L Q
INSTITLrjquot;; de VOOYS voos. :• ■ ::r ■ • \ dse ta a l-
L. . . AT /. f, -yq
WJKSUNIVEILSITEIT TE UTRECHT
bHHKHS amp;mSM
' a-
NOVELLEN.
0854 7824
VAN
CH. HOCHUSSEN.
LEIDEN. — A. W. SUTHOFF.
„Komaan, Moeder! 't is tijd! de meid heeft ons reeds tweemaal gewaarschuwd en wij moeten voort.quot;
„Ja, Vader! ik ben klaar; maar Mieltje heeft nog haar bekomst niet: en ik kan het schaap toch niet van de borst nemen voor het verzadigd is.quot;
„Mij dunkt, gij had wel kunnen zorgen, dat het kind vroeger zijn middagmaal kreeg. Nu loopen wij nog kans, te laat te komen. Ik zou in geen geval de veerschuit willen missen; want ik heb er vast op gerekend, hedenavond te Amsterdam te zijn: — 't is toch een ongelukkig geval, dat gij vrouwen nooit op uw tijd klaar zijt.quot;
Dit huiselijk gesprek had plaats op den 10den Maart van het jaar 1623, te Haarlem, in de herberg „Het Wapen van Amsterdam,quot; tusschen den Heer Wilhelm Barten en zijn huisvrouw.
Gezegde Heer Wilhelm Barten was een Geldersman, die voor zijn zaken zich eenigen tijd in Holland, en laatstelijk te Haarlem, had opgehouden, en nu voornemens was, over Amsterdam de terugreis naar zijn woonplaats aan te nemen.
Een traject van Haarlem naar Amsterdam was echter in die dagen geheel iets anders dan het nu is niet alleen, maar
II. — Nov. 1
zelfs dan het was tien jaren nadat de Heer Barten het moest afleggen: en die beide steden, welke nu, om zoo te zeggen, schier aan elkander liggen, waren te dier tijd door een aan-merkelijken afstand gescheiden.
In onze dagen krijgt een Haarlemmer in 't hoofd, naar Amsterdam te gaan: hij begeeft zich naar het station van den spoorwagen, en zoo er geen onvoorziene tegenspoeden plaats hebben, is hij binnen 't halfuur aan de poort dei-hoofdstad.
Ruim vijftig jaar geleden, wanneer hij hetzelfde voornemen had, ging hij naar de Houtstraat of naar de Spaarnwouderstraat, en op elk uur van den dag stond hier of daar een diligence gereed, en het duurde nauwelijks anderhalf uur of hij bevond zich in het hartje van Amsterdam.
Tachtig jaar geleden had dezelfde Haarlemmer — of zijn vader, zoo hij nog niet geboren was — wanneer hij naar Amsterdam moest, een weinig verder te wandelen: doch hij was niettemin zeker, buiten de Spaarnwouder poort schier elk uur een trekschuit te vinden, die hem in twee en een vierde uurs tot vlak bij de Haarlemmerpoort bracht.
Maar op het tijdstip toen Wilhelm Barten denzelfden tocht ondernemen moest, was de spoorweg, waren zelfs de straatweg en vaart nog verre te zoeken. Van de stoomkracht droomde men nog niet, en eer (in 1631) een weg en vaart werden aangelegd, moest eerst (in 1629) een Prins verdrinken '). Een ongeluk is toch altijd ergens goed voor.
De afstand, die de beide steden in die dagen van elkander scheidde, is onmogelijk te bepalen; want die hing af van weer, wind en tij. Zeker is het, dat die meer dan een halfuur, dan anderhalf uur, dan derdehalf uur was.
Immers, men had tusschen drie wegen te kiezen.
Men kon — of naar Spaarndam wandelen of varen en vandaar, het IJ langs, den dijk volgen, tot men eindelijk te Amsterdam kwam: geen zeer vermakelijken weg, op welken
1) De zoon van den Koning van Bohemen.
men kans had, in den zomer van gebraden te worden, in het voor- en najaar van om te waaien, en in den winter van te bevriezen: daargelaten, dat, wanneer het geregend had, men alles behalve zeker was, niet in 't slijk te blijven steken. Wie, 't zij te voet, 't zij te paard — aan een voertuig viel niet te denken — binnen de zes uren de plaats zijner bestemming bereikte, mocht van geluk spreken.
Of men kon, met een zeilvaartuig, het Sparen af, in 't IJ, en zoo naar Amsterdam komen: — een middel van gemeenschap, dat nog heden ten dage door vele vrachtschippers gebezigd wordt.
Of men kon eindelijk zich van de veerschuit bedienen, die dagelijks het Sparen opvoer en over 't Haarlemmermeer naar den Overtoom zeilde: — dit was, wat de meeste reizigers deden en wat ook het voornemen was van Wilhelm Barten, tot wien wij nu terugkeeren.
„Heerschap!quot; riep ]de meid uit de herberg, terwijl zij haar hoofd door de even geopende deur stak, „de kruier zegt: zoo je nu niet gaat, zal je te laat komen. Het is op slag van negenen.quot;
„Kom!quot; zeide Barten: „verzadigd of niet, het kind moet van de borst en wij moeten voort.quot;
Mejuffrouw Barten begon nu te begrijpen, dat haar man gelijk had, en, het kind aan de dienstmaagd, die met haar was, overreikende, haastte zij zich, haar kleed en schorteldoek dicht te maken, en haar falie om te slaan, waarna zij het kind terugnam; terwijl haar getrouwe Jenneke zich belastte met de doos en den geknoopten doek, die eenige van die voorwerpen bevatteden, welke de vrouwen doorgaans als onontbeerlijk beschouwen en daarom bij de hand wenschen te houden. Barten stond reeds lang met hoed, stok en mantel klaar, gereed de deur uit te stappen, en toch aarzelende zulks te doen, daar hij zijn tegenwoordigheid noodig achtte om de vrouwen aan te zetten tot het maken van den noodigen spoed. Doch zooals het altijd gaat, juist op het laatste oogenblik waren er nog voorwerpen zoek, en andere, waarvan men niet zeker
4
was, of men ze wel geborgen had; en toen Barten eindelijk meende, dat alles klaar was, bedacht zijn vrouw, dat er nog niet gezorgd was voor het medenemen van de noodige proviand; en dat men op een langen tocht, als dien men te ondernemen had, toch wel geen honger kon lijden.
„Kom! kom!quot; zeide Barten, driftig wordende: „wii zullen onderweg wel wat voorraad koopen: haast u toch! want op deze wijze komt gij nimmer te Amsterdam.quot;
De goede man dacht niet, dat hij zulk een treurige profetie uitte, en jaren naderhand kwamen de toen zonder erg gesproken woorden hem nog meermalen voor den geest en wekten dan de pijnlijkste herinnering bii hem op.
Juffrouw Barten dorst geen nieuwe bezwaren opperen, en weldra stapte het geheele huisgezin de voordeur uit, waar de kruier met den koffer al een geruimen tijd had staan wachten.
„'t Zal hard houên, als wij de schuit nog halen,quot; zeide de kruier, met een bedenkelijk gezicht.
„Haast u dan maar wat,quot; antwoordde Barten: „en ik zal u een goede fooi geven.quot;
En nu ging het gezelschap op weg; doch Barten was zoo goed niet, of hij moest nog, ingevolge zijn belofte, bij een bakker ingaan om eenige krentenbollen en koek te koopen, 't geen hij alleen deed onder voorwaarde, dat de vrouwen vooruitloopen en er niet langzamer om gaan zouden: hij zou ze wel inhalen, zeide hij.
Maar men werd in die dagen niet bijzonder vlug geholpen in de winkels te Haarlem: -— hoe het er thans mede gesteld is, zullen zij best weten, die er aankoopen te doen hebben. — De bakkerin, tot wie Barten zich wendde, vond eerst vrijmoedigheid om hem te vragen, of hij naar Amsterdam ging, en toen, of hij voor zaken, of voor zijn genoegen reisde, waarna zij eenige opmerkingen maakte over het fraaie weer, de genoegens van het zeilen en de weinige voorkomendheid van den schipper.
Toen Barten eindelijk, na Jobs-geduld te hebben uitgeoefend, den noodigen voorraad, in grauw papier gewikkeld, ontvangen
5
had, en een daalder op de toonbank wierp, had de bakkerin geen klein geld om hem terug te geven, en moest zij nog naar achteren loopen om het uit allerlei verborgen hoeken bijeen te schrapen: — zoodat Barten, in weerwil dat hij een vroom en godvreezend man was, al zijn zelfbeheersching noodig had om niet te vloeken als een bezetene.
Eindelijk was alles in orde, en, zoo snel als iemand loopen kan, die tegen den wind op laveert met een zwaren mantel om 't lijf en een pak broodjes en koek onder den arm, welk pak, na lang gedreigd hebbende los te gaan, eindelijk losging, haastte zich Barten nu naar 't Sparen. De veerschuit, dit wist hij, lag aan de overzijde der rivier, en hij moest dus de brug over; — en nu, gelijk het altijd gaat, wanneer men haast heeft, juist toen hij aan de brug kwam, vond hij, dat er een schip in zat. Aan de overzijde stonden zijn vrouw, de meid en de kruier hem half wanhopend aan te kijken.
„Maakt maar dat gij vooruit komt!quot; riep hij hun toe, „en waarschuwt den schipper, dat ik kom, en dat hij niet moet wegvaren, voordat ik er ben.quot;
Het drietal zette de wandeling voort: en nadat Barten een tijdlang had staan stampvoeten, en de vijf minuten, welke noodig waren om het schip door de brug te krijgen, besteed had aan het weder dicht te maken, zoogoed als hij kon, van het pak met eetwaren, ging de brug eindelijk neer. Hij nam nu opnieuw den draf aan, en haalde in 't zweet zijns aan-schijns zijn gezelschap in, juist intijds om de veerschuit, in de verte, en aan de andere zijde van den stadsbuitensingel, te zien — wegvaren.
Een wanhopige poging te doen om haar in te halen, ware vruchteloos geweest; hij had te dien einde de poort moeten uitgaan, en voorts met een omweg weder het Sparen bereiken: en in dien tijd zou de schuit wel al uit het gezicht zijn geweest.
„Een beetje te laat is veel te laat, heerschap!quot; zeide de kruier, hem met een vragenden blik aanziende, die zooveel zeggen wilde als: „waar zal ik nu het goed heenbrengen?quot;
„Daar heb je nu het gevolg van dat weergasche talmen,quot;
6
zeide Barten tegen zijn vrouw; maar ziende, hoe bedrukt zij er uitzag en hoe warm en vermoeid van het harde loopen met een kind op den arm, gevoelde hij zijn gramstorigheid voor medelijden plaats maken, en zeide op min straffen toon:
„Kom! blijf hier nu niet staan: anders vat gij nog kou, gij en Hieltje.... 't is intusschen vrij lastig; maar 't kan niet gebeterd worden.quot;
„Moet het zelschop naor Amsterdam, als ik vraegen mag?quot; klonk opeens een stem achter hem.
Barten wendde zich om en zag een stevigen, vierkanten kerel voor zich staan, wien hij aan zijn door de zon verbrand gelaat voor een schipper zou herkend hebben, al had de man een ander gewaad gedragen, dan het duffelsch buis, de wijde broek, de ruige muts en de houten klompen, waarmede hij zich aan hem vertoonde.
„Ja, vriendschap!quot; antwoordde Barten: „weet gij daar gelegenheid toe?quot;
„Misschien wel,quot; antwoordde de schipper, „ik zijn wel niet ewoon, passagiers aan boord te nemen; want ik zijn eigenlijk maer vrachtschipper; maer as het heerschop 't waegen wil, ik zal hem al zoo gaeuw naer Amsterdam brengen as de veerschuit. Ik zijn toch ook veurnemens om zoo daedelijk te vertrekken.quot;
„Ja?quot; zeide Barten, wien het voorstel zeer toelachte, maar die zulks niet wilde laten blijken, uit vrees, dat de eischen van den schipper in evenredigheid zouden wezen met de gretigheid, waarmede hij (Barten) het aanbod aannam: „maar wij zijn met ons drieën en een klein kind; en uw vaartuig zal misschien niet ingericht zijn, om zooveel volk te ontvangen.quot;
„O, wat!quot; zeide de schipper; „daer is geen zwaerigheid veur; plaets zatter, en 't is moy weer: Als het beneden te benaeuwd wordt, kan men boven zitten, ik zou het maer waegen, Heerschop ! je hoeft me niet meer te betaelen dan de schuitvracht en een fooi an den knecht, ae je tevreden bent.quot;
„Die zal hij hebben,quot; zeide Barten, wien dit aanbod alleszins
redelijk voorkwam. „Ziezoo, Moeder!quot; riep hij zijn vrouw toe, „wij zijn weer geholpen. Deze man zal ons meenemen. — Waar ligt uw schuit, vriendschap? en kunnen wij dadelijk aan boord gaan?quot;
„Deuzen weg, deuzen weg!quot; antwoordde de schipper, vooruit-loopende: „hier. Hannes! help de vrijster reis, as 'n man, om het goed binnen te brengen.quot;
En Hannes, het oudste zoontje van den schipper, een blonde krullebol van ongeveer twaalf jaren, kwam op deze woorden zijns vaders toeloopen, en ontlastte Jenneke, die rood zag als een aardbei, van de doos, die zij onder den arm droeg. Wat het andere pak betrof, dat wilde zij hem om al de wereld niet vertrouwen, uit vrees, dat het los mocht gaan, en al de rommel, gelijk zij zeide, er uit vallen.
Weldra waren zij ter plaatse gekomen, waar het vrachtschip lag; de schipper en een zijner knechts namen den koffer van den kruiwagen en lieten dien in het ruim van het schip neder: de kruier ontving zijn loon, en weldra was Barten met de zijnen aan boord.
Op het oogenblik, dat zijn vrouw, met de kleine Emilia op den arm, in de schuit stapte, rees een andere vrouwelijke gedaante, mede met een zuigeling op den arm, ter halverlijve het luik uit.
„Goeden dag, vrouw!quot; zeide mejuffrouw Barten: „Zie eens, Mieltje! daar is nog een kindje! Geef een kushandje aan het kindje! Hoe oud is het uwe, vrouw?quot;
„Wel, dat zal met Amsterdamsche kurmis 'n jaer worden,quot; antwoordde de vrouw, haar zuigeling doende opspringen: „niet waer, men poppeken! met kurmis wordt het 'n jaer: jae 't is net zoo'n kurmuspoppedondijn.quot;
Als naar gewoonte gaf juffrouw Barten haar verbazing te kennen dat het kind van de schippersvrouw al zoo groot en dik was, en het van haar kind won, dat reeds met Sint-Jan een jaar zou worden; en, evenzeer als naar gewoonte, zeide de schippersvrouw; „dat het kind van de juffrouw er ook wel weunen mocht.quot; En zoo was ten gevolge dier vrijmetselarij.
8
welke tusschen alle zogende moeders, van welken stand ook, bestaat, de kennis tusschen de beide vrouwen reeds gemaakt en een levendig, doch ook alleen voor haar beiden belangrijk, gesprek aangeknoopt, eer het vaartuig nog van wal was gestoken; ofschoon hiermede niet getalmd werd.
„Is de gelegenheid nogal gunstig?quot; vroeg Barten aan den schipper, toen de knechts de touwen losgegooid hadden, en hij zich aan het roer plaatste.
„Zoo schoon as men maer wenschen kan,quot; antwoordde de schipper: „een moye kou om het Spaeren uit te kommen, en as het dan wat aenwakkert, dan zijnen we in een vierdehalf uur over: jae misschien nog in korter taid; maer met dat al, daer valt noyt van te zeggen. Weer en wind zijnen in Gods hand.quot;
Terwijl de schipper deze over 't geheel vrij geruststellende mededeeling deed, waren zijn beide knechts begonnen, het vaartuig naar buiten te boomen, en stond de kleine Hannes bij 't zeil gereed om, zoodra het tijd was, een handje te helpen om het naar boven te hijschen. Weldra klonk daartoe het bevel, en nu ging het met vluggen spoed het Sparen op.
Juffrouw Barten had, toen de eerste drukten, aan het van wal steken verknocht, over waren, en het schip behoorlijk onder zeil was, haar kind weder aan de borst genomen, en het daardoor rustig gehouden, tot men aan den hoek van het Sparen kwam. Maar nauwelijks was het vaartuig op het Meer, of de kleine Emilia begon bitter te schreeuwen.
„Wat schort Hieltje,quot; vroeg Barten: „dat ze zulk een erbarmelijk geweld maakt?quot;
„Ja! vraag het haar zelve maar,quot; zeide de moeder: „ik weet het inderdaad niet.quot;
„Zeker een speld, die haar prikt,quot; hervatte Barten: „ik wou dat men die luren kon vastmaken, zonder spelden te gebruiken.quot;
„Ik heb er al naar gezien,quot; zeide de moeder: „maar ik kan niet vinden dat haar ergens een speld zou hinderen.quot;
„Wil ik het kind wat houden,quot; vroeg de meid: „en zien of ik het sussen kan?quot;
9
„Ik mag lijden, dat gij er de proef van neemt, Jenneke!quot; hernam juffrouw Barten; „ik kan het niet tot bedaren krijgen.quot;
Maar of Jenneke het kind al deed opspringen en liedjes zong uit den treuren, en alle middelen in 't werk stelde, die ooit door bakers of minnemoêrs zijn uitgevonden om kinderen tot bedaren te brengen, 't mocht niets baten, en Mieltje schreeuwde al luider en luider.
„Wat dunkt de Juffrouw!quot; zeide de schippersvrouw, wederom ter halverlijve voor den dag rijzende: „als wij het kind reis in de wieg leien? Wie weet, 't zou misschien luisteren naar het wiegen.quot;
„Wel,quot; antwoordde juffrouw Barten: „uw voorstel is zoo vriendelijk, dat ik het van harte gaarne aan zou nemen; — maar uw eigen kind? .. . .quot;
„O, mijn jongen slaapt as 'n roos,quot; antwoordde de vrouw: „en ik kan hem makkelijk op het bed leggen.quot; — En nu, geheel uit de kombuis stijgende, klom zij in de ladingplaats af, kwam weldra met haar zuigeling te voorschijn, bracht dien naar achteren, en leide hem op haar bed.
„Kom,quot; zeide zij toen, terugkomende; „geef nou dat lieve wurm maer hier!quot; en meteen het uit Jennekes handen nemende, daalde zij weder in de ladingplaats af.
Het moederlijk gevoel van juffrouw Barten kon echter niet dulden, dat het kind geheel aan de zorg eener vreemde zou worden overgelaten, en ondanks het ongewone van een derge-lijken descensus ad inferos '), overwon juffrouw Barten den schroom, dien zij eerst gevoeld had, en klom, hoewel niet zonder moeite, ook in de ladingplaats af.
En werkelijk, daar stond, tusschen allerlei vrachtgoederen in, een houten wieg, van zoodanig fatsoen, als men nog in De Brunes zinnebeelden kan opsporen. De schippersvrouw leide de kleine Emilia er in, en nauwelijks had zij door een lichten stoot de wieg even doen schommelen, of het kind hield als
') Afdaling naar de benedenwereld.
10
door een tooverslag op met schreien en zag lachend de beide vrouwen aan.
„Zie je wel?quot; zeide de schippersvrouw: „heb ik het niet 'zeid; 't helpt aanstonds.quot;
„Komaan!quot; deed eerlang de stem van Barten zich hooren: „het kind is nu zoet: en wij zouden wel eens aan de krentenbollen kunnen gaan: ik heb ze zuur genoeg gehaald.quot;
II.
Tot hiertoe heb ik niets dan zeer gewone gebeurtenissen verhaald, die het gewis de moeite niet waardig ziin zoude aan iemand mede te deelen, en waarvan de eenige verdiensten zijn, dat zij aan een lang verleden tijd doen herdenken en hielen daar eenige kluchtige toestanden, die Hildebrand in proza, of Van Zeggelen op rijm tienmaal beter en geestiger en schilderachtiger zou hebben voorgesteld dan ik; — wat het vervolg der geschiedenis betreft, om dat naar behooren te schetsen, daartoe zoude ik of de pen van mijn lieve vriendin Mevr. Bosboom, of de lier van Bogaers of Ten Kate moeten leenen; — en ik begin bijna berouw te gevoelen, dat ik mij niet vergenoegd heb, het verhaal daarvan eenvoudig zoodanig te geven, als ik het gevonden heb in het geslachtsregister, waar het uit genomen is: thans deins ik zelf bijna terug voor het contrast, dat hetgeen volgen meet op zal leveren met hetgeen vooraf gaat; — maar helaas! zoo bestaat ook het menschelijk leven uit bestendige contrasten en worden niet zelden blijde scherts en zorgelooze vreugd door droevig geween en hartverscheurend leed vervangen. Ik ben nu eenmaal in 't schuitje, en goed-of kwaadschiks moet ik voort.
Barten en de zijnen waren ook in 't schuitje, of liever in 't vrachtschip, en aten ongestoord hun krentenbollen met koek, en keken rond, nu eens naar de duinen, dan weder naar de torens van Haarlem, dan weder naar die van Amsterdam, en
11
praatten onbekommerd door, zonder te bemerken, dat het gelaat van den schipper sedert eenigen tijd eenigszins betrokken was, en dat zijn blik zich nu en dan met bezorgdheid naar 't Westen wendde. Alleen begonnen zij langzamerhand een zekere onaangename gewaarwording te bespeuren, die nog wel geen zeeziekte was, maar er toch veel naar zweemde, en welke Barten niet zonder reden daaraan toeschreef, dat de beweging van het schip, die tot nog toe zacht en gelijk geweest was, minder regelmatig werd, zoodat men nu en dan vrij onaangename schokken en stooten voelde: hoewel een ongeoefend oog niet bespeuren kon, 'dat, hetzij het weer, hetzij het water, eenigszins veranderd waren.
„Wat kan de reden zijn,quot; vroeg Barten eindelijk aan den schipper, „dat de schuit nu zoo stoot en slingert: zooeven lag zij nog als een eend op het water ? Gaat hier meer stroom ? of zijn hier ondiepten?quot;
Nauwelijks had hij deze vraag gedaan, of hij verbleekte: zoo ontzette hem de uitdrukking van het gelaat des schippers. Deze had naar de woorden van Barten niet geluisterd, of het oogenblik niet geschikt geoordeeld om er op te antwoorden; maar zijn blik bleef strak op het Westen gevestigd: de beide knechts deelden blijkbaar in het angstige gevoel, dat den schipper bezielde, en stonden op de voorplecht gereed zijn bevelen op te volgen: zelfs het vroolijke gezicht van den blonden krullekop Hannes had zijn gewone uitdrukking van guiterij verloren, en met angstige bezorgdheid hield hij de oogen op die zijns vaders gevestigd.
Te meer was Barten verwonderd, omdat de wind hoe langer hoe flauwer was geworden: het zeil klapperde tegen den mast en de wimpel hing druipend neer; weldra werd het blak stil; maar het was, als had de zon hare helderheid verloren; het water was zwart als inkt geworden, en zwermen van meeuwen en andere onweersvogels vertoonden zich fladderend op de oppervlakte van het Meer,
„Hoeveel water hebben wij?quot; vroeg de schipper kortaf, en zonder om te zien.
12
„Zes voet,quot; antwoordde de knecht, den peilstok uitwerpende: „vijf voet, vijf voet, vijf en een half.quot;
„Laat vallen!quot; riep de schipper met een stentorstem, en in een oogenblik waren de zeilen naar beneden gehaald.
Het was meer dan tijd; want van uit het Westen vertoonde zich, op eenigen afstand, als een vaalgele, scherpe punt op het water, die met ongelooflijke snelheid toeschoot en achter zich een geel gordijn scheen te sleepen, dat van lieverlede de geheele oppervlakte van het Meer bedekte: weldra was de punt in de nabijheid van het vaartuig, en toen zij het voorbij-gestoven was en het water daaromheen mede diezelfde kleur had aangenomen, toen stegen opeens de golven als torens om het schip en bedekte zich de lucht als door een toover-slag met pikzwarte wolken en gierde de orkaan met ontzettend gesis door het zwerk.
„Werp het anker uit,quot; riep de schipper: „wij zullen het hier wel kunnen houden.quot;
De last was terstond ten uitvoer gebracht, en nu reed het vaartuig slingerend op en neder.
„Zou er gevaar zijn?quot; vroeg Barten fluisterend aan den schipper.
„Wat zal ik je zeggen. Heerschop!quot; antwoordde deze, de schouders ophalende: „op het water is men noyt heelemaal buiten gevaer: en, zoo waer ik Krijn Bouwensz hiet, ik wou al zoo lief dat wij een opperwalletje hadden en een weinig meer beschut waeren tegen den storm, maer het had erger kunnen wezen: gelukkig hebben wij intijds de zeilen kunnen bergen.quot;
Barten haastte zich, deze mededeeling des schippers, althans het meest geruststellende daarvan, aan zijn vrouw en aan Jenneke mede te deelen, die, beiden door een hevigen aanval van zeeziekte overvallen, half wezenloos op de luiken van het vrachtschip lagen.
Wanneer een schip voor anker ligt in een storm, valt er voor de manschap zelden veel meer te doen dan te wachten tot het opklaart: en zoo gingen ook nu zoowel de schipper
18
als zijn zoon en zijn beide knechts op de voorplecht zitten, en deelden elkander hun opmerkingen mede aangaande het weer of de meer of minder waarschijnlijke kansen op een verandering ten goede.
„Gelukkig, dat het niet regent,quot; merkte Barten aan, terwijl hij, door middel van een doek, dien hij onder de kin vaststrikte, zijn hoed tegen het afwaaien beveiligde, en de knoopen van zijn mantel dichtmaakte: „anders zouden wij niet weten, waar met ons allen te schuilen.quot;
„En ik wou, dat het regende,quot; zeide de schipper: „dan zouên wij hoop kunnen hebben, dat het gaeuwer 'edaen was; maar alle drommels! daer heb je 't gegooi in de glaezen al.quot;
Deze uitroep werd veroorzaakt door een hevigen schok, die Barten bijna om deed tuimelen: het schip had tegen den grond gestooten.
„Ik dacht toch, dat wij hier een goeien ankergrond hadden,quot; zei de schipper: „ hier Dries! geef mij den tandenstoker reis an; ik mot mij zeivers overtuigen, hoeveel waeter wij hebben.quot;
Maar op hetzelfde oogenblik, dat hij den peilstok in handen nam om de diepte van het water te onderzoeken, stootte de schuit ten tweeden male.
„Hier kunnen wij niet blijven,quot; zeide de schipper, het hoofd schuddende; „dan het maer op Genade gewaegd; wind het anker maer op. Dries! dan zullen wij den kluiver hijschen en zien of wij een betere ankerplaets kunnen bekomen.quot;
Het eerste gedeelte van dit bevel werd met goed gevolg ten uitvoer gebracht; maar minder gemakkelijk viel het, aan het tweede gedeelte te voldoen, en zoo hevig speelde de wind in het zeil, dat naar boven geheschen werd, dat de krachten der drie mannen en van den knaap vereenigd nauwelijks toereikende waren, om de touwen te houden en vast te maken.
En nu ging het over het Meer, als had een helsche geest het vaartuig voortgedreven: de schipper en Dries stonden beiden tegen 't roer geleund om de schuit zooverre mogelijk van den oever af te houden, waar de storm het naar toe
14
dreef, en om het zooveel mogelijk naar een dieper vaarwater te sturen; terwijl de andere knecht voortdurend den grond peilde. Dan, op het oogenblik, dat de schipper juist gekomen was op een plaats, waar hij betrekkelijk zich meer veilig achtte, kromp de wind plotseling eenige streken, zoodat het zeil, aan de verkeerde zijde wind vattende, om den mast heen sloeg.
„Gooi alles los!quot; riep de schipper: „gooi los, of wij zijn er om koud! Bij alle....quot;
Pijlsnel was, reeds voordat zijn vader het bevel had kunnen geven, de blonde knaap opgesprongen om het touw los te maken; maar ongelukkig was op dat oogenblik de knecht, die aan 't peilen was, zonder zich over zijn peilstok te bekommeren, dien hij in 't Meer liet vallen, met zulk een drift toegeschoten, dat hij over Hannes heentuimelde. Dat ongeval kon slechts eene seconde vertraging geven; maar een seconde op zulk een tijdstip geldt meer dan anders dagen; het zeil, door den orkaan op zijde gedrukt, deed het geheele vaartuig die zijwaartsche richting volgen: een enkele kreet, uit acht monden tevens aangeheven, liet zich hooren: de vrachtschuit sloeg om, en al wat daarin was stortte in de golven.
Barten was de eenige onder de mans en vrouwen aan boord, die niet terstond naar de diepte was gegaan; de zware mantel, dien hij droeg, had zich rondom uitgespreid en hem boven water gehouden. Hij zag rond, zooveel het water, dat hem in de oogen spatte, hem toeliet te zien, en het was hem, als bespeurde hij hier en daar, tusschen de rollende golven, gedaanten die bovenkwamen en weer onmiddellijk verdwenen; het was hem, of hij onder die gedaanten ook die van zijn beminde vrouw herkende, die hem een afscheidsblik toewierp; zijn hart kromp dicht van weemoed en ontzetting, en hij was op het punt, zich om te werpen, en zijn geliefde panden in hun watergraf te volgen, toen er een zwaar lichaam tegen hem aansloeg: het was een der luiken van het schip. Toen deed het nimmer uitgedoofd gevoel van zelfbeveiliging, hem in dat luik het middel eener mogelijke behoudenis ontwaren;
hij greep het, klemde er zich aan vast en liet zich nu dooide gejaagde golven voorwaarts drijven. Niet lang had hij op deze wijze het water doorkliefd, of hij hoorde zich opeens tot zijn verbazing roepen: hij zag om, en ontdekte iemand, die met krachtige inspanning tegen het water worstelde. In een drietal slagen was de schipper, want deze was die kloeke zwemmer, aan zijn zijde.
„Ziezoo!quot; zeide Krijn Bouwensz, terwijl hij het luik met de linkerhand vatte: „met zulk een steun zal ik het wel verder rooien, en wij beiden voor 't minst zullen behouèn zijn, — maer knoop dien mantel los, die al doornat is en toch enkel maer tot ballast verstrekt.quot;
De ongelukkige Barten poogde met de linkerhand den gegeven raad op te volgen; maar zij was verkleumd en verstijfd van de koude en weigerde allen dienst.
„Hier!quot; zeide de schipper, en reikte hem het mes toe, dat hij uit zijn zijzak gehaald had.
Nog had Barten werk om de knoopen los te snijden en trilde het mes in zijn bevende hand; maar eindelijk toch slaagde hij, en de mantel vloog verre weg over de golven.
„Goed zoo!quot; zeide de schipper, terwijl hij het mes terugnam en stevig vaststak in een der naden van het luik: „houd nu de hand maer om dit heft geslaegen, dan gaet gij van zelfs met de golven mede, en wij zijn zoo daedelijk op vasten grond.quot;
Het was als de schipper voorspeld had: de wind stond zoo hevig op den wal, dat er geene pogingen behoefden gedaan te worden, en onze beide schipbreukelingen door het luik tegen het gevaar van zinken beveiligd, zich slechts aan de golven hadden over te geven: geen tien minuten waren verloopen, of zij werden met luik en al tusschen de biezen van den oever gesmeten. Zoodra de schipper vasten grond onder zijn voeten voelde, rees hy op en hielp ook Barten op de been.
„Dat is zóó ver,quot; zeide hij, rondziende. „We zijnen hier op Osdorper grond! en nou maer nae de eerste boerenweuning de beste. Hoe harder je loopt. Heerschop! hoe beter het veur
16
je wezen zei; dat is het eenigste middel om de leden weer wat lenig te maeken.quot;
Barten volgde den gegeven raad, en niet lang duurde het, of beiden waren in een boerenwoning ontvangen, en zaten zich bij een koesterend vuur te drogen. Het was eerst hier, nu zij volkomen veilig waren, dat het gemoed der beide rampzalige echtgenooten en vaders den geheelen omvang van hun verlies begon te beseffen en zich in bittere tranen lucht gaf. Maar, zoo Barten alleen aan de dierbare panden dacht, hem zoo onvoorziens en op een zoo ontzettende wijze van 't hart gescheurd, zijn lotgenoot herinnerde zich weldra, dat hij vrachtschipper was en dat hij de plichten te vervullen had, die zijn beroep en het vertrouwen door zijn lastgevers in hem gesteld, hem opleiden.
„Kom!quot; zeide hij, terwijl hij opstond en de laatste teug nam uit een kroes, welke de zorgvolle vrouw des huizes, zoo dikwijls die ledig was, weder aanvulde met warm bier: „de wind zei nou wel 't hardst ewaeid hebben, en 't is taid, dat we een schuit of wat zoeken te krijgen om reis te gaen zien, of er niets van de goederen, die ik inhad, te vinden is, eer anderen ze opvisschen .... en of we misschien ook .. ..quot;
Hij wilde er bijvoegen: „de lijken onzer gelieven vinden:quot; maar de tranen, die hem in de keel schoten, beletteden hem zulks te uiten.
„Hoe!quot; vroeg Barten: „gij wilt u opnieuw blootstellen aan dat vreeselijke weer?quot;
„Jae, Heerschop!quot; antwoordde de schipper met een bewonderenswaardige naïveteit: „of ik hier al zit te kniesooren, dat zal mijn arme vrouw en kinderen niet in 't leven terugroepen : en behalve dat ik ze wel een Christeiyke begraefenis wou geven, zoo mot ik toch ook zorgen, dat de lui niet van me zeggen: Krijn Bouwensz heit niet eens moeite 'edaen om het goed, dat hij over zou brengen, weerom te krijgen.quot;
„'t Is wel!quot; zeide Barten; „zoo gij 't wagen durft, ik ga met u.quot;
En werkelijk, geen halfuur was er verloopen, of alle visschers-
17
schuiten in de buurt waren in beslag genomen, en zoowel Barten als Krijn Bouwensz zwalkten weer met de noodige medehelpers op het Meer, in de nabijheid der plaats, waar de ramp was voorgevallen. Het weer was nu bedaard, en men kon dus zonder eenig gevaar alle nasporingen doen. Doch, hoezeer men tot den avond op het water bleef kruisen, en men zijn oogen blind keek, niets werd men gewaar, noch van de personen, noch van de goederen, die met het vrachtschip waren verongelukt. De invallende duisternis verbood eindelijk elk verder onderzoek; men zette den koers weder naar wal en, terwijl de schipper naar Amsterdam wandelde, om daar bericht van zijn wedervaren te doen, nam Barten, die te vermoeid was om verder een voet te verzetten, het nachtverblijf aan, dat hem door de goede boerin werd aangeboden, en begaf zich weldra te bedde.
Dan, hoe vermoeid hij ook ware, het mocht hem niet gelukken den slaap te vatten. Gestadig speelden hem de schrik-; tooneelen, die hij aanschouwd had, voor de oogen; terwijl de
gedachte aan het hartverscheurend gemis van vrouw en kind hem de ziel vanéénreet. De dag was nauwelijks aangebroken, of een gevoel van onrust en gejaagdheid dreef hem weder de ' hem te eng geworden bedstede en het huis uit en weder naar
i het strand van het Meer, 't welk zijn geliefde panden ver
zwolgen had.
i Het was nu volkomen stil en helder weer en al de voor
werpen lieten zich op verren afstand duidelijk onderscheiden; i- maar toch bleef Barten, waar hij ook zijn oogen weiden liet
,t over het breede watervlak, dat voor hem lag uitgespreid,
r- niets bespeuren, dat uit het verongelukte vaartuig herkomstig
s wezen kon. Dan, daar rees de zon uit de ochtendnevelen, die
n haar tot nog toe bedekt hadden, en haar stralen vielen op
n een wit voorwerp, dat tusschen de biezen, op geringen afstand
van den oever, was vastgeraakt. Nog was het Barten niet ;a mogelijk te onderscheiden wat het wezen kon; doch naar alle
waarschijnlijkheid moest het iets zijn, dat uit het vergane s- schip was aangespoeld; en een geheime stem scheen hem in
II. - Nov. 2
18
te fluisteren, dat juist dit voorwerp voor hem van 't grootste belang was. Met drift ijlde hij naar de naastbijgelegen visschers-woning, en niet lang duurde het, of de visscher had zijn aak losgemaakt, en roeide met hem naar de plaats, waar het voorwerp zich bevond. Dan, wie beschrijft de gemoedsbewegingen, de verbazing, den angst, de hoop, die achtereenvolgens de ziel van Barten vervulden, toen langzamerhand dat voorwerp bepaalde vormen begon aan te nemen, totdat hij het herkende, zonder dat hem eenige twijfel overbleef, voor de wieg, waarin de schippersvrouw zijn kind had nedergelegd. Zou het kind in de wieg gebleven zijn? Zou het niet dooide golven weggespoeld of althans verstikt zijn? Zou hij het lijkje terugvinden ? Eer hij den tijd had gehad, zich zeiven deze vragen op de meest of minder waarschijnlijke wijze te beantwoorden, hadden drie krachtige riemslagen de aak tusschen de biezen gebracht. Barten blikte in de wieg — en ziet — daar lag zijn Mieltje, met frisschen levensblos op de wangen, en sliep den kalnien slaap der onbezorgde onnoozelheid.
Wij beproeven het niet, de gemengde aandoeningen des vaders te beschrijven; — liever geven wij de opmerkingen, welke de vrome zin des opstellers van het geslachtsregister, waarin het verhaal is bewaard gebleven, achter dat verhaal gevoegd heeft.
„Ware,quot; zegt hij, „mijn overgrootvader niet te laat gekomen voor de veerschuit, dan ware hij met de zijnen niet in het vrachtschip gegaan en zijn vrouw en meid waren niet verdronken.
„Had het kind, dat naar Gods raad behouden zou worden, niet zoo geschreid, zoo had de schippersvrouw het niet in de wieg van haar kind gelegd.
„Ware het kind van den schipper in de wieg gebleven, dan ware dit, en niet dat van Barten waarschijnlijk behouden geweest.
„Ware het geen houten wieg geweest, zoo had zij niet op het water blijven drijven.
„Nog is het onmogelijk te begrijpen, hoe de wieg, en nog
19
wel zonder om te slaan, uit het ruim van dat schip is geraakt, zelfs al neemt men aan, dat, gelijk waarschijnlijk is, de luiken daarvan zijn afgeslagen.
„Even onbegrijpelijk is het, hoe die open wieg gedurende zoo zwaar een storm en verder een geheelen nacht door heeft kunnen drijven, zonder om te slaan of water in te krijgen.
„En eindelijk valt het bijzonder bestier der Voorzienigheid daarin te erkennen, dat de wieg juist in de biezen gedreven is en nabij de plaats, waar de vader van het kind zich bevond.quot;
Emilia Barten huwde naderhand met N. Van de Wall en werd de moeder van een talrijk en aanzienlijk geslacht.
Op een guren Meidag van het jaar 1657 — de Meimaand was, ondanks haar schoonen naam, over het algemeen in de l?46 eeuw even zoo bar en guur als zij het nu is in de — kwam een kloek gebouwd Amsterdammer de Torensteeg uit en liep, den hoek van den Singel omslaande, de zoogenaamde Donkere sluis op. 't Was een man in de kracht van 't leven, met een fiksch en helder uitzicht en een gunstig en open voorkomen, ofschoon voor 't oogenblik een zekere afgetrokkenheid op zijn wezen niet te miskennen was. Zijn kleeding, deftig en net, doch vrij van al wat naar pronkerij zweemde, en meer nog zijn houding en de vlugge vastheid van zijn tred, duidden den werkzamen, bedrijvigen man aan, die de waarde van den tijd kent en het slenteren niet gewoon is. Thans echter scheen het, alsof hij die gewoonte, misschien voor 't eerst van zijn leven, zou aannemen; immers nauwelijks was hij een paar huizen op den Singel voorbijgegaan, of hij vertraagde zijn stap en begon, langzaam, met ongewisse schreden, ja nu en dan geheel stilstaande, zijn weg te vervolgen. En toch, wie hem maar eenigszins met opmerkzaamheid beschouwd had, zou weldra overtuigd geweest zijn, dat Jan De Wolff — zoo heette onze wandelaar — er op dit oogenblik volstrekt niet aan dacht, om de manieren van een straatslijper aan te nemen, maar veeleer er over peinsde, hoe
21
hij zich van een gewichtige, ofschoon lastige taak zou kwijten. Hij had echter niet lang tijd om daarover na te denken; want schier vóórdat hij 't wist, bevond hij zich voor den ingang van de woning, waar hij heen wilde: een weinig aanzienlijk burgerhuis, dat niets had, waardoor 't zich bijzonder van de overige-uit de buurt onderscheidde. Hij vermande zich, trad de stoep op en liet den zwaren klopper vallen. Dat De Wolff in dat huis een goede bekende was, bleek uit de weinige woorden, welke de dienstmaagd, die hem de deur opende, hem bij zijn binnentreden toevoegde: „ga maar naar boven, sinjeur Jan! onze sinjeur is op zijn kamer.quot;
Ook hier moest De Wolff zich zeiven nogmaals moed inspreken eer hij het waagde de trap op te gaan, die naar de bovenvertrekken geleidde: op het portaal gekomen, tikte hij tegen het beschot van eene der deuren: „binnen!quot; riep een heldere stem en hij gehoorzaamde aan dit opontbod.
De kamer, welke hij binnentrad, getuigde van haar bestemming voor een studeervertrek. De in lood gezette vensters van het kruisraam boden geen ander uitzicht aan dan op een platje en op den blinden muur van een achterbuur; doch des te minder had de bewoner last van afleiding: langs de wanden stonden boekenkasten, waarvan de onderste rijen bezet waren met zware folianten en kwartijnen, de bovenste met enkele duodecimo's, maar vooral met tallooze pamfletten, los of in pakketten samengebonden: tegenover het raam hing een kaart van Amsterdam boven de stookplaats: in de ledige vakken zag men eenige platen en kleine schilderijtjes van bekende meesters: in den eenen hoek een aardkloot, in den anderen een geboetseerd kinderbeeld, het werk der beroemde Questiers. Voor het raam stond een groote tafel, met papieren en boeken beladen, aan welke twee personen gezeten waren: de eene, die, met den rug naar de deur gekeerd, opgestaan was bij de komst des bezoekers, was een vrouw, ongeveer van zijne jaren, met een zachtzinnig, zedig voorkomen, en uiterst eenvoudig, of liever, als men 't noemt, stemmig, gekleed. Tegenover haar zat, in een breeden armstoel met hoogen lederen rug,
22
een man van middelbare gestalte, breed van borst en schouderen en kloek van lichaamsbouw. Ofschoon de rimpels op zijn voorhoofd en handen van hooggevorderde jaren spraken, was zijn rug nog door den ouderdom niet gebogen, en zijn bewegingen duidden nog vastheid en gespierdheid aan. Maar vooral wedersprak zijn gelaat elke gedachte aan zwakheid of verval van krachten, en de uitdrukking daarvan was van dien aard, dat wie het eenmaal, al ware het maar terloops, had gezien, het niet licht vergeten zou. Het was breedachtig, vol in 't vleesch, gezond van kleur en blozend op de kaken: de krom gebogen, niet te dunne neus teekende scherpzinnigheid en een geest van onderzoek: de kleine mond, met fijne, een weinig ingetrokken lippen, verraadde schalkschheid, ja een ingeschapen zucht tot hekelen: een donkerbruine, nog maar met zeer enkele grijze haren vermengde knevel bedekte slechts zeer gedeeltelijk de bovenlip; en een, insgelijks schrale, haarlok liep van de onderlip over 'de welgevormde kin in een punt naar beneden. Van meer dan gewone breedte was het fraai gewelfde voorhoofd, dat vermits het bruine hoofdhaar dun en ijl was, hooger geleek dan het werkelijk was. Maar wat meer dan al de rest van 't gelaat een onvergetelijken indruk teweegbracht, waren de bruine, levendige, scherpziende oogen, door zware, fraai gevormde, aan de buitenzijde sierlijk opgetrokken wenkbrauwen overwelfd, en waarvan de blikken hem, wien zij aanstaarden, tot in de binnenste schuilhoeken van zijn hart schenen door te dringen, oogen in helderheid die der gazelle, in vuur die van den adelaar evenarende; en die tevens de zachtzinnigheid van gene, met de wilskracht van dezen ver-eenigd, schenen uit te drukken.
Die man, die daar, met een zwarte kalot op de kruin, met een zwart sergie kamizool en broek, en daarover een bruin lakensche, met bont gevoerden huispels aan 't lijf, zat te schrijven, was de vader der tegen hem over zittende vrouw en de oom des bezoekers: en zijn naam was Joost Van den Vondel.
Bij het binnenkomen van zijn neef stak hij werktuiglijk
23
de pen achter 't oor, en een onwillekeurige bleekheid verspreidde zich over zijn gelaat, terwijl hij zijn bezoeker aanzag en welkom heette.
„Ga zitten, JSTeef!quot; zeide hij, hem met de hand op een tabouret wijzende, welke zi]n dochter bijschoof: „ga zitten,quot; herhaalde hij, en den elleboog op tafel leggende, rustte hij met den hoofdslaap in de geopende handpalm, als om in die houding af te wachten wat De Wolff hem had mede te deelen.
Deze was reeds maar half op zijn gemak: en hij werd er niet luchtiger om, toen hij bespeurde, hoe men van hem scheen te verwachten, dat hij 't gesprek beginnen zou. Hij beet zich beurtelings de onder- en de bovenlip en zag steelswijze naar zijn nicht, als wilde hij haar bijstand inroepen. Doch de goede Anna vergenoegde zich met te zuchten en de oogen neder te slaan op het naaiwerk, dat zij in de hand hield.
„Welnu!quot; vroeg Vondel eindelijk: „uw tijding schijnt niet te best te wezen; dat gij draalt, die uit te spreken,quot;
„Inderdaad,quot; antwoordde De Wolff, hem aanziende met een meewarigen blik, „ik wenschte wel, dat zij beter ware.... ofschoon 't nog erger wezen kon.quot;
„Spreek maar ronduit. Neef! en zeg waar 't op staat.quot; hernam Vondel: „op veel goeds kon ik mij niet verwachten, en nu komt het er alleen maar op aan, te weten, hoe diep de wonde, en of er nog herstel mogelijk is. Daarom, voor den dag met uw nieuws: ik ben bedaard: en op alles gewapend.quot;
„Welnu!quot; zeide De Wolff, terwijl hij diep zuchtte, als iemand, die van een zwaar pak verlost wordt: „ik ben in de Warmoesstraat geweest.quot;
„En?—quot; vroeg Vondel.
„Ik heb breedvoerig met neef Joost gesproken: hij wilde eeist niet toegeven, dat zijn zaken zich maar eenigszins in verwarden toestand bevonden; doch toen ik hem vertelde, dat ik wist, welke pretentiën er tegen hem loopende waren en hoe menig wei f hij al om vrij aanzienlijke sommen gemaand was
24
geworden; toen ik hem daarbij voorhield, dat ik niet uit be-moeiachtigheid of nieuwsgierigheid tot hem gedreven was, toen begon hij wat bij te draaien en eindelijk viel hij geheel door de ben en bekende mij ronduit, dat hij niet wist, hoe zich meer te redden.quot;
„Heeft hij u geen boeken laten zien?quot; vroeg Vondel.
„Ik heb daar niet op aangedrongen,quot; antwoordde De Wolff, „omdat ik al spoedig uit zijn gezegden meende te mogen opmaken, dat ik daar weinig uit zou leeren. En inderdaad, het is een regel, die bijna vast gaat: wanneer iemands boel in de war loopt, worden zijn boeken niet langer bijgehouden, 't Is of hij zich dan schaamt den waren staat zijner zaken ook aan zich zeiven bloot te leggen.quot;
„Zeg liever,quot; zeide Vondel, „dat hij doet als de struisvogel, die zijn kop in 't zand bergt, om het verderf, dat hem boven den kop hangt, niet te zien; maar verder, wat zijt gij te weten gekomen?quot;
„Hij heeft my,quot; hernam De Wolff, „een soort van balans voorgelegd, waaruit blijken zou, dat er — ook zoo alle nog uitstaande pretention binnenkwamen — een goede twintig duizend gulden schuld zou overblijven.quot;
„Een groote som,quot; zeide Vondel, zich op de lippen bijtende; „doch zijt gij zeker, dat het bedrag niet hooger is?quot;
„Integendeel,quot; antwoordde De Wolff, „ik ben u de geheele waarheid schuldig, en ik mag u daarom niet verbloemen, dat, naar mijn overtuiging, het passief meer bedraagt. Gij weet zelf. Oom! dat men in dergelijke gevallen geneigd is, ook de minst liciuide pretentiën onder het actief te brengen, en dit zal hier ook wel het geval zijn.quot;
„Gij hebt gelijk, groot gelijk,quot; hernam Vondel, na eenige oogenblikken peinzens: „'t is hard! — zeer hard! die zaak, welke mijn goede vader had begonnen en mij in zoo bloeienden staat overgelaten, waar mijn brave vrouw tot aan haar dood in gezwoegd heeft, dat ik die op mijn ouden dag moet zien te gronde gaan?quot;
„Maar hij kan toch nog geholpen worden,quot; zeide Anna!
25
„gij weet het, Vader! dat mijn moederlijk erfdeel nog onaan-geroeid is, en dat ik reeds lang het oog van alle tydelijke have heb afgewend. Zou dat niet genoegzaam zijn om de breuk te heelen, en te voorkomen, dat er schande dale op onzen eerlijken naam?quot;
„Gij hebt gelijk,quot; zeide Vondel, „schande moet op onzen naam niet dalen; maar God verhoede, dat gij zoudt bloeden voor de schuld uws broeders. Neen! indien hier iemand de straf dragen moet, dan moet ik het zijn, die hem dwaselijk de zaak heb overgedaan: ik had hem beter moeten kennen: of liever, ik had, hem kennende, moeten vooruitzien wat er gebeuren zou, en althans een oog in 't zeil houden.quot;
„Wat verwijt gij u zeiven. Vaderlief! hetgeen buiten uwe schuld ligt,quot; zeide Anna: „de zaak was, toen hij haar verliet, ten gevolge van de veelvuldige mededinging wel niet meer hetgeen zij vroeger was; maar zij gaf nog een fatsoenlijk bestaan; en het was toch niet van u te vergen, u op uw ouden dag nog af te tobben met de winkelnering. En aan wien kondt gij die dan geschikter overdoen dan aan uw zoon? In den beginne ging het er toch ook zoo slecht niet, maar . .. .quot;
„Maar het luipaard verliest zijn vlekken niet,quot; viel Vondel in; „Joost was eenmaal dat wilde woeste leven gewoon, en hij is er toe teruggekeerd. Ik weet dat: — gij weet het Anna! en gij ook, Neef! ik ben niet gewoon veel te praten over hetgeen mij bezwaart, veelmin er anderen mede lastig te vallen; maar ik heb het daarom niet minder gevoeld; in deze laatste jaren heeft het verdriet mij als een worm aan 't harte geknaagd. Ja,quot; vervolgde hij, terwijl hij het lijvige handschrift opnam, dat voor hem lag: „indien ik in dezen arbeid geen troost en bemoediging gevonden had, ik had mijn leed misschien niet kunnen dragen.quot;
De Wolff was hetgeen men „een man van zakenquot; noemt en ofschoon hij niet geheel onverschillig was aan de eer van iemand tot oom te hebben, die als eerste dichter van Nederland bekend stond, gold toch een prijscourant bij hem vrij
26
wat meer dan het fraaiste treurspel van de wereld. Dit belette niet, dat hij toch eenigszins nieuwsgierig was, welke die arbeid wezen kon, waarvan zijn oom zulk een gezegenden invloed had ondervonden. Hij wierp een zijdelingschen blik op het titelblad en las, onwillekeurig halfluid : „Davids Harpzangen.quot;
„Davids Harpzangen!quot; herhaalde hij luider: „zijn dat niet de Psalmen?quot;
Vondel beantwoordde deze vraag met een bevestigenden knik.
„Maar,quot; hervatte De Wolff, op eenigszins schroomvalligen toon: „Wij hebben daar immers reeds een berijming van.quot;
„Bij dozijnen,quot; hernam Vondel, met een spotachtigen glimlach, dien hij in weerwil van zijn verdriet niet kon terughouden: „er is die van den ij veraar Datheen, welke gij in de kerk zingt: — schande genoeg, dat gij, om den Heer des Hemels te verheerlijken, niets beter weet te vinden dan zulk nietswaardig prulwerk: — voorts die van den Heer van Sint-Aldegonde:quot; hier haalde hij even de schouders op; „beter, maar toch meer stichtelijk dan mooi: — dan nog, om van een aantal mindere niet te spreken, die van wijlen mijn geleerden vriend Mr. Antonis De Huybert. Maar ik zag geene reden, waarom mij dit zou terughouden, op mijn beurt eens mijn krachten aan een nieuwe overzetting te beproeven.quot;
„Een overzetting!quot; herhaalde De Wolff: „toch niet uit het Hebreeuwsch ?quot;
„Neen,quot; antwoordde Vondel, droogweg, en hem de opgeslagen Vulgata toeschuivende, die nevens hem lag.
„Hm! zoo!quot; mompelde De Wolff, die even trouw Protestant als zijn oom Katholiek was, en genoeg besefte dat hij hier een glad terrein betreden had, 't welk het beter was maar zoo spoedig mogelijk weder te verlaten; „ik ben gelukkig. Oom!quot; voegde hij er bij, „te bemerken, dat gij althans eenige afleiding in dit werk gevonden hebt. — Maar wat nu gedaan in deze droevige omstandigheid van Joost? — Gij weet, dat, zoo gij mijn hulp noodig hebt, gij daarover beschikken kunt.quot;
„Wat nu gedaan?quot; herhaalde Vondel, terwijl hij het boek
27
weder dichtsloot en ter zijde schoof; „wel, terstond naar de Wannoesstraat gegaan en uit eigen oogen gezien, 't Is waar,quot; vervolgde hij, terwijl hij opstond, „ik heb mij wellicht nooit met de zaken van den winkel zooveel ingelaten, als mijn plicht had medegebracht; maar toch ben ik er nooit een volslagen vreemdeling in geweest, en ben het ook nog niet. Ik wil zelf onderzoeken, hoe zij staan, en of er nog redding mogelijk is. Om een kwaal te genezen, dient men vooraf haar in haar geheelen omvang te kennen. Anna! lang mij mijn hoed en mantel, gij Neef! zoo u geen eigen bezigheden terughouden, wees dan zoo goed, en vergezel mij naar de Warmoesstraat.quot;
Dit zeggende, was hij opgestaan, en had zich, met de levendigheid, die hem kenmerkte, reeds van den huispels ontdaan, zijn overrok van den spijker genomen, waar die aan hing, en dien met hulp van zijn neef aan 't lijf geschoten.
„Maar Vader!quot; zeide Anna, terwijl zij zich met gevouwen handen en in een smeekende houding voor hem plaatste en dikke tranen haar langs de wangen rolden, „zoudt gij zelf wel gaan? Zou het u niet te veel aandoen? Zou niet____quot;
„Vrees niets,quot; antwoordde Vondel, „ik ben mij zeiven meester, en zoo dokter Tulp mijn pols voelde, ik houd mij overtuigd, dat hij er niets ongeregelds in vinden zou. Hier, sla mijn mantel maar terdege om, het is guur daarbuiten, en geef mij nu mijn hoed. Ziet gij wel,quot; vervolgde hij, toen hij dien opgezet had en iets bespeurde dat hem hinderde: „ziet gij wel, dat ik van ons drieën het best bij 't hoofd ben? Gij zoudt mij geen van beiden waarschuwen, dat mij nog een pen achter 't oor steekt. Men zou mij waarachtig op straat voor een notarisklerk of voor een boedelbeschrijver aanzien.... een boedelbeschrijverquot;____ hervatte hij, op eenmaal terugvallende in een toon van weemoed: „God geve, dat het zooverre nog niet gekomen zij, dat men er ginds een noodig hebbe.quot;
„Daar zeg ik amen op van ganscher harte,quot; zeide De Wolff.
„Ik dank u,quot; hernam Vondel, „en nu, Annekelief! droog uwe tranen, die toch niets kunnen baten, en bid liever God
28
en zijn Heiligen, dat zij ons kracht schenken in deze beproeving. Kijk maar zoo donker niet, Neef! al verwerpt gij alle bemiddeling van Heiligen, gij hebt toch ook geleerd, dat het gebed van een rechtvaardige veel bij God vermag, en mijn vrome Anneke is zulk een rechtvaardige, of er leeft er geen in Amsterdam.quot;
„Maar zoude ik niet met u gaan?quot; vroeg Anna, nog altijd bezorgd.
„Later zult gij er heengaan; later, om uw broeder en zuster te troosten en op te beuren en hun goeden raad te geven, indien zij dien willen hooren en er hun profijt van doen.... ofschoon ik vrees, dat het weinig baten zal. En nu. Neef! op weg!quot;
En, na zijn dochter nog een hartelijken kus op 't voorhoofd gedrukt te hebben, verliet hij met De Wolff zijne woning.
Terwijl zij hun weg naar de Warmoesstraat vervolgen, zal het niet ongepast zijn, tot opheldering, zoo van hetgeen is voorafgegaan als van hetgeen volgen moet, den lezer iets nader met de omstandigheden van Vondel bekend te maken.
De vader van onzen dichter, die, gelijk men weet, zich van Keulen naar Utrecht en vervolgens naar Amsterdam metterwoon begeven had, oefende oorspronkelijk het beroep uit van hoedstoffeerder, een beroep, dat heden ten dage, nu de mans geen pluimen noch passementen meer aan hun hoeden dragen, geen droog brood zou verschaffen aan hem, die 't uitoefende, doch dat in de 16de en 17de eeuw zeer geacht en zeer voor-deelig was. Te Amsterdam gekomen, had hij uitbreiding aan zijn nering gegeven en in de Warmoesstraat een grooten kousenwinkel opgezet. De zaak, met kennis en vlijt gedreven, leverde goede winsten op, 't geen onder andere daaruit bleek, dat de oude man in staat was, zijn tweeden zoon, Willem, niet alleen te laten studeeren in de rechten, maar hem ook een — toen nog zeer kostbare — reis naar Italië te laten doen. Mede in de Warmoesstraat woonde te dier dagen zekere Hans De Wolff, mede als de oude Vondel, een Keulenaar, en mede van Brabantsche afkomst, die een welbekianten winkel
29
had in passementen en linten. Al deze omstandigheden te zamen veroorzaakten natuurlijk goede buurschap en gemeen-zamen omgang tusschen de beide huisgezinnen en weldra een dubbele verwantschap. Immers onze dichter trouwde op den 20sten November 1610, na het overlijden zijns vaders, met Maaiken De Wolft' en een zijner zusters omtrent denzelfden tijd met Hans De Wolff. Vondel had de winkelnering van zijn vader overgenomen: doch meer liefhebberij hebbende in het beoefenen van taal en dichtkunst dan in het bedienen dei-klanten, liet hij het koopen en verkoopen aan zijn vrouw over, die een kloeke en verstandige huishoudster en alleszins voor haar taak berekend was. De zaak bleef dus in goeden stand en winstgevend, tot aan den dood zijner huisvrouw toe. Deze had hem twee kinderen nagelaten: eene dochter, Anna, met welke wij reeds kennis hebben gemaakt, en die, haar vader in zijn overgang tot het Roomsche geloof gevolgd hebbende, zich eerlang in den geestelijken staat had begeven: — en een zoon, als zijn vader en grootvader Joost genaamd. Die naam was dan ook het eenige, dat hij met hen beiden gemeen had. Immers niet één sprank van het vernuft en dichtgenie zijns vaders was op hem nedergedaald, en evenmin had hij iets van den koopmansgeest overgeërfd, die zijn grootvader kenmerkte. Als een staaltje van zijn plompe onwetendheid verhaalt men, dat hij, bij gelegenheid dat men over de treurspelen van Jozef sprak, aan zijn vader vroeg, of Jozef niet Katholiek was. Doch 't was niet genoeg, dat hij klein van verstand was, hij was ook los van hoofd en gedrag, een minnaar van straatslijpen en geld verkwisten, en die aan zijn vader reeds van zijn eerste jonkheid af zelden stof tot vreugde of tevredenheid verschaft had. Intusschen was er een tijd geweest, waarop het scheen, dat hij zich tot een meer geregeld leven voegen zou. Hij had zich in den echt begeven en dit had — in den aanvang althans — een gunstigen invloed op hem uitgeoefend. Dit gaf dan ook aanleiding, dat zijn vader, wiens jaren nu begonnen te klimmen, hem tot behulp in zijn zaken nam. In de eerste jaren ging dit redelijk wel en Vondel
30
verheugde zich reeds, te bespeuren, dat zijn zoon met meer orde en overleg in de bestiering van den winkel te werk ging: doch toen na verloop daarvan de vrouw van onzen Joost overleed en hem met twee jonge kinderen achterliet, verviel de weduwnaar, thans door haren invloed niet meer teruggehouden, alras weder tot zijn vorige uitspattingen. Een tweede huwelijk met Baertje Hooft van Amersfoort, waartoe hij eerlang overging, verslimmerde de zaak in plaats van haar te verbeteren; want de nieuwe schoondochter, welke hij zijn vader in huis bracht, was zeer ongelijkvormig aan haar voorgangster en overtrof haar man nog in zucht naar uitspanning, pralerij en verkwisting. Zooveel verdriet veroorzaakte dit den ouden man, dat hij, niet langer getuige verkiezende te zijn van hun dwaasheden, met zijn dochter afzonderlijk ging wonen en het huis op den Singel betrok. Maar met hem had ook alle tucht het huis verlaten en waren zijn zoon en schoondochter aan hen zeiven overgelaten. Terwijl de nering verliep, gingen de verspillingen hun gang. Eindelijk was de boedel zoodanig in de war gestuurd, dat het door de geheele stad reeds verteld werd, hoe aan Joost Van den Vondel den Jongen eerlang niets anders zou overschieten dan een schandelijk bankroet. Die geruchten waren aan onzen dichter ter ooren gekomen: en reeds een- en andermaal had hij er zijn zoon over onderhouden; doch nooit van dezen anders dan van die ontwijkende antwoorden bekomen, die geruststellend moeten heeten, ofschoon zij inderdaad alleen dienen om de ongerustheid des vragers nog te vermeerderen. Overtuigd, dat zijn zoon — gelijk dit veelal geschiedt — den waren stand zijner zaken nog eerder aan elk ander zou blootleggen dan aan zijn vader, had deze zijn zusterszoon, Jan De Wolff, in den arm genomen en hem verzocht, het noodige aan te wenden om achter de waarheid te komen. De opdracht was niet van de aangenaamste: doch De Wolff was te beter geschikt om daaraan te voldoen, naardien hij de beurs bezocht, met do meeste groote makelaars en handelaren in betrekking stond, daardoor kennis droeg van de omloopende vorderingen ten
31
laste van zijn neef, en zich door dezen niet licht een rad voor de oogen zou laten draaien. Wat de uitkomst was van zijn onderzoek, hebben wij uit de vorige bladzijden vernomen, en ik kan alzoo den draad van mijn verhaal weder opvatten.
II.
Vondel was, met een vasten stap, aan den arm van zijn neef, naar de Warmoesstraat heen gewandeld: eerst toen hij de stoep optrad van de „Trouw,quot; gelijk het huis genoemd werd, waar zijn zoon woonde — en toen hij den blik rondsloeg op dat voorhuis, waarin hij in een tijdvak van meer dan een halve eeuw zijn ouders en later zijn vrouw met zooveel ijver, zorg en voorspoed had werkzaam gezien, was het hem of zijn hart werd toegeknepen. Wel stonden hier nog de toonbank en de winkelkasten op dezelfde plaats; wel ontwaarde het oog nog overal die stapels kousen, borstrokken, dekens en andere winkelwaren; doch het was hem of het waas van welvaart en overvloed, dat daar vroeger lag uitgespreid, was weggevaagd; het was hem of alles er vuil, morsig, haveloos, gelapt en gescheurd uitzag: als fluisterden hem uit die stapels geheime stemmen toe: „wij zijn verkocht, verpand, beleend; wij dienen maar tot uiterlijk vertoon, en om de armoede te bedekken, die u anders uit de naakte wanden zou begrimmen.quot;
Een diepe zucht ontsnapte des grijsaards borst; doch hij vermande zich en trad verder voort; daar zaten, op de trap, die naar 't achterhuis geleidde, een jongentje en een meisje te spelen, 't Waren zijn kleinkinderen, en zij stonden op om grootvader te begroeten; maar zij zagen er morsig, haveloos en verwaarloosd uit; en nauwelijks hadden zij een schoone plek op 't gelaat, waar hij een kus op drukken kon. Daar trad, op het gerucht, dat de opengaande voordeur gemaakt
had, de vrouw des huizes toe met het jongste voorkind haars mans aan de hand. Die vrouw ging voor fraai door; doch zij was van de soort dergenen, die het alleen buitenshuis zijn: opgeschikte poppen op straat, slonsen in haar keuken; zij schrikte op het gezicht van haar schoonvader, vooral van den gestrengen blik, dien hij op haar sloeg, terwijl hij met de vraag; „is uw man achter?quot; haar voorbijtrad, zonder haar antwoord af te wachten.
Inderdaad, toen hij de deur der achterkamer geopend had, zag hij zijn zoon, die, aan de tafel gezeten, met het hoofd in beide handen leunende, in diepe en gewis geen opbeurende gedachten verzonken scheen.
Een vader blijft altijd een vader, welke redenen tot ongenoegen hem ook door zijn kinderen gegeven worden. Vondel was bewogen, toen hij zijn zoon in die bedrukte houding voor zich zag. „Alles is nog niet verloren,quot; dacht hij, „indien hij maar het besef van zijn schuld heeft. God geve, dat dit een heilzame les voor hem zij.quot;
Dan de vertroosting, welke deze gedachte en deze bede met zich brachten, vervloog bijna onmiddellijk, toen Joost het hoofd oprichtte. In de uitdrukking van zijn gelaat, in den blik, waarmede hij de binnenkomenden aanstaarde, waren niet zoozeer schaamte en schuldbesef te lezen, als wel een soort van suffe verlegenheid, gemengd met wrevel. Hij rees half op van zijn stoel, en stamelde; „gij hier. Vader?quot;
„Verwondert u dat?quot; vroeg deze, op een toon, waarin de goedhartigheid door den ernst heenstraalde; „ik heb gemeend, dat gij den raad en de hulp van uw vader zoudt noodig kunnen hebben, en ik ben gekomen om u die aan te bieden.quot;
Joost antwoordde niets, maar wandelde langs de tafel om een stoel voor zijn vader te krijgen. Deze had er echter reeds een genomen, had zijn mantel en hoed reeds aan De quot;Wolff overhandigd en zich nedergezet.
„Gij hebt dan aan vader gezegd . . .vroeg Joost met een verwijtenden blik aan De Wolff.
„En aan wien nader zou hij gezegd hebben wat bovendien
33
reeds aan de halve stad bekend is?quot; vroeg Vondel: „en toch, Joost! vrat mij in deze zaak het meest verdriet, nog het bitterst grieft, is niet zoozeer, dat gij uw zaken in zulk een verwarden toestand gebracht hebt, als wel, dat gij mij uw vertrouwen onthouden hebt, toen alles nog te herstellen geweest ware.quot;
„Ik dacht____ik hoopte nog altijd____quot; stotterde Joost.
„Op wat? op een mirakel?quot; vroeg zijn vader: „mirakelen geschieden alleen ten behoeve van vrome en heilige menschen, niet om dwaasheden goed te maken, of om hem, die slecht handelt, in zijn verkeerdheden te stijven. Maar genoeg! ik kom hier niet om u ver wij tingen te doen: dat laat ik aan uw eigen geweten over! Ik kom, om te zien, in hoeverre er nog middel bestaat om uw naam, den naam, die ook de mijne is en die mijns braven vaders was, voor schande te bewaren. De Wolff heeft mij gesproken van een soort van balans, die gij hadt opgemaakt: laat mij die eens zien.quot;
De toon van gezag, op welken de oude man gesproken had, liet geen tegenspraak toe. Joost bracht een lederen brieven-tasch voor den dag, haalde er met bevende vingers een gevouwen papier uit en lei het voor zijn vader neder.
„Laten wij eens zien,quot; zeide deze, terwijl hij de debetzijde doorliep: „aan Roelof Eoelofszoon te Leiden/quot;583:17:8 — ik ken die pretentie: zij had reeds lang moeten zijn afgedaan: aan Henri Deurlair te Atrecht /quot;1185:12:13 — waar is dat voor?quot;
„Voor geleverd tapijtwerk,quot; antwoordde Joost, „een slechte speculatie.quot;
„Slecht of niet, het geld zal betaald moeten worden,quot; hernam Vondel: „aan Henry Knight te Londen /13608:12:8. Hoe kan die som zoo hoog zijn geklommen?quot;
„Vroeger hadden wij zes correspondenten te Londen,quot; antwoordde Joost: „dat was omslachtig en duur: nu hebben wij maar met één man te doen, dat beterkoop uitkomt.quot;
„Omdat hij een achtste percent minder rekent, nietwaar?quot; vroeg Vondel, „en daarom hebt gij schappelijke, solide kantoren
II. — Nov. 3
34
laten loopen, die ons sedert jaren en goed bediend hadden, — of denkt gij dat dit achtste niet op de eene of andere wijze er uit gehaald moet worden? — Ik wed, dat de goederen, u door tusschenkomst van dien Knight overgemaakt, van mindere qualiteit zijn dan die, welke Eeid of Collins ons bezorgden. — Doch 't zij zoo! Wanneer vervalt dit geld?quot;
„/quot;6000 ongeveer zijn reeds vervallen, de rest over twee en vijf maanden,quot; antwoordde Joost.
De oude man schudde het hoofd, „Alzoo zijt gij,quot; hernam hij, „indien gij die /6000 niet betalen kunt, voor die som reeds bankroet. Verder: — aan Kolm voor geleverde goederen /463:17:3 — aan Jan Pieterse voor Idem, /quot;234:3:12 enz,
enz..... dit zijn alle gewone posten, die al lang hadden
moeten afgedaan zijn; — maar wat is dit; — aan Emmanuel De Lima /quot;8275:15. — Wat is dat voor een vordering? en wat hebt gij met Emmanuel De Lima uitstaan!quot;
„Opgenomen gelden,quot; stotterde Joost.
„En welk onderpand hebt gij hem gegeven?quot; vroeg Vondel, „van dien sinjeur weet ik bij geruchte althans zooveel, om vast te stellen, dat hij u die som op uw eerlijk uitzicht niet zal hebben voorgeschoten.quot;
„Een schepenkennis op het huis____quot; zeide Joost.
„Hm! — Tot welk bedrag?quot;
„Zeven duizend gulden,quot; antwoordde Joost.
„En de overige vijfhonderd rijksdaalders?quot;
„Zijn voor interessen____quot;
„En verdere woekerwinst,quot; viel Vondel in: „ik versta dat. En daarvoor hebt gij waarschijnlijk uw meubelen en winkelwaren verbonden.quot;
Joost liet tot antwoord het hoofd op de borst zinken.
„Zoo is dan de goede oude „Trouwquot; verpand, met al wat daarin is,quot; hernam Vondel: „Joost! Joost! en waarom niet liever bij uw vader gekomen, toen gij in den brand zat, in stede van u tot een woekeraar te wenden.quot;
„Ik wist____ ik meende.... dat gij u liever met andere
dingen bezighoudt dan met geldzaken,quot; zeide Joost.
35
„Foei, Neef!quot; kon De quot;Wolff zich niet weerhouden uit te roepen.
„Laat hem spreken,quot; zeide Vondel ernstig: „hij heeft misschien gelijk, — ik had mij meer met de geldzaken moeten bemoeien: ofschoon ik ze ten minste niet in zulk een toestand
heb achtergelaten; — maar wat daarvan zij____Verder: —
Onbetaalde rekeningen A». 1656:/quot;752:17:12, idem A». 1657: ƒ1768:12:4, dat is grof! zeer grof! — Totaal / 51391:15:14,— 't is een zwaar cijfer! — Maar is dit nu alles?quot;
„Alles, zooveel ik mij herinneren kan,quot; antwoordde Joost.
„'t Zal van belang zijn, dat gij uw geheugen goed raadpleegt,quot; hernam Vondel — „doch laten wij intusschen zien, wat gij tegenover die schulden stellen kunt. — Hier vind ik in de eerste plaats het huis, gesteld op / 8000.quot;
„'t Is de prijs, waarop het geschat werd,quot; merkte Joost aan.
„Geloof mij,quot; zeide zijn vader, „nu De Lima er eens de hand op geslagen heeft, zult gij er nimmer een penning meer voor bekomen, dan hij er op geschoten heeft. — Winkelgoederen /quot;1135 — 't zal mij verwonderen, zoo gij er de helft voor krijgt: Waren in 't pakhuis „de Eeusquot;: /quot;3373:2:6; wanneer die opeens moeten afgezet worden, brengen zij die
som niet op. Uitstaande vorderingen: Jan Scheepmakersz____
Pieter Beth.... Jan Schaep____ Gerrit Antonisz.....hm! deze
zijn allen goed____ jammer maar, dat het cijfer niet hooger
is____Bernard Thomasz /quot;1256:3:4.quot;
„Die schrijft sedert lang: „morgen betalen,quot; voor zijn deur,quot; zeide De Wolff.
„Verder, Rolf Ericson te Kopenhagen: /quot;937:5:10. Dat schijnt al een oude post.quot;
„Al van voor drie jaren,quot; antwoordde Joost: „ik kan dat geld maar niet binnenkrijgen.quot;
„Tobias Brandt, te Frederikstad____/688:7:2 — een oude
klant.quot;
„Maar vrij vergeetachtig, als 't op betalen aankomt,quot; zeide Joost.
„Leife Niels te Kopenhagen,/1132:0:8,quot; vervolgde Vondel; —
36
„een brave vent, die mij goed onthaalde, toen ik in Denemarken was: — ik kan niet begrijpen, waarom hij u niet betalen
zou. — Christiaan Rosen, Leife Borstal te Odensee____ Rolf
Muller, Erik Gustafson te Wiborg____knappe lieden altemaal____
doch aan wie hun verplichtingen wel eens dienen herinnerd te worden: totaal; /quot;29357:8:12 — nadeelig slot:/quot;22034:7:2 — dit slot is weinig troostrijk!quot; En de goede man bleef een poos in stilte de cijfers aanstaren, als kon hij nog hopen, dat dit er een verandering in zou doen ontstaan.
„Kent uw vrouw uw toestand?quot; vroeg hij eindelijk, als uit een gepeins ontwakende.
„Ik geloof wel, dat zij iets gemerkt heeft,quot; antwoordde Joost.
„Iets gemerkt!quot; herhaalde zijn vader, op een toon, die niet van hardheid vrij was; want zoo hij zijn onwaardigen zoon nog altijd liefhad, hij had nooit de minste neiging gevoeld voor zijn schoondochter: „zij had het moeten merken, indien zij zich ooit het geringste aan den winkel en in het geheel aan de belangen van het huisgezin had laten gelegen liggen. Maar dat blijft voor hare verantwoording. In allen gevalle is het zaak, dat zij hoe eerder hoe beter wete, waar zij zich aan te houden heeft.quot;
„Hoe zal ik het haar zeggen!quot; vroeg Joost met een beangst gelaat: „zij is zwak van gestel, en die slag zal haar zoo bitter treffen .. ..quot;
„Ik zal het haar zeggen,quot; hernam Vondel; „zij moet gewaarschuwd wezen, teneinde intijds van haren weg terug te keeren. De kinderen zullen wel al naar bed zijn: — roep haar hier, ik begeer het: en wees niet bang, ik zal de wonde slaan, doch tevens beproeven er balsem in te gieten.quot;
Joost had wel gaarne het verlangen zijns vaders weerstreefd ; maar hij had er de kracht niet toe. Onze groote dichter was wel in gewone tijden toegevend en inschikkelijk, ja zelfs wel eenigszins zwak, in dien zin namelijk, dat hij de zorg voor de wereldsche zaken liever aan anderen overliet, zoolang het goed ging; — maar wanneer hij, in buitengewone omstandig-
37
heden, als deze, eenmaal zooverre kwam dat hij een vasten wil had, en dien toonde, dan lag er iets vorstelijks, iets gebiedends in zijn wezen, waar niemand, en wel het minst zijn onbeduidende zoon, zich aan onttrekken kon.
„Dat verwondert mij. Oom!quot; merkte De Wolff aan, toen Joost vertrokken was, „dat gij er die vrouw in haalt. Dat wijvegejank zal ons beletten, onze aandacht aan de zaken te schenken.quot;
„Goed!quot; zeide Vondel; „maar die zaken zijn evenzeer de hare, en zij moet naderhand noch aan haar man, noch aan mij, het verwijt kunnen doen, dat wij haar onkundig hebben gelaten omtrent hare belangen; — doch stil! daar is zij.quot;
Joost kwam op dit oogenblik terug met zijn vrouw: en het was haar aan te zien, dat zij inderdaad, gelijk hij het uitdrukte, „wat gemerktquot; had. Immers hare oogen waren rood en gezwollen als van iemand die geweend had, hare wangen waren bleek, en hare tanden klapperden tegen elkander, toen zij haar schoonvader poogde goeden avond te wenschen.
„Baertje!quot; zeide Vondel op een plechtigen toon; „met leedwezen zeg ik u, wat uw man u reeds sedert lang had behooren te zeggen, dat zijn zaken in een verwarden toestand zijn.quot;
Hier sloegen de tanden nog erger aan 't klapperen; en met een verwezen gelaat zag zij haar schoonvader aan.
„Intusschen,quot; hernam Vondel: „wij willen niet wanhopen, voordat alle middelen tot herstel zijn uitgeput: er is misschien nog kans om den boel weer in orde te brengen; maar dat kan niet geschieden zonder uwe medewerking.quot;
Een straal van hoop en verwachting blonk op het gelaat der jonge vrouw, zoodat Vondel zelfs een oogenblik berouw had over zijn woorden, en alreeds vreesde, dat zij zich te veel vleide en haar toestand te luchtig inzag. Maar hoe verbaasd en verontwaardigd keek hij op, toen zij, het woord nemende, met een vrij vaste stem zeide:
„Ik geloof, dat ik u begrijp. Vader! gij wilt zeker aanraden, alles op mijn naam te zetten, zoodat de crediteuren er niet aan kunnen komen.quot;
88
„Ja! inderdaad!quot; riep Joost uit, zijn vrouw met bewondering aanstarende; „dat ware misschien te doen.quot;
„En hij ook!quot; zeide Vondel, terwijl hij een weemoedigen blik naar De Wolff wendde, die langzaam het hoofd zat te schudden: „neen waarlijk, Baertje! zoo iets als waar gij op doelt, zal ik nimmer voorstellen. Of denkt gij, dat ik hier op mijn ouden dag mijn kinderen tot schelmerijen zou aansporen? Neen voorwaar! Ieder, die wettige vorderingen heeft, moet het zijne bekomen, opdat gij en uwe kinderen met opgeheven hoofde over straat moogt gaan en zonder schaamte den naam, gij van uw man, en zij van hun vader, kunnen hooren! Doch daartoe is het noodig, af te zien van dat vroo-lijke leven, 't welk gij tot heden hebt geleid, aan alle verspillingen vaarwel te zeggen, en te worden wat gij behoort te zijn, een vrouw van orde en regelmaat, een zorgende en spaarzame huismoeder. Gevoelt gij moeds genoeg, dit te worden, en kunt gij mij daarvan de verzekering geven, dan zie ik de toekomst nog zoo donker niet in; — kunt gij dit niet, dan zal hetgeen wij hier verrichten volkomen ijdel zijn.quot;
„Nu zie eens,quot; zeide de vrouw, terwijl zij schreide van droefheid en meer nog van spijt: „nu zal ik nog de schuld krijgen dat de zaken in de war zijn geloopen: alsof ik het bestuur over den winkel had gehad. Ik ben het veeleer, die reden heb van beklag, dat ik mij heb laten bepraten om een weduwnaar met kinderen te nemen en mij in zooveel zorg te steken, terwijl ik thuis vrij en vroolijk had kunnen leven. Had ik maar beter geluisterd naar hen, die mij waarschuwden, dat de zaak lang niet bloeiend, maar in treurig verval was. Dat is nu mijn loon.quot;
„Gij bedriegt u. Vrouw!quot; zeide Vondel op een strengen toon: „toen ik dit huis verliet, wezen de boeken nog een voordeelig slot aan. Of gij, dan wel uw man, de meeste schuld draagt van de verandering, die sedert heeft plaats gehad, ziedaar, wat ik niet wil onderzoeken; het is beter, niet terug te zien naar het verledene, maar onze aandacht te slaan op wat de nood van het oogenblik vordert: er moeten handen
39
aan 't werk geslagen worden, om u voor volkomen ondergang te bewaren: en daartoe moet ieder het zijne doen; doch zoo gij daartoe niet met alle kracht wilt helpen, dan, ik herhaal het, is onze [arbeid ijdel, en ik . . .hier rees hij van zijn stoel op, „bemoei er mij niet verder mede.quot;
„Om 'shemels wil, Baertje!quot; zeide Joost, verschrikt: „maak vader toch niet toornig: „zoo hij ons verlaat, dan kunnen wij loopen bedelen.quot;
„Maar wat kan een arme vrouw, als ik ben, dan doen? Kan ik hier geld bezorgen?quot; riep zij snikkende uit.
„Bezorgen, ja door het te besparen,quot; zeide Vondel: „en meer wordt van u niet gevergd. Geen ijdele opschik, geen fijne gerechten, geen onnutte uitgaven meer. Zie! dat is 't, waar gij voor kunt zorgen.quot;
„'tls waarlijk, of wij hier een prinsenleven leidden,quot; hernam Baertje: „doch ik zal alles doen wat men vordert,quot; vervolgde zij met klimmenden wrevel; „ik zal droog brood eten, zoo 't nood is: ik zal mij opsluiten en geen kraai meer zien; — o wee mij! wee mij!quot; Hier belette een zenuwtoeval haar verder te spreken: zij wierp zich in haar stoel achterover en begon luid te gillen en met handen en voeten te slaan.
„Ziedaar wat ik gevreesd had,quot; zeide De Wolff tegen Vondel, terwijl Joost zijn vrouw tot bedaren zocht te brengen.
„Eens moet het haar toch gezegd worden,quot; zeide Vondel, „en gij kunt zelf oordeelen, of het al dan niet noodig was er geen doekjes om te winden met een vrouw als zij. Indien zij niet wijs wil wezen uit plichtbesef, dan moet zij het kunnen zijn uit noodzakelijkheid. — Kom Joost!quot; vervolgde hij, zijn stem verheffende, „zie dat gij uw vrouw naar haar kamer krijgt en laat zij wat rust nemen.quot;
Altijd even gedwee, voldeed Joost, met behulp der op het geschreeuw toegeschoten dienstmaagd, aan het verzoek zijns vaders; de vrouw des huizes werd naar het slaapvertrek gedragen en spoedig daarna keerde haar man terug.
„Hoe is het er mede?quot; vroeg zijn vader: „mij dunkt, het heeft zich nogal ras geschikt.quot;
40
„0,quot; zeide Joost, „zij is weer bijgekomen en zal nu wat gaan rusten.quot;
Doch wat Joost niet zeide, was, dat indien hij zoo spoedig terugkwam, het voornamelijk was om te ontkomen aan de scheldwoorden en verwijtingen, waarmede zijn vrouw, zoodra zij het spraakvermogen teruggekregen had, begonnen was hem te overladen.
„'tls wel,quot; zeide Vondel, „en nu tot de zaken: eerst onderzocht, hoeveel er onmiddellijk noodig is, om de gevaarlijkste gaten te stoppen. Hebt gij de brieven bij de hand? want ik veronderstel, dat wij uit de boeken niet veel licht zullen scheppen.quot;
Joost haalde beide, brieven en boeken; en nu zette zijn vader zich met De Wolff aan het werk, daarbij een ijver en helderheid van begrippen aan den dag leggende, waarover deze verbaasd stond, als hebbende die niet verwacht van iemand, die maar een poëet en geen man van zaken was. Hij wist niet, de goede De Wolff, dat zoo een genie als dat van Vondel met de zaken van 't gewone leven zich over 't algemeen minder ophoudt, het niet is, omdat hij die niet verstaat, maar omdat het een grooter en edeler taak te vervullen heeft.
Toen het gehouden onderzoek, dat natuurlijk een geruimen tijd duurde, en waarbij de kaars moest worden ontstoken, hem tot eenige bepaalde resultaten gebracht had, zeide Vondel, dat het nu zaak zoude zijn, te onderzoeken, op welke wijze geld te vinden ware: „het is echter,quot; vervolgde hij, „te laat geworden, om daar hedenavond aan voort te gaan; ik zal de boeken en papieren met mij nemen, die morgenochtend op mijn gemak doorloopen en morgennamiddag weder hier zijn.quot;
Hij deed als hij gezegd had, maakte een pak van de schrifturen, welke De Wolff onder den arm nam, en begaf zich met dezen weder naar huis. Hij bewaarde den ganschen weg over een diep stilzwijgen, waaruit De Wolff het niet waagde, hem te storen: doch welke gedachten zijn brein vervuld hadden,
41
bleek genoegzaam; toen hij, op zijn stoep gekomen, en afscheid nemende van zijn neef, hem toevoegde:
„Neef! Neef! noem geen kinderen ooit naar uwen naam; want die wordt gebrandmerkt, als zij niet deugen.quot;
III.
De volgende namiddag vond al de personen, met wie de lezer kennis heeft gemaakt, in de achterkamer van het huis in de Warmoesstraat bij elkander. De vrouw des huizes, die toch bij nader inzien begrepen had, dat het wijzer ware, haar schoonvader niet te vertoornen, had hem met de vriendelijkste manieren ontvangen en zelts een soort van verontschuldiging gestameld over haar gezegden van den vorigen avond, welke zij toeschreef aan de ontsteltenis en de verwarring van het oogenblik. Vondel begreep van zijn kant, dat hij haar de les genoeg gelezen had en nu niet op het onderwerp hoefde terug te komen: zijn dochter Anna had hem bovendien gesmeekt, haar schoonzuster niet te hard te vallen, en hem deze reis vergezeld, in de veronderstelling, dat hare tegenwoordigheid niet geheel nutteloos wezen zou.
„Welnu!quot; zeide Vondel, nadat allen rustig gezeten waren: „ik heb de briefwisseling nagezien en met de boeken vergeleken : — wat de gelden betreft, die hier te lande te vorderen zijn, Joost moet daarvan maar hoe eerder hoe beter zijn werk maken, en zoo het kwade betalers zijn, hen doen dagvaarden. Met twee of drie zal het misschien zaak zijn, in schikking te komen, en te denken: beter een half ei dan een leege dop. — Wat de pretentiën op onze Deensche vrienden aangaat, dat is een zaak van meer neteligen aard. Uit de brieven heb ik gezien, dat sommige van die heeren contrapretentiën beweren te hebben en andere het bedrag der vordering betwisten. Processen te voeren is altijd een kwaad iets; maar
42
vooral in een vreemd land, waar men niet weet, of men zijn eigen pleitverzorgers wel vertrouwen kan. Het zou daarom wenschelijker, ja in mijn oog noodig zijn, dat iemand, die met de zaken bekend ware en in wien wij ons vertrouwen stelden, daarheen ging om met die lieden te spreken en alles te vereffenen. In een halfuur onderhouds doet men meer af dan met een geheel jaar correspondentie; wat dunkt u er van Neef?quot;
„Volkomen waar. Oom!quot; zeide De Wolff: „maar wie zal die reis ondernemen ? Sturen wij er een advocaat of procureur heen, dan zullen vrees ik, de ingevorderde gelden aan reiskosten en vacatiën wegsmelten.quot;
„Er zijn reizigers, voor andere huizen, die er heengaan,quot; waagde het Joost te zeggen; „en die onze belangen tevens zouden kunnen waarnemen.quot;
„Dat heeft ook zijn kwade zijde,quot; merkte De Wolff aan: „men moet dan zijn zaken aan derden blootleggen, die er niet mede te maken hebben, die wellicht in 't geheim mededingers zijn van hun lastgever en hem 't beentje lichten, en in allen gevalle bederft men er zijn krediet door. — Neen! in zulke omstandigheden dient men wel zelf te gaan.... tenzij . .. hier hield hij plotseling stil, want hem zelf kwam het denkbeeld te dwaas voor, dat Joost, die geen verstand noch karakter genoeg bezat, om te huis den wagen recht te houden, met eenige hoop op goeden uitslag zijn belangen in den vreemde zou gaan behartigen. De man wien 't gold was echter van een andere meening. Eigenwaan bezat hij zooveel als elke stommeling: en een reisje buitenslands lachte hem in dat tijdsgewricht nogal toe: „Nu!quot; zeide hij: „indien gij denkt dat ik zelf. . . .quot;
„Dwaasheid!quot; viel Vondel in: „gij moet hier blijven en den schijn zelfs niet aannemen, als wildet gij uw crediteuren ontloopen.quot;
„Ja!quot; zeide De Wolff, de schouders ophalende: „dan zal het plan moeten worden opgegeven. Ik voor mij zou van harte gaarne naar Denemarken, en desnoods naar Moskovië
4:3
gaan, zoo ik daarmede de eer der familie redden kon; doch ik ben zelf huisvader en aan mijn kantoor gebonden. En wie anders zal er gevonden worden, om zulk een reis te ondernemen?quot;
„Wel,quot; antwoordde Vondel: „indien er zich niemand voordoet, die er meer toe geschikt is, dan zal ik mij met die taak belasten.quot;
Een algemeene uitroep van verbazing volgde op deze verklaring.
„Gij Vader!quot; zeide Joost: „gij zoudt die goedheid hebben____quot;
„Een oud man als gij! . . .riep Baertje, die niet recht wist of zij hem bewonderen of voor halfwijs verslijten moest.
„Lieve Vader!quot; zeide Anna, de handen smeekend samenvouwende: „laat gij u thans niet door uw goed hart te verre leiden ?quot;
„Oom!quot; zeide De Wolff: „ziedaar een dienst, welken Joost niet mag aannemen.quot;
„Tut tut!quot; zeide Vondel: „niet allen te gelijk. Hier is goede raad duur, dat zijn wij allen eens: en evenzeer zijn wij het eens. dat er iemand naar Denemarken heen moet. Tenzij gij mij nu een geschikter persoon weet aan te wijzen, geloof ik zonder verregaanden eigendunk te mogen zeggen, dat ik de noodige vereischten, die men in een zaakgelastigde begeert, in mij vereenig. Ik ken de zaken, waarover gehandeld moet worden; ik ken Denemarken door vroegere reizen, ik ken zelfs de meeste der personeu. met wie onderhandeld moet worden. Ik zal de zaak ter harte nemen, gelyk geen vreemde doen kan, en ik zal de reis voor mijn eigen rekening doen. Zoo lang gij mij nu niet kunt tegenwerpen, dat ik te dom of te ongeschikt ben, weet ik niet, waarom gij zoudt aarzelen, uw toestemming te geven.quot;
„Dat is alles waar,quot; zeide De Wolff: „maar uw hooge jaren____quot;
„De ongemakken der reis,quot; voegde Anna er bij.
„Daar worden mij nu mijn jaren weer naar 't hoofd gesmeten,quot; zeide Vondel met een vroolijken glimlach: „wel! ik
44
durf zeggen, dat ik jonger ben dan dertig jaar geleden. Toen was ik altijd sukkelend en zwak: nu daarentegen, sedert mijn vijftigste jaar, ben ik zoo gezond als een visch, en loop door weer en wind tegen den besten aan. — De ongemakken der reis! Phoe! is 't niet, of ik naar Tartarije trok. Wij gaan immers naar den zomer, en ik heb nooit van zeeziekte geweten. Vind ik een goede gelegenheid met een hecht gebouwde kof, dan is zulk een zeereisje van een dag of zes of acht, al naar de wind waait, wel gezond. Kort en goed, indien Joost er niet tegen heeft mij zijn procuratie te geven, dan scheep ik mij in, en beter vandaag dan morgen. Men moet het ijzer smeden terwijl het heet is.quot;
„En de oorlog!quot; hernam De Wolff: „de Zweedsche kruisers laten geen vaartuig ongemoeid.quot;
„Ei wat!quot; riep Vondel uit: „zii zullen zich tweemalen bedenken, eer zij het wagen, de vlag der Heeren Staten te beleedigen. — Of, acht men de reis over zee gevaarlijk, dan neem ik den postwagen, en reis over land.quot;
„Maar laat mij ten minste met u gaan, lieve Vader!quot; hernam Anna, met kinderlijke bezorgdheid.
„Gij meent het goed, Anneke-lief!quot; zeide de oude man, haar glimlachend toeknikkende: „maar ik vrees, dat de rollen dan zouden omgekeerd zijn, en dat ik meer in de gelegenheid zou komen, om op u te passen, dan gij op mij. Neen! neen! 't is er mee als ik broer Peter heb laten zeggen tegen Badeloch:
Een vrou gedijt tot last, zy weet niets uyt te reghten:
en vooral op reis niet. Als gij naar Buiksloot gaat, zijt gij reeds zeeziek: hoe zou dat gaan in de groote of kleine Belt? altemaal gekheid. Gij zult hier blijven en op het huis passen, 't Past bovendien niet, dat begijntjes reizen,quot; voegde hij er schertsende bij.
„Vader is wel goed,quot; zeide Baertje: „en ik geloof, dat Joost niets anders doen mag, dan zijn voorslag dankbaar aannemen.quot;
Joost stamelde inderdaad eenige betuigingen van dankbaarheid.
45
„Die zaak is alzoo bepaald,quot; herhaalde zijn vader: „doch er dient meer gedaan te worden. Of die gelden in Denemarken zullen inkomen of niet, is nog de vraag: en intusschen moet er gezorgd worden om het hoofd te kunnen bieden aan de behoeften van het oogenblik.quot;
„Ja, dat is waar!quot; zuchtte Joost, terwijl hij het hoofd weder liet hangen.
„Welnu!quot; vervolgde Vondel: „ik heb ook hierover nagedacht en ziehier wat ik besloten heb. Terwijl ik uwe belangen ginds behartig, zult gij een volmacht aan neef Jan geven, om hetzelfde hier te doen, en de noodige schikkingen met uw crediteuren te maken: zoo zij weten dat zij hun geld krijgen, zullen zij waarschijnlijk handelbaar zijn en u tijd gunnen. En om de dringendste schulden af te doen, daartoe zal ik hem in staat stellen. Ik ben wel niet bemiddeld, maar ik heb toch altijd genoeg overgegaard, om de eer van uw naam te redden; — de toekomst zal moeten leeren, of gij, door vlijt, door eerlijkheid en een beter gedrag, uw dankbaarheid betoenen wilt.quot;
„O gewis!quot; riep Joost: „ik zal alles doen, wat ik kan----
ik zal____quot;
„Gij zijt een waardig man. Vader!quot; zeide Anna, terwijl zij een dankbaren blik op Vondel wierp.
„En gij zijt de éénige, mijn lieve kind! die mij niet moest prijzen,quot; zeide Vondel: „want gij zijt de éénige, die er misschien door lijden zult. Ik had dat geld voornamelijk bespaard om uwe toekomst te verzekeren.quot;
„Ik heb het u immers gisteren reeds gezegd. Vader!quot; zeide Anna: „dat ik voor mij geen behoeften had.quot;
Baertje was opgestaan, met oogen tintelende van vreugde, en overlaadde haar schoonvader met loftuigingen en fraaie beloften.
„En nu blijft alleen de vraag nog overig,quot; zeide Vondel: „of neef Jan den last wil aanvaarden, dien wij op zijn schouderen leggen.quot;
„'t Is een zware verantwoordelijkheid, die ik op mij laad,quot;
46
antwoordde De Wolff, die de edelmoedigheid van zijn oom wel bewonderde, doch maar half goedkeurde: „ik zal echter mijn best doen om uw vertrouwen niet te beschamen.quot;
„Dan is alles, wat de hoofdpunten betreft, in orde,quot; zeide Vondel: „en nu, de bijzonderheden nog eens nagegaan.quot;
Met die bijzonderheden zullen wij ons niet inlaten. Misschien beschuldigen mijn lezers en vooral mijn lezeressen mij, dat ik in den loop van mijn verhaal er reeds te veel gegeven heb. Daartegen kan ik geen andere verdediging aanvoeren dan die van den vorst der Romanschrijvers: „indien ik somtijds vervelend ben, houd u dan overtuigd, dat een volstrekte noodzakelijkheid er mij toe dwingt.quot;
IV.
Geen acht dagen waren verloopen, of Vondel had de reis naar Denemarken aanvaard. Voor twintig jaren had hij die nogmaals gedaan; en hoe was alles sedert dien tijd veranderd! 't Is waar, hij was, gelijk hij zeide, nog krachtig en gezond; maar toch, op die vroegere reize drukte hem niet, gelijk thans, het huiselijk verdriet. Bij die eerste reize was hij voorzien geworden van schitterende aanbevelingen; want toen was hij nog de gemeenzame vriend van Hooft, van Huyghens, van Van de Poll, van Mostert, van Baeck, van zoovele anderen, die de gewichtigste betrekkingen bekleedden; thans waren zij dood of van hem verwijderd, en de voet van gelijkheid, waarop zij vroeger met elkander verkeerden, had plaats gemaakt voor den afstand, die den hoogmoedigen beschermer scheidt van den onderdanigen cliënt. Bij die eerste reis had hij de verwachting, te Kopenhagen zijn boezemvriend aan te treffen, den wakkeren Reael, die, afgezant aan 't Deensche Hof, hem daar in betrekking kon brengen met de doorluchtigste en invloedrijkste staatslieden en magistraten; nu rustte sind
47
jaren de brave man in 't graf, en te Kopenhagen zelf was zijn korte verschijning wellicht reeds vergeten.
Niet lang echter nadat hij ter plaatse zijner bestemming gekomen was, mocht hem het onverwacht geluk te beurt vallen, er landgenooten aan te treffen, op wier bescherming en aanbeveling hij niet vruchteloos zou rekenen. Er kwam namelijk aldra een gezantschap, door de Staten-Generaal aan den Koning van Denemarken gezonden om de of- en defensieve tractaten, door beide Mogendheden gezamenlijk tegen Zweden gesloten, nader te bevestigen. Aan het hoofd van dat gezantschap bevond zich de schrandere vriend van Jan De Witt, de later zoo beroemde Koenraad Van Beuningen, Pensionaris van Amsterdam. Deze trok zich zijn stadgenoot aan en verschafte hem den toegang tot de hoogere kringen van Kopenhagen. Hoe Vondel hem en zijn medegecommitteerden daarvoor dankbaar was, hoe hij in betrekking tot aanzienlijke Denen geraakte, leeren wij in gedichten, welke hij gedurende zijn verblijf in Denemarken vervaardigde, en later uitgaf onder den titel van „Parnas aan de Belt,quot; inzonderheid uit de ,,Groete aan de gezanten,quot; uit zijn lofdichten op den Rijks-Hofmeester Joachim Gerstdorp en op den Resident van Polen Tobias Morstin. — Wellicht zal zich deze of gene er over verwonderen, ja op een toon van afkeuring spreken, dat Vondel, die naar Denemarken voor „zakenquot; ging, en hoofd en hart vol moest hebben over zijn eigen toekomst, zijn kostelijken tijd zoo kon verbeuzelen met verzen te maken; — misschien zelfs beweert deze of gene dat zulks weinig gevoel bij hem bewees. Ik ben overtuigd, dat wie zoodanig oordeel velt, anders zou gehandeld hebben dan onze dichter. Zoodanig iemand had zeker zelf geen verzen gemaakt; doch of hij onder dezelfde omstandigheden dezelfde moeilijke reis zou gemaakt hebben, ziedaar wat nog de vraag ware. Naar mijne meening moet, bij hetgeen Vondels levensbeschrijvers ons berichten met betrekking tot zijn gemoedelijk en licht aantrekkelijk gestel, het feit zelf dat hij in Denemarken zijn ledige uren niet aan een ijdel suffen en mokken besteedde, maar aan de Muzen wijdde,
48
eenvoudig tot bewijs strekken van 's mans ongewone kracht van geest. Dat hij in den vreemde geen vermaken najaagde, dat hij er ook weinig vermaak vond en hartelijk en dagelijks naar het tijdstip uitzag, waarop de afdoening zijner zaken hem vergunnen zou, naar zijn vaderland terug te keeren, dit blijkt uit hetgeen hij later, bij zijn tehuiskomst aan zijn vrienden betuigde, namelijk, dat hij menigmaal bad:
O Heer! wil mij verlossen
Yan deze Deensche ossen.
Hij verliet echter Denemarken niet — en dit bewijst vóór hem beter dan alle redeneeringen — dan toen hij het doel van zijn tocht bereikt had en de gelden, die, na vergelijking en vereffening van alle pretentiën en contra-pretentiën, zijn zoon bleken toe te komen, zooveel mogelijk had ingevorderd. Toen keerde hij huiswaarts, en gewis, hij had wel verdiend, alsnu het loon voor zijn opofferingen in te oogsten. Dan helaas! het tegendeel had plaats en te spoedig verkreeg hij de overtuiging, dat hij voor nieuwe beproevingen bewaard was. Niet alleen waren zijn onwaardige zoon en zijn even onwaardige schoondochter, zoodra zij uit de eerste verlegenheid gered waren, den ouden weg weder opgewandeld, en hadden zij de bestaande schulden met nieuwe vermeerderd; maar ook kwam het uit, dat — zooals dit doorgaans het geval is — er aan Vondel zoowel als aan zijn neef maar gedeeltelijke opening van zaken gegeven was, ja dat de gewichtigste en meest heilige schulden verzwegen waren. De jonge Vondel had — om 't even in welke hoedanigheid — gelden van anderen onder zijn berusting; en toen hij zich in verlegenheid bevond, deze 't eerst aangesproken: zelfs nog vóór dat hij zich tot de woekeraars wendde. Uit schaamte had hij dit misbruik van vertrouwen voor zijn vader verzwegen; doch de tijd der verantwoording was gekomen en nu moest het hooge woord er uit. Nu werden voor Vondel, wilde hij zijn zoon niet als een misdadige vervolgd en gestraft zien, nieuwe opofferingen noodig, en ook deze vielen den vader niet te zwaar; hij redde de eer zijns
49
zoons, hij voldeed voor hem tot den laatsten penning; — maar nu was ook de hoop, waarmede hij zich nog gevleid had, dat het kantoor zou in stand kunnen gehouden worden, voor altijd vervlogen: aan huis en winkel moest worden vaarwel gezegd, en de beide echtelieden behielden niets meer van wat vroeger het hunne was. De vrouw troostte zich spoedig: zij had haar man alleen genomen omdat zij een lui en gemakkelijk leven met hem meende te kunnen leiden; nu hij arm was, kon zij hem missen; een nieuwe beschermer deed zich op, en zij begaf zich met dezen het pad op. De kinderen trokken bij hun grootvader in : met Joost moest nu raad geschaft worden. De vrienden van Vondel zochten den doorbrenger te bewegen, naar Oost-Indië te trekken, het gewone toevluchtsoord in die dagen en nog lang naderhand van al wie hier niet deugen wilde; hij was echter te veel hetgeen men in den min gun-stigen zin van 't woord „een Amsterdamschen jongenquot; noemt, om ooren aan zulk een voorslag te leenen. De vader had alles gedaan, wat plicht en ouderliefde van hem eischen konden; hij moest nu zelf den losbandige voor verdere opspraak en schande bewaren. Hij ging — zij het ook met een bloedend hart geweest — naar Burgemeesteren, en verzocht van hen, dat de onwillige met dwang gezonden werd, waar hij niet goedschiks wilde heengaan. 't Verzoek, door Vondels vrienden met klem van redenen ondersteund, werd ingewilligd en de zoon van hier gezonden. Hij bereikte echter zijn bestemmingsoord niet, maar stierf op reis.
Ruim veertig duizend gulden — een aanzienlijke som vooral in die dagen — had de vader bij deze treurige gelegenheid laten zitten. En dit was niet alles; maar, goedhartig van natuur en licht van vertrouwen, had hij ook meermalen geld geschoten of krediet verleend aan lieden, die 't onwaardig waren en van wie hij 't zijne niet kon terugbekomen. Weinig had hij meer overig, buiten 't moederliik erfdeel zijner dochter Anna, dat nog onder zijn berusting was. Vreezende, dat wellicht zijn zoon, van wiens overlijden men toen nog onbewust was, nieuwe schulden maken mocht, en het overschot ten behoeve zijner dochter, die al schade genoeg had geleden, wenschende
II. — Nov. 4
50
te verzekeren, wellicht zich zelven niet vertrouwende, droeg hij haar dat moederlijk goed, en al wat hem van 't zijne nog overschoot, gerechtelijk over.
Hierdoor werd wel hetgeen nog in handen was, bewaard; doch 't scheen nauwelijks genoeg, om — nu ook zijn drie kleinkinderen tot zijn last gekomen waren, — in 't vervolg van te leven. En wat te doen, als het kapitaal aangesproken moest worden, en eens verteerd was? Hij had op zijn leeftijd er niet aan kunnen denken, de verloopen nering weder aan den gang te helpen: veel minder kon hij er een nieuwe beproeven: en welke uitnemende verzen hij ook maakte, deze brachten geen voordeel aan, of althans, zoo de lof groot was, het profyt was luttel. „De groote dichterquot; zegt Brandt, — „die zooveel groote personages. Prinsen, Vorsten, Koningen en Helden verplichtte, door onsterfelijken lof, hun toegezongen, had met al zijn dichten en edelen arbeid niet éénen Mecenas of Augustus kunnen winnen, die hem in een kommerloozen staat stelde.quot; Er moest toch raad en hulp geschaft worden, wilde men den ouden man op zijn zeventigste jaar niet tot gebrek laten vervallen. In deze omstandigheden vonden De Wolff en andere bloedvrienden zijner overleden huisvrouw het geraden, eenig ambt of bediening voor hem te verzoeken. Dit geschiedde echter buiten zijn toedoen, want hij was te kiesch en groothartig, om zijn nood te kennen te geven, en bij hen, wier vaders eenmaal zijn vrienden en goede bekenden geweest waren, de rol van ambtsjager te vervullen. Het was een vrouw, die medelijden met den grijzen dichter had, en wel Anna Van Hoorn, echtgenoote van Cornells Van Vlooswijk, toen een der regeerende Burgemeesters van Amsterdam. Tot haar hadden Vondels verwanten zich gewend, als tot een vrouw, die niet alleen de dichtkunst beminde en beschermde, maar die ook een gevoelig hart bezat. Innig werd zij bewogen bij de schildering van de opoffering, welke de brave grijsaard zich getroost had, en van den nood, waarin hij, zoo niemand zich zijner aantrok, zou gedompeld worden. Zij liet zich ook niet lang bidden om zijn voorspraak bij haar echtgenoot te zijn, en zoo
51
was het, dat, op den laatsten Januari des volgenden jaars (1658), 's daags voor de jaarlijksche verandering der Regeering, aan Vondel een betrekking bij de Bank van leening — er viel toen niets beters te begeven — werd geschonken; een ambt, dat in 't jaar zeshonderd vijftig gulden opbracht.
Vondel was nu, ja, voor gebrek en honger bewaard en gewis niet ondankbaar voor de hem verleende gunst; maar toch, wie zal het ons zeggen, met welke verdeelde gevoelens hij op den morgen, dat hij voor 't eerst zijn nieuwe bediening vervullen zou, zijn dierbaar schrijfvertrek, zijn waarde boeken, zijn geliefkoosde studiën verliet, om op den verwijderden Voorburgwal, in een somber en dompig lokaal, een hem geheel vreemden, een met zijn smaak, met zijn neigingen, met zijn gewoonte geheel strijdigen arbeid te aanvaarden? Was dit het loon voor zoovele jaren zwoegens en tobbens om de Nederduitsche letterkunde te verheffen tot een hoogte, welke zij nooit gekend had? quot;Was dit de werkkring, waar zijn zeventigjarig leven in moest eindigen, zijn weelderig vernuft gevaar loopen te verstompen ? En gewis, zoo de dichter tegen deze nieuwe loopbaan reeds in zijn verbeelding opzag, de wezenlijkheid viel hem niet mede. Daar moest hij, vroeger gewoon zich vrij en frank te bewegen en aan niemand rekenschap te geven van zijn daden, den geheelen dag op de Bank passen, den heeren, die er van Stadswege 't beleid en 't toezicht hadden, met ontblooten hoofde ten dienste staan, zijn dichterlijke veder, gewoon den hoogen tooneelstijl te schrijven, vernederen om de panden, waar men den vertegenen geld op schoot, te boek te stellen. Was het wonder, dat hij, bij het herdenken aan de omstandigheden, die hem — door toedoen en de schuld van den zoon, die de staf van zijn ouderdom had moeten zijn en de stichter van zijn leed geworden was — in verstrooiing van gedachten eenmaal, tusschen de panden in, de treffende slotregels van zijn Jozef in Dothan nederschreef:
Ach! de ouders teelen 't kint en brenghen 't groot met smart:
Het kleine treet op 't kleet, het groote treet op 't hart.
Hetgeen ik u verhalen ga, bescheiden lezer! heeft niets, dat vreemd, verrassend of romanesk genoemd kan worden: het zullen eenvoudig toestanden en voorvallen zijn uit het dagelyksch, burgerlijk leven. quot;Wel is waar ontleende ik die aan een tijdvak, dat meer dan twee eeuwen van ons verwijderd is; doch daarom zijn zij toch uit haren aard weinig of niet verschillende van die, welke nog heden dagelijks voorkomen, en gewis zouden zij, op zich zeiven beschouwd, de moeite niet waardig schijnen, weder te worden opgehaald, indien niet de namen der personen, die er in betrokken waren, en enkele bijkomstige omstandigheden, er eenige meerdere belangrijkheid aan verleenden. Al wat ik u, betreffende de heldin van mijn verhaal en haar gezin, zal mededeelen, is, tot in de geringste bijzonderheid, historische waarheid, alleen in zooverre gekleurd, als noodig was, om het verhaalde meer aanschouwelijk en tevens meer begrijpelijk te maken. Ik vermeld dit niet, om het als een verdienste te laten gelden; maar eenvoudig omdat gij, naar mijn begrip, recht heb, te weten, waaraan gij u ten opzichte van hetgeen ik u mededeel te houden hebt.
Het was op een avond in de maand Augustus 1636, dat twee vreemdelingen, die hun intrek hadden genomen in de toenmalige Oude Stads-Herberg te Amsterdam, aan den IJkant gelegen, zich, op de aanbeveling, hun door den waard gedaan.
53
naar de Oude Kerk begaven, om aldaar het orgelspel van meester Dirk Swelinck te hooren. Het was in dien tijd en nog tot aan het einde dier eeuw de gewoonte, dat alle avonden het kleine orgel in die kerk tot genoegen der wandelaars bespeeld werd. De openbare vermakelijkheden, welke Amsterdam in die dagen aanbood, waren weinig in getal: de meeste lieden hadden het, gelijk zulks het geval pleegt te zijn in steden, waar zich door handel en nijverheid een buitengewone welvaart ontwikkelt, veel te druk, om vermaken na te jagen: van het bezoeken van den schouwburg werden velen door godsdienstige bezwaren teruggehouden; van andere concerten wist men nog niet: het hier aangebodene was het eenige en had nog bovendien het voorrecht, dat het, door de plaats waar het gegeven werd, en door den aard der stukken, die gespeeld werden, ten deele althans in overeenstemming was met den ernstigen zin der natie: geen wonder dus, dat het doorgaans een vrij talrijke menigte bezoekers uitlokte, ja een soort van vereenigingspunt vormde, waar men heen gedreven werd, 't zij uit liefde tot de toonkunst, 't zij omdat men vrij zeker was, er een menigte kennissen te ontmoeten.
Wat de beide vreemdelingen betreft, die, zooals ik zeide, door hunnen waard daarheen werden gestuurd, de jongste hunner was nog een knaap, en telde oogenschijnlijk niet veel meer dan zestien of zeventien jaren: zijn Poolsche overrok, rijk met passementen versierd en met tressen samengestrikt, had reeds menigen voorbijganger naar hem doen omkijken; ofschoon die uitheemsche kleederdracht, in een tijd, toen Amsterdam, als markt en voorraadschuur van Europa, gedurig duizenden vreemdelingen uit alle wereldstreken in zijn muren zag, geenszins die uitwerking maakte, welke thans, nu de kleederdracht bij alle beschaafde volkeren dezelfde is, te Amsterdam wordt opgewekt ten koste, en dikwijls tot grooten last van hem, die zich met een maar eenigszins ongewoon kleedingstuk op de openbare straat vertoont. De metgezel van den jongen Pool scheen een tiental jaren ouder en zijn gewaad onderscheidde zich niet van de gewone kleeding der
54
jongelieden van deftigen stand: zijn voorkomen en manieren waren beschaafd en innemend; doch zijn hoog voorhoofd en donkere oogen kenschetsten meer ernst dan aan zijn leeftijd eigen scheen: en uit de wijze, waarop hij tegen zijn jongeren metgezel sprak en zich gedroeg, kon men al spoedig opmaken, dat hij een soort van gezag over hem uitoefende, gelijk hij dan ook inderdaad zijn zedenmeester, of — als men 't nu met een uitheemsch woord uitdrukt — zijn gouverneur was.
Toen zij de kerk binnentraden, was deze reeds gevuld met bezoekers, en ruischten er de tonen, welke meester Dirk Swelinck, de waardige opvolger zijns onsterfelijken vaders, aan het orgel ontlokte, krachtig en liefelijk door de gewelven. Het was geen onaardig schouwspel, die kloeke Amsterdammers, meestal jongelieden van deftigen huize, met hun moeders, vrouwen, of zusters, hier vergaderd te zien, sommigen in groepen bijeen, anderen meer afgezonderd, dezen langzaam op en neder wandelende, genen op stoelen of in de kerkbanken gezeten. Maar ofschoon velen, door de aandacht, welke zij aan het spel verleenden, blijken gaven van hun ingenomenheid met de edele toonkunst, het ontbrak in de kerk niet aan menig gezelschap, waar men, door een wel fluisterend, maar toch vrij druk en aanhoudend gesprek, bewees, hoe de muziek maar het voorwendsel was van de verschijning daar ter plaatse: en zelfs zou hier en daar een lonkje, in 't voorbijgaan geschonken, een wenk, een woord, een handdruk, den spotter in de verzoeking gebracht hebben, de woorden uit de Granida van Hooft hier eenigszins gewijzigd in toepassing te brengen, en te zeggen:
Indien de Kerk eens klappen kon,
Wat meldde Ze al vrijage!
Onder de weinigen, die zich door niets schenen te laten aftrekken van het genot, dat de muziek hun aanbood, merkte onze jonge Gouverneur een vrouw op, die met den rug naar hem gekeerd, en den arm gevende aan een rijzigen jongeling, als een standbeeld onbeweeglijk stond. Ofschoon hij haar gelaat
55
niet zien kon, maakte hij op uit de tengere rankheid harer gestalte, en uit de heerlijke blonde lokken, die over haar schouders golfden, dat zij nog in den bloei der jaren was. Dat zij daarbij ook schoon moest zijn, leed bij hem geen twijfel; want gedurig kwamen er jongelieden haar begroeten, die blijkbaar niets liever verlangden dan een praatje met haar aan te knoopen, doch er niet in slaagden; daar de lichte hoofdbuiging, waarmede hun groet beantwoord werd, scheen te kennen te geven, dat zij daar niet kwam om te snappen, maar om te luisteren. Onze jonge vreemdeling gevoelde zijn nieuwsgierigheid opgewekt om haar, die een voorwerp van vrij algemeene bewondering scheen, in 't aangezicht te zien; doch hij was niet alleen, en oordeelde, dat het voor zijn kweekeling een slecht voorbeeld zijn zou, indien hij zijn plaats met zulk een bedoeling verliet. Bovendien was hij zelf een te groot minnaar der toonkunst, en te veel ingenomen met hetgeen hij hoorde, om door het maken van eenige beweging iemands aandacht te willen storen.
Toen echter het stuk was afgespeeld, diende hem het toeval: de juffer keerde zich met haar geleider om, en nauwelijks had hij haar gelaat aanschouwd, of hij vergaf het aan de Amsterdamsche jongelingschap, zoo deze een blik van hare blauwe oogen en een lachje om haar welgevormden mond ook zelfs boven een concert van Swelinck stelde. De muziek begon opnieuw; doch nu nam onze jongeling zijne stelling zoodanig, dat hij te gelijk luisteren en de onbekende schoone in 't gelaat kon zien: zoodat bij hem oor en oog te gelijk gestreeld konden worden: weldra was het hem, alsof de dubbele indruk, welken hij op die wijze ontving, tot een enkelen te zamen smolt: 't was hem, alsof de orgeltonen, die de gewelven doorklonken, hem hare schoonheid afschilderden, en of er uit hare oogen liefelijke melodieën hem tegenruischten: een tot dien tijd onbekend gevoel vervulde hem: genietingen, die geene pen beschrijven kan, doorstroomden zijn ziel; als op lichte vleugels zweefde zijn geest door sferen van hemelsche weelde en verrukking: en nog luisterde hij, nog staarde hij voor zich heen.
56
toen de tonen der muziek vervlogen, en de plotselinge beweging, het luidruchtig gedrang der schare, die zich naar de kerkdeuren spoedde, hem verkondigden, dat het concert was afgeloopen.
De bekoorlijke verschijning was verdwenen: nog even meende hij de blonde blokken, welke hem 't eerst zijn aandacht op de schoone onbekende hadden doen vestigen, in de verte te bespeuren; en zijn eerste beweging was, zich dien weg heen te wenden; doch weldra bracht de stem der koele rede de opwelling van 't gemoed tot zwijgen: hij bedacht, wat hij aan zijn kweekeling verschuldigd was: dat hij voor dezen, niet voor zich zeiven, te Amsterdam gekomen was: en, den knaap onder den arm nemende, verliet hij snel de kerk en begaf zich weder naar de herberg, waar hem de herinnering van het genotene niet slechts vergezelde, maar 's nachts tot in den droom bleef vervolgen. Hij verbeeldde zich namelijk in zijn slaap, de Heilige Cecilia te zien, die het gelaat der onbekende had, en orgelconcerten gaf aan de Engelen. Lichtende wolken omgaven haar, en ieder van die wolken kaatste haar beeld en hare harmonieën terug: tot zij langzamerhand alle tot ijs stolden, dat wegbrokkelde en onder 't vormen van duizendkleurige prisma's versmolt, terwijl zij zelve mede allengs in een glinsterenden nevel scheen weg te dampen, de tonen, welke zij hooren deed, al flauwer werden, en geheel hadden gezwegen, toen hij, met een gevoel van afmatting en onbeschrijfelijken weemoed, ontwaakte.
Het was nog vroeg op den daaropvolgenden morgen, dat men onze beide jongelieden weder had kunnen ontmoeten, evenals den vorigen dag den weg opgaande naar de Oude Kerk, doch die thans voorbij wandelende en hunne schreden richtende naar dat gedeelte van den Voorburgwal, 't welk
li
57
leeds toen onder den naam van „Fluweelen Burgwalquot; bekend was. Reeds waren zij het Prinsenhof voorbij, toen zij hun stap begonnen te vertragen en de oudste der twee huis voor hms aandachtig m oogenschouw te nemen. Waarschijnlijk schoot hem het spreekwoord te binnen; „door vragen wordt
ZT J t' u ' 0PeenS stilstaande' en zich wendende tot een kloek gebouwd burgerman, die achter hem aankwam en
wiens open en wakker gelaat hem vertrouwen inboezemde quot; 'n zuiver Nederduitsch, ofschoon met een licht lt; ent, of hij hem ook kon zeggen, waar Professor Vossius woon e. Bleek aldra, dat hij zich tot niemand beter had kunnen vervoegen; want het antwoord van den Amsterdammer luidde: „ga maar mede; ik stap er zelf heen.quot;
Recht m zijn schik, het zoo goed getroffen te hebben, gaven onze vreemdelingen zich aan 't geleide van hun wegwijzer over, en terwijl onder 't voortwandelen de jongste van de twee zich vermaakte in 't kijken naar de sierlijke zwanen waarvan in die dagen het water van den Fluweelen Burgwal' naai Vondels uitdrukking „krielde,quot;') kon de oudste' niet nalaten, den leidsman, dien een gunstig lot hun had toebe-schikt, zijdelings gade te slaan. Had 's mans voorkomen dadelijk zijn opmerkzaamheid getrokken, hoe meer hij nu van nabij die fonkelende oogen, dat breed gewelfde voorhoofd, dien scherpzinnigheid teekenenden arendsneus en dien fijn besneden mond eschouwde, hoe meer hij de overtuiging verkreeg, dat het geen onbeduidend man was, die aan zijn zijde ging. Niet lang radden zij voortgewandeld, toen de Amsterdammer stilstond en, op het huis wijzende, waar zij zich voor bevonden- hier woont de Heer Vossius,quot; zeide hij, „drie deuren van de Door-uchtige schole, waar hij onderricht geeft aan de studeerende
(' Zle Voxels Inwijding der Doorluchtige Schole, vs. 81—84;
De poëzy, het goddelijkst van al,
Spant keel en snaar op sluizenwaterval En trippelt op fluweelen burreghwal.
Die krielt van zwanen.
58
jongelingschap, en allernaast zijn ambtgenoot Van Baerle, of Barlaeus, zoo gij hem onder dien naam beter kent.quot; •
En meteen, de stoep opgaande, deed hij den klopper vallen.
„Is Professor te spreken, Sijtje?quot; vroeg hij aan de dienstmaagd, die de deur opende.
„Ja wel, Sinjeur!quot; was het antwoord: „als de vrienden maar in de zijkamer willen gaan en een amerijtje wachten. Professor heeft juist iemand bij zich: — maar ik zal u aandienen.quot;
Onder het uiten dezer woorden had zij het drietal binnengelaten en de zijkamer voor hen ontsloten.
„Dien eerst deze heeren aan, Sijtje!quot; zeide de Amsterdammer, „ik heb al den tijd.quot;
„Ik bid u om verschooning,quot; zeide de jongeling, met een beleefde buiging; „het voegt ons niet, den voorrang te nemen boven iemand van uwe jaren.quot;
„Tut! tut!quot; hernam de andere, met een vroolijken lach: „ik ben nog maar vijftig jaar, en gezonder, ik durf zeggen jeugdiger, dan ik mijn leven geweest ben. Maar wij hebben hier de jaren niet te tellen: ik behoor hier thuis in de stad en gijlieden zijt vreemdelingen: reden genoeg, waarom gij voorop moet gaan: — dus, als ik zeide, Sijtje! dien de heeren eerst aan.quot;
De jongeling bewees alsnu, die ware wellevendheid te bezitten, welke ons verbiedt, door overbeleefdheid lastig te worden : hij boog zich nogmaals en zeide toen aan de dienstmaagd, die hem vragende aanzag: „zeg maar, dat wij een brief wen-schen te overhandigen van den Heer De Groot.quot;
„'t Ware moeilijk,quot; merkte de Amsterdammer aan, „een betere aanbeveling bij den Heer Vossius mede te brengen: noch bij mij, durf ik zeggen. Is die Heer, die zich thans bij Professor bevindt, er al lang, Sijtje?quot;
„Zoo flus gekomen,quot; antwoordde zij, terwijl zij de deur achter zich toetrok.
„In allen gevalle,quot; vervolgde de spreker, zich tot de vreem-
59
delingen wendende, „zult gij niet lang behoeven te wachten. Professor Vossius heeft dagelijks zoovele bezoeken van geleerden uit alle landen, dat hij het zich tot regel heeft gesteld, aan niemand een langer gehoor te schenken dan van een kwartier uurs. Hij kent de waarde van den tijd.quot;
„Wij zullen hem zoolang niet ophouden,quot; hernam de jongeling.
Onze Amsterdammer, die zich bij Vossius blijkbaar thuis gevoelde, scheen nu te begrijpen, dat hij zich evengoed op zijn gemak kon zetten, en nam op een der aanwezige leunstoelen plaats. Terwijl deden de jongelieden wat men gewoon is, bij dergelijke gelegenheden te doen: zij lieten hun oogen door het vertrek weiden, bekeken achtereenvolgens de notenboomhouten kist in den hoek, de geborduurde kussens in de vensterbank en de schilderijen aan den wand; eene van deze laatste scheen versch vervaardigd te zijn: zij stelde een bloeien-den knaap voor, die een boek in de hand hield, op welks rug men las: Moses Maimonides de idollolatria. Onder de schilderij hing een kunstschrift, hetwelk, tusschen talrijke met de pen geteekende zinnebeelden van dood en eeuwigheid, twee gedichten deed lezen, waarvan liet eene aldus luidde:
Lycksang over DIONIJS VOS
aen
KASPER VAN BAERLE.
Doorluchtige van baeele,
Ghy kostelycke paerle
Aan Amstels wapenkroon,
Nu help me 't roukleed dragen,
En DioNi.js beklagen
Syn Vaders waerdste Soon.
60
Die goudbloem leyt vertreden, En van den struick gesneden,
In 't vrolijkst van heur lent! Wat gaet het sterflot over,
Dat het de beste lover
Yan Phebus lauwer schent?
Of trof hem 't heilloos weder, Om dat de Sweedsehe veder Sijn hant was toebetrouwt. Die, zwanger van histori,
Gustaefs verdiende glorie Beschrijven zou met goud?
Of kon de Nijd niet lijen,
Dat hem de Theems kwam vrijen?
Of dat hij dacht te treên In onsen fredricx laersen Met eoete vredevaersen.
Als in triomf voorheen?
Ghy heeregraftgodinnen, Ghy burreghwals meerminnen.
Besluit een treurverbond: Bestroyt het lyck met reucken, En weeft een pel van spreucken, Gevloeyt uyt sijnen mond.
Beschoutse met meédoogen. En tranen van uw oogen;
Misschien of dit verlicht Sooveel bedruckte vrinden En geesten, die hem minden En schencken dit gedicht;
Al leyt hier 't lijf begraven, De deughdelijcke gaven En geest van dionijs Syn boven 't graf gevaren, By d' uytgeleerde scharen In 't hemelsch paradijs.
Het andere droeg tot opschrift:
61
KANONIK TE KANTELBERG
Wat treurt ghy, hooghgeleerde Vos,
En fronst het voorhoofd van verdriet,
Benij u soon den hemel niet,
De hemel treckt, ay, laet hem los.
Ay, staeck dees ydle tranen wat.
En offer, welgetroost en blij, Den allerbesten Vader vrij Het puyck van uwen aerdschen schat.
Men klaeght indien de kiele strandt,
Maer niet wanneerse, rijck gelaen,
üyt den verbolgen Oceaan,
In een behouden haven landt.
Men klaegt, indien de balsem stort. Om 't spillen van den dieren reuck:
Maer niet, soo 't glas bekomt een breuck. Als 't edel nat geborgen wordt.
Hi] schut vergeefs sich selven moe, Wie schutten wil den stereken vliet. Die van een steyle rotse schiet.
Na haren ruymen boesem toe.
Soo draeyt de wereldkloot; het sy De vader 't liefste kind beweent: Of 't kind op vaders lichaam steent: De dood slaet huis noch deur voorby.
^ Vossius, die zich op lateren leeftijd zelden of nooit in de toenmalige godsdiensttwisten mengde, had in 1G18 een geschiedenis van de Pelagiaansche twisten geschreven, welke hem de gunst van vele invloedrijke geestelijken in Engeland en onder anderen die van den Aartsbisschop Land verwierf, aan wien hij zijn prebende in de hoofdkerk van Kantelberg (Canterbury) te danken had.
62
De dood die spaert noch soete jeughd,
Noch gemelycken ouderdom,
Sy maeckt den mond des reedners stom;
En siet geleerdheid aan noch deughd.
Geluckigh is een vast gemoed,
Dat in geen blijde weelde smilt En stuyt, gelijck een taeye schild.
Den onvermijbren tegenspoed.
„Welke keurige poëzie!quot; riep onze jongeling uit, nadat hij met aandacht de beide verzen gelezen had.
„Hm! de poëzie is zooals zij is,quot; zeide de Amsterdammer, de schouders ophalende: „maar de kunst, waarmede dat alles geschreven is, hè?quot;
Het schrift was inderdaad ongemeen fraai en onze jongeling stemde ook op beleefde wijze in met den daaraan gegeven lof, hoezeer hij zich tevens teleurgesteld vond in zijn meening omtrent den man, van wien hij eerst zulke goede gedachten had opgevat, en die nu toonde, het wezen om den vorm voorbij te zien: en hij beloofde zich wel, nimmer meer iemand naar het uiterlijke te beoordeelen.
„'t Is van dezelfde hand geschreven, die zonder andere hulp dan hare herinnering aan den afgestorvene, het afbeeldsel vervaardigde,quot; vervolgde de Amsterdammer: „van Juffrouw Cornelia Vossius.quot;
„Inderdaad!quot; riep de jongeling verbaasd uit: „is dit het werk eener jonge juffer?quot; — En toen, zich tot zijn kweekeling richtende, zeide hij in 't Laiijn: „Zie eens, Alexis! dit is de afbeelding van Dionysius Vossius, den beroemden en te vroeg gestorven jeugdigen geleerde, van wien gij meermalen gehoord hebt, en wien uw neef Christoffel Slupeski zoo gaarne tot reisgenoot en medehelper had gehad, toen hij over Turkije naar het Oosten reisde, om de Arabische taal aan haren oorsprong te bestudeeren ?quot;
„Ik heb Slupeski gekend,quot; zeide de Amsterdammer, nu ook in 't Latijn: „een hupsch man' en is deze knaap zijn bloedverwant ?quot;
63
„Christoffel Slupeski was zijn oom van moederszijde,quot; antwoordde de jongeling, die nu toch weder bij zich zeiven begon te begrijpen, dat iemand, die met De Groot en Slupeski bevriend scheen, en goed Latijn sprak, toch geen onbeduidend man kon zijn. „'t Is zeker een advocaat of een geleerde,quot; dacht hij bij zich zeiven, „en do man kan het niet helpen, zoo hij alle gevoel mist voor poëzie.quot; Hij had echter geen tijd om zich in verdere gissingen te verdiepen; men hoorde voetstappen in de gang: er werd iemand uitgelaten, en de dienstmaagd, terstond weder binnenkomende, verzocht de jongelieden, haar te volgen naar des Hoogleeraars studeervertrek.
Met een gevoel van heiligen eerbied traden beiden het heiligdom des geleerden binnen: bij den oudste was die eerbied gegrond op de kennis, welke hij van 's mans treffelijke schriften had; bij den jongste was die eenigszins opgelost in het gevoel, dat een jong student ondervindt, wanneer hij zich voor 't eerst in de tegenwoordigheid eens deftigen Professors bevindt.
Vossius ontving beiden met die gulheid, welke hem eigen was, en waardoor hij terstond iedereen op zijn gemak zette. De beroemde geleerde was toen in zijn zeventigste jaar. Aanhoudende studiën en vooral, sedert kort, het verlies van twee zoons, waarvan de een, zijn lieveling, de treflijke uitgever van Maimonides, de schoonste vooruitzichten voor de toekomst gaf, en de ander, zijn eerstgeborene, in het verre Oosten gestorven was op het oogenblik dat zich een glansrijke loopbaan voor hem opende, hadden hem dat uiterlijke reeds gegeven, waarvan Vondel zong:
Laet sestigh winters vrij dat Vossenhooft besneeuwen,
Noch grijzer is het brein, dan 't grijze hair op 't hooft.
Dat brein draeght heughenis van meer dan vijftigh eeuwen En al heur wetenschap, in boecken afgeslooft.
Sandrart, beschans hem niet met boecken of met blaeren.
Al wat in boecken steeckt is in dat hooft gevaeren.
Hij wees zijn bezoekers stoelen aan en wachtte toen af, eer hij sprak, in welke taal zij 't woord tot hem zouden richten. De oudste der beide jongelingen liet hem niet lang in
64
de onzekerheid; doch, hem in 't Latijn begroetende, reikte hij hem den brief over van De Groot. Vossius opende dien, doorliep hem vluchtig, en, zich toen tot den spreker wendende:
„Ik onderstel,quot; zeide hij, „dat deze knaap de zoon is van den Heer Gezant.quot;
Beide jongelieden bogen zich.
„De Heer De Groot,quot; vervolgde Vossius; „schrijft mij, dat zijn vriend, de Heer Eey, Gezant van Z. M. van Polen, bij Hun Hoog Mogenden, den wensch koestert, dat zijn zoon Alexis, gedurende zijn verblijf in Holland, zijn oefeningen in de oude talen en geschiedenis onder mijne leiding voortzette. Het zal mij natuurlijk aangenaam en vereerend zijn, hem onder mijn studenten te tellen; doch ik onderstel, dat de Heer Gezant nog meer verlangt.quot;
„De Heer Gezant,quot; hernam de jongeling, „heeft voor drie jaren mij de eer aangedaan, zijn zoon aan mijne leiding toe te vertrouwen, en het is zijn wensch, die mij vereert, dat ik nog voortdurend het toezicht over hem blijve houden. Ik behoef u niet te zeggen. Hooggeleerde Heer! hoezeer mij het denkbeeld streelt, op die wijze mede nut te kunnen trekken van uw onderricht en onderwijzing.quot;
„Indien gij, Mijnheer!quot; zeide Vossius, „in alles even bedreven zijt als in het vloeiend Latijn spreken, dan gewis kon die leiding, waar gij van spreekt, aan geene betere handen zijn toevertrouwd. — Maar verschoon mij, uw eigen naam hebt gij mij nog niet medegedeeld.quot;
„Mijn naam,quot; was het antwoord, „is een van degene, die, al noemt men ze, nog even onbekend blijven. Ik heet Andreas Winius. Mijn vader is uit Holland afkomstig, doch heeft zich voor dertig jaren in Rusland nedergezet, waar hij een geschutgieterij heeft opgericht aan de boorden der Toulitza, de eerste in dat land, die met watermolens gedreven wordt. Ik zelf ben in Moskou geboren; doch heb mij reeds vroeg naar Duitsch-land begeven, om mij in de wetenschappen te oefenen. — Maar ik weet het, Hooggeleerde Heer, uw oogenblikken zijn kostbaar, en het is niet over mij, maar over mijn kweekeling,
65
dat ik u moet onderhouden. De vurigste wensch van den Heer Gezant is, dat zijn zoon bij u in huis worde opgenomen; en alzoo onder uw onmiddellijk opzicht sta. In een zoo wetenschappelijk gevormde familie als de uwe moet, als hij te recht beseft, de atmosfeer zelfs bij den minst vatbare de zucht tot studie opwekken en den geest met nuttige kundigheden doortrekken. Het regelen der voorwaarden laat hij geheel aan uwe bescheidenheid over: en, daar Zijn Excellentie rijk en edelmoedig is, behoeft gij. Hooggeleerde Heer! niet al te bescheiden te zijn.quot;
„Eilaas!quot; zeide Vossius, „sedert den dood van mijn Dionijs en het vertrek van mijn armen Johannes is er ruimte te veel in mijn woning gekomen; . ... doch deze zaak gaat mijn huisvrouw aan, of, laat ik zeggen, mijn lieve Cornelia, die alle zorg aan mijn goede vrouw ontneemt. Maar .... gij zelf?quot;
„Ik zou mij niet durven vleien,quot; hervatte Winius, „dat de Heer Vossius ook mij een plaatsje in zijn woonstede aanbood: en ik zal zelf wel een verblijf hier of daar vinden. Alleen zal ik vergunning verzoeken, mijnen kweekeling ter zijde te blijven in zijne oefeningen, zoo des verstands als des lichaams.quot;
„Wij zullen zien,quot; zeide Vossius: „waar hebt gij uw intrek genomen?quot;
„In de Stads-Herberg,quot; antwoordde Winius.
„Uitmuntend! ik zal mijn vrouw en dochter raadplegen, en u hedenavond antwoord doen weten. Alzoo, tot wederziens; en spoedig hoop ik in de gelegenheid te zijn, mij meer op mijn gemak met u te onderhouden. — Sijtje! laat de heeren uit, en verzoek Van den Vondel achter te komen.quot;
„Van den Vondel!quot; herhaalde Winius, verbaasd: „was de heer, dien ik in 't voorvertrek ontmoette . .. .quot;
„Onze poëet,quot; zeide Vossius: „die mij waarschijnlijk komt raadplegen over eenige historische bijzonderheden aangaande Amsterdam of 't Huis van Aemstel, waarvan hij een treurspel schrijft.quot;
Winius en de jonge Rey bogen zich en verlieten de kamer. Toen zij in de gang kwamen, werden hun ooren aangenaam
II. — Nov. 5
66
verrast door 't geluid eener liefelijke stem, die uit een bovenvertrek klonk en een Spaansche romance zong. Zoo roerend en betooverend waren die tonen, dat onze Moskoviet zich niet kon wederhouden, stil te staan en een oogenblik toe te luisteren.
„Nietwaar? een nachtegaalskeeltje heeft juffrouw Cornelia,quot; zeide Vondel, die hen uit de zijkamer tegentrad.
„Mijnheer!quot; zeide Winius: „ik acht mij gelukkig, reeds den eersten dag van mijn verblijf hier ter stede, de twee beroemdste mannen te hebben ontmoet, die zij bevat. Voorwaar, ik had u reeds behooren te erkennen. Niemand dan Vondel zelf had met kleinachting over de verzen van Vondel kunnen spreken.quot;
„Dat zou Smout of Cloppenburg u niet toegeven,quot; hernam de dichter, lachende: „nu, ik blijf uw dienaar, en hoop u nog wel eens te ontmoeten.quot;
Eu nu ging ieder zijns weegs: Vondel naar zijn geleerden vriend, en Winius met zijn kweekeling de voordeur uit; — ofschoon het den jongen Rus niet weinig kostte, zich los te maken van het genot, dat hij smaakte in 't luisteren naar de betooverende akkoorden, die hem in de ooren klonken.
III.
Op den middag van dienzelfden dag waren onze twee jongelieden in de gelagkamer van de Stads-Herberg aan het nagerecht gezeten. Het gezelschap was vrij talrijk en bestond voor een groot gedeelte uit studenten, die hier gewoon waren te spijzigen; want, ofschoon de colleges nog geen aanvang hadden genomen, zoo was het getal der jongelieden, die den vacantie-tijd gedeeltelijk te Amsterdam doorbrachten, vrij aanzienlijk, gelijk over 't geheel dat der studenten aldaar bijna even groot was als aan 's Lands Hoogeschool. Winius, die 't zoo voor
6.7
zich zeiven als voor zijn kweekeling nuttig oordeelde, hun aanstaande makkers te leeren kennen, bleef langer met hem aan tafel dan anders hun gewoonte was, luisterde naar hetgeen gesproken werd en mengde zich nu en dan in een gesprek, 't welk, zooals doorgaans bij dergelijke gelegenheden gaat, nogal van 't een op het ander onderwerp sprong. Langzamerhand met zijn buurman, een student in de letteren, in kennis geraakt zijnde, had hij met dezen een onderhoud aangevangen over het werk, dat de zwager van Vossius, Franciscus Junius, de Pictura Yeterum geschreven had en waarvan de uitgave door den hoogleeraar op de beroemde drukkerij van Blaeu stond bezorgd te worden; en zoo over de Vossiussen pratende, liet hij zich door zijn buurman vertellen, hoe de jonge Mattheus Vossius zich op 27-jarigen leeftijd reeds beroemd maakte door de uitgave zijner an n al es, toen er opeens tusschen de wat verder gezeten studenten geen klein rumoer ontstond, en een hunner, den vollen beker omhoogheffende, uitriep: „wat moogt gij van schoone vrijsters spreken. Ik drink op het welzijn van Cornelia, de schoonste onder de schoonen.quot;
Zoo eenstemmig werd deze dronk door de aanwezigen toegejuicht, dat Winius niet kon nalaten, aan zijn buurman te vragen, wie die Cornelia wezen mocht, die aldus, buiten iemands tegenspraak, als de schoonste onder de schoonen werd uitgeroepen.
„Het is,quot; antwoordde de student, „de zuster van den jongeling, over wien wij juist zaten te spreken; — en zie daar — hoe toevallig! — daar treedt hij zelf binnen. Lupus in fabula.quot; — Meteen wees hij op een jonkman van een beschaafd en zedig voorkomen, die, het vertrek binnentredende, aan de, dienstbode naar den heer Andreas Winius vroeg.
„Wij waren juist bezig over u te spreken, Mattheus!quot; riep de student hem toe.
„Ik hoop geen kwaad,quot; zeide deze lachende, en toen, aan den jongen Moskoviet voorgesteld, betuigde hij het genoegen, dat hem de kennismaking beloofde met iemand, over wien zijn vader zich reeds zoo gunstig had uitgelaten.
„Ik ben,quot; vervolgde hij, „door mijn ouders gelast, u te zeggen, dat de Heer Rey en gij reeds morgen uw intrek ten onzent zult kunnen nemen, en dat het hun genoegen zal doen, u inmiddels hedenavond bij zich te zien.quot;
Winius drukte over de ontvangen mededeeling zijn ongeveinsde blijdschap uit, nam gretig de gedane uitnoodiging aan, en betuigde toen op hoffelijken toon, hoeveel genoegen het hem deed, kennis te maken met een zoo uitstekenden geleerde als Mat-theus. Al sprekende kwam het hem voor, als had hij dezen meer gezien; doch hij kon zich niet herinneren, waar, of bij welke gelegenheid. De jonge Vossius bood zich nu aan om hem, gedurende den tijd, dien zij tot aan den avond vrij hadden, ten gids te strekken en hem en zijn kweekeling het merkwaardigste, dat Amsterdam opleverde, te doen zien. 't Spreekt van zelf, dat Winius dezen voorslag aannam, en het drietal wandelde ter deure uit. Wij willen hen op de wandeling niet vergezellen, maar hen liever terstond weder ontmoeten ter bestemder ure, waarop zij de woning van den Hoogleeraar binnentreden.
„'t Zal mij toch benieuwen,quot; dacht Winius bij zich zeiven, terwijl hij de voeten op de gangmat afveegde, „of die Cornelia Vossius zoo schoon is, als de onbekende, die ik in de Oude Kerk zag.quot;
Mattheus geleidde zijn beide aanstaande huisgenooten naar de groote achterzaal, waar het gezin, benevens een klein getal genoodigden, gezeten was. Vossius kwam hen terstond te ge-moet, en terwijl hij Winius de hand drukte en Rey met een vriendelijke hoofdbuiging begroette, „vergunt mij,quot; zeide hij, „u beiden aan mijn huisvrouw voor te stellen, en vergunt haar, te blijven zitten. Amsterdam heeft ons veel weldaden bewezen, doch het wreekt zich op mijn arme Elizabeth; want sedert zij hier is, kan zij maar niet van de jicht genezen.quot;
Eerbiedig bogen zich de jongelieden voor de dochter van den grooten Junius, op wier gelaat de jaren en de lichaamspijnen nog de sporen der schoonheid, die haar eenmaal kenmerkte, niet geheel hadden uitgewischt.
69
„Wij hopen, mijne dochter Cornelia en ik, u het verblijf alhier zoo geriefelijk te maken als in ons vermogen is,quot; zeide Elizabeth, met een minzamen lach. — Winius wilde deze heusche toespraak op hoffelijke wijze beantwoorden; doch de woorden stikten hem in de keel en het was of het hoofd hem op eenmaal duizelde, toen hij, de oogen van de moeder wendende naar de dochter, die nevens haar stond, ontdekte, dat Cornelia Vossius en de onbekende van de Oude Kerk eene en dezelfde persoon waren. Nu stond het hem tevens helder voor den geest, dat de jonkman, aan wien zij toen den arm gaf, niemand anders was dan haar broeder Mattheus, en zoo hij dezen niet herkend had, 't was alleen daaraan toe te schrijven, dat hij, onder 't orgelspel, geheel in de beschouwing der zuster verdiept, op den broeder niet dan vluchtig had acht geslagen.
't Zij, dat Cornelia zijn verlegenheid bespeurde, waarvan zij echter de oorzaak niet gissen kon, 't zij, dat zij begreep, dat de jonge Rey hier de hoofdpersoon was, zij wendde zich tot dezen en vroeg, hoe de stad hem beviel.
De arme knaap kleurde tot achter de ooren en wendde de oogen naar zijn leermeester, als om diens bijstand in te roepen: deze verlegenheid van zijn kweekeling redde Winius uit de zijne, en zich geheel herstellende, „mejuffer!quot; zeide hij, „mijn jonge vriend zal vooralsnog het voorrecht moeten missen, zich met u te onderhouden: hij spreekt helaas! nog geen Nederduitsch, en zelfs, wat nog erger is, geene dier talen van 't westelijk Europa, waarin gij ongetwijfeld uitmunt: — althans, zoo ik mij niet bedrieg, waart gij de zangster, welke ik hedenmorgen een zoo zuiver Spaansch hoorde zingen.quot;
„Wij zullen elkander spoedig leeren verstaan,quot; zeide Cornelia, zonder deze plichtpleging te beantwoorden en terwijl zij een welgevalligen blik op den knaap richtte: „hij zal mij Poolsch leeren en ik hem ons Nederduitsch en wij zullen zien, wie de snelste vorderingen maakt; en dan moet hij zich verder met Izaak en Gerard oefenen, die van zijne jaren zijn.quot;
70
De beide knapen, Izaak, die eenmaal zoo beroemd zou worden en nu reeds op zijn twintigste jaar Vondel aan het vertalen van de Electra hielp, en Gerard, die op zijn negentiende een uitgave van Vellejus Paterculus bezorgde, traden vooruit en werden evenals hun zuster, de veertienjarige en nu reeds met de rijkste gaven versierde Johanna, aan Eey en Winius voorgesteld. Vervolgens werd door dezen met de overige gasten kennis gemaakt, waaronder zich ook Vondel en Van Baerle bevonden. Men nam plaats, en weldra werd een gesprek aangevangen, zoo belangrijk, als men het verwachten kon op een bijeenkomst van lieden, allen uitmuntende door vernuft, kennis en beschaving. Opeens bemerkte Winius, tot zijn niet geringe verwondering, dat Rey in een zeer levendig onderhoud gewikkeld was met Cornelia en haar beide jongste broeders.
„Hoe hebben zij middel gevonden om elkander te verstaan?quot; vroeg hij zich zeiven af, doch nu, aandachtig toeluisterende, gelukte het hem eenige woorden op te vangen van het gesprek, en bemerkte hij, met klimmende verbazing, dat het in 't Latijn gevoerd werd.
Philaminte in Molières Femmes SQavantes wilde Vadius omhelzen, omdat hij Grieksch verstond: hier was het geval omgekeerd en had Winius gaarne den schoonen mond gekust, die zoo vloeiend Latijn sprak. — Gewis zou hij, en menig ander, het ook buiten dat wel hebben willen doen.
„Ik meen,quot; zeide Vondel, „u gisteravond mijn deur te hebben zien voorbijgaan. Ik stond voor mijn winkel in de Warmoesstraat. Vermoedelijk begaaft gij u naar de Oude Kerk. Wel! hoe heeft u het orgelspel van meester Dirk Swelinck behaagd ?quot;
„Uitnemend,quot; antwoordde Winius: „ik heb daar eenige der gelukkigste oogenblikken mijns levens doorgebracht.quot;
„Ja, ja,quot; hervatte Vondel: „onze meester Dirk is een muzikant als er maar weinige zijn en streeft bijna zijn vader op zijde, die de Fenix in de kunst was. Ik geloof niet, dat er in het geheele Duitsche Rijk een stad is, waar geen kweekeling van den ouden Swelinck woont, die er zijn school en manier heeft overgebracht.quot;
71
„Ik beken,quot; zeide Winius, „dat ik op onderscheidene plaatsen van zyn lof heb hooren gewagen en hem als den herschepper van het orgel heb hooren roemen; doch van allen, die ik tot nog toe hoorde spelen en die hem hun bekwaamheid dank wisten, is er naar mijn nederig oordeel niet een, die 't haalt bij den man, wiens kunstig spel mij gisteravond in verrukking bracht.quot;
„Is het waar. Vondel!quot; vroeg Van Baerle, „dat gij een bijschrift hebt gemaakt voor het afbeeldsel, 't welk Jan Lievensz van meester Dirk vervaardigde?quot;
„En mogen wij het hooren?quot; vroegen drie vrouwenmonden, nadat Vondel een bevestigend antwoord op die vraag had gegeven.
„Och waarom niet?quot; zeide Vondel: „zoo ik mij wel herinner, luidt het aldus:
OP DIEDRICK SWELINCK,
Orgelist te Amsterdam.
Aldus heeft Livius ons Swelinck afgebeelt,
Maer niet zijn fenixgalm, uit 's Vaders asch geteelt,
De Neef, de Grootvaêr en de Fenix vader zongen Een eeuw den Aemstel toe met hemelsche orgeïtongen.
Zoo Thebe door een lier tot zulk een wasdom quam,
Wat zou men dichten van het orgel t' Amsterdam,
Daer David en Orlande om strijt zich laten hooren,
Als Diedrick zielen vangt, en ophangt bij hun ooren.
„Wel is 't,quot; zeide Winius, „zooals de heer Van den Vondel in zijn stoute beeldspraak zegt: de muziek van Swelinck vangt de ziel bij de ooren en sleurt haar met zich naar hoogere en hemelsche sferen.quot;
„Wel! nu ik mij wel bezin,quot; zeide Mattheus, „dan heb ik u gisteren gezien. Ik was ook in de Oude Kerk met mijn zuster Cornelia!quot;
„Uw zuster schijnt een voortreffelijke kunstenares te zijn,quot; zeide Winius.
„Wel, waarin munt zij niet uit?quot; riep Vondel met geestdrift:
72
„als ik haar zie, dan herinnert zij mij in allen deele mijn Alkmaarsch weeuwtje, toen Tessel nog de trekpleister was, die ons allen naar 't huis van vader Roemer Visscher bracht.quot;
„Stil!quot; zeide Vossius; „laat mijn dochter niet hooren, dat gij haar bij Tesselschade vergelijkt: gij zoudt haar verwaand maken, en dat is zij. Goddank! tot heden nooit geweest.quot;
„En toch had zij er reden toe,quot; vervolgde Vondel, halfluid sprekende, „wat toch, wat is er, dat haar geest of haar handen niet volbrengen? Zie eens. Mijnheer Winius! die wassen vruchten, door haar geboetseerd. Is het niet, of de dauw-eerst versch op die druiven en perziken nederviel: — zie dat tapijt, over gindsche tafel gespreid, en dat Paris' oordeel voorstelt. Is het niet of het met het penseel in stede van met de naald gewerkt is?quot;
„En is dat alles van juffrouw Cornelia's hand ?quot; vroeg Winius.
„En, naar hare teekening,quot; vervolgde Vondel: „zie! als er nog gouden appelen aanwezig waren, Paris zou niet verlegen wezen, aan wie ze te schenken. Is Mejuffer Cornelia schoon als Venus, zij is geleerd en kunstrijk als Pallas, en .. . .quot;
„En gij zult haar hoovaardig als Juno maken,quot; viel Vossius in: „zij is een goede huishoudster, en een goede dochter, en dat zegt meer dan al het overige.quot;
„Gij ziet het,quot; zeide Vondel met een schalkschen lach tot Winius: „haar vader verbiedt mij, in haar lof uit te weiden, en kan 't zelf toch niet laten, haar te prijzen.quot;
„Vondel! Vondel!quot; zeide Vossius, den vinger dreigend opheffende: „ik ontzeg u mijn huis, indien gij niet terstond van onderwerp verandert.quot;
„Ik zwijg,quot; zeide Vondel, „en beloof zelfs, geen woord meer te spreken, indien ik haar mag hooren zingen.quot;
„Hoort gij wel, Cornelia!quot; zeide Van Baerle, „wat Van den Vondel verlangt! — Een lied! een lied! Ik weet, gij behoort niet tot de zoodanigen, van wie Horatius beweert, dat zij alleen dan willen zingen, wanneer het hun niet gevraagd wordt.quot;
Cornelia bevestigde terstond de waarheid dezer opmerking
van Van Baerle, door haar citer te nemen en eenige Itali-aansche melodieën voor te dragen, welke zij, sommige alleen, andere in gezelschap met hare zuster zong.
„En gij. Mijnheer Winius!quot; vroeg Vossius: „doet gij mede aan de kunst?quot;
„Wel ongetwijfeld doet hij dat,quot; zeide Vondel: „dat heb ik hedenmorgen wel opgemerkt aan zijn wijze van luisteren.quot;
Winius erkende, dat hij nu en dan wel eens wat neuriede, en, na een paar liederen gezongen te hebben, die misschien daarom te meer toejuiching verwierven, omdat de woorden Slavoonsch waren en zelfs geen der aanwezige geleerden er iets van verstond, hief hij een romance aan in 't Italiaansch. Spoedig bleek het, dat hij eenige duetten kende, welke ook aan Cornelia bekend waren, en nu viel hem het onschatbaar voorrecht ten deel, zijn stem aan de hare te huwen, en, al ware het dan schijnbaar alleen om 't gezelschap genoegen te geven, in brandende poëzie en smeltende tonen lucht te geven aan wat zijn hart gevoelde.
„Heerlijk! heerlijk!quot; riep Vondel, in de handen klappende bij 't einde van 't gezang: „maar, met uw verlof, mejuffèr! onze Moskoviet moet niet denken, dat wij Hollanders alleen behagen scheppen in 't uitheemsche. Onthaal ons nu nog eens ten slotte op een echt Neerduitsch liedje.quot;
Cornelia knikte toestemmend en hief terstond een lied aan van Starter, die de zoetvloeiendste Hollandsche dichter zijner eeuw, en met Hooft en Stalpaert de schepper was der lyrische poëzie in Nederland, ofschoon de twee beste schrijvers over de geschiedenis onzer letterkunde, De Vries en De Clercq, die verzen van een aantal vervelende rijmelaars aanhalen, hem met een verachtend stilzwijgen voorbijgaan. Verlangt men bewijs, dat Starter die miskenning niet verdiende, men luistere naar het liedje, dat Cornelia zong:
|
Godinne, In kracht en O Kroone In dy leit |
Wier minne Gedachten Der schoenen, De vrijheid |
Mijn zinnen Natrachten Loftroone En blijheid |
Altijd Om strijd: Des deugds, Mijns jeugds. |
74
|
U |
deftig gebaar. |
U goud-dradigh hayr. | ||
|
U leden |
U zeden, |
Met reden |
Voorwaer, | |
|
De Goden, |
(Als boden) |
Doen nooden |
Tot min. | |
|
Zij draven |
U gaven |
Na, brave |
Godin. | |
|
U hayren |
Vergaren |
Als baren |
Verguld | |
|
Met kuyfjes |
Vol kruyfjes |
Als druyfjes |
Gekruld. | |
|
U ooglijes |
Pas hooghjes |
Met booghjes |
Beset, | |
|
Bruyn helder, |
Sien snclder |
En felder |
Te met | |
|
Als 't flikkerigh licht |
Van Jupiters schicht. | |||
|
En ylen |
By wijlen |
Als pijlen |
seer dicht | |
|
In 't harte, |
Vol smarte. |
Ja marte- |
ren dien: | |
|
Te spade |
Moet rade |
En genade |
Geschién. | |
|
ü mondtje |
Dat stond me |
In 't ronde |
Ten toon | |
|
Dat fijne |
Robijnen |
Nau schijnen |
So schoon | |
|
U tanden |
Als randen |
Van wanden |
Yvoor, | |
|
Die proncken |
En bloncken |
Als voncken |
Daerdoor. | |
|
U |
halsjen in 't rond |
So cierelyck stond, | ||
|
Daer d' aeren |
So klare |
Deur waren |
Gegrond, | |
|
Daer 't vast eer |
Albaster |
Scheen as tee- |
re Vleys. | |
|
0 schoone |
Persone, |
Wat kroone |
Is u eys? | |
|
Bij poosen |
So bloosen. |
Als roosen |
In snee- | |
|
Wit laken. |
ü kaken. |
Vermak en- |
de meê | |
|
Diens ooghen, |
Die pooghen. |
Het hooghe |
Ongemien | |
|
Cieraet |
Van u staet |
En gelaet |
Te besien: | |
|
0 |
liefiijcke kin. |
Gestelt na mijn |
sin. | |
|
By de top |
Van uw krop |
Met een dop- |
je daer in. | |
|
Gy soud me |
De oude |
Verkoude |
Seer haest | |
|
Doen 't minnen |
Beginnen |
Met sinnen |
Verbaest. | |
|
Lofwaerde, |
Bedaerde, |
Soet-aerdi- |
ge Beeld! | |
|
0 vreugt |
Van mijn jeugt, |
Mijn geneugt |
En mijn wi | |
|
Seght my nu, |
Syt gy schu |
Van die u |
Met vlijt | |
|
Syn leven, |
Heeft even |
Verheven |
Altijd? | |
|
0 |
schoone, die my, |
Beyd droevigh |
en bly | |
|
Naer u haken |
Kond raken |
Te maken. |
Laet dy | |
|
Dees klagen- |
de Vlagen |
Mishagen, |
En send | |
|
Mijn lijden- |
de Tijden |
Verblijden |
In 't end. | |
Ik weet niet, hoe mijn tegenwoordige lezers dit lied zullen beoordeelen; maar wel, hoe Winius er over dacht: te weten, dat het niemand anders dan de schoone zangster zelve wezen kon, wier afbeelding Starter zoo bevallig en zoo nauwkeurig gemaald had.
75
Op deze wijze vlood, nu eens onder geestigen kout of geleerde gesprekken, dan weder met de voordracht van gezangen en gedichten, de avond voorbij, en Winius keerde met zijn jongen vriend voor 't laatst naar zijn logies in de Stads-Herberg weder, voor 't eerst van zijn leven smoorlijk verliefd ; — verrukt over het denkbeeld, dat hij met de bekoorlijke Cornelia onder één dak zoude leven, doch tevens sidderende bij de gedachte aan den dwang, welken hij, uit den aard zijner betrekking, aan de stem van zijn gevoel zou moeten opleggen.
IV.
Ne forQons point notre talent, zegt La Fontaine, en ik weet niet of het mijne — zoo ik er al eenig bezit — wel gelegen is in het schilderen van psychologische toestanden. Ik zal daarom ook maar niet beproeven, den strijd te verhalen, dien Winius te strijden had, toen hij meer en meer bemerkte, dat zijn geluk aan het bezit van Cornelia verbonden was: en liefde aan de eene zijde hem noopte, zich te verklaren, terwijl aan de andere zijde de vrees, dat Vossius hem, den onbekenden balling, de hand zijner dochter niet schenken zou, den hoogmoedigen jongeling het zwijgen opleide: gij zult u dit alles mogen voorstellen, alsmede, hoe Cornelia van hare zijde den begaafden jongeling lief kreeg, hoe de ouders die wederzijdsche genegenheid bespeurden, en hoe eindelijk, met hunne toestemming en met goedkeuring van den Gezant, het huwelijk tusschen de beide gelieven beklonken werd. — Ik verzoek u alzoo, met mij vijf maanden over te springen en u op den 283ten Januari 1638 te verplaatsen buiten de Heilige-wegspoort te Amsterdam. Dit zal u misschien eenigszins moeilijk vallen, voor zooverre gij niet te Amsterdam bekend zijt: ja zelfs, al waart gij er geboren en opgevoed of al hadt gij er jaren gewoond;, — immers die poort, die, in 't jaar, waar
76
'
mijn verhaal een aanvang genomen heeft, geheel nieuw herbouwd was van grauwen steen, werd weinige jaren later weder gesloopt en nimmer weder opgericht; terwijl het oord,
waar ik u thans verplaatsen wil, heden ten dage zoo geheel verschillend is geworden van hetgeen het nog was in 1638,
dat ik wel verplicht ben het eenigszins nauwkeuriger te omschrijven. Hetgeen men thans nog den Singel noemt en dat nu een binnengracht is, was vroeger, als gij weet, en als de naam aanduidt, de buitenwal der stad. Wel was in den aanvang der zeventiende eeuw, inzonderheid ten gevolge der oprichting van de O.-I. Compagnie, die een aantal inwoners naar Amsterdam deed heenstroomen, de stad aan de westzijde aanzienlijk uitgelegd; doch de drie trotsche kaaien, die thans met een driedubbele halve maan de binnenstad omsluiten, de Heeren-, Keizers- en Prinsengracht, bestonden nog maar gedeeltelijk en liepen niet verder dan tot aan de lijn, welke de Beulingstraat en 't Molenpad vormen, en waar zij toen op den stadsmuur stuitten. Aan het einde van den Heiligen weg,
of liever, aan 't einde van wat men nu het Koningsplein heet, stond de Heiligewegspoort, gelijk de Regulierspoort op hetgeen thans Botermarkt heet; wat daarbuiten lag was open veld. Doch de behoefte aan woningen had ook hier reeds een aantal gebouwen doen oprichten, die sedert, toen men in 't jaar 1657 met de nieuwe uitlegging der stad ook aan de Oostzijde begon, of gesloopt of in de rij van nieuwe huizen werden opgenomen. Zoo was er dan ook op de plaats, waar thans de Leidschestraat naar de poort van dien naam geleidt en waar de Heiligewegspoort van twee ophaalbruggen en een buitenpoortje voorzien, op uitkwam, een vrij ruim plein, waar zich aan wederszijden ettelijke herbergen, kroegen en stallingen ^
verhieven. Op dat plein en op den stadssingel was alles drukte en gewoel. Het was een heerlijke wintermorgen; een gestrenge vorst had de wateren bevloerd en hunne oppervlakte was bedekt met schaatsenrijders; terwijl op het plein de rijtuigen en sleden elkander kruisten of in de koetshuizen op hun gezelschap wachtende waren. — Immers binnen de stad mocht
77
geen rijtuig op wielen zich toen nog, buiten bijzondere vergunning vertoonen: en zij, die zich met zoodanig middel van vervoer naar elders heen begaven, waren genoodzaakt buiten de poort op te stijgen. Onder de gezelschappen, die heden zich met zoodanig oogmerk op weg hadden begeven, was er een, dat uit lieden van onze kennis bestond. Daar zag men, in warm bont en dichte mantels gehuld, Mattheus, Cornelia en Johanna Vossius; hun oom, de geleerde Franciscus Junius, die eenigen tijd hier te lande had doorgebracht; voorts onzen jongen Pool: en, aan Cornelia's zijde, den gelukkigen Winius. De tocht, dien zij gingen ondernemen, had een tweeledig doel: vooreerst zou men Junius tot Leiden brengen, vanwaar hij zich naar den Briel dacht te begeven om naar Engeland, bij zijn beschermer, den Hertog van Arundel, terug te keeren: vervolgens zouden de overigen naar 's-Gravenhage gaan, waar quot;Winius zijn aanstaande bruid hoopte voor te stellen aan zijn begunstiger, den Poolschen Gezant, en zij haar verloofde aan hare moei De Brune en aan haar broeder Franciscus, die er de rechtspraktijk uitoefende.
Het Haarlemmer Meer was sedert eenige dagen zoo sterk toegevrozen, dat de zwaarst beladen vrachtwagens er over heen reden, en de jongelieden hadden besloten, daarvan gebruik te maken, om, op de aangenaamste wijze en langs den kortsten weg, hunne reis te volbrengen. Zoo stapten zij, onder vroolijke scherts, de poort uit, gevolgd door het trouwe Sijtje, die een trommel met versnaperingen droeg, benevens eenige tapijtjes, bestemd om de voeten warm te houden voor tocht.
Daar ontmoette hun Vondel op het plein: „Wel!quot; zeide hij, hen even staande houdende, „ik zie, dat gaat er op los. Zorgt maar, dat gij de goede baan houdt en denkt om Dr. Roscius. 't Is juist gisteren veertien jaar geleden, dat hij met zijn vrouw in 't ijs zijn graf vond.quot;
„Welke nare denkbeelden haalt gij daar op, vader Vondel,quot; vroeg Mattheus; „het ijs is een voet dik en zou huizen kunnen dragen.quot;
^Nu!quot; zeide Vondel: „'t was zoo niet gemeend: ware ik
niet gebonden aan mijn winkel, ik trok ook eens uit; maar och! sedert den dood van mijn goede vrouw komt alles op mij neer.quot;
„Inderdaad, Mijnheer!quot; zeide Winius, die zag, dat Cornelia verbleekt was bij de herinnering van het gebeurde met Roscius, „het is mij onbegrijpelijk, hoe gij, bij zulke drukten, nog tijd vindt, den Nederduitschen zangberg zoo rustig en vlijtig te blijven opbouwen. Daar is nu weder uw Gysbrecht van Aemstel! ik heb u nog geen dank gezegd voor het dubbel genoegen, dat ik drie weken geleden heb gesmaakt, bij de vertooning, en sedert herhaaldelijk met de lezing van dat kunstjuweel. Mijn zoete Cornelia kent den droom van uw Badeloch reeds van buiten enquot; voegde hij er fluisterende bij, „zij zegt hem zoo schoon op, dat ik haar reeds heb moeten verbieden, 't weer te doen. Het trekt haar aandoenlijk gestel te veel aan.quot;
„Zoo 't stuk u behaagd heeft,quot; zeide Vondel, „dankt dat aan de raadgevingen van den Heer Vossius.quot;
„De nieuwe Schouwburg kon niet beter worden ingewijd,quot; hernam quot;Winius; „en ik voorspel u, dat uw stuk vertoond zal worden, zoo lang er een in Amsterdam bestaat. Het is voortaan onafscheidelijk van den roem der wereldstad.quot;
„Hier heen! hier heen!quot; riep Mattheus: „hier is ons rijtuig.quot;
Een ruime bolderwagen, van zoodanig fatsoen als nog voor dertig jaar, in sommige onzer gewesten in zwang was, reed, met twee flksche paarden bespannen, eene der stallingen uit: het gezelschap besteeg dien, en, na van den dichter en van Sytje afscheid te hebben genomen, reed men op vluggen draf naar den Overtoom, en van daar den Sloterweg en het Nieuwe Meer op. — Weldra bevond zich het rijtuig op den breeden plas en volgde de spiegelgladde baan, die dwars daaroverheen verder voerde. Ook hier bleven hen de drukte en 't gewoel vergezellen. Nu eens kruiste men zich met een nederige turfkar of een wagen met hout beladen, dan weder met een zwierig speelwagentje, door fraaie schimmels getrokken: nu
eens meldde het vroolijk geluid der bellen de komst aan eener narreslede, dan was het een prikslede of een zeilwagen, die pijlsnel voorbij schoot. Men zag er den schipper, in 't grof wadmer uitgedost, met de ruige muts op 't hoofd: den zeeman met zijn toppershoed: de dorpsbewoners in hun schilderachtige kleederdracht, op schaatsen, alleen of bij troepen, wedijverden om elkander vooruit te komen: en tusschen hen in, op dat ijs, dat alle standen gelijk maakt, den deftigen burgerzoon en den rijkuitgedosten hofjonker, van wiens breeden hoed de sierlijke pluimen bevallig achteraan golfden op den adem van den wind. Het was een steeds afwisselend, steeds even vermakelijk tafereel van drukte, beweging en vroolijkheid, en niet weinig stof tot scherts en lach verschafte het aan onze tochtgenooten. Junius kon niet ophouden zijn genoegen te betuigen, weder eens een wintertafereel te zien, gelijk Holland alleen die opleverde, en hoedanige hij zoolang gemist had: Winius verhaalde van de sledevaarten in Rusland, waarover Mattheus hem telkens nieuwe vragen deed: Johanna gaf gedurig kreten van blijdschap over al wat zij zag, en plaagde den jongen Pool, bewerende, dat men in zijn land niet van schaatsenrijden afwist. Cornelia zat stil en peinzend; doch wie, die haar kende, wie, die wist hoe het gevoel van geluk zich nimmer in luidruchtige bewoordingen uit, zou haar een andere gemoedsstemming hebben kunnen toewenschen?
„Wat was dat toch,quot; vroeg op eens Junius, „dat geval waar Vondel van sprak ? Hij noemde Eoscius ; — doch ik ben zoolang uitlandig geweest, dat ik niet meer weet, waar hij op doelde.quot;
„Weet gij het niet?quot; zei Cornelia; „Dr. Antonius Roscius vereenigde het predikambt met de beoefening der geneeskunst en kwam in 't ijs om, ten gevolge zijner vergeefsche pogingen om 't leven zijner vrouw te redden. Van den Vondel schreef dit klinkdicht op zijn dood:
Zijn Bruyt t* omhelzen, in een beemt, bezaeit met roozen,
Of in het zachte dons, is geen bewijs van trou;
Maer springende in een meyr, daer 't water stremt van kou,
En op de lippen vriest, zich te verreuckeloozen.
80
Dat 'a van twee nytersten het uyterste gekozen,
Gelijck mijn Roscius, beklemt van druck en rou,
In d' armen houdt gevat zijn vrucht, en waerde vrou.
En gloeyt van liefde, daer 't al kil is, en bevrozen.
Zij zuchtte, och lief! ik zwijm, ik sterf, ik ga te gront.
Hij sprack: schep moed, mijn troost! en vingh in zijnen inont Haer adem en haer ziel. Zij hemelde op zijn lippen.
Hy volght haer bleeke schim naer 't zaligh paradijs.
Vraeght iemant u naar trou, soo segh: zij vroos tot ijs En smolt aen geest en hij gingh met haer adem glippen.
Cornelia had bij 't opzeggen van deze schoone regels aan haar stem een uitdrukking van zoo diepen weemoed gegeven, dat Winius er onwillekeurig van ontzette, en niet minder over de woorden, welke zij volgen liet;
„Wat zegt gij, Andreas?quot; vroeg zij, terwijl zij hem met een blik vol onbeschrijfelijke teederheid in de oogen zag: „kunt gij het van u verkrijgen, hen te beklagen, die zoo sterven ?quot;
't Was of een vlijmend staal den jongeling door de borst voer; en opeens stond hem de droom voor den geest, dien hij gehad had in den nacht, nadat hij Cornelia voor 't eerst had gezien: — weder zag hij de Heilige Cecilia in haar ijspaleis versmelten. Hij poogde zich echter te bedwingen: en, het hoofd schuddende, antwoordde hij:
„Gij meisjes schept er toch altijd een zonderling vermaak in, u in treurige voorstellingen te verdiepen. Ik beken u oprecht, geen genoegzame geestkracht te bezitten, om het lot van Dr. Eoscius te benijden: en,quot; vervolgde hij, terwijl hij poogde in den schertsenden toon te vallen, „ik houd het vooralsnog met de beemd, bezaaid met rozen.quot;
„Dat pleit niet voor uw ongeduld om gehuwd te zijn,quot; zeide Junius; „want gij zult nog eenige maanden moeten wachten, eer de rozen ontluiken.quot;
„Ik dacht,quot; zeide Mattheus, „dat gij, als Moskoviet, de voorkeur aan het ijs zoudt geven, 't Is immers in uw land winter gedurende negen maanden van de twaalf?quot;
„Niet in mijn vaderstad Moskou,quot; antwoordde Winius: „maar
81
wat daarvan zij, waar ik mijn lieve Cornelia bij mij heb, is 't mij lente en zal het overal lente blijven; — doch waarom zet de voerman zijn paarden zoo aan?quot;
„Ha! zoo gaat het eerst recht vermakelijk!quot; riep Johanna, van vreugde in de handen klappende.
„Vermakelijk of niet,quot; zeide Mattheus, „ik wenschte wel, dat de voerman er wat minder de zweep over leide. Ik zie geen noodzakelijkheid in dien spoed.quot;
De voerman scheen er anders over te denken. Men was nu op het Leidsche Meer gekomen, waar de baan smaller en meer bezet was met rijtuigen, waarvan er een paar vlak voor den bolderwagen reden, en dezen niet wilden laten voorbijkomen: een tijdlang hadden zij met elkander geharddraafd, toen de Amsterdamsche voerman, wiens eerzucht geprikkeld was, er een einde aan willende maken, zijn paarden aanzette om de anderen vooruit te raken. Ziende, dat hem dit, zoolang hij de baan hield, niet gelukken kon, dewijl aldaar altijd een der andere rijtuigen vlak voor hem bleef, joeg hij, zonder zich te storen aan het verbod van Mattheus, die, half uit het portier liggende, hem toeriep, dat hij zijn vaart zoude verminderen, zijn paarden ter zijde van de baan. Hier had men in den vorigen nacht sloppen gehakt om te visschen, en het water was er met niet meer dan een dun vlies bedekt. Zoodra de voerman er op kwam, bemerkte hij het gevaar en poogde het weder te ontwijken; — doch het was te laat. Men hoorde een krak, gevolgd van een ijzingwekkenden gil, als uit éénen mond aangeheven, en de wagen stortte, met al wat hij bevatte, door de dunne ijskorst heen in 't water.
De omstandigheid, dat Mattheus zich aan 't portier bevond, had ten gevolge, dat hij, zonder zelf te weten hoe, zich 't eerst en dadelijk weder op 't ijs bevond. Daar waren het gejoel en de drukte opeens van aard veranderd: en onder kreten van angst en schrik snelde men van alle zijden ter hulp aan: — ofschoon nog in 't eerst zonder middel om die te bewijzen: en half besluiteloos stond de menigte om den plas, die zich gevormd had, en waar zes menschen in de diepte lagen te spartelen.
II. - Nov. (j
82
„Een plank! een plank! en touwen!quot; riep Mattheus, en toen, zonder zich te bedenken, ontdeed hij zich van zijn boven-kleederen, sprong weer in het kille nat en zwom door de brokkelende ijsschotsen naar het rijtuig. Daar hief zich Winius uit den wagen op en reikte hem Cornelia toe: Mattheus nam de vracht van hem over en zwom er mede naar den rand der bijt, waar hij haar aan de zorg van eenige der aanwezige vrouwen toevertrouwde.
Winius was inmiddels weder in de diepte verdwenen: hij had zijn bruid gered: nu moest hij zijn kweekeling hulp ver-leenen: weldra kwam hij met den knaap te voorschijn, begaf •zich met hem te water en voerde hem, zwemmende, naar een veilige stede.
Ten tweeden male was Mattheus in de open bijt gesprongen, en, den bolderwagen bestijgende, haalde hij, daarin rondtastende, Johanna voor den dag, en bracht haar naar den kant.
Inmiddels had de voerman, die eerst van het krat getuimeld en tusschen de paarden geraakt was, zich op den wagen weten te werken, waar het nu aan hem en aan Mattheus, die zich voor de derde maal te water begeven had, gelukte, Junius uit het rijtuig en vervolgens op het ijs te brengen. Hier was nu de hulpvaardigheid van allen kant in de weer met mantels en doeken, met brandewijn en andere ververschingen.
„Wij moeten loopen,quot; riep Mattheus: „loopen voor ons leven ; anders verstijft ons de koude. Daarginds staat een boerenwoning. Daar heen! daar heen!quot;
„Ja, loopen!quot; riepen al de geredden als uit éénen mond: allen — behalve eene.
Cornelia riep niet mede. Zij lag in den arm van haar geliefde: haar blonde vlechten dropen van 't ijskoude nat: de kleur des doods lag op haar gelaat en haar blauwe lippen murmelden de woorden, door Vondel aan de vrouw van Roscius in den mond gelegd:
„Ik zwijm, ik sterf, ik ga te gront.quot;
„Groote God! zij sterft!quot; gilde Winius radeloos uit: „O, de heilige Cecilia van mijn droom! — Waar is warmte? Waar
83
is vuur?quot; — En, haar verstijfde leden in zijn armen en aan zijn hart klemmende, liep, neen, holde hij 't land op naar de boerenwoning, door al de overigen gevolgd, die, schoon onbeladen, hem nog in zijn toomelooze vaart niet konden bijhouden.
Met liefderijkheid werden onze drenkelingen ontvangen, de natte kleederen tegen droge verwisseld: een helder brandend vuur aangelegd: warme dranken gekookt: al het noodige in één woord aangewend, om de verkleumden te verwarmen. Bij allen had dit de gewenschte uitwerking; alleen bij Cornelia niet. Ofschoon zij 't eerst gered was geweest, had haar teer gestel de koude, het ingezwolgen nat, den schok, den schrik, wat het wezen moge, niet kunnen verduren, en alle middelen, welke de kunst aanwendde, bleken vruchteloos te zijn.
Vier dagen later had te Leiden een aandoenlijke plechtigheid plaats. De voortreffelijke maagd werd in het graf van haren grootvader Junius bijgezet.
Vossius zelf geleidde den rouw. Overgekomen op het vernemen der treurmaar, was hij het nog geweest, de diep bedrukte vader, die den zijnen troost had ingesproken en hen vermaand te berusten in den wil des Allerhoogsten.
Wel had hij zielskracht noodig, de eerwaardige grijsaard. Cornelia was het derde van zijn huwelijkspanden, dat hem ontviel, en geen twee jaren verliepen er, of hem werden ook de bloeiende Johanna en de wakkere Gerard door kwaadaardige koortsen ontrukt. Ook zijn zoons Franciscus en Mattheus gingen vóór hem ten grave: en Izaak, de eenige, die hem overleefde, trok naar verre landen. Toen Vossius in 1649 overleed, was er niet één van zijn acht kinderen over, om hem de oogen te sluiten en zijn zwaar beproefde weduwe te troosten.
Winius verliet eerlang de Nederlanden: hij keerde naar Moskou terug, waar hij de belangrijke fabriek zijns vaders overnam en gaandeweg tot hooge eerambten klom. Nog eenmaal, in 1653, bezocht hij dezen Staat, doch nu met een bijzondere zending door den Czaar belast bij Hunne Hoog-Mogenden. Schitterend was de ontvangst, welke hem te dier gelegenheid te Amsterdam verbeidde, en nog getuigt hiervan
84
onder andere zijn afbeelding, naar 't oorspronkelijke van Visscher gegraveerd, die zich aan 's Rijks Museum te Amsterdam bevindt, en aldaar onder den naam van de „Pistoolemanquot; bekend is. Zij prijkt met dit opschrift van Vondel;
Op den Heer ANDREAS DIONYSZOON WINIUS,
Zijne Zaersche Majesteits van Ruslants commisaris en Moskous Olderman.
De Kroon van Moskou, steil en hemelhoogh gerezen,
En van den beer begrimt, die goude starren draeglit.
Heeft Winius tot liaer Bevelheer uitgelezen.
Den Olderman, die zulks Alexis oogh behaeght.
Door zijn oprechte trou, dat hij hem van zijn stranden
Der Zaersche Majesteit ten dienst, den last betrout Naer 's Gravenhaegh, den stoel der Zeven Vrije Landen,
In schijn gelijk de kunst zijn wezen hier ontvout.
Dus leeft de man, die 't recht der Russen trou verdaedight;
Maar anders, als zijn Zaer hem weder begenadigt.
Maar toch, gewis zal hem, den gevierden Gezant, den machtigen Olderman, den man, aan wiens genie de grijze Tulp en de jeugdige Nicolaas Witsen om strijd hun hulde kwamen brengen, zich onder al die eerbetooning, hem gebracht, het hart hebben voelen toeschroeven, toen hij na een lange scheiding, weder dat Amsterdam terugzag, waar hij 't voorwerp zijner eerste en teederste min had leeren kennen, die Cornelia, zoo wreedaardig van zijn zijde gescheurd.
Vondel herdacht den dood van het begaafde meisje met de navolgende regels:
O jonge Son, geteelt van d' ouwe,
Hoe word ghij ons soo ras ontrooft!
Hoe sit uw vader over 't hoofd Gedompeld, aan den Rijn in rouwe,
Als aen den Po 't geslacht der sou Weleer betreurde Phaëton.
Wy sagen hier den avond vallen Doen gy in 't Oosten opgepronekt Met straelen in liet Westen sonckt Niet veer van Leydens hooge wallen.
Een nevel sonck ons op het hart,
En was de voorbó van uw smart.
Wy stonden reed met blijde rijmen Om u te leyden na het koor,
Te volgen het gebloemde spoor En vrolijck licht van uwen Hymen;
Maar God, aan uwe siel verlooft.
Heelt d' aerdsche fackel uitgedooft.
Een oogenblick heeft soo veel gaven,
Gedaelt van 't hemelsch paradijs Op u verslingert, in het ijs En sneeu, op 't onversienst begraven. Een waterslang verbeet die bloem Van onse jeughd, der maeghden roem.
Nu swygen al uw schelle snaren,
D' yvoyre fluyt, de soete keel,
Daer 's vryers goddelykate deel,
De siel omhoogh op plagh te varen,
Doen so ten ooren uytgelockt,
Ghy haer tot in den hemel trockt.
Uw onvolwrochte beelden treuren,
En roepen al: ick sterf, ick sterf!
Papier, panneel verschiet syn verf.
Men siet geen leven in de kleuren Van uw tapyten, met de naald En syde na de kunst gemaelt.
Nu suit ghy geest noch wysheyd soeken
In 't Neerduytsch, Fransch of in 't Toskaensch, Nocht u vermaecken in het Spaensch,
En lesen 't keurighst uyt de boecken; Of antwoord geven op 't Latijn In Duytsch, als u gevraeght sal syn.
Hoe kan uw moeders hart verswelgen Dien al dien al te bittren dranck,
't Ontijdigh missen van die ranck,
Het levenst van haer lieve telgen!
Geen boom en scheyt van synen tack Als met een sucht, en met een krack.
86
Uw suster houd niet op van kannen, Die hallef dood u sterven sagh En tot de kin verdroncken lag In haer getrouwen broeders armen. Die driemael, maer vergeefs, besocht Of hy uw leven redden moght.
Uw grootvaer juni us, beneden
In 't open graf, hoort stads gesehrey, En wellekoomt den frisschen May, Uit hem gegroeit, nu afgesneden; En niemant die geen tranen stort Om dat uw jeughd soo jong verdort.
EEN VERTELLING VAN MEJUFFROUW STAUFFACHER.
Voor hen, die „de Lotgevallen van Ferdinand Huyckquot; hebben gelezen, en die de slechte gewoonte niet volgen, voorredenen en inleidingen over te slaan, zal Mejuffrouw Stauffacher geen geheel onbekende persoon zijn. Waarschijnlijk echter huist bij het meerendeel van hen de meening, dat zij, evenals de Romanheld, wien zij bij de lezers inleidt, niet anders is dan een kind mijner phantasie. Deze opvatting is echter ten eenen-male onjuist. Mejuffrouw Stauffacher schilderende, heb ik alleen haar naam veranderd, en, voor 't overige is er in de voorstelling, welke ik van haar persoon, karakter en leefwijze gegeven heb, geen enkel détail, dat niet met de nauwkeurigheid eener photographie is teruggegeven. Waar ik te dier gelegenheid echter niet van gesproken heb, omdat het niet in mijn kraam te pas kwam, is van den invloed, dien zij op mijn vorming, vooral als schrijver gehad heeft. De veelvuldige lotsverwisselingen, die haar levensloop gekenmerkt en haar in kennis gebracht hadden met allerlei belangrijke, ja beroemde en hooggeplaatste personen, hadden haar gelegenheid verschaft zeer veel, en haar heldere blik had haar geholpen zeer goed te zien en te hooren: terwijl haar ijzervast geheugen, gepaard aan vlug vernuft en fijnen smaak, haar in staat stelden, wat zij gezien en gehoord had met heldere, levendige en bevallige kleuren terug te geven: ja, ik heb
niemand gekend, uit den omgang met wien men beter op de hoogte kon geraken van karakters, gewoonten en begrippen der vorige eeuw. Ik voor mij heb althans omtrent dien tijd vrij wat meer van haar geleerd dan uit eenig boek. Zij had een kleine, keurige bibliotheek van Hollandsche, Fransche, Engelsche en Hoogduitsche literatuur, en wat daarin te lezen viel kende zij, om zoo te zeggen, van buiten: met mij, die als kind reeds gewoon was haar den sleutel van haar boekenkastje te vragen en dan beurtelings Madame De Sévigné en Fielding, Gil Bias en Eabener. Bilderdijk en Dr. Swift te verslinden, was dit bijna evenzeer het geval, en haar juiste aanmerkingen en verstandige oordeelvellingen over het gelezene brachten niet weinig toe om mijn eigene meeningen daarover te wijzigen, mijn smaak te zuiveren en mij bij de pogingen, welke ik als onervaren knaap reeds aanwendde om romans of tooneelstukken te schrijven, mijn wankelende schreden voor 't minst naar goede voorbeelden te richten.
Onder de menigvuldige vertellingen, welke zij mij gedaan heeft, is er eene, die op mij, toen ik haar als jongeling hoorde, een diepen indruk maakte, gelijk ieder, die zich de moeite getroost, dit opstel tot aan het einde te lezen, waarschijnlijk begrijpen zal; ofschoon ik wanhoop, het verhaal zoogoed en in alle deelen zoo nauwkeurig terug te geven als het mij werd gedaan. Wat men er zeker bij missen zal, is de toon, waarop Mejuffrouw Stauffacher het deed: de wijze, waarop zij, door verandering van stem of gelaat, de personages, die zij invoerde, wist aan te duiden ook zonder ze te noemen, het schalksche knipoogen en de ondeugende trek om haar mond, die niet zelden de voordracht, als zij 't meest pathetisch werd, vergezelden. Dat mengelen van ernst in den toon en scherts in de uitdrukking van 't gelaat was geen kunstgreep, dien zij bezigde om het effect te verhoogen; het was een gevolg van haar ingeboren luim, van haar natuurlijke vatbaarheid om beurtelings, ja veelal gelijktijdig, de zaken van haar meest aandoenlijke en meest kluchtige zijde te beschouwen, van die luim, waarvan wij den indruk nog onder-
89
vinden als wij een bladzijde van Sterne, vooral van Dickens of Hildebrand lezen. De beide laatsten heeft zij nooit gekend: de werken van den eerstgemelde had zij zooveel te beter in 't hoofd: — de jonge juffrouwen der achttiende eeuw waren minder preutsch of minder aantrekkelijk dan die van onzen tijd, en niet alleen lazen zij Tristram Shandy en Tom Jones, maar zij dorsten er rond voor uitkomen, dat zij ze lazen.
Maar genoeg: de vertelling, welke ik bedoelde, kan gerust, ook in onze eeuw, door een moeder aan haar dochter worden voorgelezen: — ik zwijg alzoo, en laat aan mijn oude vriendin het woord: alleen vergun ik mij de vrijheid, waar zij eigen namen noemt, de ware tegen verdichte te verwisselen.
Ik was in den jare 177 .... gouvernante der kinderen van Mevrouw Bentes, van wie gij zeker wel hebt hooren spreken, ja, die gij misschien wel zult hebben ontmoet. Doch in dit laatste geval zal het bij u niet zijn opgekomen, dat die half blinde oude vrouw, met dat bleek en ingevallen gelaat, in haar tijd niet slechts een beauté geweest ia, maar zelfs, gelijk men 't noemt, la plu ie et le beau temps maakte. Toen ik bij haar kwam, was zij acht en twintig jaren en in den vollen bloei van haar schoonheid. Er waren vier-en-een-half jaar verloopen sedert den dood van haar man: zij had juist het weduwpak afgeleid en was als een schitterende kapel uit haar windsels te voorschijn gekomen. Maar neen: — ik wil die vergelijking niet bezigen: zij is niet alleen oud en afgezaagd; maar zij is in dit geval niet of niet volkomen juist. Een kapel fladdert rond van de eene bloem op de andere: een kapel is het zinnebeeld van wuftheid, van pronkzucht en andere ondeugden, die ik de goede Mevrouw Bentes niet ten laste wil leggen. Zij behoefde ook waarlijk niet rond te flad-
90
deren ; zij was schoon, geestvol, beminnelijk, jong en rijk .... dus fladderden er genoeg om haar heen. Ik geloof niet dat zij haar man erg betreurd had: althans toen ik een lid werd van haar huisgezin, scheen haar droefheid geweken te zijn, en, gelijk ik dan ook buitenaf hoorde, moet hij geen andere verdienste gehad hebben, dan dat hij tot de eerste familiën behoorde, puissant rijk was en voortreffelijk hombre en tokkodielje speelde. Nu — 't doet er niet toe: en de drie kinderen, die hij achter had gelaten, aardden gelukkig niet naar hun vader. Het oudste meisje, Klare-Bet, thans de Gravin van Werlingen, was wel wat wild en ongezeglijk, doch over 't geheel een goed kind: haar zusje Mietje en haar broertje Govert waren engeltjes van kinderen: zij werden helaas! — naar menschelijke berekening te vroeg — engeltjes in den hemel.
Mevrouw Bentes was dan, als ik zeide, niet erg bedroefd, en na drie-en-een-half jaar in afzondering te hebben doorgebracht, verlangde zij haar schade weer in te halen en haar jeugd te genieten. Ik weet, dat men tegenwoordig iemand, die voor zulk een verlangen dorst uitkomen — gelijk zij het tegenover haar vrienden deed — streng veroordeelen zou, en sentimenteele lieden ') zouden zeggen: „het was haar plicht en roeping, en het had ook haar lust moeten zijn, zich geheel aan haar kinderen toe te wijden.quot; — Goed! zij wijdde zich aan haar kinderen: zij stuurde ze niet van zich af en liet ze niet thuis als zij uit logeeren ging; doch zij vond er geen kwaad in, zich, op het uur, dat haar kinderen naar bed waren, in aangenamer gezelschappen dan het mijne of dat van de kindermeid te vermaken: en zij had een schrik gekregen van alle boeken over opvoeding, waarvan het toen krioelde en die zij in haar „stillen tijdquot; tot walgens toe gelezen had. „Al dat gesnor,quot; zeide zij, „is niet dan voor exceptio-neele toestanden geschikt, en kan enkel dienen om pedante
') Men sprak, in den tijd toen Mej. S. mij dit verhaal deed, van „sentimenteele lieden,quot; gelijk men thans van „vrome liedenquot; spreken zou. 't Verschil was minder groot dan men oppervlakkig zou meenen.
91
of maatschappelijk onbruikbare wezens te vormen— en na al de fraaie resultaten, die ik gezien heb van die opvoedingen a la Jean Jacques en dergelijke, moet ik zeggen, dat zij geen groot ongelijk had.
Haar rentrée dans le monde geschiedde daarmede, dat wij de najaarsmaanden gingen doorbrengen op den huize Hardenstein, bij Mijnheer Van Eylar, zooals wij Amsterdammers hem noemden, of „den Baronquot; zooals hij in zijn buurt heette. Mevrouw Van Eylar was een eigen zuster van Mevrouw Bentes, een weinigje ouder dan zij. Reeds vroeger had zij haar te logeeren gevraagd; doch Mevrouw Bentes wist, dat er op Hardenstein altijd veel gezelschap was: zij kende het vroolijke leventje, dat men er leidde, en had er daarom niet heen willen gaan zoolang de rouw duurde en zij zonder opspraak te verwekken niet kon meedoen. En inderdaad, toen ik te Hardenstein gekomen en au fait was van de leefwijze, moest ik haar gelijk geven. Vroolijker was er zeker niet te bedenken; het ruime kasteel altijd vol gasten, de stallen vol paarden en rijtuigen, waarover men naar goedvinden beschikken kon; ieder den geheelen morgen volkomen vrij in zijn bewegingen: geen gedwongen, reünie dan aan het middageten: 's avonds voor en onder het theedrinken muziek, gezelschapsspelen van allerlei aard, zoowel loterijen, lotto's en dergelijke, die op toeval en geluk berusten, als proverbes of charades en action, en dergelijke, waar geest en oordeel bij te pas komen. Eens zelfs vertoonden wij in de oranjerie 1'enfant prodigue van Voltaire: ik zeg „wij,quot; want ik moest ook meedoen, en nog wel voor de Baronne de Croupillac — de caricatuurrol. Mejuffrouw Van Doertoghe speelde Lise, Mevrouw Bentes Martha — en mooier Martha is er stellig nooit op eenig theater geweest. De Jonker Van Sporkelberghe was Euphemon, onze tegenwoordige Ambassadeur in Oostenrijk stelde Rondon voor, en de Kapitein Trellinck, die nu Generaal der Infanterie is, was Fierenfat: ik verzeker u, dat het een goed geheel was. Enfin, dit tusschen twee haakjes. Ik durf zeggen, dat ik in mijn leven nooit zes weken achter elkaar
zoo vermakelijk heb doorgebracht; ik vooral, die toen maar eventjes over de twintig was en in 't vak van vermakelijkheden nog nooit iets anders had bijgewoond, dan de bezoeken, die in onze garnizoensplaats de officieren, voor zooverre zij gehuwd waren, elkander brachten en waar het doorgaans voor mij uitdraaide op het kijken naar een partij jassen of piketten, en op het luisteren naar gesprekken over veldtochten en dienstzaken, onder het genot van een potteken Leuvensch en onder het smoken van knaster tabak uit Duitsche pijpen; wel te verstaan voor zooveel de Heeren betreft: de dames en meisjes mochten zich met een kommetje saliemelk en een koekje tevreden houden en inmiddels was 't pieken, pieken met de naald zonder ophouden. Gij kunt dus begrijpen, dat het onderscheid voor mij niet gering was. Mijnheer en Mevrouw Van Eylar waren allerbeste menschen, die om niets anders schenen te denken, dan om het hun gasten zooveel mogelijk naar hun zin te maken: en daarbij heerschte op Hardenstein de meest gulle en ongedwongen toon die te bedenken is. Als ik zeg „ongedwongen,quot; dan bedoel ik daarmede niet wat men nu ') sans gêne noemt, en 't geen daarin schijnt te bestaan, dat men met een sigaar in den mond door huis loopt, met een jas en bemodderde laarzen binnenkomt, lui in een gemakke-lijken stoel of op een canapé ligt uitgestrekt, de helft van den avond wegblijft om te rooken en de dames alleen laat zitten: — neen! men verstond het sans gêne toen anders, en gelijk men in de groote maatschappij zich aan de slavernij der wet onderwerpt om vrij te kunnen zijn — is 't niet Cicero, die zoo iets zegt? — zoo onderwierp men zich in de samenleving aan de slavernij der etiquette om zijn eigen en eens anders genoegen te bevorderen. Gelijk ik u reeds zeide, men was op Hardenstein den geheelen morgen zijn eigen meester; de Heeren gingen vroegtijdig uit rijden of op de jacht; maar geen hunner zou er aan gedacht hebben, aan
') Nu — men bedenke dit wel — beteekent in deze vertelling altijd: „een goede veertig jaar geleden.quot;
93
tafel anders dan in behoorlijke tenue te verschijnen, de pruik netjes gepoederd, schoone lubben en jabot en den degen op zijde, 's Avonds onder het muziek maken viel er wel eens een, die voor dag en dauw in 't veld geweest was, in den dut; maar als de theeboel opgeruimd en de speeltafeltjes gezet waren, was ieder weer klaar, en aan 't so up e r dacht niemand er aan om vaak te hebben. Och! dat soupeeren raakt ook al zachtjes aan uit de mode.
Ik hoor nu dagelijks zeggen, dat in die jaren onze Natie in een staat van diep zedelijk verval verkeerde, dat de langdurige vrede, dien zij genoten had, de ontzettende rijkdommen, die men maar te verzamelen en te genieten had, de weelde en wat dies meer zij, alle veerkracht had verlamd, alle ontwikkeling doen ophouden en dat men, gerust insluimerende op den roem der voorvaderen, in een toestand geraakt was van algemeene verdooving en machteloosheid. Ik ben niet op de hoogte om dat te beoordeelen; doch die zoo spreken, oor-deelen van 't geen zij niet gekend hebben, en zien althans de goede zijde van dat tijdvak voorbij. Ik verzeker u, dat er toen in de meeste dingen vrij wat meer degelijkheid heerschte dan thans; als men bouwde, al was 't maar een onnoozel koepeltje, dan bezigde men duurzame materialen, en men hoorde van geen muren, die vochtig waren of afkalkten, en van geen planken, die wegrotten. In de meubelen heerschte ook vrij wat meer smaak en vinding dan in de hedendaagsche: en zij waren vrij wat keuriger en met meer zorg afgewerkt dan in dezen tijd, nu men enkel op 't goedkoope ziet en de boel maar a la grosse mor bleu wordt samengeflanst; en het vleesch aan 't spit gebraden smaakte heel anders dan nu het met de moderne economische kookmachines wordt toebereid. Maar ik raak van den tekst en wat ik eigenlijk aanmerken wou is, dat de menschen toen ter tijd veel aangenamer in den omgang waren dan nu. Zooals ik straks begon te zeggen, men wist zijn vrijheid aan banden te leggen: ieder had het gevoel, dat, wanneer hi] in een gezelschap werd toegelaten, zulks onder de stilzwijgende voorwaarde was, dat hij
94
zijn aandeel tot het algemeen genoegen moest bijbrengen en dan bleek het, dat wie 't meest zijn best deed om anderen welgevallig te zijn en zich van de voordeeligste zijde te ver-toonen, ook doorgaans zelf 't meeste genoegen had. Juist de omstandigheid, dat ons Vaderland toen vrede en rust genoot, was oorzaak, dat er over politiek weinig of niet gesproken werd: en ofschoon er spanning tusschen de partijen in den Staat was ontstaan, en somtijds lieden van verschillende kleur elkaar in gezelschappen ontmoetten, men had de welvoeglijkheid, in tegenwoordigheid van dames niet over politieke vraagpunten te twisten; de gesprekken liepen dan ook meer over literatuur en over de nieuwtjes van den dag. Enfin, hoe zal ik het u zeggen ? men wist toen nog te „praten,quot; wat de Franschen noemen causer, een kunst, die bij ons gelijk bij hen, zoogoed als verloren schijnt, en door het verdwijnen waarvan de gezelschapskringen ontaard zijn öf in dispuutcolleges, öf in vervelend gewauwel over dienstboden en modewinkels. — Niet, dat men toen ook niet somtijds over zeer onbeduidende dingen sprak; maar over al wat men zeide was een zeker waas van bevalligheid gespreid, dat alleen verkregen wordt door een goede opvoeding, door den omgang * met hoogbeschaafde lieden en vooral door de gestadig aangekweekte zucht om te behagen. Gij zult zeggen — of neen, gij niet, anderen, die mij niet begrijpen kunnen, zouden zeggen: „de conversatietoon van die dagen was dus inderdaad niet veel meer dan een blinkend vernis, 't welk de oppervlakte verguldde eener maatschappij, van binnen verrot en bedorven.quot; Ik weet dat niet: ik zal mij althans wachten, een geheele maatschappij, waaronder ik geboren en opgevoed ben en geluk en vriendschap ondervonden heb, te veroordeelen; ik zie maar niet in, dat de hedendaagsche zooveel beter is. Men ontmoette in dien tijd, even zoogoed als nu, menschen, die dom, enkele zelfs, die vrij belachelijk waren: ook nu en dan bewees deze of gene — en gij zult er een voorbeeld van krijgen — dat zijn hart niet op de rechte plaats zat; — maar de dommen hadden doorgaans van jongs af geleerd te zwijgen en toe te
95
luisteren, en vormden alzoo als 't ware het „publiek:quot; de belachelijken dienden tot vermaak van de overigen, evenals de apen en papegaaien: en de slechten.... nu ja, de slechten moesten kunnen huichelen en zich beter voordoen dan zij waren, op straffe van uit de kringen van ordentelijke lieden te worden geweerd. Ik beken, er waren toen vrij wat lieden, die machtig veel ophadden met de Fransche wijsbegeerte en op 't stuk van godsdienst al heel onrechtzinnig dachten: maar zij zouden zich toch gewacht hebben, te profaneeren, of te pralen met hun ongeloof in tegenwoordigheid van menschen, die er door ontsticht zouden zijn. Zij eerbiedigden wat zij de zwakheid van bijgeloovige hersenen noemden: en de anderen zuchtten in stilte over 't geen zij aanmerkten als de dwalingen van den tijd. — En noeme men nu die toenmalige maatschappij oppervlakkig, onbeduidend, futiel, al wat men wil; ik voor mij weet, dat zij honderdmalen beschaafder, wellevender, aangenamer en vermakelijker was dan de hedendaagsche, en onze jonge heeren zouden er menige les en goed voorbeeld aan kunnen nemen.
Maar ik val in herhalingen en ben weer machtig aan 't diva-geeren: nu! een en ander is een gebrek van oudelieden, en dat gij mij vergeven moet. Ik raak altijd op mijn hobbyhorse als ik van die dagen spreek, en ik geef er mij te meer aan toe, omdat ik weet, dat gij er gaarne van hoort. — Doch ik zou u een verhaal doen en daar zou ik nooit toe geraken, indien ik op deze wijze voortging. Dus onmiddellijk tot de zaak: en ik beloof u, niet weer af te dwalen.
III.
Wij zaten eens op een avond aan 't souper: wij waren zoo ik wel reken, ongeveer zestien personen of daaromtrent, 't Was aan 't dessert en de bedienden hadden de kamer verlaten: een loffelijke gewoonte van dien tijd, waardoor men
96
althans gedurende het laatste uurtje van den dag in volle vrijheid en over alles praten kou, zonder dat men lastige luistervinken te vreezen had. Het gesprek was gevallen op de geestverschijningen en hetgeen daarmede in verband staat. Svveden-borg, Mesmer, de Graaf van St.-Germain, de Illuminaten, gaven toen niet zelden stof tot onderhoud en natuurlijk liepen de meeningen omtrent hen niet weinig uit elkander. De vraag, of hetgeen men vertelde van de wonderen, door hen verricht, al dan niet geloof verdiende, en, zoo ja, in welke mate, werd — en niet voor de eerste maal, met levendigheid behandeld. Was de omgang met de geestenwereld mogelijk of niet? ziedaar wat, hierover was men 't eens, vooral moest worden uitgemaakt. De gevoelens, gelijk ik zeide, waren verschillend. Sommigen verwierpen alle geloof aan spokerij als ten eenenmale ongerijmd: anderen, hoewel onder betuiging, dat zij voor zich zeiven geheel niet bijgeloovig waren, gaven toe, dat er echter somtijds dingen gebeurd waren en nog gebeurden, die men niet langs den natuurlijken weg verklaren kon; — anderen weder kwamen er rond voor uit, dat, naar hunne overtuiging, er geen reden bestond, waarom schimmen van afgestorvenen zich niet, met of zonder bepaalde zending, aan de levenden zouden kunnen vertoonen. Zonderling, tot die geloovigen behoorden juist zij, die op quot;t stuk van godsdienst de beide uiterste richtingen vertegenwoordigden. Zoo b. v. verdedigde Mevrouw Van Doertoghe, — de moeder van Burgemeester Van Doertoghe, weet je? — die streng rechtzinnig in de leer was, het bestaan van spoken uit de Heilige Schrift; terwijl de Heer Van Parolles, die een volslagen vrijgeest was of althans voorgaf te zijn, het verdedigde uit de wijsbegeerte van Zoroaster en Plato, die beiden goede en kwade geniussen aannemen. Onder hen, die met warmte alle vertelsels aangaande verschijningen verwierpen, waren er twee der aanwezigen, die zich bijzonder onderscheidden: een van de twee was Mevrouw Bentes. Haar grootvader, een man, die zijn tijd vooruit was, had er veel toe bijgedragen om de heksenprocessen te helpen afschaffen: haar vader had zich altijd een warmen bestrijder
97
betoond van hetgeen hij middeleeuwsche wanbegrippen noemde : en zij voerde te dezen opzichte een strijd, die haar om zoo te zeggen, als een erfenis was ten deele gevallen. Haar bondgenoot was zekere Mijnheer Drenkelaer: en dat verwonderde niemand; men was het van hem gewoon, dat hij zich aan hare zijde schaarde: en men vond het zeer natuurlijk, dewijl hij onder de ijverigsten behoorde van degenen, die haar het hof maakten of haar „oppasten,quot; gelijk toen de gebruikelijke term was. De Heer Drenkelaer was een man van goede familie en beschaafde manieren, hij had een bevallig uiterlijk, wist geestig te vertellen, kon allerliefst romances zingen, speelde whist zonder fouten te begaan, in 't kort, bezat de meeste dier hoedanigheden, die hem in de samenleving op prijs moesten doen stellen. Over zijn fortuin werd verschillend gesproken: sommigen beweerden, dat zijn vader zeer veel had nagelaten; anderen spraken dit tegen; doch men kwam hierin overeen, dat, naar de verteringen, welke hij maakte, een huwelijk met geld hem wel zou passen: men fluisterde dat hij een dobbelaar en jaarlijks te Aken aan de farobank te zien was. 't Is waar, men verzweeg zulke dingen voor Mevrouw Bentes; want daar zij den Heer Drenkelaer nogal niet ongenegen scheen, zoo wilde niemand bij haar de zegsman zijn van hetgeen misschien een lasterlijk of zeer vergroot gerucht was; men zei ze evenmin aan Mevrouw Van Eylar, die geweldig met den man was ingenomen en geen kwaad van hem wilde hooren; maar men vertelde ze mij, in de onderstelling, dat het op die wijze haar wel ter ooren komen zou. Hierin bedroog men zich echter: Mevrouw Bentes nam natuurlijk mijn raad niet in, en noch mijn leeftijd noch mijn positie gaven mij de bevoegdheid om tegenover haar een zoo teeder onderwerp ook zelfs uit de verte aan te roeren. Niet of, zoo ik had gedurfd, ik al het mogelijke zou gedaan hebben om de vri]age van den Heer Drenkelaer te dwarsboomen; ik hield hem voor volstrekt niet beter dan zijn reputatie; er was iets in zijn oogen, hoe fraai ze ook waren, dat mij tegenstond en vooral wanneer hij ze op Mevrouw Bentes gevestigd hield, II. — Nov. 7
98
deed denken aan den blik, waarmede men verhaalt dat de Amerikaansche slang het arme vogeltje weet te bedwelmen: ik had bovendien nog mijn bijzondere redenen, waarom ik hem niet lijden kon, en dien ik niet zeggen zal.... enfin ik was doodsbang, dat mijn goede Mevrouw Bentes hem tot man zou nemen: wanneer zij, naar 't mij voorkwam, groote kans zou loopen, haar fortuin te zien doorbrengen met het spel en erger nog: iets wat mij voor haar toekomst en die van de lieve kinderen bitter zou gespeten hebben. Het hinderde mij daarom op den bewusten avond zeer, dat zij met zulk een blijkbaar welgevallen luisterde naar zijn redeneering en zoo luide haar toejuiching schonk aan de gronden, die hij aanvoerde: en te meer hinderde 't mij, naarmate ik zelve erkennen moest, dat hij zijn stellingen uitmuntend verdedigde, en daarbij de gaaf had om, wanneer hij zoo spoedig geen afdoend argument bij de hand vond, zijn tegenpartij met een vernuftigen kwinkslag uit het veld te slaan en althans de lachers op zijn zijde te krijgen.
Het had, als gij wel denken kunt, onder den loop van den redetwist, niet ontbroken aan allerlei kortere en langere historietjes over spoken en geestverschijningen, 't zij tot staving, 't zij tot opheldering van het gezegde aangevoerd. Opeens wendde de Heer Van Parolles zich tot den gastheer: „Eylar!quot; vroeg hij: „heb je hier op Hardenstein nooit verschijningen gehad? Mij dunkt, een adellijk kasteel als dit moet een legende van dien aard bezitten, of het is niet waard, een ouden toren, een wapenzaal, een vechthuis en een ophaalbrug te bezitten.quot;
„Wel ja!quot; was terstond de uitroep, van verschillende kanten aangeheven: „is er geen spook, dat zich op het Huis ver-toonen komt?quot;
De vraag werd lachende gedaan: doch, tot ieders verwondering, ernstig beantwoord.
„Met precies op het Huis,quot; zei de Baron; „maar er bestaat werkelijk betreffende Hardenstein een legende van dien aard, als waar Mijnheer Van Parolles op doelt.quot;
„quot;Waarlijk!quot; klonk het nu: „eilieve! vertel dat toch: een
99
geestverschijning op Hardenstein! dat is verrassend! dat is heerlijk!quot;
„Ik vind er niets heerlijks aan,quot; hernam de Heer Van Eylar op een nog ernstiger, ja op een drogen toon, waaruit men hadde kunnen opmaken, dat hij berouw gevoelde, zich over de zaak te hebben uitgelaten: „het geldt een treurig voorval, waar een lid van mijn geslacht in betrokken was: de zaak is, wel is waar, lang geleden, maar toch niet ver gebeurd: en het mededeelen daarvan zou wellicht bij dezen of genen een angstgevoel doen ontstaan, waardoor hem of haar het verblijf alhier minder aangenaam werd: zoo iets moet ik als gastheer mijn gasten besparen, op wier herhaalde bezoeken ik te hoogen prijs stel.quot;
„Ja, heel beleefd!' zei de Heer Van Parolles, „doch dat zyn maar uitvluchten! Eerst ons nieuwsgierig maken en dan niets vertellen .... dat gaat niet.quot;
„Een legende aangaande Hardenstein,quot; riep Mevrouw Bentes : „en daar ik niets van wist, ik, uw eigen schoonzuster, Eylar!quot;
„Och toe, Mijnheer Van Eylar!quot; riepen juffrouwen Van Doertoghe, de juffrouwen Prawley, en nog een paar jonge dames als uit éénen mond: „die legende moeten wü hooren.quot;
„Vertel haar maar, Eylar!quot; zeide zijn vrouw, die even weinig aan spoken geloofde als haar zuster. Mevrouw Bentes; „mijn hemel! 't is immers maar een sprookje uit de riddertijden, waar geen sterveling meer gewicht aan hecht.quot;
„Wij zitten op heete kolen,quot; riepen Kapitein Trellinck en de Jonker Van Sporkelberghe.
„Welnu!quot; zeide Eylar, terwijl hij blijkbaar zijn tegenzin zocht te overwinnen: „indien gij dan geen van allen naar bed
verlangt en indien het uw aller verlangen is, zoo luistert.quot;_
En na zich achterover in zijn stoel geworpen en rond gekeken te hebben, als om zich te overtuigen, dat alle deuren gesloten en geen luistervinken in de buurt waren, begon hij in dezer voege:
100
IV.
DE LEGENDE VAN HARDENSTE1N.
Gij moet dan weten, dat onder de regeering van Reinout, den eersten Hertog van Gelre, dit slot bewoond werd door Peter Van Eylar, van wien ik in de rechte lijn ben afgestamd. Deze Peter Van Eylar had een dochter, die door Sofia Van Mechelen, Reinouts eerste vrouw, ten doop geheven en naar haar genoemd was. Of zij schoon was, daarvan zegt de overlevering niets stelligs; doch ik wil het aannemen: vooreerst omdat het in een dergelijke vertelling wel zoo behoort, en ten andere, omdat het met de waarschijnlijkheid overeenstemt; immers zij wekte een brandende liefde op in de harten van een aantal Ridders en Edelknapen van dien tijd. Zoo velen dongen naar hare hand, dat Peter Van Eylar maar voor 't kiezen had. Hij had zijn dochter lief en wilde haar geen echtgenoot opdringen, die haar tegenstond; doch als hij dezen of genen van haar aanbidders noemde, had zij altijd wat op hem te zeggen, en 't scheen, dat zij niet een uit den hoop haar liefde waardig keurde. Dit begon Heer Peter op 't laatst te verdrieten: het werd tijd, dacht hij, dat Sofia onder de treflijke partijen, die zich opdeden, een keuze deed, en 't voorbeeld volgde van zoo vele andere adellijke Juffers van haren leeftijd, die reeds lang in den echt getreden waren. Sofia van haar kant herhaalde, dat zij geen van al die vrijers dulden kon, en beweerde dat zij geen genegenheid had voor het huwelijk en liever in een klooster gaan of bij haar vader wilde blijven. Eindelijk werd deze laatste boos over 't geen hij halsstarrigheid noemde. „Aan die meisjesgrillen moet een einde komen,quot; zeide hij, en zoo riep hij, op den Zondag na Kruisverheffing, al de Edele Heeren, die haar hand gevraagd hadden, in de groote zaal op Hardenstein bij elkander in tegenwoordigheid zijner dochter. „Zie!quot; zeide hij toen tegen deze: „hier staat
101
voor u een schaar van wakkere vrijers, allen tot de oudste geslachten van den lande behoorende, en waaronder niet weinigen, wier aanzoek zelfs eener dochter van Gelre niet tot oneer zou strekken. Geen onder hen, dien ik niet trotsch zou zijn, mijn schoonzoon te noemen. Het wordt tijd, dat gij uitspraak doet tusschen hen en beslist, aan wien gij uw hand zult geven. Ik wil u nog zes weken tijds geven en wacht hen daarom met Allerheiligen weer hier, maar indien gij alsdan geen keus doet, dan zal ik mij veroorloven die voor u te doen.quot;
Juffrouw') Sofia werd zeer bleek en treurig, toen zij dit stellig besluit van haar vader vernam. Zij gaf geen antwoord en boog het hoofd als ten teeken van onderwerping. Heer Peter haalde de schouders op, bescheidde zijn gasten op den gestelden termijn terug en sprak niet verder over de zaak. Hij was geen man van vele woorden; doch wat hij eenmaal bepaald had, bleef bepaald: en dat wist zijn dochter.
De edele minnaars hadden hun afscheid genomen en waren elk zijns weegs naar huis gegaan. Nu gebeurde het, dat , drie hunner, Borre Van Doorninck, Roelof Van Wisch en Herbaren Van Putten, in elkanders gezelschap heengereden, in een herberg aan den driesprong, waar hun wegen zich verdeelden, een wijl vertoefden en den beker des afscheids samen ledigden. Zij raakten natuurlijk aan 't kouten over hun vrijage en zoo liet Borre Van Doorninck zich tegen de beide anderen op de navolgende wijze uit: „'t Komt mij onbegrijpelijk voor,quot; zeide hij, „dat Juffrouw Sofia zoolang blijft aarzelen met haar keuze. Wat duivel! wij zijn toch, zooals wij hier zitten, drie Edellieden van goeden naam en die overal elders te recht zouden komen: zoo de Juffer geen van ons drieën wil, dan moet zij al zeer bang voor 't huwelijk zijn.quot;
„Als er maar niet wat anders achter schuilt,quot; zeide Herbaren Van Putten.
„quot;Wat vermoedt gij dan?quot; vroeg Roelof Van Wisch.
„Ik vermoed een geheime minnarij,quot; antwoordde Putten.
') De titel van freule is hier te lande van betrekkelijk zeer modern gebruik.
102
„Onmogelijk!quot; riepen de beide anderen.
„Niet alleen mogelijk,quot; hernam Putten: „maar zelfs zeer waarschijnlijk, omdat daardoor alleen het raadsel wordt opgelost. Luistert, Vrienden! ik wil u een voorstel doen. Ik zou het mij moeten getroosten, dat de Juffer een van u beiden boven mij verkoos; doch ik zou niet gewillig voor een onwaar-digen medevrijer onderdoen, en het bewijs, dat gij er beiden ook zoo over denkt, ligt in het verbond, dat wij onderling gesloten hebben, eiken vrijer buiten ons te weren. Maar aangezien Juffrouw Sofia niet tot dat verbond is toegetreden, zoo kon het zijn, dat zij een minnaar had, dien wij niet kenden, en . .. .quot;
„Dien wij niet kenden!quot; herhaalde Doorninck: „maar dat zou haar niet baten! zij moet een keuze doen tusschen hen, die heden morgen op 't slot verzameld waren, en die kennen wij allen.quot;
„Eilieve!quot; zei Putten: „alsof de wereld niet groot en bevolkt genoeg ware! kan zij niet een keuze buiten dat gezelschap gedaan hebben?quot;
„Maar die keuze is haar ontzegd,quot; merkte Wisch aan.
„Alsof dat een reden ware,quot; hernam Putten: „en alsof niet de vrouwen in 't algemeen juist geneigd zijn daar lief te hebben, waar 't haar niet geoorloofd is.quot;
„'t Kan zijn,quot; zeide Doorninck: „maar waar zou haar dat toe leiden?quot;
„Zij mag toch geen echtgenoot anders dan uit haar erkende minnaars huwen,quot; zeide Wisch.
„Ik spreek van geen echtgenoot,quot; hernam Putten: „maar zegt mij, zoudt gij een van beiden genegen zijn, haar tot vrouw te nemen, indien 't u bleek, dat zij bereids een verborgen minnarij had gehad?quot;
„Neen voorwaar!quot; riepen de beide anderen.
„Maar wel zoudt gij genegen zijn, u over zulk een hoon op haar en op het onwaardig voorwerp harer keuze te wreken.quot;
„Ik zou haar in 't openbaar beschamen, indien zulks het geval ware,quot; zei Doorninck, met een krachtigen vloek.
103
„En dien medevrijer den kop afslaan,quot; voegde Wisch er bij, met een nog krachtiger vloek.
„Welnu!quot; vervolgde Putten: „dan is mijn voorstel dit, dat wij gezamenlijk alle middelen in 't werk stellen om te ontdekken, of mijn vermoeden gegrond is.quot;
„Dat is een goed denkbeeld,quot; merkten de beide anderen aan.
„Wij willen elkander dan op handslag beloven,quot; ging Putten voort: „elk voor zich alles te doen wat in zijn vermogen is om achter de waarheid te komen en elkander bij een volgende ontmoeting niets te verhelen van wat wij ontdekt hebben.quot;
„Dat is afgesproken,quot; zeiden de anderen.
„Ik,quot; zeide Borre Van Doorninck, „zal aan Valk, mijn stegereepsknccht, last geven, de kamermaagd van de Juffer te vrijen en door haar de gedachten en handelingen van haar meesteresse uit te vorschen.quot;
„En ik,quot; zeide Roelof Van Wisch, „zal door middel van Koert, mijn jager, die een neef is van den hovenier op Hardenstein, de gangen van de Juffer laten bespieden.quot;
„En ik,quot; zei Putten, „zal Albert den heiden betalen, om van de schepers te weten te komen, of er ook verdachte lieden in den omtrek zwerven. Heden over een week vinden wij elkander hier terug en deelen wij elkander den uitslag onzer nasporingen mede.quot;
Overeenkomstig deze afspraak, zaten de drie Edellieden na verloop van een week weder in de herberg.
„Ik weet dit,quot; zeide Borre Van Doorninck: „bij wijlen opent de Juffer, als zij denkt alleen te zijn, een juweelkoffertje, waar zij een ring uit neemt, dien zij herhaaldelijk kust.quot;
„Ik weet dit,quot;, zeide Roelof Van Wisch: „de Juffer komt nu en dan bij schemeravond aan de woning van den hovenier, zendt diens dochter Lijsbet om een boodschap uit, verbeidt haar terugkomst en keert eerst dan weder naar 't slot.quot;
„Ik weet dit,quot; zeide Putten: „er zwerft in de omstreken van Hardenstein een ruiter, die een vuurrooden tulband op het hoofd draagt met een veder en een mantel van gelijke kleur. Een goudgeschubde maliënkolder bedekt zijn borst en
104
aan zijn zijde hangt een Moorsche sabel. Hij berijdt een gitzwart paard, snel als de wind, komt, men weet niet van waar, en keert, men weet niet waarheen.quot;
Ofschoon de ontdekte bijzonderheden elk op zich zelve van gewicht konden geacht worden, zoo was het nog niet wel mogelijk er eenig dadelijk verband tusschen te zien. Waren 't schakels van een zelfde keten, dan moesten zij nog aan elkander worden gehecht. AIzoo werd de afspraak gemaakt, het begonnen onderzoek door te zetten en na verloop van een week de uitkomsten daarvan onderling te vergelijken.
Die week verliep en de drie vrienden zaten wederom bij elkander.
„Ik weet meer,quot; zeide Doorninck: „de Juffer heeft laatstleden Vrijdagmorgen een hemelsblauwen sluier uit het vensterraam van haar kamer gehangen, welk raam het uitzicht heeft naar den kant van den Wolverberg.quot;
„Ik weet meer,quot; zeide Wisch: „de Juffer is laatstleden Vrijdag, tegen het vallen van den avond, bij den hovenier geweest; zij heeft daar ongeveer een uur vertoefd, en middelerwijl is Lijsbet, de dochter van den huize, het pad op geweest, dat buiten de omheinde warande voert.quot;
„Ik weet meer,quot; zeide Putten: „de roode ruiter is Vrijdagmorgen over de heide aan komen rijden. Hij heeft een wijl op den Wolverberg zijn ros doen stilstaan, en naar de zijde van 't kasteel gekeken: en daarna is hij pijnsnel teruggekeerd: — maar dienzelfden avond is hij nogmaals in de buurt opgemerkt.quot;
„Nu behoeft voorwaar het verband niet langer gezocht te worden,quot; zei Doorninck.
„Er mangelt niet één schakel,quot; zei Wisch.
„Die blauwe sluier,quot; zei Putten: „moet den onbekenden ruiter tot een sein dienen, dat de kust tegen den avond vrij zal wezen, en de hoveniers-dochter speelt voor bodin tusschen Sofia en haar lief. — Maar wat nu te doen?quot;
„Mij dunkt,quot; antwoordde Doorninck, „het eenvoudigste ware, dien vreemden avonturier op te wachten.quot;
105
„En hem neder te houwen,quot; zei Wisch.
„Ik zou er niets tegen hebben,quot; zei Putten: „ware het niet, dat wij, door hem te haastig van kant te helpen, meteen ons het middel benemen haar verstandhouding met hem te bewijzen. Wij moesten dat bewijs eerst bekomen, en dan wijders ons beraden, hoe wij ons van dien vreemdeling zullen ontslaan, en vooral, hoe wij haar op de meest treffende wijze zullen beschamen.quot;
„Juist,quot; zeide Doorninck: „wij moesten nog een week het onderzoek voortzetten.quot;
„Ik zal nadere bevelen aan Koert geven,quot; zeide Wisch.
„Neen,quot; hernam Putten: „wij hebben tot nu toe door de oogen van anderen gezien: wij moeten voortaan zien met onze eigene oogen. Daartoe zal het noodig zijn, dat wij de buurt niet verlaten en zeiven in 't geheim voortdurend op alles acht geven. Een onzer moet dagelijks den Wolverberg bestijgen en uitzien of hij het sein ook bespeurt: een ander zich bij schemeravond in de buurt van des hoveniers woning begeven en opletten wat daar gebeurt: en de derde moet de gangen van dien vreemdeling gadeslaan.quot;
„'t Is wel!quot; zei Doorninck: „ik zal mij in 't gewaad van Valk steken en op den berg wacht houden.quot;
„En ik,quot; zei Wisch: „zal in dat van Koert de woning van den hovenier beloeren.quot;
„En ik,quot; zeide Putten; „zal als een heiden vermomd, op de heide vertoeven.quot;
Onze drie vrijers handelden volgens de afspraak; maar er verliepen volle zeven dagen eer een hunner iets ontdekt had. Op den morgen' van den achtsten echter, zag Borre Van Doorninck, die weder zijn wachtpost op den Wolverberg betrokken had, een der vensters van het kasteel opengaan: een blanke arm vertoonde zich, dien de verre afstand hem natuurlijk niet toeliet te herkennen, doch dien hij reden had te onderstellen, dat aan Sofia toebehoorde; de hand, welke aan dien arm vastzat, hing een hemelsblauw kleed het raam uit, en trok toen het venster weder dicht. Doch terwijl Doorninck nog
106
altijd voor zich uit tuurde, hoorde hij plotseling hoefgetrappel achter zich, en, omziende, vond hij tegenover zich den rooden ruiter, die hem met grimmige oogen aanstaarde.
„Wat doet gij hier?quot; vroeg de onbekende, op barschen toon en met een uitheemschen tongval.
Borre Van Doorninck was dapper; doch hij voelde zich niettemin eenigszins onthutst. Hij was te voet en had geen wapen dan een dolk; de ander zat te paard, had zijn Moorschen sabel en zijn uiterlijk duidde een kracht en gespierdheid aan, waartegen Doorninck vreezen mocht niet opgewassen te zijn. Geen wonder, dat hij een oogenblik beteuterd en sprakeloos stond.
„Nu!quot; hernam de onbekende, hem aanziende alsof hij hem met zijn blik doorboren ging: „krijg ik antwoord?quot;
Die trotsche toon wekte de verontwaardiging van den fieren Edelman en gaf hem te gelijk zijn moed terug. „Ik ben uit adellijken bloede,quot; zeide hij, „en antwoord niet op de onbescheiden vragen van den eersten gelukzoeker den beste.quot;
„Dan zal ik u zeggen wie gij zijt,quot; hervatte de andere, terwijl hij aan zijn stem een snijdende en onheilspellende uitdrukking gaf: „gij zijt Borre Van Doorninck: gij dingt naar de hand van Sofia Van Eylar, en gij komt hier om mij te bespieden. Maar ik ben Asrafel, de zoon van Sofan, en ik heb gezworen, dat wie zich tusschen mij en mijn doel stelt, niet leven zal:quot; — en met deze woorden zijn sabel uithalende deed hij dien een hal ven kring in de lucht beschrijven, eer Doorninck eenigen tegenweer maken kon, of zelfs een woord kon uiten, en het hoofd van den armen Ridder rolde over 't zand. Haastig bukte zich de vreemdeling voorover, raapte het hoofd van den grond op, stak het in een zak, die aan den zadelknop gebonden was, sleurde het lichaam onder 't wegrijden een eind met zich voort en smeet het in een greppel op de heide, waar het eerst eenige dagen later door de schepers gevonden en als dat van een onbekende onder de aarde gestopt werd.
Op denzelfden avond sloop Roelof Van Wisch in het gewaad zijns jagers in de nabijheid van de woning des hoveniers. Daar
107
zat hij van achter de doornenstruiken te gluren, toen hij Juffrouw Sofia van het kasteel zag komen en binnen gaan. Kort daarna kwam Lijsbet de deur uit en nam het pad, dat naar buiten de omheinde warande voerde. Omzichtig door het kreupelhout sluipende, volgde Wisch dezelfde richting, klom, terwijl zij het hek uitging, over de heining, baande zich een weg door het kreupelhout en bleef evenwijdig denzelfden kant opgaan als zij, die het boschpad hield. Weldra was de nachtwandelaarster aan een open plek gekomen, in wier midden een steeneik zich verhief, bij welken boom een mansgedaante stond te wachten. Wisch trad al nader en nader om te luisteren; doch daar trof het geritsel, dat de dorre bladeren maakten, het fijn gehoor van den onbekende, die, onmiddellijk toespringende naar de plek, vanwaar het gerucht kwam, den verrasten Eidder bij het haar greep en te gelijk zijn sabel in de hoogte hief, met de vraag: „wie zijt gij?quot;
„Ik ben een Edelman,quot; antwoordde Wisch: „en uwe wijze van handelen is onridderlijk en toont, dat gij een gemeene roover zijt; doch pas op ... . ik zal. ..
„Ik ken u,quot; hernam hij met den rooden tulband, en, hoezeer hij zijn stemgeluid smoorde, zijn woorden klonken er niet minder duidelijk en ijzingwekkend om: „gij zijt Roelof Van Wisch, en ik ben Asrafel, de zoon van Sofan, die gezworen heb te dooden wie zich tusschen mij stelt en mijn doel.quot; En met deze woorden sloeg hij hem het hoofd af, gelijk hij Borre Van Doorninck gedaan had, stak het in een zak, die aan zijn zijde hing, smeet het lichaam ergens in 't bosch in een kuil, door 't rooien van een boom ontstaan, (waar de houthakkers 't later vonden en 't ook als dat van een onbekende begravan werd) en keerde toen met de grootste bedaardheid naar den eikeboom terug, waar het meisje hem stond te wachten.
„Wat hebt gij gedaan?quot; vroeg Sofia; want deze was het, die, onder den mantel en kaper der hoveniersdochter verscholen, op die wijze hare geheime samenkomsten met dien gruwzamen minnaar had.
„Ik heb gedood wie een klad op uw naam zou hebben kunnen
108
werpen,quot; antwoordde Asrafel: „en hetzelfde lot zal een iegelijk treffen, die mij dwarsboomen of bespieden durft.quot;
„Gij zijt een vreeselijk man, Asrafel!quot; zeide Sofia: „hoe kan het mogelijk zijn, dat ik u bemin, u, voor wien ik veeleer van schrik moest terugbeven.quot;
Een zonderlinge lach was het eenige antwoord van Asrafel.
„Uw geloof,quot; ging Sofia voort, „is het mijne niet; uw land is het mijne niet; ik weet nauwelijks wie gij -zijt of van waar gij komt: toen ik, te Nijmegen, u onder 't gevolg des Keizers het eerst zag, waarde mij een kille huivering door het bloed: ook thans doen mij uw daden sidderen: en toch.... toch vergeet ik plicht, geloof, land en magen, om u, om u alleen! .... o! dat is betoovering!quot;
„Ja! het is betoovering,quot; zeide Asrafel, en zijn stem klonk zoo welluidend en liefelijk, als zij tegenover zijn slachtoffers schel en snerpend, of dof en somber was geweest: „maar 't is zoodanige betoovering als niet door hulp van kruiden of dranken, van talismans of amuletten, van rijmspreuken of bezweringen wordt volbracht: 't is de betoovering der liefde, die ons beiden in haar macht houdt, der liefde, die uw hart geopend heeft voor den vreemden zwerver, en die mij teruggehouden heeft in een land, waar de naam van mijn ras in haat is, en waar mij voortdurend gevaren dreigen. Maar nu! de tijd is kostbaar. Hebt gij over mijn voorstel nagedacht? Kunt gij besluiten, mij te volgen?quot;
„Neen Asrafel! heden niet,quot; zeide Sofia: „ik min u: dit bewijst al wat ik reeds om uwentwille gedaan en geleden heb. Of heb ik niet om u mijn plicht vertreden en datgene gedaan, 't welk schande over ons Huis zou brengen zoo 't immer werd ontdekt? Ach! ik wilde zoo gaarne vermijden, mijns vaders hart te breken !quot;
„Zult gij dan een uwer adellijke minnaars uw hand geven?quot; vroeg Asrafel, op bitteren toon: „ik zie geen ander middel om hem te voldoen.quot;
„Neen! dat in eeuwigheid niet,quot; antwoordde Sofia: „maar een middel blijft mij nog over, en dat wil ik beproeven, eer
109
ik aan uw verlangen gehoor geef. Gij weet het is op Allerheiligen, dat mijn vader hen, die naar mijn hand dingen, bescheiden heeft...
„Twee hunner zullen niet antwoorden als de namen gelezen worden,quot; viel Asrafel in.
„Er zullen er nog genoeg overblijven,quot; hernam Sofia, „tusschen wie ik zal moeten kiezen. Wel! ik wil voor dien tijd mijn vader nog zien te bewegen, dat hij mij vergunne den sluier aan te nemen. Ik zal nimmer een levend man boven u de voorkeur geven; maar ik weet, hoe schuldig de liefde is, die ik voor u gevoel, en daarom wil ik trachten haar in het klooster te ontvlieden. Neen! lach niet, Asrafel! Geloof, dat het mijn dood zal zijn, voor eeuwig van u te moeten scheiden; maar ik zal dan ten minste vrij van opspraak en met een gerust geweten sterven. Alleen dan, wanneer mijn vader aan dezen mijn wensch weigert te voldoen, zal ik het als een teeken aanmerken, dat God het offer mijner liefde niet begeert, en dan geef ik mij over aan mijn noodlot ,en volg u, de uwe in leven en dood;'doch niet dan in het laatste oogenblik wil ik tot dit uiterste komen: en daarom, eerst te middernacht voor Allerheiligen zult gij mij hier vinden.quot;
„Uw vader heeft u datzelfde verzoek tot heden steeds afgeslagen,quot; zeide Asrafel: „hij blijft — gij hebt mij dit zelve verklaard — steeds onverzettelijk bij hetgeen hij eenmaal besloten heeft. Nu of met Allerheiligen — 't zal wel 't zelfde zijn. Daarom, stel mijn geluk niet uit. Vergezel mij nog heden.quot;
„Ik mag niet,quot; hernam Sofia, haar minnaar, die reeds den arm had uitgestoken om haar te omvatten, zachtjes van zich afwerende: „gij hebt beloofd, mijn deugd te eerbiedigen: in dat vertrouwen ben ik wederom tot u gekomen; gij hebt beloofd, geen geweld tegen mij te bezigen; ik heb vertrouwd op uw woord. Dorst gij het schenden, gij zoudt mijn liefde tevens dooden.quot;
„Ik onderwerp mij,quot; zeide Asrafel, somber voor zich ziende: „ik vertrouw mijnerzijds op u, en ik zal hier zijn met Allerheiligen, te middernacht.quot;
110
„Gij zult dus zeker komen?quot; vroeg Sofia.
„Ik zweer het u,quot; antwoordde Asrafel, wederom op dien snerpenden toon, dien hij anders tegen haar niet bezigde: „te middernacht voor Allerheiligen zal ik hier bij dezen steeneik zijn, dood of levend, om u te zoeken.quot;
„Vaarwel dan!quot; zeide Sofia, en, hem een kushand toewerpende, keerde zij zich snel om en nam langs het haar goed bekende pad, met zooveel spoed als de duisternis toeliet, den terugtocht aan. Haar minnaar bleef haar nog eenigen tijd naoogen: toen zocht ook hij, maar naar de tegenovergestelde zijde, den terugweg, die hem op de heide brengen moest. Daar gekomen floot hij, en, trouw als een hond, kwam op dat bekende sein zijn prachtig ros toesnellen. Met éénen sprong was hij in den zadel en in ontembare vaart rende hij nu over heuvelen en dalen heen.
Maar lang voordat het geluid van den hoefslag was weggestorven, had zich in de nabijheid van de plek, waar de gelieven elkander ontmoet hadden, iemand, als een heiden gekleed, opgericht uit een greppel, van waar hij, door de struiken in het kreupelhout verborgen, het gesprek der gelieven beluisterd had. Die iemand was Herbaren Van Putten, die, voorzichtiger of gelukkiger dan zijn beide vrienden, het lot ontkomen was, dat hen getroffen had. In het bosch verscholen, had hij de komst van den ruiter bespied en zich toen dadelijk in de hinderlaag verscholen, vanwaar hij toevalliger wijze getuige had kunnen zijn van 't geen er voorgevallen was. Wel had hem het bloed in de aderen gekookt: wel had hij een oogenblik in twijfel gestaan, toen Asrafel zich spottend uitliet over den dood der beide Ridders, of hij niet toespringen en zijn vrienden op hem zou beproeven te wreken; doch hij had zich laten terughouden door de overweging, dat, indien hij voor Asrafel moest onderdoen, er niemand zou overblijven, om hem zijn welverdiende straf te doen ondergaan: en, zou zijn wraak zeker zijn, dan moest die worden uitgesteld. Asrafel! — zoo heette, gelijk hij zich herinnerde, de heiden-sche Prins, die uit een ver, ver achter Duitschland gelegen
Ill
land herkomstig was en eenige maanden te voren in 't gevolg van den keizer te Nijmegen gekomen; hem bij diens vertrek niet weder vergezeld had, maar in Gelre achtergebleven was en een vervallen slot aan den Rijn betrokken had, waar hij in afzondering leefde, en, gelijk de faam ging, zich met duivelskunstenarijen onledig hield.
Herbaren Van Putten was verre van godvreezend, en dacht gewoonlijk meer aan den drinkkroes, den teerling, het jachtbedrijf en het wapenspel, dan aan zijn zaligheid; niettemin sloeg hij menig kruis bij de bloote gedachte, dat een dochter van zoo adellijken huize en die tot nog toe altijd voor een vrome Christinne had doorgegaan, zich door zulk een van God en mensch vervloekten heidenschen toovenaar had laten belezen. Immers 't kon alleen door Satans listen en hekserijen zijn, dat een zedige maagd als zij in de strikken van zulk een verleider had kunnen vallen.
Hij keerde naar zijn herberg en vandaar naar zijn Huis te Putten, al peinzende onderweg over hetgeen hem te doen stond. Hoewel het oorspronkelijk in zijn plan en in dat zijner vrienden gelegen had, de beide gelieven te overvallen en Sofia te beschamen, was hij nu tot een ander besluit gekomen. „Ik moet,quot; zeide hij bij zich zeiven, „een ontmoeting tusschen die twee beletten: en die uitheemsche boef moet sterven als een hond, gelijk hij mijn beide vrienden heeft doen sterven.quot;
Hij achtte het intusschen niet onnoodig, goeden raad in te winnen, en te dien einde begaf hij zich tot zekeren ouden, vromen kluizenaar, die op de Veluwsche heide woonde en die als geestenbanner bekend stond. Hij vond den grijsaard en deelde hem mede wat er was voorgevallen.
„Gij hebt wel gedaan, mijn Zoon!quot; zeide de kluizenaar, „dat gij in deze zaak niet overijld gehandeld hebt, maar tot mij gekomen zijt. Asrafel, de zoon van Sofan, bezit wondere geheimen, hoedanige alleen bekend zijn in het verre Oosten, waar hij vandaan komt. Indien gij, mijn Zoon! met hem in eerlijken kamp had willen strijden, zoudt gij noodwendig zijn omgekomen; want hij draagt een betooverd borstharnas, waar
112
geen staal doorheen kan dringen, en is bovendien onkwetsbaar ten gevolge der aanwending van kruiden, waarmede hij zich bestrijkt. Toch is hij met de hulpe van God en Zijn Heiligen te overwinnen. Kies u daartoe twaalf kloeke mannen uit en begeef u met hen, nadat gij allen gebiecht en het sacrament genomen hebt, den avond voor Allerheiligen naar de Harden-steinsche heide. Plaats u daar in een hinderlaag langs den weg, dien uw vijand komen moet. Spant er touwen en maakt kuilen dwars over het pad, zoodat zijn paard struikele. En dewijl het dier zelf misschien door tooverij of anderszins in staat is, die hindernissen onverlet door te komen, zoo plant dit gebenedijde kruis in het pad, waardoor het onfeilbaar in zijn loop zal verhinderd wezen. Hebt gij den ruiter overmand, zoo zorgt hem goed te binden en alsdan in dezen of genen diepen put of ander water te smoren, doch niet dan na hem naakt uitgeschud en een zwaren kei om den hals te hebben gebonden; want zoo hij een too venaar is, dan zal hij, als bekend is, op het water drijven en niet zinken. Eer gij u echter van hem ontdoet, onderzoek met zorg, of hij niet hier of daar een verborgen talisman bij zich draagt, door de kracht waarvan hij macht over de Juffer verkregen heeft, en breek dien om hem schadeloos te maken.quot;'
Herbaren Van Putten beloofde zich in allen deele te zullen gedragen overeenkomstig de voorschriften, hem door den kluizenaar gegeven. Hij ging ter biecht en ter misse, zocht twaalf zijner kloekste gezellen uit, liet hen ook ter biecht en ter misse gaan en trok met hen op den avond voor Allerheiligen naar de plek, waar hij onderstelde, dat Asrafel langs moest komen. De weg van de heide naar Hardenstein liep, even gelijk die nog loopt, eerst langs den voet van den Wolverberg met een vrij steile helling tusschen twee aarden dijkjes en dwars door een klein dennenboschje, tot aan den open grond, te dier plaatse hobbelig en ruig, met doornen en ander kruipend gewas begroeid, en zoo door een berkenbosch, binnen hetwelk zich het ronde plein bevond, waar de gelieven elkander bij den eikeboom hadden ontmoet.
113
Het was aan den ingang van het dennenboschje, dat Putten, achter de struiken of in de greppels, zijn manschappen verscholen hield, die touwen en netten van gevlochten ijzerdraad dwars over den weg gespannen hielden. Het kruis, dat de kluizenaar hem gegeven had, plantte hij zelf midden op het pad; doch hoeveel vertrouwen hij daarin stelde, hij achtte het niet onnoodig nog eenige andere voorzorgen te nemen, en liet daarom van afstand tot afstand greppels graven, wat te gemakkelijker was, daar het den geheelen dag geregend had en de bodem alzoo week en licht te bewerken was. Al deze maatregelen genomen hebbende, plaatste hij zich nevens het kruis, met zijn goede strijdbijl in de hand en deze reis in volle wapenrusting, vaardig om, indien Asrafel, ondanks de hinderpalen, die hem gesteld waren, zijn weg vervorderen mocht, hem alsdan den doortocht met de wapenen te betwisten. Wel was het eenigszins stuitend voor zijn ridderlijk gevoel, alzoo jegens een enkelen man al die middelen in 't werk te stellen, die men anders gewoon is alleen tegen roofdieren te bezigen; doch hij paaide zich met de overweging, dat de man, wien het ten dezen gold, in den grond slechts een heidensche too venaar en alzoo niet veel beter of nog erger was dan een roofdier.
Met gespannen verwachting zag hij nu het beslissend tijdstip te gemoet. Het was donkere maan; doch de lucht was schoon gewaaid en de sterren schenen vroolijk aan den hemel, toen ongeveer een halfuur voor middernacht een zware bui uit het zuidoosten kwam opzetten en in weinige minuten een hevig onweer uitbarstte. De lucht scheen in vuur, de donder rolde oorverdoovend door het zwerk en de regen viel in zware droppels al kletterend op de dorre bladeren neer. De metgezellen van Putten begonnen van koude en angst te beven en behielden nauwelijks kracht genoeg in de verkleumde vingers om hun touwen of netten vast te houden, terwijl hij zelf, ofschoon onvatbaar voor vrees, zich toch nu en dan niet weerhouden kon van een krachtigen vloek uit te stooten tegen den donder, die hem belette te hooren — en tegen de duisternis,
II. — Nov. 8
114
die hem belette te zien — of zijn vijand naderde, gelijk mede tegen het weerlicht, dat, zoo vaak het de vlakte bescheen, al de voorwerpen, dus ook zijn makkers, zichtbaar maakte en hen alzoo aan zijn vijand verraden kon. — Intusschen, het scheen, dat de bui in hevigheid begon te verminderen: de tusschenpoozen van het eene licht op het andere werden langer en Putten vleide zich reeds dat de bui overtrok, wanneer opeens een bliksemstraal, sterker en scheller dan hij nog gezien had, naar beneden schoot en hem — hoezeer dan maar voor een enkele seconde — Asrafel deed zien, met zijn vuurrooden mantel over het goudgeschubde pantser, met zijn vuurroode laarzen in de vergulde stijgbeugels, en met zijn schitterend slagzwaard op zijde: Asrafel, die, op zijn gitzwart ros gezeten, snel als een wervelwind op hem afkwam — neen, reeds bij hem was. De wapenknechten van Putten, bedwelmd door het licht, door den daarop gevolgden slag en niet het minst door het plotseling opdagen van Asrafel, die hun de vuurgeest zelf scheen, hadden de strikken aan hun handen laten ontglippen, of althans niet toegehaald, en, als het tooverpaard van Astolfus, was het ros des rooden ruiters over kuilen en greppels heen en hen voorbijgevlogen.
„Sta!quot; riep Putten, zijn heirbijl opheffende ; maar op hetzelfde oogenblik zag hij de met zilver beslagen voorhoeven van het ros op manshoogte tegenover hem blinken als om hem te verpletten. Dan, man en paard deinsden achterwaarts en er volgde een doffe slag. Het dier was voor het kruis teruggeschrikt: het was gesteigerd, had zijn berijder uit den zadel gelicht en in 't zand geworpen: het wendde zich om, holde in teugellooze vaart den weg weder op dien het gekomen was en werd nimmer ergens meer gezien.
„Op mannen! de vogel is ons!quot; riep Putten uit al zijn macht zijn medehelpers toe, die, van hun schrik bekomen, alreede waren toegesneld en, zich gezamenlijk op den neergestorten ruiter werpende, diens armen en beenen met koorden wel stijf omwoelden, 't Zij dat Asrafel door den val zijn bewustzijn verloren had, 't zij dat hij het nuttelooze van allen weerstand
115
begreep en te trotsch was om tegen het noodlot te strijden, hij verroerde zich niet, en geen klacht, geen vloek, geen zucht kwam over zijn lippen.
Indachtig aan hetgeen de kluizenaar hem gezegd had, bukte Putten zich over zijn gevangene, om te zoeken of hij ook een talisman bij zich droeg: en tot zijn niet geringe blijdschap gelukte het hem alras een dunne koord te ontdekken, die om Asrafels hals geslingerd was. Hij haalde die koord naar zich toe en deed op die wijze een gouden doosje, dat er aan vast zat, van onder het borstpantser te voorschijn komen. Vergeefs poogde hij het te openen: waarom hij het op een kei plaatste en er met den rug van zijn bijl een zoo heftigen slag op gaf, dat het aan stukken splinterde. Op datzelfde oogenblik hoorde hij de klok van den dorpstoren, die het uur van middernacht. ...
V.
Ting! Ting! dreunde het, tot twaalfmalen toe, op dit oogenblik den gasten in 't oor. Met weinigen onder hen werden doodsbleek, de moedigsten konden zich niet weerhouden een beweging van schrik te maken, en Juffrouw Hélène Prawley gaf een luiden gil.
Onmiddellijk daarop volgde een schaterend gelach.
„Is het die onnoozele pendule op den schoorsteen, die 't gezelschap zoo ontstelt?quot; vroeg de Heer Drenkelaer, spottende.
„'t Is in allen gevalle een zeer zonderlinge toevalligheid, dat zij juist op dat moment moest slaan,quot; zei Mevrouw Van Doertoghe.
„Ja! 't is een ondeugende pendule,quot; zei Kapitein Trellinck, „die daar juist mee wacht totdat onze gastheer het woord „middernachtquot; uitspreekt.quot;
„Of een ondeugende gastheer,quot; zei de Jonker Van Sporkel-berghe, „die zijn verhaal zoo aanlegt, dat het woord „middernachtquot; juist moet komen als de wijzer op twaalf staat.quot;
116
„Ik kan van hier de wijzerplaat niet onderscheiden,quot; zei de Baron op een koelen toon: „en ik ben volstrekt de man niet om effecten van dergelijken aard te berekenen, 't Is laat. — Wil ik nu ook liever de rest van het verhaal uitstellen .... of het u geheel schenken?quot;
„Neen! neen!quot; klonk het wederom van alle zijden: „Wij moeten nu het slot hebben. Geen uitstel! —Gij hebt de nieuwsgierigheid te zeer gespannen, dan dat iemand slaap zou hebben.quot;
„Ik onderwerp mij,quot; zeide de Heer Van Eylar, en ging met zijn vertelling voort:
Putten hoorde dan, als ik zei, de klok het uur van middernacht verkondigen. Nog eens rolde de donder; doch het was de laatste slag: de lucht was op eenmaal als schoon geveegd en vroolijk tintelden weer de sterren aan het onbenevelde zwerk.
„En nu!quot; zeide Putten: „voert hem van hier, naar het meer.quot;
Met zooveel spoed als de oneffenheden van den grond het gedoogden, haastte zich de troep dwars door de heide over naar een dier meertjes, die op korten afstand van Hardenstein tusschen de heuvelen gelegen zijn. Hier werd nu op last van Putten een der zwaarste keien, dien men aan den oever vond, stevig omwonden met een touw, waarvan het andere einde om den hals van Asrafel geslagen werd. „Indien hij nu niet verdrinkt,quot; zei Putten al schertsende, „dan zal hij voor't minst door de koord sterven.quot; Toen werden de veroordeelde en de steen met niet weinig moeite overgetild in een visschersaak, die hier aan den kant lag, en Putten er met drie zijner gezellen mede in gesprongen zijnde, liet van wal steken.
„Werpt over!quot; riep hij, toen zij midden in het meer gekomen waren.
Men gehoorzaamde: en het lichaam van Asrafel plompte in de golven; doch, 't zij dat hij in zijn hoedanigheid van too-venaar niet zinken kon, 't zij, dat de touwen, waarmede hij gekneveld was, hem bovenhielden, hij kwam, als een ingedompelde kurk, weder te voorschijn en bleef op den effen waterspiegel drijven.
117
„Werpt den kei uit,quot; riep Putten.
De drie mannen tilden met vereende krachten den steen omhoog en smeten dien overboord. Hij zonk; doch de uitwerking beantwoordde aan de verwachting op een wijze, die verder ging dan het doel: en, in plaats van één slachtoffer, maakte de steen er twee. Ten gevolge van een noodlottig toeval had het touw een slag gedaan om Puttens rechterbeen: het sleepte hem mede en deed hem tegen den rand der boot omtuimelen. Het lichte vaartuig sloeg om en Ridder en wapenknechten stortten in het water. De laatstgemelden reddeden zich zwemmende aan den wal; hun arme Heer door den strik bedwongen, die om zijn been was heengeslagen, was te gelijk met zijn slachtoffer gezonken, om nimmer weer boven te komen. Volgens hetgeen zij, die aan den oever gebleven waren, latei-verhaalden, zoude, toen de beide lichamen in de diepte verdwenen waren, een schaterend gelach uit de kolk zijn opgestegen, als om te getuigen, hoe Asrafel zich in zijn dood gewroken had, en zou een zwarte, onbekende vogel, dien niemand te voren bespeurd had, uit het meer met een krij schend geluid zijn weggevlogen. Sommigen beweerden, dat de toovenaar die gedaante had aangenomen; doch eenparig was het gevoelen, dat de ramp, die Putten overkwam, daaraan moest worden toegeschreven, dat hij Asrafel niet, gelijk de kluizenaar het geboden had, naakt had uitgeschud alvorens hem in 't water te werpen.
Vruchteloos hadden de trouwe dienaars alle pogingen aangewend om hun Heer te redden. Reeds begon het te dagen en nog waren zij bezig daartoe wanhopige pogingen aan te wenden, toen zij verrast werden door Heer Peter Van Eylar en zijn volk, uitgetrokken om Asrafel te zoeken. Immers, wat was er gebeurd ? — Sofia, die ondanks al hare smeekingen, de gevraagde toestemming om in een klooster te gaan niet van hem had kunnen verwerven, had nu, om aan haar belofte te voldoen, tegen middernacht in stilte het kasteel verlaten, en zich, ondanks het booze weer, op weg begeven naar den eikeboom, waar zij haar minnaar ontmoeten zou. Reeds was
118
zij dien genaderd, toen, juist bij den aanvang van het klokgelui, zij plotseling in haar hart een vreemde gewaarwording ondervond, even of er iets als glas daarin knapte. Gij herinnert u, dat dit overeenkwam met het tijdstip, waarop Putten den talisman verbrijzelde, en zie! daar was terzelfder stonde haar liefde voor Asrafel niet alleen geweken, maar zelfs kon zij niet begrijpen, hoe zij ooit eenig ander gevoel dan van afschuw en haat voor hem kon gevoeld hebben; kon zij niet begrijpen, hoe zij er toe gekomen was, de maagdelijke schaamte te vergeten, in eene harer onwaardige vermomming reis op reis geheime samenkomsten te hebben met zulk een minnaar, de aanzoeken van edele Ridders te verwerpen en haar Huis en ouden vader te schandvlekken ter wille van een uitheem-schen gelukzoeker, die nog bovendien een heiden en toovenaar was. Sidderend van koude en schaamte, was zij op haar schreden teruggekeerd, in haar doodsangst telkens vreezende door haar gruwzamen minnaar achterhaald te worden. Op het kasteel gekomen, had zij zich terstond naar het slaapvertrek van haar vader begeven, en was, na hem gewekt te hebben, aan zijn voeten bewusteloos nedergestort. Een heete koorts had haar overvallen, waarin zij allerlei onsamenhangende woorden uitkraamde, doch die Heer Peter eenigszins op het spoor hadden gebracht. Hij had de kamermaagd en daarna ook Lijsbet ondervraagd, en uit haar antwoorden nagenoeg beseffende, wat het geval was, zich met zijn dienaars op weg begeven om zoo mogelijk den booswicht te verrassen. Hij vernam nu van de knechten van Putten het droevige uiteinde van hun Heer, gelijk mede het verdwijnen van Borre Van Doorninck en Roelof Van Wisch. Met de hulp van de nog overige vrijers van Sofia, die, ingevolge de afspraak, op Allerheiligen aan 't kasteel kwamen, doch er slechten troost ontvingen, en ten gevolge der narichten, welke hij van de schepers en houthakkers ontving, gelukte het hem, de lijken der twee verslagen Ridders op te sporen, die nu, schoon dan hoofdeloos, een meer betamelijk graf ontvingen; terwijl hij zorgde, dat voor hunne zielen en die van Herbaren Van Putten jaarlijksche
119
missen gelezen werden. Wat Sofia betreft, de grijsaard gevoelde zelf, dat na het gebeurde er niet anders overbleef, dan dat zij voor haar lichtzinnigheid, of wat het wezen mocht, in een klooster boete deed: en werkelijk betrok zij dat van Gravendael, waar zij een zoo vroom en heilig leven leidde, dat zij er na verloop van eenige jaren tot Abdisse verkoren werd.
Ziedaar de vertelling: the bricks are alive at this day to testify it, zegt Smith de wever bij Shakspere om de echtheid van zijn vertelling te bewijzen, en zoo zeg ik: de eikeboom, waar Sofia haar lief bij ontmoette, staat nog op zijn oude plaats, ofschoon er niet veel meer van over is dan de bast: gij hebt hem allen kunnen zien. — En wat nu het merkwaardige is van de zaak, of ik mag wel zeggen de aanleiding tot het gansche verhaal, is, dat nog altijd telkens in den nacht van Allerheiligen, met klokslag twaalf uren, wijlen Asrafel, met zijn Moorschen sabel, zijn goudgeschubd kuras, zijn vuurrooden tulband en dito mantel zich bij dien boom vertoont, ten einde alzoo het woord gestand te doen, dat hij aan Sofia gegeven had, om dood of levend aldaar terug te komen.
Laat nu niemand nog durven zeggen, dat die heidenen en toovenaars geen lieden zijn die woord houden.
VI.
„En, hebt gij hem ooit gezien?quot; vroeg de Jonker Van Sporkelberghe, het eerst de stilte afbrekende, die voor eenige oogenblikken op het verhaal van den Heer Van Eylar gevolgd was.
„Neen,quot; antwoordde de Baron: „maar ik moet bekennen, er nooit op dat uur te zijn geweest.quot;
„Dat is jammer,quot; zei Drenkelaer: „Mijnheer had er eens moeten heengaan: al ware het maar alleen uit plichtbesef,
120
om aan de lieden te toonen, dat er geen grond is voor zulk een belachelijk bijgeloof.quot;
„Wel! mij dunkt,quot; zei Mevrouw Bentes: „Mijnheer Van Eylar zou het bijgeloof te veel eer aandoen. En bovendien, zou er werkelijk iemand zijn, die er geloof aan hechtte? 't Is immers duidelijk een conté fait a plaisir.quot;
„Waarlijk!quot; zei de Heer Van Parolles: „ik wist niet, dat onze geëerde gastheer zulk een dichterlijke verbeelding bezat! Hij moest romans schrijven: hij zou allicht monsieur Galand en Le Sage beschamen.quot;
„Ik heb het sprookje niet bedacht,quot; zei de Heer Van Eylar, de schouders ophalende.
„Nu! dan toch gestoffeerd,quot; zei Mevrouw Bentes: „met al de détails, die gij er bij geeft, zal het wel niet tot u gekomen zijn.quot;
„Ik geef het,quot; zeide de gastheer: „zooals het door mijn grootvader uit den mond van zijn baker is opgeteekend, die het weer als kind van haar grootmoeder had hooren vertellen. Weet je wel, dat wij op die wijze al een goed eind in de zestiende eeuw komen en alzoo op de helft van den tijd, die er tusschen Peter Van Eylar en mij verloopen is?quot;
„Wil dat zeggen, dat wij er geloof aan moeten slaan?quot; vroeg de Jonker Van Sporkelberghe: „ik wil niet betwisten, dat de legende, 't zij door u, 't zij door uw grootvader of zijn baker, nog al aardig is ingekleed; maar ik heb er één bezwaar tegen.quot;
„Slechts één?quot; vroeg de Baron, lachende.
„Een hoofdbezwaar,quot; hernam de andere: „drievierden van de bijzonderheden, die gij verteld hebt, kan men niet zijn te weten gekomen dan uit den mond van dien beminnelijken toovenaar Asrafel of van een zijner medevrijers; en die laat het verhaal omkomen eer zij, althans eer twee hunner, de gelegenheid hebben gehad het gebeurde iemand mede te deelen. Wie b. v. heeft aan uw baker het onderhoud tusschen Borre Van Doorninck en den man, die hem 't hoofd afsloeg, overgebriefd ?quot;
121
„Maar dat is juist het mooie,quot; merkte de Heer Drenkelaer aan: „als een spookhistorie eene natuurlijke oplossing had, hield zij op een spookhistorie te zijn: integendeel, zoo ik mij een aanmerking op de vertelling mag veroorloven, ik vind dat er veel te veel alledaagsch in voorkomt. Mijn lieve hemel! fatsoenlijke, zelfs adellijke dames, die op avonturiers verlieven, dat is meer gezien en men ziet het nog, ook zonder dat er tooverij bij te pas komt. Alleen, dat Juffrouw Sofia, bij nader inzien, zich bedenkt, dat is minder waarschijnlijk. In zulke gevallen is 't doorgaans: i 1 n' y a q u e 1 e p r e-mier pas qui coüte.quot;
„Ja!quot; zei de Jonker: „dat intijds terugkeeren van de Juffer heeft Eylar er bij gemaakt om de eer van zijn oudtante op te houden.quot;
„Wat ik het sterkst vind,quot; zei Mevrouw Van Doertoghe, met een glimlach, die niet zonder beteekenis was, „is die trouwe vriendschap tusschen drie mede-vrijers.quot;
„Die vriendschap is op geen wezenlijke proef gesteld,quot; merkte Mevrouw Van Eylar aan.
„Zij komen er ondertusschen al heel ongelukkig af!quot; zei Kapitein Trellinck.
„Zij hebben niet meer dan zij verdienen,quot; zei Mevrouw Bentes: „wat? bedienden omkoopen! een meisje bespieden, dat zij zeggen lief te hebben! zich vereenigen om haar te overvallen! — wel! dat alles is onedel en onridderlijk: en in zooverre ontbreekt ten minste de zedenleer niet aan uw vertelling, Eylar! dat zij naar behooren gestraft worden.quot;
Ik vermaakte mij in stilte met de gezichten der a d o r a-t e u r s van Mevrouw Bentes, bij gelegenheid dat zij dien uitval deed: kennelijk waren die Heeren niet op hun gemak en misschien hadden zij dan zich zeiven, zoo niet aan omkooping, dan toch aan bespieding wel eens schuldig gemaakt.
„Maar om terug te komen op het punt, dat wij straks behandelden,quot; zei de Jonker Van Sporkelberghe, tegen den Baron: „indien gij aan de waarheid der overlevering geloof hecht, hecht gij dan ook geloof aan de verschijning?quot;
122
„Neen,quot; antwoordde Eylar, kortaf.
„Dat doet mij genoegen,quot; zeide de jongste juffrouw Prawley, terwijl zij diep ademhaalde alsof haar een pak van 't hart was genomen, wat een algemeen gelach verwekte.
„Wel! wie zou aan zoo iets gelooven?quot; riepen onderscheidene stemmen, onder andere die van Mevrouw Bentes en den Heer Drenkelaer.
„Best mogelijk!quot; zei de Heer Van Parolles: „maar ik wil toch wedden, dat geen uwer, hoe ongeloovig ook, het zou durven wagen, op Allerheiligen-nacht dien eikeboom te bezoeken.quot;
„Ei wat! Ik wel! ik wel!quot; klonk het nu van verschillende kanten.
„Nu ja,quot; hernam hij: „zooals wij hier zijn; maar alleen? met klokslag van twaalven ?quot;
Er was een oogenblik stilte.
„Ik wel,quot; zei Mevrouw Bentes: — natuurlijk mits het niet regende, het pad niet al te morsig ware, en er geen slecht volk in de buurt zwierf.quot;
„Ge zoudt u nog wel bedenken, Mietjelief!quot; zei Mevrouw Van Eylar.
„Neen waarlijk niet. Hansje!quot; zei Mevrouw Bentes: „ik zou heel goed durven.quot;
„Gelooft Juffie inderdaad, dat Mevrouw 't zou durven doen?quot; vroeg mij fluisterend de jongste juffrouw Prawley, die naast mij zat.
„Mevrouw Bentes zegt nooit iets wat zij niet meent,quot; antwoordde ik op denzelfden toon; maar bij mij zelve dacht ik: „Mevrouwtje lief! je weet niet waar je je aan blootstelt.quot;
„Nu!quot; riep de heer Drenkelaer, triomfantelijk rondziende: „wij moeten erkennen. Mevrouw Bentes maakt ons allen beschaamd.quot;
„Dat is te zeggen,quot; hernam de Heer Van Parolles, „zij zou ons eerst dan beschaamd maken als zij haar heldenstuk volbracht had.quot;
„En zij zal, hoop ik, nooit zoo dwaas zijn,quot; zei de heer Van Eylar.
123
„Och kom!quot; riep de Heer Drenkelaer: „'t is eerstdaags Allerheiligen, en dan heb ik wel lust om eens te gaan zien, of ik dien rooden toovenaar ook ontmoeten kan.quot;
„En als hij u dan den kop afslaat?quot; vroeg de Kapitein.
„Eilieve!quot; zei onze gastvrouw: „wij komen nu aan minder aangename onderstellingen en ik stel den vrienden voor, het voor deze reis hierbij te laten en ons ter ruste te begeven.quot;
„Ja waarlijk! 't is meer dan tijd,quot; zei Mevrouw Van Doer-toghe: „ik wensch het gezelschap goeden nacht en ik neem meteen de vrijheid, te doen, wat ik reeds lang gewacht had dat een van de heeren vóór mij zou doen, namelijk, onzen gastheer zeer te bedanken voor zijn verhaal.quot;
„Ja! wel verplicht!quot; riepen nu al de gasten als uit éénen mond.
„Onze onbeleefdheid,quot; merkte de Heer Van Parolles aan, „moet u een bewijs zijn, Eylar, van den indruk, dien gij op ons gemaakt hebt. De vertelling heeft ons zoo bezig gehouden, en zulk een belang ingeboezemd, dat wij er den verteller door zouden hebben vergeten, indien Mevrouw Van Doertoghe ons den plicht der wellevendheid niet op zoo kiesche wijze herinnerd had. — Dames! ik wensch u wel te rusten.quot;
„Mijn vrienden!quot; riep de Jonker Van Sporkelberghe, terwijl men opstond:
„Mijn vrienden! slaapt nu allen wel!
En droomt maar niet van Asrafel!quot;
VII.
Ik weet niet, hoe 't met de overige leden van 't gezelschap ging, maar ik droomde, zoover ik mij herinneren kan, niet van Asrafel, en zelfs had ik in de volgende dagen geheel andere dingen in 't hoofd: niet, dat zij mij persoonlijk betroffen, maar ik was te veel aan Mevrouw Bentes en aan haar kinderen gehecht om niet innig bekommerd te wezen over de gebeurtenis.
124
welke ik onderstelde ophanden te zijn. De Heer Drenkelaer was meer assidu geworden dan hij tot nog toe geweest was: en ik twijfelde er niet aan, of, zoo hij zich niet bepaald aan haar verklaard had, die verklaring zou eerstdaags plaats hebben. Mevrouw scheen hem niet ongenegen: zij behandelde hem met onderscheiding, en kreeg een kleur als hij haar toesprak: ik schrikte alzoo op de gedachte, dat zij hem het jawoord geven zou. Waarom?quot; — Ik heb het u, geloof ik, al gezegd, of neen .... nu! het doet er niet toe. Ik had een hekel aan den man, en had ook bij mij zelve het besluit vastgesteld, dat, indien hij ooit heer en meester in 't huis van Mevrouw werd, hij er mij niet meer in vinden zou.
Zoo verliep er een dag of wat en het was de dertigste October geworden. Dien morgen scheen Mevrouw, toen zij volgens gewoonte voor het ontbijt op de kamer kwam, waar ik mij met de kinderen bevond, eenigszins geagiteerd: zij drukte ze met meer dan gewone teederheid aan 't hart en het was of een geheime stem mij toeriep: „heden wordt het lot-van Mevrouw beslist.quot; Ik dorst natuurlijk geen vragen doen of zinspelingen maken; maar alleen haar eigen ontroering moet haar, dunkt mij, belet hebben, te bespeuren, hoezeer i k ontroerd was, en, ofschoon ik toen nog een ijdeltuit was en mijn godsdienstzin, ten gevolge van het lezen der schriften van Voltaire en andere spotters, vrij wat verflauwd was — ik heb dat later met heete tranen beschreid — toch kon ik niet nalaten, in 't eerste oogenblik, dat ik alleen was, voor mijn goede Mevrouw te bidden.
Ik was gewoon koffie te drinken met de kinderen, en zag Mevrouw dus niet weer terug dan tegen den tijd dat zij zich ging kleeden. Ik wist, dat zij brieven gekregen had; want ik had die toevallig in de handen van de kamenier gezien, toen die er mij een bracht, en wie wist, of die brieven geen invloed hadden gehad op de beslissing, die zij nemen zou. Ik zag dus met verlangen en tevens met bekommering een tweede bezoek van haar te gemoet. Toen dit nu eindelijk op den gewonen tijd plaats had, omhelsde zij de kinderen met nog meer warmte
125
dan 's morgens; — doch de mededeeling, die ik verwachtte, bleef weg en ik even wijs als te voren. Ook aan het middagmaal kon ik niets ontdekken. Wel was zij stiller dan naar gewoonte en de Heer Drenkelaer insgelijks, doch dit was voor tweeledige uitlegging vatbaar; immers bij groote vreugde zal iemand doorgaans even weinig luidruchtig zijn als bij diepe smart of bittere teleurstelling. Ik was en bleef dus precies op dezelfde hoogte en moest wel „wachten op de dingen die komen zouden.quot;
quot;Wij aten dien dag vrij laat, omdat, ten gevolge van het korten der dagen, het toch niet meer de moeite waardig was, na den eten uit te gaan: — en zoo bleef het gezelschap na den afloop van het middagmaal vereenigd en werd er besloten, met een pandjesspel den tijd tot aan het uur van de thee te verdrijven. De afgetrokkenheid, die de Heer Drenkelaer aan het maal had vertoond, was nu geheel geweken: hij was zelfs drukker en vroolijker dan ik hem ooit te voren gezien had. Was die vroolijkheid wezenlijk of gemaakt? Ik kon het niet ontdekken. Ik was toen nog te jong, moet gij denken, om menschenkennis of physionomiekunde te hebben opgedaan. Het pandjesspel is bovendien, wanneer er lieden van geest en vernuft aan deelnemen, niet weinig opwekkend en bleek het althans deze reis te zijn; de Heer Drenkelaer kon dus licht door de algemeene dartele stemming medegesleept zijn geworden. Ik weet niet, hoe vele dolle opgaven er gedaan werden en men werd al hoe langer hoe luidruchtiger. Mevrouw Van Doertoghe hield de panden, en 't was wederom aan den Heer Drenkelaer om te zeggen, wat de eigenaar zou hebben te doen om het aangeraakte terug te bekomen. Hij bedacht zich een oogenblik en zeide toen, met een zonderlingen lach;
„Diegene, aan wien dit pand behoort, zal morgen te middernacht alleen naar den ouden eikeboom buiten het zijhek 'gaan en er met klokslag van twaalven vijf spijkers in slaan.quot;
Er was een plechtige stilte. Mevrouw Van Doertoghe haalde het pand voor den dag: het was de gouden vingerhoed van Mevrouw Bentes.
126
Doch op de stilte volgde de storm.
„Dat kan niet! dat is geen verplichting, waaraan men zich heeft te onderwerpen! — Morgen ? — Zoo kon men wel zeggen: „die zal naar Ceylon gaan,quot; of: „die zal zich ophangen!quot; 't Moeten dingen zijn die, in de kamer, of althans in huis, zonder uitstel en zonder gevaar geschieden kunnen.quot;
„Mij dunkt,quot; zeide de Heer Drenkelaer, na dat de kreten van verbazing en verontwaardiging een weinig hadden opgehouden, en terwijl hij wat Spaansche snuif nam uit zijn fraai met paarlen omzet ivoren doosje: „het is moeilijk een opgave te bedenken, die niet oud en afgezaagd is: al wat er vereischt wordt is, dat zij binnen het bereik der mogelijkheid ligge en in een kort tijdsbestek, zonder gevaar, te volbrengen zij. De eikeboom buiten het hek is Ceylon niet: morgen of vandaag zal wel op hetzelfde neerkomen, en de nachtwandeling kan geen bezwaar vinden bij iemand zoo vol courage als Mevrouw Bentes, die immers verklaard heeft, er bereid toe te zijn.quot;
Ik vergeet nooit den blik, die Mevrouw op hem wierp: er lag verwijting in, verontwaardiging, weemoed .... ik weet niet wat al. Ik dacht, dat zij in tranen zou gaan uitbarsten; maar ik had niet op haar geestkracht gerekend: zij plooide haar mond tot een glimlach en zeide toen op een vasten toon:
„Wat ik gezegd heb, heb ik gezegd; — ik ben niet gewoon, mij aan ijdele grootspraak schuldig te maken. Ik zal morgen naar den eikeboom gaan. Maar geef mij n u mijn vingerhoed terug. Mevrouw! ik wilde dien niet gaarne tot overmorgen missen.quot;
„Bravo!quot;' riepen eenige van de Heeren en klapten in de handen. Een angstige, bestraffende blik, dien Mevrouw Van Eylar rondwierp, bracht echter die luidruchtige bewijzen van goedkeuring dadelijk tot zwijgen.
„Maar Mietjelief!quot; zeide zij, „dat kan immers niet.quot;
„Maar Mevrouw!quot; beijverden zich de overigen, den afraden-den toon hunner gastvrouw navolgende. Mevrouw Bentes toe te roepen.
„Ik zal zulk een dwaasheid nooit gedoogen,quot; zeide de Heer Van Eylar: „en ik ben hier baas.quot;
127
Hij had de eerste woorden op een stelligen, ja vrij knorrigen toon uitgesproken; maar ongelukkig had zijn gevoel van wellevendheid hem zeker bevreesd gemaakt, dat er in dien toon iets kwetsends tegenover zijn gasten gelegen mocht zijn en daarom de tweede zinsnede al schertsende uitgebracht, wat al de uitwerking, die zijn verbod anders had kunnen hebben, te loor deed gaan.
„Zal er dan ooit een beter gelegenheid bestaan,quot; vroeg Mevrouw Bentes hem, „om iedereen, om u zei ven in de eerste plaats, te overtuigen, dat het sprookje van die verschijning bespottelijk is en logenachtig?quot;
Vergeefs putteden nu de gasten hun welsprekendheid uit: er was niets aan te doen. Mevrouw scheen nu eenmaal besloten te hebben, niet terug te krabben en 't was of elke tegenwerping alleen dienen kon om haar in haar voornemen te versterken. Men moest dus eindelijk wel toegeven; doch het gebeurde had een nevel over de vroolijkheid gespreid, 't Was een verlossing, toen de speeltafeltjes waren klaar gezet en de partijen geschikt, en meer dan ooit ging het spel deze reis zonder tusschengesprekken over andere onderwerpen zijn gang. Ik wil niet zeggen, dat men er beter om speelde: integendeel herinner ik mij, dat de Heer Van Parolles, wiens partner ik de eer had te zijn, eens renonceerde — misschien den eersten en eenigen keer in zijn leven — zonder dat de tegenpartij het merkte .... ik zou het ook misschien niet gemerkt hebben, indien ik het door de positie der kaarten niet had moeten merken, 't Stilste van alle was het partijtje, waar Mijnheer Drenkelaer aan zat. Zijn gedrag had algemeen wrevel en misnoegen opgewekt en niemand richtte het woord tot hem, dan wanneer het volstrekt noodzakelijk was. Ook aan het souper bleef dezelfde stemming heerschen, in weerwil van de moeite, welke zich de gastheer gaf, om eenige levendigheid in de conversatie te brengen.
Den volgenden morgen kreeg ik een vroegtijdig bezoek op mijn kamer, en wel van Mevrouw Van Eylar. Zij was bij haar zuster geweest; doch vruchteloos had zij nogmaals pogingen
128
gedaan om haar af te brengen van haar besluit. Nu kwam zii mij bidden om wat zij mijnen invloed, mijne welsprekendheid noemde, in 't werk te stellen.
„Maar,quot; vroeg ik, „hoe wilt gij, Mevrouw! dat ik slagen zal, wanneer Mevrouw Bentes aan uw stem geen gehoor verleent?quot;
„Ik weet het niet,quot; antwoordde zij; „ik weet alleen, dat er niets verzuimd mag worden. Zij houdt van u, Juffielief! zij heeft vertrouwen in uw oordeel, al zijt gij nog zooveel jonger. Tegenover u zal zij zich misschien schamen, een slecht voorbeeld aan de kinderen te geven.quot;
Ik weet niet, of deze en andere vleiende woorden, welke Mevrouw Van Eylar mij toevoegde, mij moed inboezemden; maar ik had althans mijn besluit genomen omtrent hetgeen mij te doen stond.
„Mevrouw!quot; zei ik: „stel u gerust: ik zal straks Leentje met de kinderen uitsturen en naar Mevrouw gaan.
Mevrouw Van Eylar verliet eenigszins getroost het vertrek, en, toen de gewone tijd van wandelen voor de kinderen gekomen was, riep ik de kindermeid en verzocht haar, in mijne plaats met hen uit te gaan. Zoodra zij weg waren, verliet ik mijn kamer om mij naar die van Mevrouw Bentes te begeven. Op het portaal kwam ik Mijnheer Drenkelaer tegen, die echter terstond de zijgang inschoot, die naar de wapenzaal geleidde, als was hij bang, dat ik hem zou aanspreken: wat echter volstrekt niet in mijn intentie lag.
Ik tikte aan de kamerdeur van Mevrouw Bentes, en, na een poos gewacht en geen gehoor te hebben gekregen, nam ik de vrijheid, die te openen. Zij was ledig. Ik was op het punt terug te keeren, toen mij inviel, dat zij in het kabinetje daar achter wezen kon. Ik liep door, en mijn vermoeden werd bevestigd. Zij lag in het kabinetje voor een ruimen ziekestoel op de knieën, de saamgevouwen handen voor 't gelaat, dat voorover in het sitsen kussen verborgen lag.
„Mevrouw!quot; fluisterde ik, onbewust of zij mij al dan niet had hooren komen.
129
„Wie is daar?quot; vroeg zij, met schrik het hoofd omwendende: „ O ! zijt gij het, Juffie ?quot;
Zij rees op. Had mijn komst haar verschrikt, ik schrikte op mijne beurt, toen ik de uitdrukking zag, over haar wezenstrekken verspreid. Haar kleur was als die van een doode: haar lippen waren krampachtig saamgetrokken: haar oogen stonden verwilderd: in 't kort, alles getuigde van een hevigen kamp, die in haar gemoed had plaats gegrepen.
„Lieve Mevrouw!quot; zeide ik, terwijl ik haar hand vatte en bitter begon te schreien: „waarlijk! gij moet dat van nacht niet doen.quot;
„Het moet!quot; antwoordde zij, met een heesche stem: „'t is dwaas! 't is ongerijmd! al wat gij wilt; maar 't moet.quot;
„Maar waarom toch, lieve Mevrouw? — Het is immers klaar, dat niemand er u om zal minachten, al voldoet gij niet aan den dwazen eisch van Mijnheer Drenkelaer.quot;
„Niemand?quot; — En hij dan? — Zal hij niet triomfeeren? — Zal hij mij niet overal ten toon stellen als een grootspreekster, die niet durft, wanneer 't op 't stuk van zaken komt?quot;
„Hij?quot; vroeg ik: „maar hij is daartoe immers te beleefd, te wèl opgevoed, enquot; — voegde ik er met eenige aarzeling bij — „er te zeer op gesteld, u niet te mishagen? Hij heeft zeker zelf niet bedoeld, dat men zijn woorden ernstig zou opnemen. Hij kon immers niet weten, aan wie het aangeraakte pand behoorde en zijn vordering had dus evengoed een ander kunnen gelden: stel b. v. Mevrouw Van Doertoghe, of die bange Hélène Prawley: die hadden er zich zeker niet aan onderworpen.quot;
„Gij bedriegt u,quot; zei Mevrouw op vasten toon; „hij wist wie het gold: het aangeraakte pand was het laatste, dat Mevrouw Van Doertoghe in haar schoot had: dit was hem niet ontgaan, en evenmin dat ik mijn gouden vingerhoed had gegeven en nog niet gelost. Hij heeft met opzet mij op de proef gesteld, uit boosaardigheid, uit wraak, om dat....quot; Hier zweeg zij plotseling stil.
„Uit wraak?quot; herhaalde ik.
II. — Nov. 9
130
„Ja!quot; hernam zy: „uit wraak. Ik heb te veel gezegd, om u niet alles te zeggen. Bovendien is het beter, dat gij, als huisgenoot, niet onkundig blijft van hetgeen u misschien toch wel van buitenaf zou ter ooren komen. Luister!quot;
Zij ging met mij in haar kamer, zette zich naast haar schrijftafel en wenkte mij, nevens haar plaats te nemen.
„Die Mijnheer Drenkelaer,quot; zeide zij toen, „heeft mij ten huwelijk gevraagd.quot;
Ik wilde niet voor onnoozeler doorgaan dan ik werkelijk was, en zoo mompelde ik, dat ik er mij zoo eenigszins op had verwacht.
„Nu,quot; vervolgde zij: „ik verwachtte het ook, en____ ik
was nog niet besloten, welk antwoord ik hem geven zou. Hij is van goede familie, aangenaam in den omgang, gaat voor
niet onbemiddeld door, heeft geest en belezenheid____ in 't
kort, ik wilde het antwoord, dat ik hem geven zou, laten afhangen van narichten, die ik wachtende was. Gistermorgen kwamen zij,quot; hier haalde zij uit haar schrijfcassette een paar brieven, die ik herkende voor dezelfde, die ik den dag te voren in de handen der kamenier gezien had. — „Wel nu! — die Mijnheer Drenkelaer wordt mij afgeschilderd als een dobbelaar, een lichtmis, een doorbrenger — daarvan had ik al zoo 't een en ander gehoord, en ik houd 't nog voor mogelijk dat men hem op dat punt zwarter maakt dan hij is; maar, wat mij overtuigend gebleken is, is, dat hij zich, evenals Weisshaupt en dergelijke kwakzalvers, met alchimisterij en verborgene kunsten bezighoudt — in 't kort — ik mag zulk een vader niet aan mijn kinderen geven-quot;
„Goddank!quot; zeide ik.
„Hadt gij dat dan vermoed?quot; vroeg zij, mij met eenige bevreemding aanziende.
„Ja,quot; antwoordde ik, stoutweg: „de man stond mij tegen: ik____enfin, ik wensch Mevrouw van harte geluk.quot;
„Nu! hij heeft mijn hand gevraagd, juist toen ik die brieven gelezen had. Ik heb hem bedankt, en wel op een wijze, die hem alle hoop voorgoed moet ontnemen. Dat heeft hem ge-
131
piqueerd: hij heeft aangedrongen te weten, waarom; want
hij had wel kunnen merken, dat ik____ dat hij mij____laat
ik het maar bekennen, dat hij mij niet geheel onverschillig was. Ik moest de blaam wel van mij werpen alsof ik zijn vrijage eerst had aangemoedigd om hem later van mij af te stooten, alsof ik tegenover hem de coquette had willen spelen; — ik heb hem dus gezegd wat ik van hem wist en tevens herhaald, dat mijn besluit onherroepelijk was en ik nimmer zijn vrouw kon worden. Begrijpt gij nu, dat hij zich wil wreken?quot;
„Ik begrijp tevens,quot; zeide ik, „dat hij zijn wraak niet missen zal, indien Mevrouw bij haar voornemen volharden blijft. Want Mevrouw — ik hoop dat het mij niet kwalijk genomen zal worden indien ik wat vrijmoedig spreek — Mevrouw heeft meer op zich ^genomen, dan zij zonder nadeel voor haar gezondheid volbrengen kan. Zie, Mevrouw! reeds de bloote gedachte aan die noodlottige nachtwandeling heeft u geheel van uw stuk gebracht; de zaak zelve zal u den dood aandoen.quot;
„Ik kan niet, ik wil niet terugtreden; — laten wij er niet meer over spreken.quot;
Mevrouw zeide dit, ja op een beslissenden toon; maar 't was eenigszins die van een stout, stijfhoofdig kind: en dit gaf mij moed in plaats van mij af te schrikken; want met stoute, stijfhoofdige kinderen had ik meer omgegaan en daar was ik niet bang voor. Ik stond dus op, zag haar ernstig aan en zeide toen met zooveel nadruk als ik maar bezigen kon:
„Mevrouw laadt een zware verantwoordelijkheid op zich. Die arme kinderen hebben reeds hun vader verloren: wil Mevrouw nu de kans loopen, ze, door hare eigene onvoorzichtigheid, geheel en al weezen te maken?quot;
Ik bemerkte terstond, dat ik de rechte snaar had aangeroerd. Zij begon over al haar leden te sidderen en zag sprakeloos voor zich. Het was duidelijk, dat plichtgevoel en een gevoel van verkeerd geplaatsten hoogmoed in haar binnenste kamp voerden. Ik moest nu haar goeden engel doen zegevieren: ik wierp mij voor haar op de knieën, en vatte hare handen.
132
„Och, lieve Mevrouw!quot; zeide ik: „Wat ik u bidden mag, doe het niet. Om den wilie uwer lieve kinderen! doe het niet.quot;
„Ik kan niet terug,quot; riep zij nogmaals en barstte in tranen uit.
„Ja, ween!quot; riep ik, haar ontroering ziende: „ween vrij uit, lieve Mevrouw! dat zal u lucht geven,quot; en ik liet haar aan haar reukfleschje ruiken.
„Je wilt dan, lieve Juf!quot; zeide zij al snikkende, „dat ik bekennen zal, bang te zijn en als een zottin gesproken te hebben? Je wilt, dat ik een bespottelijke rol zal spelen voor het gezelschap en vooral voor dien Drenkelaer?quot;
„Neen, Mevrouw,quot; zei ik: „ik wil dat uw eer zoo min schade lijde als uw gezondheid en daarom ben ik voornemens in uwe plaats te gaan.quot;
„Gij!quot; riep zij, mij met groote oogen aanziende.
„Wel ja! — Niets is gemakkelijker. Wij zijn zoo wat van dezelfde taille: bij nacht zal niemand ons uit elkander kennen. Ik volbreng het waagstuk en Mevrouw draagt er den roem van weg.quot;
„Onmogelijk!quot; zeide zij, mij de hand drukkende: „uw aanbod is edelmoedig en welgemeend, Juffle-lief! ik dank er u hartelijk voor; maar ik kan het onmogelijk aanvaarden. Deins ik terug voor de onderneming, dan mag ik er u niet aan blootstellen, u, die onder mijn bescherming staat, die ik zoo wat als mijn oudste dochter beschouw — al schelen wij zoo heel veel niet.quot;
„Dank voor dat woord, Mevrouw!quot; zei ik: „maar ik laat er mij niet door afbrengen van mijn voorstel. Je zoudt het vergeefs ontkennen. Mevrouw! uw zenuwen zijn geschokt, wat ook geen wonder is, na die onaangename geschiedenis met den heer Drenkelaer, en al had Mevrouw zulk een nachtelijke expeditie op een anderen tijd zonder 't minste gevaar kunnen volbrengen, 't zou haar thans niet geraden zijn. Van den anderen kant moet Mevrouw gespaard worden voor de bekentenis, dat zij verlangt terug te treden: te meer moet zulks, omdat Mevrouw de reden daarvan niet aan de klok kan hangen. Welnu! ik bied u het middel aan om uit dit gekke
133
dilemma te geraken. Ik ben jong en sterk en een krijgsmansdochter bovendien. Mijn moeder hield er geen meid op na; alleen 's morgens een loopmeisje: en ik heb dikwijls genoeg bij donkeren avond boodschappen moeten doen, zonder dat er ooit iets gebeurd is. Het huis, waar wij kamers hadden, stond vlak bij 't kerkhof, en daar ben ik dikwijls, om te coupeeren, over heen geloopen. Geloof mij, Mevrouwlief! ik heb zenuwen van ijzer en staal; maak u dus geen onnoodige scrupulus. En kijk,quot; voegde ik er bij, ziende dat zij half overreed begon te worden, „die Mijnheer Drenkelaer heeft u een kool willen stoven; ontzeg u 't genoegen niet, dat wij 't hem doen.quot;
Zij begon te lachen, en ik bemerkte, dat ik mijn zaak gewonnen had. Wel maakte zij nog eenige tegenwerpingen; doch 't gelukte mij, die zegevierend te bestrijden en wij spraken nu af, hoe wij de zaak zouden aanleggen om ons plan te volbrengen en alle ontdekking te voorkomen. Wij scheidden eindelijk, beiden vol vertrouwen in den uitslag onzer list: op het portaal wenkte Mevrouw Van Eylar, die aan haar kamerdeur stond, mij binnen.
„Ik was reeds op de loer,quot; zeide zij: „en wachtte vol ongeduld naar den afloop van uw bezoek bij mijn zuster. Zijt gij beter geslaagd dan ik, Juffie?quot;
„Och!quot; antwoordde ik: „Mevrouw behoeft zich niet verlegen te maken. Mevrouw uw zuster is vol courage en de grap zal doorgaan. Ik beken, dat ik zeer in uw bezwaren deelde; doch na mijn onderhoud met haar ben ik volkomen gerust. Mijnheer Drenkelaer zal er beschaamd afkomen.quot;
„Hoe!quot; zeide zij, verwonderd en ontevreden: „zijt gij tot de tegenpartij overgeloopen ?quot;
„Ja Mevrouw!quot; antwoordde ik: „en waarlijk, dat zou ik niet gedaan hebben, indien ik niet overtuigd ware geworden, dat Mevrouw Bentes volstrekt niet opziet tegen de onderneming en haar gezondheid geen het minste gevaar loopt.quot;
„Zij is mal!quot; zei Mevrouw Van Eylar: „en het spijt mij van u hetzelfde te moeten zeggen, Juffrouw!quot; — (ik was
134
toen geen „Juffiequot; meer:) — „ik heb u in dat geval niets meer te zeggen.quot;
Ik neeg en verwijderde mij. Toen ik aan de deur was riep zij mij na:
„Ja toch iets! Mevrouw Van Doertoghe zoekt overal haar krippen omslagdoekje. Hebt gij dat ook ergens gezien ?quot;
„Neen, Mevrouw!quot; antwoordde ik, en verliet haar. Nauwelijks echter was ik in de gang, of daar kwam mij opeens in de gedachte dat Mijnheer Drenkelaer, toen hij mij een uur te voren ontweek, iets onder den arm had, dat machtig veel had van het roode doekje van Mevrouw Van Doertoghe.
„Ik kan hem toch niet van diefstal gaan aanklagen,quot; zeide ik bij mij zelve: „maar wat kan zijn doel zijn?' Wat zou hij met dat doekje willen uitvoeren?quot;
Daar kwam plotseling een lichtstraal bij mij op en snel liep ik naar de zoogenaamde wapenzaal, den weg waarheen ik hem had zien gaan.
In de zaal was niemand, buiten de oude portretten, die even grimmig als gewoonlii'k van den wand op mij neerzagen, als wilden zij zeggen: „wat kom je hier uitvoeren?quot; Ik liet mij door hun dreigende oogen niet afschrikken en liep de onderscheiden wapenrustingen van alle tijden en volkeren rond, ze bekijkende met dezelfde nieuwsgierigheid, alsof ik ze nog nooit had gezien.
„Waar ik hem weet!quot; riep ik eindelijk, mij een jagersterm veroorlovende, dien ik meermalen uit den mond van onzen gastheer en van zijn vrienden had vernomen; en terstond, zelve verschrikt over mijn uitroep, en bevreesd, dat iemand dien zou gehoord hebben, haastte ik mij vandaar. En wat wist ik nu ? — Ja! dat wil ik u thans nog niet zeggen: gij zult het nader komen te hooren.
Op mijn kamer teruggekeerd, vond ik, dat de meid van mijn afwezigheid gebruik had gemaakt om te luchten en het venster op den haak had gezet. Dat was mij op ultimo October al te frisch en ik ging het dichthalen. Eer ik dit doen kon, moest ik een bedsprei binnenhalen, die zij, insgelijks om die
135
te laten luchten, had uitgehangen. Doch nauwelijks had ik die aangevat, of ik bleef, als door een electrieken schok getroffen, een oogenblik geheel versteld staan. Die sprei was hemelsblauw, en mijn raam had juist het uitzicht op een kleine hoogte, die, aan de overzijde van de breede rivier, zich buiten het perk boven het kreupelhout verhief en nog steeds bekend was onder den hoogdravenden naam van „Wolverberg!quot;
De samenloop van een en ander mocht toevallig zijn, hij was niet minder treffend en wel geschikt mijn zenuwen al dadelijk op de proef te stellen. Ik herstelde echter spoedig van mijn ontroering. „Kom!quot; zeide ik, terwijl ik de sprei terug-en het venster dichttrok; „dat sein binnengehaald eer Sinjeur Asrafel het ziet en er op afkomt, 't Is intusschen al zeer zonderling.quot; En, mij nederzettende, ging ik over het gebeurde nadenken, en kon niet nalaten een weinig bij mij zelve te meesmuilen over mijn goede meesteres, die er nog niet zoo tegen opgezien zou hebben haar hand te geven aan den Heer Drenkelaer, zoolang het alleen maar bleek, dat hij een losbol was, — 't is raar, vrouwen denken altijd geroepen te zijn, losbollen te verbeteren: — maar die teruggedeinsd was voor de gedachte van met een alchimist te trouwen!
Mevrouw Bentes was met mij afgesproken, dat wij voor den eten een bezoek zouden afleggen bij den ouden eikeboom: en ieder die ons zag gaan, vond dan ook heel natuurlijk, dat zij de wandeling derwaarts nog eens bij vollen dag deed, ten einde die later met meer zekerheid bij nacht te kunnen volbrengen. Wij waren dikwijls op de plek geweest; doch nooit onder zulke indrukken als nu. De weg wees zich zelf: van de slotbrug af geleidde, links af, een breede laan van zware beukeboomen tot aan het zijhek, dat overdag altijd openstond. Daar stak men den rijweg over, die langs de rasters van de eigenlijk gezegde buitenplaats heenliep en men had een pad te volgen, dat, dwars door een berkenboschje heen, naar de opene plek voerde, waar zich de steeneik uit een kleine verhevenheid van graszoden verhief. Het weer was bekoorlijk, zelfs warm voor den tijd van het jaar: koesterend drong de
136
herfstzon door de boomen, nu meest geheel van loof beroofd, en deed de dorre bladeren, die den grond bedekten, als een gouden vloertapijt schitteren. Vroolijk floten en tjilpten de lijsters, vinken, sijsjes en andere vogels, die door de dorre takken krioelden, en klokkend wandelden de kalkoenen door het bosch. Alles zag er even prettig, geruststellend, even opwekkend uit; wij konden ons nauwelijks verbeelden, hoe de nacht aan het natuurtooneel, dat wij om ons heen zagen, zijn bevalligheid ooit geheel zou kunnen ontnemen, en al lachende en schertsende wandelden wij voort. Gij begrijpt, dat ik aan Mevrouw niets verteld had van die hemelsblauwe sprei.
Aan den boom gekomen, bekeken wij dien nogmaals wel terdeeg van alle zijden. De oude tronk, zoo dik, dat drie menschen hem met moeite konden omspannen, was geheel hol van binnen, had geen enkelen tak meer en droeg alle blijken, sedert lang in het laatste tijdperk zijns levens, — zoo er nog leven in woonde — getreden te zijn.
„Ik ben maar voor één ding bang,quot; zeide ik, na mijn onderzoek volbracht te hebben.
„En voor wat dan ?quot; vroeg Mevrouw, op een toon van bezorgdheid : „indien het stuk u eenige vrees inboezemt, doe het dan liever niet.quot;
„quot;Wel!quot; antwoordde ik, lachende: „ik ben bang, dat als ik hier in dien bast mijn spijkers sla, het wel eens de genadeslag voor dien ouden knappert wezen kon, zoo vermolmd en rot is hij. — En nu!quot; vervolgde ik, op het pad tegenover mij wijzende: „'t Is alzoo van dien kant, dat Sinjeur Asrafel moet komen. Ik ben nieuwsgierig hem te zien.quot;
Op deze wijze spottende, met een overmoed, die in den grond vrij ongepast en meer aan jeugdige lichtzinnigheid dan aan eenig beter beginsel was toe te schrijven, keerde ik met Mevrouw naar huis; doch het was mij gelukt, haar weer in een vroolijke luim te brengen, en haar, althans voor 't oogenblik, het nacht-avontuur met kalme gerustheid te doen gemoet zien. — Toen zij 's middags aan tafel verscheen, was er dan ook niets meer op haar gelaat van die bleekheid en verwildering te bespeuren.
137
die ik 's morgens daarop had aangetroffen; zij was, gelijk naar gewoonte, lief en natuurlijk; zij schertste zonder eenige gemaaktheid en haar houding en voorkomen waren van dien aard, dat niemand bij haar eenige bezorgdheid ondersteld zou hebben. Ik merkte op, dat onze gastheer en zijn vrouw hierdoor mede eenigermate gerust gesteld waren en ik vermaakte mij met de verwondering, die in de oogen van monsieur Drenkelaer, zoo vaak hij die naar Mevrouw Bentes wendde, te lezen was.
Zoowel bij hem als bij de overige gasten was echter zekere onrust en gejaagdheid te bespeuren, die hand over hand toenam en zich gedurende den avond openbaarde in een onnatuurlijke en uitbundige dartelheid. Ieder, uitgenomen Mevrouw Bentes, haar zuster en de Heer Van Eylar, scheen zijn inner-lijken angst onder een masker te willen verbergen of te willen verdooven. Eerst aan de speeltafel, waar voor 't overige dezelfde verstrooidheid heerschte als den vorigen avond, kwam wat stilte: en met het souper was de stemming geheel veranderd, of liever vertoonde zij zich zooals zij inderdaad was, en ondanks alle moeite, die de Baron zich gaf om zijn gasten op te vroolijken, had het meer van een lijkmaal dan van een blijden vriendendisch.
VIII.
Met klokslag van elven rees Mevrouw Bentes op en verzocht verlof, zich te gaan verkleeden.
„Ik wil liever mijn zijden sak tegen den nachtdauw sparen,quot; zeide zij.
„En ik stel voor, dat ieder die mee wil, zich ga verkleeden,quot; zei de Heer Van Eylar: „ik, wat mij betreft, heb althans plan mijn jachtbuis en mijn stevels te gaan aantrekken en u tot aan 't zijhek te brengen. Mietje! om er uw terugkomst
138
af te wachten en ik onderstel, dat er wel onder 't gezelschap zijn, die met ons zullen gaan.quot;
„Welzeker!quot; riepen verscheiden stemmen en 't souper werd opgebroken.
Evenals de overigen ging ik naar mijn kamer, Ik had mij pas van mijn sak ontdaan en mijn négligé aangetrokken, toen Mevrouws kamenier mij op haar last kwam roepen. Ik voldeed hieraan: de kamenier werd weggezonden en nu trok Mevrouw mij haar bonten pelisse aan en zette mij haar c o ë f f e op. Een blik in den spiegel was voldoende om mij te overtuigen, dat mijn vermomming iedereen misleiden moest.
De Heer Van Eylar had op de kamer van Mevrouw Bentes een allerliefst hamertje doen bezorgen met een peperhuis, dat een dozijn groote spijkers bevatte. Mij met een en ander gewapend hebbende, nam ik afscheid van Mevrouw, die nu weder vrij zenuwachtig en aangedaan begon te worden, zich zelve haar egoïsme verweet, dat zij mij zoo heen liet trekken, en mij per slot honderdmaal sterkte toewenschte en een behouden terugkomst.
Het was kwartier voor twaalven, toen ik, met mijn coëffe, zoo veel mogelijk over 't gezicht getrokken, in het beneden-portaal kwam, waar mij de Heer en Mevrouw Van Eylar en meest al de gasten reeds stonden af te wachten, 't Was of men op een schaatsenrijders of narresledenpartij uit moest, zoo waren allen in pelsen, schansloopers, mantels, kapers, coëffes, bonten mutsen, enz. gedoken: ik kon, bij het flauwe licht in 't portaal, bijna niemand onderkennen, en ik maakte hier de gevolgtrekking uit op, dat men 't mij ook niet doen kon. Mijn verschijning deed een algemeenen kreet ontstaan, die echter dadelijk weder gesmoord werd. Zwijgend trad ik door de menigte, die rechts en links voor mij plaats maakte, en zoo de deur uit; doch reeds op de stoep was de Heer Van Eylar aan mijn zijde en bood mij den arm aan. Ik had dit zoo half en half verwacht, lei mijn arm in den zijnen, en wandelde met hem voort.
139
„Voel je u sterk genoeg?quot; vroeg hij mij, fluisterende.
„Ja!quot; antwoordde ik, nauwelijks hoorbaar. „Stt!quot; liet ik er op volgen, als wilde ik hem te kennen geven, dat ik liever ontslagen was van onder de bestaande omstandigheden te moeten praten. Hij scheen dit best te begrijpen, althans hij knikte goedkeurend met het hoofd, en wij vervolgden onzen weg, door de overigen gevolgd, die in kleine groepen van drie of meer waren afgedeeld en insgelijks of niet, of nauwelijks hoorbaar samen spraken.
Het weer was nog altijd fraai: 't was wel is waar donkere maan; doch de lucht was onbewolkt: de sterren tintelden helder aan 't zwerk en, dewijl de boomen meest kaal waren, was het licht genoeg om ons in staat te stellen, zonder behulp van lantaarns, ons pad te onderscheiden. Ik gevoelde nog niet de minste vrees, maar integendeel een zekere opgeruimdheid door de gedachte aan al de onaangenaamheden, welke ik Mevrouw Bentes bespaarde.
Opeens hoorde ik de vraag achter mij doen:
„Waar is Drenkelaer toch? — Die moest hier althans present zijn.quot;
„Ik heb hem niet gezien,quot; antwoordde een andere stem.
„Hij zal zich schamen,quot; zei een ander.
„Hij is er ook wel de man naar,quot; dacht ik bij mij zelve.
Wij waren het hek genaderd. „En nu. Zuster!quot; zei de Baron: „zijn wij ter plaatse gekomen, waar wij scheiden moeten; doch ziequot; — en meteen sloeg hij mij een koord over den arm, waar een fluitje aan hing — „wij blijven hier en zoo gij onzen bijstand behoeft, of om wat reden ook onze komst verlangt, dan heb je maar te fluiten. In drie vloeken en een zucht zijn wij bij u.quot;
„Ik dank u,quot; fluisterde ik, in dit blijk van voorzorg een nieuwe stof tot gerustheid vindende.
„En nu, vaarwel!quot; zeide hij: „en veel succes.quot; Met deze woorden pakte hij mij, eer ik er op verdacht was, om den hals, stak zijn hoofd onder mijn coëffe en drukte mij een frisschen zoen op de lippen. Ik schaam mij volstrekt niet u
140
te betuigen, dat ik dien zoen even hartelijk en welgemeend beantwoordde als hij mij gegeven werd.
„Nu voorwaar!quot; dacht ik bij mij zelve, toen hij mij losliet: „ziedaar nog een extra-verval, waar ik niet op gerekend had. Nu mag ik wel dubbel oppassen, dat men mij niet herkenne.quot;
En nu stapte ik dapper het hek uit, den rijweg over en het pad op; ik wil niet ontkennen, dat ik mijn hart hoorde kloppen; doch de gedachte, dat ik vrienden in de nabijheid had, bemoedigde mij. En dan.... 't was immers dezelfde wandeling, die ik voor den eten gedaan had en de natuur om mij heen was dezelfde als toen, op het zonlicht na.
Ik bereikte weldra de open plek en den eikeboom. Ik keek rond: niets zag ik dan de berkerijzen, wier silhouetten tegen de lucht afstaken; ik luisterde: niets hoorde ik dan het piepend geluid der twijgen, die door den wind bewogen werden. Ik opende mijn peperhuis met spijkers, nam er een uit, lei de rest toen voor mij op de zodenbank, en, mijn hamer gereed houdende, wachtte ik op het slaan der dorpsklok om mijn taak te volbrengen.
Opeens was het, als hoorde ik een geritsel, dat niet door den wind kon ontstaan zijn.
„Zeker een egel,quot; dacht ik; „of een vos, of misschien wel. . ..quot;
Ik gluurde van onder mijn coëffe naar den kant, waar het gerucht vandaan kwam. 't quot;Was het kraken van dorre bladeren, waar iemand over loopt.
„Hm! — dat is een levend wezen,quot; dacht ik bij mij zelve: „spoken laten de bladeren niet kraken als zij er overheen wandelen. Zou 't ook een strooper zijn, of is het.. ..quot;
Bang! — daar dreunde uit de verte mij de eerste slag van twaalven in 't oor, en stoorde mij in mijn overpeinzingen. Ik zette den spijker tegen den stam en sloeg hem met den hamer op zijn kop, dat de splinters uit het hout vlogen. Op hetzelfde oogenblik zag ik, tegen mij over, van den kant der heide een gedaante het pad afkomende, volkomen overeenstemmende met die, welke onze gastheer ons beschreven
141
had: een tulband, een veder, een mantel .... alles kwam uit.
„Ik ben gerust, dat is geen strooper,quot; dacht ik bij mij zelve en zette een tweeden spijker tegen den tronk. De klok bleef slaan en de gedaante stond nu over mij op het pleintje.
Ik haalde de schouders op, nam den derden spijker en plantte dien naast de beide andere in den boom. De gedaante hief dreigend den rechterarm omhoog.
Ik sloeg den vierden spijker in. Nog voortdurend bleef de klok slaan: en de gedaante, blijkbaar ontevreden dat ik mij zoo weinig aan haar tegenwoordigheid stoorde, bracht snel de hand naar de zijde, haalde een Moorsche sabel uit en zwaaide dien omhoog.
„Mijnheer Drenkelaer!quot; riep ik toen, terwijl ik meteen den vijfden spijker insloeg en de klok den laatsten slag deed hooren: „Mevrouw Van Doertoghe wenscht haar rood krippen doekje terug, waarvan gij .. . .quot;
„ ... . U een tulband gemaakt hebt,quot; wilde ik zeggen; doch ik had geen tijd mijn toespraak ten einde te brengen. Reeds bij de eerste woorden had ik hem zien nederstorten alsof hij door den donder getroffen was; terwijl op hetzelfde oogenblik een zwarte vleermuis, of andere nachtvogel, die waarschijnlijk zijn verblijf in den ouden boomstam hield, mij zoo strijkelings langs 't gelaat voorbijvloog, dat ik den kouden tocht, door 't wapperen zijner vlerken ontstaan, mij tegen 't aangezicht voelde waaien.
Ik schrikte nu werkelijk: ik gilde het uit, zette toen het fluitje aan mijn mond en'gaf het sein dat ik hulp behoefde. Met onuitsprekelijke blijdschap hoorde ik onmiddellijk de zware basstem van den Heer quot;Van Eylar, die antwoord gaf, en het gerucht der voetstappen van mijn vrienden, die ter bijstand toesnelden. Ik herkende het stampen der stevels van den Baron ; maar toch was hij de eerste niet, die zich op het pleintje vertoonde. Vóór hem en alle anderen snelde een vrouwelijke gedaante op mij af, die ik met een weinig verbeelding had kunnen aanzien voor de schim van Sofia, die de schim van haar lief kwam zoeken; doch stel u mijne verbazing voor.
142
toen die gedaante mij om den hals vloog, en ik Mevrouw Bentes herkende, die mijn mantel om 't lijf en mijn coëffe op 't hoofd had.
„Wat is er gebeurd? Is er onraad?quot; vroeg de Baron.
„Stil!quot; fluisterde ik: „daar ligt Sinjeur Asrafel, door mijn macht verslagen.quot;
Kreten van verbazing, van ontsteltenis, van angst, van schrik, enfin allerlei mogelijke benauwde kreten rezen verward door elkander; doch zij werden veranderd in kreten van woede en verontwaardiging, toen de Heer Van Eylar en kapitein Trellinck, het spook hebbende aangepakt, ontdekten, dat het vleesch en been had.
ledereen drong zich nu om mij heen, om te vernemen, wat mij overkomen was: doch het geheim mijner maskerade wenschende te bewaren en daarbij te ontsteld om iemand te woord te staan, vergenoegde ik mij met te mompelen: „straks, straks!quot; en, Mevrouw Bentes onder den arm vattende, nam ik met haar den terugtocht aan naar het kasteel. Enkelen bleven bij den Heer Van Eylar achter; de meesten volgden ons, 't zij uit belangstelling, 't zij uit vrees, en 't was een gestadig vragen, of ik niet doodelijk verschrikt was, en wat er toch eigenlijk was voorgevallen? — Ik was zoo vrij op geene dier vragen te antwoorden en mijn stap te versnellen. Zoo kwamen wij aan 't kasteel, waar ik terstond met Mevrouw Bentes naar haar kamer snelde.
„Wat onvoorzichtigheid. Mevrouw!quot; riep ik, zoodra wij alleen waren, terwijl ik coëffe en pelisse afwierp: „waarom niet thuis gebleven? Als men u eens ontdekt had!quot;
„O! beknor mij niet. Juffie!quot; zeide zij: „pas waart gij de deur uit, of ik had rust noch duur; en zoo dacht ik: „ik kan immers in uw schijn gaan, gelijk gij in den mijnen.quot; — Zoo gezegd, zoo gedaan. Ik liep met uw mantel en coëffe de deur uit, de overigen achterna, en kwam bij het zijhek even nadat gij er waart uitgegaan. Maar zie, toen de laatste klokslag van twaalven zich deed hooren, toen was 't of ook mij iets in 't harte knapte, juist gelijk Mijnheer Van Eylar ver-
143
telde, dat aan Sofia gebeurde: ja 't was mij, of ik zelve Sofia was en.... of ik genezen was van een dwaze neiging. En toen was het, of een geheime stem mij influisterde dat gij u in gevaar bevondt, en dat ik u moest gaan redden: zoo snelde ik weg, ja nog voor dat uw fluitje zich hooren deed, en zoo was ik de eerste bij u.quot;
„Zonderling!quot; zei ik: „juist met dien laatsten klokslag viel Sinjeur Drenkelaer onderste boven.quot;
„Wat! wie? Drenkelaer!quot; herhaalde zij, de handen in elkander slaande.
„Och ja, Mevrouw!quot; antwoordde ik : „die speelde voor Asrafel.quot;
„En waart ge niet doodelijk verschrikt. Juffie?quot;
„Niet het minst; want, rechtuit gezeid, ik was op zijn verschijning voorbereid. Ik had half vermoed, dat hij den krippen doek van Mevrouw Van Doertoghe gekaapt had, om er zich een tulband van te maken; daarom ging ik eens naa.r de wapenzaal en vergewiste mij, dat er een Moorsche sabel ontbrak, die ik er een paar dagen te voren nog gezien had. Een roode of bruinroode mantel is licht te bekomen .... ik geloof, dat zijn knecht er een heeft.... en toen ik onder 't gaan naar 't zijhek bemerkte, dat hij zich niet bij 't gezelschap bevond, was ik zoogoed als zeker, dat hij al vooruit en in 't berkenboschje was. Ik wachtte hem dus en 't gaf mij zelfs een zekere gerustheid, te weten, dat ik iemand van mijn kennis in mijn nabijheid had, al kwam hij juist met geen beste oogmerken.quot;
„Maar,quot; zei Mevrouw, „indien hij .... die man was uit spijt en teleurstelling tot alles in staat.... indien hij u eens had aangegrepen .... of mishandeld.quot;
„Wel! ik geloof,quot; zei ik, „dat hij er grooten lust toe had; maar ik wist immers, dat hij alsdan beginnen zou met mal op zijn neus te kijken, wanneer ik hem zei: gij hebt de verkeerde voor? — Maar a propos van de verkeerde voor te hebben. Ik moet u nog een zoen teruggeven, Mevrouw! dien ik van Mijnheer Van Eylar gekregen heb, en die voor u bestemd was.quot;
144
„Ondeugend Juffie!quot; zei Mevrouw, mij hartelijk kussende: „maar ik begrijp nog niet, hoe die Drenkelaer . . .
Op dit oogenblik werd aan de deur getikt: de Heer en Mevrouw Van Eylar traden binnen.
„Wel?quot; vroeg ik: „heeft Mevrouw zich nu niet goed gehouden? De vijf spijkers zijn ingeslagen.quot;
„Kapitaal!quot; riep de Heer Van Eylar: „ik dacht voorwaar niet, Mietje! dat je zoo'n heldin waart.quot;
„Maar ben je niet ter dood geschrikt. Mietje?quot; vroeg Mevrouw Van Eylar, „over die afschuwelijke poets, welke die infame Drenkelaer u heeft willen spelen ?quot;
„Och!quot; haastte ik mij te antwoorden: „Mevrouw was er op voorbereid: maar is het dan inderdaad Mijnheer Drenkelaer?quot;
„In eigen persoon,quot; zei de Baron: „ik dacht eerst dat hij ad patres was: hij gaf geen teeken van leven; maar toen hij hier heengebracht was, is hij weer bijgekomen en ligt nu te ijlen en allerlei dwaasheden uit te slaan.quot;
„Nu! als hij genezen is behoeft hij hier geen been meer te zetten,quot; zei Mevrouw Van Eylar: „maar nog begrijp ik niet, Mietjelief! hoe je zooveel moed hebt gehad.quot;
„Och!quot; zei Mevrouw Bentes, die 't te kwaad kreeg en bij wie de tranen in de oogen kwamen: „maak mij toch geen complimenten, die ik niet verdien. Hier staat de heldin, die de spijkers heeft ingeslagen.quot;
„Juffie?quot; riepen de Heer en Mevrouw Van Eylar.
„Foei, Mevrouw!quot; zei ik: „nu bederft gij 't geheele spel. De maskerade was zoogoed gelukt.quot;
„Ja! maar ik schaam mij een lof, dien ik niet verdien,quot; hernam Mevrouw Bentes: en meteen vertelde zij, in korte woorden, wat tot de rolverwisseling aanleiding had gegeven.
„Wel! dat is heerlijk,quot; zei de Baron, terwijl hij schaterde van lachen: „op mijn eer. Juffie! ik wist dat je mooi comedie-spelen kon op het theater, maar dat je 't ook daarbuiten zoo uitmuntend doen kon, wist ik niet; en ik zou er straks op gezworen hebben, dat ik niemand dan Mietje aan mijn
145
arm had, en dat. . . hier begon hij opnieuw te lachen, dat hij schudde.
„En dat je Mietje een zoen gaaft,quot; vulde Mevrouw Bentes aan: „nietwaar?quot;
„Nu!quot; zei Mevrouw Van Eylar: „dan moog je er nu wel een aan Juffie geven voor haar zelve; zij heeft hem wel verdiend, en ik zal er niet jaloersch van zijn.quot;
„Wel! als ik er zoo toe word aangespoord, dan zal ik mij waarachtig niet onbetuigd laten,quot; zei de Baron, terwijl hij mij, die half lachte, half schreide, nogmaals kuste dat het klapte: „Je bent een juweel van een meid, Juffie!quot; zei hij toen: „maar toch geloof ik, dat je ten einde toe je grootmoedig toonen moet, en dat vooralsnog het geheim van die verkleeding tusschen ons vieren blijven moet. — Ik acht zulks noodig voor de ■ reputatie van mijn schoonzuster, en ook voor uw eigene.quot;
„Ik, van harte gaarne,quot; zei ik: „ik zou 't nimmer verklapt hebben.quot;
„Goed! dan moet Mietje 't ook niet verklappen,quot; hernam de Heer Van Eylar; „en nu raad ik aan allen, stilletjes naar bed te gaan en van al die vermoeienissen uit te rusten.quot;
quot;Wij volgden dien goeden raad; ofschoon ik dien nacht volstrekt de rust niet genoot, die ik meende verdiend te hebben. Zoolang als ik in een staat van spanning verkeerd had, was ik sterk geweest; doch men speelt niet straffeloos met zijn zenuwen, en toen ik alleen en in mijn bed was, begon ik te beven en te schreien als een kind. Bovendien had ik nog geen hoogte van wat den Heer Drenkelaer toch was overkomen, waardoor hij zoo plotseling was nedergeslagen, en het maken van gissingen daaromtrent hield mij uit den slaap. Ik bracht een fatalen nacht door en was blijde toen de dag was aangebroken.
Den volgenden morgen kwam de Heer Van Eylar bij Mevrouw Bentes, terwijl ik mij bij haar bevond, en bracht haar bericht, dat de Heer Drenkelaer zich iets beter gevoelde
II. - Nov. 10
146
en dringend verlangde, Mevrouw te zien en haar om vergeving te vragen.
„Wat raadt ge mij?quot; vroeg Mevrouw.
„Ik raad u, aan zijn verzoek gehoor te geven,', antwoordde haar zwager: „hem schijnt iets op het hart te liggen, dat hij openbaren wil. — De man is zich zelf niet meer: en zijn wensch zelf om u te zien, wier tegenwoordigheid hem met schaamte overdekken moet, bewijst dat er een verbazende omkeer in zijn toestand moet hebben plaats gehad.quot;
„Ik zal gaan,quot; zei Mevrouw: „maar onder voorwaarde, dat Juffie mij vergezelt.quot;
Ik verzette eenigszins van het voorstel, doch te gelijk was ik nieuwsgierig naar de oplossing van hetgeen mij nog een raadsel was. Wij volgden dan den Baron naar de kamer van den zieke. Men kon van hem ook zeggen wat Eneas van Hector zei; „hoe geheel veranderd van dengenen, dien wij kenden!quot; Bleek, of liever vaal, als een doode, bevend over al zijn leden, lag de anders zoo fraaie en nette pronker op een rustbank, en zag er, met zijn vaderlief op 't ongepoeierd haar, zijn gebloemde japon aan 't lijf en zijn glazige oogen, volstrekt niet uit om op te verlieven.
„Mevrouw!quot; zeide hij, met neergeslagen blikken en een gebroken stem: „ik heb verlangd u nog eenmaal te zien: ik weet, het zal voor 't laatst zijn; want ik ben onwaardig, immer weer voor uw oogen te verschijnen. Gij waant misschien, dat ik alleen spreek van hetgeen die onzalige proef betreft, waarop ik uw moed gesteld heb, en waar gij zoo glansrijk van af zijt gekomen .... maar neen, reeds wegens vroegere handelingen, welke ik mij jegens u veroorloofd heb, heb ik mij bij u aan te klagen. Kweekeling der Illuminaten, heb ik reeds voorlang mij toegelegd, door aanwending van sympathe-tische middelen, aan de ingewijden alleen bekend, invloed op andere lieden te verkrijgen — en die middelen heb ik op u in 't werk gesteld. Ik poogde uw wilsvermogen langzamerhand te bedwingen, u onder mijn invloed te brengen, en u op die wijze te noodzaken, ook ondanks u zelve, mij uw hand te
147
schenken. Ik waande u reeds in mijn macht; maar ik had mij te spoedig gevleid, en het oogenblik, waarop ik zeker dacht te zijn van de overwinning, was dat van mijn nederlaag. Uw gezond verstand, uw luisteren naar goede raadgevingen, uw liefde voor uwe kinderen, ik weet niet wat, hebben gezegepraald over den invloed, dien ik meende te hebben verworven. — Ik was woedend: ik dorstte naar wraak: en dat heeft mij dwaasheid op dwaasheid doen stapelen: ik had u willen beschamen door u van grootspraak te overtuigen: gij naamt ridderlijk den handschoen op, dien ik u toewierp: ik heb toen, door dolle spijt verblind, u schrik aan willen jagen: 't is mij alleen gelukt mij zeiven voor altijd in ieders oogen belachelijk te maken — en vooral in de uwe. Mevrouw! En toch zal uw goedheid mij misschien nog beklagen, wanneer gij zult hebben vernomen, dat. .. hier begon hij over 't gansche lijf te trillen, hij dronk een teug water, en ging toen voort: „ja Mevrouw! uw waagstuk was stouter, mijn straf is grooter, de voldoening, die gij erlangt, volkomener, dan gij zelve weet wanthier haperde zijn stem opnieuw en een kille huivering scheen hem door de leden te varen: „de geest, dien ik u wilde doen verschijnen, is myj inderdaad verschenen.quot;
„Wat!quot; riepen wij allen.
„Welke onzin!quot; zeide de Heer Van Eylar, knorrig.
„Bij al wat u heilig is,quot; hernam de ongelukkige, terwijl zijn voortdurend beven toonde, dat hij voor zich zelf althans overtuigd was, de waarheid te spreken: „ik betuig u op 't plech-tigst en ik ben bereid het met eede te bevestigen, dat, op het oogenblik toen ik de sabel trok, de geest van dien Asrafel voor mij stond en de zijne mij boven 't hoofd zwaaide. Wat verder gebeurde, weet ik niet.... ik hoorde u, dunkt mij, mijn naam noemen, Mevrouw! toen ik neerviel.quot;
„Wat! die vleermuis!quot; kon ik mij niet weerhouden te roepen : „och kom! 't is verbeelding,quot; liet ik er onmiddellijk op volgen.
„'t Is verbeelding!quot; herhaalde werktuiglijk Mevrouw Bentes; doch wij begonnen beiden als popelbladen te beven.
148
„Ik wenschte dat gij die gril voor u gehouden hadt, Dren-kelaer!quot; zeide de Heer Van Eylar, al meer en meer ontevreden: „of is dit weer een wraakneming? Had ik dat kunnen voorzien, ik had mijn schoonzuster niet gevraagd, hier te komen.quot;
„Ik herhaal u, dat ik de zuivere waarheid spreek,quot; hernam de Heer Drenkelaer: „niet ik. Mevrouw is gewroken, gewroken voor altijd! want die vreeselijke verschijning zal tot aan mijn dood voor mijn geest blijven spoken,quot; en, zijn gelaat met beide handen bedekkende, viel hij, met een angstbetoon, dat niet geveinsd kon wezen, in de kussens neer.
„Ik vergeef u, Mijnheer Drenkelaer,quot; zeide Mevrouw Bentes: „en ik wensch van harte, dat de vrees, die gij voedt, zich niet moge verwezenlijken. Moge het gebeurde u afschrikken van alle kunstenarijen, die uit den booze zijn, dan zult gij, vlei ik mij, ook rust vinden voor uw ziel.quot;
Met deze woorden wendde zij zich om en verliet het vertrek. Ik volgde haar met den Heer Van Eylar, die, zoodra hij in de gang stond, met een krachtigen knoop er op, uitriep:
„Die dit-en-datsche boom moet weg, en ik vertel in mijn leven geen spookgeschiedenissen meer.quot;
Hij hield woord, althans wat den boom betrof, die reeds denzelfden dag werd gerooid, terwijl hij het pleintje liet dicht-planten en het pad verleggen, 't Schijnt, dat het spook hierdoor zijn weg niet heeft kunnen terugvinden; althans ik heb niet vernomen dat iemand het na dien tijd meer gezien heeft.
„En wat is nu uw meening aangaande die verschijning?quot; vroeg ik, toen ik aan haar zwijgen bemerkte, dat zij het voor uit hield.
„Ik weet het niet,quot; zeide zij: „en kan u alleen antwoorden met de woorden van Hamlet tot Horatio:
There are more things in heaven and earth, Horatio, Than are dreamt of in your philosophy,
149
en van iemand die, zooals ik, toen ik gezelschapsjuffer bij Mevrouw Konau was, ruim een jaar te Straatsburg bij Cagliostro aan huis heb gewoond, moet je niet verwachten, dat zij zich een volslagen ongeloovige betoonen zou op 't stuk van verschijningen. De samenloop van omstandigheden, het slaan der pendule onder de vertelling, het uithangen van de sprei uit mijn raam, terwijl ik juist de persoon wezen moest, die de wandeling naar den eikeboom deed, de schok, dien Mevrouw Bentes in haar hart gevoelde toen de dorpsklok sloeg, die vleermuis, welke mij langs 't gezicht vloog, dat alles samengenomen is, hoezeer verklaarbaar, echter uiterst zonderling. Wat nu de vraag betreft of Mijnheer Drenkelaer werkelijk iets zag, dan of zijn verbeelding hem parten heeft gespeeld, wat in den staat van opgewondenheid, waarin hij verkeerde, zeer waarschijnlijk is, ik ben zeker dat hij op dat punt ter goeder trouw was; want hij verviel sinds dien tijd aan 't kwijnen en overleed een jaar later aan de baden van Bagnéres; — maar voor 't overige, ik ben gewoon nimmer een bepaald oordeel over zulke quaestiën te vellen, zoolang ik niet spreken kan over hetgeen ik zelve gezien of ondervonden heb.quot;
„En dan nog geloof ik, dat daarbij voorzichtigheid in acht genomen moet worden.quot;
Ter plaatse, waar Amsterdam het verste in 't IJ uitsprong, waar de (Oudezijds) Houttuinen eindigden en zich rechts de Schreierstoren verhief, stond in de zestiende eeuw, en later nog, eene herberg, onder den naam van Coomens')-welvar en bij vreemdeling en poorter vermaard. Het was daar, dat bij voorkeur niet alleen de kooplieden en schippers, die Amsterdam bezochten, hun intrek namen, maar zich ook de deftige ingezetenen, liefst voor de deur, en alleen bij zeer koud of stormachtig weer in de gelagkamer, onder 't genot van eene stoop wijn, eene kan bier of eenig ander smakelijk vocht, tot een gezellig praatje vereenigden. Het fraaie uitzicht, de frissche zeelucht, het vroolijk schouwspel, dat het bestendig heen- en wederkruisen van baardsen, hulken, karveelen, sloepen, jollen, of hoe die vaartuigen mochten heeten, hier opleverde, bovenal de zucht, om te weten wat er in de wereld omging, eene zucht, die, toen er nog geen loopmaren, veelmin dagbladen, bestonden, niet dan door onderlinge mededeeling, en 't best in plaatsen als deze, bevredigd kon worden — dat een en ander werkte samen, om al wie gezellig of nieuwsgierig van aard, vooral hem, die 't een en ander was, naar het „Coomens-welvarenquot; te lokken.
') Coomen (vanwaar koomenij) is 't zelfde als koopman.
151
Neen, toch niet allen. Wel verkondigden de woorden Vrij wijn en meê, die op de luifel geschilderd waren — woorden, welke ouderen van dagen zich herinneren zullen, dat in hunne jeugd nog voor vele herbergen en tapperijen pronkten, ofschoon de waard zich toen al vrij verlegen zou gevonden hebben, iemand, die om mede vroeg, met dien drank te gerieven — wel verkondigden die woorden, zeggen wij, dat de toegang voor ieder openstond, die geld in den buidel had; maar toch waren het zelden anders dan de aanzienlijken onder de poorters, die men hier bijeengezeten zag. Dat geringe ambachtslieden en matrozen niet kwamen, was niet zoozeer daaraan toe te schrijven, dat zij elders goedkooper te recht konden, als wel, dat zij hier geen gezelschap van hunne gading aantroffen; en het oude spreekwoord „soort zoekt soortquot; werd ook hier bewaarheid. Maar ook zelfs de vreemdelingen, die in de herberg huisvesting vonden, namen niet dan zeer zeldzaam in de gelagkamer of onder de luifel plaats op de uren, dat zich de poorters daar vereenigden. Wie zich zoodanige vrijheid had veroorloofd, dien was het al spoedig, uit het koel onthaal, dat hij genoot, uit het plotseling ophouden van alle gesprekken, uit het heengaan van sommigen onder de aanwezigen, te duidelijk gebleken, hoe schuw de Amsterdammers waren, zich, in 't bijzijn van vreemdelingen, zelfs over de onbeduidendste en onschuldigste zaken uit te laten. Hoe schuw zij waren, zeiden wij, omdat de zinsbouw hier den verleden tijd eischte, en volstrekt niet omdat wij te kennen willen geven, dat de schuchterheid der Amsterdammers er sedert vier eeuwen veel op verbeterd is.
De gelagplaats van het „Coomens-welvarenquot; was alzoo, zoo niet in naam, dan toch inderdaad, een besloten gezelschap, en er zouden slechts wetten en reglementen noodig zijn geweest, om er van te maken wat men later college, sociëteit of club noemde.
Wij hebben reeds gezegd, dat het weer al zeer ongunstig moest wezen, om, in een tijd, toen men, meer dan heden ten dage, gewoon was buiten de deur te leven, de bezoekers van
152
het „Coomens-wel varenquot; naar binnen te drijven. En bovendien, de tweede verdieping van de herberg sprong, naar den bouwtrant van die dagen, wel een paar voet boven de onderste uit, en de derde weder een paar voet boven de tweede; zoodat men, ook al had men nog de beschutting van de ver vooruitspringende luifel gemist, ook in eene stortbui, voor de deur, ja zelfs een eind op straat, kon blijven zitten zonder een droppel te voelen.
Op het tijdstip echter, dat wij als uitgangspunt van ons •verhaal gekozen hebben, zijnde een achtermiddag in de laatste helft der maand April van 't jaar 1488 — gelijkstaande met een achtermiddag in Mei van 't jaar 1866; men rekende toen nog Ouden Stijl — was het zacht en liefelijk lenteweer; en, verre van de warmte te zoeken, was men veeleer zeer tevreden, hier ter plaatse eene welkome schaduw te vinden. Weer was het gezelschap vrij talrijk, ja meer nog dan gewoonlijk; want aan den politieken gezichteinder waren donkere wolken samengetrokken, en de gebeurtenissen, die kort te voren hadden plaats gehad, waren wel geschikt geweest, om de gemoederen in onrust en spanning te brengen. Geen wonder dus, dat er een algemeen verlangen bestond naar tijdingen, een verlangen, dat bij velen zijn grond vond in eene billijke bekommernis, maar bij sommigen ook in zeker duister voorgevoel, dat er kans bestaan kon, van de omstandigheden, op de eene of andere wijze, tot eigen voordeel partij te trekken.
Ten einde echter aan den lezer, wien misschien de toestand, waarin zich de Nederlanden in 't jaar 1488 bevonden, niet dadelijk zoo helder voor den geest staat, de moeite te besparen, het een of ander geschiedboek na te slaan, ten einde daaromtrent op de hoogte te komen, willen wij hem daarvan zooveel mededeelen als noodig is, om de gesprekken, die volgen zullen, goed te begrijpen.
Maria, Hertogin van Bourgondië en gebiedster over bijna al de Heerlijkheden, die, onder verschillende titels, tot het zoogenaamde Neder-Duitschland gerekend werden, was zes jaren te voren, in den bloei des levens, aan de gevolgen van een
153
noodlottig ongeval overleden, tot erfgenaam nalatende haar eenigen zoon, den vierjarigen Pilips, onder voogdijschap van haren echtgenoot, den Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk. Niet gemakkelijk voorwaar was de taak, die deze vorst in zijne betrekking als Regent te vervullen had. In Vlaanderen smeulde nog altijd het vuur des oproers, waarvan de vlam in de eerste tijden van Maria's regeering zoo hevig geblaakt had, en, door Frankrijk gevoed, wachtte het slechts op eene gelegenheid, om weder uit te barsten: Brabant en Henegouwen bogen zich niet dan met tegenzin onder het gezag van een uitheemsch vorst: in Holland woedde, zoo fel als ooit, de twist tusschen de Hoeks- en Kabeljauwsgezinden: Friesland leverde een tooneel op van wanorde en bandeloosheid: Gelre en Zutfen waren voor 't oogenblik wel schijnbaar in rust en aan de macht van den Aartshertog onderworpen; maar toch was het dezen niet onbekend, hoe in het hart der landzaten nog de gehechtheid leefde aan het oude vorstenhuis, en hoe de stille verzuchtingen naar den jeugdigen Karei Van Egmond, den wettigen erfgenaam van Hertogdom en Graafschap, allicht, bij de eerste aanleiding, tot luide kreten van verwensching der Oosten-rijksche heerschappij, en die kreten tot daden van weerstand konden overslaan, In het Sticht eindelijk, waarover Maximiliaan wel niet als Regent heerschte, maar toch eene soort van beschermheerschap uitoefende, streden Bisschop tegen Bisschop, Stad tegen Stad, Edelen tegen Edelen, poorters tegen poorters om 't gezag en mengden in hunne woelingen al de omgelegen landen.
Wel was er in dien ordeloozen toestand eenige verbetering gekomen, sedert de Kabeljauwsche partij, die den Aartshertog steunde en wederkeerig van hem zooveel hulp ontving als hij verleenen kon, de Hoeksgezinde edelen uit Holland verdreven, in de steden overal hare aanhangers op 't kussen gebracht en in Utrecht weder het gezag van Bisschop David Van Bour-gondië had hersteld; terwijl de waardigheid van Roomsch-koning, in 1486 aan Maximiliaan opgedragen, hem met hooger aanzien en luister had bekleed; maar toch kon hij het zich zei ven
154
niet ontveinzen, dat het, bij de nog bestaande veeten, die de ingezetenen onderling verdeelden, bij de uiteenloopende, ja, tegenstrijdige belangen, die in de verschillende gewesten de gemoederen in beweging brachten, bij den weerzin, de afgunst, den wrok, die landschap tegen landschap, stad tegen stad, burger tegen burger bleven voeden, eene zware taak zou zijn, rust uit onrust te doen geboren worden, de landzaten, in hun eigen belang, tot eensgezindheid te nopen en daardoor de ge-wenschte samenwerking te verkrijgen, die alleen in staat is, welvaart binnen 't land te roepen en naar buiten ontzag in te boezemen. Wel had hij den eersten noodigen stap gedaan, om tot het gewenschte doel te komen, namelijk, hij had pogingen aangewend, om eenheid in 't bestuur te brengen; doch het moest hem lichter vallen, bevelen uit te vaardigen, dan die te doen eerbiedigen: hem ontbrak, om klem aan zijn gezag te geven, de noodige macht, om wederspannigen tot gehoorzaamheid te dwingen; die macht was niet bijeen te brengen dan met geld, en de kas van den Eoomsch-koning was ten eenenmale uitgeput. Wendde hij zich tot de Steden met beden, om in den nood der algemeene geldmiddelen te voorzien, hij kon vooraf de gevolgen berekenen. Of, het verzoek zou geweigerd worden, op grond van den berooiden toestand, waarin, ten gevolge van de langdurige en kostbare oorlogen, buitenslands door Karei den Stouten gevoerd, en van den nauwelijks geëindigden burgerkrijg, de Stadskassen geraakt waren, of, stemden zij al toe, dan zou het niet zijn zonder nieuwe voorrechten te bedingen boven die, welke zij aan de beklagenswaardige Maria, op een tijdstip, toen deze machteloos tot weerstand was, hadden afgeperst, en zonder alzoo aan den landheer het weinige gezag, dat hem nog overbleef, te ontnemen. Genoeg bewust, hoe weinig Maximiliaan in staat was, heur overmoed te beteugelen, begonnen zich de Steden, vooral zij, die buitenlandschen handel dreven, al meer en meer als eigenmachtige souvereinen te gedragen, sloten verbonden en verdragen met vreemde Mogendheden, zonden oorlogsvloten uit onder hare vlag, ja pleegden zeeroof tegen schepen, aan
155
bondgenooten van hun Vorst behoorende, zonder zich te storen aan de billijke vertoogen, tegen zulke handelingen ingebracht. Hierbij was het niet gebleven. De altijd onrustige Vlamingen, ontevreden over het begeven van staats- en krijgsambten aan vreemdelingen en over de aanwezigheid van vreemde huur-benden, die de Koning tot eigen veiligheid had meenen te moeten ontbieden, bovenal verstoord over eene verandering, welke hij in het bestaande muntstelsel had gemaakt, waren tegen hem opgestaan, en toen hij gepoogd had Brugge, dat de groote stookplaats van den weerstand was, door zijne ruiters te doen bezetten, hadden zij hem voorkomen en was hij, in Februari 1487'), door de Bruggenaren gevangengenomen en in hechtenis gehouden; terwijl de Schout dier plaats zijne trouw aan zijn vorst op 't schavot had geboet. Op het vernemen van het gebeurde hadden de Staten der meeste Neder-landsche gewesten afgevaardigden naar Gent gezonden, om aldaar de voorwaarden te vernemen of te beramen, onder welke men den Koning de vrijheid zou terugschenken, en het was de loop, welken de daar gevoerde onderhandelingen namen, die het onderwerp uitmaakte der gesprekken, op den reeds genoemden achtermiddag voor de deur van het „Coomens-welvarenquot; gevoerd.
„De zaak neemt, zooals ik u vertelde, een goeden keer,quot; zeide een der aangezetenen, een zwaarlijvige poorter, die op den naam van Jan Wolbrechtsz. antwoordde, en wiens berichten uit Gent, waar hij voor zaken was heen geweest, en vanwaar hij dien morgen was teruggekomen, met hooge belangstelling waren aangehoord: „eer de maand om is, staat waarschijnlijk de Koning weer op vrije voeten.quot;
„En is het reeds bekend, op welke voorwaarden die van Brugge hem zullen loslaten?quot; vroeg de Voorzittende Burgemeester Gerrit Simon Claesz. Auwelsz., een deftige grijsaard, die 't goed meende en evenmin van bekwaamheid als van
1J Het jaar begon toen ten tijde niet met 1 Januari, maar met 1 Maart. Tusschen Februari 1487 en April 1488 was dus alleen de maand Maart.
156
ijver was ontbloot, doch de vastheid van wil miste, die in staat ware geweest, hem bij de leiding eener vaak in zich zelve verdeelde vergadering het noodige overwicht te verschaffen.
„Zoo ik wel verstaan heb,quot; antwoordde Wolbrechtsz., „is de eerste en voornaamste voorwaarde, dat de Koning buiten alle inmenging in de zaken van Vlaanderen blijven zal.quot;
„Met andere woorden, men geeft hem zijn ontslag, en eene verklaring daarbij van onbekwaamheid, om voortaan den lande te dienen,quot; was de aanmerking van het raadslid Dirk Claesz. Sillemoer, een klein, voortvarend mannetje, wiens lichtgrijze oogen in bestendige beweging waren.
„Het Graafschap,quot; vervolgde Wolbrechtsz., „zou voorts geregeerd blijven door Grave Filips, onder de voogdijschap der Heeren van zijnen bloede en die van den Raad van Vlaanderen : en al de punten van den vrede, in 82 te Atrecht gesloten, behoorlijk nagekomen.quot;
„Die bepaling waren de Vlamingen hun Franschen bondgenoot wel schuldig,quot; bromde de Proost van het Minderbroederklooster, terwijl hij ontevreden het hoofd schudde en een teug uit zijn bierkroes nam.
„En is dit alles?quot; vroeg, met een zware basstem, Ruysch Jansz., een vermogend poorter, en, naar hij zelf althans meende, een man vol diepe inzichten waar 't de staatkunde gold.
„Men dringt nog aan,quot; antwoordde Wolbrechtsz., „op het jaarlijks bijeenkomen eener algemeene vergadering van afgevaardigden der Staten uit al de Nederlanden, ten einde over hunne gemeenschappelijke belangen te handelen.quot;
„En dat waar ter plaatse ?quot; vroegen onderscheidene stemmen.
„Binnen eene der steden van Brabant, Vlaanderen of Henegouwen,quot; antwoordde Wolbrechtsz.
„En hebben,quot; vroeg Ruysch, „de Hollanders, de Zeeuwen en Friezen er in toegestemd, dat men over hunne belangen aldus in den vreemde zou beraadslagen en besluiten?quot;
Deze reis antwoordde Wolbrechtsz. niet anders dan door de schouders op te halen.
157
„En heeft men voor 't minst niets bedongen ten voordeele van den handel?quot; vroeg Sillemoer: „mij dunkt, de Hollandsche afgevaardigden hebben zulk een schoone gelegenheid niet ongebruikt kunnen laten, om onze belangen voor te staan.quot;
„Ongetwijfeld heeft men die niet uit het oog verloren,quot; zei Wolbrechtsz.: „men vordert van den Koning matiging der tollen en eenparigheid op 't stuk van de munt.quot;
„Dat is iets, maar 't is niet genoeg,quot; merkte Ruysch aan: „is er niets meer?quot;
„Nog eene voorname bepaling, die trouwens van zelve sprak; alle vreemde knechten moeten binnen eene week het grondgebied der Nederlanden verlaten.quot;
„Dat is ten minste een zegen,quot; zeide Auwelsz.: „wij hebben geen vreemd gespuis noodig, om ons huishouden te regelen.quot;
„Te minder,quot; voegde er de Proost bij, met een schalkschen lach, „omdat wij in de laatste jaren getoond hebben, er ons zoo uitnemend op te verstaan.quot;
„Het staat u fraai, daarop te zinspelen, mijn vrome Heer,quot; zei Sillemoer, het scherpe zijner aanmerking mede door een glimlach verzachtende, „zoo er ergens twist en geharrewar geweest is, het heeft zich nergens zoozeer geopenbaard dan onder hen, die geroepen zijn, om vrede te prediken, en het Sticht heeft meer bloed zien vergieten dan al de Nederlanden te zamen.quot;
„Ik heb wel hooren beweren,quot; zei de Stads-secretaris Jan Boschman, „dat er nooit een oorlog of veete ontstaan is, zonder dat als men naar de verborgen oorzaak tast, men een langen rok te vatten krijgt, is 't niet die van een juffer, dan is 't die van een geestelijke.quot;
„Spot maar,quot; zei de goedgeluimde Proost; „gij kunt noch den een, noch den ander missen. Maar hebt gij nu waarlijk uw zak met tijdingen leeggeschud, vriend Wolbrechtsz. ?quot;
„Ik herinner mij niets meer,quot; antwoordde deze.
„Heeft men,quot; vroeg Ruysch, „voor't minst niet aangedrongen op het intrekken van 't plakkaat van Januari jongstleden omtrent de navigatie?quot;
158
„Niet zoover ik weet.quot;
„Wat!quot; riep Euysch, terwijl hij verontwaardigd met de gesloten vuist op de tafel sloeg, dat kannen en glazen rinkinkten; „en zoo zou onze Stad verstoken blijven van de bevoegdheid, vanouds bij haar bezeten, om, op eigen gezag, schepen ten oorloge uit te rusten? En zoo zal zij 't moeten gedoogen, dat 's Graven Admiraal zijn neus steekt in onze zaken, over bevrachting en loon oordeelt, zijn aandeel in de gemaakte prijzen bekomt, en de vonnissen van onzen Zeeraad eigendunkelijk vernietigt ?quot;
„Hm!quot; zei Sillemoer, „dat plakkaat bestaat; doch iets anders is het, of het immer ten uitvoer zal gelegd worden.quot;
„Ho wat, Buurman!quot; zei Auwelsz., den vinger opheffende en een ernstigen toon aannemende, waarmede echter de uitdrukking van zijn gelaat eenigszins in weerspraak was. „bedenk, dat gij spreekt ten aanhoore van iemand, die gehouden is, de plakkaten te handhaven, en die niet dulden mag, dat men de billijkheid daarvan in twijfel trekke.quot;
„Is de slotformule ook billijk?quot; vroeg Ruysch; „car ainsi nous plaist-il estre fait? Zoo heeft zelfs geen Karei van Bour-gondië durven spreken, als hij met vrije luiden te doen had. Wat mij betreft, ik zeg 't aan wie 't hooren willen, ik mag lijden, dat men den Oostenrijker levenslang te Brugge houde of anders hem weer naar zijn land zende, en ons onze zaken zeiven late beschikken. Wat zegt er Schepen Boel van?quot;
Deze vraag was gericht tot een man van omstreeks veertigjarigen leeftijd, die, stil en rustig in een hoek gezeten, nog geen deel aan 't gesprek genomen had. Toch wendden zich, toen Ruysch hem toesprak, aller oogen naar hem heen, en blijkbaar was daarin nieuwsgierigheid te lezen naar het antwoord, dat hij geven zou. Immers Andries Boel Dirksz, behoorde niet onder die lieden, wier meening aangaande eene zaak van algemeen belang als onbeteekenend beschouwd werd. Gesproten uit een geslacht, dat in honderd jaar tijds niet minder dan zeventien van zijne leden op de Amsterdamsche Regeerings-lijsten prijken zag, een Burgemeester tot Vader en een tot
159
Broeder gehad hebbende, zou hij, ook al had hij minder aanleg en een min vluggen geest bezeten dan het geval was, wel hebben moeten bekend raken met hetgeen de stad en hare belangen betrof: en die bekendheid was, nu hij sedert 1484 lid van de Vroedschap was, door eigen ondervinding nog vermeerderd ; maar hij had ook gelegenheid gehad, om wat meer te zien dan zijne geboorteplaats en de zaken uit een ruimer gezichtspunt te beschouwen dan zoovelen, wier bekrompen blik niet verder reikte dan de schaduw van den kerspeltoren. Van zijn vroegste jeugd af werkzaam in de zaken zijns vaders, die een uitgebreiden handel dreef, had hij, reeds als knaap, op diens schepen vreemde havens bezocht, vreemde menschen en talen en zeden leeren kennen. Te Venetië, te Genua, te Livorno wist hij, in figuurlijken zoowel als in eigenlijken zin, den weg als te Amsterdam; naar de koopsteden van Vlaanderen gelijk naar die der Hanse was hij herhaalde raaien heengereisd: te Riga was hij evengoed te huis als te Bordeaux of te Londen, en te Bergen in Noorwegen had hij een hulpkantoor gesticht. Zelf, na den dood zijns vaders, met zijn broeder Boel Dircksz. Boel aan 't hoofd der zaken gekomen, had hij niet geschroomd, de belangen van zijn handel ook met de wapenen te beschermen: in 1477 had hij het zijne bijgedragen, om eene vloot van vijf en dertig oorlogsschepen uit te rusten, ten einde, onder Stads-vlag, de Amsterdamsche koopvaarders tegen de Fransche vrijbuiters te beschermen: wat van zoo gelukkig gevolg was geweest, dat niet minder dan twintig kaperschepen genomen en de zee voor een tijd volkomen schoon geveegd was. Vier jaar later had hij de Zuiderzee helpen beveiligen voor de rooftochten der Gelderschen en Enkhuizenaars en in een volgend jaar medegewerkt tot het uitrusten van vier groote oorlogsvaartuigen, die ontzag moesten inboezemen aan de toen vijandig gezinde Hanse. Geen mindere diensten had hij aan de stad betoond, gedurende den krijg in 1481 en 1482 tegen het Sticht gevoerd, en aanzienlijke offers uit eigen middelen opgebracht, om het mogelijk te maken, dat zij, in een enkel jaar tijds, van stevige muren en bolwerken omgeven,
160
en, aan de zijde, die naar 't Sticht gekeerd was, die ronde toren geplaatst werd, waar, als een waarschuwing of als een bedreiging, de flere woorden Swycht Utrecht in gemetseld werden. Dat hij door zijn ijver een vermogen had bijeen gegaard, 't welk in onze eeuw aanzienlijk heeten zou, maar in de 15de kolossaal genoemd mocht worden, droeg, als van zelf spreekt, er niet weinig toe bij, om, zoodra 't eene zaak van gewicht gold, al wie in Amsterdam niet meende de wijsheid in pacht te hebben, er eenigen prijs op te doen stellen, daaromtrent de gedachten van Andries Boel Dirksz. te vernemen.
Deze laatste had, als reeds gezegd is, de mededeelingen, door Wolbrechtsz. gedaan, en de daarover gevoerde gesprekken, stilzwijgend aangehoord, en geen trek op zijn fraai en mannelijk gelaat had den indruk verraden, door het gehoorde op hem teweeggebracht. Misschien — zoo legden velen het althans uit — had hij, alvorens hij zich eene eigen meening daarover vormde, willen wachten tot de teruggekeerde reiziger zijn geheelen voorraad van nieuwstijdingen had uitgekraamd; in allen gevalle had hij het onnoodig of ongepast geoordeeld, zonder noodzaak met die meening voor den dag te komen. Nu echter, dat hem, dus op den man af, daarnaar gevraagd en aller oogen op hem gevestigd waren, diende hij het stilzwijgen wel af te breken. Het antwoord, dat hij gaf, klonk echter den vrager alles behalve bevredigend in de ooren.
„Buurman Ruysch,quot; zeide hij, langzaam sprekende, en terwijl een fijne glimlach, die om zijn welgevormden mond en in zijn helderblauwe oogen speelde, eenigszins verzachtte wat anders veel van een terechtwijzing had, „het geldt hier zaken van staat, en waar onze goede stad ook in gemoeid kon worden. Ik acht het daarom verstandiger, mijn bijzondere gedachten daarover nog voor mij te houden en te wachten, tot mij mijn advies gevraagd wordt ter plaatse waar 't behoort, in de vroedschap namelijk!quot;
„Zeker heel voorzichtig,quot; zeide Ruysch, zich op de lippen bijtende.
„En,quot; voegde Sillemoer er bij, op een toon, die van niet
161
weinig gevoeligheid getuigde, „een les voor ons, die wat rond voor onze meening zijn uitgekomen.quot;
„Schepen Boel is een wijs man,quot; merkte de Proost aan, die zich vermaakte met de zure gezichten der beide laatste sprekers, „gedachtig aan wat Salomo zegt: in multiloquio non deërit peccatum, alsmede de apostel Jacobus: lingua ignis est; universitas iniquitatum. Van zwijgen heeft niemand ooit hinder gekregen, en een verstandig man laat zich nooit onvoorzichtig uit: homo ver suf,us celat scientiam, als in de Vulgata staat: en daarom, vriend Schalck, stel ik u voor, het goede voorbeeld, dat ons gegeven wordt, te volgen, de staatszaken staatszaken te laten, het verkeerbord te eischen, en een zedig partijtje muize-bruiën te beginnen. Ik ben u nog weerkans schuldig van gisteren.quot;
„Alree Proost,quot; antwoordde Schepman Schalck, een rijke lakenkooper uit de Warmoesstraat: en weldra zaten beiden verdiept in de kansrekeningen van het vermakelijke en toch zooveel schrander overleg vereischende teerlingspel.
„Ik meende intusschen,quot; ging Ruysch voort, die het bekomen antwoord niet zoo ras verduwen kon, „dat, wanneer wij hier, zooals gewoonlijk, onder goede vrienden en geburen bij elkander onder de roos zitten, het vanouds gebruikelijk en geoorloofd was, dat ieder vrij en onbewimpeld uitkwam voor wat hem op het hart lag.quot;
„Ook placht,quot; zei Sillemoer, „Andries Boel niet tot de zoo-danigen te behooren, die schroomden hunne meening op de daken te prediken: ik heb hem altijd voor een man aangezien, die van zich af zou durven spreken, al stond keizer of koning tegenover hem.
„Wie weet, wat ik doen zou .... als het noodig was,quot; zei Boel, zich de kin wrijvende.
„Ik voor mij,quot; riep Heinrick Stuversoen, een brouwer, die tevens, als hopman der burgerij, geen geringen invloed in de stad bezat, „ik houd 't er voor, dat schepen Boel op zijn luimen ligt, en wij t'avond of morgen een baardse zullen van stapel zien loopen, door hem ten oorloge uitgerust, spijt alle plakkaten van Max Kort-aan-geld.quot;
IT. — Nov. 11
162
„Stil! stil wat!quot; riep Auwelsz. niet zonder eenigen angst op 't gelaat. Dat iemand, in zijn binnenkamer, onder zijn naaste magen gezeten, den Roomsch-koning met den spotnaam argentcourt betitelde, dat kon gaan; maar dat men zoo iets op de publieke straat en te zijnen aanhoore deed, dat vond onze Burgemeester toch wat al te grof. Zijn waarschuwende stem klonk echter vergeefs, of men lette er nauwelijks op, zoozeer was ieder begeerig te weten wat Boel op de onderstelling van Stuversoen zou antwoorden. Boel vergenoegde zich de schouders op te halen en te glimlachen; doch Sille-moer zag hierin eene bevestiging van wat de brouwer beweerd had en haastte zich te zeggen:
„Zie, ik twijfelde er niet aan, of onze vriend zou niet achterblijven als 't nood is; hij wilde ons eene verrassing bereiden, gelijk hij dat trouwens gewoon is. Schepen Boel is de man niet, om in de achterhoede te staan, waar 't de handhaving en vermeerdering geldt van onze privileges.quot;
„Altijd behoudens den eerbied en de achting, die wij onzen wettigen Landsheer schuldig zijn,quot; zeide Auwelsz.
„Eerbied en achting!quot; herhaalde Euysch: „heel goed, wanneer wij met een wettigen Landsheer te doen hebben; maar wij hebben te doen met een Oostenrijker, met een vreemdeling, die evenmin om ons kan geven als wij om hem en die uit den aard zijn belang zoekt en niet het onze. Ik voor mij zie niet in, waarom hem hier een gezag moet worden toegekend, dat men hem te Brugge ontneemt.quot;
„Goed gesproken!quot; bulderde Stuversoen; „leve Graaf Filips; met een Regentschap van Hollandsche Edelen en vrijgeboren mannen uit de goede Steden.quot;
„Ja! leve Graaf Filips! leve Hopman Stuversoen!quot; riepen verscheidene poorters, opgewonden door de taal die zij hoorden.
„Fremuerunt gentes, et populi meditati sunt inania, zij hebben allerlei dwaze dingen bedacht,quot; mompelde de Proost, terwijl hij de steenen uit den beker schudde: „drie en vijf: een mooie gooi! vier geslagen en mijn hekseband is bezet.quot;
„Ei wat!quot; zei de lakenkooper, op zijn beurt gooiende, „de
163
brouwer heeft gelijk: zes en twee: ik sla uw hoek: — en twee voor vol.quot;
„Wel!quot; hernam Sillemoer: „gij hoort, Schepen Boel, hoe zij er allen over denken: zult gij nu nog den geheimzinnige blijven spelen?quot;
Andries Boel zag eenige oogenblikken zwijgend om zich heen: „neen,quot; zeide hij toen, „ik zal spreken.quot;
Een algemeene stilte volgde op deze verklaring en ieder luisterde in gespannen verwachting.
„Ik had gehoopt,quot; vervolgde hij, op ernstigen toon, „dat mijn vrienden hier zich zouden bepalen bij 't uiten van gevoelens en wenschen; maar ik zie, men wil tot daden overslaan, en wel tot feitelijke overtreding van bestaande plakkaten, dus inderdaad tot oproer tegen de gestelde machten, zooals de Eerwaarde Vader hier er reeds en te recht op gewezen heeft.quot;
„Wij willen den Graaf zijn recht laten,quot; viel Stuversoen in, op den toon van iemand, die, begrijpende dat hij wat te ver is gegaan, zijn gezegden wil vergoelijken.
„Een recht,quot; hernam Boel, „waarvan gij de uitoefening wilt overlaten aan een Eegentschap. En wie, naar uwe gedachten, zullen dat Eegentschap samenstellen? Zijn onze Edelen, zijn onze Hollandsche en West-Friesche steden zoo eensgezind, dat zij zich gemakkelijk verstaan zullen omtrent de personen, die den Graaf ter zijde zullen staan? Is Leiden niet naijverig op Delft; begint het jeugdige Botterdam de oude Merwe-stad niet naar de kroon te steken? Benijdt ons Haarlem onzen voorspoed niet? En hoevele jaren zijn er verloopen, sedert onze schepen met die van Enkhuizen zijn slaags geweest?quot;
„Amsterdam heeft thans invloed genoeg,quot; merkte Sillemoer aan, „om zich in dat Eegentschap te doen vertegenwoordigen.quot;
„'t Zou misschien gelukken,quot; zei Boel: „doch niet zonder heftigen kamp met andere Steden, en in allen gevalle zou dit wedijveren, om een stem in den Eaad te hebben, een bron zijn van eindelooze jaloezieën en krakeelen. Maar nog meer: — al hebben de Hoekschen voor 't oogenblik het onderspit ge-
164
dolven, al zijn de meeste hunner aanvoerders verbannen of voortvluchtig, de partij heeft nog aanhangers genoeg hier te lande, en eer men 't verwachten zou, kan zij 't hoofd weer opsteken. Is het Regentschap uitsluitend Kabeljauwsch, het zal tegenwerkingen vinden overal waar het Hoeksch element zich kan doen gelden; brengt men er ook Hoekschen in, men roept een wangedrocht in 't leven, dat zich zelf verscheuren moet. Eerst dan zal zoodanig lichaam met goed gevolg kunnen werkzaam zijn, wanneer alle tweedracht uit Holland is verbannen; — en die tijd is, vrees ik, nog verre te zoeken.quot;
„Ei wat!quot; zei Ruysch: „de Hoekschen zijn voorgoed gefnuikt en zij hebben zulk een geduchte les ontvangen, dat zij 't wel niet meer zullen wagen, het hoofd op te steken.quot;
„Ik wenschte, dat ik in uwe gerustheid deelen kon,quot; zei Boel: „maar mag ik onzen vriend Wolbrechtsz. vragen, of hij op zijn terugtocht Sluis heeft aangedaan?quot;
„Neen,quot; antwoordde de toegesprokene; „ik ben over Antwerpen teruggekeerd.quot;
„Dat is jammer,quot; hernam Boel: „anders hadt gij kunnen zien, hoe bevolkt en levendig die stad in de laatste weken geworden is.quot;
„Wat meent gij?quot; vroeg Ruysch.
„Wat anders,quot; antwoordde Boel, „dan dat er op dit oogen-blik een honderd twee drie voorname uitgewekenen vergaderd zijn, wier getal nog aangroeit met den dag, en dat de haven, de grootste in de Nederlanden, schier nog te klein is om de schepen, die er liggen, te bevatten: schepen, die, naar ik gis, juist niet ter koopvaart worden uitgerust.quot;
„Voorname uitgewekenen!quot; herhaalden verscheidene stemmen: „en wie dan?quot;
„Wie? wel wie anders dan Jan Van Naaldwijk, Steven Van Nijevelt, Otto Van Blokland, Dirk Van Hodenpijl, Cornells Van Treslong, en, dien zij tot hoofd en aanvoerder gekozen hebben, gelijk zij dat aan zijn hooge afkomst en, naar men zegt, ook aan zijn persoonlijke bekwaamheden verschuldigd waren. Jonker Frans Van Brederode.quot;
165
„Jonker Frans Van Brederode!quot; weerklonk het van alle zijden.
„'t Is niet meer dan natuurlijk,quot; vervolgde Boel, „dat zij gebruik hebben gemaakt van een oogenblik, dat het land zoogoed als regeeringloos is, om de hoofden bijeen te steken, en dat wij, wellicht nog eer de Koning uit zijn kerker verlost is, een aanslag van hen te wachten hebben.quot;
„Nu! zij zullen te Amsterdam wel niet komen,quot; merkte Stuversoen aan.
„Alsof zij hier behoefden te komen,quot; zei Boel, „om ons te benadeelen. Ik geloof, dat geen onzer stadgenooten, voor zooverre hij schepen in zee heeft, er op gesteld zou zijn, dat Jan Van Naaldwijk ze praaide en met lading en manschap naar Sluis opbracht.quot;
„Reden te meer, dat wij oorlogsschepen uitrusten, zonder op iemands verlof te wachten,quot; zei Sillemoer.
„Eer wij aan 't uitzenden van konvooischepen denken,quot; hernam Boel, „moeten wij ons beraden, hoe wij het IJ van ongewenschte bezoekers zullen vrijhouden.quot;
„Het IJ!quot; herhaalde Auwelsz.
„Men heeft Lubekker schepen benoorden't Vlie zien kruisen,quot; zeide Boel, „en 't zou nog zoo vreemd niet zijn, indien die van de Hanse in verstandhouding stonden met de Hoekschen en ons uit het noordoosten kwamen bestoken, terwijl de anderen uit het zuidwesten opdaagden.quot;
„Maar,quot; merkte Auwelsz. aan, „dan is het zaak, onze buren in Waterland te waarschuwen, en Muiden te versterken.quot;
„Dat laatste zal des te noodiger zijn,quot; hervatte Boel, „naardien Reyer Van Broekhuizen in 't rijk van Nijmegen een bende aanwerft uit stalbroeders en rijzige ruiters, overblijfsels van dien zwarten hoop, die in 't Sticht zoo brooddronken huishield en God noch duivel vreesde: terwijl Jan Van Montfoort, die op weerwraak bedacht is, op zijn luimen ligt, en zoodra hij de kans schoon ziet, zijn knechten in beweging brengen zal.quot;
„Maar van waar hebt gij al die onheilspellende maren?quot; vroeg Sillemoer, verbaasd.
166
„Wat zal ik u zeggen?quot; zei Boel: „'t is met mij hedenmorgen gegaan als 't met den vromen Job ging; de eene ongeluksbode volgde den anderen op. Doch hoe ik mijn berichten verkregen heb, kan u onverschillig zijn; voor de echtheid daarvan sta ik in.quot;
„Schepen Boel is geen man om grollen te verkoopen,quot; liet Auwelsz. volgen met een goedkeurenden knik; „hij heeft vanouds de leer in acht genomen, dat een koopman er wat voor over moet hebben, om zich overal en uit de beste bronnen de eerste narichten te verschaffen.quot;
„Maar, als dat een en ander zoo is,quot; zei Sillemoer, peinzend, „dan zal Manke Jan op zijn tellen moeten passen.quot;
Met „Manke Janquot; werd de Stadhouder, de onlangs tot Graaf verheven Jan Van Egmond, die een weinig kwalijk ging, bedoeld.
„Ik vlei mij, dat hij op zijn hoede zijn zal,quot; zei Boel; „doch het is niet genoeg, dat hij weet wat hij te doen heeft en zijn bevelen geeft, als hij geen steun vindt bij hen, die geroepen zijn, om ze uit te voeren, en als elke stad alleen op eigen veiligheid bedacht is en louter voor zich zelve zorgt. Geene mogelijkheid is er, om den gemeenen vijand buiten te houden, zoolang er geen eenheid en samenwerking bestaat in de verdediging, zoolang niet de armen gereed zijn te verrichten wat het hoofd beveelt.quot;
„Wel!quot; zei Ruysch; „niemand onzer heeft tot nog toe gehoorzaamheid geweigerd aan den Stadhouder; wat wij begee-ren, is de verwijdering van den Voogd, die zich tusschen den Graaf en den Stadhouder in stelt.quot;
„En zeker kiest gij een gelukkig oogenblik uit,quot; zei Boel, „om, door wederspannigheid aan zijn gezag, de verwarring nog te vermeerderen.quot;
„Goed gezegd,quot; zeide de Proost; „beati mites, quoniam ipsi possidebunt terram — de zachtzinnigen zullen er het best aan toe wezen; ik houd drie punten over en ik ga door.quot;
„Bedenkt wel wat gij doet,quot; vervolgde Boel, „en wat de gevolgen er van zouden kunnen zijn, indien gij thans een
167
poging waagdet, om u van de gehoorzaamheid aan den Koning te ontslaan. Maximiliaan, daar is geen twijfel aan, zal eerstdaags op vrije voeten komen, en dan — denkt gij, dat Keizer Frederik met een onverschillig oog den smaad heeft aangezien, die zijn zoon is aangedaan? Hij is, naar mij gemeld werd, reeds met een leger in aantocht naar de Nederlanden, om den geleden hoon te wreken, en misschien gaat er geen week voorbij, of de voorhoede rukt Brabant in, onder geleide van den wakkersten veldheer onzer eeuw, van Hertog Albrecht Van Saksen.
„Vervloekt!quot; mompelde Stuversoen, „is 't niet genoeg, een vreemden Voogd te bekomen, en zullen wij ook nog vreemde knechten in 't land moeten dulden?quot;
„Zij zijn nog vooreerst niet hier,quot; hernam Boel; „maar zoo gij verlangt, dat zij aan gene zijde van de Maas en Eijn blijven, dan hangt dit immers van uzelven af. Weet de Roomsch-koning, dat hij op de trouw der inboorlingen rekenen kan, dan zal hij hier geen buitenlanders behoeven. Door hem in alles te dwarsboomen, gelijk de Vlamingen tot heden hebben gedaan, noodzaakt men hem wel, den bijstand in te roepen van huur-lingen.quot;
Eenige oogenblikken van algemeene stilte volgden op deze woorden. Kennelijk hadden de ontvangen mededeelingen, vooral de laatste, een diepen indruk op de aanwezigen gemaakt; menig voorhoofd was gefronst, menige wenkbrauw saamgetrokken, en de sombere blikken, waarmede de een den ander aanzag, toonden genoeg, hoe onwelkom de gedachte was, dat uitheemsche benden den Hollandschen bodem zouden drukken en in Holland den meester spelen. Niet zonder heimelijk genoegen bespeurde Boel de uitwerking zijner woorden en liet dan ook de gelegenheid niet voorbijgaan, om op hetzelfde aanbeeld te blijven doorslaan. „Geloof mij,quot; vervolgde hij, „die benden, 't zij het hun gelukt of niet, de Vlamingen voor hunne oproerigheid te straffen, zullen, als zij eens in de Nederlanden voet hebben, er niet zoo gemakkelijk weder uittrekken. Gent en Brugge zijn rijk; maar ons Holland is evenzeer in de oogen
168
van die schrale zuurkooleters een soort van luilekkerland, en zij zouden duim en vinger likken, om er op kosten van ongelijk te kunnen teren. Is hier maar een spoor van wederspannig-heid, van tweedracht te ontdekken, zij zullen gretig zoodanig voorwendsel aangrijpen, om, zoo 't heet, de orde te komen herstellen; — en dan zal er geen keuze zijn dan tusschen gewapenden weerstand — met andere woorden, bloedigen krijg — en een vernederend toezien hoe men ons uitzuigt onder de leus van bescherming.quot;
Weer keken de omstanders — ik zou zeggen de omzitters, zoo 't woord gebruikelijk ware — elkander vragende aan; doch niemand onder hen, die straks zoo boud gesproken hadden, scheen thans genegen met eene bepaalde meening voor den dag te komen. Eindelijk echter nam Burgemeester Auwelsz. het woord:
„'t Is een weinig vertroostend vooruitzicht, dat gij ons opent. Schepen Boel! Doch het zij daarmede als 't Gode behagen wil; wij zullen onder de bestaande omstandigheden wel niet anders kunnen doen dan onze muren versterken, ons op kwade kansen voorbereiden en dan afwachten wat volgen zal.quot;
„Ware het niet wenschelijker,quot; vroeg Boel, „ons van de beide kwade kansen, die ik u voorspiegelde, vrij te waren, door de komst van vreemde benden geheel onnoodig te maken ?quot;
„Weet gij daar een middel op?quot; vroeg Auwelsz.
„Een dat doodeenvoudig is,quot; antwoordde Boel.
„En het is ....quot;
„Onzen eed van trouw gestand te doen; den man, die de natuurlijke Voogd is van onzen wettigen Heer, op 't krachtigst te steunen, zijn vijanden als de onze te beschouwen, hem metterdaad te bewijzen, dat de poorters der goede Steden en vooral der goede stad Amsterdam, kloekheid en veerkracht genoeg bezitten, om Holland in rust te houden, en dat, zoo hij dienst wil hebben van zijn bovenlanders, hij ze dan zal kunnen gebruiken, om Gelre of Friesland in bedwang te houden; want dat wij ze hier kunnen missen. En dan, gelooft mij. Vrienden! voor zooverre gij er op vlast, nieuwe voorrechten
169
aan Amsterdam te verschaffen; 't is veiliger, wanneer zij ons door den Graaf, uit vrijen wil, als vergelding van dienst, geschonken worden, dan dat zij hem door dwang worden afgeperst. Een Vorst acht zich zoo licht ontslagen van beloften, uit nood gegeven.quot;
Wederom zagen de poorters elkander aan: de raad, door Boel gegeven, was zoo geheel in tegenspraak met de gevoelens, die men een oogenblik te voren uitbundig had toegejuicht, dat men zich als 't ware zou geschaamd hebben, door eenig teeken van goedkeuring den schijn op zich te laden als bleef men zich zeiven niet gelijk. Toch was er niemand, zelfs onder hen, die, als Sillemoer, Ruysch of Stuversoen, tot de heethoofden behoorden, of hij voelde zich in zijn vroegere overtuiging merkelijk geschokt.
Alleen de Proost had geen reden, om zijn gevoelen te verzwijgen, en, na even in 't rond gekeken te hebben, zeide hij: „Schepen Boel heeft woorden vol wijsheid gesproken: os justi meditabitur sapientiam, als de Psalmist zegt, en wie Amsterdam liefheeft, moge zijn raad ter harte nemen: lingua ejus loquetur judicium: — vijf en aas: ik moet noodzakelijk een band opbreken.quot;
„Het wordt mijn tijd,quot; zei Auwelsz., opstaande: „Boschman,quot; fluisterde hij den Stads-Secretaris in 't oor: „gij zorgt, dat de Vroedschap tegen morgen buitengewoon beschreven worde.quot;
En werkelijk kwam den volgenden dag de Vroedschap bijeen en had eene langdurige zitting. Wat daarin besloten werd, bleef voor de goede burgerij een diep geheim; doch zooveel vernam men, dat Gijsbert Jacobsz, Droog, een der Burgemeesters, in gezelschap van Schepen Andries Boel, den dag daaraan Amsterdam verliet, en beiden, als men later te weten kwam, Haarlem, Leiden en Delft, ja zelfs het verre Dordrecht bezochten, in welke plaatsen zij samenkomsten hadden met de invloedrijkste leden der Overheid. Ook meenden sommigen te weten, dat zij over Den Haag gereisd waren en er een langdurig onderhoud hadden gehad met den Stadhouder, Graaf
170
Jan Van Egmond. Wat er bij al die verschillende gelegenheden verhandeld was, lekte niet uit; doch de zoodanigen, die dieper inzichten hadden dan de menigte, en die er zich op verstonden, oorzaken en gevolgen aaneen te knoopen, schreven aan dat rondtrekken der beide overheidspersonen, en inzonderheid aan de gladde tong en overredingskracht van Boel, een goed deel der maatregelen toe, door den Stadhouder met medewerking der Staten genomen. De voornaamste daarvan was eene uit-noodiging, tot de goede Steden gericht, om hare bolwerken in behoorlijken staat te brengen, hare Schutterijen in den wapenhandel te oefenen, en voor zooverre het Zeesteden waren, voor de uitrusting van eenige oorlogsvaartuigen te zorgen; van welke uitnoodiging door eene opzettelijke bezending kennis was gegeven aan Maximiliaan (die in 't begin van Mei door die van Brugge in vrijheid was gesteld) te gelijk met de verzekering, dat hij gerust de inmiddels aangekomen vreemde krijgsbenden in Vlaanderen houden kon, om de muiters te tuchtigen, en dat Holland genoeg bij machte was, om zich zelf te verdedigen en tevens voor 's Graven rechten te waken.
II.
Toch waren de gewone voorzorgen niet toereikende geweest, om het Graafschap tegen een overval te vrijwaren. De een-en-twintig-jarige knaap, dien de Hoekschen tot hun aanvoerder hadden gekozen. Jonker Frans Van Brederode, had in Sluis een aanzienlijke macht vergaderd en tal van vaartuigen, waarmede hij de zee en de Zeeuwsche stroomen onveilig maakte en vrij wat Hollandsche koopvaarders bemachtigde. Door den aanvankelijken voorspoed aangemoedigd, was hij te rade geworden, een waagstuk te begaan, wel bestemd om zijn naam geducht te maken en den schrik onder zijn tegenstanders te verspreiden. Omstreeks de helft van November met acht en
171
veertig schepen uitgezeild, die met ongeveer 2000 uitgewekenen waren bemand, zeilde hij van Sluis af en kwam, door een tot dien tijd onbevaren diep, dat naar hem het Jonker-Pransen-gat werd genoemd, aan den mond der Maas. De vorst was inmiddels ingevallen, en de stijf bevroren rivier leverde een veilig pad, over hetwelk zijn bende in den nacht tusschen den IS*56quot; en 19(len der gezegde maand, Rotterdam in stilte naderde, de muren beklom en de stad zonder strijd of bloedvergieten bemachtigde. — Dadelijk werd de plaats in staat van verdediging en 't omgelegen land op brandschatting gesteld; terwijl de ontsteltenis, die het gebeurde in Holland had teweeggebracht, niet weinig werd vermeerderd, toen, kort daarop. Jan Van Montfoort zich bij verrassing meester maakte van het slot te Woerden, 't welk men den sleutel van Holland noemde, en Reyer Van Broekhuizen, van zijn kant, langs de rivieren stroopte. Geen wonder, dat Maximiliaan, op het vernemen dezer tijdingen, in niet geringe onrust verkeerde. De krijg tegen die van Gent en Brugge was niet gevoerd met zoodanigen uitslag als hij verwacht had; de tegenstand bleef in Vlaanderen voortduren, krachtiger dan ooit, en nu kwamen de gebeurtenissen in Holland de stelling van den Voogd nog moeielijker maken. Met reden begreep hij te moeten beginnen met een poging tot herstel van wat naar zijn meening 't spoedigst hersteld kon worden. In Vlaanderen maakte de ingevallen winter het krijgvoeren moeilijk; bovendien kon men zelden huurbenden genegen vinden te strijden in een jaargetijde gedurende hetwelk men, volgens de gewoonte dier dagen, doorgaans over en weder de wapenen aan den wand hing: en de krijgsknechten, door Maximiliaan geworven, toonden zich op dat punt niet rekkelijker dan andere. Slechts een klein getal kon hij bewegen hem naar Holland te volgen, dat nu, naar hij meende, zijn eerste zorg vereischte, en waar hij hoopte op de medewerking der ingezetenen te kunnen rekenen; hun eigen belang toch bracht mede, dat de stoutmoedige vrijbuiter, die zich in een hunner steden genesteld had en van daar het geheele land in zorg en onrust hield, hoe spoediger hoe beter verwijderd werd.
Het was op 15 Januari 1488/89, dat hij binnen Leiden zijn intocht deed, naar welke stad, als naar een geschikt middelpunt van het Graafschap, de afgevaardigden der goede Steden bereids bij brieven van beschrijving waren opgeroepen. Hier vermaande hij hen, met al de klem van redenen, die hij kon bijbrengen, en met de bevallige welsprekendheid, die hem was aangeboren, hem bij te staan, om den kanker weg te snijden, die het lichaam van den Staat had aangetast. De indruk zijner woorden was gunstig, en eenparig besloot men een algemeene heirvaart te beschrijven en Rotterdam te land en te water in te sluiten. Aan Dordrecht, Gouda, Den Briel en Vlaardingen werd het bewaken van de stroomen toevertrouwd; terwijl aan de poorters van Haarlem, Delft, Leiden en Amsterdam werd opgedragen, Schiedam te bezetten en van daar de Hoeksche gelukzoekers in bedwang te houden.
Maar, al hadden zich de Steden verbonden, manschappen te leveren, hiermede was nog niet genoegzaam verricht, om de onderneming, die men voorhad, met voldoenden uitslag door te zetten. De kosten van het huurleger, dat in Brabant lag, hadden de kassen van den Roomsch-koning, die, als reeds gezegd is, nooit in ruimen staat geweest waren, ten eenenmale uitgeput en hem ontbrak de kennis van den krijg. Mocht al de insluiting van Rotterdam geen buitengewone uitgaven van zijne zijde noodig maken, dewijl het onderhoud der uitgetrokken poorters door de Steden, waartoe zij behoorden, bekostigd werd, die insluiting op zich zelve was nog maar een halve maatregel; de Hoekschen waren ruim van leeftocht voorzien, en het zou zelfs moeite kosten, hunne benden, uit kloeke en geoefende krijgers bestaande, geheel te beletten, nu en dan een uitval te doen en zich nieuwen voorraad te verschaffen. Zelfs bij een geregeld beleg zou de stad niet spoedig tot de overgave te dwingen zijn: tot een stormloopen waren buitengewone hulpmiddelen noodig, niet te verkrijgen dan met groote kosten: daartoe behoefde men geld, en geld was juist wat de goede Steden weigerden te geven. Wel waren de redenen, welke zij aanvoerden, om hare weigering te wettigen, niet van
173
kracht ontbloot: de meeste waren reeds boven vermogen bezwaard door de lasten, die zij hadden op te brengen; nu kwamen er nog de buitengewone uitgaven bij, door de uitrusting en het onderhoud van schepen en manschappen veroorzaakt, en men mocht den armen poorters geen grooteren druk opleggen. Vergeefsch was het, of men al van 's Konings zijde betoogde, dat, door hem nu met milde giften in staat te stellen, de onderneming krachtdadig door te zetten en een spoedig einde aan den krijg te maken, de Steden de kosten zouden uitwinnen eener langdurige insluiting, en dat aller belang het spoedig uitdrijven der vrijbuiters gebood: zij bleven in hare weigering volharden: de maand Januari liep ten einde en de Staten, voor 't laatst vergaderd, stonden Leiden te verlaten, zonder voldaan te hebben aan den wensch van Maximiliaan.
Op den avond, na die laatstgehouden zitting, waren, in eene zaal van den hoogen burg, binnen welken de Koning zijn verblijf hield, eenige zijner getrouwen onder de hooge schouwe bij elkander gezeten. Daar zag men zijn Kanselier Carondelet, zijn Opperstalmeester Maarten Van Polhain, Heer van Baarland en Ter Nisse, aan wien het bevel over het leger, en Floris
Van Uselstein, aan wien dat over de vloot was toevertrouwd;
'
daar den Stadhouder, Graaf Jan Van Egmond, en Willem Van Boschhuizen, Baljuw van Rijnland: daar Floris Van Bronkhorst, die de Geldersche hulpbende aanvoerde: daar eindelijk, twee Heeren, wier tegenwoordigheid in dit gezelschap bij velen, die hen vroeger gekend hadden, verbazing en ergernis zou gewekt hebben, te weten, den Burggraaf Van Wassenaer — voorheen een der voornaamste „rumoermeesterenquot; (als Van Leeuwen hem noemt) van de Hoeksche partij, doch die thans de zonden zijner jeugd door een dubbel betoon van Kabel-jauwschgezindheid scheen te willen doen vergeten — en den eigen broeder van den jongeling, die te Rotterdam gebood. Walraven, nu het hoofd van het Huis van Brederode. Was het dankbaarheid voor den ridderslag, dien hij van Maximiliaan had ontvangen en voor het ambt van Kamerheer, hem door
174
dezen geschonken; was het een besef, dat de zaak der Hoek-schen verloren geacht moest worden: was het — wat aan velen meer waarschijnlijk voorkwam — de veete, die tusschen hem en Jan Van Montfoort bestond; of was het een andere reden, die hem aldus had doen ontrouw worden aan de overleveringen van zijn geslacht? — Wij kunnen hier niets dan gissen: doch 's mans onbeduidendheid in aanmerking nemende, zouden wij meenen, eenvoudig in zijn zucht tot een onbezorgd en gemakkelijk leven den sleutel te moeten zoeken van zijn handelingen, of liever van zijn lijdelijkheid. Wat daarvan zij, zeker is het althans, dat hij voorgoed gebroken had met de partij, die voorheen zijn vader en nu weder zijn jongeren broeder als haar hoofd had erkend.
„En zoo zijn dan,quot; zei Polhain, „die koppige poorters onwillig gebleven tot het laatste toe?quot;
„Zoo is 't,quot; antwoordde Carondelet; „geld verdienen willen zij gaarne, en zoolang men hen daarin voorthelpt, dragen zij u op de handen; maar om geld te geven, daar zijn zij niet van thuis.quot;
„Val ze niet te hard,quot; zei de Stadhouder; „zij geven wat hun dierbaarder z;jn moet dan hun goud, zij geven hun bloed en dat van hunne kinderen.quot;
„Is de Heer Graaf er wel zoo zeker van,quot; vroeg Uselstein, met een ondeugenden lach, „dat, wanneer hun de keuze gegeven wordt tusschen een lating aan arm of been en een lating aan de beurs, zij niet de eerste boven de tweede verkiezen ?quot;
„Daargelaten nog,quot; voegde Wassenaer er bij, „dat ze zich wel verbonden hebben, om Schiedam te bezetten, maar volstrekt niet om, als Jonker Frans er een aanslag op waagt, het ook te verdedigen.quot;
„De Burggraaf heeft recht,quot; merkte Bronkhorst aan: „als het op vechten aankomt, heb ik liever een twintigtal gehuurde stalbroeders, en liefst nog een tiental van mijn dienstluiden, nevens mij, dan honderd van die poorters, die, als er een schot gelost wordt, het op een loopen zetten.quot;
175
„Ja, ook zelfs als zij goed gezind zijn,quot; zei IJselstein, „dan nog zijn zij zoo verbazend onhandig, dat zij naar 't zwaard grijpen als zij de piek moeten vatten, en zich met de piek te weer stellen als zij zich alleen met den goedendag kunnen redden.quot;
„Zij zijn niet eenmaal in staat behoorlijk te vluchten,quot; zei Walraven Van Brederode: „zij tuimelen over elkander heen en wie ligt, blijft liggen.quot;
„Gij moogt schertsen zooveel gij wilt, Mijne Heeren!quot; hernam Egmond, „maar ik twijfel er aan, of de Koning 't u zou toegeven, dat men zoo gemakkelijk spel met hen heeft.quot;
„Gij denkt aan de Vlamingen,quot; zei IJselstein, „en ik geef u gaarne toe, dat die vanouds strijdlustig zijn geweest; doch wat onze Hollandsche poorters betreft, al verstaan zij er zich evengoed op als de Gentenaren of de Bruggenaren, om bij een oproer hunne Overheden dood te smilten of een huis onder den voet te halen, in 't open veld of bij de bestorming van eene wel verdedigde sterkte zou men weinig dienst van hen hebben.quot;
„Zeg geen woord ten nadeele van de poorters,quot; zei Boschhuizen: „zij hebben deze reis een bewijs gegeven van edelmoedige zelfopoffering, als waarvan de oude geschiedenissen met moeite een tweede voorbeeld zouden aanwijzen.quot;
„En dat is?quot; vroegen verscheidene stemmen.
„Wel! dat zij, die weldoorvoede, op hun gemak levende koop- en ambachtslieden, die gewend zijn, alle dagen een paterstuk of een ham op schotel te hebben, en er dan acht-guldens-bier of een stoop ouden wijn bij te drinken, het zich getroosten, naar Schiedam te trekken, waar schraalhans keukenmeester is en zij weken, misschien maanden lang op pekelharing en wei hebben te teren. Wat mij betreft, ik heb er eens acht dagen doorgebracht: maar mijn H. Patroon beware mij voortaan voor „Schiedammetje droogbrood.quot;
Deze uitval ten koste eener stad, wier ingezetenen in die dagen te boek stonden als bijzonder zuinig en zich met weinig behelpende, verwekte een ongemeene vroolijkheid bij het gezel-
176
schap, en het lachen duurde nog voort, toen een dienaar binnenkwam en zich tot Brederode wendde met de boodschap, dat er iemand buiten stond, die met aandrang verlangde den Koning te spreken.
„Denkt gij dan, dubbele gek,quot; vroeg Walraven, „dat de Koning zoo maar dadelijk klaar is, om ieder te woord te staan ?quot;
„De man zegt, dat hij zaken van gewicht aan Z. Hoogheid heeft mee te deelen,quot; antwoordde de dienaar.
„Zoo! — Van waar komt hij? en van wien?quot;
„Hij heeft mij dit blad gegeven, waar zijn naam op staat, zegt hij.quot;
„En waarom, ezel, die gij zijt, mij dat niet terstond gegeven?quot; vroeg Walraven, terwijl hij het briefje in de hand ronddraaide en vruchteloos poogde het toch zeer nette schrift te ontcijferen. Egmond, die het in de kunst van lezen iets verder gebracht had dan de meeste Edelen van zijn tijd, sloeg over den schouder van Walraven heen een oog op 't papier: doch nauwelijks had hij den naam, die er op stond, gelezen, of hij riep op een toon van blijde verrassing: „Waarlijk! — en is die man zelf hier?quot;
De dienaar boog.
„Zoo! laat hem binnenkomen. Neen voorwaar,quot; vervolgde hij, toen de dienaar zich verwijderd had, „hij, die zich aanmeldt, is een te getrouw dienaar des Konings, om te worden afgewezen, en zoo hij Z. Hoogheid spreken wil, dan heeft hij er ongetwijfeld goede redenen voor.quot;
„En wie is hij dan?quot; vroegen de Edelen, met eenige nieuwsgierigheid.
„Gij kent hem niet,quot; antwoordde de Stadhouder, de schouders ophalende: „maar daar is hij zelf.quot;
Aller oogen wendden zich naar de deur, waar een man binnentrad in de kracht zijns levens, in 't effen donkerkleurig gewaad eens poorters gekleed, doch 't hoofd even vrij dragende en den blik even vrijmoedig om zich heen slaande als een geboren edelman.
177
„Ik heet u welkom, Schepen Boel,quot; zei de Stadhouder, half van zijn zetel oprijzende en met een minzame hoofdbuiging. — De overige Edellieden schenen het onnoodig te achten, eenig bewijs van beleefdheid te toonen aan den poorter en vergenoegden zich met hem van 't hoofd tot de voeten op te nemen. Alleen Walraven mocht niet nalaten in zijne betrekking van Kamerheer het woord tot hem te richten;
„Gij verlangt den Koning te spreken?quot; vroeg hij.
„Zoo is 't,quot; antwoordde Boel, terwijl hij midden in 't vertrek bleef staan.
„Uit wiens naam komt gij ?quot;
„Voor 't oogenblik nog uit den mijnen,quot; antwoordde Boel.
„De Koning heeft iemand bij zich.quot;
„Ik weet het — en ik zal wachten.quot;
„Maar,quot; hernam Walraven, wien de koele en onverschillige toon des Amsterdammers begon te hinderen: „het onderhoud, dat Z. Hoogheid heeft, kan een geruimen tijd duren, en daarom. Vriend, zoudt gij misschien verstandiger doen, morgenochtend terug te komen.quot;
„Morgen vertrekt Z. Hoogheid uit Leiden,quot; zei Boel, „en ik evenzoo.quot;
„Gij waart niet onder de afgevaardigden ter vergadering, Schepen Boel,quot; zei Egmond, op zoo vriendelijken toon mogelijk, en kennelijk met het doel, om den min aangenamen indruk weg te nemen, dien het weinig heusch onthaal, dat de Schepen van de overige Heeren genoot, op hem gemaakt mocht hebben.
„Ik zou, al had men mij de eere der afvaardiging waardig gekeurd, daaraan moeilijk hebben kunnen voldoen,quot; antwoordde Boel: „ik ben eenige maanden buitenslands geweest, voor zaken, mijn handel betreffende, en het is eerst sedert gisteren, dat ik te Amsterdam terug ben.quot;
„Het heeft mij leed gedaan, u te missen in de vergadering,quot; hernam de Stadhouder: „waart gij tegenwoordig geweest, wij hadden misschien meer reden van tevredenheid gehad over den uitslag der zitting.quot;
„Ik vlei mij,quot; zei Boel, „dat Burgemeester Auwelsz, en
II. — Nov. 12
178
Pensionaris Roelvinck de belangen van Amsterdam naar be-hooren hebben waargenomen.quot;
„Knappe lieden misschien,quot; mompelde Boschhuizen; „alleen maar wat vasthoudend, waar het op de beurs aankomt.quot;
„Dat heb ik vernomen,quot; zei Boel, zich glimlachend naar den Baljuw keerende: „doch men kan alleen datgene vasthouden wat men heeft, en de Heer Baljuw zal mij moeilijk bewijzen, dat Amsterdam niet reeds heeft gegeven wat het geven kon.quot;
„Het rijke Amsterdam zou niet meer kunnen geven!quot; riep Polhain, op een toon, die van ongeloof getuigde.
„Dat zou het misschien,quot; hernam Boel, „indien onze Vorsten nooit oorlogen in verre landen gevoerd en onze Edelen in vrede met elkander hadden geleefd.quot;
„Wat bedoelt gij daarmede?quot; vroeg Polhain met drift en half opspringende van zijn stoel.
„Eer ik het vergeet,quot; ging Boel voort, zich gelatende als merkte hij de beweging des vergramden krijgsvoogds niet, en zich naar Brederode keerende, „Mijnheer gelieve te zorgen, dat de man, die zich thans bij Z. Hoogheid bevindt, zich niet verwijdere: 't zou kunnen zijn, dat zijne tegenwoordigheid nog noodzakelijk was, na het gesprek, dat ik met Z. Hoogheid voeren zal.quot;
Walraven zag eerst Boel, vervolgens de Edelen aan, als wilde hij vragen, waar de man de onbeschaamdheid vandaan haalde, om dus op een toon van bevel te spreken.
„Ik geloof,quot; zei de Stadhouder, halfluid, en met een goedkeurenden knik, „dat de heer Van Brederode wel zal doen met aan 't verzoek van den Schepen gehoor te geven. Ik ken Schepen Boel te goed, om niet overtuigd te zijn, dat hij voldoende gronden heeft voor 't geen hij verlangt, en tevens, dat geen andere dan eene reden van gewicht hem aanspoort, om zich, reeds den dag na zijn terugkomst in 't vaderland, bij Z. Hoogheid aan te melden.quot;
„En is die reden van dien aard,quot; vroeg Walraven eenigs-zins weifelend, „dat zij aan niemand kan worden medegedeeld ?
179
Ik vraag dit in uw eigen belang, Vriend; want het is honderd tegen één, dat de Koning u gehoor verleenen zal, zonder vooraf onderricht te zijn van welken aard uwe boodschap is.quot;
Een lichte trek van ongenoegen liet zich op 't gelaat van den Schepen bespeuren: hij bedwong dien echter, waarschijnlijk omdat hij Brederode's bedenking niet van alle juistheid ontbloot achtte en, na op zijne beurt ook even geaarzeld te hebben, antwoordde hij;
„Zeg aan den Koning, dat ik hem en den Staat van dienst wensch te zijn. Over den aard van dezen dienst zal ik niet spreken, tenzij de Koning het mij later gelasten mocht.quot;
Walraven beet zich op de lippen, doch begon een duister besef te krijgen, dat de man, die zoo fier een toon voerde, wel eens werkelijk iets van groot belang aan den Koning kon hebben mede te deelen, en dat deze het wel eens euvel kon opnemen, indien men iemand, die hem een dienst bewijzen kwam, onheusch bejegende.
„Volg mij dan,quot; zeide hij: „ik zal u bij Z. Hoogheid aandienen, zoodra de persoon, die thans bij hem is, hem verlaten heeft.quot;
Boel volgde den Kamerheer, die hem door een paar vertrekken heen naar een derde geleidde, voor hetwelk een hellebaardier heen en weder stapte en binnen 't welk een page op een vouwstoel zat te dutten.
„Is die man nog bij den Koning?quot; vroeg Walraven aan den knaap, die bij zijne komst uit zijne halve sluimering was opgesprongen, en nu op de hem gedane vraag een toestemmend antwoord gaf.
„Gij zult u dan het wachten dienen te getroosten,quot; zei Brederode tegen Boel.
Gelukkig behoefde dat wachten niet lang te duren; want pas had Walraven gesproken, of een fluitje liet zich uit de kamer daarnevens hooren; de page snelde binnen op dat sein en kwam schier onmiddellijk weder terug, gevolgd door een man, in een lange gele samaar gekleed, en wiens bruin gelaat en zwarte zijachtige baard en haren van een zuidelijke
■
180
afkomst getuigden. In zijn kleine glinsterende oogjes was een uitdrukking van schalksche tevredenheid te lezen, die voor een uitdrukking van verbazing plaats maakte, toen hij den Amsterdamschen koopman bespeurde.
„Gij schijnt wel tevreden, vriend Uriel,quot; zeide deze: „ongetwijfeld hebt gij goede zaken met Z. Hoogheid gedaan?quot;
„Mag de arme Uriël spreken,quot; vroeg de ander, op deemoe-digen toon, „van wat hem Z. Hoogheid gelieft te vertrouwen? En hoe vaart Schepen Boel? Welkom terug in 't vaderland, Schepen Boel! Kan Uriël Schepen Boel van eenigen dienst zijn, voor zoover een arm man als hij daartoe in staat is?quot;
„Jawel,quot; antwoordde Boel: „door u niet van deze plaats te verwyderen, eer ik van den Koning terug ben.quot;
„Mag de arme Uriël zich niet verwijderen?quot; vroeg de ander op smeekenden toon: „zijn vrouw is ziek en hij moet hedennacht naar Utrecht.quot;
„Gij weet zoogoed als ik,quot; zei Boel, de schouders ophalende, „dat de weg naar Utrecht over Woerden loopt, en dat daar Jan Van Montfoort op de loer ligt, die geen vogel, als gij zijt, voorbij zal laten vliegen, zonder hem eenige goede veeren uit den staart te plukken. Daarom, zoo gij wijs zijt, blijf hier en reis morgen onder mijn geleide naar Amsterdam, van waar gij uw weg in veiligheid vervolgen kunt, zoo gij werkelijk naar Utrecht moet, waar ik geen woord van geloof. Word maar niet bleek, man! gij zult van Schepen Boel niets te vreezen hebben, zoo gij doet wat koopman Boel van u verlangt.quot;
Uriël boog zuchtende het hoofd ten teeken van onderwerping, en Walraven, die zich inmiddels niet weinig vermaakt had met den angst, door den armen drommel aan den dag gelegd, en wiens eerbied voor Boel uit 's mans onderdanigheid voor dezen niet weinig gestegen was, ging naar binnen en kwam spoedig terug met het bericht, dat de Koning Schepen Boel verwachtte, waarna hij dezen voorging en, in het naaste vertrek een gordijn oplichtende, dat het in tweeën deelde, hem bij den Koning aanmeldde.
181
„Wat verlangt gij?quot; vroeg Maximiliaan, die, in een wijden pels gedost, bij een flikkerend turvcnvuur gezeten was, aan den Amsterdammer, die zich bij 't binnenkomen op eene knie had neergelaten.
„Hetgeen ik te zeggen heb, is alleen voor de ooren van Uwe Hoogheid bestemd,quot; antwoordde Boel, op een eerbiedigen, maar vasten toon.
„'t Is wel,quot; zei de Koning: „Wij geven u oorlof. Mijnheer Van Brederode. En nu,quot; ging hij voort, toen de Kamerheer zich verwijderd had: „rijs op en zeg Ons uwe boodschap.quot;
„Die is in weinige woorden gezegd,quot; antwoordde Boel: „Uwe Hoogheid is om geld verlegen.quot;
„Is dat uw nieuws?quot; vroeg Maximiliaan, half onzeker of hij moest lachen of toornig worden.
„En Uwe Hoogheid,quot; vervolgde Boel, op denzelfden koelen toon, „heeft den Lombardiër Uriel Venozza ontboden, om Haar daaraan te helpen.quot;
„Wel! moeten Wij ons niet tot lieden van zijne soort wenden, als uwe rijke Hollandsche Steden 't Ons weigeren?quot; vroeg de Koning: „of kent gij misschien het geheim, krijg te voeren zonder geld?quot;
„De man,quot; hernam Boel, „is nogal niet de ergste onder de lieden van zijn soort; en toch zou ik Uwe Hoogheid beklagen, indien Zij zich van hem afhankelijk maakte. Het geld kan ook te duur gekocht worden.quot;
„Wij zien niet in,quot; zei Maximiliaan, met eenigen wrevel in zijn toon, „wat de bijzondere schikkingen, die Wij met dezen of genen geldschieter zouden willen treffen, een derde kunnen aangaan.quot;
„Uwe Hoogheid vergeve mij,quot; hernam Boel, zonder zich van zijn stuk te laten brengen: „maar als Haar trouwe dienaar kan ik niet dan met smart zien, dat men Haar het vel over de ooren haalt, en als minnaar van mijn vaderland is mij zulks te smartelijker; want waar de Vorst schulden heeft, zijn het toch de ingezetenen, die ze ten slotte betalen moeten.quot;
„Gij spreekt stout. Schepen Boel!quot; zeide de Koning, met
182
toorn in zijn stem: „de Graaf Van Egmond heeft, het is waar, Ons ten gunstigste over u gesproken en Ons verhaald wat gij gedaan hebt, om de lieden hier in Holland tot eensgezindheid en tot gehoorzaamheid aan Onze bevelen te nopen; doch zoo Wij u daarvoor dankbaar zijn, het geeft u nog geen bevoegdheid, Ons de les te lezen.quot;
„Dit laatste is ook verre van mij,quot; zei Boel, „en ik zal mij nimmer verstouten, iets te doen, wat zoo strijdig ware met den eerbied, dien ik aan Uwe Hoogheid schuldig ben; doch ik moet wel van een feit gewag maken, dat het toeval te mijner kennisse bracht, omdat ik zoo gaarne in den Vorst, die geroepen is, om aan het hoofd te staan en onze belangen te verdedigen, het voorwerp van aller eerbied en liefde zien zou. Het is meer dan tijd, dat de wonden, die door inwendige verdeeldheid meer nog dan door buitenlandschen krijg aan de volkswelvaart zijn toegebracht, eindelijk geheeld worden, en een krachtige hand, als de Uwe, Heer Koning, die eenheid brenge in 't bestuur, waardoor alleen handel, landbouw, nijverheid, die hoofdbronnen van ons vermogen, kunnen bloeien. Uwe Hoogheid en niemand anders kan het uitzicht op zulk een toestand verwezenlijken: doch indien Zij Hare zorg aan onze belangen wijden zal, dan moet Zij door geen eigen zorgen gekweld worden en vooral bevrijd zijn van lastige verplichtingen en vernederende banden.quot;
„Gij hebt goed spreken,quot; zei Maximiliaan; „maar zoo Wij Onze toevlucht nemen moeten tot woekeraars en Lombardiërs, wie is daar oorzaak van, dan uwe Steden, die Ons in den nood laten. Voorwaar, uit wiens mond Wij een verwijt zouden verwacht hebben als hetgeen gij Ons doet, zeker niet uit dien van een Amsterdammer. Ga heen, gij, die een man van invloed zijt onder de uwen, beweeg hen. Ons de gelden te verschaffen, die Wij behoeven, en kom Ons dan uwe sermoenen houden over het ongepaste, om met woekeraars te handelen.quot;
„Ik ben eenige maanden afwezig geweest,quot; zeide Boel, „en daar door wellicht niet genoeg op de hoogte. Maar zoo ik mij niet geheel bedrieg, dan waren onze afgevaardigden gemach-
183
tigd, aan Uwe Hoogheid de zestig duizend gulden, die zij noodig had, te leenen, en haperde het alleen aan het onderpand voor de teruggave dier som.quot;
„Uwe Stad,quot; zei Maximiliaan, „heeft vroeger reeds zoovele gronden in onderpand bekomen, als waarover Wij beschikken konden zonder de belangen van Onzen zoon tekort te doen; en wanneer Wij toch bezwarende voorwaarden sluiten moeten, dan is het Ons vrij onverschillig of degeen, die ze Ons oplegt, Uriël heet of Amsterdam.quot;
„Ik geloof,quot; hervatte Boel, „dat de bezwaren, die zich voordeden, thans uit den weg geruimd kunnen worden. Ik heb zooeven met onze afgevaardigden gesproken, en Uwe Hoogheid kan over de gevraagde som beschikken.quot;
„En de voorwaarden?quot; vroeg de Koning haastig.
„Wij staan niet meer op eenig onderpand,quot; antwoordde Boel: „Uwe Hoogheid heeft andere middelen in overvloed, om aan Amsterdam den dienst, dien het Haar bewijst, te vergelden.quot;
„Wij verstaan u,quot; zei de Koning, niet zonder eenige bitterheid in zijn toon: „zeker bedoelt gij den vrijdom van dezen of genen tol of accijns, waardoor aan de Stad de schade, die zij lijdt, dubbel vergoed wordt, en onze geldmiddelen aan de eene zijde verliezen wat zij aan de andere winnen.quot;
„Uwe Hoogheid kan, zonder zich een penning te kort te doen, datgene schenken wat Amsterdam in de oogen der buitenlanders verheft en daardoor den bloei der Stad bevorderen moet.quot;
„En dat is?quot;
„Ben ik het, die Uwe Hoogheid hier een middel aan de hand moet doen?quot; vroeg Boel.
„Voorwaar! Wij gelooven van ja,quot; antwoordde de Koning, wiens gelaat op eens verhelderd was: „die plotselinge omkeer in de stemming uwer afgevaardigden heeft niet zonder uw toedoen plaats gehad — neen, man, ontken het niet, uwe welsprekendheid — of mogelijk wel uwe mildheid — heeft de schaal te mijnen voordeele doen overslaan. Nu! zeg op: waarmede kunnen Wij de Stad gerieven?quot;
184
„Onze Stad bestaat alleen door den handel, dien zij drijft,quot; antwoordde Boel: „en het is daarom van gewicht voor haar, dat in elke haven, waar zich schepen vertoonen, zij terstond, aan het wapen, dat zij in top voert, gekend worde als eene dier plaatsen, boven andere door Uwe Hoogheid geliefd en begunstigd. Kroon haar met eere, en de wereld zal ontzag en eerbied voor haar koesteren.quot;
„Wij gelooven u verstaan te hebben — en wanneer kunnen Wij de gelden bekomen?quot;
Boel antwoordde niet, maar haalde uit de tasch, die aan zijn zijde hing, een uit robbevel vervaardigde platte doos voor den dag, waarvan hij het deksel deed opspringen.
„Wat is dat?quot; vroeg Maximiliaan, half verblind door den schitterenden glans van het prachtstuk, dat zich voor zijn oogen vertoonde, 't Was een kruis, samengesteld uit juweelen van een zeldzame grootte en pracht.
„Gelooft Uwe Hoogheid,quot; vroeg Boel, „dat de benoodigde gelden hiermede zullen gevonden worden?quot;
„Indien deze steenen echt zijn,quot; zeide Maximiliaan, „is er nauwelijks een vorst in staat, ze te betalen.quot;
„Zoo Uwe Hoogheid daaromtrent naricht verlangt, de man, die zooeven hier was, is nog in de voorzaal en hij, zoo iemand, is in staat ze te schatten.quot;
„Wij zullen hem ontbieden,quot; hernam de Koning, en, terstond op zijn fluitje blazende, gaf hij den op dat geluid verschenen page bevel, den Lombardiër te roepen. Weinige oogenblikken duurde het, of Uriël stond binnen, niet weinig verlegen met zijn houding, en blijkbaar alles behalve gerust over de gevolgen.
„Wat dunkt u van dit sieraad, vriend Uriël ?quot; vroeg Maximiliaan, „en op welken prijs zoudt gij het schatten?quot;
„Als ik Uwe Hoogheid vragen mag,quot; zeide Uriël, te voorzichtig, om zich uit te laten eer hij wist met welke bedoeling zijn oordeel over de juweelen verlangd werd, „heeft Schepen Boel ze aan Uwe Hoogheid te koop aangeboden?quot;
„Mij dunkt,quot; zeide Maximiliaan, „wij zitten hier niet, om
185
op vragen te antwoorden, maar om ze te doen. Gij zijt juwelier: gij weet juweelen te schatten en hebt dus eenvoudig te zeggen, wat deze in den handel waard zijn.quot;
Uriël boog het hoofd, nam zwijgende het kruis uit de doos en bekeek de diamanten van alle zijden: „deze juweelen____quot; stamelde hij toen, terwijl hij beurtelings den Koning en Boel aanzag.
„Nu, deze juweelen?quot; herhaalde de Koning.
„Met verlof van Uwe Hoogheid,quot; „zeide Boel: „de verwondering van dezen man is licht te verklaren. Gij hebt deze diamanten te voren meer gezien, Uriël, is het niet zoo ?quot;
„Of ik ze meer gezien heb?quot; stotterde Uriël.
„Welnu?quot; vroeg de Koning, „wat weet gij er van?quot;
„Bij vader Abraham!quot; riep de juwelier; „het zijn dezelfde, die ik te Dyon aan Hertog Karei heb verkocht, en die in den slag bij Granson zijn verloren gegaan.quot;
„Zoo is het!quot; zei Boel; „en niemand beter dan gij kan er dus de waarde van bepalen.quot;
„Het is onnoodig,quot; riep Maximiliaan: „het diamanten kruis van Hertog Karei stond op de lijst der Bourgondische kroonjuwee-len aangeteekend ter waarde van vijf-en-zeventig duizend gulden.quot;
„Wel!quot; hernam Boel, „dan zult gij, vriend Uriël, er geen bezwaar in vinden op dit kleinood zestig duizend gulden te schieten, die gij morgen nog in goedgerande goudstukken of in baren aan Z. Hoogheid zult voorwegen.quot;
„Zestig duizend gulden!quot; riep Uriël, de handen van verbaasdheid ineenslaande: „waar heeft de arme Uriël ooit zulk eene som bijeen gezien ?quot;
„Hm! dat gezicht kunt gij u nogal gemakkelijk verschaffen,quot; zei Boel; „door zekere ijzeren met koper beslagen kist te openen, die in den gemetselden kelder onder uw achterhuis staat. — In allen gevalle zal het Z. Hoogheid evenals mij onverschillig zijn, waar gij 't geld vandaan haalt, mits het morgen slechts aanwezig zij.quot;
Het gelaat van den juwelier was doodelijk bleek geworden, toen Boel van de ijzeren geldkist gewaagde: „heb medelijden met een arm man, Schepen Boel,quot; zeide hij, de handen
186
vouwende: „wat beduidt, waar die diamanten voor te boek staan op die lijst, daar Z. Hoogheid van spreekt? — het perkament is geduldig: — en wat wil ik er mee doen? Zij zijn toch onverkoopbaar heden ten dage.quot;
„Gij weet zoogoed als ik, dat de waarde der juweelen stijgende is,quot; zei Boel, „en dat deze op de bedoelde lijst eer te laag dan te hoog zijn aangeschreven. Doch 't is ook niet, om ze te verkoopen, dat ze u gegeven zullen worden: 't is in pand voor de /quot;60,000 die Z. Hoogheid u de eer aandoet van u aan te nemen, en dat pand zal ik binnen zes maanden lossen, zoo Z. Hoogheid dit niet verlangt te doen. Gij kent mij, Uriel, en gij weet, dat mijn woord zoogoed is als geld.quot;
„Maar wat voordeel zal de arme juwelier hebben, als hij die /quot;60,000 — bewaar ons wat eene som! — aan Z. Hoogheid leent?quot;
„Ziedaar van die bijzonderheden, waarin het ongepast ware in tegenwoordigheid van Z. Hoogheid te treden. Kom straks aan mijn logement en wij zullen de zaak naar behooren regelen. Het groote punt, waar 't op aankomt, is, dat het geld er binnen drie dagen wezen moet. Ik meen althans,quot; voegde hij er bij, den Koning vragend aanziende, „dat de bevelen van Uwe Hoogheid zoo luiden.quot;
„Voorzeker, voorzeker,quot; zei Maximiliaan, wien het gesprek tusschen die beiden niet weinig vermaakt had; „Wij schenken u oorlof, Uriel, en stellen onze belangen geheel in handen van onzen getrouwen vriend. Schepen Boel. — En nu,quot; vervolgde hij, toen de juwelier zich verwijderd had, „kom eens oprecht voor de waarheid uit, vriend Boel: hoe is het, dat dit besluit van Amsterdam, om Ons met geld te ondersteunen. Ons door u wordt gedaan en niet door de afgevaardigden ter dagvaart?quot;
„Uwe Hoogheid beseft,quot; antwoordde Boel, terwijl hij zich op de lippen beet, „hoe onaangenaam het is, heden een andere taal te moeten spreken dan men gisteren gedaan heeft. Ik kon in dezen niet, gelijk mijn ambtgenooten, beschuldigd worden mij zeiven niet gelijk te blijven.quot;
„Wij zouden willen wedden,quot; hernam Maximiliaan, die zeer
187
goed inzag, hoe het gegeven antwoord niet meer dan eene uitvlucht was, „dat na Ons, niemand meer verwonderd zal wezen over de boodschap, die gij Ons brengt, dan uwe afgevaardigden. Doch, dat is eene zaak tusschen u en hen, en die Ons niet aangaat. Wij, wat Ons betreft, willen als vertegenwoordiger van Amsterdam hem het liefst erkennen, die Ons een goede tijding brengt. En, om u daarvan 't bewijs te geven, wees zoogoed. Ons te volgen.quot;
Onder deze woorden rees hij op, en het vertrek verlatende, ging hij Boel voor naar de zaal, waar de Edellieden, zoo straks door ons genoemd, nog bij elkander waren.
„Heer Kanselier,quot; zeide hij tegen Carondelet, „zorg een open brief te doen opmaken, waarbij wij, uit aanmerking der groote goedwilligheid en getrouwheid, en der menigvuldige diensten, Ons en den voorvaderen van onzen zoon Hertog Filips tot diverse stonden gedaan en bewezen, door onze goede stad Amsterdam en hare ingezetenen, als bijzonderlijk die zij ons ook heden doen in den bestaanden nood, en dat eene stad, wier poorters en ingezetenen dagelijks met hunne goederen in vele en vreemde landen converseeren, niet gesierd is met zulk wapen als zij wel behoorde te hebben — en om redenen ons daartoe verder aansporende, haar vergunnen, haar wapen voortaan ten eeuwigen dage te bekleeden met de kroon van ons Rijk.quot;
„God zegene Uw Hoogheid!quot; riep Boel, zich met een blij gelaat op de knie nederlatende.
„Stil!quot; viel de Koning in: „gij ligt daar juist in de ver-eischte houding. Uw degen, Mijnheer Van Boschhuizen!quot; — en, met het ontbloote wapentuig, dat hem de Baljuw overhandigd had, den schouder van Boel driewerf aanrakende: „Sta op,quot; vervolgde hij, „Heer Andries Boel. — Mijnheer Van Brederode, Ridder Andries Boel mag voortaan steeds onaangemeld bij Ons worden toegelaten.quot;
Het privilege, waarbij aan Amsterdam de kroon op zijn wapen geschonken werd, werd den Ié*1611 Februari bij open brief van Schiedam afgekondigd: en tegelijkertijd aan Andries Boel, die,
188
gelijk Maximiliaan terecht gegist had, de eer der stad had opgehouden, door de som, waarmede deze den Koning heette bij te staan, uit eigen middelen te verschaffen, een gouden keten, als zinnebeeld zijner ridderlijke waardigheid, door den Vorst gezonden.
Ook de Stad erkende dankbaar 's mans verdienste te haren opzichte. Zij droeg hem, acht jaar later, toen hij niet langer, gelijk vroeger, telkens maanden achtereen voor zijn zaken behoefde afwezig te zijn, maar het reizen aan zijn schoonzoon en deelgenoot kon overdoen, het Burgemeesterschap op, dat hij later nog niet minder dan veertienmalen bekleedde.
En mochten er nu onder onze lezers zijn, die van oordeel zijn dat Amsterdam (of liever Andries Boel) al zeer duur betaalde wat in hunne oogen misschien niet veel meer dan eene ijdele eer schijnt, die aan de Stad bewezen werd, dan verzoeken wy de zoodanigen, 1°. zich te herinneren, dat in de eeuw, waarin de door ons verhaalde gebeurtenissen plaats hadden, er een zaak was, die hooger geacht werd dan het geld, te weten eer en eereblijken, en dat de gift van Maximiliaan Amsterdam, ofschoon maar de vijfde in rang onder de Hollandsche Steden, opeens in eere boven hare Zustersteden verhief: — en, ten andere, te bedenken, hoe, ook nog in onze dagen, zoo door genootschappen als door particulieren er prijs op gesteld, ja er getwist wordt, om den titel van „koninklijkquot; te voeren. Acht men dien titel, of een wapenbord voor de deur, ook in onze zoo 't heet verlichte eeuw, eene aanbeveling, die voordeel aan kan brengen, hoeveel te meer mocht men van een gunst, als die aan Amsterdam verleend was, een dergelijke uitwerking hopen, in dagen, toen men nog geen dagblad-aankondigingen of andere aandachtwekkende middelen bezat. En zonder hier te veel op het post hoe, ergo propter hoc te willen doorredeneeren, zoo durven wij echter beweren, dat die kroon boven 't wapen den bloei en luister van Amsterdam in die dagen niet weinig bevorderd heeft. — Het gezicht daarvan boezemde den poorters een gevoel van
189
eigenwaarde in, dat hen aanspoorde, zich meer dan gewone kramers en kooplieden te betoonen, en zich te gedragen als waardige en wakkere zonen eener koninklijke (later keizerlijke) stad, en den vreemdeling boezemde het ontzag en eerbied in voor het zoozeer bevoorrechte, zoo blijkbaar onder vorstelijke bescherming staande Amsterdam. — 't Zou waarlijk zoo verkeerd niet zijn, al rees ook nu nog van tijd tot tijd een dergelijk gevoel op bi] hen, die over de Keizersgracht gaande, de oogen naar den top van den Westertoren slaan.
AANTEEKENING.
Van het verheffen van Andries Boel Dirksz. tot de ridderlijke waardigheid, zelfs van den dienst, door hem aan Maximiliaan bewezen, vinden wij bij de geschiedschrijvers niets geboekt; vermoedelijk heeft de omstandigheid, dat hij geen mannelijk oir heeft nagelaten, en zijne ridderschap alzoo met hem ten grave is gedaald, hen daarvan onkundig gelaten. Gelukkig echter zijn beide bijzonderheden aan de vergetelheid ontrukt geworden door den man, wiens onsterfelijke werken maar te zelden geraadpleegd worden door den geschiedvorscher, aan wien zij echter zoo menig belangrijk feit leveren, dat hij alleen daar kan vinden. Vondel, zoo uitmuntend vertrouwd met de kroniek van Amsterdam, was tevens bevriend, althans bekend met schier al de leden der geslachten, die aldaar, 't zij voor, 't zij na het „geus wordenquot; der Stad, in de Kegeering gezeten hadden, en die bijna allen in Andries Boel, door diens dochters, hun gemeenschappelijken stamvader erkenden. Vooral was dit het geval met de Bickers en de Graeven; en bij dezen was veel van wat den doorluchtigen Amsterdammer betrof, 't zij door hunne familiepapieren, 't zij door de overlevering, bewaard gebleven. Van de bijzonderheden, aan Vondel door zijn omgang met hen bekend geworden, trok onze dichter dan ook herhaaldelijk partij, en wel de eerste reis in zijn prachtig gedicht op de „Inwijdinge van 't Stadhuis t'Amsterdam,quot; ') alwaar hij de Nieuwe of St.-Katrijne Kerk beschrijvende, en van de aldaar aanwezige vensterglazen sprekende, zich vs. 385 volgg. aldus uitdrukt:
') Zie mijn uitg. van Vondel Deel VI, blz. 071.
190
Graef Willem, tot den stoel des lants, van Godt geschapen, Beschenckt in 't Noorder glas, met haer doorluchtigh wapen,
Dees Stadt, waerover hij, als wettigh Graef regeert,
Waerna Maximiliaen, Roomsch koning, hoogh geëert,
Haer wapenkruisschilt kroont, met diamanten straelen,
En parlen van zijn kroone, om eeuwighlijck te praelen,
Als met een danckbaer merck van zijne majesteit,
Voor Ridder Boelens gout en 's helts grootdaedigheit,
Ten dienst van zijnen Heer, voor ieders oogh, gebleecken.
Een eer, die blijft en duurt, als 't brosse glas zal breecken.
Nog nader dringt Vondel op het gebeurde aan in zijn gedicht „Op de quot;Wapenkroon van Amsterdam,quot; ') toegezongen aan den Burgemeester Cornelis De Graef.
Indien men uwen grijsen stam,
Ter heerschappij des lants geschapen.
En die 's lants vrijburgh Amsterdam Gekroont heeft met de kroon van 't wapen.
Den lauwer schonck, die niet verdort.
Noch schoot de danckbaerheit te kort.
Had Andries niet Stadts eer bewaert.
En 's Keizers glori trou verdaedight,
August had met zijn edel zwaert Den Ridder spader begenadigt,
Wiens miltheit Oostenrijck behaeght,
Daer Amstels schilt de kroon af draeght.
De goude keten om den hals,
't Geweer den Helt op zij gehangen,
In zooveel juichens en geschals Der Stede, daer hij wiert ontfangen.
Op 's Keizers hoftrompet en faem.
Verheft al d'afkomst in dien naem.
Evenzeer wordt Ridder Boelens aan diens naneven Cornelis Boelens, Andries De Graef, en Elizabeth Bicker herinnerd in de bijschriften, door Vondel in 1658 op hen vervaardigd 1) aan Cornelis De Graef in het hem opgedragen „Parma's loof,quot; 2) en aan Jacoba Bicker, in het navolgende hoogst belangrijke klinkdicht „Over den oorsprong van het geslacht der Bickers.quot; 3)
S) Aid. Deel VII, 112, 118.
) Aid. Deel VIII, 134.
■•j Aid. Deel IX, 618, 619.
191
Heer Roemer Arent van den Anxter zagh men treeden
Als Burgemeester, voor drie eeuwen, ruim gestelt, Om 's Burgemeesters stoel op 't out Stadthuis te kleeden.
Hij voerd' een rooden balck met eere in 't goude velt. De parckementen zelfs getuigen van dit zegel,
Gelijck de witte balck aan Hendrick quot;Willemsz Boel In 't groene velt getuight, hoe hij der vadren regel
En 't recht des Schependoms bewaerde op Amstels Stoel. Zoo bloeide 't out geslacht van Bicker, niet vergeten Van zwaert- en spilzij, lang eer Keizer Maxmiljaen Heer Andries Boel beschonck met eene gouden keten,
Om 't gout hem milt vereert door zulck een onderdaen, Waerdoor do schiltkroon op Stads wapen quam te brommen.
Aldus rust Bickers huis op zulcke twee kolommen.
Wel bewijzen al de vermelde gedichten, hoe nauwkeurig Vondel met de bijzonderheden, Andries Boel betreffende, bekend was. Zelfs wat mij schijnbaar eerst zijnerzijds eene vergissing toescheen, is later mij een nieuwe waarborg voor zijne zaakkennis geweest. In de glazen der Oude kerk toch komen drie wapens van Boelensen voor, alle drie verschillende van hetgeen Vondel opgeeft, en ik meende al, dat hij 't abuis had gehad, toen ik een geslachtsregister in folio onder 't oog kreeg (thans behoorende aan 't Oudheidkundig Genootschap te Amsterdam), aan 't hoofd waarvan prijken Cornelis Hendriksz. Loen en Elizabeth Boel (de dochter van Andries). Het wapen van deze laatste (sinopel met een zilveren faas, gelijk Vondel het beschrijft) werd, met den naam van Boelens, door sommige hunner afstammelingen gekwartileerd met een ander gedragen, terwijl sommige weer by den naam van Boelens het wapen van Loen behielden.
quot;Waar nu bestendig door Vondel, gedurende een reeks van jaren, en in een reeks van verzen, ten aanhoore van lieden, die 't weten konden en voor wie hij niet met onbeschaamde logens voor den dag zou gekomen zijn, de feiten worden opgegeven, die tot grondslag voor mijn verhaal gestrekt hebben, daar moeten al heel sterke gronden worden bijgebracht, om de echtheid dier feiten in twijfel te doen trekken.
Wanneer wij te Amsterdam op de Heerengracht vóór het huis staan, dat den hoek vormt met de Leidschegracht (levendige zijde), zien wij aldaar op een gevelsteen vier mannen afgebeeld, die helmen op 't hoofd, ronde schilden aan den arm en pieken in de hand hebben, en achter elkander op 't zelfde paard zitten : terwijl daaronder staat: de vier Heemskinderen.
Het is in den kelder onder dat huis, dat zich, in 't laatst der vorige eeuw, de welbeklante tabakswinkel bevond, gedreven door George Hendrik De Wilde. Wij verplaatsen ons in den geest voor dien winkel en naar Maandag den lO3011 September van het jaar 1787.
1787! De lezer weet, welke merkwaardige bladzijde dat jaar beslaat in de kronieken van ons vaderland, hoe droevig het er toen bij ons uitzag ten gevolge der verdeeldheid, tusschen de zonen van datzelfde vaderland ontstaan, hoe verschil van meening straks tot verwijdering, tot tweespalt, tot wrok, tot bitteren haat had aanleiding gegeven, welke betreurenswaardige tooneelen hieruit ontstaan waren, ja, hoe op meer dan eene plaats burgerbloed gestort was door medeburgers handen.
Dit alles, zeggen wij, weet de lezer, en voor hem behoeft alzoo ons tafereel geen inleiding, anders dan die hem de voorstelling zelve leveren zal; — voor wie met de gebeurtenissen van die dagen geheel onbekend is, schrijven wij niet, en ons
193
zou dan ook hier de ruimte ontbreken, om hem de aanleiding dier troebelen, hunne opkomst, hunne barning en hunne gevolgen zoo te schetsen, dat hij behoorlijk op de hoogte gebracht werd. Liever laten wij dus terstond onze personages handelen en spreken, en wenden wij het oog op den vijftigjarigen, vierkant gebouwden burgerman, op wiens vrij rood en opgezet gelaat zich eene uitdrukking van goedhartigheid en tevens van spoedig ontvlambare drift vertoont, en die daar, in zijn licht blauwen rok met knoopen van 't zelfde, ouder-wetsche korte broek en grijze kousen, schoenen met groote zilveren gespen, en met een effen driekanten hoed op 't onge-poederd touwen pruikje, den winkel uit komt treden.
Hij was daarbinnen geweest in de verwachting van er den tabakshandelaar te zullen aantreffen; doch die was er niet, en hij had alleen den zestienjarigen zoon van De Wilde gesproken, die, met een ouden knecht, de toonbank in 's vaders afwezigheid waarnam. Op hetgeen hij van dezen vernomen had, kuierde hij nu eenige huizen verder, schelde daar bij De quot;Wilde aan diens woning aan, werd binnengelaten en was spoedig de kamer ingetreden, waar de vrouw des huizes, van haar zelve Engelina Schroeder genaamd, aan hare werktafel gezeten was, bezig aan 't herstellen van een sluier, die over haren schoot hing.
„Heden, Piet, ben jij 't?quot; riep zij op een toon van blijde verrassing, terwijl zij, oprijzende, den binnenkomende hand en mond toestak.
„Zooals je ziet. Zuster,quot; antwoordde degeen, dien zij Piet noemde en die dan ook Pieter Schroeder heette, terwijl hij haar kuste dat het klapte: „ik zelf in eigen persoon. Hoe staat het leven ? — Allen wel ? — Hein heb ik reeds gesproken: — je man was niet aan den winkel.... is hij thuis ? — En hoe maken 't de anderen?quot;
„Neen,quot; antwoordde zij ; „George is uit en de andere kinderen zijn alle vier op school; je blijft toch eten, hoop ik?quot;
„Zoo! is hij uit?quot; hernam Schroeder: „nu! ik begrijp 't;quot; voegde hij er bij, op een toon, waar eenige spotternij in gelegen
II. — Nov. 13
194
scheen; „hij heeft het ongetwijfeld druk; — maar neen, Zuster, eten blijf ik niet: ik moet noodzakelijk nog lieden spreken vóór de Beurs, en dan met de schuit van vieren weer naar Naarden, waar mijn fourgon staat.quot;
„Maar zul je dan niets gebruiken? je kunt toch den heelen dag niet zonder eten blijven.quot;
„Ei wat! — ik heb onderweg al een paar broodjes met vleesch gegeten en zal bij Lokhorst wel een paar koteletten vinden. Bekommer u daar niet over.quot;
„Nu! als 't zoo moet. . . . maar 't spijt mij wel,quot; hernam Juffrouw De Wilde, die inmiddels een likeur stelletje met een paar trommeltjes op tafel gezet, eene pijp gekregen en het kistje met puik Varinas naar Schroeder had toegeschoven: „en zeg mij,quot; vervolgde zij, „hoe maakt men het te Amersfoort? Is Klaar wel, en de kinderen ook?quot;
„Klaar is heel wel,quot; antwoordde Schroeder, terwijl hij ging zitten en zijn pijp stopte, „en de kinderen ook. Voor de rest, bij ons gaat het best, en wij hebben ten minste gezorgd, dat het te Amersfoort niet ging als overal elders, waar booi baas is, nu de Keezen al de ordentelijke lui uit ambt en bediening hebben geknikkerd .... maar dat 's waar ook, jou man is mede een van die kliek, en, voor den drommel! 't ziet er hier ook uit of. . . .quot; en, zonder zijn volzin ten einde te brengen, stond hij op en keerde achtereenvolgens al de platen om, die aan den wand hingen, en de portretten vertoonden van Cappellen tot de Pol, Vader Hooft, De Gijzelaar en den kolonel Van Goudoever, benevens de fraai bewerkte voorstelling van de oefening van het Genootschap tot den wapenhandel in de Nieuwe Kerk en van de uitreiking van het vaandel aan het Genootschap.
„Ziezoo!quot; zei hij, na 't volbrengen dier verrichting: „het zet mij maar kwaad bloed, wanneer ik die dingen zie: en nu, Zuster, doe mij nog een genoegen?quot;
„Wat dan?quot; vroeg zij, half geërgerd, half lachende.
„Stop, zoolang ik hier ben, die doekspeld weg: keffertjes ontmoet ik genoeg en ik verlang ze hier niet aan te kijken.quot;
195
„Altijd dezelfde,quot; zei Juffrouw De Wilde, terwijl zij aan haars broeders wensch voldeed en de speld, die op haren halsdoek prijkte en met een zilveren keeshond versierd was, aflegde en in haar naaikistje wegborg: „Is 't zoo goed?quot;
„Wel ja; nu kan ik mij weer verbeelden tegenover een ordentelijk mensch te zitten.quot;
„Ja maar. Piet,quot; hernam zij, „als je niet ontsticht wilt wezen, is het dan toch ook niet jou plicht geen ergernis aan anderen te geven? En zou 't zelfs niet voorzichtig zijn, dat je dat blommetje wegbergdet?quot; — En meteen wees zij op eene goudsbloem, die door 't knoopsgat van haren broeder stak.
„'t Is zelfs wonder,quot; vervolgde zij, „dat de jongens op straat je geen molest hebben aangedaan.quot;
„Hm, wat! ze moesten 'reis beginnen! ze zouen zien, dat Pieter Schroeder ook nog handen aan zijn lijf heeft!quot;
„Ja maar, 't zijn de jongens alleen niet. De Eegeering heeft strenge publicaties gemaakt tegen 't dragen van oranje, en je loopt gevaar, dat ze je naar de kortegaard brengen als ze die bloem in 't oog krijgen.quot;
„Je Eegeering! — ja, 't is een mooie Eegeering, die je hebt tegenwoordig: eene Eegeering, die toelaat, dat vrome Eegenten en eerlijke burgers geplunderd worden, en die ordentelijke lieden, als zij zich tegen baldadigheden verzetten, in de kast zet of ophangt.... heb je geen bitter?quot; vroeg hij, toen zijn zuster hem een glas jenever had ingeschonken.
„Neen,quot; antwoordde zij: „George drinkt nooit bitter.quot;
„Hm! ik begrijp het al: bitter is ook al op den index, evenals de goudsbloemen, en 't moet alles „klaar Vaderlandschquot; wezen. Waarachtig, de lui worden stapelgek tegenwoordig. — Maar patiëntie! 't eindje zal den last dragen, en nu vooral, nu die vlegels zich verstout hebben, de Prinses aan te houden. Of denken zij, dat de Koning van Pruisen het als zoetekoek zal opnemen, dat men zijn zuster op zoo'n manier behandelt?quot;
,,0! de Koning van Pruisen weet wel, hoe Frankrijk nooit zou toelaten, dat ons een haar gedeerd werd.quot;
„Frankrijk? — Ja, de groetenis. Als je daarop rekent. . . .!
196
De Franschen hebben indertijd bij Rosbach klop genoeg gehad, en die zullen wel geen trek hebben, er zich weer aan te wagen.quot;
„Nu! de Pruisen weten in allen geval, dat wij ook gewapend zijn.quot;
„Ja wel! die vliegende legertjes, die met 's lands geld betaald worden en die er zich best op verstaan, om plundertochten bij de boeren te doen! en die wafelruiters hier van 't Koningsplein — en die helden van Salm — allemaal een mooi troepje! Ik heb ze laatst, dat ik voor mijn zaken te Utrecht was, zien uittrekken met 'r vierhonderden, om Soest-dijk bij donkeren nacht te gaan plunderen, niet meer of minder dan een rooversbende. Wat hebben zij uitgericht? Zij zijn voor 't hek gekomen en hebben een braven schildwacht doodgeschoten, die zijn snaphaan had losgebrand, om alarm te geven; — en wat is er toen gebeurd? Zij hadden er niet op gerekend, dat men weerom zou schieten, en toen die handvol Hessen hen met kogels begroette, zijn ze als hazen op den loop gegaan. Acht wagens hadden zij meegenomen, om er den buit in te bergen; en wat hebben ze er in teruggebracht? louter gekwetsten ; terwijl de schrik er zoo in zat, dat ze tot Hilversum en 's-Gravenland toe zijn gevlucht, de een hier-, de ander daarheen. — Ja, 't is me een volkje! Echte ganzen, die 't blazen verstaan, maar voor hun bijten hoeft niemand bang te wezen. — Maar van wat anders — is het waar, dat je man het tegenwoordig zoo druk heeft met zijn schutterszaken, dat hij zich met zijn winkel niet meer bemoeien kan?quot;
„Dat is overdreven,quot; antwoordde Juffrouw De Wilde, op eenigszins gedwongen toon, en met eene uitdrukking, die haren broeder niet ontging: „druk heeft hij het met de Schutterij, dat is waar.quot;
„Zoo? En denkt hij, dat hij daarmee zijn vrouw en kinderen zal bevoordeelen? Wat drommel! 't is of iedereen mal wordt tegenwoordig. Wat gaat hem de politiek aan? Laat hij bij zijn tabak blijven, zooals ik doe — hij bij de Amerikaansche, en ik bij de Amersfoortsche — dan doet hij vrij wat wijzer!quot;
197
De vrouw des huizes antwoordde niet, en dat was het verstandigste wat zij doen kon. Immers te loochenen viel het niet, dat er in de opmerking, die haar broeder deed, veel waars gelegen was, en reeds meermalen had zij zich zelve afgevraagd, of niet De Wilde beter had gedaan, wat minder de zaken van land en stad en wat meer zijne eigene te behartigen; doch van een anderen kant had zij haar man te lief en was zij te veel aan hem gehecht, om, 't geen zij zeker in stilte denken mocht, uit den mond eens derden te hooren, zelfs niet ofschoon die derde haar broeder was. Het ü me plait d'etre battue van Martine zal ten allen tijde tegenover anderen de leus der getrouwde vrouwen blijven. Toch, bepaald weerspreken kon zij Schroeders woorden niet en zoo nam deze dan ook haar stilzwijgen als een bekentenis op.
„Ja,quot; zei hij, „'t is zooals ik dacht: en je kunt niet ontkennen, dat de zaken achteruitgaan.quot;
„Daar weet ik niets van,quot; hernam zijn zuster: „en dat heb ik ook niet gezegd. Ik bemoei mij nooit met hetgeen kantoor en winkel betreft. Maar in allen geval moet je bedenken, Piet, dat in buitengewone tijden, als die wij beleven, lieden van bekwaamheid niet terug mogen blijven waar het algemeen belang zulks vordert.quot;
„Lieden van bekwaamheid!quot; herhaalde Schroeder, schamper lachende: „knap in zijn vak, ja, daar heb ik hem altijd voor gekend, maar is hij daarom nu ook bekwaam in militaire zaken? Waar drommel heeft hij daar de wijsheid in opgedaan?quot;
„Dat weet ik niet; maar dat hij er knap in moet zijn, dat blijkt uit de stukken; immers anders hadden zij hem niet van kapitein tot luitenant-kolonel bevorderd, en dan zou de Heer Van Goudoever niet al wat het bataljon betreft aan hem overlaten, en dan zou 't niet gebeuren, dat er op den Doelen niets gedaan of besloten wordt van eenig belang, of hij wordt er in gekend.quot;
„Op welken Doelen?quot;
„Wel op den Garnalen Doelen, daar het Comité van defensie zit.quot;
198
„Nu! ik mag het lijden. Je man mag een Coehoorn wezen of een Groote Frits. Waar 't hem aangewaaid is, weet ik niet; maar dat hebben wij niet te onderzoeken, 't Soldaatje-spelen is tegenwoordig een ziekte hier in 't land. Brr! allemaal helden!— in den mond namelijk. Snoeven, ja! daar verstaan zij zich op: als men ze hoort spreken, is 't, of elk van hen een half dozijn Pruisen bij zijn ontbijt zou opsnoepen ') en wat hebben zij tot nog toe uitgericht? Zich mooie vlaggen laten uitreiken, door mooie juffrouwen geborduurd en daarbij aanspraken houden vol hoogdravende nonsens; — naar de stadhuizen trekken en hunne Regenten gewelddadig afzetten, om de vrindjes op 't kussen te plaatsen; de dorpen afloopen,
1) Een onder de honderd staaltjes lezen wij in H Vervolg op Wagenaar, Dee XV blz. 125, waar 't wordt aangehaald als „den toon aanslaande, die toen het geheele land doorklonk:
Aldus herleeft de roemrijke Eeuw Der eerst onwinbre Batavieren.
O Holland! pronkt uw grijze Leeuw Niet schoon met Burgerkrijgsbanieren?
Zie hier 't oud Belgisch oorlogsveld!
Zie hier Civilis zoons campeeren Om op 't verraaderlijk geweld.
Gelijk van ouds, te triumpheeren.
Ruk aan, Landsaterling, *) ruk aan,
Kom met uw stugge Oranjebenden:
Beproef hoe burgerdrommen slaan En Beulen f) na den afgrond zenden.
Of wagt ge eerst vreemde Soudeniers?
O Laffe! steunt ge op hulpvermogen?
't Is wel: de moed des Bataviers Ziet ook dien Vyand onder de oogen,
Vermeetle! sidder daar ge ons dreigt,
Nu Mappa's Vaanen zich vereenen.
Weet dat de dag ten avond neigt,
quot;Waarop uw zon heeft uitgescheenen!
*) Dat aan 't adres van den goeden Willem Y.
t) Wat die Beulen eigenlijk gedaan hadden, meldt de Geschiedenis niet. §) Die Mappa is dus de Civilis redivivus.
199
om er de wapens op te halen bij andersdenkenden, en eerzame lieden mishandelen, daar verstaan zij zich op. Maar laat eenmaal de Pruis in 't land komen, en je zult zien, hoe ze zullen wegsmelten, als sneeuw voor de zon.quot;
„Ja,quot; zei Juffrouw De Wilde: „van die vliegende legertjes weet ik niet af; maar je zult toch de schutterij daar niet mee verwarren, die vanouds bestaan heeft en altijd, zeit George althans, in eere is gehouden.quot;
„De Schutterij! een fijne boel, je schutterij, waar de schutters hunne eigen officieren afzetten en er andere voor in de plaats benoemen: je Schutterij, die de wet stelt aan de verordineerde machten en die het bedaard toelaat, dat men bij zijn overheden den boel wegplundert.quot;
„Zeg dat niet van George!quot; riep zijn zuster: „die heeft met zijn manschappen het huis van Burgemeester Dedel tegen de plunderaars beveiligd.quot;
„Heeft hij? Nu! dat 's braaf van hem; maar nog beter had hij gedaan, hij en zijn medeschutters, indien zij niet, door zich tegen de Regeering te verzetten, het slechte voorbeeld hadden gegeven aan 't kanalje, dat nu op zijn beurt ook niemand meer ontziet en alles geoorloofd acht. Maar, geloof mij. Engeltjelief! het zal niet altijd zoo duren, en de tijd zal komen, dat zij, die zich zoo voorop gezet hebben, het zich zullen beklagen. En daarom, wat ik je voornamelijk zeggen wou, is____quot;
Hier werd hij in zijn rede gestoord: de deur ging open en de man des huizes trad binnen.
Wij achten het minder noodig, eene beschrijving te geven van het uiterlijke voorkomen van De Wilde; daar al wie zijn gelaat wil kennen, het te zien kan krijgen, zooals hij in plaat voorkomt in het Vervolg op Wagenaars Vadeiiandsche Geschiedenis, Deel XVII, blz. 216, en op den penning, afgebeeld in het vervolg van Van Loons Penningwerk, achter het Negende Stuk, — een flink kloek gebouwd man van bijna vijftig jaren wiens oogen moedige fierheid, en vastberadenheid uitdrukken.
Thans echter scheen over dat oog een wolk van somberheid te zweven, en het voorhoofd was gefronst, als dat van iemand,
200
die zich, door welke oorzaak dan ook, op onaangename wijze voelt aangedaan. Die uitdrukking van wrevel verdween niet, maar werd integendeel nog donkerder, toen hij den bezoeker bespeurde. Hij vermande zich echter, trad naar hem toe en bood hem de hand aan.
„Zoo, Piet!quot; zeide hij: „daar doe je wel aan, datje ons eens komt bezoeken. Je blijft bij ons eten, nietwaar?quot;
„Dat heb ik hem ook al gevraagd,quot; zei juffrouw De Wilde: „maar hij wil niet.quot;
„Ik had het gaarne gedaan,quot; voegde Schroeder er bij: „doch ik ben wat gepresseerd.quot;
„'t Is jammer!quot; hernam De Wilde: „als je vandaag bleef____quot;
en, zich zeiven in de rede vallende, vervolgde hij, tegen zijn vrouw: „wat ik zeggen wilde. Engeltje! wij gaan van avond naar de komedie; ik heb drie plaatsen laten halen, voor ons en voor Hendrik.quot;
„Naar de komedie!quot; herhaalde Engelina, eenigszins verbaasd opziende, en blijkbaar alles behalve gesticht door die mede-deeling: „en dat zoo op stel en sprong?quot;
„Ja zie je,quot; zei De Wilde, „'t is vandaag de opening van
't speelseizoen, en----quot; hier viel hij zich wederom in de rede,
doch ditmaal, om zich tot Schroeder te wenden: „'t is jammer dat je niet blijft, dan zou je met ons kunnen gaan.quot;
„Och, ik val niet erg komedieachtig,quot; zei Schroeder: „en wat geeft men van avond ?quot;
„Een fraai stuk, van de Barones Van Lanoy: het beleg van Haarlem.quot;
„Wel! wel!quot; zei Schroeder, meesmuilende: „pas maar op, dat je niet spoedig het beleg van Amsterdam ziet vertoonen.quot;
„Hm! — niet zoo licht! — De Koning van Pruisen zal zich, meen ik, tweemaal bedenken, eer hij zijn volk op ons afstuurt,quot; zeide De Wilde.
„Dat 's nog de vraag,quot; hervatte zijn zwager: „de vertoogen van Thulemeijer bij de Staten waren nogal dringend, en eenmaal a gezegd hebbende, zal hij vrees ik, wel het geheele abc tot 3 doorloopen.quot;
201
„Nu, laat hem komen! Wij zijn best in staat, hem af te wachten.quot;
„'k Mag 't lijden,quot; zeide Schroeder, de schouders ophalende. „Je rekent misschien op hulp van Frankrijk,quot; voegde hij er met een spottend lachje bij.
„Wat doet u aan het verleenen daarvan twijfelen?quot; vroeg De Wilde, hem uitvorschend aanziende.
„Wel, hoe zou ik twijfelen? Heeft Vérac niet honderdmalen de Staten van de vriendschap zijns meesters verzekerd? Is er niet een observatie-korps bij Givet verzameld, dat als de Koning maar blaast, tot 150,000 man kan aangroeien, en, als hij nog eens blaast, in een ommezien over onze grenzen is? Wordt niet te Berst een vloot uitgerust, gereed om uit te zeilen en Engeland in bedwang te houden, voor 't geval, dat het aan Pruisen hulp mocht willen bieden? En wie zou onder zulke omstandigheden nog verlegen kunnen zijn! 't Is waar, de Markies De la Coste heeft Den Haag verlaten, en volgens sommigen staat Vérac gereed, het voorbeeld van zijn schoonzoon te volgen; maar dat behoeft bij niemand onrust te baren; want de eerste is alleen om familiezaken uit, en als de tweede vertrekt, zal 't alleen wezen, om de komst van de armee te bespoedigen. — Maar toch, weet jelui, wat je doen moest, jijlui Patriotten, om eens recht sekuur te gaan? Jelui moest gevolg geven aan dat mooie plan dat ze op die Leidsche Vergadering gevormd hebben, en in plaats van Brantsen, die 't alleen niet rooien kan, en dien jelui toch niet vertrouwt, die vijf en twintig Ambassadeurs naar Parijs sturen, die aan den Koning zullen moeten vertellen hoe de vork hier eigenlijk in den steel zit. Jongens! wat zullen die Franschjes opkijken, als zij zoo'n achtbaar troepje zien! — Zoo'n drietal Dominees, als Stolcker van Schoonhoven, en Van den Bosch van Leiden, en Becot van Eenrum, daar zullen zij wat respect voor hebben! — En of die al geen Fransch spreken, dat 's minder; zij hebben Cerisier met zich, om 't woord te voeren. Alleen is 't te vreezen, dat, als zij bij den Koning worden toegelaten, het hun zal gaan als indertijd de Edelen bij Margaretha, en dat
202
Brienne of een ander, als hij aan Sire vertellen wil, hoe dat nu eigenlijk een bezending van k e e z e n is, 't woord op zijn Fransch uitspreekt, en dan, evenals voorheen Barlaimont aan de Landvoogdes, hem influistert, ce ne sont que des gueux Nu! zoo groot ongelijk zal hij niet hebben.quot;
„Je moogt vrij spotten,quot; zei De Wilde, die 't zeker niet der moeite waardig rekende, zich over de stekelige woorden zijns zwagers driftig te maken: „ik beschouw, wat mij betreft, de zaak van een ernstiger zijde. Maar gesteld, wij werden door Frankrijk aan ons lot overgelaten, zou ons dat nog stof tot moedeloosheid moeten geven? Wij hebben in 1672 in hachelijker omstandigheden verkeerd, toen Frankrijk en Munster ons te land bestookten en Engeland ter zee, en de legers van Lodewijk XIV reeds tot in Holland waren doorgedrongen, en toch hebben wij, met Gods hulp, ons land weten te beschermen.quot;
„Ja! maar toen hadt je geen Salm aan 't hoofd,quot; viel Schroeder in: „maar een Willem van Oranje.quot;
„En,quot; vervolgde De Wilde, zonder den hem toegeworpen handschoen op te nemen: „toen waren wij niet, gelijk thans, op krachtige verdediging voorbereid, Vianen, Gorkum, Haarden, kunnen terstond door inundatiën gedekt worden.quot;
„Mits de rivieren wat beter gelieven te wassen dan ze nu doen,quot; merkte Schroeder aan.
„Bij Loevestein liggen uitleggers,quot; vervolgde De Wilde: „aan 't Zwarte Water hebben wij een kanonneerboot en andere kruisen op de Zuiderzee. Geen plaats waar de vijand in 't land zou kunnen dringen, of zij is met een aanzienlijke krijgsmacht bezet en overal zijn de goed-gezinden gewapend, om het leger te versterken. Van TJitert, ') dat het middelpunt van het aangenomen stelsel van defensie is, kunnen al de operation bestuurd worden; het heeft al de sluizen in zijn macht en stelt den vijand, zoodra deze is binnengerukt, aan die overstroomingen bloot. De Pruisen mogen vrij aanrukken:
') Een Hollander zou in die dagen, ja tot in 1830, evenmin van VlrecM gesproken hebben als dat hij luien voor buiten had gezegd.
203
wij verwachten hen: komen zij al binnen 't land, niet zoo licht zullen zij er weer buiten geraken.
„Nu!quot; hernam Schroeder: „wij zullen zien; doch inmiddels heb ik u een voorstel te doen, waar ik juist met Engeltje over spreken ging, toen je binnenkwaamt. Indien het eens werkelijk zoover komen mocht, dat Amsterdam met een beleg werd bedreigd, zou je dan je vrouw en kinderen niet willen sturen? Bij mij te Amersfoort zouden zij stellig geen gevaar kunnen loopen.quot;
• „Denk je dan, dat ik, als er werkelijk gevaar was, mijn man verlaten zou?quot; vroeg Juffrouw De Wilde; doch toen zij onder het spreken haar man aanzag, bespeurde zij, niet zonder eenige verbazing, hoe hij, wiens kloekheid en verachting van alle gevaar zij kende, geen enkel gebaar maakte, waaruit men zou hebben kunnen opmaken, dat hij het aanbod van Schroeder verwerpelijk achtte; maar dat hij integendeel zwijgend voor zich keek, als nam hij het in ernstig beraad.
„Ik dank u,quot; zei De Wilde, na eenige oogenblikken van stilte, terwijl hij aan Schroeder de hand toestak: „'t is hartelijk en wel van u gemeend, gelijk ik trouwens niets dan hartelijks van u verwachtte, en, mocht ik ooit in het geval komen, uwe hulp noodig te hebben, zoo zal ik ongetwijfeld niet aarzelen, haar in te roepen; voor 't oogenblik echter bestaat er geen billijke reden tot eenige ongerustheid. Doch ik beloof het u, ik zal uw aanbod in mijn gedachten houden. — En nu de politieke zaken eens op zij gezet; verhaal mij liever iets van uw vrouw en kinderen.quot;
Of de vrouw en kinderen werkelijk aan De Wilde zulk een bijzonder belang inboezemden, weten wij niet; in allen geval doen zij 't ons niet, en wij zullen daarom in ons verhaal niets opnemen van wat over hen gezegd en evenmin van wat door het drietal verder verhandeld werd. Het onderhoud duurde ook niet lang meer; Schroeder nam zijn afscheid en de echtgenooten bleven alleen.
„U verlaten!quot; was het eerste, dat Juffrouw De Wilde uitriep, toen de voordeur achter haren broeder was dichtge-
204
slagen: „hoe kon Piet zoo iets van mij verwachten? en hoe is 't mogelijk, dat je zelf zoo iets in beraad neemt?quot;
„Toch zal 't misschien noodig zijn,quot; merkte De Wilde aan.
„Wat?quot; vroeg zijn vrouw, ten toppunt van verbazing: „zou je ooit kunnen begeeren, dat ik hier vandaan ging en je alleen liet! — Maar ik herken je niet. Wat is er toch gebeurd? Je ziet er niet uit als gewoonlijk. Zeker heb je slechte tijdingen.quot;
„Die heb ik,quot; zei De Wilde; „en ik achtte niet noodig, ze mee te deelen aan je broer, die er slechts in groeien zou, en ze toch gauw genoeg zal hooren. Thulemeijer heeft zijn ultimatum bij de Staten ingediend, en wij hebben ons dus nog deze week op het binnenrukken der Pruisische troepen te verwachten.quot;
„Zouden zij waarlijk durven?quot; vroeg Engeltje: „in weerwil dat Frankrijk____quot;
„Dat is het juist,quot; viel De Wilde haar in; „de Pruisen, die men niet verwachtte, zullen komen, en de Franschen, op wier komst men gerekend had, zullen ons in den steek laten. Vérac is gisteren uit Den Haag vertrokken, na genoegzaam te kennen gegeven te hebben, dat men op den bijstand zijns meesters niet moest rekenen.quot;
„Maar dat is een schandaal!quot; riep zijn vrouw: „zijn wij dan geheel aan ons zei ven overgelaten?quot;
„Bijna zeker schijnt het,quot; vervolgde De Wilde, „dat het Pruisische leger marschvaardig staat, en, dewijl in Gelderland de Regeering geheel op de hand is van dat heerschzuchtige wijf en haar dronkenlap van een gemaal, zullen de vijandelijke benden daar onverhinderd doortrekken en in een paar dagen aan de grenzen van het Sticht kunnen zijn. Maar geen zorg! wij zijn bereid ze te ontvangen.quot;
„Maar dan komt er toch werkelijk oorlog!quot; riep Engeltje uit: „en [hoe is 't mogelijk, dat je onder zulke omstandigheden er aan denken kunt, om naar de komedie te gaan? Ik althans heb er na wat je me daar vertelt, niet het minste plezier in.quot;
„'t Is ook niet voor plezier, dat wij er heengaan,quot; ant
205
woordde De Wilde: „waar 't op aankomt is, bij de burgerij een goeden geest te onderhouden. — Straks zal op de Beurs hetgeen ik u mededeelde, en misschien nog wel meer, aan een iegelijk bekend zijn en zich van daar door heel Amsterdam verspreiden. Nu is het de taak van hen, aan wie de verdediging van de stad is opgedragen, aan de menigte een goed gelaat te toonen, en haar de overtuiging te geven, dat wij volstrekt niet beschroomd zijn, maar de toekomst met vertrouwen te gemoet gaan. 't Is daarom, dat de Heer Abbema het denkbeeld heeft geopperd, dat hij en zijne medeleden van 't comité van defensie en voorts zoovele hoofdofficieren van de Schutterij als maar te vinden waren, zich hedenavond met hun families in den schouwburg zouden vertoonen, waar men eene voorstelling geeft, die juist geschikt is, om geestdrift op te wekken en 't volk tot wakkerheid aan te sporen. En nu zie je, waarom wij daarheen zullen gaan.quot;
„Jawel,quot; zei zijn vrouw: „wij gaan er heen, om zeiven comedie te spelen, en om te veinzen, dat wij ontzaglijk veel pret hebben, terwijl wij innerlijk van angst en verdriet gekweld worden.quot;
„Ei kom!quot; zei De Wilde: „ik ben overtuigd, dat, als je eens daar zijt en je hoort de vaderlandlievende taal van Kenau Hasselaar, en je ziet hoe die weerklank vindt bij 't publiek, dat dan je eigen hart zijn kommer vergeten zal en moed zal scheppen en dat je gelaat geen opgeruimdheid zal behoeven te veinzen, maar werkelijk, zoogoed als dat van de anderen, van geestdrift gloeien zal. Geloof mij, het zal je goed doen, de opgewondenheid en den burgerzin van onze Stadgenooten op te merken, en ik wed, dat, als je thuis komt, je geen berouw zult hebben er geweest te zijn. Daarom neem ik Hendrik ook mede, die moet ook leeren voelen dat hij een Amsterdammer is en een oprechte patriot: en daarbij — ik zal misschien vóór 't nastuk weg moeten, om een vergadering op den Doelen bij te wonen: — dan kan hij je thuis brengen.quot;
206
Hoe onrustbarend de geruchten waren, die omtrent den aantocht der Pruisen en het uitblijven van Fransche hulp, werden verspreid, toch was en bleef bij de Patriotten een vast vertrouwen bestaan op het toereikende der maatregelen, in 't werk gesteld tot beveiliging, zoo van de Provincie Holland als van Amsterdam. Te spoedig echter zou men, wat de eerst-gemelde betreft, leeren inzien, hoe weinig ook met de beste middelen van verdediging is aan te vangen, wanneer het faalt aan verdedigers, om er gebruik van te maken.
De tijding, waaraan velen tot dien tijd maar volstrekt geen geloof hadden willen slaan, dat de Pruisen werkelijk reeds op het grondgebied van den Staat gekomen en tot dicht bij Tiel genaderd waren, was op den 15den September — vijf dagen alzoo na het door ons verhaalde gesprek — te 's-G-ra-venhage bij de Staten van Holland door onderscheidene brieven officieel bekend geworden. Onder deze omstandigheden werd door Joan Geelvinck, Heer van Castricum, Baljuw van Amstel-land, een van de twee, die door de bovendrijvende partij, te Amsterdam op den burgemeesterszetel, waar men Dedel en Beels had afgedrongen, was geplaatst geworden, en die nu als afgevaardigde ter Vergadering van Hun Edel Groot Mogenden zitting had, namens zijn lastgevers de vrees geuit, dat Den Haag, als een open plaats zijnde, eerlang geen veilige vergaderplaats voor de Staten te achten ware, en daarom den voorslag gedaan, die vergadering naar het welversterkte Amsterdam te verleggen: een voorslag, waar zich de prinsgezinde Eidderschap en eenige Steden tegen verzetteden, doch waarin de meerderheid bewilligde. Zoodra was het besluit niet gevallen, of Geelvinck had zich met den pensionaris Van Berckel naar Amsterdam begeven, ten einde te zorgen, dat op het Stadhuis alles in gereedheid werd gebracht, om er, op Maandag daaraanvolgende, de bedoelde vergadering te houden.
207
Het was Zondagmiddag even na kerktijd, en de reeds genoemde burgemeester had zich naar 't Stadhuis begeven, om de Eaadkamer in oogenschouw te nemen. Bij hem bevond zich De Wilde, dien hij had ontboden, om met hem te beraadslagen over de plaatsen, die de schutters, staande de samenkomst van Hun Edel Groot Mogenden, als eerewacht op en voor het Stadhuis zouden bezetten.
„Zie eens. De Wilde,quot; zei de Burgemeester, terwijl hij zich de handen met welgevallen wreef, „hier vóór den toegemet-selden schoorsteen zullen onze Afgevaardigden zitten: rechts, de Zuid-Hollandsche Heeren, en links de Noord-Hollandsche, en daar, aan de overzijde, de Ridderschap.quot;
„Die laatste plaatsen zullen niet druk bezet worden,quot; merkte De Wilde lachende aan.
„Des te beter! laten zij wegblijven, die dwarsdrijvers, met wie toch niets is aan te vangen, en die niets liever zouden verlangen, dan ons met gebonden handen over te leveren aan den Prins. — Maar zullen de Heeren hier niet kostelijk zitten, De Wilde? Ja, kijk! het moest eigenlijk altijd zoo zijn, dat de Regeering van de Provincie haar zetel had te Amsterdam, 't is toch Amsterdam, daar het geheele land mee staat of valt, en men is er buiten den invloed van die verderfelijke hoflucht.quot;
„Die is in de laatste maanden toch eenigszins gezuiverd,quot; zei De Wilde.
„Toch nooit geheel. De Wilde, nooit geheel,quot; hernam Geel-vinck; „vooreerst die Ridderschap, en dan al die leveranciers, die van den Prins en zijn hofstoet leven .... neen. De Wilde! wij moeten ze voorgoed hier zien te krijgen, de Staten-vergade-ringen, al moesten wij er een huis expres voor laten bouwen; — want, zie je, dat de Vroedschap op den duur in Burgemeesterskamers zou bijeenkomen, dat ging ook niet. Maar ja, nu over onze eerewacht gesproken! wat dunkt je, als .. .
Hier werd hij gestoord door een der boden, die hem het bericht kwam brengen, dat er een koerier aan de voordeur was afgestapt, die onmiddellijk Zijn Edel Achtbare wenschte te spreken over zaken van 't uiterste gewicht.
208
„Alweer een koerier!quot; zei Geelvinck, op een verdrietigen toon: „'t regent tegenwoordig zoogenaamde koeriers, en dan zijn 't doorgaans van die luidjes, die zich een air van gewicht willen geven, door je met een grooten ophef hoogst onbeduidende dingen te komen vertellen. Doch 't zij daarmee zoo 't wil, laat den man boven komen.quot;
„Wil ik mij intusschen hiernaast begeven?quot; vroeg De Wilde.
„Wel neen, man,quot; antwoordde Geelvinck: „blijf gerust hier; misschien brengt hij 't een of ander, dat tot de stadsdefensie betrekking heeft, en dan is 't niet kwaad, dat je 't ook hoort, om 't aan 't Comité over te brengen.quot;
De Wilde boog, maar ging toch uit bescheidenheid op een korten afstand terug, toen de aangekondigde koerier binnentrad.
't Was den man aan te zien, dat hij haast gemaakt en met spoed gereden had, en geen goed nieuws bracht: zijn rijrok was scheef dichtgeknoopt, zijn das losgegaan, zijn haren pruikje zat hem scheef op 't hoofd en zijn rijlaarzen niet alleen, maar zijn geheele kleeding, ja zijn gelaat, waren bedekt met stof en moddervlekken; terwijl zijn reeds van nature hooggekleurde wangen gloeiden als karmozijn en zijn oogen een alles behalve vroolijke uitdrukking hadden.
„Mijnheer Hoevenaar!quot; zei De Wilde, halfluid, toen hij den man herkende, dien hij wel eens te voren op een patriottische vergadering ontmoet had.
„Zoo! ken je Mijnheer?quot; vroeg Geelvinck, en toen, zich tot den koerier wendende: „wat breng je. Vriend? zeker niet veel goeds.quot;
„Neen, Edel Achtbare!quot; riep de andere, die vast naar adem scheen te hijgen, en toen, zijn stem plotseling latende zakken, mompelde hij op een doffen toon: „Uitert is verlaten.quot;
„Wat blief je?quot; vroeg Geelvinck, terwijl hij met open mond den man bleef aanstaren, die hem zulk een ongelooflijke tijding bracht.
„Maar dat is onmogelijk!quot; mompelde De Wilde bij zich zeiven.
„Onmogelijk of niet,quot; hernam de persoon, dien hij Hoeve-
209
naar had genoemd: „toch is 't waar. Wij zijn verraden; doch wie het gedaan heeft, dat is nog een raadsel.quot;
„Maar.... wie ben je eigenlijk?quot; was al wat Geelvinck kon uiten, 't Scheen, dat hij, om eenig geloof te slaan aan de hem gebrachte tijding, wilde weten, in hoeverre hij kon afgaan op de geloofwaardigheid van den brenger.
„Mijn naam is Hoevenaar,quot; antwoordde de ander, terwijl hij De Wilde aanzag, alsof hij zeggen wou: „wat doet het er toe, hoe ik heet, als ik waarheid spreek.quot;
„Mijnheer is een Uitersman,quot; zeide De Wilde, „en een waar patriot.quot;
„Ha zoo!quot; zei Geelvinck: „en wat is er dan gebeurd?quot;
„Br is gebeurd wat iedereen, evenals Uw Ed. Achtbare, onmogelijk gekeurd zou hebben. — Gisteren kwam de Rijn-graaf, die naar Woerden geweest was, om, zooals wij meenden, met de Heeren van de Commissie ter defensie te beraadslagen over de middelen, om de Pruisen te keeren, van daar terug, en bracht aan Burgemeesteren den schriftelijken last, op hem verstrekt, om de stad onmiddellijk met zijn troepen te verlaten en zich op Holland terug te trekken.quot;
„Zijn zij te Woerden dol geworden?quot; vroeg Geelvinck, geheel uit het veld geslagen.
„Er werd,quot; vervolgde Hoevenaar, „Vroedschap beleid en daar gaf de Rijngraaf kennis van zijn voornemen, om dadelijk met al zijn macht af te trekken en zich tot de verdediging van Amsterdam te bepalen. Het ging er in 't eerst als met Uw Ed. Achtbare: niemand wilde hem gelooven. Maar men moest wel zwichten voor de overtuiging, toen men de schriftelijke lastgeving zag: en zoo was goede raad duur. Men liet de Geconstitueerden komen en de officieren van de Schutterij, waartoe ik ook behoor, als den Heer De Wilde bekend is, en men begeerde van ons, dat wij aan de schuttercompagniën dat treffend bericht zouden mededeelen; doch er was geen enkele onder, die daar trek in had: en zoo kwam men tot een besluit, dat er aan elke compagnie een lid van den Raad zou afgevaardigd worden, om de boodschap te doen. Dat gebeurde dan
II. — Nov. li
210
ook; maar verbeeld u, Edel Achtbare! de woede van onze brave manschappen, toen zij vernamen, dat de stad, die wij zoolang bewaakt, beschermd en verdedigd hadden, zonder zweem van tegenweer zou worden overgeleverd. Het is niet in mijn vermogen de verwarring te beschrijven, die nu ontstond. Eene wijl was er sprake onder ons, schutters, om de stadswallen en poorten te bezetten en zoo aan de troepen het uittrekken te beletten: — doch, wij waren wapenloos, en voor één, die zich niet ontzien zou hebben, om zich tot zulk een einde te gaan wapenen en aan het plan gevolg te geven, waren er twintig, wien de schrik om 't lijf geslagen was of die zoodanig een ontwerp onuitvoerbaar achtten. Daarbij kwam nog de wenk, door de leden van de Vroedschap gegeven, dat al wie reden meende te hebben, om voor de wraak der Oranje-lui te duchten, verstandig zou doen, zich voor een poos te verwijderen: welk een en ander ten gevolge had, dat de een voor, de ander na, afdroop, de meesten, om hun boeltje te pakken en een goed heenkomen te zoeken, 't Was intusschen nacht geworden en de tijding als een loopend vuurtje de stad rondgegaan, zoodat de straten vol volks en alles in rep en roer was. In dien stand van zaken verzochten Burgemeesteren mij, als iemand, die toch niet in de stad zou kunnen blijven, na hetgeen ik als een echt patriot op mijn conscientie had, of ik mij met den meest mogelijken spoed naar Amsterdam begeven wilde, ten einde er aan de Regeering bericht te brengen van het gebeurde, en haar voor te bereiden op de komst van zoovelen als de wijk uit Uitert zouden nemen, en haar te verzoeken, de noodige maatregelen te nemen, om hen te ontvangen en in hunnen nood te voorzien. Ik nam aan, mij van dien last te kwijten, en zoo verliet ik — laat in den nacht — het Stadhuis, 't Was een treurig gezicht, dat de straten opleverden! Zij waren vol als bij lichten klaren dag. Overal, waar men kwam, zag men mannen, vrouwen, kinderen, door mekaer loopen, menschen die oppakten, menschen die om rijtuig uit waren, menschen die zich bepaalden bij vloeken en tieren, schutters, die hunne wapenen wegsmeten
211
of aan stukken braken: 't was een drukte en een confusie, daar men zich geen denkbeeld van maken kan. Ik was spoedig genoeg bij mij aan huis, om mijn harddraver te zadelen; doch toen ik opgestegen en aan de poort was, toen had ik werk er uit te komen; want het was daar al vol van vluchtelingen, aanzienlijken en geringen, evenals of hun de Pruisen reeds op de hielen zaten en ieder maar zorgen moest de eerste te zijn, om zich in veiligheid te stellen, 't Was bijna niet dan met geweld, dat ik mij een weg baande door dien hoop, en ik was blijde toen ik mij eens daarbuiten en op den grooten weg bevond. Rust heb ik mij niet gegund en ik heb doorgereden tot ik voor 't Stadhuis was.quot;
„Maar, mijn hemel! wat zal dit nu geven!quot; riep de Burgemeester, terwijl hij op en neer door de zaal liep en terwijl de ontvangen maar hem evenzeer het hoofd scheen te hebben doen verliezen als aan de Utrechtsche burgers: „ik zal terstond om mijn ambtgenooten zenden,quot; zeide hij eindelijk: „en dan moet je nog eens in hunne tegenwoordigheid herhalen, wat je mij verteld hebt. Bode!quot; — vervolgde hij, na gescheld te hebben, — „zend terstond om Heeren Burgemeesteren — terstond, hoor je?quot;
De Bode was in de laatste tijden wel gewoon, dat er buitengewone oproepingen ten Stadhuize gedaan werden en, met een zijdelingschen glimlach tegen De Wilde, verliet hij de zaal.
„Maar wie kon dat van Heeren Gecommitteerden ooit gedacht hebben, dat zij zoo'n last zouden hebben gegeven!quot; riep Geelvinck, toen de Bode vertrokken was: „mijn hemel! wat nu te doen? — Ja, mijn goeie man,quot; vervolgde hij tegen Hoevenaar, die nu langzamerhand van hoogrood doodsbleek was geworden en werk had, om zich staande te houden: „je zult wel wat noodig hebben, om op je verhaal te komen. Ik zal last geven, dat ze je 't een of ander toedienen.. . . je moet wat gebruiken. Vriendlief, anders ben je niet in staat, om straks behoorlijk verslag te doen aan de
Heeren---- och. De Wilde! breng jij den man eens bij den
concierge.quot;
212
De Wilde boog en geleidde den vermoeiden Stichtenaar de zaal uit en naar beneden.
„Is dat een patriot?quot; vroeg Hoevenaar, terwijl zij de trap afgingen: „mij dunkt, hij heeft al het voorkomen van een aristocraat, met zijn „Vriendlief' en zijn „goeie man.quot;
„Wat wil je,quot; zei De Wilde met een glimlach, „natuur gaat boven de leer, en al is mijnheer Van Castricum nog zoogoed gezind, hij is en blijft een man van de oude Regeering.quot;
Middelerwijl bleef de Heer Van Castricum — want het was nog meer onder dezen titel dan onder zijn familienaam van Geelvinck of onder zijn kort verkregen titel van Burgemeester, dat hij in Amsterdam werd aangeduid — de Raadkamer open nederloopen in een alles behalve benijdenswaardigen gemoedstoestand, en bij zich zeiven het oogenblik verwenschende, waarop hij een zetel bekleed had, die hem nog weinig eer, maar heel wat last, zorgen en verdriet had verschaft.
„Wat nu? wat nu?quot; vroeg hij aan De Wilde, toen deze, na Hoevenaar aan de zorg der vrouw van den concierge te hebben aanbevolen, weder binnentrad.
„Indien ik mij veroorloven mag, Uw Ed. Achtbare een voorstel te doenquot; .... zei De Wilde.
„Wel man! wat is het? laat hooren,quot; zei de Burgemeester.
„Dan zou ik vragen,quot; hernam De Wilde: „of Uw Ed. Achtbare niet gelasten zou, dat terstond de noodige voorzorgen tegen oproer werden genomen. De harddraver van den Heer Hoevenaar heeft snel gereden; doch er zijn meer paarden, die goed over den weg gaan, en 't kan niet missen, of binnen 't halfuur is de maar, die hij bracht, ook door anderen hier verspreid. Slechte tijdingen komen altoos snel genoeg, en op 't hooren van het gebeurde kan 't niet missen of de Oranjepartij steekt het hoofd op, en dan weten wij niet, waartoe zij in staat is. Vatten de aanhangelingen van den Prins de wapens op, dan dient geweld met geweld te keer gegaan en een bloedbad zou er het gevolg van zijn. Ik zou daarom met bescheidenheid Uw Ed. Achtbare aanraden, geen oogenblik te verzuimen, en niet te wachten tot de overige Heeren hier zijn,
213
maar mij onmiddellijk een schriftelijk bevel te geven, waarbij de Schutterij in de wapenen wordt geroepen, met last om op de eilanden — waar 't meeste gevaar voor oproer schuilt — de wachten te verdubbelen, en evenzoo aan 't Stadhuis, aan de posten op de voornaamste pleinen, en aan de stadspoorten, en eenige compagniëen te zenden buiten de Uitertsche en Weesperpoorten, om aldaar de orde te bewaren als de vluchtelingen aankomen.quot;
„Heel goed verzonnen!quot; zei Geelvinck: „ik zal de order daartoe opmaken. Ja waarlijk; wij moeten op onze hoede zijn .... Maar De Wilde, dunkt u niet, dat wij nog een andere voorzorg moesten nemen, en sommige van die Heeren, die ons zouden kunnen dwarsboomen, provisioneel in arrest stellen? b. v. Pontifex,') Harlequin,1) den Brutalen, ') Letter A '') en den Beemster Boer?quot;quot;)
„Indien ik er den schriftelijken last toe ontvang,quot; antwoordde De Wilde, „zal ik dien uitvoeren; doch wanneer Uw Ed. Achtbare mijn opinie vraagt, dan zou ik niet durven aanraden tot zulke uitersten over te slaan. Al die Heeren zijn weer geparenteerd aan anderen van onze kleur, die zich voor hen in de bres zouden stellen, en zoo zou een dergelijke maatregel aanleiding geven kunnen tot wrevel en misnoegen; terwijl wij meer dan ooit vrede en goede harmonie tusschen de patriotten moeten zoeken te bewaren. Bovendien, de kans kan tegen ons keeren, en dan moeten wij de stof tot weerwraak niet onnoodig vermeerderen. Ik verpand er intusschen mijn kop voor, dat zij vooreerst niet veel zullen uitvoeren en ik op hunne gangen zal doen letten .... en nu, Ed. Achtbare! uw schriftelijke order? De oogenblikken zijn kostbaar.quot;
) Mr. Pieter Alexander Hasselaar.
214
„Ja, je hebt gelijk! Ik zal je helpen.quot; En meteen zette de Heer Van Castricum zich en schreef de order, waarmee De Wilde zich haastig verwijderde.
III.
Het was inderdaad gelukkig, dat er met het nemen van de maatregelen, door De Wilde aanbevolen, niet was gedraald, en dat de schutters, in die dagen aan oproepingen gewoon, zoo spoedig bij de hand waren; immers, nog voordat de daartoe aangewezen compagnieën zich buiten de Utrechtsche en Weesperpoorten hadden begeven, waren er reeds rijtuigen met vluchtelingen uit Utrecht binnengereden, en niet lang duurde het of de eerste volksschuiten vertoonden zich aan de Beerebijt, tot zinkens toe beladen; terwijl van uit de stad al meer en meer menschen daarheen stroomden, 't zij omdat zij onder de vluchtelingen verwanten of kennissen dachten te zullen aantreffen, 't zij door loutere nieuwsgierigheid gedreven. En zeker was 't een schouwspel, zonderling en treurig tevens, die bonte mengeling van personen van allen rang en stand, die daar uit de schuiten stapten. Men zag er Amsterdamsche jongelingen, die weinige weken te voren met een hart vol moed en grootsche verwachtingen naar Utrecht waren vertrokken, om er als waardgelders dienst te doen; Geldersche en Overijselsche patriotten, die, het niet mogende wagen naar hunne woonplaatsen te keeren op 't gevaar af van den vijand in den mond te loopen, alsnu, sommigen enkel uit zorg voor eigen veiligheid, de meesten uit een prijzenswaardige zucht, om de zaak, die zij voorstonden, te blijven verdedigen waar zulks maar mogelijk was, zich naar Amsterdam hadden begeven: voorts Stichtenaren, die, evenals Hoevenaar, eene in 't oog loopende rol in de troebelen hadden gespeeld; deze met pak en zak, gene niets bezittende dan de kleeren, die
215
hij aan 't lijf heeft: enkelen nog van hunne wapens voorzien, de meesten daarvan ontbloot; doch allen een verlegen, berooiden hoop vertoonende, en voor wier huisvesting en onderhoud nu gezorgd moest worden. Ieder halfuur, dat er verliep, werd het schouwspel vernieuwd door de komst van nieuwe uitgewekenen, en dat duurde zoo tot aan den avond voort; terwijl toen ook personen van meer gewicht in de stad kwamen, namelijk de leden der Commissie tot verdediging van Holland, die, op het bericht, dat Utrecht verlaten was, hadden geoordeeld, dat hunne taak was afgeloopen, en zich uit Woerden, waar hun hoofdkwartier gevestigd was, doch waar zij gevaar liepen te worden ingesloten, naar Amsterdam hadden begeven, 't Bleek nu hoe de Rijngraaf Van Salm hunne goede trouw verschalkt had, door daags te voren, na hun medegedeeld te hebben, dat Utrecht op den duur niet tegen 's vijands overmacht bestand zou zijn, en men zich dus bij de verdediging van Amsterdam zou moeten bepalen, hun niet slechts een schriftelijke volmacht te ontlokken, om die stad te ontruimen, wanneer de hoogste nood zulks vorderen mocht, maar ook, onder voorwendsel, dat bij de Regeering twijfel zou kunnen ontstaan of die hoogste nood werkelijk gekomen was, een eenvoudig bevel, om met zijn troepen af te trekken. En 't was van dit bevel, dat hij misbruik had gemaakt, door 't niet te bewaren tot het tijdstip dat de nood het eischte, maar 't onmiddellijk te vertoonen. Weinig tijds na hen kwam ook de Rijngraaf zelf, na een gedeelte zijner troepen te Weesp, te Ouderkerk en aan den Uithoorn in garnizoen te hebben gelegd, met de overigen te Amsterdam. Dat hij in die stad, waar men zoo hoog tegen zijn militaire bekwaam heden opgezien en zich zulke zware offers getroost had, om hem en zijn volk in dienst der Staten te houden, alles behalve gunstig ontvangen werd, is te begrijpen. Men zag hem overal met den nek aan en 't duurde ook maar een paar dagen of hij week in stilte de stad uit en keerde naar zijn land terug.
Het was onder deze omstandigheden, dat, op Maandag 17 September, in de Raadkamer de vergadering plaats had
216
der naar Amsterdam gekomen Staatsleden. De Dam was bij die gelegenheid met geschut voorzien en door het bataljon van De Wilde bezet, terwijl een groote menigte volks daarheen was gestroomd, om een zoo ongewone vertooning te zien als het opkomen van leden der Staten van Holland tot een vergadering op het Amsterdamsche Stadhuis. Ongelukkig voldeed de vertooning niet aan de verwachting. Niet alleen bleven — gelijk men dit had voorzien — de Ridderschap en de Afgevaardigden der prinsgezinde Steden weg — maar ook velen, op wier komst men gehoopt had; zoodat, buiten Amsterdam, alleen Alkmaar en Purmerend vertegenwoordigd waren, en men aan de samenkomst niet den naam van „Staatsvergadering,quot; maar dien van „Conferentiequot; gaf. Toch was die samenkomst niet zonder invloed op hetgeen later voorviel. In de eerste plaats toch overlegde men met den generaal Van Rijssel, die te Naarden bevel voerde, wat er in dit hachelijk tijdsgewricht te verwachten stond, en drong men hem uitdrukkelijk op het hart, de hem vertrouwde vesting tot het uiterst te verdedigen. In de tweede plaats viel er iets voor, dat niet weinig strekte om het krijgsvuur bij de patriotten levendig te houden, en aan de Prinsgezinden te toonen, dat, zoo zij van de omstandigheden partij wilden trekken, om een tegenomwenteling te bewerken, de tijd daartoe nog niet gekomen was. Het toeval wilde, dat, terwijl de zoogenaamde Staten van Holland op 't Stadhuis bijeenkwamen, er op hetzelfde tijdstip een andere bijeenkomst plaats had in de Burgersociëteit in de Nes. Reeds op 24 Augustus waren aldaar afgevaardigden uit schier al de Krijgsraden, Gewapende Genootschappen, Geconstitueerden, Patriottische sociëteiten en corporatiën der Provincie verschenen en hadden een adres aan de Staten opgesteld, waarin hun als 't ware werd voorgeschreven, welke gedragslijn zij te volgen en welke wetten zij te maken hadden. Die Vergadering was toen op reces gescheiden, en — wat niet weinig toevallig was — zij had juist den l7tlen September als den dag eener nieuwe bijeenkomst bepaald. Ook hier echter was, evenals ten Stadhuize, de opkomst der afgevaar-
217
digden zeer onbeduidend; zoodat er geen andere besluiten genomen werden, dan om de Secretarissen, zijnde de advocaat Kreet van Rotterdam en J. Van Staphorst van Amsterdam, naar de Vergadering op 't Stadhuis af te vaardigen. Aldaar toegelaten, verklaarden zij, bij monde van Kreet, de hier vergaderde Heeren alleen, en niet die in Den Haag, als wettige Vertegenwoordigers des Volks en als eenigen Souverein te erkennen, betuigende voorts, dat men zich moest blijven verdedigen, daar men met de hulp der Fransche legermacht — die men altijd te gemoet bleef zien, den Prins gemakkelijk te keer zou gaan, en voorts, dat al wie „Oranje bovenquot; zou durven roepen of zich met Oranje-versierselen vertoonen, onmiddellijk moest ophangen.
Ofschoon de vergaderde Heeren niet veel meer konden doen, dan de Bezending met schoone beloften paaien, was echter de indruk gegeven, en, evenals voor acht dagen de voorstelling van 't Beleg van Haarlem en Zaterdag te voren die van Claudius Oivilis (van Haverkorn), zoo ging men dezen avond die van Voltaire's Brutus bijwonen, om er eiken regel toe te juichen, waarbij de vrijheid geroemd of op tirannen gescholden werd — en zoo bleef vooreerst binnen Amsterdam de heftigste patriottische geest den boventoon voeren, en ware elke stem, die 't gewaagd had, een anderen klank te doen hooren, terstond in de keel gesmoord geworden.
Wij mogen er bijvoegen, dat die stemming geen snel voorbijgaande was en zelfs de gebeurtenissen, die schijnbaar de gemoederen met ontsteltenis en vrees hadden moeten slaan, alleen dienden, om hen tot krachtiger volharding aan te sporen. Op dienzelfden l7de11 September, waarop te Amsterdam de eerste — en ook de laatste — vergadering der Staten gehouden werd, had Gorkum zijn poorten voor den vijand geopend, en nauwelijks was dit in Den Haag bekend geworden, of de enkele Afgevaardigden van Holland, die aldaar gebleven waren, besloten, op voorstel der Ridderschap, Willem V in al zijn waardigheden te herstellen. Eerlang was ook Dordrecht zonder slag of stoot aan de Pruisen overge-
218
gaan, en het vliegende legertje van Mappa, dat zoo dapper de „vreemde soudeniers naar den afgrond zenden zou,quot; was uit het Westland, waar het zich bevond, over Delft en Leiden naar Haarlem, en zoo naar Amsterdam gevlucht, waar het in alles behalve voordeeligen staat aankwam, zonder
wapens en geweer, verbaasd van 't lijf gereten Uit ingebeelden schrik, en uit de hand gesmeten,
Om zonder hindernis te vlieden lang den weg;
zelfs was het niet dan na ernstige beraadslaging, dat men die helden binnenliet, terwijl men beginnen moest hen hoofd voor hoofd van een hemd, een paar schoenen en een hoed te voorzien en elk een gulden te geven.
„Lieve Heer!quot; riep een ijverig patriot, bij den intocht van dien berooiden hoop; „als dat volkje onze stad beschermen moet, dan zijn wij er om koud!quot;
Maar toch, uit dien uitroep mag het besluit niet getrokken worden, dat hij, die hem deed, eenige moedeloosheid gevoelde. Nog altijd bleef men den moed behouden en, wat niet minder verwondering baren mag, is, dat in Amsterdam, nu volgepropt van uitgewekenen en voortvluchtigen, die voorwaar niet allen tot het beste slag van lieden behoorden, de orde geen oogenblik werd verstoord! Niet genoeg lof mag daarom worden toegezwaaid aan de verstandige maatregelen, door de Regeering en het Comité van defensie genomen, om de rust te handhaven en alle tooneelen van wanorde te voorkomen.
Eerstdaags werd aan dat Comité een nog zwaardere taak opgedragen. Nu geheel Holland het hoofd in den schoot gelegd had, de Prins weder in Den Haag en alles weder tot den vorigen toestand teruggekeerd was, stond Amsterdam alleen, Amsterdam, dat meer dan eenige stad den geest van weerstand had gekweekt en gaande gehouden en de heftigste maatregelen tegen 's Prinsen gezag had doorgedreven. Wel begon zich nu zoo in de Vroedschap als elders, een enkele stem te verheffen, en te vragen of men ook in onderhandeling zou treden; doch uit de Burgersociëteiten, evenals uit den Krijgsraad, welke
219
laatste van alle Oranje-elementen gezuiverd was, bleef nog even heftig de geest van volharding spreken, te krachtiger nu er weder een gerucht liep, dat er Fransche benden in aantocht waren. „Geen bemiddeling! geen onderhandeling! verdediging tot op 't laatst!quot; was de kreet, die luid herklinken bleef, en op 21 September ging er een proclamatie van Burge-meesteren en Raden uit, die aan den geuiten wensch voldeed en geheel in dien geest was vervat.
De stad werd nu volkomen in staat van beleg gesteld: de poorten dag en nacht gesloten en van sterke wacht voorzien: de Liebrug afgebrand, om de gemeenschap met Haarlem af te snijden: een batterij op Halfweg gelegd: de Amstel met een drijvende batterij beschermd: in Weesp, Muiden en al de dorpen in den omtrek sterke bezettingen gelegd: en een deel van 't land onder water gezet. Aan De Wilde, die zich hiertoe had aangeboden, werd de verdediging van Ouderkerk toevertrouwd, en hij trok daarheen, na alvorens zijn vrouw en kinderen naar Amersfoort te hebben gezonden. Hij kon vreezen, dat wellicht, bij verandering van zaken, zijn woning aan plundering zou blootgesteld zijn, en daar wilde hij, bij zi]n afwezigheid, vrouw en kinderen niet aan wagen. Hij deed dus, als vele anderen in dat tijdsgewricht deden, en zorgde dat ze elders in veiligheid den loop der gebeurtenissen konden afwachten. Dat het scheiden niet zonder tranen en klachten plaats had en Engeline er evenmin als Badeloch lichtelijk toe was over te halen, zal de lezer gereedelijk beseffen.
Het Pruisische leger, onder aanvoering van Hertog Karei van Brunswijk, was nu voor de stad gekomen, en alles liet zich aanzien, dat het beleg weldra een aanvang zou nemen, toen daarin een vertraging plaats had ten gevolge van de kloekheid van den Raad en Advocaat Fiskaal der Admiraliteit, J. C. Van der Hoop. De Stadsregeering had namelijk goedgevonden, de magazijnen van de Admiraliteit te doen openen en daaruit geschut en krijgsbehoeften te halen, om ter verdediging te dienen. Van der Hoop kwam zich hierover heftig beklagen, op grond, dat het weggehaalde niet aan de Stad
220
behoorde, maar aan den Staat, en dat zoowel Hun Hoog Mogenden als de Staten van Holland allen weerstand aan de Pruisische wapenen uitdrukkelijk verboden en aan den Zeeraad bepaalden last gegeven hadden, het Staatseigendom terug te vorderen. Dit vertoog had wellicht op zich zelf weinig gebaat; doch hij wees er bij op de belangen van den wereldhandel, die door een beleg gevaar liepen, en op al de schatten, binnen Amsterdam in de magazijnen en pakhuizen opeengetast, gelijk mede op de groote verantwoording, die men op zich laden zou, indien men dat alles in de waagschaal stelde, zonder zelfs een poging tot onderhandeling te doen. Een onderhoud, 't welk hij naar aanleiding van dat vertoog met Burge-meesteren hield, had ten gevolge, dat men nogmaals het gevoelen van den Krijgsraad innam over het al of niet raadzame van het doen eener Bezending naar 's Veldheers hoofdkwartier. 't Schijnt, dat de geestdrift voor 't oogenblik een weinig bekoeld was; in den Krijgsraad zaten niet weinig kooplieden, en die hadden tijd gehad, om na te denken. In allen geval begreep men daar, dat een weinig voorzichtigheid geen schade kon doen; althans deze reis stemde men toe, dat er onderhandelingen zouden worden aangeknoopt. Wel viel dit niet in den smaak der Burgersociëteiten; doch men stoorde zich deze reis niet aan de kreten van verontwaardiging, die van daar uitgingen, en werkelijk trok er een bezending naar Leimuiden, waar zich de Hertog bevond. Men kon 't echter over en weer niet eens worden, en na herhaalde en vergeefsche onderhandelingen, zoo aldaar als te 's-Graven-hage gevoerd, werd de wapenstilstand, die tot den 30sten gesloten was, op dien dag als geëindigd beschouwd.
Na dit vluchtig overzicht der gebeurtenissen, die in September 1787 te Amsterdam hadden plaats gehad, keeren wij terug tot ons eigenlijk onderwerp; het vermelden namelijk van het aandeel, hetwelk daaraan door De Wilde werd genomen, die, als reeds gezegd is, met de verdediging van Ouderkerk was belast.
221
IV.
Het dorp Ouderkerk is, gelijk ieder weet of 't anders op de kaart kan nazien, aan den rechteroever van den Amstel, anderhalf uur gaans van Amsterdam gelegen, ter plaatse waar het water de Bullewijk zich met die rivier vereenigt. Het was tegen een vermoedelijken aanval op vier verschillende plaatsen door batterijen gedekt, en met een bezetting voorzien, die voor een gedeelte uit Amsterdamsche vrijwilligers bestond, en verder uit Geldersche en Friesche uitgewekenen en uit manschappen uit het korps van Salm. Men had hier alzoo een vereeniging van zeer verschillende bestanddeelen en, zoo het al eenige verwondering baren mag, dat men het bevel over een zoo gewichtigen post en over hem meerendeels geheel onbekende officieren en soldaten had opgedragen aan een gewoon burger, die nooit eenig blijk van krijgskundige bekwaamheden gegeven had, nog grooter reden van verwondering levert de wijze, waarop hij zich kweet van de hem opgelegde taak, en waarop hij bewijs gaf, het vertrouwen, in hem gesteld, in alle opzichten waardig te zijn.
Reeds van het eerste oogenblik, dat De Wilde te Ouderkerk was gekomen, had hij getoond, niet alleen een volkomen besef te hebben van het gewicht zijner zending, maar ook de bekwaamheid om zich daarvan naar eisch te kwijten. Met een blik, die van menschenkennis en gezond oordeel getuigde, had hij onder zijn officieren diegenen weten te onderscheiden, van wie hij goeden raad en trouwe ondersteuning kon verwachten en was het hem gelukt met hunnen bijstand, niet alleen de beste middelen van verdediging te beramen, maar ook een gestrenge tucht onder zijn onderhoorigen te bewaren, en, wat ten deze evenzeer van gewicht was, een goede verstandhouding te doen heerschen tusschen hen en de dorpelingen, bij wie zij in kwartier lagen of met wie zij in dagelijksche aanraking waren.
222
Hij zelf had zijn intrek genomen in de herberg, vroeger „de Oude Prinsquot; geheeten, doch die, sedert de verschijning der patriotten, haar uithangbord had moeten inhalen en tegen een ander verwisselen, waarop de bescheiden naam van „Brug-zichtquot; was te lezen. Daar was hij op den laten avond van Zondag 30 September in de groote gelagkamer met drie zijner Officieren aan 't omberspel gezeten, terwijl een vijftal andere, onder het genot van een glas wijn en van de heerlijke tabak, die hun Overste uit de vier Heemskinderen had doen komen, om een tafel zat te politiseeren en voor de honderdste maal de vraag te behandelen of Frankrijk, al of niet, de zaak, die zij voorstonden, met hulptroepen stijven zou, toen plotseling de deur openging en er een bode binnentrad, naar den Commandant vroeg, en aan dezen, zonder een woord te spreken, een brief overhandigde.
Al de officieren waren opgestaan en zagen De Wilde aan, met blikken, die genoeg te kennen gaven, hoe zij als een voorgevoel bezaten, dat die brief een gewichtige tijding behelzen moest. Doch welken indruk dit schrijven ook op 't gemoed van den Overste maken mocht, zijn gelaat bleef kalm als gewoonlijk en verraadde geen de minste gewaarwording van welken aard ook. Bedaard stak hij, na volbrachte lezing, den brief bij zich en zeide aan den bezorger:
„Bedank de Heeren voor hunne beleefdheid en zeg hun, dat ik voor 't oogenblik niets behoef en mij naar hunne orders gedragen zal.quot;
En toen, na gewacht te hebben, dat de man zich verwijderd had, nam hij den kandelaar op, die vóór hem op het omber-tafeltje stond, en verzocht de officieren, hem naar zijne kamer te volgen. Daar gekomen, sloot hij de deur, en zeide:
„Mijne Heeren, de brief, dien ik daar ontvang, meldt mij, dat de wapenstilstand geëindigd is en wij dus kans loopen, elk oogenblik door den vijand te worden aangevallen.quot;
De officieren beantwoordden deze mededeeling met een lichte hoofdbuiging: een paar jonge luitenants, die nooit het vuur gezien hadden, verbleekten een weinig op de gedachte,
223
dat hetgeen tot nog toe hun een vermakelijk spel geweest was, gevaarlijke ernst zou worden; doch zij herstelden zich spoedig, en allen bleven zwijgend en in aandachtige spanning de bevelen inwachten, die hun zouden worden gegeven.
„Gij gevoelt allen,quot; vervolgde De Wilde, „dat de Pruisen ons goed op onze hoede moeten vinden, 't Is echter niet noodig, dat zij vooraf bemerken, hoe wij op hunne komst verdacht zijn, en, zoo zij ons zoeken te verrassen, moeten zij ondervinden, dat wij hun eene verrassing hebben bereid. Daarom, bij al wat wij doen de grootste stilte in acht genomen en niets gedaan, dat aan de dorpelingen kan doen bemerken, dat er iets bijzonders plaats heeft. Geen alarm, geen trommelslag. Laten de manschappen, voor zooverre zij in kwartier liggen, door de onderofficieren worden opgeroepen en vergaderd, en dat ieder zich in stilte naar zijn post begeve.quot;
„Zou de Commandant meenen, dat de aanval reeds dezen nacht zal plaats hebben?quot; vroeg een der officieren.
„'t Is waarschijnlijk, dat de vijand althans de lichte maan zal te baat nemen, om op te marcheerenquot;, antwoordde De quot;Wilde: „daarom, Kapitein, verzoek ik u, twee man naar den kerktoren te zenden, die om 't uur door twee andere worden afgelost, en, zoo zij op 't veld eenige beweging ontdekken, mij terstond komen waarschuwen. — En nu, mijne Heeren, elk op zijn post. Over een uur zal ik de ronde doen en hoop dan alles in behoorlijke orde te vinden.quot;
Wel was het goed, dat De Wilde intijds een waarschuwing ontvangen en de noodige maatregelen van voorzorg genomen had, immers dienzelfden avond had, reeds te zes uren, de Hertog van Brunswijk aan zijn generaals en oversten het bevel gegeven, hunne troepen slagvaardig te houden, ten einde vóór het aanbreken van den dag op alle punten rondom Amsterdam een gelijktijdigen aanval te doen.
Het was te vijf uren in den morgen, dus nog een groot uur vóór zonsopgang, dat het kanonschot viel, 't welk het sein tot den aanval geven moest. Op Ouderkerk moest die van drie
224
zijden geschieden. Eene compagnie onder den majoor Baron Von Ledebur, die in den Ouderkerker polder lag, had tot taak, op de batterij landwaarts in, aan het zoogenaamde Zwarte Wegje een valschen aanval te doen, terwijl de ritmeesters Zinsouw en Tschock, van de zijde van Abkoude opgerukt met eenige compagnieën grenadiers en lichte infanterie, ondersteund door een compagnie, die in den Duivendrechtschen polder onder bevel stond van den kapitein Von Kleist, den hoofdaanval zouden richten tegen de batterij, die achter de afgebroken brug aan de Bullewijk gelegen was. De kolonel Kokeritz, van den Uithoorn gekomen met twee compagnieën voetvolk en een eskadron paardenvolk, moest de brug pogen te bemachtigen, die over den Amstel lag, en van die zijde het dorp binnendringen.
De natte en doorweekte bodem en de menigte grachten en slooten, die den polder rondom Ouderkerk doorkruisen, en de zorg door De quot;Wilde aangewend, om overal de bruggetjes te doen wegnemen en de binnenwegen door vergravingen onbruikbaar te maken, waren oorzaak, dat de Pruisen niet alleen vrij wat belemmering bij 't opmarcheeren hadden ondervonden, maar ook, toen zij tegenover het dorp hadden post gevat, geen behoorlijke uitbreiding aan hunne liniën konden geven. Zij hadden zich echter gevleid de plaats bij verrassing te vermeesteren ; doch vonden zich in die hoop deerlijk teleurgesteld.
De majoor Ledebur was met zijn manschappen reeds tot op ongeveer vijftig pas van de batterij aan 't Zwarte Wegje gekomen, toen de doodsche stilte, die daarachter heerschte, en hem in den waan gebracht had, dat men er op niets verdacht was, op eens werd afgebroken door het losbranden van het geschut, dat hem — gelijk een geschiedschrijver 't uitdrukt „een gevoeligen morgengroetquot; toebracht; terwijl te gelijkertijd de geweerkogels van eenige hier geposteerde Friezen, allen geoefende scherpschutters, een goed deel zijner manschappen dood of gewond deden nederstorten. Wel werd hun vuur van de zijde der Pruisen beantwoord; doch dewijl de bende van Ledebur niet talrijk genoeg was, om hier met voordeel een
225
vijand, die op zijn hoede was, te bestrijden, en haar aanval, als reeds gezegd is, hoofdzakelijk dienen moest, om de aandacht der verdedigers van den hoofdaanval af te houden, bleef zich er bij bepalen het gevecht gaande te houden, zonder dat dit tot eenige beslissende uitkomst leiden kon.
Inmiddels hadden Zinsouw en Tschock hunne kanonnen aan den rand van de Bullewijk gesteld en vandaar een heftig vuur geopend van houwitsers, bommen en granaten, welk vuur niet minder krachtig werd beantwoord uit de batterij der belegerden, die door Amsterdamsche en Geldersche artilleristen uitmuntend werd bediend; terwijl de soldaten uit het korps van Salm en de Amsterdamsche vrijwilligers van achter de borstwering hunne snaphanen op den vijand losbrandden. Spoedig bleek het den Pruisischen aanvoerders, dat zij hun doel niet bereiken zouden zoolang zij hun geschut niet anders konden plaatsen dan op den smallen weg, vanwaar het de batterij niet dan in een schuinsche richting bestrijken kon. Zij kregen echter hoop, beter in hun opzet te zullen slagen, toen Kapitein Von Kleist van de Duivendrechtsche zijde ter ondersteuning van den aanval kwam opgerukt; immers deze had eenige schuiten in de vaart gevonden en medegesleept, waarmede een deel der manschappen thans de Bullewijk overvoer, een stuk geschut met zich brengende, dat zij nu recht tegen de batterij overstelden, om die van nabij te beschieten.
De toestand der verdedigers scheen nu hachelijk geworden; immers, zoolang een breed water hen nog van de aanvallers scheidde, had het geschut van deze laatsten wel eenig nadeel toegebracht aan de gebouwen van het dorp, doch geen noemenswaardige aan de batterij, welke laatste nu gevaar liep, niet alleen vlak van voren beschoten, maar ook bestormd te worden. Te recht begreep De Wilde, die hier de verdediging in persoon bestuurde, dat het verlies van dezen gewichtigen post alleen voorkomen kon worden door een daad van onverschrokkenheid, die den vijand in zijn opzet stuitte eer hij dat uitvoeren kon. „Voorwaarts, mannen!quot; riep hij den vrijwilligers toe; „nu getoond, dat je Amsterdammers bent!quot; en meteen, van achter
II. — Nov. lü
226
de verschansing met hen voor den dag komende, deed hij een zoo heftigen uitval op de hier aan wal gestapte Pruisen, dat zij, verrast en in wanorde gebracht, met overhaasting weer naar hunne schuiten terugvloden, ja het meegebrachte kanon den bezettelingen bijna in handen ware gevallen. Tevreden over den goeden uitslag van zijn koene daad, en de zijnen niet nutteloos aan het vuur van de overzijde willende blootstellen, keerde hierop De Wilde met hen achter de batterij terug.
Nauwelijks was hij daar, of een sergeant, hem toegezonden door den officier, die aan de Amstelbrug het bevel voerde, kwam hem het verblijdend bericht brengen, dat aan die zijde geen gevaar meer te duchten was. De kolonel Kokeritz had, als gezegd is, zijn weg langs den linkeroever der rivier genomen, en toen hij tegenover Ouderkerk gekomen was, een Kapitein met eenige manschappen de brug op, ter verkenning, afgezonden. De wip was echter opgehaald, en van uit de batterij, achter de brug gelegd en die haar geheel bestreek, werd een kogel afgezonden, met zoo gunstig gevolg, dat de kapitein doodelijk getroffen werd en zijn volk met overhaasting terug-vlood. Bemerkende, dat men hier op zijn hoede was, en niet wel bekend met de middelen van verdediging, waarover de Patriotten konden beschikken, had Kokeritz het ongeraden geacht, zijn volk nutteloos aan gevaar bloot te stellen, en was hij met de zijnen verder, den weg naar de stad op, voortgerukt.
Te welkomer was deze tijding aan De Wilde, omdat hij bespeurde, dat hij alle beschikbare krachten zou behoeven, ten einde de aanvallers te keer te gaan, die onder kapitein Tschock opnieuw in grooter getale dan te voren het water overkwamen en zich in slagorde stelden; terwijl een versche troep volks, onder den majoor Diebitz, die den post bij de Duivendrechtsche brug had moeten vermeesteren, doch daar was teruggeslagen, de benden van Tschock en Zinsouw was komen versterken.
„Houd hen nog tien minuten aan den praat, kapitein De Veur!quot; zei nu De Wilde tegen den officier, die in rang na
227
hem volgde: „ik hoop dan terug te zijn en aan die Heeren allen lust te ontnemen ons verder lastig te vallen.quot;
En meteen spoedde hij zich naar het dorp en naar de batterij aan de Amstelbrug, ten einde zich door zijn eigen oogen te verzekeren, dat de sergeant hem de volkomen waarheid had bericht, en er van die zijde geen gevaar meer te duchten stond.
Intusschen hield De Veur den strijd moedig gaande tegen de Pruisen, die, woedend over het mislukken hunner pogingen, thans met grooter overmacht en verdubbelde wakkerheid den aanval hernieuwd hadden. Van weerszijden werd met moed en hardnekkigheid gestreden; doch de Pruisen begonnen meer en meer veld te winnen, toen zich de kans op eenmaal tegen hen keerde. Terwijl zij met de manschappen van De Veur slaags waren en hun tegenstanders reeds verzwakt waanden, verscheen onverwachts De Wilde met de compagnie, die aan de Amstelbrug gelegen had, en viel hen in de flank aan.
De onverwachte versterking, die de verdedigers bekwamen, sloeg des vijands moed ter neder, die nu het slagveld ruimde, waarop hij een aantal dooden en gekwetsten achterliet, de vaart weder overtrok en voorgoed den aftocht blies.
Ruim drie uren had de strijd geduurd, die aan beide kanten zoo heftig gevoerd en zoo roemrijk voor de patriotten was afgeloopen. De gekwetsten, zonder onderscheid van vriend of vijand, werden binnen 't dorp gevoerd en de noodigc maatregelen tot hunne verpleging genomen, en De Wilde met zijne officieren wenschten elkander geluk met den afloop van het geleverde gevecht, toen tegen elf uren hunne vreugde getemperd werd door de tijding, die ettelijke vluchtelingen, van de overzijde aangesneld, hem brachten, dat namelijk Amstelveen, hoezeer niet dan na feilen tegenstand, den Pruisen in handen was gevallen. Men kon dus van die zijde een nieuwen aanval verwachten; waarom De Wilde terstond last gaf tot het opwerpen eener nieuwe batterij, die den weg naar Amstelveen bestrijken moest. Dan, terwijl men druk aan dezen
228
arbeid was, kwam. tegen den middag, een renbode uit Amsterdam met een brief van Burgemeesteren aan De Wilde, den last inhoudende, alle verdere pogingen tot verdediging op te geven en onmiddellijk met zijn manschappen naar Amsterdam terug te keeren. Het opzeggen van den wapenstilstand had binnen de stad zulk een schrik veroorzaakt, dat aldaar tot volkomen onderwerping was besloten.
Men kan beseffen, welk een spijt en ergernis het vernemen van dit besluit bij hen moest verwekken, die zoo wakker de eer hunner partij gehandhaafd hadden en nu de vrucht hunner heldhaftige verdediging geheel verloren zagen. Maar had De Wilde zich het vertrouwen dier partij waardig getoond door de treffelijke wijze, waarop hij den wederstand tegen den vijand had bestuurd, niet minder legde hij de hoedanigheid van een uitnemend bevelvoerder aan den dag, in de wijze, waarop hij aan den thans ontvangen last gehoorzaamde. „Mijne Heeren!quot; zeide hij tot zijne officieren, na hun den last te hebben medegedeeld; „tegen 't noodlot valt niet te twisten: wij hebben tot heden onzen plicht gedaan; laat ons het bewijs leveren, dat wij dien ten einde toe kunnen volbrengen: hebben wij den vijand ontzag ingeboezemd, thans voegt het ons, te zorgen, dat wij dit dorp verlaten als mannen, die overwinnaars bleven, en dat onze aftocht niet op een vlucht gelijke.quot;
En vervolgens, met dezelfde kalmte van geest, die hij in den strijd had aan den dag gelegd, gaf hij zijn bevelen voor de ontruiming van Ouderkerk. Het bleek alsnu, op wat oordeelkundige wijze hij onder zijn officieren het opzicht over de verschillende takken van beheer had toevertrouwd, zoodat ieder terstond wist wat hem te doen stond. Hoe ongelooflijk het schijnen mocht, 's namiddags te vier uren had De Wilde niet alleen zijn manschappen, zijn geschut, zijn krijgsbehoeften, geene uitgezonderd, binnen Amsterdam gevoerd, maar ook al de gekwetsten behoorlijk aldaar in het Gasthuis bezorgd.
Toen was hij zijn verslag aan Burgemeesteren gaan doen
229
en vervolgens naar zijn woning gekeerd, om zijn monteering af te leggen.
„Sluit die gerust in de kast weg, Stijntje,quot; zeide hij tot zijn oude dienstmaagd: „ik zal die vooreerst niet meer dragen.quot;
V.
Had De Wilde zich voorgesteld, dat met den terugtocht uit Ouderkerk zijn militaire loopbaan gesloten zou zijn, toch bleek hem reeds den volgenden dag, dat zijn bemoeiingen in de gebeurtenissen van den dag nog niet geheel waren afge-loopen. De lezer heeft uit eenige woorden, door Schroeder gesproken en in 't begin van deze schets aangehaald, kunnen opmaken, dat, ten gevolge van den lagen stand der rivieren, de beproefde onder-water-zetting niet overal was gelukt. Toevallig was er juist in den afgeloopen nacht eene rijzing in het water ontstaan, die, had zij vroeger plaats gehad, wellicht ten gevolge had gehad, dat niet alleen Ouderkerk en Duiven-drecht, maar al de overige buitenposten tegen alle aanvallen beveiligd waren geweest en het toegeven van Amsterdam onnoodig geworden, althans vertraagd ware. Dat wassen van het water, ofschoon aan natuurlijke oorzaken toe te schrijven, had bij de Pruisische bevelhebbers achterdocht gebaard, en het was, om deze weg te nemen, dat Burgemeesteren het noodig hadden geacht, een bezending naar Ouderkerk af te vaardigen — dat thans door de Pruisen onder den majoor Von Ledebur was bezet, en waarheen de generaal Symon Von Kalkreuth zijn hoofdkwartier verlegd had — ten einde aan dezen laatste de noodige ophelderingen aangaande gemelde zaak te geven. Die taak was opgedragen aan de Raadsleden Nicolaas Faas en Pieter Elias, die in polderzaken bedreven werden geacht, en men had hun De Wilde toegevoegd, zoowel omdat deze met plaats en gelegenheid bekend was, als omdat
ir
230
hij, des vereischt, aan den Pruisischen generaal narichten geven kon aangaande den toestand der gekwetste Pruisen.
Te Ouderkerk bij Kalkreuth toegelaten, dien zij met Von Ledebur en een paar andere hoofdofficieren in Brugzicht vonden, kweten zij zich van den hun gegeven last. Faas had het woord gevoerd en de Generaal met diens ophelderingen volkomen genoegen genomen. Naar de gekwetsten had deze laatste niet gevraagd, en De Wilde had geen aanleiding gevonden, zich in het gesprek te mengen. Dit was afgeloopen, de gecommitteerde Heeren hadden hun afscheid genomen en waren reeds buiten het vertrek, toen de kastelein aldaar naar De Wilde toetrad met de woorden:
„Mijnheer De Wilde! je hebt gisteren alles uit het dorp meegenomen, behalve je tabaksdoos, die ik hier heb.quot;
„De Wilde!quot; herhaalde Von Ledebur, die deze woorden gehoord had; en, terstond op den aldus aangesprokene toesnellende; „hoe nu, Mijnheer!quot; riep hij: „gij zijt het toch niet, die dezen post verdedigd en ons gisteren zulk een geduchte les gegeven hebt?quot;
„Om u te dienen,quot; antwoordde De Wilde, glimlachend: „'t is maar jammer,quot; voegde hij er bij met een zucht, „van al 't bloed, dat onnoodig over en weer vergoten is.''
„Neen! maar dat gaat zoo niet,quot; hernam Von Ledebur, hem bij de hand nemende en op minzame wijze weder binnen de kamer terugvoerende, waarheen hen nu ook de beide Eaads-leden weder volgden. „Zou Uwe Excellentie 't kunnen gelooven,quot; vervolgde hij, zich tot Kalkreuth wendende — „dat deze Heer de Commandant is, die ons gisteren belet heeft. Ouderkerk te nemen?quot;
„Gij, Mijnheer!quot; riep Kalkreuth, verbaasd toetredende en aan De Wilde de hand reikende: „vergun mij in dit geval u mijn compliment te maken over uwe voortreffelijke verdediging. Waarlijk, indien Amsterdam overal mannen had gehad, zoo wakker als gij, de stad ware onneembaar geweest. Mag ik vragen, bij welk wapen van de armee gij behoort?quot;
„Mijnheer De Wilde behoort niet tot de armee,quot; haastte
231
Faas zich te antwoorden, die, ofschoon alles behalve patriotsch-gezind, toch genoeg Amsterdammer was, om de eer van zijn stadgenoot te willen ophouden: „mijnheer is kapitein bij onze Stads-schutterij; maar zijn vak is eigenlijk de tabak.quot;
„En als Uwe Excellentie van goede Varinas houdt, zal ik het mij tot eer rekenen, haar te bedienen,quot; voegde De Wilde er lachend bij.
„Wat hoor ik?quot; riep de Generaal: „ei zoo. Baron!quot; vervolgde hij tegen Von Ledebur: „dan hebben onze ijzervreters zich door een tabaksverkooper laten kloppen! Doch, mijnheer De Wilde!quot; ging hij voort, terwijl hij De Wilde de hand op den schouder legde: „wat gisteren den Baron niet gelukt is, zal mij thans gelukken. Ik verklaar u mijn gevangene en voer u naar den Hertog, die van uwe wakkere verdediging gehoord heeft en niet minder van de liefderijke zorg, die gij voor onze gevangenen gedragen hebt, en die er u in persoon voor wenscht te bedanken. Geen verschooningen neem ik aan en ... . wellicht willen de Hoeren ons ook wel de verdere eer van hun gezelschap schenken?quot;
Dit laatste was tot Faas en Elias gericht, die echter te goed begrepen, dat de uitnoodiging, wat hen betrof, niet anders dan als een bloote formule van beleefdheid beschouwd moest worden, en zich dan ook van het aannemen daarvan verschoonden, tot reden gevende, dat zij aan Burgemeesteren verslag moesten doen van hunne zending. Wat de Heer De Wilde aanging, zij betuigden, dat zij, nu die gevangengenomen was, hem volgaarne aan zijn lot overlieten.
En zoo was 't De Wilde alleen, die met den Generaal naar den Hertog ging, welke laatste hem bij zich aan 't middagmaal hield en met beleefdheden overlaadde.
De Wilde's voorzegging, dat hij de monteering vooreerst niet weer zou aantrekken, bleek spoedig juist te zijn geweest; immers hij behoorde, gelijk te verwachten was, tot die officieren der Schutterij, aan wie, zoodra in Amsterdam de vorige orde van zaken was teruggekeerd, hun ontslag werd gegeven.
232
Doch toen in 1795 de omwenteling plaats had, en de partij, tot welke hij behoorde, haar zegepraal vierde, toonde deze, hoezeer zij het door hem betoonde beleid op prijs stelde, door hem onmiddellijk tot Kolonel-Commandant der Amsterdamsche Schutterij te benoemen, welken post hij tot in 1798 bekleedde. De bijzondere omstandigheden, die toen aanleiding gaven, dat hij zijn ontslag bekwam, liggen eenigszins in het duister, en het behoort niet tot ons bestek, die te onderzoeken. De geschiedenis zwijgt verder over hem, en alleen weten wij, dat hij, tot een geheel ambteloos leven teruggekeerd, op 14 Maart 1817 overleed en op den 20sten daaraanvolgende in de oude Luthersche kerk op het Spui werd begraven. Zijn laatst overgebleven dochter Wilhelmina Maria stierf in 't jaar 1859, en van zijn kleinkinderen leeft nog te Dresden zijn naamgenoot, die onlangs een fraaie vertaling in Hoogduitsche verzen van Vondel's „Gijsbreghtquot; in 't licht zond.
Het feit, waardoor zich George Hendrik De Wilde een roem-ruchten naam verwierf, staat als een geïsoleerd punt in zijn leven zoowel als in 's lands geschiedenis, en was van geen invloed op de gebeurtenissen van zijn tijd. Toch is het wel waardig in herinnering te blijven, wegens de belangrijke les, die het bevat, en die door alle flauwhartigen in den lande ter harte mag worden genomen. Immers, waar wij zien, dat, in een tijd van verdeeldheid tusschen de zonen van hetzelfde vaderland, een eenvoudig burger, met behulp van een saamgeraapten hoop strijders, doch allen door warmen ijver voor hunne zaak gedreven, met vrucht het hoofd weet te bieden aan krijgsbenden, tot de best geoefende troepen van Europa behoorende, en den door hem bezetten, door zwakke verdedigingsmiddelen beschermden post tegen hen met goed gevolg verdedigt, welk onthaal staat dan te wachten aan hen, die 't wagen zouden, Nederland aan te vallen op een tijdstip, dat het door een welgeoefend leger, door een goed geordend krijgswezen, en — wat meer nog dan dat alles zegt — door een welgezinde, eendrachtige natie beveiligd wordt?
EEN FAMILIETAFEREEL UIT DE XVIJDE EEUW.
Hier jaeght de winthont 't wilt, hier rijt de koets uit spelen. Men danst, men banketteert in 's Koopmans rijke buurt.
Hier lacht de goude tijt, in lieve lustprieelen,
Die voor geen oorloogh schrikt, noch kiel op klippen stuurt.
Wie, die 't niet wist en met den voormaligen toestand van ons land onbekend was, zou drooraen, dat deze regels van Vondel voorkomen in een gedicht „op de Beemster.quot; Zeker is de Beemster een rijke en vruchtbare streek, meer dan eenige in ons Vaderland om haar uitmuntende weilanden en prachtigen veestapel beroemd; maar zoo er nog wild in gevonden wordt, zeldzaam zal men er spelevarende koetsen ontmoeten, en even weinig lieve lustprieelen: en zoo er nog gedanst en gebanket-teerd wordt, 't is op boerenbruiloften, maar in geen rijke koopmansbuurt. Toch was de voorstelling, die Vondel gaf, volkomen juist, niet alleen in 1642, toen hij zijn gedicht schreef, maar ook nog in 't begin van deze eeuw. Toen immers was de Beemster nog vol prachtige buitenverblijven, met hunne berceaux en hun grotwerk, met hunne fonteinen en standbeelden, met hunne priëelen en hunne marmeren vazen, met hunne oranjerieën en diergaarden, alle getuigende van den rijkdom en de praalzucht der Amsterdamsche of Hoornsche Patriciërs, die er den zomer doorbrachten. Maar er waren droevige tijden
234
voor ons Vaderland gekomen, tijden van buitenlandschen krijg en binnenlandsche tweedracht, die geëindigd waren in een omwenteling, met vreemde hulp gekocht, en waarbij handel en nering stilstonden, alle bronnen van inkomsten opdroogden, en gestadig herhaalde geldafpersingen ook de meest vermogenden met angstige zorg de toekomst deden inzien. Geen wonder, dat, waar zoovelen hun fortuin te gronde zagen gaan, en zoovele anderen terecht van oordeel waren, dat zij, om het onontbeerlijke te behouden, zich van 't overtollige moesten ontdoen, 't eene buitenverblijf voor, 't andere na verkocht of althans van zijn vroegeren luister ontdaan werd. Het sloopers-bedrijf werd een beroep, op kolossale schaal gedreven, en dat hen, die 't bij de hand namen, en 't erger maakten dan de benden van Omar of de Wandalen van vroegere dagen, onnoembare schatten verdienen deed.
Maar 't was niet alleen de Beemster van 1800, die men in de Beemster van 1868 niet herkennen zou: ook andere streken om Amsterdam weervoer hetzelfde lot. De straatweg op Haarlem, de Amstelveensche en Sloterwegen, de beide boorden van den Amstel, waren nog in mijne jeugd gezoomd met prachtige hofsteden, waar de Amsterdammer zich, in den zomer, tot aan Amsterdamsche kermis toe, na de Beurs placht heen te begeven, om er te middagmalen, den avond in zijn koepel te zitten onder 't genot eerst van een kopje thee, vervolgens van een flesch rooden of Rijnschen wijn — (de dames dronken liefst witten wijn met citrï) en den nacht door te brengen, ten einde den volgenden morgen weer naar zijn kantoor te rijden.
Ik heb dat alles, 't eene voor, 't andere na, zien verdwijnen, 't Langst hield de Diemermeer zijn roem nog op; doch ook daar was reeds veel vóór en in den „Franschen tijd verdwenen, en later ontstonden, met de versnelde middelen van gemeenschap, de zucht en de mode, om een buitenverblijf te zoeken in een meer verwijderd oord en onder een drogere of een gezondere lucht. De omstreken van Utrecht, toen die van Arnhem, dekten zich met villa's, en ook de Meer werd ver-
235
laten, en, op een paar hofsteden na, die zelfs niet meer tot buitenverblijven konden dienen, al het overige in boerderijen of weiland herschapen.
Maar zoo dit een en ander ten opzichte van de streken, onmiddellijk om Amsterdam gelegen, den ingezetenen dier stad vrij wel bekend is, ik zal wellicht vele hunner verbazen, wanneer ik hun vertel, dat het getal niet minder groot was van de hofsteden, die nog in deze eeuw, in de omstreken van Weesp en van Naarden gelegen waren en die thans evenzeer verdwenen zijn. Geen eentoniger, vervelender weg, dan die heden ten dage van Muiden op Naarden loopt, en toch, vóór tachtig jaren nog leverde diezelfde weg aan den reiziger vrij wat verscheidenheid op. Ik spreek niet eens van het bekoorlijke paradijsje, sedert dien tijd deels door 't zeegeweld, deels door sloopers vernield, en dat men, van Muiden komende, aan zijn linkerhand laat liggen, ik spreek van tal van buitenplaatsen, die hier aan den weg lagen, en waarvan de herinnering voor den opmerkzamen beschouwer nog bewaard blijft, hier door een oud steenen hek, daar door de slooten, die vroeger om 't heerenhuis liepen, en haar oude figuur behouden hebbende, nog den omtrek afbakenen, waar dat huis gelegen was: elders weer door een brok van het woonhuis of door eene rij boomen, overblijfselen eener vroegere laan. Een dezer gesloopte hofsteden was in de vorige eeuw het zomerverblijf van den vermaarden speelbal in de hand der patriotten, den Burgemeester Hendrik Hooft.
En evenzoo als aan deze zijde van Naarden was 't aan de tegenovergestelde zijde. Ook hier duurt het tegenwoordig, nadat men de vestingwerken is uitgekomen, een geruimen tijd, eer men iets ontmoet, dat aan een buitenverblijf doet denken, en wat men dan nog te zien krijgt, is meest hakhout; niets dat bijzonder de aandacht trekt. Men is in Gooiland, men rijdt een hoogte op, men krijgt een fraai uitzicht over boekweitvelden, op de heide, op lanen, enz. — doch buitenplaatsen ziet men niet. Ook hier is al, wat vroeger den luister uitmaakte van Gooiland, verdwenen, en zelfs zonder eenige sporen achter te laten.
236
Talrijk intusschen waren, reeds omstreeks de helft der I?*10 eeuw en nog lang naderhand, de lusthoven, die zich hier zoodra men Naarden uit was, rechts en links van den weg verhieven, prachtige heerenhuizen, sommige zelfs als kasteelen gebouwd, omgeven van frissche wandelperken, tuinen en slingerpaden, waar niets ontbrak van 't geen de toenmalige smaak ter versiering aanbracht, en gelegen tusschen reusachtig opgaand hout. Het was hier, dat de De Graven, de Hinlopens, en tal van andere aanzienlijke Amsterdammers, hun zomerverblijf hielden en alles bijeenbrachten wat strekken kon, om dit verblijf zoo aangenaam mogelijk te maken, en het is in dien tijd en in dit oord, dat ik het tooneel geplaatst heb van de eenvoudige en uit het dagelijksch leven gehaalde voorvallen, die ik beproeven wilde te schetsen.
II.
Ik verzoek dan den lezer, met mij zich in den nazomer van 't jaar 1653 terug te denken en mij te volgen door dat prachtige hek, 't welk op den Naarder heirweg uitkomt en ons in sierlijk ijzeren krulwerk den naam van „Rustenberghquot; doet lezen. Wij begeven ons onmiddellijk naar het heerenhuis, wij zouden bijna zeggen, naar 't kasteel; — want het steekt met een viertal torentjes, wier leien daken spits naar boven loopen, boven 't omliggend geboomte uit. Wij treden het huis binnen, de marmeren trappen op en naar de zeskante achterzaal, een ruim vertrek, met goudleer behangen, en waarin wij een gedeelte van 't gezin vereenigd vinden. Aan een note-boomhouten, met keurig snijwerk voorziene tafel, die, midden in de zaal, op een ronde vloermat rust, ten einde de marmer-steenen vloer niet beschadigd worde, is een vrouw van ruim dertigjarigen leeftijd gezeten, met een borduurraam voor zich, op 't welk zij ijverig bezig is de voorstelling af te werken
237
van een herder, die een herderin een bloemruiker aanbiedt, terwijl een Sater hen van achter 't bosch begluurt. In de sponning van een der hooge kruisramen zitten op de houten vensterbankjes twee jonge meisjes, waarvan het eene zich met naaiwerk onledig houdt en het andere zit te lezen. Een derde jongejuffer is voor de klavecimbel gezeten, die tegen den wand is geplaatst, en oefent zich in 't spelen, doch op een wijze, die niet alleen van een goeden aanleg, maar ook van een uitnemenden leertrant getuigt. Ik wil den lezer niet ophouden met hem de photographieën van deze meisjes te geven: dat zou plicht zijn, indien ik een roman schreef; in een korte schets als deze, zij 't genoeg te zeggen, dat zij er alle drie recht lief, gezond en levenslustig uitzagen.
De vijfde personage, dien wij hier ontmoeten, is een jongeling met een opgeruimd voorkomen, om wiens mond bestendig een schalkachtig lachje speelt. Hij zit in een tegenovergestelde!! hoek van de zaal, en is bezig een net te breien.
Wij willen met deze vijf kennis maken; doch dewijl wij nog meer leden van de familie in den loop van ons verhaal zullen ontmoeten, kan het niet ongepast worden geacht zoo ik, om den lezer op de hoogte te brengen, hem een soort van genealogische tafel voorhoude. Dat moge al geen vermakelijke lectuur zijn; doch dat is een lijst van personen voor een tooneelstuk evenmin, en toch zou niemand, die zich er toe zette, zoodanig stuk te lezen, die lijst overslaan, veel minder haar willen missen.
In het laatst der 16e eeuw leefde te Amsterdam een vermogend koopman, Jacob genaamd, met den toenaam Hinlopen, vermoedelijk omdat hij, of een zijner voorvaderen, van die Friesche stad herkomstig was. Deze Jacob Hinlopen had drie zoons, Jacob, Tijmen en Frans; wie de oudste en wie de jongste van hun drieën was weet ik niet, wel dat zij alle drie Regeerings-ambten bekleedden: Jacob Jacobsz., gelijk hij gemeenlijk genoemd werd, vinden wij op de Regeeringslijsten aangeteekend op t jaar 1617 als Schepen en Raad, terwijl wij nog van hem weten, dat hij, in 1629, als Commandant van een vendel
238
burgers uittrok, om de stad Bommel te bezetten, welke men, ter versterking van het leger van den Staat, dat voor Den Bosch lag, van garnizoen ontledigd had. — Tijmen Jacobsz was in 1615 regeerend Burgemeester en Frans in 1622 Kerkmeester der Nieuwe Kerk.
Jacob Jacobsz was tweemalen getrouwd; den naam zijner eerste vrouw hebben wij niet kunnen ontdekken, doch wel kennen wij dien zijner tweede. In 1642, alzoo op reeds gevorderden leeftijd, huwde hij nog de jeugdige Sara, dochter van Jan De Waal, Heer van Ankeveen, en Vondel, die, als wij nader zullen vernemen, verplichting aan den bruigom had, bezong dien echt in een treffelijk gedicht.
Die tweede echt bleef kinderloos; doch uit den eersten had Jacob Jacobsz vier kinderen overgehouden, twee zonen, Jacob en Joan, twee dochteren, Anna en Catharina.
Tijmen Jacobsz, de Burgemeester, trouwde, mede op reeds gevorderden leeftijd, zekere juffer Vermaes, waarom haar oudste zoon, Jacob, bij den naam van Hinlopen, dien van Vermaes aannam. Hunne beide andere zoons waren Michel en Tijmen geheeten.
Frans Jacobsz. eindelijk had slechts een zoon, Jacob Fransen, die in 1618 geboren, en die sedert 1642, dus in 't zelfde jaar als zijn oom, getrouwd was, en wel met Maria Huydecoper, dochter van den Heer Van Maarseveen. In 1652, alzoo een jaar voordat ons verhaal begint, was hij Schepen en Raad geworden der stad Amsterdam.
En na u alzoo de leden der familie genoemd te hebben, stel ik u in de vrouw, die aan 't borduurraam zit, Sara De Waal voor, thans weduwe van Jacob Jacobsz. Te recht had Vondel van den overledene in zijn bruilofsdicht gezongen, met toepassing op het verschil in jaren, dat tusschen de echtelingen bestond, dat hij zijner vrouw tevens tot man en vader zou verstrekken. Hij had zich trouwhartig in beide opzichten jegens haar gekweten en was nu sedert een paar jaren gestorven, zijn vrouw als eigenaresse van Rustenbergh achterlatende.
De klavierspeelster is Anna — het meisje, dat te lezen zit, is Catharina Hinlopen; de andere juffer, die zoo druk met haar
239
naaiwerk bezig is, is Ursula Van Bergen. Zij heeft reeds vroeg haren vader verloren en woont met hare moeder, die aan de Hinlopens vermaagschapt is, te Amersfoort; thans is zij eenige dagen, tot gezelschap van hare nichtjes, op Rustenbergh komen doorbrengen.
De jonkman eindelijk is Joan Hinlopen, Anna en Catharina's broeder.
„Allerliefst,quot; zei Ursula Van Bergen, toen Anna het stuk, waar zij aan bezig was, had afgespeeld. „Van wien is die muziek? — Van Smelingk?quot;
„Neen,quot; antwoordde Anna, terwijl zij zich half omwendde en 't blondgelokte kopje schudde: „'t stuk is van Ban.quot;
„Van Ban?quot; vroeg wederom Ursula. „Woont die niet te Haarlem ?quot;
„Dat is te zeggen,quot; antwoordde Anna: „hij woonde er: want hij is al voor een jaar of acht gestorven; hij was zooals Meester Swelingk mij meermalen vertelde, te gelijk rechtsgeleerde en priester; hij heeft heel wat muziek geschreven en er nog meer over geschreven; hi] was zeer bevriend met den Heer Descartes, den Franschen geleerde, die hier was komen wonen, en hij won dikwijls diens raad in.quot;
„En niet alleen met den Heer Descartes was hij bevriend,quot; viel Mevrouw Hinlopen in: „maar ook met den Drossaard Hooft en met Mejuffrouw Tesselschade Krombalgh: ik heb hem vroeger op 't Muiderslot wel ontmoet, en ik weet niet hoevele deuntjes van den Heer Hooft hij op muziek heeft gezet: ook, zoo ik mij wel herinner, een van Mejuffrouw Tesselschade, dat een kluchtigen titel had: „Onderscheid tus-schen eene wilde en tamme Zangster.quot; — De wilde was natuurlijk de nachtegaal, de tamme zij zelve.quot;
„Heden, Meuie '), dat zou ik wel eens hebben willen hooren,quot; zei Ursula lachende.
') Voor „moei,quot; Ursula drukt zich hier op zijn echt Amsterdamsch uit en zooals ik 't in mijn jeugd nog meermalen hoorde, 't Woord Tante kwam eerst later dan 't hier behandelde tijdvak in gebruik; — daarentegen zei men toen veelal cousine voor „nicht.quot;
240
„Ik heb het nietquot;, zeide Mw. Hinlopen: „doch ik weet niet, of het u wel bevallen zou. Het lied, dat Anna daar speelde, is welluidend, en het lieflijkste, dat hij gemaakt heeft: trouwens het streven van Mr. Joan Albrechtsz Ban was altijd, om de rechten der melodie aan te bevelen en te handhaven tegenover die der harmonie; doch ook zelfs zij, die 't in beginsel met hem eens waren, oordeelden, dat hij de toepassing daarvan veel overdreef. Zijn muziek was daarom dikwijls flauw en mat, niet onaangenaam voor 't gehoor, maar zonder kracht of wat men echt muzikale gedachten noemt; en dat was ook het geval met het stukje, dat ik zooeven noemde.quot;
„Jaquot;, voegde Joan er bij: „zijn muziek doet mij altijd denken om zoete koek: honig met sukade, meer niet; ik voor mij eet hem liever wat gekruid. En tien tegen een, dat mij de wilde zangster, waar moeder van sprak, beter dan de tamme zou bevallen, a.1 gaf nu Ban vermoedelijk aan de laatste de voorkeur.quot;
„Hoe kun je zoo spreken van je liefde voor de wilde zang-sters, terwijl je bezig bent een net te breien om die arme diertjes te vangen?quot; vroeg Anna.
„Je ziet slecht uit je oogen,quot; antwoordde Joan: „als je niet merkt dat het een snippennet is, waar ik aan bezig ben; en snippen zijn, zoover ik weet, nooit als zangsters bekend geweest.quot;
„Ik dacht, Joanquot;, zei Catharina, van haar boek opziende: „dat je op de jacht alleen dacht aan eenden en hoenders en niet op het gezang van een vogel letten zoudt.quot;
„In den jachttijd zingen ze niet,quot; hernam Joan: „dan hoort men ze alleen wat fluiten en kwinken. — Maar luister je waarlijk naar ons gesprek, Zusje ? Ik dacht, dat je te veel in Virgilius verdiept waart, om eenige aandacht te schenken aan hetgeen er gespeeld of gezegd werd. Vermaakt je dat werkelijk, dat langdradige boek?quot;
„'t Is een geschenk van Sinjeur Vondel,quot; zeide Catharina, zonder bepaald te antwoorden op de gedane vraag; „nu, als ik hem terugzie, wil ik toch eenigszins op de hoogte zijn, om
241
er iets over te kunnen zeggen en niet verlegen te staan, als hij mij vraagt, hoe 't mij bevallen heeft.quot;
„Dat zal hij niet doen,quot; merkte Mw. Hinlopen aan: „de man is te bescheiden en spreekt nooit over zijn eigen werk.quot;
„Dat is gelukkig,quot; zei Ursula: „want ik beken tot mijn schande dat ik nooit den moed heb gehad, de lezing van het boek te beginnen, ofschoon het sedert lang bij ons in de kast staat, en neef Huydecoper, die het aan Moeder schonk, mij 't werk zeer aanbeval en verklaarde, zelden zulk keurig proza gelezen te hebben, en dat het oorspronkelijke zoo schoon teruggaf. Ik zou dan ook alles behalve op mijn gemak zijn, indien ik Sinjeur Vondel ontmoette en mijn onbekendheid met zijn vertaling aan den dag kwam.quot;
„O!quot; zei Catharina: „met u is 't een ander geval: jezijtniet verplicht, het boek te lezen : want u is het niet ten geschenke gegeven door den schrijver.quot;
„Ei zoo?quot; vroeg Ursula: „ja, ik weet hoe je beiden in gunst staat bij den ouden heer.quot;
„Welzeker!quot; viel Joan in: „hij vrijt ze allebei: zoo'n ouwe gauwdief!quot;
„Foei, Joan,quot; zei Anna; „de man is altijd even zedig en stil: — jawel,quot; vervolgde zij tegen Ursula: „hij heeft het ons gebracht toen wij nog op Eikhof buiten waren, en dat ingevolge een belofte, die hij ons had gedaan, bij gelegenheid, dat Vader hem ten onzent had verzocht, doch dat hij zijn dochter Anna, die de koorts had, niet wilde verlaten. Hij deed ons die belofte in een allerliefst versje, luister maar:
„Mijn geest, tot lantvermaeck genei glit,
Had uwen Eickhof hardt gedreiglit,
Daer eick by eick zoo vrolijck groeit,
Het velt vol zoete boeckweit bloeit,
En levert aen de honighby Een levendige schildery,
Die 't oogh misleit door groeizaem kleur,
En noodt den reuck op verschen geur;
Maer och de damp van eene koorts.
Die 't naeste bloet, gelijck een toorts,
II. — Nov. 16
242
Zoo vierigh blaeckt, benyde my Dat schoon gezicht en zomerty,
quot;Waer door het weimans hart ontluickt;
Wanneer 't in koele schaduw duiokt,
In 't groene gras, en 't piepend kruit,
En Titer volght met keel en fluit;
Of ylieghtl) en jaeght, door 't Paradijs Van 't lachend Goy, naer eêl patrijs,
En haes, en vos, met valck en hont,
In 't kriecken van den morgenstont.
Noch schel lek u die vreught niet quijt,
Maer spaerze op een gelegen tijt.
Die Goylants herderinnen sticht In Duitsch met Maroos heldendicht.
Airede in 't rijmeloos vertaelt;
Waer door mijn geest wat adems haelt Terwijl eens anders koortsverdriet Mij uwe hoef en 't velt verbiet.quot;
„Ja, inderdaad, dat is een lief versje,quot; zei Ursula: „en hebt
„Dat is te zeggen, Joan heeft er een van hem gekregen,
„En wel een woordje op zijn pas,quot; voegde Mw. Hinlopen er
Hindelopen loopt de hinden En de hazen achter aen.
Al de Joffers laet hy staen.
Hy bemint de hazewinden,
En zijn bracken, en het wilt.
En het velthoen, en de lijsters.
Meer dan al de jonge vrijsters.
Is dat niet zijn jeught gespilt?
Hy magh rennen, hy magh jaegen,
Jfaer hy zal zijn jaght beklagen.quot;
,Nu ja,quot; zei Joan, de schouders ophalende: „Vondel wil altijd iedereen maar getrouwd hebben. — Maar ik weet wel waarom Anna die hatelijkheid, die hij op mij gerijmd heeft,
quot;7 Vliegen beteekent in jagerstaal: „met valken of sperwers op vliegend wild jagen,quot; en vliegM staat hier over valck, gelijk jaey/it over /wut.
243
aanhaalt: 't is omdat ik wederkeerig van de vleiende loftaal zou gewagen, die hij haar gegeven heeft.quot;
„Zoo?quot; vroeg Ursula: „en hoe luidt die? Daar heeft Anna mij nooit iets van gezegd.quot;
„Nu! dat kan ze ook zelve niet doen,quot; hernam Joan: „maar zij heeft dolgraag, dat een ander er van spreekt, en nu zou zij zeer gestraft zijn, indien ik de gelegenheid, die zij heeft doen geboren worden, moedwillig verzuimde.quot;
„Foei, Joan! 't is heel leelijk wat je daar vertelt,quot; zei Anna; „ben ik dan zóó ijdel?quot;
„Dat is tot daaraan toe,quot; antwoordde Joan: „maar in allen geval kan onze Cousine er niets anders dan een edelmoedigheid mijnerzijds in zien, wanneer ik, nadat je moeder hebt opgestookt om een gedicht op te zeggen, dat mij als een norschen vrouwenhater ten toon stelt, mij wreek, door er op mijn beurt een op te zeggen, dat niets dan lof inhoudt. Je weet, Ursel! dat onze Anna, ofschoon niet katholiek, door Govert Flinck is geschilderd in de gedaante van een heilige, en nog wel in die van St.-Cecilia, die het orgel heeft uitgevonden : iets, dat ik altijd vrij verwaand heb geoordeeld...
„Wat? dat St.-Cecilia 't orgel uitvond?quot; vroeg Catharina, hem in de rede vallende.
„Neen; — maar dat Anna voor een heilige wou doorgaan, en nog wel voor een patrones van de muzikanten.quot;
„'t Was Vader, die 't zoo begeerde,quot; zei Anna, de oogen neerslaande.
„Nu! ik zal er dan niets meer van zeggen,quot; hernam Joan: „zeker is 't, dat Vondel er zeer mee ingenomen was — ofschoon ik niet recht begrijp, hoe 't hem, die zoo vroom katholiek is, niet ergerde, aldus een kettersche juffer als eene zijner kerk-heiligen te zien voorgesteld. Intusschen, dat is zijne zaak. Dit althans is zeker, dat hij, die met Flinck zeer bevriend is, de schilderij bij hem ziende, er terstond dit bijschrift op maakte:
Zoo schijnt Cecilia in Anna te verryzen.
Een Engel 't orgel blaest, terwijlze Davids wijzen Op Swelingks noten volgt, en zelf liet Paradijs
244
Ten dans leit en ontvonokt in 's Allerhoogsten prijs.
Haer vingers 't bruiloftsliet van Salomon ontvouwen.
Wel hem, die zulck een hant en vingers eens zal trouwen.quot;
„Nu!quot; merkte Ursula aan: „dat is nogal niet weinig vleiend.quot; „Alleen,quot; hervatte Joan: „heb ik aanmerking op den laatsten regel; dat hant en vingers'vind ik wat overbodig; wel! wie de hand krijgt, krijgt er immers de vingers bij?quot;
„Dat heb je niet uit uzelven. Broeder,quot; zei Catharina; „ik wed, dat Vos of een ander, die zich vermeet, verzen van Vondel te bedillen, omdat hij ze zelf zoo niet schrijven kan,
die aanmerking heeft gemaakt.quot;
„'t Doet er niet toe,quot; hernam Joan, „zoodra de aanmerking
juist is.quot; . . ,
„Maar dat is zij, geloof ik, niet,quot; zei Catharina: „ieder woord
heeft hier zijn afzonderlijke beteekenis, en de dichter prijst
den man gelukkig, die niet alleen, met Anna's hand, een viouw,
maar ook, met Anna's vingers, een goede klavierspeelster tot
vrouw zal krijgen.
„Fraai verzonnen!quot; zei Joan; „waarachtig Zuster, zoo Anna noten op 't klavier levert, jij zoudt bekwaam wezen noten op de werken der poëten te leveren!
En als ik daartoe bekwaam was,quot; zei Catharina; „zou ik het nog ongaarne doen; mij dunkt, op slechte verzen behoeft men geen noten te maken; want die zijn de moeite van 't lezen niet waard; en wie goede verzen niet verstaat zonder noten, zal er geen genot van hebben, ook al geeft men er hem
noten bij.quot; ,
Ons Catrijntje heeft gelijk,quot; zei Mw. Hinlopen; „en daarom
schat ik Vondel ook hooger dan al de dichters, die wij ooit
gehad hebben, omdat hij, ook al behandelt hij de^ verhevenste
onderwerpen, altijd even duidelijk is in zijn taal.quot;
„Heeft Meuie hem sedert lang gekend?quot; vroeg Ursula.
„Sedert mijn huwelijk,quot; antwoordde Mw. Hinlopen, „toen
hij quot;een gedicht op mijn bruiloft maakte; maar mijn man had
hem, om zoo te zeggen, van kinds af gekend; zij waren tijd-
genooten.quot;
245
„Hij is altijd aan Vader zeer gehecht geweest,quot; zeide Anna.
„En niet zonder reden,quot; merkte Joan aan; „immers, toen hij om zijn Palamedes vervolgd werd, was Vader onder de Schepenen degene, die 't meest voor hem ijverde.quot;
„Ik verheug mij zeer, dat ik hem zal leeren kennen,quot; zei Ursula: „heden! als hij op mij eens een gedicht wilde maken.quot;
„Wel! daar is kans op,quot; zei Joan: „als hij je eens kent, dan heb je maar te trouwen, en je kunt er op aan, dat hij je huwelijk bezingt.quot;
„Hm! als ik zoolang moet wachten,quot; hernam Ursula: „dan weet ik zeker, dat er niets van komt.quot;
„Och waarlijk?quot; vroeg Joan, haar zijdelings aanziende, met een ondeugenden blik: „zou 't zoolang duren eer wij het geluk hebben u als bruid te begroeten?quot;
„O, nog geweldig lang,quot; antwoordde het jonge meisje; doch de kleur, die de vraag op haar gelaat had doen rijzen, scheen te kennen te geven, dat zij niet volkomen zeker was of zij wel de waarheid sprak.
„Gekheid! gekheid!quot; riep Joan, met zijn plagen voortgaande: „wie weet of er niet spoedig iemand komt opdagen, die je tot andere gedachten brengt.quot;
„De oude Heer Vondel misschien?quot; vroeg Ursula, haar verlegenheid achter scherts verbergende: „wel! ik zou er anders niet tegen hebben, als 't niet om 't verschil van religie was.quot;
„De oude Heer Vondel — of een ander,quot; zei Joan: — „en pas op, of mijn woorden niet uitkomen: ik hoor daar een rijtuig en wij zullen zien wie het medebrengt.quot;
En werkelijk, er hield een rijtuig stil en spoedig daarop traden zij, die er mede van Amsterdam gekomen waren, de zaaldeur binnen.
246
De nieuwaangekomen waren vier in getal, die wij achtereenvolgens aan den lezer voorstellen: wij beginnen met den jongste en wel, omdat hij onder het viertal de eenige huisgenoot is, namelijk Jacob Hinlopen, de oudere broeder van Joan, en thans Regent van het Burger-Weeshuis, een wakker en flink jongeling. Twee anderen zijn zijne neven, Jacob Tijmensz Hinlopen Vermaes, die Regent van het Aalmoezeniei s-Weeshuis is en tevens een der Directeuren van de Groen-landsche visscherij en zijn broeder Michiel, die nog steeds buiten alle stadsbetrekking is gebleven, omdat hij schier altijd zich op reis bevond. Reeds voor tien jaren had hij Italië bezocht en 't was aan hem, na zijn terugkomst uit Florence, dat Vondel zijn lierzang de „Ilias van de Medicissenquot; opdroeg. Reeds van zijn vroegste jeugd een minnaar der schoone kunsten, had Michiel door zijn verblijf in genoemde stad dien kunstzin nog meer weten te ontwikkelen en was begonnen een prachtige verzameling aan te leggen van kunstplaten, welken schat hij nog dagelijks verrijkte.
Hij en zijn broeder betrokken, sedert den dood huns vaders, de hofstede Klein Bussum, mede in Gooiland gelegen, en het is slechts in 't voorbijgaan, om hunne tante en nichten een bezoek te brengen, dat zij Rustenbergh aandoen. Misschien is er nog een andere reden bij; doch dat zullen wij later gewaarworden.
De vierde van de nieuwaangekomenen is een zes-en zestigjarige grijsaard; ik behoef hem niet te beschrijven, al mijn lezers kennen hem voorlang. Zijn naam is Joost van den Vondel.
Anna heeft hare zitplaats bij 't klavier, Joan en Catharina de hunne bij 't raam verlaten, om de heeren te verwelkomen. Mw. Hinlopen en Ursula zijn opgerezen, doch blijven staan, waar zij zich bevinden: de eerste, omdat zij, als vrouw van
247
den huize, zich gerechtigd acht, al wie er komt, van hare plaats te ontvangen; de andere, omdat zij als jong meisje, het min gepast zou oordeelen vier ongetrouwde heeren, waaronder een onbekenden weduwnaar, te gemoet te gaan.
„Wel! dat is braaf van u. Sinjeur Vondelquot; zegt Mw. Hin-lopen, terwijl zij den dichter vriendelijk de hand reikt, welke deze eerbiedig kust, „dat gij uw woord houdt en ons komt bezoeken. — Goeden morgen, Jacob,quot; dit tegen haren neef — „goeden morgen Michiel; goeden morgen, Jacob,quot; —dit laatste tegen haren stiefzoon. Wij sparen den lezer de begroetingen tusschen broeders en zusters, neven en nichten; wij vermelden alleen het antwoord van Vondel aan de vrouw van den huize:
„Waarlijk! indien ik mij ooit aan woordbreuk kon schuldig maken, dan zou het gewisselijk niet zijn jegens u. Mevrouw. Men vergeet nog wel eens een belofte, die 't lastig is te houden; maar een genoegen, dat men beloofd heeft te komen smaken, die dat vergeet, ware een dwaas.quot;
„Ik behoef niet te vragenquot;, hernam de vrouw des huizes: „of gij uw dochter hebt wel gelaten; wij hadden u hier anders niet gezien.quot;
„Mijn dochter is, Goddank, volmaakt wel,quot; antwoordde Vondel; „en zal zich zeer vereerd rekenen als zij verneemt, dat Mevrouw harer indachtig is geweest.quot;
„En bevalt u voortdurend dat stille leven op den Singel? — Is het u beiden niet vreemd, zoo geheel van de drukten, aan uw vroeger verblijf verknocht, te zijn ontslagen?quot;
„Ik heb,quot; zei Vondel; „vele jaren verlangd naar den tijd, wTaarop het mij zou gegeven zijn, mij uit de zaken terug te trekken en den avond van mijn leven in rust door te brengen, 't welk ik nu, door Gods goedheid zal kunnen doen. Wij leven zeer gelukkig met ons beidjes, mijn Anna en ik; doch 't is inzonderheid voor haar, dat ik mij verheug, mijne zaken te hebben overgedaan. Het bestier van huis en winkel begon haar, die niet te sterk van gezondheid is. te zwaar te vallen. Ik heb al met dankbaar genoegen mogen ontwaren, hoeveel beter
248
zij zich gevoelt, sedert zij althans van het grootste deel harer beslommeringen is bevrijd; wat ons kleine huishoudentje betreft, dat kan zij gemakkelijk af, en wij hebben waarlijk tegenwoordig een aardsch Paradijsje.quot;
Helaas! hoe weinig dacht de goede man, dat eerlang nieuwe en erger bekommeringen dan ooit te voren de rust, die hij in dat Paradijsje genoot, zouden komen verstoren en hij wederom op zijn ouden dag tot een bedrijvig leven en een slaafschen arbeid zou worden gedoemd.
„En heeft de reis u niet vermoeid. Sinjeur Vondel?quot; vroeg Joan, die inmiddels uit een zijbuffet een flesch romanée ') en eenige glazen had voor den dag gehaald en op tafel gezet.
„Men wordt niet vermoeid,quot; antwoordde de grijsaard, als men gezeten is in de gemakkelijke karos van de Heeren Hin-lopen en tevens het voorrecht van hun onderhoudend gezelschap geniet. Daar is de Heer Michiel, die over de kunst en over al wat hij met betrekking daartoe in Italië gezien heeft, weet te spreken, dat men nooit moede wordt naar hem te luisteren: en de Heer Jacob Tijmensz, die mij de kusten van Groenland en de natuurverschijnselen, die men in de IJszee waarneemt, zoo naar 't leven heeft geschilderd, dat het mij was of ik ze vóór mij zag.quot;
„En, vader Vondel,quot; vroeg Catharina: „waar zoudt ge nu liever heentrekken? naar Italië om de kunst te bewonderen of naar de IJszee, om de natuurverschijnselen gade te slaan?quot;
„Wel, dat's een vraag!quot; riep Joan; „'t is ook een mooie liefhebberij, naar de Noordpool te gaan, om er de scheurbuik op te doen en een bevroren neus. Wat zegt er nicht Ursel van ?quot;
„Wel!quot; antwoordde Ursula, met een licht blosje: „ik geloof, dat men zich tegen de kou goed wapenen kan, en dan is 't mogelijk, dat het schoone, dat men ziet, ruim opweegt tegen de ongemakken, die men lijdt.quot;
„En 't zou bovendien,quot; vervolgde Joan: „veel afhangen van het gezelschap, dat men mee had op reis. Ik weet niet, hoe
') Romanée, een toen en nog steeds beroemde Bourgognewijn.
249
neef Jacob er over denkt, maar ik, wat mij betreft, zou mij de reis met de walvischvaarders nog getroosten, had ik een lieve reisgenoote mee.quot;
Hier kleurde Ursula nog sterker, vooral toen Jacob Tijmensz zeide: „Ongetwijfeld! en zeker zou ik, indien ik een vrouw had, het wTel als een groot bewijs van hare affectie achten, als zij zulk een tocht naar de ISToordpool waagde en al de daaraan verbonden gevaren tartte, om niet van mij gescheiden te zijn. — Intusschen, ik zou haar daaraan niet willen blootstellen,quot; voegde hij er geruststellend bij.
„Zoo? je zoudt haar dus liever een maand of wat alleen laten?quot; vroeg Joan, met een schalkschen blik.
„Ik zou doodeenvoudig thuis blijven,quot; antwoordde Jacob Tijmensz: „er bestaat volstrekt geene noodzakelijkheid, dat een Directeur van de visscherij alle tochten meemake; als men eenmaal een huisgezin heeft, komen er andere plichten, die zwaarder wegen.quot;
„Braaf geantwoord,quot; zei Mw. Hinlopen: „maar nu weten wij nog niet, hoe Sinjeur Vondel denkt, aangaande hetgeen hem door Catrijntje gevraagd is.quot;
„Waarlijk,quot; antwoordde Vondel: „de keuze zou mij moeilijk vallen; natuur en kunst zijn levenslang twee trekpleisters geweest, die met gelijke kracht op mij werken ... .quot;
„En die gij met gelijke liefde en even gelukkigen uitslag bezongen hebt,quot; viel Jacob Jacobsz in.
„Maar ik kan mij dan ook niet voorstellen,quot; hervatte Vondel: „hoe men dichter zou zijn, zonder aan beide gelijke liefde toe te dragen. Zie, ik begrijp het zoo: de natuur legt in 's menschen geest, of liever in zijn hart, de geneigdheid, den aanleg tot poëzie; — maar komt er de kunst niet bij, om aan die genegenheid een bepaalde richting te geven en om dien aanleg te beschaven, dan zullen de gaven, die hij van de natuur ontvangen heeft, hem op zich zeiven niet baten; en omgekeerd zal geen kunst, geene oefening ter wereld iemand tot dichter maken, die het niet geboren is. En evenzoo kan men, door zich vlijtig te oefenen in de mengeling van
250
kleuren of in het teekenen naar goede voorbeelden, een knap huisschilder of een bekwaam timmerman worden: maar daarom nog geen Flinck of Van Campen.quot;
„Maar nu, vader Vondel!quot; zei Catharina; „uw antwoord op mijn vraag.quot;
„Wel, Mejuffer Catharina,quot; hernam Vondel: „vergun mij u ook eens een vraag te doen ? Wat ziet gij liever: een heerlijk bloemperk, waar de schoonste rozen bloeien, of een schilderstuk, waarop die op de uitstekendste wijze zijn afgebeeld?quot;
„Hm!quot; antwoordde Catharina: „ik zie ze allebei even gaarne ; maar ...
„Of,quot; vervolgde Vondel: „wat ziet Mejuffer liever op tafel; een welgemesten kalkoen of een flesch puik puike malvezije? Ik weet, dat beide in uw smaak vallen.quot;
„Wel! den kalkoen, als ik honger heb, en de malvezije als ik dorst heb; maar dat zijn voorwerpen, waar geen vergelijking tusschen kan gemaakt worden.quot;
„Juist!quot; hernam Vondel; „en dit is evenzoo het geval met de keuze, die mij door u werd voorgesteld. Tusschen ongelijksoortige voorwerpen kan geen keuze te pas komen.quot;
„Maar toch,quot; zei Jacob Jacobsz: „was de vraag van mijn zuster zoo ongerijmd niet. Stel, dat iemand u den voorslag deed, met hem ter walvischvangst te gaan, en, terzelfder tijd, een ander, hem naar Italië te vergezellen, en er was niets, dat u belette, een der beide voorstellen aan te nemen, dan zoudt gij toch wel moeten kiezen.quot;
„Dan koos ik Italië,quot; antwoordde Vondel: „waar men naast de kunst, ook schoone natuurtooneelen vindt en treffende herinneringen.quot;
„Zeg liever, geen blauwschuit opdoet en geen bevroren neuzen, en 't gevaar niet loopt, in de maag van een ijsbeer te land te komen,quot; zei Joan.
„Hm!quot; hernam Vondel: „men kan daarentegen in Italië een zonne- of een schorpioensteek opdoen; en zijn er geen ijsberen, dan zijn er bandieten, die niet minder gevaarlijk zijn. Wie tegen de gevaren van de reis opziet, doet best, bij honk te blijven.quot;
251
„Ik voor mij,quot; zei Jacob Jacobsz, „beken gaarne, dat ik geen held ben en evenmin lust heb, om kennis te maken met de ijsberen als met de bandieten. Ik zeg maar: leve Amsterdam, waar men, na 't gedane werk, rustig en stil zijn piketje in den Doelen kan gaan spelen, en leve het Gooi, waar men veilig kan gaan wandelen zonder er bandieten, beren of schorpioenen te ontmoeten.quot;
„Toch wel slangen,quot; zei Anna.
„Slangen!quot; herhaalde Michiel: „inderdaad? — Ik dacht, dat die alleen in 't Zuiden huisden, althans die venijnig zijn.quot;
„Wel ja! — en ik griezel er nog van als ik er aan denk,quot; hernam Anna.
„Wist je dat niet, Michiel?quot; vroeg Catharina: „wij waren op de hei bloemen gaan plukken en zaten op een heuveltje wat uit te rusten. Zonder die hagedis, die ons waarschuwde, waren wij misschien van het beest gebeten.quot;
„Wat is dat voor een geschiedenis uit de fabels van Ezopus, die je ons vertelt? Hagedissen, die de lieden waarschuwen!quot;
„'t Is zooals Catrijntje zegt,quot; zei Anna: „het diertje kroop juist over mijn schouder en dat deed mij naar beneden kijken en die leelijke adder zien, die vlak bij mijn voet op een eiketronk zat te sissen.quot;
„'t Was toen je op reis waart,quot; voegde Catharina er bij : „vader Vondel maakte er een aardig versje op.quot;
„Mag men dat hooren?quot; vroeg Michiel.
„Wel gewis,quot; antwoordde Catharina: „'t heeft tot titel:
DE GETKOUWE HAEGHDIS.
Geluckig is zy, die hier leeft
Van zorgen en gevaer be vrijt,
En altijt eene schiltwacht heeft:
Want zelden leeft raen zonder strijt,
En ongeval en harteleet Genaeckt den mensche, oock eer men 'tweet.
Twee jonge maegden waren uit-
Gegaen, in 't kriecken van den dagh,
Daer niemant heek noch draeiboom sluit,
Het Goy voor ieder open lagh.
252
Natuur haer keur van bloemen^H Alsins te plucken gaf m t -«lit.
De lentezon bescheen het groen
Met puick van straelen overal.
Het lantschap stont in zijn saizoen.
De liyeu zogen hergh en t a Van honigh ledigh te gelijck.
En alle honighkorven rijck.
De maeghden op een heuvellojn Gelegen, en van plucken moe.
Beschut met loof voor zonneschijn Eu zon, haer oogen loocken toe.
En sliepen zoo gerust in t gras Als of de slaep haer hart gena .
Maer midden onder 't slapen quam
Een adder uit haer duister hol Gekropen, langs een eicken starn^^
Zii glom om haeren hals.
Allengs van hoosheit in den dagh Toen zy de zusters leggen zagh.
Dit merckte een wackere Haeghdis
Die vrouw Natuur in stilheit dient.
Den mensch bemint en gunstig En gadeslaet, en houdt e vr Hoe was dit lieve dier zoo banS-Zy kroop verbaest op hals en
zij streekze en weckteze op het lest
Den schoot met bloemen hier en daer.
Nu twijfel ick niet langer, of
Het een of 't ander stomme dier Bewaeckt de 'ounoozlen, en haer lo
Behoeft noch hantbus noch rappie .
Al schiet een adder gift en gal.
De deught is veiligh overal.
Mlchiel bedankte ïijn nicht attljd ondeugena,
253
„'t Versje is allerliefst, maar indien Sinjeur Vondel er zijne dichterlijke verbeelding niet wat heel veel in heeft doen werken, dan houd ik het er voor, dat zij niet zoozeer aan den loop zijn gegaan voor de slang als wel voor de hagedis, en dat ze 't evenzoo hard gedaan hadden als 't een spinnekop geweest ware, die haar over den blooten hals kroop. En zij weten wel dat zoo'n addertje haar niet op zal slikken, en evenmin bijten zal, zoo men het niet tergt. Ja, 't zijn heldinnen!quot;
„Ja, lach maar met ons,quot; zei Anna; „'t beest blies inderdaad alsof het zoo op 't punt stond, om op mij aan te vallen, en 't was voorwaar geen addertje, maar wel een degelijke adder, ten minste zóó lang!quot; en meteen bracht zij hare beide handen wel een paar voet van elkander.
„Dan moet óf de schrik de lengte van 't beest in uwe oogen verdubbeld hebben, öf het is een slang geweest, die uit het een of ander beestenspel was ontsnapt. Doch waar haalt Sinjeur Vondel het uit, dat de hagedis een vriendin is van den mensch? — steunt die overlevering op eenigen grond? Ik heb altijd bemerkt, dat zij wegliepen als men ze krijgen wou, en dat toont geen bijzondere vriendschap.quot;
„'t Is Plinius, zoo ik mij niet vergis, die 't vertelt,quot; zei Vondel: „en vermoedelijk berust het volksgeloof daarop, dat de hagedis zich veelal onthoudt aan muren en heiningen, dus in de nabijheid van den mensch. Maar wat daarvan zij, in een gedichtje mag men van een volksgeloof partij trekken, 't zij het op goede gronden steune of niet.quot;
„En nu,quot; zei Michiel: „zou nicht Anna ons niet op een liedje willen vergasten, eer wij weder verder gaan? Wij hebben — ik althans — in lang niets van haar gehoord.quot;
„Goed,quot; antwoordde Anna: „maar wat begeert neef Michiel? iets plechtigs? of iets vroolijks?quot;
„Iets vroolijks in elk geval,quot; antwoordde Michiel: „'s avonds moge men gestemd zijn, naar stichtelijke gezangen te luisteren ; voor den eten zijn die maar geschikt, om den appetijt te bederven.quot;
„Welnu!quot; sprak Anna: „zoo luister dan.quot;
254
En meteen, zich nederzettende aan 't klavier, zong zij het liedje, dat Vondel te haren gevalle vervaardigd en waar Dirk Swelingk de melodie voor gemaakt had:
Wat zongh liet vrolijck vogelkijn,
Dat in den boomgaerd zat?
Hoe heerlijek blinckt de zonneschijn
Van rijekdom en van schat!
Hoe ruischt de koelte in 't eicken hout,
En versch gesproten lof!
Hoe straelt de boterbloem als gout!
Wat heeft de wiltzangh stof!
Wat is een dier zijn vrijheit waert!
Wat mist het aen zijn wensch:
Terwijl de vreok zijn potgeld spaert!
O slaef! o arme menseh;
Waer groeien eicken t'Amsterdam?
O kommerziecke Beurs,
Daer noit genoegen binnenquam!
Wat mist die plaets al geurs!
Wy vogels vliegen, warm gedost,
Gerust van tack in tack.
De hemel schaft ons dranck en kost,
De hemel is ons dack.
Wy zaeien noch wij maeien niet:
Wy teeren op den boer.
Als 't koren in zijn aren schiet
Bestelt al 't lant ons voêr.
Wy minnen zonder haet en nijt,
En danssen om de bruit;
Ons bruiloft bint zich aen geen tijt,
Zy duurt ons leven uit.
Wie nu een vogel worden wil,
Die trecke pluimen aen,
Vermy de stadt, en straetgeschil.
En kieze een ruimer baen.
Toen Anna haar gezang beginnen zou, was, gelijk dit in meer diergelijke gevallen plaats heeft, een verandering gekomenin de wijze, waarop het gezelschap gegroepeerd was. Michiel Hinlopen had de tafel verlaten en zich achter de zangster geplaatst, om beter te luisteren: Vondel had mede zijn glas
255
romanée in den steek gelaten en was in een hoek voor het klavier gaan zitten, waar Catharina zich bij hem voegde. Jacob Jacobsz en Joan, die 't liedje meer gehoord hadden, hadden zich naar het verst verwijderde raam begeven, om daar in stilte over hunne bijzondere belangen te spreken, Mw. Hinlopen alleen aan de tafel latende. Ursula was naar de plaats, welke zij vroeger bij 't raam bekleedde, teruggeweken, om er haar naaiwerk te hervatten, — misschien ook, ofschoon wij dat niet stellig durven verzekeren, omdat zij Jacob Tijmensz, die haar zoo smeekend had aangezien, de gelegenheid niet wilde ontnemen, een woordje tot haar te richten, dat niet door het gansche gezelschap behoefde verstaan te worden. Zeker is het, dat Jacob Tymensz. de gelegenheid niet ongebruikt liet voorbijgaan, maar zich bij haar vervoegde en met een zachte, eenigszins bevende stem tot haar zeide:
„Ik wenschte wel te weten of ik met het aanstaande voorjaar weder naar Smeerenburg zal gaan.quot;
Smeerenburg was de naam van een toen bestaand Neder-landsch kantoor in de IJszee.
„Hoe wil ik u dat zeggen?quot; vroeg het jonge meisje, met nauwelijks hoorbare stem; want ook zij gevoelde, dat achter die schijnbaar onbeduidende woorden een dieper zin verscholen lag en dat zij tot inleiding dienden van een gewichtiger gezegde.
„Wel!quot; hervatte Jacob Tijmensz.; „omdat niemand dan gij alleen zulks beslissen kunt. Herinner u slechts, wat ik zooeven zeide, dat ik doodeenvoudig bij honk zou blijven, indien ik een levensgezellin had, die mij aan mijn huis boeide.quot;
Hoezeer deze woorden te duidelijk waren, om eenige verklaring te behoeven, en hoe liefelijk zij Ursula in 't ooi-klonken, toch mocht zij, als een zedige jonge juffer, niet te kennen geven, dat zij volkomen begreep, wat Jacob Tijmensz bedoelde. Een huwelijksaanvraag dient door hem, die haar doen wil, uitdrukkelijk gesteld te worden, wil hij er antwoord op ontvangen. Onze vrijer kreeg dan ook geen antwoord en was wel genoodzaakt, zijn wensch minder ingewikkeld voor te dragen.
256
„En behoef ik u te zeggen,quot; vervolgde hij: „dat ik mij den gelukkigsten man op de wereld zou rekenen, indien ik die
levensgezellin in u mocht vinden ?quot;
Dit was nu heel stellig en heel duidelijk; en toch bleef Ursula, ofschoon zij niet zou hebben durven beweren, geheel onvoorbereid te zijn op het aanhooren eener liefdesverklaring, zwijgend voor zich nederzien, even alsof het gesprokene haar
volstrekt niet gold.
„Moet ik uit uw stilzwijgen opmaken, dat mijn aanzoek u ongevallig is, Ursel?quot; vroeg wederom Jacob Tijmensz; „vmdt gij mij misschien te oud voor u? of staat mijn persoon u tegen?quot;
„Neen, dat niet,quot; fluisterde zij nauwelijks hoorbaar en altijd nog zonder de oogen te durven opslaan: „maar....
Waarschijnlijk zou ze moeite hebben gehad, om te vertellen wat er op dat maar moest volgen. Immers het aanzoek werd gedaan door iemand in de kracht van zijn leven, met een goed voorkomen, een vrij aanzienlijk vermogen, een kloek verstand, een goed hart, en wien zij zeer genegen was: — dat maar had dus eigenlijk geen reden of zin. Ook was zij, naar wij gelooven, niet ontevreden, dat Jacob Tijmensz, door 't woord weder op te vatten, haar ontsloeg van de moeite, den begonnen volzin ten einde te brengen.
„Indien gij niets bepaalds tegen mij hebt,quot; zei hij; „mag ik mij dan vleien, dat mijn aanzoek gunstig wordt opgenomen ?quot;
Ursula had eindelijk moed gevat, en de oogen even met een vriendelijke uitdrukking op hem vestigende, zeide zij. „ik mag hierin niets beslissen, Jacob Tijmensz; wend u tot mijn moeder; wat zij goedkeurt, zal ik ook goedkeuren.quot; — En dit gezegd hebbende, sloeg zij hare oogen weer neder, als
vreesde zij, te veel gesproken te hebben.
-jg veei — dat willen wij niet beweren; maar in allen geval was het gesprokene duidelijk genoeg, en Jacob Tijmensz zou al zeer ongemakkelijk hebben moeten zijn, indien hij er niet mee tevreden ware geweest.
257
Maar hij was tevreden, ja meer nog: hij was verrukt en kon niet nalaten in vervoering een hand te grijpen, die hem niet geweigerd werd, en te fluisteren: „dank! dank!....quot;
„Uitmuntend! treffelijk!quot; klonk het op eenmaal. Met schrik trok Ursula hare hand terug en keek naar buiten, opdat niemand hare kleur en hare ontroering zou bespeuren ; terwijl ook haar minnaar ter zijde trad.
Het lied was juist afgezongen.
„Dat is een van de fraaiste liedjes, die gij ooit hebt gemaakt. Sinjeur Vondel!quot; vervolgde Michiel: „en nu. Broeder!quot; — zich tot Jacob Tijmensz. wendende: „wat dunkt u? zou het onze tijd niet worden, om naar Oud-Bussum heen te trekken? 't Is weldra het uur, om ten disch te gaan en de juffers zullen wel verlangen, van ons ontslagen te zijn en zich te verkleeden.quot;
„Ik ben tot uwen dienst,quot; antwoordde Jacob Tijmensz, en wierp meteen aan zijn broeder een blik toe, dien deze begreep en die zooveel wilde zeggen als: „ik ben hier juist lang genoeg geweest, om het hoofddoel te bereiken, waarvoor ik gekomen was.quot;
De broeders namen hierop afscheid, en de overige leden van 't gezelschap gingen ieder de voor hem of haar bestemde kamer opzoeken, om aldaar te verrichten wat noodig was, ten einde, als de etensbel luidde, behoorlijk aan tafel te kunnen verschijnen.
IV.
„Wel, Mevrouw!quot; zei Vondel, toen het gezelschap in den avond van dienzelfden dag bij elkander gezeten was, tegen zijn gastvrouw: „hoe is het? zal dan geen uwer kinderen of neven het loffelijke voorbeeld volgen, dat hun door hunne ouders gegeven werd? Het wordt toch, dunkt mij, hoog tijd.
II. — Nov. 17
258
Daar is van de geheele familie Hinlopen nu nog alleen maar uw neef Jacob Fransen, die zich onder de vaan van Hymen begeven heeft.quot; — Jacob Fransen was, als hierboven gezegd is, met Maria Huydecoper getrouwd.
„Wat zal ik u zeggen. Sinjeur Vondel,quot; zei Mw. Hinlopen: „wat mijn dochters betreft, die zullen dienen te wachten tot de rechte Jozef om haar komt, en mijn zoons preek ik genoeg voor, dat het nu tijd voor hen wordt; maar dan komen zij mij altijd aan met het voorbeeld van neef Jacob Tijmensz. en neef Michiel, die een jaar of tien ouder zijn dan zij en
nog om geen trouwen denken.quot;
„Erg genoeg! erg genoeg!quot; zei de oude man, het hoofd schuddende; „hoe zou de wereld in stand blijven, als ieder dus het huwelijk versmaadde?quot;
„Neen! neen!quot; zei Jacob; „ik heb het nog veel te druk, om mij de beslommeringen op den hals te halen, die vrouw en kinderen meebrengen. Te Amsterdam neemt het kantoor al mijn tijd weg, en ben ik hier, dan verzeker ik u, dat ik ook niet behoef ledig te zitten. Dan heb je de pachters en huisluiden, die mijn deur afloopen, om de rekeningen, die moeten worden nagezien, en Schout en Schepenen, met wie te spreken valt, zoodat ik nauwelijks tijd heb, om van
't buitenleven te genieten.quot;
„Gekheid!quot; zei Mw. Hinlopen; „geloof hem niet. Sinjeur Vondel! Wat hij verstaat onder 't genieten van 't buitenleven weet ik niet; maar wel, dat hij van den vroegen morgen af in den tuin is aan 't snoeien en t planten en poten, met zooveel ijver, dat ik haast niet weet, waarvoor wij ei
een tuinier op nahouden.quot;
„Wel Moeder!quot; merkte Jacob hierop aan; „als ik met geen goed voorbeeld voorga, hoe wil ik dan vergen, dat het volk arbeidzaam zij. En bovendien, daar zit nu Anna uw vertugadin te verstellen; is dat ook niet een werk, dat zij evengoed aan de kamermaagd kon overlaten? En Catrijntje, als zij niet leest, dan is zij bezig schoonschriften te maken, trots Coppenol en De Lange; kon ik nu ook niet vragen; waartoe
259
verdoen zij haar tijd met een arbeid, waar zij niet toe verbonden zijn?quot;
„Wel!quot; riep Catharina: „zou broeder dan verlangen, dat wij met de armen over elkander zaten? Anna is handig met de naald en die arbeid vermaakt haar; ik daarentegen, die niets zou doen dan broddelen, heb meer liefhebberij in teekenen en schoonschrijven en zoo vervelen wij ons nooit.quot;
„Ik maak er u ook geen verwijt van,quot; hernam Jacob: „ik beroep mij slechts op uw voorbeeld, om mijn tuinarbeid te rechtvaardigen.quot;
„En toch wil ik wedden,quot; viel hier Joan in: „dat als de rechte Jozef kwam, waar moeder van sprak, de naald en de inktpot wel aan een zij zouden worden gesmeten.quot;
„Wel integendeel!quot; riep de levendige Catharina: „ik smeet den vrijer, die zoo iets vorderde, den inktpot liever naar 't hoofd.quot;
„En ik stak hem met de naald, liever dan die uit de hand te leggen,quot; zei Anna.
„Ik zie wel,quot; merkte Vondel aan: „dat ik vooralsnog alle hoop moet opgeven, om mijn wensch vervuld te zien; want wat uw broeder Joan betreft.. . .quot;
„Jawel,quot; viel Joan in: „die loopt nog altijd de hazen na, liever dan de vrijsters.quot;
„Wij eeren Minerva, Diana en Vertumnus,quot; zei Catharina: „en gunnen Cupido alsnog op Rustenbergh den toegang niet.quot;
„Vertumnus?quot; vroeg Ursula: „dien ken ik niet; wie is dat?quot;
„Ja,quot; antwoordde Catharina: „dat is 't, als men 't geluk heeft nu en dan een dichter bij zich te hebben, die in de fabelkunde thuis is, als Sinjeur Vondel. Vertumnus was de man van Pomona, de ooftgodin, en ik noemde hem als patroon van den tuinbouw.quot;
„Nu, het doet mij genoegen, nicht TJrsel, dat wij uw aangenaam stemmetje ook eens vernemen. Je zijt zoo stil hedenavond, dat ik al vreesde of er wat aan schortte.quot;
„Ik had mij,quot; merkte Ursula aan, „niet te mengen in een quaestie, waar ik geheel buiten was.quot;
260
„Zeg liever,quot; zei Jacob: „dat je nadacht over het antwoord, dat je geven zoudt, wanneer men eens aan u de vraag deed, die zooeven tot ons gericht werd.quot;
„Ik geloof niet, dat zij daar meer over heeft na te denken,quot; zei Joan, met een spotachtig gezicht. Het stil gesprek tus-schen zijn neef en het jonge meisje was hem niet ontgaan en hij had uit beider houding wel kunnen raden, wat daarvan het onderwerp was.
„Niet?quot; vroeg Mw. Hinlopen, half onzeker of zij de woorden van haren stiefzoon als louter scherts moest opvatten, dan of wellicht achter die scherts nog een ernstiger meening lag verborgen: „je schijnt er meer van te weten dan een van ons allen.quot;
„Och!quot; zei Anna: „Joan spot maar, als naar gewoonte. Wat wou hij weten wat ons Urseltje denkt of niet.quot;
„O, spreek jij niet mee. Zusje,quot; zei Joan: „als men den ganschen dag de oogen op zijn naaiwerk of op de noten van 't klavier gevestigd houdt, dan ziet men niet wat er om zich heen gebeurt; maar ik brei netten en dan gaan mijn oogen
vrij in 't ronde.quot;
„En,quot; zei Mw. Hinlopen: „als men dan dingen ziet, die men niet moest zien, dan houdt men dit voor zich en praat er niet over.quot;
„Wel! ik vertel immers ook niets,quot; hernam Joan: „ik verklap geen geheimen; ik zeg alleen wat ik geloof.quot;
Ursula had intusschen tijd gehad, om van de verlegenheid, waarin de plaagzucht van Joan haar een oogenblik gebracht had, te bekomen en, oordeelende, dat scherts niet beter dan door scherts beantwoord kan worden, zeide zij lachende: „Joan heeft volkomen gelijk: ik heb een vast besluit in de quaestie genomen.quot;
„Zoo!quot; riepen verscheidene stemmen te gelijk: „en dat is?....quot;
„Wel!quot; antwoordde zij: „als de rechte Jozef komt, zal ik hem nemen; maar 't moet dan ook natuurlijk de rechte zijn, komt hij niet, welaan! dan zal ik mij troosten.quot;
„Heel wijs gesproken,quot; zeide Joan: „en 't doet mij genoe-
261
gen, dat Sinjeur Vondel althans hier één persoon vindt, die er rond voor uitkomt, niet tegen het huwelijk op te zien, maar ik . ..
Hier zweeg hij op een wenk van Mw. Hinlopen, die naar Vondel wees. De oude man had een papier genomen, dat op tafel lag, en was aan 't schrijven gegaan.
„Praat maar door,quot; zei hij, toen plotseling allen zwegen: „het hindert mij niet.quot;
„Ik kan mij daar geen denkbeeld van maken,quot; zei Jacob, doch nu met zachter stem, tegen Joan: „hoe iemand in staat is, verzen te maken, terwijl men babbelt om hem heen.quot;
„En ik,quot; zei de andere: „kan mij in 'f geheel geen denkbeeld maken, hoe men tot verzen maken in staat is; ik althans zou geen kans zien, twee regels te schrijven, waar rijm noch maat aan ontbrak; maar ik onderstel, dat de man ons gesnap niet meer telt dan hij het gezang van een kwartel of kanarievogel doen zou, die in de kamer zijn deuntjes floot.quot;
„'t Is toch een benijdenswaardige gaaf,quot; zei Catharina fluisterend tegen de beide andere meisjes: „zich zoo in den geest te kunnen afzonderen, dat men in 't gezelschap gedichten kan schrijven.quot;
„Maar wat een hoofd ook?quot; zei Anna: „en wat een vuur nog in die oogen; kijk! ik zou nog op hem kunnen verlieven, zoo oud als hij is.quot;
„Ik ben althans recht in mijn schik,quot; zei Ursula, „hem eens ontmoet te hebben en vooral er getuige van te zijn, met wat gemak hij zijne gedachten op 't papier uitstort. Ik zou 't ongelooflijk hebben geacht, indien ik 't niet gezien had; maar nu begrijp ik, hoe de man bij machte is, zooveel te leveren.quot;
Nog een wijl bleef men onderling, ofschoon nu op stiller toon, met elkander praten, toen Vondel plotseling 't hoofd ophief en zeide:
„'t Gezelschap zal mij verschoonen; maar het gesprek van zooeven deed daar opeens den lust bij mij ontwaken, om hetgeen ik hoorde, in rijm te brengen en als men 't hooren wil, zal ik het gaarne voordragen?quot;
II. — Nov. 17*
262
„Is dat een vraag?quot; zei Mw. Hinlopen; „wij verlangen niets
liever en zijn geheel gehoor.quot;
„ Welaan dan; het moge tot opschrift dragen:
DE GESTUITE MINNEGOD.
De fiere Venus sprack
Tot haeren kleinen dwergh:
Ga heen, bestorm het dack Van 't forsse Bustenbergh,
Dat met ons torts en wapens schimpt,
Zoo trots, dat my er 't hart af krimpt.
Kupido schoot en toogh
Zijn snelle vleugels aen:
Hy nam zijn' taeien boogh En koocker, zwaer gelaen Van pijlen, scherp gewet, en gladt,
En daermee heen op ' t luchtig padt.
In 't vliegen zagh de Godt,
Die al de weerelt toomt.
De toppen van het slot Van verre door 't gehoomt Uitsteecken, en hy streeck er in.
Wat slot, wat sterckte keert de min!
„Zoo? is hij er toch ingekomen?quot; vroeg Joan; „dat is meer dan ik wist,quot; en hier keek hij zijlings naar Ursula.
„Hoor maar, hoe 't hem verging,quot; zei Vondel, en vervolgde:
Doch 't gingh hem in dit perck
Uit zijne gissing; want Een ieder op zijn werek Boodt rustigh wederstant.
Zoo ras hy toeley om terstont Te treffen wat hy bezigh vont.
De voorste klonck de schaer
Met yver hem naer 't hooft....
Dat deed Anna,quot; viel Joan in.
„Maar zwijg toch, Joan,quot; zei Mw. Hinlopen. Vondel ging voort.
Een zorgelijck geweer,
Hoe stout de Min verdooft!
Een andre smeet met kracht en stijf Den looden inckpot hem naer 't lijf.
263
Allen lachten en zagen Catharina aan.
De derde kerft en kruist En snijt en steeokt te fel.
Het snoeimes in de vuist (Al nam de Min de hel Te baet) ontzagh noch pees noch schicht.
De looze schutter viel te licht.
„Nu ziet men alweer waar een snoeimes goed voor kan zijn,quot; zei Jacob.
De vierde sufte niet
Maer greep het lange roer,
Dat menigh vogel schiet,
Hy mickte en dreigde en zwoer Den schutter in een omzien ras Te steecken in zijn vogeltas.
„Sapperloot!quot; zei Joan: „als ik zulk een vogel ving, ik ging er de kermissen mee rond, en liet hem kijken voor geld. Ik wed, dat ik er een vetten buidel mee opdeed.quot;
„Je bent onverdraaglijk, Joan,quot; zei Catharina: „laat vader Vondel toch doorlezen.quot;
En Vondel las door:
De Minnegodt, in 't endt Gekeert van daer hy quam,
Zijn moeder heeft bekent Dat pijl noch minnevlam Niet hechten kan op dit geslacht.
Dat bezigh ledigheit veracht.
Nadat allen het luimige gedichtje toegejuicht en den dichter er voor bedankt hadden, zei Joan :
„Waarlijk! Cupido trof het dan ook slecht, dat hij ons met ons vieren alleen trof: hij had zich anders, bij ons niets dan weerstand vindende, op een der gasten kunnen wreken — op u b. v.. Sinjeur Vondel.quot;
„Op mij?quot; vroeg deze lachende: „Neen, neen, het is alleen, wanneer, zooals in de fabels, de Dood en de Min in vergissing
264
elkanders pijlen nemen, dat een oud man, in plaats van naai zijn graf, uit vrijen gezonden wordt.quot;
Nu dan, op nicht Ursel misschien!quot; hernam Joan: „en wie weet? Ik zeg niets; maar 't zou mij zeer verwonderen, indien wij t'avond of morgen niet nog van Cupido's wraakneming hoorden.quot;
En werkelijk hoorde men er spoedig van. 't Duurde geen week, of de maar was overal verspreid, dat Ursula Van Bergen aan Jacob Tijmensz Hinlopen was verloofd: - en eer de winter gekomen was, waren beiden een paar en bezong Vonde hun huwelijk in een schitterenden bruiloftszang.
En de overige personages, die ik in dit familietafereel sprekende heb ingevoerd, bleven zij voortdurend de pijlen der min trotseeren? Het doet mij leed, dat ik hierop niet dan omtrent enkelen een bevredigend antwoord geven kan. Van Joan Hinlopen kan ik zeggen, dat hij, vier jaren later, eindelijk eens afliet alleen de hinden en de hazen na te loopen en m 't huwelijk trad met Leonore Huydecoper, zuster van Maria, de vrouw van zijn neef Jacob Fransen. Zijn echt werd echter, voor zoover bekend is, niet door Vondel, maar door Vos bezongen. ') 't Schijnt dat de echte staat hem wel bevie , althans na 't verlies zijner eerste vrouw hertrouwde hij met Lucia Wybrands. Regeeringsposten bekleedde hij met; vermoedelijk omdat hij zijn tijd liever in 't Gooi sleet
Ook zijn broeder Jacob, die in 1658 Schepen en Raad werd, moet omtrent denzelfden tijd getrouwd zijn; ofschoon het mij niet bekend is met wie. Immers hij had een zoon, die hem in Schepensbank en Vroedschap opvolgde. Of en met wie zijn zusters trouwden, heb ik evenmin kunnen ontdekken _
Wat de lotgevallen betreft der verdere personen, die in het voorgaand tafereel optraden, zoo kan ik van Jacob Tijmensz Vermaes vermelden, dat hij in 1655 Regent werd van het
!) Jan Vos, Gedichten, I, 262.
265
Tuchthuis, in welke hoedanigheid Vondel hem een gedichtje opdroeg op de afbeelding der Tucht, boven de poort van dat gebouw gesteld. Ook droeg onze dichter hem in 1668 zijn laatste treurspel op, de vertaling van Hercules in Trachin, waaruit men kan afmeten, dat de Hinlopens zich voortdurend zijn beschermers toonden.
Michiel bleef zich levenslang buiten alle regeeringszaken houden, om zich alleen aan de kunst te wijden. Hij stierf in 1709 op een-en-negentig-jarigen leeftijd en liet aan de stad Amsterdam bij uitersten wil zijne kunstverzameling na, bestaande uit de voornaamste werken van Italiaansche, Fransche en Nederlandsche meesters. Deze verzameling, te dier tijd geplaatst in een afzonderlijk vertrek, het „konstkabinetquot; genoemd, bedroeg niet minder dan zeven duizend prenten, in 52 banden en waarvan de inhoud, die met de hand van Hinlopen op ieder nummer was opgeteekend, afzonderlijk ter thesaurie werd geboekt. Na de wederoprichting eener Stads-teekenschool werd deze verzameling verrijkt door geschenken van Ploos Van Amstel, Husly, Buis en anderen ; doch ongelukkig naar 't gebouw dier school in de Raamstraat overgebracht, waar zij onder kwalijk opzicht stond en deerlijk geplunderd werd. Later verhuisd naar het lokaal der Koninklijke Academie van Beeldende' Kunsten, stond zij aldaar aan nog grooter spoliatie ten prooi. Haar bestaan zelfs was vergeten en 't was eerst voor weinige jaren, dat onze bekwame Directeur der graveerschool, Kaiser, zijn medeleden in den Raad van Bestuur op de nog overgebleven kunstschatten opmerkzaam maakte en er opnieuw voor een goede klassificeering en behoorlijke bewaring werd gezorgd.
Het geslacht der Amsterdamsche Hinlopens — want men had er evenzeer te Hoorn — hoe talrijk en bloeiend ook in de 17de eeuw, is sedert lang geheel uitgestorven en vandaar dan ook de reden, dat het zoo moeielijk is, behoorlijke narichten omtrent de leden daarvan te bekomen, en men het weinige, dat van hen bekend is, uit de Regeerings- en Bestuurslijsten, uit de werken der dichters en uit hier en
266
daar toevallig ontdekte bijzonderheden moet samengaren. Toch is het te wenschen, dat meer bekend worde omtrent mannen, die zich bij stad en medeburgers als Regenten en Mecenaten verdienstelijk maakten, — omtrent vrouwen, die waardig waren door Vondel bezongen te worden. Het was voornamelijk, om de aandacht op hen te vestigen, dat ik de bovenstaande schets ontwierp.
Bladz
Emilia Barten..........
Een bedrukte vader........
Cornelia Vossius.........
Een vertelling van mejuffrouw Stauflfacher.......8
De kroon boven 't wapen.............150
Een wakker man................192
Rustenbergh..................233
üE VOOlS
r- fquot;»quot;
a5SB
ïMSt1quot;v' '/ ^SB
vm r~* n ■
LTUB.Sii-i'
Ulj
tiill ^ -
x£U151\