hem op eene dunne matras op den grond,
is Hij biechte daarop en ontving, terwijl de om-
a standers weenden, do laatste Teerspijze. Ik zeg
lS dat de omstanders weenden; want toen het H.
i- Sakrament de kamer werd binnengebracht blon-
it ken zijne oogen van hemelschc vreugde en was
n zijne geheele houding vol heilige liefde, zoodat
ir t hij eenen seralijn gelijk scheen. Hij ontving daarop
het H. Oliesel en hield voortdurend zijne oogen ten hemel geslagen terwijl hij Maria's beeld vol liefde aan zijn hart drukte. Een Pater vroeg hem, waarom lüj den rozenkrans in zijne handen hield, daar hij dien toch niet kon bidden, en lüj antwoordde, „deze is mij ten troost, omdat het iets is dat aan mijne Moeder behoort.quot; Hoeveel grooter zal niet uwe troost zijn, vervolgde de Pater, „wanneer gij haar binnen kort ziet en hare handen in den hemel kust.' IJM hoorende geraakte de Heilige geheel en al in vuur, hief zijne handen op om zijn verlangen naar hare tegenwoordigheid uit te drukken. Daarop verscheen zijne dierbare Moeder hem, gelijk hij aan de omstanders zeide, en kort daarna ontsliep hij als een Heilige bij het aanbreken van den IS'1™ Augustus, met de oogen hemelwaarts gericht en zonder den minsten doodstrijd; zoodat, toen men hem Maria's beeld voorhield en zag, dat hij daarvan geen besef meer had, men pas bemerkte, dat hij was heengegaan, om de voeten zijner beminde Koningin in het Paradijs te gaan kussen.
36
O mijne zoete Vrouwe en mijne Moedor, gij hebt de aarde reeds verlaten en uw Koninkrijk in bezit genomen, waar gij als Koningin boven de koren der engelen troont, gelijk de Kerk zingt: „Zij is verbeven boven allo koren dor engelen in het hemelsebe Koninkrijk.quot; Maar wij weten, dat gij in uwe grootheid ons ellendige schepselen niet hebt vergeten en dat gij, hoewel tot zoo groote glorie verheven, nimmer het medelijden voor ons arme Adam's kinderen hebt verloren, ja, dat dit zelfs in u vermeerderd is. Van den hoogen troon, waarop gij verheven zijt, o Maria, sla uwe medelijdende oogen op ons neder en erbarm u onzer. Herinner u, dat gij, bij het verlaten der wereld, belooft heb om ons niet te zullen vergeten. Zie ons aan en help ons. Zie te midden van welke stormen en gevaren wij ons voortdurend bevinden en tot het einde van ons leven zullen zijn. Verkrijg ons de heilige volharding in de goddelijke vriendsehnp en dat wij in de genade Gods dit leven verlatende ook eens uwe voeten in het Paradijs mogen komen kussen en met de zalige geesten u mogen prijzen en den lof toezingen, welken gij verdient. Amen.
26
De Hoop neemt zijn oorsprong in liet geloof; want God doet ons door het Geloof de volheid zijner goedheden kennen en der beloften, die Hij heeft gedaan; opdat door die kennis de Hoop bij ons moge aangroeien lot de begeerte om Hem te bezitten. Maria nu had de deugd van geloof in den hoogsten graad en daarom ook was hare hoop tot dezelfde volmaaktheid geklommen, zoodat zij met David kon uitroepen: „het is mij wel mijnen God aan te hangen en mijne hoop te stellen op den Heer, mijnen God.quot; Maria was waarlijk de geloofvolle Bruid des H. Geestes, van welke gezegd is: „wie is zij die oprijst uit de woestijn, overladen met bekoorlijkheid en steunende op bann Bruidegom;quot; omdat Maria immer volmaakt onthecht was aan alle aardsche geneigdheden, de wereld aanziende voor eene woestijn, in niets steunende op de schepselen, noch op eigen verdiensten, maar enkel op de genade Gods, op welke zij al haar vertrouwen stelde, en daarom ook ging zij ook steeds vooruit in dc goddelijke liefde. Het eerste blijk van de grootheid van haar vertrouwen op God gaf Maria bij het zien van
27
den angst van haren bruidegom den H. Jozef; want deze, hare wondervolle zwangerschap niet kunnende verklaren, was beangst bij de gedachte van haar te verlaten: „Jozef was van gedachte om haar in het geheim te verlaten.quot; Het scheen toen noodzakelijk om het verborgen geheim aan den li. Jozef te openbaren; maar neen, zij wilde de groote gunst, die zij had ontvangen, niet bekend maken, maar oordeelde het beter om zich geheel en al aan de voorzienigheid Gods over te geven, in het volle vertrouwen dat God zelf hare onschuld en eer wel zou verdedigen. Uit is juist was Cornelius a Lapide bii zijne verklaring van de bovengenoemde woorden van het Evangelie zegt: „Ue H. Maagd wilde dit geheim niet aan den ü. Jozef openbaren ; opdat het niet zou schijnen dat zij groot ging op de aan haar gesohonkene genade Daarom vertrouwde zij zichzelve aan de zorg van God in de volste overtuiging, dat Hij hare eer en onschuld wel zou weten te bescliermen.'' Zij toonde andermaal haar vertrouwen op God, toen zij, wetende dat de geboorte-tijd des Heeren nabij was, in de herbergen te Bethleëm werd afgewezen en verplicht werd Hem in eenen stal te baren „Zij legde Hem in eene kribbe, omdat er geen plaats in de herberg was.quot; Ook toen uitte zij geene enkele klacht; maar, zichzelve geheel aan God overgevende, was zij verzekerd, dut Hij haar wel zou bijstaan.
Nog toonde de Moeder Gods, hoe groot haar
28
vertrouwen op de goddelijke Voorzienigheid was, toen zij van den H. Jozef de tijding ontving van de vlucht naar Egypte. Nog in dicnzelfden nacht ondernam zij die lange reis naar een vreemd en onbekend land, zonder levensbehoeften, zonder geld, alleen met het goddelijk kind Jesus en haren armen echtgenoot, „die opstond in den nacht, het Kind en zijne Moeder nam en naar Egypte vluchtte.quot;
Grooter nog was het vertrouwen dat zij toonde toen zij haren Zoon op het bruiloftsfeest te Cana om wijn vroeg; want toen zij zeide, „zij hebben geen wijn meer,quot; antwoordde Jesus haar: Vrouw wat is er tusschen u en mij? mijn uur is nog niet gekomen.quot; Na dit auclwoord, dat wel ala eeiie volkomene weigering mocht gelden, was haar vertrouwen in de goddelijke goedheid toch zoo groot, dat zij aan de dienaren gebood om te doen wat Hij hun zeggen zou; omdat zij verzekerd was, dat de gunst haar zou worden toegestaan : „doet wat Hij u zeggen zal.quot; Ea zoo ook geschiedde het inderdaad; Jesus beval de kruiken met water te vullen en varanderde dit in wijn.
Lecren wij dus van Maria om in God dat geheole vertrouwen te hebben, wat wij in alle zaken, m:iar vooral in die van ons eeuwig Heil behoeven. Het is wel waar, dat wTij in deze zaak moeten medewerken; maar het is van God alleen, dat wij de noodige genaden moeteu hopen om die te verkrijgen. Wantrouwen wij onze
29
eigene krachten en zeggen wij met den Apostel: ;/Ik kan alles door Hem die mij versterkt.''
Het hier volgende voorbeeld vindt men in geen enkel boek aangehaald, het is mij verhaald door een mijner vrienden, die mij ver-zekerde, dat het hem/,elven was overkomen. Deze priester was bezig met biechthooren toen hij (ik verzwijg den naam des persoons en van de plaats, otsehoon hij verlof gaf tot openbaarmaking van het voorval,) een jong menseh voor zich zag, die si'heen tc willen maar niet te dur ven biechten. Na hem verscheidene malen te hebben aangezien, vroeg de Pater hem eindelijk of hij wensehte te biechten. Hi; andwoordde vim ja, maar vroeg hem dit in eene afzonderlijke kamer te mogen doen, daar deze biecht waarschijnlijk lang zoude duren. .De biechteling begon daarop te zeggen, dat hij een vreemdeling was van aanzienlijke geboorte, die zulk een misdadig leven had geleid, dat hij geloofde dat God hem onmogelijk kon vergeven. Behalve een groot gelal schandelijke zonden en moorden, die hij had bedreven, wide hij dat iiij geheel en al aan zijne zaligheid wanhoopte, dat hij zondigde niet slechts uit kwade gewoonte, maar
80
met liet doel om God te belecdigen, of uit haat om Mem te treffen. Hij zeicle onder andere dingen dat hij een kruisbeeld bij zicb droeg, t weik hij uit minachting sloeg, ja, dat hij nog dien zelfden ochtend, kort te voren, heiligschennend had gekoinmuniceerd. En met welk doel? Het was om de H. Hostie onder den voet te vertreden. En in der daad had hij de H, Kom-munie ontvangen, maar was van zijn verschrikkelijk plan terng gehouden door de vrees dat de gvloovigen liet zouden gezien hebben. Daarop gat hij de H. Hostie in een stukje papier gewikkeld aan den biechtvader over. Nadat hij dit had gedaan, zeide hij, dat hij, de kerk voorbij gaande, zich sterk voelde aangedreven om er binnen te gaau en wel zoo sterk, dat hij niet bij machte was daaraan wederstand te bieden. Daarop gevoelde hij eene verschrikkelijke wroeging des gewetens en een verward en twijfelachtig verlangen om zijne zonden te biechten ; van daar de reden dat hij voor den biechtstoel stond ; maar terwijl hij daar stond, werd hij zoo beschaamd en wanhopig, dat hij beproefde om weg te gaan, doch het scheen hem .oe alsof iemand hem met geweld terughield. „Terzelfder tijd,quot; zeide hij, „riep gij mij, eerwaarde Vader, en nu sta ik hier biechtende zonder dat ik zelf weet hoe.'' De Pater vroeg hem nu of hij niet ooit de 11. Maagd had vereerd; want dat zulke bekeeringen slechis door de machtige handen vau Maria geschiedden ? „Neen
31
pater,quot; zeide hij; „want ik besoliouwde mijzelven als veroordeeld.quot; „Maar bedenk u euus goed,quot; zeide de Pater. „Neen, Pater,quot; was het antwoord, „ik deed niets;quot; doch tegelijk zijne hand in zijne borst stekende om deze te ontblooten, bedacht hij dal hij het schapulier droeg van Maria's Smarten. „Ziet gij niet, hernam de biechtvader, „dat het O. L. Vrouw is, die u deze buitengewone genade heeft verkregen ? en weet dat deze Kerk haar in het bijzonder is ï.oegewijd.quot; Dit hoo-rende, werd de jongeling aangedaan en begon bitterlijk te weenen, en de belijdenis zijner zonden vervolgende, werd zijne vermorseling zoo groot, dat hij met een luiden snik in onmacht aan des Paters voeten nederviel. Tot zijn bewustzijn teruggekeerd, eindigde hij zijn biecht, waarna de Pater hem met den grootsten troost de absolutie gaf' en naar zijne geboorteplaats terugzond in rouwmoedige stemming en vast besloten om zijn leven te verbeteren, Ier wijl hij den biechtvader toestond om op den predikstoel, of op elke andere wijze de gunst te verhalen door Maria aan hem bewezen.
Heilige en Onbevlekte Maagd, omdat gij de uitdeelster zijt van alle goddelijke genaden, zijt gij -aller hoop en ook de mijne. Ik zal altijd
32
mijnen God bedanken, dat hij mij de gunst heeft gesehonken van u te kennen en mij den weg heeft getoond ter verkrijging van genade en zaligheid. Gij zijt deze weg, o verhevene Moeder Gods; want ik weet, dat ik ten eerste door de verdiensten van Jesus Christus, maar ten andere door uwe voorspraak mijne ziel moet redden.
O, Maria! bid voor mij, en beveel mij aan uwen Zoon. Gij kent mijne ellende en behoeften veel beter dan ik dit zelf doe. Wat kan ik meer zeggen dan; heb modelijden met mij; want ik ben zoo ellendig en onwetend, dat ik de genaden, die ik het meeste behoef, zelfs niet kan vinden, ja zelfs niet eens ken. Mijns zoete Koningin en Moeder, kies en verkrijg gij voor mij van uwen Zoon die genaden, welke gij weet, dat mij het nuttigste en noodzakelijkste zijn voor mijne ziel. Ik stel mijzelven geheel en al in uwe handen, en verzoek alleen de goddelijke majesteit, dat zij, door de verdiensten vau Jesus mijnen zaligmaker, mij de genaden moge geven, die gij van haar voor mij vraagt. Vraag, vraag haar, ii. Maagd, datgene, wat gij weet dat het beste voor mij is; uwe gebeden worden nimmer verworpen, want het zijn de beden van eene moeder tot haren zoon en lot senen zoon, die zich verheugt om alles te doer, wat gij verlangt, om u des te meer te eeren en tevens om u de lietde te toonen, die Hij i.: toedraagt. O hemelsehe Vrouw ! terwijl ik rn j beijver om geheel en al voor u te leven, belast.
33
gij u, dit smeek ik u, met de zorg voor mijne zaligheid. Amen.
De H. Anselmns zegt, dat, daar, waar de grootste zuiverheid is, ook de grootste liefde woont. Hoe meer een hart zuiver is en ontdaan van zichzelf, des te grooter is zijne liefde tot God. De H. Maagd nu, die geheel en al nederigheid was, die niets meer van ziehzelve over had, was zoo met liefde tot Grod vervuld, dat zij, gelijk de H. Bernardus schrijft, daarin alle menschen en engelen te zamon genomen overtrof. Daarom ook noemt de H. Franciseus de Sales haar terecht de Koningin der Liefde. God heeft den menschen bevolen om Hem te beminnen uit geheel hun hart; „Gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart.quot; Ue H.Thomas zegt, dat dit voorschrift slechts in den hemel geheel en volmaakt vervuld wordt en hier op aarde slechts op onvolmaakte wijze. Over dit punt maakt de Zalige Albertus de Groote de volgende opmerking, dat het iets onvolmaakts
34
van God ware govreest om een voorschrift te geven, dat nimmer op aarde volmaakl zou opgevolgd zijn. En dit zou bet geval geweest zijn, hadde niet de goddelijke Moeder het in al zijne volkomenheid opgevolgd. De goddelijke liefde, ■zegt de H. Bernardus, had de ziel van Maria zoo doordrongen en zoo geheel vervuld, dat geen enkel gedeelte daarvan ongeraakt was gebleven; zoodat zij God beminde uit geheel haar hart, uit geheel hare ziel, uit al hare krachten, in één woord, zoo dat zij vol was van genade. Daarom kon ook Maria zeggen: ,/Tnijn Welbeminde heeft zich geheel en al aan mij geschonken en ik mij'.elve geheel aan Hem.'' „Wel mocht,quot; zegt Richardus, „een Serafijn van den hemel zijn nedergedaald, om het hart van Maria zulk eene liefde tol God te leeren.quot; God, die de liefde zelve is, kwam op aarde om in aller harten zijne goddelijke liefdevlam te ontsteken; m:iar in geen enkel hart ontstak hij die zoo sterk als in dat zijner Moeder; omdat dit geheel vrij was van alle aardsche genegenheid en geheel geschikt om door die goddelijke vlam verteerd te worden. Daarom zegt de H. Sophronius, dat „de goddelijke liefde haar zoo ontvlamde, dat geene aardsche genegenheid daar binnen kon treden. Zij werd voortdurend door die vlam verteerd en was er als het ware dronken van.quot; Van daar dar, het hart van Maria geheel vuur en vlam was. zoo als wij in het Hooglied lozen: „de lampei, wa-
33
ren geheel vuur en vlam.quot; Vuur omdat zij van binnen brandde, zoo als de H. Anselmus dit uitlegt, en vlammen omdat zij naar buiten scheen door het voorbeeld dat zij in de beoefening der deugden aan allen gaf. De H. ïho-mas van Villanova zegt, dat de braambosch door Moyses gezien, die brandde en niet verging, de ware afbeelding is van Maria's hart. Daarom werd zij, zooals de H. Bernardus zegt, te recht door den H. Joannes gezien als bekleed met de zon: „en er verscheen een groot wonder aan den hemel, eene vrouw bekleed met dc zou: want,quot; vervolgt dezelfde Heilige, „zij was zoo innig door de liefde met God verbonden en zoo diep in den afgrond der goddelijke wijsheid doorgedrongen, dat het zonder eene persoonlijke vereeniging met God voor oen schepsel onmogelijk is om inniger met Hem veree-nigd te zijn.quot;
Daarom beweert de H. Bernardinus van Senen, dat de H. Maagd nimmer door dc hel is bekoord geworden; „want,quot; zegt hij, „gelijk men de vliegen door een groet vuur verdrijft, zoo werden de booze geesten door hare brandende liefde verjaagd, en wel zoozeer, dat zij het niet durfden wagen om haar ooit weder te naderen.quot; Maria zelve openbaarde eens aan dc H. Brigitta, dat zij nimmer in deze wereld ecnige gedachte, verlangen of vreugde had gehad, tenzij in en om God. Ik dacht, zeide zij, aan niets dan aan God; niets behaagde mij behalve
36
God; zoodat hare heilige ziel, terwijl z ) op aarde was, steeds in voortdurende beschouwing van God Was en hare akten van liefde ontelbaar waren, gelijk Pater Suarez zegt. De bemerking van den TT. Bernardinus de Bustis komt mij nog waarschijnlijker voor, dat namelijk Maria niet zoo vele akten van liefde verwekte als anderen Heiligen dit doen; maar dat haar geheele leven slechts eene enkele en doorloo-pende akte er van was; daar zij door een bsj-zonder voorrecht 'voortdurend daadwerkelijk God beminde. „Gelijk een konings-arend hield zij steeds hare oogen naar de Zon der Gerechtigheid gekeerd; zoodat, gelijk do TL Petrus T)a-mianas zegt, „de plichten van het stoftelijke leven haar niet van die liefde aftrokken en ook wederkeerig die liefde hare aandacht ook niet van die plichten afnam.quot; Daarom zegt de H. Germanus, dat het brandaltaar, waar dag en nacht het vuur onaitgedoofd moest branden, de ware afbeelding was van Maria. Ook was zelfs de slaap voor Maria geene oorzaak tot het ontbreken van hare liefde; want, /.oo de H. Augustinus zegt, „dat de droomen in den slaap onzer eerste ouders in hun staat van onschuld even gelukkig waren als hun wakker aijn„zoo,quot; zeg ik, „aan de/.en reeds zulk een voorrecht werd gegeven, zal wel niemand durven ontkennen, dat dit in niet mindere mate aan de Moeder Gods geschonken was,quot; gelijk Suarez, de Eerw. Rupertus en de H. Am-
37
p brosius volmondig bevestigen. Ook de H. Bcr-g nardinus zegt, dat Maria, zoo lang zij in deze wereld leetde, voortdurend God beminde; „bet i- verstand van de H. Maagd was altijd geheel s vervuld met eene brandende liefde tot God.quot; k • en verder voegt liij er bij: „dat zij niets deed, e wat de Goddelijke Wijsheid haar niet had ge-,r toond, dat haar behagelijk was en dal zij God i- beminde met zoo groot eene liefde, als zij j- meende dat Hem toekwam, d Beminde nu Maria zoozeer haren God, wat ij zal zij dan van hare dienaars meer verlangen dan dat oot dezen Hem uit geheel hun hart lief-i- hebben. Dit zeide -zijzelve eens nadeH. Kom-:e munie tot de Z. Angela do Foligno: „Angela n wees gezegend door mijnen Zoon en beijver u k om Hem te beminnen zooveel gij kunt.quot; Eu tot de e H. Brigitta: „mijne dochter, wilt gij nüj aan g u verbinden, zoo bemin mijnenZoon.quot; Niets is t, Maria aangenamer dan te zien, dat haar Beis minde. God namelijk, ook door ons bemind )t wordt.
Le Novarinus vraagt, waarom do H. Maagd met
m de Bruid van het Hooglied aan de engelen
[i- vraagt, om do groote liefde, die zij haren Heer
sr toedraagt, Hem bekend te maken, zeggende;
Ik „ik bezweer u, dochteren van Jeruzalem, zoo gij
id miju Welbeminde ziet, zegt hem, dat. ik van
re liefde tot Hem verkwijn.quot; Wist God dan niet, hoe-zeer zij Hem beminde? „Waarom zoeht zij aan
i- haar Beminde de wonde der liefde te tooneu.
38
clio hijzelf haar had geslagen?quot; En dezelfde schrijver antwoord hierop; „dat hel niet aan God was, maar aan ons dat de Goddelijke Moeder hare Liefde wilde bekend maken; opdatj gelijk zijzelve gewond was, dat ook wij idzoo gewond mochten worden door dezelfde liefde Gods; opdat, gelijk Maria geheel en al vuur en vlam van liefde was, allen die haar beminnen en naderen ook mochten ontstoken worden met dezelfde liefde; opdat zij allen mocht maken gelijk zij zelve was.quot; Daarom noemt de 11. Catha-rina van Senen Maria de vuurdrangsler, de vlamdraagster der goddelijke liefde. Willen wij dus branden van die gezegende vlammen, beijveren wij ons dan, om onze Moeder zooveel mogelijk to gelijken door onze gebeden en de geneigdheden van onze ziel.
Ecu jong edelman op cene zeereis zijnde schiep zeer veel vermaak in het lezen van een onzuiver boek. Een kloosterling op ditzelfde schip zijnde en dit bemerkende zeide hem: „zijt gij bereid, mijn zoon, om aan O. L. A'rouw een olfer te brengen rquot; n Wel zeker,quot; antwoordde dene. „ Welnu, neem dan het boek, dat gij daar hebt, en werp het uit liefde tot de allerheiligste Maagd in zee.quot;
39
„Mijn vader,quot; zeide de jonkmiin, „hier is het.quot; „Neen,'' zeide do kloosterling, „gij zelf'moet aan Maria dit offer brengen.'' Hij deed dit en te Genua zijne geboortestad teruggekomen ontstak de II. Maagd zijn hart met zulk eene hevige liefde tot God, dat hij het kloosterleven omhelsde.
O Maria, Koningin der liefde, gij die van alle schepselen het meest beminnenswaardige, hot meest beminde én het meest beminnende zijt, zooals de H. Franciseus de Sales van u zegt: gij, die ook mijne welbeminde Moeder zijt, gij, die in alle omstandigheden ontvlamd Waart van liefde Gods, o gewaardig u mij een enkel vonkje van dat liefde vuur te schenken; gij die uwen Zoon vroegt voor de echtgenooten, die geen wijn moer hadden, „zij hebben geen wijn meer,quot; bid ook voor ons, aan wie de liefde tot God ontbreek'', tot God, Dien wij zoo zeer verplicht zijn te beminnen. Zeg ook „zij hebben geene Liefde meerquot; en verkrijg ons die Liefde. Dit is de eenige en enkele gunst, welke wij u vragen. O Moeder door de Liefde, die gij Jesus toedraagt, verhoor ons, bidden wij u genadiglijk. Amen.
4-0
Maria's liefde tot harea evennaaste.
Het is een en hetzelfde gebod, dat ons de liefde tot God en tot den evennaaste voorschrijft. God zelf is het, die ons zegt, dat degene, die Hem bemint, ook zijnen broeder liefheeft. De tl. Thomas geeft hiervan de reden als hij zegt, dat al wie God bemi nt noodzakelijkerwijze beminnen moet hetgeen God zelf bemint. DeH. Catharina van Genua verzuchtte eens: „O Heer gij wilt, dat ik mijnen evenmensoh liefheb en ik kan niemand beminnen dan Uquot;; en God and-woordde haar, „degene, die mij waarachtig liefheeft, bemint ook allen, die ik bemin,quot; En daar er nu nooit iemand geweest is, noch ooit zal zijn, die God bemint gelijk Maria, zoo heeft ook nimmer iemand zijnen naaste bemind gelijk zij, noch zal iemand dit ooit zoo kunnen doen. Pater Cornelius a Lapide zegt over de woorden van het Hooglied, „Koning Salomo vervaardigde eenen draagstoel van hot hout des Libanons.... en overdekte het midden met liefde tot de doeh-teren van Jeruzalem,quot; dat deze draagstoel de schoot was van Maria, waarin het vleeschge-worden Woord woonde en dien Hij met liefde voor Jeruzalems dochteren vervulde; want Christus, die de Liefde zelf is, stortte in Maria de
41
liefde tot in den hoogsten graad; opdat zij allen zoude bijstaan, die tot haar limine toeducht namen. Zoo groot was hare liefde reeds tijdens haar leven, dat zij allen, die in nood waren, bijstond zonder zelfs gevraagd te zijn, zooals zij op de bruiloft te Cana deed toen zij de verlegenheid der familie aan haren Zoon openbaarde, „zij hebben geen wijn moerquot; en Hem. vroeg om een wonder te verrichten. Met welken spoed ook ging zij hare naaste helpen toen zij ter vervulling van liefdediensten in het huis van Elisabeth kwam, „zij ging met haast over de bergen,quot; Zij kou wel op geene wijze meer de volheid harer naastenliefde toonen dan zij hot deed door haren Zoon voor onze zaligheid ten dood op te offeren. De 11. lïonaventura zegt: „Maria heeft de wereld zoozeer bemind, dat Zij haar eenig-geboren Zoon heeft gegeven.quot; De H. An-selmus roept uit: „O gezegende onder alle vrouwen, uwe zuiverheid overtreft die aller Engelen en uw medelijden dat van allo Heiligen te zamen.quot; „En ook nu, nu zij in den Hemel troont,quot; zegt de tl. Bonaveutura „is deze liefde tot ons niet verminderd, maar integendeel aangegroeid; omdat zij nu do rampen der mensehen des te beter kent; want groot was Maria's medelijden met de ongelukkigen toen zij nog op deze aarde in ballingschap was; maar onnoemelijk grooter is dit nu zij in den Hemel heerscht. üe H. Agnes verzekerde aan de H. Brigitta, „dat niemand ooit vergeefs door Maria's voorspraak om gun-
42
sten had gevraagd.quot; Ja inderdaad beklagenswaardig zouden wij zijn, 700 niet Maria onze voorspreekster was. Jesus zelf zeide tot dezelfde Heilige: „Was het niet door de gebeden mijner H. Moeder voorwaar er zou geene liooj) op redding meer zijn.quot;
Gelukkig is hij, zegt de Moeder Gods, die luistert naar mijne lessen, die acht geeft op mijne naasteliefde en die ze door zijne daden jegens anderen ook in beoefening brengt. Gelukkig de man, die mij hoort en die dagelijks aan mijne deur waakt, liij die wacht aan de posten mijner deuren. De H. Gregorius van Nazi-anzen verzekert, dat wij door niets met grooter zekerheid de liefde van Maria kunnen winnen dan door de liefde tot den naaste. Daarom, gelijk God zelf ons vermaant, zeggende: „Weest barmhartig gelijk uw Vader barmhartig is,quot; zoo ook schijnt Maria tot alle hare kinderen te zeggen : „ Weest medelijdend gelijk ook uwe Moeder medelijdend is.quot; Dit is zeker dat onze liefde tot den naaste de maatstaf zal zijn van de liefde, die God en Maria ons zullen toonen ; ^Geett en u zal gegeven worden; want met dezelfde maat, waarmede gij uitmeet, zal ook aan u weder ternggemeten worden. De H. Methodius was gewoon te zeggen: „Geeft den arme en ontvangt het paradijs.quot; Want de A.postel schrijft, dat de liefde tot den naaste ons gelukkig maakt in dit en in het andere leven. De H. Chrysostomus sprekende over de vroor-
43
den der H. Schift: „lüj die medelijden heeft met den arme leent aan den Heer,quot; komt ook tot hetzelfde besluit, „dat wie den behoeftige bijstaat God zei ven tot zijnen schuldenaar maakt.quot;
Wij lezen in het leven van zuster Dominica van Paradiso door Pater Ignatius del Niente, dat zij van arme ouders in het dorp Paradiso nabij Plorence werd geboren. Van hare prilste jeugd af diende zij de Moeder Gods met allen ijver. Zij vastte dagelijks en des Zaterdags gaf zij hot voedsel, dat zij zichzelve onthield, aan den arme. Ook iederen Zaturdag ging zij in den tuin en in de naburige velden en plukte alle bloemen, die zij vinden kon, om ze aan een beeld van de H. Maagd met het Goddelijk kind op de armen, dat zij in huis had, aan te bieden.
Maar ook met hoe groote gunsten beloonde de allergenadigste Moeder deze eerbetuiging van hare dienares niet? Eens toen Dominica, tien jaar oud zijnde aan het raam stond, zag zij eene vrouw van rdel uiterlijk met een klein kind, die beiden hunne handen om eene aalmoes uitstrekten. Zij ging heen om eenig brood te halen toen zij op eens, zonder dat de deuren geopend waren, beide aan hare zijde zag staan en bemerkte dat de handen, de voeten en de
44
zijde van liet kind gewond waren. Zij vroeg mi de vrouw, wie dat liet kind zoo had gewond? De moeder antwoordde, „dat het de liefde was.quot; Dominica door de schoonheid en zedigheid van het kind in liefde ontstoken vroeg hem of de wonden hem pijn deden; doch hij andwoordde met eene glimlach en terwijl zij naast de beelden van Jesus en Maria stonden zeide de vrouw tot Dominica: „zeg mij eens, mijn kind, wat is de reden, dat gij deze beelden met bloemen kroont. Zij andwoordde: ,/het is de liefde, die ik Jesus en Maria toedraag.quot; „En hoe zeer bemint gij hen dan wel?quot; „Ik bemin hen zooveel als ik kan.quot; Eu hoeveel kunt gij hen beminnen.'' „Zooveel als zijzei ven mij daartoe bekwaam maken.quot; „Ga zoo voort met hen te beminnen; want zij zullen hot u in den hemel ruimschoots vergelden.quot;
Het jonge meisje, hierop bemerkende, dat er eene hemelsche geur uit de wonden kwam, vroeg aan de moeder met welken balsem zij dezen had gezalfd en of die ook te koop was. De vrouw andwoordde daarop, „deze is te koop voor geloof en goede werken.quot; Dominica bood haar daarna het brood aan, dat zij had gehaald; maar de moeder zeide: „liefde is het voedsel mijns zoons, zeg hem dat gij Jesus bemint en hij zal voldaan zijn.quot; Bij het hooren van het woord liefde scheen het kind geheel met vreugde vervuld en zich tot het jonge meisje keerende vroeg hij haar, hoezeer zij Jesus beminde. Zij antwoordde dat
zij Hem zoo zeer beminde, dat zij nacht en dag ■Ban Hem dacht en niets anders zocht dan Hem zooveel mogelijk genoegdoening le geven. „Zoo is 't goed,quot; zeide hij: „bemin Hem; want de liefde zal u ingeven, wat gij te doen hebt, om Hem te behagen. Terwijl nu de zoete geur der wonden hoe langer zoo sterker werd riep Dominica uit: „O God; deze geur maakt mij dood van liefde, indien reeds de geur van dat kind zoo zoet is wat zal dan de Hemel zijn''; en ziet nu veranderde op eens de verschijning, en de Moeder verscheen als eéne Koningin gekleed en het kind schitterde met eene schoonheid gelijk aan die' der zon
Hij nam nu de bloemen en strooide ze op het hoofd van Dominica, die Jesas en Maria in deze personen herkennendein aanbidding nedei'knielde. Zij verdwenen hierop beiden en Dominica nam vervolgens het kleed der Dominicanessen aan en stierf in geur van heiligheid, in het jaar 1 553.
O beminde Moeder Gods, allerbeminnelijkste Maria! O dat ik nujzelven, gel ijk gij met vaardigheid en zonder eenig voorbehoud aan de glorie en liefde Gods opofferde en ook de eerste jaren mijns levens zoo aan u kon opdragen, om mij-zelven op deze wijze geheel en zonder eeuige
46
terughouding aan uwcu heiligen dienst te wijtien! Maar het is hiertoe nu te laat; want, ellendig schepsel dat ik ben, ik heb zoovele jaren in den dienst dor wereld en in mijne eigene luimen verspild, ik heb zoo lang geleefd u en mijn God geheel vergetende. Doch het is beter laat te beginnen dan in het geheel niet. Zie. o Maria, ik schenk heden mijzelven zonder eenig voorbehoud aan uwen dienst voor den latigeren of kortereu tijd, dien ik nog te leven heb en volgens uw voorbeeld doe ik afstand van alle schepselen en wijd mijzelven geheel en al aan de liefde van mijnen schepper. Aan u, o mijne Koningin, wijd ik mijn versland, opdat hót voortdurend moge denken aan de liefde die gij waardig zijt: aan u wijd ik mijne tong om u te loven en mijn hart om u te beminnen. Aanvaard, o Heiligste Maagd, het oller, dat ik ellendige zondaar u doe. Maar dewijl ik zoo laat uwen dienst omhels is het billijk, dat ik mijne akten van eerbetuiging en liefde verdubbel, opdat ik zoo den verloren tijd weder inhale. Help gij mijne zwakheid door uwe machtige tasschen-komst, door mij volharding en kracht van mijnen Jesus te verkrijgen, om altijd tot aan mijnen dood vol geloof in u te zijn; opdat ik u gedurende geheel mijn leven dienende u in het paradijs iu eeuwigheid mag loven. Amen.
i-i-
U
O
in
le Nederigheid zegt de H. Bornardus is de giond-
le slag en de bewaarster van alle deugden en met
o- reden; want zonder haar kan geen enkele deugd
t- in de ziel wonen. Bezilten wij ook alle deug-
,v- den zoo zullen wij ze verliezen indien wij do nede-
te righeid niet hebben. Maar van den anderen kant
n. gelijk de H. Fraueiseus de Sales aan de H.
,1- Johanna van Chantal sehreef: „God bemint de
at nederigheid zoozeer, dut hij zich onmiddelijk
ne daarheen voelt aangetrokken, waar hij die deugd
at gewaar wordt. Deze schoone en zoo noodzake
lijke deugd was der wereld onbekend toen de j Zoon Gods op aarde kwam om ons deze door zijn eigen voorbeeld te leeren en hij wilde, dat wij ons bijzonderlijk zouden beijveren om Hem in deze deugd na te volgen. „Leert van mij, dat ik zachtmoedig ben en ootmoedig van harte'quot;
Dewijl nu Maria de eerste en volmaakste leerlinge van Jesus Christus in de beoefening aller deugden was, was zij ook de eerste in i de deugd van nederigheid en verdiende zij daar-
48
door boven idle schapselen verheven te worden. Eens werd aan de H. Machtildus geopenbaard, dat de eerste deugd, waarin de gezegende Moeder zich van kindsbeen oefende, de deugd van nederigheid was geweest.
Het.eerste uitwerksel van de nederigheid is eeno geringe meening van zichzelven te hebben. „Maria's meening nu van ziehzelve was zoo gering, dat zij. gelijk aan de H. Machtildus geopenbaard werd, hoewel zich met grooter gunsten dan alle andere schepselen verrijkt ziende, toch nooit zich boven iemand stelde.quot; De eerwaarde Kupertus den tekst uit het Hooglied verklarende: „gij hebt mijn hart gewond, mijne zuster, mijne bruid,. . . . met een haar van uwen hals,quot; zegt, dat de geringe meening, die Maria van ziehzelve had, juist die haar was van don hals der bruid die het hart van God had gewond.
Niet dat Maria ziehzelve als eene zondares beschouwde; want nederigheid is waarheid, gelijk de H. Theresia opmerkt, en Maria wist dat zij God nimmer beleedigd had. Niet dat zij zich onbewust was grooiere genade van God ontvangen (e hebben dan alle andere schepselen; want een nederig hart erkent steeds de bijzondere gunsten des Heercn, om zichzelven te vernederen; maar de moeder Gods zag ook hare eigene nietigheid in door hetzelfde licht, waardoor zij de oneindige grootheid en goedheid Gods kende en vernederde daarom ziehzelve nog meer dan alle anderen.
49
Gelijk een bedelaar, die een kostbaar kleed heeft ontvangen, hierop niet trotsch zal gaan in tegenwoordigheid van den schenker zclvcn, maar zich eerder vernederd gevoelt, daar dit hem aan zijne eigene armoede herinnert, zoo ook, hoe meer Maria zich verrijkt zag, des te meer vernederde zij zichzelve door de gedachte, dat alles eene gave des Hemels was. Daarom zegt de H. Bernardinus, dat, behalve Gods Zoon, geen schepsel der wereld zoo verheven was als Maria ; omdat geen enkel zich ooit zoozeer vernederde als zij dit deed.
Daarenboven is het eene akte van nederigheid om de gansten des Hemels te verbergen. Maria nu wenschte voor den H. Jozef de groote gnnst te verbergen, waardoor zij Moeder Gods was geworden, hoewel het noodzakelijk sehecu deze bekend te maken, al was het ook maar om uit het hart van haren armen bruidegom den twijfel te verwijderen, dien hij aan hare deugd mocht hebben bij het zien van hare zwangerschap, of om de neerslachligheid, waarin hij geraakte. De H. Jozef toch aan de eene zijde ongeneigd om aan Maria's zuiverheid te twijfelen en aan den anderen kant met hel geheim onbekend „dacht er over om haar In het geheim te verlaten,quot; en hij zou dit ook werkelijk gedaan hebben, zoo niet de Engel Gods hem luid geopenbaard, dat Maria door de werkkring des H. Geestes was bezwangerd geworden.
Daarenboven eene ziel, die waalijk nederig is,
3
50
■weigert allen lot, en zoo zij al lofliiitina; ontvangt, ii
■weet zij die geheel tot God terug te brengen. Zie v
slechts, hoe Maria bedremmeld was toen zij zich z
dojr den engel Gabriël hoorde prijzen en toen de v
H. Elisabeth zeide: ^Gezegend zijt gij onder de r
vrouwen . . . Wat gefcliiedt mij dat de Moeder des c
Hoeren tot mij komt... Gezegend zijt gij dat 1
gij geloofd hebt.quot; enz . . . Maria bracht in het 1
neddrige loflied „Mijue ziel maakt groot den i
Heerquot; alles tot God terug, als wilde zij zeggen: (
gij prijst mij Elisabeth, maar ik prijs den lieer, (
Wien alle eer toekomt. Gij verwondert u, dat ik ( tot u kom, en ik bewonder de goddelijke goedheid, in welke alleen mijn geest zich verheft:
„en mijn getst heeft zich verheugd in God, mijnenZaligmaker.quot;Gij prijst mij,omdat ik geloofd heb, en ik prijs mijnen God, omdat het Hem behaagd heeft mijne nederigheid te verheften: „omdat hij op de nederigheid van zijne dienstmaagd heeft neergezien.quot;
Vervolgens is het ook een gedeelte der nederigheid om aan anderen onderdanig te zijn en daarom ook weigerde. Maria niet om Elisabeth gedurende drie maanden te dienen. Hierom zegt de H. Ber-naidus, „Elisabeth verwonderde zich, dat Maria haar kwam bezoeken; maar het meest verwonderlijke was, dat Maria kwam om te dienen en niet om gediend te worden.quot;
De wezenlijk nederigea zijn teruggehouden en kiezen altijd de laatste plaats ; zoo ook deed Ma ria, bemerkt de H. Bernardus. Toen haar Zoon
ligt, in e.en huis leerendc was, gelijk dc H. Mattheus
Zie verhaalt eu zij Heui wetifchte te spreken, ging
zich zij niet uit eigen verlof naar binnen; maar
i de wachtte buiten, zonder in het minst haar
r de moederlijk gezag te doeu gelden om Hem te
des onderbreken. Om dezelfde reden ook nam zij de
dat laatste plaats in toen zij met de Apostelen dc
het komst des H. Geestes wachtte, gelijk de H. Lukas
-len verhaalt: „Alle dezen waren eenstemmig volhar-
cn : dende in het gebed met de vrouwen en Maria
eer, de Moeder van Jcsus.quot; Niet dat dc H. Lukas
t ik de verdiensten der Moeder Grods niet kende en
ed- bij de opnoeming daarvan haar niet op de eerste
3lt;t: plaats zou gesteld hebben; maar, omdat zij de
od, laatste plaats onder de Apostelen en de vrouwen
ofd had ingenomen en hij hen allen in de orde
em noemde, waarin zij waren. Daarom zegt dc H.
sn : Bernardus. „met recht werd dc laatste de eerste
ist- daar, waar de eerste de laatste was geworden.quot;
Eindelijk hij, die nederig is, zoekt veracht
ig- te worden en daarom lezen wij niet, dat Maria
om zich op den Palmzondag vertoonde, toen haar
ide Zoon door 't volk met zooveel eerbewijzing werd
er- ontvangen; maar wel bij zijnen dood was zij
ria op den Kalvarieberg en vreesde de schande niet
lij- als het bekend zou worden dat zij de Moe-
am der was van Hem, die veroordeeld was om eenen eerloozen dood als misdadiger te sterven,
en A.an de eerwaarde zuster Paula a Foligno werd
a eens in ecne verschijning te verstaan gegeven,
sn 1 hoe groot de nederigheid van O. L. 'Vrouw was
52
en dit aan haren biechtvader verhalende was zij zoo vol bewondering voor de grootheid daarvan dal zij niet anders kou doen dan uitroepen: „o nederigheid der H. Maagd! o mijn vader, hoe groot was de nederigheid der H. Maagd. Er is niets in de wereld, dat met de noderig-lieid van Maria in het minst kan vergeleken worden.quot; i3ij eene andere gelegenheid toonde de Heer aan de H. Brigitta twee vrouwen ; de eene was geheel en al vertooningen ijdelheid; deze is,quot; zeide Hij, „de hoovaardigheid; maar de andere, die gij daar met neêrgebugen luofd ziet, die lieftallig is jegens allen, die God alleen in haar hart draagt en zich zelve voor niets acht deze is de nederigheid en haar naam is Maria.quot; Hierdoor behaagde hot God te openbaren, dat Maria's nederigheid zoo groot was, dat zij de nederigheid zelve was.
Er kan geen twijfel zijn, zooals de H. Grego-rius van Nyssa zegt, of de beoefening vim gecne dengd is zoo moeielijk voor ouze door de zouden bedorvene nutuur als die der nederigheid. Maar er is ook geene kans op, dat wij ooi: trouwe kindereu van Maria worden, zoo wij niet nederig zijn. „Kuut gij,quot; zegt de H. Bernardus, „de maagdelijkheid dezer nederige Maagd niet navolgen, doe het dan ten minste hare nederigheid ; zij versmaadt de trotschen en noodigt alleen de nederigen uit om tol haar tekomeu: „zoo er iemand klein is en nederig laat die tot mij komen.quot;
53
rvan
pen: In eene der Missies, na de preek over Maria,
ider, gelijk do paters der orde van den Allerlieilig-
ugd. sten Verlosser die gewoon zijn te houden, kwam
rig- een grijsaard bij* een hunner te biecht en zei-
iken 'Ie vo' hemelsehen troost: „mijn vader O. L.
nde Vrouw heeft mij eene groote gunst geschonken.''
; Je ,/Eii welke dan?quot; vroeg hem de biechtvader,
leze „Weet, mijn vader, dat ik ^oor vijf en dertig
an- jaren geleden heiligschennende biechten heb ge-
iet, sproken; omdat ik eene zonde had bedreven, die
in ik uit schaamte niet durfde belijden. Vele ge-
cht varen heb ik sinds dien tijd doorgestaan, ja ik
Ia- ben meermalen in levensgevaar geweest en ware
en ik toen gestorven zoo was ik zeker verloren ge-
zij gaan. Doch nu heeft de H. Maagd mijn hart getroüen met de genade eeneroprechte bekente-
;'0- nis.quot; Bij het uiten van deze woorden stortte
ae hij zulk een vloed van tranen, dat de biechtvader
n- zelf er door werd aangedaan. Na zijne biecht-
J. gehoord te hebben vroeg hij hem, welke devotie
re hij dan toch lot Maria had gehad, waarop hij
3. zeide, dat hij des zaterdags tot hare eer zich
Sj steeds van melkspijzen had onthouden en dal
;t de H Maagd hem daarvoor genade had betoond.
:- Hij gaf terzelfder tijd aan den Pator verlof
t om het voorval openbaar tc maken.
t
i
54
O onbevlekte en heilige Maagd, o nederigste aller schepselen, maar daardoor juist liet ver-licveuste voor God, gij waart, zoo niet in uw eigene, dan toch in de oogen des Heereu zoo groot, dat Hij u verhief cu uitkoos om Zijne Moeder te worden en u tot Koningin van Hemel en aarde maakte. Ik dank er mijn God voor, dat. hij u zoo hoog verheven en zoo in r.ig met Hem vereenigd heeft, dat aan een schepsel niets grooters kan gegeven worden. Ik schaam mij om voor u te verschijnen, voor u, die zoo nederig waart en toch met zoovele kostbare giften beschonken, terwijl ik zoo trotsch ben te midden van zoovele zonden. Maar toch, ellendige die ik ben, toch breng ik u mijnen groot. uWees gegroet Maria, vol van genade;quot; gij die steeds vol van genade waart, o schenk mij daarvan een gedeelte. „De Heer is met u;quot; de Heer; die steeds met u was van het eerste oogenblik uwer geboorte, heeft zich nu meer innig met u vereenigd, zoodat Hij uw Zoon is geworden „Gezegend zijl gij onder de vrouwen.quot; O vrouw ondet alle vrouwen gezegend, verkrijg ook mij deu goddelijken zegen. „En gezegend is de \ rueht uws lichaamso gezegende plant, die a.m de wereld zulk eenc edele en heilige vrucht hebt geschonken! „tl. Maria, moeder Gods; o Maria, ik erken, dat gij waarachtig Gods Moeder zijt en voor de verdediging hiervan ben ik be-
reid duizendmaal te sterven. Bid voor ons zondaars;quot; maar, zoo gij de Moeder Godszijt, zijt gij ook de moeder van ons arme zondaars en van onze zaligheid; daar God raenseh werd, om zondaars zalig te maken en Hij u tot zij ne Moeder koos; opdat uwe gebeden de maclit zouden hebben om dc zondaars te redden. O Maria, bid voor ons, ^nu en in hot uur van onzen doodbid steeds voor ons, die te midden van zoovele bekoringen leven, te midden van zoovele gevaren van God te verliezen; maar meer nog bid voor ons in hel uur van onzen dood, wanneer wij op het punt znllen staan, om deze wereld te verlaten en voor Gods rechterstoel te verschijnen; opdat wij gered door de verdiensten van Jesus Christus en door uwe voorspraak, eens, zonder verder gevaar van verloren te gaan, mogen komen, om u met uwen Zoon voor aHe eeuwigheid in den hemel te groeten en te prijzen. Amen.
De zuiverheid is sinds den val van Adam van alle deugden eene der moeielijksteu om iu be-
56
oefening te brengen, wegens den opstand van onze zinnen tegen de rede. God zij altijd en overal geprezen, dat Hij ons in Maria een groot voorbeeld van deze deugd heeft geschonken. ^Met reden,quot; zegt Richardus can St. Laurentius,,,wordt Maria de Maagd der maagden genoemd; daar zij zonder eenige aansporing of voorbeeld van anderen hare maagdelijkheid aan God ten offer bracht,quot; en als zoodanige alle maagden, die haar opvolgen, tot God brengt, gelijk David reeds voorspelde: „Na Haar zullen de maagden in den tempel des Konings geleid worden.quot; Zonder aansporing, ja, eh zonder voorbeeld, gelijk de H. Bernardus zegt: ,,0 Maagd, wie leerde u om Gode door uwe maagdelijkheid te behagen en om op aarde het leven der engelen te leiden?quot; „God,quot; zoo spreekt de H Sophronius, „koos zich deze zuivere Maagd tot Moeder; opdat zij allen in zuiverheid ten vooröeeld zoude zijn.quot; Daarom ook noemt de 1-1. Ambroaius Maria „de vaandeldraagster der maagden.quot; Van wege hare zuiverheid ook werd Maria door den H. Geest„sc'hoon genoemd gelijk eene tortelduive '' „Maria,quot; zegt Aponius, „was de schoonste duif.quot; Om dezelfde reden ook wordt zij eene lelie genoemd: „gelijk eene lelie te midden der dcornen zoo is mijne beminde onder de dochteren.quot; Over deze woorden merkt Dionysius de karthuissr op, dat Maria vergeleken werd bij eene lelie te midden der doornen; omdat alle de andere maagden doornen waren, of wel voor zich zelvcn, of
57
voor anderen ; miuir dat de H. Maagd noch voor zicbzelve, noch voor anderen, een doorn was; daar zij ieder die haar zag met kuische gedachten vervulde. Dit vinden wij ook bevestigd door den H. Ihomas, die zegt, dat deH. Maagd te zien voor ieder een spoorslag was tot zuiverheid, üe H. Hieronymus verklaart, dat naar zijne meening de H. Jozef maagd bleef door dat hij met Maria leefde; want in zijn schrijven tegen den ketter Helvedius, die de maagdelijkheid van Maria ontkende, zeide hij ; „gij zegt, dat Maria geene Maagd is gebleven ? En ik zeg u dat zij niet alleen maagd is gebleven; maar dat ook de H. Jozef zijne maagdelijkheid door Maria heeft bewaard.quot; Een geestelijk schrij\er verklaart, dat de liefde der H. Maagd voor deze deugd zoo groot was, dat zij, om die te bewaren, zeits alstand zou gedaan hebben van de waardigheid s an Moeder Gods. Dit mogen wij gerustelijk afleiden uit haar andwoord aan den Aartsengel: „hoe zal mij zulks geschieden, danr ik geenen man erken ?quot; en uit hetgeen zij er vervolgens bijvoegde: „mij geschiedde naar uw woord,quot; als willende zeggen, dat zij hare toestemming gaf op voorwaarde, dat, gelijk de engel haar had verzekerd, zij Moeder Gods zoude worden alleenlijk door de overlommering des H. Gcestes. De H. Ambrosius zegt; „dat al die de zuiverheid bewaart een engel is en al die ze heeft verloren een duivel;quot; er. God zelf verzekert ons,
58
dat allen die zuiver zijn engelen worden; ^zij zullen zijn gelijk Gods engelen in den hemel;1' maaide onzuivereii worden hatelijk in Gods oogen als de duivelen. De H. Eemigius was gewoon te zeggen, dat het grootste gedeelte der volwassenen door deze ondeugd verloren gaat. Zeldzaam, zooals wij reeds met den H. Augustinus gezegd hebben, wordt de overwinning op deze ondeugd behaald. En waarom dat? Omdat men zoo zeldzaam de middelen, gebruikt, waardoor deze moet behaald worden. Deze middelen nu zijn drieërlei, volgens Bellarminus en de meesters van het geestelijk leven; het vasten, het vluchten der naatste gelegenheden en het gebed. Door vasten wordt verstaan de versterving der oogen en van den eetlust. De H. Maagd, hoewel vol van de goddelijke genade, was nogthans zoo verstorven van oogen, dat zij, volgens den H. Epiphanius en den H. Johannes Damascenusgt; dezen altijd ter neder geslagen hield en nooit iemand in het aangezicht zag: ja zelfs zeggen zij, dat deze zedigheid van hare prille kindsch-heid zoo groot was, dat een ieder die haar zag daardoor van verwondering word opgetogen . Daarom merkt de H. Lukas op, dat zij hare nicht Elisabeth gaande bezoeken ^met haast ging;quot; ten einde minder in het openbaar gezien te worden. Phi-libertus verhaalt, dat wat haar voedsel betreft, aan een kluizenaar Felix genaamd geopenbaard werd, dat zij nog zuigeling zijnde slechts eens per dag-de borst nam. De H. Gregorius van Tours ver-
zekert, dat. zij haar gelieele leven door vastte: en do H. Bonaventura voegt er bij, „dat Maria niet zooveel genade zou gevonden hebben, indien zij niet zoo allermatigst in haar voedsel ware geweest; want genade, en gulzigheid zijn niet te zamen bestaanbaar. Eindelijk Maria '.vas zoo verstorven in alles, dat van haar gesegd is; „mijne handen druipen van myrrhe.quot;
Het tweede middel is de gelegenheden der zonden te vluchten. „Hij die oplettend is op de strikken zal veilig zijn.quot; Daarom zegt de H. Philippus Nerius, „dat in een strijd legen de zintuigen, de laihartigen de overwinning behalen, „dat wil zeggen, zij, die de gevaarlijke gelegenheden vluchten. Maria nu vluchtte zoo veel mogelijk den omgang der menschen en daarom zegt de li. Lukas, dat zij de H. Elisabeth gaande bezoeken, „met haast ging over de bergen.quot;
Het derde raiddel is het gebed. „En daar ik wistquot; zegt de wijze man, dat ik niet anders kuiseh kon zijn dan dat God mij de kuisohheid gaf... zoo ben ik tot den Heer gegaan en heb Hem gesmeekt.'' De H. Maagd openbaarde eens aan de H. Elisabeth v.in Hongarije, dat zij geene enkele deugd had verkregen zonder moeite en voortdurend gebed. De H. Joannes Damas-cenus zegt, dat Maria is „zuiver en eene min-naresse van de zuiverheid.quot; Daarom ook kan zij hen, die onzuiver zijn, niet verdragen. Maar hij, die zijne toevlucht tot haar neemt, zal zeker van deze ondeugd bevrijd worden, zoo hij
fiO
slechts liaiir naa-n mot vertronwen uitspreekt. De li. Joiinnes van Avila was gewoon te zeggen, „dat vcleu op de onzuivere bekoringen hadden gezegevierd door de godsvrucht tot hare Onbevlekte Ontvangenis.
Terwijl Angela de dochter van een koning van Bohemen in een klooster was, verscheen Maria aan haar en zeide: „sta op, Angela, en vlucht naar Jeruzalem; -want uw vader wil u aan den prins van Hongarije ten huwelijk geven.quot; De vrome maagd vertrok onmiddelijk en op hare reis verscheen de Goddelijke Moeder haar op nieuw en moedigde haar aa,n om voort'e gaan. Zij werd daarop te Jeruzalem onder de Karmelietessen opgenomen en later beval de H. Maagd zelve haar om naar haar vaderland terug te keeren, waar zij een heilig leven leidde tot aan haren dood.
Ue H. Gregorius verhaalt ons van eene jonge vrouw Musa genaamd, die zeer godvruchtig tot c'e li. Moeder Gods was, dat zij eens in groot gevaar zijnde van door het slechte voorbeeld harer metgezellinnen hare onschuld te verliezen, Maria haar verscheen omgeven van eenen grooten drom heiligen en tot haar zeide :
61
nMusa verlangt gij cone van dezen tc zijn ?quot; En toen zij hierop bevestigend antwoordde: „weina dan, vlucht uwe gezellinnen en bereid u er toe voor: want binnen ccne maand zult gij komen.quot; Musa deed dit, verhaalde de verschijning en d( n dertienden dag daarna op het punt zijnde van te sterven verscheen de H. Maagd haar andermaal en riep haar om te komen. Zij antwoordde: „zie ik kom, o L. Vrouwe, en ontsliep kalm en zacht.
O mijne Onbevlekte Vrouwe, ik verheug mij met u bij hel gezicht van den rijkdom uwer zoo groote zuiverheid. Ik dank en zal voorldu-rend ons beider Schepper danken, diit Hij u van de minste zondesmet heeft gevrijwaard. Ik wenschte, dat de geheele wereld u kende en u erkende als die schoone „Morgenstond,quot; die steeds door het Goddelijke licht was verlicht; als die uitverWene „Arkquot; van heil, die vrijge-bleven is van de algemeenc schipbreuk der zoi de ; als die „volmaakte eu onbevlekte duivequot; die de H. Geest zelf u verklaarde te zijn; als die „gesloten tuin,quot; waarin God zeil zijn welbehagen had; als die „verzegelde fontein,quot; wier wateren nimmer door ecnigen vijand werden
Iroubel gemaakt; cu eindelijk als die „blanke lelie,'' welke gij zijt en die, geteeld te midden der doornen van Adams kinderen, die allen in zonde en vijandschap Gods geboren zijn, alleen zuiver en zonder smel ontvangen en in alles de beminde van onzen Schepper zijt.
Sta mij toe u te prijzen zoo als God zelf u geprezen heeft: „gij zijt geheel zuiver, en smet is er niet in u.quot; O allerzuiverste duive, geheel rein en geheel schoon en steeds de vriendinne Gods! „O hoe schoon zijt gij, mijne beminde, hoe schoon zijt gij!'quot; O allerzoetste, allerbeminnelijkste, onbevlekte Maria, gij, die zoo schoon waart in de oogen Gods, ach verwaardig u uwe medelijdende oogen op de wouden mijner ziel te slaan hoe walgelijk die ook mogen zijn! Aanzie mij, heb medelijden met mij, genees mij. O schoone. magneet der harten, trek ook mijn ongelukkig hart tot u. O Gij, die van het eerste oogenblik van uw ontstaan, zuiver en schoon voor de oogen Gods stond, heb medelijden met mij, die niet slechts in zonden geboren ben; maar die ook na het 11. Doopsel mijne ziel op nieuw met zoo vele misdaden heb besmet. Welke gunst zal God u weigeren, u, die Hij zelf zich tot Dochter, Moeder en Bruid verkozen en daarom van alle smel heeft gezuiverd gehouden; u, die hij iu zijue liefde uit alle schepselen heeft verkozen. Ja ik zeg met den H. Philippus Nerius: „het is uwe plicht, o Onbevlekte Maagd, oin mij te redden:quot;
maak dat ik steeds aan u moge denkon en vergeet ook gij mij niet. De gelukkige dag waarop het mij zal worden gegeven ora uwe bclioonlieid in het Paradijs te zien, schijnt mij duizend jaar verre, zoozeer verlang ik om u meer te loven en te beminnen dan ik dit mi vermag, o mijne Moeder, mijne Koningin, mijne beminde, allerschoonste, allerzoetste, allerzuiverste en onbevlekte Maria. Amen .
Toen de engel Gabriël aan Maria de groote plannen bekend maakte, die God met haar had, noemde zij ziehzelve uit liefde tot de gehoorzaamheid, de dienstmaagd ; „zie de dienstmaagd des Heeren,quot; „Ja,quot; zegt de rl. Thomas van Villanova; „want deze dienstmaagd wederstreefde nimmer den Allerhoogste, noch door gedaente, noch door woorden, noch door daden; ma2ir, geheel onthecht aan haar eigen wil als zij was, leefde zij altiid in gehoorzaamheid aan den wil Gods.quot; Zij zelve verklaarde, dat God in hare gehoorzaamheid behagen had, toen zij zeide,
(gt;4
„Hij heeft de i.ederiglieid zijner dienstmaiigd aangezien;quot; omdat het in de gehoorzaamheid is dat de eigenlijke nederigheid eener dienstmaagd bestaat. De H. Augustinus zegt, dat de Goddelijke Moeder door hare gehoorzaamheid het kwaad herstelde door Eva's ongehoorzaamheid ons berokkend. Maria's gehoorzaamheid was volmaakter dan die van alle heiligen; omdat alle stervelingen, zij alleen uitgezonderd, door de erfzonde tot het kwaad geneigd zijn. Ds H.Ber-nardinus zegt, „dat Maria geene hindernis ondervond in de gehoorzaamheid aan God; omdat zij vrij was van de erfzonde: „zij was gelijk een rad, dat door den minsten ademtocht.desH.Guestes werd bewogen.quot;„üaarom,quot; vervolgt dezelfde Heilige, „was haar cenig doel op deze aarde, ora onafgebroken haar oog op God gevestigd te houdenden einde zijnen wil te ontdekken,en om,zoodra zij dezen kende, dien te volbrengen.quot; Van haar is gezegd; „mijne ziel smelt weg wanneer Hij spreekt,quot; dat wil zeggen volgens Richardus' uitlegging; „mijne ziel is als een metaal door het vuur der liefde vloeibaar gemaakt en geschikt om volgens den wil Gods in allen vorm gegoten te worden.''
Maria toonde ook hare bereidwilligheid om in alles te gehoorzamen ten eerste toen zij om Gode le behagen aan den romeinschen keizer gehoorzaamde en de lange reis, van minstens zeventig mijlen, naar Hethleëm ondernam, in den banen winter, in zwangeren toestand en iu zoo grooie
armoede, dat z,ij haren Zoon in eunen stal baarde. Zij toonde eene gelijke gehoorzaamheid, toen zij de nog langere en moeielijkcre reis naar Egypte ondernara in denzelfden nacht, waarin zij hiervan de tijding van den H. Jozef hoorde. Hierover vraagt Silveira, waarom het bevel van naar Egyp'.e te vluchten aan den H, Jozef werd gegeven en niet aan Maria, die toch het meeste daarvan te verduren zou hebben; en hij antwoordt, dal dit geschiedde; ,/Opdat Maria geene enkele gelegenheid mocht missen, om eene akte van gehoorzaamheid te volbrengen, waartoe zij ten allen tijde bereid wasquot;. Maar boven alles toonde zij hare gehoorzaamheid toen zij, om aan den goddelijkcn wil te gehoorzamen, .haren Zoor. ten dood olferde.
De zalige üeda in zijne uitlegging over het and woord door den Heer in het Evangelie aan de vrouw gegeven, die zeide; ,/gelukzalig de schoot, die u heeft gedragen!... „ja, maar meer nog gezegend hij, die het woord Gods aanhoort en het volbrengt,quot; zegt, nlat Maria wel is waar gezegend werd door dat zij Gods Moeder werd, maar meer nog door dat zij immer God beminde en aan fijnen wil gehoorzaamde.
i)e Heer eens tot de H. Brigitta sprekende over de zekerheid, die men ondervindt in de gehoorzaamheid aan zijnen geestelijken leidsman, zeide: ^de gehoorzaamheid brengt alle heiligen tot de hemelsnhe glorie;'' want, gelijk de li. Philippus Nerius gewoon was te zeggen, ^God
fifi
vraagt ons geen rekenschap van hetgene wij uit gehoorzaamheid doen; want Hij zelf heeft gezegd; „die u hoort, hoort Mij, ea die u versmaadt, versmaadt Mij.quot; De H. Moeder Gods openbaarde zelve aan de H. Brigitta, dat zij door hare gehoorzaamheid zoo groote macht had gekregen, dat geen enkele zondaar, hoe groot zijne zonden ook mochlen zijn, vergillenis zou missen; zoo hij ten minste met een voornemen van beterschap tot haar zijne toevlucht nam.quot;
Een arme zondaar, die, onder andere grove misdaden, met eigen hand zijnen vader en broeder had vermoord en daarom voortvluchtig was, hoorde eens in de Meimaand eene preek over de goddelijke barmhartigheid en kwam daarop zijne zonden aan den redenaar zelven belijden. Bij het hooren van zoovele gruwelijke misdaden zond deze hem naar het altaar van O. L. Vrouw van Smarten; opdat zij hem berouw en vergillenis voor zijne zonden mocht verwerven, üe zondaar gehoorzaamde en begon te bidden, toen hij uit overmaat van berouw plotseling dood nederviel. Toen de priester den volgenden dag de ziel van den overledene aau de gebeden dor gcloovigen aanbeval, verscheen er eeue witte duif in de
67
kerk, die een blad papier uhü zijne voeten liet nedervallen : hij nam het op en vond er de volgende woorden op geschreven; „Ue ziel des overledenen is bij zijnen dood regelrecht naar deu hemel gegaan; ga gij voort met de oneindige barmhartigheid Gods te prediken.quot;
Wij smeeken u, O allerheiligste Vrouwe, om de gunst, die God u deed door u zoo hoog te verhellen, dat door Hem alles aan u mogelijk is ; wij smeeken u; bewerk, dat de volheid der genaden, die gij hebt verdiend, ons deelgenooten moge maken in uw glorie. O allerbarmhartigste Vrouwe, wil ons datgene verkrijgen, waarvoor het God behaagde ia uwen kuisohen schoot mensch te worden. O leen ons een goedgunstig oor ; want zoo gij u gewaardigt uw goddelijken Zoon daarom te bidden, zal Hij ons dit zonder uitstel scheuken. Het is ons voldoende, dat gij onze zaligheid wilt, om die te verwerven. Maar wie kan uwe groote barmhartigheid terughouden? Indien, gij, die onze Moeder eu ook de Moeder der barmhartigheid zijt, geen medelijden hebt, wat zal er dan van ons geworden wanneer uw Zoon zal komen om ons te oordeelen. Help ons dan, o medelijdende Vrouw, en zie niet op de menigte
onzer zonden. Getlenk steeds, dat onze Schepper het menschelijke vleesch uit u aannam niet om de zondaars te veroordeelen, maar om hen te redden. Zoo gij slechts voor uw eigen voordeel Moeder Gods waart gewordeu zou men kunnen zeggen, dat het u onverschillig was, of wij verdoemd of gered werden; maar God bekleedde zich met uw vleesch voor uwe en aller metischen zaligheid. Wat zou uwe groote macht en glorie ons helpen, zoo gij ons geen deelgeuooten van uw geluk maakt ? O help ons dan en bescherm ons, gij, die weet, hoezeer wij uwen bijstand behoeven. Wij bevelen ons aan u; o laat onze zielen niet verloren gaan, maar eeuwig uwen beminden Zoon Jezus Christus loven en beminnen. Amen.
Onze beminde Zaligmaker schiep er zijn behagen in om arm op aarrle te zijn; opdat wij van Hem zouden leeren alle aardsche zaken te versmaden: Rijk zijnde,'' zegt de H. Paulus, werd hij arm uit liefde tot u ; opdat Zijne armoede u rijk mocht maken.quot; Daarom vermaant Jesus ieder, die op bijzondere wijze zijn leerling wil zijn met de woorden : „Wilt gij volmaakt zijn, ga, verkoop wat gij bezit en geef het den
I ö9
arme... en kom, volg Mij.quot; Zie hoe Maria, 1 die de volmaakste leerlinge was, waarlijk Ziju
voorbeeld volgde. Pater (Jauisius beweert, dal ^ Maria in goeden welstand had kunnen leven
van het eigendom, dat zij van hare ouders had i geërfd, maar dat zij liever arm willende zyn ^ zichzelve slechts een klein gedeelte voorbehield
en het overige in giften aan den tempel en
gt; de armen uitreikte. Tele schrijvers zijn van mee-ning, dat Maria zelfs gelofte van armoede deed,
gt; en wij weten, dat zijzelve tot de H. Brigitta zeidde; ;/van den beginne af deed ik in mijn
^ hart de gelofte, van nimmer iets op aarde
1 te zullen bezitten.quot; De giften, die zij van de
H. Koningen ontving, zullen gewis niet van geringe waarde zijn geweest; maar de H. Ber-nardus verzekert ons, dat zij geheel en al door de handen van de H. Jozef aan de armen uitdeelde. Dat de Moeder Gods dadelijk over deze giften beschikte is ons hieruit duidelijk, dat zij bij hare Zuivering in den Tempel, niet een lam ofterde, zooals dit de wet voorschreef ' aan hen, die dit konden doen, „voor een zoon j zal men een lam ofieren;quot; maar, wel twee tor-
b telduiven of twee jonge duiven, 't geen het of-
fer der armen was, „en lot oö'er, gelijk het in de wet des Heeren was voorgeschreven, een paar t tortelduiven of twee jonge duiven.quot; Maria zelve
zeide tot de li. Brigitta; „al wat ik kou gaf t ik den armen en behield voor mijzelve slechts
n een weinig voedsel en kleeding.''
70
Uit liefde voor de armoede versmaade zij ook het Imwelijk met deu H. Jozef, die slechts eeu eenvoudig timmermuu was, niet, eu onderhield. vervolgeus zichzelve door handenarbeid, door spinnen en naaien, gelijk de H. Bonaven-Uira verzekert. De engel, over Maria sprekende, verhaalde, aan de H. Brigitta, „dat aardsehe rijkdommen in hare oogen niet meer waarde hadden dan slijk.quot; In eeu woord zij leefde altijd arm en stierf arm en wij weten niet, dat zij iets heeft nagelaten dan twee armoedige kleeding-stukken aan de twee vrouwen, die haar gedurende haar leven gediend hadden, gelijk Meta-phrastes en Nieephorus ons dit verhalen.
De H. Philippus Nerius was gewoon te zeggen, dat hij, die de wereldsche zaken bemint, nooit zal heilig worden. En wij kunnen hier bij voegen hetgeen de H. Theresia zegt, „dat het eeu natuurlijk gevolg is. dat hij die de vergankelijke dingen najaagt ook zelf verloren gaat.quot; Maar aan den andoren kant voegt zij er bij dat de armoede eene schat is, die alle schatten in zich bevat. Zij spreekt namelijk over de „deugd van armoede;quot;' want gelijk de H. Bernardus zegt, deze deugd bestaat niet slechts in arm te zijn, maar iu het beminnen van de armoede. Daarom zeide Jesus Christus; „zalig zijn de armen van geest; want hun behoort het rijk der hemelen.quot; Deze zijn zalig, omdat zij niets be-geeren dan God en in God alle goeds vinden. In de armoede vinden ztj den hemel op larde,
71
gelijk de H. Franciscus zeide toen hij uit ts riep: „Mijn God en mijn m1.quot; Laat ons dan,
„gelijk de H. Augustinus otis vermaant, die [lj „eene goed bemiunei), waarin wij alle goeds vin-
n. den,quot; en tot den Heer roepen met de woorden
e) ^ van den H. Ignatius; „scheuk mij alleen uwe liefde en uwe genade en ik ben rijk genoeg.quot; Jc „Zoo wij te lijden liebben van de armoede.quot;
zegt de H. Bonaventura, laten wij ons troosten 5ij met de gedachte, dat Jesus en zijne Moeder
g. ook arm ziju geweest zooals wij.
lUquot;
tii- ___
ig-
bij
lcl Do Pastoor van eene landelijke plaats stond
Ln. eens een rijk man in zijn stervensuur bij, in
t quot; een prachtig huis, omgeven van dienaren, be-
trekkingen en vrienden; doch de goede priester
eu zag tegelijkertijd de duivelen, die in de gedaante
* van houden wachtten om zijne ziel mede te sle-
lus pen, zooals zij dit ook werkelijk deden ; want
! te hij stierf in doodzonden. Terzelfder tijd zond
de. ook een arme vrouw, die ziek was en de H.
av. Sakramenten weuschte te ontvangen,, om hem;
:]er maar dewijl hij den rijke, wiens ziel zijne hulp
Ije. zoozeer behoefde, niet kon verlaten, zond hij
on, haar eenen anderen priester, die dadelijk de
clej f kelk met het H. Sakrament kwam halen. Bij zijne
komst ontmoette hij aldaar noch dienaren, noch vrienden, noch schoone meubelen;'want de zieke vrouw was arm en lag sleelus op teu weinig stroo; maar hij zag een groot liclit in de kamer en naast het bed van de stervende was de Moeder Gods Maria gezeten, die haar vertroostte en in hare hand eenea doek hield, waarmede zij haar het doodzweet afwischte. De priester nu Maria ziende vreesde binnen te gaau; maar zij wenkte hem om te naderen. Hij trad dan binnen en Maria zelve bood hem een stoel, opdat hij zoude nederzitten om de biecht van hare dienaresse te hooren. Hij deed dit eu nadat zij met de grootste godsvrucht had gekommuni-cecrd blies zij hare ziel gclukkiglijk uit in de armen van Maria.
O mijne allerzoetste Moeder, op welke wijze zal ik sterven, ik arme zondaar, die ik ben ? Ja de gedachte alleen aan het oogenblik van mijnen dood, van het verschijnen voor den rechterstoel Gods en de herinnering, dat ik zoo me-nigwerf door in de zonde toe te stemmen, mijne veroordeeling heb onderteekeud, doel mij beven. Ik ben vol schaamte en vrees voor mijne eeuwige zaligheid. O Maria, in Jesus bloed en in uwe
73
voorspraak bestaat al mijne hoop. Gij zijt de Koningin des Hemels, de meesteresse van het heelal, in een woord gij zijt de Moeder Gods. Gij zijt groot, doch uwe grootheid in plaats van een beletsel te zijn drijft u integendeel aan tot groo-ter medelijden met ons in onze ellende. We-reldsehe vrienden miskennen veelal, wanneer zij tot waardigheid komen, hunne vroegere vrienden, die in ongeluk gevallen zijn ; maar uw edel en beminnend hart handelt niet alzoo; want hoe grooter de ellenden zijn, die het ziet, des te meer pogingen wendt het aan om die te verhelpen, Wanneer gij aangeroepen wordt, biedt gij dadelijk bijstand, ja meer nog, gij voorkomt onze gebeden door uwe gunsten, gij troost ons in onze ellenden en stilt de stormen, die ons heen en weder slingeren, gij overwint alle vijanden, in 't kort gij laat geene enkele gelegenheid voorbijgaan om ons heil te bevorderen . Moge de hand Gods, die in u zooveel majesteit en tee-derheid, zooveel grootheid en liefde vereenigde, daarvoor eeuwig gezegend zijn . Ik dank u daarvoor, o mijn God, en wensoh mijzelven geluk met dit voorrecht; want inderdaad in Maria's geluk stel ik ook het mijne en haar lot reken ik het mijne te zijn . O Iroosteresse der bedroefden, vertroost een ellendig schepsel, dat zich u aanbeveelt. De wroegingen van een met zonden overladen geweten vervullen mij met smart en ik twijfel zei Is of ik daarover ooit voldoende berouw heb gehad. Ik weet, dat alle mijne handelingen ge-
74
brekkig zijn en bezoedeld, dat de hol op mijnen dood wacht om mij te beschuldigen en dat de beleedigde rechtvaardigheid Gods voldoening oisclit Mijne Moeder, wat zal er van mij geworden? Zoo gij mij niet helpt ben ik verloren. Wat zegt gij: wilt gij mij bijstaan? O medelijdende Maagd, vertroost mij en verkrijg mij een oprecht berouw over mijne zonden, verkrijg mij kracht om mij le beteren co mijn God getrouw te zijn gedurende het overige van mijn leven, en eindelijk, in mijn laatste oogenblik, o Maria, o mijne hoop, verlaat mij niet. Ja dan meer nog dan ooit moedig mij aan en help mij, opdat ik niet moge wanhopen op het gezicht van mijne zonden, die de boozc mij dan zal voor oogen houden. Mijne Vrouwe, vergeef mij mijue vermetelheid en kom gijzelve in dien laatsten strijd mij ter hulp. Scheuk ook aan mij, smeek ik u, deze gunst, die gij reeds zoo menigeen hebt geschonken. Is mijne stoutmoedigheid groot, uwe goedheid is grooter nog; want gij zoekt steeds naar de ellendigsten om hen te troosten. Amen.
Deze wereld is eene plaats van verdiensten, en word te reeht een dal van tranen genoemd ; want wij allen zijn er iu geplaatst, opdat wij door geduld ouzo zielen voor liet eeuwige leven mogen winnen, gelijk de Heer zelf zegt: „in geduld zult gij uwe zielen bezitten.quot; God heeft ons in de H. Maagd Maria een voorbeeld van alle deugden, maar bijzonderlijk van geduld geschonken. iJe H. Eraneiscus van Sales merkt onder anderen op, dat liet juist om deze reden was, dut Jesus op de Bruiloft te Cana aan de H. Maagd een andwoord gat, waaruit scheen te blijken, dat hare beden bij Hem luttel waarde hadden; „Vrouw, wat is ertusschen u en mijPquot; en dal hij dit deed, om ons het geduld van zijne H. Moeder ten voorbeeld te stellen. Maar wat is het noodig bij haar naar handelingen van deze deugd te zoeken; daar Maria's gcheele leven eene voortdurende oefening van geduld was; want, zooals de engel aan de H. Brigitta openbaarde, „gelijk eene roos opgroeit tc midden der doornen, zoo groeide Maria op te midden der beproevingen.quot; Haar medelijden met het lijden des Zaligmakers alleen maakte kaar reeds
76
tot eene martelares van geduld. Daarom zegt de TT. Boraventura, dat „eene gekruiste Moeder eencn gekruisten Zoon heeft ontvangen.'' Hoe veel toch leed zij niet, én op de reis naar, én tijdens haar verbluf in Egypte, alsook in den tijd, dicu zij met haren Zoon in het huidje te Nazareth leefde! Hetgeen Maria bij den dood van Jesus op den Kalvarieberg verduurde is alleen voldoende om ons to toonen, hoe onwrikbaar en verheven haar geduld Was: „daar bij het kruis van Jesus stond zijne Moeder.quot;
Hierom aarzelt de H Tldefonsus niet om te beweren, „dat te zeggen, dat Mara's smarten grooter waren dan de tormenten van alle martelaars te Ki,men, nog te weinig gezegd is. „En de H. Anselmus voegt er bij, dat de wreedste kwellingen der H. Martelaars kleinigheden waren en als niets te tellen bij het lijden van Maria.quot; üe H. Basilius van Seleucië schrijft ook, „dat, gelijk de zon alle andere plaijeten in glans overtreft, zoo ook de smarten van Maria die van alle andere Martelaars te boven gaan.quot; Een geleerd schrijver besluit met een allersclioonst gevoelen, hij zegt namelijk, dat de smart dezer teedere Moeder bij het lijden vnn Jesus zoo groot was, dat zij alleen slechts medeleed in eenen graad, die te vergelijken was met de verdiensten van den dood van den Godmensch.
Indien wij dan kinderen van Maria wenschen te zijn, zoo moeten wij ons beijveren, om haar in haar geduld na te volgen; ^want wat,quot; zegt
77
de H. Cyprianus, ;/kaii ons met grootere verdiensten in dit leven en ,net grootere glorie in het toekomende verrijken dan liet geduldig verduren vair smarten ? God zegt door den profeet Hosea: „Ik zal uwen weg met doornen om-. . heinen.quot; Gelijk een doornhaag den wijngaard besehut, zoo behoedt God zijne dienaars van het gevaar om zich atn de aarde te hechten door hen met tegenspoeden te overladen.
Daaruit besluit de H. Cyprianus, d it wij ons door geduld van de zonde en de hel bevrijden, en dat het dus het geduld is, dal Heiligen maakt. Geduld is een volmaakt werk, om namelijk niet slechts de kruisen, die ou niddelijk van God komen, in vrede te dragen ids daar zijn ziekte en armoede, maar ook diegenen, welke ons van de mcnschcn toekomen, als vervolgingen enz. L)e H. Joannes zag alle heiligen met palmtakken in de handen als zinnebeeld van het martelaarschap; „daarna zag ik eenc groote menigte en palmen hadden zij in hunne handen;quot; om daardoor te kennen te geven, dat '' alle volwassenen, die zalig worden, martelaars moeten zijn of wel door het storten van hun bloed voor Christus, of' wel door hun geduld. Verheugt u dan, roept de II. Gregorius uit, „wij kunnen martelaars zijn zonder het zwaard des vervolgers, alleen zoo wij ons geduld bewaren.quot; De H. Bernardus zegt, „zoo wij slechts met geduld en vreugdp rampen des levens verdragen, welke groote vrucht zal niet iedere moeite
78
door Gods ccr doorgestaan ona in den Hemel aanbrengen.quot; Daarom bemoedigt ons de Apostel zeggende, „dat de rampen, die slechts kort en licht zijn, ons eenen bovenmatigen graad van glorie bezorgen.quot; üe onderrichtingen van de H. Theresia over dit onderwerp zijn zeer schoon; zij was gewoon te zoggen, dat „hij die het kruis omhelst het zelfs niet voelt; en weder, „zoo wij slechts besluiten om te lijden houdt de piju op.quot; Wanneer ons kruis zwaar op ons drukt nemen wij onze toevlucht dan tot Maria, die de II. Kerk „de Troosteresse der bedruktenquot; noemt en de H. Joannes Damascenus „den troost voor alle droefheid des harten.quot;
Wij lezen in de openbaringen van ue H. Brigitfa van een rijk man, die zoo zondig van gewoonten was als adelijk van geboorte. Hij had ziclizelven door een bijzonder verbond tot slaaf des duivels gemaakt en hem gedurende zestig achtereenvolgende jaren gediend, een leven leidende zooals men zich dat kan voorstellen eu nimmer tot de H. Pakrameuten naderende. Toen nu deze prins op sterven lag wilde Jesus hem genade toouen en beval aan dc H. Brigitta haren biechtvader tot hem te zenden, om
79
hem tot het bieehten zijner zonden aan Ie sporen. De biehtvader kwam; doch de zieke man verklaarde geene biecht noodig te hebben, dewijl hij zeer dikwijls het Sakrament van boetvaardigheid had ontvangen. De priester kwam nog eens terug; maar de arme slaaf der hel volhardde in zijn halstarrig besluit om niet te biechten. Jesus beval nogmaals aan de Heilige om den biechtvader te zenden. Deze ging dan ten derde male en verhaalde aan den zieken man de verschijning, die de H. Brigitta had gehad en dat hij zoo dikwerf was teruggekeerd, omdat God hem barmhartigheid wenschende te toonen dit had bevolen. Dit hoerende werd de stervende geroerd en begon te weenen. „Maar hoe,quot; riep hij uit, „is er voor mij nog redding, voor mij, die zestig jaren lang den duivel als slaaf heb gediend, die mijne ziel met or-telbnre zonden heb beladen?quot; „Mijn zoon,''and-woordde de priester hem bemoedigende, „wanneer gij er berouw over hebt beloof ik u in den Naam Gods vergiffenis.'' Hierop moed vattende zeide hij tot den biechtvader: „mijn vader ik beschouwde mijzelven als verloren en wanhoopte reeds aan mijne zaligheid; maar nu voel ik een berouw over mijne zonden, dat mij vertrouwen geeft, en dewijl God mij nog niet heeft verlaten wil ik mijne biecht spreken.quot; Werkelijk biechte hij nog dienzelfdeu dag viermalen met de grootste teekenen van berouw, ontving den volgenden morgen de H. Kommu-
80
nie en stierf den zesden dag daarna in groote gelatenheid en vermorzeling des harten. Na zijnen dood sprak Jesus op nieuvr tot de H. Brigitta en zeide haar, dat die zondaar was gered geworden, dat hij toen in het vagevuur was eu zijne redding aan de voorspraak van de H. Maagd, zijne Moeder, verschuldigd was; want de overledene had, hoe slecht hij ook had geleefd, desniettemin steeds godsvrucht tot hare Smarten gevoeld, en had, als hij daaraan dacht, steeds medelijden met Maria gehad.
O mijne bedroefde Moeder! Koningin der Martelaren en der Smarten, gij wecndet zoo bitterlijk over uwen Zooi;, toen Hij voor mijne zaligheid stierf. Maar wat zullen uwe tranen mij helpen indien ik verloren ga? Door de verdiensten dan van uwe Smarten, verkrijg mij een oprecht berouw over mijne zonden en eene ware verbetering van mijn leven, tegelijk met een voortdurend en teeder medelijden me. het lijden van Jesus en met uwe Smarten. Zoo uw Jesus en gy, die zoo onschuldig waart, zoo veel hebt geleden uit liefde tot mij, verkrij-mij, dat ik, die de hel heb verdiend, ook eindelijk uit liefde tot u iets moge verduren. „O
81
Vrouw quot; roep ik met den H. Bonaventura uit, „heb ik u beleedigd, zoo woud mijn hart in uwe rechtvaardigheid; heb ik u gediend, o wond mij dan als vergelding daarvoor.quot; Ik schaam mij als ik mijnen Heer Jesua gewond zie en u met hem, terwijl ik daar ongewond sta.quot; Eindeliik, o mijne Moeder, ik smeek u door de droefheid, die gij ondervondt, toen gij uwen Zoon aan het kruis te midden van zoovele smarten het hoofd zaagt buigen en sterven, om ook mij eenen zaligen dood te verwerven. O Voorsprekeresse der zondaren, houd niet op om mijne bedroefde ziel bij te staan in don strijd, dien zij zal te verduren hebben, bij haren grooten overtocht van den tijd naar de eeuwigheid. En daar het waarschijnlijk is, dat ik dan mijne spraak zal verloren hebben, en mijne kracht om uwen en uws Jesus' naam, waarin al mijne hoop bestaat, aan te roepen, zoo doe ik dit nu. Ik smeek uwen Zoon en u, om mij in die laatste oogenblikken bij te staan en verzucht tot u: „Jesus, Maria, aan u beveel ik mijne ziel.quot; Amen.
Nimmer was er eene ziel op aarde, die op zoo volmaakte wijze als de H. Maagd, de grooto les van „altijd te bidden en nimmer op te houden,quot; ons door den Zaligmaker gegeven, in beoefening bracht. Aan niemand, zegt de H. Bonaventura, kunnen • wij beter een voorbeeld nemen, om to leeren, hoe noodzakelijk de volharding in het gebed if, dan aan Jlaria. „Maria gaf ons een voorbeeld, dat wij voortdurend moeten navolgen en niet ophouden.quot; De zalige Albertus de Groote beweert, „dat de Moeder Gods na Jezus in het gebed de volmaakste was van allen, die ooit geweest zijn of zullen zijn.quot; In de eersle plaats; omdat haar gebed voortdurend en volhardend was: van bet eerste oogenblik toch, dat zij het volmaakte gebruik van hare rede had, hetgeen, zoo als wij bij do beschouwing over hare geboorte hebben gezien, in den eersten stond van haar bestaan was, in dat eerste oogenblik van haar bestaan begon zij reeds te bidden. Om zich te beter en nog meer aan het gebed te kunnen wijden sloot zij zich in den leeftijd vati nog geen drie jaren in de afzondering des tempels op, waar zij, be-
83
halve de uren, die voor deze oefening waren bepaald, «altijd te niiddernaclit opstond, om voor het altaar des tempels hare smeekgebeden op te dragen,quot; gelijk zijzelve aan de H. Elisabeth van Hongarije verhaalde. Om dezelfde reden, en om voortdurend het lijden van Jesus te overwegen, bezocht zij, gelijk de II. Odilo zegt, dikwijls de plaatsen der geboorte, van het lijden en der begrafenis des Heeren. Verder bad zij met de grootste ingetogenheid des geestes, vrij van allo verstrooidheid en ongepaste gemaaktheid; geeno uitwendige bezigheid verduisterde voor haar ooit het licht van hare onafgebrokene beschouwing.
Uit liefde voor het gebed was de M. Maagd zoo begeerig naar do eenzaamheid, dat zij, zooals de H. Brigitta verhaalt, gedurende haar leven in den tempel allen omgang met hare bloedverwanten vermeed. Over de woorden van den profeet Isaias; „ziet eene Maagd zal ontvangen en eenen Zoon baren en zijn naam zal Emmanuel zijn,quot; maakt de H. Hieronymus de opmerking, dat het woord maagd in het hebreen wsch eigenlijk eene in de eenzaamheid te-ruggetrokkene maagd beteekent, zoodat de profeet hiermede de neiging voorspelde, die Maria voor de eenzaamheid hebben zou. Bichardus van St. Laurentius zegt, dat de Heer haar met da woorden „de Heer is met uquot; toespraak ter oor-zake van hare groote liefde voor de eenzaamheid. Om deze reden verhaalt ook de H. Vin-
84
centius Fcrrerius, dat de Moeder Gods haar huis „alleen verliet om naar den tempel te gaan en dat hare houding dan geheel ingetogenheid was en zij hare oogen zedig hield ter neder geslagen.'' Om dezellde reden ging zij „met haast'' toen zij de H. Elisabeth ging bezoeken en „hieruitquot; zegt de H. Ambrosius, „moeten de maagden lecren om de wereld te ontvlieden.quot; De li. Bernardus verzekert, dat Maria uitzucht naar het gebed en de eenzaamheid altijd vol zorg was om het zamp;menzijn en den omgang met de mensehen te ontvluchten. Daarom werd zij ook door den H. Geest eene tortelduive genoemd: „uwe wangen zijn schoon als die eener tortelduive.quot;
„De tortelduif,quot; zegt Vergello, „is een eenzame vogel en beteekent de geneigdheid dei-ziel tot de eenzaamheid.quot; Hierom was het dat de II. Maagd steeds eenzaam in deze wereld leefde, gelijk in eene woestijn, en dat van haar is gezegd: „wie is zij, die opstijgt uit de woestijn, aan eene rookkolom gelijk ?quot; Over deze woorden zegt de eerwaarde Rupertus, „zoo steegt gij op uit eene woestijn, gij, die waarlijk de eeuzaam-heid bemindet.quot;
PLilo verzekert ons, „dat God alleen in de eenzaamheid tot de zielen spreekt.quot; God zelf verklaart ons dit door den profeet Hosea, „ik wil haar in de wildernis leiden en daar zal ik tot haar hart spreken.'' „O gelukkige eenzaamheid,quot; roept de H. Hicronymus uit, „in welke
God met de zijnen omgaat en vertrouwelijk met hen spreekt.quot; „Ja,quot; zegt de II. üernardus; „Tant de eenzaamheid eu fle stilte, die men daar geniet, dwingen do ziel om in deu geest de aarde te verlaten en de dingen die des Hemels zijn te overwegen.quot;
Drie vrome maagden baden eens, op raad van haren biechtvader, tot voorbereiding voor het feest van Maria's Zuivering, gedurende veertig dagen den geheelen Kozer.krans. Op den dag-voor liet feest nu verscheen de H. Maagd aan de eerste der drie zusters in een rijk, met goud geborduurd kleed en dankte en zegende haar. Daarna verscheen zij aan dc tweede, in een eenvoudig kletd en dankte ook haar; maar deze zeide: „O \rouwe, waarom kwaamt gij tot mijne zuster in een zooveel rijker kleed?quot; „Omdat,quot; hernam Maria, „deze mij met een rijker gewaad heeft gekleed dan gij. Daarna verscheen zij aan de derde, in gewoon zakkeu-stof gehuld, op welk gezicht ;le zuster haar vergiiïeiiis vroeg voor do loomheid, waarmede zij haar geëerd had. Het volgende jaar bereidden zij alle drie zich met vurigheid voor eu baden den Rozenkrans met veel godsvrucht.
86
In den nacht nu, die het feest voorafging verscheen Maria van glorie schitterend aan alle drie en zeide: „bereidt u voor, want morgen zult gij met mij in het Paradijs zijn,quot; en in-derdaad, zij verhaalden aan haren biechtvader hetgeen er voorgevallen was, ontvingen in de kerk de H. Kommunie en tegen het uur dei-kompleten zagen zij op nieuw de H.Maagd, die haar kwam afhalen en te midden van het gezang der engelen ontsliepou zij zacht, de eene na de andere.
O Moeder Gods, ik neem mijne toevlucht tot u en smeek u mij niet te verwerpen; want geheel de gcloovige Kerk noemt u de Moeder der Barmhartigheid. Gij zijt degene, die zoo dierbaar zijt aan God, dat Hij u altijd bereidwillig aanhoort. Uw medelijden heeft niemand ooit ontbroken en uwe allerwelwillendste goedheid heeft nooit eenen zondaar die tot u vluchtte, hoe groot ook zijne misdaden waren, versmaad. Kan het onwaar of voor niets zijn, dat de kerk u de Voorspreekster en de Toevlucht der zondaars noemt? Laat het toch nimmer gezegd kunnen worden, dat mijne zonden u hebben verhinderd in de vervullinir van uwe sroote taak van barm-
87
hartigheid, die tank welke zoo bijzonderlijk de uwe is, waardoor gij dc Voorspreekster en Mid-delaresso van den vrede zijt, de eenige hoop en de eenige zekere toevlucht van allen, die ellendig zijn Neen, nooit zal het gezegd worden, dat de Moeder Gods, die voor het welzijn der wereld de Bron van barmhartigheid heeft voortgebracht. haar medelijden heeft ontzegd aan eeneo zondaar, die tot haar zijne toevlucht nam. 't Is uwe betrekking om vrede tusschen God en den menseh te stichten, laat dan de grootheid van uw medelijden, welke mijne zonden verre overtreft, u bewegen om mij te helpen. Amen.
Hoe groot ons vertrouwen moet zijn in Maria, die de Koningin is der barmhartigheid.
Zoo de glorierijke Maagd Maria verheven is geworden tot de waardigheid van Moeder van den Koning der koningen, is liet ook niet zonder
reden dat do kerk haar eert eu haar van allen geëerd wcuscht te zien met den glorievollen titel van Koningin. „Is de zoon Koning,quot; zegt een oud sehrijver, „dan is de Moeder, die Hem heeft gebaard, naar rechten billijkheid Koningin en Vorstin te noemen.quot; „niet zoodra,quot; zegt de H. Bernardus van Senen, „had Maria toegestemd in het Moederschap van het Eeuwig Woord, of zij verdiende door die toestemming den titel van Koningin der wereld en van alle schepselen. Daarom ook is ieder die God dient ook dienaar van Maria; want gelijk engelen en men-schcn en alles wat in den hemel of op aarde is, onderworpen moet zijn aan het bestuur Go's, zoo zijn zij ook allen zonder uitzondering onder de heerschappij van Maria.
Maria is dus Koningin; maar voor ons aller troost mogen wij weten, dat zij eene Koningin is zoo zoet, zoo medelijdend, zoo gereed om ons in alle onze ellenden te helpen, dat de H, kerk wil, dat wij haar met den titel van Koningin der Barmhartigheid zullen begroeten. „I)e titel van Koningin, die,quot; zoo als do Z. Al-bertus de Groote opmerkt, „medelijden e i liefde jegens den arme beteekent, verschilt hemelsch-breed van dien van Heerschcres, die kracht en strengheid ! eduidt.quot; De grootheid van koningen en koninginnen bestaat volgens Seneka in liet helpen van ongelukkigen, en, gelijk dwingelanden met hunne heerschappij slechts hun eigen welzijn op het oog hebben, zoo moeten koningen
89
slechts het welzijn van hunne onderdanen ter-harte nemen.
Koningen moeten ?,ich dus toeleggen op werken van medelijden, maar toch zóó, dat zij de straf iiiet vergeten, wanneer die toegepast moet worden. Doch niet alzoo is hut met Maria, die hoewel Koningin, echter geene Koningin van Gerechtigheid is om de boozeu te straffen, maar eene Koningin van Uarmhartigheid, om zondaars te vergeven en medelijtien te toonen.
En dit is de reden, waarom de kerk uit drukkelijk wil, dat wij haar de Koningin der Barmhartigheid nullen noemen.
Maar hebben wij misschien te vreezen, dat Maria zich niet verwaardigen zal om enkele zondaars te helpen, die al te zeer met misdaden overladen zijn ? Of hebben wij misschien te vreozen, om de Majesteit en Heiligheid van deze groote Koningin te naderen? „neen,quot; zegt de H. Gregorius; „want hoe hooger en heiliger zij is, des te grooter is cok hare zachtheid en haar medelijden jegens de zondaars, die tot haar vluchten met het voornemen om hun leven te beteren.quot; Koningen en koninginnen verwekken schik door hunne majesteitsvertooning en veroorzaken vrees bij de onderdanen, die hen naderen; „maar hoe kan,quot; zegt de 11. Bernardus, „een ongelukkige vreezen om deze Koningin van Barmhartigheid le naderen, die geene vrees verwekt, noch strengheid toont, maar enkel liefde en zaligheid is voor allen die tot haar komen.
90
Hoe groot moet dan niet ons vertrouwen op onze Koninginne zijn; daar wij liare groote macht bij God kennen en weten, dat zij zoo rijk ia en zoo barmhartig, dat niemand op aard van hare gunst en mededoogeu verstoken blijft. O. L. Vrouw openbaarde dit zelve eens aan de H. Brigitta met deze woorden; „Ik ben de Koningin des Hemels en de Moeder der Barmhartigheid; ik ben de vreugde der rechtvaardigen eu de deur, die de zondaars tot God voert. Pj)- is geen zondaar op aarde zoo veroordeeld, dat ik mij niet over hem ontferm, en dit vooral, omdat niemand anders dan ik huu vermindering der bekoring kan schenken. „Niemand,quot; ging zij voort, „zoo slechts het onwederroepelijk vonnis niet is geveld, ('t geen alleen met de verdoemden het geval is) is zoozeer door God verworpen, dat hij niet tot Hem zou kunnen tenigkeeren en zijne barmhartigheid erlangen, indien hij mijnen bijstand inroept.quot; „Ik word door allen de Moeder van Barmhartigheid genoemd, en terecht; want do barmhartigheid mijns Zoons jegens de mensehen heeft ook mij zoo barmhartig jegens hen gemaakt. En daarom,'' zoo eindigt zij, „daarom zal hij ellendig, zal hij tot in eeuwigheid ellendig zijn, die verloren gaat; omdat hij ongelukkig genoeg is om den bijstand niet in te roepen van mij, die zoo medelijdend jegens allen bon en die niets meer verlang dan zondaars te helpen.quot;
Vluchten wij dus en vluchten wij steeds
-jp aan de voeten dezer zoete Koningin, zoo wij
(■g van onze zaligheid willen verzekerd zijn. En
00 zoo onze zonde ons ontmoedigen en beangstigen,
0p bedenken wij, dat Maria, de Koningin der
BI1 Barmhartigheid, zelve zich aanbeveelt, om de
n3 , grootste en de meest verlatene zondaars te redden, en
er -
t-
ir-n,
ik Een adelijk jonkman, Eskill genaamd en
n. door den prins zijnen vader naar Hildesheim,
et eene stad in Saxen gezonden, om zijne studiën
en te voltooien, gaf zich aan een bandeloos leven
o~ over. Hij werd daarop zoo gevaarlijk ziek, dat
;m hij het laatste Oliesel ontving. In dezen toestand
id zag hij zich in eenen gloeienden oven opgeslo-. ten en meende reeds in de hel te zijn, toen
.r- het hom gelukte door eenc opening to ontsnap-
ir- pen en in een groot paleis te vluchten, waar
;ft ' hij in eene der zalen dc li. Maagd zag, die
in tot hem zeide: „vermetele, die gij zijt, durft
jl- nog voor mij te verschijnen; vertrek van hier
n, eti ga naar den vuurgloed, dien gij verdiend
eg hebt.quot; Maar de jonkman verzocht haar om me-
nj, delijden met hem te hebben en bad en smeekte
its de daar aanwezige personen om hem Maria aan te bevelen. Zij deden dit, doch Maria antwoordde
ds hun: „maar gij kent het zondige leven niet, dat
92
hij geleid hcei't, en dat hij zich zelfs niet verwaardigde mij mot een enkel „Wees gegroetquot; te groeten.quot; Maar zijne voorsprekers zeiden: „maar Vrouwe, hij wil zijn leven veranderen;quot; en de jonkman voegde er bij; „ja ik beloof u in vollen ernst om mij te beteren en een van uwe godvruehtigste dienaars te zullen worden.quot;
De toorn derH. Maagd werd hierdoor gestild en zij zeide tot hem; „welnu ik neem uwe belofte aa'j ; vertrouw op mij en wees door mijnen zegen van dood en hel bevrijd.quot; Met deze woorden verdween de verschijning, Eskill kwam tot zichzelven terug, dankte de H. Maagd, verhaalde aan anderen de gunst, die hij had ontvangen, leidde van dat oogenblik een heilig leven en behield steeds eene groote godsvrucht tot O. L. Vrouw. Hij werd later Aartsbisschop van Lind in Zweden, waar hij velen tot het geloof bekeerde. Tegen het einde zijns levenlegde hij wegens zijne hooge jaren het episcopaat neder en trad in de orde van Clairveaux, waarin hij nog vier jaren leefde en in geur van heiligheid stierf, zoodat sommige schrijvers hem onder de hei-gen der Cistercienser Orde stellen.
O Moeder van mijnen God en mijne Trouwe Maria, gelijk een gewonde en zieke bedelaar \oor eene groole Koningin, zoo vertoon ik mij voor u, die de Koningin van hemel en aarde zijt. 0, ik smeek u, verwaardig u van den verheven troon, waarop gij zetelt, uwe oogen op mij^ armen zondaar te richten! God he_ft u zoo rijk gemaakt, opdat gij de armen zoudt bijstaan. God heeft u de Koningin der Barmhartigheid gemaakt, opdat gij allen die ellendig zijn zoudt opheffen. Zie mij dan aan en heb medelijden met mij; zie mij aan en verlaat mij niet •voor dat gij mij van eenen zondaar in een heilige veranderd ziet. Ik weet zeer goed, dat ik niets verdien, ja, dat ik om mijne ondankbaarheid zelfs moest beroofd worden van de genade, die God mij door uwe handen reeds heeft geschonken; maar gij, die de Koningin dei-Barmhartigheid zijt., gij zoekt geene verdiensten, maar ellenden, om (lie te kunnen heelen; en wie is er ellendiger dan ik?
O verhevene Maagd, ik weet, dat gij, die de Koningin van het heelal zijt, ook mijne Koningin zijt en ik ben besloten, om mijzel-ven meer bijzonder aan uwen dienst toe te wijden, opdat gij over mij moogt beschikken naar uw welbehagen. Daarom voeg ik u de woorden van den H. Bonaventura toe; ,/Bestuur mij, o mijne Koningin en laat mij niet aau mijzclven
94
orer. Beveel mij, bestuur mij, gelijk gij -wilt, en straf mij wanneer ik u niet gehoorzaam ben ; want de straffen ran uw e hand zijn mij tot waarborgen mijner zaligheid. Uw dienaar te zijn is mij meer waard dan om geheel de wereld te beheerschen. Ik bon geheel de uwe, red mij,quot; Neem mij, o Maria, als den uwe aan en draag zorg voor miine zaligheid. Ik wil niet langer mijzel-ven, maar sleehts geheel en al aan u toebehooren. Heb ik in mijn vorig leven u slecht gediend en zoovele gelegenheden om u te eeren laten voorbijgaan, voor hel vervolg wil ik een van uwe vurigste en getrouwste dienaais zijn. Ik ben besloten, o mijne; beminiielijke Koningin, dat van dezen dag af aan niemand mij zal overtreffen in liefde en vereering tot u. Dit beloof ik u en dit hoop ik met uwe hulp ten uitvoer le brengen. Amen.
Hoe zeer ons Vertrouwen op Maria moet vermeerderen, omdat zij onze Moeder is.
Het is niet zonder oorzaak of bij toeval dat, de dienaars van Maria haar Moeder noemen, en
95
dat zij haar onder geen anderen naam. aanroepen en nooit ophouden om haar bij dien naam van Moeder te noemen. Van Moeder, ja; want waarlijk zij is onze Moeder, niet naar het vleeseh wel is waar, maar naar don geest: de Moeder onzer ziel en van onze zaligheid. De zonde, die aan de ziel de goddelijke genade ontneemt, berooft haar ook tevens van het leven. Jesus onze Zaligmaker kwam in zijne buitensporige barmhartigheid en liefde, om door zijn eigen dood aan het kruis dit leven te herstellen, gelijk Hijzelf verklaart: „Ik ben gekomen, opdat zij het leven zouden hebben en meer overvloediglijk hebben.'' Hij zegt overvloediglijk, omdat, volgens de overeenstemming der Godgeleerden, de weldaad van onze Verlossing de beleediging van Adam's zonde zooverre overtrof, dat door onze verzoening met God Hij zieh volgens de wet der genade tot ^'ader onzer zielen maakte, gelijk de propheet Isaias voor-zeide: „hij zal de Vader der toekomende wereld, de prins des Vredes genoemd worden.'' Maar zoo Jesus de Vader is onzer zielen, is Maria ook hare Moeder; want door ons Jesus te geven gaf zij ons het ware leven en later, door het leven liaars Zoons voor onze zaligheid op den Kalvarieberg op te offeren, heeft zij ons tot het leven der genade gebaard.
Bij twee gelegenheden dan werd Maria, volgens het oordeel der heilige Vaders, onze geestelijke Moeder. ïen eerste, volgens den Z. Al-
96
bertus den Groote, toen zij verdiende om in ha- ,
ren maagdelijken schoot den Zoon Gods te ontvangen, De H. Bernardinus van Senen zegt , meer duidelijk hetzelfde als hij ons verklaart, „dat zoodra bij de boodschap des Engels dü allerheiligste Maagd de toestemming had gegeven,
die het Eeuwige woord wachtte, om haar Zoon te worden, dat zij van dat oogenblik af met den vurigsten ijver onze zaligheid van God afvroeg en deze zoo zeer ter harte nam, dat zij van (
toen af ons als eene liefhebbende moeder in (
De tweede gelegenheid dat Maria onze gees- f
telijke Moeder werd en ons tot het leven der ]
genade baarde was toen zij op den berg van 5
Kalvarië het leven van haren welbeminden Zoon \
met zoo veel bittere smart en lijden aan den 1
Eeuwigen Vader ten oü'er bracht, zoociat de r
H. Augustinus verklaart, dat, gelijk zij toen door z
hare liefde in de geboorte dor geloovigen tot z
het leven der genade medewerkte, zij de gees- r
telijke Moeder werd van allen, die leden zijn li
van hetzelfde hoofd, Jesus Christus.quot; Onze tee- h
derminnende Moeder was immer en in alles ],
vereenigd met den wil Gods, „en daarom,quot; d zegt de H. Bonaventura, „toen zij. zag, dat de • „
liefde des Eeuwigen Vaders, tot het menschelijk n
geslacht zoo groot was, dat Hij om he'i te u
redden den dood zijns Zoons verlangde, én van d
den anderen kant het verlangen des Zoons '.ag om g
te sterven, toen ook ofterde zijj om zich aan k
97
de liefde van den Vader en den Zoon zooveel moo-elijk gelijkvormig te maken, haren Zoon op en wijdde Hem ten dood. opdat wij zouden gered worden.quot;
Met is waar, dat, volgens den propheet Isaias, Jesus in zijn sterven voor het menschelijk geslacht alleen verkoos te zijn, „ik heb de wijnpers alleen getreden;quot; maar den ijver van Maria ziende, om mede te helpen in het redden van den mensch, bestieide Hij alles zoo, dat zij, door de opdracht en de ofl'erande van het leven van haren Josus, t,an ouze zaligheid zou kunnen medewerken en op die wijze de Moeder onzer ziele worden. Dit gaf ons onze Zaligmaker te kennen toen Hij voor zijn sterven aan het kruis op zijne Moeder en op den leerling Joannes, die aan zijne voeten stond, nederziende, zich het eerst kgt;t Maria richtte en zeide: „zie uwen Zoon;quot; alsof Hij wilde zeggen: zie het geheele menschelijke geslacht, dat nu op nieuw voor het leven der genade geboren is door het oiler van mijn leven, dat gij voor aller zaligheid opdraagt. Vervolgens zich tot den leerling keerende zeide hij: „Zie uwe Moeder.quot; „Door deze woorden,''zegt do H.Bernardinus van Sencn, „werd Maria door de liefde, die zij hem toedroeg, niet slechts de moeder van Joannes, maar van alle menschen.quot; Silveira maakt do opmerking, dat de H. Joannes zelf dit voorval in het H. Evangelie opteekeneude zegt; „toen zeide Hij tot den leerling, zie uw Moeder,quot; en dat Jesus zich
hiermede niet tot den H. Joannes richtte, maar ■wol tot den leerling, om ons te toonen, dat Hij Maria tot Moeder gaf aan alle Christenen, die zijne leerlingen zouden zijn. „Weest dan van goeder harte, gij allen, die kinderen van Maria zijt; bedenkt dat zij allen, die het 'wezenlijk wenschen, tot hare kinderen aanneemt en verheugt u. Waarom zoudt gij vreezen verloren te gaan wanneer zulk eene Moeder u verdedigt en beschermt? Mijne ziel; zeg dan met groot vertrouwen; ik wil mij verheugen en blijde zijn; want welk oordeel er ook over mij moge uitgesproken worden, ik weet, dat dit afhangt en komen moet van mijnen Broeder en Moeder.quot; „Alzoo is het,quot; zegt de H. Bonaventura, „dat ieder, die deze goede Moeder bemint en op hare beseherming steunt, ziohzelven lot vertrouwen moet aansporen zich herinnerende, dat Jesus onze Broeder is en Maria onze Moeder.quot; De zelfde gedachte maakte, dat de H. Anselmus van vreugde en vol bemoediging uitriep: „O gelukkig vertrouwen, o zalige toevlucht; de Moeder Gods is ook mijne Moeder.quot; Hoe sterk-moet ons vertrouwen dan niet zijn, daar wj weten, dat onze zaligheid afhangt van het oordeel van eeuen goeden Broeder en eene teedere Moeder.'' Het is dan ook onze Moeder, die ons roept met deze woorden van het Boek der Spreuken; ^zoo er iemand klein is laat hem tot mij komen.quot; Kinderen hebben steeds huns moeders ;aaam in den mond, en bij de minste vrees, bij het min-
ste gevaar roepen zij onmiddelijk, „Moeder, Moeder! „O allerzoetste Maria! O teederste Moeder! dit is het wat gij verlangt, dat wij namelijk uwe kinderen mogen zijn en in alle gevaar tot ii altijd onze toevlucht nemen; omdat gij verlangend zijt om ons te redden, omdat gij allen redt, die tot u vluchten.
In de geschiedenis der stichting van de Sociëteit van Jesus in het koninkrijk Napcis lezen wij het volgende verhaal van een jong schotsch edelman William Elpliistone genaamd. Hij was verwant aan dc koning Jacobus en leefde eeni-gen tijd in ketterij, waarin hij geboren was. Door de goddelijke genade verlicht begon hij zijne dwalingen in te zien en naar Frankrijk gegaan zijnde ontdekte hij eindelijk met de hulp van eencn Pater Jesuiet, die ook een Schot was, en meer nog door de tussehenkomst van de H. Maagd, de Waarheid, zwoer de ketterij af en werd Katholiek. Van Frankrijk trok hij naar Rome, waar een zijner vrienden hem eens in de grootste droefheid vond en hem dc reden zijner tranen vroeg. Hij andwoordde, dat ge. durende den nacht zijne moeder, die verloren was, hem was verschenen en gezegd had: „wel
lOU
u mijn zoon, dat gij in de -ware Kerk zijt getreden; want ik ben in kettert] gestorvenen daarom verloren gegaan.quot; Van dat oogenblik af aan verdubbelde hij zijne godsvrueht tot Maria en koos baar tot zijne eenige Moeder. Zij gaf bem de gedachte in om den kloosterlijken staat te omhelzen en bij verbond zich bij gelofte om dit te doen. Daar hij eene zwakke gezondheid had ging hij voor verandering van lucht naar Napels, waar God had bepaald dat hij sterven en als religieus sterven zou. Kort na zijn aankomst aldaar op zijn uiterste liggende, bewoog hij zijne oversten met smeeken en tranen om hem te willen aannemen en in tegenwoordigheid van het H. Sakramcnt, dat hij als Teerspijze ontving, sprak hij zijne geloften uit en werd lid van de Sociëteit van Jesus. Het was stichtend om te hooren met welke teederheid hij Maria zijne Moeder dankte, dat zij hem uit de ketterij had getrokken en in de ware kerk geleid, in het huis Gods, omringd van zijne geestelijke broeders. Daarom riep hij uit: „hoe zalig is het te midden van zoovele engelen te sterven.'' Aangemaand om een weinig rust te nemen, zeide hij : „het is nu geen tijd van rusten, nu ik aan hei einde mijns levens ben gekomen.quot; Voor dat hij stierf, sprak bij tot de omstanders: „broeders, ziet gij de engelen des Hemels niet, die hier tegenwoordig zijn om mij bij te staan ?quot; Een der religieusen hem iets hoerende lispelen, vroeg hem wat bij zeide. Hij andwoordde,
101
dat zijn Engelbewaarder hem had gelegd, dat hij slechts korten tijd in het vagevuur verblijven en spoedig den Hemel binnengaan zou. Hij hield daarop een gesprek met zijne zoete Moeder Maria, en als een kind, dat zich overgeeft om in de armen zijner moeder te blijven, riep hij uit: „Moeder! Moeder!quot; en ontsliep in kalmte. Korten tijd daarop vernam een der religieusen door eene veropenbaring, dat hij reeds in den Hemel was.
O allerheiligste Moeder Maria, hoe is het toch mogelijk, dat ik, die eene zoo heilige Moeder heb, zelf zoo zondig ben; eene Moeder gloeiende van liefde tot God en ik zoo vol liefde tot de schepselen; eene moeder zoo rijk in deugden en ik zoo bitter arm? O allerbeminnelijkste Moeder, ik heb in waarheid door mijn zondig leven verdiend om niet langer uw kind te mogen zijn; ik heb mijzelven die groote eer onwaardig gemaakt en ben reeds meer dan voldaan zoo gij mij voor uwen dienaar behoudt, ja, zoo gij mij slechts onder de minsten daarvan wilt rekenen, ben ik bereid alle aardsche koninkrijken daarvoor op te oiferen. Maar neen, verbied mij niet om u met den moedernaam te noe-
102
men. Doze naam troost mij,, vervult mij met teederheid en herinnert mij aan aan mijne plicht om u te beminnen. Deze naam vermeerdert mijn vertrouwen in u. Wanneer de gedachte aan mijne zonden en aan de goddelijke rechtvaardigheid mij geheel ter neder slaan, is alleen de gedachte, dat gij mijne Moeder zijt, nog mijne troost. O allerbeminnelijkste Moedor, veroorloot'mij dan u bij dezen naam te blijven noemen. Ik noem u zoo en zal u altijd i.00 blijven noemen. Blijft gij na God mijne hoop, mijne liefde en mijne toevlucht in dit tranendal, dan heb ik hoop om te sterven terwijl ik mijne ziel in uwe handen uitblaas en met de woorden op de lippen „Moeder, Moeder Maria, help mij, heb medelijden met mij.quot; Amen.
Over de groots liefde, die deze Moeder ons toedraagt.
Maria is onze Moeder, niet naar het vJeeseh maar door de liefde; „ik ben de Moeder der ware liefde:quot; daarom is hot enkel de liefde, die
103
zij oue toedraagt, die haar onze Moeder maakt, en daarom maakt zeker sclirijver do opmerking: ^dat zij er haren roem in stelt om de Moeder der liefde te zijn; omdat zij geheel en al liefde is jegens ons, die zij tot hare kinderen heeft aangenomen.quot; En wie kan ooit de liefde verklaren, die Maria ons ellendige schepselen toedraagt? Arnold van Chartres verhaalt ons, dal „bij den dood van Jesus Christus, Maria, met zulk een onbegrensd verlangen bezield was, om uit liefde voor ons met haren Zoon te sterven,quot; dat, gelijk de H. Ambrosius er bijvoegt, Maria, terwijl haar Zoon aan het kruis hing, ziehzelve aan de beulen aanbood, om haar leven voor ons te geven.quot;
Maar laat ons de oorzaken dezer liefde beschouwen, om daardoor dos te beter do groqte liefde van onze goede Moeder tot ons te begrijpen. De eerste oorzaak der groote liefde, die Maria ons toedraagt, is hare onbegrensde liefde tot God. Liefde tot God en liefde tot den evennaaste behooren, volgens de woorden van den H. Joannes, tot hetzelfde gebod : „dit is het gebod ons door God gegeven, dat wie God bemint ook zijn evennaaste liefheeft; zoodat de ecne zonder de andere onbestaanbaar is. Wat hebben niet de Heiligen uit liefde Gods voor hunnen even-mensch overgehad? Lezen wij slechts her verhaal van den arbeid des H. Franciscus Xa-verius in de Indië,quot; waar hij tot redding dei-zielen van deze arme heidenen en om ze tot
104
God to voeren, zichzelveu aan duizend gevaren blootstelde, klimmende over de bergen, ja deze arme schepselen opzoekende tot in de holen, waar zij gelijk wilde diereu in leefden. Zie een Franeis-cus van Sales, die, ter bekeering der ketters in de provincie Chablais, iederen morgen zijn leven waagde door op handen en voeten over een be-vrozen balk te glijden, ten einde aan den anderen kant der rivier te gaan prediken. Een H. Paulinas, die zichzelven tot slaaf' gaf om den zoon eener arme weduwe in vrijheid testellen . Zie den li. Fidelis, die wetende dat dit hom het leven zoude kosten, toch volhardde in zijn prediken, ten einde de ketters van zijne streek tot God terug te voeren. De heiligen dan deden meer voor hunnen evenmensch naarmate zij,God meer beminden. Maar wie beminde God ooit zoozeer als Maria ? In het eerste oogen-blik reeds van haar bestaan beminde zij Hem meer dan alle heiligen en engelen te zameu Hem ooit bemind hebben of zullen berainnen. O. L, Vrouwe zelve verklaarde eens aan zuster Maria van het Kruis, dat het vuur der goddelijke liefde, dat haar bezielde, zoo groot was, dat hemel en aarde er onmiddelijk door zouden verteerd worden zoo het dezen kon bereiken; zoo zelfs, dat de vurigheid der Serafijnen daarbij vergeleken slechts koude was te noemen. En gelijk er onder de zalige geesten niet een te vinden is, die God meer bemint dan Maria, zoo is er ook, na God, niemand
105
die ons bemint gelijk die allerliefste Moeder dit doet: ja, zoo wij de liefde van alle moeders tot hare kinderen, van alle eclitgenooten tot elkander, wanneer wij eindelijk dc liefde, dte alle engelen en heiligen aan hunne beschermingen toedragen, te zamen nemen, is dit alles nog verre beneden de liefde, waarmede Maria eene enkele ziel bemint. Pater Nierenberg zegt, dat de liefde, die alle moeders te zamen ooit aan hare kinderen hebben toegedragen, slechts een schaduw is van de liefde^ die Maria tot ieder van ons voedt; ,/en,quot; voegt hij er bij, „zij alleen bemint ons meer dan engelen en heiligen te zamen genomen.quot;
Verder bemint onze moeder ons zoozeer, omdat het haar welbeminde Jesus was, die ons aan haar toevertrouwde, toen Hij iu de ure zijns doods tot haar zeide: „Vrouw, ziedaar uwen Zoon;quot; want de H. Joannes vertegenwoordigde ons allen, gelijk wij reeds hebben doen zien. Dit waren mede van zijne laatste woorden, en de laatste aanbevelingen ons voor hunnen dood door personen die ons dierbaar zijn, nagelaten, worden steeds als schatten beschouwd en nimmer vergeten. Maar bovendien zijn wij ongemeen dierbaar aan Maria ter oorzake van de smarten, die wij haar hebben gekost. Moeders beminnen steeds die kinderen het meeste, wier levensbehoud haar hot meeste lijden en bekommernis heeft veroorzaakt. Wij nu zijn de kinderen, voor welke Maria, ter verkrijging van het leven der genade, den
106
bitterslcn doodstrijd heeft doorgestaan door haren welbeminden Jesus ten scliandclijken kruisdood op te ofleren en door hem dus 7001* eigen oogen te midden van do smartelijkste en ongehoordste tormenten te zien sterven. Het ■was bij gelegenheid van dit groote oiler, dat Maria ons tot het leven dor genade heeft gebaard en juist daardoor, dat wij haar zooveel lijden hebben gekost, zijn wij dus hare dierbaarste kinderen, en omdat geheel het mensehelijk geslacht door Jesus is verlost, daarom bemint en beschermt Maria ook ons allen.
Daar nu Maria reeds zoo goed is voor allen, zelfs voor dengenen, die ondankbaar en achteloos zijn en die slechts zeldzaam hunne toevlucht tot haar nemen, hoeveel meer liefde zal zij dan niet aan hen betoonen, die haar veelvuldig aanroepen. „Zij is gemakkelijk te vinden voor hem, die haar zoekt.quot; „O hoe gemakkelijk is het,quot; zegt de Z. Albertus, „voor hem die Maria bemint, om haar te vinden en te vinclon vol medelijden en liefde.quot; Door den tekst van het Boek der Spreuken; „ik bemin hem die mij bemint,quot; zegt zijzelve, dat zij verplicht is om degenen die haar liefhebben wederkeerig te beminnen: en waarlijk deze beminnende quot;Vrouw bemint alle menschcn als hare kinderen. Nog zegt de H. Bernardus; „zij erkent on bemint,quot; dat is te zeggen, zij bemint op bijzondere wijze hen, die haar meer teederlijk liefhebben. De Z. Kaymundus Jordan us beweert.
107
„dat (leze beminnaars van Maria door haar niet sleclits bemind, maar f;elfs gediend worden; want.quot; zegt hij, „hij die do allerheiligste Maagd vindt, heoft alles gevonden; want zij bemint dengene die haar bemint, ja wat moer is zij dient hem die haar dient.quot;
Pater Auriemma verhaalt ons van eene arme schaapherderin, wier eenig vermaak bestond in het bezoeken van eene kleine kapel van O. L. Vrouw op eenen heuvel gebouwd, waar zij. terwijl hare kudde graasde, met hare dierbare Moeder sprak en haar vereerde. Het kleine Mariabeeld, dat in de rots was uitgehouwen, geheel onversierd ziende zette zij zieh aan het werk om het eenen mantel te maken en bloemen in het veld zoekende vlocht zij daarvan eene krans, dien zij op het .hoofd van het beeld plaatste met deze woorden: ^een gouden en met edelsteeuen versierden krans wenschte ik op uw voorhoofd te zetten, o mijne Moeder: doch daar ik arm ben, zoo ontvang dezen bloemenkrans en neem- dien aan als een bewijs van de liefde, die ik u toedraag.quot; Zij beijverde zich om mot de',e en andere akten van eerbetuiging hare beminde Moeder te dienen en te vereeren. Maar ziet ook, hoe deze goede Moeder
IDS
van hare zijde deze bezoeken en toegenegenheid van haar kind beandwoordde. Ziek zijnde en op het punt van te sterven, kwamen er twee kloosterlingen dien kant langs en zett'en zich, dooide reis vermoeid, onder eenen boom te rusten. De een viel spoedig in slaap, terwijl de andere wakende bleef, maar beiden hadden dezelfde verschijning. Zij zagen eene menigte zeer schoone vrouwen en in het midden daarvan eene, die in schoonheid en majesteit haar allen verre overtrof. De kloosterlingen nu richtten zich tot haaien zeiden: „o Vrouwe, wie zijt gij, en waarheen begeeft ge u langs dezen ruwen weg?quot; „Ik ben,quot; hernam zij,quot; „de Moeder Gods, en ga met deze heilige maagden eene sehaapherderin bezoeken, die in eene naburige hut op sterven ligt en die ook mij zoo dikwijls heeft bezocht.quot; Na deze woorden verdween zij en de twee dienaren Gods zeiden te gelijk: „laat ons daarheen gaan om haar te bezoeken.quot; Zij stonden dan op, vonden de hut en dc stervende op een weinig stroo uitgestrekt. Zij groette hen en zeide: „broeders vraagt den Hoer, dat hij n het gezelschap doe zien, dat mij bijstaat.quot; Zij knielden daarop neder en zagen aan de zijde van het stervende meisje Maria, die eene Kroon in de hand hield en haar troostte. Op eenmaal hieven de maagden gezamenli jk een loflied aan en onder deze zoete muziek verliet hare gezegende ziel haar lichaam. Maria plaatste nu de kroon op haar hoofd en voerde hare ziel met zich ten hemel.
109
O mijne Vrouwe, o verrukster der harten, roep ik met den H. Bona ven tura uit; o gij, die de harten uwer dienaars bekoort door de liefde en de gunst, die gij hun betoont, o roof ook mijn ellendig hart, dat u zoo vurig wenscht te beminnen. Grij hebt zelfs God door uwe schoonheid bekoord, gij hebt Hem van uit den hemel in uwen zuiveren schoot getrokken en zal ik leven zonder ute beminnen! Neen. ik wil niet rusten voor ik zeker weet dat ik u bemin, voor dat ik u bemin op eene teedere en standvastige wijze, u, mijne Moeder, die mij zoo/eel teederheid hebt toegedragen zelfs toen ik zoo ondankdaar jegens u was.
Wat zou er nu van mij zijn, o Maria, zoo gij niet zoo dikwerf mij vergiffenis had verworven? Zoo gij mij dan zoo zeer hebt bemind toen ik u niet lief had, hoeveel te meer mag ik nu op u hopen, nu ik u wederkeerig bemin. Ja ik bemin u, o mijne Moeder, en wenschte, dat ik een hart had groot genoeg om u lief te hebben voor alle de ongelukkige schepselen, die u niet beminnen. Ik wenschte duizend tongen te hebben, ik wenschte uwe volle grootheid te kennen, uwe volle heiligheid, uwe goedheid en de liefde, waarmede gij allen bemint, die u beminnen. Had ik rijkdommen ik zou zo alien tot uwe eer besteden; had ik onderdanen ik zou ze allen tot uwe beminnaars makeu; ja, mocht de
1 10
gclegüniicid zich aanbieden, zoo gaf mijn leven voor uwe eer. Ik bemin u dan, o mijne Moeder, doch ik vrees, dat ik liet niet doe zooals het behoort; want men zegt dat de liefde de beminden gelijkmaakt, Wanneer ik dan mij-zelven zoo verschillend van u zie is dit mij een teeken dat ik u niet bemin. Gij zijt zoo zuiver en ik ben zoozeer bezoedeld; Gij zijt zoo nederig en ik ben zoo trotseh; Gij zijt zoo heilig en ik zoo zondig.
O laat dit dan uwe zorg zijn, o Maria; maak mij aan u gelijk, omdat gij mij zoozeer bemint Gij, die alle macht hebt om de harten te kneden, neem dan het mijne en verander het. Toon aan dewereld wat gij vermoogt voor hen die u beminnen. Maak mij een heilige, maak mij uw waarachtig kind. Dit is mijne hoop.
Maria is de fflosder der rouwmoedige zondaars.
O, L. Vrouw verhaalde eens aan de H, Bri-gitta, dat zij niet slechts do Moeder was van de onschuldigen en rechtvaavdigen: maar ook
Ill
van den zondaar, zoo hij zich wil bekeeren. O hoe zal de zondaar (zo:, hij zich verlangt te beteren en tot haar zijne toevlucht neemt,) deze goede Moeder bereid vinden om hem te helpen en te omhelzen; hoeveel meer dan eene aardsche nioe-der! Maar hij die een kind van deze verhevene Moeder wensoht te zijn, moet eerst de zonde vaarwel zeggen, zoo hij wil hopen als zoodanig door haar te worden aangenomen.
Zoolang echter een zondaar hardnekkig is kan Maria hem niet beminnen; maar zoo hij, de ketenen der driften, die hem tot slaaf der he) maken, verbrekende zichzelven aan de H. Maagd aanbeveelt en haar met vertrouwen en volharding aanroept om hem uit zijnen staat van zonde te trekken, kan er geen twijfel zijn, of deze goede Moeder zal hem hare machtige hand toesteken, zal hem van zijne ketenen verlossen en tot den staat van zaligheid geleiden. Het H. Kon-cilie van Trente veroordeelt als kettersch de leer, dat allo gebeden en goede werken in zonde-staat verricht zondig zouden zijn. De 'rl. Bernardus zegt, dat, alhoewel het gebed in den mond eens zondaars zonder schoonheid is, omdat de liefde ontbreekt, dit niettemin nuttig is en ons de genade verwerft om de zonde te verlaten; want, gelijk de H. Thomas zegt, het gebed eens zondaars, ofschoon zonder verdienste, is eene handeling, die ons genade en vergiffenis verwerft, omdat de kracht van die te verkrijgen niet is gelegen in de verdiensten des vragers, maar in
112
de goddelijke goedheid en in de beloften van Jesns Christus die gezegd heeft; „allen die vragen zullen verkrijgen.quot; Ditzelfde moet ook gezegd worden, van de gebeden tot de Moeder Gods gericht. ,/Zoo hij die bidt,quot; zegt de li. Anselmus, „geenc verhooring verdient, komen de verdiensten dor Moeder, aan wie hij zich aanbeveelt, krachtig tiisschenbciden.quot; Daarom vermaant de H. l'cr-nardus alle zondaar», om mot groot vertrouwen tot Maria hunne toevlucht te nemen; want hoewel de zondaars zelve de genaden niet verdienen die zij vragen, zullen zij die toch erlangen; omdat het Maria is, die ze door hare verdiensten voor hen van God vraagt en verkrijgt. „Zoo eene moeder weet,quot; spreekt dezelfde Heilige, „dat hare twee zoons elkander eenen doodelijken haat toedragen, en dat ze elkanders leven belagen, zou zij dan niet haar uiterste best doen om hen weder te verzoenen? Dit is de plicht eencr goede moeder eu zoo ook handelt Maria, die de Moeder is van Jcsus en der menschen. Zij kan het niet verdragen om eenen zondaar in vijandschap met Jesus to zien en doet al wat in haar vermogen is om vrede tusschen hen te stichten, liet eemge wat deze allerwelwillendste vrouw eischt is, dat de zondaar zichzelvcn aan haar aanbeveelt en zich wil beteren. Wanneer Maria eenen zondaar die haar medelijden inroept, aan hare voeten ziet, heeft zij gecne oogen voor dc misdaden, waarmede hij overladen is, maar slechts voor het doel, waarmede li ij komt, en zoo
113
hij alle mogelijke zonden bedreven had en slechts zijne meening goed is dan omhelst deze liefhebbende Moeder hem en weigert zij niet om de wonden zijner ziel te genezen; want zij wordt niet slechts de Moeder der Barmhartigheid genoemd; maar is dit ook wezenlijk en waarachtig en toont dit ook door de liefde en de teederheid, waarmede zij ons bijstaat. Dit juist zeide de H. Maagd zelve tol de H. Brigitta; ^hoe groot iemands zonden mogen zijn, ben ik toch bereid hem onmiddelijk te ontvangen, zoo hij slechts berouw heeft; want ik sla geen acht op het getal zijner zonden, maar slechts op de meening waarmede hij komt en ik zal niet weigeren om de wonden zijner ziel te genezen en te zalven; want mijn naam is, en ik ben inderdaad de Moeder der Barmhartigheid.quot; Maria is de Moeder der zondaars, die zich wensclien te bekeeren, en als hunne Moeder kan zij niet anders dan medelijden met hen hebben, ja meer nog, zij schijnt de ellende harer kinderen te gevoelen als hare eigene. Toen de Ca-nanitiesche vrouw den Zaligmaker smeekte, om hare dochter te bevrijden, die van den duivel bezeten was, zeide zij: heb medelijden met mij, o Heer, Zoon van David, want mijne dochter is zwaar door den duivel gek weld.quot; Maar omdat de dochter en niet de moeder gekweld was had zij eerder moeten zeggen, o Heer heb medelijden met mijne dochter, en niet heb medelijden met mij. Uoch zij zeide, heb medelijden met mij, en te recht; want de smarten
114
der kinderen worden door eene moeder gevoeld als of het hare eigene smarten zijn. En zoo is het ook, zegt Eichardus van St. Laurentius, dat Maria tol God bidt, wanneer zij Hem esnen zondaar aanbeveelt, die tot haar zijne toevlucht heeft genomen ; want dan roept zij voor de zondige ziel uit; „heb medelijden met mij, o mijn God,quot; en zegt als het ware; „deze arme ziel, die in zonde is, is mijne dochter en daarom heb medelijden niet zoo zeer met haar als wel met mij, die hare moeder ben.quot; En namen ook alle zondaars hunne toevlucht tot deze zoete Moeder, zoo zouden zij ook allen vergiffenis van God erlangen. „O Maria,quot; roept de H. Bonaventura in bewonderende verrnkking uit, „gij omhelst met uwe moederlijke genegenheid den zondaar dien de geheele wereld verstoot en laat dit arme schepsel niet los voor gij het met zijnen schepper hebt verzoenddaarmede willende zeggen, dat de zondaar, die in staat van doodzonde is, door alle, zelfs door de onbezielde schepselen wordt veracht en verfoeid ; ja, dat vuur, lucht en aarde hem zouden willen straffen om de eer van hunnen beleedigden God te wreken. Maar zal Maria dit rampzaligs schepsel verstooten als het tot haar vlucht? O neen, /.00 hij slechts komt om hulp en om zich te beteren, zal zij hem met moederliefde omarmen en niet laten weggaan, voor dat hare machtige voorspraak liem met zijnen God heeft verzoend en in genade hersteld.
115
In het jaar 1610 leefde er te Turijn een hardnekkige ketter, die zelfs op zijn doodsbed zijne dwalingen niet wilde afzweren niettegenstaande alle vermaningen der vele priesters, die acht volle dagen en nachten aan zijne legerstede waakten . Eindelijk haalde een hunner hem als met geweld over, om tot Maria zijne toevlucht te nemen met de woorden: „Moeder van Jesus, help mij.quot; Nauwelijks echter waren dezen hem van de lippen gevloeid of als uit een diepen slaap ontwakende riep hij : „ik verlang als Katholiek te sterven waarop hij zich met de Kerk verzoende en twee uren daarna ontsliep.
O mijne oppermachtige Koningin en waardige Moeder van mijnen God, Allerheiligste Maria, verachtelijk als ik mijzelven zie en overladen met zoovele zonden, durf ik mij niet vermeten u mijne Moeder te noemen of tot u te naderen; maar toch ook wil ik niet toelaten/ dat mijne ellenden mij het vertrouwen ontnemen, dat ik gevoel door u zoo te noemen. Ik
116
weet het ik heb verdiend, dat gij mij ver-werpt; maar ik smeek u, gedeuk al hetgeen ur Zoon voor mij heeft geleden en verstoot mij daarna, zoo gij het kunt doen. Ik ben een ellendig zondaar, die Gods oneindige Majesteit zoo dikwijls heeft geminacht, maar helaas dit is geschied. Tot u neem ik mijne toevlucht, gij kunt mij helpen, o Moeder, help mij dan. Zeg niet, dat gij mij niet kunt helpen; want ik weet, dat gij alles vermoogt en dat gij van God kunt verkrijgen hetgeen gij verlangt. Of zoo gij mij zegt, dat gij mij niet wilt helpen, o zeg mij dan tevens tot wien ik mij in mijn ongeluk te wonden heb, of liever ik wil met den H. Anselmus zeggen: ^lieb medelijden met mij, o mijn Jesus, en vergeef mij, of wel ontferm gij u over mij, o mijne moeder Maria, door uwe voorspraak, of ten minste zeg mij, tot wien ik mij te wenden heb, wie er meer medelijdend is, in wie ik grooter vertrouwen moet stellen dan in u.quot; Maar neen, nergens, in hemel noch op aarde, kan ik iemand vinden, die meer medelijdend is, die beter in staat is om mij te helpen. Gij, o Jesus, zijt mijn Vader, en gij Maria mijne Moeder. Beiden bemint gij al wie ellendig is en zoekt hem op om hem te redden. Ik weet het, ik ben de ellendigste van allen en heb de hel verdiend; maar gij hebt niet opgehouden om mij te zoeken, hoewel ik het zelf niet durfde vragen, ik stel mij nu aan u voor met het vaste vertrouwen, dat gij mij aiet zult
117
verlaten. Zie mij aan uwe voeten, mijn Jesus, en vergeef mij; moedor Maria, lielp mij.
De ketters mi den lateren tijd kunnen niet verdragen, dat wij Maria begroeten en haar Onze Hoop noemen: „Wees gegroet, gij onze Hoop.quot; Zij beweren, dat God alleen onze hoop is en dat het godslastering is zijn vertrouwen op een schepsel te stellen, volgens de woorden van Jeremias; „Vervloekt de man die op de men-sehen vertrouwt.quot; Maria dan, zeggen zij, is een schepsel, en iioe kan een schepsel onze hoop zijn? Ziedaar hunne bewering: maar in spijt daarvan verplicht de H. Kerk alle geestelijken en kloosterlingen om hunne stemmen ten Hemel te verheffen, en in naam der geloo-vigen, Maria aan te roepen met de .namen van „Onze Hoop, Hoop van aller.,quot; enz.
Uc engelachtige leeraar, de H Thomas zegt, dat men op twee wijzen zijne hoop op iemand kan stellen; als laatste oorzaak namelijk én als bemiddelende persoon. Zij, die eene gunst van
ecneu koning hopen, hopen die van hem als vorst; maar lui die van zijnen dienaar of gunsteling iets hoopt, hoopt dit van hem als voorspreker. Wanneer nu de gunst' wordt toegestaan komt deze oorspronkelijk van den vorst, doch komt van dezen door bemiddeling van zijnen gunsteling en in zoo verre dus is hij, die de gunst erlangt, gerechtigd om dezen voorspreker zijne hoop te noemen. De Koning des Hemels nu, die de oneindige goedheid is, verlangt niets meer dan om ons met Zijne genaden te verrijken; maar omdat Hij van onzen kant vertrouwen vordert en dit vertrouwen in ons wil vermeerderen; daarom geeft Hij onze Zijne eigene Moeder tot Moeder en Voorspreekster, haar aan wie alle macht gegeven is om ons te helpen, en daarom ook wil Hij, dat wij al onze hoop op zegening en zaligheid op haar zullen stellen. Zij die hunne hoop alleen op de schepselen, onafhankelijk van God, stellen, gelijk dit de zondaars doen, ten einde de vriendschap en de gunst der menschen na te jagen, en die niet vreezen om Zijne Goddelijke Majesteit te belee-digen, zijn voorzeker door God gevloekt, gelijk de profeet Jeremias het zegt. Maar hij, die op Maria hoopt, als de Moeder Gods, die ons alle genaden en het eeuwige leven kan verkrijgen, is waarlijk gezegend en welgevallig aan het hart Gods; daar het Zijn verlangen is om haar geëerd te zien, haar, die het grootste aller schepselen is en die in deze wereld Hem meer heeft
geëerd dan alle engelen en mensclien te zamen. „Daarom juist is liet billijk cn redelijk, dat wij de H. Maagd onze Hoop noemen, vertrouwende,quot; zooals de Kardinaal Bellarminus zegt, „dat wij door hare voorspraak zullen verkrijgen hetgeen wij door onze onbeholpen gebeden niet vermogen.quot; „Wij bidden tot haar,quot; zegt de geleerde schrijver Suarez; „opdat de onwaardigheid der Voorspreekster onze eigene waardigheid moge aanvullen; zoodat de H. Maagd in dien geest aan te roepen geen wantrouwen toont in de goedheid Gods, maar slechts vrees voor onze eigene onwaardigheid.quot;
Het is dan niet zonder reden, dat de H. Kerk met de woorden van den Eeclesiasticus Maria „de Moeder der heilige Hoopquot; noemt; daar zij de Moeder is, die in onze harten de heilige hoopquot; doet ontstaan, niet de hoop op de ijdele en vergankelijke goederen van dit leven, maar van de oneindige goederen des hemels. „Wees dan gegroet, o Hoop van mijn ziel,quot; roept de H. Ephrem de Moeder Gods aansprekende, uit: „Wees gegroet, o zekere redding der Chris-tenen;ozaligheidcler wereldquot; Verschillende heiligen herinneren ons, dat na God, Maria onze eenige hoop is en noemen haar daarom: „Onze eenigste Hoop na God.'' Üe H. Ephrem; sprekende over het raadsbesluit, waardoor God bepaald heeft, dat al die behouden worden, spreekt haar volgender wijze aan:,,O mijne Vrouwe houdt niet op om
120
over ons te waken, bescherm en bewaar ons onder uwe vleugelen van medelijden en goedheid; want na God hebben wij geene andere hoop meer tenzij in U.quot;
Laat het ons dan niet verwonderen, dat de H. Antonius het volgende vers uit het Boek der Wijsheid op Maria toepast; „alle goederen zijn mij met haar te gelijk toegekomen.'' Want,
is de II. Maagd de uitdeelster van alle goeds, dan mag de geheele wereld en meer nog ieder, die daarin als een getrouw dienaar van die groote Koningin leei't, met vertrouwen zeggen, dat beiden, hijzelf en de wereld met haar alle goeds en volmaakts hebben gekregen. Daarom zegt de H. Bonaventura, dat wij voortdurend onze oogen op Maria's handen moeten gevestigd houden, opdat wij door haar mogen verkrij gen hetgeen wij begeeren.quot; O hoe velen, die eens hoovaardig waren, zijn door de godsvrucht tot Maria nederig geworden ! Hoevele drii'tigen zachtmoedig ! lloe-velen die te midden der duisternis waren gezeten hebben licht gevonden! Hoevele wanho-pigen vertrouwen! Hoevele die verloren waren « ontvingen redding uit dezelfde machtige handen! | Zijzelve voorzeide dit in het huis van de H. Elisabeth in haar verheven lofzang-.^zie van nu afzullen 1 allen geslachten mij zalig noemen.''En de H. Ber-nardus deze woorden verklarende voegt erbij; ' „ja alle geslachten zullen u zalig prijzen ; omdat ! gij aan alle geslachten leven en glorie hebt gegeven ; wani door u vinden de zondaars ver-
121
gifttmis en do rechtvaardigen volharding in de genade.quot; O mijn God, hoe teeder waren niet de gevoelens van vertrouwen van den TT. Bona-ventura toen hij van liefde brandende tot Jesus onzen minnelijken quot;Verlosser en tot Maria onze Voorspreekster uitriep: „Wat God ook moge voorzien dat mijn lot is, Hij kan Zichzelven niet weigeren aan iemand, die Hem bemint en uit geheel zijn hart zoekt. Ik zal Hem met mijne liefde omhelzen, en zoo Hij mij niet wil zegenen zal ik mij zoo vast aan Hem klemmen, dat Hij onmogelijk zonder mij kan weggaan. Zoo ik niets anders kan doen zal ik mijzelven in Zijne H, Wonden verbergen en daar mijne woning nemende zal Hij mij niet kunnen vinden dan in Zichzelven.'' Ten slotte voegt Hij er bij; „Zoo mijn Verlosser mij verwerpt en van Zijne Heilige voeten verjaagt: zal ik mij aan de voeten van mijne beminde Moeder Maria werpen en daar zal ik nedergeknield blijven totdat zij mij vergiffenis heeft, bekomen; want deze Moeder der Barmhartigheid doet niet anders en heeft nooit anders gedaan dan met ongelukkigen medelijden te hebben en zich te voegen naar dc wenschen van de meest verstootenen, die tot haar om hulp komen en daarom, zoo niet uit plicht, dan toch zal zij uit medelijden haren Zoon overhalen om vergiffenis te schenken.quot;
12-2
Te Augsburg in JDuitsclilancl woonde eene luthersche dame, die om hare hardnekkigheid ia dé ketterij alom bekend was. Eens eene katholieke kapel voorbijgaande, trad zij die uit nieuwsgierigheid binnen. Het beeld van Maria met het Goddelijk Kind op de armen ziende voelde zij zich aangedreven om het een oü'er te brengen. Zij ging dan naar huis en nam een stuk zijde, dat zij aan de H. Maagd opdroeg, loen zij nu weder naar huis terugging verlichtte deze goede Moeder haar verstand zoodanig, dat zij, de dwaling harer sekte inziende, zich naar de katholieke kerk begaf, de ketterij afzwoer en zich. tot God bekeerde.
O Moeder der heilige liefde, ons leven, onze toevlucht en onze hoop, gij weet, dat uw Zoon Je'sus Christus, niet tevreden van zelf onze voortdurende Middelaar bij den Vader te zijn, nog gewild heeft, dat gij u met hem te zamen zoiult belasten om de goddelijke barmnartigheid voor ons te verwerven. Hij heeft liet bepaald, dat uwe gebeden onze zaligheid zouden verkrijgen en heeft die zooveel kracht gegeven, dat
123
gij alles verkrijgt, hetgeen gij vraagt. Tot u dan, o hoop van alle ongelutkigen, sla ik, zoBdaar die ik ben, mijne oogen. Ik vertrouw, o Vrouw, dat ik zalig zal worden ten eerste door de verdiensten van Jesus Christus en ten andere door uwe voorspraak. Ik ben hiervan verzekerd en mijn vertrouwen op u is zoo groot, dat, zoo ik mijne eeuwige zaligheid zelf in handen had, ik die in uwe handen zou stellen, omdat ik meer ot uwe goedheid en bescherming dan op mijne eigene werken vertrouw. Mijne moeder en mijne hoop, verlaat mij niet, hoezeer ik ook verdiend heb, dat gij dit doet. Zie mijne ellenden aan en laat u door medelijden bewegen om mij te helpen en te redden. Ik beken het, ik heb door mijne zonden maar al te dikwijls mijn hart gesloten voor het licht en de hulp, die gij mij van God hebt verkregen; maar uw medelijden met de ongelukki-geu en uwe macht bij God overtreft verre het getal en de boosheid mijner zonden. Het is aan allen in den hemel en op aarde genoeg bekend, dat, wie hij ook zijn moge, dien gij beschermt, zeker kan zijn van zijne zaligheid. Laat allen mij vergeten, zoo gij slechts aan mij denkt: o Moeder van den Almachtigen God! zeg hem, dat ik uw dienaar ben; zeg Hem alleen dat gij mij verdedigt en ik ben gered. O Maria, ik vertrouw op u, in dit voltrouwen wil ik leven en hopen en verlang ik te sterven. Amen.
Maria is de Hoop der Zondaren.
In het eerste lioofdsluk van het boek Genesis lezen wij, dat „God twee groote lichten schiep,quot; het grootste om den dag en het kleinsde om den nacht te verlichten. Kardinaal Hugo zegt, „dat Christus het grootste licht is om de rechtvaardigen te besturen en Maria het kleinere om de' zondaars Ie leiden;quot; hiermede willende zeggen, dat de zon het afbeeldsel is van Jesus Christus, wiens licht de rechtvaardigen op den helderklaren weg der Goddelijke genade genieten en de maan het beeld van Maria, door wier licht zij verlicht worden, die in den nacht der zonde zijn gezeten. Is Maria nu dit gelukkige licht en is zij dit voor het welzijn der arme zondaars, wat hebben wij dan te doen, indien wij het ongeluk hadden van in den nacht der zonde te vallen? Innocentius III zegt het ons: „hij die in den nacht der zonde is gezeten, hij vestige zijne oogen op de maan, hij aanroepe Maria.quot; Heeft hij het licht van de Zon der Gerechtigheid verloren, door het verliezen der genade Gods, laat hij zich dan tot die maan wenden en Maria smeeken, die hem zal verlichten
125
om zijnen ellendigen toestand in te zien en die hem kracht zal geven ora dien onmiddelijk te verlaten. De H. Methodius zegt,, dat door de gebeden van Maria een onnoemelijk groot getal zondaars bekeerd zijn.quot;
Eeu der titels, die ons arme zondaars het meeste moet bemoedigen en waarmede de H. Kerk in de Litanie van Loretten ons beveelt Maria aan te roepen, is die van „Toevlucht der zondaren.quot; In Judea bestonden er eertijds steden van toevlucht, waar de misdadigers in vluchtende vrij waren van de straf, die zij verdienden; zoo ook is er voor ons zondaars eene vrijplaats, namelijk Maria, van wie de Psalmist zegt: ^roemvolle dingen zijn er van u gezegd, o stad Gods.quot; Maar deze toevluchtsplaats verschilt van de anderen in dit opzicht, dat in de eersten niet alle soort van misdadigers toevlucht vonden, en dat die bescherming niet op alle misdaden betrekking had; doch dat ouder Maria's mantel alle zondaars zonder uitzondering toevlucht vinden, voor welke misdaden ook, die zij mochten bedreven hebben, mits zij slechts die bescherming zoeken mogen. „Ik ben,quot; zegt de H. Joannes Damascenus in den naam van onze Koningin, ,/dc stad der toevlucht voor allen, die tot mij vluchten.quot;
Het is voldoende zoo wij enkel onze toevlucht tot haar nemen: want zoo wij slechts gelukkig ge.ioeg zijn om haar te bereiken behoeven wij ;!elf niet te spreken om gered te zijn.
12«
„Verzamelen wij ons, en laat ons binnengaan in de versterkte stad, en laat ons daar rustig zijn,'' om met de woorden van den profeet Je-rcmias te spreken. Deze stad, zegt Albertus de Groote, is de allerheiligste Maagd, versterkt met genade en glorie. „Én laat ons daar zwijgend zijn, dat is,quot; zegt dezelfde H Schriftverklaarder, „omdat wij den Heer, dien wij belee-digd hebben, niet meer mogen aanroepen, zal Zij Hem voor ons vragen en bidden.quot;
Want zelfs, zoo wij onzen Heer niet durven verzoeken om ons te vergeven, is het voldoende om deze stad binnen te gaan en daar stil te zwijgen, daar Maria voor ons zal spreken en vragen al hetgeen wij noodig hebben. Om deze reden vermaant een godvruchtig schrijver alle zondaars om ondër Maria's mantel hunne toevlucht te nemen terwijl hij uitroept; „O Adam en Eva en gij allen, die hunne kinderen zijt en God beleedigd hebt, vlucht en neemt uwe toevlucht aan het hart van deze goede Moeder: of weet gij niet dat zij uw eenige toevluchtsoord is?quot; „de eenige hoop der zondaars,quot; gelijk een oud schrijver in de werken van den H. Au-gustinus zegt.
In de openbaringen van de H- Brigitta, wordt Maria de „ster, die de zon voorafgaat,quot; ge-noemt hetgeen beteekent, dat, wanneer de godsvrucht tot de Moeder Gods zich in eene ziel begint te openbaren, dit een zeker teeken is, dat God deze weldra met zijne genade zal ver-
rijken. Ten einde het vertrouwen der zondaars op de bescherming van Maria ie doen herleven stelt de H. Bonaventura hun het beeld voor van eene onstuimige zee, waarop de zondaars, die van het schip der Goddelijke genade zijn gevallen, reeds naar alle kanten sterk worden heen en wedergeslingerd door de wroeging des gewetens en de vrees voor het oordeel Gods; zij zijn zonder licht of gids en op het punt van den laatsten adem van hoop uit te blazen en tot wanhoop te vervallen; maar nu toont God hun Maria, die de „sterre der zee'' wordt genoemd, verheft Zijne stem en zegt: „o arme, verlorene zondaars, wanhoopt niet, verheft uwe oogen en richt die op deze sehoone ster ; haalt weder met vertrouwen adem; want zij zal u redden uit dezen storm, en u in de haven der zaligheid binnenvoeren.quot;
Het is dan met reden, dat de H. Bernardus de H. Maagd toespreekt met de woorden: „Gij, o Vrouwe, zult geen zondaar die tot u nadert verwerpen, hoe vuil en walgelijk zijne zonden ook mogen zijn. Zoo hij uwen bijstand'vraagt zult gij u verwaardigen om uwe medelijdende handen tot hem uit te steken en om hem aan den afgrond der wanhoop te onttrekken.quot;
De H. Schrift verhaalt ons, dat Boaz a^n Ruth toestond, om „achter de maaiers de korenaren te verzamelen.quot; De H. Bonaventura zegt, dat, gelijk Kuth gunst vond bij Boaz, zoo ook Maria bij God gunst heeft gevonden en ook aan haar
1?«
is toegestaan om achter de maaiers korenaren te verzamelen.
De maaiers nu, die Maria volgt, zijn de evangelische arbeiders, de zendelingen en de biechtvaders, die voortdurend zielen voor God maaien.
Maar er zijn eenige verharde en wederspannige zondaars, die zelfs door dezen worden opgegeven, en aan Maria alleen is het voorbehouden om dezulken door hare machtige voorspraak te redden.quot; Waarlijk ongelukkig zijn zij, die zich niet door deze zoete vrouw doen opnemen; want zij zullen allerzekerst verloren gaan en vervloekt worden. Maar van den anderen kant gelukkig is hij, die zijne toevlucht tot deze goede moeder neemt; „want er is geen zondaar in de wereld zoo zondig en wederspannig,quot; zegt de godvruchtige Blo-sius, „die door Maria wordt versmaad en verworpen,quot; Zij kan, Zij wil en Zij weet, hoe zij hem met haren beminden Zoon moet verzoenen, zoo hij slechts hare hulp hiertoe verlangt.
De Z. Joannes Herold, die zichzelven uit nederigheid den leerling noemde, ver.iaalt ons, dat cr een gehuwd man was, die in voortdurende vijandschap met God leefde. Zijne vrouw, die zeer deugdzaam was, onmachtig zijnde om hem zijn
1:29
zondig leven te doen vaarwel zeggen, smeekte hem, om in den ellendigen toestand, waarin hij was, ten minste de kleine devotie tot Maria te hebben van haar zoo dikwijls hij haar beeld voorbijging met een „Wees gegroetquot; te groeten, en hij beloofde haar dit tc zullen doen. Eens op eenen nacht op weg zijnde naar eene groote misdaad, zag de zondige man in de verte een helder licht. Nader tredende, om te zien wat het was, zag hij eene lamp, die voor een beeld van Maria met het Heilig Kind in hare armen brandde, en door de gewoonte gedreven bad hij op eens het „Wees gegroet.quot; Op hetzelfde oogen-blik nu zag hij het Goddelijk Kind overdekt met versche wonden, waaruit het bloed nog stroomde. Verschrikt en door medelijden bewogen begreep hij, dat hij het was, die door zijne zonden zijnen Verlosser aldus had gewond. Hij barstte in tranen uit maar het Goddelijk Kind keerde hem den rug toe. Met schaamte vervuld zuchtte hij tot de H. Maagd en zeide: „Moeder der Barmhartigheid, uw Zoon verwerpt mij en waar kan ik eene medelijdender en machtiger voorspraak vinden dan gij zijt; want gij zijt zijne Moeder: mijne Koningin, help mij en bid voor mij.quot; De Goddelijke Moeder and woordde hem: „gij zondaars noemt my de Moeder der Barmhartigheid, maar houdt ter zeltder tijd niet op om mij tot eene Moeder der Smarten te maken, door mijnen Zooa op nieuw te kruisigen en mijne smarten te vernieuwen.quot; Daar Maria echter niemand ongetroost
130
van zich kan laten gaan begon zij haren God-delijken Zoon om vergiffenis voor dozen onge-lukkigen zondaar ie vragen; doch Jcsas hield zich als onwillig. De H. Maagd dit ziende plaatste het Kind op den grond der nis, knielde voor Hem neder en zeide ; „Mijn Zoon ik zal uwe voeten niet verlaten voor gij aan dezen zondaar hebt vergeven.quot; „Mijne Moeder,quot; zeide Jcsus toen, „u kan ik niets weigeren; wilt gij dal ik hem zal vergeven, welnu uit liefde tot u vergeef ik hem, laat hem nader komen om Mijne wonden te kussen.quot; De zondaar deed dit onder weenen en snikken en zoodra had hij de wonden niet aangeraakt of zij waren genezen. Jcsus omhelsde hem daarop ten leeken van vergiffenis, hij veranderde zijn leven in een zeer deugdzaam en behield steeds de innigste liefde en dankbaarheid jegens de H. Maagd, die hem deze groote gunst had verworven.
O allerheiligste Maagd Maria, ik verter uw allerheiligst hart. dat het welbehagen en de rustplaats van God is, uw hart dat overvloeit van nederigheid, zuiverheid en liefde Gods. Ik ongelukkige zondaar die ik ben, na !er u met een hart, dat enkel onreinheid en wonden is. O me-
131
delijdende Moeder, versmaad mij om deze reden niet, maar laat liet gezicht daarvan u eerder tot grooter teederheid opwekken en u aanzetten om mij te helpen. O wacht toch niet op mijne deugden om mij bij te staan, want ik ben een verlorene en het eenige wat ik verdiend beb is de hel; maar aanschonw alleen mijn ver-trouwen op u en mijn voornemen van mij te zullen beteren. Beschouw, bid ik n, al 't geen mijn Jesus voor mij heeft gedaan en geleden en verlaat mij dan zoo gij het kunt. Ik offer u alle de moeie-lijkhcden van Zijn leven op, de koude die Hij in den stal verduurde, Zijne vlucht naar Egypte; het bloed dat Hij heeft vergoten, Zijne armoede, i/ijn zweet, Zijne smarten, den dood dien Hij voor mij heeft geleden en dat alles in uwe le-genwoordigheid. O om Jesus' liefde belast u met mijne zaligheid. O mijne Moeder, ik wil en kan niet vreezen, dat gij mij zult verstooten, nu ik tot n vlucht en uwe hulp vraag.
Zoo ik hiervoor vreesde zou ik uwe barmhartigheid beleedigen, die de ellendigen opzoekt om ze te helpes. O mijne Vrouw, weiger uw medelijden niet aan mij, aan wien Jesus Zijn bloed niet heeft geweigerd, Doch de verdiensten van dit bloed ■n orden niet op mij toegepast, zoo gij mij niet aan God aanbeveelt. Doorn hoop ik mijne zaligheid. Tk vraag u geen rijkdom, eer of aardsche goederen; ik zoek slechts de genade Gods, de liefde tot uwen Zoon,het volbrengen van Zijnen H. Wil en hot Koningrijk des Hemels om Hem eeuwig
te kunnen beminnen. Is het mogelijk dat gij mij niet wilt verhooreu? Neen, want gij hebt mijn gebed reeds gedeeltelijk verhoord, daar ik op u hoop; reeds bidt gij vojr mij, reeds verkrijgt gij mij de genade die ik vraag, reeds neemt gij mij ouder uwe bescherming; mijne Moeder, verlaat mij niet. O houd nimmer, nimmer op om voor mij te bidden, tot gij mij veilig in den Hemel aan uwe voeten ziet, om u eeuwig te kunnen zegenen en danken. Amen.
Over de bereidwilligheid van Maria in het bijstaan van hen die haar aanroepen.
Waarlijk ongelukkig zijn wij kinderen Eva's; want, schuldig als wij voor God aan hare zonde zijn en met haar tot dezelfde straf veroordeeld, wandelen wij in dit tranendal als ballingen verre van ons vaderland rond, voortdu-tend weenende over onze veelvuldige rampen naar ziel en lichaam. Maar gelukkig lüj, die te midden dier smarten zich vaak naar de ver-
133
sterkster der wereld keert, naar de toevlucht der onsjelukkigen, de groote Moeder van God, die vol godsvrueht haar aanroept en tot haar smeekt Zalig is de man, die mij hoort, en die dagelijks aan mijne deurstijlen waakt.quot;
Gezegend, zegt Maria, is hij dienaar mijne raadgevingen luistert, die voortdurend aan de deur mijner barmhartigheid waakt en mijne hulp en voorspraak inroept. De H. Kerk vol zorg voor ons hare kinderen leert ons met welke oplettendheid en vertrouwen wij zonder ophou den onze toevlucht tot deze beminde beschermster moeten nemen.
Zelfs de menigte onzer zonden mag niet in staat zijn cm ons (Vertrouwen te verzwakken, dat Maria onze gebeden moge verhooren, wanneer wij ons voor hare voeten nederwerpen. Maria is de Moeder der Barmhartigheid; maar waartoe zou hare barmhartigheid dienen, zoo er niemand was, die deze inriep. Omtrent dit punt merkt Kichardus van St. Laureotius op, „dat gelijk eene goede Moeder niet wordt afgeschrikt om een heelmiddel toe te dienen aan haar met zweren overdekt kind, hoe afzichtelijk en walgelijk dit werk ook moge zijn, dat zoo ook onze goede Moeder onmogelijk ons aan ons lot kan overlaten, zoo wij tot haar vluchten om de wonden geheeld te zien ons door de zonden ge-geslagen, hoe afzichtelijk dezen ons ook gemaakt mochten hebben.quot; Het medelijden dezer goede Moeder is zoo groot en de liefde, die zij ons
134
toedraagt, is van dien aard, dat zij onze gebeden zelfs niet afwacht om ons te helpen; maar dat zij, gelijk liet boek der Wijsheid zegt, „dengene, die haar zoekt, voorkomt, en zich het eerst aan hem vertoont.quot; De H. An-selmus past deze woordea op Maria toe en zegt, dat zij degenen, die hare bescherming verlangen, altijd vooruit is; waardoor wij te verstaan hebben, dat zij ons vele gunsten van God verwerft, zelfs voor wij tot haar onze toevlucht nemen. Hieruit ook maakt Novarinus de ge-volgirekking, dat, „zoo Maria ongevraagd reeds zoo bereid is om de noodlijdenden bij te staan, zij ook des te zekerder hen zal helpen, die haar aanroepen en om hulp vragen.quot;
Is er iemand die twijfelt, of Maria hem zal bijstaan, zoo hij tot haar zijne toevlucht neemt, hij hoore de berisping van lunocentius III: „wie is er, die ooit in den nacht der zonde zijne toevlucht fot duze zoete Moeder heeft genomen en door haar niet is geholpen?'' (/En wie;quot; roept Eutuchiaan uit, „wie heeft ooit uwe alles-vermogende luilp ingeroepen en is door u verlaten geworden?quot; Waarlijk niemand, want gij kunt de ongclukkigsten oprichten en de meest vcrlalt;eneii redden.quot; Ik geef het toe. „zegt de II. Bernardus,quot; dat, zoo ooit iemand in nood tot u zijne toevlucht heeft genomen, o gezegende Maagd, en zich kan herinneien dit vruchteloos te hebben gedaan; dat hij niet meer over uwe barmhatigheid spreke, noch deze roeme.''
185
„Eerder,quot; zegt de godvruchtige Blosins, „zal hemel en aarde verwoest worden, dan dat Maria in gebreke blijft om iemand bij te staan, die haar om hulp vraagt, mits hij dit met eene goede meening en met vertrouwen op haar moge doen.quot; De H. Auselmus voegt er, om ons vertrouwen te vermeerderen, bij, dat, zoo wij tot deze Goddelijke Moeder onze toevlucht nemen, wij niet alleen van hare bescherming verzekerd zullen zijn, maar dat wij vaak spoediger verhoord en zelfs voorkomen zullen worden, zoo wij tot Maria vluchten en haren heiligen naam aanroepen, dan zoo wij dit den naam van Jesus onzen Zaligmaker doen.quot; En de reden, die hij hiervoor opgeeft, is deze; „dat Jesus als Kechter ook te straffen heeftj maar dat aan de H. Maagd als beschermster slechts barmhartigheid voegt,quot; Hij is van meening. datwij zekerder onze zaligheid zullen vinden door tot de Moeder te gaan dan tot den Zoon, niet omdat Maria machtiger is om ons te redden dan Jesas zelf, want wij weten, dat Hij alleen onze Zaligmaker is en dat Hij alleen door zijne eigene verdiensten onze zaligheid heeft verkregen en nog verkrijgt; maar het is omdat, als wij tot Jesus onze toevluclit nemen.wij hem tevens ats Rechter beschouwen, wien het ook voegt om ondankbare zielen te straffen en dat dit ons vertrouwen om verhoord te worden noodwendig moet verzwakken; maar zoo wij tot Maria gaan, wier ecnige bediening is om ons medelijden ie betoonen als de Moeder der
13ö
Barmhartigheid en om ons als voorspreekster te beschermen, wordt ons vertrouwen gemakkelijk bevestigxl eu versterkt.
De H. Brigitta hoorde eens deu Goddelijkeu Zaligmaker de zoetste en meest troostvolle belofte doen; want in het 50stu hoofdstuk van het eerste boek barer openbaringen lezen wij, dat Jesus zijne Moeder met deze woorden toesprak: „gij kunt mij geene vraag doen, o Mijne Moeder, die Ik niet zal toestaan: vraag mij wat gij wilt, want nooit zal ik u iets weigeren. Weet,voegt Hij er bij, „dat ik u beloof om genadiglijk het oor te leeuen aan allen, die mij iets in uwen naam zullen vragen al mogen zij ook zondaars zijn, zoo zij slechts het voornemen hebben om hnn leven te beteren.quot; Ditzelfde werd ook aan de H. Gertrudis geopenbaard toen zij den God-delijken Verlosser aan zijne Moeder hoorde verzekeren; „dat Hij in zijne almacht haar de macht gaf om aan de zondaars, die haar zouden aanroepen, barmhartigheid te toonen op welke wijze dit haar zoude mogen behagen.quot; Laten wij dan allen met vol vertrouwen dt woorden uitspreken van dat schnone gebed tot de Moeder der Barmhartigheid, dat algemeen aan den H, Bernardus wordt toegeschreven: Gedenk,, o allcr-besto Maagd Maria, dat het nog nooit is gehoord, dat iemand, die tot uwe bescherming zijne toevlucht. heeft genomen, door u is verlaten geworden.quot; Vergeef mij dan, o Maria, zoo ik zeg, dat ik niet het eerste schepsel wil zijn,
137
dat ooit tot u zijne toevlucht heeft genomen en door u is verlaten geworden.
Wij lezen in het leven vau den H. Franeis-cus de Sales, dat ook hij de kracht van dit gebed heeft ondervonden toen hij omstreeks zeventien jaar oud zijnde ter voltooiing zijner studiën te Parijs woonde. Te gelijk met de studie ■wijdde hij zich aan de oefening van Godsvrucht en der liefde Gods, waarin hij de vreugde des hemels smaakte. In dezen tijd stond God ter zijner beproeving en ter versterking van de banden, die hem aan zijnen God bonden, toe, dat de booze geest hem in de ineening bracht, dat alles wat hij deed te vergeefs was en dat hij door de eeuwige raadsbesluiten Gods alreeds was veroordeeld. De duisternis en geestelijke dorheid, waarin het God behaagde hem terzelfder tijd te laten ; (want hij was geheel ongevoelig voor de liefelijke gedachten aan Gods goedheid,) liet aan deze bekoring nog grooter macht over het hart van den heiligen jongeling; en deze bereikte inderdaad zulk eenen hevigen graad, dat deze vrees en inwendige hulpeloosheid hem zijnen eetlust benam, den slaap ontroofde en hem zoo bleek en neerslachtig maakte, dat hij het medelijden opwekte van ieder die hem zag.
138
Zoo lang deze verschrikkelijke storm duurde had hij enkel voorden van hopeloosheid en smart in den mond. „Ik ben dan,quot; zoo riep hij uit, „beroofd van de genade Gods, die zich vroeger zoo zoet en liefelijk aan mij vertoonde. O mijne lietde, o schoonheid, aan wie ik alle mijne genegenheid heb gewijd, ik mag dau niet langer uwen troost genieten ! O Maagd en Moeder Gods, o edelste onder de dochters van Jeruzalem, ik zal u dan nimmer in den Hemel zien ! O Lieve Vrouw, zoo ik uw aangezicht in de eeuwigheid niet mag aanschouwen, o sta mij dan ten minste toe, dat ik u niet in de hel te vloeken heb!quot; Zoo waren de teedere gevoelens van dat bedroefde en te gelijk zoo minnende hart. Deze bekoring had eene volle maand geduurd toen het God behaagde hem daarvan te bevrijden, door middel van de Versterkster der wereld, van de gezegende Maagd Maria, aan wie de heilige kort te voren zijne zuiverheid had toegewijd en in wie hij, volgens zijne verklaring, al zijne hoop had gesteld. Op eenen avond naar huis terngkee-rende ging hij eene kerk binnen en zag er aan den muur een bord hangen, waarop lüj het volgende welbekende aan den H. Bernardus toegeschreven gebed las: „Gedenk, o allerbeste Maagd Maria, dat het nog nimmer is gehoord, dat iemand, die tot u zijne toevlucht heeft genomen, is verlaten geworden.quot; Op zijne knieën vallende voor het altaar der Moeder Gods, bad hij dit gebed met de teederste vurigheid, vernieuwde
139
zijne belofte van zuivclieid, beloofde dagelijks den Rozenkrans te zullen bidden en voegde er bij: „Mijne Koningin, wees gij mijne Voorspreekster bij uwen Zoon, dien ik niet meer durf'naderen. Mijne Moeder, ben ik ongelukkig genoeg van mijnen Heer in de andere wereld niet te kunnen beminnen, Hem, die ik weet dat alle liefde waardig is, verkrijg mij dan ten minste, dat ik Hem in deze wereld zooveel moge beminnen als dit mogelijk is. Dyt is de genade, die ik van u vraag en hoop.quot;
Nadat hij aldus de H Maagd had toegesproken, wierp hij zich in de armen der Goddelijke Barmhartigheid en gaf zich geheel en al over aan den wil van God. Nauwelijks had hij echter zijn gebed geëindigd of hij werd door zijne allerzoetste Moeder onmiddelijk van zijne bekoring bevrijd, bekwam weder den vrede zijner ziel te gelijk met de gezondheid zij nsliohaams terug en leefde van dien tijd af aan in groote Godsvrucht tot Maria, wier lof en barmhartigheid hij steeds verhief, in zijne predikingen en geschriften, gedurende zijn geheele overige leven.
O Moeder van God, Koningin der Engelen en Hoop der menschen, leen welwillend het oor
140
aan mij, die tot u roep eu die mijne toevlucht tot uwe bescherming neem. Zie mij heden voor uwe voeten nedergeworpen; ik ellendige slaaf der hel wijd mijzclven geheel eu al aan u loe en verlang voor altijd uw dienaar te zijn. Ik offer my zooveel ik dit vermag op voor uwen dienst en uwe eer voor geheel mijn leven. Ik weet wel dat de dienst van oen zoo verworpene en ellendige als ik ben u niet tot eer kan zijn ; omdat ik mijn Jesus, uwen Zoon en mijn Verlosser zoo zwaar heb beleedigd; maar zoo gij mij onwaardige voor uwen dienaar wilt aannemen en door uwe tusschenkomst veranderen, om mij dus uwer waardig maken, dan zal deze uwe goedheid uzelve de eer verschaffen, die ik ongelukkige nimmer in staat ben u te geven. Verwerp mij dan niet, o mijne Moeder, maar neem mij genadiglijk aan. Het Eeuwige Woord daalde van den hemel op de aarde neder, om de verlorene schapen op te zoeken; om die te redden werd Hij uw Zoon, en znlt gij een van dozen verstoten indien hij tot u komt om Jesus te vinden. De losprijs mijner zaligheid is alreeds betaald, mijn Verlosser heeft reeds Zijn bloed vergoten. Zijn Bloed, dat meer dan voldoende is om een oneindig getal werelden tc verlossen; dit Bloed behoeft slechts toegevoegd te worden, ook zelfs aan een ellendige als ik ben, en dit nu is uwe bediening, o zalige Maagd, U komt het toe, gelijk de H. Bernardus zegt, om de verdiensten van dit bloed toe te passen op wien hes u goed-
dunkt. U Komt het toe, zegt de H Bonaven-tura, om dengenen te redden die gij wilt. O help mij dan, mijne Koningin; mijne Koningin, red mij! Aan u wijd ik heden mijne geheele ziel; red gij haar! O zaligheid van hen, die u aanroepen, ik besluit met de woorden van dezelfden heilige: „O zaligheid van hen; die uaanroepen, red gij mij.quot; Amen.
Over de grootheid en de macht van Maria om hen te beschermen,
die door den duivel bekoord worden.
Niet slechts is de Tl. Maagd de Koningin des Hemels en van alle Heiligen; maar zij is ook de Koningin der hel en van alle booze geesten, die zij door hare deugden glorierijk heeft overwonnen. Reeds van den beginne af voorspelde God de overwinning en de heerschappij, die onze Koningin eens over den slang zou hebben, toen Hij zeide, dat eene vrouw zoude geboren worden
142
om haar te overwinnen: „Ik zal vijandschap stel- t(
len tussohen u en de vrouw, —• zij zal u den vi
kop verpletteren;quot; en welke vronw kan die vij- ii
andinne zijn behalve Maria, die door hare edele A
nederigheid en haar heilig-leven hem steeds heeft o overwonnen en zijne kracht gebroken ? ' j S
Maria was dan die groote, die dappere vrouw, ! t
die den duivel overwon cn hem den kop ver- d
pletterde door zijne trotschlieid ter neder te slaan, d
zoodat, gelijk de H. Bernardus zegt, deze hoo- a
vaardige in spijt van zichzelven is ter neder ge- ^
worpen en onder den voet getreden door de H. t
Maagd en verplicht om als een in den oorlog c
overwonnen slaaf aan de bevelen zijner Koningin ]
De H. Bruno zegt, „dat Eva de oorzaak was j
van den dood,'' door dat zij zich van den slang j liet overwinnen: „maar dat Maria,quot; door ha
ren triomf op den duivel, „ons het leven teruggaf,quot; en den vijand zoodanig kluisterde, dat hij zich niet bewegen kon, noch een haver dienaars de minste beleediging aandoen.
Het is bekend, dat de palm het leeken is dor overwinning en daarom is onze Koningin gelijk een palmboom op een verheven troon geplaatst, teu teeken van de zekere overwinning, die wij onszelvcn mogen beloven, indien wij ons onder hare bescherming stellen. Ik ben verheven gelijk de palmboom,quot; zegt de Ecclesiastieus, „om u te verdedigen,quot; voegt de Z. Albertus de groote hierbij. „Mijne kinderen,quot; schijnt Maria ons
toe te roepen, „wnnneer de vijand u aanvalt, weest zuiver van harte; -ivant zoo ik u verdedig is u de overwinniug verzelcerd.'' De toevlucht tot Maria is dus als het zekerste middel om d'c holte overwinnen: want zegt de H. Bernardus van Seuen, Zij is de Koningin der hel en de opperste beheerscheres der duivelen; omdat zij het is, die den sal an heeft bedwongen en vertrapt. Hij drukt deze gedachte volgender wijze uit: „de allerheiligste Maagd beheerscht de helsche gewesten en wordt daarom de beiieerscheude Meesteres der duivelen genoemd; omdat zij hen in onderwerping houdt.quot; Om dezelfde reden wordt Maria in het Hooglied genoemd, verschrikkelijk voor de helsche machten, als een tn slagorde geschaard leger,quot; en zij wordt zoo verschrikkelijk genoemd, omdat zij hare macht, hare barmhar-tigheid en hare gebedon zoo goed in slagorde weet te rangschikken tot nederlaag voor hare vijanden en tot welzijn voor hare dienaars, die in hunne bekoringen hunne toevlucljt nemen tot hare alles vermogende hulp. Tot bevestiging hiervan werd aan de II. Brigitta geopenbaard, „dat God Maria zoo groot eene macht over de duivels heeft gegeven, dat zij, zoo vaak zij een harer godvruchtige dienaars aanvallen en dezen tot de H. Maagd om hulp roept, hen met een enkelen bliksemstraal verschrikt, zoo dat zij wegvluchten en liever hunne pijnen verdubbeld zien, dan zichzelven aan de macht van Maria te onderwerpen.
144
l)c duivels vrcezen zelfs alleen bij het hooren van don naam van Maria. De H. Bernardus zegt, dat „bij den naam van Maria alle knieën buigen en dat do duivels bij liet hooren van dien naam niet slechts vreezen, maar zelfs sidderen. Gelijk een mensch van schrik ter neerslaat wanneer er een donderslag naast hem nedervalt, zoo ook geschiedt het met de duivelen bij het hoeren van de naam Maria.
Thomas a Kempis drukt hetzelfde gevoel uit: „de booze geesten vreezen grootelijks de Koüingin des Hemels en vluchten weg als van een vuur bij hot hooren van haren naam; want door den klank zeiven van dien naam worden zij als van den donder getroffen.quot; O hoevele overwinningen hebben de dienaars van Maria niet behaald door van haren heiligen naam gebruik te maken! Daardoor was de II. Antonius van Pudua altijd overwinnaar, daardoor zegevierde de Z. Henricus Suso en zoovele andere beminnaars van deze groote Koningin.
De H. Anselmus verklaart, dat hij, zeer dikwijls had gezien en gehoord, dat velen, die in oogonblikken van gevaar Maria aanriepen, oogen-blikkelijk daarvan bevrijd werden.
„Glorievol en verwonderlijk, o Maria,quot; roept de li. Bonaventura uit, „is uw naam.quot; Zij die dien in het doodsuur aanroepen behoeven geene helsche machten te vrcezen, want bij het hooren van dien naam nemen de duivels onmidde-lijk de vlucht en laten de ziel met vrede. De-
146
zelfde Heilige voegt er bij, „dal de menschen geene vijandelijke legers zoo zeur vreezen als de helsehe maeliten dit Maria's naam en bescherming doe:).quot; „O Vrouwe,quot; zegt de H. Germa-imsj ^gij geeft aan uwe dienaars zekerheid tegen alle aanvallen des vijands enkel door iiet aanroepen van uwen machtigen naam.quot; Zoo slechts de Christenen er voor zorgden, om in de bekoringen den naam van Maria met vertrouwen aan te roepen, zouden zij nooit bezwijken; want gelijk de Z. Allan opmerkt, „bij liet hooren der woorden „Wees gegroet Mariaquot; vlucht de Satan en beeft de hel.'' O. L. Vrouw openbaarde zelve eens aan de H. Brigitta, dat de duivel zelfs van de meest verlatene zondaars, die dus het verste van God verwijderd en het meeste in zijne macht zijn, wegvlucht alleen zoo zij Maria's machtigen naam met een vast voornemen van zich te beteren aanroepen, „alle duivels worden bij het hooren van den naam van Maria met schrik bevangen en verlaten de ziel;quot; doch Maria zelve voegt er (evens bij, „dat, zoo de ziel zich niet betert en hare zonden niet uitwischt, de duivelen er onmiddelijk in wedcrkeeren en haar voor goed in bezit nemen.''
Te Ratisbon leefde eens een reguliere Kanno-nik met name Arnold, én om de heiligheid zijns
levens, cn om zijne tee(!cre godsvrucht tot Maria, de Vrome bijgenaamd. Deze, nu op het punt van te sterven en met de laatste HH. Sakramenten versterkt zijnde, riep zijne geestelijke broeders bij eikanderen smeekte hen, dat zij hem niel mochten vetlaten in zijnen laatsten overtocht. Nauwelijks had hij deze woorden geuit of hij begon in aller tegenwoordigheid tesidderen,en,terwijl zijne oogen hem door het hoofd rolden, zeide hij met bevende stem en in het koude zweet badende: ,/Ziet gij de duivels niet; die hun best doen om mij naar de hel te slepen? Broeders, roept de hulp van Maria voor mij in, op haar vertrouw ik, zij zal mij de overwinning geven.quot; Hierop begonnen de Broeders de Litanie van O. L. Vrouw te bidden en bij de woorden,„Heilige Maria bid voor hem, riep de stervende uit: „herhaalt, o herhaalt den naam van Maria; want ik sta reeds voor Gods rechterstoel.quot; Daarop was hij een oogenblik rustig en verzuchtte toen weder: „ja, dat is waar; maar ik heb er boetvaardigheid voor gedaan;quot; en zich tot Maria keerende; „ja, ik zal er van bevrijd worden, o Maria, zoo gij mij slechts helptquot; Op nieuw vielen nu de duivels hem aan; maar hij verdedigde zich met liet Kruisbeeld en met den naam van Maria. De ge-heele nacht ging zo.o voorbij; maar zoodra was niet de dag aangebroken, of Arnold riep met de grootste kalmte en vol heilige vreugde uit: „Maria, mijne opperbeste vrouw en mijne toevlucht heeft mij vergiffenis en zaligheid verworven.quot; Daarop zijne
I
147
ai oogen op de H. Maagd slaande, die liem uit-
111 noodigde om haar te volgen, zeide hij: „Ik kom o Vrouwe, ik kom,quot; en met zijn lichaam eene
JlJ poging doende om haar te volgen vlood zijne
h' ziel, gelijk (vij vertrouwen, naar de eeuwige uquot; , zaligheid en ontsliep hij zacht.
in
ne ___
iet
nij
'lp O M; iria, o mijne hoop, zie mij arme zon-li{i daar aan uwe voeten, mij, die door mijne Je- eigene schuld mij tot slaaf der hel heb gemaakt. Ll^ Ik weet, dat ik door mijn verzuim van tot u te rla vluchten zelf de schuld ben, dat de duivel mij quot;■It) heeft overwonnen. Had ik altijd tot u mijne sta toevlucht genomen; had ik u altijd aangeroepen; hij ik zou voorwaar i iet bezweken zijn. Ik ver-Ler: trouw, o aller liefde waardige vrouw, dat ik cid door u reeds aan de handen des duivels ontsnapt /ja) beu en van God vergiftenis htb ontvangen; gij gt; maar ik beef van vrees, dat ik in het vervolg ui- op nieuw in diezelfde kluisters moge geraken. 'i6' Ik weet, dat mijne vijanden de hoop van mij gequot; te overwinnen niet opgeven en mij nieuwe aan-iict vallen en bekoringen voorbereiden. O mijne Kotste ningin en toevlucht, sta mij bij ; neem mij onder jnö den mantel uwer bescherming en laat niet niij toe, dat ik op nieuw hun slaaf moge worden, ijne Ik weet, dat gij mij wilt helpen en de overwin-
148
ning geven, mils ik u aatiroepe, maar ik beef van vrees, dat ik in de bekoring n mocht vergeten en verzuimen u aan te roepen. l)e gunst dan, die ik van u verzoek en die gij mij moet 1 oestaan, o H. Maagd, is, dat ik u nimmer, eu vooral niet ten tijde der bekoring, moge vergeten ; maar geef, dat ik u dan dikwijls moge aanroepen met de woorden : „o Maria, help mij; o Maria, sta mij bij.quot; Vooral wanneer in het uur van mijnen dood mijne laatste worsteling met de hel zal komen, o mijne Koningin, help mij dan meer dan ooit en herinner gij er mij aan, om dan meer met het hart dan met de lippen tot u te roepen ; opdat ik aldus vol vertrouwen, met uwen en uws Zoons Jesus' zoeten Naam op de lippen den laatsten adem moge uitblazen en zoo in staat gesteld worden, om voor alle eeuwigheid aan uwe voeten gezeten, u in den Hemel te mogen zegenen en prijzen. Amen.
Maria is eene Voorspreekster, die allen kan redden.
Het gezag van eene moeder over haren zoon is zoo groot, dat, mocht deze ook een monarch
1 9
zijn, die over alle de zijnen de volkomenste maclit heeft, zijne moeder toch nimmer aan hem ondergeschikt kan worden. Het is waar, dat Jesus in den Hemel aan de rechterhand zijns Vaders is gezeten in zijne menschelijke natuur, zoo als dc H. Thomas ons leert; omdat deze onafscheidelijk vereenigd is met den persoon van het Goddelijk Woord, en dat Hij de opperste heerschappij over alles en dua ook over Maria heeft; maar desniettemin is het waar, dat voor den tijd, dien Hij hier op aarde leefde, het Hem behaagde zich te vernederen om aan Maria onderdanig te zijn, gelijk de H. Lukas ons verhaalt: „en Hij was haar onderdanig,quot; De H. Ambrosiuj gaat nog verder en zegt, dut Jesus Christus, Die Maria tot zijne Moedor genomen en zichzel-ven tot haren Zoon had gemaakt, waarachtig verplicht was om haar to gehoorzamen. Om dezelfde reden ook zegt Richard van St. Laurentius: ^van andere Heiligen zeggen wij, nat zij met God zijn, maar van Maria kunnen wij zeggen, dat zij zoozeer was begunstigd, dat zij niet slechts zelve aan den wil Gods was onderworpen; maar datzelfs God aan haren wil onderdanig was.quot;
En daarom zeggen wij, dat, hoewel Maria nu in den Hemel haren Zoon niet meer kan bevelen, desniettemin hare gebeden steeds de gebeden zijn van eene moederen gevolgelijk de meest vermogende rm te verkrijgen hetgeen wij vragen. „ Maria,quot; zegt de H. Bonaventura, yybezit liet groote voorrecht, dat zij boven alle
1 50
Heiligen bij haren Zoon do machtigste is om te verkrijgen hetgeen zij wil.'' En waarom dit? Omdiit hare gebeden die eener moeder zijn. Daarom kan Maria, volgen? de woorden van den H Petrus Damiauus, doen wat zij wil, in den hemel en op aarde. Zij is bij machte om allen, die in wanhoop zijn, tot vertrouwen te brengen en daarom spreekt hij haar met deze woorden aan: „aan u is alle macht gegeven in hemel en op aarde en niets is onmogelijk voor u, die zelfs hen die wanhopen weder tot hoop van zaligheid brengt. Vervolgens voegt hij er bij, dat, „zoo deze Moeder eene gunst voor ons verzoekt van Jesus Christus, (dien de heiligen het gouden altaar der barmhartigheid noemen, van hetwelk de zondaars hunne vergiffenis erlangen,) Hij hare gebeden zoo hoog acht en zoo verlangend is om haar te voldoen, dat het schijnt als of zij eerder beveelt dan bidt en meer eene Koningin gelijkt dan wel eene dienstmaagd.quot; Jesus schept er behagen in om zijne Moeder te eeren, die Hem gedurende zijn leven zooieer heeft geëerd, dat zij Hem steeds onmiddelijk gaf al wat Hij vroeg en vei langde. De H. Ger-manus bevestigd ons dit op schoone wijze als hij O. L. Vrouw aansprekende, zegt: „gij zijt de Moeder Gods en alvermogend om de zondaars te redden; want bij God hebt gij geene andere aanbeveling noodig, dan dat gij de Moeder zijt des waren Levens.quot;
Moet dus eene moeder dezelfde macht hebben
als haar zoon, dan is liet billijk, dat Jesus, Die almachtig is, ook zijne Moeder almachtig maakt; want het is natuurlijk en duidelijk, dat zoo de Zoon almachtig is door Zijne natuur, Zijne Moeder dit alleen is door de genade. En dat zij dit waarlijk is wordt ons hieruit duidelijk, dat, wat de Moeder ook vraagt, de Zoon het haar nimmer weigert; zoo als het eens aan de H. Brigitta werd geopenbaard toen zij Jesus met Maria hoorde spreken en zeggen: „vraag wat gij wilt; want uwe verzoeken kunnen niet te vergeefs zijn.quot; Als wilde Hij zeggen: Mijne Moeder, gij weet hoezeer Ik u bemin, daarom vraag van Mij al hetgeen gij wilt; want het is Mij onmogelijk u iets te weigeren, er de schoone reden bijvoegende; omdat gi) Mij op aarde niets heb geweigerd daarom zal ook Ik u niets weigeren iu den IlemeF. „Mijne Moeder, toen gij nog in de wereld waart, weigerdet gij Mij nimmer iets uit liefde voor Mij en nu Ik in den Hemel ben is het ook billijk, dat Ik u niets weiger van hetgeen gij Mij vraagt.quot; Maria is dus almachtig voor zoo verre deze goddelijke eigenschap in een schepsel verondersteld kan worden, dat is te zeggen, zij is almachtig; omdat zij door hare gebeden kan verkrijgen al hetgeen zij wil.
Te recht dus zegt de H. Bernardus: „o groote Voorspreekster, gij hebt slechts te willen en alles geschiedt,quot; Eu de 11. Anselmus /.egt: „watgij ook zoudt willen, o H. Maagd, het kan niet anders dan vervuld worden.quot; Al hetgeen gij wilt
IK 2
geschiedt. Zoo het ii behaagd om oenen zondaar uit den diepsten afgrond zijner ellende tot den hoogsten trap van heiligheid te verheffen, is u dit ujogelijk.
Ue Z. A Ibertns de Groote doet Maria over dit onderwerp zeggen: „vraag mij slechts om iets te willen; want zoo ik iets wil moet het noodzakelijk geschieden.quot; De H. German us de zondaars bemoedigende, die zich aan deze Voorspreekster aanbevelen, voegt haar de volgende woorden toe: „zoo gij, o Maria, bij God het gezag cener Moeder hebt, knnt gij ook vergiffenis voor de gruwelijkste zonden verkrijgen ; want, zoo God u in alles als zijne waarachtige en onbevlekte Moeder erkent, kan hij niets anders doen dan u te geven hetgeen gij vraagt.quot; De H. Georgius. de aartsbisschop van Nicomedië,
zegt, dat Josus Christus haar idles geeft wat zij ook vraagt, als om aan eene verplichting te voldoen, waaronder Hij zich jegens Zijne Moeder plaatste, toen zij toestemde om Hem de men-schelijke natuur te schenken. Laat ons dan met het woord van den H. Bonaventura besluiten, ) die de groote weldaad aanhalende, welke God ons gaf toen Hij ons Maria als Voorspreekster schonk, haar met deze woorden toesprak: „o waarlijk wonderbare en oneindige goedheid van onzen God, Wien het behaagde om u, o opperste Moeder, aan ons ellendige zondaa-s tot Voorspreekster te geven; opdat gij door uwe mach- [ tige tusschenkomst alles wat u behaagt voor
153
ons moogt verkrijgen. O wonderbare goedheid Gods,quot; vervolgt hij, „die ; opdat wij niet zouden verloren gaan door het over ons uitgesproken vonnis, ons uwe eigene Moeder cu de uitdeelster van alle genaden hebt gegeven om voor ons te pleiten.quot;
Eene adelijke vrouw, die slechts een eenigen zoon had, ontving op eens het bericht, dat deze was vermoord geworden. Het toeval wilde nu dat de moordenaar in haar huis zelf een schuilplaats had gezocht. Dit bemerkende bedacht zij, dat Mnria aan de beulen haars Zoons had vergeven en nam het besluit, om uit liefde tot deze Moeder der Smarten den moordenaar te vergeven en zij deed dit niet alleen, maar voorzag hem zelfs van een paard, van geld en van kleederen ten einde hem te doen ontsnappen. De vermoorde zoon verscheen hierop aan haarenzeide, dat door haar edelmoedig gedrag jegens dien vijand, de Moeder Gods hem iiad gered en van het vagevuur verlost, waarin hij anders een zeer langen tijd had moeten verblijven en dat hij nu het paradijs binnenging.
154
O groote Moeder Gods, ik wil de woorden van den H. Bernard us lot u richten : „spreek, o Vrouwe; want uw Zoon hoort u, en wat gij vraagt zult gij verkrijgen.quot; Spreek, spreek dan, o Maria, o mijne Voorspreekster, voor ons ongelukkige schepselen. Gedenk, dat. het voor ons welzijn was, dat u :oo groote macht en zoo hooge waardigheid werd gegeven. God schepte er behagen in om uw schuldenaar te worden, toen hij de mensehelijke natuur door u aannam; opdat gij volgens uwen wil de rijkdommen der goddelijke barmhartigheid aan de zondaars zoudt uitdeelcn. Wij zijn uwe dienaars, die op bijzondere wijze u zijn toegewijd, ten minste ik koester de hoop, dat ook ik een van hen mag zijn. Wij roemen er op, dat wij onder uwe bescherming leven ; want gij doet aan allen goed, aan hen, die u nimmer hebben gekend noch geëerd, ja zelfs aan dengenen, die u beleedigd en gelasterd hebben. Wat mogen wij dus niet van uwe welwillendheid hopen, die de ongelukkigeu zoekt om hen op te richten, wij die u eeren en beminnen, wij die op u ons vertrouwen stellen. Wij zijn groote zondaars, maar God heelt u met medelijden verrijkt en met eene macht, die allo onze euveldaden verre overtreft. Gij kunt en «ilt ons helpen en hoe groot er ouze onwaardigheid is des te grooter zal onze hoop zijn om u iu
155
den Hemel te roemen wanneer wij dien door uwe tussehenkomst verkrijgen. O Moeder van barm-hartiglieid, wij bieden u onze zielen aan, die door het bloed van Jesus Christus gezuiverd en verheerlijkt, maar helaas daarna zoo dikwerf' door de zonde bezoedeld zijn. Wij bieden ze u aan, o zuiver gij ze, en verkrijg ons eene ware bekeering; verkrijg ons de liefde Gods, de \olharding en eindelijk den Hemel. Wij vragen u wel zeer veel; kunt gij ons misschien dit alles niet verkrijgen? Is het misschien te veel voor de liefde, die God u toedraagt? Ach neen, want gij hebt uwen mond slechts te openen, gij hebt uwen goddelijken Zoon slechts te vragen en Hij zal u niets weigeren. Bid dan, Maria, o bid voor ons en gij zult voorzeker dit alles verkrijgen en ons daardoor tevens de zekerheid van het koninkrijk des Hemels erlangen.
Maria is eene zoo teedere Voorspreekster,
dat zij zelfs de zaak van den meest ellendigen zondaar niet weigert te bepleiten.
De redenen, die wij hebben om de ons zoozeer minnende Koningin lief le hebben, zijn zoo
veelvuldig, dat zoo in iedere preek over haar alleen werd gesproken, dat zoo alle mensohen hun leven voor baar gaven, dat dit alles nog weinig zon zijn in vergelijking van de eerbetuiging en de dankbaarheid, die wij aan haar verplicht zijn voor de teedere liefde, die zij ons stervelingen en zelfs aan de ellendigste zondaars toedraagt, zoo zij ook maar het kleinste sprankje godsvrucht tot haar hebben behouden. üe Z. Eaymundus Jordanus was gewoon te zeggen, „dat Maria niet anders kan doen dan hem die haar bemint liefhebben, ja, dat zij zich zelfs verwaardigd om dengenen die haar dient ook te dienen en ter gunste van deze, al mocht hij ook een zondaar zijn, al hare macht gebruikt om hem vergiffenis van haren gezegenden Zoon te verwerven„en,'' voegt hij er bjj, „hare welwillendheid en barmhartigheid zijn zoo groot, dat niemand, hoe groot zijne zonden ook mogen zijn, te vreozen heeft om zich aan hare voeten ie werpen; want dat zij onmogelijk hem, die zich tot haar wendt, verwerpen kan. Ja Maria onze beminde Yoor-spreekster biedt zelve de gebeden harer dienaars aan God aan en vooral die, welke bijzonderlijk in hare handen gesteld worden; want gelijk de Zoon onze Middelaar is bij den Vader, zoo is zij de middelares bij den Zoon cn houdt zij niet op van bij beiden de groote zaak on ser zaligheid te behartigen en voor ons de genaden te verkrijgen, die wij vragen,quot; Dionysius de Kar-thuizer had dus alle reden om do H. Maagd
137
„de bijzondere toevlucht der verlorenen, de hoop der meest veriatenen en de Voorspreekster van alle zondaars die tot haar vluchten, te noemen.
Maar mocht er bij toeval een zondaar zijn, die, hoewel niet aan hare macht, misschien aan haar medelijden mocht twijfelen en vreezen, dat zij misschien om de grootheid zijner zouden niet geneigd mochtzijn om hem te helpen,laat hem moed vatten uit de volgende woorden van de H.Bo-naventura : „het groote, het bijzondere voorrecht van Maria is, dat zij almachtig is bij haren Zoon.quot;
„Maar,quot; voegt hij er bij, „waarvoor zou zulk eene macht aan Maria gegeven zijn, zoo zij niet voor ons zorgde? Neen, laten wij niet twijfelen, maar zeker zijn en altijd onzen Heer en Zijne goddelijke Moeder er voor danken, dat, gelijk hare macht bij God die van alle heiligen overtreft, zij ook zoo in dezelfde verhouding onze meestliefhebbende Voorspreekster is, die het meest voor ons welzijn zorg draagt.quot;
Maria is voor allen bezorgd, zelfs voor de zondaars; ja zij draagt er roem op om in het bijzonder hunne Voorspreekster genoemd te worden, zoo als zij zelve aan de Eer w. zuster Maria \7illani verklaarde met deze woorden: „naden titel van Moeder Gods verheug ik mij het meest in dien van Voorspreekster der zondaars.quot;
De Z. Amadeus zegt, „dat onze Koningin altijd voor Gods Majesteit staat, om met hare vermogende gebeden onze voorspraak te zij n. Endaar zij in den Hemel onze behoeften en ellenden zeer
goed kent, kan hel ook niet anders of zij moet medelijden met ons hebben en aldus met het gevoel eener moeder tot teederheid jegens ons bewogen beijrert zij zich steeds, om vol medelijden en welwillendheid ons te helpen en te redden . Daarom bemoedigt Richard van St. Lau-rentius ieder onzer, hoe zondig hij ook moge zijn, om vol vertrouwen onze toevlucht tot deze zoete Voorspreekster te nemen, verzekerd als wij zijn dat wij haar steeds bereid zullen vinden om ons te helpen; „want,quot; zegt de Abt Godefridus, „Maria is altijd bereid om voor allen te bidden.quot;
Wie kan ooit de zorg voor ons welzijn beselïen, waarmede Maria steeds voor den troon Gods staat. „Zij is nimmer vermoeid om ons te verdedigen,quot; zegt de H. Germanus, en deze bemerking is zoo schoon; omdat naar zijn gevoelen het medelijden, dat Maria met onze ellende heeft, en ook de liefde, die zij ons toedraagt, zoo groot is, dat zij voortdurend voor ons bidt en niet ophoudt om voor ons welzijn te werken totdat hare gebeden ons krachtdadig voor het kwaad beschermd en overvloedige genaden hebben verkregen. Nooit heeft zij genoeg voor ons gedaan.
Waarlijk rampzalig zouden wij arme zondaars zijn, zoo wij deze groote Voorspreekster niet hadden, die zoo machtigen medelijdenden tevens „zoo voorzichtig en wijs is, dat haar Zoon de goddelijke Bechter geen schuldigen kan veroordeelen, die door haar beschermd worden,quot; zooals Richard van St Laurentius zegt. Of gelijk dc H. Ber-
159
nardus beweert, „er is geen twijtel of Jesus Christus is de eci.ige Middelaar van rechtvaardigheid tusscheu God en den mensch, om door zijne eigene verdiensten en beloften ons de vergiffenis en de gunsten Gods te verwerven; maar omdat de mensch de Goddelijke Majesteit, die in Hem als God is, kent en vreest, daarom was het noodig, dat ons eene andere Voorspreekster werd aangewezen, tot wie mij met minder vrees en met meer vertrouwen ons zouden kunnen begeven, en deze Voorspreekster is Maria, machtiger bij de goddelijke Majesteit en barmhartiger jegens ons dan welke wij er geene kunnen vinden.quot; „Maar,quot; voegt dezelfde Heilige er bij, „mocht iemand vreezen om zich aan de voeten dier allerzoetste Voorspreekster te werpen, die niets strengs, r.iets verschrikkelijks heeft, maar die enkel lieftalligheid, welwillendheid en beminnelijkheid is, zoo zou hij waarlijk Maria in haar liefdevol medelijden beleedigeu. Lees, lees op nieuw,quot; zoo zegt hij verder, „lees zoo dikwijls gij wilt al hetgeen over haar'in het H. Evangelie gezegd wordt en zoo gij er eene ook maar de minste daad van strengheid van haar vermeld vindt, vrees dan om haar te naderen. Maar neen, gij zult ze nooit vinden en daarom ga tot haar met een vreugdevol hart en zij zal u door hare tusschen-komst redden.quot;
„Weest dan versterkt, o gij vreesachtigen,'' wil ik met den H. Thomas van Villanova zeggen, haalt vrijelijk adem en schept moed, o
160
ongelukkige zondaars; want deze verheveneMaagd, die de Moeder is van uwen God eu Keehter, is ook de Voorspreekster van liet gelieele men-selielijk'i gesluelit en de allergesehiksie voor deze betrekking; want zij vermag bij God alles wat zij wil en hare groote wijsheid kent alle de middelen, die Hem bevredigen: zij is voor allen even goed; want allen heet zij welkom en weigert nimmer om iemand te beschermen.quot;'
Eene jonge vrouw, die zeer godvruchtig jegens Maria was, werd eens in de pauselijke Staten door eenen rooverkapitein ovbrvallen. Eenige mishandeling vreezende smeekte zij hem om de liefde der H, Maagd van haar niet hinderlijk te zijn. „Vrees niet,quot; hernam hij, „omdat gij mij dit in den naam der Moeder Gods gevraagd hebt is alles wal ik verlang, dat gij mij aan haar aanbeveelt.quot; En werkelijk hij zelf geleidde haur langs den weg naar eene veilige plaats. Den volgenden nacht verscheen Maria in den droom aan den roover, dankte hem voor de daad, die hij uit liefde tot haar had verricht, en verzekerde, dat zij deze niet zou vergeten, maar hem die eenmaal zou vergelden. Deze roover werd latei-gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Den
161
nacht voor dat hij ter dood gebracht zou worden verscheen de ii. Maagd hem op nieuw in den droom en vroeg hem, of hij haar herkende? Hij audwoordde, dat het hem toescheen, dat hij haar meer had gezien. „Ik ben,quot; zeide zij daarop, „de H. Maagd Maria en kom om u te beloonen voor hetgeen gij eens voor mij hebt gedaan; morgen zult gij sterven, maar gij zult sterven met zooveel berouw, dat gij regelrecht naar het paradijs zult gaan.quot; De gevangene ontwaakte en gevoelde zulk eene smart over zijne zonden, dat hij bitterlijk begon te weenen en de H. Maagd luid te danken. Hij vroeg dan onmiddelijk om eenen priester, biechtte zijne zouden onder een vloed van tranen, verhaalde de verschijning, die hij gehad had en verzocht om de gunst hom door Maria, geschonken, openbaar te maken. Hij ging met groote vreugde naar de strafplaatsen daar was zijne houding zoo kalm en gelukkig, dat allen die hem zagen meenden, dat de belofte van Maria reeds was vervuld geworden.
O verhevene Moeder des Heeren, ik zie duidelijk in, dat mijne ondankbaarheid jegens God en jegens u, die reeds zoo vele jaren oud is, heeft verdiend, dat gij mij verlaat en niet langer zorg voor mij draagt, voor mij ondankbare
162
ziel, die uwe gunsten geheel on waardig ben. Maar, o mijne Vrouw, ik heb ecne zoo groote gedachte vau uwe goedheid, dat ik deze veel grooter geloof dan mijne ondankbaarheid. Ga voort dan, o Toevlucht der zondaars, en houdt niet op om een on gelukkigen zondaar, die op u vertrouwt, bij te staan. O Moeder van barmhartigheid, verwaardig u om uwe helpende hand uit te strekken, naar een on gelukkigen gevallene, die uw medelijden inroept. O Maria, verdedig gij-zelvo mij, of wel zeg mij, tot wien ik mijne toevlucht moet nemen, wie er meer geschikt is om mij te helpen, of waar ik eene meer barmhartige, eene meer machtige voorspraak bij God kan vinden dan gij, die Zijne Moeder zijt. Gij zijt, toen gij de Moeder van onzen Zaligmaker werd, tevens een bekwaam werktuig tot redding der zondaars geworden ; gij zijt mij tevens voor mijne zaligheid gegeven. O Maria, red hem, die tot u vlucht. Ik verdien uwe liefde wel niet, maar uw eigen verlangen om zondaars zalig te maken is het, dat mij hopen doet, dat gij mij bemint en zoo gij mij bemint, hoe kan ik dan verloren gaan ? O mijne beminde Moeder, zoo gij , zoo als ik hoop, mijne ziel redt, zal ik niet langer ondankbaar zijn, maar trachten mijne vroegere ondankbaarheid en de liefde, die gij mij betoont heb, door mijne aanhoudende lof prijzing en door allo gevoelens mijner ziel goed te maken. Tu den zaligen Hemel, waar gij regeert en altijd regeeren zult, zal ik voortdurend
163
u dank toezingen en eeuwig uwe goedertiorenc handen kussen, die mij van de hel hebben bevrijd, zoo dikwijls ik die door mijne zonden heb verdiend. O Maria, mijne Bevrijdster, mijne Hoop, mijne Koningin, mijne Voorspreekster, mijne zoete Aioeder, ik bemin n, ik verlang naar uwe glorie en zal u eeuwig beminnen. Dit is mijne hoop. Amen.
Over de grootheid van de Goedertiereu-heid en het lijden van Maria.
De H. Eernardus liet groote medelijden besprekende, dat Maria met ons arme schepselen heeft, noemt haar, „het door God beloofde, van melk en honig overvloeiende land.'' De H. Leo zegt, „dat de H. Maagd een zoo barmhartig hart heeft, dat zij niet slechts barmhartig is, maar de barmhartigheid zelve verdient genoemd te worden.quot; De H. Bonaventura beschouwende, dat Maria voor ons ongelukkigen Moeder Gods is geworden en dat aan haar de zorg is opgedragen om barmhartigheid te bewijzen, en verder de teedere zorg overwegende, die zij voor allen heeft en dat
16
haar niedelijdcu zoo groot is, dat zij geen ander verlangen solüjiit te hebben dan om de noodlijdenden op te richten, zegt, dat als hij naar Maria opziet, het hem toeschijnt als zag hij Gods Rechtvaardigheid niet meer, maar alleen zijne Barmhartigheid, waarvan Maria vervuld is Eindelijk het medelijden van Maria met ons is zoo groot, dat de Abt Guarricus zegt, „dat haar minnend hart geen oogenblik kan zijn zonder vruchten van teederheid te dragen.quot; De H. Bernardus roept uit: ^wat kan eene bron vau medelijden anders voortbrengen dan medelijden?quot; Maria wordt ook een olijfboom genoemd, „gelijk een ware olijfboom in de vlakten;quot; want gelijk men uit den olijf enkel olie (het zinnebeeld der barmhartigheid) trekt, zoo komen uit de handen van Maria ons enkel genaden en barm-hartigheid. Daarom zegt Pater Ludovieus de Ponte, „dat Maria eigenlijk de Moeder der olie moest genoemd worden; omdat zij de Moeder der barmhartigheid is.quot; Wanneer wij dus tot deze goede Moeder gaan om de clie der barmhartigheid te verkrijgen hebben wij niet te vreezen, dat zij ons die zal weigeren gelijk dit aan de dwaze maagden van het Evangelie geschiedde; „opdat er misschien niet genoeg voor ons en voor ii mocht zijn.quot; O neen ; want zij is waarlijk rijk aan deze olie van barmhartigheid, gelijk de H. Bonaventura verzekert; „Maria is vol van de olie van medelijden.quot; Zij wordt niet slechts door de Kerk eene voorzichtige, maar de aller-
105
voorzichtigste Maagd genoemd; opdat v.'ij zouden weten, zegt Hugo van St. Victor, dat zij zoo vol genade en medelijden is, dat zij allen kan helpen zonder zelve iets te verliezen. „Gij zijt vol van genade, o H. Maagd; zoo wezenlijk vol, dal de gehcele wereld door de/.e overvloeiende olie gedrenkt wordt„ Want, zoo al de voorzioh tige maagden hare kruiken met olie vulden tegelijk met hare lampen, gij, o allervoorzichtigste Maagd, bezit eene overvloeiende en onuitputtelijke kruik, waaruit de olie der barmhartigheid stroomt, waarmede gij aller lampen vol maakt.quot;
Maar waarom, vragen wij, staat deze sohoone olijfboom in het midden der vlakten en niet liever in het midden van eenen tuin met een muur en haagwerk omzet? De/elfde Hugo van St. Victor zegt ons, dat dit is; opdat allen haar mogen zien en dat allen tot haar hunne toevlucht mogen nemen,quot; ter verkrijging van geneesmiddelen voor alle hunne ziekten. Deze schoone uitlegging wordt door den II. Antonius bevestigd als hij zegt, ,;dat, gelijk allen naar den olijfboom, die te midden der vlakten staat, kunnen gaan, om er de vruchten van te plukken, zoo ook allen, rechtvaardigen of zondaars, tot Maria kunnen gaan om hare barmhartigheid te verkrijgen.quot; En hij voegt er bij, „hoe-vele veroordeelingen heeft deze allergezegend-ste Maagd door hare medelijdende gebeden niet afgewend van de zondaars, die tot haar hunne toevlucht namen.quot; ^En welke veiligere
166
toevlucht,quot; zegt de vrome Thomas A Kempis. „kunnen ^ ooit vinden dan het hart van Maria? Daar vindt de arme een tehuis, de zieke een geneesmiddel, dc bedroefde eene opbeuring, de twijfelachtige raad en de verlatene hulp.quot;
Waarlijk ongelukkig zouden we zijn, zoo wij deze Moeder der Barmhartigheid niet hadden, die altijd oplettend is en bezorgd om onze wensohen te vervullen! „Waar geene vrouw is treurt degene, die iets behoeft,quot; zegt de H. Geest zelf. „Deze vrouw,quot; zegt de H. Joannes Demascenus, ,/is juist de allerzaligste Maagd Maria, en waar die H. Vrouw niet is, is het zieke menschdom in droefheid gedompeld.quot; Eu het kan ook niet anders; omdat alle genaden ons door Maria's gebeden worden uitgereikt, en waar zij ontbreekt is er geene hoop op barmhartigheid meer, gelijk de Heer zelf aan de H. Brigitta in deze woorden te verstaan gaf: „zonder dc tussc-henkomst van Maria's gebeden is er geene hoop op barmhartigheid.quot;
Maar vreezen wij misschien, dat Maria onze noodwendigheden niet kent of niet 'veet ? O neen, zij ziet en voelt dozen veel beter dan wijzelvcn dit doen.
„Deze Koningin,quot; zegt de H, Bernardus, „is zoo welwillend en medelijdendj dat, zoo een zondaar, wie hij ook moge zijn, zichzel-ven aan haar liefde toevertrouwt, zij niet naar zijne verdiensten vraagt, noch of hij waardig is of onwaardig om verhoord tc worden; maar
dat zij allen aanhoort cn ook allen helpt.quot; „O hoe menigeen,quot; roept de abt van Cellos uit, „die door de reeh vaardigheid vau den Zoon v erdiende veroordeeld te worden, is door de barmhartigheid der Moeder gered; want zij is de sehat Gods en de schatbewaarster van alle genaden: onze zaligheid is dus in hare handen en hangt van haar af. Laat ons' dan aliijd onze toevlucht nemen tot deze medelijdende Moeder en door hare bemiddeling vol vertrouwen onze zaligheid verhopen; want; olgens de bemoedigende verzekering van Bernardinus de Buslis, is zij onze zaligheid, ons leven, onze hoop, onze raad, onze toevlucht en onze hulp.quot;
Besluiten wij dus met de schoone en teedere ontboezeming van den H. Bonaventura in deze woorden; „o barmhartige, o vrome, o zoete Maagd Maria! O Maria, met de ellendigen zijt gij barmhartig; medelijdend met degenen die tot u bidden, liefelijk jegens hen die u beminnen, barmhartig met de boetvaardigen, medelijdend met degenen die vooruitgaan en liefelijk jegene de rechtvaardigen; gij betoont u goedertieren Joor ons van straf te vrijwaren, medelijdend door ons genade te verkrijgen en liefdevol door uaelve te geven aan degenen die u zoeken.
168
Pater Carolus Tiovio verhaalt, dat er in de heerlijkheid Dombes in Frankrijk eens een man leefde, wiens vrouu zoo jaloerseh was op eene andere vrouw, dat zij niets deed dan de oor-deelen Gods op haren echtgenoot en op deze vrouw at' te smeeken. Eens op eenen dag in het bijzonder ging zij naar het altaar der allerzaligste Maagd, om daar rechtvaardigheid over die vrouw at' te bidden. De andere vrouw nu was gewoon om voor hetzelfde beeld dagelijks een „Wees gegroetquot; te bidden. Op eenen nacht nu verscheen de H. Maagd in eenen droom aan deze vrouw, die haar nauwlijks zag of zij begon hare gewone uitroepingen van: „rechtvaardigheid, o Moeder Gotls, rechtvaardigheid.quot; Maar O. L. Vrouw hernam: „Zoekt gij rechtvaardigheid en straffen bij mij? Neen, ga dan tot anderen, ik sta u uw verzoek niet toe; want weet,quot; voegt zij er bij, „dat die zondares, dagelijks een „Wees gegroetquot; ter mijner eer bidt, en zoo iemand dit doet is mij de macht ontnomen om hem te doen lijden of voor zijne zonden te laten straften.quot; Den volgenden morgen weder in dezelfde kerk van Maria naar de H. Mis gaande, ontmoette zij bij het terugkeeren deze vrouw en begon haar onmiddelijk te Be-leedigeu, zeggende, dat zij eene toovenares was aan welke het zelfs gelukt was om de H. Maagd te bezweren. De rondstaande geloovigen gelastten
169
haar om te zwijgen. „Zwijgt gijzclven,'' riep zij uit; „ik zwijg niet. wat ik zeg is waiir; waYit dezen nacht zeiven is Maria mij verschenen en toen ik haar om rechtvaardigheid vroeg, zeide zij mij, dat zij mij die niet kon toestaan, ter oorzake van de groetcnis, die deze ellendige haar dagelijks bracht. De vrouw werd nu gevraagd, Welke groetenis zij dagelijks aan da Moeder Gods bracht en antwoordde: „het Wees gegroet.quot; Maar hoerende, dat de H. Maagd haar om deze luttele devotie zoo grootc barmhartigheid had bewezen, ging Zij zich aan de voeten van Maria's beeld werpen en vroeg daar in tegenwoordigheid van allen vergiflenis voor de ergenis die zij had gegeven en deed er gelofte van zuiverheid. Zij kleedde zich daarop met het kloosterkleed, bouwde eene kleine woning in de nabijheid der kerk en woonde daar tot haren dood, een leven leidende van voortdurende versterving en berouw.
O Moeder der Barmhartigheid; omdat gij zoo medelijdend en zijl zoo vurig verlangt om ons arme schepselen van dienst te zijn en onze verzoeken te verhooren, neem ik, de ellendigste aller menschen. mijne toevlucht lot uw medelijden; opdat gij mij moogt verkrijgen hetgeen ik vraag. Anderen mogen van uw verzoeken wat zij willen, lichamelijk welzijn of aardsche goederen en voor-
170
(leelcti, maar ik. o mijne. Vrouw, kom tot u, om ii datgene verzoeken , wat gijzelve van mij verlangt en wat mij het meeste welgevallig maakt aan en gelijkvormig met uw heilig hart. Gij zijt zoo nederig, verkrijg mij nederigheid en liei'de voor de verachting; gij die zoo geduldig waart in het lijden gedurende uw leven, verkrijg mij geduld in mijne rampen; gij waart geheel vol van liefde Gods, verkrijg mij de gift dezer zuivere en heilige liefde; gij waart geheel en al liefde tot den evennaaste, verkrijg mij de liefde jegens allen en vooral jegens hen die op eenigerlei wijze mijue vijanden zijn; gij waart geheel en al vereenigd met den wil Gods, verkrijg mij, dat ik geheel gelijkvormig met dien wil moge zijn in alles wat Hij ook over mij moge beschikken; gij waart eindelijk de heiligste aller schepselen, maak ook mij een heilige. Liefde tot mij ontbreekt u niet, zoo min als de wil om mij alles te verkrijgen, en wat gij wilt kunt gij ook. Het eenige wat mij beletten kan van uwe gunsten te verkrijgen, is of achteloosheid van mijne zijde in het nemen van mijne toevlucht tot u, of wal gering vertrouwen op uwe voorspraak. Verkrijg mij dus ijver en vertrouwen. Deze twee groote gunsten vraag ik van u, deze twee zulr, gij van mij verkrijgen; want van u hoop ik ze mei het volste vertrouwen, o Maria, mijne moeder Maria, mijne hoop, mijne liefde, mijn levon, mijne toevlucht, mijne hulp en mijn troost. Amen.
171
Maria is geheel en al oog, om medelijden met ons te hebben en ons in onze noodwendigheden bij te staan.
Do H. Epiphanius noemt de Moeder Gods, veel-oogig, daardoor hare waakzaumlieid willende aanduiden in liet bijstaan van ons arme schepselen. Aan een bezeten persoon, van wien de duivel werd uitgedreven, werd eens door den duivelbezweerder gevraagd, wat Maria deed, en de duivel antwoordde: „zij klimt op en neder,quot; waaruit hij begreep, dat deze welwillende Vrouwe van den Hemel afdaalt, om den menschen nieuwe genaden uit te reiken en weder ten Hemel opklimt om ons verhooring van onze gebeden te verwerven. Met reden dan was de H. Andreas Avellinus gewoon Maria de „hemelsche boodschapster,quot; te noemen; omdat zij voortdurend boodschappen van barmhartigheid doet en genaden voor rechtvaardigen en zondaars verkrijgt. De oogen des Heeren zijn op der. rechtvaardige gevestigd, zegt de koninklijke profeet, „de oogen des Heeren zijn op den rechtvaardige;quot; maar „de oogen van O. L. Vrouw,quot; zegt Richard van St. Laurentius, zijn op rechtvaardigen en zon-
(laars gcriclit; want Ac oogen van Maria zijn de oogon cener Moeder cn cene Moeder zorgt niet slechts, dat liaar kind niet valt, maar riclit het ook weder op wanneer het gevallen is.quot;
Hetwerdjeensaan do H.Gertrudis geopenbaard, dat, wanneer wij met godsvrucht tot de H. Maagd deze woorden richten: „o genadige Voorspreekster, keer uwe barmhartige oogen tot ons,quot; Maria niet anders kan doen dan ons gebed ver-hooren, wie haar ook alzoo mocht aanroepen. „Waarlijk,quot; zegt de H. Bernardus, „o verhevene Vrouw, de oneindigheid van uwe barmhartigheden vervult de gansehe aarde,quot; „en daarom,quot; zegt de H. Bonaventura, heeft deze minnende Moeder eene zoo innige begeerte om aan allen wel te doen, dat zij niet slechts beleedigd wordt door hen, die haar uitdrukkelijk versmaden, (gelijk sommigen slecht genoeg zijn om te doen;) maar dat zij zelfs beleedigd wordt door hen/lie verzuimen haar om gunsten of genaden te vragen zoodat de H. Idelbertus haar met de woorden toespreekt: „gijzelve, o vrouw, leert ons om veel grootere genaden te hopen dan wij verdienen; omdat gijzelve niet ophoudt van ons genade te schenken en dat wel verre, zeer verre boven onze verdiensten.quot;
quot;Eens dat de H. Gertrudis tot de Moeder Gods de woorden richtte: „keer uwe barmhartige oogen tot ons,quot; zag zij de H. Maagd op de oogen haars goddelijk en Zoons, Dien zij in hare armen hield, wijzen, terwijl zij zeide: „deze zijn de meest
173
meclelijdumle oogen, die ik voor hunne zaligheid kan richten tot degenen, die mij aanroepen.quot;
Een zondaar, die eens in tranen voor het beeld van Maria biddende, haar smeekte om hem van God vergillen is zijner zonden te verkrijgen, zag dat de II. Maagd zich tot het Kind, dat zij in hare armen hield, wendde en zeide; ,/mijn Zoon zullen deze tranen dan vruchteloos stroomen?quot; en hij gevoelde reeds dat Jesus hem had vergeven.
Hoe is het dan mogelijk, dat iemand verloren gaan kan, die zichzelven aan deae goede Moeder aanbeveelt; daar haar Zoon als God heeft beloofd, dat hij uit liefde tot haar aan allen, die zichzelven aan haar aanbevelen, zooveel barmhartigheid zal betoonen als het haar zal believen. Dit veropenbaarde de Heer zelf aan de H. Gertrudis toen hij haar toestond de belofte te hooren, dieHij aan zijne H. Moeder iu de volgende woorden deed; „in mijne almacht, o vereerde Moeder, heb ik u de vergiffenis toegestaan van alle zondaars, die godvruchtiglijk do hulp van uw medelijden inroepen, op welke wijze gij die ook wilt betoonen.'' Op deze verzekering zegt de Abt Adam Persenius vol vertrouwen, bij de beschouwing van de groote macht van Maria en van haar groot medelijden met ons: „o barmhartige Moeder, uw teeder medelijden is zoo groot als uwe macht en gij zijt zoo medelijdend om te vergeven als gij machtig zijt om alles te verkrijgen.quot; „En wanneer,quot; vraagt hij, „wanneer heeft zich het geval voorgedaan, dat gij.
17
diu de Moeder der barmhartigheid zijt, geeu medelijden hebt getoond? Wuuneer hebt gij, die de Moeder des Almachligen zijt, niet kaniicn helpen? O ja, met dezelfde gemakkelijkheid, waarmede gij onze ongelukkeu ziet, verkrijgt gij ons ook al hetgeen gij verlangt.quot; „Voldoe, voldoe uzelve, o groote koningin,quot; zegt de Abt G-uar-rieus, „met de glorie van uwen Zoon en geef aan ons uwe dienaars en kinderen hier beneden uit louter medelijden, niet uit eenige verdienste van onzen kant, de kruimels, die van uwe tafel vallen. Zoo het gezicht onzer zonden ons ooit ontmoedigt, laat ons de Moeder der barmhartigheid met de woorden van Willem van Parijs toespreken: ,,0 Vrouw, wil mijne zonden niet tegen mij opzetten; want ik stel uw medelijden daar tegenover. Laat het nooit gezegd worden, dat mijne zonden in het oordeel tegen uwe barmhartigheid hebben opgewogen, die machtiger is om mij vergiffenis te verwerven dau mijne zouden om mij le doen veroordeelen.quot;
z/Wie tor wereld,quot; roept de H. Bonaventura uit, „kan aan deze allerbeminnelijkste Koningin zijne liefde weigeren aan haar, die schooner isdan de zon en zoeter dan honig, die eene schat van goedheid is, beminne'ijk en liefelijk jegens allen?quot; „Ik groet u dau,quot; vervolgt de Heilige in verrukking, „o mijne Vrou'v en Moeder, ja mijn hart en mijne zie). Vergeef mij, o Maria, indien ik zeg, dat ik u bemin ; want ben ik al niet waardig om u te beminnen, zoo zijt
175
gij ten minste waardig om door mij bemind te worden.'1
In Napels leefde er eens een Moor, die slaaf was van Don Octavius del Monaco, en die, niettegenstaande alle vermaningen om aan het Mohammedanisme vaarwel te zeggen, daarin bleef volharden. Hij bleef echter nooit in gebreke, om op zijne eigene kosten telken avond eene lamp te ontsteken voor een altaar der H. Maagd, dat daar in hnis was, terwijl hij gewoon was te zeggen:„ik hoop dat deze vrouw mij nog eens eene groote gunst zal bewijzen.quot; Eens op eenen nacht verscheen hem de H. Maagd en beval hem om christen te worden. Ook nu bood de Turk nog tegenstand, maar Maria legde hare hand op zijnen schouder en zeide: „bied niet langer tegenstand, o Abel ; laat uw doopen en neem den naam aan van Josef.quot; Den volgenden morgen ging hij heen om onderricht te worden en werd den KJ'1™ Augustus 1(M8 mot elf andere Turken gedoopt. Hierbij dient nog opgemerkt te worden, dat, toen do Moeder Gods hem verscheen, hem bekeerd had en op het punt was van te vertrekken, de Moor haar bij haren mantel terughield en zeide: „o Vrouw, wanneer
ik ooit iu droefheid mocht zijn, smeek ik u u aan mij te willen vertoonen.quot; Zij beloofde liem dat dit zou geschieden, en in der daad eens in verslagenheid zijnde riep hij tot haar en Maria op nieuw verschijnende zeide hem: ^heb geduldquot; en vervulde hem met hemelschen troost.
0 groote en allerverhevenste aller schepselen, o allerheiligste Maagd, ik groet u van deze aarde af, ik ellendige, ongelukkige en jegens mijnen God zoo wederspannigc, die straften heb verdiend en geen gunsten, rechtvaardigheid en geene barmhartigheid. Ik zeg dit niet, o mijne Vrouw ; omdat ik aan uw medelijden twijfel; want ik weet, dat, hoe grooter gij zijt, gij er des te meer uwen roem in stelt om welwillend te zijn. Ik weet gij verheugt er u in, dat gij zoo rijk zijt; omdat gij daardoor in staat gesteld zijt, om ons arme en ellendige schepselen bij te staan, en dat, hoe grooter de armoede is van hen die hunne toevlucht tot u nemen, gij u des te meer be-ijvci't om hen te beschermen en te redden. O mijne Moeder, gij weendet eens over uwen Zoon, die voor mij stierf; oft'er, smeek ik u, deze tranen Gode op en verkrijg mij daardoor cetie ware droefheid over mijne zonden; want de zondaars
177
zijn liet, die u zoo zeer üedroefd hebben en ik heb door mijne zonden hetzelfde gedaan. Verkrijg mij, o Maria, dat ik, ten minste van dozen dag af aan,in liet vervolg u en uwen Zoon niet meer door mijne ondankbaarheid moge bedroeven. Waartoe zou uwe droefheid mij van nut zijn, indien ik voortging mot ondankbaar jegens u te zijn? Waarvoor zoudt .gij rcij uwe barmhartigheid getoond hebben, zoo ik u op nieuw ontrouw zou worden en verloren gaan ? Neen, mijne Koningin, laat dit niet toe, gij die voor al mijne te kortkomingen voldaan hebt. Gij verkrijgt mij van God al wat gij wilt, gij verhoort de gebeden van allen. Twee gunsten vraag ik en verwacht ik van u,en zonder deze ben ik niet voldaan. Verkrijg mij, dat ik Gode getrouw moge zijn en Hom niet meer beleodige en dat ik Hom gedurende mijn overig leven zoozeer beminnen moge als ik Hem ooit beleedigd heb. Amen.
Maria is de Vredestichster tusschen God en de zondaars.
Do genade Gods is de grootste en de moest wenschelijke schat voor de ziel en deze wordt
178
door dcu li. Geest zelven een oneindige schat genoemd; omdat wij door middel van dezen schat tot de eer van vrienden Gods verheven warden. De woorden van het boek der V\ ijsheid zijn de volgenden: „want zij is eeu oneindige schat voor den mensch, die allen, welke dien gebruiken, tol vrienden Gods maakt,quot; en daarom aarzelde Jesas onze Verlosser en God niet, om allen die in genade waren, zijne vrienden te noemen: „gij zijt mijne vrienden.quot; O vervloekte zonde gij, die deze vriendschap verbreekt! „Maar uwe ongerechtigheden,quot; zegt de profeet Isaias, „hebben tweedracht gezaaid tusschen u en God.quot; En eenen haat •daarstcllende tusschen God en de ziel, wordt zij van eene vriendin in eene vijandin Gods veranderd, gelijk in het boek der Wijsheid wordt gezegd: „maar voor God zijn de boozen en de boosheid even hatelijk.quot; W' at moei dan de zondaar doen, die het ongeluk heeft van do vijand Gods te zijn? Hij moet eenen middelaar zoeken, die hem vergillcnis kan verkrijgen en die hem bekwaam kan maken, om de verlorene vriendschap Gods te herkrijgen. „Maria,quot; zegt de Kardinaal Hugo, is de groole vredestichtster, die de verzoening vanGod met zijne vijanden verkrijgt, de zaligheid voor de verlorenen, vergillcnis voor de zondaars en barmhartigheid voor hen die in wanhoop zijn.quot; Daarom wordt zij door den goddelijken Bruidegom genoemd : „schoon als de gordijnen van Salomo.quot; In de tenten van David werden alleen de oor-
179
logsziiken behandeld; maar in die van Salomo alleen de vrede eu de II. Geest geeft ons aldus te verstaan, dat deze Moeder van barmhartigheid nimmer den krijg ot' de wraak jegens de zondaars behandelt, maar slechts hunnen vrede ec vergiffenis. Maria werd door de duive afgebeeld, die met eenea olijftak in den bek in Noach's ark wederkeerde, als een onderpand van den vrede door Got! aan den mensch geschonken. Om deze reden spreekt de H. Bonaventura O . L. Vrouw aldus toe: „gij zijt dieallertrouwste duive; gij waart de zekere middelares tusschen God en de in den geestelijken zondvloed vergane wereld gy hebt door uzelve Gode aan te bieden voor de verlorene wereld vrede en zaligheid verkregen. Maria was dan die hemelsehe d.uive, die aan de verlorene wereld den olijftak, het teekcn der barmhartigheid, bracht; omdat zii ons op de eerste plaats Jesus Christus heeft ge-geveii, die de bron is van allo barmhartigheid, en omdat zij ons daarna door zijne verdiensten alle genaden heeft verworven. En gelijk door Maria,'' zegt de H. Epiplianius „eens en voor altijd de hemelsche vrede aan den wereld gegeven is, zoo worden door haar nog steeds de zondaars met God verzoend.quot; Hierom legt de Z. Albertus de Groote haar de woorden in den mond: „ik ben de duive van Noaeh, die den ' olijftak van algemeenen vrede aan de Kerk gebracht heb.quot;
Do regenboog, dien deH. Joannes den troon
ISO
Gods zag omgeven, is ons weder eene bijzondere afbeelding vau Maria. Daar was een regenboog rondom den troon,quot; De Kardinaal Vitalis verklaart dit volgender wijze: „deze regenboog rondom den troon is Maria, die Gods oordeelen en uitspraken jegens de zondaars verzacht,quot; hiermede willende zeggen, dat zij altijd voor Gods recht- lt; terstoel staat, om de straffen te matigen, die door de zonden verdiend zijn. De H. Bernar-dinus van Senen zegt, „dat liet van dezen regenboog is dat God sprak toen hij aan Noaeh beloofde, dat hij dien als een teeken van vrede in de wolken wilde plaatsen, om bij het zien daarvan zich den eeuwigen vrede te herinneren,
dien Hij met den mensch gemaakt had: „ ,/Tk zal Mijnen boog in de wolken plaatsen en hij zal een teeken zijn van het verdrag tusschen Mij en de aarde gesloten.'' quot;
„Maria,quot; zegt deze Heilige, „is deze boog van eeuwigen vrede; want gelijk God bij het zien daarvan zich den vrede herinnert, dien Hij met de aarde heeft gemaakt, zoo vergeeft Hij door Maria's gebeden de misdaden der zondaars en V bevestigt den eeuwigen vrede mst hen.quot;
De H. Andreas van Creta noemt Maria „een onderpand, eene verzekering van onze verzoening met God;quot; dat wil zeggen, God heeft, rondgaande oin dc zondaars te zoeken en te vergeven, opdat zij aan hunne vergiffenis niet zouden wijfelen, hun Maria als een onderpand daarvan gegeven.
181
en daarom roept de Heilige uit: ^wees gegroet, o vrede Gods met de menseheii.quot; Hierom zegt de H. Bonaventura, den zondaar bemoedigende: „vreest gij, dat God in zijnen toorn zich over uwe fouten zal wreken, wat hebt gij dan te doen ? Ga, neem uwe toevlucht tot Maria, die de hoop der zondaars is, en zoo gij nog vreezen mocht, dat zij uwe partij niet zal kiezen, weef, dan dat zij dit niet laten kan; omdat God zelf haar als plicht heeft opgelegd, om de ongelukkigen bij te staan.quot;
De H. Johannes Chrysostomus zegt, dat eene andere reden, waarom de H. Maagd Maria Moeder Gods was geworden, is om dc zaligheid te kunnen verkrijgen voor velen, die ter oorzake van hun zondig leven, met het oog op de goddelijke gerechtigheid, niet zouden kunnen gered worden, zalig zouden worden door den bijstand dezer zoete barmhartigheid en machtige voorspraak,quot; Dit wordt ons door den H. Anselmus bevestigd als hij zegt, „dal Maria eerder voor zondaars tlan voor rechtvaardigen tot de waardigheid van Moeder Gods is verheven; omdat Jesus zelf verklaarde, dat hij geene rechtvaardigen was komen zoeken, maar wel zondaars.quot; Om deze reden zingt ook de H. Kerk: gij verafschuwt de zondaars niet zonder welken gij zulk ccncn Zoon nooit zoudt waardig gekeurd zijn.quot; Om dezelfde reden roept Willem van Parijs haar aan met de woorden: „o Maria, gij zijt verpliclit om de zondaars te helpen 3 want
132
alle de giften, de genaden en de groole eer, die in de liooge waardigheid van Moeder Gods vervat zijn, dit alles zijt gij, om zoo te zeggen, aan de zondaars verplicht; want om hunnentwil zijt gij waardig gekeurd om eenen God tot Zoon te hebben.quot; „Zoo dus Maria,quot; zoo besluit de H. Anselmus, „Gods Moeder werd ter wille van de zondaars, hoe kan ik dan, hoe groot mijne zonden ook moge zijn, aan mijne vergiffenis wanhopen?quot;
Alan de la Roche en Bonifacius verhalen ons, dat er in Florence eene jonge vrouw leefde, met name Benedicta, die een allerzondigst en ergerlijk leven leide. Gelukkig voor haar kwam dequot; H. Dominicus eens te dier plaatse prediken en ging zij uit loutere nieuwsgierigheid hem hooi en. Gedurende deze preek raakte God haar hart zodanig, dat zij bitter weeaende bij den Heilige te biechten kwam. De H. Dominicus gat haar quot;de absolutie en legde haar voor boete op om den Rozenkrans te bidden. Het ongelukkige schepsel viel echter door hare kwade gewoonten weder in hare vorige levenswijze. Dc Heilige dit hoorende zocht haar op en haalde haar weder tot biechten over. God nu, haar willende doen volharden toonde haar eens de hol en wees er
haar verschillende personen aan, die om harentwille daarin waren. Hij opende daarop een boek en deed haar daarin de lange lijst harer zouden lezen. De zondares, bij dit gezicht verschrikt maar vol vertrouwen, smeekte Maria om haar te helpen en haar werd ingegeven, dat deze goede Moeder van God den tijd voor haar had verkregen om over alle die zonden te wee-nen. Na deze openbaring leidde Benedictaeen goed leven; maar steeds die verschrikkelijke lijst voor oogen hebbende, begon zij eens hare beschermster met de volgende woorden toe te spreken: „mijne moeder, het is waar, dat ik voor mijne misdaden verdiend heb om nu in den diepsten afgrond der helle te zijn; maar omdat gij mij daarvan hebt verlost en mij den tijd tot oerouw hebt verkregen, vraag ik u nog eene enkele gunst daarbij; o allerbarmhartigste Vrouw, laat mijne zonden uit het boek gewischt worden en ik zal niet ophouden deze te beweenen.quot; Na dit gebed verscheen Maria aan haar en zeide, dat zij, om te verkrijgen wat zij weuschte, altijd de Konden en de barmhartigheid, die God haar had getoond, moest voor oogen hebben en dat zij steeds in den geest het lijden moest herdenken, dat haar Goddelijke Zoon uit liefde tot haar had verduurd en zich herinneren, hoevelen er waren verloren gegaan om minder zouden dan zij had bedroven. Ter zelfder tijd openbaarde zij haar, dat er dien dag nog een kind van acht jaar ter helle was gedoemd om
184
eene enkele doodzonde. Benedieta gehoorzaamde O. L. Vrouw en zie op zekeren dag verscheenJesus Christus haar en haar het boek toouende zeide Hij: „zie het boek is schoon, uwe zonden zijn uitgewischt, zet er nu handelingen van deugd voor in de plaats.quot; Dit nu doende leidde zij een heilig leven en stierf den dood der zaligen.
O mijne allerzoetste Vrouw; omdat het u opgedragen is, om. gelijk Willem van Parijs zegt, de middelares te zijn tusselien God en de zondaars, wil ik u met de woorden van den H. Thomas van Villanova toespreken; „vervul uwe roeping ten mijnen behoeve, o teedere Voorspreekster, en doe uw werk.quot; Zeg niet, dat mijne zaak moeielijk te winnen is; want ik weet en allen zeggen het mij, dat alles, dat iedere zaak die gij onderneemt, nooit verloren is of zal verloren worden. En zal de mijne dit dan zijn? O neen, dit kan ik niet vreezen; maar het eenige wat ik vrees is, dat gij, de menigte mijner zonden ziende, mijne verdediging niet op u mocht nemen; doch het zien uwer barmhartigheid en der groote begeerte van uw allerzoetst hart om de meest verlatene zondaars te helpen maakt, dat ik ook hiervoor uiot meer beangst
185
bon. VVio toch ging er ooit verloren, die tot u zijne toevlucht had genomen ? Daarom roep ik uwe hulp in, o mijne groote Voorspreekster, mijne toevlucht en mijne hoop. Mijne Moeder Maria, in uwe handen stel ik mijne eeuwige zaligheid, aan u beveel ik mijne ziel, zij is verloren, maar gij hebt haar te redden. Tk zal altijd mijnen God danken, dat Hij mij zoo groot vertrouwen op u heeft gegeven, ja, dat ik dit heb niettegenstaande mijne onwaardigheid, is reeds eene verzekering van mijne zaligheid. Ik heb, o mijne beminde Koningin, slechts eene enkele vrees, en deze is, dat ik door mijne eigene achteloosheid dit vertrouwen in u mocht verliezen en daarom, o Maria, smeek ik u, om de liefde die gij Jesus hebt toegedragen, dat gijzelve steeds meer en meer in mij moogt bewaren en versterken dat zoete vertrouwen in uwen bijstand, waardoor ik ten zekerste hoop de goddelijke vriendschap te herkrijgen, die ik tot nu toe zoo ongelukkig heb versmaad; en heb ik deze eenmaal terug bekomen dan hoop ik die te bewaren en deze bewarende hoop ik ten laatste door dezelfde middelen u daarvoor in den Hemel te danken en in alle eeuwigheid den lof van God en van u te zingen. Dit is mijne hoop; zoo moge het zijn; zoo zal het zijn. Amen.
Maria is ons leven; omdat zij ons vergiffenis verwerft voor onze zonden.
Hebben wij bet ongeluk gehad van de genade Gods te verliezen, laten wij trachten om die teuig te bekomen en laten wij dit door Maria doen, want hebben wij ze verloren, Maria heeft ze gevonden en daarom noemt de H. Bernardus haar; „de quot;Vindster der genade.quot; De Engel Ga.bnel tot onzen troost verklaarde dit uitdrukkelijk, toen hij dc li. Maagd groette met de woorden: „vrees niet, Maria; want gij hebt genade gevonden. Maar indien Maria nimmer van de genade beroofd was geweest, boe kon de Engel dan zeggen,
dat zij genade had gevonden r Hoo kan eene zaak quot;evonden worden zoo men die vroeger met heeft verloren? Dezelfde Aartsengel zegt ons, dat de H. Maagd altijd met God was, altijd in de genade, ja, vol van genade: „Weesgegroet, quot;ij vol van genade, de Heer is met u.
ZooMaria dan,die zelve altijd vol vangenade Was, de genade heeft gevonden, voor wien vond zij deze dan ? Kardinaal Hugo den boven genoemd en tekst uitleggende antwoordt, dat zij ze vond voor de zondaars, die ze verloren hadden. „Laten dan
187
de zondaars,quot; zoo sp/eekt een godvruchtig schrijver, „die deze genade door hunne misdaden verloren hebben, zich tot de H. Maagd richten; want met haar kunnen zij zeker zijn van ze terug te vinden. Laten zij haar nederig groeten en met vertrouwen zeggen : „OVrouw : hetgeen verloren is moet weder teruggegeven worden aan hem, die het verloren heeft; geef ons dus ons eigendom, dat gij gevonden hebt, terug.quot; Hierover maakt Pichard van St. Laurentius het besluit, „dat, zoo wij hopen om de genade Gods te verkrijgen, wij tot Maria moeien gaan, die deze heeft gevonden en nog steeds vindt.quot; Daar Maria altijd dierbaar was en altijd dierbaar aal zijn aan God, zoo zullen wij zekerlijk wel slagen, zoo wij tot haar onze toevlucht nemen; want Maria zegt weder in het achtste hooldstuk van het Hooglied, dat God haar in de wereld geplaatst heelt om onze beschermster te zijn: „ik ben als een wal en mijne borsten ziju als een toren.quot; En waarlijk zij is als eene middelaresse des vredes gesteld tussehen God en de zondaars; „omdat ik in Zijne tegenwoordigheid ben geworden als eene die vrede heeft gevonden.quot; Op deze woorden bemoedigt de H. Bernardus de zondaars zeggende : „gaat naar die Moeder van barmhartigheid en toont haar de wonden, die de zonden in uwe ziel hebben achtergelaten, dan zal zij gewis haren Zoon bij de borsten die Hem gevoed hebben bidden, om u alles te vergeven, en de Goddelijke Zoon, Die haar zoo teeder be-
188
mint, zal haar voorzeker verhooren.quot; In dezen zin is liet, dat de II. Kerk, in hare dagelijkache gebeden ons oplegt, om God te smceken, dat Hij ons de machtige hulp van Maria's voorspraak mou-e scheuken, om uit onze zonden op te staan; „Schenk uwe hulp aan onze zwakheid, o aller-barmliartigste God en dat wij, die de H. Moeder Gods vereeren, door hare hulp en voorspraak uit onze ongerechtigheden mogen opstaan.
Te recht dan noemt de H. Laurentius Jus-tinianus haar, „de hoop van hen, die mitsdaan hebben;quot; omdat zij alleen hunne vergiffenis van God verkrijgt. Te recht dan ook noemt de H. Ber-nardus haar ,/de ladder der zondaars; omdat deze medelijdende Koningin hare handen tot de zondaars uitstrekt, hen uit den afgrond der zonden trekt en bekwaam maakt om tol God op Ie stijgen. Met reden ook noemt een oud schrijvei haar, „de cenige hoop des zondaars; want door hare hulp alleen kunnen wij de vergiiie-nis onzer zonden verhopen. Ook de H. Johannes Chrysostomus zegt, „dat alleen door Maria s voorspraak de zondaars vergiöenis bekomen, en daarom spreekt hij haar in den naam der zondaars aldus aan : '„Wees gegroet, o Moederquot; van God en van ons allen; „hemel,quot; waar God in woont; „troon,quot; van welken dc Heer alle genaden uitdeelt; „edele dochter, Maagd, eer, roem en hemel onzer kerk, o bid uwen Jesns vooit-durend voor ons; opdat wij in den dag des oordeels genade mogen vinden door u eu dc boloo-
189
uilig verkrijgen, die God bereid heeft voorde-genei) die Hem beminnen.quot;
Ue H. Andreas vim Creta noemt Maria liet onderpand van de goddelijke barmhartigheid, hiermede bedoelende, dat, zoo de zondaars hunne toevlucht tot Maria nemen, om met God verzoend te worden, Hij huu deze vergiiïenis verzekerd en hun daarvan een onderpand geeft, en dit onderpand is Maria, die hij ons als Voorspreekster heeft gegeven en door wier voorspraak God door de verdiensten van Jesus Christus, aan allen vergeeft, die tot haar hunne toevlucht nemen. De H. Brigitta hoorde eens eenen engel zeggen, dat de H. Profeten zich verheugden door de kennis, dat God door Maria's nederigheid en zuiverheid zich met de zondaars zou verzoenen en dat Hij degenen, die Hem beleedigd hadden, weder in gunst zou aannemen: „zij sprongen van vreugde op toen zij voorzagen, dat God door de nederigheid en de zuiverheid van uw leven zou bevredigd worden, o Maria, o allerschitterendste ster, en dat Hij weder zou verzoend worden met hen, die zijnen toorn hadden opgewekt.quot;
Geen enkele zondaar, die zijne toevlucht tot Maria's medelijden neemt, behoeft te vreezen, dat hij door haar zal verworpen worden ; want zij is de Moeder der barmhartigheid en als zoodanig verlangt zij om (le meest ellendigen te redden. „Maria is die gelukkige ark,quot; zegt de II Bernardus, „en zij die daarin hunne toevlnelit nemen zullen nimmer de schipbreuk van het
190
eeuwig verderf lijden.quot; Ten tijde v:in de zondvloed quot;werden zelfs de wilde beesten m Noaelis ark gered en zoo ook verkrijgen zelts de zondaars hunne zaligheid onder Maria's mantel. Ue tl. Gertrudis zag eens Maria met haren mantel wijd uitgespreid en onder dezen zag zij dat vele wilde beesten, als leeuwen, beeren en tijgers waren gevlucht en zij bemerkte, dat Maria dezen niet alleen niet bedreef] maar dat zij ze zelts aanhaalde en met groote teederheid streelde. Ue Heilige begreep hieruit, dat ^ de meest vei-latene zondaars, die tot Maria vluchten, niet slechts door haar niet worden verworpen, maar zelfs welkom geheeten en van den eeuwigen dood gered. Laten vv'ij dan deze ark ook binnengaan, fat en wij onder Maria's mantel vluchten en allerzekerst zal zij ons niet verwerpen, maar onze zaligheid ons verzekeren.
Pater Bovio verhaalt, dat er eene zondige
vrouw was, Helena genaamd, die eens bij toeval
eene kerk binnentrad en eene preek over den Eozenkrans hoorde. De kerk verlatende kocht zij zich een rozenhoedje, dat zij in 't geheim bewaarde; omdat zij niet wilde weten, dat zij dit bezat. Zij begon dit nu en dan te bidden en
191
hoewel 7,ij dit geheel zomler godsvrucht deed, Stortte O. L. Vrouw haar gedurende al dien tijd zooveel zoetheid en vertroosting in dat zij niet kon ophouden van het Wees gegroet, Maria,quot; te bidden. Eindelijk werd zij met zulk eenen afschuw van haar zondig leven vervuld, dat zij, niet langer rust vindende, verplicht was om te gaan biechten en zij deed dit met zulk een berouw, dat de priester zelf er over verwonderd was. Na hare biecht knielde zij aan den voet van het altaar der Allerheiligste Maagd neder en bad daar, als dankzegging aan hare Voorspreekster, den Rozenkrans. De Moeder Gods, sprak haar daarna door haar beeld de volgende woorden toe. „Helena, gij hebt uwen God en mij reeds zoozeer beleedigd, verander van nu ai aan uw leven en ik zal eene groote menigte genaden over u uitstorten.quot; De arme zondares antwoordde in de grootst mogelijke beschaamdheid; „o allerheiligste Maagd, het is maar al te waar, dat ik voorheen eene ellendige zondares ben geweest; maar gij die alles vermoogt, help mij. Wat mij aangaat, ik verlaat mij geheel en al op u en zal geheel het overige gedeelte mijns levens besteden om boete voor mijne zonden te doen.quot; Met Maria's bijstand verdeelde zij al haar goed onder de armen en begon een leven van strenge versterving. Zij werd door geweldige bekoringen gekweld; maar beval zich voortdurend aan Maria aan en bleef zoodoende steeds overwinnares. Zij werd met
192
vele buitengewone gcDaden begunsligd, met visioenen, openbaringen en zelfs met de gave van voorzegging. Eindelijk bij haren dood. dien Maria haar eenige dagen te voren aankondigde, kwam de H. Maagd met haren Goddelijken Zoon haar bezoeken en bij haar verscheiden zag men hare ziel in de gedaanten van eene sehoone duif hemelwaarts gaan.
Zie, o Moeder van mijnen God, mijne eenige hoop, o Maria, zie aan uwe voeten een ellendige zondaar, die uwe barmhartigheid afsmeekt. De geheele Kerk, alle geloovigen noemen en roemen u als de toevlucht der zondaars en bijgevolg zijt gij ook mijne toevlvcht en moet gij mij redden. Gij weet, o allerzoetste Moeder van mijne God, hoezeer uw gezegende Zoon onze zaligheid verlangt; gij weet al wat Jesus ten dien einde heeft verduurd, de koude in den stal. Zijne reis naar Egypte, Zijne vermoeienissen, Zijn zweet, het bloed dat Hij vergoten heeft, de angsten, die Zijn kruisdood Hem veroorzaakte en waarvan gijzelve getuige waart. O toon, dat gij uwen beminden Zoou liethebt, en door deze liefde smeek ik u om mij bij te staan. Strek uwe hand uit naar een ellendig
93
Bclicpsol, flat gevallen is en om n\re liulp vraagt. Was ik een heilige, zoo behoefde ik nwn barm-hartigheid niet; maar omdat ik een zondaar' ben vlucht ik tot u, die de Moeder der Barmhartigheid zijt. Ik weet, dat uw medelijdend hart ziinen troost vindt in het bijstaan van on-gelukkigen, wanneer g.j dit kunt en gij ze niet hardnekkig vindt. Troost dan uw medelijdend hart en troost ook mij; want nu hebt gij de geschikste gelegenheid om een arm schepsel, dat ter helle veroordeeld is, te redden, en gij kunt dit doen want ik wil niet hardnekkig zijn. Ik stel mijzelven in uwe handen, zeg mij slechts wat ik te doen heb en verwerf mij de Kracht om dit ten uitvoer te brengen; want ik ben besloten, om alles wat van mij afhangt te doen, om de goddelijke genade te herwinnen. Ik neem mijne toevlucht onder uwen mantel; want Jesus wil, dat ik tot u zal vluchten; opdat ik mijne redding niet alleen aan Zijn H. Bloed moge te danken hebben, maar opdat ook uwe gebeden mij in dit groote werk mogeu bijstaan voor uwe en voor zijne eigene glorie, daar gij Zijne Moeder zijt. Hij zendt mij tot u, opdat gij mij moogt helpen. O Maria, zie, ik neem mijne toevlucht tot u, op u vertrouw ik. Gij bidt voor zoovele anderen, bid ook voor mij: spreekt slechts een enkel woord, zeg onzen Heer, dat gij mijne zaligheid verlangt en God zal mij zekerlijk redden; zeg Hem dat ik de uwe ben en dan heb ik alles verkregen wat ik vraag, alles wat ik verlang.
9
Maria is ook ons leven, omdat zij ons ' volharding verwerft.
Volharding tot het einde toe is eene zoo groote gift van God. dat, gelijk het H. Kon-oilie van Trente ons verklaart. Hij deze geheel onverplicht schenkt en wij deze niet kunnen verdienen. De H. Augustinus zegt ons daarenboven, dat ieder die deze zoekt, ze ook van God verkrijgt. Volgens Pater Suarez zullen wij deze genade ontwijfelbaar verkrijgen, zoo wij ze slechts tot aan het einde van ons leven met ijver vragen; want, gelijk Bellarminus terecht opmerkt, hetgeen dagelijks noodig is, moet ook dagelijks gevraagd worden. Gelijk het zeker is, dat alle genaden, die God aan de mcnschen schenkt,
door de handen van Maria moeten gaan, zoo is het ' ook even zeker, dat wij ook slechts door Maria de grootste aller genaden, de volharding namelijk, kunnen verhopen en deze ook allerzekerst zullen verkrijgen, zoo wij ze voortdurend en met vertrouwen door Maria zoeken. Deze genade heeft zijzelve beloofd aan allen, die haar gedurende hun leven getrouw dienen in de volgende woorden van den Ecclesiasticus, welke de H. Kerk
195
op het feest harer Onbevlekte Ontvangenis op haar toepast; „degenen die door mij werken zullen niet zondigen, degenen die mij navolgen zullen het eeuwige leven bezitten.quot;
Om in het leven der genade bewaard te blijven hebben wij geestelijke kracht noodig, ten einde de talrijke vijanden onzer zaligheid te kunnen weerstaan De/!e kracht nu gewordt ons enkel door de handen van Maria en wij zijn hiervan verzekerd door liet boek der Spreuken, waarvan de Kerk den volgenden tekst op de allerheiligste Maagd toepast: „aan mij is de kracht, door mij regeeren de koningen.quot; Deze woorden „mij is de krachtquot; beteekenen, dat God aan Maria deze kostbare gilt heeft geschonken ; opdat zii deze onder hare getrouwe dienaars moge uitdeelen; en de woorden „door mij heerschen de koningenquot;' beduiden, dat Maria's dienaars door haren bijstand over hunne zinnen en driften heerschen, daaraan bevelen en aldus waardig worden om eens eeuwig in den Hemel te heerschen. O welke kracht bezitten de dienaars dezer groote Vrouw niet, om alle aanvallen der hol te overwinnen! Maria is die toren, waarover in het Hooglied wordt gesproken: „uw nek is als de toren van Uavid, die met vele bolwerken gebouwd is, duizend beukelaars hangen er rondom,- geheelde wapenrusting der sterken.quot; Zij is als eene goed verdedigde sterkte ter verdediging van hen, die haar beminnen en die in hunnen strijd tot haar
19«
hunne toevlucht nemen. In haar vinden hare dienaars schilden en wapenen, om zichzelven tegen de hel te verdedigen. Waarlijk beklagenswaardig zijn de zielen, die deze verdediging verlaten, door hunne godsvrucht jegens Maria te verminderen en zichzelven in de ure des ge-vaars niet meer aan haar aan te bevelen! Zoo de zon niet meer opkwam, zegt de H. Bernar-dus, wat zou er anders van de wereld worden dan een warklomp van duisternis en schrik? En deze vraag op Maria toepassend herhaalt hij; „neem de zon weg en waar blijft de dag? Neem Maria weg en wat blijft er over dan een stikdonkere nacht?quot; Wanneer eene ziel de godsvrucht tot Maria verliest, wordt zij onmiddelijk in duisternis gehuld, in die duisternis namelijk, waarvan de H. Geest in het boek der Psalmen spreekt; „gij hebt de duisternis geschapen en het is nacht en alle de dieren des wouds loopen in dezen rond.quot; W anneer het licht des hemels ophoudt in eene ziel te schijnen is er alles duisternis en wordt zij eene schuilplaats van de duivelen en van allerlei zonden, de H. An-selmus zegt, dat, „zoo iemand door Maria wordt verstoeten en versmaad, hij noodwendig moet verloren gaanen daarom mogen wij te recht uitroepen; wee hem, die met deze zon in strijd is! wee, hem, die haar licht versmaadt! dat wil zeggen, wee allen, die de godsvrucht tot Maria minachten, Ue H. Franciscus de Borgia twijfelde altijd aan de volharding der
197
genen, in welke hij geene bijzondere gotlsvmelit tot de H. Jlaagd vond. Om deze reden noemde de H. Germanus Maria „de borst der Christenen; want gelijk het lichaam niet kan leven zonder ademhaling, zoo ook kü.n de ziel niet leven zonder dat zij hare toevlucht tot Maria neemt of' zich aan haar aanbeveelt, aan haar, door wier handen wij met zekerheid het leven der genade voor onze zielen verkrijgen en bewaren zullen. Van den anderen kant spreekt Maria de volgende woorden van het boek der Spreuken, die de 11. Kerk op haar toepast: „gezegend is de man, die mij aanhoort, die dagelijks aan mijne deur waakt en aan de posten van mijne deuren wacht,quot; als wilde zij zeggen ; gezegend is hij, die mijne stem hoort en die altijd oplettend is om zich te wenden tot de deur van mijne barmhartigheid, om licht en hulp bij mij te zoeken. Voor beschermelingen die zoo handelen, zal ook Maria het hare doen en hun het licht en de kracht verkrijgen, die zij behoeven, om de zonde te verlaten en de paden der deugd te bewandelen. Zeer schoon noemt Innocentius III haar om deze reden; „de maan der nacht, het morgenrood van den ochtendstond en de zon va;, den middag.quot; Zij is de maan om hen le verlichten, die blindelings in den nacht der zonde wandelen en om hen den ellendigen staat van veroordeeling, waarin zij zijn, te doen zien en begrijpen. Zij is het morgenrood, (dat de voorlooper der zon is) voor
198
hen, die zij reeds verlicht heeft, en zij doet hen de zonden verlaten en tot God, die de ware Zon der Gerechtigheid is, terugkeeren. Eindelijk is zij de zon voor hen, die in staat zijn van genade zijn en behoedt hen ervoor om op nieuw in den afgrond der zonde te vallen. De H. Philippus Nerius was daarom gewoon tot zijne biechte-•lingeu de volgende vermaningen te richten: //mijne kinderen, wilt gij volharden, zoo weest god-vruehtig tot O. L. Vrouw.quot; Ook zeide de Z. Johannes Berchmans van de Sociëteit van Jesus altijd: ,/hij die Maria bemint zal volharden.quot; Eene waarlijke schoone opmerking maakt de Abt Kupertus over dit onderwerp als hij den parabel vau den verloren Zoon uitleggende, zegt, „dat, zoo de moeder van dezen ongelukkigen jongeling geleefd had, hij, of nooit het ouderlijke huis zou verlaten hebben, of ten minste er spoediger teruggekeerd zou zijn dan hij nu deed;quot; hiermede bedoelende, dat een kind van Maria, of wel God nooit verlaat of zoo hij dit ongeluk mocht hebben, door hare hulp spoedig tot Hem terug zal keeren. O, zoo alle men-schen deze welwillende en liefhebbende Vrouw slechts beminden, zoo zij altijd en zonder uitstel in hunne bekoringen hunne toevlucht tot haar namen, wie zou er dan bezwijken, wie zou er ooit verloren gaan? Hij alleen valt en is verloren, die tot Maria zijne toevlucht niet neemt. Wij hebben, zegt de H. Thomas van Villanova, zou wij door den duivel bekoord
l'.IO
n worden, slechls de kleine kiekens na te volgen,
u die, zoodra zij eenen roofvogel zien naderen,
ij onder de vleugelen hunner moeder bescherming
n zoeken. Dit is ook juist hetgeen -.vij doen moe-
n ten wanneer wij door bekoringen overvallen
.s ( worden; wij moeten niet stilstaan om met dezen te redetwisten, maar hebben slechts onmiddelijk e te vluchten en ons onder den mantel van Maria
te stellen. Ik wil hier de woorden zeiven aan-i- halen, die de Heilige tot Maria richtte: „gelijk
.s de kiekens, wanneer zij eenen wouw zien rond
vliegen, ouder de vleugelen der hen hunne it toevlucht gaan zoeken, zoo zijn ook wij onder
de schaduw van uwe vleugelen veilig.quot; „En gij,quot; vervolgt hij, die onze Vrouw en Moeder
ii zijt, „zijt verplicht om ons te verdedigen; want
e na God hebben wij geene andere toevlucht dan
r u. Gij zijt onze eenige hoop. onze bescherm-
i ster, tot wie wij allen met vertrouwen onze
i oogen richten.
t
3 Algemeen bekend is voorzeker de geschiedenis
i van de TI. Maria van Egypte, die ons in het
t eerste boek van de levens der H. Vader verhaald
i wordt. Op den leeftijd van twaalf jaren ontvlood
l zij liet huis harer ouders, ging naar Alexandrië
200
eu leidde daar zoo schandelijk een leven, dat zij eene ergernis was voor de geheele stad. Na zestien jaren in de zonden te hebben doorgebracht kwam het in haar op, om naar Jeruzalem te gaan, waar het feest van het H. Kruis gevierd werd. Toen zij daar meer uit nieuwsgierigheid dan uit godsvrucht eene kerk wilde binnengaan en aan de deur gekomen was, voelde zij zich door eene onzichtbare hand teruggehouden. Zij deed eene tweede poging, maar weder was zij onmachtig om er binnen te komen en voor de derde en vierde maal evenzoo. Ziende dat al hare pogingen vruchteloos waren, liep liet ongelukkige schepsel naar een hoek van het portaal en begreep toen door eene verlichting des Hemels, dat het om haar schandelijk leven was, dat God niet wilde dat zij deze kerk zou binnentreden. In dit oogenblik sloeg zij hare oogen op ea zag gelukkiglijk eene schilderij van Maria. Nauwelijks ontwaardde zij dit of snikkend riep zij uit: „o Moeder Gods! heb medelijden met eene arme zondares. Ik weet dat ik door mijne zonden niet verdiend heb, dat gij uwe oogen op mij slaat; maar gij zijt de toevlucht der zondaars, help mij om de liefde vau uwen Zoon Jesu»; sta mij toe om deze kerk binnen te gaan en ik beloof u mijn leven te zullen beteren en boetvaardigheid te gaan doen op welke plaats gij mij zult aan-wijzeu.'' Onmiddelijk hoorde zij eene inwendige stem als van de II. Maagd, die haar and-
201
woorddc: „omdat gij uwe toevlucht tot mij hebt genomen en uw leven wilt beteren, ga, treed de kerk binnen, zij is niet meer voor u gesloten.quot; l)e zondares trad nu de kerk iu, vereerde het H. Kruis en weende bitterlijk. Daarna keerde zij tot de schilderij terug en zeide: „Vrouwe, ik beu gereed, waar wilt gij dat ik mijne boete ga doen?quot; en de H. Maagd and-woordde haar: „ga aan de overzijde van den Jordaan, daar zult gij de plaats uwer ruste vinden.quot; Zij biechtte nu en kommuniceerde, trok vervolgens de rivier over en ziende dat zij in de woestijn was, begreep zij dat het daar was dat zij boetvaardigheid voor haar zondig leven moest doen. De aanvallen, die de duivel gedurende de eerste zeventien jaren op deze Heilige maakte, om haar weder in de zonde te doen vallen, waren verschrikkelijk. En welke ware hare verdedigingsmiddelen? Voortdurend beval zij zich aan Maria aan en deze allergeze-gendste Maagd verwierf haar de kracht om gedurende al den bovengenoemden tijd wederstand te kunuen bieden, waarna de strijd ophield.
Na zeven-en-vijftig jaar in de woestijn geleefd en den leeftijd van vijf-en-tachtig jaren bereikt te hebben, ontmoette zij door eene beschikking der voorzienigheid den Abt Zosimus zij verhaalde hem hare levensgeschiedenis en verzocht hem het volgende jaar terug te komen en haar de H. Kommunie te willen brengen De H. Abi deed dit en gaf haar het Brood der Eu-
203
gelen, waarna zij liem vroeg om haar nog eenmaal te komen bezoeken. Hij deed dit doch vond haar dood. Haar lichaam was van oen schitterend licht omgeven ea bij haar hoofd waren deze woorden geschreven; „begraaf mijn lichaam hier, het is dat van ecne arme zondares, en bid God voor mij.quot; Hierop kwam een leeuw, die mei zijne klauwen haar een graf dolf. De H. Zosimus begroef haar, keerde naar zijn klooster terug en verhaalde de wouderen van Gods Barmhartigheid jegens deze gelukkige zondares.
O medelijdende Moeder, allerheiligste Maagd, zie aan uwe voeten eenen verrader, die door mui ondankbaarheid de gunsten te vergelden, die God hem door uwe handen had geschonken, u en Hem beiden heeft verraden. Maar ik moet u zeggen, o gezegende vrouw, dat mijne ellendigheid verre van mijn vertrouwen weg te nemen dit integendeel vermeerdert; want ik zie, dat uw medelijden groot is volgens de grootheid mijner ellende. Toon dan, o Maria, uwe volle vrijgevigheid jegens mij ; want zoo haudelt gij jegens allen, die uwe hulp inroepen. Al wat ik u vraag is, dat gij uwe medelijdende
303
)g oogen op mij slaan eu u mijner moogt ontfermen.
;h Indien uw hart in zooverre bewogen is kunt gij
ui niet anders doen dan mij beschermen en zoo gij
:'d mij beschermt, wat kan ik dan vreezen? Neen,
n ik vrees niets meer. Ik vrees mijne zonden niet;
i- \ want gij kunt mij er eeu heelmiddel voor schenken,
in Ik vrees den duivel niet; want gij zijt machtiger
n dan de geheele hol te znmen. Ik vrees zelfs uwen
Ie Zoon, hoe billijk ook jegens mij vertoornd, niet;
i- want feen enkel woord van u en Hij is bevre
digd. Eene zaak alleen vrees ik, dat ik namelijk iu mijne bekoringen en door mijne eigene schuld moge ophouden van mij aan u aan te bevelen en dat ik op die wijze verloren mocht gaan. Maar ik beloof u nu, dat ik altijd tot u mijne toevlucht zal nemen; help gij mij slechts mijne belofte volbrengen. Laat, ik bid u, de geschikte gelegenheid niet voorbijgaan, die zich nu aanbiedt, om uw brandend verlangen te voldoen, om
r zulk eenen armen ongelukkige als ik ben bij te
i, staan. In u. o Moeder van mijnen God, heb ik
een onbegrensd vertrouwen; van u hoop ik de r ' genade om mijue zonden naar behooren te be-
,t weenen en van u hoop ik sterkte, om er niet
ii op nieuw meer in te vallen» Ben ik ziek, o he-
t melsche geneesmeesteres, gij kunt mij genezen;
e hebben mijne zonden mij verzwakt, uwe hulp zal mij versterken. O Maria, ik hoop alles van u;
o want gij zijt almachtig bij God. Amen.
e 1
Over de zoetheid van den naam van Maria gedurende ons leven.
Dc groote muim van Maria, die aan de Moeder Gods gegeven is, ontving zij niet van hare ouders, of van de menschen, gelijk dit op deze wereld mot de meeste andere namen geschiedt; maar deze kwam van den Hemel en van de bestiering van God zelve. Uit getuigen ons de H. Hieronymus, de H. Epiphanius, de H. Anto-nius en anderen; „uw naam, o Maria, kwam uit de schatkamer Gods,quot; zegt de H. Petrus Da-mianus. Ja, o Maria, uw hooge en verwonderlijke naam kwam uit die schatkamer zelve; „want de H. Drievuldigheid,quot; zegt de H. Ei-chardus van St. Laurentius, „schonk u eenen naam, die na dieu van uwen Zoon boven alle namen verheven is cn verrijkte dien met zulk eene majesteit en macht, dat hij wilde, dat hemel, aarde en hel, bij het hooren ervan zouden nedervallen en dien vereeren. Maar ik wil de woorden des schrijvers zeiver aanhalen; „de gcheclc TT. Drievuldigheid, o Maria, gat u oenen naam, na dien van uwen Zoon, verheven boven alle nmncn; opdat in uwen naun alle knieën zouden buigen, in den hemel, op en ouder de
aarde.quot; Ouder alle voorrechten echter, door God aan den naam van Maria geschonken, willen wij nu de bijzondere zoetheid beschouwen, die de dienaars van de allerheiligste Maagd in dezen vinden.
In de eerste plaats placht de H. Kluizenaar Honorius te zeggen, dat ,/deze naam van Maria vol was van alle zoetheid en Goddelijken smaak;quot; zoo zelfs, dat de H. Antonius van Padna in den naam van Maria dezelfde zoelheid vond die de H. Bernardus in den naam Jesus smaakte. ^Naam van Jesus,quot; roept de eene; „a naam van Maria,quot; verzucht de andere; „o vreugde voor het hart, o honig in den mond en zoete klank in de ooren der godvruchtige dienaars.'' In het leven van den Eerw. Vader Juvenalis Ancina, bisschop van Saluzzo, wordt verhaald, dat hij bij het uitspreken van Marias naam zoo eene groote en merkbare zoetheid smaakte, dat hij met de lippen er naar smakte. De bisschop Massilius verhaalt ons van eene vrouw uit Keulen, die zoo dikwijls zij den naam van Maria uitsprak, een smaak had als van zoeten honig. Deze bisschop volgde haar voorbeeld en ondervond hetzelfde.
Maar ik wil hier niet spreken van die gevoelige zoetheid, die slechts aan enkelpn wordt geschonken; maar wel van die heilzame zoetheid van troost, van liefde, van vreugde, van vertrouwen en kracht, die de naam van Maria gewoonlijk geeft aan allen, die dezen met godsvrucht uitspreken. De abt Francone zegt: ^er is geen
306
miiim, behalve die Fan den Zoon, in den hemel of op iiiu'de, van welke de godvruchtige harten zoovele genaden, hoop en zoetheid outvan^en.quot; Na den allerheiligsten Naam Jesus is de naam van Maria zoo rijk aan alle goeds, dat er noch in den hemel, uoch op aarde een naam is, waarin de godvruchtige ziel zooveel genade, hoop eu zoetheid ontvangt. „Want,quot; vervolgt hij, „er ia iets zoo verwonderlijks, zoo zoets, zoo goddelijks in den naam van Maria, dat hij, wanneer hij een open hart ontmoet, er ecne geur van beha-gelijke zoetheid in uitademt.quot; Ten slotte voegt hij er nog bij, „dat het verwonderlijkste van dien verheven naam is, dat hij, hoewel honderd of duizendmaal door de dienaars van Maria gehoord, hun steeds nieuw genoegen geeft; daar zij altijd dezelfde zoetheid genieten wanneer deze wordt uitgesproken.quot;
De zalige Henricus Suso over deze zoetheid sprekende, zeide, „dat, zoo hij Maria's naam noemde, hij zich zoozeer tot vertrouwen voelde opgewekt en mot zulk eene vreugde en liefde ontvlamd, dat hij meende, dat zijn hart uit zijne bovst zoude springen onder de tranen ea de vreugde die hem bezielde; want hij verklaarde, dat deze zoete naam als een honiggraat was, die in het binnenste zijner ziel versmolt en dat hij dan zou willen uitroepen : „o allerzoetste naam ! o Maria, wat moet gijzelve zijn, als uw naam alleen reeds zoo beminnelijk en liefelijk is!quot; Indien rijkdommen den arme versterken om-
207
dat zij hem uit zijno ellende opheffen, hoevcl meer dan aardsehe rijkdom zal uw naam, o Maria, dit niet doen ?quot; zegt Riehard van St. Laurentius; „want deze versterkt ons in de benardheden van dit leven.quot; „Uw naam is beter dan rijkdom; omdat hij de armoede beter wegneemt.quot; En eindelijk, „uw naam, o Moeder Gods, is vol van genaden en zegeningen,quot; gelijk de H. Methodius zegt; en wel zoozeer, dat de H. Bonaventura verklaart, „dat uw naam, o Maria, niet kan uilgesproken worden zonder genaden en zegeningen aai te brengen aan hen, die dit godvruchtig doen.quot; Laat ons daarom altijd voordeel trekken uit den schoonen raad ons door den H. Bernardes in de volgende woorden gegeven: „in gevaren, in neerslachtigheid, in twijfelachtige gevallen denkt aan Maria, roept Maria aan, laat haar niet van uwe lippen zijn, laat zij uw hart niet verlaten.quot; In ieder gevaar van aan de Goddelijke genade te kort te schieten, denken wij aan Maria en roepen wij haren naam te gelijk met dien van Jesus aan; want deze twee namen gaan altijd te zamen. O laat ons dan nooit deze twee namen uit ons hart of van onzt: lippen verliezen ; want zij zullen ons versterken, om niet te bezwijken, maar om alle bekoringen te overwinnen. Waarlijk troostvol zijn de beloften van hulp door Jesus Christus aan hen gedaan, die godsvrucht hebben to; den naam van Maria; want eens hoorde de H. Brigitta, dat Hijzelf aan Zijne li. Moeder beloofde, om drie ge-
208
naden lo zullen geven aan hen, die dezen naam met vertrouwen zouden aanroepen; ten eerste, dat Hü hun volmaakt berouw over hunne zonden zou ge»eu; ten tweede, dat hunne misdaden zouden worden uitgewiseht: ten derde, kracht ter verkrijging van de volmaaktheid en daardoor de glorie des hemels.
Eens kwam er eene vrouw tot een der Paters Kedemptoristen, die haar biechtvader was, en klaagde, dat haar man reeds vele jaren niet ter biecht was gegaan en dat zij niet meer wist, hoe zij hem tot zijne plicht moest brengen ; want als zij van biechten sprak werd hij zoo woedend, dat hij haar sloeg en zelfs beet. L)u Pater zeide luuir, om hem een plaatje van Maria's Onbevlekte Ontvangenis te geven. Dienzelfden avond na smeekte de vrouw hem nog eens om ter biecht te gaan ; maar toen hij als naar gewoonte er niet naar luisterde, gaf zij hem het plaatje en zie, nauwelijks had hij dit gekregen, ol hij zeide: „welnu, wanneer wilt gij mij ter biecht geleiden; want ik oen bereid om dit te doen?quot; De vrouw uu weende van vreugde
309
bij het zien vaudeze oo^enblikkelijke verandering. Toen hij nu den volgende morgen werkelijk ter kerk kwam en de Pater hem vroeg, hoe lang het geleden was, dat hij niet had gebiecht, and-woordde hij: „in acht-en-twintig jaar niet.quot; De Pater vroeg hem verder, wat hem had bewogen om dezen norgen te komen, „Mijn vader,'' hernam hij: „ik was hardnekkig, maar gistren-avond heefl mijne vrouw mij een plaatje van O. L. Vrouw gegeven en in hetzelfde oogenblik \oelde ik mijn hart zoozeer veranderd, dat gedurende den nacht ieder oogenblik mij duizend jaar lang toescheen, zoo groot was mijn verlangen om te biechten.quot; Hij biechte nu zijne zonden met groot berouw, veranderde zijn leven en ontving vervolgens dikwijls de H. Sakramenten.
O zeer groote Moeder van God en mijne moeder Maria, het is maar al te waar, dat ik onwaardig ben on uwen naam uit te spreken; maar gij, die mijne zaligheid bemint, en verlangt, geef'mij dat ik, niettegenstaande de onzuiverheid mijner tong, uwen heiligen en machtigen naam ter mijner hulp moge inroepen; want uw naam is mijne hulp in leven en mijne zaligheid in den dood. O allerzuiverste Maria, seef, dat van nu af aan
310
uw naam de adem van mijn leven zij. O mijne Vrouw, slel niet uit om mij te helpen als ik u aanroep; want in alle de bekoringen, die mij bespringen en in alle mijne noodwendigheden zal ik nooit ophouden om tot u te roepen en steeds te herhalen: Maria, Maria, o Maria, mijne allerbeminnelijkste Maria, met welken troost en zoetheid, met welk vertrouwen en teederheid is mijne ziel doordrongen enkel bij het noemen van uwen naam en bij het denken aan u. Ik dank mijn Heer en mijn God, die voor mijn welzijn u eenen naam heeft gegeven zoo zoet eu zoo lofwaardig en tegelijk zoo machtig.
Maar, o mijne opperbeste Vrouw, het is mij niet genoeg om uwen naam te noemen, ik wenseh dien met liefde te noemen, ik wenseh dat mijne liefde mij ieder uur moge herinneren om tot u te roepen, zoodat ik in staat moge zijn om met den H. Bonaventura te zeggen: ^o naam van de Moeder van mijnen God, gij zijt mijne liefde.quot;
Over de Zoetheid van Maria's naam in het uur van onzen dood.
„Een vriend bemint ten allen tijden een broeder wordt in den tegenspoed beproefd,quot; zegt
211
het book der Spreuken. In t ijden van voorspoed kunnen wij onze vrienden niet kennen; miuir in tijden van tegenspoed zien wij hen in hunne ware kleur, üe wereldling verlaat in voorspoed zijnen vriend niet; maax indien hem rampen overvalen en meer bijzonder in het uur des doods verzaakt hij hem.
Maria handelt niet aldus met hare beschermelingen; want in hunne droefheid en meer bijzonder in de smarten des doods, de grootste die wij hier kunnen verduren, verlaat deze goede Vrouw en Moeder niet slechis hare getroune dienaars niet, maar gelijk zj gedurende onze ballingsehap ons levens is, zoo is zij ook in ons laatste uur onze zoetheid door ons eenen kulmen en gelukkigen dood te verkrijgen. Van den dag af, dat Maria het voorrecht had en de smart van bij den dood van Jesus haren Zoon, die het Hoofd van alle uitverkorenen is, tegenwoordig te zijn, werd haar het voorrecht geschonken, om ook hen allen in hunnen doodstrijd bij te staan. Om deze reden legt de H. Kerk ons op, om de allerzaligste Maagd te verzoeken, dat zij ons bijzonderlijk in het uur van onzen dood moge bijstaan. „Bid voor ons zondaars nu en in het uur van onzen dood !quot;
De allerheiligste naam van Maria is waarlijk zoet voor hare dienaars gedurende hun leven om de groote genaden, die hij voor hen verwerft; maar zoeter nog is hij hun in de ure des doods om het rustige en heilige einde, hetwelk hij hun verzekert. Pater Sertorius Gaputo vermaant allen
312
die stervenden bijstiian, om dikwijls den naam van Maria uit te spreken; want deze naam van hoop en leven, in het uur des doods herhaald, is voldoende om alle duivels op de vlucht te drijven eu versterkt de stervenden in hun lijden. DeH. Camillus de Leilis beval ook zijnen religieusen met de sterkste woorden aan, van den stervenden te herrineren, om dikwijls de namen van Jesus en Maria aan te roepen. Dit was zijne eigene gewoonte wanneer hij anderen bijstond; maar ook zeer schoon bracht hijzelf dit op zijn doodsbed in beoefening; want hij sprak de geliefde namen van Jesus en Maria met zulk eene tee-derheid uit, dat hij allen, die hem hoorden, in liefde ontvlamde. Hoe groot zijn niet de smarten der stcrvfanden? Zij hebben te lijden van de knaging des gewetens over hunne bedrevene zonden, van de vrees voor het naderend oordeel en van de onzekerheid hunner eeuwige zaligheid. Dan is het dat de hel zich wapent en geene moeite spaart om de ziel te winnen, die op het punt is van de eeuwigheid binnen te treden; want de duivel weet, dat hem hiertoe nog slechts een korten tijd overblijft eu dat, zoo hij haar nu verliest, hij haar voor altijd verloren heeft. „De duivel is tot u teruggekomen met hevige gramschap en wetende, dat hem sleehts een korte tijd overbleef.quot; En om deze reden wil de vijand van onze zaligheid, die verlof had om tijdens het leven de ziel te bekoren, bij den dood niet alleen zijn, maar roept nog andereu te hulp, vol-
213
gens tie woorden van den profeet Isaias: „hunne huizen znllen met slangen gevuld worden.1- Maar hoc spoedig zullen deze wederspannige geesten vluchten in dc tegenwoordigheid van de Koningin des Hemels?
Zoo wij in het uquot;r des doods slechts de bescherming van Maria hebben, wat hebben wij dan te vreezen van alle onze helsche vijanden ?
David de verschrikkingen des doods vreozende bemoedigde zichzelven door zrn vertrouwen te stellen in den dood zijns Verlossers, die komen moest, en in de voorspraak van de H. Moedermaagd. Thomas a Kempis verzekert, dat de duivels de Koningin des Hemels zoozeer vreezen, dat zij haren verheven naam hoorende uitspreken wegvluchten als van een brandend vuur.
O. L. Vrouw verhaalde eens aan de H. liri-gitta, „dat, gelijk de wederspannige engelen van de zondaars, die Maria's naam aanroepen, wegvluchten, zoo ook de goede engelen der zielen, die dezen met godsvrucht uitspreken, naderen.''
„Ja, waarlijk gezegend is hij, die uwen zoeten naam bemint, o Moeder Gods,quot;' roept de H. Bonaventura uil; „want uw naam is zoo wondervol en roemrijk, dat niemand, die daaraan denkt, eenige vrees in het uur des doods behoeft te hebben.'' Zoo groot is zijne macht, dat niemand van hen, die dezen in het uur des doods aanroepen, dc aanvallen zijner vijanden vreest.
O mochten wij ons leven eindigen zooals de Capucijner Pater Fulgentius van Aseoli, die stierf
•214
onder het zingen van: „o Maria, o Maria, o schoonste der schepselen, laat ons te zamen vertrekken!quot; Of gelijk de Zalige Henrieus de Cis-tercienser, die in hetzelfde oogenblik stierf, dat hij den-allerzoetsten naam van Maria uitsprak. Laat ons dan, godvruchtigp, lezer. God vragen, dat hij ons geve, dat bij onzen dood het laatste woord onzer lippen de naam van Maria moge zijn. Dit iras het gebed van den II. German us: ,,moge de laatste beweging mijner tong zijn om den naam der Moeder Gods uit te spreken ?quot; O zoet en heilig is voorxeker de dood, die vergezeld en beschermd wordt door zulk een zaligenden naam; want God schenkt deze gunst alleen aan hen, die hij ter redding nabij is.
In Duitschland was er een misdadiger, die ter dood veroordeeld zijnde, halstarrig weigerde om te biechten. Een Pater Jesuiet deed al het mogelijke om hem te bekeeren, smeekte hem, weende en wierp zich aan zijne voeten ; maar ziende dat dit alles slechts tijdverlies was zeidehij ten laatste: „welaan, laat ons dan te zamen een enkel „Wees gegroetquot; bidden.quot; De misdadiger deed dit en begon op hetzelfde oogenblik bitterlijk te weenen, biechtte zijne zonden met groot berouw en ver-
215
langde te sterven terwijl hij het beeld van Maria in zijn armen hield.
O mijne zoete Vrouw en Moeder, ik bemin u zoozeer, en omdat ik u bemin, bemin ik ook uwen heiligen naam. Ik maak het voornemen en hoop met uwen bijstand, dien altijd gedurende mijn leven en in liet uur mijns doods aan te roepen en te eindigen met het teedere gebed van den H. Bernardus: ^Ik vraag u, o Maria, om de glorie van uwen naam, om mijne ziel te komen ontvangen en in uwe armen te nemen als zij van deze wereld zal vertrekken.quot; „Versmaad mij dan niet, o Maria,quot; zoo gaat de Heilige voort; maar kom en versterk mij met uwe tegenwoordigheid. Wees gijzelve de ladder mijner ziel en hare weg ten hemel. Ver-krijg gijzelve mij de genade van vergiffenis en eeuwige rust.quot;
O mijne ware en dierbare Maria, o mijn beminde Jesus, mogen uwe zoete namen in mijn hart en in alle harten heerschen. Geett, dat ik alle anderen moge vergeten, om alleen uwe aanbiddelijke namen te gedenken en altijd aan te roepen. Ach Jesus mijn verlosser en mijne Moeder Maria, wanneer liet oogenblik des doods
komf;, waarin ik miiite ziel zal uitblazen en deze wereld verlaten, gewaard ig u dan door uwe verdiensten mij toe te staan, dat ik dan als mijne laatste woorden moge uitspreken: „ik bemin u, mijn Jesus, ik bemin u, o Maria; aan u schenk ik mijn hart en mijne ziel.quot; Amen.
Maria verzoet het stervensuur van hare beschermelingen.
De Profeet. Tsaias zegt ons, dat, wanneer de mensch op het punt is van de wereld te verlaten, de hel zich opent en zijne verschrikkelijkste duivelen afzendt, om de ziel nog te bekoren voor dat zij het lichaam verlaat en om haar daarna voor den rechterstoel van Jesus te beschuldigen. Kij zegt, „de hel was ten onderste boven gekeerd, om u bij uwe komst te ontmoeten; zij zendt hare reuzen op u af.quot; Maar Richard van St, Laurentius merkt op, dat, zoo Maria dc ziel verdedigt, geen duivel haar durft beschuldigen, wel wetendedatde Goddelijke Rechter niemand zal veroordeelen, die door zijne verhevene Moeder beschermd wordt. „Wie zal,quot;
217
zoo vraagt hij, „iemard durven bescliuldigen, die door de Moeder des Rechters zeiven beschermd wordt?quot; Maria bemoedigt en staat hare dienaars in de ure des doods niet alleen bij; maar zij zelve geleidt hen tot voor den rcchterzetel Gods, gelijk de H. Hieronymus aan de Maagd Eusto-chium schrijft: „welk een dag van vreugde zal het voor u zijn als Maria de Moeder des Hee-ren, begeleid door de koren der maagden, u zal komen afhalen.quot; De H. Maagd zelve verzekerde dit eens aan de H. Brigitta; want over den dood van hare godvrueutige dienaars sprekende, zegt zij: „dan zal ik, hunne dierbare Moeder, tot hen ijlen, om hnn troost en lafenis te brengen.quot; De H. Vineentius Eerrerius zegt, dat de allerheiligste Maagd hen niet slechts troost en verlicht; maar dat zijzeive de zielen der stervenden in ontvangst neemt. Deze beminde Koningin neemt ze ouder haren mantel, biedt ze aan den Eeehter, haren Zoon, aan en verkrijgt ten zekerste hunne zaligheid.
De Ecclesiasticus zegt, dat „hare banden banden des heils zijn,quot; en „in uwen laatsten stond zult gij uwen vrede daarin vinden.quot; O waarlijk gelukkig zijt gij, mijn broeder, zoo gij in liet uur uws doods met de zoete ketenen der liefde tot de Moeder Gods gebonden zijt. Deze ketenen van heil zijn ketenen, die u uwe eeuwige zaligheid verzekeren; ketenen, die u in uwe laatste uur den vrede zullen doen genieten, die een voorsmaak is van uwen eeuwigen vrede en
10
218
rust. Pater Biiiefti zegt in zijn werk over de vohmiaktheden onzes Heeren, dat hij, eens een grooten dienaar van Maria op zijn doodsbed bijstaande, hem bij zijn verscheiden hoorde uitroepen: „o mijn Vader, zoo gij het geluk kende, dat ik nu geniet, van de allerheiligste Moeder Gods getrouw gediend te hebben; ik kan de vreugde niet uitspreken, die ik nu gevoel. Pater Suarez, wiens godsvrucht tot Maria zoo groot was, dat hij placht te zeggen, dat hij gaarne al zijne wetenschap voor de verdiensten van een enkel „Wees gegroet'' zou willen ruilen, stierf ook in zulk eenen vrede en vreugde, dat hij uitriep: nooit had ik kunnen denken ot' gelooven, dat de dood zoo zoet is als ik nu bij ondervinding zie.quot; En ja, ook gij, godvruchtige lezer, zult zonder twijfel dezelfde vreugde en tevredenheid in uw stervensuur ondervinden, zoo gij er voor zorgt u dan de liefde te kunnen herinneren, die gij deze goede Moeder hebt toegedragen, die niet ontrouw kan zijn aan hare kinderen, die haar door hunne bezoeken, vasten en rozenkransen getrouw hebben gediend en geëerd, die haar onophoudelijk hebben gedankt en geprezen, die zichzeken voortdurend aan hare machtige bescherming hebben aanbevolen. Zelfs, zoo gij ook al voor eenigen tijd een zondaar geweest zijt, zal u die troost niet onthouden worden, mits gij van nu af aan u beijvert om wel te leven en deze genadige en welwillende Vrouw te dienen. Tn uwe angsten
219
en in de bekoringen tot wanhoop, die de duivel in uwe laatste oogenblikken u zal ingeven, zal zij u troosten er. zelve komen, om u haren bijstand te bieden. En mocht gij misschien bij het zien uwer zonden grootelijks bevreesd en op het punt zijn van den moed te verliezen dan zal zijzelve u komen bemoedigen.
Laat ons dun vroom van harte zijn; want, ziju wij ook al zondaars, wij zijn er van verzekerd, dat Maria ona in ons doodsuur zal komen bijstaan en met hare tegenwoordigheid versterken en vertroosten, zoo wij haar slechts vol liefde dienen voor den tijd, dien wij nog in deze wereld te leven hebben.
Pater Grasset zegt ons, dat een zeker krijgsoverste hem verhaalde, dat hij na cenen veldslag een soldaat op het slagveld vond liggen,die met een schapulier van Maria en eenen rozenkrans in de handen om een biechtvader riep. Een geweerkogel had hem het voorhoofd doorboord en was door het achterhoofd weder uitgegaan en zijne hersenen waren door alle openingen zoodanig zichtbaar, dat hij op natuurlijke wijze onmogelijk nog kon leven. Hij richtte zich echter nog op, biechtte aan den aalmoezenier zijne zouden met groot
220
berouw en ontsliep na liet ontvangen der absolutie.
O Versterkster der bedrukten, troost een arm schepsel, dat zich u aanbeveelt. De knaging van mijn van zonden overvloeiend geweten vervult mij met droefheid, in twijfel als ik ben, of ik daar ooit genoeg berouw over heb gehad. Ik zie, dat alle mijne handelingen gebrekkig zijn en bezoedeld, dat de hel op mijnen dood wacht om mij aan te klagen en dat de beleedige rechtvaardigheid Gods voldoening eischt. O mijne Moeder, wat moet er van mi] geworden? Zoo gij mij niet helpt ben ik verloren! Wat zegt gij, wilt gij mij helpen? O medelijdende Maagd,troost, mij; verkrijg mij een waar berouw over mijne zonden: verkrijg mij kracht om mijn leven te verbeteren en het mij nog overblijvende gedeelte ervan aan mijn God getrouw te zijn; en eindelijk, wanneer ik in den doodstrijd zal liggen, o Maria, mijne hoop, verlaat nuj niet, maar help en bemoedig mij dan meer dan ooit; opdat ik niet moge wanhopen bij het zien mijner zonden, die de booze niet in gebreke zal blijven van mij voor oogen te stellen, Mijne Vrouwe vergeef mij mijne vermetelheid en versterk gijzelve mij in dien laatsteu strijd door uwe tegenwoordigheid. Reeds zoo velen hebt gij deze
221
gunst geschonken, o schenk zeookaan mij.Is mijne stoutmoedigheid groot, uwe goedheid is nog groo-ter; want deze zoekt naar ellendigen om hen te vertroosten en dit is mijne hoop. Laat hem om uwer eeuwige glorie wille gezegd kunnen worden dat gij mij ellendig schepsel, dat reeds ter helle gedoemd was, daaraan hebt onttrokken en in het eeuwig koninkrijk binnengeleid.
O ja, mijne zoete Moeder, mijne eeuige hoop is, om eeuwig in den Hemel aan uwe voeten u te mogen danken,te zegenen en te beminnen. O Maria, ik reken op u in mijn laatste uur; beroof mij niet van dien troost, maar laat die mij bijblijven. Amen.
Maria bevrijdt hare dienaars van de hel.
Het is onmogelijk dat iemand, die Maria getrouw vereert en zich haar aanbeveelt, kan verloren gaan. Wanneer wij zeggen, dat een dienaar vati Maria onmogelijk kau verloren gaan, dan is dit niet le verstaan van die onwaardige dienaars, welke deze godsu'ucht willen benutten om vrijer te kunnen zondigen. Daarom ook oor-deelen zij verkeerd, die Maria's goedertierenheid
322
niet prijzen; omdat deze den zondaars gelegenheid geeft om met grooter ijver te zondigen; daar zulke zondaars voor hun vermetel vertrouwen straf verdienen in plaats van haar modelijden. Het aan-gehaalde gezegde moet daarom slechts toegepast worden op die dienaars, welke, met een oprecht verlangen van zich te beteren, üich voortdurend aan de Moeder Gods aanbevelen en haar getrouw vereeren. Ja, het is zedelijk onmogelijk, dat dezulken verloren gaan. De H. Anselmus zegt, „dat, gelijk het onmogelijk is, dat iemand, die Maria niet eert en die zij dus niet beschermt, zalig wordt, dat het ook evenzoo onmogelijk is, dat iemand, die zich aan haar aanbeveelt en dus door haar bemind wordt, kan verloren gaan.quot; Zeer vele andere schrijvers verklaren ons hetzelfde, zoo als de zalige Albertus, die zegt: „al wie uw dienaar niet is, o Maria, gaat verloren.quot; De H, Bonaventura zegt, dat „al wie den dienst van de H. Maagd verzuimt in zonden zal sterven;quot; en verder: hij die u niet aanroept, o Vrouwe, zal nimmer het hemelrijk beërven.quot; Over den 99sten psalm zegt dezelfde Heilige, „dat zij, yan wie Maria haar aangezicht afwendt, niet slechts verloren zullen gaan; maar dat er voor hen zelfs geene hoop op zaligheid bestaat.quot; De H. Martelaar Ignatius zeide reeds te voren, „dat het den zondaar onmogelijk is om zonder de hulp en de gunst van de allerheiligste Maagd zalig te worden; omdat zij, die de rechtvaardigheid van God niet kau zaligmakeu, door zijne
233
oneindige barmhartigheid gered worden door de voorspraak van Maria.quot; Sommigen twijfelen wel of deze woorden werkelijk van den H. Iguatius zijn, maar Pater Grasset merkt op, dat buiten allen twijfel ook de H. Joannes Cbrysostomus van dezelfde meenig is, gelijk ook de eerwaarde Raymundus Jordauus. Zelfs de H. Kerk past in denzelfden zin den tekst vau liet bock der Spreuken op Maria toe : ^al die mij haat bemint den dood,quot; dat wil zeggen, hij die mij niet bemint, bemint den eeuwigen dood. Riehar-dus van St. Laurenüus zegt over den tekst: „zij is gelijk een schip der zee,quot; „dat allen die zich buiten dit schip begeven in de zee der wereld verloren gaan.quot; Zelfs de ketter Oecolampadius zag liet gebrek aan godsvrucht tot Maria aan als een zeker voorteeken van veroordeeling eu daarom zeide hij: „verre zij het van mij om mij ooit aan Maria af te keeren.quot;
Ten anderen zegt Maria in de woorden, die de H. Kerk haar in den mond legt: „hij die op mij wacht zal niet beschaamd staan;'' hetzelfde als, de mensch, die naar mijne woorden hoort zal nimmer verloren gaan. „O Vrouwe,quot; zegt de H. Bonaventura hierover; „hij die ü vereert is verre van veroordeelt te zijn.quot; Ja, en dit is zelfs ook het geval,indien men vroeger God grootelijks mochi beleedigd hebben; want dezelfde Heilige zegt: „hoe groot een zondaar men moge geweest zijn, zoo men zich godvruchtig jegens Maria betoont, zal men nimmer verloren gaan.quot;
22 I-
De duivel doet daarom bij de zondaars zijn uiterste best, om na het verliezen der goddelijke genade, hun ook de godsvrucht tot Maria te ontnemen. Wanneer eene ziel zich van Jesus heeft afgewend is de duivel niet tevreden zoolang zij dit ook niet van Maria doet; omdat hij vreest, dat zij door hare voorspraak hem weder tot haren Zoon mocht terugbrengen. „En zijne vrees is wel gegrond,quot; zegt de geleerde Paciuc-chelli; „want hij, die de Moeder Gods getrouw dient, zal weldra door Maria Godzei ven ontvangen.quot; De H. Ephrem noemde dus terecht de devotie tot O.L. Vrouw „eenen goddelijken zegelbrief,quot; ecne vrijwaring van de hel. Dezelfde Heilige noemt ook de goddelijke Moeder, „de eenige hoop van hen, die in twijfel zijn.quot; De woorden van den H. Bornardus zijn maar al te waar, „dat noch de wil, noch de macht om ons te redden aan Maria ontbreken : da macht kan haar niet ontbreken ; omdat het onmogelijk is, gelijk de H. Antonius zegt, dat hare gebeden niet zouden verhoord worden, „het is onmogelijk dat de Moeder Gods te vergeefs zou bidden ; terwijl de H. Bernardus ook zegt, „dat hare smeekingen niet kunnen geweigerd worden; maar dat zij verkrijgt hetgeen zij verlangt.quot; Ook de wil van ons te redden kan haar niet ontbreken ; want Maria is onze Moeder en verlangt onze zaligheid meer dan wijzelven dit kunnen doen .
En is dit alles zoo, hoe kan oen dienaar van Ma-
225
ria dan verloren giu'.n? Hij moge een zondaar zijn of niet, zoo hij zich slechts met volharding en met het voornemen van zich te verbeteren tot deze goede Moeder wendv,,. zal zij hem voorzeker licht verkrijgen om ziju zondigen staat in te zien en te gelijk berouw er over, volharding in de deugd en eindelijk een zaligen dood. Welke moeder nu zoa haren zoon niet van den dood bevrijden, zoo zij dit slechts van den rechter te vragen had om het te verkrijgen'1 En zouden wij dan kunnen denken, dat Maria, die hare dienaars met de allerteederste moederliefde bemint, hare kinderen niet van den eeuwigen dood zal bevrijden,daar zij dit zoo gemakkelijk kan? „ Hoe menigeen/'zegt Thomas a Kempis, ffzou niet de zonde verhard en eeuwig verloren gegaan zijn, zoo niet Maria voor hem bij haren Zoon had gesmeekt, om hem barmhartigheid te toonen.quot;
Koepen wij dus met den H. Germanus uit, ^wat zal ons lot zijn, o teedere Moeder, van ons die zoo groote zondaars zijn; maar die, vol verlangen om ons te beteren, tot u vluchten, tot u die het leven der Chistenen zijn?quot; De H. An-selmus zegt, ;/dat degene, voor wien gij bidt, niet kan verloren gaan !quot; O bid, dan voor ons en wij zijn voor de hel gevrijwaard.
226
Tn het jiiar 1604 leefden er in eene Vlaamsclie stad twee studenten, die, in plaats van te stu-deeren zich aan allerlei losbandigheid overgaven. Op een en nacht waren beiden in een slecht huis toen een der twee Richard genaamd, naar huis terugkeerde en zijn metgezel daar achterliet. ïe huis gekomen zijnde en zich ontkleodende herinnerde hij zich, dathij dien dag zijne gcwone^Wees gegroeten'' niet had gebeden. Daar hij veel slaap had was hij hiertoe ongeneigd; maar hij deed zich geweld aan eu dreunde ze half slapende en zonder eenige godsvrucht op. Hij legde zich daarop te bed en viel in eene diepe sluimering toen een hevig kloppen aan de deur hem plotseling wekte ea hij terzelfder tijd, zonder dat de deur geopend werd, zijn vriend geheel misvormd en afzichtelijk voor zich zag staan. „Wie zijt gij;quot; riep hij uit. Hoezoo, kerkent gij mij niet meer?quot; „Ach ja,quot; andwoordde hij; „maar gij zijt zoozeer veranderd en schijnt mij wel een duivel te zijn.quot; „Inderdaad rampzalig schepsel dat ik ben,quot; kreet hij, „ik ben veroordeeld, en hoe? toen ik dat slechte huis verliet ontmoette mij de duivel zelf en wurgde mij; mijn lichaam ligt op de straat ea mijne ziel in de hel. Weet,quot; zoo vervolgde hij, „dat hetzelfde lot u ook wachtte, zoo niec de H. Maagd u daarvan had bevrijd ter wille van die luttele eerbetuiging van het „Wees gegroet.quot; Gelukkig
227
zijt gij, zoo gij uw voorcleul weet te trokken uit deze waarschuwing u door de Moeder Gods toegezonden.quot; Bij deze woorden sloeg hij zijnen mantel open, toonde hem de vlammen en slangen die hem kwelden en verdween. Eiehard barstte onmiddclijk in snikken en tranen uit, wierp zich op den grond neder en dankte Maria zijne beschermster. In deze houding nadenkende, hoe bij zijn leven zou verbeteren, hoorde hij de klok vau het Franciskanerklooster voor de Metten luiden en zeide; „daar is het dat God mij ter boetvaardigheid roept.quot; Hij ging onmiddclijk daarheen en smeekte de Paters om hem aan te nemen; maar dezen zijn zondig leven kennende, waren hiertoe onwillig tot dat hij hun alles ver-haaide wat plaats had gehad. Twee paters werden hierop naar de aangeduide plaats gezonden en toeu zij het lichaam verwurgd en zoo zwart als steenkool vonden werd hij aangenomen.
Van dat oogenblik af leidde Kichard een zeer voorbeeldig leven, ging tot prediking van het Evangelie naar Indië en van daar naar Japan, waar hij het geluk bad om zijn leven \oor Jesus Christus te geven; daar hij om der wille van het geloof levend werd verbrand.
O mijne allerdierbaarste Moeder Maria, in welk oenen afgrond van boosheid zou ik mij nu
bevindeu, zoo niet uwe medelijdende hand mij zoo meuigwerf had verlost! Sinds hoevele jaren zou ik iu de hel zijn, zoo uwe machtige voor-spraak mij niet had gered? Mijne gruwelijke zonden hadden mij reeds daarheen getrokken, de goddelijke rechtvaardigheid had mij reeds veroordeeld, de duivelen wachtten reeds ter uitvoering van het vonnis; maar gij kwaamt mij ter hulpe en reddet mij zonder zelfs gevraagd of geroepen te zijn. Welken dank, o mijne beminde beschermster, kan ik u bewijzen voor zoovele gunsten, voor zulk een liefde? Gij hebt de hardheid van mijn hart overwonnen en gebracht tot liefde en vertrouwen op u. In hoeveel boosheid zou ik bovendien niet gevallen zijn, zoo' uwe barmhartige hand mij niet zoo dikwijls had geholpen in de gevaren, waarin ik op het punt was van te bezwijken. Ga voort, o mijne hoop om mij van de hel en van de zonden, waarin ik nog mocht vallen, te bevrijden. Laat nimmer toe, dat ik het ongeluk mo^e hebben om u in de hel te vloeken. Mijne beminde Vrouwe, ik heb u lief eu kan uwe goedheid het dan verdragen van een uwer dienaars, die u bemint, verloren te zien gaan. Ach sta mij toe, dat ik nimmermeer ondankbaar moge zijn jegens 11 eu jegens mijn God, die uit liefde tot u mij zoovele genaden, heeft geschonken. O Maria, zeg mij, zal ik verloren gaan? Ja, zoo ik u verlaat, niet waar? Maar is dit mogelijk? Kan ik ooit de liefde vergelen, die gij mij hebt toegedragen? gij,
329
die na God de liefde mijner ziel zijt. Neen ik kan niet langer leven zonder u te beminnen. O allersclioonste, allerheiligste, allerbeminnelijkste, allerzoetste aller schepselen, ik verheug mij in uw geluk, ik bemin en hoop 11 steeds in tijd en in eeuwigheid te beminnen. Amen.
Maria staat hare dienaars in het vagevuur bij.
O waarlijk gelukzalig hij, die de dienaar is van deze allermedelijdeudste Moeder; want niet slechts in deze wereld, maar tot iu het vagevuur toe volgt hem hare ondersteuning en bescherming, en daar nu de arme zieieu in deze gevangenis haren bijstand het allermeest behoeven, daar zij in hare pijnen zichzelve niet kunnen helpen, zoo beijvert deze Moeder van barmhartigheid zich des te meer om haar ie verlichten. De H, Ber-nardinus van Senen zegt, „dat Maria in deze gevangenis, waar de zielen van Gods kindereu worden teruggehouden, eene zekere heerschappij en almacht heeft, niet slechts om ze te ver-
a 30
lichten, maar zclt's om ze geheel en al van hare pijnen te verlossen.quot; Dezelfde Heilige, sprekende over de door haar geschonken verlichting en de woorden van den Ecclesiastieiis aauhalende: „ik heb in de golven der zee gewandeld,quot; zegt, „dat dit is door de bezoeken en de verlichting, die zij brengt aan de dienaars, die hare kinderen zijn.'' Hij vervolgt, dat de pijnen van het vagevuur golven genoemd worden; omdat zij voorbijgaande zijn en niet eeuwigdurend, gelijk de pijnen dei-hel, en dat zij golven der zee genoemd worden, omdat zij zoo bitter zijn. De dienaars dan van Maria worden dikwijls door haar bezocht en verlicht.quot;
„Zie dus,quot; zegt Novarinus, „wat het gelukkige gevolg is van deze goede Vrouw te dienen; want hare dienaars, die in deze vlammen lijden, vergeet zij niet. Zoo Maria alle zielen in het vagevuur verlicht, verkrijgt zij veel meer nog vergiffenis voor lien, die hare bijzondere be schermelingen zijn.quot; De Moeder Gods richtte eens de volgende woorden tot de H. Brigitta: „ik ben de Moeder van alle zielen in het vagevuur; want door mijne gebeden worden alle pijnen, die zij voor hare zonden verdiend hebben, uur aan uur dat zij daar verblijven, verminderd.quot; Ja deze medelijdende Moeder verwaardig* zich om zelve hare lijdende kinderen in hunne gevangenis te gaan bezoeken en te troosten.
En welken troost ook hebben zi j in hun lijden behalve Maria eu de verlichting, die zij van deze
331
Moeder der barmhartigheid ontvangen? De. H. Brigittn hoorde Jesua eens tot zijne Heilige Moeder zeggen: „gij zijt mijne moeder, de Moeder der barmhartigheid en de troost der zielen in het vagevuur.quot; De H. Maagd zeide ook tot dezelfde Heilige, „dat, gelijk een arme, zieke, bedlegerige en verlaten lijder door een woord van bemoediging en troost wordt opgebeurd, zoo ook de zielen in het vagevuur enkel bij het hooren van haren naam troost en verlichting erlangen.quot; De naam alleen van Maria, die naam van hoop en zaligheid,door hare beminde kinderen in hunne gevangenis zoo dikwij .s aangeroepen, is hun een groote bron van sterkte; „want,quot; zegt Novari-nus, „zoodra hoort niet Maria hen tot haar roepen, of zij draagt hare gebeden voor hen aan God op; opdat deze hea als eene hemelsohe dauw in hunne brandende pijnen mogen verfrisschen.'quot; Maria troost en verlicht niet slecht hare dienaars in het Vagevuur, maar verlost hen zelfs geheel en al door hare gebeden. Gerson zegt, ^dal Maria bij hare hemelvaart als eene gunst van haren Zoon vroeg, om alle zielen uit het vagevuur met zich mede te mogen voeren.quot; „En van dien stond af aan,'' zegt dezelfde, „heeft Maria het voorrecht om hare dienaars te verlossen.quot; De H. Bemardinus van Senen beweert, „dat Maria de macht heeft om de zielen, maar in het bijzonder de zielen harer dienaars, door hare gebeden en door de toepassing harer verdiensten, uit hel vagevuur te verlossen.quot; Nova
232
rinus zegt, dat door Maria's verdiensten de pijnen dezer zielen niet slechts verminderd worden, maar dat door hare voorspsaak haar lijden zelfs verkort wordt.quot; Zij heeft slecht te vragen en alles wordt haar gegeven.
Waarom zouden wij dan niet dezelfde genaden en gunsten verhopen, zoo wij godvruchtige dienaars vun deze goede Moeder zijn? En zoo wij haar met eene meer bijzondere liefde beminnen, waarom mogen wij dan niet hopen van na onzen dood onmiddelijk ten Hemel te gaan, zonder zelfs het vagevuur aan te doen? Dit had werkelijk plaats in de geschiedenis van den zaligen Godefridus, aan wien Maria door Broeder Ahondo de volgende boodschap zond:,/ zeg aan Broeder Godefridus, dat hij zich beijvere om snel in de deugd vooruit te gaan, dan zal hij aan mij en mijnen Zoon toebehooren en wanneer zijne ziel vertrekt, zal ik niet toestaan, dat zij in in het vagevuur komt; maar ik zal haar met mij medevoeren en aau mijuen Zoon aanbieden quot; Wenschen wij de zielen in het vagevuur te verlichten, laten wij dit doen door bij alle onze gebeden de hulp van O. L. Vrouw in te roepen en vooral door voor haar den Rozenkrans te bidden, hetgeen haar grootelijks verlicht.
233
Wij lenen, in het leven van zuster Catharina van St. Aug'ustinus, dat er in hare woonplaats eene vrouw leefde, die in hare jeugd eene zondares was en ia haren ouderdom zoo hardnekkig in hare slechtheid volhardde, dat zij uit de stad werd verjaagd en verplicht om afgezonderd in eene spelonk te leven. Zij stierf daar half door ellende verteerd zonder de H. Sakramenten en werd bijgevolg gelijk een wild dier in het veld begraven. Zuster Catharina, die steeds met grooten ijver de zielen der overledenen Gode aanbeval, het ongelukkige einde van dit arme schepsel vernemende, dacht er niet aan om ook voor haar te bidden; want zij beschouwde haar, (zooals een ieder dit deed,) als onherroepelijk verloren. Vier jaren daarna nu versehcen haar eene lijdende ziel, die uitriep: „hoe ongelukkig is mijn lot, o zuster Cathariua, gij beveelt de zielen van allen die sterven Gode aan; maar met mijne ziel alleen hebt gij geen medelijden?quot; „Wie zijt gij dan,quot; vroeg haar de dienaresse Gods. „Ik ben,quot; hernam zij, „die arme Maria, die in de spelonk is gestorven.quot; „En zijt gij zalig?quot; „Ja,quot; andwoordde zij, „door de barmhartigheid der gezegende Maagd Maria.quot; „Eu hoe dat?quot; „Toen ik mijzelven op het punt zag van te sterven, met zonden overladen en van allen verlaten, nam ik mijne toevlucht tot de Moeder Gods en zeide: o mijne Vrouw, gij, die de toevlucht van alle
234
verlatene scliepselen zijt, zie mij aan, verlaten als ik van allen ben: gij alleen zijt mijne hoop, gij alleen kunt mij helpen, o heb medelijden met mij. De 11. Maagd verwierf mij de genade om eene akte van berouw te verwekken, ik stierf en werd gored, ja, en bovendien verkreeg mijne Koningin mij de genade, dat mijn lijden in het vagevuur zou verkort worden en dat ik in kor-teren tijd zou kunnen lijden hetgeen anders vele jaren had moeten duren, Nu echter behoef ik nog slechts enkele H. Missen om geheel bevrijd te worden; ik smeek u, om die voor mij te laten lezen en van mijnen kant beloof ik om altijd God en Maria voor u te zullen bidden. '
Zuster Catharina liet onmiddelijk de H. Missen lezen en weinige dagen daarna verscheen de ziel haar op nieuw blinkende als de zon en zeide: „ik dank u, Catharina, zie ik ga naar den Hemel om den lof van mijnen God te zingen en om voor u te bidden.
O Koningin van hemel en aarde! o Moeder van den Bestuurder der wereld! o Maria, het grootste, het verhevenste, het beminneliikste van alle schepselen! Het is waar e;-zijn er velen op deze wereld, die u noch kennen noch liethebben;
235
maar de hemel bezit zoovele millioenen engelen en zalige geesten, die u voortdurend beminnen en prijzen. Ja, hoevele gelukkige zielen zijn er niet op deze wereld, die uit liefde tot u branden, die door uwe goedheid als verrukt zijn. O kon ik u ook zoo beminnen, alle liefde waardige Vrouw! O kon ik mij steeds uwen dienst herinneren, kon ik steeds u prijzen en eeren, en allen er toe overhalen om u te beminnen. Gij hebt de liefde Gods tot u getrokken, gij hebt deze door uwe schoonheid om zoo te spreken van het hart zijns hemelsehen Vaders afgetrokken en bewogen om mensch, om uw Zoon te worden. ,/En zal ik, arme aardworm, niet branden uit liefde tot u. Neen, mijne allerzoetste Moeder, ik ook wil u vurig beminnen en al wat in myn vermogen is doen; opdat ook andereu u mogen liefhebben. Neem dan, o Maria, het verlangen aan, dat ik heb om u te beminnen en help mij om dit ten uitvoer te leggen. Ik weet; hoe hoog uwe beminnaars bij God staan aangeseheven; want Hij verlangt, na Zijne eigene glorie, niets zoo zeer als de uwe en om u door allen bemind en geëerd te zien. Van u, o mijne Vrouwe, verwacht ik alles, vergiffenis mijner zonden en volharding in de deugd; sta gij mij bij in mij nen doodstrijd, bevrijd mij van het vagevuur en eindelijk breng mij den hemel binnen. Dit alles hopen uwe dienaars van u en zij zullen niet beschaamd worden: en ik, die u met zooveel vurigheid tracht te beminnen en na God boven
330
idles bemin, ook ik hoop dezelfde gunst van u. Amen.
Maria leidt hare dienaars ten Hemel.
O welk een zeker teeken van voorbescliikking is den dienaars van Maria gegeven! De H. Kerk legt tot Imnnen troost haar de woorden van den Ecelesiaslieus in den mond: „in alle deie dingen heb ik rust gezocht en in het erfdeel des Heeren zal ik verbliiven.quot; Kardinaal Hugo deze woorden verklarende roept uit: „welzalig hij in wiens huis Maria hare rust vindt!
Door de liefde, die zij ons toedraagt, beijvert Maria zich ten zeerste, om bij allen do godsvrucht tot haar op te wekken, ofschoon zoovelen of deze niet in hunne zielen toelaten., ot er niet in bewaren. Zalig echter, ja driewerf zalig hij, die ze opneemt en getrouw bewaart. Ja, hocvele zielen, die nu zalig in den Hemel zyn, zouden dit koninkrijk nooit beërfd hebben, zoo niet Maria door hare machtige tusschenkomst hen daarheen had geleid. De H. Eonaventura zegt, „dat de Hemel zijne deuren opent voor allen, die op Maria vertrouwen.quot; Daarom noemt do H.
237
iXOB
Eplirem du godsvrucht tot Maria, „de ontsluiting der deuren van het hemelsch Jeruzalem.quot; De godvraclitige Blosius 0. L. Vrouw toesprekende zegt: „aan u, o mijne Vrouwe, zijn de sleutelen en de schatten van het hcmclsche koninkrijk in handen gesteld.quot; Om deze reden moeten wij voortdurend tot haar met de woorden van den H. Ambrosius bidden: „o Maria, open ons de deuren van het paradijs, waarvan gij de sleutelen hebt;''ja, de Kerk noemt u zelfs „de Deur des Hemels.quot;
Om deze reden ock noemt eindelijk de H. Petrus Diimianus haar „de hemelsehe ladder,quot; „Want,quot; zegt deze Heilige, „door Maria daalt Godzelf van den Hemel op aarde neder; opdat door haar de mensch van de aarde ten Hemel moge gaan.quot;
De H. Antonius zegt ons, „dat de Moeder Gods ons allen den Hemel door haren bijstand en gebeden heeft verworven, zoo wij slechts geen hinderpaal daaraan in den weg stellen.quot; Daarom zegt de Abt Guarricus : „hij, die Maria dient, en wiens Voorspreekster zij is, is zoo zeker van den Hemel als of hij dien reeds bezat.quot; De H. Joannes Damascenus zegt, „dat Maria te dienen en haar lieveling te zijn de grootste eer is, die wij met mogeliikheid kunnen bezitten; want de Koningin des Hemels te dienen is reeds heerschen en onder hare bevelen te leven is meer dan besturen.quot; Daarentegen voegt hij er bij, „dat degene, die Maria niet dient, niet
a 38
zalig kan worden; omdat hij, die van de hulp dezer verhevene Moeder verstoken is, tevens den bijstand van haren Zoon en van geheel het hemelseh hof derft.quot; „Moge de oneindige goedheid Gods eeuwig geprezen zijn/' roept de H. Bernardus uit; „omdat het Hem behaagd heeft ons Maria als onze Voorspreekster in den Hemel te geven; opdat zij tegelijk de Moeder van den eeuwigen Rechter en de Moeder der barmhartigheid zijnde, de groote zaak onzer eeuwige zaligheid tot eer. gewenseht einde zou kunnen leiden.quot; De H. Jacobus, een leeraar der Griek-sche kerk, zegt, „dat God Maria heeft gesteld als eene brug van zaligheid, langs welke wij de stormachtige zee dezer wereld veilig overtrekken en de zalige haven des Hemels zouden kunnen bereiken.quot; Daarom roept de H. Bonaventnra uit: „neigt uwe ooren, o volkeren, en gij allen, die naar den Hemel verzucht, dient en eert Maria en gij zult het eeuwige leven zeker vinden.quot;
Ja zelfs hij, die menigwerf de hel heeft ver diend, behoeft aan het bezit des Hemels niet te twijfelen; zoo hij slechts volhardt in den dienst dezer Koningin. „O hoevele zondaars,quot; zegt de H. Germanus, „hebben God gevonden en zijn gered geworden door uwe handen, o Maria.quot;
Het is mai^r al te waar, dat niemand ter wereld van zijne zaligheid verzekerd is, „de mensch weet niet, of hij haat of liefde waardig is,quot; zegt de Ecclesiastes. Maar op dezen tekst en op de
239
woorden van koning David, „o Heer, wie zal er in uwe tabernakelen wonen? antwoordt de H. Bonaventura; „zondaars, volgen wij Maria van nabij, werpen wij ons aan hare voeten en verlaten wij die niet voor dat zij ons heeft gezegend; want haar zegen is ons het onderpand der eeuwige zaligheid.quot; „Het is voldoende, oVrouwe,quot; zegt de H. Anselmus, „dat gij slechts wilt en onze zaligheid is verzekerd.quot; De H. Antonius zegt, „dat de zielen, die Maria beschermt en op welke zij hare oogen slaat, noodzakelijk moeten gerechtvaardigd en zalig worden.quot;
De H. Maria Magdalena de Pazzi zag eens een schip in het midden van eene stormachtige zee, waarop al de dienaars van Maria waren en hetwelk die gezegende Moeder zelve veilig naar de haven stuurde. Hierdoor verstond de Heilige, da.t hij, die onder Maria's bescherming leeft, te midden der gevaren van dit leven van de schipbreuk der zonde en van de eeuwige verdoemenis gevrijwaard is; omdat zijzelve hem in de haven des hcils binnenstuurt. Laat ons dus dit zalige schip, onder den besehermenden mantel van Maria binnentreden en het koningkrijk des Hemels is ons verzekerd; want de H. Kerk zegt: „o 11. Moeder Gods, allen, die de eeuwige zaligheid willen deelachtig worden, wonen in u eu leven onder uwe beseherming.quot;
Tc Toledo m'scliecn eens dc Moeder Gods aan een vrome Cistersienser non, die op het punt was van te sterven. De vrome doebter zeide tot haar: „o mijne Vrouw, de groote gunst, die gij mij door uw bezoek schenkt, moedigt mij aan, om u er eene nog grootere te vragen, dat is, om op hetzelfde uur ie mogen sterven, waarop gij gestorven en den Hemel binnengegaan zijt.quot; Maria beloofde haar dit, voorzeide haar het uur van haren dood en dat zij ook dc lof- en jubelzangen zoude hooren, waarmede zij bij hare hemelvaiirt was ingehaald geworden. „Bereid uzelve voor,quot; zeide zij en verdween. De zusleren haar in ziehzelve hoo-rende spreken meenden dat zij ijlde; maar zij verhaalde de verschijning, die zij had gehad en de gunst, die haar was beloofd. Zij smachtte naar het bepaalde uur en bij het slaan daarvan riep zij uit: „ziedaar het aan mij beloofde uur; reeds hoor ik de muziek dor engelen; dit is het uur, waarin mijne Koningin ten Hemel is gegaan; vrede zij ulieden; want ik volg haar om haar te gaan aanschouwen.quot; Met deze woorden ontsliep zij terwijl hare oogen als sterren fonkelden en een hemelsche glt.ns haar gelaat omstraalde.
241
O Koningin des Hemels, o Moeder der heilige liefde, gij die het beminnelijkste aller schepselen, de meest door God beminde zijt, en die ook Hem het allermeest bemint, o sta aan den ellendig-sten zondaar, die er ter wereld leeft, die door u van de hel bevrijd is en zonder eenige verdienste zoozeer door u beweldamp;digd en die daarom zoo vol liefde tot u is, sta hem toe, om u te mogen beminnen. Ware het in mijn vermogen ik zou verlangen, om aan allen die u niet kenden te leeren, hoe beminnenswaardig gij zijt; opdat zij allen u zouden kunnen beminnen en eeren. O kon ik uit liefde tot u sterven, ter verdediging van uwe maagdelijkheid, van uwe waardigheid van Moeder Gods, of van uwe Onbevlekte Ontvangenis, zoo dit noodig mocht zijn om deze uwe voorrechten te verdedigen. O allerbeminnelijkste Moeder, neem dit mijn vurig verlangen aan en laat nooit toe, dat uw dienaar, die u liefheeft de vijand worde van God, Uien gij zoozeer bemint. Helaas, voor hoe korten tijd was ik dit nog toen ik mijnen Heer beleedigde! Maar Maria, toen beminde ik u nog zoo weinig en stelde er zoo weinig belang in om door u bemind te worden. Maar nu is er, na de genade Gods, niets, wat mij zoozeer ter harte gaat als uwe liefde en om u te beminnen. Het gezicht mijner verledene zonden ontmoedigt mij niet het minste; want, o welwillende en genadige Vrouw
ik weel, dat gij u gewanrdigt, om zelfs de ellendigste zondaars, zoo zij u slechts beminnen, lief te hebben; ja, wat meer is, dat gij u door niemand in liefde laat overtrefl'cn. O alle liefde waardige Koningin, ik verlang om u in den Hemel te mogen beminnen. Daar aan uwe voeten zal het mij gegeven zijn om te zien, hoeveel liefde gij waardig zijt en wat gij al niet gedaan hebt om mij zalig te maken, en dit zal mij aanzetten, om u nog meer te beminnen, om u eeuwig te beminnen, zonder vrees van ooit die liefde te zullen verliezen. O Maria, ik vertrouw ten zekerste om door u zalig te zullen worden. Bid Jesus voor mij, dit is alles wat ik behoef: gij zijt mijne eenige hoop, gij moet mij redden; daarom zal ik steeds tot u roepen, o Maria, mijne hoop, gij moet mij zalig maken. Amen.
Over de Noodzakelijkheid van Maria's Voorspraak voor onze zaligheid.
De H. Bcrnardus zegt, „dat, gelijk man en vrouw hadden samengewerkt tot onzen ondergang, het zoo ook billijk was, dat 3en andere man
2-1-8
cn vrouw tot onze verlossing zouden samenwerken en dat deze twee Jesus en zijne H. Moeder Maria waren.quot; „Er zal wel geen twijfel bestaan,quot; zegt deze Heilige, „of Jesus alleen was voor onze verlossing meer dan voldoende; maa.r het was meer passend, dat beide de geslaclaten zouden samenwerken tot herstelling van het kwaad, dat zij ook beiden hadden bedreven.quot; De Z. Alber-tus de Groote noemt Maria „de Helpster der Verlossing,quot; en de H Maagd openbaarde zelve eens aan de H. Erigitta, „dat, gelijk Adam en Eva te zamen de \i ereld voor eenen appel verkochten, dat zoo ook zij met haren Goddelijken Zoon deze als het ware te zamen verlost hadden.quot; Ook de H. Anselmtis bevestigt ons dit nis hij zegt, „dat God, alhoewel Hij alleen de wereld uit het niet schiep. Hij nogthans. toea deze door de zonde verloren was, dit kwaad niet wilde herstellen zonder de medewerking van Maria.quot; pater Suarez zegt, dat Maria op drieërlei wijze tot onze zaligheid medewerkte; ten eerste door dat zij om hare deugd verdiende de Moeder van het menschgeworden Woord te worden; ten tweede door haar voortdurend gebed voor ons zoolang zij in deze wereld leefde; en ten derde door de vrijwillige opoffering van het leven iiaars Zoons aan God. Om dezelfde redenen heeft God ook in billijkheid bepaald, dat, gelijk Maria met zooveel liefde tot de verlossing des mensdoms medewerkte en tegelijkertijd aan haren Heer zooveel glorie gaf, dat zoo ook alle
344
stervelingen door hare voorspraak hunue zaligheid zouden verwerven
Jesus Christus zegt, dat niemand Hem kan vinden zoo niet de Eeuwige Yader hem eerst door de Goddelijke Genade tot zich trekt: „niemand komt tot mij zonder dat de Eeuwige Vader hem trekt.quot; Zoo ook spreekt Jesus van Zijne Moeder, zegt Kichard van St. Laurentius; „niemand komt tot Mij zonder dat Mijne Moeder hem eerst door hare gebeden trekt.quot; Jesus was de vrucht van Maria, gelijk de H. Elisabeth tot haar zeide: „gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend in de Vrucht uws li-chaams.quot; Daarom moet hij, die deze Vrucht wenscht te bezitten, tot Maria gaan want hij die Maria vindt, vindt ook zekerlijk Jesus.
Toen de H. Elisabeth zag, dat Maria was gekomen om haar in haar eigen huis te bezoeken en niet wist, hoe haar daarvoor te danken, riep zij vol nederigheid uit: „wat geluk geschiedt mij, dat de Moeder des Heeren tot mij komt?quot; Maar hoe kon dit? mogen wij wel vragen. Wist dan de H. Elisabeth niet, dat niet slechts Maria, maar ook Jesus in haar huis ■was gekomen? Waarom zeide zij dan, dat zij onwaardig was om de Moeder te ontvangen, en waarom sprak zij niet liever van den Zoon, die haar ook was komen be/.oekcn? tiet was omdat de Heilige ten volle wist, dat, wanneer Maria komt, zij ook Jesus met zich medebrengt en dat het daarom voldoende was om de Moe-
245
der te danken ook zonder den Zoon zelfs te noemen.
Maar hooren wij de Heiligen over de noodzakelijkheid van Maria's voorspraak. De H. Caje-tanus was gewoon te zeggen, dal wij de genade wel kunnen zoeken, doch die nimmer zullen vinden zonder Maria's voorspraak. Dit bevestigt ook de H. Antonius, wanneer hij op de volgende wijze zich allerschoonst uitdrukt: „hij die om genaden vraagt en deze zonder Maria's voorspraak denkt te zullen ontvangen is als iemand, die vliegen wil zonder vleugelen.quot; Want gelijk Pharao tot Josef zeide: „het land van Egypte is in uwe handen,'' en gelijk lüj allen, die tot hem om voedsel kwamen, naar Josef zond, zoo ook zendt God ons, wanneer wij genade zoeken, tot Maria, „gaat tot Maria;'' want „Hij heeft bepaald,quot; zegt de H. Bernardus, „dat ons geene genade gegeven zullen worden dan door de handen van Maria.quot; Cassianus spreekt in nog sterker bewoordingen; want Hij zegt onvoorwaardelijk, „dat ons aller zaligheid afhangt van de grootere of minder groote gunst en bescherming van Maria.quot; Hij, die door Maria beschermd wordt, zal zalig worden, maar hij, die dit niet wordt, gaat verloren. De H. Bernardus van Senen spreekt de H. Maagd op de volgende wijze toe : „o Vrouw, onze zaligheid is geheel in uwe handen; omdat gij de uitdeelster aller genaden zijt eu dat do genade onzer zaligheid alleen door uwe handen kan komen.'' Richardus van St. Laurentius zegt
246
daarom met gegronde reden, „dat, gelijk wij in den afgrondveriinken wanneer de grond onderonze voeten wegvalt, zoo ook de ziel, die Vein Maria's hulp verstoken is, eerst in de zonde valt en daarna in de hel.quot; De H. Bonaventura zegt, dat God ons niet redden wil zonder Maria's hulp en „dat, gelijk een kind niet in het leven kan blijven zonder voedster die het voedt, zoo ook niemand zalig kan worden zonder de bescherming van Maria;quot; en daarom verjs'ant hij ons, „om te dorsten naar de godsvruciA tot haar, om deze met zorg te bewaren en niet te verliezen totdat wij haren moederlijken zegen in den hemel ontvangen hebben.quot; „Wie kan er God kennen,quot; roept de H. Germanus uit, „o allerheiligste Maria, tenzij door u? Wie kan er zalig, wie van de gevaren bevrijd worden, wie kan er eenige genade ontvangen, tenzij door u, o Moeder Gods, o Vrouwe vol van genade !quot; Op eene andere plaats zegt hij: „niemand zal er vrij zijn van de gevolgen der begeerlijkheid des vleesches en der zonde, zoo gij hem hiertoe den weg niet wijst.quot;
Laten wij dan, volgens de woorden van den H. Bernardus, „ons beijveren om do Goddelijke Moeder met geheel ons hart te eeren; want het is de wil Gods, dat wij alle goeds u t hare handen zullen ontvangen.quot; Daarom vermaant ons dezelfde Heilige, om, zoo wij eenige genade vragen of verlangen, onszelven aan Maria aan te bevelen en verzekerd te zijn, dat wij die door haar zullen verkrijgen; want, zegt hij, zoo gij
247
de guust niet verdient, is Maria daar om die voor u te vragen en om te verdienen, dat gij die ontvangt.
Pater Paulus Segneri verhaalt ons in zijne geestelijke onderriclitu gen het volgende voorval. Een jonkman vol zondige gewoonten en met misdaden overladen kwam eens te Rome bij Pater Nicolaus Zucchi te biechten. Deze ODtving hem met liefde en vol medelijden met zijn el-lendigen toestand verzekerde hij hem, dat hij sleehts door de godsvrucht tot de H. Maagd zou verlost worden van de zonden, waaraan hij zich had overgegeven. Hij legde hem daarom als boete op om tot zijne volgende biecht toe des morgens bij zijn opstaan en des avonds bij zijn slapengaan een „Wees gegroet'' te bidden en terzelfder tijd zijne oogen, zijne handen en geheel zijn lichaam aan Maria toe te wijden als iets, dat haar geheel en al toebehoorde en om daarbij driemaal den grond te kussen. De jonkman volbracht de penitentie, maar ondervond in het eerst weinig beterschap. Üe Pater legde hem echter voortdurend dezelfde boete op, beval hem hiermede steeds voort te gaan en moedigde hem aan, om in de bescherming van Maria zijn ver-
■348
trouwen te stellen. Terzelfder tijd verliet de boeteling Pome en doorreisde met eenige zijner gezellen verscliillende deelen der wereld. Teruggekeerd zijnde zocht hij zijn vorigen biechtvader weder op en deze vo.nd hem tot zijne groote vreugde en bewondering geheel van zijne vroegere slechte gewoonten bevrijd. //Mijn zoon,quot; zeide hij, „hoe hebt gij deze wondervolle verandering van God verkregen?quot; en hij andwoordde: „mijn vader, O. L. Vrouwe heeft mij deze genade verworven ter oorzake van de kleine devotie, die gij mij hebt opgelegd.quot; O wonder der wonderen, toen Pater Zucchi den volgenden dag het voorval van den predikstoel verhaalde, hooi de dit een hoofdman, die gedurende tal Van jaren in zondige gemeenschap met eene vrouw leefde en hij nam het besluit om dezelfde devotie te oefenen, ten einde van de ketenen der zonden, die hem tot een slaaf des duivels maakten, bevrijd te worden; (want het is noodig, dat de zondaar dit goede voornemen heeft; opdat de H. Maagd hem kunne bijstaan) Hij zeide zijn zondig leven dan vaarwel en veranderde dit geheel en al. Zes maanden daarna ging hij in dwaasheid en te veel op zijne eigene krachten steunende deze vrouw een bezoek brengen, om te zien of ook zij zich bekeerd had. Aan de deur van het huis gekomen, waar liij klaarblijkelijk in gevaar was van in de zonde te hervallen, voelde hij zich door eene onzichtbare kracht eene straat ver teruggedreven en stond hij plotselsng voor
249
de deur van zijne eigene woning. Hij begreep hieruit duidelijk, dat Maria hem aldus van zijn verderf had bevrijd.
Leeren wij hierait, hoe zorgvuldig onze goede Moeder is niet sleehts om ons uit den zondo-staat te trekken, zoo wij onszelven met dat voornemen aan haar aanbevelen; maar ook om ons te bevrijden van het gevaar van daarin te hervallen.
O Koningin en Moeder der barmhartigheid gij, die aan allen die tot u vluchten, uwe genaden uitdeelt met zoo groot eene mildheid; omdat gij Koningin zijt, en met zoo groote eene liefde; omdat gij de allerbeminnelijkste iloeder zijt, aan u beveel ik mijzelven heden aan, verstoken van alle verdiensten en deugden en overladen als ik ben met schulden aan de goddelijke gerechtigheid. O Maria, gij die de sleutelen der godde-i lijke barmhartigheid bezit, vergeet mij niet in mijne ellende en verlaat mij niet in mijne armoede. Gij, die jegens allen zoo mild zijt, dat gij meer geeft dan men u vraagt, o handel ook zoo mild met mij. O mijne vrouwe, bescherm mij, ' dit is alles, wat ik van u vraag; want zoo gij mij ' beschermt vrees ik niets. Ik vrees geen booze
250
o-eesten; want gij zijt sterker dan zij allen te zamon. Ik vrees mijne zonden met; want een enkel woord van u verkrijgt mij de volle vergiffenis er van bij God. Ja, met uwe gunst vrees ik zelts een vertoornden God niet; want een enkel gebed van u zal Mem bedaren. Eindelijk, zoo gij mij beschermt, lioop ik alles van u; wa,nt o-ij zijt alvermogend» O Moeder der barmhartigheid, ik weet, dat gij er behagen in schept en roem op draagt om de meest ellendige te helpen zoo zij niet hardnekkig zijn. Ik ben een zondaar maar geen hardnekkige zondaar; want ik verlang mijn leven te beteren. Gij kunt mij dus helpen, o help mij dan en red mij. Ikstelmij-zelven geheel en al in uwe handen; zeg mij, wat ik te doen heb om aan mijnen God te behagen want ik beu tot alles bereid en hoop, o Maria, met uwe hulp alles te doen, o Maria, mijn licht, mijn troost, mijne toevlucht, mijne hoop Amen. Amen. Amen.
OPURACHT VOOB DEN LAATSTEN DAG DER MEIMAAND
O mijn Jesus, bij wiens lijden een zwaard van droefheid, volgens dc voorzegging van den H.
Simeon, de zoete ziel van Maria, de glorievolle Maagd en Moeder, doorboorde, geef edelmoedig dat wij, die op nieuw deze doorboring en dit lijden vereeren, door de voorspraak en de rotm-volle verdiensten en gebeden van alle Heiligen, die met vertrouwen uw kruis hebben gedragen, ook met hen de vruchten mogen plukken, die Uw Goddelijk lijden voor ons heeft gehad,
o
die
leeft en heerseht in alle eeuwen
der eeuwen Amen.
Suelpersdrukkerij van G. G. Hrugmaii. -- Amsterdam.